Skip to main content

Onderwijsspiegel_2018.pdf

Page 1

ON DER WIJS SPIE GEL 2018 JAARLIJKS RAPPORT

VAN DE ONDERWIJSINSPECTIE


COLOFON Samenstelling: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming Onderwijsinspectie ProductcoÜrdinatie: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming Afdeling Communicatie Verantwoordelijke uitgever: Lieven Viaene, inspecteur-generaal Koning Albert II-laan 15, 1210 Brussel Grafische vormgeving: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming Afdeling Communicatie Naar een concept van Heidi Reyniers Red Spot bvba Drukwerk: Drukkerij Triakon Foto’s: Thinkstock Wettelijk depot: D/2018/3241/097 Copyright: Niets uit deze publicatie mag worden gekopieerd of op een andere wijze worden verspreid zonder bronvermelding.


INHOUDSTAFEL Voorwoord

4

Deel 1 | Doorlichtingen en schoolfeedback

7 8 8 8 10 32 36 37 39 41 41 42 75 78 81 81 85 87 89 89 89 95 101 120

Deel 2 | Onderzoeken in de kijker

125 126

130

1 De doorlichtingen in 2016-2017 1.1 Doorlichtingen en adviezen 1.1.1 Van vooronderzoek tot advies 1.1.2 Onderwijsdoelstellingen in de doorlichtingsfocus 1.1.3 Procesvariabelen in de doorlichtingsfocus 1.1.4 Erkenningsvoorwaarde bewoonbaarheid, veiligheid en hygiĂŤne 1.2 Opvolgingsdoorlichtingen 1.3 Paritaire colleges 2 Doorlichtingsronde 3 in cijfers 2.1 Doorlichtingen en adviezen 2.1.1 De erkenningsvoorwaarde onderwijsdoelstellingen 2.1.2 De kwaliteit van de onderzochte processen 2.1.3 De erkenningsvoorwaarde bewoonbaarheid, veiligheid en hygiĂŤne 2.1.4 De overige erkenningsvoorwaarden 2.2 Opvolgingsdoorlichtingen 2.3 Paritaire colleges 2.4 Tot slot 3 Schoolfeedback uit de derde doorlichtingsronde als inspiratiebron voor Inspectie 2.0 3.1 Doel en opzet van dit overzicht 3.2 Bronnen 3.3 Invloed van de doorlichtingen 3.4 Tevredenheid en feedback van de scholen 3.5 Welke elementen van feedback waren inspirerend voor de vormgeving van Inspectie 2.0?

1 De kwaliteit van de leerlingenbegeleiding in de basisscholen en in de eerste graad secundair onderwijs 2 Lichamelijke opvoeding in het basisonderwijs

Deel 3 | Enkele andere opdrachten van de onderwijsinspectie

1 Overzicht van de andere opdrachten 2 Evaluatie van de examencommissie secundair onderwijs 3 Voeren scholen een kwaliteitsvol gelijkeonderwijskansenbeleid? Controle van de vijfde GOK-cyclus in het so en de derde GOK-cyclus in het bubao en buso

135 136 137 141

Deel 4 | Een blik op de toekomst

1 Inspectie 2.0: de toekomst start nu

147 148


[4]

Beste lezer, Voor jou ligt de Onderwijsspiegel van 2018. Zoals artikel 34 van het kwaliteitsdecreet van 8 mei 2009 vraagt, rapporteren we in ons jaarverslag over de resultaten van de doorlichtingen van het afgelopen schooljaar en brengen we verslag uit over een aantal thematische onderzoeken die de onderwijsinspectie uitvoerde. Deel 1 De Onderwijsspiegel steekt van wal met een overzicht van de resultaten van de doorlichtingen van het schooljaar 2016-2017. De onderwijsinspectie rondde hiermee de doorlichtingsronde 3 af. We brengen in deze Onderwijsspiegel een overzicht van deze hele doorlichtingsronde. En hoe hebben scholen, centra en academies deze doorlichtingen ervaren? De schoolfeedback die we in de loop van ronde 3 verzamelden geeft ons hier een antwoord op en vormde ook een rijke inspiratiebron voor Inspectie 2.0. Deel 2 Het tweede deel zet de onderzoeken leerlingenbegeleiding en lichamelijke opvoeding in de kijker. Hoe kwaliteitsvol is de leerlingenbegeleiding in de basisscholen en in de eerste graad secundair onderwijs? Het merendeel van de bezochte scholen is alvast op de goede weg, maar de uitdaging is groot. Om de kwaliteit te borgen en te optimaliseren is het nodig om in te zetten op de verschillende aspecten van kwaliteitsontwikkeling. Bewust werk maken van kwaliteitszorg blijft moeilijk. Met de bereidheid tot veranderen zit het goed in de bezochte scholen, leren van elkaars expertise is minder evident. En hoe is het gesteld met lichamelijke opvoeding in het basisonderwijs? De meeste scholen voldoen aan de minimumverwachtingen. Het onderzoek legt ook bloot waar er ruimte is voor meer ambitie. Niet alle ontwikkelingsdoelen en eindtermen worden immers voldoende evenwichtig, met voldoende diepgang en in voldoende samenhang nagestreefd/bereikt. Een cultuur van kwaliteitsontwikkeling ondersteunt het LOonderwijs nog te weinig.


[5]

Deel 3 Het derde deel geeft een overzicht van de andere opdrachten van de onderwijsinspectie en zoomt in op de evaluatie van de examencommissie secundair onderwijs en de kwaliteit van het gelijkeonderwijskansenbeleid dat scholen gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en buitengewoon basisonderwijs voeren. Deel 4 Op 1 september 2018 gaat de vernieuwde doorlichting mĂŠt juridische consequentie van start. We kijken in deel 4 naar deze toekomst ĂŠn blikken kort terug op het in 2016-2017 afgelegde voorbereidende traject. Het was opnieuw een jaar van intensief en constructief samenwerken met de verschillende onderwijspartners. Leren als rode draad Kwaliteitsvol onderwijs is belangrijk, maar ook in Vlaanderen niet altijd een evidentie. Meerdere partners nemen hierin hun verantwoordelijkheid. Om de dialoog tussen deze partners te optimaliseren werd het referentiekader voor Onderwijskwaliteit (OK) ontwikkeld. We hopen dat het OK scholen, centra en academies aanmoedigt om (nog meer) te reflecteren over het onderwijs dat ze bieden. En dit alles met de lerende als centrale figuur voor ogen. Uit de contacten met scholen, leraren, directeurs en andere onderwijspartners leren we als organisatie zeer veel. Maar ook uit de feedback die de scholen ons geven na een doorlichting valt veel te leren. We willen met Inspectie 2.0 nieuwe stappen zetten om scholen, centra en academies ook in de toekomst een eerlijke spiegel te blijven voorhouden en hen te inspireren en motiveren voor een kwaliteitsvol Vlaams onderwijs. Veel leesplezier!


© iStock | Thinkstock


ON DER WIJS SPIE GEL

[7]

DEEL 1 DOORLICHTINGEN


[

DEEL 1

[8]

DOORLICHTINGEN EN SCHOOLFEEDBACK

1 De doorlichtingen in 2016-2017

[

In dit luik van de Onderwijsspiegel rapporteren we over de doorlichtingen, opvolgingen en paritaire colleges die plaatsvonden tijdens het schooljaar 2016-2017. Tijdens een doorlichting gaat de onderwijsinspectie na of de onderwijsinstelling de onderwijsreglementering respecteert en of ze op systematische wijze haar eigen kwaliteit onderzoekt en bewaakt. We brengen een overzicht van de uitgereikte adviezen voor de onderwijsdoelstellingen en focussen vervolgens op de resultaten van het onderzoek onderwijsdoelstellingen in de verschillende onderwijsniveaus. We rapporteren aan de hand van de onderzochte processen over de mate waarin de scholen de eigen kwaliteit onderzoeken en bewaken. We sluiten onze rapportage over de doorlichtingen af met een overzicht van de adviezen voor bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne. De resultaten van de opvolgingsdoorlichtingen en de paritaire colleges die in het schooljaar 2016-2017 plaatsvonden maken het jaaroverzicht volledig.

1.1 Doorlichtingen en adviezen 1.1.1 Van vooronderzoek tot advies Op basis van artikel 38 van het decreet betreffende de kwaliteit van onderwijs (8 mei 2009) licht de onderwijsinspectie jaarlijks een selectie van Vlaamse onderwijsinstellingen door. Deze selectie houdt rekening met de verhouding van netten en koepels en met de geografie van de scholen1. Voorts is de

jaarlijkse selectie van de door te lichten scholen gebaseerd op de scholengemeenschappen. In onderstaande figuur vind je de samenstelling van de steekproef van de doorgelichte onderwijsinstellingen voor het schooljaar 2016-2017.

1 Met het begrip ‘school’ verwijzen we telkens naar school, academie en centrum. De onderwijsinspectie deelt de scholen in naargelang hun ligging in het Brussels hoofdstedelijk gewest (1), centrumsteden (2) of andere (3).


[9]

2016-2017 Regio

Andere

GO!

Officieel gesubsidieerd onderwijs

Vrij gesubsidieerd onderwijs

Totaal

BHG

1

5

2

1

9

Centrumstad

6

19

12

46

83

Andere

5

35

49

198

287

Totaal

12

59

63

245

379

Figuur 1: Spreiding van de doorlichtingen over de regio’s en de onderwijsnetten (2016-2017).

Een doorlichting van doorlichtingsronde 3 2 verloopt in drie fasen. Tijdens het vooronderzoek bekijkt het inspectieteam de gehele onderwijsinstelling aan de hand van het CIPO-referentiekader. De onderwijsinspecteurs maken een inschatting van de sterke en zwakke punten en bepalen op basis van deze inschatting en het profiel van de instelling de doorlichtingsfocus. De doorlichtingsfocus bevat een selectie van een aantal onderwijsdoelstellingen en procesvariabelen. Die worden tijdens de doorlichtingsfase grondig onderzocht. De doorlichting eindigt met een verslag waarin de onderwijsinspectie een advies uitbrengt over de verdere erkenning. Ze kan drie adviezen uitbrengen: gunstig (advies 1), beperkt gunstig (advies 2) en ongunstig (advies 3). Bij een beperkt gunstig advies volgt na drie jaar een opvolgingsdoorlichting waarin de onderwijsinspectie nagaat of de onderwijsinstelling de vastgestelde

tekorten heeft weggewerkt. Bij een ongunstig advies voor de hele onderwijsinstelling of voor afzonderlijke structuuronderdelen wordt de procedure tot intrekking van erkenning opgestart. Om die procedure op te schorten kan de onderwijsinstelling een verbeteringsplan indienen. Met de start van de vierde doorlichtingsronde verandert deze systematiek: meer info hierover vind je in deel 4 van deze Onderwijsspiegel. In dit luik spitsen we ons toe op de erkenningsvoorwaarde met betrekking tot de onderwijsdoelstellingen. De figuren geven dus telkens de onderwijskundige adviezen weer. Voor de erkenningsvoorwaarde bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne (BVH) geeft de onderwijsinspectie een afzonderlijk advies (zie 1.1.4).

2 Een doorlichtingsronde is een cyclus van doorlichtingen waarin de onderwijsinspectie alle scholen, centra en academies minstens één maal controleert.


[ 10 ]

Aantal doorgelichte onderwijsinstellingen

Advies 1

Advies 2

Advies 3

bao

186

114

66

6

bubao

15

8

6

1

buso

13

8

4

1

CLB

15

9

6

0

CVO

5

3

2

0

dbso

4

1

2

1

dko

17

6

10

1

so

123

45

77

1

Syntra (leertijd) Totaal

1

0

1

0

379

194 (51 %)

174 (46 %)

11 (3 %)

Figuur 2: Aantal doorgelichte onderwijsinstellingen en adviezen (2016-2017).

In het schooljaar 2016-2017 voerde de onderwijsinspectie 379 doorlichtingen uit in de diverse onderwijsniveaus.3 51 % van de scholen krijgt een gunstig advies voor de onderwijsdoelstellingen. 3 % van de instellingen ontvangt een ongunstig advies. De overige 46 % van doorlichtingen leiden tot een beperkt

gunstig advies. Een overzicht van en een vergelijking met de adviezen voor de periode januari 2009 tot en met juni 2017 - per schooljaar en onderwijsniveau - vind je in het luik ‘Doorlichtingsronde 3 in cijfers’.

1.1.2 Onderwijsdoelstellingen in de doorlichtingsfocus Het basisonderwijs Overzicht adviezen Schooljaar 2016-2017

Aantal doorgelichte scholen

Advies 1

Advies 2

Advies 3

186

114

66

6

Figuur 3: Aantal doorgelichte scholen basisonderwijs en adviezen (2016-2017).

Van de 186 doorgelichte scholen krijgen er 114 (61 %) een gunstig advies (advies 1). In 66 scholen (35 %) sluit de doorlichting af met een beperkt gunstig advies (advies 2). Zes basisscholen (3 %) krijgen een

ongunstig advies (advies 3). De twee voorgaande schooljaren was de verhouding tussen de adviezen sterk gelijklopend.

3 Er werd in het schooljaar 2016-2017 geen enkel centrum voor basiseducatie doorgelicht.


[ 11 ]

Onderwijsdoelen Bij een doorlichting in het gewoon basisonderwijs plaatsen de onderwijsinspecteurs ten minste twee leergebieden en/of leergebiedoverschrijdende thema’s in de doorlichtingsfocus. Dit gebeurt zowel in het kleuter- als in het lager onderwijs. Tijdens het erkenningsonderzoek gaat het inspectieteam na of de kwaliteit van het leergebied / leergebiedoverschrijdend thema dat in de doorlichtingsfocus staat wel of niet voldoet. In het basisonderwijs onderzoekt de onderwijsinspectie of het schoolteam de eindtermen en de ontwikkelingsdoelen voldoende bereikt, respectievelijk nastreeft en of de leraren daarvoor de leerplannen toepassen.

Onderwijsaanbod Kleuteronderwijs

Nederlands, muzische vorming, wiskundige initiatie (kleuteronderwijs) / wiskunde (lager onderwijs) en de in het schooljaar 2015-2016 geïntroduceerde leergebieden ‘mens en maatschappij’ en ‘wetenschappen en techniek’ worden vaak doorgelicht. Een aantal leergebieden zoals Frans en lichamelijke opvoeding en de leergebiedoverschrijdende thema’s worden minder in de doorlichtingsfocus geplaatst. Dit vraagt om enige voorzichtigheid bij de interpretatie van de cijfers in kwestie. De leergebiedoverschrijdende thema’s komen wel geïntegreerd aan bod tijdens het onderzoek van de leergebieden in de doorlichtingsfocus. Aantal keer in % Voldoet % doorlichtings- Voldoet voldoet niet voldoet focus niet 409

344

65

84 %

16 %

Lichamelijke opvoeding

13

10

3

77 %

23 %

Mens en maatschappij

72

65

7

90 %

10 %

Muzische vorming

81

66

15

81 %

19 %

Nederlands

99

82

17

83 %

17 %

Wetenschappen en techniek

73

66

7

90 %

10 %

Wiskundige initiatie

71

55

16

77 %

23 %

Lager onderwijs

421

315

106

75 %

25 %

Frans

9

7

2

78 %

22 %

Leergebiedoverschrijdend thema ICT

8

4

4

50 %

50 %

Leergebiedoverschrijdend thema 'leren leren'

3

3

0

100 %

0 %

Leergebiedoverschrijdend thema sociale vaardigheden

2

1

1

50 %

50 %

Lichamelijke opvoeding

9

7

2

78 %

22 %

Mens en maatschappij

78

59

19

76 %

24 % 47 %

Muzische vorming

77

41

36

53 %

Nederlands

86

73

13

85 %

15 %

Wetenschappen en techniek

77

56

21

73 %

27 %

Wiskunde Totaal voor het basisonderwijs

72

64

8

89 %

11 %

830

659

171

79 %

21 %

Figuur 4: Aantal keren dat een leergebied of leergebiedoverschrijdend thema in het basisonderwijs werd onderzocht en al dan niet voldeed (2016-2017).


[ 12 ]

In het kleuteronderwijs voldoen in het schooljaar 2016-2017 de onderzochte leergebieden gemiddeld in bijna 85 % van de gevallen. Het beeld van het schooljaar 2016-2017 is erg gelijklopend met dat van het schooljaar 2015-2016. Wiskundige initiatie resulteert in het schooljaar 2016-2017 in 77 % voldoendes. Nederlands en muzische vorming voldoen in ongeveer 80 % van de gevallen. De leergebieden ‘mens en maatschappij’ en ‘wetenschappen en techniek’ voldoen 90 % van de keren dat ze onderzocht werden. Deze leergebieden vervangen vanaf het schooljaar 2015-2016 het vroegere leergebied wereldoriëntatie, dat 80 % voldoendes behaalde in het schooljaar 2014-2015. In het lager onderwijs voldoen in het schooljaar 2016-2017 gemiddeld 75 % van de onderzochte leergebieden en leergebiedoverschrijdende thema’s (76 % in het schooljaar 2015-2016). We zien in het lager onderwijs een meer divers beeld dan in het kleuteronderwijs. De resultaten voor de leergebie-

den Nederlands en wiskunde zijn vrij stabiel met een 85 à 90 % voldoendes. De leergebieden ‘mens en maatschappij’ en ‘wetenschappen en techniek’ krijgen net zoals voorgaand schooljaar ongeveer 75 % voldoendes, het vroegere leergebied wereldoriëntatie kreeg in 2014-2015 69 % voldoendes. Muzische vorming krijgt dit schooljaar in 53 % van de gevallen een voldoende. De positieve tendens die zich de voorgaande schooljaren aftekende voor muzische vorming, zet zich in het schooljaar 2016-2017 dus niet door. Frans en lichamelijke opvoeding werden beide negenmaal onderzocht en krijgen elk zevenmaal een voldoende. Meer informatie over de kwaliteit van het leergebied lichamelijke opvoeding in het basisonderwijs vind je in deel 2 van deze Onderwijsspiegel. Het leergebiedoverschrijdend thema ICT voldoet vier van de acht keer dat het is doorgelicht, ‘leren leren’ werd driemaal doorgelicht en voldoet telkens, ‘sociale vaardigheden’ voldoet één keer wel en één keer niet.

Conclusie De resultaten voor 2016-2017 zijn grotendeels vergelijkbaar met wat we vorige schooljaren vaststelden. Een ruime meerderheid van de onderzochte leergebieden voldoet. Het aantal voldoendes in het kleuteronderwijs ligt iets hoger dan in het lager onderwijs. In het kleuteronderwijs zien we vrij evenwichtige resultaten voor de verschillende onderzochte leergebieden. Voor het lager onderwijs zien we meer variatie tussen de leergebieden. Nederlands en wiskunde

boeken relatief sterke resultaten. De leergebieden ‘mens en maatschappij’ en ‘wetenschappen en techniek’ behalen ook in het schooljaar 2016-2017 iets positievere resultaten dan het vroegere leergebied wereldoriëntatie. Diepgaander onderzoek is nodig om de effecten van de introductie van de nieuwe leergebieden in kaart te brengen. Tot slot kunnen scholen voor muzische vorming nog steeds meer inzetten op de kwaliteit van het aanbod en de evaluatie.

Het buitengewoon basisonderwijs Overzicht adviezen Schooljaar 2016-2017

Aantal doorgelichte scholen

Advies 1

Advies 2

Advies 3

15

8

6

1

Figuur 5: Aantal doorgelichte scholen buitengewoon basisonderwijs en adviezen (2016-2017).


[ 13 ]

In het buitengewoon basisonderwijs lichtte de onderwijsinspectie in het schooljaar 2016-2017 vijftien onderwijsinstellingen door. Acht scholen krijgen een gunstig advies, zes scholen een gunstig advies beperkt in de tijd. Eén school krijgt een ongunstig advies.

lingsplanmatig nastreven van ontwikkelingsdoelen binnen één of meerdere onderzochte leergebieden. De tendens van de schooljaren 2012-2013 tot en met 2014-2015 wordt hier verdergezet na een hoger aantal beperkt gunstige en ongunstige adviezen in 20152016.

In het schooljaar 2016-2017 voldoet bijna de helft van de doorgelichte scholen niet aan het hande-

Onderwijsdoelen Tijdens het erkenningsonderzoek onderzoekt de onderwijsinspectie de kwaliteit van het handelingsplanmatig nastreven van de ontwikkelingsdoelen voor de leergebieden in de doorlichtingsfocus. Zij gaat na in welke mate de school relevante (ontwikkelings-) doelen handelingsplanmatig selecteert, nastreeft en evalueert om vervolgens een nieuwe beginsituatie te bepalen in functie van de opvoedings- en de onderwijsbehoeften van de leerling of leerlingengroep.

Veel scholen organiseren meer dan één type van buitengewoon onderwijs. De onderwijsinspectie geeft de scholen een advies per type en/of per structuuronderdeel (kleuteronderwijs/lager onderwijs). Scholen kunnen dan ook verschillende adviezen krijgen naargelang het type onderwijs en/of het structuuronderdeel. Tijdens het schooljaar 2016-2017 lichtte de onderwijsinspectie in totaal 25 keer een onderwijstype door in vijftien scholen.

Veranderde context naar aanleiding van het M-decreet Sinds 1 september 2015 kent het buitengewoon basisonderwijs twee nieuwe onderwijstypes: het type basisaanbod en het type 9. Naar aanleiding van het decreet betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften (het M-decreet) worden de types 1 (leerlingen met een licht verstandelijke beperking) en 8 (leerlingen met een leerstoornis) afgebouwd. Het type basisaanbod vervangt deze types en richt zich tot leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften voor wie het gemeenschappelijk curriculum met redelijke aanpassingen niet haalbaar is in een school voor gewoon onderwijs. Bijgevolg voorzag de onderwijsinspectie voor het type basisaanbod geen implementatietijd en nam ze het type basis-

aanbod vanaf het schooljaar 2015-2016 mee in het onderzoek naar het al dan niet voldoen aan de onderwijsdoelstellingen. Eveneens naar aanleiding van het M-decreet startten heel wat scholen vanaf 1 september 2015 met het nieuwe type 9 (leerlingen met een autismespectrumstoornis en zonder verstandelijke beperking). De onderwijsinspectie respecteerde voor het type 9-onderwijs een implementatietijd van één schooljaar. Bijgevolg nam ze de specifieke type 9-werking vanaf het schooljaar 2016-2017 mee in het onderzoek dat ze voert voor het bepalen van het advies.


[ 14 ]

Types en leergebieden in de door- Aantal scholen waarin het Aantal voldoendes per lichtingsfocus type doorgelicht werd leergebied Type 3

4

Aantal onvoldoendes per leergebied

0

9

ICT

0

1

Leren leren

0

1

Nederlands

0

2

Sociaal-emotionele ontwikkeling

0

3

Wereldoriëntatie

0

1

Wiskunde

0

1

10

2

Leren leren

0

1

Nederlands

5

1

Wereldoriëntatie

1

0

Wiskunde

4

0

Type 5

Type 9

6

4

11

ICT

0

1

Leren leren

0

1

Nederlands

0

3

Sociaal-emotionele ontwikkeling

1

3

Wereldoriëntatie

1

2

Wiskunde

2

1

6

11

ICT

0

1

Leren leren

1

1

Nederlands

1

4

Sociaal-emotionele ontwikkeling

1

3

Wereldoriëntatie

1

2

Wiskunde

2

0

20

33

38 %

62 %

Type basisaanbod

TOTAAL

7

8

25

Figuur 6: Aantal keren dat een geselecteerd item in het buitengewoon basisonderwijs werd onderzocht en al dan niet voldeed (2016-2017).


[ 15 ]

Tijdens het schooljaar 2016-2017 werden voornamelijk de nieuwe types basisaanbod en 9 en daarnaast alle scholen met een type 5-aanbod (voor kinderen in een ziekenhuis, een preventorium of een residentiële setting) en enkele scholen met type 3 (voor kinderen met een emotionele of een gedragsstoornis en zonder verstandelijke beperking) doorgelicht. De meeste bezochte scholen bieden een combinatie van type basisaanbod en/of type 9 en/of type 3 aan. Het type 5-onderwijs krijgt opvallend veel voldoendes vergeleken met de andere onderzochte types. Het gaat om overwegend zeer sterke scholen met een diverse populatie waar het schoolteam op maat inspeelt op specifieke opvoedings- en onderwijsbehoeften. Er wordt sterk ingezet op professionalisering in deze scholen en de afstemming met externe partners in functie van een optimale begeleiding en ondersteuning van de individuele leerling gebeurt er uitstekend. In het onderzochte type 3-onderwijs krijgt geen enkel onderzocht leergebied een voldoende en in het type basisaanbod en type 9 behalen de onderzochte leergebieden overwegend onvoldoendes. In de meerderheid van de bezochte scholen die type 3, type 9 en type basisaanbod inrichten, stelt de onderwijsinspectie een weinig functionele benade-

ring vast van het handelingsplanmatig nastreven van ontwikkelingsdoelen, waardoor de school niet gepast inspeelt op de specifieke opvoedings- en onderwijsbehoeften van de leerlingen. Te vaak zetten scholen te eenzijdig in op technisch-cognitieve aspecten en te weinig op functionele vaardigheden. De klemtoon op de technisch-cognitieve aspecten binnen het onderwijsaanbod gaat meestal samen met een gebrek aan aandacht voor vaardigheden en attitudes. De resultaten voor het type basisaanbod van het schooljaar 2016-2017 sluiten aan bij deze van de voorgaande jaren. Zo wezen we in de Onderwijsspiegel 2016 al op de te weinig expliciete en doelgerichte aandacht voor ’leren leren’ in het type basisaanbod, wat nochtans essentieel is gezien de specifieke opvoedings- en onderwijsbehoeften van de leerlingen. In het schooljaar 2016-2017 stellen we vast dat er in het merendeel van de bezochte scholen type 3, type 9 en type basisaanbod weinig doelgericht aandacht wordt besteed aan het leergebied sociaal-emotionele ontwikkeling. Net zoals het leergebied ‘leren leren’ heeft sociaal-emotionele ontwikkeling een hefboomfunctie om passend onderwijs te voorzien voor de leerlingen.

Conclusie De onderwijsinspectie stelt voor het buitengewoon basisonderwijs vast dat in het schooljaar 2016-2017 bijna de helft van de onderzochte scholen niet voldoet aan de decretale verwachting betreffende handelingsplanning waarbij passende ontwikkelingsdoelen geselecteerd en nagestreefd worden voor een leerling of leerlingengroep. In datzelfde schooljaar voldoet 38 % van de onderzochte leergebieden.

Vele van de onderzochte scholen met type basisaanbod, type 9 en type 3 staan aan het begin van een ontwikkelingstraject bij de implementatie van het handelingsplanmatig nastreven van ontwikkelingsdoelen. Schoolteams binnen het type 5-onderwijs doen het daarentegen opvallend goed: zij weten sterk in te spelen op de opvoedings- en onderwijsbehoeften van het diverse leerlingenpubliek en zetten hiervoor interne en externe expertise overdacht in.


[ 16 ]

Het buitengewoon secundair onderwijs Overzicht adviezen Schooljaar

Aantal doorgelichte scholen

Advies 1

Advies 2

Advies 3

13

8

4

1

2016-2017

Figuur 7: Aantal doorgelichte scholen buitengewoon secundair onderwijs en adviezen (2016-2017).

Van de dertien doorgelichte scholen voor buitengewoon secundair onderwijs krijgen er acht een gunstig advies. In vier scholen werd de doorlichting

afgesloten met een gunstig advies beperkt in de tijd. EĂŠn school uit de steekproef krijgt een ongunstig advies.

Onderwijsdoelen Aantal keer in de doorlichtingsfocus

Voldoet

Voldoet niet

7

5

2

1

1

0

Beroepsgerichte Vorming

4

2

2

Totaal Opleidingsvorm 2

5

3

2

Algemene en Sociale vorming

1

0

1

Beroepsgerichte Vorming

8

8

0

Totaal Opleidingsvorm 3

9

8

1

Onderzochte structuuronderdelen ziekenhuisscholen

4

4

0

Onderzochte structuuronderdelen andere scholen

11

8

3

Totaal Opleidingsvorm 4

15

12

3

Eindtotaal

36

28

8

Curriculum Opleidingsvorm 1 Algemene en Sociale Vorming Opleidingsvorm 2 Algemene en Sociale Vorming

Opleidingsvorm 3

Opleidingsvorm 4

Figuur 8: Aantal keren dat een geselecteerd item in het buitengewoon secundair onderwijs onderzocht werd en al dan niet voldeed (2016-2017).


[ 17 ]

In de dertien doorgelichte scholen onderzocht de onderwijsinspectie 36 opleidingsonderdelen. Het merendeel hiervan voldoet. - Zeven scholen kregen in opleidingsvorm 1 een doorlichting van de Algemene en Sociale Vorming. Die vorming voldoet aan de onderwijsdoelen in vijf van de onderzochte scholen. Scholen die voldoen aan de onderwijsdoelstellingen geven onderwijs op maat dat gericht is op maatschappelijk functioneren en participeren in een omgeving die hiervoor gepaste ondersteuning biedt. Deze scholen hebben ook een aanbod op maat dat voorbereidt op arbeidsdeelname in een omgeving met ondersteuning. Dit kan bijvoorbeeld vrijwilligerswerk zijn of atelierwerk in een voorziening voor volwassenen met een handicap. Het M-decreet maakte het vanaf 2014 officieel mogelijk een dergelijk aanbod op maat te voorzien. De meeste scholen hebben een dergelijk aanbod opgenomen in hun werking. - Vijf scholen kregen een doorlichting in opleidingsvorm 2: drie van de vijf onderzochte opleidingsonderdelen voldoen aan de onderwijsdoelstellingen. In opleidingsonderdelen die niet voldoen is er te weinig aandacht voor onderwijs op maat dat

Conclusie Het aantal onderzochte scholen is beperkt. We zijn daarom voorzichtig met onze conclusies. De resultaten zijn immers erg veranderlijk van schooljaar tot schooljaar.4 In de meerderheid van de scholen met opleidingsvorm 1 die we de laatste vier schooljaren bezochten is de handelingsplanmatige aanpak kwaliteitsvol: gericht op onderwijs op maat en op

voorbereidt op maatschappelijk functioneren en participeren en/of op tewerkstelling in een omgeving die hiervoor de gepaste ondersteuning biedt. De handelingsplanning verloopt in deze scholen niet optimaal. - In twee scholen met een aanbod voor opleidingsvorm 3 zijn in totaal negen opleidingsonderdelen onderzocht. Daarvan voldoen acht onderdelen. Het onderwijs in deze onderdelen bereidt de leerlingen goed voor op maatschappelijke participatie en op arbeidsdeelname in een gewoon leefen arbeidsmilieu. Het onderdeel dat niet voldoet, slaagt er niet in om onderwijs op maat aan te bieden via het proces van handelingsplanning. - In zeven scholen met een aanbod voor opleidingsvorm 4 onderzocht de onderwijsinspectie in totaal vijftien structuuronderdelen: twaalf hiervan voldoen. In de drie structuuronderdelen die niet voldoen is het onderwijsaanbod onvoldoende afgestemd op de leerplandoelen. De ziekenhuisscholen in het buitengewoon secundair onderwijs scoren net zoals deze in het basisonderwijs opvallend sterk dankzij hun kwaliteitsvolle handelingsplanning.

de einddoelstelling. In dezelfde periode bleek in de andere opleidingsvormen de handelingsplanmatige aanpak nog niet altijd voldoende gericht op de gewenste opleidingsresultaten. Handelingsplanning gericht op onderwijs op maat blijft een belangrijk aandachtspunt.

4 In luik 2.1.1 vind je meer info over de resultaten van de doorlichtingen in de verschillende onderwijsvormen voor de schooljaren 20132014 tot en met 2016-2017.


[ 18 ]

De centra voor leerlingenbegeleiding Overzicht adviezen Schooljaar

Aantal doorgelichte centra

Advies 1

Advies 2

Advies 3

15

9

6

0

2016-2017

Figuur 9: Aantal doorgelichte centra voor leerlingenbegeleiding en adviezen (2016-2017).

Van de vijftien doorgelichte centra krijgen er negen een gunstig advies (advies 1). In zes centra wordt de doorlichting afgesloten met een beperkt gunstig

advies (advies 2). Geen enkel doorgelicht centrum krijgt een ongunstig advies (advies 3).

CLB-opdrachten CLB-opdrachten

Aantal keer in de doorlichtingsfocus

Voldoet

Voldoet niet

Afwezigheidsproblemen

15

13

2

Algemene consulten

6

5

1

Definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel voorkomen

6

5

1

Gerichte consulten

9

7

2

Kwaliteitsbeleid conform hoofdstuk XI DCLB

15

10

5

Participatie aan gestructureerd overleg

10

8

2

Projecten gericht op het beleid rond prioritaire doelgroepen

15

13

2

Totaal

76

61

15

Figuur 10: Overzicht onderzochte CLB-opdrachten (2016-2017).

De CLB’s voeren over het algemeen het merendeel van hun opdrachten voldoende kwaliteitsvol uit: in het schooljaar 2016-2017 krijgen 80 % van de onderzochte opdrachten na de doorlichting een beoordeling ‘voldoet’.

schooljaar 2016-2017 een voldoende. Centra kunnen nog stappen zetten op vlak van een gestructureerd en systematisch kwaliteitsbeleid dat effectief bijdraagt tot een kwaliteitsvolle dienstverlening en dat de medewerkers ondersteunt op de werkvloer.

In alle doorgelichte centra stond het kwaliteitsbeleid in de doorlichtingsfocus om de ontwikkelingsdynamiek van het centrum te vatten. Tien van de vijftien doorgelichte centra krijgen hiervoor in het

We onderzochten in het schooljaar 2016-2017 systematisch of CLB’s voldoende participeren aan projecten op school die gericht zijn op het beleid voor prioritaire doelgroepen. Dertien van de vijftien dat


[ 19 ]

schooljaar bezochte CLB’s krijgen hiervoor een voldoende. Centra boeken hier een vooruitgang voor wat betreft het ondersteunen van en participeren aan initiatieven voor leerlingen die door hun socio-economische context minder kansen hebben.

In het kader van de leerplichtopvolging wordt van de CLB’s verwacht dat zij een traject opstarten voor leerlingen die omwille van afwezigheid, schorsing, tijdelijke of definitieve uitsluiting in hun schoolloopbaan bedreigd zijn. De meeste centra voldoen aan deze opdracht.

Conclusie Heel wat CLB-opdrachten krijgen na de doorlichting een beoordeling ‘voldoet’. Tekorten vloeien meestal

voort uit een onvoldoende uitgebouwd kwaliteitsbeleid.

© iStock | Thinkstock


[ 20 ]

De centra voor volwassenenonderwijs Overzicht adviezen Schooljaar

Aantal doorgelichte centra

Advies 1

Advies 2

Advies 3

5

3

2

0

2016-2017

Figuur 11: Aantal doorgelichte centra volwassenenonderwijs en adviezen (2016-2017).

Van de vijf doorgelichte centra krijgen er drie een gunstig advies (advies 1). In twee centra wordt de doorlichting afgesloten met een beperkt gunstig

advies (advies 2). Geen enkel doorgelicht centrum krijgt een ongunstig advies (advies 3).

Onderwijsdoelen Een centrum biedt een aantal opleidingen aan binnen bepaalde studiegebieden. Het onderzoek van de

onderwijsinspectie gebeurt op niveau van de opleidingen.

Aantal centra waar het studiegebied werd onderzocht

Aantal opleidingen

Voldoet

Voldoet niet

Algemene vorming

1

1

1

0

Auto

1

1

0

1

Grafische technieken

1

2

1

1

Handel

1

1

1

0

Koeling en warmte

1

2

2

0

Lichaamsverzorging

1

1

1

0

Mechanica - elektriciteit

1

1

0

1

Mode

1

2

1

1

Nederlands tweede taal

1

2

2

0

Personenzorg

1

2

2

0

Talen richtgraad 1 en 2

1

7

7

0

Talen richtgraad 3 en 4

1

4

4

0

Totaal

12

26

22

4

Studiegebieden

Figuur 12: Aantal keren dat een geselecteerd item in de centra voor volwassenenonderwijs al dan niet voldeed (2016-2017).


[ 21 ]

In het schooljaar 2016-2017 onderzocht de onderwijsinspectie 26 opleidingen binnen twaalf studiegebieden in vijf centra. 22 opleidingen in drie centra krijgen een beoordeling ‘voldoet’, vier opleidingen

in twee centra een ‘voldoet niet’. Er zijn geen opvallende verschillen vast te stellen met de resultaten in het schooljaar 2015-2016.

Conclusie Op basis van de beperkte steekproef van doorgelichte centra en opleidingen in het schooljaar 20162017 is het niet mogelijk conclusies te trekken voor de verschillende studiegebieden.

Ook dit schooljaar stellen we vast dat een sterke inzet op interne kwaliteitszorg en een inhoudelijk uitgebouwde vakgroepwerking hét verschil maken om kwaliteitsvol onderwijs te realiseren.

Het deeltijds kunstonderwijs Overzicht adviezen Schooljaar

Aantal doorgelichte academies

Advies 1

Advies 2

Advies 3

17

6

10

1

2016-2017

Figuur 13: Aantal doorgelichte academies en adviezen (2016-2017).

Van de zeventien doorgelichte academies krijgen er zes een gunstig advies (advies 1). In tien academies werd de doorlichting afgesloten met een beperkt

gunstig advies (advies 2). Eén doorgelichte academie krijgt een ongunstig advies (advies 3).

Onderwijsdoelen Curriculum Beeldende kunst

Aantal

Voldoet

Voldoet niet

Voldoet (%)

Voldoet niet (%)

40

21

19

53 %

48 %

Dans

11

6

5

55 %

45 %

Muziek

98

93

5

95 %

5 %

Woordkunst

37

32

5

86 %

14 %

Totaal

186

152

34

82 %

18 %

Figuur 14: Aantal keren dat een geselecteerd item in een academie werd onderzocht en al dan niet voldeed, geordend per studierichting (2016-2017).

