M H\
>
WmF1 ®m
•*»*
^
_
-•'
i,
•• ••
s
--1.-.
V'
M
\
?f
^
r>
•
;
x •:V
MONUMENTEN & LANDSCHAPPEN 2 2 / 4 ,
JULI-WQUSTUS 2003
TWEEMAANDELIJKS . T - ; ^
^ :
'
*
•
.
^
N.Y VAN LOY & CIE ALGEMENE RESTAURATIEWERKEN
Architect: lr. architect Piet Stevens Mastellestraat $7 3020 Veltem-Beisem Tel. 016-48 03 78
O.-L.-Vrouwkerk Vlierbeek te Kessel-Lo Restauratie daken en toren Aarschotsesteenweg 4 2230 Herselt Tel. (014)54 43 97 Fax (014)54 72 72
MONUMENTENENLANDSCHAPPEN
Monumenten en Landschappen, Phoenix-gebouw Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel. 02-553 16 13 - Fax 02-553 16 12 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be Coördinatie: Luc Tack Redactiesecretaris: Veerle De Houwer E-mail: veerle.dehouwer@lin.vlaanderen.be Fotografie: Oswald Pauwels Vormgeving en productie: LucTack Zetwerk en secretariaat: Diane Torbeyns Corer; 'Het Bloemendat' met zijn prachtige bergbeek tussen natuurlijke rotsen met naast de oorspronkelijke beplanting spontane introducties als gewone salomonszegel (Polygonatum multiflorumj (Foto Herman mn den Bossche, 1998}
Abonnementsvoorwaarden 2003 België: 32 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 6 € ) . CJP'ers betalen: 27 € Buitenland: 49,50 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr.091-2206040-95 van Monumenten Et Landschappen, Phoenix-gebouw, Albert ll-laan 19 (bus 3), 1210 Brussel met vermelding "MöL-jaarabonnement 2003". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: DianeP.torbeyns@lin.vlaanderen.be Zonder schriftelijke opzegging voor het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
Internet Druk
Website Monumenten en Landschappen: www.monument.vlaanderen.be
Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.: 050-47 12 72 - Fax: 050-34 37 68
Redactiecomité Ere-voorzitter: E. Goedleven Voorzitter: L Tack Kernredactie: M. Buyle, M. Celis, V. De Houwer, Herman Van den Bossche Redactie: A. Bergmans, J. Braeken, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fterlafijn, J. Oijselinck, E. Hofkens, M. Michiels, 6. Plomteux, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, P. Van den Bremt, Ch. Vanthillo, L Wylleman
Verantwoordelijke uitgever Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Luc Tack Afdeling Monumenten en Landschappen, Phoenix-gebouw Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel.: 02-553 16 13- Fax:02-553 16 12 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be
Advertentiewerving J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: 050-36 25 89 Fax: 050-37 33 64 E-mail: casier.jang iscali.be www.jancasier.be
De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
Inhoud 1 0 De Alpentuin 'Het Bloemendal' in het Provinciaal Domein van Huizingen. Apotheose van een tuinenbeweging en beschermd monument
5 4 De assimilatie van een aantal zachte Franse kalksteensoorten in het midden van de 19de eeuw in België en hun conservatieproblematiek
H e r m a n Van den Bossche, Roger D e n e e t
Lode D e Clercq
en j o W i j n a n t
2 8 Antoine Et Emile Beernaert, steenhouwers (ca. 1850-1924)
71
Marcel M . Celis, Joris Snaet en
De restauratie van het stenen grafmonument van de architecten Suys op het kerkhof van Laken
Lode De Clercq
Jacques Vereecke en Bénédicte Reynders
8 0 Summary
C/w patnntonlant... onze zorg
Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde! Duivenraesl is door zijn agressieve chemische bestanddelen één van de belangrijkste oorzaken van onomkeerbare beschadigingen aan gebouwen en monumenten.
Reeds meer dan 20 jaar restaureren, renoveren en beschermen wij gebouwen en waardevolle monumenten. Reiniging, restauratie en renovatie van gevels Restauratie en conservatie van steen Traditionele zuivere kalkpleisters en kaleilagen Mineraalverven en silicaatpleisters Cement- en kunststofgebonden gevelpleisters Warmte-isolerende pleistersystemen Betonherstelling en -bescherming Duivenwerlng Houtworm- en zwambestrijding Polyhieerchemische houtrestauratie en -versteviging Brandremming op hout, beton en metaal Injectiewerken Vochtwering en waterdichting Renovatie- en verbouwingswerken
Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het cukuurpatrimonium ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals oraithose, salmonella, psittacosis, e.a.,...
Referenties op aanvraag
Onze vaklui worden begeleid door gespecialiseerde ingenieurs en kunsthistorici
S o l a r nu ï :l.: 03-766.11.66 - Fax: 03-777.35.09
Nu is er echter BIRDEX (een gamma diervriendelijke afschrikkingsmiddelen dat de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Wilt u er meer over weten, neem dan vrijblijvend contact met ons op.
Kleine Breedstraat 33 - B-9100 SINT NIKLAAS Erkend aannemer cat Dkl 1, ocat Dl kl 3, D21 kl 3, D24 kl 4
P.E.C. International n.v.
Evenwicht tussen wetenschap en vakmanschap
Kleine Breedstraat 37, B-9100 St.-Niklaas Tel.: 03-776 84 39 - Fax: 03-777 35 09
IMPERPLEX Onzichtbare bescherming van VLOEREN & MUREN Protection invisible
ANTI-GRAFFITI 1
0475.731215 www.imperplex.com
#
\
Dakwerken G. BOSCH
Algemene Dak- & Restauratiewerken Aartrijkestraat 109 - 8820 Torhout Tel. 050-21 10 85 - Fax 050-22 06 17 GSM: 0485-02 00 50 E-mail: geert@bvbabosch.be Site: www.bvbabosch.be
Erkende aannemers onder nr. 24040 Reg. nr. 051511
Erkenning: Klasse 2 Ondercategorieën: D8 - Dl 2 - Dl 6 - D22 - D24
BODIMA
M.K
NIJVERHEIDSWEG 1 - 2240 ZANDHOVEN TEL. (03)475 13 00 - FAX (03)485 74 47 Venecolaan 30 - 9880 AALTER TEL, (09)375 12 66 - FAX (09)375 22 88 E-MAIL: info@bodima.be
Reinigen van binnenmuren d.m.v. droge pastareiniging
Hydropneumatische reiniging
Terrasrenovatie
Behandelen van muren tegen opstijgend vocht d.m.v. elektro-osmose
^ r e s t a u r a t i e - O n t m o s s e n van ASO'c ^
Gevelre/niging . Betonherstelling •
& ^
o^6
e^
^
*etv^ \e\«
.09'$&
eï*
daken
ALPHA VOCHTTECHNIEK
VEELZIJDIG EN AL MEER DAN 23 JAAR ERVARING Injectiewerken - constructief - waterdichtend
de producent van kaarten, databanken en luchtfoto's voor ruimtelijke ordening en stadsrenovatie.
Walerdithl maken van kelders Injekteren tegen opstijgend vocht Hygrothermische kelderisolatie Bestrijden van vochtoverlast in kruipruimten Hydrofoberen en verharden van natuur- en baksteen Betonreparatiesystemen NATIONAAL GEOGRAFISCH INSTITUUT INSTITUT GEOGRAPHIQUE NATIONAL
Renovatie- en restauratiepleisters Kunststof-vloersystemen
ALPHA VOCHTTECHNIEK B.V.B.A. » Riyadhstraat 1 - 2321 Meer Tel. 03/315.11.13-Fax 03/315.11.15 httechiek.com - email: info@alphavochttechniek.com
E3-Laan 49 - 9800 Deinze - Tel 09/386 07 63 p.nijs@cobonet.be
Specialiteit: Beschermde monumenten
DE BOUWONDERNEMINGEN
COUDROIM Algemene Bouwwerken Restauratie- en Renovatiewerken Timmer- en Schrijnwerken Specialisatie Volkerntoepassing Keukeninrichting "Sedeco"
DIKSMUIDSEWEG 6 1 , 8900 IEPER TEL. 057/20 09 85 - 21 96 10 — FAX 057/20 99 17
Restauratie
C e n t r a l e B i b l i o t h e e k KUL L e u v e n
HERMAN nv RENOTEC HEYLEN bvba
m
i
renotec
Dak- en Torenwerken Restauratiewerken Lossing 3 JL 2260 Heultje-Westerlo Mk Tel. 014-26 00 87 L Fax 014-26 00 88 | E-mail: alg.ond.heylen. m herman@skynet.be | K
H
fase 7: restauratie daken
Gevelrestauratie Acaciastraat 14c 2440 Geel Tel. 014-86 60 21 Fax 014-86 60 16 E-mail: rn@renotec.be
1
1
fase 2: gevel- en algemene restauratie
fi
1
t l i lk |7
ÊÊBBBBBm .-;»
• ï-
X
•• S'
"; j T
^
tl
M
M
»«
~ : >...:
:
~
M
." ~ ,
M :
M
~
'^M
M
-
-
m\
„
- • l ' ^
m &:mmTmÊLM'mm -. ~.-m* *• IS
R 1 Centrale Bibliotheek KUL Leuven
1
'AGREF WANNEER DE VORM HET HOOFDDOEL IS
B.V.B.A.
Reg. nr.: 042801 Erkenning: D23 klasse 2
VENNOOTSCHAP VOOR DE CONSERVATIE EN DE RESTAURATIE VAN KUNSTWERKEN - Restauratie van schilderijen (namelijk; grote formaten) - Doublering op vacuümtafel - Behandeling van: gepolychromeerde beelden en meubels, muurschilderijen, Oosters lakwerk, conservatie van kunstwerken op papier en zijde, terracotta's
'ij. V
Ursulinenldooster Onze-Lieve- Vrouw- Waver Pinakels in architectonisch beton.
BETONNEN SIERVORMEN EN SIERELEMENTEN VOOR RESTAURATIEWERKEN EN NIEUWBOUW
A G R E F Nv Tragelweg4 - B 9230 Weiteren Tel. 09-369 19 11 - Fax 09-369 07 04
25 JAAR AKTIEF IN SAMENWERKING MET DE OFFICIËLE INSTANTIES DIEPESTRAAT 18 - 3061 BERTEM (Leefdaal) TEL. 0 2 - 7 6 7 97 80
Reukloze pasta voor droge interieurreiniging
ArteMundit
®
( D R Y
C L E A N I N G
S Y S T E M )
Verkrijgbaar in 5 typen (i, n, in, iv & v) • afhankelijk van de ondergrond (marmer, natuursteen, baksteen, beton, cementering & bepleistering) en de graad van vervuiling.
Enkele referenties Sint-Pauluskerk
• Unesco Parijs
Antwerpen
• Monasterio dos )eronimos Lissabon
Koninklijk Paleis Laken
• Sagrada Familia Barcelona
Sint-Martinusbasiliek Halle detail crypte na reiniging
• Parlement Rome met KIK-verslag Arte Mundit® (Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium) vooraanzicht Sagrade Familia - Barcelona
^
^
FTB Restoration bvba-sprl
FTB Trainingscenter & R&D division
Bouweiven 19 - 2280 Grobbendonk Tel.: 014-84 80 80 - Fax: 014-84 80 81 info@ftbrestoration.com
Vrijheidboomplaats 7 - 8570 Lauwe Fax: 32 (0)56-42 70 68 ftblauwe@ftbrestoration.com
www.ftbrestoration.com
ff
Documentatie,
neutrale lastenboekteksten
FTB RESTORATION of gratis advies op aanvraag!
U-w partner voor Totale bouwbescherming
•••de bouw ten dienste
Meer dan 50 jaar
Alle producten voor • Gevelrenovatie • Natuursteenherstel • Restauratiemortels • Injectie tegen opstijgend vocht • Epoxy en PUR-injecties • Kunststofvloeren epoxy/PUR/... • Betonreparatie mineraal/epoxy • Kelderafdichting binnenzijae/ouitenzijde • Beton- en mortelhulpstoffen
Remmers Bouwchemie BVBA industriepark 2 0 2 2 2 0 Heist op den Berg Tel 0 1 5 - 2 4 19 6 8 fax 015-24 28 6 0 lnfo@remmers.be www.remmers.be
ervaring
Houtbeschermingsproducten Polymeerchemische balkkoprestauratie Restauratie- en sierpleisters PAREX
Documentatie of gratis advies op aanvraag
Kasteel van Pepingen
RESTAURATIE RENOVATIE BEZOEK ONS BEDRIJF EN WERVEN : LANDGOED DE CAMPAGNE - Gijzelstraat 12 te Drongen GODSHUIZEN DE MOOR - Boeveriestraat 52 - 76 te Brugge ABDIJPOORT WEVELGEM - Abdijweg te Wevelgem Ter gelegenheid van de OPENMONUMENTENDAG 14 september 2003 DOORLOPENDE DEMONSTRATIES van 10 u. tot 16 u. ZETEL Zaterdag 13 sept. van 10 u. tot 16u GroenepoortdreeF40 - 8200 BRUGGE - TEL: 050-38 32 96
• injecties van beton- en metselwerk • waterdichtingsinjecties • uitwendige verkleving met koolstofvezel, aramidevezel, staal, etc. • polymeerchemische restauratie • micropalen
Industriepark 8 • 2220 Heist-op-den-Berg • BELGIUM Tel.: +32 15 24 93 60 • Fax. +32 15 24 80 72 Email: engineering@deneef.net • www.deneef.net
BUILDING N.V. ALGEMENE BOUWONDERNEMING
AL DERTIG JAAR IS NATUURSTEEN ONS VAK Tekenbureau
-
Steenhouwerij
Welvaartstraat 22 2200 HERENTALS Tel.: 014-86 17 00 Fax:014-86 17 01
-
S t e e n h er s t e 11 i n g
Herman
Van den Bossche
DE ALPE1MTU1N 'HET BLOEMENDAL' IN HET PROVINCIAAL DOMEIN VAN HD1Z1NGEN. APOTHEOSE VAN EEN THINENBEWEGING EN BESCHERMD MONUMENTo)
In de aanloop
tot de Wereldtentoonstelling
1958 " g e l a s t t e " de Bestendige Deputatie provincie
Brabant
in 1956
Paul Dewit, directeur bouwschool
van de
landschapsarchitect
van de Provinciale
in Anderlecht
van
Tuin-
" m e t het opmaken van
van een alpentuin met kunstmatige vliet en w a t e r v a l l e n " . (3) Het werd de laatste en onovertroffen
realisatie
in de lange traditie
tuinen in het kader van 'Le Nouveau jardin resque', de Belgische tuinenbeweging
een plan voor het aanleggen van bloemperken en
1913 de inhoud
diverse b e p l a n t i n g e n in het m i d d e n g e d e e l t e van
beïnvloedde.
het d o m e i n " . (2) In juni
De cijfers tijdens de persconferentie
het ontwerp
1957 keurde de
deputatie
en het bestek goed " v o o r de aanleg
van rots-
die
Pittovanaf
en de vorm van onze tuinen
heid van de openstelling
sterk
ter gelegen-
logen er niet om. Over
een lengte van driehonderd dertig meter en met een hoogteverschil van zesendertig meter baande een natuurlijk klaterende bergbeek zich met een debiet van twintig duizend liter water per uur een weg naar beneden met op haar loop elf meertjes en achtenzestig watervalletjes. {A) Het geheel werd aangekleed met meer dan duizend ton door weer, wind en water verweerde kalksteenrots, rolkeien en flagstones "uit de Ardennen". In totaal kregen iets meer dan eenentachtigduizend planten een plaats "met het oog op de uitvoering van een ecologisch milieu". (5)
Tuinbouwschool van Anderlecht, aan omwille van zijn ruime ervaring en ontwerptalent. O p 15 maart 1957 kon de provinciale administratie aan de gouverneur melden dat het Commissariaat voor Toerisme toegezegd had financieel tussen te komen in de realisatie van de alpentuin. O p 7 juni 1957 keurde de Bestendige Deputatie het ontwerp en het bestek " van een alpentuin met kunstmatige vliet en watervallen"goed en ging het dossier in aanbesteding. O p 2 augustus 1957 besloot de Bestendige Deputatie de werken toe te wijzen aan de firma Marijsse uit Kortrijk. De uitvoeringstermijn ving aan op 19 augustus 1957 en bedroeg honderd vijfentwintig werkdagen. Ontwerper en aannemer hadden een eerste maal contact op 13 juni 1957 en de samenwerking was opperbest. O p 2 juni 1958 werden de werken voorlopig opgeleverd.
ONTWERP EN REALISATIE VAN 'HET BLOEMENDAL' In het vooruitzicht van de Expo 58 ging de Bestendige Deputatie van de toenmalige provincie Brabant op 15 juni 1956 akkoord met "het aanleggen van bloemperken en diverse beplantingen in het middengedeelte van het domein . Zij stelde landschapsarchitect Paul Dewit, directeur van de Provinciale
De totale oppervlakte van de werken bedroeg tweeënvijftigduizend vijfhonderd vierkante meter, waarbinnen zestienduizend vijfhonderd vierkante meter grond vervoerd werd. Voor de aanleg van de bergbeek werd negenduizend negenhonderd kubieke meter grond verzet, werd dertienhonderd vijftig kubieke meter gestabiliseerd zand aangevoerd op een bed van vijfhonderd en twee kubieke meter (Vervolg op blz. 18)
1
V Grondplan 3B uit
•
1957 van de hand
i
van landschaps-
PROVINCIAAL b O n d N .
architect Paul Dewit
OHM» mm LAHtmiAPPM mn. PUN
N'5>.
bC ALPLNTUiN. HAH VM
bt
U»T«l.V«LltN T
—f
r 11
Roger Deneef & Jo
later sneuvelde als 'geus', onder sekwester geplaatst. Naar aanleiding hiervan werd expliciet een huis van plaisantie ("plaithuys") vermeld (3).
Wijnant
BEERSEL (HU1Z11MGE1M): KASTEELD01VIE11M VAN HUlZllMGEN PROVINCIAAL DOMEIN
De oudste afbeelding van het kasteel dateert van 1758 (4). De topografie en de gebouwen worden summier weergegeven. Het kasteelcomplex, afgebeeld in vogelperspectief, omvat een hoofdgebouw met een U-vormig grondplan, een bijgebouw in Lvorm (vermoedelijk een vleugel van het oude neerhof) en los daarvan twee torentjes. O p de Ferrariskaart (1771-1775) wordt een aanleg getoond met volgende componenten: een waterslot omgeven door een rechthoekige vijver, een vleugel van wat mogelijk ooit het oude neerhof was (L in spiegelbeeld), het nieuwe neerhof en - typisch voor talrijke kasteelgoederen in de 18 <: eeuw — een sterrenbos. Het geheel lag ten zuidwesten van de oude weg van Huizingen naar Alsemberg en werd omgeven door de Meerbeek en de daarvan afgeleide grachten. O p een figuratieve kaart van de heerlijkheden Huizingen, Eizingen en Buizingen die circa tien jaar later werd opgemaakt door architect-landmeter B. Gaine (5)wordt een bijna identiek, meer gedetailleerd beeld getoond.
nORPSBURCHT OF •HtJIS VAN PLAISANTIE'? D e oorsprong van het kasteel van Huizingen gaat misschien terug tot een hoogmiddeleeuwse burchtmotte met hooghof en neerhof, maar het is ook mogelijk dat het eerste kasteel op de plek van het huidige pas in de 16 c eeuw door de familie de Boisot werd opgetrokken (1). Leden van deze uit Bourgondië afkomstige familie speelden een belangrijke rol in het 'Verbond der Edelen' en de opstand tegen Filips II (2). In 1568 werden de bezittingen van de heer van Huizingen, Karel de Boisot, die zeven jaar
^=r
—^n:
i4
De eerste kadasterkaart van Huizingen (1820-1830): de \ y
kerk. de omgrachte
-U
pastorie, het kasteel met neerhof en sterrenbos en de kenter- en daglonert>oerderijtjes
.
I
langs de oude weg van Huizingen naar Alsemberg, die rond 1880 zullen worden afgebroken om de aanleg van een landschappelijk park mogelijk te maken (archief Kadaster
7
•/ : /l.,y Ji y.'"
Brabant, Bmssel)
"7
W</'
AS1 v.„/
Het "domaine de Huyssinghen, Buyssinghen en Eyssinghen werd in 1819 bij openbare verkoop aangekocht door Charles Vaucamps ((1778-1852), grootgrondbezitter en sinds 1811 burgemeester van Huizingen (6). Bij het opstellen van de Primitieve kadasterkaart (1820-1830) was de toestand nog grotendeels onveranderd. De kern van het domein werd gevormd door het kasteel en het kasteeleilandje, de min of meer rechthoekige vijver, een stervormig ingedeelde lusttuin {"plaisirtuin", perceel nr. 545), en daarop aansluitend een tweede perceel lusttuin (nr. 546), een moestuinperceel (nr. 541), een "kweekerij"(nr. 540), een semi-gesloten hoevecomplex (nr. 542) en - buiten de grachten - een boomgaard (nr. 531). Het perceel voor het kasteel (nr. 544bis), waarop ook nog de L-vormige vleugel van het oude neerhof staat, was een onopgesmukte beemd. O p de linkeroever van de Meerbeek, tegenover het kasteel, langs weerszijden van de toegangsweg of -dreef, worden nog twee grote percelen boomgaard weergegeven (nrs. 553 en 555), zoals op de 18 e -eeuwse kaarten.
O p de Primitieve kadasterkaart komt ook een nieuw tuinarchitecturaal element voor: een met stippellijnen afgebakende, 5 m brede laan, die vanuit het sterperceel in oostelijke richting doorheen een droge depressie in de helling naar boven voerde en 350 m verder, bij het daluiteinde halverwege de helling, eindigde bij een kleine constructie, vermoedelijk een prieeltje of paviljoen, misschien ook een waterput of pompinstallatie. Het vertrekpunt van deze laan lag tussen de vijver en de twee ijskelders onder een met zilverlinde, beuk en taxus beplante heuveltje.
HET PARAPHS FN DE UITDRI JVINfiFN In 1835 werd de hellingopwaartse laan, die halverwege een knik vertoonde, rechtgetrokken (7). Het vertrekpunt van deze laan lag tussen de vijver en de twee ijskelders. De toegang van een van de ijskelders werd later met behulp van zandsteenknollen herschapen in een pittoreske 'grot'. In 1866, onder het eigenaarschap van Mathilde en Marie Vaucamps, werd het kasteel aanzienlijk vergroot (8), maar de grote veranderingen traden pas op nadat Albert Vaucamps in 1875 het domein in bezit kreeg. Een tweede uitbreiding — bijna een verdubbeling van de
bebouwde oppervlakte — van het kasteelgebouw wordt geregistreerd in 1877 (de holte in de ' U ' wordt dan dichtgebouwd). Rond 1880 krijgt het kasteel zijn huidig uitzicht: een sierlijk, uit renaissance- en barokelementen opgebouwd eclectisch waterkasteel met een rechthoekig grondplan, gevat tussen twee grote, vierkante hoektorens aan de achterzijde, en twee kleinere, ronde hoektorens (waarvan één overkragend) aan de voorzijde, in baksteen maar met zandstenen lijsten, boogfriezen, balustrades, hoekkettingen, balkons, dakkapellen, topgevels en inkomrisaliet. De talrijke dakkapellen en topgevels zijn uitbundig versierd met frontons, voluten en siersmeedwerk, de hoektorens met klokdaken en open daklantaarns. Balkons en drie terrassen, waarvan twee overdekt en met zuiltjes omgeven, vormen de band met het omliggend park (9). De oorspronkelijke bepleistering van het baksteenmetselwerk werd in de jaren 1980 verwijderd. Als architect wordt soms een zekere Blondiau genoemd (10), een naam die onvindbaar is in repertoria van 19 e -eeuwse architecten, vermoedelijk het resultaat van een vervorming die bij mondelinge overleveringen vaak voorkomt. Het zou kunnen gaan om Gédéon Bordiau (1832-1904), leerling en later rivaal van de architect van het justitiepaleis te Brussel, Joseph Poelaert. Hij ontwierp o.m. het 'paleis voor industriële kunst' (het latere Jubelpark) te Brussel, en ook herenhuizen in Vlaamse-Renaissancestijl (11).
De vervanging of omvorming van sobere, neoclassicistische landhuizen tot eclectische kastelen (vaak ontworpen door befaamde architecten als JeanPierre Cluysenaar en Hendrik Beyaert) is een typisch fenomeen voor de tweede helft van de 19 e eeuw, vooral na 1860. Deze periode werd gekenmerkt door de doorbraak van het industrieel kapitalisme en — ook dank zij de verpaupering van de boerenstand ten gevolge van de landbouwcrisis — een exponentiële toename van het grootgrondbezit. Albert Vaucamps had fortuin gemaakt bij de aanleg van spoorwegen in Noord-Italië en bij de uitbouw en de exploitatie van de eerste Brusselse tramlijnen (12). Het familiebezit te Huizingen nam onder zijn eigenaarschap toe van 28 hectare tot (in 1900) niet minder dan 158 hectare, ongeveer de helft van het gemeentelijk grondgebied, ruimte genoeg voor de aanleg van een uitgestrekt landschappelijk park (13).
De nieuwe aanleg wordt geregistreerd in een kadastrale mutatieschets van 1882 en gedetailleerd weergegeven op de stafkaart van 1893. De slorvijver verloor zijn rechthoekige vorm, kreeg golvende contouren en werd substantieel naar het zuiden uitgebreid. Daardoor verdween ongeveer de helft van het voormalige sterrenbos. Merkwaardig is dat deze omvorming zo laat gebeurde en ook dat de oude slotgracht min of meer behouden bleef, wat in vele kasteeldomeinen niet het geval was. De boomgaarden, weilanden, velden en dennenbossen op oostelijke dalhelling van de Meerbeek werden landschappelijk aangelegd en verenigd tot een groot perceel "lusttuin", dat zich tot aan de Lotsesteenweg uitstrekte en een oppervlakte besloeg van meer dan 17 hectare. Daartoe werden een twintigtal huizen afgebroken (14), maar de holle verbindingsweg tussen Huizingen en Alsemberg (nu 'Diepe Weg' genoemd) werd behouden als pittoresk gegeven. Een gedeelte van de ingepalmde gronden waren oud bosgebied en langs de Lotsesteenweg, nabij de Bruine-Putpoort op het vroeger grondgebied Dworp, zijn nog sporen aanwezig van een traditionele veekering of'boswal'. Dergelijke 'enclosures' waren gedurende de 19de eeuw in een groot deel van Europa een belangrijk middel om grote landschappelijke parken te vormen. Stukken openbaar en klein privé-domein werden ingepalmd om een gesloten blok te kunnen vormen, openbare wegen werden omgeleid (hier de oude, gedeeltelijk holle, weg van Huizingen naar Alsemberg), keuterboerderijtjes en daglonerhuisjes werden afgebroken. Naar Belgische maatstaven is Huizingen een vrij spectaculair voorbeeld. Het feit dat tramtycoon Albert Vaucamps (1837-1900) burgemeester was en, vanaf 1883, ook in de senaat zetelde maakte dergelijke operaties alleen maar gemakkelijker. Maar 'noblesse oblige': Vaucamps financierde ook de bouw van een nieuwe, neogotische dorpskerk in 1896. De landschappelijke heraankleding van het domein zou meer dan 4 miljoen frank hebben gekost.
HFT I ANDSCHAPPFI I IK PARK Het kasteel, door een 500 m lange, rechte dreef verbonden met de Alsembergsesteenweg (ingekort tot één derde door de aanleg van de autosnelweg E19-
A7 in de jaren 1960), ligt excentrisch ten opzichte van het landschappelijk park en paalt onmiddellijk aan het nutsgedeelte, dat volgende elementen omvatte: de moestuin, de boomgaard, de stallingen, het koetshuis, de serres en kassen, de oranjerie, de volière, een waterturbine voor elektriciteitsopwekking (!) en de vernieuwde kasteelhoeve (met stokerij), die in 1920 grotendeels zal worden afgebroken (15). De topografische kaart van 1893 geeft een beeld van de helling dat nog in hoge mate beantwoordt aan de huidige toestand. De landschappelijke aanleg vertoont opvallende regelmatige trekken: de in 1835 rechtgetrokken hellingopwaartse laan blijft behouden en vormt de ruggengraat van de nieuwe aanleg. Het eindpunt van deze laan is zoals voorheen het pompgemaal, mogelijk gecamoufleerd door een prieel of paviljoen, nu tegen een decor van rododendrons en cipresachtigen - nootkaschijncipres (Chamaecyparis nootkatensis 'PendulaV en sawaracipres met pluimvormig vertakte twijgen (Chamaecyparis pisifera 'Plumosa'J. De beeldengroep die er momenteel staat - 'De Zondvloed' van de Nederlandse beeldhouwer Matthias Kessels (1784-1836) (16) - werd niet door Vaucamps geplaatst en zou ooit bij het paleis van Karel van Lotharingen te Brussel hebben gestaan. Een complex patroon van weidse lussen en kronkelpaden ontsluit het beboste gedeelte van het domein. Bijzonder is de enfilade van naar boven toe kleiner wordende, elkaar kruisende lussen (een patroon dat doet denken aan de doorsnede van een slakkenhuis) die, via een massieve bakstenen brug over de 'Diepe Weg' heen, op het hoogste punt van het domein uitloopt in een grote rotonde. Van daaruit kan men de skyline van Brussel bewonderen. De ontwerper van deze nieuwe, vermicelli-achtige structuur was naar alle waarschijnlijkheid Vaucamps zelf, technisch bijgestaan door landmeter Bourlard en zijn hoofdtuinier Frans Van Cortenstraeten ("Susse den hovenier). De brieven van Vaucamps, geschreven te Milaan in de periode 1879-1883 en gericht aan zijn tuinier, zouden gedetailleerde aanwijzingen bevatten omtrent aanleg en beplantingen (17).
,
. . •
%'^:<:/:
rv. K
•
•
-
^
.
^ ^
%,
>,.•
O p stafkaart van 1893 wordt de helling ten oosten van het kasteel niet als bos weergegeven; de rode stippen staan symbool voor lustbos, door de toenmalige cartografen te herkennen aan sierbomen als bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'A zilverlinde (Tilia tomentosa, T. petiolaris), paardekastanje (Aesculus hippocastanum) of plataan (Platanus x hispanica) en een bloemrijke struikbeplanting, ongetwijfeld de rododendronmassieven {Rhododendron ponticum of daarvan afgeleide hybriden of cultivars) die nog steeds een groot gedeelte van de helling bevolken en waarover in het Brusselse krantje 'Le Petit Bleu' van 9 augustus 1903, drie jaar na de dood van Albert Vaucamps, zo lyrisch wordt gedaan: " eet admirable pare nest qu'un vaste jardin, lumineux et colore, oü, a tons les tournants des chemins, des massifs de rhododendrons font des écroulementsfleuris' (18). Talrijke exemplaren van bovengenoemde, op last van Vaucamps aangeplante bomen komen nog voor in of aan de rand van het beboste bovengedeelte
Het kasteeldomein
de oude situatie.
het huidig eclectisch
van Huizingen vol-
rechts de nieuwe
kasteel
gens de kadastrale
landschappelijke
(archief Kadaster
opmetmgsschetsen
aanleg met in detail
Brabant, Brussel)
van 1882 - links
het grondplan van
van het domein, nu met stamomtrekken van gemiddeld 350 cm. Uiterst zeldzaam is de geelbladige zomereik (Quercus robur 'ConcordiaV langs de Lijsterdreef aan de zuidrand van het domein, een bijna struikvormige cultivar die rond 1840 door de Gentse kweker August Van Geert in omloop werd gebracht (19), hier geënt op 60 cm hoogte en uitgegroeid tot een grote boom. Uit de Vaucampperiode dateren waarschijnlijk ook de Japanse witte den (Pinus parviflora 'Glauca'j en de moerascipressen rond de vijver — zowel de gewone (Taxodium distichum) als de zeldzame rijzige moerascipres (T. Ascendens) (20).
HET PROVINCIAAL DQMFIN In 1903, na de dood van Vaucamps, werd het domein voor 500.000 frank aangekocht door de industrieel Henri Torley. O p 30 maart 1938 werd het voor 4.200.000 frank verkocht aan de provin-
cie Brabant. Door de oorlogsomstandigheden kon de openstelling voor het publiek, die voor 1941 gepland was, pas doorgaan op 8 mei 1945. De overgang van familiedomein naar openbaar bezit had verstrekkende gevolgen voor het uitzicht van het domein. De slotvijver werd met één derde vergroot en ingericht als roeivijver. Waar zich ooit het door Vaucamps afgebroken gehuchtje bevond werd een openluchtzwembad met bijhorende kleedkamers en 'solarium' gebouwd, van meet af aan de voornaamste publiekstrekker van het domein, onlangs gerenoveerd en grondig verbouwd en vergroot. Het hoogste gedeelte van het domein, ook de rotonde bij de Lotsesteenweg, werd beplant met douglassparren (Pseudotsuga menziesii). De beemden tussen de Meerbeek en de huidige Torleylaan werden volledig ingericht voor sport en spel (kinderspeelterrein, voetbaldveld met atletiekpiste, miniatuurgolf, tennisvelden, mettertijd ook een groot parkeerterrein) (21). O p de funderingen van de oude pastorie ten noorden van het kasteelcomplex werd een jeugdherberg gebouwd en ernaast een kampeerterrein aangelegd. De meeste wegen werden geasfalteerd of gebetoneerd, zodat een toeristisch 'treintje' ongehinderd tot in de verste hoeken van het domein kon doordringen. De uitbouw van Huizingen tot een 'volkspark' kadert volledig in de opbloei van het volkstoerisme tijdens het interbellum, de bezorgdheid om het volkswelzijn, het geloof in de heilzame werking van het openluchtleven. Q u a concept, samenstelling en stijl verschilt Huizingen weinig van de talrijke sport- en spelcomplexen, speeltuinen en vakantiekolonies die in de loop van de jaren 1930 werden uitgebouwd (Hofstade, Hornu, Marcinelle...) naar ontwerp van befaamde architecten en stedenbouwkundigen als Victor Bourgois en tuinarchitecten als Jean-Canneel-Claes of de jonge René Pechère. Bijna altijd gaat het om (laat-)modernistische architectuur, soms met franjes 'Nouveau jardin pittoresque'. Het elegante, laat-modernistische paviljoen, bedoeld als vestiaire bij de tennisvelden, naast een onlangs gerestaureerde rozentuin met breukstenen keermuurtjes en een waterbekken is daarvan een mooi, goed bewaard voorbeeld. Voor Huizingen tekenden ambtenaren van de technische dienst van de provincie: hoofdarchitect H. Van Hall en hoofdingenieur Desgains.
De generatie van aanplantingen die op de overname volgde bevat heel wat interessant materiaal zoals een Oost-Aziatische soort esdoorn (Acer mono), Japanse zelkova (Zelkova serrata), Virginische hopbeuk (Ostrya virginiana), zomerlinde met ingesneden blad (Tilia platyphyllos 'LaciniataV. Veruit de belangrijkste aanwinst is echter de rots- of alpiene tuin in de vallei ten oosten van het kasteel, aangelegd in 1957-1958.
Roger Deneefen Jo Wijnant zijn consulenten onroerend erfgoed bij de Cel Monumenten en Landschappen Vlaams-Brabant.
NOTEN (1) THEYS C , Huizingen-bij-Halle. Toerisme 15(1), 1936, p. 2025; VERBESSELT j . , Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw, deel XIX, Pittem, Veys, 1985, p. 461465. (2) BAL A., Geschiedenis van Huizingen en van het kasteel. De Brabantse Folklore m. 133, 1957, p. 20-51. (3) WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, X-b, originele uitgave 1855, Bruxelles, Ed. Culture et Civilisation, 1973, p. 516; BALA., o/i. cit. (4) De 'kaart van Hermale', gereproduceerd als plan 3 in: BAL A.M.M., Huizingen - Toponymische studie (stend\ & fotocopie), 1979. (5) Gereproduceerd in: WAUTERS A., op. cit., p. 527, en summier besproken door VANVOLSEM J., Ten tijde van de Oostenrijkse Nederlanden - De heerlijkheid van "Huysinghe, Eisinghc en Buysinghe. Hallensia-Kieuwe reeks 1(4), 1979, 19-21. (6) Primitieve kadastrale legger Huizingen, art. 111; (7) Kadastrale mutatieschets Huizingen, 1835, nr. 5. (8) Kadastrale mutatieschets Huizingen, 1866, nr. 23. (9) De twee laatste verbouwingen werden geregistteerd in de kadastrale mutadeschetsen Huizingen, 1878, nr. 8 en 1882, nr. 7. Het kasteel wordt summier beschreven in: DE MAEGD C, Bouwen door de eeuwen heen (In), Gent, Snoeck-Ducaju en Zoon, 1977, p. 288. (10) BALA., o/>. m., p. 30. (11) VANDENDAELE R. E.A., Poelaert en zijn tijd (tentoonstellingscatalogus), Brussel, Gemeentekrediet van België, 1980, p. 221-227. (12) Zie: httpj/home.tiscali.be/jaquesllen/briefhistory.hmen: BALAAM., Geschiedenis van Huizingen en van het kasteel. Tijdschrift van de Dienst voor Geschiedkundige en Folkloristische Opzoekingen van Brabant, 1958, p. 138. (13) Zie: oudste kadastrale legger Huizingen, art. 362.
(14) Zie bijv. kadastrale mutatieschets Huizingen, 1877, nr. 9; (18) Geciteerd in A. COSYN, op. cit. COSYN A., Au sud de Bruxelies (Ie Termeulenbeek)(suite et (19) KRÜSSMANN G., HaruUmch der Laubgehöke (III), Berlin/ fin). Bulletin officiel du Touring-Club de Belgique29{l6), 1923, Hamburg, Paul Parey, 1978, p. 106. p. 361, spreekt van meer dan 50 huizen. (20) Het kasteeldomein van Huizingen staat vermeld met 31 bomen in de lijst van Belgische 'kampioenen' in: BAUDOUIN J.C. e.a.. (15) Kadastrale opmetingsschets Huizingen 1920; voor een gedetailBomen in België. Dendrologische inventaris 1987-1992, Stichting leerde beschrijving van het dienstgebouwencomplex ten tijde van Spoelberch-Artois i.s.m. de Belgische Dendrologische VereniAlbert Vaucamps, zie Kadastrale legger Huizingen, artikel 362, ging, 1992, p. 470. en BAL A.M.M., op. cit, p. 140. (16) PIRON P., De Belgische beeldende kunstenaars uit de 19de een (21) Beschrijvingen met foto's in diverse tijdschriftartikels uit die 20ste eeuw (I), Brussel, Art in Belgium, 1999, p. 765; op een oude periode: NOVGORODSKY L, Le domaine provincial de foto (K.I.K., cliché nr. A2367) wordt het beeld getoond voor een Huizingen-lez-Bruxelles. La Technique des Travaux 27(5-6), gevel, op een niet nader beppaalde locatie en 1870 gedateerd. 1951, p. 131-140; Les installations sportives du domaine de Huizingen (Brabant). Rythme 11, 1952, p. 5; L'aménagement (17) Augustin Bal, geciteerd in BRASSINE J., Beersel. Onze vijfdeeld'un vaste domaine. Architecture, Urbanisme-Habitation 9(1), gemeenten beschreven en bezongen, Beersel, v.z.w. Sociae Werken 1948, p. 118-126. Kiwanis>1997,p. 115-120.
