Skip to main content

M&L_10_6.pdf

Page 1

MJinjüimPJ^ ^^rnt

--ggg^

f

k^f;;'MI^«

P'M&MS'0S'lï^£2*-0 '&gZ^P^Mi£j?* \

\

\

\

\

\

\

\

\

\

\

\

%^

•-

\

\

\

\

"v N. - s.

\

- \

• \

r

-

j X

•

-

N, -

\ X

.jl^v

1

^

vNDSCHAPPEN 10/Ó / /

NOVEMBER-DECEMBER 1991 / /

TWEEMAANDELIJKS//


Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening en Huisvesting Bestuur Monumenten en Landschappen ISSN 0770-4948

•

10'jaargang Nr. 6

•

november-december 1991

MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN Redactie Bestuur Monumenten en Landschappen. Afdeling Pers & Voorlichting. Zandstraat 3, 1000 Brussel. Tel. (02) 209 27 37. Eindredactie : M.M. Celis. Productie en promotie : L. Tack. Zetwerk en secretariaat : D. Torbeyns. Vormgeving : L. Tack.

Redactlecomrté Voorzitter : E. Goedleven. Leden : H. Craeybeckx (voorzitter K.C.M.L.), A. Bergmans. J. Braeken, M. Buyle, M. Celis, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn, P. Lagaisse, A. Malhet, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt.

Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel. (050) 36 25 89.

Druk

Inhoud Generiek

_3

De ontsluiting van de Limburgse heidegebieden Luc Allemeersch, Jan Stevens en Jan Geusens Gethsemani 1841-1991 Het Instituut der religieuzen Ursulinen te Onze-Lieve-Vrouw-Waver Mario Baeck Tafelen met Isis en Osiris De Egyptiserende eetzaal van kasteel Moeland te Sint-Niklaas Eugene Warmenbol en Petra Maclot De eetzaal van kasteel Moeland te Sint-Niklaas Het materieel-wetenschappelijk onderzoek Bernard Delmotte Summary

10

21

45

60

63

M&L Binnenkrant

Die Keure Oude Gentweg 108, SOOll Brugge Tel. (050) 33 12 35 De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

Abonnementsvoorwaarden 1992 België : 1150 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 220 fr.). CJP'ers betalen : 950 fr. Buitenland: 1300 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 470-0278201-29 van Monumenten & Landschappen, Zandstraat 3, 1000 Brussel met vermelding „M&L-jaarabonnement 1992". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

Cover: Sint-Niklaas, kasteel Moeland. Detail van de Egyptiserende eetzaal (foto G. Charlier)

MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP


WAHn VOCHTWERING & INSTANDHOUDING VAN GEVELS - Chemisch reinigen van de ondergrond - Waterafstotend maken met WTCB-goedgekeurde produkten - Verstevigen van de verzande ondergrond Wij helpen u vrijblijvend aan het gepaste advies.

Nijverheidsweg 24

2240 Zandhoven

Tel. (03) 485 55 33

Restauratie Sint-Laurentiuskerk te Lokeren

NATUURSTEEN

AMINCK

VAN AMSTELSTRAAT 63 2100 ANTWERPEN TEL. 03/325.03.83 TELEX 32158 NAVLAM TELEFAX 03/325.68.66

GASSTRAAT 11 A 9100 LOKEREN TEL. 091/48.12.17 TELEFAX 091/48.96.61


GENERIEK Wegwijzer

Als drager van nog onvermoede aanzienlijke natuur- en cultuurhistorische waarden vormen heidegronden zorgvuldig te koesteren natuurlandschappen. Hun visuele aantrekkingskracht blijkt nochtans dermate risico-dragend dat een wetenschappelijk gestaafde ontsluiting zich onverwijld opdringt. Luc Allemeersch, Jan Stevens en Jan Geusens maken hierbij namens het Limburgs Provinciaal Natuurcentrum duidelijk welke maatregelen terzake worden overwogen en uitgevoerd.

Hof van Olijven Bekommerd om de ideëele opleiding van hun steeds maar in aantal toenemende pensionaires, bouwen de Waverse zusters Ursulinen nu reeds anderhalve eeuw lang aan een kunstmatige — van de buitenwereld afgesloten — maar paradijselijke leef- en studeeromgeving. Waar de tijd voor de feeërieke constructies tot stilstand lijkt te zijn gekomen, vormen de mee-evoluerende onderwijsvereisten een helaas moeizaam te bedwingen dreiging. Vanuit de rijkelijk gestoffeerde bibliotheek van het in vele opzichten monumentale Instituut, wist Mario Baeck de ware — maar ongelooflijk klinkende — groei en bloei van de instelling nauwkeurig te boek te stellen.

Ontluisterd Ridder de Schoutheete de Tervarent zal er wel nooit bij hebben stilgestaan dat zijn ietwat bevreemdende, in Egyptische stijl ingerichte eetkamer, tot laat in de 20ste eeuw de gemoederen zou weten te verhitten. Vooruitlopend op een geplande restauratie van het deerlijk gehavende ensemble, blijven Eugène Warmenbol en Petra Maclot tot besluit van hun vergelijkend historisch onderzoek nochtans formeel: de egyptiserende zaal van het kasteel Moeland te Sint-Niklaas bood nooit onderdak aan een vrijmetselaarsloge, noch aan Rozenkruisers...

Stuk stuc

De handhaving en — waar nodig — restauratie van 19de-eeuwse egyptiserende decors, en dit van kasteel Moeland in het bijzonder, stellen zo hun eigen problemen. Een koele analyse en diagnose van de toestand krijgen wij hierbij van restaurateur Bernard Delmotte.


RESTAURATIE & MONUMENTENZORG ONDERZOEK Duiven zijn inderdaad zo vervelend dat u lk-weet-nlet-wat zou doen om ze te verjagen. Zij vervullen en ontsieren niet alleen onze historische gebouwen; zij werken aktlef mee aan het verval ervan.

Depigeonal Is een eenvoudig en doeltreffend systeem om duiven te weren. Onzichtbaar voor voorbijgangers en onschadelijk voor de dieren. Vraag meer informatie over Depigeonal en gebouwenconservatie en -restauratie in het algemeen bij

Kunsthistorisch • Technisch • Bouwkundig

BEHANDELING Muurschilderingen • Stuc -Meubilair Sculptuur (steen en hout) • Leder Bodemvondsten ( hout en leder) Schilderijen ( paneel en doek) Oostveldkouter 26 • 9920 Lovendegem

•Sj ^i S| >! ^1 V

Solar

Kleine Breedstraat 33, 9100Sint-Nlklaas. Of bel (03) 776 91 62.

SchudelW, 091/221753 Van MolleM. 016/2267 06

I^PIGEONAL I

DekoninckL. 091/253172 Van DijckL 015/52 0932

Van Der Biest L 03/77144 66

HuetP. 03/233 0957

Vandenborre H. & Lauwers M.

091/7263 03

Smederij

IMPERPLEX -iSFaérsflicönën

De ideale anti-grafitibescherming voor blauwe steen (petit granit) Perfekte vochtbestrijder. Inlichtingen: Mechelsestraat 121, 3000 Leuven Tel. (016) 23 98 25

^c> [RESTAURATIE

MOLEN BAAN 18 2160 WOMMELGEM Tel.: (03) 353 97 87 • • • •

Restauratie alle smeedwerk Hedendaags smeedwerk Eigen ontwerp Tafels

Gediplomeerd restaurateur

r

N.V. MODERN RENOVATION TECHNICS S.A. STABILITEIT

RENOVATIE - RESTAURATIE

-

- D r o o g l e g g e n v a n muren. - Reinigen v a n g e v e l s . - V e r h a r d e n en w a t e r w e r e n d m a k e n v a n natuur- en b a k s t e e n . - Restauratie v a n natuursteen. - Betonherstelling - Zwambestrijding - Houtwormbestriiding.

Technische s t u d i e - B e r e k e n i n g e n . Scheurinjekties v a n steen en b e t o n . C o n s o l i d a t i e v a n muren. Plaatsen v a n c h e m i s c h e v e r a n k e r i n g e n . Plaatsen v a n t r e k k e r s - v i j z e l t e c h n i e k . O p v i j z e l e n v a n konstrukties. Polymeerchemische restauratie v a n hout.

SOUVERAINESTRAAT 38/42 - 9800 DEINZE - TEL. 091/86.97.67 - FAX 091/86.98.26


de rust en het evenwicht van mineralen

SUPPORT - SURFACE =—RESTAURATIE +

CONSERVATIE.

Dit is geen verhaal over bronwater. Wel een manifest over fundamentele principes van de restauratietechniek. Wij vatten dit in 5 puntjes samen:

n H H

De restauratiematerialen moeten zich kunnen aanpassen aan hun omgeving, zodanig dat de autenticiteit van het monument bewaard blijft. Het materiaal moet zoutbestendig zijn en mag de zout- en vochttransporten met belemmeren. Het materiaal moet vrij van kunststoffen zijn en speciaal-cementgebonden.

•

Fysische eigenschappen van het restauratiemateriaal moeten aangepast worden aan de eigenschappen van het object.

H

Het restauratiemateriaal moet eenvoudig en kostenbesparend toe te passen zijn.

Om die vijf fundamentele principes te kunnen handhaven verkoopt en gebruikt Solar gemakkelijk verwerkbare, zuivere minerale restauratiemortels voor natuursteen, die meestal geen dure wapening vereisen, en zoutbestendige pleister- en injektiemortels van hoogwaardige kwaliteit

1 SOLAR RESTAURATIETECHNOLOGIE IN HARMONIE MET HET VERLEDEN

s&

K e ne Breedstraat 33 9100 St -Niklaas

voor meer informatie belt u' 05/7/6.91.6z

Zo kan de geschiedenis

Maatsch. zetel : Kortrijkse Steenweg 382. 9000 Gent (091) 23 87 03 Bedrijfszetel: Wapenstraat 12B. 2000 Antwerpen (03) 248 12 97

zich blijven

Zo treedt op een dag ons patrimonium uit de schaduw.

herhalen

speelt, is dit een steuntje voor een monument, een stukje verleden of een

Zo maken we op een dag kennis

kunstwerk.

met ons verleden.

Zo komen elk jaar tientallen miljoe-

Zo verruimen we op een dag onze

nen vrij om onze geschiedenis te bewaren.

blik met kunst;

En betekent een kans met de

Al die dagen komen er mede dankzij de Nationale Loterij.

Nationale Loterij tegelijk een kans voor talrijke opgravingen, restauraties

Want telkens wanneer iemand

of ontdekkingen.

© De Nationale Loterij. Een kans hebben is tegelijk een kans

geven.


ZONDER RENOFORS-BETA ZAG U DIE MOLENS NIET MEER... Heeft li zich al eens afgevraagd hoe het komt dat eeuwenoude houten molens nog steeds de wind trotseren? Of hoe de Middeleeuwse klokkestoel van de prachtige Sint-Romboutskathedraal zijn tonnenzware beiaard torst? Solar nv vernieuwt en versterkt rottend hout met het Renofors-Bèta systeem Voor jaaiiren. Kenofors-Hèta is een (kostenbesparend) alternatief voor dure en moeilijke vervangingswerken. Renofors-Bèta is een gewapend kunstharssysteem dat snel, doeltreffend en esthetisch eeuwenoude constructies restaureert. Vraag nu vrijblijvend documentatie. Bel 03/^76.91.62

U HEEFT GEEN MONUMENT TE VERLIEZEN...

Solar

Kleine Bfeedslraal 33 9100 SI Niklaas

Ook sterk in: gevelreiniging - steenverharding - vochtwenng - drooglegging van muren met capillair stijgend vocht dichtingswerken - betonrestauratie houtbehandeling - brandremmmg.

Hier leven en werken. Hier groeien, opgroeien, bouwen aan de toekomst omdat hier nog toekomst is. Met een sterke bank die hier haar wortels heeft. Met een grootbank die hier met u van elk obstakel een nieuwe overwinning maakt. Met de Kredietbank, de bank van hier.

Beter met de bank van hier.


*-*-.

- - ^

Toestand vóór restauratie

Toestand na restauratie

EEN GAMMA PRODUKTEN VOOR RESTAURATIEWERKEN EN VOCHTIGHEIDSPROBLEMEN Tien jaar waarborg • WATERBESTENDIGE STEENBESCHERMING . DROOGMAKEN VAN MUREN TEGEN OPSTIJGEND VOCHT

EXHYDRO® : goedkeuring - BUTGB - ATG/H606 EXHYDRO® INJ. : - door inj. diffusie

• VERSTEVIGING VAN STENEN, BAKSTENEN, ENZ...

REMAFIX® : - K.I.K. 2L/13/87/3780 (rapport)

• CHEMISCHE GEVELREINIGING, ENZ...

REMAL : - volledig gamma

RENOVATION MAINTENANCE Avenue Galilee 5 - Zoning Nord 1300 WAVRE Tel. (010)22 82 88 Fax (010) 22 84 58

PVBA


OOK VOOR CULTUUR

DE

BANK

DIE

JE

De wetenschappelijke aanpak

Spectron nv doet aan bouwchirurgie : het herstellen van beschadigingen aan betonen meisehverkconstructies. De bouwchirurg gaat daarbij te werk als zijn medische broer. Hi] neemt zijn tijd voor een correcte diagnose, maakt gebruik van een aangepast instrumentarium, en vindt in de ervanng en de vakkennis van zichzelf en zijn medewerkers de nodige garanties om tot een doeltreffende behandeling te komen. Met de zekerheid van een duurzaam herstel. Een specialisme apart. BetonherstelUng en spuitbeton vormen een pijler in Spectron's activiteiten. Diverse operaties worden handmatig en/of met behulp van speciale apparatuur feilloos uitgevoerd: hoogwaardige spuitbetonreparaties met aangepaste mortels, lijmen en kunststofprodukten; betonsanering, -herstelling en -bescherming; enz. Dé efficiënte remedie. Bent u geïnteresseerd in de methodes van de bouwchirurgie ? Verwittig ons telefonisch, schriftelijk of per fax. Wi] verstrekken u graag de nodige info.

Spectron nv - Liersesteenweg 36 - 2800 Mechelen • Tel: 015/2199 02 • Fax: 015/2185 44

RUIMTE

GEEFT.


:. .1

^H W i W

T

"••

.wu

*

1 MiÉiliii • \:

1

•

p'

' -*SSS^i B !"

•'t'

i .,

•^1

. mi •

't

'i

i

'^hm )

ï

Ir f)

o *' ' *

^

^

•i

g

c C

Restauratie HH. Petrus & Pauluskerk te Oostende - 2de fase : Torens De torens werden gerestaureerd met de natuursteen Vinalmont

ETN. FLOR BRUXELMAN & ZOON N V . Restauratie - Nieuwbouw - Steenkapperij Reigerstraat 8, 9000 Gent Tel. (091) 22 22 39 - 22 20 48 / Fax (091) 20 27 75


10

M&L

DE ONTSLUITING VAN DE LIMBURGSE HE1DEGEBIEDEN LUC ALLEMEERSCH, JAN STEVENS en JAN GEUSENS

Het Heiderbos te As, een klein staatsnatuurreservaat met hoge botanische waarde (eigen foto)

Het Provinicaal Natuurcentrum (PNC) heeft als deel van het Provinciebestuur van Limburg, binnen de directie Cultuur & Recreatie, de opdracht landschappen en natuurgebieden te valoriseren. In tegenstelling tot de Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de particuliere verenigingen ligt de werking van het PNC hoofdzakelijk in de cultureeleducatieve sfeer.

De klemtoon ligt niet op het veilig stellen of het geven van kansen tot ontwikkeling op zich, wèl op het ontsluiten van de waardevolle elementen door educatieve initiatieven, gericht naar meerdere doelgroepen. Wetenschappelijk onderzoek gebeurt er overeenkomstig de educatieve opdracht. De educatieve activiteiten zijn ook ten dele ondersteunend voor toeristisch-recreatieve initiatieven van andere diensten en/of verenigingen. Naast het valoriseren van landschappen binnen de provinciale domeinen, streeft het PNC ernaar projectmatig te werken. De heide is één van die projecten. Op de studiedag Heide in Limburg, eind 1988, bleek dat er onvoldoende kennis


M&L

11

voorhanden was aangaande de ontsluitingsvormen van de heideterreinen binnen de provincie Limburg. De bedoeling van dit onderzoek is in eerste fase een inventaris van ontsluitingsvormen te maken. In een tweede fase worden, in overleg met de belanghebbenden, concrete voorstellen geformuleerd voor een betere en verantwoorde ontsluiting van dit landschapstype.

ONTSLUITING: NIET ALLEEN BETON

De helft van de oppeivlakte staatsnatuurreseivaten in het Vlaams Gewest ligt binnen de mijnstreek omdat hier de druk van de landbouw op de heide noo^ zo groot Is geweest als elders (foto O, Pauwels)

Rond "verantwoorde ontsluiting" bestaan er zeer veel meningen. Op relatief korte tijd is er ook veel veranderd op dit vlak. Denken we maar aan het openstellen van bossen sinds een 20-tal jaar. Deze discussie speelt zich trouwens niet alleen af rond landschappen. Ze geldt eveneens voor monumenten. Naast een conserverende, wetenschappelijke en educatieve functie hebben de heidegebieden ook een rol als recreatiegebied, meer bepaald voor de natuurgerichte openluchtrecreatie. Naargelang de intensiteit kunnen we verschillende categorieën onderscheiden.

De ontsluiting is ook zeer sterk bepaald door de toegankelijkheid. Heidegebieden kunnen ontoegankelijk zijn omdat ze afgesloten zijn; anderzijds beschouwen we heidegebieden ook als nauwelijks bekend omdat ze als heidegebied niet of nauwelijks ontsloten zijn. Materiële informatie ter plaatse bestaat in de eerste plaats uit een grondplan en bewegwijzerde paden. De bezoeker die op natuurexploratie uit is, verwacht verder inhoudelijke informatie op het terrein en eventueel een bezoekerscentrum.

Begeleiding door gidsen betekent meestal een veel grondiger ontsluiting dan de aanwezige materiële informatie. Een geleide wandeling met natuurgids voldoet aan de verwachting bij passieve natuurexploratie. Begeleiding bij veldwerk of beheerswerken komt tegemoet aan de vraag naar actieve natuurexploratie. Voor mensen die gewoon wat rust zoeken, volstaat een padenplan als terreingebonden publikatie. Wie iets meer over het gebied en de natuur in de omgeving wil vernemen, zal hierbij wat achtergrondinformatie wensen in een beknopte brochure. Deze informatie bevindt zich meestal ook in synthesepublikaties die wandel- en Ontsluiting kunnen we bekijken uit het oogpunt van bereikbaarheid. Is er al dan niet bewegwijze- natuurgebieden op provinciaal of landelijk niveau beschrijven. Wie een gebied grondig wil leren ring en/of parkeerruimte? Doorlopende, bewegkennen en het regelmatig bezoekt, heeft nood aan wijzerde routes verhogen eveneens de bereikbaareen boekje. Hierin staan allerlei aspecten van een heid.


12

M&L

voor een dorpsgemeenschap een randgebied van waaruit voedingsstoffen onttrokken werden om de vruchtbaarheid van het kerngebied op peil te houden. De heide is dus een getuige bij uitstek van een kringloopeconomie op kleine schaal. De heide heeft niet alleen een maatschappelijk belang ten behoeve van een band met het verleden en de getuigefuncties. De open ruimte bij grotere heideterreinen en de massale bloei van struikheide in de nazomer oefent ook een aantrekkingskracht uit. Heidevelden hebben dus een belangrijke belevingswaarde. Naast de natuurhistorische waarden moet ook dit gegeven zeker aan bod komen bij de ontsluiting van heidelandschappen.

Ook buiten het bloeiseizoen van de struik- en dagheide oefent een heideviakte, mede door de kieinschaiige contrasten in de begroeiingen, een grote aantrekkingskracht uit (foto O, Pauwels)

VAN BIJNA OVERAL TOT VRIJWEL NERGENS

HEIDE: NIET ALLEEN PAARSE BLOEMETJES

Zolang de heide een noodzakelijk element bleef binnen een gesloten kringloopeconomie (de zogenaamde potstaleconomie), werd het areaal slechts in beperkte mate aangetast. Zo besloeg het heide-areaal tot rond 1840 twee-derde van de Limburgse Kempen. Voor een belangrijke uitbreiding van het landbouwareaal was een aanvoer van meststoffen van buitenaf nodig. In de nabijheid van grote steden gebeurde dat dan ook vlugger. Elders werd het landbouwareaal pas sterk uitgebreid naar het einde van de 19de eeuw toe. Politieke beslissingen tot ontginning en privatisering van de heide leidden voorheen hoofdzakelijk tot de aanplant van naaldhout. Deze vorm van ontginning werd in de Antwerpse Kempen (einde van de Oostenrijkse periode) wel vroeger opgestart dan in de Limburgse Kempen (begin van de Belgische periode). In de loop van de 19de eeuw werden de Kempen doorkruist met spoorlijnen en kanalen. Het onttrekken van voedingsstoffen aan de heide werd toen bijkomstig. De heide werd gedeeltelijk omgetoverd in akkers en graas weiden, of men maakte er vloeiweiden van, die gespijsd werden met voedselrijk kanaalwater.

De oorspronkelijke definitie van het begrip "heide" moeten we eerder in de juridische hoek situeren. Het betrof gemeenschappelijke gronden die als extensieve weidegrond gebruikt werden. Later werd dit begrip vanuit natuurwetenschappelijke benadering verengd tot een immergroene dwergstruikenformatie. Gezien de juridische betekenis van het begrip "heide" hebben de heidelandschappen een belangrijke cultuur-historische en maatschappelijke betekenis. De heide was

Belangrijk is eveneens dat het zuiden van de Limburgse Kempen in één generatie overging van een gesloten landbouweconomie naar een industriegebied. In de (vroegere) mijnstreek is de druk van de landbouw op de heide dan ook nooit zo groot geweest als elders. Een gevolg hiervan is dat bijna de helft van de oppervlakte staatsnatuurreservaten in het Vlaams Gewest (op 1 januari 1990) binnen de Limburgse (vroegere) mijnstreek ligt. De plotse overgang van gesloten landbouw-

gebied, benaderd vanuit meerdere invalshoeken. Een begeleidend boekje bij een natuurleerpad, kan van groot nut zijn: in het Lager Onderwijs gebruikt men vaak een dergelijk hulpmiddel.


M&L

13

economie naar industriegebied kan nare gevolgen hebben voor de gronden die langs de NoordLimburgse kanalen gelegen zijn. Grote open ruimten, die niet door de landbouw benut worden, zijn hier immers aangetast door ernstige vervuiling van zware metalen. De grootste, open ruimten buiten de agrarische of bosbouwkundige sfeer zijn eveneens het resultaat van ontwikkelingen uit de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw. Het zijn militaire domeinen die zeer slecht ontsloten zijn. Er is alleen een zeer beperkte toegankelijkheid ten behoeve van het wetenschappelijk onderzoek. Ze hebben met hun huidig statuut geen enkele rol binnen de sfeer van de natuurgerichte openluchtrecreatie of -educatie.

Terreinen waar bomen elkaar bij hun groei begonnen te hinderen, worden door ons niet meer als heide beschouwd. Grassavannes, waarbij pijpestrootje hoofdzakelijk bultvormig uitgegroeid is en dwergstruiken nauwelijks enige biomassa vertegenwoordigen, vielen ook uit de boot. Natuurtechnisch zijn deze terreintypes en vele naaldbossen, mits intensieve ingrepen, wel omwisselbaar met dwergstruikvegetaties. De aanwezigheid van bepaalde dwergstruiken was niet voldoende om als heideterrein in aanmerking te komen. Heide wordt ook met open ruimte verbonden; zeker naar de belevingswaarde toe is dit belangrijk. Daarom hebben we een minimumgrootte van 5 ha aangenomen.

Buiten deze drie gebieden (kanaalzones van de Noorderkempen, Limburgse mijnstreek en militaire domeinen) zijn er nog nauwelijks heideterreinen van enige omvang. Grote uitzondering hierop vormt de Kalmthoutse Heide. Wegens de wettelijke beschermingsmaatregelen in de 1ste helft van de 20ste eeuw is dit gebied dan ook uitzonderlijk niet door landbouw ingenomen.

Bij het opzoeken van de heideterreinen zijn we niet vertrokken vanuit administratieve gegevens, wel uit een combinatie van kaartstudie met controles in het veld. Eerst werden vroeger uitgevoerd veldwerk en voorlopige documenten voor de biologische waarderingskart op 1/100.000 geraadpleegd. Vervolgens raadpleegden we de nieuwe orthofotoplannen op 1/10.000 (opname 1986 tot 1988). Bij onduidelijkheden voerden we in het veld eind 1989 controles uit. Ook in gebieden met nieuwe heideterreinen was veldwerk noodzakelijk. Bij de bepaling van het areaal gebruikten we slechts uitzonderlijk kadastrale gegevens. De oppervlaktebepaling gebeurde meestal aan de hand van de orthofotoplannen. Omdat bepaalde reservaten uit een veelheid van biotopen bestaan, is het mogelijk dat de vermelde heide-oppervlakte veel kleiner is dan de totale oppervlakte van die reservaten (bijvoorbeeld De Maten).

WAT NOEMEN WIJ NOG HEIDETERREINEN? Opglabbeker Zavel: deze heide vatt binnen de zone rond Waterschei waarvoor gewestplanherziening aangevraagd is i foto)

Bij de bepaling van wat wij in deze studie nog als heideterrein beschouwen, wordt in de eerste plaats het vegetatiekundig criterium gebruikt. Heideterreinen zonder beheer verbossen of vergrassen mettertijd. Deze evolutie wordt momenteel door de luchtvervuiling nog versneld.

WAT REST ER NOG?

Er zijn momenteel in de Belgische provincie Limburg vier grote heidegebieden (méér dan 100 ha). Ze bestaan in hoofdzaak uit gemeentegronden met een belangrijk aandeel provinciegrond in Ten Haagdoornheide. Juridisch kennen ze een goede bescherming op korte termijn. Reeds vóór de eeuwwisseling lopen er contracten tussen gemeente en staat ten einde. Samen met de staatsnatuurreservaten van De Panne en Kalmthout vormen ze de zes grootste staatsnatuurreservaten van het Vlaamse Gewest. Deze vier grote gebieden liggen binnen de (vroegere) mijnstreek: twee op de oostelijke rand van het Kempisch plateau en twee op de westelijke rand.


14

M&L

Vier andere heideterreinen hebben een matige grootte (tussen 50 ha en 100 ha). Eén ervan ligt in de noordelijke kanalenzone. De rest valt binnen de (vroegere) mijnstreek. De Maten en het Hageven zijn erkende reservaten, beheerd door de Belgische Natuur- en Vogelreservaten. In beide gebieden hebben zowel gemeenten als provincie heel wat eigendommen. De twee andere terreinen hebben als heidegebieden een onzekere toekomst. Het hangt ervan af hoe de herinrichting van mijnterreinen en groeven op het Kempisch plateau aangepakt wordt. Het zouden geschikte plaatsen kunnen zijn om een toeristisch aantrekkelijke heide te laten ontwikkelen. Vemeldenswaard is ook dat Groevewanden Mechelen/Maas een nieuw heideterrein is, ontstaan na de vervlakking van steilranden van een reusachtige groeve.

heide en Zonhovenheide hebben een heidebeheer. Duinen Meeuwen-Gruitrode, door ons gekarteerd als droge heide en duinen, heeft sinds korte tijd de officiële bestemming van bosreservaat. Verder zijn er zestien zeer kleine heidegebiedjes (tussen 10 ha en 25 ha). Alhoewel de meesten — volgens het gewestplan — niet bedreigd zijn als natuurgebied, ontbreekt bijna overal heidebeheer. Uitzondering hierop vormt Heiderbos As. De Brand is vooral een duingebied dat aansluit bij openbare bossen. Alle andere terreinen kunnen we omschrijven als "onbekende plaatsjes" aan de rand van bos-, industrie-, landbouw- en woonzones.

Tenslotte resten dan nog vier uiterst kleine heidegebiedjes (tussen 5 ha en 10 ha). Daarnaast zijn er nog tien kleine heideterreinen Toch worden twee ervan actief beheerd als (tussen 25 ha en 50 ha). Heide aan de Fabriek en heidegebied. Zonhovenheide zijn stedebouwkundig bedreigd. Neerharenheide-boven en Bolderberg (De Kluis) De acht andere hebben als bestemming of zijn heide-eilandjes binnen bosgebieden met nabestemming ]V(natuurgebied) of ^(natuurhoofdzakelijk naaldhout. Parochie Boxbergheide reservaat). Dit betekent echter niet dat ze ook als heeft een parkfunctie terwijl Spoorlijn-plateaurand heidegebied beheerd worden. Alleen Neerharen- zwaar bedreigd wordt door de oprukkende landbouw.

WAT IS ER VOOR DE WANDELAAR? Ten Haagdoomhetde; toeristische weg, nu afgesloten voor gemotoriseerd

verkeer (eigen foto)

Het infobord bij de benedenparking van de Mechelse Heide (eigen foto)

In tabel A wordt de indeling naar terreintype vermeld. De draagkracht van droge heide is immers veel groter dan die van natte heide. Bij de besluiten naar een verbeterde ontsluiting toe, moet hiermee rekening gehouden worden. Alhoewel de vier grote terreinen alle natte heide bevatten, is het aandeel natte heide onbelangrijk bij de Mechelse Heide en Ten Haagdoornheide. De Maten en het Hageven hebben als terreinen met heide en waterplassen ook hun aandeel natte heide. Bij de kleinere terreinen treffen we alleen natte heide aan bij de Neerharenheide en Baalse Gracht. De bewegwijzering van grote of matige heideterreinen is gering. Alleen Mechelse Heide en Vallei van de Ziepbeek zijn vanaf rijkswegen bewegwijzerd. De bewegwijzering is er alleen vanop de eigen gemeente of gezien vanuit het centrum van de gemeente. Dit geldt evenzeer voor Heiderbos As. Gebieden zoals De Maten en De Teut zijn alleen ter plaatse bewegwijzerd. Naar Ten Haagdoornheide en het Hageven wordt zelfs nergens verwezen. Een goede aanduiding is er wel naar De Brand en Zonhovenheide.


M&L

15

TABEL A

Bereikbaa rheid bewegwijzering (afstand)

Be wegwijze rde routes

Terre ntype

Toes ankelijkheid

Vlateriël e

« llKlllitil g

parkeerde orlopen de ruimte roul es.zicht Daar be wegwijz ;rd aangelegd vnjgemaakt wandel fiets auto

droog

nat

afge- onbesloten kend niet ontsloten

bij grote gebieden welk

% vrij toegankelijkheid

binnenin toegankelijk

per-

auto

deel-

% manent tijds

bezoe- info bewegkers- bord wijzercende trum wanfiets delpaden

toeeankelijk Mechelse Heide (Maasmeckbl

rijksweg ( ± 3 km)

Ten Haagdooraheide (Hontlialen-Helchtereii)

3 1

H S

De Teul (Zonhovenl

zeer locaal

1

Vallei van de Ziepbeek (Lanaken)

rijksweg ( ± 3 km)

1

zeer locaal

1

L

X

X

30

X

L

X

X

100

X

X

X

100

X

X

X

60

X

60

20

100

50

GR T

Opslabbeker Zavel (Genk)

T

X

L

X

X

X

Hageven (Neerpelt)

X

X

Groev elanden Mechelen/Maas

X

De Malen (Genk)

1?

Duinen Meeuwen-Gmitrode

Z

X

GR

Plateaurand Mechelen/Maas

B

Lommel-Blekerhcide

X

X

X

(x)

X

X

(x)

X

X X

Remo-stort + omgeving (Houlhalen-Helchteren) Heide aan de Fabnek (Overpeltl

X

X

X

X

1

Z J

X

T

X

X

X X

X

X

(x)

Gelderskosten (Lommei)

X

X

(x)

Kattenbos - Molse Nete (Lommei)

X

X

X

X

X

X

Achter de Berg (Hechtel-Eksel)

rijksweg (* 2)

1

Kon. Domein Opgrimbie (Maasmechelen)

X

De Bullen (Meeuwen-Gruitrode)

X

Knooppunt Bosberg-Winterslag (Genk)

X

X

X

X

X

Wjdevenheide (Heusden-Zolder)

X

X

X

Lommei K18-K17

X

X

(x)

X

X

(x)

Neerharenheide - boven (Lanaken)

1 1

X

X

X

X

X X

X

X

• 2

X

X X

Spoorlijn - plateaurand (Dilsen) Bolderberg (De Kluis)

GR

X

X

X

Parachie Boübergheide (Genk)

*2

X

Lommei-Werkplaatsen

J

X

X

X

X

1

X

X

X

rijksweg (slecht)

100

X

Hasselt-Eindhoven K69 (Overpelt)

Heiderbos As

X

X

X

Baalse Gracht (Lommei)

I

X

X

X

Lommel-Balendijk

rijksweg (Ikm)

60

X

X

De Brand (Hechtel-Eksel)

X

X

X

Bosheide As

X

X

X

Duinen-noord Meeuwen-Gruitrode

Donderslagheide (Meeuwen-Gruitrode)

XX

X

Groevewanden Opgrimbie (Maasmechelen)

rijksweg (0.5 km)

X

X X

X

X

Zonhovenheide (Genk)

X

X

X

Neerharenkide (bnaken) Achter de Schulterij (Maasmechelen)

•1

X

X

X

X

X X

X

X


16

M&L

TABEL B

BEGEL EIDING TER PLAATSE

TERRREINGEBONDEN PUBLICATIES padenplan

padenplan met achter- | grondinfo

1

Mechelse Heide (Maasmechelen)

natuurleerpad

boekje

2

wandelgidsen

veldwerk

via PNC

PNC

beheerswerken voor vrijwilligers

NATUURGIDSEN

SYNTHESEPUBLICATIES

eindwerken cursisten

aantal: 6

1

4

Ten Haagdoornheide (Houlhalen-Helchteren)

1

N.G.

