Skip to main content

M&L_13_5.pdf

Page 1

-

.é jF'.. /^SSÊÊBs^^Oi

BHSBEH

•

I

!

1

BB BH

SiM

n W •

Ih 'EMH

ii

ESI

d M M r - •» •;

^ ^ Ti

i

I •

•

'

—

-

wJH

H

Ifr ___ K«

•

1

[

n~—WiiÉi

.

l |

.

\ \

MONUMENTEN & LANDSCHAPPEN 13/5 //

SEPTEMBER-OKTOBER 1994 //

- ' i,

TWEEMAANC -

"


N.V. VAN LOY & CIE ALGEMENE RESTAURATIEWERKEN

R e s t a u r a t i e O.L.V.-ten-Predikherenkerk L e u v e n

N.V. VAN LOY & Cie Algemene Restauratiewerken Aarschotsesteenweg 4 2230 Herselt Tel. (014) 54 43 97 Fax (014) 54 72 72

N.V. SUPER HEIST Stortklare beton

N.V. DE LOYSE HOEVE Paardenkwekerij

Industriepark 3100 Heist-op-den-Berg Tel. (015) 25 09 19 Fax (015) 25 09 29

Heide 6 l 2235 Westmeerbeek Tel. (016) 69 97 70 Privaat Tel. (016) 69 79 47 Sellerie


Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening en Huisvesting Bestuur Monumenten en Landschappen ISSN 0770-4948

MONUMENTEN

•

13 jaargang Nr. 5

•

september-oktober 1994

Afgiftekantoor: Brussel X

EN

LANDSCHAPPEN Redactie Bestuur Monumenten en Landschappen. Afdeling Pers & Voorlichting. Zandstraat 3,1000 Brussel. Tel.: (02) 209 27 37 - Fax: (02) 209 27 05. Eindredactie: M.M. Celis. Productie en promotie: L. Tack. Zetwerk en secretariaat: D. Torbeyns. Vormgeving: L. Tack.

Inhoud Generiek Het Metselaarshuis te Gent Bericht van een omstreden restauratie Hedwig Van Den Bossche

Redactiecomlt© Sint-Jozef, De Duivels en Het Paradijs Voorzitter: E. Goedleven. Leden: A. Bergmans. J. Braeken. M. Buyle, M.M. Celis. M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn, J. Gyselinck, A. Malliet, G. Plomteux. H. Stynen, L. Tack, S. Van Aerschot. Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt, Ch. Vanthillo, L. Wylleman. Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Maalsesteenweg 73,8310 Sint-Kruis Tel.: (050) 36 25 89 - Fax: (050) 37 33 64.

31

De restauratie van drie huizen aan de Haverwerf te Mechelen Guido Jan Bral, m.m.v. E. Denekens en Sander Peters Antwerpen-Dam. Een station op het spoor gezet

52

Luc Allemeersch, Jan Stevens en Jan Geusens

60

Summary M&L Binnenkrant

Druk Die Keure Oude Gentweg 108. 8000 Brugge Tel.: (050) 33 12 35 - Fax: (050) 34 37 68. Verantwoordelijke uitgever Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening en Huisvesting Luc Tack Zandstraat 3, 1000 Brussel De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

Abonnementsvoorwaarden 1995 België: 1150 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 220 fr.). CJP'ers betalen: 950 fr. Buitenland: 1300 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 470-0278201-29 van Monumenten & Landschappen, Zandstraat 3, 1000 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 1994". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van eik kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

Cover: Mechelen; Sint-Jozef, De Duivels en Het Paradijs (foto: O. Pauwels)

MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP


U hoeft niet te kiezen! Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen is een kunsttijdschrift (sinds 1963) dat met zorg en 30 jaar ervaring wordt samengesteld. Vier maal per jaar verschijnt een thematische aflevering van 40 pagina's in idare duidelijke taal en zorgvuldig geïllustreerd in kleur en zwart-wit. Bij elke aflevering hoort een lijvig bijvoegsel met actuele kunstinformatie en uitgebreide tentoonstellingskalender, ledere abonnee ontvangt een Museumkaart die gratis toegang biedt of reductie in een 100-tal Vlaamse musea. DE ONDERWERPEN VAN DE JAARGANG 1995 ZIJN: 1. Middeleeuwse muurschilderkunst 2. Het Zilvercentrum Sterckshof 3. Affichekunst 4. Bruggen als kunstwerken

M&L staat voor Monumenten en Landschappen en is een boeiend en kleurrijk tijdschrift over monumenten- en landschapszorg.

Een gecombineerd abonnement op jaargang 1995 van M&L

en

M&L verschijnt zes maal per jaar. In iedere editie worden vier onderwerpen i.v.m. restauratie en conservatie van monumenten indringend besproken en met een zeer verzorgde kleurenfotografie uitvoerig geïllustreerd. Bovendien bevat ieder nummer een artikel over landschapszorg.

Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen kost maar 1.600,-BF (i.p.v. 1.850,-BF)

U kan zich abonneren door storting van het ver bedrag op rekeningnummer 470-0278201-29 van M&L 1.150,-BF voor een abonnement op M&L 700,-BF voor een abonnement op Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen 1.600,-BF voor een gezamenlijk abonnement op M&L en Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen uw voordeel: 250,-BF telkens met vermelding: "jaargang 1995"

M&L telt 64 bladzijden en 16 pagina's "Binnenkrant". Deze "Binnenkrant" is het actuele luik en bevat tentoonstellings-nieuws, berichten over colloquia, restauraties, beschermingen, publikaties,...

ABONNEMENTSPRIJS: 700,-BF

ABONNEMENTSPRIJS: 1.150,-BF

«OLD ART k

J

RESTAURATIE schilderijen kunstvoorwerpen polychrome HOBOKEN

VERGULDEN polymentvergulding Alle natuursteen - Marmer - Graniet Restauratiewerken in witte en blauwe steen

Hardsteenwerken

PEETERS N.V. Tel. (03) 827 58 56 - Fax. (03) 827 64 92

OLD ART BVBA KOEKUITSTRAAT 3, 8800 RUMBEKE, ZILVERBERG TEL-FAX 051 /2().57.(W

Wij AANVAARDEN ONDERAANNEMINGEN


Restauratie 's Gravensteen Gent

Ontwerp: Architektenbureau A.& S. - Gent

Studiebureau: Meyns-Provoost - Ledeberg

ETN. FLOR BRUXELMAN & ZOON N.V. Restauratie - Nieuwbouw - Steenkapperij Reigerstraat 8, 9000 Gent Tel. (09) 222 22 39 - 222 20 48 / Fax (09) 220 27 75


En wat zijn uw ervaringen met restaurateurs ?

Solar beheerst alle verantwoorde technieken voor gewlreinjglng, gevdbescherming en minerale steen restauratie, Dil palet wordt aangevuld met kennis van vochtwering, polymeerchemische houlrestauratte en curatieve houtworm- en zwamlMMrijding ^odat Solar complete projecten aankan Maar restauratie LS meer dan kennis en toepassing van de juiste produkten en technieken, I>aarom staan onze technici onder permanent toe/icht en begeleiding \an een kunsthistoricus en een scheikundige zodat uw restauratieproject in het juiste perspectief geplaatst wordt Wk u vrijblijvend meer weten over onze aanpak ? Neem dan snel kontakt op.

Solar

Meine B r e e d s t m l 33 . B-9100 Si-Niklaas - Telefoon: 03 766 11 66 - Telefax: 0 3 777 35 09

België's enigste, oudste en wereldbefaamde goudslager

AL. BUGGENHOUT BVBA BLADGOUD en accessoires voor het vergulden (mixtion, rode bolus, messen, borstels...) ARTIST OIL COLOURS SCHEVENINGEN Olieverven en pigmenten speciaal voor kunstschilders en restauraties Uitsluitend Groothandel. Voor informatie voor het adres van uw dichtstbijgelegen verkooppunt: VAN ARTEVELDESTRAAT 139 - 1000 BRUSSEL Tel. 02/512 71 19 - Fax 02/502 14 55

IMPERPLEX -iönacTiaicönën

De ideale anti-grafitibescherming voor blauwe steen (petit granit) Inlichtingen : Mechelsestraat 125, 3000 Leuven Tel. 016/23.98.25

P. NIJS N.v. ALGEMENE ONDERNEMING DAK-ZINK-BOUW- EN RESTAURATIEWERKEN STEENKAPPERU SCHRIJNWERKERU E3-Laan 49 - 9800 DEINZE Tel. : (09) 386 07 63 - 386 61 50 F a x : (09)386 04 15


GENERIEK Vrij huis vrij erve Driejaar terug en ruim 15 jaar na een eerste slopingsaanvraag, werd met de oplevering van de restauratiewerken aan het Gentse Metselaershuis het laatste hoofdstuk afgesloten van een onvoorspelbaar suspense-verhaal. Het hybried ogende hoekgebouw bleef sindsdien geenszins onbesproken, noch onbespreekbaar voor de monumentenzorgen Hedwig Van den Bossche, die de hele operatie van nabij meemaakte, tracht hierbij op verhelderende wijze het weinig evidente samengaan van nieuwbouw, reconstructie en conservering te toetsen aan het zo veraf lijkende Charter van Venetië.

Sint-Jozef, De Duivels, Het Paradijs Het herstel, zoniet de reconstructie van gevelpolychromieën blijft bij historische gebouwen nog meer uitzondering dan regel. Bij dit schilderachtige Mechelse triool zag Guido Jan Bral de kans schoon om de conclusies van zijn voorafgaandelijk kleurenonderzoek ook in werkelijkheid om te zetten. Om deze en andere redenen een "harde" maar boeiende restauratie, waarvoor een omzichtige en zorgvuldige argumentatie wordt opgebouwd.

Station op reis Een ten top gedreven vorm van conservering overkwam in 1907 het spoorwegstation Antwerpen-Dam, met de integrale verplaatsing naar een meer geschikte standplaats. Grotendeels de verdienste van de onverstoorbare ingenieurs Morglia en Weiss, bleef de krachtproef vereeuwigd in een reeks sprekende prentbriefkaarten. Nu dit oudste Antwerpse reizigersstation opnieuw het verder uitdeinende treinverkeer blijkt te hinderen, blikt Anne Malliet even terug op het toenmalig spectaculair gebeuren.


Sint-Romboutskathedraal

Mechelen.

NATUURSTEEN Van Amstelstraat 63 2100 Antwerpen Tel. (03) 325 03 83 Fax (03) 325 68 66

AMINCK

Gillebertusstraat 32 1090 Brussel Tel. ( 0 2 ) 7 7 2 15 85

Gasstraat 11A 9160Lokeren Tel. ( 0 9 ) 3 4 8 12 17 Fax (09) 348 96 61


NIEUW IN DE REEKS

Middeleeuwse muurschilderingen IN VLAANDEREN Technische gegevens Formaat: 21 x 29,7 cm Aantal pagina's: 208 Kleurillustraties: 350 Papier: Kunstdruk Galerie Art Silk 135 g/nV Afwerking: garengenaaid gebrocheerd Prijs: 1.200,-fr. Auteurs: Anna Bergmans en Marjan Buyle Foto's: Oswald Pauwels Concept en vormgeving: Luc Tack ISBN 90-403-0032-1

M*L

NA HET EERSTE M&L-CAH1ER OVER GLAS IN LOOD, ZETTEN WE DE ONTDEKKINGSTOCHT VERDER NAAR MINDER BEKENDE ASPECTEN VAN ONS KUNSTBEZIT. DITMAAL RICHTEN WE ONZE AANDACHT

Samen met de gebeeldhouwde retabels, de sculpturen en schilderijen, en in de rijkere kerken de wandtapijten en de gebrandschilderde ramen waren dit de kunstwerken die in de middeleeuwen voor iedereen waren. Deze oude kunstvorm, die U meeneemt naar het fascinerende Vlaanderen van de 14de, 15de en 16de eeuw, stellen we Uvoor in het tweede M&L-cahier. Middeleeuwse muurschilderingen in Vlaanderen.

Besteladres Bestuur Monumenten en Landschappen

Pers & Voorlichting Zandstraat 3 1000 Brussel Tel. (02) 209 27 37 Fax (02) 209 27 05

OP WAT IN DE MIDDELEEUWEN

Rekeningnummer:

OP MUREN EN GEWELVEN

470-0278201-29

GESCHILDERD WERD.


M&L

HET METSELAARSHUIS TE GENT BERICHT VAN EEN OMSTREDEN RESTAURATIE HEDWIG VAN DEN BOSSCHE

Gent. Cataloniëstraafl. het Metselaarshuis en de nieuwbouw in de Sint-Niklaasstraat (Foto 0. Pauwels)

Het kan zijn nut hebben op vroegere

eens kritisch worden geëvalueerd.

restauraties terug te blikken.

In het kader van dit aan restauraties

Het betekent afstand nemen, vragen

gewijd nummer van Monumenten &

stellen, relativeren. Beschouwt men het

Landschappen leek het ons passend

Charter van Venetië als een sluimerend

het verhaal te doen van een restauratie

handvest waaruit zowel monumenten-

en de uitgangspunten, de problemen

zorger als architect alleen nog eens

en het resultaat te toetsen aan het

vurig citeren wanneer een en ander op

Charter, het "groene boekje" wan de

de korrel wordt genomen, als recht-

monumentenzorg. De restauratie van

vaardiging dus in conflictsituaties en

het Metselaarshuis te Gent, waarbij

om tegenstrijdige of omstreden beslis-

consolidatie, restauratie, reconstructie

singen o posteriori te legitimeren?

en nieuwbouw ruim aan bod kwamen

Enerzijds leidt het gedachteloos hante-

en omwille van precies deze laatste

ren van strikte regels in de praktijk tot

twee aspecten onder het vuur van de

dogmatisme, anderzijds kan het beslist

kritiek kwam te liggen, leek ons voor dit

geen kwaad dat enkele realisaties

doel heel geschikt.


M&L

Gent, Catalonièstraatl, de voorgevel van het Metselaarshuis zoals hij er sedert de verbouwingen van 1852 uitzag. Toestand in 1976. (Foto Bestuur Monumenten en Landschappen)

Gent, Cataloniéstraat 1, de voorgevel van het Metselaarshuis na de sloping van de 19de-eeuwse toevoegsels en na verwijdering van de gevelbepleistering. Toestand vóór de restauratie. (Foto Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie)

HET METSELAARSHUIS LANGDURIG VERVAL VAN EEN 'VERGETEN' MONUMENT Ons verhaal begint in 1976, ofschoon het verval van het Metselaarshuis reeds lange tijd voordien was ingezet. Het huis naast de hoek van de Cataloniëstraat met de Sint-Niklaasstraat - een hoek die op het einde van de vorige eeuw was opgevuld met een buitengewoon ondiep pand - werd met zijn sobere, gepleisterde 19de-eeuwse lijstgevel nauwelijks opgemerkt, tenzij dan misschien door zijn contrast met de rechts aanpalende oude trapgevels. Misschien kon men wel heel even vermoeden - maar daar werd dan niet lang bij stilgestaan - dat een dergelijk alledaags gebouw in het centrum van de oude stadskern wel een voorganger zou hebben gekend waarvan mogelijk nog getuigen in de kern bewaard konden zijn. De woning die bovendien in een verregaande staat van verval verkeerde, werd ook door de monumentenzorger aanvankelijk nauwelijks een blik waardig gegund tot de toenmalige eigenaar, de heer A. Van der Auwermeulen uit Zomergem, bij de stedelijke overheid een aanvraag tot sloping indiende, die hem werd vergund. De Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie van de stad Gent, die onder meer tot taak heeft gebouwen in de oude binnenstad waarvoor een sloping wordt aangevraagd op hun historische waarde te onderzoeken, kwam na onderzoek in situ tot verrassende vaststellingen. Zij- en achtergevels van de woning bleken namelijk tot een vroeg-gotische kern te behoren terwijl de inwendige, in de 16de eeuw verbouwde structuur nog goed bewaard was gebleven en vooral bleek een laat-gotische, met zandstenen parement beklede voorgevel achter het 19de-eeuws pleisterwerk schuil te gaan. Bijkomend archiefonderzoek maakte duidelijk dat men hier stond voor het oorspronkelijke doch verloren gewaande Metselaarshuis. Het oorspronkelijke, want aan de Graslei had men in 1912 op de plaats van het oud 14de-eeuws huis Den Enghel de gevel van het gildehuis van de Metselaars gereconstrueerd (1). Deze belangrijke ontdekking zette de toon voor de toekomstige discussies die omtrent dit pand zouden worden gevoerd. Door zijn Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie over de waarde van het gebouw ingelicht, liet het stadsbestuur in het vooruitzicht van een grondiger onderzoek de werken stilleggen en richtte een aanvraag tot bescherming aan de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg. Daarop eiste de aannemer een aanzienlijke schadeloosstelling van de eigenaar daar de uit sloping te recupereren oude bouwmaterialen volgens zijn


Gent, Cataloniestraat 1, het Metselaarshuis en de nieuwbouw in de Sint-Niklaasstraat (Foto 0. Pauwels)

schatting een waarde van ruim 600.000,-fr. zouden hebben vertegenwoordigd. Van zijn kant zou de eigenaar pogen om door een 'geïntegreerd' nieuwbouwproject zijn bouwplannen alsnog te realiseren. Met de aanvraag tot bescherming en het inzetten van een procedure daartoe kon de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg voortaan participeren aan een uit juridisch oogpunt wel heel netelig dossier. Voortgezet onderzoek had intussen bevestigd dat het banaal uitzicht van het huis in de Cataloniestraat het resultaat was van een 19de-eeuwse 'eigentijdse' gevelopsmuk van een in oorsprong waarschijnlijk 13de-eeuwse stadswoning, waarvan de achter- en zijgevels met onregelmatige stukken Doornikse kalksteen waren opgetrokken. Dit pand was in de 15de eeuw in het bezit gekomen van de metselaarsnering die een voorgevel in zandsteen liet optrekken. De opdracht hiertoe werd in 1526 toevertrouwd aan meester-metselaar Christoffel vanden Berghe die vier jaar later ook de opdracht zou krijgen

voor de bouw van het gildehuis van de Vrije Schippers aan de Graslei. Hoefde voortaan aan de historische en artistieke waarde van het gebouw niet meer te worden getwijfeld, geconfronteerd met een schadeclaim van de aannemer, klachten van de gebuur wegens waterinsijpeling (het dak was immers reeds verwijderd), een procedure tot bescherming en hierdoor in het gedrang gekomen nieuwbouwplannen, tekende de eigenaar tegen de bescherming verzet aan. Toch zou door de betrokken partijen naar een consensus worden gezocht. Het was eens te meer de vraag of en hoe de tegengestelde belangen te verzoenen waren. Enerzijds zouden de historisch waardevolle elementen van het gebouw moeten bewaard blijven, anderzijds zou mits instandhouding van de waardevolle bouwonderdelen aan de eigenaar toch nog de mogelijkheid moeten worden geboden een gedeeltelijke nieuwbouw te realiseren. Het probleem werd bovendien nog in een ruimere stedebouw-


M&L

11

kundige context geplaatst door de mogelijkheid te onderzoeken om de Sint-Niklaasstraat na sloping van het zeer smalle hoekhuis te verbreden, wat tevens ten goede zou komen aan het Metselaarshuis dat hierdoor met zijn zijgevel in Doomikse breuksteen opnieuw volledig vrij zou komen te staan (2). Voor het oude stadsbeeld zou dit een verrijking betekenen door de integratie van een tot voor kort nog verloren gewaand historisch pand in de onmiddellijke nabijheid van de Sint-Niklaaskerk. De werkelijke draagwijdte van deze 'verrijking' zou echter pas later blijken, nadat aan het Metselaarshuis een nieuwbouw was toegevoegd. Uiteindelijk werd besloten het gebouw aan een grondiger bouwhistorisch onderzoek te onderwerpen en na te gaan welke bestemming eraan zou kunnen worden gegeven. De Rijksdienst voor Monumentenen Landschapszorg zou de stabiliteitsstudie van het gebouw voor zijn rekening nemen en dringende maatregelen tot consolidatie en beveiliging voorstellen. Uit dit onderzoek zou blijken dat de stabiliteit van het gebouw geen onoverkomelijke problemen stelde, ofschoon wel plaatselijk scheuren en barsten zouden moeten worden ingebonden, slecht voegwerk worden verwijderd en het gevelparement worden hervoegd. De toch nog niet zo alarmerende bouwfysische toestand sloot evenwel de noodzaak niet uit van dringende preventieve instandhoudings- en onderhoudswerken, meer bepaald met betrekking tot opstijgend grondwater, aanpassing van het rioleringsnet, onderzoek naar de balken en hun oplegpunten, plaatsing van een voorlopige bedaking en van een goede regenwaterafvoer, alsook opruiming van het puin om zoveel mogelijk ophoping van vocht te weren (3). Algemeen kon dus worden besloten dat het gebouw zelfs in het licht van een nieuwe bestemming nog best te redden viel. De bescherming als monument van het Metselaarshuis bij Koninklijk Besluit van 21 februari 1978 stelde helaas nog geen punt achter het verval. De lijdensweg van het monument zou daarentegen pas goed op gang komen. Reeds herhaaldelijk had de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen haar ongenoegen geuit over het uitblijven van de noodzakelijke instandhoudingswerken door de eigenaar. In haar zitting van 13 maart 1980 adviseerde ze de minister om 'gelet op de menige gestelde ultimatums, gericht aan de bouwheer' dringende instandhoudingswerken uit te voeren en de stad Gent te verzoeken tot onteigening over te gaan. Vermoedelijk beschouwde de eigenaar instandhoudingswerken toch maar als een voorbarige en dus (voor hem) nutteloze uitgave aan-

gezien hij rond deze tijd ook een aanvraag had ingediend 'tot gedeeltelijke afbraak en heropbouw van een winkelpand met appartementen'. Met instandhoudingswerken kon volgens hem dus best nog wel even worden gewacht. Op 16 maart 1981 bracht het stadsbestuur over de bouwaanvraag een gunstig advies uit, "mits strikte inachtname van de voorwaarden en bepalingen gesteld in het advies van 17 december 1980 van de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg en van de voorwaarden vermeld in het advies van 23 februari 1981 van de Technische Dienst Stedebouw van de Stad". Dit advies van de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg stelde wat het in de nieuwbouw te integreren monument betreft een aantal voorwaarden: - Een steiger zal worden opgetrokken om de gevel van het Metselaarshuis nauwkeurig te kunnen opmeten en fotograferen; - Van de bestaande toestand zal een bouwfysisch verslag worden opgesteld; - De fotografische documentatie van de bestaande toestand zal worden aangevuld met een historische nota en iconografische documentatie; - Na deze voorbereidende werkzaamheden zullen de restauratie-opties met alle betrokken partijen worden besproken; - Het restauratieve gedeelte dient in een afzonderlijk lastenboek te worden opgenomen; - Alle partijen zullen worden betrokken bij regelmatig te houden werfvergaderingen. Deze, alsook de voorwaarden die werden gesteld met betrekking tot de nieuwbouw waren zo fundamenteel dat een dergelijke bouwaanvraag in andere omstandigheden niet voor een vergunning in aanmerking zou kunnen komen. Dat dit toch gebeurde vindt zijn oorzaak in de vrees dat de bouwheer in geval van een weigering beroep zou aantekenen waardoor zelfs de bescherming in het gedrang zou kunnen komen. Er mag immers niet uit het oog worden verloren dat alles begonnen was met een stillegging van een rechtmatig verkregen toelating tot slopen. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen bleef evenwel voorstander van een strikte toepassing van de procedure en oordeelde dat nog geen advies kon worden uitgebracht zolang in het dossier de historische analyse, het bouwfysisch verslag, de opmetingsplannen van de bestaande toestand en fotodocumentatie ontbraken (4), elementen dus die pas konden worden verstrekt nadat bij de aanvang van de werken ook de steigers voor het onderzoek zouden zijn geplaatst. Het duurde daarna nog geruime tijd vooraleer de


M&L

werken werden aangevat en het Metselaarshuis opnieuw in de belangstelling kwam, ook nu onder minder gunstige omstandigheden. De Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg moest op 2 maart 1982 vaststellen dat waardevolle bouwelementen van het Metselaarshuis, met name gotische haardwangen en moer- en kinderbalken van de eerste verdieping door de aannemer waren weggebroken, afgevoerd en verkocht. Vooral het verwijderen van enkele moerbalken baarde zorgen daar hierdoor de essentieel constructieve verbinding van de muren was verdwenen en gevaar voor instorting reëel was geworden. Aangezien gevreesd werd dat dit slechts een begin zou kunnen zijn van een uiteindelijk integrale sloping van het historisch waardevol pand beval de Rijksdienst een onmiddellijke stillegging van de werken. Dat de eigenaar bovendien had verzuimd de in de bouwvergunning geëiste steigers voor het onderzoek te laten oprichten, alsook de vaststelling dat hij geen aanstalten maakte om tegen het misdrijf van de aannemer op te treden, maakte de zaak nog erger. Daarom deed op 11 juni 1982 de Rijksdienst bij de Procureur des Konings aangifte wegens inbreuk op artikel 11 van het Decreet van 3 maart 1976, waarna vanwege het stadsbestuur de vrij laconieke bevestiging werd ontvangen dat "de door het College vergunde slopingswerken beëindigd werden, de straatgevel kant Cataloniëstraat samen met twee ingebonden binnenmuren tot boven de raamopeningen van de tweede verdieping en de keldergewelven behouden bleven en alle puin werd opgeruimd" (5). De Rijksdienst zag zich tenslotte genoodzaakt om de instandhouding van het Metselaarshuis langs gerechtelijke weg te vorderen, een zaak die thans - twaalf jaar later - nog haar beslag niet heeft gehad. In april 1985 en de daarop volgende maanden zag het er even naar uit dat het stadsbestuur zich van de tot dan toe geleverde inspanningen om het Metselaarshuis te redden wilde distantiëren. De Schepen van Openbare Werken overwoog een procedure in te zetten tot opheffing van de bescherming en gaf hiertoe opdracht aan de Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie bij de Rijksdienst - voortaan Bestuur Monumenten en Landschappen - naar de haalbaarheid hiervan te informeren. Blijkbaar bestond toen de tendens bakzeil te willen halen door het behoud van het Metselaarshuis slechts als een voorlopige optie te beschouwen en zich te willen beperken tot een archeologische registratie van de ruïne, waarna een sloping zou kunnen worden toegestaan. Ook de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen zou zich met een vervangingsarchitectuur kunnen verzoenen nadat de bescherming

als monument naar een bescherming als stadsgezicht zou zijn omgezet. Het Bestuur Monumenten en Landschappen hield evenwel de boot af: van een opheffing van de bescherming kon geen sprake zijn zolang een rechtszaak aanhangig was en zolang een geldig alternatief - een waardevol en concreet project voor het beschermde pand - ontbrak (6). Daarop deelde het College van Burgemeester en Schepenen mede zich met dit standpunt niet te kunnen verzoenen aangezien de op 16 maart 1981 afgeleverde bouwvergunning als een geldig alternatief werd beschouwd (7). De door het stadsbestuur ondernomen poging om na het afleveren van een bouwvergunning nu ook door een aanvraag tot opheffing van de bescherming tot een vergelijk met de eigenaar te komen moest dus zonder resultaat blijven zolang een gerechtelijke procedure liep tussen het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de eigenaar. In afwachting van een uitspraak in deze rechtszaak was het toch noodzakelijk een strategie voor de komende jaren te ontwikkelen. Dit gebeurde op 8 juli 1986 tijdens een overlegvergadering tussen de stad Gent en het Bestuur Monumenten en Landschappen, waarbij de fundamentele vraag werd gesteld of een restauratie, meer bepaald een reconstructie van de voorgevel wetenschappelijk kon worden verantwoord. Men merkt op dat hier niet alleen opnieuw sprake is van behoud en restauratie maar voortaan ook van reconstructie van niet meer aanwezige bouwonderdelen van het monument. Deze nieuwe ommekeer in de visie van het stadsbestuur was vooralsnog niet veel meer dan een theoretische en bijgevolg precaire denkoefening in afwachting van een gerechtelijke uitspraak ten gronde. Men besefte evenwel dat, indien voor een reconstructie zou worden geopteerd, geen sprake kon zijn van een strikte naleving van de bepalingen van het Charter van Venetië en dat dit in de toekomst als een precedent zou kunnen worden aangegrepen. Wilde men dit laatste vermijden, dan zou het onontbeerlijk zijn een eventuele beslissing ten gunste van reconstructie grondig en met nadruk op het uitzonderlijk en eenmalig aspect van deze zaak te motiveren. In de verschillende rapporten die door de Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie werden opgemaakt zou de nadruk dan ook sterk worden gelegd op de grote historische waarde van het monument en op de uitzonderlijke omstandigheden die tot de bescherming hadden geleid en die een reconstructie konden rechtvaardigen. Bij een tussenarrest van 6 november 1986 van het Hof van Beroep te Gent werd de eigenaar veroor-


13

deeld tot uitvoering van de door het Bestuur Monumenten en Landschappen geëiste instandhoudingswerken. Hierop besliste de eigenaar af te haken en sloot met een promotor een akte van voorkoop af die tot 30 juni 1987 geldig zou blijven. Een in deze akte opgenomen clausule bepaalde dat de optienemer, de N.V. Cogérim uit Ronse, vertegenwoordigd door de heer J. Meunier, zich zou verbinden tot een onmiddellijke uitvoering van de door de rechtbank opgelegde instandhoudingswerken. Maar hier bleek een addertje onder het gras te schuilen: niet alleen zou de promotor als naamloze vennootschap voor 50 % de kosten van een restauratie moeten dragen, doch de subsidieregeling zou hem ook verhinderen het goed binnen de twintig jaar na ontvangst van de subsidie te verkopen, een bepaling die hij uiteraard met zijn belang in strijd achtte. Om uit de impasse te geraken werd toen voorgesteld dat het stadsbestuur de voorgevel zou overnemen en als opdrachtgever voor de restauratie ervan zou optreden (8). Op 15 januari 1987 gaf het College zijn principieel akkoord met deze oplossing, zodat de Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie met het opmaken van een voorontwerp van restauratie kon worden belast. Dit akkoord hield dus in dat tussen de stad en de promotor een overeenkomst zou worden gesloten waardoor de eigenaar de voorgevel zou overdragen aan de stad Gent, die de restauratie van de gevel voor haar rekening zou nemen terwijl de promotor zou instaan voor de restauratie van de vroeg-gotische zijgevel en de keldergewelven en voor de bouw van een nieuwe constructie achter de voorgevel. Bij deze overeenkomst zou een samenwerkingsclausule worden ingelast betreffende voorbereiding en begeleiding van het dossier, uitvoering van de werken, toezicht en coördinatie (9). Nadat het ontwerp van overeenkomst tussen de stad Gent en de N.V. Cogérim door de provinciegouverneur was goedgekeurd zou het nog enige tijd vergen vooraleer dit door de promotor werd ondertekend (10). Wegens de reeds lopende rechtszaak tegen de eigenaar kon voor het Bestuur Monumenten en Landschappen de bepaling aangaande de instandhoudingswerken in de akte van voorkoop tussen de eigenaar en de promotor juridisch niet als een nieuw element worden beschouwd en bleef de verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van de geëiste werken ten laste van de eerste eigenaar. Een voorontwerp en ontwerp van restauratie werden respectievelijk op 27 mei en 29 juni 1987 en op 26 november en 16 december 1987 door het College van Burgemeester en Schepenen en de Gemeenteraad goedgekeurd. Het Bestuur Monumenten en

Landschappen bracht op 12 december 1987 een globaal gunstig advies uit over het restauratiedossier.

HET METSELAARSHUIS ICONOGRAFISCH Het is duidelijk dat een niet alledaagse beslissing van de stedelijke overheid tot het stilleggen van een vergunde sloping en een de door de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg ingeleide beschermingsprocedure ook een degelijke motivering vergden. De wetenschappelijke onderbouw voor deze motivering was het resultaat van het grondig onderzoek dat door de Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie werd verricht. De gegevens omtrent de bouwgeschiedenis van het Metselaarshuis ontlenen wij dan ook aan het werk van conservator Geert Van Doome en zijn medewerkers. Aangezien ook in enkele publikaties reeds aandacht aan de geschiedenis van het Metselaarshuis werd besteed kunnen wij ons hier beperken tot de belangrijkste feiten en de voor de latere restauratie en reconstructie nuttige gegevens (11). De oudste gedeelten van het op een halfbovengrondse kelder rustend gebouw worden gevormd door de achter- en zijgevels, waarschijnlijk uit de 13de eeuw daterend en uit onregelmatige stukken Doornikse kalksteen opgetrokken. Naast sporen van oorspronkelijke vensteropeningen in de oostelijke gevel resten van de bekroning van de achtergevel nog een drietal trappen. Mogelijk bestond de voorgevel oorspronkelijk uit een houten constructie (12). In schepenakten van het begin van de 15de eeuw werd het huis herhaaldelijk vermeld als privaatbezit met het statuut van 'vrij huis vrij erve' en met de naam Rode Deur (13). Op 27 mei 1432 werd het huis verkocht aan de metselaars, die het toen reeds enkele jaren in gebruik hadden. De ligging tegenover het koor van de Sint-Niklaaskerk was bovendien zeer geschikt voor een nering die enkele maanden voordien beschikking had gekregen over de askapel van het koor van deze kerk (14). Op 18 december 1526 werd een contract afgesloten met meestermetselaar Christoffel vanden Berghe voor de bouw van een nieuwe voorgevel (15). Het is ook in die tijd dat onder andere het op kolommen rustend gewelf van de tweebeukige kelder, de verschillende balkenlagen en de bekapping werden hermaakt (16). Bij het 16de-eeuwse interieur van de eerste verdieping (17) vallen een aantal bijzonderheden op, zoals kraagstenen en moerbalken met laat-gotische profileringen en in bloemvorm gesmede nagelkoppen.