Zoals ook de vorige jaren werd vastgesteld, voldoen de meeste opleidingen aan de minimale kwaliteitsvereisten van de leerplannen en bereiken de meeste leerlingen de leerplandoelstellingen. Globaal krijgt

82 % van de onderzochte vakken een voldoende. Opvallend zijn de minder goede resultaten voor de studierichtingen Beeldende Kunst en Dans in het schooljaar 2016-2017:


[ 22 ]

- Onvoldoende diepgang in het aanbieden van leerdoelen en te weinig aandacht voor kwaliteitsvolle uitvoering leiden in vijf van de elf doorgelichte vakken van de studierichting Dans tot een ‘voldoet niet’. Voor de studierichting Dans is de steekproef te beperkt om een uitspraak te doen of een tendens weer te geven.

- In de studierichting Beeldende Kunst bereiken vooral de leerlingen van de lagere en middelbare graad in onvoldoende mate de leerplandoelstellingen. Te weinig aandacht voor leerlijnen die vanuit de leerdoelen vertrekken en aan een evaluatiepraktijk gekoppeld zijn, leiden in de meeste gevallen tot een ‘voldoet niet’.

Conclusie De resultaten voor Muziek en Woordkunst zijn in het schooljaar 2016-2017 opnieuw vrij positief. De in het schooljaar 2016-2017 doorgelichte vakken van de studierichtingen Beeldende Kunst en Dans boeken minder goede resultaten dan de voorgaande schooljaren. Het gaat om een beperkte steekproef

van academies, wat maakt dat we voorzichtig zijn om hier tendensen uit af te leiden. De onderwijsinspectie ondervindt ook dit schooljaar dat een goed personeelsbeleid met coaching en professionalisering een hefboom vormt voor een goede klaspraktijk.

Het stelsel leren en werken Het deeltijds beroepssecundair onderwijs (dbso) Overzicht adviezen Schooljaar 2016-2017

Aantal doorgelichte centra

Advies 1

Advies 2

Advies 3

4

1

2

1

Figuur 15: Aantal doorgelichte centra dbso en adviezen (2016-2017).

Van de vier doorgelichte centra voor deeltijds onderwijs krijgt één centrum een gunstig advies, twee centra een beperkt gunstig advies en één centrum een ongunstig advies. Het beperkte aantal gunstige adviezen bevestigt de vaststellingen van de voorgaande schooljaren. De mogelijkheid om eenzelfde studiebekrachtiging uit te reiken als in het voltijds secundair onderwijs gaat gepaard met kwaliteitseisen op het vlak van de onderwijsdoelen. De centra zijn nog zoekend om hieraan te voldoen. Drie van de vier doorgelichte centra voldoen voor de algemene vorming. De positieve tendens die we in het schooljaar 2015-2016 konden vaststellen voor de algemene vorming zien we dus eveneens - wel-

iswaar minder sterk - in de beperkte steekproef van doorgelichte centra in 2016-2017. Twee centra streven de vakoverschrijdende eindtermen in onvoldoende mate na. Voor de beroepsgerichte vorming voldoet dit schooljaar de helft van de onderzochte opleidingen. In drie van de vier doorgelichte centra zijn er opleidingen die niet voldoen. Dezelfde elementen als voorheen liggen aan de basis van de tekorten: de invulling van de modulaire trajecten verloopt niet optimaal, het onderwijsaanbod en de evaluatiepraktijk zijn onvoldoende afgestemd op de te bereiken doelen en geregeld stellen we ook tekortkomingen vast op materieel vlak en/of voor de veiligheid.


[ 23 ]

Onderwijsdoelen Opleiding

Aantal

Voldoet

Voldoet niet

18

12

6

Moderne vreemde talen 2 graad

2

1

1

Moderne vreemde talen 3 graad

3

2

1

Moderne vreemde talen 3de graad, 3de leerjaar

2

1

1

Project algemene vakken 2 graad

3

2

1

Project algemene vakken 3 graad

4

3

1

Project algemene vakken 3de graad, 3de leerjaar

4

3

1

VOET

4

2

2

Beroepsgerichte vorming

28

14

14

Lineaire opleidingen

7

3

4

Modulaire opleidingen

21

11

10

Algemene vorming de

de

de

de

Figuur 16: Aantal keren dat een geselecteerd item in het dbso al dan niet voldeed (2016-2017).

De leertijd (Syntra) Overzicht adviezen Sinds het schooljaar 2013-2014 wordt ook de leertijd binnen de Syntra doorgelicht. Deze doorlichtingen volgden op een try-out die eerder werd uitgevoerd (zie Onderwijsspiegel 2013). De voorbereiding en

Schooljaar 2016-2017

uitvoering van deze doorlichtingen gebeuren in samenwerking met Syntra Vlaanderen en de werkwijze is dezelfde als in het dbso.

Aantal doorgelichte Syntra/leertijd

Advies 1

Advies 2

Advies 3

1

0

1

0

Figuur 17: Aantal doorgelichte Syntra/leertijd en adviezen (2016-2017).

Het in het schooljaar 2016-2017 doorgelichte Syntra krijgt een beperkt gunstig advies.

Het decreet Leren en werken beoogt een betere afstemming van de beroepsopleidingen binnen het stelsel van leren en werken en bepaalt daarom eenzelfde kwaliteitstoezicht voor opleidingen

die tot eenzelfde studiebekrachtiging leiden als in het voltijds onderwijs. Opleidingen in de leertijd en in het dbso kregen eenzelfde referentiekader na screening en overleg tussen onderwijs, Syntra


[ 24 ]

Vlaanderen en de betrokken sectoren. De leertijd begon aan dit proces van afstemming vanuit een andere historische context dan de centra voor deeltijds onderwijs. Waar de nadruk in de leertijd traditioneel lag op startcompetenties die met

Š iStock | Thinkstock

de betrokken sectoren zijn afgesproken, evolueert men nu naar een norm die overeenstemt met de eindtermen algemene vorming. Het proces om het opleidingsaanbod af te stemmen op de nieuwe kwaliteitseisen is nog lopende.


[ 25 ]

Onderwijsdoelen Het in 2016-2017 doorgelichte centrum zette voor de algemene vorming een aantal belangrijke stappen om het onderwijsaanbod en de evaluatiepraktijk af te stemmen op de eindtermen. De lessen beroepsge-

richte vorming zijn onvoldoende afgestemd op het curriculum en de wisselwerking tussen de beroepsgerichte vorming en het werkplekleren verloopt niet voldoende gestroomlijnd.

Conclusie voor het stelsel leren en werken Als we de globale resultaten voor de voorbije drie schooljaren bekijken, valt zowel in het dbso als in de leertijd op dat de omschakeling naar een onderwijsaanbod dat voldoet aan de te bereiken onderwijsdoelen, een grote uitdaging vormt. Er wordt een overeenstemming met het voltijds secundair onderwijs verwacht wanneer het centrum voor deeltijds onderwijs of de leertijd studiebewijzen uitreikt die gelijkwaardig zijn aan die van het gewoon voltijds secundair onderwijs. Zowel het aanbod als de evaluatiepraktijk moet corresponderen met de onderwijs- en opleidingsdoelen.

Het tijdens dit schooljaar doorgelichte Syntra realiseert de onderwijsdoelen voor de leertijd nog onvoldoende voor de beroepsgerichte vorming. Voor de algemene vorming krijgt de afstemming op de eindtermen meer en meer vorm. Binnen het dbso voldoet de helft van de onderzochte opleidingen voor de beroepsgerichte vorming. De verbeterde kwaliteit van de algemene vorming binnen het dbso die we in het schooljaar 2015-2016 vaststelden, zien we ook in drie van de vier in het schooljaar 20162017 bezochte centra. Een meer doelgerichte aanpak van het aanbod en de evaluatie en een gerichte inzet van (interne en externe) expertise maken het verschil voor de kwaliteit van de algemene vorming.

Het voltijds gewoon secundair onderwijs Overzicht adviezen Schooljaar 2016-2017

Aantal doorgelichte scholen

Advies 1

Advies 2

Advies 3

123

45

77

1

Figuur 18: Aantal doorgelichte scholen secundair onderwijs en onderwijskundige adviezen (2016-2017).

Van de 123 doorgelichte scholen krijgen er 45 (37 %) een volledig gunstig advies (advies 1). 77 doorlichtingen (63 %) leiden tot een beperkt gunstig advies (advies 2). Eén school (1 %) ontvangt een ongunstig advies (advies 3). Als scholen een gemengd advies krijgen, brengen we het zwaarste advies in rekening. Wanneer dus bij-

voorbeeld een school voor enkele studierichtingen een ongunstig advies en voor andere studierichtingen een beperkt gunstig advies krijgt, nemen we het ongunstige advies op in dit overzicht.


[ 26 ]

Onderwijsdoelen De onderwijsinspectie heeft in het schooljaar 20162017 in totaal 1284 structuuronderdelen van het voltijds gewoon secundair onderwijs onderzocht. 100 %

154

106

98

63 % van de onderzoeken gaven aanleiding tot een voldoende.

7

109

90 % 80 %

Voldoet niet

311

70 %

Voldoet

60 % 232

124

50 %

141

40 % 30 % 20 %

2

10 % 0% graad 1

aso

bso

kso

tso

Figuur 19: Resultaten voor de onderzochte structuuronderdelen in de eerste graad en in de onderwijsvormen (2016-2017).

De resultaten voor het technisch secundair onderwijs (tso) en het beroepssecundair onderwijs (bso) liggen in het schooljaar 2016-2017 met 56 % voldoendes wat onder het gemiddelde van 63 %, die van het algemeen secundair onderwijs (aso) met 75 % vol-

doendes erboven. De resultaten van de eerste graad sluiten aan bij het gemiddelde met een 60 % voldoendes. In het kunstsecundair onderwijs (kso) werden in het schooljaar 2016-2017 slechts negen structuuronderdelen onderzocht, twee hiervan voldoen.

In de eerste graad Aantal keer in de doorlichtingsfocus

Voldoet

Voldoet niet

Eerste leerjaar A

84

51

33

Agro- en biotechnieken

2

2

0

Artistieke vorming

4

4

0

Bouw- en houttechnieken

4

2

2

A-stroom

Grafische communicatie en media

1

0

1

Grieks-Latijn

19

12

7


[ 27 ]

Handel

23

11

12

Hotel-voeding

2

2

0

Industriële wetenschappen

10

6

4

Latijn

51

35

16

Maritieme technieken

1

0

1

Mechanica-elektriciteit

19

10

9

Moderne wetenschappen

60

33

27

Sociale en technische vorming

24

16

8

Techniek-wetenschappen

6

4

2

Topsport

1

1

0

311

189 (61 %)

122 (39 %)

Aantal keer in de doorlichtingsfocus

Voldoet

Voldoet niet

30

13

17

1

1

0

Decoratie - Verzorging-voeding

1

1

0

Elektriciteit - Hout

2

1

1

Elektriciteit - Metaal

2

1

1

Totaal A-stroom B-stroom Eerste leerjaar B Decoratie - Haarzorg

Haarzorg - Kantoor en verkoop

1

1

0

Haarzorg - Verzorging-voeding

3

2

1

Hotel-bakkerij-slagerij

2

2

0

Hout - Metaal

6

4

2

Hout - Verzorging-voeding

1

0

1

Kantoor en verkoop - Mode

1

1

0

Kantoor en verkoop - Verzorging-voeding

16

10

6

Mode - Verzorging-voeding

6

5

1

Nijverheid

3

1

2

Totaal B-stroom

75

43 (57 %)

32 (43 %)

Eindtotaal

386

232

154

Figuur 20: Aantal keren dat een structuuronderdeel van de eerste graad werd onderzocht en al dan niet voldeed (2016-2017).


[ 28 ]

In het schooljaar 2016-2017 leiden 60 % van de onderzoeken in de eerste graad tot een voldoende. De resultaten van de A- en de B-stroom liggen vrij dicht bij elkaar met respectievelijk 61 en 57 % voldoendes. Het eerste leerjaar A behaalt ongeveer 61 % voldoen-

des, wat aansluit bij de resultaten van de voorgaande twee schooljaren. Het eerste leerjaar B vertoont in het schooljaar 2016-2017 een atypisch beeld met slechts 43 % voldoendes.

In het aso Aantal keer in de doorlichtingsfocus

Voldoet

Voldoet niet

Economie

40

29

11

Grieks

4

3

1

Grieks-Latijn

19

15

4

Studierichtingen tweede graad

Humane wetenschappen

24

16

8

Latijn

38

29

9

Sportwetenschappen

5

5

0

Wetenschappen

35

27

8

Totaal tweede graad

165

124 (75 %)

41 (25 %)

Aantal keer in de doorlichtingsfocus

Voldoet

Voldoet niet

Economie-moderne talen

32

26

6

Economie-wetenschappen

4

2

2

Economie-wiskunde

25

18

7

Grieks-Latijn

13

11

2

Grieks-wetenschappen

3

2

1

Grieks-wiskunde

7

6

1

Humane wetenschappen

19

11

8

Latijn-moderne talen

28

22

6

Latijn-wetenschappen

22

17

5

Latijn-wiskunde

25

18

7

Studierichtingen derde graad

Moderne talen-topsport

1

0

1

Moderne talen-wetenschappen

25

20

5

Moderne talen-wiskunde

5

4

1

Sportwetenschappen

7

4

3


[ 29 ]

Wetenschappen-topsport

2

2

0

Wetenschappen-wiskunde

32

23

9

Wiskunde-topsport

2

1

1

Totaal derde graad

252

187 (74 %)

65 (26 %)

Totaal aso

417

311 (75 %)

106 (25 %)

Figuur 21: Aantal keren dat een onderzochte studierichting van het aso al dan niet voldeed (2016-2017).

Globaal voldoen in het schooljaar 2016-2017 in het aso 75 % van de onderzochte structuuronderdelen. De resultaten voor de tweede en de derde graad zijn vergelijkbaar. We zien relatief sterke schommelingen in de resultaten als we ze vergelijken voor de laatste drie schooljaren. Om deze reden doen we geen uitspraak over

individuele studierichtingen op basis van de resultaten voor het schooljaar 2016-2017. Over de jaren heen convergeren de resultaten van de verschillende studierichtingen, voor zover de steekproeven voldoende groot zijn, en kunnen we geen grote verschillen tussen de verschillende studierichtingen vaststellen.

In het bso/kso/tso Onderwijsvorm en studiegebied bso

Aantal keer in de doorlichtingsfocus

Voldoet

Voldoet niet

222

124 (56 %)

98 (44 %)

Auto Bouw Decoratieve technieken

19 9 1

10 5 0

9 4 1

Grafische communicatie en media Handel

2 35

0 21

2 14

Hout

30

12

18

Koeling en warmte

3

0

3

Land- en tuinbouw

1

0

1

Lichaamsverzorging

14

10

4

Mechanica-elektriciteit

50

32

18

Mode

6

4

2

Personenzorg

48

27

21

Voeding

4

3

1

© Wavebreak Media | Thinkstock


[ 30 ]

kso

9

2 (22 %)

7 (78 %)

Beeldende kunsten

7

2

5

Podiumkunsten

2

0

2

250

141 (56 %)

109 (44 %)

4

2

2

tso Auto Bouw

5

1

4

Chemie

13

4

9

Grafische communicatie en media

2

2

0

Handel

64

36

28

Hout

8

4

4

Koeling en warmte

1

1

0

Land- en tuinbouw

3

1

2

Lichaamsverzorging

4

3

1

Maritieme opleidingen

1

0

1

Mechanica-elektriciteit

86

51

35

Mode

4

4

0

Personenzorg

38

20

18

Sport

9

6

3

Toerisme

5

3

2

Voeding

3

3

0

Figuur 22: Aantal keren dat een structuuronderdeel binnen een studiegebied van het bso, kso en tso werd onderzocht en al dan niet voldeed (2016-2017).

In het schooljaar 2016-2017 voldoen 56 % van de doorgelichte studierichtingen in het bso en in het tso. Onderstaande tabel zoomt verder in op de resultaten voor de doorgelichte vakken van de basisvor-

ming en de specifieke vorming in de verschillende onderwijsvormen. Er worden meestal meerdere vakken doorgelicht per structuuronderdeel en meerdere structuuronderdelen per school. Dit levert van schooljaar tot schooljaar vrij grote fluctuaties op in de resultaten voor de vakken.


[ 31 ]

Onderwijsvorm

Basisvorming

Specifieke vorming

Aantal

Voldoet

Voldoet niet

Aantal

Voldoet

Voldoet niet

Graad 1

600

70 %

30 %

100

85 %

15 %

aso

560

83 %

17 %

372

87 %

13 %

Graad 2

215

83 %

17 %

103

89 %

11 %

Graad 3

345

82 %

18 %

269

87 %

13 %

bso

159

64 %

36 %

180

66 %

34 %

Graad 2

52

83 %

17 %

63

63 %

37 %

Graad 3

107

55 %

45 %

117

67 %

33 %

kso

6

33 %

67 %

7

0 %

100 %

Graad 2

4

0 %

100 %

4

0 %

100 %

Graad 3

2

100 %

0 %

3

0 %

100 %

tso

216

59 %

41 %

181

61 %

39 %

Graad 2

109

62 %

38 %

91

62 %

38 %

Graad 3

107

55 %

45 %

90

61 %

39 %

Totaal

1543

72 %

28 %

840

76 %

24 %

Figuur 23: Aantal onderzochte vakken in de basisvorming en de specifieke vorming in de eerste graad, aso, bso, kso en tso en het aandeel voldoendes/onvoldoendes (2016-2017).

Onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers Het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers werd in het schooljaar 2016-2017 tweemaal on-

derzocht en telkens positief beoordeeld.

Vakoverschrijdende eindtermen De vakoverschrijdende eindtermen werden in het schooljaar 2016-2017 onderzocht in elke doorgelichte school. In 86 % van deze 123 scholen leidde dit

onderzoek tot een voldoende, wat erg in lijn is met de resultaten van de voorgaande schooljaren.

Conclusie 37 % van de scholen krijgt een volledig gunstig onderwijskundig advies. In de eerste graad krijgt 60 % van de onderzochte structuuronderdelen een voldoende. In het technisch en beroepssecundair onderwijs gaat het om 56 % van de studierichtingen. In het algemeen secundair onderwijs ligt het percentage in het schooljaar 2016-2017 vrij hoog met

een 75 % voldoendes. Globaal wordt in 37 % van de onderzochte structuuronderdelen wordt er nog niet voldoende kwaliteitsvol aan de onderwijsdoelstellingen gewerkt, wat ons opnieuw doet in vraag stellen of de kwaliteitszorg van scholen wel voldoende doordringt tot op de klasvloer.


[ 32 ]

1.1.3 Procesvariabelen in de doorlichtingsfocus Onderstaande figuur geeft het CIPO-referentiekader weer. Bij elke procesvariabele wordt vermeld hoe vaak deze het voorbije schooljaar in de doorlichtingsfocus stond. Het cijfer is het totaal voor de verschillende onderwijsniveaus. Leerbegeleiding, evaluatiepraktijk en deskundigheidsbevordering werden vaak onderzocht. In totaal stonden er in het schooljaar 2016-2017 733 processen in de doorlichtingsfocus.5

[ PROCES ] ALGEMEEN

PERSONEEL

ONDERWIJS

personeelsbeheer

curriculum voor school, centrum of academie

leiderschap visie-ontwikkeling besluitvorming kwaliteitszorg

personeelsorganisatie evaluatiesysteem

1 6

aanvangsbegeleiding 39 deskundigheidsbevordering 141

voor school, centrum of academie

materieel beheer

veiligheid gezondheid en hygiëne milieu werken/stages

informatie over onderwijs informatie over gezondheid en welzijn informatie over kinderrechten

begeleiding

LOGISTIEK

welzijn

29 21

voor CLB

professionalisering

financiële middelen kostenbeheersing voor leerlingen/cursisten uitrusting infrastructuur

onderwijsaanbod onderwijsorganisatie

1 1

afstemming tussen s/c/a en CLB en/of andere partners 12 leerbegeleiding 217 loopbaanbegeleiding 12 sociale en emotionele begeleiding 52

voor CLB

afstemming tussen CLB en school hulpverlening preventieve gezondheidszorg schoolondersteuning

evaluatie voor school, centrum of academie evaluatiepraktijk 173 rapporteringspraktijk 28

voor CLB attesteringspraktijk verwijspraktijk

Figuur 24: Aantal keren dat procesvariabelen uit het CIPO-referentiekader in de doorlichtingsfocus stonden (2016-2017).

5 De decretaal vastgelegde CLB-opdrachten (zoals bv. informatieverstrekking en schoolondersteuning) werden de laatste schooljaren van doorlichtingsronde 3 door de inspectieteams niet meer als proces in de focus geplaatst, maar wel behandeld in het kader van het erkenningsonderzoek.


[ 33 ]

Als we tijdens doorlichtingsronde 3 scholen, centra of academies doorlichten, hanteren we een kwaliteitswijzer om de processen te beoordelen. Die omvat vier kwaliteitsaspecten: doelgerichtheid, ondersteuning, doeltreffendheid, ontwikkeling.

Doelgerichtheid

Ondersteuning

• Gekaderd binnen algemene visie of leerplanvisie

• Structureel

• Verantwoording tegenover betrokkenen, tegenover de overheid

• Geoperationaliseerde doelen duidelijk, resultaatgericht

adequate organisatie, aanpak, taakverdeling, uitrusting en omkadering om doelen te kunnen realiseren

• Cultureel gerichtheid op mensen en waarden, op inspireren, motiveren en waarderen

Doeltreffendheid

Ontwikkeling

• Zelfreflectie over aanpak en resultaten

• Responsiviteit

• Gebruik van gepaste beoordelingsmethodes • Openheid voor externe beoordelingen

openheid voor vragen en verwachtingen van omgeving en overheid

• Ontwikkelingsdynamiek bereidheid tot professionalisering, veranderingsbereidheid

Figuur 25: Kwaliteitswijzer waarmee de onderwijsinspectie de procesvariabelen beoordeelt.

We beschouwen een proces als sterk wanneer het opzet en de uitvoering ervan blijk geven van doelgerichtheid, ondersteuning, doeltreffendheid en ont-

wikkeling. In dat opzicht biedt de kwaliteitswijzer een manier om naar een proces te kijken, maar ook criteria om het te beoordelen.


[ 34 ]

100 % 210

204

95

163

90 % 236

80 % 70 %

Sterk

316 279

Eerder sterk dan zwak

310

60 %

Eerder zwak dan sterk

50 %

289

Zwak

40 % 30 %

175

169

166

20 % 112

10 % 68

52

doelgerichtheid

ondersteuning

0%

84

doeltreffendheid

ontwikkeling

Figuur 26: Kwaliteit van de processen aan de hand van de vier kwaliteitsaspecten (2016-2017).

In het schooljaar 2016-2017 zetten scholen 67 % van de onderzochte processen met voldoende aandacht voor doelgerichtheid op. Het stellen van duidelijke concrete doelen, deze kaderen binnen een gedragen visie en hier transparant over communiceren is een cruciale eerste stap om de kwaliteitscirkel rond te maken. Bij 55 % van de onderzochte procesvariabelen is er onvoldoende aandacht voor doeltreffendheid. Vele schoolteams reflecteren nog te weinig over welke resultaten ze - tot op de klasvloer - bereiken met de acties die ze ondernemen. Dit maakt het moeilijk voor de school om gericht bij te sturen.

aandacht voor doeltreffendheid. Deze cijfers liggen zelfs nog iets lager dan deze van voorgaand schooljaar. Een evenwichtige evaluatiepraktijk die is afgestemd op de te bereiken onderwijsdoelstellingen, is nochtans essentieel voor het oordeelkundig bijsturen van het onderwijsleerproces, het uitreiken van studiebewijzen, het oriënteren van leerlingen/ cursisten en voor de interne kwaliteitszorg. Voor de rapporteringspraktijk zien we een vergelijkbaar beeld met in de meerderheid van de scholen weinig zelfreflectie over de aanpak en weinig bijsturing of ontwikkeling.

Evaluatiepraktijk en leerbegeleiding, twee cruciale processen, lichtte de onderwijsinspectie ook in het schooljaar 2016-2017 het vaakst door (respectievelijk 173 en 217 keer).

Leerbegeleiding doet het in vergelijking beter: in 80 % van de scholen, centra en academies is er voldoende aandacht voor de doelgerichtheid van de leerbegeleiding. Instellingen vertrekken meer en meer van een uitgebouwde visie en ondernemen talrijke acties in het kader van leerbegeleiding. Ook hier blijft de doeltreffendheid echter een uitgesproken aandachtspunt: slechts 51 % van de scholen/ centra brengen de effecten van hun acties in kaart, wat gerichte borging en verbetering bemoeilijkt.

Vooral het proces evaluatiepraktijk scoort bijzonder zwak. De evaluatiepraktijk getuigt slechts in 46 % van 173 keren dat ze in het schooljaar 2016-2017 werd onderzocht van voldoende aandacht voor doelgerichtheid en in 24 % van de gevallen van voldoende


[ 35 ]

doelgerichtheid

Aanvangsbegeleiding

ondersteuning doeltreffendheid ontwikkeling doelgerichtheid

Deskundigheidbevordering

ondersteuning doeltreffendheid ontwikkeling doelgerichtheid

Evaluatiepraktijk

ondersteuning doeltreffendheid ontwikkeling doelgerichtheid

Leerbegeleiding

ondersteuning doeltreffendheid ontwikkeling doelgerichtheid

Rapporteringspraktijk

ondersteuning doeltreffendheid ontwikkeling doelgerichtheid

Sociale en emotionele begeleiding

ondersteuning doeltreffendheid ontwikkeling 0%

20 % Zwak

40 %

Eerder zwak dan sterk

Figuur 27: Kwaliteit van de meest onderzochte processen (2016-2017).

60 %

80 %

Eerder sterk dan zwak

100 % Sterk


[ 36 ]

Conclusie Ook in het schooljaar 2016-2017 stellen we vast dat het beleid en de kwaliteitszorg vaak nog niet doordringen tot in de klaspraktijk. Dit blijkt zowel uit de resultaten voor het bereiken van de onderwijsdoel-

stellingen als voor de onderzochte procesvariabelen. Met name de grote lacune op het vlak van het inhoudelijk aansturen en opvolgen van de evaluatiepraktijk is zorgwekkend.

1.1.4 Erkenningsvoorwaarde bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne De onderwijsinspectie doet tijdens de doorlichting een uitspraak over de erkenningsvoorwaarde ‘bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne’ (BVH). Ze gebruikt hiervoor het BVH-onderzoeksinstrument. Dit instrument bestaat uit drie onderzoekscomponenten: (1) de organisatie, (2) de bewoonbaarheid en veiligheid en (3) de gezondheid en hygiëne. Concrete vaststellingen worden via een reeks gesloten vragen in elk onderwijsniveau op dezelfde manier verzameld. De onderwijsinspectie steunt voor haar onderzoek zoveel mogelijk op bestaande informatiebronnen zoals wettelijk

In het schooljaar 2016-2017 onderzocht de onderwijsinspectie in totaal 378 keer de erkenningsvoorwaarde bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne. 72 % van de onderwijsinstellingen krijgt een gunstig advies, 24 % een beperkt gunstig advies en 4 % een ongunstig advies. De resultaten voor de zeventien in het schooljaar 2016-2017 doorgelichte academies zijn opvallend negatief met zes beperkt gunstige en negen ongunstige adviezen. Dit bevestigt de extra Aantal BVH-doorlichtingen

verplichte controles van de brandveiligheid, elektriciteit, risicoanalyse door de interne en externe dienst, globale preventieplannen en jaaractieplannen, verslagen van overleg met het personeel over de bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne. Het advies over de erkenningsvoorwaarde bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne is gebaseerd op het geheel van de vaststellingen voor de drie bovenvermelde onderzoekscomponenten. Essentieel bij de advisering zijn het kennen en met succes beheersen van risico’s en vastgestelde tekorten.

aandacht die we vragen om ook voor het deeltijds kunstonderwijs te voorzien in veilige en voldoende comfortabele infrastructuur. De vaak complexe situatie op het veld is niet eenvoudig voor besturen en expliciete beleidsaandacht hiervoor is nodig. Vier van de vijf bezochte CVO’s en twee van de vier bezochte centra voor deeltijds beroepsonderwijs krijgen een beperkt gunstig advies.

Advies 1

Advies 2

Advies 3

186

136

47

3

bubao

15

13

2

0

buso

13

9

3

1

CLB

15

12

1

2

bao


[ 37 ]

CVO

5

1

4

0

dbso

4

dko

17

2

2

0

2

6

9

so

123

96

26

1

Totaal

378

271 72 %

91 24 %

16 4 %

Figuur 28: Aantal keer dat de erkenningsvoorwaarde bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne werd doorgelicht en overzicht van de adviezen (2016-2017).

1.2 Opvolgingsdoorlichtingen In het schooljaar 2016-2017 voerde de onderwijsinspectie in totaal 342 opvolgingsdoorlichtingen uit na een tekort voor het bereiken van de onderwijsdoelstellingen en/of voor de bewoonbaarheid veiligheid en hygiëne. Bij 89 % van de opvolgingen zijn de

tekorten in voldoende mate geremedieerd en sluit het inspectieteam de opvolgingsdoorlichting af met een gunstig advies. 38 onderwijsinstellingen krijgen na een opvolgingsdoorlichting een ongunstig advies.

Aantal opvolgingsdoorlichtingen bao

Advies 1

Advies 3

178

159

19

bubao

9

8

1

buso

9

8

1

CBE

2

1

1

CLB

7

6

1

CVO

7

7

0

dbso

8

6

2

dko

31

26

5

so

91

83

8

342

304 89%

38 11%

Totaal

Figuur 29: Overzicht van de opvolgingsdoorlichtingen (2016-2017).

Wat voor tekorten werden er opgevolgd in het schooljaar 2016-2017?

op. 238 instellingen krijgen hiervoor een gunstig advies (93 %), 18 een ongunstig advies (7 %).

- 256 opvolgingsdoorlichtingen volgden tekorten voor het bereiken van de onderwijsdoelstellingen

- 160 opvolgingsdoorlichtingen volgden tekorten voor bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne op.


[ 38 ]

139 instellingen krijgen een gunstig advies (87 %), 21 een ongunstig advies (13 %). Opvolgingsdoorlichtingen in het deeltijds kunstonderwijs sluiten in het schooljaar 2016-2017 opvallend vaak af met een ongunstig advies voor de bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne: vier van de veertien bezochte academies krijgen een ongunstig advies na de opvolgingsdoorlichting.

Opvolgingen onderwijskundige adviezen bao bubao

- In 2016-2017 onderzocht het inspectieteam in 31 scholen naast andere tekorten ook tekorten voor de overige erkenningsvoorwaarden (zoals bv. de aanwending van de onderwijstijd). Alle scholen krijgen hiervoor een positief advies.

Advies 1

Advies 3

134

128

6

8

7

1

buso

7

7

0

CLB

6

5

1

CVO

7

7

0

dbso

5

4

1

dko

20

19

1

so

69

61

8

Totaal

256

238

18

Figuur 30: Overzicht van de onderwijskundige adviezen van de opvolgingsdoorlichtingen (2016-2017).

Opvolgingen BVH-adviezen

Advies 1

Advies 3

bao

91

78

13

bubao

3

3

0

buso

3

2

1

CBE

2

1

1

CLB

2

2

0

CVO

2

2

0

dbso

6

5

1

dko

18

14

4

so

33

32

1

Totaal

160

139

21

Figuur 31: Overzicht van de BVH-adviezen van de opvolgingsdoorlichtingen (2016-2017).


[ 39 ]

1.3 Paritaire colleges Doorlichtingen door paritaire colleges in doorlichtingsronde 3 Na een ongunstig advies voor onderwijskundige tekorten of tekorten voor bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne (BVH) treedt de procedure tot intrekking van de erkenning van de onderwijsinstelling of van een structuuronderdeel in werking. Daarna zijn er twee mogelijkheden: • Mogelijkheid 1: de onderwijsinstelling kan bij de Vlaamse Regering een opschorting van deze procedure vragen voor een periode van één tot drie jaar. Dat doet ze op basis van een uitgewerkt verbeteringsplan. Ofwel wordt het verbeteringsplan goedgekeurd en volgt er een paritair college binnen de 90 kalenderdagen na de periode van opschorting. Ofwel wordt

Zo goed als alle scholen, centra en academies met een ongunstig advies dienden een verbeteringsplan in om de tekorten binnen een bepaalde termijn weg te werken. Door te kiezen voor een verbeteringsplan krijgt de instelling uitstel voor een zelf te bepalen termijn (maximum drie jaar) en onderneemt ze meteen actie om de kwaliteit te verbeteren. De meeste onderwijsinstellingen kiezen voor een termijn van twee tot drie jaar. Een ongunstig advies slaat meestal op ernstige of meerdere tekorten en vereist een versterking van het beleidsvoerend vermogen van de school. De voorkeur voor een maximale termijn is dus niet vreemd. Afgelopen schooljaar kregen 44 scholen een paritair college op bezoek omdat hun termijn voor opschorting afliep in 2016-2017. Dat resulteert 36 keer in een gunstig advies en vijf keer in een beperkt gunstig

het verbeteringsplan afgekeurd en volgt er een paritair college binnen de 90 kalenderdagen na de afkeuring.. • Mogelijkheid 2: de onderwijsinstelling dient geen verbeteringsplan in en er volgt binnen de 90 kalenderdagen na het verstrijken van de termijn om een verbeteringsplan in te dienen een doorlichting door een paritair college. Na een ongunstig advies volgt dus altijd een nieuwe doorlichting door een paritair samengesteld college. Het paritair college brengt een definitief advies uit over de verdere erkenning van de onderwijsinstelling.

advies. Drie instellingen krijgen het advies tot definitieve intrekking van de erkenning. Zestien scholen kregen in het schooljaar 2016-2017 een paritair college over de vloer omwille van onderwijskundige tekorten. Deze scholen ontvangen hiervoor alle een gunstig advies. In één van deze scholen werd ook een tekort voor de overige erkenningsvoorwaarden (de aanwending van de uren) onderzocht, wat eveneens in een gunstig advies resulteert. In 31 scholen onderzocht het paritair college tekorten voor de bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne. De vijf beperkt gunstige en drie ongunstige adviezen van het schooljaar 2016-2017 zijn alle daaraan te wijten. Opmerkelijk is tot slot het relatief hoge aantal bubao- en buso-scholen waar in het schooljaar


[ 40 ]

2016-2017 een paritair college op bezoek kwam, wat natuurlijk een weerspiegeling vormt van de ongunstige adviezen tijdens doorlichtingen en BVH-controles een drietal schooljaren eerder. Dit leidt in het buitengewoon secundair onderwijs tot drie beperkt Aantal paritaire colleges

Advies 1

Advies 2

Advies 3

bao

12

10

1

1

bubao

7

5

1

1

buso

9

6

3

0

CBE

1

1

0

0

CLB

1

1

0

0

CVO

1

0

0

1

dbso

1

1

0

0

dko

2

2

0

0

so

10

10

0

0

Totaal

44

36

5

3

Figuur 32: Overzicht van de paritaire colleges (2016-2017).

Š iStock | Thinkstock

gunstige adviezen voor bewoonbaarheid, veiligheid en hygiĂŤne en in het buitengewoon basisonderwijs tot een beperkt gunstig advies en een ongunstig advies om dezelfde reden.


[ 41 ]

2 Doorlichtingsronde 3 in cijfers In deze rubriek van de Onderwijsspiegel rapporteren we over de doorlichtingen, opvolgingen en paritaire colleges die plaatsvonden tijdens doorlichtingsronde 3 6, in de periode van januari 2009 tot en met het schooljaar 2016-2017. We starten met de adviezen voor het voldoen aan de onderwijsdoelstellingen en focussen vervolgens op de resultaten van het onderzoek onderwijsdoelstellingen in de verschillende onderwijsniveaus. In de loop van doorlichtingsronde 3 verfijnden we de methodiek en de registratie van onze onderzoeken. Daarom beperken we ons voor dit item tot de laatste vier of vijf schooljaren, al naargelang het onderwijsniveau. Aan de hand van de onderzochte procesvariabelen zoals evaluatiepraktijk en leerbegeleiding brengen we verslag uit over de mate waarin de scholen de eigen kwaliteit ontwikkelen. We vervolgen met een overzicht van de adviezen voor bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne en voor de overige erkenningsvoorwaarden. De resultaten van de opvolgingsdoorlichtingen en de paritaire colleges sluiten dit overzicht af.

2.1 Doorlichtingen en adviezen De onderwijsinspectie lichtte elk jaar van doorlichtingsronde 3 een selectie van Vlaamse onderwijsinstellingen door. Onderstaande figuren tonen de

jaarlijkse samenstelling van de steekproef van doorgelichte onderwijsinstellingen.

2008-2009 2009-2010

Vrij gesubsidieerd onderwijs Officieel gesubsidieerd onderwijs

2010-2011

Gemeenschapsonderwijs

2011-2012

Andere

2012-2013 2013-2014 2014-2015 2015-2016 2016-2017 0%

20 %

40 %

60 %

80 %

100 %

Figuur 33: Spreiding van de doorlichtingen over de onderwijsnetten (van januari 2009 tot en met 2016-2017). 6 Een doorlichtingsronde is een cyclus van doorlichtingen waarin de onderwijsinspectie alle scholen, centra en academies minstens één maal controleert.


[ 42 ]

2008-2009 2009-2010

Brussels hoofdstedelijk gewest Centrumstad

2010-2011

Andere

2011-2012 2012-2013 2013-2014 2014-2015 2015-2016 2016-2017 0%

20 %

40 %

60 %

80 %

100 %

Figuur 34: Spreiding van de doorlichtingen over de regio’s (van januari 2009 tot en met 2016-2017).

