GEKWALIFICEERD LOOPT JE TOEKOMST GESMEERD Voorkomen en aanpakken van vroegtijdig schoolverlaten
Advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, Wetstraat 34-36, 1040 Brussel W www.serv.be – T +32 2 209 01 11 – E info@serv.be
Adviesvraag
Nieuw Actieplan ter preventie en aanpak van schooluitval
Adviesvrager
Ben Weyts - Vlaams minister van Onderwijs, Sport, Dierenwelzijn en Vlaamse Rand
Ontvangst adviesvraag
20 december 2021
Decretale opdracht
SERV-decreet 7 mei 2004 art. 11 (overlegfunctie)
Goedkeuring raad
7 maart 2022
Contactpersoon
Mieke Valcke
mvalcke@serv.be
2
De heer Ben WEYTS Vlaams minister van Onderwijs, Sport, Dierenwelzijn en Vlaamse Rand Kreupelenstraat 2 B-1000 Brussel
Advies nieuw Actieplan ter preventie en aanpak van schooluitval Geachte mijnheer de minister, De SERV ondersteunt uw voornemen om op korte termijn een nieuw actieplan ter preventie en aanpak van schooluitval (VSV) op te maken. Het aantal vroegtijdige schoolverlaters blijft te hoog (9,4%), de doelstelling uit het Pact 2020 (4,3%) is niet in zicht. De loopbaan van wie zich niet kwalificeert is veel precairder. Dat heeft invloed op inkomen, gezondheid, relaties en welbevinden. De strijd tegen vroegtijdig schoolverlaten moet voor de SERV een echte beleidsprioriteit zijn, onder verantwoordelijkheid van de beleidsdomeinen onderwijs, welzijn en werk. Structurele middelen moeten voorzien worden: elke geïnvesteerde euro in het VSV-beleid verdient zich meermaals terug. Pijnpunten in de leerlingenbegeleiding zoals aangetoond door het Rekenhof moeten worden aangepakt en wetenschappelijke inzichten o.a. van SONO moeten vertaald worden naar de praktijk. De SERV suggereert verschillende beleidslijnen en acties; vele daarvan zijn reeds in min of meerdere mate gangbaar maar kunnen zeker nog versterkt en veralgemeend worden. •
Er moet bij uitstek een coherent beleid tegen schooluitval zijn in het initieel secundair onderwijs. Preventieve maatregelen zijn zoveel meer aangewezen dan curatieve gezien het belang van een sterke startkwalificatie en de hoge kosteneffectiviteit van preventie.
•
Aangezien het om jongvolwassenen tussen 17 en 24 gaat, moet nog veel meer ingezet worden op het kwalificerend aanbod in het secundair volwassenenonderwijs. Voor meer vroegtijdige schoolverlaters dan vandaag het geval is, ligt daar een realistische kans op het halen van een kwalificatie.
•
Aan jongvolwassenen die zonder kwalificatie op de arbeidsmarkt komen, moet perspectief geboden worden op een kwalificerende loopbaan. Dat kan door samen met arbeidsmarktpartners voluit in te zetten op leerjobs en beroepskwalificerende trajecten.
De SERV is erkentelijk voor de mogelijkheid om input te leveren voor het nieuw actieplan tegen schooluitval en ondersteunt, waar relevant vanuit sociaaleconomische invalshoek, de uitrol ervan. Hoogachtend, Pieter Kerremans
Hans Maertens
administrateur-generaal
voorzitter
Kopie: minister van Werk, Hilde Crevits en minister van Welzijn, Wouter Beke
Inhoud Krachtlijnen
6
Advies
8
1.
2.
Wat we weten
8
1.1
Over wie het gaat
9
1.2
Over de leerlingenbegeleiding in het beroepsgericht onderwijs
11
1.3
Over de complexiteit en het belang van verbinding
12
1.4
Over de aantrekkingskracht van de arbeidsmarkt
13
Wat we kunnen en moeten doen 2.1
14
Maak van de strijd tegen vroegtijdig schoolverlaten een beleidsprioriteit
15
2.2
Kwalificeer bij uitstek in het initieel secundair onderwijs
16
2.3
Kwalificeer via andere wegen in het onderwijs
18
2.4
Kwalificeer via trajecten bij de start van of tijdens de loopbaan
18
5
Krachtlijnen •
Verder bouwen op de sterktes van het huidige VSV-beleid
Het aantal vroegtijdige schoolverlaters blijft te hoog. De SERV ondersteunt voluit de opmaak van een nieuw actieplan VSV. De loopbaan van wie zich niet kwalificeert is immers veel precairder. Dat heeft invloed op inkomen, gezondheid, relaties en welbevinden. Vlaanderen moet verder inzetten op de verschillende sporen die hun meerwaarde bewijzen en daarbij versnippering in acties vermijden. Het nieuw actieplan voorziet van bij de start de nodige monitoring en evaluatie. •
Vroegtijdig schoolverlaten (VSV) gericht aanpakken
De factoren die VSV beïnvloeden zijn goed gekend. Jongens die één of meerdere jaren hebben moeten overzitten, in een arbeidsmarktgerichte opleiding les volgen en die in de stad wonen, hebben een veel grotere kans op VSV. Jongeren die een verkeerde studiekeuze namen, die de binding met de school verliezen en aan wie minder hoge verwachtingen worden gesteld, lopen eveneens een verhoogd risico. Er is een gericht beleid nodig om de impact van die factoren op VSV te keren. •
Van de strijd tegen vroegtijdig schoolverlaten een echte beleidsprioriteit maken
Vermijden en aanpakken van VSV is een verantwoordelijkheid van de beleidsdomeinen onderwijs, welzijn en werk. De nodige middelen moeten voorzien worden: elke geïnvesteerde euro in het VSV-beleid verdient zich meermaals terug. Pijnpunten (cfr. het Rekenhof) moeten aangepakt worden en wetenschappelijke inzichten (cfr. SONO) vertaald naar de praktijk. Ondersteuning en permanente bij- en nascholing van het onderwijzend personeel is nodig, goede leraren verminderen immers de kans op VSV. •
Schooluitval bij uitstek in het initieel so voorkomen door preventie en interventie
Zorg voor fijne en succesvolle schoolloopbanen met nadruk op verbinding. Voer een sensitief spijbelbeleid. Vermijd zittenblijven want dat is slechts bij uitzondering positief voor leerlingen. Wees kritisch t.a.v. de praktijk van de B-attesten. Wijs jongeren op de loopbaankansen die de combinatie van een onderwijskwalificatie en het hebben van werkervaring, via Duaal Leren, biedt. Werk samen met sectoren en lokale ondernemingen om de aantrekkelijkheid van arbeidsmarktgerichte opleidingen te verhogen.