•4 Het kasted vanuit het zuiden na de verbouwing van ca. 1880 (bto Herman van den Bossche. 1998)
M&L
steenslag en cementmortel. De bedding van de bergbeek bestond uit tweehonderd vijftig kubieke meter gewapend beton. In het totaal werd een wateroppervlak gecreëerd van achthonderd tweeënzestig vierkante meter met achtenzestig watervalletjes, elf meertjes en zesenvijftig aanplantingplaatsen voor water- en moerasplanten. In het totaal werden drieduizend zevenhonderd zeventig vierkante meter paden met platte 'têtes de roches' en flagstones verhard. Tweeduizend vijfhonderd lopende meter wandelpad werd aangelegd in dolomiet met op regelmatige afstanden ronde grenen dwarsliggers, niet enkel geplaatst tegen het wegspoelen van die losse verharding maar ook om de schaal en het ritme van alpentuin door te trekken.
Doorsnede van de bedding van de bergbeek in gewapend belon (Detail uit plan iBi
Overzicht van het
verdwenen vaste
middendeel van 'Het
planten
Bloemendal' met de (Foto Paul Dewit, beden grotendeels
1958)
Eenentachtigduizend negenentwintig planten werden aangeplant, waaronder zeshonderd twintig water- en moerasplanten, vijftig Japanse irissen (Iris ensata), zestienduizend achthonderd tachtig vaste en rotsplanten, negentienduizend zevenhonderd bolgewassen, later aan te vullen met nog eens tienduizend stuks, vijfhonderd negenennegentig grote en kleine naaldhoutbomen, negenduizend driehonderd vijfendertig heideplanten waaronder azalea's en rododendrons, zesduizend achthonderd negenendertig solitaire bladhoudende en bladverliezende heesters en twaalfhonderd zesendertig heesters voor grote massieven. O p 30 mei 1957 waren de werken van 'Het Bloemendal' af. In een niet gedateerd verslag van de werken stelt Paul Dewit fier dat in amper negen maanden de klus geklaard was. O m d a t de werklieden van Marijsse door de week in de nog bestaande chalet naast de werf konden overnachten en omdat dochter Marijsse voor hen kookte, werd geen tijd verloren.(6) Eindelijk konden de duizenden bezoekers van het prille voorjaar tot diep in de winter de bloemen- en plantenpracht in de alpentuin bewonderen, met de achtennegentig soorten en cultuurvariëteiten van de mooiste geacclimatiseerde planten uit het hooggebergte van de Alpen, de Pyreneeën, de Himalaja en de Andes.(7)
INPI ANTING EN OPBOUW VAN 'HET BLOEMFNDAl' De alpentuin strekt zich uit in het Midden- of Binnenpark ten oosten van de kasteelvijver, achter het kasteel. De alpentuin ligt pal oost west georiënteerd en daalt af van 108m hoogte tot 72m. Vier wandelpaden geven vanaf het westen toegang tot de tuin en slingeren zich langs en over de centrale
IVI&L
bergbeek hogerop, waar zij eindigen bij de grote waterval. Ten noorden en ten zuiden van de alpentuin strekken zich de langoureuze perken van het rosarium uit. De rozenperken zijn niet geometrisch maar landschappelijk opgevat en vormen samen met een keur van parkbomen heesters en vaste plantengroepen de overgang van de alpentuin naar het omringend parkgebied. Oorspronkelijk stonden in de rozenperken gloednieuwe en beproefde thee-hybriden en floribunda rozen naast zeldzame botanische en klimrozen. Samen elfduizend stuks, met legendarische rassen als 'Dame de Coeur'vzn Louis Lens 1958, 'Peace' van Meilland 1945 en 'Queen Elisabeth'van Lammerts 1954. Omdat ook hier de standplaatsfactoren gewijzigd zijn, is het moeilijk alle variëteiten in situ te bestendigen.
De zonneroosjes zijn
'Het Bloemendal'
vandaag door de
verdwenen
gewijzigde stand-
(Foto Paul Dewit,
plaatsfactoren uit
1958)
De alpentuin zelf is opgebouwd uit vier secties met de grote dwarsende wandelwegen van het Middenpark als scheiding: de benedentuin met vooral ook rozenperken, de Middenvallei met de collectie Japanse {Rhododendron japonicum) en moerasazalea's {Rhododendron x viscosd) (8), de Knaphill en Gentse Harde en azalea's (Mortier, 1820) waaron-
De weelderige plantengroei en overdadige bloei van de bladverliezende en bladhoudende azalea's aan een meertje van de bergbeek (Foto Oswald Pauwels)
M&L
der de gevuld bloemige laat negentiende-eeuwse rustica's (Vuylsteke, 1890) als 'Freyd, 'Norma en ' Phebé, de hoger gelegen heidetuin met een keur van cultivars van gewone dopheide {Erica tetralix), voorjaarsheide {Erica carnea) en grauwe dopheide {Erica cinerea), zwerfheide (Erica vagans) als de verzameling Chinese azalea's {Rhododendron molle) mollis (Van Houtte, 1861) en het hoogste gedeelte van de alpentuin met talrijke onovertroffen rododendrons als 'Gomer Waterer' , 'Nova Zembla' en vroeg bloeiende 'Pink Pearl'.
•HFT BLOEMENDAL 1 EN DE 'LE NOUVEAU JARDIN PITTORESQUE- - BEWEGING. In 'La Tribune Horticole' van 7 december 1912 werd de oprichting van 'Le Nouveau Jardin Pittoresque' met veel aandacht aangekondigd. Wat ontbrak aan de tuinen in het toenmalige België T waren poëtische hoekjes en aantrekkelijke combiOe langoureuze rozenperken vormen naties van vasteplanten massieven, decoratieve overgang yan e
alpentuin naar het
omringend parklandschap (Foto Paul Dewit, 1958)
elementen,
een
waterpartijtje, i
weerspiegelende ..
luchten tussen waterplanten, een rotspartij over-
groeid met alpijnse planten, abundante klimplanten. Dat alles zou de aantrekkelijk schilderachtige beelden opleveren vol kleur, lieflijkheid en charme waaraan zoveel nood was. Het project 'Het Bloemendal' van landschapsarchitect Paul Dewit situeert zich voornamelijk binnen de decoratieve tak van deze typisch Belgische tuinenbeweging, waarvan tuinarchitect Jules Buyssens (1872-1958) de stichtende vice-voorzitter was.(10) Toch blijkt het manifest van de meer 'avant-gardistische' strekking, die zich 'Moderne Tuinkunst' noemde en ontstond onder invloed van boegbeeld Louis Van der Swaelen junior ( 1883-1929)(9), niet minder relevant, want 'Het Bloemendal' komt tegemoet aan de vijf stellingen, namelijk: tuinen moeten utilitair zijn, zinnenstrelend, vernuftig en "in de onregelmatig aangelegde tuin moeten het karakter en het natuurlijk landschap streng geëerbiedigd worden'. Tuinen die aan deze doelstellingen voldeden hadden een tijdloos karakter en ontsnapten aan het verwerpelijk begrip stijl, die niet meer is als "een precair kleed van een begrensd tijdperk". (11) 'Het Bloemendal' was inderdaad utilitair, want opvoedend bedoeld, met aandacht voor de noden van zowel de gewone bezoeker als de plantenliefhebber en de deskundige. De alpentuin was zinnenstrelend, want hij sloot aan bij het "thema der verrijkte Natuur dat voorkomt uit het idee van den "Wild Garden", afkomstig uit Engeland. Het is de gift van de Natuur, de grondstof rijk versierd, de kleur, het "toover-palet" van den tuinarchitect". Het vernuft komt in 'Het Bloemendal' aan bod omdat het resultaat meer is dan een impressionistische schildering: het is tot stand gekomen vanuit " het gezond verstand met behulp van de constructieve elementen den Tuin-kunst eigen . De keuze voor een alpentuin was bovendien het gevolg van een landschappelijke inpassing, want hoe kon het hoogteverschil van zesendertig meter op meer expressieve wijze benadrukt worden dan met een klaterende bergbeek en zijn omringende alpentuin? Juist omdat alle doelstellingen vervuld zijn laat 'Het Bloemendal' zich niet classificeren als gedateerde tuin in een bepaalde stijl maar valt hij onder de tijdloze realisaties die een bescherming als monument verdienen. De tweevoudige link tussen 'Het Bloemendal' en de decoratieve strekking binnen 'Le Nouveau Jardin Pittorsque' is, afgezien van de vanzelfsprekende invloed van Buyssens zelf, niemand minder dan de notoire Zwitserse plantenkweker en publicist Henry Correvon (1854-1939). Hij slaagde er namelijk als eerste in om rotsplanten uit het hoog-
M&L
•4 Detail van het middendeel van 'Het Bloemendal' met aanduiding van de meertjes (VIII), de watervalletjes ( C 4 I , C42, e t c . ) en de rotsmassieven {')
gebergte van de Alpen en het Centraal Massief, waaronder de gegeerde edelweiss {Leontopodium alpinum), op geringe hoogte te acclimatiseren en te commercialiseren. Eindelijk kon de niet aflatende stroom van plantenliefhebbers uit alle delen van Europa definitief ingedijkt worden. Decennia lang immers waren gefortuneerde freaks steeds opnieuw met lokale gidsen het hooggebergte ingetrokken om tot in de meest onbereikbare plekken aan hun
verzamelwoede van zeldzame rotsplanten voor hun rotstuinen thuis te voldoen. Steeds opnieuw, omdat de planten niet aan de condities van het laagland aangepast bleken te zijn. Correvon behaalde met zijn geacclimatiseerde verzameling planten uit het hooggebergte talrijke internationale prijzen en droeg door zijn vele honderden publicaties in evenveel tijdschriften bij tot de vulgarisering van rotstuinen en hun flora uit het hooggebergte. Een van zijn vurige medestanders in Groot-Brittannië was trouwens Gertrude Jekyll, de grote dame van de Arts and Crafts Garden en de mixed border in Groot-Brittannië. Wel, Henry Correvon schreef het voorwoord van het eerste nummer van het tijdschrift 'Le Nouveau Jardin Pittoresque'. Hij bepleitte er vanzelfsprekend de realisatie van rots- en alpijnse tuinen in België, dat ter zake en felle achterstand in te lopen had. (12) Enkele kubieke meters kalkrots uit de Maasvallei volstonden om honderden alpijnse planten, naast tal van voor- en najaarsbloeiende bol- en knolgewassen als krokussen, narcissen en herfsttijlozen, een gepaste standplaats te bieden. Wanneer Jules Buyssens in 1935 Paul Dewit uitnodigde om bij hem te werken, gaf hij hem reeds tijdens zijn stageperiode de leiding over de kwekerij van vaste en alpiene planten en stuurde hij hem op stage bij ... Henry Correvon in Genève. (13) Met
In de alpentuin van 'Le chalet floraire nabij Genève stelde Henry Correvon zijn geacclimatiseerde rotsplanten tentoon
Detail uit de titelpagina van tiet eerste nummer van 'Le Nouveau Pittoresque' 1913
De grote cascade
voorgrond
met Japanse irissen
(foto Paul Dewit,
(Iris ensata) in het
I9S8)
meert|e op de
• De bergbeek met
de fraaie grasanjers
zijn talrijke bodem-
(foto Paul Dewit,
bedekkende vaste
I9S8)
planten waaronder
blijvend succes overigens, want met de realisatie van 'Het Bloemendal' twintig jaar later, krijgt België er een van de meest prestigieuze alpentuinen van Europa bij. Maar er zijn meer verwijzingen naar 'Le Nouveau Jardin Pittoresque'. In het verslag van de persconferentie van 19 mei 1958 ter gelegenheid van de plechtige openstelling van de alpentuin stelde Paul Dewit dat hij geprobeerd heeft ecologische plantengemeenschappen te realiseren.(14) Daarmee ging hij een stap verder dan het revolutionaire thema van 'Le Nouveau Jardin Pittoresque' dat "aanspoorde tot het uitbeelden van pittoreske en natuurlijke landschappelijke scenes, rekening houdend met de fysiologische behoeften van de planten . Van plantensociologie was in die vooroorlogse jaren nog geen sprake. De Zwitser Josias Braun-Blanquet (18841980) zou zijn observaties naar plantenassociaties op de bergweiden in Zwitserland pas vanaf 1917 aanvatten. Men dacht in die jaren vooral in termen van geografische plantendistricten met hun typische plantensoorten.(15) Ook het begrip ecologie was in die jaren nauwelijks aan de orde. Een ander thema van 'Le Jardin Pittoresque' was de voorliefde voor Japanse tuinen en de planten die ze bevolken. In het eerste nummer van 'Le Nouveau Jardin Pittoresque' werd bijvoorbeeld uitgebreid aandacht besteed aan 'Les Roches Fleuries' in Genval, de Ardense-Japanse tuin van Ernest Van den Broeck.(l6) In 'Het Bloemendal' is het Japanse nadrukkelijk aanwezig in de aanplanting van talrijke Japanse azalea's, sikkelcipressen {Cryptomeria japonicd) en Japanse en Sibirische irissen, en vanzelfsprekend de talrijke Japanse sierkersen, met onder meer de zeldzame groenachtig geelwit bloeiende cultuurvariëteit 'Ukon'. Geen alpentuin zonder flora uit het hooggebergte. Het merendeel van de zesendertigduizend vijfhonderd oorspronkelijk aangeplante alpijnse planten
M&L
en bol- en knolgewassen is inmiddels uit 'Het Bloemendal' verdwenen wegens hun beperkte levensduur, de onderlinge concurrentie en de zich wijzigende standplaatsfactoren.(17)
OVFR KALKSTFFNROTSEN, RQLKEIEN EN FLAGSTONES De wit-grijze, door weer, wind en water verweerde kalksteenrotsen of 'têtes de roches' in 'Het Bloemendal' zijn niet afkomstig uit de diepe hardsteengroeven in de Condroz, want deze stenen missen de
natuurlijke verwering en de typische begroeiing met korst- en bladmossen.(18) Zij zijn als zwerfstenen naar vorm en gewicht geselecteerd in de rivierlopen of in de leembodems van de bossen op de valleiflanken van onder meer de Bocq en de Molignée, twee van de talloze zij riviertjes van de Maas tussen Namen en Dinant, die respectievelijk ten oosten bij Yvoir en ten westen bij Anhée uitmonden.(19) De 'têtes de roches' in de alpentuin zijn hoofdzakelijk een combinatie van crinoïde kalksteen of'Petit Granit du Bocq' uit het Midden-Tournesiaan en wellicht ook wel de jongere Maaskalksteen uit het
Een oversteekplaats en een cascade opgebouwd uit 'têtes de roches', crinoïde kalksteen uit de valleibossen van de Bocq en de Molignée. Op de voorgrond groeit in een rotsspleet spontaan het robertskruid (Geranium robentamm) (Foto Oswald Pauwels)
Boven-Viseaan uit de vallei van de Samson. Beide steensoorten behoren tot het de jongste groep van de primaire gesteenten in ons land. In het geheel werd in de alpentuin een miljoen zevenentwintig duizend kilogram 'têtes de roches' met een gewicht, dat varieerde van vijftien tot tweeduizend vijfhonderd kilogram, aangebracht. Het lijkt op het eerste gezicht een onmogelijke opdracht om uit deze enorme hoeveelheid rots, samen goed voor honderd en twee vrachtwagens van tien ton, een natuurlijk ogend resultaat te bekomen. Paul Dewit loste dit in zijn bestek handig op door de têtes de roches in te delen naar hun toekomstige plaatsing in de alpijnse tuin en vervolgens onder te verdelen in percentages per gewicht: rotsen voor de bedding, de boorden, de watervalletjes en de oversteekplaatsen van de bergbeek, rotsen voor rotsmassieven en geïsoleerde rotsen. Zo beschreef hij bijvoorbeeld de karakteristieken van de rotsen die in de bedding van de bergbeek geplaatst dienden te worden. Hij splitste ze uit in ondergedoken rotsen, rotsen die boven het water uitsteken en platte rotsen voor de oversteekplaatsen. Van de ondergedoken rotsen diende bijvoor-
Monumentale treurvorm van de blauwe Atlasceder (Cedm
atkntica
Olam
Pendula')
in het heidegebied van de alpentuin. De bergbeek stroomt onder zijn brede boomkruin door. Op de voorgrond het pad in flagstones van gekliefde harde zandsteen uit de Condroz (Foto Oswald Pauwels)
beeld twintig procent tussen de eenenzestig en de vijfenzeventig kilogram te wegen. Van de categorie rotsen die boven het water uitsteken, diende tien procent, zijnde drie a vier rotsen, tussen de zeshonderd en de zevenhonderd kilogram te wegen. Van de afgeplatte rotsen voor de eenentwintig oversteekplaatsen in de bergbeek voorzag hij vijfentwintig procent rotsen met een vlakke zijde van zestien tot tweeëndertig vierkante decimeter, vijftig procent rotsen met een vlakke zijde van veertig tot tachtig vierkante decimeter en ten slotte vijfentwintig procent rotsen met een vlakke zijde. Zo had hij berekend dat hij voor een rotsmassief van negenhonderd vierkante meter met een hoogte van één meter circa negentig duizend kilogram rots nodig had en voor een massief van zevenhonderd vierkante meter met een hoogte van drie meter honderd vijfenzeventig duizend kilogram 'têtes de roches'. Tweehonderd zevenendertig solitaire rotsen dienden op te vallen door hun schilderachtige vorm, gelaagdheid en begroeiing met korst- en bladmossen. Het zwaarste rotsblok diende drieduizend kilogram te wegen, maar de aannemer leverde er een van
drieduizend vijfhonderd kilogram. Het ligt onder aan de bergbeek. Paul Dewit stipuleerde in de beschrijving der werken dat de rotsen noch tijdens het verzamelen en vervoeren, noch tijdens het plaatsen beschadigd mochten worden of ontdaan van hun korst- en bladmossen en hij duidde zelf de locatie van de zwaargewichten en de solitaire rotsen aan. Van rivierkeien of pallets met diverse geologische oorsprong uit de Maasvallei, voorzag hij vierduizend kilogram met een diameter van tien tot vijftien centimeter, vierduizend kilogram met een diameter of lengte van vijftien tot dertig centimeter en tweeduizend kilogram met een gewicht van veertig tot tachtig kilogram, waarvan de helft tussen de zeventig en de tachtig kilogram moest wegen. Die rolkeien kwamen in de bedding van de bergbeek terecht maar er werd ook een 'strandje' van twintig vierkante meter mee gerealiseerd, dat alles volgens de aanwijzingen van de ontwerper. In de post flagstones oï dalles rustiques de gres van het bestek maakte de ontwerper onderscheid naar kleur: twintig procent grijs, veertig procent licht beige en geel, twintig procent roestkleur en twintig procent violet en groenachtig en naar oppervlakte, veertig procent van negen tot vijfentwintig vierkante decimeter, vijfentwintig procent van dertig tot vijfendertig vierkante decimeter tot en met flagstones van honderd vijfenveertig tot honderd zestig vierkante decimeter. De flagstones in de alpentuin zijn gekliefde harde zandstenen uit het Boven-Famenniaan, ook wel psammiet van de Condroz genoemd en leizandsteen uit het Onder-Devoon.(20) Het patina van de stenen is roestkleurig tot rood wanneer ze rijk zijn aan ijzer. Ze zijn groenachtig als ze veel veldspaat bevatten. De gesteenten uit het BovenFamenniaan zijn de jongste uit het Devoon en gaan aan de 'têtes de roches' uit het Tournaisiaan en het Viseaan vooraf. De dalles rustiques de gres waren volgens Paul Dewit afkomstig van een leverancier in de buurt van Marche-en-Famenne. Deze steensoort wordt echter eveneens in de vallei van de Bocq gedolven.
sen, de hibiscussen, de jeneverbessen, de sierappels en -kersen, de magnolia's, de sparren en dennen, de rozen, de spirea's en de taxussen en de viburnums. Paul Dewit wist nog te vertellen dan de loofhoutgewassen geleverd werden door Felix & Dijkhuis uit Nederland, de rozen en coniferen door de firma Deconinck-Dervaes in het Wetterse, de vaste planten door de firma Moerheim in Nederland. Ook alle bol en knolgewassen waren uit Nederland afkomstig en de alpiene planten kwamen uit de kwekerij van Henry Correvon.
NATUUR VFRSUS CULTUUR Vele plantensoorten en cultuurvariëteiten zijn intussen uit de alpentuin verdwenen. De voornaamste oorzaak daarvan was de verandering van de standplaatsfactoren. Het volwassen uitgroeien van bomen en heesters ging gepaard met toenemend
• Tegen een achter-
'Hiakiin\I\
grond van fijn-
oorspronkelijke
vlgs.
alle oorspronkelijk.
chinensis 'Heali'j,
gulden sleutelbloem (Primula veris)
sparren bloeit op
lijst), rechts en
Op de voorgrond
zich vermoedelijk
het middenplan een
links van de flag-
links tussen de
spontaan gevestigd
Japanse sierkers
stones drie jenever-
rotsen heeft de
(Foto Herman van
(Pninm
bessen (Junipem
kalkminnende
den Bossche, 1998)
serrubti
DF BELANGRIIKF PLANTENGESLACHTEN IN DF ALPENTUIN Tot de belangrijke plantengeslachten behoren de azalea's, de rododendrons, de zuurbessen, de Californische en Nootkaschijncipressen, de kornoeljes, de dwergmispels, de bruidsbloemen, de weigelia's, de dopheidesoorten, de kardinaalsmut-
M&L
••
%
,
•
'
A
m
'4
m
**& ' <'*'
'
- ^
fe. , - • - • .
"V-.A * -
v«
.^ *
^.» •
V
vocht- en lichtgebrek in de omgeving. Het inmiddels verdwenen zonneroosje [Helianthemum nummulariuni) is er een sprekend voorbeeld van. Sommige planten, zoals de vaste lupine {Lupinus polyphyllus) en de riddersporen (Delphinium-hybriden) hebben een korte levensduur of planten deden het gewoon niet op de voorziene plekken. In de plaats hebben zich tussen de rotsen talrijke interessante wilde planten gevestigd: steenbreekvaren {Asplenium trichomanes), muurvaren {Asplenium ruta-murarid], tongvaren {Asplenium scolopendrium), gewone salomonszegel {Polygonatum multiflorum).
(11) Van der Swaelmen, L , Twee voordrachten over Moderne Tuinkunst - Nieuwe Vooruitzichten en Toekomstige Richting, sine die
(bibliotheek AML). (12) Rotstuinen waren in die periode in België blijkbaar niet zo 'en vogue'. (13) Buyssens' kwekerij en ontwerpbureau draaiden sinds de Universele Tentoonstelling in 1935 in Brussel, waarvan hij verantwoordelijk was voor de groene ruimte, op volle toeren. (14) In de Franstalige versie van de persconferentie van 25 maart 1958 is prake van "desassociations écologiques'. (15) Zie ook de Plantentuin van het Schoolmuseum van Michel Thiery in Gent in Desmet, J., De natuur als Assepoester. Leven en werk van Michel Thiery, Brugge, 1988. (16) Ernesr Van den Broeck was in die jaren conservator van het
Herman Van den Bossche is verantwoordelijke voor de vakafdeling 'Historische Tuinen & Parken
Brussels Natuurkundig Museum en samen met o.a. oud-burgemeester Karel Buis, de natuurwetenschappers jean Massart en Charles Bommer, landschapsschilder René Stevens en de tuinarchitecten Louis van der Swaelmen senior en Jules Buyssens medeoprichter in 1909 van 'Les Amis du Fóret de Soignes'. (17) Met de jaren kwamen lichtminnende planten als het zonneroosje (Helianthemum) door het volwassen wotden van de alom tegen-
EINDNOTEN
woordige loof- en naaldhoutbomen en -struiken in de diepe schaduw te staan en waren derhalve gedoemd om te verdwijnen.
(1) Als monument beschermd bij besluit van 12 decembet 2002. (2)
(18) In de soms dikke leempaketten die eerst verwijderd moeten wor-
Notulen van de Bestendige Deputatie van 15 juni 1956 uit
den om een hardsteengroeve te kunnen openen, komen dergelij-
documentenbundel, Provinciebestuur Vlaams-Brabant (privaat
ke natuurlijk gemodelleerde rotsen steeds voor. Maar ook de
archief P. Dewit, bewaard doorJ.-P. & A. Dewit-Timmermans).
'croüte of korstplaat boven op het vast gesteente levert mooi
(3)
Notulen van de Bestendige Deputatie van 7 juni 1957 uit docu-
gevormde rotsen op. Medegedeeld door Chris Perdaen, Carrière
mentenbundel, Provinciebestuur Vlaams-Brabant.
des Ciavaux in Petit Avin, gehucht van Les Avins (Clavier).
(4)
Aménagement du Pare Moyen' document door Paul Dewit,
(19) Talrijke documenten van Paul Dewit verwijzen naar deze twee
gedateerd 1 juni 1958 (privaat archief P. Dewit). (5)
zijrivieren van de Maas. Een document van 1 juni 1958 heeft het over "têtes de roches de la Vallée de le Meuse enlevées dans les bois".
Zie de Nederlandstalige versie van de tekst van de persconferentie van dinsdag 24 maart 1958.
(20) Tourneur, F. et al. Natuursteen leeft, Sprimont, 2002, p. 160. De
(6)
Mondelinge mededeling van Paul Dewit (juni 2003).
Jonghe, S. et al., Pierres a battr traditionelles de la Wallonië -
(7)
Merkwaardig genoeg zijn deze zeldzame rotsplanten niet in de
Manuel de terrain. Jambes, 1996.
plantenlijst van Paul Dewit te bespeuren. (8)
Paul Dewit heeft de geurende Azalea viscosa-hybriden uit ca. 1938 wellicht leren kennen bij Felix en Dijkhuis in Boskoop, die ze introduceerden. Jules Buyssens had hem daar na 1935 op stage gestuurd.
(9)
Met dank aan Jean-Pierre Antoinette Dewit-Timmermans voor het ter
Tuinarchitect en internationaal gerenommeerde stedenbouw-
beschikking stellen van het archief van Paul Dewit en voor de feedback
kundige, die aan de basis lag van Le Logis en Floréal in Water-
die zij organiseerden met de negenentachtig jarige Paul Dewit in
maal-Bosvoorde.
Frankrijk.
(10) Zie niet gepubliceerde tekst voor een lezing door Herman van
Dank ook aan Bert Van Ketckhove, Dienst Cultuur van de Provincie
den Bossche voor AMARANT vzw van 29 mei 2002 in het kader
Vlaams-Brabant voor het ter beschikking stellen van de map met brie-
van de reeks 'Een tuin is meer dan er staat'.
ven en documenten uit het provinciaal archief.
•4 Zicht vanuit hel
(hisma
oosten met achter-
ca 'Jortuosa').
pseudoaca-
pems mginiana
Op de voorgrond
lijke aanplanting
'Glauca'), ervoor
rechts dwergmispel
(foto Oswald
aan links de grote
op middenplan
waterval. Op het
staan twee zuil-
links twee bont-
{Cotoneaster micro-
Pauwels)
bladige kardinaals-
phyllrn var. cochlea-
achierplan groeit
vormige Virginische
mutsen (Euonymus
ttisi. alle afkomstig
gewone robima
jeneverbessen {juni-
fortune/ 'Gracilis').
uit de oorspronke-
Marcel M. Cells, Joris Snaet en Lode De Clercq (1)
ANTOINE Ö EM1LE BEERNAERT, STEEMHOUWERS (ca.
1850-1924)
• Zicht op het stilgevallen atelier f. Seermert in Eisene, juli 2002 (foto Nadine Tasseel)
Juli 2002. Het nog maar pas ingezette
zomerreces
naar bouwwerken
'abroad'
wordt bruusk onderbroken
door de
jubelpark.
melding
van de op til zijnde sloping
van het
spontaan
'grafzerkmakersbedrijf'
Emile Beernaert,
rand van de begraafplaats geïntrigeerd
van Eisene.
door een waar cafarnaüm,
zolder van een loods achterin
het
van onder gitzwart
stof bedolven
mallen,
bloemenkransen
tekeningen,
meer, alarmeerde
een aantal
objecten
lijkt immers te
seerde maar doeltreffende
Behoorlijk
gevolg.
Meerdere honderden
op de
ningen,
foto's en fotoalbums,
gipsmodellen,
rende nalatenschap
en dies al
hardsteenbewerkers,
de BBL, Gebouwen:
verwijzen
maakten
funeralia
vzw, met een
aan de
andere parafernalia,
van de Regie der
aanwezige
naar Epitaaf
bouwperceel,
de nieuwe eigenaar,
de Dienst Restauratie
De talrijk
van Leopold II, waaronder
leiden
geïmprovi-
reddingsoperatie
blijken
gipsen,
tot
ontwerpteke-
modellenboeken sindsdien
generaties
die ooit de hoogdagen in het Brusselse,
tevens van de monumentale
openbare
tuur in België onder koning
Leopold
en
de fascine-
van minstens twee
van de grafkunst
het
uitmaar
architecII.
EEN PROEVE VAN CHRONOLOGIE k. Biimai Belgium Marble
Crystal Palace, 1851. In The Exhibition as a lesson of taste, zijn bijdrage tot de monumentale gelegenheidscatalogus, maakt Ralph Nicholson Wornum onder Paragraaf V, Carving and Modelling drc, melding van An oak gun-press by A. Beernaert of Brussels (Cinquecento-style):
Works. Auderghem. Brussels. Lith.DeesKeym, rue fossé-mhups. 70. Brussels. Tekening op blauw papier waarop 16 modellen van schouwmantels
" The press, by Beernaert, is enriched with panels, containing hunting scènes; a stags head and boys make a very appropriate top; and the scrolled frieze and the capitals of the acanthus order are in genuine taste. The capitals are novel: they are decorated with the goat's heads, instead of the cauliculi or spiral stems of the plant in the original Corinthian, or the volutes of the Roman composite, to wich order the echinus ornament between the heads shows that it belongs. All is in good taste, with the exception of the introduction of boys as the suppports of the pillars wich they carry on their heads; tough these things occur in old examples, they are the blemishes —not the beauties, of the style" {2).
(Epitaaf vzw, fonds Beernaert)
Model nr. 58 voor een schouwmantel, ca 1875 (?) (Epitaaf vzw, fonds
Gaat het om Antoine Beernaert (Brussel, 5 december 1820- ?), "sculpteur et tailleur de pierre a Bruxelles\ gevestigd Karmelietenstraat 20, die in 1847 zijn kandidatuur stelt om steen te leveren voor de restauratie van de stadhuistoren (3) in opvolging van een zekere (overleden) Dechamp, maar ook voor de leiding van de werken? In april 1849 wordt hij alvast op proef aangeworven, en dit tot februari 1850. Dezelfde "sculpteur-marbrier" Antoine Beernaert, verhuist op 21 januari 1863 naar de Brusselse randgemeente Oudergem, aan de rand van het Zoniënwoud (4). Van Joseph de Riquet ( O 1808), prins van Caraman-Chimay, huurt hij er de watermolen van de voormalige priorij van Rood Klooster, waar hij - wellicht omwille van de aanwezige aandrijfkracht - een zagerij inricht voor marmer en witte steen (5). De rechtover gelegen voormalige priorsvleugel gebruikt hij als zomerverblijf, tot hij op 23 januari 1874, ingevolge de verkoping van de priorij-gebouwen en het verstrijken van zijn huurcontract elders, in Eisene, zijn toevlucht moet gaan zoeken (6). Opmerkelijk is dat één der kandidaat-kopers niemand minder is dan de advocaat Auguste M.F. Beernaert (Oostende 1829-Luzern 1912), sinds 1973 minister van Openbare Werken in de conservatief katholieke regering Jules Malou. Korte tijd nadien, in 1876, wordt ene "A. Beernaert, mattre de carrières h Savonnieres, St. Joire et Echaillon, die boogt op 30 jaar ervaring, door de
Beernaert)
stad Brussel gelast met de levering van steen voor de realisatie van beelden voor het stadhuis (7). Hij blijkt nu gevestigd aan de Wiertzstraat 46, te Eisene, een bruisende wijk tussen het spoorwegstation Brussel-Leopoldswijk en het Leopoldspark waar naast ambachtelijke ateliers ook tal van kunstenaars een stek hadden gevonden: de kunstschilders Antoine Wiertz zélf (1806-1865) en Jean-Baptiste Van Moer (1819-1884), mindere goden zoals de beeldhouwers E. Frappaert en J. Grandvalet, de metaalgraveur Francois De Meersman ... (8). Van deze periode getuigen slechts schaarse documenten: een primitieve 'portefeuille' (kleine A4) waarin een reeks losbladige modellen van schouwmantels, in lijntekening, genummerd van 1 tot 101, gaande van sobere neoklassieke omlijstingen tot neorenaissance en meer exuberante barokke exemplaren; sommige dragen handgeschreven afmetingen, een zeldzaam exemplaar is opgehoogd met kleur, het blad met de modellen 9-10 vertoont een stempel in blinddruk: "Sculpture Marbrerie Beernaert Rue Wiertz 50 a Bruxelles Maitre de Carrières a Savonnières-en-Pertois dr St Joire Meuse".
Rolbrug. ca 1880,
^y
verplaatsbaar in twee richtingen en met hefmechamsme voor stenen (Epitaaf vzw, fonds Beernaert)
Model voor een her-
Naar aanleiding van de Wereldtentoonstelling van 1878 komt Antoine Beernaert nogmaals ter sprake in Max Goebei's Industries extractives, zijn bijdrage voor La Belgique h l'Exposition Universelle de 1878 (Parijs) (9): "Disons un mot pour terminer cette rapide revue, des appareils mécaniques mis en usage par cette importante industrie de ['exploitation des carrières. Voici d'abord Ie modele d'un pont roulant de 60 metres avec treuil roulant de 40 tonnes, inventé par MM Jules E. Thomas, ingénieur, et J.B. Cornet, propriétaire de carrières, a Bruxelles. C'est un appareil dont les avantages, au point de vue de la rapidité et de la sécurité des manoeuvres attirent immédiatement l'attention. Seulement il eüt été mieux place, selon nous, dans la classe 50 que parmi les machines et appareils de la mécanique générale, classe 54. La machine a débiter les roches de M. G.
Diploma (naar ont-
"msrbnef, naar
Het document
ressources et I'lm-
werp van architect
aanleiding van de
brengt onderaan
portmce de l'mdus-
honneurs de
Edmond Le Graive)
"/ere Exposition
een uittreksel uit
tne et des arts
l'admission."
op 9 oktober 1887
locale Art el
het reglement:
locaux. Art.ll:
(Regie der
door de gemeente
Industrie", "Section
"Art. Ier:
II sera délim a
Gebouwen, fonds
Eisene uitgereikt
Industrielle, Groupe L'Exposition a pour
aan Emile Beernaert
Marbrene".
but de montrer les
qu'il a mérité les
chaque exposant un Beernaert) diplome constatant
pentekening,
denkmgsplaat, met
ca 1890
palmtak en blader-
(Epitaaf vzw, fonds
krans. Gewassen
Beernaert)
Wincqz, il Soignies; l'appareil de M. Ant. Beernaert, a Bruxelles pour dérocher la pierre dans les carrières, l'intéressante perforatrice de MM. Tacquenier et Cranson, a Lessines; enfin la machine a tailler et a ciseier la pierre et le marbre, inventée par M. Ed. Berten-Nolf, a Roulers, et construite par la Société anonyme des ateliers de construction, fonderies et chaudronneries de Lodelinsart; tous ces appareils méritent a divers titres l'étude sérieuse des exploitants de carrières." Zijn uitvinding levert hem nogmaals een medaille op, naast de onderscheidingen die hij reeds behaalde in Londen 1851, Brussel 1853, Dublin 1865 en Parijs 1867. In april 1885 wordt Antoine Beernaert, na openbare aanbesteding, de levering toegewezen van witte Echaillon-steen voor de oostgevel van het Brussels stadhuis, aan 240 fr/m (10). Hoewel hij bij dezer gewag maakt van '50' jaar ervaring en van zijn opleiding als beeldhouwer bij de gebroeders Mandueau (of Manducau?) — waar hij beelden zou zien staan hebben van "Duquenoy", G.L. Godecharle (1750-1835) en J.-L.Van Geel (1787-1852) - , speelt de aanhoudend koude winter hem parten en blijkt in juni 1896 nog geen morzel steen geleverd, wat resulteert in aanhoudende twisten met de stad. Zijn briefhoofden vermelden nu: " Carrière de Savonnières-en-Perthois et de Saint-Joire (Meuse). Magasin de marbres en tranches et en blocs, a Bruxelles. Spécialitépour les marbres blancs. Depot de pierres de toutes provenances, a Mons (bassin). Pour les commandes en Belgique, s'adresser rue Wiertz 34, a Bruxelles. Pour la France, a M. Em. Beernaert, Directeur-Gérant, a Savonnières-en-Perthois (Meuse)T Voor het eerst wordt hier melding gemaakt van zijn zoon Emile Joseph Beernaert (Brussel 4 of 14 mei 1859-Elsene 30 oktober 1930) (11), die vanaf
s»^.
t*
CHiPtLtES IflMBflJI .
»«
MIRBRERIF SCULPTURE a TAILLE
UE PIERRES
~\ '!
••
Bouwaanvraag
Wlertzstraat 50,
(van juni 1907 voor
Eisene
paardenstallmgen en (Gemeente-archief een loods aan de
|
^<»»^r>-,-
Eisene, dossier 358)
1890 het bedrijf van zijn vader blijkt te hebben overgenomen. De briefhoofden vermelden voortaan "Emile Beernaert. Monuments funéraires — Sculptures — Taille de pierres. Pierres de Savonnières, St- Joire et Echaillon. Marbres et granits. Rue du Parnasse 26, Bruxelles (Q.-L.). Ateliers: rue Wiertz 50 et a Ecaussines. Entreprise de caveaux — Couronnes mortuairef.
