Uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/008
Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2020/008
DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Op 7 november 2019 dienden xxx, een verzoek in bij de Universiteit Gent, waarbij werd gevraagd om een afschrift te verlenen van het verslag, opgesteld door IDEWE, externe preventieadviseur van de Universiteit Gent, naar aanleiding van de risicoanalyse uitgevoerd in januari 2015. De Universiteit Gent heeft het openbaarheidsverzoek afgewezen met zijn beslissing d.d. 4 december 2019. Op 30 december 2019 dienden xxx beroep in bij de beroepsinstantie tegen de voormelde weigeringsbeslissing van de Universiteit Gent. Dit beroep werd geregistreerd op 6 januari 2020. Ontvankelijkheid van het beroep Het oorspronkelijk verzoek dateert van 7 november 2019. De weigeringsbeslissing van de Universiteit Gent dateert van 4 december 2019. Deze beslissing maakt melding van de beroepsmogelijkheid en -modaliteiten, zoals voorgeschreven in artikel II.43, §1, derde lid van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 (verder ‘Bestuursdecreet’).
www.vlaanderen.be
Op 30 december 2019 dienden de verzoekers beroep in tegen voormelde beslissing. Het ingediende beroep is bijgevolg tijdig. De beroepsinstantie kon zelf vaststellen dat het opgevraagde bestuursdocument (het verslag, opgesteld door IDEWE, naar aanleiding van de risicoanalyse psychosociale aspecten voor de Universiteit Gent, xxx) doorweven is van informatie van persoonlijke aard: het gaat om beschrijvingen van gedragingen van meerdere natuurlijke personen, waaronder verzoeker zelf, xxx. Daarnaast komen er ook heel wat gedragsbeschrijvingen en waardeoordelen van andere natuurlijke personen voor, die bij naam genoemd worden. Voor de openbaarmaking van informatie van persoonlijke aard moet de aanvrager, conform artikel II.40, ยง3, tweede lid van het Bestuursdecreet aantonen dat hij rechtstreeks en persoonlijk in zijn rechtssituatie kan worden geraakt door ofwel (1) de informatie, (2) de beslissing waarop de informatie betrekking heeft of (3) de beslissing ter voorbereiding waarvan het document dat de informatie bevat, werd opgesteld. In artikel II.40, ยง3, vierde lid van het Bestuursdecreet is voorzien dat het belang niet moet worden aangetoond als de informatie van persoonlijke aard betrekking heeft op de aanvrager zelf. Verzoeker beschikt dan ook over het decretaal vereiste belang om de informatie van persoonlijke aard op te vragen die voorkomt in het opgevraagde verslag met betrekking tot zichzelf. Het ingestelde beroep is dan ook ontvankelijk wat betreft de info in het opgevraagde verslag met betrekking tot verzoeker zelf. De beroepsinstantie moet vaststellen dat de aanvrager niet aantoont hoe hij persoonlijk en rechtstreeks in zijn rechtssituatie wordt geraakt door de informatie van persoonlijke aard die voorkomt in het opgevraagde verslag van IDEWE en die betrekking heeft op derden (andere personeelsleden bij de Universiteit Gent, xxx). Verzoeker mist derhalve het vereiste belang in concreto om de informatie van persoonlijke aard van andere natuurlijke personen die worden vermeld in het vermelde verslag op te vragen. Het feit dat verzoeker is verwikkeld in een conflict met de Universiteit Gent, dat ook heeft geleid tot een strafrechtelijke procedure (correctionele rechtszaak en uitspraak door Hof van Beroep, momenteel nog hangende bij Hof van Cassatie), is onvoldoende om het decretaal vereiste belang te kunnen aantonen voor dit openbaarheidsverzoek. Het nu opgevraagde verslag van IDEWE maakte ook geen deel uit van het strafdossier, daar er geen verband was tussen enerzijds de stafprocedure en anderzijds het nu opgevraagde IDEWE-verslag. Dit werd ook uitdrukkelijk gesteld in de uitspraak van het Hof van Beroep te Gent, waarbij het Hof niet inging op het verzoek van verzoeker om het nu opgevraagde verslag van IDEWE te laten voorleggen in het strafproces. De betrokken burgerlijke partijen uit het strafproces hebben nooit verwezen naar het nu opgevraagde verslag en verzoeker geeft op geen enkele wijze aan in hoeverre het opgevraagde verslag hem rechtstreeks en persoonlijk zou hebben geraakt in zijn rechtssituatie. Ook de politiediensten die het vooronderzoek hebben gedaan hebben het verslag van IDEWE niet toegevoegd aan het strafdossier. Het beroep wordt dan ook als onontvankelijk beschouwd met betrekking tot alle informatie die voorkomt in het opgevraagde IDEWE-verslag en die betrekking heeft op andere natuurlijke personen dan verzoeker zelf.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/008
pagina 2 van 6
Het ingediende beroep wordt dan ook slechts gedeeltelijk als ontvankelijk beschouwd: enkel voor de informatie in het opgevraagde verslag die betrekking heeft op verzoeker zelf. Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van ĂŠĂŠn of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.