6
•
Jongeren tijdig op pad naar andere onderwijskwalificerende trajecten zetten
Benut de examencommissie voor zelfredzame leerlingen. Verlaag de drempels naar een kwalificerend traject in het volwassenenonderwijs. Leerlingen met een kwetsbare sociaaleconomische status stromen veel vaker ongekwalificeerd uit én vinden minder hun weg naar het secundair volwassenonderwijs. •
Perspectief bieden via kwalificerende trajecten bij de start van de loopbaan
Voor de SERV moet elke jongvolwassene die ongekwalificeerd op de arbeidsmarkt komt perspectief krijgen op een kwalificerende loopbaan. Sectoren hebben alle belang bij gekwalificeerde werknemers. Sterke, beroepskwalificerende leerwegen moeten meer van de grond komen. De VDAB lanceert in nauwe samenwerking met sectoren het traject van de leerjob, waar de SERV ten volle achterstaat. Het spoor van geïntegreerde kwalificerende opleidings- en EVCtrajecten wordt nog onderbenut. Werk samen met sectoren en VDAB rond de jongeren die geen opleiding volgen en niet aan het werk zijn (NEET).
7
Advies De SERV wil met het advies ‘Gekwalificeerd loopt je toekomst gesmeerd. Voorkomen en aanpakken van vroegtijdig schoolverlaten.’ inspiratie bieden voor een nieuw actieplan rond succesvolle schoolloopbanen en het gekwalificeerd kunnen starten aan de loopbaan. De SERV geeft in een eerste deel van dit advies een kort overzicht van de cijfers en van recent onderzoek. In een tweede deel doet de SERV aanbevelingen en suggesties voor: •
een globaal beleid m.b.t. vroegtijdig schoolverlaten;
•
het meer kwalificeren in het initieel onderwijs of voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten;
•
het kwalificeren via trajecten in het onderwijs na het initieel onderwijs;
•
het kwalificeren via beroepskwalificerende trajecten.
1. Wat we weten De SERV was in 2015 erg positief dat de Vlaamse regering met de conceptnota en het actieplan 'Samen tegen schooluitval', een geïntegreerd beleid rond schooluitval wenste te voeren en daarbij te focussen op samenwerking, over beleidsdomeinen heen 1. In de Beleidsnota Onderwijs 2019-2024 wordt het vroegtijdig schoolverlaten erkend als signaal dat het onderwijs zijn maatschappelijke opdracht nog niet volledig realiseert. Recente hervormingen die moeten bijdragen aan minder schooluitval zijn o.a. de modernisering van het secundair onderwijs, het versterken van de leerlingenbegeleiding en de invoering van het duaal leren. De problematiek van het vroegtijdig schoolverlaten blijft groot. De SERV schetst hieronder kort •
wie een vroegtijdige schoolverlater is;
•
wat de cijfers (deels aangereikt en toegelicht door het DO&V) vertellen over de omvang van de problematiek;
•
wat onderzoek van het Steunpunt Onderwijsonderzoek en het Rekenhof over vroegtijdig schoolverlaten aan het licht bracht;
•
1
enkele bevindingen omtrent de pullfactor van de arbeidsmarkt.
SERV, Advies ‘Samen tegen schooluitval’, 28 september 2015
8
1.1 Over wie het gaat Omschrijving Een vroegtijdige schoolverlater is ‘een leerling die niet langer leerplichtig is en die een regulier kwalificerend traject van het Vlaams secundair onderwijs verlaat zonder kwalificatie met een beroepsfinaliteit of een finaliteit doorstroom hoger onderwijs’. Een jongere stroomt ongekwalificeerd uit als hij of zij géén van volgende kwalificaties heeft behaald: •
een diploma secundair onderwijs;
•
een studiegetuigschrift van het 2de leerjaar van de 3de graad van het beroepssecundair onderwijs (bso);
•
een eindgetuigschrift behaald in het deeltijds beroepssecundair onderwijs (dbso);
•
een certificaat behaald in de leertijd (Syntra);
•
een getuigschrift behaald in de opleidingsvorm 3 (OV3) van het buitengewoon secundair onderwijs (buso);
•
een certificaat behaald in het modulair stelsel van het bso, het dbso en buso OV3.