De lijst van onderwijsinstellingen wijzigt voortdurend: er worden nieuwe onderwijsinstellingen opgericht, sommige onderwijsinstellingen herstructureren en soms wordt er ook een onderwijsinstelling opgeheven. In februari 2017 kwamen er ongeveer 4115 onderwijsinstellingen en vijf Syntra (Leertijd)

voor doorlichting in aanmerking. In totaal werden in de periode januari 2009 - juli 2017 4028 onderwijsinstellingen doorgelicht. De veertig instellingen die in het eerste semester van 2017-2018 nog werden doorgelicht nemen we niet op in dit overzicht.7

2.1.1 De erkenningsvoorwaarde onderwijsdoelstellingen

Advies 1: 55 % Advies 2: 43 % Advies 3: 2 %

Van de 4028 van januari 2009 tot en met juni 2017 doorgelichte scholen, academies en centra krijgen er 2194 (56 %) een volledig gunstig advies (advies 1) voor het voldoen aan de onderwijsdoelstellingen. 1741 instellingen (43 %) ontvangen een beperkt gunstig advies (advies 2). 93 doorlichtingen (2 %) leiden tot een ongunstig advies (advies 3).

Figuur 35: Overzicht van de onderwijskundige adviezen tijdens de doorlichtingen (januari 2009 tot en met schooljaar 2016-2017). 7 Het merendeel van de 47 ‘overblijvende’ scholen die in de telling ontbreken werd reeds doorgelicht onder een ander instellingsnummer, waar ze bijvoorbeeld van afsplitsten. Enkele instellingen werden niet doorgelicht omdat het onderwijs dat ze aanbieden niet onder de bevoegdheid van de Vlaamse onderwijsinspectie valt: het zijn bijvoorbeeld centra voor volwassenenonderwijs die enkel hoger beroepsonderwijs en/of een lerarenopleiding inrichten. Uitzonderlijk is er in scholen nog een procedure uit de tweede doorlichtingsronde lopende - of werd deze pas recent afgerond - en vond er daarom geen doorlichting van doorlichtingsronde 3 plaats.


[ 43 ]

Bij een gemengd advies voor verschillende structuuronderdelen nemen we het zwaarste advies op: als bijvoorbeeld een basisschool een beperkt gunstig advies krijgt voor het kleuteronderwijs en een gunstig advies voor het lager onderwijs weerhouden we het beperkt gunstig advies.

Als het inspectieteam behalve het bereiken van de onderwijsdoelstellingen ook andere erkenningsvoorwaarden onderzocht (zoals bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne maar ook het naleven van de taalregelgeving, het hebben van een beleidscontract of -plan met een centrum voor leerlingenbegeleiding …), worden de adviezen daarvoor niet mee in rekening gebracht in dit overzicht.

Adviezen per schooljaar Aantal doorgelichte instellingen

Advies 1

Advies 2

Advies 3

2008-2009

318

172

146

0

2009-2010

526

314

209

3

2010-2011

451

292

153

6

2011-2012

537

311

203

23

2012-2013

558

288

260

10

2013-2014

477

236

226

15

2014-2015

399

194

195

10

2015-2016

383

193

175

15

2016-2017

379

194

174

11

4028

2194

1741

93

Totaal

Figuur 36: Overzicht per schooljaar van de onderwijskundige adviezen tijdens de doorlichtingen (januari 2009 tot en met schooljaar 2016-2017).

Na een licht stijgende trend tot en met schooljaar 2010-2011 zien we terug een daling in het aantal gunstige adviezen vanaf het schooljaar 2011-2012. Het aandeel gunstige adviezen stabiliseert vanaf

het schooljaar 2012-2013. Het aantal ongunstige adviezen blijft de ganse derde doorlichtingsronde schommelen tussen 0 en 4 %.


[ 44 ]

100 % 90 % 80 % 70 % 60 % 50 % 40 % 30 % 20 % 10 % 0% 2008-2009 2009-2010 Advies 1

Advies 2

2010-2011

2011-2012

2012-2013

2013-2014

2014-2015

2015-2016

2016-2017

Advies 3

Figuur 37: Grafische weergave per schooljaar van de onderwijskundige adviezen tijdens de doorlichtingen januari 2009 tot en met schooljaar 2016-2017).

Adviezen per onderwijsniveau Het onderlinge aandeel van de drie adviezen verschilt van onderwijsniveau tot onderwijsniveau. Het gewoon basisonderwijs (bao), het buitengewoon basisonderwijs (bubao) en de centra voor basiseducatie (CBE) boeken aanzienlijk meer gunstige adviezen dan de andere onderwijsniveaus: ze behalen respectievelijk 64 %, 55 % en 83 % gunstige adviezen. 48 % van de academies deeltijds kunstonderwijs (dko) krijgt een gunstig advies. De doorlichtingen in scholen voor gewoon en buitengewoon secundair onderwijs ((bu)so), de centra voor volwassenenonderwijs (CVO) en de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB) resulteren telkens in 35 à 40 % gunstige adviezen.

Het deeltijds beroepssecundair onderwijs (dbso) en de Syntra vallen op in negatieve zin. Vier van de vijf doorgelichte Syntra krijgen een ongunstig advies, het vijfde in het schooljaar 2016-2017 doorgelichte Syntra krijgt een beperkt gunstig advies. Slechts 15 % van de centra voor deeltijds beroepsonderwijs ontvangt een gunstig advies, 72 % een beperkt gunstig advies en 13 % een ongunstig advies. Geen enkel centrum voor basiseducatie of centrum voor leerlingenbegeleiding krijgt een ongunstig advies. Het aandeel ongunstige adviezen in bao (2 %), CVO ‘s en so (beide 3 %) en dko (1 %) is laag. In het dbso (13 %), bubao (8 %) en buso (5 %) ligt het in verhouding hoger.


[ 45 ]

Aantal doorgelichte instellingen bao

Advies 1

Advies 2

Advies 3

2385

1518

829

38

bubao

201

111

74

16

buso

118

45

67

6

CBE

12

10

2

0

CLB

69

24

45

0

CVO

102

43

56

3

dbso

47

7

34

6

dko

165

79

85

1

so

924

357

548

19

Syntra

5

0

1

4

Totaal

4028

2194

1741

93

Figuur 38: Overzicht per onderwijsniveau van de onderwijskundige adviezen tijdens de doorlichtingen (januari 2009 tot en met schooljaar 2016-2017).

100 % 90 % 80 % 70 % 60 % 50 % 40 % 30 % 20 % 10 % 0% bao Advies 1

bubao Advies 2

buso

CBE

CLB

CVO

dbso

dko

so

Syntra

Advies 3

Figuur 39: Grafische weergave per onderwijsniveau van de onderwijskundige adviezen tijdens de doorlichtingen (januari 2009 tot en met schooljaar 2016-2017).


[ 46 ]

Alvorens in te zoomen op de resultaten per onderwijsniveau verduidelijken we hieronder hoe inspectieteams in doorlichtingsronde 3 hun onderzoek naar het bereiken van de onderwijsdoelstellingen voor de opleidingen, studierichtingen, vakken en leergebieden in de doorlichtingsfocus uitvoerden

in de verschillende onderwijsniveaus. Bij een doorlichting van een centrum voor leerlingenbegeleiding onderzoekt het inspectieteam of het centrum zijn opdrachten kwaliteitsvol uitvoert aan de hand van een vergelijkbaar opgebouwd kader.

Hoe onderzocht een inspectieteam in doorlichtingsronde 3 of een basis- of secundaire school, een CVO, een CBE of een academie de ontwikkelingsdoelen/eindtermen in voldoende mate nastreeft of bereikt? Outputgegevens (leerprestaties, schoolloopbaan, outcomes en tevredenheid) zijn altijd het vertrekpunt voor dit onderzoek. Om deze gegevens te controleren, te nuanceren en te verfijnen, onderzoekt het inspectieteam ook verschillende processen. Het team bekijkt of de school, het centrum of de academie de processen afstemde op context en input, met het oog op het bereiken van de onderwijsdoelstellingen. Het inspectieteam geeft in het verslag steeds een antwoord op deze vier vragen: 1. Biedt de school, het centrum of de academie de onderwijsdoelstellingen (volledig, evenwichtig, samenhangend ‌) aan? 2. Beschikt de school over voldoende uitrusting (leermiddelen en ICT) en zet ze deze adequaat in voor het bereiken van de onderwijsdoelstellingen? 3. Gaat de evaluatiepraktijk na of de onderwijsdoelstellingen worden bereikt? (Met andere woorden is de evaluatiepraktijk evenwichtig, representatief en transparant? Is de evaluatiepraktijk gericht op bijsturing van het onderwijsaanbod?) 4. Is de leerbegeleiding aangepast aan de noden van alle lerenden om de onderwijsdoelstellingen te bereiken? Daarnaast zal het inspectieteam rapporteren over andere processen, zoals bv. de personeelsorganisatie, als ze een belemmerende of bevorderende invloed hebben op het nastreven van de ontwikkelingsdoelen, rekening houdend met de context en de input.

Hoe onderzoekt een inspectieteam of een bubao- of buso-school de ontwikkelingsdoelen op een handelingsplanmatige wijze nastreeft? Outputgegevens (leerprestaties, schoolloopbaan, outcomes en tevredenheid) zijn ook hier het vertrekpunt voor dit onderzoek. Om deze gegevens te controleren, te nuanceren en te verfijnen, onderzoekt het inspectieteam verschillende processen. Het team bekijkt of de school de processen afstemde op context en input, met het oog op het bereiken van een maximale output.


[ 47 ]

Een inspectieteam geeft steeds een antwoord op deze vijf vragen: 1. Heeft het multidisciplinair team op basis van interne en externe gegevens de beginsituatie van alle leerlingen op een systematische wijze (voldoende breed, functioneel en dynamisch) in kaart gebracht? 2. Heeft het multidisciplinair team op basis van een duidelijke beginsituatiebepaling doelen geselecteerd op maat van elke leerling? (Met andere woorden: is het aanbod evenwichtig, samenhangend …?) 3. Heeft het multidisciplinair team functionele planningsdocumenten met aandacht voor de nodige organisatorische maatregelen? (Met andere woorden: zijn de groeperings- en werkvormen functioneel, is er voldoende infrastructuur en uitrusting voor het bereiken van de doelen …?) 4. Wordt er uitgevoerd wat multidisciplinair afgesproken en gepland is? 5. Heeft het multidisciplinair team op een gelijkgerichte wijze de leerlingen geëvalueerd? (Met andere woorden: is de evaluatiepraktijk gelinkt aan de doelen, diagnostisch, evenwichtig, transparant …?) Daarnaast zal het inspectieteam rapporteren over andere processen, zoals bv. de deskundigheidsbevordering, als ze een belemmerende of bevorderende invloed hebben op het nastreven van de ontwikkelingsdoelen, rekening houdend met de context en de input.

Het basisonderwijs Overzicht adviezen Aantal doorgelichte scholen

Advies 1

Advies 2

Advies 3

113

65

0

2008-2009

178

2009-2010

304

221

83

0

2010-2011

292

202

87

3

2011-2012

320

222

91

7

2012-2013

341

215

123

3

2013-2014

326

184

133

9

2014-2015

232

129

98

5

2015-2016

206

118

83

5

2016-2017

186

114

66

6

2385

1518

829

38

Totaal

Figuur 40: Overzicht van de onderwijskundige adviezen in het basisonderwijs (januari 2009 tot en met schooljaar 20162017)


[ 48 ]

Gedurende doorlichtingsronde 3 krijgt 64 % van de 2385 doorgelichte basisscholen een gunstig onderwijskundig advies, 35 % een beperkt gunstig advies en 2 % een ongunstig advies. De cijfers fluctueren tussen de 73 % gunstige adviezen in het schooljaar 2009-2010 en 56 % in de schooljaren 2013-2014 en

2014-2015. Het aantal beperkt gunstige adviezen blijft steeds onder de 42 %. De eerste twee schooljaren krijgt geen enkele school een ongunstig onderwijskundig advies. In de schooljaren daarna varieert het aandeel ongunstige adviezen van 1 tot 3 %.

100 % 90 % 80 % 70 % 60 % 50 % 40 % 30 % 20 % 10 % 0% 2008-2009 2009-2010

2010-2011

2011-2012

2012-2013

2013-2014

2014-2015

2015-2016

2016-2017

Advies van 1 2 Advies 3 Figuur 41: Grafische weergave deAdvies onderwijskundige adviezen bao (januari 2009 tot en met schooljaar 2016-2017).

Onderwijsdoelen Hieronder vertellen we iets over de kwaliteit van de verschillende onderzochte leergebieden in het basisonderwijs, zoals blijkt uit de doorlichtingen van het schooljaar 2012-2013 tot en met 2016-2017. Een aantal leergebieden zoals Frans, lichamelijke opvoe-

ding en de leergebiedoverschrijdende thema’s worden minder vaak in de doorlichtingsfocus geplaatst, wat vraagt om enige voorzichtigheid bij de interpretatie van de cijfers in kwestie.


[ 49 ]

lichamelijke opvoeding

102

15

muzische vorming

361

13

Nederlands

558

88

wereldoriëntatie

360

127

wetenschappen en techniek

135

79

mens en maatschappij

133

13

wiskundige initiatie

442 0% Voldoende

20 %

40 %

60 %

80 %

92 100 %

Onvoldoende

Figuur 42: Overzicht van het aantal voldoendes en onvoldoendes voor de verschillende leergebieden van het kleuteronderwijs (schooljaren 2012-2013 tot en met 2016-2017).

In het kleuteronderwijs zien we weinig variatie tussen de leergebieden, met over het algemeen rond de 80 % voldoendes. De nieuwe leergebieden ‘mens en maatschappij’ en ‘wetenschappen en techniek’ vervangen sinds het schooljaar 2015-2016 het vroegere leergebied wereldoriëntatie. Deze leergebieden behalen negen van de tien keren dat ze onderzocht werden een voldoende.

In het kleuteronderwijs zien we over de schooljaren heen weinig evolutie in het percentage voldoendes voor de verschillende leergebieden. Voor wiskundige initiatie stelden we in het schooljaar 2015-2016 een dip vast in het aantal voldoendes. In het schooljaar 2016-2017 is dit minder uitgesproken het geval.


[ 50 ]

32

2012-2013

4

17

2013-2014

lichamelijke opvoeding

3

19

2014-2015

24

2015-2016

muzische vorming

2012-2013

90

22

2013-2014

73

18

2014-2015

55

14

2015-2016

77

19

2016-2017

66

15

2012-2013

147

32

2016-2017

2013-2014

82

17

135

25

mens en maatschappij

2015-2016

wiskundige initiatie

29

128

2014-2015 2015-2016

22

89

2012-2013

wetenschappen en techniek

21

97

2014-2015 2015-2016

wereldoriĂŤntatie

35

143

2013-2014

Nederlands

2 3

10

2016-2017

3

25

97 69

2016-2017

66 68

2016-2017

65

6 7 6 7

2012-2013

118

23

2013-2014

122

21

2014-2015

87

2015-2016

21

60

2016-2017

16

55 0%

20 % Voldoende

40 %

60 %

11

80 %

100 %

Onvoldoende

Figuur 43: Overzicht per schooljaar van de verschillende leergebieden van het kleuteronderwijs (schooljaren 2012-2013 tot en met 2016-2017).


[ 51 ]

In het lager onderwijs is het beeld diverser dan in het kleuteronderwijs. Nederlands en wiskunde behalen ongeveer 90 % voldoendes. Net zoals in het kleuteronderwijs doen de nieuwe leergebieden ‘mens en maatschappij’ en ‘wetenschappen en techniek’ het iets beter dan het vroegere leergebied ‘wereldoriëntatie’. Muzische vorming krijgt slechts

één op de twee keer dat het in de doorlichtingsfocus staat een voldoende. Over de kwaliteit van het onderwijs Frans rapporteerden we uitgebreid in de Onderwijsspiegel 2017, over de kwaliteit van het leergebied lichamelijke opvoeding vind je meer informatie in deel 3 van deze Onderwijsspiegel.

Frans

88

lichamelijke opvoeding

86

LOET: ICT

29 33

44

LOET: leren leren

69

LOET: sociale vaardigheden

16 39

muzische vorming

230 550 302

wetenschappen en techniek

43

116

wiskunde

40 453

Voldoende

20 %

40 %

60 %

76 156

115

mens en maatschappij

0%

6 236

Nederlands wereldoriëntatie

11

80 %

48 100 %

Onvoldoende

Figuur 44: Overzicht van het aantal voldoendes en onvoldoendes voor de verschillende leergebieden van het lager onderwijs (schooljaren 2012-2013 tot en met 2016-2017).

Ook voor het lager onderwijs kunnen we geen duidelijke tendensen over de schooljaren heen vaststellen. Voor muzische vorming constateren we in het schooljaar 2016-2017 een lichte terugval na een voorzichtige positieve tendens in de resultaten in de drie voorgaande schooljaren. De resultaten voor wiskunde en Nederlands zijn vrij stabiel. Het

aandeel voldoendes voor de leergebieden ‘mens en maatschappij’ en ‘wetenschappen en techniek’ van 2015-2016 en 2016-2017 is vergelijkbaar en iets groter dan dit van het vroegere leergebied ‘wereldoriëntatie’. De leergebiedoverschrijdende thema’s zijn de laatste schooljaren te beperkt doorgelicht om er uitspraken over te kunnen doen.


[ 52 ]

34

2012-2013

Frans

7 13

2013-2014

18

2014-2015 16

2015-2016 26

2012-2013

lichamelijke opvoeding

19

2013-2014

14

2014-2015 20

2015-2016

7 7

2016-2017 2013-2014

10

9 4

18

5 11 4 7 7

4

2014-2015 8

2015-2016

4

2016-2017

26

2012-2013

LOET: leren leren

2

18

2012-2013

LOET:ICT

2 2 8 9

7

2016-2017

2013-2014

13

2014-2015 9

2015-2016

3 3

2016-2017 22

2012-2013

LOET: sociale vaardigheden

7 23 3 1

2013-2014 6

2014-2015 2015-2016 1

2016-2017 57

2012-2013

muzische vorming

65

36

2013-2014

57 39

41

2014-2015

55

2015-2016

39

41

2016-2017

143

2012-2013

Nederlands

146 86

2013-2014 2014-2015

102

2015-2016 73

2016-2017

wereldoriĂŤntatie

124

2012-2013 99

2013-2014

79

2014-2015

wetenschappen en techniek

2015-2016

mens en maatschappij

2015-2016

59 56 57

2016-2017

59

2016-2017

36 14 26 13 10 13 47 74 35 22 21 21 19

124 114

2014-2015

83

10 10 11

2015-2016

68 64

9 8

2012-2013

wiskunde

1 1

2013-2014

2016-2017 0%

20 % Voldoende

40 %

60 %

80 %

100 %

Onvoldoende

Figuur 45: Overzicht per schooljaar van de verschillende leergebieden van het lager onderwijs (schooljaren 2012-2013 tot en met 2016-2017).


[ 53 ]

Het buitengewoon basisonderwijs Overzicht adviezen Aantal doorgelichte scholen

Advies 1

Advies 2

Advies 3

2008-2009

20

15

5

0

2009-2010

29

23

6

0

2010-2011

21

13

7

1

2011-2012

29

15

10

4

2012-2013

23

12

7

4

2013-2014

15

7

8

0

2014-2015

21

10

10

1

2015-2016

28

8

15

5

2016-2017

15

8

6

1

Totaal

201

111

74

16

Figuur 46: Overzicht van de onderwijskundige adviezen in het buitengewoon basisonderwijs (januari 2009 tot en met schooljaar 2016-2017).

In de loop van doorlichtingsronde 3 krijgt 55 % van de 201 doorgelichte bubao-scholen een gunstig onderwijskundig advies, 37 % een beperkt gunstig advies en 8 % een ongunstig advies. De cijfers fluctueren tussen de 79 % gunstige adviezen in het

schooljaar 2009-2010 en 29 % in het schooljaar 2015-2016. Het aantal ongunstige adviezen varieert tussen de 0 % en 18 %. Het aantal jaarlijkse doorlichtingen is beperkt, wat de grote schommelingen verklaart.


[ 54 ]

100 % 90 % 80 % 70 % 60 % 50 % 40 % 30 % 20 % 10 % 0% 2008-2009 2009-2010 Advies 1

Advies 2

2010-2011

2011-2012

2012-2013

2013-2014

2014-2015

2015-2016

2016-2017

Advies 3

Figuur 47: Grafische weergave van de onderwijskundige adviezen bubao (januari 2009 tot en met schooljaar 2016-2017).

In de rubriek onderwijsdoelen zoomen we dieper in op de resultaten voor de verschillende onderwijstypes in de periode van 2012-2013 tot en met 2016-2017.

Onderwijsdoelen In het schooljaar 2015-2016 werd het type basisaanbod ingevoerd voor kinderen met specifieke onderwijsbehoeften, voor wie het gemeenschappelijk curriculum met redelijke aanpassingen niet haalbaar is in een school voor gewoon onderwijs. Het type basisaanbod verving vanaf september 2015 geleidelijk het type 1 (voor kinderen met een licht mentale handicap) en type 8 (voor kinderen met ernstige leerstoornissen). Type 9-onderwijs werd eveneens geïntroduceerd vanaf september 2015. Het is gericht op jongeren met een autismespectrumstoornis en zonder verstandelijke beperking. Zowel het type basisaanbod als het type 9 behalen slechts ongeveer 30 % voldoendes voor de onderzochte leergebieden.

Het type 3-onderwijs (voor kinderen met een emotionele of gedragsstoornis en zonder verstandelijke beperking) bereikt een 40 % voldoendes. Type 4 (voor kinderen met een motorische beperking) behaalt matige resultaten met iets meer dan 50 % voldoendes. Voor type 2 (voor kinderen met een verstandelijke beperking), type 6 (voor kinderen met een visuele beperking) en type 7 (voor kinderen met een auditieve beperking of een spraak- of taalstoornis) zijn de resultaten met telkens een 60 à 65 % voldoendes wat positiever. Type 5 (voor kinderen in een ziekenhuis, een preventorium of een residentiële setting) doet het zeer goed met 83 % voldoendes.


[ 55 ]

De leergebieden ‘leren leren’, sociaal-emotionele ontwikkeling en wereldoriëntatie worden onvoldoende kwaliteitsvol aangeboden in vele scholen met het type basisaanbod, type 3 en type 9. We stellen hetzelfde fenomeen vast in het vroegere type 1- en type 8-onderwijs (waar het globaal aandeel Onderwijsaanbod

voldoendes wel hoger ligt). Het hangt veelal samen met een sterk technisch-cognitief gerichte aanpak die weinig aandacht besteedt aan de ontwikkeling van de vaardigheden en attitudes, en onvoldoende op maat is van de opvoedings- en onderwijsbehoeften van de leerlingen.

Aantal onderzochte leergebieden Voldoet

Voldoet niet Voldoet

Voldoet niet

Type basisaanbod

42

13

29

31 %

69 %

Type 1

84

50

34

60 %

40 %

Type 2

70

45

25

64 %

36 %

Type 3

32

13

19

41 %

59 %

Type 4

17

9

8

53 %

47 %

Type 5

12

10

2

83 %

17 %

Type 6

10

6

4

60 %

40 %

Type 7

17

11

6

65 %

35 %

Type 8

64

38

26

59 %

41 %

Type 9

15

4

11

27 %

73 %

Totaal

363

199

164

55 %

45 %

Figuur 48: Overzicht van het aantal voldoendes en onvoldoendes voor de leergebieden van het buitengewoon basisonderwijs, geordend per type (schooljaren 2012-2013 tot en met 2016-2017)..

Er bestaan grote verschillen tussen individuele scholen buitengewoon basisonderwijs. Ook de resultaten tussen de verschillende types verschillen. Scholen die een richtinggevende visie hebben op het handelingsplanmatig nastreven van de geselecteerde ont-

wikkelingsdoelen slagen erin sterk ontwikkelingsgericht onderwijs neer te zetten dat gepast inspeelt op de onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de leerlingen.

Het buitengewoon secundair onderwijs Overzicht adviezen 38  % van de in doorlichtingsronde 3 bezochte buso-scholen krijgen een gunstig onderwijskundig advies, 57 % een beperkt gunstig advies en 5 % een ongunstig advies. De adviezen schommelen sterk van schooljaar tot schooljaar, met een zeer groot aandeel beperkt gunstig adviezen de eerste twee schooljaren van doorlichtingsronde 3. In het school-

jaar 2015-2016 en 2016-2017 ligt het aandeel gunstige adviezen wat hoger dan gemiddeld: respectievelijk 50 % en 62 % van de scholen ontvingen toen een gunstig advies. Sommige schooljaren werd er geen enkel ongunstig advies gegeven, in andere schooljaren één of uitzonderlijk twee.


[ 56 ]

Aantal doorgelichte scholen

Advies 1

Advies 2

Advies 3

2008-2009

8

1

7

0

2009-2010

13

2

11

0

2010-2011

7

3

4

0

2011-2012

13

5

7

1

2012-2013

19

6

12

1

2013-2014

11

5

6

0

2014-2015

14

5

7

2

2015-2016

20

10

9

1

2016-2017

13

8

4

1

Totaal

118

45

67

6

Figuur 49: Overzicht van de onderwijskundige adviezen in het buitengewoon secundair onderwijs (januari 2009 tot en met schooljaar 2016-2017).

100 % 90 % 80 % 70 % 60 % 50 % 40 % 30 % 20 % 10 % 0% 2008-2009 2009-2010 Advies 1

Advies 2

2010-2011

2011-2012

2012-2013

2013-2014

2014-2015

2015-2016

2016-2017

Advies 3

Figuur 50: Grafische weergave van de onderwijskundige adviezen buso (januari 2009 tot en met schooljaar 2016-2017).


[ 57 ]

Hieronder gaan we verder in op de resultaten voor de verschillende opleidingsvormen voor de schoolja-

ren 2013-2014 tot en met 2016-2017.

Onderwijsdoelen De resultaten voor opleidingsvorm 1 zijn over het algemeen positiever dan deze van de andere opleidingsvormen. Schoolteams binnen opleidingsvorm 1 slagen er beter in de onderwijsdoelen op een kwalitatieve handelingsplanmatige wijze na te streven en Curriculum Opleidingsvorm 1

Opleidingsvorm 2

Opleidingsvorm 3

Opleidingsvorm 4

zo onderwijs op maat van de leerlingen en gericht op de einddoelstellingen te realiseren. In de andere opleidingsvormen is de handelingsgerichte aanpak nog te weinig gericht op de gewenste opleidingsresultaten.

Schooljaar

Aantal

Voldoet

Voldoet Niet

2013-2014

3

3

0

2014-2015

8

8

0

2015-2016

15

11

4

2016-2017

7

5

2

Totaal

33

27

6

2013-2014

5

3

2

2014-2015

8

2

6

2015-2016

10

5

5

2016-2017

5

3

2

Totaal

28

13

15

2013-2014

26

21

5

2014-2015

18

6

12

2015-2016

30

20

10

2016-2017

9

8

1

Totaal

83

55

28

2013-2014

22

16

6

2014-2015

57

6

51

2015-2016

17

12

5

2016-2017

15

12

3

Totaal

111

46

65

Figuur 51: Overzicht van het aantal voldoendes en onvoldoendes voor de verschillende opleidingsonderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs, geordend per opleidingsvorm (schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017).


[ 58 ]

De centra voor basiseducatie Overzicht adviezen Aantal doorgelichte centra voor basiseducatie

Advies 1

Advies 2

Advies 3

2009-2010

2

1

1

0

2010-2011

3

3

0

0

2011-2012

1

1

0

0

2012-2013

3

2

1

0

2013-2014

2

2

0

0

2014-2015

1

1

0

0

Totaal

12

10

2

0

Figuur 52: Overzicht van de onderwijskundige adviezen in de centra voor basiseducatie (januari 2009 tot en met schooljaar 2016-2017).

Tien van de twaalf in de periode van januari 2009 tot en met het schooljaar 2016-2017 bezochte centra voor basiseducatie krijgen een gunstig onderwijskundig advies (83 %). Geen enkel centrum krijgt een ongunstig advies.8

Hieronder zoomen we in op de resultaten die de centra vanaf het schooljaar 2013-2014 boeken voor de verschillende onderdelen van het curriculum.

Onderwijsdoelen Curriculum

Aantal

Voldoet

Voldoet niet

Alfabetisering Nederlands tweede taal

3

3

0

Gemengde Maatwerken

1

1

0

Nederlands tweede taal

3

2

1

Open Modules

2

2

0

Wiskunde

1

1

0

Totaal

10

9

1

Figuur 53: Overzicht van de onderzochte onderdelen van het curriculum (schooljaren 2013-2014 en 2014-2015).

De doorgelichte centra voor basiseducatie maken hun maatschappelijke opdracht waar. Het onderwijsaanbod dat leerplangericht is ĂŠn afgestemd op

het doelpubliek, vormt een sterk punt van de centra. Een werkpunt in vele centra is de evaluatiepraktijk die betrouwbaarder en transparanter kan.

8 In de schooljaren 2015-2016 en 2016-2017 lichtten we geen centra voor basiseducatie door. Het dertiende centrum voor basiseducatie werd in het eerste semester van het schooljaar 2017-2018 doorgelicht.


[ 59 ]

De centra voor leerlingenbegeleiding Overzicht adviezen Geen enkel centrum voor leerlingenbegeleiding krijgt in de loop van doorlichtingsronde 3 een ongunstig advies voor de invulling van haar kernopdrachten. 35 % van de centra krijgt een gunstig advies, 65 % een beperkt gunstig advies. De adviezen

fluctueren sterk van jaar tot jaar met bijvoorbeeld onder meer in het schooljaar 2012-2013 uitsluitend beperkt gunstige adviezen en in de twee laatste schooljaren rond de 60 % gunstige adviezen.

Advies 1

Advies 2

Advies 3

2008-2009

Aantal doorgelichte centra voor leerlingenbegeleiding 4

1

3

0

2009-2010

5

0

5

0

2010-2011

8

2

6

0

2011-2012

10

3

7

0

2012-2013

8

0

8

0

2013-2014

10

4

6

0

2014-2015

9

5

4

0

2016-2017

15

9

6

0

Totaal

69

24

45

0

Figuur 54: Overzicht van de adviezen voor de kernopdrachten van de centra voor leerlingenbegeleiding (januari 2009 tot en met schooljaar 2016-2017). De adviezen voor bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne laten we hier buiten beschouwing.

In het schooljaar 2015-2016 brachten we aan alle 72 centra een verkennend bezoek in het kader van de implementatie van het M-decreet.9 Omwille van deze

bezoeken werden de reguliere doorlichtingen voor dat schooljaar opgeschort.

CLB-opdrachten Hoe is het nu gesteld met de kwaliteit van de in de schooljaren 2013-2014, 2014-2015 en 2016-2017 onderzochte CLB-opdrachten? De CLB ’s voeren over het algemeen het merendeel van hun opdrachten voldoende kwaliteitsvol uit: iets meer dan 80 % van de vanaf 2013-2014 tot en met

2016-2017 onderzochte opdrachten krijgen na de doorlichting een beoordeling ‘voldoet’. In de doorgelichte centra onderzoekt de onderwijsinspectie steeds het kwaliteitsbeleid om zo de ontwikkelingsdynamiek van het centrum te vatten. 24 van de 34 tussen september 2013 en juli 2017 doorgelichte centra kregen hiervoor een voldoende.

9 Op www.onderwijsinspectie.be (rubriek: andere opdrachten) vind je het rapport ‘Verkennend onderzoek naar de implementatie van het M-decreet in de CLB’s.’


[ 60 ]

CLB-opdrachten

Aantal Voldoet

Voldoet Voldoet Voldoet % niet niet %

Aanwijsbaar multidisciplinair team

7

7

0

100 %

0 %

Afwezigheidsproblemen

25

23

2

92 %

8 %

Algemene consulten

13

12

1

92 %

8 %

Bijzondere consulten

1

0

1

0 %

100 %

Decreet rechtspositie minderjarigen respecteren

5

5

0

100 %

0 %

Deelname aan en samenwerking met LOP

7

7

0

100 %

0 %

Definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel voorkomen

14

13

1

93 %

7 %

Draaischijffunctie

10

10

0

100 %

0 %

Gerichte consulten

13

11

2

85 %

15 %

Informatieverstrekking

8

6

2

75 %

25 %

Infrastructuur: taken kwaliteitsvol uitvoeren en privacy garanderen

11

0

11

0 %

100 %

Kwaliteitsbeleid conform hoofdstuk XI DCLB

34

24

10

71 %

29 %

Leren en studeren

9

9

0

100 %

0 %

Onderwijsloopbaan

7

7

0

100 %

0 %

Opstellen van een beleidsplan / -contract overeenkomstig hoofdstuk V, afdeling 2 DCLB

5

1

4

20 %

80 %

Participatie aan gestructureerd overleg

16

14

2

88 %

13 %

Profylaxe

2

2

0

100 %

0 %

Projecten gericht op het beleid rond prioritaire doelgroepen

26

19

7

73 %

27 %

Psychisch en sociaal functioneren

6

6

0

100 %

0 %

Reglementering inzake openingstijden en -periodes

1

1

0

100 %

0 %

Samenwerking scholen gewoon en buitengewoon onderwijs

4

4

0

100 %

0 %

Vaccinaties

5

5

0

100 %

0 %

Zorgvragen preventieve gezondheidszorg

6

5

1

83 %

17 %

235

191

44

81 %

19 %

Totaal

Figuur 55: Overzicht van de onderzochte CLB-opdrachten (schooljaren 2013-2014, 2014-2015 en 2016-2017).


[ 61 ]

Centra kunnen nog stappen zetten op vlak van een gestructureerd en systematisch kwaliteitsbeleid dat doordringt tot in hun dagelijkse praktijk. Het opstellen van een beleidsplan/-contract en het maken van schoolspecifieke afspraken bleek in het schooljaar 2014-2015 een moeilijke opdracht voor de meeste CLB ’s. In het schooljaar 2016-2017 onderzochten we dit item niet gezien de wijzigingen die op til zijn in het kader van het M-decreet en het decreet leerlingenbegeleiding.

De onderwijsinspectie vroeg gedurende een aantal jaren expliciete aandacht voor de infrastructuur voor medische consulten. In de elf centra waar dit onderzocht werd bleek de infrastructuur die gebruikt werd voor de medische consulten onvoldoende kwaliteitsvol en werd de privacy onvoldoende gegarandeerd. CLB ’s boekten vooruitgang op het vlak van schoolondersteuning. Het in 2014-2015 vastgestelde knelpunt op het vlak van projecten voor prioritaire doelgroepen doet zich in het merendeel van de in 2016-2017 bezochte centra niet meer voor.

De centra voor volwassenenonderwijs Overzicht adviezen Aantal doorgelichte centra voor volwassenenonderwijs 2008-2009

9

Advies 1

Advies 2

Advies 3

1

8

0

2009-2010

17

6

11

0

2010-2011

16

10

6

0

2011-2012

16

6

8

2

2012-2013

13

8

4

1

2013-2014

9

2

7

0

2014-2015

9

4

5

0

2015-2016

8

3

5

0

2016-2017 Totaal

5

3

2

0

102

43

56

3

Figuur 56: Overzicht van de onderwijskundige adviezen in de centra voor volwassenenonderwijs (januari 2009 tot en met schooljaar 2016-2017).

Voor de onderwijsdoelstellingen krijgt in de derde doorlichtingsronde 42 % van de CVO ’s een gunstig advies, 55 % een beperkt gunstig advies en 3 % een ongunstig advies. De advisering fluctueert sterk in

de loop van doorlichtingsronde 3. Dit is niet verwonderlijk gezien het beperkte aantal per schooljaar doorgelichte CVO ’s.


[ 62 ]

Onderwijsdoelen In de centra voor volwassenenonderwijs voldoen in de periode van 2013-2014 tot en met 2016-2017 Studiegebieden

71 % van de onderzochte opleidingen.

Aantal opleidingen

Voldoet

Voldoet niet

Algemene vorming

15

7

8

Auto

8

5

3

Bijzondere educatieve noden

1

1

0

Chemie

3

3

0

Grafische technieken

9

5

4

Handel

10

10

0

Hout

1

1

0

Huishoudelijk onderwijs

3

3

0

Informatie- en communicatietechnologie

12

7

5

Juwelen

1

1

0

Koeling en warmte

2

2

0

Lichaamsverzorging

8

3

5

Maritieme opleidingen

1

0

1

Mechanica - elektriciteit

10

8

2

Mode

11

5

6

Nederlands tweede taal

37

29

8

Personenzorg

21

21

0

Talen richtgraad 1 en 2

80

53

27

Talen richtgraad 3 en 4

39

31

8

Toerisme

1

1

0

Voeding

11

6

5

284

202

82

Totaal

Figuur 57: Overzicht van de onderzochte opleidingen per studiegebied (schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017).


[ 63 ]

Voor het gros van de studiegebieden gelden de vaststellingen uit de voorgaande Onderwijsspiegels nog steeds: - Het merendeel van de centra implementeert de nieuwe opleidingsprofielen NT2 doelgericht. Voor een sterk aanbod NT2 is een efficiënte vakgroepwerking essentieel. - De kwaliteit van de beroepsopleidingen Handel en Personenzorg is goed tot bijzonder goed: deze opleidingen zijn sterk leerplangericht. - Tekorten voor moderne vreemde talen zijn meestal te wijten aan een weinig leerplangerichte evaluatiepraktijk, het onvoldoende gebruik van

de doeltaal als instructietaal en het gebrek aan een inhoudelijk ondersteunende vakgroepwerking. Waar moderne vreemde talen wel voldoen, is het aanbod authentiek en communicatief en hanteert men een evenwichtige en valide evaluatiepraktijk. Er bestaan grote verschillen tussen centra wat de kwaliteit van de leerplanrealisatie betreft. Een sterk inhoudelijk uitgebouwde vakgroepwerking, een krachtdadig beleidsvoerend vermogen en een grote inzet op interne kwaliteitszorg hebben een positieve impact.

Het deeltijds kunstonderwijs Overzicht adviezen Aantal doorgelichte academies

Advies 1

Advies 2

Advies 3

2008-2009

12

7

5

0

2009-2010

24

9

15

0

2010-2011

22

13

9

0

2011-2012

14

8

6

0

2012-2013

22

9

13

0

2013-2014

18

8

10

0

2014-2015

18

10

8

0

2015-2016

18

9

9

0

2016-2017 Totaal

17

6

10

1

165

79

85

1

Figuur 58: Overzicht van de onderwijskundige adviezen in de academies voor deeltijds kunstonderwijs (januari 2009 tot en met schooljaar 2016-2017).