1.
Bestreden beslissing
De universiteit Gent heeft een afschrift geweigerd van het verslag, opgesteld door IDEWE, naar aanleiding van de risicoanalyse psychosociale aspecten voor de Universiteit Gent, xxx, omwille van het feit dat verzoeker niet persoonlijk en rechtstreeks in zijn rechtssituatie wordt geraakt door het desbetreffende rapport van IDEWE. Bijkomend wordt ook verwezen naar de toepassing van de bepalingen uit de Welzijnswet van 4 augustus 1996, waardoor de daarin vermelde geheimhoudingsverplichting van kracht is.
2. Inhoud van het beroepschrift In het beroepschrift stelt verzoeker dat hij wel degelijk het vereiste belang heeft om het verslag op te vragen, daar hij betrokken is in een strafprocedure en een conflict met de Universiteit Gent en dat zijn rechten van verdediging worden geschonden door het niet openbaar maken van het opgevraagde verslag.
3. Toelichting door de Universiteit Gent De beroepsinstantie nam op 10 januari 2020 contact op met de Universiteit Gent om met kennis van zaken over het ingestelde beroep te kunnen oordelen. Bij mailbericht van 20 januari 2020 maakte de Universiteit Gent de gevraagde informatie over aan de beroepsinstantie, alsook strikt vertrouwelijk het opgevraagde IDEWE-verslag. Vooreerst stelt de Universiteit Gent dat verzoeker, xxx, niet het vereiste belang heeft om het gevraagde verslag van IDEWE op te vragen: het loutere feit dat hij verwikkeld is in een strafrechtelijke procedure volstaat daartoe immers niet. Voorts verwijst de Universiteit ook in bijkomende orde naar de toepassing van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (hierna vermeld als: Welzijnswet), waarin in artikel 32quinquiesdecies is voorzien in een geheimhoudingsverplichting.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/008
pagina 3 van 6
4. Standpunt van de beroepsinstantie De beroepsinstantie verwijst, wat betreft de argumentatie inzake de afwezigheid van het vereiste belang in hoofde van verzoeker, naar de uiteengezette redenering en motivering bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid van dit beroep. Het ingestelde beroep wordt dus enkel beoordeeld op zijn gegrondheid wat betreft de informatie in het opgevraagde verslag die betrekking heeft op verzoeker zelf. De beroepsinstantie verwijst naar de toepassing van artikel II.39 van het Bestuursdecreet dat bepaalt dat de uitzonderingen op het principe van de openbaarheid, die opgesomd zijn in het Bestuursdecreet (artikelen II.33 tot en met II.38), gelden met behoud van de toepassing van de andere uitzonderingen die bij de wet, het decreet of de ordonnantie bepaald zijn en die verband houden met de uitoefening van de bevoegdheden van de federale overheid of andere gemeenschappen of gewesten. Artikel 6 §2, 2° van de federale openbaarheidswet van 11 april 1994 bepaalt dat een vraag tot openbaarmaking van bestuursdocumenten wordt afgewezen wanneer de openbaarmaking afbreuk doet aan een bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting. Artikel 32quinquiesdecies van de Welzijnswet stelt zo’n geheimhoudingsverplichting in voor de preventieadviseur, met name het beroepsgeheim, door te bepalen: ‘De preventieadviseur bedoeld in artikel 32sexies, §1 en de vertrouwenspersonen zijn gehouden door het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek.’ Artikel 458 van het Strafwetboek bepaalt: ‘Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in recht of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd euro tot vijfhonderd euro.’ Er gelden weliswaar enkele in het voormelde wetsartikel (artikel 32 quinquiesdecies) voorziene afwijkingen, maar alle afwijkingen hebben betrekking op ofwel de informele psychosociale interventie, ofwel het verzoek van een werknemer tot formele psychosociale interventie. Naast de ingewonnen informatie, kon de beroepsinstantie ook zelf vaststellen dat het in casu gaat om een rapport van IDEWE, de externe preventieadviseur van de Universiteit Gent, dat betrekking heeft op een risicoanalyse van de specifieke arbeidssituatie binnen xxx. Er bestaan drie soorten risicoanalyses die uitgevoerd kunnen worden: (i) op het niveau van de volledige organisatie, (ii) omwille van een specifieke arbeidssituatie, of (iii) omwille van een informeel of formeel verzoek van een (individuele) werknemer. Het gaat dus in casu om een risicoanalyse in de zin van (ii) hierboven. Dergelijke risicoanalyse gebeurt onder meer wanneer men binnen een bepaalde dienst of afdeling van de onderneming een terugkerende conflictsituatie vaststelt. Deze risicoanalyse heeft in hoofdzaak betrekking op risico’s op collectief niveau.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/008