Indicatoren vroegtijdig schoolverlaten •
Er zijn twee indicatoren voor vroegtijdig schoolverlaten (VSV). Er is de EAK-indicator (Enquête naar Arbeidskrachten) die Europese benchmarking mogelijk maakt maar gebaseerd is op een steekproef en veranderingen slechts traag capteert. Het doel van de Europa 2030-strategie is 9% VSV tegen 2030. In 2020 was er volgens die indicator 6,7% VSV in het Vlaamse Gewest. Vlaanderen situeert zich in het midden van de Europese rangschikking samen met Oostenrijk en Finland. Een tweede indicator is de VSV-indicator van het Departement Onderwijs & Vorming (DO&V) op basis van administratieve databanken. De SERV baseert zicht in dit advies op deze indicator. De meest recente cijfers zijn deze van het schooljaar 2019-2020.
•
Jaarlijks verlaten ca 8.000 jongeren het Vlaams secundair onderwijs vroegtijdig. In ’19-’20 was er echter voor het eerst sinds ’14-’15 een daling tot 9,4%2 of ca 6.100 leerlingen. In 2018-2019 was dat nog 12,1%. Het DO&V verwacht dat de daling mogelijks een tijdelijke knik is n.a.v. de coronapandemie.
2
Het percentage vroegtijdig schoolverlaten wordt berekend op het aantal leerlingen in de regulier kwalificerende leertrajecten. Het is het resultaat van de verhouding tussen vroegtijdige schoolverlaters en de som van vroegtijdige schoolverlaters en gekwalificeerden.
9
Wie loopt de meeste kans op VSV •
•
De verschillen in schooluitval naar onderwijsvorm zijn groot: •
ASO: 2,2% - 552 leerlingen
•
TSO: 5,9% - 1.189 leerlingen
•
KSO: 10,2% - 157 leerlingen
•
BSO: 14% - 1.928 leerlingen
•
BuSO: 33% - 540 leerlingen
•
Syntra: 36,2% - 132 leerlingen
•
DBSO: 58,1% - 1.600 leerlingen
•
Totaal: 9,4% - 6.098 leerlingen
De evolutie per onderwijsvorm vertoont ongeveer hetzelfde verloop als die van het globaal VSV-cijfer, nl. een geleidelijke stijging de voorbije jaren en een dalende knik in ’19-‘20. Voor Duaal Leren zijn de cijfers niet apart beschikbaar. Wat de uitschieter (in %) in DBSO betreft, moet er rekening mee gehouden worden dat de leerlingen vaak pas na een negatieve spiraal van ongewettigde afwezigheid in andere onderwijsvormen in het DBSO terechtkomen en soms maar voor een korte periode.
Figuur 1. Evolutie VSV per onderwijsvorm in %
Evolutie VSV per onderwijsvorm 70,0%
60,0% 50,0% 40,0% 30,0% 20,0% 10,0% 0,0% aso
bso
kso
tso
dbso
2015-2016 % vsv 2016-2017 % vsv
Syntra
buso OV3
buso OV4
2017-2018 % vsv
2018-2019 % vsv 2019-2020 % vsv Cijfers: DO&V (dataloep, eigen bewerking)
•
De genderverschillen zijn aanzienlijk: 11,9% van de jongens en 6,7% van de meisjes verlaat vroegtijdig de school.
•
Gezinstaal en het opleidingsniveau van de moeder spelen een grote rol. Bij jongeren die thuis geen Nederlands spreken bedraagt het VSV 19,7%, bij jongeren die Nederlands als thuistaal hebben 5,7%.
•
De hoogste aantallen VSV situeren zich in de leeftijdscategorie 17-18 en 18-19 jaar.
•
In de centrumsteden en Brussel loopt het vroegtijdig schoolverlaten op tot 17%.
•
Cijfers m.b.t. attestering: 10
•
schoolse achterstand is een goede voorspeller van vroegtijdig schoolverlaten. Bij leerlingen zonder schoolse achterstand ligt het percentage vroegtijdige schoolverlaters op 0,8%, bij 1 jaar achterstand op 11%, bij 2 jaar achterstand op 31,9%, en bij meer dan 2 jaar op 46,4%;
•
de voorbije jaren waren er telkens tussen de 25.000 en 30.000 leerlingen die van studierichting moesten veranderen en meer dan 15.000 jongeren die hun jaar moesten overdoen. Vlaanderen telt dubbel zoveel jongeren die op hun 15de al eens een jaar moesten overdoen als het Europese gemiddelde;
•
in het schooljaar 2019-2020 zakte de B en C-attestering aanzienlijk wat mee de daling van het vroegtijdig schoolverlaten zal verklaren.