M&L

4 Gent, Cataloniêstraatl, de voorgevel van het Metselaarshuis na de restauratie en de reconstructie. Toestand in 1994. Let op de drie gevelfriezen met hun gesculpteerde panelen. Van onder naar boven; het wapen van het metselaarsambacht (eerste fries), de Maagd van Gent tussen de wapens van Vlaanderen en van Gent (tweede fries), het wapen van de Habsburgers tussen de panelen met de kenspreuk van Karel V (derde fries). (Foto 0. Pauwels)

Gent. Cataloniêstraatl, de voorgevel van het Metselaarshuis volgens een aquarel van J.B. De Noter, 1809. Pinakels met hun versieringen en de morrisbeelden zijn niet meer aanwezig. (Foto SAG., Atlas Goetghebuer,

85/23b)

15

geprofileerde haardwangen (thans verdwenen) tussen spitsbogige nissen in het achterhuis en resten van muurpolychromie (18). Spil van de inzet voor het behoud van het Metselaarshuis was evenwel de 16de-eeuwse voorgevel waarover men naast geschreven bronnen ook door iconografische documenten vrij goed wordt ingelicht. Ter verantwoording voor het herstel en de reconstructie werden in 1983 deze bronnen door de Dienst Monumentenzorg kritisch onderzocht (19). Voor een beter begrip is een bondige beschrijving van de voorgevel van het Metselaarshuis hier op haar plaats en beschouwen wij de gevel zoals hij zich sedert de restauratie voordoet. Deze gevel, in baksteen opgetrokken en met een parement van Lediaanse steen bekleed, bestaat uit twee bouwlagen van vijf traveeën, opgetrokken boven een half boven het straatniveau uitgebouwde kelder. De topgevel, die in zijn grondvorm wezenlijk een trapgevel is, telt nogmaals twee niveau's, respectievelijk met drie en met één enkele vensteropening. De grote ramen van de twee verdiepingen hebben stenen kruiskozijnen, de twee kelderramen aan weerszijden van een dubbele trap en de vier ramen van de topgevel zijn van het type bolkozijn, i.e. met middenstijl zonder bovenlicht. Zeer dunne schalken, vanaf de sokkel boven de kelderramen tot in de topgevel doorlopend en alleen ter hoogte van raamdorpels en -lateien door even dunne horizontale waterlijsten versneden, lopen boven de geveltrappen uit op slanke, veelhoekige pinakels die met draaiende bronzen beelden zijn bekroond. Ofschoon de schalken op elke verdieping door waterlijsten even worden onderbroken blijft het vertikalisme beklemtoond, vooral door de zes boven de topgevel uitgebouwde pinakels die met de gevel worden verbonden door concave C-vormige krulornamenten. De geveltop wordt beëindigd door twee krullen die in een kruisbloem uitlopen. Aan de vraag of de Cvormige krullen moeten worden beschouwd als een nieuw vormelijk element in deze laatste faze van de gotiek dan wel vooruitlopen op de vroege renaissancevormen zal verder nog aandacht worden besteed. De blinde gevelvelden tussen de boven- en onderdorpels van de ramen bieden ruimte voor een gesculpteerde versiering, bestaande uit hetzij een zich herhalend vlakornament, hetzij heraldische motieven al dan niet met half verheven figuratief beeldhouwwerk gecombineerd. De versiering bestrijkt de vijf panelen van het eerste en van het tweede fries boven de grote kruiskozijnen, voorts de drie panelen van het onderste fries van de topgevel

en het ene paneel geheel boven in de topgevel. Vier panelen van het onderste fries en het paneel boven in de topgevel bestaan uit dubbele, met driepasboog gesloten blinde velden; de twee buitenste panelen van het tweede fries bestaan uit een overhoekse compositie van vierpassen. Het centrale paneel van het fries boven de eerste verdieping toont het beschilderd blazoen van de metselaarsnering, gehouden door twee leeuwen. De panelen aan weerszijden van dit wapenschild zouden oorspronkelijk de patronen van het ambacht hebben bevat, namelijk de Vier Gekwonden SintSeverinus, Sint-Severianus, Sint-Carpophorus en Sint-Victorinus. Aangezien hun juiste voorstelling niet was gekend en geen bevestigingspunten voor beelden werden aangetroffen bleven de panelen leeg en werden enkel de sokkels hermaakt. In het fries boven de tweede verdieping prijken de wapenschilden van Vlaanderen en Gent aan weerszijden van een centraal paneel dat onder een gotische veelpasboog de Maagd van Gent gebeeldhouwd voorstelt. In het fries daarboven zijn de panelen aan weerszijden van het centraal geplaatst wapen van de Habsburgers


16

De voorgevel van het Metselaarshuis volgens de aquarel van P.J. Goetghebuer, 1836. Dat het om een eigen interpretatie gaat blijkt onder andere uit de aan de trapgevel toegevoegde pinakels, verbonden door concave Cvormige krullen en de met laat-gotisch maaswerk uitgewerkte borstwering van de trap. De beëindigingen op de gevelschouders en de Cvormige krullen tussen de pinakels worden als aan de renaissancestijl ontleende voluten afgebeeld.

(Foto SAG., Atlas Goetghebuer, 85/23a)

De voorgevel van het Metselaarshuis volgens een steendruk van de gebroeders F. en G. Gyselynck, omstreeks 1833. Door de voorgevel met een travee uit te breiden werd het Hotel du Comte d'Egmonf groter voorgesteld dan het in werkelijkheid was. Let op de beëindigingen boven de gevelschouders ter hoogte van het tweede gevelfries. (Foto R U G . . Kaartenzaal, Album porceleinkaart, Arm. 4 101, p. 3)

M&L

versierd met de kenspreuk van Karel V 'Plus Oultre', op banderol en gecombineerd met twee Herculeszuilen. Op de prent in Sanderus' Flandria Illustrata {\64\1644) kan men duidelijk zien dat het Metselaarshuis oorspronkelijk de hoek vormde van de Cataloniëstraat met de Kromsteeg (de latere Sint-Niklaasstraat). Nadat in 1540 het Metselaarshuis was geconfisqueerd en openbaar verkocht (20) bleef het ook na een herinrichting als herberg in 1696 op enkele details na ongewijzigd (21). Ondertussen was in 1660 de dubbele buitentrap die toegang gaf tot de deur in de centrale travee door een enkele trap vervangen. In 1770 werd de deur in functie van de bouw van een nieuw trappenhuis met gang een travee naar links verplaatst en de oude deuropening tot venster omgevormd (22). In de 20ste eeuw werd de deur nogmaals verplaatst, nu naar de linker travee (23). Echt ingrijpende verbouwingen en verminkingen zouden pas plaatsvinden in de 19de eeuw, meer bepaald in 1852 toen de zolderverdieping en de geveltop werden gesloopt, de toegang verplaatst en een verdieping werd bijgebouwd. Het reeds genoemde smalle hoekpand, dat de oude zijgevel van het Metselaarshuis insloot, dateerde pas van 1897 toen de Kromsteeg door de Sint-Niklaasstraat werd vervangen. Nadat dus het Metselaarshuis ruim drie eeuwen lang vrijwel ongewijzigd was gebleven hebben de grote verminkingen - vooral die van 1852 - er tenslotte voor gezorgd dat het pand tot aan zijn restauratie het troosteloos beeld van een ruïne bood. Nadat ook de bedaking en de bovenste verdieping van de lijstgevel op hun beurt waren gesloopt en tenslotte de bepleistering van de voorgevel voor het verrichten van het bouwhistorisch onderzoek was verwijderd, bleef het Metselaarshuis nog jarenlang als een open wonde het historisch stadsbeeld ontsieren. De bovengrondse, nog slechts twee verdiepingen hoog reikende constructie was nauwelijks meer dan een leeg omhulsel van vier muren die bij de eerste verdieping gebrekkig werden geschoord door enkele moerbalken die aan de slopershamer waren ontkomen. De eens zo rijke vroeg-16de-eeuwse voorgevel was aldus gereduceerd tot een stenen skelet dat een vrije doorkijk bood op de puinhoop daarachter en op de open hemel. Bovendien was het gevelparement in de 19de eeuw hardhandig afgeslagen om de bepleistering beter te doen hechten. Desalniettemin spraken de nog slechts vaag geprofileerde penanten en vensteromlijstingen en het verminkte wapenschild tussen de leeuwefiguren boven de centrale travee duidelijke taal dat de ruïne een belangrijke voorgeschiedenis


M&L

17

00

had gekend. Op de duur wekte de jarenlange stagnatie van deze toestand dermate ergernis op dat de Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie nadrukkelijk het herkenningsteken van beschermd monument op de gevel liet aanbrengen.

De voorgevel van het Metselaarshuis 1. volgens de steendruk van A. De Vigne, Mxurs et usages des corporations de métiers. Gand, 1857,p.99, PI. 6. Op het tijdstip dat de tekening werd gemaakt was de voorgevel reeds grondig getransformeerd. De auteur heeft zich dan ook gebaseerd op de reconstructietekening van P.J. Goetghebuer.

volgens de litho van C. Kissel in F. De Potter, Gent van den oudsten tijd tot haten, Gent, 18841933, deel III. 1885, p. 395. Ook deze voorstelling is gebaseerd op de reconstructietekening van P.J. Goetghebuer.

volgens de tekening van A. Poppe, 1908, gemaakt ter gelegenheid van de tentoonstelling in Brussel in 1910.

(Foto's S.AG.. Atlas Goetghebuer.

85/23C. 85/23d. 85/24)

Men was er zich van bewust dat het herstel van de voorgevel in zijn oorspronkelijke praal in aanzienlijke mate op een reconstructie zou neerkomen. De reeds genoemde zogenaamde reconstructie van de gevel van het Metselaarshuis aan de Graslei was een onbetrouwbare bron gebleken en dus onbruikbaar terwijl de iconografische documenten onderling ook opmerkelijke verschillen te zien gaven (24). Enkele van de iconografische documenten die voor een gevelreconstructie bruikbare informatie konden verschaffen waren in de eerste helft van de 19de eeuw verzameld in de Atlas Goetghebuer en tonen de gevel zoals deze er vöèr de noodlottige ingrepen zou hebben uitgezien. De onderlinge verschillen in de afbeeldingen - de tekenaars of architecten hadden de werkelijkheid op hun eigen manier geïnterpreteerd - vereisten een behoedzame interpretatie van deze documenten. De aquarel van J.B. De Noter van 1809 (25) laat in de panelen slechts blind maaswerk zien. In het fries boven de eerste verdieping ontbreken het wapenschild en de beelden van de Vier Gekroonden en in het centrale paneel boven de tweede verdieping ontbreekt het beeld van de Maagd van Gent. Ook ontbreekt elk spoor van de pinakels met hun ornamenten, waardoor de basisvorm van een trapgevel duidelijk te voorschijn treedt. De basisvorm van de trapgevel, zonder de pinakels dus, zien wij ook bij een steendruk van de gebroeders F. en E. Gyselynck (26) die M. Daem omstreeks 1833 dateert (27). De gevel wordt hier met zes in plaats van vijf traveeën afgebeeld zodat ook de reeks versierde panelen niet met de werkelijkheid overeenkomt. Van het beeldhouwwerk zijn alleen de leeuwen voorgesteld met het schild dat oorspronkelijk het wapen van de nering droeg. Anderzijds ontbreken in het derde gevelfries de twee panelen met de Herculeszuilen. Het ligt voor de hand dat deze gravure als iconografische bron globaal niet bruikbaar is. Wel valt hier voor het eerst aan weerszijden boven het fries van de tweede verdieping een rudimentair afgebeelde beëindiging op van de hoekpenanten van de gevel. Het derde document is een gekleurde aquarel van P.J. Goetghebuer van 1836 (28). Tenzij Goetghebuer zich zou hebben geïnspireerd op een ons onbekend ouder iconografisch document moet deze afbeelding worden beschouwd als een geïdealiseerde reconstructie van een laat-gotische gevel. Immers, nu

a

s

;

é,

m

ÈÊèmm

'' ••' ' i '

9 « CE I

i...„ -,^..tt. J . § a

MAISON D E S M A C O N S . |

.GAND.

jL| i i

ECHEt-LE

'2 < •: ,

\,

i; Jffy

3|Ü

Irrp

^

«lts

i

1

worden in tegenstelling tot de vroegere afbeeldingen de pinakels met hun versiering en de beelden van de Vier Gekroonden wel afgebeeld. De in natuursteen uitgevoerde overgangen tussen de onderste pinakels en de hoekpenanten boven het tweede fries, die reeds bij de gravure van de gebroeders F. & E. Gyselynck onze aandacht hebben getrokken, worden


18

M&L

Gent, Graslei 8, reconstructie van 1912 van de voorgevel van het Metselaarshuis op de plaats van het 14de-eeuwshuis Den Enghel. Deze reconstructie, die deel uitmaakte van het stadsverfraaimgsprogramma voor de wereldtentoonstellingvan 1913, wijkt in verschillende opzichten van het origineel af. (Foto Provinciale Dienst voor het Kunstpatrimonium, Gent)

hier voorgesteld als volutevormige 'oren'. Aan dit detail en de gesculpteerde krullen die de pinakels met de topgevel verbinden zullen wij verder nog enige aandacht moeten besteden. Voortaan zullen de iconografische bronnen geïnspireerd worden door de aquarel van Goetghebuer. Dit is van belang omdat op het tijdstip waarop de latere tekeningen tot stand zijn gekomen de gevel van het Metselaarshuis door de transformatie van 1852 totaal onherkenbaar was geworden. Het volstaat nog even een tekening van F. de Vigne te vermelden, die in 1857 als litho werd gepubliceerd en waaraan de auteur als commentaar toevoegt dat "au moment oü nous l'avons dessiné (...) lafagade était assez dégradée, mais un dessin qui fait partie de la belle collection de Mr Goetghebuer, nous est venu en aide, pour reproduire cette maison dans son état primitif' (29).

HET METSELAARSHUIS - RESTAURATIE EN RECONSTRUCTIE Men dacht nu over voldoende elementen te beschikken op grond waarvan restauratie en reconstructie van de gevel van het Metselaarshuis konden worden verantwoord. Waar de iconografische bronnen twijfel lieten bestaan werd het bouwcontract van 1526 te hulp geroepen. Nochtans bood geen enkele icono-

grafische bron een origineel en gedetailleerd beeld van de grillige contouren van de topgevel en op de oudst gekende afbeelding die de gevel in vooraanzicht weergeeft - de aquarel van J.B. De Noter van 1809 - valt niets meer te bespeuren van de pinakels met hun versiering en beelden. Voor de reconstructie van de voorgevel heeft men zich hoofdzakelijk moeten baseren op de beschrijving in het contract van 1526 en op de aquarel van P.J. Goetghebuer van 1836. Met uitzondering van de achter- en zijgevels en de schaarse nog bewaarde elementen van het interieur, waarvan conservering en restauratie voor rekening van de promotor (30) kwamen, werd bij het opmaken van het restauratiedossier voor de voorgevel wezenlijk onderscheid gemaakt tussen twee gedeelten die een verschillende aanpak vergden. Er was enerzijds het nog bewaard gebleven gedeelte waartoe de halfbovengrondse kelder en de twee verdiepingen behoorden en er was de geveltop die aan de hand van de iconografische bronnen en de bepalingen van het contract van 1526 zou worden gereconstrueerd. De kostprijs voor de subsidieerbare werken was geraamd op 18.265.000,-fr, waarvan 12.595.000,-fr. (exclusief BTW) in aanmerking kwam voor de bepaling van het aandeel van de Vlaamse Gemeenschap (60 %). De restauratiewerken, uitgevoerd door de firma Goedleven uit Brasschaat, werden aangevat op 24 april 1990 en met de voorlopige aanvaarding beëindigd op 28 mei 1991 (31). Na schoring van de gevelopeningen werden de onderdelen in Lediaanse steen verwijderd waarvan de structuur te sterk was aangetast of waarvan basissen, kapitelen en lijstwerk onherstelbaar waren beschadigd. Bij de te zeer beschadigde stenen werd mits reductie van de afmetingen gestreefd naar een maximale recuperatie elders in de gevel. De vensterpenanten die oorspronkelijk met dunne doorlopende schalken waren geleed bleven bewaard; hierin werden gleuven uitgekapt om er nieuwe schalken in te plaatsen. Hiervoor werd Lediaanse steen gebruikt terwijl Anstrude voor het nieuw maaswerk in de panelen van de gevelfriezen werd verwerkt. Voor de overige aan te vullen grote partijen gebruikte men Massangis Roche Jaune en Roche Claire, terwijl deze laatste ook voor parement en schalken in de nieuwe topgevel werd gebruikt. Anstrude werd dan weer gebruikt voor de pinakels, het C-vormig krulwerk en de bekroning van de topgevel. Voor het beeldhouwwerk in de gevelpanelen werden vooraf gipsen modellen vervaardigd waarop rubberen mallen werden gegoten om daarna van deze modellen getrouwe kopieën te beeldhouwen (32). Kleine holten in het parement van de oude gevel, veroorzaakt door


M&L

19

000 1. Gent, Graslei 14, de voorgevel van het gildehuis van de Vrije Schippers, 1530, Voor de bouw van dit gildehuis kreeg Christotfel vanden Berghe de opdracht. 2. Gent, Gouden Leeuwplein 7, voorgevel van het huis DeFonfeme, 1539. Detail van de topgevel met concave C-vormige krullenbelijning. 3. Brugge, Burg, voorgevel van de Griffie, 1534-1537. Detail van de topgevel met concave C-vormige krullenbelijmng. Anders dan de gevelbelijning van het huis De Fonteine te Gent, die de regionale beslagstijl aankondigt, wijst de meer plastisch uitgewerkte vormgeving van de C-vormige krullen hier op een rechtstreekser beïnvloeding door renaissancevormen.

het afkappen voor het aanbrengen van gevelbepleistering, werden opgevuld met steenherstelmortel en iets grotere holten werden aangevuld door het inlijmen van stukjes Lediaanse steen. Ook de koppen en de klauwen van de leeuwen in het wapenschild van de metselaarsnering werden met steenherstelmortel geretoucheerd. Tenslotte zorgde het nafrijnen van gerestaureerde gevelelementen ervoor dat kleinere beschadigingen bij de bewaarde delen van het oude gevelparement nauwelijks zouden opvallen. Als eindafwerking werd een behandeling met natuursteenverharder en met een waterafstotend product voorzien. De oude gevel werd gereinigd met natte verzadigde stoom. Behalve voor de volledige topgevel werd het principe van reconstructie ook toegepast voor de nieuwe, oorspronkelijk in het midden van de gevel geplaatste dubbele trap met doorgang naar de kelder en met smeedijzeren leuning (33), de meeste sculpturen in de gevelpanelen, de reeds vermelde schalken en geprofileerde lijsten en de stenen kruiskozijnen in de vensters (34). De bovenlichten van de kruiskozijnen werden gevuld met glas-in-lood (35), nieuw hangen sluitwerk werd in smeedwerk uitgevoerd naar oud model. De benedenlichten van de kruiskozijnen werden met naar binnen draaiende luiken gesloten (36). De topgevel was het voorwerp van een volledige reconstructie, namelijk de gevel met gesculpteerde panelen, schalken, geprofileerde lijsten en klooster-

kozijnen met naar binnen draaiende luiken, voorts ook de pinakels met hun stenen krulvormige verbindingsstukken (37) en de bekronende beeldengroep. Als versterking van de pinakels werden inoxstaven ingebracht en trekankers verbonden deze pinakels met de dakconstructie. Voor de ongeveer levensgrote morrisbeelden werd in de pinakels een buis geplaatst en een lagersysteem boven de pinakels zorgde ervoor dat de beelden met de wind konden draaien (38). De achterzijde van de nieuwe topgevel werd opgetrokken met baksteen om daarna te worden bepleisterd (39). Voor de voorzijde werd Massangis Roche Claire gebruikt, voor de fijnere textuur van het beeldhouwwerk Anstrude. Als eindafwerking zou ook de topgevel met een waterafstotend produkt worden behandeld. Het principe van reconstructie blijft uit het oogpunt van restauratie-ethiek het voorwerp van tegenspraak en de restauratieve aanpak van de voorgevel van het Metselaarshuis maakte hierop geen uitzondering. Waarom voor een reconstructie werd gekozen en op welke bronnen of bouwsporen men zich hiervoor kon beroepen vergt enige toelichting, i.e. ook verantwoording. • Het door twee leeuwen gehouden blazoen van de metselaarsnering was nog aanwezig doch het wapen van de nering was in 1696 weggekapt toen het huis als herberg De Grave van Egghermont was ingericht (40). Voor de reconstructie ervan heeft men zich


20

M&L

gebaseerd op een houtgravure van de Gentse drukker Pieter de Keysere van 1524 waarop alle schilden van de kleine neringen staan afgebeeld. • De panelen aan weerszijden van dit wapenschild zouden oorspronkelijk de patronen van het ambacht, de Vier Gekroonden Sint-Severinus, Sint-Severianus. Sint-Carpophorus en Sint-Victorinus hebben bevat. Zoals gezegd was niets geweten omtrent hun juiste voorstelling bij de gevel van het Metselaarshuis en werden in de gevel geen bevestigingspunten voor dergelijke beelden aangetroffen, wat voor gevolg had dat geen beelden werden geplaatst en alleen de sokkels werden hersteld (41). • Het bouwcontract schreef voor de versiering van het tweede en derde fries twee leeuwen en een wapen voor. Het zijn deze wapenschilden van de Habsburgers. van Vlaanderen en Gent die bij de verbouwing in 1852 uit de gevel werden weggenomen. De wapenschilden van de Habsburgers, van Vlaanderen en Gent zijn bewaard in het Museum van Stenen Voorwerpen in de voormalige Sint-Baafsabdij. De wapenschilden van Vlaanderen en Gent werden hermaakt en geplaatst in het tweede gevelfries aan weerszijden van het centrale gebeeldhouwde paneel dat onder een gotische veelpasboog de Maagd van Gent voorstelt. Het wapenschild van de Habsburgers werd hermaakt en geplaatst in het centrale paneel van het fries in de topgevel. • Voor het gebeeldhouwde paneel met voorstelling van de Maagd van Gent onder een gotische veelpasboog heeft men zich gebaseerd op de overeenkomst van 1526 en voor de veelpasboog op de aquarel van J.B. De Noter van 1809. Overigens kon de beeldhouwer zich voor de reconstructie van het beeldhouwwerk ook inspireren op het ruitvormig reliëf van de voormalige Spitaalpoort uit 1524 (thans bewaard in het Museum van Stenen Voorwerpen) dat chronologisch en iconografisch erg verwant is met het decoratief programma van de Metselaarsgevel (42). • De panelen links en rechts van het wapen van de Habsburgers zouden volgens het contract worden versierd met de kenspreuk van Karel V "Plus Oultre". Deze kenspreuk op banderol, gecombineerd met twee Herculeszuilen, waarvan een exemplaar wordt bewaard in het Museum van Stenen Voorwerpen, komt ook voor op de gerestaureerde gevel van het gildehuis van de Vrije Schippers aan de Graslei, waarvoor in 1530 Christoffel vanden Berghe als algemeen aannemer optrad (43). Het origineel dat voor de nieuwe panelen model stond is trouwens van deze gevel afkomstig toen hij in 1904 werd gerestaureerd. In zijn advies van 23 november 1987 had het Bestuur Monumenten en Landschappen erop aange-

'SlÉtö^ e

f

9

h

i

*$ >***

^

J

I

2

1 r — ] i——1

4

• m

5

ó

De zeer karakteristieke gevelbelijning van de 16de eeuw heeft in onze gewesten niet zozeer met rechtstreekse invloeden uit de renaissance te maken doch vindt haar wortels in het spel van courbes en contre-courbes gedurende de laatste faze van de gotiek. De ontwikkeling zal in het tweede kwart van de 16de eeuw leiden tot een specifieke vormgeving van vlak uitgewerkte dekstenen waarbij aanvankelijk slechts sporadisch renaissance-elementen worden geïntroduceerd. De schematische tekening stelt de elementen voor waaruit de belijning van 16de-eeuwse gevels in onze gewesten wordt samengesteld. Als basiscomponent kan de kwartcirkelvormige krul worden beschouwd die op een van de uiteinden in ronde of in haakvorm uitloopt en convex (a, c) of concaaf (b, d) geplaatst de door geveltrappen ontstane hoeken opvult. Twee van zulke elementen kunnen worden gecombineerd tot concaaf (e) of convex (f) geplaatste krullen en vormen respec-


M&L

21

tievelijk een holle en bolle gevelbelijning, of ze kunnen tot een bolholle (g) of holbolle (h) belijning worden samengesteld. Tenslotte resulteren de composities in S-vormige (i) of invers S-vormige, aan renaissancevoluten gelijkende klauwstukken (j). Met de kwartronde krul en zijn onder verschillende hoek geplaatste vormen zijn de combinatiemogelijkheden bij onze renaissancegevels quasi onbegrensd. (Tekening Hedwig Van Den Bossche) 2. Gent, Graslei 14. de voorgevel van het gildehuis van de Vrije Schippers, 1530. Detail van de topgevel met gebogen verbindingsstuk tussen pinakels en geveltopversiering. (Foto Bestuur Monumenten en Landschappen) 3. Gent, Gouden Leeuwplein 7, topgevel van het huis De Fonteins. 1539. Detail met concave C-vormige krullenbelijning. Met zijn vlakke bandvormige behandeling van de dekstenen kondigt de gevel reeds de ornamentele beslagstijtaan van de tweede helft van de 16de eeuw. Tevens is deze gevel het oudst gekende specimen van de karakteristieke renaissancekiokgevels in onze gewesten. (Foto Bestuur Monumenten en Landschappen) 4. Gent, Cataloniëstraat 1, de voorgevel van het Metselaarshuis. Aquarel van P.J. Goetghebuer, 1836. Detail met volytevormige beëindiging op een gevelschouder en een als volute afgebeelde C-vormige krul tussen pinakels. (Foto SAG., Atlas Goetghebuer, 85/23a). Blijkbaar kon P.J. Goetghebuer voor de vormgeving van deze krullen geen laat-gotisch equivalent bedenken. Toch is het merkwaardig dat hij zich voor de reconstructie van een uitgesproken laat-gotische architectuur op renaissancevormen heeft gebaseerd. 5. Gent, Cataloniëstraat 1. de voorgevel van het Metselaarshuis. Detail met C-vormige krul tussen twee pinakels. (Foto Bestuur Monumenten en Landschappen)

Brugge, Burg, topgevel van de Griffie, 1534-1537. Detail met concave C-vormige krullen. Anders dan het huis De Fonteineie Gent lijkt de vormgeving hier rechtstreeks ontleend aan renaissancevoorbeelden. (Foto Bestuur Monumenten en Landschappen)

drongen te onderzoeken of de concave C-vormige krulverbindingen tussen de pinakels en de gevelpartij (44) ook met een bijkomende contre-courbe konden worden gecombineerd, een oplossing waardoor de geprofileerde ring bij de pinakels zou komen te vervallen. Dit alternatief werd niet alleen uit constructief doch ook uit stilistisch oogpunt meer verantwoord geacht daar een combinatie van boog (concave C-krul) en tegenboog (gehalveerde convexe C-krul) stilistisch beter bij de zeer late gotische vormentaal zou thuis horen als voorloper van de iets later opduikende in- en uitzwenkende renaissancegevelbelijningen. Ofschoon dit voorstel wegens gebrek aan materiële getuigen tenslotte niet werd weerhouden is het toch nuttig even stil te staan bij dit stilistisch aspect van de gevel van het Metselaarshuis. Het is immers opmerkelijk hoe P.J. Goetghebuer bij zijn aquarel van 1836 de krulvormige verbindingsstukken tussen de topgevel en de pinakels weergeeft als duidelijk door de renaissancestijl geïnspireerde voluten. Hiertegen zou men een gebrekkige kennis van de gotische vormentaal kunnen inbrengen, aangezien op het tijdstip waarop de aquarel tot stand kwam deze elementen en de pinakels reeds waren verdwenen. Nochtans blijkt uit andere details dat P.J. Goetghebuer wel degelijk in staat was gotische stijlvormen te tekenen ofte ontwerpen, wat blijkt uit het laat-gotisch maaswerk van de borstwering van de trappenpui. Wij merkten reeds met betrekking tot de steendruk van de gebroeders F. en E. Gyselynck van omstreeks 1833 de aanwezigheid op van overigens vaag aangeduide verbindingsstukken tussen de gevelschouders en de onderste pinakels. Ook deze elementen worden nu door P.J. Goetghebuer in een duidelijke renaissancevorm vertaald, namelijk als volutevormige 'oortjes'. Aangezien op de aquarel van J.B. De Noter uit 1809 deze elementen niet staan afgebeeld is het - voor zover deze aquarel inzake dit detail de werkelijkheid weergeeft - niet ondenkbaar dat Goetghebuer zich heeft gebaseerd op de steendruk van 1833. De vraag blijft desalniettemin intrigerend waarom Goetghebuer bij een overigens compleet laat-gotische gevel enkele elementen met renaissancevormen heeft geïntroduceerd (45). H.-R. Hitchcock brengt het huis De Fonteine van 1539 aan het Gouden Leeuwplein te Gent met zijn door S-vormige en concave C-vormige krullen samengestelde gevelbelijning in verband met het Metselaarshuis (46). Zijn de concave C-vormige krullen bij het Metselaarshuis als voorlopers te beschouwen van de C-vormige en S-vormige gevelbelijning die de ontwikkeling van de renaissancegevels tot laat in de 16de eeuw zal bepalen? Convexe C-krullen ontbreken bij de van 1530 date-


22

M&L

frl 'i/'v

-

ii 11

^4 ••e

• 9mmtt0Êmmm^fmKmm

•f

^<>

rende gevel van het gildehuis van de Vrije Schippers aan de Graslei waar echter wel geprofileerd lijstwerk met een zwak geprononceerde S-vormige belijning voorkomt (47). Mede door de aanwezigheid van uitgesproken renaissancevormen bij concave C-vormige krulmotieven en voluten neemt de topgevel van de Griffie te Brugge (ontworpen door Jean Wallot in 1534-1535 en voltooid door Christiaan Sixdeniers in 1537) echter een uitzonderlijke plaats in (48), terwijl anderzijds de vlakke uitwerking van de elementen van de gevelbelijning bij het huis De Fonteine te Gent reeds de beslagstijl van de tweede helft van de 16de eeuw lijkt aan te kondigen. Ofschoon er behalve de aquarel van P.J. Goetghebuer geen bewijzen voorhanden zijn dat men zich voor de verbindingsstukken tussen de topgevel en de pinakels van het Metselaarshuis van de nieuwe renaissancevormen zou hebben bediend is toch enige aarzeling merkbaar in de uitvoering van de gereconstrueerde krulomamenten. Deze onzekerheid omtrent de vormgeving van de oorspronkelijk waarschijnlijk wel hybridische elementen uit zich in een te vlakke uitwerking van de bladmotieven die tegen bolvormige 'krullen' als het ware liggen aangedrukt. Een apart probleem was de bekroning van de pinakels met beelden die de "mauweryssis dans" moesten uitbeelden. Aangezien dit in de overeenkomst van 1526 niet verder wordt toegelicht moet dit thema toen voldoende bekend zijn geweest. Of met "...daerboven upde capeteelen den mauweryssis dans..." pinakels dan wel geveltrappen werd bedoeld valt niet uit te maken. "Capeteelen", afgeleid van caput (hoofd) wordt hier gebruikt in de algemene betekenis van bekroning, terwijl geveltrappen in sommige documenten ook als "canteelen " worden aangeduid (49). Zeker is alleen dat de metselaarsnering haar huis wilde bekroond zien met de voorstelling van een groepsdans aangezien er meerdere (namelijk zes) pinakels waren (50). In de overgangstijd van middeleeuwen naar renaissance overheersten als groepsdans vooral de rondedans en de wapendans. Tot deze wapendans, die het schijngevecht als voornaamste element kende, behoorde de Engelse morris, die met stokken of zwaarden werd gedanst en waarbij een vergelijking met de Spaanse morisca, waarin gevechten van Christenen tegen Moren (Moriscos) werden nagebootst, voor de hand lijkt te liggen (51). De voorgevel van het Metselaarshuis volgens de restauratie- en reconstructietekening, ontworpen door de Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie. De morrisbeelden, geïnspireerd op Duitse voorbeelden, waren aanvankelijk voorzien in volplastisch brons (daarna polyester) en zouden worden gepolychromeerd. (Tekening en foto Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie)


M&L

Detail van de morrisbeelden, gezicht vanaf het koor van de SintNlklaaskerk: 'de diabolische dans tot een intrigerend schimmenspel ven/lakt." (G. Van Doorne (zie bijschrift p. 2; 18)). (Foto 0. Pauwels)

23

Het bleef echter gissen hoe deze beeldengroep - zo hij al werd geplaatst - er bij het Metselaarshuis uit moet hebben gezien, want geen van de ons bekende iconografische bronnen beeldt een dergelijke beeldengroep op de gevel af. Voor de beelden ging de Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie aanvankelijk te rade bij gekende, voornamelijk Duitse afbeeldingen van dit thema uit dezelfde periode (52) en liet bovendien een fraaie ingekleurde tekening vervaardigen van de gevel van het Metselaarshuis zoals hij er na reconstructie zou uitzien met een op dergelijke afbeeldingen geïnspireerde gepolychromeerde beeldengroep. Deze beelden zouden aanvankelijk in volplastisch brons maar nadien in een lichtere kunststof (polyester) worden uitgevoerd. De terughoudendheid door het Bestuur Monumenten en Landschappen om deze geheel hypothetische reconstructie te subsidiëren heeft het stadsbestuur tenslotte voor een minder dure oplossing doen kiezen. Aldus kreeg beeldhouwer Walter De Buck de opdracht om zes dansers te vervaardigen in rood koper, zonder verdere polychrome afwerking. Daarna zouden deze beelden op de pinakels worden geplaatst met toevoeging van het mechanisme waardoor ze op de wind konden draaien. Heel terecht merkt G. Van Doorne op dat bij tegenlicht (de voorgevel is noord georiënteerd) of in de schemering de diabolische dans tot een intrigerend schimmenspel vervlakt (53).

HET METSELAARSHUIS KUNSTHISTORISCH EN HISTORISCH Anders dan in Engeland en de Duitse gebieden, waar respectievelijk met de Perpendicular Style en de Sondergotik de gotische architectuur een nieuw elan

Detail van een concaaf C-vormig krulornament tussen de pinakels. Uit de vlak tegen de bolvormige uitlopers aangedrukte bladversiering blijkt de onzekerheid bij de reconstructie omtrent de laatgotische vormgeving. (Foto Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie)

kende, gaf de gotiek in onze gewesten gedurende de eerste decennia van de 16de eeuw een beeld van stagnatie. De bouwwerven van grote kerken, aangevat in de voorbije eeuwen, werden vaak met langdurige onderbrekingen - een enkele keer zelfs tot diep in de 17de eeuw - voortgezet in de stijl van de Brabantse laat-gotiek (54). Op enkele uitzonderingen na - het schip van de kathedraal te 's Hertogenbosch (1501-1522) en de spits van de linker kathedraaltoren te Antwerpen (1502-1521) - stelt men vast dat, anders dan bij de profane architectuur, in deze ultieme faze van de gotiek weinig of geen nieuwe en eigen karakteristieken aan bod komen. Bij de profane bouwkunst werd de Brabantse gotiek, die nog tot in het derde decennium van de 16de eeuw de gangbare bouwstijl bleef, vooral vertegenwoordigd door het steenhouwersgeslacht Keldermans (55). Enige nieuwigheid uit zich nagenoeg uitsluitend in de vrijheid en virtuositeit waarmee aan steeds ingewikkelder profileringen en maaswerken gestalte wordt gegeven. Gecombineerd met vaak overhoeks geplaatste, gebogen, gecompliceerde en fantasierijk samengestelde bouwonderdelen, waaier-, kiel- en gordijnbogen, bedekt en versluiert het maaswerk, dat zich van 'doctrinaire' grondslagen en traceringen heeft afgewend als een kantwerk de


M&L

architectonische opbouw. Door zijn ornamentiek klinkt bij de topgevel van het Gentse Metselaarshuis iets van een dergelijk filigraanachtig concept na. Met de gevel van het gildehuis van de Vrije Schippers behoort de gevel van het Metselaarshuis wellicht tot de laatste exponenten van deze ultieme faze van de gotiek. Overigens staat het auteurschap van de gevel van het Metselaarshuis niet vast. M. Daem onderzocht aan de hand van het bouwcontract de rol van de verschillende partijen. Zo was Christoffel vanden Berghe in 1521 en 1522 stedelijke landmeter, in 1525 deken van de metselaarsnering, alsook het jaar daarop, doch dan werd hij bijgestaan door medebestuurslid Lievin van Male aan wie de voltooiing van de gevelversiering werd toevertrouwd. Als vertegenwoordiger van de metselaarsnering is hij te beschouwen als de coördinerende aannemer van de bouwwerf, niet als architect. In 1530 ontmoeten wij hem opnieuw als algemeen aannemer van de bouw van het gildehuis van de Vrije Schippers (56). Dat de bouwplannen van de gevel van het Metselaarshuis aan Christoffel vanden Berghe zouden moeten worden toegeschreven blijkt dus allerminst uit het contract. Bronnenonderzoek van laatmiddeleeuwse bouwcontracten laat R. Meischke onder meer besluiten dat de aanstellingscontracten van de meesters meer de nadruk leggen op de praktische bouwleiding dan op het werk aan de tekentafel (57) en dat dergelijke contracten vrijwel nooit vermelden wie het ontwerp heeft geleverd aangezien dit was begrepen in het totaal van de overeengekomen prijs (58). De pralerige gevel van het Metselaarshuis staat in een schril contrast met de economische werkelijkheid van die jaren, in het bijzonder te Gent. Niet alleen was er de zich reeds sinds de 15de eeuw doorzettende teloorgang van de stedelijke autonomie, doch ook economisch beleefde de stad een sterke achteruitgang die zich door haar economische monocultuur vooral in de textielnijverheid liet voelen. Het protectionisme, een verouderd corporatief systeem en het streven naar een monopolie over de economische activiteiten hadden uiteindelijk geculmineerd in een verstarde ambachtelijke structuur. In het begin van de 16de eeuw was de tendens naar erfelijkheid van het ambacht waardoor men buitenstaanders buitensloot ook bij de metselaars doorgedrongen. Daarentegen waren in de 15de en eerste helft van de 16de eeuw de Vrije Schippers door de privileges van het stapelrecht en het lastbreken uitgegroeid tot het machtigste en rijkste ambacht van de stad (59). Beide rijkelijk versierde gevels van Gentse ambachts-

gilden - van het Metselaarshuis en van de Vrije Schippers - slechts met enkele jaren verschil gerealiseerd, weerspiegelen dus niet een zelfde economische situatie. Verstarde structuur van de Metselaarsgilde naast voorspoed voor de gilde van de Vrije Schippers uiten zich geenszins door een gedifferentieerde architectuur, want voor geen van beide gildehuizen werd op kosten bespaard. De pronkgevel van het Metselaarshuis geeft wel een misleidend beeld van de economische realiteit: het is de met pauweveren versluierde zwanezang van een eertijds economisch bloeiend tijdperk.