JU^-pc
Wat E. Beernaert hier zoal terzake te bieden heeft blijkt uit een achttal losbladige gewassen pentekeningen van herdenkingsplaten: met palm en immortellenkrans, omlijst met klimop, met klimoptak of krans, of een dubbele palmtak verstrengeld met een X P . . . Vernieuwend voor de verdere groei van het bedrijf is de beschikbaarheid van granietsoorten en tegelijk de uitbreiding van de activiteiten met de realisatie van grafmonumenten. Zélf wordt Emile Beernaert "komende van BrusseP pas als inwoner van Eisene ingeschreven op 15 april 1903. Met zijn bedrijf vestigt hij zich vanaf 1 april aan de Renbaanlaan 131-133, dicht bij het tramdepot uit 1884, waar hij nog in februari voordien een vergunning had verkregen voor de bouw van een bureau bovenop een bestaande koetsdoorgang en, in mei daaropvolgend, voor de bouw - tegen de omheiningsmuur — van een bureau voor zijn ploegbaas (12). Bouwaanvraag (brief
Renbaanlaan
en tekening op
131-133. Eisene
schaal) van februari
(Gemeente-archief
1903, voor de
Eisene, dossiers 88
bouw van een
en 238)
bureau aan de
In juni 1907 dienen Emile Beernaert en "Mme. Leemans" bij het gemeentebestuur van Eisene een ontwerp in voor de bouw van een meubelbewaarplaats aan de Wlertzstraat 50, de uitbreiding van een bestaande paardenstalling - in 1903 en voor 6 paarden opgetrokken door " Voiturier-Cammioneuf J. Schoonzetters (13) - tot 15 paardenboxen en een nieuwe loods (14). In oktober-november 1907 volgt een bouwaanvraag voor het hoger optrekken van een aanbouw
1VI&L
(.Wli
ÏÏI ;
een steenworp van de ULB-campus (17), waar het bedrijf voortaan gevestigd wordt. Hij overlijdt op 30 oktober 1930. Zijn bedrijf — naam incluis - blijft bestaan, overgenomen door de Sté. Gaudier-Rembaux, Ancienne Société Granitière du Nord, Aulnoye-Nord (maison fondée en 1870) vooreerst, Destrebecq Freres J/»-/vervolgens en tot 2002.
v
m
Bouwaanvraag van
HERDENKINGSMQNÜMFNTEN
5 april 1924 voor een woonhuis, winkel en bureau aan de Rroonlaan 449 (Gemeente-archief Eisene, dossier 165)
van de reeds bestaande meubelbewaarplaats aan de Wiertzstraat 50 (15). Een laatste bouwvergunning op naam van E. Beernaert alhier, voor een beglaasde luifel over de binnenkoer, volgt nog in april 1911 (16). Briefhoofden op dit adres adverteten met "Gmnits d'Ecosse et de Suède, de Norvige, des Vosges, de Bavière, de Saxe etc. etc., maar tevens met het Paleis van Laken, het Koloniaal Museum in Tervuren, de arcade van het Jubelpark, het Heilig-Hartklooster in Woluwe, de Koninklijke Gaanderijen in Oostende en de Banque d'Outremer. Nieuwe op wereldtentoonstellingen behaalde onderscheidingen ontbreken evenmin: een zilveren medaille en erediploma in Brussel 1897, een zilveren medaille in Luik 1 9 0 5 . . . O p 5 april 1924 legt Emile Beernaert, hij is nu 65 jaar, nog een nieuwe bouwaanvraag neer, voor de bouw van een woning en bureaus aan de Kroonlaan 449, rechtover de begraafplaats van Eisene, op
De kunstenaarsambities van Emile Beernaert blijken ondermeer uit de prentbriefkaart, te dateren na 1924, waarmee het bedrijf behalve met grafkelders en grafmonumenten opvallend adverteert met "Sculpture", gestaafd met reproducties van het Boerenkrijgmonument in Hasselt, de Anspachfontein in Brussel en het Monument voor de Gesneuvelden van W O I in Eisene - al kon de ware toedracht van zijn betrokkenheid bij de totstandkoming van deze herdenkingsmonumenten vooralsnog niet worden achterhaald. Het in zijn atelier teruggevonden gipsen schaalmodel van een vernauwend, zuilvormig gedenkteken met opliggende palmtak zou inderdaad kunnen verwijzen naar het nationaal Boerenkrijgmonument dat op 28 augustus 1898, naar ontwerp van de Antwerpse beeldhouwers Albert Baggen (18621937) en Jean-Fran^ois De Vriendt (1829-1919) in Hasselt werd ingehuldigd (18). De sokkel vertoont
•4 Sculpture [mile Beeriaen-Cavewx
SCULPTURE
et Monuments Iménirts, Prentbriefkaart (na 1924) met
QRANITS PIERRES
voorstelling van het
MARBRE5
Boerenkrijgmonument in Hasselt,
Telephone : 832,40
de Anspachfontein in Brussel en het WO I monument in Eisene
Emiie B E E R N A E R T 449, A v e n u e de la Couronne EN FACE DU CIMETIERE
IXELLES-BRUXELLES CAVEAUX & MONUMENTS FUNERAIRES La Guerre des Pavsans Hasselt
M&L
Granits tailles et polis
(Epitaaf vzw, fonds Beernaert)
Gipsmodel voor een sokkel (Epitaaf vzw, fonds Beernaen. Foto 0. Pauwels)
lAViLLeMBRVxeaes DV.:M®NVM6NT^1
overigens sterke verwantschap met ondermeer deze van het Louis Pasteur monument (A. Cordonnier 1896-1898) in Rijsel (19). Een ander gipsen schaalmodel zou dan weer een studie kunnen gevormd hebben voor het W O Imonument (1926) op de Gedachtenissquare in Eisene, met beelden door Charles Samuel (18621939) en Marcel Rau (1887-1966), beeldhouwer die herhaaldelijk voor Beernaert presteerde (20) en wiens hardstenen sfinx bij de ingang van de werf aan de Kroonlaan nog lange jaren het briefhoofd sierde van Destrebecq Frères.
De Anspachfontein De medewerking van Emile Beernaert aan de fontein, op te richten op het Brusselse de Brouckereplein ter vervanging van de gesloopte Augustijnenkerk als huldeblijk voor Jules Anspach (18291879), vijftien jaar lang (1864-1879) liberale burgemeester van 's lands hoofdstad en onder wiens legislatuur ondermeer de binnenstad werd gesaneerd, de Zenne overwelfd, de Centrumlanen aangelegd, het Beursgebouw (Léon Suys 1871-'73) opgetrokken en de begraafplaats van Brussel (Pierre Victor Jamaer en Louis Fuchs 1877) in gebruik genomen, wordt alvast geattesteerd door het fraai erediploma uitgereikt aan Emile Beernaert door "LA VILLE . de. BRUXELLES. en . souvenir, de. L'INAUGURATION. du . MONUMENT. ANSPACH." op 22 augustus 1879 en gesigneerd door burgemeester Charles Buis. Het eerste ontwerp uit 1880 van een zekere Hoste, waarbij niet Anspach maar wel Leopold I de volle aandacht kreeg, bleef gezien de ontgoochelende reactie op de fondsenwervingscampagne zonder gevolg. Na heel wat getalm werden architect Emile
ANSPACH•
r F üour'^Wjif'P
Erediploma (naar
inhuldiging van de
ontwerp van Louis
Anspachfontein
Tin) in 1879 door
(Regie der
de stad Brussel
Gebouwen,
uitgereikt aan
fonds Beernaert)
E. Beernaert bi) de
Janlet (1839-1918) en beeldhouwer Paul De Vigne (1843-1901) gelast met een tweede ontwerp, voor een fontein aanleunend tegen een portiek, waar bovenop het borstbeeld van Anspach en een bekronende engel. In 1894 stelden ze de maquette voor van een derde, totaal afwijkende variante: een obelisk in Schotse graniet, bekroond door een vergulde, bronzen Sint-Michiel, bovenop twee op elkaar gestapelde bekkens waarover het water trapsgewijs naar beneden stroomde, twee allegorische figuren en waterspuiende zeedraken. Na goedkeuring in oktober 1894 werden de werken aangevat in september 1895. Al gauw diende de geestesziek geworden De Vigne vervangen te worden door Juliaan Dillens (1849-1904) die op zijn beurt, op aandringen van de toezicht houdende beeldhouwers Jacques De Lalaing (1858-1917) en Guillaume De Groot (1839-1922), een deel van zijn opdracht, op de allegorische Stadsmagistraat en Erkentelijk-
M&L
4 De bekroonde maquette voor het j.F. Willemsmonument, in Gent. Foto Edmond Sacré. ca 1899 (Epitaaf vzw, fonds Beernaert)
Parijs, 9 november 1918. Hulde - met tanks bij het Gambetta monument (Epitaaf vzw, fonds Beernaert)
Het monument voor J.F. Willems
• Antwerpen, het Congo-monument. foto J. Haesaerts, Leysstraat 14, Antwerpen, ca 1911 (Epitaaf vzw, fonds Beernaert)
heid van de Stad Brussel na, zag afvloeien naar Godefroid De Vreese (1861-1941) voor de Zeedraken, Pieter Braecke (1858-1938) voor de Waterspuwende Grotesken en Georges Houtsront (?) voor de ornamenren. Cririci waren overigens na afloop niet onverdeeld enthousiast: het dagblad Le Soir stelde 's anderendaags sarcastisch dat "on enfera des reductions, qui, sous forme d'encriers, auront un vif succes' (21), De fontein met cyppe-vormige basis en rijzige obelisk, vorm die overigens opmerkelijk aansluit bij deze van neoklassieke grafmonumenten, zou E. Beernaert blijkbaar blijvend boeien, te oordelen althans naar zorgvuldig bewaard gebleven prentbriefkaarten en foto's van het verwante Gambetta-monument (Louis-Charles Boileau en Jean-Paul Aubé, 1884) in Parijs (22), het Congo-monument (Emiel Van Averbeke en Jules Baetes, 1911) in het Antwerpse stadspark (foto J. Haesaerts),..
M&L
De aanwezigheid van een fraaie, door "1$. De Rudder, rftftód'zWgesigneerde foto (Edmond Sacré) van het "Monument J.F. Willems, Maquette Priméé', onthuld te Gent in 1899, zou onrechtstreeks kunnen getuigen van Beernaert's deelname aan de daartoe uitgeschreven wedstrijd, in de tweede helft van de 19de eeuw een courant initiatief: "Huidemonumenten voor pioniers op artistiek en intellectueel vlak fungeerden in beide landsgedeelten ter benadrukking van de eigen culturele en historische identiteit, maar in Vlaanderen kaderden tal van dit soort initiatieven in de bewustmakingsstrategie van de Vlaamse Beweging. Aldus het Jan-Frans-Willems-monument (...), (...) een wit-marmeren allegorische groep die de 'Vlaamse Ontwaking' voorstelt en een hoge sokkel met portretmedaillon van de 'Vader van de Vlaamse Beweging, en Reinaart de Vos in reliëf en een dito moeder die haar kind een oud Vlaams wiegelied voorzingt, en tenslotte, als een soort manifest, een namenlijst van auteurs die consequent in het Nederlands hebben geschreven!' (23)
Het Frans monument 1832 Thans nauwelijks meer dan een tot de verbeelding sprekende anekdote, blijkt dan weer uit een in bruin vilrpapier gevouwen dunne map. Het laconisch schrijven van 12 januari 1897 van Le Petit Bleu du matin, gevestigd Zandstraat 17 in Brussel, aan Mon cher Monsieur Beernaert, kwam ongetwijfeld niet meer onverwacht: "]e vous renvoie les pieces que vous aviez confiées a l'un de nos rédac-
Maquette van het ontwerp Souvenir voor het Frans monument 1832 in Doornik. Niet gesigneerde foto. 1897 (Epitaaf vzw, fonds Beernaert)
teurs ainsi qu'un numero du 31 Décembre dormant Ie croquis du monument prime. On na pas eu ['occasion de parier de votre projèt, sans cela on eut été tout disposé a en faire l'éloge" Het handgeschreven wedstrijdreglement van 22 september 1896 voor een Monument a ériger sur uneplacepublique h Tournai h la mémoire des soldats francais tués en 1832 sous les murs d'Anvers bleef,
samen met enkele foto's, als bij wonder bewaard. De — anoniem — deelnemende kunstenaars dienden alle nodige tekeningen op 1/lOe voor te leggen, evenals een maquette op l/5e en een verklarende memorie met aanduiding van de aan te wenden materialen. Het monument diende volledig afgewerkt te zijn tegen 1 september 1897. Een zorgvuldig overgeschreven uittreksel uit het Journal de l'Economie de Tournai van 20 december
M&L
1896 spreekt boekdelen over de tijdsgeest en de gang van zaken: "Nous avonspu voir au local du eerde artistique, rue clairisses, l'exposition des maquettes envoyées au comité du monument francais par les artistes ayant pris part au concours institué en octobre dernier pour Ie choix de l'oeuvre chargée de glorifter sur une de nos places publiques les soldats francais tombes sous les murs d'Anvers en 1832. Malgré Iepeu de temps laissé aux artistes pour élaborer leurs projets, ce concours h réuni Ie chiffre énorme et inattendu de quatorze concurrents. Leurs ébauches forment dans Ie local de l'exposition un veritable salon de sculpture et d'architecture tres curieux a voir et tres interessant a étudier; ilfaut reconnaitre, a la louange des organisateurs, que l'ensemble a été disposé avee beaucoup de gout et de fagon h faciliter Ie plus possible la tache du jury. Cejury aura ajuger treize maquettes, leprojet d'un des concurrents ayant été brisé accidentellement au moment du transport. Si l'on vise a l'originalité on aura vite fait d'écarter les nombreuses esquisses qui se bornent a copier Ie modèle académique et séculaire: une obélisque, une colonne ou un steleportant l'inscription votive et au pied duquel Ie génie obligatoire, ailé ou non, dépose lapalme traditionelle. Il n'y apas moins de six seulpteurs dont la conception na pas été au-dela. Assez nombreux aussi sont eeux qui ont eu recours au personnage allégorique soutenant un soldat blessé; il était fatal que l'on mit a contribution une Belgique symbolique couronnant la France, en la personne de ses combattants. Nous ne contestons pas que certaines maquettes représentant ce sujet aient des qualités d'exécution et dénotent un veritable temperament d'artiste; ily a notamment une petite esquisse enlevée comme une pochade, dont la ligne est élégante et dont les personnages ont du mouvement. Ily a aussi un projet, traite tout autrement, aussi achevé qu'un morceau définitif et qui produit un grand effet: l'ensemble, entouré d'une luxueuse grille dorée est majestueux et l'allégorie estparlante: la Belgique, couronne royale en tête, une peau de lion sur l'épaule, surplombe un artilleur tombe en serrant dans ses bras les armoiries d'Anvers. L'auteur a fait un grand effort mais il na pas su sortir du conventionnel Ie plus banal et son oeuvre froide manque totalement de vie. Le projet qui nous parait le plus original et en même temps le plus moderne, celui qui sort le plus des sentiers battus et les routines ordinaires, tout en se complaisant strictement aux conditions imposées par le programma, est celui qui a pour principal motif décoratif un canon dressé sur son ajfut; ilforme colonne avec comme chapiteau, un obus entouré d'ornements empruntés aux uniformes militaires et combines d'une fa^on hardie et ingénieuse.
Devant le piëdestal, un ancien combattant de 1830 est campé indiquant de la main une phrase inscrite sur le monument; le personnage nest pas ici allégorique, e'est un homme vivant et pour ainsi dire parlant. Nous croyons que ce serait une chance pour Tournai que de voir ériger sur une place publique cette oeuvre vraiment artistique, empreinte de réelle et saine modernité. Nous avons encore remarqué un projet qui n 'emprunte rien nonplus a l'allégorie et dont la conception, toute simple, est assez heureuse: deux soldats sont tombes et au milieu d'eux un troisième tenant haut son drapeau, chancelle, mortellement frappe. C'est un morceau de naure qui traite par un artiste habile, aurait tres grande allure'' Vermeldenswaard is het Nota Bene. " Cette entreprise, il importe de le proclamér, est exclusive de la pensee de réveiller jamais d'anciennes querelles entre nous et nos voisins du Nord. Bien au contraire; le monument que nous allons ériger sera l'apothéose de la paix et de la fraternité internationale." Het mapje bevat een derde handgeschreven document, jurerings-aantekeningen of nabeschouwingen, maar niet van enig humoristisch cynisme gespeend: • Liberté Patrie: monument et statues d'angle, grand groupe en chocolat au dessus. • (getekende driehoek): petit monument: génie couronnant soldats morts (Jaspar). • Pax: énorme lion, au dessus d'une forteresse // • (getekende passer met schietlood): Soldat mourant, tenant un drapeau (2e projet Jaspar). • Adperseverare (?): pyramide avec brule parfum ... • Vertuti-Honor: colonne surmonté par un génie maigre, projet trop flute!!! • Gloire au mérite: pyramide placée sur forteresse! • Ad mémorium: maquette bois (funeraire). • Fraternité: projet bien compris. ' Patria: projet ressemblant a celui de Dubois, toujours des soldats mourantsü! • 77 pyramide avec génie et brule parfum, mauvais
profits." • Espérance: l'homme au canon, projet formé au moyen de canon, cuirasse, bombe etc!!! • Armes de Tournay (Dubois): encore des soldats mourants. • Souvenir: seul projet ayant bien tenu compte des indications et de l'esprit du programme (la ville de Tournay rendant honneur aux franfais)." Dat precies dit laatste — een voor een hoge stele geknielde vrouw met ontblote borst en palmtakwerd ingezonden door Emile Beernaert — kan geen toeval zijn.
OPENBARF WFRKFN. IN OPDRACHT VAN DE KONING Het palels te Laken Vanaf 1902 liet Leopold II zijn paleis in Laken vergroten door Charles-Louis Girault (1851-1932), tevens ontwerper van het 'Congo'museum in Tervuren, de vernieuwde arcadeboog van het Jubelpark in Brussel en de grote koninklijke gaanderijen in Oostende (24). De Franse architect deed voor de werken aan het paleis in Laken, het museum in Tervuren en de arcadeboog van het Jubelpark beroep op het bedtijf van Etnest Wouters-Dustin, Entrepreneur des Travaux Publics, die in 1905 zijn zetel had aan de Leuvensestraat 96, in Brussel (25). O p basis van de beschikbare gegevens, kan worden aangenomen dat Wouters-Dustin voor de uitvoering van deze werken telkenmale in onderaanneming beroep deed op het atelier van Emile Beernaett. Het aannemersbedrijf Wouters-Dustin werkte in Laken van oktober 1902 tot voorzeker april 1907 aan beide vleugels van het paleis. Over de medewerking van het atelier van Beernaert zijn we slechts geïnformeerd door de briefhoofden die hij gebruikte toen hij gevestigd was aan de Renbaanlaan (1910).
T Brief van
(stempel) van zijn
E. Beernaert, geda-
'openbare werken'
teerd 26 juni 1907,
(Epitaaf vzw, fonds
met vermelding
Beernaert)
Het Congomuseum In Tervuren Wouters-Dustin had op 18 januari 1904 de aanstelling gekregen voor de uitvoering van de werken aan het museum in Tervuren. Het houwen van de stenen werden uitgevoerd door de ploegen van Goyers en Beernaert, wat blijkt uit een brief van Ch.-L. Girault van 10 november 1905. O p dat ogenblik overwoog de architect om extra ploegen aan te nemen voor de uitvoering van de vazen die de muren bekronen. De ateliers die hiervoor in aanneming kwamen waren deze van L.C. Evrard (die volgens dezelfde brief op dat ogenblik reeds werken had ondernomen aan het Jubelpark) en van Juiien Clobert (24). Girault liet voor de uitvoering van de vazen een model van plaaster maken dat in de loop van december 1905 op de werf werd afgeleverd (27). In de loop van 1907 werd een begin gemaakt met de afwerking van de sculpturale elementen van de buitengevels en de binnenkoer van het museum. Girault bemoeide zich persoonlijk met de aanstelling van de ateliers, wat lijkt te wijzen op spanningen op de werf. Bovendien eisten alle ateliers, althans volgens de architect, een veel te hoge prijs voor de werken. In een uitzonderlijke brief die de architect rechtstteeks naar het steenhouwersatelier van L.C. Evtatd stuurde, benadrukte hij de eisen voor het overzetten van de plaasteren modellen in ste.cn:"Je ne demande a mes executants qu'une reproduction tres fidele des motifs modelés sous ma direction et rien de plus, surtoutpas d'interprétation; une bonne mise au point est la base de fidélité de ces reproductions. (26) ". Uiteindelijk en deels om tijd te winnen, verdeelde Girault de werken over de verschillende ateliers: het ateliet van Grimee werd gelast met de hoofdgevel, dat van Goyers met de binnentuin, dat van Evrard en Talpe vermoedelijk met de zijgevels en dat van Beernaert met de achtergevel (28).
De arcadeboog van het jubelpark De medewerking van Beernaert aan de uitwerking van de arcadeboog van het Jubelpark {Cinquantenaire) wordt bevestigd door twee artikels, verschenen naar aanleiding van de inhuldiging op 27 september 1905 (30). Daarin wordt beschreven hoe de talrijke uitvoerders, die zich hadden opgesteld op het halfronde plein vóór de arcadeboog, persoonlijk door Leopold II werden gefeliciteerd. De vorst bedankte vooreerst de talrijke 'financiers' van het project. O m het volk en het parlement niet te veel voor de borst te stoten, had hij immers de operatie zelf gefinancierd via officiële schenkingen door stromannen gerekruteerd uit de hoge burgerij. Ook architect Girault en de aanwezige ontwerpers
f
-
van de bronzen beelden, waaronder Thomas Vinijotte (1850-1925) en Charles Van der Stappen (1843-1910), waren aanwezig. De genieofficieren die de oude arcadeboog hadden weten op te ruimen en de nieuwe werken hadden gesuperviseerd, werden eveneens door de vorst gefeliciteerd. Aan de aannemer Ernest Wouters-Dustin, die aanwezig was in het gezelschap van zijn zoon Henri Wouters (31) en de directeur van de werken Spreutels, verklaarde de koning dat zij een mirakel hadden volbracht. Het devies van de aannemer was overigens "Faire tres vite et vite" (32). Ook de leverancier van het Portland cement, de afgevaardigden van de Union des maitres de carrières de petit granit du Hainaut en de ijzer- en de loodbewerkers werden door de vorst bedankt voor hun prestaties. Tussen al de uitvoerders was ook Emile Beernaert aanwezig. Nadat de vorst vertrokken was, werden de architect en de andere uitvoerders door WoutersDustin uitgenodigd op een grootse lunch die plaatsvond in de zaal van de Grande-Harmonie. De bouw van de arcadeboog was overigens een enorme krachttoer geweest. Eerst had men de stenen onderbouw afgebroken van de vorige boog, die nog naar het ontwerp van Gédéon Bordiau
• Brussel, Jubelpark. ca 1904-1905. De steenkappers, ploegbazen e.a. poseren ti|dens de lunchpauze (let op de indrukwekkende boterhammen) (Regie der Gebouwen, fonds Beernaert)
1VI&L
(1832-1904) in 1894 slechts tot een hoogte van 28 meter opgetrokken was geweest. O m tijd te winnen werd dit gedaan met behulp van dynamiet, een destijds binnen de bouwpraktijk ongebruikelijke techniek. In oktober 1904 konden de eerste fundamenten worden gelegd voor de nieuwe arcadeboog. O p de bouwwerf waren op een gegeven ogenblik 450 arbeiders dag en nacht tewerkgesteld in elkaar aflossende ploegen, 's Nachts diende een elektrische generator voor de nodige verlichting te zorgen. Pas toen de werken in het voorjaar van 1905 voldoende ver gevorderd bleken, besloot men het aantal werknemers te verminderen tot 300 en werd het nachtwerk afgeschaft en de zondagsrust gerespecteerd. Voor de constructie van de boog had men twee enorme houten stellingen opgetrokken die werden overspannen door drie beweegbare kranen. Deze waren uitgerust met elektrisch aangedreven windassen, die toestonden dat de stenen sneller en preciezer op hun plaats konden worden gehesen. Van deze werken getuigen heel wat foto's, bewaard onder meer in het museum te Tervuren (33). Ook de steenhouwerateliers, die waren ondergebracht in de twee grote, door Cockerill gebouwde tentoonstellingshallen, werden op gevoelige plaat vastge-
• * • •
Brussel, Jubelpark, ca 1904-1905.
.,«»
p
M H ^si y
jil^l , '
1
..y„
^_|_
=
PB
m«
V
•
H -
De voormalige machinehal van ik.
—
s
Cockerill, omgevormd tot steenkapperswerkplaats (Regie der
HHHilBSüSHH lil ; a
• pit'
mwmmm
Gebouwen, fonds Beernaert)
l' J
HRBLJ
Wfi\-\ "
'rm-T"^^
Brussel, Jubelpark. ca 1904-1905. Steenkappers leggen de laatste hand aan decoratieve leeuwenkoppen, naar een gipsmodel op ware grootte (Regie der Gebouwen, fonds Beernaert)
M&L
• Brussel, Jubelpark, ca 1904-1905. De steenkappers van Beernaert (?) bi| de afgewerkte kapitelen voor de Arcadeboog (Regie der Gebouwen, fonds Beernaert)
legd. In het voormalig atelier Beernaert langs de begraafplaats van Eisene, werden vier zulke foto's op groot formaat (59 op 43 cm.) teruggevonden. Vermoedelijk poseert op één van deze foto's architect Girault samen met de steenhouwers van het atelier van Beernaert.
TT Gipsmodellen, met gespiegelde / en eik/launer, voor de octogonale cassetten van de gewelven van de arcadeboog
Onder de teruggevonden gipsen modellen bevinden zich een aantal reliëfs met koninklijke symbolen. Het betreffen verschillende reliëfs (63 cm diameter) met de dubbele L, afgewerkt met kroon
(Regie der Gebouwen, fonds Beernaert. Foto 0. Pauwels)
\ ' |'?
[1%
9
Kt%
^
en banderollen, alsook enkele losse kronen met parellijsten en een bol met kruis. Twee octogonale cassetten, één met dubbele, bekroonde L, een ander met een krans bestaande uit een tak met eikenbladeren en een tak met laurierbladeren, komen volledig overeen met de cassetten binnen de gewelven van de arcadeboog van het Jubelpark. Deze gipsen modellen waren uitgewerkt op een kleinere schaal dan de uitgevoerde decoratieve stenen elementen. O p de foto's van de steenhouwers werkzaam in de hallen van het Jubelpark bemerken we talrijke soortgelijke gipsen modellen temidden van de grote blokken blauwe hardsteen. Deze gipsen modellen werden met behulp van kompassen en andere meetinstrumenten - waaronder hoekijzers - overgezet op de blokken blauwe hardsteen. O p de foto's zien we voornamelijk Ionische kapitelen en leeuwenkoppen. Opmerkelijk is dat de zeer moeilijk te berekenen voluten van de Ionische kapitelen wèl op ware grootte zijn uitgewerkt.
/ "
^O M&L
Bekend is dat Girault voor de uitvoering van de arcadeboog een zeer groot aantal tekeningen liet uitwerken van de verschillende architecturale
details op verschillende schalen. Sommige van deze tekeningen waren voorgelegd aan de vorst en kopieën ervan werden doorgegeven aan onder meer de aannemers en de inspecteurs van de werken. De plaasteren modellen daarentegen waren duidelijk bestemd voor de steenhouwers. In een brief gedateerd op 10 april 1905 en gericht aan Francotte, de inspecteur van de werken, bekloeg de architect zich erover dat de steenhouwers onvoldoende de profielen en de exacte vormen van de modellen respecteerden en maande hij de inspecteur aan hier beter op toe te zien. Girault wees er op dat wat niet op de werkvloer kon worden afgewerkt, verder bijgewerkt zou moeten worden éénmaal de stenen geplaatst waren (34).
Oostende. De bouw-
De kleine en grote koninklijke gaanderijen in Oostende Volgens de briefhoofden op het adres van de Renbaanlaan, verleende Beernaert zijn medewerking aan de koninklijke galerijen te Oostende. O f hij hiermee de kleine of de grote galerijen bedoelde is echter niet duidelijk. De kleine gaanderijen, thans gekend als de Venetiaanse galerijen en gelegen opzij de koninklijke Villa in Oostende, werden in 1902 voltooid. Deze gesloten wandelgalerijen waren aangelegd in de vorm van een L langsheen de zeedijk en de Parijsstraat. Leopold II had onder deze galerijen een tunnel laten bouwen naar de villa Caroline in de Parijsstraat waar zijn maitresse Barones de Vaughan verbleef. De kleine galerijen werden in 1900 ontworpen door architect Henri Maquet (1839-1909) wiens stempel voorkomt op het ontwerp, bewaard in het archief van het koninklijk paleis (35). O p de tekeningen staat tevens vermeld dat ze voorgelegd zijn geweest voor uitvoering aan de gebroeders Jean en Arthur Fichefet, een aannemersbedrijf met zetel in Brussel. Dit bedrijf voerde omstreeks dezelfde periode ook werken uit aan de door Leopold II gewenste golfterreinen in Tervuren en De Haan (36). De grote "koninklijke" galerijen, naar ontwerp van Ch.-L. Girault, waren gelegen ten zuiden van de koninklijke villa en leidden naar de Wellingtonhippodroom. Het project kreeg zijn definitieve vorm omstreeks oktober 1902. De werken startten pas in het najaar van 1904 of begin 1905 en werden voltooid in de herfst van 1906. O p 8 maart 1904, nog vooraleer de werken aan de arcadeboog van het Jubelpark een aanvang hadden genomen, had Wouters-Dustin aan Girault laten
werf van de
weten dat de koning hem beloofd had dat indien hij de werken van de arcadeboog op tijd zou kunnen voltooien hij ook de verdere werken te Oostende (ongetwijfeld bedoelde Wouters-Dustin hiermee de grote koninklijke gaanderijen) zou mogen uitvoeren (37). Uiteindelijk werden de werken echter toevertrouwd aan de firma van H. SmisValcke, aannemer van openbare werken. Deze had een samenwerking weten op te zetten met de Franse ingenieur Francois Hennebique (1842-1921) die een techniek voor de toepassing van gewapend beton had weten te ontwikkelen en nog in 1892 hiervoor in Brussel een brevet had neergelegd. In het bestek, dat definitief werd opgesteld op 12 oktober 1904, werd geëist dat van al de arbeiders de steenhouwers het best betaald dienden te worden. Hun loon werd gesteld op 0.50 fr. tegenover bijvoorbeeld 0.45 fr. voor de marmerwerkers, 0.40 fr. voor de leggers van de stenen en de timmerlui en 0.35 fr. voor de betonwerkers, metsers en dakwerkers (38). Voor de uitvoering van het steenhouwerwerk voor de grote galerij te Oostende maakte Girault geen gebruik van plaasteren modellen maar liet hij tekeningen maken volgens "profils grandeur d'exécution en dit voor de onderste gedeelten van de portiek, de kolommen, de kapitelen alsook het balkwerk (39). De eerste tekeningen - van de onderste gedeelten en de kolommen — werden vanaf maart 1905 in rollen op de werf afgeleverd.
Koninklijke galerijen op 5 september 1905 (Foto ftmö f/ Chaussées. Service photographique. Archief Koninklijk Paleis, Brussel)
In het atelier van Beernaert werd een grote maquette (132 x 82 x 43 cm) aangetroffen van de kleine galerijen. De aanwezigheid van deze maquette in diens voormalig atelier laat vermoeden dat hij aldus meewerkte aan deze kleine galerijen, wat zou betekenen dat het atelier reeds bij de
M&L
koninklijke werken betrokken was nog vóór de aanstelling van Girault en zonder de tussenkomst van het aannemersbedrijf Wouters-Dustin. De maquette toont vier traveeën alsook de halfronde toren en een deel van de trap die leidde van de zeedijk naar het plateau waarop zich de koninklijke villa bevindt. Ze is uitgevoerd in plaaster en hout. De ramen werden ingekleurd met een transparante verf. De maquette bevindt zich in erg slechte staat. Het dak werd aangetast door water en tevens zijn knaagsporen van muizen merkbaar. Al de fijne, uitstekende delen, inclusief de torenbekroning zijn afgebroken. Gelukkig konden voldoende kleinere stukken alsook de koepelbekroning gerecupereerd worden zodat het mogelijk is om eventueel (met behulp van bijkomende afgietsels) het geheel te reconstrueren.
1VI&L
De maquette toont een aantal verschillen met de tekeningen van Maquet die worden bewaard in de archieven van het koninklijk paleis. Zo was er in de plaats van de vijf 'schietgaten' oorspronkelijk een groot venster in de basis van de toren voorzien. Ook de bovenste balustrade verschilt met deze van de maquette. De aanwezigheid van de 'schietgaten' alsook de uitvoering van de balustrade zoals voor-
Gipsen maquette
ca 1900-1902
van de kleine of
(Regie der
Venetiame gale-
Gebouwen, fonds
ri|en in Oostende,
Beernaert)
gesteld op de maquette, komen wel overeen met de uitgevoerde galerijen, wat betekent dat de maquette een fase toont die dichter bij de uitvoering staat dan de bewaarde tekeningen van Maquet (40). In de loop van de 20ste eeuw werd de trap verwijderd om plaats te maken voor een extra travee met raam. Dergelijke schaalmodellen bleven meestal in handen van de architect of de bouwheer en werden gebruikt om het bouwwerk in drie dimensies voor te stellen. Het feit dat we ze terugvinden in het atelier van een steenhouwer doet vermoeden dat de maquette ook gediend heeft bij de materiële uitwerking van het bouwwerk. O p de halfronde toren bleven cijfertjes in potlood bewaard die het aantal steenlagen aanduiden (nog leesbaar zijn de getallen 10 tot 17 gaande van beneden naar boven) alsook de vermoedelijke afmetingen van de stenen (5,62 en 3,80). Mogelijk diende de maquette om de steenhouwers extra informatie te geven over bepaalde elementen van de uitwerking van het gebouw die moeilijk weer te geven zijn op plannen (zoals de manier waarop de trap zich verhoudt tot de halfronde toren). Misschien werd de maquette tevens op de werf gebruikt als een extra controlemiddel om een exacte uitvoering te kunnen garan-
Nr. 122 Bijlage bij M&L 22/4 juli-augu«;tus
2001
BllSJMENKRAlVJT
Open monumentendagen
Marjan
• * *
Buyle
• •
n*
cm
OPFN MONUMFNTFNDAG VIAANDFRFN ? n n ^ Open Monumentendag met a k thema Steen Op zondag 14 september 2003 is de Open Monumentendag Vlaanderen aan zijn 15de editie toe. De vertrouwde formule, het openstellen van gekende en minder gekende monumenten en sites, wordt ook dit jaar weer aangevuld met allerhande activiteiten. Het thema is het tweede in de reeks 'Grondstof, stof tot nadenken'. Na metaal in 2001 komt nu steen aan bod. Als we het hebben over steen, dan denken we natuurlijk aan de vele soorten natuursteen die openbare gebouwen of prestigieuze gevels sieren. Natuursteen was duur en werd vaak van ver vervoerd, dus straalde het gebruik rijkdom en macht uit. Naast natuursteen werd in onze streken overvloedig gebruik gemaakt van bak-
steen, waarvan de techniek door de Romeinen geïntroduceerd werd. Later ging deze kennis een tijdlang verloren, tot men in de 13de eeuw, onder invloed van de grote cisterciënzerabdijen zoals Koksijde en Hemiksem, opnieuw stenen ging bakken. Van veldovens of ovens bij de bouwwerf blijven in de monumenten nog de grote 'moeten' zichtbaar. In kleirijke gebieden, zoals de Rupelstreek, waar in de 19^ eeuw talrijke steenbakkerijen uit de grond rezen, zijn klamp- of ringovens bewaard. Over steen is zo veel te vertellen dat deze Open Monumentendag eigenlijk niet volstaat. Daarom nog enkele speciale invalshoeken die verrassende bezoekjes kunnen opleveren. U zal zeker een en ander te horen krijgen over de oorsprong van de natuurstenen of over het bakproces van klei, maar vele gebouwen werden opgetrokken met recuperatiemateriaal. Zo verwerden bouwvallen tot lokale steengroeve en vinden we de oorspronkelijke stenen in de ruime omgeving terug. Een speciale plaats nemen de molenstenen in. Ook het optrekken van molens in steen is een bijzonder aspect, vermits voor een stenen molen 5 tot 6 keer de hoeveelheid stenen nodig is als voor een huis! Tot slot belooft de Monumentenfeestdag een ondergrondse verkenning te worden. Vaak zijn de oudste overblijfselen van bouwwerken de monumentaal overwelfde kelders en die zijn talrijk vertegenwoordigd in het programma. Ook ijskelders geven hun geheimen prijs. Opvallend dit jaar is dat kinderen in heel wat archeologische sites actief aan de slag kunnen: in Brakel, Gooik, Avelgem en Roeselare kunnen de leerlingen wassen, inventariseren, nummeren, determineren, puzzelen en tekenen. De verkenning van de eigen gemeente (voorzien in de lesplannen van de derde graad lager onderwijs) staat op het programma van o.a. Edegem, Buggenhout, Opwijk, Zaventem, Damme en Zuienkerke. In Heusden-Zolder maken de leerlingen zelfs op een alternatieve manier kennis met hun eigen schoolgebouw!
De Stuurgroep Open Monumentendag Vlaanderen beloonde ook dit jaar enkele 'steengoede' MonumentenMaandag-ldeeën, terug te vinden in de speciale jongerenbrochure en op www.monument.vlaanderen.be (jongerenkatern van de OMD-pagina's).
Praktisch E-mail: info.omd@sve.be Monumentenlijn: 03/226 11 38 (aanvraag van het Monumentenmagazine en alle info over het programma) Begin augustus kan u het monumentenmagazine met het volledig programma verkrijgen in bibliotheken, toeristische diensten, gemeentehuizen, KBC-kantoren en grote stations. Op www.monument.vlaanderen.be kan u eind juli al via verschillende zoekmogelijkheden uw favorieten uitzoeken en uw route uitstippelen.
Veerle De Houwer
OPEN MONUMFNTENDAGFN IN HET BRUSSFIS HOOFDSTFDFUIK GEWEST Op 20 en 21 september 2003 vinden de Open Monumentendagen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest plaats. Ze hebben als thema handel. De voormalige warenhuizen [Old England, Palais du Vin, warenhuis MerchiePede,...), de warenhuizen en winkels die nu nog een deel van hun oorspronkelijke meubilair of decoratie hebben bewaard [Dandoy, apotheek du Bon Secours), de markante plaatsen waar goederen werden gefabriceerd en rechtstreeks verkocht werden, de overdekte hallen en marktplaatsen,... worden in de kijker geplaatst, net als enkele winkelgalerijen, banken en bankfilialen. De horecasector ontbreekt evenmin. Winkelpuien en uithangborden krijgen bijzondere aandacht tijdens wandelingen en zoektochten. Allerhande andere activiteiten vormen een aanvulling op de bezoeken. Een brochure in zakformaat geeft uitleg bij alle opengestelde monumenten
B 1 M N E N K R A N T
en ensembles. Ze is vanaf augustus gratis verkrijgbaar bij de Directie Monumenten en Landschappen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, bij de betrokken gemeentebesturen en in de FNAC-winkels in Brussel.