Figuur 2 Evolutie B en C attestering
Evolutie B en C attestering 35000 30000 25000
25603
20000 15000
16673
26898
27766
17800
17705
29875
16757
16757 10972
10000 5000 0 2015-2016
2016-2017
2017-2018 B-attest
2018-2019
2019-2020
C-attest
Cijfers: DO&V (dataloep, eigen bewerking)
1.2 Over de leerlingenbegeleiding in het beroepsgericht onderwijs De SERV nodigde in juni 2021 het Rekenhof uit voor een toelichting van zijn rapport ‘Voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten. Leerlingenbegeleiding in het beroepssecundair onderwijs.’ Het Rekenhof stelde onder meer vast: •
Over de leerlingenbegeleiding: •
leerlingenbegeleiding is een stevige opdracht in het BSO en het DBSO omwille van een hoog aandeel kansarme leerlingen en leerlingen met een gemotiveerd verslag (M-decreet, nu Leersteundecreet);
•
leerkrachten, zeker in het BSO, moeten nog meer inzetten op basiszorg; een grotere cultuuromslag is nodig naar een minder bestraffende aanpak van storend gedrag;
•
bij 30% van de BSO-scholen en bij 15% van de CDO’s is het talenbeleid onvoldoende uitgewerkt;
•
in het BSO zijn er veel minder flexibele leerwegen dan in het DBSO; 11
•
door de nieuwe organisatie van de CLB-werking en de extra taken voor de CLB is er bij de scholen enige ontevredenheid omdat trajecten trager vorderen en omdat het CLB minder betrokken is bij de school.
•
Over werkplekleren en de Naadloos Flexibele Trajecten: •
de BSO-scholen en de CDO’s zijn tevreden over de werkgevers, aandachtspunten zijn wederzijdse verwachtingen en voldoende leerwerkplekken voor alle leerlingen;
•
de NAFT-trajecten zijn te beperkt of soms onaangepast, de toeleiding duurt te lang en de opstart van trajecten kan onvoldoende voorbereid worden.
•
Over het spijbelbeleid: •
80% van de scholen zet in op een aanklampende werking, 54% doet huisbezoeken bij problematische situaties, 35% voert gesprekken met leerlingen, 29% neemt sancties (nablijven, nul op een toets, vermindering leervergoeding), 19% schrijft leerlingen uit, 17% zet in op verbinding met leerlingen en 13% werkt samen met diensten zoals OCMW, spijbelcoach of straathoekwerkers;
•
scholen vermelden verbindend en warm schoolklimaat als de belangrijkste factor om VSV te voorkomen (77%), maar slechts 17% zegt dit ook in de praktijk te doen, gevolgd door leerwegen op maat (42%) en een aanklampende werking (29%).
Het Rekenhof concludeert dat het actieplan ‘Samen tegen Schooluitval’ van 2016 onvoldoende de doelstellingen heeft behaald. De 4,3% doelstelling uit het Pact 2020 werd niet behaald en het plan werd niet geëvalueerd. In Vizier 2030, de Vlaamse vertaling van de Sustainable Development Goals, is een daling van vroegtijdig schoolverlaten opnieuw een doelstelling maar zonder dit te concretiseren of operationaliseren. Het Rekenhof geeft als aanbeveling onder andere de opmaak van een nieuw actieplan met één algemeen streefcijfer VSV én een streefcijfer per onderwijsvorm; een beleid dat de CDO’s en de BSO-scholen ondersteunt in hun brede basiszorg, talenbeleid, spijbelbeleid en flexibele leerwegen, een invulling van de aanloopfase en de NAFT die tegemoet komt aan de kwetsbaarste leerlingen en een duidelijke taakafbakening tussen de CLB’s en de scholen.
1.3 Over de complexiteit en het belang van verbinding Vroegtijdig schoolverlaten is een veelzijdige problematiek. Niet enkel het Rekenhof maar ook andere onderzoeken en rapporten verwijzen voor oplossingen op het belang van verbinding.
12
SONO Het Steunpunt Onderwijsonderzoek (SONO 2016-2020) had een onderzoekslijn rond spijbelen en vroegtijdig schoolverlaten. In hun eindrapport3 stellen de onderzoekers dat: •
spijbelen en vroegtijdig schoolverlaten doorgaans ingebed zijn in een web van persoonlijke en sociale problemen;
•
het bindingsperspectief een manier is om vat te krijgen op dat web, daarbij wordt aangenomen dat de kans op spijbelen en/of vroegtijdig schoolverlaten groter wordt naarmate de binding tussen de leerling en de school om welke reden dan ook verzwakt; spijbelen en vroegtijdig schoolverlaten zijn fases in een onthechtingsproces;
•
in het bindingsperspectief is binding geen eigenschap van een leerling of van scholen maar van de relatie tussen de leerling en zijn of haar school. Succesvolle preventiemaatregelen dienen afgestemd te zijn op die relatie én kunnen nooit eenrichtingsverkeer zijn.
Rapport Brinckman Ook het rapport ‘Naar de kern: de leerlingen en hun leer-kracht’ (2021) van de commissie Beter Onderwijs gaat in op het vroegtijdig schoolverlaten en op verbinding. Kinderen, en zeker ook kansarme kinderen, leren beter als de school en de leerkracht met hen een band aangaan. Aanwezigheid op school en in de klas is uitermate belangrijk, de school moet (voor kansarme) kinderen een veilige plek zijn. Om voeling te houden moeten de school en de leraar zoveel mogelijk verhaal- en dus verbindingslijnen naar de jongere werpen (uit advies 32).