ANTICLIMAX VAN EEN NIEUWBOUW De overeenkomst tussen de stad Gent en de N.V Cogérim bepaalde dat niet alleen de restauratie doch ook de bij het Metselaarshuis op te richten nieuwbouw tot stand zou komen in overleg met de stedelijke diensten. Door de bescherming van het pand werd dan ook het Bestuur Monumenten en Landschappen bij de voorbereidende besprekingen aangaande deze nieuwbouw betrokken. Dat de verwachtingen omtrent de nieuwbouw aanvankelijk wel hoog gespannen waren blijkt uit de wens van de Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie dat een eigentijdse architectuur dezelfde artistieke waarden zou weerspiegelen als de voorgevel van het Metselaarshuis. Heel correct dus werd van meet af aan afstand genomen van een archaïserende of historiserende invularchitectuur en werd een nieuwbouwconcept verwacht dat met de kwaliteiten van het monument kon wedijveren. Van dit optimisme is weinig terug te vinden in het artikel van M. Daem die met betrekking tot de werken die dan reeds zijn aangevat moet toegeven dat het publiek tegen de renovatie negatief aankijkt, ofschoon het gunstiger wordt gestemd naarmate de laatgotische gevel herrijst (60). Van enige behoedzaamheid in de beoordeling zal later in de pers echter niets meer te merken zijn. De bouwaanvraag van de N.V. Cogérim, een ontwerp van het studiebureau G & D Bontinck, was aanvankelijk ongunstig geadviseerd. Het project voor het optrekken van nieuwbouw voor handel, kantoren en bewoning zou enkele meters achter de voorgevel van het Metselaarshuis worden ingeplant en aldus voor, achter en over het grootste deel van het oude pand heen worden gerealiseerd, waardoor het Metselaarshuis op zijn voorgevel na vrijwel geheel in de nieuwbouw zou worden ingekapseld. Aangezien op dat ogenblik de eigendom nog niet door de N.V. Cogérim was aangekocht en de promotor vóór het einde van het jaar 1988 over een princi-


M&L

25

pieel akkoord aangaande een herwerkt bouwdossier wenste te beschikken, werden de opmerkingen en bezwaren door de verschillende instanties op 7 december van datzelfde jaar bij hoogdringendheid in een plenaire vergadering besproken, waarna men kwam tot de hierna genoemde conclusies. • De hoogte van het dakvolume zal worden beperkt tot 16,10 m in plaats van 18,20 m. Teneinde de maximum toegelaten hoogte niet te overschrijden zal geen liftmachinekamer boven het dak van het appartement worden gebouwd. Wel wordt een met 1,10 m verhoogd beglaasd volume boven het appartement aanvaard "wegens de hogere esthetische kwaliteiten". • Het aantal ondergrondse parkeerplaatsen wordt van 22 tot 16 herleid. • De oude zijgevel langs de Sint-Niklaasstraat zal integraal bewaard blijven en in het beschermd pand mogen geen structurele elementen voor de nieuwbouw worden ingewerkt. • De oude zijgevel zal over zijn volledige lengte vrijstaand blijven door de strook grond ervoor als een verbreed voetpad onbebouwd te laten. Wel kan deze strook worden overdekt vanaf de tweede verdieping zodat de steunkolommen over het voetpad een galerij zullen vormen. • De onderbouw van de gevel van het nieuwbouwgedeelte moet een sterker uitgewerkte architecturale expressie krijgen. • Bij de voor de nieuwbouw te plaatsen beglaasde wand zal neutraal reflecterend glas worden gebruikt. • De betonnen kolommen waarop de over het voetpad kragende verdiepingen van de nieuwbouw rusten zullen in inox-kleur worden geschilderd. In een schril contrast met een weloverwogen en behoedzame voorbereiding van het restauratiedossier staat de haast waarmee de bouwaanvraag moest worden afgehandeld. De promotor hanteerde zijn streefdatum als een conditio sine qua non waarbij hij in geval van een weigering definitief zou afzien van zijn optie tot verwerving van de eigendom. Zonder herbestemming van het beschermde pand zouden restauratie en reconstructie van dus enkel de gevel van het Metselaarshuis zinloos zijn en zou men uiteindelijk geen stap verder staan dan in 1976, toen alles was begonnen. Een uitvoerige beschrijving van de nieuwbouw valt buiten het kader van deze bijdrage. Toch kunnen zijn meest in het oog springende eigenschappen niet onvermeld blijven. Vooreerst is er het netwerk van prismatische structuren van stalen buizen die twee verdiepingen hoog over een beglaasde gevelwand is gespannen doch die geen constructieve functie vervullen. Dan is er de glaswand zelf die zich door

reflectie van de tegenoverliggende straatwand materialiseert en waarboven op dakhoogte een reeks als puntgeveltjes uitgewerkte dakvensters uitsteken als elementen van een veeleer landelijk aandoende architectuur. Het in zijn bovenste geleding beglaasde en afgeknotte schilddak slaagt er niet in de indruk weg te nemen van een bij de omgeving te dominant gabariet, want de constructie die de glaspartijen omvat zorgt voor een toch goed waarneembare contour. De betonnen kolommen die in één beweging tot halfweg het dakvolume opschieten en waaraan de eerder genoemde voorhang van stalen buizencombinaties is opgehangen, moeten door hun blauwe beschildering de illusie van staal wekken. Laten wij tenslotte ook niet onvermeld het toch wel grappige resultaat van een gerestaureerd Metselaarshuis dat als bij verrassing even uit een glazen cocon komt gluren. Werd de reconstructie van de voorgevel van het Metselaarshuis door de publieke opinie vrij goed onthaald, het nieuwbouwproject daarentegen kreeg unaniem een slechte pers. Niet ten onrechte werd de nieuwbouw die "schrijlings op het Metselaarshuis" zit als "een voorbeeld van partoeze-architectuur" beschimpt (61). Elders wordt het "een beschamende vertoning" genoemd, gevolg van "een compromis (...) dat al bij de geboorte een miskraam zou opleveren", een "visuele bedriegerij" en etn "ondermaatse travestie" (62). Terloops moet worden gezegd dat ook de reconstructie van de gevel van het Metselaarshuis in de ogen van de hier geciteerde auteurs geen genade vindt. Ook de man in de straat liet zich niet onbetuigd in zijn kritiek op de nieuwbouw. Zo noteerden wij uitspraken als: "Het wordt misschien nog wat nadat de steigers (bedoeld zijn de opgehangen stalen structuur en de betonnen kolommen) zullen verwijderd zijn" of: "De 'Beau Bourg' van Gent". M.-C. Laleman stelt vast dat "de algemene publieke opinie zich eerder lovend uitspreekt voor de anno 1990 erg gedurfde reconstructie, terwijl het behoud en de herwaardering van de middeleeuwse resten, evenals de koppeling met de eigentijdse nieuwbouw fel worden aangevallen " en stelt zich hierbij de vraag "in hoeverre men de doorgaans niet of weinig voorgelichte publieke opinie moet laten doorwegen in de beleidsvorming die toch ook zou moeten rekening houden met het vernieuwend basiswerk dat door gespecialiseerde en ervaren vorsers te velde wordt verricht" en of "de fout (ligt) bij de onderzoekers die hun werk en verworvenheden te weinig bekend maken, waardoor er ook geen doorstroming is naar het grote publiek " (63). Dit laatste snijdt ongetwijfeld hout voor zover de


26

M&L

echter meteen duidelijk zal zijn dat de restauratieopties er globaal mee in tegenspraak zijn, houdt ons besluit meer dan een duiding een verantwoording in waarom hier dan toch restauratiebeginselen werden gehuldigd die thans algemeen als achterhaald en zelfs uit wetenschappelijk oogpunt als twijfelachtig worden beschouwd.

Gent, Cataloniêstraat 1, het Metselaarshuis en de nieuwbouw in de Sint-Niklaasstraat. De vroeggotische kern van het pand dat in de 15de eeuw het gildehuis van het Metselaarsambacht werd, wordt als het ware opgeslorpt door het hedendaagse volume met zijn schijnbaar hightech gevelstructuur. (Foto 0. Pauwels)

Laat ons vooreerst de toestand beschouwen waarin het Metselaarshuis zich vertoonde voor en na de verwijdering van het 19de-eeuws gevelpleisterwerk. Het Charter stelt dat waardevolle toevoegingen uit welke tijd ook dienen gerespecteerd te worden omdat een restauratie geen stijleenheid nastreeft. Niemand zal betwisten dat de 19de-eeuwse verminkingen en verbouwingen, waarvan ook de gevelbepleistering deel uitmaakte, bezwaarlijk als waardevolle toevoegingen konden worden beschouwd. Maar wat te doen nadat de gevel van zijn bepleistering was ontdaan? Toen werd men immers geconfronteerd met een vroeg-16de-eeuwse maar sterk beschadigde constructie in natuursteen die bovendien slechts een overblijfsel was van een groter geheel. Aangezien het Charter instandhouding door conservering prioritair stelt boven restauratie en reconstructie (in deze volgorde) en dit laatste zelfs verwerpt zou in principe aan sterk beschadigde en ontbrekende constructieve onderdelen niets in de stijl van het geheel kunnen worden toegevoegd publieke opinie niet werd gevormd door voorkennis zonder het risico te lopen in een pastiche te vervallen. van de door onze bijdrage geschetste problemen en Kon het behoud zonder meer van een reeds conflicten, hoewel zelfs met deze kennis de publieke 'onthoofde' gevel met zijn pokdalig natuurstenen opinie zich geen gunstiger beeld van de nieuwbouw parement worden verantwoord? Door haar ligging in zou hebben gevormd. de oude binnenstad en de nabijheid van de monuIn middens van monumentenzorg wordt de kritiek mentale Sint-Niklaaskerk leek conservering van een echter nog tot het gehele project uitgebreid, dus met ruïne niet de aangewezen oplossing te zijn en boveninbegrip van de restauratie en de reconstructie van dien zou het bestendigen van een open wonde in het de voorgevel. Begrippen als "vieux muf' en "faux oude stadsbeeld het zoeken naar een bestemming - al moderne" illustreren de onmogelijkheid om een dan niet nuttig voor de gemeenschap, zoals het "monumentenzorg volgens het wederopbouwprincipe" Charter voorziet - allerminst aanmoedigen. Zou een te verzoenen met een goede integratiearchitectuur minimalistische optie, louter instandhouding van een (64). Wie geen rekening houdt met de specifieke verminkte voorgevel dus, het ontgoochelend resulproblemen die tot de gedoodverfde restauratiekeuze taat moeten zijn van een aanvankelijk gecreëerd hebben geleid komt er onvermijdelijk toe a priori de juridisch probleem en jarenlange moeizame onderrestauratie en de reconstructie van de gevel van het handelingen? Metselaarshuis compromisloos af te wijzen als "eenfagade (...) voor een 'Ancienne Belgique' op de De keuze om op basis van bouwsporen in situ en met Wereldtentoonstelling van 1935" (65). behulp van iconografische bronnen beschadigde en ontbrekende elementen respectievelijk bij te werken en te reconstrueren werd door deze overwegingen TOT BESLUIT - HET METSELAARSHUIS EN gemotiveerd. DE RESTAURATIE-ETHIEK Laat ons vervolgens de optie beschouwen om tot reconstructie van de verdwenen topgevel over te Terugblikkend op de restauratie van het Metselaarsgaan. Kon het niet volstaan zich tot de restauratie huis is het nuttig deze tot besluit te toetsen aan de van de bewaarde gevelpartij te beperken zonder de voorschriften van het Charter van Venetië. Daar het


M&L

27

topgevel hoeven te reconstrueren? Wegens de expliciete verwerping door het Charter van Venetië van hypothetische reconstructies begaf men zich door de beslissing om de gehele topgevel herop te bouwen bewust op restauratie-ethisch glad ijs. Immers, de iconografische bronnen en de bouwovereenkomst van 1526 boden onvoldoende wetenschappelijk sluitende gegevens om de gevel ook tot in zijn kleinste detail werkelijkheidsgetrouw te reconstrueren. Anderzijds werd aan de bekronende beeldengroep van de morrisdans nadrukkelijk vorm gegeven als een herkenbare, eigentijdse creatieve toets die toch harmonieert met het silhouet van de topgevel. Ook hier hebben - ongeacht de historische waarde van het pand - een juridisch toch aanvechtbare beslissing tot stillegging van een aanvankelijk toegestane sloping, meer dan tien jaar aanslepende discussies en belangenconflicten, zienderogen toenemende aftakeling van het gebouw, onvermogen van de overheid om van de eigenaar onmiddellijke instandhoudingswerken te doen uitvoeren en niet in het minst de grote historische en artistieke waarde van de voorgevel van het Metselaarshuis tenslotte tot de keuze van reconstructie geleid. Geheel in tegenspraak met de richtlijnen van het Charter van Venetië lijkt de uitbreiding van het oorspronkelijk volume met een nieuwbouw te zijn, waarbij het traditionele kader niet werd gerespecteerd. De vraag of dit traditionele kader nog wel voorhanden was moet echter ontkennend worden beantwoord aangezien de oude bebouwing zowel achter het Metselaarshuis als aan de overzijde van de Sint-Niklaasstraat niet meer bestaat en de zijgevel van het Metselaarshuis tot 1897 vrij heeft gestaan. Het ontbreken van een traditioneel kader houdt evenwel niet in dat aan nieuwbouw in de onmiddellijke omgeving van een beschermd monument geen eisen inzake integratiekwaliteiten hoeven te worden gesteld. Dat het met de nieuwbouw anders is gelopen dan werd verhoopt is ons inziens vooral te verklaren door de twee 'snelheden' waarmee enerzijds het restauratiedossier en anderzijds het nieuwbouwontwerp zijn tot stand gekomen. Tegenover het grondig onderzoek en het afwegen van mogelijke restauratie-opties stond een onder tijdsdwang overhaast ontworpen nieuwbouwproject. Een tweede, zoniet nog belangrijkere oorzaak is het onvermogen tot inleving van ontwerpers van nieuwbouw in de intrinsieke waarde van het monument, een vaardigheid die niet in een handomdraai wordt gepresteerd en dus over het algemeen ontbreekt wanneer bij restauraties het aspect nieuwbouw om de hoek komt kijken. Deze toetsing aan de bepalingen van het Charter van

Venetië is geen poging tot rehabilitatie van omstreden opties. Het zou trouwens een illusie zijn te verwachten dat hiermede achter de controverse een punt is geplaatst. De voorschriften van het Charter van Venetië vatten als een handvest de restauratie-ethiek samen en ruimen een bijzondere plaats in voor het bouwhistorisch onderzoek; zij zijn een betrouwbare en bruikbare gids voor de globale restauratieproblematiek maar anticiperen als zodanig niet op bijzondere problemen die door uitzonderlijke omstandigheden kunnen worden veroorzaakt. De uitzonderlijke omstandigheden die bij het Metselaarshuis tot het gekende resultaat hebben geleid hebben wij in deze bijdrage willen belichten. Ze is allerminst een oratio pro domo om verkeerd ingeschatte problemen nadien goed te praten, doch poogt te verklaren waarom deze restauratieve aanpak door eenmalig bijzondere omstandigheden naar onze overtuiging een aanvaardbaar alternatief is geweest.

VOETNOTEN (1)

(2)

(3)

(4)

(5)

(6)

(7)

(8) (9) (10)

(11)

De reconstructie, uitgevoerd in het kader van een grootscheepse stadsverfraaiing voor de Wereldtentoonstelling van 1913. wijkt op een aantal details af van het origineel, zoals een toegevoegde derde bouwlaag, een verplaatste inkompartij en een afbeelding in de geveltop van een geknielde engel met banderol die het opschrift "Den Enghel" draagt. Verslag Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg, vergaderingvan 19januari 1977. Archief Bestuur Monumenten en Landschappen, dossier nr. 564. Verslag Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg. 31 oktober 1977. Archief Bestuur Monumenten en Landschappen, dossier nr. 564. Zitting van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van 22 mei 1980. Archief Bestuur Monumenten en Landschappen, dossier nr. 564. Brief van 22 juni 1982 van de 5de Directie Werken van de stad Gent. Archief Bestuur Monumenten en Landschappen, dossier nr. 564. Brief van 21 augustus 1985 van het Bestuur Monumenten en Landschappen aan het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Gent. Archief Bestuur Monumenten en Landschappen, dossier nr. 564. Brief van 7 oktober 1985 van het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Gent aan het Bestuur Monumenten en Landschappen. Archief Bestuur Monumenten en Landschappen, dossier nr. 564. Vergadering van 18 december 1986. Archief Bestuur Monumenten en Landschappen, dossier nr. 564. College van Burgemeester en Schepenen van de stad Gent, zitting van 15 januari 1987. De eigendomsoverdracht van de voorgevel werd goedgekeurd door het College van Burgemeester en Schepenen in zitting van 3 september 1987 en door de Gouverneur (brief van 27 oktober 1987) onder de opschortende voorwaarde van het bekomen van een vaste belofte van toelage voor de restauratie van de voorgevel. De akte van voorkoop was intussen tot 31 december 1987 verlengd. Van Doome G.. Neringhuis van de Gentse metselaars. Cataloniëslraat, in Stadsarcheologie, Gent, 1977, jrg. 1, nr. 1, p. 11-21. Daem M.. Contract van gevelversiering Metselaarshuis, 1526. in Ghendtsche Tydinghen. Tweemaandelijks Tijdschrift van de Heemkundige en Historische Kring "Gent" v.z.w., 19de jaargang, 1990, nr. 6 p. 341-355.


M&L

(12)

(13)

(14)

(15)

Wij danken Geert Van Doome en zijn medewerkers Dirk Boncquet en Guido Everaert voor gegevens omtrent de iconografie van de gevel van het Metselaarshuis. De vrijstaande oostelijke zijmuur en achtergevel zijn ter hoogte van het straatniveau gemiddeld 1.30 m dik. De gemene muur ten westen varieert van 0,60 m tot 0.80 m dikte. G. Van Doome: o.c, p. 11-12. "de Roede Deure. staende up den houc van der Crommer Steghe" (S.A.G.. Keure 1404-05, P 34); 'Pieten huus van Assenbrouc dat men heel de Roede Deure" (S.AG. Keure 1406-07. f° 61); "een huus metten een-en ... up sente Niclaeus keerchof, qheheeten de Roode Deure" (S.A.G.. Keure 1431-32. f0 79 v0). "vercocht... Janne Hudgebaut, deken van den metsen, ter neeringhen bouf..." (S.AG., Keure 1431-32, P 79 v0) F. De Smidt, De kapel van de metselaarsnering in de SmlNiklaaskerk te Cent. Brussel. 1973. p. 17. "Upden I8en dach van decembre 1526 waren vergadert in Werregaerne up de Hooghe Poort, daer meestere Lievin van Male ende Laureins vanden Berghe ghenomen hebben jeghens meestere Christoffels vanden Berghe. omme te volmakene vander metsen huus. vanden ghevele alsvooren vanden viercante upwaerl naer den heesch vanden weercke ofte patrone. betere ende niet erghere: ende voort zo es bespreek alsdat meestere Lievin ende Laureyns leveren moeten van goeden wytten steenen. tusschen den dach alsboven ende Paesschen naestcommende veertienachten vooren ofte naer ombegrepen zonder faute oft hergher lyst, zo dotter de werlieden gheen ghehrec af en hebhen: ende voort zo es besprec alsdat de vyf paneelen moeten ghemaect zijn up huerlieder leghere igroefleger) van laghen ende al dese paneelen bet ghestoffeert ende weerckelyc es. ende et middel paneel ghestoffeert met eener repiyseft eender husbeere alzo den koudere heet den dekyn besteedt hebben te makene. ende de 3 scilden verheven alzo wel de leeuwen als de wapene wel ende werckelyc: ende voort zo hebben zylieden belooft meestere Lievin ende Laureyns te curtene ende te linghene int stellen eyst nood es. ende daerboven upde capeteelenffT den mauweryssis dans van zulke hoogde als myn dekyn ghenomen heeft jeghens der neeringhe. ende inden twee panelen en elc een plum oultre weid ende werckelyc: ende ditte hebben zij ghenomen omme de somme van 23 lb.gr.. ende dan noch 7lb.gr. te alfvastenen naestcommende. ende de reste te vuldoene vanden weercke: ende voort zo es besprec als dat meestere Lievin ende Laureyns thuerlieden voordeele hebben zullen de comescepen die myn dekyn ghedaen heeft jeghens de voorseide personen: te wetene jeghens Ronboul de Boe: Pieter Impins ende Arend de Smet. metgaders over te legghene dat myn deken hy daer omme verleyt heeft, ende voort zo heeft meestere Christoffels verleyt in ghelaghe 16 s. 5rf.gr.,waerafdat meestere Lievyn ende Lauwereyns te huerlieden laste comt vanden eersten paymente afslech doende 10 s. 6 d.gr. Actum den 2en octobre 1527". S.A.G., reeks 301, nr. 83. Keure. 1527-28. f 30.

t veertienachten^ een tijd van veertien dagen, gewone bepaling van een termijn in rechte; ft repryse= overkragende boog; f t t capeteelen= trappen van de geveltop met hun fialen. (16) Voorde 16de-eeuwse bouwcampagne zie Van Doome G.. o.c. p. 13 e.v. (17) Wij noemen hier eerste verdieping het eigenlijke gelijkvloers boven de half bovengrondse kelder. (18) In beide kamers aan de straatzijde werden sporen ontdekt van muurpolychromie. De muren van de westelijke kamer waren geheel zwart geschilderd, wat laat vermoeden dat het hier een rouwkamer betrof. De wanden van de oostelijke kamer waren versierd met een zwarte plint waarboven een fries van donkerrode bloemen op okergele achtergrond, gevat in kaders en bovenaan afgeboord met een schuingearceerde lijst in rode kleur. Het grootste deel van deze wanden was bedekt met vertikale banden, gescheiden door zwarte strepen en alternerend lichtgrijs, okergeel. bruinrood en vleeskleurig geschilderd. Tenslotte was tegen de zoldering nog een zwarte boord geschilderd. Uit enkele bouwkundige kenmerken kon worden afgeleid dat de tussenmuren van de eerste verdieping pas na de voltooiing van de voorgevel en de plaatsing van de balkenlagen werden opgetrokken.

(19)

(20)

(21)

(22) (23)

(24)

(25) (26)

(27) (28) (29) (30)

(31) (32)

(33)

Van Doome G., o.c. p. 19. Dat resten van polychrome interieurafwerking toen nog niet a priori als waardevol werden beschouwd bewijst het verslag van 31 oktober 1977 betreffende de stabiliteit en de bouwhistorische waarde waarbij de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg van oordeel was dat de resten van de muurschilderingen in het Metselaarshuis niet bewaard dienden te blijven. Nota door Beatrix Baillieul, wetenschappelijk medewerkster van de Dienst Monumentenzorg van de stad Gent, 14 maart 1983. Zie ook Daem M.. o.c. p. 347-352. Dit gebeurde in uitvoering van de Carolijnse Concessie. Reeds in 1551 werd het opnieuw verkocht, waarbij in de akte de ligging van het pand wordt omschreven als "... staende te(n) voorhoofde jeghens over S(m)te Niclaus keerchof thouchuus zvnde vander crom(m)esteghe die daer neffens streckt ter eender zyde ..." (S.A.G., reeks 303, nr. 2, f0 125r). Het huis werd in 1696 aangekocht door Pauwels Laureyns Luycx, die het inrichtte als herberg "De Grave van Egghermont". De Potter F.. Cent van den oudsten tijd tot heden. Gent, 18841933. deel III. p. 395. Toen werd het wapenschild van de metselaarsnering boven de ingangsdeur weggekapt. Bouwaanvraag van 1770. S.A.G., reeks 535. nr. 49. dossier 8. De ijzeren trapleuning, die reeds in 1710 door een nieuwe was vervangen, moest in 1778 weer worden vemieuwd. In 1852 moest op bevel van het Schepencollege een nieuwe trap worden gemaakt die slechts drie treden buiten de rooilijn mocht uitsteken (S.A.G., reeks Bouwaanvragen. nr. 6710). Van Doome G.. o.c. p. 16. Niet alleen de gevelversiering van de 'gerestaureerde" voorgevel van het huis Den Enghel aan de Graslei wijkt op belangrijke punten af van wat gekend is door de iconografie van het Metselaarshuis, doch ook de anders geplaatste toegang valt op, terwijl de gevel door de erachter gelegen oude kern een \erdieping hoger moest worden opgetrokken. Ook een voor reconstructie op de tentoonstelling in 1910 te Brussel door A. Poppe in 1908 gemaakte tekening, gebaseerd op een gefantaseerde, door F. De Potter gepubliceerde tekening, stemde niet met de werkelijkheid overeen. Voor deze problematiek zie ook Daem M., o.c. p. 351-352. S.A.G.. Atlas Coetghebuer. 85/23b. De gravure stelt het "Hotel du Comte d'Egmont" voor, "Petit Marché aux grains a Cand". en is gesigneerd Lith. de F. & C. Gyselynck. rue des Peignes n0 32 a Cand. F. Cyselynck Fecit. R.U.G.. Kaartenzaal, Album porceleinkaart. Arm. 4 101, p. 3. Daem M.. o.c. p. 349. S.A.G., Atlas Coetghebuer. 85/23a. De Vigne F.. Maurs et usages des corporations de métiers, Gand. 1857, p. 99, PI. 6, S.A.G.. Arte Coetghebuer. 85/23c. De Dienst Monumentenzorg en Stadsareheologie ontwierp wel de 'eigentijdse' vulling van een 13de-eeuws venster dat zich om de hoek ter hoogte van de eerste verdieping in de zijgevel bevond. Het raam werd gereconstrueerd met de kenmerken van gelijkaardige vroeg-gotische ramen in Doomikse steen, namelijk met kolonnetten in de neggen, bekroond met knoppenkapitelen onder een driekwartrondgeprofileerde spitsboog met waterlijst. De definitieve aanvaarding van de restauratiewerken vond plaats op 27 mei 1992. Voor de drie wapenschilden waarvan de originelen werden bewaard in het Museum van Stenen Voorwerpen werden de modellen rechtstreeks in gips gegoten; voor de modellen van de overige sculpturen en van onder andere de voetstukken voor de beelden van de Vier Gekroonden, de kapitelen, de krulmotieven en de kruisbloem in de geveltop werden alvorens ze in gips te gieten eerst modellen in klei vervaardigd. De deuren naar de kelder en de verdieping werden rood geschilderd als verwijzing naar de oude huisnaam "de roede duere". Aanvankelijk zou het deurkalf even dik worden uitgevoerd als de vensterdwarsen. doch uit onderzoek bleek dat het oorspronkelijk heel wat zwaarder was geweest; daarom werd het nieuw deurkalf volgens zijn vroeger aspect uitgevoerd met uitsparing van een verdiepte zone. Voor de smeedijzeren trapleuning - de kostprijs voor het plaatsen van een stenen borst-


M&L

29

(34)

(35)

(36)

(37)

(38)

(39) (40) (41)

(42)

(43) (44) (45)

(46)

(47)

wering werd te hoog bevonden - stond een 16de-eeuwse trapleuning in het stadhuis model. In 1852 werden de vensteropeningen naar benden doorgetrokken. Na het wegnemen van de gevelbepleistering kwamen de sporen van de oorspronkelijke benedendorpels samen met de aanzetten van de kruiskozijnen aan het licht. Ruitvormig geplaatste diefijzers, waarvan de sporen in de bovendorpels bewaard bleven, beschermden de oorspronkelijk met glas-in-lood gevulde bovenlichten. Dit glas-in-lood was aanvankelijk als ruitvormig ontworpen doch werd aan de hand van bewaarde getuigen rechthoekig uitgevoerd. Uit de aanwezigheid van dookgaten in de venstemeggen kon worden afgeleid dat de benedenlichten met luiken waren gesloten. Nieuwe luiken werden geplaatst voor de benedenlichten waarin geen glazen vensters werden aangebracht. Door de optie hier geen glas te plaatsen zou de N.V. Cogérim genoodzaakt worden beglazing achter de ramen aan te brengen. Op het tijdstip waarop wij deze bijdrage schrijven is alleen de kelder van het Metselaarshuis in gebruik genomen en wachten de interieurs nog op een verdere afwerking. Een reconstructie van de op de aquarel van P.J. Goetghebuer afgebeelden volutevormige beëindigingen van de gevelschouders werd niet weerhouden. Oorspronkelijk werden stalen buizen voorzien, gevat in gewapende betonkolommen, terwijl er voor het plaatsen van de beelden op de pinakels tevens vierkante buizen zouden worden ingegoten. Aan de achterzijde van de oude gevel werd de bepleistering weggenomen, de baksteen gereinigd en hervoegd. Zie voetnoot 21. Werden, aangezien er te weerszijden van het wapenschild van de metselaarsnering tweemaal vier nissen voorkomen, de Vier Gekroonden tweemaal afgebeeld? Een litho in het boek van F. De Vigne. Mceurs e! usages des corporations de métiers. Gand, 1857, p. 99, PI. 6 (S.A.G., Atlas Goetghebuer. 85/23c) laat een dergelijke opstelling zien. Voor deze "reconstructie" van de gevel baseerde De Vigne zich op een tekening van de verzameling Goetghebuer. Dit slaat op een aquarel, gesigneerd en gedateerd P.J. Goetghebuer 1836, in tegenstelling tot de litho van 1857 dus van voorde verminking van het Metselaarshuis. Evenwel staan hier geen acht doch slechts vier (telkens twee aan weerszijden van het centrale wapenschild) beelden opgesteld en zijn de buitenste velden van het fries met drie in plaats van twee boogtraceringen onderverdeeld. De aanwezigheid van de beelden van de Vier Gekroonden werd echter bij de restauratie in vraag gesteld toen bij het onderzoek van de gevel geen bevestigingspunten werden aangetroffen. De panelen waarin de Maagd van Gent en het wapen van de metselaarsnering staan werden "gegrauwd" (grijs geschilderd), dit naar aloude traditie om het beeldhouwwerk beter te laten uitkomen. Herhaaldelijk liet de Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie verfijningen in de weergave van de details aanbrengen. Heraldische kleuren werden aangebracht op het wapen van de nering en de leeuwen en op de wapens van Vlaanderen, Gent en de Habsburgers. In de panelen met de kenspreuk van Karel V werden de banderollen blauw geschilderd en delen van de Herculeszuilen verguld. Van Doome G., Hel Metselaarshuis in Cent. Een visuele confrontatie, in Toerisme in Oost-Vlaanderen. Tijdschrift voor recreatie en cultuur, 41ste jrg., nr. 1, 1992, p. 19-24. S.A.G. 301/83, F0 188. Schippershuis Act. 30 mei 1530. De eigenlijke verbinding tussen de pinakels de trapgevel wordt verzekerd door metalen stangen. Recent werden in een opvullingslaag onder de vloer in het schip van de Sint-Niklaaskerk te Gent bouwkundige elementen aangetroffen die kenmerken vertonen van een stijlovergang tussen late gotiek en renaissance. Een gelijkaardige hybridische vorm treft men te Gent ook aan bij de van na 1528 daterende 'kruisbloemen' van het grote venster en de galmopeningen in de toren van de Sint-Michielskerk. Hitchcock H.-R.. Netherlandish Scrolled Gables of the Sixteenth and Earh Seventeenth Centuries, New York University Press, New York, 1978, p. 36. De gereconstrueerde gevel van het Metselaarshuis aan de Graslei is globaal gotisch van karakter maar bezit brede, nagenoeg

(48)

(49) (50)

(51)

(52)

(53)