Voor meer inlichtingen kan u terecht bij: Directie Monumenten en Landschappen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Open Monumentendagen CCN 7de verdieping Vooruitgangsstraat 80 bus 1 1035 Brussel tel: 0800 40 400 broh.monumenten@mbhg.irisnet.be
^ Réseau Art Nouveau Network
Sam
Plompten
«ART N O U V E A U FN PR01FT/ ART N O U V E A U IN W O R D I N G » : FFN HEDFNDAAGSE R F N A D F R I N G V A N HET A R T NOUVEAUPATRIMONIUM IN EUROPA Van 10 juli tot 12 oktober 2003 brengt het Réseau Art Nouveau Network in de Sint-Gorikshallen de tentoonstelling «Art nouveau en projet/ Art Nouveau in Wording». Het Réseau Art Nouveau Network is een internationale vereniging opgericht in 1999 op initiatief van de Directie Monumenten en Landschappen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarin een vijftiental steden samengebracht zijn die stuk voor stuk een rijk Art Nouveau erfgoed bezitten. Sindsdien ontwikkelt en bevordert het netwerk, dankzij de steun van de Europese Unie, de samenwerking tussen de verschillende deskundigen en instellingen, door gelegenheden te creëren voor kennisuitwisseling en acties te organiseren met een Europese dimensie. De tentoonstelling «Art nouveau en projet / Art Nouveau in Wording»
biedt een thematische lectuur aan van deze artistieke en culturele beweging die in verschillende steden van Europa simultaan tot ontwikkeling is gekomen, en brengt ze tegelijk in perspectief. De tentoonstelling wordt ingeleid met enkele geografische richtpunten en een indicatieve chronologie. Daarin zijn zowel de verschillende benamingen van de art nouveau in de steden van het Netwerk (Ecole de Nancy, Glasgow style, Jugendstil, Modernisme, Liberty, Secession...) als de culturele uitwisselingen terug te vinden (Wereld- en Internationale tentoonstellingen, salons en tentoonstellingen van decoratieve kunsten, tijdschriften allerhande). Volgens Willem Draps, Brussels staatssecretaris voor Monumenten en Landschappen "getuigt de tentoonstelling van de ontwikkeling in elke stad van een eigen esthetische expressie die toch aanknoopt bij een internationale stroming. Het art-nouveaupatrimonium ontplooit zich werkelijk tussen het internationalisme en het regionalisme in: deze vaststelling laat de hedendaagse Europeanen, waartoe wij allen behoren, in geen geval onberoerd". Origineel aan deze tentoonstelling is dat ze de bezoeker stedenbouwkundige projecten, architecturale realisaties
en kunstvoorwerpen werkelijk laat ontdekken. Naast vijf topwerken die door de partners geselecteerd werden en toegelicht worden in het inleidend overzicht, belicht de tentoonstelling immers ook nooit vertoonde, verdwenen, miskende of in restauratie zijnde creaties, ingedeeld volgens de thematische luiken visie, verdwijning, continuïteit en regeneratie. Op die manier biedt het parcours de bezoeker een historische lectuur van het Art Nouveau erfgoed, van zijn ontstaansproces tot aan zijn huidige bestemming, en brengt daarbij verloren gegane werken in herinnering. De tentoonstelling is achtereenvolgens te zien in dertien Europese steden over een periode van driejaar. In elke stad wordt ze aangevuld met een lokaal gedeelte waarin dieper ingegaan wordt op de eigenheid van het Art Nouveau erfgoed in dat land of die streek.
Praktische informatie Adres: Sint-Gorikshallen Sint-Goriksplein 1, 1 B -1000 Brussel Alle dagen open, behalve op maandag, van 10 tot 18 uur Toegang gratis
M&L
BllSJNENKRAlSJT
Tentoonstelling
Saskia
Kloosterboer
STYNFN. ripSINfiFI FN HFT V F F I 7 I 1 D I G fiFRRUIK V A N BETON Naar aanleiding van de openstelling van deSingel tijdens Open Monumentendag 2003 presenteert het Vlaams Architectuurinstituut een kleine tentoonstelling over 'Stynen, deSingel en het veelzijdig gebruik van beton'. Er wordt aandacht besteed aan de totstandkoming, de fasering en de toekomst van het gebouwencomplex deSingel. Specifieke aandacht gaat naar de rol van het materiaal beton. Dit alles wordt toegelicht door fotografie, tekeningen, maquettes en materiaalstalen. Ontstaansgeschiedenis deSingel, ontworpen door architect Léon Stynen (1899-1990), is een gebouw met een tijdloze architecturale uitstraling. Stynen ontwierp een voor Vlaanderen unieke culturele infrastructuur waar internationale gezelschappen hun werk in optimale omstandigheden kunnen tonen en waar de interactie tussen de verschillende disciplines - architectuur, muziek, theater, dans - en de verschillende gebruikers zeer sterk verweven is met het concept van het gebouw. Naast het Internationaal Kunstcentrum deSingel zijn het Conservatorium (thans onderdeel van de Hogeschool Antwerpen) en Radio 2 Antwerpen sinds lang gebruikers van het gebouw. Verder verleent deSingel onderdak aan een aantal andere autonome instellingen, zoals het Vlaams Architectuurinstituut en de Posthogeschool voor Podiumkunsten. Men noemt het gebouwencomplex van deSingel wel eens 'het testament van Léon Stynen' of de 'meest com-
plete samenvatting van zijn oeuvre'. Om dit gebouw juist te situeren, moet het geplaatst worden in het stedenbouwkundig ontwerp dat Stynen voor de Wezenberg maakte, een urbanistisch plan dat slechts fragmentarisch uitgevoerd werd met de realisatie van de BP-Building (nu AXA) en het voormalige Crest-hotel (nu Crowne Plaza) en deSingel. Deze visie van Stynen op 'de stad in het groen' heeft immers aan kracht ingeboet door de aanleg van de snelweg, de spoorlijn en andere verkeersaders in de omgeving. Het ontwerp en de realisatie van deSingel heeft ruim drie decennia in beslag genomen en betekende voor Stynen een ware 'calvarie'. Reeds in 1958 kreeg Stynen de opdracht om op de gronden van de 'Wezenberg' - beschermd door groene heuvels en het water van de vestinggrachten - een nieuw Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium te bouwen. In 1968 werd de laagbouw geopend, een onvolledige achtvorm, die onderdak bood aan het conservatorium. De tweede fase - opgeleverd in 1980 - omvatte de realisatie van de twee zalen en het gedeelte voor Radio 2. Het departement van Schone Kunsten van het Ministerie wilde liever één polyvalente zaal, maar Stynen kon de overheid overtuigen van de onmogelijkheid een goede concertzaal te bouwen, die tegelijkertijd een schouwburgzaal is. Zo zijn de Rode Zaal - voor grootschalige
theater- dans- en muziektheaterproducties - en de Blauwe Zaal - de concertzaal - gebouwd. Voor het Conservatorium bevatte de tweede fase de bibliotheektoren. Deze ligt boven de Blauwe Zaal. In 1987 kwamen de uitbreiding van het Conservatorium en de publieksfoyer van deSingel erbij, naar een ontwerp van Stynen en De Meyer. De toekomst van deSingel Sinds het ontwerp in 1958 evolueerde de werking van het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium. Bovendien deden ook nieuwe gebruikers hun intrede. Oorspronkelijk verantwoordelijk voor de zaalverhuur in deSingel, startte deSingel in het seizoen 1983-1984 - onder leiding van Frie Leysen - met een eigen programmatic. De ruimtewensen van de verschillende gebruikers evolueerden. Architect Stéphane Beel (1955) werd daarom in 1996 aangezocht om een onderzoek te verrichten naarde noden en mogelijkheden van het gebouw en om de uitbreiding te realiseren. Naast het masterplan verrichtte Beel ook een aantal kleine ingrepen in deSingel. De eerste fase van de uitbreiding - een circulatie-as, artiestenfoyer en bijkomende loges - is gerealiseerd in 1999-2000. De tweede fase - met een hoogbouw aan de Jan Van Rijswijcklaan en een laagbouw ter hoogte van de berm van de snelweg - wordt nu verder uitge-
B l l M N E l M K R A l ^ T
1
werkt en zou gereed zijn in het seizoen 2006-2007. Het bouwprogramma van zestienduizend vierkante meter omvat onder andere een aantal publieksfuncties voor deSingel, extra zalen en dansstudio's voor het Conservatorium en accommodatie voor de verschillende spin-offs in de nabijheid van het kunstcentrum. Materialen en technieken in deSingel Aan heel het complex zijn vroeger bijzonder technische, akoestische en functionele eisen gesteld. Vanzelfsprekend waren de akoestische vereisten doorslaggevend voor een aantal ontwerpkeuzes en detaillering. Zo zijn de wanden tussen de klaslokalen en de gangen dubbel uitgevoerd met akoestische wanden of ingemaakte kasten. Met de aanleg van de spoorlijn en de E3 werd de akoestische isolatie van de beide zalen nog belangrijker. In de optiek van het modernisme wilde Stynen de structuur van de architectuur zichtbaar laten door het betonskelet in gevel en opbouw te tonen. De eenvoud en de bescheidenheid van het materiaal - beton en glas - dragen bij tot de eenheid en sereniteit die het gebouw uitstraalt. Toch is het de ruimte en niet het materiaal dat voor Stynen van primair belang is. De voorliefde voor het materiaal beton bestond reeds bij Stynens eerst opdracht. 'Ik denk beton: de meeste architecten denken steen en gebruiken beton. Het is geen edele materie zoals hout of steen, maar ik werk er graag mee,' aldus Stynen. Beton speelt dan ook een grote rol in het gebouw: in de zichtbare draagstructuur, als materiaal bij de afwerking en bij de constructie van de twee zalen. De wanden van de zalen zijn dubbelwandig. De wanden aan de buitenzijde werden uitgevoerd in ter plaatste gestort beton en afgewerkt met een laag van kiezelsteentjes. De wanden aan de binnenzijde bestaan uit geprefabriceerde betonplaten. In de loop van de tijd is het beton hersteld en geschilderd. Ook in de uitbreiding van deSingel zal beton een rol spelen, weliswaar minder expliciet dan in de
IVI on urnen ten
architectuur van Stynen, waar het materiaal beton in belangrijke mate heeft bijgedragen tot het uitzicht en de beleving van het gebouw.
I
Tentoonstelling De tentoonstelling 'Stynen, deSingel en het veelzijdig gebruik van beton' is ontstaan in samenwerking met Febelcem, de Federatie voor Belgische Cementnijverheid en met steun van het Provinciaal Architectuurarchief van de Provincie Antwerpen en van Internationaal Kunstcentrum deSingel.
Marjan
Buyle
1
BELFORTEN- EN STADHUIZENWEEKEND Dit najaar organiseert de Vlaamse cultuurvereniging Davidsfonds het Belforten- en Stadhuizenweekend. Vorige jaren kwamen respectievelijk de abdijen, de begijnhoven en de burchten en forten reeds aan bod. Op 24 plaatsen in Vlaanderen, Nederland en Frankrijk kan men op zaterdag 27 en zondag 28 september 2003 deze monumentale symbolen van vrijheid en macht ontdekken. Exclusieve rondleidingen, films, lezingen, concerten en tentoonstellingen en de toegang tot enkele belforten en stadhuizen die voor de eerste maal en uitzonderlijk te bezoeken zijn. Naar aanleiding van dit weekend verschijnt het boek Langs Vlaamse belforten en stadhuizen, dat inbegrepen is in de deelnameprijs van het weekend. Vanaf half augustus vindt u het volledig programma op de website.
Praktische gegevens: Tentoonstelling: 'Stynen, deSingel en het veelzijdig gebruik van beton' Locatie: Internationaal Kunstcentrum deSingel, wandelgang aan de vestiaire, Desguinlei 25, 2018 Antwerpen Op Open Monumentendag 14/09/03 is de tentoonstelling open van 10 u tot 18u. Opening: 13/09/03, 17u. De tentoonstelling loop tot en met 05/10/03, van 14u tot 18u, toegang gratis, maandag gesloten. Inlichtingen: Vlaams Architectuurinstituut, Jan Van Rijswijcklaan 155, 2018 Antwerpen, T + 32 (0)3 242 89 72, infoOvai.be, www.vai.be. Samenstelling: VAi;Saskia Kloosterboer, Katrien Vandermarliere In samenwerking met Febelcem, de Federatie van de Belgische Cementnijverheid, www.febelcem.be Met dank aan de Provincie Antwerpen, het Architectuurarchief van de Provincie Antwerpen (logo P) Met steun van Internationaal Kunstcentrum deSingel, www.desingel.be
Info en inschrijvingen: Davidsfonds, Blijde-Inkomststraat 79, 3000 Leuven, tel. 016/310 600, fax 016/310 608, e-mail: belforten(®davidsfonds.be, website: www.davidsfonds.be
Marcel
Celis
KANDIDATEN VOOR DE VLAAMSE MONUMENTENPRIJS 2003
l
Op 30 mei 1996 heeft de Vlaamse regering - in navolging van de Prijs Vlaams Monument - een Vlaamse monumentenprijs ingesteld. De Vlaamse Monumentenprijs bekroont een persoon, een privé- of een openbare instelling, een project of een realisatie met belangrijke verdiensten
M&L
B 1 M N E N K R A N T
in de monumentenzorg. Behalve naar de intrinsieke waarde van een monument gaat de aandacht daarbij ook naar de betekenis en de waarde van de huidige omgang met het bouwwerk. In 2002 werd een nieuwe regeling ingevoerd voor de toekenning van de Vlaamse monumentenprijs. In tegenstelling tot wat de naam "monumentenprijs" zou doen vermoeden, komen ook verwezenlijkingen op het vlak van landschappen en archeologie in aanmerking. De Vlaamse regering kiest, na een voorselectie door de KCML, uit een lijst van genomineerden de laureaten voor de "Vlaamse Monumentenprijs Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant en West-Vlaanderen". De winnaars krijgen elk een bedrag van 2.500 euro. Vervolgens wordt onder deze vijf laureaten een winnaar van de Vlaamse Monumentenprijs aangeduid. Deze wint een bedrag van 12.500 euro. De Vlaamse Monumentenprijs wordt uitgereikt tijdens het slotevenement van de Open Monumentendag. Voor 2003 werden volgende projecten geselecteerd door de KCML: Prnvinelp A n t w e r p e n MECHELEN, SINT-KATELIJNESTRAAT 27-29. DE MAEGD VAN MECHELEN De Maegd van Mechelen De Maegd van Mechelen is in oorsprong een 16dc-eeuwse dubbelwoning met overkragende verdiepingen. In de loop van de geschiedenis werden de raamtraceringen verwijderd en werd de gevel bekleed met een cementen beraping waarachter alle bouwsporen verborgen zaten. Het gelijkvloers werd volledig verwijderd en vervangen door twee 'moderne' uitstalramen. Bij de aanzet van de restauratie werd enig vooronderzoek verricht waarbij de oorspronkelijke tracering van de ramen in de top opnieuw aan het licht kwam. Hieruit werd - zonder verder onderzoek - afgeleid dat op de verdieping dezelfde tracering zou aanwezig zijn.
Bij het verwijderen van de raaplaag na de start van de restauratie kwamen bijkomend een aantal ongekende elementen aan het licht die moesten toelaten een volledig inzicht te krijgen in de oorspronkelijke structuur van deze gevel: sporen van de oorspronkelijke raamtraceringen en de aanzet van de gelijkvloerse verdieping werden gevonden en vooral een decoratieve afwisseling van baksteen en witte natuursteen. Bovendien bleek uit een aantal elementen dat deze gevel oorspronkelijk met een beschildering was afgewerkt. Op basis van deze verschillende gegevens werd de aanvankelijke restauratieoptie, die er reeds in bestond zoveel
mogelijk van het oorspronkelijke materiaal te behouden, nog verder verfijnd. Het gelijkvloers werd ingevuld met een hedendaagse harmonieuze architectuur die vertrekkend van de aanwezige sporen volledig in de geest werkt van het originele concept. MECHELEN, BLEEKSTRAAT 5, HOF VAN COLOMA Het Hof van Coloma is een laat 18deeeuws classicistisch gebouw opgericht door Jean Ernest Coloma, baron van Sint-Pieters-Leeuw en advocaat bij de Grote Raad . Hetis een markant heren-
B 1 N N E N K R A 1 M T
huis met geplaveid voorhof en rotonde. In 1868 werd een verdieping toegevoegd en in 1922 werd het dak aangepast. Bij de opbouw van de verdieping werd het oorspronkelijke 18deeeuwse fronton gedemonteerd en boven op de bijkomende verdieping herbouwd. Waarschijnlijk werd bij deze aanpassing de oorspronkelijke afwerklaag van de gevels verwijderd. De gevel is opgebouwd uit baksteen met rijkelijk gebruik van witte natuursteen voor de raamomlijstingen en andere decoratieve beeldhouwwerken. In heel het gebouw bleven de oorspronkelijke 18de-eeuwse ramen bewaard. De restauratieoptie bestond erin zoveel mogelijk van het oorspronkelijke materiaal te bewaren en slechts te vervangen waar het omwille van de stabiliteit nodig was. Omdat uit een oud schilderij bleek dat het gebouw oorspronkelijke een uitzicht had waarin de afwisseling rode baksteen - witte natuursteen bepalend was werd beslist de gevels opnieuw af te werken met een baksteenkleurige kaleilaag, de elementen in witte natuursteen werden hierbij natuursteenkleurig bewerkt. Dit had het bijkomende voordeel dat op deze manier het al te sterke verschil tussen het oorspronkelijke 18de-eeuwse deel en de toevoeging van 1868 kon worden afgezwakt zodat opnieuw een aanvaardbaar visueel geheel werd verkregen. ANTWERPEN, MUTSAERTSTRAAT 3 1 , DE KONINKLIJKE ACADEMIE VOOR SCHONE KUNSTEN Aanpak van het historisch gebouwencomplex in het algemeen en de herbestemming en renovatie van de gebouwen aan de Blindestraat. De huidige Academiegebouwen strekken zich uit over het bouwblok tussen de Mutsaertstraat, Blindestraat, Venusstraat en Stadswaag. Dit gebouwencomplex, thans eigendom van de Hogeschool Antwerpen, was in oorsprong het oude Minderbroedersklooster dat bij keizerlijk decreet van 5 mei 1810 door
Napoleon ter beschikking gesteld was van de stad Antwerpen "pouryplacer une école de dessin et un musée". De oude, bouwvallige kloostergebouwen werden hergebruikt en de open ruimten werden gedurende de 19de eeuw opgevuld met nieuwe gebouwen. De bekende stadsarchitect Pierre-Bruno Bourla (1783-1866) bouwde hier een belangrijk deel van zijn oeuvre: hij richtte onder meer de kloosterkerk in als museum (1839-1843) en tekende het mooie inkomgebouwtje met hekken. Het Bureau de Bienfaisance kreeg beschikking over de kloostergebouwen aan de Blindestraat. Op het einde van de 19de eeuw en in de 20ste eeuw kwam de meer representatieve architectuur voornamelijk hier tot stand, getuige van de armen- en ziekenzorg in het verleden. De neobarokstijl harmonieert hier met een meer moderne, zakelijke architectuur.
structuren en van de waardevolle interieurs voorop gesteld werd. Het doel van het restauratieproject was de oorspronkelijke kwaliteiten van deze gebouwen opnieuw zichtbaar maken, maar tegelijk ook functionele eigentijdse restauratieateliers inrichten. De gevels werden eerder conserverend behandeld: ze werden zacht gereinigd, gedeeltelijk hervoegd en het oorspronkelijk bewaard schrijnwerk van vensters en deuren werd hersteld en herschilderd. Er werd gekozen voor een hedendaagse kleurstelling passend bij de historische architectuur. De dwingende wettelijke eisen inzake brandveiligheid van onderwijsgebouwen bepaalden in belangrijke mate het bouwprogramma voor het interieur, maar de historische structuur en de waardevolle binnenruimten werden gevrijwaard. Prnvinrie I imhurg
Nadat de Hogeschool Antwerpen eigenaar was geworden van de hele site werd ze geconfronteerd met oude academiegebouwen getekend door jarenlang minimaal onderhoud. De Hogeschool Antwerpen koos op basis van een bouwhistorische studie voor de revalorisatie van de hele site. De uitvoering van de noodzakelijke restauratie- en renovatiewerken gebeurt in nauw overleg met Monumenten en Landchappen, gefaseerd volgens functionele prioriteiten passend in een totaalplan. Zo werden de laatste jaren door de Hogeschool Antwerpen grote inspanningen gedaan voor het herstel van de daken en voor de brandbeveiliging, terwijl de restauratie van Bourla's poortgebouwtje met het hekken en van de directeurswoning aan de Mutsaertstraat recent voltooid werd. Thans is ook het omvattende herbestemmingsproject "Blindestraat" voltooid. De Opleiding Conservatie/ Restauratie vindt er onderdak in drie monumentale panden. De gebouwen droegen de sporen van intensief gebruik, talrijke verbouwingen en jarenlang minimaal onderhoud. Op basis van de bouwhistorische studie werd een ambitieus renovatieproject opgesteld waarbij het behoud en de revalorisatie van de historische
BORGLOON, SPEELHOF, VOORMALIG KANUNNIKENHUIS Het Speelhof is een voormalig kanunnikenhuis met traptoren in Maaslandse Renaissance, daterend uit de tweede helft van de 17de eeuw. De U-vormige binnenkeer wordt links afgezoomd door een 17de eeuws gebouw en rechts een 18de eeuws stalgebouw dat reeds in een eerste fase gerestaureerd werd. Omstreeks 1865 werd tussen het kanunnikenhuis en de stal een grote schuur gebouwd. Het geheel werd door het stadsbestuur aangekocht in 1989 met de bedoeling er een museum voor fruit en fruitverwerking in uit te bouwen en dit in opeenvolgende fasen. In een eerste fase werd het stalgebouw gerestaureerd (ruwbouw 1993). In de tweede fase werd het stalgebouw ingericht en de afsluitmuur naar het Speelhof hersteld. Inmiddels wenste het stadsbestuur de administratieve diensten van de stad centraal te lokaliseren en te spreiden over het stadhuis (voormalig gravenhuis) en het kanunnikenhuis met bijgebouwen. Er werd geopteerd voor een conserverende restauratie waarbij de ingrepen en wijzigingen uit de verschillende
B 1 N N E N K R A N T
bouwfasen werden gerespecteerd. In de achtergevel werden geen kruisramen gereconstrueerd en de historische evolutie blijft in het gebouw afleesbaar uit de verschillende interieurs. Door bescheiden hedendaagse toevoegingen werd gepoogd het geheel te binden en bruikbaar te maken voor de nieuwe functie. Hetzelfde geldt voor de schuur die als één grote ruimte wordt geconserveerd. Enkele nieuwe ingrepen (metalen trappen, houten vloeren) onderlijnen het industrieel karakter en doen geen afbreuk aan de monumentaliteit en de ruimtelijkheid van de schuur en maken ze bovendien zeer functioneel. HEKS (HEERS), DE MOESTUIN VAN HET KASTEEL VAN HEKS Zoals de Rozendagen in juni zijn de Moestuindagen in september jaarlijkse evenementen die Heks al langer bekendheid gaven. Dat het kasteeldomein zijn ontstaan te danken heeft aan het jachtpaviljoen dat de Luikse prinsbisschop F. C. de Velbrück hier rond 1775 liet bouwen, is welbekend. Elke volgende generatie liet echter zijn sporen na in het domein. De moestuin neemt in het dorp, in het kasteeldomein en in zijn geschiedenis een specifieke plaats in. Hij beslaat een langwerpig terras dat lager ligt dan het kasteel en de siertuinen, maar hoger dan de straat. De site bestaat al op de Ferrariskaart (1774), is als moestuinperceel geregistreerd op de Primitieve kadasterkaart (1829), maar de tuin krijgt pas zijn definitieve vorm in de tweede helft van de 19deeeuw, een periode die de horticultuur hoog in het vaandal draagt en die in de cultuurgeschiedenis van het kasteelleven een hoogtepunt betekent. Dat uit zich in het bouwen van serres, kweekkassen en een oranjerie en de constructie van gewelfde groentekelders onder het tweede terras, om tot vandaag toe de oogst, in aarde gebed, te laten overwinteren. Rond 1900 gebeurt een accentverschuiving in de beleving van de tuin. Van oudsher een nutsruimte waar in rijen, perken en bedden allerlei soor-
ten fruit, groenten en kruiden voor de keuken worden gekweekt en bloemen en kruiden voor boeketten in huis, gaat men ook rekening houden met het plezier in het kijken naar en het tonen van de productie. In Heks gebeurt deze verschuiving door het creëren in 1899 van een monumentale, heerlijke toegang tot de moestuin. Sedertdien leidt een smeedijzeren hek van de parterretuin en in de as van het inrijhek naar de grote parkdreef, via een bordes met dubbele trap naar de moestuin. Terzelfder tijd zorgt een nieuwe overdekte spiltrap in de zuidoostelijke hoek voor een diensttoegang voor de tuinmannen. Door het verplaatsten van de serres, kweekkassen en oranjerie naar de noordkant van de tuin, verder weg van het kasteel, wordt de formalisering van de moestuin afgerond. Het kijk-en-toon ritueel, veel later culminerend in de Open Dagen, wordt hiermee mogelijk. Terwijl de meeste kasteelmoestuinen buiten gebruik zijn geraakt, blijft de 200 jaar oude moestuin van Heks zijn eerste bestemming behouden wat hem tot een unicum maakt.
TONGEREN, MAASTRICHTERSTRAAT, PANDEN DOMMERSHAUSEN De panden Dommershausen zijn twee merkwaardige laat-gotische diephuizen uit de 16^ eeuw, tesamen opgericht met één gemeenschappelijke tussengevel in stijl- en regelwerk. De linker puntgevel was versteend stijl- en regelwerk met dubbele overkraging, in hoofdzaak verbouwd in de 19d!r eeuw door het uitbreken van andrieskruisen en raammonelen en het plaatsen van grote 19de eeuwse ramen. De rechter voorgevel was een bepleisterde, neo-classicistische gevel zonder kwaliteit. De achtergevels zijn twee smalle trapgevels in baksteen met mergelstenen speklagen; mergelstenen kruiskozijnen met afgeronde hoeken en accoladeboogvormige profilering. Het interieur onderging belangrijke wijzigingen in de 17de en 18de eeuw. Op het moment van de bescherming waren van deze interieurs nog slechts schaarse restanten aanwezig. Belangrijk is een ingekokerde
16 eeuwse spiltrap waarvan de omkasting volledig in vakwerk was uitgevoerd. De twee gebouwen zijn onderkelderd met grote tongewelven die toegankelijk waren via de straatzijde. Gezien de grote zeldzaamheid van gotische huizen in stijl- en regelwerk (3 in Limburg), gezien de latere verbouwingen het karakter doch ook de stabiliteit van de panden hadden aangetast, gezien uit de opmeting en het bouwhistorisch onderzoek bleek, dat de voorgevel in vakwerk kon hersteld en gereconstrueerd worden zonder gissingen, werd de linker voorgevel gereconstrueerd met ramen en andrieskruisen en werd de 19de eeuwse rechter topgevel vervangen door nieuwbouw die de geleding en de ordonnantie van het linker pand respecteerde. De stenen achtergevels werden maximaal behouden en de storende verbouwingen weggewerkt. Het constructie in vakwerk werd integraal behouden en deskundig hersteld. Omwille van de fuctionaliteit werd een nieuwe trap in metaal ingebracht. De tongewelfde kelders werden opnieuw toegankelijk gemaakt via een herstelde buitentrap. Het vakwerk werd opnieuw ingevuld met isolatie tussen houtwolcementplaten en afgepleisterd met kalkleempleister. Aldus werden deze twee zwaar in verval geraakte panden getransformeerd tot juwelen in de Tongerse stadskern.
Provincie Qnst-Vlaanderen GENT, FEESTZAAL NEMROD Situering van het renovatieproject In 1842 vestigde het Nemrod-genootschap, opgericht door Léon baron de Saint -Genois, voorzitter van de balboogvereniging (*), zich in de Goudstraat te Gent. Hij liet er een feestzaal bouwen door Hendrik Martens. De opsmuk met stukwerk werd er verzorgd door Francis Jacobus Delanier, de vakman die ook één van de balzalen van de Gentse opera versierde. In 1852 werd de feestzaal plechtig ingewijd. Na het overlijden van de voorzitter volgde er snel een ontbinding van het genootschap in 1893 en kwam het
B l ^ l ^ E ^ K R A N T
gebouw in handen van de SintJacobsparochie en nadien van het Sint-Lievenscollege. Minstens vijftig jaar lang werd deze lege - bijna vergeten - zaal niet meer onderhouden en dacht men zelfs aan afbraak, gelet op de erbarmelijke toestand waarin de zaal zich bevond. De Sociale Hogeschool KVMW Gent gaf in 1997 evenwel de idee gestalte van een renovatieproject om de betrokken site op sociaal -cultureel vlak een nieuw elan te geven. In het verleden werden in de bewuste stadswijk reeds een aantal initiatieven genomen ter heropleving van de site en dit project vertegenwoordigde hierin een nieuwe, belangrijke mijlpaal. In 1998 werd begonnen met het opstellen van een lastenboek. De Nemrod-zaal op de eerste verdieping alsook de benedenverdieping, waar in de 18de eeuw een suikerraffinaderij was gelegen, zouden in hun oorspronkelijke luister worden hersteld. De restauratiewerken namen een aanvang in februari 2001 en werden midden december van hetzelfde jaar voltooid. Op 7 juni 2002,150 jaar nadat de feestzaal toen door het Nemrodgenootschap werd ingewijd, werden de Nemrod-zaal en het Foyer plechtig ingehuldigd.
(*) Een schuttersvereniging die de balboog hanteerde: een soort kruisboog met kleine kogeltjes in plaats van pijlen.
AALST, STADSPARK Het stadspark van Aalst ligt ten zuiden van het stadscentrum, op ongeveer 800m van de Grote Markt. Het is ongeveer 15 ha groot en sluit aan bij het sportcomplex Osbroek en bij het gelijknamige natuurgebied. Het park werd aangelegd tijdens de Eerste Wereldoorlog, in 1916, in het noorden van het toenmalige Osbroek. Op de moerassige gronden werd met mankracht niet minder dan 20.000 m3 grond verplaatst voor de aanleg van vijvers en grasperken. De ontwerper, Louis Julien Breydel, was een befaamd landschapsarchitect. Het park heeft een gemengde stijl. Het grootste gedeelte, met name de
delen rond de zogenaamde ballonvijvers, werd aangelegd in Engelse landschapsstijl. Een ander deel, met name de omgeving van de spiegelvijver, heeft strakkere vormen en elementen die refereren aan een formele parkaanleg. Tengevolge van de aard van de bodem (deels aangevoerde grond, deels ondiepe bodem), was het bomenbestand grotendeels aan vervanging toe. Bovendien waren de vijvers dringend aan ruiming toe en werd de waterstand van de vijvers te hoog gehouden. Een deel van het park had te lijden van overbegrazing door onder meer neerhofdieren. Het toenmalige Bestuur voor Monumenten en Landschappen stelde in 1984 een basisfilosofie op voor het beheer van het stadspark, waarbij de waterhuishouding en de verjonging van het park voorrang kregen. De resultaten van dit beheer zijn nu zichtbaar. LEDE, KERKEVIJVERSTRAAT 13, FABRIEK VOOR ZELFBESTATIGERS LA LEDOISE
nieus en ondernemend vakmanschap. Behoudens het Zwitsers uurwerk, werden alle onderdelen, met behulp van eigen ontwikkelde machines en apparatuur, zelf vervaardigd. Er werden niet enkel 'constateurs' gemaakt, ook alle andere toeleveringsproducten voor de duivensport werden er verkocht. Het atelier bestaat uit een drietal werkplaatsen waarvan nog twee volledig intact bewaard zijn gebleven, sinds de productie in 1965 stilviel. De bescherming van 10 juni 1999 is mede te danken aan de volledigheid van de bewaarde uitrusting en de unieke wijze waarop de erfgenamen dit patrimonium decennia lang - ook na de stopzetting van de activiteiten zijn blijven koesteren en instandhouden. Alle materialen, machines en werktuigen zijn nog steeds aanwezig zodat theoretisch het bedrijf morgen opnieuw zou kunnen draaien. Sinds jaren stellen zij, op eenvoudige vraag, het atelier gratis open voor alle belangstellenden. Ondertussen werden zowel de buitengevels als de bedaking gerestaureerd. Provincie
Het houden en werken met postduiven is een gebruik dat reeds bestond in de vroege middeleeuwen. Belangrijke berichten werden door middel van duiven overgemaakt. Het houden van duiven was vóór 1800 een "Heerlijk recht". Pas op het einde van het Ancien Régime mocht ook de modale burger duiven houden. Vanaf het midden van de 19de eeuw werden er ook wedstrijden georganiseerd met duiven. Het probleem bij de welbekende duivensport was het exact vastleggen van de aankomsttijd van de duif. Men zocht dus een sluitend systeem waarbij elke duif bij de aankomst op het hok kon "geklokt" worden. Op het einde van de 19de eeuw werd op die manier een "constateur" ontwikkeld die registratie op het hok mogelijk maakte. Dit toestel werd, precies vanaf de eeuwwisseling (1900) ontwikkeld en gebrevetteerd door het Leeds pioniersbedrijfje 'La Lédoise'. De productiewijze en de wijze waarop deze producten hun afzet kenden over de hele wereld getuigen van een inge-
Vlaams-Brabant
LEUVEN (HEVERLEE), CELESTIJNENKLOOSTER RESTAURATIE. UITBREIDING EN HERBESTEMMING TOT CAMPUSBIBLIOTHEEK Voor deze restauratie (in opdracht van de Katholieke Universiteit van Leuven) werd een architectuurwedstrijd georganiseerd. De opdracht werd uiteindelijk toevertrouwd aan architect José Rafael Moneo uit Spanje. De bibliotheek centraliseert nu verschillende vroegere deelbibliotheken van de campus Exacte Wetenschappen. Ter voorbereiding van de restauratie werd een grondige bouwhistorische en archeologische studie uitgevoerd. Tevens werden de materiaaltechnische onderzoekingen gedaan naar de verschillende afwerklagen die terug te vinden waren in interieur en exterieur. Om de kloostersite terug beter leesbaar te maken werden bepaalde restauratieopties genomen. Uitgangspunt werd respect voor de gegroeidheid in
B 1 N N E N K R A N T
de loop der eeuwen, met inbegrip van de 19e eeuwse aanpassingen. De 3 resterende pandgangvleugels werden terug uniform gekaleid, en worden nu gebruikt als leeszaal / tentoonstellingsruimte. Ter invulling van de verdwenen 4e vleugel werd een sterk hedendaagse element vorm gegeven. De oostvleugel werd zacht aangepakt, met behoud van de nog aanwezige 19e eeuwse binnenafwerking (rode cementering met schijnvoegen. De omgevingsaanleg inspireert zich op de vroegere toestand, zonder de verdwenen situatie blindelings te kopiëren, en biedt een respectvolle oplossing voor dagelijkse problemen zoals toegangen, toevoer boeken, kanaliseren voetgangers en fietsersstromen,
werd tevens voorzien, met aparte ingang, geschikt voor een 2e pastoor of voor verhuring. Op het gelijkvloers werd een vergaderruimte voor parochiaal gebruik en een secretariaatsruimte voor pastoor/parochie voorzien In het poortgebouw werd tevens een grotere vergaderruimte heringericht. De restauratie werd voorafgegaan door een deskundig materiaal-technisch vooronderzoek.