1.4 Over de aantrekkingskracht van de arbeidsmarkt Onderzoek categoriseert redenen voor vroegtijdig schoolverlaten onder push- en pullfactoren. Pushfactoren zijn afstotingsmechanismen binnen de schoolomgeving die er voor zorgen dat de jongere zich niet meer mee verbonden voelt met school en er zicht van afkeert. Een duidelijke pullfactor of aantrekkingsmechanisme dat aanzet tot vroegtijdig schoolverlaten is de lokroep van de arbeidsmarkt. Het onderscheid tussen beide mechanismen is echter niet altijd duidelijk en beide mechanismen gaan meestal samen. Het Rekenhof meent dat de vroegtijdige schooluitval niet direct te verklaren is door de vraag naar arbeidskrachten. Vlaams onderzoek dat wel de link legt tussen vroegtijdig schoolverlaten en de economische conjunctuur is het onderzoek van het Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen van 2014.4
3
‘Preventie van spijbelen en vroegtijdig schoolverlaten. Eindrapport’, Keppens en Spruyt, 2019 https://steunpuntsono.be/wp-content/uploads/2020/06/Eindrapport_website.pdf
4
https://steunpuntssl.be/Publicaties/Publicaties_docs/ssl-2014.20-1-2-0-vroege-schoolverlaters-en-de-aantrekkingskracht-van-de-arbeidsmarkt
13
•
De onderzoekers stelden vast dat de situatie op de arbeidsmarkt voor jongeren een rol speelt in de beslissing om door te gaan met het secundair onderwijs of om de school te verlaten. Een deel van hen verlaat het onderwijs dus niet omdat ze geen kwalificatie kunnen behalen maar omdat de arbeidsmarkt een grote aantrekkingskracht heeft. Dit was het duidelijkst bij de jongens, waarbij de verklaring is dat zij vaker voor conjunctuurgevoelige studierichtingen kiezen.
•
Opdrachten voor het beleid omtrent vroegtijdig schoolverlaten zijn onder meer om het korte termijn denken (het onmiddellijk verwerven van een inkomen) tegen te gaan ten voordele van een lange termijn denken (het verzekeren van kansen in de toekomst) en om flexibele trajecten aan te bieden die onderwijs en werk combineren.
2. Wat we kunnen en moeten doen De SERV ondersteunt de opmaak van een nieuw actieplan vroegtijdig schoolverlaten. Dit moet de vastberadenheid tonen van het beleid en alle actoren om elke jongvolwassene de grootst mogelijke kans op een startkwalificatie te garanderen. Vlaanderen moet voor de SERV verder inzetten op verschillende sporen om het vroegtijdig schoolverlaten te voorkomen en aan te pakken. •
De loopbanen van wie zich niet kwalificeert zijn veel precairder. Vroegtijdig schoolverlaters hebben minder kans om werk te vinden, ze zijn vaker werkloos en als ze aan het werk zijn, krijgen ze lagere lonen. Door meer gezondheidsproblemen is hun levensverwachting lager. Deze economische en gezondheidsgevolgen worden deels overgedragen op volgende generaties en krijgen zo een vicieus karakter. Ook de kost voor de samenleving is hoog (uitkeringen, gederfde inkomsten). 5 In de kennismaatschappij die Vlaanderen is en waar nog veel belang gehecht wordt aan diploma’s en kwalificaties loopt de toekomst van wie gekwalificeerd is, gesmeerder.
•
Vroegtijdig schoolverlaten wordt , zoals gekend, beïnvloed door heel verschillende factoren. Het gaat om gender, thuistaal, schoolse vertraging, de onderwijsvorm, het studiedomein, de woonplaats, het schoolklimaat, thuissituatie, de leerlingenbegeleiding, studiekeuze, verwachtingen, betrokkenheid, … .
De SERV ziet vier domeinen voor acties die echter niet strikt van elkaar te scheiden zijn. Het gaat om 1) algemene acties, 2) acties in het initieel onderwijs, ter preventie en interventie, 3) acties na het initieel onderwijs en 4) acties eens de loopbaan van start is gegaan, ter remediëring.
5
‘De geslaagde school’, Kristof De Witte en Jean Hindriks, 2017, pag. 89
14
2.1 Maak van de strijd tegen vroegtijdig schoolverlaten een beleidsprioriteit Evalueer het vorige actieplan en bouw evaluatie en monitoring van bij de start van het nieuwe actieplan in •
Zet voor een nieuw actieplan opnieuw in op een beleidsdomeinoverstijgende aanpak van onderwijs, welzijn en werk. Vroegtijdig schoolverlaten vraagt een integrale aanpak, gedragen door verschillende actoren.
•
Zorg dat we niet langer blind varen en evalueer het actieplan ‘Samen tegen schooluitval’. Evalueer ook in hoeverre de maatregelen zoals de modernisering van het secundair onderwijs, het versterken van de leerlingenbegeleiding, de invoering van het duaal leren, … reeds bijdragen aan een daling van het vroegtijdig schoolverlaten. Monitor de impact van de inkanteling van Leren & Werken. De SERV wees er herhaaldelijk op dat niet voor alle leerlingen uit Leren & Werken het Duaal Leren de meest aangewezen leerweg is.