(54)

ronde C-krullen, als het ware een parodie op deze van het Palais de Savole te Mechelen (1517-1526(7), west- en noordgevel door Rombout Keldermans en Guyot de Beaugrant). Het huis van de Vrije Schippers aan de Graslei. daterend van 1530-1531. bezit dergelijke krulmotieven niet, ofschoon de grote, uitgesproken horizontaal werkende S-curven die toch niets renaissancistisch hebben, nog verder zijn verwijderd van de standaard laat-gotische vormentaal. H.-R. Hitchcock, o.c. p. 28. De voluten van de Griffie te Brugge zijn van een geheel ander soort, namelijk het type dat volgens J. Gabriels zijn oorsprong zou vinden in het Nereidenmotief. aardwormen waarvan de spiraalvormige kronkelingen vooral in de voluten worden nagebootst; de dwarse strepen die dit motief kenmerken zouden de segmenten nabootsen waaruit het lichaam van de worm bestaat. Gabriels J., Het Nederlandse ornament in de Renaissance. Keurreeks Davidsfonds, nr. 70, Leuven, 1958. p. 45. Van Doome G. Het Metselaarshuis.... o.c. p. 19-24. Een document van de Sint-Jorisgilde van Gent vermeldt over een schuttersfeest dat aldaar in 1440 werd gehouden "...10scutlers met eenen morischen dans van VIghesellen". Geens F., Mieke Stout en Jan Pirrewit. Traditionele volksdansen, in Op harpen en snaren. Volksmuziek, volksdansen, volksinstrumenten in Vlaanderen, (onder redactie van J. Robijns). Antwerpen, De Nederlanden. 1983. p. 159. Merk op dat dit getal overeenstemt met het aantal pinakels van het Metselaarshuis waarop een dansfiguur diende te worden afgebeeld. Aangezien de overigens niet zeer gedetailleerde weergave op de prent van A. Sanderus geen beelden op de pinakels weergeeft en anderzijds het plaatsen van volplastische stenen beelden wel als een bouwtechnisch hoogstandje moet worden beschouwd kan de vraag worden gesteld of deze beelden daar ooit wel gerealiseerd werden. De oudste vermelding van de morrisdans, een stampdans waarbij rond knie en onderbeen belletjes werden gedragen, dateert van 1150. Volgens sommige auteurs zou de morrisdans rond 1372 vanuit Spanje in Engeland zijn ingevoerd, volgens anderen zou zijn oorsprong bij de Engelse moerasbewoners (moor = moeras} moeten worden gezocht. Geens F.. Mieke Stout en Jan Pirrewit. o.c., p. 159. De oudste vermelding van een reizwaarddans treft men aan in een Brugse stadsrekening over de jaren 1388-1389 maar de meeste vermeldingen dateren van de 15de en 16de eeuw. Zwaardgevechten komen slechts uitzonderlijk voor, want het is veeleer een dansvorm dan een gevecht. Onder de overigens schaarse iconografische bronnen valt vooral de ets te vermelden van Hieronymus De Cock, voorstellend 'De Sint-Joriskermis'. gemaakt naar een tekening van Pieter Bruegel de Oude van rond 1560. Van Craenenbroeck R., Speuren naar sporen van rituele dansen, in Op harpen en snaren .... o.c. ,p. 147-152. Later werd de strijd om de gunsten van de vrouw in het midden verzinnebeeld. Dit danstype raakte weldra vermengd met overleveringen van de vele lentegebruiken en vruchtbaarheidsriten. Van Doome G., Het Metselaarshuis.... o.c. p. 19-24. Zo bijvoorbeeld beelden van Erasmus Grasser daterend van 1477-1480 voor de nieuwe parade- en feestzaal van het stadhuis te München. de moriskencyclus van het Goldenes Dachl, in hoogreliëf gebeeldhouwd door Niklas Turing de Oude in 1500 en thans bewaard in Ferdinandsmuseum te Innsbruck, twee etsplaten van morrisdansen door Israhel van Meckenem ca 1460 (De Prijsdans en Moriske in loofwerk). een tekening van Christoph Weiditz uit 1529 (Nurenberg) en te Gent in de Hoogpoort het beeld van een gewapende moriskedanser in een oude gevelsteen van de Grote Moor. Kenmerkend in die voorstellingen is extatische bewogenheid waarmee de slultorum chorea of zottendans nauw verwant is. zoals op een gravure door Frans Hogenberg en in veel anonieme prenten tot ver in 17de eeuw. Van Doome G.. Het Metselaarshuis.... o.c. p. 19-24. Van Doome G. Het Metselaarshuis.... o.c. p. 19-24. Walter De Buck brengt in deze bijdrage een omstandige toelichting omtrent betekenis en symboliek van de beeldengroep. De Sint-Janskerk - de latere Sint-Baafskathedraal - stond bijna de gehele 16de eeuw in de steigers. In 1534 werd de westtoren


M&L

(55)

(56) (57)

(58) (59)

voltooid en pas in 1533 werd begonnen met de bouw van het transept en het driebeukig schip. Pas nadat Karel V in 1550 een forse bijdrage had geleverd kregen de werkzaamheden flinke vaart en kon het bedehuis uiteindelijk in 1569 officieel worden ingewijd. Vannieuwenhuyse 1, Beeld van de stad. in De Cavele 1. e.a.. Keizer tussen stropdragers. Karel V1500-1558, Leuven, Davidsfonds, 1990, p. 49-67. Anthonis 1 Keldermans (gevel van het Raadhuis te Middelburg in 1506-1512, begin van de bouw van het Broodhuis te Brussel in 1514-1515 met medewerking van Lodewijk van Bodeghem). diens zoon Rombout II Keldermans (voltooiing van de gevel van het Raadhuis te Middelburg tot 1520, voltooiing van de torenspits van de kathedraal te Antwerpen, bouw van de noordvleugel van het stadhuis te Gent vanaf 1518, voltooiing van het Broodhuis te Brussel, ontwerp voor de noordvleugel van het Raadhuis te Mechelen in 1529-1530). Rombout 11 Keldermans voerde als de laatste vertegenwoordiger van de Brabantse Gotiek in samenwerking met Guyot de Beaugrant tevens het eerste Renaissancewerk in de Nederlanden uit, namelijk de uitbreiding van het Palais de Savoie te Mechelen in 1517-1526. Domien de Waghemaekere voltooide de noordvleugel van het stadhuis te Gent in 1518-1531 en het Broodhuis te Brussel. Daem M., o.c, p. 342-346. Meischke R., Het architectonisch ontwerp in de Nederlanden gedurende de late middeleeuwen en de zestiende eeuw, in De gotische bouwtraditie. Studie over opdrachtgevers en bouwmeesters in de Nederlanden, Amersfoort, 1988. p. 127-207. Meischke R., Reizende bouwmeesteres en Brabantse handelsgotiek, in De gotische bouwtraditie, o.c, p. 114-126. Een goedkope plattelandsnijverheid, buitenlandse concurrentie en een dalende vraag naar luxelakens lieten zich sterk voelen in de textielnijverheid te Gent. Tegenover de economische monocultuur die de stad in de middeleeuwen kenmerkte kwamen de steden te staan met een meer vooruitstrevende polyvalente economische structuur die zoals Brugge veel minder te lijden hadden onder de neergang van de Vlaamse luxedraperie. Daar kwam nog bij dat anders dan in vele Zuidnederlandse steden te Gent het verval van de luxedraperie niet of nauwelijks werd gecompenseerd door nieuwe textielbranches. Protectionisme en een verouderd corporatief stelsel beletten Gent zich aan te passen aan de nieuwe economische en sociale structuren van het handelskapitalisme. Door het streven naar een monopoliepositie over verschillende economische activiteiten teneinde eigen handel en nijverheid veilig te stellen was te Gent aan al wie niet het lidmaatschap bezat van een Gentse ambachtsgilde de uitoefening van ieder ambacht in een straal van ruim 30 km rond de stad verboden. Door deze maatregelen die in de 14de en 15de eeuw hun eigen belangen moesten beschermen verhinderde de verstarde ambachtelijke structuur in de 16de eeuw de ambachtsmeesters op efficiënte wijze met kooplui-ondememers te concurreren. Even noodlottig was het gevolg van het streven naar erfelijkheid in de ambachtsgilden waardoor buitenstaanders werden uitgesloten. Zo was in het begin van de 16de eeuw erfelijkheid reeds een feit geworden bij de brouwers en zette deze tendens

(60)

(61) (62) (63)

(64) (65)

zich ook door bij onder andere smeden, timmerlieden en metselaars. Steden zoals Antwerpen daarentegen waren voor kooplieden heel wat aantrekkelijker aangezien de economische wetten er vrij spel hadden en de ambachtsgilden er aanzienlijk minder autonomie en politieke invloed genoten. Niet alle ambachten verging het in de eerste helft van de 16de eeuw zo slecht. Door het privilege van het stapelrecht dat elk graanschip dat de stad aandeed verplichtte een deel van zijn vracht te lossen beschikte Gent over een permanente graanbevoorrading die uiteraard ook de werkgelegenheid ten goede kwam. Door het privilege van het verplicht verbodemen of lastbreken waardoor elke vreemde schipper in de stad zijn koopwaar op een vaartuig van een Gentse Vrije Schipper moest overladen konden de Gentse Vrije Schippers, nadat ze in 1464 en 1475 ook nog het voorladingsrecht te Brugge, Antwerpen, Damme en Sluis toegewezen hadden gekregen de hele Vlaamse binnenscheepvaart domineren. De Vrije Schippers waren aldus tijdens de 15de en de eerste helft van de I6de eeuw uitgegroeid tot het machtigste en rijkste ambacht van de stad. Dambruyne J., Diepere oorzaken (van de Gentse opstand). in Keizer tussen stropdragers..., o.c, p. 149-156. Dat de auteur onder "renovatie" wel degelijk de nieuwbouw verstaat blijkt uit het feit dat hij met betrekking tot de voorgevel van het Metselaarshuis van "reconstructie" spreekt. Daem M., o.c. p. 341. Mm'jmssenR.H..'m De Standaard. 22 mei 1991. Dubois M., in Knack, 15 januari 1992, p. 67. Laleman M.-C Raveschot P., Restauratie van gebouwen: behoud en vernieling van erfgoed, in Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond. jrg. 91, 1992, nr. 2, p. 6470. Dubois M., o.c. Marijnissen R.H., o.c.

Hedwig Van Den Bossche is kunsthistoricus en inspecteur bij het Bestuur Monumenten en Landschappen.


M&L

31

SINT-JOZEF, DE DUIVELS EN HET PARADIJS. DE RESTAURATIE VAN DRIE HUIZEN AAN DE HAVERWERF TE MECHELEN GUIDO JAN BRAL m.m.v. E. DENEKENS en SANDER PETERS

Romantisch getinte ets van de Haverwerf: circa 1850Delanncy (verzameling Carlos Vanhecke)

In het oude stadscentrum van Mechelen,

vloers. Zij stellen taferelen voor uit het

binnen het gebied van de eerste stads-

aards paradijs. Het gebouw ernaast

omwalling, spiegelen zich op één der

heeft een bijzonder rijkelijk uitgewerkte

Dijlekaaien - de Haverwerf vlakbij de

houten gevel en wordt De Duivels

Kraanbrug - drie aan elkaar palende

genoemd naar de drie - als ondeugende

huizen in het donkere, wat zompige en

duivels met bokkepoten - gebeeld-

brakke water van de Dijle.

houwde kraagstukken boven de

Twee van de drie hulzen dateren uit de

ingang. Het derde huis dateert uit 1669

eerste helft van de 16de eeuw.

en werd in bak- en natuursteen

Het in zand- en baksteen opgetrokken

gebouwd in een goed uit de kluiten

hoekhuis Kraanstraat-Haverwerf, kreeg

gewassen barokstijl. Het kleine houten

als benaming Het Paradijs omwille van

bas-reliëf boven de ingang vermeldt

de iconografie van de twee gebeeld-

de naam van het huis: "Dit is Sint-

houwde bas-reliëfs die aangebracht

Joseph".

zijn boven de vensters van het gelijk-


32

M&L

Situatieplan van de drie historische panden op de Haverwerf (tekening arch. E. Denekens)

In heel wat wetenschappelijke naslagwerken over historische burgerlijke bouwkunst worden ze steevast vermeld. Vanop de al even vermaarde Kraanbrug is het beeld van de drie nu gerestaureerde en gepolychromeerde gevels sprookjesachtig en adembenemend. Wordt deze restauratie door de enen wild enthousiast onthaald, anderen stellen zich kritisch en sceptisch op bij deze verregaande reconstructie. Wat is de geschiedenis van deze panden, aan wie behoorden ze toe en waarom besloten de ontwerper G. Derks, architect van Electrabel K. Rottiers en kunsthistoricus G.J. Bral om. in overleg met en met goedkeuring van de subsidiërende instanties - de Vlaamse Gemeenschap, de Provincie Antwerpen en de Stad Mechelen -, tot een bijzonder verregaande reconstructie van de laatgotische geveltop van Het Paradijs over te gaan en de drie gevels in een veelkleurige harmonie te polychromeren.

ft Let wat excentrieke trio genoot vanaf het midden van de 19de eeuw grote vermaardheid, niet zozeer omwille van hun pittoresk karakter maar wel omwille van hun onderlinge en rijke verscheidenheid in architectuurstijl en bouwwijze. Als pittoresk hoekje waren deze huizen bijzonder in trek voor tekenaars, schilders en graveurs uit binnenen buitenland. De romantisch getinte en fantasierijke etsen van deze drie huizen door Samuel Prout (1833), Lemaire (1840) en Browit (1855) hadden een enorm succes en werden verspreid in Engelse en Franse platenalbums (1). Ook de Mechelaar Jean Baptist André De Noter maakte voor zijn opdrachtgever kanunnik Schöffer drie akwarellen van dit wonderlijke trio en dit in het vooruitzicht van de geplande maar nooit uitgegeven publicatie van zijn Historische Aenteekeningen. Kanunnik Schöffer verzamelde op die wijze 507 akwarellen in tien albums die door de stad Mechelen op de veiling van zijn bibliotheek in 1878 werden aangekocht en ondergebracht in de prentenverzameling van het Stadsarchief van Mechelen. De toeristische aantrekkingskracht van de huizen was zelfs zo groot dat ze op de wanden van het eclectische Gentse Sint-Pieterstation werden afgebeeld in één van de monumentale sgraffito-panelen uit 1913 die versierd zijn met bouwhistorische symbolen van de Belgische steden. De Kraanbrug en twee van de drie huizen - Het Paradijs en De Duivels - werden in het paneel, gewijd aan Mechelen, afgebeeld (2).

RESTAURATIEOVERZICHT VAN DE PANDEN SINT-JOZEF, DE DUIVELS EN HET PARADIJS Deze restauratie is één van de laatste te Mechelen welke gesubsidieerd werd volgens de reglementering van de Vlaamse Executieve van 1 juli 1982. Reeds in 1981 maakte de bouwheer Electrabel NV (het toenmalige Intercom) een aanvang met het opmaken van het volledige restauratiedossier. Intercom was sinds geruime tijd eigenaar van de panden Sint-Jozefen De Duivels. Na de aankoop van het derde pand, het Paradijs, groeide de idee om een restauratiedossier voor de drie panden op te maken. Om dit moeilijke project tot stand te brengen werd beroep gedaan op architect J.L. Stynen voor het opmaken van het restauratiedossier. Het dossier werd op 10 juni 1987 voorgelegd aan de Stedelijke Commissie voor Monumentenzorg, die haar instemming met het project betuigde. De principiële belofte van toelage werd door de Vlaamse Gemeenschap verleend op 16 november 1989. De aanbesteding werd eenjaar later uitgeschreven op 6 november 1990. De goedkeuring van deze aanbesteding volgde op 21 juni 1991. De werken werden toegewezen aan de gespecialiseerde restauratiefirma Algemene Ondernemingen Verstraete & Vanhecke uit Wilrijk. In de periode tussen de aanbesteding en de toewijzing van de werken overleed de ontwerper J.L. Stynen zodat de uitvoering van de werken werd toever-


iVl JJ Nr. 69 Bijlage bij M&L 13/5 sept.-okt. 1994

Mechelen, de huizen Haverwerf 20-21 / Kraanstraat 1 omstreeks 1900 (foto A.C.L-Brussel)

BINNENKRANT


M8d zelfs kasseiwegen komen voor op de lijst van beschermde monumenten.

Bescheffïiingen HET 5000STE MONUMENT VAN VLAANDEREN Op 28 juni heeft de Vlaamse Minister Johan Sauwens, bevoegd voor monumenten en landschappen, de school van de Ursulinnen te Onze-LieveVrouw-Waver beschermd als monument. Hiermee telt Vlaanderen 5000 beschermde monumenten. Een getal - en een monument - om even bij stil te staan. Alhoewel dit aantal ogenschijnlijk indrukwekkend lijkt, leert een nadere studie dat nog steeds maar een beperkt deel van het waardevolle patrimonium van Vlaanderen beschermd is. Dit blijkt zowel uit een vergelijking met buurland Nederland als uit een extrapolatie van het geïnventariseerd architecturaal patrimonium van Vlaanderen. Nederland telt op dit ogenblik ongeveer 43.000 beschermde monumenten. Op basis van de inventaris van de jonge bouwkunst zal dit aantal op korte tijd met ruim 14.000 monumenten aangroeien tot 57.000. Overigens moet aangestipt worden dat de Nederlandse inventaris van uitsluitend jonge bouwkunst ongeveer 150.000 items bevat. Onze-Lieve-VrouwWaver, Instituut der Religieuzen Ursulinen, de speelplaats met de open gaanderij en kapel (foto O. Pauwels)

Er is dus nog een lange weg voor de boeg vooraleer het meest waardevolle patrimonium effectief beschermd is, zeker wanneer de evolutie van de beschermingen in Vlaanderen wordt bekeken. Bij koninklijk besluit van 30 december 1933, ruim 60 jaar geleden, werden zes kerken in de provincie Limburg 'gerangschikt', met name de Sint-Laurentiuskerk te Bocholt, de kapel van Onze-Lieve-Vrouw-Troosteres-derBedrukten te Bree (Opitter), de SintKwintenskerk te Hasselt, de oude delen van de Sint-Lambertuskerk te Opglabbeek, de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Sint-Truiden, de kerk van het begijnhof van Sint-Truiden en de kerk van het begijnhof van Tongeren. Het zijn de oudste beschermingen in Vlaanderen. Uit de eerste grafiek waarin het aantal beschermingen als monument per jaar is weergegeven, blijkt duidelijk dat na de Tweede Wereldoorlog de belangstelling lange jaren erg gering bleef. Slechts in de jaren zeventig groeide het aantal beschermingen, mede onder impuls van het monumentenjaar 1975. De uitschieter in 1981 met 664 monumenten is het gevolg van enkele grote globale dossiers zoals de stadskernen van Antwerpen, Gent en Oudenaarde. Nadien werden echter minder omvangrijke dossiers en meer individuele beschermingsdossiers opgesteld zodat het totaal per jaar gevoelig daalde.

Uit de tweede grafiek, dat een gecumuleerd beeld geeft, blijkt eveneens dat slechts sinds het einde van de jaren zeventig - onder meer onder invloed van de inventarisering - van een meer systematisch beschermingsbeleid sprake is. De laatste grafiek toont een meer gedetailleerd beeld van de laatste tien jaar. Hierbij is de dalende trend einde jaren tachtig duidelijk merkbaar, terwijl in 1991, onder impuls van de Open Monumentendag, de situatie zichtbaar verbeterde. De lichte knik in 1992 is het gevolg van de regeringswisseling. De lange beschermingsprocedure maakt dat de gevolgen van het beleid maar na een tweetal jaren merkbaar worden. Dit verklaart dat in de eerste helft van 1994, nog niet opgenomen in de grafiek, reeds evenveel monumenten beschermd werden als in het hele jaar 1993. De symbolische betekenis van de bescherming van het 5000e monument is belangrijk. De statistische weergave van de omvang van het beschermde patrimonium is vaak verhelderend. Toch moeten de gegevens ook enigszins gerelativeerd worden. Zo wordt steeds getracht elk monument als een entiteit te benaderen. De omstandigheden waarin het monument tot ons komt en de evolutie en verandering die het monument in die periode onderging, spelen echter een belangrijke rol in de appreciatie van dat geheel. Zo vormt bijvoorbeeld het volledige complex van het Groot Begijnhof te Leuven één monument, met

In Vlaanderen is ongeveer tweederde van het waardevolle architecturale patrimonium geïnventariseerd. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen de jonge bouwkunst en de oudere architectuurstijlen. Naar schatting bevat deze inventaris momenteel ongeveer 60.000 gebouwen. Rekening houdende met de evolutie van de criteria die gehanteerd worden bij de inventarisatie, zou de uiteindelijke inventaris ongeveer 100 a 120.000 gebouwen bevatten. Hiervan zouden ongeveer 20.000 gebouwen voor bescherming in aanmerking komen. Overigens worden in Vlaanderen niet enkel gebouwen als monument beschermd. Ook bomen, historische parken en tuinen, straatmeubilair, funeraire architectuur, archeologische sites, orgels, beeldhouwwerken of

B I N N E N K R A N T


M8d inbegrip van alle huizen, pleinen, straten en dergelijke. Anderzijds is het begijnhof van Mechelen niet volledig bewaard gebleven; enkele elementen blijven over. Hierdoor zijn ongeveer een twintigtal begijnehuisjes individueel als monument beschermd. Het is duidelijk dat de 'representativiteit' als monument van beide dossiers verschillend is. Onafgezien deze nuance voor wat het aantal beschermingen betreft, blijft het 5000e monument een imposante getuige van Vlaanderens patrimonium. Mario Baeck heeft de geschiedenis van het schoolcomplex van de Ursulinnen te Onze-Lieve-Vrouw-Waver reeds uitvoerig beschreven in M&L (jaargang 10, nr. 6 en overdruk). Enkele onderdelen van het schoolcomplex, met name de neogotische kloosterkerk en de wintertuin in Art Nouveaustijl werden reeds beschermd in 1987. Zoals in het beschermingsdossier werd vermeld, heeft het gebouwencomplex evenwel een eigen monumentaliteit die bepalend is voor de omgeving. In oorsprong gaat het complex terug tot 1841, maar het kende doorheen de jaren verscheidene verbouwingen zodat verschillende perioden hun stempel drukten op het interieur van de gebouwen. Zo zijn de pianogang, de centraal gelegen eretrap, de l a Fontaine Refter' met muurschilderingen naar fabels van de La Fontaine en de spreekkamer in het onthaalgebouw met muurschilderingen die de legende van de Heilige Ursula voorstellen, stuk voor stuk uniek in hun soort. Een globale bescherming van de school drong zich op, zonder de eigenlijke functie te beperken. Een waardig 5000ste monument! Paul Van Lindt

BESCHERMING VAN DE BOLLOHEIDE TE TREMELO Op 12 september 1994 werd door de Vlaamse Minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming, Johan Sauwens, het besluit getroffen tot wettelijke bescherming ("rangschikking'') als landschap van de Bolloheide te Tremelo, een gebied van circa 14 hectaren. Het gebied werd beschermd omwille van zijn historische en wetenschappelijke waarde.

In 1960 nog idyllisch als "een golvend duinlandschap met dennenbossen, heidevelden met winddennen en berkengroepjes" mar "in de nabijheid van de duinen [...] de gronden bewerkt [worden] en [...] al dan niet geplagd" bestaat het grondgebied van de gemeenten Keerbergen, Tremelo en Bonheiden heden ten dage voor het grootste gedeelte uit uitgestrekte residentiële verkavelingen, in het gewestplan ingekleurd al "woonpark". De evolutie van landelijk-agrarisch naar recreatie- en villegiatuurgebied voor de omliggende steden, vooral Brussel, was al ingezet tijdens de periode tussen de twee wereldoorlogen. In 1924 werd in Keerbergen de eerste villa gebouwd. Duingronden met of zonder dennebomen waren het meest in trek. Vooral de jaren zestig kenden een explosieve toename van het woningbestand. Een laatste min of meer uitgestrekt heidegebeid, de Grote Heide in Keerbergen, dat als vliegveld aan de verkavelingswoede was ontsnapt, werd in 1964 herschapen in een circa 2 km lange en gemiddeld 100 m brede vijver, omgeven door villapercelen en een golfterrein. Van het duinlandschap dat zich vanaf Bonheiden over Rijmenam en Keerbergen uitstrekte tot Tremelo en dat soms de "Brabantse Kemperfwerd genoemd zijn slechts enkele kleine relicten overgebleven: de Kruisheide en het Pommelsven te Keerbergen en, op de oostelijke uitloper van de duinenrij, de Bolloheide te Tremelo. Onbebouwde stuifzandruggen zijn in onze contreien so wie so een zeldzaamheid. Een open heideachlige begroeiing bedekt het grootste gedeelte van het beschermde gebied. Deze heidevegetatie is vooral uit Struikheide opgebouwd, kenmerkend voor droge, voedselarme, zure grond. Hier en daar vindt men meer grazige, heischrale vegetaties met Buntgras en enkele zeldzamere soorten als Stekelbrem, Heidespurrie en Klein tasjeskruid. Het zuidoostelijk gedeelte is (of was ooit) merkelijk vochtiger dan de rest van het gebied, want het is doortrokken met evenwijdige greppels aan de rand waarvan Dopheide groeit. Over het ganse gebied komen opmerkelijk veel 'vliegdennen', zaailingen van Grove den, voor. De meer beboste gedeelten, hoofdzakelijk relicten van de dennenbestanden die vroeger het

hele gebied bedekten, hebben een struiklaag die bijna uitsluitend uit Amerikaanse vogelkers en Amerikaans krenteboompje bestaat. Uit het voorkomen van bijvoorbeeld Hengel, Bochtige smele en Blauwe bosbes kan echter worden afgeleid dat het om een bostype gaat dat ecologisch nauw aansluit bij heide, namelijk het Eiken Berkenbos. Opmerkelijk is een uitbundige groeiplaats van Rankende helmbloem in het noorden van het gebied, algemeen als een zeldzame soort aangewezen, maar in de 'Brabantse Kempen' soms voorkomend aan de rand van oude dennenbossen. Minder voor de hand liggend zijn de groeiplaatsen van Groot heksenkruid en Kleine maagdenpalm, beide soorten die in een rijker bostype thuishoren. Het gebied is dus ook op vegetatiekundig vlak een authentiek relict van het complex van heiden en dennenbossen die vroeger het grootste gedeelte bedekte van de stuifduinenrij die tussen Mechelen en Aarschot de noordrand van de 'Vlaamse Vallei' begrenst. Roger Deneef

entoonste mgen NEOGOTIEK IN BELGIË Onlangs vond in het Victoria and Albert Museum te London een gesmaakte tentoonstelling plaats over werk en leven van de Engelse neogotische voorman A.W. Pugin. De expositie gaf duidelijk aan dat de neogotiek in Engeland onder leiding van Pugin uitgroeide tot een volwaardig artistiek fenomeen, een kunststroming met wortels in het verleden en invloedrijke uitlopers binnen de recentere kunstuitingen. Het kwalitatief oeuvre van Pugin verkreeg inmiddels, met vrij grote consensus, de waardering die het verdiende. De tentoonstelling Neogotiek in België wil de stroming, net als in Engeland, als een volwaardig artistiek fenomeen

B I N N E N K R A N T


M8d belichten. In 1958 verguisde Huib Hoste, en met hem vele anderen, de neogotiek tot"... een louter feit dat nauwelijks of geen artistieke eigenwaarde noch betekenis bezit". De 19de-eeuwse kunst en architectuur (in het algemeen) kon tot enkele decennia geleden op weinig begrip rekenen, wat er toe geleid heeft dat er dikwijls weinig zorgzaam met dit patrimonium werd omgesprongen. Eerder dan andere neostijlen moest vooral de neogotiek het ontgelden. Enkele tientallen jaren van wetenschappelijk onderzoek leidde er toe een ander licht te werpen op deze stroming en de clichématige vooroordelen te ontkrachten.

interessante bijdragen als door de overvloedige illustraties een behoorlijke indruk van de neogotiek. De tentoonstelling biedt de kans nader kennis te maken met deze stroming en leent zich uitstekend goed voor een didactische rondleiding. Toch blijft de eeuwenoude pandgang van het Bijlokemuseum een ongelukkige plaats voor het houden van tijdelijke tentoonstellingen, waardoor het geheel wat rommelig leek. De vorm- en kleurgeving was wellicht van een goed bedoelde 19de-eeuwse inspiratie maar steekt toch schril af met de warme gloed en de ingenieuze opstelling van de Pugin tentoonstelling in het Londense V&A. Tom Lenaerts

De tentoonstelling en het gelijknamige boek gaan dan ook op zoek naar het artistiek fenomeen en schetsten de neogotiek in haar historische context: Het historisch, socio-economisch en cultureel klimaat als voedingsbodem voor het herleven van de gotische kunst. Nadien volgt een historisch overzicht van twaalf decennia neogotiek gaande van de "vroege neogotiek (1800-1850)" mei het ontluiken van de stroming in tuinarchitectuur en industriële vormgeving en de eerste ontwikkelingen in wat men de "troubadourstijl" noeml De romantiek ligt eveneens aan de basis van de stroming: De terugkeer naar de middeleeuwen, het nationalisme en de religieuze herbronning doen meteen ook de stijl op grotere schaal ingang vinden. Gerenommeerde architecten zoals Roelandt, Poelaert en Wolters hanteren nu ook de vormentaal voor aanzienlijke opdrachten. Her en der in het land ontstaan echte centra van neogotische kunstproductie. In Brugge ontstaat rond het midden van de eeuw een Panamarenko, de Pepto-Bismo, nieuw centrum rond de daar aanwezige Japanese Flying Pack, Engelse kolonie, Mgr. Malou en J.-B. 1994 Bethune. De kennismaking met het (foto A.A.M.) werk en de publicaties van Pugin leidde er tot een meer gefundeerde benadering van de neogotiek. Boek en tentoonstelling geven een overzicht van de "rijpe en late neogotiek (18501914)" en besteden aandacht aan verscheidene toepassingsgebieden van de meer analytische en archeologisch benaderde neogotiek in de architectuur, de toegepaste en sierkunsten. Ook het werk van J.-B. Bethune wordt daarbij in de kijker gesteld. Het boek is een fraaie realisatie van verscheidene auteurs waarbij J. Van Cleven het grootste aandeel had. Het geeft de lezer zowel door de vele

Tentoonstelling Neogotiek in België, Oudheid' kundig Museum van de Bijloke, Godshuizenlaan 2,9000 GENT, di-zo, 9.30-17.00 uur, prijs 200- 140,-fr., groepen 80, Rondleidingen 2500, info: 09/233.34.59 Catalogus Neogotiek in België, Lannoo afmetingen: 25x30,240 blz., 300 illustraties waarvan 120 in kleur, harde linnen kaft met stofwikkel, prijs 1100 BF.

LUCHTTUIGEN 1900-1958 EN PANAMARENKO Tot de werkelijk originele verwezenlijkingen van deze 20ste eeuw, behoort ongetwijfeld de verovering van het luchtruim: met primitieve, nu vaak lachwekkend lijkende toestellen aanvankelijk, met luchtbalonnen en -schepen, van een ware doodsverrachting getuigende oorlogsvliegtuigen, tot en met de latere, geregelde lijnvluchten en het huidige, evidente en gesofistikeerde luchtverkeer. Geen hedendaags kunstenaar wist tot op heden beter dan Panamarenko deze hortende ontwikkelingen spontaner gestalte te geven, met 'tuigen resulterend van de gekste dromen, machines die symbool staan voor de meest vrije vorm van creativiteit' waarbij 'fictie en werkelijkheid twee werelden vormen die nauw op elkaar aansluiten en elkaar aanvullen'. Daar waar het - utopisch - vliegend oeuvre van Panamarenko eerst de hoofdmoot zou hebben gevormd van de nieuwste thematische tentoonstelling van de Fondation pour l'Architecture bleef hiervan - naar verluidt op eigen verzoek - slechts diens jongste Pepto Bismo-Fire Work Flyer (in wording) uit de reeks vliegende rugzakken de wat ontredderende maar op een minzame glimlach ontvangen attractiepool vormen (enkele omkaderende schetsen niet te na gesproken). Geen wonder overigens dat de mateloos lijkende mogelijkheden van de

B I N N E N K R A N T


M8d Het luchtschip Ville de Bruxelles (foto Léon Gimpel, 1910. Courtesy: Société frangaise de photographie, Paris)

Emile Goffay, Aérogare de Melsbroeck, WM (fotoA.A.M.)

luchtscheepvaart al zeer snel de scheppingsdrang zouden weten te prikkelen van meer dan één architect, aanleiding tot het tweeluik De voorstelling van de hemel in het Modernisme en Vliegende tuigen en luchthaventerminals, een strenge selectie ontwerpen-opvallend monochroom maar allesbehalve monotoon- uit de eigen fondsen van Les Archives d'Architecture Moderne en/of privéverzamelingen. Bekend maar boeiend blijven hierbij onder meer de opeenvolgende plannen van het trio Bontinck/Brunfaut/Moutschen voor een "aérogare"^ Zaventem, naast het alternatief project van Emile Goffay. Grafisch ronduit subliem is nochtans de reeks manshoge ontwerptekeningen van Paul Mignot voor een amoebevormige intemationale luchthaven, ingediend voor de Prijs van Rome. Vliegende tuigen of opblaasbare toestellen, drijvende luchthavens, demonteerbare luchthavens, onder gebergten als mollengangen uitgehouwen luchthavens, archieffoto's van luchtgevechten en bombardementen, maar evenzeer een handvol documenten die refereren naar het tijdskader (het atomium) stofferen aldus deze sober vormgegeven maar zeldzaam homogene en fascinerende tentoonstelling. Gewaardeerd divertimento in de naastliggende galerij vormt daarbij de anekdotische benadering van het oeuvre van Renaat Braem, wiens toch uitgesproken modernistische ontwerpen reeds zeer vroeg werden verlevendigd met collages van uit het leven gegrepen personnages en objecten. Het vliegtuig figureert er als esthetisch en technisch symbool van de geïdealiseerde vooruitgang, een bewondering die Braem overigens deelt met zijn stagemeester Le Corbusier. M.M. Geils fflfflMMMMMMMBgaBaaMMM

uchttuigen 1900-1958 en 'anamerenko, Fondation pour 'Architectuur, Kluisstraat 55, 050 Brussel tot 31 december 994, dagelijks behalve op maan lag, van dinsdag tot vrijdag van 2 u 30 tot 19 uur, op zaterdag en jagen zondag van 11 u tot 19 uur, Tel.: 32-2-649.02.59. ax.: 32-2-640.46.23.

Literatuur BOUWEN DOOR DE EEUWEN HEEN IN BRUSSEL. STAD BRUSSEL BINNENSTAD 3-DELEN (A-G, H-O, P-Z) Na meer dan tien jaar voorbereiding en onderzoek werd eind 1985 in de reeks Bouwen door de eeuwen heen, een eerste inventarisdeel gewijd aan de Brusselse binnenstad gepubliceerd. Een tweede deel kwam met enige vertraging in 1993 van de pers, minder dan een jaar later gevolgd door het derde en laatste deel.

Naar aanleiding van de publikatie - in het Nederlands en in het Frans - van het derde inventarisdeel, werd een persvoorstelling georganiseerd: Vlaams Minister Johan Sauwens stond erop hiermee op 'openbare' wijze de overzichtsinventarisatie van de historische binnenstad of zogenaamde vpioe/c voorlopig af te sluiten en de bijdrage van het Bestuur Monumenten en Landschappen bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap duidelijk te stellen. In tegenstelling met de inventarisdelen van Antwerpen, 4 delen in de reeks 3n en van Gent, 5 delen in de reeks 4n, samengesteld volgens de historischstedebouwkundige groei, wordt het materiaal voor de Brusselse Binnenstad volgens de alfabetische volgorde van straatnamen voorgesteld en over drie "a/fabef/sche" delen gespreid. Deze presentatie vloeit voort uit de Brusselse situatie zelf: de oudste, middeleeuwse kern komt immers

B I N N E N K R A N T


M&L

Brussel, Paleis voor Schone Kunsten, de zaal voor beeldhouwwerken, oorspronkelijke toestand (foto A.C.L-Brussel)

Brussel, Sint-Katelijne-

straat 46-48 (Lïmu/ato), 1927, pi. 20)

nauwelijks tot uiting in het huidige stratenplan. Binnen het door de ring omgorde gebied van de hele binnenstad was het bovendien moeilijk oude wijken af te bakenen om die eventueel als ensembles te behandelen: de drastische urbanistische ingrepen van de rechtlijnige 19de- en 20ste-eeuwse Noord-Zuid assen hebben diep gekerfd in het meer organisch gegroeide middeleeuwse stadsweefsel en een aantal historische wijk doorsneden. De Vijfhoek biedt hiermee een specifieke en boeiende superpositie van stedebouwkundige elementen en een gevarieerde aaneenschakeling van diverse bouwtypes en - stijlen; beide aspecten komen het best tot uiting wanneer ze in hun globale context worden gezien. Het kaderverhaal, de algemene geschied- en stedebouwkundige en architectuurhistorische inleidingen evenals de overzichtskaarten bezorgen de nodige samenhang en noden tot een globale waarneming en Interpretatie. De onvermijdelijke alfabetische indeling is in de Nederlandse versie evenwel gunstig uitgevallen: het eerste, in 1989 verschenen deel gaande van de straten van A tot G, bevat de Grote Markt; het tweede deel uit 1993 met straten van H tot O, het Koningsplein en de Koningsstraat en het laatste deel met straten van P tot Z het Sint-Goedeleplein en dus ook de kathedraal. De drie bepalende polen van de stad Brussel, namelijk de Markt van de burgerlijke benedenstad, de site van het hertogelijke hof in de bovenstad en de kerkelijke vestiging, halverwege op de heuvel, komen hiermee duidelijk tot hun recht.