TERVUREN, HOEVE MELIJN Dit project behelst de restauratie van de hoeve Melijn in het centrum van Tervuren. Het monument, dat reeds tientallen jaren leegstond, kreeg na de restauratie terug een functie als tentoonstellings- en ontmoetingsruimte en werd aldus zinvol ingebed in het publieke gebeuren in Tervuren. De restauratie hield ten volle rekening met de beperkingen van het gebouw. In voorbereiding van het dossier werd een bouwhistorische studie uitgevoerd. Op de wanden van een lokaal werden 18e eeuwse temperaschilderingen met rankwerk en bloemen aangetroffen die, na een deskundig materiaal-technisch onderzoek, tijdens de restauratie verder werden vrijgelegd. Op de plaats van de reeds lang verdwenen andere vleugels (schuur) werd een hedendaags woonproject gerealiseerd dat de beslotenheid van de vroegere hoeve terug herstelt. BEERSEL, PASTORIE VAN DWORP De restauratie van de pastorie van Dworp kadert in een globaal project om de site publiek te herwaarderen. De pastorie werd terug hersteld en van alle comfort voorzien. De pastoor kreeg zo weer een volwaardige woonst. Een 2e woongelegenheid
Vanwege de nog goede hechting van de bestaande cementering op de achtergevel werd geopteerd om deze te behouden en plaatselijk te herstellen. De dorpels en omlijstingen van de ramen in sterk verweerde plaatselijke Arkoze-steen (= Tubize-steen) werden maximaal behouden en geconsolideerd, daar deze steen niet meer in de handel te verkrijgen is. Ook de tuin werd volledig geherwaardeerd. Met behulp van het Regionale Landschap "Zenne, Zuun en Zoniën" werd de vijver in orde gebracht, en de tuin heraangelegd. Hierbij werden afwegingen gedaan van het historische tov het praktische. Om een polyvalent speelveld te bekomen werd de reeds lang verdwenen boomgaard niet heraangelegd, maar als grasvlakte behouden. De tuin wordt opengesteld en vormt nu een alternatief parcours naar dorpskern en kerk. Provincie Wpst-Vlaanrieren DE HAAN, TRAMSTATION Het tramstation in De Haan werd gebouwd langs de tramlijn OostendeBlankenberge, overeenkomstig inscriptie gebouwd in 1902 naar
ontwerp van Brusselse architect G. Dhaeyer. Het station is een voorbeeld van de voor de kustzone en meer bepaald voor de Concessie van De Haan typische cottagestijl met toepassing van gele baksteen, arduin en geschilderd hout. In 1977 werd het tramstation met afbraak bedreigd en voor één symbolische frank aangekocht door de gemeente De Haan. Het gebouw kreeg een bestemming als informatieplaats voor toerisme. In 2001 besliste het gemeentebestuur van De Haan om het tramstation volledig te restaureren in het licht van het 100-jarige bestaan ervan in 2002. Aan de buitenzijde werd het volledig in de oorspronkelijke toestand hersteld, met inbegrip van de oorspronkelijke kleurstellingen van het schrijnwerk zoals gereveleerd via een kleurenonderzoek. De technische ingrepen werden tot een minimum beperkt; zachte reiniging van het parament en beperking van het voegwerk werd tot het strikt technisch noodzakelijke. Binnenin werd de oorspronkelijke sfeer zo getrouw mogelijk gereconstrueerd. Later ingebrachte onoordeelkundig uitgevoerde ingrepen werden verwijderd (valse plafonds, scheidingswand) . Het op zolder bewaard gebleven waterreservoir, als onderdeel van de industrieel-archeologische infrastructuur, bleef behouden. De kachel, waarvan de kachelpijp diende voor het vorstvrij houden van het opgeslagen water, werd - zij het symbolisch - opnieuw geplaatst en rond de kachelpijp zorgt een spiltrap voor de toegankelijkheid van de zolderruimte. Voor de binnenafwerking werden de oorspronkelijke kleurstellingen getrouw gereconstrueerd. Naar aanleiding van de werken werd de volledige interne oppervlakte van het gebouw ingenomen door de toeristische dienst van de gemeente De Haan met inbegrip van openbare sanitaire voorzieningen. Een verantwoorde functionele inrichting van het gebouw werd uitgewerkt. De overdekte luifel blijft in gebruik als wachtplaats voor de tramreizigers waardoor de oorspronkelijke functie gecontinueerd wordt.
i B I N N E N K R A N T
TIELT, HERENHUIS MULLE DE TERSCHEUREN Het huis Mulle werd In 1824 gebouwd in de leperstraat te Tielt. Het is een neoclassicistisch breedhuis met empirekenmerken, dat door de ruime afmetingen van hoofdvolume en aanbouwen van grote zichtbepalende betekenis is in het straat- en stadsbeeld van Tielt. Bewoond door de familie tot in 1962, en van dan af verhuurd als kantoren, zette het verval zich in vanaf 1976, toen een ontwerp BPA voorzag in de sloping van dit markante gebouw, teneinde een doorsteek naar een achterin gelegen parking mogelijk te maken. Huis en stadstuin werden als monument en dorpsgezicht beschermd in 1986. Na niet verder duldbaar verval, verkreeg de stad Tielt in 1993 de toestemming tot onteigening ten algemenen nutte, waarna de restauratie een aanvang kon nemen. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat het huis als plaatselijke openbare bibliotheek zou gerestaureerd en verbouwd worden. Tijdens de uitvoering van de eerste fase dakwerken werden de plannen gewijzigd. Het huis werd ingericht als vergaderlokalen, ter beschikking gesteld van zowel het stadsbestuur als van culturele verenigingen. Deze optie
kwam de eigenheid van het gebouw ten goede: hierdoor kon ook het interieur op een consequente wijze worden gerestaureerd, zowel structureel als decoratief. De niveau-, evenals de kamerindeling bleven quasi ongewijzigd. De tuin is thans openbaar stadspark. Dit jaar werd een aanvang genomen met werken aan de bijgebouwen (huisbewaarderwoning, stallingen en gekasseide binnenkoer). Deze worden herbestemd naar tentoonstellingsruimte en gastenverblijven voor de stad Tielt. De totaliteit van het historisch complex Mulle de Terscheuren, bestaande uit herenhuis, aanhorigheden en tuin, werd van de sloophamer gered en herbestemd "ten algemenen nutte" OOSTENDE, NIEUWPOORTSESTEENWEG 636, WALRAVERSUDE 1465 Op 24 juni 2000 opende Walraversijde 1465 zijn deuren voor het publiek. Het betreft in essentie een wetenschappelijk zeer sterk onderbouwde en didactisch verantwoorde presentatie van een laatmiddeleeuwse vissersgemeenschap, die op dit ogenblik aan onze kust eigenlijk enkel nog bewaard zijn onder de vorm van hoofdzakelijk zeer sterk aangetaste archeologische sites. De presentatie omvat vier onderscheiden delen: een audio-visuele inleiding.
vier op ware grootte gereconstrueerde gebouwen, een opgravingsreconstructie en als afsluiter een site-museum. Aan de hand van de vier gebouwen zijn drie wooneenheden gereconstrueerd met de specifieke bedoeling de sociale differentiatie in het dorp duidelijk in de verf te zetten: er is een huis van een reder, een huis van een vissersweduwe en dit van een neringdoener met aanpalende haringrokerij/ bakkerij. Het verschil blijkt niet alleen uit de gebouwen zelf maar tevens ook uit de invulling ervan binnenin. Zo staat de tafel bij de reder bijvoorbeeld anders gedekt dan bij de weduwe. Voor deze reconstructie op ware grootte van de gebouwen werd maximaal gebruik gemaakt van de archeologische informatie en de archeologische materialen. Zo zijn bijvoorbeeld al de in de gebouwen gebruikte, zichtbare bakstenen afkomstig uit de opgravingen. Dit draagt in grote mate bij tot het gevoel van authenticiteit. Daarnaast werd ook geput uit alle andere beschikbare bronnen, geschreven zowel als materiële. Na de gereconstrueerde woningen bereikt de bezoeker via een zgn. overgangservaring - een achter een vervallen woning gecamoufleerde werfkeet van een archeoloog - een opgravingsreconstructie. In deze zijn de van de gereconstrueerde gebouwen bij het archeologisch onderzoek aangetroffen sporen op hun oorspronkelijke positie nagemaakt met de bedoeling de bezoeker te doen ervaren: 1. hoe weinig soms in de bodem achterblijft, 2. waar de feiten ophouden en de interpretatie begint en tenslotte, 3. hoe kwetsbaar het archeologisch bodemarchief wel is. Het bezoek wordt afgerond in het museum waar met behulp van moderne technische middelen alle relevante informatie in zijn samenhang wordt aangeboden en waar ook een grote selectie van oorspronkelijke voorwerpen wordt getoond. Een aantal spelletjes verhogen het attractief karakter voor de jeugd.
B 1 1 \ 1 \ E N K R A N T
Landschappen
Els Hof kens
UITVOFRINfiSRESLUITEN Bil HFT lANDSPHAPSDFCRFFT Op voorstel van Vlaamse ministervan Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken, Paul Van Grembergen, heeft de Vlaamse regering 3 uitvoeringsbesluiten van het landschapsdecreet goedgekeurd. De 3 uitvoeringsbesluiten behandelen het beheerluik van beschermde landschappen: besluit van de Vlaamse regering tot instelling van een premiestelsel voor beschermde landschappen, besluit van de Vlaamse regering betreffende de oprichting, de samenstelling en de werking van de beheercommissies voor beschermde landschappen en besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 1997 houdende algemene beschermingsvoorschriften, adviesen toestemmingsprocedure, instelling van een register en vaststelling van een herkenningsteken voor beschermde landschappen.
Het besluit tot de instelling van een premiestelsel voor beschermde landschappen legt de uitvoeringsmodaliteiten vast voor de opmaak van landschapsbeheerplannen en voor de werking van het premiestelsel ten behoeve van de uitvoering van het beheer in beschermde landschappen. Naar analogie met het premiestelsel voorde beschermde monumenten, wordt er een onderscheid gemaakt tussen een onderhoudspremie en een landschapspremie. De onderhoudspremie dient voor de ondersteuning en de stimulering van instandhouding- en onderhoudswerken. Het is de bedoeling om met een eenvoudige procedure het normale onderhoud van kenmerkende structuren of elementen in een beschermd landschap te ondersteunen. Het be-
sluit van de Vlaamse regering bepaalt voor welke werkzaamheden en onder welke voorwaarden de onderhoudspremie wordt toegekend. De onderhoudspremie bedraagt 400/o. De landschapspremie wordt toegekend op basis van een beheerplan voor het geheel of voor een deel van een beschermd landschap. Hiermee wordt een integraal beheer nagestreefd voor het gehele beschermde landschap of deelentiteiten ervan. Gezien het belang van een beheerplan voor een beschermd landschap om de beheerdoelstellingen te verwezenlijken, geldt een hogere premiemogelijkheid als stimulans voor zowel de opmaak als de uitvoering van het beheerplan. Het besluit van de Vlaamse regering bepaalt voor welke beheerwerkzaamheden en onder welke voorwaarden de landschapspremie wordt toegekend. Dit geldt evenzeer voor beheerplannen van natuurreservaten zoals bedoeld in het natuurdecreet, meer bepaald voor de cultuurhistorische en esthetische aspecten van het beschermd landschap en voor beheerplannen van bosreservaten zoals bedoeld in het bosdecreet, voor zover het bosbeheerplan is aangevuld met een luik waarin maatregelen ter verwezenlijking van de beheerdoelstellingen van een beschermd landschap zijn opgenomen. De premie van het Vlaamse Gewest voor de kosten van instandhoudings-, onderhouds-, herstel- en verbeteringswerkzaamheden bedraagt 70%. Voor ontsluitings-, onderzoeks- en voorlichtingswerkzaamheden bedraagt de premie 20%.
Het uitvoeringsbesluit legt tevens de procedure vast voor de opmaak van het beheerplan, bepaalt hoe het beheerplan er moet uitzien per geheel van het beschermd landschap of een deel ervan en hoe de financiële ondersteuning wordt toegekend. Het subsidiëringspercentage van 80% geldt voor de opmaak van een beheerplan of, voor erkende natuurreservaten, voor de opmaak van de beschrijving van cultuurhistorische en esthetische aspecten van het beschermd landschap of, voor bossen, het luik waarin maatregelen ter verwezenlijking van
de beheerdoelstellingen van een beschermd landschap zijn opgenomen. Het decreet van 21 december 2001 tot wijziging van het landschapsdecreet heeft de verplichting tot het oprichten van een beheercommissie en het opstellen van een beheerplan voor een beschermd landschap of een deel ervan geschrapt. Tevens is het opstellen van het beheerplan niet meer de exclusieve taak van beheercommissie. De taakstelling van de beheercommissie wordt uitgebreid. Naast de begeleiding of advisering van de verwezenlijking van de beheerdoelstellingen en van de opmaak van het beheerplan, kan zij ook haar inbreng hebben bij de uitvoering van het beheerplan en het beheer in het algemeen in het beschermd landschap. Daarenboven krijgt zij de belangrijke rol om een overlegplatform te creëren bij de bescherming en het beheer van het landschap. De ervaring heeft geleerd bij de werking van de bestaande beheercommissies dat het creëren van zo'n draagvlak van cruciaal belang is.
Het besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 1997 houdende algemene beschermingsvoorschriften, advies- en toestemmingsprocedure, instelling van een register en vaststelling van een herkenningsteken voor beschermde landschappen vult de algemene beschermingsvoorschriften verder aan. Deze algemene beschermingsvoorschriften gelden voor alle beschermde landschappen in het Vlaamse gewest. Op die manier kan een algemeen beschermingskader opgesteld worden dat weergeeft wat in de beschermde landschappen structureel bepalend is met betrekking tot het behoud en de bescherming van die landschappen en hun waarden. Dit systeem maakt het tevens mogelijk te zorgen voor een degelijke en ruime bekendmaking van die essentiële bepalingen. Dit is belangrijk omdat alle beschermingsbepalingen ook gelden voor de gebruikers en de bezoekers van beschermde landschappen.
B 1 M M E N K R A N T
De Afdeling Monumenten en Landschappen brengt in het najaar een brochure uit met meer informatie over de uitvoeringsbesluiten en hun concrete gevolgen. U vindt de volledige tekst van de besluiten op de website van de Afdeling Monumenten en Landschappen: www.monument.vlaanderen.be
Archeologie
Veerle De Houwer
RFSTAURATIF VAN DF O.LV.-GEBQQRTFBASIIIFK IN TONGFRFN Fase I - a r c h e o l o g i s r h p opgravingen De toren van de basiliek van Tongeren werd in 1999 samen met de andere Vlaamse belforten opgenomen in de lijst van het werelderfgoed van Unesco. In de jaren '80 was de toren van de basiliek echter erg wankel geworden. Een grootscheepse restauratiecampagne bleek noodzakelijk. De eerste fase hiervan liep van 1999
tot 2001. Naast de demontering en de restauratie van het Le Picard-orgel, werd er in deze fase ook vloerverwarming geplaatst. Omdat hiervoor de vloer moest worden opgebroken en deels uitgegraven, werd van de gelegenheid gebruik gemaakt om archeologisch onderzoek te verrichten. Door de opgravingen zou in de kerk een kelder ontstaan. Men besliste om die ruimte te behouden en in te richten als museumkelder, waar de vondsten van de opgravingen ter plekke aan het publiek getoond zouden worden.
Over de resultaten van de opgravingen verscheen dit jaar een rijk geïllustreerde brochure geschreven door stadsarcheoloog Hadewych van Rechem, in samenwerking met de archeologen van het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium van de Vlaamse Gemeenschap. De publicatie geeft een boeiend en vlot leesbaar overzicht van de geschiedenis van deze plek van de Romeinse tijd tot heden. De brochure kost 4 euro en is te verkrijgen bij Toerisme Tongeren: Stadhuisplein 9 - B - 3700 Tongeren . tel: 012-39.02.55 - fax: 012/39.11.43 e-mail: toerisme.tongeren@skynet.be
Veerle De Houwer
SMBSIDIFS AAN ARCHFOIOfilSCHF PROIFHTN DOOR DF PROVINCIE VLAAMS-RRARANT De provincie Vlaams-Brabant subsidieert archeologische projecten op haar grondgebied. Onder archeologische projecten worden alle activiteiten verstaan in verband met archeologie. Dit kunnen bijvoorbeeld zijn: opgravingen, prospecties, publicaties, educatieve projecten, tentoonstellingen, cultuurtoeristische ontsluiting van archeologische sites.
subsidiëring archeologische <£> projecten PROVINCIE VLAAMS • BRABANT
Enkele mogelijke projecten: - de gemeente laat archeologische opgravingen uitvoeren bij de aanleg van een industrieterrein - enkele klassen van de lagere school werken twee weken rond het thema archeologie - de heemkring zet een archeologische tentoonstelling op Iedereen die verantwoordelijk is voor en de kosten draagt van het project kan een subsidie aanvragen: een lokaal bestuur, een vereniging, een organisatie,... Aanvragen kunnen twee maal per jaar ingediend worden, uiterlijk op 15 maart of op 1 oktober en ten minste twee maanden voor de aanvang van het project. Enkel een urgente noodopgraving kan, op voorwaarde van de onbetwiste verantwoording van de urgentie ook op andere data ingediend worden. Om een subsidie aan te vragen, dient u een speciaal aanvraagformulier te
M&L
B 1 N N E N K R A N T
gebruiken en een uitgebreid dossier bij te voegen. De provincie Vlaams Brabant bracht terzake een infofolder uit.
Voor meer inlichtingen kan u terecht bij: Dienst Cultuur van de provincie Vlaams-Brabant Hadewych Degryse provinciaal archeoloog 016 26 76 10 - 016 26 76 35 hdegryse@vl-brabant.be
Project Ellen Van Impe & Inge Bertels
P R D I F C T ART A N D ARPHITECTIJRE T H E S A U R U S Tussen oktober 2002 en juni 2003 werd aan het Raymond Lemaire International Centre for Conservation van de Katholieke Universiteit Leuven (RLICC) het AAT UPDATE PROJECT uitgevoerd. Het betrof een beleidsgericht onderzoek gefinancierd door de Afdeling Monumenten Et Landschappen van de Vlaamse Gemeenschap (AML). Het project onderzocht hoe de Nederlandstalige terminologiethesaurus van de Afdeling Monumenten & Landschappen kon bijgewerkt en geactualiseerd worden tot een flexibel en dynamisch hulpinstrument bij de beschrijving van cultureel erfgoed en bij de internationale uitwisseling van erfgoedgegevens. Een terminologiethesaurus is een uiterst interessant hulpmiddel voor het handhaven van een consistente terminologie bij de archivering en documentatie van iconografische documenten en cultureel erfgoed in
een internet- en databankomgeving. Een thesaurus is immers hiërarchisch opgebouwd, waardoor het mogelijk wordt de geschikte specifieke termen te vinden via meer algemene termen: zo is hoeksteunberen een specifiekere term bij de term steunberen. Deze term is op zijn beurt een specifiekere term van draag- en weerstandselementen. Verder worden voorkeurs- en niet-voorkeurstermen (equivalente relaties) aangeduid: standing stones is bijvoorbeeld een equivalente nietvoorkeursterm bij de voorkeursterm menhirs. Ten slotte kunnen ook verwantschappen gelegd worden tussen termen uit verschillende domeinen (associatieve relaties). Een dergelijke thesaurus kan ingeschakeld worden als zoekindex in databanken en biedt - indien op een consistente manier uitgewerkt en gebruikt - interessante mogelijkheden bij de uitwisseling van informatie.
Voor de meeste personen, instellingen en organisaties is het creëren van een eigen trefwoordensysteem of thesaurus geen optie. Dit vergt immers een continu en intensief databeheer, dat tijdrovend is en financiële consequenties heeft die voor de meeste geïnteresseerden niet draagbaar zijn. Daarom is het gebruiken van een bestaande thesaurus een meer haalbare oplossing. Voor de ontsluiting van iconografische documenten betreffende het cultureel erfgoed is de Engelstalige Getty Art and Architecture Thesaurus (AAT) uiterst geschikt fhttp://www.getty.edu/research/tools/ vocabularv/aat). Voor Nederlandstalige databanken, zoals deze van AML, was evenwel een Nederlandse vertaling van deze Engelstalige thesaurus aangewezen. In 1994 vertaalde AML daarom vijftien deelrubrieken van de AAT. Het vertaalde thesaurusdeel werd opgevat als een intern en statisch hulpinstrument, dat losstond van de bronthesaurus. AML nam bijvoorbeeld de unieke ID-nummers, die Getty aan elke voorkeursterm toekent, niet over. Sinds enkele jaren wordt deze AML thesaurus evenwel ook door andere instellingen en organisaties gebruikt.
onder meer binnen het VL-ICOON project - Integratie van Iconografische gegevensbestanden van het gebouwde patrimonium In Vlaanderen fhttp://vlicoon.asro.kuleuven.ac.be/ vlicoonl (RLICC), een beleidsgericht onderzoeksproject van de Vlaamse Gemeenschap. Hierdoor ontstond de mogelijkheid / vraag om deze thesaurus als hulpmiddel te gebruiken bij het terugvinden en uitwisselen van (internationale) informatie in de databanken van verschillende instellingen en organisaties. Sinds 1995 werkt het Nederlandse Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD), o.a. in opdracht van de afdeling Beeldende Kunsten en Musea van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en in samenwerking met de afdeling Monumenten en Landschappen aan een volledige vertaling van de Engelstalige Getty AAT. Een meerwaarde van deze versie zijn de vertaling en opname van termverklaringen en het behoud van de IDnummers, waardoor de mogelijkheid bestaat een daadwerkelijke link te maken tussen de Nederlandse vertaling de Engelstalige thesaurus. Op die manier kan de thesaurus gebruikt worden als een tweetalig hulpinstrument met de mogelijkheid tot internationale uitwisseling van gegevens en vereenvoudiging van externe communicatie. Latere updates van de Getty AAT werden evenwel niet opgevolgd in de RKD-versie. Anderzijds werd een heel aantal noodzakelijke maar niet geverifieerde termen toegevoegd (http://www.rkd-db.nl/aat/index.html). Deze problematiek bemoeilijkt de uitwisseling tussen en de verrijking van beide Nederlandstalige thesauri. Het ontbreken van ID-nummers in de AML-vertaling bemoeilijkt bovendien de vergelijking tussen de twee Nederlandstalige versies. Een testproject, uitgevoerd binnen het VL-ICOON project, toonde evenwel aan dat het technisch mogelijk was het grootste gedeelte van de AML-termen opnieuw te koppelen aan de oorspronkelijke Getty ID-nummers, wat het vervolgens mogelijk maakt de RKD- en de AML-thesaurus inhoudelijk te vergelijken en tot een concrete samenwer-
B I N N E N K R A N T
king en uitwisseling te komen. Het project was erop gericht de binnen dit testproject ontwikkelde methodologie verder te ontwikkelen voor de gehele thesaurus. Dit gebeurde in een viertal stappen: Vergelijking van twee verschillende Getty AAT-bestanden (een versie uit 1995 en een ge-update versie uit 2000), om de evolutie binnen de Engelstalige thesaurus zelf te kunnen inschatten. Vergelijking van het actuele Getty AAT-bestand met de RKD-vertaling, om de mogelijke problemen met het databeheer van RKD te ontdekken en een correcte vergelijking met de AMLthesaurus te kunnen uitvoeren. Koppeling van de AML-thesaurus met het actuele Getty AAT-bestand, door het uitzoeken van de exacte ID-nummers. Vergelijking van de AML- met de RKD-thesaurus, waardoor de mogelijkheid ontstaat om beide Nederlandstalige thesauri inhoudelijk op elkaar af te stemmen, te corrigeren en uit te breiden. De resultaten van dit onderzoek dragen bij tot de verdere ontwikkeling van een Nederlandstalig AAT-equivalent dat in de toekomst zowel door Vlaanderen als door Nederland dynamisch en constructief kan worden aangepast en uitgebreid.
Marjan Buy Ie
M F T A I F N : CQNSFRVATIE FN ONDFRZQEK TWEEDF INTERNATIONAAL rnNGRF<; VAN HF VFRFNIfiING ASOCIACION RFSTAURADORFS SIN FRONTERAS Dit tweejaarlijks congres wordt georganiseerd met de bedoeling om de internationale contacten te bevorderen en om aan een publiek van gespecialiseerde beroepsbeoefenaars in de conservering en restauratie van het cultureel erfgoed de meest recente realisaties op het gebied van het
fi
? f 3^7 ASOCIACIÓN RESTAURADORES SIN FRONTERAS
metaalpatrimonium voor te stellen. De congrestalen zijn Engels, Frans en Spaans (met eventuele simultaanvertalingen). Het seminarie behandelt zowel objecten in museale verzamelingen als in openbare gebouwen. De snelle evolutie van het onderzoek in de laatste jaren maakt dit soort ontmoetingen noodzakelijk om de discussie binnen het beroepsveld op gang te brengen. Het eerste congres, dat doorging in Cordoba, wordt nu gevolgd door deze tweede uitgave in Brussel, die het resultaat is van een samenwerkingsverband tussen de vereniging en het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium in Brussel. Het programma is chronologisch opgevat volgens de ouderdom van de besproken objecten, te beginnen met metalen archeologische relicten tot de hedendaagse periode.
Informatie: Juan Carlos Bermejo en Raquel Ballester, coördinatoren van het seminarie Tel. 02/739 68 38 (KIK) E-mail: jc.bermeio@restauradoressinfronteras.ora Website: www.restauradores-
Marjan Buy Ie
INTERNATIONALE BRK-APROA STUDIFDAGFN •VERNISSEN IN DE CONSERVATIFRFSTAURATIF' De BRK-APROA, Beroepsvereniging voor Conservators-Restaurateurs van Kunstvoorwerpen vzw organiseert, in samenwerking met de Afdeling Monumenten en Landschappen, een tweedaags seminarie over de problematiek van vernissen in de conservatie-restauratie van kunstbezit. Een greep uit het programma: reconstructie van oude vernisrecepten als afwerkingslagen voor meubilair, vernis als beschermlaag van verzilverde oppervlakken, hechting van vernissen op blanke metalen oppervlakken, problematiek van vernissen op muziekinstrumenten, gebruik van vernis in oude restauraties van globes en landkaarten in papier, veroudering en stabilizering van moderne schilderijenvernissen, vernissen als beschermlaag van bronzen sculturen in buitenopstelling, criteria voor de keuze van vernissen in de restauratie van schilderijen en polychrome sculpturen, vernissen op barokke sculpturen en retabels, vernissen en vernisafnames: een vicieuze cirkel? Het definitieve programma is thans in opmaak en de uitnodigingen en inschrijvingsformulieren zijn beschikbaar vanaf september. Congrestalen zijn Nederlands, Frans en Engels (met simultaanvertalingen). Doelpubliek: conservators-restaurateurs, mensen uit de erfgoedsector, museumconsulenten, museumbeheerders, e.a.
Informatie: Marjan Buyle, Monumenten en Landschappen, Phoenixgebouw, Koning Albert ll-laan 19 bus 3, 1210 Brussel. E-mail: marieanne.buvleO lin.vlaanderen.be
1VI&L
M&L citaat
De culturele impact van het evenement Brugge 2002 Is op meerdere vlakken te situeren: Uit de bevraging van de stakeholders (diepte-interviews met belangrijke belanghebbenden) blijkt dat men de realisaties op het vlak van de Infrastructuur als het aspect met de grootste en meest blijvende culturele impact van Brugge 2002 beschouwt. Men verwijst vooral naarde restauratie van monumenten, het concertgebouw, het paviljoen van Ito, de Magdalenazaal, de Groenplaats, de Coupurebrug, het Kanaaleiland enz.
Citaat uit het impactonderzoek Brugge 2002 Culturele Hoofdstad van Europa, Samenvatting en Besluiten.
deren. Het gebruik van zulke maquettes op de werf was voorzeker niet uitzonderlijk: tijdens de bouw van het koninklijk paleis te Brussel liet ook Girault een maquette maken en dit voor de uitvoering van de gewelven van de kapel van het paleis (41).
Modellen in blauwdruk van graftekens: nr. 29 (neogotisch), 30 (classicistische cyppe), in voor- en zijaanzicht. De tekeningen dragen de
DE GRAFMONUMENTEN
stempel: Honuments funéraires Couroimes -
De bij benadering vijfhonderd -merendeels- presentatietekeningen van het fonds E. Beernaert, nog in een dertien portefeuilles samengebracht per thema {"souflets" (blaasbalgvorm), kruisen, steles en hun combinaties, grafkapellen, vazen en urnen . . . ) , bieden mede omwille van hun grafische kwaliteit een fraai en vrij volledig overzicht van de productie aan grafmonumenten in de Brusselse regio in de laatste twee decennia van de 19de eeuw en tot de vooravond van W O II, weliswaar met klemtoon op de begraafplaats van Eisene en, in mindere mate. Etterbeek, Evere, Ukkel en Sint-Gillis, al durft de signatuur ook sporadisch opduiken in Vlaanderen en Wallonië.
E. Beernaert - 26, rue du Parnasse, 26 - Bmelles
(Q.-L)
(Epitaaf vzw, fonds Beernaert)
Verrassend weinig rondplastiek en nauwelijks neogotiek, in tegenstelling tot een productie als deze van de Etablissements Ernest Salu (ca 1878-1965) in Laken, maar des te meer neoclassicisme en eclecti-
•4 Grafteken met gebroken zuil. Foto W. Nestier,
cyppe met egyptise-
Het document
en deze van de
(potlood en aquarel)
rende obelisk -
draagt een dubbele
Renbaanlaan 131-
van het grafteken
voor de begraaf-
stempel van
133
Presentatietekening
voor de familie F.
plaats van Smt-
E. Beernaert: deie
(Epitaaf vzw, fonds
Deladrier-Rodenbach
Joost-ten-Noode,
- geschrapt - van
Beernaert)
- een classicerende
23 maart 1888^
de Wiertzstraat.
Bruxelles, 108 Boulevard du Nord/ 36 rue de Halmes) (Epitaaf vzw, fonds Beernaert)
cisme; slechts schaarse grafkapellen, maar tal van 'souflets', steles en varianten op obelisken, waarmee het bedrijf ongetwijfeld een eigen imago uitbouwde. Karakteristiek voor de beginperiode is de presentatietekening N°109, uitzonderlijk (door de bouwheer) gedateerd 23 maart 1888, van het grafteken voor de familie F. Deladrier-Rodenbach op de begraafplaats van Sint-Joost-ten-Node: een gecombineerde cyppe en obelisk, met palmtak, krans van immortellen en ster; een lijntekening in inkt, opgehoogd met lichtblauw aquarel. O p de achterzijde van de foto (A. Hounois?) van het monument bracht E. Beernaert niet enkel zijn stempel -"26rue du Parnasse'- aan, maar ook de prijs: 2200 fr. Modellen in blauwdruk wijzen tegelijk op het gebruik (of de verspreiding) van handelscatalogi, waaruit naar believen kon worden geput: grafsteles
1
Presentatietekening
kunstmatige heuvel.
Presentatietekening
doodshoofd met
Louis hnlangen-
Presentatietekening
koepelbekroning op
E14 (potlood en
Blijkens de (deels
1-13 (potlood en
gekruiste tibia's, uil
donck arch, en
KI8 (potlood en
ribben, ontstaan ten
aquarel) van een
gewiste) stempel
aquarel) van een
en bloemenkransen.
draagt de stempel
aquarel) van een
tqde van de vesti-
clbonumvormlg
ontstaan in de
blauwhardstenen
Vooraanzicht, sug-
van E. Beernaert,
eclectische graf-
ging m de
grafteken op trap-
Wiertzstraat
grafteken - een
gestief omringd
Renbaanlaan 131-
kapel, met classice-
Wiertzstraat
vormige onderbouw,
(Epitaaf vzw, fonds
vlakke steen en
door cypressen,
133
rend portaal op
(Epitaaf vzw, fonds
het geheel gesitu-
Beernaert)
cyppe waarop
grondplan en
(Epitaaf vzw, fonds
Ionische zuilen en
Beernaert)
obelisk -
zijaanzicht. Het ont-
Beernaertl
eerd op een hoge
met
portretmedaillon.
werp is gesigneerd
in neogotische of neoklassieke stijl, 'souflets' met een gebroken zuil als " head stone" ... een model dat op de begraafplaats van Eisene alvast gekozen werd voor de Franse generaal Georges Boulanger ( t l 8 9 1 ) en zijn geliefde Marguerite. Uit deze vroegste periode van de vestiging aan de Wiertzstraat getuigen nog meerdere grote presentatietekeningen, in potlood op papier en geaquarel-
M&L
leerd, van eclectisch-classicerende ciboriumvormige funeraire tempeltjes, obelisken op cyppe-vormige onderbouw en heuse grafkapellen met koepel of zadeldak, vaalblauw of -groen, met zorgvuldig weergegeven lichtinval. Bewaarde schaalmodellen in gips dienden wellicht om de klant de visu te overtuigen van het beoogde resultaat - de kostprijs van bijvoorbeeld model N°126 in graniet (variante blauwe hardsteen), met bronzen deur en marmeren
Presentatietekening
zoidale grafkapel
langsdoorsnede)
staan ten tqde van
(Epitaaf vzw. fonds
gipsen maquette.
werd uitgevoerd
KIS (potlood en
(vooraanzicht,
voor de familie
de overgang van de Beernaert). Van dit
Foto's tonen aan
(Epitaaf vzw. fonds
aquarel) van een
zijaanzicht, achter-
Reisse. blijkens één
Wiertzstraat naar
model bestaat
dat de kapel in
Beernaert)
classicerende, trape-
zijde, dwars- en
der stempels ont-
de Renbaanlaan
tevens een fraaie
meerdere varianten
Prcsentatietekening
jaren 1920 (?)
1-34 van een rood
(Epitaaf vzw, fonds
granieten obelisk op Beernaert) clppe, met plorante.
altaar en muurpanelen, toen samen een 4450 fr. — was immers niet min. Haarscherpe foto's op karton van gerealiseerde modellen, systematisch voorzien van de bedrijfsstempel, belandden dan ook stipt in fraai-in-leder-gebonden presentatie-albums. In de beginjaren van de 20ste eeuw moet het bedrijf van E. Beernaert aan de Renbaanlaan gouden jaren hebben gekend. Kleurrijke granietsoorten van diverse herkomst, waarmee gul wordt geadverteerd, hebben nu grotendeels de zachtere en minder duurzame blauwe hardsteen, kalkzandstenen en marmers vervangen. Ook de presentatietekeningen van de grafmonumenten -vaak obelisken en hoge stelesworden strakker, met scherp afgelijnde licht- en schaduwzones, pointillistisch ingekleurd in Bordeaux-rood, staalblauw, of gitzwart, op de blauwe hardstenen sokkel na. Oorspronkelijk nog uit de overgangsperiode dateert stilistisch het classicerend 'Attisch' monument D.2635 voor Léontine Carlier-Dehenne (18571904). Ooit op de begraafplaats van Etterbeek, in Sint-Lambrechts-Woluwe, in blauwe hardsteen en Schots graniet een 8800 fr. waard, met bronzen bloemenstrooiend meisjesfiguur (gesigneerd Grand Air 1928), blijkt het een variante op een nog in de Wiertzstraat totstandgekomen model naar ontwerp van architect Louis Buyschaert uit de nabijgelegen Godecharlestraat (42). Karakteristiek voor de productie van E. Beernaert is dan weer de hoge roodgranieten obelisk op cyppe (Emile Janlet) voor Hector Defoër (1832-1905), uitgeweken inwoner van het Waals-Brabantse Jodoigne die zich na een glansrijke carrière in de
•4 Een uitgevoerde Grlekse stijl, met
1904). ooit op de
naar de Renbaan-
versie van graf-
D.4352/C2486
herhaald acanthus
begraafplaats van
laan 131-133
monument
(potlood en aqua-
motief. Het graf-
Etterbeek, vormt
(Epitaaf viw, fonds
D.4352/C2486
Beernaert)
(Epitaaf vzw, Fonds
Presentatietekening
Op de begraafplaats van Jodoigne, de granieten obelisk
rel) van een blauw-
monument voor
hierop een variante.
hardstenen graf-
Léontine Carlier-
De stempel van E.
teken in neo-
Dehenne (1857-
Beernaert verwijst
Beernaert)
Ukkel, begraafplaats van Sint-Gillis, Het grafmonument
van Emile Janlet
voor de familie
voor Defoér bey,
baron Janssen
ca 1905 (Epitaaf vzw, fonds
(Epitaaf vzw, fonds Beernaert)
Beernaert)
Ukkel, begraafplaats van Sint-Gillis. Het grafmonument Fourneau-Lienard (P. Picquet, na 1903). met plorante (P. Dubois) (Epitaaf vzw, fonds Beernaert)
Presentatietekening (potlood) van een 'mausoleum' in de vorm van een antentempeltje met monumentale sarcofaag, sterk verwant met het monument De Waele. Het ontwerp kwam blijkens stempel tot stand aan de Kroonlaan, dus na 1924 (Epitaaf vzw. fonds Beernaert)
M&L
a -• v
AA
•
Maquette en model
van Eisene, ca 1920
Het grafteken
Henry Kerckhoff,
op ware grootte
(Epitaaf vzw, fonds
Delecourl-Wincart,
42-44, rue du
van het grafteken
Beernaert. Foto 0.
op de begraafplaats
tabellion, Ixelles
Delecourt-Wmcar,
Pauwels)
van Eisene,
(Epitaaf vzw, fonds
ca 1920. Photo
Beernaert)
op de begraafplaats
financiële administratie van de khedivevan Egypte, gefortuneerd en bey, terugtrok in zijn geboortedorp, op het 50 ha grote Domaine des Cailloux met luxueus kasteel (Emilejanlet 1881-'82) (43). O p de begraafplaats van Sint-Gillis, in Ukkel, realiseerde hij voor L.G.H. Baron Janssen (18491923), vice-gouverneur van de Société Générale de Belgique een ongewoon, trapvormig familiemausoleum met — niet geïdentificeerde - plorante en, voor de familie Fourneau-Lienart en steeds in graniet, een eenvoudiger tombe naar ontwerp van architect P. Picquet met bronzen plorante door Paul Dubois (na 1903). O p de begraafplaats van Ukkel, aan de Dieweg, signeerde hij ondermeer het egyptiserend monument Sermon-Van Gelder (ca 1910?), een ontwerp van architect Georges Hendrickx met bekronende sfinks door Marcel Rau en, na een paar ontwikkelde varianten, het tempelvormig familiemausoleum Fromont. Voor deze van Brussel, in Evere, bouwde hij omstreeks 1901 de open 'grafkapel' met stenen sarcofaag voor de Louis De Waele — Parquets de Luxe & Ordinaires — en diens familie (Emile Janlet i.s.m. Godefroid Devreese) (44). Van het aangrijpend mooi monumentje voor de echtgenoten Delecourt-Wincar (ca 1920) op de begraafplaats van Eisene, bleven uitzonderlijk - behalve een foto na realisatie — zowel de kleine maquette als het gipsmodel op ware grootte van de rugzij de bewaard.
In 1924, bij de vestiging van het bedrijf aan de Kroonlaan, bij de hoofdingang van deze begraafplaats, had Emile Beernaert reeds een lange carrière achter de rug. Spijts de aanwezigheid van meerdere - ingebonden - foto's, blijft het nochtans onduidelijk in hoeverre hij zelf betrokken was bij de totstandkoming en latere verbouwing van het mausoleum Solvay.
Het monument Solvay Wellicht tegelijkertijd met het herdenkingsmonument voor Alfred Solvay (23 januari 1894) in Couillet werd Victor Horta gelast met de realisatie van diens grafmonument op de begraafplaats van Eisene. Beide opdrachten werden dermate tot een goed einde gebracht dat Horta in juni van hetzelf-
De grafkelder voor de familie Solvay, op de begraafplaats van Eisene, tijdens de graafwerken in 1924. Foto Henry Kerckhoff, 42-44. rue du Tabellion, Ixelles (Epitaaf vzw, fonds Beernaert)
M&L
UDIER MBAUX
Het grafmonument Solvay, op de begraafplaats van Eisene, na de aanpassing in 1924, in het fotoalbum Harbrem
Emile
Beernaert Bruxelles (Epitaaf vzw, fonds Beernaert)
Omslagillustratie van het modellenboek
GMIDIEU mum - Aulnoye Hord Monuments funéraires et commé-
moratih (Epitaaf vzw, fonds Beernaert)
Geaquarelleerde - zwart, geel, witpotloodtekening op gri|s papier van een zwart granieten grafmonument in classicerende art decosti|l. Vaag wordt een cypres geèvoceerd, en mistslierten ... (Epitaaf vzw, fonds Beernaert)
A/I&L
M Schaalmodel voor een grafkapel, naar ontwerp van Franjois Van Nueten. Niet gesigneerde foto. s.d. (Epitaaf vzw fonds Beernaert)
Ontwerp voor een
toe te schri|ven aan
"Monument
de modernistische
Société Sranitière du Hord. Inkt en
funeraire S%'
architect Lucien
aquarel op papier
(opstand, zijaan-
Francois, die in de
(Epitaaf vzw, fonds
zicht, grondplan,
|aren '20 meerdere
Beernaert)
doorsnede en
grafmonumenten
perspectief), wellicht
tekende voor de
de jaar opdracht kreeg voor de bouw van een herenhuis voor Armand Solvay, aan de Brusselse Louizalaan. De tekeningen voor het mausoleum werden alvast op 29 januari op de begraafplaats afgeleverd, de dag zelf van de teraardebestelling. O p 22 oktober kon de plaatsing van de granieten sarcofaag een aanvang nemen. In 1924 wordt het grafmonument op verzoek van de familie verplaatst, voor de bouw van een grafkelder voor 20 man, een operatie die nog door Horta zelf geleid werd maar waarvan het resultaat hem zeer ontgoochelde: "Initialement, Ie monument n'était qu'un sarcophage engranitpoli, dont les courbiires qu'estompait unfond plat de cypres étaient atténuées du fait queues étaient limitées a un horizon calculé non seulement par rapport a la hauteur, mais h la distance du point de vue. Le monument étantplace Ie long d'une allee commune était voisin de tomheaux divers resserrés les uns con-
tre les autres. Il se distinguait sinon par l 'originalité de sa forme, du moins par la beauté du travail et la couleur de ses matériaux ainsi que par sa dimension inusitée dans des cas semblables. Le déplacement convenu mit le monument a la croisée de trois chemins montant en pan incline. Le sarcophage inchangé et inchangeable, en raison du poli et de la dureté du granit (...) dut, les circonstances l'imposant, se placer sur un stylobate donnant h l'ensemble l'aspect de grandeur que commandait l'emplacement. L'effet cherché fut réussi... mais il s'en produisit un autre, tout a fait inattendu: I'accentuation des courbures. Ces dernieres se détachant sur un fond de verdure plus distant prirent une certaine allure d'exagération que je riavais guère souhaité" (45). Tijdens het interbellum zou de maatschappij Gaudier-Rembaux uit het noord-Franse Aulnoye, sinds 1870 betrokken bij de verwerking en export van graniet, met eigen "carrière de granit bleu exempt de rouille et apoli inalterable''m Lanhelin, en na W O I een verdienstelijk leverancier van doorsneeoorlogsmonumenten, het bedrijft. Beernaert zonAct naamswijziging verderzetten. Uit deze periode dateren ondermeer ontwerpen van de modernistische architecten Charles Van Nueten (1899-?) en Lucien Frantjois (1894-1983) (46), deels terug te vinden in de wedstrijden voor graftekens van de Société Granitiere du Nord die nog tot 1933 hun weerslag vonden in l'Emulation, en ondermeer gepubliceerd werden in L. Lecocq, Sepultures Modernes.