Globaal gezien krijgt in de derde doorlichtingsronde 48 % van de academies een gunstig onderwijskundig advies en 52 % een beperkt gunstig advies. Slechts één academie ontvangt in de loop van doorlichtingsronde 3 een ongunstig advies voor onder-

wijskundige tekorten. Ook voor dit onderwijsniveau schommelen de gunstige adviezen van jaar tot jaar, met een maximum van 59 % gunstige adviezen in het schooljaar 2010-2011 en een minimum van 35 % in het schooljaar 2016-2017.


[ 64 ]

100 % 90 % 80 % 70 % 60 % 50 % 40 % 30 % 20 % 10 % 0% 2008-2009 2009-2010 Advies 1

Advies 2

2010-2011

2011-2012

2012-2013

2013-2014

2014-2015

2015-2016

2016-2017

Advies 3

Figuur 59: Grafische weergave van de onderwijskundige adviezen in het deeltijds kunstonderwijs (januari 2009 tot en met schooljaar 2016-2017).

Onderwijsdoelen 100 %

34

16

90 %

33 344

127

80 % 70 %

23

115

50

Voldoet niet Voldoet

60 % 50 % 40 % 30 % 20 % 10 % 0% Beeldende kunst

Dans

Muziek

Woordkunst

Figuur 60: Overzicht van de onderzochte studierichtingen in het deeltijds kunstonderwijs (schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017).


[ 65 ]

Hoe is het nu gesteld met het bereiken van de onderwijsdoelstellingen in de verschillende studierichtingen van het deeltijds kunstonderwijs? In de periode van 2013-2014 tot en met 2016-2017 onderzocht de onderwijsinspectie 742 vakken in het deeltijds kunstonderwijs. In 86 % van de onderzochte vak-

ken is de leerplanrealisatie voldoende kwaliteitsvol. Vakken van de studierichtingen Beeldende kunst en Dans behalen respectievelijk 77 % en 76 % voldoendes. Voor Woordkunst gaat het om 85 % en voor Muziek zelfs om 91 % voldoendes.

2013-2014

Beeldende kunst

40

2014-2015

29

2015-2016

7

21

19 21

2013-2014

Dans

6

2014-2015

14

2015-2016

3

6

5

2013-2014

88

2014-2015

85

2015-2016

93

2013-2014

34

2014-2015 30

2016-2017 20 % Voldoet

40 %

60 %

5

5 6

32 0%

7

7 31

2015-2016

8 13

78

2016-2017

Woordkunst

2

9

2016-2017

Muziek

5

25

2016-2017

3

80 %

5 100 %

Voldoet niet

Figuur 61: Overzicht per schooljaar van de onderzochte studierichtingen in het deeltijds kunstonderwijs (schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017).

De in verhouding iets mindere resultaten voor Beeldende Kunst en Dans zijn hoofdzakelijk te wijten aan de resultaten van het schooljaar 2016-2017 toen

voor Beeldende Kunst slechts 21 van de 40 vakken voldeden en voor Dans slechts zes van de elf onderzochte vakken.


[ 66 ]

Het stelsel leren en werken Het deeltijds beroepssecundair onderwijs (dbso) Overzicht adviezen Aantal doorgelichte centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs 2008-2009 2

Advies 1

Advies 2

Advies 3

2

0

0

7

0

6

1

2010-2011

4

0

3

1

2011-2012

5

1

3

1

2009-2010

2012-2013

7

1

6

0

2013-2014

6

0

5

1

2014-2015

5

1

3

1

2015-2016

7

1

6

0

2016-2017

4

1

2

1

Totaal

47

7

34

6

Figuur 62: Overzicht van de onderwijskundige adviezen in de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs (januari 2009 tot en met schooljaar 2016-2017).

Van de 47 doorlichtingen in centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs leiden er 15 % tot een gunstig advies voor de onderwijsdoelstellingen,

72 % tot een beperkt gunstig advies en 13 % tot een ongunstig advies.

Onderwijsdoelen 100 % 16

39

156

5

90 % 80 % 70 %

Voldoet niet

17 Voldoet

41

60 % 50 % 40 % 30 %

81 14

20 % 10 % 0% Algemene vorming

Lineair

Modulair

VOET

Figuur 63: Overzicht van de onderzochte onderdelen van het curriculum (schooljaren 2012-2013 tot en met 2016-2017).


[ 67 ]

In deze rubriek zoomen we verder in op de kwaliteit van de verschillende opleidingsonderdelen in het dbso. 41 % van de in de schooljaren 2012-2013 10 tot en met 2016-2017 onderzochte opleidingsonderdelen voldoen. De algemene vorming voldoet in 72 %

van de gevallen. 77 % van de centra streven de vakoverschrijdende eindtermen in voldoende mate na. Van de onderzochte modulaire opleidingen voldoet slechts 34 %, van de lineaire opleidingen 26 %.

2014-2015

Algemene vorming

6

6

2015-2016

23

2016-2017

12

6

2012-2013 2013-2014

Lineair

6 1

17

2014-2015

6

2015-2016

4

4

8

2016-2017

3

2012-2013

Modulair

4

17

2013-2014

48

17

50

2014-2015

20

2015-2016

18

16

30

2016-2017

11

10

2013-2014

VOET

4

6

2014-2015

3

2

2015-2016

6

2016-2017

2 0%

20 % Voldoet

40 %

1 2

60 %

80 %

100 %

Voldoet niet

Figuur 64: Overzicht per schooljaar van de onderzochte onderdelen van het curriculum (schooljaren 2012-2013 tot en met 2016-2017).

Voor de algemene vorming in het deeltijds beroepsonderwijs stellen we een positieve tendens vast. In de Onderwijsspiegel 2017 signaleerden we de opmerkelijk positieve resultaten voor algemene vorming in 2015-2016, die in zes van de zeven toen bezochte centra voldeed. In het schooljaar 2016-2017

zien we deze tendens eveneens optreden: in drie van de vier doorgelichte centra voldoet de algemene vorming. De kwaliteit van de beroepsgerichte vorming is daarentegen nog steeds voor verbetering vatbaar.

10 We beperken ons in dit overzicht tot de schooljaren waarvoor we over een voldoende verfijnde centrale registratie beschikken voor de opleidingsonderdelen. Voor de algemene vorming is dit vanaf het schooljaar 2014-2015.


[ 68 ]

De Syntra (Leertijd) Overzicht adviezen Aantal doorgelichte Syntra 2013-2014 2

Advies 1 0

Advies 2 0

Advies 3 2

2014-2015

1

0

0

1

2015-2016

1

0

0

1

2016-2017

1

0

1

0

Totaal

5

0

1

4

Figuur 65: Overzicht van de onderwijskundige adviezen in de Syntra/Leertijd (januari 2009 tot en met schooljaar 20162017).

Vier van de vijf doorgelichte Syntra krijgen een ongunstig advies voor het bereiken van de onderwijsdoelstellingen in de Leertijd. Zowel de kwaliteit van de algemene vorming als van de beroepsgerichte vorming was onvoldoende in deze centra. Het in het schooljaar 2016-2017 bezochte Syntra ontvangt

een beperkt gunstig advies: het centrum investeerde sterk in een kwaliteitsverbetering van de algemene vorming, wat al gedeeltelijke resultaten opleverde. Voor de beroepsgerichte vorming blijft er werk aan de winkel: hier blijft een substantiĂŤle verbetering van de kwaliteit tot nu toe uit.

Het gewoon voltijds secundair onderwijs Overzicht adviezen Aantal doorgelichte scholen gewoon secundair onderwijs

Advies 1

Advies 2

Advies 3

2008-2009

85

32

53

0

2009-2010

125

52

71

2

2010-2011

78

46

31

1

2011-2012

129

50

71

8

2012-2013

122

35

86

1

2013-2014

78

24

51

3

2014-2015

89

29

60

0

2015-2016

95

44

48

3

2016-2017

123

45

77

1

Totaal

924

357

548

19

Figuur 66: Overzicht van de onderwijskundige adviezen in het gewoon voltijds secundair onderwijs (januari 2009 tot en met schooljaar 2016-2017).


[ 69 ]

In doorlichtingsronde 3 resulteert 38 % van de 924 doorlichtingen van secundaire scholen in een gunstig onderwijskundig advies, 59 % in een beperkt gunstig advies en 2 % in een ongunstig advies. Het aandeel gunstige adviezen varieert van 29 % tot

59 %. Het aantal ongunstige adviezen blijft over de schooljaren heen beperkt, met een maximum van acht ongunstige adviezen in het schooljaar 20112012.

100 % 90 % 80 % 70 % 60 % 50 % 40 % 30 % 20 % 10 % 0% 2008-2009 2009-2010 Advies 1

Advies 2

2010-2011

2011-2012

2012-2013

2013-2014

2014-2015

2015-2016

2016-2017

Advies 3

Figuur 67: Grafische weergave van de onderwijskundige adviezen in het gewoon voltijds secundair onderwijs (januari 2009 tot en met schooljaar 2016-2017).

Onderwijsdoelen Van de 5222 in de periode van 2012-2013 tot en met 2016-2017 onderzochte structuuronderdelen voldoet er gemiddeld 61 %. 67 % van de onderzochte studierichtingen in het algemeen secundair onderwijs voldoen, 61 % van de studierichtingen in het technisch

secundair onderwijs, 56 % van de studierichtingen in het kunstsecundair onderwijs en 54 % van de richtingen van het beroepssecundair onderwijs. In de eerste graad voldoet gemiddeld 57 % van de onderzochte structuuronderdelen.11

11 De structuuronderdelen van de eerste graad zijn de leerjaren A en B, de basisopties en de beroepsvoorbereidende leerjaren.


[ 70 ] Onderwijsvorm

Aantal

Voldoet

Voldoet niet

Voldoet %

Voldoet niet %

Graad 1

1582

909

673

57 %

43 %

Aso

1743

1166

577

67 %

33 %

Bso

881

473

408

54 %

46 %

Kso

86

48

38

56 %

44 %

Tso

930

568

362

61 %

39 %

Totaal

5222

3164

2058

61 %

39 %

Figuur 68: Resultaten voor de onderzochte structuuronderdelen in de eerste graad en in de onderwijsvormen (schooljaar 2012-2013 tot en met 2016-2017).

124

138

2013-2014

graad 1

159

129

2012-2013

2014-2015 2015-2016

120

215

2016-2017

154

232

2012-2013

152

211

2013-2014

aso

116

195

112

189

2014-2015

206

96

2015-2016

249

111

2016-2017 2012-2013

97

77

2013-2014

bso

73

64

2014-2015

76

94

64

114

2015-2016 2016-2017

98

124

2012-2013

64

100

2013-2014

tso

106

311

57

75

65

139

2014-2015 2015-2016

67

113

2016-2017

109

141 0%

20 % Voldoende

40 %

60 %

80 %

100 %

Onvoldoende

Figuur 69: Resultaten per schooljaar voor de onderzochte structuuronderdelen in de eerste graad en in de onderwijsvormen (schooljaar 2012-2013 tot en met 2016-2017).


[ 71 ] De resultaten voor het algemeen secundair onderwijs vertonen een lichte opwaartse trend in de schooljaren 2012-2013 tot en met 2016-2017. We zien ook een positieve tendens voor de resultaten van het beroepssecundair onderwijs en de eerste graad, die zich echter niet doorzet in het schooljaar 20162017. Het technisch secundair onderwijs boekte in het schooljaar 2012-2013 sterkere resultaten dan het beroepssecundair onderwijs en de eerste graad, de resultaten in de volgende schooljaren zijn enigszins wisselend.

nisch secundair onderwijs (68 % voldoendes). In het beroepssecundair onderwijs behaalt slechts 60 % van de onderzochte vakken een voldoende, in het kunstsecundair onderwijs maar 55 %. Voor de vakken van de specifieke vorming zien we eveneens dat het aso het best scoort met 84 % voldoendes. De resultaten van graad 1, het technisch secundair onderwijs, het beroepssecundair onderwijs en het kunstsecundair onderwijs liggen allen boven de 66 %. Let wel: vakken worden binnen eenzelfde school vaak in meerdere structuuronderdelen doorgelicht. Dat maakt dat de data sterk onderhevig zijn aan fluctuaties van schooljaar tot schooljaar. We manen daarom tot voorzichtigheid bij de interpretatie.

De resultaten voor de binnen de structuuronderdelen onderzochte vakken van de basisvorming zijn het meest positief voor de eerste graad (75 % voldoendes) en het algemeen secundair onderwijs (79 % voldoendes). Ze liggen iets lager voor het tech-

Vakken van de basisvorming Onderwijsvorm en graad

Vakken van de specifieke vorming

Aantal

Voldoet

Voldoet niet

Aantal

Voldoet

Voldoet niet

Graad 1

2261

75 %

25 %

322

73 %

27 %

Aso

2007

79 %

21 %

1288

84 %

16 %

Graad 2

791

79 %

21 %

294

89 %

11 %

Graad 3

1216

79 %

21 %

994

82 %

18 %

Bso

475

60 %

40 %

592

66 %

34 %

Graad 2

193

66 %

34 %

228

64 %

36 %

Graad 3

282

56 %

44 %

364

66 %

34 %

Kso

56

55 %

45 %

66

67 %

33 %

Graad 2

22

64 %

36 %

34

65 %

35 %

Graad 3

34

50 %

50 %

32

69 %

31 %

Tso

730

68 %

32 %

647

71 %

29 %

Graad 2

377

69 %

31 %

285

69 %

31 %

Graad 3

353

67 %

33 %

362

73 %

27 %

Totaal

5540

74 %

26 %

2915

76 %

24 %

Figuur 70: Aantal onderzochte vakken in de basisvorming en de specifieke vorming in graad 1, aso, bso, kso en tso en het aandeel voldoendes/onvoldoendes (schooljaar 2013-2014 tot en met 2016-2017).


[ 72 ] De positievere resultaten die we in het schooljaar 2015-2016 vaststelden voor vakken van de basisvor-

ming in het beroepssecundair onderwijs, zijn in het schooljaar 2016-2017 minder sterk aanwezig.

2013-2014

graad 1

252

134

2014-2015

447

113

2015-2016

567

145

2016-2017

421

2013-2014

aso

179

252

2014-2015

87 438

2015-2016

436

2016-2017

97

36

2014-2015

42

58

63

2015-2016

90

2016-2017

27

102

57

50

2013-2014

tso

126 463

2013-2014

bso

108

41

2014-2015

174

2015-2016

45

146

2016-2017

58

127 0%

20 % Voldoet

40 %

89 60 %

80 %

100 %

Voldoet niet

Figuur 71: Voldoendes/onvoldoendes voor vakken van de basisvorming in graad 1, aso, bso en tso (schooljaar 2013-2014 tot en met 2016-2017).

2013-2014

graad 1

23

48 56

2014-2015 2015-2016

30

2016-2017

85

2013-2014

aso

2014-2015

272

2015-2016

275 325

2013-2014

2015-2016

106 84

35 58 47 46

81

2014-2015

15 68

206

2016-2017

bso

18

47

37 58


2013-2014

aso

2014-2015

272

2015-2016

325

2013-2014

58

84

2016-2017

62

118

2013-2014

tso

31

90

51

166

2014-2015 2015-2016

33

95

2016-2017

70

111 0%

20 % Voldoet

40 %

47

37

106

2015-2016

[ 73 ]

46

81

2014-2015

35 58

275

2016-2017

bso

68

206

60 %

80 %

100 %

Voldoet niet

Figuur 72: Voldoendes/onvoldoendes voor vakken van de specifieke vorming in graad 1, aso, bso en tso (schooljaar 20132014 tot en met 2016-2017).

Het onderwijs aan anderstalige nieuwkomers

De vakoverschrijdende eindtermen

De onderwijsinspectie onderzocht tijdens de doorlichtingen van 2012-2013 tot en met 2016-2017 negentien maal het onderwijs voor anderstalige nieuwkomers. Het OKAN-onderwijs voldeed veertien keer.

339 van de 385 van de in de periode van 2012-2013 tot en met 2016-2017 bezochte scholen streven de vakoverschrijdende eindtermen voldoende na. Het percentage onvoldoendes varieert van schooljaar tot schooljaar tussen de 8  % en 16  %.

100 % 90 %

6

8

72

81

80 %

15

17

80

106

70 %

Voldoet niet Voldoet

60 % 50 % 40 % 30 % 20 % 10 % 0% 2013-2014

2014-2015

2015-2016

2016-2017

Figuur 73: Resultaten per schooljaar voor de vakoverschrijdende eindtermen (schooljaar 2013-2014 tot en met 2016-2017).


[ 74 ]

© iStock | Thinkstock


[ 75 ]

2.1.2 De kwaliteit van de onderzochte processen

[ PROCES ] ALGEMEEN

PERSONEEL

ONDERWIJS

personeelsbeheer

curriculum voor school, centrum of academie

leiderschap visie-ontwikkeling besluitvorming kwaliteitszorg

personeelsorganisatie evaluatiesysteem

21 25

aanvangsbegeleiding 169 deskundigheidsbevordering 652

voor school, centrum of academie

materieel beheer

veiligheid gezondheid en hygiëne milieu werken/stages

informatie over onderwijs informatie over gezondheid en welzijn informatie over kinderrechten

begeleiding

LOGISTIEK

welzijn

118 98

voor CLB

professionalisering

financiële middelen kostenbeheersing voor leerlingen/cursisten uitrusting infrastructuur

onderwijsaanbod onderwijsorganisatie

1 3 9

afstemming tussen s/c/a en CLB en/of andere partners leerbegeleiding loopbaanbegeleiding sociale en emotionele begeleiding

47 916 65 252

voor CLB

afstemming tussen CLB en school hulpverlening preventieve gezondheidszorg schoolondersteuning

8

2

evaluatie voor school, centrum of academie evaluatiepraktijk 778 rapporteringspraktijk 148

voor CLB attesteringspraktijk verwijspraktijk

Figuur 74: Aantal keren dat procesvariabelen uit het CIPO-referentiekader in de doorlichtingsfocus stonden (schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017).

We beperken ons voor dit luik tot de processen die de onderwijsinspectie onderzocht in de periode van 2013-2014 tot en met 2016-2017. In die periode plaatsten inspectieteams 3328 processen in

de doorlichtingsfocus. Leerbegeleiding, evaluatiepraktijk en deskundigheidsbevordering worden het vaakst doorgelicht.

8 8


[ 76 ]

100 % 90 % Sterk

80 %

Eerder sterk dan zwak

70 %

Eerder zwak dan sterk

60 %

Zwak

50 % 40 % 30 % 20 % 10 % 0% doelgerichtheid

ondersteuning

doeltreffendheid

ontwikkeling

Figuur 75: Kwaliteit van de processen aan de hand van de vier kwaliteitsaspecten (schooljaren 2013-2014 tot en met 20162017).

Bij 63  % van de onderzochte processen is de aandacht voor de doelgerichtheid eerder sterk tot sterk. Slechts bij 43  % van de processen besteden schoolteams voldoende aandacht aan de doeltreffendheid. We zien een lichte positieve tendens over de laatste vier schooljaren heen wat de aandacht voor de kwaliteitsaspecten betreft. Deze tendens is het minst sterk voor de aandacht voor doeltreffendheid. Als we inzoomen op de meest onderzochte processen, stellen we voor deskundigheidsbevordering en evaluatiepraktijk geen positieve tendens vast. Voor leerbegeleiding zien we doorheen de jaren de aandacht voor verschillende kwaliteitsaspecten enigszins toenemen. - In meer dan 40  % van de scholen, centra en academies waar deskundigheidsbevordering in de doorlichtingsfocus stond, is het professionalise-

ringsbeleid nog weinig doelgericht uitgebouwd en dus grotendeels afhankelijk van individuele initiatieven. 60  % van de scholen evalueren weinig of niet of ze met hun professionaliseringsbeleid de gestelde doelen bereiken. - Eén op twee scholen waar we de evaluatiepraktijk onderzochten, zet onvoldoende doelgericht in op dit proces. Leraren krijgen in de helft van de scholen waar we dit proces onder de loep namen weinig ondersteuning bij de evaluatie van leerlingen/ cursisten. Schoolteams evalueren hun evaluatiebeleid niet voldoende. In 26  % van de instellingen is de aandacht voor de doeltreffendheid van de evaluatiepraktijk zelfs ronduit zwak. Meer dan de helft van de scholen stuurt de evaluatiepraktijk onvoldoende bij en zet weinig in op de ontwikkeling ervan.


[ 77 ]

- Een meerderheid van scholen werkt aan een doelgerichte leerbegeleiding en investeert in de ondersteuning van het schoolteam bij de uitvoering daarvan. Meer dan twee op drie instellin-

gen stuurden hun leerbegeleiding de laatste vier schooljaren bij. Ook voor leerbegeleiding evalueren ĂŠĂŠn op twee schoolteams de effecten van de genomen acties nog te weinig.

2013-2014

Doelgerichtheid

2014-2015 2015-2016 2016-2017 2013-2014

Ondersteuning

2014-2015 2015-2016 2016-2017 2013-2014

Doeltreffendheid

2014-2015 2015-2016 2016-2017 2013-2014

Ontwikkeling

2014-2015 2015-2016 2016-2017 0%

20 % Zwak

40 %

Eerder zwak dan sterk

60 %

80 %

Eerder sterk dan zwak

100 % Sterk

Figuur 76: Kwaliteit van de processen aan de hand van de vier kwaliteitsaspecten, ingedeeld per schooljaar (20132014 tot en met 2016-2017).


[ 78 ]

doelgerichtheid

Deskundigheidsbevordering

ondersteuning doeltreffendheid ontwikkeling doelgerichtheid

Evaluatiepraktijk

ondersteuning doeltreffendheid ontwikkeling doelgerichtheid

Leerbegeleiding

ondersteuning doeltreffendheid ontwikkeling 0%

20 % Zwak

40 %

Eerder zwak dan sterk

60 %

80 %

Eerder sterk dan zwak

100 % Sterk

Figuur 77: Kwaliteit van de drie meest onderzochte processen aan de hand van de vier kwaliteitsaspecten (schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017).

2.1.3 De erkenningsvoorwaarde bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne Hier vind je alle adviezen bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne die werden uitgereikt in het kader van de doorlichting of na een afzonderlijke controle vanaf het schooljaar 2010-2011 tot en met 2016-2017. De resultaten van opvolgingsdoorlichtingen en paritaire colleges naar aanleiding van tekorten voor de bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne behandelen we in 2.2 en 2.3. We controleerden in de loop van doorlichtingsronde 3 in totaal 3420 maal de bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne, al dan niet geïntegreerd in de doorlichting.12 65 % van deze onderzoeken eindigt met een

gunstig advies, 32 % met een beperkt gunstig advies en 3 % met een ongunstig advies. Met het kwaliteitsdecreet kreeg de onderwijsinspectie de mogelijkheid om de controle van de erkenningsvoorwaarde bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne afzonderlijk van de doorlichtingen uit te voeren. Van januari tot juli 2009 gebeurde het toezicht nog tijdens de doorlichting. In het schooljaar 2010-201113 vond in 346 instellingen een afzonderlijk onderzoek van de bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne plaats. Het ging om een risicogerichte selectie van de scholen die het schooljaar voordien een

12 Over de periode van januari tot en met juni 2009 rapporteren we in deze rubriek niet. 13 Zeven scholen kregen al in het schooljaar 2009-2010 een prioritaire controle naar aanleiding van tijdens de onderwijskundige doorlichting vastgestelde risico’s.


[ 79 ]

onderwijskundige doorlichting kregen. Na evaluatie integreerde de onderwijsinspectie vanaf 2011-2012 het toezicht op de erkenningsvoorwaarde bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne opnieuw in de doorlichting.14 Er vond in 2011-2012 ook een inhaalbeweging plaats van instellingen die al waren doorgelicht zonder een controle van de erkenningsvoorwaarde bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne.

Advies 1: 65 %

Advies 2: 32 %

Advies 3: 3 %

Figuur 78: Overzicht van de adviezen voor de erkenningsvoorwaarde bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne (schooljaar 2009-2010 tot en met 2016-2017).

Per schooljaar 100 %

1

3

17

15

159

327

166

90 % 80 %

28

14

8

16

135

102

121

91

6

70 % 381

60 %

312

282

271 253

Advies 2

528

50 %

Advies 1

Advies 3

184

40 % 30 % 20 % 10 % 0% 2009-2010

2010-2011

2011-2012

2012-2013

2013-2014

2014-2015

2015-2016

2016-2017

Figuur 79: Overzicht van de adviezen voor de erkenningsvoorwaarde bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne per schooljaar (schooljaar 2009-2010 tot en met 2016-2017).

14 De controle gebeurde vanaf het schooljaar 2011-2012 gelijktijdig met de doorlichting, maar resulteerde in een afzonderlijk verslag. Vanaf het schooljaar 2013-2014 wordt het onderzoek van de erkenningsvoorwaarde bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne opgenomen in het reguliere doorlichtingsverslag. Dit heeft drie jaar later een impact op het aantal opvolgingscontroles dat plaatsvindt: bij een combinatie van onderwijskundige en BVH-tekorten vindt er vanaf dan één opvolgingscontrole plaats, voordien ging het formeel om twee controles.


[ 80 ]

De zeven in het schooljaar 2009-2010 voor bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne bezochte scholen krijgen zes beperkt gunstige adviezen en één ongunstig advies. Het aantal gunstige adviezen neemt

in de eerste helft van doorlichtingsronde 3 enigszins toe, om vervolgens te stabiliseren rond de 70 %. Het aantal ongunstige adviezen blijft de ganse derde doorlichtingsronde zeer beperkt.

Per onderwijsniveau 100 %

29 594

90 %

7

1

64

2

3

1

7

37

30

20

25 265

6 37

80 % 70 %

14

55

67

1410

60 %

503 96

50 %

47

52

Advies 1 Advies 2

40 %

Advies 3

4

30 %

37

20 % 7

10 % 0% bao

bubao

buso

CBE

CLB

CVO

dbso

dko

so

Figuur 80: Overzicht van de adviezen voor de erkenningsvoorwaarde bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne per onderwijsniveau (schooljaar 2009-2010 tot en met 2016-2017).

In de centra voor leerlingenbegeleiding, het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, de centra voor volwassenenonderwijs en het gewoon secundair onderwijs zijn er telkens meer dan 50 % gunstige adviezen. Het aantal gunstige adviezen voor bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne ligt beduidend lager dan doorsnee in het deeltijds beroepssecundair onderwijs,

het deeltijds kunstonderwijs, de centra voor basiseducatie en het buitengewoon secundair onderwijs. In het deeltijds beroepssecundair onderwijs verkeren de gebouwen vaak niet in optimale staat en zijn de werkplaatsen in een aantal gevallen niet met voldoende materieel uitgerust. In het deeltijds kunstonderwijs zien we in vele academies aanslepende problemen inzake het beleid rond de infrastructuur in de verschillende vestigingsplaatsen.


[ 81 ]

2.1.4 De overige erkenningsvoorwaarden In navolging van de audit van het Rekenhof hebben inspectieteams vanaf het schooljaar 2012-2013 de mogelijkheid om een advies te verstrekken voor het respecteren van een selectie van de overige erkenningsvoorwaarden, naast het bereiken of nastreven van de onderwijsdoelstellingen en de bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne. De overgrote meerderheid van de instellingen krijgt hiervoor een gunstig advies. Slechts in 31 scholen leidt deze controle tot een beperkt gunstig advies. In drie scholen is het resultaat een ongunstig advies.

Zo goed als alle instellingen met een beperkt gunstig advies voor de overige erkenningsvoorwaarden kregen ook een beperkt gunstig onderwijskundig advies. Alle drie de scholen met een ongunstig advies voor de overige erkenningsvoorwaarden combineerden dit met een ongunstig onderwijskundig advies en een beperkt gunstig of ongunstig advies voor bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne. In ongeveer de helft van de scholen met een beperkt gunstig of een ongunstig advies was het niet respecteren van de regelgeving met betrekking tot de vakantieperioden en de aanwending van de onderwijstijd de reden voor het tekort.

2.2 Opvolgingsdoorlichtingen Opvolgingsdoorlichtingen vinden plaats naar aanleiding van een beperkt gunstig advies dat tijdens een doorlichting, een controle bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne of een paritair college is toegekend. We laten in deze rubriek de opvolgingen in het kader van de tweede doorlichtingsronde buiten beschouwing.

Advies 1: 93 % Advies 3: 7 %

Er vonden in het kader van de derde doorlichtingsronde 1933 opvolgingsdoorlichtingen plaats. 93 % van de opvolgingen resulteert in een gunstig advies, 7 % in een ongunstig advies. Figuur 81: Opvolgingsdoorlichtingen in doorlichtingsronde 3 (januari 2009 tot en met 2016-2017).


[ 82 ]

Per schooljaar Aantal opvolgingscontroles 2010-2011

Advies 1

Advies 3

5

0

5

2011-2012

198

195

3

2012-2013

228

222

6

2013-2014

231

212

19

2014-2015

424

400

24

2015-2016

505

464

41

2016-2017

342

304

38

Totaal

1933

1802

131

Figuur 82: Overzicht van de opvolgingsdoorlichtingen per schooljaar (januari 2009 tot en met 2016-2017).

Het aantal opvolgingsdoorlichtingen nam toe van 195 controles in 2011-2012 tot 505 controles in 20152016. Dit hangt samen met het aantal doorlichtingen en BVH-controles dat drie schooljaren voordien plaatsvond. In het schooljaar 2016-2017 daalde het aantal opvolgingsdoorlichtingen tot 342 schoolbezoeken. De integratie van het onderzoek naar

de bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne in het doorlichtingsverslag vanaf het schooljaar 2013-2014 impliceert dat de opvolgingsdoorlichting drie jaar later geïntegreerd de onderwijskundige tekorten en de tekorten voor bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne behandelt. Bijgevolg daalt het totale aantal opvolgingscontroles.

100 90 80 70

Advies 1

60

Advies 3

50 40 30 20 10 0 2010-2011

2011-2012

2012-2013

2013-2014

2014-2015

2015-2016

2016-2017

Figuur 83: Grafische weergave van de opvolgingsdoorlichtingen per schooljaar (januari 2009 tot en met 2016-2017).


[ 83 ]

Het aantal gunstige adviezen na opvolgingsdoorlichtingen neemt gaandeweg af in de loop van door-

lichtingsronde 3, van 98 % in het schooljaar 20112012 tot 89 % in het schooljaar 2016-2017.

Per onderwijsniveau Aantal opvolgingscontroles

Advies 1

Advies 3 60

bao

999

939

bubao

84

80

4

buso

71

68

3

CBE

7

6

1

CLB

40

36

4

CVO

69

66

3

dbso

33

30

3

dko

92

79

13

so

538

498

40

Totaal

1933

1802

131

Figuur 84: Overzicht van de opvolgingsdoorlichtingen per onderwijsniveau (januari 2009 tot en met 2016-2017).

Academies voor deeltijds kunstonderwijs krijgen opmerkelijk veel ongunstige adviezen (14 %) tijdens opvolgingscontroles. Drie centra voor deeltijds beroepsonderwijs en vier CLB’s krijgen een ongunstig advies. Eén centrum voor basiseducatie ontvangt een ongunstig advies (voor de bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne). Voor het gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs en de centra voor volwassenenonderwijs ligt het percentage ongunstige adviezen bij opvolgingsdoorlichtingen tussen de 4 en de 7 %. Het aandeel ongunstige adviezen neemt voor de opgevolgde scholen basisonderwijs gestaag toe. Voor de andere onderwijsniveaus tekenen er zich geen duidelijke tendensen af van schooljaar tot schooljaar, wel ligt het aandeel ongunstige adviezen de eerste schooljaren van doorlichtingsronde 3 voor de meeste onderwijsniveaus lager.

Voor de laatste vier schooljaren kunnen we vlot traceren of er tijdens de opvolging onderwijskundige en/of BVH-tekorten onderzocht werden. Onderwijskundige tekorten worden in 94 % van de bezochte scholen geremedieerd, voor tekorten voor bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne ligt het percentage wat lager met een 89 % gunstige adviezen. Meer in detail: - De onderwijskundige adviezen fluctueren tussen de 100 % gunstige adviezen voor buso, CBE’s en CVO’s, 98 % voor bao, 93 % voor dko en van 90 tot 86 % voor so, bubao, dbso en CLB. - In het deeltijds kunstonderwijs is 24 % van de 37 BVH-adviezen bij opvolgingsdoorlichtingen ongunstig, in de CVO’s 13 %. In de meeste overige onderwijsniveaus zijn de resultaten beter met tussen de 11 % en 7 % ongunstige adviezen voor bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne. In het buitengewoon basisonderwijs was geen van de


[ 84 ]

40 BVH-adviezen ongunstig. Eén van de vier voor bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne bezochte

CLB ’s en één van de vijf centra voor basiseducatie kregen een ongunstig advies.

100 % 90 % 80 % 70 %

Advies 1

60 %

Advies 3

50 % 40 % 30 % 20 % 10 % 0%

bao

bubao

buso

CBE

CLB

CVO

dbso

dko

so

Figuur 85: Grafische weergave van de opvolgingsdoorlichtingen per onderwijsniveau (januari 2009 tot en met 2016-2017).

Onderwijskundige adviezen opvolgingen

Advies 1

Advies 3

Advies 1 %

Advies 3 %

441

431

10

98 %

2 %

bubao

34

30

4

88 %

12 %

buso

29

29

0

100 %

0 %

CBE

1

1

0

100 %

0 %

bao

CLB

21

18

3

86 %

14 %

CVO

28

28

0

100 %

0 %

dbso

16

14

2

88 %

13 %

dko

40

37

3

93 %

8 %

so

240

215

25

90 %

10 %

Totaal

850

803

47

94 %

6 %

Figuur 86: Overzicht van de onderwijskundige adviezen van de opvolgingsdoorlichtingen (2013-2014 tot en met 2016-2017).


[ 85 ]

BVH-adviezen opvolgingen

Advies 1

Advies 3

Advies 1 %

Advies 3 %

bao

402

357

45

89 %

11 %

bubao

40

40

0

100 %

0 %

buso

23

21

2

91 %

9 %

CBE

5

4

1

80 %

20 %

CLB

4

3

1

75 %

25 %

CVO

23

20

3

87 %

13 %

dbso

14

13

1

93 %

7 %

dko

37

28

9

76 %

24 %

so

170

156

14

92 %

8 %

Totaal

718

642

76

89 %

11 %

Figuur 87: Overzicht van de BVH-adviezen van de opvolgingsdoorlichtingen (2013-2014 tot en met 2016-2017).

2.3 Paritaire colleges Een paritair college volgt na een doorlichting, een opvolgingsdoorlichting of een controle bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne die afsloot met een ongunstig advies. Onderstaande grafiek toont de adviezen voor de paritaire colleges van doorlichtingsronde 3, ongeacht of de aanleiding een onderwijskundig tekort en/of een tekort voor bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne is. De paritaire colleges in het kader van de tweede doorlichtingsronde laten we hier buiten beschouwing. 74 % van de 123 door een paritair college bezochte scholen krijgt een gunstig advies, 19 % een beperkt gunstig advies en 7 % een ongunstig advies.

Advies 1: 74 % Advies 2: 19 % Advies 3: 7 %

Figuur 88: Overzicht van de paritaire colleges van doorlichtingsronde 3 (vanaf januari 2009 tot en met het schooljaar 2016-2017).

Per schooljaar In de eerste vier schooljaren van doorlichtingsronde 3 vinden er geen of amper paritaire colleges plaats naar aanleiding van tijdens deze ronde vastgestelde tekorten. Het aantal paritaire colleges neemt gestaag toe in de verdere loop van doorlichtingsronde 3. Dit is te verklaren door de cumulatie van ongunstige adviezen bij doorlichtingen, BVH-controles en opvolgingsdoorlichtingen. De adviezen fluctueren

van schooljaar tot schooljaar, wat niet verwonderlijk is gezien de beperkte aantallen. In het schooljaar 2012-2013 zijn er relatief genomen veel beperkt gunstige adviezen, in het daaropvolgende schooljaar valt het hoge aantal ongunstige adviezen op. Vanaf het schooljaar 2014-2015 zien we een sterke toename van het aantal gunstige adviezen.


[ 86 ]

Aantal paritaire colleges 2010-2011

Advies 1

Advies 2

Advies 3

1

0

0

1

2011-2012

2

2

0

0

2012-2013

14

6

8

0

2013-2014

11

5

1

5

2014-2015

22

18

4

0

2015-2016

29

23

5

1

2016-2017

44

36

5

3

Totaal

123

91

23

9

Figuur 89: Overzicht per schooljaar van de paritaire colleges in het kader van doorlichtingsronde 3 (vanaf januari 2009 tot en met het schooljaar 2016-2017).

40 36 35 30 25

23

20

18

15 10

8 6

5 1 0

5

2 0

0

2010-2011 Advies 1

0

0

2011-2012

2012-2013

0

Advies 2

5 1

2013-2014

5

4

5 3

0 2014-2015

1 2015-2016

2016-2017

Advies 3

Figuur 90: Grafische weergave per schooljaar van de paritaire colleges van doorlichtingsronde 3 (vanaf januari 2009 tot en met het schooljaar 2016-2017).


[ 87 ]

Per onderwijsniveau Advies 1

Advies 2

Advies 3

bao

Aantal paritaire colleges 42

34

5

3

bubao

15

10

4

1

buso

15

12

3

0

CBE

1

1

0

0

CLB

2

2

0

0

CVO

4

2

1

1

dbso

4

3

1

0

dko

4

4

0

0

so

36

23

9

4

Totaal

123

91

23

9

Figuur 91: Overzicht per onderwijsniveau van de paritaire colleges in het kader van doorlichtingsronde 3 (vanaf januari 2009 tot en met het schooljaar 2016-2017).