Toen de inmiddels geëvolueerde inventariscampagne van het bouwkundig erfgoed in de jaren 1964-1965 werd ingezet door het toenmalige nationale Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur was het de bedoeling de Brusselse hoofdstad aan te pakken na de tweetalige publlkatie van de testarrondlssementen Leuven en Nljvel. De culturele autonomie heeft dit plan doorkruist. De tweetalige inventarisploeg werd gesplitst: In Wallonië kwamen het arrondissement Mons/Bergen en de stad üège/Luik aan de beurt; in Vlaanderen werd het arrondissement Halle-Vilvoorde aangevat. Toen de sinds 1972 opgerichte Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg vanaf 1975 over een echt inventaristeam kon beschikken ging in eerste instantie alle aandacht naar de Vlaamse provincies en de steden Antwerpen en Gent. De Nederlandse Commissie voor Cultuur van de Brusselse Agglomeratie (N.C.C.) gaf op de vooravond van het Europees Jaar voor het Bouwkundig Erfgoed het Brusselse Slnt-Lukasarchief de opdracht een urgentieinventaris op te maken voor het hele gebied: dit belangrijke basisdocument werd in 1979 uitgegeven als Bouwen door de eeuwen heen. Brussel-Hoofdstad. Urgentie-inventaris. Vormgeving en formaat sloten moedwillig aan bij de bestaande reeks en situeerden het meteen in een bestaande context. De uitgevers beëindigen hun verantwoording als volgt: "Als straks de werkgroep van de beide Ministeries van Cultuur het inventarisatiewerk van

Sfi'

De werkgroep heeft gelukkig niet moeten wachten op het afronden van de volledige inventarisatie: reeds in 1978 kwam, mede onder impuls van de toenmalige Staatssecretaris voor Brusselse aangelegenheden, de heer Vic Anciaux, het probleem van de Brusselse inventaris opnieuw ter sprake: medewerkers van de Rijksdienst en de gelijklopende administratie van de Franse Gemeenschap zouden samen instaan voor het veldwerk en de gelijklopende publlkatie in het Nederlands onder leiding van coördinator S. Van Aerschot-Van Haeverbeeck en in het Frans met wetenschappelijke bijstand van Prof. V.G. Marfiny. De discontinue optekenings- en opzoekingsperiode werd einde 1978 ingezet, aangevuld met aanpassingen en correcties tijdens de voorbereiding van de publlkatie vanaf 1988. De complexe materie heeft grondig onderzoek vereist onder meer van beschikbare bouwaanvragen: deze werkwijze werd in de Vlaamse inventarisatie ingevoerd vanaf 1975 maar betekende een innovatie voor de Franstallgen. Het persklaar maken van het manuscript was niet eenvoudig: de alfabetische volgorde van straatnamen is immers verschillend in het Nederlands

*

P 'ff 'P P 'W W 'P

liiliaim SS»

Om dit hele Inventariswerk naar waarde te schatten dienen enkele hoofdmomenten in zijn relatief lange "geschiedenis" ie worden aangehaald.

Vlaanderen en Wallonië (Bouwen door de eeuwen heen - Le Patrimoine Monumental) zullen kunnen afronden met de nodige boekdelen voor Brussel dan hebben zij aan deze urgentieinventaris alvast een uiterst gedegen basisdocument als een onvervangbare stimulans".

^

fsm si 11 f •>

B I N N E N K R A N T


M8cL Brussel, Priestersstraat 15, Tuberculosekliniek Albert-Elisabeth. JeanDeligne, 1935 (L'Emulatiort, 1937, p.59)

Brussel, Stalingradlaan 62, voormalige woning van stadsarchitect Victor Jamaer, 1874 (L'Emulation, 1879, PI. 36)

kabinet als onder meer Franfoise Jurion en Christian Spapens. De twee delen verschenen uiteindelijk in 1993. Voor de derde delen werd meer en meer beroep gedaan op de praktische medewerking van de pas opgerichte Dienst Monumenten en Landschappen van het Brusselse Gewest, terwijl de Vlaamse ploeg nog immer zorgde voor het toeleveren van basisteksten en illustraties en de eindredacteur van de Franse uitgave, Muriel Muret, bijstonden met raad en daad. en in Frans en alle teksten en illustraties moesten daarom van meetafaan nagenoeg klaar zijn voor eventuele verwerking - en geen letterlijke vertaling - naar een andere taal. Het probleem van het wisselend personeel, voornamelijk in de Franstalige ploeg, en het verschillend werkritme konden worden opgevangen door de inzet van de Vlaamse ploeg. In de loop van de jaren tachtig werd deze gestabiliseerd rond de twee hoofdauteurs Jo Braeken en Lydie Mondelaers. Het eerste deel in het Nederlands en in het Frans, werd gepubliceerd door toedoen van minister L. Tobback, toen Minister van Binnenlandse Zaken en de Culturele en Wetenschappelijke Instellingen; tot 8 augustus 1988 was hij verantwoordelijk voor deze materie en bovendien persoonlijk bijzonder geïnteresseerd. Einde 1989 stelde de heer G. Desir, bevoegd minister voor monumentenzorg van het inmiddels opgericht Brussels Hoofdstedelijk Gewest, op het Stadhuis te Brussel de eerste boekdelen voor aan de pers en de talrijke genodigden.

Bij het afronden van de publikatie van de inventaris van de Brusselse Binnenstad past het de bijdrage van de Vlaamse Gemeenschap In het juiste daglicht te stellen en zeker te onderstrepen dat ze de nodige continuïteit heeft ingebracht in dit "werk van lange adem".

• ,HJFË Si\ ei

Het feit dat Brussel de hoofdstad is van de Vlaamse Gemeenschap heeft de hele tijd als grondige reden gefungeerd om dit werk tot een goed einde te brengen. De bijdrage is ook niet beperkt tot de publikatie van fraaie boekdelen. In zijn interessante toespraak van 13 december 1989 had minister G. Desir plechtig beloofd "de nodige maatregelen te nemen om, op basis van deze inventaris, de geïntegreerde conservatie van het Brusselse cultureel erfgoed te verzekeren". Hij was bijzonder bewust van het belang van het reeds gepresteerde werk in dit vlak en heeft het aandeel van ons Bestuur Monumenten en Landschappen steeds onderkend. Aansluitend bij de inventarisatie waren al een aantal beschermingsdossiers voorgelegd met medewerking van de inventarisploeg onder leiding van onze

LAXF.

LA F A C A D E

De vooruitzichten waren toen optimistisch: de volgende twee delen zouden in de eerstkomende jaren verschijnen. De Franstalige inventarismedewerkers waren inmiddels opgenomen in het Waals Gewest, met hoofdstad Namen, en kregen nieuwe taken toegewezen binnen de nieuwe Dienst voor Monumenten, Landschappen en Opgravingen, waardoor het persklaar maken van hun manuscript moeizaam verliep en meer tijd vergde dan voorzien. Het Brussselse Gewest had inmiddels een "begeleidingscomité"voor de publikatie opgericht, waarin onder meer ook de 'Waa/se" auteurs Michèle Callut en Claudine Donnay-Rockmans waren openomen naast personeel van de Brusselse administratie als Yves Jacqmin en van het verantwoordelijke

B I N N E N K R A N T

MAISON D'HABTDmDN AVENUE 5U Ml PI

FACADE.


M&L Brussel, Van Moerstraat 8, voormalige woning van architect Jean Baes, 1889 (L'Emu/af/on, 1890, PI. 43)

ininnij

ijiiiiii'i

toenmalige inspecteur voor Brussel, en bij koninklijk besluit bekrachtigd in 1988 en 1989. Dit nieuwe elan werd ook gedragen door de publikatie van de geïllustreerde brochure Beschermd Brussel, in 1988 samengesteld door de 'Brusselse' ploeg van het Bestuur en tegelijk verruimd met een Franse uitgave. Het rechtstreekse verband tussen inventarisatie en monumentenbeleid is later nog hechter geworden in de nieuwe beschermingswetgeving van het Gewest. In het Woord Vooraf van de tweede delen onderstreepte D. Van Eyll, Staatssecretaris bevoegd voor monumentenzorg, het belang van dit werk als basis voor de samenstelling van de permanente Inventaris met verordenende kracht. Werken aan gebouwen opgenomen in deze lijst zullen voortaan worden onderworpen aan een openbaar onderzoek en aan het advies van de autonome - Brusselse - sectie van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Het impact van de overzichtsinventerisatie is dus enorm. In het Woord Vooraf van het derde deel komt de praktische aanpak tot uiting. Met minder dan 400 monumenten heeft Brussel een achterstand opgelopen, zeker in vergelijking met Antwerpen en zijn zowat 1000 beschermde items. De hogervermelde "wettelijke inventaris" za\ hieraan op korte termijn verandering brengen en een ruime 'basisbescherming' voorzien en dat is uiteraard goed nieuws. Verheugend is ook dat D. Van Eyll uitdrukkelijk stelt: "Nu de Vijfhoek volledig gepubliceerd is, wordt wat mij betreft, het afwerken van de overzichtsinventarisatie van het hele Hoofdstedelijke Gewest prioritair". Inmiddels is een nieuwe tweetalige ploeg van een twaalftal kunst- en architectuurhistorici, verbonden aan de Brusselse Dienst voor Monumenten en Landschappen, aan de slag gegaan in Etterbeek en Sint-Joost-tenNode. Brussel verdient een veelzijdige aanpak en de betrokkenheid van de bevolking, de bezoekers en de openbare besturen. Met het afronden van deze overzichtsinventarisatie wordt als het ware een stuk geschiedenis afgesloten. Na een inleidende fase en de hulp van het Vlaamse en het Waalse Gewest die wellicht een beetje ervaren worden als het ancien régime, rest het Brusselse Gewest de zware taak de totaliteit van het verzamelde materiaal voor de

N N E N K R A N T


M&L Sint-Gillis, FaiderstraatIO, herenhuis Goblet d'Aluicela. Architect 0. Van Rysselberghe, sgraffito-ontwerp Juliaan Dillens, uitvoering Jean Baes (foto Gilles Batz)

Binnenstad volledig te verwerken en het resterende gebied te behandelen. De bestaande doelstellingen als werkinstrument voor monumentenzorg, populariserende bijdrage en uitgangspunt voor verdere wetenschappelijke uitdieping zullen hopelijk ten volle worden doorgetrokken. De Brusselse boekdelen zullen de geschiedenis ingaan als de drie bijzondere parels in de reeks die 32 delen telt en een tegenhanger vormt voor de Waalse reeks met zijn 28 delen. Men mag hierbij niet vergeten dat het de eerste keer is in dit land, sinds het Koninklijk Besluit ter zake van 1861, dat op systematische en nagenoeg eenvormige wijze wordt geïnventariseerd en gepubliceerd in regelmatig aangroeiende reeksen. Het hele gebied afwerken, uitgeven en naar het beleid toe verwerken zou dan ook meer dan ooit in de drie gewesten moeten horen tot de absolute prioriteiten. De drie delen tellende Inventaris van de Binnenstad van Brussel omvat historische en beschrijvende nota's van 374 straten, lanen of pleinen, en 2906 gebouwen of ensembles, in alfabetische volgorde gerangschikt. Het geheel wordt ingeleid door syntheses van de historische, stedebouwkundige en architecturale ontwikkeling van de binnenstad, en een bouwkundig lexicon. Registers van architecten, kunstenaars en orgelbouwers, met samen zowat 1700 gerepertorieerde persoonsnamen, steenhouwersmerken, een literatuuropgave, de lijst van beschermde monumenten en een Engelstalige summary van de inleidingen volgen in fine.

Bouwen door de eeuwen heen in Brussel IC Stad Brussel Binnenstad

P-Z

De drie delen omvatten: 32 kleurplaten in chronologische volgorde gerangschikt, 1132 tekstillustraties waarvan een 300-tal archieffoto's, prenten en oorspronkelijke bouwplannen, naast actuele fotoopnamen, 50 opmetingsplannen waarvan plattegronden, opstanden en doorsneden op schaal 1:400 tenzij anders vermeld, en situatieplannen, 2402 "identiteitsfoto's" van alle gerepertorieerde gebouwen en ensembles, 3 stadsplattegronden op schaal 1:5000 in vouwblad, net name een actueel stadsplan met coördinaten, een reproduktie van de kadastrale kaart door P.C. Popp van 1866, een spreidingskaart met ingekleurde symbolen die functie en bouwperiode van de gerepertorieerde gebouwen en ensembles situeren. Suzanne Van Aerschot-Van Haeverbeeck

Souwen door de eeuwen heen in Brussel Inventaris van het Cultuurbezit in België - Architectuur • Stad Brussel - Binnenstad Deel BrussellA/A-G 580 blz., prijs: 2.058,-fr., uitgever Pierre Mardaga, Luik, 1989 Deel BrusselIB/H-O 624 blz., prijs: 2.650,-fr., uitgever Pierre Mardaga, Luik, 1993 Deel Brussel 1 C / P - Z 624 blz., prijs: 2.650,-fr., uitgever Pierre Mardaga, Luik, 1994

SGRAFFITI IN BRUSSEL KUNST IN DE STRAAT Onder sgraffiti verstaat men gegraveerde inkervingen in gekleurde pleisterlagen, ontworpen door een kunstenaar. De sgraffito-techniek waarvan de oorsprong opklimt tot de Oudheid, en die in de renaissance een ruime verspreiding kende, werd in de tweede helft van de 19de eeuw door de eclectische architectuur herontdekt. Met name de verspreiding van de Art Nouveau te Brussel, bracht deze decoratieve kunstvorm onder invloed van enkele markante persoonlijkheden tot een nieuw hoogtepunt, onvergelijkbaar met het oorspronkelijk model.

In 1992 organiseerde de Koning Boudewijnstichting de campagne Kunst in de straat, die de aandacht vestigde op het grote aantal Art Nouveau-gebouwen te Brussel. De titel verwees naar de stroming die zich een eeuw geleden ontwikkelde, en die de integratie van kunst en architectuur nastreefde, met het openbaar domein als uitverkoren terrein. Tijdens deze campagne werd specifiek gewezen op het belang van het architectonische detail voor dit unieke patrimonium. Eén van die details en wel het meest bedreigde, het van nature erg kwetsbare sgraffito, vormt nu voor het eerst het onderwerp van een afzonderlijke, rijk geïllustreerde publikatie. Deze wil in eerste instantie het sgraffito onder de aandacht van een ruimer publiek brengen en aldus sensibiliseren tot een behoud van dit kleurrijke patrimonium. Vele sgraffiti hebben na zowat een eeuw het einde van hun normale levensduur bereikt en zijn dringend aan restauratie toe. Realisaties op dit gebied leverden evenveel parels als miskleunen op. De publikatie vormt daarom meteen de start van een concrete actie in de herfst van 1994 en de lente van 1995, die bestaat uit een aantal modelrestauraties opgezet

B I N N E N K R A N T


M8d

10 AMARANT EN OPENBAAR KUNSTBEZIT IN VLAANDEREN. LAAT-GOTISCHE BEELDHOUWKUNST IN BELGIË

Sgraffiti IN

Naar aanleiding van de tentoonstelling Meesterwerken van de gotische beeldhouwkunst in het Museum voor Schone Kunsten, Gent publiceert Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen een extra-aflevering gewijd aan de laat-gotische beeldhouwkunst in België.

BRISSI I

k Ji

, KUNST

IN

door de Koning Boudewijnstichting in samenwerking met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Aan deze modelprojecten worden vormingssessies gekoppeld, die moeten toelaten na afloop over een twintigtal hoog gekwalificeerde sgraffito-restaurateurs te beschikken. Sgraïïtti'mBrussel - Kunst in de straat werd samengesteld door Jos Vandenbreeden en Linda Van Santvoorl voor het Sint-Lukasarchief, Eric Hennaut, Liliane Liesens en Marie Demanet voor de Archives d'Architecture Moderne en Walter Schudel voor het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium. Een eerste bijdrage doet het begrip Kunst in de straat in het historische perspectief van stadsverfraaiing, gevelarchitectuur en toegepaste kunsten herleven. Een tweede bijdrage behandelt de oorsprong en herontdekking van het sgraffito in de 19de eeuw door figuren als Gottfried Semper en Heywood Sumner, die inspeelden op de grote thema's van de architecturale polychromie en de vernieuwing van de decoratieve kunsten. De introductie van het sgraffito in het Brusselse milieu met wegbereiders als de gebroeders Jean en Henri Baes, en de verdere evolutie tot een hoogwaardig bestanddeel van de Art Nouveauarchitectuur onder invloed van Adolphe Crespin, Privat Livemont en Paul Cauchie vormt het onderwerp van een derde bijdrage. Vervolgens worden

Dl

STRAAT

achttien representatieve voorbeelden van sgraffito-kunst uit het Brusselse in woord en beeld toegelicht. Pioniers als de woningen Goblet d'Alviella en Hankar passeren in bijzonder fraaie kleurplaten de revue, naast schoolvoorbeelden als de woningen Giamberlani en Cauchie en de goed bewaarde Josaphatschool. Een rectificatie geldt nochtans het foutief aan Privat Livemont toegeschreven sgraffito van de lagere school Locquenghienstraat (p. 102): Adolphe Crespin kreeg hiervoor in 1907 de opdracht van de Stad Brussel tegen een bedrag van 900,-fr. (Stadsarchief Brussel, Openbare Werken, 5173). Een laatste bijdrage geeft tekst en uitleg bij de restauratie-ethiek zwevend tussen de noodzaak tot vervanging en authenticiteit, de schade-oorzaken en de remedies, en richt zich tot slot tot de eigenaars met tips voor een doeltreffend onderhoud.

Naast de meesterlijke sculpturen die in het Museum voor Schone Kunsten worden getoond, zijn er uiteraard nog heel wat laat-gotische beelden te bewonderen in Belgische kerken en musea. Omwille van hun kwetsbaarheid konden of mochten deze kunstwerken niet worden verplaatst. Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen toont deze schatten 'te velde' in het extra-nummer: Laat-gotische beeldhouwkunst in België. Auteur Jan Klinckaert neemt de lezer mee op een fascinerende beeldentocht. Lessenreeks 'Gotische beeldhouwkunst' Aansluitend bij de tentoonstelling werkte Amarant een korte situerende lessenreeks uit. In een reeks van vier lessen (in Aalst, Antwerpen, Gent en Strombeek-Bever) gaan de docenten Patrick Verlaak en Dominique Dumon dieper in op het ontstaan van de laatgotische beeldhouwkunst in de Bourgondische Nederlanden (de huidige Benelux, Noord-Frankrijk en het gebied van de Nederrijn). Het begrip 'laat-gotisch' wordt in een breder tijdskader geplaatst en men gaat na hoe

Jo Braeken

Sgraffiti in Brussel Kunst in de straat Eric Hennaut, Walter Schudel, Jos Vandenbreeden en Linda Van Santvoort Koning Boudewijnstichting 1994,

144p.,650,-fr.

B I N N E N K R A N T


M8d

ii

de verhouding lag tussen schilderkunst en sculptuur. Gotische beeldenroute door België Het extra-nummer van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen biedt de lezer niet alleen een wetenschappelijk gefundeerde tekst, maar tevens een uitstekende gids voor één of meerdere culturele uitstappen. Amarant organiseert i.s.m. Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen twee rondreizen met bus op 16 oktober en 6 november, en een rondreis met eigen vervoer op 13 november.

Laat-gotische beeldhouwkunst in België formaat: 28x22 cm omvang; 40 pagina's illustraties; 12 kleurenreprodukties en 35 zwart-wit prijs; 210,-fr. Het nummer wordt te koop aangeboden in het Museum voor Schone Kunsten, Gent. Het kan tevens besteld worden door overschrijving van 210,-fr. op rekening 448-0007361-87 van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen vzw, Kasteelstraat 97,8700 Tielt (info; 051/42.42.99) Lessenreeks en gotische beeidenroute. Info en inschrijvingen Amarant, Hoogpoort 50 9000 Gent (tel. 09/233.03.24fax.; 09/233.42.36)

HET GALLO-ROMEINS MUSEUM IN TONGEREN Pierre Bruno Bourla, omstreeks 1860 (Antwerpen, A.M.U.C.)

ontstaan en de geschiedenis van het museum en het nieuwe gebouw. Uiteraard worden de waardevolle collecties van het museum voorgesteld, maar ook de archeologische bezienswaardigheden buiten de muren van het museum krijgen ruime aandacht. Het derde nummer van de 32ste jaargang van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen nodigt de lezer uit om een archeologische ontdekkingstocht door Limburg te maken met het nieuwe Gallo-Romeins Museum als vertrekpunt.

Het Gallo-Romeins Museum in Tongeren formaat; 28 x 22 cm omvang: 40 pagina's illustraties; lOkleurenrepn en 40 zwart-wit prijs; 210,-fr. verkooppunt; Gallo-Romeins Museum in Tongeren

De opening van een museum in Vlaanderen is een bijzondere gebeurtenis, zeker als het om een nieuwbouw gaat. In Tongeren, oudste stad van het land, heropende begin september het Gallo-Romeins Museum zijn deuren. Na vier jaar bouwen verrees op de plek waar in de 3de eeuw een grote, luxueuze 'Romeinse' stadswoning stond, een nieuw museumgebouw. Reden voor Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen om een themanummer aan dit museum te wijden.

HET BOURLAHUIS EN HET ONTSTAAN VAN HET EILANDJE

In hun bijdrage gaan de diverse auteurs op zoek naar de archeologische betekenis van Tongeren, het

In 1990 kocht het architecten- en ingenieursbureau FDA (Foqué-DenkensAdriaenssens Architecten & Inge-

nieurs NV) een voormalig bedrijfspand aan de Nassaustraat te Antwerpen, om er zijn kantoren in te vestigen. Weinig liet vermoeden dat dit onopvallende gebouw op het 'Eilandje' tot de laatste relicten behoorde van een bijna vergeten stadsuitbreiding uit de Hollandse Tijd, het Nassauplein. Dit unieke stedebouwkundig ensemble in Frans geïnspireerde neoclassicistische stijl kwam in 1823-1825 tot stand naar ontwerp van stadsbouwmeester Pierre Bruno Bourla. Veelvuldige en ingrijpende verbouwingen van het pand en zijn omgeving waren er allicht debet aan dat Nassaustraat nr. 37-41 ook tijdens de inventarisatiecampagne van het bouwkundig erfgoed voor dit gebied over het hoofd werd gezien. Het Bourlahuis, dat vanaf 1991 een grondige renovatiebeurt onderging, herbergt vandaag een kunstgalerij en het voornoemd architectenbureau. Bij gebrek aan voldoende restanten van de oorspronkelijke toestand, had deze renovatie eerder tot doel het pand nieuw leven in te blazen, dan het in zijn oude glorie te herstellen. Het monumentale verleden krijgt niettemin een postuum eerbetoon door middel van een fraaie publikatie van de hand van Piet Lombaerde, die het verhaal van gebouw en plein in woord en beeld reconstrueert, binnen de ruimere context van de geschiedenis van het "Eilandje". De aanleg van het Nassauplein kaderde in de ontsluiting van de zone tussen de onder Frans bestuur gegraven dokken en de noordelijke stadswallen. De gietijzeren Nassaubrug over de verbindingsgeul van Bonaparte- en Willemsdok, ingehuldigd in 1822,

Bestellen kan ook door storting op 448-0007361-87 van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen met vermelding "Gallo-Romeins Musew

B I N N E N K R A N T

*5I^. ts


M8cL Antwerpen, het Bourlahuis

12

vormde daartoe de aanzet. In de as van de brug ontwierp Bourla een rechthoekig plein met een door Durand geïnspireerde, uniforme architectuur. Deze bestond uit twee symmetrische blokken met middenrisaliet aan west- en oost- en een vrijstaand paviljoen aan de noordzijde. De noordelijke havenuitbreidingen en de ontmanteling van de Spaanse wallen in de jaren 1860 betekenden het einde van het Nassauplein dat werd doorgetrokken tot Nassaustraat. Het Bourlahuis, oorspronkelijk een pakhuis begrepen in het oostblok van het plein, werd vanaf die periode als opbrengsthuis stelselmatig opgedeeld en verbouwd, tot het door de recente renovatie zijn eenheid terugvond. Na de Bourlaschouwburg, Een tempel voor de muzen onder redactie van Madeleine Manderyck en Herman Van Hunsel, vormt het Bourlahuis en het ontstaan van het Eilandje door Piet Lombaerde in korte tijd de tweede monografie die aan het werk van Bourla wordt gewijd. Het verhaal wordt geïllustreerd met een groot aantal nooit eerder gepubliceerde plannen en ontwerptekeningen. Een minpunt geldt de kadrering van deze documenten die wat slordig werd uitgevoerd, in een overigens verzorgde lay-out. Deze beknopte maar niet minder boeiende studie werpt een nieuw licht op het stedebouwkundige denken van de stadsbouwmeester en zijn aandeel in de havenuitbouw, waarbij een monument aan de vergetelheid wordt ontrukt.

Gezicht op de Oostzijde van het Hansahuis

Jo Braeken

• n • i i • i 11

iiiliiOl^ 'et Bourlahuis en het ontstaan van het Eilandje - Piet Lombaerde. Uitgeverij MIM, 1994, 72 blz. - 595,-fr. Info; FDA, Nassaustraat 37-41, 2000 Antwerpen Tel.: 03/226.37.70. Fax.: 03/226.37.22

Buitenkfant MONUMENTENWACHT EN HEMELWATER (NIET ALTIJD HEMELS...) Tijdens studienamiddagen in de vijf Vlaamse provincies wil Monumentenwacht aan alle belangstellenden specifieke informatie over het onderhoud en de instandhouding van historisch waardevolle gebouwen aanbieden. Monumentenwachters leveren inspectierapporten af die de toestand van een gebouw in detail weergeven. Hoe beter deze rapporten zijn opgesteld, hoe adequater het gebouw te onderhouden is. Hun deskundigheid bij het herkennen, het analyseren en het stellen van diagnoses is daarom vitaal. Maar ook eigenaars hebben

baat bij enige kennis van zaken. Hoe nauwkeuriger zij het inspectierapport interpreteren, hoe beter zij eventuele mankementen kunnen (laten) verhelpen. Kennis en informatie zijn momenteel her en der ter beschikking in zeer uiteenlopende vormen. Maar Monumentenwachters, eigenaars en andere betrokkenen hebben ze niet steeds voor het grijpen. Daarom start Monumentenwacht Vlaanderen vanaf november 1994 met een nieuw initiatief: thematische studienamiddagen. Zij richten zich in eerste instantie tol de "geïnteresseerde leek": eigenaars of beheerders van gebouwen, personen uit de betrokken administraties of het verenigingsleven ... maar niet noodzakelijk met een bouwtechnische achtergrond. Natuurlijk zijn professionelen - zoals architecten of aannemers - ook steeds welkom. Het ligt in de bedoeling op middellange termijn achtereenvolgens een aantal specifieke deelaspecten van historisch waardevolle gebouwen te belichten. Zo kan na enkele jaren een min of meer representatief beeld opgebouwd worden van de problemen en mogelijke oplossingen bij de instandhouding en het onderhoud van deze gebouwen. Elke studienamiddag vindt éénmaal in iedere Vlaamse provincie plaats. Aanvullend wordt rond het thema ook een brochure gepubliceerd. Als eerste komt de problematiek van de hemelwatervergaring en -afvoer aan historische gebouwen aan bod. Vanuit (architectuur-)historische en/of constructief standpunt wordt hieraan

B I N N E N K R A N T


13

vaak weinig aandacht besteed. Toch spelen goten, aansluitingen en afvoerpijpen een cruciale rol bij de instandhouding van het gebouw: bij een foutieve detaillering, lek of verstopping zoekt het water zich een eigen weg - meestal de "verkeerde" met onvermijdelijke schade aan het onderliggende gebouw: hout en pleisterwerk gaan eraan kapot, vochtige milieus zijn geliefkoosde oorden voor schimmels en zwammen, neerplensend water haalt het voegwerk van tussen de stenen uit... Bovendien werden en worden, vanuit esthetische overwegingen, de goten en afvoeren soms zó weggewerkt dat toekomstige problemen reeds van bij het ontwerp ingebouwd zijn. Na een korte historische situering zal tijdens de studienamiddagen telkens ingegaan worden op de in onze streken voorkomende goot- en afvoertypes en hun problemen. Tot slot worden suggesties aangereikt voor herstelling, onderhoud en mogelijke schadepreventie.

Per provincie wordt één woensdagnamiddag voorzien. Het programma vangt aan om 14.00 uur. Aan gebruikers-leden wordt een (symbolische) bijdrage in de organisatiekosten gevraagd van 100,-fr. Niet-leden betalen voor deelname 400,-fr. Hierin telkens een begeleidende brochure inbegrepen. Voor bijkomende inlichtingen of inschrijvingen kan men terecht bij Monumentenwacht Vlaanderen, Brederodestraat 21 te 1000 Brussel, Tel. 02/511.18.40 9 november 1994: Provinciaal Auditorium, Gouvernementstraat 22,9000 Gent 16 november 1994: Arrondissementszaal, Provinciehuis, Koningin Eiisabehtlaan 22, 2018 Antwerpen 23 november 1994: Kasteel van Huizingen, Torlaylaan 100,1654 Huizingen 30 november 1994: Provinciale Industriële Hogeschool, Graaf Karel de Goedelaan 7, 8500 Kortrijk 7 december 1994: Kasteel van Rijkel, D. Van Leeumstraat 23,3840 Borgloon-Rijkel

EUROPESE GEMEENSCHAP In het publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 11 oktober 1994 verscheen de mededeling over de steun voor modelprojecten 1995. Voor het twaalfde achtereenvolgende jaar zet de Commissie van de Europese Gemeenschappen haar actie voort met het oog op de instandhouding van het architectonisch erfgoed. In 1995 zal de actie betrekking hebben op "religieuze monumenten". Het gaat hierbij om gebouwen die op tastbare wijze getuigen van een religieuze activiteit en waarvan de historische, architectonische, artistieke en sociale waarde van Europees belang is. Er zal prioriteit worden gegeven aan projecten voor de instandhouding van monumenten en plaatsen die oorspronkelijk waren bestemd voor erediensten en daarvoor nog steeds worden gebruikt. Voor het programma is het reglement als volgt: 1. A. Alle ingediende projecten moeten gelegen zijn in een Lidstaat, tot het thema van het jaar 1995 behoren en door de kwaliteit van de voorafgaande studie en de exemplarische keuze van de restauratietechnieken zo belangrijk zijn dat eventuele steun van de Commissie gerechtvaardigd is. B. De monumenten en/of plaatsen moeten toegankelijk zijn voor het publiek. C. De Gemeenschapssteun is uitsluitend bestemd voor de restauratie-werkzaamheden. Archeologische opgravingen als zodanig kunnen niet in aanmerking worden genomen in het kader van dit project. Ook de projecten die zich beperken tot stadsvernieuwing, infrastructuurwerkzaamheden, voorzieningen en nieuwbouw komen niet in aanmerking. D. De projecten dienden de voor de verwezenlijking van de voorgestelde werkzaamheden noodzakelijke financiële waarborgen te bieden. E. Voor projecten waan/oor in de vorige jaren reeds in het kader van deze actie een subsidie van de Commissie van de Europese Gemeenschappen werd toege-

kend, mag geen nieuwe aanvraag worden ingediend. 2. De aanvraagformulieren en een kopie van deze aankondiging kunnen worden verkregen bij: - de Commissie van de Europese Gemeenschappen, DG X - Culturele actie (Kamer 4/51), Trierstraat 120, B-1049 Brussel (schriftelijk aan te vragen) - het Bestuur Monumenten en Landschappen, Zandstraat 3, B-1000 Brussel (telefonisch: mevr. N. Renders, 02/209.29.44) 3. De aanvragen moeten uiterlijk op 31 januari 1995 door de eigenaar van/verantwoordelijke voor het monument zijn ingediend. Zij moeten tegelijkertijd worden ingediend bij de Commissie en bij het Bestuur Monumenten en Landschappen. De termijnen dienen strikt in acht te worden genomen; zij worden niet verlengd; de datum van de poststempel zal als officiële indieningsdatum worden beschouwd. 4. Het Bestuur Monumenten en Landschappen dient de aanvraag te onderzoeken en uiterlijk op 24 maart 1995 advies uit te brengen. De beslissing over toekenning van financiële steun zal eind mei 1995 door de Commissie worden genomen op basis van het advies van een jury van deskundigen van internationale bekendheid. 5. De Commissie zal de steun verdelen naar gelang van de kwaliteit en de kosten van de uitgekozen projecten, rekening houdend met de beschikbare begrotingsmiddelen. De financiële steun van de Commissie is beperkt tot een maximumbedrag van 150.000 ecu per project en mag in geen enkel geval meer bedragen dan 25% van de kosten van de restauratie- c.q. instandhoudingswerkzaamheden. 6. Toekenning van financiële steun door de Commissie kan pas geschieden na ondertekening van een contract tussen de eigenaar en/of de bouwheer van het monument en de Commissie, waarin met name is bepaald dat: - de aanvrager de uitvoering van het project op zich neemt; de financiële middelen van de aanvrager ofwel eigen middelen kunnen zijn, ofwel bestaan uit een subsidie van een openbare of particuliere instelling

B I N N E N K R A N T


14

-

-

-

-

(bankleningen worden als eigen middelen beschouwd), de aanvrager de Commissie en het Bestuur Monumenten en Landschappen moet toelaten de restauratie- c.q. instandhoudingswerkzaamheden te inspecteren, de restauratie- c.q. instandhoudingswerkzaamheden waarvoor financiële steun van de Commissie wordt toegekend uiterlijk op 15 september 1997 voltooid zullen zijn, de aanvrager in augustus 1996 bij de Commissie een tussentijds verslag indient over de stand van de werkzaamheden, alsmede een eindverslag in september 1997, de aanvrager ervoor zal zorgen dat aan de bijdrage van de Commissie tot de uitvoering van het project ruime publieke bekendheid wordt gegeven en zich er ten minste toe verbindt een plaat aan te brengen met het logo van de Europese Unie waarop de financiële steun van de Commissie wordt vermeld.

Om het nuttig effect van het project te vergroten is het van belang aanvullende activiteiten te organiseren ten einde het voorbeeldkarakter ervan op het gebied van de instandhouding naar voren te brengen.

van de overheid werden reeds een aantal structurele initiatieven genomen die de krachten bundelen of de monumentenzorg inhoudelijk en daadwerkelijk ondersteunen (de Monumentenwacht Vlaanderen, Vlaams Centrum voor Ambacht en Restauratie, Vlaamse Contactcommissie voor Monumentenzorg). Wat tot nu toe ontbrak was een onthaalstructuur die over het hele Vlaamse grondgebied de samenwerking optimaliseert en in het bijzonder de praktijk van de instandhouding, het beheer en de openstelling van de monumenten op zich neemt. Dergelijke onthaalstructuren bestaan reeds in de ons omringende landen en hebben daar hun nut bewezen. Met de oprichting van de Stichting Vlaams Erfgoed (SVE) wordt ook bij ons in deze behoefte voorzien. Samen met de bescherming is de instandhouding (onderhoud, conservatie en restauratie) in de eerste plaats de taak van de overheid. Complementair daaraan kunnen andere partners instaan voor het maatschappelijk functioneren van het monument, wat neerkomt op twee componenten: het beheren en beleven. Door een gepaste functie houdt het monument immers zichzelf fysiek en economisch in stand en draagt het bij tot het behoud en de ontwikkeling van de cultuur. De (her)bestemming, het beheer en de beleving veronderstellen echter een breed maatschappelijk draagvlak.