•
Neem de bestaande acties die hun meerwaarde bewijzen opnieuw op in een nieuw actieplan (bv. de onderwijskwalificerende trajecten OKOT). Ga na of alle oorzaken van vroegtijdig schoolverlaten zo veel als mogelijk aangepakt worden met het actieplan. Vermijd wel versnippering aan acties.
•
Voorzie van bij de opmaak van een nieuw actieplan opvolging, monitoring en evaluatie.
Benut alle inzichten •
Neem de vaststellingen van het Rekenhof ernstig en pak de pijnpunten uit het rapport aan met (nieuwe) beleidsmaatregelen. De SERV denkt bv. aan de verduidelijking van de rol en verantwoordelijkheid van school en CLB.
•
Vertaal bevindingen en inzichten uit wetenschappelijk onderzoek in de visie en de acties van het nieuw actieplan. Zie onder meer de suggesties op basis van het SONO onderzoek die volgens de SERV tot de standaardklaspraktijk zouden moeten behoren: https://www.klasse.be/70984/9-maatregelen-tegen-vroegtijdig-schoolverlaten/.
•
Neem de bevindingen uit internationaal vergelijkend onderzoek op en vertaal ze naar de praktijk. Het OESO rapport ‘Young People with Migrant Parents. Making Integration Work’ van 2021 gaat onder meer in op flexibele leerwegen in onderwijs, het voorkomen van schooluitval en het vergemakkelijken van de transitie tussen school en werk.
Voorzie de nodige middelen •
Ondersteun inspanningen van alle actoren met (zo veel als mogelijk geoormerkte) structurele middelen. VSV-beleid is de investering waard, stelt onderwijseconoom De Witte, elke geïnvesteerde euro verdient zichzelf meermaals terug.6
6
‘Vroegtijdig schoolverlaten – Evidence based beleidsaanbevelingen’, De Witte en Mazrekay, Itinera Institute Analyse, 2015/4
15
•
Versterk het beleidsvoerend vermogen van scholen in het bijzonder in de centrumsteden en in Brussel.
•
Voorzie een voldoende aanbod aan welzijnstrajecten (onder meer de naadloos flexibele trajecten).
Moderniseer de lerarenopleidingen en zorg voor permanente professionalisering •
Zet in op een divers lerarenkorps en in de lerarenopleiding op het omgaan met diversiteit. Deze basiscompetentie moet doorheen de volledige lerarenopleiding aan bod komen en ontwikkeld worden in een praktijkgerichte context.
•
Zet ook in op een divers CLB personeelsbestand. Investeer voldoende in opleidingen cultuursensitief werken voor CLB-medewerkers.
•
Voorzie onder meer heel specifiek voor leraren in type 9 van het BuSO extra opleiding in het lesgeven aan kinderen met autisme zonder mentale achterstand.
•
Zorg dat leraren een beroep kunnen doen op een ondersteunend zorgnetwerk met voldoende knowhow inzake psychosociale en cultuursensitieve zorg7.
•
Zorg voor permanente bij- en nascholing, zowel in het secundair als in het volwassenonderwijs. Goede leraren verminderen de kans op VSV.
2.2 Kwalificeer bij uitstek in het initieel secundair onderwijs De SERV kan niet genoeg benadrukken hoe belangrijk het preventief beleid en interventies in het initieel secundair onderwijs zijn. Preventieve maatregelen zijn zoveel meer aangewezen dan curatieve gezien de hoge kosteneffectiviteit en het belang van een sterke startkwalificatie. Zoals het Schoolverlatersrapport van de VDAB jaar na jaar aangeeft, hypothekeert vroegtijdig schoolverlaten de startkansen op de arbeidsmarkt. Het sluit doorstroom naar hoger onderwijs af en blijft doorwerken doorheen de loopbaan. Voer een beleid naar alle leerlingen maar focus gericht op de meest kwetsbaren •
Maak werk van wat ontegensprekelijk bijdraagt aan fijne en succesvolle schoolloopbanen: een goede studiekeuze- en beroepskeuzebegeleiding, een degelijke leerloopbaanbegeleiding die het belang van een startkwalificatie telkens opnieuw onderstreept, een verbindend schoolklimaat, het terugdringen van leerachterstand, …. . Het rapport van het Rekenhof laat zien dat daar veel kansen blijven liggen.
•
Voer een sensitief spijbelbeleid. Treedt op van bij de eerste afwezigheden, achterhaal de oorzaken en reageer gepast, dat wil zeggen verbindend.
•
Verminder het aantal zittenblijvers en maak daarvoor veel meer gebruik van flexibele leerwegen waarbij leerlingen overgaan ondanks tekorten en mits een aangepast programma. Zittenblijven kost de samenleving veel geld, voor de meeste leerlingen is het niet nuttig en ze lopen een veel groter risico om zonder diploma te eindigen.
7
SERV Commissie Diversiteit, Advies ‘Laaggeschoolde vrouwen met een migratieachtergrond’, 23 mei 2018
16
•
Stop de waterval in het secundair onderwijs onder andere door minder B-attesten uit te reiken. Leerlingen met een migratieachtergrond hebben meer kans op een B-attest. Er spelen o.a. andere verwachtingen omtrent presteren en doorstroom naar hoger onderwijs.
•
Zet in op een optimale wisselwerking en samenwerking tussen scholen en CLB’s om te komen tot een optimale leerlingenbegeleiding die oog heeft voor persoonlijke en familiale problemen.