pagina 4 van 6
Het doel bestaat erin het collectieve gevaar uit te schakelen. Het uitvoeren van de hier opgevraagde voormelde risicoanalyse gebeurde op vraag van de Rector van de Universiteit Gent. Het resultaat van een dergelijke risicoanalyse heeft geen betrekking op de situatie van (bepaalde) individuen, maar is bedoeld om de psychosociale belasting binnen xxx objectief te evalueren (hetgeen is gebeurd via een gestructureerde individuele bevraging van in totaal 28 medewerkers). Op basis van het rapport treft de werkgever ten aanzien van de specifieke arbeidssituatie de geschikte collectieve en individuele preventiemaatregelen. De gemaakte risicoanalyse is dus niet het gevolg van een formeel of informeel verzoek van een individuele werknemer. Artikel 32sexiesdecies van de Welzijnswet bepaalt dat de werkgever uitsluitend aan volgende personen een afschrift van het advies van de preventieadviseur, bedoeld in artikel 32quinquiesdecies, tweede lid, 2°, c), bezorgt: 1. de werknemer t.a.v. wie de werkgever in toepassing van dit hoofdstuk overweegt maatregelen te nemen die de arbeidsvoorwaarden van de werknemer kunnen wijzigen; 2. de persoon die een verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk heeft ingediend, of de in het verzoek vermelde aangeklaagde, in de hypothese dat zij overwegen een rechtsvordering in te stellen. Voormeld wetsartikel verwijst naar het advies zoals bedoeld in artikel 32quinquiesdecies, tweede lid, 2°, c) van de Welzijnswet, welke luidt: “2° In het kader van het onderzoek van het verzoek van een werknemer tot formele psychosociale interventie: (…) c) overhandigt de preventieadviseur een schriftelijk advies dat handelt over de resultaten van het onpartijdig onderzoek van het verzoek en waarvan de inhoud wordt vastgesteld door de Koning, aan de werkgever en aan de vertrouwenspersoon wanneer hij op informele wijze in dezelfde situatie is tussengekomen. (…)” Het samen lezen van deze beide wetsartikels leidt tot de conclusie dat deze bepalingen enkel betrekking hebben op de verzoeken tot formele psychosociale interventie. En aangezien artikel 32sexiesdecies van de Welzijnswet stelt dat de werkgever uitsluitend in dat geval (en de nader gespecificeerde omstandigheden) aan voormelde personen een afschrift van het betrokken advies (verslag) bezorgt, moet de beroepsinstantie dan ook concluderen dat de hiervoor vermelde geheimhoudingsplicht van artikel 32quinquiesdecies van de Welzijnswet wel degelijk van kracht is in dit geval, daar het hier gaat om een risicoanalyse omwille van een specifieke arbeidssituatie, op uitdrukkelijk verzoek van de werkgever zelf. Het gaat dus helemaal niet om een verzoek tot formele psychosociale interventie. Vanuit de Universiteit Gent werd ook nog meegedeeld aan de beroepsinstantie dat er een algemene terugkoppeling is gebeurd naar alle medewerkers naar aanleiding van de gemaakte risicoanalyse.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/008
pagina 5 van 6
De beroepsinstantie moet dan ook vaststellen dat er in casu moet verwezen worden naar de toepassing van artikel 6, §2, 2° van de wet van 11 april 1994, in samenhang met de wettelijke geheimhoudingsverplichting zoals deze is voorzien in artikel 32quinquiesdecies van de Welzijnswet. Het ingestelde beroep wordt dan ook als ongegrond beschouwd. Na beraadslaging,
BESLUIT: Het beroepschrift van xxx, d.d. 30 december 2019 tegen de weigeringsbeslissing van de Universiteit Gent wordt als gedeeltelijk onontvankelijk en gedeeltelijk ontvankelijk doch ongegrond beschouwd. Brussel, 5 februari 2020 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur,
Bruno ASSCHERICKX Voorzitter
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/008
pagina 6 van 6