STICHTING VLAAMS ERFGOED vzw

In wisselwerking met deze hoofddoelstelling wil de SVE tevens instaan voor: - het voeren van gemeenschappelijke promotie voor publiek toegankelijke monumenten en landschappen, al dan niet in haar beheer; - het ondersteunen van lokale patrimoniumverenigingen in hun streven naar verwerving, restauratie en onderhoud van monumenten en landschappen en een adequate ontsluiting ervan; - het inbedden van deze doelstelling in een globale organisatie die sensibiliserend optreedt, animatie-activiteiten opzet en een zo breed mogelijk draagvlak uitbouwt door het opstarten van een ledenbeweging.

Actie De SVE slaat al meteen de hand aan de ploeg. Op korte termijn zal ze de restauratie aanvatten van het Fort Napoleon en het omgevend duinenlandschap in Oostende. Andere restauratie- en/of beheerprojecten zullen snel volgen. De promotie-opdracht zal volwaardig worden ingevuld naarmate de SVE eigen sites in beheer heeft. Die promotie zal evenwel worden opgetrokken naar zoveel mogelijk toegankelijke sites. Hierbij wordt in de eerste plaats gedacht aan sites met een kwaliteitsvolle cultuurtoeristische bestemming. De SVE zal van bij het begin adviserend optreden ten dienste van lokale valoriserings- en ontsluitingsprojecten. De organisatie van een ledenbeweging wordt thans voorbereid. Ze zal vanaf 1995 worden opgestart.

Doelstellingen Op 23 maart 1994 verklaarde de Vlaamse regering zich akkoord met het principe van de oprichting van een Stichting Vlaams Erfgoed. Dit initiatief werd ter bekrachtiging voorgelegd aan de Vlaamse Raad, die zijn goedkeuring gaf op 13 juni 1994. Op 20 oktober 1994 werd door Vlaams Minister Johan Sauwens, bevoegd voor Monumenten en Landschappen, de vzw Stichting Vlaams Erfgoed voorgesteld. Complementair aan het overheidsinitiatief zijn vanouds talloze professionele en vrijwilligersverenigingen actief in de monumentenzorg, die bovendien steeds sterker wordt gesteund door een breed publiek. De Open Monumentendag is daar het duidelijkste teken van. In dit elan en met steun

De totaliteit van instandhouding, beheer en beleving werd door de SVE vertaald in de volgende doelstellingen. De hoofddoelstelling van de Stichting Vlaams Erfgoed is: de verwerving, de restauratie, het onderhoud en het beheer van monumenten en landschappen waarvoor zich problemen stellen. Vele monumenten zijn namelijk bedreigd omdat de eigenaars de kennis en/of de middelen ontberen voor een optimaal behoud. De instandhouding en het beheer van andere, vooral kleinere monumenten, zoals straatmeubilair of veldkapellen, hangt al te vaak af van eerder toevallige lokale initiatieven.

B I N N E N K R A N T

Stichting Vlaams Erfgoed p/a Kreupelenstraat 2 1000 Brussel


M8d Alveringem, Brouwerij De Snoek (foto 0. Pauwels)

is PROEF DE SMAAK VAN HET VERLEDEN IN HET MOUT- EN BROUWHUIS DE SNOEK FORTEM Alveringem Vlaanderen bezit de belangrijkste en meest gediversifieerde brouwerijtraditie in Europa. In Vlaanderen worden nog meer dan 400 verschillende soorten bier gebrouwen. Honderd jaar geleden bezat de regio méér dan tweeduizend brouwerijen! Op 2 juli 1994 is in Alveringem (nabij Veurne) het nieuwe mouterij- en brouwerijmuseum de Snoe/c officieel geopend. Het is dagdagelijks open voor het grote publiek. Het is ondergebracht in een schitterend gerestaureerde oude dorpsbrouwerij, die als enige in Vlaanderen haar 19de-eeuwse uitrusting bewaarde. De voormalige mouterij-brouwerij de Snoek werd In 1871 langs de Lo-vaart gebouwd naar een ontwerp van bouwmeester Medard Delanghe. Ze verving een oude brouwerij (waarvan de oudste vermelding dateert van 1767) die door de kanaalverbreding moest verdwijnen. Het oude mouterij- en brouwerijgereedschap, zoals de oude brouwketels, de gistingstonnen, de roerstokken werden echter wel in de nieuwe mouterij-brouwerij hergebruikt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog lag de mouterij-brouwerij de Snoek achter het IJzerfront, op het kleine stukje België dat niet bezet werd. Daardoor werden de koperen ketels niet door de bezetter geconfiskeerd. Er werd dan ook op de traditionele manier In de Snoek gebrouwen tot in 1952. Niettegenstaande de hoge koperprijzen tijdens de Koreaanse Oorlog (1951-1953) werd de koperrijke installatie toen niet uitgebroken. In 1989 werd de voormalige mouterijbrouwerij de Snoek door de V.Z, W. Westhoek-Monumenten in erfpacht genomen met de bedoeling deze prachtige site voor het nageslacht te bewaren en - na restauratie - voor toeristen open te stellen. De restauratie startte in 1991, nadat de mouterij-brouwerij door de Vlaamse overheid wettelijk beschermd werd als monument. Financiële middelen werden samengebracht van de Europese Gemeenschap, het Vlaamse Gewest,

het Vlaams Commissariaat-Generaal voor Toerisme, de Koning Boudewijnstichting, de provincie West-Vlaanderen, de gemeente Alveringem en enkele sponsors. In het nieuwe mouterij-brouwerijmuseum kan de bezoeker zich sinds 3 juli een uniek beeld vormen van de wijze waarop er in de vroege 19de eeuw gemout en gebrouwen werd én dit aan de hand van het gerestaureerde authentieke materieel zoals koperen brouwketels, een gietijzeren roerkuip, eeuwenoude gistingskuipen en -tonnen, een intacte mouteest, een antieke gasmotor, etc. In de tentoonstelling wordt tevens een beeld opgehangen van de (West-) Vlaamse brouwerijtraditie.

Het Mout- en Brouwhuis de Snoek, gelegen op de grens tussen Vlaanderen en Frankrijk, op een boogscheut van de Noordzeekust, gaat als uniek mouterij-brouwerijmuseum ontegensprekelijk een grote toeristische toekomst tegemoet.

Tot slot kan hij in de gerestaureerde oude herberg (die vroeger bij elke brouwerij hoorde) opnieuw het Snoekbier degusteren, een bier van hoge gisting dat terug gebrouwen wordt met mout, hop, water en gist zonder filtering en met nagisting in de fles of vat.

B I N N E N K R A N T


M&L CITAAT

'Quelque chose de plus beau encore qu 'une belle ck

ingehaald dix.


M&L

Plan van de voorgevels met aanduiding van de te restaureren partyen (plan arch. J.L. Stynen)

33

trouwd aan architect G. Derks. De werken gingen uiteindelijk op 7 oktober 1991 van start, zowat tien jaar na het opstarten van het dossier. De verandering van architect bracht een andere visie op de uitvoering van het restauratiedossier met zich mee en dit werd ondermeer mede bepaald door nieuwe en spectaculaire archeologische gegevens die tijdens de ontmanteling van het gebouw aan het licht kwamen. Deze nieuwe gegevens hadden betrekking op de gevelindeling van de gelijkvloerse verdieping,

de onafgewerkte geveltop en de polychrome afwerking van Het Paradijs. Vooreerst ontdekte architect G. Derks duidelijke aanwijzingen van een vroegere ongewone raamvorm op het gelijkvloers van Het Paradijs. In plaats van de klassieke dubbele kruisvensters, zoals voorzien door architect J.L. Stynen en ook door J.B. De Noter ca. 1845 in zijn reconstructieschetsen getekend, werden duidelijke archeologische getuigen van een drieledig kruisvenster, een smal enkel venster en de toegangsdeur in de voorgevel vrijgelegd.


34 .

M&L

t

Dergelijke trapvormige topgevels werden in de Vlaamse steden meestal in de tweede helft van de 15de eeuw aangewend. Toch werd deze traditionele ontwerpstijl lokaal nog regelmatig aangewend zoals onder meer in 1547 bij de bouw van het Boecx Convent in Mechelen (4). Op basis van de vrij duidelijke archeologische getuigen die op de driehoekige gehavende geveltop werden aangetroffen enerzijds en van vergelijkbare gevelcomposities uit de eerste helft van de 16de eeuw in Vlaanderen en Brabant anderzijds, was het mogelijk om bij benadering een archeologisch-historizerende reconstructie van de ontbrekende laatgotische geveltop te maken. De fragmentair bewaarde restanten van de gedeeltelijk gesloopte of nooit afgewerkte geveltop gaven aanwijzingen met betrekking tot een aantal typische elementen van een in- en uitzwenkende laatgotische gevelcompositie. De goed bewaarde originele consoles en fragmenten van veelhoekige pinakels vertoonden veel verwantschap met gelijkaardige pinakels, bekroond met kruisbloemen of bolvormige ineengestrengelde koolbladcomposities, zoals die te zien zijn in de gereconstrueerde en vrij zwaar gerestaureerde laatgotische gevels van het gildehuis van de Metselaars (ca. 1527) en deze van de Vrije Schippers (1531) te Gent. Verder zijn de in- en uitzwenkende bekroningen van twee laatgotische gevels in Antwerpen - onder meer in de Keizerstraat 16 en op de Eiermarkt 2 - erg verwant met Het Paradijs (5). In Mechelen zelf is in 1520 het merkwaardige huis Het Hemelryck, gebouwd in een overgangsstijl tussen laatgotiek en vroegrenaissance, toch nog bekroond met een - zij

'?•}

\w

^

'TT"' P

!

:;5E5x:

VMM. Jó-K^Ml^* « W .

• Kleurreconstructie van de gevelbekroning van Het Paradijs. De oudste laag vertoonde een bichromie van arduingrijs en gebroken wit. De tweede laag die overeenstemt met de gereconstrueerde polychromie van de reliëfs was eveneens bichroom maar deze keer in

De plaats van de nog aanwezige hengsels duidde op een vroeger uitstalraam met op- en neerwaarts bewegende luiken. Op één van de schilderijen van P. Pourbus is een dergelijk uitstalraam met drieledige verdeling afgebeeld (3). Uit verder analytisch onderzoek van de archeologische getuigen van de deels afgebroken, driehoekige geveltop kwam de ontwerper tot de bevinding dat deze gevel niet kon bekroond geweest zijn met een strakke hooggotische trapgeveltop met vertikaal geaccentueerde geprofileerde pinakels, zoals die door zijn voorganger was uitgetekend.


M&L

Huys genaemd Paradijs op den hoek der kraensfraef circa 1845, Geaqualleerde pentekening (album kanunnik Schóffer, Stadsarchief Mechelen. J.B. De Noter)

De Duivels circa 1845. Aquarel (album kanunnik Schöffer, Stadsarchief Mechelen, J.B. De Noter)

35

het vereenvoudigde - laatgotische geveltop, vertikaal geaccentueerd door pinakels (6). Een tekening van J.B. De Noter uit 1845, die bewaard wordt in het Mechelse stadsarchief bleek, hoewel het hier om een fantasierijke en hypothetische romantische reconstructie gaat, heel wat historisch waardevolle elementen te bevatten en werd daarom als inspiratiebron gebruikt (7). Bij verder onderzoek op het zandstenen parement van de gevel en de vier figuratieve bas-reliëfs van Het Paradijs kwam architect G. Derks fragmenten van de oorspronkelijke polychrome afwerking op het spoor. Ons werd gevraagd om een gedetailleerde en grondige studie omtrent de oorspronkelijke en latere polychrome afwerkingslagen van deze gevel uit te voeren. Het materieel-technisch onderzoek en de steekproeven op het gevelparement werden uitgevoerd door J. Balk. Tegelijkertijd kreeg S. Peters van het Antwerps Restauratieatelier van Beeldhouwwerken (A.R.A.B.) de opdracht om de inmiddels afgenomen bas-reliëfs aan een grondig onderzoek te onderwerpen. Op basis van deze archeologische observaties besloot de architect om een totaal nieuw project voor te stellen, waarbij de laatgotische gevel van Het Paradijs in zijn oorspronkelijke staat zou hersteld of voltooid worden met onder meer een nieuwe stilistisch verantwoorde historizerende geveltop, een getrouwe archeologische reconstructie van de vensterpartijen en de toegang op het gelijkvloers en een wetenschappelijk verantwoorde reconstructie van de oorspronkelijke polychrome afwerking van het gevelparement, de bas-reliëfs en het schrijnwerk. Ook in De Duivels kwamen enkele verrassende archeologische sporen aan het licht. Bij het ontmantelen van de beplanking van de gevel werden duidelijke sporen van een inmiddels verdwenen insteekverdieping teruggevonden. Deze verdieping werd niet gereconstrueerd maar werd wel geïntegreerd in een nieuw interieurontwerp dat door architect K. Rottiers werd uitgewerkt. Op de gebeeldhouwde consoles van de houten gevel werden in de dieper uitgehaalde delen van het oorspronkelijke snijwerk sporen van beschilderingslagen teruggevonden. De restanten waren te miniem om een polychromieonderzoek uit te voeren zoals dit voor Het Paradijs werd gedaan. In samenspraak met kunsthistoricus J. Grootaers, die als adviseur voor de behandeling van de gevel van De Duivels werd geraadpleegd, werd besloten om het beeldhouwwerk en de beplanking van een vaalgroene monochrome afwerking te voorzien. In overleg met de diverse instanties werd, op de valreep, uiteindelijk het basisontwerp goedgekeurd dat voorzag in een polychrome afwerking van de drie


36

M&L

POLYCHROMIE DISCUSSIE

dat schilderwerk een zeer regelmatige onderhoudsbeurt vergt en dat men als opdrachtgever niet zinnens is om de vijftien jaar

G.J. Bral

monumentale kerkinterieurs in de steigers te plaatsen. Diezelfde argumenten worden zeker aangewend voor het buiten-

Naar aanleiding van het toenemend aantal restauraties en recon-

parement van de gebouwen. Er bestaat inderdaad geen 'super-

structies van verf- en pleisterlagen bij restauraties van historische

verf die honderd jaar standhoudt. Doch het schilderen van gevels

gebouwen is bij vele opdrachtgevers een bijzondere terughou-

heeft in tegenstelling tot interieurs naast een esthetische in de

dendheid en twijfel te bespeuren. Dit is vooral ingegeven door

eerste plaats een beschermende functie. Wanneer we de bekende

traditie en gewoonte. Gerestaureerde historische gebouwen

en beroemde historische gebouwen uit onze steden van dichtbij

- zij het kerken, kastelen, stadswoningen, landhuizen, boerde-

bekijken op hun originaliteit dan is het opvallend hoe weinig

rijen - moeten het toch nog steeds hebben van de melancholische

origineel materiaal vooral in de gesculpteerde partijen nog

schoonheid van de bouwmaterialen van weleer, zij het natuur-

bewaard is.

steen (zand- en kalksteen), zij het baksteen.

De meeste beeldhouwwerken zijn vernieuwd met de stijlkenmer-

Hoewel het onderzoek in het buitenland (Duitsland) vanaf einde

ken eigen aan het beeldhouwersatelier dat ze vervaardigde.

19de eeuw, steeds meer zekerheid brengt in deze materie - name-

Door het feit dat deze sculpturen ook niet bedekt zijn met een

lijk dat alle uitwendig parement met grote zekerheid was

bescherm- of verflaag worden zij vernieuwd na een cyclus van

beschilderd en/of bepleisterd/beschilderd - wordt in België angst-

circa 100 jaar. Daarentegen hebben de delikate beeldhouwwerken

vallig gereageerd op deze stroming. Over interieurafwerking

van de weinige gebouwen waarop nog een verflagenpakket wordt

maakt men minder problemen daar er als het ware een continuïteit

aangetroffen een quasi onbeperkte levensduur. Voorwaarde is

in deze is blijven bestaan. Dit geldt dan vooral voor de burgerlijke

wel dat regelmatig herschilderingen worden doorgevoerd.

gebouwen. De kerkelijke gebouwen brengen het er bijzonder

Een uitstekend voorbeeld is in Mechelen met de gevel van het

slecht vanaf. Hoeveel gotische kerken slaan de toeristen nog

16de-eeuwse Paradijs geconstateerd. De reliëfs uit circa 1530,

steeds met verbazing met hun inwendig natuursteen- en baksteen-

die nog bedekt waren met een verflagenpakket zijn nagenoeg

parement waartegen dan verfijnd meubilair uit de latere barok-

intact en onbeschadigd tot ons gekomen en dit na pakweg

periode schaamteloos en totaal uit verband gerukt staat opgesteld.

460 jaar, ruim vier keer de normale levensduur van een kunst-

Nochtans kan over één feit geen twijfel meer bestaan. Alle kerk-

werk blootgesteld aan de klimatologische krachten zonder

interieurs, die gerealiseerd werden vóór het laatste kwart van de

beschermende verflaag.

19de eeuw waren bepleisterd en beschilderd. Het is pas dan dat onder invloed van het constructivistisch neoclassicisme en de eclectische stijlen het zichtbaar gebruiken van bouwmaterialen meer en meer succes zal kennen. Voor de vroegere periodes puilen de archivalia uit van bewijsstukken die verwijzen naar diverse vormen van afwerking, bepleisteringen en beschilderingen. Toch slaagt men er slechts met de grootste moeite in om in eerste instantie de opdrachtgevers, in tweede instantie het publiek van het historisch gelijk te overtuigen. Een steeds terugkerend en economisch argument is

Het spreekt vanzelf dat men bij het opstellen van een specifiek restauratiedossier niet lichtzinning mag te werk gaan bij het aspect van de buiten- en binnenafwerking. Zoals trouwens voor elk aspect van het restauratiedossier is het nuttig een gespecialiseerd vooronderzoek te laten verrichten. Op basis van de aldus bekomen gegevens kan dan de coördinerende architect in staat gesteld worden een technisch verantwoorde keuze te maken. Dat men met de grootste omzichtigheid de keuze van de nieuw aan te brengen afwerkingslagen dient te bepalen is evident, maar dit is niet de kern van de zaak.

gevels. Tot het herschilderen van de bak- en zandstenen barokke gevel van Sint-Jozef werd besloten omdat het contrast tussen de nieuwe en de gereinigde behouden natuursteen te groot bleek. Hier waren echter geen sporen van vroegere polychrome afwerkingslagen meer bewaard omdat deze gevel in 1904 volledig werd gereconstrueerd met herbruik van de natuurstenen elementen en het houten gevelreliëf met de voorstelling van de Heilige Jozef met Jezuskind. Dit interessant reliëf werd trouwens nooit grondig gereinigd zodat heel wat fragmenten van de

oorspronkelijke polychrome afwerking konden onderzocht worden. Aan restaurateur S. Peters werd de opdracht gegeven om een wetenschappelijk verantwoorde polychromie op het houten reliëf aan te brengen.

HISTORISCHE SITUERING De Haverwerf Als handelscentrum was Mechelen bijzonder gunstig gelegen: Zenne en Dijle stroomden door haar rechts-


M&L

37

Kopie van het panoramisch stadsgezicht van Mechelen, circa 1540. Circa 1845 (album kanunnik Schótfer, Stadsarchief Mechelen. J.B. De Noter)

gebied. Beide rivieren vormden de voornaamste handelswegen tussen Antwerpen, Brussel en Leuven. Sedert 1358 had Mechelen van de overheid het stapelrecht voor vis, zout en haver verkregen binnen haar muren (8). In 1473 werden de nieuwe centrale instellingen te Mechelen gevestigd, wat een enorme expansie van de bouwbedrijvigheid tot gevolg had. De linkeroever van de Dijle, van aan de Kraanbrug tot aan de stadspoort links naast de Dijle, "t'Winket" genaamd, werd reeds in de 13de eeuw met de benaming "Dele" of "Dijle" aangeduid. In de 14de eeuw werd deze oever "Werf" genoemd, zoals de andere kaaien langs de Dijle. De benaming Werf houdt verband met het lossen van de koopwaren en heeft hier de oude betekenis van kade en stapelplaats. In de 14de en 15de eeuw en dit vanaf het moment waarop Mechelen het stapelrecht voor die drie basisproducten verkreeg, werd voor de kade die ons in het bijzonder interesseert de naam "Tarf-" of "Haverwerf" gebruikt. Sedert 1578 is het onderscheid "Dele" en "Haverwerf" in gebruik gebleven. Van 1634 af is er enkel nog sprake van "Haverwerf'. Op de plaats waar nu de Kraanbrug ligt, was er vóór de 16de eeuw enkel een houten brug. In 1563 bouwde men een stenen brug. Naast de brug was op initiatief van de stedelijke overheid een

tredradkraan geïnstalleerd. De kraan zelf wordt reeds vermeld in 1311. Respectievelijk in 1346, 1369 en 1765 werd een nieuwe kraan geïnstalleerd. De monumentale tredradkraan werd gesloopt in 1886. Het lossen van de schepen werd toevertrouwd aan de "Craenkinderen",de "Buildragers"-ofhet "Lijntrekkersambacht". Zij werden belast met het lossen met de hand of bij middel van de kraan. Dit Lijntrekkersambacht was als het ware verwant met het ambacht van de schippers dat ook op deze kaai zijn belangrijkste activiteiten uitoefende. Tussen de SintAnnakapel en het huis "Den Anker" stond het kleine ambachtshuis van de Buildragers. De verstandhouding tussen deze vorm van "syndikaten" van het Ancien Régime was soms ver te zoeken. In 1711 geraakten beide ambachten zelfs in een bijzonder ernstig bevoegdheidsconflict betrokken. De afschaffing van de protectionistische gilden en stapelrechten door keizer Jozef II betekende tenslotte het definitieve einde van de drukke handelsactiviteit op de diverse werven. In die tweede helft van de 19de eeuw werden heel wat panden langs de Dijle gesloopt en door nieuwbouw vervangen of aan de nieuwe gangbare stijlen aangepast. De drie historische panden op de Haverwerf bleven als bij wonder van afbraak, aanpassing en oorlogsvemieling gespaard.


38

M&L

Sint-Jozef, De Duivels en Het Paradijs circa 1845. Romantische reconstructie van het ensemble. SintJozef en De Duivels zijn vrij nauwkeurig weergegeven. De gevel tot de aanzet van de gevelbekroning is eveneens accuraat weergegeven. Op basis van archeologische aanwijzingen waagde J.B. De Noter zich aan een vrij aannemelijke reconstructie van de verdwenen gevelbekroning (album Kanunnik Schóffer, Stadsarchief Mechelen. J.B. De Noter)

De huizen Sint-Jozef en De Duivels • Sint-Jozef. De Duivels en Het Paradijs. Toestand na de ingrijpende restauratie van de gevel van het Paradijs. De oorspronkelijke geveldispositie op het gelijkvloers werd archeologisch nauwgezet hersteld. De gevelbekroning werd nieuw ontworpen op basis van archeologische aanwijzingen en vergelijkbare composities. Op basis van kleuronderzoek werd de oorspronkelijke volledige gevelpolychromie gereconstrueerd. De twee andere huizen werden eveneens voorzien van een polychromie en dit naar analogie met andere gelijkaardige voorbeelden (foto 0 . Pauwels)

De Duivels Dit huis benader je best vanop de Kraanbrug. Het bestaat in feite uit een houten voorgevel, begrepen tussen de vooruitgeschoven brandmuren in baksteen- en natuursteenmetselwerk. De duidelijk opgaande structuur loopt uit in een scherpe puntgevel met windplanken. De begane grond en de verdieping zijn fel opengewerkt. Typisch voor de verdiepingen zijn de geritmeerde beplanking en de monumentale overkragingen. Het totaalbeeld is gedrongen en geeft de indruk van een laag bij de grond staande kastconstructie waarvan de breedte versterkt wordt door talrijke horizontale lijsten. Het geraamte van stijlen en balken is enkel te zien waar er vensters zijn. De andere delen van de gevel zijn bekleed met langwerpige planken. Inwendig is de gevel ingewikkelder van constructie. De overkraging, het kenmerk van de houtbouw in de stad, zien we toegepast boven het gelijkvloers en de verdieping. De koppen van de stijlen zijn uit één massief stuk gebeeldhouwd tot indrukwekkende en geheimzinnige figuratieve consoles. De driehoekige puntgevel is tamelijk gesloten van uitzicht. Hij schermde oorspronkelijk een stapelzolder af waar granen werden opgeslagen. Er bestond destijds een vernuftig systeem waarbij de granen door middel van vaste houten en soepele

linnen buizen rechtstreeks vanop de stapelruimte in het scheepsruim werd gestort. Het is vooral het rijke renaissancistische snijwerk dat deze unieke houten gevel onderscheidt van andere bewaarde voorbeelden te Mechelen en in andere steden. De horizontale lijsten zijn voorzien van ornamenten met renaissance-inslag: sappige vruchtensnoeren met appelen en peren, druivenkorfjes, voluutkrullen uitlopend in kwasten, bladmaskers, dolfijnkoppen, monsterachtige vogels. In het deurpaneel met de Parabel van de Verloren Zoon ligt de essentie van de symboliek van de gevel vervat: wie losbandig leeft staat geen hoop te wachten, hoezeer hij ook berouw betoont. Dit tafereeltje, met gracieus gekostumeerde figuren, is een zedenprent, met de nadruk op de vrijende paartjes, losgerukt uit de testamentische kontekst. De wuivende genieën op de zuiltjes van de deurstijlen hebben als bewakers van het huis kennelijk geen moeite met de zedenles. De drie grijnzende saterfiguren boven de deur symboliseren het duivelse aspect. Ze hebben een kinderlijk en minzaam uiterlijk waardoor ze niet angstwekkend overkomen. De symbolische betekenis van de optrekkende stoet mannen en vrouwen, in de consoles op de tweede verdieping, blijft raadselachtig. Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat stoeten en optochten, die erg in trek waren in de late middeleeuwen, inspirerend hebben gewerkt. De twee zotten op het


40

Het Duivelshuis is versierd met een merkwaardige reeks grijnzende saters. De in hout gesculpteerde duivel staat centraal opgesteld in de gevel en dateert uit de eerste helft van de 16de eeuw. Op deze consoles werden in de dieper uitgehaalde delen van het oorspronkelijk snijwerk sporen van beschilderingslagen teruggevonden. De restanten waren te miniem om een polychromieonderzoek uit te voeren. Op voorstel van kunsthistoricus J. Grootaers werd de houten gevel van een vaalgroene monochrome afwerklaag voorzien.

M&L

KtiBSSMI^HH^B

BB

_

einde van de reeks, de nors kijkende vrouw met hond, de krijger, de exotische negerjongen, de vrouwen met kussens op het hoofd en de archaïserende kledij van de personnages: het zijn allemaal facetten van een teatraal gebeuren. De symboliek van deze uitzonderlijke gevel kan samengevat worden als de strijd tussen deugd en ondeugd, een laat-middeleeuws moraliserend geheel dat religieuze en profane elementen op satirische wijze vermengt. De spanning tussen tegengestelde krachten in de mens werkt de beeldsnijder uit door de figuren een tweeslachtig en veranderend karakter te geven: half-mens, half-dier, half-plant (9). Over de ontstaansgeschiedenis van het vroeg-renaissancistisch Duivelshuis tast men nog in het duister. Uit het diepgaand onderzoek dat door J. Grootaers werd verricht blijkt dat in 1647 het pand toebehoorde aan David de Gortter, lid van een notabele Mechelse koopmansfamilie. In 1662 erfde griffier Sanguessa het goed en in 1692 wordt het onroerend goed overgemaakt aan advokaat

Tafereel met een voorstelling van de Verloren Zoon. Hout. Eerste helft 16de eeuw.

Rigaut. Vermoedelijk deed een deel van het huis, met uitzondering van het gelijkvloers, dienst als stapelruimte voor granen. Toen in 1866 een aanvraag voor sloping werd ingediend werd deze geweigerd. In 1867 werd de gevel gerestaureerd, gefinancierd door de lokale overheid. Beplanking en erkers werden toen volledig vervangen. Het oorspronkelijk beeldhouwwerk werd bewaard en ontdaan van alle beschermende verflagen. Een preventief middel om het eikehout te beschermen bestond er ondermeer in om het regelmatig te beschilderen. In de 16de eeuw zagen houten gevels er dus wel kleuriger uit dan we zouden vermoeden. Onze 'bloot-houtnostalgie' was toen totaal ondenkbaar (10). Sint-Jozef Wat opvalt als men het huis benadert is zijn aanzienlijke breedte ten opzichte van de hoogte. Het compacte beeld wordt nog onderstreept door het drukke witstenen lijstwerk. De barokke vormentaal manifesteert zich duidelijk in de korfbogen en de zwierige voluten. In het middelste hoogveld is nog een origineel 17de-eeuws half verheven gebeeldhouwd houten paneel ingewerkt met de voorstelling van de buste van Sint-Jozef en Jezus met aan weerskanten een banderol waarop geschreven staat "Dit is SintJoseph". Volgens J. Grootaers zou beeldhouwer-bouwmeester Lucas Fayd'herbe (1617-1679) het barokke gevelontwerp geïnspireerd hebben. In de 17de eeuw was de traditie gangbaar het baksteenparement dun te bepleisteren en het samen met het lijstwerk te beschilderen. Daardoor bekomt men een sculpturaler effect. Zoals voor De Duivels


M&L

• Sint-Jozef. Bij de reconstructie van de gevel in 1904 werden twee cartouches in Euvillesteen gereconstrueerd.

Sint-Jozef. De middelste korfbogige ontlastingsboog is versierd met een origineel 17de-eeuws houten bas-reliêf. Op basis van kleuronderzoek werd de originele polychromie gereconstrueerd doorA.R.A.B. o.l.v. S. Peters

41

bepleitte de stad Mechelen rondom de eeuwwisseling de restauratie van deze gevel. Dank zij een op de stadsbegroting vrijgemaakt budget op de post "Kunstgevels" werd in 1904 overgegaan tot een reconstruerende restauratie. Het volledige huis werd gesloopt. Enkel de gevel werd systematisch ontmanteld en heropgebouwd "naar den oorspronkelijken staat". Gezien men de technieken van de zachte restauratie destijds nog niet beheerste werd er nogal wat baksteen en witsteen vervangen en werd het interieur volledig gemoderniseerd wat maakt dat van de drie huizen Sint-Jozef hel minst aanspraak kan maken op historische authenticiteit. Wie foto's van voor 1904 vergelijkt met de toestand nu, zal merken dat niet alle details even nauwkeurig werden gereconstrueerd (11).

HUIS GENAAMD HET PARADIJS De gevel van het hoekhuis staat op de grens tussen laat-gotiek en vroeg-renaissance. Deze telt twee traveeën in uitkraging gebouwd; twee korfbogen rusten op een geprofileerde stenen halfzuil. Deze bogen steunen op uitzwenkende veelzijdige kapitelen getooid met bladlover en een onversierd wapenschild. Een massieve smeedijzeren dook ter hoogte van de abacus wijst op een verdwenen niet onbelangrijk gebeeldhouwd ornament dat zich bevond vóór het wapenschild. De boogruggen zijn versierd met afwisselend ineengestrengelde en opengerolde bladkorven van distels en eikebladeren. De bovenste bogen zijn monumentaler uitgewerkt dan de onderste en worden bekroond met laatgotische ezelsrugboogversieringen waarin een mengeling van granaatappelmotieven, eikebladeren en distelplanten is verwerkt. De ezelsrugbogen waren, zoals bleek uit de archeologische bouwsporen, bekroond met een

kruisbloem. De topgevel zelf was vóór de aanvang van de restauratie zwaar gehavend. Het was moeilijk om zich een exact beeld te vormen van de vroegere vermoedelijk laatgotisch versierde gevelbekroning. Uit de consoles en aanzetten van de gevelpinakels, de abrupte breuk in het zandstenen parement van de top en aanwijzingen in de achterliggende spantconstructie, kon afgeleid worden dat de oorspronkelijke geveltop tot tegen de daklijn van het achterliggend zadeldak werd verlaagd.

De oorspronkelijke functie van het huis Op verzoek van de Mechelse Schepen voor Monumentenzorg werd door stadsarchivaris H. Installé een eerste onderzoek uitgevoerd in de wijkboeken, die echter pas duidelijkheid geven over de bewoners en eigenaars van panden vanaf de eerste helft van de 17de eeuw (1647) zodat we eigenlijk niet met zekerheid weten wie het huis liet bouwen en waarvoor het oorspronkelijk heeft gediend. Over hoe het verder in de loop der eeuwen van functie en eigenaar is veranderd zijn we door het onderzoek van de stadsarchivaris iets nauwkeuriger ingelicht. In zijn nota van 15 juli 1992 concludeert stadsarchivaris H. Installé het volgende: "In 1647 is Sebastiaan Herregouts met zijn vrouw Elisabeth de Gortter eigenaar van het Paradijs. Hoe zij dit pand verwierven blijkt niet uit de indices op de registers van de schepengriffie, die werden nagegaan tussen 1647 en 1520. Wellicht kwam het door erfenis in hun bezit. Vererving wordt in die tijd evenwel niet geregistreerd. Ons onderzoek bleef dus vruchteloos desaangaande. Elisabeth de Gortter en haar echtgenoot Sebastiaan Herregouts vonden wij evenwel terug in de genealogische schets opgesteld door Dr. E. Van Autenboer, van de familie van de bekende protestantse rederijker Willem de Gortter, die te Mechelen leefde tussen 1585 en ca. 1650.


De Haverwerf met stadskraan. Anoniem. De aanwezigheid van het Paradijs vlakbij de stadskraan doet vermoeden dat dit monumentale huis een functie als koopmanshuis of eventueel tolhuis had. (album Kanunnik Schöffer, Stadsarchief Mechelen)

Zij was één van zijn broers en zussen. Hun ouders lieden aangebrachte goederen werden er uit de waren Jan de Gortter, schipper en koopman en schepen geladen, gemeten en gewogen. Dit systeem Agatha Pauwels. Hun grootouders waren Willem de maakte de controle en de inning van vorstelijke en Gortter, lakenhandelaar en Elisabeth van Rymenam. stedelijke tollen mogelijk. In Mechelen was het klasHun broers waren jan, schipperen koopman. sieke middeleeuwse stapelrecht van toepassing. Hun overgrootvader was Cornells van Gorttere van Dit betekende concreet dat handelaars in welbepaalde Gorcum, koopman en schipper, waarvan minstens goederen die wensten gebruik te maken van de sinds 1531 blijkt dat hij voor de stad Mechelen rogge handelsweg, in dit geval de Dijle, verplicht werden kocht en verkocht. Hij stierfin 1548. Hij was welhun reis te onderbreken en hun goederen op de stellend want in het testament van zijn weduwe is stapelmarkt te koop aan te bieden. Vreemde koopsprake van vrij aanzienlijke bedragen. Uit het onderlieden die met vis, zout of haver stroomopwaarts de zoek in de registers van de scepengrijfie bleek dat de stad wilden voorbijvaren werden dus verplicht hun familie de Gortter zwaar vertegenwoordigd was tusgoederen te lossen en ze gedurende drie opeenvolsen de eigenaars van de panden langsheen de Havergende getijden te koop aan te bieden. Wat onverwerf, Dijle en Tichelrij. Vooral de Craenstraete alias kocht bleef mocht verder landinwaarts worden Conincxstraete blijkt het centrum van hun onroerend gevoerd. Gelijkaardige situaties zijn ook in bepaalde patrimonium geweest te zijn. Er bestaat een zeer Duitse Hanzesteden als Lüneburg en Hamburg te ernstig vermoeden dat het huis het Paradijs geduvinden. De rijke koopmanshuizen en officiële tolrende een ruim deel van de 16de en de eerste helft huizen zijn daar ook in de onmiddellijke omgeving van de 17de eeuw eigendom was van de leden van de van de stadskraan te vinden (12). familie de Gortter, die zich rond 1530 te Mechelen vestigde, tientallen eigendommen bezat langsheen Een tweede hypothese, die in de loop van het onderHaverwerf, Dijle, Tichelrij, Steenstraat en Kraanzoek werd geboren, houdt verband met de publieke straat en waarvan de leden vrijwel steeds naast het functie die dit belangrijk pand zou gehad hebben. beroep van koopman of brouwer, dat van schipper Een notitie van J.B. De Noter, die hij bij de pentekeuitoefenden..". ning van Het Paradijs voegde, is het uitgangspunt van deze hypothese. Het pand Het Paradijs zou volgens De Noter als ambachtshuis of gildehuis van Gezien de ligging van het paradijs vlakbij de Kraande Mechelse schippersnering zijn gebouwd. brug en de kraan zelf is het niet uitgesloten dat het Het archiefonderzoek in die richting kon niet afgeeen koopmanshuis of zelfs een tolhuis was waar de werkt worden omdat het archief van het Mechelse taksen op het stapelrecht van de binnenkomende schippersambacht niet integraal is bewaard. goederen werden geheven. De door vreemde koop-


43

Vooral de documenten met betrekking tot de bouw van hun 16de-eeuws gildehuis zijn vrij onvolledig.