DE MQULAGE-TECHNIEK VAN HET BEDRIJF E. BEERNAERT In het uitgebreide gipsenbestand van dit bedrijf bevinden zich verschillende interessante stukken die niet enkel de getalenteerdheid van de ornamentmakers verraden doch tevens een licht werpen op de door hen benutte reproductietechniek Het gaat om een geheel van tamelijk massieve stukken met veelal ingewikkelde plantenmotieven die verwijzen naar de funeraire symboliek (o.a. papavers, klimop, e.d.). Vormelijk gezien verwijzen de stukken naar een soort late art nouveau-stijl, alhoewel ook een aantal neoklassieke elementen aanwezig zijn. Wellicht dateren deze elementen dus uit het eerste kwart van de 20e eeuw. Met merendeel van de stukken zijn positieven die voorzien zijn van een brede rand waarin zogenaamde 'sleutels' zijn aangebracht. De stukken zijn bo-
vendien alle voorzien van een bruingele vernislaag die ongerwijfeld mag geïdentificeerd worden met schellak, een hars dat bereid wordt uit het pantser van de lakschildluis, uit het Verre Oosten. Alhoewel bekend sinds de late middeleeuwen werd het pas op grotere schaal aangewend vanaf de tweede helft van de 18de eeuw. Het werd meestal opgelost in alcohol en gaf een stevige film (schtiklaag) die verhinderde dat er zaken gingen kleven op de af te gieten oppervlaktes. Bovendien vinden we tussen de gipsen ook een afdekkap waarin in de hoogste zone zowel een giettrechter als ontluchtingsopeningen zijn aangebracht. Al deze technische kenmerken verwijzen ondubbelzinnig naar het gebruik van de zogenaamde 'gelatine'- of 'lijmvorm'techniek, een procédé dat in 1844 in Frankrijk werd ontwikkeld door Hippolyte Vincent (47). Het gaat hier om een techniek die toeliet dat met grote precisie meerdere exemplaren konden worden gemaakt in hetzelfde negatief van een hoogreliëf of van een ronde bosse sculptuur, om de eenvoudige reden dat dit negatief niet moest worden vernield om het erin opgesloten positief vrij te maken. Voordien deed men dit door de harde negatiefschelp op te delen in meerdere stukjes, die zich achtereenvolgens alle van rond het positief lieten verwijderen. Dit vergde meestal een zeer grote opdeling van het negatief, zodat er bij het ingieten van het gips vele naden mee werden gevormd.
Afdekkap (bmnenen buitenzijde waarm in de hoogste zone zowel een giettrechter als ontluchtingsopeningen voorzien zijn (Epitaaf vzw, fonds Beernaert. Foto L Declercq)
M&L
Gipsen positief van
rand met 'sleutels'
een ornament met
(Epitaaf vzw, fonds
klimopmotief, voor-
Beernaert. Foto L.
zien van een brede
Declercq)
De gelatinetechniek bood hiervoor een handig alternatief door het feit dat het flexibele negatief, dat uiteraard in positie werd gehouden in een steunkap, meestal geen of slechts enkele naden noodzaakte. De gelatinemal werd gegoten op het positief dat voordien was omkleed door een steunkap. Door deze steunkap te vormen op een kleihuid die voorafgaandelijk op het positief was aangebracht ontstond er tussen deze kap en het positief, na het verwijderen van de kleimantel, een lege ruimte die met de warme vloeibare gelatine kon worden volgegoten. Na afkoeling hield men een flexibele mal over die enkele keren kon worden gebruikt. Vootdeel was dat de gelatine naderhand kon worden hersmolten, terwijl de positiefvorm en de steunkap later opnieuw de aanmaak van een identieke mal toelieten. O p deze wijze kon men steeds opnieuw een bijkomende kopie aanmaken. Deze techniek werd, omwille van haar betrouwbaarheid, in de 19de eeuw overigens ook massaal aangewend in de gipsotheek van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, in Brussel. Het merendeel der gipsafgietsels worden aldaar nog steeds volgens dit systeem aangemaakt.
Alhoewel in eerste instantie bedoeld voor het seriematig produceren van gipspositieven, bood de techniek voor de zeer geschoolde ornamentmaker toch nog zoveel voordelen en was de mal uiteindelijk zelfs zoveel eenvoudiger te produceren dan een complexe deeltjesvorm, dat zij vermoedelijk toch regelmatig in allerlei ateliers werd aangewend.
NABESCHOUWING Enkel reeds voor de gemeentelijke begraafplaatsen van het huidig Brussels Hoofdstedelijk Gewest moeten einde 19de eeuw een vijftigtal steenkappers-ateliers bedrijvig geweest zijn in de funeraire sector, weliswaar met een sterke concentratie in de onmiddellijke nabijheid van de Begraafplaats van Brussel (Victor Jamaer en Louis Fuchs, 1877) in het aanpalende Evere (48). Vrijwel alle werden na verloop van tijd opgeslorpt door belangrijker concurrenten, die later op hun beurt (Laloux, Evere 1877-1925; Cordemam, Evere 1852 - ca 1940; Bléhen-Detiège, Evere 1879 - ca 1970) de hekken dienden te sluiten. Bedrijfsarchieven, ontwerpen en modellen, en tegelijk het geheugen van deze door de tijd achterhaalde ambachtelijke en artistieke bedrijvigheid, verdwenen hierbij wellicht onherroepelijk, op schaarse uitzonderingen na.
grootse bouwwerken die begin 20ste eeuw op initiatiefvan koning Leopold II ondermeer Brussel en Oostende stoffeerden met grootse openbare gebouwen-ensembles. De technieken, en heden primitief lijkende werkomstandigheden van de vele ambachtslui, kunstenaars en steenkappers die hierbij het beste van hun kunnen dienden ten toon te spreiden, kunnen slechts bewondering opwekken. Foto's, tekeningen, gipsen modellen en gietvormen blijven hiervan de stille, maar sprekende getuigen.
EINDNOTEN (1)
De bijdrage kwam tot stand in hecht samenwerkingsverband, waarbij M.M. Cells zich concentreerde op de historiek, de funeraire aspecten en de coördinatie, ] . Snaer op de openbare werken i.o.v. koning Leopold II, en L De Clercq op de techniek van de gipsen mallen. Met dank ook aan de BBL; Gustaaf Janssens, Archivaris van het Koninklijk Paleis; Hugo Claes, Directeur Dienst Restauratie Regie der Gebouwen; Claudine Houbart, Architect Dienst Restauratie Regie der Gebouwen; Oswald Pauwels, Nadine Tasseel en Kris Vandevorst
fotografen;
Fran^oise Fontaine, Archivaris bij de gemeente Eisene en Bénédicte Verschaeren, kunsthistorica. (2)
WORUM R.N., The Exhibition as a lesson of taste, in The Crystal Palace Exhibitton, illustrated catalogue London 1851, An unabridged republication of The Art-journal, Special Issue, New Yotk
Een twintig na de stopzetting, halverwege de jaren 1960, van bijna een eeuw activiteiten in het grafzerkmaker- en beeldhouw-atelier Ernest Salu, bij het kerkhof van Laken, een bedrijf dat zich onderscheidde door de beelhouwersopleiding van haar drie opeenvolgende zaakvoerders, konden zowel de ateliers als een belangrijk deel van de daarin nog bewaarde inboedel en documenten worden gered op initiatief van Epitaaf vzw, vereniging die hier sindsdien haar maatschappelijke zetel heeft gevestigd en een documentatiecentrum terzake uitbouwt.
1970, p. XIV. Het gaat hier duidelijk om houtsnijwerk, al wordt er ook over steensculptuur gesproken; onder meer"a large marble piece by]. Leclercq of Brussels'. (3)
Stadsarchief Brussel, O W 7207.
(4)
Oudergem, bevolkingsregister
(5)
MAES A., Deux siècles dans la vie de Rouge-Cloitre (1780-1980), in: Le Folklore hrabanfon, 226, juni 1980, pp. 127 - 1 3 1 .
(6)
hebben meegemaakt, van «rue: Rouge cloitre» naar «Rouge-Cloitre 11». (7)
Van het bedrijf dat Antoine Beernaert in de tweede helft van de 19de eeuw in Eisene heeft uitgebouwd, en dat door zoon Emile Beernaert tot grote bloei werd gebracht, konden in extremis, door de Regie der Gebouwen en Epitaaf vzw slechts een omvangrijk aantal roerende stukken en documenten worden gerecupereerd. Hun inventarisatie heeft nog maar net een aanvang genomen, de totstandkoming van een beredeneerde catalogus wordt een werk van lange adem. Het uitzonderlijk historisch en artistiek belang van Emile Beernaert op funerair gebied wordt hierbij, zoveel is duidelijk, nog overstegen door de medewerking van zijn bedrijf aan de
In Oudergem moet het hele gezin intussentijd, blijkens het bevolkingsstegister, al op 1 januari 1867 een lokale verhuizing
(8)
Stadsarchief Brussel, OW 7215. COUVREUR D., Le Caprice des dieux (Vie et Mort des Ateliers dArtistes du Qttartier Leopold), Altera, 1996.
(9)
GOEBEL M., Industries extractives, in: La Belgique it TExposition Universelle de /57SBruxelles, Parijss/ Londen/ Leipzig, 1878, Deel II, pp. 43-44.
(10) Stadsarchief Brussel, O W 7217) (11) Het bevolkingsregister van Eisene geeft als geboortedatum van Emile Joseph Beernaert 14 mei 1859, dit van Oudergem 4 mei 1859. Antoine Beernaert had met zijn echtgenote Marie Charlotte Jeanne Mathilde Watelet (0 Btussel 5 augustus 1826) ten tijde van zijn verblijf in Oudergem alvast 5 kinderen: Emilie Henriette (" Sint-Joost-ten-Noode 22 augustus 1852), Marie Alixe (0 Brussel 14 oktober 1856), Emile Joseph (° Brussel 4 mei 1859), Catherine Jeanne (° Brussel 15 juni 1861) en Ferdinand
Pruisische bezettet in 1870-71. Het werd op 14 juli 1888 opge-
• Geaquarelleerde
richt op de Cour Napoléon, in het Louvre. De bronzen beelden
presentatietekening
werden in 1941 gesmolten tijdens het Duitsgezinde Vichy-
van een zwart granieten grafmonu-
bewind; het monument (een 800 ton steen) wetd ontmanteld in
ment voor de
1954 (www.musee-orsay.fr:8081; www.louvre.fr/archives/tableau).
familie Leonard,
(23) VERBRAEKEN P., Standbeelden in Vlaanderen, in: VAN LEN-
gesitueerd in een oogstrelend land-
NEP J. (coörd.), De 19de-eeuwse Belgische Beeldhouwkunst, deel 1,
schappelijk decor,
p. 177. "Volgens l'Art Moderne (1899, p. 339) verwijderde de
wellicht te situeren
beeldhouwer enkele weken na de inwijding de helm van het perso-
aan de vooravond
nage dat de verpersoonlijking van Vlaanderen ontsluierde, nadat de
van WO II
spotnaam 'witte pompier' ingang gevonden had" (ibidem, deel II,
(Epitaaf vzw, fonds
p. 345).
Beernaert)
(24) RANIERI L , Leopold II, Urbaniste, Brussel, 1973; Hetjuhelpark, zijn gebouwen en musea (Brussel, stad van kunst en geschiedenis), Brussel, 1993; LOMBAERDE P., Leopold II, koning-bouwheer, Gent, 1995; CATHERINE L , Bouwen met zwart geld, De grootheidswaanzin van Leopold II, Antwerpen, Amsterdam, 2002. (25) Wouters-Dustin, die bevriend was met Judith Cladel, bestelde in 1905 een exemplaar van De burgers van Calais van Auguste Rodin (1840-1917). De beeldengroep werd gegeten in Parijs en werd in september 1908 afgeleverd bij "M. Wouters-Dustin, 96 Paul (Oudergem 6 februari-6 december 1868). Samen met hen 0
rue de Louvain". De groep kwam echter vrij snel, ingevolge het
woonde een zekere Gustave Moeris ( Arlon 13 september 1843),
ovetlijden van Henri Wouters-Dustin ca 1908-1909, weer in het
ingeschreven als« Commis aux Ecritum».
bezit van de beeldhouwer. De beelden doken weer op in 1910
(12) Gemeentearchief Eisene, bouwdossiers 88 en 238.
toen ze wetden gepresenteetd aan Raoul Watocqué; deze bezat
(13) Gemeentearchief Eisene, bouwdossier 358.
intussen al een derde versie. In 1915 werd het opzij de Victoria
(14) Ibidem.
Tower te Londen geïnstalleerd. BEATTY S., The Burghers of
(15) Gemeentearchief Eisene, bouwdossier 387.
Calais in London, The histoty of the purchase and siting of
(16) Gemeentearchief Eisene, bouwdossier 358.
Rodin's monument 1911-1956, Londen, 1986. Musée Rodin,
(17) Gemeentearchief Eisene, bouwdossier 165. HOA J.-P. e.a.,
Archives, Dossiet Wouters-Dustin; JOTTRAND
M., Les
Inventaire visuel de ['architecture industrielle a Bruxelles, Ixelles,
Bourgeois de Calais a Mariemont: un épisode des multiples liens
Archives dArchitecture Moderne, Elsene,1980, Fiche 101.
entte Auguste Rodin et la Belgique, in: Cahiers de Mariemont,
(18) DE WILDE E.I., Boerenkrijgmonumenten van 1898, in: M&L, 18/2, maart-april 1999, pp.6-24.
15, 1984, p. 37-57. (26) Tervuren, Museum van Midden-Afrika,
(19) De Carpeaux a Matisse. La sculpturefranfaise de 1850 a 1914 dans
Domaine royal de
Tervueren, Belgique, CH. Girault architecte, I correspondances et
les musées et les collectionspublicjues du Nordde la France, Edition
documents divers, 1901-1907.
de lAssociation des Conservateurs de la Region Nord-Pas-de-
Thitifay, Attaché bij het Koninklijk Paleis van 10 november
Calais, Rijsel, 1982, p. 165.
1905.
(20) Beeldhouwer en medailleur Marcel Rau (1886-1966) kreeg zijn
Brief van Girault aan kapitein
(27) Tervuren, Museum van Midden-Afrika,
Domaine royal de
opleiding aan de Academie voor Schone Kunsten in Brussel en
Tervueren, Belgique, CH. Girault architecte, I correspondances et
won in 1909 de Prijs van Rome. Hij werkte als beeldhouwer
documents divers, 1901-1907. Brief van Girault aan Camaille,
ondermeer aan het stadhuis van Charleroi, de Nationale Bank in Brussel en de gebouwen van de Université Lihre de Bruxelles.
Inspecteur der Werken, 18 december 1905. (28) Tervuren, Museum van Midden-Afrika,
Domaine royal de
Behalve op oorlogsmonumenten in Halle, Ninove, Oostende,
Tervueren, Belgique, CH. Girault architect, I correspondances et
Aalst, Thimister, Belloeil en Eisene, wordt zijn signatuur onder-
documents divers, 1901-1907. Brief van Girault aan L.C. Evrard
meer aangetroffen op de grafmonumenten Sermon-Van Gelder (Ukkel-Dieweg, ism architect Georges Hendrickx), Losange-
{140, Rue du Cornet, Etterbeek), 11 juni 1907. (29) Aldus de informatie voortkomend uit de aanduiding van de ver-
Mingels (Laken 1914), Schmetz (Eisene), Lejeune-Colin (Brusel-
schillende loten
Evere 1910) en Cassar (Brussel-Evere).
Tervuren, Museum van Midden-Afrika,
(21) VAN LENNEP ]., Standbeelden en monumenten van Brussel voor
(het bijhorende
plan
ontbteekt
echter.).
Domaine royal de
Tervueren, Belgique, CH. Girault architect, I correspondances et
1914, in De Beelden van Brussel, Pandora/ Galerij Patrick Derom,
documents divers, 1901-1907.
Antwerpen/ Brussel, 2000, pp. 105-108.
Thirifay, Attaché bij het Koninklijk Paleis van 2 juli 1907.
(22) Het meer dan 20 m hoge monument,"»»
énormepatésculptural,
Brief van Girault aan kapitein
(30) Tervuren, Museum van Midden-Afrika, Palais du Cinquante-
nationalo-répuhlicain , was het resultaat van een nationale in-
naire a Bruxelles, Ch. Girault architecte, 1 correspondances et docu-
schrijving en wedstrijd ter herdenking van de republikeinse poli-
ments divers I, 1903 a 1905. Artikel afkomstig uit Tlllustration
ticus Gambetta (+1882), held van het Franse verzet tegen de
Beige van 28 sept.
1905: "l'lnauguration
de TArcade du
Cinqmntemire": "L'inauguration del'arcade termmée, M; Wouters-
(40) Ook op foto's die dateren van omstreeks 1905 bemerken we dat
Dustin réunissait pour un lunch, dans la salie de la Grande-
de afwerking gebeurde overeenkomstig de maquette. Onder meer
Harmonie, le bataillon compact de ses collaborateurs. A la table
bewaard te Brussel, Archief van het Koninklijk Paleis. Zie LOM-
d'honneur avaient pris place MM. Girault, Vinfotte, Van der Stappen, De Groot, le capitaine Thtrifay, le lieutenant Dujardin,
BAERDE,GOBYN1995. (41) Deze maquette wordt een aantal maal vermeld in de correspon-
Henri Wouters, Marin, directeur des Carrières du Hainaut, Eugene
dentie omstreeks maart 1903. Tervuren, Museum van Midden-
Tardieu, Velge, Beernaert, etc.".
Afrika, Domaine royal de Laeken, Bruxelles, Ch. Girault architecte,
Tervuren, Museum van Midden-Afrika, Palais du Cinquante-
1 correspondances et documents divers 1, 1901 a 1904
naire a Bruxelles, Ch. Girault architecte, 1 correspondances et docu-
(42) De begraafplaats van Ettetbeek werd in 1974 gesloten en vanaf
ments divers I, 1903 a 1905. Artikel afkomstig uit La Chromque
1990, na onttuiming, heraangelegd tot park. De concessie
des TravauxPubliques, Bruxellesvan 1 oktober 1905.
Carlier-Dehenne werd verplaatst naar de nieuwe begraafplaats
"inaugura-
tion de l'Arcade du jubilee': "Ce monument national confu par un
van Etterbeek, op de grens van Wezembeek-Oppem
architect francais M. Girault, uni d des sculpteurs belges Vincotte,
Sterrebeek, doch uitsluitend met het bronzen beeld, zonder bij-
Lagaë, Lambeaux, Desenfans, de Tombay, Rousseau, de Lalaing, Dubois, Herain, Lagasse, de Vreese, De Rudder, Braecke, De Haen,
en
horend grafmonument. (43) WARZEE G. (coörd.), Lepatnmoine moderne et contemporain de
Marin, De Groot. Rombaux, Dillens, Samuel, Boucquet. Beernaert,
Wallonië. De 1792 a 1958, Division du Patrimoine DGATLP,
Goyers, execute par un maitre entrepreneur bruxellois Wouters-
Namur, 1999, pp. 47-49; GILES F., LaPisselote,]odoigne, 1986.
Dustin,...".
(44) Op de begraafplaats van Btussel, in Evere, staar tevens het
(31) Het was de zoon Jean Wouters-Jacob die het bedrijf zou overne-
gtafmonument voor de familie Wouters-Dustin (1904), naat ont-
men na de dood van zijn vader ca 1908-1909. RANIERI 1973,
werp van architect J. Caluwaers met - verdwenen - bronzen meis-
p. 150.
jesbeeld door Jules Lagae. L'Emulation, 31ste jtg., 1906, pi. 13.
(32) Tervuren, Museum van Midden-Afrika,
Domaine royal de
(45) DIERCKENS-AUBRY F., Victor Hom Architecte de Monuments
Tervueren, Belgique, CH. Girault architecte, I correspondances et
civils et funéraires, in: Bulletin de la Commission royale des
documents divers, 1901-1907.
Monuments et des Sites, deel 13, 1986, pp. 39-101.
Aldus vermeld in het artikel
"Encore unpalais" uit Le Matin de Bruxelles van 3 augustus 1907. (33) Tervuren, Museum van Midden-Afrika, Pare du
Cinqmntemire
a Bruxelles - Ch. Girault.
(46) Naar aanleiding van een architectuurwedstrijd zou Lucien Francois in 1922-1924 voor de Société Gramtiere du Nord een arbeiderswijk bouwen in Saint-Pierre de Plesguen, Bretagne. In
(34) Tervuren, Museum van Midden-Afrika, Palais du Cinquante-
1924 ontwierp hij aldaar i.s.m. Charles Van Nueten een grafmo-
naire a Bruxelles, Ch. Girault architecte, I correspondances et docu-
nument voor de Société Gramtiere du Nord Gaudier-Rembaux,
ments divers 1, 1903 a 1905. Brief van Girault aan Francotte,
hetzelfde jaar een grafsteen voor de zoon van architect Van
Inspecteur der werken, lOavril 1905: "Vous avez vu, qu'a ma der-
Hoecke-Dessel, in 1929 een grafmonument, in roze graniet, voor
ni'ere visite, j 'ai constaté tant sur les chapiteaux que sur les dés, que
de pianobouwer Georges Oor op de begraafplaats van Brussel.
les profits n 'étaient nullement respectés, que les formes étaient
Musée des Archives d'Architecture Moderne. Collections, AAM,
empatées et enfin que le mod'ele,'amoitiéd'exécutwn, était interprété d'unefafon regrettable. Vous devez tresparttculièrement vous appliquer a ee que le caractere des modeles soit traduit en grandeur d'exécution, ce qui ne sera pas fait en bas sera fait sur les pierres en place:
1986, pp. 207-219. (47) BAUDRY M.-Th., Sculpture, methode et vocabulaire, 4e edition, Parijs, 2000, p. 123. (48) VANDERVELDE C , La Nécropole de Bruxelles. Etude de l'archi-
j'estme done que les entrepreneurs ont tout intérêt a faire conscien-
tecture et de la sculpture funéraires, des symboles et des épitaphes.
cieusement leur travail."
Inventaires, Commission d'Hisroire de l'Europe, Brussel, 1991,
(35) Brussel, Archieven van het Koninklijk Paleis, Kaarten, Platte-
pp. 607-617; VANDERVELDE C , Les Champs de Repos de la
gronden en Tekeningen, 1941-2011, Galerte-promenoir, Maquet.
Region Bruxelloise. Etude de l'architecture et de la sculpture fune-
Op de gevelopstanden en de plattegrond, nr. 1941, 1942, 1944,
raire, des symboles et des épitaphes. Inventaires, In eigen beheer,
1945 en 1948 staat vermeld dat ze op 19 april 1900 werden goed
Brussel, 1997, pp. 820-821.
bevonden voor opname in het bestek door J. Fichefet en broers. Op 30 april 1900 werden ze goedgekeurd door Baron Constant Gofifinet, intendant van de Civiele Lijst. (36) RANIERI 1973, pp. 101 en 268. (37) RANIERI 1973, p. 130. (38) Brussel, Algemeen Rijksarchief, Best. Bruggen en Wegen, Burgerlijke gebouwen, nr. 363, Portique-promenoir, Ostende, Cahier de
Marcel
charges spécial (Intendance de la Liste Civile et du Domaine privé
lijke voor de vakafdeling
funerair
du Roi), p. 9-10.
ook voorzitter
Epitaaf.
(39) Tervuren, Museum van Midden-Afrika,
Ostende, Portique,
Celts is kunsthistoricus van vzw
Joris Snaet, kunsthistoricus.
en
Lode De Clercq is bouwhistoricus
divers, 1901 a 1906. Brief van Girault aan Goffinet, Intendant
van steenachtige
materialen.
erfgoed. Hij is
Regie der
promenoir, Belgique - Ch. Girault, Correspondance et documents
van het Koninklijk Paleis, 6 februari 1905.
verantwoorde-
en
Gebouwen. restaurateur
Lode De Clercq
DE ASSIMILATIE VAN EMKELE ZACHTE FRANSE KALKSTEENSOORTEN IN HET MIDDEN VAN DE 19DE EEUW IN BELGIË EN HUN CONSERVERING • Het Ghémar monument op het kerkhof van Laken, tijdens de restauratie in 1990
\n 1986 werd in België een eerste congres aan het belang van de 19deeeuwse plaatsen complexe
(1). Hun restauratie technische
weinig inzicht hiervoor
thematiek.
begraaf-
vormt een
aangewend
bouw, bovendien
kunnen worden.
Niet
die alleen
soms erg broos van op-
kon hun drastisch
worden tegengehouden
bijzonder
Er was toen nog
in de restauratietechnieken
waren grafmonumenten
gewijd
door een
verval
enkel
volgehouden
onderhoud
- soms in combinatie
beschermingstechnieken. menten in de openlucht
- zoals de
het meest bekende voorbeeld
houwer Ernest Salu.
monu-
Neptunusfon-
(2), misschien
wel
- kregen zij wel eens
winterbescherming.
voor het Chémar-monument, 1980 in stand gehouden
bijzondere
Net zoals andere
tein te Laken (naar C. Bologna)
een uitgebreide
met
dat tot
werd door
Dit gold
ook
omstreeks grafbeeld-
ü^
Aanbrengen winter-
1990: metalen
Aanbrengen winter-
1990: aanbrengen
bescherming rond
frame bewaard
bescherming rond
dekzeil (foto Lode De Clercq)
het Ghémar monu-
In Atelier Salu
het Ghémar monu-
ment (Laken) in
(foto Lode Oe Clercq)
ment (Laken) In
Toen in 1990 de restauratie van het Ghemarmonument aangevat werd, werd als uitgangspunt genomen dat dergelijke pilootrestauraties, die onder meer op het kerkhof van Laken zouden worden uitgevoerd, cruciale informatie zouden opleveren voor de behandeling (3). Hierbij werd het credo van de eminente stenendeskundige Carl Camerman (1885-1958) gevolgd. Na te hebben vastgesteld dat het laboratorium der natuur niet zo maar kon worden nagebootst — zeker niet wanneer het ging om zachte kalksteen die om zijn architecturale en beeldhouwkundige faciliteiten werd gekozen — beschouwde Camerman immers de studie van deze materialen in situ als het beste uitgangspunt. Hij sloot daarmee aan bij een lange traditie, met als eerste hoogtepunt de oprichting na 1835 van een commissie in Londen, die een studie maakte van de meest aangewezen Engelse bouwmaterialen voor de reconstructie van het afgebrande Parlementsgebouw (4). Het uitgangspunt van de commissie was de studie van kerken en kastelen van minstens 500 jaar oud. Zij won informatie in over de groeven en verzamelde 150 steenstalen die ook chemisch werden geanalyseerd. O p basis van dit onderzoek kwamen uiteindelijk 36 steensoorten in aanmerking. De belangrijkste steen werd gekozen op basis van de magnifieke bewaringstoestand van een deel van het Romaanse kerkje van Southwell (kalksteen van Bolsover Moor en bij uitbreiding Anston). Camerman hield er een soortgelijk standpunt op na. Hiervan vormt zijn zijn laatste, postuum verschenen bijdrage een sprekend bewijs: "lei, comme dans Ie cas du comportement des peintures, l'examen empirique du comportement aux agents atmosphériques doitpredommer sur les essais de laboratoire. " (5) Vooral om de vorstbestendigheid te
Het Ghémar monument na de restauratie
evalueren stelde hij: "Pour despierres utilisées depuis (fot0 p0| pe prjnsj plus de 20 ans dans notre climat, Ie mieux est de s'en référer a une série d'observations en inspectant particulierement les pierres qui par leur position sont Ie plus exposées a la saturation d'eau et au gel. Les monuments funéraires sont tres démonstratifs h eet égard. "
AVFSNFS FN HniIRDAIN Alle monumenten die hier ter sprake komen, zijn monumentale sculpturale ensembles. Ze werden opgetrokken uit geïmporteerde zachte Franse kalksteensoorten en beschilderd, precies omdat toen al gevreesd werd voor de gevolgen van een zware blootstelling van dit materiaal. Deze praktijk kende in onze contreien al een zeer lange voorgeschiedenis. Zo kregen beelden van zacht Avesneskrijt een geschilderde afwerking. Grootschalige toepassingen uit de late Middeleeuwen zijn de portaalsculptuur van de Sint-Niklaaskerk in Gent (13de eeuw)
M&L
• Deksel boven schacht van ondergrondse groeve in Avesnes-le-Sec (foto Lode De Clercq)
(6) en van de Zavelkerk in Brussel (15de eeuw) (7) en de gevelsculptuur van het stadhuis van Leuven (15de eeuw) (8). Avesneskrijt werd voornamelijk gebruikt voor grote beelden, bijvoorbeeld voor vrijwel alle apostelreeksen uit de barokperiode in de grote kerken. Voor grootschalige creaties in de openlucht werd in de barokperiode een resistenter materiaal verkozen. Een van de belangrijkste was de bentheimerzandsteen, die wellicht geen geschilderde afwerking kreeg. Deze steensoort kon bovendien in grote
• De pas gerestaureerde en van standbeelden voorziene gevels van het Leuvense stadhuis (Louvam, hotel de villc. D.L 1857, Bibhothèque Nationale de France)
ü iü iufty
Jiii
Beeldhouwwerk van
De sculpturen
Ph. Parmentier in
werden vrij uitvoe-
Avesnesknjt in Gevel
rig geretoucheerd
Opera Gent na de
(foto Lode De Clercq)
restauratie in 2001.
blokken worden verkregen. Zo werd assemblage tot een minimum beperkt (9). Eén van de meest in het oog springende realisaties vormt de calvarieberg van de Sint-Pauluskerk te Antwerpen, met 63 levensgrote beelden (1700-1740) (10). In navolging van de apostelreeksen ontstonden aan het einde van de 18de eeuw, in volle neoklassieke periode, de meer dan levensgrote standbeelden van David (E-J. Janssens, 1744-1816) en Mozes (Ollivier de Marseille, 1739-1788). Deze beelden in Avesnessteen werden in 1779-1780 opgesteld in het peristilium van de Brusselse Sint-Jacob-op-deCoudenbergkerk. Onderzoek toonde aan dat ze van meet af aan met olieverf waren beschilderd (11). Deze traditie, waarbij Avesneskrijt geschilderd werd om het te beschermen tegen de weersomstandigheden, om de samengestelde structuur aan het oog te onttrekken en om het materiaal het uitzicht te geven van marmer, bleef ongetwijfeld nazinderen in de 19de eeuw. Ze kende een nieuwe vlucht door de problemen die rezen toen heel wat grote stenen beeldhouwwerken in de openlucht werden opgesteld. Hoewel Demanet in zijn toonaangevende cursus (1843-1847) al een zeer kort overzicht opnam van de stenen uit het bekken van Parijs, stelde hij toch nog dat de stenen van groot formaat, die in België gebruikt werden, uit de omgeving van Rijsel
• iÉA11
: i ^ m: m
P
1— B r ,4
>O6(H
t ^vi-
1 Het hoofdportaal
I
van het Brusselse stadhuis met de
f'' -j
1
nieuwe beelden in
|
Caen-steen door
i
Charles-Auguste
E
Fraikin (1817-1893)
• fc.
die geplaatst werden in 1846 (E. Fierlants, 805 Bruxelles Grand'Place, Portail de l'Hötel de Ville. Opname 1862-
<
1864)
Consoles van de gevel van het Leuvense stadhuis, verwijderd bij de restauratie in 1857 (foto Marjan Buyle)
afkomstig waren (12). Hiermee bedoelde hij het Turoonkrijt dat onder meer te Avesnes en later vooral te Hourdain werd gewonnen. In de vroege 19de eeuw werd blijkbaar nog een onderscheid gemaakt tussen de Avesnessteen, die voornamelijk voor beeldhouwwerk werd voorbehouden, en het Hourdainmateriaal, dat meer als parementsteen werd aangewend. Typische voorbeelden zijn de toepassingen ervan bij de Muntschouwburg in Brussel (1816-1821), de Bourlaschouwburg in Antwerpen (1829-1834) en de Opera in Gent (1837-1840). Bij de twee laatsten werd voor de parementen onder meer gebruikgemaakt van Hourdain, terwijl in het gevelbeeldhouwwerk uitsluitend Avesnessteen voorkwam (13). Het Hourdain-materiaal, dat zich petrografisch niet laat onderscheiden van het Avesneskrijt van enkele kilometers verderop, werd ook gebruikt voor de eerste grote restauratiecampagne van het Leuvense stadhuis (1828-1841). Hier werden onder meer 196 kraagstenen uit de gevels gezaagd en herkapt door de beeldhouwer E. Goyers (14). Reeds in 1873 werd vastgesteld dat de nieuwe stukken van Hourdainkrijt zeer sterk waren aangetast. Soortgelijke problemen deden zich voor bij het Brugse stadhuis. Bij de aanvang van de restauratiewerken in 1852 werd besloten de 48 nieuwe beelden en consoles te laten vervaardigen in steen van Hourdain (Bouchain genoemd (15)), door de beeldhouwers Ch. Geerts (1807-1855) uit Leuven (een bekende restauratiespecialist) en J. Geefs uit Antwerpen (16). In november 1862 was het geheel afgewerkt. Die beelden waren in 1875 echter al sterk aangetast en werden vervangen door realisaties
in Rochefortsteen (cf. infra). Bij deze toepassingen in gotische stijlcontext kon er voor de exterieurs géén sprake zijn van een beschermende steenimiterende beschildering. Het kan dan ook nauwelijks verwonderen dat L. Malécot in zijn kritische studie van in België gebruikte steensoorten (cf. infra), het Hourdainmateriaal met veel verve de grond inboort. Hij meende dat het uitermate poreuze karakter in combinatie met de grote zachtheid er de oorzaak van waren dat deze steen nog veel vorstgevoeliger was dan de Vergelé. Als voorbeeld van de ongeschiktheid voor architecturale toepassingen wees hij het stadhuis van Valenciennes aan: het belfort was in 1843 ingestort en de erbarmelijke toestand van de kolommen verergerde steeds zonder dat 'couches de badigeon'dit proces konden afremmen (17).
EEN ALTERNATIFF: STEEN VAN CAEN In de periode dat Hourdainsteen werd toegepast in Brugge en Leuven, werd voor het Brusselse stadhuis gebruikgemaakt van een andere fijne Franse krijtsteensoort: de steen van Caen (Calvados), die in Frankrijk en ook in Engeland sinds de Middeleeuwen werd aangewend voor fijne sculpturen. Ook hier gaat het om een verzamelnaam van groe-
ven uit eenzelfde gebied, die een vrijwel identieke steen opleverden. De haven van Caen aan de Orne was het centrale verschepingspunt (zie ook steen van Rochefort infra). Deze fijne oölitische kalksteen (Bathoniaan) (18), die hoofdzakelijk in ondergrondse groeven werd gewonnen, kende sinds de late Middeleeuwen een erg grote verspreiding. Hij werd onder meer gebruikt in de oude Westminster Abbey te Londen en in de kathedraal van Canterbury (19). Een onderzoek uit 1993 bracht al een 40-tal toepassingen in Engeland aan het licht tussen de 11 de en de 14de eeuw. Brussel was één van de eerste exportpunten van de steen bij de heropleving van de groeven in de eerste helft van de 19de eeuw (20). De steen zou er in 1819 onder Willem I zijn gebruikt voor het Koninklijk Paleis (21). De export van de Caensteen kende in de periode van Louis-Philippe (1830-1848)een groei tot 25 000 ton per jaar (22). Toen in 1838 bekend raakte dat de Crazannessteen zou worden gekozen voor twee grote opdrachten in Gent, de Opera en het Justitiepaleis, schreef de groeve-exploitant Jobert Frères onmiddellijk een brief aan het stadsbestuur waarin hij drie varianten van de Caensteen beschreef die hij beter vond dan de 'tuffeau de Charente' {25). Opvallend in zijn beschrijving is dat hij elke variant aanduidt met de beter bekende soorten van de Lutetiaankalksteen. Zo vergeleek hij de variant "La Maladerie met Saint Leu, de 'L'Allemagné met de Conflans en de 'L'Ambigny met de Liais, die hij zelfs superieur vond. Caensteen zou in het midden van de 19de eeuw ook gebruikt zijn bij de voltooiing van de Keulse Dom. De Dom verkeerde in het begin van de 20ste echter in een zeer problematische toe-
stand. Van der Kloes schreef hierover in 1911 een verslag en hernam de gegevens ervan in 1923: "Op den kalksteen (of kalkzandsteen) van Ca'én vertoont zich eerst een pokkige uitslag, die het geheele oppervlak van den steen overdekt. Deze uitslag zwelt mettertijd meer en meer op, tot uiteindelijk de huid van den steen springt. Het inwendige reeds geheel en al murwe gesteente vervalt tot stof. T24) In het Brusselse stadhuis verkeerden de eerste beelden, gerealiseerd in 1845, al vrij snel in een zorgwekkende toestand, zodat omstreeks 1870 werd afgestapt van het verdere gebruik van dit materiaal (25). Paul Combaz meldt in 1895 dat de beelden van het stadhuis ook onderworpen werden aan een behandeling met kaliumsilicaat conform het procédé van E Kühlman, maar dat hiervan weinig kon worden verwacht, gezien een aantal vroegere waarnemingen (26). In het stenenoverzicht uit 1874 van de Brusselaar Charles Moerman blijkt dit materiaal toch nog goed te scoren: "Pierre de Caen. Pierre calcaire coquilleuse, tres-belle et tres-blanche, a grain fin et inalterable h l'air, tres-propre a la sculpture " (27). Desondanks bleek dit materiaal bij ons toch ook niet echt geschikt voor langdurige buitenopstelling. Nochtans tonen de nog resterende beelden aan dat de steen zeker niet helemaal wegteerde en dat er soms nog zeer gave oppervlakken bewaard zijn gebleven. De bekende groeve 'La Maladerie' werd in de jaren 70 opnieuw geopend om er het herdenkingsgebouw 'Le Memorial' mee op te richten nadat was gebleken dat veel van de steen die na W O II was gebruikt voor de reconstructie van de monumenten in de stad Caen, en waarbij ook de locale kalksteen van Creully werd toegepast, toch minder resistent bleek te zijn dan de 'echte' steen van Caen.