De tabel hierboven presenteert de adviezen van de paritaire colleges per onderwijsniveau. In 34 van de 85 paritaire colleges die vanaf de tweede helft van het schooljaar 2014-201515 plaatsvonden, liggen er (onder meer) onderwijskundige tekorten aan de basis. Dit resulteerde 31 maal in een gunstig advies voor deze tekorten en driemaal in een beperkt gunstig advies. In 52 paritaire colleges werd

er een tekort voor bewoonbaarheid, veiligheid en hygiĂŤne onderzocht: 41 scholen kregen een gunstig advies, zeven scholen kregen een beperkt gunstig advies en vier instellingen kregen een ongunstig advies. Deze cijfers wijzen - net zoals deze van de opvolgingsdoorlichtingen - op soms hardnekkige problemen met de bewoonbaarheid, veiligheid en hygiĂŤne in onderwijsinstellingen.

2.4 Tot slot Dit overzicht van doorlichtingsronde 3 bevestigt een aantal tendensen die we al in eerdere Onderwijsspiegels signaleerden en het relativeert er andere. Maar hoe is het nu au fond gesteld met de kwaliteit van het Vlaamse onderwijs? Tijdens de doorlichtingen ontmoeten we vaak gedreven schoolteams die streven naar een optimale onderwijskwaliteit voor elke lerende. De geboden onderwijskwaliteit verschilt desalniettemin nog steeds sterk tussen en bin-

nen scholen, centra en academies. Het beleid en de kwaliteitszorg hebben in vele scholen, centra en academies nog niet voldoende impact op de dagelijkse praktijk. Hoopgevend zijn de initiatieven die we hier en daar in het onderwijsveld zien opborrelen - zoals de opzet van professionele leergemeenschappen die over scholen heen samen aan de onderwijskwaliteit bouwen en hiertoe de kwaliteitscirkel rondmaken tot op de klasvloer. We hopen dat het referentieka-

15 Vanaf het tweede semester van het schooljaar 2014-2015 verfijnden we de (centrale) registratie van de aard van de tekorten die de aanleiding vormen van de paritiare colleges. We beperken ons daarom in deze paragraaf tot de paritaire colleges die vanaf dan plaatsvonden.


[ 88 ]

der voor Onderwijskwaliteit (OK) scholen, centra en academies aanmoedigt om (nog meer) te reflecteren over het onderwijs dat ze bieden en zetten hier met de nieuwe aanpak van Inspectie 2.0 gericht op in. Een blik op deze nieuwe aanpak vind je in Deel 4 van de Onderwijsspiegel.

Š iStock | Thinkstock

Naast dit hoofdzakelijk cijfermatig overzicht van doorlichtingsronde 3 is het voor ons en onze partners interessant te weten wat scholen, centra en academies ons te vertellen hebben over de doorlichtingen. Meer hierover lees je in het volgende luik!


[ 89 ]

3 Schoolfeedback uit de derde doorlichtingsronde als inspiratiebron voor Inspectie 2.0 Met een gemiddelde responsgraad van 53 % en voor bijna alle indicatoren minstens 80 % aan positieve feedback, kunnen we besluiten dat de scholen, centra en academies de doorlichtingen in doorlichtingsronde 3 overwegend erg positief evalueren. Toch verzamelden we de voorbije negen schooljaren ook heel wat opmerkingen en suggesties ter verbetering. Met het nieuwe doorlichtingskader Inspectie 2.0 willen we onze impact op de onderwijskwaliteit verhogen en de ongewenste neveneffecten beperken. De feedback van de instellingen na een doorlichting was hiervoor een belangrijke inspiratiebron.

3.1 Doel en opzet van dit overzicht In het kader van haar interne kwaliteitszorg verzamelt de onderwijsinspectie sinds de start van de derde doorlichtingsronde in 2009 systematisch feedback van scholen, centra en academies.16 In Inspectie 2.0 legt de onderwijsinspectie meer dan ooit de klemtoon op partnerschap en dialoog. De OESO wijst op het belang van transparantie omtrent de gehanteerde criteria en procedures bij extern toezicht en legt daarbij het verband met schoolfeedback. Vanuit dat perspectief brengen we een overzicht van de feedback die scholen ons gaven tijdens de derde doorlichtingsronde: wat zit goed en wat kan beter? Een belangrijke inspiratiebron voor Inspectie 2.0.

De vragen die we in dit artikel willen beantwoorden, zijn deze: 1. Hoe schatten de directies de onmiddellijke invloed en impact van de doorlichtingen in? 2. Hoe tevreden waren de schoolteams over onze aanpak van de doorlichtingen? Stellen we verschillen vast tussen de onderwijsniveaus? Welke evoluties zien we? Wat zijn de belangrijkste opmerkingen van de scholen, centra en academies? Welke kenmerken kunnen we hieruit afleiden van een kwaliteitsvolle doorlichting? 3. Welke elementen van feedback waren inspirerend voor de vormgeving van Inspectie 2.0?

3.2 Bronnen Data

Om deze vragen te beantwoorden, maken we gebruik van alle gegevens die de voorbije negen schooljaren werden verzameld op basis van het feedbackformulier dat scholen, centra en academies kregen bij elke doorlichting (figuur 92). Waar mogelijk verrijken we

onze resultaten met bevindingen uit Vlaamse en internationale onderzoeksliteratuur. Een voordeel van het werken met bestaande data is dat we zeer veel cases konden verwerken (n=1480) van directies van alle onderwijsniveaus. Deze feed-

16 In wat volgt spreken we consequent over ‘scholen’ wanneer we doorgelichte instellingen bedoelen: scholen voor (gewoon en buitengewoon) basis- en secundair onderwijs, scholen en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, centra voor volwassenenonderwijs, centra voor basiseducatie, centra voor leerlingenbegeleiding, academies voor deeltijds kunstonderwijs. We benoemen deze bovendien als ‘onderwijsniveaus’.


[ 90 ]

back werd gerapporteerd meteen na de doorlichting, op een moment dat de indrukken nog ‘vers’ zijn. Het feedbackformulier werd steeds verstuurd aan de directeur of het directieteam, bij de start van de doorlichting of samen met het definitieve doorlichtingsverslag. Een nadeel is dat de data niet allemaal eenvormig is. Aan het eind van elk schooljaar van de derde doorlichtingsronde boog een werkgroep zich over

de verzamelde feedbackformulieren. Deze informatie was vaak de aanleiding voor bijsturingen, zowel aan de organisatie van de doorlichtingen als aan de feedbackprocedure of het feedbackformulier. Er zijn vragen toegevoegd, aangepast en geschrapt. De rubrieken in het formulier komen overeen met de fasen van de doorlichting (aangevuld met ‘communicatie’) en bleven grotendeels overeind. We benutten deze als structuur voor dit artikel.

INFORMATIE VOORAFGAAND AAN DE DOORLICHTING De website biedt voldoende informatie over de aanpak van de doorlichting. De instelling was voldoende geïnformeerd over de aanpak van de doorlichting. De instelling was voldoende geïnformeerd over de controle regelgeving tijdens de doorlichting. De informatie over de controle regelgeving was duidelijk. Vermeld hieronder eventueel suggesties voor de informatievoorziening over de doorlichting. Het instellingsprofiel bevat relevante info voor onze instelling. De leeswijzer bij het instellingsprofiel is duidelijk. Vermeld hieronder eventueel suggesties voor het instellingsprofiel of de leeswijzer. COMMUNICATIE De communicatie tussen het inspectieteam en het directieteam verliep vlot. De communicatie tussen het inspectieteam en het personeel van de instelling verliep vlot. Vermeld hieronder eventueel suggesties voor de communicatie tijdens de doorlichting. VOORONDERZOEK De instelling kon haar werking voldoende toelichten. Het vooronderzoek werd met voldoende diepgang verricht. Het vooronderzoek werd voldoende breed verricht met aandacht voor alle aspecten uit CIPO. De werkbelasting tijdens het vooronderzoek was aanvaardbaar. De doorlichtingsfocus was representatief voor de werking van de instelling. De instelling begreep de motivering van de doorlichtingsfocus. Vermeld hieronder eventueel suggesties voor het vooronderzoek.


[ 91 ] DOORLICHTINGSBEZOEK De praktische organisatie van de doorlichting verliep vlot. De werkbelasting tijdens het doorlichtingsbezoek was aanvaardbaar. De inspectie nam voldoende tijd om informatie in te winnen via documentenanalyse, observaties en gesprekken. De instelling kreeg voldoende kansen om haar werking toe te lichten. Het inspectieteam koppelde tussentijds terug naar de directie. De instelling ervaarde de gecontroleerde regelgeving als relevant. Vermeld hieronder eventueel suggesties voor het doorlichtingsbezoek. DOORLICHTINGSVERSLAG Het verifiëringsgesprek verduidelijkte het ontwerpverslag. De instelling kon haar bedenkingen kwijt in het verifiëringsgesprek. De samenvatting schetst op basis van de doorlichtingsfocus een herkenbaar beeld van de instelling. De vaststellingen motiveren de conclusies voldoende. De conclusies zijn duidelijke wegwijzers voor verdere ontwikkeling. Het taalgebruik is begrijpelijk voor de personeelsleden. De verslagstructuur is duidelijk. Vermeld hieronder eventueel suggesties voor de communicatie tijdens de doorlichting. ALGEMENE FEEDBACK Heeft de doorlichting de volgende aspecten beïnvloed? Duid de hoeveelheid sterretjes aan naargelang de doorlichting die aspecten negatief (weinig) of positief (veel) heeft beïnvloed. - - - - - - - - - - - - - - -

het zelfvertrouwen binnen het team de bereidheid tot vernieuwing de intentie om duidelijke prioriteiten te stellen de samenhorigheid binnen het team de betrokkenheid van het team bij het beleid het inzicht in het belang van kwaliteitszorg het zicht op de sterktes en zwaktes van de instelling het gevoel van professionaliteit een aanzet tot verdere professionalisering het inzicht in de onderwijsdoelen de aandacht voor samenhang in het curriculum de aandacht voor brede vorming de aandacht voor leerlingenbegeleiding de aandacht voor de kwaliteit van leerlingenevaluatie de aandacht voor output van onderwijs

Vermeld hieronder uw eventuele opmerkingen over de (onmiddellijke) invloed van de doorlichting. Figuur 92: Het feedbackformulier (versie gebruikt vanaf schooljaar 2015-2016).


[ 92 ]

Het formulier bevat verschillende types van vragen. De meeste vragen zijn geformuleerd als stellingen die een antwoord vereisen op een schaal [niet akkoord, eerder niet akkoord, neutraal, eerder akkoord, akkoord]. De vragen die peilen naar de onmiddellijke invloed of impact van de doorlichting kunnen de directeuren beantwoorden d.m.v. een

schuifbalk, met achterliggend een registratie op een schaal [-2, -1, 0, 1, 2]. Recent (vanaf 2015) werden deze schuifbalken vervangen door een aanduiding door middel van een aantal sterren [van één ster tot vijf sterren]. Elke rubriek van het formulier eindigt met een open tekstveld waarin de respondenten opmerkingen kunnen inbrengen.

Verwerking Verschillende vraagtypes vragen een verschillende verwerking. Voor elke rubriek van het formulier – en dus voor elke fase van de doorlichting– bespreken we eerst kort de kwantitatieve vragen (schaalscores) om vervolgens stil te staan bij de kwalitatieve input. Voor de kwantitatieve verwerking brengen we door middel van enkele grafieken de spreiding in beeld van de hogere, neutrale en lagere scores. We bespreken de meest opvallende verschillen, uitschieters en trends, waarbij we de resultaten filteren naar onderwijsniveau en schooljaar. We maken gebruik van alle formulieren in ons bezit, van 2010 tot 2018.

Gelet op de beperkte continuïteit van de vragenlijst en van de organisatie van de doorlichtingen deden we geen statistische berekening of toetsing. De kwalitatieve data voor elke rubriek van het feedbackformulier inventariseerden en clusterden we volgens een aantal ideeën of thema’s die vaak terugkeren in de antwoorden. Gelet op de wijzigingen aan de organisatie van de doorlichtingen doorheen doorlichtingsronde 3, verwerkten we enkel de kwalitatieve data van de laatste vier schooljaren (vanaf 2014-2015).

Responsgraad Zoals gezegd beschikken we over zeer veel ingevulde feedbackformulieren. In de beginjaren van doorlichtingsronde 3 (2009-2010 en 2010-2011) werden de feedbackformulieren slechts gedurende enkele maanden verstuurd. Vanaf 2011-2012 gebeurde dit systematisch voor elke doorlichting. In totaal dienden 1759 scholen een feedbackformulier in. We hebben 1480 records in ons bestand. Voor 2009-2010 hebben we immers wel responscijfers maar ontbreken de data zelf. Voor 2013-2014 hebben we slechts gedeeltelijke data (129 van 240 ingediende formulieren). In 2017-2018 was het aantal doorlichtingen erg laag (de 40 laatste door te lichten scholen van doorlichtingsronde 3) waardoor de responsgraad en de analyse voor dat schooljaar weinig betrouwbaar is. We tonen dat schooljaar dan ook niet in de grafieken per schooljaar.

Over de volledige derde doorlichtingsronde heen bezorgde 53 % van de scholen, centra en academies die een feedbackformulier ontvingen dit ingevuld aan ons terug. Om vertrouwelijkheid te garanderen, konden de respondenten aanduiden dat zij hun feedback niet wensten te delen met het betrokken inspectieteam. De responsgraad is verschillend per onderwijsniveau en fluctueert over de jaren heen (zie figuren 2, 3 en 4). Opvallend is dat over de jaren heen de respons van so (46,6 %), buso (47,2 %) en vooral dbso (28,6 %) en dko (38,4 %) merkelijk lager is dan de respons in bao, bubao, vwo en CLB (tussen 53 % en 61 %). Verder zien we erg lage responscijfers in 20142015 en eerder lage cijfers in 2013-2014 en 2015-2016. In 2016-2017 maakten bao, bubao, buso en dbso op-


[ 93 ]

nieuw een inhaalbeweging. De scholen so deden dit al een jaar eerder, na een erg pover 2014-2015. Let wel: de hoogste en de laagste percentages staan soms voor erg kleine aantallen. Bepaalde onderwijsniveaus omvatten slechts een klein aantal instellingen waardoor de responsgraad al snel erg hoog

of erg laag is. In figuur 96 geven we daarom een globale weergave van het aandeel van elk onderwijsniveau in het geheel. 63 % van de ontvangen formulieren komt uit bao en 21 % uit so. De andere onderwijsniveaus vertegenwoordigen elk slechts 0,3 % (dbso) tot 4,8 % (bubao).

Respons per onderwijsniveau en per schooljaar 2009-10

2010-11

2011-12

2012-13

2013-14

2014-15

2015-16

2016-17

bao

69,6 %

63,2 %

63,1 %

62,9 %

51,5 %

40,9 %

47,1 %

57,5 %

so

65,6 %

58,8 %

39,8 %

49,2 %

42,3 %

25,0 %

50,5 %

52,8 %

33,3 %

50,0 %

14,3 %

25,0 %

28,6 %

bubao

85,7 %

80,0 %

62,1 %

53,8 %

53,3 %

31,8 %

32,1 %

60,0 %

53,5 %

buso

50,0 %

42,9 %

38,5 %

57,9 %

27,3 %

28,6 %

50,0 %

69,2 %

dko

54,5 %

40,0 %

16,7 %

50,0 %

36,8 %

22,2 %

44,4 %

47,1 %

vwo

80,0 %

75,0 %

64,7 %

76,5 %

63,6 %

30,0 %

33,3 %

16,7 %

75,0 %

50,0 %

75,0 %

50,0 %

66,7 %

61,7 %

55,1 %

59,4 %

49,0 %

36,0 %

dbso

CLB Totaal

68,6 %

2017-18

56,7 % 35,3 %

100,0 %

55,1 %

50,0 % 37,8 %

100 % 90 % 80 % 70 % 60 % 50 % 40 % 30 % 20 % 10 % 0% bao

so

dbso

bubao

buso

dko

vwo

47,2 % 59,6 % 60,7 %

Figuur 93: Responsgraad per onderwijsniveau en per schooljaar. Kleurcode: < 20 %, < 33,3 %, > 66,6 %, > 80 %.

Figuur 94: Responsgraad per onderwijsniveau.

46,6 %

38,4 %

60,0 % 46,0 %

Totaal

CLB

53,0 %

Leeswijzer figuur 93: “In 2013-2014 kregen we van 53,3 % van de doorgelichte scholen bubao een ingevuld feedbackformulier teruggestuurd.” “Over alle schooljaren heen stuurde 60,7 % van alle CLB’s (die van ons een feedbackformulier ontvingen) de antwoorden naar ons terug.” Ontbrekende waarden betekenen dat het betrokken onderwijsniveau in dat schooljaar niet werd doorgelicht of dat we geen enkel ingevuld formulier hebben ontvangen.


[ 94 ]

100 % 90 % 80 % 70 % 60 % 50 % 40 % 30 % 20 % 10 % 0% 2009-2010

2010-2011

2011-2012

2012-2013

2013-2014

2014-2015

2015-2016

2016-2017

2017-2018

Figuur 95: Responsgraad per schooljaar.

bao: 1102 so: 373 bubao: 85 buso: 50 dbso: 6 dko: 53 vwo: 56 CLB: 34

Figuur 96: Relatief aandeel van elk onderwijsniveau in het totaal aantal ontvangen feedbackformulieren.


[ 95 ]

3.3 Invloed van de doorlichtingen Elk bezoek van de onderwijsinspectie heeft een bepaalde invloed op de school en laat ook een zekere indruk na op de personeelsleden. We starten het overzicht van de feedbackresultaten met een antwoord op de vraag naar de invloed van de doorlichtingen op het schoolteam. De feedback van de scholen wat betreft de verschillende aspecten en fasen van de doorlichting (verderop) krijgt meer diepgang wanneer we deze bekijken tegen het licht van de effecten die we al dan niet bereiken.

De vraag die aan de respondenten wordt gesteld, gaat over de impact kort na de doorlichting. We vragen steeds naar de perceptie, de reële invloed op korte, middellange en lange termijn brengt het feedbackformulier niet in beeld. In de literatuur vinden we hiervoor wel enkele aanwijzingen.

Op basis van de feedbackformulieren Heeft de doorlichting de volgende aspecten beïnvloed? Duid de hoeveelheid sterretjes aan naargelang de doorlichting die aspecten negatief (weinig) of positief (veel) heeft beïnvloed. - - - - - - - - - - - - - - -

het zelfvertrouwen binnen het team de bereidheid tot vernieuwing de intentie om duidelijke prioriteiten te stellen de samenhorigheid binnen het team de betrokkenheid van het team bij het beleid het inzicht in het belang van kwaliteitszorg het zicht op de sterktes en zwaktes van de instelling het gevoel van professionaliteit een aanzet tot verdere professionalisering het inzicht in de onderwijsdoelen de aandacht voor samenhang in het curriculum de aandacht voor brede vorming de aandacht voor leerlingenbegeleiding de aandacht voor de kwaliteit van leerlingenevaluatie de aandacht voor output van onderwijs

Vermeld hieronder uw eventuele opmerkingen over de (onmiddellijke) invloed van de doorlichting.


[ 96 ]

De positieve invloed van een doorlichting, zoals gerapporteerd door de directeuren, blijkt erg hoog. Na een doorlichting groeit vaak de bereidheid tot vernieuwing en de intentie om daarbij prioriteiten te stellen. De personeelsleden krijgen meer zicht op de sterktes en zwaktes van de schoolwerking en voelen zich gestimuleerd tot verdere professionalisering. Meer concreet tonen ze bovendien opvallend meer aandacht voor kwaliteitsvolle leerlingenevaluatie. Iets minder positieve impactscores tellen we voor de

betrokkenheid van het team bij het beleid, het inzicht in het belang van kwaliteitszorg, het inzicht in de onderwijsdoelen, de aandacht voor samenhang in het curriculum en voor leerlingenbegeleiding. De positieve beïnvloeding is – nog steeds volgens de directies – beperkter op het vlak van het zelfvertrouwen binnen het team, het gevoel van professionaliteit, de samenhorigheid binnen het team en de aandacht voor brede vorming en vooral voor onderwijsoutput.

zelfvertrouwen binnen het team bereidheid tot vernieuwing intentie om prioriteiten te stellen samenhorigheid binnen het team betrokkenheid bij het beleid inzicht in het belang van kw-zorg zicht op sterktes en zwaktes gevoel van professionaliteit aanzet tot professionalisering inzicht in de onderwijsdoelen aandacht samenhangend curriculum aandacht voor brede vorming aandacht voor leerlingbegeleiding aandacht kwaliteit van lln-evaluatie aandacht voor output van onderwijs 0%

20 % --

-

0

40 % +

60 %

80 %

100 %

++

Figuur 97: De invloed van de doorlichting op de personeelsleden en de teams: positieve en negatieve invloed.

De positieve invloed heeft ook een tegenhanger. Een kleine minderheid van de scholen ervaart vooral negatieve gevolgen van een bezoek van de onderwijsinspectie. Het gaat om dezelfde factoren die ook de minste positieve effecten teweegbrengen, op de aandacht voor output na (op dat vlak zijn de effecten van een doorlichting algemeen eerder gering).

Het zelfvertrouwen binnen het team krijgt in één op vijf scholen een deuk. Het gevoel van professionaliteit gaat in één op tien scholen achteruit. Bovendien stellen we vast dat de personeelsleden na een doorlichting niet altijd aan eenzelfde zeel trekken. In 8 % van de scholen blijkt de samenhorigheid van het


[ 97 ]

team niet helemaal opgewassen tegen de uitdaging van de doorlichting.

Vooral vanaf 2015-2016 registreren de scholen meer negatieve impact. Mogelijks is dit het gevolg van een andere operationalisering in het feedbackformulier waarbij de scholen een aantal sterren aanduiden en niet langer een schuifbalk verslepen.

In de loop van de derde doorlichtingsronde is de onderwijsinspectie er niet in geslaagd de onmiddellijke positieve invloed van de doorlichtingen te versterken of de negatieve impact te verkleinen.

2010-2011 2011-2012 2012-2013 2013-2014 2014-2015 2015-2016 2016-2017 0%

10 % --

-

20 % 0

30 % +

40 %

50 %

60 %

70 %

80 %

90 %

100 %

++

Figuur 98: De invloed van de doorlichting op de personeelsleden en de teams: per schooljaar.

De respondenten uit dbso rapporteren het grootste aandeel positieve scores (82 % positieve scores), al tonen buso, bao en dko zich meer overtuigd (34 tot 40 % sterk positieve scores). Negatieve impact noteren we vooral in bubao, kort gevolgd door de mees-

te andere onderwijsniveaus. Enkel in dbso is er geen sprake van sterk negatieve impact. Het hoge aandeel neutrale scores voor de CLB’s is grotendeels te verklaren door de items 10 tot 16, die voornamelijk een schoolcontext beschrijven.

bao so dbso bubao buso dko vwo CLB 0%

10 % --

-

20 % 0

30 % +

40 %

50 %

60 %

70 %

80 %

90 %

100 %

++

Figuur 99: De invloed van de doorlichting op de personeelsleden en de teams: per onderwijsniveau.


[ 98 ]

Kwalitatief In positieve zin benoemen scholen dat de doorlichting zorgde voor een boost van het zelfvertrouwen, voor meer betrokkenheid op het pedagogisch beleid (zowel de korte als de lange termijnplanning) en voor een ruimere blik op doelgericht werken en op de interne kwaliteitszorg van de school. ‘De leerkrachten en directeur zijn zeer positief over deze doorlichting en hebben ‘vleugels gekregen’ om kwaliteitsvol verder te werken.’ ‘Een doorlichting geeft een positieve drive aan het team.’ ‘Het zelfvertrouwen kreeg een boost nadat we te horen kregen dat we advies 1 hadden.’ ‘De doorlichting heeft ons team een aanzet gegeven te kiezen voor prioriteiten, om zo een nog beter inzicht te krijgen in de onderwijsdoelen en onze professionaliteit te vergroten.’ Andere scholen geven aan dat de doorlichting vooral zorgde voor bevestiging van de onderwijskundige praktijk en van de kwaliteitsbevorderende initiatieven die de school reeds nam. ‘Bij de doorlichting werden we bevestigd in vele dingen die we doen.’ De impact is soms beperkt: ‘Geen impact. Het schoolteam had reeds aandacht voor veel van deze aspecten. Deze aandacht (voor samenhang in het curriculum, voor brede vorming, voor leerlingenbegeleiding, voor de kwaliteit van leerlingenevaluatie, voor onderwijsoutput) is niet het onmiddellijke gevolg van de doorlichting.’ Een positieve invloed van de doorlichting krijgt volgens de scholen meer kansen wanneer de personeelsleden het inspectieteam deskundig en constructief vinden en de aanpak van de doorlichting grondig en evenwichtig, wanneer de school zich herkent in het beeld dat de inspecteurs beschrijven

en wanneer ook de werkpunten aansluiten bij de eigen evaluatie door de school. ‘De doorlichting had oog voor zowel het product als voor het proces.’ ‘Eerlijke beoordeling.’ ‘De doorlichting heeft een spiegel voorgehouden waaruit we kunnen leren.’ ‘Doordat de werkpunten herkenbaar zijn, verhoogt de bereidheid om te vernieuwen.’ ‘De werkpunten die doorgegeven werden, waren terecht en hieraan zullen we met veel motivatie werken.’ ‘De positieve, opbouwende inbreng van de inspecteurs werd als zeer leerrijk binnen het team ervaren en is een aanzet om de werking van de school nog diepgaander uit te werken.’ Meer algemene positieve reacties: ‘De doorlichting zorgt voor goeie groeikansen.’ ‘De doorlichting heeft bijgedragen tot de kwaliteit van ons onderwijs.’ ‘Op deze manier zijn school en inspectie echt partners in het streven naar kwalitatief onderwijs.’ Een kleiner aantal respondenten rapporteert een negatieve invloed van de doorlichtingen op het schoolteam en op de individuele medewerkers. Ze vermelden toegenomen stress en spanning, een gedaald zelfvertrouwen, onzekerheid, demotivatie … Ook de extra werkbelasting in voorbereiding op en tijdens de doorlichting wordt genoemd. ‘Een doorlichting brengt extra stress en spanning met zich mee.’ ‘Meer vragen dan antwoorden bij het team.’ ‘Een flinke deuk in het zelfvertrouwen van het personeel. Deze manier van doorlichten is zeer ondankbaar om daarna met het team weer vooruit te moeten gaan.’ ‘We kregen het gevoel dat we niets goeds deden op onze school. Het heeft een hele tijd geduurd om de motivatie terug te vinden.’


[ 99 ]

Nefast is een gepercipieerd gebrek aan gelijkgerichtheid, een onevenwichtig samengestelde doorlichtingsfocus, te veel aandacht voor formaliteiten, een weinig waarderende houding van de inspecteurs, te weinig aandacht voor positieve elementen in de werking of voor inspanningen geleverd door het schoolteam. ‘We zijn er van overtuigd dat onze school “grondiger”, strenger werd doorgelicht dan de andere scholen van de scholengemeenschap.’ ‘Alhoewel alle inspectieleden ‘correct’ handelden, zijn diepe wonden geslagen. Zaken waar we sterk in zijn, zijn niet gezien ‘want niet in de focus’.’ ‘De effecten zijn vooral zichtbaar bij de vakken die werden doorgelicht. Bij de andere vakken is dit minder het geval.’ ‘Planlast. Dat het regelmatig gaat over “waar vinden we dit terug” bevestigt de papiermolen die ook onderwijs is geworden. Doorlichting maakt de planlast groter.’ ‘De gehanteerde stijl van de inspecteurs is bepalend voor het welbevinden van het personeel tijdens een doorlichting.’ De psychologische impact van een doorlichting is (in een aantal scholen) niet gering. ‘De impact van het eindadvies op het schoolteam had een veel groter resultaat dan ik vermoedde.’ ‘De doorlichting was een emotionele achtbaan voor het hele team.’

Om de positieve invloed te vergroten en de neveneffecten zo veel mogelijk te beperken, doen enkele scholen suggesties, voornamelijk over het algemene opzet van de doorlichtingen: ‘Scholen vaker doorlichten zorgt voor een drempelverlaging en kan de school alleen maar ten goede komen.’ ‘Laat een team/school autonoom werken aan eigen onderwijskwaliteit, vanuit schooleigen noden. Het doorlichten op regelmatige basis zonder planlast voor de scholen zou veel efficiënter zijn en zou de werking van een school meer beïnvloeden, nu wordt het eerder ervaren als een bedreiging.’ ‘Het personeel vraagt zich af waarom er met het systeem van focussen wordt gewerkt. Waarom wordt niet elk facet van de school doorgelicht zodat men een totaalbeeld van de school krijgt.’ ‘In een doorlichting zou de praktijk van de zorgwerking in een school van groter belang moeten zijn.’ Een suggestie in functie van maximale acceptatie door het team: ‘Het zou goed zijn mochten de inspecteurs ruimte krijgen om het verslag zelf naar de personeelsvergadering te brengen.’

Wat literatuur zegt over de impact van doorlichtingen Melanie Ehren (2013) 17 voerde onderzoek naar de directe en indirecte impact van schoolinspecties in zes Europese landen.18 Een belangrijke conclusie

van dat onderzoek was dat doorlichtingen leiden tot verbetering van de zelfevaluatie van de school (dankzij de verhoogde gevoeligheid van stakehol-

17 Ehren, M.C.M., Altrichter, H., McNamara, G., & O’Hara, J. (2013). Impact of school inspections on improvement of schools. Describing assumptions on causal mechanisms in six European countries. Educational Assessment, Evaluation and Accountability, 25(1), 3. Ehren, M.C.M. (2014). Impact of school inspections on teaching and learning. Final Report. Public Part. 18 Ehren selecteerde zes landen met een erg diverse invulling van het externe kwaliteitstoezicht in scholen. Het gaat om Nederland, Engeland, Zweden, Ierland, Oostenrijk en Tsjechië.


[ 100 ]

ders en de acceptatie van feedback door scholen) en zo tot een versterking van de verbetercapaciteit van de school met als eindresultaat een verbeterde effectiviteit. In zijn doctoraat ‘Schooldoorlichtingen doorgelicht’ onderzocht Maarten Penninckx (2015a) 19 onder meer wat de effecten en neveneffecten zijn van de doorlichtingen in het Vlaamse leerplichtonderwijs volgens directies en leraren en hoe verschillen tussen scholen betreffende deze effecten en neveneffecten kunnen worden verklaard. - Het onderzoek geeft aan dat de conceptuele en instrumentele effecten20 van doorlichtingen, gemiddeld genomen, relatief beperkt zijn. “Met andere woorden: slechts in beperkte mate leidt de doorlichting tot nieuwe inzichten of verhoogde reflectie over het eigen functioneren, en evenmin ondernemen scholen veel acties nadat de doorlichting is gepasseerd.” Doorlichtingen hebben wel “een matig positieve invloed op het persoonlijk professioneel zelfvertrouwen van de personeelsleden en een sterkere positieve invloed op het collectief vertrouwen in de doorgelichte scholen.” (Penninckx, 2015b) - De meest uitgesproken neveneffecten van doorlichtingen zijn verhoogde stress, angst en vermoeidheid en een verlaagd professioneel enthousiasme van personeelsleden voor en tijdens de doorlichting. Terwijl de verhoogde stress na de doorlichting meestal meteen verdwijnt, is er in de weken nadien nog sprake van gevoelens van angst en vermoeidheid, en voornamelijk van een verminderd professioneel enthousiasme.

- Het doorlichtingsadvies heeft een belangrijke invloed op de mate waarin effecten en neveneffecten zich voordoen: in scholen met een ‘gunstig’ advies worden minder effecten en neveneffecten gerapporteerd in vergelijking met scholen die een ‘beperkt gunstig’ advies kregen. De perceptie inzake de kwaliteit van de doorlichting is echter van nog meer doorslaggevend belang voor de mate waarin effecten en neveneffecten zich voordoen. De assumptie dat scholen sowieso aan de slag gaan met de resultaten van de doorlichting blijkt niet zonder meer te kloppen, zo blijkt uit het ‘Synergies for better learning’-rapport van de OESO (2013).21 De impact van de doorlichting varieert afhankelijk van een aantal factoren die zowel schoolgebonden zijn als gelieerd aan de gehanteerde doorlichtingsmethodiek. Elementen die meespelen zijn onder meer de aanvaardbaarheid van de feedback, de deskundigheid en de communicatieve vaardigheden van de inspecteur, de afstemming van het extern toezicht op de interne kwaliteitszorg van de school, de focus op ‘teaching and learning’, het beschikken over een gemeenschappelijke taal (of referentiekader), de afstemming op het beleidsvoerend vermogen dat de school bezit, de opvolging van vastgestelde tekorten, het delen van de doorlichtingsresultaten met stakeholders (zoals schoolbestuur, ouders en leerlingen) … Vanuit de optiek dat extern toezicht een hefboom kan zijn voor kwaliteitsontwikkeling beveelt het ‘Synergies for better learning’ rapport transparantie aan over evaluatiecriteria en -procedures. Een belangrijk element van transparantie is scholen systematisch feedback te vragen over hun ervaringen met de doorlichting.

19 Penninckx, M., Vanhoof, J. & De Maeyer, S. (2015a). Inspecting school inspections. Schooldoorlichtingen doorgelicht. Universiteit Antwerpen: doctoraatsproefschrift. Penninckx, M., Vanhoof, J. & De Maeyer, S. (2015b). De school wordt doorgelicht. Evaluatie van het verloop, de effecten en de neveneffecten van de doorlichting: bevraging. Universiteit Antwerpen: Onderzoeksgroep Edubron. 20 Conceptuele effecten bedoelen een verhoogd inzicht en zelfreflectie van personeelsleden over de sterktes en zwaktes van de eigen school. Instrumentele effecten betreffen de mate waarin de doorlichtingen beslissingen en acties van de personeelsleden beïnvloeden. 21 OECD (2013), Synergies for Better Learning: An International Perspective on Evaluation and Assessment, OECD Publishing, Paris. http://dx.doi.org/10.1787/9789264190658-en


[ 101 ]

3.4 Tevredenheid en feedback van de scholen Uit de feedbackformulieren blijkt dat de schoolteams over het algemeen zeer positief staan tegenover de manier waarop de onderwijsinspectie de doorlichting aanpakt. Gemiddeld gaat net geen 80 % van de respondenten volmondig akkoord met de positief geformuleerde stellingen. Maar ook wat goed is, kan vaak nog beter en in elk onderwijsni-

veau zijn er ook doorlichtingen die minder positief onthaald werden. In wat volgt staan we dan ook uitgebreid stil bij de opmerkingen en suggesties van de respondenten. We volgen de opbouw van het feedbackformulier en daarmee de fasen van het doorlichtingsproces.

Informatie voorafgaand aan de doorlichting De website biedt voldoende informatie over de aanpak van de doorlichting. De instelling was voldoende geïnformeerd over de aanpak van de doorlichting. De instelling was voldoende geïnformeerd over de controle regelgeving tijdens de doorlichting. De informatie over de controle regelgeving was duidelijk. Vermeld hieronder eventueel suggesties voor de informatievoorziening over de doorlichting. Het instellingsprofiel bevat relevante info voor onze instelling. De leeswijzer bij het instellingsprofiel is duidelijk. Vermeld hieronder eventueel suggesties voor het instellingsprofiel of de leeswijzer.

Nog voor het vooronderzoek start hebben de scholen, centra en academies al toegang tot informatie die hen in staat moet stellen zich voor te bereiden op de komst van het inspectieteam. Naast de informatie op de website is er steeds een telefonisch onderhoud van de inspecteur-verslaggever (IV) met de directeur van de school, het centrum of de academie. In sommige schooljaren was er bovendien een brochure22 of een infosessie.

De informatie gaat over de organisatie van de doorlichting en over de verwachtingen ten aanzien van de school, maar gaat ook over de school zelf. Zo is er een instellingsprofiel met kwantitatieve data op basis waarvan de inspecteurs zich grondig kunnen voorbereiden op de doorlichting. Ook de instellingen ontvangen dit profiel en kunnen het benutten in het kader van hun interne kwaliteitszorg.

Kwantitatief Mede dankzij de informatie op de website en het telefonisch contact met de inspecteur-verslaggever heeft het opzet van de doorlichting weinig geheimen voor de respondenten. De algemene tevredenheid is het minst positief wat betreft de kwaliteit

van het instellingsprofiel en van de bijhorende leeswijzer. Toch toont ook hier 85 % van de respondenten zich positief. Ook de informatie over de controle van de regelgeving is nog voor verbetering vatbaar: 3,5 % van de instellingen is (matig) ontevreden.

22 Brochure ‘Wij zijn aan de beurt! De onderwijsinspectie komt’ (2011-2012)


[ 102 ]

De website biedt voldoende informatie over de aanpak van de doorlichting. De instelling was voldoende geïnformeerd over de aanpak van de doorlichting. De instelling was voldoende geïnformeerd over de controle van de regelgeving. De informatie over de controle regelgeving was duidelijk. Het instellingsprofiel bevat relevante info voor onze instelling. De leeswijzer bij het instellingsprofiel is duidelijk. 0%

20 % nee/niet akkoord

40 % eerder niet akkoord

60 % neutraal

80 % eerder akkoord

100 % ja/akkoord

Figuur 100: Spreiding van de feedbackscores voor Informatie vooraf, vraag per vraag..

Noot bij figuur 100: Vanaf 2015-2016 werkte de bevraging voor deze rubriek met een tweeledige antwoordmogelijkheid [ja-nee]. We verwerkten deze als de uitersten van het continuüm [akkoord-niet akkoord].

Doorheen de eerste schooljaren van doorlichtingsronde 3 blijft de positieve evaluatie van de informatie vooraf vrijwel constant. Vanaf 2015-2016 vroegen we de respondenten nog enkel om een ja/nee score en tellen we nog meer positieve scores. Onderliggend blijft de verhouding tussen de vragen evenwel dezelfde: vooral de kwaliteit en de leeswijzer van de instellingsprofielen schieten soms tekort.

2011-2012 2012-2013 2013-2014 2014-2015 2015-2016 2016-2017 0%

10 % nee/niet akkoord

20 %

30 %

40 %

eerder niet akkoord

50 %

60 %

neutraal

Figuur 101: Spreiding van de feedbackscores voor Informatie vooraf, van jaar tot jaar.