•
Heb aandacht voor de hefbomen die vroegtijdig schoolverlaten holistisch aanpakken. O.a. ouders betrekken en versterken zodat er een thuisklimaat kan zijn dat leren ondersteunt, is daarin zeer belangrijk.
Voer een beleid afgestemd op de onderwijsvorm •
Zorg voor een fijnmazig actieplan dat gerichte acties onderneemt voor elke jongere die een risico loopt op vroegtijdig schoolverlaten. De SERV ondersteunt de vraag van het Rekenhof naar een apart streefcijfer per onderwijsvorm. De kans op vroegtijdig schoolverlaten verschilt immers aanzienlijk volgens de onderwijsvorm.
•
Motiveer leerlingen door sterk te investeren in oriëntatieprogramma’s die de kans op een verkeerde studiekeuze verkleinen. Neem daartoe de praktijk van studieoriëntering en studieadvies aan leerlingen onder de loep. De vaak nog stereotiepe doorverwijzing en oriëntering draagt bij aan een negatieve perceptie over begeleiding bij kwetsbare doelgroepen.
•
Bouw stages en Duaal Leren verder uit waarbij de sterktes van leren op school en leren op de werkplek gecombineerd worden. Wijs jongeren op de loopbaankansen die de combinatie van een onderwijskwalificatie en het hebben van werkervaring biedt. Onderzoek hoe financiële incentives (zoals start -en stagebonus) kunnen gebruikt worden om jongeren te motiveren hun opleiding succesvol af te ronden.
•
Bekijk per studierichting en per opleiding de spijbelproblematiek en het aandeel vroegtijdig schoolverlaten en versterk de opleidingen die het minder goed doen. Kader dit in de inspanningen om het beroepsgericht onderwijs te versterken, zodat onder andere meer leerlingen in het BSO de eindtermen voor lezen en rekenvaardigheid kunnen behalen.
Ga voor partnerschappen •
Koppel een visie en aanpak voor Vlaanderen aan een outreachende lokale aanpak door steden en gemeenten die dichter bij de noden van de jongeren staan (buddywerking, huiswerkbegeleiding, …).
•
Werk samen met VDAB op vlak van moderne opleidingsinfrastructuur (scholen kunnen 10 dagen gebruik maken van de VDAB-opleidingsinfrastructuur), voor het aanreiken van arbeidsmarktinformatie, voor een warme overdracht van leerlingen tussen onderwijs en arbeidsmarkt via de provinciale netwerkmanagers en lokale jongerenconsulenten van VDAB.
•
Werk samen met sectoren en lokale ondernemingen. Zij zijn partners om de aantrekkelijkheid van opleidingen en studierichtingen te verhogen met lesmateriaal, via lesgevers-stielmensen, door wedstrijden, met sectorale proeven, … . Werk samen aan voldoende stageplaatsen en leerwerkplekken voor alle leerlingen, zeker ook de meest kwetsbare. Werkplekleren is een belangrijke manier om schoolmoeheid tegen te gaan en het zelfvertrouwen en de zelfkennis van jongeren te laten groeien. 17
2.3 Kwalificeer via andere wegen in het onderwijs Voor de SERV dient elke onderwijsinstelling samen met partners zeer actief en tijdig de jongere op pad te zetten naar andere onderwijskwalificerende trajecten als kwalificerend uitstromen uit het initieel onderwijs niet haalbaar blijkt. Deze vormen een belangrijk complementair aanbod dat voor nog meer jongvolwassenen tot een kwalificatie zou moeten kunnen leiden. Benut de Examencommissie voor zelfredzame leerlingen •
Zet de examencommissie ten volle in voor die leerlingen die op de valreep alsnog vroegtijdig schoolverlaten maar mits enige begeleiding via zelfstudie een onderwijskwalificatie kunnen behalen.
•
Versterk de samenwerking tussen de Examencommissie en het volwassenenonderwijs om ook arbeidsmarktgerichte opleidingen via deze weg te laten kwalificeren. De SERV staat ten volle achter de projecten die hieromtrent uitgerold worden in het kader van Edusprong en vraagt succesvolle projecten te continueren.
Breng het secundair volwassenenonderwijs meer in beeld als volwaardige kwalificerende leerweg •
Biedt met het volwassenenonderwijs perspectief aan jongvolwassenen. De CVO’s maken hun secundair onderwijsaanbod nog steeds te vaak bekend als een leerweg voor wie het niet maakte in het initieel secundair onderwijs. Voor nieuwkomers die als tiener naar Vlaanderen komen, kan het secundair volwassenenonderwijs echter een eerste kans op kwalificatie vormen omdat ze toegewezen worden aan een opleiding die hun taalniveau weerspiegelt en niet hun cognitieve mogelijkheden en omdat er te weinig tijd is om in het initieel onderwijs een kwalificatie te behalen (OESO, Make Integration Work, pag. 23).
•
Verlaag de drempels naar een onderwijskwalificerend traject in het volwassenenonderwijs. Leerlingen met een kwetsbare sociaaleconomische status stromen vaker ongekwalificeerd uit én vinden minder hun weg naar het secundair volwassenonderwijs (en naar de Examencommissie).8
•
Bouw er het duaal leren uit als sterke kwalificerende leerweg voor jongvolwassenen, samen met sectoren en ondernemingen.