ONDERZOEK DOOR L MALECOT Een van de eerste Belgische werken waarin de weerstand van steen, en ook die van de Franse importmaterialen, kritisch onder de loep werden genomen, is dat van Léon Malécot uit 1866. In zijn Notice sur les matériaux de construction employés en Belgique, baseerde hij zich voor de Franse materialen, in het bijzonder voor de stenen uit het bekken van Parijs, in eerste instantie op het klassieke Franse werk van Michelot (28). Erg belangrijk is het derde hoofdstuk waarin hij de "action du climat sur les pierres de tóï7/f"bespreekt. Hierin wees hij uiteraard op het veel nattere en agressievere Belgische klimaat: " C'est ainsi encore que la Belgique, avec son sol humide, son ciel brumeux, ses pluies fréquentes aux-
queues des gelees intenses succedent souvent sans la moindre transition, se rapproche plus des conditions climatologiques de la Hollande, située comme elle dans la grandeplaine germanique, que du climat déja plus doux de Paris et du bassin francais de la Manche". Na een algemene benadering van de porositeit en de vriesbarstigheid van de steensoorten, die hij probeert te koppelen aan de structuur van de steen, komt Malécot vrij snel bij de steenselectieprocedure die gevolgd werd voor het Londense Parlement. Hij stelt dat deze constructie, die slechts enkele jaren voordien was beëindigd, al tekenen van verval begon te vertonen ondanks de onderzoeken. Dit wordt overigens nog tijdens de constructie, vanaf 1849, bevestigd door vaststellingen van het begeleidingscomité (29). De dolomietkalksteen van Bolosover en Anston bleek van een zeer ongelijke kwaliteit te zijn. Het materiaal was bovendien zeer gevoelig voor de Londense atmosfeer vol sulfaten, afkomstig van de steenkoolverbranding (30). Hieraan zou onder meer een versnelde vergipsing van de steen te wijten zijn. De ravages die dat teweegbracht, konden niet worden stopgezet door allerlei conserveringsbehandelingen (31). Later zou de kwaliteitsbeoordeling van natuursteen eerder gebaseerd worden op de hygroscopiciteit en de vriesbarstigheid. De relatie hiertussen kon, ondanks de grote inspanningen, niet gevat worden in een betrouwbaar model (32).
In België werd voor grote beelden die erg aan de natuurelementen blootgesteld werden, soms toch nog teruggegrepen naar de bentheimersteen die een zeer goede reputatie behield, vooral in Antwerpen (33). Bovendien waren de exploitatie en de export van dit materiaal in het midden van de 19de eeuw andermaal aan een belangrijke heropleving toe (34). Dat was ongetwijfeld de reden waarom in 1850 na lange discussie beslist werd om de levensgrote beelden van Apollo en de negen Muzen, boven op de dakrand van de Bourlaschouwburg, in deze stevige zandsteen uit te voeren (35). Ze kwamen in 1853 op hun plaats te staan.
STEEN VAN RDCHEFORT Een van de eerste steensoorten die in België voor vrijstaande sculptuur werd gekozen, was de steen van Rochefort. Door onderzoek dat in 1991-1995 werd uitgevoerd bij de restauratie van de Gentse Opera (L. De Clercq in samenwerking met R.
Nijs), kon dit materiaal ondubbelzinnig geïdentificeerd worden met Crazannessteen, de naam waaronder dit materiaal sinds het midden van de 19de eeuw in Frankrijk bekend is (36). De steen van Rochefort, zoals dit materiaal in België en in Duitsland genoemd wordt (37), werd al door Rondelet aangehaald in zijn overzicht van steenmaterialen in het departement van de BenedenCharente (38). Ook hier gaat het om een verzamelnaam voor een aantal steenvarianten, behorend tot dezelfde Turoonformatie, die op de rechteroever van de Charente werd gewonnen tussen Rochefort en Saintes, meer bepaald in de dorpen Crazannes, Saint-Vaize, Saint-Savinien en Taillebourg. Volgens Rondelet was de steen van Saint-Vaize de mooiste van het departement en had hij ook de grootste vorstbestendigheid. Hoewel het materiaal in de meeste Franse 19deeeuwse handboeken niet ter sprake komt, is het toch duidelijk dat het wegens zijn duurzaamheid hoog aangeschreven stond als restauratiemateriaal. Veelzeggend is dat de leidende restauratiearchitect J.B. Lassus (1807-1857) het in 1848 voorstelde voor de kathedraal van Nantes, ter vervanging van het plaatselijk tufkrijt en dit "sous peine de recommencer les mèmes travaux quelques années après" (39). Ook Emile Boeswillwald (1815-1896), die Lassus opvolgde bij de restauratie van de SainteChapelle en de kathedralen van Chartres en Mans, gebruikte het materiaal vanaf 1855 onder andere voor de restauratie van de kathedraal van Bayonne. Boeswillwald schreef aan het eind van zijn leven een brief aan Louis Roy de Loulay, de toenmalige afgevaardigde van het departement van de Charente-Inférieure: "En résumé, je n'ai eu depuis que j'emploie la pierre de Crazannes qua me louer des résultats que j'en ai obtenus et je reste convaincu qu'employée dans n'importe quelle exposition, elle ne laisse rien a désirer"{40). Deze appreciatie vond ook weerklank in het buitenland en is wellicht de verklaring waarom het materiaal werd aangewend voor het beeldhouwwerk van de Keulse dom. Volgens Van der Kloes was de Rochefortsteen die in Keulen in 1843-1845 werd toegepast, afkomstig van de groeve van Saint-Même (41). Dat Louis Roelandt dit materiaal op grote schaal gebruikt heeft voor de prestigieuze gevels van de Gentse opera in 18371840, getuigt van een groot vertrouwen in dit mooi ogende, licht gelige krijtgesteente (42). De steen komt in de Franse bossage van de benedenverdieping, de pilasters, de kroonlijst en de attiekverdieping(43). In dezelfde periode werd Rochefort toegepast voor de gevels van het Justitiepaleis (18361844).
beeld snel bedekte, werd het intussen al eenmaal herschilderd. De conserveringstoestand is zeer bevredigend.
A Boduognat. Winter-
Boduognat door
bescherming
]. Ducaju i l 8 6 l i
ontworpen door de
(Tekening door
beeldhouwer,
L. Tietz naar foto,
oktober 1871
gepubliceerd door
(Antwerpen stads-
P. Génard in Anvers
archief)
a travers les ages, Brussel 1888)
ANTWERPSE BEELDEN
Monument burgemeester Loos in 1873 vervaardigd door J. Pecher met medewerking van
De steen van Rochefort, die zich uitstekende leende voor verfijnd beeldhouwwerk, werd te Antwerpen achtereenvolgens gekozen voor beelden van Amerika (1856), Afrika (1856), Boduognat (1861), Peeter Van Coudenberghe (1861), De Jacht (1863) en Europa (1863) (44), die er op verschillende plaatsen werden opgesteld.
A. Roilin (Postkaart van eind van de 19de eeuw)
M&L
Het beeld van Van Coudenberghe bleek, bij het onderzoek voor zijn restauratie in 1996, van Rochefortkrijt te zijn (45). Toen het tijdens een artilleriebeschieting in oktober 1914 omvergeworpen werd, telde het minstens vier geschilderde afwerkingen. Het is aannemelijk dat het van meet af aan geschilderd was. Bij de restauratie door A.R.A.B (Sander Peeters) werd gekozen voor het maximaal behoud van de hevig geschonden brokstukken. De niet mechanisch beschadigde zones waren nog zeer goed bewaard en vooral door de schildering kon er geen gipsvorming worden waargenomen. De lacunes werden aangevuld met een kalkchamotte-mortel. De ontbrekende arm werd herkapt in een verwante kalksteen uit de Charentestreek: de Richemont, gewonnen in Avy. Voor de herschildering werd gebruikgemaakt van een organominerale siloxaanverf. Wegens de groene vegetatie, die het
Voor het beeld van Boduognat (hoogte 4,5 m) werd aanvankelijk getwijfeld tussen de traditionele bentheimerzandsteen of de kalksteen van Rochefort (46). De gemakkelijker te bewerken kalksteen bleek financieel voordeliger en dat gaf de doorslag. Het zachtere materiaal maakte dat het beeld in situ gekapt kon worden. Hoewel de Rochefort zich goed leende voor architecturale toepassingen, rezen er vanaf 1869 problemen bij dit sterk uitgesneden beeld. Het werd mogelijk van bij de aanvang geschilderd maar dat was blijkbaar niet afdoende. Zo stelde beeldhouwer Ducaju in 1870 op veel plaatsen afkalvingen vast en merkte hij op dat er zelfs een stuk van een been was afgevroren. O p verzoek van de stadsarchitect maakte hij een voorstel op voor het herstel: "Ik heb de statue van Bodognat van nabij bezigtigt; na mijn dunken zoude het beste zijn van het afgevroren stuk van het been gansch opnieuw te maken, en de stukken dier nog noodig zijn in te zetten zijn, en andere die wij nog niet kunnen zien er bij maken. Alsook opstoppen alle de voegen die er noodig zijn opgestopt te worden met stopverve van witsel en serruys en de voegen eerst goed te olieën." Stadsarchitect Dens had overigens al geopperd om
een 'steenschildering' {peinture pierreuse) op het beeld aan te brengen (het ging wellicht om een silicaattechniek). Dit bleek echter onmogelijk, gezien de vroegere behandeling met olieverf. Aangezien de herstelling door Ducaju een aanzienlijke geldsom vergde, vroeg de stad een garantie. Ducaju stelde echter: "Ue zal verstaen, Mijnheeren, als dat het mij onmogelijk is om waerhorg te blijven voor de som van 450frs., voor eene restauratie aen het statue, vermits dat alle jaren, in het geval het met den winter niet bevrijdt van de vorst, er schade kan aenkomen". Als oplossing stelde hij in oktober 1871, in samenspraak met Dens, voor om een houten constructie te maken, aan de binnenkant dichtgemaakt met zeildoek, die elke winter voor zes maanden over het beeld zou worden geplaatst (zie ontwerptekening (47)). Dat voorstel werd aanvaard. Aan het einde van de eeuw werd de discussie weer actueel, na analoge schade aan het monument van burgemeester Loos. O p dat moment, na bijna dertig jaar, was de winterbescherming van Boduognat zelfs grotendeels weggerot. Jules Pecher, die als auteur van het Loos-monument voor dezelfde problemen werd gesteld, schreef over het beeld van zijn voorganger: "L'oeuvre du sculpteur Ducaju a été établie par différents bloes de pierre, et joints aussi parfaitement que possible, néanmoins il sujfirait de la neige tombant dans les receptacles et profondeur du groupe pour former glacé, et détruire Ie monument en deux saisons d'hiver. Le monument Loos est construit dans les mêmes conditions".
< Beurs te Brussel. Fries met allegorie van de kunsten, Albert Ernest Carrler-Belleuse, 1870-1872, uitgevoerd door J. Dlllens In de Banc Royal van het bekken van Parijs. Bemerk de goede bewaringstoestand (foto Lode De Clercq)
den gebruikt "voor alle uitstekende stenen die dienden te worden gesculpteerd". Blijkbaar was er al in 1866 zoveel schade, dat de experts Andries, Boudin en Dedier adviseerden om alle onderdelen in Vergelé en Banc Royal, die al waren geplaatst maar nog niet gebeeldhouwd, te vervangen door hardere steensoorten (50).
EEN COMBINATIE VAN FRANSE LUTETIAAN-KALKSTENEN IN BRUSSELSE REALISATIES
Bij de realisatie van het Brusselse Beursgebouw (1868-1874) werd opnieuw op grote schaal gebruikgemaakt van Franse importstenen. Dit werd in grote mate bepaald door de techniek waarmee men de meeste stukken in situ vorm gaf (51). Toch was men blijkbaar voorzichtiger geworden, want de meest geëxposeerde sculptuur en ronde bosse die boven op de attiek werd opgesteld, is van Savonnièreskalksteen (52).
Intussen was de Lutetiaan-kalksteen van het bekken van Parijs algemeen doorgebroken (48). Toch waren de eerste toepassingen tamelijk onheilspellend verlopend. Een van de meest uitdagende werven waar de steen werd toegepast was de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Laken naar ontwerp van J. Poelaert. Zijn project werd in 1853 in een heel gamma van Franse importmaterialen uitgevoerd. A. Demanet, die zelf in de bouwcommissie van dit ultieme nationale monument zetelde, gaf hiervan een uitgebreid overzicht (49). Naast de stenen van Tonnerre en Villers-Cotterets, en de later meer in gebruik gekomen steen van Euville (Meuse) en Anstrude (Yonne), zijn hier de Banc Royal van Méry-sur-Oise en de Vergelé van SaintWaast (Creil) te vinden. Deze laatste twee, die onder de ' Pierres tendres'werden gerangschikt, wer-
Voor andere, nog meer geëxposeerde beeldhouwwerken op de frontonbekroningen, werd zelfs in grote mate gebruikgemaakt van de zeer compacte Ravières-Larrys kalksteen uit het Portlandiaan. Dit iets hardere materiaal, dat echter goed kon worden bekapt, had kort voordien een zeer goede reputatie verworven in Parijs. Het werd er 1860 toegepast voor de grote monolietkolommen van de Opera. Het grootste gedeelte van het meer beschermde beeldhouwwerk in de timpanen van de Beurs werd gerealiseerd in de zeer zachte 'pierre grasse', die ook wel 'Vergelé Saint-Leu'werd genoemd (53). De indrukwekkende fries in bas-reliëf (22 scènes), die tussen de twee verdiepingen rond het gebouw liep, werd uitgevoerd in de iets hardere Banc Royal {calcaire grossier) uit het Oisebekken (54). Ze werd door Julien Dillens gekapt, naar het ontwerp van de Franse beeldhouwer Carrier-Belleuse.
Deze zachte steensoorten, die vrij uitvoerig werden besproken door de Buffon in zijn Histoire Naturelle (55), kenden in Frankrijk reeds een eeuwenlange toepassing. Ze komen ook aan bod in de Architecture Pratique van P. Bullet (56). Bullet en zijn bewerkers wezen op het kwetsbare karakter van de zachtste steenvarianten: "La pierre de Vergelet est de deux sortes, l'une a Ie grain tres-fin & est propre a faire des colonnes, chapiteaux, corniches, &ronyfait de la sculpture fort belle; l'autre est d'un très-gros grain, propre aux ouvrages dont parle M. Bullet. Quand on ne peut pas avoir aisément de la pierre de S. Leu, on emploie une espece de pierre tendre, que
l'on appelle de la lambourde. ... La pierre de lambourde a Ie grain un peu plus gros, & est de couleur jaune; ilfaut la laisser sécher sur la carrière avant que de l'employer; car elle est sujette a la gélée, & nest pas d'une consistance bien ferme pour résister au fardeau. " (57). Afgaand op het schadebeeld dat in de Beurs onderzocht kon worden, hebben beide stenen redelijk stand gehouden, vooral ook door hun architecturale inkapseling. Al in 1872 echter werden testen met verschillende beschermingssystemen uitgevoerd, wegens verkleuring van een aantal materialen (58). Uiteindelijk werd in 1873 gekozen voor "peinture silicatée" met zinkoxide, dat toen op de markt werd gebracht door de Belgische zinkspecialist " VieilleMontagne". Door hun gemakkelijke bewerkbaarheid, hun groot formaat en hun relatief goedkope prijs werden Vergelé en Banc Royal nog gebruikt bij vergelijkbare Brusselse realisaties uit diezelfde periode. Bij de recente studie van het hoekgebouw aan de Anspachlaan en de Kiekenmarkt, in 1872-1874 gerealiseerd naar ontwerp van G. Bordiau, bleek dat beeldhouwer J. Dillens opnieuw gebruik gemaakt had van de Banc Royal, gewonnen te Conflans. Hier speelde bovendien de toepassing op grote hoogte mee. Immers, Banc Royal had naast een homogene fijnkorreligheid ook als voordeel dat het voor smalle hoge toepassingen tegen groefleger kon worden gebruikt: "C'est un calcaire blanc faiblement jaundtre, fin, homogene, sans coquilles, plein et ferme, sans ètre dur, par conséquent se taillant bien et éminemmentpropre aux travaux de sculpture et de decoration, il ne gele pas et ne saltere pas h Vair. Lls'extrait en bloes de grandes dimensions et peut se poser en délit, ce qui a permis d'en faire des colonnes et des statues monolithes; il suffira de citer comme exemple de son emploi a Paris, les statues des grands hommes, chacune d'un seul bloc, qui ornent les constructions de la place du Carrousel, et les quatre statues placées des deux cotés de l'horloge du Luxembourg, du cóté du jardin."Yie. monumentale kariatiden van Dillens werden bijna volledig uit één steenblok gekapt en sluiten dus perfect aan bij dit type materiaal. Aangezien de gevel grotendeels met pleister was afgewerkt werd de steensculptuur van meet af aan mee geschilderd in olieverf.
Hoekgebouw aan de de Banc Royal Anspachlaan 61 met van het bekken kanatide door
van Parijs
Julien Dillens, uitge-
(foto Lode De Clercq)
voerd In 1873 In
1VI&L
DE GRQQTSCHALIfiF VRIJSTAANDF BEELDEN OP HET KFRKHOF VAN LAKEN Bij de realisatie van grafmonumenten speelde het economische draagvlak van de initiatiefnemer meestal een doorslaggevende rol. In een handboek voor de marmerbewerker uit 1855 wordt het als volgt geformuleerd: "La defense est souvent un obstacle pour Ie marbrier. Quoiquen general on marchandepeu les monuments funebres, eest Ieprix qui en réalité regie touf (59). De prijsverschillen waren inderdaad aanzienlijk. Zo kostten in 1867 een Saint Leu of Vergelé steen slechts 45 fr./m 3 , een Banc Royal 50 fr./m 3 , maar een stevige Roche uit de Bourgondische regio al 90 a 100 fr./m 3 . De Euville nam met 75 fr./m 3 een middenpositie in. De Echaillon ("calcaire-marhres de l'Isère") (60), die later ter vervanging van de hier bestudeerde zachte kalksteensoorten voor heel wat beeldhouwwerk in Brussel werd gebruikt (o.a. stadhuis en Zavelkerk) kostte toen niet minder dan 250 tot zelfs 300 fr./cm . Daartegenover stond dat het bekappen van zachte steen minder kostte dan van een harde variant (61). Voor enkele vrijstaande sculpturen te Laken werd een beroep gedaan op één van de topbeeldhouwers van dat ogenblik, Charles-Auguste Fraikin (62). Deze beeldhouwer koos voor traditionele en hoogwaardige materialen en werd blijkbaar niet geremd door budgettaire beperkingen. Voor zijn grafmonument voor de steenrijke Ferdinand Nicolay, dat bekroond wordt door een levensgrote zittende voorstelling van de overledene, kon hij in 1854 het topmateriaal bij uitstek gebruiken, het witte carraramarmer (63). De merkwaardige grafstèle ter nagedachtenis van André Van Hasselt maakte hij in 1874 in een ander traditioneel materiaal, dat in de 19de eeuw nog maar vrij zelden werd toegepast: de zandsteen van Bentheim. Hoewel beide monumenten een zekere schade vertonen, zijn ze vrij goed bewaard. Dat is in onze streken niet altijd het geval voor marmer. Een sprekend voorbeeld hiervan te Laken is het borstbeeld van Joseph Poelaert dat door J. Cuypers in 1880 in wit marmer werd gehouwen en dat, hoewel opgesteld in een halfopen grafkapel, zeer sterk is verweerd. De kristallijnen calcietstructuur, die eigen is aan echt gemetamorfoseerd marmer, verliest hier wellicht zijn samenhang onder invloed van thermische spanningen in combinatie met sulfatering (64). Dit proces wordt ook wel 'versuikeren' genoemd.
A Borstbeeld van
voor het grafmonu-
burgemeester Wyns
ment te Laken,
de Raucourt zoals
5 jaar na de
dit door Guillaume
restauratie
Geefs in 1855
(foto Lode De Clerq)
werd vervaardigd
Ook het borstbeeld van de burgemeester Wyns de Raucourt, een werk uit 1855 van een andere topbeeldhouwer, Guillaume Geefs (65), dat eveneens gekapt werd in het statuario marmer van Carrara, vertoonde verregaande versuikeringsverschijnselen. O p de niet afgeregende plaatsen bevonden zich bovendien zware gipskorsten. Het werd in 1998 gerestaureerd door A. Otto (66). Eerst werd het verzwakte marmer geconsolideerd door impregnatie met een dun vloeibaar, niet vergelend epoxyhars. Bij een behandelde oppervlakte van circa /2 m werd ongeveerd 1,5 liter epoxyhars geabsorbeerd. Vervolgens werden de gipskorsten mechanisch (scalpel en microzandstraal) en in combinatie met chemische kompressen verwijderd. Na uitharding van de consolidatie en lichte retouche werd het geheel, dat nog zeer poreus bleek te zijn, bijkomend beschermd door een siloxaanhydrofobering. De toestand van dit borstbeeld is op dit ogenblik goed. Niet iedereen kon zich marmer veroorloven. Toen de toegewijde leerlingen van de betreurde pianiste Marie Pleyel de handen in elkaar sloegen om haar op het kerkhof van Laken te vereeuwigen, werd al-
M&L
A Detail van het
door zoutuit-
Pleyel-monument
bloemgen
met afstoting van
(foto Lode De Clercq)
de verflaag wellicht
Grafmonument voor
H. Pickery in 1876,
de pianiste Marie
zeven jaar na de
Pleyel In 1876
restauratie
gerealiseerd door
(foto Lode De Clercq)
leen de eigenlijke grafplaat van marmer vervaardigd. Het op Canova teruggaande monument werd door de Brugse beeldhouwer H. Pickery gemaakt van kalksteen van Rochefort (1876). Dat heeft waarschijnlijk te maken met de kostprijs en met de vertrouwdheid van de beeldhouwer met dit materiaal. Bijna op hetzelfde moment werd in Brugge overgeschakeld op dit materiaal, onder meer voor de restauratie van de beelden van het stadhuis (1875). Pickery werd er zelf mee geconfronteerd voor zijn bijdrage aan de gevels van de Burgerlijke Griffie (1879-1883) (67). Het beeld van Marie Pleyel werd in 1996 gerestaureerd door Urbain Heirbaut (68). De verwering van deze sculptuur was beperkt tot het oppervlak. Het gedeelte in Rochefortkalksteen bedroeg ongeveer 200 x 240 x 130 cm en was afgezien van een breuk in enkele vooruitspringende delen in goede conditie, in vergelijking met andere realisaties van zachte kalksteen op dit kerkhof. O p een aantal plaatsen ^ werden resten van olieachtige verflagen gevonden. Het Ghémar- O p andere, duidelijk zichtbare plaatsen, werden monument bovgiicÜen inzetstukken aangetroffen (69). Dit onmiddelli|l<
i
i
i
i
T
r
na de restauratie doet vermoeden dat het geheel van meet af aan (foto Pol De Prins) geschilderd was. De oppervlakte-erosie had vooral
M&L
de fijnheid van de sculptuur doen vervagen. O p sommige plaatsen, waar zich gipskorsten hadden gevormd, werd ook een afschilfering van het oppervlak waargenomen. Bovendien was het geheel erg vervuild en was ongeveer de helft van het oppervlak bedekt door algen en groenwieren. Na het verwijderen van de micro-organismen werden het beeld gereinigd met een reinigingspasta. De retouches, met inbegrip van een ontbrekende onderarm, werden uitgevoerd in een kalkmortel op basis van natuurlijke hydraulische kalk en steenpoeder. De steen werd verhard door impregnatie met ethylsilicaat. Er werd gekozen voor een herschildering met een minerale lazuurtechniek op basis van een siliconenhars bindmiddel, gezien de verwering van het steenoppervlak. Het geheel heeft tot nu toe redelijk stand gehouden. Wel vertoont de aanhechting van een massieve mortelretouche in de bovenarm een kleine scheur. Erger is dat de verflaag op een aantal plaatsen afgestoten wordt, wat vermoedelijk verband houdt met een nieuwe kristallisatie van hygroscopische zouten onder de verfhuid. Deze ontwikkeling wordt verder gevolgd. Intussen is de verflaag, die in het begin een wat storende glans vertoonde, doffer gepatineerd. Het monument en vooral de marmerplaat op de rug zijn opnieuw bedekt met micro-organismen, maar gezien de ligging in de nabijheid van een weelderige vegetatie is dat een natuurlijke toestand. Deze vrij goede toestand sluit aan bij de appreciatie van Camerman die in 1952 stelde dat de beste kwa-
•
-m
jd WKBÊ
—
gf^p ^ ^
r
IHi
^
liteit (toen Anthéor genoemd) van deze steen bij de vetschillende Belgische toepassingen goed bewaard gebleven was. Ook de laatste restauratie (19992001) van de gevels van de Gentse opera, bevestigt dat grotendeels, al was de bekleding van de erg geëxposeerde attiekverdieping boven de kroonlijst zeer sterk aangetast. O p het kerkhof van Laken bevinden zich ook enkele monumenten in de Parijse Lutetiaan-kalksteen. Het sculpturaal meest uitgewerkte is ongetwijfeld het monument dat in 1872 naar ontwerp van Albert Ernest Carrier-Belleuse gerealiseerd werd voor het mausoleum van de familie Ghémar (70). Zoals toen gebruikelijk werd het beeld in situ gekapt op de hoge sokkel van blauwe hardsteen, die al enkele jaren voordien was opgetrokken (71). Uit het petrografisch onderzoek bleek dat de beeldengroep werd uitgevoerd in Lutetiaan-kalksteen van het bekken van Parijs. Het ging om Banc Royal, gewonnen in de groeve van Conflans-SaintHonorine.
Beeldengroep door
Royal van het
A. E. Carner-
bekken van Pari|S,
Belleuse op het
toestand 12 |aar
Gtiémar grafmonu-
na de restauratie
ment, in 1872 uit-
(foto Lode De Clercq)
gevoerd in de Banc
• Gtiémar grafmonu-
kalkmortel
ment. Aantasting
aangevulde zone
van een met
(foto Lode De Clercq)
De sculptuur was in 1990 vooral in de onderste zone, waar de vochtopstapeling het grootst was, sterk geërodeerd onder invloed van vorst. De andere zones waren vrij gaaf bewaard, met uitzondering van de steennaden. Na verharding werden de lacunes aangevuld met een mortel op basis van natuurlijke hydraulische kalk, chamotte en tras. Het geheel, dat steeds geschilderd was geweest, werd afgewerkt met een ademende acrylverf, die zo dicht mogelijk het uitzicht van de oorspronkelijke olieverf benaderde. Nu, 12 jaar later, blijkt er opnieuw een ernstige erosie op te treden. De oorspronkelijke natuurstenen delen houden goed stand. O p de zones van kalkmortel is de verfhuid soms grotendeels losgekomen en hebben ook gedeelten van de aanvullingen het begeven. Ook de naden in de steen zijn weer opengebarsten. Het geheel is dringend aan een onderhoudsbeurt toe. Recent (2001) werd ook het Suys-monument op het kerkhof van Laken aangepakt. De restauratie wordt beschreven in de bijdrage van Jacques Vereecke, die deze behandeling uitvoerde. Uit het onderzoek bleek dat dit monument grotendeels opgetrokken werd uit een nauw verwante Lutetiaankalksteen, de Saint Leu-variant, waarin ook belangrijke delen van de Brusselse Beurs werden gerealiseerd. Ook hier werd het monument, na verharding, geconsolideerd met een (hydraulische?) kalkmortel. Het geheel, dat steeds geschilderd was geweest, werd herschilderd met een zeer ademende maar wel zeer dekkende minerale verf op basis van ethylsili-
1VI&L
< Ghémar grafmonument. Losvnezen van een aanvulling (foto Lode De Clerq)
caat. Bij de laatste inspectie bleek dat deze verffdm op bepaalde zeer geëxposeerde zones weggesleten is. Ook komen bepaalde consolidaties weer los.
onberispelijk in stand gebleven en de geprofileerde steenen zijn tot in de zuiverste hoeken gaaf. " (72) Een precieze verklaring kon hij niet geven. Minder sterk zijn de stenen van Caen en de fijne kalksteen uit het bekken van Parijs.
RESLLUI
Als beschermende beschildering bieden de organominerale verven de meeste weerstand, terwijl zij toch voldoende vochttransport in dampvorm in de steen mogelijk maken. Als er zouten aanwezig zijn, kunnen ze echter beter niet worden gebruikt. De silicaatverven, die sinds het midden van de 19de eeuw dikwijls werden gebruikt, leveren slechts een beperkte weerstand. Het lijkt hoe dan ook nog steeds zinvol om voor de meeste vrijstaande sculpturen, zelfs de beschilderde, de winterbescherming weer in te voeren. Anders lijkt een nieuwe schilderbeurt om de vijfjaar een minimale vereiste.
Het gebruik van zeer zachte kalkstenen voor sterk geëxposeerde toepassingen hield steeds risico's in. Van de verschillende Franse zachte importmaterialen blijkt de Rochefortsteen het best te presteren. Van de Kloes verwonderde zich hier evenwel over bij zijn evaluatie van de steen in de Keulse Dom. Hij schreef: " Laatst genoemde werd in 1843-45 voor verschillend buitenwerk aangewend, waaronder fijne profileeringen, kozijnstijlen, maaswerk en versierde kapiteelen. De ten deele zeer teedere bladvormen zijn
hiervoor: JANSE H. en DE VRIES DJ., Werk en merk van de steenhouwer, Zwolle, 1991, p. 15-18. (10) DE C O O ]., De Kalvarieberg van de Sint Pauluskerk te Antwerpen, Antwerpen, 1943. Volgens deze auteur waren deze beelden op dat moment 'naar Antwerpsch gebruik' bedekt door vele verflagen. Ondertussen is alle vetf van de beelden verwijderd en is de bentheimersteen zwart geworden. (11) Een waarneming op een klein monster laat toe een zevental olieachtige verflagen te onderscheiden. Dit is relatief weinig, maar op de steenhuid is geen patina van zelfstandige expositie waar te nemen. (12) DEMANET A., Cours de construction professé a l'école militaire de Bruxelles (1S43-1847), Brussel, 1847, p. 30-31. (13) De gevelsculptuten werden op voorstel van Bourla eerst zelfs uitgevoerd in Ciment Romain. De ciment romain, die in Engeland werd ontwikkeld, was één van de belangrijkste bindmiddelen voor de kunststeen die op dat ogenblik grote opgang maakte. Zie hiervoor: PELOUZE M.E., Art de fabriquer en pierre factice trèsdure et susceptible de recevoir Ie poli, des bassins, conduites d'eau, dalles, enduits pour les murs humides, caisses d'orangers, tables a
EINDNOTEN
compartments, mosaïques, etc.; de jeter en moules des vases, colonnes, statues et autres objets d'utilité et d'ornement, Parijs, 1828.
(1)
Studiedag '19de eeuwse graftekens en begraafplaatsen', 24 mei 1986 te Brugge, referaten gepubliceerd in Brugs Ommeland, 26e jaargang, nr. 4, 1986.
(2)
(1849-1889) en de aankleding van de wandelzaal (1878), in Het Leuvense Stadhuis, Pronkjuweel van de Brabantse gotiek, Leuven,
werd op initiatief van Leopold II tond 1902 (?) geplaatst in de
1998, p. 154-161.
1995, p. 73-76.
(5)
(15) Bijna alle steen uit deze groeven werd in het midden van de 19de eeuw vetvoetd via het stationnetje van Bouchain. (16) Zie JANSSENS DE BISTHOVEN A., Het beeldhouwwerk van
DE CLERCQ L., De restauratie van het Ghemar monument op het
het Brugse stadhuis, in Gentsche bijdragen tot de kunstgeschiede-
kerkhof te Laken, in Af Cr Z., 11/3, 1992, p. 41-49.
nis. Deel X, 1944, p. 7 - 8 1 . Zie ook Salmon Cl., Hotel de ville de
DELESSE A., Exposition universelle de 1862. Matériaux de
Bruges, Notice historique et descriptive d'après les recherches faites en
construction, in Extrait des Rapports des membres de la section
1914, h l'occasion de la restauration de la facade principale, Brugge,
fran^atse du jury international, Parijs, 1863, p. 211-275.
1914. Voor de beeldhouwers zie: MARCHAL E., La sculpture et
CAMERMAN C , Lespierres naturelles de construction, in Anna-
les chefs-d'oeuvre de l'orfevrerie Belges, Brussel, 1895, p. 683-693.
les des Travauxpublics de Belgique, Brussel, 1961, 4, p. 325. (6)
(14) M.S en V.V., De eerste restauratie (1828-1841), het beeldenproject
gemaakt werden van het origineel te Bologna. Het kostbare stuk
hiervoor LOMBAERDE P., Leopold 11 Koning-Bouwheer, s.L,
(4)
voor het beeldhouwwetk.
De bronzen fontein werd gegoten op basis van moulages die
parkuitbreiding te Laken die ontworpen werd door E. Lainé. Zie
(3)
Deze versie werd niet behouden door de begeleidingscommissie
DE SM1DT F., Het westportaal van de Sint-Niklaaskerk te Gent, in: Verhandelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor
(17) MALECOT L., Notice sur les matériaux de construction employés en Belgique comme pierres de taille, Brussel en Luik, 1866, p. 135-139.
wetenschappen, letteren en schone kunsten van België, Klasse der Schone Kunsten, jg. XXXII, nr. 24, Brussel, 1970. Deze sculptuur was van meet af aan volledig gepolychromeerd. (7)
DE CLERCQ L. en DOPERE F., Bouwhistorisch onderzoek van de kerk van Onze-Lieve-Vrouw van de Zavel te Brussel. Bijdrage van de steenhouwchronologie, ter petse. De monsters van het zuidportaal werden onderzocht door R. Nijs. Zie NIJS R., Verslag over het petrografisch onderzoek van enkele monsters van de Zavelkerk-Brussel, Gent 01/02/2001.
(8) A.M. en J.V., Steensoorten: Dilbeek: dragende steen. Avesnes Ie Sec:
p. 61-63. (19) DUJARDIN L., L'aire de dispersion de la pierre de Caen, in Carrières et constructions en Frame et dam les pays limitrophes 11, Parijs, 1993, p. 431-444. (20) MUSSET L., La pierre de Caen: extraction et commerce, Xle-XVe siècles, in O. Chapelot & P. Benoit, Pierre et métaldans Ie b&timent auMoyen-Age, Parijs, 1985, p. 219-235. (21) ESTRUP H.F.J.., Journal d'un voyage en Normandie - 1819,
sculpturen, Ecaussines: blauwe decoratieve steen, Laar, in Het
Kopenhagen, 1911. In de Hollandse periode werd de steen ook
Leuvense Stadhuis, Pronkjuweel van de Brabantse gotiek, Leuven,
aangewend te Nederland.
1998, p. 129. (9)
(18) NOEL P., Les carrières Francises de pierre de taille, Parijs, s.d.,
(22) Calcaire de Caen : une pierre construction vieille de 165 Ma,,
Deze in Noordwest-Duitsland gewonnen steen werd vanaf het
in A. Guérin, La Normandie, La geologie, les milieux, la faune,
midden van de 15de eeuw geëxporteerd naar de Nederlanden, zie
laflore, les hommes, Paris 2003, p. 50-51.
(23) S.A. Gent, Fonds Opera, 109 (1), Brief van Johert Frères aan
gelijkingsmateriaal uit de Charente, Leuven en Antwerpen, Gent, 1995.
Burgemeester van Gent, 13 juni 1838. (24) VAN DER KLOES J.A., Handleiding voor den metselaar tevens bevattende eenige aanwijzingen voor den betonwerker. den stukadoor en den steenhouwer. Leiden, 1923, p. 18-22. Zie ook VAN DER KLOES, JA., De dom te Keulen, in De Bouwwereld, 5 en 12
(37) ABELIN G., Notice sur les Carrières de Crazannes, s.L, 1894. (38) RONDELET J.B, Traite théorétique et pratique de Tart de batir, Parijs, 1802. Uitgave Parijs 1867, p. 79. (39) LENIAUD J.-M., Les cathédrales au XLXe siècle, Etude du service des edifices diocésains, Parijs, 1993, p. 387.
april 1911. (25) HEYMANS V , Lessen uit de geschiedenis, in De schildwachten van
(40) MONGET P., Breve introduction a une étude des carrières de pierre de taille de Crazannes (Charente-Mantime),
de geschiedenis, Brussel, 2000, p. 21. (26) COMBAZ P., La construcrion, principes et applications, Volume 1, fase. 1, Brussel, 1895, p.53. Hij vermeldt ook een experiment van Smith dat deze behandeling toch wel relativeert: " Toutefois déjd en 1856, M. Smith signalait que, dans une expe-
in Bulletin de
Liaison, Société dArchéologie et de Sauvegarde du patrimoine cantonal, nr. 9, 1992, p. 33-34. (41) VAN DER KROES J.A., Handleiding voor de metselaar. Leiden, 1923, p. 21-22.
rience comparative fait par lui sur des pierres de Caen silicatisées et
(42) Het materiaal wordt herhaaldelijk besproken in de bijdragen van
d'autres non silicatisées, et restées soumises pendant pres de huit
LOOTENS P., DECAVELE J. EN DE CLERCQ L. in De
années aux effets destructeurs des saisons, les échantillons des deux
Opera van Gent, Het 'Grand- Theatre' van Roelandt, Philastre en
esp'eces étaient arrivés au même degré de corrosion". Het gaat ovet een verhandeling van C.H. Smith die deze presenteerde aan de
Cambon, Tielt, 1993. (43) De vrij snelle aftakeling van de Hourdainsteen die ook in deze gevels was aangewend was er in 1860 de aanleiding toe dat zeker dit
Royal British Society of architects. (27) MOERMAN CH., Traite des constructions cwiles, Rrussd, 1874,
gedeelte met een silicaatimpregnatie volgens de methode van Kuhlmann , werd behandeld. Aan de laatste laag werd het witte
p.90.
pigment bariumsulfaat toegevoegd.
(28) MALECOT L , op. cit. (29) TUCKER CH., The cleaning of the Palace of Westminster, in:
(44) GROBET N., Een onderzoek naar de evolutie van de vrijstaande
Stone Cleaning and the nature, soiling and decay mechanisms of
monumentale sculptuur in het Antwerpse stadsbeeld tot het einde
stone. Proceedings of The International
van de 19de eeuw, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Leuven,
Conference held in
Edinburgh, UK, 14-16April 1992, London, 1992, p. 113-120. (30) Dit werd ook gesteld in een rapport van 1861, TUCKER CH.,
1983. Voor Europa en de Jacht werden in 1862 twee steenblokken aangekocht van telkens 226 x 90 x 90 cm. (45) Onderzoek uitgevoerd door Lode De Clercq. Het beeld van apo-
op. cit. (31) Er werden vanaf 1854 allerlei procédés toegepast zoals de
theker
Peeter
Van
Coudenberghe
(1517-1599)
Daines'Stone Preservation Solution (1854-1856). De verschil-
opgesteld in de Plantentuin in de Leopolstraat.
lende toen in overweging genomen of uitgeprobeerde technieken
(46) S.A.Antwerpen. M A . 1378/1. Dossier Boduognat.
staat
nu
waren op basis van lijnolie, bijenwas, paraffine, gommen, harsen
Het beeld van Boduognat (hoofdman van de Nerviërs). stond
en verschillende types silicaatoplossingen. De meeste zonder veel
oorspronkelijk opgesteld op de hoek van de Belgiëlei en de
blijvend resultaat of slechter met versnelde verkleuringen en dergelijke. Zie hierover; BRIMBLECOMBE P., A brief history of
Nerviërsstraat, maar werd er verwijderd in 1954. (47) Deze ontwerptekening, blijkbaar opgemaakt door Stoop, draagt
grime: accumulation and removal of soot deposits on buildings since
onderaan het opschrift: "A/r. Ducaju propose degarantir son grou-
the 17th century, in Stone Cleaning and the nature, soiling and de-
pe de la maniere indiqué en desus'.
cay mechanisms of stone, Proceedings of The
International
(48) Een eerste schuchtere toepassing in België' van Parijse Liais en
Conference held in Edinburgh, UK, 14-16 April 1992, Londen,
Saint-Leu vond, in combinatie met de Hourdainsteen, teeds
1992, p. 53-62.
plaats in 1818 op de werf van de door de Franse architect L.E.