4

3

De Teut(Zonhoven)

1

N.G.

3

4

2

5

2

Vallei van de Ziepbeek (Lanaken)

1

via PNC

PNC

Opglabbeker Zavel (Genk) De Maten (Genk)

1

Hageven (Neerpell)

1

1

N&L*

X

1

1

BNVR

X

8

3 5

PNC

Groevevvanden Mechelen/Maas

1

Duinen Meeuw en-Gruitrode

PNC

1

Neerharenheide (Lanaken) Achter de Schutten) (Maasmechelen)

3

P)ateaurand Mechelen/Maas

via PNC

x **

2

Lommel-Blekerheide

I

Duinen-noord Meemven-Gruitrode Groevevvanden Opgrimbie (Maasmechelen) Remo-stort + omgeving (Houtha)en-Helchteren) Heide aan de Fabriek (Overpe)t) Zonhovenheide (Genk)

I

N&L

1

Lommel-Balendijk Baalse Gracht (Lommei)

3

Donderslagheide(Meemven-Gruitrode) Bosheide As De Brand (Hechtel-Eksel)

1

2

AROL

3

Hasselt-Eindhoven K65 (Overpelt) Lommei-Werkplaatsen Gelderskosten (Lommei) Kattenbos • Molse Nete (Lommei) N.C,

Heiderbos As Achter de Berg (Hechtel-Eksel)

1

PNC

2

AROL

Kon. Domein Opgrimbie (Maasmechelen)

1

De Bullen (Meeuvven-Gruitrode) Knooppunt Boxberg-Winterslag (Genk) Wijdevenheide (Heusden-Zolder) Lommei K18-K17 Parochie Boxbergheide (Genk) Neerharenheide - boven (Lanaken)

PNC

Spoorlijn - plateaurand (Dilsen) Bolderberg (De Kluis)

Verklaring der afkortingen : PNC : Provinciaal Natuurcentrum N.C. : plaatselijke natuurgidsen AROL : Administratie Ruimtelijke Ordening & Leefmilieu : houtvesterijen Hasselt en Bree N&L : Natuur en Landschap Genk BNVR : Belgische Natuur-en Vogelreservaten * : wandeling op vaste datum, 1 x per maand : recent stopgezet wegens opzegging beheersovereenkomst

X

2

1


M&L

Niet alle goed bereikbare terreinen zijn even toegankelijk,. (toto 0, Pauwels)

17

De kwaliteit van de bewegwijzering stemt grotendeels overeen met de kwaliteit en aanwezigheid van een parkeerruimte. Vele bos- en heidegebieden, nochtans dikwijls gemeentegrond, zijn dan ook alleen maar bekend bij de omwonenden. De wandelroute GR-562 komt langs drie heideterreinen op de oostelijke rand van het Kempisch plateau. Enkele gemeentelijke fietsroutes leiden langs heidegebieden. Bij het volgen van de Limburgse grenslandroute bezoekt men drie matige tot grote terreinen. Afgesloten terreinen zijn plaatsen waar de toegang ontzegd wordt door afsluitingen of verbodsborden. Merkwaardig hierbij is het (spoorweg)knooppunt Boxberg-Winterslag. De heide is er afgesloten door spoorlijnen. Nochtans is het een P(ark)gebied op het gewestplan. Onbekende terreinen zijn in het veld op geen enkele andere manier ontsloten. Eenentwintig van de dertig kleinere heidegebieden zijn onbekend. Gebieden met een (x) zijn wel vrij toegankelijk maar doordat ze niet ontsloten zijn, worden ze alleen door buurtbewoners gebruikt voor de hondenwandeling. Hoewel dit deelaspect niet onbelangrijk is, zitten hier heiden bij die ook door anderen dan buurtbewoners mogen gezien worden. Heidegebieden met (aangelegde) wandelpaden kunnen volledig of gedeeltelijk toegankelijk zijn. Zo is 30 % van de Mechelse Heide toegankelijk. Bij de Vallei van de Ziepbeek en De Maten is dit 60 %. In De Maten en het Hageven, twee reservaten beheerd door de Belgische Natuur- en Vogelreservaten (B.N.V.R.), is er een gedeelte afgesloten tijdens het broedseizoen. Als gevolg van een toeristische ontsluiting van natuurgebieden op het einde van de jaren 60, werden twee brede asfaltwegen aangelegd doorheen de twee grootste heidegebieden. Deze ontsluitingsvorm wordt momenteel niet hoog gewaardeerd, tenzij door uitbaters van grind- en zandgroeven. Het heeft ook tot de eigenaardige toestand geleid dat de Mechelse Heide slechts voor 30 % toegankelijk is voor de bezoeker, maar dat er wel een toeristische autoweg dwars doorheen loopt. De toeristische weg doorheen Ten Haagdoornheide is ondertussen voor het verkeer afgesloten. Het is nu een zeer degelijk fietspad. Door drie kleinere terreinen lopen fietspaden of fietsroutes. De materiële ontsluiting ter plekke hangt nauw samen met de bereikbaarheid. Als bezoekerscentrum zou de chalet op de Mechelse Heide kunnen functioneren. Nu is het

heidemuseum onderaan slechts enkele namiddagen per jaar opengesteld. Het is, indien gewenst, wel toegankelijk bij geleide wandelingen. Het leslokaal bovenaan wordt bij veldwerk gebruikt. De vier grote staatsnatuurreservaten, de erkende privé-reservaten en enkele kleinere gebieden hebben enerzijds een info-bord en anderzijds bewegwijzerde wandelpaden. Dit infobord is steeds beperkt tot een grondplan en een politiereglement onder één of andere vorm. De individuele bezoeker wordt dus nergens en op geen enkele andere manier inhoudelijk voorgelicht rond bijvoorbeeld flora en fauna, historische betekenis, beheer, geologie en bodem, lucht- en waterverontreiniging in samenhang met de heide. Verder is er een fit-o-meter op twee kleinere terreinen.

HET AANBOD NAAR NATUUREXPLORATIE Voor dit aspect hebben we het publieke aanbod eind 1989 onderzocht. We hebben nagekeken wat iemand aangeboden wordt bij contactname met plaatselijke afdelingen van de Verenigingen voor Vreemdelingenverkeer (V.V.V.), beheerders of specifieke diensten. Een boekje, specifiek rond één bepaald terrein, bestaat voor De Maten en het Hageven (in druk). Een natuurleerpad voor het Lager Onderwijs, met begeleidend boekje, is voorhanden voor de Vallei van de Ziepbeek (PNC) en de Mechelse Heide (PNC en AROL). Padenplannen met achtergrondinformatie of folders zijn slechts voor zes heidegebieden bij de V.V.V.'s beschikbaar. Dit zijn initiatieven van


18 I

Het infobord bij de ingang van de Zonhovenheide (eigen foto)

M&L

mÊÊmrmM. \^i mt .-*•' -^f^MHi

mm^ÉM...

Wiïl .

hier nauwelijks aan bod. Heidegebieden zonder ontsluiting volgens tabel A zijn wel bekend bij de omwonende natuurgidsen. Bij het nakijken van zes synthesepublikaties (zie literatuurlijst) komen bijna uitsluitend de toegankelijke staatsnatuurreservaten en de erkende privé-reservaten aan bod. Enige uitzondering hierop vormt Zonhovenheide.

n^ü

INTERESSE VANUIT NATUUR- EN TOERISMEVERENIGINGEN Het infobord bij de parking De Teut (eigen foto)

• *. ^

SUATSNiTÜURRESERWAT DETEUT"'

,

^ J ^ ^ B J ^ J J

natuurverenigingen en openbare diensten (PNC). Padenpiannen op zich zijn voor vijf andere terreinen en De Maten beschikbaar. Dit zijn vooral V.V.V.-initiatieven. In De Maten zijn er maandelijks wandelingen op één welbepaalde zondagmorgen. Natuurgidsen voor geleide wandelingen zijn beschikbaar in de zes grotere, toegankelijke heiden. Elders zijn er volgens V.V.V.-informatie slechts op vijf heideterreinen wandelingen op aanvraag mogelijk. Veldwerk met groepen is een meer intensieve werkvorm. Deze wordt door het PNC aangeboden op een zestal terreinen op het oostelijk gedeelte van het Kempisch plateau. Beheerswerken voor vrijwilligers hangen nauw samen met het statuut van het reservaat. De eindwerken voor de cursus natuurgids over de jaren 80 werden nagekeken. Zo denken we een idee te krijgen van de band tussen de bevolking en een bepaald gebied. Dit kan ook leerrijk zijn voor een bestaand potentieel in verband met een gidsenwerking. Het gebied met de beste ontsluiting {De Maten) trok ook de meeste natuurgidser aan; het Hageven en de Mechelse Heide komen

Van enkele niet-plaatselijke natuurverenigingen werd het aanbod in hun tijdschriften onderzocht gedurende de periode 1987-1989. Vanaf 1990 subsidieert het provinciebestuur van Limburg natuureducatieve activiteiten. Mogelijke effecten hiervan zijn dus niet waar te nemen in onze tabellen. Bij de terreinbeherende verenigingen maken we een onderscheid tussen wandelingen en werkdagen. De wandelkalender van de Limburgse natuurgidsen is nagenoeg beperkt tot de privéreservaten. Vanuit geheel Vlaanderen bezoekt de Wielewaal uitsluitend de zes grote, toegankelijke heiden. De B.N.V.R.-reservaten hebben een uitgebreide wandelkalender; voor De Maten worden de werkdagen eveneens aangekondigd. Het aanbod van andere verenigingen in verband met heide is beperkt. Uit een analyse van de Limburgse afdelingen van Vakantiegenoegens over de periode 1988-1989 kon afgeleid worden dat in totaal twaalf bezoeken werden georganiseerd, waarvan 75 % naar de meer bekende, grootste heidegebieden. Tenslotte zijn er ook nog drie populaire heide- en duinfeesten waar de band met de natuur nog effectief gelegd wordt.

BLIJFT ER NOG HEIDE IN DE TOEKOMST ? Als we de grootte van de terreinen in rekening brengen, dan zijn de heidegebieden zwaar geconcentreerd in de (vroegere) mijnstreek. Daarbij kunnen we van twee kernen spreken: één op de westrand en één op de oostrand van het Kempisch plateau. Heiden zijn in veel gevallen ook nog steeds gemeenschappelijke gronden. Eenmaal de 10 grootste terreinen voorbij, zijn er nog nauwelijks heiden die de bestemming natuurreservaten (R) hebben op het gewestplan. Natuurtechnisch


M&L

19

beheer ontbreekt op de meeste van deze terreinen: op middellange termijn zullen ze dan ook verdwenen zijn als heidegebied. De ontsluiting van vele van deze onbekende terreinen kan onrechtstreeks een opstarten van natuurtechnisch beheer mogelijk maken. Het behoud van deze verschillende kleine terreinen is vanuit verschillende oogpunten wenselijk. Binnen de bosgebieden zorgen ze voor een ruimtelijke verscheidenheid. In de verstedelijkte gebieden hebben ze naast hun natuurwetenschappelijke functie van ruimtelijke tussenstap tussen grotere eenheden, vooral een sociale functie. Heide is er ook als getuige uit het verleden belangrijk.

Ten Haagdoornheide ten opzichte van De Teut en voor Zonhovenheide ten opzichte van De Maten. Bij de natuurreservaten en alle andere heideterreinen overigens ontbreekt in het veld elke inhoudelijke informatie rond de heide. Zo kan een bezoeker, die op het infobord "verboden bloemen te plukken" gelezen heeft, een landbouwmachine de heide zien afmaaien of een bulldozer de heide zien afschrapen. De huidige chalet van de Mechelse Heide zou tot een volwaardig bezoekerscentrum moeten uitgroeien. Een betere ontsluiting van de kleinere terreinen zou de mensen in de buurt weer bewust maken van het bestaan van heideterreinen. Educatief vervullen ze dan vooral een rol op plaatselijk niveau.

WELKE ONTSLUITING WENSEN WE ?

Het infobord in domein De Brand te Hechtel-Eksel (foto 0. Pauwels)

Slechts vier heidegebieden zijn goed bewegwijzerd. De bewegwijzering is in de minst slechte gevallen een vanuit de eigen gemeente genomen initiatief. We beschouwen het als een maatschappelijke plicht om grote natuurgebieden, die volledig met gemeenschapsgeld bekostigd worden en natuurgebieden van particuliere verenigingen, die bij hun aankoop nu grotendeels door de overheid gesubsidieerd worden, niet verborgen te houden voor 99,9 % van de bevolking. De algemeen gebrekkige bewegwijzering is er ook voor verantwoordelijk dat natuurgerichte openluchtrecreanten nagenoeg uitsluitend naar bepaalde bos- en heidegebieden — de natuurreservaten — komen. Beheerders ervaren dat dan als een te grote druk. Toch liggen er in de Limburgse Kempen voldoende andere interessante bos- en natuurgebieden, zeker voor de wandelaar en loper. Deze zijn echter nauwelijks bekend. Vanuit regionaal oogpunt stellen we vast dat geen enkel heidegebied in Noord-Limburg bewegwijzerd is. Een uitbreiding van doorlopende wandelroutes en fietsroutes is gewenst. Eén grote, doorlopende autoroute doorheen heidegebieden lijkt ons echter voldoende. Een infobord met grondplan en bewegwijzerde paden lijkt ons elementair bij de grotere terreinen. Toch zijn deze niet steeds aanwezig. Een goede zonering kan de bezoekers in de gewenste banen leiden. Een goed voorbeeld hiervan vormen De Maten. Droge terreintypes — zeker als er weinig verstuivingen aanwezig zijn — hebben een grotere draagkracht dan natte terreintypes. De laatste tellen dan ook dikwijls vijvers. Zo heeft de Mechelse Heide een grotere draagkracht dan de Vallei van de Ziepbeek. Hetzelfde geldt voor

BESLUITEN IN VERBAND MET PUBLIKATIES EN BETROKKENHEID

Een padenplan met achtergrondinformatie of folders is voor alle grotere, toegankelijke gebieden gewenst. Er bestaan drie natuurleerpaden; een uitbreiding van deze vorm naar Midden- en Noord-Limburg is gewenst. Zo kunnen de kinderen in hun eigen omgeving kennismaken met de heide. Ten Haagdoornheide, voor meer dan 100 ha provinicaal domein, is tot op heden nog niet ingeschakeld in de educatieve werking van het Provinciaal Natuurcentrum (PNC). Nochtans heeft het PNC rond de heide een ruim aanbod, vooral aan de oostrand van het Kempisch plateau. Een systeem van geleide wandelingen op regelmatige tijdstippen bestaat alleen in De Maten. Voor de grotere, toegankelijke heidegebieden kunnen de V.V.V.'s doorverwijzen naar een


M&L

Grotere heidegebteden oefenen sterke aantrekkingskracht uit. Het is echter wenselijk ook op het belang van de kleinere heiden te wijzen (foto 0. Pauwels)

natuurgids. Het is wenselijk zowel de V.V.V.'s als de natuurgidsen ter plaatse op het belang van de kleinere heiden te wijzen. De betekenis en het bestaan van de kleinere heidegebieden komt binnen de synthesepublikaties niet aan bod. Hier ontmoeten we opnieuw hetzelfde verschijnsel; de natuurgebonden openluchtrecreatie wordt vooral naar de reservaten gestuurd. Nochtans zijn er in de Limburgse Kempen voldoende andere mogelijkheden, mits de nodige ontsluitingsfaciliteiten. Particulier beheerde terreinen oefenen een veel grotere aantrekkingskracht uit op natuurgidsen en natuurverenigingen dan de openbare terreinen. De betrokkenheid bij de eigen gebieden is blijkbaar veel groter. Heide beheren vraagt echter veel middelen en inzet zodat het op een nietprofessionele manier nauwelijks haalbaar is. Het is ook opvallend dat natuurverenigingen nauwelijks aandacht hebben voor de kleinere terreinen.

BIBLIOGRAFIE Allemeersch L., Heide in Limburg: overzicht van de achteruitgang van het heide-areaal in Belgisch Limburg tijdens de laatste 2 eeuwen, in Het Oude Land van Loon: jaarboek van de federatie der geschied- en oudheidkundige kringen van Limburg. jg, XLI, 1986, p. 5-39. Allemeersch L., e.a., Heide in Limburg, Tielt, Lannoo, 1988, p. 119, ill. De Borgher M., De invloed van de rangschikking als landschap op het behoud en de bescherming van de Kalmthoulse Heide, in Monumenten en Landschappen, jg. 7, 1988, p. 17-32. De Smidt J.T., De Nederlandse heidevegetaties. Wetenschappelijke mededeling Kon. Ned. Nat.-hist. Ver., nr. 144,1981, p. 87. Stefels C.J., Natuurbehoud en recreatie op De Hoge Veluwe, in Natuurmonumenten, jg. 15, nr. 3, 1985, p. 123-126. Stevens J., Het vulgariserend aantonen van enkele ecologische relaties tussen invertebraten en hun omgeving; beschouwingen na enkele jaren praktijkervaring, verhandeling van het symposium Invertebraten van België, 1989, p. 423-427. Werkgroep Heidebehoud en Heidebeheer. Rapport: De heide heeft toekomst, Ministerie van Landbouw en Visserij, 's Gravenhage, 1988, p. 134, ill.


M&L

21

GETHSEMANI 1 8 4 1 - 1 9 9 1 . HET INSTITUUT DER RELIGIEUZEN URSULINEN TE ONZE-LIEVE-VROUW-WAVER M A R I O BAECK

De groei en de bloei van een kloostergemeenschap over een periode van 150 jaar beschrijven, is geen eenvoudige opgave. Er is immers zoveel dat aan bod zou moeten komen om een accuraat en volledig beeld te schetsen en er zijn even zoveel mogelijke invalshoeken om de geschiedenis van het Instituut te benaderen, in wat volgt hebben we ons bewust

beperkt tot de geschiedenis en de evolutie van het gebouwencomplex (1) en — daar sterk mee verweven — van de onderwijsactiviteiten te Onze-LieveVrouw-Waver zelf, in de hoop daarmee enig inzicht te verschaffen in de historische achtergronden van dat merkwaardig en uitzonderlijk klooster- en scholencomplex.

•MÉ •

De Sint-Ursulaspreekkamer met - geschilderde wandtapifen naar Hans Memlincs schrijn in het Brugse Sint-Jans-Hospitaaf (foto 0, Pauweis)

: f

i

••: -? 1'fefö

4iH • P|

$£^X jTiZ. 1 • -UïïICiss

•

n • i

.-^^^Ê

m\i

iaS^^^^^^M

m

1 nlnj^B kk

i ^ ^ t e M

L

J

1 1

RL'

""JB

HHHHi^H H


22

M&L

VOORGESCHIEDENIS Rond 1840 was Onze-Lieve-Vrouw-Waver een klein dorp met een 2170 inwoners. Het lager onderwijs was onder koster-schoolmeester Hendrik van Roost op een redelijk hoog peil gebracht. Dit onderwijs was sinds 1833 klassikaal en gemengd en door de grote aantallen kinderen was een hulponderwijzer daarbij noodzakelijk. Gemengde scholen raakten echter uit de mode: zowel Kerk als Staat drongen aan op hun afschaffing en bovendien zagen vele ouders het nut van 'geleerdheid' voor hun dochters niet in. Het onderwijs bleef dan ook voor vele Waverse meisjes beperkt tot de catechismuslessen die door een dorpsvrouw werden verstrekt. Omdat hij vond dat het meisjesonderwijs toch gelijke tred diende te houden, wendde pastoor Joannes Baptista Verheyden (1778-1854) zich daarvoor eind 1839 tot de zusters van Gijzegem die in Booischot een lagere school hadden geopend.

Op het prospectus voor de pos opgerichte normoolschool (1864) met de oudste kern van het kloostercomplex, herkent men het nog bestaande binnentumtje (Archief Zusters Ursulinen)

Toen dezen hem niet konden helpen, richtte hij zich tot zijn Tildonkse confrater Joannes Cornelius Martinus Lambertz (1785-1869) van Tildonk, die in zijn parochie een klooster van Ursulinen had gesticht dat reeds naar verschillende andere plaatsen was uitgezwermd. Deze beantwoordde het verzoek wel zeer bereidwillig. Geholpen door enkele weldoeners zorgde pastoor Verheyden samen met Jefke Verbist — de maalder uit de Molenstraat die 18 jaar lang lekenadministrateur van het klooster zou blijven — voor de nodige fondsen en voor een stuk bouwgrond van 59,55 are in de Bosstraat, geschonken

door ene Juffrouw Maria Bogaerts, uitgebreid met 1,2 are gekocht van het gemeentebestuur. Veel parochianen hielpen er vrijwillig, eerst aan de afbraak van het bestaande huisje, daarna aan de oprichting van een nieuw kloosterhuis met een schooltje eraan verbonden. Alle werken gebeurden onder het toezicht van Neel van Hoof, de Waverse meester-metser. De eerste kareelstenen werden gebakken uit een leemput in de velden van de grote Waverhoeve, links van de Dijk. Begonnen in 1840, was men het volgend jaar rond Pasen klaar met het woonhuis voor de zusters en met de school — vermoedelijk met 4 klaslokalen — , naar de vereisten van de tijd ingericht met een bord, een trede, lange zwarte lessenaars met zitbanken van 10 plaatsen, een hoge buiskachel en tenslotte een stoel en lessenaar voor de onderwijzeres. Langs de straatkant liep een gang, met aan beide uiteinden van de voorgevel een deur: één die toegang gaf tot de school en één tot het zusterverblijf. Beide delen werden van elkaar gescheiden door een traphal. Een beeld van Jezus biddend in de hof van Olijven of Gethsemani bevond zich op het einde van de kloostergang: de nieuwe stichting kreeg immers de naam Gethsemani mee.

HET BEGIN Op 22 april 1841 komen de eerste Ursulinen te Onze-Lieve-Vrouw-Waver aan. Het zijn 8 zusters vanuit Tildonk, met mère Cunère Van lersel als eerste overste. Door de Waverse bevolking worden ze met geestdrift ontvangen. Op 7 mei 1841 meldt de eerste interne — Catharina Goossens, van Onze-Lieve-VrouwWaver — zich aan en op het einde van het jaar telt de kostschool al 8 leerlingen. Want hoewel de Ursulinenorde zich in oorsprong toelegde op het onderricht aan arme meisjes, zien we dat de orde van Tildonk systematisch ook kostscholen oprichtte (2) om zo meer financiële armslag te krijgen voor het uitbouwen van het kosteloos onderwijs, de zogenaamde "externaten" (gaande van lagere school, zondagsschool en froebelschool tot huishoudscholen): een vroege vorm van 'interne subsidiëring'. Bijna tegelijkertijd, op 17 mei wordt de 'kosteloze' Vrije Lagere School voor meisjes opgericht. Aanvankelijk berekend op 2 klassen, dient men er


M&L

23

De vaak ingewikkelde bouwstadia worden verheiderd door de kadasterpiannen (Archief Zusters Ursuiinen, hertekening R. De Meerleer)

1

3 ^••///A

»

1841

1856

1874

1894

1916

in 1843 een derde klas aan toe te voegen. Op 2 september 1844 wordt het voorstel tot aanname van deze vrije meisjesschool door het gemeentebestuur gunstig ontvangen. Het zal nog tot in 1878 duren vóór het gemeentebestuur beslist om voor deze lagere meisjesschool met eigen middelen een nieuw schoolgebouw met 3 klassen op de richten, naar de plannen van provinciaal bouwmeester L. Blomme. Een kleine maand later — op 7 juni 1841 — volgt een Zondagsschool, geleid door mère Odrade Simons en pastoor Verheyden, waarvoor zich ruim 100 leerlingen — ook uit de verre omtrek — laten inschrijven. Naast de catechismusles en een aanmoedigend woord door een priester, worden hier liedjes aangeleerd en toneelstukjes gespeeld. Wie het verlangt krijgt echter ook Franse les. Deze school zal blijven bestaan tot 21 november 1873, wanneer ze opgeslort wordt bij de oprichting van de Congregatie der Heilige Familie, door pastoor Van den Broeck. Na in 1843 de hof met een muur omheind te hebben, trekt men in 1844 het kloostergebouw met één verdieping van 14 voet op. Tegelijkertijd legt men onder één der klassen de eerste grafkelder aan, want ook op dit vlak is het leven in klooster en pensionaat een getrouwe afspiegeling van het gewone leven: er worden regelmatig sterfgevallen betreurd, ook onder jonge zusters en pensionaires. In 1845 dient men omwille van de vochtigheid de muren van het kloostergebouw langs buiten te bepleisteren en legt men een speelplaats aan. Het leerlingenaantal groeit in deze periode geleidelijk — in 1846 zijn er reeds 21 internen — en de behoefte om uit te breiden wordt dan ook stilaan groot. Omdat de beschikbare middelen beperkt zijn, dient men tot in 1849 te wachten op ingrijpende verbouwingen. Eerst worden de fundamenten gegraven voor een nieuwe noordervleugel die begin 1850 klaar is. Het oude kloosterhuisje wordt vervolgens afgebroken (1851) en na de bouw van de zuidervleugel (1853) ziet het gebouw er als volgt uit: links en rechts springen 2 zijvleugels naar voor. terwijl een muur langsheen de straat de ruime speelplaats afsluit. Boven de spreekkamer of "parloir" in de zuidvleugel beschikt men nu over 2 logeerkamers met zicht op de straat en een appartement voor de geestelijke directeur. Boven de refter en naaiplaats bevinden zich de klassen voor de pensionaires.


24

M&L

ongetwijfeld telkens diepe indruk gemaakt. De impact moet aanzienlijk geweest zijn, want tot het begin van de Eerste Wereldoorlog werden niet minder dan 3000 meisjes tot de congregatie toegelaten. •> - - • nnr • r • n m r y i "mnn -\ -v

rmn, r r r n . mnri • -Y-*

* 9-

Bij de vergroting in 1893 krijgt de kapel (1862) er twee zijbeuken bij. Langs de speelplaatszijde is de open gelijkvloerse gaanderij nog goed zichtbaar, (foto O, Pauwels)

Op de 2de verdieping ligt de slaapzaal voor de leerlingen: onder het dak beschikt elke leerling over een linnenkast en over een deel van de grote lavabo in het midden van de ruimte. De noordvleugel bevat de keuken, met daarboven een kamer voor de overste — met "antichambre" die dienst doet als bibliotheek — en een naaiplaats voor de zusters, die ook gebruikt kan worden voor pianolessen aan leerlingen. Langs de noordkant van de 1ste verdieping loopt een lange gang die toegang geeft tot de communauteitszaal en het noviciaat, de slaapzaal van het noviciaat en 2 cellen. Naast de trap is er nog een ziekenzaal. Op de 2de verdieping bevindt zich de kapel met sacristie en hiervóór nog 4 cellen met een gang in het midden. Er zijn verder goede kelders en zolders (3). Om het religieuze leven te stimuleren wordt in 1853 — er zijn dan al 73 pensionaires — de Congregatie van Maria Onbevlekt Ontvangen opgericht: enkel wie een meer dan gewone godsvrucht betoonde werd toegelaten. Het is dan ook niet ongewoon dat van de vele vreemdelingen met een andere religieuze- of van de leerlingen met een areligieuze achtergrond er enkelen tot het rooms-katholicisme overgaan. Deze 'bekeringen' met de eraan verbonden doopvieringen hebben

De volgende belangrijke stap in de uitbouw van het volksonderwijs te Onze-Lieve-Vrouw-Waver wordt gezet in 1861, wanneer een 'bewaarschool' of kleuterschool onder leiding van mère M. Odile Geens wordt opgericht. De school beschikt over een volledig stel froebelgaven en wordt als een modelschool beschouwd. Op een "gradin" zijn banken en tafeltjes aangebracht waarop de kleintjes met de froebelgaven leren omgaan. Naar moderne normen — en dit tot ver in de 20ste eeuw — waren dergelijke kleuterklasjes onvoorstelbaar overbevolkt. Kort daarna denkt men opnieuw aan uitbreiding van de gebouwen. In het Wavers pensionaat zijn er immers al 140 leerlingen — waarvan de helft van Duitse nationaliteit — ingeschreven. Om het religieuze leven van dit groeiend aantal pensionaires en van de kloostergemeenschap te ondersteunen wordt beslist een nieuwe kapel te bouwen, boven de speelzaal tussen de twee vleugels. Op 12 mei 1862 vindt de eerste steenlegging plaats in aanwezigheid van pastoor Lambertz, Monseigneur Lauwers en een 40-tal priesters. Bouwmeester is Cornells (Neel) van Hoof (4).

STICHTING VAN DE NORMAALSCHOOL Vanaf 1862 wordt er opnieuw aan uitbreiding van de schoolactiviteiten gedacht. Kanunnik Bormans, diocesaan inspecteur, en groot-vicaris Monseigneur Van Hemel bespreken met de Waverse Zusters Ursulinen de oprichting in het aartsbisdom van een vrije, maar door de Staat erkende normaalschool voor vrouwelijke religieuzen en juffrouwen. Deze plannen kaderen duidelijk in de beleidsopties van het eerste Katholiek Congres, dat van 18 tot 27 augustus 1863 te Mechelen wordt gehouden en waar men pleit voor uitbreiding en verbetering van het katholiek onderwijs op alle niveaus, onder meer door een aangepaste leerkrachtenopleiding. Kanunnik Bormans begint tegelijkertijd onderhandelingen met het liberaal ministerie Van den Peereboom om de officiële erkenning te verkrijgen. De Waverse superieuren van hun kant, gesteund door Kardinaal Sterkx, vragen ondertussen toelating aan hun stichter pastoor Lambertz van


M&L

25

Tildonk. Op 12 november 1863 kan de Lagere Normaalschool — met 6 leerlingen en met, sinds 1860, een studieduur van 3 jaar — in de gebouwen van de in 1841 opgerichte Lagere School voor meisjes geopend worden. Het was de 14de van die aard in ons land. De 24-jarige mere Thérèse Huybrechts wordt de eerste directrice en tegelijkertijd lesgeefster pedagogie. De officiële erkenning van de Waverse normaalschool verschijnt op 29 januari 1864 in het staatsblad. Als voertaal wordt door het ministerie het Nederlands opgelegd. Mede daarom worden een aantal lesgeefsters gerecruteerd uit de normaalschool van Herentals, later ook uit die van Tielt. Op 1 maart 1864 wordt de normaalschool — die onder het patronaat van de Heilige Jozef wordt geplaatst — plechtig ingehuldigd. De beginjaren zijn moeilijk, maar als in september 1868 de aangenomen normaalschool van Leuven wordt opgeheven en de leerlingen die daar in hun ingangsexamen waren geslaagd naar Waver komen, zijn de meeste problemen achter de rug. Om deze nieuwe school te huisvesten zijn heel wat aanpassingen noodzakelijk: In de noordvleugel vindt de Normaalschool een onderkomen in het lokaal van het extemaat; de kapel van de congregatie wordt eetzaal; de vroegere bidplaats — op de 1ste verdieping — wordt slaapzaal. Het verbindingsgebouw heeft een nieuwe eetzaal voor de pensionaires op het gelijkvloers en de nieuwe kapel op de 1ste verdieping. In de zuidvleugel wordt de oude eetzaal naaikamer, terwijl de vroegere naaikamer wordt opgesplitst tot congregatiekapel en — aan de overkant — spreekkamer voor de families van zusters en voor oud-leerlingen. De Lagere Meisjesschool, die als oefenschool aan de Normaalschool verbonden wordt, verhuist naar het recent gebouwde huis, oorspronkelijk bestemd

als woning voor de geestelijke directeur. De Bewaarschool en de Eerste Graad betrekken er de benedenverdieping, terwijl de 2 hoogste klassen zich op de 1ste verdieping vestigen. Het Instituut beschikt overigens op dat moment al over een studiebibliotheek met pedagogische en vreemdtalige werken. In oktober 1867 zijn er in heel het Instituut reeds 180 leerlingen ingeschreven en moet alweer aan uitbreiding worden gedacht. Zo bouwt men in 1868-1869 een nieuwe westvleugel, verbonden met de keuken voor de religieuzen. Op het gelijkvloers is er een zaal geschikt voor prijsuitdelingen; op de 1ste verdieping een cel voor de algemeen overste, met antichambre, een ziekenzaal, een recreatiezaal, een kapittelzaal en enkele cellen voor oudere of zieke zusters; op de 2de verdieping bevinden zich cellen voor zusters. In deze periode bouwt men ook een stal en een remise en in 1869 richt men op een nieuw verworven stuk grond de oostvleugel op met een muziekzaal, pianokamertjes — voor het eerst in één gebouw gegroepeerd — en een nieuwe Congregatiekapel.

GROEI EN UITBREIDING Ondanks het verlies van een groot aantal Duitse leerlingen door het uitbreken van de Frans-Duitse oorlog in 1870, blijft het leerlingenaantal stijgen: in 1871 zijn er 32 normalisten ingeschreven en 170 pensionaires. Opnieuw wordt uitbreiding van de gebouwen noodzakelijk. Men koopt grond aan en begint in 1872 een nieuwe zuidvleugel te bouwen (5), rechtover de communauteitsvleugel uit 1869, met een dubbele rij klassen en een grote ontspanningszaal op het gelijkvloers, klassen en een studiezaal op de 1ste verdieping en een slaapzaal met 96 bedden in


26

M&L

nieuwigheid. Mère Félicité Vervloet had namelijk het jaar voordien met grote onderscheiding de cursus gymnastiek van Kapitein G. Docx — één van de drie leden van de ministeriële onderzoekscommissie die in 1872, na een buitenlandse missie, aanbevelingen in verband met de lichamelijke opvoeding formuleerde — aan de Nijvelse Normaalschool beëindigd en bracht haar opgedane kennis met succes in toepassing.