2.4 Kwalificeer via trajecten bij de start van of tijdens de loopbaan Voor de SERV moeten elke jongvolwassene die ongekwalificeerd op de arbeidsmarkt komt perspectief krijgen op een kwalificerende loopbaan. De arbeidsmarktactoren moeten, net
8
https://onderwijs.vlaanderen.be/sites/default/files/2021-07/wetenschappelijk_syntheserapport_vroegtijdigschoolverlaten_31_mei_2011.pdf
18
als de scholen voor de andere maatregelen, ondersteund worden om die rol ten volle kunnen opnemen. Ondersteunde onderwijsloopbaan van jongvolwassenen •
Schakel sectoren in voor het ondersteunen van de onderwijsloopbaan van jongvolwassenen. Sectoren hebben alle belang bij gekwalificeerde werknemers. Zij kunnen de ondernemingen wijzen op de nadelen van vroegtijdig schoolverlaten voor de jongere zelf én voor de sectorale arbeidsmarkt.
Trek de kaart van leerjobs en beroepskwalificerende trajecten •
Werk een sterke, beroepskwalificerende leerweg uit. De VDAB lanceert in nauwe samenwerking met sectoren het traject van de leerjob. Jonge werkzoekenden die ongekwalificeerd het onderwijs hebben verlaten, zullen on-the-job de competenties uit een beroepskwalificatie verwerven en via de erkenning van verworven competenties een beroepskwalificatie kunnen behalen. Voor de SERV maakt een dergelijke leerweg zonder twijfel deel uit van de oplossing voor het vroegtijdig schoolverlaten.
•
Mobiliseer mogelijke actoren voor het beroepskwalificerend opleidings- of EVC-traject binnen het geïntegreerd kwaliteitszorgkader (GKK). Iedere organisatie die geregistreerd is bij het kwaliteits- en registratiemodel voor dienstverleners, kan een aanvraag voor een dergelijk beroepskwalificerend traject indienen. Zowel publieke instellingen als privébedrijven binnen en buiten de onderwijssector komen in aanmerking. Voor de SERV blijft dit een onderbenut spoor.9
•
Leer maximaal uit de ESF-Transitietrajecten en maak de aanpak van samenwerking tussen verschillende partners (uit onderwijs, arbeidsmarkt, derden) structureel. Deze trajecten zijn er voor leerlingen in de 2de en 3de graad van het BSO die door de school geïdentificeerd worden als potentiële vroegtijdige schoolverlaters. Het gaat om jongeren die schoolmoe zijn en die het mogelijk moeilijk zullen hebben om een duurzame loopbaan aan te vatten. Eén van deze projecten is ‘Flip the switch’10. Het project van VDAB, werknemersorganisaties en GTB zet in op levensloopbaancoaches als centrale begeleidende figuren.
•
Werk samen met sectoren en VDAB rond de jongeren die geen opleiding volgen en niet aan het werk zijn (NEET). De intersectorale werking van de SERV startte een werkgroep op om de krachten te bundelen.
•
Put inspiratie uit succesvolle projecten en trajecten. In de social profit zijn er verschillende projecten voor werknemers die reeds in de zorg werken maar zich willen bijscholen tot
9
https://www.vlaanderen.be/beroepskwalificerende-trajecten/beroepskwalificerende-trajecten-wetgeving
10
Nog enkele eerste vaststellingen uit Flip the Switch: Een laagdrempelige begeleiding, die flexibel kan inspelen op de context van jongeren is van groot belang. Daarom is het van belang dat begeleiding ook kan plaatsvinden buiten de school(m)uren, wat helpt om een vertrouwensband op te bouwen. Er is een grote nood aan dergelijke projecten maar verschillende (administratieve) drempels verhinderen vaak om jongeren vlot te kunnen bereiken. https://www.onderwijs.vlaanderen.be/nl/samen-tegen-schooluitval/transitietrajecten
19
zorg- of verpleegkundige. Ze kunnen dit via een deeltijds of voltijds opleidingstraject met behoud van het basisloon.11 Deze trajecten kunnen inspirerend zijn voor andere sectoren. Biedt loopbaanperspectief voor wie ongekwalificeerd de arbeidsmarkt betreedt •
Geef arbeidskansen aan kortgeschoolden. Een deel van de jongeren die ongekwalificeerd uitstroomt uit het secundair vindt mogelijks geen aansluiting meer bij kwalificering. Voor de SERV betekent dat niet dat zij geen waardevolle loopbaan meer zouden kunnen uitbouwen. Op de Vlaamse arbeidsmarkt zijn er heel wat vacatures voor kortgeschoolden. Voor een duurzame tewerkstelling is een goede startbegeleiding en regelmatige opleiding op de werkvloer nodig. Van belang is het aanwervingsbeleid en het vermijden van verdringing van kortgeschoolden.
•
Verlaag de drempels voor (leer)loopbaanbegeleiding voor kortgeschoolde werknemers.
•
Versterk het levenslang leren. Een leercultuur in ondernemingen en bij werknemers is des te belangrijker voor de uitbouw van een duurzame loopbaan voor kortgeschoolden.
11
https://www.fe-bi.org/nl/sectoren/Fonds/12125/ifg-intersectoraal-fonds-voor-de-gezondheidsdiensten-verpleegkundige-zorgkundige-worden-opleidingsproject-zorgkundige
20