Leidraad Translocaties voor Biodiversiteit in Vlaanderen INBO.be NATUURENBOS.be
Auteurs: Joachim Mergeay Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Veronique Verbist Agentschap Natuur en Bos Reviewers: Thomas Defoort Agentschap Natuur en Bos Gert Van Hoydonck Agentschap Natuur en Bos Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) is het Vlaams onderzoeks- en kenniscentrum voor natuur en het duurzame beheer en gebruik ervan. Het INBO verricht onderzoek en levert kennis aan al wie het beleid voorbereidt, uitvoert of erin geïnteresseerd is. Het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) werkt elke dag aan het behoud, de bescherming en de ontwikkeling van natuur in Vlaanderen. Het agentschap staat binnen de Vlaamse overheid in voor het beleid, het duurzaam beheren en het versterken van natuur samen met alle partners. Vestiging: INBO Geraardsbergen Gaverstraat 4 9500 Geraardsbergen www.inbo.be e-mail: joachim.mergeay@inbo.be Wijze van citeren: J. Mergeay, V. Verbist. (2021) Leidraad Translocaties voor Biodiversiteit in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2021 (13). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.34130911 D/2021/3241/105 Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2021 (13) ISSN: 1782-9054 Verantwoordelijke uitgever: Maurice Hoffmann Foto cover: Detail van blauwe knoop (Succisa pratensis) na succesvolle herintroductie in Het Vinne te Zoutleeuw. (J. Mergeay)
© 2021, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
Leidraad Translocaties voor Biodiversiteit in Vlaanderen Joachim Mergeay, Veronique Verbist
doi.org/10.21436/inbor.34130911
Dankwoord Deze leidraad kwam tot stand met medewerking van vele mensen die ons voorzien hebben van terugkoppeling betreffende eerdere versies van het document, of die op andere wijze bijgedragen hebben tot de totstandkoming. We bedanken met name Thomas Defoort, Gert Van Hoydonck voor het nalezen van het rapport, en Alain Dillen, Chris Van Liefferinge, Kristof Vlietinck, Bernard Van Elegem, Geert Sterckx, Veerle Versteirt, Hildegarde Quintens, Floris Verhaeghe, Dominiek Decleyre, Jan Menschaert, Tim Adriaens, Dirk Maes, Frank Van de Meutter, Johan Auwerx, An Van den Broeck, Karen Cox, Dieter Devolder, Kevin Lambeets en Wouter Van Reusel voor talloze opmerkingen, kritiek en suggesties.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 2 van 33
doi.org/10.21436/inbor.34130911
Samenvatting Dit document is bedoeld als leidraad voor iedereen die in de open ruimte wilde soorten wil verplaatsen, met bijzondere aandacht voor natuurbeheerders. De leidraad heeft als doel je te gidsen door de verschillende opties die translocaties bieden voor natuurbehoud en –beheer. Ze bestaat uit een algemene theoretische achtergrond en een praktische richtlijn, die je helpt bij de voorbereiding en planning van je translocatie. Bijlagen bij dit rapport zijn:
een wetenschappelijk begeleidingsdocument over types translocaties gegeven voor hen die meer diepgang wensen (Bijlage 1) het Translocatieformulier (Bijlage 2) achtergrondinformatie over bijplaatsingen voor genetische diversiteit (Bijlage 3) een lijst met bijlage II, IV en V-soorten van de Europese Habitatrichtlijn alsook beschermde en habitattypische soorten ((Bijlage 4) en een overzicht van verbreidingsafstanden van soortengroepen gegeven (Bijlage 5)
Het Translocatieformulier vormt de basis voor de documentatie van de translocatie, en maakt verplicht deel uit van het aanvraagdossier wanneer een afwijking op het Soortenbesluit, een voortoets of een passende beoordeling nodig is. Deze leidraad zal ook worden gebruikt voor de beoordeling van translocaties door het ANB en het INBO.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.34130911
Pagina 3 van 33
English abstract This document is a practical guideline for conservation translocations aimed at practitioners. The report guides you through the different options that translocations offer for conservation and management. It consists of a general theoretical background and hands-on considerations, which will help you prepare and plan your translocation. It is supported by supplementary appendices:
appendix 1 provides more details on types of translocations appendix 2 is a form to document translocation practices and file a derogation for a particular conservation translocation appendix 3 provides extra information on genetic aspects related to translocations appendix 4 gives a list of protected species and indicator species of protected habitats appendix 5 provides an overview of dispersal distances to be considered in appendix 2
This guideline will also be used for the assessment of derogations required for conservation translocation by the relevant authorities.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 4 van 33
doi.org/10.21436/inbor.34130911
Inhoudstafel Dankwoord .................................................................................................................................... 2 Samenvatting ................................................................................................................................ 3 English abstract ............................................................................................................................. 4 Lijst van figuren ............................................................................................................................. 7 Lijst van tabellen ........................................................................................................................... 7 1
Inleiding.................................................................................................................................. 8
1
Translocaties, hefbomen in natuurbeheer ............................................................................ 9
2
1.1
Natuurlijke landschappen en verbreiding ................................................................................... 9
1.2
Metapopulaties ........................................................................................................................... 9
1.3
Verbreidingsprobleem aanpakken .............................................................................................. 9
1.4
Ecologische verbindingen ......................................................................................................... 10
1.5
Valkuilen en opportuniteiten van translocaties ........................................................................ 10
Wettelijke aspecten ............................................................................................................. 12 2.1
Op welke soorten van toepassing? ........................................................................................... 12
2.2
Een afwijking bekomen op het verbod tot introductie in het wild ........................................... 13
2.3
Beperkingen voor translocaties? .............................................................................................. 14
2.3.1
Beschermde soorten............................................................................................................. 14
2.3.2
Rode lijsten ........................................................................................................................... 14
3
Visie vanuit het Vlaamse natuurbeleid ................................................................................ 15
4
Types translocaties .............................................................................................................. 16
5
Translocaties – voorbereiding en planning .......................................................................... 18 5.1
Doelen – toestand – evaluatie .................................................................................................. 20
5.1.1
Regionale en lokale doelen ................................................................................................... 20
5.1.2
Identificeer de knelpunten – zoek oplossingen – verken scenario’s .................................... 21
Identificeer de knelpunten ........................................................................................................... 21 Werk alternatieve scenario’s uit .................................................................................................. 22 Is translocatie essentieel? ............................................................................................................ 22 5.2
Opmaak van een translocatieplan ............................................................................................ 22
5.2.1
Bepaling van het type translocatie ....................................................................................... 22
5.2.2
Ecologische en socio-economische voorwaarden ................................................................ 23
Kritische succesfactoren............................................................................................................... 23 Ecologische risico’s ....................................................................................................................... 23 Socio-economische risico’s en draagvlak ..................................................................................... 26 Toelatingen, wetgeving en vergunningen .................................................................................... 27
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.34130911
Pagina 5 van 33
5.2.3
Plan van uitvoering ............................................................................................................... 28
Wat, waar, hoe, hoeveel, wanneer... ........................................................................................... 28 Formuleer concrete mijlpalen ...................................................................................................... 28 Monitoringplan ............................................................................................................................ 28 Exitstrategie ................................................................................................................................. 29
6
5.3
Uitvoering ................................................................................................................................. 29
5.4
Opvolging .................................................................................................................................. 29
5.4.1
Evaluatie ............................................................................................................................... 29
5.4.2
Bijsturing ............................................................................................................................... 29
5.4.3
Communicatie van de resultaten ......................................................................................... 29
GLOSSARIUM........................................................................................................................ 30
Referenties .................................................................................................................................. 32 Bijlages ........................................................................................................................................ 33
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 6 van 33
doi.org/10.21436/inbor.34130911
Lijst van figuren Figuur 1: Figuur 2: Figuur 3: Figuur 4:
Het translocatiespectrum in Vlaanderen. Overzicht van de types conservatietranslocaties voor soortenbeheer. Overzicht van de types conservatietranslocaties voor ecosysteembeheer. Schematisch overzicht van een stappenplan om tot translocatie te komen.
15 16 17 19
Lijst van tabellen Tabel 1: Tabel 2:
Overzicht van de belangrijkste ecologische risico’s gekoppeld aan de gevolgen van translocaties. Overzicht van de belangrijkste socio-economische risico’s die gepaard kunnen gaan met translocaties, en waar in het translocatieformulier rekening gehouden moet worden.
25
26
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.34130911
Pagina 7 van 33
1 INLEIDING Globaal gaat biodiversiteit sterk achteruit, en met name het verlies aan leefgebied en de versnippering van die leefgebieden onderling bedreigt zeer veel organismen in hun voortbestaan. Deze versnippering zorgt ervoor dat natuurlijke verbreiding van planten, dieren en andere organismen op vele plaatsen niet meer naar behoren verloopt. Translocaties, doelmatige menselijke verplaatsingen van organismen, kunnen een surrogaat vormen voor natuurlijke verbreiding, en kunnen zo een (tijdelijke) oplossing brengen om de acute problemen gelieerd aan verbreiding van sommige soorten en hun populaties te verlichten. Hoewel er reeds internationale wetenschappelijke consensus is dat translocaties een essentiële maatregel vormen in natuurbehoud, ontbreekt het nodige beleidskader in Vlaanderen om hiermee efficiënt in de praktijk mee om te gaan. Onder translocatie verstaan we verplaatsingen van levende organismen en hun levensvatbare dispersiestadia. We focussen hier op doelgerichte verplaatsingen in het kader van natuurbehoud en biodiversiteit, zogenaamde conservatie-translocaties, verder aangeduid als translocaties, zonder meer. In Vlaanderen vormt het Soortenbesluit (Besluit van de Vlaamse Regering met betrekking tot soortenbescherming en soortenbeheer, 15 mei 2009) het wettelijk kader voor translocaties. Dit document steunt in grote mate op twee andere werken: de richtlijnen omtrent translocaties van de IUCN Species Survival Commission (IUCN/SSC, 2013) en de voor Schotland uitgewerkte richtlijnen voor translocaties (National Species Reintroduction Forum, 2014). Doorheen dit document verwijzen we regelmatig naar het “Translocatieformulier” (bijlage 2). Dat formulier vormt de basis voor de evaluatie van een aan te vragen translocatie. De kruisverwijzingen naar specifieke paragrafen zijn bedoeld om de lezer te helpen bij het correct invullen van dat formulier.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 8 van 33
doi.org/10.21436/inbor.34130911
1 TRANSLOCATIES, HEFBOMEN IN NATUURBEHEER 1.1 NATUURLIJKE LANDSCHAPPEN EN VERBREIDING In een natuurlijk landschap zijn de natuurlijke dynamieken van die grootteorde dat je een mozaïek van biotopen en leefgebieden van soorten krijgt, waartussen natuurlijke verbreiding kan optreden. Verbreiding is een essentieel proces op lokale en regionale schaal, omdat het noodzakelijk is om het natuurlijke proces van uitsterven van deelpopulaties te compenseren, en de uitwisseling van genetisch materiaal tussen populaties toe te laten. In een volledig door mensen ingericht en gestuurd landschap is natuurlijke verbreiding tussen geschikte leefgebieden voor veel soorten zeer moeilijk geworden. Meer achtergrond omtrent deze problematiek is te vinden in Mergeay (2017). Versnippering en verlies van natuurgebied zijn globaal de voornaamste oorzaken van biodiversiteitsverlies. Dit heeft geleid tot een sterke vermindering van natuurlijke verbreiding van organismen tussen wat overblijft van hun leefgebieden. Teneinde deze soorten en hun leefgebieden te behouden volstaat het niet altijd om louter te focussen op het reguleren van abiotische en biotische processen binnen gebieden, maar is het vaak ook nodig om in te grijpen op het proces van verbreiding. Door klimaatverandering verschuiven bovendien de leefgebieden van heel wat soorten op relatief korte tijd, en bij sommige soorten gaat dit zelfs sneller dan de verbreidingscapaciteit van de betrokken soorten.
1.2 METAPOPULATIES In metapopulaties (clusters van populaties die door verbreiding met elkaar in contact staan) is het normaal dat populaties verdwijnen en er elders nieuwe gevormd worden. In gezonde ecosystemen houden beide processen van kolonisatie en extinctie elkaar in evenwicht en is een groot aandeel van de geschikte leefgebieden daadwerkelijke bezet. Dit vereist een groot overschot aan verbreiding. Hoe meer overschot, hoe meer geschikte leefgebieden effectief bezet zijn door de doelsoorten. Een groot overschot zorgt ook voor uitwisseling tussen populaties, waardoor genetische risicofactoren op uitsterven (bijvoorbeeld inteelt) lager zijn, en gunstige genetische varianten zich kunnen verspreiden. Wanneer een landschap versnipperd geraakt neemt de afstand tussen geschikte leefgebieden toe en zijn er minder geschikte leefgebieden. Hierdoor neemt de verbreiding af terwijl de snelheid waarmee populaties verdwijnen dezelfde blijft. Het gevolg is een lager aandeel bezette leefgebieden. In het slechtste geval verdwijnt de metapopulatie als geheel omdat er sneller populaties verdwijnen dan dat er nieuwe bijkomen. Dit leidt uiteindelijk tot uitsterven van een soort op regionale schaal. De onderliggende oorzaak is niet het lokaal gevoerde beheer, maar de versnippering van de leefgebieden van de betrokken soorten in het landschap. Op niveau van metapopulaties vertaalt zich dit in een tekort aan natuurlijke verbreiding tussen de leefgebieden.
1.3 VERBREIDINGSPROBLEEM AANPAKKEN Voor veel soorten ligt in het huidige landschap het proces van verbreiding nagenoeg stil, wat zich vertaalt in een extinctieschuld en het fenomeen van fantoompopulaties, populaties die gedoemd zijn te verdwijnen bij verderzetting van het huidige beleid (Goovaerts et al., 2018) en een verder tekort aan natuurlijke verbreiding. Wanneer de verbreiding te laag is om gelijke
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.34130911
Pagina 9 van 33
tred te houden met de snelheid waarmee populaties verdwijnen, neemt het aandeel bezette leefgebieden af tot een nieuw evenwicht. Het te verwachten verlies aan bezette leefgebieden (de fractie populaties die men kan verwachten te verliezen) noemt men de extinctieschuld. Om het probleem van verbreiding aan te pakken zijn er drie mogelijk oplossingen: (1) de bestaande leefgebieden worden groter gemaakt; (2) er worden nieuwe leefgebieden als stapstenen tussen de bestaande aangelegd, waardoor deelpopulaties opnieuw binnen de kritische dispersieafstand liggen; (3) je verhoogt artificieel verbreiding tussen de nog bestaande deelpopulaties, zodanig dat de functionele connectiviteit geïmiteerd wordt. Oplossingen 1 en 2 focussen op de relatie tussen deelpopulatiegrootte en kritische dispersieafstand van een soort. Ze zijn op de lange termijn de enige wijze om tot duurzame metapopulaties te komen, maar ze gaan uit van de maakbaarheid van leefgebieden op korte termijn, enerzijds, en vereisen meer ruimte voor natuur, anderzijds. Oplossing 3 stelt dat translocaties van individuen (of andere dispersiestadia zoals zaden) kan helpen om metapopulaties te doen overleven in afwachting van de realisatie van grotere leefgebieden of meer kleine gebieden dichter bij elkaar, en om soorten die niet op eigen kracht hersteld leefgebied kunnen bereiken terug te introduceren (herintroductie). In een aantal gevallen is oplossing 3 momenteel de enige haalbare methode om metapopulaties en soorten (tijdelijk) te redden van extinctie. Translocaties dienen dus niet enkel om verdwenen soorten een nieuwe kans te geven (na herstel van geschikte leefgebieden), maar vormen ook een belangrijke hefboom om (meta)populaties van tanende soorten te herstellen.
1.4 ECOLOGISCHE VERBINDINGEN Zoals hierboven reeds aangegeven kan men een tekort aan verbreiding soms compenseren door in te zetten op ecologische verbindingen: stroken van natuur die wilde dieren en planten begeleiden naar waar we ze willen. Ecologische verbindingen vormen echter geen volwaardig leefgebied op zich, en zijn daardoor enkel over korte afstanden efficiënt. Ecologische verbindingen moet daarom vaak gecombineerd worden met de aanleg van extra stapstenen van tussenliggende leefgebieden (Alterra, 2001). Kleine populaties hebben bovendien proportioneel meer verbreiding nodig dan grote populaties, en dit vereist ook dat de gebieden dichter bij elkaar liggen. Omgekeerd hebben zeer grote gebieden minder nood aan verbindingen om gezonde gemeenschappen en populaties te herbergen (Mergeay, 2017).
1.5 VALKUILEN EN OPPORTUNITEITEN VAN TRANSLOCATIES Het is onmogelijk en niet opportuun om voor alle soorten translocaties te gebruiken. We moeten dus keuzes maken. Het risico is dan dat we ons beperken tot wat we goed kennen en waardevol vinden. Indicatorsoorten komen vaak uit goed bestudeerde soortengroepen (dagvlinders, amfibieën, vissen...) waarvan we aannemen dat ze ons een idee geven van de algemene toestand van de natuur. Als we ons beperken tot die embleemsoorten, riskeren we selectief die soorten te helpen die we gebruiken om de toestand van de natuur te evalueren. Wordt de algemene toestand van de natuur beter wanneer we morgen beslissen om voor
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 10 van 33
doi.org/10.21436/inbor.34130911
honderd “koestersoorten” sterk in te zetten op translocaties? Waarschijnlijk niet, want aan de oorzaak van de achteruitgang van de natuur (zoals versnippering, teloorgang van de milieukwaliteit, wegvallende dynamiek, ...) hebben we niets gedaan. Translocaties vormen geen wondermiddel. Het natuurbeheer van de laatste decennia heeft echter veel successen geboekt, en heeft in vele gevallen leefgebied hersteld en bijkomend leefgebied gecreëerd. Dit geeft nieuwe kansen voor veel soorten die lokaal of regionaal verdwenen waren, maar niet meer op eigen kracht in het leefgebied geraken. Een translocatie van die soorten kan zorgen voor een herstel van heel wat natuurwaarden. In andere gevallen vormen translocaties een tijdelijke oplossing voor acute problemen van genetische connectiviteit, van kolonisatietekorten enzovoort. Daar kunnen ze zorgen voor een vertraging van de achteruitgang, hetgeen het beleid de tijd geeft om te zoeken naar structurele oplossingen. Translocaties doelgericht en doordacht inzetten koopt ons tijd om duurzame oplossingen te vinden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.34130911
Pagina 11 van 33
2 WETTELIJKE ASPECTEN De informatie in dit hoofdstuk is van belang bij het Translocatieformulier §5 en §6.
2.1 OP WELKE SOORTEN VAN TOEPASSING? Volgens de wettelijke bepalingen van het Soortenbesluit (SB) geldt een algemeen verbod om soorten, die onder het toepassingsgebied van dat besluit vallen, opzettelijk te introduceren in het wild (SB art.17). Dit is dus niet enkel van toepassing op beschermde soorten. Het SB is (op enkele uitzonderingen na) niet van toepassing in volgende gevallen, waarvoor aparte wetgeving van toepassing is: 1) gedomesticeerde soorten, rassen en variëteiten (die dan ook niet bedoeld zijn voor introductie in het wild), 2) genetisch gewijzigde organismen, 3) bepotingen van vis in rivieren en waterlichamen die ermee verbonden zijn zonder belemmeringen (via het Visserijbesluit geregeld met jaarlijks bepotingsplan, bekrachtigd door de bevoegde minister), 4) soorten die mogen ingezet worden voor de bestrijding van voor planten schadelijke organismen, 5) uitheemse soorten waarvan het bezit, de invoer, uitvoer en doorvoer vallen onder CITES-wetgeving. Het SB is ook van toepassing op jachtwild, vastgelegd in de jachtwetgeving , voor de aspecten die niet geregeld worden in de jachtwetgeving. De jachtwetgeving regelt het verplaatsen van soorten die vallen onder de beschermingsbepalingen van het SB evenwel niet. Translocaties van door het SB beschermde jachtwildsoorten die dienen als maatregel om de populaties of individuen ervan te beheren, beschermen of te versterken, vallen dan ook onder de verbodsbepalingen van het SB. Voor bejaagbaar jachtwild geldt daarentegen een algemeen verbod tot introduceren. Afwijkingen hierop worden geregeld via art. 33 van het jachtdecreet, maar volgen dezelfde logica als afwijkingen op het SB. Ook vissoorten vallen onder het SB. Volgens het Visserijbesluit (VB) is het verplaatsen en uitzetten (‘bepoten’) van vis in rivieren en waterlichamen die ermee verbonden zijn zonder belemmeringen, verboden, tenzij met een specifieke machtiging. Translocaties van door het SB beschermde vissoorten naar andere wateren vallen dan ook onder de verbodsbepalingen van het SB. Het SB voorziet evenwel een uitzondering op dat verbod voor afgesloten wateren (zie onder). Op het algemeen verbod tot introductie in het wild bestaan enkele uitzonderingen (SB art.18):
Plantensoorten die worden ingezet in het kader van wettige bosbouw-, landbouw-, tuinbouwactiviteiten of tuin-, park- of landschapsbeheer; Soorten die in landbouwkundige of industriële toepassingen door professionelen of particulieren worden gebruikt met het oog op bestuiving, op biologische bestrijding of geïntegreerde bestrijding; Vissen die gepoot worden in hermetisch afgesloten wateren, waaruit de vissen of hun nakomelingen niet kunnen ontsnappen. Wie gebruik maakt van deze uitzonderingsmaatregelen, neemt hierbij steeds alle voorzorgsmaatregelen om te voorkomen dat de geïntroduceerde specimen zich kunnen verspreiden en voortplanten in het wild. De aanplanting van houtige gewassen (bomen, struiken, hagen, heggen, houtkanten, ...) of het zaaien van bloemenmengsels, die vallen onder de eerste uitzonderingsgrond, leiden in de praktijk tot vermeerdering in het wild en vormen zodoende de facto een translocatie of introductie. Het is dan ook sterk aanbevolen om steeds te werken met standplaatsgeschikt, inheems en bij voorkeur streekeigen en autochtoon plantmateriaal of zaadgoed. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 12 van 33
doi.org/10.21436/inbor.34130911
Indien de translocatie gaat om een Europees beschermde soort of als de bronpopulaties of doellocaties zich bevinden in een Speciale Beschermingszone, afgebakend in het kader van de Vogel- of Habitatrichtlijn, vereist dit mogelijk een passende beoordeling (op basis van het Natuurdecreet, art. 36ter §3). Verdere informatie hierover is te vinden op https://natura2000.vlaanderen.be/passendebeoordeling.
2.2 EEN AFWIJKING BEKOMEN OP HET VERBOD TOT INTRODUCTIE IN HET WILD Van het algemeen verbod tot introductie in het wild kan worden afgeweken in het kader van een soortenbeschermingsprogramma (SBP) of via een specifieke afwijking met het oog op translocatie van een soort binnen zijn huidige verspreidingsareaal (SB art.21).