Het Schippersambacht In een notitie van J.B. De Noter gevoegd bij de tekening van de drie huizen van de Haverwerf, vermeldt hij het volgende: "Gothieke en houte gevels XVe eeuw., het huys op den hoek der Kraenstraet staet hier nevens afgeteekend is genaemd het paradijs ook 't Schippershuys" (13). Hiermee verwijst De Noter waarschijnlijk naar een mondelinge overleveringstraditie. Gezien de ligging aan de Haverwerf vlakbij de kraan enerzijds en gezien ook het semi-publieke karakter van het gebouw met heraldische verwijzingen naar de keizerlijke dynastie is de hypothese dat Het Paradijs oorspronkelijk als ambachtshuis van de Mechelse schippers of als koopmanshuis werd opgetrokken bijzonder haalbaar. Over het Mechelse schippersambacht en de koopmansgilden is nauwelijks iets gepubliceerd, op enkele algemene bijdragen over het reilen en zeilen van navigatie, handel en industrie na (14). Bij een eerste steekproef in het stadsarchief, fonds van de Schippersgilde (geïnventariseerd onder de Franse benaming Bateliers), van Mechelen werden geen nieuwe gegevens over het vroegere gildehuis van de schippers met duidelijke betrekking op Het Paradijs teruggevonden. Er werden wel vermeldingen gevonden van een nog niet geïdentificeerd ambachtshuis dat "Den Inghel" genaamd was en waarvan de ligging en locatie in de stad tot op heden onbekend is (15). In 1574 bijvoorbeeld huurde een zekere Anna van Werchter "weerdinne van de ambachtshuysse" een deel van het gildehuis. Verder wordt de weduwe van Peeter Speelberch "ghelaesmaecker voor het vermaecken vande ghelaesen opt schipperscaemer" met vier gulden vergoed. Er is anderzijds dan weer een tegenstrijdige bron die vermeldt dat het Mechelse "Maison des Bateliers" gelegen was op de Tichelrij.

Toeschrijving Het huis kwam tot stand in de eindfaze van een periode van toenemende economische welvaart, toen Mechelen een prinselijke stad was (1473-1530) en in de beginfaze van de Reformatietijd (1530-1585) die voor de handel in het algemeen een dieptepunt betekende. De Mechelse scheepvaart die het vooral moest hebben van de doorvoerhandel was bijzonder kwetsbaar en grotendeels afhankelijk van de in- en uitvoer via Antwerpen. Omwille van de Mechelse stapelrechten trachtten concurrerende steden


44

M&L

Mechelen te omzeilen (16). Het ontwerp en de uitvoering van het 'anonieme' huis toeschrijven aan de laatgotische meester-steenhouwer en stadsarchitect van Mechelen (1515-1531) Rombout II Keldermans is betwistbaar en lijkt hoogst onwaarschijnlijk (17). Op basis van vergelijking met het oeuvre van deze meester uit de vijfde generatie van het roemruchte architectengeslacht Keldermans (Sint-Romboutstoren en Grote Raad te Mechelen, Broodhuis en Hek van het Baliënhof te Brussel; Stadhuis te Gent; Grote Spui te Lier; ontwerp vergroting Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen; Kerk te Hoogstraten, enz.) kan gesteld worden dat de decoratieve laatgotische / vroegrenaissancistische vormgeving van Het Paradijs sterk afwijkt van de decoratieve details van de hierboven vermelde gebouwen en ontwerpen. Dit heeft niet zozeer betrekking op het algemene gevelconcept en de architecturale details als profileringen en de hoofdcompositie van de ornamenten, die duidelijk thuishoren in het architecturaal vocabularium van wat men de Brabantse laatgotiek noemt. Wanneer men de ornamenten van dichterbij gaat bekijken valt op hoe de vormgeving van de bladkorven en de omgekrulde bladmotieven, veel eenvoudiger en schematischer zijn uitgewerkt dan de bijna gelijkaardige elementen die te vinden zijn op het oeuvre van de Keldermansgeneratie.

Het Paradijs, detail van de gevel voor restauratie. De korfbogige ontlastingsbogen rusten op een console, versierd met bladwerk en een wapenschild. De smeedijzeren dook verwijst naar een verdwenen decoratief gebeeldhouwd element.

Ook zijn er ontbrekende decoratieve elementen, zoals de smeedijzeren doken getuigen onder de kapitelen van de diensten en dit ter hoogte van de onversierde wapenschilden. Welk ontbrekend element het hier betreft kan niet achterhaald worden. Het huis werd vermoedelijk vervaardigd door een tot op heden nog onbekende meester. Misschien is ook deze gevel, zoals dit het geval was voor het gildehuis van de Visverkopersgilde, het werk van Willem van Werchtere, die jong stierf in 1536. Toch hoort deze gevel volledig thuis in de productie van de Brabantse handelsgotiek (18). Daarmee wordt de correlatie bedoeld die zich ontwikkelde tussen het monopolie van de Brabantse natuursteenhandel en de daaraan verbonden ontwerpers en aannemers-steenhouwers enerzijds en het traditioneel vasthouden aan de laatgotische stijlkenmerken anderzijds.

Iconografie van de gevel De oudste afbeelding waarop Het Paradijs voorkomt is een tekening van W. Linnig Sr. uit 1833. De topgevel van Het Paradijs is driehoekig en vertoont dezelfde toestand als deze vóór de huidige restauratie. Een vernieuwd onderzoek in de iconografische documentatie leverde eigenlijk een nieuwe kijk op het geheel en dit naar aanleiding van de reconstructietekeningen en akwarellen die J.B. De Noter van de gevel van Het Paradijs maakte in 1845. Deze tekeningen werden en worden te vlug van de hand gewezen omdat ze fantasierijk zouden zijn en dus geen historische waarde zouden bezitten. Op een pentekening van de drie huizen van de Haverwerf met de vermelding "Gothieke en houte gevels XVe eeuw..het huys op den hoek der Kraenstraet staet hier nevens afgeteekend is genaemd het paradijs ook 't Schippershuys "(19) vervolledigt De Noter de archeologisch juist weergegeven nog bewaarde delen van de gevel met een laat-gotische stenen topgevel. De reconstructie vertoont vele gelijkenissen met akwarel 453, met één uitzondering: de gevelnaald is hier volledig in steen weergegeven, kruisbloem incluis in plaats van windvaan. In de losse aquarellen hebben volgende tekeningen betrekking op de Haverwerf en Het Paradijs:

IIHK: JmÊÊmKÊKmmÊm

nr. 452: De eerste kraen bij de Deel Deze akwarel is een weergave van de bestaande toestand van de drie huizen met achteraan de kraan en rechts de Kraanbrug. De gevel van Het Paradijs is weergegeven zonder topgevel. De tekening wordt met de grootste omzichtigheid toegeschreven aan kanunnik Schöffer zelf.


M&L

45

nr. 453: Gezicht op de Deel aen de Kraenbrug 1780. Ondertekend door J.B. De Noter en gedateerd 1849. De Noter is hier zeer getrouw in het weergeven van de nog bestaande delen van de gevel en waagt zich verder aan een reconstructie voor de ontbrekende topgevel. Geheel in de traditie van de laat-gotische gevels waarvan voorbeelden zowel in Brabant als Vlaanderen te vinden zijn, voorziet De Noter Het Paradijs met een soort voorloper van de latere klokgevel. De uit- en inzwenkende schermgevel, die geritmeerd wordt met vertikale pinakels bekroont hij hier met een topstuk en smeedijzeren windvaan. nr. 438: Huys genaemd Paradijs op den hoek der Kraenstraet. Niet ondertekend noch gedateerd, wel met de nodige voorzichtigheid toegeschreven aan J.B. De Noter. Ook hier is een poging tot reconstructie van de gevel ondernomen. De geveltop blijft driehoekig en wordt geritmeerd door pinakels. De tekening doet eerder denken aan een neogotisch ontwerp. Merkwaardig genoeg kleurt de anonieme tekenaar de gevel in twee kleuren, groen en wit, wat de twee kleuren blijken te zijn die behoren tot de oudste integrale gevelpolychromie (20). Gelijkaardige topgevels (uiteraard met de nodige historische kritiek te behandelen) brengt De Noter ook op blz. 143 - Backershuys "Den Draeck op het ijzeren leen.Jienfraeyen bouw is over eenige jaren gansch vernieuwd en van zijne oude cieraden beroofd worden"; blz. 99 Huys Concordia of Priesterkelder; blz.95 De Brouwerije St Joris in de Steenstraet (1840); Alle losse aquarellen van J.B. De Noter, nu bewaard op het stadsarchief van Mechelen komen uit de verzameling Schöffer (21). Kanunnik Jan Schöffer (1804-1877) was archivaris van het aartsbisdom. Tussen 1830 en 1850 liet hij J.B. De Noter 340 aquarellen schilderen. Aan andere schilders als A.F. Van den Eynde en zijn zoon August gaf hij ook opdrachten. Daarnaast schilderde hij zelf ook niet onaardig. De verzameling bevat in totaal 508 aquarellen en tekeningen. J.B. De Noter geeft in een reeks tekeningen de toenmalige staat van de gebouwen vrij nauwgezet weer. Voor retrograde tekeningen baseert hij zich op degelijk bronnenmateriaal zoals oude stadsplannen in vogelvlucht en de tekeningen van J.F. Mardulijn (1751-1843). Enkel over de akwarellen van sommige binnenzichten van kapellen en kloosters, die tijdens de Franse Revolutie werden geplunderd of zelfs gesloopt en

waarbij de Noter over te weinig gegevens beschikte, bestond er reeds in zijn tijd betwisting.

De gevelreliëfs van Het Paradijs Iconografie en stijlanalyse De reliëfs, die zich in de hoogvelden boven de ramen van de verdiepingen bevinden, omvatten vier gebogen panelen. Twee panelen van de eerste geleding stellen het aards paradijs voor met de boom van goed en kwaad en de uitdrijving uit het paradijs. De stijl en de anatomie van de wat stroef bewegende figuren van Adam en Eva enerzijds en de gekarakteriseerde woedende uitdrijvende engel anderzijds zijn typisch voor de opkomende renaissance in onze gewesten. De twee panelen van de tweede geleding stellen heraldische motieven voor die door gevleugelde engelen vastgehouden worden. Volgens stadsarchivaris H. Installé verwijst de heraldiek naar de politieke toestand van het moment: "De combinatie van de wapens van Karel de Vijfde en zijn zuster de Franse koningin, Eleonora van Oostenrijk met het paradijsthema en het jaartal (1530) van Eleonora's huwelijk met Frans I, wiens wapen in het hare is opgenomen wijzen mijns inziens in de richting van een duidelijke allusie op de periode van vrede met Frankrijk en de welvaart die daaruit kon verwacht worden tengevolge van de dankzij Margaretha van Oostenrijk gesloten damesvrede (Kamerijk -1526) waarvan de bedoelde echtverbintenis (pas 4 jaar later voltrokken) de bezegeling was. Een verwijzing in de ornamentiek van zijn huisgevel en in de benaming van zijn huis, naar deze voor schipper-koopman (Cornelius sr.) gunstige politiek-economische perspectieven lijkt mij dan ook, zoal niet voor de hand liggend, dan toch zeer aannemelijk". Deze hypothese lijkt niet houdbaar omdat het niet zomaar voor de hand lag om de heraldische motieven van de keizerlijke familie op een private woning aan te brengen. Vandaar de hypothese dat Het Paradijs wellicht wel in eigendom van de schippersfamilie de Gortter toch een semi-publieke functie als ambachtskamer voor de schippersnering of als verzamelplaats voor kooplieden kon gehad hebben. In de rekeningen van het schippersambacht uit de jaren 1580 zijn er trouwens verschillende posten die verband zouden kunnen houden met een vorm van afbetaling of "leasing" en dit mogelijks met betrekking tot een overdracht tussen het ambacht en de familie de Gortter. Omtrent de reliëfs wordt de hypothese vooropgesteld dat ze zouden vervaardigd zijn door het atelier van


46

M&L

KLEURONDERZOEK GEVEL VAN HET PARADIJS Guido Jan Bral

en baksteenpoeder en platvol uitgestreken zodat het parement een volledig vlak uitzicht verkreeg. Na het vlakpleisteren - waarbij de frijnslag van het steenoppervlak partieel nog zichtbaar bleef - werd over het geheel een eerste en voorlopige witte kalklaag uitgestreken. Aangezien men na het

In totaal werden 4 trapsgewijze steekproeven en 4 puncties

afwerken van een gebouw een wachttijd van ongeveer twee jaar

uitgevoerd.

in acht hield om de toegepaste kalkmortel, verwerkt in het metsel-,

Uit de steekproeven kon worden afgeleid dat na de afwerking van

het niet abnormaal dat een voorlopige afwerking voor die periode

voeg- en pleisterwerk, op een normale wijze te laten verharden is het parementwerk van de "ruwbouw"- het gevelparement was

werd aangebracht. Uit het onderzoek kan afgeleid worden dat één

trouwens vrij ruw uitgevoerd, verschillende formaten zandsteen-

of twee kleurlagen in dezelfde uitvoeringsfaze werden aange-

elementen zowel qua vorm als kleur werden zonder onderscheid

bracht. Het is namelijk zo dat op laag twee een arduingrijze tint

naast elkaar verwerkt - alle voegen met een speciale hydraulische

werd aangetroffen, laag die enkel voorkomt vanaf de eerste ver-

mortel werden aangemaakt op basis van hydraulische kalk, zand

dieping tot de geveltop.

z=l

3

2 1. Bij het materieel-technisch vooronderzoek werden kleine verfresten aangetroffen waardoor het nog net mogelijk was een chronologisch kleurende rzoek uit te voeren. 2. Kleurreconstructieschets van de eerste integrale polychrome faze, eerste helft 16de eeuw. (G.J. Bral) 3. Kleurreconstructieschets van de tweede integrale polychrome faze, eerste kwart 17de eeuw. (G.J. Bral)


M&L

47

RESTAURATIE EN P O L Y C H R O M I E ONDERZOEK V A N DE BAS-RELIEFS Sander Peters De ellipsvormige boogvullingen bestaan uit platen zachte witte kalksteen (Avesnes) van gemiddeld 8 cm. dik; ze meten gemiddeld 2 m. op 0,65 m. Per boogvulling zijn telkens twee platen ingewerkt met in het midden een vertikale naad. De originele platen waren in het hoogveld bevestigd door middel van smeedijzeren nagels met diamantvormige kop. Onderaan werden de platen gestut door smeedijzeren haken terwijl middenin de nagels door de platen heen zijn geslagen via voorgeboorde gaten. De gebeeldhouwde panelen werden gedemonteerd om verdere schade door oxidatie van de smeedijzeren doken te vermijden, We hebben hier te maken met in oorsprong gepolychromeerd beeldhouwwerk dat in de loop der tijden meerdere malen overschilderd is geweest (hoofdzakelijk witte en grijs/zwarte lagen werden aangetroffen). Over het algemeen verkeerde de drager in zeer goede staat. De steen vertoonde enkel enige verwering langs de bovenrand en op sommige vooruitspringende delen waar de overschildering reeds sinds langere tijd verdwenen was. Op deze plaatsen bleek men met een bindmiddel-arme zone te maken te hebben. Gezien de vastgestelde aanwezigheid van gipskorstvervuiling konden zowel het verwerings- als vervuilingsproces hier vrij nauwkeurig getraceerd worden. Daarnaast waren ook enkele mechanische beschadigingen opgetreden, zoals het ontbreken van voeten (engeltjes), vingers (Adam en Eva), loofwerk (Adam), enz.

Uit de gegevens die reeds voorhanden waren bleek dat de panelen van de tweede geleding (met engelen en wapenschilden) nog alle verflagen droegen die in de loop der eeuwen waren opgebracht. Een eerste stratigrafisch onderzoek wees uit dat er onder al deze grauwe lagen, schitterend beeldhouwwerk te voorschijn kwam met een uiterst verfijnde polychrome afwerking (24), Voor de vier bas-reliëfs werd geopteerd om de originelen uit de gevel te nemen en ze te vervangen door replica's met de reconstructie van de oudste polychromie. Na conserveringsbehandeling werden de originelen binnen in de lokalen van Het Paradijs museaal opgesteld. Het werk werd toevertrouwd aan het Antwerps Restauratie Atelier van Beeldhouwwerken dat hiervoor samenwerkte met Linda Van Dijck, Jeanne Frarojoise Theyskens en Marianne Decroly, Na demontage van de originele panelen werd gestart met het onderzoek. Hierbij werd in het bijzonder aandacht besteed aan de

AJ

J M

3BI Het Paradijs. Reliëfs met heraldische motieven. De reliefs vóór en na reconstructie van de integrale polychrome faze. De reconstructie werd op een nauwgezette wetenschappelijke wijze uitgevoerd door het Antwerps Restauratieatelier voor Beeldhouwwerk o.l.v. S. Peters


48

M&L

drager, de verschillende polychromielagen en de monochrome

De eerste overschildering was vrij intact bewaard gebleven en

overschilderingen.

was zonder preparatielaag op de eerste polychromielaag aange-

De reliëfs werden vrijgelegd lot de vorm van het beeldhouwwerk

bracht. De chromatische tonaliteiten waren min of meer gere-

weer goed leesbaar was en het mogelijk werd om degelijke

specteerd. Deze laag was iets minder rijk dan de vorige en er

afgietsels te maken met een redelijk scherpe vormgeving.

kwam geen goud of glacis meer bij te pas.

Hiervoor werd teruggegaan tot de tweede overschildering. Tevens werden de breuken verlijmd en de vrijgelegde polychro-

Elf monochrome kalklagen waren over de drie polychrome lagen

mie gefixeerd.

aangebracht. De grote verdienste van dit kalklagenpakket is de

De ontbrekende delen (voeten, vleugels, keizerskroon) werden

bescherming geweest van de natuursteen en de polychromie

met een omkeerbare modeleerpasta bijgewerkt op de originele

tegen vuil en verwering.

reliëfs. Met een aangepaste siliconerubber werden afdrukken gemaakt die dienden om de replica's te vervaardigen met een kunststeenpasta. Eenmaal verhard werd op de kunststenen replica's de polychromie aangebracht.

Reeks 2. De paradijsscènes. De basreliëfs zijn enkel met olieverven overschilderd. Tijdens het

Reeks 1. Engelen met wapenschild.

onderzoek werden respectievelijk één originele polychromie en zes overschilderingen aangetroffen.

Op deze panelen is de originele polychromielaag nog aanwezig.

De originele kleurgeving was bijzonder rijk en sterk gevarieerd.

Hierop zijn nog twee gepolychromeerde schilderingen aangetrof-

De tonaliteiten zijn in bijgevoegde schema's weergegeven.

fen naast een tiental kalkwitsellagen. De originele polychromielaag was aangebracht op een witte

Paneel PI. Adam - originele polychromie

preparatielaag. Deze was sterk verweerd en vertoonde vele

adam: lichte vleeskleur, rossige wenkbrauwen, rode lippen,

lacunes. De tonaliteiten ervan zijn weergegeven op de bijgevoeg-

vergulde haren, verguld loofwerk;

de kleurenschema's.

boom: licht bruine stam en takken, groene bladeren, verguld en fel rood en okerkleurig fruit;

Paneel El. originele polychromie

slang: verguld, zwart, azurietblauw. fel en oranjerood;

huid: lichte vleeskleur, rossige wenkbrauwen, zwarte ogen, rode

palmboom: verguld loofwerk en licht groene stam;

wangen;

dieren: licht okergeel konijn en ram met zwarte horens;

drapering: Venetiaans rood met vergulde zoom (bladgoud op

boomstammen: bruin;

mixtion), afgeboord met twee strepen in rood en groen glacis;

achtergrond: verguld voorplan, groen achterplan;

haren: verguld;

hemel: azurietblauw;

vleugels: verguld met groen;

rand: onderste zwart en bovenste verguld.

guirlandes: groene bladeren, rode en okerkleurige peren, blauwe druiven en vergulde knopen;

Paneel P2. Eva - originele polychromie

lint guirlande: bladgoud;

identiek kleurenschema als vorige behalve:

wapenschild: zwarte adelaar tegen een vergulde achtergrond;

eva: vergulde appel;

achtergrond: zwart, onderste rand groen en bovenste rand ver-

dieren: okerbruine hond, rossigbruin hert met verguld hout.

guld. Paneel P3. Aartsengel - originele polychromie Paneel E2. originele polychromie

identiek kleurenschema als paneel PI behalve:

Idem als vorige behalve:

aartsengelkleding: oranje hemd, vergulde kraag en turquoise-

drapering: azurietblauw met vergulde zoom.

groene binnenvoering;

Paneel E3. originele polychromie

zwaard: zwart blad, verguld heft met zwarte boord, rode vlam

Idem als paneel El behalve:

met rode lak;

vleugels: verguld, groen en felrood;

wapenschild: vergulde lelies tegen een zeegroene achtergrond. Paneel P4. Adam en Eva verdreven - originele polychromie Paneel E4. originele polychromie

identiek kleurenschema als vorige behalve:

Idem als paneel E2 behalve:

architectuur: roodbruine muren, zwarte en deels vergulde achter-

wapenschild: rood, blauw, groen en goud.

grond.


M&L

49

één der grootste renaissancebeeldhouwers van Brabant, Jean Mone, ook genaamd Mosnet of Moynet, geboren te Metz circa 1485-1490 en aldaar overleden circa 1550 (22). In maart 1522 werd Mone te Brussel ontboden door keizer Karel V en benoemd tot hofbeeldhouwer. In 1524 schreven hovelingen van Margaretha van Oostenrijk, die vooral te Mechelen verbleef, aan de magistraat van Mechelen dat Mone aanvaard had zich te Mechelen te vestigen op voorwaarde dat hem een toelage werd geschonken voor het kopen van een huis in die stad. Dit werd geregeld en Mone nam kort daarop zijn intrek in de Adeghemstraat te Mechelen en kreeg een jaarloon tot 1549 uitbetaald. Mone werkte in de jaren 1528-1529 met Rombout II Keldermans ondermeer in Hoogstraten voor rekening van Antoon de Lalaing. Hij werkte persoonlijk bijna uitsluitend in albast.

Het beeldhouwwerk van de Grote Zalm dat in menig opzicht redelijk wat verwantschap vertoont met de reliëfs van Het Paradijs werd vervaardigd door de Mechelse beeldhouwer Jan Borremans, niet te verwarren met de Brusselse houtsnijder, aan wie trouwens het vis verkopersambacht in 1511 een retabel bestelde voor haar altaar in de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Mechelen. De reliëfs van Het Paradijs toeschrijven aan Jan Mone is voorbarig en niet bewezen. Naar analogie met het Visverkopershuis zouden de reliëfs van Het Paradijs evengoed kunnen vervaardigd zijn door een directe medewerker van het atelier van Jan Mone of zelfs door de zeer begaafde beeldhouwer Jan Borremans.

BESLUIT In 1530 werd zijn advies ingewonnen voor de bekende schouw van het Brugse Vrije. Vanaf 1536 verbleef hij meestal in Metz. Twee werken zijn met zekerheid door Mone en zijn atelier gebeiteld, namelijk het albasten retabel in Halle, vervaardigd in 1533, en dat in de Sint-Michielskathedraal te Brussel uit 1538-1544. Met grote zekerheid kan hem ook het grafmonument van kardinaal Willem de Croy worden toegewezen dat oorspronkelijk in het Celestijnerklooster te Heverlee was opgesteld en nu prijkt in de Sint-Pieterskerk te Edingen. Het is vervaardigd circa 1527-1529. Mone heeft de decoratieve vormen van de Italiaanse renaissance in een juiste en zuivere toepassing in de Nederlanden geïmporteerd. Met een toeschrijving van de reliëfs van Het Paradijs aan Jan Mone moet voorzichtig worden omgesprongen zoals de studie over het huis "In den Grooten Zalm" het gildehuis van de Visverkopers op de Zoutwerf bewijst (23). Dit gildehuis kwam tot stand in de jaren 1530-1531 en werd voltooid in 1535. De topgevel werd nooit afgewerkt. In 1610 werd pas een gewijzigde en sterk vereenvoudigde geveltopbekroning gemonteerd. Het ontwerp van de gevel werd eerst op basis van stijlvergelijking en op verkeerde interpretatie van archivalische gegevens toegewezen aan Jan Borremans. Uit detailonderzoek van het gildearchief bleek dat Willem van Werchtere, zoon van stadsarchitect Jan van Werchtere, het ontwerp tekende. Hij stierf jong in 1536. Andere auteurs denken dat de invloed van Jan Mone op de uitgesproken klassieke gevelcompositie van het gildehuis der Visverkopers onmiskenbaar is, ook al is dit met archivalische documenten niet te bewijzen.

Zowel architect en opdrachtgever als de stedelijke, provinciale en gewestelijke overheid namen een weloverwogen beslissing om in eerste instantie de laatgotische gevel van Het Paradijs te voltooien met een nieuwe topgevel en haar oorspronkelijke polychrome luister te restitueren. De gevels van De Duivels en Sint-Jozef werden zowel om technische als om stijlesthetische redenen eveneens gepolychromeerd. Zo'n beslissing is niet vanzelfsprekend. Was het beschilderen van historische gevels geen zeldzaamheid meer in Vlaanderen, nooit eerder werd de pronkgevel van een laatmiddeleeuws pand integraal - inclusief de decoratieve en figuratieve reliëfs gepolychromeerd. Dat dergelijke beslissing kritiek kan uitlokken is meer dan normaal omdat stilistische reconstructie als dusdanig, zoals deze in de tweede helft van de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw werd beleden nu voor de meeste theoretici uit de restauratiewereld nog steeds onaanvaardbaar is. Toch is er ook in buitenlandse restauratiemiddens een nieuwe strekking sterk tot ontplooiing gekomen die zich eigenlijk zwaar afzet tegen de wat integristische en te filosofische visie van het charter van Venetië, de bijbel van de conserverende restauratie. Ik zou als besluit de conclusies willen citeren van het toonaangevend discussieverslag van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, dat werd gepubliceerd in december 1953 onder de titel Geschiedenis van het restaureren. Misverstanden, moeilijkheden en mogelijkheden: "Als het historische monument als zodanig esthetische waarde heeft, is dat uitsluitend een historischesthetische waarde, dan gaat het om de schoonheid zoals onze voorgangers het hebben beleefd en vertolkt, en de restauratie moet dan tot doel hebben die


50 •

M&L

schoonheid zo zuiver mogelijk tot haar recht te doen komen onder handhaving van zoveel als maar mogelijk is van het oude werk dat die schoonheid belichaamt... De romantische geestesgesteldheid, die de verweerde muren van een oud slot of een vervallen kerkgebouw waardeert, die getroffen wordt door het verdofte goud en de ingeschoten en vervaalde kleuren van een verlaten barok pronkinterieur, is volkomen vreemd aan de geestesgesteldheid van de makers van zulke monumenten. Wij willen niet ontkennen dat ook zulk een romantische beschouwingswijze haar recht heeft, noch dat de tijd wat reeds schoon was nog een diepere schoonheid kon geven die ons terecht dierbaar mag zijn, en onderdeel uit kan maken van het complex historische waarden...".

Opdrachtgever: Electrabel NV Hoofdaannemer: Algemene Ondernemingen EG Verstraete & Vanhecke NV Architect: G. Derks Raadgevend kunsthistoricus: G.J. Bral

VOETNOTEN (1)

(2)

(3)

(4) (5) (6) (7)

(8)

GrootaersJ., "De Vijgenboom" (1500-15IO)en "DeDuivels" (1545-1550), twee pronkstukken van het unieke laat-middeleeuwse houtbouwpatrimonium te Mechelen, in Monumenten en UinilschappenJebTmn 1984. Zo onder meer worden de drie huizen in volgende naslagwerken vermeld en afgebeeld: Van de Castyne Oda, L'architecture privée en Belgique dans les centres urbains au XVI° et XVII" siècles, Bruxelles, 1934, p. 278. Van De Walle A.L.J., De gotiek in België, Brussel, 1972, afb. en notities nrs. 86 en 87. Van de Castyne, op. cit. Detail achtergrond van het portret van de echtgenote van Jean Femagnant van P. Pourbus, Gruuthuusemuseum te Brugge, met de afbeelding van het huis De Haan uit Brugge, ill. p. 27. De houten gevel is integraal gepolychromeerd en versierd met de heraldiek van keizer Karel V. Van de Castyne, op. cit., p. 101. Idem, afbeeldingen op p. 102 en 106. Idem, p. 104. Op een pentekening van de drie huizen van de Haverwerf met de vermelding "Gothieke en houte gevels XVe eeuw., het huvs op den hoek der Kraenstraet staet hier nevens afgeteekend is genoemd het paradijs ook 't Schippershuys" vervolledigt De Noter de archeologisch juist weergegeven nog bewaarde delen van de gevel met een laal-gotische stenen topgevel. De reconstructie vertoont vele gelijkenissen met aquarel 453, met één uitzondering: de stenen gevelnaad is hier volledig in steen weergegeven kruisbloem incluis in plaats van windvaan. Van Uytven R., (samenstelling en eindredactie) De geschiedenis van Mechelen. Van Heerlijkheid tot Stadsgewest, Lannoo, 1991.

Het Paradijs. Reliëfs met het aards paradijs en de uitdrijving. De reliëfs vóór en na reconstructie van de integrale polychrome faze. De reconstructie werd op een nauwgezette wetenschappelijke wijze uitgevoerd door het Antwerps Restauratieatelier voor Beeldhouwwerk o.l.v. S. Peters


M&L

51

Sint-Jozef, De Duivels en Hel Paradijs na de restauratie

(9) Grootaers J., Historische nota over de drie huizen, persmap dd. 19 juni 1992 - Opening klantenburo Kraanstraat-Mechelen. (10) Van de Castyne, op. cit., p. 27, gepolychromeerde houten gevel van het huis De Haan, Brugge zoals afgebeeld op het schilderij vanP. Pourbus, 1542. (11) Grootaers J., Historische nota over de drie huizen, persmap dd. 19 juni 1992 - Opening klantenburo Kraanstraat-Mechelen. (12) Pagel K., Die Hanse, Neu bearbeitet von Friedrich Naab, Braunschweig, sd (13) Stadsarchief Mechelen-Ingebonden tekeningen Deel I, p. 92. (14) Van Doorslaer G., Navigation, 1'Industrie et te Commerce Malinois aux XlIIe, XlVe et XVe sièctes, in Bijdragen. (15) Bateliers-Schippers, Règlements et requêtes de 1486 a 1793; de ambachtsrollen (D SI,l); de rekeningen van de dekens en schippers van 1574-1595 (D SI1I,1, ev). (16) Van Üytven R., De geschiedenis van Mechelen, van heerlijkheid tot stadsgewest, Lannoo, 1991. (17) Keldermans, Een architectonisch netwerk in de Nederlanden. Redactie H. Janse, prof. fr. ir. R. Meischke, J.H. van Mosselvels, prof. fr. F. van Tyghem, 's Gravenhage, 1987. (18) Meischke R.. Reizende bouwmeesters en Brabantse handelgotiek, in Keldermans. op. cit. (19) Stadsarchief Mechelen-Ingebonden tekeningen deel I, p. 92.

(20) De pentekeningen zijn ingebonden in drie delen. In deel I zijn de drie gevels van de Haverwerf afgebeeld op p. 93. De gereconstrueerde topgevel van Het paradijs verschilt beduidend van die van aquarel 453. (21) Neckers J., Mechelen zoals J.B. De Noter het zag, Mechelen, 1980, 3 delen. (22) Saintenoy P., Le statuaire Jan Mone - Jehan Money - mattreartiste de Charles-Quint, sa vie, ses oeuvres. Bruxelles, 1931. (23) Conincx J.. in Handelingen, dl. 26, 1921. (24) Peters S., nota - conservatie bas-reliëfs van het pand "Het Paradijs" in de persmap van de opening van het klantenburo, Interkommunale Iverlek, Kraanstraat, Mechelen dd. 19 juni 1992.

Guido Jan Bral is zelfstandig kunsthistoricus, werkzaam als restauratie-adviseur en verbonden aan het Corpus Vitrearum medii, het internationaal centrum voor de studie van historisch glas-in-loodraam.


52

M&L

ANTWERPEN-DAM. EEN STATION OP HET SPOOR GEZET ANNE MALLIET

Algemeen gezicht op het station 1.60 m opgevijzeld (prentbriefkaart)

r 11, Anvers - Déplacement et rehaussement de la Gare du Dam, executes par MM. MORGLIA & WEISS, Ingénieurs. Vue générale du bètiment, rehaussé de 1.60 m.

De verhoging van de ringspoorweg

funderingen losgemaakt, opgevijzeld,

leidde in 1907 voor het station

op treinsporen gezet en 36 meter

Antwerpen-Dam, dat gebouwd was

verplaatst in zuid-westelijke richting.

aan een gelijkvloers spoor, tot een

Van dit huzarenstukje bestaat een reeks

historische gebeurtenis voor de Belgische

van 25 postkaarten, waarop de fiere

spoorwegen. Omdat de spoorweg met

ingenieurs meermaals poseren.