(32) Zie hiervoor o.a. COMBAZ P., La Construction. Principes et
Damesme (1757-1822) ontworpen Muntschouwburg. Zie hiervoor: S.A. Brussel, Travaux Publics, Situation des travaux de
applications. Vol, l.fasc. 1, Brussel, 1895, p. 46-57. (33) De uitzonderlijk goede bewaringstoestand van de gevels en hun sculptuur van het Koninklijk Paleis op de Meit (vroeger Hotel van Susteren), als natuursrenen pronkgevels uitgevoerd in de periode 1748-1750 naar ontwerp van J.P. van Bauerscheit, zal
Construction de la nouvelle salie de spectacle a l'Epoque du 10 Aoüt 1818. (49) DEMANET A., Guide pratique du constructeur, mafonnerie, Parijs, 1874, p. 67-73. (50) MALECOT L , op. cit., bijlage.
hierin ongetwijfeld hebben meegespeeld. Qualitdt
(51) Deze werkwijze is geduid in: DE CLERCQ L., De gevels van de
Gewinnung, in Sporen in Zandsteen, Baumherger en Bentheimer
"Belgische" schouwburgen uit de eerste helft van de negentiende
(34) FOCKE
H.,
Bentheimer
Sandstein
Vorkommen
zandsteen in het gebied tussen Ijssel en Berkel, Coesfeld, 1999,
eeuw. De impact van de aan de Ecole Spéciale te Parijs opgeleide
p. 18-19.
architecten op het materiaalgebruik van publieke monumenten in
(35) MANDERYCK M., De bouwgeschiedenis van het Thécitre Royal Francais, in De Bourla schouwburg. Een tempel voor de muzen, Tielt, 1993, p. 64-65. (36) N1JS R., Resultaten van het onderzoek met de petrografische mikroskoop van de monsters afkomstig uit de Opera van Gent en ver-
België, in Neostijlen in de negentiende eeuw. Zorg geboden?, Leuven. 2002, p. 161-180. (52) Teneinde de door P. Camerman reeds in detail opgegeven steensoorren zoals terug te vinden in zijn: 'Lespierres de taille calcaires. Leur comportement sous Taction desfumées" te controleren voerde
Prof. Dr. R. Nijs 21 analyses uit op monsters ter gelegenheid van de restauratiewerken die door de auteur werden begeleid. Zie hiervoor: NIJS R., Verslag over het Petrogmfisch onderzoek van het Beursgebouw te Brussel 25 feburari 2002. Niet gepubliceerd ver-
(62) Zie voor de historische gegevens: CELIS M.M. EN VANDENBREEDEN ] . , Kerkhof van Laken, Brussel, 1991. (63) Dit wit matmer werd voor buitensculptuut voot het eetst in België toegepast voor de sterk gesmaakte Generaal Belliard die
slag.
naar een ontwetp van Guillaume Geefs in 1836 werd gereali-
Deze steensoort was sinds ongeveet 1870 zeer gewild in België.
seerd. Deze sculptuut, die in hartje Btussel staat, is nog steeds in
De belangrijke Brusselse steenleverancier A. Beernaert vermelde
goede staat.
overigens in 1885 op zijn briefhoofd: 'Carrière de Savonnièrescn-Pcrthois et de Saint-Joire (Meuse). Marque AB. (53) Volgens Th. Chateau, die zich voor zijn classificatie baseerde op de Serie ojftcielle de la ville de Paris van 1880, was de term pierre
(64) ZEZZA U., e.a.. Effect of temperature on intergranular decohesion of the marbles, in Congress on Deterioration and Conservation of Stone, Lausanne, 1985. (65) Restauratie door A. Otto ondet leiding van Lode De Clercq.
grasse een empirische, door groeve-exploitanten gebruikte bena-
De Brusselse burgemeester Francois Jean Wyns de Raucourt
ming die ontstaan was door het feit dat de steen, bij verbrijzeling
werd geboren te Btussel in 1779 en overleed er in 1857.
onder een hamer, bleef kleven aan de werktuigen. Zie hiervoor:
Van het borstbeeld dat Geels vervaardigde is een gips bewaard in
CHATEAU TH., Technologie du batiment ou étude complete des
het Brusselse stadhuis. Geefs was overigens een zeer vruchtbaar
matértaux de toute esp'ece employés dans les constructions depuis leur
grafbeeldhouwer. Voor een eerste ovetzicht zie: MARCHAL E.,
fondatwn jusques ety compris leur decoration, Parijs, 1880 p. 304-
La sculpture et les chefs-d'oeuvre de Torfevrene Belges, Bruxelles,
322.
1895, p. 679.
(54) Th. Chateau geeft over deze benaming volgende verklaring: Entre
(66) Annette Otto voerde deze testauratie uit als deel van haar oplei-
les calcatres dures et les calcaires tendres proprement dits seplacent les
ding aan de Facbhochschule Köln. De materiaalkosten wetden
banc-royals, provenant de couches plus tendres, mais plus homogénes
gedragen door de Stad Brussel. Zie hiervoor: O T T O A.,
et d'une plus grande hauteur d'assise que les banc-francs; ilsse rattachent aux calcaires dures en ce qu 'ils se scient encore a la scie'agres.
Restaurierungsbericht des Epitaphs Wyns de Raucourt, Laken, s.d. (67) In een brief van het Brugse stadsbestuur aan de Provincie van 19
mais ils ne supportent plus la boucharde et se taillent a la laie. Le
juli 1877 wees men op de goede toestand van de Rochefottsteen
banc-royal de Conflans en est le type. Les bancs-royals sont, comme
in de Brugse stadhuisgevels. S.A.B., XIII a. Reeks 177. De
les précédentes pierres calcaires, variables de qualité et de structure
Rochefottsteen van de griffie kon in 1993 onomstotelijk worden
minéralogique: les uns se rapprochent des bancs-francs, les autres ne
geïdentificeerd als Crazannessteen, zie hiervoor: Petrografisch
sont que des vergelés ou des lambourdes fermes d'un grain homogene.
onderzoek R. Nijs, 14 december 1993, monsters nrs. 23796 en
CHATEAU TH., op. cit., p. 317-318. (55) LE COMTE DE BUFFON M., Histoire Naturelle des Minéraux, Parijs, 1783, p. 266-269. (56) BULLET P., Architecture Pratique, Parijs, 1691, aangevulde editie van 1792, p. 362-363. (57) Nogmaals volgens Chateau werden de zachte kalksteen die men gebruikte te Parijs met volgende namen toebedacht: la lambourde, le vergelé, le saint-leu. le conflans et le parmain. De meest
23793. De steen werd o.a. in
1881 geleverd door P.J.
Vandewouwere, Négociant a Anvers, S.A.B. XHIa, Reeks 177. (68) Onderzoek door Lode De Clercq. (69) Een inzetstuk in de sokkel is zelfs gerealiseerd in een andere kalksteensoort, Savonnières, wat gezien de grovere sttuctuur toch goed zichtbaar is. (70) DE CLERCQ L., De restauratie van het Ghemar monument op het kerkhof te Laken, in M&L, 11/3, 1992, p. 41-49.
gezochte lambourde werd gewonnen in de groeve van Sainr-
(71) De lithografie door J. Hoolans, druk door Simonau en Toovey,
iMaur-les-Fossés maar er waren nog vele andere groeven die deze
ca. 1870. Hierop is enkel de sokkel van het monument zichtbaar.
nauw aan de vergelé verwante steen opleverden. (58) Stadsarchief Brussel, Openbare werken 30 150 en 30 163. Met dank aan C. Condé Reis. Deze techniek wordt beschreven in: Société anonyme des mines et fonderies de zinc de la Vieille-
De grafconcessie was reeds aangevraagd in 1864. Carrier-Belleuse verbleef in België in 1870. Het monument wetd mogelijk in enkele fasen opgericht. (72) VAN DER KLOES J.A., op. at., p. 21-22.
Montagne, Directeur-Général mr. Saint-Paul de Sincay, Station de Chênée (Belgique). Peinture stlicatée a base de zinc. Preparation et mode d'emploi, Luik, 1870. De analyses van de verfresten toonden aan dat dit systeem wel degelijk werd gebruikt. Zie hiervoor: DE WITTE E., Brussel, Beursgebouw: analyse oppervlaktelagen, Brussel, 16 november 2000. (59) N. -J.B. en Mti J., Nouveau manuel du matbrier du consttucteur et du propriétaire de maisons, Parijs, 1855, p. 82. Als alternatief voor marmer wordt ook aangegeven dat een ornament in "liais" of in "piere de Tonnere" reeds heel mooie resultaten kan opleveren. Een ander alternatief was de "placage". (60) B1RON M., Notice sur les carrières de l'échaillon pres de Grenoble f/jérfj, Parijs, 1861. (61) M A R C Q M . , o/). a>., p. 23.
Lode De Clercq is bouwhistoricus van steenachtige
materialen.
en
restaurateur
Jacques
Vereecke
Bénédicte
en
Reynders
DE RESTAURATIE VAN HET STENEN GRAEMONUMENT VAN DE ARCHITECTEN SUYS OP HET KERKHOE VAN LAKEN •
Detail van de sarcofaag (foto Jacques Vereecke)
Op 9 februari 1862 tekent Leon Pierre Suys de aankoopakte
kerkhof van de Onze-Lieve-Vrouwekerk
van Laken,
bestemd voor een grafkelder en een gedenkmonument
voor zijn vader Tilman-Frangois
die het jaar daarvoor op 11 juli overleden
Suys, was.
Hij wordt er later ook zelf begraven. Dit grafmonument,
BESCHRIJVING
voor een eeuwige concessie op het
samengesteld
uit diverse
met elk hun eigen problematiek, gerestaureerd.
steensoorten
werd in 2001
Het grafmonument bevindt zich in de zogenaamde travee van de smalle lanen, op concessie 139, grasveld 28, op een terrein van 178 vierkante voet. Leon Suys betaalde er de som van 1.780 frank voor aan de kerkfabriek. Het monument omvat twee delen: een sarcofaag en een gedenkmonument. Het geheel rust op een blauwstenen sokkel en was oorspronkelijk omheind door een kunstig bewerkt smeedijzeren hek, zoals nog te zien is op een oude fotografische opname van 1907.
Het grafmonument in 1907
De sarcofaag staat op een sokkel van drie treden hoog en is in de lengterichting versierd met plantenarabesken en een klein centraal medaillon met de initialen S.T.. De korte zijden zijn eveneens versierd met rankwerk in een ingewikkeld patroon van golvende lijnen. De deksteen, sober afgewerkt met een kruis in reliëf, wordt ondersteund door vier leeuwenkoppen.
• Toestand vóór de restauratie (foto Oswald Pauwels)
Aan het hoofdeinde van de sarcofaag staat het gedenkmonument: in het midden een brede hoge nis met een marmeren medaillon met daarop het linkerprofiel van de overledene Tilman-Fran^ois Suys. De beeldhouwer van dit onderdeel is JeanJoseph Jaquet, die zijn werk tekende ter hoogte van de halspartij. Onder dit medaillon bevindt zich nu een grote, niet originele gedenkplaat met een sierlijst in reliëf als omkadering, en met het opschrift Familie Suys. De oorspronkelijke marmeren plaat vermeldde: "lei repose Suys Tilman-Frangois, Commandeur de l'Ordre de Leopold, Chevalier du Lion Néerlandais, Architecte du Roi et du Gouvernement, décédé Ie II juillet 1861 dans sa 87ième année de son dge"e.n "Suys Léon, Architecte, Officier de l'Ordre de Leopold, 1823-1887". In de nis bevindt zich een 'altaartafel' met een palm en een kroon erop. De tafelpoten zijn versierd met motieven in laagreliëf. Onder dit altaar staat een versierde urne, bedekt met een doek. De zijkanten van de nis zijn bekleed met een laagreliëf met nog een ander typisch funerair motief: een omgekeerde toorts als symbool van de dood, het eindpunt van een leven. Links en rechts van de nis zijn twee grote vrouwenfiguren in laagreliëf uitgewerkt. Zij dragen antieke gewaden en leunen op een zuiltje, de linkerelleboog gesteund op een abacus of met de kin rustend in de hand. Deze personages hebben een kalme en serene gelaatsuitdrukking en lijken in diep gepeins verzonken. In de rechterhand dragen ze een rol papier en een stilet. Aan de voeten van de vrouw aan de linker pijler is een passer te zien. Dit instrument verwijst naar het beroep van de overledene: architect. De boog is versierd met kleine sterretjes met onregelmatige intervallen. Hij wordt in tweeën gesplitst door een gesculpteerde boog die rust op twee medaillons met verstrengelde S.T. initialen, met bovenaan een kruis en een engelengelaat.
MATERIALEN De sokkel is vervaardigd van Maaslandse grijze kalksteen, met een fijne tot middelmatige korrel en met een vrij ruwe textuur. Her en der zijn fossiele organische afzettingen zichtbaar. De sarcofaag en het gedenkmonument zijn evenwel van steen van Saint-Leu: een kalksteen met een fijne korrel en een krijtachtige consistentie. Deze steen zou afkomstig zijn uit de groeven van Saint-Maximin in Frankrijk
M&L
BEWARINGSTQESTAND Het grafmonument was voornamelijk door de luchtvervuiling zwaar aangetast, wat bleek uit de zoutanalyses. Kalksteen is immers zeer gevoelig voor vervuilde lucht. De ophoping van stofdeeltjes uit de lucht veroorzaakt verschillende degradatieprocessen en vormt de ideale voedingsbodem voor micro-organismen en zelfs voor plantengroei. Bovendien vormt die ophoping een soort absorberende buffer, die plaatselijk het zure regenwater op de steen vasthoudt. Het meest ingrijpende en ook meest zichtbare veranderingsproces is echter de reactiviteit van kalksteen met zure bestanddelen. Dit resulteert in gipsvorming: de gekende sulfataties of'zwarte korsten'. De meest afgeregende oppervlakken vertonen een zuiver wit aspect en toch is op deze plaatsen de schade het grootst: het gips wordt weggespoeld
Vrouwenfiguur op een pijler, zwaar aangetast door sulfatatie
Kalksteen Euville
(foto Jacques Vereecke)
blauwe steen
Saint Leu kalksteen
witte marmer
beton (oude herstelling)
Verschillende
werden gebruikt
steensoorten die
(tekening Jacques
in het monument
ïereecke)
en werd in Brussel courant gebruikt van ongeveer 1860 tot 1880. Het deksel van de sarcofaag is gekapt uit Euvillesteen, wat doet vermoeden dat het niet de originele deksteen is. De Euvillesteen is een crinoidenkalksteen van een beigeroze tint en met hoekige middelmatige korrels met veel kleine gaatjes. Deze kalksteengroeve wordt nog steeds uitgebaat in Euville en deze steen kan schelpresten bevatten. Het gesculpteerde medaillon evenals de gedenkplaat zijn van wit marmer, waarvan de herkomst niet gekend is. Het oorspronkelijke smeedijzeren hekwerk is verdwenen, op de loden aanhechtingen en de inkepingen in de steen na.
1VI&L
oppervlak. De zwarte korsten komen vooral voor op de zuidzijde van het monument. In de holtes van de plantenmotieven zijn ze 0,2 tot 0,5 cm dik. De sarcofaag vertoont gipsafzettingen in de holtes van de decoratieve motieven. In deze holtes zijn ook nog restanten van polychromie bewaard. De buitenkanten van de sarcofaag zijn meer blootgesteld aan de weersomstandigheden, worden meer afgeregend en zijn bijgevolg meer geërodeerd. Het monument vertoont ook veel sterk vettakte afzettingen (onregelmatige zwarte korsten van 2 tot 8 mm) op de voorkant van de onderbouw, de binnenkant van het kleine altaartje, het engelenhoofd boven aan het monument, de holtes van de voluten op de zijkanten... Naast deze gemakkelijk identificeerbare schade, kan de degradatie voor vervuiling nog andere vormen aannemen: • een gebrek aan hechting, zoals de opstulpingen in de plantenmotieven op de voorzijde van het monument en de sterren, de opheffingen aan de binnenkant van de nis, en de woekeringen op de onderste en bovenste elementen, op de sterren en op het hoofd van de engel; • een verlies aan hardheid en cohesie, wat leidt tot erosie van de hoeken aan de basis van de sarcofaag, de ontbinding en het pokdalig uitzicht van het graf en de treden, de afschilfering en barstvorming van de plantenmotieven op de voorzijde van het monumenten, en ten slotte de verpoedering en afbrokkeling van de steen.
A Verregaande aantasting van de steen (foto Jacques Vereecke)
door de regen en het steenoppervlak wordt rechtstreeks aan de zure regen blootgesteld. Dit is het geval aan de noordkant van het grafmonument. De zwarte gipskorsten ontwikkelen zich alleen op vochtige plaatsen die beschermd zijn tegen regenbuien. Daar verdampen de oplossingen die zich door de steen verplaatsen. Het water in dit proces is afkomstig van condensatie, infiltratie of hygroscopie. De korstvorming die ontstaat buiten het bereik van de erosie kan grote oppervlakken beslaan en een grote dikte bereiken, gaande van enkele millimeters tot verschillende centimeters, naargelang het oppervlak zich verder of dichter bij de scheidslijn tussen bevloeide en beschermde zones bevindt. Het oppervlak van deze zwarte gipskorsten is zeer breekbaar en heeft weinig coherentie. Hieronder zit een meer coherente en dus hardere laag, waarvan de samenhang verzekerd wordt door een netwerk van kleine gipskristallen met een grote densiteit. Deze laag vertoont grote gelijkenis met het echte steen-
M&L
Het marmeren portretmedaillon is gedeeltelijk overdekt met sulfataties. De onderste boord van het medaillon en de neus vertonen opstulpingen. Maar over het algemeen heeft het marmer zijn oorspronkelijke cohesie en een gezond uitzicht behouden. Van de bovenkant vielen twee hoekmotieven naar beneden, waarvan er één bewaard bleef. De natuurlijke porositeit en de oneffenheid van de steen stimuleren de ontwikkeling van organismen zoals algen en korstmossen, waarmee het oppervlak van de sarcofaag min of meer bedekt is. Geïsoleerde vaatplanten vinden een voedingsbodem in de spleten in de steen, terwijl de mossen voornamelijk te vinden zijn op de voegen van het metselwerk en op de zijkanten. De porositeit van de steen levert het noodzakelijke water voor de ontwikkeling van deze organismen en voor de hechting aan de steen. De mossen gebruiken hiervoor de rhizoïden, haarachtige delen waarmee ze vocht opnemen. De oneffenheid van de steen is eveneens bevorderlijk
•
A
Aantasting door
Resten van
algen en korst-
polychromie
mossen
(foto Jacques
(foto Jacques
ïereecke)
Vereecke)
voor deze ontwikkelingen, alsook de waterretentie van organische of minerale materialen, die ze nodig hebben voor hun groei. Alle organismen die op dit monument geïdentificeerd werden, hebben een grote tolerantie tegen vervuiling en trekken nitraten aan. De atmosferische vervuiling, vooral van dioxiden en stikstofmonoxiden, veroorzaakt door het drukke verkeer in de nabijheid van het kerkhof, bevordert de groei van deze organismen. Vreemd genoeg zouden er zonder deze intense vervuiling nog meer organismen op het monument aangetroffen worden! De laboratoriumanalyses bevestigen de diagnose van een overvloed van bacteriën van de stikstofcyclus, vooral in de zones van de gipskorsten die niet afgeregend worden. Ze duiden er ook op dat, zelfs als er geen vegetatie zichtbaar is, er minstens een belangrijk bacterieel leven in de bovenste millimeters van het natuurlijk poreuze steenoppervlak aanwezig is. Al deze bestanddelen, al dan niet bladgroen, geven zwakke organische zuren af. Sommige
bacteriën van de stikstofcyclus, die op het graf aangetroffen werden, produceren bovendien sterke zuren, zoals salpeterzuur. Zij verhogen de porositeit van het materiaal en maken zouten vrij die korstvorming veroorzaken en uiteindelijk afschilferen.
POLYCHROMIE Slechts enkele polychromierestanten konden worden teruggevonden. Zij bevinden zich in de holtes van de gesculpteerde motieven van de sarcofaag (kop en poten van de leeuw) en aan de binnenkant van het monument. Alle onderdelen zijn verschillende keren geschilderd. De tinten zijn vrij uniform en variëren van gebroken wit tot bruin en grijs. Vermoedelijk zijn dit monochromieën die steen imiteren, opgehoogd met details in een kleur of verguldsel. Toch kunnen we de hypothese van een bichromie nog niet volledig uitsluiten: het monument (nis en sarcofaag) in imitatie Franse steen en de altaartafel aan de binnenkant van de nis in imitatie blauwe steen (zie reconstructieschema).
M&L
• Gebruik van sleen-
Door de kleurveranderingen van de verschillende algen en mossen te controleren, kon de doeltreffendheid nagegaan worden, waarna met een eerste reiniging gestart kon worden. De werkwijze hiervoor werd proefondervindelijk bepaald en de keuze viel op de microzandstraal met projectie van aluminiumoxyde - aluinaarde - met een korrelgrootte van 100 jj en een druk van 1 bar. Met deze behandeling konden de dode micro-organismen verwijderd worden en de gezonde en zelfs ook de aangetaste stenen, die nog voldoende structurele cohesie hadden, gereinigd worden. De te sterk verweerde delen werden tijdens deze fase uiteraard niet aangepakt. Deze oppervlakkige reiniging bracht belangrijke restanten van polychromie aan de binnenzijde van het monument aan het licht.
ImilatieKhildering (tekening Jacques Vereecke)
•
Blauwe steen voor de sokkel, imitatie blauwe steenschildenng voor het altaar j Imitatie Franse steenschildering Wit marmer
RFHANDELING
Resulaten van de reiniging met de microzandstraal (foto Jacques Vereecke)
De vergevorderde schade aan het monument bepaalde in grote mate het doel van de ingreep: het maximaal behoud van originele materie. Voor het behoud van de grafkelder moest elke biologische aanwezigheid efficiënt verwijderd worden. Het aanbrengen van een oplossing van quaternair ammonium was hiervoor de aangewezen methode. Dit product werd tot zes keer toe verstoven om een zekerheidscoëfficiënt van 9 9 % te verkrijgen.
Voordat de reiniging kon worden voortgezet, moesten de verpoederde, opstulpende en/of afschilferende oppervlakken verhard worden. Hiervoor werd kalkcaseïnaat geïnjecteerd. De losgekomen en opstulpende gedeeltes werden gevuld met kalkmortel, om verbindingen en bruggen tot stand te brengen met de gezonde zones. Zo kon het verlies van veel originele materie vermeden worden. Deze aangetaste, zeer poreuze steen zou te veel verharder opnemen, wat tot een problematische gewichtstoename zou hebben geleid. De verharding werd uitgevoerd met een oplossing op basis van orthoethylsilicaat, met herhaalde impregnaties. Na de verharding werd de tweede fase van de reiniging aangevat met de microzandstraal met aluminiumoxyde (100 p), ditmaal met een druk van 1 tot 2 bar, afhankelijk van de zones. De zwarte gipskorsten op de twee laagreliëfs, op de binnenkant van de nis en lokaal op de sarcofaag werden verwijderd met chemische kompressen, die de korsten verweken voordat ze verwijderd worden. Deze dikke korsten van 1 tot 2 m m dikte waren zeer compact en verhinderden een rechtstreekse microzandstraling omdat het gevaar voor materieverlies of beschadiging van onderliggende oppervlakken te groot was. De meest geschikte chemische componenten werden proefondervindelijk bepaald, alsook hun concentratie, het materiaal voor de kompressen en de toepassingstijd. Ammoniumcarbonaat aan 3 % in water en cellulosepulp bleek de beste oplossing. De kompressen werden één tot vijf maal aangebracht. Tussen deze toepassingen in werden de korsten afgeschuurd met de microzandstraal.
M&L
M&L
voor en na de restauratie (foto vóór; Oswald Pauwels. foto na: Lode De Clercq)
Na de reiniging bleek dat de laagreliëfs en de decoratieve motieven van het monument beter bewaard waren dan we vóór de behandeling dachten. De vormen waren meer dan voldoende leesbaar. Deze onverwacht goede bewaringstoestand heeft ons ertoe gebracht het doel van de behandeling bij te sturen. Met een minimale restauratiebehandeling zou het monument aan leesbaarheid winnen. De schilfers en opstulpingen vormden de grootste hinderpaal voor de leesbaarheid van het geheel en ze waren onmogelijk plat te drukken. Tijdens de conservatiebehandeling was een mortel tussen de schilfers en de gezonde steen aangebracht, en precies deze behouden schilfers verhinderden de leesbaarheid van de gladde oppervlakken en de structurele lijnen. Na overleg werd beslist deze schilfers en opstulpingen van de gladde oppervlakken te verwijderen. Anderzijds zouden er maar enkele vormreconstituties nodig zijn om een betere lectuur mogelijk te maken.
M&L
Alle oppervlakkig losgekomen delen die niet door injecties of mortels voor de consolidatie waren gehecht, werden behandeld met een vloeibare aangietmortel van kalkcaseïnaat of kalkmortel. Alle zones waar waterinfiltraties optraden of waar het water bleef staan, werden opgevuld met kalkmortel. Ook beschadigde voegen werden hersteld en het bloemenmotief werd herlijmd op de oorspronkelijke plaats. Van de sokkel werden de twee treden van de basis van de sarcofaag herplaatst en hervoegd. Nieuwe stukken blauwe steen vervangen de oude herstelling op basis van cement. Kleurresten, die we eerder al hebben vernoemd, duidden erop dat het grafmonument van de architecten Suys waarschijnlijk geschilderd was in een gamma van gebroken wit. De keuze om het monument en de sarcofaag te herschilderen werd vooral bepaald door de conserverende eigenschappen daarvan. De kleur werd gekozen conform de bestaande kleurresten en aan de hand van een kleu-
renkaart. Het geheel werd geschilderd met een verf op basis van ethyisilicaat. Het betreft Funcosil D , kleurreferentie SI 005 Y20R, van het merk Remmers. Het advies voor dit verfsysteem werd gegeven door Dr. Eddy De Witte van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (mondeling advies), op basis van testresultaten uitgevoerd door de laboratoria van het Instituut (niet gepubliceerd).
fiJESLUU Deze behandeling leek op voorhand haast een hopeloze onderneming. Het aangetaste monument vertoonde een pokdalig en verkankerd uitzicht. De sarcofaag en het gedenkmonument hebben nu echter hun coherentie en leesbaarheid teruggevonden, waarbij de aandacht opnieuw uitgaat naar de verschillende gebeeldhouwde versieringen. Een beschildering zou het monument beter beschermen, en bovendien was het geheel oorspronkelijk ook geschilderd. De verflaag beschermt de steen tegen biologische vervuiling, zure regen en eventueel zelfs vandalistische beschadigingen zoals graffiti. De verf speelt eveneens een esthetische rol in het uniformeren van de verschillende vorm- en kleuraspecten, veroorzaakt door vroegere aantastingen. De kleurtint werd bepaald op basis van de kleurrestanten aangetroffen op het monument. Binnen enkele jaren zal die kleur, dankzij het patina van de tijd, een discreter aspect verkrijgen. (vertaald uit het Frans door Marjan Buyle)
De analyses voor deze restauratie werden uitgevoerd door: • Dr. Jan Wouters, hoofd laboratoria voor materialen en technieken, Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium Brussel (KIK): polychromie • Dr. Eddy De Witte, departementshoofd, Laboratoria van de Steenachtige materialen, KIK: zoutanalyses • E Tourneur, afgevaardigde van de vzw Pierres et marbres de Wallonië: steenanalyses • O. Guillitte, onderzoeker aan de Laboratoire d'écologie microbienne, Universitaire Faculteit van Landbouwwetenschappen in Gembloux: biologische elementen Afmetingen van het monument Sarcofaag: H 85 cm, B 112 cm, L 2 1 I cm Monument H 456 cm, B 392 cm. Diepte 110 cm N.C.S. Kleurenkaart, uitgave 1997
Jacques Vereecke en Bénédicte Reynders zijn zelfstandige restaurateurs van steenachtige materialen.
BIBLIOGRAFIE BOSKO Kristel, Monument funeraire ie la familie Suys (onuitg. studie in het kadet van de Exercices et encyclopédie d'histoite de l'art et d'encyclopédie, an du XIXième siècle, Univetsité Libre de Bruxelles), 1998-1999.
Opdrachtgever: Stad Brussel Architect: Paula Cordeiro KCML Brussels Hoofdstedelijk Gewest: Marcel Celis Directie Monumenten en Landschappen: Ph. Thièry Uitvoering: Jacques Vereecke sprl Bénédicte Reynders Jacques Vereecke Hélène Gauthier (stagiair) Charlotte Pham (stagiair)
SUIVIMARY Antoine and Emile Beernaert, stonecutters (1850-1924) MarcelM. Cells -Joris Snaet - Lode De Clercq In the early days of the summer holiday of 2002, a joint action of the Federale Regie der Gebouwen - Dienst Restauratie and of Epitaaf vzw resulted in the rescue of an important collection of designs, plaster scale models, gel-moulds, pattern books (model-books)... from the workshop of the stonemason E. Beernaert in Eisene near Brussels, that was about to be demolished. A preliminary analysis established the importance of this company for the development of funerary monuments from the middle of the nineteenth century till the eve of the Second World War - often in cooperation with famous architects. The known history of this company started in 1851, when the sculptor/stonecutter/warér/Vr Antoine Beernaert took part in the Crystal Palace Exhibition. He supplied stone for the Btussels town hall and moved his company from Brussels to Oudergem and finally to Eisene. In 1890, his son Emile Beernaert (1859-1930) took over the business. The second episode in the company's history is marked by the use of
The Alpine Garden 'Het Bloemendal' at Huizingen. Apotheosis of a garden design movement and protected monument
Belgian limestone (blue), marble and colourful granite. The company took part in several great building sites from the early twentieth century in Brussels, Tervuren and Ostend, which were started at the instigation of King Leopold II. The plaster models and moulds bear testimony to the stonemason's techniques and reproduction methods from those days. After the death of Emile Beernaert, the company was taken
Herman Van den Bossche - Roger Deneef-Jo
Wijnant
over by the French company Gaudier-Rembaux, specialised in serial granite funerary and war monuments. The company
In the preparatory phase to the World Exhibition of 1958, the
ceased to exist after a second takeover, by Destrebecq Frères.
Deputation of the Province of Brabant charged the landscape architect Paul Dewit, Headmaster of the Provincial Horticultural School of Anderlecht, with designing a plan for flowerbeds and plantings in the central part of the domain. In June 1957, the Deputation adopted the plan and its specifications for laying out an alpine garden with an artificial rivulet and waterfalls. It proved to be the last and unsurpassed realisation in a long tradition of rock gardens in accordance with the
The nineteenth century assimilation of French soft limestones in Belgium and their conservation
"Nouveau jardin Pittoresque", the Belgian garden movement that from 1913 strongly influenced the content and appear-
Lode De Clercq
ance of our gardens. The figures cited at the press conference on the opening, were
In 1986 a first Belgian congress on the importance of 19th cen-
quite significant. A naturally gurgling mountain rivulet threads
tury cemetaries took place. Restoration of 19th century funer-
its way downstairs, over a distance of three hundred and thirty
ary monuments, a complex matter, was also discussed. It is not
metres and bridging a thirty-six metre difference in altitude. Its
yet clear which techniques can best be used for their conser-
course was studded with eleven small lakes and sixty-eight
vation.
waterfalls. The whole was dressed with over a thousand tons of
During the nineteenth and twentieth century, several import-
weather-beaten limestone rock, pebbles and flagstones from
ed kinds of French stone enjoyed varying popularity. Almost
the Condroz. More than one thousand eighty-one plants were
each of them poses specific conservation problems. The so
used, "with a view to effectuating an ecological environment".
called 'Rochefort-stone' seems to be the best performing. For
FARROW&BALE Manufacturers of Traditional Papers and Raint
conservation a protective coating with aigominerai paint gives the best results - even better when combined with special casing for protection in wintertime. Otherwise, repainting every five years is a minimum requirement.
The restoration of the funerary monument to the architects Suys on the Laken cemetery Jacques Vereecke - Bénédicte
Reynders
DEAD FLAT OIL Een matte lijnolieverf beschikbaar in National Trust en Archive kleuren. DISTEMPER Zuivere caseïneverf beschikbaar in wit en 18 kleuren. LEAD PAINT Een traditionele lijnolie-loodwitverf, enkel voor restauratie en kunstenaars. LIME WASH Een traditionele vette kalkverf zonder toevoeging van synthetische additieven. SCUMBLE GLAZE Een transparante glacis op basis van lijnolie, te vermengen met olieverf.
The funerary monument to Leon Pierre Suys and his father Tilman-Fran^ois Suys was erected in 1862 in the Laken cemetery. The monument, composed of a tomb and a memorial stone, is made of different kinds of stones and was restored in
Tevens verkrijgbaar in alle National Trust en Archive kleuren: Emulsieverf • Lijnolie hoogglans Lijnolie zijdeglans • Vloerverf
2001. The monument, in particular its limestone parts, was severely affected by air pollution. Besides, several micro-organisms were thriving on the decaying stone. The face of the monument was pockmarked and had become almost illegible. The conservation was primarily aimed at preserving as much of the original material as possible. The painting of the monument was dictated both by protective and aesthetic reasons.
Verkrijgbaar via: Emente bvba Mutsaardstraat 16 2000 Antwerpen 03 233 18 91 En geselecteerde verkooppunten www. farro w-ball .com
DE BEELDEh
Nieuw MaL
•
De beeldentaal syTnb(
B E S T E L A D R E S Afdeling Monumenten en Landschappen Pers ö Voorlichting Koning Albert 11-laan 19 bus 3 - 1210 Brussel Tel. 02/553 16 13 - Fax 02/552 16 12 Rekeningnummer: 091-2206040-95
T E C H N I S C H E
G E G E V E N S
FORMAAT
PRIJS
21 X 29.7 CM
45 euro
AANTAL
AUTEURS
PAGI N A S
256 KLEURENILLUSTRATIES 520 PAPIER KUNSTDRUK GALERIE ART SILK 135 G/M2 AFWERKING GARENGENAAID GEBROCHEERD
MARJAN BUYLE, MARCEL CELIS. JAN KLINCKAERT. CHRISTINE VANTHILLO, LINDA WYLLEMAN e.a. FOTOGRAFIE OSWALD PAUWELS C O N C E P T EN V O R M G E V I N G LUC TACK
rAAL
van
s y m hol e n
De taal van symbolen is ongemeen boeiend en rijk. Symbolische voorstellingen zijn afbeeldingen met een diepere betekenis: concrete voorstellingen van abstracte, moeilijk grijpbare begrippen. M o n u m e n t e n bezoeken wordt veel interessanter als we deze ietwat verloren 'talen' opnieuw of beter leren verstaan. En de zorg om m o n u m e n t e n en kunstwerken is al helemaal niet denkbaar zonder de betekenis van de talrijke tekens, objecten, afbeeldingen niet te begrijpen. Deze spirituele dimensie in de zeer ruime zin van het woord maakt integrerend deel uit van de specifieke eigenheid en van de betekeniswaarde van het m o n u m e n t .
In
de
reeks
ve r s c h e n e n
• Glas in lood
€ 24,67
•Middeleeuwse muurscliilderingen in Vlaanderen
€29,75
•De Belgische Art Nouveau en Art Deco wandtegels 1880-1940
€ 33,47
•Vlaamse en Brabantse Retabels in Belgische monumenten
€37,18
•De Landschapsatlas, baken voor een verruimd..."
€37,18
• Historische tuinen en parken van Vlaanderen
€37,50
Als U Lister tuinmeubilair koopt, koopt U kwaliteit. Anders dan bij menig
voor informatie Importeur voor Benelux:
ander merk, zijn de teakhouten tuinveteranen van Lister écht bestand H E U T E A K ESTATE FURNITURE
nv
tegen weer en wind, tegen zon en vrieskou. Zo staan er in Engeland Lister
K. Lcopoldlaan 119 B-3920 Lommei België tel. + 3 2 ( 1 1 ) 54 40 01
banken, die al meer dan 100 winters hebben getrotseerd. Lister meubelen, ambachtelijk vervaardigd sedert 1883, zijn tuinmeubelen van waarde.
fax.+ 32(11) 54 41 73 h t t p ; / / w w w . hel i t e a k . c o m
Daarom staat de naam Lister voor kwaliteit en lange levensduur.
ESTORATIO WORKS Dolail 15de eeuws plankengewelf Sint-Pietersabdij te Gent.
DENVS [y t' ii y s ii \
- I ii (I ii ^ i ri e \\
124
- B - 9 0 3 2 W o n d e l g e m - Tel + 3 2 ( 0 ) 9 2 5 4 0 1 II i ii I ii (s (I e n v s . e o in - u u w . d e n v « .»- <• in
- Fax
+32(0)0
220
uw
GEMEENTE VERDIENT EEN KEURMERK.
Blauwe Steen uit Henegouwen; een melk en een authentiek kwaliteitslabel. Deze nobele en pute steen is geschikt voor de meest uiteenlopende toepassingen bij stadsvernieuwing: voetpaden, boordstenen, fonteinen, stadsmeubilair... De Blauwe Steen uit Henegouwen, ontgonnen in de Carrières du Hainaut,
!
1 Wil u meer weten over de echte Blauwe Steen uit Henegouwen, stuur ons dan deze coupon terug. Wij geven u graag meer inlichtingen. Naam/Voornaam:
beschikt over alle eigenschappen o m duurzame projecten te verwezenlijken. Hij is niet poreus en dus vorstbestendig. Bovendien heeft Blauwe Steen uit Henegouwen een hoge slijtweerstand en is hij bestand tegen chemische en
Functie: Prof. adres:
fysische invloeden.
. Te-
O m welke stadsvernieuwing het ook gaat, draag er een uitzonderlijke steen toe bij. Een steen van een kwaliteit die enkel onze Belgische grond ons kan geven: de echte Blauwe Steen uit Henegouwen.
alq
lefoon: Kruis een of verscheidene van de onderstaande vakjes aan: Ik wens zonder enige verplichting: • uw Technische documentatie ^J een telefonisch onderhoud met een van uw specialisten, • u te ontmoeten.
w
BLAUWE STEEN UIT HENEGOUWEN VOOR WIE IN DE TOEKOMST GELOOFT.
Carrières du Hainaut n.v. - rue de Cognebeau, 245 - 7060 Soignii Tel: 067/34 78 00 Fax 067/33 00 59 www.carrieresduhainaut.com E-mail. info@carrieresduhainaut.com
Ij