70 %

80 %

eerder akkoord

90 %

100 %

ja/akkoord


[ 103 ]

In de grafiek per onderwijsniveau (figuur 102) zien we duidelijke verschillen. De tevredenheid van de CLB’s ligt lager. Hier halen we geen 80 % positieve antwoorden en zien we 11 % negatieve antwoorden.

Ook in vwo, dko en buso tellen we een relatief groot aantal ontevreden respondenten. In dko is evenwel ook het aandeel positieve antwoorden heel erg hoog, net als in dbso.

bao so dbso bubao buso dko vwo CLB 0%

10 % nee/niet akkoord

20 %

30 %

40 %

eerder niet akkoord

50 %

60 %

neutraal

70 %

80 %

eerder akkoord

90 %

100 %

ja/akkoord

Figuur 102: Spreiding van de feedbackscores voor Informatie vooraf, per onderwijsniveau.

Kwalitatieve reacties Over de informatie op de website laten de meeste directeuren zich positief uit, zij het zonder veel details. ‘De documenten die terug te vinden zijn op de website bieden een duidelijke houvast. Op die manier is de voorbereiding van het vooronderzoek en het doorlichtingsbezoek een haalbare opdracht.’ Toch is een (telefonisch) woordje uitleg door de inspecteur-verslaggever vaak nog veel sterker. Dit zorgt voor duidelijkheid, volledigheid en voor het nodige vertrouwen. Zeer veel directies verwijzen hiernaar. ‘Het telefonisch contact met de inspecteur-verslaggever maakte de info op de website nog duidelijker.’ ‘De onduidelijkheden werden door de IV weggewerkt tijdens enkel telefonische contacten. We konden steeds bij hem terecht

en kregen steeds snel een antwoord.’ ‘Er was een duidelijke communicatie vanuit de inspecteur-verslaggever. Onze pedagogisch medewerker had ons eveneens al een beeld geschetst over het verloop van een doorlichting.’ Als punten ter verbetering noteren we dat de lijst met klaar te leggen documenten nog vollediger en vooral concreter kan, bijvoorbeeld over de documenten rond (leer)prestaties en output. De lijst af en toe updaten blijkt nodig en ook een betere afstemming op de kleinere of meer specifieke onderwijsniveaus (buo, CLB, vwo, dko) is wenselijk. De informatie in verband met de controle regelgeving biedt niet altijd de nodige duidelijkheid. ‘Voor mij was het deel controle m.b.t. regelgeving vooraf niet duidelijk.’ (2014-2015) ‘De lijst controle regelgeving, gekregen na het vooronderzoek, bleek tijdens de doorlichting zelf een verouderde lijst te zijn.’ (2014-2015)


[ 104 ]

Ontevreden reacties op de vooraf verkregen informatie hangen soms ook samen met de verwachtingen: enkele directies geven aan dat ze zich – achteraf beschouwd – beter anders hadden voorbereid op de doorlichting. Een aantal directies vraagt ook om zeer concrete houvast en richtlijnen, niet alleen voor de doorlichting zelf, maar ook wat betreft de vereisten voor elk vak of leergebied. In verband met de instellingsprofielen gaat het grootste aantal opmerkingen over de beperkte vindbaarheid, leesbaarheid en correctheid van de profielen. Scholen die de leeswijzer raadpleegden, geven aan dat deze te oppervlakkig is uitgewerkt. Zelfs met behulp van de leeswijzer blijft het voor zeer veel instellingen een hele opdracht om het instellingsprofiel te doorgronden. Uitleg door de onderwijsinspecteurs of een gerichte nascholing werkt vaak

verhelderend. Idealiter bevat de leeswijzer een volledig uitgeschreven interpretatie voor een fictieve instelling of ‘een ontwikkelwijzer met plausibele, te onderzoeken hypotheses’. Door de jaren heen maakten directies bovendien melding van een aantal fouten en onzuiverheden in de profielen. Vooral over het personeelsbestand verzamelden we een aantal opmerkingen. Naast de beperkte vindbaarheid van de leeswijzer leidt dit tot frustraties en tot vragen omtrent de zin van deze profielen. In het buo maakt de uniciteit van elke school het bovendien erg moeilijk om relevante referentiegroepen te omschrijven. Enkele respondenten merken op dat de onderwijsinspecteurs onvoldoende voorbereid zijn wanneer zij in contact treden met de directie. De onderwijsinspecteurs blijken soms onvoldoende zicht te hebben op de context en vooral de input (leerlingenpopulatie) van de school.

Conclusie We vatten samen wat voor de scholen belangrijke elementen zijn voor de informatie voorafgaand aan een doorlichting (zowel wat al goed zit als wat nog beter kan):

- een persoonlijk contact met de inspecteur-verslaggever zorgt voor grotere duidelijkheid en meer vertrouwen: de basis voor een geslaagde doorlichting en een gewaardeerd advies

- volledige, duidelijke, recente informatie op de website

- correcte, recente en vooral leesbare instellingsprofielen - instellingsprofielen op maat van elk onderwijsniveau - een uitgebreide leeswijzer, met naast afkortingen en woordverklaringen ook diepgaande voorbeeldanalyses

- volledige, accurate en voldoende concrete richtlijnen met betrekking tot te bewaren en klaar te leggen documenten (m.n. de documenten rond (leer)prestaties en output) - volledige en accurate informatie met betrekking tot de controle regelgeving

Communicatie De communicatie tussen het inspectieteam en het directieteam verliep vlot. De communicatie tussen het inspectieteam en het personeel van de instelling verliep vlot. Vermeld hieronder eventueel suggesties voor de communicatie tijdens de doorlichting.


[ 105 ]

Over alle onderwijsniveaus en schooljaren heen zien we dat de communicatie tussen de inspecteurs en het directieteam van de instelling voor de meeste

directeuren verloopt zoals gewenst. Wat betreft de communicatie met de personeelsgroep, tonen zich iets meer directeuren ontevreden.

De communicatie tussen inspectieteam en directieteam verliep vlot. De communicatie tussen inspectieteam en personeel van de instelling verliep vlot. 0%

10 %

20 %

niet akkoord

30 %

40 %

eerder niet akkoord

50 %

60 %

neutraal

70 %

80 %

eerder akkoord

90 %

100 %

akkoord

Figuur 103: Spreiding van de feedbackscores voor Communicatie, vraag per vraag.

Doorheen doorlichtingsronde 3 blijft de inschatting door de directeuren vrijwel constant, met een licht

positieve trend. Vanaf 2015-2016 noteren we evenwel opvallend minder ontevreden reacties.

2010-2011 2011-2012 2012-2013 2013-2014 2014-2015 2015-2016 2016-2017 0%

10 %

20 %

niet akkoord

30 %

40 %

eerder niet akkoord

50 %

60 %

neutraal

70 %

80 %

eerder akkoord

90 %

100 %

akkoord

Figuur 104: Spreiding van de feedbackscores voor Communicatie, van jaar tot jaar.

Bubao toont zich het meest kritisch: net 85 % bevestigt een vlotte communicatie, 7,5 % verwachtte

meer. Dbso en ook de CLB’s zijn erg positief op dit vlak.

bao so dbso bubao buso dko vwo CLB 0%

10 % niet akkoord

20 %

30 %

40 %

eerder niet akkoord

50 %

60 %

neutraal

Figuur 105: Spreiding van de feedbackscores voor Communicatie, per onderwijsniveau.

70 %

80 %

eerder akkoord

90 %

100 %

akkoord


[ 106 ]

In de kwalitatieve reacties merken we dat de kwaliteit van de communicatie de directeuren en de medewerkers van de scholen, centra en academies niet koud laat.

‘Dat de gesprekken in groep gebeurden was zeker een meerwaarde. Teamleden konden elkaar aanvullen en de werking nog explicieter verduidelijken.’

Zeer veel opmerkingen – zowel positieve als negatieve – gaan over de algemene houding van de onderwijsinspecteurs. Positieve indrukken (‘correct, professioneel, respectvol, waarderend, opbouwend kritisch, duidelijk, menselijk, gemoedelijk …’) maar ook negatieve ervaringen worden verwoord.

Leraren en directies zien graag een evenwicht tussen ondersteunende en waarderende opmerkingen en meer kritische vaststellingen en bedenkingen. Enkele scholen getuigen positief over de onderwijsinspectie ‘als partner’ en over suggesties en aanbevelingen die ze kregen van de onderwijsinspecteurs. ‘Ik was aangenaam verrast door de constructieve en positieve houding van de inspectieleden. De gesprekken verliepen gezond kritisch, opbouwend en begeleidend. Persoonlijk vind ik dit een goede manier van werken.’ ‘Er was ruimte voor inhoudelijke gesprekken en constructieve discussies. In het algemeen kijken we terug op heel wat motiverende gesprekken met bruikbare tips en aanbevelingen.’ ‘We kregen verrijkende suggesties mee om daarmee in de toekomst aan de slag te gaan.’

Opmerkingen met een negatieve toon gaan vaak gepaard met een opmerking over verschillen tussen de onderwijsinspecteurs. Deze verschillen hebben echter ook soms voordelen. ‘Er is, net zoals bij leerkrachten, verschil in stijl tussen de inspecteurs. Niet alle inspecteurs communiceren even tactvol.’ ‘De onderlinge meningsverschillen bij het inspectieteam zorgden voor verwarring bij de teamleden tijdens de gesprekken.’ ‘De inspecteurs wisten goed op elkaar in te spelen en konden elkaar in verschillende opzichten versterken.’ Scholen appreciëren alleszins een open en heldere communicatie en positieve, constructieve gesprekken. ‘Bij bepaalde gesprekken kwam het voor de leerkrachten over als een examen waarvoor ze niet geslaagd waren.’ ‘Suggestie: stel open vragen, geen suggestieve.’ Constructieve gesprekken zijn pas mogelijk als de gesprekspartners elkaar goed verstaan, wat niet altijd evident is: ‘De vraagstelling was niet altijd even duidelijk en soms moeilijk geformuleerd.’ In sommige scholen werden leraren in groep aangesproken. Dit wordt erg goed onthaald.

Andere scholen voelden anderzijds een zekere vooringenomenheid bij het inspectieteam. ‘De inspecteurs konden hun vooropgesteld beeld van de kleuterschool niet bijstellen o.b.v. de gesprekken met de leerkrachten.’ ‘De aanvankelijk negatieve verwachting waarmee men naar een school kijkt, bepaalt wat men wel en niet wil/kan zien.’ ‘Weinig onderbouwde kritiek’. Scholen zien graag dat de onderwijsinspecteurs zich bereikbaar en aanspreekbaar opstellen en dat zij voldoende tijd nemen (of voldoende tijd krijgen) om de personeelsleden het volledige verhaal te laten doen. ‘Directie en personeelsleden konden hun werking grondig toelichten. De twee inspecteurs namen tijd om alles te beluisteren en de documenten grondig door te nemen.’ ‘Omwille van tijdsgebrek, vanwege de drukke planning, had-


[ 107 ]

den enkele teamleden het gevoel dat er weinig tijd en ruimte was om de schoolprioriteiten en sterktes van de school (en de werking) toe te lichten.’ ‘Alles verloopt heel snel.’ ‘Er had meer doorgevraagd mogen worden.’ ‘Weinig kans om echt dieper op iets in te gaan.’ ‘Goed dat er de laatste dag van de doorlichting nog tijd gemaakt wordt voor eventuele extra gesprekken.’ ‘Er was ruimte om vragen te stellen en verduidelijking te krijgen.’ ‘Ik kreeg het gevoel dat het

team en ikzelf met vragen ook echt terecht konden bij de inspecteurs.’ De toon wordt vaak al bij de start gezet. ‘De korte voorstelling van het inspectieteam aan het personeel was opvallend sterk en werd door het team positief bevonden.’ We kregen de suggestie om ook in een gezamenlijk slotmoment te voorzien.

Conclusie Scholen verwachten: - veel communicatie, ook tussendoor (bv. aan het eind van een gesprek of een observatie) met de directeur én met alle betrokken personeelsleden - eerlijke communicatie, eenduidig en gelijkgericht (geen verschillende boodschap door afzonderlijke onderwijsinspecteurs of aan afzonderlijke personeelsleden, vakgroepen of directie)

- open en constructieve gesprekken, zonder vooringenomenheid, met voldoende tijd om de manier van werken volledig en genuanceerd te bespreken - evenwicht tussen positieve opmerkingen en kritische bedenkingen

© iStock | Thinkstock


[ 108 ]

Vooronderzoek en focusbepaling De instelling kon haar werking voldoende toelichten. Het vooronderzoek werd met voldoende diepgang verricht. Het vooronderzoek werd voldoende breed verricht met aandacht voor alle aspecten uit CIPO. De werkbelasting tijdens het vooronderzoek was aanvaardbaar. De doorlichtingsfocus was representatief voor de werking van de instelling. De instelling begreep de motivering van de doorlichtingsfocus. Vermeld hieronder eventueel suggesties voor het vooronderzoek.

Het vooronderzoek eindigt met de bepaling, afbakening en motivering van de doorlichtingsfocus. Uit de kwantitatieve ĂŠn de kwalitatieve data blijkt dat dit een sleutelelement is voor de scholen, centra en academies. De focusbepaling is vaak van groot belang voor het eindresultaat van de doorlichting. In het vooronderzoek vertrekt het inspectieteam

met een brede scope om â&#x20AC;&#x201C; op basis van een snel maar toch voldoende grondig overzicht van de volledige werking van de instelling â&#x20AC;&#x201C; te komen tot een representatieve en evenwichtig samengestelde doorlichtingsfocus. Dat vraagt heel wat inspanningen, zowel van het inspectieteam als van het schoolteam.

De instelling kon haar werking voldoende toelichten. Het vooronderzoek werd met voldoende diepgang verricht. Het vooronderzoek werd voldoende breedverricht met aandacht voor alle aspecten uit CIPO. De werkbelasting tijdens het vooronderzoek was aanvaardbaar. De doorlichtingsfocus was representatief voor de werking van de instelling. De instelling begreep de motivering van de doorlichtingsfocus. 0%

20 % niet akkoord

40 % eerder niet akkoord

60 % neutraal

80 % eerder akkoord

Figuur 106: Spreiding van de feedbackscores voor Vooronderzoek en focusbepaling, vraag per vraag.

100 % akkoord


[ 109 ]

Scholen zijn over het algemeen positief over de aanpak van het vooronderzoek. Toch noteren we ook een relevant aantal ontevreden respondenten. Voldoende tijd en ruimte om de schoolwerking grondig voor te stellen, was in het begin van doorlichtings-

ronde 3 (2010-2011) vooral in so en bao niet evident. De hoge werkbelasting bij het vooronderzoek is in de eerste plaats een aandachtspunt in so en een constante over de jaren heen.

2010-2011 2011-2012 2012-2013 2013-2014 2014-2015 2015-2016 2016-2017 0%

10 %

20 %

niet akkoord

30 %

40 %

eerder niet akkoord

50 %

60 %

neutraal

70 %

80 %

eerder akkoord

90 %

100 %

akkoord

Figuur 107: Spreiding van de feedbackscores voor Vooronderzoek en focusbepaling, van jaar tot jaar.

Over de representativiteit van de doorlichtingsfocus stelt in alle onderwijsniveaus een aantal scholen zich vragen: so en CLB spannen de kroon, CLB vooral in 2016-2017 en in 2010-2011. De motivering van de doorlichtingsfocus liet te wensen over in een aantal

instellingen uit so, vwo en CLB en dit vooral in de beginjaren van doorlichtingsronde 3. Globaal zien we erg hoge scores in dbso en iets meer negatieve scores in vooral CLB, so en vwo.

bao so dbso bubao buso dko vwo CLB 0%

10 % niet akkoord

20 %

30 %

40 %

eerder niet akkoord

50 %

60 %

neutraal

70 %

80 %

eerder akkoord

90 %

100 %

akkoord

Figuur 108: Spreiding van de feedbackscores voor Vooronderzoek en focusbepaling, per onderwijsniveau.


[ 110 ]

Het grootste aantal kwalitatieve opmerkingen gaat over het haastige karakter van het vooronderzoek. Tijdgebrek leidt er volgens veel directeuren toe dat sommige medewerkers niet gehoord werden (en zich bijgevolg weinig gewaardeerd voelden in hun werk). Belangrijker nog: een aantal scholen heeft het gevoel dat de onderwijsinspecteurs zich in het vooronderzoek slechts een partieel beeld hebben kunnen vormen van de werking en sommige verwoorden zelfs het idee dat de focusbepaling “’s morgens al vastlag”. De werkdruk die gepaard gaat met (de voorbereiding van) het vooronderzoek is er niet minder om. ‘Eén dag is wel heel beperkt om alle teamleden evenveel kansen te bieden en hen te beluisteren. Hierdoor worden sommige aspecten uit hun context getrokken en worden besluiten geformuleerd waar niet iedereen zich kan in vinden. Sommige leerkrachten hadden na het vooronderzoek een wranger gevoel dan na de doorlichting gewoon door de snelheid waarmee alles moest gebeuren.’ ‘Het vooronderzoek werd voldoende breed verricht. De tijd om diep in te gaan op bepaalde aspecten was echter te beperkt waardoor de werkdruk hoog was. Leerkrachten voelden dit gesprek aan als weinig waarderend.’ ‘Het tempo van de vraagstelling bij het vooronderzoek lag zodanig hoog dat er soms onvoldoende toelichting kon gegeven worden.’ ‘Volgens mij was de focus reeds bepaald voor het bezoek aan de school (a.d.h.v. vaststellingen in het digitaal platform). Er werd niet gekeken naar het vorige doorlichtingsverslag.’ ‘Er werd bij de bepaling van de focus zeer sterk rekening gehouden met de doorgelichte vakken en studierichtingen van de vorige doorlichting. Ik had de indruk dat de focus hierdoor voor een groot deel vastlag.’

Daar staat tegenover dat een vrij groot aantal scholen vermeldt dat er net wel voldoende tijd en rust was, dat de onderwijsinspecteurs zich erg bereikbaar en aanspreekbaar opstelden en er wonderwel in slaagden om op korte termijn een erg volledig beeld te krijgen van de werking van de school, het centrum of de academie. ‘Het vooronderzoek op één dag organiseren heeft voordelen (je weet snel wat de focus wordt en de belasting duurt geen dagen) maar ook nadelen: heel kort om volledige werking goed door te spreken, te tonen ... Dit moet ook heel moeilijk zijn voor inspectie zelf. Dus ook hoedje af hoe snel zij kritisch alle aspecten van een werking kunnen bekijken en al een goed idee hebben van hoe het zit.’ ‘Gezien de beperkte duur van het vooronderzoek stelde de school zich de vraag in welke mate het doorlichtingsteam zich een voldoende beeld kan vormen van de werking. Achteraf gezien bleek dit beeld redelijk te kloppen met de realiteit.’ ‘Het vooronderzoek verliep vlot en op een rustige manier. Het personeel is heel vriendelijk en met respect benaderd. Iedereen kon aan het woord komen.’ ‘Er was voldoende tijd om de werking van de school toe te lichten. Er werden heel gerichte vragen gesteld.’ ‘Het was een erg drukke dag met een beetje te veel tijdsdruk. Ondanks de drukke agenda waren de inspectieleden steeds bereikbaar en aanspreekbaar.’ De bepaling en de motivering van de doorlichtingsfocus blijkt een heikel punt. Scholen willen niet enkel een representatieve en evenwichtig samengestelde doorlichtingsfocus, ze vinden het bovendien heel erg belangrijk dat het inspectieteam rekening houdt met de schoolvisie en inspeelt op de eigen agenda en planning van de school: leergebieden of processen waarvoor de school haar werking sterk of zwak inschat, waar de school al intensief aan werkte of waar men het jaar nadien mee aan de slag wil gaan …


[ 111 ]

Verscheidene factoren spelen een rol en dat maakt een goede focusbepaling vaak niet eenvoudig. ‘Knap dat de focus gekoppeld werd aan onze visie!’ ‘Het vastleggen van de focussen in samenhang met onze schoolvisie heeft ons de mogelijkheid gegeven om deze te tonen en heeft het team gemotiveerd om tijdens het doorlichtingsbezoek te laten zien wat de inhoudelijke meerwaarde ervan is.’ ‘We begrijpen de keuzes maar het verbaasde ons dat enkele schoolkenmerkende richtingen niet in de focus zaten (vb. sport, wetenschappen)’ ‘(…) We hadden nochtans verwacht dat men eerder voor muzische vorming zou kiezen, omdat onze school zich daar heel sterk in profileert.’ ‘Hoewel we een tsobso-school zijn lag de nadruk op de algemene vakken en niet zozeer op de specifieke vakken.’ ‘Spijtig dat “schilderwerk en decoratie” niet werd doorgelicht. De afdeling bestaat nu 30 jaar en werd nog nooit doorgelicht.’ ‘Voor ons was Nederlands reeds een vooropgesteld werkpunt waar we als team mee aan de slag gaan (prioriteit). De doorlichting is dus wat te vroeg gekomen.’ ‘We waren ons ervan bewust dat muzische vorming niet goed zat, vandaar dat we een driejarenplan voorzien hadden om dit verder aan te pakken. We kregen wat betreft muzische vorming (muvo) geen opmerkingen die we niet al zelf kenden. En toch komt men muvo controleren ... erg ontmoedigend, al dat negatieve ... Dat was echt niet fijn en volstrekt zinloos.’ ‘Voor onze school werd toch muvo in de focus gezet terwijl dit nog op de planning voorzien was.’ ‘Het focuspunt ´muzische vorming´ stond sowieso op de jaarplanning van de school en werd erkend als een nog te verbeteren punt. Jammer dat dit dan doorslaggevend was om eindadvies 2 te krijgen.’

‘Er werd rekening gehouden met de wil om zaken aan te pakken op schoolniveau. Ook bij het kiezen van de focus kwam duidelijk naar voor dat het veranderingsproces dat de school ondergaat, ondersteund werd door de inspectie, waardoor wij het gevoel hadden dat reeds gedane inspanningen en lopende verbeteringsprojecten werden erkend met de focus op waar we al goed in waren.’ Sowieso maakt een goed onderbouwde motivering van de doorlichtingsfocus dat het uiteindelijke resultaat van de doorlichting beter ontvangen en aanvaard wordt door het schoolteam. Zonder goede onderbouwing reageren scholen al snel verongelijkt, met soms tegenstrijdige argumenten. ‘Tijdens het vooronderzoek werd er gevraagd waarin de school sterk en niet sterk was. Beide punten werden aangegrepen voor de doorlichting, ondanks dat we het ‘niet sterke’ punt echt wel zelf kenden en aangaven dat dit het laatste vak was dat we nog dienden aan te pakken na de fusie. We voelden ons dan ook ‘gepakt’.’ ‘De inspectie vroeg: “Waar vinden jullie dat jullie sterk in zijn?” Wiskunde was het punt waar wijzelf ons sterk in vonden. Dit zou dan achteraf de focus worden. Dit begrepen wij niet!’ In so staat de doorlichtingsfocus niet geheel los van de samenstelling van het doorlichtingsteam. Veel scholen zijn hier niet tevreden mee en stellen zich vragen bij de representativiteit. ‘De specialiteit van de verschillende inspecteurs bepaalt de focus. Jammer dat geen enkele positieve wetenschap in de focus kwam.’ ‘De samenstelling van het inspectieteam was m.i. onvoldoende representatief voor het profiel van onze school. De doorlichtingsfocus had hierdoor ook een beperkte representativiteit.’ ‘Verhoudingsgewijs bevatte de doorlichtingsfocus wat betreft


[ 112 ]

de vakken een klein percentage van de schoolorganisatie.’ ‘De “specialiteiten” van de individuele inspecteurs zorgen voor een verenging van de mogelijke focus.’ Een aantal scholen stelt zich bovendien openlijk vragen bij het werken met een doorlichtingsfocus. ‘In het algemeen staan wij (directie & team) niet achter een doorlichting vertrekkende vanuit focussen. Hierin schuilt volgens ons het gevaar dat de inspectie zich teveel focust op negatieve aspecten in de schoolwerking. Wij staan eerder open voor een volledige doorlichting zodat ook onze kwaliteiten meer in de kijker kunnen gezet worden.’ ‘Focussen beperken nu eenmaal. Het

gaat over een momentopname en een partieel beeld, hoezeer men ook probeert om het geheel te vatten.’ ‘Representativiteit lijkt me moeilijk te objectiveren. Er zijn onvoldoende duidelijk af te toetsen criteria op basis waarvan de keuze van de focus gemotiveerd kan worden.’ Voor scholen die bewust werken aan kwaliteitszorg en die hun beleid daarop afstemmen, kregen we een interessante suggestie: ‘Het lijkt me sterk om de school zelf haar groeikansen te laten formuleren en haar sterktes. Vanuit beide items zouden we tot een consensus voor de focus kunnen komen.’

Conclusie Een goed vooronderzoek beantwoordt aan volgende criteria: - een breed en volledig onderzoek, voldoende tijd om met veel personeelsleden te spreken en de werking van de school goed te capteren

bron van veel werk en extra stress) én rekening houdend met de kwaliteitsplanning van de school zelf. In het ideale scenario bepalen inspectieteam en schoolteam de doorlichtingsfocus in samenspraak.

- een open en positieve houding, bereikbare en aanspreekbare onderwijsinspecteurs

- een goede motivering van de focusselectie verhoogt de betrokkenheid en acceptatie

- een focusbepaling op maat van de school, op basis van het vooronderzoek (zo niet is het vooronderzoek een maat voor niets en vooral een

Enkele scholen suggereren bovendien om de doorlichting te richten op de volledige schoolwerking en niet langer te werken met een doorlichtingsfocus.

Doorlichtingsbezoek De praktische organisatie van de doorlichting verliep vlot. De werkbelasting tijdens het doorlichtingsbezoek was aanvaardbaar. De inspectie nam voldoende tijd om informatie in te winnen via documentenanalyse, observaties en gesprekken. De instelling kreeg voldoende kansen om haar werking toe te lichten. Het inspectieteam koppelde tussentijds terug naar de directie. De instelling ervaarde de gecontroleerde regelgeving als relevant. Vermeld hieronder eventueel suggesties voor het doorlichtingsbezoek.


[ 113 ]

De doorgelichte scholen, centra en academies zijn erg tevreden over de praktische organisatie van de doorlichting, al brengt deze voor een belangrijk aandeel van de directeuren (en hun teams) toch ook heel wat extra werk mee. Voor 5â&#x20AC;&#x2030;% van de respondenten was de extra werkbelasting niet aanvaardbaar. In de CLBâ&#x20AC;&#x2122;s geldt dit voor 28â&#x20AC;&#x2030;% van de respondenten. De directeuren tonen zich bovendien kritisch over de informatieverzameling door het inspectieteam. Volgens een aantal scholen nam de onderwijsinspectie onvoldoende de tijd om, via documentenanalyse, observaties en gesprekken, de sterke punten en de

groeikansen van de instelling (op het domein van de gekozen doorlichtingsfocus) goed te kunnen inschatten. Het grootste aandeel ontevreden directies vinden we in het so in de beginjaren van doorlichtingsronde 3. Het schoolteam kreeg ook niet altijd voldoende kansen om de werking expliciet voor te stellen. In bubao blijkt hieraan de grootste nood. Ook de terugkoppeling tussendoor kan beter. Voor zeven op 100 scholen, opnieuw voornamelijk in bubao en in mindere mate in bao, volstonden de inspanningen van het inspectieteam op dit vlak niet helemaal. Met het opzet van de controle van de regelgeving hebben zeer weinig directeuren een probleem.

De praktische organisatie van de doorlichting verliep vlot. De werkbelasting tijdens het doorlichtingsbezoek was aanvaardbaar. De inspectie nam voldoende tijd om informatie in te winnen. De instelling kreeg voldoende kansen om haar werking toe te lichten. Het inspectieteam koppelde tussentijds terug naar de directie. De instelling ervaarde de gecontroleerde regelgeving als relevant. 0%

20 % niet akkoord

40 % eerder niet akkoord

60 % neutraal

80 % eerder akkoord

100 % akkoord

Figuur 109: Spreiding van de feedbackscores voor Doorlichtingsbezoek, vraag per vraag.

Globaal blijft de evaluatie van het doorlichtingsbezoek door de scholen, centra en academies grotendeels gelijk over de jaren heen. In 2010-2011 en 2015-

2016 tellen we iets minder negatieve en iets meer positieve reacties.


[ 114 ]

2010-2011 2011-2012 2012-2013 2013-2014 2014-2015 2015-2016 2016-2017 0%

10 %

20 %

niet akkoord

30 %

40 %

eerder niet akkoord

50 %

60 %

neutraal

70 %

80 %

90 %

eerder akkoord

100 %

akkoord

Figuur 110: Spreiding van de feedbackscores voor Doorlichtingsbezoek, van jaar tot jaar.

De CLB’s tonen zich het meest kritisch over de aanpak van het doorlichtingsbezoek, gevolgd door

bubao, bao en vwo. Dbso is erg positief.

bao so dbso bubao buso dko vwo CLB 0%

10 % niet akkoord

20 %

30 %

40 %

eerder niet akkoord

50 %

60 %

neutraal

70 %

80 %

eerder akkoord

90 %

100 %

akkoord

Figuur 111: Spreiding van de feedbackscores voor Doorlichtingsbezoek, per onderwijsniveau.

Instellingen die positief terugblikken op het doorlichtingsbezoek tonen zich tevreden dat de onderwijsinspecteurs zich constructief en kritisch opstelden en aangenaam, eerlijk en voldoende communiceerden. Dat ze correct, professioneel en deskundig waren en belangrijker nog: dat ze de nodige tijd namen (en zich goed organiseerden) om met zeer veel leden van het schoolteam te spreken en om zich een breed en diepgaand beeld te vormen van de sterke punten en de werkpunten van de school. Op die manier komt het inspectieteam

tot een doorlichtingsadvies dat gedragen en geaccepteerd wordt en dat stimuleert om er verder tegenaan te gaan. ‘Het gaf een fijn gevoel dat het inspectieteam zoveel tijd nam om ons pedagogisch project te leren kennen en te doorgronden.’ ‘Het inspectieteam heeft zich op korte tijd een representatief beeld gevormd van de school.’ ‘Ik apprecieer het geweldig dat het inspectieteam in alle leerjaren tenminste één bezoek voorzag voor het gesprek.


[ 115 ]

Zo ziet men in werkelijkheid wat er op de werkvloer gebeurt.’ ‘Het was een spiegel die voorgehouden werd om onze werking te toetsen. Bedankt hiervoor!’ ‘Wij ervaren deze doorlichting als een groot cadeau waarop we verder kunnen bouwen. Wat ons betreft mag zo’n team ieder jaar langskomen!’ ‘De aandachtspunten werden ook goed gemotiveerd waardoor we direct zicht kregen op de te nemen stappen.’ ‘Wij kregen door de doorlichting niet alleen een duidelijk beeld van onze werkpunten maar ook inzicht hoe die verder aan te pakken.’ ‘Zeer opmerkelijk was de kennis van alle inspectieleden via o.a. een zeer grondige documentenanalyse.’ ‘Ik vond de kennis van de inspecteurs over hun vakken/leerplannen/... echt indrukwekkend.’ ‘Onze felicitaties voor de inzet door het inspectieteam: correct, veel inzet en ijver, met oog voor detail en overzicht en met vooral respect en objectiviteit naar éénieder van het schoolteam.’ ‘Vanuit het personeel moest ik zeker doorgeven dat de inspecteurs een pluim verdienen voor de manier waarop de doorlichting is verlopen. Zeer professioneel en met oog voor het welzijn van de medewerkers.’ ‘Vanaf het eerste contact probeerde men aan het vertrouwen te werken hetgeen ook gerustheid teweegbracht.’ ‘Het inspectieteam was gedreven en op bepaalde momenten zelfs motiverend voor het korps.’ ‘De doorlichting zorgde sowieso voor stress maar zeker ook voor verbondenheid!’ ‘Het team is nog altijd enthousiast na hun komst! Deze mensen gaven energie.’ Moeilijker situaties die directeuren beschrijven, gaan over een te veeleisende planning, moeizame communicatie, een gebrek aan feedback, beperkingen eigen aan het concept, de instrumenten en de procedures.

‘De tijd voor gesprekken was te kort.’ ‘Te beperkte observaties.’ ‘Te klein inspectieteam.’ ‘Te strakke planning.’ ‘Drie dagen is te kort voor een doorlichting.’ ‘Hoge extra belasting. Je moet als directeur fysiek en emotioneel sterk zijn om het ritme aan te kunnen.’ ‘Er werd onvoldoende geluisterd naar de leerkrachten. Leerkrachten werden vaak afgeblokt.’ ‘De school kreeg tijdens het bezoek op zaken die goed lopen weinig of geen reactie. Dit werkte zeer demotiverend.’ ‘Het inspectieteam luisterde selectief.’ ‘Het inspectieteam kwam te snel tot conclusies.’ ‘De diepte van het onderzoek was inspecteur-afhankelijk.’ ‘Een inspecteur kon moeilijk om met feedback van het schoolteam. Wij hopen dat de inspectie in de toekomst nog meer inzet op integriteit en open communicatie.’ ‘Doordat de lijst voor casusbesprekingen ook voorbeelden moest bevatten die minder ‘good practice’ zijn, vonden enkele medewerkers dat ze via deze casusbevragingen minder goed konden aantonen dat ze in staat zijn tot kwaliteitsvolle CLB-activiteiten.’ Algemeen verwoordt een aantal directies de wens om tussentijds meer feedback te krijgen, niet alleen als directeur maar ook de leraren, bv. na een klasobservatie of gesprek. Leraren waarderen daarbij een open en eerlijke houding: ‘Beter een negatieve boodschap dan geen boodschap.’ ‘De leerkrachten hadden het moeilijk om in te schatten hoe men hun manier van werken bekeek.’ ‘Geen feedback tijdens de DL. Geen enkele terugkoppeling. Pas bij de eindbespreking wisten we hoe de teerling geworpen was.’ ‘Dagelijkse feedback aan de directie biedt ook rust aan het schoolteam.’ In het so slagen de onderwijsinspecteurs er volgens de respondenten niet altijd in om gelijkgericht te communiceren met de verschillende vakgroepen en met de directie.


[ 116 ]

‘De boodschap die de directie ontving tijdens de gesprekken is anders overgekomen dan de boodschap die de inspectie aan de leraren verschafte. Om dit te vermijden is eenzelfde taalgebruik aangewezen naar het lerarenteam en de directie toe.’

beleid met meer vertrouwen en voor minder stress in het schoolteam. ‘Zoals al gemeld aan het team is een doorlichting om de tien jaar een zware dobber voor een school. We zijn dat niet “gewoon” en het legt daardoor toch wel druk op de school.’

Een andere respondent heeft het over de timing van de communicatie naar de vakgroepen en de directie toe, die verschilde van onderwijsinspecteur tot onderwijsinspecteur.

Verder droomt een aantal scholen van doorlichtingen zonder doorlichtingsfocus, voldoende tijd voor overleg met leraren en voldoende tijd voor toelichting van praktijkgerichte documenten. Een school pleit voor een meer evenwichtige beeldvorming over het algemeen beleid en een andere school (so) stelt voor dat leerbegeleiding en evaluatiebeleid schoolbreed zouden worden getoetst en niet alleen voor de vakken in de doorlichtingsfocus.

Een aantal directeuren toont zich voorstander van een kortere doorlichtingscyclus. Een meer frequente externe kwaliteitscheck kan zorgen voor een school-

Conclusie De verwachtingen van de scholen met betrekking tot het vooronderzoek komen hier grotendeels terug wat betreft een voldoende grondig onderzoek en een constructieve houding van de onderwijsinspecteurs. In deze rubriek blijkt nog meer dat scholen veel respect hebben voor inhoudelijk deskundige en communicatief sterke onderwijsinspecteurs.

Cruciale factoren: - zorgen voor vertrouwen (zelfvertrouwen van de leraren, vertrouwen in de deskundigheid van de onderwijsinspecteurs) - gelijkgerichtheid van de onderwijsinspecteurs, duidelijke en objectieve instrumenten en criteria - voldoende en duidelijke communicatie (zie ook de rubriek communicatie) - voldoende tijd, voldoende onderwijsinspecteurs

Doorlichtingsverslag en verifiëringsgesprek Het verifiëringsgesprek verduidelijkte het ontwerpverslag. De instelling kon haar bedenkingen kwijt in het verifiëringsgesprek. De samenvatting schetst op basis van de doorlichtingsfocus een herkenbaar beeld van de instelling. De vaststellingen motiveren de conclusies voldoende. De conclusies zijn duidelijke wegwijzers voor verdere ontwikkeling. Het taalgebruik is begrijpelijk voor de personeelsleden. De verslagstructuur is duidelijk. Vermeld hieronder eventueel suggesties voor de communicatie tijdens de doorlichting.


[ 117 ]

Algemeen beoordelen de scholen de wijze van verslaglegging erg positief. Meer dan 80 % van de respondenten toont zich tevreden met de inhoud van het verifiëringsgesprek en met de ruimte die dit gesprek biedt voor vragen en bedenkingen. Ook de verslagstructuur krijgt goede punten.

Anderzijds wijst een (klein) aantal respondenten erop dat de taal van het verslag niet altijd heel begrijpelijk is voor alle leden van het schoolteam. Het grootste (hoewel beperkte) aandeel ontevreden reacties noteren we voor de samenvatting aan het begin of het einde van het doorlichtingsverslag en voor de onderbouwing en motivering van de conclusies.

Het verifiëringsgesprek verduidelijkte het ontwerpverslag. De instelling kon haar bedenkingen kwijt in het verifiëringsgesprek. De samenvatting schept ... een herkenbaar beeld van de instelling. De vaststellingen motiveren de conclusies voldoende. De conclusies zijn ... wegwijzers voor verdere ontwikkeling. Het taalgebruik is begrijpelijk voor de personeelsleden.

De verslagstructuur is duidelijk. 0%

20 % niet akkoord

40 % eerder niet akkoord

60 % neutraal

80 % eerder akkoord

100 % akkoord

Figuur 112: Spreiding van de feedbackscores voor Doorlichtingsverslag en verifiëringsgesprek, vraag per vraag.