Vanuit de nog landelijke Bosstraat ziet men de dominerende zuidervleugel uit 1873 Het voorplan wordt rond 1900 ingenomen, eerst door de pianogalenj, dan ook door de wintertuin (Archief Jozef van Rompay-Davidsfondsgenootschap)

SCHOOLSTRIJD

3 rijen en één lange wastafel met 48 plaatsen aan weerszijden op de 2de. Door deze uitbreiding wordt het mogelijk 3 nieuwe secties in het pensionaat in te voeren die totaal van elkaar gescheiden zijn, zowel tijdens de klasuren als voor de recreaties en de maaltijden: — een Voorbereidende Afdeling ("section préparatoire") voor kinderen die hun eerste communie nog niet deden; — een Lagere Afdeling of '2de sectie', met een 8ste en 7de klas voor leerlingen boven de 11 jaar die de lagere school nog niet voltooiden of de Franse taal nog niet voldoende beheersten; — een Middelbare Afdeling of 'Ie sectie', verdeeld in 6 klassen, voor hen die gewoon middelbaar onderwijs konden volgen. De 4de klas is tegelijk ook bedoeld als voorbereidend op de normaalschool. In deze afdeling wordt in elke klas aandacht besteed aan naaldwerk en huishoudelijk werk (6). In april 1873 verwerft men nieuwe gronden ten noordwesten, met Veke's hoef en het bosje ten noordoosten dat men tot wandelbos voor de leerlingen inricht. Het domein wordt daardoor van 2,5 op 8,5 hectare gebracht. In 1875 wordt op de Waverse Normaalschool het gymnastiekonderwijs ingevoerd, toen een grote

Met de invoering van de 2de wet op het Lager Onderwijs op 1 juli 1879, door het liberale ministerie P. Van Humbeeck, begint de 1ste schoolstrijd die tot in 1884 zal aanhouden. Uit verzet tegen deze centraliserende en laïciserende wet en op aandringen van groot-vicaris Monseigneur Ketelbaut en kardinaal Deschamps, begeeft mère Thérèse Huybrechts zich naar Brussel om daar mee te delen dat ze afziet van verdere staatserkenning. Het leerlingenaantal in de Normaalschool loopt door dit alles wel fors terug. Gepaste maatregelen en het expliciete patronaat van kardinaal Deschamps brengen hier echter vrij vlug verandering in. De pas voltooide gebouwen van de Gemeentelijke Meisjesschool gaan over naar een leke-onderwijzeres die over de ruime lokalen kan beschikken voor 4 leerlingen; alle andere leerlingen gaan immers met hun leerkrachten mee over naar het vrij onderwijs. Het pensionaat heeft — als niet erkende vrije school — uiteraard weinig te lijden van deze 'ongelukswet'. Om de concurrentie het hoofd te bieden met het officieel onderwijs, waar op dat moment reeds twee middelbare rijksnormaalscholen voor meisjes bestonden — met name één in Luik en één in Brussel — , geeft men in oktober 1880 de eerste aanzet voor de oprichting van een Vrije Middelbare Normaalschool voor meisjes — de eerste van het land van die aard — uiteraard zonder erkenning en subsidiëring van staatswege. De eerste cursussen met een studieduur van twee jaar worden door 3 leerlingen gevolgd. Onder meer dank zij deze inspanningen zijn er in 1882 aan de Waverse Normaalschool toch ruim 65 normalisten ingeschreven en wordt het noodzakelijk — om over de nodige voorraadkelders te kunnen beschikken — het gebouw te vergroten. Gezien de omstandigheden wordt beslist de vergroting zo bescheiden mogelijk uit te voeren.


M&L

27

door uit te breiden langsheen de bestaande afsluitmuur, naar het koetshuis en de paardestal toe. Toch blijkt bij uitvoering dit plan niet helemaal te voldoen en men besluit dan maar boven de kelders een studiezaal en gymnastiekzaal in te richten en de vleugel naar de Normaalschool toe volledig dicht te bouwen. Haastig wordt dan onder leiding van Neel van Hoof een gebouw zonder verdieping opgetrokken, met recreatiezaal en 2 klassen en een gebouw mèt verdieping, gedeeltelijk ondersteund door een galerij {"promenoir"), met 2 klassen en 2 slaapzalen. De oude klassen van de Normaalschool worden aangepast tot refter.

d'excellentes conditions pour s'exercer a la pratique de l'enseignement. J'admets sans réserve la demande d'adoption présentée par la directrice". Omdat de cursussen nu volgens de officiële programma's ingericht worden kan in oktober 1887 de Middelbare Normaalschool officieel van start gaan; in de gemeenteraadszitting van 8 december 1884 wordt de Vrije Lagere Meisjesschool opnieuw als gemeenteschool aangenomen. De schoolsituatie is daardoor genormaliseerd.

VERDERE EXPANSIE

Met het van kracht worden van de 3de organieke In 1885 wordt begonnen met de aanleg van een wet op het lager onderwijs, de zogenaamde buurtspoorweg (tramlijn) tussen Mechelen en "wet Jacobs", op 20 september 1884, wordt aan Heist-op-den-Berg, via Onze-Lieve-Vrouw-Waver het liberale schoolpolitiek-intermezzo een einde en Putte (ingehuldigd op zondag 26 juni 1887), gemaakt en kunnen de diploma's uit de niet waardoor een nog grotere bloei voor de school erkende opleidingen aan de vrije katholieke mogelijk gemaakt wordt. normaalscholen uit de jaren 1879-1884 retroactief geofficialiseerd worden. In zijn inspectierapport, Ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van naar aanleiding van de aanvraag tot vernieuwing mère Ursule Verheyden als overste van het van de vroegere staatserkenning, schreef toenklooster, wordt haar in 1887 door de leerlingen de malig inspecteur van de lagere normaalscholen Lourdesgrot in het bos — gebouwd door het huis Braun, over de Waverse normaalschool: "J'estime Blaton-Aubert uit Brussel — aangeboden. que Ie personnel enseignant est fort bien compose, Het Mariabeeld wordt geschonken door Directeur la situation salubre, Ie régime alimentaire sain et Op de Beeck (7). Bij de inzegening op 13 april zijn abondant. Une sage discipline règne dans l'établis-meer dan 150 oud-leerlingen aanwezig. sement; au point de vue de l'enseignement pratique, In de jaren die volgen wordt het park verder tout est calque sur ce qui se passé dans les écoles verrijkt met diverse constructies: de openluchtnormales de l'Etat; trois écoles d'application sont kerststal van Bethlehem en het Nazareth-huisje, annexées a l'école normale; on peut done affirmer beide in rotswerk uitgevoerd door de gebroeders que les futures institutrices s'y trouvent dans Tondeleir uit Antwerpen; de mooie muziekkiosk.

Een IWiografie die een Duftstalig prospectus siert (ca. 1903) geeft een goed beeld van de expansie en de archrtecturale aantrekkingskracht van het compiex rond de eeuwwisseling (Archief Zusters Ursulinen)


28

M&L

een geschenk van de Antwerpse aannemer Merckx, die voor het klooster werken had uitgevoerd ter gelegenheid van een eerste communie; de grote overdekte hall en een calvarie. In 1887 bouwt men ook nog een refter voor de zusters, een wasplaats, een bakkerij en — na september — een boerderij met werkplaatsen aan de noordkant van het complex.

De openluchtkerststal en de Lourdesgrot(1887) in rotswerk getuigen nu van de vroomheid van vroegere generaties (Prentbnefkaart en foto 0, Pauwels)

m&.L.tW' •-•^.••:'i':^ ^wnW:!

In 1891, bij het 50-jarig jubileum van de oprichting van het klooster, zijn er op dat ogenblik 132 religieuzen, 102 leerlingen in de Normaalschool en 218 pensionaires. In de periode 1884-1891 zijn de leerlingen van de normaalscholen — anders dan die van het pensionaat — vrij zelfstandig: er is geen systeem van beloning of straf, van goed- of afkeuring; er zijn geen deuren op slot, men maakt geen rangen; er is geen echt uniform, al draagt men in de week een grijs kleed en 's zondag een zwart kleed van eenvoudige snit; er is één uitgangsdag per trimester, want ook de zon- en feestdagen worden, buiten de godsdienstoefeningen, aan de studie besteed; de omgang met de leraressen is hartelijk. Deze beschikken overigens over een aparte leraarskamer. In het pensionaat daarentegen is de tucht strenger; het gedrag van elke leerling wordt dagelijks beoordeeld en wie uitblinkt ontvangt een 'erelint'; dagelijks hebben de leerlingen twee uur studie; per maand is één bezoek of uitstapje toegelaten. De leerkrachten van het pensionaat en van de externaten hebben hun werkruimte in de bibliotheek. Door de groei van klooster en schoolgemeenschap is verbouwen en moderniseren alweer noodzake-

lijk. De aanpassingen gebeuren in verschillende fasen: Van maart 1892 tot juni 1893 wordt eerst de kloosterkapel vergroot (8): daarvoor worden de bestaande zijmuren doorbroken door onder de kerkramen bogen te kappen. Naast de gebouwen voegt men aan beide zijden constructies toe zodat de 2 zijbeuken gelijk met de kapelvloer op de verdieping komen te liggen en steunen op 2 open gaanderijen op het gelijkvloers. Deze werken gebeuren naar een ontwerp van de bekende Mechelse architect Meyns, die in 1889 in de Elzestraat in Sint-Katelijne-Waver de neogotische Sint-Augustinuskerk had gebouwd; bouwmeester Van Hoof achtte een dergelijk werk immers niet realiseerbaar. Begin maart 1894 worden de plannen voor de andere verbouwingen door de "commissie voor godsdienstige praalgebouwen" goedgekeurd. De oude bakkerij, wasserij en stallingen worden afgebroken en rechtover en evenwijdig met het Heilig Hart-gebouw wordt — in het verlengde van het communauteitsgebouw uit 1867 — een nieuwe vleugel voor het pensionaat ingericht, met in de kelder een moderne badzaal aan de noordkant en een nieuwe bakkerij met annexen aan de zuidkant, en op het gelijkvloers een refter, een speelzaal en 2 klassen. De 1ste en 2de verdieping worden voorlopig niet gebruikt. Een nieuwe stal wordt een 20-tal meter verderop gebouwd. Haaks op het communauteitsgebouw richt men een nieuw dienstencomplex in met op het gelijkvloers een nieuwe wasserij, een naaiplaats en — langs de kant van de speelplaats van de Normaalschool — een ruime bibliotheek voor de leerkrachten-kloosterlingen. Op de 1ste verdieping bevindt zich een recreatiezaal voor de zusters en op de 2de verdie-


M&L

Voor de vele buitenlandse leerlingen en hun ouders op bezoek was de wintertuin in art nouveaustijl een gezellige ontmoetingsruimte (Prentbriefkaart en foto 0. Pauwels)

',|

29

ping een slaapzaal voor normahsten. Palend aan de bibliotheek worden verder ook een nieuwe keuken — met plat dak en glazen koepels — en 4 refters ingericht en dit rond de oude keuken die tot dienstruimte wordt omgevormd. In 1896-1897 voorziet men de keuken van een voorplaats — met een heetwaterfornuis — en van 2 achterliggende plaatsen met cementen bakken rondom de muren voor de afwas en het spoelen van de groenten. Licht valt binnen door vierkante daklantaarns. In 1897-1898 verhoogt men het ingangsgebouw met mansardedaken, om zo een nieuwe slaapzaal te kunnen inrichten. De meeste werken worden na het overlijden van Neel van Hoof (1897) uitgevoerd door de gebroeders Denis en Frans van Rompay. Voor de geplande vergroting van de congregatiekapel dienen verschillende pianokamertjes te verdwijnen: men bouwt daarom een nieuwe muziekgalerij — een gebouw zonder verdieping met gebogen glazen dak, dwars op de Bosstraat, waarin een brede gang tussen twee lange rijen pianokamertjes — die in 1899 is afgewerkt. In 1900 wordt deze muziekgalerij verfraaid met een levensgroot beeld van de Heilige Cecilia in Carrara-marmer, een gezamenlijk geschenk van enkele nieuwgeprofesten en mère Cecile Koehler.

1898 is voor de scholen op verschillende vlakken een uiterst belangrijk jaar. Voor katholieke scholen was de froebelmethode lange tijd taboe. In deze houding komt in de loop der jaren 1890 stilaan verandering: onder het katholiek bewind wordt het in 1898 opnieuw mogelijk om via examens bekwaamheidscertificaten en diploma's voor het kleuteronderwijs te behalen. In het Instituut wordt op deze tendens onmiddellijk ingespeeld door de oprichting van een erkende froebelnormaalschool onder leiding van mère Cyrille Peeters, met een studieduur van één jaar. Zeven religieuzen en 3 juffrouwen zijn de eerste leerlingen. Ze leggen op het einde van het jaar examen af voor een jury en slagen alle 10. Toch was de beginperiode omwille van het gebrek aan plaats, het gebrek aan speciaal hiervoor opgeleid personeel en het ontbreken van aangepaste handboeken niet gemakkelijk. Tijdens de vakantie van 1898 was men eveneens begonnen met de bouw van een nieuwe Bewaarschool — bedoeld als oefenschool — voor de

• » » % ^m

t.'- ;> _ 'T-F1,

ui

W¥*?IL3IL ^m^dkm il >- ••-

9

'. ^ H I H Ë L

^ B C T ^ ' J ^ ^ ^ K ^ MM^fclüy-^^M

"H^Bl' SP^'ï&Êêa

f

/^-\%^''mj^kjtxJz^^U

BBBF ^JS "^fci P'Jï- • */*<A 'r ^^PÊmÊjJKm É J T / lljMJf 1 'i f: i f i p l / i A i t v\Mu

^^^kMwa^

ifc^»

J^^^ T'Y

^QHliyPr* É^^^t*

^ f S 5 3 K f i „ , .>.„,.

BPSISS

^ wjln^l

^^

f

K,.„.,..,„», . „ u ^

,,.

Ë !•»%^

<..,,.„„£..,.„,„,.

^Km^r^m^y^Sf^^^^jÊfjk v

jt J*^^ V JÊ^^vT '/jT.^ ^.^ÊÊ^Dl-iJ^\wi\ u^&ti&ï

tf /\ÉcY- 's\&fëk C\/' #17 A'Mvml^^^YmMM J Ë*/ /^ J^^my^^l^^^^lèL 1

m^mmvr^yvum&m 1 mSüUf^lêÉfxlÊUrmi/ k / y ^ / V ^ Q ^ t S j K K ^ H B ' -^-'j^ nw fwk-Mf& il * M / /j*fimj\l9oÊB9B

f^^m^m : f

sÉi^Mfct^^HI^HBKSffllHfe-Avv^

^' ^^wS^^ -^^'

, .-^«r^

——

nu,.

j %

r

& * m P£

# ISÊÊÊ ' :**& m s -miimf 4mk *^ m Wfm I w .AV-'.i-^^

•H'"

^"ïfc'i'WlliffiilH

• L H -••% .•mmÊM

^?®^2


30

M&L

kinderen van de parochie die tot dan slechts in een weinig aangepast gemeentelokaal naast de kerk terecht konden. Dit nieuwe gebouw — gelegen op een stuk grond, achter de Gemeentelijke Meisjesschool in de Bosstraat, dat daarvoor op 8 april 1897 door het klooster van het gemeentebestuur werd gekocht — is klaar rond Pasen 1898 en wordt in 2 klassen volgens de froebelmethode ingericht. De 3de klas is — tijdelijk — een gemengde lagere 1ste graad-klas.

Door het concept van zijn ontwerpen voor de nieuwe kloosterkerk gaf architect Careels aan het geheie complex een merkwaardige eenheid. De realisatie van die plannen nam dan ook enkele jaren in beslag (1907-1912) (Archief Jozef van Rompay-Davidsfonds-genootschap)

In de jaren die volgen kunnen — na de voltooiing van de nieuwe pianogalerij — de oude pianokamers wegvallen en kan men op het gelijkvloers de kapel van de Congregatie vergroten en in neogotische stijl aankleden. Op de verdieping wordt het logies voor de oud-leerlingen ingericht.

De uitbreidingswerken gaan daarna in verschillende richtingen snel vooruit: — achter de nieuwe turnzaal aan de noordwestkant van het domein, die na de voltooiing van het Eveneens vanaf 1898 worden door het "Ministerie normaalschoolgebouw op de plaats van de van Arbeid en Nijverheid" de "Tijdelijke staatsleer-vroegere schuur en het timmermanswerkhuis was gezet, bouwt men een nieuw complex — de kern gangen voor huishoudonderwijs" ingericht die vanaf dat ogenblik — en dit tot in 1934, dus nog van het Sint-Michielsgebouw — met op het gelijkvloers een stal, melkerij, wasserij stoomna het tot stand komen van het regelmatig strijkplaats en brouwerij; dagonderwijs in 1925 — steeds in het Instituut zullen worden gegeven (9). Wellicht ook met het — de oude was- en strijkplaats in de communauoog hierop wordt één van de bijgebouwen van de teitsvleugel achter de keuken wordt omgevormd Meisjesschool en Bewaarschool, met name het tot klassen en keukens voor het huishoudkundig pomphuis, vergroot en tot een huishoudklas onderwijs. Dit gebouw wordt verder met twee veringericht. Daar wordt in de winter aan volwassen diepingen opgetrokken zodat men een recreatiemeisjes naai- en kniples gegeven. zaal voor de kleintjes, een grote linnenzaal en cellen voor de zusters kan inrichten. In oktober 1899 treedt een reglement uit 1896 voor het normaalonderwijs in werking, zodat de Om aan de noodwendigheden van de tijd te studieduur tot 4 jaar verlengd wordt. Een aangroei beantwoorden wordt vanaf 1905-1906 een "Vrije van het leerlingenaantallen is hierdoor te verwachten en daar elk studiejaar een Nederlandse en een Franse afdeling telt heeft men nu 8 klaslokalen nodig. Er zijn vanaf oktober 1898 eveneens nieuwe richtlijnen van kracht om religieuzen en leken in normaalscholen zoveel mogelijk van elkaar te scheiden, zowel in refters en slaapzalen als in klassen en kapel. Dit alles ligt aan de basis van een nieuwe reeks verbouwingen en uitbreidingen. Onder impuls van de econome mère Ignace Claes wordt eerst een nieuw normaalschoolgebouw — van 68 op 16 m — onder leiding van Denis Van Rompay opgericht. Daarvoor wordt de vleugel uit 1882 gesloopt. De eerste steenlegging vindt ook nu weer plaats op 1 maart, ter ere van Sint-Jozef, patroon van de Normaalschool. Bij de voltooiing van het gebouw — vermoedelijk pas op 10 mei 1900 — beschikt men over een ruime speelzaal op het gelijkvloers, een groot studielokaal en fraaie klassen op de 1ste verdieping en slaapzalen op de 2de en 3de verdieping. In 1900 - en niet in 1903-1904 zoals men tot nog toe aannam — bouwt men de fraaie wintertuin: een gezellige ontvangstruimte voor de ouders, opgetrokken in ijzer en glas, met brede waaiervormige palmbomen en bebloemde rotspartijen.


M&L

31

Meisjes Vakschool" aan het pensionaat verbonden, met afzonderlijke afdelingen voor huishoudelijk en voor handels- en beroepsonderwijs.

Het panorama variLtf het pas aangelegde park toont ons de nieuwe kerk, de in aanbouw zijnde normaalschooltoren, de verbindingsgalerijen en rechts de watertorens van het Heilig Hartgebouw (prentbriefkaart)

Va© g&réml

Door de groei van het Instituut (10) is de kloosterkapel opnieuw te klein geworden. Vanaf 1907 is men dan ook bezig met het ontwerp voor een nieuwe, neogotische kloosterkerk, naar plannen van provinciaal architect Edward Careels uit Lier — die ook de dorpskerk, het raadshuis en de pastorie zal verbouwen. De uitvoering wordt aan aannemer Van Pottelberg & zonen uit Aalst toevertrouwd. Op 21 juni 1909 vindt de eerste steenlegging plaats en op 10 november de zegening van de eerste steen. Op 21 oktober 1910 staat de kerk reeds onder dak en op de naamdag van de Heilige Ursula wordt dan ook aan het werkvolk en andere genodigden, betrokken bij de kerkbouw, een feest aangeboden. Dit project staat niet op zichzelf. Tegelijkertijd is men immers ook begonnen met de bouw van gaanderijen die de verschillende gebouwen met de kerk moeten verbinden en met de verfraaiing van de twee gebouwen die op de tuin uitgeven. De glazen hall aan de Normaalschool en de turnzaal dienen te verdwijnen. Aan het SintMichielsgebouw voegt men daarom een verdieping met 2 turnzalen en een slaapzaal toe. Van al deze verbouwingen maakt men gebruik om electrische verlichting aan te brengen. Op een nieuw aangekocht stuk grond — achter de beemd — komen een nieuwe schrijnwerkerij, een slachterij, een schuur en bergplaatsen. Boven de schrijnwerkerij komt een schilderklas, met daarachter een wol-, koffer- en rommelzolder. Op de Waverse tuinbouwdeskundige Felix

Brouwers wordt beroep gedaan om ook het park — in 1864 voor het eerst aangelegd — te verbeteren en te verfraaien. Zijn plannen voorzien een Engelse tuin en een 2de vijver met een rustiek bruggetje. Men bouwt ook de muur rond het domein, die dit park en het bosje insluit. Het domein zelf wordt door drie opeenvolgende aankopen van grond in de Brultjenshoek opnieuw met een 139 are vergroot. In de zomer van 1911 wordt een groot feest ingericht met een picknick, vuurwerk en verlichting van de Lourdesgrot en kiosk, dit naar aanleiding van de inhuldiging op 29 juni van de Sint-Pieterskapel, gebouwd op een pas verworven perceel grond (Sporkenbos), met een koepel in pauselijke tiara-vorm: een gift van al wie aan de bouw van de kloosterkerk meewerkte. De kerk zelf nadert ondertussen de voltooiing. Begin februari 1912 wordt ze ingezegend en worden de klokken Bernarda-Ursula, FranciscaAugustina en Maria-Angela gedoopt. Op 27 juni 1912 vindt de plechtige inwijding door kardinaal Mercier plaats. Het orgel, gebouwd door Georges Cloetens, zal pas op 15 januari 1914 ingespeeld worden. In oktober 1912 telt het Instituut niet minder dan 700 pensionaires, normalisten en regentessen in spe, waaronder 53 religieuzen. Het is dan ook normaal dat de uitbouw van de infrastructuur de nodige aandacht vraagt temeer omdat na een lange voorbereiding in 1912 ook gestart wordt met een 6de Latijnse klas waaraan men in 1913 een 5de klas toevoegt. Hiermee werd de basis gelegd voor de Grieks-Latijnse-afdeling (11). De wet van 19 mei 1914 op de Algemene Leerplicht tot 14 jaar, met wettelijke invoering van de


32

• • Een streling voor het oog: de pianogalerij met het marmeren Sint-Cedliabeeld (foto O. Pauwels)

M&L

4de graad, maakt uitbreiding van de gebouwen van de Lagere Meisjesschool noodzakelijk: door bouwmeester Wilmsen uit Duffel wordt een plan opgemaakt dat door het gemeentebestuur wordt goedgekeurd. Het uitbreken van de oorlog maakt dat het tot in 1923 zal duren voor men aan de verbouwing begint.

DE EERSTE WERELDOORLOG

Gezien de dreigende oorlogssituatie worden alle pensionaires op 31 juli en 1 augustus, na vervroegde examens, naar huis gestuurd. Enkele dagen later worden de lessen in de Lagere Meisjesschool geschorst om 800 Belgische soldaten van het 7e linieregiment en vluchtelingen in de gebouwen te kunnen herbergen.

Na de septemberdagen 1914 is het complex nagenoeg compleet vetwoest. De kwetsbare structuur in ijzer en glas van de 'prome/w'hield merkwaardig genoeg stand (Archief Zusters Ursulinen)

Op 20 augustus worden 30 leerlingen van vreemde nationaliteit, die hun ouders niet konden vervoegen, naar Knokke begeleid. In Waver bergt men op wat opgeborgen kan worden. Het gelijkvloers van het normaalschoolgebouw wordt als ziekenzaal voor het Belgische Rode Kruis ingericht. De 3de ambulanciecolonne richt er op 24 augustus een veldhospitaal in. Op 8 september komt een tweede colonne toe. De zusters met een Rode-Kruisdiploma hebben meer dan gelegenheid om hun kennis toe te passen. Verschillende soldaten worden op het dorpskerkhof begraven. Op 27 september worden de gebouwen ontruimd. Een dag later, op 28 september 1914, vinden de eerste gevechten op het grondgebied van OnzeLieve-Vrouw-Waver plaats, in de Bergstraat. Om halfvier wordt het Normaalschoolgebouw beschoten. Obussen slagen bressen in de torens en

verwekken hier en daar brand, 's Avonds vertrekt het grootste deel van de communauteit, net als de soldaten: na een verblijf in het Rochesterhotel te Oostende wijkt men naar Engeland uit waar een deel van de communauteit zich vanaf 23 oktober 1914 met de leerlingen zal vestigen te WoodfordGreen, in "The Oaks". Op 29 september 1914 's morgens stormt een patrouille Ulanen door de Bosstraat. Rond middernacht wordt het dorp — dat vol Duitsers zit — beschoten. Het klooster en de parochiekerk staan in lichtelaaie. De dag daarop wordt, bij nieuwe beschietingen in de vroege morgen, aan het normaalschoolgebouw weer grote schade toegebracht. Na een brand blijft er van heel het kloostercomplex, met uitzondering van de kerk en het kleine Academie-gebouw, slechts een ruïne over. Ook de meisjesschool aan de overkant van de Bosstraat is zwaar beschadigd. Om halfnegen verlaten de 13 achtergebleven zusters — waaronder 11 van Duitse nationaliteit — de brandende gebouwen. Via Brussel worden ze naar Aken gebracht. Vandaar komen de twee Belgische zusters, mère Félicité Van Assche en mere Dominique De Creeft, via Nederland naar Waver terug, waar ze op 13 oktober aankomen en zich in het huis van de directeur vestigen. Vrij spoedig na de eerste terugkeer te Onze-LieveVrouw-Waver, op 3 november, van de 'econome' mère Ignace Claes, wordt aan de herstelling van de gebouwen begonnen, dit onder leiding van Frans van Rompay. Zo kunnen midden november 1914 25 zusters Engeland verlaten om — via Nederland — terug naar Waver te komen teneinde daar, op verzoek van het bisdom, de normaalschool en de verschillende 'buitenscholen' zo spoedig mogelijk operationeel te maken. Twee klassen van de meisjesschool worden op 19 november 1914 heropend en op 15 februari en 10 april 1915 volgen telkens 2 andere klassen. In de beroepsschool Heilige Familie te Mechelen — waarvan de leiding op 2 juli 1914 op verzoek van kardinaal Mercier door de Waverse Ursulinen was overgenomen, omdat zij de enige vrije school uit de omgeving van die aard was — worden de Waverse leergangen met beperkte middelen op 30 november heropend. Na de overkomst van verschillende zusters kunnen daar in februari-maart 1915 de drie afdelingen van de Normaalschool regelmatig heringericht worden (12). Een omzendbrief brengt de ouders van de leerlingen al snel van deze nieuwe situatie op de hoogte.


ML Nr. 54 Bijlage bij M&L 10/6 nov.-dec. 1991

BINNENKRANT


M8cL 2

RESTAURATIES HET HUIS S C H O H GERESTAUREERD Het Huis Schott, omstreeks 1700 gebouwd op de hoek van de Eikstraat en de Villersstraat, bevindt zich in een wijk die reeds lang voordien tot ontwikkeling kwam. De oudste sporen van bebouwing op dezelfde plaats klimmen op tot de 13de eeuw, mogelijk gelijklopend met de voltooiing van de eerste stadsomwalling. De wijk grensde in het noorden aan de aloude handelsroute van Keulen naar Brugge en werd zelf doorkruist door enkele belangrijke invalswegen uit het zuiden, richting Nedermerct (Grote Markt) en Sint-Goedeleparochie (Sint-Michielskathedraal) en door de verbinding tussen het Sint-Gorikseiland (de 'wieg' van Brussel) en de Koudenberg (het machtscentrum sinds de 11 de eeuw). Het was een buurt waar in de loop van de eeuwen handelaars, ambachtslieden, patriciërs en kloosterlingen in een bonte mengeling van activiteiten samenleefden of elkaar opvolgden. Het Sint-Jansplein en het Korenhuis - afgebroken in 1626 - vormden er de belangrijkste publieke ruimtes.

Brussel, Het Huis Schott vóór en na de restauratie (foto G. Batz)

De buurt werd in 1695 zwaar getroffen door het beruchte bombardement van de Franse maarschalk Villeroy, een beschieting die ook de Grote Markt vernielde en het stadhuis zwaar beschadigde. Zo grondig als het centrum vernield was, zo drastisch werd de wederopbouw aangepakt. In nauwelijks vijf jaar tijd verrees Brussel mooier dan ooit uit zijn as. Uit die periode stammen vele laat-barokke 'diephuizen'. Het Huis Schott is er één van. De buurt werd bovendien een knooppunt van openbaar vervoer, van koerier- en postdiensten in zuidelijke richting. Een herberg die mee profiteerde van de drukte was de Saint-Jean-Baptiste, het huidige Huis Schott.

architecturaal als op sociaal vlak. In 1985 werd een nieuw Bijzonder Plan van Aanleg van kracht dat de historisch gegroeide wijk wél als uitgangspunt nam: het stratenpatroon, de rooilijnen en de ordonnantie van de gevels werden in een stedebouwkundig plan met voorschriften vastgelegd.

In de loop van de 19de en de 20ste eeuw werden verschillende grootschalige ingrepen gepland die echter geen volledige uitvoering kenden. Een Bijzonder Plan van Aanleg van 1964 voorzag hier een nieuwe aanleg die het historisch gegroeide weefsel totaal negeerde. Er zouden geïsoleerde blokken vrijstaande hoogbouw komen en er werd gestart met onteigenings- en afbraakwerken. De enige elementen van deze nieuwe aanleg die gerealiseerd werden, zijn de kantoorgebouwen voor de provinciale administratie en deze van de socialistische mutualiteit.

De restauratie en herbestemming van deze typische 17de-eeuwse Brusselse woning vormde een reddingsoperatie, waarbij heel wat moeilijkheden en obstakels dienden overwonnen te worden. In 1961 schonk schilder-verzamelaar Philippe Schott zijn huis en al wat het bevatte aan de stad Brussel, op voorwaarde dat de Stad er een museum zou inrichten. Deze laatste wens kon slechts gedeeltelijk vanaf 1966 ingelost worden. Het museum was bovendien onregelmatig toegankelijk en na verloop van tijd werd het definitief gesloten voor het publiek, ingevolge gebrek aan onderhoud. Voor de grondige aanpassingswerken die zich opdrongen, konden geen financiële middelen gevonden worden; er was zelfs sprake van het huis af te breken. In 1987 liet de Koning Boudewijnstichting schoringswerken uitvoeren aan de achtergevel om te beletten dat het pand als een kaartenhuis in mekaar zou stuiken. Zij verklaarde zich bereid het huis te restaureren, waarop de Stad haar het pand overmaakte voor een symbolisch bedrag. Door de ruïneuse toestand waarin het Huis Schott zich op dat ogenblik bevond, was er een belangrijke financiële inbreng noodzakelijk (± 23 miljoen Bfr.). Naast een zeer aanzienlijke bijdrage van de Nationale Loterij werden ook belangrijke subsidies toegekend door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en door de Provincie Brabant.

Vanaf het begin van de jaren zeventig rees er meer en meer systematisch verzet tegen de afbraakwerken en plannen die in feite de vernieling van de wijk betekenden, zowel op

Momenteel wordt er gewerkt aan de wederopbouw van de wijk en zijn verschillende projecten voor een nieuwe invulling van de afgebroken gedeelten in voorbereiding. Mede dank zij de bescherming als monument, sinds 1958, ontsnapte het Huis Schott aan de afbraak en werd het inmiddels gerestaureerd.

Alvorens de eigenlijke restauratiewerken aan te vatten werd een archeologisch onderzoek uitgevoerd, op basis waarvan de restauratie-

B I N N E N K R A N T


M8cL 3 Hoevenen, O.-L-Vrouwekerk, na restauratie van de toren (foto BML)

opties werden bepaald. Een samenvatting van de historische gegevens uit deze studie is opgenomen in de brochure Het Huis Schott, uitgegeven door de Koning Boudewijnstichting. Eind 1989 startte de eigenlijke restauratie. Er werd beslist zoveel mogelijk nog bestaande oorspronkelijke elementen te bewaren. De resultaten van het archeologisch onderzoek, alsook plannen en tekeningen dienden als leidraad. Zo werden bijvoorbeeld de kruisvenstens bewaard of gereconstrueerd en werd op de gevels een hedendaagse afwerkingslaag aangebracht, een versie van de oorspronkelijke kaleilaag (witkalk). Het gerestaureerde Huis Schott wordt bestemd als vergaderplaats en om de ploeg van het Sociaal programma van de Koning Boudewijnstichting te herbergen. Voor een deel zal het huis wellicht de animatie hervinden die het heeft gekend toen het als de herberg Saint-Jean-Baptiste eveneens een trefpunt was in de wijk. Voorwerpen die tijdens de opgravingen werden ontdekt en een selectie van schilderijen van Schott zullen er permanent tentoongesteld worden. De Koning Boudewijnstichting wil immers in de mate van het mogelijke de geest van de schenking respecteren.