Bij een afwijking in het kader van een SBP, dient de afwijking te worden opgenomen in het SBP, waarbij eveneens een effectinschatting, een evaluatie van de potentieel geschikte leefgebieden, een bepaling van het geschikt genetisch profiel en een geschikt kweekprogramma (indien relevant) en een passend uitzetprogramma worden opgenomen. Bij een afwijking in het kader van een translocatie dienen de geschiktheid van de biotoop, het tijdstip van vangst en vrijlating, het risico op de verspreiding van ziekten bij in het wild levende dieren, de genetische impact, het lokale maatschappelijke draagvlak, de overlevingskans van de betrokken specimens voor en na de translocatie, de mogelijke impact van de verplaatste populatie op de omgeving en de duurzaamheid van de ingreep mee in overweging genomen worden. Daarnaast gelden volgende voorwaarden, volgens de bepalingen in het SB: 1° er wordt een advies ingewonnen bij het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek (INBO); 2° specimens die gevangen en verplaatst worden, ondergaan een gezondheidscheck en worden zo veel mogelijk voorzien van een markering; 3° er is een voorafgaande schriftelijke toestemming van de eigenaar en, in voorkomend geval, de gebruiker of gebruikers, van het terrein waar de dieren worden vrijgelaten; 4° een translocatie is in voorkomend geval verenigbaar met een goedgekeurd natuurbeheerplan van type drie of type vier als vermeld in artikel 16ter van het decreet van 21 oktober 1997; 5° een translocatie is in voorkomend geval verenigbaar met een goedgekeurd soortbeschermings-programma voor de betrokken soort. Naar deze maatregelen wordt in detail navraag gedaan in het Translocatieformulier (§6).
Voor de introductie van uitheemse soorten kunnen ook afwijkingen verleend worden op het verbod tot introductie in het wild, op voorwaarde dat er, op basis van een voorafgaand impactonderzoek, wordt aangetoond dat er geen kans bestaat op ongunstige gevolgen voor de in het Vlaamse Gewest voorkomende natuurlijke habitats in hun natuurlijke verspreidingsgebied of voor de diersoorten of plantensoorten die van nature in het wild voorkomen in het Vlaamse Gewest. We verstaan onder uitheemse soorten alle soorten die niet inheems zijn. Inheemse soorten zijn enkel deze die zich bevinden in categorie 1 van de Belgische Soortenlijst http://www.species.be/nl/presense.php zoals bepaald door het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.34130911
Pagina 13 van 33
2.3 BEPERKINGEN VOOR TRANSLOCATIES? Het translocatieformulier hanteert verschillende criteria afhankelijk van de beschermingsstatus van een soort en de Rode lijststatus van een soort. We geven hier beknopt weer waar deze informatie kan gevonden worden. In het algemeen moet een ontheffing aangevraagd worden op het verbod op een introductie in het wild, die moet beoordeeld worden op ecologische criteria door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO), en door het Agentschap Natuur en Bos moet worden toegekend. In het geval van welomschreven, risico-arme translocaties (Translocatieformulier §5) kan met toepassing van deze leidraad een automatische ontheffing toegekend worden na het indienen van de translocatie-aanvraag.
2.3.1 Beschermde soorten Bijlage 1 van het SB en bijlage 1 van het VB geven aan welke soorten beschermd zijn. Je vindt deze informatie op https://codex.vlaanderen.be/Portals/Codex/documenten/1018227.html en https://www.natuurenbos.be/sites/default/files/insertedfiles/coordinatie_visserijwetgeving_v_01102019.pdf Naast deze soorten zijn ook die soorten die van nature in het wild voorkomen binnen de Europese Unie van bijlage I van de Vogelrichtlijn, bijlage IV van de Habitatrichtlijn en bijlage II van het Verdrag van Bern beschermd. Je vindt deze soorten via: Vogelrichtlijn:https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:02009L014720130701&qid=1396438819888&from=EN Habitatrichtlijn:https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:01992L004320130701&qid=1396439897249&from=EN Verdrag van Bern, bijlage II: https://rm.coe.int/168078e2ff
2.3.2 Rode lijsten Rode lijsten geven indicaties volgens internationaal aanvaarde criteria hoe het gesteld is met een soort, gaande van ‘momenteel niet in gevaar’ tot ‘regionaal uitgestorven’. Voor sommige soorten zijn er te weinig gegevens beschikbaar om tot een beoordeling te komen. Enkel voor soorten die met Rode lijststatus ’momenteel niet in gevaar’, kan een automatische ontheffing bekomen worden. Niet voor alle soortengroepen zijn Rode lijsten beschikbaar. In die gevallen kan een ontheffing niet automatisch verkregen worden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 14 van 33
doi.org/10.21436/inbor.34130911
Figuur 1. Het translocatiespectrum in Vlaanderen.
3 VISIE VANUIT HET VLAAMSE NATUURBELEID Deze leidraad gaat uit van en ondersteunt het algemene verbod op introductie van soorten in het wild. Voor het duurzaam voortbestaan van soorten in Vlaanderen zet het natuurbeleid verschillende instrumenten in voor het veiligstellen, verbeteren, vergroten en verbinden van leefgebieden. Spontane verbreiding tussen bestaande leefgebieden of naar herstelde leefgebieden geldt als het basismechanisme om dit duurzaam voortbestaan ook te bekomen in de praktijk. In bepaalde omstandigheden vormt translocatie (in de brede zin) evenwel een noodzakelijke maatregel voor het duurzaam voortbestaan van een soort, zoals toegelicht in hoofdstuk 2. Aan elke translocatie moet een grondige afweging voorafgaan, waarbij duidelijke en meetbare doelen voorop worden gesteld en rekening wordt gehouden met de wenselijkheid (of noodzaak), de identificatie en inschatting van de risico’s, de haalbaarheid en de uitkomst van de translocatie of herintroductie. Om initiatiefnemers van een translocatie te ondersteunen in deze (soms toch wel) complexe materie, voorziet deze leidraad een translocatieformulier, dat je stap voor stap begeleidt in het denkproces. De focus hierbij ligt op conservatietranslocaties die bijdragen aan: a) de instandhouding van een soort in zijn natuurlijk verspreidingsgebied;
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.34130911
Pagina 15 van 33
b) het herstel van een ecosysteem, voor soorten die een sleutelrol vervullen in de werking van het ecosysteem.
4 TYPES TRANSLOCATIES Men kan verschillende types van translocaties onderscheiden, voornamelijk op basis van het doel waarvoor de translocatie van individuen en hun verbreidingsstadia (zaden en dergelijke meer) moeten dienen. Hier beperken we ons tot maatregelen waarbij biodiversiteitsgerelateerde redenen primeren. In de internationale literatuur spreekt men doorgaans van conservatietranslocaties (IUCN/SSC, 2013). Translocaties om louter culturele of maatschappelijke redenen (bv. het inzaaien van klaprozen voor esthetische doeleinden) vallen niet onder translocaties voor natuurbehoud, en vallen door hun aard vaak niet onder het toepassingsgebied van het Soortenbesluit. We onderscheiden twee categorieën van conservatietranslocaties (Fig. 1): een categorie gefocust op soortenbeheer, en een categorie gericht op ecosysteembeheer. In de eerste categorie zijn de uitgezette soorten zelf het doel van herstel, in de tweede vormen ze een middel om tot een ander doel te komen. Binnen het soortenbeheer onderscheiden we dan vier types: bijplaatsing, geassisteerde herkolonisatie (metapopulatieherstel), herintroductie en geassisteerde kolonisatie (introductie) (Fig. 2).
Figuur 2. Overzicht van de types conservatietranslocaties voor soortenbeheer.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 16 van 33
doi.org/10.21436/inbor.34130911
Binnen het ecosysteembeheer onderscheiden we vijf types: biomanipulatie, inoculatie, biotisch herstel van een gebied, ecologische vervanging en biologische controle in natuurbeheer (Fig. 3). Al deze vormen kunnen naar criteria voor de evaluatie herleid worden tot speciale types van soortenbeheer.
Figuur 3. Overzicht van de types conservatietranslocaties voor ecosysteembeheer.
Tussen de verschillende categorieën van conservatietranslocaties is het onderscheid van het areaal van de soort essentieel, en tussen inheemse en uitheemse soorten. Het historische areaal geeft de geografische begrenzingen aan waarbinnen er gedocumenteerde waarnemingen van de soort zijn of waar de soort natuurlijk voorkwam tijdens het Holoceen (c. 10 000 j. geleden tot nu). Het huidige areaal vormt de geografische begrenzingen van de soort op het moment van de beoordeling tot translocatie. Of een translocatie al dan niet binnen een bestaande metapopulatie gebeurt, hangt af van soort tot soort, en is vooral gebonden aan de verbreidingscapaciteit van de soort. Indien de soort er op eigen kracht zou kunnen geraken vanuit een naburige populatie, afgezien van door mensen gecreëerde barrières en te lage populatiedensiteiten, beschouwen we de translocatie als een herstel binnen een bestaande metapopulatie. Wanneer een gebied binnen het historisch areaal van een soort valt, betekent dit niet noodzakelijk dat de soort ooit in dat specifieke gebied voorgekomen heeft. Of het al dan niet opportuun is om een translocatie uit te voeren in een gebied waar een soort nooit heeft voorgekomen, wordt finaal beoordeeld op basis van de toestand van de soort, de geschiktheid van het gebied en de interacties met andere doelsoorten en gemeenschappen. Voor een verdere uitwerking van de types translocaties verwijzen we naar het wetenschappelijk begeleidingsdocument (Bijlage 1).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.34130911
Pagina 17 van 33
5 TRANSLOCATIES – VOORBEREIDING EN PLANNING Wanneer natuurlijke verbreiding van de doelsoort(en) niet volstaat, vormen translocaties mogelijk een belangrijk instrument om biodiversiteitsdoelen op lokale en regionale schaal te helpen behalen. Het is essentieel om translocaties te beschouwen als onderdeel van een totaalstrategie met betrekking tot natuurbehoud en haar doelen. We volgen hiervoor de structuur weergegeven in Figuur 4, die begint met de overkoepelende doelen, evaluatie van de huidige toestand, specifieke doelstellingen, identificatie van knelpunten voor het behalen van de doelstellingen, en zoeken naar oplossingen. Indien uit deze eerste analyse blijkt dat translocatie een essentieel onderdeel vormt van de meest optimale oplossing, wordt een translocatieplan opgemaakt. Dit hoofdstuk helpt je om concreet aan de slag te gaan met de voorbereiding van het translocatieplan door je stap voor stap mee te nemen in het denkproces dat noodzakelijk is om te komen tot een weloverwogen plan met een aanvaardbare kans op slagen bij de uitvoering ervan. Na specificatie van de doelstellingen voor een translocatie en identificatie van het type translocatie dat beoogd wordt, ga je de wettelijke bepalingen na, gevolgd door het socioeconomische afwegingskader, en finaal de ecologische randvoorwaarden. Dit laat toe om te bepalen of een translocatie nog steeds wenselijk en haalbaar is. Hierop volgt een concrete uitwerking van een praktisch translocatieplan, met specifieke gebiedsgerichte en soortgerichte modaliteiten van de translocatie: brongebieden/populaties, doelgebieden/populaties, aantallen, levensstadia, timing, etc., maar ook consultatie en betrekking van belanghebbenden, communicatiestrategie, een plan voor monitoring van de translocatie, zorgen voor vergunningen en toelatingen,... Tijdens en na de uitvoering van de translocatie, gebeurt er opvolging van de translocatie, zo nodig adaptief beheer, en finaal volgt communicatie van de resultaten van de translocatie.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 18 van 33
doi.org/10.21436/inbor.34130911
Figuur 4. Schematisch overzicht van een stappenplan om tot translocatie te komen.
Het Translocatieformulier (Bijlage 2) heeft als hoofddoel de zaken zo objectief en helder mogelijk te beschrijven om zo een goede afweging/beslissing te kunnen maken, voor jezelf en voor de beoordelaars van je aanvraag binnen het ANB en INBO. De eerste reeks vragen van het formulier laten een eerste screening toe op basis waarvan beslist wordt of een translocatieaanvraag noodzakelijk is. Het Soortenbesluit verbiedt strikt genomen elke introductie in het wild. Dit geldt ook voor alle andere soorten dan degene die opgenomen zijn in bijlage 1 van het Soortenbesluit. Het heeft echter weinig zin om voor de verplaatsing van talloze zeer algemene soorten een zware administratieve procedure te voorzien. Ecologisch kan dus een onderscheid gemaakt worden tussen risico-arme gewone verplaatsingen en effectieve introducties. Voor risico-arme verplaatsingen is geen translocatieafwijking nodig. Wel dient voor beschermde soorten nog steeds een gewone afwijking voor vangen/onder zich houden/vervoer te worden aangevraagd. Om je verder te helpen bij het invullen van dit formulier zal er zowel in onderstaande tekst als in het formulier zelf een kruisverwijzing naar de betrokken punten zijn opgenomen aan het begin van de tekst.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.34130911
Pagina 19 van 33
Concreet heeft dit formulier tot doel om: Een evaluatie toe te laten van de noodzaak van de voorgestelde translocatie in het kader van reeds bestaande natuurdoelen, of andere impliciete doelen (bv. natuurbehoudsplicht) Een inschatting te maken van de slaagkansen van de voorgestelde translocatie Een samenvatting te geven van de informatie die nodig is om andere mensen of organisaties te betrekken bij een translocatie Deel uit te maken van het aanvraagdossier voor een ontheffing op het Soortenbesluit en voor de beoordeling De basis te vormen voor de documentatie van effectieve translocaties
5.1 DOELEN – TOESTAND – EVALUATIE Achtergrond bij het invullen van Translocatieformulier §6.3. Wie concrete doelen formuleert en de toestand vaststelt ten opzichte van die doelen, kan evalueren in welke mate de doelen behaald worden. Dit is essentieel om te identificeren of er problemen zijn, welke deze zijn, en hoe ze kunnen opgelost worden. Dit vereist een uitstekende kennis van de ecologische, biotische en abiotische vereisten van een doelsoort of doelgemeenschap, en dit is vaak veel complexer dan we denken (Dennis et al., 2003) . De meerderheid van de herintroducties falen als gevolg van een onvolledige kennis van deze vereisten. Het is daarbij belangrijk om te beseffen dat niet elke plaats waar individuen van een soort voorkomen en zich zelfs voortplanten kan beschouwd worden als geschikt leefgebied; er moet populatiegroei zijn (meer aanwas dan sterfte) die niet het gevolg is van immigratie. Dit vraagt dat geschikte leefgebieden waar mogelijk worden gekarakteriseerd aan de hand van grote populaties in een gunstige toestand, eerder dan aan de hand van aanwezigheid van voortplantende individuen.
5.1.1 Regionale en lokale doelen Soortengericht beheer zou telkens gekaderd moeten worden binnen de randvoorwaarden voor een duurzame, zelfstandige (meta)populatie of deelpopulatie. Voor Europees te beschermen soorten zijn die criteria omschreven in de lokale staat van instandhouding (LSVI) (Adriaens et al., 2008; Lommaert et al., 2020). Voor andere soorten zijn die criteria niet expliciet omschreven. Voor soorten met een beperkte verbreidingscapaciteit, en waarbij een populatie of metapopulatie duidelijk kan gekoppeld worden aan een gebied, is het mogelijk om genetische criteria voor populatiegrootte te gebruiken en deze in functie van de doelsoort te interpreteren (zie Mergeay 2012). Deze criteria geven echter weinig details over de complexiteit van het werkelijke leefgebied, en bieden daar dus ook geen garanties voor. Ze vormen echter wel een beginpunt. Consulteer voor Europees te beschermen soorten de doelen op regionaal vlak de gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen (G-IHD) en de soortenbeschermingsprogramma’s (SBP). Deze laatste zijn voornamelijk gericht op habitats en soorten van Europees belang. Voor gebiedsgerichte doelen kan je de specifieke instandhoudingsdoelen (S-IHD) consulteren, die specifieke doelen vastleggen binnen de Speciale Beschermingszones (SBZ), afgebakend in het kader van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Deze vormen samen het Natura 2000netwerk.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 20 van 33
doi.org/10.21436/inbor.34130911
Daarnaast zijn er de natuurbeheerplannen (of hun oudere versies, de bosbeheerplannen, beheerplannen voor erkende natuurreservaten en de plannen van harmonisch park- en groenbeheer) waarin bepaalde doelen opgesteld zijn, doorgaans voor de ontwikkeling en vrijwaring van Europees te beschermen habitats of regionaal belangrijke biotopen (vegetaties die onder de Vlaamse wetgeving bescherming genieten). Deze plannen bevatten niet altijd specifieke doelen op soort- en gebiedsniveau, maar geven wel een zeer belangrijke kapstok om een soortgericht beheer aan op te hangen, zeker in relatie tot een eventuele translocatie. Een translocatie in gebieden die een wettelijke bescherming kennen (erkend natuurreservaat, SBZ van het Natura2000 netwerk,...) moet dan ook compatibel zijn met de regionale en lokale natuurdoelen die in die gebieden moeten gerealiseerd worden. In vele gevallen zijn er hernieuwde kansen voor bepaalde (al dan niet beschermde) soorten als gevolg van een verbetering van de kwaliteit van gebieden, vaak door jarenlang doorgedreven beheer, maar werden er geen specifieke doelen gesteld. Dit neemt niet weg dat men opportuniteiten en problemen kan identificeren voor die soort(en), en concrete lokale doelen kan bepalen. Ga na of deze doelen passen in de context van het gebied en van de ruimere omgeving. In welke mate dragen ze bij tot een ruimere biodiversiteitsstrategie? Leiden deze doelen tot een betere situatie voor natuur en biodiversiteit dan voorheen, op welke ruimtelijke schaal en blijft dat zo in de toekomst? Situeer huidige en historische waarnemingen van de doelsoort(en) in het gebied of de ruimere regio. In het geval van Europees te beschermen soorten en habitats is het mogelijk om, aan de hand van de criteria voor de lokale staat van instandhouding, de eerder gestelde doelen te evalueren. Trends in soorten kunnen verder afgeleid worden uit de Rode Lijst voor die soortengroep, of uit andere tijdsreeksen. In vele gevallen zal een evaluatie van de lokale toestand ingegeven worden door anekdotische waarnemingen, door expertise van gebieds- of soortspecialisten. Stoffeer in het Translocatieformulier (Bijlage 2) deze informatie zo goed mogelijk. Voor soorten waarvoor nog geen regionale of lokale doelen zijn gesteld verwijzen we naar de methodiek in Mergeay (2012) om minimale populatiegroottes voor behoud van genetische diversiteit te bepalen (Bijlage 3).
5.1.2 Identificeer de knelpunten – zoek oplossingen – verken scenario’s Identificeer de knelpunten Een translocatie is maar een kleine maatregel in een overkoepelend traject van natuurbehoud of –herstel, in ruimte en in tijd. Het initiële probleem (bv. soort X gaat achteruit) heeft vaak een overkoepelende oorzaak die ook veel andere problemen veroorzaakt. Eerder dan onmiddellijk een oplossing te zoeken voor ons deelprobleem, kunnen we ons de vraag stellen of we niet een trapje hoger moeten zoeken naar oorzaken, en daar tot een oplossing te komen. Bijvoorbeeld, wanneer we vaststellen dat een bepaalde doelsoort het slecht doet in een gebied, is dat dan eigen aan die ene soort, of lijden andere doelsoorten onder dezelfde problematiek? Is het vooropgestelde doel wel haalbaar, gegeven de huidige context? Dit kan helpen bepalen op welke ruimtelijke en tijdelijke schaal er actie moet ondernomen worden, of welk flankerend dan wel voorbereidend beheer er nodig is. Vaak kan een lokale translocatie-
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.34130911
Pagina 21 van 33
strategie een belangrijke tussenstap vormen in afwachting van de realisatie van de overkoepelende strategie. Er zijn doorgaans meerdere redenen waarom een bepaalde soort of levensgemeenschap (lokaal) achteruit gaat of zelfs verdwenen is. Hiervoor zijn vaak drie generieke oorzaken, waarvan de effecten doorsijpelen in populaties en levensgemeenschappen: 1. De kwaliteit van het leefgebied voldoet of voldeed niet, 2. Er is of was niet voldoende leefgebied, 3. Er is onvoldoende natuurlijke verbreiding tussen leefgebieden. Daarnaast zijn er vaak ook externe invloeden die een goede toestand belemmeren. Dit kan bijvoorbeeld gaan om verstoring, biotische interacties die ongewenst zijn,...
Werk alternatieve scenario’s uit Op welke manieren kunnen de vooropgestelde doelen bereikt worden? Maak een initiële verkenning van mogelijke oplossingen, en vergelijk de haalbaarheid en de risico’s van deze scenario’s. Deze denkoefening laat toe om alternatieven te vergelijken en uit te sluiten. Een scenario-ontwikkeling waarbij meerdere opties worden vergeleken kan doorgaans toelaten om oplossingen te vinden die goedkoop en risico-arm zijn, en die bij mislukken weinig impact hebben. Waar mogelijk verdient dit type oplossingen (“least cost, lowest risk, least regret”) de voorkeur.
Is translocatie essentieel? Een translocatie is maar zinvol wanneer blijkt uit de scenario-analyse dat een gebrek aan verbreiding (deels of geheel) oorzaak is van het probleem, en wanneer verbreiding een kritische succesfactor is in het herstel of bekomen van de gewenste toestand. Is het antwoord positief, evalueer of eventuele andere knelpunten voorafgaand opgelost kunnen worden. Translocaties die simultaan worden uitgevoerd met essentieel habitatherstel zijn vaak gedoemd om te falen.
5.2 OPMAAK VAN EEN TRANSLOCATIEPLAN Nuttig bij invullen van Translocatieformulier §6.3 -6.5 Wanneer de eerdere analyse aangeeft dat een translocatie nodig is om tot een bevredigende oplossing te komen, maak je een translocatieplan op. In elke fase van de opmaak van een translocatieplan moet de afweging gemaakt worden tussen de haalbaarheid en de noodzaak van de translocatie. Betrek hierbij lokale en zo nodig regionale belanghebbenden, om tijdig zicht te hebben op maatschappelijke knelpunten en risico’s.
5.2.1 Bepaling van het type translocatie Identificeer het type translocatie (Fig. 2 en Fig. 3). Ga vervolgens na of de translocatie vergunningsplichtig is onder het Soortenbesluit (zie ook §3). Dit geldt dit niet enkel voor beschermde soorten maar ook voor niet-beschermde inheemse soorten, tenzij de translocatie valt onder andere bepalingen, en niet-inheemse soorten. Het online e-loket van het ANB helpt u daarbij verder.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 22 van 33
doi.org/10.21436/inbor.34130911
5.2.2 Ecologische en socio-economische voorwaarden Kritische succesfactoren Elk translocatieplan moet vertrekken vanuit een zo goed mogelijke kennis van de ecologische vereisten van de doelgemeenschap of -soort. Toets dit af met andere experten. In het translocatieformulier (bijlage 2) moet deze informatie duidelijk weergegeven zijn. Naarmate de translocatie complexer en riskanter wordt, moet dit beter beargumenteerd worden in het translocatieformulier (§6.3 tot §6.5). Maximaliseer de kans op succes:
Zorg voor leefgebied van de vereiste kwaliteit, en van de vereiste oppervlakte. Zorg voor optimale condities voor de vestiging en overleving van de geïntroduceerde individuen. Voorzie financiële middelen en andere garanties om het beheer van het gebied in de gewenste toestand te houden. Vermijd translocaties in gebieden waar je geen controle hebt over het beheer op lange termijn. Kies geschikte bronpopulaties (gelijkaardige omgevingsvereisten, hoge genetische diversiteit,...). Ga na of een ex-situ kweek belangrijke voordelen biedt en haalbaar is. Gebruik het ideale levensstadium, moment, aantallen etc. voor de translocatie, gebaseerd op de ecologische kenmerken en kennis van de soort in kwestie. Zorg voor een gedegen opvolging en zo nodig bijsturing van de translocatie. Bepaal vooraf de doelen van de translocatie, zodanig dat naderhand eenduidig kan geëvalueerd worden of de translocatie al dan niet succesvol is, en daardoor al dan niet kan of moet beëindigd worden.
Ecologische risico’s Ecologische risico’s die het gevolg zijn van een translocatie (tabel 1) moeten tot een minimum beperkt worden. Dit behelst meerdere aspecten:
Zorg voor een minimale impact op de bronpopulatie(s). Vermijd dat de bronpopulatie in gevaar komt als gevolg van een translocatie. Vermijd stress en sterfte tijdens vangst, transport en vrijlating. Evalueer in welke mate een succesvolle translocatie een negatieve impact kan hebben op andere biodiversiteitsdoelen, zowel binnen het doelgebied als daarbuiten, en beschouw of een translocatie dan nog wel wenselijk is. Een negatieve impact kan rechtstreeks zijn via ecologische interacties, en onrechtstreeks via hybridisatie met andere soorten, of via kruising met individuen van dezelfde soort, met andere eigenschappen. Vermijd het vermengen van populaties uit te sterk verschillende omgevingen, hetgeen zou kunnen leiden tot uitkruisingsdepressie (“outbreeding depression”) (zie Bijlage 3 voor meer informatie). Vermijd accidentele co-introductie van andere soorten, zeker als er een risico is op een negatieve impact op socio-economisch of ecologisch vlak. Pas maatregelen ter voorkoming van invasieve of gevaarlijke pathogenen strikt toe, om verspreiding van voor bepaalde soorten gevaarlijke ziekten te voorkomen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.34130911
Pagina 23 van 33
Introducties van uitheemse soorten kunnen enkel als geen enkele andere maatregel op een aanvaardbare manier kan leiden tot het gewenste doel, en als het risico op collaterale schade laag is.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 24 van 33
doi.org/10.21436/inbor.34130911
Tabel 1. Overzicht van de belangrijkste ecologische risico’s gekoppeld aan de gevolgen van translocaties. Risicograad Laag risico
Gemiddeld risico
Hoog risico
Afstand tussen bron- en doelgebied
klein, binnen of net buiten verbreidingscapaciteit van de soort onder ideale condities (grote populaties, geen barrières)
Verder dan dispersiecapaciteit van de soort onder ideale condities, binnen biogeografische regio
Bron- en doelgebieden liggen in verschillende biogeografische regio's.
Risico voor bronpopulatie(s)
Bronpopulaties zijn groot, er zijn veel mogelijke bronpopulaties. Het wegnemen van individuen of zaden, vruchten, sporen uit het gebied heeft geen meetbare impact op de bronpopulatie(s).
Individuen of zaden, vruchten, sporen komen uit kleine populaties (geen goede SVI), of uit enkele geïsoleerde grote relictpopulaties. Wegnemen ervan heeft mogelijk een effect maar dit wordt gemitigeerd tijdens de translocatie.
Alle potentiële bronpopulaties zijn klein. Wegnemen van zaden, vruchten, sporen of individuen heeft een Meetbare impact op bronpopulatie(s). Mitigatie van effecten is essentieel.
Vestiging van de doelsoort houdt een risico in op afname tot verlies van belangrijke habitattypes in het doelgebied.
Zeer klein risico (bv. mossen)
Kan leiden tot matige veranderingen in de vegetatie die niet gewenst zijn.
Kan leiden tot sterke veranderingen in de omgeving (bv. bij ecosysteem-ingenieurs zoals bever).
Vestiging van de doelsoort houdt een risico in op afname tot verlies van belangrijke soorten in het doelgebied.
Zeer klein risico (bv. mossen)
Er is mogelijk een effect op beschermde soorten.
De soort heeft een gekend en duidelijk cascade-effect op andere soorten, bv via predatie.
Risico op accidentele verspreiding van ziekten / plagen / invasieve soorten
Geen gekende problemen, of reeds aanwezige, wijd verspreide pathogenen (bv. co-introductie van honingzwam bij opbrengen van bodemmateriaal)
Er is een risico op verspreiding van inheemse pathogenen of parasieten die nog niet aanwezig zijn in het doelgebied.
Hoog risico op verspreiding van pathogenen of parasieten met groot effect (bv. Batrachochytrium salamandrivorans, Ranavirus,...)
Kans op verbreiding van de Zeer klein (beperkte doelsoort buiten de dispersiecapaciteit) doelgebieden of buiten de zone van bestemming
Verbreiding buiten doelgebied is waarschijnlijk, maar zonder negatieve effecten op ecologische en socioeconomische factoren.
Verbreiding buiten doelgebied is waarschijnlijk, en er is risico op maatschappelijke overlast in dat geval.
Risico op uitkruisingsdepressie en verbreken van lokale adaptatie (bijplaatsingen of herstel van metapopulatiestructuur)
Risico op uitkruisingsdepressie is aanwezig maar is lager dan de verwachte baten van uitkruising (lokale populaties al sterk ingeteeld).
Risico op uitkruisingsdepressie is hoog door verschillen in lokale adaptatie of door sterke verschillen tussen de leefgebieden van de doelen bronpopulaties.
Geen gekende of te verwachten betekenisvolle verschillen in lokale adaptatie tussen individuen in de bronpopulatie(s) en doelpopulatie(s)
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.34130911
Pagina 25 van 33
Socio-economische risico’s en draagvlak Socio-economische risico’s (Tabel 2) moeten zoveel als mogelijk vermeden worden, en kunnen een translocatie in de weg staan. Een translocatie kan enkel overwogen worden wanneer socio-economische risico’s goed ingeschat en afgewogen zijn ten opzichte van de baten van de translocatie. In bepaalde gevallen is een duidelijk plan voor mitigatie van eventuele nadelen essentieel, en moet een compensatieregeling vooraf uitgewerkt zijn, waarbij duidelijkheid bestaat over aansprakelijkheid van alle partijen in geval van schade aan derden.
Beschouw de ruimtelijke schaal waarop de translocatie een effect kan hebben, en betrek de belanghebbenden die zowel op korte als op lange termijn een effect kunnen ondervinden van de translocatie bij het gehele proces. Dit moet helpen om een totaalbeeld te krijgen van de socio-economische en maatschappelijke impact van de translocatie, en mee in de weegschaal gelegd worden bij de beslissing om al dan niet verder te gaan met het translocatieplan. Zorg voor duidelijke communicatie met omwonenden, belanghebbenden, en andere gebruikers van de open ruimte die beïnvloed kunnen worden door de translocatie. Betrek ze zo mogelijk bij de translocatie, en ga na hoe ze zich verhouden tot het translocatieplan. Welke risico’s zien zij? Evalueer welke andere baten de translocatie kan bieden dan deze voor natuur. Dit kan gaan om natuurbeleving, levering van ecosysteemdiensten, etc. Bereken zo mogelijk de waarde ervan. Evalueer de risico’s op socio-economische schade (volksgezondheid, werkgelegenheid, directe ongewenste interacties met mensen en vee,...) en werk een strategie uit met flankerende maatregelen om deze risico’s te beperken, te milderen of te compenseren, en voorzie daar expliciet financiële middelen voor. Zorg voor een exit-strategie, in geval de translocatie omwille van onvoorziene omstandigheden leidt tot ongewenste effecten en ongedaan moet worden gemaakt. Zorg voor duidelijkheid omtrent juridische en financiële aansprakelijkheid in geval van schade aan derden.
Tabel 2. Overzicht van de belangrijkste socio-economische risico’s die gepaard kunnen gaan met translocaties, en waar in het translocatieformulier rekening gehouden moet worden. risico-inschatting aard van risico
Laag risico
Gemiddeld risico
Hoog risico
Schade aan volksgezondheid of welzijn
Geen gekende risico's
Laag risico voor mensen, enkel in specifieke gevallen en bij risicogedrag (bv. eten van giftige planten, beet van giftige dieren, ...)
Potentieel risicovol voor mensen in specifieke gevallen (bv. dragers van menselijke pathogenen)
Socio-economische schade
Onwaarschijnlijk
Kleine effecten op huisdieren of vee, of landbouwgewassen
Grote effecten mogelijk (bv. belangrijke schade aan teelten, verhoogd risico op verkeersongevallen, ...)
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 26 van 33
doi.org/10.21436/inbor.34130911
Kost van translocatie
Eenvoudige translocatie die Translocatie is geassocieerd niet geassocieerd is met met bepaalde kosten die hoge kosten. gedekt worden door projectmiddelen of andere bronnen.
Translocatie is duur en financiering over de lange termijn is niet gegarandeerd, waardoor het risico op slagen verlaagd wordt
Kosten van nabeheer (bv. door nood aan populatiebeheer buiten het doelgebied)
Laag
De translocatie kan grote ongewenste effecten hebben, waardoor het mitigeren hiervan kostelijk kan zijn, of nabeheer duur is of de kost moeilijk in te schatten.
Er is een kans dat nabeheer nodig zal zijn, waarbij kosten aanzienlijk kunnen oplopen.
Toelatingen, wetgeving en vergunningen Ook nuttig bij invullen van Translocatieformulier §5.
Zorg dat je de toelatingen hebt van eigenaars, gebruikers en beheerders van de brongebieden en doelgebieden. Het vangen en in het bezit hebben van beschermde soorten vereist een ontheffing op het verbod hierop. Vraag hiervoor een ontheffing aan bij het Agentschap Natuur en Bos (ANB). Elke uitzetting van individuen van wilde organismen in het wild is verboden krachtens het Soortenbesluit, op enkele uitzonderingen na (zie §3). Geef aan in welke mate de translocatie past binnen een bestaand Soortenbeschermingsprogramma. Geef aan in welke mate de translocatie past binnen een goedgekeurd natuurbeheerplan of ander bestaand beheerplan. Bij elke vergunningsplichtige activiteit (inclusief translocaties in het kader van natuurbeheer) hoort de vergunningsaanvrager aan te tonen dat zijn project niet in conflict is met de Europese natuurdoelen (specifieke instandhoudingsdoelen of S-IHD). Dit kan het geval zijn wanneer een translocatie vanuit of in een speciale beschermingszone (SBZ) gebeurt, de translocatie de aanwezige, Europees te beschermen habitats en soorten binnen een SBZ zou kunnen aantasten of het realiseren van de Europese natuurdoelen kan verhinderen. Deze toetsing is van toepassing op vergunningsplichtige activiteiten binnen een SBZ maar ook op activiteiten buiten een SBZ die een effecten binnen een SBZ kunnen veroorzaken.. In vele gevallen volstaat de zogenaamde voortoets. Blijkt uit de voortoets dat er mogelijk een negatieve impact is op de Europese natuur, dan volgt een passende beoordeling. Beide gaan na of het project negatieve gevolgen kan hebben voor de beschermde habitats en soorten in een Europees beschermde natuur. Indien bronpopulaties zich buiten Vlaanderen bevinden, dien je bij de daar geldende overheden de nodige vergunningen te verkrijgen voor vangst en transport. Raadpleeg ook het Nagoya-protocol voor export van “genetische bronnen” indien de translocatie buiten België gebeurt. Let op de wetgeving inzake dierenwelzijn, quarantaine-organismen, organismen die een gevaar vormen voor de volksgezondheid, invasieve soorten,... Zorg voor een diervriendelijk transport, en bedenk dat bij transport van dieren en planten makkelijk ongewenste pathogenen en parasieten kunnen meereizen. Geef in het translocatieformulier duidelijk aan welke maatregelen je neemt om deze risico’s te minimaliseren en te controleren.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.34130911
Pagina 27 van 33
5.2.3 Plan van uitvoering Zie Translocatieformulier §6.3 -6.5 Maak een SMART uitvoeringsplan. SMART staat voor Specifiek, Meetbaar, Actueel en haalbaar, Realistisch, Tijdsgebonden. Indien de translocatie plaatsvindt in een gebied met een natuurbeheerplan, neem dan de translocatie zo mogelijk op in het plan, hou ook rekening met bestaande of voorziene soortenbeschermingsprogramma’s.
Wat, waar, hoe, hoeveel, wanneer... Geef aan welke je bronpopulaties zijn en welke de doelgebieden zijn. Bepaal en beargumenteer hoe je de individuen gaat bemonsteren, vangen, transporteren, kweken, uitzetten, opvolgen, hoeveel individuen je gaat uitzetten, wanneer je gaat uitzetten en hoe vaak,...
Formuleer concrete mijlpalen Achtergrond bij het invullen van Translocatieformulier §6.5 Hoe voorzie je de geplande uitzetting in de ruimte en tijd? Leg duidelijke doelstellingen en mijlpalen vast zodat je kan evalueren of je translocatie volgens plan verloopt. Dit helpt ook om achteraf knelpunten te identificeren in de translocatie, om zeer gerichte acties te ondernemen om de translocatie te verbeteren.
Monitoringplan Achtergrond bij het invullen van Translocatieformulier §6.6 Maak vooraf een monitoringplan op dat je zal gebruiken om de resultaten van de translocatie te evalueren, en om te controleren of je de vooropgestelde mijlpalen bereikt en je op schema zit om je uiteindelijke doelstellingen te halen. Bepaal hoe lang je zal monitoren, hoe regelmatig, aan de hand van welke criteria je het succes evalueert, en voorzie middelen om de monitoring uit te voeren en de resultaten te rapporteren. Neem in het monitoringplan ook tussentijdse evaluatiemomenten op om na te gaan of de translocatie verloopt zoals gepland en, indien dat niet het geval is, wat de oorzaak is. Een monitoring gebeurt doorgaans in drie fasen.
Fase 1 is de opvolging van de net uitgezette individuen: hebben ze de translocatie overleefd? Is de kieming van zaden zoals voorzien? Vaak is een uitzetting gespreid over meerdere jaren, teneinde een normale leeftijdsopbouw van de populatie toe te laten. De eerste fase wordt afgerond en geëvalueerd na de laatste uitzettingen, en evalueert de toestand van de uitgezette individuen ten opzichte van de gewenste toestand. Fase 2 van de monitoring bestaat uit het opvolgen van de populatie die vanaf dan zelfstandig evolueert zonder extra uitzettingen. Treedt er voortplanting op, en is dit voldoende om de populatie zelfstandig te doen groeien tot de gewenste dichtheid en grootte? Behoudt de populatie de gewenste leeftijdsstructuur? Identificeer knelpunten en herzie zo nodig het translocatieplan. Fase 3 bestaat uit een lange-termijn monitoring van een geslaagde translocatie. Hierin wordt geëvalueerd of de (deel)populatie voldoet aan de verwachtingen op vlak van
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 28 van 33
doi.org/10.21436/inbor.34130911
populatiegrootte (inclusief genetische parameters) en interacties met deelpopulaties in de regio (bv. genetische uitwisseling), zo deze verwacht waren.
andere
Exitstrategie Achtergrond bij het invullen van Translocatieformulier §6.6 Bepaal op voorhand een exitstrategie als blijkt dat de translocatie niet lukt, of er onverwacht ongewenste gevolgen zijn van de translocatie. Bepaal wanneer je de translocatie succesvol kan noemen, of niet. Veel herintroducties mislukken. Identificeer waarom ze gefaald heeft en documenteer dit, zodat anderen hier ook uit kunnen leren.
5.3 UITVOERING Voer de translocatie uit zoals voorzien in het translocatieplan. Documenteer elke actie in de translocatie. Evalueer of de voorbereiding (bv. oogsten van zaden, kweek van organismen,...) en uitvoering verloopt zoals voorzien. Ga na of de vooropgestelde mijlpalen gehaald zijn en of er aanpassingen moeten gebeuren aan het translocatieplan. Dit is een eerste fase van adaptief beheer, waarbij ofwel de doelen worden bijgesteld, of de methodiek en middelen worden aangepast om de vooropgestelde doelen alsnog te behalen.
5.4 OPVOLGING 5.4.1 Evaluatie De opvolging van een translocatie is essentieel in het gehele proces. Maak gebruik van het monitoringplan uit de planningsfase en voer de gefaseerde monitoring uit: uitgezette individuen, evolutie na uitzettingen, evolutie van de populatie. Koppel na elke fase terug met het translocatieplan, en identificeer knelpunten.
5.4.2 Bijsturing Bijsturing van het translocatieplan gebeurt continu, maar telkens na vergelijking van de resultaten en met de doelstellingen. Ga na in welke mate de knelpunten kunnen verholpen worden, welke middelen hiervoor nodig zijn, en op welke termijn dit kan gebeuren. Zijn de knelpunten tijdig oplosbaar, pas dan het translocatieplan aan, en voer het adaptief beheer uit. Zijn de knelpunten niet (tijdig) oplosbaar, beëindig dan de translocatie.
5.4.3 Communicatie van de resultaten Achtergrond bij het invullen van translocatieformulier 6.7 Indien bij de translocatie meerdere (groepen van) belanghebbenden betrokken zijn, betrek ze dan ook gedurende het gehele voorafgaande proces van planning, implementatie en opvolging. Sensibilisering en betrokkenheid zijn cruciaal om draagvlak te creëren dat nodig is voor een geslaagde translocatie. Informeer ook het brede publiek over de resultaten van de translocatie, en deel de resultaten met de wetenschappelijke gemeenschap. Dit helpt om de kennis opgebouwd tijdens het hele proces te verspreiden, en om goede praktijken van translocaties ingang te doen vinden in de maatschappij.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.34130911
Pagina 29 van 33
6 GLOSSARIUM Bijplaatsing: het opzettelijk uitzetten van een organisme in een bestaande populatie van dezelfde soort. Biomanipulatie: het introduceren van één of meerdere soorten met een (al dan niet tijdelijke) ecologische sleutelrol voor de beoogde ecosysteemdoelstelling. De begunstigde van de maatregel is de ontvangende gemeenschap. Ecologische vervanging: het inbrengen van een gebiedsvreemde of ecosysteemvreemde soort die een verdwenen soort (doorgaans met een ecologische sleutelrol) functioneel vervangt in de soortengemeenschap, daar waar het niet mogelijk is om de verdwenen soort te herintroduceren. Geassisteerde herkolonisatie: het opzettelijk verplaatsen van een organisme binnen het oorspronkelijk areaal tussen bestaande leefgebieden, teneinde herbevolking van een (recent) verlaten leefgebied mogelijk te maken binnen een metapopulatie die nog niet is verdwenen. Het doel hiervan is om bestaande metapopulaties te bestendigen die door verlies en versnippering van leefgebied en te hoge extinctiesnelheid van deelpopulaties hebben, relatief tot de natuurlijke kolonisatiesnelheid vanuit de resterende deelpopulaties. Geassisteerde kolonisatie: het opzettelijk uitzetten van een organisme buiten het oorspronkelijke areaal van die soort. Doorgaans wordt deze term gebruikt om populaties van soorten die door ‘global change’ bedreigd zijn elders kansen te geven. Herintroductie: het opzettelijk uitzetten van een soort, wanneer deze soort uitgestorven is binnen dat (deel van het) areaal. Een herintroductie herstelt het oorspronkelijke areaal van die soort ten dele of geheel. Inheems: betrekking hebbende op een soort die van oorsprong natuurlijk voorkomt of historisch voorkwam in een bepaald geografisch areaal. Inoculatie: het eens of meermaals inbrengen van organismen van meerdere soorten teneinde een nieuwe gemeenschap van doelsoorten of van faciliterende soorten (bv. symbionten) te stichten. Gebeurt vaak via opbrengen van bodemmateriaal (bij ongewervelden, schimmels, zaadbanken), of van maaisel uit een gebied met een gewenste soortensamenstelling. Introductie (in het wild): het al dan niet opzettelijk vrijlaten van organismen, inclusief het aanplanten of uitzaaien van planten op alle terreinen en plaatsen, ongeacht de aard of de bedekking van die plaatsen, en als die niet zijn afgesloten door een doorlopende constructie die de verspreiding van de organismen en hun dispersiestadia naar andere plaatsen onmogelijk maakt. Natuurlijk verspreidingsgebied: de geografische grenzen van het areaal waar een soort van nature (oorspronkelijk of historisch) voorkomt. Organisme: een individu van een soort, ondersoort of lager taxon, met inbegrip van delen ervan, zoals gameten, zaden, eieren of dispersiestadia die kunnen overleven en zich later voortplanten. Populatie-translocatie: het verplaatsen van een gehele populatie (of een zo hoog mogelijk aantal individuen) naar nieuw leefgebied dat betere kansen biedt op duurzaam voortbestaan van de betreffende populatie. Translocatie: de verplaatsing van levende organismen of levensvatbare stadia (bv. zaden, eieren, ...) tussen gebieden door mensen. Verbreiding: de spontane verplaatsing van organismen in het landschap, of van delen van organismen die zich kunnen voortplanten (zaden, sporen, ...). Verbreiding kan actief zijn (een
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 30 van 33
doi.org/10.21436/inbor.34130911
organisme verplaatst zichzelf), of passief (een organisme wordt door een ander organisme of via lucht of water meegedragen). Uitheems: betrekking hebbende op een soort die van oorsprong niet natuurlijk voorkomt of historisch voorkwam in een bepaald geografisch areaal.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.34130911
Pagina 31 van 33
Referenties Adriaens D., Adriaens T., Ameeuw G. (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de habitatrichtlijnsoorten. Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. 217 p. Alterra. (2001). Handboek Robuuste Verbindingen; ecologische randvoorwaarden. Wageningen: Alterra, Research Instituut voor de Groene Ruimte. Dennis R.L.H., Shreeve T.G., Van Dyck H. (2003). Towards a functional resource-based concept for habitat: a butterfly biology viewpoint. Oikos 102(2):417-426. Goovaerts J., Honnay O., Ceulemans T. (2018). Fantoompopulaties en extinctieschuld: biodiversiteit in gefragmenteerde Hagelandse natuurgebieden. NatuurFocus 17:18-28. IUCN/SSC. (2013). Guidelines for Reintroductions and Other Conservation Translocations. Version 1.0. ISBN: 978-2-8317-1609-1. Gland, Switzerland: IUCN Species Survival Commission. viiii + 57 pp. p. Lommaert L., Adriaens D., Pollet M. (2020). Criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de Habitatrichtlijnsoorten in Vlaanderen. Versie 2.0. INBO.R.2015.8193367. Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. Mergeay J. (2012). Afwegingskader voor de versterking van populaties van Europees beschermde soorten. Adviezen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. INBO.A.2012.141. Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. Mergeay J. (2017). Translocaties in natuurbeheer: controversieel en essentieel. NatuurFocus 16(3):121128. National Species Reintroduction Forum. (2014). The Scottish Code for Conservation Translocations and Best Practice Guidelines for Conservation Translocations in Scotland, version 1.1. Scottish Natural Heritage.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 32 van 33
doi.org/10.21436/inbor.34130911
Bijlages Bijlage 1.
Types Translocaties (pdf)
Bijlage 2.
Translocatieformulier (pdf)
Bijlage 3.
Bijplaatsingen (pdf)
Bijlage 4.
Overzicht van soorten beschermd door de Europese Habitatrichtlijn, via bijlage II, IV en V, soorten beschermd door het Soortenbesluit en de Habitattypische soorten. (pdf)
Bijlage 5.
Verbreidingsafstanden van belangrijke (groepen van) soorten (pdf).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.34130911
Pagina 33 van 33
BIJLAGE 1: TYPES VAN TRANSLOCATIES Dit is bijlage 1 van Mergeay & Verbist (2021): Leidraad Translocaties voor Biodiversiteit in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2021 (13). We verwijzen hier verder naar als “basisrapport”.
1 TRANSLOCATIES VOOR SOORTENBEHEER Binnen het soortenbeheer onderscheiden we translocaties op basis van de ruimtelijke schaal van de verspreiding, gaande van reeds lokaal aanwezig (bijplaatsing), reeds regionaal aanwezig (geassisteerde herkolonisatie), regionaal verdwenen (herintroductie) tot nooit aanwezig geweest (geassisteerde kolonisatie).
Figuur 1. Schematische beslisboom voor de types conservatietranslocaties voor soortenbeheer. Geassisteerde kolonisatie vermelden we hier ter volledigheid, maar kent binnen Vlaanderen geen concrete toepassingsnood.
Figuur 2. Schematisch overzicht van verschillende types van conservatietranslocaties voor soortenbeheer in relatie tot de ruimtelijke schaal waarop ze uitgevoerd worden. 1. Bijplaatsing; 2. Geassisteerde herkolonisatie bij metapopulatieherstel. 3. Herintroductie. 4. Geassisteerde kolonisatie.
1.1 GEASSISTEERDE KOLONISATIE In de internationale literatuur ook wel “assisted colonisation” genoemd (IUCN/SSC, 2013). Dit beoogt de stichting van een nieuwe (meta)populatie buiten het gekende historische areaal (Fig. 2), en wordt uitgevoerd daar waar men verwacht dat het huidige areaal zonder ingrijpen zal inkrimpen, doorgaans als gevolg van klimaatverandering. In sommige gevallen is een geassisteerde areaalverschuiving ook verdedigbaar wanneer een soort in haar oorspronkelijke areaal onvoldoende geschikt leefgebied meer heeft, of het risico op uitsterven groot is, en er elders wel geschikt leefgebied beschikbaar is. Verder is het gelijkaardig aan een herintroductie, maar met een soort die in principe niet als inheems wordt beschouwd. Binnen Vlaanderen lijken er geen directe toepassingen te zijn voor deze maatregel. De criteria voor geassisteerde kolonisatie zijn dezelfde als voor een herintroductie, maar vereisen bovendien een impactanalyse voor de uitzetting van niet-inheemse soorten in het wild. Binnen Europa zijn er enkele voorbeelden van onderzoeken naar geassisteerde kolonisatie van zuidelijke boomsoorten die door klimaatverandering in hun inheemse verspreidingsgebied bedreigd zijn (Konnert et al., 2015).
1.2 HERINTRODUCTIE Herintroducties zijn de meest gekende vorm van translocaties, en hebben als doel om het huidige areaal van een soort geheel of deels te herstellen relatief tot het historische areaal (Fig. 2), of om gaten in het huidige areaal te dichten. Veel soorten zijn gedurende de afgelopen decennia tot eeuwen verdwenen uit Vlaanderen als gevolg van talloze factoren die hebben gezorgd voor een inkrimping tot verdwijnen van hun leefgebied. Dankzij een aangepast beleid en beheer, en specifieke doelstellingen die gezet zijn voor heel wat soorten in het kader van Natura2000 is er voor heel wat van die soorten herstel van het leefgebied gerealiseerd. Veel
van die soorten zijn echter niet in staat om op eigen kracht de geschikte gebieden te koloniseren, omdat geschikte bronpopulaties te veraf gelegen zijn of op een andere wijze te geïsoleerd zijn voor spontane verbreiding. Anders dan bij de geassisteerde herkolonisatie is er geen eigen metapopulatie meer van waaruit individuen kunnen geselecteerd worden, en heeft de maatregel tot doel een nieuwe duurzame (meta)populatie te stichten. Afhankelijk van de mogelijkheden en de regionale situatie worden individuen uit één dan wel meerdere bronpopulaties gebruikt, afhankelijk van de resterende genetische diversiteit en inteelt in de bronpopulaties en het vereiste potentieel tot evolutionaire aanpassingen aan de lokale gebieden. Het aantal stichters en hun oorsprong wordt zo gekozen dat de nieuwe populatie een normale hoeveelheid genetische diversiteit kent. De maatregel kan gespreid gaan over meerdere jaren (bv. om een normale leeftijdsstructuur aan de nieuwe populatie te geven), maar is in principe tijdelijk van aard. Herintroducties zijn enkel zinvol wanneer de oorzaken van het verdwijnen van de soort verdwenen en opgelost zijn, er voldoende geschikt leefgebied beschikbaar is om een duurzame (meta)populatie uit te bouwen, en er gunstige lange-termijnperspectieven zijn voor behoud van de populatie. Dit laatste is vaak niet het geval wanneer het leefgebied geen wettelijke bescherming geniet , of er geen andere wettelijke vormen van bescherming gegarandeerd zijn (bv. soort van Bijlage IV van Habitatrichtlijn). De evaluatie van de geschiktheid van leefgebied moet zeer doordacht gebeuren. Het voorkomen van een soort in een bepaald type leefgebied elders is geen garantie voor de geschiktheid van die locatie als duurzaam leefgebied: het kan immers een afvoerpopulatie (sink-populatie) zijn: een populatie die geen positieve populatiegroei kent, maar louter op peil wordt gehouden door emigratie vanuit andere deelpopulaties. Modelleringen van leefgebied louter op basis van aanwezigheid van een soort in een (reeks van) habitattype(s) is zeer gevoelig aan dit type fouten. Herintroducties gebeuren daardoor best enkel in leefgebied dat overeenkomt met het optimale leefgebied in de kern van het verspreidingsareaal van een soort, eerder dan in de marges. Kenmerken van leefgebieden uit de periode die voorafging aan het uitsterven vormen evenmin een ideaal referentiekader, omdat het dan al vaak om fantoompopulaties gaat, met een negatieve populatiegroei. Andere types van translocaties die grotendeels onderworpen worden aan dezelfde criteria in het translocatiedocument (eventueel met bijkomende criteria) zijn geassisteerde kolonisatie, introductie voor biomanipulatie, en ecologische vervanging.
1.3 GEASSISTEERDE HERKOLONISATIE VOOR METAPOPULATIEHERSTEL Veel metapopulaties zijn door het wegvallen van tussenliggende deelpopulaties zo sterk versnipperd geraakt dat de snelheid waarmee verlaten leefgebieden opnieuw gekoloniseerd worden te laag ligt ten opzichte van de snelheid waarmee populaties verdwijnen (Mergeay, 2017). Het resultaat is dat metapopulaties op regionale schaal verdwijnen. Wanneer zo’n proces zich doorzet, kunnen soorten volledig verdwijnen op regionale schaal. Geassisteerde herkolonisatie heeft als doel risico’s op uitsterven van een metapopulatie te verminderen, door 1) risico-spreiding over een groter aantal deelpopulaties en 2) door een netto kolonisatiesnelheid te veroorzaken die veel hoger ligt dan de snelheid van lokale extinctie. Indien er geen indicaties zijn dat er tevens een probleem is van inteelt op niveau van de gehele metapopulatie worden individuen vanuit de eigen metapopulatie geselecteerd. Indien individuen van buiten de metapopulatie worden gebruikt, moet het risico op uitkruisingsdepressie geëvalueerd worden (Zie bijlage 3 Basisrapport).
Elke doellocatie moet toelaten om een gezonde (deel)populatie te herbergen, met een sterk positieve populatiegroei. Men moet voorkomen dat de herstelde deelpopulatie louter een ecologische “afvoer” is, een populatie met een netto negatieve eigen populatiegroei die enkel het hoofd boven water kan houden door regelmatig toevoegen van individuen. Blijkt in de praktijk dat geassisteerde herkolonisatie in een bepaald gebied regelmatig moet herhaald worden (meer dan eens in de 20 jaar), dan is doorgaans niet voldaan aan de ecologische randvoorwaarden van het leefgebied nodig voor herstel van een deelpopulatie. Waar mogelijk worden er flankerende maatregelen genomen om natuurlijke verbreiding te stimuleren, zoals het vergroten van bronpopulaties en het verbinden van leefgebieden via robuuste ecologische verbindingen (Alterra, 2001). Waar mogelijk gebeurt geassisteerde herkolonisatie met de natuurlijke verbreidingsstadia van de betrokken soort, en bij soorten waar er een groot overschot is van die natuurlijke verbreidingsstadia. Veel plantensoorten produceren per plant honderden tot duizenden zaden. Daar is zaadproductie niet limiterend voor rekrutering in de lokale populatie, en zijn eerder kansen tot kieming op een geschikt substraat de beperkende factor, of competitie met soortgenoten. In zulke situaties is het eenvoudig om een "handjevol” zaden uit verschillende deelpopulaties te verzamelen en doelgericht kiemingskansen te geven op geschikte locaties in de doelgebieden. Deze werkwijze is zeer risico-arm voor de bronpopulaties en weinig arbeidsintensief. Omdat dit in sterke mate aanleunt bij het natuurlijke proces van kolonisatie, is dit ook ecologisch vaak de meest verantwoorde werkwijze. Op deze manier is de maatregel te verantwoorden wanneer er onzekerheid is over de geschiktheid van het leefgebied, tenminste als het gaat om de combinatie van zeer laag risico (voor bronpopulaties) en lage kosten voor uitvoering en beheer. Gelijkaardig aan herstel van metapopulaties via herkolonisatie kan deze werkwijze ook van toepassing zijn op herstel van metagemeenschappen (een set van gemeenschappen van soorten die door verbreiding individuen van meerdere soorten uitwisselen), waarbij meerdere soorten tegelijk worden ingebracht en herstel van de soortendiversiteit van kenmerkende gemeenschappen wordt beoogd. In beide gevallen is het doel om het tekort aan verbreiding door het verkleinen van leefgebieden of wegvallen van leefgebieden te compenseren (Goovaerts et al., 2018; Mergeay, 2017).
1.4 BIJPLAATSING Bijplaatsing (Fig. 2) bestaat uit het toevoegen van individuen aan een bestaande populatie. Deze maatregel heeft doorgaans tot doel om in sterk gefragmenteerde leefgebieden genetische uitwisseling (genmigratie) te imiteren, op die manier sterke inteelt in deelpopulaties te verminderen of te vermijden, en daardoor de overlevingskansen van de populatie te vergroten. Bijplaatsing kan ook noodzakelijk zijn bij soorten die last hebben van onderpopulatie-effecten, om een populatiegrootte over een kritische drempelgrootte te duwen. Dit kan het geval zijn wanneer de dichtheid van individuen zo laag is dat ze maar moeilijk een partner vinden om zich voort te planten. Internationaal roepen wetenschappers op om criteria voor bijplaatsingen te versoepelen, teneinde kansen voor herstel van tanende populaties heel te houden (Ralls et al., 2017). Criteria om te evalueren of een populatie te klein is om in afwezigheid van genmigratie duurzaam te overleven zijn weergegeven in Bijlage 3 (basisrapport). Als zeer ruwe vuistregel kan je stellen dat een populatie die een effectieve grootte heeft kleiner dan 100 individuen en geen regelmatige genetische uitwisseling kent een hoog risico heeft op inteeltdepressie (Frankham et al., 2014), en daardoor in aanmerking komt voor bijplaatsing. Gemiddeld genomen komt een effectieve grootte van 100 overeen met een werkelijk aantal van 1000
volwassen individuen (Frankham, 1995). Als zo een populatie niet functioneel zal of kan verbonden worden met andere populaties, of kan vergroot worden tot een duurzame op zich staande populatie, moet bijplaatsing overwogen worden. In populaties kleiner dan 100 volwassen individuen wordt bijplaatsing beschouwd als een essentiële maatregel om uitsterven van de populatie door inteelt op korte termijn te voorkomen (Frankham et al., 2017). Bij vele plantensoorten kan men relatief makkelijk evalueren of er indicaties zijn voor inteeltdepressie, door de kiemkracht van zaden uit studiepopulaties te vergelijken met deze uit gezonde stabiele grote populaties (bv. Vanden Broeck et al., 2015; Vergeer et al., 2003). Het herlokaliseren of verplaatsen van individuen om maatschappelijke redenen (bv. verplaatsen van een bever, loslaten van in beslag genomen dieren, loslaten van dieren na revalidatie, ...) valt strikt gezien niet onder een bijplaatsing, maar moet wel voldoen aan dezelfde criteria, met name dat het de ontvangende populatie niet mag schaden als gevolg van disruptie van sociale structuren of veroorzaken van uitkruisingsdepressie (Zie Bijlage 3 basisrapport).
2 TRANSLOCATIES VOOR ECOSYSTEEMBEHEER Niet elke translocatie heeft als primaire doelwit de soort zelf, soms zijn de organismen die worden ingebracht een middel om een ander biodiversiteitsdoel in het beoogde ecosysteem te halen. We onderscheiden hier opnieuw vijf types. Veel van deze maatregelen zijn bekende praktijken in het natuurbeheer. Ze worden hier besproken omdat het in de feiten gaat om het verplaatsen van individuen van een of meerdere soorten, wat in principe kan vallen onder het Soortenbesluit. Het beslisschema van figuren 1, 3 en 4 geeft aan welke uitzettingen vergunningsplichtig zijn volgens het Soortenbesluit. Op basis van dit schema wordt ook aangegeven welk overeenkomstig type translocatie in soortenbeheer gekozen moet worden.
Figuur 4. Schematische beslisboom voor de types conservatietranslocaties voor ecosysteembeheer. De types worden in de tekst verder belicht. Ecologische vervangingen kennen in Vlaanderen geen concrete toepassingsnood.
2.1 BIOTISCH HERSTEL VAN LEEFGEBIED (BIOTOOPHERSTEL) Dit is een praktijk waarbij men gericht één of meerdere (planten)soorten introduceert die een tijdelijke doch specifieke ecologische functie hebben, en waarbij het niet de bedoeling is om een permanente populatie of gemeenschap te vestigen. In het geval van tijdelijke effecten verdwijnen deze soorten spontaan of ruimen ze geleidelijk plaats voor andere soorten via successie, een natuurlijke vervanging van soorten naarmate een biotoop rijpt. De tijdelijke functie kan bestaan uit fixeren van de bodem op braakliggende stukken of stroken om erosie te voorkomen, het snel zorgen voor een bodembedekking (bv. vermijden ontwikkeling haarden van akkerdistel) of uitmijnen van nutriënten (doorgaans fosfaat) die de ontwikkeling van de doelgemeenschap hinderen. Uitmijnen gebeurt doorgaans als overgangsmaatregel bij de omvorming van (voormalige) landbouwgrond naar natuurgebied.
De ingebrachte soorten zijn doorgaans cultuurgewassen die jaarlijks ingezaaid moeten worden, en geen blijvend bijdrage hebben aan de latere leefgemeenschap, of algemene soorten (vaak grassen of klavers) die geen negatieve impact hebben op de latere ontwikkeling van de doelgemeenschap. Tenzij men gebruik maakt van uitheemse of beschermde inheemse soorten, valt deze ingreep doorgaans onder de noemer landschapsbeheer (SB, art.18), en is deze niet onderhevig aan een ontheffing op het Soortenbesluit. In het geval van een permanente functie gaat het doorgaans om een structurele functie, zoals de aanplant van kleine landschapselementen (houtkanten, heggen, hagen, bomenrijen) in (voormalig) cultuurlandschap met een natuurfunctie, of om aanplant van bomen in bosverband. De aanplant van cultivars van populier (Populus x canadensis en andere hybriden) in bosverband, met als doel een snelle omvorming van een niet-bosbodem naar een bosbodem, is evenzeer te beschouwen als een tijdelijke, zij het tientallen jaren durende, maatregel. Deze maatregelen vallen onder de noemer van normale bosbouwactiviteiten en/of landschapsbeheer ( SB, art.18). In het geval van een permanente functie (bv. bebossing) of waarbij de kans op verwildering van nakomelingen groot is, is het aangewezen om plantgoed of zaaigoed te gebruiken van regionale herkomst.
2.2 ECOLOGISCHE VERVANGING Deze maatregel is bedoeld om een voor de beheerdoelen essentiële functie te vervangen van een intussen uitgestorven of op een andere manier (lokaal) verdwenen soort. Indien het een translocatie met een uitheemse soort betreft, is dit enkel wenselijk als er geen enkele andere aanvaardbare optie is om de doelen te bereiken. Elke introductie van een uitheemse soort moet gepaard gaan met een impact-analyse (bv Harmonia Plus; https://ias.biodiversity.be/harmoniaplus ), en vereist een ontheffing op het verbod tot introductie van uitheemse soorten. In de praktijk vervangen grote grazers die ingezet worden in natuurbeheer functioneel hun wilde uitgestorven verwanten, met het verschil dat hun effecten zeer gericht en controleerbaar zijn. Uiteraard is dit niet onderhevig aan een ontheffing op het Soortenbesluit wanneer het om gedomesticeerde dieren gaat. Ecologische vervanging met een uitheemse soort lijkt voorlopig in Vlaanderen vooral een theoretisch gegeven, en volgt de criteria voor herintroductie, plus een ontheffing op de introductie van uitheemse soorten met een impactanalyse.
2.3 BIOLOGISCHE CONTROLE VAN UITHEEMSE SOORTEN Binnen de context van natuurbeheer is deze maatregel uitsluitend bedoeld als een soortgericht redmiddel in het beheer van invasieve uitheemse soorten, onder de controle van de Vlaamse Overheid. Daarbij wordt een sterk gespecialiseerde antagonist (bv. een pathogeen, parasiet, parasitoid of predator) uitgezet met als doel de uitheemse soort aan te tasten op een zo gecontroleerd mogelijke manier, en waarbij het risico op collaterale schade minimaal is. De introductie van uitheemse soorten moet altijd zeer doordacht gebeuren, en is enkel wenselijk als er geen enkele andere aanvaardbare optie is om de doelen te bereiken. Biologische bestrijding in functie van bosbouw, landbouw of particulier gebruik valt niet onder het Soortenbesluit indien het soorten betreft die erkend zijn voor dit specifieke gebruik (SB art. 18). Elke introductie van een andere uitheemse soort vereist een erkenning als organisme voor biologische bestrijding. Dit gaat onder andere gepaard met een impact-analyse (bv Harmonia Plus; https://ias.biodiversity.be/harmoniaplus) die de gevolgen voor natuurlijke habitats en inheemse soorten in kaart brengt.
2.4 BIOMANIPULATIE Biomanipulatie beoogt via de gerichte introductie van een inheemse ecologische sleutelsoort een verandering in de interacties tussen soorten, teneinde een ecosysteem in de gewenste toestand te krijgen. Dit kan zowel met planten als met dieren. Via de rol van de sleutelsoort wordt een cascade aan veranderingen in gang gezet die leidt tot een (lokale) shift in het ecosysteem. In het geval van een biomanipulatie hoeft verbreiding niet zozeer limiterend te zijn, het gaat doorgaans om het inbrengen van een sleutelsoort op een cruciaal moment in de ontwikkeling of herstel van een gebied, teneinde ecologische interacties en successie in een bepaalde gewenste richting te sturen. Biomanipulatie gebeurt met een inheemse soort die eigen is aan het habitattype of ecosysteem waarin de soort geïntroduceerd wordt, en waar die soort elders wel voorkomt. Mogelijk zijn er doelen gesteld in het beheerplan voor de soort die wordt geïntroduceerd. In dat geval spoort de biomanipulatie met soortenbeheer. In sommige gevallen kan biomanipulatie gebeuren zonder dat een ontheffing op het SB vereist is (zie Fig. 1), bijvoorbeeld in het geval van de introductie van een vissoort op een afgesloten waterpartij. Indien er geen soortspecifieke doelen zijn is een biomanipulatie bij voorkeur reversibel of is er een duidelijke exit-strategie voorhanden waarbij de soort via beheeringrepen na het vervullen van de gewenste functie ook weer verwijderd worden. Translocatiecriteria voor biomanipulatie volgen deze voor herintroductie, met dien verstande dat er niet noodzakelijk gefocust wordt op een duurzame toestand van de uitgezette populatie, maar wel op een duurzame toestand van het gebied of ecosysteem.
2.5 INOCULATIE Inoculatie behelst het inbrengen van verbreidings-stadia van een doorgaans niet exact gekende soortenmengeling van dieren, planten en/of fungi, en van micro-organismen allerhande, soms in een matrix van bodemmateriaal (zaden, invertebraten, schimmelsporen, micro-organismen, ...) of water (voor aquatische organismen). De ingebrachte gemeenschap is wel eigen aan het doelhabitat dat hersteld wordt, met als doel een permanente vestiging met mogelijkheid tot spontane verbreiding binnen het gebied en naar aangrenzende leefgebieden in de regio. Dit staat in tegenstelling tot landschapsbeheer in een culturele context (bv. het inzaaien van een bloemenmengsel van éénjarigen in een akkerrand). Inoculatie is vaak wenselijk wanneer je wil voorkomen dat weinig eisende soorten vaak zeer vlot recent ingerichte gebieden koloniseren en zo vestiging van de gewenste doelsoorten beperken via zogenaamde prioriteitseffecten. Inbrengen van een mengsel van doelsoorten kan belangrijk zijn bij grootschalige natuurherstelprojecten waarbij de lokale zaadbank onvolledig is, of voor soorten zonder zaadbank die niet of onvoldoende via spontane verbreiding uit de regio op de doellocaties geraken. Plaatsgewijs opbrengen van maaisel (met zaden) uit naburige gebieden kan bij grootschalig ven- en heideherstel zo leiden tot een versneld algemeen habitatherstel (bv. Jongepierová et al., 2007). Een inoculatie kan parallellen vertonen met zowel geassisteerde herkolonisatie als met herintroductie. Afhankelijk van de ruimtelijke context van het voorkomen van de soorten in de regio worden de criteria voor geassisteerde herkolonisatie dan wel herintroductie gebruikt, maar dan op schaal van meerdere soorten in de gemeenschap, eerder dan binnen één soort.
3 ANDERE CONSERVATIETRANSLOCATIES In sommige gevallen dient een translocatie niet in de eerste plaats om op de plaats van translocatie de toestand te verbeteren, maar om de toestand van de te verplaatsen individuen of populatie te verbeteren. Men spreekt van een herlokalisatie van individuen, of van een populatie-translocatie. Herlokalisatie van individuen kan voorvallen na in beslagnames van beschermde soorten die illegaal werden gehouden, na revalidatie van gewonde dieren of van verplaatsing van dieren uit een zone waar ze niet gewenst zijn of waar ze acuut gevaar lopen te verdwijnen omwille van calamiteiten . Herlokalisaties volgen de criteria voor bijplaatsingen, om met name het risico op uitkruisingsdepressie te minimaliseren. De translocatie van een gehele populatie heeft tot doel om een populatie die dreigt te verdwijnen te redden door ze te verplaatsen of ze te ontdubbelen naar een actueel nietbezette locatie met betere perspectieven. Doorgaans is het niet mogelijk om de gehele populatie te verplaatsen, en wordt slechts een deel van de populatie verplaatst, doorgaans in dezelfde regio als de oorspronkelijke populatie. Wanneer niet de gehele populatie kan of moet verplaatst worden, wordt in geschikt leefgebied dat bij voorkeur nog niet bezet is een nieuwe populatie gesticht binnen het huidige areaal met een genetische diversiteit die zo sterk mogelijk aanleunt bij de reeds bestaande populatie. Populatie-translocaties kunnen afhankelijk van de plaats van uitzetting vallen onder herintroducties, geassisteerde herkolonisatie of bijplaatsingen, en moeten de respectievelijke criteria voor deze types van soortenbeheer volgen. Een bever die verplaatst wordt naar een ander gebied om schade aan infrastructuur te voorkomen kan in principe beschouwd worden als een translocatie binnen een populatie, omdat de beverpopulatie in Vlaanderen beschouwd kan worden als één enkele (meta)populatie (Stuyck et al., 2012). Indien een verplaatsing van individuen plaatsvindt naar een andere populatie, moet verder voldaan worden aan de criteria voor bijplaatsing.
4 VOORBEELDEN VAN TRANSLOCATIES IN NATUURBEHEER In het verleden hebben in Vlaanderen heel wat translocaties al dan niet bewust plaatsgevonden zonder dit duidelijk te registreren of zonder de nodige toelatingen. Zo is de populatie adder van de Kalmthoutse Heide naar alle waarschijnlijkheid afkomstig van Frankrijk (Geeraerts & Mergeay, 2012), zijn ringslangen op meerdere plaatsen in Vlaanderen al dan niet accidenteel uitgezet (Engelen, 2015), is de bever (Castor fiber) in de Dijlevallei illegaal uitgezet (Van Den Boogaert, 2003), dook er in 2017 plots een populatie Moerasparelmoervlinder (Euphydrias aurinia) op in Vorsdonkbos te Aarschot, etcetera. Hier pogen we enkele voorbeelden te geven van duidelijk geregistreerde en/of vergunde translocaties te illustreren.
4.1 BIJPLAATSING Er zijn slechts weinig duidelijk gedocumenteerde voorbeelden van bijplaatsingen gericht op het imiteren van genmigratie en/of het verminderen van inteelt. In Aarschot was omstreeks 2012 de laatste Vlaamse populatie van de harlekijn (Orchis morio) gereduceerd tot één enkel exemplaar. Daar is in 2013 tijdelijk een ander Waals exemplaar bij geplaatst teneinde kruisbestuiving toe te laten. Dit heeft geleid tot een voorzichtige heropleving tot een kleine 30 exemplaren in 2018 (P. Vanormelingen, pers. comm.). In Diest is op advies van INBO (Vanden Broeck et al., 2013b) een herstelprogramma van grote tijm opgestart, gecoördineerd door Regionaal landschap Noord-Hageland. In navolging hiervan werden in 2015 zaden uit meerdere regionale deelpopulaties gekiemd en opgekweekt om bij te plaatsen in bestaande populaties die reeds tekenen van inteeltdepressie vertoonden (Vanden Broeck et al., 2013a). Deze bijplaatsingen zijn uitgevoerd in 2019 (Nobby Thys, pers. med.). Op termijn is het ook de bedoeling om aan metapopulatieherstel te doen, door op nieuwe of herstelde locaties deelpopulaties te creëren. Binnen het soortenbeschermingsprogramma vroedmeesterpad zijn bijplaatsingen voorzien in enkele ijlende populaties, waarvan de eerste in 2019 uitgevoerd worden (https://www.natuurenbos.be/sites/default/files/inserted-files/sbp-vroedmeesterpad.pdf).
4.2 GEASSISTEERDE HERKOLONISATIE Rivierdonderpad Demerbekken - Kleine Gete: vertrekkende van twee relictpopulaties uit zijbeken van de Kleine Gete werd in 2008 een kweekprogramma opgestart (Van Liefferinghe et al., 2015). Met de nakomelingen zijn andere geschikte locaties in het Demerbekken herbepoot. Het doel is om op termijn terug een zelfstandige metapopulatie te verkrijgen die niet meer afhankelijk is van herbepotingen en bijplaatsingen. Dit vereist een verbetering van de waterkwaliteit van de beken benedenloops van de bepotingsplaatsen, zodanig dat de ecologische barrière (waterkwaliteit) opgeheven wordt en de verschillende huidige deelpopulaties via de Kleine Gete terug genetisch verbonden raken met elkaar. Een deelpopulatie van kamsalamander die in nieuw in te richten overstromingsgebied van de Schelde voorkwam in het Zennegat werd in 2016 zo goed als mogelijk weggevangen, en in gevangenschap gestimuleerd tot voortplanting. De nakomelingen van deze populatietranslocatie werden gedurende drie jaren in nieuw leefgebied in dezelfde regio uitgezet (Pikhakendonk en Boortmeerbeekbroek), de ouderdieren zijn in 2019 ook uitgezet in hetzelfde gebied. Intussen wordt het succes van de maatregel aan de hand van genetische analyses van de nieuwe populatie geëvalueerd. Het doel is om deze populatie zodanig te laten uitbreiden en
de andere populaties in de regio te beheren zodat er op termijn terug sprake kan zijn van een verbonden metapopulatie. In Vlaams-Brabant is een samenwerking tussen de Provincie en Natuurpunt opgestart (Urgentieplan PPS) om 23 prioritaire provinciale soorten te redden. Dit plan behelst zowel beheer op maat om lokale populaties te vergroten, bijplaatsingen om inteelt te compenseren, populatie-translocaties om relicten die zeer ongunstig beheerd worden door derden (bv. beemdkroon gelegen in een berm die geklepeld wordt zonder afvoer van maaisel) als risicospreiding met metapopulatieherstel. Zo wordt er sterk ingezet op ontwikkeling van leefgebied van kamsalamander in een poelennetwerk in de vallei van de Grote Gete, waarbij er in 2014 en 2015 translocaties van larven in nieuwe geschikte poelen uitgevoerd zijn. Op een gelijkaardige manier zijn er ook voor blauwe knoop (Succisa pratensis) en spits havikskruid (Hieracium lactucella) zaden of kiemplanten verplaatst naar geschikte locaties, en werden tegelijk acties ondernomen om de bestaande populaties te herstellen en te vergroten, teneinde de regionale metapopulaties terug ademruimte te geven.
4.3 HERINTRODUCTIE De hamster (Cricetus cricetus) is in Vlaanderen zo goed als uitgestorven, op een piepklein relict in Widooie (Tongeren) na. Sinds 2006 zijn zonder blijvend succes twee bijplaatsingen gebeurd in onder andere Leefdaal / Bertem (La Haye et al., 2010). Sinds 2015 is een soortenbeschermingsprogramma voor deze soort actief. Daaruit blijkt dat in de eerste plaats voldoende geschikt leefgebied moet hersteld worden, en dat dan pas verdere herintroductie (of intussen bijplaatsing) zinvol kan zijn. Mogelijk spelen er ook onderpopulatie-effecten. Rivierdonderpad Cottus perifretum in het Dijlebekken (Van Liefferinghe, 2018). Deze soort was in grote delen van het Dijlebekken verdwenen als gevolg van een te lage waterkwaliteit, die intussen in bepaalde zijbeken geremedieerd is. Vanuit genetisch gezonde populaties uit Waalse bovenlopen van de Dijle werd een kweekpopulatie gestart, die gebruikt is als bron voor een herintroductie in drie beken tussen 2015 en 2017, met een positieve populatiegroei en spontane kolonisatie van andere beektrajecten. De rugstreeppad (Epidalea calamita) was aan de Oostkust (Zwinregio) uitgestorven als gevolg van verlies van leefgebied. Als gevolg van de herinrichting en uitbreiding van de Zwinvlakte is er terug voldoende leefgebied voor deze soort aanwezig in de regio. Tussen 2017 en 2019 liep een driejarige herintroductie gecoördineerd door ANB. Deze herintroductie vertrok vanuit eisnoeren van verschillende deelpopulaties uit de metapopulatie van de Westkust, met beschermde opkweek van larven tot metamorfen die werden uitgezet in geschikt leefgebied in het Zwin, volgens de aanbevelingen van INBO (Cox & Mergeay, 2015). Vanaf 2020 zal het resultaat van deze herintroductie op regelmatige basis geëvalueerd worden.
4.4 BIOMANIPULATIE De introductie van snoek (Esox lucius) in eutrofe vijvers of meren kan een verandering in het voedselweb bewerkstelligen via een predatie-cascade die leidt tot een verschuiving van een troebel algen-gedomineerd systeem naar een helder waterplanten-gedomineerd systeem (Declerck et al., 2006). Dit is onder andere gebeurd bij de herinrichting van Het Vinne (Zoutleeuw) in 2005. De introductie van snoek is ook gebruikt als een experimentele maatregel om blauwbandgrondel (Pseudorasbora parva) te controleren in enkele vijvers van het vijvergebied van Zonhoven (Lemmens et al., 2015). Daaruit blijkt dat jonge snoeken goed in staat zijn om vissen als blauwbandgrondel te onderdrukken. Eenmaal de snoeken groter zijn dan 60 cm prefereren ze grotere prooien, en is lokale voortplanting van snoek een vereiste om deze onderdrukking te bestendigen. Bijkomend kan het aangewezen zijn om zo’n biomanipulatie te combineren met de bepoting van baars (Perca fluviatilis), om de predatiedruk op kleine planktonetende vis hoog te houden.
De introductie van grote ratelaar Rhinantus angustifolius in beekdalgraslanden kan door zijn parasitaire invloed op bepaalde soorten (met name grassen) de vegetatiegroei vertragen van sommige soorten en daardoor onder milde nutriëntenaanrijking minder nitrofiele soorten een voordeel bieden. Deze halfparasiet kan zo nodig relatief makkelijk worden verwijderd door te maaien net voor de zaadzetting, omdat de soort geen doorlevende zaadbank heeft. Dit is onder andere gebeurd in het Vinne (Zoutleeuw) in 2014. Een gelijkaardig effect kan bekomen worden met kleine ratelaar (R. minor) in drogere graslandtypes. Inzaaien heeft aldus een positief effect op de biodiversiteit van planten in graslanden(Westbury et al., 2006).
4.5 INOCULATIE In Meerdaalbos (Oud-Heverlee) is op een voormalig munitiedepot met verboste heide aan herstel van heischraal grasland gedaan, waarbij de nutriëntenrijke toplaag (plaggen) verwijderd. Hier is op experimentele wijze aan inoculatie gedaan van een mengsel van bodemschimmels (arbusculaire mycorrhizae, AMF) uit goed ontwikkelde heischrale graslanden (Torrez et al., 2016). Toevoegen van deze schimmels versnelde het herstel van heischraal grasland, waarschijnlijk omdat vele doelsoorten van heischraal grasland symbioses aangaan AMF, waardoor ze efficiënter fosfaat op kunnen nemen dan planten die deze symbiose niet kunnen aangaan. In een ander experiment werd aangetoond dat de inoculatie van een regionaal zaadmengsel van typische soorten (inclusief uit rompgemeenschappen) een de vestiging van ongewenste soorten met een hoge dispersiecapaciteit verhindert (Torrez et al., 2017). Dit positieve effect blijkt ook uit andere studies, waaruit ook blijkt dat het voldoende kan zijn om in stroken in te zaaien, om later vanuit die stroken secundaire verspreiding binnen het doelgebied toe te laten (Jongepierová et al., 2007).
4.6 BIOLOGISCHE CONTROLE Voorlopig zijn er geen voorbeelden uit België van biologische controle van uitheemse soorten door co-introductie van een gespecialiseerde antagonist die een coëvolutie heeft meegemaakt met de te bestrijden soort. De biologische controle van de uitheemse reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera) zou kunnen gebeuren met een roestschimmel (Puccinia komarovii var. glanduliferae) die ontdekt is op inheemse populaties reuzenbalsemien in de Himalaya (Tanner, 2015). Experimenten hiermee zijn gaande in het Verenigd Koninkrijk. Daaruit blijkt dat afhankelijk van het biotype (geografische oorsprong van de planten in Azië) er andere stammen van de roestschimmel nodig zijn om successvolle infectie toe te laten (Reeve & Pollard, 2019). De poging tot bestrijding van de Japanse duizendknoop (Fallopia japonica) in het Verenigd Koninkrijk met de gastheerspecifieke bladvlo Aphalara itadori uit Japan (Myint et al., 2012) valt in deze categorie. Voorlopig is deze laatste introductie weinig succesvol als gevolg van een slechte overleving in het wild gedurende de winter. In Australië en Afrika werd de invasieve watervaren Salvinia molesta succesvol ingedijkt door de introductie van een snuitkever (Cyrtobagous salviniae) die in het natuurlijke verspreidingsgebied van de varen voorkomt (Thomas & Room, 1986). Een eerdere poging met een cryptische zustersoort (C. singularis) was niet succesvol.
5 REFERENTIES Alterra. (2001). Handboek Robuuste Verbindingen; ecologische randvoorwaarden. Wageningen: Alterra, Research Instituut voor de Groene Ruimte. Cox K., Mergeay J. (2015). Genetische beoordeling van potentiële bronpopulaties rugstreeppad voor herintroductie in Zwinstreek. (Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. INBO.R.2015.9091964). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. Declerck S., Van De Meutter F., De Meester L. (2006). Ondiepe vijvers en meren: ecologische achtergronden en beheer. NatuurFocus 5(1):22-29. Engelen P. (2015). Ringslang in Vlaanderen anno 2015. https://www.hylawerkgroep.be/static/files/0217/Ringslang%20in%20Vlaanderen%20anno%20 2015.pdf. Frankham R. (1995). Effective population size/adult population size ratios in wildlife: a review. Genetical Research 66:95-107. Frankham R., Ballou J.D., Ralls K., Eldridge M., Dudash M.R., Fenster C.B., Lacy R.C., Sunnucks P. (2017). Genetic management of fragmented animal and plant populations: Oxford University Press. Frankham R., Bradshaw C.J.A., Brook B.W. (2014). Genetics in conservation management: Revised recommendations for the 50/500 rules, Red List criteria and population viability analyses. Biol Conserv 170(0):56-63. Geeraerts C., Mergeay J. (2012). Genetisch onderzoek van de adder in functie van duurzame bescherming op lange termijn. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO.R.2012.57). Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. Goovaerts J., Honnay O., Ceulemans T. (2018). Fantoompopulaties en extinctieschuld: biodiversiteit in gefragmenteerde Hagelandse natuurgebieden. NatuurFocus 17:18-28. IUCN/SSC. (2013). Guidelines for Reintroductions and Other Conservation Translocations. Version 1.0. ISBN: 978-2-8317-1609-1. Gland, Switzerland: IUCN Species Survival Commission. viiii + 57 pp. p. Jongepierová I., Mitchley J., Tzanopoulos J. (2007). A field experiment to recreate species rich hay meadows using regional seed mixtures. Biol Conserv 139:297-305. Konnert M., Fady B., Gömöry D., A'Hara S., Wolter F., Ducci F., Koskela J., Bozzano M., Maaten T., Kowalczyk J. (2015). Use and transfer of forest reproductive material in Europe in the context of climate change. European Forest Genetic Resources Programme (EUFORGEN). Rome, Italy: Bioversity International. xvi and 75 p. p. La Haye M., Verbist V., Koelewijn H.P. (2010). Behoud van Vlaamse en Nederlandse hamsters: genetisch herstel en akkerbeheer gaan hand in hand. NatuurFocus 9:158-166. Lemmens P., Mergeay J., Vanhove T., De Meester L., Declerck S.A.J. (2015). Suppression of invasive topmouth gudgeon Pseudorasbora parva by native pike Esox lucius in ponds. Aquatic Conservation: Marine and Freshwater Ecosystems 25:41-48. Mergeay J. (2017). Translocaties in natuurbeheer: controversieel en essentieel. NatuurFocus 16(3):121128. Myint Y.Y., Nakahira K., Takagi M., Furuya N., Shaw R.H. (2012). Using life-history parameters and a degree-day model to predict climate suitability in England for the Japanese knotweed psyllid Aphalara itadori Shinji (Hemiptera: Psyllidae). Biological Control 63(2):129-134. Ralls K., Ballou J.D., Dudash M.R., Eldridge M.D.B., Fenster C.B., Lacy R.C., Sunnucks P., Frankham R. (2017). Call for a paradigm shift in the genetic management of fragmented populations. Conservation Letters 11:e12412. Reeve M.A., Pollard K.M. (2019). Discrimination between regional biotypes of Impatiens glandulifera using a simple MALDI-TOF MS-based method for use with seeds. Plant Methods 15(1):25. Stuyck J., Casaer J., Mergeay J. (2012). Advies betreffende de grootte van een duurzame populatie bever (Castor fiber). Adviezen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. INBO.A.2012.147. Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. Tanner R. (2015). Puccinia komarovii var. glanduliferae var. nov.: a fungal agent for the biological control of Himalayan balsam (Impatiens glandulifera). European Journal of Plant Pathology 141:247266. Thomas P.A., Room P.M. (1986). Taxonomy and control of Salvinia molesta. Nature 320:581-584. Torrez V., Ceulemans T., Mergeay J., de Meester L., Honnay O. (2016). Effects of adding an arbuscular mycorrhizal fungi inoculum and of distance to donor sites on plant species recolonization following topsoil removal. Applied Vegetation Science 19(1):7-19.
Torrez V., Mergeay J., Meester L.D., Honnay O., Helsen K. (2017). Differential effects of dominant and subordinate plant species on the establishment success of target species in a grassland restoration experiment. Applied Vegetation Science:n/a-n/a. Van Den Boogaert J. (2003). Bevers in België. Zoogdier 14(3):9-14. Van Liefferinghe C. (2018). Herstel van de rivierdonderpadpopulatie in het Dijlebekken, in het bijzonder het deelbekken van de IJse. De Boomklever 46:54-58. Van Liefferinghe C., Vught I., Auwerx J., De Charleroy D. (2015). Rapportage herintroductieprogramma en monitoring rivierdonderpad najaar 2014. Agentschap Natuur en Bos. Vanden Broeck A., Ceulemans T., Kathagen G., Hoffmann M., Honnay O., Mergeay J. (2015). Dispersal constraints for the conservation of the grassland herb Thymus pulegioides L. in a highly fragmented agricultural landscape. Conserv Genet 16:765-776. Vanden Broeck A., Kathagen G., Guelinckx R., Honnay O., Mergeay J. (2013a). Grote tijm (Thymus pulegioides L.). Studie naar de dispersiecapaciteit en genetische herkomsten in VlaamsBrabant. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO.R.2013.722930). Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. Vanden Broeck A., Mergeay J., Guelinckx R. (2013b). Advies betreffende lokale herintroductie van grote tijm. Adviezen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. INBO.A.2012.12 Vergeer P., Rengelink R., Copal A., Ouborg N.J. (2003). The interacting effects of genetic variation, habitat quality and population size on performance of Succisa pratensis. J Ecol 91(1):18-26. Westbury D.B., Davies A., Woodcock B.A., Dunnett N.P. (2006). Seeds of change: The value of using Rhinanthus minor in grassland restoration. Journal of Vegetation Science 17(4):435-446.
BIJLAGE 2: TRANSLOCATIEFORMULIER Dit is bijlage 2 van Mergeay & Verbist (2021): Leidraad Translocaties voor Biodiversiteit in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2021 (13). We verwijzen hier verder naar als “basisrapport”.
1 DOEL VAN HET TRANSLOCATIEFORMULIER Het doel van dit formulier is om
Na te gaan of een vergunning noodzakelijk is, De noodzaak van de voorgestelde translocatie in het kader van natuurdoelen te evalueren, De slaagkansen van de voorgestelde translocatie in te schatten, Een samenvatting te geven van de informatie die nodig is om andere mensen of organisaties te betrekken bij een translocatie. Indien een afwijking op het translocatieverbod uit het Soortenbesluit, een voortoets of een passende beoordeling nodig is om over te gaan tot een translocatie, dient dit formulier deel uit te maken van het aanvraagdossier. Dit formulier vormt tevens de basis voor de documentatie van effectieve translocaties.
2 WANNEER TE GEBRUIKEN? Elke translocatie die een ontheffing op het Soortenbesluit, een voortoets of een passende beoordeling vereist, moet via dit formulier aangevraagd en gedocumenteerd worden. Raadpleeg de ‘Leidraad Translocaties voor Biodiversiteit in Vlaanderen’ om na te gaan welke translocaties een ontheffing op het Soortenbesluit behoeven.
3 HOE INVULLEN? Dit formulier volgt de structuur en inhoud van de ‘Leidraad Translocaties voor Biodiversiteit in Vlaanderen’. Raadpleeg dit document tijdens het invullen. Via dit formulier moet de noodzaak van een translocatie blijken voor de populatie van de doelsoort of beoogde natuurdoelen, op lokaal dan wel regionaal vlak. Uit de argumentatie moet blijken dat 1) het doel van de translocatie compatibel is met bestaande natuurbeheerplannen en/of soortenbeschermingsprogramma’s (SBP), met de specifieke en gewestelijke instandhoudingsdoelen voor de soort (zo die er zijn), of – indien relevant – met de lokale en gewestelijke instandhoudingsdoelen voor het habitattype waarvoor deze soort kenmerkend is, en andere doelstellingen omtrent behoud of herstel van biodiversiteit; 2) de voorgestelde translocatie niet in conflict is met andere doelstellingen binnen het voorziene uitzettingsgebied; 3) de voorgestelde translocatie noodzakelijk is om dit doel op een bevredigende manier te behalen; 4) er voldaan is aan de ecologische randvoorwaarden voor een succesvolle translocatie. Als er ecologische of maatschappelijke risico’s worden gedetecteerd motiveer je hoe deze risico’s worden ingeschat en op welke wijze er bij de translocatie rekening mee zal worden gehouden teneinde ze te minimaliseren en ze aanvaardbaar te houden. Indien er wettelijke beperkingen zijn op het bezit en transport van organismen, identificeer deze dan duidelijk en geef aan hoe je ermee omgaat. Waar extra informatie gevraagd wordt dient deze proportioneel te zijn aan de complexiteit van de translocatie. Aan de hand van een eerste reeks vragen in drie categorieën identificeren we of de translocatie een korte procedure kan volgen, dan wel dat een uitgebreide procedure gevolgd moet worden.
4 TRANSLOCATIE-AANVRAAG INVULLEN Alvorens naar de gedetailleerde vragenlijst te gaan, is het van belang om te bepalen of je aanvraag als een translocatie wordt beschouwd. Indien dat niet het geval is, hoef je dit formulier niet te gebruiken. Let op ! Als het om een beschermde soort gaat (Bijlage 1 Soortenbesluit) kan het nog steeds nodig zijn om een gewone afwijking op de verboden van het Soortenbesluit aan te vragen. Dit doe je via het standaardformulier op www.natuurenbos.be of op het e-loket. De vragenlijst peilt naar de identiteit van de aanvrager, de redenen voor een eventuele translocatie, gegevens over de bronpopulaties, brongebieden en doelgebieden, de methodiek die gevolgd zal worden, ... Vul de velden waar nodig aan met informatie. Gebruik de richtlijnen in ‘Leidraad Translocaties voor Biodiversiteit in Vlaanderen’ om je hierin te begeleiden.
5 EERSTE SCREENING 5.1 VALT DE SOORT ONDER HET SOORTENBESLUIT? Het Soortenbesluit verbiedt strikt genomen elke introductie in het wild. Ecologisch kan echter een onderscheid gemaakt worden tussen risico-arme gewone verplaatsingen en effectieve introducties. Voor risico-arme verplaatsingen is geen translocatie-afwijking nodig. Wel dient voor beschermde soorten nog steeds een gewone afwijking voor vangen/onder zich houden/vervoer te worden aangevraagd. Introducties van bejaagbaar jachtwild worden geregeld in het Jachtdecreet en zijn strikt genomen verboden. Afwijkingen zijn onder vergelijkbare voorwaarden als voor het Soortenbesluit mogelijk. Om deze te bekomen kan dan ook gebruik gemaakt worden van dit formulier.
5.2 BESLISBOOM RISICO-ARME VERPLAATSING OF TRANSLOCATIE Doorloop onderstaande vragenlijst om te weten of je een translocatie-aanvraag moet indienen. Een overzetactie van amfibieën wordt bijvoorbeeld niet als een translocatie beschouwd. Dit wordt ook schematisch weergegeven in Figuur 1. 1. Gaat de aanvraag om het opbrengen van maaisel uit een vergelijkbaar graslandtype binnen dezelfde ecoregio (zie www.geopunt.be) ? a. JA: geen afwijking nodig b. NEE: zie volgende (criteria gelden voor alle soorten in het maaisel) 2. Is de soort uitheems? (Alle soorten niet in categorie 1 van http://www.species.be/nl/presense.php.) a. JA: translocatie is verboden tenzij deze valt onder de uitzonderingsbepalingen (zie Leidraad §3, figuur 1). b. NEE: zie volgende 3. Betreft het dieren die vanuit kweek in gevangenschap worden uitgezet? a. JA: Translocatie-aanvraag vereist b. NEE: zie volgende 4. Liggen het brongebied en het doelgebied binnen dezelfde stapsteen (natuurgebied) of binnen het foerageerbereik van de soort (zie Bijlage 5 van het basisrapport voor afstanden)?
5.
6.
7.
8.
9.
a. JA: zie volgende b. NEE: Translocatie-aanvraag vereist De bronpopulatie, het brongebied of het doelgebied vallen onder een goedgekeurd natuurbeheerplan type 3 of 4 of zijn gelegen in een erkend natuurreservaat a. zonder doelen voor de soort: Translocatie-aanvraag vereist b. met doelen voor de soort of geen beheerplan: zie volgende Is er een Rode-lijststatus bepaald voor de soort? a. NEE: Ga naar 8. b. JA: zie volgende Is de meest recente Rode-lijststatus van de soort ’momenteel niet in gevaar’? a. NEE: translocatie-aanvraag vereist b. JA: gewone afwijkingsaanvraag. Betreft het bejaagbaar jachtwild? a. JA: Translocatie-aanvraag vereist b. NEE: zie volgende Betreft het een soort beschermd via de Habitatrichtlijn (bijlage II, IV en V), Vogelrichtlijn (bijlage 1) of Soortenbesluit (bijlage 1)? a. JA: Translocatie-aanvraag vereist. b. NEE: geen aanvraag vereist.
Belangrijk! Dient er een afwijking te worden aangevraagd via gewone of translocatieprocedure en zijn de bronpopulatie, het brongebied of het doelgebied gelegen in een Speciale Beschermingszone (SBZ): Voeg dan een voortoets toe bij uw aanvraag.
Figuur 1. Beslisboom voor risico-arme translocaties schematisch weergegeven.
6 AANVRAAG AFWIJKING TRANSLOCATIE1 6.1 IDENTITEIT VAN DE AANVRAGER Naam Adres Telefoonnummer Email Organisatie Rol in de translocatie
6.2 PARTNER(S) OF PARTNERORGANISATIES (VOEG TOE WAAR NODIG) Naam Organisatie Email Rol in de translocatie Naam Organisatie Email Rol in de translocatie Naam Organisatie Email Rol in de translocatie
1
Voor gewone afwijkingsaanvraag, zie standaardformulier op www.natuurenbos.be/formulieren
6.3 PROJECTGEBONDEN INFORMATIE Projecttitel Doelsoort(en) of doelgemeenschap Type translocatie KEUZELIJST TOEVOEGEN Situeer de aanleiding voor de voorgestelde translocatie, en beargumenteer waarom een translocatie de beste oplossing lijkt voor het geschetste probleem. Schets zo nodig een ruimere regionale en historische context.
Op welke wijze draagt de translocatie bij tot bredere natuurdoelstellingen?
Welke andere maatregelen werden reeds genomen om de toestand te verbeteren?
Wat zijn de ecologische vereisten van de doelsoort(en)?
In geval van een herintroductie of metapopulatieherstel, welke waren de oorzaken van het verdwijnen, en zijn deze intussen opgelost? Is het bedoelde leefgebied actueel voldoende groot en kwaliteitsvol om een populatie duurzaam te handhaven?
Verwachte timing van translocatie/uitzetting en eventuele herhalingen
6.4
INFORMATIE OVER DE POPULATIES OF GEMEENSCHAPPEN
6.4.1 Details over de bronlocatie(s) (kopieer deze pagina voor elke bronlocatie indien er meerdere zijn). Voeg een kaart toe met aanduiding van de bronlocatie(s). Te verzamelen in het wild Bronlocatie 1 Naam van de locatie / toponiem Ligging (straat, gemeente) Datum/data van inzamelen Contactgegevens van de eigenaar van het perceel. Voeg in bijlages schriftelijke toelatingen toe van de eigenaars van de bronlocaties en doellocaties, indien verschillend van de aanvrager. Gebruiker/beheerder van het perceel (indien verschillend van de eigenaar) Contactgegevens van de gebruiker/beheerder (indien verschillend van de eigenaar) Geschatte omvang van de bronpopulatie Hoe werd de grootte van de bronpopulatie geschat en wanneer?
Afkomstig van een ex-situ collectie of kweek In beheer bij (naam en contactgegevens collectiebeheerder) Oorsprong van de originele bronlocatie(s) (voeg toe op kaart) Populatiegrootte van de originele bronpopulatie Grootte van de populatie in de collectie Bestaat de populatie in de collectie uit individuen die zelf in het wild werden ingezameld dan wel uit het resultaat van kweek? Aantal te gebruiken individuen/specimen voor translocatie Aard van de specimens en levensstadium Beschrijf de ecologische kenmerken van de bronlocatie Behoort de bronpopulatie tot een bepaalde ondersoort, variëteit of ecotype? Zo ja, dewelke Welke maatregelen zullen worden genomen om eventuele verspreiding van ziektekiemen te voorkomen?
Overige relevante informatie met betrekking tot de bronpopulatie die relevant is voor de translocatie (en het type translocatie). Geef aan welke maatregelen genomen worden om ecologische en socioeconomische risico’s (ZIE LEIDRAAD §6, 6.2.2) te vermijden, beperken en compensaties te voorzien, en duid in geval van hoge risico’s, welke mitigerende maatregelen genomen worden, of waarom deze risico’s aanvaardbaar worden geacht. Geef waar mogelijk wetenschappelijke argumenten mee die relevant zijn voor de translocatie.
Details over de doellocatie(s) voor de translocatie (kopieer deze pagina voor elke doellocatie indien er meerdere zijn). Voeg een kaart toe met aanduiding van de bronlocatie(s). Doellocatie 1 Naam van de locatie / toponiem Indien het een erkend natuurreservaat betreft, vermeld de naam van het gebied en het erkenningsnummer. Ligging (straat, gemeente) Contactgegevens van de eigenaar van het perceel Contactgegevens van de gebruiker/beheerder (indien verschillend van de eigenaar) Geplande periode van translocatie(s) Is de translocatie éénmalig of herhaald, en eindig of voor onbepaalde duur herhaald? Is er een natuurbeheerplan, soortenbeschermingsprogramma of ander beheerplan voor de betrokken soort(en), en zo ja, zijn er doelen gesteld voor deze soort(en) of het bijpassende natuurstreefbeeld in het beheerplan? Beschrijf.
Welke oppervlakte geschikt leefgebied is er beschikbaar binnen en buiten het doelgebied (weliswaar op verbreidingsafstand)? Geef het % optimaal en suboptimaal leefgebied en beschrijf.
Gewenste grootte van de geïntroduceerde populatie in het eindbeeld van het doelgebied?
Hoe is het beheer (huidig en toekomstig) in het doelgebied afgestemd op deze soort? Aantal specimens dat wordt uitgezet? Aard van de specimens (eieren, zaden, larven, juvenielen, volwassenen, verhouding tussen geslachten...)
Beargumenteer keuze aard van de specimens
In geval van een bijplaatsing Geschatte grootte van de aanwezige populatie Aandeel van bij te plaatsen individuen aan lokale populatie Redenen voor translocatie? Geef aan of er indicaties zijn voor inteeltdepressie, of geef argumenten voor preventieve bijplaatsing.
Bepaal het risico op uitkruisingsdepressie met de residente (meta)populatie.
In geval van een geassisteerde herkolonisatie Beschrijf de metapopulatie waarin de translocatie plaatsvindt: hoeveel deelpopulaties, ruimtelijke situatieschets, historisch kader van de metapopulatie toen ze nog wel functioneel verbonden was, hoeveel geschikte leefgebieden in de metapopulatie niet bezet zijn, ...
Beschrijf het lange-termijnperspectief van de metapopulatie. In welke mate moet geassisteerde herkolonisatie herhaald worden om de metapopulatie gunstig te doen evolueren?
Indien er uitgezet wordt met individuen van buiten de metapopulatie, beargumenteer.
Bepaal het risico op uitkruisingsdepressie met de residente (meta)populatie.
6.5 PLAN VAN AANPAK Schets de methodologische aanpak van de translocatie en formuleer concrete mijlpalen. Beantwoord daartoe onderstaande vragen en verschaf eventuele extra informatie over de concrete uitvoering. (i) In welke mate en waarom is het doelgebied geschikt voor de doelsoort? (ii) Wanneer en hoe worden de organismen ingezameld, vervoerd, zo nodig in gevangenschap gehouden en gekweekt, en uitgezet? (iii) Welke flankerende maatregelen zijn reeds genomen of worden tegelijk genomen? Deze informatie moet de haalbaarheid van de translocatie onderbouwen.
6.6 MONITORING – EVALUATIE – EXITSTRATEGIE Hoe en door wie zal de uitvoering van het plan van aanpak opgevolgd worden?
Geef weer hoe je de resultaten van de translocatie zal monitoren, met welke frequentie en duur, wie daarvoor zal instaan, en hoe je het succes ervan zal evalueren. Geef aan hoe de translocatie kan bijgestuurd worden indien nodig, en hoe de exit-strategie eruit ziet in het geval dat de translocatie ongewenste neveneffecten heeft.
Zal de monitoring gepaard gaan met genetische monitoring? Zo ja, duid bondig het voorwerp van deze monitoring en leg uit hoe dit bijdraagt aan de evaluatie van de translocatie.
6.7 COMMUNICATIEPLAN Identificeer de belanghebbenden, en geef weer hoe je deze zal betrekken in de translocatie.
Beschrijf hoe je de resultaten van de translocatie zult communiceren naar de belanghebbenden, geïnteresseerden en het wetenschappelijk publiek.
7 VERKLARING Ik verklaar dat alle gegevens in dit formulier naar waarheid zijn ingevuld. Datum
Handtekening
Naam en Voornaam
BIJLAGE 3: BIJPLAATSINGEN Dit is bijlage 3 van Mergeay & Verbist (2021): Leidraad Translocaties voor Biodiversiteit in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2021 (13). We verwijzen hier verder naar als “basisrapport”. Bijplaatsingen vormen de minst ingrijpende vorm van translocaties: de soort is reeds aanwezig in het doelgebied, maar is niet talrijk genoeg (er is een onderpopulatie-effect), of de genetische diversiteit in de populatie is er te laag of de genetische uitwisseling met naburige populaties is te laag. Bijplaatsen van individuen van dezelfde soort kan hier bijdragen aan een betere toestand voor de populatie. Toch zijn er heel wat overwegingen in acht te nemen in het geval van bijplaatsingen, die we hier uiteenzetten. We focussen hier op de genetische aspecten ervan.
1 ACHTERGROND: INTEELT Inteelt leidt vooral tot fitnessverlies (minder voortplanting, slechtere overleving, ...) in populaties die vanuit hun evolutionaire achtergrond niet aangepast zijn aan inteelt. Het gaat dan om seksuele, uitkruisende soorten die normaalgezien in stabiele omgevingen voorkomen in grote populaties of goed verbonden metapopulaties. In goed verbonden metapopulaties gedraagt elke deelpopulatie zich op vlak van genetische diversiteit als een veel grotere populatie. Dat is het gevolg van de regelmatige uitwisseling van genetisch materiaal, die het toevallige verlies van genetische diversiteit in kleine populaties sterk compenseert. Wanneer zulke metapopulaties versnipperd raken verdwijnt de genetische verbinding, en evolueert elke deelpopulatie onafhankelijk verder. Het resultaat is een versneld verlies van genetische diversiteit en een toename van de inteelt. Een toename van de inteelt met 5% leidt al snel tot een fitnessverlies van 5-10% (Frankham et al., 2010). Inteelt neemt omgekeerd evenredig toe met tweemaal de effectieve grootte van de populatie. Een populatie met een effectieve grootte van 50 riskeert aldus elke generatie 1-2% van zijn fitness te verliezen. De effectieve grootte van een populatie (Ne) geeft aan hoe groot een populatie zich genetisch gedraagt. Dit is dus verschillend van wat we normaal als de grootte van een populatie definiëren: het aantal (volwassen) individuen (Nc). In de praktijk is de effectieve grootte gemiddeld genomen tienmaal kleiner dan het aantal individuen (Frankham, 1995), maar hier kan grote variatie optreden tussen soorten en tussen populaties van dezelfde soort. We gebruiken deze vuistregel (1/10) echter veelvuldig. Een populatie van 500 volwassen individuen heeft in dat geval slechts een effectieve grootte van 50, waarvan de inteelt per generatie met 1% toeneemt, en de fitness met 1-2% afneemt. Dit betekent dat ook ogenschijnlijk “grote” populaties van honderden individuen sterk onderhevig kunnen zijn aan inteelt, met name als ze geïsoleerd zijn van andere populaties. Ook zulke populaties komen zeker in aanmerking voor bijplaatsingen. Voor meer Nederlandstalige achtergrond verwijzen we naar Honnay et al. (2015).
2 REACTIEVE EN PREVENTIEVE BIJPLAATSINGEN We onderscheiden twee types van bijplaatsingen om genetische redenen: 1.
2.
Reactieve bijplaatsing: een doelpopulatie heeft een verlaagde genetische diversiteit, en inteelt verhindert het herstel van de populatie, zelfs indien er terug meer leefgebied beschikbaar is. Bijplaatsing dient om de genetische diversiteit te herstellen en acute inteelt terug te draaien. In het ideale geval beschikt de populatie na de bijplaatsing over voldoende leefgebied om een duurzame (meta)populatie te vormen, en dan is de bijplaatsing te beschouwen als een éénmalige duw in de rug. Preventieve bijplaatsing: een doelpopulatie (of meerder doelpopulaties) zijn door recente versnippering te klein en te geïsoleerd om op zich een duurzame metapopulatie te blijven vormen. Bijplaatsing dient dan om
regelmatige genetische uitwisseling (genmigratie) te imiteren tussen deelpopulaties, daar waar andere maatregelen (vergroten van deelpopulaties, verbinden van deelpopulaties) niet volstaan om de metapopulatie in een gunstige toestand te brengen, of niet haalbaar zijn binnen een bevredigende termijn. Concreet betekent dit dat men het risico op sterke achteruitgang tot zelfs uitsterven te groot acht binnen die termijn.
In het geval dat het leefgebied van een geïsoleerde populatie te klein is om op lange termijn een zelfstandige populatie te onderhouden, is eerst een reactieve bijplaatsing nodig om genetische diversiteit te herstellen, en is daarna preventieve bijplaatsing aangewezen om de genetische uitwisseling op peil te houden en een herval te voorkomen. Bijplaatsing om genmigratie te imiteren kan reeds aangewezen zijn in een vroeg stadium van de achteruitgang van een metapopulatie. In zo’n gevallen (preventieve bijplaatsing) is het aangewezen om kleine aantallen individuen per keer te gebruiken afkomstig van naburige deelpopulaties. Dit imiteert dan de normale hoeveelheid genmigratie van een grotere, beter verbonden metapopulatie. Het kan worden herhaald zolang de lokale populatie niet voldoende groot is om een op zichzelf staande geïsoleerde duurzame (meta)populatie te vormen. Dit vormen doorgaans eenvoudige, goedkopen en risico-arme translocaties. Structurele maatregelen als deze (regelmatige preventieve bijplaatsing) vormen een lapmiddel voor situaties waarin het ruimtelijke instrumentarium (de beschikbare leefgebieden en de graad van verbondenheid ertussen) niet volstaat om populaties in een goede staat van instandhouding te houden of krijgen. Dit is bijvoorbeeld momenteel het geval bij heel wat populaties van de Europees beschermde amfibieën en reptielen in Vlaanderen (Mergeay, 2013; Mergeay & Van Hove, 2013), maar ook bij zeer veel plantensoorten (Goovaerts et al., 2018) en vlindersoorten (Maes et al., 2013). Ongetwijfeld is dit ook het geval bij andere minder bestudeerde soortengroepen. Vlaanderen is de meest versnipperde regio van Europa (Jaeger et al., 2011). Zeer veel populaties hebben onvoldoende leefgebied om op zich staande populaties te onderhouden, en maken door deze versnippering functioneel geen deel meer uit van een metapopulatie die het verlies van genetische diversiteit enigszins kan bufferen (Honnay et al., 2015; Mergeay, 2017). De in rode lijsten gedocumenteerde achteruitgang van soorten die niet ver kunnen verbreiden en daardoor gevoelig zijn aan fragmentatie bewijst dat het huidige ruimtelijke instrumentarium niet volstaat om deze soorten en hun populaties te behouden. Genetische bijplaatsingen zullen essentieel zijn om tijd te winnen in de richtingloze mars naar extinctie van deze soorten, in de hoop dat het tij kan gekeerd worden en het besef doordringt in de geledingen van de maatschappij en het beleid dat we veel meer kwaliteitsvolle natuur nodig hebben om aan onze wettelijke en internationale verplichtingen te voldoen inzake biodiversiteit.
De bijplaatsing van enkele adders in de genetisch verarmde Zweeds populatie van Smygehuk is een uitstekend gedocumenteerde en beargumenteerde reactieve bijplaatsing (Madsen et al., 1999; Madsen & Ujvari, 2011; Madsen et al., 2004). Voortplanting in deze populatie was ineengestort ondanks een addergericht beheer. Genetisch onderzoek bevestigde het vermoeden van hoge inteelt en een zeer lage genetische variatie. Een éénmalige bijplaatsing van 20 mannelijke dieren uit een grote naburige populatie, die vier jaar later weer verwijderd werden, leidde tot een onmiddellijke heropleving van de voortplanting en een spoedige toename van de populatiegrootte en een toename van genetische diversiteit. Verdere fragmentatie van het leefgebied in 2006 door de bouw van een huis compromitteert echter ernstig de verdere toekomst van deze populatie.
3 UITKRUISINGSDEPRESSIE Bijplaatsing of andere vormen van genetische vermenging kan een sterk positief effect hebben op populaties die lijden onder inteelt (Frankham, 2015). Er bestaat echter ook een risico op een verder verlies van fitness en voortplantingscapaciteit wanneer populaties die sterk verschillend evolutionaire trajecten hebben meegemaakt vermengd worden met elkaar.
In Vlaanderen zullen risico’s op uitkruisingsdepressie voor de meeste soorten en populaties doorgaans zeer laag zijn (zie bv. De Kort et al., 2014; De Kort et al., 2015). Wanneer de leefomgeving echter duidelijk en sterk verschilt tussen de populaties waartussen men wil kruisen is het doorgaans beter om uitkruising te vermijden, zeker wanneer het om biotische interacties gaat. Zo parasiteert het Gentiaanblauwtje (Maculinea alcon) op verschillende soorten knoopmieren, en is deze interactie zeer specifiek via chemische herkenningsmoleculen op de larven van de vlinders, die specifiek zijn aan elke gastheersoort. Het vermengen van populaties met verschillende gastheersoorten kan daar leiden tot uitkruisingsdepressie en een verlies van fitness van de ontvangende populatie wanneer de mieren de larven herkennen als een indringer omdat deze niet de goede chemische geuren uitzendt. Figuur 1 geeft een beslissingskader weer om het risico op uitkruisingsdepressie te evalueren. Het criterium in Figuur 1 of populaties gedurende de afgelopen 500 jaar of 20 generaties met elkaar in contact waren hoeft niet te slaan op directe uitwisseling tussen de deelpopulaties. Wanneer huidig geïsoleerde deelpopulaties via tussenliggende (maar intussen verdwenen) deelpopulaties waarschijnlijk met elkaar in contact stonden (of uit een gemeenschappelijke voorouderlijke populatie kwamen) gedurende die periode beschouwen we dit als niet geïsoleerd van elkaar. Beschouw hierbij ook natuurlijke ecologische barrières voor verbreiding van de soort in kwestie (bv. grote rivieren). Wanneer er twijfel bestaat over de aanwezigheid van uitkruisingsdepressie kan nog steeds geopteerd worden voor uitkruising, maar dan op beperkte schaal, zodanig dat het aandeel immigranten maximaal 510% beslaat van de lokale populatie. Op die manier is het aandeel nakomelingen met een verlaagde fitness door uitkruising altijd klein, maar kan tegelijk inteelt tegengegaan worden en kunnen gunstige genetische varianten zich toch verspreiden in de populatie via natuurlijke selectie. Deze strategie is veiliger bij soorten met hoge reproductiecapaciteit dan bij soorten met lage reproductiecapaciteit. Bij twijfel, raadpleeg Frankham et al. (2011).
Figuur 1. Beslisboom om het risico op uitkruisingsdepressie (outbreeding depression) te evalueren in het geval van bijplaatsingen, translocaties, metapopulatieherstel en herintroducties vanuit meerdere bronpopulaties (naar Frankham et al., 2011).
4 CRITERIA VOOR BIJPLAATSING 4.1 WANNEER MOETEN WE REACTIEVE BIJPLAATSING OVERWEGEN? (NAAR FRANKHAM, 2015) 1.
2. 3. 4.
Wanneer er een ontvangende populatie is met inteelt en/of lage genetische diversiteit voor fitnessgerelateerde kenmerken, of deze een laag evolutionair potentieel heeft, en zeker wanneer deze populatie reeds (tekenen van) inteeltdepressie heeft. Het risico op inteeltdepressie is altijd zeer hoog wanneer de populatie kleiner is dan 100 volwassen individuen en geïsoleerd is van andere populaties (Frankham et al., 2014). Inteeltdepressie bij planten is relatief makkelijk te evalueren door middel van kiemproeven bij zaden. Zaden van ingeteelde populaties kiemen doorgaans trager, en hebben een lager kiemsucces dan bij gezonde populaties. Wanneer bijplaatsing vanuit geschikte donorpopulaties inteelt kan verminderen en daardoor de fitness van de populatie kan verhogen. Wanneer het risico op uitkruisingsdepressie laag is (zie Fig. 1) Wanneer de baten van uitkruising groter zijn dan de eventuele kosten van uitkruisingsdepressie, en van de financiële impact van de opvolging van de maatregelen. De baten hangen af van de volgende factoren: a. Het verschil in heterozygositeit (genetische diversiteit) tussen de donor- en de ontvangende populatie (hoog > laag) b. De mate van inteelt van de immigranten (laag > hoog) c. Het voortplantingssysteem (zelf-incompatibel > gemengd > zelfbevruchtend) d. Ploidie van de soort (diploid ≥ polyploid > haplodiploid > haploid) e. De omgeving (stressrijk en/of natuurlijk > mild en/of in gevangenschap) f. Demografische geschiedenis en effectieve grootte van de ancestrale populatie van donor en ontvanger (grote Ne en hoge He > kleine Ne en lage He)
4.2 WANNEER MOETEN WE PREVENTIEVE BIJPLAATSING OVERWEGEN? 1.
2. 3.
Wanneer de ontvangende populatie deel uitmaakte van een grotere functioneel verbonden metapopulatie, maar waarbij als gevolg van versnippering van het regionale leefgebied (aantal deelpopulaties verminderd en/of verkleind, ...) genetische uitwisseling tussen de nog aanwezige deelpopulaties afwezig of te laag is. Dit valt vaak af te leiden uit het verlies van hokken in atlasprojecten en de daaruit volgende rode-lijststatus van soorten (bv. Maes et al., 2012; Van Landuyt et al., 2006). Wanneer herstel van functionele verbinding tussen deelpopulaties op korte tot middellange termijn niet haalbaar is. Wanneer een afwezigheid van genetische uitwisseling tussen deelpopulaties een risico vormt op inteeltdepressie. Dit is vooral het geval in geïsoleerde kleine populaties, en zeker het geval in populaties kleiner dan 100 effectieve individuen.
4.3 BIJKOMENDE AANDACHTSPUNTEN 1.
2.
In de praktijk zijn in Vlaamse situaties risico’s op uitkruisingsdepressie doorgaans laag omdat de belangrijkste fragmentatie van het open landschap –op de oude bossen na - zich pas gedurende de laatste 100 j. heeft voltrokken. Er zijn echter gevallen waarbij er duidelijk verschillende ecotypes bestaan die het gevolg zijn van decennia tot eeuwen afzonderlijke evolutie door natuurlijke selectie. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het gentiaanblauwtje: deze vlinder parasiteert op specifieke soorten knoopmieren (Myrmica spp.) om zijn levenscyclus te volbrengen. In Vlaanderen gebruikt het gentiaanblauwtje niet in alle populaties dezelfde soort knoopmier, en is er sprake van specialisatie. Populaties kruisen die verschillende soorten mieren gebruiken als gastheer kan leiden tot uitkruisingsdepressie. Hoeveel immigranten zijn aangewezen? Zo mogelijk imiteert bijplaatsing de natuurlijke hoeveelheid genmigratie, waarbij gestreefd wordt naar een uitwisseling van 1 tot 10 effectieve migranten per generatie. Wanneer het risico op uitkruisingsdepressie laag is, is elk aantal beter dan niets, maar niet meer dan 50% van
3.
4.
5.
de ontvangende populatiegrootte. Wanneer er twijfel is over het risico van uitkruisingsdepressie is het aangewezen om niet meer dan 10% immigranten te introduceren. Dit beperkt eventuele risico’s verbonden aan uitkruisingsdepressie. Hoe vaak moet immigratie herhaald worden? Dit hangt af van de proportie immigranten (laag > hoog), van de heterozygositeit van de immigranten (laag > hoog), van de effectieve grootte van de resulterende populatie (laag > hoog), en van of er voldoende leefgebied is om een duurzame (meta)populatie te behouden in het doelgebied. Is genetische monitoring aangewezen? In het geval van reactieve bijplaatsingen is een monitoringplan aangewezen dat het succes van de maatregelen opvolgt, met inbegrip van demografische (reproductie, groei, fitness...) en zo mogelijk genetische parameters. In het geval van preventieve bijplaatsing van het type “least cost lowest risk least regret” kan een reguliere monitoring van de ontvangende populatie(s) volstaan, waarbij aantallen en leeftijdsopbouw worden geregistreerd in de tijd. Weeg hierbij de kosten en baten af in relatie tot de inspanning die geleverd wordt gedurende het hele translocatieplan en -proces. Bij ingrijpende bijplaatsingen, zoals deze die gepaard gaan met ex-situ kweek, is genetische monitoring sterk aan te bevelen. In vele gevallen gebeurt bijplaatsing bij voorkeur met organismen in de meest dispersieve fase van de levenscyclus van die soort, om zo ook de natuurlijke vorm van verbreiding te imiteren. Bij planten zijn dat doorgaans zaden, bij amfibieën gaat het meestal om juvenielen, bij insecten gaat het om volwassen exemplaren, ... Er kan echter ook geopteerd worden om met andere levensstadia te werken, teneinde de kans op effectieve genmigratie te verhogen. Zo kan het voor sommige vlinders (bv. veldparelmoer, Melitaea cinxcia) efficiënter zijn om nesten van rupsen met de waardplant erbij te verplaatsen naar een ander gebied, eerder dan volwassen vlinders te gebruiken.
5 GECITEERDE LITERATUUR De Kort H., Mergeay J., Vander Mijnsbrugge K., Decocq G., Maccherini S., Kehlet Bruun H.H., Honnay O., Vandepitte K. (2014). An evaluation of seed zone delineation using phenotypic and population genomic data on black alder Alnus glutinosa. J Appl Ecol 51:1218-1227. De Kort H., Vandepitte K., Mergeay J., Vander Mijnsbrugge K., Honnay O. (2015). The population genomic signature of environmental selection in the widespread insect-pollinated tree species Frangula alnus at different geographical scales. Heredity 115(5):415-425. Frankham R. (1995). Effective population size/adult population size ratios in wildlife: a review. Genetical Research 66:95-107. Frankham R. (2015). Genetic rescue of small inbred populations: meta-analysis reveals large and consistent benefits of gene flow. Mol Ecol 24(11):2610-2618. Frankham R., Ballou J.D., Eldridge M.D.B., Lacy R.C., Ralls K., Dudash M.R., Fenster C.B. (2011). Predicting the probability of outbreeding depression. Conserv Biol 25(3):465-475. Frankham R., Balloux J.D., Briscoe D.A. (2010). Introduction to Conservation Genetics. Cambridge, UK: Cambridge University Press. 618 p. Frankham R., Bradshaw C.J.A., Brook B.W. (2014). Genetics in conservation management: Revised recommendations for the 50/500 rules, Red List criteria and population viability analyses. Biol Conserv 170(0):56-63. Goovaerts J., Honnay O., Ceulemans T. (2018). Fantoompopulaties en extinctieschuld: biodiversiteit in gefragmenteerde Hagelandse natuurgebieden. NatuurFocus 17:18-28. Honnay O., Van De Meutter F., de Meester L., Mergeay J. (2015). Conservatiebiologie. Behoud, herstel en ecosysteemdiensten van biodiversiteit. Leuven: Acco. 176 p. Jaeger J.A.G., Soukup T., Madriñán L.F., Schwick C., Kienast F. (2011). Landscape fragmentation in Europe. Joint EEAFOEN report. Copenhagen, Denmark: EEA. Madsen T., Shine R., Olsson M., Wittzell H. (1999). Restoration of an inbred adder population. Nature 402:34-35. Madsen T., Ujvari B. (2011). The potential demise of a population of adders (Vipera berus) in Smygehuk, Sweden. Herpetological Conservation and Biology 6(1):72-74. Madsen T., Ujvari B., Olsson M. (2004). Novel genes continue to enhance population growth in adders (Vipera berus). Biol Conserv 120(1):145-147. Maes D., Vanreusel W., Jacobs I., Berwaerts K., Van Dyck H. (2012). De IUCN Rode Lijst van de dagvlinders in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. INBO.R.2012.21. Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. 20 p.
Maes D., Vanreusel W., Van Dyck H. (2013). Dagvlinders in Vlaanderen: nieuwe kennis voor betere actie: Uitgeverij Lannoo nv. Mergeay J. (2013). Analyse van de mogelijke verbindingen voor amfibieën en reptielen in de S-IHD rapporten. Adviezen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. INBO.A.2013.66. Mergeay J. (2017). Translocaties in natuurbeheer: controversieel en essentieel. NatuurFocus 16(3):121-128. Mergeay J., Van Hove M. (2013). Analyse van de duurzaamheid van populaties van Europees beschermde amfibieën en reptielen (deel 2). Adviezen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. INBO.A.2013.104. Van Landuyt W., Hoste I., Vanhecke L., Van den Bremt P., Vercruysse W., De Beer D. (2006). Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussels gewest. Nationale Plantentuin en het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek i.s.m. Flo.Wer vzw. . Brussel: Flo.Wer / Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek / Nationale Plantentuin van België.
BIJLAGE 4: BESCHERMDE SOORTEN EN HABITATTYPISCHE SOORTEN Dit is bijlage 4 van Mergeay & Verbist (2021): Leidraad Translocaties voor Biodiversiteit in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2021 (13).
Tabel 1. soorten van bijlage 1 van het Soortenbesluit, Habitatrichtlijnsoorten annexen II, IV en V, en soorten en habitattypische soorten Taxonomische groep
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
SB, SB, SB, SB, SB, HRL bijlage1, bijlage1, bijlage1, bijlage1, bijlage1, II cat1 cat2 cat3 cat4 cat5
amfibieën/reptielen
Adder
Vipera berus
X
amfibieën/reptielen amfibieën/reptielen amfibieën/reptielen amfibieën/reptielen amfibieën/reptielen amfibieën/reptielen
Alpenwatersalamander Bastaardkikker Boomkikker Bruine kikker Europese meerkikker Geelbuikvuurpad
Ichthyosaura alpestris Pelophylax kl. esculentus Hyla arborea Rana temporaria Pelophylax ridibundus Bombina variegata
X X
amfibieën/reptielen amfibieën/reptielen amfibieën/reptielen amfibieën/reptielen amfibieën/reptielen amfibieën/reptielen
Gewone pad Gladde slang Hazelworm Heikikker Kamsalamander Kleine watersalamander
Bufo bufo Coronella austriaca Anguis fragilis Rana arvalis Triturus cristatus Lissotriton vulgaris
X
amfibieën/reptielen amfibieën/reptielen amfibieën/reptielen amfibieën/reptielen
Knoflookpad Levendbarende hagedis Muurhagedis Poelkikker
Pelobates fuscus Zootoca vivipara Podarcis muralis Pelophylax lessonae
HRL IV
HabitatHRL typische V soort X X
X
X
X X X
X X
X
X
X X X
X
X X
X X X
X X
X
X X
X X
X
X
amfibieën/reptielen amfibieën/reptielen amfibieën/reptielen amfibieën/reptielen amfibieën/reptielen Kevers Kevers Kevers Kevers Kevers Kevers Kevers Kevers Kevers Kevers Kevers Kevers Libellen Libellen Libellen Libellen Libellen Libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen
Ringslang Rugstreeppad Vinpootsalamander Vroedmeesterpad Vuursalamander vliegend hert
Natrix natrix Bufo calamita Lissotriton helveticus Alytes obstetricans Salamandra salamandra Lucanus cervus
X
gouden tor
Cetonia aurata
X
pikzwarte of spinnende watertor
Hydrophilus piceus
X
koperkleurige gouden tor driehoornmestkever eenhoornmestkever juchtleerkever
Protaetia cuprea Typhoeus typhoeus Odontaeus armiger Osmoderma eremita
X X X
duin- of julikever lederboktor riettorretjes – alle soorten waterroofkevers – alle soorten
Polyphylla fullo Prionus coriarius Donacia en Plateumaris spp Dytiscus en Cybister spp Cucujus cinnaberinus
X X X X
Coenagrion puella Sympetrum pedemontanum Orthetrum coerulescens Gomphus vulgatissimus Aeshna cyanea Sympetrum sanguineum
X
vermiljoenkever Azuurwaterjuffer Bandheidelibel Beekoeverlibel Beekrombout Blauwe glazenmaker Bloedrode heidelibel Bosbeekjuffer Breedscheenjuffer Bronslibel Bruine glazenmaker Bruine korenbout Bruine winterjuffer
Calopteryx virgo Platycnemis pennipes Oxygastra curtisii Aeshna grandis Libellula fulva Sympecma fusca
X
X
X
X
X
X X
X X
X
X
X
X
X
X
X X X X X X X X X X X
X
X X
libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen
Bruinrode heidelibel Dwergjuffer gaffellibel Gaffelwaterjuffer Geelvlekheidelibel Gevlekte glanslibel Gevlekte witsnuitlibel Gewone bronlibel Gewone oeverlibel Gewone pantserjuffer Glassnijder Grote keizerlibel Grote roodoogjuffer Hoogveenglanslibel Houtpantserjuffer Kanaaljuffer Kempense heidelibel Kleine roodoogjuffer Kleine tanglibel Koraaljuffer Lantaarntje Maanwaterjuffer Mercuurwaterjuffer Metaalglanslibel Noordse glazenmaker Noordse witsnuitlibel Paardenbijter Plasrombout Platbuik Rivierrombout
Sympetrum striolatum Nehalennia speciosa Ophiogomphus cecilia
X X
Coenagrion scitulum Sympetrum flaveolum
X X
Somatochlora flavomaculata Leucorrhinia pectoralis Cordulegaster boltonii Orthetrum cancellatum Lestes sponsa Brachytron pratense
X
Anax imperator Erythromma najas Somatochlora arctica Lestes viridis Erythromma lindenii Sympetrum depressiusculum
X X X X X X
Erythromma viridulum Onychogomphus forcipatus Ceriagrion tenellum Ischnura elegans Coenagrion lunulatum Coenagrion mercuriale
X X X X X X
Somatochlora metallica Aeshna subarctica Leucorrhinia rubicunda Aeshna mixta Gomphus pulchellus Libellula depressa
X X X X X X
Gomphus flavipes
X
X X
X
X
X
X X X X
X X X
X
X
X
X
X
x
X
libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen libellen lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes
Sierlijke witsnuitlibel Smaragdlibel Speerwaterjuffer Steenrode heidelibel Tangpantserjuffer Tengere grasjuffer Tengere pantserjuffer Tweevlek Variabele waterjuffer Venglazenmaker Venwitsnuitlibel Viervlek Vroege glazenmaker Vuurjuffer Vuurlibel Watersnuffel Weidebeekjuffer Zuidelijke glazenmaker Zuidelijke heidelibel Zuidelijke oeverlibel Zwarte heidelibel Zwervende heidelibel lieveheersbeestjes: alle soorten meeldauwlieveheersbeestje
Leucorrhinia caudalis Cordulia aenea Coenagrion hastulatum Sympetrum vulgatum Lestes dryas
X X X X X
Ischnura pumilio Lestes virens Epitheca bimaculata Coenagrion pulchellum Aeshna juncea Leucorrhinia dubia
X X X X X X
Libellula quadrimaculata Aeshna isoceles Pyrrhosoma nymphula Crocothemis erythraea Enallagma cyathigerum Calopteryx splendens
X X X X X X
Aeshna affinis Sympetrum meridionale Orthetrum brunneum Sympetrum danae Sympetrum fonscolombii Coccinelidae Halyzia sedecimguttata
X X X X X X
Anisosticta negentienpuntlieveheersbeestje novemdecimpunctata onbestippeld lieveheersbeestje ongevlekt lieveheersbeestje oogvleklieveheersbeestje roomvleklieveheersbeestje
Cynegetis impunctata Oenopia impustulata Anatis ocellata Calvia quatuordecimguttata
X X X X X X
X X
X X X X
X
lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes lieveheersbeestjes loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers
ruigtelieveheersbeestje schitterend lieveheersbeestje tienstippelig lieveheersbeestje tienvleklieveheersbeestje twaalfvleklieveheersbeestje
Hippodamia variegata Coccinella magnifica Adalia decempunctata Calvia decemguttata Vibidia duodecimguttata
tweeëntwintigstippelig lieveheersbeestje
Psyllobora vigintiduopunctata
tweestippelig lieveheersbeestje
Adalia bipunctata
X X
veertienstippelig lieveheersbeestje
Propylea quatuordecimpunctata
X
veertienvleklieveheersbeestje
Coccinula quatuordecimpustulata
X
vierentwintigstippelig lieveheersbeestje
Subcoccinella vigintiquatuorpunctata
viervleklieveheersbeestje vijfstippelig lieveheersbeestje
Exochomus quadripustulatus Coccinella quinquepunctata
vloeivleklieveheersbeestje wilgenlieveheersbeestje zestienpuntlieveheersbeestje
Oenopia conglobata Chilocorus renipustulatus Tytthaspis sedecimpunctata
zevenstippelig lieveheersbeestje Coccinella septempunctata zwart lieveheersbeestje zwervend lieveheersbeestje
Exochomus nigromaculatus Hippodamia undecimnotata Abax carinatus Agonum ericeti Agonum gracilipes Amara brunnea Anisodactylus nemorivagus Anisodactylus poeciloides Anisodactylus signatus Bembidion ephippium
X X X X X
X X X X X X X X X X X X X X X X X
X X X X X X
loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers
Bembidion litorale Bembidion monticola Blethisa multipunctata Brachinus crepitans Bradycellus csikii
loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers
Calathus ambiguus Calosoma inquisitor Calosoma maderae Calosoma reticulatum Calosoma sycophanta Carabus arvensis
loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers
Carabus auratus Carabus auronitens Carabus cancellatus Carabus clathratus Carabus convexus Carabus coriaceus
loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers
Carabus glabratus Carabus granulatus Carabus intricatus Carabus irregularis Carabus monilis Carabus nemoralis
loopkevers loopkevers loopkevers
Carabus nitens Carabus nodulosus Carabus problematicus
loopkevers loopkevers loopkevers
X Carabus violaceus purpurascens X Cicindela campestris X Cicindela germanica
X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X
loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers
Cicindela hybrida Cicindela maritima Cicindela silvicola Cicindela sylvatica Harpalus flavescens
loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers
Harpalus honestus Harpalus neglectus Harpalus quadripunctatus Harpalus rupicola Lebia cruxminor Leistus piceus Oxythyrea funesta
loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers loopkevers
mieren planten
rode bosmier s.l. (kale bosmier, behaarde bosmier en zwartrugbosmier)
X X X X X X
Zabrus tenebrioides
X X X X X X
Formica rufa s.l.
X
Rosa deseglisei Boreau
X
X X X X X X
Perileptus areolatus Pogonus littoralis Pogonus luridipennis Pterostichus kugelanni Pterostichus longicollis
loopkevers
X X X X X X
planten planten planten
Aangebrande orchis Aapjesorchis alle soorten veenmossen
Neotinea ustulata (L.) R.M. Bateman, Pridgeon et M.W. Chase Orchis simia Lam. Sphagnum spp
planten planten planten
Amandelwolfsmelk Behaarde struweelroos Beklierde heggenroos
Euphorbia amygdaloides L. Rosa caesia Smith Rosa tomentella Léman
X X
planten planten planten planten
Bergnachtorchis Bijenorchis Blauwe zeedistel Bottelroos
Platanthera chlorantha (Cust.) Reichenb. Ophrys apifera Huds. Eryngium maritimum L. Rosa villosa L.
planten
Brede orchis
Dactylorhiza majalis (Reichenb.) P.F. Hunt et Summerh. X
planten
Brede wespenorchis
Epipactis helleborine (L.) Crantz X
planten planten planten
Bruinrode wespenorchis Christoffelkruid Dennenorchis
Epipactis atrorubens (Hoffmann) Besser Actaea spicata L. Goodyera repens (L.) R. Brown
planten planten
Dennenwolfsklauw Dotterbloem
Huperzia selago (L.) Bernh. ex Schrank et C.F.P. Mart. Caltha palustris L.
planten planten planten planten planten planten
Drijvende egelskop Drijvende waterweegbree Duinroos Echt duizendguldenkruid Eenbloemige zeekraal Egelantier
Sparganium angustifolium Michaux Luronium natans (L.) Rafin. Rosa spinosissima L. Centaurium erythraea Rafn Salicornia pusilla J. Woods Rosa rubiginosa L.
planten
Engels gras
Armeria maritima Willd.
planten planten
Fraai duizendguldenkruid geel schorpioenmos
Centaurium pulchellum (Sw.) Druce Drepanocladus vernicosus
planten planten
Gesteelde zoutmelde Gevlekte orchis
X Halimione pedunculata (L.) Aell. Dactylorhiza maculata (L.) Soó X
X X X X
X X X X X
X
X X
X
X X X X X X X
X
X
planten
Gewone dophei
Erica tetralix L.
X
planten
Groene nachtorchis
Coeloglossum viride (L.) Hartm.
X
planten planten planten
Groene wespenorchis Groenknolorchis Grote wolfsklauw
planten planten planten planten planten
Harlekijn Heemst Heggenroos Jeneverbes Kale struweelroos
Epipactis phyllanthes G.E. Smith X Liparis loeselii (L.) L.C.M. Rich. X Lycopodium clavatum L. X Orchis morio L.
planten
Kleinbloemige roos
Rosa micrantha Borrer ex Smith
planten planten planten planten
Kleine wolfsklauw Kleine zonnedauw Klokjesgentiaan Koningsvaren
Diphasiastrum tristachyum (Pursh) Holub Drosera intermedia Hayne Gentiana pneumonanthe L. Osmunda regalis L.
planten planten
Kortarige en langarige zeekraal Kraagroos
Salicornia europaea L. en S. procumbens Smith Rosa agrestis Savi
planten planten planten planten planten planten
Krabbenscheer Kruipend moerasscherm kussentjesmos Lamsoor Lenteklokje Mannetjesorchis
Stratiotes aloides L. Apium repens (Jacq.) Lag. Leucobryum glaucum Limonium vulgare Mill. Leucojum vernum L. Orchis mascula (L.) L.
planten planten
Moerasorchis Moeraswespenorchis
Orchis palustris Jacq. Epipactis palustris (L.) Crantz
Althaea officinalis L. Rosa corymbifera Borkh. Juniperus communis L. Rosa dumalis Bechst.
X
X
X X
X X X X X
X X X X X X X X
X
X X
X X X X X
planten planten planten planten planten
Moeraswolfsklauw Parnassia Poppenorchis Purperorchis rendiermossen
Lycopodiella inundata (L.) Holub Parnassia palustris L. Orchis anthropophora (L.) All. Orchis purpurea Huds. Cladonia spp. Subgen. Cladina
planten planten planten planten
Rimpelroos Rode dophei Ronde zonnedauw Rood peperboompje
Rosa rugosa Thunb. Erica cinerea L. Drosera rotundifolia L. Daphne mezereum L.
planten
Ruwe viltroos
Rosa pseudoscabriuscula (R. Keller) Henker et G. Schulze
X
X
planten
Schijnegelantier
Rosa columnifera (Schwertschlager) Henker et G. Schulze comb.nov.
planten planten planten planten planten planten
Schijnhondsroos Soldaatje Spekwortel Spinnenorchis Steenanjer Stekende wolfsklauw
Rosa subcanina (H. Christ) R. Keller Orchis militaris L. Tamus communis L. Ophrys sphegodes Mill. Dianthus deltoides L. Lycopodium annotinum L.
planten planten
Stengelloze sleutelbloem Stijlroos
Primula vulgaris Huds. Rosa stylosa Desv.
planten
Strandduizendguldenkruid
Centaurium littorale (D. Turn.) Gilm.
X
planten
Veelbloemige roos
Rosa multiflora Thunb. ex Murray
X
planten
Veenmosorchis
Hammarbya paludosa (L.) O. Kuntze
X X X X X X
X
X
X X X
X X X X X X X X
X
X
planten planten planten planten planten
Veenorchis Viltroos Vliegenorchis Wantsenorchis Waterdrieblad
Dactylorhiza sphagnicola (Höppner) Averyanov Rosa tomentosa Smith Ophrys insectifera L. Orchis coriophora L. Menyanthes trifoliata L.
planten
Waterlobelia
Lobelia dortmanna L.
planten planten planten
Welriekende nachtorchis witte boterbloem
Platanthera bifolia (L.) L.C.M. Rich. Ranunculus platanifolius
Witte waterlelie
Nymphaea alba L.
planten planten
Zeewinde Zomerklokje tijgerspin of wespspin
Calystegia soldanella (L.) R. Brown Leucojum aestivum L. Argiope bruennichi
X
waterspin gewone mijnspin gerande oeverspin
Argyroneta aquatica Atypus affinis Dolomedes fimibriatus
Blauwvleugelsprinkhaan Duinsabelsprinkhaan
Oedipoda caerulescens Platycleis albopunctata
X X X X
sprinkhanen en krekels sprinkhanen en krekels sprinkhanen en krekels sprinkhanen en krekels sprinkhanen en krekels sprinkhanen en krekels
Grote groene sabelsprinkhaan Heidesabelsprinkhaan Knopsprietje Moerassprinkhaan Negertje Rosse sprinkhaan
Tettigonia viridissima Metrioptera brachyptera Myrmeleotettix maculatus Stethophyma grossum Omocestus rufipes Gomphocerripus rufus
sprinkhanen en krekels sprinkhanen en krekels sprinkhanen en krekels sprinkhanen en krekels
Snortikker Veldkrekel Wekkertje Zadelsprinkhaan
Chorthippus mollis Gryllus campestris Omocestus viridulus Ephippiger ephippiger
spinnen spinnen spinnen spinnen sprinkhanen en krekels sprinkhanen en krekels
X X X X X X X X X
X X
X X
X X X X X X X X X X
sprinkhanen en krekels sprinkhanen en krekels vissen vissen vissen vissen vissen vissen vissen vissen vissen vissen vissen vissen vissen vissen vissen vissen vissen vissen vissen vissen vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders
Zoemertje Zompsprinkhaan Atlantische steur Atlantische zalm Barbeel Beekprik
Stenobothrus lineatus Chorthippus montanus Acipenser sturio Salmo salar Barbus barbus Lampetra planeri
Bermpje Bittervoorn Bot Fint Grote modderkruiper Kleine modderkruiper
Barbatula barbatula Rhodeus amarus Platichthys flesus Alosa fallax Misgurnus fossilis Cobitis taenia
Kopvoorn Rivier/beekdonderpad Riviergrondel Rivierprik Serpeling Snoek
Squalius cephalus Cottus perifretum/rhenanus Gobio gobio Lampetra fluviatilis Leuciscus leuciscus Esox lucius
Spiering Vlagzalm Zeelt Zeeprik Aardbeivlinder Argusvlinder
Osmerus eperlanus Thymallus thymallus Tinca tinca Petromyzon marinus Pyrgus malvae Lasiommata megera
Bont dikkopje Boswitje Bruin blauwtje Bruin dikkopje Bruine eikenpage Bruine vuurvlinder
Carterocephalus palaemon Leptidea sinapis Aricia agestis Erynnis tages Satyrium ilicis Lycaena tityrus
X X X X
X X
X
X
X
X
X
X
X
X X X
X X X
X X
X
X
X
X X X X
X
X
X X X X X
X
X
X
X
X X X X X X
X X X
X
X X X
X X X X
X X
vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vlinders vogels vogels vogels vogels
Dwergblauwtje Eikenpage Geelsprietdikkopje Gentiaanblauwtje Groentje Grote vos
Cupido minimus Favonius quercus Thymelicus sylvestris Phengaris alcon Callophrys rubi Nymphalis polychloros
Grote weerschijnvlinder Heideblauwtje Heivlinder Iepenpage Keizersmantel Klaverblauwtje
Apatura iris Plebejus argus Hipparchia semele Satyrium w-album Argynnis paphia Cyaniris semiargus
Kleine ijsvogelvlinder Kleine parelmoervlinder Kommavlinder pimpernelblauwtje Rouwmantel Spaanse vlag
Limenitis camilla Issoria lathonia Hesperia comma Maculinea teleius Nymphalis antiopa Callimorpha quadripunctaria
teunisbloempijlstaart Vals heideblauwtje Veldparelmoervlinder Zilverstreephooibeestje
Proserpinus proserpina Plebejus idas Melitaea cinxia Coenonympha hero
zuidelijke woldrager of bosrandspinner
Eriogaster catax
Zwartsprietdikkopje
Thymelicus lineola
Aalscholver alk Alpengierzwaluw
Phalacrocorax carbo Alca torda Apus melba
X X X
Appelvink
Coccothraustes coccothraustes
X
X X X X X X
X X
X X X X X
X X X X X X X X
X X X
X
X X
X X
X
X X X X X
vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels
Baardmannetje Barbarijse patrijs Beflijster Bergeend bergfluiter Bijeneter
Panurus biarmicus Alectoris barbara Tudus torquatus Tadorna tadorna Phylloscopus bonelli Merops apiaster
X
bladkoning Blauwborst blauwe kiekendief Blauwe Reiger Boerenzwaluw bokje
Phylloscopus inornatus Luscinia svecica Circus cyaneus Ardea cinerea Hirundo rustica Lymnocryptes minimus
X X X X X X
Bontbekplevier Bonte strandloper Bonte Vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Boomleeuwerik
Charadrius hiaticula Calidris alpina Ficedula hypoleuca Sitta europaea Certhia brachydactyla Lullula arborea
X X X X X X
Boompieper Boomvalk Bosrietzanger bosruiter Bosuil Braamsluiper
Anthus trivialis Falco subbuteo Acrocephalus palustris Tringa glareola Strix aluco Sylvia curruca
X X X X X X
Brandgans breedbekstrandloper Brilduiker bruine boszanger bruine kiekendief Buidelmees
Branta leucopsis Limicola falcinellus Bucephala clangula Phylloscopus fuscatus Circus aeruginosus Remiz pendulinus
X X X X X X
X X X X X
X
X
X
X X X X X X X
vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels
buizerd Canadese gans Cetti's Zanger Cirlgors Dodaars Dougalls Stern
Buteo buteo Branta canadensis Cettia cetti Emberiza cirlus Tachybaptus ruficollis Sterna dougallii
X X X X X X
Draaihals drieteenmeeuw drieteenstrandloper Duinpieper dwerggans dwerggors
Jynx torquilla Rissa tridactyla Calidris alba Anthus campestris Anser erythropus Emberiza pusilla
X X X X X X
Dwergmeeuw Dwergstern eidereend Ekster Europese Kanarie Fazant
Larus minutus Sterna albifrons Somateria mollissima Pica pica Serinus serinus Phasianus colchicus
X X X X X X
Fitis Fluiter frater Fuut Gaai Geelgors
Phylloscopus trochilus Phylloscopus sibilatrix Carduelis flavirostris Podiceps cristatus Garrulus glandarius Emberiza citrinella
X X X X X X
Geelpootmeeuw Gekraagde Roodstaart Gele Kwikstaart Geoorde Fuut gestreepte strandloper Gierzwaluw
Larus michahellis Phoenicurus phoenicurus Motacilla flava Podiceps nigricollis Calidris melanotos Apus apus
X X X X X X
X
X
X
X X
X
vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels
Glanskop Goudhaan Goudplevier Goudvink Grasmus Graspieper
Parus palustris Regulus regulus Pluvialis apricaria Pyrrhula pyrrhula Sylvia communis Anthus pratensis
X X X X X X
Graszanger grauwe franjepoot Grauwe Gans Grauwe Gors grauwe kiekendief Grauwe Klauwier
Cisticola juncidis Phalaropus lobatus Anser anser Emberiza calandra Circus pygargus Lanius collurio
X X X X X X
grauwe pijlstormvogel Grauwe Vliegenvanger Griel grijze gors Groene Specht Groenling
Puffinus griseus Muscicapa striata Burhinus oedicnemus Emberiza cia Picus viridis Carduelis chloris
X X X X X X
groenpootruiter Grote Bonte Specht grote burgemeester grote jager Grote Karekiet Grote kruisbek
Tringa nebularia Dendrocopos major Larus hyperboreus Catharacta skua Acrocephalus arundinaceus Loxia pytyopsittacus
X X X X X X
Grote Lijster Grote mantelmeeuw grote pieper Grote Stern grote trap grote zaagbek
Turdus viscivorus Larus marinus Anthus richardi Sterna sandvicensis Otis tarda Mergus merganser
X X X X X X
X X X X X
X
X
X
vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels
grote zee-eend Grote zilverreiger Grutto havik Heggenmus Holenduif
Melanitta fusca Egretta alba Limosa limosa Accipiter gentilis Prunella modularis Columba oenas
X X X X X X
Hop Houtduif Houtsnip Huismus Huiszwaluw ijsduiker
Upupa epops Columba palumbus Scolopax rusticola Passer domesticus Delichon urbica Gavia immer
X X X X X X
ijseend ijsgors IJsvogel Jan-van-gent kanoet Kauw
Clangula hyemalis Calcarius lapponicus Alcedo atthis Morus bassanus Calidris canutus Corvus monedula
X X X X X X
Keep Kemphaan Kerkuil Kievit Klapekster Klein waterhoen
Fringilla montifringilla Philomachus pugnax Tyto alba Vanellus vanellus Lanius excubitor Porzana parva
X X X X X X
kleine alk Kleine Barmsijs Kleine Bonte Specht kleine burgemeester kleine jager Kleine Karekiet
Alle alle Carduelis flammea Dendrocopos minor Larus glaucoides Stercorarius parasiticus Acrocephalus scirpaceus
X X X X X X
X
X X
X
X
vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels
Kleine Mantelmeeuw Kleine Plevier kleine rietgans kleine strandloper kleine trap kleine vliegenvanger
Larus fuscus Charadrius dubius Anser brachyrhynchus Calidris minuta Tetrax tetrax Ficedula parva
X X X X X X
Kleine Zilverreiger Kleinst waterhoen kleinste jager Kluut Kneu Knobbelzwaan
Egretta garzetta Porzana pusilla Stercorarius longicaudus Recurvirostra avosetta Carduelis cannabina Cygnus olor
X X X X X X
Koekoek Koereiger Kokmeeuw kolgans Koolmees koperwiek
Cuculus canorus Bubulcus ibis Larus ridibundus Anser albifrons Parus major Turdus iliacus
X X X X X X
Korhoen Kortsnavelboomkruiper kortteenleeuwerik kraanvogel krakeend Kramsvogel
Tetrao tetrix Certhia familiaris Calandrella brachydactyla Grus grus Anas strepera Turdus pilaris
X X X X X X
krombekstrandloper Krooneend Kruisbek Kuhls pijlstormvogel kuifaalscholver kuifduiker
Calidris ferruginea Netta rufina Loxia curvirostra Calonectris diomedea Phalacrocorax aristotelis Podiceps auritus
X X X X X X
X
X
X
X
X
vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels
Kuifeend Kuifleeuwerik Kuifmees Kwak Kwartel Kwartelkoning
Aythya fuligula Galerida cristata Parus cristatus Nycticorax nycticorax Coturnix coturnix Crex crex
X X X X X X
lachstern Lepelaar Matkop Meerkoet Merel Middelste Bonte Specht
Gelochelidon nilotica Platalea leucorodia Parus montanus Fulica atra Turdus merula Dendrocopos medius
X X X X X X
middelste jager middelste zaagbek moerassneeuwhoen morinelplevier Nachtegaal Nachtzwaluw
Stercorarius pomarinus Mergus serrator Lagopus lagopus s.l. Eudromias morinellus Luscinia megarhynchos Caprimulgus europaeus
X X X X X X
nonnetje noordse nachtegaal noordse pijlstormvogel Noordse stern noordse stormvogel notenkraker
Mergus albellus Luscinia luscinia Puffinus puffinus Sterna paradisaea Fulmarus glacialis Nucifraga caryocatactes
X X X X X X
Oehoe Oeverloper oeverpieper Oeverzwaluw Ooievaar Orpheusspotvogel
Bubo bubo Actitis hypoleucos Anthus petrosus Riparia riparia Ciconia ciconia Hippolais polyglotta
X X X X X X
X X
X X
X X X
X X X
vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels
Ortolaan Paapje paarse strandloper Pallas’ boszanger papegaaiduiker parelduiker
Emberiza hortulana Saxicola rubetra Calidris maritima Phylloscopus proregulus Fratercula arctica Gavia arctica
X X X X X X
Patrijs pestvogel pijlstaart Pimpelmees poelruiter poelsnip
Perdix perdix Bombycilla garrulus Anas acuta Parus caeruleus Tringa stagnatilis Gallinago media
X X X X X X
Pontische meeuw Porseleinhoen Purperreiger Putter ralreiger Ransuil
Larus cachinnans Porzana porzana Ardea purpurea Carduelis carduelis Ardeola ralloides Asio otus
X X X X X X
regenwulp reuzenstern rietgans Rietgors Rietzanger Ringmus
Numenius phaeopus Sterna caspia Anser fabalis Emberiza schoeniclus Acrocephalus schoenobaenus Passer montanus
X X X X X X
rode patrijs rode wouw Roek Roerdomp Roodborst Roodborsttapuit
Alectoris rufa Milvus milvus Corvus frugilegus Botaurus stellaris Erithacus rubecula Saxicola torquatus
X X X X X X
X X
X
X
X
vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels
Roodhalsfuut roodhalsgans roodkeelduiker roodkeelpieper Roodkopklauwier Roodmus
Podiceps grisegena Branta ruficollis Gavia stellata Anthus cervinus Lanius senator Carpodacus erythrinus
X X X X X X
roodpootvalk rosse franjepoot rosse grutto rotgans Rouwkwikstaart roze spreeuw
Falco vespertinus Phalaropus fulicarius Limosa lapponica Branta bernicla Motacilla alba yarrellii Sturnus roseus
X X X X X X
ruigpootbuizerd scharrelaar Scholekster Sijs slangenarend Slechtvalk
Buteo lagopus Coracias garrulus Haematopus ostralegus Carduelis spinus Circaetus gallicus Falco peregrinus
X X X X X X
slobeend smelleken smient sneeuwgors Snor sperwer
Anas clypeata Falco columbarius Anas penelope Plectrophenax nivalis Locustella luscinioides Accipiter nisus
X X X X X X
sperwergrasmus Spotvogel Spreeuw Sprinkhaanzanger Staartmees steenloper
Sylvia nisoria Hippolais icterina Sturnus vulgaris Locustella naevia Aegithalos caudatus Arenaria interpres
X X X X X X
X X
X
vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels
Steenuil Steltkluut steppenkiekendief Stormmeeuw stormvogeltje strandleeuwerik
Athene noctua Himantopus himantopus Circus macrourus Larus canus Hydrobates pelagicus Eremophila alpestris
X X X X X X
Strandplevier Tafeleend Tapuit Temmincks strandloper Tjiftjaf toppereend
Charadrius alexandrinus Aythya ferina Oenanthe oenanthe Calidris temminckii Phylloscopus collybita Aythya marila
X X X X X X
Torenvalk Tuinfluiter Tureluur Turkse Tortel vaal stormvogeltje vale gier
Falco tinnunculus Sylvia borin Tringa totanus Streptopelia decaocto Oceanodroma leucorhoa Gyps fulvus
X X X X X X
Veldleeuwerik velduil Vink visarend Visdief vorkstaartmeeuw
Alauda arvensis Asio flammeus Fringilla coelebs Pandion haliaetus Sterna hirundo Larus sabini
X X X X X X
Vuurgoudhaan Waterhoen waterpieper Waterral waterrietzanger Watersnip
Regulus ignicapilla Gallinula chloropus Anthus spinoletta Rallus aquaticus Acrocephalus paludicola Gallinago gallinago
X X X X X X
X X X
X
X
X
X
X
vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels vogels
Waterspreeuw wespendief Wielewaal wilde eend Wilde zwaan Winterkoning
Cinclus cynclus Pernis apivorus Oriolus oriolus Anas platyrhynchos Cygnus cygnus Troglodytes troglodytes
X X X X X X
wintertaling witbandkruisbek witgatje witoogeend Witte Kwikstaart Witvleugelstern
Anas crecca Loxia leucoptera Tringa ochropus Aythya nyroca Motacilla alba Chlidonias leucopterus
X X X X X X
Witwangstern Woudaap Wulp Zanglijster zeearend zeekoet
Chlidonias hybridus Ixobrychus minutus Numenius arquata Turdus philomelos Haliaeetus albicilla Uria aalge
X X X X X X
Zilvermeeuw zilverplevier zomertaling Zomertortel zwarte ibis Zwarte Kraai
Larus argentatus Pluvialis squatarola Anas querquedula Streptopelia turtur Plegadis falcinellus Corvus corone
X X X X X X
Zwarte Mees zwarte ooievaar Zwarte Roodstaart zwarte ruiter Zwarte Specht Zwarte Stern
Parus ater Ciconia nigra Phoenicurus ochruros Tringa erythropus Dryocopus martius Chlidonias niger
X X X X X X
X X X
X
X
X
vogels vogels vogels vogels vogels weekdieren weekdieren weekdieren weekdieren
zwarte wouw zwarte zee-eend Zwarte zwaan Zwartkop Zwartkopmeeuw platte schijfhoorn
Milvus migrans Melanitta nigra Cygnus atratus Sylvia atricapilla Larus melanocephalus Anisus vorticulus
wijngaardslak nauwe korfslak zeggenkorfslak
Helix pomatia Vertigo angustior Vertigo moulinsiana
X X X X X X
W
Myotis mystacinus
zoogdieren
baardvleermuis
Z
Myotis mystacinus
zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren
Bechsteins vleermuis
Myotis bechsteinii
boommarter bosvleermuis Brandts vleermuis bruinvis bunzing das
Martes martes Nyctalus leisleri Myotis brandtii Phocoena phocoena Mustela putorius Meles meles
X
dwergspitsmuis edelhert eikelmuis
Sorex minutus Cervus elaphus Eliomys quercinus
X
Euraziatische lynx
Lynx lynx
Euraziatische rode eekhoorn Europese bever
Sciurus vulgaris Castor fiber
Europese hamster Europese otter
zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren
X X
X
X
X
X
X
X X x X X
X
X X X
X
X
X X
X X
X
X
X
X
Cricetus cricetus Lutra lutra
X X
X
X X X
X
zoogdieren
W
Myotis nattereri
zoogdieren zoogdieren
franjestaart
Z
Myotis nattereri
zoogdieren
X X X
c
franjestaart
gewone bosspitsmuis gewone dwergvleermuis
X X
X X
baardvleermuis
zoogdieren
X
X
Sorex araneus Pipistrellus pipistrellus
X
X X
X X
X
zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren
gewone grootoorvleermuis gewone zeehond grijze grootoorvleermuis grijze zeehond grote bosmuis grote hoefijzerneus
Plecotus auritus Phoca vitulina Plecotus austriacus Halichoerus grypus Apodemus flavicollis Rhinolophus ferrumequinum
X X X X
b
zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren
hazelmuis hermelijn huisspitsmuis
Muscardinus avellanarius Mustela erminea Crocidura russula
zoogdieren
ingekorven vleermuis
W
Myotis emarginatus
zoogdieren zoogdieren
ingekorven vleermuis
Z
Myotis emarginatus
X
kleine dwergvleermuis
Pipistrellus pygmaeus
X
zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren
konijn
Oryctolagus cuniculus
laatvlieger meervleermuis mopsvleermuis ree
Eptesicus serotinus Myotis dasycneme Barbastella barbastellus Capreolus capreolus
X X X
rosse vleermuis ruige dwergvleermuis steenmarter tuimelaar tweekleurige bosspitsmuis tweekleurige vleermuis
Nyctalus noctula Pipistrellus nathusii Martes foina Tursiops truncatus Sorex coronatus Vespertilio murinus
X X
vale vleermuis veldspitsmuis vos walvisachtigen – alle soorten waterspitsmuis
Myotis myotis Crocidura leucodon Vulpes vulpes Cetacea spp Neomys fodiens
zoogdieren
watervleermuis
W
Myotis daubentonii
X
X
Lepus europaeus
zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren
X
X X
haas
zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren
X
X X X X
X X X X
X
X
X
b
X
X
X
X X
X X X X
X X X
X X X
x
X
X
X X X
X X
X
X X X
X
X
X
X X
zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren zoogdieren
watervleermuis
Z
West-Europese egel wezel wild zwijn wilde kat wolf
Myotis daubentonii Erinaceus europaeus Mustela nivalis Sus scrofa Felis silvestris Canis lupus
X X X
X X X
X X
BIJLAGE 5: AFSTANDSCRITERIUM VOOR TRANSLOCATIES Dit is bijlage 5 van Mergeay & Verbist (2021): Leidraad Translocaties voor Biodiversiteit in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2021 (13). We verwijzen hiernaar als “basisrapport”. Tabel 1. Afstandscriterium voor bijplaatsingen. Dit verwijst naar Bijlage 2 (Translocatieformulier) van het basisrapport en bepaalt binnen welke afstanden voor een lid van een bepaalde soortengroep een translocatie onder voorwaarden bepaald in het translocatieformulier een automatische ontheffing kan verkregen worden. Soortengroep Vissen Vlinders Vogels Zoogdieren: Insectivora, Rodentia (behalve Castor fiber) Zoogdieren: andere soorten Amfibieën en reptielen Vaatplanten Libellen Kevers, wantsen, sprinkhanen Spinnen Weekdieren zoöplankton Schimmels Andere soorten
Afstandscriterium (m) 10000 2000 30000 2000 15000 2000 5000 10000 5000 10000 1000 20000 100000 5000