Wanneer we inzoomen op de onderwijsniveaus stellen we vast dat vooral in so, bao en buo een aantal schoolteams struikelen over de gebruikte taal in het verslag. De doorlichtingsverslagen in het dko lijken beter afgestemd op de lezer. In de beginjaren van doorlichtingsronde 3 spraken de CLB’s zich af en toe kritisch uit over de onderbouwing van de conclusies (dit was ook zo in het vwo) en over de mate waarin deze conclusies richtingwijzers kunnen zijn voor de

verdere ontwikkeling van het centrum. Ook het verifiëringsgesprek beantwoordde in de CLB ’s en het vwo aanvankelijk niet altijd aan de verwachtingen. In bao en so noteren we eveneens een aantal ontevreden reacties over aspecten van het doorlichtingsverslag, maar hun relatieve aandeel in het grote aantal schooldoorlichtingen binnen die onderwijsniveaus is beperkt.


[ 118 ]

Over de jaren heen zien we een grote consistentie in de beoordeling van het doorlichtingsverslag en het

verifiëringsgesprek, met een licht positieve trend.

2010-2011 2011-2012 2012-2013 2013-2014 2014-2015 2015-2016 2016-2017 0%

10 %

20 %

niet akkoord

30 %

40 %

eerder niet akkoord

50 %

60 %

neutraal

70 %

80 %

eerder akkoord

90 %

100 %

akkoord

Figuur 113: Spreiding van de feedbackscores voor Doorlichtingsverslag en verifiëringsgesprek, van jaar tot jaar.

Vwo toont zich het minst tevreden met het doorlichtingsverslag en in so en CLB tellen we het grootste

aandeel matig positieve scores.

bao so dbso bubao buso dko vwo CLB 0%

10 % niet akkoord

20 %

30 %

40 %

eerder niet akkoord

50 %

60 %

neutraal

70 %

80 %

eerder akkoord

90 %

100 %

akkoord

Figuur 114: Spreiding van de feedbackscores voor Doorlichtingsverslag en verifiëringsgesprek, per onderwijsniveau.

De kwalitatieve feedback die directeuren van scholen, centra en academies formuleren, onderbouwt deze vaststellingen. Enkelen noteren dat zij de gebruikte taal helder vinden en consistent met de mondelinge communicatie. Het doorlichtingsverslag vormt een correcte

en herkenbare weergave van de school, biedt een duidelijk inzicht in de werkpunten en vormt een aanzet tot verbetertrajecten. Het verifiëringsgesprek was voor een aantal scholen ‘verhelderend’. ‘Het verslag werd duidelijk geschreven en is een realistische weergave van het functioneren van


[ 119 ]

de school.’ ‘Het verslag is een duidelijke aanzet voor een aantal verbetertrajecten.’ ‘Voornamelijk dat de conclusies wegwijzers zijn voor een verdere ontwikkeling werd ervaren als een meerwaarde.’ ‘Zeer uitgebreid en verhelderend verifiëringsgesprek met aandacht voor feedback en verdere opvolging.’ Kritische opmerkingen gaan veelal over het taalgebruik: moeilijk leesbaar, niet afgestemd op de doelgroep (leraren maar ook ouders), gebruik van vakjargon, herhalingen, standaardzinnen. Enkele directeuren melden verschillen met de mondelinge communicatie, een te negatieve toon of te weinig aandacht voor positieve elementen, vooral dan in de samenvatting. Ook in de conclusie willen scholen voldoende evenwicht en nuancering terugvinden. Soms schetst het doorlichtingsverslag een eerder fragmentair beeld van de school. Niet in elk verifiëringsgesprek was er bovendien ruimte om bedenkingen en toelichtingen te bespreken.

‘Het verslag is voor de meeste lezers vrij onoverzichtelijk en onduidelijk.’ ‘Het verslag is moeilijk leesbaar voor de personeelsleden. Nood aan extra verduidelijking.’ ‘Het onderwijsjargon was voor ouders die niet in het onderwijs staan niet altijd duidelijk en diende door de directie verduidelijkt te worden.’ ‘Ik vraag me af hoe ouders die dit verslag lezen op de website dit percipiëren.’ ‘Het toekennen van een ‘voldoet’ of ‘voldoet niet’ stelt de zaken heel zwart-wit.’ ‘Gunstig of ongunstig biedt te weinig nuance als samenvattende conclusie.’ Enkele (uiteenlopende) suggesties hebben betrekking op de verslagstructuur. Een aantal scholen stelt ook voor om alle teamleden op één of andere manier te betrekken bij het verifiëringsgesprek.

Conclusie De scholen, centra en academies tonen zich grotendeels tevreden met het doorlichtingsverslag en het verifiëringsgesprek. Wat nog kan verbeteren is de leesbaarheid (het taalgebruik), de samenvatting en de motivering van de conclusies. Samenvattend verwachten de respondenten: - heldere taal, overzichtelijke opbouw, geen jargon (de ouders als doelpubliek) - een evenwichtige weergave van sterke punten en werkpunten

- genuanceerde conclusies - conclusies en argumenten komen overeen met de mondelinge communicatie - conclusies vormen een aanzet voor trajecten van kwaliteitsverhoging - een verifiëringsgesprek dat extra duiding biedt - een verifiëringsgesprek dat ruimte laat voor bedenkingen, vragen, toelichting - een verifiëringsgesprek met betrokkenheid van het schoolteam


[ 120 ]

3.5 Welke elementen van feedback waren inspirerend voor de vormgeving van Inspectie 2.0? De laatste vraag peilt naar de antwoorden die Inspectie 2.0 biedt op een aantal aandachtspunten uit de feedbackformulieren. Het perspectief van de

scholen was immers één van de belangrijkste bronnen voor de vormgeving van onze nieuwe doorlichtingsmethodiek.

Informatie voorafgaand aan de doorlichting In de maanden november - december 2017 organiseerde de onderwijsinspectie regionale infosessies over Inspectie 2.0 voor directies, pedagogisch begeleiders en andere geïnteresseerden. Bij de organisatie hiervan hielden we rekening met de opmerkingen uit de allereerste feedbackformulieren van de schooljaren 2009-2010 en 2010-2011. Bij de start van doorlichtingsronde 3 organiseerden we immers infosessies over ‘gedifferentieerd en outputgericht doorlichten’. Tegen 1 januari 2018 was de website www.onderwijsinspectie.be grotendeels aangepast met informatie over onze nieuwe aanpak. De vragen die we verzamelden tijdens de regionale infosessies gebruikten we vorm te geven aan een FAQ-rubriek over Inspectie 2.0. Op de website vinden de scholen per onderwijsniveau een lijst met ‘te bezorgen informatie’. Deze lijsten zijn met het oog op het beperken van de planlast erg summier: enkel wat de school sowieso al heeft aan documenten in het kader van haar kwaliteit(sontwikkeling), enkel wat de onderwijsin-

specteurs nodig hebben (niet ‘wat interessant kan zijn’). Het staat de school bovendien volledig vrij in welke vorm ze deze informatie ter beschikking stelt. In Inspectie 2.0 bereidt het doorlichtingsteam zich voor op de doorlichting met onder meer het schoolportret. Het schoolportret bevat kwantitatieve data zoals leerlingenaantallen, leerlingenkenmerken, personeelsgegevens en resultaten uit het vervolgonderwijs. Met dit schoolportret krijgt het doorlichtingsteam een eerste zicht op de context, de input, de resultaten en effecten van de school. Het nieuwe schoolportret is leesbaarder geworden door een meer beknopte, visuele voorstelling van de cijfers, gekoppeld aan een woordelijke interpretatie van de belangrijkste waarden. De lezer kan de schoolcijfers vergelijken met een relevante referentiegroep. Een gebruiksvriendelijke leeswijzer, ingesloten in het schoolportret, maakt het geheel volledig. Vanaf de effectieve start van Inspectie 2.0 (op 1 september 2018) ontvangen de scholen het schoolportret bij de start van elke doorlichting.

Communicatie ‘Doorlichten in dialoog’: deze ondertitel van Inspectie 2.0 toont duidelijk het belang van de gesprekken in onze nieuwe aanpak. De klemtoon ligt op het partnerschap tussen school en onderwijsinspectie, op het samen reflecteren over kwaliteit(sontwikkeling) en op constructieve feedback. Inspectie 2.0

komt tegemoet aan de vraag van scholen naar meer tijd en ruimte om de eigen werking voor te stellen, meer tussentijdse terugkoppeling en meer gesprekken in groep.


[ 121 ]

Concreet vind je dit terug in de verschillende fasen van de vernieuwde doorlichtingsaanpak: - de doorlichting start met een gesprek met het beleidsteam over de kwaliteitsontwikkeling. De school kan tijdens dit gesprek haar kwaliteitszorg en haar beleid illustreren aan de hand van een zelfgekozen onderwerp; - doorheen de doorlichting gebruikt het doorlichtingsteam de ‘ontwikkelingsgerichte dialoog’ met bijzondere aandacht voor de vier componenten: waarnemen, inleven, aanreiken en beoordelen. Alles wat de onderwijsinspecteurs zien, horen en lezen toetsen ze af aan het referentiekader voor onderwijskwaliteit (het OK) én bij hun gesprekspartners. Inleven houdt in dat het doorlichtingsteam denkt vanuit en zijn waarnemingen interpreteert vanuit de context, de input en het (ped) agogisch project van de school. Het doorlichtingsteam probeert zo te achterhalen waarom de school voor een bepaalde aanpak kiest. Aanreiken betekent dat het doorlichtingsteam, opnieuw samen met de school, mogelijke doelen en acties ter verbetering verkent en succesfactoren benoemt als hefboom naar de toekomst;

- de doorlichting eindigt met reflectiegesprekken en een synthesegesprek. Tijdens het reflectiegesprek reflecteert het doorlichtingsteam samen met de school over de bevindingen van de doorlichting. In dit gesprek geeft het doorlichtingsteam toelichting bij de sterktes en ontwikkelkansen aan de hand van ontwikkelingsschalen en reflecteert het samen met de school over succesfactoren en mogelijke acties en doelen ter verbetering. Het synthesegesprek is het eindgesprek van een doorlichting. In dit gesprek deelt het doorlichtingsteam de definitieve inschaling voor alle onderzoeken en het advies mee en motiveert ze haar beslissingen. In de feedbackformulieren komt ook het moeilijke taalgebruik van het doorlichtingsteam aan bod. Het OK, dat in co-creatie (onder meer ook met directies, leraren en leerlingen/cursisten) tot stand kwam en dat de basis is voor Inspectie 2.0, moet zorgen voor een gemeenschappelijke taal om te spreken over kwaliteitsvol onderwijs. Zowel tijdens de gesprekken als in het doorlichtingsverslag blijft de onderwijsinspectie ook in de toekomst aandacht besteden aan helder taalgebruik, zeker wanneer de doorlichtingsteams in gesprek gaan met ouders en leerlingen.

Vooronderzoek en focusbepaling In Inspectie 2.0 vindt er geen vooronderzoek meer plaats. Op die manier wordt de planlast en de werkbelasting van de school gereduceerd. Het helpt ons ook om de doorlichtingsronde in te korten van tien naar zes jaar. De feedbackformulieren gaven aan dat scholen vragende partij zijn om sneller dan eens om de tien jaar te worden doorgelicht. Het werken met een doorlichtingsfocus bleef wel overeind. Behalve in het kleuteronderwijs: daar verloopt het onderzoek van de onderwijsleerpraktijk geïntegreerd en bekijkt het doorlichtingsteam het aanbod in zijn totaliteit.

In de andere onderwijsniveaus wordt de doorlichtingsfocus bepaald door de doorlichtingsgeschiedenis van de school, door het schoolportret, door centrale aansturing (bv. een bepaalde periode in elke school hetzelfde leergebied in de doorlichtingsfocus), door het onderwijsaanbod van de school, door de samenstelling van het doorlichtingsteam … De doorlichtingsfocus is niet langer opgevat als een representatieve steekproef maar wel als een relevante steekproef die de instelling typeert. De scholen hebben bovendien een zekere inbreng in het bepalen van de doorlichtingsfocus: in het basisonderwijs kiest de school zelf één leergebied. Ze mag daarbij


[ 122 ]

uit alle leergebieden kiezen. De onderwijsinspectie kiest een tweede leergebied. Voor de andere on-

derwijsniveaus wordt de doorlichtingsfocus bij de school afgetoetst.

Doorlichtingsbezoek Een aantal respondenten vermeldt in de feedbackformulieren de zware werkbelasting, inclusief het gebrek aan tijd om een breed en diepgaand beeld te verwerven van de school en het ontbreken van tussentijdse feedback. Door de nadruk te leggen op de gesprekken (zowel bij de start, doorheen als op het einde van een doorlichting en dit zowel met het beleidsteam als met leden van het schoolteam) komt de onderwijsinspectie met Inspectie 2.0 tegemoet aan deze verzuchtingen. De gesprekken laten de gesprekspartner steeds ruime kansen voor eigen inbreng.

het beoordelen van de vaststellingen werkt de onderwijsinspectie in Inspectie 2.0 met ontwikkelingsschalen. Deze ontwikkelingsschalen zijn gebaseerd op het OK. Door het gebruik van ontwikkelingsschalen stimuleert de onderwijsinspectie de scholen om hun kwaliteit te (blijven) ontwikkelen. Bovendien ondersteunen de ontwikkelingsschalen een objectieve en betrouwbare beoordeling, bevorderen ze de gelijkgerichtheid, laten ze toe doorlichtingsgegevens op een gestandaardiseerde manier te registreren en beperken ze de tijd die nodig is voor de verslaglegging.

Enkele respondenten stelden ook de vraag naar gelijkgerichtheid zowel in het optreden van de onderwijsinspecteurs als in de eindbeoordeling en naar duidelijke objectieve instrumenten en criteria. Voor

De ontwikkelingsschalen van de verschillende onderzoeken en voor de verschillende onderwijsniveaus zijn terug te vinden op www.onderwijsinspectie.be.

Doorlichtingsverslag en verifiëringsgesprek In de feedbackformulieren gaven de scholen aan dat een doorlichtingsverslag een bruikbaar werkdocument moet zijn, dat het in een begrijpelijke taal moet geschreven zijn en dat het verifiëringsgesprek waardevol was om de vaststellingen te duiden. Hoewel het doorlichtingsverslag in Inspectie 2.0 beknopter is en sterk gebaseerd op de ontwikkelingsschalen, maakt het doorlichtingsteam het doorlichtingsverslag voldoende informatierijk en specifiek om er als school mee aan de slag te gaan, onder andere door middel van visuele voorstellingen van

de resultaten. Het verifiëringsgesprek maakt niet langer deel uit van de doorlichting. Het doorlichtingsteam geeft een grondige duiding van haar vaststellingen en inschalingen in het afsluitende synthesegesprek en ook al tijdens de doorlichtingsweek. Als het schoolteam na het ontvangen van het definitieve verslag toch nog nood heeft aan een bijkomende toelichting, kan het schoolbestuur via de inspecteur-generaal een bijkomend gesprek aanvragen.

Impact van de doorlichting Onmiddellijk na de doorlichting ervaarden de scholen vooral een positieve invloed van de doorlichting. Daarnaast viel een lichte negatieve beïnvloeding op

van het zelfvertrouwen, van het gevoel van professionaliteit, van de samenhorigheid binnen het team


[ 123 ]

en van de aandacht voor brede vorming en voor onderwijsoutput. Het uitgangspunt van elke doorlichting in Inspectie 2.0 is ‘vertrouwen in (de kwaliteitsvolle werking van) de school’. Als partner van de school wil de onderwijsinspectie vanuit haar rol niet enkel controleren, maar meer dan voorheen ook stimuleren. Het referentiekader voor onderwijskwaliteit (OK) zorgt voor gedeelde verwachtingen of doelstellingen en voor een gemeenschappelijke taal. Door gedurende

het hele proces van de doorlichting samen te reflecteren over de schoolwerking, de kwaliteit en de kwaliteitsontwikkeling van de school wordt de professionaliteit van het beleids- en het schoolteam, de bereidheid tot vernieuwing, het zicht op de sterktes en zwaktes en de intentie om te prioriteren al tijdens de doorlichting aangesproken. Op die manier hoopt de onderwijsinspectie ook in Inspectie 2.0 een effectieve hefboom te zijn voor de kwaliteit(sontwikkeling) van elke school.

© iStock | Thinkstock


© iStock | Thinkstock


ON DER WIJS SPIE GEL

[ 125 ]

DEEL 2 ONDERZOEKEN IN DE KIJKER


[

DEEL 2

[ 126 ]

ONDERZOEKEN IN DE KIJKER

[

1 De kwaliteit van de leerlingenbegeleiding in de basisscholen en in de eerste graad secundair onderwijs? Hieronder lees je een samenvatting. Het volledige onderzoek vind je op www.onderwijsinspectie.be (Andere opdrachten).

Iedereen klaar voor het M-decreet? Het M-decreet (2014) bevat opdrachten voor de scholen én voor de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB). In het schooljaar 2015-2016 onderzocht de onderwijsinspectie al hoe de CLB’s omgaan met de opdrachten die verbonden zijn aan het M-decreet.23Afgelopen schooljaar (2016-2017) was het de beurt aan de scholen: hoe nemen scholen op beleidsniveau, maar ook leraren in de klas de zorg voor elke leerling op? Het onderzoek van de onderwijsinspectie vond in juni 2017 plaats in een selectie (gestratificeerd) van

27 basisscholen en 28 secundaire scholen (eerste graad) die hiervoor hun interesse hadden betoond en geeft een antwoord op drie vragen: - Zorgen deze scholen voor een kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding? - Voeren deze scholen een kwaliteitsvol beleid en doen zij aan kwaliteitsontwikkeling inzake leerlingenbegeleiding? - Welke zijn volgens deze scholen succesfactoren en drempels voor een kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding?

De kwaliteit van de leerlingenbegeleiding: vier subvragen geven een antwoord - Werken de bezochte scholen aan een brede basiszorg voor alle leerlingen? Om deze eerste subvraag te beantwoorden doken we de klassen in en voerden we meer dan 300 observaties uit. We scoorden de indicatoren van de brede basiszorg volgens vier ontwikkelingsniveaus.

De meeste indicatoren scoren goed. Zo heerst in een zeer ruime meerderheid van de bezochte klassen een warm en ondersteunend klimaat. Anderzijds blijkt het geen gangbare praktijk om de lessen

23 Verkennend onderzoek naar de implementatie van het M-decreet in de centra voor leerlingenbegeleiding’, Onderwijsinspectie - oktober 2016.


[ 127 ]

doelgericht af te stemmen op de beginsituatie van de leerlingen en de klasgroep: in de bezochte basisscholen scoort een verrassend grote groep voor dit punt niet volgens de verwachting, in de eerste graad van de bezochte scholen in het secundair onderwijs zijn de scores hiervoor ondermaats. In het merendeel van de klassen verloopt de organisatie (klasmanagement en gebruik van de onderwijstijd) efficiënt. In bijna de helft van de klassen is het aanbod weinig betekenisvol of de didactiek onvoldoende activerend. Anderzijds overstijgt een kwart van de klassen in het basisonderwijs de verwachting voor het gebruik van activerende werkvormen. Twee derde van de geobserveerde leraren gaat doelgericht om met de aanwezige leermiddelen en infrastructuur. Het ‘afstemmen op verschillen’ scoort beduidend lager in het secundair onderwijs. In de klassen in het basisonderwijs laten de leraren overwegend goede dingen zien in dit verband. In de eerste graad van het secundair onderwijs scoort een grote groep hier

echter ronduit beneden de verwachting. Te weinig van de bezochte scholen scoren volgens of boven de verwachting. Ook voor ‘inzetten op metacognitieve kennis en vaardigheden’ is de score eerder zwak: slechts de helft van de geobserveerde leraren laat de leerlingen nadenken over hun taakaanpak en laat hen strategieën gebruiken zoals stapsgewijs tewerk gaan, analyseren van de taak, controleren van de oplossing. Tot slot geeft iets meer dan de helft van de leraren adequate feedback. De scores van de eerste graad secundair onderwijs liggen hier gemiddeld lager dan de scores van de klassen in het basisonderwijs. In veel van de scholen volgen de leraren het leer- en ontwikkelingsproces van de leerlingen op. Maar in te weinig scholen gebruikt men deze informatie ook om het leerproces bij te sturen en het zo beter af te stemmen op de leerlingengroep. Ook hier scoren de bezochte scholen in het basisonderwijs beter dan die in het secundair onderwijs.

- Werken de bezochte scholen aan een verhoogde zorg voor bepaalde leerlingen? Voor deze en de volgende twee subvragen zijn onze bevindingen het resultaat van gesprekken (ook met ouders en leerlingen), documentenstudie en casuïstiek. De meeste bezochte scholen brengen voldoende in kaart waar de mogelijkheden en behoeften liggen van leerlingen die vastlopen in hun leer- of ontwikkelingsproces. Een meerderheid scoort volgens de verwachting, een beperkte groep vormt zelfs een

voorbeeld van goede praktijk. Een grote meerderheid neemt passende maatregelen voor de leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. De samenwerking (samen nadenken over de mogelijkheden en behoeften van de leerling en over eventuele maatregelen of aanpassingen aan de klaspraktijk) met de ouders en het CLB kan beter. Tot slot: in minder dan de helft van de bezochte scholen onderzoeken de leraren op een afdoende manier de doelmatig-


[ 128 ]

heid (en de neveneffecten) van de maatregelen voor leerlingen met specifieke behoeften. In het basisonderwijs voldoet meer dan de helft van de bezochte

scholen aan de verwachting, in de eerste graad van het secundair onderwijs is dit niet het geval.

- Werken de bezochte scholen aan de vier begeleidingsdomeinen (leren en studeren, leerloopbaan, sociaal-emotionele ontplooiing, fysiek welzijn)? De vier domeinen van leerlingenbegeleiding krijgen voldoende aandacht in de bezochte scholen. Opvallend is dat â&#x20AC;&#x2DC;leren en studerenâ&#x20AC;&#x2122; in de brede basiszorg een lage score krijgt. Leerlingen met een minder evidente schoolloopbaan of met gezondheids- of fysieke problemen kunnen in de meeste scholen rekenen

op de nodige begeleiding. De lagere scores (op de vier domeinen) voor de brede basiszorg laten zien dat de scholen wel in actie treden bij problemen, maar minder aandacht hebben voor het preventieve luik.

- Werken de scholen samen met de leerling, met het CLB, met de ouders, met andere partners? Dit gebeurt met wisselend succes. De leerlingen inschakelen in het leerproces en betrekken bij de aanpak van de begeleiding verdient meer aandacht. De

mate waarin scholen een beroep doen op het CLB is vaak niet volgens de verwachting. De samenwerking met ouders en andere partners verloopt vlotter.

De kwaliteitsontwikkeling van de leerlingenbegeleiding: werk aan de winkel In de meeste bezochte scholen slaagt het beleidsteam erin om afspraken en structuren op te zetten om een kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding mogelijk te maken. Minder dan de helft van de bezochte scholen scoort echter volgens de verwachting voor

de vijf indicatoren van kwaliteitsontwikkeling. Bewust werk maken van kwaliteitszorg blijft moeilijk. Met de bereidheid tot veranderen zit het goed in de bezochte scholen, leren van elkaars expertise is minder evident.

Een kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding: wat bevordert, wat remt af? In een afsluitend gesprek stelden we deze open vraag aan het beleidsteam van de school. De antwoorden zijn grotendeels terug te brengen tot de dragers van het beleidsvoerend vermogen, tot aspecten van het algemene schoolbeleid, tot de schoolcultuur en in mindere mate tot context- en

inputfactoren. Opvallend is het positieve effect van de ervaring met GOK-beleid: deze scholen hanteren een zekere systematiek, hebben de nodige structuren en getuigen van een grote openheid ten aanzien van leerlingen met specifieke noden.


[ 129 ]

Tot slot De onderwijsinspectie is zich bewust van de beperkingen van het onderzoek (een beperkt aantal scholen, de vrijwillige deelname van de scholen, het momentane van klasobservaties â&#x20AC;Ś). Toch is dit onderzoek uniek qua opzet en onderwerp en toont het enkele belangrijke tendensen, verschillen en aandachtspunten die wellicht ook in andere scholen zullen voorkomen. Voor de basiszorg is er in de bezochte scholen nog marge voor het doelgericht afstemmen van het leerproces op de beginsituatie en op evaluatiegegevens, voor het diversiteitsdenken en voor het betrekken van de leerling bij het leerproces. Voor de verhoogde zorg brengen de bezochte scholen de mogelijkheden en behoeften van de leerlingen met specifieke

behoeften voldoende in kaart. Ze nemen ook gerichte maatregelen voor die leerlingen. Er ligt echter in alle bezochte scholen nog werk op de plank voor de kwaliteitsontwikkeling van de leerlingenbegeleiding: vertrekken van en handelen naar een visie, systematisch en cyclisch plannen, meten van effecten â&#x20AC;Ś We geven dan ook een genuanceerd antwoord op de vraag of scholen twee jaar na de invoering van het M-decreet klaar zijn voor de uitdagingen van het M-decreet. Het merendeel van de bezochte scholen is alvast op de goede weg, maar de uitdaging is groot. Om de kwaliteit te borgen en te optimaliseren is het nodig om in te zetten op de verschillende aspecten van kwaliteitsontwikkeling.

Š iStock | Thinkstock


[ 130 ]

2 Lichamelijke opvoeding in het basisonderwijs Hieronder lees je een samenvatting. Het volledige onderzoek vind je op www.onderwijsinspectie.be (Andere opdrachten). Het belang van bewegen kan in onze huidige maatschappij en leefstijl niet genoeg worden onderstreept. Ook de school en de lessen lichamelijke opvoeding spelen daarin een belangrijke rol. Om die reden en omwille van de beperkte erkenningsonderzoeken van het leergebied lichamelijke opvoeding (zie Onderwijsspiegel 2016), voerde de onderwijsinspectie van februari tot einde mei 2017 een thematisch onderzoek (apart van de doorlichtingen) naar de kwaliteit van het leergebied lichamelijke opvoeding.

derzoek hadden aangemeld, door gesprekken met leerlingen, leraren en directies, door documentenonderzoek en een rondgang in de school geven we een antwoord op drie onderzoeksvragen:

Aan de hand van observaties in 88 geselecteerde kleuterafdelingen (derde kleuterklas) en 86 geselecteerde lagere afdelingen (derde graad) van scholen in het basisonderwijs die zich vrijwillig voor dit on-

- In welke omstandigheden streven de geselecteerde scholen de ontwikkelingsdoelen na en bereiken ze de eindtermen met hun leerlingen?

- In welke mate streven de geselecteerde scholen voor lichamelijke opvoeding de ontwikkelingsdoelen na en bereiken ze de eindtermen met hun leerlingen? - In welke mate maken de geselecteerde scholen gebruik van kwaliteitsbevorderende factoren om de ontwikkelingsdoelen na te streven en de eindtermen te bereiken met hun leerlingen?

Ontwikkelingsdoelen en eindtermen: check! We gingen het nastreven en bereiken na voor een steekproef van ontwikkelingsdoelen en eindtermen. De eindbalans is overwegend positief: de meeste bezochte scholen voldoen in grote mate aan de minimumverwachtingen. In de kleuterafdelingen is er ruime aandacht voor lichaams- en bewegingsbeheersing en voor het werken met een complexe ruimte- en tijdsfactor. Het aanbod voor de grooten kleinmotorische vaardigheden voldoet. Ook in de lagere afdelingen voldoen de bezochte scholen voor de grootmotorische vaardigheden en acties. Anderzijds worden niet alle ontwikkelingsdoelen en eindtermen voldoende evenwichtig, met voldoende

diepgang en in voldoende samenhang nagestreefd of bereikt. In de bezochte kleuterafdelingen valt het op dat leraren de activiteiten te veel zelf sturen. Ze laten weinig ruimte aan de kleuters om creatief verschillende bewegingsoplossingen te ontdekken en te verwoorden. In de bezochte lagere afdelingen komen leerinhouden die leerlingen toelaten te oefenen op klimmen en klauteren, op ritmisch en expressief bewegen en kansen geven om kind-aangepaste bewegingsproblemen op te lossen, weinig voor. Kortom: doelen uit de competentiedomeinen ‘gezonde en veilige levensstijl’ en ‘sociaal functioneren en positief zelfbeeld’ kunnen meer aandacht krijgen.


[ 131 ]

Welke pedagogisch-didactische keuzes maken scholen voor betere lessen lichamelijke opvoeding? De bezochte scholen zetten zeker kwaliteitsbevorderende factoren in zoals didactiek, deskundigheid, planning, evaluatie, leermiddelen, maar het ontbreekt aan volledigheid, systematiek en opvolging – met andere woorden: aan een gericht kwaliteitsbeleid. Vooral de evaluatie van ontwikkelingsdoelen en eindtermen lichamelijke opvoeding scoort onvoldoende in de bezochte scholen. De evaluatie is weinig betrouwbaar, weinig transparant en is amper uitgangspunt om het leer- en ontwikkelingsproces

van leerlingen te stimuleren. De bezochte scholen kunnen de kwaliteit van de lessen lichamelijke opvoeding verhogen door onder meer een breed bewegingsbeleid uit te bouwen, door meer aandacht te besteden aan een evenwichtige planning van alle onderwijsdoelen, door meer te plannen op schoolniveau met het oog op horizontale en verticale samenhang en integratie in het dagelijkse leven én door lichamelijke opvoeding te integreren in het evaluatiebeleid.

In welke omstandigheden vinden de lessen lichamelijke opvoeding plaats? De omstandigheden waarin de bezochte scholen het leergebied lichamelijke opvoeding vormgeven, zijn relatief gunstig. De meeste bezochte scholen volgen de aanbevelingen om twee lestijden lichamelijke opvoeding per week te organiseren. Uit Europese richtlijnen en wetenschappelijk onderzoek blijkt dat dit echter onvoldoende is om de motorische competentie voldoende te ontwikkelen. Hier is dus wat meer ambitie op zijn plaats. Scholen kunnen best nagaan of het aantal uren lichamelijke opvoeding volstaat om kwaliteitsvol bewegingsonderwijs te kunnen aanbieden. De Vlaamse overheid geeft scholen de ruimte om een leermeester lichamelijke opvoeding in te schakelen. Veel van de bezochte scholen maken gebruik van de mogelijkheid om een dergelijke specifiek opgeleide leerkracht in te zetten. Daar waar de vakspecialist samenwerkt met de klasleraar is er frequent

overleg en goede communicatie. Deze samenwerking weerspiegelt zich in de bezochte scholen onder meer in de kwaliteit voor de eindterm ‘zwemmen’ en de goede score voor de horizontale samenhang in dat leerdoel. Een aantal bezochte scholen doet een beroep op externe lesgevers, al dan niet met een pedagogische bevoegdheid. Ook hier kan de school met ambitie best onderzoeken of de kwaliteit van het onderwijs voldoet en of de samenhang verzekerd wordt. Veel scholen beschikken over een bewegingsaccommodatie. Alleen is die hier en daar onvoldoende groot om veilig en voldoende intensief te sporten. Een kwart van de bezochte scholen beschikt niet over buitenbewegingsaccommodaties. Schoolteams doen inspanningen om de speelplaats bewegingsvriendelijk in te richten.

Conclusie De meeste bezochte scholen voldoen in grote mate aan de minimumverwachtingen. Dit onderzoek legt ook bloot waar er ruimte is voor meer ambitie. Niet alle ontwikkelingsdoelen en eindtermen wor-

den immers voldoende evenwichtig, met voldoende diepgang en in voldoende samenhang nagestreefd/ bereikt.


[ 132 ]

De bezochte scholen kunnen de lat hoger leggen door bewust in te zetten op bevorderende factoren zoals didactische aanpak, deskundigheidsbevordering, planning, evaluatie, leermiddelen, samenhang, algemeen beleid. De leerplannen bevatten tal van interessante en nuttige tips en aanbevelingen die de kwaliteit van het onderwijs zeker nog kunnen verhogen. Voor evaluatie en leergebiedoverschrijdende samenhang hinken de bezochte scholen duidelijk achterop. Een cultuur van kwaliteitsontwikkeling ondersteunt het onderwijs in de lichamelijke opvoeding in het basisonderwijs nog te weinig. De voorbeelden van goede praktijk tonen aan dat het nochtans mogelijk is om zeer performant te zijn. De kwaliteit van het zwemonderwijs in de bezochte scholen is daar een inspirerend voorbeeld van. Het leergebied lichamelijke opvoeding biedt tal van kansen om transversale, persoonlijkheidsvormende doelen te realiseren. Scholen kunnen via een geĂŻntegreerd bewegingsbeleid de impact op de leef- en leerattitude van hun leerlingen vergroten. In de bezochte scholen blijven op dit vlak nog heel wat kansen onbenut.


[ 133 ]

© iStock | Thinkstock


ON DER WIJS SPIE GEL

[ 135 ]

DEEL 3 ENKELE ANDERE OPDRACHTEN VAN DE ONDERWIJSINSPECTIE


[

DEEL 3

[ 136 ]

[

ENKELE ANDERE OPDRACHTEN VAN DE ONDERWIJSINSPECTIE

1 Overzicht van de andere opdrachten Het kwaliteitsdecreet van 8 mei 2009 (art. 32) geeft de onderwijsinspectie volgende opdrachten: - advies verlenen bij de opname van instellingen in de erkenning; - doorlichtingen van instellingen uitvoeren; - alle andere opdrachten die haar worden toegekend bij decreet of besluit van de Vlaamse Regering.

Onderstaande tabel schetst een beeld van de andere opdrachten van de onderwijsinspectie in het schooljaar 2016-2017. Controles huisonderwijs: 300

Controles projecten Kunstinitiatie bao-dko: 20

Advisering permanent onderwijs aan huis en tijdelijke/permanente vrijstelling van leerplicht: 157

Advisering gecombineerd onderwijs: 304

Leerplanadvisering: 111 Advisering nieuwe / bijgestuurde opleidingsprofielen: 7

Toestaan afwijkingen op de eindtermen: 5

Onderzoek afwijking schoolorganisatie: 35

Advisering en herzieningsaanvragen nuttige ervaring: 2235 so + 831 vwo

Doorlichting van de K-diensten: 12

Advisering van gelijkwaardigheid van buitenlandse diplomaâ&#x20AC;&#x2122;s: 67

Advisering dossiers bekwaamheidsbewijzen: 14 modules

Onderzoek erkenning van een nieuwe instelling of een structuuronderdeel ervan: 13

Advisering gelijkwaardigheid getuigschrift /diploma: 426 bubao + 8 buso

Advisering examenprogrammaâ&#x20AC;&#x2122;s examencommissie so: 59 vakfiches

Advisering programmatieaanvragen: 38 so + 30 buso + 10 bubao

GOK-doorlichtingen: 230

Toezichthouder examenscholen bao: 11

Diplomagerichtheid van opleidingen vwo: 5

Figuur 115: Aantal adviezen en dossiers andere opdrachten (2016-2017).


[ 137 ]

Jaarlijks berichten we in de Onderwijsspiegel over enkele andere opdrachten. Dit jaar rapporteren we over de evaluatie van de examencommissie secundair onderwijs en over de resultaten van de

GOK-controles in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het buitengewoon basisonderwijs.

2 Evaluatie van de examencommissie secundair onderwijs Hieronder lees je een samenvatting. Het volledige onderzoek vind je op www.onderwijsinspectie.be (Andere opdrachten).

Situering De onderwijsinspectie heeft de decretale opdracht om de examencommissie secundair onderwijs elke vijf jaar te evalueren. De eerste evaluatie vond plaats in de periode januari-juni 2017 en is uitgevoerd door een team van zeven onderwijsinspecteurs. De examencommissie (die deel uitmaakt van AHOVOKS, het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen) onderging de laatste vijf jaar een aantal grote vernieuwingen: van een vraag- naar een aanbodgestuurde werking, een nieuwe organisatiestructuur

met twee teams (team toetsing en team organisatie en planning), de aanpassing van de examenprogramma’s (vakfiches), een ambitieuze projectwerking (een nieuwe examinering bso, digitalisering van de examens …). Het aantal kandidaten groeit gestaag (een stijging van 70 % tussen 2013 en 2016). Gemiddeld slaagt bijna 67 % van de kandidaten voor een examen. Bijna 70 % van de diploma’s die de examencommissie uitreikt, zijn diploma’s bso. Een gemiddelde kandidaat haalt zijn diploma of getuigschrift in één tot anderhalf jaar.

Onderzoeksopzet De evaluatie van de examencommissie secundair onderwijs omvat de volgende onderzoeksvragen:

1. Voldoet de examencommissie aan de wettelijke vereisten zoals bepaald in de codex secundair onderwijs?


[ 138 ]

2. In welke mate bewaakt de examencommissie de kwaliteit op organisatieniveau? We beoordelen hiervoor de volgende vijf domeinen: visie en taakstelling, medewerkers, instrumenten, procedures en organisatie. 3. Op vakniveau (Nederlands, wiskunde, geschiedenis, huishoudkunde, boekhouden/economie):

a. Hoe kwaliteitsvol is de examinering? We beoordelen hiervoor de volgende vier fasen: toetsontwikkeling, toetsafname en beoordeling, evaluatie van de toets en inzage. b. In welke mate bewaakt de examencommissie de kwaliteit van de examinering? We beoordelen dit met een onderzoek van de kwaliteitsbewaking door de verschillende vakgroepen.

Resultaten 1) De examencommissie voldoet aan de wettelijke vereisten De examencommissie respecteert de reglementering. Dit wil zeggen dat ze in orde is met het examenreglement, met de examenorganisatie, met een examenprogramma op basis van de onderwijskwa-

lificaties en dat goedgekeurd is door de onderwijsinspectie, met een vrijstellingencommissie, met de beroepsmogelijkheden â&#x20AC;Ś


[ 139 ]

2) De kwaliteitsbewaking op organisatieniveau voldoet Het besluit van de Vlaamse Regering houdende de codificatie betreffende het secundair onderwijs van 17 december 2010 en het ondernemingsplan van AHOVOKS zijn richtinggevend voor de taakstelling van de examencommissie. Zo bevat het ondernemingsplan duidelijke indicatoren voor de examenorganisatie en een kwaliteitstraject met zes acties voor de examencommissie. Het plan vertaalt zich in een actieplan voor het managementteam en in een ambitiebepaling voor het team toetsing. Het team organisatie en planning werkt minder strategisch en meer ad hoc. Voor de acties uit het kwaliteitstraject werkt de examencommissie met projecten of met acties die zijn opgenomen in de ambitiebepaling van het team toetsing. Een meer gerichte gegevensverzameling en â&#x20AC;&#x201C;analyse is nodig om aandachtspunten beter te identificeren en aan te pakken. Het team toetsing besteedt de nodige aandacht aan het expliciteren van de kwaliteitseisen in verband met de deskundigheid van haar medewerkers. De aanvangsbegeleiding en de deskundigheidsbevordering zijn kwaliteitsvol uitgewerkt in de vorm van interne en externe nascholing, collegiale consultatie, projectwerking. De professionaliseringsgraad van de externe medewerkers is verschillend. Dit is een aandachtspunt. De kwaliteitseisen voor de deskundigheid van de medewerkers van het team organisatie en planning zijn minder specifiek geformuleerd in hun functieprofiel. De kwaliteitsbewaking van de instrumenten (zoals vakfiches, examenvragen, examens en beoordelingswijzers en â&#x20AC;&#x201C;modellen) is in volle ontwikkeling en zal ook in de toekomst de nodige aandacht vragen. De

examencommissie is zich hiervan bewust en onderkent ook hier de nood aan een systematische zorg voor kwaliteit. Draaiboeken en handleidingen bevatten duidelijke procedures voor het toetskader, de toetsontwikkeling, de toetsafname, de beoordeling van de toetsen, de evaluatie van het toetsproces, het verloop van de examens en de inzage. De medewerkers tonen zich verantwoordelijk en mede-eigenaar van processen en procedures. Grote uitdagingen voor de toekomst zijn de ontwikkeling van nieuwe draaiboeken en handleidingen voor het nieuwe bso-aanbod enerzijds en de ingebruikname van het nieuwe examencentrum in het Consciencegebouw anderzijds. Om haar doelen te realiseren organiseert de examencommissie zich als een lijn-staforganisatie aangevuld met een projectorganisatie. Het managementteam zorgt voor eenheid van leiding, neemt beleidsbeslissingen en laat de uitvoering over aan de onderliggende niveaus waar de specifieke expertise zit. De medewerkers kennen hun bevoegdheden en verantwoordelijkheden en weten zeer goed wat van hen verwacht wordt. Ze geven aan dat er gewerkt wordt onder grote tijdsdruk omdat het laten doorgaan van de geplande examens prioriteit heeft. De organisatie zit volop in een ontwikkelingstraject en er zijn nog werkpunten. Het managementteam kent deze werkpunten en neemt ze op in verbeteracties of projecten. De examencommissie kan bogen op een sterke resultaats- en innovatiegerichte cultuur die ervoor zorgt dat ze het maximum haalt uit de beschikbare mensen en middelen.


[ 140 ]

3) De vakonderzoeken: een verhaal in evolutie De individuele vakverslagen zijn terug te vinden in het evaluatieverslag. Hier geven we de algemene bevindingen weer over zowel de kwaliteit als over de kwaliteitsbewaking van de examinering. De toetsontwikkeling gebeurt doorgaans kwaliteitsvol. De toetsvragen zijn afgestemd op de eindtermen en de vakfiches. De vragen worden gescreend op representativiteit, haalbaarheid en duidelijkheid. De goed doordachte toetsmatrijzen zijn hiervoor richtinggevend. Binnen de vakgroepen zijn er â&#x20AC;&#x201C; met het oog op transparant en objectief evalueren - heldere afspraken over de toetsontwikkeling en kwaliteitsvol toetsen. Ook voor de kandidaten is de informatie in de vakfiches en op de examens voldoende transparant. Voor de vraagstelling stellen zich echter nog een aantal werkpunten. Gesloten vragen, meerkeuzevragen en invulvragen peilen niet altijd naar het juiste beheersingsniveau. Inhoudelijk zijn de getoetste competenties niet altijd afgestemd op de leefwereld van de kandidaten. De afspraken voor de toetsafname en beoordeling zijn transparant. De vakfiches bevatten voldoende informatie voor de kandidaten om zich op het examen voor te bereiden. De leerinhouden zijn duidelijk omschreven en geĂŻllustreerd met voorbeelden. De verdeling van de punten over de verschillende componenten van het leer- en examenprogramma is helder. Er zijn ook duidelijke afspraken over het verloop van het examen en het gebruik van hulpmiddelen. In de praktijk zorgt een minder vlotte communicatie soms voor verschillende interpretaties (bv. het correct gebruik van de examentijd, het resetten van de rekentoestellen). Voor zorgkandidaten biedt de examencommissie compenserende of ondersteunende maatregelen aan zoals meer tijd of een aangepaste presentatie-

vorm van de vraagstelling. De doeltreffendheid van deze maatregelen is nog niet geanalyseerd. Omwille van de gelijkgerichtheid stellen de vakgroepen correctiesleutels en beoordelingsmodellen op die de beoordelingscriteria en de puntenverdeling bevatten. De criteria voldoen doorgaans aan de doelstellingen van de vakfiche. Bij open vragen laten de beoordelingscriteria echter soms nog interpretatiemogelijkheden toe. De vakgroepen zorgen voor de inhoudelijke opvolging en evaluatie van de toetsen. Ze doen dit aan de hand van verschillende instrumenten waaronder de toetsmatrijzen en de screeningswijzers. Dit gebeurt met wisselend succes. In de ene vakgroep is het PDCA-kwaliteitsdenken duidelijk herkenbaar in de evaluatie van de examens en de toetsvragen. In de andere vakgroep gebeurt de kwaliteitsbewaking nog onvoldoende systematisch op het vlak van haalbaarheid, evenwicht, samenhang en validiteit van de onderdelen en het geheel. De procedure van het inzagerecht is duidelijk omschreven in het examenreglement. De vakgroepen organiseren op regelmatige tijdstippen dergelijke sessies. De kandidaten krijgen een overzicht van de scores op elke vraag en kunnen de verbetersleutel consulteren. De feedback aan de kandidaten is beperkt tot een standaardformulering met vermelding of de opmerking al dan niet wordt weerhouden en de score al dan niet bijgestuurd. Ze krijgen geen inhoudelijke feedback. Onderbouwing van de scores en de gemaakte fouten gebeurt enkel in geval van een formele betwisting. Bij de praktijkexamens kunnen de kandidaten hun evaluatiefiche inzien en krijgen ze rechtstreeks mondelinge feedback van de examinatoren waardoor de nood aan inzage daar zeer beperkt tot nihil is.


[ 141 ]

Bij de kwaliteitsbewaking van de examinering spelen de vakgroepen een grote rol. Ze nemen al verschillende initiatieven om de kwaliteit te verhogen: transparanter maken van de beoordelingscriteria, systematisch screenen en analyseren van de examenresultaten en van de opmerkingen bij inzage, gelijkgerichtheid bevorderen van de correctoren, uitbreiden van de vragendatabanken en optimalise-

ren van de toetsvragen in het digitale systeem, opzetten van een zelfevaluatie, volgen van vakgerichte nascholingen â&#x20AC;Ś De systematiek van de kwaliteitsborging is niet altijd gegarandeerd en de kwaliteitscirkel wordt niet steeds volledig doorlopen. De geringe grootte van de vakgroepen ligt hier soms aan de basis van.

Conclusie Het geheel voldoet aan de verwachtingen. Er zijn enkele punten tot bijsturing maar de sterke punten

overwegen met daarbij een aantal duidelijke voorbeelden van goede praktijk.

3 Voeren scholen een kwaliteitsvol gelijkeonderwijskansenbeleid? Controle van de vijfde GOK-cyclus in het so en de derde GOK-cyclus in het bubao en buso. Hieronder lees je een samenvatting. Het volledige onderzoek vind je op www.onderwijsinspectie.be (Andere opdrachten). Voor het gewoon secundair onderwijs liep in het schooljaar 2016-2017 de vijfde GOK-cyclus ten einde. Voor het buitengewoon basis- en secundair onderwijs ging het om de derde cyclus. De overheid verwacht dat scholen met de extra GOK-middelen hun GOK-werking cyclisch vormgeven: scholen kiezen vanuit een beginsituatie-analyse voor doelen, ondernemen acties om deze te realiseren, evalue-

ren of ze de doelen bereiken en sturen bij. In het derde jaar van de GOK-cyclus bezoekt de onderwijsinspectie apart van de doorlichting een selectie van scholen om na te gaan of deze scholen met de extra middelen de verwachtingen in de praktijk waarmaken. We hanteerden in deze cyclus hetzelfde instrument als voorheen.

Wat voor adviezen kregen de bezochte scholen? Het merendeel van de in deze cyclus onderzochte scholen kreeg een gunstig advies: deze scholen zetten een GOK-werking neer die globaal voldoet aan de verwachtingen die de overheid formuleert, maar waarbij soms nog belangrijke werkpunten aanwezig kunnen zijn. Drie van de 24 bezochte scholen

buitengewoon secundair onderwijs, zeven van de 52 bezochte scholen buitengewoon basisonderwijs en acht van de 154 scholen gewoon secundair onderwijs kregen een ongunstig advies: hun GOK-werking beantwoordt niet aan de verwachtingen.


[ 142 ]

Voor welke thema’s kiezen de bezochte scholen? De bezochte scholen opteren vooral voor thema’s die onmiddellijk in verband staan met de klaspraktijk. In het gewoon secundair onderwijs blijven preventie en remediëring van ontwikkelings- en leerachterstanden/studie- en gedragsproblemen en taalvaardigheidsonderwijs de meest gekozen thema’s. De thema’s socio-emotionele ontwikkeling en loopbaanbegeleiding van leerlingen worden minder gekozen en intercultureel onderwijs en leerlingenen ouderparticipatie komt het minst aan bod. Het

grote belang van ouderbetrokkenheid en een positieve omgang met diversiteit, zoals blijkt uit onderzoek, doet de vraag rijzen of een meer expliciete inzet van scholen hierop niet wenselijk is. Het kan echter ook zijn dat scholen hier wel aandacht aan besteden in hun algemeen beleid, los van hun specifieke GOK-werking. Het referentiekader voor onderwijskwaliteit (OK) biedt hiervoor immers heel wat aanknopingspunten.

Zetten de bezochte scholen een sterk GOK-beleid neer? Heel wat van de bezochte scholen zetten een kwaliteitsvol GOK-beleid neer, maar er blijven nog een aantal verbeterpunten. De beginsituatieanalyse vertoont soms nog tekorten en vertrekt nog niet altijd voldoende van objectieve leerlingengegevens. Doelstellingen zijn nog niet altijd concreet genoeg geformuleerd. De bezochte scholen vertalen de beginsituatieanalyse soms nog onmiddellijk in acties en niet in duidelijke doelstellingen, wat het voor hen moeilijk maakt om de effecten van het GOK-beleid in kaart te brengen. Het ontbreekt scholen nog aan deskundigheid qua zelfevaluatie. Een grote groep

scholen kunnen voldoende aantonen dat ze het merendeel van de gestelde doelen op school- en leerlingniveau bereiken. Nog niet alle bezochte scholen buitengewoon onderwijs bereiken echter voldoende effecten op leerlingniveau. De effecten op leraarniveau zijn zowel voor het gewoon als voor het buitengewoon onderwijs het zwakst. In het secundair onderwijs zien we in de bezochte scholen vooruitgang voor heel wat aspecten van de GOK-werking, maar niet voor de zelfevaluatie noch voor de betrokkenheid van het lerarenteam.

Welke aspecten doen ertoe om een sterk GOK-beleid neer te zetten? Alle aspecten van het GOK-beleid die de onderwijsinspectie onderzoekt blijken onderling sterk afhankelijk en ook van tel voor de eindbeoordeling die het inspectieteam geeft. Uit de motiveringen bij de adviezen komt de verankering van het GOK-beleid in de totale schoolwerking, gedragen door het hele schoolteam, naar voren als kenmerkend voor een sterk GOK-beleid. De bezochte scholen met een afgestemd en geïntegreerd beleid voor gelijkeonder-

wijskansen, talenbeleid en leerlingenbegeleiding zetten sterke resultaten neer. Een sterk beleidsvoerend en zelfevaluerend vermogen van de school is cruciaal voor een effectief GOK-beleid. Het GOK-beleid kan ook een hefboom worden om kwaliteitszorg schoolbreed vorm te geven. Bij een ongunstig advies speelt de afwezigheid van een coherente aanpak een doorslaggevende rol.


[ 143 ]

Welke verbanden stellen we vast tussen situationele kenmerken en het GOK-beleid in de bezochte scholen? We noteerden een groot aantal directie- en coördinatorenwissels in onze GOK-verslagen (cijfers tussen 30 % en 46 %). Scholen met een stabiel beleidsteam zetten vaker een sterk GOK-beleid neer en maken meer gebruik van interne en externe ondersteuning. In het gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon basisonderwijs stellen we geen verband vast tussen het aantal toegekende GOK-lestijden en de kwaliteit van het GOK-beleid. Inbreng van lesuren uit het reguliere pakket hangt in het gewoon secundair onderwijs wel samen met een kwalitatief GOK-beleid. We kunnen veronderstellen dat de in-

breng van uren uit het reguliere pakket wijst op een geïntegreerd GOK-beleid. In het gewoon secundair onderwijs blijkt daarnaast dat de bezochte scholen met een groter aandeel leerlingen die aantikken op GOK-kenmerken het in verhouding moeilijker hebben om een sterke GOK-werking neer te zetten. De verklarende waarde van deze situationele kenmerken is beperkt. Andere aan de school gerelateerde factoren, zoals het aanwezige beleidsvoerend vermogen, hebben dus een grotere impact op de kwaliteit van het GOK-beleid.

Een wijzigende context in het buitengewoon onderwijs In een groot aantal bezochte scholen gewoon secundair onderwijs is de GOK-werking geïntegreerd in het totale schoolbeleid en maakt het schoolteam sterk gebruik van interne en externe ondersteuning. In vele bezochte scholen buitengewoon onderwijs verlopen de verschillende aspecten van de GOK-werking merkbaar minder vlot. Situationele factoren zoals directie- en coördinatorenwissels, instabiliteit/ verjonging van het personeelsbestand, structuurwijzigingen en dalende leerlingenaantallen cumuleren in veel van de bezochte scholen buitengewoon

onderwijs. Scholen buitengewoon onderwijs met een stabiel beleidsteam, een sterk beleidsvoerend vermogen en een cultuur van kwaliteitszorg (vaak gecombineerd met een sterke handelingsplanmatige werking) zijn beter gewapend om in deze context een kwalitatief GOK-beleid te blijven neerzetten, mede dankzij het geïntegreerde karakter van de GOK-werking in deze scholen. In scholen met een minder sterk en stabiel directieteam dreigt de GOK-werking ondergesneeuwd te raken door nieuwe ontwikkelingen.

Reflectie op de huidige aanpak Het door de onderwijsinspectie gebruikte onderzoeksinstrument legt op basis van de regelgeving de klemtoon op een aantal procesmatige vereisten. De controle gebeurt apart van de doorlichting, wat het aftoetsen van de effecten op de klasvloer en bij de leraren bemoeilijkt. De positieve resultaten van de bezochte scholen in het gewoon secundair onderwijs zijn deels het gevolg van de toenemende integratie van het GOK-beleid in de totale schoolwerking. De effecten op leraarniveau zijn het meest beperkt en we stellen

geen verbetering vast het op vlak van de zelfevaluatie en betrokkenheid van het schoolteam. Daarom pleiten we ervoor dat de GOK-controle in de toekomst geïntegreerd wordt in de doorlichtingen. Een in de doorlichting geïntegreerd toezicht op het GOK-beleid kan immers specifiek aandacht besteden aan de concrete doelen die de school stelt op het vlak van gelijke onderwijskansen binnen haar schoolbeleid. Ook de effecten die de school met haar aanpak realiseert tot op de klasvloer komen in een doorlichting systematisch aan bod.


[ 144 ]

Tot slot Wat de zelfevaluatie betreft blijven grote verbeteringen uit. Er is nog steeds flink wat werk aan de winkel zowel wat de kwaliteit van de gegevensverzameling en -analyse, de bijsturing als het betrekken van het schoolteam betreft. Het referentiekader voor onderwijskwaliteit (OK) legt meer dan voorheen de klemtoon op kwaliteitsontwikkeling en beleidsvoerend vermogen. We hopen dat dit ertoe bijdraagt dat scholen een (nog) meer samenhangend beleid gaan voeren en met het oog op het effectief reduceren van kansenongelijkheid voor leerlingen een kwaliteitsvolle beginsituatieanalyse zullen maken, duidelijke en concrete doelen zullen stellen, een degelijke zelfevaluatie zullen uitvoeren en leraren, ouders en leerlingen voldoende zullen betrekken bij het voeren van hun beleid. Wat de zelfevaluatie betreft blijven in de bezochte scholen grote verbeteringen uit. Er is nog steeds flink wat werk aan de winkel zowel wat de kwaliteit van de gegevensverzameling en -analyse, de bijsturing als het betrekken van het schoolteam betreft. Het referentiekader voor onderwijskwaliteit (OK) legt meer dan voorheen de klemtoon op kwaliteitsontwikkeling en beleidsvoerend vermogen. We hopen dat dit ertoe bijdraagt dat scholen een (nog) meer samenhangend beleid gaan voeren en met het oog op het effectief reduceren van kansenongelijk-

heid voor leerlingen een kwaliteitsvolle beginsituatieanalyse zullen maken, duidelijke en concrete doelen zullen stellen, een degelijke zelfevaluatie zullen uitvoeren en leraren, ouders en leerlingen voldoende zullen betrekken bij het voeren van hun beleid. Voorwaarde hiervoor is dat de overheid duidelijke en duurzame langetermijnverwachtingen voor het GOK-beleid met betrekking tot doorstroom en gekwalificeerde uitstroom van leerlingen formuleert. Zo wordt een structurele en geïntegreerde aanpak van het gelijke onderwijskansenbeleid met versterkte aandacht voor ouderbetrokkenheid, intercultureel onderwijs, oriëntatie van leerlingen gestimuleerd. Op deze verwachtingen kan een in de doorlichting geïntegreerd toezicht op het GOK-beleid geënt worden, dat vertrekt van het beleid en de kwaliteitszorg van de school en dat reikt tot op de klasvloer. Scholen bevelen we aan een in de totale schoolwerking geïntegreerd GOK-beleid uit te zetten (zonder evenwel de doelgroep uit het oog te verliezen) en zich daarbij te baseren op objectieve gegevens over de leerlingen. De pedagogische begeleiding adviseren we om - verder - te investeren in de zelfevaluatiecapaciteit en het beleidsvoerend vermogen van schoolteams en meer specifiek om scholen te stimuleren bij het opzetten van diepgaande en langetermijntrajecten met hun leerkrachten.


[ 145 ]


ON DER WIJS SPIE GEL

[ 147 ]

DEEL 4 EEN BLIK OP DE TOEKOMST


[

DEEL 4

[ 148 ]

EEN BLIK OP DE TOEKOMST

[

1 Inspectie 2.0: de toekomst start nu

Alvorens naar de toekomst te kijken, blikken we kort terug op het voorbije schooljaar. Van september 2016 tot april 2018 legde de onderwijsinspectie immers enkele belangrijke trajecten af.

Van een referentiekader naar een toezichtkader In 2016-2017 rolde de onderwijsinspectie op basis van het referentiekader voor onderwijskwaliteit (het OK) 24 haar toezicht uit. Het OK verbindt de interne

kwaliteitszorg van scholen en het toezicht door de onderwijsinspectie.

Twee onderzoeksvragen Elke doorlichting biedt vanaf nu een antwoord op twee onderzoeksvragen: (1) In welke mate ontwikkelt de school25 haar eigen kwaliteit, met bijzondere aandacht voor de aansturing en de kwaliteitsbewaking van de onderwijsleerpraktijk? (2) In welke mate verstrekt de school kwaliteitsvol onderwijs dat tegemoetkomt aan de kwaliteitsverwachtingen uit het OK en respecteert ze de regelgeving? De onderwijsinspectie stelt de school als eerste verantwoordelijke voor haar kwaliteit en vertrekt elke doorlichting vanuit het uitgangspunt ‘de school

werkt kwaliteitsvol’. De klemtoon ligt meer dan voorheen op het kwaliteitsbeleid van de scholen. Het nieuwe doorlichtingsdesign van de onderwijsinspectie bestaat dan ook uit twee delen. Het eerste deel onderzoekt de kwaliteitsontwikkeling van de school en geeft de school feedback over haar onderwijskundig beleid, organisatieontwikkeling en interne kwaliteitszorg. Het tweede deel gaat de doeltreffendheid na van de systematische kwaliteitsbewaking op de klasvloer en ondersteunende processen op schoolniveau en koppelt aan de school terug in welke mate ze kwaliteitsvol onderwijs biedt dat tegemoetkomt aan de kwaliteitsverwachtingen uit het OK en of ze de onderwijsregelgeving respecteert.

24 Voor meer informatie over het OK: zie www.mijnschoolisok.be en www.onderwijsinspectie.be (rubriek OK). 25 Met het begrip ‘school’ verwijzen we telkens naar school, academie en centrum.


[ 149 ]

Vier onderzoeken Om de twee onderzoeksvragen te beantwoorden, voert de onderwijsinspectie vier onderzoeken uit: (1) een onderzoek van de kwaliteitsontwikkeling; (2) een onderzoek van één kwaliteitsgebied; (3) een onderzoek van de onderwijsleerpraktijk; (4) een onderzoek van het beleid op het vlak van bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne (BVH). In het onderzoek van de kwaliteitsontwikkeling gaat het doorlichtingsteam op zoek naar (1) visie en strategisch beleid, (2) organisatiebeleid, (3) onderwijskundig beleid, (4) systematische evaluatie van de kwaliteit, (5) betrouwbare evaluatie van de kwaliteit en (6) borgen en bijsturen. Elke school bewaakt haar kwaliteit op systematische wijze en heeft de autonomie om zelf te kiezen op welke wijze zij dit doet. De onderwijsinspectie respecteert die schooleigen invulling van interne kwaliteitszorg en gebruikt deze als vertrekpunt van de doorlichting. Een kwaliteitsgebied is een samenhangend geheel van één of meerdere kwaliteitsverwachtingen uit het OK. In januari 2018 zijn er vier kwaliteitsgebieden gedefinieerd om te onderzoeken: (1) leerlingenbegeleiding, (2) omgaan met diversiteit, (3) personeelsbeleid en professionalisering en (4) rapportering en

oriëntering. De onderwijsinspectie kiest welk kwaliteitsgebied in de doorlichtingsfocus komt. Ze doet dit op basis van haar organisatiedoelen, op basis van de doorlichtingsgeschiedenis van de school en op basis van het schoolportret.26 Het onderzoek van de onderwijsleerpraktijk richt zich op de onderwijsleerpraktijk en op de kwaliteitsverwachtingen uit het OK die daar een rechtstreekse impact op hebben. Het doorlichtingsteam onderzoekt hier volgende items: (1) afstemming van het aanbod op het gevalideerd doelenkader, (2) leeren ontwikkelingsgericht aanbod, (3) leer- en leefklimaat, (4) materiële leeromgeving en onderwijsorganisatie, (5) feedback, (6) leerlingenevaluatie en (7) leereffecten. Het onderzoek verloopt verschillend naargelang het onderwijsniveau: - in het kleuteronderwijs: het onderzoek verloopt geïntegreerd, het doorlichtingsteam bekijkt het aanbod in zijn totaliteit; - in het lager onderwijs: het doorlichtingsteam bekijkt een selectie van twee leergebieden. De school kiest één leergebied, de onderwijsinspectie kiest het tweede; - in het secundair onderwijs bekijkt het doorlichtingsteam een selectie van vakken;

26 Het schoolportret is een document met kwantitatieve data uit de databanken van het beleidsdomein onderwijs en van de onderwijsinspectie. Het bevat data zoals leerlingenaantallen, leerlingenkenmerken, personeelsgegevens en resultaten uit het vervolgonderwijs. Het schoolportret geeft een eerste zicht op de context, de input, de resultaten en effecten van de school.


[ 150 ]

- in het deeltijds kunstonderwijs bekijkt het doorlichtingsteam een selectie van vakken; - in het volwassenenonderwijs bekijkt het doorlichtingsteam een selectie van opleidingen en modules (CVO) of een selectie van leergebieden en vakken (CBE); - in het buitengewoon basisonderwijs bekijkt het doorlichtingsteam het handelingsplanmatig nastreven van de onderwijsdoelen van (een selectie van) types die de school aanbiedt; - in het buitengewoon secundair onderwijs bekijkt het doorlichtingsteam het handelingsplanmatig nastreven van de onderwijsdoelen van een selectie van (delen van) opleidingsvormen die de school aanbiedt.

Het onderzoek BVH richt zich grotendeels op de risicobeheersing, de toetsing van het beleid blijft beperkt. Het onderzoek verloopt aan de hand van drie processen.27 De school kiest één proces, de onderwijsinspectie kiest de twee andere processen. Het doorlichtingsteam onderzoekt van die drie processen volgende items: (1) planning en uitvoering, (2) ondersteuning, (3) systematische en betrouwbare evaluatie, (4) borgen en bijsturen. Het onderzoek van de regelgeving gebeurt geïntegreerd: de regelgeving die onderzocht wordt, staat steeds in relatie tot het onderzoek van de kwaliteitsontwikkeling, van de onderwijsleerpraktijk of van het onderzochte kwaliteitsgebied. Welke regelgeving onderzocht wordt, is dus steeds afhankelijk van de doorlichtingsfocus.

Hoe onderzoekt de onderwijsinspectie? Voor alle onderzoeken passen de doorlichtingsteams de methodiek van triangulatie toe. Dit wil zeggen dat de onderwijsinspectie er naar streeft haar bevindingen te baseren op de combinatie van

drie of meer onderzoeksmethoden, zoals data-analyse, gesprekken, observaties, documentenstudie en gevalstudies.

Hoe beoordeelt de onderwijsinspectie? Het doorlichtingsteam situeert de kwaliteit van de school aan de hand van ontwikkelingsschalen. Deze schalen drukken uit in welke mate het ontwikkelingsniveau van de school tegemoetkomt aan de kwaliteitsverwachting in het referentiekader voor

onderwijskwaliteit. Ze ondersteunen ook een objectieve, betrouwbare en gelijkgerichte beoordeling en versterken de rol van de onderwijsinspectie als bron van informatie en kennis voor het onderwijsbeleid.

Er zijn vier ontwikkelingsniveaus: (1) beneden de verwachting: er zijn meerdere essentiële elementen die voor verbetering vatbaar zijn; (2) benadert de verwachting: er zijn naast sterke punten ook nog meerdere punten ter verbetering. Het geheel komt nog niet tegemoet aan de verwachting; (3) volgens de verwachting: er zijn veel sterke punten en geen belangrijke punten of gebieden ter verbetering. Het geheel komt tegemoet aan de verwachting; (4) overstijgt de verwachting: er zijn veel sterke punten, met inbegrip van significante voorbeelden van goede praktijk. 27 De volledige lijst met processen (zoals noodplanning, elektriciteit, verwarming …) vind je op www.onderwijsinspectie.be.


[ 151 ]

Doorlichtingsverslag Het doorlichtingsverslag bevat nu ook visuele voorstellingen van de resultaten, maar eindigt nog steeds met het advies aan de Vlaamse Regering over de verdere erkenning van de school. Het bevat ook een aantal aanbevelingen met oog op de verdere kwaliteitsontwikkeling van de school: - sterke punten die de school moet borgen; - ontwikkelingskansen waarvan de onderwijsinspectie de school aanraadt er aandacht aan te besteden;

- tekorten waarvoor de school zich moet engageren om er aan te werken. Ook al zijn de doorlichtingsverslagen grotendeels gebaseerd op de ontwikkelingsschalen, toch zijn ze voldoende schoolspecifiek en informatierijk om een positieve impuls te geven aan het beleid van de school.

Van concept naar decreet Het nieuwe doorlichtingsconcept is uiteraard ook decretaal verankerd. Het decreet Onderwijsinspectie

2.0 bestaat uit vier delen:

(1) Inspectie 2.0: de referentiekaders voor onderwijskwaliteit/CLB-kwaliteit plus een nieuw doorlichtingsscenario; (2) een gewijzigde procedure voor de voorlopige erkenning van nieuwe instellingen of vestigingsplaatsen of structuuronderdelen; (3) de samenwerking met de inspectie levensbeschouwelijke vakken; (4) de rechtspositieregeling van de leden van de onderwijsinspectie.

Andere kaders, twee adviezen en minstens één doorlichting om de zes jaren Het nieuwe decreet legt het referentiekader voor onderwijskwaliteit (OK) en het referentiekader voor CLB-kwaliteit (ROK-clb) vast als nieuwe referentiekaders en bepaalt dat de scholen en centra moeten tegemoetkomen aan de kwaliteitsverwachtingen in deze kaders.

Met Inspectie 2.0 verloopt de advisering eenvoudiger en krijgt een school ofwel een gunstig advies, waarbij de erkenning behouden blijft, ofwel een ongunstig advies, waarbij de onderwijsinspectie adviseert de procedure tot intrekking van de erkenning op te starten. Beide adviezen hebben twee varianten:

(1) gunstig advies a. gunstig advies zonder meer b. gunstig advies met de verplichting om te werken aan de tekorten. Het doorlichtingsverslag vermeldt geen termijn waarbinnen deze tekorten moeten zijn weggewerkt. We voeren immers

© Creatas | Thinkstock


[ 152 ]

geen opvolgingsdoorlichtingen meer uit. Bij de volgende doorlichting kunnen de tekorten in de doorlichtingsfocus staan. (2) ongunstig advies a. ongunstig advies met mogelijkheid om de procedure tot intrekking van de erkenning niet op te starten op voorwaarde dat het bestuur het engagement aangaat om zich bij het werken aan de tekorten extern te laten begeleiden. Indien het schoolbestuur gebruikmaakt van het recht om deze procedure niet op te starten en zich extern laat begeleiden, volgt er een nieuwe doorlichting. Wanneer die nieuwe doorlichting plaatsvindt, is afhankelijk van de ernst en de aard van de tekorten. b. ongunstig advies zonder mogelijkheid om de procedure tot intrekking van de erkenning niet op te starten. Het schoolbestuur kan een beroep indienen tegen die onmogelijkheid. Binnen de 60 kalenderdagen na het indienen van het beroep, voert een nieuw paritair samengesteld doorlichtingsteam de doorlichting in beroep uit.

Om de overgang van de oude doorlichtingssystematiek naar Inspectie 2.0 vlot te laten verlopen, legt het decreet ook enkele overgangsmaatregelen vast. Met Inspectie 2.0 voert de onderwijsinspectie geen opvolgingsdoorlichting of paritair college meer uit. Zo hoeven scholen niet enkel in te zetten op het wegwerken van de tekorten, maar kunnen ze hun kwaliteit breed en duurzaam ontwikkelen.

Het nieuwe decreet bepaalt dat elke school minstens één maal om de zes jaar wordt doorgelicht. Het is belangrijk om scholen regelmatig een spiegel voor te houden. Het partnerschap en vertrouwen zal ook groeien wanneer het school- en het doorlichtingsteam elkaar frequenter ontmoeten. Bovendien is na zes jaar de volledige leerlingenpopulatie in een school nagenoeg vernieuwd.

Een nieuwe erkenningsprocedure Met het nieuwe decreet is de erkenningsprocedure identiek voor de verschillende onderwijsniveaus. De procedure verloopt nu in twee fasen: nieuwe scholen krijgen eerst een voorlopige erkenning (voor één

schooljaar) en pas na een doorlichting (uiterlijk zes maanden na de start van een schooljaar van voorlopige erkenning) kan er een definitieve erkenning volgen.

Samenwerking met de inspectie levensbeschouwelijke vakken Het nieuwe decreet maakt het mogelijk voor de onderwijsinspectie om samen te werken met de inspectie levensbeschouwelijke vakken (LBV), zowel in het kader van een erkenningsonderzoek van nieuwe scholen als voor de doorlichting van bestaande scholen. De onderwijsinspecteurs zelf zijn immers niet bevoegd voor het toezicht op de levensbe-

schouwelijke vakken. In uitzonderlijke gevallen kan er tijdens een onderzoek of een doorlichting een probleem opduiken dat de inspecteur LBV moet onderzoeken. De inspecteur-adviseur LBV die in dat kader een opdracht krijgt, maakt een verslag met de bevindingen, maar behoort niet tot het doorlichtingsteam.


[ 153 ]

Vereenvoudiging van de aanstelling en selectie van onderwijsinspecteurs In het decreet komt ook de rechtspositie van de onderwijsinspecteurs aan bod. Een aantal zaken in de selectie- en aanstellingsprocedure is aangepast om op een effectieve en efficiënte manier nieuwe inspecteurs te kunnen aanwerven. In afwachting van de finalisering van het decretale traject, voert de onderwijsinspectie tijdens de

maanden januari tot juni 2018 doorlichtingen uit zonder juridische consequentie. Deze doorlichtingen kennen het normale verloop en eindigen met een doorlichtingsverslag met een advies. Het doorlichtingsverslag komt niet op de website www.doorlichtingsverslagen.be, maar is een louter informatief document voor de school. Het advies in het doorlichtingsverslag heeft geen juridisch gevolg.

Van cocreatie naar betrokkenheid Al van bij de ontwikkeling van het referentiekader hechtte de onderwijsinspectie veel belang aan de betrokkenheid van stakeholders en partners. Voor de uitrol en implementatie van Inspectie 2.0 was dit niet anders. Zo was 2016-2017 (zoals ook 2015-2016) een jaar van intensief en constructief samenwerken met de verschillende onderwijspartners. Op 20 september 2016 ondertekenden die partners - tijdens een persconferentie in het bijzijn van minister van onderwijs Hilde Crevits - het OK, het referentiekader voor onderwijskwaliteit. Een kader dat het jaar voordien in cocreatie met verschillende betrokkenen tot stand kwam. Deze ondertekening hield een engagement in om elk op zijn manier het OK te implementeren. De scholen om een eigen kwaliteitsbeleid te ontwikkelen. De begeleidingsdiensten om scholen te inspireren en te stimuleren. De onderwijsinspectie om haar kwaliteitstoezicht en Inspectie 2.0 uit te bouwen op basis van het OK. Het overleg tussen de onderwijsinspectie en de pedagogische begeleidingsdiensten (zowel het formeel overleg als de vergaderingen van de Klankbordgroep OK) was afgelopen schooljaar het uitgelezen platform om elkaar op de hoogte te houden van het

verloop van deze implementatie. Zo werd er onder meer informatie uitgewisseld over: • het ondersteunend OK-materiaal zoals de website, het magazine, de visuele voorstelling van het OK; • de aanpassingen aan het regelgevend kader; • het informeren van de eigen leden over het OK, het sensibiliseren, het vormen (nascholing) en tot slot het implementeren; • de principes en de uitwerking van het toezichtskader en Inspectie 2.0 (ontwikkelingsgerichte dialoog, ontwikkelingsschalen, inhaken op interne kwaliteitszorg, beperken van de planlast …); • de stapsgewijze ontwikkeling en testing van de methodologie en instrumenten van Inspectie 2.0 tijdens de try-outs (november 2016, februari en mei 2017); • een deelname van begeleiders aan de try-outs en de proefdoorlichtingen (september – december 2017); • een mogelijke rol van schoolbesturen bij de vernieuwde doorlichtingsmethodiek; • de overgangsmaatregelen naar aanleiding van Inspectie 2.0 (bv. opvolgingsdoorlichtingen).


[ 154 ]

Van stakeholders naar participanten Bij de totstandkoming van het referentiekader voor onderwijskwaliteit waren niet alleen de schoolteams maar ook de leerlingen/cursisten en de ouders belangrijke stakeholders. Het was voor de onderwijsinspectie dan ook evident om de scholen, de leerlingen/cursisten en de ouders te betrekken bij en te informeren over Inspectie 2.0. Zo voeren de onderwijsinspecteurs tijdens een doorlichting nu ook gesprekken met leerlingen en ouders om te polsen naar de samenwerking met de school, naar de communicatie, naar het welbevinden en de betrokkenheid. In het basisonderwijs

start ook elke doorlichting met een rondleiding door de leerlingen. Ook toetste de onderwijsinspectie tijdens schooljaar 2016-2017 (delen van) het nieuwe toezichtkader in verschillende scholen. Tijdens het eerste trimester van 2017-2018 volgden er proefdoorlichtingen en maakten steeds meer scholen kennis met de nieuwe methodiek. In november en december 2017 organiseerde de onderwijsinspectie provinciale infosessies over Inspectie 2.0. Op die manier spraken we met bijna 3000 directeurs, pedagogisch begeleiders en andere geïnteresseerden over ons vernieuwde toezicht.

Doorlichten in dialoog start … nu De tijd van cocreëren, ontwikkelen, try-outen, proefdoorlichten, bijsturen, informeren … is grotendeels voorbij. Op 1 september 2018 gaat de vernieuwde doorlichting mét juridische consequentie van start. De onderwijsinspectie hoopt dat de scholen de kans grijpen om het partnerschap en de dialoog met de onderwijsinspectie aan te gaan. Met het nieuwe doorlichtingsdesign, de nieuwe regelgeving en een sterke betrokkenheid van de partners en stakeholders wil de onderwijsinspectie met Inspectie 2.0 immers niet alleen controleren, maar ook stimuleren.

Elke doorlichting heeft in 2.0 een dubbel doel: een controle met het oog op erkenning én een stimulans voor de school om haar kwaliteit en kwaliteitszorg verder te ontwikkelen. De onderwijsinspectie neemt haar stimulerende rol op door samen met het schoolteam te reflecteren en te dialogeren over die kwaliteit(sontwikkeling). Op die manier worden school en onderwijsinspectie effectief partners in onderwijskwaliteit. En dit allemaal met één iemand voor ogen: de lerende. De centrale figuur in het OK én in het toezicht.


[ 156 ]


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Onderwijsspiegel_2018.pdf by Vlaanderen-be - Issuu