Opdrachtgever Koning Boudewijnstichting Archeologische studie Dirk Van Eenhooge Vlaamse Gemeenschap Bestuur Monumenten en Landschappen Architecten Groep Planning Ph. Lietart - P. Noizet - A. Ter Assatouroff Atelier d'Architecture et d'Urba nisme Renaud Dumont de Chassart Concept van de keldertrap Emile Souply Beeldhouwer Algemene onderneming Potteau-Labo

RESTAURATIE V A N DE T O R E N V A N DE ONZE-LIEVE-VROUWEKERK V A N HOEVENEN Recent werden de restauratiewerken aan de toren van de Onze-LieveVrouwekerk te Hoevenen bij Stabroek beëindigd. Daarmee is na 20 jaar van leegstand en verval een belangrijke stap gezet in de richting van behoud en herstel van dit waardevolle kerkgebouw. Toen in 1971 de nieuwgebouwde kerk meer in het centrum van Hoevenen in gebruik werd genomen kwam de 15de-eeuwse kerk zonder bestemming. De wettelijke bescherming als monument volgde kort nadien, op 27 mei 1971, doch deze heeft nooit echt een wending kunnen teweegbrengen in de verwaarlozing die het gebouw daarna te beurt viel. In 1979 werd via een spoedprocedure op de noordzijde een voorlopige dakdichting gelegd met roofing, maar dit is een slechte zaak gebleken. De zuidzijde, waar het leiendak alleen werd opgelapt, staat er vandaag veel beter bij. De gemeente koestert al die tijd wel plannen voor een herbestemming van de kerk tot cultureel centrum, maar eigenlijk acht men deze bestemming niet echt verzoenbaar met het omliggend kerkhof en wil men vooral de altaren en het overige meubilair uit

de kerk verwijderd zien. De kerk is evenwel niet alleen een monument omdat het één van de oudste polderkerken is, waarvan de toren zelfs teruggaat tot de 13de eeuw. Zeker even waardevol is het 18deeeuwse meubilair. Het hoofdaltaar, dat afkomstig is uit de kapel van het verdwenen klooster van de Engelse Theresianen aan het Hopland te Antwerpen, is een bijzonder kwaliteitsvol stukje rococo-architectuur. Door de jarenlange verwaarlozing is het schip van de kerk vandaag de instorting nabij. Door het rotten van de spantvoeten van het gotisch gebinte lossen de ankers en dreigen de muren weggedrukt te worden. Het 18de-eeuwse stucgewelf is grotendeels verloren. De tweede fase, de herstelling van het kerkgebouw, is dringender dan ooit. De restaurtie van de toren werd uitgevoerd door de firma CorversVrancx uit Laakdal. De kostprijs bedroeg met inbegrip van enkele onvoorziene werken 3.426.667,-fr., exclusief B.T.W.; daarvan namen de Vlaamse Gemeenschap 60 % en de Provincie Antwerpen 20 % voor hun rekening. Daar deze restauratie toch met vrij beperkte middelen werd gerealiseerd hopen wij dat dit niet een eerste stap maar ook een duw in de rug mag zijn opdat het gemeentebestuur van

B I N N E N K R A N T


M8cL

Hoevenen, O.-L-Vrouwekerk, het hoofdaltaar afkomstig uit de kapel van het verdwenen klooster van de Engelse Theresianen te Antwerpen (foto Provinciebestuur Antwerpen)

Stabroek spoedig werk zou maken van het herstelling van het kerkgebouw zelf. Dan is niet alleen de baken in het polderlandschap hersteld, maar ook een bruikbare kerkruimte met een culturele uitstraling. A. Malliet.

DE ERKENNING VAN AANNEMERS EN RESTAURATEURS Een aantal kunstambachtelijk werkende restaurateurs hebben nogal problemen gehad met de regeling van de erkenning van aannemers van werken. Tot nu toe immers mochten restauratiewerken van boven het miljoen die geheel of gedeeltelijk met overheidsgeld gefinancieerd werden, slechts worden uitgevoerd door een officieel erkend aannemer. Vele kleine - zeer gespecialiseerde - restauratieateliers hadden deze erkenning niet, of in onvoldoende mate, zodat ze moesten worden uitgesloten voor deze opdrachten. Vooral in de

orgelsector was dit een zeer zwaar probleem. De kleine ateliers die in deze sector werkzaam zijn waren immers niet in staat om aan de erkenningsvoorwaarden te voldoen. Die voorwaarden waren immers vooral afgestemd op de grote aannemers van bruggen, wegen en algemene bouwwerken.

willen bij het aanvragen van hun erkenning kunnen zich in verbinding stellen met de heer Ghyselinck, eerste-adviseur bij het secretariaatgeneraal van het Departement Leefmilieu en Infrastructuur, W.T.C.-toren 3, Simon Bolivarlaan 30, 1210 Brusel(S 02/212.52.58; Fax. 02/212.53.12).

In het Belgisch Staatsblad van 18 oktober 1991 verschenen de uitvoeringsbesluiten van de nieuwe wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken. Voor de ambachtelijke werkende restaurateurs is er voortaan een aparte categorie D 23 "restauratie door ambachtslieden". De algemene restauratiewerken blijven verder onder de categorie D 24 gerangschikt.

E. Goedleven.

Voor restauratiewerken beneden 2.000.000,-fr. (te indexeren) is geen erkenning meer nodig. Tot nog toe was een erkenning vereist voor restauratiewerken boven het miljoen. Voor een erkenning in klasse 1, die toelaat werken uit te voeren tot een maximum van 5.500.000,-fr. zijn de voorwaarden niet erg zwaar en alle restaurateurs zouden er zonder grote problemen moeten kunnen in slagen tenminste de erkenning in categorie D 23 of D 24, klasse 1, te verkrijgen. Voor gespecialiseerde restauratiewerken van meer dan 5.500.000,-fr. voorziet de huidige regeling bovendien in een vereenvoudigde procedure voor het verkrijgen van een afwijking, mochten er geen of te weinig restaurateurs over een voldoende erkenning beschikken. Hopelijk zullen de gespecialiseerde restaurateurs onverwijld gebruik maken van deze belangrijke tegemoetkoming, waarvoor het Bestuur Monumenten en Landschappen overigens jarenlang geijverd heeft. Aangezien waarschijnlijk niet alle gespecialiseerde restaurateurs dagelijks even nauwgezet het Belgisch Staatsblad lezen en aangezien deze nieuwe maatregelen van uitzonderlijk belang zijn voor de kwaliteit van de restauratiewerken, kunnen geïnteresseerden bij het Bestuur Monumenten en Landschappen, Zandstraat 3,1000 Brussel (S 02/209.27.13; Fax. 02/209.27.05) een kopie van de nieuwe wet en zijn uitvoeringsbesluiten verkrijgen. Restaurateurs die praktische bijstand

De formulieren die u nodig heeft om uw erkenning aan te vragen en inlichtingen erover kunt u op het volgende adres krijgen: Secretariaat van de erkenningscommissie van aannemers Ministerie van Verkeer en Infrastructuur Residence Palace Wetstraat 155 1040 Brussel ÏÏ 02/287.33.33.

S.O.S. GROTE DOEKEN Een jaar geleden lanceerde de Koning Boudewijnstichting een oproep in het kader van haar Fonds voor het Cultureel Roerend Erfgoed. Het thema van de campagne was Restauratie van grote schilderijen op doek. De oproep heeft een onverhoopt succes gekend. Meer dan 700 aanvragen werden ingediend; 17 doeken zijn door een onafhankelijke jury geselecteerd voor financiële en logistieke ondersteuning. Met de indieners van de weerhouden projecten worden overeenkomsten gesloten, waarna de restauratiewerken beginnen. Ze worden uitgevoerd door zelfstandige restaurateurs onder toezicht van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium en moeten beëindigd zijn eind december 1992. Met deze campagne wil de Koning Boudewijnstichting een bewustwording op gang brengen bij de eigenaars, de verantwoordelijke instanties en het brede publiek over de soms desastreuze toestand van dit erfgoed. Zij hoopt dat een groeiende aandacht en bezorgdheid

B I N N E N K R A N T


M8d 5 Bonheiden, O.-L-Vrouwkerk, 'Madonna met de Rozenkrans' - E. Quellin

organiseren voor giften en sponsoring door derden. Dit resultaat alleen al, maar zeker ook de enorme stimulans die uitging van de samenwerking met talloze enthousiaste monumentenliefhebbers, heeft de Stichting ertoe aangezet in 1991 een nieuwe campagne Monumenten, wij zorgen ervoor te lanceren.

voor dit fragiele patrimonium zal leiden tot daadwerkelijk en regelmatig onderhoud en, indien nodig, restauratie. De 17 weerhouden schilderijen: Provincie Antwerpen - Bonheiden, Onze-Lieve-Vrouwkerk, E. Quellin, Madonna met de Rozenkrans, 250 x 150 cm; - Herentals, Sint-Waldetrudiskerk, J. Cossiers, Bruiloft van Kana, 221 x 305 cm; - Zandhoven, Slnt-Amelbergakerk, A. Van Diepenbeek, Christus aan het Kruis, 181 x 329 cm.

Een infomap licht deze campagne toe: de verscheidenheid van monumenten die in aanmerking komen, de voorwaarden om steun te krijgen, de omvang van deze steun, de samenstelling van het dossier, enz....

Provincie Limburg - Hasselt, Sint-Quintinuskerk, D. Lampsonius, De Kalvarieberg, 375 x 270 cm. Provincie Oost-Vlaanderen - Gent, Sint-Martinuskerk, Th. Van Loon, Aanbidding der Herders, 325 x 225 cm; - Gent, Sint-Michielskerk, A. Van Dijck, Golgotha, 400 x 292 cm. Provincie West-Vlaanderen - Brugge, Sint-Salvatorkathedraal, J. Van Oost de Oudere, Nederdaling van de Heilige Geest, 671 x 409 cm; - Nieuwpoort, Onze-Lieve-Vrouwkerk, V. Boucquet, Oordeel van Cambysus, 302 x 431 cm. Provincie Brabant - Ukkel, Institut Notre Dame des Champs, P. Thys, Onze-Lieve-Vrouw ten hemel opgenomen, 310 x 220 cm. Provincie Henegouwen - Beloeil, Kasteel, F. Da Messina, Prins de Ligne benoemd tot vicekoning in het parlement van Sicilië, 330 x 545 cm; - Saint-Ghislain, Ecoles techniques du Hainaut, C. Montald, La barque de l'ldéal, 400 x 505 cm; - Tournai, Onze-Lieve-Vrouwkathedraal, P.P. Rubens, Het Vagevuur, 328 x 237,5 cm. Provincie Luik - Aywaille, Onze-Lieve-Vrouwkerk, G. De Lairesse, Kroning van de Heilige Maagd, 250 x 132 cm; - Liege, Musée d'Art religieux et d'Art mosan, C. Schut, Kruisafneming, 450 x 280 cm; - Ocquiers, Heilige Remacluskerk, E. Fisen, Kruisdaging, 254 x 242 cm.

e map kan (gratis) t worden: Koning Boudewijnstichting Bouwkundig Erfgoed Brederodestraat 21 1000 Brussel 02/511.16

Provincie Namen - Andenne, Sint-Begakerk, L. Finson, Kindermoord, 270 x 400 cm; - Yves-Gomezee, Heilige Remikerk, Vlaamse Anomiem XVIIde eeuw, De Drievuldigheid, 350 * 250 cm.

"

BESCHERMINGEN MONUMENTEN, WIJ ZORGEN ERVOOR CAMPAGNE 1991-1993 Onder de titels Verenigingen zetten zich in voor monumenten en Monumenten, wij zorgen ervoor organiseerde de Koning Boudewijnstichting afgelopen jaren verscheidene campagnes waarin eerst onze talrijke Vlaamse verenigingen en later alle belangstellenden werden opgeroepen, restauratieprojecten voor te stellen voor publiek toegankelijke monumenten met een lokale of regionale uitstraling. Het succes van deze initiatieven kreeg intussen gestalte in meer dan honderd, door de Koning Boudewijnstichting en de Nationale Loterij gesteunde restauraties of renovaties. Behalve door een rechtstreekse financiële en logistieke inbreng, verleende de Stichting hierbij tevens haar medewerking door, binnen het kader van haar Fonds Bouwkundig Erfgoed, een onthaalstructuur te

DE MOLENBEMDE EN HET PARK VILAIN Xlill GERANGSCHIKT De heer L.G. Waltniel, gemeenschapsminister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting, nam onlangs de beslissing om de Molenbemde te Riemst en Bilzen en het Park Vilain Xllll te Maasmechelen (Leut) definitief als landschap te beschermen, in toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, gewijzigd bij decreet van 13 juli 1972. De Molenbemden bevinden zich in de Haspengouwse leemstreek (vochtig Haspengouw) ter hoogte van de grens tussen Grote Spouwen (Bilzen) en Membruggen (Riemst). Dit beemdlandschap met een oppervlakte van ongeveer 25 ha strekt zich uit langs de oevers van de Molenbeek, een bijriviertje van de Demer. Het terrein

B I N N E N K R A N T


M8a 6 behoort tot de brongebieden van de Demer. Het gebied vormt een duidelijk door middel van een talud, afgelijnde depressie binnen het landbouwgebied van Grote Spouwen en Membruggen. Het ontstaan van grootschalige landbouw, de opkomst van zware landbouwmachines, de hoge kostprijs van handenarbeid en het verdwijnen van de kleine landbouwer maakten na de Tweede Wereldoorlog een einde aan het kleinschalige agrarische gebruik van de beemden. Het gevolg van deze evolutie was een algemene verruiging van het landschap, mede in de hand gewerkt door ontwatering en eutrofiëring. Sedert 1983 werden de gemeenteeigendommen in het Rijkerbroek, de Laek, de Belk en de Papenhoek opnieuw in beheer genomen. Het huidige beheer laat zich hoofdzakelijk inspireren door de traditionele landbouw. Het doel is niet meer het economisch nut, maar behoud en herstel van het natuurwetenschappelijk, cultuurhistorisch en esthetisch belang van het landschap, overwegend bestaande uit soortenrijke schrale vochtige graas-en hooiweiden, afgewisseld met rietlanden, verruigde gebieden en bosjes, en doorsneden met hagen, populierenen knotwilgenrijen, houtkanten,... enz.

van Limburg. Het park is vooral uitzonderlijk omwille van zijn ongewone zeldzame bomencollectie. De oudste specimens dateren waarschijnlijk nog uit de periode 1834-1878, wanneer Ch. G. Vilain Xllll, achtereenvolgens Belgisch ambassadeur bij het Vaticaan en de Italiaanse hoven en minister van Buitenlandse Zaken, van zijn buitenlandse reizen exotisch plantmateriaal meebrengt. Mogelijk is een gedeelte van de bomencollectie van jongere datum. Voor meerdere specimens is dit park de enige plaats van voorkomen In Vlaanderen. Kenmerkend voor het park is ook het op een prachtige wijze samengaan van de uitdeinende parkaanleg en de uitgestrekte akker- en weilanden. H. Bats.

1!,.---a. M A

-

, '

HET ZAMMELSBUITENBROEK DEFINITIEF GERANGSCHIKT ALS LANDSCHAP Gemeenschapsminister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting L.G. Waltniel besliste tot de definitieve rangschikking van het Zammelsbuitenbroek te Geel/Laakdal op 16 juli 1991. Het Zammelsbroek is gelegen in de vallei van de Grote Nete, tussen de autosnelweg E313 en de grens van de gemeente Westerlo, in het zuiden van Geel. Het kan ingedeeld worden in twee duidelijk afgebakende gehelen: het Zammelsbuitenbroek tussen de Zammelsebrug in het westen en de monding van de Molenlaak of Dode Netearm in het oosten, en het Zamelsbinnenbroek, grotendeels gelegen binnen de twee Netearmen te Oosterlo en waarvoor

,|

Het in landschappelijke stijl aangelegde Park Vilain Xllll strekt zich uit in de alluviale vlakte van de Maas, tussen de dorpskernen van de deelgemeenten Leuk en Meeswijk en de Maas. Met zijn vergezichten tot 800 m behoort Vilain Xllll in Leut tot de indrukkendste parklandschappen

Geel, het gerangschikte landschap 'Zammelsbuitenbroek' (foto BML)

B I N N E N K R A N T

..X-'

X

r%

•^•->i.-*ÜA

.;.«.


M8a 7 de rangschikkingsprocedure in een tweede fase werd voorzien. Het Zammelsbuitenbroek sluit in het zuiden mooi aan bij de vallei van de Groote Laak en het Trichelbroek te Eindhout. Het bestond vroeger hoofdzakelijk uit hooilanden die na de zomer gebruikt werden als graasweide, met plaatselijk turf- en sprietkuilen; in deze laatste werd tot de Tweede Wereldoorlog moerasijzererts ontgonnen. Ten gevolge van de ontwikkelingen in de moderne landbouw bleven van deze hooilanden slechts enkele relicten over. Een groot deel van de hooilanden evolueerde tot Wilgenbroek, andere werden omgevormd tot bemest weiland of beplant met Canadapopulier. Tenslotte werden ook enkele visvijvers gegraven. Het gevarieerd geheel herbergt een rijke fauna, waaronder zeldzame vogel- en zoogdiersoorten. De wielewaal v.z.w. heeft ondertussen bijna 7 ha van dit natuurgebied in beheer; zij tracht er door maaibeheer een groot deel van de hooilanden en een restant van natte heide te herstellen. L. Meesters

gebouwen, een bouwkundig bestanddeel (glasramen, smeedwerk, muurschilderingen, houtsnijwerk) of op historische tuinen enparken"ü\e zich bevinden in het Nederlandstalig landsgedeelte of in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en nog niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een diepgaande studie. De prijs Descamps, eveneens ten bedrage van 50.000,-Bfr., wenst de aandacht van het publiek te vestigen op het bedreigd bouwkundig erfgoed in het Franstalig en Duitstalig landsgedeelte - met inbegrip van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest - en bekroont het "beste artikel gewijd aan één monument of aan een samenhangende reeks gebouwen uit deze streek". De manuscripten dienen uiterlijk tegen 25 mei te worden ingediend.

•

Alle inlichtingen kunnen bekomen worden op het secretariaat van De Woonstede door de eeuwen heen, het tijdschrift van de Koninklijke Vereniging der Historische Woonsteden van België, Slot van Laarne, te 9270 Laarne. S 091/31.88.66.

VIDEO-WEDSTRIJD INDUSTRIËLE ARCHITECTUUR IN BELGIË

BUITENKRANT PRIJZEN D E S C A M P S EN DE PESSEMIER Gewoontegetrouw vestigt de Koninklijke Vereniging der Historische Woonsteden van België de aandacht op de jaarlijks uitgeschreven (geld)prijzen Descamps en de Pessemier, voor de auteur(s) van waardevolle artikels die het bouwkundig erfgoed tot onderwerp hebben. De prijs de Pessemier, ten bedrage van 50.000,-Bfr., bekroont aldus wetenschappelijk en literair valabele bijdragen die betrekking hebben op "een gebouw of een geheei van

Tijdens de wekelijkse vergadering van Rotary Club Brussel, gehouden op 8 oktober 1991, is zijn Voorzitter, Jacques Leduc overgegaan tot de plechtige uitreiking van de prijzen aan de laureaten van de video-wedstrijd ingericht door haar Commissie Kunstzaken onder de titel Industriële Architectuur in België. De Eerste Grote Prijs van Rotary Club Brussel werd toegekend aan Olivier Hannaert en Laurent Maes, studenten aan het Institut Supérieur d'Architecture de la Communauté Frangaise, La Cambre, voor hun werk l e s Brasseries Atlas'. Deze groep ontving eveneens de Bijzondere Prijs Georges Désir, Minister van de Brusselse Hoofd-

stedelijke Executieve, toe te kennen aan een bekroond werk met betrekking tot een Brussels onderwerp. De jury besloot twee grote prijzen van Rotay Club Brussel, ex aequo, toe te kennen aan Hilde Cosemans, student aan het Stedelijk Hoger Instituut voor Visuele Communicatie en Vormgeving te Genk en aan de groep samengesteld uit Ann Ruymackers en Christophe Demeulemeester en Steven Valgaeren, studenten aan dezelfde instelling te Genk en Gino Conjaerts, student aan het Provinciaal Hoger Instituut voor Toegepaste Communicatie te Antwerpen, voor hun werkstukken 'Industriële Archeologie in België' en 'Le Grand Hornu'. De wedstrijd was gericht tot alle gediplomeerden en studenten, Belgische of buitenlandse, respectievelijk afgestudeerd of regelmatig ingeschreven in een Hoger Architectuur Instituut van één der Belgische Gemeenschappen of regio, in een afdeling architect-ingenieur van een Belgische Faculteit van Toegepaste Wetenschappen, of in een Licentie Kunstgeschiedenis en Archeologie van een Belgische Universiteit. De jury, samengesteld door leden van de Commissie Kunstzaken en voorgezeten door Jacques Dolphyn, architect en uittredend voorzitter van de commissie, werd bijgestaan door Christian Spapens, architect. Adviseur verbonden aan het Kabinet van Minister Georges Désir, Hugues Boucher, fotograaf. Voorzitter van de Fondation d'Ostin en Patrick Slosse, Producer-cineast. Zes werken werden haar binnen de vastgestelde termijn voorgelegd.

VALLEI G E V O R M D D O O R D O M M E L - EN BOLLISSERBEEK. O P R I C H T E N V A N EEN O V E R L E G C O M M I S S I E Op 8 oktober 1991 werd op het Gemeentehuis van Peer een intergemeentelijke overlegcommissie geïnstalleerd voor het bij Ministerieel Besluit van 29 december 1987 beschermde landschap De vallei gevormd door de Dommel- en Bollisserbeek, dat zich uitstrekt over delen van de Gemeente Hechtel-

B I N N E N K R A N T


MScLls Eksel, Peer en Overpelt. Momenteel is de overlegcommissie samengesteld uit een ambtenarenvertegenwoordiging van het Bestuur Monumenten en Landschappen, het Bestuur Ruimtelijke Ordening, het Bestuur Natuurbehoud en -ontwikkeling, het Bestuur Landinrichting en -beheer en de milieuambtenaren van de Gemeenten Hechtel-Eksel, Peer en Overpelt. De coördinatie van de werkzaamheden wordt waargenomen door de stedelijke administratie van Peer. Het is de bedoeling van deze commissie een coördinatie tot stand te brengen tussen de verschillende bestaande wetgevingen en reglementeringen die elk een deelfacet van de problematiek van het landschap behandelen. Aldus wordt vermeden dat er tegenstrijdige maatregelen en beslissingen getroffen worden door de terzake bevoegde Gemeente- en andere besturen en komt men tot een meer coherent beleid en beheer voor dit landschap, zonder afbreuk te doen aan de bestaande rechtszekerheid. H. Bats

INTERNATIONAL COUNCIL O N MONUMENTS A N D SITES. NEDERLANDS COMITÉ 2 9 AUGUSTUS 1991 Jhr. ir. L L M . van Nispen tot Sevenaer, tot voor kort direkteur van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg te Zeist, is met ingang van 1 oktober 1991 aangesteld als directeur van de International Council on Monuments and Sites (ICOMOS), die haar zetel heeft te Parijs. Van Nispen tot Sevenaer functioneerde al sinds 1 mei jongstleden als interim manager van het Internationaal Secretariaat van ICOMOS. Hij wordt de eerste Nederlandse directeur van ICOMOS, die in 1990 haar vijfentwintigjarig bestaan vierde.

TIJDSCHRIFT INFRASTRUCTUUR IN HET LEEFMILIEU Ingevolge de staatshervorming en de gedeeltelijke regionalisering van het Ministerie van Openbare Werken werd de uitgave stopgezet van het Tijdschrift der Openbare Werken van België (beter bekend als de Annalen van Openbare Werkerij. Op initiatief van Ir. R. De Paepe, secretaris-generaal van het departement Leefmilieu en infrastructuur, zal een nieuw technisch tijdschrift, met als titel Infrastructuur in het Leefmilieu, worden uitgegeven door het departement Leefmilieu en Infrastructuur van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De redacties van de twee andere tijdschriften van dit departement, Wateren M&L zijn vertegenwoordigd in de redactie van het nieuw tijdschrift. De drie tijdschriften zullen wederzijds informatie doorspelen. In december 1991 verschijnt een eerste proefnummer waarin een gevarieerd aanbod van artikels is opgenomen en ondermeer een interessante bijdrage verschijnt van de Heer E. De Witte van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, over het vooronderzoek in de monumentenzorg. Na een inleiding door ir. R. De Paepe, secretaris-generaal en voorzitter van de Bestuurscommissie, bevat het proefnummer volgende artikels: E. De Witte, Vooronderzoeken In de Monumentenzorg W. Frans, R. Deneef en E. Wellekens, Elektromecmhanische uitrusting Beveren- en Tysmanstunnel Cnops, Gille en Van Oost, Tunnel de raccordement a Charleroi E. Van den Eede, Baggerwerken In het Vlaamse Gewest L. Taerwe, The use of high strength concrete. E. Goedleven

Wie geïnteresseerd is in dit nieuwe technische tijdschrift kan gratis een proefnummer aanvragen bij de redactiesecretaris: Ere Hoofdingenieur-Directeur J. De Buck Simon Bolivarlaan 30 WTC-Toren III-1210 Brussel02/212.52.01.

KONING BOUDEW1JNSTICHTING - FONDS VOOR HET CULTUREEL ROEREND ERFGOED - OMTRENT MARGUERITE Op 28 februari 1991 veilde Christie's in New York een van de belangrijkste schilderijen van de bekende Belgische symbolist Fernand Khnopff (18581921): het portret van zijn zuster Marguerite, een werk waarvan hijzelf nooit afscheid wilde nemen. Na de dood van de kunstenaar was het portret bij het model terechtgekomen. In haar huis had ze, als herinnering aan haar broer, diens blauwe kamer nagemaakt, om er zijn werken onder te brengen en angstvallig voor iedereen te verbergen, voorbehouden voor haar persoonlijke mijmeringen. Gilberte, enige dochter van Marguerite en echtgenote van Henri Thibaut de Maisières, erfde het kunstwerk en liet het op haar beurt na aan haar kinderen. Omstreeks 1984 kocht de New Yorkse handelaar Barry Friedman het portret, dat zo in een Amerikaase privé-collectie belandde. Nu het schilderij opnieuw te koop aangeboden werd, zag de Koning Boudewijnstichting onmiddellijk het belang in van dit kunstwerk en kon zij de geboden kan grijpen. Door deze tussenkomst keerde Marguerite Khnopff terug naar haar land, waar het portret nu langdurig uitgeleend wordt aan de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten. Het verrijkt er de zaal die aan de Belgische symbolisten gewijd is en in het bijzonder aan Fernand Khnopff, de "clergyman en train de devenir dandy", zoals dichter Emile Verhaeren hem noemde. Verhaeren was overigens de eerste die zijn waardering uitsprak over Khnopff. Reeds in 1886 beschreef hij alle kwaliteiten van diens werk. Hij had het over de "mlnutieuse profondeur de sa vision", het "effet juste et précis", een "oeuvre solide de patience et de combinaison nouées". Thans heeft de museumcollectie er dus een nieuw lichtpunt bij in het esthetisch gerafineerde oeuvre van deze kunstenaar. In de tentoonstellingszaal neemt Marguerite de ereplaats in die haar toekomt tussen de andere werken van Khnopff. Het schilderij zelf was immers ook een eerbetoon van de kunstenaar aan zijn lievelingsmodel, wier gelaatstrekken we, al dan niet duidelijk herkenbaar, terugvinden in menig werk: Memories, 1889; Du Silence,

B I N N E N K R A N T


M8a 9 schilderij te komen, hoefde hij de figuren dan enkel nog in één ruimte samen te brengen, als in een fotomontage.

Femand Khnopff (1858-1921)-Portret van Marguerite Khnopff (1887) (foto ACL-Brussel)

1890; Un Masque de jeune femme anglaise, 1891;Blanc,noiretor, 1901 e.a. Het geïdealiseerde gezicht van Marguerite domineerde het hele oeuvre van Khnopff; ook wanneer hij, met zijn tijd meegaand, fotograaf werd en eveneens op die manier haar trekken vereeuwigde. Foto's werden teruggevonden die door hemzelf genomen werden met een professioneel toestel. Ze tonen ons een inschikkelijk en meegaand model, dat zich als een mannequin laat kleden, verkleden of vermommen. In de poses die hij bedenkt, geeft Khnopff blijk van een aanleg voor het theatrale en de mise-en-scène. Wat hij met zijn camera in beeld brengt is star, onpersoonlijk en ijzig koud. Om zijn doel te bereiken kleedt hij Marguerite in zware, goud- of zilverkleurige stoffen die doen denken aan het Byzantium waarvoor alle symbolisten een voorliefde hebben. Deze opnamen gebruikt hij vervolgens bij de uitwerking van zijn schilderijen. Het beste voorbeeld is wel Memories, waarin de gestalte van Marguerite, als in een filmsequentie, zeven keer wordt herhaald. Hij fotografeerde haar daarvoor in vershillende toiletten, al of niet met een racket in de hand, als symbool van het spel. Om tot een

Het portret van Marguerite is niet gedateerd. Toch kunnen we het met zekerheid chronologisch situeren omdat Khnopff het voor de eerste keer tentoonstelde op het Antwerpse Salon de L'Art Indépendant, dat in maart 1887 zijn deuren opende. Toen Fernand Khnopff zijn artistieke carrière begon, legde hij zich toe op de portretkunst. Hij vond zijn modellen in zijn familiekring. Zijn schetsboeken van 1879 tot 1882 krioelen van nauwkeurig vastgelegde silhouetten, poses of houdingen. Ook vinden we er haastig neergekribbelde notities in, waarmee de kunstenaar kleuren, lichtsterktes of vluchtige emoties vasthield. In 1899 beschreef hij zijn werkwijze in een brief aan zijn vriend Paul Schultze-Naumburg: "Pour l'exécution d'un oeuvre je f ais peu d'esquisses mais un grand nombre d'études. Je rêve l'existence continue de mes personnages dans leur milieu jusqu'au moment venu de la représenter dans un oeuvre d'art. Ce sont ces détails antérieurs qui font la complexité de l'oeuvre". Tot dan had Khnopff, behalve de portretten van zijn vader en moeder, enkel portretten van kinderen geschilderd. Met het portret van zijn zuster zette hij de stap naar een nieuw genre: het portret van een jong meisje. Marguerite-Juliette-Marie Khnopff werd op 15 juli 1864 in Brugge geboren en was dus drieëntwintig jaar toen ze voor dit schilderij poseerde. Op 8 april 1890 trouwde zij Charles Freson, met wie zij in Luik ging wonen. Heel wat critici hebben de bijzondere gehechtheid van Khnopff aan zijn zuster onderstreept en aangehaald als de reden voor zijn celibaat. Marguerite beantwoordde ongetwijfeld aan een aspect van zijn vrouwelijk ideaal. Khnopff was bij uitstek de schilder van de vrouw, van haar mysterie en haar dualiteit. Afwisselend was zij de engel, de muze, de zuster, de vriendin die de man te hulp snelt, maar tegelijk was zij ook de verleidster, de fatale en persverse vrouw, het symbool van de Vice Suprème die Péladan bezongen had.

stichting bij Christie's aangekocht voor 28 miljoen bfr. Het schilderij werd in bruikleen gegeven aan de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België. Bij deze gelegenheid wordt rond het kunstwerk een bescheiden tentoonstelling georganiseerd. Een fraaie, adAem gedocumenteerde vouwfolder - waaruit hogerstaande tekst werd overgenomen - fungeert hierbij als begeleidend document. De bedoeling van deze tentoonstelling is de plaats van Marguerite, de zuster van de kunstenaar, in het oeuvre van F. Khnopff te tonen. Meerdere werken van F. Khnopff, waarop Marguerite is afgebeeld, zijn er tentoongesteld, waaronder het Geheim dat uitzonderlijk uitgeleend wordt door Groeningemuseum in Brugge. Het Portret van Margueritemról gepresenteerd in de oorspronkelijke omlijsting, ontworpen door F. Khnopff zelf, en vormt een fraaie voortzetting van het schilderij. Voor werken die hem na aan het hart lagen tekende F. Khnopff het liefst zelf de omlijsting. Dit is eveneens het geval voor onder meer het Geheim en de Stilte, twee werken die eveneens op de tentoonstelling te bezichtigen zijn. Verder illustreren archiefdocumenten de belangstelling van F. Khnopff voor zijn zuster Marguerite. Verscheidene foto's stellen Marguerite voor die poseert voor onder meer de Stilte en voor het Geheim. Onder de geschreven documenten valt een album op dat toebehoorde aan Lily Maquet. Hierin antwoordt F. Khnopff op een reeks "persoonlijke vragen".

Het Portret van Margueritemrd door het Fonds voor het Cultureel Roerend Erfgoed van de Koning Boudewijn-

B I N N E N K R A N T

De tentoonstelling loopt van 28 november 1991 tot 26 januari 1992 in zaal 71, nabij het Forum van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Regentschapstraat 3, 1000 Brussel. Openingsuren: alle dagen van 10 tot 13 uur en van 14 tot 16 u 45. Maandag gesloten.


M8cL 10

CONGRESSEN LES TECHNIQUES DE FABRICATION DU PAPIER PEINT. COLLOQUIUM GEORGANISEERD DOOR LE MUSEE DU PAPIER PEINTRIXHEIM 11-12 OKTOBER 1991 Sinds twee eeuwen is het papierbehang in onze interieurs ontegensprekelijk de meest courante vorm van wanddecoratie. Dit betekent dat het op heel directe manier getuigt van de evoluerende stijl en smaak van een maatschappij en een bepaalde tijdsgeest goed weergeeft. Nochtans kan het papierbehang nog steeds niet rekenen op veel aandacht van kunsthistorici en monumentenzorgers. De produktie van papierbehang is van bij de aanvang in de 18de eeuw reeds een industriële activiteit. De evolutie wordt dan ook sterk bepaald door het verlangen naar technisch perfectioneren. Het technisch aspect van de fabrikatie is dan ook van belang om het specifieke karakter van het behang in zijn historische context te kunnen plaatsen.

Réveillon, paneel met arabesken (foto L. Sully-Jaulmes, Musée des Arts Décoratifs de Paris)

De voorlopers van ons papierbehang waren de zogenaamde "dommos", ook "papiers de tapisserie"genoemd. Het waren kleine papiervellen van 30 a 40 cm zijde die bedrukt werden met houtblokken en nadien met penseel of schabloon ingekleurd werden. Van de 16 tot de 18de eeuw werden ze veelvuldig gebruikt onder meer voor het bekleden van dozen, boeken, kamerschermen, kasten en ook van wanden en plafonds. Vanaf het midden van de 18de eeuw kwamen er nieuwe produkten op de markt: het Engels "flockpaper" of veloutépapierals imitatie van damaststoffen en ook de veelkleurige, met de hand geschilderde Chinese papieren. Populair waren eveneens de zogenaamde "Indiennes", lichte katoenstoffen bedrukt met frisse kleuren, vanaf de 17de eeuw ingevoerd uit Indië.

Gestimuleerd door al die aantrekkelijke voorbeelden ontwikkelde er zich in Frankrijk in de 18de eeuw een echte papierbehang-industrie, die toonaangevend was in Europa. Nieuw was het drukken op papierrollen, tot omstreeks 1830-1840 bekomen door het aaneenkleven van vellen. In plaats van drukinkten ging men lijmverven toepassen, zodat ook heldere, matte kleuren mogelijk werden. De hoogste technische en artistieke kwaliteit werd bereikt te Parijs in het laatste kwart van de 18de eeuw bij de manufactuur Réveillon. De "decorsa l'antique"met. medaillons en de "decors a l'étrusque"me\ arabesken bleven tot het eerste kwart van de 19de eeuw bijzonder geliefd. In de eerste helft van de 19de eeuw zette de industrialisatie zich door. De manufactuur Zuber te Rixheim bij Mulhouse, beroemd voor haar panoramabehangen nam hierbij het voortouw (zie M&L 10/1, Binnenkrant). De cilinderdruk, in de plaats gekomen van de houtblokken, en het voorhanden zijn van doorlopende papierrollen gaven voortaan een heel ander karakter aan het behang: een kleiner rapport, egalere bijna transparante kleuren en een versnelde produktie dank zij de stoommachine. Een minder hoge artistieke kwaliteit was evenwel het gevolg. De manufactuur Zuber, sinds 1797 ondergebracht in de oude gebouwen

Evenals Ie Musée de l'lmpression sur Etoffes te Mulhouse hangt het museum van Rixheim af van de Société Industrielle de Mulhouse. De collecties en archieven van deze instellingen kwamen immers in de loop van de 18de en vooral 19cle eeuw tot stand onder impuls van de fabrikanten zelf, die al vroeg de artistieke en creatieve mogelijkheden van de voorhanden zijnde ontwerpen onderkenden. Thans nog staan de oude modellenboeken ter beschikking van de hedendaagse ontwerpers, die er tegen betaling graag gebruik van maken. De studiedagen te Rixheim hadden tot doel de technische aspecten van de fabrikatie van papierbehang te belichten in historisch perspectief. L André (Musée National des Techniques, Paris) belichtte de aanvang van de fabrikatie van doorlopende papierrollen. V. de Bruignac {Musée des Arts Décoratifs, Paris) besprak de ontwikkeling van de heliogravure in de manufactuur Leroy te Parijs.

i

(bt •

van de Commanderie van Teutoonse Orde te Rixheim, is een van de enige ateliers waar thans nog gedrukt wordt met houtblokken. De instelling bewaart bovendien een indrukwekkend archief en vormt sinds 1982 samen met de rijke collectie oude papierbehangsels, Ie Musée du Papier Peint.

^ *

,^

Jl^J $*

B I N N E N K R A N T


M8cL

ii Ph. de Fabry (Musée du Papier Peint, Rixheim) schetste de evolutie van "dom/nos" papieren, en deelde zijn inzichten mede betreffende de "papiers de tapisserie" gemaakt door de bekende drukker Papillen. B. Jacqué {"Musée du Papier Peint, Rixheim) lichtte de werkzaamheden toe van de Parijse manufactuur Balin (1863-1898), bedreven in het imiteren van materialen, terwijl 0. Nouvel {Musée des Arts Décoratifs, Parijs) sprak over de technische creativiteit van de 19de-eeuwse fabrikanten. G. Wisse {Ceshib, Gent) gaf een overzicht van zijn vondsten uit de Oostenrijkse Nederlanden, waarbij productiecentra als leper, Brussel en de ateliers van Karel van Loreinen te Tervuren aan bod kwamen. G. Woods {Withwooth Art Gallery, Manchester) behandelde het gebruik van stempels in Engeland op het einde van de 19de en begin 20ste eeuw. De mededelingen worden eind 1991 gepubliceerd in het Bulletin de la Société Industrielle de Mulhouse. M. Manderyck.

LITERATUUR V A N EEN D O R S T L A V E N D VERLEDEN N A A R EEN MUSEALE T O E K O M S T Zo luidt de ondertitel van een brochure waarin F. Becuwe en D. Derickx een nieuw project uit de Westhoek voorstellen. Het betreft hier het initiatief Mout- en Brouwhuis De Snoek waarme de Werkgroep Industriële Archeologie in de Mtesf/)oe/r (W.I.A.W.) een belangrijke bijdrage wil leveren tot de culturele en toeristische ontsluiting van Vlaanderens grootste plattelandsgebied, namelijk de herwaardering van de Mouterij-Brouwerij De Snoek te Alveringem (Fortem). Meteen wordt hiermee een uniek stukje van ons industrieel erfgoed gevrijwaard.

leefden zowel de gebouwen als de installatie de wederwaardigheden van beide Wereldoorlogen, zodat wij nu beschikken overeen volledig bewaard voorbeeld van een kleine brouwerij van vóór 1914. Het Bestuur Monumenten en Landschappen had dan ook niet veel moeite met een positieve evaluatie van dit industrieel-archeologisch complex. De brochure bevat een kort historisch overzicht van de brouwerijsector in ons land, de historische situering en een overzichtelijke beschrijving van De Snoek, een verslag van het brouwproces en een voorstelling van de W.I.A.W., dit alles duidelijk en leuk geïllustreerd. J. De Schepper Het voorwoord door de Koning Boudewijnstichting liegt er niet om. Wij citeren: "Daar dit initiatief tenvolle kadert in de betrachting van de Koning Boudewijnstichting om met de medewerking van de Nationale Loterij de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren, heeft zij dit herwaarderingsproject van meet af aan ondersteund. Inmiddels werd deze culturele investering meermaals verzilverd en staat het project thans dichter bij de werkelijkheid dan bij de droom". En inderdaad, hierin geadviseerd door het Bestuur Monumenten en Landschappen, begon de W.I.A.W. reeds met de allernoodzakelijkste dak- en metselwerken. Intussen werd ook de procedure tot bescherming als monument van deze mouterijbrouwerij ingezet. De oudste vermelding dateert van 1767. Pieter Croigny baatte toen de "herberghe ende brauwerie den Snouk" nabij de Lovaart uit. Tussen 1865 en 1870 werd de Lovaart gekanaliseerd. De oude herberg-brouwerij De Snoek, evenals veel andere woningen en bijgebouwen in Fortem werden ingevolge deze openbare werken gesloopt. Een tiental meter verder werd het huidige brouwerijcomplex gebouwd. Tussen de bouw van de nieuwe mouterij-brouwerij De Snoek en de eigenaarswissel in 1922 ondergingen de brouwerswoning en het aanleunende nijverheidsgebouw nauwelijks enige veranderingen. Ook daarna kwam het nooit tot een volledige modernisering. Daarenboven over-

Frank Becuwe m.m.v., Derickx, Mouterij-Brouwerij 'De Snoek', van een dorstlavend verleden naar een museale toekomst, een uitgave van 'De Rode Bles', Kwadestraat 21 te 8486 Beauvoorde ' 058/29.98.01).

ECOLOGISCHE GESCHIEDENIS Zonder trendsetters te zijn, hebben historici wel vaker bewezen gevoelig te zijn voor de dominerende gedachtenstromingen van de samenleving waarin we leven. Daaruit kunnen nieuwe benaderingswijzen van de geschiedenis ontstaan. Zo geraakt momenteel een groeiend aantal historici geboeid door de ecologische geschiedschrijving. Deze environmental history of ecological history ontstond in de jaren '70 in de V.S. en is sindsdien overgewaaid naar Europa. Traditioneel doet de historicus voor de constructie van zijn verklaringsmodellen graag een beroep op de theorieën van een rijkgevulde korf min of meer verwante sociale wetenschappen. In de ecologische geschiedenis bewandelt hij echter vaak paden die hem een heel eind wegleiden uit zijn vertrouwde omgeving. Twee recente boeken bieden denkstof over definië-

B I N N E N K R A N T


12

]

ring en zin van deze ecologische geschiedenis. De essays in The Ends of the Earth illustreren volgens het voorwoord van de bundel de groeiende inbreng van historici in het debat over de grootste uitdaging van onze tijd: een oplossing vinden voor de imposante ecologische problemen die het voortbestaan van de aarde, en van de mens zelf, bedreigen. Het boek wordt de lezer voorgesteld als een inleiding tot de nieuwe historische discipline die zich bezighoudt met alle facetten van de wisselwerking tussen mens en natuur in het verleden. Van de onderzoeker wordt verwacht dat hij afstapt van een al te sterk uitgesproken antropocentrisme. Donald Worster, de samensteller van de bundel, schrijft in de inleiding dat de wereldgeschiedenis fundamenteel een geschiedenis is van de steeds veranderende verhoudingen tussen de mens en zijn leefomgeving, met als drijvende krachten centrale politieke instellingen, veelzijdige technologische hulpmiddelen en gecompliceerde economische structuren. Dit heeft de mensheid toegelaten grote vooruitgang te boeken, maar de nieuwe ecologische geschiedenis heeft tot taak te onderzoeken welke de bij het ontwikkelingsproces behorende kosten waren en wie of wat voor die kosten heeft moeten opdraaien. Onder de kop "Dynamiek van de verandering" herneemt "The Ends of the Earth" een drietal oudere artikels. De studie van E. Boserup over de wisselwerking tussen leefmilieu, bevolking en technologie in primitieve samenlevingen verscheen reeds in 1974 in het themanummer Histoire et Environnement van het tijdschrift Annates. Het artikel van R. Wilkinson (een hoofdstuk uit een boek uit 1973) behandelt de wortels van de Engelse industriële revolutie. Hij beklemtoont de rol van dreigende schaarste aan grondstoffen als initiator van vernieuwing en industrialisering. Deze hypothese is inmiddels uitgegroeid tot een van de klassieke thema's van de nog jonge ecologische geschiedenis. Een ware voorloper is G. Utterström met zijn bijdrage uit 1955 over het verband tussen klimaatsschommelingen en demografische problemen in de vroegmoderne geschiedenis. In het licht van de pas

veel later ontstane aparte discipline van de ecologische geschiedenis is vooral een uitweiding over de kort tevoren verschenen studie van Braudel over de mediterrane wereld ten tijde van Filips II interessant. Braudel sloot klimaatsfluctuaties niet uit, maar geloofde dat dit probleem niet door historici, maar door andere experten diende te worden opgelost. Volgens Utterström was Braudels twijfelende houding onder andere ingegeven door onvoldoende vertrouwdheid met de bestaande literatuur over het onderwerp, geschreven door niet-historici! Zoiets wil de ecologische geschiedenis vandaag nu net vermijden. Drie bijdragen worden gebundeld onder de hoofding "De Europese invasie". De titel verwijst naar de enorme impact (biologisch, cultureel, economisch) van de grote ontdekkingen en de daaropvolgende kolonisatie. A. Crosby schetst een overzicht van het ecologisch imperialisme, een thema dat hij uitvoerig heeft beschreven in "Ecological Imperialism. The Biological Expansion of Europe, 9 0 0 - 7 W (Cambridge University Press 1986). R. Tucker en T. Weiskel behandelen respectievelijk de ontbossing in India en de ecologische transformatie van Ivoorkust ten gevolge van de kolonisatie. Een derde serie artikels wordt gepresenteerd onder de titel "Natuurbehoud: verleden en heden". C. Koppes en D. Weiner bekijken de groei van het natuurbehoud in respectievelijk de V.S. en de Sovjetunie; beiden hebben vooral oog voor de visie van beleidsmensen en administratieve structuren. C. Earle construeert een genuanceerd beeld van de wisselwerking tussen economische conjunctuur, agrarische innovaties en hun ecologische impact in de zuidelijke staten van de V.S. De zeevisserij vóór de Californische kust is voor A. McEvoy aanleiding om de problemen te bekijken die de exploitatie van vrije, niet toegeëigende goederen met zich meebrengt: leidt die al dan niet tot overexploitatie?

worden: 1. De natuur in het verleden, met inbegrip van de mens als biologisch wezen, dat bijvoorbeeld voedsel en energie verbruikt. 2. De mens die zich als cultureel wezen organiseert en sociale structuren uitbouwt om tegemoet te komen aan allerlei noden (zoals voedselvoorziening door landbouw of internationale handel). Hier onderstreept Worster het belang van het werk van antropologen - veelal in de V.S. dat een bron van inspiratie kan zijn voor de ecologische geschiedenis, zonder dat hij daarom de dreiging om deterministisch te gaan denken over het hoofd ziet: de geschiedenis wordt niet gedicteerd door fysische omgevingsfactoren! 3. De veranderende ideeën over de natuur in opeenvolgende perioden, die zich vertalen in bij voorbeeld wetgeving of tuinaanleg. Environmentel history is volgens Worster bij uitstek een interdisciplinaire aangelegenheid. Precies daardoor zal het niet gemakelijk zijn om aan deze total history de noodzakelijke coherentie te geven. Ten slotte dient de uitstekende selectieve bibliografie vermeld die het boek afsluit. De tweede bundel. The Silent Countdown. Essays In European Environmental History, stond onder redactie van Peter Brimblecombe en Christian Pfister. De 19 bijdragen zijn het resultaat van de eerste Internationaal Workshop on European Environmental History die in maart 1988 in Bad Homburg georganiseerd werd.

D. Worster schreef als appendix ook een bijdrage over de praktijk van de ecologische geschiedschrijving. De talrijke invalshoeken om de rol en de plaats van de natuur — in haar meest ruime betekenis — in de geschiedenis te benaderen, kunnen rond drie thema's gegroepeerd

B I N N E N K R A N T

The Sllenl

COUNTDOWN


M8cL

ia Verheugd stellen de inleiders vast dat, in het spoor van de ontwikkelingen in Noord-Amerika, ook in Europa de historische publikaties over de interacties tussen mens en biosfeer op een groeiende belangstelling kunnen rekenen. Om de continuïteit te verzekeren werd in Bad Homburg ook besloten de European Assiciation for Environmental History op te richten, die inmiddels een Environmental History Newletter publiceert. Brimblecombe en Pfister onderscheiden twee benaderingswijzen om een ecologische geschiedenis te doen: 1. In de holistische benadering - de meest vernieuwende - fungeren de human ecology van de antropologen en de biologische wetenschap van de populatie-ecologie als belangrijke bronnen van inspiratie. Een fundamenteel concept in deze holistische visie zijn de energiestromen in ecosystemen. 2. Minder vernieuwend is de complementaire benadering, die milieu-items eerder ziet als een bijkomend facet van het historisch onderzoek en minder als een bijdrage tot een nieuwe globale visie. Deze historici bestuderen enerzijds de impact van produktie en consumptie op samenleving en natuur, en anderzijds de veranderende ideeën over natuur en leefmilieu in de samenleving. Een eerste reeks van zes bijdragen kreeg "Holistische opvattingen" als gemeenschappelijke titel. Het zijn vooral deze artikels die voor het debat over eigenheid en zin van de ecologische geschiedenis van belang zijn. Helaas zijn ze niet alle van hetzelfde gehalte. Fundamenteel is de bijdrage van R. Sieferle over energiestromen. Hij bepleit de vervanging van het antropocentrisme door een visie die vertrekt van ecosystemen; in de ecologische geschiedenis wordt de verhouding tussen culturen en hun ecologische niche dan het centrale onderwerp van studie. In hun bijdrage betreuren J.P. Deleage en D. Hemery dat het historisch denken nauwelijks aanwezig is in het ecologisch denken. Ze poneren dat géén beschaving ooit onschuldig is geweest en dat vooral sinds de 19de eeuw het toenemend aantal ecologische rampen verband houdt met de "de vlucht voorwaarts in ongecontroleerde technologische innovaties". C. Pfister onderzoekt de dieper liggende oorzaken van het verlies van ecologische stabiliteit in

een Zwitserse agrarische regio. Door te werken met energie- en goederenstromen kunnen natuurlijke en maatschappelijke processen tot één ecologisch web verweven worden. Een uniek element in menselijke samenlevingen (tegenover biologische) is dat energie aangewend wordt om toenemende economische surplussen te produceren, waardoor stabiele systemen na verloop vantijd uit balans geraken. P. Viazzo erkent in zijn bijdrage de verdiensten van de huidige antropologische studies, maar hoopt dat door meer aandacht voor het lange termijn perspectief (bij voorbeeld door historisch demografisch onderzoek) de studie van veranderingsprocessen aan kwaliteit zal winnen. Minder belangrijk lijken me de bijdrage van I. Mieck, die een typologie van de verschillende vormen van vervuiling voorstelt, en de vrij losse bedenkingen van K. Blaschke, die een onderscheid maakt tussen environmental history en de veel beperktere ecological history, een begrippenduo dat zich niet zo gemakkelijk in vlot Nederlands laat vertalen. De tweede en derde reeks artikels behoren tot de genoemde complementaire ecologische geschiedschrijving. Op een meer klassieke wijze behandelen ze een brede waaier leefmilieu-thema's. Vier auteurs kozen onderwerpen met betrekking tot land- en bosbouw. J. Vogt, die het heeft over bodemerosie, beklemtoont de noodzaak van een interdisciplinaire benadering. Heel goed beseffend dat milieuthema's in zijn, merkt hij fijntjes op "that scientists and, with some delay historians, feel compelled to accommodate a la sauce de I'environnement", want één en ander biedt gunstige perspectieven voor publikaties of voor de financiering van onderzoeksprojecten. De drie overige artikels behandelen de ontginningsgeschiedenis van het Centraaleuropese laagland in de 13de eeuw (T. Dunin-Wasowicz), de bosgeschiedenis van Hongarije sinds de 11de eeuw (I. Kiss) en een ecologisch karakterisering van een boerengemeenschap in Noordoost-Finland sinds 1670 (Y. Vasari). De voor velen misschien meest voor de hand liggende invulling van het begrip ecologische geschiedenis komt aan bod in de zes artikels over leefmilieuproblemen in steden en industriegebieden. Hier zijn het

F. Oldfield en R. Clark die een warm pleidooi houden voor een interdisciplinaire aanpak, waarin bij voorbeeld de documenten van historici en het bodemarchief van paleo-ecologen mekaar kunnen aanvullen. In de overige artikelen worden studies gepresenteerd over de bewustwording van milieuhygiënische gevaren en de daaruit voortvloeiende wetgeving in het vroegmoderne Hamburg (N. Lange), de industrialisering en de daarmee gepaard gaande milieubezorgdheid in Leiden in de 19de eeuw (H. Diederiks en C. Jeurgens), het groeiende verzet tegen de nadelige effecten van vervuiling in York tussen 1850 en 1900 (P. Brimblecombe en C. Bowler), het zoeken naar technologische oplossingen voor de ernstige pollutie, veroorzaakt door de 19deeeuwse zware industrie in CentraalEuropa (E. Schramm) en de ontwrichting van het Ruhrgebied als gevolg van de industriële explosie na 1850 (F.-J. Brüggemeier). Het boek eindigt met twee bijdragen rond het thema "Leefmilieu-bewustzijn". F. Walter, die zijn aandacht vooral richt op Zwitserland, zoekt de bronnen van de hedendaagse milieuen natuurbehoudsbeweging. Hij probeert orde te scheppen in de doorheen de tijd evoluerende en vaak verweven benaderingswijzen van de verhouding mens/natuur: emotioneel (esthetisch), technologisch-economisch (natuur als exploiteerbare grondstof of schaars goed), wetenschappelijk (bv. de menselijke aardrijkskunde), ideologisch (bv. verdediging van de waarden van natuur en platteland tegenover de leefwereld van de stedeling) of utopisch. De bijdrage van J. Thelander is wellicht te filosofisch en theoretiserend van aard om een meerderheid van de lezers te boeien. De twee boeken geven een goede indruk van het ruime gamma theoretische uitgangspunten en concrete onderwerpen dat in de ecologische geschiedenis aan bod komt. Daarom is het jammer dat "The Silent Countdown" door de hoge prijs slechts een beperkt deel van de beoogde lezers zal bereiken. De vraag of deze nieuwe discipline gekenmerkt wordt door haar aanpak of door haar keuze van onderwerpen, is irrelevant; het gaat om beide. Ongetwijfeld zullen de nieuwe globale concepten ook gebruikt worden om tal van traditionele thema's van het

B I N N E N K R A N T


M8a

i4 historisch onderzoek eens op een andere manier te bekijken. Ten slotte nog een kleine bedenking. In sommige bijdragen voel je goed aan wat Vogt (zie hierboven) suggereert: hier en daar probeert een auteur de lezer oude wijn in nieuwe zakken te verkopen door kwistig - maar niet altijd ter zake - met ecologisch of ecologistische jargon uit te pakken! Maar we nemen aan dat dit niet de eerste bedoeling was van de organisatoren van de workshop in Bad Homburg. Y. Hoste

D. Worster(ed.), The Ends of the Earth. Perspectives on Modern Environmental History, Cambridge University Press, Cambridge, 1989 (2de druk), VIII+ 341 p., ISBN 0-521-34846-3 (paperback) of 0-521-34365-8 (hard cover). P. Brlmblecombe en C. Pfister (eds.), The Silent Countdown. Essays in European Environmental History, Springer-Verlag, Berlijn, 1990, XI + 265 p., DM128, ISBN 3-540-51790-1.

GULDEN REGELS VAN STEDEBOUW Begaan met de ruimtelijke ordening en de leefkwaliteit van de 19 gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, heeft de Brusselse Federatie voor Stedebouw v.z.w. zich intertijd voorgenomen de aandacht van het publiek te vestigen op de stedebouwkundige en architecturale realisaties die een zorgvuldig samengestelde jury meent tot voorbeeld te kunnen stellen. Om dit doel te bereiken worden om de twee jaar met de nodige luister de Gulden Regels van de Stedebouw uitgereikt, onder de vorm van een trofee. Voor de tweede plechtige prijsuitreiking, op 29 november 1991 jongstleden, kon nauwelijks een betere locatie worden gevonden worden dan de grootse, in opdracht van de A.B.B, gerenoveerde zalen van Henry

TENTOONSTELLINGEN FONDATION POUR L'ARCHITECTURE PAUL HANKAR, TIEN JAAR ART NOUVEAU Beyaerts Concert Noble, in de Brusselse Aarlenstraat. Op voorstel van de jury, onder voorzitterschap van Victor Martiny - onder meer huidige Voorzitter van de autonome sectie Brussel Hoofdstad van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen - , werden de negen sierlijke, door architectbeeldhouwer Jacques Moeschal ontworpen trofeeën, overhandigd aan onder meer: - Gewestminister Jean-Louis Thys, voor de aanleg van het Koning Boudewijnpark, te Jette; - architect Jean De Salie, namens het architectuurbureau Cooparch, voor de renovatie van Victor Horta's Waucquez-warenhuis in de Brusselse Zandstraal, en ex aequo: - de N.V. Sageco en het architectuurbureau ARC voor de renovatie van het hoekpand Duquesnoystraat/ Sint-Jansstraat, deel van een neoclassicistisch ensemble door H.F. Partoes (met een eervolle vermelding voor alle eigenaars van door hun zorgen onderhouden of gerestaureerde monumenten); - A.B.B. Directeur Jos Daniels, voor de geslaagde renovatie van de Concert Noble; - architect-stedebouwkundige, maar tevens dichter, architectuur-historicus en criticus Pierre Puttemans, voor het ensemble van diens geschreven oeuvre. Meest verrassend was nochtans de Prijs voor de mediabijdrage, waarmee het tijdschrift... Monumenten en Landschappen bekroond werd om de sinds het ontstaan in 1981 niet aflatende aandacht voor het Brusselse bouwkundig erfgoed. Al ware een waardiger orgelpunt in dit jubileumjaar moeilijk denkbaar, toch vormt deze hulde in het bijzondereen hart onder de riem voor al onze onbaatzuchtige medewerkers. M.M. Cells

Opmerkelijk lang is de Brusselse Fondation pour l'Architecture uit deze kolommen weggebleven; niet dat het tempo of de kwaliteit van de tentoonstellingen zouden zijn afgenomen, doch veeleer omwille van de minder bij monumentenzorg aanleunende thema's. Met een eerste en belangrijke tentoonstelling over één der boegbeelden van de Belgische Art Nouveau wordt nu het één en ander goedgemaakt. De tentoonstelling is ontworpen en uitgewerkt door de Archives d'Architecture Moderne en de Fondation pour l'Architecture, in essentie op basis van het door de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis bewaarde fonds grafische documenten, aangevuld met documenten, voorwerpen, mobilair en foto's uit diverse Belgische musea en privéverzamelingen. Paul Hankar (Frameries 1859-Brussel 1901), wiens vroegtijdig overlijden abrupt een einde stelde aan een bloeiende carrière, werd nog bij leven aanzien als één der grondleggers van de Art Nouveau in België, naast Victor Horta en Henry Van de Velde. Zijn oeuvre zou onder meer een beslissende invloed hebben op de Weense architect Otto Wagner sinds diens bezoek aan Brussel in 1897, en zou in het bijzonder een rechtstreeks verlengstuk vinden in de moderne beweging, met figuren als Paul Hamesse of Léon Sneyers, en later Antoine Pompe, Fernand Bodson of Victor Bourgeois. Begonnen als beeldhouwer van ornamenten, vervoegt Hankar in 1879 het atelier van Henry Beyaert waarvan hij, tot aan diens overlijden, de trouwste medewerker blijft. Het is daar dat hij voeling zal krijgen met een van constructief rationalisme doordrongen architectuur, gekenmerkt door een voorliefde voor zichtbaar materiaalgebruik en geleid door de geschriften van Violletle-Duc, die hem terugbrengen tot de

B I N N E N K R A N T


M8d De eigen woning van Paul Hankar. Akwarel van H. Guimard, 1895

15

bron van de vormelijke innovatie. De bouw van een eigen woning in 1893 - het jaar waarin Victor Horta de woning Tassel opricht - vormt de eerste stap in zijn origineel streven naar een architectuur die niet meer schatplichtig is aan het historicisme. Tien herenhuizen, zestien woningen, zeven kunstenaarsateliers, vier landhuizen, negen herdenkings- of grafmonumenten, vijfentwintig winkels of inrichtingen van tentoonstellingen en overvloedig mobilair, vormen de essentie van een vruchtbare, door zijn plotse dood onderbroken carrière. Bij het verdwijnen van Paul Hankar zou diens volledig archief toevertrouwd worden aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. In 1978-1983 werd dit herkend en geïnventariseerd door de Franse kunsthistoricus Frangois Loyer die in 1868 aan Hankar een uitvoerige biografie wijdde. De huidige tentoonstelling stelt zich tot doel binnen het oeuvre van Hankar de schijnwerper te zetten op de sterkste momenten uit diens carrière, daar waar zijn vechtlust, zijn engagementen, zijn samenwerking met de artistieke avant-garde zich het duidelijkst profileren. De aanzet wordt gevormd door 1893, het bouwjaar van Hankars eigen woonhuis, het begin van de Art Nouveau. Volgen de bestellingen - woningen en ateliers - die hem worden toevertrouwd door zijn vrienden-kunstenaars Ciamberlani,

Janssens, Bartholomé, Wolfers... Een belangrijk luik van de tentoonstelling wordt gewijd aan de Koloniale Tentoonstelling van Tervuren, in 1897, waar Hankar zich ontpopt tot de ware orkestleider van een symfonie van kunstenaars en kunstwerken, die deze manifestatie doen uitgroeien tot de best denkbare internationale tribune van de Art Nouveau in België. Een reeks kleine "loges" tenslotte, wil het beeld van de architect vervolledigen door de aandacht te vestigen op een winkelpui, een sanatorium, een utopische stad, een fraaie tekening, een architectuurfragment... terwijl een diareeks moet toelaten de veelzijdigheid van de architect en diens determinerende invloed op de typlogie van latere stadswoningen naar waarde te schatten.

' ft^Oft^

Naar aanleiding van de tentoonstelling wordt niet alleen een Art Nouveau stadswandeling bewegwijzerd, maar verschijnt tevens een tweede publikatie van Frangois Loyer, gewijd aan Paul Hankar. Dit nieuwe boek wil een inleiding vormen tot het universum van Paul Hankar, refererend aan de Europese avant garde.

»!/> Paul Hankar, Koloniale Tentoonstelling van Tervuren, 1897. Ontwerp voor de portiek van de ethnografische sectie

Paul Hankar, Tien jaar Art Nouveau. Fondation pour {'Architecture, Kluisstraat 55, 1050 Brussel. Toegankelijk van 17 december 1991 tot 1 maart 1992, dagelijks uitgezonderd op maandag, van dinsdag tot vrijdag van 12.30 u tot 19 u, zaterdag en zondag van 11 u tot 19 u. Frangois Loyer, Dix ans d'Art Nouveau, Editions AAM. et C.F.C, editions, Brussel, 1991. Tweetalig Frans/Engels, formaat 21x30cm, 176 p. 200 illustraties (kleur en zwart-wit). Verkoopprijs: in de boekhandels 2000,-bfr.; op de tentoonstelling 1700,-bfr.

B I N N E N K R A N T


M&L CITAAT

"C'est une justice que l'on doit rendre aux Belges, üs soignent leurs monuments avec un amour tout Mal; une pierre n'est pas plutöt tombée, qu'elle est remplacée; un trou ouvert, qu'il est bouché; ils les mettraient volontiers sous verre, et ceia est vraiment un état agréable, que Vêtat des monuments dans ce pays-la...".

Théophille Gautier, Zigzags, Parijs, 1854, p. 108-113.

Op dit punt moet men de Belgen recht doen wedervaren: zij verzorgen hun monumenten met kinderlijke liefde; een steen is nog niet gevallen of hij wordt al vervangen; een gat nog niet open, of het wordt al gedicht; zij zouden hun monumenten nog liefst in een glazen stolp stoppen, en de staat waarin de monumenten zich bevinden in dat land, is werkelijk fraai.


M&L

In de jaren 1915-1916 wordt onder leiding van Frans van Rompay met 30 werklieden druk gewerkt aan de heropbouw van het Sint-Michielsgebouw. Ook het dak en het gewelf van de kerk (beschadigd door een bom), het dak van de kapel, de daklantaarns van de keuken en de buitenkoepel van de wintertuin worden hersteld. Men bouwt ook een nieuwe hoeve waarin op 16 maart 1917 de eerste koeien ondergebracht kunnen worden. Daardoor kan in een aantal basisprodukten worden voorzien. De grote ketel van de brouwerij wordt door de Duitsers in beslag genomen en ontmanteld. De tijdig verborgen kerkklokken wordt dit lot bespaard. Op 16 november 1918 verlaten de laatste Duitsers het Wavers grondgebied. Tijdens de aftocht wordt de meisjesschool nogmaals als kazerne gebruikt, waarbij heel wat van de inboedel als stookhout in rook opgaat. Het dorp kan echter herademen: de oorlog is ten einde.

HET INTERBELLUM

De heropbouw van het Waverse Ursulinenklooster gaat vanaf dat ogenblik ongehinderd verder. Met behulp van de oorlogsschadevergoedingen kunnen de gebouwen in luister herrijzen. Voor de enorme bouwactiviteiten, die enkele jaren in beslag zullen nemen, wordt op vraag van aannemer Van Pottelberg een speciaal Decauvillespoor aangelegd van het klooster tot aan het tramspoor, in gebruik vanaf 1 december 1919. Bij de terugkeer van de zusters uit Engeland in maart 1919 wordt de cryptezaal, die tijdelijk dienst deed als parochiekerk, voor hen ontruimd. Van dan af en tot de voltooiing van de heropbouw van de parochiekerk gaan de parochiale zondagsvieringen door in de meisjesschool, die hiervoor aangepast wordt. De lessen van de Lagere Meisjesschool dienen daarom door te gaan in de lokalen van de Bewaarschool en in een barak van het Albertfonds. Een nieuwe omzendbrief geeft te kennen dat de school zoals voorheen functioneert en op 5 mei 1919 komen de eerste pensionaires toe: het zijn er eerst maar een 40-tal. Bij de start van het nieuwe schooljaar 1919-1920 is de situatie zo goed als genormaliseerd, met reeds 330 internen die hoofdzakelijk in het ondertussen afgewerkte Sint-Michielsgebouw zijn ondergebracht. Ook de Normaalschool — vanuit Mechelen, naar Onze-Lieve-Vrouw-Waver

teruggebracht — vindt een tijdelijk onderkomen op het gelijkvloers van dit gebouw. Het 5de facultatieve jaar, dat vanaf 1910 bestond in de lokalen van de Lagere en Middelbare Normaalschool, wordt met de steun van de heer De Vuyst van het Ministerie van Landbouw, die de hervatting van deze cursus stimuleert, en van lesgever E.H. Van Olmen, bestuurder van de Boerinnenbond, heringericht en erkend. Geleidelijk wordt daarvoor de nodige infrastructuur — grotendeels vernield door de oorlogshandelingen — opnieuw opgebouwd: de keuken wordt heringericht en men beschikt naast de vernieuwde "aanschouwingsmiddelen" ook over een bibliotheek, een huisapotheek, een melkerij, een botanische tuin, een proeftuin, een moestuin en een boomgaard. Mère Félicité Van Assche en Mere Dominique de Creeft zetten intussen hun academische studiën aan de Leuvense universiteit voort. Zij zijn er de eerste studentinnen- religieuzen en later ook de eerste kloosterzusters die er tot doctor promoveren. Vele Waverse Ursulinen zullen hun voorbeeld volgen, wat uiteraard aan het onderwijspeil van de verschillende afdelingen ten goede zal komen. De heropbouw vordert ondertussen vrij goed, zodat op 28 augustus 1920 de zusters hun nieuwe cellen kunnen betrekken. In 1921 wordt de vernieuwde — en verplaatste — pianogalerij opnieuw in gebruik genomen. Deze ingreep was noodzakelijk geworden omdat men bij de herstelling van de vernielde gebouwen beslist had de wintertuin te keren. Door de constructie in het gebouwencomplex — tussen twee vleugels in — te integreren hoopte men de nodige bescherming te bieden aan deze kwetsbare 'ijzer en glas'-structuur. Juist omwille van deze kenmerken — een ijzeren karkas opgevuld met prachtig geëtst glas en kleurrijk glas in lood — was deze operatie technisch mogelijk. In oktober 1921 zijn de gebouwen van de Normaalschool klaar terwijl de gebouwen van de spreekkamers al onder dak staan. Ze kunnen op 28 september 1922 — zij het nog zonder bemeubeling — worden ingehuldigd. De decoratie en de afwerking van de gebouwen gaat in de loop van de volgende jaren onverminderd door: zo plaatst men op 21 november 1921 het gerestaureerde Sint-Cecilia-beeld opnieuw in de pianogalerij; de Madonna aan de eretrap, een marmeren Maria-beeld door Baudouin Tuerlinckx


M&L

35

dat eraan wordt toegevoegd en het gebouw een cottage-achtig uitzicht geeft, zorgt vermoedelijk voor de nieuwe naam: "Villa". In juli 1923 begint men aan de reeds lang noodzakelijk geworden verbouwing van de Lagere Meisjesschool, annex Kleuterschool, naar plannen van provinciaal bouwmeester Careels. Pas op het einde van het schooljaar 1924-1925 zijn de werken voltooid. Naast de klasruimten is er onder meer een aparte turnzaal en een ruimte voor geneeskundig onderzoek voorzien. Hier wordt ook de gemeentelijke bibliotheek ondergebracht.

Het Instituut rond 1930 (prentbriefkaart)

De hoeve met de gebouwen van de Landbouw & Huishoudkundige Normaalschool (prentbriefkaart)

gebeeldhouwd en ter gelegenheid van het 25-jarig superioritaat van Eerwaarde Moeder Albertine Van Genechten haar door de leerlingen aangeboden, wordt op 25 november 1923 ingezegend. Ondertussen was in 1920 door de Staat te LakenNossegem een school voor Hoger Landbouw-Huishoudonderwijs opgericht, waar het mogelijk wordt een diploma van Landbouw-huishoudkundig regentes te behalen en was op 20 augustus 1920 het leerplan voor de 4de graad van het Lager Onderwijs verschenen. Vanuit het Ministerie van Landbouw, het Provinciebestuur en de Boerenbond wordt verder getracht de landbouwafdelingen van de lagere graad, voor meisjes ouder dan 14 jaar, vanaf 1923-24 uit te breiden. Eén van de middelen daartoe is uiteraard het stimuleren van de leerkrachtenopleiding. Te Onze-Lieve-VrouwWaver, waar men al deze ontwikkelingen met belangstelling volgt, wordt hiervoor vanaf 1922 gepleit door E.H. Van Olmen. Vanaf 1924-25 gaat men in het Instituut dan ook van start met een "Vrije Hoogere Normaalschool voor Landbouwhuishoudkundig Onderwijs", een zelfstandige normaalschool waar men aan onderwijzeressen en regentessen een gespecialiseerde opleiding voor het onderwijs in de landelijke huishoudkunde wil bieden en waar men bovendien jonge meisjes uit de leidende kringen van het platteland op hun toekomstige rol wil voorbereiden. Hiervoor richt men tussen de modelhoeve, de tuin en het park in 1923 een speciaal paviljoen in: het Academie-gebouwtje, met onderaan waslokalen, een schrijnwerkerij en stallingen en op de verdieping een leslokaal voor "toegepaste kunst" wordt daarvoor verbouwd. Het elegante torentje

Bij het begin van het schooljaar 1923-1924 nadert het leerlingenaantal 800 internen. Gelukkig is nu ook het Heilig Hart-gebouw nagenoeg klaar, wat toelaat de verschillende secties van het pensionaat optimaal in te richten. Alle gebouwen — bij de heropbouw eerst uitgerust met gewone platte daken — worden geleidelijk voorzien van zadeldaken. Men versiert verder de kerkgaanderij met een groot Zwitsers landschap en met kleinere taferelen van bekende plaatsen in Palestina en richt de Empire-gang in. Door de aankoop op 24 juli 1924 van ruim 24,25 are grond ten zuidwesten van het "muziekkwartier" — met name "Peerkenshof" — is nieuwe uitbreiding mogelijk. De feest- en recreatiezaal Sint-Cecilia wordt er ingehuldigd op 21 juni 1925. Door het tot stand komen van deze uitbreiding verliest de serre haar gunstige positie en dient ze naar het zuidoosten verplaatst te worden. In oktober 1924 zijn er in de Normaalschool voor het eerst meer dan 300 leerlingen ingeschreven wat opnieuw tot plaatsgebrek leidt. Gelukkig is de nieuwe slaapzaal Sint-Ignatius, met 70 chambretten klaar. Om deze slaapzaal met het Heilig-Hart-

- Wavre Hofre-Damr


m -^riKïïöttiii*^*-


M&L

MM Bij de eretrap in roze marmer - met de Madonna van B, Tuerlinckx is een iichfe invloed van de art decostijl aanwijsbaar (foto 0, Pauweis)

Elke refter heeft zijn karakteristieke decoratie: in de La Fonfaine-teïïer leren de muren ons de wijze lessen urt de beroemde fabels (foto O. Pauwels)

37

gebouw te verbinden bouwt men over het dak van de achterkapel een sierlijke houten galerij. Andere verwezenlijkingen uit deze periode zijn de decoratie van de pianogalerij, met naast de muurschilderingen ook de bouw van een nis voor het gerestaureerde Sint-Ceciliabeeld, en de verbinding van deze galerij met de Sint-Ceciliazaal. Het — nu verkleinde — oratorium is in 1925 volledig hersteld, geschilderd en bemeubeld met neogotische koorbanken. Het wordt ingehuldigd op 25 maart, feest van Maria-Boodschap. De vroegere zijbeuken zijn aparte ruimten geworden en de achterkapel is tot schoolmuseum omgevormd. Ook de kloosterkerk wordt verder verfraaid: het Ursulabeeld door Bruno Gerrits wordt eind januari 1924 onder het hoofdaltaar geplaatst en tijdens de vasten 1925 wordt de witstenen kruisweg, eveneens van de hand van Bruno Gerrits, aangebracht. De kruiswegtaferelen op doek, van de hand van Jan Baptist Walgrave, worden aan de eretrap geplaatst. Op 2 juli 1925 komt kardinaal Mercier het vormsel toedienen aan de jonge leerlingen en tegelijkertijd zegent hij de lokalen van communauteit, normaalschool en pensionaat in.

Vanaf januari 1926 tot maart 1928 zijn er onderhandelingen over de erkenning van de in 1905 opgerichte Beroeps- en Handelsafdeling van de Vrije Meisjesvakschool; hinderpaal daarbij is onder meer het al dan niet als leerling aanvaarden van externen. De erkenning wordt uiteindelijk verleend op 1 mei 1928, met terugwerkende kracht tot 1925-1926. Deze 'meisjesvakschool' bestaat uit een Handelsafdeling en een Beroepsafdeling. In de buurt van de hoeve is de stijlvolle constructie in cottage-stijl, bedoeld om de leerlingen van de Hogere Landbouwhuishoudschool te herbergen in oktober 1926 voltooid. Na inspectie van deze nieuwe gebouwen, volgt ook hier de officiële erkenning door de staat. Het is — na Laken en Berlaar — de 3de van die aard in België. Opvallend is vooral dat er veel buitenlandse studentinnen — waaronder heel wat ten gevolge van de Russische revolutie gevluchte adellijken — uit Polen, Litouwen en Roemenië, maar ook uit Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië en Nederland en zelfs uit Turkije, Panama en Brazilië ingeschreven worden. In de jaren '30 verruimt men in de Kleuterschool de froebelmethode met elementen uit de methodes


38

M&L

van Maria Montessori en van Dr. Ovide Decroly, terwijl men in de Lagere School de invloed van de proefondervindelijke pedagogiek, i.e. van de "vrije doeschool" onderging. In het pensionaat blijft de leerlingenopkomst bevredigend ondanks de economische crisis. Op het wettelijke vlak worden verschillende ingrijpende maatregelen van kracht. Zo geldt, door de bekrachtiging van een taalwet op 14 juli 1932, als principe dat in het kleuter-, lager en middelbaar onderwijs de voertaal dezelfde moet zijn als die van het taalgebied. Er zijn echter ook faciliteiten voorzien. Het Instituut voldoet hieraan gezien er sinds lang een Vlaamse naast een Waalse afdeling bestaat. Op 11 maart 1933 krijgt het technisch onderwijs, dat wegens de economische crisis aan belang wint, eindelijk een statuut. Regelingen daarvoor worden in een organiek besluit van 10 juli 1933 gegeven. Ook worden de bepalingen uit 1932 over de voertaal in lager en middelbaar onderwijs eveneens van toepassing. In de Handels- en Beroepsafdeling richt men daarom een vernieuwd inrichtend comité op en dient men een aanvraag in tot erkenning van de Franstalige afdelingen. Omdat er in 1934 onduidelijkheid bestaat over het voortbestaan van de in 1898 opgerichte Tijdelijke

Staatsleergangen voor Huishoudonderwijs, besluit men de verder evolutie niet af te wachten en over te gaan tot de oprichting van een "Hoogere Normaalschool voor Huishoudkundig Onderwijs". Om dit mogelijk te maken wordt de LandbouwHuishoudnormaalschool afgebouwd en omgevormd tot een Hogere Normaalschool voor Huishoudkundig Onderwijs, eveneens met driejarige opleiding. Na tal van besprekingen in oktober en november 1935, wordt deze in juni 1936 erkend als vakschool van de middelbare graad met normaalafdeling. Deze omvorming, blijkt succesrijk. Er zijn dan ook al snel plannen tot uitbreiding van de gebouwen. Zo wordt de "villa" (of paviljoen der Onbevlekte Ontvangenis) — reeds een eerste maal vergroot in 1928 — voorzien van grote keukens, was-, strijk- en naaiplaatsen. Op 8 december 1939 worden de — door de Aalsterse architect en kunstschrijnwerker Alfred Van Den Eynde — aangepaste en vernieuwde gebouwen door vicaris-generaal Van Eynde ingezegend. Ondertussen overleed op 21 maart 1935 algemeen overste mère Albertine Van Genechten, die veel deed voor de pedagogische opleiding van de leden van haar zustergemeenschap en die de wederopbouw na de Eerste Wereldoorlog stimuleerde. Zij wordt op 6 mei 1935 opgevolgd door mère Geneviève Wolfcarius. Onder haar impuls zal het


M&L

39

insiftut des ürsujines - Wawre Notre-Oame Entree du P B ' C .

De oaspronkelijke eenheid van het park met de met bomen en struiken begroeide speelplaatsen roept heimwee op (prentbnefkaart)

Instituut verder uitgebreid worden tot een bloeiend centrum van levende, katholieke cultuur: zij zorgt onder meer voor de moderne uitrusting van de laboratoria voor de wetenschappelijke vakken en laat een centrale bibliotheek inrichten ten behoeve van de leraressen en leerlingen. In 1936 worden de verschillende gebouwen door een intern telefoonnet met elkaar verbonden en schaft men zich voor het eerst brandblusapparaten aan. Ook aan verfraaiing wordt gedacht: op 3 december 1936 vindt de wijding van drie koperen zijaltaren — opgedragen aan het Heilig Hart van Jezus, aan Onze Lieve Vrouw en aan Sint Jozef — in de kloosterkerk plaats en op Kerstmis 1937 wordt de monumentale marmeren kerstkribbe van Bruno Gerrits ingehuldigd. Vanaf september 1939 zijn in het dorp soldaten gelegerd die een ijzeren anti-tank-muur oprichten, bunkers bouwen en loopgrachten graven: een verdedigingslinie loopt op 10 meter afstand van het Instituut. Vanaf de toren van het SintElisabethgebouw houden twee schildwachten vliegtuigen in het oog. Ondanks de mobilisatie blijft het inschrijvingspeil hoog. De internationale ontwikkelingen voorspellen echter weinig goeds.

DE TWEEDE WERELDOORLOG

Vanaf vrijdag 10 mei 1940 — begin van het pinksterverlof — tot begin juni worden de lessen

onderbroken en worden de leerlingen naar huis gestuurd. Slechts een 20-tal leerlingen kunnen hun ouders niet vervoegen. De kloostercamionette pendelt meermaals tussen Onze-Lieve-VrouwWaver en Brussel-Molenbeek om de zieke en oude zusters in veiligheid te brengen. Op zondag 13 mei vertrekken alle andere zusters, op 15 zusters onder leiding van de econome mère Hedwige na. Dag en nacht heeft men intussen voedsel, dekens en dergelijke aan hulpbehoevenden uitgedeeld. De schoolgebouwen worden een tijd lang door de Belgische militaire overheid opgeëist; op 17 mei wordt het complex 2 a 3 uur lang beschoten. De kerk wordt door een dozijn brandbommen getroffen: de slaapzaal Heilige Engelen in het Sint-Michielsgebouw wordt hierbij vernield. De slaapzalen van de Normaalschool en van het Heilig-Hartgebouw zijn eveneens zwaar beschadigd. Een 8-tal nog niet ontplofte obussen dienen te worden opgeruimd. In de Handels- en Beroepsafdeling zijn bijna alle ruiten gebroken: zoldering, muren , ramen en deuren zijn door bommen beschadigd en het bureel van de directrice en één beroepsklas zijn totaal onbruikbaar geworden. De Waverse groep van 15 zusters die op de middag van 16 mei de gebouwen toch dienden te verlaten, komen op 19 mei naar het zwaar gehavende complex terug. Reeds vanaf 3 juni worden de leerlingen stilaan voor hun (eind)examens teruggeroepen. Op 2 september is de grootste schade hersteld, al blijven er twee vleugels buiten gebruik, en kan er — met 655 internen en een 50-tal externen — opnieuw gestart worden. De communauteit — die op dat ogenblik uit niet minder dan 252 religieuzen bestaat — viert op 22 april 1941 '100 jaar Ursulinen in Waver' in aanwezigheid van kardinaal Van Roey en andere prominenten. De oudleerlingenbond schenkt een wit marmeren herinneringsplaat, waarin door de Antwerpse beeldhouwer Bruno Gerrits "Christus biddend in Gethsemani" is gekapt. Een belangrijk eeuwfeestalbum wordt uitgegeven. In september 1941 is het leerlingenaantal gestegen tot 712, waaronder 70 externen. De voedselbevoorrading met "oorlogsbonnekens" wordt, net als de verduistering en de verwarming, een nijpend probleem. De scholen van het Instituut tellen op dit moment in het gebouwencomplex namelijk niet minder dan 32 klaslokalen, 14 werkplaatsen en 2 laboratoria (circa 2600 m2).


40

M&L

Uit een brief van Flor Grammens van 22 februari 1943 vernemen we dat de taaiinspectie bij haar bezoek aan de scholen vaststelde dat de Nederlandse afdelingen in heel het Instituut "zeer degelijk zijn ingericht". Wel dringt de taaicommissie erop aan dat men in de Franse afdelingen enkel Waalse kinderen zou opnemen, want nu zijn die "gedeeltelijk bevolkt door meisjes die het Vlaamsche land bewonen". De school is echter volledig in orde met het koninklijk besluit van 11 maart 1933.

Na de Eerste Wereldoorlog werd de vroegere kapel verkleind en omgevormd tot Maria-oratorium (foto O Pauwels)

Daarnaast zijn er nog 4 eetzalen en 3 speelplaatsen (circa 2000 m2), vele slaapzalen, een ruime badplaats en doucheruimte en een aparte ziekenzaal. Op 9 september 1943 na de inhuldiging van het heropgebouwde Sint-Michielspaviljoen beschikt men zelfs over nog meer ruimte.

Na de bevrijding van het dorp op 4 september 1944 (om precies te zijn van 18 oktober 1944 tot juli 1946), wordt een deel van de gebouwen tot militair hospitaal omgevormd. Na de doortocht van een 100-tal "woestijnratten" die in de SintCeciliazaal verblijven, vestigt zich achtereenvolgens het 32e psychiatrisch hospitaal uit de 21e legergroep van de Engelse Montgomerydivisie uit het Afrika-corps, met méér dan 1000 patiënten; vanaf maart 1945 het 106e hospitaal uit de 21e Army-groep en uiteindelijk vanaf mei 1945 een Belgisch hospitaal met 100 tot 150 herstellende soldaten. Bovendien is er in 1944-45 opnieuw schade door inslaande Vl's en V2's. Het is dan ook moeilijk om de 950 leerlingen in deze omstandigheden allen passend onder te brengen (13).

ONTWIKKELING NA DE OORLOG (14)

In de vroegere achterkapel werd een deel van de uitgebreide didactische

collectie ondergebracht (foto 0. Pauwels)

Op 1 oktober 1945 zijn er opnieuw 950 leerlingen. Het onderwijsaanbod wordt in de volgende jaren verder gedifferentieerd en gestructureerd. Parallel hiermee wordt ook het gebouwencomplex geregeld aangepast aan nieuwe of veranderde noden. Opvallend daarbij is dat — in tegenstelling tot de periode hiervoor — het Instituut niet meer wezenlijk uitgebreid wordt en het beschikbare bouwvolume nagenoeg hetzelfde blijft. Om aan de nieuwe behoeften te voldoen doet men nu vooral aan "inbreiding" - aanpassing van bestaande ruimtes, die door een gewijzigde situatie hun oorspronkelijke functie verloren - of men moderniseert ingrijpend. Zo wordt tijdens de vakantie van 1948 de keukeninstallatie vernieuwd: een nieuw fornuis, electrische apparaten voor het snijden van brood en vlees, voor het reinigen van groenten, en een boiler van 2500 liter voor de warmwaterbevoorrading van keuken, baden en wasplaats doen hun intrede: het vele werk wordt er iets door verlicht.


M&L

41

het sluiten van het 'schoolpact', ontstaat een nieuwe schoolvrede. In de tussenperiode worden tengevolge van nieuwe onderwijswetten verschillende aanpassingen noodzakelijk. Zo wordt het in december 1955 nodig het Inrichtend Comité van de Technische afdeling tot een v.z.w. om te vormen. Deze nieuwe v.z.w. krijgt de naam Technisch Instituut van de Ursulinen te Onze-LieveVrouw-Waver. Ook in de normaalscholen dienen zich veranderingen aan. Door het verschijnen van de gecoördineerde wetten op het normaalonderwijs en het koninklijk besluit van 8 oktober 1957 wordt de structuur van de normaalscholen — en dit voor het eerst sinds 1896 — ingrijpend gewijzigd. De 'voorbereidende afdeling' of lagere school van het internaat wordt in 1961-62 eerst aangenomen en krijgt in 1964 — als laatste afdeling van het pensionaat — haar erkenning als lagere school. Eveneens in 1964 wordt aan de humanioraafdeling haar huidige officiële benaming Sint Ursula Lyceum gegeven. In september 1964 wordt de volledig vernieuwde kleuteroefenschool in gebruik genomen.

Vele generaties meisjes werden zich bij de dagelijkse kerkgong ook bewust van de Zwteerse bergenpracht dank zij het artistieke talent van J.-B, en W Walgrave (foto 0. Pauwels)

Dat is nodig want in september 1951 zijn er 803 leerlingen, waarvan 627 internen: met de 360 leerlingen van de gemeentelijke lagere meisjesoefenschool erbij zijn er nu in het hele instituut 1163 leerlingen ingeschreven. De congregatie verstrekt in al haar bijhuizen onderwijs op verschillende niveau's aan niet minder dan 7043 leerlingen. Ook in de jaren '50 zijn er verschillende veranderingen op onderwijsvlak: Het regentaat, de froebelnormaalschool en de humaniora worden in 1952 van staatswege erkend en, na gesprekken met vicaris-generaal Monseigneur Van Eynde van het Nationaal Verbond van het Katholiek Onderwijs, wordt besloten de Franse afdelingen in het Instituut definitief af te bouwen. Door het uitvaardigen van de 'ongeluks'-wet Collard op 27 juli 1955 breekt de schoolstrijd niet lang daarna in volle hevigheid uit. Pas in 1958, bij

Om de sportbeoefening op de speelplaatsen mogelijk te maken worden de twee grote speelplaatsen in 1960 van hun prachtige bomen ontdaan. Een andere minder geslaagde ingreep is de afbraak in 1964 van het torentje van de Villa, noodzakelijk geworden omdat één van de houten peilers het begaf. Ingrijpend is ook de vervanging van het lange zwarte kloosterhabijt van de zusters door een iets korter, uniform grijs kleed. Een grote vooruitgang is ook de electrificatie van alle schoolbellen die in september 1963 op een centrale klok worden aangesloten. In de jaren 1970 en 1980 zijn er op onderwijsvlak opnieuw verschillende belangrijke verschuivingen: Op 19 juli 1971 wordt de structuur en de organisatie van het secundair onderwijs gewijzigd. Dit Vernieuwde Secundair Onderwijs wordt in het Instituut pas in september 1980 ingevoerd, samen met alle andere vrije secundaire scholen van de regio Mechelen. Per 1 september 1989 is aan dit V.S.O.-experiment abrupt een einde gesteld, wanneer een eenheidsstructuur in alle Nederlandstalige scholen van het katholiek secundair onderwijs wordt ingevoerd. Zeer ingrijpend is ook de beslissing om vanaf 1982-1983 de afdelingen voor secundair onderwijs van het Instituut gemengd te maken.


42

M&L

Tegelijkertijd wordt — na een halve eeuw — het Augustinus ten behoeve van het secundair onderwijs tot een aantal klaslokalen omgebouwd. bruin uniform ingeruild voor blauw en grijs. In 1979 zijn de slaapzalen Sint-Philomène en Sint-Elizabeth aan de beurt en in 1983-1984 wordt Zowel in het huishoudkundig regentaat als in de vrije lagere school van het internaat in de Bosstraat de slaapzaal "der Heilige Harten van Jezus en en de gemeentelijke lagere meisjesschool Vinken- Maria" op de 3de verdieping van het humanioragebouw omgevormd tot 6 klassen en een zaaltje. /to/gebeuren aanpassingen, rationalisaties en De geestelijke bibliotheek van de zusters wordt fusies. van het lokaal achter de algemene bibliotheek overgebracht naar het Sint Michielsgebouw. Ook in de Normaalschool vinden opnieuw Ook de kaartenklas — waar heel wat didactische ingrijpende veranderingen plaats. Zo krijgt het opleidingsinstituut na verschillende hervormingen wandplaten werden bewaard — wordt gedeeltelijk ontruimd om aan de steeds maar groeiende nood en een fusie met de Vrije Katholieke Normaalaan klaslokalen te kunnen voldoen. school van Mechelen vanaf 1 september 1987 de nieuwe naam Instituut voor Katholiek Pedagogisch In 1988-1989 wordt in het PHO een vroeger labo tot media-computerklas omgebouwd, terwijl eind Hoger Onderwijs Onze-Lieve-Vrouw-WaverMechelen, met een gemengde LNS in Mechelen, oktober ook beslist wordt de didactische bibliotheek van het PHO een nieuwe locatie te geven. Bleekstraat 2 en een gemengde KNS, LNS en Na ombouw van de slaapzaal op de 2de verdieping MNS te Waver. in de normaalschoolvleugel en na verhuis van circa 17 ton boeken, tijdschriften en andere materialen Ondertussen daalt het aantal internen geleidelijk. kan de volledige gemoderniseerde bibliotheek na Zijn er in 1970 nog 252 internen op 1056 leerlingen de paasvakantie geopend worden. In de vrijingeschreven, dan is in september 1981 het aantal gekomen ruimte richt men onder andere 4 klassen internen reeds tot een 100-tal gedaald. Door de in. Tegelijkertijd wordt ook de slaapzaal op de vele veranderingen op onderwijsvlak en het verdieping erboven tot klaslokalen omgebouwd. stijgend leerlingenaantal wordt de behoefte aan Er zijn ook andere noden nu er meer en meer klaslokalen steeds groter. externe leerlingen zijn. In 1974 wordt de vroegere Worden in 1971-1972 de slaapzalen in de Villa nog koeiestal van de kloosterboerderij een fietsenvan open chambretten tot individuele kamertjes stalling en in november 1978 dient de Sint-Pietersverbouwd, in 1972-73 wordt de slaapzaal Sintkapel te verdwijnen om plaats te maken voor een nieuwe inrit en parkeerplaatsen. Het kwetsbare beeld uit de kapel krijgt half februari 1980 met zijn sokkel opnieuw een plaats in het domein maar zal de zware storm van januari 1990 niet overleven (deze storm veroorzaakt overigens heel wat schade over heel het domein. De kerk is er het ergst aan toe met onder meer beschadigingen aan klokkenkamer en gewelf). Ook in de communauteit zijn er veranderende behoefte. Nu vele oudere zusters zich uit de verschillende 'huizen' terugtrekken, wordt het nodig te kunnen beschikken over een rustoord voor bejaarde, zieke, gehandicapte of herstellende zusters. Zo vindt op 14 oktober 1978 de inzegening van huize Sint-Angela plaats. De 10 eerste bewoners hadden het gebouw, waaraan men in 1975 begonnen was, reeds betrokken op 8 september 1977. De eerste Heilige Mis wordt in de nieuwe kapel gecelebreerd op 30 augustus 1978. In het voorjaar van 1984 krijgen de scholen een aparte ingang met onthaal langs de Bosstraat. De crypte-zaal onder het kerkgebouw wordt


43

— van feestzaal — tot turnzaal aangepast. De ruime studiezaal van het pensionaat wordt in 1986 verbouwd tot leraarsruimte ten behoeve van Lyceum en Technische Afdeling en op het einde van het jaar begint de gemeente met de aanleg van een nieuwe parking op Peerke's hof, naast de wintertuin. In 1990 worden de grote feestzaal (of Sint-Ceciliazaal) en de aanpalende dienstruimten gemoderniseerd. Van een geheel andere aard is de inhuldiging op 17 juni 1988 van een educatief natuurreservaat binnen het domein, opgericht met steun van de Koning Boudewijnstichting. Met dit succesvolle project — een ideale ondersteuning voor lessen biologie en ecologie — staat men op dat ogenblik alleen in Vlaanderen. Het Instituut sluit door dit initiatief echter aan bij de lange traditie van aandacht voor de natuur, voor het schone en het goede, waarvan ook het gebouwencomplex onmiskenbaar getuigenis aflegt. Er zijn in 1991 — 150 jaar na de aankomst van de eerste Ursulinen te Onze-Lieve-Vrouw-Waver — in de schoolgemeenschappen verbonden met het Instituut niet minder dan 2520 leerlingen en studenten ingeschreven, waarvan 599 in de basisschool (170 in de kleuterschool, 429 in de lagere school); 1459 in de secundaire scholen (940 in het Sint-Ursula-Lyceum, 519 in de Technische Afdeling) en 462 in het Instituut voor Katholiek Pedagogisch Hoger Onderwijs (waarvan 331 in de vestigingsplaats Onze-Lieve-VrouwWaver).

(3)

(4)

(5)

(6)

(7)

(8)

(9)

(10)

(11)

Deze groei en bloei ware niet mogelijk geweest zonder de inzet en de visie van vele generaties Zusters Ursulinen.

VOETNOTEN (1) Alle gegevens uit de kloosterannalen over de evolutie van het gebouwencomplex werden kritisch getoetst aan de kadasterplannen vanaf 1841. Hierdoor was het mogelijk een beter inzicht in de verschillende ontwikkelingen en bouwfasen te verkrijgen. (2) In het midden van de 19de eeuw stond in deze Ursulinenpensionaten — die gezien hun succes klaarblijkelijk beantwoordden aan een duidelijke behoefte — uiteraard het christelijk opvoedingsideaal centraal, met veel aandacht voor de religieuze opvoeding. Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat heel wat kostschoolmeisjes, aangetrokken door de levenswijze van hun leraressen, later intraden. Ook de kennis van de Franse taal en cultuur werd als zeer belangrijk geacht. Het onderwijs in deze taal bracht overigens mee dat ook talrijke vreemdelingen uit de begoede klassen aangetrokken konden worden.

(12)

(13)

Deze bouwactiviteit was slechts mogelijk door de mildheid van juffrouw Ernestine-Fulvie de Priuli, die onder de naam zuster Marie-Joseph intrad en haar persoonlijk fortuin ter beschikking stelde. De totale kosten bedragen 53.076,-fr. (22.873,-fr. voor de ruwbouw; 900,-fr. architectenhonorarium; 12.373,-fr. voor het pleisterwerk en de binnenafwerking; 7.875.-fr. voor het altaar; 840,-fr. voor de kruisweg; 665,-fr. voor de communiebank. 1.050,-fr. voor de ingangsdeur en ander houtwerk en 6.500,-fr. voor het orgel; een klok is oorspronkelijk niet voorzien - die zal er pas op 16 november 1877 komen). De eerste mis wordt er op 2 oktober 1863 opgedragen. Deze vleugel, die eind oktober 1873 onder dak staat maar pas in 1875 volledig voltooid zal worden, domineert met zijn 48 x 16 x 15 m de andere gebouwen en kon bekostigd worden dank zij de mildheid van mère Cecile Koehler. Deze indeling zal tot na de eeuwwisseling — wanneer de beroeps- en handelsafdeling en het lyceum zich beginnen te vormen — behouden blijven. De totale kostprijs bedraagt 3.010,-fr. (2.250,-fr. voor de grot zelf; 410,-fr. voor het ijzeren afsluithek en 350.-fr. voor de zitbanken). Naast de 30 zitplaatsen voor de zusters die romdom op kerkstoelen plaatsnamen, beschikte men — als men alle ruimte op de tribunes, naast het altaar, op het oksaal en op de lange bidbanken van de achterkapel benutte — immers maar over maximaal 80 tot 100 zitplaatsen en dit was duidelijk onvoldoende. Hiermee werd op dit vlak baanbrekend werk verricht. Tot circa 1930 werden bijvoorbeeld meer dan 1200 certificaten uitgereikt. Verder zal uit dit initiatief in de jaren 1920-1930 eerst een Landbouwkundige Normaalschool groeien die later wordt omgevormd tot een Huishoudkundige Normaalschool. De schoolsituatie in 1905-1909 is dan ook als volgt geworden: in het pensionaat zijn 430 leerlingen ingeschreven waarvan 125 van vreemde nationaliteit (65 Engelse, 29 (Latijns) Amerikaanse, 13 Duitse. 9 Nederlandse, 3 Spaanse, 2 Franse meisjes en telkens één van Oostenrijkse, Italiaanse en Russische nationaliteit en één Afrikaanse). Al deze leerlingen zijn verdeeld over niet minder dan 17 klassen. In de normaalschool zijn 156 leerlingen ingeschreven waarvan slechts enkele vreemdelingen: 7 van het Amerikaans continent en 1 Nederlandse. Op initiatief van Z.E.H, directeur Op de Beeck werd al in 1900 een leerlinge — juffrouw Maria Aerts — voorbereid tot het afleggen van het examen middelbaar onderwijs voor de centrale jury. Daarmee was een eerste stap gezet; de leraressen volgden verder tot voorbereiding op deze nieuwe taak reeds enkele jaren, vanaf circa 1910, vóór en na hun dagtaak lessen Latijn en Grieks. De Eerste Wereldoorlog hinderde de ontwikkeling van deze jonge afdeling, waarin het self-government systeem werd ingevoerd. Op 2 augustus 1916 wordt een verordening tot vernederlandsing van de lagere normaalschool gepubliceerd. In samenspraak met het aartsbisdom wordt besloten zich hier niet naar te schikken en dit standpunt met alle vrije scholen in te nemen. Na een huiszoeking door een 12-tal Duitsers in burger, tijdens de klandestien georganiseerde eindexamens, wordt de Normaalschool op 22 oktober 1917 op last van de bezetter gesloten. Ondanks bemiddeling van heel wat vooraanstaanden en petities naar von Falkenhausen en de rijkskanselier, wordt het gebouw op 2 november zelfs verzegeld. Acht dagen later wordt de schoool — voor de leerlingen uit de omgeving — elders in Mechelen heropend. Ze zal daar tot januari 1919 gevestigd blijven. De Normaalschool wijkt opnieuw tijdelijk uit: de Vlamingen naar Mechelen en de Sint-Mariaschool, de Walinnen naar Argenteuil. De Huishoudkundige Normaalschool wordt overgebracht naar de school op de Merchtemse steenweg te Sint-Jans-Molenbeek, waar men over een goed ingerichte


44

M&L

De studiebibliotheek ademt rust en ondersteunde decennia-lang de onderwijspraktijk (foto 0, Pauweis)

keuken en huishoudklassen beschikt. Ook van de humaniora worden gedurende enkele maanden een paar klassen tijdelijk overgebracht naar filiaalhuizen te Brussel (Koekelberg en Molenbeek-Karreveld) en te Mechelen. De leraressen reizen daardoor heen en weer. (14) De vaak zeer ingewikkelde evolutie van de verschillende scholen wordt in wat volgt summier behandeld. Slechts enige krachlijnen komen hier aan bod en dan nog vooral in zoverre de ontwikkelingen relevant zijn voor de evolutie van het gebouwencomplex. Uitvoerige en gedetailleerde informatie hierover vindt men wel in de historische kroniek die tegelijk met dit arikel gepubliceerd wordt.

BEKNOPTE

BIBLIOGRAFIE

Ongepubliceerd materiaal — Kronijk van Gethsemcmi, 1841-1914, ongepubliceerd typoscript, 87 p. — Chroniques de Gelhsémani. 1841-1970. ongepubliceerd typoscript, 8 delen, circa 740 p.

Publikaties over het Instituut — Pensionnat et Ecole normale des Religieuses Ursulines de Wavre-Notre-Dame. Rapport de t'Année scolaire 1908-1909. Eigen beheer, 88 p.

— Nas Annales, jg. 1, 1909-1910, oud-leerlingenblad onder verschillende titels voortgezet tot 1974; vanaf 1972-73 beschikken de verschillende afdelingen over een eigen oud-leerlingenblad met verschillende titels. — De Ursulinen van Gethsemani 1841-1941. Gethsemani 1841-1941 rut honderd jaar gebed en arbeid. Eigen beheer, 129 p. — Honderd jaar Katholieke Normaalschool Onze-Lieve-VrouwWaver 1864-1964. Jubelalbum. Eigen beheer, ongepagineerd. — De Ursulinen van Onze-Lieve-Vrouw-Waver. De Ursulinen van Brescia tot Onze-Lieve-Vrouw-Waver. 12 juli 1981. Eigen beheer, 21 p. — De Ursulinen van Onze-Lieve-Vrouw-Waver in de missie. 1931-1981. De Ursulinen van Onze-Lieve-Vrouw-Waver 50 jaar in de missie. 14 september 1981. Eigen beheer, 80 p. — 450 jaar Ursulinen 1935-1985. Catechetische map. Eigen beheer, 47 p. + bijlagen; bevat bibliografie. — Constituties van de Zusters Ursulinen van Onze-Lieve-VrouwWaver. Eigen beheer, 1989, hoofdstuk: "Onze congregatie historisch gesitueerd". — 1841-1991. 150 jaar Ursulinen Onze-Lieve-Vrouw-Waver. Catechetische map. Eigen beheer, 32 p.; bevat bibliografie. — Baeck M., Gethsemani 1841-1991. Historische kroniek van het Instituut der Religieuzen Ursulinen te Onze-Lieve-Vrouw-Waver, Onze-Lieve-Vrouw-Waver. 1991, (mededelingen van het Jozef van Rompay - Davidsfonds-genootschap vzw, III). — Van Rompay J., Bijdrage tot de geschiedenis van Onze-LieveVrouw-Waver, Lier, Van In, 1970, 382 p. — Steffens, Zr. G., Herinneringen aan de tijd van toen. Onze-Lieve-Vrouw-Waver 1927-1940. Eigen beheer. 1983, 63 p. — Vandenbreeden J., In de tijd dat de school een school was, in Monumenten en Landschappen, extra nummer, open monumentendag 1991, p. 58-59.


M&L

45

TAFELEN MET ISIS EN OSIRIS. DE EGYPTISERENDE EETZAAL VAN KASTEEL MOELAND TE SINT-NIKLAAS EUGENE W A R M E N B O L e n PETRA

MACLOT

De overwinnende farao (Paneel A, links) bedreigt een bosje vijanden. Rechts (Paneel B), een farao in de armen van een gekroonde god (foto G, Charlier)

De Egyptische zaal van het kasteel

verleend had om in de tuin van het

Moeland hoort tot de mooiste en best

kasteel Moerland (sic) op ongeveer

bewaarde creaties in haar soort.

20 meter van de tuingevel een nieuw

Nochtans scheelde het niet veel of

complex van vijf verdiepingen te laten

ook dit merkwaardige geheel was

zetten bij het ziekenhuis Maria Mid-

verdwenen onder de slopershamer.

delares, zou het kasteel gesloopt

Zoals Marcelljn Dewulf het In 1978

moeten worden om plaats te maken

droog en duidelijk schreef: "in gevolge

voor een parkeergelegenheid voor

de bouwvergunning die het stads-

ongeveer 250 wagens".

bestuur van Sint-Niklaas op 16.01.1974


M&L

reisgids onder het auteurschap van Georg Ebers, F. De Brouwer-Cornet en meer nog van alsook een van de mooiste reisverhalen die Egypte als voorwerp hebben, A Thousand Miles up the Jan Buytaert, die zich wendden tot de Nile van Amelia Edwards. In 1877 wordt één van de obelisken van Alexandrië naar Londen toenmalige Minister voor Nederlandse verscheept, waar hij in 1878 als Cleopatra's Needle Cultuur, kwam het gelukkig niet zo ver opgericht wordt, na een bewogen reis waarover en bij Koninklijk Besluit van 15 oktober alle kranten berichten. In 1878 ook bouwt de egyptoloog Auguste Mariette zijn tweede Egypti1976 werden kasteel Moeland (Hospische tempel, in het kader van de wereldtentoontaalstraat 19) en omgeving beschermd. stelling te Parijs, waar duizenden bezoekers hem Daarmee kwam een einde aan het komen bewonderen. Hetzelfde jaar wordt de verzameling egyptologica, bijeengebracht door gebruik van de zaal als ziekenkamer, E. Allemant onder de auspiciën van de Cercle van wat het Sint-Antoniusrusthuis voor artistique, littéraire et scientifique, te Brussel en te bejaarden geworden was. Dewulf stelt Antwerpen tentoongesteld; na veel muggezifterij zou de Stad Antwerpen de verzameling in ons echter gerust: "De Egyptische zaal november 1879 uiteindelijk verwerven. werd steeds gereserveerd voor voor- In 1877 wordt ook de publikatie van Emile Frisse aanstaande dames, waarvan de d'Avenues' L'histoire de l'art égyptien d'après les monuments, één van de meest prachtvolle boeken laatsten waren: de echtgenote van op het gebied van de egyptologie, tot een goed staatsminister Hendrik Heyman en van einde gebracht. In 1876 wordt de egyptiserende burgemeester Remain de Vidts". ma9onnieke tempel van de Meistraat te Antwerpen in gebruik genomen, in 1878 deze van de Peterseliestraat te Brussel (2). Tot nu toe gebeurde er slechts een voorbereidend onderzoek van de Egyptische zaal, in het vooruitzicht van de bescherming van het geheel; een soms vrij romantische studie van J. Buytaert, die later DE OPDRACHTGEVER herbruikt werd door M. Dewulf en Antony Demey die de zaal een zekere bekendheid gaven Ridder Amédée-Jean-Victor-Marie de Schoutheete de Tervarent werd geboren op het (1). kasteel van Westveld te Sint-Amandsberg bij Deze nieuwe bijdrage moet zo veel mogelijk Gent, op 12 mei 1835. Hij volgde les aan het feitelijke gegevens aanbrengen die de Egyptische Sint-Barbaracollege te Gent en studeerde rechten zaal van kasteel Moeland beter moeten leren aan de Gentse Universiteit. Op 6 mei 1857 trad hij begrijpen en waarderen, gegevens over opdrachtte Sint-Niklaas in het huwelijk met Emma-Louisegever, uitvoerders, techniek, bronnen en functie. Ghislaine de Munck, op 30 januari 1830 geboren Zoals kan worden aangetoond is de zaal belangrijk als dochter van Ridder Francis-Bernard de als meesterstuk van een begaafd stucadoor en als Munck, provinciaal raadslid, senator en burgevoorbeeld van de rijkdom van het palet van een meestervan Sint-Niklaas. Amédée de Schoutheete verfijnd "peintre-décorateur", alsook als model de Tervarent vestigde zich vanaf toen op het van een historiserend interieur van een gegoed èn kasteel Moeland, dat deel uitmaakte van de gecultiveerd burger, zoals die in de late 19de eeuw bruidsschat van zijn echtgenote en daar kreeg het voorkwamen. echtpaar zeven kinderen. Van 1860 af was hij provinciaal raadslid van Oost-Vlaanderen, van 1862 af gemeenteraadslid van Sint-Niklaas, nooit HET TIJDSBEELD burgemeester. In 1861 was hij samen met onder meer kunsthistoricus Adolphe Siret en architect Het egyptiserend interieur van kasteel Moeland Edouard Serrure medestichter van de Oudheiddagtekent van 1877 en behoort aldus tot een kundige Kring van het Land van Waas, te periode waarin er bijzonder veel aandacht bestaat Sint-Niklaas, waarvan hij fungeerde als penningvoor Egypte. In de meest diverse kringen, maar meester van 1861 tot 1869 en de functie van dan wel vooral onder liberalen en vrijmetselaars, heerst er een ware egyptomanie. In 1877 verschijnt voorzitter bekleedde van 1872 tot 1880. Ook in de te Antwerpen gevestigde Académie Royale de eerste uitgave van de befaamde Baedeker Dankzij het optreden van het echtpaar


M&L

Grondplan van het kasteel Moeland, met onderaan rechts de Egyptiserende eetzaal (tekening architect Michel De Vos)

47

d'Archéologie de Belgique was hij actief, in navolging van zijn kozijn de historicus Léon de Burbure. Daarvan bracht hij het in 1877 tot ondervoorzitter; het jaar daarop zetelde hij als voorzitter. Zijn belangrijkste bijdragen als historicus en genealoog, zijn Epithaphier wasien en Collection d'inscriptions tombales recueillies dans les églises et cimetières de l'ancien pays de Waes (1875), vinden we in de Annalen van de Oudheidkundige Kring van het Land van Waas. Vermeldenswaardig zijn ook zijn Histoire de la maison de Schoutheete, issue de celle de Van Zuylen, de Hollande (1861) en zijn Archives des families du pays de Waes. 1: Examen analytique d'un manuscrit de la familie Sanchez de Castro (1864). Zijn Inventaire general analytique des archives de la ville et de l'église primaire de Saint-Nicolas (Waes) (1872) werd verzorgd door de drukkerij A. de Castro, waarover verder meer. Om gezondheidsredenen - Amédée de Schoutheete de Tervarent was jichtlijder - nam hij in 1880 ontslag als voorzitter van de Oudheidkundige Kring, en in 1881-1882 als gemeenteraadslid en als provinciaal raadslid. Op 15 februari 1881 stierf zijn zoon Fernand op vijftienjarige leeftijd, op 27 maart 1887 zijn dochter Alix op drie-en-twintigjarige leeftijd, en op 3 mei van hetzelfde jaar ten slotte, zijn echtgenote. Omdat kasteel Moeland op haar naam stond - zij was enig kind - werd het kort daarna, op 29 augustus 1888 door de overblijvende zoons Leon Werner (01858) en Romain (01867) en dochter Marie Charlotte (01862) aan de Liefdezusters van de Verrezen Zaligmaker verkocht.

Amédée de Schoutheete verdween daarop van het Wase toneel en vestigde zich te Parijs, waar hij op 14 mei 1890 hertrouwde met de Engelse Helena Theresa Stuart-Webb (01843), weduwe van Baron Louis-Fran9ois Bonnefoy-Delaunois. Maar hij stierf nog geen jaar later, op 22 april 1891, op zijn domein te Barzy-sur-Marne (Aisne) bij Condé-en Brie in Champagne, en op 28 april werd hij bijgezet in de familiekelder te Sint-Niklaas. De Schoutheete was Ridder der Leopoldsorde en droeg ook verscheidene buitenlandse onderscheidingen: zo was hij bijvoorbeeld groot-officier der orde van Nicham Jiftikar (Tunesië). Hij was ook melomaan - hij schreef onder meer teksten op composities van zijn kozijn Léon de Burbure en ging door voor "bibliophile eminent": "Sa bibliothèque, outre un certain nombre de précieux manuscrits, renfermait des ouvrages de grand prix. Sa collection d'oeuvres héraldiques était une des plus completes du pays" (3). Zijn kleinzoon Guy-Amédée (Antwerpen 1891Brussel 1969), zoon van Romain, zou het werk van zijn grootvader in een zekere zin voortzetten, met publikaties over de meest diverse onderwerpen, inbegrepen het oude Egypte (4).

DE STUCADOOR Dat het stucwerk van de egyptiserende zaal werd uitgevoerd en geleverd door het atelier van Auguste Bonnefoy is geweten via de publikatie die De Potter en Broeckaert kort na de beëindiging der werken uitbrachten, en waarvoor zij hun informatie putten uit een brief van de Schoutheete zelf (5). Weinig is tot nog toe over de persoon van Bonnefoy bekend: hij werd geboren te Luik in 1813 en mogelijk is hij in 1883 ook daar gestorven; verder wordt hij opgegeven als "peintre de natures mortes, specialise dans la copie et la restauration des tableaux anciens" (6). Intrigerend is evenwel, dat ook één der medewerkers van de eminente pionier in de Egyptologie Auguste Mariette, eveneens een Bonnefoy is geweest, gestorven in 1859. Deze was niet alleen Mariettes naaste medewerker bij de decoratie van het museum van Boulaq, de voorloper van het museum van Cairo, hij werd eveneens gekozen als eerste conservator. Deze Bonnefoy was ook de auteur van enkele niet fantasieloze copieën van steles uit het Serapeum van Sakkarah, plaats waar hij met Mariette in de jaren 1851-1854 actief was geweest (7). Maar wat nu juist het verband is tussen de beide Bonnefoys blijft tot nog toe duister. Het is echter verleidelijk te denken dat ze uit dezelfde familie stamden en


48

M&L

Een strijdende farao (Paneel C) vertrappelt om vergiffenis smekende vijanden (foto G Charlier)

dat zo de kennis en de belangstelling omtrent het oude Egypte werd overgedragen (8). Nog een vreemd toeval is dat Helena Stuart-Webb, de Schoutheetes tweede echtgenote, de weduwe was van een Louis-Franfois-Adolphe... Bonnefoy.

DE SCHILDER

Arnold de Castro (Lokeren 1823-Sint-Niklaas 1848) was een afstammeling van de Spaanse familie Sanchez de Castro y Toledo, en zoon van Jan Baptist, een blauwverver. In de Stationstraat 57 was hij gevestigd als drukker en baatte er ook een boekhandel uit. Volgens Dewulf was hij bovendien "binnenhuisschilder", wat dat ook moge betekenen. Op de Castro's persen werden onder meer de Schoutheetes Inventaire general analytique des archives de la ville et de l'église primaire de Saint-Nicolas gedrukt (1872) en beiden kenden elkaar blijkbaar vrij goed. Zijn familie hoorde bij degenenen die de aandacht van de historicus trokken, zoals de families de

Burbure en Van Zuylen, met wie hij verwant was. In 1867 wijdde de Schoutheete een artikel aan Francois-Joseph de Castro, in 1869 een ander aan een "manuscrit de la familie Sanchez de Castro". Als drukker was hij tevens uitgever van het streng katholiek tot zelfs uitgesproken reactionair weekblad De klok van het Land van Waas. Arnold de Castro was bovendien thuis in literaire kringen en lijkt — al was het maar om zijn Vlaamsgezindheid — bekend geweest te zijn in de omgeving van Hendrik Conscience. Er valt ten slotte op te merken dat hij evenals Amédée de Schoutheete zangspelen schreef, zoals Het Rozemarijntje (1878) of De Dorpsschoolmeester (1880), op muziek gezet door F. Van Vlemmeren, een leerling van Peter Benoit (9).

DE ZAAL

Het kasteel Moeland dateert reeds uit de jaren 1776-1778, maar kreeg zijn huidig uitzicht pas na de uitgebreide verfraaiingswerken uitgevoerd


M&L

Grondplan van de Egyptiserende eetzaal, met situering van de taferelen (naar architect M De Vos)

Volgende pagina's algemeen beeld van de eetzaal, met ondermeer de zodiac op het plafond en, rechts van de figuur, de Panelen D (een staande godin) en E (een aanbiddingsscène) (foto G, Charlier)

49

door het echtpaar de Schoutheete-de Munck in de jaren 1866-1877. Het kasteel krijgt dan onder meer een nieuwe tuingevel, mogelijk een ontwerp van architect P. Van Haver, namelijk een bakstenen gevel met middenrisaliet met vierkante torenbekroning en aan weerszijden een buiten de gevellijn uitspringend zijrisaliet, waarvan de rechtse op het gelijkvloers de hier besproken zaal bevat. Het is een achthoekige ruimte, onder een vlak plafond, waarvan de wanden van elkaar gescheiden zijn door halfronde pilasters. De inkomdeur, met vrij zware omlijsting, is recht tegenover de schouw gesitueerd. Twee kleine ramen en één centraal groot raam nemen licht en lucht langs de tuinkant. De twee deurtjes in de tegenoverliggende wand zijn voor gebruik door het dienstdoend personeel. Volgens De Potter en Broeckaert, die kort na de inrichting van deze zaal een eerste beschrijving ervan gaven, was deze "ingericht in Oud-Egypti- Paneel C sche stijl van het tijdvak van Pharao Ramses II, Het grootste paneel voert een tweede strijdende of Sesostris, in beeldwerk volgens de gegevens vanfarao ten tonele, staande op de dissel van zijn Panckoucke en Frisse d'Avennes" (10). wagen, terwijl zijn hulpeloze en om vergiffenis Zoals reeds vastgesteld door J. Buytaert, zijn alle smekende vijanden onder de hoeven van zijn panelen inderdaad overgenomen uit de bekende paarden worden vertrappeld. Aan beide zijden is Description de l'Egypte, vanaf 1821 heruitgegeven het tafereel omlijst door een deurtje, waarop de door C.L.F. Panckoucke, waarbij echter van de afbeelding van een zich rond een papyrusstengel inkleuring werd afgezien; een prachtige uitgave, kronkelende slang. Het model voor dit reliëf die een bibliofiel als de Schoutheete ongetwijfeld bevindt zich op de noordelijke buitenmuur van de zelf bezat. Merkwaardig genoeg blijkt bij nader hypostyle zaal van de Amontempel van Karnak en onderzoek geen enkel van de taferelen inderdaad toont farao Seti I (14) in strijd met het Libysch nawijsbaar tot de regering van Ramses II te voetvolk (15). De slangen zijn die van de buitenste behoren (11). hypostyle zaal van Edfoe, waarop later nog wordt teruggekomen (16). De beschrijving verloopt kloksgewijs vanaf de deur. Paneel D Op het vierde paneel is een staande godin Paneel A afgebeeld - met de zonneschijf tussen koehorens als hoofdtooi - die de borst geeft aan een jongeHet eerste paneel geeft het beeld weer van de overwinnende farao, die een 'bosje' bij het haar man met ankhteken in de hand. Het tafereel is gegrepen vijanden met een soort hakmes bedreigt. weerom een weergave van een reliëf uit het tempelcomplex van Karnak, te vinden op de Het origineel daarvan bevindt zich op de eerste pyloon van de Isistempel van Philae en stelt zuidoostelijke hoek van de tweede pyloon, meer Ptolemaeus XIII Neos Dionysos voor; daar bepaald op een later toegevoegde gebeeldhouwde tegenover Isis, Hathor en Horus van Edfoe (12). pilaster, die deel uitmaakt van het zogenaamd Boebastidisch portico (17). Het zijn koning Osorkon I en de godin Hathor (18). Paneel B Het tweede paneel toont - rechts - een farao in de armen van - links - een gekroonde god. Paneel E Het paneel links van de schouw is te identificeren Dit tafereel is afkomstig uit één der zogenaamd "heraldische" pijlers van Karnak, namelijk die van als een aanbiddingsscène, met links een farao met wierookvaatje en rechts, naar hem toegekeerd, Beneden-Egypte, en beeldt Toetmosis III en de een god met ramshoofd en een godin met god Amon af (13).


r fr

visaam

^ S ^


*•

—'ü

0(1.^4) ,

cm

-^^'» < »'• , '

:, rn

..

V

• ^

^

\A MA

i VV I \ fM >*

1

i 1

\

?w.

^rwa \ II

jij

^4H


52

M&L

De aanbiddingsscène op Paneel F vormt de pendant van Paneel D Het kleine Paneel G toont een slanke godin (foto's G, Charlier)

gehoornde kroon. Het betreft een voorstelling van Ptolemaeus VII Evergetes II, staande voor Khnoem en Satis, zoals afgebeeld op de zuidwand van de hypostyle zaal in de Isistempel van Philae, Omwille van de symmetrie werd dit tafereel echter in spiegelbeeld afgegoten (19). Paneel F Het paneel rechts van de schouw is de pendant van het vorige, met als voorwerp van aanbidding een god met een pluim op het hoofd en een godin met een leeuwekop. De farao is nagenoeg identiek aan zijn hoger beschreven spiegelbeeld. Het origineel hiervan staat hoeksgewijs op dat van het vorige paneel en beeldt eveneens Ptolemaeus VII Evergetes II af, ditmaal tegenover Shoe en Tefnoet, zoals te vinden op de binnenwand van de tweede pyloon van de Isistempel van Philae (20). Paneel G Het kleine paneeltje links van het grote raam toont een staande slanke vrouw met ook hier de zonneschijf tussen koehorens als hoofdtooi, wat haar laat identificeren als Isis of Hathor. Dit personage is afkomstig uit het tempelcomplex van Karnak, maar evenmin te situeren als paneel H, omwille van dezelfde vage omschrijving van de

situering binnen het gigantisch ensemble (21). Paneel H Het paneeltje rechts van het grote raam is versierd met een mannenfiguur, waarschijnlijk een farao met de kroon van Boven-Egypte (22). Paneel I Het laatste paneel toont een gehurkte, gevleugelde godin met pluim op het hoofd. Het is het zinnebeeld van Maat, zoals te vinden in gang B van het graf van Ramses III, in de vallei der Koningen. Ook hier werd het paneel omwille van de symmetrie tegenover de deur in spiegelbeeld afgegoten (23). Deuromlijsting De deur is bekroond met een klassieke holkeellijst met gevleugelde zonneschijf terwijl de posten elk met vier tafereeltjes zijn versierd. Daarvoor zijn telkens een tegenover elkaar geplaatste farao en godheid gebruikt. Deze kennen hun oorsprong in de poortomlijsting van de Apettempel van Karnak, maar slechts acht van de tien originele taferelen werden gebruikt. Ze werden in een andere volgorde opgesteld, bovendien met het


M&L

Het kleuronderzoek op de mannenfiguur van Paneel H geeft een duidelijk beeld van de vervullingsgraad (foto G. Chariier)

53

behoud van slechts één van de twee goden in elk tafereel. Ook de versiering van het linteel werd niet gebruikt (24). De faraofiguur is Ptolemaeus XIII Neos Dyonisos, die ook op het eerste paneel voorkomt; de goden zijn Montoe, Osiris, Harsiësi, Geb, Kek, Khonsoe, Isis en Amon (25). De fries De zwaarbeschadigde fries die de hele eetzaal rond als basis dient voor de grote panelen, is herkenbaar als deel van de astronomische fries die voorkomt boven op de kroonlijst van de buitenste hypostyle zaal van de tempel van Edfoe, en meer bepaald op de noordelijke wand, met de afbeelding van dekaden, sterrebeelden, planeten, veertien goden op het punt de maan-trap naar Thot te bestijgen, maan-dagen, maanden en godinnen die het uitspansel torsen. De fries dateert van koning Ptolemaeus VII Evergetes II (26). De plint De vrij eenvoudige, maar in het oude Egypte wel symbolisch geladen afbeelding van alternerend open en gesloten bloemen is afkomstig uit Philae (27). De pilasters Van alle acht pilasters zijn de schachten identisch en gemaakt naar model van de zuilen uit de hypostyle zaal van de Isistempel van Philae, alweer uit de tijd van Ptolemaeus VII Evergetes II. Voor de kapitelen zijn vier verschillende types gekozen, twee aan twee gelijk, opgesteld in een eenvoudige a-b-c-d-a-b-c-d- volgorde, kloksgewijs van de deur af. A, c en d zijn copiën van exemplaren in de hypostyle zaal in Esna, b is het kapiteel op de zuilschachten in de hypostyle zaal van Philae (28). De uit de tempel van Esna gelichte voorbeelden zijn te dateren uit de periode van Domitianus tot Antoninus Pius. Het entablement draagt verscheidene malen de afbeelding van de zonnebark met de gevleugelde mestkever in de zonneschijf, aan weerszijden aanbeden door zes identische personages met opgeheven armen. Model hiervoor stond het entablement van de hypostyle zaal in de Isistempel van Philae, waarvan ook de holkeellijst met gevleugelde zonneschijf en cartouches met pluim werden gecopiëerd. De aanbidders verschijnen in Philae slechts met zijn drie en zijn daar aangevoerd door de koning met de kroon van Beneden-Egypte op het hoofd.


Het plafond Kroon op het werk en meesterwerk van stucadoorschap vormt het plafond. Het is een zeer getrouwe kopie van de zodiac van de oostelijke Osiriskapel op het dak van de Hathortempel van Denderah. De plaat van Jollois en Devilliers in de Description de l'Egypte die er model voor stond was overigens op zichzelf al een meesterwerk, vooral dan zoals afgedrukt in de eerste keizerlijke uitgave van 1809, namelijk op een vel van wel 1134 bij 810 mm. De band met hiërogliefen die er in Sint-Niklaas rondom is aangebracht is een toevoegsel van de stucadoor. Dit dierenriemreliëf werd in 1821 naar Parijs afgevoerd en is sinds 1919 in het Louvre ondergebracht. Het is ontstaan ten tijde van één der Romeinse keizers, mogelijk in de periode van Augustus of Tiberius tot Nero of Hadrianus (of zelfs Antoninus) (29). De schouw Als versiering van de wangen van de schouwmantel werd de naakte godin Noet gebruikt die rechts van de boven besproken zodiac voorkomt. Voor de zijkant werd een tafereel genomen, eveneens afkomstig uit de tempel van Denderah, te zoeken onder de "reliefs recueillis dans Ie grand temple" (30). Wat echter de mogelijke boezemversiering aangaat - reliëf, schildering, schilderij, of spiegel - zijn geen aanwijzingen gevonden en speculaties zoals deze die door Dewulf zijn naar voren gebracht lijken ons ongepast (31). De deur- en raamgrepen Ook voor de vormgeving van details als raampompen en deurklinken werd een passend element opgedolven. Zo is de staande krokodil met lendeschort en bol op de kop waarschijnlijk te identificeren als de god Sobek met zonneschijf. Inspiratie daarvoor is gevonden bij een voorbeeld uit de Description de l'Egypte: de krokodil komt uit de tempel van Esna, in een tafereel van de hypostyle zaal van de Khnoemtempel, waarop keizer Caracalla met pijl en boog ten tonele wordt gevoerd voor de goden Neith en Sobek (32). De olifantenkopjes die als deurklink dienen zijn, samen met de tegelvloer, de enige elementen in de eetzaal die niet gelicht zijn uit de Description de l'Egypte (33). PRISSE ALS INSPIRATOR?

Interessant is de vraag naar de mogelijke betrokkenheid van de Egyptoloog Emile Prisse d'Avennes (1807-1879) (33b). Weliswaar hebben De Potter en Broeckaert het in 1881 slechts over


M&L

55

De krokodilvormige raampompen zijn geïnspireerd op een voorbeeld uit de Description de l'Egypte (foto's G, Charlier en 0. Pauwels) • • De omlijsting van de inkomdeur kent don weer haar oorsprong in de Apettempel van Kamak (foto G. Charlier)

"beeldwerk volgens de gegevens van Panckoucke hebben gespeeld. en Prisse d'Avennes", en dat betekent waarschijn- Prisse had namelijk - zij het verre - familie in lijk eenvoudigweg dat, wat de polychromie Sint-Niklaas: Baron Edouard Florent Prisse betreft, gebruik is gemaakt van de kleurige (1814-1907) (34). Deze was geen onbekende voor steendrukken in Prisse d'Avennes' Histoire de l'art Ridder de Schoutheete de Tervarent, al was het égyptien, die in de periode 1858 tot 1877 in maar als medelid van de Oudheidkundige Kring afleveringen was verschenen. Het was een van het Land van Waas, ook al bestaan er geen prachtig plaatwerk dat vermoedelijk tot de aanwijzingen over nauwere banden tussen beide persoonlijke collectie van de bibliofiel de figuren, zoals die vermoedelijk wèl bestonden met Schoutheete hoorde. Maar later hebben Dewulf Adolphe Siret, medeoprichter van de Kring, en en vervolgens Demey het over "deskundige een buur van Edouard Prisse (35). adviezen ... van de Franse Egyptoloog". Dat Prisse d'Avennes wel degelijk contacten Dit is wellicht niet méér dan een verfraaiing van onderhield met (verre) familie in België en de basisgegevens door deze beide auteurs, maar Nederland bewijzen zijn relaties met Willem de heeft bij ons niettemin de vraag doen rijzen of er Famars Testas, die dankzij zijn achterneef inderdaad geen persoonlijke betrokkenheid kan Florent, op zijn beurt een kozijn van Edouard


56

M&L

sche eetzaal van het kasteel Moeland blijft evenwel ontbreken. Overigens is het inderdaad zo, dat Emile Prisse d'Avennes wel méér kunstenaars met raad en daad heeft bijgestaan. Zo bijvoorbeeld de kunstenaar Adrien Guignet uit Autun, die in zijn Joseph expliquant les songes de pharaon in 1848 op diens aanraden dezelfde zuilen van Philae en dezelfde zodiac van Denderah verwerkte als Auguste Bonnefoy deed in de Schoutheetes eetzaal (38). De enige Egyptoloog met wie Amédée de Schoutheete echter zeer zeker contact had was Louis Delgeur (Rotterdam 1819-1888), het best gekend omwille van zijn doorslaggevende rol bij het ontwerpen van de beschildering van de Egyptische tempel in de Antwerpse Zoo. Beiden bekleedden immers bestuursfuncties binnen dezelfde Académie d'Archéologie de Belgique: de Schoutheete was ondervoorzitter en later voorzitter, terwijl Delgeur de functie vervulde van adjunct-secretaris en later bibliothecaris, wat beide bibliofielen alleen maar dichter tot elkaar kan hebben gebracht (39). Als er dan, met andere woorden, inderdaad adviezen zijn verstrekt, lijken ze toch eerder van Louis Delgeur te moeten gekomen zijn, ook al werd Prisses werk daarvoor gebruikt.

Hoekdetail van de zodiac, ter hoogte van Paneel D (toto G. Charlier)

De bron voor het plafond en de figuur op de wangen van de schouw Description de i'Egypte, vol. W, pi. 21

A. Guignet, Joseph expliquant les songes de pharaon, met de hulp van E Prisse d'Avennes ontstaan In 1848

Dat Delgeur zelf of zijn werk wel degelijk invloed hebben gehad in het Waasland wordt overigens bewezen met het decor van een andere eetkamer in de streek, en wel in het kasteeltje BunneghemSloor, in de Kasteeldreef te Temse. Deze zaal heeft de vorm van een Egyptische koningscartouche en werd naar verluidt door de kunstschilder August Sloor "eigenhandig beschilderd met Egyptische figuren" (40). De decoratie dateert van omstreeks 1877, misschien niet toevallig hetzelfde jaar als deze van kasteel Moeland en verscheidene details wijzen erop, hoe in het bijzonder de taferelen op de Egyptische tempel in de Antwerpse Zoo er model voor hebben gestaan (41). Florent Prisse, met Emile Prisse d'Avennes naar Egypte is kunnen gaan in de jaren 1858-1860. Een aantal platen in Prisses Histoire de l'art égypden zijn trouwens van zijn hand (36). Bewaard gebleven brieven die Emile Prisse d'Avennes in de periode 1848-1850 schreef aan Albert Florent Prisse (1788-1856), luitenantgeneraal en adjudant-generaal van de Koning, maken het "heel waarschijnlijk dat hij verder contacten onderhouden heeft met de Belgische tak en dat hij zijn zoon Edouard Florent zal gekend hebben" (37). Enig afdoend bewijs dat hij de hand zou hebben gehad in het ontwerp van de Egypti-


M&L

57

De Egyptiserende zaal in het kasteel Bunneghem-Sloor, te Temse (foto G. Charlier)

DE FUNCTIE

rituele handelingen gebeurden dan het opwarmen van de uit de keuken aangevoerde gerechten of misschien het deskundig ontkurken van een wijnfles. Zo vragen wij ons af waarvoor de "passendesymbolische kleuren", aldus beschreven door Demey, dan wel moeten staan, en lijkt het ons op zijn minst ver gezocht met Dewulf het zwart op de zonneschijven (een oxydatie ?) op te waarderen tot "een der kenmerken van een bepaalde tak der loge"(44).

Het lijdt weinig of geen twijfel dat de Egyptische zaal van kasteel Moeland een eetzaal is en niet méér, geen rozekruiserstempel en zeker en vast geen vrijmetselaarstempel. Met haar achthoekig grondplan lijkt de zaal weinig geschikt voor het mafonnieke ritueel en de raamopeningen zouden daarin wellicht sterk storend werken (42). De afwezigheid in de decoratie van welke verwijzing ook naar de ma9onnieke symboliek staat sterk in tegenstelling tot wat bekend is van Tijdschriften publiceren in die jaren verscheidene de tempels van de Meistraat te Antwerpen of van ontwerpen voor bibliotheken, eetzalen en andere de Peterseliestraat te Brussel, beide uit deze tijd ruimten in Egyptische stijl, zo bijvoorbeeld (43). Als lid van de kerkfabriek van de SintBuilding News, dat in juni 1878 een ontwerp van Niklaaskerk lijkt Amédée de Schoutheete overiH. W. Batley voor een Dining Room vrijgeeft, een gens slecht te passen in het uitgesproken anti-cleri- ontwerp dat nog een stuk meer doorgedreven en cale milieu van de laat 19de-eeuwse vrijmetselarij. doordacht is dan dat van de eetzaal van kasteel Zo is de "plaats met vernieuwde tegels in de vloer, Moeland (45). Het lijkt aldus dat er veel parallelwaar vroeger een witmarmeren steen lag, de plaatslen voor de zaal te vinden zijn en dat de egyptomavoor plechtige handelingen", waarvan sprake bij nie in de tweede helft van de 19de eeuw alle Dewulf, zonder de minste twijfel een romantisch mogelijke kringen aantrekt, oudheidkundigen en verzinsel. Zo lijkt het ons vrijwel zeker dat er in verzamelaars in het bijzonder, in het besef dat "het vertrekje zonder ramen dat aan de Egyptishe door de elkaar snel opvolgende grote ontdekkinzaal grenst en tot inwijdingskamer zou gediend gen een volledig nieuwe wereld open kwam te hebben", ook vermeld door Dewulf, geen andere liggen. Zeer typerend is het cabinet van Clot-bey


58

M&L

VOETNOTEN

Ontwerp voor een Egyptiserende eetzaal, zoals in 1878 verschenen in Building News

(1) Dewulf M., De Egyptische zaal van het kasteel Moeland te Sint-Niklaas opgericht als tempel der Rozenkruisers, in Annalen van de Oudheidkundige Kring van het Land van Waas, 81, 1978, (Dewulf, 1978} p, 34-43; Demey A., Hel Land van Waas. Tien eeuwen bouwkunst. Sint-Niklaas, (Buitengewone uitgaven van de Oudheidkundige Kring van het Land van Waas, nr. 18), 1983, (Demey. 1983) p. 186-193. (2) Curl J.S., The Egyptian Revival. An Introductory Study of a Recurring Theme in the History of Taste, London, 1982; Humbert J.-M., L'égyptomanie dans Tan occidental, Paris. 1989; Warmenbol E. & Wasseige M., A la recherche de I'Egypte perdue: l'égyptomanie en Belgique au XlXème siècle, in Art & Fact. Revue des historiens de Tart, des archéologues, des musicologues et des orientalistes de TUniversité de Liège, 9. 1990. (Warmenbol & Wasseige. 1990a) p. 105-112; Warmenbol E. & Wasseige M., Egyptomanie in de 19de-eeuwse architectuur: België in de ban van Egypte, in Bulletin van de Antwerpse Vereniging voor Bodem- en Crotonderzoek. 1990, nr. 2, (Warmenbol & Wasseige, 1990b) p. 45-55.

(Marseille), geneesheer van Mehmet Ali, wiens verzameling ondergebracht was in een kleine (3) ruimte in de vorm van een Egyptische tempel (1851), "(oü) j'ai fait peindre sur les colonnes tout Ie pantheon et au plafond Ie zodiaque de Dendhéra sur chassis et j'ai place des stores a sujets égyptiens" (46). Vrij typisch is ook het reeds vermelde interieur van het kasteeltje van August Sloor (Temse), genreschilder die ter verfraaiing van zijn eetzaal (1877), voorzien van Egyptiserend mobilair, taferelen en vooral teksten op de gevel van de Egyptische tempel van de Antwerpse Zoo copiëerde. Zoals in Sint-Niklaas zijn ook in Temse tot de deurgrepen toe — hier in de vorm van heilige mestkevers — naar Egyptisch model ontworpen, misschien wel door hetzelfde atelier (47).

EEN BELANGRIJK MONUMENT Zoals ook het geval was bij de tempelgevels in de Antwerpse Zoo, blijkt de Egyptiserende decoratie van het eetzaalinterieur in kasteel Moeland een zeer kwaliteitsvolle verwezenlijking te zijn, die bovendien tot stand is gekomen in een periode waarin in België slechts een handvol personen met de Egyptologie als wetenschap bezig was, terwijl er een ware vlaag van Egyptomanie heerste. In die zin is het een zeldzame en belangrijke getuige van een reële belangstelling voor de Egyptische kunst, die hier in sommige kringen van verzamelaars en oudheidkundigen leefde; een interesse die dikwijls verder ging dan het stofferen van een paar toonkasten. Het behoud en de zorgvuldige restauratie ervan betekenen daarom ongetwijfeld dat ons 19de-eeuws cultuurpatrimonium in méér dan één enkel opzicht wordt verrijkt.

De Potter F. en Broeckaert J., Geschiedenis der stad Sint-Nicolaas, II, Gent, 1882, (De Potter & Broeckaert. 1882) p. 366-367; Goovaerts A., Le Chevalier Léon de Burbure. Notice biographique. in Bulletin de TAcadémie d'Archéologie de Belgique. 4ème série des Annales, 2ème partie, VI, 1891, p. 143; Van Naemen F., Mort de M. le Chevalier de Schoutheete de Tervarent, membre donateur et ancien Président du Cercle Archéologique du Pays de Waas. in Annalen van de Oudheidkundige Kring van het Land van Waas. 13, 1890-1891, p. 203-204; Wauwermans Lieut.-gén., Le cinquantenaire de TAcadémie d'Archéologie de Belgique. 1842-1892. in Congres Archéologique et Historique d'Anvers et Cinquantenaire de TAcadémie d'Archéologie. Compte Rendu. Antwerpen, 1893 (Federation Archéologique et Historique de Belgique, VIII), p. 63-64; Baron De Borchgrave, Schoutheete de Tervarent (Amédée-Jean-Victor-Marie, chevalier de), in Biographic Nationale. Bruxelles, 1914-1920, coll. 21-24; De Groot L , Lief en leed van de Oudheidkundige Kring tijdens zijn honderdjarig bestaan (1861-1961), in Oudheidkundige Kring van het Land van Waas. Jubileumnummer (1861-1961). Sint-Niklaas, (Buitengewone uitgaven van de Oudheidkundige Kring van het Land van Waas, nr. 15), 1962 , p. 29-33; Coomans De Brachene O., Etat présent de la Noblesse beige. Annuaire de 1981. Première partie: Sa - Se. Bruxelles, 1981, p. 82-87.

(4) Van de Walle B., Le Chevalier Guy de Schoutheete de Tervarent, in Bulletin de TAssociation de la Noblesse, 102,1965, p. 37. (5) De Potter F. & Broeckaert J.. Geschiedenis der stad Sint-Nicolaas. I. Gent. 1881, (De Potter & Broeckaert. 1881) p. 235; Dewulf M., 1978, p. 35. (6) Bautier P. et alii, Dictionnaire des peintres, Bruxelles, s.d., p. 48. Zijn naam wordt hier Bonnefoi geschreven. (7) Lauer J.-Ph., Mariene a Saqqarah. Du Sérapéum a la Direction des Antiquités, in Mélanges Manette, Paris, 1961, p. 29; Kueny G. & Yoyotte J., Grenoble, musée des Beaux-Arts. Collection égyptienne. Paris, 1979, p, 179-180; Corteggiani J.-P., Mariette invente Aïda. in Mémoires d'Egypte. Hommage de TEurope a Champollion, Strasbourg, 1990, p. 237. (8) Er zijn echter nog meer Bonnefoy's met een artistieke loopbaan. Zo was er een Henri-Arthur (1839-1917), afkomstig — zoals Mariette trouwens — uit Boulogne-sur-Mer, en — zoals Auguste Bonnefoy — landschapsschilder: Thieme V. & Becker F., Algemeines Lexikon der bildende Künstler, IV, Leipzig, 1910, p. 308; Benezit E.. Dictionnaire critique et documentaire des peintres. sculpteurs, dessinateurs et graveurs, II, Paris, 1976, p. 160. Ook daar is tot nog toe geen verband gelegd. (9) De Potter & Broeckaert, 1882, p. 356; Van Landeghem A., Namen met weerklank in verband met Sint-Niklaas. in De Stad Sint-Niklaas. Een doorbraak van de historie naar de toekomst. Gent, 1971, p. 314-315; Dewulf M., Het verblijf van de Spaanse familie Sanchez de Castro y Toledo in onze Vlaamse gewesten.


59

(10) (11)

(12)

(13)

(14)

(15) (16)

(17)

(18)

(19)

(20)

(21) (22) (23)

(24)

(25)

(26)

(27)

(28)

in Annalen van de Oudheidkundige Kring van het Land van Waas, 76, 1973, p. 74-75 en 94-95; Dewulf, 1978, p. 35. De Potter & Broeckaert. 1881, p. 235. Wat de naam Sesostris betreft, zie Malaise M., Sésostris, Pharaon de légende et d'histoire, Chronique d'Egypte, XLI, 1966. p. 244-272; en Obsoraer C , Les campagnes de Sésostris dans Hérodote, Bruxelles, 1989, p. 30 (noot 22) en passim. Description de l'Egypte ou Recueil des observations et des recherches qui on été faites en Egypte pendant I'expedition de l'arméefrangaise. I, Paris, 1809-1828, (Description), pi. 15, 16; Porter B. & Moss R.. Topographical bibliography of ancient Egyptian hieroglyphic texts, reliefs and paintings, VI, Oxford, 1970, p. 214 (77-78); Gillispie C.C. & Dewachter M., Monuments de l'Egypte. L'édition impériale de 1809, Paris, 1988, sub I, pi. 15,16. Voor een illustratie, zie Demev, 1983. fig. 118 b. Description, III, pi. 36, 1; Porter B. & Moss R., o.c. II, Oxford 1972, p. 91 (255 of 256); Gillispie C.C. & Dewachter M., o.c.. sub III, pi. 36. Voor een illustratie, zie Anoniem, De Egyptische zaal in het Moelandkasteel te Sint-Niklaas, in de Roos, XVI, nr. 4, 1983 (Anoniem, 1983), p. 10 (midden). Description, III, pi. 38, 32; Porter B. & Moss R., o.c, II, Oxford, 1972, p. 56 (169); Gillispie C.C. & Dewachter M., o.c, sub III. pi. 38, 32. Het betreft niét "de Hethieten in de slag van Kadsej", zoals Dewulf M., 1978, p. 36 en Demey, 1983. p. 187 beweren. Description I, pi. 58, 3-4; Porter B. & Moss R., o.c, VI, Oxford, 1970, p. 133; Gillispie C.C. & Dewachter M., o.c, sub vol. I. pi. 58,3-4. Voor een illustratie van de slang rechts, zie Anoniem. 1983, p. 9. Description, III, pi. 37, 6; Porter B. & Moss R., o.c, II, Oxford, 1972, p. 36 (129), met verkeerdelijke verwijzing naar Description, III, pi. 37, 2. Gillispie C.C. & Dewachter M., o.c, geven geen situering sub vol. III, pi. 37. Illustratie in Dewulf, 1978, p. 37, afb. c; Demey, 1983, fig. 218 a; Anoniem, 1983, p. 10 (links). Het betreft dus niét "kis... die symbolisch de borst geeft aan haar zoon Horus", zoals Dewulf, 1978, p. 36 en Demey, 1983, p. 186 beweren. Description, I, pi. 16.1; Porter B. & Moss R., o.c, VI, 1970. p. 234 (277- 278); Gillispie C.C. & Dewachter M., o.c. sub vol. I, pi, 16, 1. Description, I, pi. 16,2; Porter B. & Moss R., o.c., VI, 1970. p. 232-233 (262); Gillispie C.C. & Dewachter M., o.c, sub vol. I, pi. 16, 2. Description, III, pi. 37, 5; Gillispie C.C. & Dewachter M., o.c, geven geen situering sub vol. III, pi. 37. Description, III, pi. 37, 7; Gillispie C.C. & Dewachter M., o.c, geven geen situering sub vol. III, pi. 37. Description. II, pi. 87, 7; Porter B. & Moss R., o.c. I, 2, Oxford, 1973. p. 519; Gillispie C.C. & Dewachter M., o.c. sub vol. II, pi. 87, 17. Illustratie in Anoniem, 1983, p. 10 (rechts). In de plaats van de opeenvolging (van links boven naar rechts onder) 1. 2, 3. 4, 5 - 6. 7. 8, 9, 10 koos de stucadoor (na weglaten van twee taferelen) voor 3, 5, 2, 4 - 6, 8, 9, 7. Description, III, pi. 60, 1; Porter B. & Moss R., o.c, II, Oxford 1972, p. 246 (12); Gillispie C.C. & Dewachter M., o.c, sub. vol. Ill, pi. 60, 1. Description. I, pi. 58, 2; Porter B. & Moss R., o.c, VI, Oxford, 1970, p. 133; Gillispie C.C. & Dewachter M., o.c, sub pi. 58, 2. Description, I, pi. 12, 3; Porter B. & Moss R., o.c, VI, Oxford. 1970, p. 231; Gilllispie C.C. & Dewachter M., o.c, sub, pi. 12, 3. Kapitelen: Description, I, pi. 75, 9 en 76, 9 (a); pi. 18 (c); pi. 75, 12 en 76, 1 (c); en pi. 75, 3 en 76, 7 (d). Schacht; Description, I, pi. 18en 11,1; Porter B. & Moss R., o.c, VI, Oxford. 1970, p. 233; Gillispie C.C. & Dewachter M., o.c, sub. vol I, pi. 18. Voor een illustratie, zie Dewulf, 1978, p. 37, afb. b (detail).

(29) Description. IV, pi. 21 (links); Porter B. & Moss R.. o.c. p. 99; Gillispie C.C. & Dewachter M., o.c, sub vol. IV. pi. 21. Voor een algemeen beeld, zie Demey A., Bouwen door de eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur. Deel 7n2 (S-T) Provincie Oost-Vlaanderen. Arrondissement Sint-Niklaas. Gent. 1981, (Demey, 1981). fig. 302; voor details, Dewulf, 1978, p. 37. afb. a; Gubel E.. Inleiding, in Van Nijl tot Schelde. Egyptische kunst in Belgisch bezit sinds vijf eeuwen, Brussel, 1991, fig. VI. (30) Description, IV, pi. 21 (rechts) en pi. 13,3; Porter B. & Moss R.. o.c, VI. Oxford. 1970, p. 100; Gillispie C.C. & Dewachter M., o.c, sub vol. IV, pi. 21 en IV, pi. 13. 3: "Bas-relief d'une des chambres précédant fescalier". (31) Dewulf, 1978. p. 36 fantaseert dat hier vroeger de namen van de "aangesloten rozenkruisers van Sint-Niklaas" uithingen. (32) Description. 1, Paris, 1809-1828, pi. 82. 1; Porter B. & Moss R., o.c, VI, Oxford, 1970, p. 113 (16-20); Gillispie C.C. & Dewachter M., o.c, sub vol. I, pi. 82, 1. Illustraties in Warmenbol & Wasseige, 1990b, afb. 4 en Gubel E., o.c, fig. VIII. (33) Voor algemene beelden van de zaal, zie Demey, 1983, p. 119; en Gubel E., Inleiding, in Van Nijl tot Schelde. Egyptische kunst in Belgisch bezit sinds vijf eeuwen, Brussel, 1991, fig. VII. (33 b) Dawson W. & Uphill E., Who was who in Egyptology. A Bibliographical Index of Egyptologists, London, 1972, p. 238-239; Dewachter M., Un Avesnois: l'égyptologue Prisse dAvennes (1807-1879), in Mémoires de la Société archéologique et historique de iarrondissement dAvesnes, XXX, 1988. (34) Dewulf M., Baron Edouard Prisse te Sint-Niklaas. in Annalen van de Oudheidkundige Kring van het Land van Waas, 73, 1970; Prisse E.H., Beknopte historiek van de familie Price of Prisse, in Annalen von de Oudheidkundige Kring van het Land van Waas, 73, 1970; Coomans De Brachene O., Etatprésent de la Noblesse beige. Annuaire de 1980. Première partie: Pot-Ri. Bruxelles, 1980. p. 79-83. Zie ook Dewachter M., o.c. (35) Prisse E.H., o.c, p. 252. (36) Raven M.J., Willem de Famars Testas, Reisschetsen uit Egypte. 1858-1860, VGravenhage, 1988, p. 10,27,201 (noten 6 en 7) en 202 (noot 17), en passim. (37) Brief van Edouard Prisse aan de auteurs, dd. 4 mei 1983. (38) Anoniem, L'Egypte redécouverte, in Les collections égyptiennes dans les musées de Saone-et-Loire, Autun, 1988, z.p.; Humbert J.-M., o.c, p. 237. (39) Wauwermans Lieut.-gén., o.c, p. 63-64. (40) Demey A., 1981, p. 703. (41) Onder andere het paneel bovenaan rechts en midden rechts op de gevel; Warmenbol E. & Maclot P., Tempel en stal in één: de Egyptische tempel in de Antwerpse Zoo in kunsthistorisch en historisch perspectief, in M&L, Monumenten en Landschappen, jg. 7 nr. 2, 1988, p. 28 (zie ook illustratie p. 61). (42) Curl J.S., The Art and Architecture of Freemasonry. An Introductory Study, London, 1991, passim. (43) Maclot P. & Warmenbol E., Twee tempels onder de slopershamer: aantekeningen bij de afbraak van het logegebouw van 'Les Amis du Commerce et la Perseverance Réunis' te Antwerpen, in M&L, Monumenten en Landschappen, jg. 3 nr. 3, 1984; Celis M.M. De egyptiserende maqonnieke tempels van de Brusselse Loges 'Les Amis Philanthropes' en 'Les Vrais Amis de TUnion et du Progrès Réunis, in M&L, Monumenten en Landschappen, jg. 3 nr. 3, 1984. (44) Dewulf, 1978, p. 39. Hij was blijkbaar zeer beïnvloed door artikeltjes verschenen in Het Volk en De Gazet van Antwerpen, allicht geen al te zuivere bronnen aangaande de Vrijmetselarij. (45) Conner P. (ed.). The Inspiration of Egypt. Its Influence on British Artists, Travellers and Designers, 1700-1900, Brighton, 1983, p. 96 (ill.) en p. 100; Humbert J.-M.. o.c. p. 115 (ill.). (46) Foissy-Aufrere M.-P. (dir.), Egypte et Provence. Civilisation, Survivances, 'Cabinetz de curiositez', Avignon, 1985, p. 264. (47) Busschaert, Parels langs de Scheldekant, Temse, 1980, z.p.; Demey. 1981, p. 702-703; Demey, 1983, fig. 219.


60

M&L

DE EETZAAL VAN KASTEEL MOELAND TE SINT-NIKLAAS HET MATERIEEL-WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK BERNARD DELMOTTE (1)

Reimgingstest (detail), op de Osirisfiguur in de Egyptiserende zaal van het kasteel Moeiend (foto SupportSurface)

D 'ee architecturale ornamenten en decoratieve

onderdelen van de Egyptische zaal zijn alle schatplichtig aan de 19de-eeuwse grootschalige moulagetechniek, met uitzondering evenwel van de houten lambrizering op rugleuninghoogte. De gemarmerde fries van figuren en hiërogliefen, eveneens gietwerk, is gevat tussen de houten plint en de kroonlijst. De grote panelen voorzien van heroïsche en mythologische taferelen zijn uit één stuk vervaardigd. De decoratieve panelen en architecturale onderdelen zijn opgedeeld in standaardmaten. Wat de monumentale plafonddecoratie betreft zijn één of groepen van figuren bepalend voor de afmeting en de vorm van de gietstukken. Uit het onderzoek betreffende de constructie en het materieel-technisch onderzoek is gebleken dat de architecturale en decoratieve onderdelen niet 'in situ' maar wel in het beeldhouwersatelier zijn vervaardigd en nadien ter plaatse zijn gemonteerd en geassembleerd. Diametraal tegenover deze reproduceertechniek staan de uniciteit van het vlakreliëf en de sgraffitotechniek die hier rechtstreeks is toegepast in de droge gipsplaten.

Wat de mechanische hechting en bevestiging van de gips-onderdelen betreft zijn er twee duidelijk te onderscheiden werkwijzen of methodes vastgesteld: De dieper gelegen omlijstingen en de grote gipsplaten en panelen van de muurvlakken zijn, middels het voorafgaandelijk opwerpen van vers aangemaakte gips, op de baksteenmuur aan- en ingedrukt. Daarbij fungeerde de houten kroonlijst van het onderstel als steun om de bevestiging van de zware platen - dikte 30 tot 33 milimeter enigszins te vergemakkelijken. De gietstukken van de pilasters daarentegen zijn aangebracht op een houten vakwerkstructuur die werd voorzien van een beschieting van vertikaal gespijkerde rinkellatten. De vakwerkstructuur van de basementen en schachten werd voorzien van smeedijzeren krammen om de hechting maximaal te verzekeren. De constructieve onderdelen en architecturale ornamenten — architraaf, rondstaaf en holkeellijst — zijn vermoedelijk op identieke wijze aangebracht. Voor de verankering van de gipsplaten met de plafondstructuur lijkt het gebruik van beugels en doken noodzakelijk.


61

1. Reinigingstest op de Osirisfiguur 2. Bij ontmanteling vaneen muurpaneei biijken de gipspiaten bevestigd middeis gipsproppen 3, De ontmanteimg van het basement toont de vakwerkstructuur voorzien van vertikaai gespijkerde rinkeliotten (foto's SupportSurface)

Middels een beperkt aantal steekproeven in de picturale laag is onderzoek verricht naar de opeenvolgende preparatie- en afwerkingslagen enerzijds, het detecteren van mogelijke overschilderingen of hernemingen anderzijds. Over de gehele oppervlakte van de drager (gips) is een grondering aangebracht, gevolgd door een monochrome grondlaag - ivoorkleurig - van olieverf. Nagenoeg dezelfde kleur wordt aangehouden voor de afwerkingslaag van de grote taferelen van de wanden. De kleur van de achtergronden van de overige decoratieve en architecturale onderdelen varieert onderling in grijswaarde, toonwaarde of kleurtemperatuur. De respectieve fondkleuren zijn eveneens toegepast onder de polychrome afwerking van het verzonken of holreliëf, het vlakreliëf of de sgraffito-tekening. De polychrome eindafwerking is schraal en mager. De penseelvoering is duidelijk te onderscheiden. De matte aanblik verleent de olieverf het aspect van een secco-schildering.

HET SCHADEBEELD

Algemeen kan gesteld worden dat de bastvorming van het plafond, de architecturale en decoratieve onderdelen, met uitzondering van de grote taferelen van de muurvlakken, samenvalt met de grenzen en de contouren van de autonome gemonteerde en geassembleerde stukken.

Wat de grote één-delige taferelen betreft, is het barstenpatroon het gevolg van de spanningsverhouding tussen drager en baksteenmuur. De oorzaak is van bouwfysische aard. De architecturale en decoratieve onderdelen onderling vormen geen onlosmakelijk verbonden geheel. De stukken onderling gedragen zich als onafhankelijke 'schotten' die zich, wat het spanningsveld betreft, autonoom ten opzichte van elkaar verhouden. Dat is de reden waarom het barstenpatroon niet over de verschillende onderdelen doorloopt. De barsten of scheuren ter hoogte van de panelen en de verdiepte omlijsting manfesteren zich dan ook aan de gemeenschappelijke 'lasnaad' van beide stukken. Op de plaatsen waar de verankering is verzekerd en versterkt bij middel van smeedijzeren krammen, is de pleisteren dichting opgestuwd of weggedrukt. Er is eveneens veel schade vastgesteld aan de poortomlijsting. Na onderzoek is gebleken dat beide pylonen verwijderd werden in functie van electriciteits- en centrale verwarmingsvoorzieningen enerzijds, in functie van het verbouwen van de toegangsdeur tot schuifdeur anderzijds. De toegebrachte schade uit zich in barsten, ontstaan tijdens het verwijderen, en niveauverschillen tussen de brokstukken onderling ten gevolge van het onnauwkeurig terugplaatsen. De dagkanten van de poortomlijsting werden


M&L

vermoedelijk tijdens deze ingreep onherroepelijk beschadigd en vervangen door "a p/af "-schilderingen op houten panelen. De rondom lopende gemarmerde fries, voorzien van sgraffito's, is op veel plaatsen verwijderd en vervangen door "a p/af "-schilderingen. Niet alleen zijn er overeenkomsten tussen de beide "a plat"schilderingen, tevens is er een causaal verband tussen de beschadigingen van poort en fries. Vermoedelijk fungeert de holte achter de fries als behuizing voor de electriciteitsbedrading. Wellicht werden ook daarom de basementen van de pilasters verwijderd en teruggeplaatst. De talrijke spleten en breukvlakken ten gevolge van deze ingreep aan pylonen en pilasters werden met behulp van olie-mastiek gedicht. In de desbetreffende zones werden eveneens inzetstukken in gips aangetroffen. De verzonken of holreliëfs werden niet weerhouden ten voordele van een "a p/af" weergave van de hiërogliefen. Wat de picturale laag betreft is een algemene vervuiling en vuil- of vetafzetting geconstateerd, op haar beurt aangezwengeld door de luchtcirculatie ten gevolge van de aanwezigheid van centrale verwarmingselementen.

In de onmiddellijke nabijheid van de barsten in de panelen van de muurgeleding werden vochtvlekken en verhoogde concentraties van vuil en craquelures van de picturale laag waargenomen. Eén van de mogelijke oorzaken is de aanwezigheid van wateroplosbare zouten in de muren. Bij het verdampen van het stijgvocht en vocht ten gevolge van regeninslag kristalliseren deze zouten uit aan het oppervlak van de muur. Naargelang de relatieve vochtigheid van de omgevende lucht zullen welbepaalde zouten uitkristalliseren of voor vochtvlekken zorgen. Zouten kunnen eveneens vocht uit de lucht opnemen: de zogenaamde hygroscopische werking. Om het aspect van een fresco of secco-schildering zo dicht mogelijk te benaderen is de afwerkingslaag schraal en mager aangebracht. De achtergrondkleur die onder de polychromie doorloopt is vrij 'vet' geschilderd. De matte of droge aanblik is wellicht het gevolg van mat-preparaten. In de olieverfschilderkunst is het regel de opeenvolgende lagen in toenemende mate van schraal tot vet af te werken. De craquelures zijn dan ook deels het gevolg van de omgekeerde werkwijze. (1) Support-Surface (Bernard Delmotte, Dirk Peers en Jan Delbeke). Materieel wetenschappelijk onderzoek, restauratie + conservatie. Muurschildering-Stuc-Sculptuur-Polychromie.


M&L

63

SUMMARY

THE DISCLOSURE OF THE LIMBURG HEATHLAND Heath is quite often associated with Limburg, just like carbon. This is why an inventory has been made on provincial level of all heathland. This article treats aspects of accessibility which can be related to landscapes but to monuments as well. Quite some areas are not or hardly accessible. For the smaller terrains this means a threat on short term. They are changed into motocross-tracks, cornfields or dumps. Hardly accessible larger areas may safeguard natural values, the social support for the protection of our heritage and the quality of our environment hardly benefit from it. Therefore this inventory is meant to strive with all parties involved for a justified valorisation of the heathlands in Limburg.

GETHSEMANI 1841-1991. THE INSTITUTE OF THE URSULINE SISTERS IN ONZE-LIEVE-VROUW-WAVER The village of Onze-Lieve-Vrouw-Waver is largely dominated by the Institute of the Ursuline Sisters. Ever since the foundation of the convent in 1841 the necessary infrastructure was built, gradually and in different phases, parallel to the development of the educational offer and the growth of the school population. Attention was paid to the growth of the school population. Attention was paid to het functional and practical as well as to the pedagogical and esthetical aspects of architecture and decoration. Equally striking is the apparent interest in modern tendencies and applications. The unique character of the institute lies undoubtedly to a large extent in the unity of the complex: a remarkable synthesis between two divergent styles — art nouveau and neo gothic — realised between 1907 and 1912 by the county architect Edward Careels. Despite the devastations during the World Wars, despite necessary extensions in the Interbellum and modernisations in the post-war period, this unity has until now essentially and remarkably remained intact owing to the dedication and vision of generations of Ursuline Sisters.

DINNER WITH ISIS AND OSIRIS The Egyptianizing dining-room of Castle Moeland in Sint-Niklaas One of the finest Egyptianizing interiors in the Low Countries is the dining-room of Castle Moeland in Sint-Niklaas. It was completed in 1877, a year before the Egyptianizing interior of the Peterseliestraat masonic temple, in Brussels, considered to be the most beautiful temple on the Continent.

The Chevalier Amédée de Schoutheete de Tervarent (1835-1891) ordered it, the stucco worker Auguste Bonnefoy (1813-1883) and the painter Arnold de Castro (1823-1884) made it. De Schoutheete was a rather prolific historian and genealogist, a longtime president of the local historical society and also a one-time president of the Antwerp Academy of Archaeology. Here he met the Egyptologist Louis Delgeur (1819-1888), one of the secretaries of the Academy at the time. He was the man who designed the paintings ont the facade of the Egyptianizing temple of the Antwerp zoo (1856-1861) and probably the only Egyptologist who had a direct influence on de Schoutheete's designs, thoug others have been named. De Schoutheete made himself a reputation as a book-collector. He certainly owned a copy of the famous "Description de I'Egypte", commissioned by Napoleon Bonaparte, the single source used by Bonnefoy for his remarkable stucco panels. Most of the scenes are to be found in the temple of Amun at Karnak and in the late temples of IsiS at Philae and Hathor at Denderah. The ceiling is the product of a real feat of skill, being a 9 x 8 m reproduction of the famous zodiac of Denderah, now in the Louvre. There is no doubt that the Egyptianizing room of Castle Moeland is just a dining-room and no more, though some authors propose to identify the place as a masonic or a rosicrucian temple. The room is evidently ill-adapted to such a function and its owner was certainly not that kind of man. Moreover, such a room seems to be rather typical of the period, several journals publishing designs for exactly that kind of dining-room or library, popular with artists, antiquaries and collectors. Another one is to be found near Sint-Niklaas, in Temse, in the house of A. Sloor, a rather obscure genre-painter, who found his inspiration in the Antwerp zoo. Here even the furniture was Egyptianizing and, again, the doorknobs and windowhandles, as in Sint-Niklaas. The Egyptianizing dining-room of Castle Moeland might not be unique, it still deserves our full attention as the masterpiece of its kind.

THE EGYPTIANISING DINING-ROOM OF THE MOELAND CASTLE. THE MATERIAL-SCIENTIFIC RESEARCH. The architectural ornaments and decorative parts of the Egyptianised dining-room owe tribute to the 19th century moulding technique. Research revealed these elements to have been manufactuerd not in situ but in the sculptor's studio. Afterwards the were assembled on the spot either by dressing the fresh plaster or by building a wooden substructure. Besides testing samples taken at random for successive preparationand finishing layers the damage could be described as generalised cracks on the level of the contours of the assembled parts, rather than mutilation due to electric wiring. The pictural layer appears to be not only spoiled but also damp stained.


Het standaardwerk over industriële archeologie in Vlaanderen!

VAN INDUSTRIE TOT ERFGOED

Technische gegevens : • • • • • • •

fotografie : G. Charlier vormgeving : A. Beullens produktie : L. Tack formaat: 33 cm x 25 cm 168 blz. met 100 illustraties in kleur en blchromie druk : Die Keure N.V. co-editie : Bestuur voor Monumenten en Landschappen en Stichting Monumenten- en Landschapszorg v.z.w.

PM!L BERCKMANS GEORGES CHARLIER LUC DAFLS Sc ANTOÜN VÈRHOEVÏ; JO DF SCHEPPER

Inhoud: • essay's door L. Daels & A. Verhoeve, R Berckmans en J. De Schepper • fotoreeks door G. Charlier • tijdstabellen • bibliografie Kostprijs: 1.750 fr. (verzendingskosten inbegrepen) storten op rekeningnummer: 470-0278201-29 Verkrijgbaar bij: Bestuur voor Monumenten en Landschappen Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel. (02) 507 42 57

Bij aankoop : gratis stel prentkaarten over industriële archeologie!


RESTAURATIE VAN DE SINT-NIKLAASKERK TE GENT

N.V. VANDEKERCKHOVE Herstelling monumenten en openbare werken

OOSTROZEBEKESTRAAT 54 INGELMUNSTER 8770 tel. (051) 30 22 41 fax. (051) 30 22 37

GROUP

MONUMENT


M&L biedt U zijn beste wensen aan voor 1992.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
M&L_10_6.pdf by Vlaanderen-be - Issuu