2,20 m verhoogd zou worden, werd de overweg aan de Lange Lobroekstraat een onderdoorgang en diende het nauwelijks tien jaar oude stationsgebouw te worden verplaatst. Afbreken en wederopbouwen werd te duur bevonden. Onder leiding van de ingenieurs Morglia en Weiss werd het stationsgebouw met glazen luifel in zijn geheel verschoven. Het werd van zijn

DE GESCHIEDENIS VAN HET STATION (1) Het stationsgebouw Antwerpen-Dam neemt een belangrijke plaats in in de geschiedenis van de spoorwegen in de stad Antwerpen. Het is een getuige van de eerste lijn Antwerpen-Roosendaal die in 1854 werd geopend. Deze nieuwe lijn betekende dat het station Borgerhout, dat als eindstation fungeerde op de eerste treinverbinding uit 1836 tussen Mechelen en Antwerpen, van een kopstation tot een doorrijstation moest worden omgevormd. Het station


53

Borgerhout was het eerste Antwerpse station en was gelegen net buiten de Spaanse vesten, ongeveer aan de huidige Breydelstraat. Het vervangende station, nu Antwerpen-Oost of Ooststatie genaamd, lag op het huidige Koningin Astridplein. De nieuwe spoorverbinding Antwerpen-Roosendaal liep toen door het hart van de stad en dwarste de weg naar Turnhout, de huidige Camotstraat. Dit traject is nog duidelijk herkenbaar in een hedendaagse stadsplattegrond. Langdurig oponthoud aan de druk bereden overweg van de Carnotstraat en enkele dodelijke ongevallen waren de aanleiding van de beslissing in 1871 tot een ringspoorweg om de stad heen. Daardoor werd Antwerpen-Oost opnieuw een kopstation. Vandaag reist men nog steeds via dit traject van Antwerpen naar Nederland. In 1873 was de ringspoorweg klaar en werd de bestaande verbinding Antwerpen-Oost naar Antwerpen-Dam gesloopt. Ten behoeve van de reizigers werd er bij het goederenstation Antwerpen-Stuyvenberg een halte in gebruik gesteld. Het is op deze reizigershalte dat het huidig stationsgebouw in 1895-1898 wordt opgericht, dat dan later Antwerpen-Dam wordt genoemd. Ook de ringspoorweg zal nog voor veel oponthoud van het wegverkeer zorgen en dit aan de uitvalswegen. Daarom wordt beslist tot de verhoging van de ringspoorweg en de aanleg van een spoorwegberm tussen Berchem en Antwerpen. Tegelijk worden een nieuwe perronoverkapping (1895-1898) van de hand van ingenieur Clement Van Bogaert en een monumentaal stationsgebouw (1898-1905) naar ontwerp van de Brugse architect Louis De la Censerie voor Antwerpen-Oost gebouwd. In 1898 worden op dit traject nog twee nieuwe reizigersstations Berchem en Borgerhout gebouwd. Het nieuwe station krijgt de naam Middenstatie, httr AntwerpenCentraal, en het station van Borgerhout aan de ringspoorweg krijgt de benaming Antwerpen-Oost. Het is in functie van de ophoging van de ringspoorweg dat het station Antwerpen-Dam moet worden verplaatst. Het gebouw, in neogotische stijl opgetrokken met speklagen van witte natuursteen, is een ontwerp van ingenieur E. De Rudder (2). Het is een uit twee delen samengesteld volume met aan de zuidzijde één bouwlaag afgewerkt met kantelen en een schilddak met dakkapellen en een smeedijzeren vorstkam. De gevels zijn opengewerkt met grote driedelige spitsboogramen. Aan de voorgevel is het ingangsportaal met korfboog en gotische colonetten uitgevoerd in blauwe hardsteen met plaats voor een stationsklok. Aan de noordzijde sluit een volume van twee bouwlagen aan met trap en puntgevels voor de ineengewerkte schilddaken. Hier zijn de ramen voor-

zien van hardstenen kruiskozijnen, met blind bewerkte hoogvelden en traceerwerk.

DE VERPLAATSING IN 1907 Op 14 juli 1907 titelt de Gazet van Antwerpen: "Op zijn Amerikaansch. De statie van AntwerpenDam verplaatst" en op 15 september 1907 luidt het: "De statie van den Dam gereed om weg te rollen ". " 'tGeen een goed deel van Antwerpenaars tot voor enkele dagen voor een verdichtsel, eene onmogelijkheid uitmaakten, beleeft thans reeds een begin van uitvoering: men is de statie van den Dam aan 't oppakken om ze vervolgens een dertigdal meter nader de peerdentramlinie te brengen" (13). "Nu staat de statie daar lm60 verheven op 320 kattekoppen, tamelijk hoog opgedraaid" (14). Beide kranteberichten gaan uitvoerig in op deze gebeurtenis en geven allerlei technische uitleg. In Le Patriate illustré van 15 september 1907 verschijnt eveneens het bericht: "Anvers. Le déplacement d'une gare" uiteraard aangevuld met twee foto's van de werken. De meest betrouwbare bron van informatie lijkt evenwel een artikel van LA. Lindo in het Nederlandse vakblad De Ingenieur uit 1908 (5). Verder bleef van de hele gebeurtenis alleen een reeks van 25 postkaarten bewaard (6). Deze postkaarten zijn genummerd en ondertiteld en vormen een echt beeldverkaal van de werken. De fotoreeks is wellicht het werk van de beide bij de werken betrokken ingenieurs Morglia en Weiss. Het is weinig waarschijnlijk dat Albert Morglia, een in Brussel wonend Italiaan (7), en Henry Weiss, een Amerikaan van Duitse ouders (8), een artikel over hun werk publiceerden in het Nederlands. Morglia en Weiss worden door LA. Lindo respectievelijk de directeur en de hoofdingenieur genoemd van de Entreprise Internationale pour le Rehaussement, l'Abaissement et le Déplacement des Grands Edifices. Het is deze onderneming die de opdracht uitvoert voor het Bestuur der Belgische Spoorwegen. De onderneming zou gevestigd zijn in Budapest, Milaan en Brussel en reeds enkele belangrijke gebouwen verplaatst hebben in Budapest en de Verenigde Staten van Amerika. De verplaatsing van het Damstation is een unieke gebeurtenis, die zeer tot de verbeelding spreekt, doch nauwelijks navolging zal kennen. In 1910 zal ingenieur Weiss nog in Bocholt de toren van de SintLaurentiuskerk 9,40 meter verplaatsen zodat de kerk met twee traveeën kan worden vergroot (9). In 1911 zullen ook ingenieurs van Bruggen en Wegen een afsluitmuur van het rangeerstation aan de Schijnpoort verplaatsen voor de verbreding van de rijweg (10).


54

G Hennans, éd.. Anvers.

Panoramisch gezicht op het station, vóór de aanvang van de werken (prentbriefkaart)

De grondwerken, het doorboren van de muren en de eerste buitenbewapeningen (prentbriefkaart)

M&L

1. Anvers - Déplaccment et rehaussement de la Gare du Dan, executes par MM. MORGLIA & WEISS, Ing Vue panoramique de la -^are avant les Iravaux.

HET BEELDVERHAAL De eerste van de reeks postkaarten is een dubbelbrede, panoramische opname die het stationsgebouw toont vóór de verplaatsing. De ringspoorweg is nog niet verhoogd en de omgeving van het station stemt overeen met de beschrijving in de krant: "Het uitzicht der 'plaats' die zich thans voor de spoorhalle uitstrekt, kan er onmogelijk bij verliezen, want gelijk het daar nu gestaan en gelegen is, komt het allerellendigst voor: 't is een soort onbenullige wildernis, een put van onkruid, als een soort galgenveld dat niemand weet tot eenige bestemming te brengen, sinds men geene menschen meer opknoopt" (11). Ter voorbereiding werd begonnen met de uitgravingen en constructie van een funderingsplaat in beton op de plaats vóór het gebouw waar het na verplaatsing zal komen te staan. "Het gebouw te Antwerpen-Dam is lang ± 36, ± 16m. breed en weegt ± 3000 ton. Het was met doorgaande fundeeringsmuren opgetrokken rechtstreeks op den harden leembodem.... De vaste leembodem liet een steile ontgraving langs het spoor toe met vrij eenvoudige afkisting; de treinloop bleef daarlangs geregeld plaatsvinden. ...De houten en steenen vloeren van den beganen grond van het gebouw waren opgenomen; de marquise met kolommen bleef, aan het gebouw geschoord, daaraan hangen; de kolommen waren van de hardsteenen neuten, waarop zij rustten, losgemaakt. Het gebouw was van binnen op geenerlei wijze verstijfd" (12). "De verdieping van het te verplaatsen gebouw was door den stationschef verlaten, doch als woning en bureau gedurende het lichten en verplaatsen van het gebouw in gebruik genomen door de uitvoerders.... De gas- en waterleiding waren afgekoppeld, doch

opnieuw verbonden door linnen of guttapercha slangen". De slang die aan de gasleiding werd voorzien om gedurende de verplaatsing de verlichting in het gebouw functioneel te houden is op één van de foto's goed te zien. Andere laten duidelijk de ondersteuning van de glazen luifel aan de perronzijde van het stationsgebouw zien, die ervoor moest zorgen dat deze zonder schade mee kon worden verplaatst. Dat de ingenieurs Morglia en Weiss hun intrek namen in het gebouw heeft alleszins voeding gegeven aan het verhaal dat in de vele latere artikels steeds wordt opgedist. Dit verhaal wil dat de arbeiders, toen alles in gereedheid gebracht was om met het verrollen te beginnen, weigerden zich onder het opgetilde gebouw te begeven. De werklieden vreesden dat het gebouw zou instorten bij de verplaatsing en Morglia kon het vertouwen alleen herstellen door zijn vrouw en kinderen in het gebouw te laten plaats nemen. De derde foto draagt de datum "30juillet 1907" en laat de uitgegraven funderingen zien van het gebouw


M&L

E00 1. De buitenbewapening en de eerste scheuren bij het lichten van het station (prentbriefkaart)

Algemeen gezicht op de werken, met de arbeiders die het lichten moeten begeleiden (prentbriefkaart)

Binnengezicht op de lokettenzaal. Het station is nu al 30 cm opgetild (prentbriefkaart)

55

waarin gaten gemaakt zijn en waardoor reeds zware balken met vierkante sectie werden gestoken. Op de postkaart nummer vier zijn een reeks vijzels te zien. De vijzels zijn nog niet opgedraaid en steunen op houten klossen waarin gaten geboord zijn voor het bergen van de staart van de vijzel. "Ten einde het gebouw los te krijgen van de fundeering ter hoogte van den bovenkant der versnijdingen, onder welke hoogte de fundeeringen bleven zitten, werden in de muren boven de versnijdingen gaten gebroken op onderlinge afstanden van ± 1.50 m., door welke gaten zware Amerikaansch-grenen balken werden gestoken, die onderling, aan weerszijden der muren, werden ondervangen door houten en ijzeren binten. ... Aldus werd een zwaar samenstel van houten, en enkele ijzeren, binten verkregen, waarop het gebouw moest komen te dragen, en waaronder een 320-tal vijzels werden gesteld...". "Door het omhoogdraaien van de vijzels, op elk waarvan een gewicht van 10 tot 15 ton drukte, werd allereerst de samenhang van het metselwerk tusschen de bovenomschreven gaten verbroken en kwam dus het opgaande werk vrij van de versnijdingen der fundeering. Deze werkwijze werd verkozen boven deze waarop het metselwerk op een laag zou worden doorgezaagd, omdat zodoende reeds dadelijk ondervinding werd opgedaan omtrent den weerstand van den bodem bij het opvijzelen, omtrent de goede werking van de vijzels enz". Foto zeven vereeuwigt dit moment, waarop het gebouw zich losmaakt van

zijn fundamenten. Een horizontale scheur is al zichtbaar; deze loopt door de gaten die om de 5 a 10 cm werden geboord om de muur als het ware voor te perforeren. Ook zichtbaar is één van de houten latten, bevestigd aan de fundering, en de bijhorende wijzer, bevestigd aan de opgaande gevel, waarmee de vordering van het opvijzelen kon worden afgelezen. "... en aldus stijgt het heele monument naar boven... als een stuk tand, waarvan de wortel in het kinnebakken blijft steken (13). "De vijzels werden door handkracht bewogen, waartoe ongeveer 160 menschen aan het werk waren; elke man bediende 2 tot 5 vijzels, afhankelijk van de meerder of mindere belasting. Het draaien van de vijzels geschiedde op een gegeven signaal, telkens tot de hoogte van 0.5 cm. Daarbij werkten soms 2 man aan één vijzel, zoodat verschillende vijzels, door 2 man bediend, na elkaar, dus niet gelijktijdig werden bewogen; het metselwerk bleek voldoende elasticiteit te bezitten om dit zonder bezwaar toe te laten". Postkaart nummer acht is een binnenzicht van de lokettenhal, de "salie des pas-perdus", tijdens het opvijzelen. De vloer van de hal is opgebroken. De funderingen en de vijzels zijn zichtbaar. Het gebouw is reeds 30 cm opgekrikt en de lokkentenwand bleef ongeschonden hangen. Op de negende foto mogen de werkmannen, die de vijzels bedienen aan de buitenzijde van het gebouw even rusten voor de foto.

^W^|Lf 7. Anverp - Dé[>larpment et rch.iusscinent Ie Ia Gare du Dam execmés par MM. MÜKOLIA & W E I S S . Inpénieurs. Armement extérieur et pi-einicr detachement dos fondaüons, G. Hermans, f (i . Anvcr»

9 Anvers - Df placement et reliaussement de la Gare dn Dam executes par MM. MORGL1A & W E I S S . Ingenieurs. Vue eïterieiiru — üuvriers occupés au rehaussement. Q Hcrmaoi, Cd-, Anvcr»

MMilru-fhhi:; rt r e l -^ •..•. •.•••..•, ,!,• '.-t O--;? du I >?.m :s par MM. M O R G L I A & W E I S S . Ingénieurs. iet:r de la salie des pas-perdus sous les guichets. L e batiment est déjÈt rehaussé de 0,3ü m.


56

• De sporen en de gasleidingen die de verlichting blijven verzekeren (prentbriefkaart)

T De hoofdingang van het station, 1.60 m opgetild (prentbriefkaart)

M&L

"iVü elke heffing van 0.5 cm werden de aanwijzingen op de verdeellatten gecontroleerd, en wanneer zij allen den juisten stand aangaven, werd een nieuw signaal gegeven, waarop de beweging herhaald werd. Na 30 heffingen, dus telkens als het gebouw 15 cm omhoog was gebracht, werden de vijzels op nieuw onderstopt, of nieuwe balken onder de aanwezige aangebracht, zoodat het gebouw ten slotte kwam staan op een aantal boven elkaar gelegen raamwerken, waarin ten slotte ± 500 m3. vierkant bezaagd hout was verwerkt". "Tijdens een aan het werk gebracht bezoek, toen het ruim 0.90 m. was gelicht, was de toestand van het gebouw geheel gaaf; op een zeer enkele plaats vertoonde zich een scheurtje van geen beteekenis, dat mogelijk ook reeds vroeger bestond; een ander scheurtje waarmede dit, volgens de uitvoerders van het werk, inderdaad het geval was geweest, was vooraf gehecht door een strookje cement en daaraan was geen werking te bespeuren. Papierstrookjes op scheuren geplakt, vertoonden evenmin beschadiging. Verschillende deuren bewogen zich volkomen goed zonder te klemmen en sloten volmaakt; in het behangsel van de woonkamer was geen scheur te zien, een ruit van ± 10m\ oppervlak was geheel intact gebleven. Noch in de togen boven de raam- en deursponningen, noch op de samenkomst van het lage met het hooge gedeelte van het gebouw viel eenige werking te bespeuren". Nadat het gebouw 1,35 m werd opgevijzeld werd de tiende foto genomen, wellicht door Albert Morglia zelf (14).

1G. Anvcrs - DcplareincTit rtrobausff-mont dela Gare du Dam, executes par MM. MORGLIA & WEISS. Ingenieurs. Amorce des voies de roulement et tuyau a gaz pour la conservation de l'édairage.

Gezicht op de vijzels waarop het hele station - n u 1.35 m opgetild - rust (prentbriefkaart)

De ingenieurs Morglla en Weiss (prentbriefkaart)

14, Anvers - Déplacement et rehaussement de la Gare du Dam, executes par MM. MORGLIA & WEISS, Ingénieurs. Entree principale de la gare, rehaussce de 1.60 m. (j. Uennatss, ód.j Anvera


M&L

57

De foto is gemaakt staande op de oude fundering en onder de 1,35 m opgetilde gevel. Het gebouw rust op de volledig uitgeschroefde vijzels. Dit deel van de operatie lijkt geslaagd, even tijd dus om te pauseren en te poseren. Foto twaalf toont de fiere ingenieurs: Albert Morglia, met de arm losjes op één van de vijzels, en Henry Weiss. Verder is er een groepsfoto van de werklieden vóór het 1,60 m opgekrikte gebouw en een beeld van de vooraanstaanden, waaronder Morglia en Weiss, die plaats hebben genomen aan de hoofdingang op een loopbrug, waardoor het hoogteverschil tussen de begane grond binnen en deze buiten goed uitkomt.

EN ALLES LIEP OP ROLLETJES Het tweede deel van de opdracht was de eigenlijke verplaatsing van het gebouw. Volgens de krantenberichten was dit de minst moeilijke klus: "Wat ook over de moeilijkheden, die bij 't rollen kunnen voorkomen gezegd wordt, is het een feit dat het gevaarlijkste werk wel een degelijk het omhoogtillen was. Dat liet ons de heer ingenieur Weiss, de eigenlijke aanvoerder van het werk, klaar verstaan. - Als ge een vat van den grond moet nemen sprak hij, is de grootste moeilijkheid, het op hoogte te hijschen; de rest gaat vanzelf-" (15).

• Gezicht op de sporen, naar het zuiden (prentbriefkaart)

De sporen in de 3de klasse-zaal (prentbriefkaart)

Voor het verschuiven van het gebouw werden de vijzels opnieuw ingezet. Ditmaal waren 14 van deze vijzels voldoende. Op foto drieëntwintig is het gebouw reeds 3,25 meter verschoven. De ingenieurs en de werkmannen kijken naar de fotograaf. Uit veiligheidsoverwegingen lagen de spoorstaven waarop het gebouw werd voortgeduwd iets naar boven hellend: "Zoodat de vijzels steeds moesten "Het omhoogebrachte gebouw bleef op het bovenste opduwen - zoodat weglopen niet mogelijk was, zelfs deel van het daaronder aangebrachte houten niet bij het eventueel zakken van de stoppingen ". geraamte rusten en werd daarmee verrold, op ijzeren Prentkaart vierentwintig toont Morglia en Weiss op staven van ± 30 mm. diameter, over rails, de houten de op hun plaats gebleven fundamenten nadat het draagbalken boven de rollen waren bewapend met gebouw verplaatst is. verplaatsbare ijzeren platen van 15 mm, lang ± 0.75 m. De verplaatsing geschiedde met behulp van dezelfde vijzels die voor het lichten zijn gebruikt; Niet alleen werd het gebouw een lichte helling opgezij vonden bij de verplaatsing hun steunpunt tegen duwd, het moest ook enigszins gedraaid worden. dwarsgordingen, bevestigd met verstelbare beugelDe nieuwe sporen kwamen immers niet evenwijdig

19. Anvera — Dépla cmciit et r-1' . i^it MM. MÜRGI.1A & W Vue des voies de TOUU

(ï Flincart rd , Ac

klauwen op de schuifspoorstaven". Op de volgende beelden zie je dan ook duidelijk de sporen liggen, klaar voor het verplaatsen van het gebouw. Foto negentien toont de zijgevel, waaronder het systeem van rondstaven en platen goed zichtbaar is. De ijzeren platen zijn lichtjes omhooggeplooid aan de voorkant, ze vormen een soort schoenen, die over de ijzeren staven rollen. Op de voorgrond van de foto ligt één van die ijzeren rondstaven. Elke schoen rust op vier van deze staven. De staven rollen telkens over twee parallelle spoorstaven. Bij het voortduwen moet telkens de staaf die er achteraan uitrolt opnieuw vooraan onder de schoen gestoken worden. Op foto twintig ziet men goed de dubbele treinsporen liggen waarop de staven rollen. De ingenieurs poseren nogmaals, nu in de wachtzaal derde klas met opgebroken vloer. Het spreekt dus voor zich dat de anekdote van de werkman die zijn jas had laten liggen, waardoor die onder het gebouw was geraakt en men de hele karwei moest overdoen, geen "grond" van waarheid heeft.

Oare du Dam, esécut^


58

M&L

Het station is nu al 3.25 m verplaatst (prentbriefkaart)

De oude funderingen. na verplaatsing van het station (prentbriefkaart)

Het station "Antwerpendam'op de huidige standplaats (foto 0 . Pauwels)

te liggen aan de oude. Daarom gebeurde de verplaatsing wellicht in twee richtingen: "Het is ten onrechte dat sommige gelooven, dat men de spoorhal in schuinse richting voortport. Zij wordt recht vooruitgebracht, tot zij genoeg den Merxenschensteenweg genaderd is, wordt dan terug opgedraaid, en op andere balken en riggels tot hare eindelijke bestemming geschoven" (16). "Het ontgraven, stellen, weghakken der fundering, onderstoppen, enzovoort vorderde den tijd van ± maanden; het hejfen ± 2 weken, het verplaatsen ± 3 weken; einde October stond het gebouw op de nieuwe plaats. Het werk werd aangenomen voorfr. 90.000. Zonder te beoordelen welk kostenverschil dit oplevert met den bouw van een nieuw gebouw, kan zeker gezegd worden dat door verplaatsing van het oude gebouw een zeer aanzienlijke tijdsbesparing werd verkregen".

DE TOEKOMST VAN HET GEBOUW Het neogotische gebouw is reeds sinds enkele jaren niet meer in gebruik als stationsgebouw. Het deed tot voor kort nog wel dienst als postgebouw en de bovenverdieping werd verhuurd als clublokalen. Ironisch genoeg staat het gebouw vandaag opnieuw in de weg voor een vernieuwing van het treinverkeer, met name de doortocht van de hoge snelheidstrein. Deze trein zal ongeveer volgens het oude traject de

Dam opnieuw met Antwerpen-Centraal verbinden, weliswaar ondergronds. Voor de tweede maal zal Antwerpen-Centraal omgevormd worden tot een doorrijstation, zij het dat er eigenlijk een ondergronds doorrij station aan het huidige kopstation wordt toegevoegd. Antwerpen-Dam zal evenwel geen halte meer zijn op deze lijn en het ondergrondse traject zou precies ter hoogte van het stationsgebouw bovengronds moeten komen. De N.M.B.S. denkt er


M&L

59

|-

Antwerpen-Zuid (uit 1902) in 1965 en Berchem (uit 1903) in 1970 is het ook het enige middelgrote reizigerstation uit de periode van de eeuwwisseling dat bewaard bleef in Antwerpen.

VOETNOTEN (1)

(2) (3) (4) (5)

(6)

(7) (8) (9)

(10)

(11) (12) (13) (14) (15) (16)

Z.K.H. Prins Albert bezoekt de werf (prentbrle(kaart)

daarom aan het voormalige stationsgebouw van de Dam te slopen. Nochtans staat dit gebouw, volgens de beschrijving van Lindo, sinds zijn verplaatsing op een betonnen fundering van 1 m dikte, zodat het best eens zeer geschikt zou kunnen blijken om te ondergraven voor de HST-tunnel. Feit is dat dit het oudste reizigersstation is van Antwerpen. Het stationsgebouw van Antwerpen-Centmal dateert immers van 1898-1905. Door de sloop van de stationsgebouwen

Bronnen: Broos M.C.J., De geschiedenis van de spoorwegen te Antwerpen. Het baanvak Antwerpen-Oost - Antwerpen-Dam (1854-1873), in Antwerpen, jg. 30, nr. 4, december 1984, p. 145-155. Welter H., Antwerpen op het spoor, Antwerpen, 1986. Een tekening gedateerd 13 februari 1888, bleef bewaard bij de N.M.B.S. Gazet van Antwerpen van zondag 14 juli 1907 Gazet van Antwerpen van 15 september 1907 Lindo LA., Heffing en verplaatsing van station AntwerpenDam (met afbeeldingen), in De Ingenieur, jg. 23, nr. 3, 's Gravenhage, 1908, p. 37-39. Archief cultureel fond International Police Association te Antwerpen. Deze vereniging was van 1978 tot 1991 gehuisvest in het voormalige station Antwerpen-Dam. Gazet van Antwerpen vdxi 14juli 1907 Gazet van Antwerpen van 15 september 1907 Van Overstraeten J., Gids voor Vlaanderen, (door J. Gertis herwerkte uitgave), Antwerpen, 1985, p. 139. In het Brouwerijmuseum te Bocholt zou nog één van de vijzels bewaard zijn Bouvart J. en Deheem P., Déplacement du mur de cloture de la gare des "milles wagons" a la parte du Schyn a Anvers, in Annales des travaux Publics de Belgique, Bruxelles, 1912. Gazet van Antwerpen \m 14 juli 1907 Deze en volgende citaten uit I.A. Lindo, op. rif. Gazet van Antwerpen \im 14 juli 1907 Deze foto is voorzien van een stempel met zijn naam Gazet van Antwerpen van 15 september 1907 Gazet van Antwerpen van 15 september 1907

Anne Malliet is architect en inspecteur bij het Bestuur Monumenten en Landschappen.


M&L

60

SUMMARY

ANTWERP-DAM A STATION O N THE RIGHT TRACK The "Antwerp-Dam" station plays an important role in the railway history of Antwerp. It is a relic of the first line Antwerp-Roosendaal. opened in 1854 and which was linked to the first railway from 1836. between Antwerp and Mechelen. This new link between Antwerp and Roosendaal once crossed the city centre and the road to Turnhout, now known as "Carnotstraat". This section can still be traced on the city plan. Because of long delays at level crossings, a ring-railway round the city was constructed in 1871. At the goods station "Antwerp-Stuyvenberg" a passengers' stop was opened for "Antwerp-Dam". The Neo-Gothic station, designed by the engineer F. De Rudderin, was built in 1895-1898. The ring-railway was stil causing delays for the road traffic on the exit roads. Bridging proved necessary and the railway was levelled up. so that "Antwerp-Dam" needed to be moved, a unique historical event for Belgian railways. The entire station with its glass porch was moved under the supervision of the engineers Morglia and Weiss. A series of some 25 postcards on this event has been preserved. The first task consisted in jacking up this building, 36 meters long and 16 meters wide, weighing some 3.000 ton. The first floor of the building was unoccupied, but during the works it was used as office and dwelling for the workers. Gas and water had first been disconnected and were then reconnected by means of flexible pipes. Some 320 jacks were placed under a heavy construction of wooden and some iron beams which was to support the building. The jacks were operated manually by some 160 men. The second part of the task was the actual move of the building. The building, still supported by the wooden construction, was moved on iron rollers measuring some 30 mm in diameter, over the railway tracks. For the moving itself 14 jacks were used which had also served for the lifting. The support for these jacks was fixed with braces on cross beams. The tracks were slightly uphill so the building would not roll away. The move needed to be done in two orthogonal directions. The preparatory works took some 2 months, the actual lifting 2 weeks and the move 3 weeks. The works were carried out for 90.000,-Bfr. The demolition and reconstruction of the station, then less than ten years old, would not only have cost more money, but also more time. It is a bit ironic that the building, even though no longer in use as a station, is once again impeding the modernisation of rail traffic, namely the passage of the Eurostar train. This train would more or less follow the old section connecting Dam with Central Station, this time underground, but it would surface exactly on the spot where the station is. The railway administration is seriously considering the demolition of the Dam station.

THE "METSELAARSHUIS" In 1976, a quite common looking 19th century house with plastered facade caught the attention of art historians and restorers. The demolition of the building was already started when closer examination showed that this was the mutilated former bricklayers' guildhall, dating from the early 16th century, and known as the "Metselaarshuis" (bricklayers' house). The origins of this house can be dated as early as the 13th century, seen the Tournay fault stones used in the side- and back-walls. The guild acquired it in the 15th century and in 1526 master bricklayer Chistoffel Vanden Berghe was assigned to make a new sandstone tirade. It shows two storeys on top of the basement, which is semi-aboveground. and is finished off with a stepped gable, pinacles and C-shaped curls. Friezes in between different storeys are divided in sculpted panels whith heraldicdesigns and figurative sculpting. A restoration and global reconstruction was based on elements in situ, the terms of the contract from 1526 and some iconographical documents from the early 19th century. It was this reconstruction that raised some questions on the level of monument care. The earliest detailed iconographical source indeed only shows the structure of a step-gabled facade robbed of its elegant crowning. For the restoration or reconstruction of the decorated friezes there was still one left on site as an exemple, as well as some elements preserved elsewhere and iconographical sources. For the reconstruction of the crowning on the other hand, there were only some terms of the building contract from 1526 to rely upon. The aspect of the apex of the gable, crowned with pinacles, C-shaped ornaments and bronze figures representing a "morns-dance", are the result of an interpretation of historical details as well as of a reconstruction design from 1836. Another fact is that the reconstruction shows an overall late-Gothic design, whereas, for example, the Cshaped elements connecting the pinacles with the gable, would originally have been done in a hybrid style, characteristic for the transition from late-Gothic to Renaissance in this region. Finally, the new construction which was added to the "Metselaarshuis" by the building promoter did not fit in with the restoration and the long and thorough preparatory study. This construction was given a lot of bad press, just like the whole restoration of the "Metselaarshuis". Anyone taking the terms of the Venice Charter seriously is not likely to appreciate the restoration, reconstruction nor the new building of the "Metselaarshuis". However, we still are convinced that the options for the restoration of the "Metselaarshuis" were well-founded, partly because of the considerable historic and artistic value of its facade and because of tiresome legal procedures - the demolition for which permission had been granted, needed to be stopped. The Venice Charter gives a general idea of how to deal with restoration issues, but does not anticipate specific problems on historical, artistic or legal level like with the "Metselaarshuis". These specific circumstances made it quite impossible to just consolidate these ruins, already in decay since mid 19th century and they also stress the "once-onh" nature of such reconstruction.


Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde!

SUPPORT - SURFACE •RESTAURATIE

+

CONSERVATIE.

Wvenmest is naast luchtpollutie één «au de WanRniksu- oorzaken vm beschadigingen aan gebouwen en tnoBuntenten. Agressieve cheraische verbindingen in de tttoerpselen drilden diep door in de bouwmaierialen en tasten deze onomkeerbaar aan. Dit geeft aanleiding tot tegeimatige schoonBiaakbeurten en dare restauraties. Maar er is meer! De duif, maar vooral de daivenmesl, brengt naast te kulRBirpatfinionium ook onze geïondbeid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals oniithose, sataioneUa,e.a...

Nu is er echter Birdex®, een diervriendelijk

^rUeettacrt^avtt?t&

afschrikkingsmiddel dat de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Wilt u er meer over weten ? Neem dan vrijblijvend kontakt met ons op. P.E.C. INTERNATIONAL n.v., Beekstraat 75 B - 9120 Vrascnc, tel.: 03/776 84 39 fax.: 03/766 42 65

• t^JCuc • 'CAxtdMuMt,

•

'Lfa&uc&emttr

Bennesteeg 3, 9000 Gent, (09) 223 87 03 Wapenstraat 128, 2000 Antwerpen, Tel. & Fax (03) 248 12 97

mmm Uw gebouw is geen duiventoilet.

RESTAURATIE & MONUMENTENZORG Oostveldkouter 26 • 9920 Lovendegem

Meubilair (wel en niet gepolychromeerd) Sculptuur (steen en hout) • Leder Bodemvondsten (hout en leder) Schilderijen (paneel en doek) ONDERZOEK & BEHANDELING Lauwers M. Van Der Biest L. Vandenborre H. FAX

09/372 03/771 09/372 09/372

63 44 63 63

03 66 03 03

Lijkt uw gebouw stilaan op een duiventoilet? Vervuilen en ontsieren uitwerpselen van duiven uw huis? Een doeltreffend middel als Depigeonal biedt de perfekte oplossing. Depigeonal weert voorgoed duiven van uw gebouwen. Depigeonal wordt aangebracht op de rust- en landingsplaatsen van de duiven, zodat neerstrijken onmogelijk wordt. Depigeonal is bovendien makkelijk aan te brengen, onverslijtbaar, onzichtbaar, en laat de duiven ongedeerd. Depigeonal is de perfekte oplossing tegen duivenschade. Vraag meer informatie bij:

DEPIGEONAL

J^i^j-Lj-U

Solar Kleine Breedstraat 33, B-9100St-Niklaas. Of bel 03/776 91 62


RESTAURATIE SINT-JOZEF - DE DUIVELTJES - HET PARADIJS HAVERWERF, MECHELEN

ALGEMENE ONDERNEMINGEN E.G. VERSTRAETE & VANHECKE n.v. FOTOGRAFIELAAN 24, 2610 WILRIJK

met medewerking van:

ANTWERPS RESTAURATIE ATELIER VAN BEELDHOUWWERKEN b.v.b.a. ARENDSTRAAT 35, 2018 ANTWERPEN

BUILDING TREATMENTS & APPLICATIONS n.v. FOTOGRAFIELAAN 22, 2610 WILRIJK

GLASWERKEN MORTELMANS n.v. FOTOGRAFIELAAN 28, 2610 WILRIJK


l

^ ^ ^ ^ L ^ - ^

^ ^ ^ ü u D D : ,[£

il

11


Het standaardwerk over industriële archeologie in Vlaanderen!

VAN INDUSTRIE TOT ERFGOED

Technische gegevens : • • • • • • •

fotografie : G. Charlier vormgeving : A. Beullens produktie : L. Tack formaat: 33 cm x 25 cm 168 blz. met 100 illustraties in kleur en bichromie druk : Die Keure N.V. co-editie : Bestuur voor Monumenten en Landschappen en Stichting Monumenten- en Landschapszorg v.z.w.

PAUL BERCIIMANS GEORGES CHARLIER LUC RAELS & ANTOON VERHOEVE

Inhoud • essay's door L. Daels & A. Verhoeve, R Berckmans en J. De Schepper • fotoreeks door G. Charlier tijdstabellen bibliografie Kostprijs: 1.750 fr. (verzendingskosten inbegrepen) storten op rekeningnummer: 470-0278201-29 Verkrijgbaar bij: Bestuur Monumenten en Landschappen Zandstraat 3 1000 Brussel Tel. (02) 209 27 37

Bij aankoop : gratis stel prentkaarten over industriële archeologie!


ff

p

Remmers r s Bouwchemie B.V.

r

voor totale bouwbescherming

REEDS MEER DAN 45 JAAR PRODUCENT VAN BOUWCHEMISCHE PRODUKTEN, MILIEUVRIENDELIJK EN OPLOSMIDDELVRIJ

Onze produkten vinden hun toepassing bij: restauratie, monumentenzorg, renovatie, onderhoud, nieuwbouw, ...

• Wij leveren speciale produkten voor het oplossen van bouwproblemen, zoals: • FUNCOSIL STEENVERSTEVIGERS EN CONSERVERINGSMIDDELEN • FUNCOSIL WATERAFSTOTENDE GEVELIMPREGNEERMIDDELEN • FUNCOSIL NATUURSTEENREPARATIEMORTELS • FUNCOSIL SILICONEN REPRODUKTIEMASSA'S • ALKUTEX NATUURSTEENREINIGINGSPRODUKTEN • FUNCOSIL SILICONENEMULSIE EN SILICAATVERVEN • AIDA KIESOL OPTREKKEND VOCHTBESTRIJDING • AIDOL EPOXY-BALKKOPVERNIEUWINGEN • AIDOL HOUTREPARATIEMASSA'S EN VERSTEVIGINGSIMPREGNERINGEN • AIDA SPECIALE ZOUTBESTENDIGE MORTELS

Documentatie of gratis advies op aanvraag! Brugsesteenweg 11 - 8520 Kuurne/Kortrijk tel. (056) 35 90 30 - fax (056) 35 94 55

N.T.G.-GENTDefinitief ontlast van de vieze ontlasting door duiven dankzij:

ECOPIG^ Een architectuur zonder duiven

Inlichtingen: Herreman en Lippens, Brusselsesteenweg 188A 9090 Melle Tel. (09)252 13 40 Fax (09) 252 31 59

bvba H E R R E M A N & L I P P E N S


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook