Bijdrage van de Vlaamse administratie
Bijdrage van de Vlaamse administratie aan het regeerprogramma van de Vlaamse Regering 2014 – 2019
Bijdrage van de Vlaamse administratie
Overzicht
1. Doelstelling
Voor de zesde keer op rij biedt de Vlaamse administratie vanuit haar beleidsondersteunende rol een bijdrage aan het regeerprogramma van de aantredende Vlaamse Regering aan. De bijdrage is een werkstuk van het geheel van de Vlaamse overheidsadministratie (departementen en agentschappen) en werd op het College van Ambtenaren Generaal (CAG) van mei 2014 goedgekeurd en door de CAG-delegatie aan de formateur bij zijn of haar aantreden overhandigd. Het doel van de bijdrage is om een zo optimaal mogelijke beleidsondersteuning te bieden aan de regeringsonderhandelaars. De elementen van de bijdrage moeten in eerste orde de aandacht vestigen op de uitdagingen voor de Vlaamse Regering en zij moeten dienen als onderbouw voor potentiële beleidskeuzen die het politieke niveau maakt bij het tot stand komen van het regeerakkoord. De bijdrage aan het regeerakkoord wil vooral (middel)lange strategische keuzes aanbieden op de belangrijkste maatschappelijke uitdagingen. De bijdrage is elektronisch raadpleegbaar op http://www. vlaanderen.be/nl/publicaties.
2. Gevolgde werkwijze
De door de administratie gevolgde werkwijze bij het opstellen van deze bijdrage verschilt fundamenteel van de vorige bijdrages en moet gezien worden als een belangrijk signaal om over de beleidsdomeinen heen veel sterker samen te werken1. Er werd niet alleen aan het SG-forum en het CAG een belangrijke plaats in dit proces toegewezen, ook bij de werkzaamheden van de overkoepelende ambtelijke werkgroep en de redactieteams werd beleidsdomeinoverschrijdend samengewerkt. Het SG-forum, dat bestaat uit de secretarissen-generaal van de 13 departementen, stond in voor de inhoudelijke organisatiebrede afstemming (binnen en buiten de beleidsthema’s) en werd hierin mede ondersteund door een overkoepelende ambtelijke werkgroep waarin, onder voorzitterschap van de Stafdienst van de Vlaamse Regering (Departement DAR), alle departementen waren opgenomen (evenals de agentschappen Studiedienst van de Vlaamse Regering, Onroerend Erfgoed, Wonen Vlaanderen). Voor elk van de 9 beleidsthema’s stond een algemene coördinator (secretaris-generaal), ondersteund door een beleidsdomeinoverschrijdend redactieteam, in voor de uitwerking van het beleidsthema.
1
Bij de vorige bijdragen m.b.t. het regeerakkoord was het zo dat ieder beleidsdomein een beleidsdomeinspecifieke bijdrage opstelde en daarna dit geheel werd gebundeld en aan de formateur werd bezorgd. Voor de eigenlijke kern van deze bijdrage wordt dus afgestapt van de indeling in 13 beleidsdomeinspecifieke bijdragen.
Overzicht
Het CAG, dat bestaat uit de 13 vertegenwoordigers van de beleidsdomeinen, waakte over de globale governance van het proces m.b.t. de bijdrage en focuste zich op het functioneren van de overheidsorganisatie en het beleidsthema slagkrachtige overheid. Het CAG stond in voor de definitieve validatie van het einddocument in haar vergadering van 24 april 2014. Het samenspel tussen het SG-forum en het CAG leidde ertoe dat elk van de organen door het inzetten op hun sterktes het draagvlak voor deze nieuwe werkwijze omtrent de bijdrage kon maximaliseren en op deze manier een overheidsbreed gedragen bijdrage kon worden opgeleverd. Dit draagvlak werd mede tot stand gebracht door de organisatie van een seminarie (Leuven, 31 januari 2014) van de leidend ambtenaren van de Vlaamse administratie.
3. Structuur en beleidsdomeinoverschrijdend perspectief van de bijdrage
De bijdrage is opgevat als een drieluik met (1) een algemene omgevingsanalyse, (2) een rapport over de budgettaire toestand en (3) de voorstellen en denkpistes voor toekomstig beleid dat tevens het kloppend hart van de bijdrage vormt.
Deel 1: Een algemene omgevingsanalyse. In de algemene omgevingsanalyse wordt gekeken naar de ontwikkelingen die zich voordoen in de externe omgeving en dit op meerdere vlakken. Er wordt op zoek gegaan naar trends die zich in het recente verleden aftekenden en eveneens wordt vooruit geblikt naar de komende 10 à 20 jaar. Op basis van internationale literatuur en beschikbare toekomstverkenningen worden de demografische, de economische en innovatieve, de cultureel-maatschappelijke, de ecologische en ruimtelijke, de politiek-institutionele ontwikkelingen (DECPT-model) bestudeerd. In de uitleiding van de omgevingsanalyse worden enkele belangrijke hoofdlijnen aangereikt.
Deel 2: Een rapport over de budgettaire toestand In het rapport over de budgettaire ruimte in de legislatuur 2014-2019 wordt een meerjarenprognose opgenomen, die ook rekening houdt met de implicaties van de zesde staatshervorming.
Bijdrage van de Vlaamse administratie
Deel 3: Voorstellen en denkpistes voor toekomstig beleid
••
De Vlaamse administratie denk en handelt vanuit een beleidsdomeinoverschrijdend perspectief, gericht op samenwerking en afstemming over de beleidsdomeinen heen om verkokering tegen te gaan. De Vlaamse administratie schuift 4 beleidsbrede waarden naar voor, waar het zich bijkomend zal voor sterk maken:
Vertrouwen Openheid Wendbaarheid Daadkracht
••
De afgelopen jaren kwamen vanuit een aantal internationale organisaties (IMF, OESO) en de Europese Unie (Europese Commissie) sociaaleconomische aanbevelingen en aandachtspunten die aan België werden gericht en meestal in dezelfde richting gingen. Ook een aantal aanbevelingen en aandachtspunten van de Raad van Europa en de Verenigde Naties zijn belangrijk.
••
Aangezien de nieuwe Vlaamse Regering aantreedt voor de periode 2014-2019, staat de uitvoering van Vlaanderen in Actie/Pact 2020 centraal. De periode 2014-2019 zal immers cruciaal zijn om de noodzakelijke maatregelen te nemen en/of verder uit te voeren, zodat de doelstellingen van het Pact 2020 kunnen worden bereikt en ViA zijn rol heeft gespeeld om Vlaanderen in 2020 bij de top 5 van de Europese regio’s te brengen. De verdere uitrol van de 13 transities die door de Vlaamse Regering in 2011 werden geselecteerd, nemen hier een belangrijke plaats in.
••
Op basis van de invalshoeken vanuit internationaal, Europees en Vlaams perspectief, schuift de Vlaamse administratie voor de legislatuur 2014-2019 10 beleidsbrede prioriteiten naar voor en die een bijdrage moeten leveren aan een Vlaanderen dat voor een innovatieve, duurzame en warme samenleving gaat.
Overzicht
Vlaanderen gaat voor een innovatieve, duurzame en warme samenleving: 10 prioriteiten
1. 2. 3. 4.
5. 6. 7. 8. 9. 10.
Vlaanderen zet in op meer mensen aan de slag in langere, werkbare loopbanen en draagt op die manier bij tot een verhoogde competitiviteit. Vlaanderen evolueert naar een (levenslang) lerende samenleving met de bedoeling elk talent te ontwikkelen en ontplooiingskansen te geven en de verworven ontwikkelingen duurzaam te verankeren. Vlaanderen zet in op een efficiënt en duurzaam gebruik van hulpbronnen en ruimte, de evolutie naar een klimaatvriendelijke samenleving met een aangepast energiesysteem en een hoge kwaliteit van de leefomgeving. Vlaanderen blijft investeren in alle sectoren, van de primaire tot en met de quartaire sector en stimuleert verder de ondernemingszin. Door slimme specialisatie (als onderdeel van een nieuw industrieel beleid) zetten we in op verduurzaming en vergroening, op creativiteit en cultuur, op infrastructuur en communicatie. Zo blijft onze regio groeien en zo blijft Vlaanderen competitief. Vlaanderen dringt de armoede terug, bestrijdt sociale uitsluiting en zet in op het versterken van de maatschappelijke cohesie om te komen tot een rechtvaardigere samenleving die kansen biedt aan alle burgers zodat die op een volwaardige wijze aan het maatschappelijke leven kunnen participeren (cultuur, sport, toerisme, onderwijs,…). Vlaanderen geeft een antwoord op gezondheids- en zorgbehoeften en stimuleert een gezonde en actieve levenswijze. Vlaanderen is gericht op de wereld. Het denkt en handelt Europees. Het verdedigt actief zijn internationale belangen, en voert een beleid dat in lijn is met Europese en internationale beleidskaders. Vlaanderen zet in op een open en wendbare overheid, die daadkrachtig anticipeert op evoluties en behoeften in de samenleving. Samen met en gericht op alle belanghebbenden werkt de Vlaamse overheid aan een duurzame dienstverlening in vertrouwen en vanuit het algemeen belang. Vlaanderen zet in op digitalisering en minder regelgeving. Vlaanderen gaat voor het bewaken van gezonde en houdbare overheidsfinanciën en voor het doordacht hanteren van fiscaliteit als beleidsinstrument. Vlaanderen heeft een langetermijnperspectief en blijft daarom inzetten op duurzame systeeminnovaties (transities) in functie van de complexe maatschappelijke uitdagingen.
Bijdrage van de Vlaamse administratie
••
De 10 beleidsbrede prioriteiten worden concreet ingevuld met de selectie van negen beleidsthema’s die een antwoord moeten bieden op de belangrijkste maatschappelijke uitdagingen. De kern van de bijdrage wordt grotendeels opgebouwd op basis van de thema’s van Vlaanderen in Actie/ Pact 2020, het overkoepelend toekomstproject voor Vlaanderen. Door de bijdrage te enten op de beleidsdomeinoverschrijdende structuur van Vlaanderen in Actie/Pact 2020 wordt geopteerd voor een logische houvast die de klassieke beleidsdomeinen overstijgt en waarbinnen een meer transversale aanpak beter tot zijn recht kan komen. De Vlaamse administratie wil hiermee dan ook een duidelijk signaal geven richting een meer integrale en geïntegreerde beleidsvoering. De negen beleidsthema’s zijn:
•• •• •• •• •• •• •• •• ••
de lerende Vlaming, de werkende Vlaming, de open ondernemer, innovatiecentrum Vlaanderen, groen en dynamisch stedengewest, ruimte voor morgen, slimme mobiliteit, warme samenleving, slagkrachtige overheid.
••
De focus op de negen beleidsthema’s draagt eveneens bij tot een betere hanteerbaarheid, toegankelijkheid, leesbaarheid en bruikbaarheid van de bijdrage. Ook de beleidsthema’s zelf zijn steeds op een analoge manier opgebouwd en bevatten een themaspecifieke omgevingsanalyse waar op basis hiervan strategische beleidsvoorstellen en raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen worden uitgeschreven. De Vlaamse administratie is ervan overtuigd dat met deze beleidsvoorstellen het verschil kan worden gemaakt. De Vlaamse administratie wil haar verantwoordelijkheid nemen om, rekening houdend met deze grote uitdagingen, de nieuwe regeringsploeg te ondersteunen om de budgettaire onderbouwing volledig en sluitend te maken. Zoals hierboven werd aangegeven, werd in de verschillende beleidsvoorstellen budgettaire informatie opgenomen. Mede op basis van deze budgettaire elementen kan de Vlaamse regering de nodige politieke beleidskeuzes maken. De Vlaamse administratie is bereid om samen met de Vlaamse Regering in dialoog te gaan over de budgettaire impact van deze beleidsvoorstellen en om daarmee samenhangend met de Vlaamse Regering te evalueren welke keuzes kunnen worden gedaan.
••
Bij het opstellen van de beleidsvoorstellen werd er met een aantal transversale aandachtspunten rekening gehouden. Het impactanalysekader voor duurzame ontwikkeling (Quickscan duurzame ontwikkeling) werd als een hulpinstrument voor transversale afstemming gehanteerd en fungeert op deze manier als integraal afwegingskader voor de verschillende dimensies (economisch, sociaal, leefmilieu en institutioneel) van duurzame ontwikkeling, en voor de doelgroepen. Ook de lange termijndimensie (intergenerationeel) en de internationale dimensie (intragenerationeel) worden behandeld. Op deze manier worden dus ook de transversale thema’s armoede, gelijke kansen en duurzame ontwikkeling afgedekt. In de beleidsvoorstellen wordt ook rekening gehouden met de transities in het kader van Vlaanderen in Actie en de zesde staatshervorming. Ook de betrokkenheid van lokale overheden komen in de beleidsvoorstellen vaak aan bod.
Overzicht
••
Het is zeker niet de bedoeling om met de bijdrage volledigheid inzake beleidsmaatregelen na te streven, maar wel om met de bijdrage de lange termijn strategische doelstellingen in beeld te brengen en deze in te vullen. Deze bijdrage focust dus op de lange termijn strategische doelstellingen en het concrete invullen ervan door middel van de selectie van negen beleidsthema’s die elk een aantal beleidsvoorstellen voor de volgende legislatuur bevatten. Dit maakt dat volgens de Vlaamse administratie prioritair op deze beleidsvoorstellen moet worden ingezet om aan de belangrijkste uitdagingen het hoofd te bieden. De bijdrage wil geen opsomming maken van lopende dossiers of projecten. Ieder beleidsdomein zal hiervoor zelf het initiatief nemen om bij de start van de legislatuur een bundel te bezorgen aan de functioneel bevoegde minister (als input voor de beleidsnota). Dit valt dus buiten het bestek van de bijdrage.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
INLEIDING
INLEIDING
In het kader van haar beleidsvoorbereidende opdracht stelt de Vlaamse administratie vijfjaarlijks, in de aanloop naar een nieuwe legislatuur, voor de Vlaamse overheid een bijdrage op voor de nieuwe Vlaamse Regering. Om een frisse kijk te hebben op de uitdagingen waarop de nieuwe regering een antwoord zal moeten geven, starten we met een algemene omgevingsanalyse. Daarbij kijken we naar de ontwikkelingen die zich voordoen in de externe omgeving op verschillende vlakken. In deze algemene omgevingsanalyse gaan we op zoek naar trends die zich in het recente verleden aftekenden en blikken we vooruit naar de komende tien à twintig jaar. We bestuderen op basis van internationale literatuur en beschikbare toekomstverkenningen de demografische, de economisch-innovatieve, de cultureel-maatschappelijke, de ecologisch-ruimtelijke en de politiek-institutionele ontwikkelingen in de wereld en hier in Vlaanderen. In de algemene omgevingsanalyse benaderen we de feiten en de evoluties op macroniveau. In de specifieke omgevingsanalyses die bij de bijdragen per doorbraak gevoegd zijn, worden meer details gegeven en zijn de analyses meer toegespitst op sectorale vraagstukken. De tekst van de algemene omgevingsanalyse bestaat uit een algemene inleiding per hoofdthema en vervolgens uit een aantal thesen met belangrijke uitdagingen voor Vlaanderen. Het belang van die thesen wordt beschreven in de vaststellingen. Daarna volgen de vooruitzichten voor de thesen. In de conclusie geven we telkens de grote uitdagingen weer met de opportuniteiten en de mogelijke bedreigingen ervan voor Vlaanderen. De algemene omgevingsanalyse is voorbereid door de Studiedienst van de Vlaamse Regering. We bedanken alle domeinen van de Vlaamse administratie die intensief hebben meegewerkt aan de voorbereiding van dit document door teksten en data aan te leveren en door de bijdragen kritisch na te lezen. We bedanken ook het forum van secretarissen-generaal voor hun kritische blik op de eerste versie van de omgevingsanalyse. De aanspreekpunten binnen de Studiedienst van de Vlaamse Regering voor dit document zijn: algemeen demografische ontwikkelingen economisch-innovatieve ontwikkelingen cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen ruimtelijke en ecologische ontwikkelingen politiek-institutionele ontwikkelingen
Josée Lemaître en Luk Bral Edwin Pelfrene Thierry Vergeynst en Kim Creminger Jo Noppe Veerle Beyst, Hilde Schelfaut en Dirk Smets Karolien Weekers en Luk Bral
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Inhoudstafel 01 / DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN These 1: De vergrijzing van de bevolking zet zich door, de ontgroening stagneert. These 2: De verzilvering van de bevolking kondigt zich aan. These 3: De potentiële in- en uitstroom op de arbeidsmarkt gaat uit balans. These 4: De huishoudensverdunning zet zich door. These 5: De bevolking verkleurt en diversifieert. These 6: De magneet ‘Brussels’ werpt zijn schaduw uit.
02 / ECONOMISCH-INNOVATIEVE ONTWIKKELINGEN These 1: Onze productiviteitsgroei zal meer dan ooit gedragen worden door investeringen in O&O. These 2 De wereldhandel groeit sterk, Azië wordt de belangrijkste speler en dat opent perspectieven These 3: De instandhouding van de welvaart is een uitdaging na de economische en financiële crisis en voor de komende vergrijzingsgolf. These 4: Het tijdperk van goedkope energie en grondstoffen is voorbij. These 5: Minder aanbod aan arbeid betekent opportuniteit voor kansengroepen en meer aandacht voor een werkbare arbeidsmarkt. These 6: De industrie is nog altijd een kerncomponent van het economische weefsel. These 7: De zeehavens vormen een blijvende troef voor Vlaanderen.
6 10 16 19 23 27 32
40
45
50
56 61
65 70 75
Inhoudstafel
03 / CULTUREEL-MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGEN These 1: Individualisering heeft gevolgen voor het kunnen of moeten maken van eigen keuzes These 2: Welvaart en inkomen houden stand ondanks de crisis, maar armoede blijft realiteit voor een niet te verwaarlozen groep. These 3: Situatie van kansengroepen: alleen voor de ouderen is er beterschap in zicht
04 / RUIMTELIJKE EN ECOLOGISCHE ONTWIKKELINGEN These 1: De opwarming van het klimaat heeft gevolgen voor heel wat domeinen. These 2: Door de schaarste aan de hulpbronnen worden meer kringlopen gesloten. These 3: Van een sterk bebouwde en versnipperde ruimte gaan we op weg naar meer duurzaam ruimtegebruik.
05 / POLITIEK-INSTITUTIONELE ONTWIKKELINGEN These 1: Er vindt een verschuiving in mondiale machtsverhoudingen plaats en er is een tendens naar een sterker Europees bestuur. These 2: Noch de legitimiteit van de overheid, noch de burgerbetrokkenheid zijn verworven. We zijn op weg naar een interactief beleid. These 3: We streven naar meer bestuurskracht door professionalisering en staatshervorming.
CONCLUSIE
81 87
92 99
109 110 117
124
132
133
141 151
159
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
01 / DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN
Na een algemene schets van de bevolkingsloop in de wereld en in Vlaanderen wordt dieper ingegaan op ontwikkelingen op het gebied van de bevolkingsstructuur en -samenstelling. De ontwikkelingen in onze hoofdstad krijgen ten slotte bijzondere aandacht. These 1: These 2: These 3: These 4: These 5: These 6:
De vergrijzing van de bevolking (+65 jaar) zet zich door, de ontgroening stagneert. De verzilvering van de bevolking (+80 jaar) kondigt zich aan. De potentiële in- en uitstroom op de arbeidsmarkt (15-64 jaar) gaat uit balans. De huishoudensverdunning zet zich door. De bevolking verkleurt en diversifieert. De magneet ‘Brussels’ werpt zijn schaduw uit.
Inleiding
Projecties wijzen uit dat de wereldbevolking de kaap van de 8 miljard mensen zal overschrijden tegen 2025. Tegen 2050 verwachten de Verenigde Naties een wereldgroei tot 9 miljard mensen. De aangroei is erg ongelijk. Het grootste deel ervan vindt plaats in Azië en Afrika. Minstens 200 miljoen vrouwen willen daar gebruikmaken van veilige en effectieve gezinsplanningsmethodes, maar kunnen dat niet als gevolg van gebrekkige toegang tot informatie en diensten, door de afwijzing van de man en de gemeenschap. Het resultaat is dat tegen 2050 de OESO-landen nog amper 15% van de wereldbevolking zullen uitmaken. Demografisch wordt ook het aandeel van de EU-lidstaten in de totale wereldbevolking kleiner. De projecties van de VN geven aan dat tegen 2030 het aandeel van EU27-landen zal dalen tot 10% van de wereldbevolking. In 1970 was dat aandeel nog 18%. Het aandeel in de wereldbevolking van economische groeilanden, zoals China, India en Brazilië, wordt steeds groter. Tegelijkertijd zal internationale migratie toenemen. Tegen 2050 zal volgens de Verenigde Naties de internationale migratie verdubbelen tot 405 miljoen migranten, waarbij 100 miljoen mensen migreren van een ontwikkelingsland naar een industrieland. Belangrijke oorzaken van die migratie zijn overbevolking in bepaalde streken en onvoldoende beschikbaarheid van middelen, klimaatverandering en de gevolgen daarvan voor water en voedselproductie, conflicten met bedreiging voor de persoonlijke veiligheid, gezinshereniging, zoektocht naar werk en hoge opleiding … De bevolking van het Vlaamse Gewest groeit al geruime tijd aan (tabel 1). Daarbij is recent een groeiversnelling zichtbaar, wat vooral toegeschreven moet worden aan een versterkte immigratie vanuit het buitenland sinds het begin van de 21ste eeuw (vanaf 2001) en een verhoogde nataliteit (vanaf 2003).
01 / DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN
De bevolkingsgroei van België en het Vlaamse Gewest in de jaren tussen 2002 en 2013 (107) ligt boven het gemiddelde voor de Europese Unie als geheel (103). Van de buurlanden steekt alleen Luxemburg daarboven uit. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is van de Belgische gewesten koploper qua bevolkingsgroei, vooral ingevolge een sterke instroom vanuit het buitenland. Tussen 2002 en 2013 nam het aantal inwoners er toe met 177.000 personen of met 18%. Vier van de vijf grootste Vlaamse steden vertonen ook een bovenmatige bevolkingsgroei in de periode tussen 2002 en 2012: Antwerpen (index 112), Gent en Leuven (index 110) en Mechelen (index 108).
Tabel 1.
Bevolking en bevolkingsgroei in België en zijn gewesten, in de Europese Unie en in de buurlanden, stand op 1 januari van jaar x 2002
2012
2013
N (x1000)
N (x1000)
N X1000)
index (2002=100)
10.310
11.036
11.100
108
- Vlaams Gewest
5.973
6.351
6.382
107
- Brussels Gewest
978
1.139
1.155
118
3.359
3.546
3.563
106
484.635
503.664
500.355
103
10.310
11.095
11.162
108
- Duitsland
82.440
81.844
80.524
98
- Frankrijk
61.424
65.328
65.633
107
444
525
537
121
16.105
16.730
16.780
104
België (ADSEI)
- Waals Gewest EU (27 landen) - België (Eurostat)
- Luxemburg - Nederland *Noot:
Bron:
Eurostat hanteert een andere definitie voor de bevolking dan nationaal het geval is (conform verordening 862/2007). Voor België worden die aantallen aldus gerapporteerd vanaf 2010 voor de loop van de bevolking, en vanaf 2011 voor de stand van de bevolking (op 1 januari van jaar x). ADSEI/Eurostat; bewerking SVR
Volgens de recente bevolkingsprojecties van het Federaal Planbureau (mei 2013) zou de Belgische bevolking stijgen van 11,0 miljoen inwoners in 2012 tot 12,1 miljoen inwoners in 2030 en 12,7 miljoen inwoners in 2060. Dat is een toename van 9,5% tegen 2030 en van 15,5% tegen 2060. De neerwaartse herziening is groter in vergelijking met de vorige editie van de ‘Bevolkingsvooruitzichten’ die een totaal bevolkingscijfer van 12,3 miljoen inwoners in 2030 vooropstelde.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
De projectie bevestigt de verwachte omvang van de vergrijzing en de toekomstige uitdaging: de verhouding tussen de bevolking van 65 jaar en ouder en de bevolking op arbeidsleeftijd (van 15 tot 64 jaar) zou toenemen van 26,6% in 2012 tot 40,8% in 2030. Er zou een lichte vertraging van de bevolkingsgroei in het Vlaamse Gewest optreden in vergelijking met de andere gewesten. Het Planbureau wijst erop dat daardoor het aandeel van het Vlaamse Gewest in de totale Belgische bevolking licht zou dalen (van 57,5% in 2012 tot 57,0% in 2030) ten gunste van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (van 10,3% in 2012 tot 10,9% in 2030). Het aandeel van het Waalse Gewest blijft binnen die periode stabiel (32,1%). Het Vlaamse Gewest zou aangroeien van 6,382 miljoen inwoners in 2013 naar 6,89 miljoen in 2030.
Tabel 2.
Bevolking in België en zijn gewesten, in de Europese Unie en in de buurlanden op 1 januari 2010 en de groeivooruitzichten tot 1 januari 2020 en 1 januari 2030 2010
2020
2030
N (x 1000)
Index (2010=100)
Index (2010=100)
10.840
107
111
- Vlaams Gewest
6.252
106
110
- Brussels Gewest
1.090
115
121
- Waals Gewest
3.498
106
111
501.044
103
104
- België (Eurostat)
10.840
107
113
- Duitsland
81.743
98
95
- Frankrijk
62.583
105
109
502
114
125
16.575
104
106
België (ADSEI/FPB)
EU (27 landen)
- Luxemburg - Nederland Bron:
vaststellingen 2010: ADSEI/Eurostat; vooruitzichten 2020 en 2030: FPB/Eurostat; bewerking SVR
De bevolkingsprojecties voor de Vlaamse steden en gemeenten van de Studiedienst van de Vlaamse Regering (SVR, 2011) stellen analoog een verdere aangroei van de Vlaamse bevolking in het vooruitzicht, in een wat zwakker groeitempo. De oefening voorziet vooral voor Antwerpen in een vrij forse aangroei van de bevolking in de komende jaren in vergelijking met de andere grote centrumsteden (tabel 3).
01 / DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN
Tabel 3. Bevolking en bevolkingsgroei in de vijf grootste Vlaamse steden, stand op 1 januari 2010 en de groeivooruitzichten tot 1 januari 2020 en 1 januari 2030 2010
2020
2030
N (x1000)
index (2010=100)
index (2010=100)
Antwerpen
484
111
112
Gent
243
106
105
Brugge
117
100
98
Leuven
95
102
98
Mechelen
81
107
110
1.552
106
106
13 centrumsteden *Noot: Bron:
De dertien centrumsteden zijn: Antwerpen, Gent, Brugge, Leuven, Mechelen, Aalst, Kortrijk, Hasselt, Sint-Niklaas, Oostende, Genk, Roeselare en Turnhout. vaststellingen 2010: ADSEI; vooruitzichten 2020 en 2030: SVR; bewerking SVR
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
These 1: De vergrijzing van de bevolking zet zich door, de ontgroening stagneert.
Verdere vergrijzing van de bevolking ligt in het verschiet. Tegen 2030 verwachten we bijna een kwart 65-plussers in de Vlaamse bevolking (24%) tegenover 19% vandaag. Binnen België blijft Vlaanderen de meest vergrijsde regio, binnen Europa zit de regio op de middellijn. Het aandeel van de min 15-jarigen daarentegen stagneert (16 à 17%).
1.1 Vaststellingen
Tabel 4.
Aandeel van de bevolking van 65 jaar of ouder in België en zijn gewesten, in de Europese Unie en in de buurlanden, stand op 1 januari van jaar x, in % 1990
2002
2010
2011
2012
België (ADSEI)
14,8
16,9
17,2
17,2
17,4
- Vlaams Gewest
14,2
17,2
18,2
18,3
18,6
- Brussels Gewest
17,4
16,2
14,0
13,6
13,5
- Waals Gewest
15,1
16,8
16,4
16,4
16,7
EU (27 landen)
13,7
16,0
17,4
17,5
17,8
- België (Eurostat)
14,8
16,9
17,2
17,1
17,3
- Duitsland
14,9
17,1
20,7
20,6
20,6
- Frankrijk
:
16,0
16,6
16,7
17,1
- Luxemburg
13,4
13,9
14,0
13,9
14,0
- Nederland
12,8
13,7
15,3
15,6
16,2
: niet beschikbaar ADSEI/Eurostat; bewerking SVR Bron:
Vandaag is bijna een op de vijf personen van de bevolking in Vlaanderen 65 jaar of ouder. Dat is al flink meer dan in 1990 (14%), wat wijst op verdere vergrijzing van de bevolking (tabel 4). In volumes gerekend bedroeg het aantal 65-plussers in Vlaanderen 816.000 eenheden in 1990 (met afronding op het duizendtal) en 1.201.000 eenheden in 2012. Dat betekent een aangroei met 47% in die tijdspanne (index 147).
01 / DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN
De vergrijzing van de bevolking in Vlaanderen is bovenmatig in de zin dat het aandeel van 65-plussers in de bevolking boven het gemiddelde voor België en voor de EU ligt. Binnen de EU neemt Duitsland (20,6% in 2012) de koppositie in; hekkensluiter is Ierland (11,5%). Merk ook op dat de overige buurlanden in dit opzicht lager scoren dan België. Binnen België is het Vlaamse Gewest het meest vergrijsd in 2012 (18,8%). Begin jaren 1990 was dat nog het hoofdstedelijke gewest, maar als gevolg van de vele migraties van en naar Brussel is dat gewest vandaag de minst vergrijsde regio (13,4%). Brugge (21,9% in 2012) is sterk vergrijsd in 2012. De studentensteden Leuven (16,1%) en Gent (16,9%) maar ook Mechelen (17,1%) en Antwerpen (17,3%) scoren onder de gemiddelde waarde voor Vlaanderen als geheel (18,6%).
Tabel 5.
Aandeel van de bevolking van 0 tot 14 jaar in België en zijn gewesten, in de Europese Unie en in de buurlanden, stand op 1 januari van jaar x, in % 1990
2002
2010
2011
2012
België (ADSEI)
18,1
17,5
16,9
17,0
17,0
- Vlaams Gewest
17,9
16,8
16,1
16,2
16,2
- Brussels Gewest
17,4
18,1
18,9
19,1
19,3
- Waals Gewest
18,6
18,5
17,7
17,7
17,7
EU (27 landen)
19,5
16,8
15,6
15,6
15,6
- België (Eurostat)
18,1
17,5
16,9
17,0
17,0
- Duitsland
16,0
15,3
13,5
13,4
13,2
- Frankrijk
:
19,0
18,5
18,5
18,5
- Luxemburg
17,2
18,9
17,7
17,6
17,1
- Nederland
18,2
18,6
17,6
17,5
17,3
: niet beschikbaar Bron: ADSEI, Eurostat; bewerking SVR
Vergrijzing van de bevolking is vaak de keerzijde van haar ontgroening. Vlaanderen huisvest vandaag weinig min 15-jarigen in haar bevolking, hoewel het gemiddelde voor de EU nog iets lager ligt. De ontgroening in de regio stagneert, terwijl in het hoofdstedelijke gewest zelfs een sterkere vergroening optreedt (tabel 5). In 1990 bedroeg het aantal min 15-jarigen in Vlaanderen 1.030.000 eenheden (met afronding op het duizendtal) en 1.032.000 in 2012. Tussen 1993 en 2008 was er een continue daling van het aantal min 15-jarigen (-4% over die periode van 15 jaar), maar nadien volgde opnieuw een stijging (+3% tussen 2008 en 2012). Dat laatste reflecteert de geboortegolf van de laatste jaren (van een 60.000-tal geboorten in 2003 naar iets boven de 70.000 in 2010). Mogelijk komt daaraan nu een einde, want sinds 2011 daalde het aantal geboorten weer.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
1.2 Vooruitzichten
Tabel 6.
Aandeel van de bevolking van 65 jaar of ouder in België en zijn gewesten, in de Europese Unie en in de buurlanden, stand op 1 januari 2010 en de vooruitzichten voor 1 januari 2020 en 1 januari 2030, in % 2010
2020
2030
België (ADSEI/FPB)
17,2
19,1
22,4
- Vlaams Gewest
18,2
20,5
24,3
- Brussels Gewest
14,0
13,1
14,6
- Waals Gewest
16,4
18,7
21,8
EU (27 landen)
17,4
20,2
23,6
- België (Eurostat)
17,2
19,2
22,3
- Duitsland
20,6
23,0
28,1
- Frankrijk
16,6
20,2
23,2
- Luxemburg
14,0
15,7
19,3
- Nederland
15,3
19,7
24,1
Bron:
vaststellingen 2010: ADSEI/Eurostat; vooruitzichten 2020 en 2030: FPB/Eurostat; bewerking SVR
Een verdere vergrijzing van de Vlaamse bevolking ligt in het verschiet. Tegen 2030 zal een op de vier Vlamingen 65-plusser zijn. Binnen België blijft de Vlaamse regio naar verwachting koploper. Binnen Europa plaatst Vlaanderen zich mooi op de middellijn, terwijl Nederland en (veel meer nog) Duitsland daar op termijn boven uitgaan (tabel 6). In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zou tegen 2030 maar 14,6% van de bevolking 65 jaar of ouder zijn (bevolking van vreemde nationaliteit veroudert ook). Het aantal 65-plussers (met afronding op het duizendtal) in Vlaanderen zou evolueren van 1.135.000 in 2010 over 1.365.000 in 2020 naar 1.671.000 in 2030. Tussen 2010 en 2020 vertegenwoordigt dat een stijging met 20% (index 120) en in de daaropvolgende tien jaar nog eens met 22% (index 122). De ouderen-afhankelijkheidsratio drukt de verhouding uit van 65-plussers ten aanzien van de bevolking op arbeidsleeftijd (15-64 jaar volgens ILO-definitie). Hoe hoger de waarde, hoe meer ‘draaglast’ (van ouderen) in verhouding tot de ‘draagkracht’ (van de potentiële beroepsbevolking), bekeken vanuit een louter economisch utilitair oogpunt. In 2010 vinden we voor Vlaanderen een waarde gelijk aan 0,28 (28 personen op de leeftijd van 65 of ouder staan tegenover 100 personen op arbeidsleeftijd). Vlaanderen staat daarmee vóór Wallonië (0,25) en Brussel (0,21) en dicht bij het Europese gemiddelde (0,26). Naar verwachting blijft Vlaanderen in dit opzicht koploper onder de Belgische gewesten. Tegen 2030 zou de ratio oplopen tot 0,41, boven de waarde voor Wallonië (0,36) en Brussel (0,22) en opnieuw licht boven het Europese gemiddelde (0,38).
01 / DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN
Tabel 7.
Aandeel van de bevolking van 65 jaar of ouder in de vijf grootste Vlaamse steden, stand op 1 januari 2010 en de vooruitzichten voor 1 januari 2020 en 1 januari 2030 2010
2020
2030
Antwerpen
18,0
16,6
18,2
Gent
17,0
16,6
18,8
Brugge
21,1
24,2
28,4
Leuven
16,2
17,6
21,2
Mechelen
17,3
17,6
19,9
13 centrumsteden
18,5
19,1
21,8
Bron:
vaststellingen 2010: ADSEI; vooruitzichten 2020 en 2030: SVR; bewerking SVR
Als we kijken naar de grote Vlaamse steden, dan zijn er vandaag vier met een lager aandeel ouderen in hun bevolking dan het aandeel voor het Vlaamse Gewest als geheel. Naar verwachting blijft dat ook zo in de toekomst, vooral in Antwerpen, Gent en Mechelen. Brugge steekt daar wel flink boven uit, met meer dan een kwart 65-plussers in zijn bevolking tegen 2030 (samen met Oostende, Hasselt, Kortrijk, Turnhout en Roeselare in de groep van dertien centrumsteden). Globaal vertoont West-Vlaanderen het meest verouderde bevolkingsprofiel (aandeel 65-plussers in 2010 gelijk aan 20,5%), wat wordt verklaard door het geringe aandeel vreemdelingen in zijn bevolking (2,8% tegenover 6,4% voor het Vlaamse Gewest in 2010). Vooral in de kustgemeenten wordt een bovenmatige vergrijzing verwacht wegens de inwijking van talrijke jong-gepensioneerden (De Klerck, 2011). In Koksijde bijvoorbeeld zou het aandeel 65-plussers tegen 2030 naar verwachting uitstijgen boven vier op de tien.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Tabel 8. Aandeel van de bevolking van 0 tot 14 jaar in België en zijn gewesten, in de Europese Unie en in de buurlanden, stand op 1 januari 2010 en de vooruitzichten voor 1 januari 2020 en 1 januari 2030, in % 2010
2020
2030
België (ADSEI/FPB)
16,9
17,3
16,9
- Vlaams Gewest
16,1
16,6
16,2
- Brussels Gewest
18,9
20,1
19,7
- Waals Gewest
17,7
17,6
17,2
EU (27 landen)
15,6
15,5
14,7
- België (Eurostat)
16,9
17,3
16,9
- Duitsland
13,5
12,6
12,5
- Frankrijk
18,5
18,1
17,3
- Luxemburg
17,7
16,7
16,2
- Nederland
17,6
16,2
16,1
Bron:
vaststellingen 2010: ADSEI/Eurostat; vooruitzichten 2020 en 2030: FPB/Eurostat; bewerking SVR
Tabel 8 geeft informatie over de vooruitzichten met betrekking tot de min 15-jarigen. Hun aandeel in de Vlaamse bevolking zal naar verwachting stagneren (van 16,1 naar 16,2%), met een piek rond 2020. Binnen België is dat aandeel ondermaats maar niet in vergelijking met het Europese gemiddelde. In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zal het aandeel 0-14-jarigen in de bevolking toenemen van 18,9% in 2010 naar 20,1% in 2020 en opnieuw dalen tot 19,7% in 2030. De verwachte toename van het aantal 0-14-jarigen tussen 2010 en 2020 bedraagt voor het Vlaamse Gewest welgeteld 125.600 eenheden, wat een procentuele aangroei met 12% inhoudt (index 112).
01 / DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN
Tabel 9.
Aandeel van de bevolking van 0 tot 14 jaar in de vijf grootste Vlaamse steden, stand op 1 januari 2010 en de vooruitzichten voor 1 januari 2020 en 1 januari 2030 2010
2020
2030
Antwerpen
17,8
20,3
19,3
Gent
16,0
18,0
17,2
Brugge
14,4
14,1
13,3
Leuven
14,7
15,8
14,4
Mechelen
17,9
19,8
19,1
13 centrumsteden
16,2
17,6
16,7
Bron:
vaststellingen 2010: ADSEI; vooruitzichten 2020 en 2030: SVR; bewerking SVR
Er wordt verwacht dat binnen Vlaanderen de leeftijdsgroep van de min 15-jarigen in de komende jaren sterker vertegenwoordigd zal zijn in de centrumsteden, vooral in Antwerpen, Gent en Mechelen (tabel 9). Naast het toenemende aantal hoogbejaarden en hun toenemende zorgbehoeften zijn er sociaalculturele gevolgen van de vergrijzing omdat de nieuwe generatie ouderen andere normen en waarden heeft dan de huidige generatie (these 3 - maatschappelijke ontwikkelingen). De nieuwe generatie ouderen wordt ook een interessante economische doelgroep: zelfbewuste consumenten met behoorlijke financiële mogelijkheden. De nieuwe generatie ouderen wordt daarnaast een interessante politieke doelgroep. Ze zullen als mondige burgers meer inspraak opeisen en meer doorwegen in de politieke besluitvorming. Het zal zoeken worden naar een evenwicht met de politieke vragen van de jongere generaties (zie politieke ontwikkelingen – these 2). Tegenover de toenemende zorgvraag staat dat ouderen langer actief zullen blijven en zelf een rol zullen vervullen in zorgverlening (mantelzorg) en op andere sociale vlakken (bijvoorbeeld in het verenigingsleven). Dat botst wel enigszins met de vraag naar het langer economisch actief blijven van jongere ouderen (zie maatschappelijke ontwikkelingen - these 2 en 3).
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
These 2: De verzilvering van de bevolking kondigt zich aan.
In Vlaanderen is het aandeel 80-plussers in de bevolking fors gestegen. Voor de komende jaren wordt voorzien dat het aandeel ‘oudste ouderen’ in de bevolking eerst lichtjes toeneemt om vanaf 2030 sterk aan te groeien. Ook hierin volgt de regio het gemiddelde Europese groeipad. De levensverwachting stijgt niet alleen, er is ook lichte winst in jaren zonder lichamelijke beperkingen.
2.1 Vaststellingen
Tabel 10. Aandeel van de bevolking van 80 jaar of ouder in België en zijn gewesten, in de Europese Unie en in de buurlanden, stand op 1 januari van jaar x, in % 1990
2002
2010
2011
2012
België
3,5
3,8
4,9
5,0
5,2
- Vlaams Gewest (ADSEI)
3,3
3,7
5,0
5,2
5,3
- Brussels Gewest
4,6
4,5
4,6
4,5
4,5
- Waals Gewest
3,4
3,8
4,9
5,0
5,1
EU (27 landen)
:
3,6
4,7
4,8
4,9
- België (Eurostat)
3,5
3,8
4,9
5,0
5,2
- Duitsland
3,7
3,9
5,1
5,3
5,4
- Frankrijk
:
4,0
5,2
5,4
5,5
- Luxemburg
3,1
3,0
3,6
3,7
3,9
- Nederland
2,9
3,3
3,9
4,0
4,1
: niet beschikbaar ADSEI/Eurostat; bewerking SVR Bron:
Vandaag is nagenoeg een op de twintig in de Vlaamse bevolking 80 jaar of ouder. De toename van de proportie ‘oudste ouderen’, onder wie de 80-plussers, wordt wel eens ‘de verzilvering’ van de bevolking genoemd. In Vlaanderen en in Wallonië is het aandeel 80-plussers in de bevolking fors gestegen. In het hoofdstedelijke gewest was het aandeel altijd al vrij hoog (tabel 10) en steeg het verder. In Vlaanderen evolueert het van 190.000 eenheden (afgerond op het duizendtal) in 1990 naar 351.000 in 2012 (index 185).
01 / DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN
Vlaanderen (en ook België) bevinden zich vandaag boven de waarde voor de Europese Unie als geheel. Nederland en Luxemburg blijven eronder. Begin 2012 werd in Vlaanderen voor het eerst de kaap van duizend honderdjarigen gehaald (welgeteld 1018). Vooral vrouwen leven lang. In Vlaanderen bijvoorbeeld zijn er naar verhouding heel wat meer 80-plussers onder de vrouwelijke (6,7% in 2012) dan onder de mannelijke bevolking (3,9%). Bij de honderdjarigen staan 6 vrouwen tegenover 1 man. We kunnen gerust stellen dat de aanhoudende stijging van de levensverwachting de belangrijkste motor van veroudering van de bevolking is geworden. In 2000 bedroeg de levensverwachting bij geboorte in Vlaanderen volgens de berekeningen van ADSEI 78,5 jaar, in 2011 is dat 81,2 jaar. Omgerekend geeft dat gemiddeld per jaar een seizoen erbij. Het jaarlijkse stijgingstempo vertraagt wel enigszins.
Tabel 11. Levensverwachting bij geboorte voor België en zijn gewesten, in 2000 en in 2011, in jaren 2000
2011
mannen
vrouwen
mannen
vrouwen
België
74,6
80,9
77,8
82,9
- Vlaams Gewest
75,5
81,4
78,7
83,6
- Brussels Gewest
74,6
80,9
78,3
82,5
- Waals Gewest
72,9
80,0
75,8
81,6
Bron:
ADSEI; bewerking SVR
De levensverwachting bij geboorte vertoont een genderverschil, maar dat verkleint. Pasgeboren meisjes in Vlaanderen konden in 2000 verwachten hun mannelijke leeftijdsgenoten met 5,9 jaar te overleven, terwijl dat in 2011 nog 4,9 jaar is (tabel 11). Op basis van de Gezondheidsenquête van het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV) van de federale overheid kon berekend worden dat mannen en vrouwen op diverse leeftijden tussen 15 en 85 jaar nagenoeg dezelfde levensverwachting zonder lichamelijke beperkingen hebben. Vrouwen leven langer dan mannen, maar vooral tijdens de extra levensjaren zijn ze in minder goede gezondheid (WIV, 2012). Vergelijking met de resultaten voor 2001 leert dat er bij mannen in 2008 winst geboekt werd in de gezonde jaren (+0,7 jaar), met een zeer lichte terugdringing van de jaren met lichamelijke beperkingen (-0,1 jaar). Bij vrouwen is er evenzo exclusief winst voor de gezonde levensjaren (+0,9 jaar) en terugdringing van de jaren met lichamelijke beperkingen (-0,4 jaar). Aan de hand van de registratie van zorgforfaits (een toelage naargelang de graad van zorgbehoevendheid), verstrekt door de ziekenfondsen, kan het aantal bewoners in woonzorgcentra verfijnder ingeschat worden. Volgens het Intermutualistisch Agentschap (IMA) woonde in 2010 1% van de Vlaamse bevolking in een woonzorgcentrum. De meesten (9 op de 10) zijn ouder dan 75 jaar. De evolutie van het ‘aantal’ bewoners in een woonzorgcentrum over de laatste 10 jaar toont aan dat er inderdaad maar een geringe toename is:
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
van 60.300 in 2001 naar 65.500 in 2010. Het ‘aandeel’ bewoners van de residentiële ouderenzorg is gestaag afgenomen, op alle leeftijden (vooral van personen met een lichte zorgafhankelijkheid). Een toename van de forfaits voor de thuisverpleging ging daarmee gepaard.
2.2 Vooruitzichten
Tabel 12. Aandeel van de bevolking van 80 jaar of ouder in België en zijn gewesten, in de Europese Unie en in de buurlanden, stand op 1 januari 2010 en de vooruitzichten voor 1 januari 2020 en 1 januari 2030, in % 2010
2020
2030
België (ADSEI/FPB)
4,9
5,6
6,5
- Vlaams Gewest
5,0
6,2
7,2
- Brussels Gewest
4,6
3,9
4,2
- Waals Gewest
4,9
5,2
6,1
EU (27 landen)
4,7
5,8
7,0
- België (Eurostat)
4,9
5,6
6,4
- Duitsland
5,1
7,2
8,1
- Frankrijk
5,2
6,0
7,3
- Luxemburg
3,6
4,3
5,0
- Nederland
3,9
4,8
7,0
Bron:
vaststellingen 2010: ADSEI/Eurostat; vooruitzichten 2020 en 2030: FPB/Eurostat; bewerking SVR
Voor de komende jaren voorzien we dat het procentuele aandeel ‘oudste ouderen’ in de Vlaamse bevolking eerst lichtjes zal toenemen en vanaf 2030 sterker zal toenemen. Tegen 2030 zou het aandeel 80-plussers 7,2% bedragen (tabel 12). Ook in absolute aantallen gaat het om forse stijgingen. Tussen 2010 en 2030 moeten we rekenen met een factor 1,33 voor het aantal 80-plussers (ruim een derde meer). De Vlaamse regio volgt daarmee het groeipad voor de Europese Unie als geheel. Dat geldt analoog voor Frankrijk. Merk op dat vooral voor Duitsland een forse aangroei van het aandeel ‘oudste ouderen’ wordt voorzien, als een late echo van het zeer lage vruchtbaarheidspeil (lowest low fertility) dat onze oosterburen al geruime tijd kenmerkt. Tal van 80-plussers wonen collectief (15% in 2008) of alleen (40%). Als dus een toename van het aantal 80-plussers wordt voorspeld, heeft dat ook een stijging van het aantal alleenwonenden of bewoners van ouderenvoorzieningen tot gevolg. Volgens de SVR-projecties van de bevolking en de huishoudens voor Vlaamse steden en gemeenten (SVR, 2011) zal – onder hypothese van een gelijkblijvend aantal personen in collectieve huishoudens per leeftijds- en geslachtsgroep – in de periode tussen 2008 en 2018 het aantal alleenwonende 80-plussers in het Vlaamse Gewest toenemen met 50.000 eenheden, waaronder merendeels vrouwen (4 op de 5) (Willems en Lodewijckx, 2011).
01 / DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN
Volgens de recente bevolkingsprojecties van het Planbureau (mei 2013) zou de levensverwachting (bij geboorte) voor mannen en vrouwen verder naar elkaar toe blijven groeien: de levensverwachting voor de mannen zou toenemen van 78,2 jaar in 2011 tot 83,3 jaar in 2030 (+5,1 jaar); voor de vrouwen van 83,4 jaar in 2011 tot 86,9 jaar in 2030 (+3,6 jaar). De levensverwachting bij 65-plussers zou in 2030 21,4 jaar bedragen voor mannen en 24,1 jaar voor vrouwen. Dit is respectievelijk 2,9 en 2 jaar meer dan in 2011.
These 3: De potentiële in- en uitstroom op de arbeidsmarkt gaat uit balans. Al sinds 2007 is de groep van de 15-24-jarigen als leeftijdsgroep in het Vlaamse Gewest minder omvangrijk dan de 55-64-jarigen. Dat onevenwicht tussen beide leeftijdsgroepen, de potentiële in- en uitstroom op de arbeidsmarkt, gaat de komende jaren naar verwachting nog verder uit balans. Pas na 2025 verwachten we een kentering. Binnen België treft die ontwikkeling de Vlaamse regio buitenmatig, binnen Europa is de regio een middenmoter.
3.1 Vaststellingen
Figuur 1 toont de evolutie van het aantal 15-24-jarigen en het aantal 55-64-jarigen in Vlaanderen. De jongste leeftijdsgroep staat aan het begin van een loopbaan op de arbeidsmarkt, de oudste aan het afsluiten ervan. In 1990 was de jongste leeftijdsgroep nog duidelijk in de meerderheid, maar die is in de jaren 1990 flink in aantal afgenomen. Daartegenover staat de opmerkelijke stijging – goed zichtbaar vanaf de eeuwwisseling – van de leeftijdsgroep van de 55-64-jarigen. Resultaat is dat die oudste leeftijdsgroep vanaf 2007 in toenemende mate de jongste overtreft.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Figuur 1. Evolutie van het aantal 15-24-jarigen en het aantal 55-64-jarigen, Vlaams Gewest, 1990-2012
900,000 15-24 jaar 55-64 jaar 800,000
700,000
600,000 1990
1995
2000
2005
2010
Bron: ADSEI
De doorstromingsratio geeft de verhouding weer tussen de leeftijdsgroep van de 15-24-jarigen en de 55-64-jarigen. Die ratio is gelijk aan 1 als beide leeftijdsgroepen een gelijke omvang hebben (evenwicht), groter dan 1 als de jongeren in aantal overwegen en kleiner dan 1 als de ouderen in aantal overwegen. Het spreekt voor zich dat daarbij alleen de demografische aspecten in beeld komen, los van de reële participatie in de arbeidsmarkt. In Vlaanderen gaat de ratio al geruime tijd bergaf (zie ook these 5 – economie). In 2007 waren beide leeftijdsgroepen min of meer aan elkaar gelijk qua omvang (plusminus 725.000 eenheden), maar nadien zakt de ratio onder de evenwichtswaarde met de jongste leeftijdsgroep alsmaar meer in de minderheid. Dat is niet zo voor Wallonië en zeker niet voor Brussel, met zijn overwicht aan jongeren: tegen 100 oudere werknemers staan 126 jongeren klaar om in te stromen (tabel 13).
01 / DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN
Tabel 13. Doorstromingsratio van de bevolking op arbeidsleeftijd, berekend als verhouding van de 15-24-jarigen tot de 55-64-jarigen in de bevolking, in België en zijn gewesten, in de Europese Unie en in de buurlanden, stand op 1 januari van jaar x 1990
2002
2010
2011
2012
België (ADSEI)
1,23
1,16
0,99
0,98
0,97
- Vlaams Gewest
1,24
1,09
0,94
0,93
0,93
- Brussels Gewest
1,18
1,32
1,26
1,26
1,26
- Waals Gewest
1,23
1,24
1,01
0,99
0,99
EU (27 landen)
1,39
1,20
0,99
0,96
:
- België (Eurostat)
1,23
1,16
0,99
0,99
:
- Duitsland
1,26
0,91
0,95
0,90
0,87
- Frankrijk
:
1,36
1,00
0,97
0,97
- Luxemburg
1,18
1,17
1,09
1,08
1,10
- Nederland
1,70
1,11
0,94
0,93
0,94
: niet beschikbaar Bron: ADSEI, Eurostat; bewerking SVR
Binnen de EU zit de Vlaamse regio (waarde 0,93 voor 2011) in de middengroep voor deze indicator, met als uitersten Italië (0,80) en Cyprus (1,44). Nederland (0,93) scoort gelijk aan Vlaanderen. In Duitsland (0,90) is het demografische onevenwicht tussen beide leeftijdsgroepen nog sterker. Binnen Vlaanderen valt vooral de lage doorstromingsratio in de kustarrondissementen Veurne (0,64), Oostende (0,74) en Brugge (0,81) op. Dat heeft uiteraard te maken met de sterke aanwezigheid van jonggepensioneerden die aan de kust verblijven. Verder volgen de arrondissementen Tongeren (0,83), Aalst (0,85) en Hasselt (0,87).
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
3.2 Vooruitzichten
Tot 2025 zal de demografische spanning op de Vlaamse arbeidsmarkt flink toenemen (doorstromingsratio net onder 0,80) als gevolg van de forse aangroei (tot 2023) van het aantal 55-64-jarigen en de gelijktijdige terugloop (tot 2019) van het aantal 15-24-jarigen. Volgens de prognose zwakt dat onevenwicht nadien weer af en komen beide leeftijdsgroepen tegen 2035 opnieuw in balans (tabel 14).
Tabel 14. Doorstromingsratio van de bevolking op arbeidsleeftijd, berekend als verhouding van de 15-24-jarigen tot de 55-64-jarigen in de bevolking, in België en zijn gewesten, in de Europese Unie en in de buurlanden, stand op 1 januari 2010 en de vooruitzichten voor 1 januari 2020 en 1 januari 2030 2010
2020
2030
België (ADSEI/FPB)
0,99
0,85
0,94
- Vlaams Gewest
0,94
0,78
0,89
- Brussels Gewest
1,26
1,18
1,19
- Waals Gewest
1,01
0,91
0,96
EU (27 landen)
1,00
0,79
0,80
- België (Eurostat)
0,99
0,84
0,94
- Duitsland
0,95
0,63
0,63
- Frankrijk
1,00
0,95
0,96
- Luxemburg
1,09
0,90
0,83
- Nederland
0,94
0,87
0,82
Bron:
vaststellingen 2010: ADSEI/Eurostat; vooruitzichten 2020 en 2030: FPB/Eurostat; bewerking SVR
Binnen België treft dit onevenwicht Vlaanderen veel sterker dan Wallonië. In Brussel is er helemaal geen sprake van. Waar in Vlaanderen en Wallonië de ontgroening stagneert (het aandeel van 0-14-jarigen in de bevolking blijft hangen op respectievelijk 16% en 17,5%), is er net een opvallende vergroening in de hoofdstad (nu met een aandeel van 0-14-jarigen boven de 19%). Binnen Europa zit Vlaanderen in de eerstkomende jaren (tot 2025) voor de doorstromingsratio zowat op de Europese lijn. Nadien gaat het Vlaamse Gewest tegen de algemene Europese trend in, met een gunstiger (bruto)vervangingswaarde. Voor Duitsland, met zijn lage vruchtbaarheidscijfers, zijn de vooruitzichten veel somberder en worden extreem lage waarden voor de doorstromingsratio (0,63 in 2020 én in 2030) voorspeld. Uitgaande van de federale bevolkingsvooruitzichten worden voor het projectiejaar 2020 voor de kustarrondissementen Veurne, Oostende en Brugge bijzonder lage scores aangekondigd, terwijl voor de centraal gelegen arrondissementen Gent, Antwerpen en Halle-Vilvoorde de hoogste waarden worden
01 / DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN
opgetekend. Het contrast met de doorstromingsratio voor het arrondissement Brussel blijft groot en wijst op een opvallende arbeidsreserve (in kwantitatieve termen) in de hoofdstad. De dalende potentiële instroom op de arbeidsmarkt tegenover de groeiende potentiële uitstroom in Vlaanderen betekent echter niet automatisch dat de bevolking op arbeidsleeftijd (tussen 15 en 64 jaar volgens de ILO-definitie) in aantal zou dalen. In Vlaanderen steeg de bevolking op arbeidsleeftijd desondanks vrijwel continu: van 3.894.000 eenheden (afgerond op het duizendtal) in 1990 naar 4.144.000 eenheden in 2012 (index 106). Het Federaal Planbureau voorziet trouwens een verdere toename tot 2020 (4.111.000 eenheden), vervolgens een lichte daling tot 2030 (4.044.000 eenheden) en dan opnieuw een lichte toename (FPB, 2013). De verwachte toename van de bevolking op arbeidsleeftijd kan echter de toename van de totale bevolking geenszins bijbenen (index 2020/2010 = 102 voor de bevolking op arbeidsleeftijd versus 107 voor de totale bevolking). In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest evolueerde de bevolking op arbeidsleeftijd van 628.000 eenheden in 1990 naar 765.000 eenheden in 2012 (index 122). Hier voorziet het FPB nog een aanzienlijke stijging van de aantallen, tot bijna 863.00 eenheden tegen 2030, met nadien een afvlakking van de toename. In het hoofdstuk over economische ontwikkelingen (these 5) wordt op deze demografische gegevens voortgebouwd om vraag en aanbod op de arbeidsmarkt te analyseren. Ten slotte merken we op dat de bevolking op arbeidsleeftijd in haar geheel veroudert. Daarvoor beschouwen we ruwweg de verhouding tussen de 40-64-jarigen en de 15-39-jarigen, twee leeftijdsgroepen van gelijke spanwijdte (hier 25 leeftijdsjaren). Voor Vlaanderen is de ratio van ‘oud’ over ‘jong’ anno 2012 gelijk aan 1,15 tegenover 0,80 voor 1990 of 0,98 voor 2002. Volgens de jongste federale bevolkingsvooruitzichten zal de waarde tot 2020 op dat niveau blijven hangen om nadien geleidelijk af te zwakken tot de evenwichtswaarde (rond 2045).
These 4: De huishoudensverdunning zet zich door.
Er wordt vooral een toename van 1-persoons- en 2-persoonshuishoudens verwacht. Dat betekent veel meer alleenstaanden in de Vlaamse bevolking, niet het minst op oudere leeftijden. De meeste kinderen leven samen met een (ouder)paar (83% in 2008), maar opgroeien bij een alleenstaande ouder is niet meer uitzonderlijk (14%). De verwachting is dat eenoudergezinnen of nieuw samengestelde gezinnen in aantal zullen toenemen.
4.1 Vaststellingen
Onder een huishouden verstaat ADSEI alle personen die gewoonlijk dezelfde woning betrekken (hetzelfde adres) en er samenleven. Het bestaat ofwel uit een persoon die gewoonlijk alleen leeft, ofwel uit twee of meer personen die al dan niet door verwantschap met elkaar verbonden zijn. Twee soorten huishoudens worden onderscheiden: de private en de collectieve huishoudens (voornamelijk de woonzorgcentra). In
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
2011, het meest recente jaar met informatie over de huishoudens, telde het Vlaamse Gewest (afgerond op het duizendtal) 2.652.000 private huishoudens met ruim 6.238.000 leden. Omgerekend geeft dat gemiddeld 2,35 leden per huishouden.
Tabel 15. Gemiddelde grootte van de private huishoudens en het procentuele aandeel van alleenwonenden in de totale bevolking, in België en zijn gewesten, in de vijf grootste Vlaamse steden en in de dertien centrumsteden samengenomen, stand op 1 januari van jaar x gemiddelde huishoudgrootte
% wonend in een 1-persoonshuishouden
2000
2009
2011
2009
2011
België
2,39
2,31
2,30
14,4
14,3
- Vlaams Gewest
2,45
2,36
2,35
12,5
12,7
- Brussels Gewest
2,03
2,07
2,09
23,4
22,9
- Waals Gewest
2,39
2,30
2,29
15,0
15,1
Antwerpen
2,04
2,10
:
21,2
:
Gent
2,10
2,06
:
21,0
:
Brugge
2,31
2,21
:
15,2
:
Leuven
2,05
1,98
:
24,0
:
Mechelen
2,33
2,31
:
15,1
:
13 centrumsteden
2,19
2,15
:
18,4
:
: niet beschikbaar ADSEI; bewerking SVR Bron:
Al geruime tijd stellen we een verdunning van de private huishoudens vast en daarmee verbonden, een stijgend aandeel alleenwonenden in de bevolking. Vooral in de grotere steden treffen we vandaag heel wat kleine huishoudens en alleenwonenden aan (tabel 15). Merk wel op dat in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en in Antwerpen de evolutie tegendraads is. De gemiddelde huishoudgrootte is er in de afgelopen jaren lichtjes gestegen, wat samenhangt met de toenemende aanwezigheid van personen van vreemde herkomst (Lodewijckx, 2013). Dat er steeds meer alleenstaanden zijn, heeft te maken met de vergrijzing van de bevolking. Bij vrouwen is dat grotendeels het gevolg van verweduwing, maar recent is er ook een toegenomen echtscheidingskans op hogere leeftijden (Willems en Lodewijckx, 2011; Corijn, 2011). Bij mannen is er een piek van 1-persoonshuishoudens op de leeftijd tussen 30 en 44 jaar. Het hogere aandeel alleenwonende mannen op middelbare leeftijd kan deels verklaard worden doordat in geval van een (echt)scheiding de kinderen frequenter bij de moeder blijven, terwijl de vader meestal (tijdelijk) alleen woont (Mortelmans e.a., 2011).
01 / DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN
Er wordt vandaag minder getrouwd dan voorheen. Op de leeftijd van 35 jaar was 91% van de vrouwen, geboren in de jaren 1950, getrouwd tegenover 67% van de vrouwen, geboren in de jaren 1970. Die daling kan zowel door uitstel van het huwelijk op jonge leeftijd als door definitief afhaken op oudere leeftijd verklaard worden (Corijn, 2012). Een alternatief is samenwonen. Dat is sinds 1998 ook wettelijk geregeld (Mortelmans e.a., 2011). Voor het jaar 2010 telt ADSEI in het Vlaamse Gewest meer dan 42.000 personen die dat jaar betrokken waren bij een verklaring van wettelijke samenwoning (onder wie meer dan 1300 van hetzelfde geslacht). Niettemin wordt ook een flinke stijging van tweede en volgende huwelijken vastgesteld (Corijn, 2012). De houding tegenover die veranderende samenlevingsvormen wijzigt ook (these 1 - maatschappelijke ontwikkelingen). Echtscheiding komt vandaag vrij veel voor. In 2010 waren er 5,5 keer meer echtscheidingen dan in 1970. De kans op echtscheiding binnen 15 jaar van een eerste huwelijk bedraagt 1 op de 4 voor vrouwen die getrouwd zijn in de jaren 1990, tegenover 1 op de 8 voor vrouwen die getrouwd zijn in de jaren 1970. Bovendien gaat het bij echtscheidingen in toenemende mate om personen die voor de tweede of derde keer uit de echt scheiden (23% van alle echtscheidingen in 2010) (Corijn, 2012). Ontbindingen van het samenleven van koppels komt minder goed in beeld op basis van de statistieken, maar louter afgaand op de officiële registratie van personen die betrokken zijn bij een stopzetting van wettelijke samenwoning, gaat ook dat aantal in stijgende lijn (iets meer dan 15.000 in het Vlaamse Gewest in 2010 volgens ADSEI). Een en ander leidt ertoe dat de kinderen in meer diverse gezinsvormen opgroeien. Het traditionele gezin – een getrouwd paar met een of meer kinderen – ruimt steeds meer plaats voor andere gezinsvormen, zoals eenoudergezinnen, gezinnen waarvan de ouders ongetrouwd samenwonen, stiefgezinnen, nieuw samengestelde gezinnen of gezinnen met ouders dan wel voogden van hetzelfde geslacht. In 1990 groeide 8% van de Vlaamse kinderen op in eenoudergezinnen, in 2008 was dit al 14%. Het betreft vooral een alleenstaande moeder (een toename van 7% naar 12%) en minder een alleenstaande vader (van 1,3% naar 1,9%). Vooral kinderen uit de grootsteden, de regionale steden, het stedelijke gebied rond Brussel en de kust wonen verhoudingsgewijs vaker bij een alleenstaande ouder (Lodewijckx, 2010b). Steeds vaker wonen Vlaamse kinderen ook bij een ongetrouwd paar (2% in 1990, 14% in 2008). Voor jonge kinderen is dat zelfs eerder regel dan uitzondering (tot boven de 30% bij de allerjongsten). Voor een toenemend aantal jongvolwassenen is het huwelijk duidelijk geen voorwaarde meer om kinderen te krijgen. Limburg en West-Vlaanderen lijken in dat opzicht wat terughoudender te zijn, behalve in een aantal steden en gemeenten aan de kust waar juist wel hoge aandelen kinderen bij een ongetrouwd paar genoteerd worden (Lodewijckx, 2010c). Als we het onderscheid maken naar nationaliteit, zien we een afwijkend patroon bij Turken en Marokkanen en – in minder mate – ook bij Zuid-Europese nationaliteiten. Doorgaans leven ze in grotere huishoudens met verschillende generaties samen. Dat is vooral opmerkelijk in de leeftijdsgroepen van de kinderen en van de ouderen (Lodewijckx, 2010b). Niettemin kondigt zich op dat vlak ook een evolutie aan in de richting van het huishoudenspatroon van de Belgen in het Vlaamse Gewest (Lodewijckx & Pelfrene, 2012).
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
4.2 Vooruitzichten
In het Vlaamse Gewest nam het aantal private huishoudens toe van 2,3 miljoen in 1997 tot bijna 2,6 miljoen in 2008. Volgens de SVR-projecties van de huishoudens (SVR, 2011) zal dat aantal verder stijgen tot 2,8 miljoen tegen 2020 en 2,9 miljoen tegen 2030. Er wordt voorzien dat het aantal huishoudens (+12% tussen 2008 en 2028) sneller zal aangroeien dan de bevolking (+7% tussen 2008 en 2028), bijgevolg wordt een verdere huishoudensverdunning verwacht. Er is wel een sterke lokale variatie, met in absolute cijfers vrij forse toenames van het aantal huishoudens in Antwerpen en Gent (Willems en Lodewijckx, 2011). We verwachten vooral een toename van kleinere huishoudens, namelijk van 1-persoons- en 2-persoonshuishoudens. Voorspeld wordt dat het aandeel alleenwonenden zal stijgen van 30% in 2008 tot 32% in 2028. Het aandeel 2-persoonshuishoudens zal toenemen van 34% tot 36%. Vooral in de Kempen en in Limburg wordt in de eerstvolgende jaren een vrij forse relatieve stijging van het aantal alleenwonenden verwacht. De groep alleenwonenden zal verder vervrouwelijken (van 54% in 2008 naar 56% in 2028) én verouderen (van 15% 80-plussers in 2008 naar 21% in 2028). Tussen 2008 en 2028 komen er ongeveer 160.000 alleenwonenden bij, waarvan de helft 80 jaar of ouder is (Willems en Lodewijckx, 2011). Gezinstransities hebben een impact op de financiële situatie van uit de echt gescheiden personen. Een scheidingservaring verlaagt de kans op eigen woningbezit. Wie op latere leeftijd gescheiden en alleenstaand is en daarenboven een woning moet huren, heeft het in de meeste gevallen niet breed. Vooral oudere alleenstaande vrouwen kampen met armoede. Getrouwde vrouwen en weduwen hebben de laagste kans op armoede (nog te publiceren SVR-studie over gezinstransities). Het merendeel van de vrouwen verandert het arbeidstraject niet na een scheiding. Als ze hun arbeidsgedrag aanpassen, is dat meestal in opwaartse richting (opnieuw werken, voltijds), ingegeven vanuit een financiële behoefte (nog te publiceren SVR-studie over gezinstransities). Voor mannen en voor vrouwen is het een uitdaging om een goede balans te vinden tussen werkvereisten en de (nieuwe) gezinstaken. Er worden meer problemen van werk naar gezin dan omgekeerd gemeld. De traditionele genderpatronen blijven overeind, ook na echtscheiding. De vrouwen blijven in hun nieuwe gezin met een partner de voornaamste zorgverleners omdat ze familiegerelateerde taken van de mannen overnemen in ruil voor financiële zekerheid en verminderde werkstress. Een gedeeld verblijf van de kinderen bij de partner leidt bij vrouwen niet per se tot een vermindering van de zorglasten die ze ervaren. Alleenstaande ouders, en vooral alleenstaande moeders, vormen een risicogroep voor psychische problemen. Alleenstaande moeders ervaren meer depressieve gevoelens en raadplegen vaker huisartsen, psychiaters of psychologen en nemen meer psychofarmaca dan niet-alleenstaanden. Alleenstaande vaders grijpen sneller naar alcohol (nog te publiceren SVR-studie over gezinstransities).
01 / DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN
Echtscheiding heeft ook voor de kinderen gevolgen: ze maken verschillende transities mee (van tweeoudergezin naar co-ouderschap of verblijf bij een van de ouders, naar stiefgezin …). De complexiteit van gezinsconfiguraties en het aantal gezinstransities beïnvloeden de keuze van de studierichtingen en het finale opleidingsniveau (nog te publiceren SVR-studie over gezinstransities).
These 5: De bevolking verkleurt en diversifieert.
Ook voor de komende jaren wordt een aanhoudende netto-inwijking uit het buitenland verwacht. Als gevolg daarvan verkleurt de bevolking in Vlaanderen. In 2011 bedroeg het aandeel met een vreemde nationaliteit in Vlaanderen 7%. Als we breder kijken naar de bevolking van ‘vreemde herkomst’, komen we uit op 15% en zelfs 25% in de jongste bevolkingsgroep van de 0-5-jarigen. De steden zijn aantrekkingspolen voor nieuwkomers en tegelijk verhuizen Belgen naar de randgemeenten, waardoor de verkleuring van de steden wordt versterkt. De bevolking wordt superdivers, niet alleen naar aantal nationaliteiten, maar ook naar taal, cultuur, waarden en religie.
5.1 Vaststellingen
De verkleuring gaat hand in hand met de globalisering en de internationale migratiestromen. Sedert 1997 is er een aanhoudende stijging geweest van de buitenlandse inwijking in Vlaanderen (van plusminus 30.000 eenheden medio jaren 1990 naar 70.000 in recente jaren; tabel 16). Tezelfdertijd was er een stijging van de buitenlandse uitwijking (van pakweg 25.000 eenheden medio jaren 1990 naar ongeveer 40.000 eenheden vandaag). Per saldo geeft dat voor alle jaren een netto-inwijking vanuit het buitenland (nu schommelend rond 30.000 eenheden).
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Tabel 16 Buitenlandse in- en uitwijking en het saldo ervan per 1000 leden van de bevolking, in België en zijn gewesten, stand op 1 januari van jaar x 2000
2010
2012
IN
UIT
saldo
IN
UIT
saldo
IN
UIT
saldo
België (ADSEI)
8,7
7,3
+1,4
15,3
8,0
+7,3
13,5
9,5
+4,0
- Vlaams Gewest
6,2
5,2
+1,0
11,1
5,6
+5,5
9,9
7,3
+2,6
- Brussels Gewest
28,5
21,3
+7,2
50,3
23,7
+26,6
42,8
25,8
+17,0
- Waals Gewest
7,6
7,2
+0,4
11,7
7,2
+4,5
10,4
8,1
+2,3
Noot: -
-
Bron:
Vóór 2010 worden bij ‘inwijking’ de ‘inwijkingen’ (aankomsten), de ‘herinschrijvingen’ (na ambtshalve schrapping) en het saldo van de ‘verandering van register’ (+ van vreemde naar Belg; - van Belg naar vreemde) samengeteld. Bij ‘uitwijking’ zijn de ‘uitwijkingen’ (vertrekken) en de ‘ambtshalve schrappingen’ samengeteld. Vanaf 2010 worden bij ‘inwijking’ de ‘inwijkingen’ (aankomsten), de ‘herinschrijvingen’ (na ambtshalve schrapping in een vorig kalenderjaar)’ en de ‘verandering van register’ (van vreemde naar Belg) samengeteld. Bij ‘uitwijking’ zijn de ‘uitwijkingen’ (vertrekken) en de ‘ambtshalve schrappingen’ (als ze geen herinschrijving in hetzelfde kalenderjaar zijn) en de ‘verandering van register’ (van Belg naar vreemde) samengeteld. ADSEI/Eurostat; bewerking SVR
Als we die aantallen in relatie brengen tot de (gemiddelde) bevolking, kan de vergelijking gemaakt worden met andere landen of regio’s. Vlaanderen en Wallonië vertonen een even intensieve migratiebeweging uit het buitenland (7 à 10‰ voor de buitenlandse inwijking in 2012). Het hoofdstedelijke gewest is een uitschieter. ‘Brussels’ (43‰ voor de buitenlandse inwijking in 2012) is bij uitstek een Europese magneet die tal van immigranten uit het buitenland aantrekt, maar menigeen ook naar het buitenland (of elders in het land) ziet vertrekken. Ook in steden als Leuven (41‰ voor de buitenlandse inwijking in 2010), Antwerpen (32‰), en Gent (27‰) is er een opvallende (bruto) buitenlandse inwijking, alsof het knooppunten zijn met bijzondere aantrekkingskracht. Dat geldt in mindere mate voor Charleroi (14‰), Mechelen (13‰) en Brugge (10‰). Eurostat hanteert afwijkende bepalingen voor de migraties (en de residerende bevolking) in vergelijking met gangbare nationale definities, waardoor een directe vergelijking mank loopt. Volgens de statistieken van Eurostat hoort België bij de groep van lidstaten met een relatief sterke inwijking van migranten. Voor het jaar 2010 is informatie beschikbaar voor 22 lidstaten. België zit bij de kopgroep (op de 4de plaats) na Luxemburg, Cyprus en Malta. Bij de netto buitenlandse inwijking komt België op de 3de plaats, na Cyprus en Luxemburg. In 2012 is in vergelijking met 2010 een lichte daling van de bruto buitenlandse inwijking in alle gewesten van België te zien, zowel in absolute aantallen als in relatieve cijfers ten opzichte van de gemiddelde bevolking (voor het Vlaamse Gewest van 11,1‰ naar 9,9‰). Andersom is er het laatste jaar een stijging
01 / DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN
van de buitenlandse uitwijking (voor het Vlaamse Gewest van 5,6‰ naar 7,3‰), zodat per saldo de nettoaangroei door buitenlandse migratie lichtjes is gedaald (voor het Vlaamse Gewest van +5,5‰ naar +2,6‰). Recente immigranten vormen een zeer heterogene groep naar nationaliteit. Van de bijna 42.000 residenten in Vlaanderen op 1 januari 2013 die voor het eerst ingeschreven zijn in België in de loop van 2011, zijn 3 op de 10 staatsburger van een Oost-Europees land en 2 op 10 van een West-Europees land (voornamelijk Nederlanders). In 2003 was de Oost-Europese inwijking beperkter en was het procentuele aandeel van de inwijking van Turken of Marokkanen groter (Lodewijckx, 2013). Meer dan de helft (57,7%) van de migranten met vreemde nationaliteit van buiten de EU geeft gezinshereniging op als reden voor immigratie, 12,1% zoekt asiel in ons land. Bij de migranten van Europese nationaliteit is werk vinden het hoofdmotief (44,4%), gevolgd door gezinshereniging (29,2%). 7,3% van de bevolking van het Vlaamse Gewest heeft vandaag een vreemde nationaliteit (tabel 17). In Brussel, als Europese metropool, is 1 op de 3 vreemdeling. Luxemburg bijt de spits af binnen de Europese Unie met vrijwel 1 op de 2 met een vreemde nationaliteit, op afstand gevolgd door Cyprus en Litouwen. België komt op de 7de plaats in de rangorde (Roemenië niet meegerekend), direct na Oostenrijk en voor Duitsland. Nederland zit eerder bij de groep van landen met een gering aandeel vreemdelingen onder hun bevolking.
Tabel 17. Aandeel personen met een vreemde nationaliteit, in België en zijn gewesten, in de Europese Unie en in de buurlanden, stand op 1 januari van jaar x, in % 2000
2010
2011
2012
België (ADSEI)
8,8
9,8
10,2
10,6
- Vlaams Gewest
4,9
6,4
6,8
7,1
7,3
- Brussels Gewest
28,5
30,0
31,5
32,6
33,1
- Waals Gewest
9,9
9,5
9,6
9,7
9,7
EU (27 landen)
:
6,5
6,6
4,1
- België (Eurostat)
8,8
9,7
10,6
10,9
- Duitsland
8,9
8,7
8,8
9,2
- Frankrijk
:
5,8
5,9
5,9
- Luxemburg
:
43,0
43,1
42,6
- Nederland
4,1
3,9
4,0
4,1
:
7,0
7,2
7,5
- Verenigd Koninkrijk
2013
: niet beschikbaar Bron: totale bevolking: ADSEI, vreemde herkomst: bewerking SVR (op basis van het Rijksregister) Bron:
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
De geografische concentratie van personen met vreemde nationaliteit houdt verband met de arbeidsmigratiegeschiedenis, de voortdurend nieuwe instroom en de vruchtbaarheid van de recente inwijkelingen. Er is over het algemeen een relatief sterke concentratie van vreemdelingen in de grotere steden (tabel 18). De dertien centrumsteden herbergen 4 op de 10 van de vreemdelingen volgens de registratie op 1 januari 2013. De steden zijn aantrekkingspolen voor nieuwkomers en tegelijk verhuizen Belgen naar de randgemeenten, waardoor de verkleuring van de steden wordt versterkt. Dat neemt niet weg dat in tal van kleinere gemeenten, vooral in grensgemeenten met Nederland, met name in de provincies Antwerpen en Limburg, of in de Vlaamse Rand rond Brussel, ook belangrijke concentraties van vreemdelingen voorkomen.
Tabel 18. Aandeel personen met een vreemde nationaliteit en van vreemde herkomst in de vijf grootste Vlaamse steden, in het geheel van de dertien centrumsteden en in het Vlaamse Gewest, stand op 1 januari van jaar x % vreemdelingen
% van vreemde herkomst
2000
2011
2012
2011
2012
Antwerpen
13,3
17,6
19,3
37,7
41,9
Gent
7,7
11,9
12,3
25,4
28,5
Brugge
2,2
3,5
4,2
7,4
9,9
Mechelen
8,7
9,2
9,5
25,2
28,2
Leuven
8,7
15,6
15,7
24,1
26,8
13 centrumsteden
8,2
11,4
12,0
25,2
Vlaams Gewest
4,9
6,8
7,3
14,6
Bron:
17,5
vreemdelingen: ADSEI; vreemde herkomst: SVR; bewerking SVR
Ten slotte kan nog een inschatting worden gemaakt van het aandeel van de bevolking van vreemde herkomst in de hele bevolking. SVR maakt die oefening op basis van informatie over de bevolking en de samenstelling van de huishoudens volgens het Rijksregister. Personen voor wie de oudste nationaliteit een vreemde – niet-Belgische – nationaliteit is, zijn alvast ‘personen van vreemde herkomst’. Voor de personen die nog inwonen bij hun ouders (en voor wie dus de link met de ouders gelegd kan worden), is gekeken naar de oudste nationaliteit van de moeder (of de vader als de persoon bij een alleenstaande vader woont). Als de oudste nationaliteit van de moeder (of van de vader bij kinderen bij alleenstaande vaders) een niet-Belgische nationaliteit is, wordt het kind beschouwd als een persoon van vreemde herkomst (Noppe & Lodewijckx, 2012). In 2012 (1 januari 2013) wordt aldus geschat dat 17,5% van de bevolking in het Vlaamse Gewest van vreemde herkomst is (dubbel zoveel als het aandeel met een vreemde nationaliteit (7,3%)). In de jongste leeftijdsgroep van 0- tot 5-jarigen loopt dat op tot 31% (figuur 2). De topdrielanden van vreemde herkomst zijn Nederland, Marokko en Turkije. Algemeen gezien stellen we vast dat de herkomst de voorbije tien jaar is veranderd, het aandeel mensen van niet-westerse herkomst groeit sneller aan dan de andere groepen. Ook hier is de concentratie in de grote steden een opvallend gegeven. Niet alleen de omvang neemt toe, ook de samenstelling verandert en is verschillend naargelang de stad.
01 / DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN
Figuur 2. Leeftijdspiramide van de totale bevolking en van de bevolking van vreemde herkomst, Vlaams Gewest, stand op 1 januari 2011
Mannen
Bron:
Vrouwen
totale bevolking: ADSEI, vreemde herkomst: bewerking SVR (op basis van het Rijksregister)
5.2 Vooruitzichten
Volgens de recente bevolkingsprojecties 2010-2060 van het Federaal Planbureau (mei 2013) zou het externe migratiesaldo voor België (het verschil tussen de internationale immigratie en emigratie) tijdens de volgende jaren ongeveer 60.000 eenheden bedragen. Een dergelijk hoog cijfer werd nooit eerder in de geschiedenis van de Belgische demografie geregistreerd, behalve tijdens de meest recente jaren, waarin zelfs een record van 80.0000 eenheden opgetekend werd (in 2010). Die daling met 20.000 eenheden weerspiegelt gedeeltelijk de impact van een nieuwe restrictieve wetgeving betreffende verblijfsvergunningen om humanitaire en medische redenen en gezinshereniging. Op lange termijn gaat de projectie ervan uit dat de verschillen in levensstandaard geleidelijk zullen afnemen in de EU, waardoor het externe migratiesaldo terugvalt tot 35.000 eenheden in 2020 en tot 15.000 à 20.000 eenheden na 2030. Dat externe migratiesaldo zou evenwel de belangrijkste bron van de totale bevolkingsgroei blijven en de enige bron op het einde van de projectieperiode (2060). In het Vlaamse Gewest zou het externe migratiesaldo positief blijven over de hele projectieperiode. Het zou wel dalen van 23.495 in 2012 naar 6600 (afgerond) in 2030. Het externe migratiesaldo dat nu dominant is, zou de komende jaren naar het interne migratiesaldo (23.495 versus 6899) toe groeien.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Vlaanderen zou een groter wordende instroom krijgen vanuit het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest dat inwoners verliest door binnenlandse verhuisbewegingen. De buitenlandse netto-instroom, vooral in de grote steden, draagt bij tot de totale bevolkingsgroei en verjongt de bevolking. Dat doet de behoeften aan opvang en voorzieningen (onderwijs, huisvesting) toenemen. De instroom van jonge actieven helpt de vraag op de arbeidsmarkt invullen, ten minste als ze voldoende opleiding hebben genoten en de taal van de werkvloer beheersen. We merken op dat de recente migranten uit alle hoeken van de wereld komen. Er worden meer dan 100 nationaliteiten geteld in menige grootstad van West-Europa (ook in Antwerpen, Gent en Leuven). In dat verband wordt gesproken van superdiversiteit (Vertovec, 2007). Dat begrip slaat zowel op de enorme versnippering in de achtergrond van de migranten (in etnisch, taalkundig, cultureel en religieus opzicht), als op de talloze motieven voor migratie (van asiel tot en met de zeer tijdelijke tewerkstelling van experts), als op het samenleven in losse verbanden (waaronder virtuele netwerken wereldwijd). Zowel ingezetenen als nieuwkomers houden zich gemakkelijk aan hun originele waarden en gedragingen. Dat heeft gevolgen voor de samenleving en de sociale cohesie (these 1 - maatschappelijke ontwikkelingen). De snelle en grote instroom van personen van andere herkomst kan spanningen veroorzaken in de betrokken wijken.
These 6: De magneet ‘Brussels’ werpt zijn schaduw uit.
Het Brusselse urbane gebied is ten aanzien van megasteden eerder van bescheiden omvang met een relatief matige aangroei. Binnen de Belgische context is het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wel een sterke, dynamische groeier, vooral dankzij de buitenlandse immigratie. ‘Brussels’ is een kosmopolitische wereldstad. Een op de drie inwoners heeft een buitenlandse nationaliteit en naar schatting is driekwart van vreemde herkomst. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is een internationale magneet, maar net zo goed een pomp die haar bevolking stuwt naar het omliggende gebied, vooral naar de Vlaamse Rand. ‘Brussels’ is de zetel van de belangrijkste Europese instellingen. Als het die positie kan behouden, zal het belang van de hoofdstad alleen maar toenemen.
6.1 Vaststellingen
Een ‘urban area’ is een stedelijke agglomeratie, meer bepaald de ‘urbane voetafdruk’ zoals we die zien oplichten vanuit een vliegtuig (of satelliet) bij heldere nacht. Als we die definitie als uitgangspunt nemen, telt het Brusselse urbane gebied1 bijna 2 miljoen inwoners (1.944.000 volgens de schatting voor 2013 van Demographia World Urban Areas). In een wereldwijde rangschikking behaalt het daarmee de 228ste
1
Komt nagenoeg overeen met ex-provincie Brabant.
01 / DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN
plaats, flink achter de mega-urbane gebieden, zoals Tokyo-Yokohama (37 miljoen), Jakarta (27 miljoen) en Seoel-Incheon (23 miljoen). Binnen de Europese Unie komt de ‘Brussels urban area’ qua bevolking op de 15de plaats, ver na Parijs (10,9 miljoen) of Londen (9,6 miljoen). Voor het Brusselse urbane gebied bedraagt de gemiddelde bevolkingsdichtheid 2600 inwoners per km, wat vergelijkbaar is met het urbane gebied van Madrid of Milaan. We vinden daarvoor echter ook waarden flink boven de 10.000, met Dhaka in Bangladesh (44.500 inwoners/km), Hyderabad in Pakistan (39.300) en Mumbai in India (31.700) als top drie. De geschatte groei tussen 2010 en 2013 voor het ‘Brusselse urbane gebied’ bedraagt +2,3% (index 102). De sterkste groeiers zijn Dar Es Salaam in Tanzania (index 116), Mogadishu in Somalië (index 115) en Ouagadougou in Burkina Faso (index 115). Binnen Europa ligt de geschatte groei weliswaar alleen hoger in de ‘urban areas’ van Keulen-Bonn (index 106) en Madrid (index 103). Internationaal bekeken is het Brusselse urbane gebied eerder van bescheiden omvang met een relatief matige aangroei. Binnen de Belgische context is het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een sterke, dynamische groeier. Het hoofdstedelijke gewest telt vandaag meer dan 1,1 miljoen inwoners. Rond de eeuwwisseling lag dat nog bij de 960.000. Er is dus een sterke toename van de hoofdstedelijke bevolking (+19% tussen 2000 en 2012), flink sterker dan die van het Vlaamse Gewest (+7%) en het Waalse Gewest (+6%). Figuur 3 illustreert dat de aangroei van de hoofdstedelijke bevolking in sterke mate voor rekening komt van de buitenlandse migratie: het saldo van de externe migraties is allang positief en ging de laatste jaren ook flink in stijgende lijn. Voor de binnenlandse of interne migraties moet rekening gehouden worden met de stadsvlucht naar de suburbane zones rond de hoofdstad. De inwijking vanuit het buitenland naar het hoofdstedelijke gewest is zeer verscheiden naar nationaliteit. In 2011 hadden 9 op de 10 immigranten (89,4%) een vreemde nationaliteit, waarvan verschillende van buiten de Europese Unie (4 op de 10 niet-Belgen). Er is nog altijd een belangrijke inwijking uit Marokko (8491 in 2011) en Turkije (2897), maar ook uit de Verenigde Staten (2559), India (2270), China (1575), DR Congo (1514), Brazilië (1392), Kameroen (1292), Algerije (1095) en Japan (1061).
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Figuur 3. Binnenlands (intern) en buitenlands (extern) migratiesaldo, Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 1990-2012, per 1000 inwoners
Bron:
ADSEI; bewerking SVR
Vandaag is ‘Brussels’ een kosmopolitische wereldstad. 1 op de 3 inwoners heeft in 2012 een buitenlandse nationaliteit en naar schatting is driekwart van vreemde herkomst, hetzij houders van een buitenlandse nationaliteit, genaturaliseerde Belgen of kinderen van een buitenlandse vader of moeder (Le Soir, 7 mei 2013). Boven op die etnische diversiteit komt een religieuze verscheidenheid met een sterke aanwezigheid van moslims (naar schatting 23% van de bevolking volgens Le Soir). De hoofdstad mag dan wel kosmopolitisch, meertalig en multicultureel zijn: de diverse gemeenschappen leven hoofdzakelijk afgesloten in eigen wijken en buurten, steenrijk goed uit het zicht van straatarm. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is een internationale magneet, maar net zo goed een pomp die haar bevolking stuwt naar het omliggende gebied of verder het binnenland in. Tabel 19 toont aan dat de uitwijking uit het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest hoofdzakelijk richting Vlaanderen gaat en dat die uitwijking recentelijk nog toeneemt. In 2012 zijn ruim 20.000 Brusselaars verhuisd naar Vlaanderen, heel in het bijzonder naar de aanpalende gemeenten in de rand. Globaal gezien is de impact van de inwijking vanuit Brussel op de loop van de bevolking in het Vlaamse Gewest redelijk beperkt: slechts 7,4% van de inwijking in Vlaanderen komt uit Brussel. Slechts 4,5% van alle binnenlandse uitwijkingen in het Vlaamse Gewest gaan naar het hoofdstedelijk gebied. Netto groeit het inwonersaantal van het Vlaamse Gewest dus aan dankzij de verhuisbewegingen van en naar het hoofdstedelijk gebied (+8503 personen in 2012). De impact van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is wel groter op de randgemeenten (60,9% van de interne inwijking in de faciliteitengemeenten).
01 / DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN
Tabel 19. In- en uitwijking tussen het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de andere gewesten, de provincies Vlaams- en Waals-Brabant en de randgemeenten, 2009 en 2012 - Aandeel in de interne in- en uitwijking inwijking uit BHG 2009
uitwijking naar BHG
2012
aantal
% van interne inwijking
Vlaams Gewest
19.325
Waals Gewest
2009
2012
aantal
% van interne inwijking
aantal
7,3
20.940
7,4
11.468
4,5
12.437
4,5
14.720
7,8
15.472
7,7
10.536
5,9
10.261
5,3
Vlaams-Brabant
14.560
26,1
15.857
26,6
7.850
14,9
8.611
15,5
Waals-Brabant
6.363
26,0
6.310
24,8
3.724
16,7
3.766
15,9
Vlaamse Rand niet-faciliteiten
9.221
48,4
9.995
48,6
4.550
27,1
5.080
27,0
Vlaamse Rand faciliteiten
2.664
60,6
2.866
60,9
1.681
42,0
1.846
42,5
Bron:
% van % van interne aantal interne uitwijking uitwijking
ADSEI, bewerkingen SVR
Van degenen die immigreerden vanuit Brussel-Hoofdstad naar Vlaanderen in 2012, heeft 1 op de 3 een buitenlandse nationaliteit, van wie de helft het staatsburgerschap van een lidstaat van de Europese Unie. Aan de top ervan vinden we burgers uit Polen, Roemenië en Frankrijk. Van de landen van buiten Europa komen Marokko, DR Congo en Turkije vooraan. Als we kijken naar de Belgen die vanuit de hoofdstad uitwijken naar het Vlaamse Gewest, zijn vooral de 25-29-jarigen en de 30-39-jarigen oververtegenwoordigd in vergelijking met hun aanwezigheid in de bevolking (op 1 januari 2012). In lichtere mate zijn ook de 0-11-jarigen en de 18-24-jarigen oververtegenwoordigd in de uitwijking van Belgen vanuit Brussel naar Vlaanderen. De jongere generaties blijven dus de groene ruimte en de rust opzoeken. De sociale uitdagingen zijn groot. Ruim de helft van de hoofdstedelijke bevolking komt in aanmerking voor een sociale woning en de huidige bewoners ervan zijn alsmaar armer (Kesteloot in Le Soir, 7 mei 2013 ). De jeugdwerkloosheid is hoog: 36% van de jongeren in Brussel zit zonder werk, wat driemaal meer is dan het Vlaamse jaargemiddelde (EAK, 2012). In heel wat wijken is dat meer dan 50%. Het onderwijs is globaal genomen onaangepast en onvoldoende toegerust om de problemen aan te pakken. Andrea Rea van de ULB ziet daarin de oorzaak van de verdere uitdieping van de bestaande etnische en sociale ongelijkheid. Anderen gewagen van ‘une ségrégation exacerbée’, ten top gedreven afzondering (Le Soir, 7 mei 2013).
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Een dieptepunt is vaak ook een keerpunt. Er is vernieuwde aandacht voor de sociale problemen, fondsen worden vrijgemaakt voor tewerkstellingsprojecten, inburgerings- en taalcursussen. Er is in toenemende mate melding van een nieuw soort ‘Brussels’-gevoel. Sommigen hebben het zelfs over een ontwakend ‘Brussels patriottisme’ (De Standaard, 21 mei 2013). Er mag niet uitgesloten worden dat in een opkomende wereldstad met vele minderheden in haar bevolking toch een samenhorigheidsgevoel ontstaat, zoals het vibrerende ‘New York’-gevoel. Brussel is de hoofdstad van België en van Vlaanderen en ook de zetel van belangrijke internationale instellingen. Hoewel de officiële zetel van het Europees Parlement in Straatsburg ligt en het secretariaatgeneraal in Luxemburg, vinden de vergaderingen van de politieke fracties en van de parlementaire commissies in Brussel plaats. Sinds het verdrag van Lissabon door alle EU-lidstaten geratificeerd is, is de Europese Raad (ook ‘Europese top’ genoemd) een Europese instelling, met zetel in Brussel. Brussel huisvest ook de zetel van zeven Europese agentschappen en enkele Europese interinstitutionele organen. Daarnaast is Brussel de administratieve zetel van de NAVO, Eurocontrol, de West-Europese Unie, de Werelddouaneorganisatie, the European Committee for Standardization, het Secretariaat-Generaal van de Benelux … (zie politiek - these 1). Brussel telt ongeveer 2300 vestigingen van buitenlandse ondernemingen. Daaronder bevinden zich onder meer enkele Europese hoofdkantoren van multinationals, zoals die van Toyota, Coca-Cola en IBM. Maar merendeels zijn het internationaal georiënteerde zakelijke dienstverleners. IT-diensten, financiële diensten en de internationale advocatuur zijn sterk vertegenwoordigd (C. Vandermotten, 2007). Brussel telt bovendien vier Europese scholen (Ukkel, Woluwe, Elsene, Laken) waar bijna 10.000 leerlingen naar school gaan. Brussel wordt volgens de recente taalbarometer (Janssens, 2013) steeds meertaliger. Het aandeel Brusselaars met verschillende taalachtergrond stijgt en dat wordt aan de volgende generatie doorgegeven. Bij de Brusselaars jonger dan 25 jaar groeit de helft op in twee- of meertalige gezinnen. Slechts een derde van de Brusselaars groeit op in een eentalig Franstalig gezin, een significante daling tegenover de vorige meting. Het Nederlands weet zijn positie te handhaven. We spreken nu van tweetalige gezinnen die Frans of Nederlands als thuistaal hebben. Wie de drie contacttalen (Nederlands, Frans, Engels) niet beheerst, dreigt onder aan de sociale ladder te belanden. Het onderwijsniveau is daarbij zeer bepalend. Het Arabisch en Turks winnen ondertussen veld en maken Brussel meertalig. In de wijken ontwikkelt zich een minder omlijnde omgangstaal met het Frans als basis, maar met invloeden van andere talen. Ook het Engels maakt opgang als omgangstaal. Dat noemt men ‘glocalisering’. De superdiversiteit uit zich hier in het gemengde gebruik van thuistalen, officiële talen en de lokale lingua franca naast en door elkaar. Dezelfde evolutie wordt in Londen vastgesteld. Andere talen en culturen blijken voor sommigen toch een drempel te vormen voor sociale cohesie. De verenigen proberen taalgemengd op te treden.
01 / DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN
6.2 Vooruitzichten
Steden blijven vernieuwen (zie ecologische ontwikkelingen - these 3) in de zin dat ze meer dan de kleinere gemeenten onderhevig zijn aan wisselingen door migratie. Er is een voortdurend komen en gaan, kortom veel dynamiek. Dat geldt des te meer voor het hoofdstedelijke gewest. Er dienen zich nieuwe maatschappelijke breuklijnen aan in Brussel (Janssens, 2013). Er is een spanning tussen de stad en haar hinterland, tussen de traditionele talengemeenschappen binnen en buiten de hoofdstad. Hoe moeten instellingen zich opstellen qua taalkeuze? Staan ze open voor andere talen dan de officiële talen? Kiest de politiek voor een stedelijke benadering of voor een benadering vanuit haar taalgemeenschap? De uitdaging is dus om zowel op politiek als op maatschappelijk vlak te leren omgaan met diversiteit aan talen en culturen en om sociale cohesie te verzoenen met de toenemende mobiliteit van de bevolking (binnen en buiten Brussel). De meertaligheid wordt het cement voor de stedelijke samenleving. Voor het Nederlands is het onderwijs een essentiële schakel in het identificatieproces en de ondersteuning van de taalkennis en het taalbehoud. Hoe zien de Brusselaars hun toekomst? De optie om met een van de twee gemeenschappen samen te gaan, heeft weinig volgers volgens de taalbarometer (Janssens, 2013). De Brusselaars identificeren zich in de eerste plaats als Brusselaar. Ze kiezen dus eerder voor een territoriale identiteit dan voor taal. Veel van de aantrekkingskracht van Brussel als economische groeipool zal afhangen van de verdere ontwikkeling van de Europese Unie. Het mag niet uitgesloten worden dat de Europese Unie op termijn haar instellingen decentraliseert, maar dat zal wellicht niet zonder slag of stoot gebeuren. In die zin kan men verwachten dat ‘Brussels’ in de nabije toekomst nog aan belang wint en zijn veelkleurige schaduw zal blijven uitwerpen over het brede omliggende randgebied. Het zal van het beleid afhangen hoe een en ander evolueert, maar ‘Brussels’ zal een beleidsgegeven van de eerste orde blijven.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Bronnen
ADSEI - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie van de FOD Economie, Bevolkingscijfers (zie STATBEL op internet). Corijn, M. (2010). Arm in de stad? Sociaal-economisch profiel van leefvormtypes in de centrumsteden. In: Bral, L. en Schelfaut, H. (red.), De stad maakt het verschil. Analyses op de stadsmonitor 2008. Brussel, Studiedienst van de Vlaamse Regering: SVR-studie 2010/1. Corijn, M. (2011). De (in)stabiliteit van huwelijken in België. Brussel, Studiedienst van de Vlaamse Regering: SVR-webartikel 2011/5. Corijn, M. (2012). Sluiting en ontbinding van een eerste, tweede en derde huwelijk in het Vlaamse Gewest (1970-2010). Een analyse op basis van Rijksregistergegevens. Brussel, Studiedienst van de Vlaamse Regering: SVR-studie 2010/1. De Klerck, P. (2011). Vergrijzing en ouderenzorg aan de Kust: moet er nog (nieuw) zand zijn? Brussel, Studiedienst van de Vlaamse Regering: SVR-webartikel 2011/8. Demographia World Urban Areas (World Agglomerations). 9th Annual Edition, March 2013: http://www. demographia.com/db-worldua.pdf. Eurostat, Population at 1 January & Population projections 2010-2060 & Migration data. Federaal Planbureau (FPB) en Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (ADSEI). (2013). Bevolkingsvooruitzichten 2012-2060. Federaal Planbureau (FPB). (2013). Verslag van de bijeenkomst van 14 december 2012 van de ‘werkgroep Migratie/groupe de travail Migration’ (ter voorbereiding van de bevolkingsvooruitzichten 20132060), Brussel: FPB, 11/01/2013. Janssens, R. (2013). Meertaligheid als cement van stedelijke samenleving. Brussel, VUB-BRIO: VUBPRESS. Lodewijckx, E. (2010a). Leefvormen in de Centrumsteden, 1995–2007. Een analyse van gegevens uit het Rijksregister. In: Bral, L. en Schelfaut, H. (red.), De stad maakt het verschil. Analyses op de stadsmonitor 2008. Brussel, Studiedienst van de Vlaamse Regering: SVR-studie 2010/1. Lodewijckx, E., Willems, P., Pelfrene, E. & Van Peer, C. (2010b). Grootte van de huishoudens van Belgen en vreemdelingen in het Vlaamse Gewest en in grote Vlaamse steden. Brussel, Studiedienst van de Vlaamse Regering: SVR-webartikel 2010/8. Lodewijckx, E. (2010c). Kinderen en de gezinsvorm waarin ze opgroeien: een schets van de veranderingen tussen 1990 en 2008. Brussel, Studiedienst van de Vlaamse Regering: SVR-webartikel 2010/14. Lodewijckx, E. & Pelfrene, E. (2012). Huishoudensstructuur en solidariteit tussen de generaties bij personen van vreemde herkomst. In: Vanderleyden, L. & Callens, M. (red.). Generaties en solidariteit in woord en daad. SVR-studie 2012/1, Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering, 51-76. Lodewijckx, E. (2013). Recente immigranten in Vlaanderen. Wie zijn ze? Brussel, Studiedienst van de Vlaamse Regering: SVR-webartikel 2013/1. Mortelmans, D., Pasteels, I., Bracke, P., Matthijs, K., Van Bavel, J. & Van Peer, C. (red.) (2011). Scheiding in Vlaanderen, Leuven/Den Haag: Acco. Noppe, J. & Lodewijckx, E. (2012). De gekleurde samenleving. Personen van vreemde herkomst in Vlaanderen. Brussel, Studiedienst van de Vlaamse Regering: SVR-webartikel 2012/3.
Bronnen
Pelfrene, E. (2004). Stativaria 33. In- en uitwijking in Vlaamse steden en gemeenten – Analyse van de interne en de externe migratie naar leeftijd en ruimtelijke structuren voor de periode 1995-2002. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap/Administratie Planning en Statistiek. Pickery, J. (2013). Stadsvlucht bekeken vanuit cohorteperspectief. Brussel, Studiedienst van de Vlaamse Regering: Stadsmonitor 2011. Schelfaut, H. (2010). Maakt de stad het verschil? Ruimtelijke verschillen in subjectieve beleving. In: Bral, L. en Schelfaut, H. (red.), De stad maakt het verschil. Analyses op de stadsmonitor 2008. Brussel, Studiedienst van de Vlaamse Regering: SVR-studie 2010/1. Van Den Bossche, F. (2009). Beleidsnota Steden 2009-2014 ‘Duurzame en creatieve steden’. Vandermotten, C. ed., Impact socio-économique de la présence des institutions de l’Union européenne et des autres institutions internationales en Région de Bruxelles, ULB, 2007. VAZG – Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, Vlaamse overheid, publieke website. Vertovec, S. (2007). Super-Diversity and its implications. In: Ethnic and Racial Studies, 26: 1024-1054. Willems, P. & Lodewijckx, E. (red.) (2011). SVR-projecties van de bevolking en de huishoudens voor Vlaamse steden en gemeenten, 2009-2030. Brussel, Studiedienst van de Vlaamse Regering: SVR-studie 2011/2. WIV – Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (2012). Webpagina ‘Standardized Procedures for Mortality Analysis – Belgium (SPMA)’, rubriek ‘Health expectancy statistics’, Update 2012.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
02 / ECONOMISCH-INNOVATIEVE ONTWIKKELINGEN
In dit hoofdstuk beschrijven we de groei van de economie en haar componenten en kijken we naar de structuur van de economie. Vervolgens gaan we dieper in op enkele aspecten: These 1: These 2: These 3: These 4: These 5: These 6: These 7:
Onze productiviteitsgroei zal meer dan ooit gedragen worden door investeringen in O&O. De wereldhandel groeit sterk. Azië wordt de belangrijkste speler en dat opent perspectieven. De instandhouding van de welvaart is een uitdaging na de economische en financiële crisis en voor de komende vergrijzingsgolf. Het tijdperk van goedkope energie en grondstoffen is voorbij. Minder aanbod aan arbeid betekent opportuniteit voor kansengroepen en meer aandacht voor een werkbare arbeidsmarkt. De industrie is nog altijd een kerncomponent van het economische weefsel. De zeehavens vormen een blijvende troef voor Vlaanderen.
Inleiding
De economische ontwikkeling verloopt niet lineair, maar gaat met ups en downs. In de theorie onderscheidt men bewegingen op lange termijn, waarbij een land of groep van landen nu eens jaren moeilijkheden heeft (bijvoorbeeld de Grote Depressie van de jaren dertig) en dan weer jaren van voorspoed (bijvoorbeeld de hoge groeicijfers in de jaren zestig). Daarnaast zijn er ook kortere golven, waarbij de economie nu eens aantrekt, dan weer afkoelt. Dat zijn de conjunctuurbewegingen. Figuur 1 geeft het verloop weer van de conjunctuur in de Vlaamse industrie. Het valt daarbij op dat vóór 1995 het conjunctuurverloop minder volatiel was dan erna. De inzinkingen (met negatieve groeicijfers van het bbp) van 1993 en 2009 zijn goed zichtbaar in de figuur.
02 / ECONOMISCH-INNOVATIEVE ONTWIKKELINGEN
Figuur 1. Conjunctuurverloop in de Vlaamse industrie, januari 2003 –december 2013, procentpunt verschil tussen de positieve en de negatieve antwoorden
Bron: NBB
De Vlaamse economie onderging een herstructurering in het begin van de jaren 1980. Daarna volgde een voorspoedige periode. Gemiddeld groeide de Vlaamse economie met 2,7% reëel per jaar in de jaren 1980. De sanering van de overheidsfinanciën in de aanloop naar Europa 1992, de gevolgen van de Duitse eenmaking en het doorprikken van de vastgoedzeepbel in een aantal landen matigden de groeicijfers wederom in het begin van de jaren 1990 (Vergeynst, 2008). Het is wachten tot 1997 voor een nieuwe economische opleving, onder invloed van een investeringshausse, ingegeven door onder andere de ICT-boom. Dat alles zorgde voor een gemiddeld groeicijfer van +2,5% in de jaren 1990. Begin jaren 2000 spatte de ICT-zeepbel uiteen. Dat zorgde voor matige groeicijfers in het begin van dat decennium. In de tweede helft herleefde de economie totdat de financieel-economische crisis in 2008 uitbrak. Gemiddeld bedroeg de reële groei tussen 2000 en 2010 +1,3%. Alleen in 2009 was er een depressie (-3,2%). Tabel 1 bevat de gemiddelde groeipercentages voor de drie gewesten vanaf de jaren 1980.
Tabel 1.
Gemiddelde reële groeivoet van het bbp, Belgische gewesten, 1981-2020, in % 1981-1990
1991-2000
2001-2010
2011-2020
Vlaams Gewest
2,7
2,5
1,3
1,5
Waals Gewest
1,5
2,1
1,4
1,4
Brussels Hoofdstedelijk Gewest
1,4
1,7
1,5
1,4
België
2,2
2,2
1,4
1,5
Bron: HERMREG
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Tabel 2 geeft het relatieve aandeel van de economische hoofdsectoren. Tussen 1995 en 2012 slinkt het belang van de primaire en secundaire sectoren ten voordele van de tertiaire en quartaire sectoren, zowel volgens de bruto toegevoegde waarde als volgens de werkgelegenheid. De quartaire en de primaire sector zijn van groter belang voor de werkgelegenheid dan voor de toegevoegde waarde.
Tabel 2. Spreiding van de bruto toegevoegde waarde en de totale werkgelegenheid naar hoofdsector2, Vlaams Gewest, 1995, 2005, 2012 en 2020, in % van het totaal bruto toegevoegde waarde in basisprijzen 1995
2005
2012*
2020*
1,7
0,9
0,8
0,8
secundaire sector
34,0
28,5
25,9
24,8
tertiaire sector
47,0
52,5
53,8
55,4
quartaire sector
17,3
18,0
19,5
19,0
100,0
100,0
100,0
100,0
1995
2005
2012*
2020*
2,7
2,1
1,6
1,3
secundaire sector
29,1
24,2
21,6
19,7
tertiaire sector
44,7
48,4
50,2
52,0
quartaire sector
23,5
25,3
26,6
27,1
100,0
100,0
100,0
100,0
primaire sector
totaal binnenlandse werkgelegenheid
primaire sector
totaal *: raming Bron: HERMREG
Vlaanderen in Actie (ViA) definieert enkele speerpuntsectoren die een belangrijk ontwikkelingspotentieel hebben (zie ook these 6). Twee ervan kunnen als ‘groene’ sectoren worden beschouwd. De Life Sciences of biowetenschappen waren in 2010 goed voor 1,2% van de bezoldigde tewerkstelling. Dat is iets minder dan het niveau van 1,4% in de drie voorgaande jaren. Biotechnologisch onderzoek en de ontwikkeling van specifieke geneeskundige artikelen zullen nog aan belang winnen naarmate de bevolking vergrijst en dus meer verzorging behoeft. Cleantech slaat op wetenschappelijke, ecologische toepassingen die zorgen voor duurzame productieprocessen. Activiteiten die met cleantech te maken hebben, waren in 2010 goed voor 2,9% van de totale bezoldigde tewerkstelling. Dat is ongeveer evenveel als de twee voorgaande
2
Primair: landbouw en visvangst, secundair: energie, industrie en bouw, tertiair: verhandelbare diensten en huishoudelijke diensten, met uitzondering van gezondheidszorg en maatschappelijke diensten, quartair: gezondheidszorg en maatschappelijke diensten, overheid en onderwijs.
02 / ECONOMISCH-INNOVATIEVE ONTWIKKELINGEN
jaren. Investeringen in milieu- en energietechnologie horen bij een modern productieproces. Daardoor is die sector toekomstgericht. Ook de Vlaamse agrovoedingsindustrie biedt kansen. Het gaat over de cluster van de productie van landbouwproducten tot de verwerking van de producten ervan. Die groep van bedrijfstakken telt anno 2010 een bezoldigde tewerkstelling van circa 72.400 personen. Dat aantal bleef de afgelopen jaren constant en is goed voor 3,3% van de totale bezoldigde tewerkstelling. Het bruto binnenlands product (bbp) is veruit de meest verbreide maatstaf om de welvaart van landen of regio’s in kaart te brengen. Toch zijn er ook nadelen verbonden aan die indicator (Creminger, 2010). Het bbp is uitgedrukt in monetaire termen, maar kwaliteitsveranderingen van producten door de tijd en verschillen in het aanbod tussen landen kunnen nooit helemaal verrekend worden. Het bbp brengt de aanbodzijde van een economie goed in kaart, maar zegt op zich niets over verdelingsaspecten. Daarnaast houdt het bbp niet afdoende rekening met sociale aspecten die het welzijn van mensen bepalen. Tenslotte is het bbp geen maat voor de effecten van de economische groei op de leefomgeving en het milieu. Om dat te verhelpen, zijn aanvullende indicatoren ontwikkeld, zoals de Index of Sustainable Economic Welfare (ISEW). De ISEW is een afgeleide maatstaf van het bbp en geeft de economische welvaart, zoals de burgers die ervaren, beter weer. De ISEW houdt enerzijds rekening met de inbreng van onbetaalde arbeid, meer bepaald huishoudelijke arbeid, en bekijkt de waarde van overheidsdiensten op een andere manier. Anderzijds worden ‘defensieve’ uitgaven, zoals de strijd tegen de inkomensonzekerheid, in mindering gebracht omdat die de welvaart in stand houden, maar niet vergroten. Verder houdt de ISEW rekening met inkomensongelijkheid en ten slotte is er een correctie voor economische groei die ten koste gaat van het milieukapitaal dat aan toekomstige generaties wordt doorgegeven. De ISEW trekt die depreciatie van het natuurlijk kapitaal af. Tussen 1990 en 2011 daalt de ISEW per capita met 7%. Dat betekent dat de reële economische groei van het bbp in die periode minder duurzaam was. Dat was vooral het geval na 2000. De financieel-economische crisis heeft een belangrijke impact gehad op onze economische structuur. Het potentiële bbp werd aangetast. Dat is het bbp dat gerealiseerd wordt met een normale inzet van de productiefactoren arbeid en kapitaal (als er druk uitgeoefend zou worden om toch meer te produceren, zou dat tot spanningen leiden, bijvoorbeeld inflatie). Een ernstige crisis heeft veelal als gevolg dat de werkloosheid toeneemt, wat deels ook het verdwijnen van competentie met zich meebrengt en een toename van de overheidsschuld. Vroeg of laat zal dat resulteren in hogere belastingen, wat druk uitoefent op de lonen, en zo de koopkracht aantast, met nadelige gevolgen voor de productie en de vraag naar investeringsgoederen om te kunnen produceren. In economisch slechte tijden worden de investeringen beperkt. Uitbreiding of vervanging van de noodzakelijke publieke en private infrastructuur komt daardoor in het gedrang. In crisistijden wordt lenen overigens moeilijker, wat een nadelige invloed uitoefent op de aankoop van kapitaalgoederen. Het hogere aantal faillissementen heeft een rechtstreekse kapitaalvernietiging tot gevolg en ten slotte wordt de technologische vooruitgang gehinderd doordat de vooruitzichten om te investeren in O&O minder rooskleurig zijn en er minder (risico)kapitaal ter beschikking is. Al die elementen hebben een neerwaartse invloed op het potentiële bbp.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Een en ander hypothekeert ook de economische groei voor de komende jaren. Gemiddeld voor 20102020 zou de Vlaamse reële groei 1,5% bedragen (tabel 1). Opvallend is dat sinds het nieuwe millennium de groeivoeten van de Belgische gewesten sterk convergeren. Naar hoofdsector blijkt dat de tertiaire sector tegen 2020 zijn aandeel kan vergroten in de bruto toegevoegde waarde ten nadele van de overige hoofdsectoren (tabel 2). Voor de werkgelegenheid zijn de tertiaire én quartaire sectoren groeiers in tegenstelling tot de primaire en secundaire sectoren (zowel in absolute aantallen als relatief). Ondernemerschap is cruciaal voor de realisatie van groei. De zwakke conjunctuur als gevolg van de eurocrisis maakt dat de nettogroeiratio en de turbulentie van bedrijven iets terugliepen in 2012. Ook het aantal zelfstandigen lag vanaf 2009 en later telkens iets lager (9,2% in 2011). Er zijn ook positieve signalen: de houding tegenover het ondernemerschap verbetert, de overlevingsgraad doet het in 2011 iets beter en het aandeel gazellen onder de middelgrote ondernemingen neemt weer toe (5,6% in 2011; 4,1% in 2010). Het merendeel van het aantal Vlaamse bedrijfsvestigingen zijn kmo’s. De Vlaamse bedrijfsvestigingen van minder dan 50 werknemers zijn in totaal goed voor 43% van de bezoldigde tewerkstelling op 31 december 2011. Als die grens opgetrokken wordt tot minder dan 250 werknemers, is dat al 75%. Kmo’s zijn dus een belangrijke werkverschaffer en dat aandeel neemt nog toe.
02 / ECONOMISCH-INNOVATIEVE ONTWIKKELINGEN
These 1: Onze productiviteitsgroei zal meer dan ooit gedragen worden door investeringen in O&O.
Productiviteit is belangrijk voor de economie. Samen met een toename van de werkgelegenheid is het de motor van de economische groei. De financieel-economische crisis heeft het potentiële bbp aangetast. Daarom zal de Vlaamse productiviteitsgroei tussen 2014 en 2020 eerder laag zijn. Op lange termijn draagt een toename van de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling (O&O), zowel door de publieke als door de private sector, bij tot een acceleratie van de productiviteitsgroei. Het veralgemeende gebruik van recente innovaties rond ICT zal positief doorwerken in de economie. We worden daar trouwens toe gestimuleerd door de ontwikkelingen in opkomende economieën.
1.1 Vaststellingen
Bedrijven zijn competitief als ze een duurzame groei in hun arbeidsproductiviteit kunnen verwezenlijken, in de toegevoegde waarde die gecreëerd wordt per werkende persoon. Arbeidsproductiviteit hangt af van de vaardigheden van de (werkende) beroepsbevolking, de technologische vooruitgang en de hoeveelheid geïnvesteerd kapitaal per arbeider. In het Vlaamse Gewest nam de arbeidsproductiviteit gedurende lange tijd toe, met een opmerkelijke terugval in de recente crisisjaren. De arbeidsproductiviteit is sinds 2010 weer gestegen, maar bereikt in 2012 (63.750 euro) het precrisisniveau nog altijd niet. Het Vlaamse Gewest doet het op dat vlak goed. Anno 2013 wordt de Vlaamse arbeidsproductiviteit immers geraamd op 73.700 euro KKP. Dat is internationaal gezien een hoog cijfer. De EU27 noteert een cijfer van 58.600 euro KKP. Onze drie buurlanden Duitsland (61.700 euro KKP), Frankrijk (67.200 euro KKP) en Nederland (63.800 euro KKP) scoren lager. Die goede score is te danken aan het feit dat bedrijven in Vlaanderen een relatief sterk kapitaalintensieve productiewijze hebben om de relatief hoge loonkosten te compenseren. De inbreng van relatief veel kapitaalgoederen per werknemer resulteert zo in een hoge arbeidsproductiviteit. De Vlaamse economie kenmerkt zich door relatief sterke productiviteitsontwikkelingen in de jaren 1980 vanwege een herstructurering van het economische weefsel (Vergeynst, 2008). Nadien zwakte dat af. Tabel 3 toont dat de productiviteitsgroei in de jaren 1980 en 1990 gemiddeld meer dan één procent per jaar bedroeg, met een uitschieter tussen 1984 en 1990 (+2,2%). Vanaf 2000 is dat niet meer het geval, behalve in de jaren van hoogconjunctuur 2006 en 2007. De EU27 laat wel een sterkere aanwas van de reële arbeidsproductiviteit zien in 2010-2013. De inzinking als gevolg van de recessie van 2009 was er trouwens minder sterk dan in het Vlaamse Gewest. Dat is een indicatie dat onze productiviteitsvoorsprong aan het afkalven is (andere landen maken een inhaalbeweging). Merk ook de relatief goede prestaties van Duitsland op, behalve tijdens de recessie.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
De bedreigde toppositie van Vlaanderen kan deels verklaard worden doordat Vlaanderen al sinds lange tijd een hoog productiviteitsniveau behaalt. Vertrekkend van dat hoge niveau is een sterke groei op het vlak van arbeidsproductiviteit moeilijker te verwezenlijken dan in landen die hun achterstand kunnen inhalen dankzij technologietransfers (Bogaert, Kegels, 2012). Het opdrijven van de kapitaalintensiteit biedt niet zoveel mogelijkheden meer omdat die al een heel hoog niveau heeft bereikt in Vlaanderen. Het blijven opdrijven van de productiviteit is echter belangrijk voor onze levensstandaard. Andere landen staan namelijk niet stil. We komen onder steeds zwaardere druk te staan door de toenemende concurrentie van opkomende economieën. Om competitief te kunnen blijven, moet de Vlaamse arbeidsproductiviteitsgroei gedreven worden door product-, proces- en organisatorische innovaties. Een belangrijke inputfactor zijn voldoende uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling (O&O).
Tabel 3.
Reële groei van de arbeidsproductiviteit in de Belgische gewesten, de EU27 en de buurlanden in 1981-2020, naar deelperiodes, in % Vlaams Gewest
Waals Gewest
Brussels Gewest
EU27
1981-83 (laagconjunctuur)
1,4
2,0
1,6
-
-
1,6
-
1984-90 (hoogconjunctuur)
2,2
1,9
1,8
-
-
2,2
-
1991-96 (laagconjunctuur)
1,3
1,8
1,7
-
-
1,1
-
1997-00 (hoogconjunctuur)
1,9
1,5
1,6
-
1,1
1,3
1,6
2001-05 (laagconjunctuur)
0,8
0,8
1,3
1,2
0,8
1,0
1,0
2006-07 (hoogconjunctuur)
1,6
1,0
1,6
1,5
2,4
1,2
1,5
2008-09 (recessie)
-2,1
-1,4
-1,2
-1,6
-2,7
-1,2
-1,3
2010-13 (gematigd herstel)
0,8
0,8
0,5
1,0
1,3
0,7
0,6
2014-20 (prognose)
0,9
0,8
0,8
-
-
-
-
Bron:
Eurostat, HERMREG, bewerkingen SVR
Duitsland Frankrijk Nederland
02 / ECONOMISCH-INNOVATIEVE ONTWIKKELINGEN
In Vlaanderen bedraagt de O&O-intensiteit, die de uitgaven voor O&O ten opzichte van het bbp weergeeft, 2,4% in 2011 (figuur 2). Tussen 2001 en 2006 daalde dat cijfer door een afname van de O&Ouitgaven door de bedrijven en een sterke groei van het bbp. Sinds 2006 neemt de O&O-intensiteit in Vlaanderen opnieuw onafgebroken toe. De uitgaven voor O&O in Vlaanderen zijn geconcentreerd bij enkele grote bedrijven in de chemische nijverheid en in de farmaceutische industrie. Zowel in 2010 als 2011 waren de top 50 O&O-actieve bedrijven samen verantwoordelijk voor 60% van de totale O&O-uitgaven in Vlaanderen (ECOOM, 2013). In Vlaanderen bedroeg het aandeel werkenden in innovatieve sectoren ten opzichte van het totale aantal werkenden 9,4% in 2012. De voorbije jaren is er eerder sprake van een lichte daling. Dat is ook in andere landen het geval door de tanende tewerkstelling in de industrie (alle categorieën). O&O-personeel is vooral te vinden in grote buitenlandse ondernemingen (56%) en veel minder in kleine (16%) en middelgrote ondernemingen (28%). O&O-inspanningen en -tewerkstelling in sectoren met een hoog O&O-gehalte resulteren nog niet noodzakelijk in de productie van HT-goederen. De huidige onderzoekscapaciteit en – activiteit worden in Vlaanderen – zoals onder meer blijkt uit de patentaanvragen - nog onvoldoende vertaald in concrete marktintroductie van een product of dienst (rapport Soete, april 2012, Toekomstverkenning VRWI 2025). In 2012 bestond maar 6,1% van de goederenuitvoer uit hoogtechnologische goederen.
Figuur 2. O&O-intensiteit in Vlaanderen, van 1993 tot 2011, in %
Bron:
EWI, ECOOM, 3%-nota 2013
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
1.2 Vooruitzichten
Ondanks de toename van de O&O-intensiteit in de recente jaren bedraagt dat cijfer nog geen 3%, wat het vooropgestelde doel is tegen het jaar 2020, zoals opgenomen in het Pact 2020. In 2011 bedragen de totale O&O-uitgaven in Vlaanderen 5,1 miljard euro. Als we de 3%-norm willen behalen, moet dat cijfer opgetrokken worden tot 6,8 miljard euro in 2014, tot 7,2 miljard euro in 2016 en 7,8 miljard euro in 2018. Daarvan zou telkens een derde gefinancierd moeten worden door de publieke sector. In 2011 wordt 0,70% van de totale O&O-uitgaven (of 1,5 miljard euro) gefinancierd door de publieke sector. Dat betekent dat de publieke uitgaven voor O&O in Vlaanderen zouden moeten toenemen tot 2,3 miljard euro in 2014, tot 2,4 miljard euro in 2016 en 2,6 miljard euro in 2018. Een toename van de uitgaven voor O&O op zich is niet voldoende om effectief toegevoegde waarde te creëren en voldoende economische groei te bewerkstelligen. Een toename van de O&O-intensiteit moet immers gepaard gaan met ondernemerschap, zodat de nieuwe producten, diensten en processen die voortvloeien uit de innovatie, effectief omgezet kunnen worden in toegevoegde waarde. Zo kan meer werkgelegenheid gecreëerd worden en zal de economische groei toenemen zodat de levensstandaard van de Vlaming op een hoog niveau blijft en verder kan groeien. De houding van de Vlaamse bevolking ten aanzien van ondernemerschap is sedert het uitbreken van de economische moeilijkheden in 2009 verbeterd (bron: GEM). In 2012 vinden twee op de drie Vlamingen dat ondernemerschap een wenselijke carrièrekeuze is. Verschillende opkomende handelsblokken leveren ook inspanningen om het productiviteitsniveau van hun economie op te krikken. Landen als China voeren een beleid om hun productiestructuur aan te passen zodat ze een trap hoger komen te staan in de waardeketen. Ze willen goederen en diensten voortbrengen die ze tegen een hogere toegevoegde waarde kunnen verkopen. De Chinese export bestaat immers niet meer louter uit finale goederen, maar ook uit onderdelen die elders gebruikt worden en uit hoogwaardige producten die de hele fabricagecyclus in China zelf doorlopen hebben (OECD, 2012; 78-79). China is de tweede belangrijkste economie geworden op het vlak van absolute O&O-uitgaven (na de VS). Figuur 3 toont dat de Chinese O&O-bestedingen ook relatief ten opzichte van het bbp toenemen. Dat onderstreept de noodzaak van verdere innovatie-inspanningen in de EU27 en in Vlaanderen in het bijzonder. Er rijst bij sommige wetenschappers twijfel of innovatie nog wel kan zorgen voor een economische opleving zoals talloze uitvindingen dat in de 20ste eeuw gedaan hebben. Het tempo van technologische vernieuwing zou volgens de ‘vooruitgangspessimisten’ stagneren omdat de belangrijkste verbeteringen die bijdragen tot het comfort van burgers en efficiëntere processen, al gerealiseerd zijn (verplaatsingsmogelijkheden, telecommunicatie, beheersing van krachtbronnen, comfortniveau van woningen …). Ook duurt het steeds langer voor de resultaten van onderzoek terug te vinden zijn in concrete producten of processen. Historisch blijkt dat er dikwijls decennia overgaan voor de baten van nieuwe uitvindingen zichtbaar worden in een economie (voorbeeld integratie van elektrische stroom en apparaten). Dat dwingt tot enig ‘vooruitgangsoptimisme’, vooral omdat de economische ontwikkeling in opkomende landen mee een boost kan geven aan toepassingen van innovatie en aan innovatie zelf (The Economist, 2013).
02 / ECONOMISCH-INNOVATIEVE ONTWIKKELINGEN
Figuur 3. O&O-bestedingen ten opzichte van het bbp, Vlaams Gewest en China, 1996-2011, in %
Bron:
Wereldbank en ECOOM
Het Federaal Planbureau raamt dat de Belgische potentiële bbp-groei voor 2012-2017 gemiddeld 1,4% zou bedragen. Dat verklaart waarom ook de Vlaamse productiviteitsgroei tussen 2014 en 2020 eerder laag is (+0,9% jaarlijks, zie tabel 3). De Studiecommissie voor de Vergrijzing (SCvV) is voorzichtig optimistisch op langere termijn. Ze neemt aan dat de productiviteitsgroei zich geleidelijk aan zal herstellen tot een referentieniveau van +1,5% per jaar in 2030 en verder. De SCvV verwijst daarvoor naar langetermijngemiddelden sedert 1980 en naar andere instanties die met de gevolgen van de vergrijzing bezig zijn (SCvV, 2012, 22). In elk geval zal er de komende jaren een economische groei zijn in Vlaanderen, in het bijzonder in de tertiaire en quartaire sectoren. Dankzij de toepassing van ICT zijn er nog productiviteitswinsten mogelijk. Ook de symbiose van verschillende disciplines en de toepassing ervan om maatschappelijke uitdagingen aan te gaan, is hoopgevend voor de creatie van meerwaarde.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
These 2: De wereldhandel groeit sterk. Azië wordt de belangrijkste speler en dat opent perspectieven. De buitenlandse handel zit in de lift. De posities van Azië en de EU in de internationale handel zullen verwisselen, waarbij de EU niet langer de belangrijkste wereldexporteur zal zijn. Het belang van de EU15 in de Vlaamse export neemt geleidelijk af. Dat gaat ten voordele van de opkomende handelsblokken. Niet alleen de BRIC-landen maken stilaan opgang, maar ook de N11 en daarbinnen de MIST. Het ziet ernaar uit dat die tendens zich zal voortzetten in de toekomst. Dat biedt nieuwe opportuniteiten voor de export en de logistieke sector.
2.1 Vaststellingen
Tussen 1995 en 2011 groeide de wereldexport van goederen en diensten in werkelijke prijzen met 8,2% per jaar. Voor het bbp is het overeenkomstige groeicijfer 5,4%. Vooral in het eerste decennium van de 21ste eeuw breide de internationale handel uit (+9,5% tussen 2005 en 2011). De buitenlandse handel van de ontwikkelingseconomieën vertoonde de sterkste groei (+12,6% tussen 2005 en 2011; voor de Aziatische landen uit die groep is het groeicijfer +13,2%). Voor de ontwikkelde economieën is dat +7,3%. De globalisering neemt toe. Diverse processen van de productieketen worden op diverse locaties uitgevoerd. Zo bestaat twee derde van de Europese import uit grondstoffen en intermediaire goederen die dan verwerkt worden tot een eindproduct voor de (export)markt (De Gucht, K., 2012). Figuur 4 laat zien dat de ontwikkelde economieën steeds minder de belangrijkste speler worden in de internationale handel.
02 / ECONOMISCH-INNOVATIEVE ONTWIKKELINGEN
Figuur 4. Export van goederen en diensten naar welvaartsblok, 1995-2011, in miljoen dollar
Bron: UNCTAD
Welke impact heeft dat alles op de Vlaamse uitvoer? We geven eerst nog wat informatie over de verhouding tussen goederen en diensten in de buitenlandse handel (momenteel zijn daarover alleen Belgische cijfers beschikbaar; een gezamenlijk project van de gewesten en de NBB zal daar in de toekomst verandering in brengen). In 2012 exporteert België wereldwijd voor 75,7 miljard euro aan diensten. Dat is 6,6 miljard euro meer (+9,6%) dan in 2011. De invoer van diensten in België komt datzelfde jaar uit op 71,0 miljard euro, een toename met 6,1 miljard euro (+9,4%) tegenover 2011. De dienstenbalans blijft in 2012 aldus voor 4,7 miljard euro in surplus, wat nog ruim een half miljard euro hoger is dan in 2011. In 2012 maken diensten 23,9% uit van de Belgische totaaluitvoer, terwijl 76,1% ervan voor rekening komt van goederen. Bij de invoer ligt de verhouding niet veel anders: 77,8% voor goederen en 22,2% voor diensten. In 2007 lag bij de export het overwicht nóg nadrukkelijker bij goederen (79,9%) dan bij diensten (20,1%). Aan de importzijde verhielden goederen en diensten zich als volgt: 81,2% voor goederen en 18,8% voor diensten. De Vlaamse export is naar verhouding sterk gefocust op de EU15-kernlanden (tabel 4). Dat komt in belangrijke mate door de ligging te midden van grote, welvarende economieën. In 2012 gaat 63,7% van de Vlaamse uitvoer naar de EU15. Dat is meer dan in onze drie buurlanden. Het gaat wel om de export van het eigen land naar landen daarbuiten. Voor grote landen als Duitsland en Frankrijk is het eigen land dus niet meegeteld in de uitvoer naar de EU15. Daardoor alleen al zal het aandeel van de EU15 voor Duitsland en Frankrijk geringer zijn dan voor kleinere landen.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Tabel 4. Structuur van de goederenexport van het Vlaamse Gewest, de drie buurlanden en de EU15 in 2002 en 2012 (in %)3 Vlaams Gewest
drie buurlanden
EU15
2002
2012
2002
2012
2002
2012
EU15
71,2
63,7
60,0
54,3
60,8
53,7
EU12
2,6
4,2
6,3
8,4
5,4
7,4
VS
8,5
5,9
8,7
6,3
9,4
7,0
Japan
1,1
1,2
1,7
1,4
1,6
1,3
BRIC
3,9
7,6
3,9
8,8
3,6
7,7
Aziatische Tijgers
1,7
1,9
2,6
3,0
2,5
2,9
ASEAN
0,9
1,2
1,6
2,2
1,5
2,0
N11
2,2
3,7
3,6
4,5
3,4
4,6
MIST
1,5
2,4
2,5
3,5
2,3
3,4
landen / handelsblokken3
Bron:
INR, UNCTAD, bewerking SVR
In tien jaar tijd neemt het belang van de EU15 in de Vlaamse export echter af met 7,5 procentpunt. Dat gaat ten voordele van de opkomende handelsblokken. Vooral de BRIC-landen maken stilaan opgang (+3,7 procentpunt). De positie van China daarin is opvallend. In 1995 was dat land goed voor 2,3% van de totale werelduitvoer; in 2011 is dat al opgelopen tot 9,3%. Dat gaat hand in hand met de toegenomen globale welvaart in China. In 1995 was het bbp per inwoner er circa 90 à 95% lager dan gemiddeld in de rijkste helft van de OESO-landen; in 2010 is dat al teruggelopen tot 80% lager dan het bovenvermelde gemiddelde. De scholingsgraad stijgt er en de uitgaven voor gezondheidszorg nemen toe. Toch komt een groot deel van de toegenomen welvaart in handen van een kleine groep terecht. De ginicoëfficiënt bedraagt omstreeks 2008 iets meer dan 0,4, terwijl die nog iets meer dan 0,3 bedroeg in het begin van de jaren 1990 (OECD, 2012, 18)4.
3
BRIC: Brazilië, Rusland, India en China. Aziatische Tijgers: Singapore, Zuid-Korea, HongKong en Taiwan. ASEAN: Vietnam, Laos, Cambodja, Brunei, Filipijnen, Indonesië, Maleisië, Myanmar, Thailand en Singapore. N11: Bangladesh, Egypte, Indonesië, Iran, Mexico, Nigeria, Pakistan, Filipijnen, Zuid-Korea, Turkije en Vietnam. MIST: Mexico, Indonesië, Zuid-Korea en Turkije.
4
De ginicoëfficiënt is een maat voor de inkomensongelijkheid en schommelt tussen 0 (perfecte inkomensgelijkheid) en 1 (volstrekte inkomensongelijkheid).
02 / ECONOMISCH-INNOVATIEVE ONTWIKKELINGEN
De Chinese overheid is zich bewust van de groeiende sociale problemen en wil de groeiende inkomensongelijkheid aanpakken. Dat kan immers een rem betekenen op de private consumptie en op de verdere (harmonieuze) ontwikkeling van China. De recente afkoeling van de Chinese conjunctuur gaat gepaard met een terugloop van zowel de uitvoer als de invoer. Ook de productstructuur van de export is van belang. In tabel 5 worden de uitgevoerde goederen ingedeeld volgens factorintensiteit, dat wil zeggen de voornaamste productiefactor, gebruikt voor de vervaardiging ervan. Verder worden in deze tabel twee maten voor comparatieve voordelen weergegeven5. De normalized comparative advantage (NRCA) vergelijkt de uitvoer van een product met de totale uitvoer. Een positieve waarde duidt op een comparatief voordeel en vice versa voor negatieve waarden. De Lafayindex vergelijkt het handelssaldo voor een bepaald product met het totale handelssaldo, waarbij de nulwaarde een neutrale positie aanduidt. In vergelijking met de drie buurlanden en de EU15 specialiseert het Vlaamse Gewest zich vooral in gemakkelijk nabootsbare en onderzoeksintensieve goederen. Dat komt door het belang van chemische en farmaceutische producten in de Vlaamse economie. Voor het moeilijk nabootsbare gedeelte is de situatie andersom. Die categorie omvat voornamelijk elektrische apparaten, gespecialiseerde machines en fijnmazige apparatuur. Door het gesofisticeerde karakter van die producten zouden ze moeilijker imiteerbaar zijn, waardoor een land dat ze produceert (en uitvoert), dergelijke producten tegen een hogere toegevoegde waarde kan verkopen. Voorts heeft het Vlaamse Gewest troeven in arbeidsintensieve goederen (diamant, kunststofproducten) en in kapitaalsintensieve producten (voertuigen)6. De BRIC-landen waren in 2010 niet meer gespecialiseerd in goederen die intensief gebruikmaken van basismaterialen (wel nog in 2002). Het voordeel voor de BRIC-landen ligt vooral in arbeidsintensieve goederen. Merk in tabel 5 op dat de BRIC-landen een (licht) comparatief voordeel hebben in moeilijk nabootsbare en onderzoeksintensieve goederen volgens de NRCA, maar niet volgens de Lafay-index. Dat wil dus zeggen dat naast de uitvoerstromen ook de import van die goederen (of onderdelen ervan) belangrijk is. Dat is een indicatie dat de assemblage van dergelijke producten daar plaatsvindt (OECD, 2012, 76).
5
Een land heeft een comparatief voordeel in de productie van een goed als het dat goed relatief goedkoper kan produceren dan andere landen. Het is mogelijk dat een land in absolute cijfers alle goederen minder goedkoop kan produceren. Het goed waarvoor dat het minst het geval is, houdt een comparatief voordeel in voor dat land. Voor meer info, zie Vergeynst, 2012, 97-98.
6
Er geldt enig voorbehoud bij de indeling naar factorintensiteit: opdat ze resulteren in toegevoegde waarde, moeten ze eerst verkocht worden, dus er moet vraag naar zijn. Voorts kan een land eerder assembleur zijn van onderzoeksintensieve goederen, terwijl ze elders ontworpen zijn.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
totaal goederen
niet geklasseerd
moeilijk nabootsbaar onderzoeksintensief
gemakkelijk nabootsbaar onderzoeksintensief
kapitaal
arbeid
landen / handelsblokken
basismaterialen
Tabel 5. Comparatieve voordelen van de buitenlandse handel naar productindeling volgens factorintensiteit, Vlaams Gewest, de drie buurlanden en de EU15, 2010
Vlaams Gewest NRCA
-16,2
11,1
8,2
31,3
-32,6
-1,8
0,0
Lafay
-3,77
1,77
0,81
1,34
-0,18
0,03
0,00
NRCA
-154,8
-23,1
90,4
45,9
50,8
-9,3
0,0
Lafay
-4,46
-0,92
2,71
0,00
2,65
0,02
0,00
NRCA
-282,2
41,7
150,0
106,2
2,9
-18,6
0,0
Lafay
-4,58
0,02
1,65
0,58
2,31
0,01
0,00
NRCA
-53,3
139,2
-97,5
19,8
6,9
-15,2
0,0
Lafay
-3,46
7,31
-0,99
1,22
-3,28
-0,81
0,00
drie buurlanden
EU15
BRIC
Bron:
INR, UNCTAD, bewerkingen SVR
De export van een land is afkomstig van de eigen productie of van ingevoerde goederen of onderdelen die tot een nieuw product samengesteld worden en vervolgens uitgevoerd worden. Bij de beoordeling van de toegevoegde waarde die de export genereert, is het daarom belangrijk om de waardeketen in het oog te houden (UNECE, 2013). In kleine, open economieën zijn intermediaire producten uit het buitenland belangrijk bij de vervaardiging van exportgoederen. Zo was in België in 2009 68% van de bruto toegevoegde waarde, gegenereerd door de export, afkomstig uit het binnenland. Dat ligt in de buurt van Nederland (66,1%), maar in Duitsland (74,6%) en Frankrijk (74,3%) is de binnenlandse productie belangrijker voor de welvaartscreatie door export. Opmerkelijk is dat die indicator in België steeg tussen 2005 en 2009, terwijl die daalde in Nederland en constant bleef in Duitsland en Frankrijk. China heeft anno 2009 een aandeel van de binnenlandse productie van 71,5% in de bruto toegevoegde waarde van de export. In 2005 bedroeg dat 63,9%, wat wil zeggen dat China hogerop klimt in de toegevoegde waardeketen.
02 / ECONOMISCH-INNOVATIEVE ONTWIKKELINGEN
2.2 Vooruitzichten
De Europese Commissie verwacht dat het handelsvolume in 2025 verdubbelt ten opzichte van 2005. De posities van Azië en de EU zouden verwisselen, waarbij de EU niet langer de belangrijkste wereldexporteur zal zijn (European Commission, 2009, 10). De Vlaamse export zal geleidelijk meer georiënteerd worden van de EU15-markt naar de nieuwe groeieconomiën, maar de EU15-kernlanden blijven nog altijd belangrijk. De intra-Aziatische handel neemt een steeds belangrijker plaats in de wereldeconomie in doordat die landen onderling steeds meer toeleveranciers van grondstoffen en halffabricaten zijn en afnemer van eindproducten. Lokale bedrijven en ondernemers zullen steeds meer ervaren dat die groeiregio van groter belang wordt in het realiseren van hun omzet. Een mogelijk ander gevolg is dat de westerse landen meer dan vandaag aangewezen zullen zijn op eigen productie om aan de behoeften te voldoen. Een andere factor die dat kan bespoedigen, is de evolutie van de transportkosten. De uitbreiding van de vervoerscapaciteit zorgde er tot nu toe voor dat de transportkosten een relatief gering deel uitmaakten van de prijs van een ingevoerd product in westerse landen. Maar de stijgende evolutie van de energieprijzen kan daar verandering in brengen (zie ook stelling 4). Daarbij is niet alleen China van belang. Voor de toekomst verwachten analisten dat andere groeilanden met hogere groeicijfers zullen uitpakken7, met name de N11 en daarbinnen vooral de MIST. Tussen 2002 en 2012 nam het aandeel van die handelsblokken in de Vlaamse uitvoer alvast toe met 1,5 en 0,9 procentpunt.
7
Onder anderen Jim O’Neill van Goldman Sachs.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
These 3: De instandhouding van de welvaart is een uitdaging na de economische en financiële crisis en voor de komende vergrijzingsgolf. De welvaart is in de wereld ongelijk verdeeld. Sterker dan de ongelijkheid binnen landen is de wereldwijde ongelijkheid tussen landen.vvz De uitdagingen voor de westerse overheden én voor de Vlaamse overheid om een welvaartsstaat uit te bouwen en te onderhouden worden groter. Dat komt door de financieel-economische crisis, de moeilijkheden met de overheidsfinanciën in heel wat westerse landen en de verwachte meerkosten als gevolg van de vergrijzing. De Vlaamse overheidsfinanciën zijn echter structureel gezond.
3.1 Vaststellingen
Vlaanderen is een rijke regio. Het beschikbare inkomen bedroeg in 2009 17.600 euro koopkrachtpariteit, gebaseerd op de finale consumptie (KKPFC). Dat is hoog. Van de EU-landen doen alleen Luxemburg, Oostenrijk en Duitsland het beter (figuur 5). De laagste inkomens per inwoner vinden we terug in de nieuwe EU-lidstaten. Het primaire inkomen (uit arbeid en kapitaal) is in het Vlaamse Gewest circa 28% hoger dan het finale beschikbare inkomen. De belastingen romen circa 23% af, het saldo van sociale uitkeringen min bijdragen en de andere inkomensoverdrachten (boeten, winst bij kansspelen …) zijn kleinere minposten. In Nederland en de Scandinavische landen is het primaire inkomen ook vrij hoog, net als in Vlaanderen. In de Scandinavische landen zijn de belastingen een belangrijker minpost dan in het Vlaamse Gewest; in Nederland zijn dat de netto sociale bijdragen.
02 / ECONOMISCH-INNOVATIEVE ONTWIKKELINGEN
Figuur 5. Beschikbaar inkomen per inwoner, landen van de EU*, 2009, in euro koopkrachtpariteit, gebaseerd op de finale consumptie
Bron:
Eurostat; bewerkingen SVR
Meer algemeen is de welvaart in de wereld ongelijk verdeeld. De meerderheid van de armen leeft nu in middeninkomenslanden, ondanks de spectaculaire economische groei van die landen.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Bovendien neemt de ongelijkheid binnen de landen toe. De herverdeling van inkomens binnen landen is de afgelopen jaren achteruitgegaan, met als resultaat meer ongelijke samenlevingen. Ongelijkheid is de grootste sociale, economische en politieke uitdaging van deze tijd: ongelijkheid vertaalt zich onder meer in een achteruitgang in sociale relaties, de gezondheidsresultaten, de fysieke veiligheid en het menselijk kapitaal. De negatieve impact van ongelijkheid treft zowel de rijke als de arme segmenten van de samenleving.8 Zie hierover meer in het hoofdstuk over maatschappelijke ontwikkelingen (these 2).
Omstreeks 2008 brak wereldwijd een financiële crisis uit die de welvaartsgroei onder druk zette. De liberalisering van het financiële systeem en een goedkope geldpolitiek van de centrale banken maakten dat de kredietverlening te snel en te oncontroleerbaar gegroeid was in de voorafgaande jaren. In enkele landen ging dat gepaard met een vastgoedboom. Dat kon niet blijven duren en bij tekenen van een verzwakkende conjunctuur in 2008 ontstonden al snel betalingsmoeilijkheden. Doordat leningen in financiële constructies verpakt en doorverkocht werden aan institutionele beleggers (onder andere banken), was er sprake van een financiële crisis. De overheden van voornamelijk westerse landen kwamen onder druk te staan om te interveniëren in het financiële systeem. Dat kostte handenvol geld waardoor de overheidsschulden en de begrotingstekorten opliepen.
8
Income inequality, especially at excessive levels, has several implications that undermine growth: • it weakens the social contract that underpins social cohesion and political stability in a country - for example high income inequality is associated with higher crime rates, lower life expectancy and conflict. • perpetuates problems of accountability in government institutions, reducing the likelihood that economic and social policies will be developed and implemented to deliver inclusive growth and human development. For example, richer groups may secure economically-inefficient advantages (e.g. regressive taxes or an allocation of public funds for their interest rather than that of the country). • it deepens macroeconomic instability as low-income households are less able to adjust to economic shocks (ILO, 2008).
02 / ECONOMISCH-INNOVATIEVE ONTWIKKELINGEN
Een economische crisis stak de kop op vanwege een algemeen gebrek aan vertrouwen en dat zorgde voor extra druk op de overheden (uitgaven voor werkloosheidsvergoedingen, minder fiscale inkomsten …). In een volgende fase (beginnend omstreeks 2010) brak de eurocrisis uit. Het gebrek aan een convergerend economisch beleid bleek een pijnpunt voor de eurozone. De Europese Centrale Bank is immers verantwoordelijk voor de richtinggevende beleidsrentevoeten voor de eurozone als geheel, en hield de rente relatief laag. Maar de perifere landen maakten een sterkere economische groei door dan landen uit de kern (voornamelijk Duitsland). Die groei konden ze financieren met relatief goedkoop geld, wat de private (Ierland, Spanje) of publieke uitgaven (Griekenland) extra stimuleerde. Het uitbreken van de financieeleconomische crisis (overheidsinterventies) bracht die zwakheden aan het licht. Het gevolg was een verlies van vertrouwen in de capaciteit van de overheden van perifere landen om hun schuldverplichtingen na te komen. Dat uitte zich in oplopende rentevoeten, wat de situatie nog verergerde. Het betrof voornamelijk de zogenaamde PIIGS-landen (Portugal, Ierland, Italië, Griekenland en Spanje). Interventies van supranationale instanties bleven niet uit, maar die gaan gepaard met vereiste bezuinigingen: de PIIGS-landen gaan door een economisch moeilijke periode. De welvaartskloof met de overige EU-landen vergrootte daardoor (zie ook Maatschappelijke ontwikkelingen, these 2). De financieel-economische crisis laat ook sporen na in de Belgische overheidsfinanciën. Het vorderingensaldo van de overheid bedraagt 3,7% van het bbp in 2011 (Federaal Planbureau, 2012) en daalt tot 2,6% in 2012. De moeilijke economische situatie zou het tekort opnieuw doen oplopen tot 2,8% in 2013, waardoor niet meer voldaan is aan de norm van het Stabiliteitsprogramma (2,15%). Tegen 2017 zou het tekort 2,5% van het bbp bedragen (HERMREG). Opnieuw is dat niet in lijn met het oogmerk van een nulsaldo tegen 2015, zoals gestipuleerd in het Stabiliteitsprogramma. De begroting van de gezamenlijke entiteit van de gewesten en de gemeenschappen is met -0,2% van het bbp licht deficitair in 2011, 2012 en 2013. In de veronderstelling dat ze een voorzichtig begrotingsbeleid blijven voeren en zonder wijzigingen in de financieringsmechanismen, zou dat tegen 2017 resulteren in een overschot van +0,2% van het bbp (HERMREG). Het vorderingensaldo van de Vlaamse Gemeenschap is in 2011 in tegenstelling tot in de andere deelstaten wel positief en bedraagt +0,1% van het Vlaamse bbp. De totale Belgische overheidsschuld ten slotte bedraagt 97,9% in 2011 en zou na een aanvankelijke lichte klim afnemen tot 94,2% van het bbp in 2017 (HERMREG). Vlaanderen erft bij de verschillende bevoegdheidsoverdrachten bijna geen historische schuld en voert op dat vlak een streng begrotingsbeleid. Anno 2013 bedraagt de brutoschuld 3,5% van het Vlaamse bbp.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
3.2 Vooruitzichten
Op de Raad van 7-8 februari 2013 kwamen de Europese regeringsleiders tot een overeenstemming over de EU-meerjarenbegroting voor de periode 2014-2020. In reële termen daalt het EU-budget voor de periode 2014-2020 met 3,6% ten opzichte van 2007-2013. Vooral op het landbouw- (-11,4%) en het cohesiebeleid (-8,4%) wordt bezuinigd. Maar de post rond innovatie en groei vermeerdert met 38,5%. Schoors en Peersman (2012) wijzen erop dat er nog een nieuwe crisis voor de deur staat: de vergrijzing. De ingrepen om de banken te ondersteunen, de gevolgen van de economische inzinking op te vangen en de overheidsfinanciën de baas te kunnen, zullen stilaan gevolgd worden door meeruitgaven die te maken hebben met de bevolkingsveroudering. Volgens de Studiecommissie voor de Vergrijzing (SCvV) zouden de totale kosten van de vergrijzing evolueren van 25,8% van het bbp in 2012 over 26,6% in 2018 tot 29,1% in 2030 (Belgische gegevens, tabel 6). De uitgaven voor pensioenen zijn de sterkste stijger: +0,8 procentpunt of ppt tussen 2012 en 2018 en +3,4 ppt tussen 2012 en 2030.
Tabel 6.
Componenten van de budgettaire kosten van de vergrijzing, in België, in % van het bbp 2012
2018
2030
pensioenen
10,2
11,0
13,6
gezondheidszorg
8,1
8,3
9,0
werkloosheid
2,0
1,8
1,3
overige sociale uitgaven*
5,5
5,5
5,3
totaal
25,8
26,6
29,1
grotendeels uitgaven voor werkloosheid met bedrijfstoeslag (het vroegere brugpensioen), arbeidsongeschiktheid en kinderbijslag. Bron: SCvV *
02 / ECONOMISCH-INNOVATIEVE ONTWIKKELINGEN
These 4: Het tijdperk van goedkope energie en grondstoffen is voorbij.
Energiebronnen en grondstoffen zijn een essentiële input voor het productieproces. De prijzen voor energie en grondstoffen zullen in de toekomst op een hoog niveau blijven, zeker in nominale termen. Er is onzekerheid over de prijsevolutie vanwege een star aanbod en een toenemende vraag van groeilanden enerzijds en een milderend effect van energie-efficiëntie en verschuiving in de economische structuur anderzijds.
4.1 Vaststellingen
Een sterke stijging van de energie- of grondstoffenprijzen kan een impact hebben op de groei van onze economie. Dat bleek duidelijk tijdens de oliecrisis van de jaren 1970. De prijzen van grondstoffen en energieproducten zijn bij uitstek volatiel op korte termijn. Dat komt doordat het aanbod nogal star is: de productie kan niet ogenblikkelijk aangepast worden aan een bepaalde vraag en er zijn factoren van geopolitieke en klimatologische aard die een rol kunnen spelen. Bij onderzoek naar het langetermijngedrag van de prijzen zijn schommelingen zo groot dat ze de onderkenning van een trend dikwijls bemoeilijken (Baffes, J. & Haniotis, T., 2010). Een ander kenmerk is dat de prijzen van bepaalde grondstofsoorten (voedingsgewassen, energieproducten) met elkaar in verband staan. Dat valt te verklaren door substitutiemogelijkheden. Concreet voor Vlaanderen en België vervijfvoudigde de prijs van energiegrondstoffen, zoals aardolieproducten en steenkool, tussen 1996 en 2012 (in werkelijke prijzen); voor industriële grondstoffen (non-ferro, ijzererts, plantaardige stoffen) is dat een verdubbeling. Het is weinig waarschijnlijk dat die prijzen in de toekomst weer zullen afnemen tot het niveau van de jaren 1990 (Hertveldt, B., Brouwers, J. & De Schrijver, J., 2009, 48). De prijshausse van 2006-2008 was vooral te verklaren door de aantrekkende economische groei in combinatie met geringe investeringen in extractie van grondstoffen (Baffes, J. & Haniotis, T., 2010). Er is onduidelijkheid of speculatie een rol speelde in de prijshausse. Hoewel fundamentele ontwikkelingen (toegenomen vraag onder invloed van een hoge economische activiteit) belangrijk blijven, was er ook vraag van investeringsfondsen die diversificatie in hun portefeuille nastreefden. Er was immers een vrij hoge hoeveelheid liquiditeiten te beleggen: door de lage interestpolitiek van vele centrale banken was de vraag naar traditionele spaartegoeden minder groot dan anders. De financieel-economische crisis zorgde voor een inzinking van de prijzen van de grondstoffen en van de energieproducten omstreeks 2009. Maar bij het aantrekken van de economische activiteit in 2010 en 2011 zaten de prijzen van die activa weer in de lift. De energievraag van de opkomende economieën is grotendeels verantwoordelijk daarvoor.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Figuur 6. Prijsindexcijfers van industriële en energiegrondstoffen in België, 1996-2012, indices (2010 = 100)
Bron:
NBB Belgostat
Het opvolgen van de prijsevolutie is belangrijk omdat de Belgische en de Vlaamse industrie energieintensief zijn. Ze zijn immers gespecialiseerd in industrietakken die relatief veel energie verbruiken, zoals de chemie-, de ijzer- en staalsector en de voedingssector. In 2012 bedroeg de energie-intensiteit van de Vlaamse economie 198 kilogram olie-equivalent (kgoe) per 1000 euro (kettingeuro’s met referentiejaar 2005). Samen met Finland staat Vlaanderen daarmee aan de top in de EU15. Er is weliswaar een dalende tendens van de energie-intensiteit (-13% ten opzichte van 1990) waar te nemen door zowel structurele effecten (verschuivingen van het belang van sectoren in Vlaanderen) als een toegenomen energie-efficiëntie (verminderd energiegebruik per eenheid product of dienst) (figuur 7).
02 / ECONOMISCH-INNOVATIEVE ONTWIKKELINGEN
Met uitzondering van 2010 is er sinds 2003 een ontkoppeling tussen de economische groei en het energiegebruik.
Figuur 7. Energie-intensiteit van de economie, Vlaams Gewest, 1990-2012 (indices, 1990 = 100)
Bron:
Energiebalans VITO, SVR
4.2 Vooruitzichten
Het Internationaal Energieagentschap (IEA) wijst op de twee grote determinanten van de energievraag: de groei van de wereldeconomie en de bevolkingsontwikkeling. De ontwikkelende economieën eisen daar een steeds grotere plaats op. De niet-OESO-landen zouden tegen 2035 verantwoordelijk zijn voor 70% van de economische groei. Nog volgens het IEA zou de wereldbevolking toenemen van 6,8 miljard in 2009 tot 8,6 miljard in 2035. Meer dan 90% van die toename zou zich afspelen in niet-OESOlanden9. Daarbij neemt ook de bevolking toe die woont in steden (van 3,4 miljard in 2009 tot 5,3 miljard in 2035). Dat is belangrijk omdat stedelingen doorgaans welvarender zijn en een betere toegang tot energie hebben, wat een extra vraagstimulans inhoudt. Het gevoerde (energie)beleid is daarbij belangrijk. Het IEA houdt rekening met drie scenario’s. Volgens het referentiescenario worden de recent aangekondigde energie- en klimaatplannen ten uitvoer gebracht. De prijsvooruitzichten van het IEA zijn gebaseerd op evenwichtsniveaus waarbij de vraag in overeenstemming
9
Let wel: onder de OESO-landen bevinden zich ook enkele snelgroeiende economieën zoals Mexico, Turkije en ZuidKorea (die behoren tot N11 en MIST).
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
is met het aanbod. De olieprijs zou aldus toenemen van 78,1 dollar per vat in 2010 tot 120 dollar in 2035. De prijzen voor aardgas zijn vrij sterk gelinkt aan de aardolieprijzen vanwege de langetermijncontracten en de concurrentie tot op zekere hoogte tussen aardgas en petroleum als energiebron. Volgens het IEA zou de Europese aardgasprijs toenemen van 7,5 MBtu in 2010 tot 12,1 MBtu in 2035. De prijzen voor steenkool zouden minder snel stijgen. De Wereldbank is minder pessimistisch over de prijsvooruitzichten. Voor een aantal belangrijke grondstofcategorieën voorziet ze geen verdere toename van de prijzen (in nominale prijzen en in dollar). In reële termen zijn die ontwikkelingen ‘milder’ (zie ‘prijzen van 2005’ in tabel 7). Dat kan verklaard worden door structurele verschuivingen in de richting van een diensteneconomie en een toegenomen energieefficiëntie. Daardoor ontstaat een ontkoppeling tussen gebruik en behoeften op basis van economische groei (energie-efficiëntie). Sedert een tiental jaren blijft het bruto binnenlands energieverbruik grosso modo constant. In de hypothese dat dit zo aanhoudt, zou dat betekenen dat de Vlaamse energie-intensiteit verder zou afnemen tot 195 kilogram olie-equivalent (kgoe) / 1000 euro in 2015 en tot 178 kgoe / 1000 euro in 2020. Voortbouwend op berekeningen van VMM en VITO in het kader van het TIMES-model (Van Wortswinkel, L. & Lodewijks, P., 2012) zou dat 5% lager kunnen liggen in 2020 in geval van extra beleidsdoelstellingen inzake CO-emissies.
Tabel 7. Prijsprognose voor een aantal belangrijke energie- en grondstofcategorieën, 2000, 2012, 2015, 2020 en 2025, in dollar in nominale prijzen
2000
2012
2015
2020
2025
ruwe aardolie ($ per vat)
28,2
105,0
102,1
101,2
101,5
Eur. aardgas ($ per mmbtu)
3,9
11,5
11,0
10,5
10,0
aluminium ($ per ton)
1.549
2.023
2.500
2.693
2.900
koper ($ per ton)
1.813
7.962
7.000
6.899
6.800
nikkel ($ per ton)
8.638
17.548
18.500
20.851
23.500
goud ($ per toz)
279
1.670
1.500
1.396
1.300
2000
2012
2015
2020
2025
ruwe aardolie ($ per vat)
31,6
87,1
79,8
72,4
66,3
Eur. aardgas ($ per mmbtu)
4,3
9,5
8,6
7,5
6,5
aluminium ($ per ton)
1.734
1.677
1.954
1.926
1.895
koper ($ per ton)
2.030
6.601
5.472
4.936
4.444
nikkel ($ per ton)
9.669
14.548
14.463
14.916
15.357
goud ($ per toz)
312
1.384
1.173
999
850
in prijzen van 2005
Bron: Wereldbank, januari 2013
02 / ECONOMISCH-INNOVATIEVE ONTWIKKELINGEN
De ontwikkeling van hernieuwbare energie is een stap in de richting van minder energieafhankelijkheid (zie these 2 bij Ecologische en ruimtelijke en ecologische ontwikkelingen). De ontwikkelingen rond de winning van schaliegas en -olie zijn belangrijk. Zo laten technologische ontwikkelingen toe dat in de VS nu 29% van de ruweolieproductie en 40% van de aardgaswinning van schaliewinning afkomstig zijn (European Environment Agency, 2013, 9-11). Rusland zou het meeste potentieel hebben voor schalieolie en China voor schaliegas. Die ontwikkelingen kunnen belangrijke gevolgen hebben voor de wereldwijde energiemarkt en de economische ontwikkeling. Zo verwacht het Internationaal Energieagentschap dat de VS tegen 2020 de grootste olieproducent zullen worden en tegen 2030 een netto-olie-uitvoerder. Toch heeft schaliewinning een belangrijke negatieve impact op het milieu (hydraulisch fractureren, of onder hoge druk grote hoeveelheden water, zand en chemicaliën in de bodem inspuiten opdat gesteenten zouden breken). Dat leidde ertoe dat bijvoorbeeld Frankrijk afziet van die technologie.
These 5: Minder aanbod aan arbeid betekent opportuniteit voor kansengroepen en meer aandacht voor een werkbare arbeidsmarkt. De beroepsbevolking neemt toe tot 2020, maar nadien neemt ze in aantal af. De toename van de activiteitsgraden weegt dan niet op tegen de afname van de demografische aantallen. De toenemende vraag naar arbeid (vanuit aanzwengelende economie) zal steeds meer arbeidskrachten vereisen. Dat betekent dat de werkloosheid zal afnemen. Dat biedt mogelijkheden voor de verdere inschakeling van kansengroepen, zoals allochtonen en arbeidsgehandicapten, op voorwaarde dat die doelgroepen de nodige aandacht krijgen en goed begeleid worden. Aandacht voor werkbaarheid en nieuwe werkvormen wordt nog belangrijker om werknemers aan de slag te houden.
5.1 Vaststellingen
De actieve bevolking is de bevolking die zich daadwerkelijk aanbiedt op de arbeidsmarkt, werkend of werkloos. Het gaat om de bevolking die in een regio woont, ongeacht waar ze werkt. Daarvoor worden activiteitsgraden10 per geslacht en per leeftijdsgroep toegepast op de bevolkingscijfers. Vooral bij vrouwen en bij de oudere leeftijdsgroepen is er nog ruimte voor een toename van de activiteitsgraden (zie tabel 8). De actieve bevolking vertegenwoordigt het arbeidsaanbod. Dat moet geconfronteerd worden met de arbeidsvraag vanuit de economie of de werkgelegenheid. Dat zijn de jobs die voorhanden zijn in
10
activiteitsgraad: de mate waarin de bevolking op beroepsactieve leeftijd actief is op de arbeidsmarkt, dat wil zeggen een job heeft of een job zoekt
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
een regio, ongeacht waar de arbeidskrachten vandaan komen. Essentieel daarbij is de ontwikkeling van de werkgelegenheidsgraden11. Ook die zijn de afgelopen twintig jaar toegenomen.
Tabel 8.
Activiteitsgraden bij mannen en vrouwen, Vlaams Gewest, 2000-2030 2000 EAK
2008 EAK
2015 prognose
2020 prognose
2025 prognose
2030 prognose
15-24 jaar
41,4
37,6
37,6
37,6
37,6
37,6
25-49 jaar
95,5
95,4
95,4
95,4
95,4
95,4
50-64 jaar
55,1
60,5
75,0
76,0
77,0
78,0
0,7
1
1
1
1
mannen
65+ jaar vrouwen 15-24 jaar
34,4
33,1
33,1
33,1
33,1
33,1
25-49 jaar
79,3
86,0
90,0
90,0
90,0
90,0
50-64 jaar
26,9
41,4
62,5
64,0
65,5
67,0
0,2
0,5
0,5
0,5
0,5
65+ jaar Bron:
Europese Arbeidskrachtenenquête (EAK), prognose SVR
5.2 Vooruitzichten
In Vergeynst (2010) worden drie scenario’s voorzien met betrekking tot de vraag naar arbeid12: 1) de werkgelegenheidsgraden blijven constant op het niveau van het jaar 2014, 2) de toename over 2010-2014 wordt gehalveerd doorgetrokken, en 3) de voormelde toename wordt volledig doorgetrokken. Wat het aanbod van arbeid betreft: de activiteitsgraden bij de jongste leeftijdsklasse van 15-24 jaar worden in de toekomst constant gehouden omdat een belangrijk deel van die leeftijdsgroep schoolgaand is. De scholingsgraad vertoonde de laatste jaren een toename. Vlaanderen evolueert steeds meer naar een kenniseconomie. Het is dus onwaarschijnlijk dat er ruimte is om een grotere arbeidsreserve aan te boren in die leeftijdsklasse.
11
werkgelegenheidsgraad: de verhouding tussen de werkende bevolking en de bevolking in de beroepsactieve leeftijd
12
Er bestaan ook andere prognosetools, zoals de tool van het Steunpunt WSE die de toekomstige evolutie van de werkzaamheid simuleert op basis van een scenario van het aanhouden van de huidige werkzaamheidsgraden en van de evolutie ervan, telkens toegepast op de demografische prognoses van het Federaal Planbureau. Die prognoses worden hier niet gebruikt omdat in deze these ook aspecten van de arbeidsvraag behandeld worden (werkgelegenheid) en het saldo tussen vraag en aanbod van arbeid (voornamelijk werkloosheid).
02 / ECONOMISCH-INNOVATIEVE ONTWIKKELINGEN
De activiteitsgraden zijn het hoogst in de leeftijdsgroep van 25-49 jaar bij de mannen. Het Vlaamse Gewest bevindt zich nu al bij de topgroep van Europese landen. Een verdere toename is niet realistisch. Bij de vrouwen daarentegen was er de afgelopen jaren een groei van deze indicator en lijkt een verdere lichte toename realistisch. De sterkste toename van de activiteitsgraden zal vermoedelijk plaatsvinden in de leeftijdsklasse van 50-64 jaar, zowel bij mannen als bij vrouwen. Zowel de recente evolutie als voorbeelden in andere EU-landen motiveren dat. De activiteitsgraden bij de 65-plussers zijn marginaal. Het resultaat van al die hypotheses is een toename van de actieve bevolking tussen 2012 en 2020 met 72.500 personen, gevolgd door een afname met 57.300 personen tussen 2020 en 2030. De bevolkingsaantallen in de voornaamste leeftijdsklasse waaruit de actieve bevolking gerekruteerd wordt (25-49 jaar), nemen stelselmatig af. In de leeftijdsklasse 50-64 jaar wordt een aanvankelijke toename van de bevolking gevolgd door een afname van de aantallen tussen 2020 en 2030. Dat kan niet meer goedgemaakt worden door de toename van de activiteitsgraden. Meer mensen aan het werk zetten is ook van belang om onze welvaartsstaat betaalbaar te houden (zie ook these 3). Bij het aanhouden van de werkgelegenheidsgraden op het laatst geregistreerde niveau (scenario 1) zou de werkgelegenheid toenemen met 63.200 personen tussen 2012 en 2020. In de periode 2020-2030 zou er daarentegen een daling zijn met 58.300 personen. De werkloosheidsgraad zou onveranderd 10 à 11% bedragen. Het scenario van de gehalveerde doortrekking van de werkgelegenheidsgraden (scenario 2) resulteert logischerwijze in een sterkere aangroei tussen 2012 en 2020 (+115.800). In dat scenario zou er ook in 20202030 nog een groei zijn, zij het afgezwakt (+26.400). De aangroei van de werkgelegenheid is groot genoeg om de werkloosheidsgraad te doen dalen (6,7% in 2030). De volledige doortrekking van de werkgelegenheidsgraden (scenario 3) brengt een toename van de werkgelegenheid met 168.500 personen met zich mee tussen 2012 en 2020. Tussen 2020 en 2030 stijgt de werkgelegenheid verder met 88.600 personen. In dat laatste scenario is de toename in 2029 en 2030 ingeperkt omdat de werkloosheidsgraad anders onder de (enigszins arbitraire) drempel van 3% zou zakken. Dat is de zogenaamde frictiewerkloosheid die ontstaat tussen afstuderen of ontslag en het vinden van een eerste of nieuwe baan. Een arbeidsmarkt in beweging impliceert dat er altijd enige tijd over gaat bij de vervanging van werkenden. Hier kunnen we verwijzen naar de problematiek van de hoge werkloosheid in Brussel en de grote vraag naar arbeidskrachten in Vlaanderen die in dat laatste scenario acuut zou zijn in de toekomst. In 2011 was nog 1,8% van de werkenden in het Vlaamse Gewest afkomstig uit het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (circa 45.000 personen). Dat is niet veel, maar het is toch een lichte stijging in vergelijking met de jaren voordien. Omstreeks 2000 was het 1,5% en omstreeks 1990 nauwelijks meer dan 1%. Voor de nabije toekomst zou de pendel uit het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest naar de andere gewesten nog toenemen (bijna 16.000 meer in 2017 dan in 2010). Dat staat in contrast met een afnemend pendelsaldo van het Vlaamse Gewest naar de andere gewesten (Vlaanderen heeft de eigen arbeidskrachten steeds meer nodig).
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Het Waalse Gewest vertoont een sterkere groei van de beroepsbevolking omdat dit gewest een iets gunstiger demografisch profiel heeft. Nog een verschilpunt met Vlaanderen is dat bij de werkgelegenheidstoename geen aanbodbeperkingen optreden. De redenen daarvoor zijn de grotere ‘werkloosheidsreserve’13 en de sterkere groei van de bevolking op beroepsactieve leeftijd. Het Waalse Gewest heeft evenzo behoefte aan groeiende werkgelegenheidsgraden om de werkloosheid terug te dringen. Ook in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is er in vergelijking met het Vlaamse Gewest een relatief sterkere groei van de beroepsbevolking. In de prognose van de toekomst worden de Brusselse werkgelegenheidsgraden zo goed als constant aangehouden (omdat ze al zeer hoog zijn vanwege de pendel uit de andere gewesten). Dat betekent helaas dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest met een permanent werkloosheidsprobleem geconfronteerd zal worden. Om aan de arbeidsvraag te voldoen in de toekomst is het dus belangrijk dat de activiteitsgraden nog toenemen. Dat betekent meer mensen langer aan het werk houden. Dat betekent dat er potentieel meer kansen zullen ontstaan voor bepaalde groepen op de arbeidsmarkt, zoals personen van vreemde herkomst, personen met een verminderde arbeidsgeschiktheid en ouderen. Maar dat is niet vanzelfsprekend. In 2012 noteerde de VDAB onder de niet-werkende werkzoekenden 72,9% werklozen uit een kansengroep. Dat verschilt niet veel van de jaren daarvoor (73,5% in 2008). Er zal dus werk gemaakt moeten worden van de inzetbaarheid van die groepen (zie ook these 3 in hoofdstuk over de maatschappelijke ontwikkelingen). Een belangrijke vereiste om openstaande vacatures te vervullen en om werknemers te vinden voor knelpuntberoepen, is dat in voldoende vorming, bijscholing en begeleiding voorzien wordt opdat de nodige competenties daadwerkelijk voorhanden zijn. Ongeveer de helft van de Vlaamse werklozen is laaggeschoold in 2012. De hooggeschoolden maken anno 2012 16,2% uit van het aantal werklozen. Het aandeel van de hogergeschoolde werklozen neemt toe met de tijd: in 2000 was dat 12,1% en in 2005 15,3%. Dat staat uiteraard los van de absolute evolutie (in 2005 waren er in aantal meer hooggeschoolde werklozen dan in 2012, en ook de scholingsgraad in het algemeen neemt toe), maar het toont aan dat het ook voor die categorie niet vanzelfsprekend is om een job te vinden die aansluit bij het kwalificatieniveau. Snelgroeiende, opkomende economieën investeren steeds meer in onderzoek (these 1). De scholingsgraad van hun bevolking neemt toe. Kennis wordt minder een ‘exclusieve’ troef van de westerse landen. Om mensen langer aan het werk te houden is de werkbaarheid14 tijdens de hele loopbaan van belang. Dat slaat op het evenwicht tussen de mogelijkheden en verwachtingen van de werkende en zijn leefomgeving. De werkbaarheidsgraad van Vlaamse werknemers neemt lichtjes toe van 52,3% in 2004 tot 54,3% in 2010 en 54,6% in 2013. De balans werk-privé scoort daarbij het best, gevolgd door het welbevinden op het werk en de leermogelijkheden. Het slechtst scoort psychische vermoeidheid. In hetzelfde tempo als de afgelopen jaren klokt de werkbaarheidsgraad voor werknemers af op 57,6% in
13
Merk op dat er in deze analyse geen uitspraken gedaan worden over de inzetbaarheid of het kwalitatieve niveau van de arbeidsreserve.
14
Werkbaar werk houdt in dat een werknemer door het werk gemotiveerd wordt en kansen krijgt om bij te leren. Het houdt ook in dat een werknemer (…) niet problematisch overspannen (..) wordt en dat de werk-privébalans in evenwicht is.
02 / ECONOMISCH-INNOVATIEVE ONTWIKKELINGEN
2020. De werkbaarheidsgraad bij zelfstandigen scoort lager (47,4 % in 2007 en 47,8% in 2010). De balans werk-privé scoort duidelijk slechter bij zelfstandigen. Ook psychische vermoeidheid is in die categorie een groter probleem dan bij werknemers. Leermogelijkheden en welbevinden op het werk zijn dan weer sterke punten bij zelfstandigen. Het verwondert niet dat er verschillen zijn naar de diverse huishoudtypes. Zo hebben naar verhouding alleenstaande werknemers en zelfstandigen zonder kinderen het minst moeite met de werk-privébalans. Er komen nieuwe werkvormen die faciliterend kunnen optreden tussen de behoeften van werkenden en het bedrijf of de organisatie. Anno 2011 doet 9,8% van de werkende Vlamingen aan structureel thuiswerk en 10,9% aan occasioneel thuiswerk. Dat zijn hogere cijfers dan in de EU27 als geheel (5,4% en 8,0%). In tien jaar tijd heeft thuiswerk een groeiend succes, vooral de occasionele variant. Overgaan tot deeltijdarbeid biedt ook perspectieven voor de combinatie gezin-werk. In 2011 zit 25,5% van de werkende Vlamingen in een deeltijdse arbeidsregeling, meer dan in de EU27 als geheel (18,8%). Die werkvorm is duidelijk in opmars (17,4% in 2000; 7,4% in 1983).
Loopbaanonderbreking is een andere maatregel. Sedert 2002 geldt de regeling voor tijdskrediet, waarbij werknemers uit de privésector gedurende een bepaalde periode hun werk geheel of gedeeltelijk kunnen onderbreken. In 2011 zijn er bijna 92.000 werknemers met verminderde prestaties (12.800 in 2002) en 5100 met volledige onderbreking (4600 in 2002). In 2011 namen 45.100 personen uit de openbare sector ouderschapsverlof (10.400 in 2002). De bedoeling van die algemene maatregelen is om meer werknemers op oudere leeftijd op de arbeidsmarkt te houden. Waar in 2000 de gemiddelde loopbaanduur voor Belgische 50-plussers 5,8 jaar bedroeg, was dat in 2010 opgelopen tot 7,8 jaar. Werkvormen als uitroljobs, coaching van jongere werknemers en verminderde arbeidsprestaties zouden moeten helpen om die trend voort te zetten. Het zal in elk geval nodig zijn, want een op de drie volwassenen ziet het niet zitten om tot de leeftijd van 65 jaar te werken (Delta Lloyd, 2012). De arbeidsmobiliteit bij oudere Vlaamse werknemers is internationaal vergeleken relatief laag. In 2010 bedroeg de gemiddelde jobanciënniteit van de 55-64-jarigen in België 24,2 jaar. In Nederland, Finland en het VK is dat lager (respectievelijk 21,0; 20,7 en 15,4 jaar) (Garibay G., Struyven L. & De Cuyper P., 2012). Er zal ten slotte steeds meer gestuurd worden op resultaten en talenten, waarbij coaching een centrale plaats inneemt. Management wordt minder belangrijk ten voordele van leiderschap. Onder dat laatste wordt verstaan het varen van een eigen koers en het nemen van verantwoordelijkheid daarin (Sigma, 2011). De wereld zal meer nog dan vandaag georganiseerd zijn in netwerken. Succesvolle werknemers kunnen dan rekenen op een uitgebreid netwerk waarin sociale vaardigheden belangrijk zijn. Er zal dus anders gewerkt worden.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
These 6: De industrie is nog altijd een kerncomponent van het economische weefsel.
De industrie op zich is niet zo dominant meer in de creatie van jobs, maar is wel van belang voor de economie als geheel door de creatie van werk bij toeleveranciers, clusters met de onderzoekswereld en organisaties. Ook de dienstencomponent van de industrie wordt steeds belangrijker. De industrie zal in de toekomst steeds meer bestaan uit bedrijven die snel kunnen inspelen op veranderingen in de vraag, modulair te werk gaan en bij uitstek klantgericht zijn. Dat biedt kansen voor de Vlaamse industrie die gekenmerkt is door haar creatieve en flexibele kmo’s. Innovatie en slimme specialisatie zullen meer dan ooit belangrijk zijn en krachten moeten op Europees vlak worden gebundeld omwille van schaalvoordelen. In landen als China zijn al industriële clusters ontstaan die niet louter meer concurreren op de kostencomponent.
6.1 Vaststellingen
Welvarende, ontwikkelde landen kenmerken zich door een doorgedreven tertiairisering van hun economie. Dat wil zeggen dat het aandeel van de industrie in het economische weefsel afneemt met de tijd (figuur 8). Daar zijn een aantal redenen voor: met de toenemende welvaart is er meer vraag naar persoonsgebonden diensten als verzorging, cultuur en vrije tijd. Traditionele industriebedrijven hebben de laatste jaren ook niet-kerntaken van tertiaire aard uitbesteed (bijvoorbeeld catering en informatica). De Vlaamse industrie is ten slotte sterk exportgericht, wat ook inhoudt dat ze onderhevig is aan buitenlandse concurrentie met een temperend effect op de prijzen als gevolg: de bruto toegevoegde waarde kan zich daardoor niet zo sterk ontwikkelen als in de tertiaire activiteitstakken die eerder op de binnenlandse markt gericht zijn.
02 / ECONOMISCH-INNOVATIEVE ONTWIKKELINGEN
Figuur 8. Aandeel van de industrie in de bruto toegevoegde waarde en in de totale werkgelegenheid in het Vlaamse Gewest, 1995-2020, in %
Bron: HERMREG
In 2012 bedroeg het aandeel van de industrie 16,2% van de bruto toegevoegde waarde en 14,1% van de totale werkgelegenheid (EU27: 15,5% van de toegevoegde waarde en 14,4% van de werkgelegenheid in 2011). Beide indicatoren vertonen een dalend verloop op lange termijn. Het valt echter op dat het aandeel van de industrie in de bruto toegevoegde waarde versneld afnam tijdens de financieel-economische crisis van 2008-2009. Het directe belang van de industrie in het economische weefsel lijkt dus niet zo groot. Maar de industrie is ruimer ingebed in de economie. Zoals eerder vermeld, worden tal van tertiaire taken uitbesteed en doet de industrie een beroep op veel toeleveranciers. Dat schept extra jobs. Volgens berekeningen van Festraets (2011) zou één job in de Vlaamse industrie goed zijn voor 0,33 andere jobs. Daaronder vallen jobs bij toeleveranciers, jobs bij bedrijven die op hun beurt goederen en diensten leveren aan die toeleveranciers en jobs die ontstaan door de consumptie van huishoudens dankzij het verdiende inkomen. Het geleverde werk voor andere bedrijfstakken wordt in min gerekend (anders zou de som van de directe en indirecte werkgelegenheid voor de hele economie niet salderen op het algemene werkgelegenheidstotaal). Industrietakken kunnen nog op andere wijzen vervlochten zijn met de economie: er kunnen clusters ontstaan van maakindustrieën, toeleveranciers en onderzoekscentra. Dat betekent dat de kennis voor het ontwerpen, verbeteren en op de markt brengen van producten in het eigen land of de eigen regio blijft. Dat uit zich in hogere O&O-percentages en hogere lonen. De dienstencomponent van de industrie wordt overigens steeds belangrijker, denk maar aan dienst na verkoop, onderhoud en reparatie.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Figuur 9 geeft de spreiding van de Vlaamse industriële bedrijfstakken weer volgens de mate van aanwezigheid in 2009 en de groei over 2005-2009. Dat gebeurde volgens de bruto toegevoegde waarde in kettingeuro’s. De bedrijfstakken die in het groen aangeduid zijn, worden door Eurostat als technologisch aangezien op basis van hun O&O-intensiteit15. Geen van de industriële bedrijfstakken waarin Vlaanderen troeven heeft (sterk kwadrant), wordt door Eurostat als technologisch benoemd. De meeste technologische takken in Vlaanderen zitten in het zwakke kwadrant, wat wil zeggen dat Vlaanderen er niet in gespecialiseerd is en dat ze bovendien minder sterk groeiden (of sterker daalden) dan in de EU27. Dezelfde analyse die uitgevoerd is op de totale werkgelegenheid, levert vrijwel analoge resultaten op, met uitzondering van de farmacie die in het sterke kwadrant terechtkomt.
Figuur 9. Spreiding van de industriële bedrijfstakken naar aanwezigheid in 2009 en relatieve groei over 2005-2009 op basis van de bruto toegevoegde waarde in kettingeuro’s, Vlaams Gewest, in indices (EU27 = 100)
Bron:
15
INR, Eurostat, bewerking SVR
Er moet opgemerkt worden dat die indeling niet zonder kritiek is: binnen elke bedrijfstak kunnen bedrijven meer of minder technologisch actief zijn, afhankelijk van hun subsector, hun plaats in de productiekolom en dergelijke.
02 / ECONOMISCH-INNOVATIEVE ONTWIKKELINGEN
De industrie kenmerkt zich ook door een afnemende schaalgrootte. Tussen 2000 en 2010 daalt de Belgische tewerkstelling in de industrie met 19,1%. In vestigingen met tweehonderd of meer werknemers bedraagt de terugloop 22,6%. In vestigingen met minder dan tweehonderd werknemers daarentegen is de daling echter lager: 16,1%. Dat betekent dat grotere maakfabrieken steeds minder deel uitmaken van het economische landschap in onze contreien. De opkomst van de groeilanden (waarvan China en India het meest in het oog springen) maakt dat de comparatieve voordelen voor het maken van basisproducten steeds meer elders komen te liggen.
6.2 Vooruitzichten
De ontwikkelingen binnen andere handelsblokken zijn van belang voor de toekomst van Vlaanderen. In landen die zich de laatste jaren sterk ontwikkeld hebben, stijgt het welvaartsniveau, wordt de bevolking mondiger en krijgt ze meer of beter onderwijs. Er ontstaat stilaan een belangrijke middenklasse. Die bevolkingsgroep verlangt een hoger comfortniveau. Dat uit zich in een opwaartse loondruk. Daardoor verschuiven delen van de traditionele maakindustrie in China naar andere opkomende landen (Indonesië, Bangladesh …). Dat wordt ook het ‘flying geese’-effect genoemd. De Chinese overheid wil zelf dat het land doorgroeit naar de productie van goederen en diensten met een hogere toegevoegde waarde. Een ander effect van het hogere welvaartsniveau is dat er een grotere vraag komt van opkomende handelsblokken naar westerse luxeproducten, waarbij ook een politiek gevoerd wordt van het opkopen van grote merken (Delvaux, wijnhuis Château Bellefont-Belcier …). Maar er zijn tekenen dat de productie-infrastructuur in landen als China een blijvende plaats verworven heeft als producent en toeleverancier voor de rest van de wereld. Jarenlange ervaring met fabricatieprocessen, de flexibele inzet van werknemers, de kennis van materialen en processen, de investeringen in O&O maken dat er clusters van knowhow ontstaan zijn die niet meer louter op basis van kosten concurreren. Toch is er een toekomst voor de industrie in Vlaanderen. De industrie zal steeds meer bestaan uit entiteiten die snel kunnen inspelen op veranderingen in de vraag, die modulair te werk gaan en bij uitstek klantgericht zijn. Dat is een aannemelijke evolutie in een omgeving waarin de komende generaties vertrouwd zijn met economische processen die gebaseerd zijn op maatwerk, informatisering en snelheid van productie en levering. Dat zijn troeven voor een regio met veel industriële kmo’s. Innovatie blijft van wezenlijk belang. Om de versnippering van inspanningen en middelen tegen te gaan, moeten alle landen en regio’s op zoek gaan naar de technologieën of toepassingsgebieden waarin ze sterk staan (smart innovation of slimme specialisatie). Er zullen dus keuzes moeten gemaakt worden. De Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie (VRWI) onderscheidt een zevental zogenaamde transitiegebieden. Dat zijn domeinen die het kader kunnen vormen voor het (toekomstige) innovatiebeleid (waar mogelijk wordt aangegeven welke NACE-bedrijfstakken bij die domeinen horen en wat de specialisatie-index van het Vlaamse Gewest is versus de EU27 voor de bruto toegevoegde waarde).
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
••
Society 2.0: is een brede verzameling van socio-economische transitiegebieden waarin technologische innovatie minder van belang is, maar wel aspecten van de humane en sociale wetenschappen. In de eerste plaats gaat het over de economie in ruime zin: de dominantie van de westerse economieën brokkelt af ten voordele van opkomende handelsblokken als BRIC, N11, MIST (zie these 2 over de wereldhandel). Nieuwe arbeidspatronen en functieprofielen ontwikkelen zich. De vergrijzing brengt ook een veranderende sociale dynamiek met zich mee die zoekt naar een evenwicht tussen de financiële en sociale behoeften van jongeren en ouderen. Ethische vraagstukken blijven van belang (bijvoorbeeld ecologie). Ook op het vlak van governance zijn er veranderingen: bestuursmodellen waarbij burgers een grotere rol spelen, zijn in opmars. Ten slotte is er nog ruimte om door innovatie en technologie het productiviteitsniveau in de sociale en publieke sector op te krikken. Het is moeilijk om dat domein met specifieke bedrijfstakken in verband te brengen.
••
E-society: behelst in de eerste plaats de integratie van ICT in de samenleving, in alle bedrijfstakken. Specifiek komen ook nieuwe interactievormen tussen mensen en apparaten (tablets, robotica …) aanbod. Er is aandacht voor het omgaan met grote hoeveelheden gegevens (stockage, analyse). Het Vlaamse Gewest is echter niet gespecialiseerd in NACE 62-63 ‘Ontwerpen en programmeren van computerprogramma’s, computerconsultancyactiviteiten en aanverwante activiteiten; dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatie’ (aanwezigheidsindex van 86,4 ten opzichte van de EU27 op basis van de bruto toegevoegde waarde in 2009).
••
ife enhancement – food related: dit domein beslaat de relatie tussen de productie en de L consumptie van voedsel. De toename van een kwaliteitsvolle voedselproductie staat centraal, in het bijzonder vanwege de steeds toenemende wereldbevolking. Duurzame landbouw met aandacht voor voedselveiligheid en waterverbruik zijn daarbij belangrijke aspecten. Door toepassingen van biotechnologie kunnen de voedseleigenschappen verhoogd en verbeterd worden. Ten slotte is er aandacht voor de invloed van voedsel op de menselijke gezondheid. De bedrijfstakken die daarmee het meest in verband staan, zijn de voedingssector (NACE 10-12) en de menselijke gezondheidszorg (NACE 86). Het Vlaamse Gewest is gespecialiseerd in het eerste (index 158,4), maar niet het laatste (index 90,0).
••
ife enhancement – health related: dit domein focust op de gezondheidszorg met uitdagingen L die te maken hebben met decentrale zorgverlening. Diagnose- en controleapparatuur laten decentrale testen meer toe. Ook zorgverlening op afstand kan een potentieel tekort aan zorgverleners verhelpen. Uiteraard is preventieve gezondheidszorg belangrijk, zeker in een vergrijzende maatschappij. Genetica en analyses van DNA-sequenties spelen daarin een rol. Ten slotte zullen steeds nieuwe therapieën uitgewerkt worden. ICT kan daarbij helpen door een snelle analyse van data. Dat staat in verband met NACE 86 (zie hiervoor – niet gespecialiseerd).
••
Smartresourcesmanagement: dit domein heeft in de eerste plaats betrekking op de schaarse beschikbaarheid van energie, voedingsstoffen en water en hoe daarmee omgegaan moet worden. Recyclage van materialen, onder andere uit afvalbeheer, en substitutie van schaarse materialen en grondstoffen door andere materialen en grondstoffen passen in een efficiënt energie- en grondstoffenbeleid. De activiteiten van dit domein horen thuis in NACE 20 ‘chemie’ en NACE 37-39 ‘afval(water)behandeling’. Chemie is een belangrijke Vlaamse specialisatie (index 266,1); afval(water) behandeling niet (index 94,5).
02 / ECONOMISCH-INNOVATIEVE ONTWIKKELINGEN
••
rban planning and mobility dynamics: dit domein bevat enkele aspecten met betrekking tot U een leefbare stad. Inclusieve steden moeten aandacht hebben voor de leefbaarheid en vooral voor ‘ouderenvriendelijkheid’. Een stedelijk beleid moet rekening houden met ruimtelijke aspecten van wonen, de soms divergerende ontwikkeling van wijken, het indijken van criminaliteit en de balans wonen-werken. Transportvraagstukken, in het bijzonder het indijken van fileproblemen en duurzame logistiek, zijn onlosmakelijk verbonden met steden. In dit domein zijn verschillende bedrijfstakken van belang: NACE 49 ‘vervoer over land, pijpleidingen’ (index 94,8), NACE 50 ‘vervoer over water’ (index 101,0), NACE 51 ‘luchtvaart’ (index 118,3) en NACE 52 ‘opslag en vervoersondersteunende activiteiten’ (index 214,0). Ook de bouwsector is hier van tel (NACE 41-43, index 100,1). Vlaanderen staat dus vooral sterk in logistiek.
••
ew energy demand and delivery: dit gaat over rationeel energiegebruik, het afstemmen van N vraag en aanbod van energie en de zoektocht naar alternatieve bronnen van energie (zonnepanelen, windenergie, biobrandstoffen, de winning van schaliegas …). Dit heeft niet louter betrekking op de energiesector in zijn geheel, maar behelst ook en vooral veel subbedrijfstakken die het materiaal daarvoor produceren en installeren. In de traditionele NACE 35 ‘productie van elektriciteit, gas en stoom’ heeft het Vlaamse Gewest een index van 94,3.
These 7: De zeehavens vormen een blijvende troef voor Vlaanderen.
Vlaanderen beschikt over havens van wereldklasse. Die zijn belangrijk voor de Vlaamse economie omdat ze directe en indirecte toegevoegde waarde en tewerkstelling creëren. Voor de toekomst kunnen de Vlaamse havens inpikken op de verwachte verdere groei van de wereldwijde haventrafiek. Voorwaarden zijn wel dat ze samenwerken (belangenbehartiging), dat het hinterland goed ontsloten is en dat ze kunnen blijven rekenen op een gekwalificeerd arbeidsaanbod.
7.1 Vaststellingen
Vlaanderen heeft door zijn ligging logistieke troeven. Dat uit zich onder meer in het relatief grote belang van de (zee)havens voor de Vlaamse economie: Antwerpen, Gent, Zeebrugge en Oostende. De vier Vlaamse havens maken deel uit van wat de ‘Le Havre-Hamburg-range’ wordt genoemd16. In 2012 bedraagt de totale overslag van alle havens in die range 1101,8 miljoen ton. Daarvan zijn de vier
16
Dit omvat de havens van Rotterdam, Amsterdam, Hamburg, Bremen, Le Havre, Duinkerke en de vier Vlaamse zeehavens (Oostende wordt eigenlijk internationaal niet meegerekend, maar hier toch).
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Vlaamse zeehavens goed voor 257,2 miljoen ton of 23,3%. In vergelijking met een paar jaar terug is dat aandeel lichtjes afgenomen (24,1% in 2011). De haven van Antwerpen is veruit de belangrijkste qua goederentrafiek (figuur 10). In 2012 is voor 184 miljoen ton goederen overgeslagen in de haven van Antwerpen of 71,6% van alle Vlaamse zeehavens. Zeebrugge komt op de tweede plaats (16,9%), gevolgd door Gent (10,2%) en Oostende (1,2%). Antwerpen is door de tijd altijd de belangrijkste haven geweest. Zeebrugge was in 1980 nog de derde haven, maar vertoonde sedertdien de sterkste ontwikkeling van de goederenoverslag. De economische betekenis van de havens wordt nog beter vertolkt in bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid. Volgens de NBB bedraagt de totale directe bruto toegevoegde waarde van de zeehavens 14,5 miljard euro in 2011 en zorgen ze voor een directe tewerkstelling van 101.500 voltijdsequivalenten (vte). Er zijn ook indirecte effecten voor beide variabelen. Dat komt door de toelevering en de uitbesteding van activiteiten door bedrijven en instellingen. Zo wordt de indirecte bruto toegevoegde waarde van de zeehavens geraamd op 14,5 miljard euro in 2011. Voor de indirecte tewerkstelling is dat 136.100 vte. In het totaal gaat het om een bruto toegevoegde waarde van 29,0 miljard euro en een tewerkstelling van 237.600 vte in 2011.
Figuur 10. Goederentrafiek in de Vlaamse zeehavens in 1980, 1990, 2000, 2011 en 2012 (in miljoen ton)
Bron:
Vlaamse Havencommissie
Op basis van de regionale rekeningen kan geraamd worden dat het hierboven vermelde totaal van de directe en indirecte bruto toegevoegde waarde overeenkomt met +15% van de totale Vlaamse bruto toegevoegde waarde in 2010. Maar dat cijfer is louter indicatief. De tewerkstelling is uitgedrukt in vte. Er is geen vergelijking met een hoger Vlaams totaal mogelijk (pro memorie: de totale Vlaamse werkgelegenheid bedroeg 2.595.000 personen, ongeacht de arbeidsregeling).
02 / ECONOMISCH-INNOVATIEVE ONTWIKKELINGEN
De haven van Antwerpen is volgens deze indicatoren de belangrijkste Vlaamse zeehaven (tabel 9). Antwerpen stond in 2011 voor 18,9 miljard euro bruto toegevoegde waarde en voor 143.000 tewerkstelling (telkens direct + indirect, zie ook tabel 9). De industrie is prominent aanwezig in de Antwerpse haven, in het bijzonder de chemie. Ook in Gent is de industrie goed vertegenwoordigd in de havenactiviteit. De staalindustrie en de autoassemblage zijn belangrijke vertegenwoordigers. Zeebrugge is in de eerste plaats een overslaghaven. Oostende is de kleinste zeehaven. Typische maritieme activiteiten (goederenbehandeling, visverwerking, scheepsherstelling …) zijn er ongeveer even belangrijk als de louter industriële.
Tabel 9.
Directe en indirecte bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid in de Vlaamse zeehavens in 2011 bruto toegevoegde waarde (in euro)
werkgelegenheid (in vte)
Antwerpen
18.896,0
142.973
Gent
7.429,9
65.353
Zeebrugge
906,9
9.323
Oostende
1.766,7
19.919
28.999,5
237.568
Vlaamse zeehavens* * Bron:
Er kunnen zich ook indirecte effecten tussen de Vlaamse havens onderling voordoen. Vlaamse Havencommissie
De periode 2006-2011 omvat zowel de jaren van goede economische conjunctuur, de economische inzinking van 2009 als het prille herstel nadien. Sedert 2006 groeide de bruto toegevoegde waarde in de Vlaamse zeehavens met 8,8%. Vooral 2007 was een goed jaar (+7,0%). Dat staat rechtstreeks in verband met de goede conjunctuur toen. In 2008 zwakte de groei al af en in 2009 volgde een inzinking (-5,7%). De wereldwijde economische crisis had een grote impact op de handelsstromen tussen landen. In 2010 herstelde de bruto toegevoegde waarde grotendeels (+6,5%), waarbij het niveau van 2008 opnieuw bereikt werd. Voor de tewerkstelling geldt een analoog verhaal. De indicator groeide continu tot in 2008. Het jaar 2009 kenmerkte zich door een afname (-4,1%). Dat zette zich nog door in 2010 (-1,8%) en 2011 (-0,7%). Dat komt omdat de tewerkstelling een achterlopende indicator is.
7.2 Vooruitzichten
Diverse bronnen geven aan dat de havens nog groeipotentieel hebben in de verdere toekomst. Zo geeft de Europese Commissie (Theologitis, 2013) aan dat het aantal containers meer dan verviervoudigd is over de laatste twintig jaar. In 2004 bedroeg het aantal 20,0 miljoen. In 2014 zou dat oplopen tot 37,3 miljoen.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Dat gaat hand in hand met de steeds grotere capaciteit van vrachtschepen: tegen 2015 zouden de grootste schepen een capaciteit van 18.000 TEU17 hebben. Vooral Antwerpen en Zeebrugge, die inzetten op containertrafiek, kunnen van die ontwikkelingen profiteren. Maar eigenlijk is het belangrijk dat elke Vlaamse haven haar eigenheid uitspeelt in een onderling samenwerkingsverband, zoals Flanders Port Area. Cruciaal voor een verdere gunstige ontwikkeling van de Vlaamse havens is een goed ontsloten verbinding met het hinterland en met de havens onderling (vooral binnenscheepvaart, spoor en pijpleidingen). De totale scheepstrafiek zou in 2030 met 50% toenemen. Volgens de Commissie zou een toename van de scheepstrafiek met één miljoen ton resulteren in driehonderd jobs meer. Voor de EU zouden er aldus in 2030 15% meer jobs zijn. Vanelslander e.a. (2011) heeft enige kanttekeningen: de gevolgen van de recente crisis zijn nog niet verteerd. Opkomende landen, zoals China, zullen ook fabrieken ter plaatse oprichten, wat minder verplaatsingen van goederen met zich zal meebrengen. Ten slotte zou de bevolking op lange termijn in de westerse landen niet meer groeien, wat ook temperend werkt op de vraag. Ook de opkomst van additive manufacturing (3D) kan de ontwikkeling van getransporteerde goederen afremmen. Met een gekwalificeerd arbeidsaanbod hebben de Vlaamse zeehavens een troef. Maar ook andere opkomende regio’s zetten steeds meer in op human capital. De demografische evolutie speelt daarbij in het nadeel van Vlaanderen.
17
Twenty Feet Equivalent Unit. Dit is een container van 20 voet lang, 8 voet breed en 8 voet hoog.
Bronnen
Bronnen
Andries, P., Debackere, K., Dengis, P., Hoskens, M., Viaene, P. (2013). Totale O&O-intensiteit in Vlaanderen 19972011 - 3%-nota, ECOOM. Leuven. Creminger, K. (2010). Het bbp als welvaartsindicator, SVR-webartikel 2010/15. Brussel. Baffes, J. & Haniotis, T. (2010). Placing the 2006/08 Commodity Price Boom into Perspective. The World Bank Development Prospects Group. Policy Research Working Paper 5371. Washington. Bogaert, H., Kegels, C. (2012). Concurrentievermogen van België: uitdagingen en groeipistes. Federaal Planbureau, Planning paper 112. Brussel. De Grauwe, P. & Peeters, K. (2013, 6 januari). Debat over de economie in ‘De Zevende Dag’, TV1. De Gucht, K., (2012, 16 april). Trading in Value and Europe’s Economic Future, speech voor high level conference on ‘Competitiveness, trade, environment and jobs in Europe: Insights from the new World Input Output Database (WIOD)’. Brussel. Delta Lloyd (2012). Het pensioen in de Belgische huiskamer. In: Nationale Pensioenenquête 2012. Persdossier. De Smedt, P. (2011). Het ‘bbp en verder’ vanuit een milieuperspectief, SVR-webartikel 2011/2. Brussel. European Commission (2009). The world in 2025. Rising Asia and socio-ecological transition. DirectorateGeneral for Research, Socio-economic Sciences and Humanities. Luxemburg. European Environment Agency (2013), Assessment of global megatrends - an update. Global megatrend 7: Intensified global competition for resources. European Environment Agency. Kopenhagen. EWI (2013). Speurgids Ondernemen & Innoveren. Federaal Planbureau (mei 2012). Economische vooruitzichten 2012-2017. Brussel. Festraets, D. (2011). Indirecte werkgelegenheid België en schatting voor het Vlaamse Gewest, SVR-webartikel 2011/12. Brussel. Garibay, M., G., Struyven, L. & De Cuyper, P. (2012). Mobiliteit in de latere loopbaan. Een vergelijkende studie van mobiliteitsregimes in Finland, Groot-Brittannië en Nederland en beleidslessen in de Vlaamse context. VIONA Syntheserapport. Leuven. Hertveldt, B., Brouwers, J. & De Schrijver, J. Sociaal-economische verkenning. In: Milieurapport 2030, MIRA, Aalst. Hintjens, J., Van der Horst, M., Kuipers, B. & Vanelslander, T. (2012). Vlaams-Nederlandse Deltamonitor 20012010. Ruimtelijk-economische en logistieke monitor. VN Delta. Den Bosch. Hoge Raad van Financiën (juli 2013). Studiecommissie voor de Vergrijzing. Jaarlijks Verslag. Brussel. International Energy Agency (2011). World energy Outlook. Paris. Markillie, P. (2012). A third industrial revolution. The Economist, 21 April 2012, Special Report. Mathys, C. (2013). Economic importance of the Belgian ports: Flemish maritime ports, Liège port complex and the port of Brussels – Report 2011. Nbb Working Paper Document n° 242. Brussel. Merckx, J.-P. & Neyts, D. (2012). De Vlaamse havens. Feiten, statistieken en indicatoren voor 2011. Vlaamse Havencommissie. Brussel. OECD (2012). China in Focus. Lessons and Challenges. Parijs. Schoors, K. en Peersman, G. (2012). De perfecte storm. Gent. The Economist (2013). Has the Ideas machine broken down?, 12 januari 2013. Theologitis, D. (2013). The 2013 European Ports Policy. European Ports: an engine for growth. Presentatie op 25 juni 2013 ‘De toekomst van het havenbeleid in de EU’, VLEVA. Brussel.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
United Nations Economic Commission for Europe (UNECE) Statistical Division, (2013, 3-4 april). Measuring trade in Value-added. Working document n° 9. In: Meeting of Group of Experts on National Accounts – Interim meeting on global production, 12th session. Geneva. Vanelslander, T., Kuipers, B., Hintjens, J. & Van der Horst, M. (2011). Ruimtelijk-economische en logistieke analyse: de Vlaams-Nederlandse Delta in 2040. Universiteit Antwerpen en Erasmus Universiteit Rotterdam. Antwerpen/Rotterdam. Van Wortswinkel, L. & Lodewijks, P. (2012). Regionalisatie van Belgisch TIMES model ter uitvoering van langetermijnverkenningen voor energie en broeikasgasemissies in Vlaanderen. Studie uitgevoerd in opdracht van MIRA, Milieurapport Vlaanderen. Mechelen. Vergeynst, T. (2008). Vlaanderen, 25 jaar na de start van ‘Flanders Technology International’. SVRwebpublicatie. Brussel. Vergeynst, T. (2010). Impact van veranderingen in de bevolkingsstructuur op de welvaart in de Belgische gewesten. SVR-rapport 2010/2. Brussel. Vergeynst, T. (red.) (2012). De Vlaamse open economie. SVR-Studie 2012/2. Brussel. Vlaamse Havencommissie (2013). De Vlaamse havens – Feiten, statistieken en indicatoren 2012. Vlaamse Havencommissie. Brussel.
03 / CULTUREEL-MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGEN
03 / CULTUREEL-MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGEN
Eerst bekijken we de leefsituatie van de Vlamingen, zoals beschreven in de Sociale Staat van Vlaanderen (Vanderleyden e.a., 2009; Noppe e.a., 2011). Vervolgens gaan we dieper in op enkele uitdagingen. We bestuderen de volgende thesen: These 1: These 2: These 3:
Individualisering heeft gevolgen voor het kunnen of moeten maken van eigen keuzes. Welvaart en inkomen houden stand ondanks de crisis, maar armoede blijft realiteit voor een niet te verwaarlozen groep. Participatie van kansengroepen: alleen voor de ouderen is er beterschap in zicht.
Inleiding
De individuele leefsituatie Vlaanderen is een welvarende regio in Europa. Dat vertaalt zich in een relatief goede leefsituatie voor de gemiddelde Vlaming in vergelijking met de leefsituatie van de inwoners van andere Europese landen en een behoorlijke levenstevredenheid. Toch is er ook sprake van belangrijke sociale verschillen. Recente internationale surveys met betrekking tot leerprestaties in het onderwijs geven in eerste instantie aan dat Vlaamse kinderen en jongeren behoren tot de top in West-Europa. De Vlaamse jongeren zijn zeer goed in wiskunde, doen het goed in wetenschappen en behoren tot de beteren voor leesvaardigheid. De deelname aan het hoger onderwijs is wel eerder gemiddeld. De arbeidsparticipatie van Vlaamse jongeren (20-24 jaar) ligt relatief laag (48,6% in 2012). In Nederland bijvoorbeeld worden studies en werk veel vaker gecombineerd. Op het vlak van de globale werkzaamheidsgraad (aantal werkenden tegenover bevolking op beroepsactieve leeftijd) doet Vlaanderen het minder goed dan Nederland, Denemarken, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Alleen Frankrijk ligt onder het niveau van Vlaanderen. Als het totale arbeidsvolume van de Vlamingen echter wordt afgezet tegenover de bevolking op beroepsactieve leeftijd, scoort Vlaanderen duidelijk beter. Dat geeft aan dat er in Vlaanderen voldoende arbeid wordt gepresteerd, maar dat het werk onder minder koppen wordt verdeeld. Vooral in de middelste leeftijdsgroepen ligt de werkzaamheid hoog. Het positieve van de hoge werkzaamheidsgraad bij 25- tot 54-jarigen is dat het armoederisico van de werkenden in Vlaanderen beperkt blijft. De keerzijde is dat samengedrukte loopbanen samengaan met meer problemen op het vlak van werkdruk en werkbaarheid en een vervroegde uitstroom uit de arbeidsmarkt. Het relatief lage armoederisico in de leeftijdsklasse tussen 25 en 54 jaar zorgt bij uitbreiding ook voor een relatief laag armoederisico voor de hele Vlaamse bevolking. Vlaanderen behoort op dat vlak tot de
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Europese top, zowel voor de totale bevolking als voor de meeste bevolkingsgroepen (SVR, 2013a). Hoewel het armoederisico voor specifieke groepen, zoals alleenstaanden, eenoudergezinnen, werklozen, gezinnen waar niet of slechts beperkt wordt gewerkt, laaggeschoolden en huurders in Vlaanderen duidelijk hoger ligt dan het algemene armoederisicopercentage, ligt ook voor die groepen de financiële armoede beneden de scores die de meeste andere West- en Noord-Europese landen laten optekenen. Alleen bij ouderen en niet-Belgen scoort Vlaanderen onder het EU-gemiddelde. De grote meerderheid van de Vlamingen heeft daarnaast weinig problemen op het vlak van huisvestingssituatie. De problemen met de betaalbaarheid van de woning blijven relatief beperkt als gevolg van de relatief hoge welvaart, de redelijk gunstige woning- en huurprijzen en de relatief lage bijkomende woonkosten. Ook de kwaliteit van de woningen is behoorlijk. Er zijn vrijwel geen woningen meer in Vlaanderen zonder elementair comfort. De cijfers voor woningen met fysieke gebreken liggen in Europees perspectief eerder aan de lage kant. De Vlamingen zijn best tevreden met hun woonomgeving. De specifieke ruimtelijke ordening in Vlaanderen met een verspreide maar aaneengesloten bewoning, een relatief groot aandeel eengezinswoningen en een dicht wegennet zorgt wel voor een aantal problemen op het vlak van mobiliteit en gezondheid. Vlamingen hebben een hoge levensverwachting bij de geboorte. De cijfers liggen zowel voor vrouwen als voor mannen boven het EU-gemiddelde en nemen nog altijd behoorlijk sterk toe. Voor ‘gezonde levensverwachting’ of het aantal levensjaren dat een persoon in zijn dagelijks functioneren niet door een aandoening of gezondheidsprobleem wordt belemmerd, is het verschil met het EU-gemiddelde nog iets groter. Vlamingen schatten hun eigen gezondheid positief in: driekwart van de volwassenen zegt in goede of zeer goede gezondheid te verkeren. Dat cijfer ligt beduidend hoger dan het EU-gemiddelde. België scoort daarnaast in internationaal opzicht relatief goed op het vlak van toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Belgen en Vlamingen hebben een redelijk gezonde levensstijl. De alcoholconsumptie in België behoort in een Europese context tot het gemiddelde. In vergelijking met de ons omringende landen scoort België wel hoog wat het aandeel rokers betreft, maar het percentage dagelijkse rokers gaat in dalende lijn. Bovendien heeft België een hoger percentage dat nooit heeft gerookt, vergeleken met verschillende andere WestEuropese landen. De maatschappelijke participatie ten slotte gaat in positieve zin vooruit. Vlamingen scoren hoog op lidmaatschap van verenigingen en op vrijwilligerswerk en behoren op dat vlak tot de best presterende EUlanden. In tegenstelling tot andere EU-landen zijn de laatste twintig jaar de aandelen voor lidmaatschap en vrijwilligerswerk nog toegenomen, voornamelijk in de jaren 1990, waarna er een stagnatie optrad. De toename in Vlaanderen geldt niet voor alle types van verenigingen. Vooral de sportverenigingen gaan erop vooruit, wat niet het geval is elders in Europa. De relatief goede leefsituatie van de Vlaming gaat gepaard met een behoorlijke levenstevredenheid. De levenstevredenheid ligt in Vlaanderen op het niveau van de best presterende EU-landen (de Scandinavische landen en de Benelux).
03 / CULTUREEL-MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGEN
Figuur 1. Algemene levenstevredenheid, aandeel personen dat (zeer) tevreden is over de leefsituatie, Vlaamse en Franse Gemeenschap en EU27-landen, 2012, in %
* Bron:
Vlaamse en Franse Gemeenschap: respectievelijk Nederlandstalige en Franstalige respondenten in de Belgische steekproef Eurobarometer 77; bewerking SVR
Terwijl de leefsituatie van de gemiddelde Vlaming op de meeste levensdomeinen relatief goed is, zijn er over alle levensdomeinen heen belangrijke sociale verschillen. De leefsituatie van ouderen, laagopgeleiden, personen van vreemde herkomst of personen met een laag inkomen is beduidend minder goed dan die van de gemiddelde Vlaming. In een aantal gevallen is die kloof groter dan in de rest van Europa. De goede tot uitstekende gemiddelde prestaties van de Vlaamse kinderen in het onderwijs verbergen een relatief grote en hardnekkige sociale ongelijkheid. De verschillen tussen de sterkste en de zwakste leerlingen zijn in Vlaanderen groter dan elders. Die ongelijkheid begint in het lager onderwijs en zet zich door in het secundair, het hoger en (in iets mindere mate) het volwassenenonderwijs. Vooral leerlingen van vreemde herkomst en anderstalige leerlingen doen het in Vlaanderen relatief minder goed. Die onderwijsongelijkheid heeft gevolgen op tal van andere levensdomeinen. Een beperkte scholing beïnvloedt in de eerste plaats in sterke mate iemands kansen op de arbeidsmarkt. Doordat laaggeschoolden minder snel aan een job raken, is er een relatief lage werkzaamheidsgraad van die groep. Ook ouderen en personen van vreemde herkomst vinden bijzonder moeilijk aansluiting op de arbeidsmarkt. De scholingsgraad is ook een belangrijke determinant van armoede. Het armoederisico bij hooggeschoolden is zeer laag in Vlaanderen in vergelijking met de koplopers in Europa. Maar er is een grote discrepantie met het armoederisico voor laaggeschoolden. Dat verschil is relatief groot in vergelijking met de best presterende EU-landen. Het armoederisico is laag bij volwassenen die jonger zijn dan 55 jaar, maar hoog bij oudere actieven en gepensioneerden, vergeleken met de Europese kopgroep. Dat laatste moet echter
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
genuanceerd worden: het materiële welvaartspeil (het bezit van goederen en diensten) blijkt bij Vlaamse ouderen beter te zijn dan bij ouderen in de meeste andere EU-landen. De zwakkere inkomenspositie van de bovenvermelde groepen leidt ertoe dat hun woonsituatie minder rooskleurig is dan die van de gemiddelde Vlaming. De woningkwaliteit is lager bij huurders dan bij eigenaars, lager in de laagste inkomensgroepen dan in de hogere inkomensklassen. Door de relatief beperkte omvang van de sociale woonsector zijn de kwetsbare groepen meer dan elders in Europa aangewezen op de private huurmarkt of zelfs op ‘noodkoop’ (aankoop van een woning in slechte staat omdat men moeilijk op de private huurmarkt terechtkan). Private huurders zijn voor kwaliteit en betaalbaarheid veel minder goed af dan de eigenaars. Dat verschil is vrij algemeen in alle EU-landen, maar de problemen met betaalbaarheid zijn groter bij ons dan in de meeste andere landen. Dat kan verklaard worden door de aanzienlijke financiële ondersteuning die in ons land geboden wordt aan eigenaars. Een dergelijke ondersteuning is voor private huurders nagenoeg onbestaand. De gemiddelde Vlaming voelt zich gezonder dan de gemiddelde EU-burger, maar ook op dat vlak is er een opvallende sociale kloof. De subjectieve inschatting van de gezondheid is opvallend negatiever in de lagere inkomensgroepen. De sociale gezondheidskloof wordt ook duidelijk in het gezondheidsgedrag. Laaggeschoolden beginnen op jongere leeftijd te roken dan hooggeschoolden. Ook op het vlak van lichaamsbeweging en voedingsgewoonten zijn er belangrijke sociale verschillen: een lagere sociale status of opleiding gaat gepaard met een hoger risico op een minder gezonde levensstijl. Bovendien manifesteren depressieve klachten zich meer bij mensen in een onzekere economische situatie (zoals werklozen of gescheiden personen) met beperkte financiële middelen. Ook personen van vreemde herkomst vormen een belangrijke risicogroep voor depressie. Ook maatschappelijke participatie is niet gelijk gespreid over de samenleving: hoogopgeleiden participeren meer in verenigingen dan laagopgeleiden. Die tendens is aanwezig in alle landen. Op het vlak van intensiteit en kwaliteit van de sociale contacten zijn de verschillen naar opleidingsniveau minder uitgesproken.
Cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen De laatste decennia wordt Vlaanderen, zoals de meeste andere westerse landen, geconfronteerd met samenhangende sociaal-culturele ontwikkelingen, waarbij de autonomie van het individu ten opzichte van zijn sociale omgeving toeneemt (Vanderleyden e.a., 2009). Binnen de maatschappijwetenschappen wordt vaak verwezen naar ‘individualisering’ als de trend die die ontwikkelingen samenvat (Federaal Planbureau, 2007; Schnabel, 2004). ‘Individualisering’ mag niet verward worden met ‘individualisme’. ‘Individualisme’ is een morele voorkeur, waarbij het belang van het individu boven dat van de gemeenschap wordt geplaatst. Individualisering slaat op een selectieve keuze van personen in functie van hun persoonlijke interesses en hun persoonlijke situatie. De omschrijving en benadering van het individualiseringsconcept in de literatuur verschillen, maar het heeft telkens betrekking op de ontwikkeling waarbij de autonomie van het individu ten opzichte van zijn omgeving stijgt. Tegelijk vermindert de invloed van traditionele instituties en maatschappelijke rolpatronen op individuele opvattingen, waarden en gedragingen. De referentiekaders die opgelegd zijn door de staat, religie, familie of de lokale leefgemeenschap, hebben de afgelopen decennia sterk aan kracht ingeboet. Daardoor is de persoonlijke keuzevrijheid van het individu aanzienlijk toegenomen. Waar vroeger
03 / CULTUREEL-MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGEN
persoonlijke levenskeuzes werden ingegeven door tradities of geloofskaders, is het nu aan het individu zelf om te kiezen. We zijn geëvolueerd van een ‘standaardbiografie’ naar een ‘keuzebiografie’ (Beck & BeckGernsheim, 2002). Het individualiseringsproces is ingebed in een ruimere en internationaal waargenomen context van modernisering. Dat proces is al lang aan de gang en gaat terug tot de eerste industriële revolutie, waar de gegoede klassen - vooral de mannen - de kans kregen om hun eigen levensloop uit te tekenen. Pas in de jaren 1960 heeft dat proces zich versneld en is het veralgemeend naar brede lagen van de bevolking. Door een stijgend opleidingsniveau, meer politieke rechten, verbeterde arbeidsomstandigheden en een verhoogd welvaartsniveau hebben in het laatste deel van de 20ste eeuw steeds meer mensen de autonomie gekregen om hun individuele levensloop, waarden en opvattingen volgens hun eigen inzichten en voorkeuren in te vullen. Dat gaat gepaard met een evolutie waarbij meer belang gehecht wordt aan waarden als democratisering, meritocratisering, rationalisering en liberalisering (Veenhoven, 1999). Het gaat telkens om een streven naar een groeiende gelijkheid in rechten en kansen en vrijheid in denken en handelen. De individualisering heeft ook de gezagsrelaties tussen mensen gewijzigd. Door onder meer het gestegen opleidingsniveau en de hogere welvaart - en de daarmee samenhangende lagere economische afhankelijkheid van anderen - hebben mensen het tegenwoordig moeilijker met gedragsvoorschriften, met externe dwang en bevel. De samenleving is geëvolueerd van een ‘bevelshuishouding’ naar een ‘onderhandelingshuishouding’ (De Swaan, 1982). Dat leidt tot meer egalitaire verhoudingen en omgangsvormen tussen mensen. Een tendens die samenhangt met het moderniserings- en individualiseringsproces is de toegenomen aandacht voor de kwaliteit van het leven. In samenlevingen met een relatief hoogopgeleide bevolking en een behoorlijke sociaaleconomische status wordt meer aandacht besteed aan welzijn als aanvulling op het louter streven naar economische groei. Economische groei op zich volstaat niet meer, de groei moet kwaliteitsvol zijn. Het pure materialisme en consumentisme worden minder aantrekkelijk. Persoonlijk geluk hangt samen met de manier waarop we leven, meer dan met wat we bezitten of consumeren. Op macroniveau proberen we daarom aspecten als sociale en duurzame ontwikkeling in beeld te krijgen bij het meten van vooruitgang en beleidsplanning (zie bijvoorbeeld het EU-project www. beyond-gdp.eu). Op microniveau uit zich dat op tal van domeinen van het individuele leven door een toegenomen aandacht voor minder materiële levensaspecten (European Commission, 2012). Een voorbeeld daarvan is een andere visie op arbeidsdeelname: die staat steeds meer ten dienste van een kwaliteitsvol leven dan dat het een doel op zich is. Aspecten als jobtevredenheid en combinatie van werk en gezin winnen daardoor aan belang (zie economische ontwikkelingen). De evolutie waarbij mensen ervoor verantwoordelijk zijn om hun eigen levensloop vorm te geven, gaat gepaard met een toegenomen zoektocht naar intensere en intensievere belevingen. Er moet meer gedaan en meegemaakt worden in een leven. Menselijke bezigheden op het vlak van werk, relaties, gezin, vrije tijd en vakantie worden beoordeeld op basis van de mate waarin ze bijdragen aan het vervullen van de individuele behoefte aan spanning en ontspanning, aan belevenis van positieve emoties en gevoelens van zelfverwezenlijking. Die intensivering van het individuele leven hangt samen met een maatschappelijk hoge waardering van genot en lichamelijkheid, van gezondheid en sportiviteit en van consumentisme. Maar de aspiraties van het individu botsen ook op grenzen van haalbaarheid op materieel vlak en op vlak van tijdsbesteding. Zeker tijdens het zogenaamde ‘spitsuur van het leven’ (de leeftijd tussen 25 en 50 jaar) kunnen de bezigheden rond arbeid en gezin een groot beslag leggen op de beschikbare tijd voor
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
zelfontplooiing en de vervulling van persoonlijke aspiraties bemoeilijken, wat een negatief effect kan hebben op het subjectieve welbevinden. Een tweede belangrijke sociaal-culturele trend, naast de individualisering, is de sterk toegenomen globalisering van de samenleving. Daarmee wordt zowel de toename van de invloed van buiten op de eigen samenleving als de afname van de verschillen tussen samenlevingen bedoeld (Schnabel, 2004). Dat proces bestaat al eeuwen, maar was nog nooit zo allesomvattend als nu. De massamedia en de sociale media spelen daarin een belangrijke rol. Zeker in kleinere landen met een relatief hoogopgeleide bevolking heeft dat proces ingrijpende sociaal-culturele gevolgen. Enerzijds zorgt globalisering voor een ongekende verruiming van de actieradius van een groot deel van de bevolking in de welvarende landen: op fysiek vlak via het massatoerisme, op economisch vlak via de mogelijkheid van consumptie van nagenoeg alles wat de wereld te bieden heeft, op digitaal vlak via gebruik van tv, telefoon, internet en andere ICT. Anderzijds gaat globalisering gepaard met een stijging van de migratiestromen vanuit minder welvarende landen. Het aandeel vreemdelingen en personen met vreemde herkomst in Vlaanderen is op relatief korte tijd sterk toegenomen (zie demografische ontwikkelingen). De aanpassing van nieuw- en oudkomers aan die geïnternationaliseerde moderne samenleving verloopt niet probleemloos. Bestaande sociale en culturele instituties van beide groepen zijn weerbarstig en kunnen zich afzetten tegen al te grote veranderingen. Dat zet de sociale cohesie onder druk. Een derde socioculturele trend is de informatisering (Schnabel, 2004). Het heeft ons functioneren als mens ingrijpend veranderd. Via de sociale media en andere ICT-toepassingen kan iedereen nu met nagenoeg iedereen en op nagenoeg elke plek ter wereld in verbinding staan en toegang hebben tot nagenoeg alle niet-afgeschermde beschikbare informatie. Die informatisering schept talloze mogelijkheden op alle domeinen van het maatschappelijke leven (werk, onderwijs, gezondheid, sociale contacten, democratie ...). Tegelijk maakt die evolutie het belang van digitale vaardigheden voor de burger (‘empowerment’) steeds groter. Dat resulteert in een toenemend risico op digitale uitsluiting, die de bestaande uitsluiting op andere domeinen van het maatschappelijke leven nog kan versterken. Het gaat dan niet alleen om het bezit of het strategische voordelige gebruik van ICT (onder meer bij het vinden van een job, bij politieke participatie of bij het opbouwen en onderhouden van sociale netwerken). Het gaat tegenwoordig ook om de actieve participatie in de netwerkmaatschappij: om de mate waarin mensen zelf inhoud (en daarmee ook hun eigen identiteit) delen, aanpassen of creëren op sociale media en web 2.0-toepassingen. Die vaardigheden spelen steeds meer een cruciale rol spelen in de mate waarin mensen kunnen volgen in de huidige kennismaatschappij en -economie (Verdegem, 2011). De toegang tot de informatie is één facet, maar de mediawijsheid die bepaalt hoe er met de informatie wordt omgegaan, is minstens even belangrijk. Op dat gebied zijn er grote verschillen te noteren.
03 / CULTUREEL-MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGEN
These 1: Individualisering heeft gevolgen voor het kunnen of moeten maken van eigen keuzes.
Individualisering – de evolutie waarbij de autonomie van het individu ten opzichte van zijn sociale omgeving stijgt ten koste van de invloed van traditionele instituties en rolpatronen – heeft gevolgen op tal van domeinen van het persoonlijke en maatschappelijke leven. Die trend zal zich in Vlaanderen in de toekomst doorzetten. Bij bepaalde bevolkingsgroepen zal dat in een trager tempo gebeuren of op weerstand stuiten.
1.1 Vaststellingen
Individualisering – het proces van toegenomen individuele keuzevrijheid en detraditionalisering (zie hierboven) – beïnvloedt als eerste de wijze waarop mensen met elkaar samenleven en relaties aangaan (zie demografische ontwikkelingen – these 4). Het traditionele gezin – een getrouwd koppel van een man en een vrouw met een of meer kinderen – is aangevuld met tal van andere samenlevingsvormen, zoals gezinnen met ouders van hetzelfde geslacht, gezinnen waarin de ouders ongetrouwd samenwonen, eenoudergezinnen of nieuw samengestelde gezinnen. De maatschappelijke tolerantie tegenover die verscheidenheid aan relatievormen is sterk toegenomen. De grote meerderheid van de Vlamingen heeft er tegenwoordig geen probleem meer mee dat een koppel ongetrouwd samenwoont (Corijn, 2004). Ook de aanvaarding van holebi’s en holebiseksualiteit – traditioneel een van de maatschappelijk meest gecontesteerde relatievormen – is de afgelopen decennia sterk gestegen. In 1981 vond nog bijna de helft van de Belgen dat homoseksueel gedrag onaanvaardbaar is. In 1999 was dat gedaald tot een kwart (Dewaele e.a., 2006). Vandaag vindt 85% van de Vlamingen dat holebi’s hun leven moeten kunnen leiden zoals ze dat willen (SVR, 2012). Uiteindelijk heeft de toegenomen maatschappelijke aanvaarding van samenlevingsvormen buiten het klassieke huwelijk geresulteerd in wettelijke regelingen voor samenwonenden (1998), voor het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht (2003) en voor adoptierecht voor homokoppels (2006). Die wettelijke regelingen zorgen er op hun beurt voor dat de maatschappelijke aanvaarding van die fenomenen nog verder stijgt (Pickery & Noppe, 2007). Niet alleen is de variatie aan samenlevingsvormen sterk toegenomen, ook zijn relatie- en samenlevingskeuzes minder definitief. Het aantal echtscheidingen is in Vlaanderen sinds 1980 verdubbeld. Ook het aantal stopzettingen van regelingen van wettelijk samenwonen neemt recent toe (zie demografische ontwikkelingen – these 4). De wijze waarop mensen hun sociaal netwerk uitbouwen, verandert. De rol van familie als sociaal cement blijft belangrijk, maar – zeker bij hogeropgeleiden en jongeren – neemt het belang van individueel gekozen relaties met vrienden en kennissen toe. Tegelijk zorgen technologische evoluties voor tal van mogelijkheden om nieuwe virtuele contacten aan te gaan of om de bestaande sociale contacten te onderhouden (zie economisch-innovatieve ontwikkelingen – these 1).
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Het toenemende belang van individuele keuzes heeft ook gevolgen voor de inzet in verenigingen en organisaties. Voorlopig zijn er geen aanwijzingen te vinden voor een afname van de betrokkenheid en de inzet van de Vlamingen in het verenigingsleven (Smits & Elchardus, 2009). De klassieke ‘zuilgebonden’ sociaal-culturele organisaties boeten wel aan belang in ten voordele van niet-ideologisch gebonden verenigingen of andere nieuwsoortige verenigingen. Het individualiseringsproces hangt samen met een verminderde impact van religie op het persoonlijke en maatschappelijke leven. De kerkpraktijk in Vlaanderen is tijdens de afgelopen decennia sterk gedaald (Hooghe e.a., 2006). Eind jaren 1960 ging nog meer dan de helft van de Vlamingen minstens één keer per maand naar de kerk. Dat daalde tot een op de drie in 1980 en tot een op de tien in 2006. In Vlaanderen is net als in de meeste andere westerse landen de maatschappelijke invloed van de katholieke kerk en haar instellingen opvallend afgenomen. Het laatste decennium werd het georganiseerde levensbeschouwelijke pluralisme meer ondersteund, onder meer door de structurering en financiering van de vrijzinnigheid en de islamgemeenschap. Dat betekent niet dat religie en zingeving helemaal onbelangrijk zijn geworden. Meer dan vroeger gaan mensen echter op zoek naar een eigen manier van zingeving, los van de bestaande traditionele religieuze denkkaders (Dobbelaere, 2007). Die evolutie geldt niet voor alle bevolkingsgroepen. Zo blijft de identificatie van personen van Turkse en Marokkaanse herkomst met de islam duidelijk aanwezig, ook bij de jongere leeftijdsgroepen (Van Craen e.a., 2007), wat kan wijzen op een toenemend belang van religie. De afname van de invloed van de katholieke kerk heeft de bovenvermelde maatschappelijke aanvaarding van samenlevingsvormen buiten het klassieke huwelijk in de hand gewerkt. Hetzelfde geldt voor de maatschappelijke houding ten opzichte van andere ethische kwesties als abortus en euthanasie. Dat heeft in België geleid tot wettelijke regelingen op dat vlak die in internationaal opzicht behoorlijk progressief zijn. Dat een groot aandeel van de bevolking zich vandaag minder laat leiden door tradities of religie, heeft ook gevolgen op politiek en beleidsmatig vlak. Kiezers voelen zich nu minder verbonden met één bepaalde politieke partij (Billiet, 2006). Een behoorlijk aantal Vlamingen wijzigt zijn stemgedrag van verkiezing tot verkiezing of stemt op dezelfde verkiezingsdag voor verschillende partijen (Goeminne & Swyngedouw, 2007). Daarnaast lijken de klassieke, door de overheid of de politieke elite georganiseerde vormen van politieke participatie erop achteruit te gaan en vervangen te worden door – of minstens aangevuld te worden met – niet-geïnstitutionaliseerde, door de burger zelf opgezette vormen van participatie en inspraak, zoals rechtstreekse onlinecommunicatie of activisme in bewoners- of actiegroepen, wat beter samengaat met de eisen en verlangens van een meer kritische en zelfbewuste burger (Norris, 1999) (zie politieke ontwikkelingen – these 2). Tegelijk met de toegenomen aandacht voor de individuele verantwoordelijkheid in het bepalen van de eigen levensloop is het bredere debat aangewakkerd over de rol van de burger en de overheid in de samenleving. Vanaf de jaren 1970 kwam door de economische crisis en de daarmee gepaard gaande hogere sociale uitgaven de welvaarts- en verzorgingsstaat zoals die in de decennia na de Tweede Wereldoorlog in ons land werd uitgebouwd, onder druk te staan (Tresignie e.a., 2002). Vanaf het begin van de jaren 1980 hebben we via een beleid van grotere solidariteit aan de kant van de bijdragen en selectiviteit aan de kant van de uitkeringen geprobeerd om de ontsporing van de sociale uitgaven onder controle te krijgen (Cantillon, 1999). Sinds het einde van de jaren 1990 ligt de klemtoon meer op de activering van de burger
03 / CULTUREEL-MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGEN
zelf (Deleeck, 2001). Zo proberen we – mede in het licht van de versnellende vergrijzing – de houdbaarheid van de welvaartsstaat te verzekeren door meer mensen aan het werk te krijgen. De actievere rol die van de burger wordt gevraagd, geldt ook op terreinen als ondernemerschap of het opnemen van sociaal engagement binnen de samenleving. Die accentverschuiving komt duidelijk tot uiting in de opeenvolgende Vlaamse regeerakkoorden en langetermijnplannen als het Pact van Vilvoorde en het Pact 2020 (Carton & Pauwels, 2007). De burger als ‘klant’, zoals opgenomen in de regeringsteksten begin jaren 1990, heeft geleidelijk aan plaats gemaakt voor de burger als ‘betrokken partner’ met eigen verantwoordelijkheden in het vormgeven van de samenleving en van de eigen positie in die samenleving. De toegenomen autonomie van het individu ten opzichte van zijn omgeving heeft ook een keerzijde. Mensen kunnen tegenwoordig niet alleen kiezen, maar worden daar ook toe verplicht, wat niet altijd gemakkelijk is (Geldof, 2008). Individuen worden teruggeworpen op zichzelf. Dat zorgt voor onzekerheid en stress en de zoektocht naar houvast bij andere, niet-traditionele zingevingkaders. Een dergelijk houvast kan gevonden worden bij zelfgekozen groepen of organisaties. Maar er is ook sprake van andere meer subtiele vormen van sturing, beïnvloeding van smaken, opvattingen, emoties en kennis, via het onderwijs, de massamedia en de markt (Elchardus & Glorieux, 2002). Ook in de moderne, gedetraditionaliseerde samenleving blijkt daardoor nog erg veel conformisme en groepsgedrag aanwezig te zijn. De keuzeprocessen van mensen verlopen nog altijd behoorlijk gestructureerd en gestandaardiseerd. Het zorgt ervoor dat voorkeuren, waarden en opvattingen ook nu nog minstens ten dele worden gestuurd en samenhangen met onze positie in de samenleving.
1.2 Vooruitzichten
De toegenomen individuele autonomie zorgt voor meer zelfbewuste, mondigere en meer kritische burgers. Dat heeft mogelijk gevolgen voor tal van levensdomeinen. Zo kan verwacht worden dat de burger hogere eisen zal stellen aan onder meer zijn werksituatie, gezondheid en zorg, sociale contacten, cultuur- en sportparticipatie en de engagementen die hij aangaat in verenigingen. Op het vlak van zijn werksituatie vertaalt zich dat in een streven naar meer autonomie bij de organisatie en invulling van zijn job (zoals meer flexibiliteit bij de keuze van werkuren en werkplaats) en meer inspraak in de bedrijfsvoering (Schnabel, 2004). Die evolutie wordt ondersteund en versterkt door tal van ICT-toepassingen die vooral voor hogeropgeleiden een andere wijze van werken mogelijk maken. Als de tanende invloed van de beschreven lokale leefgemeenschap en de familie daaraan gekoppeld wordt, leidt dat mogelijk tot een gewijzigde relatie tussen werkplaats en woonplaats. Terwijl Vlamingen nu nog behoorlijk honkvast zijn en daardoor relatief gezien lange woon-werkafstanden afleggen (Van Acker e.a., 2011), valt het niet uit te sluiten dat ze in de toekomst dichter bij hun werkplaats zullen gaan wonen. Dat heeft ook een positieve invloed op het vlak van mobiliteit. Die veranderde positie van de burger heeft ook gevolgen voor de zorgsector. De individualiseringstrend zorgt voor een toenemende mondigheid van de patiënt en een verlangen naar meer zelfbeschikking over de eigen gezondheid. Dat uit zich onder meer in een meer gelijkwaardige relatie tussen patiënt en zorgverstrekker, zelfdiagnose, overleg en uitwisseling van ervaringen met medepatiënten en andere geïnteresseerden, onder meer via het internet en andere ICT-toepassingen. Personen met zorgbehoeften
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
gedragen zich steeds meer als kritische, zelfbewuste actoren op de ‘zorgmarkt’, waarin ze vrij, ondernemend, competitief en rationeel zijn. Dat brengt met zich mee dat het individu bij gezondheidsproblemen mogelijk meer dan vroeger zelf verantwoordelijk zal worden gesteld voor een ongezonde levensstijl of nietopgenomen zorg of ondersteuning (SARWGG, 2012). Wat sociale relaties betreft, worden zelfgekozen contacten belangrijker. Bepaalde auteurs gaan in dat verband uit van een algemene evolutie van sociale deconstructie waarbij intieme en persoonlijke relaties zullen plaatsmaken voor meer anonieme en voorwaardelijke sociale contacten (Putnam, 2000). Ook als een dergelijke evolutie zich niet algemeen voordoet, is het duidelijk dat de ontwikkeling waarbij mensen ‘losgeweekt’ raken van familie, vrienden, buren en verenigingen en meer dan vroeger op sociaal en sociaaleconomisch vlak aangewezen zijn op zichzelf, het risico op sociale isolatie minstens voor bepaalde groepen doet toenemen (European Commission, 2012). Er zijn voorlopig geen aanwijzingen dat de betrokkenheid en de inzet in het verenigingsleven op korte termijn zullen verminderen. Er is wel een tendens merkbaar naar minder lange en meer adhocengagementen in het verenigingsleven, zeker bij de jongere generaties (Dekker e.a., 2007). Leden worden kritischer en vragen zich vaker af of het lidmaatschap van een bepaalde vereniging nog wel aan hun behoeften beantwoordt (Federaal Planbureau, 2007). Ook is er meer sprake van zogenaamde ‘lichte gemeenschappen’ waarin mensen samen activiteiten doen zonder een formeel organisatieverband (Van den Berg e.a., 2011). Het ziet ernaar uit dat die trends zich in de toekomst – als de oudere generaties door de jongere worden vervangen – zullen doorzetten. Tegelijk moet rekening gehouden worden met een meer gesegregeerde opbouw van het verenigingsleven (Elchardus e.a., 2000). Individuen nemen keuzes over hun vrijetijdsbesteding en dus over hun engagement in verenigingen en organisaties meer zelf in handen. Daarmee komt ook de socialisatie- en integratiefunctie van het verenigingsleven onder druk te staan. De klassieke zuilgebonden sociaal-culturele organisaties die momenteel hun aantrekkingskracht verliezen, zijn typevoorbeelden van organisaties die zorgen voor contacten tussen mensen met een verschillende achtergrond (‘bruggenbouwend’ sociaal kapitaal) en die een emancipatorische rol vervullen voor minder gegoede groepen, zoals laagopgeleiden. De kans bestaat dat mensen in de toekomst meer zullen kiezen voor organisaties die zorgen voor contacten tussen mensen met een vergelijkbare achtergrond (‘bindend’ sociaal kapitaal) en dat die trend ten koste gaat van sociale contacten en samenhang over sociaaleconomische en culturele grenzen heen. Het toenemende gebruik van sociale media maakt dat tijd en ruimte gemakkelijker overbrugd kunnen worden en mensen hun eigen netwerk en reële contacten anders uitbouwen en beleven. Zoals gezegd, hangt individualisering samen met minder definitieve relatie- en samenlevingskeuzes. Het aantal alleenstaanden, eenoudergezinnen en nieuw samengestelde gezinnen neemt toe en zal ook in de toekomst verder toenemen. Dat heeft effecten op tal van domeinen (OECD, 2012a). Er doet zich een evolutie voor naar minder stabiele familiestructuren waarbij samenwonenden (al dan niet met kinderen) minstens tijdelijk alleen komen te staan. Aangezien partnerschap bescherming biedt tegen armoede, eenzaamheid en sociale uitsluiting, gaat die evolutie gepaard met een toename van het risico op sociale achterstelling. Daarnaast zal door het toenemende aantal alleenstaanden en eenoudergezinnen de vraag naar appartementen en kleinere woningen op de woningmarkt toenemen. Ook kan verwacht worden dat door de gezinsverdunning het autobezit zal toenemen en dat er meer autoverplaatsingen alleen zullen gebeuren. De druk op de mobiliteit wordt mogelijk nog versterkt door de te verwachten verhoogde mobiliteitsparticipatie van ouderen. Zij zullen langer sociaal en economisch actief blijven en daardoor ook vaker en tot op hogere leeftijd aan het verkeer deelnemen.
03 / CULTUREEL-MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGEN
Er kan ook verwacht worden dat de gezinsverdunning de consumptie van goederen en diensten verder doet toenemen (VMM, 2005). Elk huishouden – of dat nu uit één, twee of meer personen bestaat – heeft behoefte aan een aantal basisitems en –diensten, zoals elektrische huishoudtoestellen, ICT en verwarming. De toename van het aantal gezinnen doet de consumptie van dergelijke goederen en diensten stijgen. Dat heeft een positief effect op de economie, maar legt tegelijk een bijkomende druk op het milieu. Ten slotte moet benadrukt worden dat de hierboven beschreven trends en ontwikkelingen geleidelijk verlopen en niet gelijktijdig dezelfde impact hebben in alle geledingen van de samenleving (Federaal Planbureau, 2007). Als individuen meer verantwoordelijk worden voor de uittekening van hun eigen levensloop, moeten ze over het nodige materiële, sociale en culturele kapitaal beschikken om dat te kunnen doen (Geldof, 2008). De bijbehorende onzekerheid en stress kunnen ervoor zorgen dat mensen niet meer meekunnen, dat ze maatschappelijk afhaken en terugplooien op zichzelf, wat het risico op sociale uitsluiting gevoelig doet toenemen. In dat verband moet gewezen worden op een mogelijke kloof tussen bepaalde bevolkingsgroepen, in de eerste plaats tussen hoog- en laagopgeleiden. Een ander aandachtspunt is een mogelijk andere houding van bepaalde bevolkingsgroepen tegenover het individualiseringsproces. Onderzoek maakt duidelijk dat er onder meer op het vlak van ethische en maatschappelijke kwesties duidelijke verschillen bestaan tussen personen van Belgische herkomst en personen van vreemde herkomst (Vancluysen e.a., 2009). Als het gaat over abortus en euthanasie, primeert bij personen van Belgische herkomst, veel meer dan bij personen van vreemde herkomst, de individuele keuzevrijheid. Ook tegenover gendergelijkheid is er een duidelijk verschil merkbaar. Diversiteit in houdingen en waardeoriëntaties maakt uiteraard deel uit van een democratische samenleving en leidt niet automatisch tot samenlevingsproblemen. Er kan trouwens verwacht worden dat het proces van individualisering en modernisering zich in de toekomst ook bij personen van vreemde herkomst zal doorzetten (Schnabel, 2004). Vooral hoogopgeleiden en vrouwen lijken de drijvende kracht achter die ontwikkeling. Een dergelijk proces verloopt mogelijk niet probleemloos en de kans bestaat dat bepaalde groepen (elementen van) het proces van individualisering en detraditionalisering bewust afwijzen en proberen te verhinderen binnen hun invloedssferen. In dat geval stijgt het risico op samenlevingsproblemen wel degelijk.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
These 2: Welvaart en inkomen houden stand ondanks de crisis, maar armoede blijft realiteit voor een niet te verwaarlozen groep.
In Europees opzicht scoort Vlaanderen goed op het vlak van inkomen en welvaart. Ook het aandeel personen in armoede ligt relatief laag. Afhankelijk van de gehanteerde definitie gaat het echter nog altijd om 10% tot 15% van de bevolking. In geval van afwezigheid van grote onverwachte demografische schokken en een herstel van de economische groei binnen afzienbare termijn kan verwacht worden dat het aandeel personen in armoede in Vlaanderen tussen 2010 en 2030 beperkt zal afnemen.
2.1 Vaststellingen
Het beschikbare inkomen en de welvaart zijn in Vlaanderen de afgelopen decennia toegenomen tot een historisch hoog niveau (Van den Bosch e.a., 2009). Vlaanderen heeft daarmee de internationale trend van toegenomen welvaart tijdens de afgelopen decennia gevolgd (World Bank, 2012) (zie ook economische ontwikkelingen – these 3). De meest recente cijfers geven aan dat Vlaanderen op het vlak van beschikbaar inkomen in de EU27 alleen Luxemburg, Oostenrijk en Duitsland moet laten voorgaan. Het beschikbare inkomen ligt in Vlaanderen hoger dan in Brussel en Wallonië. De toename van het beschikbare inkomen lag de laatste twee decennia in die twee gewesten relatief gezien ook lager dan in Vlaanderen, waardoor Brussel en Wallonië in tegenstelling tot Vlaanderen sinds half jaren 1990 weggezakt zijn van de koplopers naar de betere middenmoot in de EU-ranking. De meest recente cijfers geven wel aan dat het beschikbare inkomen in de drie gewesten in 2010 voor het eerst sinds 2005 beperkt is gedaald.
03 / CULTUREEL-MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGEN
Figuur 2 Beschikbaar inkomen (in euro koopkrachtpariteiten, gebaseerd op de finale consumptie) in de Belgische gewesten en de EU27 (geen cijfers voor Italië en Malta), in 2009
Bron:
Eurostat; bewerking SVR
Dat het Vlaamse gemiddelde beschikbare inkomen in Europees opzicht relatief hoog ligt, zegt niets over de welvaartsverdeling binnen Vlaanderen. Uit de meest recente beschikbare cijfers blijkt dat het armoederisicopercentage momenteel relatief laag ligt in Vlaanderen. In 2011 leefde 10% van de Vlamingen in een huishouden met een inkomen onder de Belgische armoederisicodrempel (SVR, 2013a). Dat komt overeen met ongeveer 600.000 tot 650.000 personen. Het armoederisico ligt beduidend hoger bij ouderen, alleenstaanden, eenoudergezinnen, werklozen en niet-actieven, gezinnen waar niemand werkt of waar slechts beperkt wordt gewerkt, laaggeschoolden, personen met een functiebeperking, huurders en vreemdelingen van buiten de EU. Maar bij de meeste van die groepen ligt het armoederisico in Vlaanderen op het niveau van de beter scorende EU-landen. Alleen bij de ouderen en de vreemdelingen van buiten de EU scoort Vlaanderen opvallend minder goed (SVR, 2013a). Het feitelijke materiële welvaartspeil van ouderen in Vlaanderen is echter beter dan wat het hoge armoederisico doet vermoeden (Cantillon e.a., 2009). Dat houdt verband met het relatief hoge percentage huiseigenaars bij de Vlaamse ouderen, waardoor ze relatief minder geconfronteerd worden met huuruitgaven dan hun leeftijdsgenoten in andere landen. Parallel daarmee geven Vlaamse ouderen zelf niet meer dan andere leeftijdsgroepen aan dat ze de eindjes moeilijk aan elkaar kunnen knopen en worden ze minder vaak geconfronteerd met problemen van materiële deprivatie (SVR, 2013a).18
18
Een huishouden leeft in ernstige materiële deprivatie als het minstens vier van de negen basisitems mist of niet kan om financiële redenen. Die negen items zijn: één week vakantie per jaar, een maaltijd met vis, vlees, kip of vegetarisch alternatief om de twee dagen, een wasmachine, een kleuren-tv, een telefoon, een auto, het huis degelijk kunnen verwarmen, een onverwachte financiële uitgave van 900 euro kunnen doen, de rekeningen voor huur of hypotheek, nutsvoorzieningen of leningen of voor aankopen op afbetaling kunnen betalen.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Personen die geboren zijn buiten de Europese Unie, lopen duidelijk een hoger risico op armoede. Het armoederisicopercentage ligt bij die groep bijna vijf keer hoger dan bij personen die geboren zijn binnen de EU (inclusief België). Nadere analyse voor heel België geeft aan dat het armoederisico het hoogst ligt bij personen van Marokkaanse herkomst (54%). Ook personen van Turkse herkomst (33%), Oost-Europese herkomst (36%) en niet-Europese herkomst (37%) scoren opvallend minder goed dan personen van Belgische herkomst (12%) (Van Haarlem e.a., 2011). Armoede en sociale uitsluiting zijn geografisch niet gelijkmatig gespreid over Vlaanderen. Analyse van administratieve gegevens maakt duidelijk dat de hoogste armoedepercentages gemeten worden in de meest dichtbebouwde stedelijke gebieden (Marissal e.a., 2012). Tegelijk blijkt ook dat de armoede en sociale achterstelling op het platteland hoger liggen dan in de meer bevolkte niet-stedelijke gebieden. Het armoederisicopercentage is in Vlaanderen de laatste decennia vrij stabiel gebleven (zie figuur 3). Een vergelijking tussen de periode vóór en na 2001 is moeilijk wegens een wijziging in de databron, maar beide perioden geven telkens vrij stabiele cijfers. Ook de inkomensongelijkheid (ginicoëfficiënt) is vrij stabiel gebleven sinds half jaren 1990, uitgezonderd een lichte stijging tussen 1998 en 2000. Dat betekent dat ondanks de economische crisis het armoederisicopercentage en de inkomensongelijkheid in Vlaanderen recentelijk dus niet opvallend gestegen zijn. Ook als rekening wordt gehouden met de multidimensionaliteit van armoede en naast de inkomensarmoede de materiële deprivatie en de werkintensiteit van huishoudens in rekening worden gebracht - zoals gebeurt in de indicator van armoede en sociale uitsluiting die in het kader van de EU2020-strategie ontwikkeld is - blijkt er van een stijging in de afgelopen jaren geen sprake (15% van de Vlamingen in 2011). Dat wijkt af van de evolutie in heel wat andere EU-landen. Mogelijk geeft dat aan dat de bestaande automatische stabilisatiemechanismen van onze welvaartsstaat de gevolgen van de crisis voorlopig grotendeels hebben kunnen opvangen (European Commission, 2012).
Figuur 3. Aandeel personen onder de armoederisicodrempel en ginicoëfficiënt, Vlaams Gewest, 1996-2011
Bron:
1996-2001: PSBH; 2004-2011: EU-SILC (ADSEI); bewerking SVR
03 / CULTUREEL-MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGEN
In Europees perspectief presteert Vlaanderen voor armoede en inkomensongelijkheid relatief goed. Het haalt zowel bij het aandeel personen onder de armoederisicodrempel als bij de inkomensongelijkheid (ginicoëfficiënt) een plaats bij de toplanden van de EU, ook na de crisis (zie figuur 4). Dat is in tegenstelling tot vooral de Zuid- en Oost-Europese lidstaten waar het beschikbare inkomen sinds 2008 opvallend afneemt en waar de armoede toeneemt. Door de slechtere economische prestaties van de zogenaamde PIIGS-landen (Portugal, Italië, Ierland, Griekenland en Spanje) en de verslechterde inkomens- en leefomstandigheden van hun inwoners ontstaat er stilaan een nieuwe sociaaleconomische tweedeling in de EU15-lidstaten (European Commission, 2013).
Figuur 4. Aandeel personen onder de armoederisicodrempel en ginicoëfficiënt, Vlaams en Waals Gewest en de 27 EU-landen, in 2011
* Cijfers voor 2010. Bron: EU-SILC – Eurostat en ADSEI; bewerking SVR
Bij deze algemene cijfers kunnen een aantal kanttekeningen geplaatst worden:
••
et aandeel personen in armoede in Vlaanderen is tijdens de voorbije decennia niet opvallend H gedaald, ondanks de duidelijke toename van de welvaart (Van den Bosch e.a., 2009).
••
e beperkte daling van het aandeel personen onder de armoederisicodrempel die zich tussen 2006 D en 2008 had ingezet, is vanaf 2009 tot stilstand gekomen. Hetzelfde geldt voor de multidimensionale EU2020-indicator over armoede en sociale uitsluiting (SVR, 2013a).
••
e recente evolutie van een aantal administratieve cijferreeksen geeft aan dat de economische D crisis voor bepaalde groepen en op bepaalde aspecten van de inkomenssituatie een duidelijke
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
impact heeft gehad (Schepers & Nicaise, 2013). Dat blijkt onder meer uit de cijfers over sociale bijstandsuitkeringen, betalingsachterstand en energiearmoede (zie figuur 5).
••
egenover de periode vóór 2008 is het aandeel personen dat leeft in een huishouden dat zelf T aangeeft (zeer) moeilijk rond te komen, opvallend gestegen. Dat aandeel was tussen 2004 en 2007 gedaald van 13% tot 10%, maar is sinds 2008 gestegen naar om en bij de 15% van de Vlamingen (SVR, 2013a).
Figuur 5 Evolutie van het aantal door de Nationale Bank van België geregistreerde personen met betalingsachterstand, huishoudens in energiearmoede en sociale bijstandsuitkeringen, Vlaams Gewest, 2006-2012
Bron:
NBB, VREG, POD MI
Meer algemeen ging de positie van gezinnen die aangewezen zijn op sociale uitkeringen, er de voorbije decennia op achteruit in vergelijking met de positie van andere inkomensgroepen (Van den Bosch e.a., 2009). De sociale uitkeringen hebben over de jaren heen hun koopkracht behouden, maar zijn relatief achteruitgegaan ten opzichte van de sterker gestegen inkomens van huishoudens met een arbeidsinkomen. Dat is een van de oorzaken van de relatief mindere prestaties betreffende armoede van de Vlaamse ouderen. Om de inkomenssituatie van die groep te verbeteren, werden de laatste jaren op Belgisch niveau inspanningen geleverd door de uitkeringen te verhogen.
03 / CULTUREEL-MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGEN
Een ander aandachtspunt is het aandeel personen in langdurige armoede (inkomen onder de armoederisicodrempel in minstens drie van de laatste vier jaar) in het totale aantal personen onder de armoederisicodrempel. De helft van de personen met een inkomen onder de armoederisicodrempel in Vlaanderen leeft in langdurige armoede (SVR, 2013b). Het aandeel van de langdurige armoede in de totale armoede ligt iets hoger in Vlaanderen dan in de best presterende EU-landen. Vlaanderen schuift daarmee op naar de groep EU-landen waar het risico om in armoede terecht te komen relatief laag is, maar tegelijk de kans om weer uit de armoede te raken ook laag is. De Europese Commissie ziet in die landen een risico op blijvende sociale achterstelling als ze in armoede terechtkomen. Dat zorgt voor een risico op oplopende sociale polarisatie tussen de (weliswaar relatief beperkte) groep personen in armoede en sociale uitsluiting en de rest van de samenleving (European Commission, 2013). Een laatste aandachtspunt is het relatief hoge aandeel Vlamingen dat leeft in een gezin waar niet of nauwelijks wordt gewerkt. Ook daar is de afname die zich voordeed tussen 2006 en 2008 gestopt, waarna dat aandeel tussen 2008 en 2011 weer beperkt is gestegen (SVR, 2013a). In die gezinnen is het risico op armoede erg hoog (43%). Daarom beschouwt de Europese Commissie – ondanks de relatief lage algemene armoederisicopercentages van kinderen in Vlaanderen – het relatief hoge en recent toegenomen aandeel kinderen in gezinnen met een zeer lage werkintensiteit in ons land als een belangrijk aandachtspunt (European Commission, 2013).
2.2 Vooruitzichten
De evolutie van de omvang van de groep personen in armoede schetsen is niet eenvoudig omdat heel wat parameters een rol spelen. Het gaat onder meer om de te verwachten economische groei, de toekomstige ontwikkelingen op het vlak van de samenstelling van de bevolking, de wijze waarop mensen samenleven en het toekomstige sociaaleconomische beleid (onder meer bij tewerkstelling, lonen en sociale zekerheid). Wat de toekomstige samenstelling van de bevolking betreft, kan verwacht worden dat het aandeel in de totale bevolking van een aantal bevolkingsgroepen die nu een verhoogd risico lopen op armoede, zal toenemen. Wat de ouderen betreft, gaat men ervan uit dat de hogere arbeidsparticipatie van vrouwen, een latere uittredeleeftijd van mannen en vrouwen en meer mogelijkheden om professioneel actief te blijven als gepensioneerde op termijn zullen leiden tot hogere pensioenen en een sterkere inkomenspositie van ouderen (Hoge Raad van Financiën, 2012). De hogere levensverwachting leidt er ook toe dat oudere koppels langer samen kunnen blijven, wat ervoor zorgt dat relatief gezien minder vrouwen zullen moeten rondkomen met een weduwepensioen (De Blander e.a., 2013). Die trends worden niet alleen verwacht voor België, maar voor de meeste westerse landen (OECD, 2012a). Het armoederisico ligt momenteel hoger bij laagopgeleiden en vreemdelingen of personen van vreemde herkomst. Wat laagopgeleiden betreft, is het positief dat de opleidingsgraad van de bevolking sterk toeneemt: het aandeel laaggeschoolden bij de Vlaamse bevolking tussen 20 en 64 jaar daalde tussen 2001 en 2012 van 37% tot 25%. In de toekomst zal de opleidingsgraad van de bevolking nog verder toenemen, niet zozeer bij de jongere groepen - tenzij er een grondige hervorming komt van het opleidingssysteem maar vooral bij de oudere groepen (De Blander e.a., 2013). Bij de oudere groepen zullen met de vervanging
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
van de generaties hogeropgeleide jongere leeftijdsgroepen de plaats innemen van lageropgeleide oudere leeftijdsgroepen. Volgens FLEMOSI-projecties zal het aandeel personen met minstens een diploma secundair onderwijs bij de 65-plussers toenemen van een op de vijf in 2011 tot bijna drie op de vijf in 2031 (De Blander e.a., 2013). Minder goed nieuws is dat vandaag nog altijd een behoorlijk grote groep jongeren het onderwijs verlaat zonder diploma (volgens EAK-enquête: 8,7% in 2012). Zeker in economisch moeilijkere tijden dreigen ze in een sociaaleconomisch erg kwetsbare positie terecht te komen. Op het vlak van vreemdelingen of personen van vreemde herkomst wordt verwacht dat de verhoogde inwijking van vreemdelingen vanuit de nieuwe EU-lidstaten en vanuit landen van buiten de Europese Unie de komende jaren tot stilstand zal komen door onder meer de afname van economische verschillen tussen landen en strengere migratieregels (Federaal Planbureau en ADSEI, 2013). De inwijking zal niet even sterk blijven stijgen, maar blijft wel de belangrijkste motor voor de bevolkingsgroei. De omvang van de groep van vreemdelingen of personen van vreemde herkomst die in Vlaanderen aanwezig zijn, zal dus in aantal verder toenemen. De mogelijke instroom vanuit de Europese landen die momenteel het zwaarst te lijden hebben onder de financieel-economische crisis, is nog onzeker. Door de zwakke sociaaleconomische situatie van vreemdelingen en personen van vreemde herkomst noemt de Europese Commissie de sociale inclusie van die groep een belangrijke uitdaging voor ons land (European Commission, 2013). Familiestructuren hebben ook een impact op het armoederisico, zeker bij vrouwen en kinderen. Alleenstaanden en eenoudergezinnen lopen een duidelijk hoger risico op armoede. Er kan verwacht worden dat de evolutie naar minder stabiele familiestructuren zich in de toekomst zal voortzetten. Dat zal zorgen voor meer alleenstaanden (al dan niet met kinderen). Er zijn niet direct duidelijke aanwijzingen dat de sociaaleconomische positie van alleenstaanden en eenoudergezinnen in de toekomst gevoelig zal verbeteren. Ons land wordt door de Europese Commissie aangemaand om de relatief hoge armoedegraad bij eenoudergezinnen aan te pakken (European Commission, 2013). Het Federaal Planbureau (FPB) heeft in opdracht van de Studiecommissie voor de Vergrijzing een verkennende projectie gemaakt over de omvang van de groep personen onder de armoederisicodrempel in België tot 2060 bij ongewijzigd beleid (Hoge Raad van Financiën, 2012). Daarin wordt rekening gehouden met de vooruitzichten inzake een gewijzigde bevolkingssamenstelling en de beschikbare macroeconomische vooruitzichten. Het FPB verwacht tussen 2010 en 2030 voor België een beperkte stijging van het aandeel werkenden met een inkomen onder de armoederisicodrempel. Daartegenover staat een sterke daling van het aandeel ouderen met een inkomen onder de armoederisicodrempel als gevolg van onder meer de toenemende arbeidsparticipatie bij vrouwen (langere loopbanen zorgen voor hogere pensioenen) en de in de voorbije jaren besliste hogere minimumpensioenen en sociale uitkeringen voor gepensioneerden. Samen levert dat een daling op van het aandeel personen met een inkomen onder de armoederisicodrempel in België met twee tot drie procentpunten. De FLEMOSI-projecties voor Vlaanderen wijzen in dezelfde richting (De Blander e.a., 2013). Het aandeel personen in Vlaanderen met een inkomen onder de armoederisicodrempel zal tussen 2011 en 2031 dalen met twee tot drie procentpunten. Een vergelijkbare daling wordt verwacht voor de multidimensionale EU2020-indicator. Wat kinderarmoede betreft, is er de eerstvolgende jaren sprake van een beperkte stijging, waarna ook bij die groep een daling optreedt. De toename van het onderwijsniveau en de stijgende vrouwelijke arbeidsparticipatie doen zich op korte termijn vooral voor bij de hogere inkomensgroepen. Dat zorgt ervoor dat de inkomensongelijkheid in Vlaanderen het komende decennium in beperkte mate toeneemt. Op langere termijn verspreiden die trends zich over de hele bevolking en neemt de inkomensongelijkheid weer af.
03 / CULTUREEL-MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGEN
Dergelijke projecties zijn uiteraard sterk afhankelijk van de verwachte economische groei en het daarmee samenhangende niveau van tewerkstelling en beloning. Ze kunnen het best worden aangevuld met inschattingen van het effect van verschillende mogelijke economische scenario’s (OECD, 2012a). Bij relatief positieve economische vooruitzichten (zoals ook verwacht door het Federaal Planbureau en de FLEMOSIprojecties) wordt een afname van de armoede verwacht. Bij negatieve economische vooruitzichten zorgt de stijgende (langdurige) werkloosheid in eerste instantie voor een minder goede inkomenssituatie van de rechtstreeks betrokken gezinnen. Bij aanhoudende perioden van negatieve economische ontwikkelingen zullen door noodzakelijke besparingen in deoverheidsuitgaven mogelijk ook de sociale uitkeringen dalen, waardoor de algemene armoederisicograad verder de hoogte in gaat. In dat geval dreigt een situatie van toenemende ongelijkheid tussen huishoudens afhankelijk van die lagere sociale uitkeringen en huishoudens die het zich kunnen veroorloven om zich op de private markt extra te verzekeren tegen inkomensverlies (OECD, 2012a).
These 3: Situatie van kansengroepen: alleen voor de ouderen is er beterschap in zicht
Er zijn een aantal bevolkingsgroepen die op het vlak van maatschappelijke participatie minder goed scoren in Vlaanderen. Er kan worden verwacht dat de situatie van de ouderen er in de toekomst relatief gezien op vooruit zal gaan. Bij de laagopgeleiden, personen met een functiebeperking en vreemdelingen zijn daarvoor minder aanwijzingen te vinden. De positie van de vrouwen verbetert op heel wat domeinen.
3.1 Vaststellingen
Ondanks de toegenomen welvaart in Vlaanderen blijft een behoorlijke groep in onze samenleving achter. Het gaat niet alleen om mensen in een mindere inkomenspositie (zie vorige these over inkomen en armoede), maar meer in het algemeen om bevolkingsgroepen die om uiteenlopende redenen minder participeren in de verschillende domeinen van het maatschappelijke leven. Het gaat om vrouwen, ouderen, laaggeschoolden, alleenstaanden en alleenstaande ouders, personen met een functiebeperking en vreemdelingen. In het Pact 2020 gaat de Vlaamse Regering het engagement aan om werk te maken van een evenredige participatie van die groepen op het vlak van tewerkstelling, cultuur, sport, het verenigingsleven, internet, levenslang leren, politieke participatie en sociale contacten. Op het vlak van tewerkstelling blijkt als eerste dat vooral ouderen (55 tot 64 jaar), vreemdelingen van buiten de EU en personen met een functiebeperking moeilijk toegang blijven vinden tot de arbeidsmarkt.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Dat wordt duidelijk door een vergelijking van de werkzaamheidsgraad19 van die groepen met de algemene werkzaamheidsgraad (zie figuur 6). De arbeidsdeelname van de 55- tot 64-jarigen is de voorbije jaren duidelijk gestegen - bijna vier op de tien personen in die groep zijn nu aan het werk -, toch wordt de Vlaamse arbeidsmarkt nog altijd gekenmerkt door een specifiek leeftijdsgebonden arbeidspatroon. Een erg hoge arbeidsdeelname tussen 25 en 49 jaar zorgt in combinatie met een beperkte deelname bij jongeren en ouderen voor sterk samengedrukte loopbanen. De arbeidsdeelname van vrouwen en personen met een functiebeperking stagneert. Bij laaggeschoolden, niet-EU-burgers en personen die geboren zijn buiten de EU, gaat de arbeidsdeelname er de voorbije jaren zelfs op achteruit. Bij vergelijking met de situatie in de andere EU-landen blijkt dat de lage werkzaamheidsgraad bij ouderen en vreemdelingen van buiten de EU het voornaamste pijnpunt blijft op de Vlaamse arbeidsmarkt (SVR, 2013b).
Figuur 6. Werkzaamheidsgraad van kansengroepen, 2002-2012, in %
Bron:
EAK – ADSEI
Figuur 7 maakt duidelijk dat de participatie van de genoemde groepen op het vlak van cultuur, sport, verenigingsleven, internet, levenslang leren en politieke participatie niet evenredig is aan hun aandeel in de totale bevolking. Van een evenredige participatie is er sprake als de verhouding tussen het aandeel participanten in de doelgroep en het aandeel participanten in de totale bevolking gelijk is aan één. Dat blijkt bij geen enkel aspect en nagenoeg geen enkele groep het geval te zijn.
19
De werkzaamheidsgraad meet het aandeel werkenden in de bevolking op beroepsactieve leeftijd (20 tot 64 jaar). Onder ‘werkenden’ verstaan we iedereen die in een bepaalde referentieweek minstens één uur betaalde arbeid heeft verricht (definitie van de Internationale Arbeidsorganisatie).
03 / CULTUREEL-MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGEN
In 2012 nam 46% van de volwassen Vlamingen deel aan minstens drie verschillende culturele activiteiten. De cultuurparticipatie ligt beduidend lager bij laaggeschoolden, ouderen, alleenstaanden en personen met een functiebeperking. Op het vlak van sportparticipatie scoren laagopgeleiden het laagst. Het totale aandeel Vlamingen dat sport, komt overeen met 54% van de volwassen bevolking. Sport wordt hier ruim opgevat en omvat ook ontspanningsactiviteiten als wandelen en fietsen. Ook op het vlak van actieve deelname aan het verenigingsleven is de participatie van nagenoeg alle genoemde groepen duidelijk minder. Laaggeschoolden scoren het laagst. In totaal blijkt iets meer dan de helft van de volwassen Vlamingen actief lid te zijn van minstens één vereniging. De resultaten van de SCV-survey geven weer aan dat op het vlak van levenslang leren vooral de ouderen, laagopgeleiden en personen met een functiebeperking sterk ondervertegenwoordigd zijn. Bij de politieke participatie gaat het vooral om de laagopgeleiden. De intensiteit van sociale contacten geeft een enigszins afwijkend beeld (niet in figuur). De oudste leeftijdsgroepen hebben de meeste sociale contacten. Ouderen hebben weliswaar minder contacten met vrienden dan jongeren, maar dat wordt gecompenseerd door het feit dat ouderen beduidend meer contact hebben met buren. Er blijkt ook geen duidelijk verschil te zijn naar opleidingsniveau. In totaal heeft bijna 11% van de volwassen Vlamingen minder dan wekelijks contact met buren, familie, vrienden of kennissen. Het aandeel Vlamingen ten slotte dat niet regelmatig gebruikmaakt van internet, daalt de laatste jaren behoorlijk snel. In 2012 gaat het toch nog altijd om een kwart van de volwassen Vlamingen. Het verschil naar leeftijd is zeer groot. Bij de jongste groep gaat het om een te verwaarlozen aandeel, bij de oudste groep om 67%. De participatie ligt duidelijk lager bij laaggeschoolden, alleenstaanden en personen met een functiebeperking. Digitale participatie betreft echter meer dan alleen toegang en gebruik. Participeren in de creatie, verspreiding en selectie van media-inhouden, het kunnen aanwenden van digitale vaardigheden om er een maatschappelijk strategisch voordeel uit te halen en het mediawijs omgaan met onlineidentiteitsopbouw, reputatie en privacy worden steeds belangrijkere aspecten van digitale participatie. Als die aspecten mee in rekening genomen worden, ontstaat een ander beeld. Ondanks het feit dat tegenwoordig nog zeer weinig jongeren bestempeld kunnen worden als volledig offline (Brotcorne e.a., 2009), verschilt de kwaliteit van de toegang en de variatie van het gebruik opvallend naar leeftijd, geslacht en socioeconomische achtergrond (Helsper & Enyon, 2010). Jongeren beschikken veelal over goede technische en operationele digitale vaardigheden, maar tegelijk ondervinden ze vaak moeilijkheden bij het kritisch omgaan met en de strategische toepassing van digitale mediadiensten (van Deursen, 2010). Aangezien mechanismen van digitale en sociale uitsluiting vaak samenhangen en elkaar zelfs versterken, kan dat niet alleen ouderen maar ook jongeren in een kwetsbare positie brengen wat digitale én maatschappelijke participatie betreft. Dat geldt ook voor andere sociaal kwetsbare groepen, zoals mensen in armoede of laaggeschoolden (Verdegem, 2011; Witte & Mannon, 2010).
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Figuur 7. Participatie in cultuur, sport, verenigingsleven, levenslang leren, politiek en internet, verhouding tussen het aandeel participanten in de doelgroep en het aandeel participanten in de totale bevolking, in 2012
I
* ** *** Bron:
deelname aan minstens drie verschillende activiteiten uit een lijst van tien mogelijke cultuuractiviteiten SCV 2010 deelname aan minstens één activiteit uit een lijst van twaalf mogelijke politieke activiteiten SCV-survey 2012; bewerking SVR
Uit het bovenstaande blijkt dat vooral laagopgeleiden en ouderen duidelijk minder participeren in de diverse domeinen van het maatschappelijke leven. Uit eerder onderzoek bleek al het sterke unieke negatieve effect van lage opleiding op maatschappelijke participatie (Pauwels & Pickery, 2007; Bral e.a., 2011). Maar ook leeftijd heeft duidelijk een uniek negatief effect op nagenoeg alle vormen van participatie, de sociale contacten uitgezonderd (Noppe e.a., 2012). Uiteraard bestaan er binnen de groep van de 55-plussers grote participatieverschillen. Hoe ouder, hoe minder ze participeren. Daarnaast ligt de niet-participatie hoger bij oudere vrouwen, lageropgeleide ouderen, ouderen met een functiebeperking en ouderen die alleen wonen. Wat de situatie van vrouwen betreft, is er op tal van domeinen sprake van een duidelijke vooruitgang. Ook in Europees opzicht scoren de Belgische vrouwen relatief goed. Als gekeken wordt naar de positie van vrouwen op het vlak van werk, inkomen, opleiding, tijdsbesteding, politieke participatie, gezondheid en geweld hoort ons land, samen met Nederland en het Verenigd Koninkrijk en na de Scandinavische landen,
03 / CULTUREEL-MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGEN
tot de beter scorende landen op het vlak van gendergelijkheid (European Institute for Gender Equality, 2013). Toch blijft de sociaaleconomische positie van vrouwen in Vlaanderen nog altijd overwegend minder goed dan die van mannen, ondanks het feit dat zeker jonge vrouwen met betrekking tot opleiding en vorming al enige tijd een voorsprong hebben opgebouwd tegenover mannen (SVR, 2013b). Vrouwen zijn minder aan het werk, werken meer deeltijds en tijdelijk, in minder kwaliteitsvolle en minder leidinggevende jobs. Ze stappen veel meer dan mannen (tijdelijk) uit de arbeidsmarkt om zich met de zorg voor de kinderen bezig te houden. Wat sociale participatie betreft, is het beeld eerder diffuus. Mannen zijn vaker actief lid van verenigingen – al verkleint het verschil als geen rekening gehouden wordt met sportclubs –, maar vrouwen doen vaker aan cultuur en zijn vaker actief in het sociale vrijwilligerswerk. De sportparticipatie van vrouwen ligt wel duidelijk lager dan die van mannen. Uit de beschikbare gegevens blijkt ook een duidelijk mindere maatschappelijke participatie van personen met een functiebeperking. Hun werkzaamheidsgraad ligt ver onder het algemene gemiddelde (Samoy, 2013). Uit de resultaten van de SCV-survey blijkt hetzelfde op het vlak van cultuur-, sport- en politieke participatie, internet, deelname aan het verenigingsleven en aan levenslang leren (Moons e.a., 2014). Uit figuur 6 bleek al een mindere positie van vreemdelingen van buiten de EU op de Vlaamse arbeidsmarkt. Vooral de niet-Europese vrouwen scoren zwak. De achterstand van niet-EU-burgers en van personen die geboren zijn buiten de EU, is de afgelopen jaren nog toegenomen. In internationaal opzicht presteert Vlaanderen op dat vlak erg zwak. Zowel in de buurlanden als in de meeste andere EU-landen ligt de arbeidsdeelname van die groep veel hoger (OECD, 2012b). Op basis van administratieve gegevens blijkt ook een mindere maatschappelijke positie van vreemdelingen in het onderwijs (SVR, 2013b). Het aandeel vreemdelingen ligt duidelijk hoger in de zwakkere richtingen en de schoolse achterstand ligt bij leerlingen met een niet-Nederlandse thuistaal beduidend hoger dan bij leerlingen die thuis Nederlands spreken. Ook de deelname aan het hoger onderwijs wijst op achterstand van vreemdelingen, zeker als geen rekening wordt gehouden met de buitenlandse studenten die tijdelijk in ons land komen studeren. Dat alles resulteert in een opvallende opleidingsachterstand van niet-EU-burgers. In 2012 was 49% van de niet-EU-burgers tussen 25 en 64 jaar laagopgeleid. Bij de Belgen gaat het om 25%. Een vergelijkbare kloof naar geboorteland: bij de personen die geboren zijn buiten de EU, bedraagt het aandeel laagopgeleiden 45%, bij de personen die geboren zijn in België, bedraagt het aandeel 24%. Personen die geboren zijn buiten de EU, moeten ook vaker rondkomen met een inkomen onder de armoededrempel (zie vorige these), geven vaker zelf aan financiële problemen te hebben en leven vaker in een materieel gedepriveerd huishouden. De zwakkere socio-economische positie van personen van vreemde herkomst blijkt ten slotte ook uit de cijfers van Kind en Gezin over geboorten in kansarme gezinnen. Aan de hand van een aantal criteria wordt bij elke geboorte nagegaan of het gezin kansarm is. Op basis daarvan wordt een kansarmoede-index berekend die aangeeft hoeveel kinderen in de afgelopen drie jaar geboren zijn in een kansarm gezin. Die index lag in 2012 bij kinderen met een moeder van Belgische herkomst (5%) beduidend lager dan bij kinderen met een moeder die bij haar geboorte niet de Belgische nationaliteit had (28%). Dat zorgt ervoor dat bijna twee op de drie kinderen die in kansarmoede worden geboren (62%), een moeder hebben van vreemde herkomst. Een belangrijk aspect in dat verband betreft ten slotte het cumuleren van participatie of nietparticipatie op verschillende domeinen. De cumulatie van niet-participatie ligt duidelijk hoger bij de groepen die hier genoemd worden (Pauwels & Pickery, 2007). Vooral laaggeschoolden, ouderen
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
en personen met functiebeperkingen participeren veel vaker in geen enkel domein van de beschreven domeinen. Bepaalde bevolkingsgroepen combineren verschillende eigenschappen die gepaard gaan met een mindere maatschappelijke participatie, bijvoorbeeld oudere personen van vreemde herkomst of laaggeschoolde personen met een functiebeperking. Het spreekt voor zich dat het risico van die groepen op maatschappelijke niet-participatie en sociale uitsluiting duidelijk hoger ligt.
3.3 Vooruitzichten
Er kan worden verwacht dat de maatschappelijke participatie van vrouwen en ouderen eerder in positieve zin zal evolueren. Bij laagopgeleiden en vreemdelingen van buiten de EU zijn daarvoor voorlopig minder aanwijzingen te vinden. De bestaande minder gunstige sociaaleconomische positie van vrouwen hangt samen met het geheel van sociale verwachtingen over gedragingen, rollen en levenspatronen van vrouwen en mannen. Die verwachtingen hebben een grote impact op de ontwikkelingskansen van individuele vrouwen en mannen. Positief is dat de maatschappelijke opvattingen over de rollen van vrouwen en mannen in het gezin en in de samenleving het voorbije decennium geëvolueerd zijn in de richting van meer gendergelijkheid bij nagenoeg alle leeftijdsgroepen (SCV-survey). Er kan worden verwacht dat die positieve houding zich in de toekomst zal voortzetten aangezien de jongere leeftijdscohorten met een positievere houding geleidelijk de oudere cohorten zullen vervangen. Daarnaast zal de voorsprong inzake scholing die jonge Vlaamse vrouwen vandaag hebben ten opzichte van hun mannelijke leeftijdsgenoten, zich de komende decennia doorzetten naar nagenoeg alle leeftijdsgroepen (De Blander e.a., 2013). Dat zal in combinatie met de te verwachten krapte op de arbeidsmarkt de tewerkstellingskansen van vrouwen, en dus hun sociaaleconomische en maatschappelijke positie in het algemeen, positief beïnvloeden. Doordat arbeidskrachten schaarser worden, zullen groepen die nu relatief minder actief zijn in de toekomst op de arbeidsmarkt, meer kansen krijgen (European Commission, 2012). Er kan worden verwacht dat de sociaaleconomische positie van ouderen in de toekomst gevoelig zal verbeteren als gevolg van een hogere arbeidsparticipatie van vrouwen en een latere uittredeleeftijd van mannen en vrouwen (zie these over inkomen en armoede). Daarnaast moet gewezen worden op de mogelijke veranderingen in waardeoriëntaties tussen de huidige en de toekomstige generatie ouderen. De toekomstige generatie ouderen is opgegroeid in een meer geïndividualiseerde wereld (zie these over individualisering). Ze zullen zelfbewuster omgaan met keuzes over de levensloop en de inrichting van de leefsituatie dan de huidige generatie ouderen (European Commission, 2012). Dat resulteert in mondigere ouderen die meer inspraak en zelfbeschikkingsrecht zullen opeisen. Er kan worden verwacht dat het een positieve invloed zal hebben op hun maatschappelijke participatie, minstens voor de hogeropgeleide ouderen. Tegelijk zullen diensten en voorzieningen die gericht zijn op ouderen, gedwongen worden zich aan te passen aan de mondigere en zelfbewustere ouderen.
03 / CULTUREEL-MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGEN
Lage scholing blijkt een duidelijk en uniek negatief effect te hebben op maatschappelijke participatie (Pauwels & Pickery, 2007; Bral e.a., 2011). In dat verband is het positief dat de opleidingsgraad van de bevolking sterk toeneemt: het aandeel laaggeschoolden bij de Vlaamse bevolking tussen 20 en 64 jaar daalde tussen 2001 en 2012 van 37% tot 25%. Die trend zal zich in de toekomst doorzetten doordat hogeropgeleide jongere leeftijdsgroepen de plaats innemen van lageropgeleide oudere leeftijdsgroepen (De Blander e.a., 2013). Toch is het opvallend dat de participatiecijfers op tal van domeinen niet in hetzelfde tempo zijn toegenomen als de stijging van de opleidingsgraad. Daarnaast is er nog altijd een behoorlijk grote groep jongeren die het onderwijs verlaat zonder diploma (volgens EAK-enquête: 8,7% in 2012). Vooral die groep loopt een behoorlijk groot risico op cumulatie van niet-participatie en sociale uitsluiting. In tegenstelling tot de houding tegenover de gelijkheid van mannen en vrouwen is er in de houding van de Vlamingen ten opzichte van vreemdelingen tijdens het afgelopen decennium geen duidelijke positieve verandering merkbaar (SCV-survey). Ook zijn er nog altijd duidelijke aanwijzingen van een behoorlijke mate van discriminatie van die groep op de arbeids- en de woningmarkt (SVR, 2012). De te verwachten krapte op de arbeidsmarkt vormt voor die groep echter mogelijk een hefboom om de huidige precaire maatschappelijke positie te verbeteren (European Commission, 2012). Gezien de verwachting dat het aantal beschikbare arbeidskrachten zal dalen (zie demografische ontwikkelingen), hebben werkgevers er alle belang bij om groepen die nu minder actief zijn, te activeren. Zeker bij vreemdelingen en personen van vreemde herkomst is er in Vlaanderen op dat vlak nog veel vooruitgang mogelijk. De arbeidsmarkt zal daardoor meer divers worden. De uitdaging zal erin bestaan om de nog steeds bestaande discriminatiemechanismen aan te pakken en de opleidingsgraad van die groep gevoelig te verhogen om te vermijden dat ze vooral terechtkomen in minder kwaliteitsvolle en lager betaalde jobs.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Bronnen Beck, U. & Beck-Gernsheim, E. (2002). Individualization. Institutionalized individualism and its social and political consequences. London: Sage Publications. Billiet, J. (2006). Verzuiling en ontzuiling in België. In: Witte, E. & Meynen, A. (red.). De geschiedenis van België na 1945. Antwerpen: Standaard Uitgeverij, 331-364. Bral, L., Carton, A., Noppe, J., Pauwels, G., Pickery, J. & Verlet, D. (2011). Sociale, maatschappelijke en politieke participatie in Vlaanderen en Europa. In: Noppe, J., Vanderleyden, L. & Callens, M. (red.). De Sociale Staat van Vlaanderen 2011. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering. Brotcorne, P., Mertens, L., & Valenduc, G. (2009). Offline jongeren en de digitale kloof. Over het risico op ongelijkheden bij ‘digital natives’. Brussel: POD Maatschappelijke Integratie. Cantillon, B. (red.) (1999). De welvaartsstaat in de kering. Kapellen: Uitgeverij Pelckmans. Cantillon, B., Lefebure, S. & Van den Bosch, K. (2009). De materiële leefomstandigheden van ouderen in Vlaanderen. In: Cantillon, B., Van den Bosch, K. & Lefebure, S. (red.) Ouderen in Vlaanderen en Europa: tussen vermogen en afhankelijkheid. Leuven: Acco. Carton, A. & Pauwels, G. (2007). Verantwoordelijkheden voor de overheid? Ja! Prestaties van de overheid? De Vlaamse mening is verdeeld. In: Pickery, J. (red.). Vlaanderen gepeild! 2007. SVR-studie 2007/2, Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering, 37-77. Corijn, M. (2004). De mening van Vlamingen over huwelijk en ouderschap, zorg voor kinderen en zorg voor ouderen. Eerste resultaten van de postenquête ‘Bevolking en Beleid in Vlaanderen’ bij 20- tot 64-jarigen. Brussel: CBGS-werkdocument 7. De Blander, R., Schockaert, I., Decoster, A. & Deboosere, P. (2013). The impact of demographic change on policy indicators and reforms. Flemosi discussion paper 25. De Swaan, A. (1982). De mens is de mens een zorg. Opstellen 1971-1981. Amsterdam: Meulenhoff. Dekker, P., De Hart, J. & Faulk, L. (2007). Toekomstverkenning vrijwillige inzet 2015. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Deleeck, H. (2001). De architectuur van de welvaartsstaat opnieuw bekeken. Leuven: Acco. Dewaele, A., Cox, N., Van den Berghe, W. & Vincke, J. (2006). De maatschappelijke positie van holebi’s en hun sociale netwerken: over vriendschap en andere bloedbanden. Antwerpen: Steunpunt Gelijkekansenbeleid. Dobbelaere, K. (2007). Belgium: from ‘laicization’ to individual secularization resulting in a new wave of ‘laicization’. In: Loosveldt, G., Swyngedouw, M. & Cambré, B. (eds.). Measuring meaningful data in social research. Leuven: Acco, 17-30. Elchardus, M. & Glorieux, I. (red.) (2002). De symbolische samenleving. Een exploratie van de nieuwe sociale en culturele ruimtes. Tielt: Lannoo. Elchardus, M., Hooge, M. & Smits, W. (2000). Tussen burger en overheid. Een onderzoeksproject naar het functioneren van het maatschappelijk middenveld in Vlaanderen. Brussel: DWTC. European Commission (2012). Global Europe 2050. Brussels: European Union. European Commission (2013). Social Europe. Current challenges and the way forward. Luxemburg: Publications Office of the European Union. European Institute for Gender Equality (2013). Gender equality index report. European Institute for Gender Equality. Federaal Planbureau (2007). De transitie naar een duurzame ontwikkeling versnellen. Federaal rapport inzake duurzame ontwikkeling 2007. Brussel.
Bronnen
Federaal Planbureau & ADSEI (2013). Bevolkingsvooruitzichten 2012-2060. Versie mei 2013. Brussel. Geldof, D. (2008). Onzekerheid. Over leven in de risicomaatschappij. Leuven: Acco. Goeminne, B. & Swyngedouw, M. (2007). De verschuivingen in het stemgedrag 1999-2003 en 2003-2004. In: Swyngedouw, M., Billiet, J. & Goeminne B. (red.). De kiezer onderzocht: de verkiezingen van 2003 en 2004 in Vlaanderen. Leuven: Universitaire Pers. Helsper, E. & Enyon, R. (2010). Digital natives: where is the evidence? In: British Educational Research Journal, 36 (3), 503-520. Hoge Raad van Financiën – Studiecommissie voor de Vergrijzing (2012). Jaarlijks verslag, oktober 2012. Brussel. Hooghe, M., Quintelier, E. & Reeskens, T. (2006). Kerkpraktijk in Vlaanderen: trends en extrapolaties: 19672004. In: Ethische Perspectieven, 16 (2), 113-123. Marissal, P., May, X. & Mesa-Lombillo, D. (2012). Stedelijke en plattelandsarmoede. Brussel: Federaal Wetenschapsbeleid. Moons, D., Noppe, J. & Pauwels, G. (2014). Wie participeert niet? Deelname van personen met een functiebeperking aan verschillende domeinen van het maatschappelijk leven. SVR-webartikel 2014/1, Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering. Noppe, J., Vanderleyden, L. & Callens, M. (red.) (2011). De Sociale Staat van Vlaanderen 2011. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering. Noppe, J., Pauwels, G. & Moons, D. & (2012). Wie participeert niet? Deelname van ouderen aan verschillende domeinen van het maatschappelijk leven. SVR-webartikel 2012/9, Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering. Norris, P. (1999). Critical citizens. Oxford: Oxford University Press. Organisation for Economic Cooperation and Development (OECD) (2012a). The future of families to 2030. OECD Publishing. Organisation for Economic Cooperation and Development (OECD) (2012b). Settling in: OECD indicators of immigrant integration 2012. OECD Publishing. Pauwels, G. & Pickery, J. (2007). Wie participeert niet? Ongelijke deelname aan het maatschappelijke leven in verschillende domeinen. SVR-rapport 2007/5, Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering. Pickery, J. & Noppe, J. (2007). Vlamingen over homo’s: loopt het beleid voorop? Attitudes tegenover holebi’s en holebiseksualiteit in Vlaanderen. In: Pickery, J. (red.). Vlaanderen gepeild! 2007. SVR-studie 2007/2, Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering, 199-224. Putnam, R. (2000). Bowling alone: The collapse and revival of American community. New York: Simon and Schuster. Samoy, E. (2013). Handicap en arbeid. Deel I: definities en ontwikkelingen. Brussel: Departement WSE. Strategische Adviesraad Welzijn, Gezondheid en Gezin (SARWGG) (2012). Visienota. Integrale zorg en ondersteuning in Vlaanderen. Brussel. Schepers, W. & Nicaise, I. (2013). The European anti-crisis policy and its impact on poverty: A Flemish perspective. Vlaams Armoedesteunpunt. Schnabel, P. (2004). Het zestiende Sociaal en Cultureel Rapport kijkt zestien jaar vooruit. In: Sociaal en Cultureel Planbureau. In het zicht van de toekomst. Sociaal en Cultureel Rapport 2004. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Smits, W. & Elchardus, M. (2009). Vlaanderen sociaal bekabeld. In: Vanderleyden, L., Callens, M. & Noppe, J. (red.). De Sociale Staat van Vlaanderen 2009. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering. Studiedienst van de Vlaamse Regering (SVR) (2012). VRIND 2012. Vlaamse Regionale Indicatoren. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Studiedienst van de Vlaamse Regering (SVR) (2013a). De Vlaamse Armoedemonitor 2013. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering. Studiedienst van de Vlaamse Regering (SVR) (2013b). VRIND 2013. Vlaamse Regionale Indicatoren. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering. Tresignie, C., Elchardus, M. & Derks, A. (2002). Het draagvlak van de solidariteit. Deelrapport 2: Voor- en nadelen van de verzorgingsstaat. Brussel: VUB-TOR. Van Acker, V., Allaert, G., Boussauw, K., Zwerts, E. & Witlox, F. (2011). Mobiel Vlaanderen in een mobiel Europa. In: Noppe, J., Vanderleyden, L. & Callens, M. (red.). De Sociale Staat van Vlaanderen 2011. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering. Vancluysen, K., Van Craen, M. & Ackaert, J. (2009). Gekleurde steden: autochtonen en allochtonen over samenleven. Vanden Broele. Van Craen, M., Vancluysen, K. & Ackaert, J. (2007). Voorbij wij en zij? De sociaal-culturele afstand tussen autochtonen en allochtonen tegen de meetlat. Vanden Broele. Van den Berg, E., Van Houwelingen, P. & De Hart, J. (2011). Informele groepen. Verkenningen van eigentijdse bronnen van sociale cohesie. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Van den Bosch, Vandenbroucke, P., Cantillon, B. & Pacolet, J. (2009). Inkomen, verdeling en armoede: over groei, stabiliteit en de kloof tussen werkenden en uitkeringstrekkers. In: Vanderleyden, L., Callens, M. & Noppe, J. (red.). De Sociale staat van Vlaanderen 2009. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering. Vanderleyden, L., Callens, M. & Noppe, J. (red.) (2009). De Sociale Staat van Vlaanderen 2009. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering. Van Deursen, A. (2010). Internet skills: vital assets in an information society. Enschede: University of Twente. Van Haarlem, A., Coene, J. & Lusyne, P. (2011). De superdiversiteit van armoede en sociale uitsluiting. In: Dierckx, D., Vranken, J., Coene, J. & Van Haarlem, A. (red.). Armoede en Sociale Uitsluiting: Jaarboek 2011. Leuven: Acco. Veenhoven, R. (1999). Op zoek naar de menselijke maat: leefbaarheid van de individualistische samenleving. In: Rekenschap, 46 (2), 83-95. Verdegem, P. (2011). Social media for the digital and social inclusion: challenges for information society 2.0 research and policies. In: TripleC, 9(1), 28-38. Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) (2005). MIRA-T 2005. Milieurapport Vlaanderen: thema’s. Brussel: Lannoo Campus. Witte, J.C. & Mannon, S.E. (2010). The internet and social inequalities. New York, London: Routledge, Taylor & Francis Group. World Bank (2012). World development indicators. Washington: World Bank.
04 / RUIMTELIJKE EN ECOLOGISCHE ONTWIKKELINGEN
04 / RUIMTELIJKE EN ECOLOGISCHE ONTWIKKELINGEN
Na een korte beschrijving van de huidige situatie op het gebied van milieukenmerken en de belangrijkste megatrends die een impact hebben op het milieu, bespreken we enkele pertinente uitdagingen voor de toekomst, zoals de klimaatwijzigingen, het tekort aan hulpbronnen en de ruimtelijke concentratie van activiteiten, zoals wonen en mobiliteit. These 1: These 2: These 3:
De opwarming van het klimaat heeft gevolgen voor heel wat domeinen. Door de schaarste aan hulpbronnen worden meer kringlopen gesloten. Van een sterk bebouwde en versnipperde ruimte gaan we op weg naar meer duurzaam ruimtegebruik.
Inleiding
De maatschappelijke ontwikkelingen en de impact op het milieu in Vlaanderen kunnen niet los worden gezien van de grote ontwikkelingen in de ons omringende wereld. De grote ontwikkelingen of megatrends zijn nu al zichtbare, langdurige veranderingsprocessen met een brede reikwijdte en een ingrijpende impact. Om te beginnen zijn er een aantal demografische trends die een zekere impact hebben op het milieu. De groei van de bevolking, de gezinsverdunning en de individualisering zwengelen de consumptie aan. De veroudering van de bevolking en de daarmee gepaard gaande gezondheidsproblemen en pensioenen leggen een groot beslag op de beschikbare publieke middelen. Er is een groeiende concentratie van de bevolking in stedelijke gebieden en er rust een druk op die gebieden. Technologische ontwikkelingen kunnen ook een impact hebben op verbruiks-, leef- en werkpatronen in Vlaanderen. Informatie- en communicatietechnologie kan leiden tot nieuwe leef- en werkpatronen met wijzigende mobiliteitspatronen tot gevolg. Genetische technologieën kunnen de kwaliteit, de opbrengst en de resistentie voor omgevingsfactoren in de landbouw verbeteren. Nanotechnologie, biotechnologie en mechatronics kunnen de efficiëntie van de productie verhogen en productieprocessen transformeren. Een andere megatrend is de toenemende schaarste aan natuurlijke en andere hulpbronnen. Ruimte en de verdeling ervan vertoont in Vlaanderen het grootste tekort op het vlak van abiotische hulpbronnen. Voor fossiele brandstoffen en mineralen is Vlaanderen bijna volledig afhankelijk van import en dus bijzonder kwetsbaar. Afname van ‘terrestrische’ (land) biodiversiteit is het belangrijkste effect op het vlak van biotische hulpbronnen in Vlaanderen, in tegenstelling tot ‘aquatische’ (water) biodiversiteit die opnieuw toeneemt.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Verder zien we een ontwikkeling naar een multipolaire samenleving. Het functioneren van de maatschappij verandert, onder andere door de verschuiving van het economisch gewicht naar de BRICSlanden en door de toenemende netwerking tussen organisaties en individuen. De impact van die megatrend op het milieu is indirect. Klimaatverandering is een megatrend die sterk beïnvloed wordt door alle andere megatrends en heeft het grootste en meest directe milieugerelateerde effect. De toenemende fragiliteit van natuurlijke en maatschappelijke systemen zorgt voor een toegenomen risico op systeemfalen (financieel, politiek, sociaaleconomisch). Als reactie daarop ontstaat een beweging naar andere beleidsmodellen en waardepatronen op basis waarvan maatschappelijke activiteiten anders kunnen worden gestuurd. Die trend is heel belangrijk voor het milieu omdat hij bepaalt in welke mate milieuaspecten in beleid en waarden kunnen worden vertaald (socio-ecologische transitie).
These 1: De opwarming van het klimaat heeft gevolgen voor heel wat domeinen.
Veranderingen van diverse natuurlijke processen op aarde zullen in snelheid en intensiteit verhogen. Die veranderingsprocessen omvatten onder andere een gemiddelde temperatuurverhoging, een stijging van de zeespiegel, een toename van overstromingen en extreme regenval in sommige gebieden en extreme droogte voor andere … De verwachte klimaatopwarming in Vlaanderen zal leiden tot een klimaat dat vergelijkbaar is met midden Frankrijk nu. De veranderingen zetten meer druk op de natuurlijke gebieden en soorten die nu al kwetsbaar zijn (verlies aan biodiversiteit), de watervoorraden en -gebruik, het energiegebruik, de landbouw, het toerisme, de volksgezondheid (nieuwe en verschuiving van bestaande epidemieën) …
1.1 Vaststellingen
Hoewel er andere factoren meespelen in de klimaatverandering – zoals de variatie in zonnestraling, de veranderende aanwezigheid van stofdeeltjes in de atmosfeer als gevolg van vulkaanuitbarstingen of andere natuurlijke fenomenen – is er weinig twijfel dat de mens (mede) verantwoordelijk is voor de huidige en snel toenemende klimaatverandering.
04 / RUIMTELIJKE EN ECOLOGISCHE ONTWIKKELINGEN
De klimaatverandering wordt toegeschreven aan de toegenomen uitstoot van broeikasgassen door menselijke activiteiten. Sinds het begin van het industriële tijdperk (1750) nam de concentratie van enkele belangrijke broeikasgassen in onze atmosfeer sterk toe. Vooral de concentratie van CO2, CH4 en N2O is sterk gestegen. Zowel de verbranding van fossiele brandstoffen (CO2) als de veeteelt (CH4 en N2O), de afvalverwerking (CH4) en de chemische processen in de industrie (N2O) hebben een impact. Door de wereldwijde ontbossing en de verbranding die ermee gepaard gaat, en de ontwatering van veengronden zijn de grote koolstofreservoirs in het hout en de bodem omgezet in broeikasgassen (voornamelijk CO2). De CO2-concentratie in de atmosfeer is tussen 1750 en 2011 met 40% toegenomen: van 278 tot 391 ppm (parts per million of microgram per gram). De huidige CO2-concentraties hebben daarmee een niveau bereikt dat ze de laatste 650.000 jaar nooit gehaald hebben (Vlaams Klimaatbeleidsplan 2013-2020, VMM-MIRA). De laatste honderd jaar (1906-2005) nam de gemiddelde temperatuur op aarde met ongeveer 0,7 °C toe. Die verandering overtreft ruimschoots de natuurlijke klimaatfluctuaties van de laatste 1000 jaar. De temperatuurmetingen in België (Ukkel) geven een significant stijgende trend aan sinds het einde van de 19de eeuw. De laatste jaren houdt de temperatuur een constante stijging aan van 0,4 °C per decennium. De trendlijn geeft aan dat het in België ondertussen gemiddeld 2,3 °C warmer is dan in de pre-industriële periode. De impact van de klimaatverandering laat zich in België dus sterker voelen dan het globale gemiddelde. Het aantal erg warme dagen in een jaar en het aantal hittegolven nemen ook toe. Ook de gemiddelde jaarlijkse neerslaghoeveelheid vertoont belangrijke veranderingen. De gemiddelde jaarlijkse neerslag in Noord-Europa nam tijdens de vorige eeuw met 10 tot 40% toe. Zuid-Europa vertoonde dan weer een vermindering van de neerslag tot 20%. Vooral in de winter werden Zuid- en Oost-Europa droger, terwijl delen van Noordwest-Europa natter werden. In ons land komen steeds nadrukkelijker meer natte dan droge jaren voor. In de figuur wordt de trend naar nattere jaren vooral duidelijk bij de lijn die de gecumuleerde afwijking weergeeft voor het meetpunt in Ukkel. In de 19de eeuw bleef die lijn rond het nulpunt schommelen: nattere en drogere jaren compenseerden elkaar. Sinds het begin van de 20ste eeuw zien we een duidelijke toename, die nog versterkt vanaf de jaren 1970. Ook het aantal dagen met zware neerslag neemt toe. Over de hele meetreeks bekeken vertoont alleen de winter een significante neerslagtoename (VMM-MIRA).
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Figuur 1. Afwijking ten opzichte van de jaargemiddelde temperatuur in de periode 1850-1899, Ukkel
Bron:
VMM-MIRA op basis van de gegevens van het KMI
Figuur 2. Afwijking van het jaargemiddelde van de neerslag ten opzichte van de referentie*, Ukkel
* Bron:
Jaargemiddelde neerslag in de periode 1850-1899, namelijk 758 mm VMM-MIRA op basis van de gegevens van het KMI
04 / RUIMTELIJKE EN ECOLOGISCHE ONTWIKKELINGEN
In de natuur in Vlaanderen worden steeds meer aanwijzingen voor de actuele impact van de klimaatverandering vastgesteld. Sommige trekvogels komen vroeger aan uit het zuiden. Sommige vlinders en libellen vliegen vroeger in het seizoen en hun vliegperiode duurt ook langer. Bij een aantal bomen, waaronder de berk, en diverse grassoorten komt de stuifmeelproductie vroeger op gang. De bladontwikkeling bij de eik vervroegt. Naast temporele verschuivingen zien we ruimtelijke veranderingen. Het verspreidingsareaal van veel soorten schuift op naar het noorden. Er verschijnen hier meer zuidelijke en zuidoostelijke soorten. Naast de al dan niet tijdelijke toename in soortenrijkdom vertonen andere soorten een afname in Vlaanderen. De klimaatveranderingen zetten de kwetsbare soorten vaak onder extra druk. Daardoor versnellen de wijzigingen in de soortengemeenschap, waarbij weinig kieskeurige soorten (generalisten) toenemen en soorten die hoge eisen stellen aan de kwaliteit van hun habitat (specialisten), nog sneller dreigen te verdwijnen uit Vlaanderen. De biodiversiteit neemt af (VMM-MIRA). Wereldwijd zijn natuurrampen (overstromingen, droogte, stormen …) de voorbije dertig jaar sterk toegenomen. Natuurlijke rampen tussen 2000 en 2011 troffen naar schatting 2,7 miljard mensen, hebben 1,1 miljoen mensen het leven gekost, en veroorzaakten een economische schade van 1,3 triljoen dollar. Er wordt verwacht dat de voortschrijdende klimaatverandering het aantal natuurlijke rampen in de toekomst nog verder kan aandrijven. In Europa blijkt België na Nederland het meest kwetsbaar te zijn voor overstromingen ten gevolge van een stijgend zeeniveau: in Vlaanderen ligt 15% van het oppervlak minder dan vijf meter boven het gemiddelde zeeniveau. Bovendien blijkt de Belgische kustlijn de meest bebouwde van Europa: in 2000 was ruim 30% van de kuststrook van 10 km bebouwd, en zelfs bijna 50% van de strook tot 1 km van de kustlijn. In West-Vlaanderen woont 33% van de bevolking in laaggelegen poldergebieden die gevoelig zijn voor overstromingen vanuit de zee (Klimaateffectschetsboek West- en Oost-Vlaanderen, 2012). Vergeleken met 1970 lag het jaargemiddelde zeeniveau in 2010 al 103 mm hoger in Oostende, 115 mm hoger in Nieuwpoort en 133 mm hoger in Zeebrugge (VMM-MIRA). Klimaatverandering bevat ook een duidelijke Noord-Zuiddimensie. Hoewel de historisch opgebouwde broeikasgassen voornamelijk zijn uitgestoten door de industrielanden, leeft de overgrote meerderheid van de slachtoffers van klimaatgerelateerde rampen in ontwikkelingslanden. Die landen beschikken echter over minder capaciteit om zich te weren tegen de gevolgen van die rampen.
1.2 Vooruitzichten
Het beleid is al enige tijd bezig met het onder controle willen krijgen van de ongunstige ecologische ontwikkelingen. Tijdens de klimaattop in Cancun in Mexico (eind 2010) werd door de partijen van het VN-klimaatverdrag overeengekomen dat de opwarming van het klimaat beneden 2 °C moet blijven ten opzichte van de pre-industriële temperatuur. Om de 2 °C-doelstelling binnen bereik te houden, is tegen 2020 een daling nodig van de broeikasgasemissies van de ontwikkelde landen van 25 tot 40%, en van 80 tot 90% tegen 2050 (ten opzichte van 1990). Van de groep van ontwikkelingslanden wordt in 2020 een daling van 15 tot 30% ten opzichte van de normaal verwachte emissietoename verwacht. Ontwikkelingslanden dragen in toenemende mate bij tot de mondiale uitstoot van broeikasgassen. Tegen 2020 zullen alle ontwikkelingslanden samen instaan voor
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
de helft van de mondiale emissies. Opkomende economieën, zoals China en India, zullen bijna integraal instaan voor de bijkomende groei van broeikasgassen. Het Kyotoprotocol (dat werd verlengd tot 2020) is van toepassing op slechts 15% van de wereldwijde uitstoot en wordt daarom stilaan irrelevant in de strijd tegen klimaatverandering. Het slagen van een mondiale klimaatregeling zal dus afhangen van de mate waarin emissiereductienormen opgelegd worden in de groei-economieën in het post-Kyototijdperk (Vlaams Klimaatbeleidsplan 2013-2020). Sinds 2005 wordt het gros van de CO2-uitstoot in de industrie en de energiesector gereguleerd via een systeem van Europese emissiehandel (ETS). Op die manier reguleert de Europese emissiehandel circa 40% van de Vlaamse broeikasgasuitstoot. In de EU moeten de ETS-broeikasgasemissies tegen 2020 21% lager liggen dan in 2005. De doelstelling die Europa aan de lidstaten oplegt tegen 2020, heeft alleen betrekking op het niet-ETS-gedeelte (met name de niet-ETS-industrie, niet-ETS-energie, -transport, -gebouwen en -landbouw). Europa bepaalt dat de Europese lidstaten hun emissies in de niet-ETS-sectoren tussen 2013 en 2020 moeten reduceren volgens een lineair afnemend pad met jaarlijkse reductiedoelstellingen. België moet volgens die EU-doelstellingen een lineair afnemend emissiereductietraject volgen dat in 2020 een uitstootreductie realiseert van 15% in vergelijking met de niet-ETS-uitstoot in 2005 (Scope 13-20). Door het uitblijven van een intra-Belgische verdeling van de niet-ETS-doelstelling is de precieze doestelling voor Vlaanderen momenteel nog niet bekend. Om de klimaatverandering te beperken tot minder dan 2 °C, heeft de EU in 2011 een ‘Routekaart voor een concurrerende koolstofarme economie in 2050’ voorgesteld. Die Routekaart streeft op Europees niveau naar een emissiereductie van minstens 80% tegen 2050 ten opzichte van 1990.Vlaanderen schaart zich achter de EU-doelstelling om de Europese uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 met 80 tot 95% te verminderen ten opzichte van 1990. Op Vlaams niveau werd in de periode 1990-2010 een gemiddelde jaarlijkse reductie van 0,4% gerealiseerd. Om de broeikasgasemissies in 2050 in lijn te brengen met de Europese doelstelling om minstens 80% te reduceren ten opzichte van 1990, is vanaf nu tot 2050 een gemiddelde jaarlijkse Vlaamse emissiereductie nodig van 4% (Vlaams Mitigatieplan 2013-2020).
04 / RUIMTELIJKE EN ECOLOGISCHE ONTWIKKELINGEN
Figuur 3. Langetermijnuitdaging Vlaamse broeikasgasuitstoot
Bron:
Vlaams Mitigatieplan 2013-2020
Zelfs als de concentratie van broeikasgassen stabiel blijft, stijgt de temperatuur nog een tijd, maar hoe hoog en hoe lang is onbekend. Die klimaatgevoeligheid is een van de onzekerheden in de klimaatberekeningen. De onzekerheid is groter voor een kleine regio als Vlaanderen. Niettemin bestaat er consensus over bepaalde scenario’s tot 2100 die voldoende robuust zijn om het beleid op te baseren (Vlaams Mitigatieplan 2013-2020). Voor Vlaanderen zijn die scenario’s als volgt samen te vatten:
•• •• •• •• ••
e en stijging van de omgevingstemperatuur (+1,5 °C à +4,4 °C voor de winter en +2,4 °C à +7,2 °C voor de zomer); een hogere verdamping tijdens de winter en de zomer, en meer neerslag tijdens de winter; een daling van de gemiddelde zomerneerslag. In combinatie met de hogere verdamping stijgen de kansen op ernstig watertekort; ondanks een daling van de zomerneerslag valt er in Vlaanderen een toename van het aantal extreme zomeronweren te verwachten; het zeeniveau aan de Vlaamse kust kan deze eeuw nog stijgen met 60 à 90 cm, met een worstcasescenario van 200 cm.
Binnen de sector water leidt de klimaatverandering tot een verhoogde kans op overstromingen. Enerzijds bedreigt de zeespiegel de kust en de getijdengebonden rivieren. Anderzijds kan hevige neerslag zowel in het rioleringsstelsel als rond waterlopen voor problemen zorgen. Daarnaast kan de kwaliteit van het water achteruitgaan, door temperatuurverandering in het water (verlaagde zuurstofconcentraties en eutrofiëring), door verzilting en door het verhoogde percentage van verontreinigende stoffen als gevolg van een verhoogde sedimentaanvoer en verdamping. Verder kunnen langere periodes van droogte een
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
negatief effect op de (drink)waterbeschikbaarheid hebben, met gevolgen voor de volksgezondheid, de natuur, de landbouw, de scheepvaart ... De invloed op de luchtkwaliteit zal bestaan uit een stijging (of minder snelle afname) van de ozon- en fijnstofconcentraties. Binnen het compartiment van de bodem worden een toename van de erosie (door meer en hevigere neerslag in combinatie met langere periodes van droogte), een toename van de verdichting (nattere bodems) en veranderingen in het organische stofgehalte verwacht. De sector natuur is een systeem dat al onder druk staat en extra belasting te verwerken krijgt. Droogte, hittegolven, bosbranden, onweren, insectenplagen en hogere ozonconcentraties kunnen ook leiden tot fysieke schade. Sommige soorten die in Vlaanderen voorkomen, zullen het moeilijk krijgen of verdwijnen; nieuwe soorten zullen hun plaats innemen. Sommige invasieve exoten zullen beter gedijen in de nieuwe klimatologische omstandigheden en zullen inheemse planten of dieren verdringen, waardoor de biodiversiteit afneemt. De energievraag zal verschuiven. In warmere zomers zal de vraag naar verkoeling stijgen, terwijl tijdens de zachtere winters de verwarmingsvraag zal dalen. Aangezien in Vlaanderen meestal op aardgas of stookolie verwarmd wordt en verkoeling meestal elektrisch gebeurt, zal dat, zonder sturing, een verschuiving naar minder aardgas en stookolie en meer elektriciteit betekenen. Bij langdurige perioden van droogte zal de beschikbaarheid van koelwater voor energiecentrales verminderen. Daardoor vergroot het gevaar op tijdelijke sluiting van energiecentrales en zelfs op stroomuitval. Op het vlak van mobiliteit zal bij het ontwerp van infrastructuur met een lange levensduur rekening moeten worden gehouden met de te verwachten klimaatverandering (bijvoorbeeld piekdebieten, lange periodes van droogte, grotere temperatuurschommelingen tussen winter en zomer). Voor de toeristische sector wordt verwacht dat de klimaatverandering eerder positieve effecten zal hebben, aangezien het toeristische seizoen hier langer zal duren, terwijl de zomerperiode in Zuid-Europa onaangenaam heet zal zijn. Mogelijk voelt de landbouw, gezien haar nauwe band met de natuurlijke omgeving, de gevolgen van de klimaatverandering het meest direct. De plantaardige productie kan positief beïnvloed worden door een hogere CO2-concentratie en een langer groeiseizoen, maar dat kan dan weer negatief gecompenseerd worden door fenomenen als verdroging, vernatting, schade door felle regen- en hagelbuien, ziektes en plagen. Ook verzilting kan in poldergebieden een toenemende bedreiging vormen voor de plantaardige productie. De invloed op de dierlijke productie zal waarschijnlijk minder groot zijn, maar ook daar zijn verliezen te verwachten, vooral als gevolg van hittestress.
04 / RUIMTELIJKE EN ECOLOGISCHE ONTWIKKELINGEN
Op het vlak van gezondheid verhogen periodes van extreme hitte de kans op sterfte bij zwakkere en sociaal achtergestelde bevolkingsgroepen. In de toekomst kan dat effect nog groter worden door de vergrijzing van de bevolking. Aangezien er meer mensen sterven ten gevolge van een hittegolf dan vanwege extreme koude, kan worden aangenomen dat in Vlaanderen de gezondheidsproblemen in de zomer veel sterker zullen stijgen dan dat ze in de winter zullen afnemen. Ook kan er een toename zijn van organismen die bepaalde ziekten kunnen overbrengen (zoals teken met de ziekte van Lyme en muggen die drager zijn van malaria of het West-Nijlvirus). Ten slotte hebben de veranderingen in de luchtkwaliteit (ozon, fijn stof en toegenomen pollenproductie) grote effecten op de volksgezondheid.
These 2: Door de schaarste aan de hulpbronnen worden meer kringlopen gesloten.
De wereldbevolking en de economie blijven groeien en daarmee ook de vraag naar grondstoffen en energie. Een toenemende welvaart leidt ook tot een toename van de consumptie van hulpbronnen. Vlaanderen is in grote mate afhankelijk van de import van energie en grondstoffen. Schaarsheid aan hulpbronnen kan echter ook leiden tot creativiteit. Alternatieve grondstoffen kunnen primaire delfstoffen vervangen, afval kan gevaloriseerd worden en de inzet van hernieuwbare energie zal onze zelfvoorzieningsgraad verhogen.
2.1 Vaststellingen
Vlaanderen is een hulpbronintensieve regio omdat het gespecialiseerd is in industrietakken die relatief veel energie verbruiken (chemie, ijzer en staal, voeding). In 2012 bedroeg de energie-intensiteit van de Vlaamse economie 198,4 kilogram olie-equivalent (kgoe) per 1000 euro (kettingeuro’s met referentiejaar 2005). Samen met Finland staat Vlaanderen daarmee aan de top in de EU15. Er is weliswaar een dalende tendens van de energie-intensiteit (-13% ten opzichte van 1990) waar te nemen. Tussen 2000 en 2011 is er sprake van een ontkoppeling tussen het energiegebruik en de economische groei, maar het energiegebruik is nog altijd hoger dan in 2000 (figuur 4).
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Figuur 4. Ontkoppeling tussen economische groei en een aantal milieudrukfactoren, van 2000 tot 2011, index 2000=100
*: voorlopige cijfers **: voor totaal primair afval alleen cijfers beschikbaar vanaf 2004 Bron: VMM-MIRA; bewerking SVR
In 2011 wordt in Vlaanderen 74,3 miljoen ton primaire delfstoffen en alternatieve grondstoffen ingezet, waarvan 34 miljoen ton primaire delfstoffen (25,3% van binnen Vlaanderen en 74,7% geïmporteerd) en 40,2 miljoen ton alternatieve grondstoffen (waarvan 30% bouw- en sloopafval en 70% overige alternatieven). België is erg energieafhankelijk. In 2011 bedraagt de verhouding tussen de netto-invoer en het brutoverbruik van energie 73% (inclusief leveringen aan internationale bunkers). In onze buurlanden is dat veel minder: 61% in Duitsland, 49% in Frankrijk en 30% in Nederland. Het gros van de benodigde primaire energiebronnen wordt ingevoerd in Vlaanderen: 92,8% in 2011. De enige eigen primaire energiebronnen die Vlaanderen momenteel inzet, zijn hernieuwbare energiebronnen (wind- en waterkracht, zon, biogas en biomassa), restafval en industriële reststromen. Het gebruik van biobrandstoffen, een algemene verzamelnaam voor verschillende soorten brandstoffen die gemaakt worden uit biomassa, neemt toe. Ze vormen een alternatief voor fossiele brandstoffen, maar ze kosten vandaag relatief veel. Het gebruik van biobrandstoffen is ook niet vrij van discussie. Er is enerzijds een positief effect op de klimaatverandering door minder CO2-uitstoot. Anderzijds zijn er negatieve gevolgen voor het milieu en de voedselvoorziening. Biobrandstoffen hebben een enorme watervoetafdruk. Er kan wereldwijd concurrentie ontstaan tussen landbouw voor voedsel en landbouw voor energie. Het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen ten opzichte van de totale hoeveelheid transportbrandstoffen voor vervoer in Vlaanderen bedroeg 4,5% in 2012.
04 / RUIMTELIJKE EN ECOLOGISCHE ONTWIKKELINGEN
Figuur 5. Aandeel hernieuwbare energie in het bruto finale energiegebruik, Vlaams Gewest, België en EU27, 2005-2012, in %
* Bron:
voorlopige cijfers Inventaris duurzame energie Vito, Eurostat
In de periode 2006-2009 was er een duidelijke daling van het totale waterverbruik in Vlaanderen, dat zich echter niet doorzet in 2010. Het verbruik van oppervlaktewater vertoont een zeer vergelijkbare evolutie. In de periode 2000-2010 vertoonde zowel het leiding- als het grondwaterverbruik een daling met respectievelijk 5 en 18%. In Vlaanderen is er ook een hoog koelwaterverbruik. Waar hoogwaardig water niet nodig is, bijvoorbeeld voor toiletspoeling, kan het vervangen worden door regenwater. In 2013 beschikt 37,4% van de Vlamingen over een regenwaterput en gebruiken ze regenwater voor het toilet of de wasmachine (SCV-survey). De hoeveelheid beschikbaar water hangt af van de hoeveelheid neerslag die valt, het deel dat daarvan verdampt en de hoeveelheid water die via rivieren en grondwater een land binnenstroomt. In Vlaanderen wordt 35% van het jaarlijks beschikbare water onttrokken20. Dat is niet duurzaam en tegen 2020 zou de onttrekking minder dan 20% van de beschikbare hernieuwbare waterbronnen moeten bedragen.
20
Er is een groot verschil tussen consumptief watergebruik (bijvoorbeeld irrigatie) en niet-consumptief gebruik (bijvoorbeeld koelwater). Als koelwater niet wordt opgenomen, bedraagt de WEI 7%.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Figuur 6. Evolutie van het waterverbruik, naar type water, van 2000 tot 2010, in miljoen m2
Bron: VMM-MIRA
04 / RUIMTELIJKE EN ECOLOGISCHE ONTWIKKELINGEN
Figuur 7. Waterexploitatie-index: waterwinning als % van de bruto jaarlijkse beschikbaarheid, laatst beschikbare jaar
Bron:
VMM-MIRA, Eurostat, Europese Commissie, OESO
Onder de natuurlijke hulpbronnen moeten ook de ecosystemen worden gerekend en de diensten die daaruit worden geleverd. Ecosysteemdiensten zijn niet gratis, onkwetsbaar en onuitputtelijk. Ecosystemen zorgen onder andere voor koolstofopslag en voor de nodige veerkracht in het kader van de klimaatverandering. Ze produceren voedsel en materialen, hebben een regulerende (waterzuivering en –berging …), culturele en ondersteunende functie (stofkringlopen, bodemvorming …). Slechts 15% van de dier- en plantensoorten van Europees belang bevindt zich in een gunstige staat van instandhouding in Vlaanderen. Voor 58% van de soorten is de staat zeer ongunstig. 81% van de habitats van Europees belang bevindt zich in een zeer ongunstige staat. Ongeveer 88% van de mariene visstocks in Europa is nu al volledig geëxploiteerd of overgeëxploiteerd. Een toenemende welvaart zorgt ervoor dat een groter gedeelte van het gezinsbudget vrijkomt voor de aankoop van allerlei consumptiegoederen. Die trend van een toenemend bezit van consumptiegoederen (smartphones, tablets, afwasmachine …) leidt tot een toename van de vraag naar materialen, een toename van afvalinzameling en een toename van het energiegebruik tijdens de gebruiksfase. Bovendien zijn veel goederen moeilijk herstelbaar (of onderdelen moeilijk vervangbaar), wat de consumptie
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
nog verder in de hand werkt. Ondanks energie-efficiëntiewinsten worden toestellen dikwijls groter of worden ze juist door de efficiëntiewinst nog meer gebruikt (reboundeffect). Die trends worden gezien als tekenen van sociale vooruitgang, maar hebben een grote impact op het hulpbronnengebruik en het milieu. Technologische innovaties kunnen de vraag naar bepaalde metalen en mineralen een boost geven (bijvoorbeeld lithium voor batterijen, gallium voor fotovoltaïsche zonnepanelen). Het groeien van onze consumptiemaatschappij heeft een directe invloed op de geproduceerde hoeveelheid afval. In 2012 is er in Vlaanderen gemiddeld 513 kg huishoudelijk afval per inwoner ingezameld. De totale hoeveelheid huishoudelijk afval is ten opzichte van 2010 afgenomen en is nog altijd kleiner dan de langetermijndoelstelling van 560 kg per inwoner. Van het huishoudelijk afval wordt in 2012 71% selectief ingezameld met het oog op hergebruik, recyclage of composteren. Restafval wordt in Vlaanderen sinds 2010 volledig verbrand in verbrandingsinstallaties met energierecuperatie. In vergelijking met andere lidstaten behoort Vlaanderen op het vlak van selectieve inzameling en reductie van restafval tot de beste van Europa. De grootste afvalstroom in Vlaanderen is afkomstig van bedrijven. De hoeveelheid niet-selectief aangeboden primair bedrijfsafval bedroeg in 2010 meer dan 1 miljoen ton. Dat is meer dan de totale hoeveelheid restafval van alle burgers. Bijna de helft van het bedrijfsafval werd gerecycleerd of als secundaire grondstof gebruikt in 2010. 7% werd verbrand en ongeveer 4% werd gestort. Ook voeding is een consumptiegoed waar rationeel mee moet worden omgesprongen. Het totale voedselverlies en nevenstromen in de keten in Vlaanderen worden geschat op 1.936.000 tot 2.290.000 ton of 314 tot 372 kilogram per persoon. Voedselverlies is een verdoken milieuprobleem. De productie, verwerking, distributie, bereiding en consumptie van voedsel hebben een zware milieu-impact. Voeding en dranken dragen voor 20 à 30% bij tot verschillende milieuproblemen die veroorzaakt worden door productie en consumptie (Tukker e.a., 2006). Verlies aan voedsel staat gelijk aan verlies van schaarse grondstoffen, energie, water enzovoort die gebruikt worden om het voedsel te produceren.
2.2 Vooruitzichten
Fossiele brandstoffen zullen ten minste tot 2030 de belangrijkste energiebron blijven. Steenkool is niet schaars, maar is problematisch op het vlak van luchtverontreiniging en klimaatverandering. 80% van de steenkoolreserves ligt echter in slechts zes landen en de EU bezit slechts 4% van het globale totaal. Het aandeel van de EU in de globale gasreserves nam af van 4,6% in 1980 tot 1,3% in 2009 en we verwachten dat die reserves uitgeput zijn voor 2030. De Europese afhankelijkheid van geïmporteerde fossiele brandstoffen bedroeg 57% in 2011 en neemt langzaam toe. Een energiesysteem dat volledig draait op hernieuwbare energiebronnen, is theoretisch mogelijk in België. De verandering in een 100% hernieuwbaar energiesysteem veronderstelt wel een radicale transformatie van vrijwel alle sectoren van de economie. Dat geldt in het bijzonder voor de elektriciteitssector, die bijna volledig hernieuwbaar moet zijn tegen 2030. Een 100% hernieuwbaar energiesysteem vereist een grootschalige
04 / RUIMTELIJKE EN ECOLOGISCHE ONTWIKKELINGEN
elektrificatie, met een verdubbeling of zelfs een verdrievoudiging van de huidige elektriciteitsproductie tegen 2050 tot gevolg. Er zijn dan ook investeringen van 300 tot 400 miljoen euro nodig in de periode tot 2050. Een daling van de primaire energievraag wordt waargenomen door de tijd in alle hernieuwbare scenario’s. De transformatie van het systeem in 100% hernieuwbare energie vereist namelijk enerzijds verbeteringen in energie-efficiëntie en energiebesparingen, en anderzijds een lagere totale hoeveelheid primaire energie aangezien voor de meeste hernieuwbare energiebronnen een omzettingsrendement van 100% gebruikt wordt. De afname ten opzichte van het referentiescenario varieert van 6% tot 31% afhankelijk van het scenario. Een groter aandeel hernieuwbare energie en een lager energieverbruik impliceren minder aankoop van fossiele brandstoffen, waardoor de Belgische buitenlandse brandstoffactuur kan dalen. Het aandeel ingevoerde energie in de primaire energievraag valt dan terug van 83% in het referentiescenario tot een bereik tussen 42% en 15%. Een 100% hernieuwbaar energiesysteem zou ook werkgelegenheid creëren. We ramen dat er tegen eind 2030 20.000 tot 60.000 bijkomende voltijdsequivalenten voor banen zijn, vergeleken met het referentiescenario. Projecties geven aan dat de consumptie van voedsel wereldwijd verder zal toenemen. De consumptie van dierlijk voedsel zal tegen 2050 zelfs meer dan verdubbelen tegenover 2000. Volgens de FAO zou de vraag naar voedsel, veevoeder en vezels verder kunnen toenemen met 60% tegen 2050. Een voorspelde bevolkingsgroei van 27% en een welzijnsgroei van 83% tegen 2030 zouden betekenen dat de vraag naar landbouwproducten 50% hoger ligt dan vandaag. Onderzoek geeft aan dat tegen 2030 de vraag naar drinkbaar water het aanbod met 40% zou kunnen overschrijden. OESO-projecties geven aan dat de watervraag globaal verder sterk zal blijven toenemen. De toename komt voornamelijk van industrie, energievoorziening en huishoudens (respectievelijk +400%, +140% en +130% tegen 2050). De gevolgen beperken zich niet tot watertekort voor bijna 2 miljard mensen, ook de landbouw zal een oplossing moeten zoeken. De gemiddelde soortenrijkdom in terrestrische ecosystemen zal tussen 2010 en 2050 met 24% afnemen in Europa onder een business-as-usualscenario (EEA 2013b). Daarbij wordt zelfs nog geen rekening gehouden met de mogelijke overschrijding van ecosysteemgrenzen en de toenemende verspreiding van invasieve exoten. Modellen en scenario’s in zowel globale als regionale milieurapporten geven aan dat biodiversiteitsverlies en ecosysteemdegradatie zullen voortgaan of versnellen onder alle beschouwde beleidsscenario’s.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
These 3: Van een sterk bebouwde en versnipperde ruimte gaan we op weg naar meer duurzaam ruimtegebruik.
Vlaanderen is een van de meest dichtbevolkte en dichtbebouwde regio’s in NoordwestEuropa. De verstedelijking neemt jaar na jaar toe. Dat uit zich in een toenemende verharding. Daarnaast is spreiding van de bebouwing een essentieel kenmerk van de ruimtelijke structuur in Vlaanderen. Vlaanderen kan zich ontwikkelen als een polycentrisch model waar verschillende kernen elk hun eigen rol opnemen en versterken. Op die manier kan Vlaanderen zich ten volle inschrijven in de mondiale, metropolitaanse dynamiek.
3.1 Vaststellingen
Binnen West-Europa is Vlaanderen een van de meest dichtbevolkte en bebouwde regio’s (Tempels, 2012). Vlaanderen telt momenteel 6,3 miljoen inwoners. Meer dan een vierde (27%) van de Vlaamse oppervlakte wordt ingenomen door bebouwde oppervlakte (VRIND 2013). De aantrekkelijkheid van Vlaanderen uit zich in de vele, vaak kleine historische steden die dicht bij elkaar liggen. Dat biedt een unieke levenskwaliteit op maat van de mensen. Werk, onderwijs, zorg en cultuur zijn altijd in de buurt; toegankelijke open ruimte liggen binnen ieders bereik. De verstedelijking in Vlaanderen neemt jaar na jaar toe. Dat uit zich in een toegenomen bebouwing en verharding van de oppervlakte. In de groot- en centrumsteden is gemiddeld de helft van de totale oppervlakte bebouwd. Dat vertaalt zich in een compacte bebouwing, tegenover meer verspreide bebouwing in meer landelijke gebieden (VRIND 2013). Door suburbanisatie en desurbanisatie van het wonen en van economische activiteiten is aan de steden en dorpen een uitgebreid en versnipperd net van linten, perifere gebieden en verspreide bebouwing toegevoegd. Onze ruimte is aldus geëvolueerd van een netwerk van herkenbare kernen tot een diffuse nevel met verspreide bebouwing. Die stedelijke nevel of ‘sprawl’ is internationaal verspreid, zoals in de Randstad, de Povlakte en het Ruhrgebied, en komt vooral sterk tot uitdrukking in zwak polycentrisch gestructureerde gebieden met veel lintbebouwing en ongeplande ontwikkelingen, zoals Vlaanderen. Door die structuur nemen we veel ruimte in met een relatief lage dichtheid. Bijna driekwart van de Vlaamse bevolking woont in een stedelijk leefcomplex, een gebied dat dominant gestructureerd wordt door suburbanisatie en pendel vanuit een van de negen stedelijke agglomeraties of Brussel. Door de dichtheid van kleinere steden vormt het centrale deel van Vlaanderen één verstedelijkte regio. Niettegenstaande meer dan 1,5 miljoen Vlamingen in een groot- of centrumstad woont, leeft de meerderheid van de Vlamingen dus in een suburbaan woonmilieu (VRIND 2013).
04 / RUIMTELIJKE EN ECOLOGISCHE ONTWIKKELINGEN
Figuur 8. Totale oppervlakte bebouwde percelen in verhouding tot de totale oppervlakte, per gemeente, 1 januari 2011, in %
Bron:
ADSEI en FOD Financiën (kadaster); bewerking SVR
De woonfunctie gebruikt een aanzienlijk deel van de beschikbare ruimte in Vlaanderen. Zo gebruikt elke Vlaming gemiddeld 251 m2 om te wonen. In 2000 bedroeg dat gemiddelde 233 m2 tegenover 212 m2 in 1990. Sinds 2000 breidt de woonoppervlakte uit met 14%. De transformaties verschillen van gebied tot gebied. Wonen neemt in alle gebieden een aanzienlijk deel in van de bebouwde oppervlakte: van bijna 83% op het platteland tot 64% in de centrumsteden en 53% in de grootsteden (gemiddeld 45%). Nog altijd een tiende van de nieuwe huishoudens vestigt zich in de open ruimte. Die bebouwing gaat voornamelijk ten koste van landbouwgronden, die de jongste tien jaar 4% krimp vertoonden. De oppervlakte die nodig is om de vervoersfunctie te vervullen, is de tweede grootste ruimtegebruiker (30%). Vlaanderen heeft 65.000 km wegen, wat overeenkomt met 4,8 km per vierkante km. Dat is het dichtste wegennet van Europa. Bijna een vijfde van de bebouwde oppervlakte gaat naar economische functies. Hier onderscheiden de steden met een centrumfunctie zich met het grootste aandeel. Niettegenstaande de concentratie in de steden is er een uitgebreid lint van baanwinkels. Het winkelapparaat volgde daarmee de suburbanisatietrend van het wonen.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Stuwende factoren Het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen voorziet in ruimte om te ondernemen, bij voorkeur in de stedelijke gebieden als ‘poorten’ en ‘specifiek economische knooppunten’. In april 2013 telde het Vlaamse Gewest 48.280 ha bedrijventerreinen (exclusief havenzone). Van die oppervlakte is 83,3% bezet of al ingenomen (VRIND 2013). Dominante groeisectoren, zoals innovatie en hoogwaardige dienstverlening, vestigen zich het liefst in metropolen. Binnen Europa spelen Londen en Parijs veruit de belangrijkste rol in het wereldwijde economische netwerk. Ook steden als Berlijn en Kopenhagen profileren zich sterk als creatieve en innovatieve steden. Binnen België zijn Brussel en Antwerpen al vrij goed geïntegreerd in de mondiale economische netwerken. Ook andere steden, zoals Leuven en Gent, verbinden zich steeds meer met andere economische knooppunten. De invloedssfeer van de kernsteden is uitgebreid, waardoor er sprake is van functioneel stedelijke gebieden of stedelijke regio’s. Het gebied van de stedelijke regio beslaat de kern of kernen van de stad plus het achterland dat voor een kritieke massa bereikbaar is. Belangrijke sociaaldemografische evoluties die de ruimtevraag en ontwikkeling bepalen, zijn de algemene bevolkingsgroei, de migratiestromen en de gezinsverdunning (zie demografische ontwikkelingen). In de groot- en centrumsteden is de aangroei van de bevolking het grootst. De afgelopen tien jaar is de bevolking in de grootsteden met meer dan 10% gestegen. In de centrumsteden werd een vergelijkbare stijging als gemiddeld in Vlaanderen opgetekend (6%). Naast natuurlijke aangroei, die in de groot- en centrumsteden een groter gewicht heeft dan elders, zorgt de aangroei door buitenlandse migratie voor het grootste deel van de bevolkingsaangroei. In de steden treden verschillende maatschappelijke fenomenen tegelijkertijd en meer uitgesproken op. Niet alleen vergrijzing en verzilvering, maar vooral verkleuring en vergroening zetten zich sterker door in de (groot)steden dan elders in Vlaanderen. Bijna een op de vier inwoners in Vlaanderen is jonger dan twintig jaar. In de centrumsteden is dat gemiddeld een op de vijf inwoners. Meer inwoners betekent meer behoefte aan woningen, voorzieningen, publieke ruimte, groen, enzovoort en zet de leefbaarheid van de stad onder druk, waardoor mogelijk selectieve stadsvlucht wordt aangewakkerd. Met heel wat toonaangevende stadsvernieuwingsprojecten wordt aangegeven dat die dualiteit opgevangen kan worden, al is er nog een lange weg te gaan. Hergebruik, verweving, meervoudig ruimtegebruik, omkeerbaar ruimtegebruik en tijdelijk gebruik zijn maar enkele van de aangepaste strategieën die hun intrede doen om op een duurzame en slimme manier de uitdagingen aan te pakken. Er is een hernieuwde belangstelling voor de stad, maar voor veel mensen is de stad nog altijd een transitzone. Uit onderzoek (Stadsmonitor, 2012) blijkt dat vooral sterkere socio-economische profielen de stad verlaten. De stadsvlucht mag dan al gekeerd zijn, een selectieve stadsvlucht blijft bestaan. Onomkeerbare ontwikkelingen, zoals de economische transformatie en de toegenomen welvaart die mensen de mogelijkheid geeft om elders te wonen en te werken, liggen daaraan ten grondslag. Vooral de snelle groei van autobezit en de voorkeur voor vrijstaande woningen met tuin dragen daartoe bij.
04 / RUIMTELIJKE EN ECOLOGISCHE ONTWIKKELINGEN
Het belang van de kwaliteit van de ruime woonomgeving blijft een belangrijke randvoorwaarde bij het realiseren van aantrekkelijke woonsteden. Dat blijkt uit recent onderzoek van de Stadsmonitor: het beeld dat mensen hebben van een aantrekkelijke en vitale stad, wordt mee bepaald door aspecten van publieke ruimte en bouwkundige aard. In sommige steden sluit dat beeld nog onvoldoende aan bij wat inwoners onder een aantrekkelijke stad verstaan. De woonomgeving kan voor veel inwoners nog een pak groener, kindvriendelijker, netter, rustiger en verkeersveiliger. Een positieve kijk op de identiteit en de uitstraling van de woonomgeving zorgen voor een grotere verbondenheid met de stad. Bovendien blijkt dat de waardering van de woonomgeving vaak als pushfactor geldt bij het nemen van een verhuisbeslissing (Schelfaut, 2013). Persoonlijke determinanten zijn moeilijk te beïnvloeden door overheden, maar voor de personen die twijfelen of die niet vinden wat ze zoeken in de stad, kan het verder inzetten op een verhoogde stedelijke woonkwaliteit een van de speerpunten zijn om aantrekkelijke woonsteden te creëren. De stad kan gezien worden als een ecosysteem waarbij korte, gesloten en duurzame verbruikerscycli van energie, warmte of water ontwikkeld kunnen worden met individuele en collectieve winsten tot gevolg (Rombaut, 2013). Zo streven in Vlaanderen enkele centrumsteden expliciet naar klimaatneutraliteit, wordt er nagedacht over groene economie, hernieuwbare energie, duurzaam wonen en bouwen, stadslandbouw enzovoort. De toenemende aandacht voor ecologische thema’s en de bijbehorende diverse microexperimenten wijzen op een groeiend draagvlak om specifieke transities binnen de steden te versnellen richting duurzaamheid. Slim verdichten is één, maar de stad is allang buiten haar administratieve grens gegroeid. Duurzame stedenbouw is niet gelijk aan compacte stedenbouw, waarbij nieuwbouw aan de stadsranden gangbaar is. Good practices, zoals Kopenhagen, tonen aan dat steden die groeien, volgens het ecopolisconcept (waarbij groenblauwe vingers de kans bieden om aan de stad ecosysteemdiensten te leveren,) evenwichtige en duurzamere nederzettingspatronen kunnen vormen met een versterkte aandacht voor biodiversiteit, waterberging, klimaatbuffering, luchtzuivering, rust en recreatie. Typerend voor het Vlaamse woningmodel is individueel eigenaarschap van een woning, bij voorkeur buiten de stad. Ontevredenheid over de woning in de eerste plaats, maar vooral over de buurt en stad speelt een belangrijke rol bij het verklaren van de verhuiswens naar een plek buiten de stad (Schelfaut, 2012). De (mis)match tussen vraag en aanbod op de woningmarkt, een gezonde en aangename woonomgeving, de beoordeling van de publieke ruimte en de tevredenheid met allerlei buurtvoorzieningen spelen een rol in het al dan niet tevreden zijn over de buurt en de stad. Gevolgen Suburbanisatie en desurbanisatie hebben talloze gevolgen. Ze leiden tot verdere uitholling van de kernstad (sociaal en demografisch), tot financieel onevenwicht tussen kernsteden en suburbane gebieden, tot onnodige en hoge kosten voor nutsvoorzieningen enzovoort. De toenemende verspreide verstedelijking zorgt ook voor barrièrevorming en versnippering van de open ruimte. Die moedigt de achteruitgang van de biodiversiteit aan door de isolatie van gemeenschappen, negatieve klimaateffecten door het warmte-eilandeffect en CO2-toename door meer verkeer, energie- en materiaalverbruik, visuele degradatie van het landschap, meer verspreide verstoring, zoals lawaaihinder, lucht-, water- en bodemverontreiniging. Verspreiding van de functies wonen, werken en recreatie leidt ook tot een toenemende vraag naar vervoer, die om redenen van gebruiksvriendelijkheid en comfort, en bij gebrek aan voldoende ontwikkelde competitieve alternatieve vervoersvormen, vaak door de auto wordt ingevuld. Uit het Onderzoek
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Verplaatsingsgedrag Vlaanderen 4.4 blijkt dat 73% van de woon-werk- en woon-schoolverplaatsingen met de auto gedaan wordt. De streefnorm om 40% van de woon-werkverplaatsingen te laten plaatsvinden enerzijds door collectief vervoer, waaronder het openbaar vervoer, en anderzijds te voet of met de fiets is dus nog veraf. In stedelijke gebieden stellen we vast dat het aandeel van de autoverplaatsingen kleiner is dan in landelijke gebieden. In Vlaanderen vertoont de filezwaarte vooral rond de grote steden een sterk stijgende trend. Ten opzichte van 2007 is de filezwaarte met 24 à 43% toegenomen in 2012. We staan met z’n allen elk jaar tien miljoen uur in de file, wat de economie een half miljoen euro per dag kost. De bebouwing op zich heeft als gevolg dat een artificieel ondoorlatend oppervlak op het bodemoppervlak wordt aangebracht (bijvoorbeeld gebouwen, wegen en andere constructies van antropogene oorsprong). We spreken van bodemafdichting. De sectoren die het meest bijdragen tot de afdichting van de bodem, zijn de huishoudens, de industrie, handel en diensten. Vlaanderen is voor 13,3% afgedicht. De meeste gemeenten in de Vlaamse ruit (Gent, Antwerpen, Leuven, Brussel) zijn meer dan 10% afgedicht. De regio’s van de steden Brugge, Roeselare, Kortrijk, Gent, Aalst, Antwerpen, Mechelen, Leuven zijn voor meer dan 20% afgedicht.
3.2 Vooruitzichten
Wereldwijde urbanisatie zet zich door. VN-projecties geven aan dat tegen 2050 tussen twee derde en drie vierde van de wereldbevolking in een of andere vorm van stedelijke agglomeratie zal wonen. In 1950 was dat slechts 29%. Een op de vijf Vlamingen woont in een centrumstad, goed voor 1,58 miljoen inwoners. De steden krijgen volgens de bevolkingsprognoses te maken met het grootste deel van de bevolkingstoename. Een derde van de verwachte aangroei komt in Vlaanderen voor rekening van de centrumsteden. Bovendien zouden er 8% meer huishoudens zijn tegen 2018. De dertien centrumsteden zouden naar 1,64 miljoen inwoners in 2018 en 1,65 miljoen inwoners in 2028 evolueren. De bevolking blijft ook na 2018 in de meeste centrumsteden verder aangroeien, maar in een rustiger tempo. De steden zullen verder uitdijen en Vlaanderen zal verder verstedelijken, ook buiten de stadsgrenzen. De snelheid van verstedelijking is nog nooit zo hoog geweest als nu. Bijgevolg is het van vitaal belang om de schaal en snelheid van verandering te beheren zodat steden evenwichtige en duurzamere nederzettingspatronen kunnen vormen. Steden hebben een intrinsiek voordeel: ze vormen vaak de plek waar urgentie voor oplossingen vlugger boven water komt en waar creatieve ideeën snel een voedingsbodem vinden. Het is zoeken naar een duurzaam evenwicht, zowel sociaaleconomisch, ecologisch als sociaal. Vlaanderen kan zich zo ontwikkelen als een polycentrisch model waar verschillende kernen elk hun eigen rol opnemen en versterken. Op die manier kan Vlaanderen zich ten volle inschrijven in de mondiale, metropolitaanse dynamiek.
04 / RUIMTELIJKE EN ECOLOGISCHE ONTWIKKELINGEN
Verhuisgedrag is deels persoonsgebonden en moeilijk te beïnvloeden door overheden, maar voor personen die twijfelen of die niet vinden wat ze zoeken in de stad, kan het verder inzetten op een verhoogde stedelijke woonkwaliteit een van de speerpunten zijn om aantrekkelijke woonsteden verder te realiseren (Schelfaut, 2012). Nabijheid van diensten, groene publieke ruimten en een hoog aanbod aan openbaar vervoer zijn daarbij troeven. Steden vormen bovendien motoren van economische activiteit, aanjagers van creativiteit en ondernemerschap. Het is belangrijk dat te consolideren en te versterken. Mobiliteit en bereikbaarheid zijn sleutelfactoren voor de ruimtelijke samenhang. De mobiliteitsscenario’s in het kader van het nieuwe ontwerp Mobiliteitsplan Vlaanderen geven aan dat de personenmobiliteit in personenkilometers (pkm) tussen 2010 en 2040 zal toenemen met 3 tot 15%. De pkm, afgelegd door het autoverkeer, kunnen in die periode, naargelang het scenario, afnemen met 5% of toenemen met 22%. De pkm, afgelegd met het openbaar vervoer, kunnen met 31 tot 58% toenemen en de pkm, afgelegd met de fiets en te voet, kunnen met 2 tot 14% stijgen. Het goederenvervoer stijgt nog sterker. In totaal kunnen de tonkilometers tussen 2010 en 2040 toenemen met 18,5 tot 73,6%. De tonkilometers, afgelegd door het wegverkeer, kunnen in die periode toenemen met 14 tot 53%. De tonkilometers over het spoor kunnen stijgen met 14 tot 91%. De binnenvaart zou het sterkst groeien met een toename van het aantal tonkilometers met 55 tot 219%. De voertuigverliesuren zullen in die periode, als er niet ingegrepen wordt, toenemen met 55 tot 188%. Samen met het autoverkeer neemt de uitstoot van broeikasgassen toe. Ondanks de verhoogde eco-efficiëntie van de transportsector blijft Vlaanderen een van de hotspots in Europa voor fijn stof en verzurende uitstoot. De toename van bebouwing (wonen, economische activiteiten, infrastructuur) zorgt voor een verlies van de huidige bodemfuncties en een verdere afdichting van de bodem. Zonder bijsturing zou tegen 2050 een derde tot de helft van Vlaanderen bebouwd zijn (Poelmans, 2010). Verdere afdichting kan negatieve effecten hebben op het vlak van waterhuishouding en microklimaat. Het water kan niet meer infiltreren en stroomt af via het verharde oppervlak waardoor de bodem verdroogt. Elders worden mogelijk overstromingen teweeggebracht (Mira-T, 2012). De uitdaging bestaat erin tegelijk in te zetten op zowel een lager als een hoger schaalniveau. Op een lager schaalniveau kunnen de specifieke kwaliteiten van de verschillende economische, sociale en ecologische gebieden van Vlaanderen ten volle benut worden. Op een hoger schaalniveau kunnen de verschillende gebieden elk maximaal hun specifieke bijdrage leveren aan de grotere ruimtelijke structuur waartoe Vlaanderen behoort: de metropool. De metropool Vlaanderen is dan een innovatieve regio op maat van mensen met aandacht voor veerkracht.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Bronnen AMS (2012). Het Landbouwrapport 2012. Brussel: Departement Landbouw en Visserij - Afdeling Monitoring en Studie. Castells, M., (2001). Local and global: cities in the network society. Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie – 2002, Vol. 93, No. 5, pp. 548–558. Ciccone, A., en Hall, R.E. (1996). Productivity and the density of economic activities, American Economic Review, vol. 86, pag. 5470. Commission staff working paper, Analysis associated with the roadmap to a resource efficient Europe, part I, SEC (2011) 1067 final, European Commission. CPB, MNP en RPB (2006). Welvaart en Leefomgeving; een scenariostudie voor Nederland in 2040. CPB Bijzondere publicatie 64, Den Haag. Cory, R., M., Crump, B., C., Dobkowski, J., A. & Kling, G., W. (2013). Surface exposure to sunlight stimulates CO2 release from permafrost soil carbon in the Arctic. PNAS. Beschikbaar op www.pnas.org/cgi/ doi/10.1073/pnas.1214104110. De Bruyn, J., Vermeulen, S. (2012). Duurzame en creatieve steden. De stad als motor van de samenleving. Verslagboek ViA-rondetafel Stedenbeleid, Brussel. Declerck, J. (2013). Vlaanderen is één stedelijk reconversieproject. Presentatie No cities, No future. Studium Generale 2013 Duurzame Steden, Gent, 20/02/2013. De Groof, M. (2013). Inventarisatie huishoudelijke afvalstoffen 2012, OVAM. EEA (2011). The European environment – state and outlook 2010: assessment of global megatrends. European Environment Agency, Copenhagen. EEA (2013a). Assessment of global megatrends – an update. Global megatrend 7: intensified global competition for resources. EEA (2013b). Assessment of global megatrends – an update. Global megatrend 8: growing demands on ecosystems. ETC/SCP (2012). Housing assessment. ESF (2012). Responses to environmental and societal challenges for our unstable earth (RESCUE). Strasbourg: ESF Forward Look Publishing. Federaal Planbureau (2012). Vooruitzichten van de transportvraag in België tegen 2030. Brussel: Federaal Planbureau. FPB, ICEDD, VITO (2012). Towards 100% renewable energy in Belgium by 2050. FLORIDA, R. (2002). The rise of the creative class: And how it is transforming work, leisure, community and everyday life. Basic Books, 350 p. Grünfeld, J. (2010)., De polycentrische stedeling centraal: een onderzoek naar het veranderende palet van plekken in een polycentrische stedelijke regio. Universiteit van Amsterdam. Hoornaert, S. (2013). Verkeersindicatoren Hoofdwegennet Vlaanderen 2012. Departement Mobiliteit en Openbare Werken, Verkeerscentrum. Jacques, A. e.a. (2013). De ecologische stad en haar indicatoren. Van milieugebruiksruimte naar veerkracht als dragend concept? En van ecopolis naar ecosysteemdiensten als analytisch denkkader? In: Steden Binnenstebuiten, SVR studie 2013/1, Brussel. KMI (2009). Oog voor het klimaat. Brussel: KMI. MIRA (2009). Milieuverkenning 2030. Milieurapport Vlaanderen. Aalst: Vlaamse Milieumaatschappij. MIRA (2010). Achtergronddocument, Waterkwantiteit. Aalst: Vlaamse Milieumaatschappij.
Bronnen
MIRA (2013). MIRA Indicatorrapport 2012. Aalst: Vlaamse Milieumaatschappij. MIRA (2013). Input megatrends bij inleiding tot H4 ‘Ruimtelijke en ecologische ontwikkelingen, Megatrendsproject. VMM-MIRA. NARA (2009). Natuurrapport Vlaanderen. Natuurverkenning 2030. Brussel: INBO. OECD (2011). Towards Green Growth: Monitoring Progress. OECD Indicators. OECD (2012). OECD Environmental Outlook to 2050.Paris: OECD Publishing. OECD-FAO (2012). Agricultural Outlook 2012. Paris: OECD Publishing. Poelmans, L. (2010). Modelling urban expansion and its hydrological impacts. Phd Thesis, Leuven. Rombaut, E. (2013). Ecologische stedenbouw, een contradictio in terminis? Pleidooi voor de Lobbenstad. Presentatie NO CITIES, NO FUTURE Studium Generale 2013 Duurzame Steden, Gent. RWO (2011). Trends en uitdagingen voor een ruimtelijk beleid. Brussel: Departement RWO-afdeling Ruimtelijke Planning en Kernteam Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Sarlee e.a. (2012). Voedselverlies in ketenperspectief, OVAM. Schelfaut, H., (2013). En we woonden nog lang en gelukkig, in de stad of daarbuiten? Verhuisintenties in de centrumsteden geanalyseerd. In: Steden Binnenstebuiten, SVR-studie 2013/1, Brussel. Studiedienst van de Vlaamse Regering (2012). Pact 2020, Kernindicatoren meting 2012. Studiedienst van de Vlaamse Regering (2013). Vlaamse Regionale Indicatoren 2013. UNEP (2011). Keeping Track of Our Changing Environment: From Rio to Rio+20 (1992-2012). Nairobi: United Nations Environment Programme. UNESCO (2011). Migration and Climate Change. Paris: UNESCO Publishing / Cambridge University Press. Vervaet, M., Huygh, K., Rossi, E., Smeets, K. (2012). Bedrijfsafvalstoffen productiejaar 2004-2010, OVAM, Mechelen, D2012/5024/81. World Bank (2012). Turn down the heat, why a 4 °C warmer world must be avoided. New York: World Bank.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
05 / POLITIEK-INSTITUTIONELE ONTWIKKELINGEN
In dit hoofdstuk komen op drie niveaus aspecten van politieke en institutionele ontwikkelingen aan bod. In de eerste plaats beschouwen we de politiek-institutionele ontwikkelingen op het internationale niveau vanuit de invalshoek van trends van globalisering, europeanisering en regionalisering. In de tweede plaats bekijken we de veranderde relatie tussen burgers en overheid alsook de ontwikkelingen en verwachtingen op het vlak van burgerschap, responsabilisering, burgerparticipatie en vertrouwen in instellingen. In een derde deel komen de hervormingsprocessen van de overheid aan bod met aandacht voor de algemene trend naar professionalisering, de verschillende staatshervormingen en schaalverschuivingen. These 1: These 2: These 3:
Er vindt een verschuiving in mondiale machtsverhoudingen plaats en er is een tendens naar een sterker Europees bestuur. Noch de legitimiteit van de overheid, noch de burgerbetrokkenheid zijn verworven. We zijn op weg naar een interactief beleid. We streven naar meer bestuurskracht door professionalisering en staatshervorming.
Inleiding De afgelopen dertig jaar zijn de interacties en de verbondenheid tussen landen en samenlevingen wereldwijd aanzienlijk toegenomen, zowel op economisch, politiek als cultureel vlak. Door stromen van goederen, geld, mensen, ideeën en informatie worden grenzen steeds minder belangrijk (Hurrel, 1995: 54 aangehaald in Nesadurai, 2002: 1; McGrew, 2010: 16). Die trend van snellere globalisering of mondialisering speelde de voorbije jaren een bepalende rol in de wereld en zal een bepalende factor blijven voor de internationale politiek en economie. De mondiale context waarin Vlaanderen optreedt, wordt complexer en het aantal uitdagingen dat eraan verbonden is, die om een wereldwijde aanpak vragen, neemt toe. De relatie tussen overheden en burgers blijft aan veranderingen onderhevig. De rollen verschuiven. Overheden verwachten een grotere betrokkenheid en meer verantwoordelijkheid van burgers. Burgers willen minder betutteld worden en willen directer bij de besluitvorming betrokken worden. Overheden worstelen met een dubbel legitimiteitsprobleem: enerzijds staan de beleidslegitimiteit van de beleidsmakers, hun beslissingen en de gehanteerde spelregels onder druk, anderzijds worden ze geconfronteerd met een probleem van bestuurslegitimiteit die slaat op het vertrouwen van burgers, gebruikers, bedrijven en organisaties in de instellingen die het politieke systeem schragen (SBOV, 2013). Via een waaier aan directe en indirecte participatie- en consultatieprocessen wordt gezocht naar meer draagvlak en legitimiteit en een evenwicht tussen particuliere belangen van burgers en hun belangengroepen en het algemeen belang. De jongste jaren wordt de burger niet louter gezien als onderdaan en kiezer, maar streeft de overheid ernaar de burger te zien als partner en consument van haar diensten. Burgers en bedrijven verwachten dat een overheid naast het garanderen van basisrechten voor iedereen, zich als een performante,
05 / POLITIEK-INSTITUTIONELE ONTWIKKELINGEN
effectieve en efficiënte organisatie ontwikkelt. Dat leidt in veel landen tot heel wat hervormingen van de overheidsorganisatie en een zoektocht naar de beste schaal om beslissingen te nemen en dienstverlening op te zetten. De roep naar vernieuwing in de bestuurlijke organisatie is niet nieuw, maar wordt dringender en dwingender, zowel vanwege het legitimiteitsprobleem als vanwege de aanslepende economische en financiële crisis.
These 1: Er vindt een verschuiving in mondiale machtsverhoudingen plaats en er is een tendens naar een sterker Europees bestuur. De mondiale realiteit verandert en bijgevolg ook de internationale context waarin Vlaanderen optreedt. Als gevolg van een trend van steeds snellere globalisering, maar ook van de financieel-economische crisis van de voorbije jaren vinden er verschuivingen plaats in de mondiale machtsverhoudingen. De EU zoekt uit hoe ze een gepast antwoord kan bieden op de nieuwe mondiale realiteit. Zo wordt het Europese bestuur versterkt, met aanzienlijke implicaties voor het Vlaamse beleid. Vlaanderen ondervindt internationale invloed, maar beïnvloedt ook zelf Europese regelgeving en internationale kaders.
1.1 Vaststellingen
In deze these richten we ons op drie grote vaststellingen. In de eerste plaats bespreken we de verschuivingen in het mondiale machtsevenwicht. In deel twee focussen we op het feit dat de Europese impact op Vlaanderen blijft toenemen, terwijl we in het derde deel de opportuniteiten van het internationale optreden van Vlaanderen onder de loep nemen.
Verschuivingen in het mondiale machtsevenwicht Onder invloed van de globalisering, maar ook van de financieel-economische crisis van de afgelopen jaren verandert de mondiale realiteit. Opkomende economieën, zoals Brazilië, Rusland, India en China (BRIC), zetten de voorbije periode hun economische groei voort, in tegenstelling tot de zwakkere economische prestaties van hoog ontwikkelde economieën. Dat heeft de aanzet gegeven tot een verdere verschuiving in de traditionele machtsevenwichten (EESC, 2010). Het wordt moeilijker een universele consensus te bereiken en het aantal plurilaterale en bilaterale afspraken neemt toe. De toenemende complexiteit van het multilaterale systeem laat zich ook voelen in de groeiende impact van transnationale organisaties en netwerken. Groepen landen, zoals de G20, spelen een steeds grotere rol en er worden meer partnerschappen gesloten tussen multilaterale instellingen, ngo’s en de privésector. De mondiale machtsverschuivingen leiden ook tot een grotere vraag naar een hervorming van gevestigde internationale instellingen.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
De Europese Unie (EU) speelt een belangrijke rol op het internationale toneel dankzij diplomatieke inspanningen, handel, ontwikkelingshulp en samenwerking met multilaterale instellingen zoals de VN (EDEO, 2013). Ze wordt dan ook geconfronteerd met de veranderende economische en politiekinstitutionele realiteit. Binnen de Europese instellingen wordt gezocht naar een gepast antwoord dat de EU kan bieden (zie bijvoorbeeld: EESC, 2010). Het verdrag van Lissabon (2007) heeft alvast een aantal belangrijke wijzigingen doorgevoerd op het gebied van het externe optreden van de EU. Zo is de functie van hoge vertegenwoordiger van de EU voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid ingesteld en is een diplomatieke dienst, de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO), opgericht (EDEO, 2013). Die nieuwe instrumenten hebben de positie van de EU op mondiaal niveau tot op heden nog niet kunnen versterken. Europese impact op Vlaanderen blijft toenemen Het Europese beleid werkt steeds meer door in het beleid van de EU-lidstaten. De invloed van de EU op de besluitvorming in haar lidstaten wordt in de literatuur geduid door het concept europeanisering (Bursens, 2002). Europese regelgeving en beleid hebben een toegevoegde waarde voor alle EU-lidstaten en regio’s (Regout e.a., 2011). Verschillende onafhankelijke inschattingen suggereren een toegevoegde waarde van minstens 2,15% van het bbp ten gevolge van de eenheidsmarkt, 3,2% ten gevolge van het concurrentiebeleid, 4% ten gevolge van het vrije luchtverkeer en 10% ten gevolge van de euro. De impact van het EU-budget daarentegen is bescheiden: het bedraagt slechts 1% van het bbp, wat een fractie is van wat de lidstaten spenderen (namelijk tussen de 30% en 50% van het bbp). Vanwege de Belgische exporteconomie haalt België een disproportioneel voordeel uit de eenheidsmarkt, de uitbreiding, de euro en het EU-concurrentiebeleid. De aanwezigheid van de EU-instellingen in Brussel is een grote troef: samen met andere internationale instellingen vertegenwoordigen de EU-instellingen 13% van de Brusselse tewerkstelling (ca. 100.000 jobs), 13% van het Brusselse bbp en 2,5% van het Belgische bbp. Sinds de inwerkingtreding van de eenheidsmarkt in 1992 is de doorvoer in de Antwerpse haven, na Rotterdam de tweede grootste toegangspoort tot de eenheidsmarkt, gestegen met 75%. Tot slot, hoewel dat relatief beperkt is in omvang, zal vanuit de EU-begroting in de periode 2014-2020 naar schatting circa 1,8 miljard euro naar Vlaanderen vloeien in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, 1,6 miljard euro in het kader van het EU-beleid voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie en 700 miljoen euro in het kader van het Europese regionale beleid (Regout e.a., 2011; Departement iV, 2013a). Met het concept europeanisering wordt ook gewezen op de aanpassingen die de lidstaten doorvoeren om optimaal mee te kunnen functioneren in het Europese beleidsproces. Die aanpassingen waren de voorbije jaren vooral voelbaar op het vlak van Europees bestuur. De openbare financiën van de meeste EU-lidstaten en ook de eenheidsmunt kwamen sinds de financieel-economische crisis van 2008 onder druk te staan. Verschillende lidstaten moesten een beroep doen op Europese noodleningen en zagen zich geconfronteerd met soms sterke besparingen, stijgende werkloosheid en minimale economische groei.
05 / POLITIEK-INSTITUTIONELE ONTWIKKELINGEN
Om het hoofd te bieden aan de nieuwe uitdagingen, wordt het Europese bestuur voortdurend versterkt. Er is een proces ingezet van voortschrijdende Europese (economische) integratie, met aanzienlijke implicaties, ook voor de Vlaamse begroting en het Vlaamse sociaaleconomische beleid. Zo is het verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie gesloten, wat de verdragspartijen verplicht om de ‘gouden regel’ voor een overheidsbegroting in evenwicht op te nemen in hun nationale wetgeving. De Europese Commissie heeft ook het Europees semester ingevoerd. Dat is een jaarlijks terugkerende beleidscyclus van zes maanden met als doel ex ante zowel het macroeconomische beleid als het begrotingsbeleid van de lidstaten te toetsen aan en in lijn te brengen met het Europese beleidskader. In het kader van het Europees semester leggen de lidstaten in april hun plannen voor structurele hervormingen (nationale hervormingsprogramma’s) gelijktijdig met hun begrotingsplannen (stabiliteits- en convergentieprogramma’s) voor aan de Europese Commissie. Via het Europees semester kan de EU nu ook aanbevelingen doen op terreinen die volgens het verdrag van Lissabon geen EU-bevoegdheid zijn (zoals onderwijs). De Europese strategie Europa 2020 voor een slimme, duurzame en inclusieve groei in de EU, voorgesteld door de Europese Commissie op 3 maart 2010, spoort met het Pact 2020 en Vlaanderen in Actie. De jaarlijkse Vlaamse hervormingsprogramma’s beschrijven de vooruitgang van Vlaanderen op het vlak van de Europa 2020-doelstellingen. De invloed van de EU op de lidstaten is ook zichtbaar op andere vlakken. Er worden steeds meer bevoegdheden overgeheveld van het nationale naar het Europese beleidsniveau (voor een overzicht: zie Vos, 2008, aangehaald in Vanweddingen, 2009), waardoor het beleid in de lidstaten op steeds meer terreinen mee vanuit de EU wordt aangestuurd. Met de inwerkingtreding van het verdrag van Lissabon in 2009 zijn opnieuw enkele bevoegdheden (bijvoorbeeld voor sport en toerisme) toegewezen aan de EU. De EU oefent dus steeds meer invloed uit op beleidsdomeinen die tot de exclusieve Vlaamse bevoegdheden behoren. Sindsdien geldt er ook een strengere aanpak ten aanzien van de laattijdige omzetting van EU-richtlijnen. Als een lidstaat een richtlijn laattijdig omzet, kan de Europese Commissie de lidstaat dagvaarden voor het Europese hof van justitie en vraagt ze daarbij onmiddellijk een financiële sanctie (EU, 2013: verdrag van Lissabon, artikel 260, lid 3). De Vlaamse overheid moet alle EU-richtlijnen die betrekking hebben op Vlaamse bevoegdheden, omzetten via eigen decreten of besluiten. Sinds 2011 gaat het aantal laattijdig omgezette richtlijnen in Vlaanderen in stijgende lijn.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Figuur 1. Aantal laattijdig omgezette richtlijnen (2010-2012)
Bron:
Departement iV (2013b)
Een deel van de regelgeving van de lidstaten is dus gedeeltelijk of volledig van Europese oorsprong door de omzetting van EU-richtlijnen of door de toepassing van Europese verordeningen. Het is echter niet evident om daarover eenduidige en volledige cijfers te bieden. Uit voorlopige en onvolledige cijfers blijkt dat van de in totaal 847 regelgevende initiatieven die in de regelgevingsagenda van de Vlaamse overheid aangemeld zijn, er 120 (14%) van Europese oorsprong zijn en 133 (15,6%) een internationale oorsprong hebben (Departement BZ, 2013b; zie figuur 2). In werkelijkheid ligt het percentage van Vlaamse regelgeving met een Europese oorsprong waarschijnlijk hoger. Niet alles is aangemeld en Vlaamse regelgeving die voortspruit uit niet-regelgevende Europese initiatieven (zoals kaderprogramma’s), wordt voorlopig niet in rekening genomen onder de noemer ‘Europese oorsprong’ (Departement BZ 2013a).
05 / POLITIEK-INSTITUTIONELE ONTWIKKELINGEN
Figuur 2. Oorsprong van initiatieven in de regelgevingsagenda
Bron:
Departement BZ (2013a); bewerking iV
Opportuniteiten voor het Vlaamse internationale optreden Door toepassing van het in foro interno, in foro externo-principe kan Vlaanderen een buitenlands beleid voeren voor de beleidskwesties die tot de interne bevoegdheden behoren. De Vlaamse overheid kan dus ook invloed proberen uit te oefenen op Europese regelgeving en internationale kaders. Zo kan Vlaanderen – rekening houdend met de Belgische en Europese context – internationale beleidsvormingsprocessen opvolgen, zelf actief optreden in internationale fora (bijvoorbeeld EU-raad van ministers of algemene vergadering van UNESCO) of gebruikmaken van een aantal diplomatieke instrumenten, zoals het aanstellen van vertegenwoordigers in het buitenland en het sluiten van internationale verdragen. Vlaanderen werkt vandaag in een context van multilevelgovernance en die context biedt enige beperkingen, maar ook mogelijkheden (Deforche e.a., 2012: 12). Het Lissabonverdrag, dat in 2009 in werking trad, biedt enkele nieuwe opportuniteiten en garanties voor de regio’s in de EU. Zo is in het verdrag een bepaling opgenomen die de Europese instellingen oplegt om de nationale identiteit van de lidstaten – onder meer wat regionaal en lokaal zelfbestuur betreft – te respecteren. Verder zijn met hetzelfde verdrag de bevoegdheden van het Comité van de Regio’s uitgebreid en biedt het Lissabonverdrag een mogelijkheid om procedures betreffende het subsidiariteitsprincipe in te leiden voor het hof van justitie. Er zijn echter ook indicaties dat de financieel-economische crisis in sommige lidstaten als reden wordt gebruikt om maatregelen te nemen die leiden tot een verzwakking van de regionale en lokale democratie. Sinds 1996 is er een toename van het totale aantal internationale overeenkomsten waarbij Vlaanderen betrokken partij is (zie figuur 3): van 79 in 1996 tot 517 in 2010 (Departement iV, 2013c). De Vlaamse overheid maakt steeds meer gebruik van het internationale verdragsrecht en de mogelijkheid om internationale verdragen te sluiten. Er zijn verschillende types internationale overeenkomsten: (1) verdragen, waarbij we een onderscheid kunnen maken tussen exclusieve en gemengde verdragen; (2) transnationale contracten
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
en (3) memorandums of understanding (MoU).21 Uit figuur 3 blijkt dat het aantal exclusieve verdragen dat Vlaanderen sluit, het kleinst is en ook het minst is toegenomen: 33 in 2010 ten opzichte van 11 in 1996. Het aantal gemengde verdragen is het sterkst toegenomen. Uit verschillende van die verdragen vloeien internationale verbintenissen voort. Zo heeft de Vlaamse overheid op het vlak van klimaat, duurzame ontwikkeling en biodiversiteit internationale engagementen op zich genomen met een potentieel grote financiële weerslag.
Figuur 3. Totaal aantal internationale overeenkomsten waarbij Vlaanderen betrokken partij is, 1996-2010, naar soort overeenkomst
* Bron:
21
Vanaf 2007 worden transnationale contracten samengevoegd met memorandums of understanding. Departement iV (2013c); bewerking SVR
Verdragen zijn internationaalrechtelijk bindende afspraken. Exclusieve verdragen betreffen uitsluitend gemeenschaps- of gewestbevoegdheden, en worden autonoom door Vlaanderen met buitenlandse partners gesloten (bijvoorbeeld de samenwerkingsverdragen met de landen uit Centraal- en Oost-Europa of de Scheldeverdragen met Nederland). Gemengde verdragen hebben zowel betrekking op federale bevoegdheden als op bevoegdheden van de gemeenschappen of gewesten. In die groep vinden we bilaterale verdragen (investeringsakkoorden, dubbelbelastingsverdragen), verdragen van Europese oorsprong (zowel institutionele verdragen als overeenkomsten tussen de EU en derde landen), en ook normatieve verdragen over uiteenlopende onderwerpen, die gesloten worden in het kader van de Benelux, de Raad van Europa, de Verenigde Naties, de Internationale Arbeidsorganisatie, UNESCO of andere internationale organisaties. Transnationale contracten zijn overeenkomsten die juridisch bindend zijn naar nationaal recht en die gesloten zijn met buitenlandse overheden die geen volkenrechtelijke rechtspersonen zijn (zoals Québec, regio’s in Frankrijk). Memorandums of understanding zijn akten met staten en internationale organisaties die alleen politiek bindend zijn, maar juridisch niet kunnen worden afgedwongen.
05 / POLITIEK-INSTITUTIONELE ONTWIKKELINGEN
Samenwerking met buitenlandse partners verloopt ook via andere instrumenten en modaliteiten, zeker met de buurlanden en -regio’s waarmee er op verschillende niveaus en in verschillende domeinen wordt samengewerkt. Er zijn talrijke grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden tussen middenveldorganisaties, instellingen en lokale en provinciale overheden (bijvoorbeeld de Eindhoven-Leuven-Aachen-triangle en de euregio Maas-Rijn). Samenwerking wordt ook ondersteund via Europese programma’s, meestal op basis van concrete projecten. Grensoverschrijdende samenwerking tussen publieke autoriteiten kan verankerd worden via een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS). Sinds 2006 zijn al dertig EGTS’en opgezet, waaronder drie aan de grens van het Vlaamse Gewest: Lille-Kortrijk-Tournai, West-Vlaanderen/Flandre-Dunkerque-Côte d’Opale en Linieland van Waas en Hulst. Vooral Vlaanderen en Nederland blijven voor elkaar belangrijke partners. Naast de wisselwerking op cultureel en maatschappelijk vlak zijn ze ook elkaars tweede belangrijkste handelspartner (na Duitsland). De Vlaamse uitvoer naar Nederland is sinds 2010 met 16% gestegen (FIT, 2013). Tegelijk neemt het belang van de opkomende economieën als exportmarkten voor zowel Vlaanderen als Nederland toe (CBS-statistieken, 2013). De Vlaamse export naar de BRIC-landen is in twee jaar tijd met 35% gestegen. Hoewel ze vaak economische concurrenten zijn, is de afgelopen jaren toch het besef gegroeid dat ze ook elkaars natuurlijke bondgenoot kunnen zijn in de wereldwijde concurrentiestrijd (Ketelaars, 2011). Ze kunnen elkaar versterken en hebben baat bij de gezamenlijke aanpak van uitdagingen op het vlak van logistiek, innovatie, energie en klimaat. Dat bewustzijn uitte zich onder meer in de gemeenschappelijke economische zending naar Texas (VS) in juli 2013 en de oprichting van een Vlaams-Nederlandse toekomstdenkgroep (in 2011).
1.2 Vooruitzichten
De trend van globalisering zal zich volgens de voorspellingen de komende jaren voortzetten. Toch moet er ook gewag gemaakt worden van een mogelijke trend van deglobalisering waarnaar in sommige studies wordt verwezen. Volgens Holslag en Renard (2013, p. 5) impliceert deglobalisering ‘een stagnatie van de wereldwijde stromen – handel, financiën, mensen – en een toenemend nationalisme ten koste van de internationale samenwerking’. Het European Union Institute for Security Studies (EUISS) gaat uit van een polycentrische wereld in 2030, waar de macht verspreid is onder verschillende spelers (EUISS, 2012: 107). De hegemonie van de VS zal gebroken zijn en middelgrote landen krijgen nieuwe kansen om een belangrijke rol te spelen in de wereldpolitiek. Dat multipolaire systeem zal echter pas werken als er gedeelde waarden en regels zijn, zodat beslissingen kunnen worden genomen die door alle betrokkenen als legitiem worden aangezien. Internationale legitimiteit vereist een multilaterale consensus en de basis daarvoor ligt bij de internationale organisaties. De goede werking van en de coördinatie tussen internationale organisaties zijn essentieel voor een multipolair machtssysteem. In het rapport ‘Global Trends 2030: Alternative Worlds’ van de National Intelligence Council (NIC, 2012) worden een aantal trends en modellen voor de toekomst uitgewerkt. Op politiek vlak zal zich volgens de NIC een trend ontwikkelen waarbij geen enkel land (VS, China …) nog een hegemonie zal zijn. De macht zal
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
verschuiven naar netwerken en coalities in een multipolaire wereld. Voor de toekomst van de wereld beschrijft het rapport vier mogelijke modellen (zie tabel 1).
Tabel 1.
Mogelijke modellen voor de toekomstige wereldorde potential worlds
stalled engines
In het meest waarschijnlijke worstcasescenario zal het risico op interstatelijke conflicten toenemen. De VS keert zich meer in zichzelf en de globalisering komt tot stilstand.
fusion
In het meest waarschijnlijk bestcasescenario zullen China en de VS op een aantal vlakken samenwerken, wat zal leiden tot een bredere mondiale samenwerking.
gini-out-of-the-bottle
Ongelijkheden exploderen aangezien sommige landen grote winnaars worden en andere landen falen. Ongelijkheden in landen doen sociale spanningen toenemen. Zonder zich volledig te ontkoppelen, is de VS niet langer de ‘mondiale politieagent’.
nonstate world
Gedreven door nieuwe technologieën nemen niet-statelijke actoren de leiding in de aanpak van mondiale uitdagingen.
Bron:
NIC, 2012, p. ii, bewerkte figuur
De plaats van de EU in de wereldorde zal verschuiven. De Europese Commissie (2012) ziet drie scenario’s voor de EU in 2050: nobody cares, de Europese vesting en de Europese renaissance. Het nobody cares-scenario gaat uit van een stilstand in het integratieproces, waarbij de EU verder aanmoddert, maar zonder leiding, visie of beleid. De EU zal in dit scenario nog bestaan in 2050, maar haar rol zal zwak zijn. Het tweede scenario gaat uit van een gefragmenteerde integratie vanwege een algemeen negatieve economische situatie die protectionistische reacties uitlokt. De EU zal in 2050 een in zichzelf gekeerde unie zijn die intern liberaal is, maar gesloten is aan de grenzen. In het derde scenario, de Europese renaissance, neemt de integratie verder toe en is de EU in 2050 een sterke politieke unie (gebaseerd op een Europese grondwet en met nieuwe versies van de bestaande instellingen). De EU zal verder uitgebreid zijn, met één stem spreken en een sterke invloed hebben op het internationale toneel. Volgens de National Intelligence Council (NIC) zijn er drie scenario’s voor de EU in 2030: ineenstorting (collapse), traag verval (slow decline) en renaissance (NIC, 2012: 81-82). De NIC meent dat de EU volgens de meeste indicatoren (bbp, handelsvolume, aantal multinationale ondernemingen of technologische capaciteit) in haar geaggregeerde vorm een grote macht blijft in 2030. De kernvraag is of de EU erin zal slagen om haar collectieve gewicht op te krikken.
05 / POLITIEK-INSTITUTIONELE ONTWIKKELINGEN
De EU verwacht zelf een sterke positie te behouden (EUISS, 2006). Volgens een rapport uit 2006 zal de EU in 2025 nog altijd een van de rijkste en veiligste delen van de wereld zijn. Tegelijkertijd zijn er signalen dat de EU moeilijkheden zal hebben om in andere domeinen haar status te behouden. Zo is er de vergrijzing, de delokalisatie van productie … De EU verwacht dat verregaande hervormingen op het vlak van sociale zekerheid, de arbeidsmarkt en het onderwijs noodzakelijk zullen zijn om op alle domeinen haar positie in de wereld te kunnen behouden. Het Bureau of European Policy Advisors stelt dat de plaats van de EU in de wereld in 2030 zal afhangen van de mate waarin via diepere Europese integratie adequate antwoorden gevonden worden op enkele belangrijke uitdagingen (Schinas, 2012):
1. 2. 3. 4. 5.
e welvaartsuitdaging (via een EU-economisch beleid); d de democratische uitdaging (via democratisering van de EU-besluitvorming ter compensatie voor het soevereiniteitsverlies van de lidstaten); de demografische uitdaging (via een EU-immigratiebeleid); de rechtvaardigheidsuitdaging (via een EU-sociaal en ecologisch beleid in aanvulling op een EUeconomisch beleid); de veiligheidsuitdaging (via een EU-beleid inzake justitie en binnenlandse zaken).
These 2: Noch de legitimiteit van de overheid, noch de burgerbetrokkenheid zijn verworven. We zijn op weg naar een interactief beleid. Legitimiteit blijft een probleem voor de overheid. Een relatieve tevredenheid over het beleid vertaalt zich niet in hogere vertrouwensscores en een beter imago. Veel burgers reageren eerder onverschillig, tonen weinig politieke interesse en geven aan geen impact te hebben op het beleid. De vele formele participatiekanalen blijken onvoldoende om de betrokkenheid van burgers te verhogen. Burgers grijpen zelf naar informele en ad-hocformules om het beleid te beïnvloeden en juridische procedures om hun rechten af te dwingen. Het is een zoektocht naar nieuwe vormen van interactief beleid.
2.1 Vaststellingen
Burgerschap gaat over de relatie tussen het individu en de samenleving. Het concept burgerschap is de jongste decennia stelselmatig uitgebreid (Verlet, 2011). Naast de traditionele invulling van grondrechten en plichten, kwam de nadruk steeds meer te liggen op culturele en sociale rechten en op een verscheidenheid aan vormen van maatschappelijke participatie. Burgerschap werd daarbij gelijkgesteld aan burgerrechten. Vanaf de jaren 1980 worden rechten steeds meer aan plichten gekoppeld. De visies over de invulling van het burgerschap hebben een invloed op de posities en de rollen van de overheid, de markt, het maatschappelijk middenveld en de burger zelf.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Rollen en verantwoordelijkheden In de moderne verzorgingsstaat speelt de overheid een cruciale rol in de uitbouw van uitgebreide voorzieningen waarbij in grote mate een beroep wordt gedaan op organisaties in het maatschappelijk middenveld. De verzorgingsstaat komt de jongste decennia onder druk te staan. Naast de financiële houdbaarheid van het voorzieningenstelsel staan ook de positie en de rol van de overheid en de middenveldorganisaties ter discussie. Zo dringt zich de vraag op naar een heroriëntatie van de overheid met een meer prominente rol van het marktdenken, zeker voor alles wat met dienstverlening te maken heeft. Sinds de jaren 1990 is het marktdenken binnen de overheid ondertussen geïntegreerd, onder andere via het new public management, waarbij de focus ligt op de efficiëntie en de effectiviteit van het overheidsoptreden (Verlet, 2010). Die heroriëntatie bracht ook mee dat de overheid steeds meer een regierol opneemt. De kritiek op de verzorgingsstaat heeft ook betrekking op de burgers zelf. De waaier aan voorzieningen kan ertoe leiden dat burgers ervan afhankelijk worden en zelf geen inspanningen leveren om hun eigen situatie aan te pakken. Burgers moeten door empowerment zelf meer verantwoordelijkheid op zich nemen (Giddens, 1998, Veldheer, 2012). Dat brengt ons bij de positie en de rol van de burger. Burgers kunnen onderdanen zijn die zich moeten houden aan de wetten en regels die de overheid oplegt. Als kiezers laten burgers hun invloed gelden bij het omzetten van maatschappelijke keuzes in wetten en regelgeving. Burgers kunnen – zowel individueel als collectief – via allerhande acties en initiatieven, inspraak- en participatiekanalen beleidsprocessen mee beïnvloeden en sturen. Van burgers wordt verwacht dat ze die maatschappelijke of politieke rol op zich nemen. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat die betrokkenheid de kwaliteit van de politieke besluitvorming en het maatschappelijke draagvlak ervan sterk positief beïnvloedt. Burgers kunnen aanspraken laten gelden om bepaalde leefomstandigheden (gezondheid, opleiding, inkomen, veiligheid …) te realiseren. Sommige daarvan zijn via regelgeving en wetgeving afdwingbaar. Het gaat dan over de rechten van burgers. Naast aanspraken moeten burgers ook bijdragen leveren. Dat kan zowel financieel als in natura (onder andere hulpverlening, mantelzorg …), maar ook door gangbare waarden en normen na te leven. Het leveren van een bijdrage sluit nauwer aan bij het nakomen van plichten. Als afnemer van allerhande collectieve diensten is de burger ook een klant van de overheid. Zijn tevredenheid met de dienstverlening zal zijn houding ten opzichte van de overheid als instelling en de functies en rollen die ze moet vervullen, mee bepalen. Tussen de burger, de overheid en de markt bevindt zich het middenveld of de civiele samenleving. Middenveldorganisaties zijn mediatoren en belangenbehartigers voor burgers. In die zin zijn ze een belangrijke gesprekspartner voor overheden bij de beleidsbepaling. Daarnaast zijn sommige uitgegroeid tot belangrijke aanbieders van collectieve diensten die – zoals overheden – steeds meer rekening moeten houden met de spelregels van de privémarkt. De ‘Civil Society Index’ van het ‘Johns Hopkins Comparative Nonprofit Sector’-project geeft aan dat Vlaanderen (België) samen met de Scandinavische landen en Nederland gekenmerkt wordt door een sterk uitgebouwde civiele samenleving (http://www.ccss.jhu.edu/ index).
05 / POLITIEK-INSTITUTIONELE ONTWIKKELINGEN
Goed burgerschap Meer dan ooit sluit burgerschap aan bij een verhaal van rechten en plichten. Aspecten die we onder burgerschapsplichten kunnen onderbrengen, zoals de wetten naleven en geen belastingen ontduiken, scoren in 2012 in Vlaanderen relatief hoog en zelfs hoger dan bij metingen in 2004 en 2009 (VRIND 2013). Het actief politieke burgerschap, zoals het uitbrengen van een stem bij verkiezingen, de overheid in het oog houden en zelf actief zijn in politieke en sociale verenigingen, was in 2009 fors teruggevallen, maar herstelt zich, zonder de score van 2004 te halen. De economische crisis heeft blijkbaar het wereldburgerschap wat aangetast als gekeken wordt naar het belang dat we hechten aan hulp bieden aan mensen, zowel in eigen land als elders, en het bewust aanschaffen van producten om politieke, ethische of milieuredenen. Telkens is er een daling ten opzichte van de vorige meting (VRIND 2013). Burgerschap heeft niet alleen te maken met rechten en plichten van burgers, het verwijst ook naar de plichten van de overheid tegenover de burgers. Die slaan zowel op de sociale en economische rechten, de burgerlijke rechten en vrijheden, zoals gelijke behandeling en het beschermen en respecteren van minderheden, als op het opkomen voor het algemeen belang en het garanderen van inspraak bij de besluitvorming. Het belang dat de bevolking aan die rechten hecht, is het jongste decennium niet veranderd: ‘rekening houden met de mening van burgers’ en ‘iedereen gelijk behandelen’ scoren telkens het hoogst. De gemiddelde scores op de dimensies van een ‘goede’ burger liggen lager dan die voor de ‘plichten van de overheid’, wat erop wijst dat mensen hun eigen verantwoordelijkheid iets lager inschatten (VRIND 2013). Vlamingen nemen – in vergelijking met inwoners uit andere Europese landen – een middenpositie in als hen gevraagd wordt naar de gewenste verdeling van verantwoordelijkheid tussen burgers en overheid. In de meeste landen neigen ze ertoe dat burgers meer verantwoordelijkheid moeten opnemen. Britten en Zwitsers zijn de grootste voorstanders van meer eigen verantwoordelijkheid (EVS, 2008). Als naar verantwoordelijkheden op specifieke terreinen gevraagd wordt, loopt de steun voor meer eigen verantwoordelijkheid fors terug. Zowel voor de gezondheidszorg, de levensstandaard van ouderen en werklozen, voldoende werkgelegenheid, zorgverlof en kinderopvang kijken de Europeanen in eerste instantie naar de overheid (ESS 2010). Hoewel telkens een meerderheid van de Vlamingen die opvatting deelt, sluit hun standpunt meer aan bij de genuanceerde houding van Zwitsers, Nederlanders, Fransen en Britten. De verwachting ten aanzien van de overheid ligt in Zuid- en Oost-Europese landen heel wat hoger. Op basis van die vaststellingen kunnen we aannemen dat er in Vlaanderen – meer dan in heel wat andere Europese landen – een draagvlak is voor het opnemen van meer eigen verantwoordelijkheid. We verwachten wel dat de overheid blijvend instaat voor een reeks basisrechten en –voorzieningen.
Geëngageerde burgers Door de jaren heen hebben verschillende inspraak- en participatiegolven elkaar opgevolgd. Veel initiatieven gaan daarbij rechtstreeks van burgers zelf uit, al dan niet in georganiseerd verband. Dat wordt doorgaans de informele of de niet-geïnstitutionaliseerde participatie genoemd, waarbij burgers en hun organisaties allerhande middelen en instrumenten (betogingen, petities, campagnes en dergelijke) inzetten
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
om de besluitvorming van overheden te beïnvloeden. Overheden spelen daar op in door zelf inspraaken participatieprocessen te organiseren en aan te sturen. Daarbij is er sprake van geformaliseerde of geïnstitutionaliseerde participatie. In toenemende mate groeit de onvrede met die formele inspraakprocessen omdat burgers niet altijd rechtstreeks worden aangesproken, veel participatieprocessen sterk geformaliseerd en gesegmenteerd verlopen, in een laat stadium worden opgezet en weinig concrete zaken opleveren (Dezeure e.a., 2010). In de jaren 1990 groeit een tweede, meer directe manier van burgerparticipatie via referenda en ombudsdiensten. De jongste decennia laat zich een individualisering en informalisering van de participatie voelen (Hustinx, 2012). Dat hangt uiteraard samen met een globale individualiseringstendens (zie cultureelmaatschappelijke ontwikkelingen – these 1). Naast de ‘oude’ vormen van participatie wordt de jongste jaren gezocht naar meer intensieve vormen van interactie tussen burger en overheid, die door de overheid zelf worden geïnitieerd (Van Damme en Brans, 2012). Het gaat dan onder andere om interactief beleid, open planprocessen en dergelijke. Burgers wachten niet altijd op het initiatief van de overheid. Het aantal informele en ad-hocverbanden waarbij het initiatief van burgers zelf uitgaat, neemt zeker niet af. Een spraakmakend voorbeeld was het G1000-initiatief naar aanleiding van de aanslepende regeringsvorming na de verkiezingen in 2010. Burgers en verenigingen grijpen ook steeds meer naar juridische procedures om hun belangen en rechten af te dwingen (onder andere afgedwongen volksraadpleging en diverse procedures tegen de Oosterweelverbinding in Antwerpen, de klacht van verschillende verenigingen bij de Raad van Europa over tekort aan opvang en begeleiding van mensen met een zware handicap). Het voorbije decennium is de politieke participatie van burgers in Vlaanderen vrijwel ongewijzigd gebleven. Als opkomst bij verkiezingen een eerste criterium is om de politieke participatie te meten, scoort de Vlaamse bevolking – gezien de kiesplicht – internationaal zeer hoog (Bral e.a., 2011). Circa 5% van de bevolking is actief in een politieke partij, iets meer is lid van een formeel advies- of participatiekanaal. Daarnaast heeft circa een op de drie Vlamingen wel eens geparticipeerd via niet-geformaliseerde vormen van participatie, zoals een petitie tekenen, deelnemen aan een demonstratie, zijn mening uiten in de media, deelnemen aan een politiek forum op het internet en lidmaatschap van een actiegroep, buurtcomité of bewonersgroep. Hoewel het tekenen van een petitie en het deelnemen aan een demonstratie het hoogst scoren, valt er een lichte terugval vast te stellen. Zijn mening uiten in de media en deelnemen aan een politiek internetforum wint daarentegen – onder meer door de verspreiding van de sociale media – aan belang. Het zijn doorgaans dezelfde bevolkingsgroepen die gebruikmaken van de diverse participatiemogelijkheden. Vooral het opleidingsniveau is daarbij bepalend: hoe hoger de opleiding, hoe hoger de participatie. Er is wel een verschil tussen de formele en informele participatie. De formele participatie ligt hoger bij ouderen, de informele en vooral de nieuwe vormen scoren beter bij vrouwen en jongeren. Inzake politieke participatie zijn Vlamingen – vergeleken met andere inwoners van Europa – eerder middenmoters. Een hoge mate van politieke desinteresse en politieke apathie en een gevoel van machteloosheid om het beleid te beïnvloeden, spelen daarbij zeker een rol (VRIND 2013).
05 / POLITIEK-INSTITUTIONELE ONTWIKKELINGEN
Figuur 4. Politieke interesse of aandeel van de bevolking dat zegt vaak met vrienden en familie over politieke aangelegenheden te discussiëren, EU27, in %
Bron:
Eurobarometer, lente 2012; bewerking SVR
Figuur 5. Politieke onmacht of mate waarin de bevolking het al dan niet eens is met de stellingen, in 2012, in %
Bron:
SCV-survey 2012
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Kritische burgers en klanten In 2012 is amper 12% van de Vlaamse bevolking niet tevreden over het beleid van de minister-president en zijn Vlaamse Regering (VRIND 2013). Hetzelfde lage percentage is ontevreden over het beleid op lokaal niveau. Over het beleid van de burgemeesters en hun college is de helft van de bevolking tevreden. Ook over het beleid van de Vlaamse Regering en de minister-president is ruim 40% tevreden. Die percentages liggen heel wat lager voor het federale en het Europese bestuursniveau. De tevredenheid over het gevoerde beleid is er voor de verschillende beleidsniveaus de jongste jaren op achteruitgegaan. De ontevredenheid is niet toegenomen, maar wel het aantal personen dat zich niet duidelijk uitspreekt. Internationaal vergeleken ligt de tevredenheid van de Vlaming over het beleid in 2012 vrij hoog. Alleen in de Scandinavische landen, Luxemburg en Nederland zijn in de inwoners nog iets meer tevreden (Eurobarometer 77.3, lente 2012).
Figuur 6. Tevredenheid over het gevoerde beleid op verschillende overheidsniveaus, van 2006-2012, in %
Bron: SCV-survey
De relatief positieve inschatting van het gevoerde beleid op lokaal en Vlaams niveau wil niet zeggen dat de bevolking in dezelfde mate tevreden is over de informatieverstrekking door de overheid. In 2012 vindt een meerderheid dat de informatieverstrekking te ingewikkeld is en dat de overheid te weinig informatie geeft. Voor vier op de tien is de informatie van de overheid ook moeilijk te vinden. Dat de overheid correcte informatie geeft en dat die ook nuttig is, wordt door meer dan een derde onderschreven. Meer dan vier op de tien geven aan dat ze daar moeilijk een uitspraak over kunnen doen. Ze gaan het minst akkoord met de stelling dat de overheid voldoende informatie geeft over genomen beslissingen. Vier op de tien zijn het daar niet mee eens (VRIND 2013). Burgers laten zich hier gelden als kritische klanten.
05 / POLITIEK-INSTITUTIONELE ONTWIKKELINGEN
Burgers zijn ook gebruikers van publieke diensten. De meeste Vlamingen zijn over het algemeen zeer tevreden over het aanbod aan publieke voorzieningen. Vooral voorzieningen voor huisvuil, cultuur, onderwijs en openbaar groen, gezondheid en sport scoren zeer hoog (VRIND 2013). Er zijn amper mensen die daarover niet te spreken zijn. Ook ouderenvoorzieningen, openbaar vervoer, kinderopvang en voorzieningen voor jongeren scoren redelijk. Dat is niet het geval voor de staat van de fiets- en voetpaden en van de wegen en voor opvang en begeleiding van werklozen, armen, sociaal zwakkeren en vreemdelingen. Daar loopt het aantal ontevredenen op tot meer dan een derde van de bevolking. Over opvang en begeleiding – mogelijk door gebrek aan contact – spreken meer dan vier op de tien Vlamingen zich echter niet duidelijk uit. Er doen zich geen grote appreciatieverschillen voor tussen mannen en vrouwen. Het meest kritisch zijn de 35-55-jarigen en de hogeropgeleiden.
Tabel 2.
Evolutie van de tevredenheid over openbare voorzieningen, van 2007 tot 2011, in % 2007
voorziening
2010
2011
2012
ontevreden
tevreden
ontevreden
tevreden
ontevreden
tevreden
ontevreden
tevreden
huisvuil
8,9
82,0
4,8
85,2
4,2
87,7
5,3
88,8
cultuur
2,6
82,5
2,9
79,0
3,0
83,7
2,3
83,5
onderwijs
6,9
78,0
6,8
73,4
4,4
82,2
4,5
80,7
openbaar groen
7,9
76,2
7,2
71,6
4,0
81,3
6,5
79,5
gezondheid
6,6
77,6
7,4
72,0
3,7
84,0
5,0
79,5
sport
6,4
74,7
4,8
70,7
3,4
78,5
3,7
78,5
bejaarden
20,2
50,8
16,5
51,4
7,2
63,6
10,5
59,0
openbaar vervoer
15,9
62,2
18,5
53,8
14,2
62,3
16,4
57,4
jongeren
10,9
58,3
10,5
52,1
9,9
58,3
11,2
57,2
kinderopvang
13,8
50,3
11,3
48,8
6,7
60,2
9,2
56,4
fiets- en voetpaden
39,4
38,3
46,2
27,8
40,3
32,9
31,6
42,4
wegen
30,1
41,9
55,7
16,8
30,4
44,7
35,4
35,8
begeleiding werklozen
22,7
41,3
24,5
31,2
21,9
33,9
26,1
31,9
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
2007 voorziening
2010
2011
2012
ontevreden
tevreden
ontevreden
tevreden
ontevreden
tevreden
ontevreden
tevreden
opvang/ begeleiding vreemden
28,3
26,7
32,8
20,0
26,8
25,4
32,4
22,8
opvang en begeleiding armen
35,0
26,2
36,5
20,5
30,4
26,0
35,3
21,5
Bron: SCV-survey Een relatief hoge tevredenheid over het gevoerde beleid en de publieke voorzieningen is op zich geen garantie dat de burger ook vertrouwen heeft in zijn overheden. Sinds begin jaren 1990 is er sprake van een kloof tussen de burger en de overheid, van verzuring, van het tanende vertrouwen van de burgers in de overheid. Als vertrouwen het criterium is om een institutionele crisis te beoordelen, valt op hoe het voorbije decennia vooral de koning en de kerk met toenemend wantrouwen zijn geconfronteerd. Voor vrijwel alle instellingen geldt het nabijheidsprincipe: hoe dichter een instelling bij de bevolking staat, hoe hoger het vertrouwen. Zo geniet het onderwijs, de politie en het lokale bestuur heel wat meer vertrouwen en bengelen de federale instellingen achteraan. Bij de beoordeling van vertrouwensscores moet rekening gehouden worden met de vaststelling dat soms tot meer dan de helft van de bevolking geen duidelijke mening heeft over de instellingen in kwestie. Dat kan echter niet verhelen dat het wantrouwen doorgaans hoger ligt dan het vertrouwen. Dat is niet het geval voor de Vlaamse overheidsinstellingen, al wordt vastgesteld dat bijvoorbeeld het vertrouwen in de Vlaamse administratie de jongste jaren terugloopt. Dat weerspiegelt zich ook in het imago van de Vlaamse overheid die nog beter scoort dan de federale overheid, maar fors inboet op het vlak van toegankelijkheid en snelheid (VRIND 2013). Voor het gebrek aan vertrouwen of het ‘democratische tekort’ wordt in internationale analyses gewezen op het verschil tussen de hoge verwachtingen in de democratie en de concrete ervaringen, de negatieve berichtgeving, de tekortschietende overheidsprestaties (Norris, 2011) en de toenemende complexiteit van de samenleving die zich ook laat voelen in de relatie tussen overheid en burgers (WRR, 2012).
05 / POLITIEK-INSTITUTIONELE ONTWIKKELINGEN
Figuur 6. Gemiddelde scores op een zevenpuntenschaal (1-7) rond het imago van de overheden, in 2007 en 2012
Bron: SCV-survey
In de lente van 2012 ligt het gemiddelde vertrouwen in de politieke instellingen in Europa laag: geen enkele instelling krijgt het vertrouwen van een meerderheid van de Europeanen (VRIND 2013). Vooral de nationale instellingen hebben nog aan vertrouwen ingeboet. De Vlamingen wijken enigszins af van die Europese trend: zowel de internationale instellingen als het lokale bestuursniveau kunnen op het vertrouwen van een meerderheid van de bevolking rekenen. Dat geldt niet voor de federale instellingen. Het politieke onmachtsgevoel heeft een sterk negatief effect op het vertrouwen in de overheid. Politieke onmacht hangt ook samen met een lagere tevredenheid over het beleid, de informatieverstrekking en de voorzieningen. Politiek actief zijn hangt alleen samen met een hogere ontevredenheid over de informatie die de overheid verstrekt. Er is geen rechtstreeks verband tussen vertrouwen en politieke participatie.
2.2 Vooruitzichten
Burgers zullen in de toekomst steeds meer op hun eigen verantwoordelijkheid worden aangesproken. Voor burgers die vinden dat de overheid te dicht op hun huid zit, biedt dat mogelijkheden om met meer vrijheid hun eigen leven vorm te geven. Overheden zullen daardoor – meer dan vandaag – geconfronteerd worden met kritische burgers en klanten. De responsabilisering biedt echter ook kansen om hervormingen en een herstructurering van de verzorgingsstaat door te voeren. Niet alle burgers beschikken echter over de middelen en vaardigheden om meer eigen verantwoordelijkheid op te nemen, waardoor het risico op sociale ongelijkheid in de samenleving toeneemt. Er wordt ook verwacht dat in Vlaanderen de burgerparticipatie een grotere rol zal spelen. Verschillende trends zullen dat versterken, waaronder een toenemende individualisering en een hoger opleidingsniveau. Het beleid zal steeds meer geconfronteerd worden met burgers die voortdurend nieuwe manieren zoeken
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
om zich te organiseren en te mobiliseren: meer actiegericht en ad hoc (Van Damme en Brans, 2009). Burgers organiseren zich steeds meer in ad-hocbelangengroepen, waarbij het klassieke overleg vaak wordt doorkruist en waarbij de burgers ook de juridische weg gebruiken om de besluitvorming te blokkeren (klachten bij de Raad van State, beroepen …). Klassieke adviesorganen die zich toeleggen op een specifieke materie (sociaal overleg, cultuur, welzijn, leefmilieu …) zullen aan betekenis verliezen aangezien beleidsvorming steeds integraler en complexer wordt en afstemming tussen domeinen en diverse beleidsdomeinen en belangengroepen aan belang gaat winnen. Afwegingen tussen particulier en algemeen belang zijn daarbij cruciaal. Dat kan leiden tot verdere juridisering van de samenleving waarbij steeds meer zaken juridisch worden vastgelegd om zo overheidsbeslissingen te legitimeren en beleid te kunnen voeren. Zowel burgers als overheden moeten de zoektocht naar nieuwe participatiepaden voortzetten. Interactief beleid is daarbij een van de pistes (Van Damme en Brans, 2008). De Vlaamse overheid heeft op dat vlak al verschillende aanzetten gegeven. In het nieuwe Gemeente- en Provinciedecreet worden al veel vormen van participatie in de regelgeving verankerd (Lancksweerdt, 2010): burgers kunnen een verzoekschrift indienen, een punt op de agenda van de gemeenteraad laten zetten, een volksraadpleging eisen, deelnemen aan adviesraden, gehoord worden in commissies … Ook naast het lokale niveau moet de overheid inzetten op het zoeken naar de optimale vorm van inspraak (Van Damme en Brans, 2009). De mogelijkheid tot een gewestelijke volksraadpleging die in het vlinderakkoord staat ingeschreven, is alvast een voorbeeld van een extra vorm van inspraak (Federale Regering, 2011). Tot slot zal ook de mediaontwikkeling meespelen bij het uitdenken van nieuwe vormen van participatie. Burgers zullen meer dan vroeger met elkaar verbonden zijn via een veelvoud van netwerken en door meer interpersoonlijke transnationale stromen. De drie motieven (Van Damme en Brans, 2012) die vandaag het meest worden aangehaald voor een interactief beleid zijn: de vergroting van het draagvlak voor het beleid, de inhoudelijke verrijking van het beleid en de verhoging van de democratische legitimiteit door burgers een kans te geven invloed uit te oefenen op het beleid. Door in de toekomst nog meer in te zetten op nieuwe participatieprocessen kan de overheid de kloof tussen burger en overheid dichten. Toch moet er waakzaam opgetreden worden, want als burgers hun inbreng onvoldoende erkennen in de uiteindelijke beleidsuitkomsten, kan interactief beleid net een averechts effect hebben op het draagvlak (Cornips, 2008, aangehaald in Van Damme en Brans, 2012).
05 / POLITIEK-INSTITUTIONELE ONTWIKKELINGEN
These 3: We streven naar meer bestuurskracht door professionalisering en staatshervorming.
Vlaanderen wil een performante en slagkrachtige overheid zijn. Dat gaat gepaard met het streven naar een beter imago van de administratie als dienstverlener en van de overheid op zich, zodat het draagvlak van en voor de overheid steviger wordt. Overheden moeten dus professionaliseren en zoeken naar de juiste schaal waarin ze zullen werken, rekening houdend met het principe van subsidiariteit. Subsidiariteit is niet alleen vanuit democratisch oogpunt belangrijk, maar ook vanuit efficiëntiefocus.
3.1 Vaststellingen
De professionalisering en het streven naar een effectieve en efficiënte overheid zijn belangrijke kerndoelen in de hervorming van de overheid. In heel wat OESO-landen zijn de afgelopen decennia pogingen tot hervorming, vernieuwing of modernisering van de overheid terug te vinden (Luts e.a., 2008). Veel hervormingen zijn gestuurd vanuit de ideeën rond new public management (Stroobants en Bouckaert, 2010: 25). Die theorieën werken door in verschillende recente hervormingen, zoals het programma Vernieuwing Rijksdienst van 2007 in Nederland of het programma ‘Working Together: Public Services on Your Side’ van 2009 in het Verenigd Koninkrijk (Luts e.a., 2008; Stroobants en Boukaert, 2010). Ook in Vlaanderen is de afgelopen jaren ingezet op een hervorming van de overheid. Met de economische crisis in het achterhoofd zal dat streven naar een efficiënte en effectieve overheid nog sterk toenemen. Ook overheden moeten meer doen met minder, moeten besparingsplannen uitwerken en werken aan strategieën om hun personeel efficiënter in te zetten: ‘In een maatschappelijke context waar iedereen wordt opgeroepen tot verantwoordelijkheid, is het ook aan de Vlaamse overheid om inspanningen te leveren en bij te dragen tot een krachtig economisch herstel.’ (Vlaamse Regering en CAG, 2011) Daarom is in Vlaanderen het meerjarenprogramma Slagkrachtige Overheid ontwikkeld, dat concreet vorm krijgt in dertien sleutelprojecten. Voorbeelden vanuit het oogpunt van professionalisering zijn een modern hrbeleid, het herdenken van managementondersteunende functies, de rationalisatie van klantgedreven ICT en een innovatief en optimaal financieel beleid. De uitwerking en uitvoering van al die sleutelprojecten zullen de komende jaren verder doorwerken. Het meerjarenprogramma heeft niet alleen een interne focus, maar vertrekt vanuit een breed gedragen knelpuntanalyse in de Vlaamse bestuurlijke organisatie en een uitgewerkte toekomstvisie. De Vlaamse overheid wil niet alleen een efficiënte en effectieve overheid zijn en een breed gedragen toekomstvisie op de bestuurlijke organisatie hebben, ze wil ook de democratische legitimiteit waarborgen. Dat kan door in het hervormingsproces doelstellingen in te bouwen om de dienstverlening te verbeteren en het imago te versterken, zodat de overheid op een efficiënte en effectieve manier een meerwaarde kan betekenen voor burgers en bedrijven.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Naast de verbetering van de klantgerichtheid en de dienstverlening kunnen we inzetten op draagvlakverwerving door de overheid dichter bij de burger te brengen. In dat kader past het verhaal van de staatshervorming, waarbij gezocht wordt naar een nieuwe hergroepering van bevoegdheden om het beleid voor burgers en bedrijven coherenter en transparanter te maken. Daarbij wordt gezocht naar het beste bestuursniveau om beslissingen te nemen met het principe van subsidiariteit als uitgangspunt: het bestuur zo dicht mogelijk bij de burger brengen. In de zoektocht naar het juiste schaalniveau speelt uiteraard de overheveling van bevoegdheden van het federale naar het Vlaamse niveau mee. Met het vlinderakkoord (Federale Regering, 2011) en de wetteksten over de zesde staatshervorming komen heel wat bevoegdheden, middelen en personeelsleden over van het federale naar het Vlaamse niveau, wat uiteraard een impact heeft op het beleid en de organisatie van de Vlaamse overheid. Ook binnen Vlaanderen wordt gezocht naar het beste bestuursniveau om bepaalde zaken uit te voeren. De interne staatshervorming, beschreven in het witboek van de Vlaamse Regering (2011), omvat een geheel van maatregelen die een grondige hertekening beogen van het bestuurlijke landschap in Vlaanderen op basis van twee bepalende beleidsniveaus: Vlaanderen en de gemeenten. In een eerste fase, die momenteel loopt, wil Vlaanderen een zeventigtal maatregelen nemen langs vijf uitvoeringslijnen. In de verdere toekomst moeten meer bevoegdheden worden toevertrouwd aan de gemeenten, rekening houdend met het principe van de subsidiariteit. Daarnaast gaat veel aandacht naar samenwerking in meer herkenbare regioverbanden, waardoor de herkenbaarheid en de betrokkenheid van de burger bij het overheidsbeleid moeten worden versterkt. De jongste jaren zien we een bijkomende tendens: op het lokale niveau treden ook horizontale schaalverschuivingen op met de groei van stedelijke netwerken, zoals euroregio Kortrijk-DoornikRijsel of Maastricht-Hasselt-Luik-Aken. Naast de samenwerking tussen gemeenten en de introductie van stadsregio’s als nieuwe bestuurslagen brak de Vlaamse Regering in 2009 een lans voor vrijwillige fusies van gemeenten vanuit het idee dat de schaalgrootte van de gemeenten mee hun bestuurskracht en efficiëntie zou bepalen (De Ceuninck en Steyvers, 2012: 37). In Vlaanderen zien we dat er tot op heden niet gebruikgemaakt wordt van de mogelijkheid tot vrijwillige fusies. Mede ten gevolge van recente initiatieven van de Vlaamse Regering blijkt er een zekere kentering te zijn in het bewustzijn dat schaalvergroting in een aantal gevallen nodig is om aan bestuurskracht te winnen en te kunnen voldoen aan de toenemende vragen van de burger. De moeilijke financiële situatie van de gemeenten ten gevolge van de economische crisis wakkert dat nog aan (Ackaert, 2013). Daarenboven wordt verwacht dat die piste nog aan belang zal winnen, gezien de kleiner wordende rol van de Vlaamse provincies. De oprichting van een stadsregionaal bestuur heeft nooit op veel bijval kunnen rekenen en daarin worden weinig veranderingen verwacht (Temmerman e.a., 2012: 61). We treffen in Vlaanderen ook veel verschillende vormen van interbestuurlijke samenwerking aan. In 2005 waren er 372 interbestuurlijke samenwerkingsverbanden tussen gemeenten, provincies en de Vlaamse overheid (Wayenberg e.a., 2007: 5). Het gaat daarbij alleen over de meer formele vormen van samenwerking tussen ten minste twee besturen van verschillende bestuursniveaus. Als alle samenwerkingsverbanden worden geteld, gaande van informeel overleg tussen gemeentelijke ambtenaren over dienstverlenende intergemeentelijke samenwerkingsverbanden tot en met Vlaamse structuren of afbakeningen, zoals de
05 / POLITIEK-INSTITUTIONELE ONTWIKKELINGEN
zorgregio’s of CAW’s, loopt dat aantal in 2012 op tot 2229 samenwerkingsverbanden (ABB, 2012). Onderzoek van het Agentschap voor Binnenlands Bestuur geeft aan dat het aantal samenwerkingsverbanden vooral de afgelopen vijftien jaar heel sterk is toegenomen. We zien de voorbije tien jaar in West- en Noord-Europa ook steeds meer schaalhervormingen: in Nederland woedt het debat over de herindeling en Denemarken en Duitsland maken de jongste jaren werk van schaalvergrotingen (De Ceuninck en Steyvers, 2012: 15; De Ceuninck, 2013). Ook in Griekenland of Letland is het aantal gemeenten drastisch gereduceerd (De Ceuninck en Steyvers, 2012: 29).
3.2 Vooruitzichten
In het kader van het verhaal rond de hervorming en professionalisering van de overheid worden steeds meer beperkingen van hervormingen zichtbaar (Steen, 2012: 38). Vanuit de new public management-theorie werd in veel landen lange tijd ingezet op verzelfstandiging of samenwerking met de privésector om de beleidsuitvoering op afstand te plaatsen. Internationaal komen die uitvoeringsvormen onder druk te staan als gevolg van de economische en financiële crisis (Verhoest, 2012: 27). Vanuit een recente analyse van het verzelfstandigingsbeleid in dertig landen (Verhoest e.a., 2012) detecteert Verhoest (2012) drie belangrijke trends die waarschijnlijk een weerslag zullen hebben op het verzelfstandigingsbeleid in Vlaanderen. In de eerste plaats blijkt het erg moeilijk om verzelfstandigde organisaties op eenduidige manier aan te sturen. Daarnaast dwingt de crisis ertoe om meer en intenser samen te werken tussen departementen, agentschappen en andere organisaties. Verder spelen er veel meer factoren dan verzelfstandiging om te komen tot een goed en performant bestuur. Daarmee samenhangend zullen ook de samenwerkingen met de privésector verder toenemen en intensifiëren. De grote maatschappelijke uitdagingen, de immense financieringsbehoeften en de noodzaak om te innoveren en tot meer efficiëntie te komen bij de realisatie van publieke taken, zijn daar niet vreemd aan (Europese Commissie, 2009). Er kan worden verwacht dat de thans gehanteerde technieken en vormen van publiek-private samenwerking die de afgelopen jaren zeer matuur zijn geworden, zullen evolueren. Verhoest (Verhoest, 2012) ziet drie trends waarlangs pps zich de komende jaren zal ontwikkelen. In de eerste plaats zal pps verder aan belang winnen op het lokale niveau en zal het voor kleinere en lokale projecten belangrijk blijven. Verder zal vooral de financiering (lenen, betalen, waarborgen …) het grootste pijnpunt of de grootste struikelblok zijn in tijden van financiële en economische crisis. Ten tweede is te verwachten dat er een diversificatie van pps zal komen, zowel naar vorm, sectoren als financieringswijze. Tot nog toe berusten veel vormen van pps in belangrijke mate op private financiering, maar door de financieel-economische crisis is dat minder evident geworden. Ten derde is een verdere standaardisatie noodzakelijk opdat pps ook aantrekkelijk is voor kleinere projecten, maar moet er op sommige vlakken (zoals bij contracten) toch aan maatwerk worden gedaan. Waar dus op het gebied van verzelfstandiging kan worden verwacht dat in de toekomst minder zal worden ingezet, zal het belang van publiek-publieke en publiek-private samenwerking en afstemming toenemen.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Wat de schaalverschuivingen betreft, worden hervormingen op verschillende beleidsniveaus verwacht. Niet alleen de zesde staatshervorming, maar ook de interne staatshervorming zal de relatie tussen Vlaanderen en zijn lokale overheden herdefiniëren. Er wordt verwacht dat de lokale besturen zullen versterken en hun bevoegdheden en middelen zullen verruimen. De lokale samenwerking is in al haar facetten de voorbije jaren sterk gegroeid en er wordt verwacht dat ze nog zal toenemen. We zien niet alleen een toename van het aantal samenwerkingsverbanden of een groei van stedelijke netwerken, ook de vrijwillige fusie van gemeenten lijkt de komende jaren aan belang te winnen. Ook vanuit andere overheidsniveaus worden lokale besturen daarnaast ingeschakeld om het beleid van een hogere overheid uit te voeren. Bij die evolutie kunnen een aantal vragen worden gesteld: ‘Zijn de Vlaamse lokale besturen te klein om degelijk te kunnen functioneren en kiezen ze daarom uitgebreid voor de piste van samenwerking?; Hoe kunnen we zorgen voor voldoende democratische controle in de opgerichte samenwerkingsvormen?; Hoe kunnen we zorgen voor voldoende samenhang, overzicht en afstemming in het geheel van lokale samenwerking?; Is er voldoende afstemming tussen de lokale samenwerking die ontstaat vanuit een lokaal initiatief (onderling) en die geïnitieerd wordt door een ander overheidsniveau?’. Concreet verwachten we dat zowel de professionalisering van de overheid als de schaalverschuivingen, de toenemende subsidiariteit en de verdere behoefte aan intense samenwerking met publieke en private actoren doorgezet zullen worden. De ingezette hervormingen zullen nog een tijdlang doorwerken en tegelijkertijd zullen nieuwe hervormingen het levenslicht zien. Op veel verschillende bestuursniveaus zullen ze de nodige uitdagingen met zich meebrengen.
Bronnen
Bronnen Agentschap voor Binnenlands Bestuur (2012). Regioscreening: bestuurlijke regionale samenwerking in Vlaanderen, inventarisatie en analyse. Brussel: ABB. Ackaert, 2013. Pleidooi voor fusie van gemeenten, interview op Radio 1, 19 april 2013. http://www.uhasselt. be/UH/fac-rechten/Faculteit-Rechten-Actueel/Faculteit-Rechten-Actueel-In-de-kijker/FaculteitRechten-Actueel-In-de-kijker-2013/Pleidooi-voor-de-fusie-van-gemeenten.html. Bral, L., Carton, A., Noppe, J., Pauwels, G., Pickery, J. en Verlet, D. (2011). Sociale, maatschappelijke en politieke participatie in Vlaanderen en Europa. In: Noppe, J., Vanderleyden, L. en Callens, M. (Eds.). De sociale staat van Vlaanderen 2011. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering, 257-309. Bursens, P. (2002). Belgium’s adaptation to the EU. Does federalism constrain Europeanization? In: Res Publica 54/4. CBS-statistieken (2013). Statline 28.02.2013. Claeys, M. (2012). Alle macht in der daad aan het volk! De representatieve technocratie: democratie in de 21ste eeuw. In: Vlaams Tijdschrift voor Overheidsmanagement, 1, 10-16. De Ceuninck, K. en Steyvers, K. (2012). Steunpunt B-project: Doet de grootte ertoe? Een vergelijkend onderzoek naar de factoren voor succes en/of falen van hervormingen aan de lokale schaal. Eerste tussentijds rapport. Leuven: SBOV. De Ceuninck, K. (2013). Fusies van gemeenten, spielerei of noodzaak? Een korte blik over de grenzen. In: Vlaams Tijdschrift voor Overheidsmanagement, 1, 31-44. Deforche, J., Bursens, P. en Van Berendocks, K. (2012). Een comparatief onderzoek naar regionaal strategische handelen in een meerlagige bestuurscontext. Vergelijkende studie: Eindrapport. Leuven: SBOV. Den Ridder, J. en Dekker, P. (2012). De publieke opinie over eigen verantwoordelijkheid. In: Veldheer V., Jonker, J., Van Noije, L. en Vrooman, C. (2012). Een beroep op de burger: minder verzorgingsstaat, meer eigen verantwoordelijkheid? Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Departement Bestuurszaken, BZ (2013a). EU-oorsprong Vlaamse regelgeving, ontvangen per mail. Departement Bestuurszaken, BZ (2013b) Regelgevingsagenda: http://regelgevingsagenda.bestuurszaken.be/. Brussel: Departement Bestuurszaken. Departement internationaal Vlaanderen, iV (2013a). Cijfers over het Meerjarig Financieel Kader 2014-2020. Departement internationaal Vlaanderen, iV (2013b). Cijfers over laattijdig omgezette EU-richtlijnen. Departement internationaal Vlaanderen, iV (2013c). Databank NADIA: http://nadia-burger.vlaanderen.be/. Brussel: Departement iV. Dezeure, K., De Rynck, F., Reynaert, H., en Ackaert, J. (2010). Burgerparticipatie in de stad(sorganisatie). Een stand van zaken. Leuven: SBOV. Europese Commissie (2004-2011). Eurobarometer. Brussel: Europese Commissie. Europese Commissie, (2009). Mobilising private and public investment for recovery and long term structural change: developing Public Private Partnerships. Brussel: COM(2009) 615. Europese Commissie (2012). Global Europe 2050. Brussel: Europese Commissie. European Union Institute for Security Studies, EUISS (2006). The new global puzzle: What world for the EU in 2025? Parijs: EUISS. European Union Institute for Security Studies, EUISS (2012). Global trends 2030: Citizens in an interconnected and polycentric world. Parijs: EUISS. Europese Dienst voor Extern Optreden, EDEO (2013). De Europese Unie in de wereld. Website: http://eeas. europa.eu/what_we_do/index_nl.htm.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Europese Unie, EU (2013). Geconsolideerde versies van het verdrag betreffende de Europese Unie en van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie http://www.consilium.europa.eu/ documents/treaty-of-lisbon?lang=nl. Brussel: EU. Federale Regering (2011). Regeerakkoord, 1 december 2011. Brussel: Federale Regering. Via: http://premier. fgov.be/sites/all/themes/custom/tcustom/Files/Regeerakkoord_1_december_2011.pdf. Flanders Investment & Trade (2013). Cijfers van marketing en kennisbeheer. Brussel: FIT. Giddens, A. (1998). The Third Way. The renewal of social democracy. Cambridge: Polity Press. Holslag, J. en Renard, T. (2013). Een verdeeld land in een verdeelde wereld. Hoe een nieuwe wereldorde ons verplicht orde op zaken te stellen. Brussel: Koning Boudewijnstichting. Hooghe, M. en Marien, S. (2012). A Comparative Analysis of the Relation between Political Trust and Forms of Political Participation in Europe. In: European societies, 14/1. Hurrel, A. (1995). Regionalism in theoretical perspective. In: Fawcett, L. and Hurrel A. (Eds.) Regionalism in Word Politics. Oxford: Oxford University Press, p. 36-73. Hustinx, L. (2009). De individualisering van het vrijwillig engagement. In: Buijs, G., Dekker, P. en Hooghe, M.(Eds.). Civil society tussen oud en nieuw. Amsterdam: Aksent, 211-225. Hustinx, L. (2012). Participatie: een sociologische benadering. In: Van Damme, J., Schram, F. en Brans, M. (Eds.) Participatie: What’s in a name? Een multidisciplinaire kijk op maatschappelijke participatie. Brugge: Vanden Broele. Institute for Security Studies European Union (2006). The new global puzzle : What world for the EU in 2025? Paris: EU ISS. Institute for Security Studies European Union (2012). Global trends 2030: Citizens in an interconnected and polycentric world. Paris: EU ISS. Ketelaars, P. (2011). Studie in opdracht van de Nederlandse en Vlaamse buitenlanddepartementen. Lancksweerdt, E. (2010). Over het waarom en hoe van burgerparticipatie. In: Lancksweerdt, E., Thijssen, P., Van Dooren, W. en Dierick, G. (Eds.). De burger aan zet? Zin en onzin van participatie. Antwerpen: Politeia, 11-66. Luts, M., Delbeke, K., Hondeghem, A. en Bouckaert, G. (2008). De efficiënte overheid geanalyseerd. Synthese en aanbevelingen. Leuven: SBOV. McGrew, A. (2010). Globalization and Global Politics in: Baylis, J., Smith, S. en Owens, P. ‘The Globalization of World Politics: An Introduction to International Relations’. Oxford: Oxford University Press. Moore, C. (2008). A Europe of regions vs. The regions in Europe: reflections on regional engagement in Brussels. In: Regional and Federal studies, 18/5. National Intelligence Council, NIC (2012). Global Trends 2030: Alternative Worlds. Nesadurai, H. (2002). Globalisation and economic regionalism: a survey and critique of the literature. CSGR Working paper 108/02. Coventry: Centre for the study of globalization and regionalization. Norris, P. (2011). Democratic deficit. Critical citizens revisited. New York: Cambridge University Press. Regout, R., Goudin, P., en Mertin, I. (2011). European Value Added - Key ways in which Europe adds value to European citizens and Members States, BEPA’s Opinions – Special Issues, Juni 2011, (http:// ec.europa.eu/bepa/publications/special-issues/index_en.htm). Reynaert, H., Van de Walle, S. en Verlet, D. (2006). Naar een DJ-overheid. Burgers en hun overheid. Brugge: Vanden Broele. Schinas, M. (2012). The EU in 2030: a long term view of Europe in a changing world: keeping the values, changing the attitudes, BEPA’s Opinions – Special Issues, November 2012, http://ec.europa.eu/ bepa/publications/special-issues/index_en.htm.
Bronnen
SBOV (2013). Ontwerp van bijdrage SBOV aan het regeerprogramma van de aantredende Vlaamse Regering (2014-2019). Versie 26/06/2013. Steen, T. (2012). Een andere overheid … een andere ambtenaar. In: Vlaams Tijdschrift voor Overheidsmanagement, 1, 38-44. Stroobants, J. en Bouckaert, G. (2010). Sturende actoren bij publieke sector hervormingen: casestudies van Nederland en het Verenigd Koninkrijk. In: Vlaams Tijdschrift voor Overheidsmanagement, 4, 2535. Studiedienst van de Vlaamse Regering (1996-2011). SCV-survey: Survey Sociaal-Culturele Verschuivingen. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering. Studiedienst van de Vlaamse Regering (2012). Pact 2020. Kernindicatoren: meting 2012. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering. Studiedienst van de Vlaamse Regering (2012). VRIND 2013. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering. Temmerman, C., De Rynck, F., Voets, J. en Wayenberg, E. (2012). De problematiek van de stadsregio’s in Vlaanderen: de nood aan een Vlaamse agenda, in: Vlaams Tijdschrift voor Overheidsmanagement, 4, 54-67. Van Damme, J. en Brans, M. (2008). Interactief beleid van de Vlaamse overheid: een internationale verkenning naar visie, beleid en praktijken. Leuven: SBOV. Van Damme, J. en Brans, M. (2009). Over het management van inspraakprocessen. Inspraak: vastleggen in procedures of vorm geven op maat? In: Vlaams Tijdschrift voor Overheidsmanagement, 1, 13-23. Van Damme, J. en Brans, M. (2011). Een multidisciplinaire kijk op maatschappelijke participatie. In: Vlaams Tijdschrift voor Overheidsmanagement, 1, 4-8. Van Damme, J. en Brans, M. (2012). Een beleidswetenschappelijk perspectief op maatschappelijke participatie. In: Van Damme, J., Schram, F., Brans, M. (Eds.). Participatie: What’s in a name? Een multidisciplinaire kijk op maatschappelijke participatie. Brugge: Vanden Broele. Van Damme, J., Schram, F., Brans, M. (2012). Participatie: What’s in a name? Een multidisciplinaire kijk op maatschappelijke participatie. Brugge: Vanden Broele. Van Dooren, W. (2010). Participatie in paradoxen. Een bestuurswetenschappelijke reactie. In: Lancksweerdt, E., Thijssen, P., Van Dooren, W. en Dierick, G. (2010). De burger aan zet? Zin en onzin van participatie. Antwerpen: Politeia, 117-132. Van Roosbroek, S. (2006). Alles is relatief. Indicatoren van politiek vertrouwen in vergelijkend perspectief. In: Reynaert, H., Van de Walle, S. en Verlet, D. (2006). Naar een DJ-overheid. Burgers en hun overheid. Brugge: Vanden Broele, 157-178. Van Roosbroek, S., Loyens, K. en Pelgrims, C. (2006). Burgers aan het woord. De mening van de burger over zijn overheid. In: Vlaams Tijdschrift voor Overheidsmanagement, 3, 20-26. Vanweddingen, M. (2009). Opvattingen van de Vlamingen over de Europese Unie. In: SVR-webpublicaties 2009/4. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering. Veldheer, V., Jonger J., van Noije, L., Vromaan, C. (2012). Een beroep op de burger. Minder verzorgingsstaat, meer eigen verantwoordelijkheid? Sociaal en cultureel rapport 2012. Den Haag: SCP. Verhoest, K., Van Thiel, S., Bouckaert, G., Laegried, P. (2012). Government agencies: practices and lessons from 30 countries. Basingstoke: Palgrave Macmillan. Verhoest, K. (2012). Besturen in tijden van crisis en globalisering: uitdagingen voor publieke raakuitvoering op afstand. In: Vlaams Tijdschrift voor Overheidsmanagement, 1, 27-37. Verlet, D. en Carton, A. (2011). Burgerschap in verval of als rots in de branding? Vergelijkende analyse van het burgerschap in Vlaanderen in 2004 en 2009. In: SVR-webpublicaties 2011/20. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Verlet, D. en Devos, C. (red.) (2010). Efficiëntie en effectiviteit van de publieke sector in de weegschaal. In: SVR-studie 2010/2. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering. Vlaamse Regering en CAG (2011). Meerjarenprogramma Slagkrachtige Overheid. Brussel: Vlaamse overheid. Vlaamse Regering (2011). Witboek Interne Staatshervorming. http://binnenland.vlaanderen.be/ interne-staatshervorming/witboek. Vlaamse Regering (2012). Voortgangsrapport doorbraken interne staatshervorming. http://binnenland. vlaanderen.be/internestaatshervorming/voortgangsrapportering-interne-staatshervorming. Wayenberg, E., De Rynck, F., en Voets, J. (2007). Interbestuurlijke samenwerking in Vlaanderen: een exploratieve studie van een aparte bestuurlijke wereld: vaststellingen, besluiten en aanbevelingen. Leuven: SBOV. Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2012). Vertrouwen in burgers. Amsterdam: Amsterdam University Press.
CONCLUSIE
CONCLUSIE
Hierna geven we bij wijze van afsluiting van de algemene omgevingsanalyse enkele grote trends weer waarvoor Vlaanderen de komende decennia zal staan. Die uitdagingen houden zowel bedreigingen als opportuniteiten in.
Demografische ontwikkelingen De vergrijzing van de bevolking zet zich door. Tegen 2030 zal een kwart van de bevolking in Vlaanderen ouder zijn dan vijfenzestig jaar (nu 18%) en 6% zelfs ouder dan tachtig jaar (nu 5%). Het positieve verhaal daarbij is dat de levensverwachting nog zal toenemen en dat tegelijk ook de jaren in goede gezondheid en zonder lichamelijke beperkingen toenemen. Ouderen kunnen langer en op veel vlakken actief blijven en zelfstandig blijven wonen. Ze vergroten zo de groep van alleenwonenden (verweduwing, echtscheiding) en kleine huishoudens. De bejaarden worden een belangrijke groep voor de economische consumptie. Ze hebben een grotere financiële draagkracht dan vroeger (langer werken, hoger opgeleid, eigenaar woning). Het is een mondiger en hogeropgeleide groep dan voorheen zodat ze actief willen participeren in het maatschappelijk leven. Er bestaat een grote solidariteit tussen generaties (vooral transfers van ouderen naar jongeren). De bedreigingen die verbonden zijn aan de vergrijzing van de bevolking, zijn een toenemende zorgbehoefte, vooral door de versnelde toename van hoogbejaarden (+80 jaar). Aangezien de vergrijzing versnelt en de ontgroening van de bevolking stagneert, zal de draaglast van de actieve beroepsbevolking toenemen. De vergrijzing is in Vlaanderen na de economische en de eurocrisis de derde (budgettaire) bedreiging voor de instandhouding van onze welvaartsstaat. Om demografische redenen loopt Vlaanderen bovendien het risico om tegen 2020 met een tekort aan arbeidskrachten geconfronteerd te worden om de economische groei te kunnen realiseren. De uitstroom uit de arbeidsmarkt wordt immers nu al (demografisch) niet meer in dezelfde mate vervangen door een instroom van jonge arbeidskrachten. De bevolking verkleurt en diversifieert in toenemende mate in Vlaanderen. De verkleuring van de bevolking gaat hand in hand met de globalisering en internationale migratiestromen. Op dit moment heeft al 7,1% van de bevolking in het Vlaamse Gewest een vreemde nationaliteit en meer dan dubbel zoveel heeft een andere herkomst (17,5% in 2012). De instroom van buitenlanders zal nog een tijdje aanhouden, ook al voorspelt het Planbureau dat de intensiteit van de netto-instroom zal verzwakken tegen 2030. Er is een geografische concentratie in de grote centrumsteden en in de randgebieden. Door de relatief grotere uitwijking van Belgen naar de stedelijke randgebieden versterkt de aanwezigheid van vreemdelingen in de kernsteden. De aanwezigheid van internationale instellingen in Brussel oefent een aantrekkingskracht uit op buitenlandse inwijking. De verkleuring leidt tot een super diverse samenleving, niet alleen naar aantal nationaliteiten maar ook naar taal, cultuur, waarden en religie. De instroom van personen met vreemde nationaliteit leidt ook tot een bevolkingsgroei en een verjonging van de bevolking (en instroom van jonge actieve bevolking), vooral in de steden.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
Herkomst vormt echter samen met de sociaaleconomische kenmerken van een grote groep vreemdelingen (lagere scholing, gebrekkige kennis van het Nederlands …) vaak nog een barrière tot deelname aan cultuur en sport, de arbeidsmarkt … Die kenmerken kunnen eveneens een drempel zijn voor sociale cohesie. Zowel ingezetenen als nieuwkomers zijn vaak gehecht aan vormen en gewoonten van hun land van herkomst. Dat geldt omgekeerd ook voor verenigingen met hoofdzakelijk autochtone leden die vooral gelijkgezinden aantrekken. Gescheiden culturele gemeenschappen en een stijgende segregatie in de maatschappij houden risico’s in voor samenlevingsproblemen. Economische en innovatieontwikkelingen De economie krijgt een internationaler karakter met een versterkte positie van de nieuwe groei-economieën. De Europese Commissie verwacht dat het wereldhandelsvolume in 2025 verdubbelt ten opzichte van 2005. De positie van Azië en andere groei-economieën zou versterken, de EU zal niet langer de belangrijkste wereldexporteur zijn. De Vlaamse export zal daarbij geleidelijk meer georiënteerd worden van de EU15-markt naar de nieuwe groei-economieën. Het gaat niet alleen om de zogenaamde grote BRIC-landen maar ook om de N11 en daarbinnen de MIST. De versterkte positie van de nieuwe groei-economieën vormt een opportuniteit. Die landen zorgen immers voor een extra vraagimpuls in de wereldeconomie en brengen zo soelaas voor de westerse economieën die nog altijd gebukt gaan onder de nasleep van de financieel-economische crisis. In vergelijking met de drie buurlanden en de EU15 is het Vlaamse Gewest gespecialiseerd in ‘gemakkelijk nabootsbare’ en in ‘onderzoeksintensieve goederen’ (chemische en farmaceutische producten). Voorts heeft het Vlaamse Gewest troeven in ‘arbeidsintensieve goederen’ (diamant, kunststofproducten) en in ‘kapitaalintensieve producten’ (voertuigen). Vlaanderen heeft door zijn centrale locatie binnen de EU15 en dankzij zijn ligging aan de Noordzee logistieke troeven. De toenemende internationale handel biedt perspectieven voor onze (zee)havens. De groei-economieën beginnen echter steeds meer onderling handel te drijven en zich toe te leggen op hogere waardecreatie mede dankzij hoge O&O-investeringen. De EU en Vlaanderen lopen daardoor het risico minder in het vizier te komen als mogelijke exportbestemming of als aanbieder van producten of diensten. Om te kunnen concurreren met de groei-economieën is het als kleine speler van belang nichemarkten te vinden en zich toe te leggen op moeilijk imiteerbare producten en diensten met hoge toegevoegde waarde. De versterkte economische positie van de nieuwe handelsmogendheden betekent dat die landen steeds meer een belangrijke positie zullen opeisen op internationale fora. De EU zal steeds meer rekening moeten houden met divergerende meningen. Een andere bedreiging is dat de wereldwijde vraag naar energetische producten en grondstoffen zal oplopen, wat een risico inhoudt als Vlaanderen energie-intensief blijft en tegelijk afhankelijk blijft van import van hulpbronnen.
CONCLUSIE
De voorspelde economische groei op wereldvlak is matig, ook in Vlaanderen: voor 2011-2020 zou de reële Vlaamse groei 1,5% bedragen. Naar hoofdsector zou de tertiaire sector zijn aandeel verder vergroten in de bruto toegevoegde waarde. Voor de werkgelegenheid zijn de tertiaire én quartaire sectoren de sterke groeiers. De Vlaamse economie zal in de komende jaren blijven groeien en blijven bijdragen aan de welvaart van de Vlaamse bevolking. Dankzij de toepassing van ICT zijn nog productiviteitswinsten mogelijk. Ook de symbiose van verschillende disciplines en de toepassing ervan om maatschappelijke uitdagingen aan te gaan, is hoopgevend voor de creatie van meerwaarde. Economische groei gaat hand in hand met een toename van de werkgelegenheid. Voor de toekomst zijn er drie scenario’s. Als de werkgelegenheidsgraden aanhouden op het laatst geregistreerde niveau (scenario 1), zou de werkgelegenheid in het Vlaamse Gewest toenemen met 63.200 personen tussen 2012 en 2020. In de periode 2020-2030 zou er daarentegen een daling zijn met 58.300 personen. De werkloosheidsgraad zou 10 à 11% bedragen. Het scenario van gehalveerde doortrekking van de werkgelegenheidsgraden (scenario 2) resulteert logischerwijze in een sterkere aangroei tussen 2012 en 2020 (+115.800). In dat scenario zou er ook in 2020-2030 nog een groei zijn, zij het afgezwakt (+26.400). De aangroei van de werkgelegenheid is groot genoeg opdat de werkloosheidsgraad zou dalen (6,7% in 2030). De volledige doortrekking van de werkgelegenheidsgraden (scenario 3) brengt een toename van de werkgelegenheid met 168.500 personen met zich mee tussen 2012 en 2020. Tussen 2020 en 2030 stijgt in dat scenario de werkgelegenheid verder met 88.600 personen. De werkloosheidsgraad komt dan op 3,0% tegen 2030. Vlaanderen is een getertiairiseerde economie, wat niet wil zeggen dat onze industrie geen groeikansen meer heeft. Kleine, vraaggestuurde productie is een specialiteit voor de Vlaamse kmo’s. Onze troeven inzake logistiek kunnen tevens uitgespeeld worden door logistieke bedrijven aan te trekken die voor toegevoegde waarde zorgen in de productieketen (value added logistics). Het feit dat de reële economische groei van het bbp in het Vlaamse Gewest minder duurzaam is (hogere kosten dan baten), vormt een bedreiging. De financieel-economische crisis heeft bovendien het potentiële bbp in Vlaanderen aangetast, waardoor de groei van de productiviteit beperkt zal blijven. Daardoor kan Vlaanderen zijn productiviteitsvoorsprong ten opzichte van de andere gewesten en de buurlanden moeilijk behouden. De O&O-inspanningen in Vlaanderen zijn relatief goed in Europees verband, maar ze zitten erg geconcentreerd bij grote bedrijven en binnen enkele sectoren waardoor het tij snel kan keren. De huidige onderzoekscapaciteit en –activiteit wordt – zoals blijkt uit de beperkte patentaanvragen en de export van hoogtechnologische producten – nog onvoldoende vertaald in concrete marktintroductie van een product of dienst. Er is ondernemerschap nodig om die innovatiemiddelen te integreren in processen en producten en op die manier toegevoegde waarde en tewerkstelling te creëren. Ondernemerschap blijft een aandachtspunt in het Vlaamse Gewest. Vlaanderen is een welvarende regio. De uitdagingen voor de instandhouding van de welvaartsstaat zijn groot: O&O, vergrijzing, milieu, economie … De armoede ligt in Vlaanderen in relatief opzicht laag. Afhankelijk van de gehanteerde definitie gaat het toch nog altijd om 10 tot 15% van de bevolking. Ondanks
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
de algemene welvaartsstijging is het armoederisico niet gedaald. Bij de laagopgeleiden, personen met een functiebeperking en vreemdelingen zijn voorlopig minder aanwijzingen te vinden voor beterschap dan voor de ouderen. De wereldwijde toenemende spanningen tussen arm en rijk leiden tot maatschappelijke en politieke spanningen.
Ecologische en ruimtelijke ontwikkelingen De wereldwijde klimaatverandering zal in Vlaanderen versneld en intensief voelbaar zijn op veel domeinen. De verwachte veranderingsprocessen omvatten voor Vlaanderen onder andere een gemiddelde temperatuurverhoging, een stijging van de zeespiegel, een toename van overstromingen en extreme regenval op sommige tijdstippen en extreme droogte op andere. Die veranderingen zorgen voor meer druk op de natuurlijke gebieden en soorten die nu al kwetsbaar zijn (verlies aan biodiversiteit), de watervoorraden en het watergebruik, het energiegebruik, de landbouw, het toerisme en de volksgezondheid (nieuwe en verschuiving van bestaande epidemieën). De uitdaging zal zijn om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 drastisch te verminderen ten opzichte van 1990. De transitie naar een lager emissieniveau en dus een koolstofarmere economie zal niet te verwaarlozen investeringen en aanpassingen vragen. Het meest voor de hand liggend zijn de besparingen op de energiefacturen van de gezinnen, de bedrijven en de overheid als gevolg van energiebesparende renovaties, aanpassingen in productie en consumptie en slimmere mobiliteit. Investeringen in energiebesparing en milieuvriendelijke energieproductie zullen echter ook een positief effect hebben op de tewerkstelling, niet het minst in de bouwsector, een sector die per definitie in Vlaanderen verankerd is. Daarnaast zal een vermindering van de energie-import positief zijn voor onze handelsbalans en zal ook onze energetische afhankelijkheid verminderen, met een hogere bevoorradingszekerheid tot gevolg. De gezondheidswinst ten gevolge van de verminderde luchtverontreiniging en de daaraan gekoppelde lagere ziekenhuisuitgaven zal al een deel van de reductiekosten compenseren. Vlaanderen wordt geconfronteerd met schaarste aan hulpbronnen en is daarbij afhankelijk van derden. Vlaanderen is voor fossiele brandstoffen en mineralen bijna volledig afhankelijk van import en dus bijzonder kwetsbaar. De prijzen van energie en materialen blijven stijgen vanwege de toenemende vraag van de groeilanden en het beperkte aanbod, geconcentreerd in enkele landen. Verschillende vormen van hergebruik melden zich aan en vertonen een groeiend succes. Steeds meer kringlopen sluiten zich. De schaarste vormt een bedreiging aangezien Vlaanderen een hulpbron intensieve economie heeft en het energiegebruik ondanks inspanningen, relatief hoog blijft. De energie- en materialenprijzen blijven stijgen door de grotere vraag van groeilanden en het beperkte aanbod, geconcentreerd in enkel landen. De toenemende welvaart zorgt er bovendien voor dat een groter gedeelte van het gezinsbudget vrijkomt voor de aankoop van allerlei consumptiegoederen (smartphones, tablets, afwasmachine …). Die trend leidt tot een toename van de vraag naar materialen, een toename van afvalinzameling en een toename van het energiegebruik. Maar ook trade-offs zijn mogelijk: zo kan er concurrentie ontstaan tussen land- en watergebruik voor de productie van voedsel of energiegewassen.
CONCLUSIE
Op het vlak van abiotische hulpbronnen is er een tekort aan ruimte. Vlaanderen is een van de meest dichtbevolkte en dichtbebouwde regio’s in Noordwest-Europa. Toenemende verstedelijking en spreiding van bebouwing zorgen niet alleen voor een toegenomen ruimtegebruik, maar ook voor een toenemende versnippering van de open ruimte en hogere verplaatsingsbehoeften, wat ruimte als een schaars goed bijzonder kwetsbaar maakt. Schaarsheid leidt tot creativiteit. Steden hebben daarbij een intrinsiek voordeel: ze vormen vaak de plek waar urgentie voor oplossingen vlugger boven water komt en waar creatieve ideeën snel een voedingsbodem vinden. De verdichting kan ook leiden tot meer nabijheid van diensten en voorzieningen en een efficiëntere organisatie van mobiliteit. Alternatieve grondstoffen kunnen primaire delfstoffen vervangen, afval kan gevaloriseerd worden en de inzet van hernieuwbare energie verhoogt onze zelfvoorzieningsgraad. We moeten daarbij een kanttekening maken. Er kan een reboundeffect optreden. Efficiëntiewinsten kunnen immers leiden tot meerverbruik: wat men op een bepaalde post bespaart, wordt op een andere post weer uitgegeven. Ook voor mobiliteit en ruimte geldt dat: als er in extra ruimte voor verkeer wordt voorzien, heeft dat een aantrekkend effect en zal die ruimte ook ingenomen worden door nieuwe verkeersstromen. Daarom moet bij beleid proactief rekening worden gehouden met externe effecten en moeten verschillende instrumenten worden ingezet om ongewenste neveneffecten tegen te gaan of te temperen. Er kunnen echter ook synergieën ontstaan: inspanningen op het ene domein dragen bij tot doelstellingen op andere domeinen. Efficiënt drinkwatergebruik leidt tot energiebesparingen (voor abstractie, gebruik en zuivering van water). En omgekeerd leidt een lager energiegebruik tot minder waterverbruik.
Cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen Vlaanderen wordt zoals de meeste westerse landen geconfronteerd met een aantal belangrijke samenhangende sociaal-culturele ontwikkelingen waarbij de autonomie van het individu ten opzichte van zijn sociale omgeving toeneemt ten koste van de invloed van traditionele instituties en rolpatronen. Dat individualiseringproces zal zich ook in Vlaanderen in de toekomst doorzetten. Het individualiseringsproces schept voor een groot deel van de bevolking kansen op het vlak van zelfbeschikking, participatie en inspraak en heeft daardoor gevolgen op tal van domeinen van het persoonlijke en maatschappelijke leven. Er kan worden verwacht dat vooral de sociaaleconomische en maatschappelijke positie van de ouderen er in de toekomst relatief gezien op zal vooruitgaan. Het aandeel personen in Vlaanderen met een inkomen onder de armoederisicodrempel zal op langere termijn dalen dankzij de toename van het onderwijsniveau en de stijgende (vrouwelijke) arbeidsparticipatie. Die ontwikkelingen hebben niet gelijktijdig dezelfde impact in alle geledingen van de samenleving. Als individuen meer verantwoordelijk worden voor de uittekening van de eigen levensloop, moeten ze over het nodige materiële, sociale en culturele kapitaal beschikken om dat te kunnen doen. Er moet in dat verband gewezen worden op de mogelijk nog toenemende kloof tussen hoog- en laagopgeleiden. Ook personen met een functiebeperking en vreemdelingen van buiten de EU participeren duidelijk minder in tal van domeinen van het maatschappelijke leven. Het zijn grotendeels dezelfde groepen die ook een hoger risico lopen op armoede en sociale uitsluiting.
Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen
De bijbehorende onzekerheid en stress kunnen ervoor zorgen dat mensen niet meer meekunnen, dat ze maatschappelijk afhaken en terugplooien op zichzelf, wat het risico op niet-participatie gevoelig doet toenemen.
Politiek-institutionele ontwikkelingen Onder invloed van de globalisering, maar ook van de financieel-economische crisis van de afgelopen jaren veranderen de traditionele machtsevenwichten. We verwachten een poly-centrische wereld in 2030, waar de macht verspreid is onder verschillende spelers. De macht zal verschuiven naar netwerken en coalities op verschillende niveaus. De EU heeft (voorlopig) nog een sterke positie op verschillende domeinen en verwacht zelf een sterke positie te behouden. Vanwege de open exporteconomie haalt België een disproportioneel hoog voordeel uit de Europese eenheidsmarkt en de uitbreiding ervan, de euro en het EU-concurrentiebeleid. De aanwezigheid van de EUinstellingen in Brussel is een grote troef voor de werkgelegenheid, maar ook voor het imago van de regio. Op het mondiale en Europese vlak kan Vlaanderen zijn impact laten gelden door deel te nemen aan internationale fora, door gebruik te maken van diplomatieke instrumenten en door als regio zelf in te stappen in veel internationale overeenkomsten. Een versterkte EU beperkt de vrijheidsmarges van de lidstaten en de regio’s. Binnen Vlaanderen bieden de zesde en de interne staatshervorming daarnaast heel wat opportuniteiten om de bestuurskracht te versterken en te komen tot een efficiënte en effectieve overheid. De lokale samenwerking is in al haar facetten de voorbije jaren sterk gegroeid en er wordt verwacht dat die groei nog zal toenemen. We zien niet alleen een toename van het aantal samenwerkingsverbanden of een groei van stedelijke netwerken, ook de vrijwillige fusie van gemeenten kan de komende jaren aan belang winnen, al was het om financiële redenen. De mondiale machtsverschuivingen houden ook risico’s in. Zo is er enige onzekerheid over de toekomstige positie van Europa op een aantal domeinen. Het wordt moeilijker een universele consensus te bereiken en het aantal multilaterale en bilaterale afspraken neemt toe. De toenemende complexiteit van het systeem laat zich ook voelen in de groeiende impact van transnationale organisaties en netwerken op nationale, regionale en lokale besluitvorming. In een zoektocht naar een beter gecoördineerd beleid verhoogt de EU haar impact op de lidstaten, wat de vrijheidsmarges van de regio’s beperkt. Er worden steeds meer bevoegdheden overgeheveld naar het Europese beleidsniveau waardoor het beleid in de lidstaten op steeds meer terreinen mee vanuit de EU wordt aangestuurd.
De rol van de overheid en de burgers zal veranderen naar meer participatieve vormen Veranderende opvattingen over de rollen van overheid en burger vragen om een nieuw verantwoordelijkheidsmodel. Daarin doen overheden een groter beroep op de burger zonder hun eigen verantwoordelijkheden te ontlopen. Overheden verwachten een grotere betrokkenheid van de burger, enerzijds voor een breder draagvlak en een grotere legitimiteit bij de beleidsvoering, en anderzijds om
CONCLUSIE
mee de samenleving vorm te geven en verantwoordelijkheden op zich te nemen. Burgers eisen zelf ook een grotere betrokkenheid op en verwachten van de overheid dat ze garant staat voor de basisrechten en -voorzieningen. Als kritische burgers en klanten zijn ze bereid mee verantwoordelijkheid op zich te nemen. Legitimiteit blijft een probleem voor de overheid, ook in Vlaanderen. Een relatieve tevredenheid over het beleid vertaalt zich niet meteen in hogere vertrouwensscores en een beter imago van de overheid bij de burgers. Veel burgers reageren eerder onverschillig, tonen weinig politieke interesse en geven aan geen impact te hebben op het beleid. De vele formele participatiekanalen blijken onvoldoende om de betrokkenheid van burgers te verhogen. In toenemende mate groeit de onvrede met de formele inspraakprocessen die de overheid organiseert omdat burgers niet altijd rechtstreeks worden aangesproken, veel participatieprocessen sterk geformaliseerd en gesegmenteerd verlopen, in een laat stadium worden opgezet en weinig concrete zaken opleveren. Burgers grijpen daarom zelf naar informele en ad-hoc formules om het beleid te beïnvloeden en juridische procedures om hun rechten af te dwingen. De toenemende individualisering en het hogere opleidingsniveau brengen mee dat burgers hun leven meer zelf in handen willen nemen. Dat is een opportuniteit. Burgers zijn aldus aanspreekbaar om mee verantwoordelijkheid op zich te nemen en hun burgerplichten te vervullen. Burgers kunnen – zowel individueel als collectief – via allerhande acties en initiatieven en inspraak- en participatiekanalen beleidsprocessen mee beïnvloeden en sturen. De responsabilisering biedt ook kansen om hervormingen en herstructurering van de verzorgingsstaat door te voeren. De verzorgingsstaat komt immers onder druk te staan. Naast de financiële houdbaarheid van het voorzieningenstelsel staan ook de positie en de rol van de overheid en de middenveldorganisaties ter discussie. Kritische en mondige burgers kunnen daarbij geresponsabiliseerd worden. Dat geldt niet voor iedereen, waardoor het risico op sociale ongelijkheid toeneemt. Als algemene slotbeschouwing willen we meegeven dat de hierboven beschreven verwachtingen een zekere graad van onzekerheid vertonen. Ze zijn gebaseerd op trends die we in het verleden hebben vastgesteld of op ontwikkelingen die zich elders in de wereld nu al afspelen. Aangezien veel ontwikkelingen zich gelijktijdig afspelen, met een verschillende intensiteit en complexe interferenties, blijft het een moeilijke opdracht om de toekomst te voorspellen.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Inhoudstafel
Inhoudstafel 01 / INLEIDING
5
02 / DE MIDDELENBEGROTING
9
2.1. Inleidend overzicht 2.2. Opcentiemen en Samengevoegde & Gedeelde belastingen 2.2.1. Parameters 2.2.2. Resultaten 2.2.3. Sensitiviteit 2.2.4. Toelichting 2.3. Specifieke dotaties vanwege de federale overheid 2.4. Gewestelijke belastingen 2.5. Toegewezen ontvangsten 2.6. Andere ontvangsten 2.7. Lotto-middelen 2.8. Te consolideren instellingen
9 12 12 16 18 19 20 21 25 25 26 26
03 / DE UITGAVENBEGROTING
30
3.1. Inleiding 3.2. Indexatie bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden 3.3. Andere kostendrijvers of budgettaire engagementen bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden: Toelichting per beleidsdomein 3.4. De globale evolutie van de beleids- en betaalkredieten bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden 3.5. De beleids- en betaalkredieten verdeeld over de 13 beleidsdomeinen bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden 3.6. Impliciete schuld
30 32
04 / HET FINANCIEEL BEHEER
67
4.1. Schuldevolutie 4.1.1. Het begrotingssaldo in ESR-termen 4.1.2. Kredietverleningen en participaties 4.1.3. Globale evolutie 4.2. Herfinancieringsbehoeften
66 66 66 67 68
36 61 62 65
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
05 / HET VORDERINGENSALDO EN BEGROTINGSNORMERING
70
5.1. Vorderingensaldo bij constant beleid 5.2. Begrotingsnormering in komende legislatuur
70 74
BIJLAGE I: BEKNOPTE TOELICHTING BIJ DE HERZIENING VAN DE BIJZONDERE FINANCIERINGSWET
76
BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN
82
BIJLAGE III: BUDGETTAIRE BOORDTABEL HOUDENDE ALTERNATIEVE FINANCIERING
97
BIJLAGE IV: IMPACT AANBEVELINGEN VAN EUROSTAT
105
BIJLAGE V: BESPARINGSMODEL OP BASIS VAN GENORMEERDE UITGAVENGROEI PER BELEIDSDOMEIN
108
Lijst met Tabellen Tabel 2.1: Grote rubrieken van de ESR gecorrigeerde middelen 2014-2019 (in duizend euro) 10 Tabel 2.2: Impact maatregelen financiële sector (in duizend euro) 11 Tabel 2.3: Volledig parameteroverzicht 13 Tabel 2.4: Opcentiemen en Samengevoegde & Gedeelde belastingen (in duizend euro) 16 Tabel 2.5: Sensitiviteit (in duizend euro) 19 Tabel 2.6: Specifieke dotaties vanwege de federale overheid (in duizend euro) 20 Tabel 2.7: Gewestelijke belastingen (in duizend euro) 22 Tabel 2.8: Te consolideren instellingen (in duizend euro) 27 Tabel 3.1: Indexparameters 33 Tabel 3.2: Cumulatief effect indexatie kredieten huidige bevoegdheden t.o.v. 1BA 2014 (in duizend euro) 34 Tabel 3.3: Cumulatief effect indexatie kredieten nieuwe bevoegdheden t.o.v. 1BA 2014 (in duizend euro) 35 Tabel 3.4: Beleidskredieten per beleidsdomein bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden 2013-2019 (in duizend euro) 62
Inhoudstafel
Tabel 3.5:
Betaalkredieten per beleidsdomein bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden 2013-2019 (in duizend euro) Tabel 4.1: Globale evolutie van de schuld (in duizend euro) Tabel 4.2: Herfinancieringsbehoeften 2014-2019 (in duizend euro) Tabel 5.1: Vorderingensaldo van de Vlaamse begroting bij constant beleid (in duizend euro) Tabel V.1: Simulatie begrotingsmodel – Bereiken van 50% van benodigde besparing in 2016 via beperken uitgavengroei.
64 67 69 72 111
Lijst met Figuren Figuur 3.1: Beleids- en betaalkredieten bij constant beleid (in duizend euro) Figuur 3.2: Stand van de impliciete schuld 2004-2013 (incl. impliciete schuld m.b.t. ESR-8) t.o.v. geraamde ontvangsten ministeries (excl. DAB’s) (in duizend euro) Figuur 4.1: Evolutie van de directe en indirecte schuld 2014 – 2019 (in duizend euro)
61 65 67
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
01 / INLEIDING
De Vlaamse Regering staat in de komende legislatuur voor een bijzondere uitdaging: de 6de staatshervorming en het ruimer kader van het verstrengde Europees begrotingstoezicht zorgen ervoor dat er niet alleen op beleids- en beheersmatig vlak, maar zeker ook op begrotingsvlak werk op de plank ligt. In voorliggend deel van de bijdrage aan het regeerakkoord zoomen we dan ook in op de begrotingsuitdagingen waarvoor de volgende Vlaamse Regering staat. In de naar aanleiding van de 6de staatshervorming herziene Bijzondere Financieringswet wordt een bijdrage verrekend van gewesten en gemeenschappen in de sanering van de globale staatsfinanciën. Hierdoor wordt de volgende Vlaamse Regering geconfronteerd met bevoegdheden waarvoor geen volledige financiering voorzien is. Zo wordt er in 2015 voor 750 miljoen euro en in 2016 voor 1,5 miljard euro aan middelen ingehouden. Naast dit effect worden tevens publieke eenheden in handen van de Vlaamse overheid en ook PPScontracten meer diepgaand tegen het licht gehouden omwille van aanbevelingen van Eurostat met betrekking tot het verbeteren van de statistieken betreffende de overheidsrekeningen en de procedure bij buitensporige tekorten (EDP). Voor de PPS-contracten inzake scholenbouw heeft deze verstrengde controle tot op heden tot gevolg dat de uitgaven die momenteel door Scholen van Morgen worden gedaan, ook als overheidsuitgaven worden beschouwd. Indien de Vlaamse overheid er niet in slaagt om de contracten op zo’n wijze te heronderhandelen, dat Eurostat kan bevestigen dat er een afdoende risico-overdracht is van de overheids- naar de private sector, zullen de kosten die tijdens de bouwfase van deze scholen worden gemaakt het vorderingensaldo van de Vlaamse overheid negatief beïnvloeden. Gelet op de grootte van het investeringsprogramma, zal er de eerstkomende jaren dan ook een significante negatieve impact op het vorderingensaldo zijn van 323 miljoen euro in 2014, 572 miljoen euro in 2015 en 180 miljoen euro in 2016. Voornamelijk omwille van de 6de staatshervorming en het feit dat er momenteel nog geen oplossing is voor de problematiek van de uitgaven van Scholen van Morgen loopt het begrotingstekort bij constant beleid in de begrotingsjaren 2015 en 2016 op tot resp. 1 en 1,3 miljard euro. Door een conservatieve inschatting van de groei van de uitgaven, gerelateerd aan een middelenevolutie die geniet van een normale economische groei, wordt dit tekort bij constant beleid in de daaropvolgende jaren weggewerkt en zou er volgens voorliggende raming tegen het eind van komende legislatuur een beleidsruimte beschikbaar zijn van 354 miljoen euro.
01 / INLEIDING
ESRHERZ 2014 effect
MJR 2015
MJR 2016
MJR 2017
MJR 2018
MJR 2019
ESR gecorrigeerde ontvangsten
+
27.500.107
38.564.676
39.315.558
40.854.033
41.716.338
43.506.033
ESR gecorrigeerde primaire uitgaven
-
27.783.020
39.428.920
40.932.059
41.906.842
42.790.980
43.819.639
ESR-gecorrigeerd primair saldo
=
-282.913
-864.245
-1.616.502
-1.052.809
-1.074.642
-313.606
Onderbenutting
+
593.405
610.190
641.836
661.677
679.978
701.664
Gecorrigeerd primair saldo
=
310.492
-254.055
-974.666
-391.133
-394.664
388.058
Rente-uitgaven
-
117.446
136.425
129.987
93.575
75.003
72.002
Gecorrigeerd vorderingensaldo
=
193.046
-390.480
-1.104.653
-484.708
-469.668
316.056
Voorziene uitgaven binnen DBFM Scholen van Morgen
-
322.665
571.652
180.301
21.141
-
-
Correctie deel kapitaalsaflossing binnen beschikbaarheidsvergoeding aan DBFM Scholen van Morgen
+
-
-
-
-
37.688
37.688
Gecorrigeerd vorderingensaldo incl. ESR-correctie voor DBFM Scholen van Morgen
=
-129.619
-962.132
-1.284.954
-505.849
-431.980
353.744
Bovenstaande vaststelling houdt evenwel niet in dat de volgende Vlaamse Regering op haar lauweren kan rusten. Vooreerst is er het gegeven dat er een zeer conservatieve inschatting van de groei van de uitgaven wordt aangehouden. Zo wordt in het vervolg van deze nota duidelijk dat er heel wat aandachtspunten kunnen geformuleerd worden bij de diverse aannames inzake het constant beleid. Belangrijkste punten hierbij zijn het gegeven dat er nog geen middelen voor nieuwe cao’s met de diverse sectoren zijn voorzien en dat er voor vele alternatief te financieren projecten die in de pijplijn zitten, nog een budgettaire oplossing dient te worden gezocht voor de financiering van de beschikbaarheidsvergoedingen. Daarnaast wordt ook op het vlak van begrotingsnormering de concrete impact van het verstrengde Europees begrotingstoezicht meer en meer duidelijk: Zo krijgt de Hoge Raad voor Financiën (HRF) ingevolge
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
het samenwerkingsakkoord van 13 december 2013 betreffende de uitvoering van het verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie de functie van onafhankelijke instelling die ermee belast wordt na te gaan of België voldoet aan de regels inzake de landspecifieke middellange-termijndoelstelling (MTO). Het samenwerkingsakkoord verschaft niet alleen een wettelijke basis aan de aanbevelings- en evaluatiefunctie die de HRF voordien reeds had, maar breidt ze ook uit. Zo komt er extra toezicht op de lokale overheden, ingedeeld per gewest, waarbij de HRF de door de federale overheid genomen maatregelen met weerslag op de lokale besturen moet afzonderen. De vaststelling van de algemene begrotingsdoelstelling en van de verdeling ervan over de verschillende overheden wordt door de HRF opgesteld, maar voor overleg (voor wat de algemene begrotingsdoelstelling betreft) en voor akkoord (voor wat de verdeling betreft) voorgelegd aan het Overlegcomité. De HRF zal ook bilaterale besprekingen voeren met entiteiten waarvan zij meent dat er een belangrijke afwijking voorkomt t.o.v. de overeengekomen begrotingsdoelstellingen. Deze afwijkingen moeten in principe gecorrigeerd worden binnen een periode van 18 maanden. In voorliggende nota wordt uitgegaan van het advies van maart 2014 van de HRF dat tevens de basis vormde voor het stabiliteitsprogramma dat België recent indiende bij de Europese Commissie. Dit advies stelt voor dat de gewesten en gemeenschappen een nominaal evenwicht aanhouden voor de komende jaren. Weliswaar is deze verdeling van de begrotingsinspanning niet formeel goedgekeurd in het Overlegcomité. Het is dus nog steeds mogelijk dat de Vlaamse Regering in de komende legislatuur eerder opteert om jaarlijks een structureel evenwicht te bereiken i.p.v. een nominaal evenwicht. De HRF berekent voor de Vlaamse Overheid voor 2014 een structurele positieve correctie van 0,11 % van het BBP, zijnde ca. 400 miljoen euro. In deze nota wordt hierop evenwel niet dieper ingegaan, omdat:
•• •• •• ••
De Vlaamse Overheid zich de voorbije jaren heeft gehouden aan een nominaal evenwicht; Het behoud van een nominaal evenwicht in de komende legislatuur de beste garantie biedt om verder toe te werken naar een schuldenvrije positie in overeenstemming met de desbetreffende doelstelling uit het Pact 2020; Bij het toepassen van een structureel begrotingsevenwicht vanaf het begrotingsjaar 2014, het jaarlijks afnemen van de negatieve output gap in de periode 2015 t.e.m. 2019 de benodigde begrotingsinspanning net zal doen toenemen t.o.v. de inspanning die bij het behoud van een nominaal begrotingsevenwicht vereist is; Het begrip “structureel evenwicht” zelf niet echt structureel stabiel is (cfr. de discussie daaromtrent tussen het Belgisch Planbureau en de EU-Commissie).
Om effectief tegemoet te kunnen komen aan een voornemen om een nominaal begrotingsevenwicht te behouden, zullen er hoe dan ook fundamentele keuzes moeten gemaakt worden op het vlak van de huidige en nieuwe bevoegdheden. Het zwaartepunt van deze maatregelen ligt hierbij in de periode 20152016. Hoe structureler de keuzes die gemaakt worden, hoe meer beleidsruimte er naar het einde van de legislatuur toe kan vrijgemaakt worden teneinde het nieuwe vooropgestelde beleid zoals beschreven in de bijdrage aan het regeerakkoord te kunnen uitvoeren. Onverminderd het gegeven dat voorliggende nota uitgaat van het behoud van een nominaal begrotingsevenwicht over de komende regeerperiode, wordt toch nog de aandacht gevestigd op het feit dat de herziene Bijzondere Financieringswet (BFW) ook potentiële technische bijstellingen bevat met
01 / INLEIDING
mogelijks een repercussie op de discussies omtrent de begrotingsnormering. Zo bevat de nieuwe BFW bvb. een autonomiefactor, die de basis vormt voor het deel personenbelasting waarover de gewesten in de toekomst een autonoom opcentiemenbeleid kunnen voeren. Voor de aanslagjaren 2015, 2016 en 2017 is deze autonomiefactor gelijkgesteld aan 25,990%. De BFW bevat tegelijk de berekeningsregels voor de autonomiefactor voor het aanslagjaar 2018 en volgende, waarbij een gebeurlijke te hoge (of te lage) inschatting van de autonomiefactor voor de jaren 2015-2017 eenmalig wordt bijgesteld in 2018. Een gelijkaardig mechanisme bestaat voor de fiscale uitgaven. Deze technische bijstellingen kunnen een budgettair effect genereren van verscheidene honderden miljoenen euro, zoals ook in voorliggende nota verder voorzien (zie punt 2.2.2.). Teneinde te vermijden dat deze technische bijstellingen het te voorziene begrotingstraject voor komende legislatuur teveel zouden beïnvloeden, wordt voorgesteld dat de Vlaamse Regering, op basis van recentere data en in overleg met de andere deelentiteiten en de federale overheid, nagaat of de (tijdelijk vastgestelde) autonomiefactor niet dient geactualiseerd te worden. Indien dit het geval zou zijn, dan zou het logisch zijn om bij de bepaling van dit nominaal evenwicht abstractie te maken van de tijdelijke meer- (of min-) inkomsten die de gewesten zouden verwerven. Een dergelijk akkoord is immers neutraal op globaal niveau: wat de gewesten tijdelijk meer (of minder) ontvangen en in 2018 in min (of meer) verrekend krijgen, wordt immers gecompenseerd door een precies omgekeerde beweging bij de federale overheid. Voorliggende nota is opgebouwd uit 4 hoofdstukken. Vooreerst wordt ingegaan op de middelen- resp. uitgavenraming voor de komende legislatuur. Daarna wordt het begrotingsresultaat weergegeven en geplaatst binnen een te voorziene normering. Tot slot wordt ook het effect op de schuld van de Vlaamse overheid nader bekeken. Gelet op het feit dat de 1ste parlementair goedgekeurde begrotingsaanpassing in 2014 (1BA 2014) t.a.v. de begrotingsopmaak 2014 inhoudelijk beperkt was tot het verhogen van het budget waarover de VMSW en het VWF beschikken voor het toekennen van sociale leningen met 500 miljoen euro, werd er door het departement Financiën en Begroting ook een technische herziening van de benodigde kredieten voor 2014 doorgevoerd. Deze technisch bijgestelde kredieten worden in volgend document als begrotingsherziening 2014 voorgesteld (HERZ 2014). Naast de verdere detailleringen van de hoofdstukken in diverse bijlagen waarin wordt ingegaan op de wijzigingen in de financieringswet, het detail van de evolutie van de beleidskredieten, de problematiek van de nog niet afdoend voorziene kredieten voor beschikbaarheidsvergoedingen voor projecten die via alternatieve financiering worden gefinancierd en de impact van de aanbevelingen van Eurostat met betrekking tot het verbeteren van de statistieken, wordt in de laatste bijlage van deze nota ook een voorstel gelanceerd om een uitgavennormering per beleidsdomein op te zetten. Deze uitgavennorm zou ook een belangrijke fundamentele breuklijn kunnen betekenen in de verantwoordelijkheden die elke minister dient op te nemen. Naast het opnemen van de verantwoordelijkheid voor het gevoerde beleid, dient er namelijk ook verantwoordelijkheid te worden opgenomen voor de evolutie van de kredieten en aanwending van de globale beleidsruimte door zijn of haar bevoegdheidsdomeinen. Het daadwerkelijk opnemen door de vakministers en -administraties van de verantwoordelijkheid voor de budgettaire gevolgen van het gevoerde beleid, kan ook een bijdrage leveren in de evolutie naar een meer outputgericht denken, en dus naar een prestatiebegroting.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
02 / DE MIDDELENBEGROTING
2.1 Inleidend overzicht
Tabel 2-1 geeft in grote rubrieken een overzicht van de ESR gecorrigeerde middelen voor de beleidsperiode 2014-2019. Voor het begrotingsjaar 2014 worden zowel de ramingen van de begrotingsopmaak (1BA) getoond, als de ramingen van de herziening (HERZ). De ramingen voor de begrotingsjaren 2015 tot en met 2019 bevatten de budgettaire effecten van de herziene Bijzondere Financieringswet. De raming van de opcentiemen is gebaseerd op de raming van de Belasting Staat die door de federale wetgever werd gehanteerd ten tijde van de parlementaire behandeling van de herziene Bijzondere Financieringswet. De elasticiteit van de Belasting Staat (en bijgevolg van de gewestelijke opcentiemen) ten opzichte van het reëel BBP is een belangrijke determinant voor de evolutie van de Belasting Staat en de gewestelijke opcentiemen. De in deze meerjarenraming gehanteerde cijfers voor de Belasting Staat impliceren een elasticiteit gelijk aan 1,6. In tabel 2-5 wordt de impact op de ontvangsten geduid van een gewijzigde elasticiteit.
-
w.o. bijdrage sanering entiteit I
w.o. bijdrage vergrijzingskost
w.o. responsabiliseringsbijdrage
Totaal bijdragen
27.093.118
1.363.895
-171.007
-
-
-151.167
-19.840
27.474.330
1.449.321
34.915
169.789
418.939 35.297
152.470
5.421.385
909.777
13.078.874
6.257.799
1BA 2014
135.774
5.279.670
893.627
w.o. bijdrage pendeldotatie
TOTAAL
Instellingen consolidatiekring
Lotto gelden
Eigen niet-fiscale, toegewezen ontvangsten Eigen niet-fiscale, niet toegewezen ontvangsten
Gewestelijke belastingen
Specifieke dotaties
12.741.368
Gedeelde belastingen
-
6.224.548
REA 2013
Samengevoegde belastingen
Opcentiemen
-
-171.007
-
-
-151.167
-19.840
27.500.107
1.473.552
33.754
125.086
152.470
5.498.859
905.455
13.060.530
6.250.401
HERZ 2014
-870.104
-84.463
-
-755.881
-29.760
38.564.676
1.438.183
33.754
406.588
135.997
5.623.679
83.468
20.349.454
2.964.795
7.528.758
MJR 2015
Tabel 2.1: Grote rubrieken van de ESR gecorrigeerde middelen 2014-2019 (in duizend euro)
-1.649.749
-93.781
-
-1.525.588
-30.380
39.315.558
1.511.211
33.754
252.356
136.315
5.823.866
84.838
21.119.765
2.525.772
7.827.681
MJR 2016
-1.732.402
-103.099
-37.533
-1.564.490
-27.280
40.854.033
1.583.169
33.754
407.745
136.634
6.039.795
86.315
21.808.301
2.602.223
8.156.097
MJR 2017
-1.784.444
-112.417
-41.237
-1.603.510
-27.280
41.716.338
1.602.880
33.754
395.767
136.954
6.279.742
87.815
22.528.311
2.277.009
8.374.106
MJR 2018
-1.829.278
-121.735
-36.936
-1.643.327
-27.280
43.506.033
1.623.269
33.754
369.599
137.275
6.518.042
89.413
23.245.089
2.752.197
8.737.395
MJR 2019
02 / DE MIDDELENBEGROTING
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
De ramingen van de middelen voor 2014 en volgende begrotingsjaren zijn conform de door het departement Financiën en Begroting gehanteerde modellen gebeurd. Voor het begrotingsjaar 2014 worden de ESR gecorrigeerde ontvangsten bij de herziening op 27,5 miljard euro begroot. Voor de begrotingsjaren 2015 tot en met 2019 worden de cijfers in rekening gebracht zoals ze in meerjarig perspectief in constant beleid worden voorzien, maar waarbij de impact van de 6de staatshervorming expliciet in acht wordt genomen. Zo worden o.m. de geraamde opbrengst van de Vlaamse opcentiemen en de bijdrage van de Vlaamse overheid in de sanering van ’s lands overheidsfinanciën en in de vergrijzingskosten in kaart gebracht. De cijfers in tabel 2-4 aangaande de middelen uit de herziene Bijzondere Financieringswet betreffen nietafgeronde bedragen. Ten opzichte van tabel 2-1 kunnen er afrondingsverschillen voorkomen. Tabel 2-2 toont de impact op de middelen van de maatregelen die in 2009 ten gunste van de financiële sector werden genomen. De ESR gecorrigeerde ontvangsten zijn eveneens in de totalen van tabel 2-1 opgenomen.
Tabel 2.2: Impact maatregelen financiële sector (in duizend euro) Dividenden financiële instellingen Terugbetaling financiële instellingen (ESR 8) Totaal
REA 2013
HERZ 2014
1BA 2014
MJR 2015
MJR 2016
MJR 2017
MJR 2018
MJR 2019
297.797
0
0
170.000
0
139.244
110.854
82.464
1.753.614
500.000
500.000
500.000
500.000
500.000
500.000
500.000
2.051.410
500.000
500.000
670.000
500.000
639.244
610.854
582.464
Tabel 2-2 gaat ervan uit dat er in de periode 2015-2019 per 30 november een gedeeltelijke terugbetaling (principal repayment) plaatsvindt door KBC ten belope van 0,334 miljard euro. De boetepremie (penalty payment) voor die jaren bedraagt 0,166 miljard euro. De 8,5% coupon rente wordt berekend op het gemiddelde bedrag aan uitstaande schuld gedurende het vorige begrotingsjaar. Dat terugbetalingsscenario heeft prioriteit gegeven aan de terugbetaling ten gunste van de federale overheid waarbij de totale terugbetaling nog steeds in overeenstemming is met de terugbetalingskalender bij het herstructureringsplan dat door de Europese Commissie aanvaard werd. Medio februari 2014 werd door KBC aangekondigd dat er over de boekjaren 2013 en 2015 geen coupon rente zal betaald worden. De voorliggende meerjarenraming houdt bijgevolg rekening met de ontstentenis van een coupon rente in de begrotingsjaren 2014 en 2016. Het effect van de financiële stromen op de rentelasten van de Vlaamse overheid werd eveneens in rekening gebracht.
02 / DE MIDDELENBEGROTING
2.2 Opcentiemen en Samengevoegde & Gedeelde belastingen 2.2.1 Parameters
De middelen uit de Bijzondere Financieringswet (samengevoegde en gedeelde belastingen, andere federale dotaties) worden bij de herziening 2014 geraamd op basis van de parameters van de Economische Begroting van 12 februari 2014. In tabel 2-3 staan de bedoelde parameters onder de kolom ‘HERZ 2014’. De kolommen ‘MJR 2015-2019’ vervolledigen het overzicht van de gehanteerde parameters. Voor de economische groei en inflatie werden de projecties uit de Economische Vooruitzichten van het Federaal Planbureau weerhouden (maart 2014). De parameter inflatie (CPI) gehanteerd voor de begrotingsherziening 2014 en meerjarenraming 2015 komt in voorliggende meerjarenraming tevens overeen met de inflatievooruitzichten van het Federaal Planbureau van 6 mei 2014. Behalve de klassieke parameters van economische groei en inflatie spelen ook de fiscale capaciteit van de gewesten en gemeenschappen, en het aantal leerlingen en –18-jarigen van de gemeenschap een belangrijke rol voor de berekening van de middelen die toegewezen worden vanuit de Bijzondere Financieringswet. Met ingang van het begrotingsjaar 2015 worden door de inwerkingtreding van de herziene Bijzondere Financieringswet aan deze lijst twee nieuwe parameters toegevoegd: het aantal 0 tot en met 18 jarigen en het aantal 80-plussers. Bovendien wordt de fiscale capaciteit met ingang van het aanslagjaar 2015 ook geïnterpreteerd als de regionale opdeling van de opbrengst van de federaal gebleven personenbelasting. Dit verklaart de wijziging in de fiscale capaciteit vanaf begrotingsjaar 2016 (aanslagjaar 2015). De raming voor het aanslagjaar 2015 is gebaseerd op de raming die door de federale wetgever werd gehanteerd ten tijde van de parlementaire behandeling van de herziene Bijzondere Financieringswet. De evolutie vanaf aanslagjaar 2016 gaat uit van een elasticiteit ten opzichte van het reëel BBP gelijk aan 1,6. Vermits voor de drie gewesten dezelfde elasticiteitscoëfficiënt wordt toegepast, wijzigt de fiscale capaciteit van de gewesten in de daaropvolgende aanslagjaren niet. In meerjarig perspectief worden de bevolkingsgerelateerde parameters gealigneerd op de bevolkingsvooruitzichten 2013-2061 van het NIS. De toename van de denataliteitscoëfficiënt is gebaseerd op de bedoelde bevolkingsvooruitzichten en weerspiegelt tevens de toename van het aantal leerlingen die de komende jaren verwacht wordt in het basis- en secundair onderwijs. De voorliggende meerjarenraming gaat er wel van uit dat de leerlingenverhouding constant blijft. De overige parameters in tabel 2-3 worden constant gehouden.
0,20%
Economische groei (BBP)
1,11%
2013
HERZ 2014
Inflatie (CPI)
10.515.981 3.164.538 159.745
Waals Gewest (excl. Duitstaligen)
Brussels H. Gewest
Duitstaligen
28,07% 8,45% 0,43%
Waals Gewest (excl. Duitstaligen)
Brussels H. Gewest
Duitstaligen
15/01/2013
15/01/2013 56,50% 43,50%
Toestand
Vlaamse Gemeenschap
Franse Gemeenschap
43,50%
56,50%
0,43%
8,45%
28,07%
63,06%
159.745
3.164.538
10.515.981
Verdeelsleutel onderwijs (LLN)
63,06%
Vlaams Gewest
23.622.156
Vlaams Gewest
Fiscale capaciteit (FC)
2013 = 2012
2012
Aanslagjaar 23.622.156
1,40%
0,80%
2014
Personenbelasting (federaal gedeelte)
Parameters
Begrotingsjaar
Tabel 2.3: Volledig parameteroverzicht
43,50%
56,50%
15/01/2013
0,43%
8,45%
28,07%
63,06%
166.990
3.308.059
10.992.913
24.693.493
2014
1,80%
1,30%
2015
43,50%
56,50%
15/01/2013
0,43%
8,39%
28,43%
62,76%
143.255
2.817.774
9.550.953
21.083.334
2015
1,70%
1,50%
2016
43,50%
56,50%
15/01/2013
0,43%
8,39%
28,43%
62,76%
149.359
2.937.834
9.957.900
21.981.653
2016
1,70%
1,60%
2017
MJR 2015-2019
43,50%
56,50%
15/01/2013
0,43%
8,39%
28,43%
62,76%
155.876
3.066.027
10.392.415
22.940.827
2017
1,60%
1,60%
2018
43,50%
56,50%
15/01/2013
0,43%
8,39%
28,43%
62,76%
162.425
3.194.829
10.828.996
23.904.562
2018
1,40%
1,70%
2019
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
6.350.765 3.470.201 1.138.854 76.128
Vlaanderen
Wallonië (excl. Duitst.)
Brussel
Duitstaligen
01/02/2014 1.239.500 738.265 257.678 104,8005%
Teldatum
Nederlandstalig
Franstalig
Brussel
Denataliteitscoëfficient
79,87013% 20,12987%
Vlaamse Gemeenschap
Franse Gemeenschap
20,12987%
79,87013%
01/01/2014
01/01/2014
Toestand
106,5221%
269.226
748.200
1.259.163
raming
30/06/2014
77.164
1.174.980
3.511.423
6.433.747
raming
01/01/2014
2015
105,3325%
262.412
740.402
1.243.976
01/02/2014
30/06/2013
76.128
1.138.854
3.470.201
6.350.765
01/01/2012
01/01/2013
2014
Verdeelsleutel Plantentuin
30/06/2012
Referentietijdstip
01/01/2012
Teldatum
01/01/2012
2013
HERZ 2014
Referentietijdstip
Min 18 jarigen (excl. Duitst.) (DENAT)
Inwoners
Begrotingsjaar
20,12987%
79,87013%
01/01/2014
107,2494%
274.478
752.098
1.267.985
raming
30/06/2015
77.689
1.192.675
3.532.420
6.474.280
raming
01/01/2015
2016
20,12987%
79,87013%
01/01/2014
107,9727%
279.423
756.197
1.277.328
raming
30/06/2016
78.186
1.208.762
3.552.875
6.512.806
raming
01/01/2016
2017
MJR 2015-2019
20,12987%
79,87013%
01/01/2014
108,6714%
283.962
760.348
1.287.670
raming
30/06/2017
78.656
1.223.250
3.572.814
6.549.297
raming
01/01/2017
2018
20,12987%
79,87013%
01/01/2014
109,2763%
287.957
763.888
1.298.031
raming
30/06/2018
79.089
1.236.144
3.592.262
6.583.888
raming
01/01/2018
2019
02 / DE MIDDELENBEGROTING
+80-jarigen
raming 1.334.871 792.782 284.619 16.312
Teldatum
Vlaamse Gemeenschap
Franse Gemeenschap
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie
Duitstalige Gemeenschap
01/01/2016
01/01/2015 raming 373.160 185.294 50.392 3.967
Referentietijdstip
Teldatum
Vlaamse Gemeenschap
Franse Gemeenschap
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie
Duitstalige Gemeenschap
4.109
50.095
185.639
381.385
raming
16.387
289.908
796.686
1.343.984
raming
01/01/2016
01/01/2015
Referentietijdstip
38,0%
62,0%
2016
38,0%
62,0%
2015
38,0%
Waals Gewest
62,0%
2014
Vlaams Gewest
2013
HERZ 2014
0 t.e.m. 18-jarigen
Pendelaars naar BHG
Begrotingsjaar
4.225
49.786
186.123
388.956
raming
01/01/2017
16.438
294.719
800.875
1.352.738
raming
01/01/2017
38,0%
62,0%
2017
MJR 2015-2019
4.321
49.431
186.647
397.081
raming
01/01/2018
16.525
299.328
805.086
1.362.741
raming
01/01/2018
38,0%
62,0%
2018
4.439
49.318
187.939
406.016
raming
01/01/2018
16.636
303.276
809.299
1.373.299
raming
01/01/2018
38,0%
62,0%
2019
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
02 / DE MIDDELENBEGROTING
2.2.2 Resultaten Tabel 2-4 toont de middelen die op basis van de beschreven parameters de komende jaren mogen verwacht worden. De voorliggende meerjarenraming houdt expliciet rekening met de budgettaire impact van de 6de staatshervorming.
Tabel 2.4: Opcentiemen en Samengevoegde & Gedeelde belastingen (in duizend euro) HERZ 2014 Opcentiemen en Samengevoegde & Gedeelde belastingen Gewest - PB zonder Lambermont
MJR 2015
MJR 2016
MJR 2017
MJR 2018
MJR 2019
9.257.697
-
-
-
-
-
Gewest - PB NST
0
0
0
0
0
0
Gewest - bijkomende middelen oude BFW
-
441.742
459.982
473.037
486.470
500.820
Gewest - PB negatieve term
-2.963.645
-
-
-
-
-
Gewest - Invulling fiscale autonomie
-
7.528.758
7.827.681
8.156.097
8.374.106
8.737.395
Gewest - herrekening opcentiemen (art 54, §1, lid 9)
-399.124
Gewest - PB extra middelen voor landbouw en zeevisserij
31.427
-
-
-
-
-
Gewest - PB extra middelen voor wetenschappelijk onderzoek
31.096
-
-
-
-
-
Gewest - PB extra middelen voor buitenlandse handel
13.612
-
-
-
-
-
Gewest - PB extra middelen voor lokale overheden
5.151
-
-
-
-
-
Gewest - PB extra middelen voor werk
-
1.668.063
1.184.817
1.215.030
1.245.333
1.276.256
Gewest - PB extra middelen voor fiscale uitgaven
-
1.153.146
1.179.748
1.209.831
1.240.006
1.270.796
GEW - Overgangsmechanisme
-
-268.396
-268.396
-268.396
-268.396
-268.396
-19.840
-29.760
-30.380
-27.280
-27.280
-27.280
Gewest - inhouding voor pendeldotatie BHG Totaal Gewest: Opcentiemen en Samengevoegde belastingen
6.355.499 10.493.553 10.353.453 10.758.320 10.651.115 11.489.592
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
HERZ 2014
MJR 2015
MJR 2016
MJR 2017
MJR 2018
MJR 2019
Gemeenschap - PB, incl Lambermont
4.257.215
5.233.345
5.123.190
5.253.829
5.384.864
Gemeenschap - BTW (art 40quinquies)
7.386.091
8.687.942
9.015.817
9.364.508
9.715.340 10.062.075
Gemeenschap - extra BTW Lambermont (naar PB en BTW)
1.460.413
0
0
0
0
0
Gemeenschap - gezinsbijslag
-
3.653.297
3.742.960
3.837.803
3.937.904
4.044.378
Gemeenschap - ouderenzorg
-
2.196.496
2.297.816
2.397.399
2.502.873
2.616.952
Gemeenschap - gezondheidszorg
-
472.034
485.472
498.350
511.276
524.412
Gemeenschap ziekenhuisinfrastructuur
-
-
355.452
364.894
374.371
383.998
Gemeenschap - justitiehuizen
-
51.738
53.407
55.184
56.964
58.743
Gemeenschap - interuniversitaire attractiepolen
-
-
-
-
17.704
18.257
GEM - Overgangsmechanisme
-
139.066
139.433
139.433
139.433
139.433
Totaal Gemeenschap: Gedeelde belastingen Vermoedelijke afrekening jaar N-1 (éénmalig) Algemeen totaal Gewest en Gemeenschap Saneringsbijdrage 2014 & respo-bijdrage 2015-2019 Algemeen totaal Gewest en Gemeenschap na respo-bijdrage
5.518.575
13.103.719 20.433.917 21.213.546 21.911.400 22.640.728 23.366.824 2.880
19.462.098 30.927.470 31.566.999 32.669.719 33.291.843 34.856.416 -151.167
-84.463
-93.781
-103.099
-112.417
-121.735
19.310.931 30.843.007 31.473.218 32.566.620 33.179.426 34.734.680
Zoals in paragraaf 2.1. gesteld, is de raming van de gewestelijke opcentiemen gebaseerd op de inschatting van de Belasting Staat die door de federale wetgever werd opgesteld. De gereduceerde Belasting Staat wordt bekomen door de Belasting Staat te verminderen met de autonomiefactor (25,990%). Het bedrag van de opcentiemen wordt vervolgens bekomen door op de gereduceerde Belasting Staat het tarief van de opcentiemen toe te passen. Voor de aanslagjaren 2015, 2016 en 2017 wordt er uitgegaan van 35,117% opcentiemen. De voorliggende meerjarenraming houdt eveneens rekening met een herziening van de autonomiefactor en het hiermee gerelateerde opcentiementarief. Vanaf aanslagjaar 2018 worden de autonomiefactor en het opcentiementarief op respectievelijk 25,545% en 34,309% geraamd. De herrekening of bijstelling van
02 / DE MIDDELENBEGROTING
de opbrengst aan opcentiemen voor de aanslagjaren 2015, 2016 en 2017 die hiervan het gevolg is, en die bedoeld wordt in artikel 54, §1, leden 7 tot 9 van de herziene Bijzondere Financieringswet, is eveneens in de voorliggende meerjarenraming opgenomen. De bedoelde bijstelling bedraagt 399,1 miljoen euro en wordt verondersteld zich volledig in het begrotingsjaar 2018 te manifesteren. De voorliggende meerjarenraming houdt echter geen rekening met de bijstelling van het referentiebedrag voor de bevoegdheid ‘fiscale uitgaven’. De bedoelde bijstelling wordt aangekondigd in artikel 35decies van de herziene Bijzondere Financieringswet en is gebaseerd op een verslag dat het Rekenhof uiterlijk 31 december 2016 zal opstellen met betrekking tot de fiscale uitgaven voor het aanslagjaar 2015 (artikel 81ter). Omdat de bedoelde bijstelling betrekking heeft op de gerealiseerde fiscale uitgaven van de drie gewesten, wordt er voorlopig abstractie van gemaakt. De fiscale uitgaven die naar aanleiding van de 6de staatshervorming geregionaliseerd worden, zijn in de voorliggende meerjarenraming niet als een minderontvangst verwerkt, maar als een uitgave. Ze komen aan bod in hoofdstuk 3: De uitgavenbegroting. Tot slot zijn in de voorliggende meerjarenraming de mogelijke budgettaire gevolgen buiten beschouwing gelaten van het responsabiliseringsmechanisme inzake klimaat. De kosten voor de gezinsbijslag (artikel 68quinquies) en de jeugdinstelling Tongeren (artikel 81quinquies, §2) zijn langs de uitgavenzijde van deze meerjarenraming verwerkt.
2.2.3 Sensitiviteit Gezien de volatiliteit van de in tabel 2-3 vermelde parameters wordt in tabel 2-5 een overzicht geboden van de sensitiviteit van deze parameters op de middelen uit de herziene Bijzondere Financieringswet voor de begrotingsjaren 2015 tot en met 2019. In deze paragraaf wordt nagegaan in welke mate de opcentiemen, samengevoegde en gedeelde belastingen, en de specifieke dotaties (zie paragraaf 2.3.) reageren op een wijziging van de relevante parameters in het begrotingsjaar 2015. Tabel 2-5 geeft een schematisch overzicht van het verrichte onderzoek. Elke onderzochte wijziging had een grootte van 0,1 procentpunt (10 basispunten) of 0,1 eenheden voor de elasticiteit. De grootte van de impact varieert over de jaren o.m. door de werking van het overgangsmechanisme (OM).
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Tabel 2.5: Sensitiviteit (in duizend euro) Parameter 2015
2015
2016
2017
2018
2019
BBP
29.681
31.089
32.228
14.386
29.343
CPI
29.428
30.793
31.885
29.040
33.080
BELASTING STAAT (aanslagjaar 2015)
311 (inclusief -11.740 OM)
-11.740 (inclusief -11.740 OM)
-11.740 (inclusief -11.740 OM)
-12.702 (inclusief -11.740 OM)
-11.740 (inclusief -11.740 OM)
FEDERAAL GEBLEVEN PB (aanslagjaar 2015)
-
11.302
-
-
-
LLN
13.393 (inclusief -1.985 OM)
-1.985 (inclusief -1.985 OM)
-1.985 (inclusief -1.985 OM)
-1.985 (inclusief -1.985 OM)
-1.985 (inclusief -1.985 OM)
DENAT
8.665 (inclusief 79 OM)
511 (inclusief 79 OM)
515 (inclusief 79 OM)
519 (inclusief 79 OM)
524 (inclusief 79 OM)
TAALROL
8
-
-
-
-
PENDEL
-48
-
-
-
-
0-18 JARIGEN
-214 (inclusief -6.602 OM)
-55 (inclusief -6.602 OM)
112 (inclusief -6.602 OM)
290 (inclusief -6.602 OM)
478 (inclusief -6.602 OM)
80+ JARIGEN
0 (inclusief -3.584 OM)
165 (inclusief -3.584 OM)
328 (inclusief -3.584 OM)
500 (inclusief -3.584 OM)
686 (inclusief -3.584 OM)
ELASTICITEIT (aanslagjaar 2015)
13.348
13.917
14.524
-41.328
38
2.2.4 Toelichting Omdat in de voorliggende meerjarenraming zowel de oude, als de herziene Bijzondere Financieringswet aan bod komen, bevat deze meerjarenraming eveneens een beknopte technische toelichting bij de herziening van de Bijzondere Financieringswet. Bedoelde toelichting is opgenomen in Bijlage I.
02 / DE MIDDELENBEGROTING
2.3 Specifieke dotaties vanwege de federale overheid
Tabel 2-6 toont de middelen die inzake de specifieke dotaties de komende jaren mogen verwacht worden.
Tabel 2.6: Specifieke dotaties vanwege de federale overheid (in duizend euro) Tewerkstellingsprogramma’s
HERZ 2014 MJR 2015
MJR 2016
MJR 2017
MJR 2018
MJR 2019
261.560
-
-
-
-
-
Buitenlandse studenten
36.866
37.345
37.905
38.512
39.128
39.793
Buitenlandse studenten (afrekening)
40
Dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld Dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld (afrekening)
584.983
-
-
-
631 14.991
15.216
-
Overname verkeersbelastingen
14.799
15.459
Overname verkeersbelastingen (afrekening)
16
Dotatie Nationale Plantentuin
6.560
Dotatie Nationale Plantentuin (afrekening)
Overname registratie- en successierechten
24.367
24.733
25.128
25.531
Overname registratie- en successierechten (afrekening)
Algemeen totaal dotaties vanwege federale overheid
905.455
83.469
84.838
86.316
87.814
6.765
6.984
15.707
7.216
7.449
-
15.974
7.681
25.965
89.413
De dotatie voor de wedertewerkstelling van werklozen, bedoeld in artikel 35 van de oude Bijzondere Financieringswet, wordt vanaf begrotingsjaar 2015 ten belope van 90% opgenomen in de globale tewerkstellingsdotatie. De resterende 10% wordt toegevoegd aan het overgangsmechanisme. Om die reden is deze dotatie vanaf begrotingsjaar 2015 niet meer opgenomen in tabel 2-6. Krachtens artikel 62 van de Bijzondere Financieringswet wordt aan de gemeenschappen – ook na het begrotingsjaar 2014 - een dotatie toegekend ter financiering van het universitair onderwijs dat aan buitenlandse studenten wordt verstrekt. De basisbedragen die in het bedoelde artikel zijn voorzien, worden jaarlijks aan de inflatie aangepast.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Krachtens het Lambermontakkoord werd het kijk- en luistergeld omgevormd van een gemeenschapsbelasting naar een gewestbelasting. De gemeenschappen verkregen wel een dotatie ter compensatie voor het wegvallen van het kijk- en luistergeld. De berekening van de dotatie was gebaseerd op de gemiddelde nettoontvangsten van het kijk- en luistergeld in 1999, 2000 en 2001, en dit in de betrokken gemeenschappen. Deze netto-ontvangsten werden evenwel uitgedrukt in prijzen van 2002. Vanaf 2003 werd het basisbedrag 2002 van de dotatie aangepast aan de inflatie. Vanaf de inwerkingtreding van de herziene Bijzondere Financieringswet (2015) zal de bedoelde dotatie van beide gemeenschappen in de BTW-basisdotatie geïntegreerd worden en bijgevolg de evolutie en verdeling van de BTW-basisdotatie volgen.
Naar aanleiding van de overname vanaf 2011 van de dienst van de verkeersgerelateerde gewestbelastingen (verkeersbelasting, belasting op de inverkeersstelling en eurovignet) ontvangt het Vlaams Gewest van de federale overheid jaarlijks - ook na het begrotingsjaar 2014 - een extra dotatie om de kosten van het overgenomen federaal personeel te compenseren. De berekening van de dotatie is gebaseerd op de gemiddelde kostprijs van de dienst van de betrokken gewestbelastingen voor de jaren 1999, 2000 en 2001, uitgedrukt in prijzen van 2002. Vanaf 2003 wordt dit bedrag (per gewestbelasting) aangepast aan de evolutie van de consumptieprijsindex. De basisbedragen staan vermeld in de wet van 8 maart 2009 tot vaststelling van de totale kostprijs van de dienst van de gewestelijke belastingen, in uitvoering van artikel 68ter van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en gewesten (BS 20 maart 2009). Een gelijkaardige dotatie wordt vanaf 2015 aan het Vlaams Gewest toegekend voor de overname van de dienst van de registratie- en successierechten. Tot slot wordt krachtens artikel 62ter van de Bijzondere Financieringswet aan de gemeenschappen ook na het begrotingsjaar 2014 - een dotatie toegekend vanaf het begrotingsjaar waarin de Nationale Plantentuin van België wordt overgedragen. Het in artikel 62ter vermelde basisbedrag wordt jaarlijks aan de inflatie en aan de economische groei aangepast. De verdeling van het aangepaste bedrag over beide gemeenschappen geschiedt volgens een sleutel die in overeenstemming is met de taalrol van het effectief personeelsbestand van de Nationale Plantentuin op de dag van de overdracht. De bedoelde overdracht vond plaats op 1 januari 2014. De in de meerjarenraming 2014-2019 gehanteerde verdeelsleutel weerspiegelt de taalrol op 1 januari 2014. Voor het begrotingsjaar 2014 wordt de dotatie van de Vlaamse Gemeenschap op 6.560 duizend euro geraamd. In het jaar van overdracht is er geen afrekening.
2.4 Gewestelijke belastingen
De ramingen van de gewestelijke belastingen voor de begrotingsjaren 2015 en volgende zijn enerzijds gebaseerd op de ramingen van de FOD Financiën voor het jaar 2014, en anderzijds op de economische vooruitzichten die door het Federaal Planbureau in maart 2014 werden gepubliceerd. Vooral de registratierechten, de successierechten en de schenkingsrechten worden door conjuncturele elementen beïnvloed.
1.937.992 150.102
1.880.342 143.569
Registratierechten
Hypotheekrechten
Belasting op de inverkeersstelling (inning IVA VLABEL)
Belasting op de inverkeersstelling (inning FOD Financiën)
Verkeersbelasting op de autovoertuigen (inning IVA VLABEL)
201.780
0
985.840
0
0
64
Openingsbelasting
Verkeersbelasting op de autovoertuigen (inning FOD Financiën)
30.303
33.432
Belasting op de automatische ontspanningstoestellen
198.758
0
990.260
0
26.845
28.386
Belasting op de spelen en weddenschappen
102.039
1BA 2014
103.751
REA 2013
Onroerende voorheffing
Tabel 2.7: Gewestelijke belastingen (in duizend euro)
200.816
0
979.128
0
147.489
1.951.680
0
33.981
30.076
103.202
HERZ 2014
201.996
0
986.472
0
151.946
2.046.003
0
34.200
30.846
105.955
MJR 2015
203.691
0
997.283
0
156.847
2.147.901
0
34.420
31.636
109.299
MJR 2016
205.475
0
1.008.929
0
161.906
2.257.095
0
34.642
32.446
112.965
MJR 2017
207.408
0
1.021.687
0
166.800
2.367.178
0
34.865
33.277
116.870
MJR 2018
Tabel 2-7 toont een overzicht van de begrotingsposten en de weerhouden bedragen. De getoonde bedragen betreffen ESR gecorrigeerde ontvangsten.
209.422
0
1.035.104
0
172.010
2.475.300
0
35.089
34.130
120.917
MJR 2019
02 / DE MIDDELENBEGROTING
Totaal
Kijk- en luistergeld
5.421.385
0
0 5.279.670
1.604.215
304.175
284.103
Schenkingsrechten
1.543.625
53.079
52.333
Eurovignet (inning IVA VLABEL)
Successierechten en recht van overgang bij overlijden
23.617
1BA 2014
22.446
REA 2013
Eurovignet (inning FOD Financiën)
5.498.859
0
1.663.893
312.487
52.734
23.373
HERZ 2014
5.623.679
0
1.660.597
328.047
53.378
24.239
MJR 2015
5.823.866
0
1.719.238
344.385
54.029
25.137
MJR 2016
6.039.795
0
1.783.687
361.893
54.688
26.069
MJR 2017
6.279.742
0
1.869.723
379.543
55.356
27.035
MJR 2018
6.518.042
0
1.955.124
396.879
56.031
28.036
MJR 2019
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
02 / DE MIDDELENBEGROTING
De raming van de gewestbelastingen is gebeurd vanuit een constant beleid hypothese. Eenmalige ontvangsten in 2014 werden in meerjarig perspectief gecorrigeerd. De raming van de onroerende voorheffing gaat o.m. uit van een jaarlijks hoeveelheidseffect van 2%. Naast de jaarlijkse indexering wordt ook een correctie voor onwaarden en wanbetalers toegepast. Met betrekking tot de belasting op de inverkeersstelling wordt er verondersteld dat het technologie-effect en het vergroeningseffect elkaar compenseren. De toename van de geraamde ontvangst wordt bijgevolg verklaard door de evolutie van de inflatie, aangevuld met een correctie voor onwaarden en wanbetalers. De raming van de verkeersbelasting gaat uit van een jaarlijks hoeveelheidseffect van 0,85%. De wijziging in de samenstelling van het wagenpark als gevolg van een toename van het aantal milieuvriendelijke wagens heeft een negatieve impact op de geraamde ontvangst (lagere fiscale PK’s) en wordt op -1,10% per jaar geschat. Naast de jaarlijkse indexering wordt ook een correctie voor onwaarden en wanbetalers toegepast. Voor de raming van het eurovignet wordt de beperkte stijging in 2013 (1,22%) doorgetrokken naar de toekomst. Op het deel dat door de federale overheid geïnd wordt, wordt een historisch jaarlijks groeipercentage toegepast (3,71%). De jaarlijkse opbrengst van de kilometerheffing voor vrachtwagens kan vanaf 2016 grosso modo op 455 miljoen euro geraamd worden (exclusief de vermindering van het eurovignet). Omdat de Vlaamse Regering nog geen beslissing genomen heeft inzake het tarief van de bedoelde heffingen wordt de geraamde opbrengst niet opgenomen in de voorliggende meerjarenraming, maar enkel als budgettair aandachtspunt opgelijst. De raming van de registratierechten, hypotheekrechten en schenkingsrechten vertrekt van de federale raming voor 2014 en houdt rekening met de inflatie en de economische groei over de periode 2015-2019. Aangaande de successierechten en het recht van overgang bij overlijden wordt er van uitgegaan dat de effecten van de fiscale regularisatie en de inspanningen van de federale overheid inzake de strijd tegen de fraudemechanismen ook de komende jaren gevolgen blijven ressorteren. De raming van de successierechten en het recht van overgang bij overlijden bestaat uit twee delen. Vooreerst wordt de opbrengst in 2014 van de fiscale regularisatie (derde ronde) kasmatig op 88,8 miljoen euro geraamd. In 2015 en 2016 bedraagt de bedoelde ontvangst respectievelijk 44,4 en 22,2 miljoen euro. Vanaf 2017 wordt er geen opbrengst meer verwacht van de fiscale regularisatie. De betaaltermijn voor de dossiers ‘fiscale regularisatie’ bedraagt twee weken. Hieruit volgt dat de ESR correctie voor dossiers ‘fiscale regularisatie’ eveneens twee weken bedraagt. Het tweede gedeelte bestaat uit de raming van de courante nalatenschappen. Laatstbedoelde raming over de periode 2015-2019 is gebaseerd op de federale raming voor 2014 en houdt rekening met de inflatie en de economische groei over de periode 2015-2019. De raming veronderstelt bovendien dat zich in de periode 2015-2019 eenzelfde volume aan grote nalatenschappen zullen voordoen als in 2014. De betaaltermijn voor de courante nalatenschappen bedraagt twee maanden waardoor de ESR correctie eveneens twee maanden bedraagt.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
2.5 Toegewezen ontvangsten
Aan een begrotingsfonds toegewezen of geaffecteerde ontvangsten - die niet als opbrengsten uit kredietverleningen of deelnemingen kunnen bestempeld worden - zijn ontvangsten die voorbehouden worden voor het dekken van bepaalde duidelijk omschreven uitgaven. De raming van de toegewezen ontvangsten schommelt in de meerjarenraming rond de 136 miljoen euro. De daling van de toegewezen ontvangsten vanaf 2015 wordt hoofdzakelijk verklaard door het wegvallen van de ontvangst van het vaccinatiefonds (17,9 miljoen euro) die vanaf 2015 in de dotatie voor gezondheidszorg begrepen is. De belangrijkste toegewezen ontvangsten in de middelenbegroting zijn:
•• •• •• ••
de inschrijvingsgelden van het deeltijds kunstonderwijs; de terugbetaling van salarissen en salaristoelagen in de onderwijssector; de inkomsten in het kader van het medisch-sociaal beleid; de inkomsten van het Vernieuwingsfonds.
2.6 Andere ontvangsten
De andere ontvangsten betreffen niet-fiscale, niet-toegewezen ontvangsten die niet kunnen bestempeld worden als (1) opbrengsten uit kredietverleningen of deelnemingen, of (2) dotaties komende van instellingen behorende tot de consolidatiekring. Tot deze categorie behoren onder meer de dividenden van de openbare investeringsmaatschappijen en de dividenden van financiële instellingen die door de Vlaamse Regering in 2009 gesteund werden. De variatie over de periode 2014-2019 in de categorie andere ontvangsten wordt hoofdzakelijk verklaard door de evolutie van de dividenden van de financiële instellingen (zie tabel 2-2) en van de openbare investeringsmaatschappijen, en door het wegvallen van de ontvangst in het kader van de meerwaardeneconomie (9,2 miljoen euro) die vanaf 2015 in de dotatie voor tewerkstelling begrepen is. Bovendien is de opbrengst van het digitaal dividend (4G licenties; 42,0 miljoen euro) een eenmalige opbrengst die ESR matig in 2013 aanrekenbaar is. Om deze reden valt de opbrengst van het digitaal dividend weg bij de begrotingsherziening 2014. Tot slot bevat deze categorie eveneens de ontvangsten die naar aanleiding van de 6de staatshervorming in het kader van de verkeersveiligheid geregionaliseerd worden (BIVV, retributies, verkeersboeten), zijnde 130,8 miljoen euro in 2015, nadien oplopend tot 184,6 miljoen euro in 2019. De raming van de verkeersboeten gaat uit van een bedrag van 122,2 miljoen euro onmiddellijke inningen in 2015. De evolutie tijdens de daaropvolgende jaren wordt verondersteld gelijk te lopen met de inflatie. Het bedrag van de transactionele stortingen en de veroordelingen wordt in 2015 op 43,8 miljoen euro geraamd. De evolutie tijdens de daaropvolgende jaren wordt ook hier verondersteld gelijk te lopen met de inflatie, maar in tegenstelling tot de onmiddellijke inningen wordt er bijkomend verondersteld dat de inningen inzake de transactionele stortingen en de veroordelingen zich gelijkmatig over de drie daaropvolgende begrotingsjaren spreiden.
02 / DE MIDDELENBEGROTING
2.7 Lotto-middelen
Volgens artikel 62bis van de Bijzondere Financieringswet krijgt elke gemeenschap een bepaald percentage van de te verdelen winst van de Nationale Loterij toegewezen. De federale ministerraad dient hiertoe de uitkeerbare winst te bepalen. De raming van de Lotto-middelen wordt in de meerjarenraming constant gehouden op 33,8 miljoen euro. Die raming is gebaseerd op het voorlopig winstverdelingsplan voor het dienstjaar 2014.
2.8 Te consolideren instellingen
Tabel 2-8 geeft een overzicht van de ESR gecorrigeerde ontvangsten van de Vlaamse instellingen die tot de consolidatieperimeter behoren. Hierbij worden de instellingen met belangrijke bedragen aan eigen ontvangsten apart vermeld.
75.918
68.864
4.094
106.800
Loodswezen
Andere instellingen met DAB-vorm
VMM
VDAB
20.317
176.078
VAPH
VVM - De Lijn
Totaal
Andere instellingen met andere dan DAB-vorm
1.363.895
394.673
-
149.106
Kind & Gezin
VEB
188.839
VRT
41.371
19.641
VIF
NV Waterwegen en Zeekanaal
118.193
MINA
REA 2013
1.449.321
1.473.552
332.085
1.461
1.461 331.935
231.095
20.211
156.283
190.971
62.581
104.170
30.786
55.766
76.591
94.785
116.767
HERZ 2014
231.095
20.211
156.283
190.971
62.581
104.170
30.786
23.806
76.591
94.785
124.646
1BA 2014
Tabel 2.8: Te consolideren instellingen (in duizend euro)
1.438.183
329.951
27.299
234.330
20.494
158.471
193.645
63.457
93.396
3.562
65.573
77.663
56.013
114.326
2015
1.511.211
333.840
77.639
237.845
20.801
160.848
196.550
64.409
94.797
3.616
72.149
78.828
56.854
113.035
2016
1.583.169
337.927
127.061
241.651
21.134
163.422
199.695
65.440
96.314
3.673
76.864
80.089
57.763
112.135
2017
1.602.880
341.937
124.982
245.517
21.472
166.036
202.890
66.487
97.855
3.732
80.428
81.371
58.687
111.485
2018
1.623.269
346.600
122.486
249.691
21.837
168.859
206.339
67.617
99.519
3.796
83.291
82.754
59.685
110.795
2019
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
02 / DE MIDDELENBEGROTING
De ESR gecorrigeerde ontvangsten van het Minafonds evolueren van 116,8 miljoen euro in 2014 naar 110,8 miljoen euro in 2019. De ontvangsten zijn in hoofdzaak afkomstig van de milieuheffingen. De milieuheffingen worden geïnd door de Vlaamse openbare milieu-instellingen. Meer bepaald int OVAM de afvalstoffenheffing, VMM de waterheffingen en VLM de administratieve geldboetes in het kader van MAP III. Over de periode 2014-2019 wordt ervan uitgegaan dat de ontvangsten uit afvalstoffenheffingen met 2,8 miljoen euro afnemen. Dit is te wijten aan de sturende werking van de heffing en inzonderheid het verbieden of ontraden van storten en het recupereren van energie uit afvalstoffenstromen. Enerzijds is er bij de begrotingsaanpassing 2014 een verlaging van de ontvangst uit de waterheffingen van 7,9 miljoen euro, namelijk van 54,6 miljoen naar 46,7 miljoen euro, omwille van het feit dat de drinkwatermaatschappijen vanaf 2014 een bovengemeentelijke vergoeding aanrekenen aan bedrijven op het water gewonnen via eigen waterwinning. Teneinde een dubbele heffing te voorkomen, wordt deze bovengemeentelijke vergoeding in mindering gebracht van de waterheffing. Anderzijds zullen de ontvangsten uit de waterheffingen over de periode 2014-2019 nog afnemen met 2,7 miljoen euro, van 46,7 miljoen euro in 2014 naar 44 miljoen euro in 2019, rekening houdend met een indexatie van 1,5%, een vuilvrachtdaling van 2,5% voor de gezinnen (kleinverbruikers) en een vuilvrachtdaling van 2% voor bedrijven (grootverbruikers). Ook de ontvangsten in het kader van MAP III zullen dalen over de periode 2014-2019 van 2,3 miljoen euro naar 1,5 miljoen euro, ten gevolge van de sturende werking van de heffing. Ingevolge het wegvallen van de opbrengsten uit de verkoop van activa aan Aquafin NV vallen de ESR gecorrigeerde ontvangsten van de VMM in 2015 terug naar 3,6 miljoen euro. De evolutie tijdens de daaropvolgende jaren wordt verondersteld gelijk te lopen met de inflatie. De ESR gecorrigeerde ontvangsten van het Loodswezen, de NV Waterwegen en Zeekanaal en De Lijn worden geïndexeerd volgens de in de nota budgettaire ruimte gehanteerde inflatieparameters. Hierbij worden, ondanks het eerder hoge niveau in 2014, de uitzonderlijke opbrengsten bij De Lijn, de komende jaren constant gehouden. De ESR gecorrigeerde ontvangsten van het VIF kennen in 2015 een sterke daling wegens het terug in mindering brengen van de eenmalige opbrengsten uit de verkoop van gronden en een gebouw in 2014. Zo vervalt de opbrengst uit de verkoop van gronden Oostende Oosteroever, ten belope van 28,5 miljoen, en van gronden (6 miljoen euro) en een gebouw (5 miljoen euro) binnen het Agentschap Wegen en Verkeer. De in 2014 geboekte verhoging van eigen ontvangsten, ten belope van 4 miljoen euro, binnen het Agentschap Wegen en Verkeer (hoofdzakelijk opbrengsten van de nevenbedrijven) wordt wel als recurrent beschouwd. De recurrente ESR gecorrigeerde ontvangsten worden geïndexeerd conform de in de nota budgettaire ruimte gehanteerde inflatieparameters. De daling in 2015 van de ESR gecorrigeerde ontvangsten van de VDAB wordt verklaard door het wegvallen van de federale ontvangst voor de controle disponibiliteit (12 miljoen euro). De bedoelde ontvangst wordt naar aanleiding van de 6de staatshervorming vanaf 2015 geïntegreerd in de dotatie voor tewerkstelling. De overige ontvangsten van de VDAB worden verondersteld gelijk te lopen met de inflatie. De ESR gecorrigeerde ontvangsten van Kind en Gezin stijgen ten gevolge van de inflatie van 156,3 miljoen euro in 2014 tot 168,9 miljoen euro in 2019. Ook de ESR gecorrigeerde ontvangsten van het VAPH worden verondersteld gelijk te lopen met de inflatie.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
De raming van de ESR gecorrigeerde ontvangsten van het VEB is gebaseerd op het businessplan. Tot slot valt binnen de andere instellingen met DAB-vorm de stijging bij de begrotingsherziening 2014 op. Deze stijging is volledig toe te schrijven aan het opnemen van een raming van de ontvangsten binnen de DAB Emissierechten in het kader van het klimaatbeleid. De ontvangsten van de DAB Emissierechten evolueren van 32 miljoen euro in 2014 naar 57,6 miljoen euro in 2019 in overeenstemming met de opgenomen uitgaven binnen het Klimaatfonds.
03 / DE UITGAVENBEGROTING
03 / DE UITGAVENBEGROTING
3.1 Inleiding 3.1.1
Werkwijze voor huidige bevoegdheden
Voor wat de berekening van de kost van het constant beleid inzake de huidige bevoegdheden in de periode 2014-2019 betreft, worden de uitgangshypothesen inzake de in afgelopen legislatuur gehanteerde kostendrijvers en budgettaire engagementen bij ongewijzigd beleid rigoureus doorgetrokken. De bij de begrotingsopmaak 2014 doorgevoerde besparingen worden recurrent doorgetrokken. Eenmalige investeringskredieten resp. - inkomsten worden logischerwijs niet doorgetrokken. Wat betreft de meeruitgaven aan beschikbaarheidsvergoedingen voor alternatief gefinancierde projecten, worden er voor sommige initiatieven zoals PPS in de sport, VIPA-II, VAC’s nog bijkomende kredieten t.o.v. de begrotingsopmaak 2014 voorzien. Voor andere initiatieven zoals VIA-invest, PPS in de scholenbouw, … zullen de reeds in het verleden toegekende kredieten vooreerst dienen te worden ingezet en wordt er verder in voorliggende raming verondersteld dat er nog een verdere compensatie binnen de voor klassieke financiering ter beschikking gestelde middelen kan gevonden worden. De volgende Vlaamse Regering zal verder dienen te bekijken welke beschikbaarheidsvergoedingen met de in voorliggende meerjarenraming voorziene kredieten kunnen opgevangen worden en waar er desgevallend bijkomende middelen moeten worden ingezet. Voor meer detail inzake de verwachte evolutie van beschikbaarheidsvergoedingen in meerjarig perspectief, wordt verwezen naar de bijlage III: Budgettaire boordtabel houdende alternatieve financiering. In de technische begrotingsherziening 2014 en de meerjarenraming 2015-2019 wordt ook nog weergegeven hoe de Vlaamse Regering invulling wenst te geven aan het competitiviteitspact en het SALK. Voor wat betreft het competitiviteitspact worden de kredieten die bij de begrotingsopmaak 2014 voorzien werden onder het beleidsdomein Financiën en Begroting verdeeld over de resp. beleidsdomeinen conform de afspraken die hieromtrent in de schoot van de Vlaamse Regering werden gemaakt. Voor wat betreft het SALK wordt vooreerst het effect zichtbaar gemaakt van de herverdelingen die in 2014 zijn doorgevoerd vanuit het restant van de provisie van 24 miljoen euro voor het SALK die in 2013 werd ter beschikking gesteld. Daarnaast wordt ook aangegeven welke beslissingen van de Vlaamse Regering - tot op datum van 9 mei 2014 - een verhoging van de beleidskredieten bij andere beleidsdomeinen dan Economie, Wetenschappen en Innovatie (EWI) tot gevolg hebben en dit door de recuperatie van de vastlegging van 58 miljoen euro die binnen het Hermesfonds van EWI eveneens ter beschikking werd gesteld voor het SALK. De exacte repercussie van de aannames met betrekking tot de in deze meerjarenraming gehanteerde indexatieparameters resp. externe kostendrijvers en budgettaire engagementen is terug te vinden onder punt 3.2.: Indexatie bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden, resp. onder punt 3.3.: Andere kostendrijvers of budgettaire engagementen bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
3.1.2
Werkwijze voor nieuwe bevoegdheden
Voor de raming van de extra uitgaven waarvoor Vlaanderen bevoegd wordt, maakt voorliggende meerjarenraming gebruik van de in het kader van de 6de staatshervorming door de federale overheid ter beschikking gestelde budgettaire boordtabel. Deze tabel lag tevens aan de basis voor het bepalen van de dotaties die met toepassing van de nieuwe bijzondere Financieringswet ter beschikking worden gesteld voor de nieuwe bevoegdheden. Deze boordtabel wordt dan ook gebruikt als zijnde het eerste uitgangspunt voor het ramen van de toename van de uitgaven binnen de Vlaamse begroting in het begrotingsjaar 2015 en volgende jaren. Voor enkele bevoegdheden met een (gedeeltelijk of tijdelijk) extern kostendrijverkarakter en tegelijk ook een significant budgettair gewicht werd door het departement financiën en begroting een eigen raming opgesteld op basis van de tot op heden beschikbare informatie. Het betreft hier meer concreet gezinsbijslag, residentiële ouderenzorg, ziekenhuisinfrastructuur, tegemoetkoming hulp aan bejaarden, doelgroepenbeleid bij de RVA, (fiscale uitgaven voor) dienstencheques en de fiscale uitgaven inzake woonbonus en bouwsparen. Voor alle uitgaven die in het kader van de 6de staatshervorming aan de kredieten worden toegevoegd op basis van de budgettaire boordtabel of op basis van een eigen raming wordt ook in indexatie volgens de onder punt 3.2. vermelde parameters voorzien. Enkel voor ziekenhuisinfrastructuur is deze indexatie niet benodigd. Praktisch gezien wordt in voorliggend document - net zoals in de budgettaire boordtabel voor de 6de staatshervorming - de budgettaire impact van alle bevoegdheden als extra uitgave verrekend. De fiscale uitgaven en inhoudingen op dotaties die tijdens de transitieperiode in de Bijzondere Financieringswet voorzien zijn, zijn met andere woorden nog niet verrekend aan ontvangstenzijde. Tot slot is het ook nog van belang om te vermelden dat het budget dat voor enkele bevoegdheden in de budgettaire boordtabel werd opgenomen, geen aanleiding geeft tot een verhoging van de beleidskredieten van de Vlaamse begroting. Het betreft bevoegdheden waarbij de middelen in voorbije legislatuur reeds aan de Vlaamse overheid toekwamen: meer specifiek gaat het om de middelen inzake vaccinatie, beschikbaarheidscontrole bij VDAB, meerwaardeneconomie en trekkingsrechten inzake tewerkstellingsprogramma’s. Ook de middelen voorzien voor het participatiefonds (106 miljoen euro aan niet-recurrente ESR-8-middelen) en de extra ontvangsten in het kader van het mobiliteitsbeleid worden logischerwijs niet mee verrekend in de extra evolutie van de beleidskredieten. De beschrijving van de specifieke kredietevolutie van de nieuwe bevoegdheden is per beleidsdomein terug te vinden onder punt 3.3. - Andere kostendrijvers of budgettaire engagementen bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden.
3.1.3 Aandachtspunten bij de aannames bij huidige en nieuwe bevoegdheden Met het oog de totstandkoming van dit document werden er bilaterale overlegmomenten georganiseerd tussen het departement Financiën en Begroting en de diverse beleidsdomeinen. Deze besprekingen hebben enkele aandachtspunten aan het licht gebracht met betrekking tot de aannames bij constant beleid van de huidige bevoegdheden enerzijds en met betrekking tot de nieuwe bevoegdheden anderzijds.
03 / DE UITGAVENBEGROTING
Voor wat betreft de huidige bevoegdheden werd onder punt 3.1.1. reeds vermeld dat de volgende Vlaamse Regering verder zal dienen te bekijken welke beschikbaarheidsvergoedingen met de in voorliggende meerjarenraming voorziene kredieten kunnen opgevangen worden en waar er desgevallend bijkomende middelen moeten worden ingezet. Daarnaast is het ook zo dat in voorliggende meerjarenraming tevens geen middelen voor nieuwe cao’s met de diverse sectoren zijn voorzien. Ook hiervoor zal de volgende Vlaamse Regering dienen te bekijken hoe ze eventuele meerkosten hieromtrent budgettair zal inpassen. In navolging van het raamakkoord van 23 november 2012 omtrent de besparingen op personeels(gerelateerde) kredieten, waarin werd bepaald dat bij de opmaak van de begroting 2015 de sociaal-economische en budgettaire situatie opnieuw zal moeten geëvalueerd worden, wordt de besparing van 100 miljoen euro in voorliggende recurrent doorgetrokken. Het is aan de Vlaamse Regering om uit te maken of zij de besparing al dan niet verder zal zetten. Voor wat betreft de nieuwe bevoegdheden zijn er tevens enkele overkoepelende aandachtspunten te formuleren:
••
••
Een eerste aandachtspunt betreft de bijkomende kost voor de loonmatigingsbijdrage. Zo is het momenteel zo dat er voor zowel statutaire- als contractuele personeelsleden die voor het operationaliseren van de nieuwe bevoegdheden worden aangeworven er een loonmatigingsbijdrage van resp. 5,89% en 6,6% dient te worden betaald. Deze meerkost werd niet verrekend in de budgettaire boordtabel bij 6de staatshervorming. Eventueel kan een deel van de meerkost opgevangen worden door minder personeelsleden over te nemen of aan te werven dan origineel in de budgettaire boordtabel voorzien. De budgettaire boordtabel die door de federale overheid ter beschikking werd gesteld, bevat geen raming van de toenemende taakbelasting die ontstaat bij de horizontale beleidsdomeinen. Daarnaast wijst de budgettaire boordtabel tevens alle kosten inzake huisvesting, schoonmaak, catering… toe aan de inhoudelijke materie waarvoor de kosten worden gemaakt. Binnen de Vlaamse overheid worden daarentegen voor vele entiteiten deze kosten opgenomen door het Agentschap voor Facilitair Management (AFM). In de mate dat AFM moet instaan voor het beheer van de gebouwen, zal AFM dan ook een deel van de over te hevelen werkingsbudgetten claimen.
Een beschrijving van de specifieke aandachtpunten per beleidsdomeinen is terug te vinden onder punt 3.3. - Andere kostendrijvers of budgettaire engagementen bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden.
3.2 Indexatie bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden
Tabel 3-1 toont de diverse indexparameters die in voorliggende meerjarenraming worden gehanteerd. Voor de begrotingsherziening 2014 en de raming 2015 baseren we ons op de inflatievooruitzichten van het planbureau van 6 mei 2014. Voor de periode 2016-2019 werden de projecties uit de Economische Vooruitzichten van het Federaal Planbureau weerhouden (maart 2014).
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Tabel 3.1: Indexparameters
Verwachte evolutie gezondheidsindex
BO 2014
HERZ 2014
MJR 2015
MJR 2016
MJR 2017
MJR 2018
MJR 2019
1,4%
0,9%
1,4%
1,5%
1,6%
1,6%
1,6%
Overschrijding spilindex
Jun. ‘14
Nov.’14
-
Feb. ‘16
Mei. ‘17
Okt. ‘18
-
Maand aanpassing loon
Aug. ‘14
-
Jan.’15
Apr. ‘16
Juli. ‘17
Dec. ‘18
-
Index loon buiten provisie
1,4%
0,9%
1,4%
1,5%
1,6%
1,6%
1,6%
Index niet loon
1,4%
0,9%
1,4%
1,5%
1,6%
1,6%
1,6%
In tabel 3-2 wordt de cumulatieve toename van de beleidskredieten voor de huidige bevoegdheden t.o.v. 1BA 2014 als gevolg van indexatie weergegeven. Het volledig budgettair effect van de verwachte overschrijding van de spilindex in november 2014 wordt vanaf begrotingsjaar 2015 toegewezen aan de resp. ontvangende begrotingsartikelen. De kost van de overschrijdingen van de spilindex in de jaren 2016, 2017 en 2018 wordt eveneens voorzien op de resp. begrotingsartikelen. De cumulatieve toename van de beleidskredieten omwille van indexatie inzake de huidige bevoegdheden bedraagt in 2019 1,7 miljard euro.
-2.186 -2.438
Cultuur, Jeugd, Sport en Media
Werk en Sociale Economie
TOTAAL (excl. FFEU)
-30.774
-878
-6.675
Mobiliteit en Openbare Werken
Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed
-2.150
Leefmilieu, Natuur en Energie
-556
-1.608
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
Landbouw en Visserij
-7.141
Onderwijs en Vorming
-348
Internationaal Vlaanderen -5.504
-118
Financiën en Begroting
Economie, Wetenschappen en Innovatie
-870
Bestuurszaken
-17 -284
HERZ 2014
Diensten Algemeen Regeringsbeleid
Hogere Entiteiten
Beleidsdomein 637
342.487
2.984
30.733
6.645
2.037
18.833
12.565
65.819
182.577
11.569
1.649
1.370
3.746
1.321
MJR 2015
671.547
6.820
69.003
15.386
4.515
37.685
25.544
120.952
344.021
29.201
3.632
2.647
8.162
2.820
1.160
MJR 2016
Tabel 3.2: Cumulatief effect indexatie kredieten huidige bevoegdheden t.o.v. 1BA 2014 (in duizend euro)
1.019.169
10.891
108.920
24.703
7.144
57.319
39.136
177.725
516.467
48.258
5.724
3.968
12.816
4.403
1.694
MJR 2017
1.318.098
14.732
144.953
33.600
9.610
74.289
51.230
222.604
661.824
67.501
7.639
5.072
17.091
5.840
2.113
MJR 2018
1.713.505
19.215
190.297
43.874
12.516
96.123
66.372
287.175
860.381
88.510
9.954
6.547
22.236
7.589
2.715
MJR 2019
03 / DE UITGAVENBEGROTING
0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
Diensten Algemeen Regeringsbeleid
Bestuurszaken
Financiën en Begroting
Internationaal Vlaanderen
Economie, Wetenschappen en Innovatie
Onderwijs en Vorming
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
Cultuur, Jeugd, Sport en Media
Werk en Sociale Economie
Landbouw en Visserij
Leefmilieu, Natuur en Energie
Mobiliteit en Openbare Werken
Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed
TOTAAL (excl. FFEU)
HERZ 2014
Hogere Entiteiten
Beleidsdomein
MJR 2015
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
51
0
159
462
0
0
138.576
374
56
443
180
38.831
0
98.019
MJR 2016
Tabel 3.3: Cumulatief effect indexatie kredieten nieuwe bevoegdheden t.o.v. 1BA 2014 (in duizend euro)
0
107
0
332
963
0
0
284.903
779
116
922
375
80.262
0
201.049
MJR 2017
0
0
415.517
1.190
177
1.408
574
118.011
0
292.016
0
164
0
507
1.471
MJR 2018
0
0
581.786
1.634
244
1.934
788
164.819
0
409.127
0
525
0
696
2.020
MJR 2019
In tabel 3-3 wordt de cumulatieve toename van de beleidskredieten voor de nieuwe bevoegdheden t.o.v. 1BA 2014 als gevolg van indexatie weergegeven. De cumulatieve toename van de beleidskredieten omwille van indexatie inzake de nieuwe bevoegdheden bedraagt in 2019 0,6 miljard euro.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
03 / DE UITGAVENBEGROTING
3.3 Andere kostendrijvers of budgettaire engagementen bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden: Toelichting per beleidsdomein
Hierna volgt een toelichting per beleidsdomein van de belangrijkste evoluties bij constant beleid excl. indexatie van de huidige en nieuwe bevoegdheden. Het cijfermatig detail van de evolutie van de beleidskredieten bij constant beleid wordt weergegeven in bijlage II. Daarnaast worden ook specifiek aan het beleidsdomein gerelateerde aandachtspunten weergegeven inzake huidige en nieuwe bevoegdheden.
3.3.1 Diensten Algemeen Regeringsbeleid
a.
Huidige bevoegdheden
Ten opzichte van de kredieten BO2014 werd in het voorjaar 2014 d.m.v. herverdeling 1,8 miljoen euro vanuit beleidsdomein Bestuurszaken aan de kredieten van beleidsdomein DAR toegevoegd in het kader van de financiering van het nieuwe Agentschap ‘Audit Vlaanderen’. Deze verschuiving van kredieten zal de komende jaren recurrent behouden worden en eventueel uitgebreid worden door andere compensaties.
b.
Aandachtspunten
Ook voor DAR, als horizontaal beleidsdomein, dient rekening gehouden te worden met horizontale taken die een uitbreiding van het huidige takenpakket betekenen, maar waarvoor an sich geen bijkomende middelen worden voorzien in de budgettaire boordtabel van de 6de staatshervorming. Deze horizontale taken zijn:
•• ••
Enerzijds verbonden aan de neveneffecten van de bijkomende bevoegdheden voor Vlaanderen in het kader van de 6de staatshervorming (vb. verhoogde vragenlast Vlaamse infolijn) Anderzijds verbonden aan uitbreidende Europese verplichtingen.
Naast deze kosten is er een kost verbonden aan de oprichting van een interfederaal instituut van de statistiek ten belope van 38 duizend euro.
3.3.2 Bestuurszaken
a.
Huidige bevoegdheden
In uitvoering van het decretaal voorziene groeipad van 3,5% voor het gemeente-, het provincie- en het stedenfonds nemen de kredieten tegen het begrotingsjaar 2019 cumulatief toe met respectievelijk 421,7 miljoen euro, 7,0 miljoen euro en 27,7 miljoen euro t.o.v. het begrotingsjaar 2014. Voor de lokale en provinciale verkiezingen van 2018 wordt in 2016 en 2017 samen 11,2 miljoen euro voorzien terwijl er voor de verkiezingen voor het Vlaams Parlement in 2019 1,6 miljoen euro ingeschreven wordt.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
In 2015 neemt de meerkost, gedragen uit de algemene middelen, voor het VAC Brugge en het VAC Gent verder toe met 4,3 miljoen euro. Door de ingebruikname van het VAC Gent valt vanaf 2015 een bedrag van 1 miljoen euro aan huur weg.
b.
Nieuwe bevoegdheden
Door de 6de staatshervorming nemen de uitgaven van het beleidsdomein Bestuurszaken toe met 30,8 miljoen euro in 2015. Het betreft hoofdzakelijk uitgaven voor het rampenfonds en grootstedenbeleid. Voor wat betreft het grootstedenbeleid komen de middelen, op termijn 15,3 miljoen euro, maar in getrapt stijgende orde over in de komende begrotingsjaren. Dit heeft te maken met het feit dat de huidig openstaande engagementen nog dienen te worden vereffend door de federale overheid zelf en dus niet mee overkomen richting Vlaanderen. In voorliggende oefening wordt wel uitgegaan van de mogelijkheid tot het direct voeren van beleid ten belope van 15,3 miljoen euro. Dit omwille van het feit dat ook voor nieuwe engagementen met een betaalkalender kan gewerkt worden en zo toch budgetneutraliteit kan worden bereikt.
c.
Aandachtspunten
Ingevolge de inkanteling van de gewestelijke ontvangers bij ABB dient er voortaan ook responsabiliseringsbijdrage betaald te worden voor de gewestelijke ontvangers. Het gaat om een bedrag van 1,3 miljoen euro dat niet voorzien is in de cijfers van voorliggende meerjarenraming. De 6de staatshervorming heeft een impact op de personeelsbehoeften van Bestuurszaken gegeven haar rol als horizontaal beleidsdomein. Uit een eerste inschatting blijkt dat Bestuurszaken een behoefte heeft van 58 VTE (dit is exclusief eventueel eigen beheer (schoonmaak en catering) van de gebouwen en dus louter voor horizontale taken). Er heerst wel nog grote onduidelijkheid over het beheer van de gebouwen die overkomen met de 6de staatshervorming. Wie staat momenteel in voor het beheer van de federale gebouwen? Wie zal in de toekomst instaan voor het beheer? In de mate dat AFM moet instaan voor het beheer van de gebouwen, zal AFM een deel van de over te hevelen werkingsbudgetten claimen. Tot slot dient ook nog te worden vermeld dat het bij ongewijzigd beleid ook niet duidelijk is of er inzake het rampenfonds in een afdoende financiering voorzien is. Sowieso is hierbij het aantal en de zwaarte van rampen moeilijk te ramen.
3.3.3 Financiën en Begroting
a.
Huidige bevoegdheden
In 2014 zal er 17,5 miljoen euro benodigd zijn voor het ondervangen van het effect van de overschrijding van de spilindex van november 2014 op het vakantiegeld 2015, dat conform de vigerende aanrekeningsregels aangerekend wordt in 2014. Dit betekent een daling van de te voorziene kredieten in het technisch herzien budget met 121,5 miljoen euro ten aanzien van de begrotingsopmaak 2014.
03 / DE UITGAVENBEGROTING
De budgettaire effecten van de voorziene overschrijdingen van de spilindex in de periode 2015-2019, alsook het op kruissnelheid brengen van het effect van de overschrijding van de spilindex van november 2014 worden vanaf 2015 voorzien op de functionele begrotingsartikelen. De indexprovisie wordt dus vanaf 2015 op 0 gezet wat een verdere daling betekent van 17,5 miljoen euro ten opzichte van het herziene budget 2014. Door de daling van de Lotto-ontvangsten wordt het variabel Lotto-deel à rato van 860 duizend euro geschrapt met ingang van het jaar 2014. Voor de verwachte meerkosten voor de bijdrage aan de pool der parastatalen (verwachte groei van de bijdragevoet met 1% per jaar vanaf 2016) wordt tegen 2019 een meerkost verwacht van 11,2 miljoen euro. In afwachting van een concrete invulling van de versnelling van het efficiëntietraject wat moet resulteren in een verlaging van het aantal koppen in de Vlaamse administratie tegen het einde van de afgelopen legislatuur met 6,5% (i.p.v. 6%) wordt de voorziene extra besparing in loonkredieten a rato van 5,1 miljoen euro doorgetrokken binnen het beleidsdomein FB. Tot slot wordt er in een jaarlijks cumulatieve kredietverhoging van 6,3 miljoen euro voorzien voor het ondervangen van de budgettaire effecten van de vergrijzing van het ambtenarenkorps, de zgn. weddedrift. Met ingang van het jaar 2015 zal de bijzondere wet van 5 mei 2003 worden opgeheven. De bedragen van de responsabiliseringsbijdrage voor de periode 2015-2020 worden nominaal in art 65 quinquies van de BFW vermeld en evolueren van 84,5 miljoen in 2015 naar 121,7 miljoen in 2019. Deze bedragen zullen echter afgehouden worden op de overdrachten in het kader van de nieuwe bijzondere financieringswet waardoor binnen de uitgavenbegroting m.b.t. het beleidsdomein Financiën en Begroting niets meer voorzien moet worden. De compensaties aan gemeenten en provincies voor de gederfde inkomsten ingevolge de volledige vrijstelling van de onroerende voorheffing (O.V.) voor het kadastraal inkomen (K.I.) ingevolge de vermindering van de O.V. voor energiezuinige woningen en gebouwen nemen jaarlijks toe met 1 miljoen euro, om vanaf 2018 recurrent 10 miljoen euro te bedragen. De verwachte toerekenbare rente daalt van 110,8 miljoen euro in 2014 tot 64,1 miljoen euro in 2019. In 2014 wordt de EMTN-lening die op eindvervaldag gekomen is in maart ten bedrage van 1,25 miljard euro volledig opgevangen op de korte termijn dankzij de terugbetalingen van KBC vorig jaar (1,75 miljard euro) en begin dit jaar (500 miljoen euro). Volgens de huidige inschatting en met een goede mix van lange en korte termijnrentevoeten wordt er in 2015 en 2016 respectievelijk 1 miljard euro en 400 miljoen euro opgehaald aan nieuwe EMTN-uitgiftes. De verwachte toerekenbare rente voor EMTN-leningen neemt hierdoor toe in 2015 met 19,2 miljoen euro tot 113,8 miljoen euro. Vanaf 2016 daalt de verwachte rente voor EMTN-leningen van 107,1 miljoen euro tot 54,5 miljoen euro in 2019. De verwachte rente op de andere LT-leningen daalt van 10,9 miljoen euro in 2014 tot 3,7 miljoen euro in 2019. Voor de herfinanciering van de lening van Diestsepoort op 5 januari 2014 wordt de kredietbehoefte op 1,8 miljoen euro geraamd in 2014. Het Vlaams Gewest zal immers deze financiering op zich nemen om dit dan aan markconforme voorwaarden toe te kennen aan NV Diestsepoort. In 2019 wordt de verwachte kredietbehoefte hiervoor geraamd op 1,6 miljoen euro. Voor de korte termijnbehoefte wordt er vanuit gegaan dat alles wordt opgevangen via de kredietlijn. Afhankelijk van de rentestand zal gekeken worden of er nieuwe BCP-uitgiftes zullen gebeuren. De KT rentebehoefte wordt geraamd op 3,0 miljoen euro in 2015 tot 4,3 miljoen euro in 2019.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Vanaf 1 januari 2015 neemt het IVA Vlabel de administratieve dienst van de inning en invordering van de successie- en de registratierechten over van de FOD Financiën. De uitgaven nemen hiervoor toe met de in de bijzondere financieringswet voorziene toelage van 24,4 miljoen euro.
b.
Nieuwe bevoegdheden
In het kader van de bij de 6de staatshervorming voorziene overdracht van de federale aankoopcomités naar de gemeenschappen en gewesten werd een personeelsoverdracht van 109 VTE tezamen met bijhorende kredieten ten belope van 10,6 miljoen euro voorzien.
c.
Aandachtspunten
Op basis van het voorlopig winstverdelingsplan 2014 wordt de netto opbrengst van de winst van de Nationale Loterij geraamd op 33.754 duizend euro. Net als in de begroting 2013 wordt het vast deel (= 34.055 duizend euro) van de winst van de Nationale Loterij integraal ingeschreven op de diverse functionele begrotingsartikelen in meerjarig perspectief. Het tekort aan Lotto-middelen ten opzichte van het vast deel kan derhalve becijferd worden op 301 duizend. Op 20/9/13 besliste de Vlaamse Regering een maatregel met het oog op de versnelde afbouw van belastbaar Kadastraal Inkomen op materieel en outillage ingevolge nieuwe bedrijfsinvesteringen waarvan de kostprijs 15 miljoen euro extra op jaarbasis bedraagt gedurende 3 jaar dus 45 miljoen euro op kruissnelheid in 2017/2018. Deze meerkost kan echter binnen de bestaande kredieten opgevangen worden. Voor het project kilometerheffing moet vanaf 2015 een jaarlijkse dotatie voorzien worden aan VIAPASS ten belope van 1,3 miljoen euro. Vanaf 2016 moet een jaarlijks te indexeren beschikbaarheidsvergoeding van 73,5 miljoen euro voorzien worden. Daarnaast moet er in 2016 een eenmalige mijlpaalvergoeding betaald worden van (maximaal) 73,5 miljoen euro. Tegenover deze uitgaven staan ook extra inkomsten uit de kilometerheffing die op 455 miljoen euro geraamd worden (exclusief de vermindering van het eurovignet). Vanaf 1 januari 2015 neemt het IVA Vlabel de administratieve dienst van de inning en invordering van de successie- en de registratierechten over van de FOD Financiën. De overname van de dienst van de successierechten en de registratierechten heeft tot gevolg dat de behoefte aan apparaatskredieten (loon en werking) van het IVA Vlabel een opstoot zal vertonen. De benodigde budgetten werden door Vlabel geraamd op 28,1 miljoen euro. Hiertegenover staat dat de bijzondere financieringswet voor de bedoelde overname eveneens een bijkomende toelage voorziet. Deze toelage kan voor begrotingsjaar 2015 op 24,4 miljoen euro geraamd worden, waardoor er in 2015 een tekort is van 3,7 miljoen euro. De nieuwe regelgeving inzake het verstrengde Europees begrotingstoezicht op de lidstaten heeft een belangrijke impact op het begrotingsbeleid, de begrotingsagenda en de rapportering van de Vlaamse overheid en de lokale overheden en vereist derhalve de inzet van bijkomend personeel. Deze behoefte wordt geraamd op 1 niveau A en 1 niveau B voor het departement Financiën en Begroting. In navolging van de door de Vlaamse Regering besliste verdere uitrol van Orafin zal er in 1 extra VTE technische support en een jaarlijkse verhoging van het personeelsbestand van de afdeling systeemexploitatie voorzien moeten worden. De gemiddelde loonkost voor een niveau B wordt geraamd op 38 duizend euro. Ook verwachten we een toename van de licentiekost met 64 duizend euro.
03 / DE UITGAVENBEGROTING
In het kader van de bij de 6de staatshervorming voorziene overdracht van de federale aankoopcomités naar de gemeenschappen en gewesten werd een personeelsoverdracht van 109 VTE tezamen met bijhorende personeelskredieten ten belope van 8,6 miljoen euro voorzien. Er werd echter geen rekening gehouden met de taken die de federale dienst Opmetingen en Waarderingen uitoefenen in opdracht van de federale aankoopcomités. Daar deze dienst niet overkomt dienen voor de uitvoering van deze taken 2 personen per aankoopcomité ter beschikking gesteld wat voor de Vlaamse aankoopcomités 16 medewerkers impliceert of een weddelast van ongeveer 1 miljoen euro. Ook op het vlak van horizontale ondersteuning zoals ICT en managementondersteuning (personeel, boekhouding, logistiek) valt er in de opstartfase een (deels) eenmalige meerkost te verwachten. Ten opzichte van de middelen die overkomen in het kader van de nieuwe BFW wordt de totale meerkost voor de Vlaamse aankoopcomités geraamd op 2 miljoen euro in 2015, 1 miljoen euro in 2016 om dan af te nemen naar recurrent 0,5 miljoen euro vanaf 2018. Ook het budget van het VFLD zal proportioneel moeten stijgen met de “lasten uit het verleden” die mee overkomen met de beleidsmateries in het kader van de 6de staatshervorming. Voor de berekening van de stijging van de uitgaven van het VFLD werd als basis enerzijds het geraamde totaalbudget voor alle bevoegdheden die vanaf 2015 door de 6de staatshervorming aan de Vlaamse overheid zullen worden overgedragen, anderzijds de begroting 2014 van het VFLD in verhouding tot het huidige totaalbudget van de Vlaamse overheid. De berekening leidt op die manier tot een verhoging van de jaarlijkse lasten van het VFLD met 11,5 miljoen euro. Voor de pooling van de verzekeringen wordt gelet op de verwachte stijging van de aangesloten entiteiten een stijging van het makelaarsloon met 100 duizend euro verwacht. Voor de bijkomende begrotingsopvolging inzake de nieuwe bevoegdheden in het kader van de 6de staatshervorming wordt ingeschat dat er 1 extra VTE niveau A ingezet zal moeten worden voor het departement Financiën en Begroting. De 6de staatshervorming zorgt tevens voor een uitbreiding van de Vlaamse fiscale autonomie via de invoering van het model van uitgebreide opcentiemen en via de overdracht van fiscale uitgaven. Voor het departement resulteert dit in bijkomende opdrachten inzake beleidsondersteuning en regelgeving waarvoor 1 extra VTE niveau A ingezet zal moeten worden voor het departement Financiën en Begroting. Ingevolge de uitrol van Vlimpers en Orafin en de 6de staatshervorming dient de huidige personeelsbezetting van de dienst derdengeschillen binnen het departement Financiën en Begroting uitgebreid te worden met 2 bijkomende niveau’s C - 1 in 2015 en 1 in 2018- waarbij we uitgaan van een gemiddelde loonkost voor een niveau C van 33 duizend euro.
3.3.4 Internationaal Vlaanderen
a.
Huidige bevoegdheden
In het kader van het SALK werd er in 2014 een beleidskrediet van 13 miljoen euro voorzien voor vrijetijdseconomie.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
In de periode 2010-2011 werd er door middel van een vooruitschuifoperatie extra machtiging toegekend voor de “inhaalbeweging jeugdverblijfinfrastructuur” voor een totaal bedrag van 18 miljoen euro. In de begrotingsjaren 2012, 2013 en 2014 werd de recurrente machtiging van Toerisme Vlaanderen gradueel verlaagd om deze vooruitschuifoperatie te financieren. Vanaf het begrotingsjaar 2015 zal de vooruitschuifoperatie afgelopen zijn en zal de machtiging terug toenemen met 7,8 miljoen euro. Gelet op de dalende ontvangsten uit de verkoop van overtollige gebouwen, nemen ook de hieraan gekoppelde beleidskredieten in de periode 2015-2017 met 2,1 miljoen euro af.
b.
Aandachtspunten
Onder doelstelling 2.5.1 van Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering het engagement genomen om tussen 2008 en 2020 de bijdrage van Vlaanderen aan ontwikkelingssamenwerking (ODA) te verdubbelen van 48,3 miljoen euro naar 86,8 miljoen euro. Daar de Vlaamse ODA in 2013 56,1 miljoen euro bereikte, rest er nog een te realiseren inspanning van 30,7 miljoen euro in de periode 2014-2020, of gemiddeld 4,38 miljoen euro per jaar (5,12 miljoen per jaar indien er in 2014 geen bijkomend budget meer voorzien wordt). Een deel van deze ODA inspanning zal wellicht gelinkt kunnen worden aan de budgettaire inspanning die van Vlaanderen verwacht wordt teneinde aan de internationale klimaatverplichtingen te voldoen (via ondersteuning van klimaatgerelateerde projecten of programma’s in landen in ontwikkeling). Ingevolge een historische achterstand inzake stortingen in het 2de pijler pensioenfonds van een aantal personeelsleden (uitvloeisel van de 3de staatshervorming) wordt het FIT geconfronteerd met een budgettaire meeruitgave van 300 à 400 duizend euro (de overige helft zal – ingeval van goedkeuring van het dossierbijgepast worden door het VFLD). Ingevolge de overkomende bevoegdheden in het kader van de 6de staatshervorming zal het departement Internationaal Vlaanderen moeten instaan voor bijkomende horizontale opvolging en coördinatie van internationale dossiers. In de budgettaire boordtabellen inzake de 6de staatshervorming worden hier momenteel geen middelen voor voorzien.
3.3.5 Economie, Wetenschap en Innovatie
a.
Huidige bevoegdheden
In het kader van het competitiviteitspact wordt er in 2014 45 miljoen euro, waarvan 25 miljoen euro recurrent, uitgetrokken voor bijkomende investering in onderzoek en ontwikkeling. Binnen ditzelfde competitiviteitspact wordt ook 26 miljoen euro eenmalig voorzien voor uitgaven inzake carbon leakage binnen het Hermesfonds. In 2014 werd eenmalig 4,4 miljoen euro aan bijkomende beleidskredieten voorzien voor innovatie, waarbij het budget komt uit de provisie van 24 miljoen euro zoals in 2013 aangelegd voor het SALK. Voor de implementatie van het decreet integratie binnen het hoger onderwijs wordt er – naast de voorziene middelen vanuit het beleidsdomein Onderwijs en Vorming – vanuit de EWI-begroting een bijkomende bijdrage voorzien van gecumuleerd 13,8 miljoen euro in begrotingsjaar 2019 t.o.v. begrotingsjaar 2014.
03 / DE UITGAVENBEGROTING
Ten gevolge de verdere ontplooiing van het Vlaams Energiebedrijf, conform het door de Vlaamse Regering goedgekeurde businessplan, groeien de beleidskredieten aan tot 118,8 miljoen euro in 2019. Hiertegenover staan ook ontvangsten ten belope van 122,5 miljoen euro waardoor de impact op het vorderingensaldo positief is.
b.
Nieuwe bevoegdheden
Voor het vergunningsbeleid met betrekking tot handelsvestigingen, de prijzencontrole en de toegang tot het beroep, wordt er in 2015 een budget van 700 duizend euro voorzien. In het kader van de uitgaven voor de inkomenscompensatievergoeding inzake de hinder bij openbare werken wordt er een krediet van 653 duizend euro ingeschreven. Voor het Startersfonds wordt een jaarlijkse toelage van 1,8 miljoen euro uitgetrokken. Deze dient enerzijds voor startersbegeleiding en anderzijds kan deze toelage ook deels aangewend worden ter financiering van het beheer van het Participatiefonds Vlaanderen en eventuele verliezen op verstrekte leningen. Voor de kapitalisatie van het Participatiefonds Vlaanderen zelf wordt voorzien in een totaal budget van 106 miljoen euro (ESR-8), dat in 8 jaarlijkse schijven ter beschikking zal worden gesteld. De activiteiten van het Kefik worden stopgezet en niet geregionaliseerd. Het overgedragen budget van 254 duizend euro wordt evenwel beschikbaar gesteld voor het regionaliseren van de activiteit. Vanaf 2018 wordt er jaarlijks 17,7 miljoen voor interuniversitaire attractiepolen ter beschikking gesteld.
c.
Aandachtspunten
Het Agentschap Ondernemen verwacht een budgettaire meerkost van circa 600 duizend euro wat betreft de uitgaven voor de inkomenscompensatievergoeding inzake hinder bij openbare werken dan zoals voorzien in de budgettaire boordtabel aangaande de 6de staatshervorming. Wat het Participatiefonds Vlaanderen betreft is er begin 2015 een extra kapitaalsverhoging van 10 miljoen euro nodig om alle financiering te kunnen verderzetten. Idem voor 2016. Daarnaast is ook een beheersvergoeding nodig van ongeveer 2 miljoen euro per jaar, indien de continuïteit van de dienstverlening aan dezelfde modaliteiten dient te worden gegarandeerd. Eind 2022 zullen de activa en passiva van het federaal Participatiefonds – dat vanaf juli 2014 als lichte structuur de uitstaande leningen zal afhandelen – verdeeld worden over de gewesten.
3.3.6 Onderwijs en Vorming
a.
Huidige bevoegdheden
De uitgaven voor de lonen in het leerplicht- en volwassenenonderwijs in 2014 worden opnieuw geraamd op basis van het werkelijke aantal leerkrachten in 2013. Dit leidt tot een negatieve bijstelling van de lonen met ongeveer 24 miljoen euro in het technisch herzien budget 2014 en de daaropvolgende jaren. De uitgaven voor de lonen in het leerplichtonderwijs kennen een globale stijging van 268 miljoen euro in begrotingsjaar 2019 ten opzichte van de cijfers begrotingsopmaak 2014. Deze toename valt uiteen in meerdere verklarende elementen:
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
••
•• ••
•• •• ••
Vooreerst geeft de evolutie van de verwachte leerlingenaantallen in het basis- en secundair onderwijs aanleiding tot een toename van de kredieten met 200 miljoen euro. Deze evolutiecijfers van de verwachte leerlingenaantallen zijn aangepast met nieuw bijgestelde elasticiteitscoëfficiënten. Niet alleen is er een blijvende stijging van de leerlingenaantallen in het basisonderwijs te verwachten, maar ook in het secundair onderwijs wordt een kentering in de evolutie van de leerlingenaantallen verwacht. Zo zal vanaf het begrotingsjaar 2017 de verwachte leerlingenevolutie van negatief naar positief tenderen. Dit is ook logisch gegeven de verhoogde doorstroom van leerlingen vanuit het basisonderwijs. In de huidige meerjarenraming wordt een vergrijzingscoëfficiënt van 0,2% gehanteerd waarbij het bijkomend budgettair effect in begrotingsjaar 2019 t.o.v. begrotingsjaar 2014 op 90 miljoen euro wordt geraamd, hetzij een jaarlijkse toename met 18 miljoen euro. De afschaffing van de TBS-maatregel in samenhang met de federale pensioenhervorming laat een daling van de benodigde loonkredieten toe en leidt tot een besparing van 61 miljoen euro in 2019 ten opzichte van 2014. Door de effecten van de federale pensioenhervorming op de vergrijzing, wordt het besparend effect van de afschaffing van de TBS-maatregel in beperkte mate teniet gedaan. Dit vergrijzingseffect neemt doorheen de tijd toe en zit mee verrekend in de verhoogde vergrijzingscoëfficiënt. De afbouw van de overgangsmaatregel voor het decreet basisonderwijs geeft aanleiding tot een daling van de loonkredieten met 1,6 miljoen euro vanaf begrotingsjaar 2016. Ingevolge de 6de staatshervorming en het overkomen van de bevoegdheid inzake gezinsbijslag, zal vanaf nu een werkgeversbijdrage van 1,4% voor statutair- en 7% voor het contractueel onderwijzend personeel aangerekend worden met betrekking tot de gezinsbijslag. Dit heeft een recurrente kost van 6,5 miljoen euro tot gevolg vanaf 2015. Tot slot zal de geldelijke anciënniteit van de zij-instromers in het onderwijs vanaf 1 september 2014 gehonoreerd worden. Hierdoor stijgen de kosten elk jaar met minstens 6 miljoen euro.
De werkingsmiddelen voor het basis- en secundair onderwijs nemen toe met een bedrag van 10 miljoen euro door de leerlingenevolutie in begrotingsjaar 2019 t.o.v. begrotingsjaar 2014. Aangezien er geen elasticiteitscoëfficiënten worden toegepast en er een vertraagd effect is van de leerlingenevolutie op de werkingsmiddelen, is er verhoudingsgewijs een minder uitgesproken effect op evolutie van de kredieten dan bij de loonkredieten Voor de loonkredieten van het personeel van de basiseducatie en het volwassenenonderwijs wordt een jaarlijkse stijging van het lestijdenpakket met respectievelijk 2,59% en 0,8% in rekening gebracht. Dit komt neer op een jaarlijkse cumulatieve toename van de loonkredieten voor de basiseducatie en het volwassenenonderwijs met een bijkomende 5 miljoen euro. De centra voor de basiseducatie zullen bovendien als gevolg van de toename van het lestijdenpakket met 2,59% per schooljaar telkenmaal ongeveer 0,2 miljoen euro aan bijkomende werkingsmiddelen ontvangen. Daarnaast wordt er ook nog binnen het volwassenenonderwijs voor 8 miljoen euro aan bijkomende kredieten voorzien vanaf begrotingsjaar 2015 in het kader van het inburgeringsbeleid via de cursussen Nederlands tweede taal. Met deze 8 miljoen euro komt de in het begrotingsjaar 2014 voorziene opstart van deze versterking op kruissnelheid. Bepaalde projecten lopen ten einde of zijn niet jaarlijks wederkerend op het vlak van benodigde vastlegging. De kredieten voor de overheidsopdracht Klasse worden 2-jaarlijks voorzien waardoor er een verhoging is ten belope van 3,6 miljoen in de even begrotingsjaren. Daarnaast worden de benodigde
03 / DE UITGAVENBEGROTING
vastleggingskredieten voor de 4-jaarlijkse financiële controle voor een bedrag van 1 miljoen euro éénmalig voorzien in 2016. De bij de begrotingsopmaak 2014 eenmalig toegekende investeringskredieten voor de klassieke wachtlijsten infrastructuur (30 miljoen euro) en deze voor capaciteit (50 miljoen euro) worden terug in mindering gebracht van de kredieten vanaf 2015. Dit heeft een daling van de beschikbare beleidskredieten met 80 miljoen euro tot gevolg. Rekening houdende met de actueel gekende evoluties zullen in 2015 het aantal financieringspunten bij de universiteiten, de professionele bachelors en het hoger kunstonderwijs met ten minste 2% zijn gestegen ten opzichte van de huidige referentiepunten. Hierdoor zullen de middelen voor het variabel onderwijsdeel van de professionele bachelors, de universiteiten en het hoger kunstonderwijs met 2% toenemen, wat neerkomt op een stijging met respectievelijk 8,7 miljoen euro, 7,4 miljoen euro en 1,3 miljoen euro. Deze positieve klik zal zich voor het variabel onderwijsdeel van de professionele bachelors en het hoger kunstonderwijs herhalen tot en met 2017, terwijl voor het variabel onderwijsdeel van de universiteiten gedurende de periode 2015-2019 jaarlijks een klik met 2% verwacht wordt. Voor het bepalen van het aantal klikken is geen rekening gehouden met toekomstige evoluties van het aantal financieringspunten. Het mogelijke effect hiervan wordt evenwel als beperkt of niet bestaand beschouwd. Tegelijk met de verhoging van het variabele onderwijsdeel wordt ook voor het variabel onderzoeksdeel van de universiteiten een jaarlijkse stijging van de toelagen met 6,2 miljoen euro verrekend teneinde een verhouding van 45/55 tussen onderzoeksmiddelen en onderwijsmiddelen te behouden. Voor de werkingsmiddelen van de Hogere Zeevaartschool wordt ook jaarlijks een klik verwacht. Hierdoor zullen de kredieten van de Hogere Zeevaartschool jaarlijks met 0,9 miljoen euro toenemen. Naar aanleiding van de TBS-hervorming wordt er gecumuleerd in 2019 nog een besparing van 7 miljoen euro in het hoger onderwijs verwacht. Globaal gezien zullen de werkingsuitkeringen van de universiteiten en de hogescholen tegen begrotingsjaar 2019, als gevolg van deze evoluties, met 98 miljoen euro toenemen ten opzichte van begrotingsjaar 2014. Tenslotte wordt wat de werkingstoelage van de universiteiten en hogescholen betreft de éénmalige vermindering van 12 miljoen euro naar aanleiding van de begrotingsmatige inkanteling van de hogescholen in de universiteiten teruggedraaid. Naast de evolutie in het aantal financieringspunten nemen de kredieten voor het hoger onderwijs ook toe in het licht van het decreet integratie van het hoger onderwijs. De jaarlijkse toename voor de onderwijsbegroting bedraagt jaarlijks tussen de 14,8 en 17,8 miljoen euro, zodat in begrotingsjaar 2019 de voorziene kredieten naar aanleiding van dit decreet 78,3 miljoen euro hoger liggen dan in begrotingsjaar 2014. De middelen voor de aflossingen van het nieuwe centrum voor locomotorische en neurologische revalidatie en uitbreiding van UZ Gent zullen vanaf 2015 binnen onderwijs gecompenseerd moeten worden. Gelet op de verwachte leerlingenevoluties in het basis-, secundair en hoger onderwijs zullen de kredieten voor de studie- en schooltoelagen met 3,3 miljoen euro, exclusief index, toenemen tegen begrotingsjaar 2019 t.o.v. begrotingsjaar 2014.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
b.
Aandachtspunten
Ingevolge de goedkeuring van het finale decreet ODXXIV zijn er onder meer extra middelen noodzakelijk voor de K-diensten ten belope van 664.000 euro. Het betreft het wegwerken van de onderfinanciering van onderwijs op maat voor kinderen in een psychiatrische instelling. Daarnaast dient er ook voor 800 duizend euro extra middelen ter beschikking gesteld te worden voor de vzw Bednet die toelaat aan langdurig zieke kinderen om onderwijs te volgen. Tenslotte zal de aanpassing van de bepalingen omtrent de inschrijvingsgelden en de betalingen van het Deeltijds Kunstonderwijs aanleiding geven tot een minderontvangst van 3 miljoen euro in 2015 die door een stijging van de inkomsten de jaren daarna echter intertemporeel neutraal zal zijn. De budgettaire inpassing van bovenstaande maatregelen dient nog uitgeklaard te worden. Het vanaf 2015 schrappen van de éénmalige kredieten voor de klassieke wachtlijsten infrastructuur (30 miljoen euro) en deze voor capaciteit (50 miljoen euro) die bij de begrotingsopmaak 2014 zijn toegevoegd, wordt als aandachtspunt opgenomen. Ook wordt in voorliggende meerjarenraming uitgegaan van substitutie tussen middelen die momenteel voor het wegwerken van de klassieke wachtlijsten worden ingezet (waarin momenteel 75 miljoen euro is inbegrepen die in het verleden door de Vlaamse Regering is voorzien voor het opvangen van toenemende beschikbaarheidsvergoedingen) door recurrente beschikbaarheidsvergoedingen die betaald dienen te worden in het kader van de het DBFM-project Scholen van Morgen ten belope van een nog te indexeren bedrag op kruissnelheid van 102 miljoen euro. De investeringsruimte van Agion en GO! wordt hierdoor immers sterk beknot. Daarnaast is er ook nog een kost inzake eenmalige beschikbaarheidsvergoedingen waar nog dient uitgemaakt of deze kost ook via substitutie of via extra middelen zal gefinancierd worden. Wat betreft de busbegeleiding voor het leerlingenvervoer zal er een jaarlijkse opstap zijn van om en bij de 0,7 miljoen euro omwille van ritduurverminderingen en leerlingengroei. Het structureel tekort bedraagt 2 miljoen euro en wordt tot op heden weggewerkt via de begrotingsuitvoering. Voor de fietsvergoedingen dient er jaarlijks een opstap van 0,6 miljoen euro voorzien te worden. Het structureel tekort bedraagt ongeveer 5 miljoen euro. Verder dient ook rekening gehouden te worden met een rechterlijke beslissing die stelt dat ook vanaf 2016 het universitair personeel mag genieten van deze voordelen. Het betreft een benodigde stijging van de middelen met ongeveer 3,2 miljoen euro. De middelen voor de aflossingen van het nieuwe centrum voor locomotorische en neurologische revalidatie en uitbreiding van UZ Gent zullen vanaf 2015 binnen onderwijs gecompenseerd moeten worden. Daarnaast blijft er nog één openstaande schijf van 2011 over die nog in de begroting moet voorzien worden.
3.3.7 Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
a.
Huidige bevoegdheden
In begrotingsjaar 2015 wordt een laatste opstap van 0,9 miljoen euro voorzien ter uitvoering van de sectorale maatregelen van het vierde Vlaams Intersectoraal Akkoord voor de social-/ non-profitsectoren (VIA IV). Deze middelen komen in overeenstemming met het akkoord terecht bij de thuiszorg. Binnen de werking van het VIPA wordt ter uitvoering van de bij begrotingsopmaak 2014 toegestane engagementen voor de alternatieve procedure in resp. 7 miljoen euro aan bijkomende beleidskredieten in begrotingsjaar 2015, en een extra 3 miljoen euro in begrotingsjaar 2016, voorzien t.o.v. de reeds bij begrotingsopmaak 2014 voorziene 189,5 miljoen euro.
03 / DE UITGAVENBEGROTING
Wat betreft de klassieke procedure wordt de eenmalige opstap aan beleidskredieten ter waarde van 13 miljoen die toegekend werd bij begrotingsopmaak 2014 terug uit het machtigingskrediet verwijderd vanaf 2015. Vanuit de competitiviteitsprovisie werd in 2014 eenmalig 5 miljoen euro aan de beleidskredieten binnen de klassieke financiering toegekend. Deze 5 miljoen euro wordt vanaf 2015 niet langer toegekend. Voor het Fonds Jongerenwelzijn worden jaarlijks 0,8 miljoen euro extra beleidskredieten voorzien ter ondersteuning van pleegplaatsingen, internaten en preventieve sociale actie. Deze stijgingen leiden dus tot een totale cumulatieve verhoging van de kredieten met 4 miljoen euro in begrotingsjaar 2019 ten opzichte van begrotingsjaar 2014. De extra uitgaven ter ondervanging van het VIA-I akkoord voor het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap worden geraamd op 5,6 miljoen euro in begrotingsjaar 2019 ten opzichte van begrotingsjaar 2014. De toelage aan het Zorgfonds wordt jaarlijks verhoogd. Hierbij wordt – gelet op de stijging in de voorbije jaren - een jaarlijkse stijging van het aantal dossiers in de mantel- en thuiszorg verondersteld met 3,5%. Daarnaast wordt er vanaf 2015 een jaarlijkse verhoging van het aantal bedden in de residentiële zorg met 1.500 verwacht. Voor het begrotingsjaar 2014 wordt eenmalig een stijging met 4.000 bedden verwacht, gelet op de reeds beschikbare cijfers 2014 en gelet op het invoeren van de erkenningskalender en het overdragen van de bevoegdheid vanaf 2015. Deze stijgingen leiden tot een totale cumulatieve verhoging van de toelage met 61 miljoen euro in begrotingsjaar 2019 ten opzichte van het voorlopig voorziene krediet voor het begrotingsjaar 2014. Binnen het Agentschap Zorg en Gezondheid wordt er ruimte voorzien om het urencontingent gezinszorg jaarlijks met 2,5% te laten uitbreiden. Dit betekent een totale cumulatieve verhoging van de kredieten met 70,6 miljoen euro in begrotingsjaar 2019 ten opzichte van begrotingsjaar 2014 ofwel een jaarlijkse opstap van gemiddeld 14,1 miljoen euro. Daarnaast stijgen de kredieten voor het thuis- en ouderenzorgbeleid jaarlijks met 1 miljoen euro omwille van het groeipad animatiewerking in de erkende woonzorgcentra. Tenslotte worden de beleidskredieten voor de bouw van serviceflats afgebouwd aangezien de vastleggingen van de geplande investeringen aflopen. Tussen begrotingsjaar 2014 en begrotingsjaar 2016 dalen de beleidskredieten voor de bouw van serviceflats met 2,3 miljoen euro, waardoor ze in feite volledig vervallen. Ter compensatie van de weddedrift in de verschillende sectoren wordt geraamd dat in begrotingsjaar 2019 ten opzichte van begrotingsjaar 2014 57,9 miljoen euro meer kredieten zullen benodigd zijn bij het VAPH, Jongerenwelzijn, Kind en Gezin en de Centra Algemeen Welzijnswerk. Voor 2014 werd 2,6 miljoen euro beleidskrediet voorzien vanuit het SALK ter bestrijding van de kinderarmoede en 465 duizend euro voor gezonde voeding. Ook de toelage aan Kind en Gezin wordt in 2014 en 2015 vanuit het SALK met 0,9 miljoen euro verhoogd ter financiering van het project Kind en Taal. Tegelijk werd vanuit de competitiviteitsprovisie recurrent 4 miljoen euro voorzien ter ondersteuning van de zelfstandige kinderopvang.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
b.
Nieuwe bevoegdheden
Door de 6de staatshervorming wordt een stijging van de uitgaven van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin geraamd met 6,4 miljard euro in 2015 en 7 miljard euro in 2016. Daarbovenop wordt in 2017, 2018 en 2019 een stijging bovenop deze uitgaven geraamd van respectievelijk 93 miljoen euro, 91,5 miljoen euro en 102,8 miljoen euro. In de tabel in bijlage II wordt een opdeling gemaakt van de geraamde uitgaven per bevoegdheid. Hieronder worden kort de grootste budgetten besproken. De grootste overgedragen bevoegdheid betreft de gezinsbijslag. De kost hiervan wordt voor 2015 geraamd op 3,6 miljard euro. Deze raming werd aangeleverd door de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers. Bij ongewijzigd beleid wordt in 2019 een kost geraamd van 3,73 miljard euro, wat een jaarlijkse gemiddelde stijging van 27,5 miljoen euro inhoudt. Ter berekening van deze stijging werd de evolutie van het aantal 0 tot 18-jarigen als proxy gehanteerd. De overgedragen bevoegdheid betreffende de residentiële ouderenzorg veroorzaakt een stijging van de geraamde beleidsuitgaven met 1,81 miljard euro in 2015. Deze raming is gebaseerd op een PxQ analyse waarbij de prijs per gefactureerde dag ‘ROB’ voor 2015 geraamd werd op 40,5 euro voor 34.128 plaatsen en de prijs van een gefactureerde dag ‘RVT’ op 60,75 euro voor 43.471 plaatsen. Rekening houdende met een bezettingsgraad van resp. 99% en 93% komen we aldus aan een raming van 1,43 miljard euro. Daarnaast zijn er ook nog diverse andere kosten, waarvan de belangrijkste bestaan uit de uitvoering sociaal akkoord ten belope van 336 miljoen euro en de subsidiëring van de dagverzorgingscentra voor 30 miljoen euro. Jaarlijks wordt een stijging met een 30-tal miljoen euro geraamd voor deze uitgaven, waardoor in 2019 een kost van 1.935 miljoen euro geraamd wordt. Deze stijgende kost wordt in de eerste plaats gestuurd door de groei van het aantal erkende en gesubsidieerde bedden in de Rustoorden voor Bejaarden (ROB). Vanaf 2015 wordt een jaarlijkse groei van 1.500 bedden geraamd (cfr. Zorgfonds). Wat betreft de financiering van de ziekenhuisinfrastructuur komt de budgettaire bevoegdheid pas in 2016 bij de deelstaten te liggen. In 2016 wordt de uitgave hiervoor op 554 miljoen euro geraamd, oplopend tot 663 miljoen euro in 2019. De belangrijkste reden voor de toename van deze kosten bestaat uit de momenteel nog federale tegemoetkoming in de projecten waarvoor het VIPA nu reeds een principieel akkoord verleende, maar waarvan de federale tegemoetkoming nog niet in werking is getreden. Daarnaast is er ook een effect van subsidiëring van projecten die momenteel louter door de federale overheid worden gesubsidieerd. Het gaat hier dan specifiek om investeringen in onroerende goederen, herconditioneringswerken, duurzame ontwikkeling en groot onderhoud die in gebruik genomen worden in de loop van komende legislatuur. Een andere grote uitgavenpost betreft de tegemoetkomingen voor hulp aan bejaarden. De kost van deze overgedragen bevoegdheid wordt geraamd op 378 miljoen euro in 2015. Voorlopig wordt een stijgingspercentage van 0,4% meegenomen wat een totale geraamde kost creëert van 384 miljoen euro in 2019.
c.
Aandachtspunten
Wat het vastleggingskrediet van de klassieke financiering betreft, wenst het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden aangelegenheden (VIPA) de 13 miljoen euro die in 2015 werd verminderd in de voorziene kredieten te behouden, gezien de stijgende behoeften in de verschillende sectoren van de klassieke financiering. Het huidig vastleggingskrediet inclusief deze 13 miljoen euro is momenteel reeds ontoereikend om de ingediende dossiers te kunnen honoreren. Tegelijk merkt het VIPA op dat er geen middelen worden voorzien in de alternatieve financiering om nieuwe principieel akkoorden te verlenen.
03 / DE UITGAVENBEGROTING
Het Agentschap Zorg en Gezondheid signaleert dat wat de beleidskredieten voor het Zorgfonds voor 2015 en 2016 betreft, de stijging met 1.500 bedden in de residentiële ouderenzorg een onderraming is. Men verwacht een hogere stijging van het aantal bedden gelet op de te verwachten overgangsperiode bij het invoeren van de erkenningskalender vanaf 2015. Het Agentschap Zorg en Gezondheid merkt op dat in het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers wordt vermeld dat jaarlijks het extra aantal te subsidiëren uren gezinszorg minstens 4% bedraagt van het totaal aantal subsidiabele uren van het voorafgaande jaar. In de huidige meerjarenraming wordt slechts een jaarlijkse groei van 2,5% afgesproken. Kind en Gezin merkt op dat in de kinderopvang een financieringskloof ontstaat doordat de ouderbijdragen minder stijgen dan de tussenkomst in de kost via subsidie-uitgaven. De ouderbijdragen stegen de laatste vijf jaren jaarlijks 1,84% minder dan de subsidie-uitgaven. Dit creëert jaarlijks een kloof van 1.638 duizend euro. Daarnaast merkt Kind en Gezin op dat de meerkost die ontstaat door de leeftijdsstijgingen van het personeel in de kinderopvang (trap twee-subsidiëring) in de huidige meerjarenraming niet opgenomen is. Voorlopig vormt dit een beperkte meeruitgave van jaarlijks 96 duizend euro. Het Agentschap Zorg en Gezondheid geeft aan dat - net zoals wat de beleidskredieten voor het Zorgfonds betreft - de stijging van het aantal bedden in de residentiële ouderenzorg in de hierboven besproken raming te laag ingeschat is. Men verwacht een hogere stijging van het aantal bedden gelet op de te verwachten overgangsperiode bij het invoeren van de erkenningskalender vanaf 2015. Gedurende deze overgangsperiode in de jaren 2015 en 2016 zou het volgens het Agentschap politiek niet haalbaar zijn om de erkenning van reeds gebouwde capaciteit uit te stellen of te vragen reeds afgesloten contracten met aannemers aan te passen. Men verwacht tevens dat de woonzorgcentra tegen eind 2014 nog meer plaatsen zullen realiseren dan in voorliggende oefening meegenomen om de erkenningskalender met ingang van 1 januari 2015 te vermijden. Het agentschap Zorg en Gezondheid merkt op dat de raming van de prijs per gefactureerde dag ‘ROB’ en ‘RVT’ zoals in voorliggende raming gehanteerd, mogelijks onderraamd is, gelet op het feit dat deze afgeleid is op basis van een totale kostprijs in het jaar 2012 enerzijds en het aantal beschikbare plaatsen in 2014 anderzijds. De toename van het aantal plaatsen diende volgens het Agentschap Zorg en Gezondheid nog gecorrigeerd te worden in de berekening van de prijs per gefactureerde dag. Een onderraming van de gemiddelde prijs voor ‘ROB’ en ‘RVT’ samen met 1 euro, betekent alvast een budgettair effect van 27 miljoen euro, wat de sensitiviteit van deze raming benadrukt. De kosten voor de bevoegdheid ziekenhuisinfrastructuur zijn volgens VIPA te laag ingeschat. VIPA wijst hiervoor op het gemiddeld stijgingspercentage van de laatste 10 jaar ten belope van 9,5%. In de voorliggende meerjarenraming wordt slechts rekening gehouden met een gemiddeld stijgingspercentage van 8%. VIPA wijst er verder op dat het stijgingspercentage bij constant beleid de volgende jaren nog hoger zal zijn dan in het verleden het geval was, aangezien er veel grote bouwkalenderprojecten, cfr. reeds door het VIPA toegekende principiële akkoorden, in gebruik zullen worden genomen. Daarnaast merkt VIPA op dat nog een aantal andere veronderstellingen die aan de basis van deze raming liggen, voor een onderraming van de totale kost zorgen. VIPA verwijst naar de verwachtingen betreffende aflopende afschrijvingen en de nog onbekende werkelijke kosten van de investeringen gerealiseerd tussen 2006 en 2013. Tegelijk is in deze
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
raming ook uitgegaan van het bevriezen van de principiële akkoorden in de alternatieve VIPA-financiering. Tenslotte zijn de huidige cijfers wat betreft de investeringen 2014 waarop de raming is gebaseerd een onderschatting, aangezien men zich baseert op een bevraging georganiseerd in de sector waarop slechts ongeveer 85% van de ziekenhuizen heeft gereageerd. Wat betreft de bevoegdheid Justitiehuizen is een personeelstoename waarschijnlijk onvermijdelijk gezien de evolutie van het aantal dossiers en anderzijds de nieuwe wetgeving die in de loop van 2014 wordt geïmplementeerd. Het departement WVG geeft aan dat voor deze bevoegdheid minstens 45 VTE (niveau B) meer moeten worden ingezet dan dat er in de huidige raming voorzien is.
3.3.8 Cultuur, Jeugd, Sport en Media
a.
Huidige bevoegdheden
De kredieten van het FoCI werden in mei 2014 eenmalig verhoogd met ruim 6,1 miljoen euro via een herverdelingsbesluit. Deze verhoging komt bovenop de bij begrotingsopmaak 2014 reeds doorgevoerde eenmalige verhoging van 31,3 miljoen euro voor het vastleggen van de 2de fase van de renovatie van het KMSKA. Het eenmalig krediet van 37,4 miljoen euro wordt vanaf 2015 weer in mindering gebracht van de kredieten. Ter compensatie van de bijkomende eenmalige verhoging van 6,1 miljoen euro, wordt ditzelfde bedrag over twee jaar gespreid in de periode 2015 en 2016 afgehouden van de investeringsmachtiging van het FoCI. Verder loopt in begrotingsjaar 2015 ook de 5-jarige periode af waarin jaarlijks 4 miljoen euro compensatie vanuit de FOCI-machtiging wordt geboden voor de volledige vastlegging van het project Waalse Krook in 2010, waardoor de beleidskredieten vanaf 2015 met 4 miljoen euro toenemen. Voor de subsidies binnen het sportinfrastructuurplan voor projecten gefinancierd via PPS wordt in voorliggende meerjarenraming uitgegaan van een toename van deze subsidies tot jaarlijks 8,5 miljoen euro in begrotingsjaar 2019. In begrotingsjaar 2016 wordt 0,4 miljoen euro ingeschreven voor de deelname van de Vlaamse topsporters aan de Olympische Spelen in Rio de Janeiro. Met betrekking tot de VRT-begroting heeft de knipperlichtprocedure voor de boekjaren 2012 en 2013 tot gevolg dat de beleidskredieten in 2014 naar beneden bijgesteld worden ten bedrage van 2,3 miljoen euro. Vanaf 2015 wordt blijvend abstractie gemaakt van de toelage voor de knipperlichtprocedure. Daarnaast wordt er vanaf 2015 een geleidelijke afbouw van de intering op het saldo meegenomen, wat tegen 2019 neerkomt op een verlaging van de voorziene beleidskredieten met 5,0 miljoen euro. De voorziene intering op het saldo weerspiegelt de evolutie van de herstructureringskosten. Vervolgens wordt de vergrijzingskost 2014 van de statutaire VRT personeelsleden gecumuleerd doorgetrokken over de periode 2015-2019. De bedoelde kost is een jaarlijkse minderkost door het effect van de uitstroom aan personeelsleden. De impact hiervan op de beleidskredieten is negatief en bedraagt 1,3 miljoen euro in 2019.
03 / DE UITGAVENBEGROTING
De veronderstelde evolutie van de eigen ontvangsten heeft een toenemend positief effect op de beleidskredieten. In 2019 wordt het bedoelde effect op 15,5 miljoen euro geraamd. De raming van de pensioenuitgaven van het pensioenfinancieringsorganisme van de VRT (vanaf 2015 gedragen door het departement CJSM) is gebeurd op basis van het actuarieel rapport van oktober 2013 dat een prognose bevat van de bedoelde pensioenuitgaven vertrekkende van de tot 2013 opgebouwde pensioenrechten. T.o.v. de begroting 2014 stijgen de pensioenuitgaven in 2019 met 14,4 miljoen euro naar 71,5 miljoen euro.
b.
Aandachtspunten
Aandacht dient geschonken te worden aan de benodigde middelen voor het honoreren van de decreten waarbij de bevolkingsgroei / stijgend inwonersaantal bij lokale besturen een aangroei aan middelen vereist. Hoewel binnen deze decreten steeds bepaald wordt dat ze ‘uitvoerbaar zijn binnen de beschikbare kredieten van de goedgekeurde begroting’ komt de geloofwaardigheid van dergelijke decreten immers in het gedrang wanneer wel bepaalde decretale eisen gesteld worden, maar deze niet worden omgezet in het volledig honoreren van de opgenomen budgettaire engagementen. De verwachte meerkost omtrent het decreet lokaal sportbeleid beperkt zicht tot zo’n 250 duizend euro per jaar ten gevolge van het stijgend inwonersaantal als kostendrijver. De budgettaire impact omtrent het decreet lokaalcultuurbeleid is groter. Hierbij dient opgemerkt dat het inwonersaantal niet langer als subsidieparameter geldt, wel dient het (stijgend) aantal deelnemende gemeenten in rekening gebracht. Naast een historisch tekort (tussen 2009 en 2013 sloten heel wat gemeenten zich aan, maar werden hiervoor geen middelen toegekend) van 3 miljoen euro, is voor de nieuwe aanvragen van 2014 bijkomend een bedrag van 2,5 miljoen euro nodig. Daarna zouden pas in 2019 nieuwe gemeenten kunnen aansluiten, hetgeen bij 100% deelname van de gemeenten nogmaals tot een bijkomende meerkost van 2,5 miljoen euro zou leiden. In totaal zou voor de komende legislatuur dus een bijkomend bedrag van 3, resp. 2,5 ofwel 5,5 miljoen euro samen kunnen volstaan om een volledige uitvoering van het decreet te garanderen. Betreffende de convenants zoals afgesloten tussen de gemeenten en het agentschap Kunsten en Erfgoed naar aanleiding van het cultureel erfgoeddecreet bedraagt het tekort in 2014 ongeveer 380 duizend euro. Met betrekking tot de VRT-begroting wordt er abstractie gemaakt van de toelage ter compensatie van de vergrijzingskost voor contractuele personeelsleden, gelet op het feit dat het betrokken personeel niet onderworpen is aan de besparing op koppen zoals doorgevoerd bij de Vlaamse administratie. Bedoelde vergrijzingskost wordt voor het begrotingsjaar 2014 op 1,6 miljoen euro geraamd. Ook na 2014 manifesteert er zich een jaarlijkse meerkost voor de vergrijzing van de contractuele personeelsleden. Er mag van uitgegaan worden dat de bedoelde meerkost afneemt naar 2019 toe. Eind 2019 plant de VRT de aangekondigde nieuwbouw in gebruik te nemen. De kosten van de nieuwbouw zullen – minstens gedeeltelijk – gefinancierd worden met de opbrengst van de verkoop van onroerende goederen. De ESR impact van de verkoop van de onroerende goederen en de nieuwbouw werden in de voorliggende meerjarenraming niet in rekening gebracht.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
De raming van de pensioenuitgaven van de statutaire VRT personeelsleden is gebaseerd op het actuarieel rapport van oktober 2013. Het bedoelde rapport bevat een prognose van de pensioenuitgaven vertrekkende van de tot 2013 opgebouwde pensioenrechten. De pensioenrechten die na 2013 nog opgebouwd zullen worden, zijn niet in de prognose verwerkt.
3.3.9 Werk en Sociale Economie
a.
Huidige bevoegdheden
In het kader van het competitiviteitspact en de nieuwe bevoegdheden die vanaf 1 juli 2014 overkomen heeft de Vlaamse Regering zich geëngageerd om met ingang van het laatste kwartaal van 2014 recurrent op jaarbasis 125 miljoen euro in te zetten voor een lastenverlaging. De Vlaamse Regering zal met de sociale partners overleggen over de meest geschikte manier waarop deze bijkomende lastenverlaging ingezet kan worden inzonderheid voor de jongere werknemers (- 30 jaar) als de oudere werknemers (+55 jaar). Voor het verder ontwikkelen van werkinlevingscontracten wordt er 5 miljoen euro vanaf 2015 uitgetrokken. Daar de nieuwe generatie sectorconvenants opnieuw een looptijd kennen van 2 jaar wordt enkel in de oneven jaren een vastleggingskrediet van 12,8 miljoen euro ingeschreven. De kredieten voor de landingsbanen blijven constant. Hierachter gaan echter 2 tegengestelde bewegingen schuil die elkaar opheffen. Enerzijds zijn er jaarlijks minder instappers als gevolg van de verhoging van de instapleeftijd naar 55 jaar en anderzijds zijn er ook jaarlijks minder uitstappers door de graduele verhoging van de pensioenleeftijd.
b.
Nieuwe bevoegdheden
In uitvoering van de 6de staatshervorming worden er bevoegdheden inzake werk, die hoofdzakelijk onder het actief arbeidsmarktbeleid vallen, overgedragen ten belope van 2,5 miljard euro in 2015. De grootste budgettaire uitdaging voor wat betreft deze overgedragen bevoegdheden ‘Werk’ in het kader van de 6de staatshervorming situeert zich bij het dienstenchequesysteem. Het succes van het systeem laat zich optekenen in de evolutie van het aantal gebruikers. In 2012 telde het dienstencheque-systeem 895.265 actieve gebruikers of een stijging met 8% t.o.v. 2011. In 2013 waren er reeds 951.525 actieve gebruikers of opnieuw een stijging met 7%, dit niettegenstaande de verhoging van de aankoopprijs voor de gebruiker van 7,5 euro naar 8,5 euro per cheque. De meest recente cijfers over de evolutie van het aantal gebruikers tonen dat de trend nog steeds opwaarts is en dat de markt meer dan 8 jaar na de invoering van het systeem nog niet verzadigd is. Voornoemde prijsverhoging voor de gebruiker in 2013 kwam in mindering van de RVA-tussenkomst per cheque die dus in 2013 daalde van 14,54 euro naar 13,54 euro per cheque, of een daling van de financiële tegemoetkoming van 6,88% per cheque. De totale financiële tegemoetkoming van de RVA voor het dienstenchequesysteem bedroeg in 2012 1.607 miljoen euro en wordt voor 2013 geraamd op 1.630 miljoen euro. Niettegenstaande de subsidiedaling in 2013 was er dus nog altijd een nominale stijging van de totale kostprijs met 1,4%. De subsidiedaling in 2013 heeft dus hoogstens de stijging van het aantal gebruikers kunnen compenseren. Ook voor het jaar 2014 verwacht de RVA een stijging van het benodigd budget naar 1.662 miljoen euro (waarvan 1,018 miljoen euro voor het Vlaams Gewest) of een stijging met 1,97% ten opzichte van 2013.
03 / DE UITGAVENBEGROTING
Ook hier zal de daling van de RVA-tussenkomst per cheque van 13,54 euro naar 13,04 euro, of een daling van de financiële tegemoetkoming van 3,69% naar aanleiding van de prijsverhoging voor de gebruikers van 8,5 euro naar 9 euro, de geraamde stijging van het aantal gebruikers met 7% en de geraamde daling van het aantal aangekochte cheques per gebruiker met 1% niet kunnen compenseren. Voor de ramingen in meerjarig perspectief gaan we ervan uit dat de groei van het aantal gebruikers jaarlijks met 1% - punt afneemt tot 2% in 2019. We gaan er tevens van uit dat ook het aantal aangekochte cheques per gebruiker verder daalt met 1% per jaar en dat de overheidstussenkomst per cheque constant blijft. Dit resulteert in een stijging van de kredietbehoefte van 5% in 2015 die jaarlijks afneemt met 1% -punt tot 1% stijging in 2019. Voor de kostprijs van de fiscale uitgaven van de dienstencheques vertrekken we vanuit de federale prognose voor 2015, nl. 216,6 miljoen euro, en passen vanaf 2016 hierop voornoemde voorspelling inzake groei van het aantal aangekochte cheques per gebruiker toe. Dit resulteert in een kredietbehoefte van 239 miljoen euro in 2019 (uitgedrukt in prijzen 2015). De bedragen worden jaarlijks aangepast uitgaande van een indexatie van de fiscale grensbedragen. Voor de RVA-tegemoetkoming in het kader van het doelgroepenbeleid werden de cijfers uit de door federaal beschikbaar gestelde boordtabel opwaarts bijgesteld in functie van de meest recente parameters (inzonderheid de evolutie van het aantal oudere werklozen ) die in de aangepaste begroting 2014 van de RVA zijn verwerkt.
c.
Aandachtspunten
Over de volledige looptijd van het nieuw Operationeel Programma (dus tot 2020) zou er ondanks het lager Europees co-financieringspercentage slechts circa 16 miljoen méér Vlaamse cofinanciering ingezet moeten worden. Dit is het gevolg van het feit dat er tevens minder Europese ESF-middelen beschikbaar zijn gesteld. De globale meerkost voor het Operationeel Programma blijft wellicht beperkt tijdens komende legislatuur. Onder voorbehoud van wat nog in het Vlaams afsprakenkader dient uitgelijnd en in de veronderstelling dat de VDAB haar ESF actievoering zowel in actor als regierol op peil houdt dient evenwel vanaf 2016 jaarlijks 15 miljoen meer toelage aan de VDAB voorzien te worden, omwille van een dalend volume aan beschikbaar gestelde Europese middelen en een lager Europees co-financieringspercentage hierbij (van 45 naar 40%).
3.3.10 Landbouw en Visserij
a.
Huidige bevoegdheden
Voor landbouw wordt er in 2014 een eenmalig bedrag van 4 miljoen euro voorzien uit de SALK-provisie.
b.
Nieuwe bevoegdheden
De beleidskredieten stijgen met 12 miljoen euro ten gevolge van de overdracht van de bevoegdheden van het landbouwrampenfonds, het BIRB en dierenwelzijn.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
c.
Aandachtspunten
Voor het VLIF zijn er inzake PDPO-uitgaven nog enkele jaren kredieten nodig voor steun die toegekend werd de afgelopen jaren volgens het open end-systeem en dossiers die nog beslist moeten worden en ingediend tot einde van dit jaar. De EU-middelen 2007-2013 (PDPO II-periode), via een cofinanciering van 30%, waren onvoldoende voor alle uitbetalingen zodat er reeds in 2013 moest worden overgeschakeld op 100% Vlaamse staatssteunbetalingen. Aangezien PDPO III-middelen maar kunnen aangewend worden tot en met 2015 voor dossiers en lasten uit het verleden (aflopende PDPO II-periode), kan voorzichtigheidshalve gesteld worden dat vanaf 2016 minimaal 51,5 miljoen euro nodig zal zijn voor vastleggingen ten gevolge van het open end-systeem tegen het einde van de programmaperiode (2020). Ten gevolge van de nieuwe GLB-verplichtingen dient in 2015 een bedrag van 2,9 miljoen euro extra voorzien te worden voor bijkomende ICT-ondersteuning. Op lange termijn (in casu vanaf 2016) dient een oplossing gevonden te worden voor het structurele tekort van 650 duizend euro op jaarbasis aan recurrent beschikbaar krediet. Het structurele tekort is voornamelijk een gevolg van de niet-indexering van de GBCSkredieten de laatste jaren en heeft dus tot gevolg dat er geen financiering is voor de provisie van 1.000 mensdagen die voorzien wordt voor het onderhoud van en bijwerkingen aan de GBCS-toepassingen, ontwikkeld in kader van het nieuwe GLB. Bij niet-indexering in 2015 en 2016 loopt dit op tot 750 duizend euro en meer. Vanaf eind 2016 zullen er bovendien ook vernieuwde contracten voor de externe informatici in werking treden en zullen er bijgevolg nieuwe, geïndexeerde dagtarieven gelden. Ten gevolge van de 6de staatshervorming, komen de bevoegdheden van het BIRB over naar de gewesten. Door deze overgang zouden er 87,5 VTE overkomen naar het Vlaamse Gewest, vooral van het niveau C en D. Hier zou, gelet op de actueel beperkte werklast bij het BIRB, eventueel een afbouwscenario voor uitgewerkt kunnen worden. Er dient wel rekening gehouden te worden met het feit dat er sowieso nog personeel nodig is voor douanecertificaten, eventuele opslagdossiers en bijvoorbeeld landbouwrampen. Ook de bevoegdheid dierenwelzijn komt ten gevolge van de 6de staatshervorming over naar de gewesten. Hierbij kan er nog een significant budgettair effect inzake geschillen ontstaan.
3.3.11 Leefmilieu, Natuur en Energie
a.
Huidige bevoegdheden
Ingevolge het competitiviteitspact wordt er in 2014 eenmalig voor 17,5 miljoen euro aan extra kredieten voorzien voor investeringen in riolering via subsidies aan de gemeenten enerzijds en om een aantal hangende dossiers inzake de bodemsanering van brownfields te realiseren anderzijds. Naast het wegvallen van de eenmalige extra middelen uit het competitiviteitspact, dalen de subsidies voor de uitbouw van het gemeentelijk rioleringsnetwerk in 2015 nog eens met een extra 10 miljoen euro ten opzichte van 2014 ten gevolge van het wegvallen van de bij begrotingsopmaak 2014 eenmalig voorziene investeringskredieten. De eenmalige verlaging van de toelage aan de drinkwatermaatschappijen door het optimaliseren van het subsidiëringsritme wordt in begrotingsjaar 2015 teruggedraaid, wat aanleiding geeft tot een verhoging van de subsidie aan de drinkwatermaatschappijen ten belope van 82 miljoen euro.
03 / DE UITGAVENBEGROTING
Ten opzichte van de begrotingsopmaak 2014 dalen de uitgaven inzake de subsidiëring van de drinkwatermaatschappijen naar aanleiding van de Aquafinfactuur met 20 miljoen euro bij de begrotingsherziening 2014. Dit is te wijten aan het feit dat er een omschakeling is van een heffing door VMM naar een facturatie aan bedrijven door de drinkwatermaatschappijen in het kader van de eigen waterwinning door bedrijven, waardoor de drinkwatermaatschappijen een extra ontvangst van 14 miljoen euro hebben. Daarbovenop wordt hierdoor ook een 100%-BTW-recuperatie door de drinkwatermaatschappijen op de Aquafinfactuur mogelijk gemaakt, waardoor de niet-recupereerbare BTW verlaagt van 12 miljoen euro naar 0 euro. De factuur van Aquafin ten aanzien van de drinkwatermaatschappijen verhoogt evenwel met 7 miljoen euro omwille van het wegvallen van de inkomsten van Aquafin uit de facturatie richting industrie. Vanaf 2015 daalt de onderliggende subsidiëring van de drinkwatermaatschappijen in het kader van de Aquafinfactuur t.o.v. de begrotingsopmaak 2014 met 5,7 miljoen euro in begrotingsjaar 2015. Vanaf 2016 is er een stijging van de subsidiëring t.o.v. de begrotingsopmaak 2014 die oploopt tot 33,6 miljoen euro in het begrotingsjaar 2019. De facturatie vanuit Aquafin aan de drinkwatermaatschappijen houdt rekening met een constant opleveringsvolume qua investeringen van 160 miljoen euro per jaar, indexatie volgens de in voorliggende nota voorziene parameters, een jaarlijkse endogene groei van 1,62%, een jaarlijkse efficiëntiewinst van 1,5% en een jaarlijkse stijging van 2% van het aantal patrimoniumeenheden en de eenheden vuilvracht. De bovengemeentelijke bijdragen die door de drinkwatermaatschappijen worden geïnd en in mindering gebracht van de subsidiëring worden vanaf 2014 bijgesteld. Hierbij wordt rekening gehouden met een indexatie van 1,5%, een verbruiksdaling van 1% voor de gezinnen (kleinverbruikers) en een vuilvrachtdaling van 2% voor bedrijven (grootverbruikers) In begrotingsjaar 2016 worden de 5-jaarlijkse beheersovereenkomsten met landbouwers hernieuwd wat tot een stijging van de beleidskredieten met 31,7 miljoen euro leidt. Wat het Grindfonds betreft, zal het saldo conform de politieke afspraken afgebouwd worden, wat resulteert in een daling van de beleidskredieten tot 1,9 miljoen euro in 2019 ten opzichte van de begrotingsopmaak in 2014. De uitgaven van het Klimaatfonds evolueren van 32 miljoen euro in 2014 naar 57,6 miljoen euro in 2019 in overeenstemming met de opgenomen ontvangsten. Met deze inkomsten zullen voornamelijk maatregelen rond intern klimaatbeleid en steun voor bedrijven voor het vermijden van indirecte carbon leakage gefinancierd worden. Het beschikbare saldo binnen de grondenbanken zal eind 2014 ongeveer 27 miljoen euro bedragen. De intering op het over te dragen saldo wordt in voorliggende raming stelselmatig afgebouwd met telkenmale een extra 500 duizend euro per jaar. Door deze werkwijze wordt het saldo van de grondenbanken verder afgebouwd tot een niveau waarbij het bedrag van de verkoop van de Mérodebossen ten belope van 21,7 miljoen euro niet wordt aangewend. De stelselmatige afbouw van de intering uit zich in een jaarlijkse daling van de beleidskredieten met 500 duizend euro.
b.
Nieuwe bevoegdheden
De uitgaven stijgen met 29,5 miljoen euro ten gevolge van de 6de staatshervorming, die de overdracht van de bevoegdheden van het FRGE, de doorvoer van afvalstoffen en fiscale uitgaven inzake energiebesparende maatregelen en passiefhuizen met zich meebrengt.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
c.
Aandachtspunten
Aangezien Aquafin NV nu al bijna 25 jaar de waterzuiveringsinfrastructuur in Vlaanderen exploiteert, wordt deze infrastructuur ouder en dient er gerenoveerd te worden. Anderzijds is er nog steeds nood aan verdere uitbouw van de infrastructuur in het kader van de Kaderrichtlijn Water, terwijl de beschikbare middelen beperkt zijn. Deze nood situeert zich momenteel evenwel meer bij de gemeentelijke- dan bij de bij de bovengemeentelijke infrastructuur. Dit betekent dat er een keuze zal dienen gemaakt te worden tussen twee opties. De eerste optie gaat uit van het verhogen van de jaarlijkse portefeuille aan projecten die door Aquafin dient opgeleverd te worden. De nv Aquafin stelde een eerste raming op waaruit een stijging van het jaarlijkse opleveringsvolume van 150 tot 195 miljoen euro (exclusief de gerelateerde kosten en vrij van indexatie) blijkt. Deze investeringen – samen met de financierings– en werkingskosten - geven aanleiding tot een factuur aan de drinkwatermaatschappijen die stijgt van 430 miljoen euro in 2014 tot 580 miljoen euro in 2025. Andere optie is om een deel van het huidig budget voor de uitbouw van de infrastructuur om te zetten in renovatiebudget, waardoor er blijvend binnen de in voorliggende meerjarenraming voorziene budgetten kan gewerkt worden. Ten gevolge van PDPO III wordt het pakket ‘beheerovereenkomst water’ grondig gewijzigd. Hierdoor stelt men voor om de klassieke 5-jaarlijkse piek aan vastleggingen te vervangen door een benodigd jaarlijks budget van ongeveer 10 miljoen euro voorzien in plaats van de huidig beschikbaar gestelde 6,9 miljoen euro, zoals opgenomen in voorliggende meerjarenraming. VLM stelt voor om deze verhoging van het jaarlijkse budget met ongeveer 3,7 miljoen euro budgettair te compenseren door het uitsmeren van de beschikbare piek in vastleggingskredieten. De Vlaamse Regering nam tijdens de bijzondere vergadering van 23 april 2014 een beslissing inzake de instandhoudingsdoelstellingen, of kortweg ‘IHD’ en Programmatische Aanpak Stikstof, kortweg ‘PAS’. Het opstellen van een meerjarenbegroting voor de periode 2014-2020 voor beide beleidsaspecten is echter een zeer moeilijke oefening, gelet op het grote aantal onbekende factoren in het BVR, het grote aantal betrokken partijen en de zeer geringe tijd die gegeven werd om deze raming te finaliseren (tegen 15 mei 2014). De meerkosten van beide projecten (IHD en PAS) zijn bovendien sterk verweven, zodat binnen het opgegeven tijdsbestek het uitsplitsen van deze meerkosten over beide deelprojecten, en over de VPASperiode (voorlopige komende opstartperiode) en DPAS-periode (definitieve periode op kruissnelheid) niet mogelijk was. De globale budgetraming die voor de combinatie van IHD en PAS opgesteld werd voor de regeerperiode 2014-2019 becijferde de meerkosten gerelateerd aan de regeringsbeslissing van 23 april 2014 op 214 miljoen euro, of een gemiddeld bijkomend budget van circa 43 miljoen euro per jaar. Een belangrijke opmerking hierbij is dat hierbij de kosten voor inrichting leefgebieden en de kosten voor herstel milieucondities nog niet becijferd konden worden, en dat de kosten niet zomaar lineair uit te smeren zijn over deze jaren. Betreffende het Klimaatfonds wordt het bedrag dat jaarlijks aan Internal Carbon Leakage zal gespendeerd worden, geraamd op 45 miljoen euro. Gelet op het begrotingsakkoord dat ESR neutraliteit vereist inzake het klimaatfonds zullen in de praktijk de uitgaven voor Internal Carbon Leakage door het Hermesfonds ge(pre)financierd moeten worden. Immers, de ESR-inkomsten gebaseerd op de aan België toegewezen veilinginkomsten zullen de ESR-uitgaven binnen het klimaatfonds die gepaard gaan met het financieren van Internal Carbon Leakage naar alle waarschijnlijkheid in de eerstvolgende jaren niet dekken.
03 / DE UITGAVENBEGROTING
Gelet op de extra aanvragen inzake de Vlabotex-regelgeving, zou vanaf 2015 het bedrag van 803 duizend euro in de begroting van OVAM met ongeveer 600 duizend euro dienen te verhogen, teneinde de voorziene subsidies effectief volledig te kunnen betalen. Ten gevolge van de 6de staatshervorming krijgt het VREG een bevoegdheid bij, namelijk nazicht van het distributietarief, waarbij de kost 1,2 miljoen euro is en er geen budget overkomt.
3.3.12 Mobiliteit en Openbare Werken
a.
Huidige bevoegdheden
De kredieten, ten belope van 10 miljoen euro, voor de jaarlijkse co- en prefinanciering van de NMBS in het kader van de werken aan de stationsomgeving Mechelen worden, na het niet benodigd zijn hiervan in 2014, 2015 en 2016 omwille van de afdoende bevoorschotting tot op heden (onder andere 30 miljoen euro eind 2013), terug toegevoegd in 2017. De extra kredieten die bij begrotingsopmaak 2014 budgettair werden gecompenseerd door de verkoop van de gronden Oostende Oosteroever, ten belope van 28,5 miljoen euro, worden in 2015 weer in mindering gebracht, gelet op het wegvallen van de financieringsbasis. Het betreft in totaal 15 miljoen euro voor de investeringen en kosten verbonden aan de nieuwe LOM/LEMstructuur van de regionale luchthavens. Indien de activiteiten hieromtrent wensen voortgezet te worden dient een nieuwe financieringsbasis aangeboden te worden. Ook de provisie van 5 miljoen euro, binnen het VIF, voor de aankoop van gronden betreffende de regionale luchthaven van Kortrijk wordt weer in mindering gebracht. Daarnaast valt het in 2014 aan W&Z eenmalig toegekende krediet voor het project aan de Scheldekaaien in het kader van het Sigmaplan eveneens weg in 2015, wat leidt tot een afname van het beleidskrediet met 8,5 miljoen euro. Nog binnen het Vlaams Infrastructuurfonds worden de kredieten voor de aankoop van gronden A11 ten belope van 11 miljoen euro terug in mindering gebracht, gelet op het wegvallen van de financieringsbasis. Tot slot wordt de kredietevolutie, met uitdovend effect, omtrent de overdracht van personeelsleden tussen het departement MOW en de Luchthaven exploitatiemaatschappijen (LEM’s) in rekening gebracht. Het effect van het toepassen van de klassieke prijsherzieningsformules van de VVM – De Lijn als gevolg van indexatie, werd in voorliggende oefening verwerkt onder de noemer indexatie. Zie hiervoor punt 3.2. De verdere aflossing van de nog openstaande leningen bij De Lijn, geeft aanleiding tot een dalende rentekost ten belope van 2,7 miljoen euro. In het kader van de financiering van het toekomstige shuttle-decreet wordt 2 miljoen euro vanuit de competitiviteitsprovisie aan de kredieten van MOW toegevoegd.
b.
Nieuwe bevoegdheden
Voor het uitvoeren van de extra bevoegdheden op het vlak van mobiliteit wordt een krediet van 3,7 miljoen euro ter beschikking gesteld.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Dit krediet voor mobiliteit staat los van de inkomsten die overkomen inzake het verkeersveiligheidsfonds. Deze inkomsten dienen namelijk conform de uitgangspunten van de financieringswet te worden aangewend ter financiering van andere bevoegdheden. Technisch gezien zijn deze geraamde inkomsten verrekend bij de totstandkoming van de tewerkstellingsdotatie (Zie hoofdstuk 2: Middelenbegroting).
c.
Aandachtspunten
Voor de initiatieven binnen het beleidsdomein MOW, die op alternatieve wijze zullen gefinancierd worden (vb. VIA-Invest, Lijninvest, Vlaamse havens …), zullen de reeds in het verleden toegekende kredieten worden ingezet. Duidelijk is echter dat met deze toegekende kredieten de werkelijke uitgaven niet kunnen opgevangen worden. Een overzicht van de dreigende discrepanties tussen de huidig toegekende kredieten en de werkelijke (geraamde) uitgaven wordt gegeven in de budgettaire boordtabel houdende alternatieve financiering die als bijlage III gaat. Aan de NV Vlaamse Havens werd de opdracht gegeven in te staan voor de realisatie van drie zeesluizen (Deurganckdoksluis, SHIP Zeebrugge en Kanaalzone Gent-Terneuzen). Naast de vanaf 2016 gedurende 20 jaar te betalen tussenkomst van ongeveer 18 miljoen euro voor de Deurganckdoksluis (zie bijlage III: Budgettaire boordtabel houdende alternatieve financiering) brengt de ingebruikname van de Deurganckdoksluis voor het Vlaams gewest ook een jaarlijkse onderhoudskost van 2 miljoen euro met zich mee. Voor de twee andere zeesluizen is nog geen definitieve beslissing genomen of er hier gewerkt zal worden met reguliere dan wel met alternatieve financiering. Voorlopig wordt voor de Kanaalzone Gent-Terneuzen, voor wat het door het Vlaams gewest gedragen gedeelte betreft, uitgegaan van een investeringsbedrag van 670 miljoen euro (excl. BTW) en een jaarlijkse onderhoudskost van 2,5 miljoen euro (excl. BTW). Voor SHIP Zeebrugge wordt uitgegaan van een investeringsbedrag van 638 miljoen euro (excl. BTW). Aandacht dient daarnaast geschonken aan het dreigend tekort aan kredieten voor het vernieuwen van grote baggercontracten. Een eerste schatting wijst op een noodzakelijke recurrente verhoging van 45 miljoen euro. Bovendien vraagt men vanuit MOW ook hier aandacht voor de stijgende exploitatiekosten indien bijkomende projecten worden opgeleverd, zoals hierboven vermeld. Betreffende de Oosterweelverbinding (BAM) worden geen budgettaire implicaties in deze oefening opgenomen, daar nog steeds uitgegaan wordt van een zelfbedruipende financiële constructie, waarbij aan de hand van tolgelden de noodzakelijke uitgaven kunnen opgevangen worden. Opgemerkt dient te worden dat voor alle werken in de rand van de Oosterweelverbinding (Masterplan 2020), maar buiten de concessieconstructie, verwacht wordt dat deze op te vangen zijn binnen de reguliere kredieten van MOW. Daarnaast wordt vanuit het departement MOW aangegeven dat momenteel nog geen oplossing is gevonden voor het wegvallen van eenmalige middelen ten belope van 15 miljoen euro die in 2014 zullen worden aangewend voor de investeringen aan de regionale luchthavens en de kosten verbonden aan de nieuwe beheersstructuur. Betreffende De Lijn dient gewezen te worden op de opname van 3,8 miljoen euro uitzonderlijke opbrengsten in de begroting 2014 die tevens dient ter financiering van de uitgaven. Deze uitzonderlijke opbrengsten worden de komende jaren constant gehouden. Er is echter onzekerheid of dit niveau in de toekomst kan worden aangehouden. De kostendekkingsgraad van De Lijn beantwoordde in 2013 niet aan het in de beheersovereenkomst gestelde streefdoel. Dit gegeven kan echter volledig worden toegeschreven aan twee oorzaken: de lager
03 / DE UITGAVENBEGROTING
dan begrote neutralisatie van kosten met betrekking tot het leerlingenvervoer en het mee opnemen van een aantal achterstallige afschrijvingen m.b.t. de investeringen via kapitaalsubsidies. In de prognose op basis van de begrotingsopmaak 2014 betekent dit dat de evoluties, toegepast op het resultaat van 2013, een kostendekkingsgraad geven van 22,49% t.o.v. de doelstelling van 22,41%. Met deze aannames wordt de doelstelling van de beheersovereenkomst bijgevolg gerealiseerd. Voor 2014 bedraagt de globale vergrijzingskost bij De Lijn 4,3 miljoen euro. Hiervan wordt geraamd dat maar ruim 1 miljoen euro zal opgevangen wordt door de provisie voor endogene groei. Dit is het gevolg van het feit dat de compensatie bij geen enkele entiteit volledig is en enkel van toepassing is op het personeel dat onderworpen is aan de 6,5% besparing op koppen. De niet-gefinancierde meerkost bedraagt dan nog 3,2 miljoen euro en is voornamelijk te linken aan de kosten voor de chauffeurs zelf. De stijgende exploitatiekosten, verbonden aan de nieuwe mobiliteitsgerichte PPS-projecten, zorgen voor een meerkost van 47 miljoen euro in 2019. Deze meerkost loopt gestaag op met het zwaartepunt in 2018 en 2019. Tot op heden werd steeds gesteld dat deze bijkomende exploitatiekosten dienen opgevangen te worden binnen de reguliere kredieten van De Lijn. Tot slot wordt vanuit De Lijn opgemerkt dat de huidige investeringskredieten niet zullen volstaan om de vervanging van het rollend materieel te financieren. Op basis van een voorlopige raming wordt voor de ICT-uitgaven in het kader van de overgedragen bevoegdheden uitgegaan van een gemiddeld jaarlijks bedrag van ongeveer 2 miljoen euro. Aangezien op korte termijn een aantal applicaties moeten vervangen of opnieuw ontwikkeld worden (o.a. voor homologatie en rijexamens) zal deze kostprijs in de periode 2015-2017 hoger liggen dan in de daaropvolgende jaren. Deze gemiddelde jaarlijkse kostprijs van ongeveer 2 miljoen euro ligt opmerkelijk hoger dan de werkingskredieten ten belope van 0,8 miljoen euro die in het zog van deze bevoegdheden overkomen van de FOD Mobiliteit en Vervoer. Een oorzaak hiervan ligt onder andere in het feit dat een aantal applicaties in-house ontwikkeld zijn waardoor deze uitgaven vervat zaten in het globale ICT-budget van de federale overheid. Het beleidsdomein MOW werpt daarnaast op dat minstens een deel van de ontvangsten die gerealiseerd zullen worden in het kader van de overdracht van het verkeersveiligheidsfonds aangewend dienen te worden voor uitgaven met betrekking tot verkeersveiligheid.
3.3.13 Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed
a.
Huidige bevoegdheden
In het kader van het decreet grond- en pandenbeleid wordt er tegen begrotingsjaar 2019 8,2 miljoen euro extra krediet voorzien voor infrastructuursubsidies. Bij de berekening van de kapitaalsubsidies voor de huursector wordt uitgegaan van het nieuwe financieringsbesluit voor de sociale huisvestingssector en het fundingbesluit. Voor de bepaling van de rente wordt vertrokken van de gewogen gemiddelde olo + marge, zoals voorzien in het ontwerp van protocol dat werd opgesteld door de administraties van Wonen en Financiën en Begroting. De indexering van de investeringsvolumes en het incalculeren van een mogelijke rentestijging resulteren tegen begrotingsjaar 2019 in een gecumuleerde toename van het beleidskrediet met 35,9 miljoen euro voor de kapitaalsubsidies huur.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Het investeringsvolume van de huursector dat gefinancierd wordt met rentesubsidies volgt het groeipad dat werd voorzien in het decreet grond- en pandenbeleid. Deze volumes, aangevuld met 100 miljoen euro aan extra renovatiebudget over de periode 2013 – 2017, en de mogelijke rentestijging resulteren in een gecumuleerde toename van de rentesubsidies met 52,1 miljoen euro tegen begrotingsjaar 2019. De kredieten voor kapitaalsubsidies voor de koopsector nemen tegen begrotingsjaar 2019 toe met 21,0 miljoen euro. Dit ingevolge de indexatie van de volumes en het in rekening brengen van een mogelijke rentestijging. Het investeringsvolume van de koopsector dat gefinancierd wordt met rentesubsidies volgt het groeipad dat werd voorzien in het decreet grond- en pandenbeleid. De verhoging van de leningsmachtiging van de VMSW met 48 miljoen euro tijdens de begrotingsopmaak 2014 en met 240 miljoen euro naar aanleiding van de 1ste begrotingsaanpassing wordt in 2015 in mindering gebracht. Deze volumes en de mogelijke rentestijging resulteren in een gecumuleerde toename van de beleidskredieten met 14,9 miljoen euro tegen begrotingsjaar 2019. De eenmalige leningsmachtiging aan de VMSW ten belope van 50 miljoen euro voor het rollend grondfonds resulteert tegen begrotingsjaar 2019 in een toename van de rentesubsidie met 1 miljoen euro. De verhoging van de leningsmachtiging van het VWF met 52 miljoen euro tijdens de begrotingsopmaak 2014 en met 260 miljoen euro naar aanleiding van de 1ste begrotingsaanpassing 2014 wordt in 2015 opnieuw in mindering gebracht. De leningsmachtiging van het VWF wordt geïndexeerd volgens de in de meerjarenbegroting voorziene inflatieparameters. De tussenkomst door het Vlaamse Gewest in de intrestlast van deze leningen vragen een verhoging van de beleidskredieten met 22,4 miljoen euro tegen begrotingsjaar 2019. In de jaren ’90 werd het urgentieprogramma Domus Flandria voor de bouw van sociale woningen opgestart. De financiering van dit programma gebeurde via leningen waarop een tussenkomst in de rentelast werd toegekend en een tussenkomst in functie van huurinkomsten. Deze financiering liep over 20 jaar. Bijgevolg beginnen de tussenkomsten van het Vlaamse Gewest vanaf begrotingsjaar 2015 te dalen. Gecumuleerd nemen de beleidskredieten voor dit programma met 30,2 miljoen euro af tegen begrotingsjaar 2019. Het bij de begrotingsopmaak 2014 eenmalig voorziene krediet van 10 miljoen euro voor premies monumentenzorg wordt in mindering gebracht in 2015. Ook vanuit de competitiviteitsprovisie wordt in 2014 eenmalig krediet toegekend voor monumentenzorg. Dit voor een bedrag van 14,1 miljoen euro.
b.
Nieuwe bevoegdheden
Door de 6de staatshervorming stijgen de uitgaven van het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Wonen en Onroerend Erfgoed met bijna 2 miljard euro tegen 2019. Het betreft hoofdzakelijk de fiscale uitgaven voor bouwsparen en woonbonus, die om het effect van de 6de staatshervorming te visualiseren als een uitgave werden opgenomen en niet als een minderontvangst. Voor het uitvoeren van de raming van de fiscale uitgaven voor woonbonus en bouwsparen wordt uitgegaan van een constant blijvend aantal aangiftes met een fiscaal voordeel woonbonus/bouwsparen vanaf het inkomstenjaar 2014. Hierbij wordt verondersteld dat het aantal aangiftes met fiscaal voordeel “bouwsparen” geleidelijk aan uitdooft tegen 2025 en dat een even groot aantal aangiftes toegevoegd wordt bij het fiscaal voordeel “woonbonus”. Daarnaast wordt uitgegaan van een gelijkblijvend aandeel van fiscaal alleenstaanden en fiscale koppels. Gezien de verwachte dalende trend van de bevolkingsgroep
03 / DE UITGAVENBEGROTING
die nieuwe leningen aangaat en de vastgestelde afname van hypothecaire leningen in 2012 en 2013, mag gesteld worden dat deze aannames een voorzichtige raming impliceren. De vertrekbasis voor de raming van de fiscale uitgave is raming van de FOD Financiën voor het inkomstenjaar 2014 (aanslagjaar 2015). De projecties voor de volgende jaren zijn gebaseerd op het aantal aangiftes in de vorige paragraaf. Ook werd rekening gehouden met een indexering van het fiscaal voordeel volgens de in de meerjarenraming gehanteerde gezondheidsindex. Op basis van deze aannames bekomen we onderstaande fiscale uitgaven. De fiscale uitgaven nemen toe met circa 60 miljoen per jaar, hoofdzakelijk het gevolg van de substitutie van het minder gunstige regime van bouwsparen door het meer gunstige regime van woonbonus.
Inkomstenjaar
Fiscale uitgaven (miljoen euro)
2015
1.725,6
2016
1.781,5
2017
1.840,5
2018
1.900,9
2019
1.964,7
c.
Aandachtspunten
Het krediet voor sociale leningen werd naar aanleiding van de begrotingsopmaak 2014 en de 1ste begrotingsaanpassing 2014 eenmalig verhoogd met resp. 100 en 500 miljoen euro. Deze laatste verhoging ging gepaard met een verstrenging van de voorwaarden voor het toekennen van sociale leningen, waardoor het aantal aanvragen zal afnemen. Het is evenwel onzeker of het vanaf 2015 beschikbare budget voldoende zal zijn om alle aanvragen te kunnen honoreren. Het Grondwettelijk Hof vernietigde twee delen van het decreet grond- en pandenbeleid, namelijk de sociale last en wonen in eigen streek. De vernietiging van de maatregel sociale last heeft potentieel een aanzienlijke budgettaire weerslag. De volledige budgettaire weerslag is evenwel moeilijk in kaart te brengen. Het budget voor onroerend erfgoed premies is ontoereikend om aan alle aanvragen te kunnen voldoen. Door het nieuwe decreet zullen de wachtlijsten nog verder toenemen (bijv. door onderhoudssubsidies opnieuw mogelijk te maken voor lokale besturen te maken). Meerjarige subsidieovereenkomsten voor de restauratie van beschermde monumenten moeten niet vastgelegd worden in het jaar waarin de overeenkomst wordt gesloten; ze worden gefaseerd vastgelegd volgens de uitvoering van de projecten. De ruimte voor een volgende minister om nieuw beleid te voeren is beperkt.
3.3.14 Hogere entiteiten De toelage aan het Vlaams Parlement verhoogt met 2,7 miljoen euro vanaf begrotingsjaar 2015. Hier liggen twee redenen aan de basis: enerzijds wordt de besparing die voor 2014 werd overeengekomen
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
als eenmalig beschouwd en anderzijds is er een meerkost van 1,7 miljoen euro voor de vergoeding van 10 gemeenschapssenatoren die vanaf 1 juni 2014 ten laste van het Vlaams Parlement vallen waar die voorheen door de Senaat werden vergoed. In begrotingsjaar 2014 en 2019 is telkens 3,3 miljoen euro voorzien voor de kosten die eventuele kabinetswissels met zich meebrengen.
3.4 De globale evolutie van de beleids- en betaalkredieten bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden
Figuur 3-1 geeft enerzijds de evolutie van de beleids- en betaalkredieten bij constant beleid inzake de huidige bevoegdheden weer. Anderzijds worden deze kredieten aangevuld met de beleids- en betaalkredieten die in het kader van de nieuwe bevoegdheden worden toegevoegd. Wat betreft het verschil tussen de beleids- en betaalkredieten toont deze figuur aan dat in voorliggende begroting het beperkte verschil tussen de beleids- en betaalkredieten zoals voorzien in de 1ste begrotingsaanpassing 2014 en de begrotingsherziening 2014 in de eerste jaren van de komende legislatuur negatief wordt omwille van het wegvallen van eenmalig voorziene investeringskredieten enerzijds en het blijvend voorzien in de benodigde betaalkredieten om deze specifieke eenmalige investeringskredieten, reeds genomen - en nog te nemen engagementen te kunnen vereffenen anderzijds. In het laatste jaar van komende legislatuur is het verschil tussen beleids- en betaalkredieten terug positief, omwille van het feit dat tegen dat moment er terug een genormaliseerde verhouding tussen beleids- en betaalkredieten mogelijk is, waarbij de beleidskredieten per definitie een stuk boven de betaalkredieten staan, gelet op de werking van betaalkalender enerzijds en de technische onmogelijkheid om elke genomen vastlegging voor 100% uit te voeren anderzijds. Figuur 3.1: Beleids- en betaalkredieten bij constant beleid (in duizend euro)
1.290.579 1.517.158 198.984 847.196
Cultuur, Jeugd, Sport en Media
Werk en Sociale Economie
Landbouw en Visserij
Leefmilieu, Natuur en Energie 3.023.880
3.869.908
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
Mobiliteit en Openbare Werken
10.600.797
Onderwijs en Vorming
1.278.592
110.060
Internationaal Vlaanderen
Economie, Wetenschappen en Innovatie
339.587
Financiën en Begroting
2.847.054
128.687
Diensten Algemeen Regeringsbeleid
Bestuurszaken
123.505
REA 2013
Hogere Entiteiten
Beleidsdomein
3.124.168
876.462
190.044
1.586.147
1.340.507
4.074.551
10.924.804
1.270.834
171.480
646.722
2.870.581
133.703
129.559
1BA 2014
3.119.493
903.689
193.528
1.616.109
1.341.981
4.088.216
10.895.477
1.340.719
184.132
351.449
2.867.905
135.223
129.542
HERZ 2014
3.130.417
1.018.781
204.249
4.251.493
1.328.803
10.551.806
11.137.840
1.315.165
179.662
415.735
2.991.584
136.907
129.570
MJR 2015
3.174.645
1.075.085
207.029
4.350.018
1.347.398
11.363.613
11.388.513
1.333.500
181.491
469.369
3.084.648
139.926
130.093
MJR 2016
3.231.172
1.067.942
209.986
4.466.375
1.370.376
11.659.607
11.648.424
1.355.189
183.196
491.482
3.191.472
141.363
130.627
MJR 2017
Tabel 3.4: Beleidskredieten per beleidsdomein bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden 2013-2019 (in duizend euro)
3.274.207
1.086.587
212.783
4.537.474
1.389.612
11.931.356
11.878.338
1.398.032
185.204
481.663
3.279.946
143.338
131.046
MJR 2018
3.327.573
1.112.557
216.048
4.635.354
1.411.122
12.261.841
12.189.720
1.425.212
187.621
486.959
3.384.999
144.961
134.974
MJR 2019
3.5 De beleids- en betaalkredieten verdeeld over de 13 beleidsdomeinen bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden
03 / DE UITGAVENBEGROTING
27.038.314
-856
27.039.170
110.038
26.929.133
753.145
REA 2013
28.230.733
-842
28.231.575
122.564
28.109.011
769.449
1BA 2014
28.067.554
-5.167
28.072.721
122.564
27.950.157
782.695
HERZ 2014
39.461.923
-5.166
39.467.089
125.000
39.342.089
2.550.076
MJR 2015
40.998.737
-5.164
41.003.901
125.000
40.878.901
2.633.575
MJR 2016
41.974.269
-5.162
41.979.431
125.000
41.854.431
2.707.220
MJR 2017
42.846.228
-5.160
42.851.388
125.000
42.726.388
2.796.803
MJR 2018
43.941.638
-5.157
43.946.794
125.000
43.821.794
2.902.854
MJR 2019
In het subtotaal ESR-correcties voor uitgaven worden in de periode 2014-2019 correcties doorgevoerd voor het Rollend Fonds binnen PMV (Extra uitgave van 375 duizend euro in 2014), correctie voor het luik kapitaalsaflossing voor AMORAS (minderuitgaven van 4,7 miljoen euro in 2014) en een correctie voor het luik kapitaalsaflossing voor LAK-invest (minderuitgave van 842 duizend euro in 2014). De in het vorderingensaldo voorziene correcties bij een verdere consolidatie van de DBFM Scholen van Morgen worden in voorliggende tabel niet verrekend.
Beleidskredieten
SUBTOTAAL ESR-correcties uitgaven
TOTAAL Beleidskredieten (incl. FFEU)
FFEU
TOTAAL Beleidskredieten (excl. FFEU)
Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed
Beleidsdomein
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
3.910.997 1.277.215 1.499.752 206.208 831.082 2.948.914
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
Cultuur, Jeugd, Sport en Media
Werk en Sociale Economie
Landbouw en Visserij
Leefmilieu, Natuur en Energie
Mobiliteit en Openbare Werken
Beleidskredieten
SUBTOTAAL ESR-correcties uitgaven
TOTAAL Beleidskredieten (incl. FFEU)
FFEU
TOTAAL Beleidskredieten (excl. FFEU)
26.906.118
-856
26.906.974
92.418
26.814.556
685.346
10.612.358
Onderwijs en Vorming
Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed
1.263.223
146.368
Internationaal Vlaanderen
Economie, Wetenschappen en Innovatie
337.852
Financiën en Begroting
2.838.033
133.420
Diensten Algemeen Regeringsbeleid
Bestuurszaken
123.788
REA 2013
Hogere Entiteiten
Beleidsdomein
28.065.119
-842
28.065.961
98.322
27.967.639
743.838
3.174.284
868.323
169.564
1.590.404
1.315.904
4.079.598
10.896.967
1.234.901
190.634
566.578
2.872.481
134.604
129.559
1BA 2014
27.900.466
-5.167
27.905.633
98.322
27.807.311
742.983
3.169.269
878.205
169.967
1.620.722
1.311.478
4.085.939
10.866.005
1.282.462
190.473
354.305
2.869.805
136.157
129.542
HERZ 2014
39.565.345
-5.166
39.570.511
104.000
39.466.511
2.554.594
3.152.672
1.012.061
206.470
4.254.870
1.344.726
10.575.107
11.191.666
1.312.136
194.486
412.028
2.985.853
140.271
129.570
MJR 2015
41.062.046
-5.164
41.067.210
109.000
40.958.210
2.640.908
3.144.220
1.034.455
216.126
4.359.155
1.368.990
11.385.467
11.467.287
1.343.321
186.987
465.108
3.076.647
139.448
130.093
MJR 2016
42.000.417
-5.162
42.005.579
114.000
41.891.579
2.715.396
3.171.253
1.061.144
220.217
4.462.951
1.390.498
11.675.350
11.713.005
1.363.934
183.877
486.935
3.175.222
141.170
130.627
MJR 2017
Tabel 3.5: Betaalkredieten per beleidsdomein bij constant beleid inzake huidige en nieuwe bevoegdheden 2013-2019 (in duizend euro)
42.865.984
-5.160
42.871.143
119.000
42.752.143
2.809.353
3.208.035
1.084.476
218.462
4.540.945
1.401.084
11.937.663
11.921.635
1.412.337
184.033
477.116
3.283.306
142.650
131.046
MJR 2018
43.891.641
-5.157
43.896.798
124.000
43.772.798
2.904.890
3.262.038
1.112.979
217.101
4.629.026
1.413.511
12.266.259
12.207.765
1.431.924
184.610
482.412
3.380.728
144.581
134.974
MJR 2019
03 / DE UITGAVENBEGROTING
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
3.6 Impliciete schuld
In figuur 3-2 wordt de stand van de impliciete schuld t.e.m. eind 2013 weergegeven. Deze stand van de impliciete schuld wordt afgezet t.o.v. de laatst beschikbare ontvangstenraming van de ministeries excl. DAB’s en excl. ontvangsten uit de terugbetaling van de participatie in KBC. Uit voorgaande grafiek kan duidelijk worden afgeleid dat in 2013 de stand van de impliciete schuld zowel in absolute cijfers als relatief gezien t.o.v. de totale ontvangsten van de ministeries lichtjes gedaald is ten opzichte van de stand eind 2011, wat als gunstig kan beschouwd worden. Momenteel kan dan ook geconcludeerd worden dat de impliciete schuld eind 2013 onder controle was.
Figuur 3.2: Stand van de impliciete schuld 2004-2013 (incl. impliciete schuld m.b.t. ESR-8) t.o.v. geraamde ontvangsten ministeries (excl. DAB’s) (in duizend euro)
04 / HET FINANCIEEL BEHEER
04 / HET FINANCIEEL BEHEER 4.1 Schuldevolutie
De evolutie van de schuld is vooreerst afhankelijk van het begrotingssaldo. Het effect op de schuld hiervan kan best worden ingeschat via het verwachte saldo in ESR-termen op de geconsolideerde begroting. Vervolgens zijn er ook de ontvangsten en uitgaven voor kredietverleningen en participaties die mee de evolutie van de schuld bepalen. Deze twee soorten verrichtingen zijn niet inbegrepen in het vorderingensaldo maar wel in het te financieren saldo van de Vlaamse overheid.
4.1.1 Het begrotingssaldo in ESR-termen Bij de inschatting van de schuldevolutie wordt uitgegaan van een begroting in evenwicht in de periode 2014-2019. Deze aanname gaat ervan uit dat de volgende Vlaamse Regering conform het bij de Europese commissie ingediende stabiliteitsprogramma het begrotingsevenwicht ook na 2014 wenst te handhaven.
4.1.2
Kredietverleningen en participaties
Ook het saldo van de deelnemingen bepaalt mee de evolutie van de schuld. Wat betreft de kapitaalsparticipaties worden de vereffeningskredieten geraamd aan de hand van de betaalkalenders in de beslissingen van de Vlaamse Regering, aangepast aan de reeds uitgevoerde betalingen en nieuwe inzichten. Het belangrijkste budget in de begroting voor deelnemingen is de verwachte ontvangst ingevolge een gedeeltelijke terugbetaling van de staatssteun door KBC. In juli vorig jaar heeft KBC het eerste gedeelte van de aan hen verleende steun terugbetaald namelijk 1.167 miljoen euro vermeerderd met een terugbetalingspremie van 50%. In januari van dit jaar heeft KBC 333 miljoen euro kapitaal terugbetaald, vermeerderd met 166,5 miljoen euro terugbetalingspremie. Er wordt vanuit gegaan dat KBC in de volgende jaren de staatssteun verder terugbetaalt overeenkomstig de afspraken die gemaakt zijn met de Europese Commissie. Hiermee rekening houdend wordt geraamd dat vanaf 2015 KBC jaarlijks eenzelfde kapitaal en premie terugbetaalt als in 2014 namelijk 333 miljoen euro kapitaal en 166,5 miljoen euro terugbetalingspremie. Aan uitgavenzijde is op basis van het beschikbare globale budget voor participaties van de aflopende regeerperiode een inschatting gemaakt van hun invloed op de kaspositie van de Vlaamse overheid. De nog niet ingevulde budgetten zijn niet meegenomen in de onderstaande raming van de kasbehoefte voor deze uitgaven. De meegenomen behoeftes zijn voornamelijk voor de financiering van initiatieven die zijn genomen in de schoot van de Participatie Maatschappij Vlaanderen (PMV). Voor de volgende jaren is 95 miljoen euro in 2014, 130 miljoen euro in 2015 en 70 miljoen euro in 2016 ingeschreven aan kasuitgaven voor participaties. Naar aanleiding van elke begrotingsronde zal de impact van de participaties op de evolutie van de schuld meer in detail worden geanalyseerd. Zo onder meer, welke andere ESR-8 kredieten zijn ingeschreven naast het algemene krediet op het programma van het departement Financiën en Begroting.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
4.1.3 Globale evolutie In onderstaande tabel 4-1 wordt een overzicht gegeven van de geraamde schuldevolutie in de periode 2014-2019.
Tabel 4.1: Globale evolutie van de schuld (in duizend euro) 2014
2015
2016
2017
2018
2019
Beginpositie
4.390.637
3.986.137
3.616.637
3.187.137
2.687.637
2.188.137
Geconsolideerd ESRresultaat
0
0
0
0
0
0
KBC kapitaal
-
333.000
333.000
333.000
333.000
333.000
333.000
KBC terugbetalingspremie
-
166.500
166.500
166.500
166.500
166.500
166.500
Participaties
+
95.000
130.000
70.000
0
0
0
3.986.137
3.616.637
3.187.137
2.687.637
2.188.137
1.688.637
Eindpositie
Onderstaande grafiek geeft de verwachte evolutie van de directe en de indirecte schuld weer voor de periode 2014-2019.
Figuur 4.1: Evolutie van de directe en indirecte schuld 2014 – 2019 (in duizend euro)
Dankzij de verwachte terugbetaling door KBC daalt de directe schuld van 4 miljard euro eind 2014 tot 1,7 miljard euro eind 2019. Met uitzondering van 2014 waar de EMTN-lening op eindvervaldag volledig
04 / HET FINANCIEEL BEHEER
opgevangen kan worden op korte termijn (vlottende rente) wordt gestreefd naar een verhouding 80% vast en 20% aan vlottende intrest. Dit zal omwille van de impact van de KBC-terugbetalingen niet altijd lukken. In eerste instantie is het namelijk het doel om deze ontvangsten zo snel als mogelijk te kunnen aanwenden voor schuldafbouw. Ook de indirecte schuld die enkel nog een lening van De Lijn omvat, daalt van 2 miljoen euro in 2014 tot 1 miljoen euro in 2019. De directe en de indirecte schuld zitten vervat in de geconsolideerde bruto schuld. Deze omvat daarnaast ook nog de financiële schulden van alle geconsolideerde instellingen en het negatief saldo van de zichtrekening van de ministeries en de agentschappen binnen het centraal financieringsorgaan. De geconsolideerde instellingen worden bepaald op basis van de lijst van het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR). Naar aanleiding van de notificatie van april 2014 heeft het INR haar laatste lijst van de te consolideren instellingen gepubliceerd. O.a. LRM (de Limburgse Reconversiemaatschappij) en een aantal PMV-dochters werden geherclasseerd. Hoewel het INR de afgelopen jaren steeds meer instellingen geherclasseerd heeft, vertoont ook de geconsolideerde schuld een dalende trend de afgelopen jaren. Dit omdat de nieuwe geconsolideerde instellingen niet veel schulden hebben en door de daling van de directe en de indirecte schuld. Eind 2013 bedroeg de geconsolideerde bruto schuld 5,7 miljard euro.
4.2 Herfinancieringsbehoeften
Voor wat betreft de ontvangsten en aflossingen van leningen heeft de Vlaamse overheid in 2009 lange termijnleningen opgenomen via haar EMTN-programma. In maart 2014 is een EMTN-uitgifte ten bedrage van 1.250 miljoen euro op eindvervaldag gekomen. Deze vervaldag zal in 2014 volledig opgevangen kunnen worden op korte termijn. In de periode 2015-2019 komen er nog enkele EMTN-uitgiftes op eindvervaldag: in 2015 vervalt er 200 miljoen euro, in 2016 1,25 miljard euro en in 2018 750 miljoen euro. Daarnaast vervallen er in 2015 nog 2 private leningen van samen 115 miljoen euro. Naast deze grote eindvervaldagen heeft de Vlaamse overheid ook enkele kleinere vervaldagen. Van de overgenomen leningen van de vismijn Oostende is het aflossingsschema gekend. In 2014 vervalt 183 duizend euro, in 2019 232 duizend euro. De laatste vervaldag van deze leningen is pas in 2028. Daarnaast zijn er de aflossingslasten ingevolge de overgenomen leningen van de Gemeentelijke Holding. In 2014 bedraagt dit 2,4 miljoen euro, in 2015 67,6 miljoen euro, in 2016 52,4 miljoen euro, in 2017 en 2018 opnieuw 2,4 miljoen euro en in 2019 8,2 miljoen euro. De laatste lening komt pas op eindvervaldag in 2026.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Onderstaande tabel 4-2 geeft een overzicht van de herfinancieringsbehoeften in de periode 2014-2019.
Tabel 4.2: Herfinancieringsbehoeften 2014-2019 (in duizend euro) 2014
2015
2016
2017
2018
2019
EMTN
1.250.000
200.000
1.250.000
0
750.000
0
Gem Holding
2.432
67.579
52.432
2.432
2.432
8.182
Private leningen
0
115.000
0
0
0
0
Vismijn Oostende
183
192
201
211
221
232
Totaal aflossingen
1.252.615
382.771
1.302.633
2.643
752.653
8.414
Rekening houdende met deze vervaldagen zal de Vlaamse overheid naar alle waarschijnlijkheid via nieuwe EMTN-uitgiftes de nodige financiering moeten aantrekken. Volgens de huidige inschatting en een goede mix van lange en korte termijnrentevoeten wordt er in 2015 en 2016 respectievelijk 1 miljard euro en 400 miljoen euro opgehaald. De resterende nood aan externe financiering zal worden opgevangen via korte termijninstrumenten en indien opportuun het inzetten van reserves bij te consolideren entiteiten.
05 / HET VORDERINGENSALDO EN BEGROTINGSNORMERING
05 / HET VORDERINGENSALDO EN BEGROTINGSNORMERING
5.1 Vorderingensaldo bij constant beleid
Uit tabel 5-1 blijkt dat de volgende Vlaamse Regering na toepassing van de herziening van de bijzondere financieringswet en bij het voeren van een constant beleid voor de huidige en nieuwe bevoegdheden over een negatieve beleidsruimte zal beschikken in de periode 2014-2018. Voornamelijk omwille van de 6de staatshervorming en het feit dat er momenteel nog geen oplossing is voor de problematiek van de uitgaven van Scholen van Morgen loopt het begrotingstekort bij constant beleid in de begrotingsjaren 2015 en 2016 op tot resp. 1 en 1,3 miljard euro. Door een conservatieve inschatting van de groei van de uitgaven, gerelateerd aan een middelenevolutie die geniet van een normale economische groei, wordt dit tekort bij constant beleid in de daaropvolgende jaren weggewerkt en zou er volgens voorliggende raming tegen het eind van komende legislatuur een beleidsruimte beschikbaar zijn van 354 miljoen euro. Het effect van de uitgaven die komende jaren door Scholen van Morgen worden gedaan, wordt voorlopig wel nog afgezonderd in onderstaande tabel, omdat er nog steeds een mogelijkheid bestaat dat – na aanpassing van de huidige contracten - Eurostat kan bevestigen dat er wel een afdoende risico-overdracht is van de overheids- naar de private sector, waardoor enkel de te betalen beschikbaarheidsvergoedingen in rekening dienen te worden gebracht van de overheidsuitgaven. In de begrotingsherziening 2014 is er een tekort van 130 miljoen euro. Dit tekort is eenduidig te wijten aan de voorziene uitgaven binnen DBFM Scholen van Morgen ten belope van 322 miljoen euro. Zonder Scholen van Morgen zou er een overschot zijn van bijna 200 miljoen euro. Dit overschot is grotendeels het gevolg van de geraamde vertraging van het moment van overschrijding van de spilindex van juni 2014 naar november 2014 en een toename in de raming van de ontvangsten uit successierechten. In 2015 evolueren we naar een tekort van 0,96 miljard euro omwille van een vermindering in de overdracht van middelen als bijdrage van de deelstaten in de sanering van de overheidsfinanciën met een extra 604 miljoen euro zoals voorzien in de herziene financieringswet enerzijds en voorziene uitgaven binnen DBFM Scholen van Morgen ten belope van 572 miljoen euro anderzijds. In 2016 loopt dit tekort op naar 1,28 miljard euro door een bijkomende vermindering in de overdracht van middelen als bijdrage van de deelstaten in de sanering van de overheidsfinanciën met een extra 770 miljoen euro zoals voorzien in de herziene financieringswet enerzijds en voorziene uitgaven binnen DBFM Scholen van Morgen ten belope van 180 miljoen euro anderzijds.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
In 2017 verkleint dit tekort tot 0,5 miljard euro door een beperktere evolutie bij constant beleid van de voorziene uitgaven ten aanzien van de groei van de ontvangsten. In 2018 blijf dit tekort ongeveer stabiel omwille van de herziening van de autonomiefactor en de hieruit resulterende eenmalige negatieve bijstelling van 399,1 miljoen euro. Zie 2.2.2. In 2019 wordt het tekort omgebogen in een overschot van 353 miljoen euro omwille van de lagere groei van de uitgaven bij constant beleid in vergelijking met de ontvangsten.
=
ESR gecorrigeerde primaire uitgaven algemene begroting
ESR- gecorrigeerd primair saldo Vlaamse ministeries (1)
= = +
ESR- gecorrigeerd primair saldo (1) + (2)
Onderbenutting
-
ESR gecorrigeerde primaire uitgaven incl FFEU
ESR- gecorrigeerd primair saldo te consolideren instellingen (2)
+
ESR gecorrigeerde ontvangsten
Begrotingen te consolideren instellingen
+
ESR gecorrigeerde ontvangsten algemene begroting
Algemene begroting Vlaamse ministeries (excl. Titel III)
ESReffect
1BA 2014
8.901.869
1.449.321
6.983.158
19.041.851
361.479
593.405
-469.390
-7.222.248 -7.452.548
8.586.142
1.363.895
7.583.726
18.145.497
25.729.223 26.025.009
REA 2013
HERZ 2014
9.192.042
1.438.183
6.889.615
30.236.878
37.126.493
MJR 2015
593.405
-282.913
610.190
-864.245
-7.451.067 -7.753.860
8.924.619
1.473.552
7.168.154
18.858.401
26.026.555
Tabel 5.1: Vorderingensaldo van de Vlaamse begroting bij constant beleid (in duizend euro)
641.836
9.657.219
1.602.880
6.979.697
33.133.761
40.113.458
MJR 2018
661.677
679.978
-1.074.642
-7.977.776 -8.054.339
9.560.945
1.583.169
6.924.967
32.345.897
39.270.864
MJR 2017
-1.616.502 -1.052.809
-7.880.176
9.391.387
1.511.211
6.263.674
31.540.673
37.804.347
MJR 2016
701.664
-313.606
-8.172.772
9.796.041
1.623.269
7.859.166
34.023.598
41.882.764
MJR 2019
05 / HET VORDERINGENSALDO EN BEGROTINGSNORMERING
= -
+
=
Rente-uitgaven
Gecorrigeerd vorderingensaldo
Voorziene uitgaven binnen DBFM Scholen van Morgen
Correctie deel kapitaalsaflossing binnen beschikbaarheidsvergoeding aan DBFM Scholen van Morgen
Gecorrigeerd vorderingensaldo incl. ESRcorrectie voor DBFM Scholen van Morgen
187.000
174.479
361.479 2.616
121.399
124.015
-129.619
322.665
193.046
117.446
310.492
-962.132
571.652
-390.480
136.425
-254.055
-1.284.954
180.301
-1.104.653
129.987
-974.666
-505.849
21.141
-484.708
93.575
-391.133
-431.980
37.688
-469.668
75.003
-394.664
353.744
37.688
316.056
72.002
388.058
Wat betreft de onderbenuttingsraming, houden we, niettegenstaande een gerealiseerde onderbenutting in 2013 van 2,5% ten opzichte van de ingeschreven betaalkredieten, voorzichtigheidshalve het voor 2013 voorspelde onderbenuttingspercentage van 2,1% doorheen heel de periode 2015-2019 aan. We passen dit percentage trouwens enkel toe op de betaalkredieten voor de huidige bevoegdheden en niet op de nieuwe bevoegdheden in het kader van de 6de staatshervorming.
=
Gecorrigeerd primair saldo
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
05 / HET VORDERINGENSALDO EN BEGROTINGSNORMERING
5.2 Begrotingsnormering in komende legislatuur
In toepassing van artikel 2, §4 van het Samenwerkingsakkoord van 13 december 2013 betreffende de uitvoering van artikel 3, §1 van het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire heeft de globale begrotingsdoelstelling voor de gezamenlijke overheid het voorwerp uitgemaakt van een overleg op basis van het advies van maart 2014 van de Afdeling Financieringsbehoeften van de Overheid van de Hoge Raad van Financiën. In haar advies van maart 2014 over het begrotingstraject ter voorbereiding van het Stabiliteitsprogramma 2014 - 2017 beveelt de Afdeling “Financieringsbehoeften van de Overheid” van de hoge Raad van Financiën een globaal traject voor de gezamenlijke overheid en een verdeling van dit traject onder de geledingen van de gezamenlijke overheid aan. Het globaal traject is gebaseerd op het bereiken van een structureel evenwicht in 2016 en de realisatie van de middellangetermijndoelstelling (MTO) in 2017 (structureel overschot van 0,75% van het BBP). De convergentie naar het evenwicht en de MTO zal tegen een stabiel tempo (jaarlijkse structurele verbetering van 0,7% van het BBP in 2015, 2016 en 2017) verwezenlijkt worden. Voor het jaar 2014 beveelt de HRF een verbetering van het structureel saldo met 0,5% aan. Voor wat betreft de verdeling van het globale traject houdt de Afdeling rekening met de in de herziene bijzondere financieringswet verwerkte overdracht van begrotingslasten in het kader van de Zesde Staatshervorming. De Afdeling neemt derhalve het principe in aanmerking van een nominaal begrotingsevenwicht van Entiteit II en voor alle deelentiteiten binnen entiteit II met uitzondering van de lokale overheden die gelet op de investeringscyclus een tijdelijk overschot van 0,1% BBP dienen te realiseren in de jaren 2014 en 2015. Indien de volgende Vlaamse Regering, conform het bij de Europese commissie ingediende stabiliteitsprogramma, het nominale begrotingsevenwicht ook na 2014 wenst te handhaven, zal zij dan ook maatregelen dienen te treffen om hieraan tegemoet te kunnen komen. Rekening houdende met een mogelijke doelstelling om het begrotingsevenwicht aan te houden, wordt hierbij de aandacht gevestigd op het feit dat de herziene Bijzondere Financieringswet (BFW) ook potentiële technische bijstellingen bevat met mogelijks een repercussie op de discussies omtrent de begrotingsnormering. Zo bevat de nieuwe BFW bvb. een autonomiefactor, die de basis vormt voor het deel personenbelasting waarover de gewesten in de toekomst een autonoom opcentiemenbeleid kunnen voeren. Voor de aanslagjaren 2015, 2016 en 2017 is deze autonomiefactor gelijkgesteld aan 25,990%. De BFW bevat tegelijk de berekeningsregels voor de autonomiefactor voor het aanslagjaar 2018 en volgende, waarbij een gebeurlijke te hoge (of te lage) inschatting van de autonomiefactor voor de jaren 2015-2017 eenmalig wordt bijgesteld in 2018. Een gelijkaardig mechanisme bestaat voor de fiscale uitgaven. Deze technische bijstellingen kunnen een budgettair effect genereren van verscheidene honderden miljoenen euro, zoals ook in voorliggende nota voorzien (zie punt 2.2.2.). Teneinde te vermijden dat deze technische bijstellingen het te voorziene begrotingstraject voor komende legislatuur teveel zouden beïnvloeden, wordt voorgesteld dat de Vlaamse Regering, op basis van recentere data, en in overleg met de andere deelentiteiten en de federale overheid nagaat of de (tijdelijk vastgestelde)
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
autonomiefactor niet dient geactualiseerd te worden. Indien dit het geval zou zijn, dan zou het logisch zijn om bij de bepaling van dit nominaal evenwicht abstractie te maken van de tijdelijke meer- (of min-) inkomsten die de gewesten zouden verwerven. Een dergelijk akkoord is immers neutraal op globaal niveau: wat de gewesten tijdelijk meer (of minder) ontvangen en in 2018 in min (of meer) verrekend krijgen, wordt immers gecompenseerd door een precies omgekeerde beweging bij de federale overheid.
BIJLAGEI:BEKNOPTETOELICHTINGBIJDEHERZIENINGVANDEBIJZONDEREFINANCIERINGSWET
BIJLAGE I: BEKNOPTE TOELICHTING BIJ DE HERZIENING VAN DE BIJZONDERE FINANCIERINGSWET
Naar aanleiding van de 6de staatshervorming wordt de financiering van de Gewesten en Gemeenschappen grondig hertekend. Niet alleen de huidige, bestaande financieringsmechanismen zullen aangepast worden, ook een aantal nieuwe bevoegdheden zullen aan de Gewesten en Gemeenschappen overgedragen worden, vergezeld van de geassocieerde middelen. Een overgangsmechanisme moet de overgang budgettair neutraal maken in het aanvangsjaar 2015. De Gewesten en Gemeenschappen worden bijkomend geresponsabiliseerd op het vlak van pensioenen en klimaat. De Brusselse instellingen worden bijkomend gefinancierd. Gewesten, huidige bevoegdheden
•• ••
••
••
De globale PB-dotatie en de negatieve term worden voor alle gewesten opgeheven. De gewesten zullen voortaan zelf instaan voor het genereren van middelen via de invoering van een model van uitgebreide opcentiemen. Daartoe wordt de federale personenbelasting verminderd met een factor gelijk aan de som van de PB-dotatie, de gecorrigeerde negatieve term en 40% van de overgedragen middelen voor de bevoegdheid inzake fiscale uitgaven. De mate van fiscale autonomie wordt uitgedrukt door de autonomiefactor, zijnde de verhouding tussen de supra bedoelde factor en de Belasting Staat. De dotaties die betrekking hebben op de bijkomende gewestelijke bevoegdheden n.a.v. het Lambermontakkoord gaan vanaf 2015 op in een nieuwe dotatie die voortaan verdeeld wordt op basis van een vaste verdeelsleutel (50,33% voor het Vlaams Gewest). Het verschil in het aanvangsjaar als gevolg van andere horizontale verdeelsleutel wordt aan het overgangsmechanisme toegewezen. De nieuwe dotatie wordt aangevuld met specifieke bijkomende middelen: 5,0 miljoen (overdracht gebouwen, niet in het overgangsmechanisme opgenomen) en 626,0 miljoen (voor nieuwe bevoegdheden: participatiefonds, grootstedenbeleid, landbouwrampen, overdracht personeel (aankoopcomités), FREG, BIRB). De nieuwe dotatie wordt jaarlijks aangepast aan de inflatie (CPI) en aan een percentage van de economische groei (BBP). Het genoemde percentage houdt een bijdrage in van de gewesten in de financiering van de vergrijzingskost. Tot slot wordt de dotatie per gewest tot en met 2019 verminderd met een nominaal in de herziene Bijzondere Financieringswet opgenomen bedrag ter dekking van het encours voor de bevoegdheid ‘grootstedenbeleid’ dat de federale overheid verder zal vereffenen. De nationale solidariteitstussenkomst wordt anders geconcipieerd. Een nieuw samengesteld basisbedrag, bestaande uit het geheel van de met de fiscale autonomie verbonden middelen en de aan de gewesten volgens een fiscale sleutel verdeelde dotaties alsook uit 50% van de nieuw samengestelde PB-dotatie van de gemeenschappen, jaarlijks aangepast aan de inflatie (CPI) en aan de economische groei (BBP), wordt vermenigvuldigd met 80% van het verschil tussen het inwonersaandeel van het gewest en het aandeel van het rechthebbende gewest in de federaal gebleven PB.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Gewesten, nieuwe bevoegdheden
••
••
Aan de gewesten wordt de bevoegdheid voor het tewerkstellingsbeleid overgedragen. De overdracht gaat gepaard met een overdracht van middelen ten belope van 90%. De resterende 10% wordt toegevoegd aan het overgangsmechanisme (zie infra). De dotatie wordt jaarlijks aangepast aan de inflatie (CPI) en aan een percentage van de economische groei (BBP). Het genoemde percentage houdt een bijdrage in van de gewesten in de financiering van de vergrijzingskost. De overdracht van middelen wordt in 2015 gereduceerd met 831,3 miljoen euro. In 2016 gebeurt een tweede vermindering met 831,3 miljoen euro. Beide verminderingen hebben een recurrent karakter en gelden als bijdrage van de deelstaten in de sanering van de overheidsfinanciën. De saneringsinspanning wordt buiten het overgangsmechanisme gehouden. 90% van de federale dotatie voor de wedertewerkstelling van werklozen (zie paragraaf 2.3) wordt toegevoegd aan de dotatie voor het tewerkstellingsbeleid. De resterende 10% wordt toegevoegd aan het overgangsmechanisme (zie infra). De netto-opbrengst van de verkeersinbreuken wordt daarentegen afgetrokken van de dotatie. De verdeling van de dotatie over de gewesten gebeurt op basis van de federaal gebleven PB. De gewesten worden ook verantwoordelijk voor specifieke fiscale uitgaven (woonbonus, bouwsparen, energiebesparende maatregelen, beveiliging, renovatie, grootstedenbeleid, dienstencheques). 60% van de overgedragen bevoegdheid wordt gefinancierd via een dotatie vanwege de federale overheid. De resterende 40% financieren de gewesten via de opcentiemen. De dotatie wordt jaarlijks aangepast aan de inflatie (CPI) en aan een percentage van de economische groei (BBP). Het genoemde percentage houdt een bijdrage in van de gewesten in de financiering van de vergrijzingskost. De verdeling van de dotatie over de gewesten gebeurt op basis van de federaal gebleven PB.
Gewesten, overgangsmechanisme Het doel van het overgangsmechanisme is de inwerkingtreding van de herziene Bijzondere Financieringswet budgettair neutraal te laten verlopen in het aanvangsjaar. De budgettaire verschillen in het aanvangsjaar zullen bijgevolg worden uitgevlakt via een egalisatiebedrag per gewest. Dit egalisatiebedrag wordt 10 jaar nominaal constant gehouden (2015 – 2024). Vanaf het elfde jaar wordt het egalisatiebedrag lineair over 10 jaar afgebouwd (2025 – 2034). Door het verdwijnen van het overgangsmechanisme na 20 jaar realiseert de federale overheid een besparing van 10% op de overgedragen middelen voor het tewerkstellingsbeleid. Die besparing wordt lineair opgebouwd vanaf het elfde jaar. Gewesten, responsabilisering voor pensioenen en klimaat
•• ••
De bijzondere wet van 5 mei 2003 tot instelling van een nieuwe berekeningswijze van de responsabiliseringsbijdrage ten laste van sommige werkgevers van de openbare sector wordt opgeheven. De Gewesten & Gemeenschappen moeten een stijgende responsabiliseringsbijdrage voor de pensioenen van hun ambtenaren betalen. Voor de periode 2015-2020 zijn de bedragen gespecifieerd in de herziene Bijzondere Financieringswet. Vanaf het begrotingsjaar 2021 wordt de responsabiliseringsbijdrage per entiteit bepaald door een bijdragepercentage toe te passen op de weddemassa die door de betrokken entiteit in het voorgaande kalenderjaar werd betaald. Voor het begrotingsjaar 2021 is dat bijdragepercentage gelijk aan 30% van de RSZ-werkgeversbijdrage voor pensioenen. De huidige RSZ-werkgeversbijdrage is 8,86%. Dit resulteert in een bijdragepercentage van 2,658%. Vanaf 2022 wordt het bijdragepercentage lineair opgetrokken totdat het vanaf 2028
BIJLAGEI:BEKNOPTETOELICHTINGBIJDEHERZIENINGVANDEBIJZONDEREFINANCIERINGSWET
••
gelijk is aan 100% van de RSZ-werkgeversbijdrage voor pensioenen. De responsabiliseringsbijdragen worden jaarlijks ingehouden van de aan de betrokken entiteiten door de federale overheid te betalen dotaties. Via de herziene Bijzondere Financieringswet wordt voor ieder gewest een meerjarig traject voorzien, gekoppeld aan een bonus malus systeem, inzake de uitstoot van broeikasgassen in de sector van de gebouwen.
Gewesten, correcte financiering Brusselse instellingen Op grond van de specifieke situatie van de Brusselse regio (pendelaars, aanwezigheid van internationale instellingen en ambtenaren, hoofdstedelijke functies) worden de Brusselse instellingen tegen 2015 geherfinancierd ad 454 miljoen euro. De herfinanciering die gerelateerd is aan de pendelbewegingen zal door het Vlaamse en Waalse Gewest worden gedragen. Gemeenschappen, huidige bevoegdheden
••
•• ••
••
••
••
Van de BTW-Lambermontmiddelen in het aanvangsjaar wordt het effect afgezonderd van de koppeling van de basis BTW-dotatie aan de economische groei in de periode 2010-2015. Dit afgezonderde deel wordt aan de globale BTW-dotatie toegevoegd en ondergaat bijgevolg de evolutie en de verdeling van de globale BTW-dotatie. Het restant van de BTW-Lambermontmiddelen wordt aan de globale PB-dotatie toegevoegd. Vanaf het aanvangsjaar zal de dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld geïncorporeerd worden in de globale BTW-dotatie en bijgevolg de evolutie en de verdeling van de globale BTWdotatie ondergaan. De globale BTW-dotatie bestaat bijgevolg uit de som van de basis BTW-dotatie bedoeld in de oude Bijzondere Financieringswet, de afgezonderde Lambermontmiddelen en de dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld. De bedoelde som wordt in het aanvangsjaar verhoogd met bijkomende middelen omwille van de overheveling van aangelegenheden inzake het FCUD, jeugdbescherming, het FIM, de startbanen, het EIF en de loopbaanonderbreking. Vanaf het jaar volgend op het aanvangsjaar zal de globale BTW-dotatie naast de bestaande jaarlijkse aanpassing aan de inflatie (CPI) en de evolutie van het aantal min 18-jarigen (DENAT), ook aangepast worden aan 91% van de economische groei (BBP). De globale BTW-dotatie wordt jaarlijks onder de Vlaamse en Franse Gemeenschap verdeeld in functie van de leerlingen. De switch in verdelingsmechanisme van de afgezonderde Lambermontmiddelen en de dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld is nadelig voor de Vlaamse Gemeenschap. De globale PB-dotatie bestaat uit de basis PB-dotatie bedoeld in de oude Bijzondere Financieringswet en het restant van de BTW-Lambermontmiddelen. De overdracht van middelen wordt in het aanvangsjaar gereduceerd met 356,3 miljoen euro. In 2016 gebeurt een tweede vermindering met 356,3 miljoen euro. Beide verminderingen hebben een recurrent karakter en gelden als bijdrage van de deelstaten in de sanering van de overheidsfinanciën. De saneringsinspanning wordt buiten het overgangsmechanisme gehouden. Vanaf het jaar volgend op het aanvangsjaar zal de globale PB-dotatie aangepast worden aan de inflatie (CPI) en aan een percentage van de economische groei (BBP). De globale PB-dotatie wordt jaarlijks onder de Vlaamse en Franse Gemeenschap verdeeld in functie van de federaal gebleven PB. Het genoemde percentage houdt een bijdrage in van de gemeenschappen in de financiering van de vergrijzingskost.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Gemeenschappen, nieuwe bevoegdheden
•• ••
De herziene Bijzondere Financieringswet bepaalt dat aan de gemeenschappen middelen zullen worden overgedragen voor bijkomende bevoegdheden op het vlak van gezinsbijslag, ouderenzorg, gezondheidszorg, ziekenhuisinfrastructuur, justitiehuizen en interuniversitaire attractiepolen. De over te dragen middelen zullen de vorm van dotaties aannemen. Onderstaande tabel toont de karakteristieken van bedoelde dotaties. De dotaties voor ouderenzorg, gezondheidszorg en ziekenhuisinfrastructuur worden o.m. aangepast aan een percentage van de economische groei (BBP). Het genoemde percentage houdt een bijdrage in van de gemeenschappen in de financiering van de vergrijzingskost.
Gemeenschappen, overgangsmechanisme Het doel en de werking van het overgangsmechanisme voor de gemeenschappen is analoog aan dat van de gewesten. Zie supra. Gemeenschappen, responsabilisering voor pensioenen Naar analogie met de gewesten zal ook voor de gemeenschappen een responsabiliseringsmechanisme voor pensioenen van kracht worden. Zie supra.
••
* CPI * evolutie 0 t.e.m. 18 jarigen per GEM * 25% evolutie BBP per inwoner Rijk; in aanvangsjaar negatieve correctie voor 0 t.e.m. 18 jarigen van Duitst. GEM
•• dotatie per GEM * •• dotatie per GEM
•• dotatie per GEM
Evolutie na aanvangsjaar
2015
2015
••
CPI * evolutie +80 jarigen per GEM * percentage van evolutie BBP per inwoner Rijk; in aanvangsjaar negatieve correctie voor 0 t.e.m. 18 jarigen van Duitst. GEM
* CPI * evolutie inwoners per GEM * percentage van BBP
2015
0,858 miljard in 2015; nominaal opgedeeld in aanvangsjaar over VG, FG en GGC
Aanvangsjaar
3,339 miljard in 2013
6,404 miljard in 2013
Gezondheidszorg en Hulp aan personen
Totale dotatie
Ouderenzorg
Gezinsbijslag
Bevoegdheid
••
CPI * percentage van BBP; opdeling dotatie in twee delen: 84,40% en 15,60%; deel 84,40% wordt verminderd met relatief aantal inwoners Duitst GEM
•• totale dotatie *
2016
0,566 miljard in 2013
Ziekenhuisinfrastructuur en Medisch-technische diensten
CPI * BBP
CPI * BBP
2018
0,032 miljard in 2018; nominaal opgedeeld in aanvangsjaar over VG en FG
Interuniversitaire attractiepolen
•• dotatie per GEM * •• dotatie per GEM *
2015
0,086 miljard in 2015; nominaal opgedeeld in aanvangsjaar over VG en FG
Justitiehuizen
BIJLAGEI:BEKNOPTETOELICHTINGBIJDEHERZIENINGVANDEBIJZONDEREFINANCIERINGSWET
Ratio
Verdeling
Bevoegdheid
evolutie i.f.v. behoeften
•• verdeling en
aanvangsjaar o.b.v. 0 t.e.m. 18 jarigen per GEM (VG, FG en GGC)
•• enkel in
Gezinsbijslag
••
evolutie i.f.v. behoeften percentage van evolutie BBP per inwoner Rijk = deelname van gemeenschappen in vergrijzingskosten
•• verdeling en
aanvangsjaar o.b.v. +80 jarigen per GEM (VG, FG en GGC)
•• enkel in
Ouderenzorg
••
behoeften percentage van BBP = deelname van gemeenschappen in vergrijzingskosten
•• evolutie i.f.v.
aanvangsjaar
•• enkel in
Gezondheidszorg en Hulp aan personen
••
evolutie i.f.v. behoeften percentage van BBP = deelname van gemeenschappen in vergrijzingskosten
•• verdeling en
••
84,40% jaarlijks volgens inwoners in VG, FG en GGC; deel 15,60% jaarlijks volgens inwoners in VG en FG
behoeften
•• evolutie i.f.v.
aanvangsjaar o.b.v. inwoners per GEM (VG en FG)
Justitiehuizen
•• gereduceerd deel •• enkel in
Ziekenhuisinfrastructuur en Medisch-technische diensten
behoeften
•• evolutie i.f.v.
aanvangsjaar
•• enkel in
Interuniversitaire attractiepolen
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
1.806 0 0 0 0 0
2-jaarlijkse survey Studiedienst Vlaamse regering
SERV: Extra ontvangst vanuit WVG (indexatie)
AGIV: Toename eigen ontvangsten
AGIV: Afbouw betoelaging richting VITO
Vlaams Brusselfonds: Toename eigen ontvangsten
1.806
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
Compensatie vanuit BZ: Audit Vlaanderen
0
1.806
∆ Beleid excl Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
-286
Index
HERZ 14 vs 14 1.520
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
DAR
HERZ 14 vs 14 Totaal
Omschrijving
BD
1
255
158
0
-340
1.806
1.881
0
1.880
1.324
3.204
15 vs 14
15 vs 14
3
1.255
330
0
0
1.806
3.394
0
3.393
2.830
6.223
16 vs 14
16 vs 14
5
1.255
517
0
-340
1.806
3.242
0
3.241
4.419
7.660
17 vs 14
17 vs 14
6
1.255
706
0
0
1.806
3.773
0
3.772
5.863
9.635
18 vs 14
18 vs 14
8
1.255
910
0
-340
1.806
3.639
0
3.638
7.619
11.258
19 vs 14
19 vs 14
BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN
BZ
-1.806
∆ Beleid excl Index
0 0
Grootstedenbeleid Gewoon rampenfonds
0 0 -1.806
Eigen ontvangsten instellingen
DAB ICT: Recuperatie eigen ontvangsten jaar x-1
Compensatie naar DAR: Audit Vlaanderen
-1.806
750
106
247
-1.806
749
222
247
65
0
65
VAC Gent - Schoonmaak (12/12den)
-1.000
0
153
-1.000
4.336
VAC Gent (regeneratiekeuken (SA Ambtenaren))
0
Ingebruikname VAC Gent: wegvallen huur oude gebouwen
4.336
-1.107
153
0
Huur VAC Brugge en Gent
-1.500
10.495
0
0
Organisatie Lokake Verkiezingen
5.157
2.652
VAC Gent (12/12de catering)
0
Stedenfonds
1.303
160.021
174.632
12.178
15.400
361
2.872
30.811
205.443
8.624
214.067
16 vs 14
-395
0
Provinciefonds
78.634
86.445
12.178
15.400
361
2.872
30.811
117.257
3.746
121.003
15 vs 14
VAC: uitdoofscenario facilitaire dienstverlening
0
Gemeentefonds
-1.806
0
Europees integratiefonds
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
0
Federaal impulsfonds
0
-870
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
-2.676
HERZ 14 vs 14 Totaal
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
-1.806
748
347
247
65
153
-395
-1.000
4.336
9.282
16.019
4.049
244.256
276.301
12.178
15.400
361
2.872
30.811
307.112
13.779
320.891
17 vs 14
-1.806
748
474
247
65
153
-395
-1.000
4.336
-1.500
21.737
5.494
331.439
359.992
12.178
15.400
361
2.872
30.811
390.803
18.562
409.365
18 vs 14
-1.806
748
611
247
65
153
-395
-1.000
4.336
74
27.655
6.990
421.674
459.352
12.178
15.400
361
2.872
30.811
490.162
24.256
514.418
19 vs 14
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
F&B
-295.155
∆ Beleid excl Index
13.129
-166.000
-50 -166.000
-6.706
Rente-uitgaven
1.000
Competitiviteit: verdeling provisie
0
1-op-1 compensatie energiezuinige woningen
-7.474
0
0
Egalisatiefonds voor responsabiliseringsbijdrage. Verdere ESRimpact vanaf 2015 verwerkt via ontvangsten
0
NV Diestsepoort: Meer gewicht qua aflossing in de constante annuïteit
0
Provisie responsabiliseringsbijdrage (ESR-impact 2014 =0). Verdere ESR-impact vanaf 2015 verwerkt via ontvangsten
6.426
0
0
Compensatie weddedrift
-103
0
0
Indexatie op de CAG-besparing opstap naar 6.5%
0
NV Diestsepoort: Extra ontvangsten
0
Pool der parastatalen
-860
24.367
-860
Effect geraamde daling lotto-ontvangsten op variabel deel provisie
-139.132
-268.697
10.616
10.616
-258.081
1.370
-256.711
15 vs 14
Overname inning successie- en registratierechten door IVA Vlabel
-121.589
-295.155
0
Indexprovisie
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
Aankoopcomités
0
-118
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
-295.273
HERZ 14 vs 14 Totaal
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
-166.000
-119
0
24.367
7.465
2.000
-7.474
0
12.924
-184
2.691
-860
-139.132
-264.322
10.616
10.616
-253.707
2.806
-250.902
16 vs 14
-166.000
-193
0
24.367
-28.255
3.000
-7.474
0
19.524
-267
5.465
-860
-139.132
-289.825
10.616
10.616
-279.209
4.299
-274.909
17 vs 14
-166.000
-270
0
24.367
-46.408
4.000
-7.474
0
26.127
-330
8.294
-860
-139.132
-297.686
10.616
10.616
-287.070
5.579
-281.492
18 vs 14
-166.000
-352
0
24.367
-49.409
4.000
-7.474
0
33.599
-528
11.459
-860
-139.132
-290.330
10.616
10.616
-279.715
7.243
-272.472
19 vs 14
BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN
IV
13.000 0 0 0 0 0 0 0
SALK: Vrijetijdseconomie
TV: Wegvallen compensatie vooruitschuif inhaalbeweging jeugdinfrastructuur
TV: Evolutie intering eigen ontvangsten
TV: Evolutie eigen ontvangsten
Wegvallen opstartkosten inzake nemen participaties Waarborgfonds
VLEVA: Wegvallen saldo-opbouw
VLEVA: Evolutie eigen ontvangsten
FIT: Evolutie eigen ontvangsten
13.000
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
13.000
∆ Beleid excl Index
0
-348
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
12.652
HERZ 14 vs 14 Totaal
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
57
1
21
-18
20
-1.340
7.792
0
6.533
0
6.534
1.649
8.182
15 vs 14
120
3
21
-18
41
-1.580
7.792
0
6.379
0
6.378
3.632
10.011
16 vs 14
187
5
21
-18
64
-2.059
7.792
0
5.992
0
5.992
5.724
11.716
17 vs 14
256
7
21
-18
88
-2.059
7.792
0
6.086
0
6.085
7.639
13.724
18 vs 14
330
9
21
-18
113
-2.059
7.792
0
6.187
0
6.187
9.954
16.141
19 vs 14
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
EWI
75.400
∆ Beleid excl Index
0 0 0
Dotatie startersfonds Kefik
Interuniversitaire attractiepolen (vanaf 2018) 45.000 26.000 4.400 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
Competitiviteit: O&O
Competitiviteit: Carbon Leakage SALK: Innovatie
Decreet integratie hoger onderwijs
VITO: Evolutie eigen ontvangsten
VITO: Afbouw betoelaging vanuit AGIV
VITO: Wegvallen onderliggende saldo-opbouw
VIB: Intering op bestaand reservefonds - gekend effect consolidatie vanaf 2015
IWT: Verhoging eigen ontvangsten
IWT: Verhoging dotatie richting VRT
IWT: Verlaging betoelaging De Lijn
IWT: Wegvallen KVD-ontvangsten
PMV: Toename eigen ontvangsten
75.400
0
Uitkeringen zelfstandigen bij werken
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
0
Domeinen Economie
0
-5.515
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
69.885
HERZ 14 vs 14 Totaal
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
268
0
10
-52
25
2.500
767
-255
677
1.000
0
0
25.000
55.043
0
254
1.781
653
737
3.425
58.468
11.587
70.055
15 vs 14
559
0
61
-105
52
2.500
767
-1.255
1.413
1.900
0
0
25.000
103.487
0
254
1.781
653
737
3.425
106.912
29.302
136.214
16 vs 14
873
-200
61
-159
82
2.500
767
-1.255
2.209
3.900
0
0
25.000
152.151
0
254
1.781
653
737
3.425
155.576
48.448
204.024
17 vs 14
1.193
-200
61
-214
111
2.500
767
-1.255
3.018
8.900
0
0
25.000
154.719
17.704
254
1.781
653
737
21.129
175.848
67.782
243.630
18 vs 14
1.539
-200
61
-270
144
2.500
767
-1.255
3.892
13.800
0
0
25.000
156.769
17.704
254
1.781
653
737
21.129
177.898
89.189
267.087
19 vs 14
BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN
OV
0 0 0 0
VEB: Rendabiliteit op de ontplooiing dienstenactiviteiten
Plantentuin Meise: Wegvallen overflow
Plantentuin Meise: Recuperatie verhoogde toelage voor eigen gefinancierde werknemers
Plantentuin Meise: Extra eigen ontvangsten
1.354
0
Lonen leerplichtonderwijs: TO Fonds Wedderecuperatie
-820
7.744
0
Lonen leerplichtplichtonderwijs: Afbouw overgangsmaatregel decreet basisonderwijs
-9.227
1.549
0
Lonen leerplichtonderwijs: TBS
17.468
Lonen leerplichtplichtonderwijs: Zij-instroom
0
Lonen leerplichtonderwijs: Vergrijzing
43.709
6.487
0
Lonen leerplichtonderwijs: Leerlingenaantallen
-22.641
30.596
0
30.459
182.577
213.036
15 vs 14
18
-60
-311
-483
25.838
101
Lonen leerplichtonderwijs: RKW verhoging
-21.647
Lonen leerplichtonderwijs: Herijken loonmodel leerplicht nav uitvoering 2013
-22.247
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
-22.185
∆ Beleid excl Index
0
-7.141
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
-29.327
Totaal
HERZ 14 vs 14
0
VEB: Toename eigen ontvangsten: Ontplooiing dienstenactiviteiten
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
0
PMV: Terug naar marktconforme ROE
1.591
13.939
6.487
-1.638
-23.671
35.086
73.596
-22.470
120.017
0
119.688
344.021
463.709
16 vs 14
37
-120
-311
-2.489
76.178
-699
1.828
20.134
6.487
-1.638
-42.476
52.904
107.515
-23.303
207.652
0
207.153
516.467
723.620
17 vs 14
58
-170
-311
-5.105
125.600
-1.699
2.065
26.329
6.487
-1.638
-55.241
71.015
148.980
-24.000
292.366
0
291.710
661.824
953.534
18 vs 14
79
-170
-311
-5.583
123.521
-2.699
2.302
32.524
6.487
-1.638
-61.326
89.525
199.953
-24.479
405.374
0
404.535
860.381
1.264.916
19 vs 14
102
-170
-311
-6.155
121.025
-3.699
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
0 -2.149 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
Werkingsmiddelen leerplichtonderwijs: Leerlingenevolutie Herijken loonmodel VWO
Lonen VWO (0,8%) en CBE (2,59%) Groeinorm CBE werking
Opstap integratie- en inburgeringsdecreet TO Fonds DKO
Wegvallen eenmalige investeringskredieten klassieke financiering infrastructuur (30 miljoen euro) en capaciteit (50 miljoen euro)
GO!: Recuperatie verkoop gronden
Klasse 2-jaarlijkse overheidsopdracht
4-jaarlijkse financiële controle
Hoger Onderwijs (klik + 45/55 onderzoek + TBS besparing)
Op kruissnelheid brengen subsidiëringsritme van in universiteiten ingekantelde hogeschoolrichtingen
Decreet integratie hoger onderwijs
Wegvallen compensatie vanuit Wonen voor lening UZ Gent Cao UZ Gent
Studiefinanciering - aangroei door lln evolutie
Stijging eigen ontvangsten instellingen
57
1.104
100
-4.700
15.800
12.040
21.308
0
3.684
1.436
-80.000
81
8.000
163
6.814
-2.149
2.784
119
1.356
200
-4.700
33.600
12.040
44.823
1.056
0
6.260
-80.000
162
8.000
330
11.916
-2.149
4.083
186
1.880
300
-4.700
48.500
12.040
69.100
0
3.684
6.515
-80.000
243
8.000
502
16.482
-2.149
5.618
254
2.527
400
-4.700
63.300
12.040
82.081
0
0
6.774
-80.000
324
8.000
678
21.283
-2.149
7.556
328
3.342
500
-4.700
78.300
12.040
97.934
0
3.684
7.054
-80.000
406
8.000
859
26.457
-2.149
9.972
BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN
WVG
15.270
∆ Beleid excl Index
0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
Geïsoleerde G- of SP-diensten
Ziekenhuisinfrastructuur (vanaf 2016) Revalidatiecentra MAF
Tegemoetkoming hulp aan bejaarden (THAB)
Mobiliteitshulpmiddelenbeleid
Psychiatrische verzorgingstehuizen Initiatieven beschut wonen
Overlegplatform geestelijke gezondheidszorg Preventie en eerstelijnshulp
Werkingskosten FOD en RIZIV
Justitiehuizen en eerstelijnshulp Elektronische enkelband Jeugdbescherming
0 0 0
VIA-IV - Sectoraal - Thuis- en gezinszorg
Toename alternatieve financiering VIPA
Wegvallen klassieke machtiging VIPA
15.270
0
Residentiële ouderenzorg
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
0
Gezinsbijslag en FCUD
0
-1.605
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
13.665
HERZ 14 vs 14 Totaal
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
-13.000
7.000
933
43.954
8.870
431
41.992
1.741
46.754
6.951
42.296
89.705
56.823
378.300
6.308
153.156
0
105.724
1.810.395
3.623.041
6.372.487
6.411.441
65.814
6.477.255
15 vs 14
-13.000
10.000
933
86.354
8.870
431
41.992
1.741
46.754
6.951
42.296
89.705
56.823
379.813
6.308
153.156
553.597
105.724
1.846.132
3.648.457
6.988.750
7.070.104
218.958
7.289.062
16 vs 14
-13.000
10.286
933
129.587
8.870
431
41.992
1.741
46.754
6.951
42.296
89.705
56.823
381.332
6.308
153.156
590.690
105.724
1.875.477
3.673.467
7.081.717
7.206.304
378.752
7.585.056
17 vs 14
-13.000
10.286
933
173.992
8.870
431
41.992
1.741
46.754
6.951
42.296
89.705
56.823
382.858
6.308
153.156
622.176
105.724
1.905.241
3.702.196
7.173.222
7.342.216
514.589
7.856.805
18 vs 14
-13.000
10.286
933
219.997
8.870
431
41.992
1.741
46.754
6.951
42.296
89.705
56.823
384.389
6.308
153.156
662.610
105.724
1.935.431
3.732.848
7.276.029
7.491.027
696.262
8.187.290
19 vs 14
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
5.000 0 0 0 0 2.366 0 0 0 0 0 0 0 2.600 465 839 4.000 0 0
Competitiviteit: Klassieke machtiging VIPA
FJW: pleegplaatsingen, internaten en preventieve sociale actie FJW: eigen ontvangsten VAPH: Effect VIA-I VAPH: eigen ontvangsten Zorgfonds Urencontingent thuiszorg Animatiewerking Serviceflats Weddedrift: VAPH Weddedrift: FJW Weddedrift: K&G Weddedrift: CAW's SALK: kinderarmoede
SALK: RMO - gezonde voeding
SALK: Kind en Taal - Kind en Gezin
Competitiviteit: Zelfstandige kinderopvang K&G: Eigen ontvangsten Evolutie VAK Cicov
2
2.188
4.000
932
0
0
495
367
1.808
8.333
-965
1.042
12.889
15.578
283
1.066
203
800
0
5
4.565
4.000
93
0
0
994
734
3.629
16.901
-2.258
2.105
26.365
26.512
590
2.161
424
1.600
0
8
7.139
4.000
0
0
0
1.506
1.101
5.500
25.711
-2.258
3.189
40.454
37.743
923
3.288
664
2.400
0
12
9.753
4.000
0
0
0
2.031
1.468
7.422
34.770
-2.258
4.295
55.184
49.281
1.261
4.447
907
3.200
0
16
12.576
4.000
0
0
0
2.570
1.835
9.397
44.085
-2.258
5.401
70.584
61.138
1.626
5.638
1.169
4.000
0
BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN
CJSM
6.158 0 0 0 0 0 0 -2.295 0 -219 16 0 0 0 0
FOCI: Renovatie KMSKA
FOCI: Aflopen 5-jaarlijkse compensatie Waalse Krook
Eigen ontvangsten te consolideren instellingen Cultuur VFL: Minder intering PPS Sport
BLOSO: Extra toelage Olympische spelen
BLOSO: Toename Eigen ontvangsten
VRT: Correctie voor teveel aan commerciële inkomsten knipperlichtprocedure
VRT: Wegvallen intering voor herstructurering
VRT: Vergrijzing statutair personeel
VRT: Bijstellen budget voor koopkracht contractuelen
VRT en VRM: Eigen ontvangsten
VRT: Verhoging toelage vanuit EWI
VRT pensioenfonds: Extra pensioenuitkeringen
VRM: Wegvallen saldo-opbouw boetes
3.660
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
3.660
∆ Beleid excl Index
0
-2.186
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
1.474
HERZ 14 vs 14 Totaal
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
14
3.233
52
2.690
16
-438
-1.095
0
160
0
1.298
-76
213
4.000
-34.339
-24.273
0
-24.270
12.565
-11.704
15 vs 14
14
6.269
105
5.612
16
-657
-4.295
0
333
400
3.514
-76
444
4.000
-34.339
-18.660
0
-18.653
25.544
6.891
16 vs 14
14
9.542
159
8.775
16
-876
-4.695
0
521
0
3.908
-76
695
4.000
-31.260
-9.277
0
-9.267
39.136
29.869
17 vs 14
14
12.541
214
11.989
16
-1.095
-4.895
0
712
0
4.752
-76
949
4.000
-31.260
-2.139
0
-2.125
51.230
49.105
18 vs 14
14
14.373
270
15.458
16
-1.314
-4.995
0
918
0
5.597
-76
1.224
4.000
-31.260
4.225
0
4.243
66.372
70.615
19 vs 14
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
WSE
32.400
∆ Beleid excl Index
0 0 0 0 0
Restbevoegdheden (excl. dienstenchèques) Dienstenchèques
Werkmaterie voor gemeenschappen
Fiscale uitgaven: Dienstenchèques
Fiscale uitgaven: PWA-chèques 31.000 1.400 0 0 0
Competitiviteit: Loonlastvermindering
Competitiviteit: Werkinlevingscontracten
2-jaarlijkse vastleggingscyclus sectorconvenanten VDAB: eigen ontvangsten
Syntra: Toename eigen ontvangsten
32.400
0
Doelgroepenbeleid (RVA)
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
0
Doelgroepenbeleid (RSZ)
0
-2.438
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
29.962
HERZ 14 vs 14 Totaal
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
41
1.289
12.615
5.000
125.000
143.945
1.966
216.607
46.211
1.091.320
284.616
149.929
711.918
2.502.567
2.646.512
18.833
2.665.346
15 vs 14
85
2.690
-304
5.000
125.000
132.471
1.966
225.271
46.211
1.134.973
284.616
149.929
711.918
2.554.884
2.687.355
76.516
2.763.871
16 vs 14
133
4.207
12.615
5.000
125.000
146.955
1.966
232.029
46.211
1.169.022
284.616
149.929
711.918
2.595.691
2.742.647
137.581
2.880.228
17 vs 14
181
5.748
-616
5.000
125.000
135.313
1.966
236.670
46.211
1.192.403
284.616
149.929
711.918
2.623.713
2.759.026
192.301
2.951.327
18 vs 14
234
7.412
12.615
5.000
125.000
150.260
1.966
239.037
46.211
1.204.327
284.616
149.929
711.918
2.638.004
2.788.264
260.942
3.049.207
19 vs 14
BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN
LNE
L&V
4.000
∆ Beleid excl Index
0
Dierenwelzijn
29.407
∆ Beleid excl Index
0
Doorvoer van afvalstoffen 8.500 0
Competitiviteit: Rioleringen
Eenmalige RIO-investeringskredieten
29.407
0
FRGE
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
0
Fiscale uitgaven: Energiebesparende maatregelen en passiefhuizen
0
-2.180
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
27.227
Totaal
HERZ 14 vs 14
0
EV ILVO: Verhoging eigen ontvangsten
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
4.000
SALK: Landbouw
4.000
0
BIRB
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
0
Landbouwrampenfonds
0
-516
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
3.484
HERZ 14 vs 14 Totaal
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
-10.000
0
106.123
338
6.175
22.988
29.501
135.621
6.699
142.319
15 vs 14
223
0
223
1.959
8.320
1.737
12.016
12.239
1.966
14.205
15 vs 14
-10.000
0
153.150
338
6.175
22.988
29.501
182.648
15.974
198.623
16 vs 14
465
0
465
1.959
8.320
1.737
12.016
12.481
4.504
16.985
16 vs 14
-10.000
0
136.113
338
6.175
22.988
29.501
165.611
25.869
191.480
17 vs 14
728
0
728
1.959
8.320
1.737
12.016
12.744
7.198
19.942
17 vs 14
-10.000
0
145.273
338
6.175
22.988
29.501
174.772
35.353
210.125
18 vs 14
994
0
994
1.959
8.320
1.737
12.016
13.010
9.729
22.739
18 vs 14
-10.000
0
160.335
338
6.175
22.988
29.501
189.834
46.261
236.095
19 vs 14
1.282
0
1.282
1.959
8.320
1.737
12.016
13.298
12.706
26.004
19 vs 14
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
MOW
-20.007 0 0 0 -46 0 31.960
MINA: Aquafinfactuur (excl. eenmalige effecten)
MINA: 5-jaarlijkse milieubeheersovereenkomsten landbouw Grindfonds: Herstelplan
Eigen ontvangsten OVAM, VMM, VLM
VMM uitstroom Aquafin-personeel
Minder ontvangsten vanuit W&Z bij VLM Klimaatfonds
0 0 0 0 0
Eigen ontvangsten W&Z, DS, Loodswezen, Vloot, BAM
Minder interrelatie vanuit W&Z naar VLM
Op kruissnelheid komen van overdracht personeel richting LEM's. Daarna geleide afbouw overgedragen cohorte.
Wegvallen eenmalige financieringsbron: LOM/LEM
2.000
0
Co-financiering spoor
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
Mobiliteit
2.000
∆ Beleid excl Index
0
-6.675
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
-4.675
Totaal
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
HERZ 14 vs 14
0
MINA: Aquafinfactuur (wegvallen eenmalige effecten)
Minder intering Grondenbanken
9.000
Competitiviteit: Bodemsanering brownfields
-15.000
1.459
2.150
3.048
0
-28.265
3.715
3.715
-24.484
30.733
6.249
15 vs 14
-500
41.392
-2.150
-101
683
500
0
-5.701
82.000
0
-15.000
1.309
2.150
6.360
0
-22.362
3.715
3.715
-18.581
69.059
50.477
16 vs 14
-1.000
47.628
-2.150
-156
1.421
-606
31.685
4.328
82.000
0
-15.000
1.159
2.150
9.946
10.000
-5.813
3.715
3.715
-2.032
109.036
107.004
17 vs 14
-1.500
51.976
-2.150
-211
2.221
-1.581
0
15.358
82.000
0
-15.000
1.009
2.150
13.589
10.000
1.127
3.715
3.715
4.908
145.131
150.039
18 vs 14
-2.000
55.166
-2.150
-266
3.033
-1.898
0
21.388
82.000
0
-15.000
859
2.150
17.522
10.000
9.084
3.715
3.715
12.865
190.541
203.405
19 vs 14
-2.500
57.626
-2.150
-321
3.910
-1.854
0
33.624
82.000
0
BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN
RWO
0 0 0 2.000 0
Wegvallen eenmalige financieringsbron: AWV Grondenaankoop
De Lijn: Evolutie eigen ontvangsten
De Lijn: Daling toelage n.a.v. dalende intrestkosten
Competitiviteit: Shuttledecreet
Indexatie BBV'n nog niet meegeteld in VAK bij BO 2014
14.123
∆ Beleid excl Index
0 0 0
Fiscale uitgaven: Beveiliging, huurder
Fiscale uitgaven: Sociale verhuur, effec
Fiscale uitgaven: Monumenten 0 0
Infrastructuur G&P
FS3 - Huur - Kapitaalsubsidie
14.100
0
Fiscale uitgaven: Beveiliging, eigenaar
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
0
Fiscale uitgaven: bouwsparen & woonbonus
0
-878
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
13.246
Totaal
HERZ 14 vs 14
0
Wegvallen eenmalige financieringsbron: W&Z - Sigmaplan
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
0
Wegvallen eenmalige financieringsbron: provisie Openbare Werken
17.847
1.524
27.139
985
25
735
23.177
1.725.580
1.750.502
1.777.643
2.984
1.780.627
15 vs 14
244
2.000
-857
3.235
-11.045
-8.500
-5.000
26.260
3.107
50.466
985
25
735
23.177
1.781.525
1.806.447
1.856.932
7.194
1.864.126
16 vs 14
244
2.000
-1.631
6.750
-11.045
-8.500
-5.000
21.460
4.750
60.608
985
25
735
23.177
1.840.534
1.865.456
1.926.102
11.670
1.937.771
17 vs 14
244
2.000
-2.323
10.556
-11.045
-8.500
-5.000
28.236
6.458
85.514
985
25
735
23.177
1.900.939
1.925.861
2.011.432
15.922
2.027.354
18 vs 14
244
2.000
-2.742
14.422
-11.045
-8.500
-5.000
35.907
8.231
122.858
985
25
735
23.177
1.964.700
1.989.622
2.112.556
20.849
2.133.405
19 vs 14
244
2.000
-2.742
18.596
-11.045
-8.500
-5.000
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
HE
0 0 0 0 0 0 0 0 0 14.100 0
Koop - Rentesubsidie VWF - Rentesubsidie Rollend Grondfonds Domus Flandria Mijnwerkerslening
Wegvallen compensatie vanuit Wonen voor lening UZ Gent
Fonds uithuiszetting - Op kruissnelheid komen
Grondfonds: Wegvallen saldo-opbouw in het kader van de planbatenheffing
Herstelfonds: VAK afstemmen op eigen ontvangsten
Competitiviteit: Onroerend Erfgoed - bedrijven & scholen
Onroerend Erfgoed: eenmalig investeringskrediet 2014
1.700 -3.326
10 bijkomende volksvertegenwoordigers te vergoeden nav 6de SHV
Installatiekost nieuwe kabinetten (ontslagvergoedingen + ICT-kost)
-626
0
-626
1.000
0
11 637
15 vs 14
-10.000
0
-483
999
720
4.700
-100
-3.766
356
5.110
2.602
3.719
3.911
Terugdraai eenmalige besparing Vlaams Parlement
0
Constant beleid inzake huidige bevoegdheden
0
∆ Beleid excl Index
0
-17
Index
Constant beleid inzake nieuwe bevoegdheden
-17
Totaal
HERZ 14 vs 14
0
Koop - Kapitaalsubsidie
EVOLUTIE BELEID t.o.v. 1BA 2014
0
FS3 - Huur - Rentesubsidie
-3.326
1.700
1.000
-626
0
-626
1.160
534
16 vs 14
-10.000
0
-483
1.499
1.480
4.700
-200
-12.181
756
7.988
7.030
9.751
10.760
-3.326
1.700
1.000
-626
0
-626
1.694
1.068
17 vs 14
-10.000
0
-483
1.999
1.480
4.700
-263
-20.507
847
11.854
9.595
14.572
20.604
-3.326
1.700
1.000
-626
0
-626
2.113
1.487
18 vs 14
-10.000
0
-483
1.999
1.480
4.700
-263
-28.384
929
16.944
12.141
17.858
33.900
0
1.700
1.000
2.700
0
2.700
2.715
5.415
19 vs 14
-10.000
0
-483
1.999
1.480
4.700
-263
-30.155
996
22.391
14.913
21.036
52.106
BIJLAGE II: DETAILOVERZICHT EVOLUTIE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
BIJLAGE III: BUDGETTAIRE BOORDTABEL HOUDENDE ALTERNATIEVE FINANCIERING
In de budgettaire boordtabel houdende alternatieve financiering wordt een vergelijking gemaakt tussen de geraamde beschikbaarheidsvergoedingen voor de periode 2014-2019 en de bedragen die zijn meegenomen in de voorliggende meerjarenraming. De bedragen met de geraamde beschikbaarheidsvergoedingen zijn afkomstig uit het antwoord van de Minister-President op schriftelijke vraag 363 van de heer Lode Vereeck, met uitzondering van de bedragen voor missing links en tramverlengingen Masterplan. Voor het project A11 werd vanuit het departement Mobiliteit en Openbare Werken en De Lijn een geactualiseerd cijfer aangeleverd. Voor de cijfers van tramverlengingen Masterplan, die niet waren opgenomen in het antwoord op de schriftelijke vraag, werd gesteund op de documenten bij de beslissing van de Vlaamse Regering van 27 september 2013. Uit de tabel blijken een aantal discrepanties tussen de ramingen van de beschikbaarheidsvergoedingen en de in de meerjarenraming opgenomen bedragen. In de meerjarenraming worden immers maar de kredieten voorzien die de Vlaamse Regering expliciet heeft toegezegd: Voor sommige initiatieven zoals PPS in de sport, VIPA-II, VAC’s worden nog bijkomende kredieten t.o.v. de begrotingsopmaak 2014 voorzien en is er dan ook geen tekort aan beschikbaar gestelde kredieten. Voor andere initiatieven zoals VIA-invest, PPS in de scholenbouw, … zullen de reeds in het verleden toegekende kredieten vooreerst dienen te worden ingezet en wordt er verder in voorliggende raming verondersteld dat er nog een verdere compensatie binnen de voor klassieke financiering ter beschikking gestelde middelen kan gevonden worden. De volgende Vlaamse Regering zal verder dienen te bekijken welke werkelijke uitgaven met de in voorliggende meerjarenraming voorziene kredieten kunnen opgevangen worden en waar er desgevallend bijkomende middelen moeten worden ingezet. Meer specifiek voor wat betreft het beleidsdomein Onderwijs en Vorming betreft, is er in het verleden 75 miljoen euro ter beschikking gesteld voor het opvangen van de toename van de kredieten voor beschikbaarheidsvergoedingen inzake PPS in de scholenbouw. Nu de recurrente beschikbaarheidsvergoedingen op 102 miljoen euro worden geraamd, dient er volgens voorliggende meerjarenraming 27 miljoen euro aan compensatie binnen de voor klassieke financiering beschikbaar gestelde kredieten gevonden te worden. Ook in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken volstaan de in de meerjarenraming voorziene bedragen niet om alle beschikbaarheidsvergoedingen te betalen. In de meerjarenraming is voor de realisatie van de missing links via de NV Via Invest 66 miljoen euro op jaarbasis ingeschreven. Op dit ogenblik zijn er vier van de zes missing links geclosed (Zaventem, NoordZuid Kempen, R4 en A11) voor een op kruissnelheid totale jaarlijkse beschikbaarheidsvergoeding van 88,7 miljoen euro (in 2017). Voor de realisatie van alle zes de missing links wordt de kostprijs op kruissnelheid zelfs geraamd op 161,7 miljoen euro. Daarnaast heeft de Vlaamse Regering aan de nv Via Invest de opdracht gegeven om, in samenwerking en overleg met het agentschap Wegen en Verkeer, de NV Waterwegen en
BIJLAGE III: BUDGETTAIRE BOORDTABEL HOUDENDE ALTERNATIEVE FINANCIERING
Zeekanaal en de NV De Scheepvaart, zes bijkomende projecten met een totale maximale investeringswaarde van 750 miljoen euro voor te bereiden voor realisatie. In onderstaande tabel wordt met deze bijkomende projecten nog geen rekening gehouden, doch kunnen tegen het einde van de komende legislatuur reeds beschikbaarheidsvergoedingen in het kader van deze projecten verwacht worden. Hierbij kan vermeld worden dat een piste, waarbij opbrengsten uit de kilometerheffing kunnen ingezet worden om tegemoet te komen aan de problematiek van de oplopende beschikbaarheidsvergoedingen, verder onderzocht zal worden. Omtrent de beschikbaarheidsvergoedingen binnen De Lijn kan gesteld worden dat betreffende de stelplaatsen de reeds toegekende enveloppe ongeveer 8,6 miljoen euro te laag is om de geraamde beschikbaarheidsvergoedingen op kruissnelheid van ruim 20 miljoen euro af te dekken. Voor de tramverlengingen De Lijn loopt dit tekort op tot 5,7 miljoen euro. Hierbij dient nog opgemerkt dat voor deze laatste nog geen rekening werd gehouden met Spartacus lijn 2 (en 3). Voor de tramverlengingen Masterplan loopt het tekort op tot 8,4 miljoen euro.
Sociale huisvesting
Wonen
Serviceflats
Rust- en verzorgtehuizen
Welzijn
187.346 12.467
geclosed
niet geclosed
2016
12.054
187.346
1.271
Geen nieuwe projecten meer voorzien.
1.220 0
Delta
1.220
MJR 2014-2019
niet geclosed
1.279
geclosed
1.220
0
Delta
1.279
2.000
MJR 2014-2019
0
1.207
1.207
1.207
0
2.072
2.072
2.072
geclosed
2.000
2.072
2.000
2.072
Totaal
2018
2019
12.054
187.346
12.054
187.346
12.054
187.346
0
1.193
1.193
1.193
45
2.073
2.028
2.028
406
0
1.179
1.179
1.179
0
1.893
1.893
1.893
0
1.165
1.165
1.165
0
1.853
1.853
1.853
196.520 199.520 199.806 199.806 199.806
7.054
187.346
Totaal
niet geclosed
2017
194.400 199.400 199.400 199.400 199.400
2015
120
Uitvoeringsfase programma 2007. Geen nieuwe projecten meer voorzien.
Max. bedrag van 199.813.391,43 euro aan totale jaarlijkse gebruikstoelagen.
Groeipad
2.120 1.833
189.400
Reeds toegekende enveloppe beschikbaarheidsvergoeding
Delta
MJR 2014-2019
199.813
Totaal
Beschikbaarheidsvergoeding op kruissnelheid
Boordtabel PPS (in duizend euro)
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Sportinfrastructuur
Sport
Schoolinfrastructuur
Onderwijs
Externe kostendrijver met max 8,5 miljoen euro.
811
0
Delta
5.574
niet geclosed
2.279
3.090
2.926
geclosed
2.279
MJR 2014-2019
8.500
Totaal
0
18.595
18.595
2015
Delta
1.792
75.000
Groeipad
18.595
101.809
Reeds toegekende enveloppe beschikbaarheidsvergoeding
MJR 2014-2019
niet geclosed
geclosed
Totaal
Beschikbaarheidsvergoeding op kruissnelheid
1.572
5.306
891
2.843
3.734
-4.770
75.000
79.770
79.770
2016
2018
2019
75.000
75.000
101.809
1.773
5.700
1.064
2.863
3.927
2.588
6.544
1.073
2.883
3.956
3.404
7.389
1.081
2.904
3.985
-22.227 -26.008 -26.809
75.000
97.227 101.008
97.227 101.008 101.809
2017
Boordtabel PPS (in duizend euro)
BIJLAGE III: BUDGETTAIRE BOORDTABEL HOUDENDE ALTERNATIEVE FINANCIERING
Vlaamse havens
Missing links
Openbare Werken
Jeugdverblijfinfrastructuur
Toerisme
553
geclosed
18.050
geclosed
0
0 0
MJR 2014-2019
Delta
niet geclosed
18.050
Totaal
0
0
Delta
72.038
niet geclosed
32.754 32.754
89.637
geclosed
32.754
MJR 2014-2019
161.675
Totaal
0
553
553
2015
Delta
Binnen eigen middelen. Investering slaat enkel op Deurganckdoksluis. Gent-Terneuzen en Zeebrugge nog niet voorzien.
Volledig op te vangen binnen huidige machtiging Toerisme Vlaanderen.
Groeipad
553
66.000
0
Reeds toegekende enveloppe beschikbaarheidsvergoeding
MJR 2014-2019
niet geclosed
553
Totaal
Beschikbaarheidsvergoeding op kruissnelheid
-18.050
0
18.050
18.050
0
32.911
0
32.911
32.911
0
553
553
553
2016
-18.050
0
18.050
18.050
0
47.718
0
47.718
47.718
0
553
553
553
2017
66.000
22.100
89.180
111.280
0
553
553
553
2019
-18.050
0
18.050
18.050
-18.050
0
18.050
18.050
-22.733 -45.280
66.000
0
88.733
88.733
0
553
553
553
2018
Boordtabel PPS (in duizend euro)
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Kilometerheffing
Mobiliteit
ACC
Amoras
0 0
MJR 2014-2019
Delta
Delta
MJR 2014-2019
niet geclosed
geclosed
Totaal
0
niet geclosed
Te financieren met meeropbrengsten kilometerheffing.
0
Totaal
geclosed
0
29.000
29.000
2015
Delta Nog geen beslissing.
Op kruissnelheid. In exploitatie.
Groeipad
29.000
0
Reeds toegekende enveloppe beschikbaarheidsvergoeding
MJR 2014-2019
60000 - 80000
29.000
geclosed
niet geclosed
29.000
Totaal
Beschikbaarheidsvergoeding op kruissnelheid
0
70.000
0
0
0
0
0
29.000
29.000
29.000
2017
0
70.000
1.592
0
1.592
1.592
0
29.000
29.000
29.000
2018
0
70.000
806
0
806
806
0
29.000
29.000
29.000
2019
-70.000 -70.000 -70.000 -70.000
0
70.000
0
0
0
0
0
29.000
29.000
29.000
2016
Boordtabel PPS (in duizend euro)
BIJLAGE III: BUDGETTAIRE BOORDTABEL HOUDENDE ALTERNATIEVE FINANCIERING
Tramverlengingen
Stelplaatsen 3.752 16.569
geclosed
niet geclosed
0
0
4.502
4.502
0
4.444
978
3.466
4.444
2015
Delta
15.193
niet geclosed
Binnen toegekende enveloppe. Het geclosede project slaat op Livan, het niet geclosede op Spartacus. Spartacus kan niet meer opgevangen worden met de huidige enveloppe.
Binnen toegekende enveloppe. Projecten reeds geclosed: stelplaatsen Tongeren, Brugge, Overijse, Zomergem. Voor de stelplaatsprojecten, is er een tekort vanaf het moment dat het project Wissenhage in gebruik zou genomen worden, zijnde eind 2017. Het project zal niet aanbesteed of gegund worden zolang de financiële engagementen niet afgedekt zijn.
Groeipad
4.502
5.785
geclosed
15.274
11.747
Reeds toegekende enveloppe beschikbaarheidsvergoeding
MJR 2014-2019
20.978
Totaal
Delta
MJR 2014-2019
20.320
Totaal
Beschikbaarheidsvergoeding op kruissnelheid
0
5.560
0
5.560
5.560
0
8.139
4.604
3.535
8.139
2016
0
8.190
2.518
5.671
8.190
0
10.218
6.612
3.606
10.218
2017
-5.704
15.274
15.193
5.785
20.978
-3.521
11.747
11.590
3.678
15.268
2018
-5.819
15.274
15.193
5.900
21.093
-8.573
11.747
16.569
3.752
20.320
2019
Boordtabel PPS (in duizend euro)
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
VAC
Bestuurszaken
Tramverlengingen masterplan
0
Delta
15.334
15.334
15.334
17.200
MJR 2014-2019
niet geclosed
geclosed
Totaal
0
15.550
14.450
14.450
2015
Delta
23.903
niet geclosed
14.450
"Brabo I geclosed. Op het moment dat Brabo II in gebruik wordt genomen is er een overschrijding van de enveloppe met 8,4 miljoen euro. 38.353
Groeipad
14.450
14.450
geclosed
30.000
Reeds toegekende enveloppe beschikbaarheidsvergoeding
MJR 2014-2019
38.353
Totaal
Beschikbaarheidsvergoeding op kruissnelheid
0
15.334
15.334
15.334
0
14.450
14.450
14.450
2016
0
15.334
15.334
15.334
0
14.450
14.450
14.450
2017
0
15.334
15.334
15.334
-8.353
30.000
23.903
14.450
38.353
2018
0
15.334
15.334
15.334
-8.353
30.000
23.903
14.450
38.353
2019
Boordtabel PPS (in duizend euro)
BIJLAGE III: BUDGETTAIRE BOORDTABEL HOUDENDE ALTERNATIEVE FINANCIERING
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
BIJLAGE IV: IMPACT AANBEVELINGEN VAN EUROSTAT
Eurostat heeft verschillende structurele aanbevelingen geformuleerd in het kader van de Upstream dialogue visit van 5-7 maart 2012 die erop gericht zijn het beheer van de statistieken betreffende de overheidsrekeningen en de procedure bij buitensporige tekorten (EDP) aanzienlijk te verbeteren. Deze aanbevelingen werden bevestigd naar aanleiding van de ad hoc visit van 13 en 14 februari 2014. Eén aanbeveling heeft betrekking op de samenstelling en de bijwerking van het register van de diverse entiteiten die tot de publieke en overheidssector behoren. De noodzaak van gedetailleerde, gedocumenteerde kennis van de perimeter van publieke entiteiten is essentieel omdat deze de basisinformatie bevat van de entiteiten waarvoor moet worden geverifieerd of deze bij de overheidssector dienen te worden geconsolideerd (als het niet-marktproducenten zijn) of deze entiteiten buiten de overheidssector vallen. Hiertoe werd een werkgroep perimeter opgericht met als opdracht in een procedure te voorzien die waarborgt dat de perimeter van de publieke entiteiten exhaustief kan worden bepaald en dat er tevens voldoende gegevens beschikbaar komen over publieke entiteiten die niet tot de overheidssector behoren. Deze gegevens dienen het Instituut voor Nationale Rekeningen (INR) toe te laten om te beoordelen of deze entiteiten correct geherclassificeerd zijn en de rapportering aan Eurostat over dergelijke entiteiten te verzorgen Teneinde de overheidsperimeter correct te bepalen dient als eerste stap in het proces het register van de publieke entiteiten opgemaakt en bijgewerkt te worden. Het register van publieke eenheden dient alle entiteiten te omvatten die direct of indirect onder controle van de overheidssector staan. Deze publieke entiteiten kunnen binnen de overheidssector vallen (als het niet-marktproducenten zijn) of buiten de overheidssector (als het marktproducenten zijn). “Onder controle staan van” of “zeggenschap hebben over” wordt gedefinieerd als de mogelijkheid om het algemeen beleid of agenda van de institutionele eenheid te bepalen door het aanwijzen van bestuurders. Volgende criteria worden in aanmerking genomen om het aspect controle door de overheid te beoordelen: •• meer dan de helft van de aandelen van de entiteit bezitten; •• bij instellingen zonder winstoogmerk (IZW), zoals vzw’s of stichtingen worden meer operationele criteria van controle, zoals het aantal publieke mandaten, gebruikt. Voor de opmaak en de bijwerking van het register van publieke vennootschappen dienen alle publieke entiteiten het detail van alle financiële participaties op een gestandaardiseerde wijze over te maken aan het INR: •• Per publieke eenheid wordt voor elke participatie minimaal het ondernemingsnummer van de entiteit waarin de participatie wordt aangehouden, het aantal van de rechtstreeks aangehouden maatschappelijke rechten in de participaties, het percentage van de aangehouden maatschappelijke rechten in het totaal van de participatie en de boekhoudwaarde van de aangehouden participaties gevraagd. Ook de belangen of participaties in rechtspersonen die het statuut hebben van een instelling van openbaar nut of equivalent dienen te worden gerapporteerd.
BIJLAGE IV: IMPACT AANBEVELINGEN VAN EUROSTAT
••
Om in de toekomst een register van publieke ’vzw’s op te maken is het noodzakelijk dat de publieke entiteiten jaarlijks via hun single point of contact een overzicht van hun publieke mandaten overmaken.
In een volgende stap van het proces moet er voor publieke entiteiten die buiten de overheidsperimeter vallen een gestandaardiseerde rapportering komen van de (financiële) informatie die het INR toelaat de sectorclassificatie van dergelijke entiteiten systematisch te onderzoeken. Eurostat vraagt immers aan alle lidstaten om eenmaal per jaar voor de publieke entiteiten die niet tot de overheidssector behoren gedetailleerde informatie door te sturen die aangeeft of deze entiteiten voldoen aan het 50%-criterium dat in de Manual on Government Deficit and Debt wordt gedefinieerd. Dit criterium laat voor een belangrijk deel van de publieke entiteiten toe om quasi-automatisch te bepalen of deze al dan niet marktproducenten zijn (kosten worden voor meer dan 50% gedekt door marktconforme inkomsten). De bevraging door het INR in functie van het hierboven beschreven proces is in het najaar 2013 een eerste maal gelanceerd. Gelet op de korte tijdsspanne werd het detail van de publieke mandaten in instellingen zonder winstoogmerk niet bevraagd. Dit zal in de volgende oefening wel mee genomen worden. Naar aanleiding van de EDP-notificatie van april 2014 werden een eerste reeks van - hoofdzakelijk financiële – entiteiten door het INR als te consolideren beschouwd. Het betreft volgende entiteiten: VLAAMSE PARTICIPATIEMAATSCHAPPIJ LIMBURGSE RECONVERSIE MAATSCHAPPIJ (LRM) MIJNEN ALGEMENE DIENSTEN VENNOOTSCHAP LRM BEHEER KMOFIN KMOFIN II ARKIMEDES MANAGEMENT ARKIMEDESFONDS II UP 36 NAUTINVEST VLAANDEREN WANDELAAR INVEST NOVOVIL NOVAGORA PMV-TINA SCHOOL INVEST TEXTIEL VLAANDEREN VIA-INVEST VLAAMS INNOVATIEFONDS (VINNOF) VLAAMSE MILIEUHOLDING GIMVINDUS BIOTECH FONDS VLAANDEREN Up 36 Invest Vlaamse Erfgoedkluis Voor de volgende EDP-deadline van 30 september 2014 zal de sectorclassificatie van alle publieke entiteiten in het licht van het ESR 2010 verder bekeken worden met bijzondere aandacht voor enkele belangrijke entiteiten.
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
Daarnaast werden naar aanleiding van de EDP-notificatie van april een aantal PPS-constructies door het INR geherclassificeerd zoals het ‘AMORAS-project’ en de ‘DBFM Scholen voor Morgen’. Deze herclassificatie impliceert dat de bouwkost in rekening dient genomen te worden op het moment van oplevering van de infrastructuur. Uiteraard wordt de aflossing van de kapitaalcomponent in mindering gebracht van de jaarlijks te betalen beschikbaarheidsvergoeding. Tot slot werd in het kader van het onderzoek naar de gedelegeerde opdrachten het rollend Fonds van PMV eveneens geconsolideerd in de Vlaamse rekeningen. Aandachtspunt hierbij is de toewijzing van deze geherclassificeerde entiteiten en verrichtingen aan een beleidsdomein. In het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof – het zgn. Rekendecreet beschikken we door de bepaling in art. 4,§2 over een voldoende rechtsbasis voor het opvangen van deze perimeteruitbreidingen. Vele van voornoemde entiteiten zijn binnen het kader van het economisch instrumentarium opgericht door PMV, en kunnen dus aan het beleidsdomein EWI worden toegewezen. Hoewel de geherclassificeerde PPS-constructies geen rechtsbasis hebben in het Rekendecreet, hebben ze uiteraard impact op de begroting en zullen ze op een gelijkaardige wijze moeten toegewezen worden als de entiteiten die binnen de perimeter Vlaamse overheid vallen.
BIJLAGEV:BESPARINGSMODELOPBASISVANGENORMEERDEUITGAVENGROEIPERBELEIDSDOMEIN
BIJLAGE V: BESPARINGSMODEL OP BASIS VAN GENORMEERDE UITGAVENGROEI PER BELEIDSDOMEIN
a.
Inleiding
In voorbije legislatuur werd gewerkt aan enkele modellen om te komen tot een meer structureel georiënteerd begrotingsbeleid. Een van de methodes om tot dergelijk structureel begrotingsbeleid te komen is het toepassen van een genormeerde uitgavengroei. Voorliggend besparingsmodel vertrekt vanuit dezelfde methodiek van het normeren van de uitgavengroei, maar past deze methodiek toe om te komen tot een besparingsmodel waarbij op basis van de in voorliggende meerjarenraming meegenomen ontvangsten en uitgaven bij constant beleid enerzijds en het toepassen van een verlaging van de uitgavengroei anderzijds een beoogd begrotingsresultaat in een welbepaald begrotingsjaar kan gerealiseerd worden via een doelzoekfunctie. In navolging van het resultaat van voorliggende meerjarenraming, waarbij het zwaartepunt van de budgettaire uitdaging zich in het begrotingsjaar 2016 situeert, wordt in voorliggende bijlage een besparingsscenario naar voor geschoven, waarbij het bij constant beleid voorziene tekort voor de helft wordt weggewerkt via het toepassen van een verlaagde uitgavengroei. Dit scenario, waarbij de beperkte uitgavengroei ook voor de gehele komende legislatuur wordt toegepast, biedt tegelijk ook de mogelijkheid om 1,6 miljard euro aan vrije beleidsruimte te creëren. Gelet op het feit dat de uitgavengroei bij constant beleid per beleidsdomein verschillend is, maakt voorliggend model het niet alleen mogelijk om de uitgaven te normeren op niveau van de Vlaamse overheid, maar ook via een differentiatie van de uitgavengroei per beleidsdomein. Het differentiëren van de uitgavengroei per beleidsdomein, en eventueel ook later via specifieke (clusters van) bevoegdheden, maakt het ook mogelijk om de vooropgestelde besparingsdoelstelling per beleidsdomein conform politieke afwegingen af te bakenen, maar met behoud van de opvolging van het effect op het globale begrotingsresultaat. Het principe van het vooropstellen van een beoogde uitgavengroei per specifieke (clusters van) bevoegdheden biedt ook de mogelijkheid om toekomstige ministers een duidelijk kader te bieden waarin ze hun beleid kunnen ontwikkelen. Deze uitgavennorm zou ook een belangrijke fundamentele breuklijn kunnen betekenen in de verantwoordelijkheden die elke minister dient op te nemen. Naast het opnemen van de verantwoordelijkheid voor het gevoerde beleid, dient er namelijk ook verantwoordelijkheid te worden opgenomen voor de evolutie van de kredieten en aanwending van de beleidsruimte binnen zijn of haar bevoegdheidsdomeinen. Deze verplaatsing van de verantwoordelijkheid van zowel beleid als begroting onder de bevoegdheid van één minister kan een belangrijke stap betekenen in het wegstappen van een loutere inputbegroting naar een meer prestatiegerichte begroting. Logischerwijs kan er ook gewezen worden op onvolkomenheden bij het werken met voorliggend model: Zo worden de genormeerde uitgaven momenteel nog niet afgezet t.o.v. structurele ontvangstengroei. Ook voor
Nota Budgettaire Ruimte 2014-2019
eenmalige ontvangsten en uitgaven of een eventueel effect van wijzigende inflatie wordt niet automatisch een correctie gemaakt. Dit betekent dan ook dat dit model voorlopig eerder als besparingsmodel dan als dynamisch structureel begrotingsmodel dient beschouwd te worden. Gelet op het gegeven dat de HRF in haar laatste advies voor de gemeenschappen en gewesten binnen Entiteit II een nominaal begrotingsevenwicht voorop stelt, vormt dit gegeven momenteel niet direct een probleem en focust het model in eerste instantie op de doelstelling om een begrotingsevenwicht te helpen bereiken. Indien gewenst, kunnen er logischerwijs nog correcties aan het model worden aangebracht om meer structurele begrotingsbenadering op te zetten.
b.
Uitgangspunten van het model
Het model werkt verder op de betaalkredieten die bij constant beleid ter beschikking worden gesteld aan de diverse beleidsdomeinen. Zie hoofdstuk 3.5. Teneinde de groei van de betaalkredieten niet afhankelijk te maken van de groei van de ESR-ontvangsten van de geconsolideerde entiteiten die normaliter aanleiding geven tot extra betaalkredieten, worden de ESR-ontvangsten van de diverse entiteiten in mindering gebracht van de betaalkredieten bij constant beleid. In feite werkt het model dus niet met de geraamde groei van de betaalkredieten an sich, maar wordt er gewerkt met de groei van de netto-aanwending van de beleidsruimte per beleidsdomein. Deze aanname is van belang om te vermijden dat entiteiten die eigen ontvangsten genereren, zouden gepenaliseerd worden voor deze stijgende ontvangsten. Deze berekening van de groei van de netto-aanwending van de beleidsruimte wordt nog gecorrigeerd op basis van volgende uitgangspunten: •• Voor de bevoegdheden die budgettair gezien in 2015 (en ook in beperkte mate in de jaren erna) overkomen wordt uitgegaan van de veronderstelling dat de voorziene uitgaven bij constant beleid correct zijn ingeschat in het jaar van budgettaire overdracht van de bevoegdheid. In de jaren na de overkomst van de bevoegdheid wordt de groei van de uitgave logischerwijs meegenomen in de groei van de uitgaven binnen het beleidsdomein. •• De vermindering van de uitgaven in 2014 omwille van de eenmalige vooruitschuif van uitgaven 2014 naar 2013, wordt voor het correct bepalen van de groei van de uitgaven in de cijfers doorgetrokken in de periode 2015-2019.
c.
Resultaat van één van de mogelijke simulaties
In onderstaande tabel V.1 wordt het effect weergegeven van een simulatie waarbij 50% van de benodigde besparing voor het bereiken van een begrotingsevenwicht in 2016 wordt bereikt via een verlaagde groei van de uitgaven. De groei van de uitgaven dient voor de Vlaamse overheid in 2015 en 2016 in zijn geheel globaal beperkt te worden tot 1,7%, terwijl de groei bij constant beleid geraamd wordt op 3,28% in 2015 en 2,28% in 2016. Concreet betekent de beperking van de groei in 2015 tot 1,7% een besparing van 416 miljoen euro in 2015 en een bijkomende 227 miljoen euro in 2016.
BIJLAGEV:BESPARINGSMODELOPBASISVANGENORMEERDEUITGAVENGROEIPERBELEIDSDOMEIN
In voorliggende oefening wordt er nog geen differentiatie van de inspanningen tussen de diverse beleidsdomeinen doorgevoerd. Hierdoor zullen beleidsdomeinen waar de groei bij constant beleid hoog is in verhouding tot hun budgettaire grootte veel dienen te besparen ten opzichte van beleidsdomeinen waar de groei van de betaalkredieten laag is. Bedoeling van voorliggend model bestaat er dan ook in om politiek gezien de discussie te voeren hoe de kredieten voor elk beleidsdomein mogen groeien in de periode 2015-2016, en eventueel ook daarna, rekening houdende met de specifieke groei bij constant beleid voor elk beleidsdomein en zonder de doelstelling van het beperken van de gehele groei tot 1,7% uit het oog te verliezen in de periode 2015-2016. Via toepassing van volgende simulatie wordt er bij het 5 jaar volhouden van een beperking van de groei van de uitgaven met 1,7% een beleidsruimte van 1,7 miljard euro gecreëerd. Deze beleidsruimte wordt logischerwijs nog verder uitgebreid met het structureel effect van eventuele punctuele maatregelen die benodigd zijn om de nog resterende nominale begrotingstekorten weg te werken
1,70% -1.840 1.306
2.176 3.895 1,70% 2.176 3.895
-415.719 -642.477
-415.719 -642.477
Groeifactor laten variëren besparingen 2015 besparingen 2015+2016
-129.619
ESR-ontvangsten Netto-aanwending beleidsruimte ESR-ontvangsten instellingenomgezet in uitgaven 6de Staatshervorming + overnamereg en succ. Eenmalige correcties (vooruitschuif) Onderbenutting FFEU ESR-correcties Correctie DBFM
Vorderingensaldo
2
1,19% 3,18% -0,78% 1,21% 1,00% 1,33%
HERZ 2014 27.500.107 26.333.759 1.473.552 -593.405 98.322 -5.167 -322.665
Scenario
-1.840 1.306
0,83% 0,02% 0,40% 0,41% 0,32% 3,00%
2,45% 3,28% 2,28% 2,19% 2,05% 2,44%
0
0
10.730.754
BZ
1,70% -18.081 -64.917
-18.081 -64.917
EWI
OV
WVG
-546.413
CJSM
WSE
0
1,70% -721 10.068
-721 10.068 1,70% 20.715 61.615
20.715 61.615
0,04% -0,04% -1,69% -2,55% 2,76% 1,74%
3.425 2,59% 2,93% 2,45% 2,56% 2,26% 2,77%
1,70% 1,70% -140.824 -47.770 -228.444 -125.828
-140.824 -47.770 -228.444 -125.828
1,70%
2,36% 3,00% 2,46% 2,14% 1,78% 2,40%
0 6.372.487
-642.477
339.441
566.655
1.671.141
3,59% 9,40% 2,47% 2,40% 1,75% 1,95%
MOW
RWO
3,54% 6,46% 2,31% 3,03% 2,62% 3,30%
29.501
1,70% 1,70% -3.652 -31.076 -10.204 -36.030
4,27% 8,29% 3,38% 2,82% 3,47% 3,41%
1,70% 1,70% 32.502 -48.504 94.123 -92.207
32.502 -48.504 94.123 -92.207
0,66% 0,46% -0,61% 0,71% 1,07% 1,68%
3.715 1.750.502
653.174 2.625.647 736.692
LNE
-3.652 -31.076 -10.204 -36.030
1,94% 4,08% 5,48% 2,11% -1,09% -0,90%
12.016
153.524
LV
reset
50%
Hoe bereiken van nominaal evenwicht in 2016? Duid aan hoeveel van de inspanning via verlaagde groei dient te gebeuren (in %)
1,70% 1,70% -16.405 -116.558 -18.777 -150.619
-16.405 -116.558 -18.777 -150.619
1,61% 3,23% 1,89% 1,59% 0,62% 0,73%
0 2.502.567
184.866 1.191.132 10.846.451 3.892.624 1.076.259 1.513.649
IV
4,87% -0,68% 6,96% 2,09% 13,26% -4,02% 4,87% -1,77% -1,95% 0,03% 1,21% 0,26%
34.983
343.737
FB
1 = constant beleid; 2= groeifactor evenwicht 2016; 3=differentiatie per beleidsdomein 2015 2016 2017 2018 2019 38.564.676 39.315.558 40.854.033 41.716.338 43.506.033 26.781.856 38.150.926 39.363.120 40.032.925 40.732.132 1.438.183 1.511.211 1.583.169 1.602.880 1.623.269 10.730.754 553.597 17.704 100.000 100.000 100.000 100.000 100.000 -610.190 -641.836 -661.677 -679.978 -701.664 104.000 109.000 114.000 119.000 124.000 -5.166 -5.164 -5.162 -5.160 -5.157 -571.652 -180.301 -21.141 37.688 37.688
1,70% -45.681 -86.459
-45.681 -86.459
3,19% 3,30% 3,04% 3,21% 3,41% 2,97%
21.558
124.246 2.862.217
129.542
DAR
26.333.759
HE
Netto-aanwending beleidsruimte bij HERZ 2014 Toename uitgaven door 6e staatshervorming in 2015 Groeifactor bij constant beleid 2014 -2019 2014 - 2015 2015 - 2016 2016 - 2017 2017- 2018 2018 - 2019 Groeifactor voor bereiken van een evenwicht in 2016 via 50%-besparing via verlaagde uitgavengroei. besparingen 2015 besparingen 2015+2016
TOTAAL
Tabel V.1: Simulatie begrotingsmodel – Bereiken van 50% van benodigde besparing in 2016 via beperken uitgavengroei
VOORSTELLEN EN DENKPISTES VOOR TOEKOMSTIG BELEID
hoofdinhoudstafel
Hoofdinhoudstafel VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
3
01 / Lerende Vlaming
42
02 / Werkende Vlaming
77
03 / 04 / Open ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
110
05 / Groen en dynamisch stedengewest
154
06 / Ruimte voor morgen
203
07 / Slimme mobiliteit
241
08 / Warme samenleving
281
09 / Slagkrachtige overheid
338
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
Inhoudstafel
Inhoudstafel 01 / Inleiding: de grote uitdagingen
1.1 De crisis vraagt een nieuw financieel beleid 1.2 De zesde staatshervorming 1.3 De grote maatschappelijke uitdagingen
02 / Europa 2020 en andere relevante internationale en Europese afspraken- en beleidskaders
2.1 De Europese Unie: het Europees semester en de Europa 2020-strategie 2.2 OESO 2.3 IMF 2.4 Raad van Europa 2.5 Verenigde Naties
03 / De Vlaamse (middel)langetermijnkaders
3.1
Toekomstplannen voor Vlaanderen
5 5 5 6
8 12 17 19 20 22
24 24
04 / Transversale beleidsaangelegenheden en de uitdaging van een versterkte beleidscoördinatie binnen de Vlaamse administratie
29
05 / Implicatie voor de overheidsfinanciering
32
06 / Beleidsbrede waarden en prioriteiten
34
6.1 6.2
Waarden van de Vlaamse overheid 2020 Beleidsbrede prioriteiten
34 36
07 / Link met de beleidsthema’s en beleidsvoorstellen
38
Bijlage: Samenvattend overzicht
39
01 / Inleiding: de grote uitdagingen
01 / Inleiding: de grote uitdagingen
1.1
De crisis vraagt een nieuw financieel beleid
In de voorbije jaren werd de Europese Unie (EU) geconfronteerd met een crisis zonder weerga. De financiële crisis evolueerde naar een bankencrisis, vervolgens naar een crisis van de overheden en ten slotte naar een sociaal-economische crisis. Hoewel Vlaanderen, in vergelijking met heel wat EU-lidstaten, de crisis tamelijk goed doorstaan heeft, kan niet ontkend worden dat tijdens de legislatuur 2009-2014 op verschillende vlakken te weinig vooruitgang kon worden geboekt om belangrijke stappen in de richting van de realisatie van de ambitieuze Pact 2020-doelstellingen te zetten. Om de crisis aan te pakken, schakelde de EU een versnelling hoger en daardoor werd de impact van de EU op het beleid van de lidstaten veel sterker. De centrale EU-boodschap had betrekking op het gezond maken van de overheidsfinanciën en gelijktijdig op de doorvoering van structurele hervormingen. Hoewel de afgelopen jaren binnen de EU langzaam maar zeker de noodzaak werd erkend om in groei te investeren, mag verwacht worden dat de EU gezonde overheidsfinanciën en de doorvoering van structurele hervormingen in de (nabije) toekomst zal blijven benadrukken.
1.2
De zesde staatshervorming
Vlaanderen is ervan overtuigd dat binnen een geglobaliseerde wereld ook de regionale dimensie belangrijker wordt. De ontwikkelde beleidsvoorstellen binnen de beleidsthema’s houden rekening met de overdracht van bevoegdheden in het kader van de zesde staatshervorming waarbij Vlaanderen heel wat bijkomende hefbomen op sociaal-economisch vlak verwerft. De staatshervorming werd op het Vlaamse niveau voorbereid aan de hand van het Groenboek Zesde Staatshervorming dat door de Vlaamse administratie is opgesteld en dat op 25 september 2013 aan de minister-president werd bezorgd. Het groenboek bevat zeven delen: (1) sociaaleconomisch beleid, (2) gezondheidszorg, (3) gezinsbeleid, (4) arbeidsmarktbeleid, (5) woonbeleid, (6) justitieel beleid en (7) operationele elementen. Aangezien alle beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid met de gevolgen van de zesde staatshervorming te maken zullen krijgen, zal dat belangrijke uitdagingen met zich meebrengen. In het groenboek worden voor elke bevoegdheid die overgedragen wordt, een aantal mogelijke beleidsvisies en -instrumenten geformuleerd en geanalyseerd. De verschillende mogelijkheden voor de organisatorische integratie in de Vlaamse overheid zijn onderzocht en de verwachte effecten op personeel, ICT en facilitymanagement zijn zo goed mogelijk in kaart gebracht. Inmiddels zijn ook tussen de federale overheid en de gewesten/gemeenschappen protocols afgesloten waarbij afspraken worden gemaakt om in de overgangsfase alle noodzakelijke maatregelen te nemen om de continuïteit van de dienstverlening te waarborgen.
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
Het groenboek is bedoeld als consultatiedocument voor onder andere het Vlaams Parlement, de adviesraden en de stakeholders. Het geeft aan welke mogelijkheden en uitdagingen de staatshervorming biedt voor het toekomstige beleid. De staatshervorming zal niet alleen intern in Vlaanderen bijzonder relevant zijn, maar zal ook belangrijk zijn voor de relaties van Vlaanderen in Europees en internationaal verband. In het kader van de bijdrage zijn de (belangrijkste) implicaties van de zesde staatshervorming op de betrokken beleidsthema’s (met inbegrip van de beleidsvoorstellen) ook opgenomen.
1.3
De grote maatschappelijke uitdagingen
In de algemene omgevingsanalyse (deel 1 van de bijdrage aan het regeerakkoord) worden binnen vijf clusters van ontwikkelingen enkele grote trends weergegeven waarvoor Vlaanderen de komende decennia zal (komen te) staan. Hieronder worden de belangrijkste trends opgesomd. Demografie: De vergrijzing van de bevolking zet zich door en de bevolking verkleurt en diversifieert in toenemende mate. Economie en innovatie: De economie krijgt een internationaler karakter met een versterkte positie van de nieuwe groei-economieën, terwijl de voorspelde economische groei op wereldvlak en voor Vlaanderen matig zal zijn. Ecologie en ruimtegebruik: De wereldwijde klimaatverandering zal ook in Vlaanderen versneld en intensief voelbaar zijn op veel domeinen. De ruimte kwaliteitsvol laten functioneren terwijl de grote maatschappelijke uitdagingen een plaats krijgen is een cruciale, absolute ruimtelijke doelstelling. Daarnaast wordt Vlaanderen geconfronteerd met schaarste aan hulpbronnen waardoor het afhankelijk is van derden, wat het belang van het sluiten van kringlopen nog urgenter maakt. Cultureel-maatschappelijk: We zitten in een individualiseringsproces. Politiek-institutioneel: Evolutie naar een polycentrische wereld: de rol van de overheid en de burgers zal veranderen in meer participatieve vormen. Die uitdagingen vragen een langetermijnstrategie en een gericht handelen vanaf nu. Heel wat van de boodschappen die door internationale en Europese instellingen aan België worden gericht, sluiten ook aan bij die uitdagingen. Het beantwoorden van de boodschappen van internationale en Europese organisaties en instellingen en de uitdagingen die vermeld zijn in de algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen, zullen voor de legislatuur 2014-2019 zowel beleid op korte als op (middel)lange termijn noodzakelijk maken. Op korte termijn moet volop worden ingespeeld op de eerste tekenen van economisch herstel en de doorvoering van structurele hervormingen, terwijl ook gericht moet worden ingezet op een langetermijnstrategie en duurzame oplossingen. Het is overduidelijk dat de grote, complexe maatschappelijke uitdagingen niet door de Vlaamse overheid alleen kunnen worden opgelost, en dat ze in samenspel met andere bestuursniveaus en relevante maatschappelijke actoren en de burgers moeten worden beantwoord. Dat brengt vanzelfsprekend grote uitdagingen met zich mee voor de wijze waarop de Vlaamse administratie ermee moet omgaan, in het bijzonder op het vlak van beleidscoördinatie (zie hoofdstuk 2).
01 / Inleiding: de grote uitdagingen
In deze inleiding zijn de belangrijkste recente boodschappen opgenomen die de Europese Commissie (EC), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), het Internationaal Monetair Fonds (IMF) , de Raad van Europa en de Verenigde Naties (VN) hebben verstrekt (zie hoofdstuk 1). We gaan in op de wijze waarop Vlaanderen al een antwoord heeft gegeven op de uitdagingen die hierboven zijn geformuleerd. Tot slot geven we een overzicht van de waarden die ons overheidshandelen moeten bepalen en de beleidsbrede prioriteiten waar we de volgende vijf jaar versterkt op moeten inzetten.
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
02 / Europa 2020 en andere relevante internationale en Europese afsprakenen bEleidskaders
2.1
De Europese Unie: het Europees semester en de Europa 2020-strategie
Op Europees niveau kan concreet verwezen worden naar de toenemende invloed die de Europese Unie uitoefent op het beleid van de lidstaten. Het Europees economisch bestuur1 is ingevolge de financieeleconomische crisis met een aantal instrumenten versterkt (sixpack2, twopack3, bankenunie …) en dat zorgt ervoor dat er meer druk op de lidstaten (met inbegrip van de regionale en (boven)lokale besturen) komt om zich te conformeren aan het Europese beleid. Dat is misschien het opvallendste in het kader van het sixpack waarmee de EC door de mogelijke oplegging van boetes een belangrijke stok achter de deur heeft om de lidstaten in de pas te laten lopen als de begrotingsdoelstellingen niet worden gehaald. Zo stelde de EC op 29 mei 2013 in het kader van de buitensporigtekortprocedure een aanbeveling voor waarin België werd aangemaand de nodige maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporige tekorten te verhelpen. Ook in het kader van de beleids- en beheerscyclus van de Vlaamse overheid en van de lokale en bovenlokale besturen zijn de gevolgen van een versterkt Europees economisch bestuur zeer ingrijpend. Zo voorziet het sixpack ex ante en ex post in rapporteringen op verschillende niveaus en moeten binnen de lidstaten de nodige coördinatiemechanismen worden uitgebouwd. Ook op andere terreinen is de opvolging door de Europese Unie van het beleid van de lidstaten versterkt. Er kan hier concreet verwezen worden naar de Europa 2020-strategie. Die Europese langetermijnstrategie op sociaal-economisch vlak zal ook in de komende beleidsperiode zijn impact blijven uitoefenen op het Vlaamse beleid omdat de doelstellingen raken aan de bevoegdheden van de Vlaamse overheid. Europa 2020 heeft drie prioriteiten: een slimme groei (een economie die gebaseerd is op kennis en innovatie), een duurzame groei (lage CO2-emissies en zuinige omgang met natuurlijke hulpbronnen), een inclusieve groei (veel werkgelegenheid en gelijke kansen voor iedereen).
Om die drie prioriteiten te bereiken, stelt de EU vijf doelstellingen voorop die ze wil bereiken in 2020: werk (75% van de bevolking tussen 20 en 64 jaar moet werk hebben), innovatie (3% van het bbp moet 1 http://ec.europa.eu/economy_finance/economic_governance/index_en.htm 2
Het pakket bevat de volgende zes punten: (1) bevordering van verstandig begrotingsbeleid door de EU-lidstaten, (2) versterking van de controlemogelijkheden van de Europese Commissie op het begrotingsbeleid van de EU-lidstaten, (3) de mogelijkheid om (automatische) sancties op te leggen aan EU-lidstaten bij overtreding van de bepalingen van het Stabiliteits- en Groeipact, (4) nieuwe voorschriften waaraan de nationale begrotingskaders moeten voldoen, (5) versterking van de controlemogelijkheden van de Europese Commissie op macro-economische onevenwichtigheden tussen de EU-lidstaten, (6) de mogelijkheid om sancties op te leggen aan EU-lidstaten waar bij herhaling macroeconomische onevenwichtigheden zijn vastgesteld (http://www.europa-nu.nl/id/vj0xfyt09iqs/six_pack).
3 http://www.europa-nu.nl/id/vj0xm0l84tzm/two_pack
02 / Europa 2020 en andere relevante internationale en Europese afspraken- en bEleidskaders
geïnvesteerd worden in onderzoek en ontwikkeling), klimaat en energie (20/20/20-doelstelling: 20% minder energieverbruik, 20% energie uit hernieuwbare energiebronnen, 20% minder uitstoot broeikasgassen), onderwijs (percentage vroegtijdige schoolverlaters moet lager zijn dan 10% en 40% van 30-34-jarigen moet een diploma hoger onderwijs hebben), armoede (het aantal mensen in armoede of sociale uitsluiting moet met 20 miljoen dalen). De zeven vlaggenschepen of kerninitiatieven (Een digitale agenda voor Europa, Innovatie-Unie, Jeugd in Beweging, Efficiënt gebruik van hulpbronnen, Industriebeleid in een tijd van globalisering, Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen, Europees platform tegen armoede) moeten de prioriteiten en doelstellingen ondersteunen. Op 5 maart 2014 maakte de EC een stand van zaken op m.b.t. de Europa 2020-strategie4. Algemeen kan vastgesteld worden dat er m.b.t. de klimaat- en energiedoelstellingen (de ’20-20-20-doelstellingen’) en onderwijsdoelstellingen goede vooruitgang werd geboekt, maar dat de doelstellingen inzake onderzoek en ontwikkeling, werkzaamheid en armoede of sociale uitsluiting bijzonder moeilijk of helemaal niet zullen worden gerealiseerd. Het is de bedoeling dat de EC in de eerste helft van 2014 een brede bevraging organiseert en dat de Europese Lenteraad 2015 zich zal uitspreken over de mid-term review van de Europa 2020-strategie. De lidtstaten hebben een zeer belangrijke rol om deze Europa 2020-strategie te doen slagen. Er zijn vijf Europa 2020-doelstellingen die aan de hand van acht indicatoren worden opgevolgd. Elke lidstaat heeft een Nationaal Hervormingsprogramma (NHP) moeten opstellen, waarin het zijn eigen Europa 2020-doelstellingen moest vastleggen en ook de acties moest opstellen die ervoor moeten zorgen dat iedere lidstaat de Europa 2020-doelstellingen haalt. Vlaanderen stelde ook een eigen Vlaams Hervormingsprogramma5 (VHP) op waarin het eigen doelstellingen heeft opgenomen. Op die manier neemt het het nodige ownership op voor de Europa 2020-strategie. Aangezien Vlaanderen al een langetermijnstrategie had met ViA/Pact 2020, is het VHP daarop gebaseerd. De Vlaamse Europa 2020-doelstellingen zijn op verschillende punten ambitieuzer dan de Europese en elk jaar wordt in het VHP de vooruitgang in beeld gebracht. Als we nagaan in hoeverre Vlaanderen op weg is om zijn Europa 2020-doelstellingen te behalen, stellen we het volgende vast:
••
Vlaanderen wil in 2020 een werkzaamheidsgraad van ruim 76% realiseren. Vooral de laatste jaren is de werkzaamheidsgraad gestagneerd en gedaald ingevolge de economische crisis, tot 71,5% in 2012 en volgens voorlopige cijfers voor 2013 zouden we uitkomen op 71,9%. Projecties wijzen uit dat de Vlaamse werkzaamheidsgraad in 2020 zou kunnen stranden op 72%, zelfs na inrekening van (federale) beleidsmaatregelen die een hogere arbeidsdeelname beogen (gewijzigd eindeloopbaanbeleid), en dat de doelstelling van 76% dus niet gehaald zal worden. Die geprojecteerde werkzaamheidsstijging is echter veel te beperkt om de ‘natuurlijke’, door vergroening en vooral vergrijzing gestuwde opmars van de economische afhankelijkheidsratio (de verhouding tussen het aantal niet-werkenden en het aantal werkenden) te counteren. Hoewel de werkzaamheidsgraad van de ouderen is gestegen, blijft voornamelijk de tewerksteling van personen met een migrantenachtergrond ondermaats. Bij die groep is dus veel progressiemarge mogelijk en ook noodzakelijk. De conclusie is dat de doelstelling van 76% haalbaar blijft, maar dat daarbij heel sterk zal moeten worden ingezet op de kansengroepen, waar er nog een zeer groot
4 http://ec.europa.eu/europe2020/index_nl.htm 5
http://www.vlaandereninactie.be/over/eu-2020
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
potentieel is om aan te boren. In 2012 hadden acht EU-lidstaten een hogere werkzaamheidsgraad dan Vlaanderen en volgens voorlopige cijfers voor 2013 zijn dit er inmiddels 9 (Zweden, Duitsland, Nederland, Denemarken, Oostenrijk, Verenigd Koninkrijk, Finland, Estland en Tsjechië). Zes EUlidstaten (Zweden, Duitsland, Nederland, Denemarken, Oostenrijk en Finland) hebben ook een hoger ambitieniveau in vergelijking met Vlaanderen geformuleerd.
••
Inzake vroegtijdig schoolverlaten wil Vlaanderen gaan voor maximaal 5,2% vroegtijdige schoolverlaters (18-24 jaar), terwijl de Pact 2020-doelstelling met 4,3% zelfs nog wat scherper is. De afgelopen jaren bleef het percentage tamelijk stabiel en in 2012 bedroeg het vroegtijdig schoolverlaten 8,7% en volgens voorlopige cijfers voor 2013 zouden we uitkomen op 8%. Extra inspanningen zullen noodzakelijk zijn, anders zal het bijzonder moeilijk worden om in 2020 de doelstelling van 5,2% te behalen. Hoewel Vlaanderen het in Europees verband zeker niet slecht doet, moet het in 2012 acht EU-lidstaten en volgens voorlopige cijfers voor 2013 negen EU-lidstaten (Kroatië, Slovenië, Tsjechië, Polen, Litouwen, Luxemburg, Slovakije, Zweden, Oostenrijk) laten voorgaan. Vlaanderen wil ook dat minstens 47,8% van de 30-34-jarigen een diploma hoger onderwijs behaalt. In 2012 bedroeg het Vlaamse cijfer 45,3%, volgens voorlopige cijfers 2013 komen we uit op 44,4% zodat de ambitie van 47,8% dus zeker haalbaar lijkt te zijn. In 2012 en 2013 (voorlopige cijfers) waren er zeven EU-lidstaten (Ierland, Litouwen, Luxemburg, Zweden, Cyprus, Verenigd Koninkrijk en Finland) die beter scoorden dan Vlaanderen en drie EU-lidstaten (Ierland, Luxemburg en Frankrijk) hebben, in vergelijking met Vlaanderen, een hoger ambitieniveau uitgesproken.
••
Wat onderzoek en ontwikkeling betreft, blijkt dat hoewel Vlaanderen met een percentage van 2,42% in 2012 het hoogste percentage ooit bereikte, het in 2011 wel zes EU-lidstaten (Finland, Zweden, Denemarken, Duitsland, Oostenrijk en Slovenië) moet laten voorgaan. Als dat groeitempo zich ook de volgende jaren doorzet, moet het mogelijk zijn in 2020 de 3%-doelstelling te bereiken. Merk wel op dat drie EU-lidstaten (Finland, Zweden en Oostenrijk) een ambitieuzere O&O-doelstelling dan Vlaanderen hebben geformuleerd.
••
Wat de vermindering van het aantal personen in armoede of sociale uitsluiting betreft, gaat Vlaanderen voor een 30%-reductie op de drie Europa 2020-indicatoren (armoederisico, ernstige materiële deprivatie, huishoudens met lage werkintensiteit), zonder dubbeltelling. Die ambitieuze Vlaamse doelstelling komt overeen met een daling van het aantal armen of sociaal uitgeslotenen met 280.000 personen tegen 2020 (met 2008 als referentiejaar). Vlaanderen neemt anno 2012 in Europees verband een toppositie in, waarbij het enkel Nederland en Tsjechië moet laten voorafgaan. Er moet wel opgemerkt worden dat het percentage personen in armoede of sociale uitsluiting in 2012 is gestegen tot 16,3%, het hoogste cijfer sinds 2006 (16,5%). Dat betekent dat de doelstelling van 30% minder (10,5%) moeilijk zal worden. Hoewel kinderarmoede geen expliciete doelstelling in het kader van de Europa 2020-strategie is, heeft Vlaanderen die doelstelling uitdrukkelijk opgenomen in het VHP. In 2012 leefde 11,5% van de Vlamingen tussen nul en zeventien jaar in een huishouden dat moet rondkomen met een inkomen onder de Belgische armoederisicodrempel. De doelstelling om te komen tot een halvering van het aantal kinderen in armoede tegen 2020 komt overeen met een daling met 60.000 kinderen (met 2008 als referentiejaar). Op het vlak van kinderarmoede scoort Vlaanderen goed in de Europese Unie en duidelijk beter dan het Waalse Gewest en België in zijn geheel. Vlaanderen moet enkel Denemarken en Finland laten voorafgaan, maar rekening houdende met een stijging van de kinderarmoede zal de doelstelling van een halvering van de kinderarmoede tegen 2020, namelijk 5%, ook hier bijzonder moeilijk worden.
02 / Europa 2020 en andere relevante internationale en Europese afspraken- en bEleidskaders
••
Wat de klimaat- en energiedoelstellingen betreft, vinden er momenteel burdensharinggesprekken plaats tussen de federale overheid en de gewesten om te bepalen wie wat doet. In Vlaanderen nam het aandeel hernieuwbare energie in het finale energiegebruik toe van 2,2% in 2008 tot 5,6% in 2012. In vergelijking met de andere lidstaten van de Europese Unie neemt Vlaanderen daarmee een staartpositie in; enkel Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Luxemburg doen het minder goed. Bovendien hebben verschillende lidstaten van de EU zeer ambitieuze doelstellingen geformuleerd, waaronder Zweden, waar een percentage van 49% hernieuwbare energie wordt nagestreefd en het al in 2012 de kaap van 50% behaalde. Vlaanderen gaat voor minstens 9% energiebesparing in 2016, op basis van het gemiddelde finale energieverbruik (2001-2005) conform de doelstelling van de richtlijn energie-efficiëntie. Uit de geactualiseerde berekeningen blijkt dat eind 2016 een energiebesparing van 13% kan worden gerealiseerd. Vlaanderen ligt dus op koers. Wat broeikasgassen betreft, geeft de EC aan dat volgens de laatste projecties zes lidstaten het verst van de 2020-doelstellingen (een kloof van vijf percentpunten of meer) verwijderd zijn, namelijk Malta, Luxemburg, Ierland, België, Spanje, Griekenland, Oostenrijk en Litouwen. Als we, waar mogelijk, de Europa 2020-doelstellingen in Europees vergelijkend perspectief plaatsen, doet Vlaanderen het niet zo goed, en is een Europese top 5-notering nog veraf.
Het is duidelijk dat voornamelijk de Scandinavische landen (Zweden, Finland, Denemarken) de ‘koplopers’ zijn als hun ‘scores’ op de voorliggende Europa 2020-indicatoren worden bekeken en zeker Zweden steekt er met op kop en schouders bovenuit. Ook lidstaten als Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Tsjechië nemen voor meer dan één EU2020-indicator een top5-positie in. Vlaanderen doet het zeer goed wat de armoedecijfers betreft, is een hoge middenmoter wat de indicatoren inzake werkzaamheidsgraad, onderwijs en onderzoek en ontwikkeling betreft, maar neemt een staartpositie in wat de klimaat- en energiedoelstellingen betreft. Bij de lancering van de Europa 2020-strategie werd een Europees semester ingevoerd, namelijk een jaarlijkse cyclus van economische beleidscoördinatie. Die start bij de lancering van de Jaarlijkse groeianalyse van de Europese Commissie, waarin de EU-prioriteiten voor groei en werkgelegenheid voor het komende jaar zijn opgelijst. Zowel bij de jaarlijkse groeianalyse 2012, 2013 als 2014 stonden dezelfde vijf prioriteiten centraal: (1) een gedifferentieerd, groeivriendelijk beleid van begrotingsconsolidatie voeren, (2) de kredietverschaffing aan de economie normaliseren, (3) groei en concurrentievermogen bevorderen, nu en voor de toekomst, (4) de werkloosheid en de sociale gevolgen van de crisis aanpakken, (5) het overheidsapparaat moderniseren. Een belangrijk ijkpunt in het Europees semester is het moment waarop de lidstaten hun nationale hervormingsprogramma’s en hun stabiliteits- en convergentieprogramma’s medio april aan de EC moeten voorleggen. De jaarlijkse rapportage via de hervormingsprogramma’s, in het kader van het Europees semester, is niet vrijblijvend aangezien de EC die aangrijpt om lidstaatspecifieke aanbevelingen te formuleren die vervolgens besproken en goedgekeurd worden door de Europese Raad en definitief aangenomen worden door de Raad Ecofin. Tijdens de tweede jaarhelft, het ‘nationale semester, is het dan aan de lidstaten – en voor haar bevoegdheden, de Vlaamse overheid – om gevolg te geven aan de aanbevelingen bij de opmaak van de begroting voor het daaropvolgende jaar. In 2013 werden zeven landenspecifieke aanbevelingen (LSA) aan België gericht en verschillende van die aanbevelingen zijn ook voor Vlaanderen relevant. Die LSA hebben betrekking op (1) duurzame publieke financiën (wegwerken buitensporig tekort), (2) sociale zekerheid voor ouderen (langer werken: het dichten van de kloof tussen werkelijke en wettelijke pensioenleeftijd), (3) herstellen van de competitiviteit van
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
de economie (kostencompetitiviteit en loonvorming), (4) betere concurrentie in de netwerkindustrieën en diensten, (5) de verschuiving van de belastingen op arbeid naar minder groeiverstorende belastinggrondslagen, (6) arbeidsmarkt (het nemen van maatregelen om mensen aan de slag te krijgen) en ten slotte (7) de broeikasgassen (verdeling van de inspanningen tussen de federale overheid en de gewesten in het kader van de vermindering van de broeikasgasemissies). In de landenspecifieke aanbevelingen 2013 wordt de noodzaak van samenwerking tussen de federale overheid en de deelstaten benadrukt. Het is ook duidelijk dat heel wat van de bovenstaande aanbevelingen ook voor Vlaanderen relevant zijn en dat dus structurele hervormingen noodzakelijk zijn. In het kader van de uitrol van de zesde staatshervorming zullen die aanbevelingen voor Vlaanderen nog relevanter worden omdat de regio’s meer sociaal-economische hefbomen in handen zullen hebben.
De landenspecifieke aanbevelingen 20136 LSA 1: Aanvullende maatregelen nemen om de structurele aanpassingsinspanning te realiseren die is gespecificeerd in het besluit tot aanmaning om maatregelen te treffen om het buitensporige tekort uiterlijk in 2013 te corrigeren en om de consolidatie een duurzamer en geloofwaardiger karakter te verlenen. Een duurzame correctie van de budgettaire onevenwichtigheden vereist een geloofwaardige implementatie van ambitieuze structurele hervormingen die de aanpassingscapaciteit verhogen en de potentiële groei doen toenemen. Na de correctie van het buitensporige tekort de structurele aanpassing in een passend tempo voort te zetten teneinde uiterlijk in 2016 de middellangetermijndoelstelling te realiseren, en er tevens voor te zorgen dat de hoge schuldquote een duidelijke neerwaartse tendens te zien geeft. Te dien einde uiterlijk op 15 oktober 2013 groeivriendelijke structurele maatregelen voor het jaar 2014 te presenteren die een duurzame correctie van het buitensporige tekort en voldoende vooruitgang in de richting van zijn middellangetermijn-doelstelling waarborgen. Erop toe te zien dat de aanpassing evenwichtig is gespreid in de tijd of zelfs overwegend in de eerste jaren plaatsvindt. Expliciete coördinatieregelingen te treffen om te garanderen dat de begrotingsdoelstellingen bindend zijn op federaal en subfederaal niveau binnen een planninghorizon op middellange termijn – onder meer door de spoedige aanneming van een regel betreffende het overheidssaldo/overschot die strookt met de vereisten van het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie –, alsook om de lastenverdeling over en de verantwoordingsplicht van de diverse geledingen van de overheid transparanter te maken. LSA 2: De inspanningen te intensiveren om de kloof tussen de werkelijke en de wettelijke pensioenleeftijd te dichten, onder meer door de lopende hervormingen ter beperking van de vervroegde-uittredingsmogelijkheden voort te zetten. De hervormingen van de socialezekerheidsstelsels voor ouderen te onderbouwen met werkgelegenheidsbevorderende maatregelen en arbeidsmarkthervormingen die actief ouder worden in de hand werken. De werkelijke pensioenleeftijd te verhogen door de pensioenleeftijd of de pensioenuitkeringen aan de veranderingen in de levensverwachting aan te passen. Door te gaan met het kosten-efficiënter maken van de overheidsuitgaven voor langdurige institutionele zorg.
02 / Europa 2020 en andere relevante internationale en Europese afspraken- en bEleidskaders
LSA 3: De aangevatte inspanningen tot hervorming van het loonvormingsmechanisme, met inbegrip van de loonindexering, voort te zetten om het concurrentievermogen te herstellen, met name door in overleg met de sociale partners en conform de nationale praktijken structurele maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de loonvorming aansluit bij de productiviteitsontwikkelingen, subregionale en lokale verschillen in productiviteit en arbeidsmarktomstandigheden weerspiegelt, en in automatische correcties voorziet wanneer de loonontwikkeling het kostenconcurrentievermogen ondermijnt. LSA 4: Concrete en aan een specifiek tijdschema gebonden structurele maatregelen te presenteren om een betere concurrentie in de dienstensector te waarborgen door belemmeringen in de detailhandel uit de weg te ruimen, buitensporige beperkingen op professionele diensten op te heffen en in een betere verschaffing van mobiele breedband te voorzien. De werking van de energiesector te blijven verbeteren door de distributiekosten terug te schroeven en de retailkosten te monitoren; de onafhankelijkheid te versterken van de toezichthouders in de energie-, telecommunicatie- en vervoersectoren (spoorwegen, luchthavens). De resterende belemmeringen van regelgevende aard in de postsector op te heffen. LSA 5: Concrete en aan een specifiek tijdschema gebonden voorstellen uit te werken om een verschuiving van de belastingen op arbeid naar minder groeiverstorende belastinggrondslagen te bewerkstelligen, met name door de mogelijkheden te onderzoeken die worden geboden door milieubelastingen (bijvoorbeeld op diesel en stookolie) en door de belastingheffing op het particuliere gebruik van bedrijfswagens. Het belastingstelsel te vereenvoudigen door het aantal aftrekken in de inkomstenbelasting te verminderen, de efficiëntie van de btw te verhogen en tevens voor een betere naleving van de belastingwetgeving te zorgen door bestaande lacunes te dichten. LSA 6: De prikkels die werken onaantrekkelijk maken, verder te reduceren door effectief de hand te houden aan de verplichting om werk te zoeken en ervoor te zorgen dat alle werklozen gepersonaliseerde bijstand wordt geboden bij het zoeken naar werk. Maatregelen te treffen om de intergewestelijke arbeidsmobiliteit te vergroten. De coherentie te vereenvoudigen en te versterken tussen prikkels om aan het werk te gaan, het activeringsbeleid, de afstemming van arbeidsvraag en –aanbod, onderwijs, een leven lang leren en beleidsmaatregelen op het gebied van beroepsopleiding voor ouderen en jongeren. Alomvattende strategieën uit te stippelen met het oog op de sociale inclusie en de integratie in de arbeidsmarkt van mensen met een migrantenachtergrond. LSA 7: Concrete maatregelen te treffen en afspraken te maken over een duidelijke verdeling van de inspanningen tussen de federale en gewestelijke overheden om vooruitgang te boeken bij de verwezenlijking van de doelstellingen voor het verminderen van de broeikasgasemissies van niet onder de emissiehandelsregeling vallende activiteiten, en met name van vervoer en gebouwen. 6
België was ook een van de landen die in het kader van de preventie van macro-economische onevenwichten door de EC opnieuw aan een diepgaand onderzoek werd onderworpen. Hoewel in maart 2014 werd vastgesteld dat de onevenwichten niet buitensporig zijn, is het interessant om de belangrijkste conclusies
6
http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:C:2013:217:FULL:NL:PDF, pp. 5- 10
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
van het diepgaande onderzoek op te lijsten, waarvan een aantal grote parallellen vertonen met de hierboven aangeven landenspecifieke aanbevelingen. Samenvattend werd gesteld dat Belgie macroeconomische onevenwichtigheden blijft ondervinden die monitoring en beleidsactie vereisen. Er werd gesteld dat met name de ontwikkelingen in verband met de externe competitiviteit van goederen blijven aandacht verdienen omdat een persistente afkalving de macro-economische stabiliteit zou bedreigen7. De belangrijkste bevindingen van de evaluatie waren8:
••
De tweevoudige trend van een verslechterend saldo van de lopende rekening en zorgbarende verliezen van exportmarktaandelen duurt voort. De gerichtheid op minder dynamische, geografisch nabije exportmarkten en een afnemende kostencompetitiviteit blijven aan de grondslag daarvan liggen. Alhoewel productsamenstelling als een neutralere factor wordt beschouwd, heeft specialisatie in producten die zich in het midden van de waardeketen bevinden de verliezen niet kunnen goedmaken. Een verbreding van het innovatiespectrum en sterkere productpenetratie van technologie blijven daarom van essentieel belang om duurzame jobcreatie en de hoge loonkosten van België met elkaar te verzoenen. (…)
••
De opvatting is dat de arbeidskosten een belangrijke rol spelen in het verlies van externe kostencompetitiviteit. Men name de verwerkende nijverheid ondervindt de gevolgen van de snelle loongroei voor hun internationale concurrentiepositie, wat zich weerspiegelt in krimpende marges en vernietiging van arbeidsplaatsen (…). Het verkleinen van de kloof om de industriële basis van België in stand te houden, zou bijgevolg meer ambitieuze en onmiddellijke maatregelen vereisen, waaronder de langverwachte belastinghervorming met een vermindering van de fiscale druk op arbeid en een loonvorming die het mogelijk maakt rekening te houden met de economische realiteit en de verschillen tussen sectoren.
••
Aanhoudende problemen met de werking en het aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt dragen bij tot het algemene concurrentieprobleem en hollen het groeipotentieel van de economie uit. De totale werkgelegenheidsgraad stagneert op een benedengemiddeld peil. Bovendien is de arbeidsparticipatie van bepaalde doelgroepen en in sommige geografische gebieden bijzonder laag, waardoor ook de risico’s van armoede en sociale uitsluiting toenemen. Als oorzaken daarvan kunnen worden aangewezen, de ontmoedigende fiscale behandeling van arbeid in combinatie met de werkloosheidsuitkeringen, de kwalificatie- en geografische onevenwichtigheden, het haperende activeringsbeleid, de wijdverspreide toepassing van vervroegd en brugpensioen en de loonrigiditeit als gevolg van de loonvormingsmechanismen. (…)
7
http://ec.europa.eu/economy_finance/publications/occasional_paper/2014/pdf/swd_172.pdf, pag. iii
8
http://ec.europa.eu/economy_finance/publications/occasional_paper/2014/pdf/swd_172.pdf, pag. 9-10
02 / Europa 2020 en andere relevante internationale en Europese afspraken- en bEleidskaders
••
De overheidsschuld blijft met 100% van het bbp hoog, maar een aantal factoren temperen de daarmee samenhangende macro-economische risico’s en het overheidsoptreden sinds de vorige diepgaande evaluatie heeft een verdere stijging voorkomen. (…).
In deze diepgaande evaluatie wordt ook stilgestaan bij mogelijke beleidspistes die het overwegen waard zijn9:
••
Op het stuk van de loonvorming zou de Belgische overheid zou een ambitieuzere hervormingsagenda kunnen nastreven. (…)
••
In de plaats van de huidige benadering waarbij de parafiscale druk op arbeid wordt verminderd met telkens kleine ingrepen zou de algehele opzet van de Belgische fiscaliteit kunnen worden heroverwogen. Dit zou gepaard moeten gaan met een inkomstenneutrale verschuiving van de fiscale lasten op arbeid naar andere inkomstenbronnen, zowel op federaal als op regionaal niveau. (…).
••
Om de hoge arbeidskosten in België te verzoenen met het duurzaam scheppen van banen en het op peil houden van een hoge levensstandaard, zal het nietkostenconcurrentievermogen moeten worden versterkt door, meer dan momenteel gebeurt, om te schakelen op technologisch hoogwaardigere producten. Om het innovatieve potentieel van de Belgische economie aan te zwengelen en innoverende bedrijven gemakkelijker te laten doorgroeien, zou het beleid nog meer kunnen focussen op ondersteuning van clusters en de subsidiëring meer kunnen concentreren en administratief kunnen vereenvoudigen zodat de bedrijven meer investeren in onderzoek en ontwikkeling. Een andere cruciale factor om de overgang naar een kenniseconomie te bespoedigen, is ervoor te zorgen dat de onbalans tussen aangeboden en gevraagde kwalificaties wordt verkleind, zodat de arbeidsmarkt kan beschikken over voldoende arbeidskrachten met de juiste kwalificaties.
9 http://ec.europa.eu/economy_finance/publications/occasional_paper/2014/pdf/swd_172.pdf, pag. 10-11
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
••
Het terugdringen van de overheidsschuld blijft op middellange tot lange termijn een van de grote beleidsuitdagingen, a fortiori vanwege het geringere groeipotentieel van de Belgische economie, de voorspelde grote impact van de vergrijzing in België en de belastingdruk die al hoog is. (…) Gelet op de toezegging van België om zijn middellangetermijndoelstelling in 2016 te halen, blijft verdere schuldafbouw via de uitgaven noodzakelijk om de schuldquote op een duurzaam neerwaarts traject te brengen. De verdere fiscale decentralisatie vereist in dit verband een stipte nakoming van de gemaakte fiscale coördinatie-afspraken en een evenwichtige bijdrage van alle bestuursniveaus aan de consolidatie. Ook de impliciete staatsschuld van de vergrijzing zou moeten worden aangepakt door nieuwe pensioenhervormings-maatregelen om te voorkomen dat de schuldniveaus opnieuw de pan uit rijzen (…) .
De data waarvan de EC in haar werkdocument in het kader van de landenspecifieke aanbevelingen gebruikmaakt, zijn ook terug te vinden in het kader van het rapport inzake industriële competitiviteit dat de EC jaarlijks opstelt. Naast de algemene situatie op EU-niveau wordt ook jaarlijks de industriële competitiviteit van de EU-lidstaten, waaronder België, in beeld gebracht. Die rapportage is ook in het kader van het Europa 2020-vlaggenschip ‘Industriebeleid in een tijd van globalisering’ van bijzonder belang. Als op België wordt ingezoomd, wordt de volgende vaststelling gedaan10:
Hoewel België absoluut gesproken nog steeds een van de hoogste productiviteitsniveaus in de EU heeft, is de productiviteit de afgelopen jaren weinig gegroeid. Zo is de arbeidsproductiviteit in 2011 met 1,3% gedaald, terwijl de productiviteit in de eurozone als geheel met 1,2% is gestegen. Het gemiddelde aantal gewerkte uren per persoon was in België echter hoger dan het EU-gemiddelde. Gezien de lage productiviteitsgroei in België moet het accent worden gelegd op factoren die het nietkostenconcurrentievermogen stimuleren, zoals infrastructuur, innovatie en menselijk kapitaal. Op het punt van de infrastructuur zou België veel baat hebben bij effectieve maatregelen om verkeersopstoppingen, die de Belgische economie aanzienlijk belasten, te verminderen. Met betrekking tot innovatie is de belangrijkste uitdaging voor België het verbreden van zijn innovatiebasis en het streven naar een bredere verdeling van bedrijfsuitgaven voor onderzoek en ontwikkeling (O&O) onder een groter aantal sectoren.
Op 4 september 2013 publiceerde het Wereld Economisch Forum zijn globale competitiviteitsindex 2013201411. België blijft op de 17de plaats staan. België scoort zeer goed wat de gezondheidsindicatoren betreft en heeft een systeem van basisonderwijs dat tot de absolute wereldtop behoort (tweede plaats). België
10 http://ec.europa.eu/enterprise/policies/industrial-competitiveness/monitoring-member-states/files/be_countrychapter_nl.pdf, pag. 2 11
http://www.weforum.org/issues/global-competitiveness/index.html
02 / Europa 2020 en andere relevante internationale en Europese afspraken- en bEleidskaders
kan ook bogen op een uitzonderlijk goed hoger onderwijs- en opleidingssysteem (5de plaats), excellent wiskundig en wetenschappelijk onderwijssysteem, zeer goede managementonderwijsinstellingen, een inzet voor on-the-jobtraining die bijdraagt tot een redelijk hoge capaciteit om te innoveren (14de plaats). De goederenmarkt wordt gekenmerkt door een hoge concurrentie en een omgeving die bijdraagt tot de oprichting van nieuwe bedrijven. De bedrijfsvoering wordt ook gekenmerkt door een hoog niveau van complexiteit en professionele managementprocessen. Aan de andere kant zijn er wel kanttekeningen te plaatsen met betrekking tot de overheidsinefficiëntie (56ste plaats) en het verstorende belastingssysteem die in het bijzonder de stimulansen om aan het werk te gaan verminderen (142ste plaats). Ook is het zo dat de macro-economische omgeving gekenmerkt wordt door ‘deficitspending’ en een hoge overheidsschuld.
2.2 OESO
Ook andere internationale instellingen, zoals de OESO, richten regelmatig aanbevelingen aan België. Een aantal daarvan zijn ook relevant voor Vlaanderen. In het bijzonder kan verwezen worden naar het landenrapport dat de OESO om de twee jaar publiceert. In het landenrapport 2013 van de OESO worden aan België vier sleutelaanbevelingen gericht. Die hebben betrekking op de versterking van de fiscale houdbaarheid, het stimuleren van arbeidsmarktparticipatie, het verzekeren van een meer kostenefficiënt en responsief gezondheidssysteem, het verbeteren van het gebruik van de transportinfrastructuur12.
De fiscale duurzaamheid versterken
•• •• ••
Zorgen voor een gestage schuldreductie door te evolueren naar een onderliggend fiscaal evenwicht door middel van structurele fiscale hervormingen. De automatische stabilisatoren in werking laten treden als de groei niet beantwoordt aan de verwachtingen. Een sterk kader invoeren voor de lastenverdeling inzake de fiscale consolidatie. Dit zou voor alle bestuursniveaus duidelijke en transparante meerjarenregels moeten bevatten voor evenwichtige uitgaven en een begrotingsevenwicht. De link versterken tussen de professionele carrière en het pensioen in de vervroegde pensioensregeling en alle oudere werklozen onderwerpen aan basisvoorwaarden voor de opvolging van hun zoektocht naar werk en hun activering.
12 http://www.keepeek.com/Digital-Asset-Management/oecd/economics/oecd-economic-surveys-belgium-2013_eco_ surveys-bel-2013-en
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
De arbeidsmarktdeelname verhogen
•• •• ••
De sectorale minimumlonen verlagen tot het wettelijke niveau en zorgen voor een meer geleidelijke invoering van het minimumloon voor jongeren. De besparingen in de uitkeringsbijdragen voor de sociale zekerheid toespitsen op werknemers met een laag loon. De overheid en de sociale partners moeten een nieuw loonvormingsproces overwegen. Als onderdeel van een dergelijke hervorming moeten de sociale partners aangemoedigd worden om het systeem van automatische loonindexering te laten uitdoven om te vermijden dat de effecten van negatieve externe schokken een permanent karakter krijgen. De creatie van werkgelegenheid en het behoud van de concurrentiepositie op externekostengebied ondersteunen door de loongroei afhankelijker te maken van de ontwikkelingen van de binnenlandse productiviteit.
Zorgen voor een kostenefficiënter en responsiever gezondheidsstelsel
•• •• •• •• ••
De ziekenfondsen een actievere rol laten spelen bij het bevorderen van kostenefficiënte zorg door hen in staat te stellen de prestaties van leveranciers te vergelijken (benchmarken) en op een beperkte schaal te experimenteren met selectieve uitbesteding. De incentives voor dienstverleners/zorgverleners en de informatiestromen vergroten door een grotere centralisering en coördinatie van het databeheer op één enkel platform, door de voltooiing van de verschuiving naar een pathologiefinanciering van ziekenhuizen en door meer te steunen op een capitatiefinanciering van artsen. De hoge uitgaven voor geneesmiddelen aanpakken door middel van sterkere procedures om een rationeel voorschrijfgedrag te stimuleren en het buitensporige voorschrijfgedrag een halt toe te roepen, door de regels inzake terugbetaling regelmatig te herzien en door de farmaceutische markt te liberaliseren. Zodra er voldoende stimulansen voorhanden zijn om de kosten onder controle te houden, zorgen voor een flexibelere voorziening van gezondheidszorg door de overdreven prescriptieve regelgeving over leveringen aan ziekenhuizen te laten uitdoven. Patiënten die gedurende lange tijd zorg nodig hebben, de autonomie geven om hun zorg thuis te organiseren. De zorgbehoeften bepalen op basis van één geriatrische beoordeling en ontradende sancties invoeren om een overschatting van de zorgbehoeften te ontmoedigen.
Het gebruik van de vervoersinfrastructuur verbeteren
•• •• ••
Een geïntegreerd infrastructuurplan op lange termijn ontwikkelen dat ondersteund wordt door de regio’s en de federale overheid en dat alle vervoerstypes omvat. De kostenbatenanalyse gebruiken als basisinstrument voor de evaluatie van de economische waarde van afzonderlijke projecten. De kosten van openbaredienstverplichtingen expliciet maken en dienstverleners vergoeden voor de uitvoering van die openbaredienstverplichtingen. Een systeem van rekeningrijden en gedifferentieerde tarieven voor het openbaar vervoer invoeren om congestie te vermijden. Wat het rekeningrijden betreft, eerst een congestieheffing invoeren in de grote steden alvorens een nationaal systeem te overwegen. Deze maatregelen moeten nauwkeurig afgestemd worden om een onbedoelde verschuiving naar andere vervoerswijzen te vermijden.
02 / Europa 2020 en andere relevante internationale en Europese afspraken- en bEleidskaders
2.3 IMF
Het resultaat van de jaarlijkse doorlichting van België door het IMF (16 december 2013) kan als volgt worden samengevat13:
Het IMF stelt vast dat het risico van financiële instabiliteit verdwijnt, maar dat het versterken van de groeiprestaties als kritieke uitdaging naar voor komt. Volgens het IMF moet die uitdaging worden aangepakt door de werkzaamheid van het onderbenutte arbeidspotentieel te verhogen en de economie toe te laten haar positie in de globale waardeketen te versterken. Daarom moeten de beleidsprioriteiten gaan naar de verhoging van de productiviteit van de economie en de verhoging van de capaciteit van de ondernemingen om zich aan te passen aan de internationale concurrentie. Daarbij moet ervoor gezorgd worden dat de lonen beter gealigneerd zijn op de productiviteitsontwikkelingen en dat het activeringsbeleid versterkt wordt. Hoge publieke schulden en de fiscale kosten van de veroudering roepen op tot voortdurende, vaste fiscale aanpassingen die herijkt moeten worden om de groei te ondersteunen door belastingstijgingen die incentives om te werken en te investeren beperken, en door het behoud van ruimte voor productiviteitsverhogende uitgaven.
Een vrij analoge boodschap was het resultaat dat in het IMF-rapport over België (maart 2014)14 besloten lag. Ook hier was het verhogen van de competitiviteit het belangrijkste aandachtspunt:
13
https://www.imf.org/external/np/ms/2013/121613a.htm
14
IMF Country Report nr. 14/76, http://www.imf.org/external/pubs/ft/scr/2014/cr1476.pdf, n.a.v. een artikel 4-missie.
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
1.
Terwijl financiële stabiliteitsrisico’s wijken, komt het versterken van de groeiprestaties als een kritische uitdaging naar voren;
2.
Volgehouden loonmatiging en, nog belangrijker, structurele hervormingen om de toewijzing van middelen en de productiviteit te verbeteren, zijn nodig om het concurrentievermogen te herstellen;
3.
In combinatie met een grotere product- en arbeidsmarktflexibiliteit, zou een verschuiving van de publieke middelen van een passief naar een actief arbeidsmarktbeleid helpen de arbeidsdeelname te verhogen;
4.
Een hoge schuld roept op tot voortdurend, gestage begrotingsaanpassingen en deze zouden herijkt moeten worden van fiscale maatregelen naar structurele hervormingen van de uitgaven;
5.
Het zich aanpassen aan de eisen van het EU-begrotingspact creëert een kans om de efficiëntie van het begrotingsbeleid te verbeteren;
6.
De herstructurering van de banken heeft geleid tot een verminderde financiële kwetsbaarheid, maar de banken moeten zich nog aanpassen aan een evoluerende bedrijfs-en regelgevende omgeving.
2.4
Raad van Europa
Vanuit de Raad van Europa werden in 2013 aan België met betrekking tot het jeugdbeleid elf aanbevelingen15 gericht, waarvan verschillende ook voor Vlaanderen bijzonder relevant zijn. De Raad van Europa duidt een aantal positieve elementen van het jeugdwerk in Vlaanderen aan. Zo wordt vermeld dat Vlaanderen over een goed uitgebouwd systeem voor de ondersteuning van jeugdorganisaties en over een sterke jeugdwerksector beschikt die gericht is op kansenjongeren. Het systeem garandeert de expertise die nodig is om de kwaliteitsmaatregelen voor jeugdwerk te bepalen. Dat is voor de Raad van Europa belangrijk omdat om het jeugdwerk te erkennen als een methode van niet-formeel onderwijs/leren, maatregelen nodig zijn die de kwaliteit van het jeugd(werk)aanbod bepalen. Voor de Raad van Europa ligt een belangrijke meerwaarde van jeugdwerk onder andere op het vlak van niet-formeel en informeel leren en kan het aldus een aanvulling vormen op het formele onderwijs en dienst doen als een methode voor nietformeel onderwijs/leren, die ook aanzienlijk kan bijdragen tot de sociale integratie (inclusie) van jongeren. Wat de sociale integratie betreft, wordt opgemerkt dat de integratie van kwetsbare jongeren, vooral migrantenjongeren, in het traditionele jeugdwerk een mogelijke uitdaging in Vlaanderen vormt en dat die migrantenjongeren ook meer betrokken moeten worden bij het besluitvormingsproces rond jeugdwerk. Er moeten gemeenschappelijke referentiepunten worden bepaald tussen het traditionele en het specifieke/
15
Gebaseerd op een review van het jeugdbeleid in België door het internationale team van de Raad van Europa (http://www.coe.int/t/dg4/youth/IG_Coop/youth_policy_reviews_en.asp).
02 / Europa 2020 en andere relevante internationale en Europese afspraken- en bEleidskaders
professionele jeugdwerk. De Raad van Europa ziet ook een rol weggelegd voor het jeugdwerk in andere belangrijke domeinen, zoals werkgelegenheid, onderwijs en welzijn, en vindt daarom meer aandacht voor de promotie van een transversale aanpak van het jeugdbeleid op gemeentelijk en provinciaal niveau noodzakelijk. Op die bevoegdheidsniveaus is volgens de Raad van Europa een frequentere evaluatie van de jeugdbeleidsplannen noodzakelijk. Er is ten slotte een zekere bezorgdheid over de onafhankelijkheid van de niet-gouvernementele organisaties omdat die voor hun werking overheidsmiddelen ontvangen, maar daardoor mogelijk moeilijker overheidsbeleid aan de kaak kunnen stellen. Op 25 juni 2012 ondertekende België de Faro-conventie (voluit de “Council of Europe Framework Convention on the Value of Cultural Heritage for Society”). De Faro-conventie is te beschouwen als het sluitstuk van de reeks erfgoedconventies die onder impuls van de Raad van Europa tot stand zijn gekomen.16 Ondertussen heeft de Vlaamse overheid deze conventie bekrachtigd bij decreet van 14 februari 2014. Ook bij de andere gemeenschappen en gewesten wordt dit voorbereid met het oog op ratificatie door België. De Faro-conventie gaat inhoudelijk verder dan de eerdere conventies, die vanuit het erfgoedobject vertrekken en het fysiek en ruimtelijk vrijwaren ervan centraal stellen. In het bijzonder hanteert ze een bredere definitie van het cultureel erfgoed en wordt, naast het onroerend, ook het roerend en immaterieel cultureel erfgoed bedoeld. Zij beschrijft eveneens “waarom” en “voor wie” de zorg voor erfgoed belangrijk is en in welke mate die bijdraagt tot de cohesie van de samenleving. Daarnaast lanceert zij het nieuwe begrip “erfgoedgemeenschap”17. De Faro-conventie stelt erfgoed voor als een bron voor menselijke ontwikkeling, de bescherming van culturele diversiteit en de bevordering van een interculturele dialoog én als onderdeel van het economische ontwikkelingsmodel dat gebaseerd is op de principes van het duurzame gebruik van hulpbronnen. De conventie pleit ervoor om erfgoed een meer systematische plaats te geven in processen die een verbetering van de leefomgeving en de levenskwaliteit beogen, waarbij ook een niet onbelangrijk economisch potentieel kan worden uitgespeeld. Deze erfgoedbeleidsinvalshoek is ook voor Vlaanderen relevant, en verdient concretere uitwerking. Deze conventie was één van de internationale teksten die als basis hebben gediend voor het Cultureelerfgoeddecreet van 23 mei 2008. In het nieuwe Cultureel-erfgoeddecreet van 6 juli 2012 zijn deze uitgangspunten behouden. Ook het nieuwe Onroerend Erfgoeddecreet van 12 juli 2013 heeft de maximale implementatie van verschillende conventies en andere verdragen voor ogen, in het bijzonder de conventies van de Raad van Europa (Granada, Valletta, Firenze en Faro). Beschermen wordt daarbij slechts beschouwd als een van de mogelijke instrumenten. Meer en meer wordt de erkenning van de betekenis van het erfgoed voor de gehele gemeenschap benadrukt. In afwachting van de ratificatie, die een nog sterkere stimulans zou betekenen om daadwerkelijk aan de slag te gaan met het ideeëngoed waarvoor de Faro-conventie staat, kan Vlaanderen het voortouw nemen om de conventie alvast een volwaardige toepassing te geven vanuit de respectievelijke beleidsvelden.
16
De Europese Culturele Conventie (1954), de Conventie voor de Bescherming van Architecturaal Erfgoed van Europa (1985), de Europese Conventie over de Bescherming van het Archeologisch Erfgoed (1992, herwerkt) en de Europese Conventie over het Landschap (2000).
17
Een erfgoedgemeenschap is een gemeenschap die bestaat uit organisaties en personen die een bijzondere waarde hechten aan het cultureel erfgoed of specifieke aspecten ervan, en die het cultureel erfgoed of aspecten ervan door publieke actie ondersteunen.
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
2.5
Verenigde Naties
In december 2013 formuleerde het VN-Comité voor economische, sociale en culturele rechten een aantal aanbevelingen18 m.b.t. de mensenrechten in België. België kreeg van het comité positieve punten voor de ratificatie van de belangrijkste internationale instrumenten inzake mensenrechten, voor de goedkeuring van wetten ter versterking van de bescherming van de economische, sociale en culturele rechten alsook voor maatregelen genomen door de staat. Toch meent het Comité dat België nog steeds werk heeft om de mensenrechten beter te garanderen en verschillende van de door het Comité verstrekte aanbevelingen zijn ook voor Vlaanderen relevant.
18
••
De doelstelling van 0,7% voor internationale ontwikkelingshulp nakomen;
••
Ervoor zorgen dat personen met een handicap en personen van vreemde afkomst in staat zijn om ten volle te genieten van hun economische, sociale en culturele rechten. Het uitvaardigen van een alomvattend nationaal wettelijk kader tegen discriminatie (…). Het voortzetten en het versterken van de anti-discriminatie bewustmakingscampagnes voor het brede publiek en de verschillende maatschappelijke sectoren, evenals de campagnes om de maatregelen ter ondersteuning van personen met een handicap op federaal, regionaal en gemeenschapsniveau te bevorderen;
••
De inspanningen tot het verminderen van de loonkloof tussen mannen en vrouwen te versterken (…); Het versterken van het beleid ter bevordering van gelijke kansen op de werkplek, met name het beleid van een gender-neutrale functie-indeling;
••
Het versterken en continueren van de acties om jeugdwerkloosheid, ook voor de minst gekwalificeerde (en vooral in het Waalse en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest), werkloosheid onder personen van 55-64, vrouwen en personen met een handicap effectief te bestrijden. Het versterken van de impact van de specifieke plannen en het beleid om de werkloosheid te verminderen onder migranten afkomstig van buiten de EU. (…);
••
Specifieke wetgeving op te stellen m.b.t. huiselijk geweld, met name geweld tegen vrouwen. Het besteden van bijzondere aandacht aan huiselijk geweld tegen vrouwen en meisjes met een handicap en ervoor zorgen dat zij voldoende bescherming en bijstand krijgen (…);
••
In te zetten op sterkere maatregelen ter bestrijding van de armoede in de meest kansarme en gemarginaliseerde sectoren van de bevolking, met inbegrip van kinderen en personen van vreemde origine. (…) Versterking van de andere federale en regionale maatregelen, zodat ze een reële impact op armoedebestrijding hebben. De meest kansarme en gemarginaliseerde sectoren van de bevolking moeten kunnen blijven genieten van meer specifieke anti-armoede maatregelen;
http://www.unric.org/nl/nieuwsoverzicht/26575-mensenrechten-in-belgie-waarnemingen-en-aanbevelingen-van-hetvn-comite-voor-economische-sociale-en-culturele-rechten
02 / Europa 2020 en andere relevante internationale en Europese afspraken- en bEleidskaders
••
Het nemen van krachtigere maatregelen voor het bevorderen van de toegang, zonder discriminatie, tot adequate huisvesting voor personen met lage inkomens, gemarginaliseerde en kansarme bevolkingsgroepen en personen van vreemde origine. Het verderzetten van het in de verschillende regio’s gelanceerde beleid van de bouw van sociale woningen en het bevorderen van de toegang tot deze woningen voor de betrokken bevolkingsgroepen. (…);
••
Het krachtig bestrijden van dakloosheid door het aanpakken van de onderliggende oorzaken;
••
Het beschermen van de kleinschalige landbouw in België en het implementeren van de betrokken plannen;
••
Het systematisch invoeren van effectbeoordelingen inzake mensenrechten om ervoor te zorgen dat projecten ter bevordering van biobrandstoffen geen negatieve gevolgen voor de economische, sociale en culturele rechten van de lokale gemeenschappen in derde landen (voor de Belgische bedrijven die op dit terrein actief zijn);
••
Het versterken van de inspanningen om kinderen met een handicap in het reguliere onderwijsstelsel op te nemen, door het aanpassen van de bestaande faciliteiten en het nemen van alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat kinderen met een handicap hun recht op onderwijs op voet van gelijkheid met andere kinderen volledig kunnen uitoefenen.
De UNWTO (United Nations World Tourism Organization) ziet toerisme als economische groeimotor. Niet alleen zorgt toerisme voor een economische meerwaarde, het creëert ook een hefboomeffect voor andere sectoren. In Europa draagt de toeristische industrie 6% bij aan het bruto binnenlands product (Bron: OESO, 2014). Het aandeel van toerisme in het BBP voor Vlaanderen bedraagt 5%. De directe bruto toegevoegde waarde van toerisme is in Vlaanderen 2,8%. Nederland haalt 2.9%, Oostenrijk meer dan 5%. Er is dus nog ruimte voor groei. Globaal staat ons land 18de gerangschikt op de Travel & Tourism Competitive Index (op 144 bestemmingen). Vooral de relatief slechte score (66e plaats) op het vlak van prioritering van toerisme binnen het beleid valt op.
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
03 / De Vlaamse (middel)langetermijnkaders
Voor de Vlaamse overheid wint het werken met (middel)lange termijnkaders steeds meer aan belang en ook de inbedding van het Vlaamse beleid in Europese en internationale afsprakenkaders is een evidentie geworden.
3.1
Toekomstplannen voor Vlaanderen
3.1.1 Vlaanderen in Actie/Pact 2020 en het belang van meten is weten
Al in 2006 werd Vlaanderen in Actie (ViA) voorgesteld. De eerste jaren is er intensief overlegd met meer dan 2000 captains of society, de belangrijkste middenveldorganisaties en lokale overheden om te komen tot een gemeenschappelijke toekomstvisie.
Vlaanderen in Actie stelt als ambitie dat Vlaanderen tegen 2020 in de top 5 van de Europese regio’s zal staan. Vlaanderen is tegen 2020 een economisch-innovatieve, duurzame en warme samenleving. Met het Vlaanderen in Actie/Pact 2020 had Vlaanderen zijn ‘2020-doelstellingen’ al begin 2009 vastgelegd. Het was gewapend om heel snel op de nieuwe Europese agenda, in het kader van de Europa 2020-strategie, in te spelen. Het ViA-Pact 2020 bevat twintig doelstellingen rond vijf clusters: (1) Meer welvaart en welzijn, (2) Een competitieve en duurzame economie, (3) Meer mensen aan de slag, (4) Levenskwaliteit van hoog niveau en (5) Efficiënt en doeltreffend bestuur. De benchmarking met andere Europese regio’s neemt een belangrijke plaats in om te kijken of Vlaanderen op de goede weg is. Daarom wordt Vlaanderen jaarlijks met vijftien excellente EU-regio’s vergeleken aan de hand van enkele indicatoren: het aandeel hooggeschoolde werknemers, de deelname aan levenslang leren, de O&O-intensiteit, het aandeel werknemers in kennisintensieve branches, het aandeel werknemers in creatieve branches en het aantal patentaanvragen. De resultaten worden in de Flanders Outlook-brochure van de Studiedienst van de Vlaamse Regering (SVR) gepubliceerd. Naast die interregionale benchmarking wordt jaarlijks aan de hand van een reeks indicatoren gemeten of Vlaanderen op weg is om de Pact 2020-doelstellingen te halen. De Vlaamse overheid legde immers samen met de sociale partners en het georganiseerde middenveld de concrete doelstellingen voor Vlaanderen in Actie vast in het Pact 2020. Voor een belangrijk deel van de doelstellingen is het streefdoel nog niet bereikt. De meting van het Pact 2020 (juni 2013), aan de hand van 136 indicatoren, toont aan dat vier op de tien indicatoren de goede richting uit gaan, wat een hoger aandeel is dan in 2012. Ten opzichte van 2012 is het aantal negatieve ontwikkelingen meer dan gehalveerd zodat slechts één op de tien indicatoren ongunstig evolueert.
03 / De Vlaamse (middel)langetermijnkaders
Grafisch voorgesteld ziet dat er per doorbraak als volgt uit:
Figuur 119: Evolutie indicatoren doorbraken (2013)
Voor één op de vier indicatoren met een streefdoel werd het streefdoel voor 2020 al gehaald; voor drie van de vier indicatoren is er nog werk om de doelstellingen tegen 2020 te halen. De volgende legislatuur moet er met andere woorden onverkort verder op inzetten. Ook wat de monitoring van projecten (de monitoring van het regeerakkoord/ViA) en effecten (monitoring van de indicatoren van Pact 2020) betreft, beschikt de Vlaamse administratie over degelijke en transparante monitoringsystemen om de voortgang van de projecten en de realisatie van de doelstellingen beleidsdomeinoverschrijdend op te volgen en zo nodig bij te sturen. Ook in de nieuwe legislatuur zal het noodzakelijk zijn om van nabij de voortgang van ViA/Pact 2020 te blijven meten.
3.1.2 ViA is meer dan een toekomstplan
ViA is de voorbije legislaturen gaandeweg geëvolueerd naar een langetermijnvisie die binnen de Vlaamse administratie en daarbuiten algemeen gedragen en coherent is. Tijdens het ViA-Toekomstforum van 30 april 2013 bevestigden alle ministers van de Vlaamse Regering, de sociale partners, het middenveld via de Verenigde Verenigingen, de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG), de Vereniging van Vlaamse Provincies (VVP) en de Vlaamse administratie, alsook honderden deelnemers hun engagement om ViA voort te zetten in een volgende legislatuur. Op die manier werd voldoende draagvlak verworven om de ontwikkeling die zich in 2011 heeft ingezet met betrekking tot de verdere verdieping en versterking van ViA, door middel van de transitiemethodiek te borgen.
19
Bron: Studiedienst van de Vlaamse Regering, bewerking door de Stafdienst van de Vlaamse Regering
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
We beschouwen ViA daarbij niet als een optelsom van acties en projecten die binnen de verschillende beleidsdomeinen worden opgezet, maar als een maatschappelijk programma dat beleidsdomeinoverschrijdend de bakens uitzet. Het is een programma dat innovatie, duurzaamheid en sociale verbondenheid uitdraagt en door de dertien transities van ViA symbool staat voor de noodzakelijke systeeminnovatie die we binnen de Vlaamse overheid willen maken: een transparante en integrale aanpak in combinatie met een verhoogde samenwerking met partners binnen en buiten de overheid. De dertien transities zijn:
•• •• •• •• •• •• •• •• •• •• •• ••
Nieuw industrieel beleid Gazellesprong Stroomlijning gericht innovatiebeleid Iedereen mee, iedereen actief Kinderarmoedebestrijding Hernieuwbare energie en smart grids Duurzaam wonen en bouwen Duurzaam materialenbeheer Ruimte voor morgen Slimme mobiliteit Versnelling investeringsprojecten Creatieve en duurzame steden
Waarom transities of duurzame systeeminnovatie? Het huidige denken rond duurzame ontwikkeling en transities vertrekt van de vaststelling dat oplossingen op korte termijn niet langer een uitweg bieden. De structuren en praktijken die de complexe en hardnekkige problemen en onrechtvaardigheden veroorzaken, zitten diep verankerd in onze samenleving, in onze cultuur en in het sociaal-economische systeem. Die hardnekkige problemen kunnen onmogelijk weggewerkt worden louter met technologische innovaties. Ze vergen een aangepaste sociale, juridische, culturele en commerciële logica en context. Zo blijft het potentieel van duurzame energie (bijvoorbeeld windenergie) onderbenut omdat de technologische innovaties (nog) niet gepaard gaan met veranderingen in andere delen van het systeem, zoals een meer gedecentraliseerde energieproductie. Als we de omslag willen maken naar een echt duurzame ontwikkeling, voor iedereen in de samenleving van vandaag én voor de volgende generaties, moeten we de technologische aanpak ontstijgen, en meer fundamentele innovaties doorvoeren op systeemniveau: in ons energiesysteem, het systeem van produceren en consumeren enzovoort. Zulke systematische veranderingen noemen we transities: structurele maatschappelijke omslagbewegingen van een oud naar een nieuw evenwicht, als gevolg van een samenspel van economische, sociale, ecologische, institutionele, culturele, technologische en ethische veranderingen en ontwikkelingen. Alle spelers in de samenleving - overheden, bedrijven, organisaties, kennisinstellingen en burgers - spelen hun rol en evolueren mee. Ten slotte mogen ook de doelgroepen voor wie het beleid wordt uitgetekend niet uit het oog worden verloren. Zo biedt het overkomen van belangrijke bevoegdheden in het kader van de zesde staatshervorming meer mogelijkheden om ervoor zorgen dat een meer integraal beleid kan worden ontwikkeld en er naar de doelgroepen toe meer op maat kan worden gewerkt. Een sterkere samenwerking met het lokale bestuursniveau en lokale actoren kan deze dienstverlening nog verder versterken.
03 / De Vlaamse (middel)langetermijnkaders
De Vlaamse administratie krijgt steeds vaker te maken met complexe dossiers waarbij verschillende beleidsdomeinen, beleidsniveaus en partners van buiten de (Vlaamse) overheid betrokken moeten worden. De klassieke thematische grenzen tussen verschillende beleidsdomeinen vervagen dan ook. Dat alles gaat gepaard met een toenemende vraag vanuit de bredere samenleving naar een meer participatief beleid. Zodoende lijkt het overheidsbeleid vandaag stilaan te evolueren naar een open netwerkmodel waarbij de betrokken partners zich minder formeel moeten gedragen ten aanzien van elkaar en derden om tot beleidsvoorbereiding en -uitvoering te kunnen overgaan. Een belangrijke, waardevolle verruiming was de oefening vanuit de culturele sector die ertoe leidde dat het Cultuurforum 2020 op basis van de beproefde ViA-methodologie 7 strategische doelstellingen en 32 doorbraken formuleerde. Om transities en systeemveranderingen te kunnen doen slagen, moeten we stilstaan bij de rol van de overheid en de manier waarop we als overheid samenwerken met verschillende actoren en belanghebbenden in de samenleving. Systeemveranderingen kunnen pas slagen in partnerschap en met betrokkenheid en steun van de belanghebbenden. De overheid wordt daarbij een actor tussen actoren (multiactorbeleid) die in partnerschap en cocreatie initiatieven neemt en beleid uittekent, in samenwerking met federaties, bedrijven, kennisinstellingen, ngo’s, verenigingen en actoren uit het brede maatschappelijke veld, de verschillende overheidsniveaus en ook niet-georganiseerde burgers. Die aanpak vergt veel flexibiliteit, zowel binnen de overheid als in de samenwerking met externe partners, waarbij belanghebbendenmanagement de traditionele dialoog met de strategische adviesraden ver voorbij moet en er tot een echte cocreatie en een echt cobestuur kan worden overgegaan. Verschillende van de hierboven aangereikte elementen hangen nauw samen met de in maart 2014 door de Raad van Wijzen geïdentificeerde zeven werkpunten om de transities verder succesvol uit te bouwen. De rode draad daarin is het faciliteren en stimuleren van transversaliteit in bestuur, organisatie, processen en inzet van middelen. De zeven werkpunten zijn:
••
Gedeelde focus en gedeeld eigenaarschap: de maatschappelijke vijfhoek: naast een duidelijk engagement van de overheid is ook het engagement en het opnemen van eigenaarschap door het bedrijfsleven, kenniscentra, de financiële wereld en de bredere civil society (en haar burgers) noodzakelijk.
••
Transversaliteit binnen de overheid en daarbuiten: Een governance die samenwerking over de grenzen van beleidsdomeinen, entiteiten en sectoren heen mogelijk maakt.
••
Het transitiedenken en –handelen: Vanuit een goed inzicht in het bestaande ecosysteem rond elke complexe uitdaging worden er door de belangrijkste spelers uit de maatschappelijke vijfhoek voor dat thema gemeenschappelijke ambities geformuleerd. Om die ambities om te zetten in uitvoering kan roadmapping als methodologisch kader worden gehanteerd.
••
Organisatie van de transversaliteit:
De organisatie van een transitie: De transitie zelf vindt plaats in partnerschap met de vijf spelers uit de maatschappelijke vijfhoek. Die partners hebben een gedeelde verantwoordelijkheid en zetelen, samen met een afvaardiging uit het transitieteam dat de operationele processen coördineert en opvolgt, in het bestuur van de transitie. Dat bestuur houdt toezicht op de uitrol, de consolidatie,
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
de begeleiding en de opvolging van die initiatieven en gaat het engagement aan om de visie en de ambitie van de betreffende transitie te (laten) realiseren. Binnen het transitie-ecosysteem, o.l.v. de transitiemanager met zijn transitieteam, vindt de echte uitvoering van de transitie plaats in de vorm van projecten, initiatieven, acties … Het transitieteam coördineert en werkt de transities uit, steunend op een voldoende transversale werking zowel binnen als buiten de Vlaamse overheid. Een interministerieel comité zorgt voor de aansturing van de transitie. De transversale aansturing over de beleidsthema’s heen: de organisatorische onderbouw van de transities en de organisatie van een gedeeld, transversaal eigenaarschap en van verantwoordelijkheid zijn uitdagingen waar verschillende transities mee te kampen hebben. De Vlaamse Regering houdt het overkoepelende en finale toezicht op de transitieportefeuille en volgt periodiek de voortgang van de transities op, en wordt daarbij bijgestaan door het CAG en de ViARaad van Wijzen.
••
Gericht inzetten van middelen en voorzien van experimenteerruimte: Als transities ingezet worden als dé prioritaire hoekstenen van een duurzame toekomst, vereist dat het vrijmaken en het adequaat inzetten van mensen en middelen door zowel de Vlaamse overheid als de externe partners. Dat is zowel mogelijk vanuit de transversale bundeling van bestaande middelen als vanuit nieuwe financieringsmodellen (bijvoorbeeld coöperatieve fondsen). Er moet voldoende ruimte zijn voor de ondersteuning van experimenten.
••
Communicatie en brede sensibilisering: Een sterke communicatie en sensibilisering over de gemeenschappelijke doelstellingen die in de transities gevat worden, is wezenlijk en moet dus op elk moment blijven plaatsvinden.
••
Rol van het onderwijs: Voldoende aandacht voor de grote maatschappelijke uitdagingen en de nieuwe oplossingsrichtingen in de diverse onderwijscurricula is noodzakelijk. Dit zowel met het oog op sensibilisering en het opnemen van verantwoordelijkheden door de burger als m.b.t. het inzetten op competentieontwikkeling.
04 / Transversale beleidsaangelegenheden en de uitdaging van een versterkte beleidscoördinatie binnen de Vlaamse administratie
04 / Transversale beleidsaangelegenheden en de uitdaging van een versterkte beleidscoördinatie binnen de Vlaamse administratie
In het kader van de zesde staatshervorming wordt Vlaanderen bevoegd voor belangrijke sociaaleconomische hefbomen. Vlaanderen heeft voor de uitoefening van zijn bevoegdheden belang bij goede betrekkingen met de (boven)lokale besturen in Vlaanderen, maar uiteraard ook met het federale en het Europese niveau. Voor heel wat dossiers zijn een goed overleg en goede samenwerking met de federale overheid noodzakelijk. Ook in het kader van de landenspecifieke aanbevelingen 2013 vraagt Europa bijzondere aandacht voor de samenwerking tussen de federale overheid en de gewesten. Voor de eerste keer wordt dat signaal zo sterk gegeven door Europa in het kader van de landenspecifieke aanbevelingen. Vlaanderen schaart zich achter de meerwaarde die multilevelgovernance met zich meebrengt. Multilevelgovernance als concept staat voor een systeem van continue samenwerking tussen overheden en niet-gouvernementele actoren op verschillende territoriale niveaus (Europees, nationaal, subnationaal en lokaal). Daarbij is het uitgangspunt dat er 1) een toegenomen afhankelijkheid is tussen overheden op verschillende territoriale niveaus (de zogenaamde verticale dimensie) en 2) een toegenomen afhankelijkheid tussen overheden en niet-gouvernementele actoren op verschillende territoriale niveaus of tussen overheden op dezelfde territoriale niveaus (de zogenaamde horizontale dimensie). In het kader van multilevelgovernance wordt meestal gestreefd naar samenwerking en afstemming tussen het beleid van verschillende overheden op verschillende territoriale niveaus en met de betrokkenheid van nietgouvernementele actoren. Multilevelgovernance werd in eerste instantie gebruikt om de betrokkenheid van regio’s (zoals Vlaanderen) en van lokale actoren (zoals de gemeenten) bij het Europese besluitvormingsproces te bepleiten. Dat element neemt nog altijd een belangrijke plaats in, zoals uit het advies20 (artikel 2) van het Comité van de regio’s van 16 februari 2012 blijkt: “Multilevelgovernance is een bestuursvorm die berust op gecoördineerd optreden van de EU, de lidstaten en de lokale en regionale overheden, met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, en op partnerschap. In de praktijk komt dit laatste neer op een functionele en geïnstitutionaliseerde vorm van samenwerking om EU-beleid tot stand te brengen en ten uitvoer te leggen.” Voor de opvolging en implementatie van Europees beleid is de multilevelgovernancedimensie van groot belang. In het kader van de Europa 2020-strategie wordt die multilvelgovernancedimensie trouwens al ten volle toegepast. Dat wordt bijvoorbeeld door het Comité van de Regio’s (CoR) onderkend. In een in opdracht van het CoR uitgevoerde studie van 2013 scoorde België hoog wat betreft de exhaustiviteit van informatie met betrekking tot de betrokkenheid van de regionale en lokale overheden bij het opstellen van de nationale hervormingsprogramma’s. Hoewel die score voornamelijk betrekking had op de samenwerking
20
Advies van het Comité van de Regio’s betreffende “Een vervolg op het witboek van het Comité van de regio’s: bouwen aan een Europese cultuur van multilevel governance” http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?ur i=OJ:C:2012:113:0062:0072:NL:PDF
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
tussen de federale overheid en de gemeenschappen en gewesten bij het opstellen van het nationaal hervormingsprogramma, betrok de Vlaamse overheid in 2013 de VVSG en de VVP actief bij het opstellen van het VHP 2013, zodat er voor het eerst een bijdrage van de VVSG en de VVP in het VHP was terug te vinden. Ook bij het Vlaams hervormingsprogramma 2014 was dit het geval.21 De meerwaarde van multilevel governance ligt o.a. ook in de bijdrage die elk bestuursniveau aan beleids(oplossingen) kan bieden. Vanuit deze optiek is het belangrijk dat er sterke, bestuurskrachtige gemeenten zouden zijn, die zowel vanuit hun bevoegdheden als hun beleids- en bestuurservaring dicht bij de bevolking daadwerkelijk een meerwaarde kunnen bieden aan de complexe maatschappelijke uitdagingen. Een duidelijke en zichtbare decentralisatie (met behoud van het belfortprincipe) is daarom noodzakelijk, maar daartegenover staat dat de bestuurskracht voldoende groot moet zijn om mede een antwoord te kunnen bieden op deze uitdagingen. In de beleidsthema’s wordt de bijdrage en expertise van de lokale besturen om, samen met de Vlaamse overheid, de uitdagingen op te nemen uitdrukkelijk erkend. Een aantal voorbeelden kunnen de belangrijke rol en bijdrage van de lokale besturen bij de realisatie van de beleidsvoorstellen illustreren: het aanpakken van de capaciteitsnoden in het onderwijs (infrastructuur,…) (beleidsthema Lerende Vlaming), het versterken van de lokale invalshoek in het kansengroepenbeleid (beleidsthema Werkende Vlaming), de vergroening van de mobiliteit; het duurzaam materialenbeheer (groen en dynamisch stedengewest), het opstellen van een ontwikkelingsagenda en het mee afstemmen van de middelen op de gezamenlijke programma’s van lokale besturen; de verenigende rol van het ruimtelijk beleid binnen een transparant bestuurlijk samenspel (beleidsthema Ruimte voor Morgen), betrouwbare en efficiënte netwerken; een meer duurzame en efficiënte stedelijke mobiliteit; het verbeteren van de mobiliteit van minder mobielen (beleidsthema Slimme Mobiliteit), het gezondheidsbeleid en de bestrijding van (kinder)armoede (beleidsthema Warme Samenleving), het intra- en interbestuurlijk gegevensverkeer; het reduceren van de bestuurlijke drukte (beleidsthema Slagkrachtige overheid). Naast die verticale dimensie mag ook de horizontale dimensie niet vergeten worden. Vlaanderen heeft al een goede traditie bij het betrekken van de sociale partners (in het kader van VESOC) bij het sociaaleconomische beleid en die horizontale dimensie van multilevelgovernance wint steeds meer aan belang. Hierboven werd al gesteld dat om transities en systeemveranderingen te kunnen doen slagen, we moeten stilstaan bij de rol van de overheid en de manier waarop we als overheid samenwerken met verschillende actoren en belanghebbenden in de samenleving. Die nieuwe manier van werken wordt al volop toegepast bij de betrokkenheid van tal van stakeholders bij de dertien transities in het kader van Vlaanderen in Actie/Pact 2020. Drie evoluties, namelijk (1) de toegenomen invloed van Europa en de noodzaak om onder andere op verzoek van Europa sterker over de bestuursniveaus heen te gaan samenwerken, (2) de samenwerking tussen de Vlaamse overheid en andere relevante actoren (onder andere in het kader van Vlaanderen in Actie / Pact 2020 en het Cultuurforum 2020) en (3) de nieuwe bevoegdheidspakketten die naar aanleiding van de zesde staatshervorming naar Vlaanderen overkomen, stellen bijzondere uitdagingen voor de Vlaamse administratie. Het is duidelijk dat die evoluties niet alleen een versterkte Europese opvolging door de Vlaamse administratie en overleg met de andere bestuursniveaus, maar ook een versterkte beleidscoördinatie binnen de Vlaamse administratie zelf noodzakelijk maken. Op die manier kan door de Vlaamse overheid krachtdadiger opgetreden worden en een antwoord geboden worden op de maatschappelijke uitdagingen die beleidsdomeinoverschrijdend zijn. Die noodzaak aan zowel een versterkte Europese opvolging als aan een grotere afstemming en samenwerking binnen de Vlaamse administratie
21 http://www.vlaandereninactie.be/over/vlaams-hervormingsprogramma-2014
04 / Transversale beleidsaangelegenheden en de uitdaging van een versterkte beleidscoördinatie binnen de Vlaamse administratie
wordt door tal van actoren (SBOV, SERV …) zeer duidelijk naar voren geschoven. Van de Vlaamse overheid wordt terecht verwacht dat ze met één stem spreekt. Verschillende maatregelen die door de Vlaamse overheid de afgelopen jaren zijn uitgerold (ondernemersloket, omgevingsvergunning …) geven aan dat de Vlaamse overheid de boodschap begrepen heeft. In de volgende legislatuur zal daarop verder moeten worden ingezet. Wat de uitdaging van een versterkte beleidscoördinatie betreft, is gaandeweg het inzicht gegroeid dat categoriaal beleid, uitgevoerd door een functioneel beleidsdomein, tot betere en duurzamere resultaten leidt als er tegelijkertijd ook een horizontaal, transversaal beleid gevoerd wordt dat diverse gerelateerde problemen op verschillende terreinen in kaart brengt en aanpakt, en als rekening wordt gehouden met de kruispunten waar problemen of maatschappelijke barrières elkaar raken. Transversaal en categoriaal beleid behoren elkaar te versterken en zullen tot betere resultaten leiden als ze niet in abstractie van elkaar worden ontwikkeld en uitgevoerd, maar juist in samenhang worden ontwikkeld, uitgevoerd en opgevolgd. De beleidscoördinatie en de afstemming van categoriale en domeinoverstijgende beleidsinspanningen is dus belangrijk en er moet een goede en afgewogen mix zijn van reactief en proactief beleid, zowel in het functionele domein als vanuit het overkoepelende transversale perspectief. Op dit ogenblik zijn er heel wat Vlaamse beleids- en actieplannen met een horizontaal karakter waarover in Vlaanderen afspraken zijn gemaakt. Het is absoluut noodzakelijk om een echte governance te ontwikkelen, zodat er overheidsbreed en in overleg met de relevante partners een gezamenlijke prioriteitsstelling kan worden opgesteld waarop overheidsbreed versterkt kan worden ingezet. Op die manier kan de sturingskracht worden verhoogd en kan mee een antwoord worden geboden op de veelheid van (deels overlappende) plannen die nu al te vaak aanleiding geven tot een verspreide inzet van personeel en middelen. Dat moet er ook toe leiden dat er meer meta-afstemming gebeurt over de diverse beleidsthema’s heen zodat er voldoende zicht is op ontwikkelingen die zich in diverse thema’s voordoen en die ook een meerwaarde voor de aanpak binnen een ander thema kunnen betekenen. Om een meerwaarde te realiseren met een effect op de samenleving is het van belang dat de samenwerking tussen beleidsdomeinen in functie van een samenhangend, gecoördineerd en afgestemd beleid wordt versterkt, waarbij het belang van het voeren van horizontaal beleid zowel op politiek als op ambtelijk niveau door iedereen wordt erkend, gevalideerd en in partnerschap wordt gerealiseerd.
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
05 / Implicatie voor de overheidsfinanciering
De Vlaamse administratie wil een goede budgetbewaker zijn. De nasleep van de financieel-economische crisis bracht het thema van gezonde overheidsfinanciën prominent in beeld. Vanuit de EC worden de overheidsfinanciën van de lidstaten van de EU van zeer nabij opgevolgd en voor België is dat des te meer het geval. Vlaanderen krijgt in het kader van de zesde staatshervorming bijkomende bevoegdheden, maar heeft ook een belangrijke bijdrage te leveren in het kader van de budgettaire sanering ter uitvoering van het stabiliteitsprogramma. Dit betekent dat in de nieuwe legislatuur niet alleen beleidskeuzes zullen moeten worden gemaakt, maar dat het bijzonder belangrijk is om omzichtig elke budgettaire uitgave te evalueren. Programma’s en projecten die hun toegevoegde waarde onvoldoende of te weinig leveren voor de maatschappij, moeten in vraag worden gesteld en de vrijgekomen budgetten moeten geïnvesteerd worden in projecten die wel een maatschappelijk toegevoegde waarde opleveren. Een goede budgetbewaker kijkt ook vooruit en speelt in op (internationale) ontwikkelingen en kansen die voor Vlaanderen een meerwaarde opleveren. De beleidsvoorstellen worden zo veel mogeljk budgettair onderbouwd. Een bijzondere uitdaging doet zich voor op het vlak van de begroting. De afgelopen jaren zorgde de Vlaamse Regering voor een begroting in evenwicht, maar rekening houdend met zowel de verwachte bijdrage van Vlaanderen aan het behalen van de middellangetermijndoelstelling van België als het gegeven dat samen met de overdracht van de bevoegdheden in het kader van de staatshervorming niet alle middelen overkomen, rijst op het vlak van de begroting voor de volgende legislatuur een bijzondere uitdaging. De deelstaten zullen bij het opstellen van hun begrotingen onmiddellijk rekening moeten houden met die context. Ze zullen de saneringsinspanningen dus niet kunnen spreiden in de tijd door het tekort tijdelijk te financieren met bijkomende schulden die ze aangaan. Dat is conform het stabiliteitsprogramma 2013 - 2016, voorgelegd en gemonitord door de EC. België ressorteert immers sinds 2 december 2009 onder de procedure voor buitensporige tekorten, die in een stipte opvolging van de engagementen inzake tekort- en schuldinperking voorziet. De EC heeft binnen het stabiliteitsprogramma gevraagd dat België het begrotingskader zou aanpassen om te garanderen dat de begrotingsdoelstellingen bindend zijn op federaal én subfederaal niveau, waardoor de lastenverdeling over en de verantwoordingsplicht van de diverse geledingen van de overheid transparanter worden. De inschrijving in het voorstel van bijzondere financieringswet van de inhouding geeft deze bijdrage van elk van de entiteiten transparant weer. De vooropgestelde sanering is aanzienlijk, maar doenbaar. (Ze bedraagt circa 5% van de totale middelen, waarover Vlaanderen zal beschikken.) In het rapport over de budgettaire ruimte in de legislatuur 2014-2019 (deel 2 van de bijdrage aan het regeerakkoord) wordt een meerjarenprognose opgenomen, die ook rekening houdt met de implicaties van de zesde staatshervorming. De Vlaamse administratie wil haar verantwoordelijkheid nemen om, rekening houdend met deze grote uitdagingen, de nieuwe regeringsploeg te ondersteunen om de budgettaire onderbouwing volledig en sluitend te maken. Zoals hierboven werd aangegeven, werd in de verschillende beleidsvoorstellen budgettaire informatie opgenomen. Mede op basis van deze budgettaire elementen kan de Vlaamse regering de nodige politieke beleidskeuzes maken. De Vlaamse administratie is bereid om samen met de Vlaamse Regering in
05 / Implicatie voor de overheidsfinanciering
dialoog te gaan over de budgettaire impact van deze beleidsvoorstellen en om daarmee samenhangend met de Vlaamse Regering te evalueren welke keuzes kunnen worden gedaan. Vlaanderen gaat voor het doordacht hanteren van fiscaliteit als beleidsinstrument. Tot op heden werd de Vlaamse Gemeenschap door de grote meerderheid van de Vlamingen louter aangezien als een dienstenleverancier. Met de zesde staatshervoming verandert dat beeld grondig. Voortaan zal elk Vlaams gezin rechtstreeks op zijn aanslagbiljet van de personenbelasting kunnen merken welk gedeelte van zijn inkomsten hij verplicht is af te staan aan de Vlaamse Gemeenschap. Dat is een tweede, herkenbare relatie tussen de Vlaming en de Vlaamse overheid. De Vlaamse overheid zal voortaan niet alleen beoordeeld zal worden op de diensten die ze levert, maar ook op de wijze waarop ze die tweede relatie uitbouwt. Die fiscale relatie zal dan ook meer dan ooit in de kijker komen. Fiscaliteit, ook Vlaamse fiscaliteit, was in het verleden vaak ingegeven door ad-hocdesiderata en kortetermijnplanning, waardoor er een myriade aan kleine, soms tegenstrijdige maatregelen bestaat. Het inzetten van fiscaliteit als een beleidsbrede prioriteit, moet de fiscaliteit in Vlaanderen niet alleen meer stroomlijnen, maar ook meer fundering geven. Fiscaliteit wordt al lang niet meer beschouwd als louter een instrument om middelen te vergaren. Fiscaliteit kan ook een belangrijk instrument zijn ter ondersteuning van de bevoegdheden van de Vlaamse overheid. Het hanteren van fiscaliteit als beleidsinstrument moet evenwel doordacht gebeuren. Vooreerst betekent dit dat de bestaande fiscaliteit meer gestroomlijnd moet worden over de bestaande belastingen heen waarbij de coherentie van het Vlaamse belastingstelsel (in zijn geheel, per belasting en over de doelstellingen heen) moet worden bewaakt. Niet alleen een vormelijke stroomlijning maar ook, als dat mogelijk, is, een beleidsmatige stroomlijning staat voorop door:
•• •• ••
de transparantie te verhogen in fiscale regelgeving door een eenduidig begrippeninstrumentarium na te streven (begrippen worden, als dat mogelijk is, in de diverse belastingen op vergelijkbarewijze ingevuld); de coherentie van het fiscale beleidskader na te streven (met inbegrip van het vermijden van beleidsmatige tegenstrijdigheden tussen diverse fiscale maatregelen); de Vlaamse fiscaliteit aan te passen om meer duurzame (ecologie, armoede ….) accenten te leggen.
Bovendien moeten fiscale uitgaven niet als vanzelfsprekend worden beschouwd, maar moet telkens worden nagegaan of een fiscale uitgave het meest geschikte instrument is om het nagestreefde doel te bereiken. Dat vergt een afweging van diverse maatregelen die mogelijk zijn om de doelstelling in kwestie te bereiken. Het doordacht hanteren van fiscaliteit moet dus een aandachtspunt zijn bij de uitwerking van de beleidsthema’s op het ogenblik dat fiscaliteit als beleidsinstrument aan bod komt.
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
06 / Beleidsbrede waarden en prioriteiten
Rekening houdend met de internationale, Europese en Vlaamse beleidskaders en de ontwikkelingen die besproken zijn in de algemene omgevingsanalyse, dient zich een noodzaak aan van een versterkte beleidscoördinatie en samenwerking binnen de Vlaamse overheid. Die beleidscoördinatie moet een gemeenschappelijk referentiekader bieden voor alle sectorspecifieke en transversale beleidsprioriteiten. Daarop voortbouwend worden door de Vlaamse administratie vier beleidsbrede waarden en tien beleidsbrede prioriteiten naar voren geschoven die niet exclusief met specifieke beleidsvelden verbonden zijn, maar die wel de krachtlijnen voor een onderling versterkende gemeenschappelijke aanpak vormen. Die voorstellen getuigen van het feit dat de administratie krachtdadig wil samenwerken en de geselecteerde waarden en prioriteiten zijn richtinggevend voor de beleidsthema’s (met inbegrip van de beleidsvoorstellen).
6.1
Waarden van de Vlaamse overheid 2020
De Vlaamse overheid is open en wendbaar en anticipeert daadkrachtig op de evoluties en behoeften in de samenleving. Samen met alle belanghebbenden werkt ze aan een duurzame dienstverlening in vertrouwen en vanuit het algemeen belang. Deze waarden zijn daarvoor de bouwstenen: Vertrouwen Wij gedragen ons deontologisch correct, zijn eerlijk en loyaal aan het algemeen belang. We geven en verdienen vertrouwen. We stimuleren de kwaliteiten in de eigen organisatie en in de maatschappij. We zijn authentiek en doen wat we zeggen. Duidelijkheid en voorbeeldig werkgeverschap maken ons geloofwaardig. De Vlaamse administratie erkent het belang om in haar overheidsoptreden ten aanzien van vele maatschappelijke uitdagingen in eerste instantie ruimte te geven aan de verantwoordelijkheidszin en de eigen kracht van actoren in de samenleving die voor een eerstelijnsaanpak kunnen zorgen. In ons regelgevend en dienstverlenend optreden vertrekken we meer vanuit ‘vertrouwen’ en minder vanuit ‘wantrouwen’. Dat uit zich onder andere door sterker in te zetten op preventieve acties, waardoor dure herstelmaatregelen kunnen worden vermeden, of door een meer gede-institutionaliseerde aanpak die de verbindende krachten in de samenleving mobiliseert. Openheid We hebben oog voor wat er leeft in de samenleving. We werken samen met alle betrokken actoren binnen en buiten de overheid en stellen onze gegevens, informatie, kennis en vaardigheden ten dienste van de maatschappij. We zeggen wat we doen.
06 / Beleidsbrede waarden en prioriteiten
De Vlaamse administratie wil een samenwerkende overheid zijn. Dat moet een evidentie zijn op bestuurlijk vlak, zowel op Vlaams niveau (samenwerking tussen de entiteiten van de Vlaamse overheid) als tussen de verschillende overheden (Europees, nationaal, Vlaams, provinciaal en gemeentelijk). De Vlaamse overheid erkent daarbij dat ze niet alles alleen kan doen en roept op tot responsabilisering van de burger en de stakeholders. Ook in het kader van de transitiemethodiek die in het kader van Vlaanderen in Actie een steeds belangrijkere plaats heeft ingenomen, wordt ingezet op die versterkte cocreatie en coproductie tussen overheid, burgers en stakeholders. Wendbaarheid We reageren alert op de ontwikkelingen in de samenleving.
We definiëren onze dienstverlening proactief naargelang de behoeften, wensen en verwachtingen van de klanten en belanghebbenden. We zetten onze talenten flexibel in. De Vlaamse administratie wil een dienstbare overheid zijn. De Vlaamse overheid is er niet voor zichzelf, maar wil een pro-actief maximaal ondersteunende en flankerende rol bieden bij het teweegbrengen van positieve maatschappelijke evoluties in Vlaanderen. De Vlaamse burger mag daarom terecht een efficiënte en effectieve Vlaamse overheid verwachten. Daadkracht We nemen met respect voor alle belanghebbenden weloverwogen beslissingen die we kordaat en gezwind uitvoeren. We grijpen opportuniteiten en ondernemen gedurfde, adequate acties om innovatieve oplossingen te bieden. We nemen daarbij verantwoorde risico’s en leren uit fouten. De Vlaamse administratie wil een innovatieve overheid zijn die vanuit een sterke langetermijnvisie op zoek gaat naar duurzame oplossingen. Die oplossingsrichtingen worden niet alleen samen met relevante partners uitgedacht, maar ook effectief samen uitgevoerd. Iedereen wordt daarbij ingezet vanuit zijn eigen competenties en expertise. De administratie handelt nu, met een blik op de toekomst. Ze handelt samen, gericht op vooruitgang.
4 beleidsbrede waarden Vertrouwen Openheid Wendbaarheid Daadkracht
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
6.2
Beleidsbrede prioriteiten
Met Vlaanderen in Actie / Pact 2020 werd de basis gelegd om Vlaanderen in 2020 te laten uitmunten (Europese top 5-regio) als economisch innovatieve, duurzame en sociaal warme samenleving. De legislatuur 2014-2019 zal cruciaal zijn om de nodige maatregelen te nemen alle beleidsvelden bij de beleidsbrede prioriteiten te betrekken en om de hoge ambitie te realiseren. Het beleid dat Vlaanderen ontwikkelt, wordt ook steeds meer bepaald door internationale en Europese beleidskaders en de introductie van het Europees semester in 2010 is daar zeker niet vreemd aan. Het Europees semester, de jaarlijkse cyclus van economische beleidscoördinatie, heeft een grote impact op de beleidsmaatregelen van de lidstaten van de Europese Unie, zowel op budgettair als op sociaal-economisch vlak. In hoofdstuk 2 van deze inleiding zagen we dat in het kader van het Europees semester in 2013 zeven aanbevelingen aan België werden gericht en een aantal van die aanbevelingen zijn ook voor Vlaanderen bijzonder relevant. Bovendien zal het belang ervan in het kader van de implementatie van de zesde staatshervorming nog verder toenemen omdat Vlaanderen, bijvoorbeeld in het kader van het arbeidsmarktbeleid, belangrijke hefbomen verwerft. Ook andere internationale organen (OESO, IMF, Wereldbank …) richtten een aantal gelijkaardige boodschappen aan België. Een aantal elementen die steeds terugkomen, zijn het verhogen van de werkzaamheidsgraad (met bijzondere aandacht voor de werkzaamheid van een aantal kwetsbare groepen), het verhogen van de competitiviteit van de ondernemingen (belang van onderzoek en ontwikkeling, innovatie, ondernemerschap, infrastructuurbeleid, efficiënte en effectieve overheid), het inzetten op gezonde en houdbare overheidsfinanciën (en de bijzondere uitdagingen die daarmee verband houden, zoals de vergrijzing). Naast die topprioriteiten worden vaak een aantal belangrijke elementen vermeld die voor Vlaanderen zeer relevant zijn, zoals onderwijs (onder andere levenslang leren), de klimaat- en energiedoelstellingen, de samenwerking tussen de verschillende overheidsniveaus, de integratie van migranten in de diverse geledingen van de maatschappij (jeugdwerk, arbeidsmarkt …). Om te beantwoorden aan de boodschappen van internationale en Europese instellingen, aan de uitdagingen die vermeld zijn in de algemene omgevingsanalyse, en aan de doelstellingen van de Europa 2020-strategie en het Pact 2020 is Vlaams beleid zowel op korte als op (middel)lange termijn noodzakelijk. Op korte termijn moet volop ingespeeld worden op de eerste tekenen van economisch herstel en het doorvoeren van structurele hervormingen, terwijl ook het langetermijnperspectief niet uit het oog mag worden verloren en versterkt moet worden ingezet op transities die in het kader van de beleidsbrede prioriteiten in ruime zin en meer specifiek in Vlaanderen in Actie worden geformuleerd, als antwoord op de grote maatschappelijke uitdagingen. Op basis van de bovenstaande invalshoeken vanuit internationaal, Europees en Vlaams perspectief schuift de Vlaamse administratie voor de legislatuur 2014-2019 tien beleidsbrede prioriteiten naar voren, die een milieu- en maatschappelijk verantwoorde economische groei met een maximale toegevoegde waardecreatie mogelijk moeten maken, en die niet voorbijgaan aan het potentieel en het engagement dat zich in alle geledingen van de samenleving bevindt. Die tien beleidsbrede prioriteiten zijn richtinggevend voor de uitwerking van de negen beleidsthema’s. Met de 119 beleidsvoorstellen die in de negen beleidsthema’s worden ontwikkeld, wordt een antwoord geboden op de belangrijkste maatschappelijke uitdagingen.
06 / Beleidsbrede waarden en prioriteiten
Vlaanderen gaat voor een innovatieve, duurzame en warme samenleving: 10 prioriteiten
1. 2. 3. 4.
5. 6. 7. 8. 9. 10.
Vlaanderen zet in op meer mensen aan de slag in langere, werkbare loopbanen en draagt op die manier bij tot een verhoogde competitiviteit. Vlaanderen evolueert naar een (levenslang) lerende samenleving met de bedoeling elk talent te ontwikkelen en ontplooiingskansen te geven en de verworven ontwikkelingen duurzaam te verankeren. Vlaanderen zet in op een efficiënt en duurzaam gebruik van hulpbronnen en ruimte, de evolutie naar een klimaatvriendelijke samenleving met een aangepast energiesysteem en een hoge kwaliteit van de leefomgeving. Vlaanderen blijft investeren in alle sectoren, van de primaire tot en met de quartaire sector en stimuleert verder de ondernemingszin. Door slimme specialisatie (als onderdeel van een nieuw industrieel beleid) zetten we in op verduurzaming en vergroening, op creativiteit en cultuur, op infrastructuur en communicatie. Zo blijft onze regio groeien en zo blijft Vlaanderen competitief. Vlaanderen dringt de armoede terug, bestrijdt sociale uitsluiting en zet in op het versterken van de maatschappelijke cohesie om te komen tot een rechtvaardigere samenleving die kansen biedt aan alle burgers zodat die op een volwaardige wijze aan het maatschappelijke leven kunnen participeren (cultuur, sport, toerisme, onderwijs,…). Vlaanderen geeft een antwoord op gezondheids- en zorgbehoeften en stimuleert een gezonde en actieve levenswijze. Vlaanderen is gericht op de wereld. Het denkt en handelt Europees. Het verdedigt actief zijn internationale belangen, en voert een beleid dat in lijn is met Europese en internationale beleidskaders. Vlaanderen zet in op een open en wendbare overheid, die daadkrachtig anticipeert op evoluties en behoeften in de samenleving. Samen met en gericht op alle belanghebbenden werkt de Vlaamse overheid aan een duurzame dienstverlening in vertrouwen en vanuit het algemeen belang. Vlaanderen zet in op digitalisering en minder regelgeving. Vlaanderen gaat voor het bewaken van gezonde en houdbare overheidsfinanciën en voor het doordacht hanteren van fiscaliteit als beleidsinstrument. Vlaanderen heeft een langetermijnperspectief en blijft daarom inzetten op duurzame systeeminnovaties (transities) in functie van de complexe maatschappelijke uitdagingen.
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
07 / Link met de beleidsthema’s en beleidsvoorstellen De administratie kiest ervoor om de beleidsbrede prioriteiten en waarden mee te nemen als ankerpunten en toetsstenen voor de voorstellen en denkpistes voor toekomstig beleid. Die worden geoperationaliseerd door middel van negen beleidsthema’s.
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
Lerende Vlaming Werkende Vlaming Open ondernemer Innovatiecentrum Vlaanderen Groen en dynamisch stedengewest Ruimte voor morgen. Slimme mobiliteit Warme samenleving Slagkrachtige overheid
Deze negen beleidsthema’s vallen verder uiteen in 119 beleidsvoorstellen.
Aantal beleidsvoorstellen / beleidsthema De lerende Vlaming
10
De werkende Vlaming
9
Open Ondernemer
12
Innovatiecentrum Vlaanderen
14
Groen en dynamisch stedengewest
13
Ruimte voor Morgen
10
Slimme mobiliteit
10
Warme samenleving
28
Slagkrachtige overheid
13
van hulpbronnen en ruimte, de evolutie naar een klimaatvriendelijke samenleving met een aangepast energiesysteem en een hoge kwaliteit van leefomgeving.
3. Vlaanderen zet in op een efficiënt en duurzaam gebruik
evolueert naar een (levenslang) lerende samenleving met de bedoeling elk talent te ontwikkelen en ontplooiingskansen te geven en de verworven ontwikkelingen duurzaam te verankeren.
2. Vlaanderen
werkbare loopbanen en draagt op die manier bij tot een verhoogde competitiviteit.
1. Vlaanderen zet in op meer mensen aan de slag in langere,
Beleidsbrede prioriteit
EC, OESO, IMF, VN, Raad van Europa
EC, OESO, IMF
EC
EC, OESO
Europa 2020
EU2020-doelstelling werkzaamheid Vlaggenschepen: Een Agenda voor nieuwe vaardigheden en banen / Jeugd in Beweging LSA (2013) 2, 6
EU2020-doelstelling onderwijs Vlaggenschip: Jeugd in Beweging LSA (2013): 6
EU2020-doelstelling Klimaat en energie (20/20/20) Vlaggenschip: Efficiënt gebruik van hulpbronnen LSA (2013): 7
Bijlage: Samenvattend overzicht
7,8,14,15 en 16
11
9 en 10
Doelstellingen Pact 2020
Ruimte voor morgen
Groen en dynamisch stedengewest
Lerende Vlaming Werkende Vlaming Warme samenleving
Werkende Vlaming
Beleidsthema’s
Bijlage: Samenvattend overzicht
dringt de armoede terug, bestrijdt sociale uitsluiting en zet in op het versterken van de maatschappelijke cohesie om te komen tot een rechtvaardigere samenleving die kansen biedt aan alle burgers zodat die op een volwaardige wijze aan het maatschappelijke leven kunnen deelnemen participeren (cultuur, sport, toerisme, onderwijs,…).
5. Vlaanderen
blijft investeren in alle sectoren, van de primaire tot en met de quartaire sector en stimuleert verder de ondernemingszin. Door slimme specialisatie (als onderdeel van een nieuw industrieel beleid) zetten we in op verduurzaming en vergroening, op creativiteit en cultuur, op infrastructuur en communicatie. Zo blijft onze regio groeien en zo blijft Vlaanderen competitief.
4. Vlaanderen
Beleidsbrede prioriteit
EU2020-doelstelling Onderzoek en ontwikkeling Vlaggenschip: Industriebeleid in een tijd van mondialisering Innovatie-Unie LSA (2013) 3,4
EC, OESO, Raad van Europa, VN
EC, OESO, IMF
Europa 2020
EU2020-doelstelling Armoede en sociale uitsluiting Vlaggenschip: Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting
EC, OESO, IMF, VN, Raad van Europa
2 en 13
1,3,4,5,6,7,8
Doelstellingen Pact 2020
Lerende Vlaming
Werkende Vlaming
Warme samenleving
Open ondernemer Innovatiecentrum Vlaanderen Ruimte voor morgen Slimme mobiliteit Werkende Vlaming Warme samenleving
Beleidsthema’s
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
daarom inzetten op duurzame systeeminnovaties (transities) in functie van de complexe maatschappelijke uitdagingen.
10. Vlaanderen heeft een langetermijnperspectief en blijft
gaat voor het bewaken van gezonde en houdbare overheidsfinanciën en voor het doordacht hanteren van fiscaliteit als beleidsinstrument.
9. Vlaanderen
zet in op een open en wendbare overheid, die daadkrachtig antcipeert op evoluties en behoeften in de samenleving. Samen met en gericht op alle belanghebbenden werkt de Vlaamse overheid aan een duurzame dienstverlening in vertrouwen en vanuit het algemeen belang. Vlaanderen zet in op digitalisering en minder regelgeving.
8. Vlaanderen
Europees. Het verdedigt actief zijn internationale belangen, en voert een beleid dat in lijn is met Europese en internationale beleidskaders.
7. Vlaanderen is gericht op de wereld. Het denkt en handelt
geeft een antwoord op gezondheids- en zorgbehoeften en stimuleert een gezonde en actieve levenswijze.
6. Vlaanderen
Beleidsbrede prioriteit
Alle EU2020-doelstellingen, Alle Vlaggenschepen
LSA (2013) 2
LSA (2013) 2
Europa 2020
OESO, IMF
EC
EC, OESO
EC, OESO, IMF, VN, Raad van Europa
20
18 en 19
3
12 en 17
Doelstellingen Pact 2020
Alle beleidsthema’s
Alle beleidsthema’s
Slagkrachtige overheid (Alle beleidsthema’s)
Alle beleidsthema’s
Warme samenleving
Beleidsthema’s
Bijlage: Samenvattend overzicht
De Lerende Vlaming
De Lerende Vlaming
inhoudstafel
Inhoudstafel 01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE 1.1 De Vlaamse streefdoelen in vergelijkend perspectief (Pact 2020, Europa 2020) 1.2 De leraar maakt het verschil, maar het beroep staat onder druk 1.3 Toenemende diversiteit in een gesegregeerde samenleving 1.4 Onderwijs als sociaal grondrecht voor iedereen staat op gespannen voet met de heersende selectiepraktijken 1.5 De capaciteitsdruk blijft verder toenemen, waardoor de historisch gegroeide achterstand op het vlak van investeringen in onderwijsinfrastructuur groter wordt 1.6 Slim investeren in onderwijs en vorming leidt tot welvaart en economische groei
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN SD1. Het garanderen van voldoende, deskundige en gemotiveerde leraren Beleidsvoorstel 1: Excellente leraren door een versterkte initiële lerarenopleiding en een loopbaanlange professionalisering Beleidsvoorstel 2: Via aangepaste arbeidsvoorwaarden het lerarenberoep aantrekkelijk en uitdagend houden op een krapper wordende arbeidsmarkt
46 46 47 49 50
51 52
54 54
54 56
SD2. Samen leren maar toch op maat door onderwijsinnovatie en nieuwe onderwijsvormen
57
Beleidsvoorstel 3: Het aanbieden van kwaliteitsvolle en geïntegreerde onderwijs- en opleidingstrajecten zodat elke lerende een kwalificatie behaalt en over de noodzakelijke sleutelcompetenties beschikt Beleidsvoorstel 4: Leerloopbanen levenslang stimuleren en begeleiden
58 60
SD3. Kwaliteit waarborgen en stimuleren Beleidsvoorstel 5: Realiseren van sterke en professionele schoolbesturen Beleidsvoorstel 6: De lat voldoende hoog leggen voor elke lerende Beleidsvoorstel 7: De interne kwaliteitszorg en externe kwaliteitscontrole verder versterken
61 61 62 63
Bijlage: Samenvattend overzicht
SD4. Het moderniseren en uitbreiden van de infrastructuur om te leren en het uitbouwen van innovatieve leeromgevingen
65
Beleidsvoorstel 8: Een geïntegreerde en multifunctionele aanpak inzake schoolinfrastructuur, ICT en innovatie
65
SD5. Blijvend investeren in onderwijs Beleidsvoorstel 9: Efficiëntere en effectievere toekenning en aanwending van de overheidsmiddelen voor onderwijs realiseren Beleidsvoorstel 10: Het billijk verdelen van de kosten tussen en binnen de Vlaamse overheid en derden
03 / raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
67 68 69
71
De Lerende Vlaming
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
1.1
De Vlaamse streefdoelen in vergelijkend perspectief (Pact 2020, Europa 2020)
In het Pact 2020 en onder impuls van Europa 2020 heeft Vlaanderen zichzelf een aantal zeer ambitieuze doelstellingen opgelegd. Wat de kleuterparticipatie, de lage presteerders in PISA, de tewerkstellingsgraad van gekwalificeerde schoolverlaters en de percentages jongeren met een diploma hoger onderwijs betreft, kan Vlaanderen positieve resultaten voorleggen en zijn de Europese benchmarks al gehaald. Een aandachtspunt is wel dat er, met uitzondering van het aantal jongeren met een diploma hoger onderwijs, geen positieve evolutie meer is voor al die doelstellingen. Als de negatieve tendens in de Vlaamse PISA-cijfers aanhoudt, zal tegen 2020 ook deze benchmark niet langer gehaald worden. Op het vlak van vroegtijdig schoolverlaten kunnen we in Europees vergelijkend perspectief vrij gunstige cijfers voorleggen, maar we staan nog ver af van de uiterst ambitieuze doelstellingen die Vlaanderen zichzelf daarvoor heeft opgelegd. Minder positief zijn de lage cijfers voor de participatie aan levenslang leren. Daar scoort Vlaanderen onder het Europese gemiddelde en is er geen positieve evolutie merkbaar, waardoor de doelstelling van 15% ver buiten bereik ligt.
2006
2008
2010
2011
Doelstelling Doelstelling Pact 2020 EU 2020
2012
Vroegtijdig schoolverlaten. Percentage 18-24-jarigen zonder voldoende startkwalificatie en die geen opleiding volgen (EAK) Vl. Gew.
10,0
8,6
9,6
9,6
8,7
4,3
5,2
BE
12,6
12,0
11,9
12,3
12,0
nvt
9,5
EU27
15,5
14,9
14,1
13,5
12,8
nvt
10
Hoger onderwijs. Percentage 30-34-jarigen met een diploma hoger onderwijs (EAK) Vl. Gew.
42,7
43,6
44,9
42,3
45,3
Stijging
47,8
BE
41,4
42,9
44,4
42,6
43,9
nvt
47
EU27
28,9
31,1
33,6
34,6
35,8
nvt
40
Kleuterparticipatie. Percentage in de leeftijdsgroep tussen vier jaar en de leerplichtige leeftijd dat participeert aan voorschools onderwijs (Eurostat) Vl. Gem.
99,6
BE
99,9
99,5
99,1
EU27
89,3
91,2
92,4
98,8v
-
-
98,1
98,8v
nvt
-
93,2
91,7v
nvt
95
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
2006
2008
2010
2011
Doelstelling Doelstelling Pact 2020 EU 2020
2012
Tewerkstellingsgraad van gekwalificeerde schoolverlaters. Tewerkstellingsgraad onder de 20-34-jarige gekwalificeerde jongeren die maximaal drie jaar eerder het onderwijs verlieten (EAK) Vl. Gew.
89,2
90,5
88,4
86,4
86,5
-
-
BE
81,1
83,9
81,3
80,8
80,9
nvt
-
EU27
79,0
82,0
77,5
77,2
75,7
nvt
82
Levenslang leren. Percentage 25-64-jarigen dat deelneemt aan opleidingen tijdens referentieperiode van vier weken vóór de enquête (EAK) Vl. Gew.
8,3
7,6
8,2
7,5
6,8
15
-
BE
7,5
6,8
7,2
7,1
6,6
nvt
-
EU27
9,5
9,4
9,1
8,9
9,0
nvt
15
Lage presteerders lezen / wiskunde / wetenschappen. Percentage 15-jarigen met onvoldoende competenties per PISA-domein (OESO, PISA) 2003
2006
2009
2012
Vl. Gem.
13 / 12 / nb
1
14 / 12 / 12
13 / 14 / 13
14/15/15
-
-
BE
18 / 17 / nb
20 / 17 / 17
18 / 19 / 18
16/19/18
nvt
-
EU
nb / nb / nb
23 / 24 / 20
20 / 22 / 18
18/22/17
nvt
15/15/15
Hoger onderwijs. Percentage starters in het hoger onderwijs met een laag- of middengeschoolde moeder (Ministerie van Onderwijs en Vorming) Vl. Gem.
2008-20092
2009-2010
2010-2011
58
55
53
60
-
nvt = niet van toepassing / (n)nb = (nog) niet beschikbaar / - = geen streefdoel gedefinieerd12
1.2
De leraar maakt het verschil, maar het beroep staat onder druk
Onderwijseffectiviteitsonderzoek toont in grote mate aan dat de invloed van de leraar op de onderwijsprestaties van leerlingen groot is3 , met een blijvende impact op het verdere leven van die leerlingen.
1
Het PISA raamwerk voor Wetenschappen was nog niet volledig uitgewerkt in 2003, zodat nog geen niveaus kunnen worden bepaald.
2
Uitstroomjaar secundair onderwijs. De cijfers van de twee recentste jaren kunnen nog licht stijgen, omdat het starten in het hoger onderwijs tot drie jaar na het uitstroomjaar in het secundair onderwijs wordt meegenomen.
3
Hattie, J. (2009). Visible learning: A synthesis of over 800 meta-analyses relating to achievement. New York: Routledge.
De Lerende Vlaming
Onderzoek wees onder meer uit dat leerlingen met een sterkere leraar in het vierde leerjaar basisonderwijs, later meer verdienen dan leerlingen die niet zoveel geluk hadden.4 Excellent onderwijs heeft excellente leraren nodig. Daarom is het een zorgwekkende vaststelling dat het beroep onder druk staat. Het gemiddelde onderwijsniveau van de beroepsbevolking is de afgelopen decennia gestaag toegenomen, terwijl het gemiddelde onderwijsniveau van leraren zelfs licht is gedaald. Naarmate de leraren met een masterdiploma als gevolg van pensionering en TBS uitstromen, daalt het gemiddelde opleidingsniveau van de beroepsgroep. Elke nieuwe generatie instromende leraren telt immers minder masters.5 Onder meer daardoor is de relatieve positie van het lerarenberoep op de maatschappelijke ladder gedaald, wat uiteindelijk de status van het beroep aantast. Nochtans wordt het onderwijs geconfronteerd met nieuwe en grotere uitdagingen, zoals de omgang met een meer divers leerlingenpubliek en een complexere maatschappelijke omgeving (zie ook vaststelling 2). De lerarenopleiding bereidt te weinig voor op het lesgeven in een grootstedelijke context, zo bleek ook uit de evaluatie van de commissie Biesta. Die evaluatie legde ook andere pijnpunten van de lerarenopleiding bloot, zoals de gebrekkige aanvangsbegeleiding voor starters, de vaststelling dat er in de klas onvoldoende gedifferentieerd wordt en dat de instroom in de lerarenopleidingen te weinig divers is. Daarnaast is de vaststelling in internationaal vergelijkend perspectief dat Vlaamse leraren weinig deelnemen aan bijscholing6, eveneens verontrustend. Behalve indicaties van een veranderende instroom is er ook het hardnekkige probleem van de snelle uitstroom, wat leidt tot een groot verlies aan potentieel. De vroege uitstroom van jonge leraren die binnen vijf jaar het beroep verlaten, bedraagt ongeveer 12% in het kleuteronderwijs en 14% in het lager onderwijs. In het secundair onderwijs is de situatie het meest problematisch en loopt de vroege uitstroom op tot 22%. Sinds enkele jaren worden we geconfronteerd met een lerarentekort, dat de volgende jaren nog nijpender zal worden. Volgens prognoses zullen in de periode 2012-2022 27 036 vacatures in het basisonderwijs en 32 600 in het secundair onderwijs moeten worden vervuld. Tegenover een geprojecteerd aanbod van nieuwe afgestudeerden ontstaat daardoor een geraamd tekort van bijna 9000 personeelsleden in het basisonderwijs of bijna vier niet vervulde vacatures per basisschool. In het secundair onderwijs is er een geraamd tekort van ongeveer 8000 leraren.7 De toekomstige uitdagingen voor de lerarenproblematiek zijn dus zowel van kwantitatieve als kwalitatieve aard.
Strategische doelstelling 1: Het garanderen van voldoende, deskundige en gemotiveerde professionals
4
Chatty, R., Friedman, J.N. & Rockoff, J.E. (2012). The Long-Term Impact of Teachers. NBER working paper nr. 17699.
5
Elchardus, M. et. al (2009). Het beroep van de leraar doorgelicht. Een cross-sectionele en longitudinale studie naar het profiel en de loopbaan van leraren in vergelijking met andere beroepsgroepen. Brussel: OBPWO.
6
Deneire, A. et. al (2009). Onze leerkrachten vandaag: lesgeven in de eerste graad van het secundair onderwijs. Eerste resultaten van de Teaching And Learning International Survey TALIS. Antwerpen: UA.
7
Poelmans, Patrick (publicatie gepland in 2014). Verkenning van de toekomstige personeelsbehoeften in het basisonderwijs en secundair onderwijs. Een kwantitatieve benadering. Brussel: Agodi.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
1.3
Toenemende diversiteit in een gesegregeerde samenleving
De Vlaamse samenleving wordt gekenmerkt door sociale en etnische segregatie en separatie op verschillende niveaus en domeinen, waaronder ook het onderwijs. Onderwijs slaagt er niet alleen onvoldoende in om daarin een kentering teweeg te brengen, maar bestendigt zelfs een aantal van die factoren. In de internationale onderzoeksliteratuur over onderwijsregimes wordt het Vlaams onderwijs ondergebracht onder het scheidingsmodel, waarbij niet alleen sprake is van sociale en etnische segregatie van leerlingen over scholen, maar waarbij leerlingen ook ‘gesorteerd’ worden binnen scholen naargelang de onderwijsprestaties. Vlaanderen staat in internationaal vergelijkend perspectief bekend om zijn hoge percentage zittenblijvers, zijn hoge percentage leerlingen in het buitengewoon onderwijs en de vroege studiekeuze en selectie naar onderwijsvorm (OESO, eurydice). De tendens separatie en homogenisering loopt parallel met een evolutie naar meer diversiteit van de leerlingenpopulatie, vooral in de steden. Zo stellen we een duidelijke stijging vast van het aandeel anderstalige leerlingen. Die trend zal zich verder zetten. Terwijl in het secundair onderwijs het aandeel anderstalige leerlingen ongeveer 1 op de 10 bedraagt, loopt dat in het basisonderwijs al op tot 1 op de 7.8 In steden als Antwerpen en vooral Brussel is meertaligheid de norm en is er in heel wat klassen geen meerderheidstaal of –cultuur meer. Uit onderzoek blijkt herhaaldelijk dat anderstalige leerlingen gemiddeld zwakkere schoolresultaten behalen, wat niet noodzakelijk een gevolg is van de thuistaal. Er is sprake van een multiproblematiek waarbij anderstalige leerlingen in verhouding vaker uit gezinnen komen met een lage socio-economische en socioculturele achtergrond, en ouders hebben met een lager opleidingsniveau. Het is die complexe samenhang van verschillende factoren die leidt tot een problematische schoolloopbaan, waarbij het opleidingsniveau van de ouders de meest doorslaggevende factor blijkt te zijn. Uit het PISA-onderzoek blijkt daarenboven dat het effect van de socio-economische achtergrond van leerlingen op onderwijsprestaties in Vlaanderen sterker is dan in de meeste andere OESO-landen, en tussen 2000 en 2009 niet significant is gedaald. Daarenboven is in Vlaanderen de prestatiekloof tussen autochtone leerlingen en leerlingen van vreemde afkomst groter dan in de meeste andere OESO-landen, zelfs wanneer de verschillen in socio-economische achtergrond in rekening worden gebracht.9 Op basis van PIAAC, een recent internationaal geletterdheidsonderzoek bij volwassenen, kunnen gelijkaardige conclusies getrokken worden. De prestatiekloof bij mensen met een hoge en lage SES, en die tussen migranten en autochtonen, is in vlaanderen groter dan in de meeste andere OESO landen.10 De effectiviteit van separatie in het onderwijs en de mate waarin een dergelijk systeem in staat is om de toenemende diversiteit het hoofd te bieden, wordt door zowel de wetenschappelijke onderzoekswereld als door internationale denktanks (OESO, Eurydice) in vraag gesteld. Uit recent Vlaams onderzoek blijkt dat de traditie van zittenblijven geënt is op twee denkkaders.11 Enerzijds deelt het deficit-denken leerlingen
8
Cijfers Ministerie van Onderwijs en Vorming, schooljaar 2010-2011.
9
De Meyer, I. & N. Warlop. PISA. Leesvaardigheid van 15-jarigen in Vlaanderen. De eerste resultaten van PISA 2009. Brussel/Gent: DOV/UGent.
10
OECD (2013), OECD Skills Outlook 2013, first results from the survey of adult skills.
11
Juchtmans et. al (2011). Zittenblijven in vraag gesteld. Een verkennende studie naar nieuwe praktijken voor Vlaanderen vanuit internationaal perspectief. Brussel: OBPWO.
De Lerende Vlaming
op in ‘falende’ en ‘succesvolle’ leerlingen. Anderzijds gaat het enkelvoudig lineair ontwikkelingsmodel uit van de veronderstelling dat de ontwikkeling van leerlingen in vooraf bepaalde, voor iedereen geldende fases verloopt, die leeftijdsgebonden zijn. De opvatting dat zittenblijven gunstige remediërende effecten heeft, kan de wetenschappelijke toets echter niet doorstaan. Aan het courant toepassen van die praktijk van zittenblijven zijn hoge kosten verbonden.12 Daarnaast geeft het ICCS-onderzoek ook aanwijzigingen dat separatie het ‘leren samenleven’ bemoeilijkt en nefast is voor de ontwikkeling van democratische burgerschapsattitudes.13
Strategische doelstelling 2: Samen leren maar toch op maat door onderwijsinnovatie en nieuwe onderwijsvormen
1.4
Onderwijs als sociaal grondrecht voor iedereen staat op gespannen voet met de heersende selectiepraktijken
Internationale verdragen en afspraken, alsook de Belgische Grondwet, bepalen dat onderwijs een sociaal grondrecht is. De overheid heeft de verantwoordelijkheid om dat sociaal grondrecht te beschermen en te garanderen, en moet daarom instaan voor onderwijs dat voor iedereen toegankelijk is. Het secundair onderwijs was aanvankelijk voor een kleine elite gereserveerd, om hen voor te bereiden op een leidinggevende rol in de samenleving. De onderwijsexpansie van de twintigste eeuw en de leerplichtverlenging tot 18 jaar maken dat dat basisrecht niet tot het basisonderwijs beperkt kan blijven. Sinds de wet op het technisch onderwijs van 1953 is geprobeerd om beroepsgerichte vorming volwaardig te integreren in het secundair onderwijs, maar dat is tot op heden niet volledig gelukt, met het bekende watervalfenomeen als gevolg. De massificatie van het secundair onderwijs is gepaard gegaan met een interne differentiatie met het oog op hiërarchische selectie. De onderwijsstructuren en -praktijken van het secundair onderwijs worden nog steeds bepaald door een selectieparadigma dat zijn oorsprong vindt in het onderwijs van de industriële samenleving en de praktijk legitimeert om op relatief vroege leeftijd maar een selecte groep toe te laten tot onderwijsvormen waar prestaties verwacht worden. Onderwijs moet daarentegen iedereen de mogelijkheden aanreiken om volwaardig te participeren aan de samenleving. Onderzoek toont op een systematische manier aan dat bepaalde onderwijsvormen daarin fundamenteel tekortschieten. Zowel voor het algemene geletterdheidsniveau (PISA), de kennis van vreemde talen (ESLC) als burgerschapskennis en -attitudes (ICCS) valt de problematische positie op van het beroepssecundair onderwijs. Ook de recente resultaten van PIAAC tonen aan dat Vlamingen met een studiegetuigschrift van het beroepssecundair onderwijs, in vergelijking met personen met een vergelijkbare onderwijspositie in andere landen, veel meer risico lopen om essentiële sleutelvaardigheden te missen die nodig zijn om volwaardig te kunnen participeren aan de samenleving van de 21ste eeuw.
12
De OESO heeft de kosten voor een jaar zittenblijven in het secundair onderwijs in België geraamd op ongeveer 15 000 USD per leerling, waarvan 8000 USD voor onderwijsmiddelen. De overige kosten hebben onder meer betrekking op het later intreden op de arbeidsmarkt.
13
De Groof et. al (2010). Burgerschap bij 14-jarigen. Vlaanderen in internationaal perspectief. Brussel / Antwerpen: VUB / UA.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
Elke burger heeft het recht op kwaliteitsvol leren op hoog niveau. Dat is niet alleen een democratisch basisrecht, maar ook een behoefte van de nieuwe economie. Loopbaanlange inzetbaarheid vereist brede en transfereerbare competenties. Het aanleren van concrete werktaken is onvoldoende om de basis te leggen voor een loopbaan van meer dan veertig jaar met wisselende taken in veranderende omgevingen.14 Daarom moet ook in het secundair beroepsonderwijs en het volwassenenonderwijs voldoende aandacht uitgaan naar een brede vorming en transfereerbare competenties, en moet het recht op levenslang leren voor iedereen in voldoende mate gegarandeerd worden.
Strategische doelstelling 3: Kwaliteit waarborgen en stimuleren
1.5
De capaciteitsdruk blijft verder toenemen, waardoor de historisch gegroeide achterstand op het vlak van investeringen in onderwijsinfrastructuur groter wordt
Volgens prognoses zal de schoolbevolking tegen het einde van de nieuwe legislatuur gevoelig toegenomen zijn. Als we voor het basisonderwijs de waarnemingen van 2012-’13 vergelijken met de prognose voor 2019-’20, blijkt er een verwachte toename van ruim 8000 kleuters en ongeveer 47 000 leerlingen in het lager onderwijs. In het secundair onderwijs verwachten we een daling tot en met het schooljaar 2015-’16, gevolgd door een toenemende stijging in de daaropvolgende jaren. Dat maakt dat er in het schooljaar 2019’20 bijna 10 000 scholieren meer in het secundair onderwijs zullen zitten dan in 2012-’13 en bijna 16 000 meer dan in het schooljaar 2015-’16. Achter die globale Vlaamse cijfers gaan echter grote regionale verschillen schuil. Omdat de afname van leerlingenaantallen in bepaalde regio’s niet kan compenseren voor de groei in andere, zal de stijging van de capaciteitsdruk in bepaalde regio’s waarschijnlijk nog een stuk groter zijn dan de globale cijfers doen vermoeden. Los van de capaciteitsdruk wordt Vlaanderen sinds enkele decennia geconfronteerd met een structurele onderinvestering in de bouw en renovatie van onderwijsinfrastructuur. In het gesubsidieerd onderwijs is in het verleden een wachtlijst opgebouwd waarvan de globale subsidiebehoefte momenteel geraamd wordt op ongeveer 2,7 miljard euro15. Ook het GO! kampt met een vergelijkbare investeringsnoodbehoefte. De gesubsidieerde schoolbesturen hebben het bovendien de jongste jaren moeilijker om leningen voor een looptijd van 20 tot 30 jaar te verkrijgen bij banken, wat problematisch is aangezien ze voor 30 of 40% van de kostprijs eigen middelen moeten uittrekken. Als gevolg van de onderfinanciering zijn er te weinig middelen beschikbaar om de infrastructuur structureel te vernieuwen via meer omvangrijke nieuwbouwprojecten. Het merendeel van de projectaanvragen heeft als gevolg daarvan vooral betrekking op de instandhouding van infrastructuur, kleine vervangingen en renovatie.
14
Hanushek, E., Woessman, L. & Zhang, L. (2011). General Education, Vocational Education, and LaborMarket Outcomes over the Life-Cycle. NBER Working paper No. W17504.
15
Leemans, G. (2013) Een realistische evaluatie van het scholenbouwbeleid in Vlaanderen. Brussel: AGIOn.
De Lerende Vlaming
Strategische doelstelling 4: Het uitbreiden van de infrastructuur om te leren en het uitbouwen van innovatieve leeromgevingen
1.6
Slim investeren in onderwijs en vorming leidt tot welvaart en economische groei
De overheidsfinanciën staan door de economische en financiële crisis onder druk. Vlaanderen is er tot nu toe in geslaagd om de onderwijsuitgaven op peil te houden. In 2007 bedroeg het percentage 5,69 % van het bruto regionaal product (brp) van de Vlaamse Gemeenschap, In 2010 besteedde Vlaanderen 6,39% van het brp aan onderwijs. Het EU27-gemiddelde dat uitgegeven wordt aan onderwijsuitgaven bedroeg in 2010 5,44% van het bnp.16 Voor het hoger onderwijs bleven de publieke uitgaven ook op peil (1,26% van het brp in 2007; 1,45% in 2010), maar hebben we de 2-procentnorm nog niet bereikt.17 Alle gezaghebbende experts zijn het erover eens dat het cruciaal is dat er voortdurend voldoende en efficiënt wordt geïnvesteerd in onderwijs om de recessie het hoofd te bieden en om een duurzame en welvarende maatschappij verder uit te bouwen. Onderwijseconomen Hanushek en Woessmann berekenden dat het behalen van de ET2020 doelstelling, die erin bestaat dat tegen 2020 minder dan 15% van de 15-jarigen slecht presteert op de PISA-domeinen, een totale economische winst zou opleveren van 21 biljoen euro voor de EU.18 Nobelprijswinnaar economie James Heckman stelt in zijn onderzoek vast dat een hele reeks sociale en economische problemen, zoals werkloosheid, schooluitval, tienerzwangerschappen en misdaad, in belangrijke mate aan lagere vaardigheidsniveaus en -mogelijkheden kunnen worden toegeschreven.19 De uitdaging voor het onderwijsbeleid bestaat er dan ook in om slim, strategisch en vooral doelgericht te investeren. Doordat effectieve onderwijsinvesteringen een hoge return geven op andere maatschappelijke domeinen, zoals lagere sociale uitgaven, lagere werkloosheid, minder criminaliteit, minder gezondheidsuitgaven, blijven extra investeringen in onderwijs ook in budgettair krappe tijden noodzakelijk.
Strategische doelstelling 5: Blijvend investeren in onderwijs
De omgevingsanalyse toont aan dat de uitdagingen voor Onderwijs en Vorming uitgebreid en ook complex van aard zijn. De voorgestelde strategische doelstellingen, de aanpak en de verschillende beleidsvoorstellen
16
http://appsso.eurostat.ec.europa.eu/nui/show.do?dataset=educ_figdp&lang
17
Eurydice (2011). Modernisation of Higher Education in Europe. Brussel: EACEA.
18
Hanushek, E. & L. Woessmann (2010). The cost of low educational achievement in the European Union. Analytical report for the European Commission.
19
www.heckmanequation.org
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
zijn dat ook. Ze veronderstellen een langetermijnstrategie die over meerdere legislaturen loopt. Een ander element is dat de verschillende beleidsvoorstellen in hun geheel bijdragen tot het realiseren van hoogstaand en kwaliteitsvol onderwijs en dus niet los van elkaar kunnen worden gelezen. Deze bijdrage aan het regeerakkoord gaat vooral in op thema’s met betrekking tot het leerplichtonderwijs en levenslang leren, en behandelt in mindere mate het hoger onderwijs. In de afgelopen legislatuur werden er belangrijke hervormingen doorgevoerd in het hoger onderwijs, zowel qua structuren als op het vlak van de kwaliteitscontrole. Er wordt daarom voor gepleit om die belangrijke hervormingen in de eerste plaats te consolideren en om nieuwe initiatieven te beperken tot de verdere uitrol van het hoger beroepsonderwijs en de opvolging van de beleidsaanbevelingen die zullen voortkomen uit de evaluatie van het financieringssysteem.
De Lerende Vlaming
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
SD1. Het garanderen van voldoende, deskundige en gemotiveerde leraren Leraren zijn in grote mate bepalend voor de prestaties van lerenden. Het is daarom cruciaal dat het Vlaamse onderwijs beschikt over voldoende, deskundige en gemotiveerde leraren. De instroom in het beroep dient voldoende groot en divers te zijn. Tegelijk moeten toekomstige leraren sterk gemotiveerd zijn en de nodige basiscompetenties bezitten om de opleiding aan te vatten of moeten ze die competenties op vrij korte termijn kunnen verwerven. We moeten eveneens voorkomen dat nieuw gestarte leraren te snel het onderwijs verlaten. Er moet ook ingezet worden op een sterkere validering en waardering van de expertise die leraren hebben opgebouwd. Leraren dienen meer mogelijkheden te krijgen om zich in de loop van hun volledige loopbaan te professionaliseren, wat hen beter in staat zal stellen om te gaan met een steeds veranderende en complexer wordende samenleving. Daarnaast is het belangrijk dat leraren voldoende inzicht hebben in relevante maatschappelijke trends, belangrijke onderwijsinnovaties en de uitkomsten van praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek. De leraar moet uitgroeien tot een maatschappelijk gewaardeerde professional, van wie de expertise niet in twijfel wordt getrokken. Om dat te realiseren wordt ingezet op twee beleidsvoorstellen:
•• ••
E en continue professionalisering doorheen de volledige beroepsloopbaan van de leraar, te beginnen met een kwaliteitsvolle en praktijkgerichte initiële lerarenopleiding; Het lerarenberoep van leraar aantrekkelijk houden op het vlak van werk- en pensioenvoorwaarden om zo voldoende competitief te blijven op een krapper wordende arbeidsmarkt.
Met de initiële lerarenopleiding wordt zowel de geïntegreerde als de specifieke lerarenopleiding bedoeld, die beide tot het diploma van leraar leiden.
Beleidsvoorstel 1:
Excellente leraren door een versterkte initiële lerarenopleiding en een loopbaanlange professionalisering Prioritair dient werk gemaakt te worden van de concrete invoering van een beroepenstructuur voor het onderwijs en de bijbehorende beroepskwalificatie(s) van de leraar. De competenties uit die beroepskwalificatie(s) zullen dan de basis vormen voor het curriculum van de initiële lerarenopleiding. De initiële lerarenopleiding dient zowel op inhoudelijk als organisatorisch vlak hervormd te worden met als doel een versterking van de startcompetenties van de beginnende leraar. Hierbij wordt best vertrokken van de resultaten van de recent uitgevoerde evaluatie van de lerarenopleiding. De hervorming van de initiële lerarenopleiding dient vier belangrijke elementen te omvatten: een versterkt curriculum met een focus op alle noodzakelijke competenties voor de beginnende leraar, het realiseren van een
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
meer kwalitatieve instroom in de opleiding, een verdere versterking van de praktijkcomponent en een professionalisering van de lerarenopleiders zelf. Op het vlak van curriculum moet de initiële lerarenopleiding verder uitgebouwd worden tot een kwaliteitsvolle basisopleiding met voldoende aandacht voor zowel de vakinhouden als de didactische competenties, sleutelcompetenties en de psychosociale aspecten van het lerarenberoep. Daarnaast dient er ook voldoende ruimte te zijn om bij alle nieuwe leraren een voldoende creatieve, innovatieve en onderzoekende houding te ontwikkelen. De initiële lerarenopleiding moet ook voldoende aandacht hebben voor alle onderwijsniveaus of sectoren waar de leraar in spe tewerkgesteld kan worden. Het zal nieuwe leraren meer dan nu in staat stellen om beter om te gaan met de nieuwe uitdagingen waarvoor ons onderwijs staat, zoals de groter wordende diversiteit onder leerlingen, de vraag naar meer maatwerk en differentiatie, de integratie van ICT en nieuwe media, de steeds toenemende verwachtingen vanuit de samenleving ten aanzien van onderwijs … Specifiek moeten leraren beter voorbereid en ondersteund worden om adequaat om te gaan met de toegenomen mondigheid en assertiviteit van leerlingen en hun ouders. De hervorming van de lerarenopleiding in 2006 versterkte de praktijkcomponent in de initiële lerarenopleiding al gevoelig. Dat is belangrijk om de praktijkschok voor nieuwe leraren zo klein mogelijk te houden en de kans op hun vroegtijdige uitstroom uit het onderwijs te beperken. De praktijkcomponent in de initiële lerarenopleiding in de vorm van kijk-, luister- en praktijkstages en praktijkoefeningen dient daarom verder uitgebouwd te worden. Het is belangrijk dat die praktijkcomponent zo dicht mogelijk aansluit bij de reële werksituatie van de leraar. Dat impliceert onder andere dat de leraren in spe in voldoende mate leren omgaan met de diversiteit in de klas en ook contact hebben met de ouders van de leerlingen. Een verdere versterking van de praktijkcomponent kan alleen maar als ook de onderwijsinstellingen zelf daarin hun verantwoordelijkheid opnemen. Elke onderwijsinstelling dient daarom een samenwerking aan te gaan met instellingen voor lerarenopleiding, waarbij voor voldoende ruimte en ondersteuning wordt gezorgd zodat stagiairs en leraren in opleiding de nodige praktijkervaring kunnen opdoen. Specifiek voor zij-instromers kan de mogelijkheid van een lio-baan het best uitgebreid worden naar alle lerarenopleidingen. De kans op een succesvolle afronding van de initiële lerarenopleiding hangt in grote mate af van de vooropleiding, de competenties en de motivatie van de student. Daarom zal elke lerarenopleiding werk maken van een degelijke aanvangsdiagnostiek. Omdat daarover nog te weinig expertise bestaat, kan dat het best geflankeerd worden door wetenschappelijk praktijkgericht onderzoek. Het stopt echter niet bij een goede en wetenschappelijk onderbouwde aanvangsbegeleiding van de student. Tijdens de volledige opleiding dient voldoende flexibiliteit, ondersteuning en remediëring ingebouwd te worden, zodat de doorstroom van studenten maximaal is. Een derde element in de versterking van de initiële lerarenopleiding betreft de professionalisering van de lerarenopleiders zelf. Er dient prioritair werk gemaakt te worden van een beroepskwalificatie voor de lerarenopleider die de basis vormt van een specifieke en kwaliteitsvolle opleiding voor die beroepsgroep. Die opleiding moet ertoe leiden dat lerarenopleiders over een een uitmuntende vakkennis en hoogstaande didactische vaardigheden beschikken, voldoende aandacht hebben voor praktijkgericht onderzoek en een bron van innovatie én een rolmodel zijn voor de leraren in spe. De instellingen die lerarenopleidingen inrichten en de nascholingscentra moeten uitgebouwd worden tot innovatieve opleidingscentra voor onderwijs en leraarschap. Een loopbaanlange professionalisering stopt niet na de initiële basisopleiding, maar vraagt een voortdurende vorming en bijscholing zodat de leraren uitstekend blijven. Een loopbaanlange
De Lerende Vlaming
professionalisering mag niet vrijblijvend zijn en moet afgestemd worden op de noden en wensen van zowel de individuele leraar, de onderwijsinstelling als de samenleving. De realisatie van die loopbaanlange professionalisering omvat twee elementen: de realisatie van een professionaliseringsbeleid in elke school en het opzetten van een structurele samenwerking tussen alle ondersteunende organisaties. Dat veronderstelt dat de middelen voor nascholing uitgebreid worden. Elke school moet werk maken van een professionaliseringsbeleid dat onderdeel vormt van een ruimer loopbaanbeleid en van de interne kwaliteitszorg. Het gaat daarbij om actief en professioneel leren in en buiten de school. Dat hoeft niet noodzakelijk via traditionele vormen van bijscholing, maar kan ook door wisselleren, lerarenstages of intervisie onder de collega’s. Elke onderwijsinstelling moet werk maken van een cultuur van collectief leren, peer learning en kritisch reflecteren onder de collega’s over de eigen praktijk en ervaringen en dient hiervoor faciliterende werkcondities te scheppen. De beginnende leraar is in die context een bron van nieuwe kennis, inzichten en vooral innovatie. Onderwijsinstellingen moeten in voldoende mate ondersteund worden bij het opzetten van een eigen professionaliseringsbeleid. De huidige organisaties die instaan voor die ondersteuning, werken momenteel te versnipperd. Om de beschikbare expertise efficiënter te kunnen aanwenden, dienen de pedagogische begeleidingsdiensten, de nascholing en de expertisenetwerken een structurele en intensieve samenwerking uit te bouwen. De overheid dient daarin een faciliterende en ondersteunende rol op zich te nemen. Eén van de belangrijkste uitdagingen voor dat samenwerkingsverband van ondersteunende diensten is de detectie, verzameling en disseminatie van de aanwezige kennis in en over onderwijs met betrekking tot onder meer de psychosociale ondersteuning en interne kwaliteitszorg (welbevinden, leerlingbegeleiding), sleutelcompetenties, kwaliteitsvol onderwijs, innovatieve leeromgevingen (sociale media, blended learning, informatica) of infrastructuur (kostenefficiënt en duurzaam bouwen, zuinig en hernieuwbaar energiebeleid).
Beleidsvoorstel 2:
Via aangepaste arbeidsvoorwaarden het lerarenberoep aantrekkelijk en uitdagend houden op een krapper wordende arbeidsmarkt De maatschappelijke waardering voor het lerarenberoep staat onder druk, waardoor het aantrekkelijker maken van het beroep in de komende jaren een belangrijke beleidsprioriteit zijn. Om voldoende en kwalitatief hoogstaande leraren te kunnen aantrekken en houden in ons onderwijs, moeten marktconforme loon- en arbeidsvoorwaarden worden gerealiseerd die het onderwijs voldoende competitief maken op een krapper wordende arbeidsmarkt en in de ‘war for talents’. Daartoe is een geïntegreerd beleid noodzakelijk dat zich zowel richt op een betere aanvangsbegeleiding van en aantrekkelijker arbeidsomstandigheden voor nieuwe leraren, het doorbreken van de huidige vlakke loopbaan, een gedifferentieerde en meer flexibele aanpak in functie van specifieke noden en een sterker personeelsbeleid op het niveau van de onderwijsinstellingen. Belangrijk is ook dat de expertise waarover ons lerarenkorps beschikt, in voldoende mate gewaardeerd wordt. Aansluitend op de versterking van de initiële lerarenopleiding (zie beleidsvoorstel 1), dient elke school werk te maken van een betere aanvangsbegeleiding bij de instap in het beroep. Dat gebeurt best in de vorm van een gestructureerd traject van aanvangsbegeleiding, waarin de beginnende leraar de pas verworven competenties kan uitbreiden en verdiepen, en de nodige ondersteuning krijgt van bijvoorbeeld een mentor. Zowel de onderwijsinstelling waar de beginnende leraar tewerkgesteld is als de lerarenopleiding hebben
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
hierin een rol op te nemen. De volledige loopbaan van de leraar moet voldoende uitdagend zijn. Alvast de realisatie van de loopbaanlange professionalisering (zie beleidsvoorstel 1) en het investeren in onderwijsinnovatie en in nieuwe vormen van leren (bijvoorbeeld afstandsleren, peer learning, vakdoorbrekend werken, projectwerking, uitwisseling met vormingswerkers of expertise uit het niet-formele leercircuit en de ruimere maatschappelijke sectoren) zullen ertoe leiden dat er steeds voldoende inhoudelijke uitdagingen zijn en dat werken in het onderwijs aantrekkelijk blijft. Het is een uitdaging voor het netwerk van ondersteunende diensten om ervoor te zorgen dat de resultaten van praktijkgericht onderzoek en onderwijsinnovatie doorstromen tot in de klas en vertaald worden naar de concrete klaspraktijk. Daarnaast moet er voldoende taak- en functiedifferentiatie komen waardoor leraren kunnen doorgroeien naar andere functies binnen de onderwijsinstelling of nieuwe opdrachten kunnen opnemen. Een bredere inzetbaarheid van de leraren is een prioriteit die vraagt om een bijsturing van bepaalde aspecten van de rechtspositieregeling (bijvoorbeeld TBS-OB, bekwaamheidsbewijzen, omschrijving van de opdracht). Alle voorgestelde maatregelen om het lerarenberoep te versterken en aantrekkelijker te maken, garanderen niet dat er zich in specifieke regio’s of in bepaalde domeinen toch tekorten zullen voordoen. Daarom moet het mogelijk worden om een gedifferentieerde aanpak te voorzien in de loon- en arbeidsvoorwaarden van leraren zodat gericht ingezet kan worden op de regio of domeinen waar zich tekorten voordoen. Een laatste element in het realiseren van het aantrekken en houden van kwalitatieve leraren, is het inbouwen van meer flexibiliteit en autonomie voor onderwijsinstellingen om een echt personeelsbeleid te kunnen voeren. Dat zal scholen toelaten om hun kader kwalitatiever in te vullen en hun leraren maximaal en efficiënt in te zetten. De grotere mate van autonomie dient wel gekoppeld te worden aan de belangrijke randvoorwaarde dat de besturen van onderwijsinstellingen beschikken over voldoende expertise om een dergelijk sterk en professioneel personeelsbeleid te voeren en om het welzijn en de rechten van alle personeelsleden maximaal te garanderen. Om dat te realiseren wordt gestreefd naar een werkbare en efficiënte bestuurlijke schaalgrootte voor onderwijsinstellingen (zie beleidsvoorstel 5) en de versterkte professionalisering van de directies. Die professionalisering vertrekt – net als voor de leraren – van een beroepskwalificatie voor directeurs, gekoppeld aan een versterkte initiële opleiding die zowel ‘pre-service’ als ‘in-service’ gevolgd kan worden en een loopbaanlange professionalisering. Schoolbesturen kunnen daarenboven, zonder verlies van autonomie, ondersteund worden bij de selectie van directeurs.
SD2. Samen leren maar toch op maat door onderwijsinnovatie en nieuwe onderwijsvormen Onze samenleving wordt steeds diverser en dat weerspiegelt zich ook in de klas. Die toenemende diversteit zorgt ervoor dat het een uitdaging is om elke lerende zijn of haar talenten te laten ontwikkelen en de maatschappelijk bepaalde einddoelen te laten bereiken. Momenteel kenmerkt ons onderwijs zich in grote mate door een aanpak die gebaseerd is op segregatie of zelfs separatie (zie themaspecifieke omgevingsanalyse, punt 3). Daartegenover staat een aanpak waarbij via onderwijsinnovatie en nieuwe werkvormen ingezet wordt op een gedifferentieerde aanpak waarbij er samen geleerd wordt, maar toch maximaal en waar mogelijk voorzien wordt in maatwerk. Dit zal toelaten dat iedereen op het einde van zijn onderwijsloopbaan minstens beschikt over een kwalificatie die met kans op succes een doorstroom naar het hoger onderwijs toelaat of voldoende kansen biedt op de arbeidsmarkt. Bovendien moet elke jongere die het onderwijs verlaat, over de nodige sleutelcompetenties beschikken om volwaardig te kunnen participeren aan een complexe en steeds veranderende samenleving.
De Lerende Vlaming
De Vlaamse kwalificatiestructuur blijft het gemeenschappelijke kader waarbinnen het curriculum van aanbieders van onderwijs, vorming en beroepsopleidingen tot stand komt. Die structuur wordt daarom verder uitgebouwd, onder meer door onderwijs- en beroepskwalificaties verder uit te werken. Om dat te realiseren, wordt ingezet op twee beleidsvoorstellen:
•• ••
het aanbieden van kwaliteitsvolle en geïntegreerde onderwijs- en opleidingstrajecten zodat elke lerende een kwalificatie behaalt en over de noodzakelijke sleutelcompetenties beschikt; het uitbouwen van een systeem van levenslange (leer)loopbaanbegeleiding waarbij de lerende wordt ondersteund en begeleid.
Beleidsvoorstel 3:
Het aanbieden van kwaliteitsvolle en geïntegreerde onderwijs- en opleidingstrajecten zodat elke lerende een kwalificatie behaalt en over de noodzakelijke sleutelcompetenties beschikt De diversteit die onze samenleving en ook de klas kenmerkt, vraagt om een gedifferentieerde aanpak waarbij rekening gehouden wordt met de individuele leernoden. Uiteraard wordt dit begrensd door organisatorische en budgettaire beperkingen en is leren in een onderwijscontext bij uitstek en bij voorkeur een groepsgebeuren. Daarnaast dient gestreefd te worden naar een inclusief en geïntegreerd onderwijsbeleid waarbij zo veel als mogelijk afgestapt wordt van het huidige separatiemodel en van een categoriale aanpak voor kansengroepen en lerenden met zorgnoden. Die benadering impliceert een keuze voor trajecten op maat waarbij gedifferentieerd wordt binnen een gemeenschappelijk curriculum zodat lerenden alle ontwikkelingskansen krijgen. Het onderwijstraject dient maximaal afgestemd te worden op de individuele talenten, interesses, noden en behoeften van elke lerende zodat het kan afgerond worden met een kwalificatie. Daarvoor moet ingezet worden op de volgende elementen: een flexibilisering en modulering van de leerwegen, een meer structurele en geïntegreerde samenwerking met diverse actoren buiten het onderwijs, een sterkere en effectievere validering van de informeel of niet-formeel verworven competenties en een performanter beleid op het vlak van remediëring van lerenden die het onderwijs verlaten zonder kwalificatie. Elke lerende dient te worden uitgedaagd om de persoonlijke interesses en talenten maximaal te ontwikkelen. Dat vraagt om een bijgestuurde didactische aanpak, vernieuwde leermethoden en een betere afstemming van het onderwijsgebeuren op de leernoden en -attitudes, en het leervermogen van elke lerende. Uiteraard zijn de onderwijsverstrekkers in de eerste plaats verantwoordelijk voor de realisatie van die gedifferentieerde benadering, maar de overheid kan daarin maximaal faciliterend werken. Dat kan door het regelgevend mogelijk te maken dat onderwijsinstellingen hun leertrajecten meer flexibel en waar mogelijk zelfs modulair gaan aanbieden. Nieuwe aanbods- en leervormen zoals afstandsleren, werkplekleren of blended learning moeten meer structureel ingebouwd worden en bestaande reglementaire of institutionele drempels in dat verband dienen maximaal weggewerkt te worden. ICT en sociale media dienen dringend overal in de klas te worden geïntegreerd, dit zowel op didactisch als op infrastructureel vlak (zie ook OD 8). De uitdagingen op het vlak van diversiteit en individuele leer- en zorgnoden van lerenden kunnen niet alleen door onderwijs beantwoord worden. Heel wat andere actoren buiten het onderwijs proberen
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
een antwoord te vinden op die behoeften. Het is belangrijk dat onderwijs maximaal samenwerkt met de andere vormen van ondersteuning of begeleiding. Dat vraagt een meer doorgedreven structurele en vooral geïntegreerde vorm van samenwerking tussen het onderwijs en andere maatschappelijke actoren zoals bijvoorbeeld de VDAB, jeugd-, sport-, zorg- en welzijnsinstellingen, en organisaties uit het brede (sociaal-)culturele veld. Op het niveau van de overheid en de intermediaire organisaties moet een gemeenschappelijke aanpak en financiering met beleidsdomeinen als Welzijn, Werk, Cultuur, Jeugd en Sociale Economie voorop staan. Dat geldt zowel voor het basis- en secundair onderwijs als voor het post-initiële en het hoger onderwijs. Specifiek moet de samenwerking tussen de beleidsdomeinen Werk en Onderwijs versterkt worden. Een concreet voorbeeld daarvan is de samenwerking tussen het (volwassenen)onderwijs, Syntra en de VDAB, waarbij onderwijskwalificerende trajecten (OKOT) worden opgezet voor wie het onderwijs heeft verlaten zonder kwalificatie of voor wie een nieuwe uitdaging in zijn loopbaan wil of moet aangaan. In het kader van de versterking van het stelsel ‘leren en werken’ en het creëren van voldoende kwaliteitsvolle stageplaatsen in het secundair onderwijs dient een intensievere samenwerking opgezet te worden tussen de onderwijsinstellingen, de VDAB en de beroepssectoren (zie hoofdstuk ‘de werkende Vlaming’). Door een betere samenwerking tussen onderwijs en werk wordt het voltijds engagement gerealiseerd. Mensen leren natuurlijk niet alleen in een formele onderwijs- of opleidingscontext. Veel competenties of ervaringen worden opgedaan in een informele of niet-formele context, zoals het verenigingsleven, cultuur- en jeugdorganisaties, het vrijwilligerswerk, het gezin of op de werkvloer. Het is belangrijk dat onderwijs(instellingen) ook die competenties erkennen en valideren, zodat er een betere afstemming en samenhang komt tussen het formele, niet-formele en informele leren. Daarom moet een allesomvattend en beleidsdomeinoverschrijdend kader voor de erkenning van competenties (EVC) gebaseerd op de Vlaamse kwalificatiestructuur op punt worden gesteld zodat ook die competenties civiel effect genereren in de professionele of onderwijsloopbaan. Via een kwaliteitsvol assessment, gebaseerd op valide instrumenten, moet EVC kunnen leiden tot verkorte onderwijs- of opleidingstrajecten en tot kwalificatiebewijzen of bewijzen voor delen van een kwalificatie. Onderwijsinstellingen dienen gefinancierd of gesubsidieerd te worden voor de opdrachten die ze opnemen in het kader van EVC. Belangrijk is ook dat de administratieve lasten voor de onderwijsinstellingen bij de procedures voor het erkennen van competenties verminderen. Er zal altijd een goep van jongeren het leerplichtonderwijs verlaten zonder dat ze over een diploma secundair onderwijs of studiegetuigschrift beschikken. Die groep is uiterst kwetsbaar omdat ze niet de noodzakelijke competenties bezitten om volwaardig aan de samenleving deel te nemen en hun kansen op de arbeidsmarkt beperkt zijn. Daarom dienen remediërende trajecten te worden opgezet die deze jongeren kansen bieden om in een latere fase van hun leven alsnog minstens het diploma secundair onderwijs te behalen. Daarom moeten nog meer dan nu het aanbod van dergelijke trajecten via het tweedekansonderwijs of de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap worden uitgebreid en versterkt. Beide trajecten dienen qua curriculum maximaal op elkaar te worden afgestemd zodat via de uitwisseling van deelattesten meer flexibele leerwegen mogelijk zijn, waardoor leren, werken en gezin beter combineerbaar zijn. Daarnaast dient het mogelijk te worden dat meerderjarige leerlingen die nog ingeschreven zijn in het secundair onderwijs maar dreigen ongekwalificeerd uit te stromen, een flexibel traject kunnen volgen waarbij ze bepaalde modules of opleidingsonderdelen in het volwassenenonderwijs kunnen volgen. Dat alles vraagt wel om een verdere versterking van de omkadering van het tweedekansonderwijs zodat zij een antwoord kan bieden op een groep van lerenden met leer- en zorgnoden.
De Lerende Vlaming
Beleidsvoorstel 4:
Leerloopbanen levenslang stimuleren en begeleiden Dat de leerloopbaan zich niet langer beperkt tot het basis-, secundair en eventueel hoger onderwijs, maar een leven lang doorloopt, is als principe stilaan ingeburgerd. Met het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs (DKO) heeft het onderwijs twee belangrijke instrumenten in handen om die levenslange leerloopbaanmogelijkheden mee te realiseren. Momenteel kan echter nog niet gesteld worden dat het principe van levenslang leren al ten volle geoperationaliseerd is of dat alle mogelijkheden die daartoe geboden worden, al volledig benut zijn. Om de levenslange leerloopbanen verder uit te bouwen, dient een systeem van begeleiding en leeradvies doorheen die leerloopbaan vorm te krijgen. Een verdere versterking en betere positionering van het volwassenenonderwijs en een structurelere samenwerking op het vlak van levenslang leren tussen het secundair onderwijs, het hoger onderwijs en alle inrichters van volwasseneneducatie zijn absoluut noodzakelijk. Het systeem van leeradvies- en begeleiding kan niet los gezien worden van de ruimere loopbaanbegeleiding. Integendeel beide moeten maximaal op elkaar worden afgestemd. In dat kader is ook de audit van de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB) belangrijk: die kan het vertrekpunt vormen om bestaande uitdagingen aan te pakken, zoals het realiseren van een onafhankelijk en geobjectiveerd systeem inzake diagnostiek en studiekeuzebegeleiding en –advies, of het beter laten aansluiten van de taken met betrekking tot de leerlingenbegeleiding, -zorg, en de psychosociale ondersteuning van leerlingen bij de leraar en de onderwijsinstelling. Doorheen de leerloopbaan wordt elke lerende geconfronteerd met een aantal belangrijke scharniermomenten waarbij hij of zij keuzes moet maken die bepalend zijn voor de verdere toekomst en kansen. Die scharniermomenten vallen vaak samen met de overgang tussen onderwijsniveaus (bijvoorbeeld tussen basis- en secundair onderwijs of tussen secundair en hoger onderwijs), maar ze doen zich ook later voor op ogenbliken dat volwassenen hun loopbaan willen of moeten heroriënteren of als ze op latere leeftijd een onderwijskwalificatie willen behalen. Er is daarom behoefte aan een goed uitgebouwd en professioneel systeem van leeradvies en -begeleiding dat lerenden in staat stelt om hun leerloopbaan meer zelf in handen te nemen en weloverwogen beslissingen te nemen. Dat systeem van leeradvies en begeleiding werkt over alle onderwijsniveaus en -sectoren heen. Cruciaal is dat het onafhankelijk van de onderwijsinstellingen of opleidingsaanbieders moet kunnen werken zodat de leervragen en –noden van de lerenden steeds centraal staan. Een tweede element in de realisatie van levenslange leerloopbanen voor iedereen is de verdere versterking van het volwassenenonderwijs. Die sector is in volle ontwikkeling en expansie, en krijgt daar momenteel onvoldoende ruimte voor. Daarom is er behoefte aan een nieuw kader dat toelaat om de belangrijke maatschappelijke uitdagingen, verbonden met levenslang leren, aan te gaan. Op die manier krijgen volwassenen nieuwe kansen om zichzelf duurzaam te versterken, wat een belangrijk gegeven is in tijden van economische crisis en onzekerheid omdat het altijd bijdraagt tot emancipatie en ontwikkeling. Belangrijke aspecten voor dat nieuwe kader vormen een substantiële schaalvergroting van de instellingen volwassenenonderwijs (zie beleidsvoorstel 5), voldoende aandacht voor de specificiteit van het lesgeven aan die doelgroep in de initiële lerarenopleiding (zie beleidsvoorstel 1), een intensievere samenwerking met andere (publieke) aanbodsverstrekkers van opleidingen voor volwassenen (zie beleidsvoorstel 4) en meer innovatie en onderwijsvernieuwing via een sterkere samenwerking tussen de ondersteuningsdiensten voor het volwassenenonderwijs.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
SD3. Kwaliteit waarborgen en stimuleren De maatschappelijke opdracht van onderwijs bestaat erin dat voor alle lerenden gezorgd wordt voor kwaliteitsvolle leertrajecten, waarbij ze voldoende en relevante kwalificaties behalen die een succesvolle doorstroom naar de arbeidsmarkt of het hoger onderwijs toelaten en die de lerenden in staat stellen om de noodzakelijke sleutelcompetenties te verwerven zodat ze op een volwaardige manier aan de samenleving kunnen deelnemen. De onderwijsverstrekkers zijn de eerste verantwoordelijken voor het realiseren van die doelstellingen. De rol van de overheid bestaat erin die opdracht maximaal te faciliteren en te financieren of te subsidiëren, maar ook te waken over de kwaliteit van het onderwijs. De versterking van die kwaliteit is dan ook een continue uitdaging. De versterking van de kwaliteit omvat drie beleidsvoorstellen:
•• •• ••
het realiseren van sterke en professionele schoolbesturen die in staat zijn enerzijds de onderwijskwaliteit te waarborgen en te verbeteren, en anderzijds de maatschappelijke uitdagingen aan te gaan waar onderwijs mee geconfronteerd wordt; het realiseren van competentiegericht onderwijs voor alle lerenden, waarbij de lat voor iedereen voldoende hoog ligt; het versterken van de interne kwaliteitszorg en de externe kwaliteitscontrole.
Beleidsvoorstel 5:
Realiseren van sterke en professionele schoolbesturen Het debat over bestuurlijke schaalvergroting in het onderwijs is niet nieuw, maar vraagt naar verdere concrete stappen in de komende jaren. De bestuurlijke schaalvergroting is het argument bij uitstek in de discussie over de verhoging van de kwaliteit en het versterken van het beleidsvoerend vermogen van de onderwijsinstellingen. Toch is de bestuurlijke schaalvergroting op zich verre van voldoende om de kwaliteit te verbeteren en het grotere bestuurlijk vermogen te realiseren. Het vormt maar één van de noodzakelijke randvoorwaarden daarvoor. Er moet ook vermeden worden dat schaalvergroting leidt tot een minder lokale inbedding van onderwijsinstellingen of vestigingsplaatsen, of dat er een kloof tussen de school, het personeel en het bestuur ontstaat. Daarom wordt voor het basis- en secundair onderwijs gepleit voor bestuurlijke schaalvergroting via stimulansen, waarbij de overheid inzet op een flankerend ondersteuningsbeleid en mee garandeert dat de onderwijsinstellingen hun maatschappelijke opdracht realiseren. Het draagt ook bij aan meer beleidsruimte voor de instellingen en hun besturen zodat ze een efficiënter personeelsbeleid kunnen voeren, een coherent onderwijskundig beleid kunnen ontwikkelen, aan onderwijskundige en organisatorische innovaties kunnen werken en op een efficiënte manier tot een behoeftedekkend onderwijsaanbod kunnen komen. Tegenover die grotere autonomie dan wel een grotere mate van responsabilisering en verantwoording te staan, die meer dan nu garanderen dat scholen effectief de doelstellingen realiseren die door de samenleving worden vooropgesteld. De uitbouw van een beleids- en middenkader om het stijgende aantal onderwijsen niet-onderwijsgebonden taken op te kunnen nemen en om de interne ondersteuning op het vlak van leerbegeleiding en interne kwaliteitszorg optimaal te kunnen invullen, is een belangrijke uitdaging waaraan de schaalvergroting deels tegemoetkomt. Schoolbesturen zullen daardoor beter gewapend zijn
De Lerende Vlaming
om zowel vanuit pedagogisch, psychosociaal, administratief als bestuurlijk oogpunt de onderwijskwaliteit en de tevredenheid van het personeel te waarborgen. De situatie in het volwassenenonderwijs en het DKO, waar veel minder instellingen bestaan maar desondanks het opleidingsaanbod te versnipperd is, ligt enigszins anders. In het volwassenenonderwijs is een substantiële schaalvergroting van de instellingen naar het model van de hogescholen noodzakelijk om de belangrijke maatschappelijke uitdagingen te realiseren, om voor iedereen tweedekanstrajecten aan te bieden van basiseducatie tot hoger onderwijs, om soepel geïntegreerde opleidingen uit te bouwen, om meer zichtbaarheid en een duidelijker positie in het onderwijslandschap te realiseren en om – voor het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleiding – meer op voet van gelijkwaardigheid te kunnen samenwerken met hogeronderwijsinstellingen. In het DKO moet vooral ingezet worden op het realiseren van een structurele samenwerking tussen de verschillende academies in een regio. Zo worden de academies uitgedaagd om een eigen beleid te ontwikkelen, onder andere om de participatie te verhogen en structureler samen te werken met het lokale culturele veld, met het oog op de expertise-uitwisseling tussen de leraren, cultuureducatieve professionals en de lerenden. Ten slotte moet kwaliteitsvol onderwijs ook op een indirecte manier worden gestimuleerd door het faciliteren van informele en formele samenwerkingsverbanden tussen scholen en andere actoren binnen en buiten onderwijs, bijvoorbeeld tussen het bedrijfsleven en het brede middenveld op terreinen als werk, welzijn, armoede en cultuur, infrastructuur, leerlingenadvies, technologie, capaciteit enzovoort. Die samenwerking hoeft zich niet tot Vlaanderen te beperken: er moet aandacht en ondersteuning blijven uitgaan naar diverse vormen van internationale uitwisselingsprojecten tussen scholen.
Beleidsvoorstel 6:
De lat voldoende hoog leggen voor elke lerende Zoals al eerder werd gesteld, heeft het onderwijs de opdracht om lerenden voor te bereiden op een succesvolle doorstroom naar verdere onderwijstrajecten of naar de arbeidsmarkt en hen voldoende te wapenen zodat ze ten volle aan de samenleving kunnen participeren en zichzelf maximaal kunnen ontwikkelen. Onderwijs moet erin slagen om bij alle lerenden de talenten te ontdekken en maximaal te ontwikkelen. Daarbij is het belangrijk dat de lat voor iedereen voldoende hoog gelegd wordt. Momenteel leeft de perceptie dat het algemene niveau in het leerplicht- en hoger onderwijs daalt. De resultaten van het PISA-onderzoek bevestigen alvast dat er een – licht – dalende trend is en het recente PIAAC-onderzoek toonde aan dat een deel van de jongeren die uit het beroepssecundair onderwijs stromen, in onvoldoende mate beschikken over de noodzakelijke competenties op het vlak van geletterdheid, gecijferdheid en probleemoplossend vermogen. Daarom zal het onderwijs zich inspannen om de leerprestaties, leerresultaten en leerwinst van de lerenden te verhogen zonder dat hun welzijn daarbijvergeten wordt. Het onderwijs dient meer competentiegericht te worden. Competentiegericht onderwijs houdt immers de bekwaamheid in om kennis, vaardigheden en attitudes in het handelen op een geïntegreerde wijze aan te wenden voor diverse maatschappelijke activiteiten. In het secundair onderwijs dienen alle studierichtingen naar de competenties te leiden die aansluiten op de finaliteit waarvoor ze bedoeld zijn. Dat impliceert dat de studierichtingen met een doorstroomfinaliteit minimaal de startcompetenties bijbrengen
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
om met een grote kans op succes een hogeronderwijsopleiding te doorlopen. De arbeidsmarktgerichte studierichtingen moeten minstens één beroepskwalificatie omvatten zodat de leerlingen die daarmee het secundair onderwijs afsluiten, maximale kansen hebben op de arbeidsmarkt. Sleutelcompetenties zijn de competenties die elk individu nodig heeft voor zelfontplooiing en -ontwikkeling, actief burgerschap, sociale participatie en een succesvol professioneel leven. Ze omvatten ook basisniveaus voor geletterdheid, gecijferdheid en kennis van vreemde talen en informatie- en communicatietechnologie. Doorheen het leerplichtonderwijs moeten die sleutelcompetenties continu ontwikkeld worden en lerenden kunnen een onderwijskwalificatie op het niveau van het secundair onderwijs of hoger alleen maar verkrijgen als ze die sleutelcompetenties in voldoende mate beheersen. Op basis van de periodieke peilingen wordt vastgesteld dat sommige leerlingen uit het basisonderwijs of het secundair onderwijs de huidige eindtermen niet eens halen en dat hun leraren vaak onvoldoende vertrouwd zijn met die eindtermen. Toch zijn de eindtermen niets anders dan minimumdoelen, of met andere woorden: de doelen die de samenleving noodzakelijk én bereikbaar acht voor alle leerlingen. Het is belangrijk dat elke leerling in voldoende mate het geheel van de vooropgestelde eindtermen bereikt. Daarom wordt voorgesteld om het uitreiken van onderwijskwalificaties in het leerplichtonderwijs uitdrukkelijk te koppelen aan de leerplandoelstellingen die het bereiken van de (specifieke) eindtermen of in voorkomend geval beroepskwalificaties vooropstellen. Op die wijze wordt gegarandeerd dat alle lerenden die een onderwijskwalificatie behalen, minimaal de daarmee verbonden competenties bezitten. Die andere kijk op het bereiken van de eindtermen vraagt dat de inspectie naast leerprestaties ook andere elementen opneemt in haar evaluatie: de behaalde leerresultaten (met uitdagende, competentiegerichte eindtermen die elke leerling moet bereiken, als enige toetssteen), leerwinst voor zwakke en sterke lerenden, en ten slotte welbevinden. Onderwijsinstellingen worden immers met een diverse instroom van lerenden geconfronteerd. Een onderwijsinstelling met een ‘zwakkere’ leerlingenpopulatie kan aan de hand van de gerealiseerde leervorderingen toch aantonen dat er vooruitgang wordt geboekt. Voor een onderwijsinstelling met een ‘sterkere’ populatie kan het in kaart brengen van leervorderingen een stimulans zijn om hun leerlingen verder uit te dagen hun competenties ruimer en diepgaander te ontwikkelen (zie beleidsvoorstel 7). Onderwijsinstellingen moeten een stimulerend leerklimaat creëren en voldoende aandacht hebben voor het individuele welbevinden van de leerling. Lerenden die zich goed voelen, zijn meer gemotiveerd om te leren en te participeren aan leer- en onderwijsactiviteiten. Scholen die alleen focussen op leerprestaties en onvoldoende aandacht besteden aan het welbevinden van zowel hun leerlingen als hun personeelsleden, presteren zwakker. Van elke school wordt dan ook een brede en geïntegreerde aanpak met betrekking tot zorg en welbevinden verwacht.
Beleidsvoorstel 7:
De interne kwaliteitszorg en externe kwaliteitscontrole verder versterken Elke onderwijsinstelling is verantwoordelijk voor de eigen, interne kwaliteitszorg en kiest daarvoor zelf haar instrumenten, aangepast aan de specifieke situatie en lokale context. De onderwijsinstelling kan daarbij een beroep doen op de ondersteuning van de pedagogische begeleidingsdiensten en de resultaten van de externe kwaliteitscontrole. Dat kan pas op een doelmatige manier gebeuren als de interne kwaliteitszorg en de externe kwaliteitscontrole vertrekken vanuit een gedeelde visie op kwaliteitsonderwijs. Dat is een
De Lerende Vlaming
gezamenlijke verantwoordelijkheid van de onderwijsinstellingen, de onderwijskoepels en het GO!, en de overheid. Om de kwaliteit van het Vlaamse onderwijs nog te verhogen, moeten de interne kwaliteitszorg en externe kwaliteitscontrole verder uitgebouwd en versterkt worden. Dat betekent aandacht voor drie elementen: de versterking van de ondersteuning aan onderwijsinstellingen, het uitbouwen van de informatierijke omgevingen voor onderwijsinstellingen, en een duidelijker beoordelingskader en een duidelijkere bevoegdheid voor de onderwijsinspectie. Het opzetten en uitrollen van interne kwaliteitszorg vraagt beleidsvoerend vermogen en veel expertise. Het is belangrijk dat onderwijsinstellingen daarbij kunnen rekenen op voldoende kwaliteitsvolle ondersteuning. Daarom dienen de pedagogische begeleidingsdiensten, het nascholingsaanbod en de expertisenetwerken een efficiëntere en effectievere ondersteuning voor onderwijsinstellingen en leraren realiseren. Om dat te concretiseren kan worden vertrokken van de resultaten van de evaluatie van de pedagogische begeleidingsdiensten, het SNPB en de permanente ondersteuningscellen. De overheid dient verder te voorzien in informatierijke omgevingen voor onderwijsinstellingen door te investeren in de verzameling en disseminatie van data en kennis. De onderwijsdatabanken, de databundels, de periodieke peilingen, de resultaten van internationaal vergelijkend onderzoek en van Vlaams wetenschappelijk onderzoek leveren interessante informatie op die scholen kunnen inspireren en ondersteunen bij het ontwikkelen van hun beleid. De competenties bij leraren en directeurs om adequaat met dergelijke data om te gaan, dienen versterkt te worden. Ten slotte is het noodzakelijk om in beleidsgericht en internationaal vergelijkend wetenschappelijk onderzoek te blijven investeren, alsook in een structuur en een budget dat toelaat om praktijkgericht onderzoek uit te bouwen met het oog op het ondersteunen van onderwijsinstellingen en pedagogische begeleidingsdiensten. Het sluitstuk om kwaliteitsvol onderwijs te realiseren is de externe kwaliteitscontrole die de inspectie voor het leerplichtonderwijs, volwassenenonderwijs (met uitzondering van HBO5 en SLO) en DKO uitvoert. De wijze waarop de inspectie die externe kwaliteitscontrole uitvoert, moet worden geëvalueerd en eventueel bijgestuurd. Zo dient de mogelijkheid onderzocht te worden om de inspectie ook naar de processen van de onderwijsinstelling te laten kijken. Een evaluatie van de processen is immers noodzakelijk om zinvolle uitspraken te doen over de output. De inspectie dient ook in staat te worden gesteld om scholen nog meer dan vandaag het geval is gedifferentieerd door te lichten. Dat wordt enerzijds gerealiseerd door een vernieuwde focus bij de doorlichting, en anderzijds door de identificatie, de verzameling en de koppeling van diverse beschikbare gegevens die relevant zijn voor het CIPO-referentiekader. De inspectie zal daardoor mogelijke risico’s op instellingsniveau beter kunnen detecteren, waardoor onderwijsinstellingen gerichter, sneller en, zo nodig, vaker doorgelicht kunnen worden. Ten slotte is het belangrijk dat onderwijsinstellingen duidelijk weten wat het kader en de processen zijn die gehanteerd worden voor de externe kwaliteitscontrole. Dat impliceert vooreerst dat de erkenningsen financierings- of subsidiëringsvoorwaarden waaraan ze moeten voldoen, duidelijker en scherper geformuleerd worden. Het probleem van onderwijsinstellingen die te maken hebben met meerdere systemen van externe kwaliteitscontrole, zoals de centra voor volwassenenonderwijs, moet dringend worden opgelost. Een integratie of afstemming van die systemen is noodzakelijk. Ten slotte dient het geïntegreerd kwaliteitskader voor beroepskwalificerende trajecten verder uitgewerkt en ingevoerd te worden, waardoor kwalificatiebewijzen die behaald zijn bij onderwijsinstellingen, de VDAB, Syntra of andere opleidings- en vormingsorganisaties, gelijkwaardig en dus makkelijker uitwisselbaar zijn.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
SD4. Het moderniseren en uitbreiden van de infrastructuur om te leren en het uitbouwen van innovatieve leeromgevingen De laatste twee decennia groeide de bevolking in Vlaanderen sterk aan. Dat leidde in bepaalde regio’s tot capaciteitsproblemen in het basisonderwijs. Die problemen zullen zich op korte termijn doorzetten naar het secundair onderwijs. Bovendien staan de capaciteitsproblemen in bepaalde regio’s of scholen op gespannen voet met de grondwettelijk verankerde vrije keuze voor ouders en leerlingen. De Vlaamse overheid staat dan ook voor de grote uitdaging om samen met de lokale besturen en de onderwijsverstrekkers naar adequate en duurzame oplossingen te zoeken voor dit probleem. Het is immers absoluut onaanvaardbaar dat een kind of een jongere geen stoel zou hebben in een school. Naast de acute capaciteitsnoden staat het Vlaamse onderwijs voor de even grote uitdaging om de bestaande infrastructuur te vernieuwen of om te bouwen tot 21ste-eeuwse eeuwse energievriendelijke, veilige, duurzame, innovatieve, gedigitaliseerde en moderne leeromgevingen. De wachtlijst voor infrastructuurprojecten is echter zeer lang geworden en bepaalde projecten zullen nog jaren moeten wachten op de nodige subsidies om van start te kunnen gaan. Er is dringend noodbehoefte aan een inhaaloperatie op het vlak van scholenbouw en -renovatie. Het beleidsvoorstel om dat te realiseren bestaat in
••
het realiseren van een school-, onderwijsniveau- en netoverschrijdende aanpak voor de opbouw en renovatie van duurzame infrastructuur.
Beleidsvoorstel 8:
Een geïntegreerde en multifunctionele aanpak inzake schoolinfrastructuur, ICT en innovatie De problemen op het vlak van van onderwijsinfrastructuur zijn van dien aard dat ze niet opgelost kunnen worden zonder een structurele verhoging van het budget. Bovendien moet het gaan om een meerjarig en volgehouden engagement. Een strategische aanpak en planning op lange termijn dringt zich op. De middelen die uitgetrokken werden om de capaciteitsproblematiek aan te pakken, dienen op termijn geïntegreerd te worden in de reguliere middelen voor de bouw van onderwijsinfrastructuur. De capaciteitsproblemen en de te lange wachtlijst voor subsidies voor scholenbouw en renovatie vragen een belangrijke investering die in deze economisch moeilijke tijden niet alleen via extra publieke middelen gefinancierd kan worden. Daarom moeten er alternatieve financieringsvormen opgezet worden. Net zoals bij het DBFM-programma is het aangewezen daarbij een tweesporenbeleid te hanteren, waarbij zowel PPS-modellen als reguliere systemen verkend worden. Zo dienen pistes onderzocht te worden waarbij spaartegoeden gemobiliseerd worden of waarbij een beroep gedaan wordt op pensioenfondsen of verzekeringsmaatschappijen. Het lopende DBFM-programma is een grootschalige investeringsoperatie met als voordeel voor private partners dat het gaat om een interessant volume aan potentiële projecten. In de beginfase leende PPS zich niet voor kleinschaliger projecten. Bovendien waren banken toen meer dan nu in de mogelijkheid om grote investeringen te financieren op langere termijn. Sinds de start van het DBFM-programma is er meer expertise en ervaring opgebouwd op het vlak van PPS en is de kritieke drempel van het noodzakelijke private investeringsvolume gedaald. Dat maakt het mogelijk om ook kleinere projecten via DBFMmodellen te realiseren.
De Lerende Vlaming
De Vlaamse overheid treedt niet op als bouwheer en dient dus in nauw en constructief overleg met de koepels van inrichtende machten en het GO! om te komen tot een draagvlak en een netspecifieke benadering (bijvoorbeeld ten behoeve van de verschillende eigendomsstructuren). De bouw van nieuwe scholen of de renovatie van bestaande scholen is ook allang geen zaak meer die alleen het onderwijs aanbelangt: het raakt ook de lokale besturen en verschillende andere beleidsdomeinen. In de eerste plaats heeft de bouw van nieuwe scholen impact op de ruimtelijke ordening en moet rekening gehouden worden met effecten op het vlak van onder andere milieu, energie en mobiliteit. Daarnaast is het belangrijk dat scholen zich open stellen voor de buurt waarin ze zich bevinden, wat een nauwere samenwerking vraagt met onder andere de lokale socio-culturele verenigingen, buurtwerking, jeugdverenigingen, diensten voor kinderopvang en de welzijns- en integratiesector. Er is een geïntegreerde aanpak voor de ruimtelijke ordening gewenst om de schaarse beschikbare ruimte efficiënt en duurzaam te benutten. Binnen schoolinfrastructuur moeten er ook stimuli worden uitgewerkt waardoor de autonome schoolbesturen/bouwheren worden geprikkeld om aandacht te besteden aan gebouwen die multiinzetbaar zijn zonder dat hierdoor een meerkost zou ontstaan. Het inzetten op multifunctionele gebouwen in samenwerking met een andere overheid of een publieke actor kan heel wat win-win situaties opleveren. Gezien de hoge complexiteit van dergelijke dossiers is structurele (professionele) ondersteuning van de aanvrager cruciaal. AGIOn kent nu reeds een procedure met afwijking van de chronologie voor dossiers in samenwerking met een andere overheid of een publieke actor om te vermijden dat ze moeten wachten. Hierop kan in samenwerking met het GO! worden verdergewerkt. De focus ligt daarbij het best op het zo faciliterend mogelijk optreden zodat het juist makkelijker wordt om schoolgebouwen te realiseren en waarbij de overheid vooral stimulerend optreedt voor flexibele en multi-inzetbare gebouwen. In geval van schoolinfrastructuur zou een verhoogd subsidiepercentage kunnen voorgesteld worden. Het strekt tot aanbeveling om dit ook in andere beleidsdomeinen in de regelgeving te voorzien. De middelen van aanverwante sectoren voor infrastructuur (milieu, onroerend erfgoed en andere) zouden hierbij prioritair kunnen worden ingezet om schoolinfrastructuur te verbeteren. Om capaciteitsproblemen beter te kunnen opvolgen en te voorspellen is een capaciteitsmonitor in ontwikkeling. Daarnaast is het aangewezen om ook een databank van het bestaande onderwijspatrimonium te ontwikkelen. Dat vergt een grote investering in tijd en middelen aangezien het om duizenden vestigingsplaatsen gaat in Vlaanderen. Het in kaart brengen van de staat en de capaciteit van de bestaande infrastructuur moet een langetermijnbenadering van de problematiek en het meer oordeelkundig inzetten van het beschikbare budget mogelijk maken. De Vlaamse overheid dient samen met lokale besturen en de onderwijsverstrekkers de huidige en toekomstige capaciteitsnoden te coördineren en te monitoren, alsook te zoeken naar adequate en duurzame oplossingen. In budgettair krappe tijden is het noodzakelijk om meer kostenefficiënt te bouwen. Er dient onderzocht te worden of de regelgeving daarvoor moet worden aangepast en voor welke prikkels er kan worden gezorgd. Het biedt een onmiskenbare meerwaarde voor de overheid en de inrichtende machten om een studie te gunnen waarbij gekeken wordt naar de noodzakelijke randvoorwaarden om te komen tot duurzame onderwijsinfrastructuur voor een substantieel lagere prijs. Behalve bij noodsituaties dienen minder duurzame oplossingen als containerklassen en niet-permanente systeembouw vermeden worden. Hoewel die oplossingen een lagere kostprijs hebben per vierkante meter, hebben ze een veel kortere levensduur en hypothekeren ze daardoor het toekomstige budget voor de bouw van onderwijsinfrastructuur. De kostprijs en de kwaliteit van de onderwijsinfrastructuur wordt ook beïnvloed door regelgeving en bepalingen vanuit andere beleidsdomeinen en -niveaus, zoals op het vlak van energie, brandveiligheid, onroerend erfgoed … Daarom is het belangrijk dat op het ogenblik dat er nieuwe reglementaire initiatieven
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
worden ontwikkeld, dat in nauw overleg gebeurt met het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, en met de onderwijsverstrekkers. Naast de bouw van nieuwe scholen is het belangrijk dat alle bestaande scholen kunnen beschikken over een adequate ICT-infrastructuur. Een bijzonder aandachtspunt is het voorzien in voldoende internetconnectiviteit en brandbreedte voor alle onderwijsinstellingen. Daarvoor is een grootschalig initiatief van de overheid in samenwerking met de providers noodzakelijk. Daarnaast zijn de uitbouw en coördinatie van een globaal e-safetyprogramma dringend. Net als bij scholenbouw en -renovatie zal er bij de uitbouw van een goede ICT-infrastructuur voor scholen gezocht moeten worden naar de nodige middelen. Alternatieve systemen zoals raamovereenkomsten, leasing, Bring Your Own Device of bovenschools IT-beheer dienen verder te worden geëxploreerd.
SD5. Blijvend investeren in onderwijs De economische crisis dwingt veel landen ertoe om te besparen in de overheidsuitgaven. Vlaanderen is er tussen 2005 en 2010 desondanks in geslaagd om het onderwijsbudget te doen stijgen. Dat is een strategische keuze voor de toekomst want de economische en sociale opbrengsten van het onderwijs zijn aanzienlijk. Een hogere scholingsgraad levert op termijn besparingen op, zowel op economisch vlak als in de gezondheidszorg en de sociale zekerheid. Het biedt bovendien meer sociale cohesie, bevordert burgerschap en voorkomt criminaliteit. Die opbrengsten leidden de Europese Commissie en de OESO ertoe te onderstrepen dat investeren in onderwijs een belangrijke bijdrage kan leveren om de huidige economische en financiële crisis te overwinnen. Daarom is het dan ook niet aangewezen om te besparen op het onderwijsbudget. Integendeel, heel wat maatregelen die voorgesteld worden in deze bijdrage aan het regeerakkoord vragen veeleer extra budget. Dat is niet evident omdat de budgettaire situatie voor de Vlaamse overheid ook de komende jaren moeilijk blijft. De noden op het vlak van de capaciteit en de vernieuwing van de onderwijsinfrastructuur kunnen niet opgelost worden zonder extra middelen. Ook andere maatregelen zoals de professionalisering van het onderwijspersoneel en de oplossing van het lerarentekort vragen een aanzienlijke investering. Toch zal in de eerste plaats gezocht moeten worden naar financiële ruimte die gecreëerd wordt door de huidige middelen die naar onderwijs gaan, efficiënter en effectiever in te zetten. Voor het niet-leerplichtonderwijs is een debat nodig over de verhouding tussen het aandeel publieke middelen dat ingezet moet worden om het onderwijs voor iedereen toegankelijk te maken en de gevraagde private investering van elke lerende. Dat debat mag er echter niet toe leiden dat het gegeven dat onderwijs een publiek goed is dat in hoofdzaak met publieke middelen wordt gefinancierd in vraag gesteld wordt. Twee beleidsvoorstellen worden hier naar voren geschoven:
•• ••
de toekenning en aanwending van voldoende overheidsmiddelen maximaal efficiënt en effectief maken; extra middelen genereren die het onderwijs betaalbaar en kwaliteitsvol houden.
De Lerende Vlaming
Beleidsvoorstel 9:
Efficiëntere en effectievere toekenning en aanwending van de overheidsmiddelen voor onderwijs realiseren De organisatie van onderwijs vraagt veel publieke investeringen. Hoewel die moeten gezien worden als een versterking van de toekomst van het onderwijs met duurzame economische en maatschappelijke opbrengsten, moet er gezorgd worden voor een efficiëntere toekenning en aanwending van die middelen. Spreken over zowel toekenning als aanwending betekent dat het hier om een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de overheid en onderwijsverstrekkers gaat. De elementen om te komen tot die efficiëntere aanwending zijn een billijker verdeling van de middelen tussen de verschillende onderwijsniveaus en sectoren, de realisatie van grotere, maar vooral sterkere besturen voor de onderwijsinstellingen, een betere balans tussen de autonomie en de responsabilisering van onderwijsinstellingen, een groeipad voor niet-leerplichtonderwijs en eventueel een grotere focus op de leerlingenkenmerken bij de toekenning van de middelen. Momenteel zijn er vrij substantiële verschillen in de toekenning van omkadering en werkingsmiddelen tussen de verschillende onderwijsniveaus. Tegelijkertijd vragen de uitdagingen en problemen waarvoor een oplossing dient gevonden te worden in het ene onderwijsniveau meer middelen dan in het andere. Daarom dient een globale oefening gemaakt te worden over de toekenning van de middelen over de verschillende onderwijsniveaus en -sectoren heen, waarbij een mogelijke verschuiving van middelen tussen die niveaus en sectoren, een hogere financiële inbreng van de gebruikers van het niet-leerplichtonderwijs en een verdere ontwikkeling van partnerschappen tussen de privésector en de overheid, geen taboe mogen zijn. De bestuurlijke schaalvergroting, de uitbouw van een gemotiveerd middenkader en de professionalisering van directies (zie beleidsvoorstel 5) zullen leiden tot een doelmatiger aanwending van de middelen door de onderwijsinstellingen. De overheid moet voldoende middelen uittrekken om de onderwijsinstellingen in staat te stellen hun pedagogische, administratieve en bestuurlijke opdrachten naar behoren uit te voeren. Sterkere schoolbesturen zijn in de mogelijkheid om een beleidskader, en een administratief en pedagogisch middenkader uit te bouwen. Dat moet toelaten dat ze de verkregen middelen beter en efficiënter kunnen inzetten. Sterkere schoolbesturen moeten voldoende beleidsruimte en autonomie hebben. Dat impliceert enerzijds onder andere een verdere ontkleuring van de aanwending van de ontvangen middelen, en anderzijds een grotere verantwoordingsplicht, waarbij in de toekomst de behaalde leerresultaten, leerprestaties en leerwinst, en het welbevinden van alle leerlingen in rekenschap gebracht worden (zie beleidsvoorstel 6). De overheid moet duidelijker doelen stellen om kwaliteitsvol onderwijs voor allen te verzekeren. Het is de verantwoordelijkheid van de besturen om ervoor te zorgen dat ze die doelen met hun onderwijsinstellingen realiseren en ze moeten daarover verantwoording afleggen tegenover de overheid. Kwaliteitsvol onderwijs impliceert dat een groei van het aantal lerenden tot een equivalente groei van de omkadering en werkingsmiddelen leidt. Voor het niet-leerplichtonderwijs is dat principe momenteel niet gegarandeerd. Voor het volwassenonderwijs moet erover gewaakt worden dat de kloof tussen de toegekende financiering en datgene waarop centra volgens het geldende financieringssysteem recht zouden hebben, niet groter wordt. Er zal echter weinig extra budgettaire ruimte zijn, waardoor er keuzes gemaakt moeten worden. Daarbij moet voortdurend gestreefd worden naar een rationalisatie van het aanbod en moeten nieuwe elementen in rekening worden gebracht zoals de gerealiseerde output. Voor het
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
hoger onderwijs worden het bestaande financieringssysteem en de voorziene groeipaden aangehouden. Onderzoek geeft aan dat de schoolse achterstand sterk samenhangt met een aantal kansarmoedeindicatoren. Vandaag al wordt een belangrijk deel van de werkingsmiddelen in het leerplichtonderwijs toegekend op basis van die socio-economische kenmerken van de leerlingenpopulatie van een school. Elke school heeft recht op een sokkel voor basisfinanciering die een volwaardige werking garandeert. Daarnaast moet onderzocht worden of in de toekomst bij de subsidiëring of financiering van onderwijsinstellingen meer rekening gehouden kan worden met leerlingenkenmerken.
Beleidsvoorstel 10:
Het billijk verdelen van de kosten tussen en binnen de Vlaamse overheid en derden Hoewel onderwijs een publiek goed is dat in hoofdzaak gefinancierd wordt met publieke middelen, moet nagedacht worden over de mate waarin extra middelen kunnen aangetrokken worden via een bijdrage van de lerende van het niet-leerplichtonderwijs of via investeringen vanuit de private sector. Daartegenover staat dat geld nooit een drempel mag zijn om te participeren aan onderwijs en vorming, en dat wie het financieel moeilijk heeft, maximaal ondersteund moet worden. Voor het niet-leerplichtonderwijs moet nagegaan worden in welke mate de eigen bijdrage aan de deelname aan onderwijs niet meer in balans gebracht kan worden met de investering vanuit de publieke middelen. Dat omvat de volgende elementen: een integrale aanpak van alle financiële incentives om te participeren aan levenslang leren, een aangepaste bijdrage voor de deelname aan het niet-leerplichtonderwijs, een geïntegreerd onderwijs- en gezinsbeleid, een versterking van het stelsel van school- en studietoelagen, en het aantrekken van privékapitaal. Met de overheveling van het betaald educatief verlof naar Vlaanderen in het kader van de zesde staatshervorming heeft de Vlaamse overheid voor het eerst alle instrumenten in handen om één globaal systeem van financiële incentives in het kader van levenslang leren uit te bouwen en de middelen daarvoor doelmatiger aan te wenden. Dat vraagt om een maximaal afgestemd of — beter nog — een geïntegreerd beleid inzake opleidingscheques, betaald educatief verlof, inschrijvingsgelden en vrijstellingen daarop, over alle publieke aanbodsverstrekkers heen. Belangrijk is om gerichter te werken naar die doelgroepen die de ondersteuning nodig hebben of om de nodige stimuli te creëren om bijvoorbeeld de instap in opleidingen die leiden naar knelpuntberoepen en/of onderwijskwalificaties, aan te moedigen (zie hoofdstuk ‘De werkende Vlaming’). Het automatisch toekennen van de rechten is een belangrijk principe in het armoedebeleid, dat tot doel heeft ervoor te zorgen dat de meest kwetsbare doelgroepen in onze samenleving effectief die rechten kunnen genieten. In dat kader dient de geautomatiseerde toekenning van school- en studietoelagen te worden gerealiseerd. De beleidsdomeinen Onderwijs en Vorming, en Welzijn dienen het beleid op het vlak van de Vlaamse kinderbijslag en het systeem van een school- of studietoelage op elkaar af te stemmen. Daarnaast dient het stelsel van school- en studietoelagen uitgebreid te worden naar het tweedekansonderwijs, het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleiding zodat ook daar alle mogelijke financiële drempels tot participatie weggewerkt worden. In het hoger onderwijs, het DKO en het volwassenenonderwijs dient de verhouding tussen de publieke investering en de eigen bijdragen van de lerende herbekeken te worden. In het hoger onderwijs is een lineaire verhoging van het inschrijvingsgeld aangewezen, mits ook voldoende sociale correcties worden ingebouwd voor die doelgroepen voor wie dat een barrière tot participatie kan betekenen. Voor het DKO en het volwassenenonderwijs is een meer gedifferentieerde aanpak nodig waarbij onder meer het
De Lerende Vlaming
studieniveau, de al door de lerende behaalde kwalificaties en de kostprijs van de opleiding bepalen hoeveel de eigen bijdrage zal bedragen. Internationale vergelijking toont aan dat het percentage van de inzet van private middelen in onderwijs in ons land uitermate laag is. Als laatste randvoorwaarde wordt dan ook geformuleerd dat de private middelen meer en beter moeten worden aangesproken, bijvoorbeeld om nieuwe infrastructuur te bouwen of om contractonderwijs te organiseren. De bedrijfswereld moet worden betrokken om de reductie van het vroegtijdig schoolverlaten, het aantrekkelijker maken van opleidingen voor knelpuntberoepen en het werkplekleren mee te helpen financieren.
03 / raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
03 / raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
Onderwijs is één van de fundamentele factoren van de ontwikkeling. Geen enkel land kan een duurzame economische ontwikkeling bereiken zonder aanzienlijke investeringen in menselijk kapitaal. Zowel de OESO als de Europese Commissie geven aan dat investeren in onderwijs er mee kan voor zorgen dat de huidige economische en financiële crisis overwonnen wordt. Investeren in Onderwijs gaat over investeren in de toekomstige vorm van de samenleving. Op lange termijn werpen investeringen in Onderwijs altijd vruchten af. Het helpt de economische groei, verbetert de productiviteit, draagt bij tot persoonlijke en sociale ontwikkeling en vermindert sociale ongelijkheid. Het is evident dat het belang van onderwijs groter is dan ooit. De waarde van een (hoger) diploma is zeer hoog. Het levert op termijn besparingen op, zowel op economisch vlak als in de gezondheidszorg en de sociale zekerheid. Een hogere scholingsgraad biedt bovendien meer sociale cohesie, bevordert het burgerschap en voorkomt criminaliteit. In het kader van constant beleid worden alle middelen die decretaal zijn voorzien en goedgekeurd, ook effectief gehonoreerd. De budgettaire weerslag ervan wordt in samenspraak met het departement Financiën en Begroting opgenomen in de meerjarenprognose van zijn rapport over de Vlaamse budgettaire toestand, dat eveneens deel uitmaakt van de bijdrage van de administratie aan het Vlaams regeerakkoord. De tabel op de volgende bladzijde geeft een eerste oefening meerjarenraming bij constant beleid weer over de verschillende jaren van de legislatuur. Het is het resultaat op basis van de gegevens zoals gekend op 30 april 2014. De parameters kunnen nog wijzigen en deze behoeften beïnvloeden. De index werd niet meegerekend voor de maatregelen die zich binnen de indexprovisie situeren.
categorie niveau Bestaansmiddelen globaal hoger onderwijs niveau-overschrijdend Provisionele kredieten niveau-overschrijdend Salarissen gewoon basisonderwijs buitengewoon basisonderwijs gewoon secundair onderwijs buitengewoon secundair onderwijs volwassenenonderwijs deeltijds kunstonderwijs niveau-overschrijdend Werking gewoon basisonderwijs buitengewoon basisonderwijs gewoon secundair onderwijs buitengewoon secundair onderwijs hoger onderwijs volwassenenonderwijs deeltijds kunstonderwijs niveau-overschrijdend Investeringen hoger onderwijs niveau-overschrijdend Toegewezen ontvangsten hoger onderwijs volwassenenonderwijs deeltijds kunstonderwijs niveau-overschrijdend Eindtotaal
Beleidskredieten in duizend euro 2014 109.701 1.201 108.500 4.000 4.000 7.304.401 2.569.185 424.499 3.172.992 368.953 361.986 210.591 196.195 3.000.467 453.505 41.773 469.196 27.976 1.683.639 15.332 5.708 303.338 380.758 64.475 316.283 88.673 897 44 15.665 72.067 10.888.000
2015 110.005 1.208 108.797 4.048 4.048 7.370.399 2.611.139 425.505 3.175.969 378.159 368.801 213.332 197.494 3.090.544 461.953 42.224 474.609 28.497 1.757.339 15.476 5.802 304.645 334.889 65.415 269.474 88.495 897 44 15.745 71.809 10.998.380
2016 110.311 1.215 109.096 4.097 4.097 7.408.463 2.644.595 426.006 3.162.944 386.570 373.902 215.825 198.620 3.164.025 469.893 42.729 479.023 29.023 1.812.945 15.621 5.906 308.885 239.074 66.372 172.702 88.564 897 44 15.825 71.798 11.014.534
2017 110.619 1.222 109.397 4.146 4.146 7.445.671 2.674.117 426.266 3.154.283 394.399 378.467 218.345 199.794 3.236.872 477.674 43.240 483.999 29.559 1.867.703 15.769 6.023 312.906 242.119 67.349 174.770 88.744 897 44 15.906 71.897 11.128.171
2018 110.930 1.229 109.701 4.196 4.196 7.497.071 2.697.748 426.753 3.164.731 402.705 383.267 220.891 200.976 3.301.832 484.917 43.755 490.017 30.103 1.914.699 15.918 6.148 316.276 245.210 68.349 176.861 88.973 897 44 15.987 72.045 11.248.212
2019 111.243 1.236 110.007 4.246 4.246 7.565.597 2.718.339 427.565 3.194.193 411.473 388.441 223.466 202.121 3.372.958 491.906 44.277 496.950 30.657 1.965.897 16.070 6.276 320.926 248.349 69.371 178.978 89.212 897 44 16.068 72.203 11.391.606
De Lerende Vlaming
03 / raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
Een aantal initiatieven die binnen het beleidsdomein Onderwijs en Vorming aanzien worden als constant beleid, maar Financiën en Begroting er een andere mening op na houdt daar deze in het verleden werden door geschoven naar de politieke besprekingen, worden met akkoord van de administratie Financiën en Begroting als aandachtspunten bij de tabellen meerjarenraming gevoegd. Het gaat om de volgende initiatieven:
•• •• •• •• •• ••
••
Onderwijsinfrastructuur - capaciteit (80 mio euro). AGIOn –DBFM: de substitutie van de kredieten voor de wachtlijsten door de toelagen aan DBFM (100 miljoen euro op kruissnelheid). UZ Gent - aflossing schijf 2011 (4,707 mio euro) in het kader van de lening van 67,4 mio euro voor een nieuw centrum Locomotorische en neurologische revalidatie en uitbreiding van gebouw K12. Busbegeleiding wegens de leerlingenevolutie, de langere duurtijd van busritten en de extra busritten, die een beleidsbeslissing van De Lijn inhouden (een jaarlijkse gemiddelde stijging van 2,5% exclusief index is noodzakelijk zodat tegen 2019 de extra behoeften oplopen tot 5,8 miljoen euro inclusief het ongeveer 2 miljoen tekort in 2014). Tegemoetkoming openbaar vervoer en fietsvergoeding. In 2014 bedraagt het tekort 4,9 miljoen euro en tegen het einde van de legislatuur loopt dit op tot 54,8 miljoen euro. In de berekening wordt tevens rekening gehouden met de uitspraak van het grondwettelijk hof die zegt dat aan de universiteiten voortaan dezelfde vergoedingen moet toegekend worden als aan de hogescholen. De budgettaire impact van Onderwijsdecreet XXIV, bekrachtigd en afgekondigd door de Vlaamse Regering op 25 april 2014: 1. synchroon internet voor zieke kinderen met een meerkost van dat tussen 800.000 euro en 4,7 miljoen euro ligt, op basis van de thans beschikbare gegevens; 2. bij bepaling van concrete inwerkingsdatum door de Vlaamse regering van de vereenvoudiging geldstromen DKO i.v.m. de inschrijvingsgelden en de werkingsbudgetten zijn er eenmalig 3 miljoen euro minder inkomsten; 3. diensten met onderwijsbehoeften basis- en secundair onderwijs: ingevolge het optrekken van het totaalbedrag voor de K-diensten vanaf 1 januari 2015 zijn er jaarlijks 664.000 euro meer middelen nodig; Besluit van de Vlaamse regering – Zijinstroom met reeds een eerste goedkeuring op de Vlaamse regering. Tot maximaal 20 jaar privé-anciënniteit zal voortaan in het kleuter en leerplichtonderwijs worden gehonoreerd en dit voor alle ambten met uitzondering van de administratieve medewerkers. Dit moet nog onderhandeld worden en het advies van de Raad van State dient nog gegeven te worden. Bij de politieke afspraken werd verwezen naar de de budgettaire ruimte die vrijkwam naar aanleiding van de BS voorafgaand aan het pensioen. Dit wordt verder opgevolgd en waarschijnlijk verdwijnt deze zijinstroom bij de aandachtspunten en wordt ze volledig ingevoegd in de tabellen van constant beleid. De kostprijs wordt geraamd op 6,195 miljoen euro per jaar en cohorte.
Wij zijn er ons echter terdege van bewust dat binnen de huidige financieel-economische context waarin Vlaanderen zich bevindt, het echter een gezamenlijke verantwoordelijkheid is om de budgettaire mogelijkheden te laten sporen met een kwalitatief onderwijsbeleid. In de eerste plaats moet dan ook financiële ruimte gecreëerd worden door de huidige onderwijsmiddelen efficiënter en effectiever in te zetten. Hiermee kunnen dan nieuwe voorgestelde maatregelen in de bijdrage regeerakkoord ‘de lerende Vlaming’ gefinancierd worden. De voorliggende initiatieven situeren zich echter nog op strategisch niveau en zijn derhalve nog in onvoldoende mate geoperationaliseerd om op een doeltreffende wijze de budgettaire impact over de verschillende jaren van de legislatuur heen te kunnen ramen.
De Lerende Vlaming
Eén van de voorliggende opties betreft het ‘billijker verdelen van de middelen over de verschillende onderwijsniveaus en –sectoren heen’ (Beleidsvoorstel 9: efficiëntere en effectievere toekenning en aanwending van de overheidsmiddelen voor onderwijs realiseren). In dit kader kunnen richtinggevende rekeningeenheden mee gegeven worden, die per niveau een indicatie geven hoeveel 1% van het desbetreffend onderwijsniveau vertegenwoordigt in absolute cijfers: 1% Bao 1% SO 1% HO 1% VWO 1% DKO 1% niveauoverschrijdend
= 36,3 mio euro = 41,3 mio euro = 16,8 mio euro = 3,7 mio euro = 2,3 mio euro = 6 mio euro
Verder wordt binnen het beleidsdomein Onderwijs en Vorming ook de huidige balans bekeken tussen het aandeel overheidsmiddelen en de bijdrage van de lerende in het hoger onderwijs, het DKO en het volwassenenonderwijs waarbij het sleutelen aan de inschrijvingsgelden een optie kan zijn (Beleidsvoorstel 10: het billijk verdelen van de kosten tussen en binnen de vlaamse overheid en derden). Hierna volgt voor deze niveaus een indicatie van enerzijds het totaal bedrag dat aan inschrijvingsgelden wordt ontvangen en anderzijds het individueel inschrijvingsgeld dat de lerende moet betalen.
DKO: Totaal bedrag inschrijvingsgelden: 15.600.000 euro (2013) Tarieven individueel inschrijvingsgeld op 1 oktober 2013: Volwassenen standaardtarief
200 euro
Volwassenen verminderd tarief voor werklozen, gehandicapten, politiek vluchtelingen,…
115 euro
Jongeren standaardtarief
61 euro
Jongeren verminderd tarief voor werklozen, gehandicapten, politiek vluchtelingen,…
40 euro
Volwassenenonderwijs Totaal bedrag inschrijvingsgelden: 35.704.682 euro (2012) hoofdstructuur hoger beroepsonderwijs + specifieke lerarenopleiding secundair volwassenenonderwijs basiseducatie TOTAAL
Som van betaald IG 5.869.214 euro 29.835.468 euro 35.704.682 euro
03 / raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
Tarieven individueel inschrijvingsgeld in de Centra voor Volwassenonderwijs op 1 september 2014: Standaardtarief
1,15 euro per lestijd
Cursisten ingeschreven voor een opleiding in het studiegebied NT2
0,60 euro per lestijd
Cursisten met werkloosheidsuitkering, integratietegemoetkoming aan gehandicapten, verminderde zelfredzaamheid,…
0,30 euro per lestijd
Cursisten ingeschreven voor een opleiding van het studiegebied algemene vorming, asielzoekers, gedetineerden, inburgeraars,…
0 euro per lestijd
Tarieven individueel inschrijvingsgeld in de Centra voor Basiseducatie: 0 euro Hoger Onderwijs Totaal bedrag inschrijvingsgelden universiteiten: 44.322.088 euro (op basis van jaarrekeningen 2011) Het totaal bedrag inschrijvingsgelden hogescholen is niet beschikbaar; in tegenstelling tot de universiteiten wordt hierover niet gerapporteerd in hun jaarrekeningen. Na extrapolatie van het bedrag van de universiteiten naar het gehele hoger onderwijs op basis van het aantal inschrijvingen, komen we tot een ruwe schatting van 108 à 110 miljoen euro. Tarieven individueel inschrijvingsgeld hoger onderwijs (2014-2015):
Vast bedrag
Variabel bedrag
Totaal 60 studiepunten (in euro)
Niet-beursstudent
61,9
9,3
619,9
Bijna beursstudent
61,9
5,8
409,9
Beurstariefstudent
61,9
0,7
103,9
Tenslotte vergen de initiatieven in het kader van onderwijsinfrastructuur ‘nieuw’ supplementair budget voor zowel leerplichtonderwijs als hoger onderwijs. Voor de beide onderwijsniveaus volgt een toelichting voor deze extra noden. Investeringsmiddelen leerplichtonderwijs Niet budgetneutraal en vraagt een meerkost. Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
120.960
316.780
De totale omvang van het schoolgebouwenpark (exclusief het DBFM-programma) wordt geraamd op 15,875 miljoen m2. Rekening houdend met een nieuwbouwwaarde aan de financiële norm voor scholenbouw, aanvullende kosten voor afbraak, omgevingswerken en eerste uitrusting hebben we het over een nieuwbouwwaarde van dit patrimonium van 33,27 miljard euro inclusief BTW en algemene onkosten. Aan een gewogen gemiddeld subsidiepercentage van de huidige subsidiegraden (van het gesubsidieerd
De Lerende Vlaming
onderwijs en het GO!) en een levensduur van 40 jaar kan op die manier becijferd worden dat voor het leerplichtonderwijs per jaar 583,9 miljoen euro subsidie moet voorzien worden (dus buiten DBFM waarvan de jaarlijkse subsidiekost op kruissnelheid geraamd kan worden op ca. 100 miljoen euro - en capaciteit). Deze berekening kan als vrij conservatief worden beschouwd vermits er nog geen rekening is gehouden met de middelen die jaarlijks moeten voorzien worden voor het eigenaarsonderhoud van de gebouwen. Tevens wordt in de berekening geen rekening gehouden met het niveau van de historisch opgelopen investeringsachterstand van de wachtlijst (ca. 2,7 miljard euro in subsidies voor het gesubsidieerd onderwijs -dus zonder de historische investeringsachterstand van het GO!). Het globale budget dat voor schoolinfrastructuur (leerplicht) is opgenomen in de begroting 2014 bedraagt 314,6 miljoen euro. Zonder de benodigde middelen voor de DBFM-inhaalbeweging (ca. 100 miljoen op kruissnelheid) en de behoeften inzake capaciteitsinvesteringen (ingevolge demografische prognoses) dienen de middelen voor schoolinfrastructuur voor het leerplichtonderwijs dus te worden verhoogd met 269,3 miljoen euro (583,9 miljoen – 314,6 miljoen). Indien de DBFM-beschikbaarheidsvergoedingen van de bestaande machtigingen moeten worden gefinancierd, stijgt de globale jaarlijkse behoefte aan bijkomende middelen naar ca. 370 miljoen euro. De volgende tabel geeft de budgettaire impact weer van de extra behoeften schoolinfrastructuur leerplichtonderwijs over de verschillende jaren van de legislatuur: In miljoen euro
2015
Betaalkalender van een verhoging van de MAC in 2014 met 269,3 miljoen euro
13,46
2016 53,86
2017 148,1
2018
2019
2020
242,35
255,82
269,28
Investeringsmiddelen hoger onderwijs Uit de gegevens van de jaarrekeningen 2011 blijkt dat de kapitaalsubsidies bij de hogescholen 26% van alle investeringen dekken en bij de universiteiten slechts 10%. Voor de hogescholen en universiteiten bedraagt het totaal investeringsbedrag respectievelijk 70.546.762 euro en 228.802.820 euro in 2011. Als we binnen het huidige volume van investering tot een hoger percentage kostendekking willen komen door middel van investeringssubsidies via de Vlaamse overheid, zijn hiervoor de volgende bijkomende middelen nodig, waarbij als mogelijke opties telkens 30%, 40% en 50% kostendekkend wordt genomen: Investeringsmiddelen overheid 2011
Dekkingspercentage 2011
30%
40%
50%
Hogescholen
18,370
26,04%
2,8
9,8
16,8
Universiteiten
23,662
10,34%
45,0
67,9
90,7
47,8
77,7
107,5
In miljoen euro
Totaal bijkomende investeringsmiddelen
Deze bedragen zijn gebaseerd op de rekeningen van 2011 en houden geen rekening met inflatie en de integratie.
03 / raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
De Werkende Vlaming
inhoudstafel
Inhoudstafel 01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE 1.1 De internationale economische crisis heeft gevolgen voor de tewerkstelling in Vlaanderen en bestendigt enkele structurele pijnpunten 1.2 De werkzaamheidsgraad blijft structureel te laag 1.3 Het traditionele arbeidspotentieel raakt uitgeput 1.4 Jeugdwerkloosheid vooral hoog voor laaggekwalificeerde jongeren 1.5 Vlaanderen kijkt aan tegen een aanzienlijke vervangingsvraag en kampt met een mismatch tussen arbeidsvraag en arbeidsaanbod 1.6 De Vlaamse loopbaan verandert 1.7 Aanbevelingen voor Vlaanderen
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
2.1 Missie, visie, generieke principes 2.2 Strategische doelstellingen en beleidsvoorstellen
SD1. Iedereen aan het werk: inzetten op inzetbaarheid Beleidsvoorstel 1: Een versterkte opvolging en begeleiding van werkzoekenden Beleidsvoorstel 2: Een vereenvoudiging van de tewerkstellingsmaatregelen Beleidsvoorstel 3: Een leerwerkgarantie realiseren voor jongeren SD2. Vraag en aanbod op de arbeidsmarkt dichter bij elkaar brengen Beleidsvoorstel 4: Een competentiegerichte uitbouw van de arbeidsmarktdienstverlening SD3. Loopbanen en transities beter omkaderen Beleidsvoorstel 5: Een vereenvoudiging van de opleidingsincentives Beleidsvoorstel 6: Geharmoniseerde groeiplannen voor een HR-beleid in verandering Beleidsvoorstel 7: Dienstencheques prioritair inzetten in de combinatie van arbeid en gezin SD4. Alle hens aan dek voor een inclusieve arbeidsmarkt
81 81 82 83 84 85 86 87
88 88 89
90 90 92 93 95 96
98 99 100 100
101
De Werkende Vlaming
Beleidsvoorstel 8: De band tussen taal en werk versterken Beleidsvoorstel 9: Nieuwe accenten leggen in het kansengroepenbeleid
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
105 106
108
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
1.1
De internationale economische crisis heeft gevolgen voor de tewerkstelling in Vlaanderen en bestendigt enkele structurele pijnpunten
In de laatste tien jaar werden in België nooit minder jobs gecreëerd dan in de meest recente crisisperiode (2011-2013). Dat stellen de arbeidsmarktonderzoekers Struyven en Bulté in de Dynam-analyse van december 2013: De tewerkstelling in België hield relatief goed stand tijdens de eerste periode van de crisis (2008-2009). Bedrijven maakten op grote schaal gebruik van tijdelijke crisismaatregelen, zoals tijdelijke werkloosheid en het tijdelijk verlagen van het aantal werkuren van werknemers. Het lichte herstel van de arbeidsmarkt daarop werd gefnuikt vanaf 2011. De economische terugval was niet zo scherp als in 2008-2009, maar toch is het netto verlies van arbeidsplaatsen aanzienlijker dan de economische evolutie laat vermoeden. Deze paradox is vooreerst te verklaren doordat de buffer van tijdelijke maatregelen opgebruikt raakt. Bovendien heeft de crisis op de arbeidsmarkt nu ook een aantal sectoren getroffen, die in de eerste crisisperiode gevrijwaard bleven. Vooral in de openbare sector en het onderwijs verdwijnen jobs zonder dat er nieuwe jobs worden gecreëerd. Deze sectoren kunnen dus niet meer compenseren voor het netto jobverlies in de sectoren industrie, bouw, handel en horeca, en de financiële sector. Ook de evolutie van de werkloosheidscijfers is zorgwekkend. Voor de crisis (oktober 2008) telden we gemiddeld 168.300 niet-werkende werkzoekenden (nwwz) in Vlaanderen (trendniveau: voortschrijdend gemiddelde over 12 maanden). Met het uitbreken van de economische crisis ging de Vlaamse werkloosheid fors de hoogte in. In augustus 2010 werd een eerste piek bereikt met 211.100 nwwz. In de daaropvolgende maanden daalde het aantal nwwz opnieuw tot in april 2012, toen we 193.900 nwwz telden, hetgeen nog altijd 15,2% meer was dan voor de crisis. Daarna begon de werkloosheid echter opnieuw te stijgen en evolueerden we naar een tweede (voorlopige) top die zelfs de eerste oversteeg. In november 2013 lag het trendniveau van het aantal niet-werkende werkzoekenden met 214.600 nwwz op het hoogste niveau sinds jaren. Dit zijn 46.300 nwwz meer dan voor de crisis (+27,5%). Hoewel de Vlaamse arbeidsmarkt tot nu toe in Europees vergelijkend opzicht relatief leek stand te houden, baren de hierboven geschetste recente ontwikkelingen zorgen. Bovendien blijven de structurele problemen en pijnpunten dezelfde als voorheen, zoals ook blijkt uit de 2020-indicatoren. De reeks doelstellingen die Vlaanderen wil bereiken tegen het jaar 2020 vormen de kern van het Vlaamse arbeidsmarktbeleid. Deze doelstellingen zijn een regionale vertaling van de streefdoelen die Europa formuleerde in de EU 2020-strategie. Samen met het pakket aan maatregelen om deze te behalen staan ze beschreven in het Vlaams Hervormingsprogramma en het Pact 2020.
De Werkende Vlaming
Tabel 1:
Scorebord Vlaamse 2020-doelstellingen EU-gemiddelde 2012
Streefdoel 2020
Afstand tot doelstelling
-0,6 ppt
68,5%
76%
4,5 ppt
66,2%
-0,5 ppt
62,4%
75%
8,8 ppt
53,6%
54,6%
+1,5 ppt
58,6%
60%
5,4 ppt
38,2%
38,9%
40,5%
+2,3 ppt
48,9%
50%
9,5 ppt
Personen met een arbeidshandicap
33,5%
38,6%
38,7%
+5,2 ppt
43%
4,3 ppt
Personen met een niet EU-nationaliteit
44,4%
46,3%
42,7%
-1,7 ppt
56,9%
58%
15,3 ppt
Personen geboren buiten EU
53,4%
53,0%
51,8%
-1,6 ppt
59,8%
64%
12,2 ppt
Werknemers
54,3%
nb
54,6%*
+0,3 ppt*
nb
60%
5,7 ppt
Zelfstandigen
47,8%
nb
51,4%*
+3,6 ppt*
nb
55%
7,2 ppt
30-34 jarigen met diploma hoger onderwijs
44,9%
42,3%
45,3%
+0,4 ppt
35,8%
47,8%
2,5 ppt
Vroegtijdige schoolverlaters
9,6%
9,6%
8,7%
-0,9 ppt
12,8%
5,2%
3,5 ppt
Deelname aan permanente vorming
8,2%
7,5%
6,9%
-1,3 ppt
9,0%
15%
8,1 ppt
2010
2011
2012 t.o.v.2010
Totale bevolking (20-64 jaar)
72,1%
71,8%
71,5%
Vrouwen
66,7%
66,4%
50-plussers
53,1%
55-plussers
WERKZAAMHEID
WERKBAARHEID
TALENT
Bron: *
1.2
FOD Economie – ADSEI (Bewerking: Steunpunt WSE/Departement WSE). De laatst beschikbare cijfers over de werkbaarheid betreffen het jaar 2013. De evolutie betreft deze ten opzichte van 2010.
De werkzaamheidsgraad blijft structureel te laag
De kerndoelstelling is het behalen van een globale werkzaamheidsgraad van 76% tegen het jaar 2020. Met een werkzaamheidsgraad van 71,5% is Vlaanderen vooralsnog geen Europese topregio. Vlaanderen heeft de crisis behoorlijk doorstaan, maar boekt inzake arbeidsdeelname te weinig vooruitgang om de 76%-doelstelling te halen. Vooral de laatste jaren stagneert de werkzaamheidsgraad. Projecties wijzen uit dat de Vlaamse werkzaamheidsgraad in 2020 zou kunnen stranden op 72%, zelfs na inrekening van (federale) beleidsmaatregelen die een hogere arbeidsdeelname beogen (gewijzigd eindeloopbaanbeleid). Deze geprojecteerde werkzaamheidsstijging is veel te beperkt om de “natuurlijke”, door vergroening en vooral
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
vergrijzing gestuwde opmars van de economische afhankelijkheidsratio (dit is de verhouding tussen het aantal niet-werkenden en het aantal werkenden) te counteren. Voor elke 100 werkenden zijn er vandaag 135 niet-werkenden (studenten, gepensioneerden, werkzoekenden,…). Tegen 2020 zou deze economische afhankelijkheidsratio volgens dezelfde projecties oplopen tot 142. Een substantiële verhoging van de werkzaamheidsgraad is een must om de demografische druk het hoofd te bieden. Het opkrikken van de werkzaamheidsgraad is van groot belang voor de uitbreiding van het economisch draagvlak door een toename van het aantal bijdrageplichtigen en een afname van het aantal uitkeringsafhankelijken, om op die manier de (als gevolg van de vergrijzing) snel groeiende kost van de welvaartstaat te kunnen dragen.
1.3 Het traditionele arbeidspotentieel raakt uitgeput De werkzaamheidsgraad kan in Vlaanderen vooral verhogen door zwaar ondervertegenwoordigde groepen op de arbeidsmarkt zoals allochtonen, personen met een arbeidshandicap en ouderen, in te schakelen. Deze groepen hebben een lagere werkzaamheidsgraad dan gemiddeld, maar doordat ze oververtegenwoordigd zijn in de potentiële arbeidsreserve is er nog veel groei mogelijk. Het steunpunt WSE becijferde in dit verband dat als de gehele potentiele arbeidsreserve (in de ruimste zin geraamd op 408.800 Vlamingen in 2011) zou ingeschakeld worden, de werkzaamheidsgraad 7,2 procentpunten hoger zou kunnen liggen (78,9%). Hét pijnpunt voor de Vlaamse arbeidsmarkt blijft de lage werkzaamheid bij 55-plussers (40,5%), wat vooral een gevolg is van de zeer lage arbeidsdeelname van de Vlaamse 60-plussers. Slechts 20% van hen is aan het werk, tegenover meer dan 40% van de Duitse, en meer dan 60% van de Zweedse zestigers. Het vroege afhaken van oudere werknemers wordt weerspiegeld in de verwachte loopbaanduur. De loopbaanduur van Vlamingen is ruim 2 jaar korter dan gemiddeld in de EU. We hebben kunnen vaststellen dat de 50-plussers tijdens de crisis langer aan het werk bleven en hun arbeidsdeelname voortdurend is toegenomen. Ondanks die vooruitgang, cohorte-effecten en recente beleidshervormingen zouden de werkzaamheidsdoelstellingen voor 50-plussers (60%) en voor 55-plussers (50%) volgens de projecties van het Steunpunt WSE niet gehaald worden in 2020. Gezien het toenemend aandeel van de 50-plussers in de bevolking op arbeidsleeftijd, blijft een substantiële opwaardering van de algemene werkzaamheidsgraad in deze leeftijdsklasse de eerste prioriteit in het streven naar een sterker economisch draagvlak en minder ‘afhankelijken’. In vergelijking met andere Europese landen zijn allochtonen sterk ondervertegenwoordigd op de Vlaamse arbeidsmarkt. Sinds 2010 is de werkzaamheid van personen geboren buiten de EU fors gedaald, op dit ogenblik is 51,8% aan het werk. Dit aandeel willen we opkrikken tot 64% tegen 2020. De werkzaamheidsgraad ligt het laagst bij allochtone vrouwen en ook de activiteitsgraad is laag bij deze groep, wat betekent dat zij zich minder aanbieden op de arbeidsmarkt. Naast laaggeschooldheid zet taalachterstand een rem op de arbeidsmarkt-intrede. De moeilijke weg om het buitenlandse diploma te laten erkennen en het niet-realiseren van het geïntegreerde EVC-beleid vormen bijkomende obstakels. Daarenboven speelt ook discriminatie een rol. Vandaag werkt slechts 66,2% van de Vlaamse vrouwen, in 2020 zou dat 75% moeten zijn. Vlaanderen scoort vandaag beter dan het EU-gemiddelde (62,4%). De achterstand van de vrouwen op de mannen inzake arbeidsdeelname is, in Europees perspectief, vooral problematisch na de leeftijd van 40 jaar. Dit
De Werkende Vlaming
wijst er allicht op dat Vlaamse vrouwen die hun baan opgeven voor hun gezin er niet altijd goed in slagen om de band met de arbeidsmarkt te herstellen eens de kinderen groter worden. Ongeveer 12% van de bevolking op arbeidsleeftijd (20-64 jaar) heeft een arbeidshandicap. Tegen 2020 zou minstens 43% van de personen met een arbeidshandicap (20-64 jaar) aan het werk moeten zijn. Vandaag zien we in de enquête naar de arbeidskrachten dat 38,7% van diegenen die langdurige gezondheidsproblemen aangeven, aan de slag zijn. Om de algemene werkzaamheidsgraad verder op te krikken is het van belang om ook de latente arbeidsreserve aan te spreken. Deze personen kunnen mits bijkomende faciliteiten of gerichte ondersteuning worden ingezet op de arbeidsmarkt. Het gaat hier o.m. om werkenden die intensiever ingezet kunnen worden en om niet-beroepsactieven die de band met de arbeidsmarkt niet helemaal verloren hebben en potentieel toch inzetbaar zijn. Over de kansengroepen heen, blijft scholing een bepalend criterium voor een succesvolle participatie op de Vlaamse arbeidsmarkt. De kloof in werkzaamheidsgraad (25-64 jaar) tussen laag- en hooggeschoolden bedraagt zo’n 35 procentpunten en loopt op tot 45 procentpunten bij de vrouwen. Vandaag werkt 85% van de hooggeschoolde vrouwen tussen 25 en 64 jaar, tegenover slechts 40% van de laaggeschoolde vrouwen. De arbeidsdeelname van laaggeschoolde vrouwen nam, voornamelijk in de leeftijdscategorie 2544 jaar (>7%) wel toe als gevolg van cohorte-effecten aan de ene kant en de impact van de invoering van de dienstencheques aan de andere kant. Voor laaggeschoolde mannen daarentegen werd de scholingskloof nog iets groter en bedraagt ze nu 27 procentpunten: 89% van de hooggeschoolde mannen is aan het werk in 2012 tegenover 62% van de laaggeschoolde mannen. Het effect van scholing blijkt ook uit cijfers m.b.t. de werkzaamheidsgraad van oudere werknemers (50-64 jaar). Bij de hooggeschoolden blijft de werkzaamheid relatief op peil met 72%, terwijl bij de laaggeschoolden de werkzaamheidsgraad amper 39% bedraagt. Als men opsplitst naar geslacht, zijn er nog grotere verschillen (bijna 77% werkzaamheid bij de hooggeschoolde mannen, nauwelijks 30,7% werkzaamheid bij de laaggeschoolde vrouwen). Dat het traditionele arbeidspotentieel schaarser wordt, kunnen we ook vaststellen in de werkloosheidscijfers. Van de meer dan 200.000 niet-werkende werkzoekenden behoort ca. 75% tot minstens één kansengroep (allochtoon, persoon met een arbeidshandicap, 50-plusser, laaggeschoolde) en bijna de helft daarvan behoort tot meer dan één kansengroep. Slechts 25% van alle nwwz behoort tot geen enkele kansengroep en als we personen die meer dan 2 jaar werkzoekend ook als kansengroep meerekenen is dit nog maar 19%. Daarnaast zijn er nog andere kenmerken van werkzoekenden die hun kansen op de arbeidsmarkt beperken zoals laaggeletterheid (ongeveer 45% van alle nwwz), alleenstaande ouders (ongeveer 11%) en leven in een armoedesituatie (ongeveer 20%).
1.4 Jeugdwerkloosheid vooral hoog voor laaggekwalificeerde jongeren Vlaamse jongeren voelen de impact van de crisis maar houden in Europees perspectief vooralsnog redelijk goed stand op de arbeidsmarkt. Met een jeugdwerkloosheidsgraad van 12,8% (tegenover 19,8% in België en 22,9% in de EU-27) en een werkzaamheidsgraad voor de 15- tot 24-jarigen uitgezonderd de studenten van 77,3%, is de toestand in Vlaanderen lang niet zo dramatisch als in een heel aantal andere Europese landen.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
Een aandachtspunt is de zwakke positie van de laaggeschoolde jongeren. Van de laaggeschoolde 15- tot 24-jarigen uitgezonderd studenten is slechts 55% aan het werk tegenover 84,7% van de hooggeschoolden in die categorie. Het PIAAC onderzoek (2013) toonde opnieuw aan dat hoe meer jaren onderwijs een volwassene heeft genoten, hoe groter zijn of haar kans op arbeidsmarktparticipatie en tewerkstelling zal zijn en ook hoe groter zijn/haar verloning. Het tegengaan van de ongekwalificeerde uitstroom uit het onderwijs moet dan ook een prioriteit zijn. Het aandeel vroegtijdige schoolverlaters blijft vandaag met 8,7% van de 18-24-jarigen een te grote groep in Vlaanderen. Vlaanderen scoort met die 8,7% vroegtijdige schoolverlaters dan wel relatief goed in Belgisch en Europees perspectief, het gaat toch nog steeds om meer dan 45.000 jongeren die ongekwalificeerd het onderwijs verlaten. De grootste groep zijn jongeren die het beroepsonderwijs niet afmaken. Als deze schoolverlaters bovendien ook niet elders een opleiding gaan volgen – bijvoorbeeld in het kader van hun begeleiding bij de VDAB – dreigen ze de aansluiting met de arbeidsmarkt helemaal te missen. In 2010 was 7,5% van de Vlaamse jongeren tussen 15 en 24 jaar noch aan het werk, noch in opleiding. Dat aandeel is de laatste jaren toegenomen tot 9,2% in 2012, wat duidt op een problematische overgang onderwijs-arbeidsmarkt. Vooral de inactieve NEET-jongeren, zo’n 6% van de groep 15-24-jarigen, vormen een problematische groep. Immers, doordat zij niet op zoek zijn naar werk zijn zij ook niet gekend bij de arbeidsbemiddelingsdiensten. Dat maakt het erg moeilijk om deze jongeren te vatten met beleidsmaatregelen die gericht zijn op een reintegratie in de arbeidsmarkt of het onderwijs. Zij dreigen langdurig werkloos te worden, wat op zijn beurt ook in de latere loopbaan moeilijkheden kan geven om duurzaam aan het werk te geraken of te blijven. De Vlaamse jeugdwerkloosheid is sterk regionaal en stedelijk geconcentreerd. De werkloosheidssituatie in Antwerpen en Gent spiegelt zich aan de Brusselse situatie. Deze drie steden zijn belangrijke tewerkstellingspolen die terzelfdertijd een zeer hoge jeugdwerkloosheid torsen. De oorzaak voor deze paradoxale situatie is een mismatch tussen arbeidsaanbod en -vraag. De vraag naar arbeid spitst zich toe op hooggekwalificeerd personeel terwijl het beschikbare aanbod veelal laaggeschoold is. Meer dan de helft van de jonge werkzoekenden is laaggeschoold. Naast de grootsteden kampen onder meer ook Genk, Maasmechelen, Ronse en Boom met een hoge jeugdwerkloosheid.
1.5
Vlaanderen kijkt aan tegen een aanzienlijke vervangingsvraag en kampt met een mismatch tussen arbeidsvraag en arbeidsaanbod
De daling van de industriële tewerkstelling, die zich zowel bij hoog- als laagconjunctuur voordoet, werd sterk versneld door de economische crisis. Op dergelijke momenten verloopt de economische transformatie vaak zodanig snel dat de arbeidsmarkt zich niet snel genoeg kan aanpassen. Grote aantallen industriële werknemers komen dan in de werkloosheid terecht op een moment waarop er niet zoveel jobs zijn, en al zeker niet in de industrie. De mismatch op de arbeidsmarkt wordt op zulke momenten vaak groter, net als het risico op langdurige werkloosheid. De vergrijzing zorgt bovendien voor een groeiend aantal pensioneringen en bijgevolg voor een stijgend aantal vervangingsvacatures, waarbij steeds meer gevraagd wordt naar ervaring of specifieke kwalificaties. Tussen 2007 en 2012 verlieten netto 281.800 Vlaamse 50-plussers de arbeidsmarkt. Die vervangingsvraag zou in de periode 2012-2017 oplopen tot 324.100 en in de periode 2017-2022 tot zelfs 376.300. De gevolgen zijn nu al merkbaar. In 2012 was de Vlaamse vacaturemarkt grotendeels hersteld van de crisis en kwam ook de krapte weer prominent naar de voorgrond. Maar liefst 21,7 procent van alle vacatures
De Werkende Vlaming
in Vlaanderen vormde in dat jaar een knelpunt. Dat wil zeggen dat het minstens 90 dagen duurde eer die vacatures ingevuld raakten. De helft van die knelpunten was kritiek, met een termijn van minstens 180 dagen. Het aandeel knelpuntvacatures is in acht jaar verdubbeld, ondanks een almaar performantere arbeidsbemiddeling. Het probleem van krapte bestaat in alle Westerse landen en dit veelal in dezelfde sectoren. Onderzoek wijst uit dat de arbeidsmarktkrapte in Vlaanderen van eenzelfde grootteorde is als in Europese landen met de hoogste krapte zoals Oostenrijk, Nederland en Zweden. Naast een pertinente vervangingsvraag zorgen uitbreidingsvacatures in toekomstgerichte sectoren en beroepen (groene economie, zorg, ….) nu reeds voor hardnekkige knelpunten die een rem vormen op de verdere ontwikkeling van de sector.
1.6
De Vlaamse loopbaan verandert
De loopbanen van burgers veranderen. De evolutie van jobzekerheid naar loopbaanzekerheid en alsmaar meer transities in onze loopbaan voltrekt zich ook in Vlaanderen. Het kan dan gaan om transities van werk naar werk, van werkloosheid naar werk, van werk naar opleiding, van opleiding naar werk, van werk naar zorg, … .Toch lijkt ons arbeidsbestel bepaalde transities eerder te ontmoedigen dan aan te moedigen. Drie transities in het bijzonder vragen de aandacht van beleidsmakers, willen we met meer mensen langer en anders werken. De transitie naar werk is in België en Vlaanderen zwak uitgebouwd. Belgische werknemers veranderen relatief weinig van werkgever. Uit onderzoek (Andersen, 2008) blijkt dat slechts 7% van de Belgen in de loop van het jaar van job verandert, tegenover 9% in de ganse EU en niet minder dan 23% in het Verenigd Koninkrijk. Volgens EAK-cijfers (die enkel voor België/Vlaanderen beschikbaar zijn) veranderde in 2010 slechts 4,9% van de Belgen van job, en 5,4% van de Vlamingen. Bovendien wees de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid (2006) er eerder al op dat België tot de groep van landen behoort waar de transitie naar werk vanuit werkloosheid of inactiviteit het minst vaak voorkomt. Wie in de werkloosheid of inactiviteit terechtkomt in Vlaanderen of wie zijn of haar loopbaan om één of andere reden moet onderbreken, maakt heel wat minder kans om opnieuw aan het werk te gaan dan lotgenoten in andere Europese landen. Ook de transitie van en naar opleiding blijkt in Vlaanderen eerder zwak uitgebouwd. Te weinig Vlamingen blijven levenslang leren en de recente trend is dalend. Dit kan leiden tot een uitholling van vaardigheden en kennis, wat een groot maatschappelijk risico inhoudt. Momenteel zit Vlaanderen, met een deelname van 6,9% aan levenslang leren (2012), nog een heel eind van de 15%-doelstelling af, en er wordt weinig vooruitgang geboekt. Integendeel, ten opzichte van 2010 is de deelname aan permanente vorming gedaald met 1,3 procentpunt. In Europees perspectief hangt het Vlaams Gewest ergens in het midden van het peloton, maar met een ruime achterstand op de koplopers. Niet-beroepsactieven participeren het minst aan levenslang leren (6,0%), werkenden wat vaker (7,1%) en werkzoekenden het vaakst (10,5%). In de Belgische interprofessionele akkoorden werd reeds meermaals herhaald dat bedrijven ernaar moeten streven om 1,9% van hun personeelskosten aan te wenden voor opleidingen. Op basis van de sociale balansen blijkt dit streefcijfer niet behaald. In 2009 investeerden Vlaamse bedrijven 1,27% van hun personeelskost in opleidingen, het jaar voordien 1,3%. De meeste recente cijfers uit de enquête naar voortgezette beroepsopleidingen (Continuing Vocational Training Survey of afgekort CVTS) wijzen echter op een stijging van de opleidingsinvesteringen van bedrijven van 1,6% in 2005 naar 2,4% in 2010.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
Tot slot ondervinden nog teveel werknemers problemen inzake de transitie zorg-werk. Dit vertaalt zich onder meer in de werkbaarheidsgraad van werknemers en zelfstandigen. Van alle werknemers in Vlaanderen heeft 54,6% in 2013 werkbaar werk. Deze werknemers zijn niet psychisch vermoeid door hun werk, ze hebben een job die hen motiveert en voldoende leermogelijkheden biedt en hun werk-privébalans is in evenwicht. Toch blijft werkstress een belangrijk aandachtspunt. Voor werknemers is dit het belangrijkste aandachtspunt op vlak van werkbaarheid. Eén op drie Vlaamse zelfstandige ondernemers kampt met werkstress. Daarnaast ondervindt bijna 32% van de actieve zelfstandige ondernemers een problematische werk-privébalans.
1.7
Aanbevelingen voor Vlaanderen
In kader van de Europa 2020-strategie lanceert de Europese Commissie jaarlijks aanbevelingen aan de lidstaten. Sinds de invoering van het Europees Semester, de nieuwe cyclus van economische beleidscoördinatie, wordt de implementatie van deze aanbevelingen nauwgezet opgevolgd en bijgestuurd. In de nieuwe aanbeveling van de Raad vraagt Europa ikv de uitvoering van de 2020strategie aan België o.a.
•• •• •• •• ••
Concrete en aan een specifiek tijdschema gebonden voorstellen uit te werken om een verschuiving van de belastingen op arbeid naar minder groeiverstorende belastinggrondslagen te bewerkstelligen. De prikkels die werken onaantrekkelijk maken, verder te reduceren door effectief de hand te houden aan de verplichting om werk te zoeken en ervoor te zorgen dat alle werklozen gepersonaliseerde bijstand wordt geboden bij het zoeken naar werk. Maatregelen te treffen om de intergewestelijke arbeidsmobiliteit te vergroten. De coherentie te vereenvoudigen en te versterken tussen prikkels om aan het werk te gaan, het activeringsbeleid, de afstemming van arbeidsvraag en –aanbod, onderwijs, een leven lang leren en beleidsmaatregelen op het gebied van beroepsopleiding voor ouderen en jongeren. Alomvattende strategieën uit te stippelen met het oog op de sociale inclusie van mensen met een migrantenachtergrond
Naast Europa doet ook de OESO jaarlijks aanbevelingen aan Vlaanderen, bijv. via de Economische reviews. Om de participatie op de arbeidsmarkt te verhogen geeft de OESO volgende richtlijnen mee aan België:
•• •• •• ••
Het versterken van de band tussen loopbanen en pensioenen op het vlak van vervroegde uittrede. Vooral de toepassing van bestaande activeringsinspanningen op de categorie ouderen (50 plussers) is een belangrijke hefboom om dit te verwezenlijken. Het verlagen van sociale zekerheidsbijdragen voor lage inkomens. Structurele arbeidsmarktknelpunten, zoals hoge werkloosheid bij jongeren en ouderen, laaggeschoolden en immigranten en een onevenwicht tussen vraag en aanbod, moeten worden teruggedrongen. De staatshervorming biedt opportuniteiten voor een meer coherent en kostenefficiënt beleid door regio’s. Deze laatsten kunnen loonkostsubsidies inzetten voor de gerichte activering van bepaalde doelgroepen.
De Werkende Vlaming
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
2.1
Missie, visie, generieke principes
Missie: “met meer mensen langer en anders werken” De algemene visie van de administratie voor de komende regeerperiode zou men als volgt kunnen formuleren:
Alle bestaande en over te dragen hefbomen op een samenhangende, effectieve manier in werking zetten om ervoor te zorgen dat minimaal de Vlaamse/Europese doelstelling van een werkzaamheidsgraad van 76% gerealiseerd wordt in 2020. Die 76% norm is noodzakelijk om de economische afhankelijkheidsratio en bijgevolg onze sociale bescherming op een aanvaardbaar peil te houden in het licht van de vergrijzing. Om 76% werkzaamheid in 2020 te halen, is het nodig dat we dat we 199.500 Vlamingen tussen 20 en 64 jaar extra aan het werk krijgen ten opzichte van 2012. Uit projecties leren we dat het aantal werkenden naar verwachting zou stijgen met 46.000. Er is dus nog een ‘tekort’ van 153.500 werkenden. Onze arbeidsmarkt vraagt ingrijpende hervormingen die in eerste instantie gericht zijn op meer jobs en meer mensen aan het werk. We willen ons beleid op die manier inzetten dat het opwaartse schokken veroorzaakt in de arbeidsdeelname. We gaan op zoek naar een arbeidsmodel dat ons moet toelaten om met meer mensen langer en anders te werken op een arbeidsmarkt die activiteit aanmoedigt. Dat stelt ons voor de uitdaging om bijkomende jobs en vervangingsjobs op de best mogelijke manier in te vullen. Dit veronderstelt dat het arbeidsmarktbeleid zowel de vraag- als de aanbodzijde van de arbeidsmarkt versterkt. We willen dat het Vlaamse arbeidsmarktbeleid ondersteunend is in het behouden, ontwikkelen en aantrekken van talent en rekening houdt met de realiteit van meer en meer flexibele loopbanen, waarbinnen mensen allerlei transities maken. Het beleid dient ook die groepen aan het werk te helpen die het vandaag moeilijk hebben op de arbeidsmarkt en het beleid moet een betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt bewerkstelligen. Daarnaast willen we inzetten op meer kwaliteitsvolle jobs en een verbetering van de matching van vraag en aanbod.
Het appél van de zesde staatshervorming De zesde staatshervorming biedt opportuniteiten om deze visie van verhoogde werkzaamheid binnen een ruimer, consistenter bevoegdhedenkader waar te maken. Het budget voor werkgelegenheidsbeleid in Vlaanderen bedraagt 1,622 miljard bij constant beleid (2015, WSE MJR) na inrekening van de overgehevelde betaalkredieten in het licht van de staatshervorming loopt dit op tot bijna 4 miljard euro. Het aandeel van het werkgelegenheidsbeleid in de totale Vlaamse overheidsuitgaven stijgt hierdoor van 5,7% naar 10%.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
De overdracht van belangrijke arbeidsmarktbevoegdheden naar Vlaanderen geeft de unieke kans om verder te bouwen aan een doordacht, vernieuwend en efficiënt werkgelegenheidsbeleid, dat verder kijkt dan de bestaande instrumenten en maatregelen. Als Vlaamse administratie zien we hierbij volgende grote uitdagingen: Vereenvoudigen: We willen een veelheid aan bestaande maatregelen, elk met hun eigen complexiteit en beheersinstanties, herleiden tot een eenvoudiger, beperkter instrumentarium met meer impact. Om die reden is het behoud van de bestaande maatregelen (de nul-optie zoals uitgewerkt in het Groenboek voor de zesde staatshervorming) geen optie. De overgedragen en bestaande Vlaamse bevoegdheden inzake arbeidsmarktbeleid dienen een coherent geheel te vormen. Waar mogelijk kiezen we voor vereenvoudiging en harmonisering, voor minder maatregelen met meer impact. Op die manier willen we er voor zorgen dat de maatregelen opnieuw herkenbaar en transparant worden voor burgers, klanten en werkgevers, wiens gedrag we willen sturen. Vereenvoudiging is een belangrijk richtinggevend principe voor de hervorming van tal van arbeidsmarktmaatregelen. Vernieuwen: We willen de verschillende bevoegdheden beter dan vandaag kunnen inzetten binnen een arbeidsmodel dat het mogelijk maakt om de sociale zekerheid, het arbeidsrecht en het activeringsbeleid beter op elkaar te laten inwerken. Er is nood aan een nieuw sociaal pact dat op al deze terreinen de overgang maakt van jobzekerheid naar loopbaanzekerheid, en dat afspraken vastlegt voor een gecoördineerde aanpak op alle bevoegdheidsniveau’s. Zo is het bijvoorbeeld onmogelijk om een activerend herstructureringsbeleid uit te bouwen zonder dat het ontslagrecht wordt bekeken, en omgekeerd. Net zoals de sociale zekerheid rekening moet kunnen houden met de activeringsaanpak die vanuit de diverse uitkeringsstelsels werd uitgebouwd of met het bredere loopbaan- en competentiebeleid. Afstemmen: Een nieuw arbeidsmodel voor Vlaanderen vraagt dat hervormingen in de bevoegdheden van diverse overheden beter op elkaar worden afgestemd. We stellen voor dat de toekomstige Vlaamse Regering het initiatief neemt of ondersteunt om afspraken te maken m.b.t. een werkgelegenheidspact tussen de federale overheid en de gewesten op dit vlak. Ook na de zesde staatshervorming blijft immers een groot aantal hefboombevoegdheden op vlak van arbeidsmarktbeleid in handen van de federale overheid. De zesde staatshervorming versterkt bovendien de nood aan afspraken en coördinatie tussen de diverse deelentiteiten. Er moet een meer samenhangend en gecoördineerd beleid kunnen worden gevoerd. In dat opzicht groeit ook de nood aan een intergewestelijk platform dat de Vlaamse overheid toelaat om een aantal knelpunten m.b.t. de uitoefening van bevoegdheden op permanente basis met elkaar te bespreken. Ook binnen de Vlaamse bevoegdheden als onderwijs, werk, inburgering, economie en welzijn streven we naar een meer integraal beleid, dat komaf maakt met de bestaande kokers/silo’s en de stap zet naar een meer projectmatige aanpak.
2.2
Strategische doelstellingen en beleidsvoorstellen
In wat volgt beschrijven we vijf strategische doelstellingen en twaalf strategische beleidsvoorstellen die moeten bijdragen tot de hierboven omschreven visie en missie. We zijn ons er van bewust dat de beschreven beleidsvoorstellen onder dit beleidsthema in dit stadium vooral richtinggevende ideeën zijn die allen
De Werkende Vlaming
bijkomende technische uitklaring en simulaties vragen. Uitgaande van de geest van de voorstellen zoals onder omschreven en gelet op de problematiek van de staatshervorming zullen de twaalf strategische beleidsvoorstellen de komende weken en maanden verder verfijnd worden tot heldere, implementeerbare beleidsopties voor de toekomstige Vlaamse Regering.
SD1. Iedereen aan het werk: inzetten op inzetbaarheid Uit de omgevingsanalyse leren we dat we, om een werkzaamheidsgraad van 76% te bereiken tegen 2020, de talenten van zoveel mogelijk werkzoekenden en niet-beroepsactieven op een veel grotere schaal zullen moeten kunnen inzetten. Alleen al om de vervanging van werkenden die met pensioen gaan te ondervangen, moet ingezet worden op een hogere participatie van de beroepsbevolking. Alle beschikbare arbeidsreserves zullen moeten worden aangesproken: 55-plussers, maar ook mensen die vandaag minder kansen krijgen op de arbeidsmarkt: ongekwalificeerde schoolverlaters, personen met een migrantenachtergrond, mensen met welzijns- en gezondheidsproblemen, laagopgeleiden, … Er is nood aan aangepaste activeringskaders en loonkostarrangementen die de arbeidsmarkt toegankelijker maken voor al deze groepen, en die een verhoogde inzetbaarheid mogelijk maken. Een strikte opvolging en begeleiding van zoveel mogelijk werkzoekenden blijft van fundamenteel belang. Tegelijkertijd moet een arbeidsklimaat worden gecreëerd dat jobs aanmoedigt in plaats van vernietigt. De overheveling van het doelgroepenbeleid biedt alvast de opportuniteit om de aanwervingskansen van groepen met een achterstandspositie, zoals laaggeschoolden, beter te ondersteunen.
Beleidsvoorstel 1:
Een versterkte opvolging en begeleiding van werkzoekenden Met de implementatie van de zesde staatshervorming worden de gewesten bevoegd voor de opvolging van het zoekgedrag van de werkzoekenden. Een goede opvolging is essentieel om de balans te houden tussen de verplichting tot het zoeken van werk en het niet in tijd beperkte recht op werkloosheidsuitkeringen. De VDAB zal dit efficiënter kunnen uitvoeren door deze bevoegdheid volledig te integreren in haar maatgericht bemiddelings- en begeleidingsmodel. Deze keuze komt overeen met de expliciete keuze voor scenario 3 in het Groenboek SHV. Het online competentieportfolio van VDAB ‘Mijn Loopbaan’ bevat van elke werkzoekende gegevens met betrekking tot het aantal bezorgde vacatures, de medewerking aan begeleidings- en bemiddelingsacties, de aanwezigheid op jobdatings, etc. Door deze gegevens te combineren en via datamining gericht te doorzoeken kan het zoekgedrag van elke werkzoekende geanalyseerd worden, wat aanleiding kan geven tot het uitnodigen van werkzoekenden wanneer Mijn Loopbaan aangeeft dat onvoldoende inspanningen worden geleverd. Deze datamining gecombineerd met het verplichtend verwijzen van werkzoekenden naar vacatures en de sollicitatiefeedback van werkgevers vormen samen een sluitende opvolging van het zoekgedrag zonder dat dit bijkomende inzet van VDAB-personeel vergt.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Deze keuze voor een permanente opvolging in het bemiddelingsproces voorkomt ook dat het accent voor de VDAB zou verschuiven van ‘bemiddeling’ naar ‘administratieve controle en opvolging’. In de toekomst moet de VDAB in de eerste plaats op maat kunnen blijven begeleiden naar werk, met als uitgangspunt niet enkel de afstand van de werkzoekende tot de arbeidsmarkt, maar ook zijn/haar troeven voor de arbeidsmarkt. De VDAB moet kunnen blijven instaan voor een passende begeleiding door bemiddeling, opleiding en indien nodig de toeleiding van werkzoekenden naar de verschillende tewerkstellingsmaatregelen. Competenties van werkzoekenden moeten in kaart worden gebracht, net als de nood aan ondersteuning en aandacht voor het groeiperspectief en doorstroommogelijkheden van de werkzoekende. Dit vereist een blijvende innovatie in begeleidingsmethodieken en werkplekleren en een aanhoudende investering in het ‘competentiegerichte’ activeringsmodel. In het activeringsbeleid moeten we daarnaast verder op zoek gaan naar nieuwe vormen van samenwerking en activering om de arbeidsreserves die we vandaag nog niet voldoende aanspreken beter te begeleiden naar jobs. Concreet denken we onder meer aan volgende uitbreidingen:
••
55-plussers: De afgelopen jaren hebben we de systematische begeleiding op maat uitgebouwd tot de leeftijd van 58 jaar. We stellen voor om deze aanpak verder uit te breiden, rekening houdend met de uitbreiding van het samenwerkingsakkoord en de geringe kansen op werk voor werkzoekende 55-plussers. Evaluatie heeft ook aangetoond dat de aanpak de kansen op werk substantieel verhoogt.
••
Ongekwalificeerde schoolverlaters: zie verder.
••
Langdurig werkzoekenden: De curatieve aanpak die werd ingevoerd naar -30jarigen moet worden uitgebreid naar andere leeftijdsgroepen. Zeker personen die na een opleiding opnieuw werkzoekend worden of binnen het jaar hun job verliezen moeten sneller opnieuw in een bemiddelingstraject starten. Het begeleidingsmodel naar langdurige werkzoekenden verdient een make-over zodat het een sluitend maatpak wordt dat inspeelt op de behoeften en competenties van de werkzoekende.
••
Mensen met een welzijnsproblematiek: We geven uitvoering aan het decreet werk- en zorgtrajecten voor personen in armoede of met medische, mentale, psychische of psychiatrische problemen (MMPP). We bieden activeringstrajecten, trajecten maatschappelijke oriëntatie en een aanbod van arbeidsmatige activiteiten. De uitwerking is een gedeelde verantwoordelijkheid van de beleidsvelden Werk, Sociale Economie en Welzijn.
••
Leefloners en bijstandsgerechtigden: De bevoegdheidsoverdracht op vlak van PWA en de programma’s arbeidsmarktbegeleiding voor leefloners en gerechtigden op maatschappelijke bijstand bieden ook hier bijkomende mogelijkheden tot het aanspreken van een groter potentieel.
••
Verborgen arbeidsreserves: Om de arbeidsdeelname te verhogen blijft een globale aanpak op maat noodzakelijk voor de verborgen arbeidsreserve, gaande van niet-beroepsactieven over huismoeders en –vaders die omwille van gebrek aan kinderopvang niet aan de slag zijn tot ‘ondertewerkgestelden’ (bijv. incentives of sensibilisering voor werkenden om hun arbeidsvolume te verhogen).
De Werkende Vlaming
••
Interregionale mobiliteit: Het strekt tot aanbeveling om de aanpak m.b.t. interregionale samenwerking en mobiliteit waar opportuun uit te breiden naar andere werkingsgebieden, zodat ook vacatures vanuit andere regio’s kunnen worden opgenomen (en actief bemiddeld) in de samenwerking met het Brussels Gewest in eerste instantie. De eerste stappen hiertoe werden reeds ondernomen door de VDAB.
Als noodzakelijke randvoorwaarde binnen de diverse uitbreidingsmodules zien we de nood aan gemeenschappelijke kaders en afspraken met andere beleidsdomeinen. Aan de ene kant reikt de vereiste expertise m.b.t. de problematiek soms verder dan de traditionele bemiddelingsactiviteiten (vb. problemen van medische, mentale, psychische of psychiatrische aard). Aan de andere kant passen vormen van competentieversterking en begeleiding (werkplekleren, begeleiding op de werkvloer, stages,...) niet zelden in andere begeleidingstrajecten (inburgering, bijzondere jeugdzorg,...). Deze samenwerking met andere beleidsdomeinen heeft een meerwaarde wanneer vertrokken wordt van een respect voor elkaars expertise en geïnvesteerd wordt in een gezamenlijk project. Idealiter reserveert elk beleidsdomein een budget voor beleidsoverschrijdende werking zodat gezamenlijke proeftuinen op dit vlak opgezet kunnen worden. Op lokaal vlak moet worden bekeken, al dan niet in co-regie met de steden en gemeenten, of bijkomend kan ingezet worden op een versterking van het lokaal werkgelegenheidsbeleid door een afstemming van dergelijke lokale projecten en actoren (zie hoofdstuk m.b.t. slagkrachtige overheid).
Beleidsvoorstel 2:
Een vereenvoudiging van de tewerkstellingsmaatregelen De studie van Idea-Consult over de tewerkstellingsmaatregelen (september 2013) toont aan dat het ongewijzigd voortzetten van het beleid na de overdracht van bevoegdheden geen zinvolle optie is aangezien het in combinatie met de Vlaamse maatregelen de complexiteit enkel zou verhogen. De studie pleit o.a. voor een beperkter instrumentarium en een heroverwegen van de doelgroepen. Het voorstel hierna wil daaraan tegemoetkomen rond twee centrale ideeën die opties 3, 4 en 6 in het kader van Groenboek voor de staatshervorming combineren:
••
De RSZ-korting focussen op laaggeschoolden
Door hun blijvend zeer groot aandeel in de werkzoekendenpopulatie en de mismatch tussen jobvraag en -aanbod is het activeren van laaggeschoolden een grote uitdaging voor de overheid. Specifieke maatregelen om het jobaanbod voor de kortgeschoolden te verhogen zijn dan ook aangewezen. We pleiten hierbij in eerste instantie voor een laagdrempelige en eenvoudige maatregel die toegankelijk is voor alle werkgevers. De regionalisering biedt de opportuniteit om een Vlaams antwoord te geven op deze uitdaging via het instrument van de RSZ-korting voor doelgroepen. Met een RSZ-korting voor laaggeschoolden willen wij werkgevers motiveren om deze mensen lokaal aan te werven. Door scholingsgraad als primaire invalshoek te nemen bereiken we meteen ook een groot segment van de werkzoekenden die moeilijker activeerbaar blijken zoals de langdurig werkzoekenden en de allochtonen. Dit wordt ondersteund door de cijfers. Eind november 2013 zijn er 104.142 laaggeschoolde werkzoekenden. Dit komt overeen met 46% van alle NWWZ, maar met 53% van alle allochtonen, 54% van alle 50-plussers,
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
57% van alle (zeer ) langdurig werkzoekenden (+ 2 jaar) en 70% van alle arbeidsgehandicapten. Ervan uitgaande dat hun afstand tot de arbeidsmarkt overbrugd kan worden stellen we in eerste instantie een tijdelijk pakket voor. Dit neemt niet weg dat de duur en de hoogte van de tussenkomsten indien nodig gemoduleerd kunnen worden al naar gelang bepaalde categorieën. Dit scenario heeft als voordeel dat het administratief een vereenvoudiging impliceert naar de bedrijven, dat complexe regelingen voor specifieke doelgroepen worden vermeden en dat de RSZ-bevoegdheid wordt ingevuld als een structurele Vlaamse maatregel die het doelgroepenbeleid wel versterkt. In recent onderzoek (Breemersch en Conincks, 2013) werd bovendien aangetoond dat een gerichte lastenverlaging op laaggeschoolden meer banen creëert en bovendien ook meer terugverdieneffecten oplevert, gelet op de gevoelig hogere elasticiteit van de vraag naar arbeid voor laaggeschoolde arbeid.
••
Een complementair ondersteuningspakket voor transities naar werk
Complementair aan de inspanningen om het jobaanbod voor laaggeschoolden te verhogen, blijft nood aan een gerichte ondersteuning voor mensen met een bepaalde afstand tot de arbeidsmarkt (scholingsgraad, leeftijd, arbeidsbeperking,…). Om dit efficiënt en effectief te organiseren zal de wirwar aan bestaande maatregelen (zowel federaal als Vlaams) geëvalueerd en geheroriënteerd moeten worden naar een toegankelijk, eenduidig en transparant ondersteuningspakket. In dit ondersteuningspakket zien we 4 mogelijke modules die afhankelijk van de nood van de werkzoekende al dan niet samen ingezet kunnen worden om een duurzame inschakeling te realiseren: een competentieversterkende opleiding, een Vlaamse loonpremie –om, al dan niet tijdelijk, een rendementsverlies te compenseren, een vorm van begeleiding op de werkvloer en/of waar nodig een arbeidspostaanpassing. We pleiten ervoor om deze ondersteuning mogelijk te maken bij alle werkgevers, maar enkel maatgericht in te zetten voor die werkzoekenden die er echt nood aan hebben. Op die manier kan de overheid de transitie van werkloosheid naar werk faciliteren, maar ook bij andere transities zoals herstructurering ondersteuning bieden. Om de langdurige werkloosheid niet verder te doen stijgen, zal ook bijzondere aandacht voor de allerzwaksten noodzakelijk blijven. Een structureel ondersteuningspakket is voor hen een noodzakelijke voorwaarde om aan het werk te kunnen gaan en blijven. Willen we deze mensen activeren dan zal een uitbreiding van het aantal maatwerkplaatsen noodzakelijk zijn. De regionalisering biedt de mogelijkheid om hier een antwoord op te formuleren door zowel in de reguliere arbeidsmarkt (individueel) als in de sociale economie (collectief) bijkomende maatwerkplaatsen te voorzien.
Beleidsvoorstel 3:
Een leerwerkgarantie realiseren voor jongeren Uit de omgevingsanalyse leren we dat een groeiend aandeel jongeren de band met de arbeidsmarkt dreigt te missen. Zowel het aandeel NEET-jongeren en de ongekwalificeerde uitstroom als de arbeidsmarktkansen volgens scholing (horizontaal/verticaal) wijzen op een moeizame aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Als antwoord op deze “aansluitingsproblemen” en in functie van een startkwalificatie voor eenieder, willen we meer werkplekleren en alternering in het onderwijs én op de arbeidsmarkt.
De Werkende Vlaming
In eerste instantie vertaalt zich dit in het toewerken naar een geïntegreerd duaal stelsel van leren en werken, dat beleidsmatig en maatschappelijk als gelijkwaardig wordt beschouwd met alle andere vormen van secundair onderwijs en dat perspectief biedt voor jongeren én ondernemers. Het stelsel dat we voorstellen, en dat op dit moment het deeltijds beroeps secundair onderwijs (DBSO) en de leertijd omvat, zou werken op basis van één geharmoniseerd type van leerovereenkomst waarin zowel de leer- als de werkcomponent wordt geregeld, en waarin meer aandacht wordt besteed aan opleiding op de bedrijfsvloer, een sterker uitgebouwde regie vanuit de wereld van Werk m.b.t. de screening, toeleiding en begeleiding op de werkvloer, een goede inhoudelijke koppeling van de leer- en werkcomponent en toeleiding naar duurzame tewerkstelling nadien. Een garantie op werkervaring en dus arbeidsdeelname moet hierin centraal staan en is altijd het 1ste streven, pas nadien wordt alternatieve invulling van het voltijds engagement overwogen. Arbeidsdeelname definiëren we hier in eerste instantie als tewerkstelling in een optimale leeromgeving vanuit een duidelijke regie gebaseerd op gestructureerd overleg tussen onderwijs en werk. Via flankerende incentives en afspraken met sectoren worden bedrijven ertoe aangespoord om voldoende kwaliteitsvolle werkplekken aan te bieden. Al deze initiatieven samen moeten ertoe bijdragen dat het voltijds engagement voor deeltijds lerenden verzekerd wordt, in eerste instantie voor arbeidsrijpe jongeren en met bijkomende engagementen en afspraken naar niet arbeidsrijpe jongeren die via andere wegen kunnen voorbereid worden op een eventuele leerovereenkomst. Door een betere samenwerking tussen onderwijs en werk wordt het voltijds engagement een afdwingbaar recht. Dit alles dient te gebeuren via een grondige hervorming van het huidige landschap, wat een bijsturing van het huidige decreet leren en werken impliceert. Belangrijke hefbomen binnen deze hervorming zijn de overheveling van de werknemersleerovereenkomst (stelsel leerlingenwezen), de beroepsinlevingsovereenkomst (BIO) en de start- en stagebonus in het kader van de 6de staatshervorming. Binnen het kader van de hervorming van het secundair onderwijs willen we daarnaast de piste om diverse vormen van werkplekleren meer in te bedden in andere onderwijsniveaus mee ondersteunen en realiseren vanuit het beleidsdomein Werk, met focus op de beroepsgerichte opleidingen binnen het TSO en BSO (3e graad). We onderzoeken ook hoe een kennismaking met de werkvloer andere opleidingen (HBO5, hoger onderwijs, SE-n-SE, e.a.) kan versterken. De beleidsdomeinen onderwijs en werk dienen hier de handen in elkaar te slaan samen met de sectorale sociale partners en de bedrijfswereld om passende prikkels uit te denken en zo de bedrijfswereld klaar te stomen voor de (Europese) evolutie van steeds meer alternering en werkplekleren. We onderzoeken hoe we hier vanuit de overheid een faciliterende rol in kunnen spelen (vb. sensibiliseren, arbeidsmarktgerichte implementatie van de verplichte stages, ondersteuning federale 1% stageverplichting,…). Tot slot willen we afhakers, ongekwalificeerde en laaggekwalificeerde jongeren een tweede kans aanreiken o.a. via onderwijskwalificerende trajecten, combinaties van opleidings- en werkprogramma’s en een betere attestering van competenties. Dit betekent dat zij-instroom in het regulier onderwijs, onderwijskwalificerende opleidingstrajecten (OKOT), ondernemerschapstrajecten, stageovereenkomsten en specifieke beroepsopleidingen in de onderneming verder zullen moeten worden verkend en uitgebreid om zoveel mogelijk jongeren werkervaring te laten opdoen in een reële bedrijfsomgeving via werkplekleren. De inkanteling van het vrijstellingenbeleid voor uitkeringsgerechtigde werklozen in het kader van de
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
zesde staatshervorming past ook in dit kader. We willen certificering systematisch inbouwen binnen de trajecten, competenties zichtbaar maken en waar nodig attesteren. Als noodzakelijke randvoorwaarde zetten we een beleidsdomeinoverschrijdend kader op (onderwijs – welzijn - justitie – werk) voor warme overdracht, casemanagement en nazorg om arbeidsmarkttransities bij de start van de loopbaan in goede banen te leiden. Op lokaal niveau is bijzondere aandacht noodzakelijk voor de uitgesproken hogere jeugdwerkloosheid en ongekwalificeerde uitstroom in de grootsteden en voor de jongeren uit de kansengroepen. Een eerste sleutel tot succes hiertoe is dat de respectievelijke grootsteden meteen van bij de start betrokken worden bij de beleidsvoorbereiding en hervormingen (zie hoofdstuk m.b.t. slagkrachtige overheid). Er zullen extra impulsen nodig zijn om via versterkende partnerschappen op het terrein een extra boost te geven aan de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Er zal vanuit eenzelfde visie hoe dan ook steviger moeten samengewerkt worden tussen de verschillende actoren (scholen, SYNTRA, consulenten evenredige arbeidsdeelname en diversiteit - EAD, stadsmanagers VDAB, Regionale overlegplatformen – ROP,…) De finale doelstelling van al deze acties samen bestaat erin dat Vlaamse jongeren (tot 25 jaar) hetzij een opleiding volgen, hetzij werken hetzij beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, ingepast in een breder traject naar duurzame tewerkstelling. Zo brengen we jongeren gewapend op de arbeidsmarkt.
SD2. Vraag en aanbod op de arbeidsmarkt dichter bij elkaar brengen Uit de omgevingsanalyse leren we dat de Vlaamse arbeidsmarkt in de toekomst te maken krijgt met een belangrijke schaarste aan geschikte arbeidskrachten en een problematische matching van vraag en aanbod. Heel wat werkgevers en sectoren kijken aan tegen een ‘zware’ vervangingsvraag, een opdrogende arbeidsreserve en een economische transformatie die andere, soms nieuwe competenties vraagt. Ook de ondernemerspopulatie zelf vergrijst en er is niet altijd opvolging voorzien, wat een belangrijke impact zal hebben op het KMO-landschap in Vlaanderen. Om aan al deze uitdagingen tegemoet te komen, werken we in de richting van een volwaardige ondersteuning van de vraagzijde op onze arbeidsmarkt. Dit betekent dat we kiezen voor de uitbouw van een versterkte werkgeversservice, in samenwerking met private en intermediaire partners, om vacatures sneller, competentiegerichter en op maat in te vullen. Werkgevers worden via deze service ondersteund in hun aanwervingsgedrag dat waar nodig bijgesteld wordt in de richting van meer haalbare targets/ competentievereisten. Het competentiegericht matchen vormt de leidraad waarrond deze dienstverlening verder kan worden uitgebouwd. Ook met een gerichte sectorale aanpak willen we de vele vervangings- en uitbreidingsvacatures in tijden van arbeidsschaarste, beter kunnen invullen. De hardnekkigheid van de problematiek vraagt een massieve investering in de omscholing en (her)oriëntering van werknemers naar nieuwe, toekomstgerichte sectoren en beroepsactiviteiten (groene economie, zorgsector, …). Arbeidsmigratie vormt het sluitstuk van de aanpak om de match tussen vraag en aanbod op de Vlaamse arbeidsmarkt te verbeteren, naast het verhogen van het aanwezige arbeidspotentieel op de Vlaamse en de Belgische arbeidsmarkt (verhogen van de interregionale mobiliteit) en het in goede banen leiden van
De Werkende Vlaming
de intra EU-migratie (waar het vrij verkeer van werknemers telt). De zesde staatshervorming geeft de gewesten de kans om het arbeidsmigratiebeleid van derdelanders te moderniseren om zo, waar er geen reserves meer inzetbaar zijn, tegemoet te komen aan de realiteit van de knelpunteconomie.
Beleidsvoorstel 4:
Een competentiegerichte uitbouw van de arbeidsmarktdienstverlening De invoering van het competentiegericht matchen betekende een mijlpaal in de uitbouw van een Vlaams loopbaan- en competentiebeleid. Het systeem, dat voor elk beroep en elke werkzoekende de competenties in kaart brengt, maakt het immers mogelijk om de mismatch weg te werken tussen de competenties van werkzoekenden en de competenties gezocht door de bedrijven. De hele arbeidsmarktdienstverlening kan hierdoor veel (competentie)gerichter uitgebouwd en bijgestuurd worden, met gebruiksvriendelijke en vernieuwende toepassingen die zowel werkenden, werkzoekenden als werkgevers stimuleren om loopbanen vorm te geven. De voorbije regeerperiode werd aanzienlijk ingezet op de invoering van het competentiegericht matchen en de koppeling van Mijn Loopbaan en Competent. Alle maatregelen moeten nu worden getroffen om ervoor te zorgen dat deze investering kan leiden tot vernieuwende arbeidsmarktgerichte toepassingen, die vraag en aanbod dichter bij elkaar brengen. Op termijn verandert hierdoor het hele activerings- en opleidingsbeleid, met competenties van personen, veeleer dan categorieën, als ruggengraat. Een blik vooruit op de toepassingen waarop versterkt zou ingezet kunnen worden:
••
Op het niveau van de burger
Op basis van zijn competentieprofiel krijgt de werk(zoek)ende in Mijn Loopbaan meteen zicht op de beroepen en vacatures, waarvoor men de juiste competenties bezit. De werkzoekende krijgt automatisch een traject uitgestippeld om de benodigde competenties te verwerven. Dit vormt de basis voor een Persoonlijk OntwikkelingsPlan (POP), dat volledig in Mijn Loopbaan geïntegreerd wordt. In Mijn Loopbaan worden vervolgens relevante opleidingen voorgesteld. Indien hij of zij dit wenst kan dit traject besproken worden met een begeleider van VDAB of een partnerorganisatie. Om dit te verwezenlijken kunnen we via partnerschappen en koepelorganisaties alle opleidingsverstrekkers aansporen om in Mijn Loopbaan de competenties aan te geven die in de aangeboden opleidingen worden aangeleerd. Het geheel van deze functionaliteiten betekent voor de bemiddeling en begeleiding van werk(zoek)enden een belangrijke efficiëntiewinst. Zowel werk(zoek)ende als consulent hebben snel een goed zicht op wat de mogelijkheden zijn en kan bijgevolg meer bewuste loopbaankeuzes maken.
••
Op het niveau van de werkgever
Ook de selfservice voor werkgevers die hun vacature plaatsen bij VDAB kan hierdoor gebruiksvriendelijker gemaakt worden en voorzien worden van bijkomende functionaliteiten. Het gezochte competentieprofiel voor de vacature kan door de werkgever op maat van de functie samengesteld worden en het online matchingssysteem kan automatisch de kandidaten suggereren met het best matchende competentieprofiel. Indien er slechts weinig kandidaten zijn die goed matchen geeft het systeem die kandidaten weer die mits een bepaalde bijscholing of mits werkplekleren wel in aanmerking komen.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Ook kunnen werkgevers die een nieuwe vestiging plannen eenvoudig in onze databanken opzoeken waar de profielen wonen die ze wensen aan te werven en hen contacteren. Door deze nieuwe functionaliteiten toe te voegen wordt het voor bedrijven aantrekkelijker om vacatures bij VDAB te publiceren. De werkgever kan kiezen in welke mate ondersteuning gewenst wordt. Indien een vacature 60 dagen open staat zal er vanuit de VDAB persoonlijk contact genomen worden met een voorstel tot ondersteuning. De VDAB zal dan samen met de werkgever bekijken of via het herbepalen van de gezochte competentiemix, via werkplekleren of via een opleidingstraject niet meer geschikte kandidaten gevonden kunnen worden. Het is de uitdrukkelijke bedoeling dat deze dienstverlening naar werkgevers uitgebouwd wordt in samenwerking met partners op alle echelons.
••
Op het niveau van de sectoren
Intussen moet verder werk worden gemaakt van een sectorale aanpak naar knelpuntsectoren en economische groeipolen. In samenwerking met sectororganisaties, onderwijs- en opleidingsverstrekkers en intermediairen worden werkzoekenden (en werkenden) klaargestoomd om duurzaam aan de slag te gaan in deze sectoren en activiteiten. We willen inzetten op een sterk sectoraal competentiebeleid dat tegelijk ook intersectorale samenwerking verder stimuleert (op vlak van gemeenschappelijke uitdagingen als knelpuntvacatures, STEM,…) en dat de bestaande afsprakenkaders (o.a. de sectorconvenants, de sectorale meerjarenplannen met de VDAB, onderwijsconvenants) optimaliseert, sterker positioneert en versterkt ten goede van het ganse werkgelegenheidsbeleid. De meest geïntegreerde uiting van deze sectorale aanpak zijn de Excellente Partnerschappen. Door zich expliciet te organiseren richting een bepaalde sector, ontstaat een kruisbestuiving tussen de samenwerkende partners, waardoor gemakkelijker de nodige expertise en kennis van de sectorspecifieke eisen en knelpunten wordt doorgegeven en een betere service geboden kan worden aan zowel bedrijf als werk(zoek)ende. We blijven in het bijzonder ook inzetten op het ontwikkelen en het versterken van ondernemerscompetenties voor werkzoekenden, werkenden en kansengroepen, met inbegrip van flankerende omkadering (taal- en leercoaching, …) op maat van de cursist. Hierbij zetten we versterkt en prioritair in op de ontwikkeling en implementatie van nieuwe leertechnologieën die het mogelijk maken dat cursisten meer op maat en zelfgestuurd hun traject doorlopen. We hebben in de aanpak van dit alles oog voor de specifieke noden naar ondersteuning van micro-ondernemingen en KMO’s.
••
Op het niveau van de opleidingsverstrekkers
Als sluitstuk van het beleidsvoorstel om de arbeidsmarktdienstverlening competentiegerichter uit te bouwen moedigen we publieke en private opleidingsverstrekkers aan •• Om hun opleidingstrajecten zoveel mogelijk competentiegericht te organiseren waarbij zowel ingespeeld wordt op competentieprofielen van burgers als op de actuele en toekomstig gevraagde competenties op de arbeidsmarkt. •• Om diverse flexibele organisatievormen te verkennen (blended learning, e-leren, inschakelen van de werkplek als leeromgeving, …) •• Om indien wenselijk, competenties verworven tijdens het opleidingstraject (dan wel in een informele of niet-formele context) zichtbaar te maken en te attesteren •• Om kwaliteit in functie van de mogelijkheid om te attesteren cfr de Vlaamse kwalificatiestructuur.
De Werkende Vlaming
Hiertoe wordt, in afstemming met het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, werk gemaakt van een kwaliteitskader voor publieke en private opleidingsverstrekkers. Op die manier werken we, waar mogelijk en opportuun, toe naar een kwalificerend aanbod binnen de krijtlijnen van de kwalificatiestructuur.
••
Arbeidsmigratie
Binnen een vraaggestuurd arbeidsmigratiebeleid kunnen drie pistes worden gehanteerd. Een eerste piste is een aantrekkelijk arbeidsmigratiebeleid voor hooggeschoolden, waarbij de vrijstelling van arbeidsmarktonderzoek behouden blijft. Ook de studiekaart kan worden ingezet voor het aantrekken van buitenlandse studenten voor die studierichtingen waar de Vlaamse arbeidsmarkt de grootste nood aan afgestudeerden ervaart. De tweede piste is de opmaak van een migratieknelpuntberoepenlijst voor die midden geschoolde knelpuntberoepen, waarvoor bepaald wordt dat arbeidsmigratie gewenst is. Dit is een dynamisch lijst die in functie van huidige en toekomstige vraag en aanbod op onze arbeidsmarkt kan worden bijgesteld. Een derde piste betreft een restrictief systeem voor laaggeschoolde en middengeschoolde profielen waarvoor geen tekorten zijn. Toegang tot de Vlaamse arbeidsmarkt wordt dan slechts uitzonderlijk bekomen op basis van een arbeidsmarktonderzoek. De eerste twee pistes worden vandaag reeds verkend. We stellen voor dat ook de derde piste in de toekomst zou kunnen worden verkend, uitgaande van een concentrisch bemiddelingsmodel. Hierin wordt steeds rekening gehouden met het aanwezige arbeidspotentieel in de directe nabijheid van de werkgever en wordt er primair bemiddeld met Vlaamse werkzoekenden. Vervolgens wordt er binnen België over de gewesten heen gekeken naar potentiële Waalse en Brusselse kandidaten. Als de vacatures van de Vlaamse werkgever ook met deze kandidaten niet ingevuld kunnen worden, kan er ten slotte ook over de landsgrenzen heen bemiddeld worden, in de eerste plaats binnen de EU. Hieromtrent zou worden gecommuniceerd en gesensibiliseerd naar de werkgever, zodat geen afzonderlijk arbeidsmarktonderzoek meer moet gebeuren wanneer deze werkgever een arbeidsvergunning voor een arbeidsmigrant van buiten de EU aanvraagt.
SD3. Loopbanen en transities beter omkaderen De omgevingsanalyse leert dat Vlaamse werkenden relatief goed opgeleid zijn, maar dat ze vaardigheden doorheen de loopbaan relatief beperkt onderhouden. De tijd dat mensen dezelfde job gedurende hun ganse loopbaan uitoefenden lijkt voorbij. In de plaats daarvan komt een meer flexibele loopbaan, waarbinnen mensen diverse transities maken van werk naar werk, maar evengoed naar zorg, opleiding, etc. Loopbanen worden dus steeds minder voorspelbaar. Daarenboven verlopen al deze transities vandaag niet even geruisloos of zijn ze even gewenst, denk hierbij maar aan bedrijven in herstructurering of personen in tijdelijke werkloosheid. Dit alles maakt dat een aangepast beleidsinstrumentarium noodzakelijk is om op deze loopbaanschokken in te spelen. Het instrumentarium naar werkenden zal dus meer gefocust worden op deze vrijwillige en onvrijwillige transities gedurende de loopbaan, waarbij (interne en externe) mobiliteit aangemoedigd wordt, waarbij werkenden zeker op scharniermomenten nadenken over hun loopbaan. Ook zal nog sterker ingezet worden op het erkennen, zichtbaar maken en versterken van eenieders competenties.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Deze ondersteuning wordt doorgetrokken tot en met de uitbouw van een geïntegreerd strategisch HR-beleid dat het bedrijf op maat kan wapenen voor de uitdagingen van de toekomst: innovatieve arbeidsorganisatie, kwaliteit van het werk, een cultuur van diversiteit, een degelijke combinatie van werk, gezin en zorg voor werknemers, competentiegericht werken, …
Beleidsvoorstel 5:
Een vereenvoudiging van de opleidingsincentives Vanuit een brede kijk op competentieversterking willen we de bestaande incentives m.b.t. opleiding of EVC uitbouwen rond de belangrijkste drempels die mensen ervaren op dit vlak: tijd (in de ruime zin, ook afstemming werk/gezin), kostprijs en leercultuur. Er is ook nood aan meer maatwerk en meer efficiëntie. Het voorstel is om de vier opleidingsincentives binnen het beleidsdomein WSE (opleidingscheques, betaald educatief verlof –BEV-, de aanmoedigingspremie voor opleiding en het verlof sociale promotie) en hun middelen te bundelen en te hervormen tot twee nieuwe incentives: de eerste incentive speelt in op de financiële drempel bij het volgen van een opleiding en de tweede incentive wil lerenden tijd geven, zodat ze werk en gezin beter kunnen afstemmen. Deze incentives zullen ingezet kunnen worden voor een breed palet van competentieontwikkeling –en versterking (EVC, opleiding, …) en zullen afgestemd worden op de noden van de werkende. Het voorstel komt overeen met scenario’s 3 en 4 in het Groenboek m.b.t. de zesde staatshervorming. Binnen de twee stelsels willen we meer selectiviteit inbrengen. In het tijd-gerelateerde stelsel lijkt het, ook al gelet op de financiële inbreng door werkgevers, opportuun om arbeidsmarktgerichte opleiding voorrang te geven. In het geld-gerelateerde stelsel kan laag- en middengeschooldheid een opportuun selectie-criterium zijn, gelet op de geringe opleidingsdeelname van laaggeschoolden in Vlaanderen (cf. ook opleidingscheques) en rekening houdend met keuzes die gemaakt worden in het inschakelingsinstrumentarium (cf. RSZ-korting voor laaggeschoolden). Over de stelsels heen moet worden gewaakt over een goed bereik van werkenden in transitie, m.n. werknemers uit krimpsectoren, tijdelijke werklozen of werkenden waarvan het bedrijf herstructureert, werkenden die zich willen heroriënteren, werkenden die een (eerste of hogere) kwalificatie willen behalen (inhalen) of gefailleerden. De hele hervorming moet worden doorgevoerd in samenspraak met het beleidsdomein Onderwijs zodat overlap tussen bestaande incentives vermeden kan worden en de diverse incentives complementair zijn. Om de transparantie naar de burger nog meer te faciliteren, wordt voorgesteld dat alle incentives voor werkenden (niet enkel de opleidingsincentives) in één loket, de loopbaanwinkel, kunnen aangevraagd worden. Burgers moeten hier ook, bijv. op scharniermomenten, terecht kunnen met vragen over hun loopbaan, voor adviesgesprekken of doorverwijzing naar een gespecialiseerde loopbaanbegeleiding. Mijn loopbaan (zie eerder) moet verder worden uitgebouwd als digitale toegangspoort voor de burger.
De Werkende Vlaming
Beleidsvoorstel 6:
Geharmoniseerde groeiplannen voor een HR-beleid in verandering Om ook bedrijven aan te moedigen om te investeren in mensen en hun competenties, pleiten we voor een geharmoniseerde ondersteuning die moet toelaten dat meer bedrijven en organisaties de stap zetten op weg naar een strategisch HR- en organisatiebeleid. We willen de middelen bundelen in 1 krachtig instrument op vlak van duurzaam personeelsbeleid: de groeiplannen. De groeiplannen die we voorstellen zijn in feite een vereenvoudiging van alle maatregelen binnen het beleidsdomein WSE naar bedrijven: ESF-oproep mensgericht ondernemen, de loopbaan-en diversiteitsplannen, … Er wordt ook gestreefd naar een betere complementariteit met het bestaande economische instrumentarium (zie hoofdstukken open ondernemer en innovatiecentrum Vlaanderen). Om bedrijven te overtuigen om een groeiplan op te starten, kan gewerkt worden met plannen van diverse niveaus (light, medium, sterk) waarbij de huidige financiële impuls beter wordt afgesteld op de noodzakelijke gradatie van ondersteuning. Afhankelijk van de grootteorde van het budget kan ervoor gekozen worden om deze maatregel selectiever in te zetten. Er wordt gedacht aan bedrijven op een kantelmoment, KMO’s en/of het gebruik van een organisatiescan als mogelijke selectiecriteria om de (graad van) ondersteuning en/of toegang tot de plannen te bewaken. Het instrumentarium wordt tenslotte beter gepromoot dan vandaag. Via diverse kanalen en netwerken tussen bedrijven wordt actiever reclame gemaakt voor de groeiplannen. Het netwerk van overheidsconsulenten wordt vanuit dat licht herbekeken en ingezet.
Beleidsvoorstel 7:
Dienstencheques prioritair inzetten in de combinatie van arbeid en gezin De regionalisering van dienstencheques biedt de mogelijkheid om een blijvende impuls te geven aan de werkzaamheidsgraad door de werkenden te ondersteunen in hun combinatie arbeid-privé. De dienstencheques zijn ook een belangrijke tewerkstellingsmotor gebleken voor laaggeschoolde arbeid. In die zin willen we het instrument behouden, maar op verschillende punten wijzigen in functie van de budgettaire beheersbaarheid en effectiviteit (optie 2 in het Groenboek staatshervorming). We willen er hierbij uitdrukkelijk over waken dat de oorspronkelijke doelstellingen van het systeem als, met name een goede combinatie van arbeid en gezin, de tewerkstelling van laaggeschoolden en de strijd tegen het zwartwerk, de belangrijkste uitgangspunten tot hervorming blijven.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
SD4. Alle hens aan dek voor een inclusieve arbeidsmarkt Het Vlaamse beleid naar kansengroepen bevindt zich op een scharniermoment. Zowel in het sluitend maatpak als in het EAD-beleid hebben we de afgelopen jaren de evolutie gezien van een lineaire doelgroepenbenadering naar een competentiegerichte loopbaanbenadering, waarin begrippen als “maatwerk” en “afstand tot de arbeidsmarkt” zijn gaan primeren op categoriale doelgroepkenmerken. De verbreding van de diversiteitsplannen, de overstap naar het sluitend maatpak en het afstappen van labels die automatisch toegekend worden aan doelgroepen zijn maar enkele van de ontwikkelingen die deze verschuiving illustreren. Tegelijkertijd stellen we vast dat de grote achterstand in de werkzaamheidsgraad van die klassieke doelgroepen (allochtonen, personen met een arbeidshandicap, ouderen, …) hardnekkig blijft bestaan, en dat “doelgroepenlabels” nog steeds gehanteerd worden in de dagelijkse praktijk. Daarom willen we de ingeslagen weg naar een breed loopbaan- en competentiebeleid verder bewandelen. We streven hierbij naar een inclusieve arbeidsmarkt die kansen geeft aan kwetsbare groepen. Toch willen we enkele hefbomen verkennen die de arbeidsmarktpositie van kansengroepen kunnen versterken, in die probleemsituaties waar ze aan de orde zijn. In het bijzonder voor personen met een migratie-achtergrond is een inhaalbeweging aan de orde. We beogen ook een meer dwingende monitoring, opvolging en handhaving van de arbeidsmarktsituatie van kansengroepen.
Beleidsvoorstel 8:
De band tussen taal en werk versterken Uit de omgevingsanalyse leren we dat er bijkomende inspanningen nodig zijn om de doelstellingen met betrekking tot de tewerkstelling van allochtonen te realiseren. We kijken daarbij ook naar de groep anderstaligen. We weten dat één van de belangrijkste knelpunten om de tewerkstelling van deze groep te realiseren op vlak van hun taalvaardigheden ligt, en dat er talrijke uitdagingen zijn met betrekking tot de instroom van anderstaligen bij VDAB, hun doorstroom binnen VDAB en hun uitstroom naar werk. De aansluiting tussen taalvaardigheden en tewerkstelling bevindt zich op het kruispunt tussen de domeinen Inburgering en Integratie, Werk en Onderwijs. Daarom is het essentieel om de uitdaging vanuit de synergie tussen de drie domeinen aan te pakken. Dit doen we op de eerste plaats door naar een structureel onderbouwde dialoog te streven tussen de drie betrokken regisseurs en de aanbodverstrekkers: EVA inburgering en integratie, Huizen van het Nederlands, VDAB, CBE en CVO, …. Aan de hand van die dialoog pakken we de huidige knelpunten aan: de afstemming tussen regisseurs, de uitval van nieuwkomers met een professioneel perspectief en het afstemmen van de vraag naar en het aanbod van NT2 voor werkenden en werkzoekenden, … De samenwerking tussen de regisseurs en de aanbodverstrekkers gebruiken we als springplank om het leren van Nederlands structureel dichter te brengen bij de inschakeling van anderstaligen op de arbeidsmarkt op Vlaams niveau. Dit doen we aan de hand van innovatieve oplossingen die we in eerste instantie vinden in de huidige (vaak experimentele) samenwerkingsverbanden tussen de NT2-aanbodverstrekkers, VDAB en andere actoren op lokaal vlak. Voorbeelden hiervan zijn geïntegreerde opleidingstrajecten waar het volgen van NT2-opleidingen gebeurt tijdens het volgen van een beroepsopleiding of het functioneren op de werkvloer.
De Werkende Vlaming
Tenslotte bouwen we, in het kader van de samenwerking tussen de drie regisseurs en de aanbodverstrekkers, aan taal- en tewerkstellingstrajecten (T²) van anderstaligen, aan de hand van de formulering van een duidelijke beleidsvisie, zodat elke actor zijn acties op gemeenschappelijke doelstellingen baseert. Die visie vertalen we verder in een duidelijke monitoring en evaluatiestrategie, waarbij we verder afstemmen met de domeinen Inburgering en Integratie en Onderwijs. De beleidsaanbevelingen van de derde rondetafelconferentie NT2 dienen uitvoering te krijgen tijdens de volgende legislatuur.
Beleidsvoorstel 9:
Nieuwe accenten leggen in het kansengroepenbeleid Het diversiteitsbeleid van de toekomst moet beter gericht worden op lokale/stedelijke situaties en problematieken en moet meer meetbaar en afdwingbaar worden dan vandaag.
••
De lokale invalshoek versterken
Een belangrijke focus in het streven naar evenredige arbeidsdeelname komt te liggen op actiegerichte samenwerking over beleidsdomeinen heen in de groot- en centrumsteden. Vertrekkende van bestaande overleg- en actieplatformen worden ‘stadsconferenties werk’ georganiseerd, met als doel bestaande instrumenten en middelen efficiënter en effectiever in te zetten en beter op elkaar te laten aansluiten, en te onderzoeken hoe en waar nieuwe acties en middelen kunnen gegenereerd worden. De ‘stadsconferenties werk’ betrekken ook het brede (lokale en subregionale) middenveld, en monden ook uit in een efficiënte set van categoriale acties die zich richten op lokaal sterk ondervertegenwoordigde categorieën van mensen en die het inclusieve beleid aanvullen. Voor dergelijke categoriale acties kunnen middelen gevonden worden door onder andere bestaande categoriale programma’s (ook die welke in het kader van de zesde staatshervorming overkomen) te heroriënteren (voorbeeld: het Impulsfonds migrantenbeleid, het loopbaan- en diversiteitsbeleid).
••
De meetbaarheid verhogen
We hanteren een jaarlijkse ‘loopbaan- en diversiteitsmonitor’ op Vlaams niveau (gebaseerd op de Monitor Werk en Sociale Economie, VDAB-gegevens, rapportages over de structurele projecten, de sector- en regioconvenants, de diversiteitsplannen en andere bronnen) als basis om het jaarlijkse groeiscenario naar evenredige arbeidsmarktparticipatie (Pact 2020) verder te concretiseren, ook in absolute aantallen.
••
De afdwingbaarheid vergroten
In alle gesubsidieerde acties/maatregelen die direct of indirect als doel hebben de evenredige participatie op de Vlaamse arbeidsmarkt te bevorderen onderzoeken we of het mogelijk en effectief is om het uitbetaalde subsidiebedrag te koppelen aan de behaalde resultaten op vlak van de afgesproken targets. In het kader van het actieprogramma Duurzame overheidsopdrachten voeren we overal waar mogelijk een sociale clausule in betreffende inschakeling/opleiding van kansengroepen. Een dynamisch Actieplan Bestrijding Arbeidsgerelateerde Discriminatie (ABAD) blijft het centrale instrument voor het voorkomen en bestrijden van de verschillende vormen van arbeidsgerelateerde discriminatie, waarbij we zowel inzetten op informeren/ondersteunen/voorkomen als op handhaving. In het voorkomen van arbeidsdiscriminatie willen we versterkt inzetten op grootschalige en laagdrempelige
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
online vorming en trainingen, sectorale gedragscodes en actieplannen, engagementen van de (koepels van) arbeidsmarktintermediairs die omgezet worden in concrete actieplannen, …. Op vlak van handhaving zal vooreerst moeten nagegaan worden of het bestaande reglementair kader voldoende instrumenten en bevoegdheden aanreikt om de voor de arbeidsmarkt nefaste en negatieve ontwikkelingen, tegen te gaan. De reeds ingeslagen weg om voldoende middelen en mankracht in te zetten op het onderzoek van meldingen en klachten i.v.m. arbeidsdiscriminatie, alsook het hanteren van diepteonderzoeken, moet verder worden gezet. Daarbij hoort ook het versterken en verder uitwerken van het preventief inspectieoptreden en zijn in dit kader goede contacten met het middenveld en diverse meldpunten aangewezen, weliswaar met respect voor eenieders verantwoordelijkheid, taken en bevoegdheden. Uiteindelijk moet ook, als sluitstuk van de inspectieketen en indien nodig, curatief en repressief worden opgetreden. In dat kader moet nagegaan worden of bestaande sanctiebepalingen voldoende accuraat en gediversifieerd zijn in relatie tot het beoogde doel, zijnde het (laten)beteugelen van inbreuken en het bevorderen van de stimulansen vervat in de beleidsmaatregelen.
De Werkende Vlaming
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
Er zijn tal van randvoorwaarden die maken dat op vandaag de begrotingsimpact van de voorgestelde maatregelen moeilijk in te schatten valt. Daarom hebben we ons beperkt tot de opbouw van een redenering/inschatting van de budgettaire impact in grootte-orden, verbonden aan de uitvoering van de diverse strategische beleidsvoorstellen. De budgetten die onder worden vermeld moeten met andere woorden niet worden gelezen als een budgettering van de voorstellen in kwestie, maar wel als onderbouwing van de redenering die gevolgd werd opdat de diverse voorstellen budgetneutraal zouden kunnen worden gerealiseerd. Deze redenering vertrekt vanuit de gekende parameters op dit moment, in het bijzonder de huidige Vlaamse begrotingsgegevens en de verwachte begroting voor overgedragen bevoegdheden in het kader van de staatshervorming (cfr. de geijkte tabellen voor overdracht van bevoegdheden die op dit ogenblik, februari 2014, circuleren). De zesde staatshervorming zal het financieel bereik van het Vlaams arbeidsmarktbeleid sterk verruimen, van 1,6 miljard voor tot bijna 4 miljard na de staatshervorming. Het budget WSE zal hierdoor ca. 10% van de Vlaamse overheidsuitgaven bedragen, t.o.v. 5,7% vandaag. Deze middelen zullen echter ontoereikend zijn, zelfs zonder de saneringsbijdrage, om het bestaande federale en Vlaamse arbeidsmarktbeleid onverkort verder te zetten. Daarom hebben we ervoor gekozen om de strategische voorstellen zoveel mogelijk uit te werken zonder de kosten voor de overheid verder te laten oplopen. Er wordt echter vooralsnog geen rekening gehouden met (diverse scenario’s voor) de verdeling van de saneringsinspanning onder de entiteiten en/of met eventuele nieuwe besparingen door de volgende Vlaamse Regering. Met deze ongekende factor staat of valt de accuratesse van de oefening. Een bijkomende besparing op de werkgelegenheids-budgetten zou een bijkomende oefening/verdieping vragen in de diverse beleidsvoorstellen. We willen hierbij waarschuwen voor een scenario waarbij de budgetten voor werkgelegenheid eenzijdig zouden worden gekort. Meer werkenden betekent immers meer inkomsten voor de overheid en meer middelen voor tal van maatschappelijke noden. Een uitzondering voor de werkgelegenheidsbudgetten in het kader van saneringsinspanning zou op zijn plaats zijn, gelet op de verwachte terugverdieneffecten. 1.
Een versterkte controle en begeleiding van werkzoekenden: Het voorstel is niet– budgetneutraal maar kan gecompenseerd worden via een mogelijke besparing.
De middelen die noodzakelijk zijn voor de diverse uitbreidingen van het activeringsbeleid in het voorstel kunnen gevonden worden doordat de opvolging van het zoekgedrag, een bevoegdheid die overkomt i.k.v. de staatshervorming, zonder beduidende meerkost geïntegreerd zouden kunnen worden in de sluitende
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
begeleidingsaanpak van de VDAB. We zouden met andere woorden kunnen besparen op wat nu federale middelen zijn doordat we de controlebevoegdheid integreren in de begeleiding van werkzoekenden. Niettemin is de haalbaarheid van het voorstel sterk afhankelijk van de verdere toename/afname van de werkloosheid in Vlaanderen. De uitvoering van het werk- zorgdecreet kan in eerste instantie budgetneutraal zijn voor de beleidsvelden Werk en SE door een heroriëntatie van de middelen uit de momenteel lopende projecten. Eens de maatregel op kruissnelheid komt, kan een groeipad aan bijkomende middelen noodzakelijk zijn. De drie betrokken beleidsvelden zullen hier dan afstemming over moeten bereiken. Budgettaire uitgave (in Keuro)
Budget in 2015
Budget op kruissnelheid
278.949 (VDAB/activering) I.k.v. 6e staatshervorming: + ca. 13.129 (controle beschikbaarheid)
292.078
= 292.078
2.
Vereenvoudigen van de tewerkstellingsmaatregelen: Het voorstel kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd.
Het opzet is dat bij de uitwerking de budgetten zouden verdeeld worden over de algemene korting en het complementair pakket, op basis van een screening van de doelmatigheid van elk van de maatregelen. Dit budget wordt als gevolg van de zesde staatshervorming meer dan verdubbeld. De factor waar men het minst controle over heeft is het aantal indienstnemingen. Op basis van schattingen hiervan kunnen voor al de rest diverse scenario’s worden uitgewerkt die binnen het totaal beschikbare budget blijven. Budgettaire uitgave (in Keuro)
Budget in 2015
Budget op kruissnelheid
894.086 (huidige Vlaamse maatregelen) I.k.v. 6e staatshervorming: + 928.407 (o.a. RSZ- en RVA-doelgroepenbeleid) I.k.v. Concurrentiepact: + 125.000 =1.947.493
1.947.493
De Werkende Vlaming
3.
Een leerwerkgarantie voor jongeren: Het voorstel is niet–budgetneutraal maar kan gecompenseerd worden via een mogelijke besparing.
Een aantal onderdelen van het voorstel zullen mogelijks een meerkost met zich meebrengen (prikkelend beleid naar bedrijven, rol in de opvang van arbeidsrijpe jongeren) maar er worden ook efficiëntiewinsten verwacht door o.m. de samenwerking met sectoren (efficiëntere inzet van sectorale middelen vs. minder inzet van overheidsmiddelen), de rationalisering van het opleidingsaanbod in het stelsel leren en werken, het optimaliseren van de financiële omkadering van het stelsel leren en werken en de deling van infrastructuur. Hierdoor is het voorstel in zijn geheel allicht in evenwicht. Een verschuiving van middelen zal misschien wel noodzakelijk zijn. Een volwaardige tweede kans aanpak voor ongekwalificeerde schoolverlaters kan in principe ook budgetneutraal worden doorgevoerd, zij het met belangrijke weerslag op onderwijs (indien bijkomend wordt ingezet op OKOT). Budgettaire uitgave (in Keuro)
Budget in 2015 15.000 (verdeeld onder de SYNTRA-leertijd en het DBSO) + Verwachte kosten in het kader van de voorziene hervorming - Verwachte opbrengsten in het kader van de voorziene hervorming
Budget op kruissnelheid
15.000
= ca. 15.000
4.
Competentiegericht uitbouwen van de arbeidsmarktdienstverlening: Het voorstel kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd.
De verdere ontwikkelingen in Mijn Loopbaan kunnen worden uitgewerkt binnen de huidige budgetten. De sectorale werking is een budgetneutrale reorganisatie, die geen bijkomend personeel vergt. De uitbouw van een werkgeversservice zal vermoedelijk heel wat middelen vergen, maar dit wordt gedeeltelijk ondervangen door met partners te werken. Bijkomende excellente partnerschappen in de richting van groeipolen kunnen mogelijk een bijkomende investering vragen, maar kunnen evengoed een verschuiving van een bepaalde opleidingscapaciteit naar een nieuwe locatie inhouden, wat besparend kan werken. Het lijkt ook billijk dat het principe van cofinanciering door stakeholders (sectorfondsen, onderwijs, werkgevers, ….) hier beter dan vandaag verkend wordt.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
Budget in 2015
Budget op kruissnelheid
123.438 (VDAB/competentieversterking)
123.438
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
5.
Een vereenvoudiging van de opleidingsincentives: Het voorstel is niet-budgetneutraal maar kan gecompenseerd worden via een mogelijke besparing.
Bestaande middelen van de diverse maatregelen worden gebundeld. Jaarlijks bedraagt dit totaalbudget vandaag ongeveer 71 miljoen euro bestaande uit: opleidingscheques (5,5 miljoen euro), aanmoedigingspremies opleiding (1,4 miljoen euro), betaald educatief verlof (63,9 miljoen euro) en verlof sociale promotie (139.000 euro). Deze middelen zullen ook selectiever ingezet worden en er wordt bekeken hoe de overlap met maatregelen uit andere beleidsdomeinen vermeden kan worden, wat besparend kan werken. Budgettaire uitgave (in Keuro)
Budget in 2015
Budget op kruissnelheid
7.039 (huidige Vlaamse maatregelen) I.k.v. 6e staatshervorming: + 63.947 (Betaald educatief verlof)
70.986
=70.986
6.
Geharmoniseerde groeiplannen voor een loopbaan in verandering: Het voorstel kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd.
Bestaande middelen van diverse maatregelen (Loopbaan-en diversiteitsplannen en projectontwikkelaars EAD) en projecten (ESF-oproepen mensgericht ondernemen- opleiding in bedrijven) worden gebundeld, zodat de middelen gerichter ingezet kunnen worden en meer bedrijven bereikt kunnen worden. Jaarlijks bedraagt dit budget vandaag iets meer dan 17 miljoen euro: ESF mensgericht ondernemen (6,5 miljoen euro), ESF opleiding in bedrijven (6,9 miljoen euro), loopbaan-en diversiteitsplannen (3,8 miljoen euro). Het is onzeker of ESF voor het komende Operationele Programma nog even hoge budgetten zal kunnen inzetten. Er is dan ook al nagedacht over hoe deze middelen selectiever zouden kunnen ingezet worden en doordat we het bedrag dat bedrijven kunnen ontvangen zouden laten variëren, kan een besparing verwacht worden als gevolg van de invoering van het voorstel. De hoogte van de bedragen zal zich situeren tussen de huidige minimum en maximum subsidiëring voor deze plannen. Tegelijk wordt ook bekeken hoe overlap met maatregelen uit andere beleidsdomeinen kan vermeden worden, zodat alle middelen gericht ingezet worden.
De Werkende Vlaming
Budgettaire uitgave (in Keuro)
Budget in 2015
Budget op kruissnelheid
ESF Mensgericht ondernemen: 6.500 (incl. 55% Vlaamse cofinanciering) ESF Opleiding in bedrijven: 6.900 (incl. 55% Vlaamse cofinanciering) Loopbaan- en diversiteitsplannen: 3.800
17.200 (Maar: Onzekerheid over ESF-middelen i.k.v. nieuwe OP)
=17.200 (Maar: Onzekerheid over ESF-middelen i.k.v. nieuwe OP)
7.
Dienstencheques prioritair inzetten in de combinatie arbeid en gezin: Het voorstel kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd.
Het budget is expansief, er moet worden gewaakt dat dit binnen de perken blijft. Dit kan door gericht maatregelen te nemen en door de prioritaire doelstellingen (combinatie arbeid-gezin, tewerkstelling laaggeschoolden) als maatstaf te blijven hanteren. Het is echter de expliciete doelstelling om door selectieve inzet en beheersmatige ingrepen binnen budget te blijven. Budgettaire uitgave (in Keuro)
Budget in 2015 I.k.v. 6e staatshervorming: + 1.052.463 (dienstencheque) + 218.573 (fiscale uitgaven) =1.271.036
Budget op kruissnelheid
=1.271.036
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
8.
De band tussen taal en werk versterken: Het voorstel kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd.
Het strategische beleidsvoorstel met betrekking tot taal en werk omvat drie acties: coördinatie met andere partners, formuleren van een duidelijke beleidsvisie en inzetten op innovatieve oplossingen zoals geïntegreerde trajecten taal-werk. De drie voorstellen kunnen gerealiseerd worden binnen de huidige budgetten, vermits ze voornamelijk op afstemmingaspecten van het beleid slaan, zij het tussen beleidsactoren of tussen de verschillende componenten van beleidsinstrumenten (taal- en tewerkstellingscomponenten van een traject). Let wel, gelet op de aanhoudende nood aan investeringen in taal- en tewerkstellingstrajecten, is het vrijmaken van extra budget daartoe wenselijk. Budgettaire uitgave (in Keuro)
9.
Budget in 2015
Budget op kruissnelheid
22.426,879
22.426,879
Nieuwe accenten leggen in het kansengroepenbeleid: Het voorstel kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd.
Het voorstel kan in principe worden doorgevoerd binnen de budgetten voorzien voor het impulsfonds migrantenbeleid en het loopbaan- en diversiteitsbeleid, mits compensatie voor bestaande doelstellingen in de reguliere werking. Budgettaire uitgave (in Keuro)
Budget in 2015 5.275 (structurele projecten duurzaam loopbaan- en diversiteitsbeleid) I.k.v. 6e staatshervorming: + een % van 3.445 impulsfonds migrantenbeleid =5.275 + een % van 3.455 impulsfonds migrantenbeleid
Budget op kruissnelheid
5.275 + een % van 3.455 impulsfonds migrantenbeleid
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Inhoudstafel 01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
116
1.1 Economie, wetenschap en innovatie 1.2 Duurzaam ondernemen 1.3 Landbouw 1.4 Toerisme 1.5 Cultuur en creativiteit 1.6 Media-innovatie en sociale media
116 119 120 121 122 123
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
2.1 Algemene ambitie en visie 2.2 Strategische doelstellingen en beleidsvoorstellen
BELEIDSTHEMA ‘OPEN ONDERNEMER’ SD1. Ondernemen alle kansen geven Beleidsvoorstel 1: Positieve attitude Beleidsvoorstel 2: Begeleiding van de ondernemers en van het bedrijf in zijn diverse levensfases met het oog op groei, verduurzaming en internationalisering Beleidsvoorstel 3: We stimuleren maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) en zetten in op sociaal ondernemerschap Beleidsvoorstel 4: Land- en tuinbouwers en vissers als ondernemers Beleidsvoorstel 5: Geïntegreerd ecosysteem voor de culturele en creatieve sectoren SD2. Meer gerichte internationalisering van de Vlaamse economie Beleidsvoorstel 1: We voeren een proactiever en gerichter acquisitiebeleid voor buitenlandse investeringen, dat aansluit bij de slimme specialisatiestrategie van Vlaanderen en het nieuwe industriële beleid, en waarbij we ook instrumenten aanreiken ter verbetering van de algemene kostenpositie van de ondernemingen. Beleidsvoorstel 2: Het (financieel en operationeel) instrumentarium voor de bevordering van internationaal ondernemen wordt gerichter ingezet op (prioritaire) doelgroepen en markten en we ondersteunen bedrijven bij het opnemen van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid (MVO) in het buitenland.
124 124 124
124 124 125
125 126 127 128
128
128
129
Inhoudstafel
Beleidsvoorstel 3: Alle actoren (van de overheid en het middenveld) handelen vanuit een gemeenschappelijke visie en strategie voor de internationalisering van de Vlaamse economie (outward & inward). SD3. In afstemming met het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen zorgen voor een adequate duurzame ruimtelijke ontwikkeling, inclusief brownfieldontwikkeling. Beleidsvoorstel 1: Vlaanderen als topregio door verhoogde competitiviteit van de economie en door het versnellen van investeringen Beleidsvoorstel 2: Verweven waar kan, scheiden waar moet met het oog op een zuinig ruimtegebruik
130
130 130 131
SD4. Stroomlijnen, professionaliseren en versterken van de internationale promotie en reputatie ontwikkeling van Vlaanderen door het uitbouwen van Toerisme Vlaanderen tot de internationale marketingorganisatie van de Vlaamse overheid 132 Beleidsvoorstel 1: Internationale promotie-en reputatie ontwikkeling 132 Beleidsvoorstel 2: Toerisme Vlaanderen als internationale marketingorganisatie van de Vlaamse overheid 133
BELEIDSTHEMA ‘INNOVATIECENTRUM VLAANDEREN’ SD1. Meer middelen (mensen, opleiding en vorming, kapitaal) voor O&O beter inzetten Beleidsvoorstel: Tegen 2020 besteedt de Vlaamse overheid 1% aan O&O en we zetten de middelen efficiënt in (het slimme specialisatiekader van de OESO) SD2. Innovatie stimuleren in ondernemingen Beleidsvoorstel 1: Een doelgroepgerichte mix van instrumenten uitbouwen en systeeminnovatie in strategische domeinen versnellen Beleidsvoorstel 2: SOC’s (strategische onderzoekscentra) en valorisatie van onderzoek versterken SD3. Excellentie van onderzoek bevorderen Beleidsvoorstel 1: FWO-onderzoeksprojecten voor jonge onderzoekers op de sporen zetten en elke stap in de wetenschappelijke carrière ondersteunen Beleidsvoorstel 2: Inzetten op internationale samenwerking door: Beleidsvoorstel 3: Een Vlaams openaccessbeleid uitbouwen Beleidsvoorstel 4: Het belang van interuniversitaire attractiepolen (IUAP’s) Beleidsvoorstel 5: Wetenschappelijke integriteit bevorderen Beleidsvoorstel 6: De financiering van universiteiten vereenvoudigen
133 133
133
134
134 135
135 135 136 137 138 138 138
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
SD4. Onderzoeksinfrastructuur om kennis te verankeren en innovatie te stimuleren Beleidsvoorstel: Door een hoogwaardige onderzoeksinfrastructuur zorgen we ervoor dat uitstekende onderzoekers in Vlaanderen blijven, dat buitenlands talent naar Vlaanderen komt en stimuleren we de samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven.. SD5. Een antwoord bieden op maatschappelijke uitdagingen Beleidsvoorstel 1: Focus op Sociale innovatie, op maatschappelijke valorisatie en op wetenschappelijke onderbouwing van het beleid Beleidsvoorstel 2: Focus op duurzaamheid SD6. Bewaken en stimuleren van kwaliteit binnen een veranderend innovatief media-ecosysteem Beleidsvoorstel 1: Een pluriform, divers en kwaliteitsvol media-aanbod staat centraal Beleidsvoorstel 2: Rekening houden met de nieuwe (sociale) media, met crossmedialiteit
SD7. Mediawijsheid, sociale media als kanaal voor burgerparticipatie en het belang van een stimulerend privacybeleid
138
138
139 139 140
141 141 141
142
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
143
BELEIDSTHEMA ‘OPEN ONDERNEMER’
143
SD 1. Ondernemen alle kansen geven
143
SD 2. Meer gerichte internationalisering van de Vlaamse economie 145
SD 3. In afstemming met het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen zorgen voor een adequate duurzame ruimtelijke ontwikkeling, incl. brownfield ontwikkeling.
146
SD 4. Stroomlijnen, professionaliseren en versterken van de internationale promotie en reputatieontwikkeling van Vlaanderen.
146
Samenvatting voor Open Ondernemer
146
Inhoudstafel
BELEIDSTHEMA ‘INNOVATIECENTRUM VLAANDEREN’
SD1. Meer middelen (mensen, opleiding en vorming, infrastructuur, kapitaal) voor O&O inzetten.
SD2. Innovatie stimuleren in ondernemingen.
148
148
148
SD3. Excellentie van onderzoek bevorderen. 149 SD4. Onderzoeksinfrastructuur om kennis te verankeren.
151
SD5. Een antwoord bieden op maatschappelijke uitdagingen.
152
SD6. Bewaken en stimuleren van kwaliteit binnen een veranderend innovatief media-ecosysteem.
152
SD7. Mediawijsheid en sociale media als kanaal voor burgerparticipatie en het belang van een stimulerend privacybeleid
Samenvatting voor Innovatiecentrum Vlaanderen
153 153
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
1.1
Economie, wetenschap en innovatie
1.
Enkele basisgegevens
Onder invloed van de internationale economische crisis kromp het Vlaamse bruto binnenlands product (bbp) in 2012 met 0,3%. Voor 2013 wordt een beperkt herstel verwacht, namelijk een groei van 0,2%. Voor 2014 wordt gerekend op een reële groei van het Vlaamse bbp tot 1,2%. Voor 2015-2018 wordt een gemiddelde verwacht van 1,7%. Het Vlaamse bbp per inwoner, gecorrigeerd voor de pendelstromen, bedroeg 32.700 euro koopkrachtpariteit (KKP) in 2012. Daarmee bevestigt Vlaanderen een topvijfpositie in de groep van innovatiegedreven regio’s in de EU. Die welvaart is grotendeels te danken aan een hoge arbeidsproductiviteit. In 2012 bedroeg de arbeidsproductiviteit per inwoner in Vlaanderen (na de correctie voor pendelstromen) 74.200 euro KKP. De werkgelegenheidsgraad, een tweede belangrijke component van het bbp per inwoner, bedraagt in Vlaanderen 67,8% in 2012, na de correctie voor pendelstromen. Vlaanderen heeft een inhaalbeweging gemaakt ten opzichte van de EU27. Terwijl Vlaanderen voor de werkgelegenheidsgraad in 2008 (na de correctie voor pendelstromen) nog op de achttiende plaats staat in de EU27, bekleden we in 2012 een elfde plaats. In absolute cijfers blijft het werkgelegenheidspercentage echter ongeveer constant. Anno 2012 zijn er 71,5% Vlamingen op beroepsactieve leeftijd (20-64 jaar) aan het werk; dat zijn er 0,3 procentpunt minder dan in het jaar voordien. Hoewel Vlaanderen het aanvankelijk beter deed dan gemiddeld in Europa, zakt de werkzaamheidsgraad sinds 2011 sneller dan die van de EU27. In 2012 steeg de globale ILO-werkloosheidsgraad (15-64 jaar) in het Vlaamse Gewest jaar op jaar tot 4,6%. Net zoals de voorgaande jaren waren Vlamingen op beroepsactieve leeftijd minder vaak op zoek naar een job dan gemiddeld genomen in de Europese Unie. Vlaanderen telt eind december 2013 229.570 niet-werkende werkzoekenden. Op jaarbasis groeit de werkloosheid met 19.543 of 9,3%. De Vlaamse werkloosheidsgraad (ruimere definitie dan de ILO) komt uit op 7,76%, de mannelijke (7,77%) en vrouwelijke (7,75%) zijn nagenoeg identiek. Zowel op het vlak van bruto toegevoegde waarde als van tewerkstelling neemt het belang van de secundaire sector snel af. Terwijl de secundaire sector in 2003 nog 29,5% van de totale bruto toegevoegde waarde in Vlaanderen realiseert, bedraagt dat percentage in 2011 nog 26,1%. 73,0% van de Vlaamse toegevoegde waarde wordt gerealiseerd in de tertiaire sector, ten opzichte van 69,2% in 2003. Ook voor de tewerkstelling zien we dezelfde trend: in 2003 werkt nog 25,3% van het totale aantal werkenden in de secundaire sector, maar in 2011 neemt dat cijfer af tot 21,9%. Het aandeel van het aantal werkenden in de tertiaire sector evolueert tussen 2003 en 2011 van 72,4% naar 76,4%.
2.
O&O als motor voor innovatie
In 2012 besteedde Vlaanderen 5,204miljard euro aan O&O (= 2,42% van het bbp), waarvan 3,483 miljard euro in de private sector: 67% van het totaal in 2012, gevolgd door de Vlaamse universiteiten en hogescholen met 21%; de rest van het budget werd besteed door instellingen uit de sectoren overheid en not-for-profit.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
In 2014 bedroeg het totale wetenschaps- en innovatiebudget van de Vlaamse overheid 2.177 miljoen euro, waarvan 1.354 miljoen euro voor O&O . Van die 1,35 miljard euro was 48% bestemd voor niet-gericht en 52% voor het gericht onderzoek. Dat bedrag vertegenwoordigt ongeveer de helft van alle overheidskredieten in België. In het ‘Innovation Union Scoreboard’ (IUS) 2014 van de EU staat België als zevende gerangschikt, en maakt deel uit van de groep van ‘innovatievolgers’. Het staat na Zweden, Denemarken, Duitsland, Finland, Luxemburg en Nederland, maar voor het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Die rangschikking wordt opgemaakt op basis van een samengestelde index van criteria, bijvoorbeeld human resources, economische effecten en intellectuele eigendom, zodat ze een goed globaal overzicht van de relatieve positie weergeeft. Bovendien maakt de EU ook een ‘Regional Innovation Scoreboard’ (RIS) 2014 op. Daarin wordt Vlaanderen gerangschikt bij de ‘regionale innovatievolgers’. Het totale aantal O&O-personeel bedroeg 40.883 in 2012, tegen 39.282 in 2011. Zowel voor de publieke onderzoekscentra als voor het hoger onderwijs zien we tussen 2010 en 2012 een stijging van het O&Opersoneel ten opzichte van 2009. Voor de bedrijven zien we een lichte daling in 2010, gevolgd door een duidelijke stijging in 2011 en 2012. Als gemeten wordt ten opzichte van de totale werkende bevolking scoort Vlaanderen boven België en boven het EU-gemiddelde. Het aandeel werkenden in de (medium) HTindustrie en HT-diensten in het Vlaamse Gewest ligt boven het EU27-gemiddelde. In 2011 was 9,1% van de Vlamingen werkzaam in dergelijke bedrijfstakken, tegenover gemiddeld 8,3% in de EU27. De instroom en de uitstroom in het hoger onderwijs en het aantal gegradueerden en personen met een doctoraat namen sterk toe in het voorbije decennium. Ondanks de talrijke initiatieven waarmee men die richtingen wil promoten, blijkt het jaarlijkse aantal W&T-gediplomeerden in Vlaanderen niet beter te worden dan één op de vijf van de nieuwe lichting hogergeschoolden. In 2012 was dat aantal met 19,1% zelfs lager dan tien jaar geleden. Sinds 2000 steeg het aantal publicaties sterk tot 20,3 Vlaamse publicaties in het SCIE-bestand per 10.000 inwoners voor 2011 waardoor Vlaanderen nu tot de subtop behoort. Het aantal aangevraagde EPO-octrooien met Vlaamse uitvinder per miljoen inwoners bedraagt 255,3 in 2008 en blijft ongeveer stabiel na een jarenlange stijging. De internationale positionering van Vlaanderen blijft ook gelijk. Het aantal innoverende bedrijven (product- en procesinnovatie) bedraagt 52%. Uit een historische vergelijking van alle CIS-bevragingen (Community Innovation Surveys) lijkt de trage daling in het percentage ondernemingen dat product- of procesinnovatieactiviteiten uitoefent, te stabiliseren. Vooral grote bedrijven, industriebedrijven en hoogtechnologische bedrijven doen aan innovatie. Er is dus nog ruimte om kmo’s, dienstenbedrijven en laag-technologische bedrijven te betrekken bij die vormen van innovatie. Meer dan 62% van de Vlaamse bedrijven introduceerde in de periode 2008-2010 een product-, proces-, organisatorische, of marketinginnovatie. Vlaanderen scoort daarmee zeer goed ten opzichte van het EU27-gemiddelde. De uitdagingen voor het O&O-landschap van Vlaanderen zijn: het landschap van de actoren en de steuninstrumenten verder uitbouwen, het aantal afgestudeerden in wetenschap en technologie verder opdrijven, de aanwezigheid van uitstekende onderzoekers in alle disciplines op peil houden in Vlaanderen, de onderzoekscapaciteit in het hele economische weefsel versterken, met speciale aandacht voor de kmo’s, private O&O bij (grote) (buitenlandse) bedrijven stimuleren, een geïntegreerde strategie voor vraaggedreven innovatie uitwerken, zorgen voor focus in het innovatiebeleid en inzetten op de verkoop van NTM- (newto-market) en NTF- (new-to-firm) innovaties.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
3.
Het belang van ondernemerschap
Via de Global Entrepreneurship Monitor-enquête 2012 werd gepeild naar de houding in de samenleving ten opzichte van ondernemerschap. Ondernemerschap wordt in Vlaanderen steeds meer gezien als een haalbare en wenselijke stap. In 2012 zag 33% van de ondervraagden voldoende opportuniteit om een bedrijf op te richten, 37% meent over voldoende kennis, bekwaamheid en ervaring te beschikken om een nieuw bedrijf op te richten. Bovendien had 8% effectief de intentie om binnen drie jaar een nieuw bedrijf te starten. De GEM-enquête peilde ook naar de waardering voor ondernemerschap. In 2012 vond 60% van de bevraagde Vlamingen dat succesvolle starters een hoge status hebben en veel respect genieten, 66% zag de stap naar ondernemerschap als goede carrièrekeuze en 55% vond dat er veel media-aandacht is voor ondernemerschap. Die indicatoren vertonen sinds 2009 een duidelijk positieve evolutie. Ondanks de economische crisis blijft het aantal ondernemingen toenemen in het Vlaamse Gewest. Bij de aanvang van 2012 zijn er 484.000 btw-plichtige ondernemingen actief in het Vlaamse Gewest. Het jaar 2012 telt 41.900 oprichtingen. Voorts zijn er 32.900 stopzettingen en 5400 faillissementen. Van alle ondernemingen die in 2006 het levenslicht zagen, is 74,2% vijf jaar later nog in leven. Veranderingen van vennootschapsvormen en overnames worden beschouwd als stopzetting. Het aandeel snel groeiende ondernemingen in het Vlaamse Gewest is gestegen met 7%. Op 1 januari 2012 realiseerden 1134 ondernemingen met minstens tien personeelsleden in dienst de voorgaande drie jaar een cumulatieve groei van jaarlijks 20% in het aantal personeelsleden. In 2011 waren dat er maar 1059. In relatieve cijfers betekent dit dat 3,52% van de ondernemingen met minstens tien personeelsleden in dienst een dergelijke groei verwezenlijkt heeft. De investeringsratio van de private sector bedroeg 21,4% in het Vlaamse Gewest in 2012. Dat is meer dan in 2009 of 2010, maar de precrisisniveaus van 2006 en 2007 (tussen 22 en 23%) worden nog niet bereikt. De investeringsratio is traditioneel hoog in het Vlaamse Gewest. Alle buurlanden en de EU27 als geheel noteren lagere waarden. De beslissing om al dan niet te investeren is van veel zaken afhankelijk. Drie factoren worden steevast aangehaald: het niveau van de voorraden, de bezettingsgraad van het productievermogen en de vraagvooruitzichten. Die factoren tonen allemaal prille tekenen van een betere investeringsomgeving.
4.
Groeien en versterken door internationalisering
Internationaal ondernemerschap heeft een positieve impact op de overlevingskansen en de groei van bedrijven. Kmo’s die internationaal actief zijn, groeien sneller qua werkgelegenheid, toegevoegde waarde en arbeidsproductiviteit. 17.800 Vlaamse bedrijven rapporteerden een goederenuitvoerverklaring in 2012. In 2013 exporteerde Vlaanderen voor 293,64 miljard euro 2013, de exportratio bedraagt 133,6%. Er is een substantiële verschuiving waar te nemen van de Vlaamse uitvoer weg van de EU28 (van 75,8% in 2003 naar 67,5% in 2013), waarbij de export buiten de EU in 2013 ook sterker steeg dan binnen de EU. Het aandeel van Duitsland is teruggevallen tot 17%, dat van de BRICS-landen staat inmiddels op 7,97% van de Vlaamse jaaruitvoer, hoewel de resultaten in deze landen in 2013 wat tegenvielen (-1,15%). Afrika is inmiddels goed voor 4,20% van de totale export. Het belang van de belangrijkste 10 exportmarkten is teruggevallen van 77,7% in 2003 tot 68,7% in 2013, Vlaamse uitvoerproducten vinden dus hun weg naar ‘kleinere’ partners. De export “uit eigen productie” met een hoger gehalte aan Vlaamse toegevoegde waarde (de export exclusief de heruitvoer) steeg in 2013 sterker dan vorige jaren (+1,81%).
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
5.
Buitenlandse directe investeringen die het Vlaamse economische weefsel versterken
Uit cijfers blijkt dat in 2013 191 nieuwe investeringsprojecten in Vlaanderen zijn gerealiseerd, voor een bedrag van 1,91 miljard euro en een jobcreatie van 4076 arbeidsplaatsen. Dit is de beste score sinds 10 jaar. Greenfieldinvesteringen blijven de dominante investeringsvorm met 44% van het totale aantal investeringen, terwijl uitbreidingsinvesteringen goed zijn voor 28%. Er werd vooral geïnvesteerd in nieuwe of uitbreiding van bestaande productieactiviteiten. De helft van de projecten komt uit Europa en een kwart uit de Verenigde Staten, maar vooral Azië en het Midden-Oosten zijn aan een opmars bezig. Grote buitenlandse investeerders spreiden hun activiteiten over verschillende landen. In die beslissing spelen de voorwaarden en incentives die worden geboden, een belangrijke rol. De EU-publicatie ‘2012 Industrial R&D Scoreboard’ noemt België een van de beste locaties binnen Europa voor O&O-investeringen, vanwege de uitstekende O&O-faciliteiten en heel wat unieke O&O-incentives. Toch leeft in het buitenland ook de indruk van fiscale onstabiliteit en onzekerheid in België.
6. Eén weefsel De Vlaamse Regering hecht veel belang aan de creatie en het behoud van welvaart en welzijn. Daartoe investeert ze in onderzoek en ontwikkeling, stimuleert ze innovatie en ondernemerschap en ondersteunt ze een modern industriebeleid. Een sterke onderzoeksbasis met goede wetenschappers en een dynamische economie met aangepaste bedrijven zijn basisvoorwaarden voor een sterk weefsel dat de welvaart nu en in de toekomst schraagt. Daarbij worden zoveel mogelijk synergieën nagestreefd en wordt ingezet op het ondersteunen van de transformatie van de economie door gerichte innovatie en het aanwenden van de kennis van uitstekende onderzoekers. Dat zijn ook de steunpijlers van een kennismaatschappij en -economie waarbinnen Vlaanderen zijn positie moet versterken. In het Vlaamse steunlandschap is door de jaren naar een evenwicht gestreefd tussen top-down- en bottomuponderzoek, in een veelheid aan steun voor onderzoekers en bedrijven. Die tweeledige focus is wenselijk en doelmatig en moet in die richting verder uitgebouwd worden. De transformatie van de economie door innovatie en kennis, en een innovatiebeleid dat gericht is op maatschappelijke en economische uitdagingen, zijn belangrijke randvoorwaarden.
1.2
Duurzaam ondernemen
Vanuit Vlaamse bedrijven en organisaties is er steeds meer aandacht voor duurzaamheid. Steeds meer start-ups en gevestigde waarden profileren zich op duurzaamheid en integreren duurzaamheid in hun strategie. Duurzaamheid staat ook bij de Vlaamse bedrijven steeds hoger op de agenda vanuit de persoonlijke waarden van de ondernemer of de organisatie, vanuit noodzaak of onder druk van consumenten, ngo’s of bedrijven die hoger in de keten staan en door de sensibilisering van verschillende overheidsinitiatieven. Dat blijkt ook uit de MVO-barometer, het succes van de duurzaamheidsnetwerken Kauri en B&S, de toename van het aantal inschrijvers voor ‘Best Belgian sustainability report’, en het succes van verschillende initiatieven van de overheid of door de overheid geïnspireerd (bijvoorbeeld Plan C, MVO Vlaanderen, start-to-mvo). Vlaanderen heeft in het Pact 2020 zijn ambitie uitgesproken om tegen 2020 maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) algemeen te verspreiden door meer en meer organisaties en ondernemingen
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
maatschappelijke verantwoordelijkheid te laten opnemen. Het is niet eenvoudig om zicht te krijgen op het aantal ondernemers in Vlaanderen die al op een duurzame manier ondernemen. Er zijn bijvoorbeeld geen cijfers over het aantal Vlaamse ondernemingen met een duurzaamheidsverslag zoals GRI of ISO 26000. Duurzaam ondernemen heeft zijn plaats in innovatie en de uitbouw van het economisch weefsel. Duurzaam ondernemen betekent een aanpak van verschillende facetten van bedrijfsvoering die in de praktijk ook een invloed hebben op elkaar. Uit de IOA-enquête (Innovatie, Organisatie, inzet van Arbeid) van de SERV blijkt dat ondernemingen die een (positieve) innovatie doorvoeren in hun productie of diensten, communicatiestrategie, logistiek of andere activiteiten, daarbij zeer vaak ook een innovatie in hun arbeidsorganisatie en/of personeelsbeleid doorvoeren. Procesinnovatie kan dus niet los gezien worden van organisatie- en personeelsbeleidsinnovatie. In het nieuwe Wapenhandeldecreet wordt de ethische toets uit de toepasselijke Europese regels nog uitgebreid met een aantal specifieke Vlaamse criteria (onder andere aandacht voor kinderrechten en gendergerelateerd geweld).
1.3 Landbouw
1.
Landbouwondernemer
In 2012 telde Vlaanderen 25.217 landbouwbedrijven, waarvan 72% met beroepsmatig karakter. Het aantal landbouwbedrijven neemt jaarlijks met 4% af (vooral kleine bedrijven stoppen). De gemiddelde bedrijfsoppervlakte is in tien jaar tijd wel aanzienlijk gestegen, met 46% tot gemiddeld 24,5 ha. De land- en tuinbouw realiseerde in 2013 een eindproductiewaarde van 5,8 miljard euro. België neemt de vierde plaats in het EU-klassement van agro-exporteurs in; de agrovoedingssector is dus een enorme troef. Vlaanderen neemt 81,5% van de Belgische landbouwexport voor zijn rekening. De gemiddelde leeftijd van de bedrijfsleiders van beroepslandbouwbedrijven in Vlaanderen bedraagt in 2011 51 jaar. In 2005 was dat nog maar 49 jaar. Slechts 2% van de bedrijfsleiders van Vlaamse land- en tuinbouwbedrijven was jonger dan 30 jaar in 2011 en slechts 14% van de Vlaamse bedrijfsleiders ouder dan 50 jaar beschikt in 2011 over een vermoedelijke opvolger. Hoe groter het bedrijf, hoe groter de kans op een vermoedelijke opvolger. Door het familiale karakter zijn het voornamelijk de kinderen die het bedrijf overnemen, maar door de leeftijd, een gebrek aan interesse of buitenshuis werkende kinderen komt de opvolging in het gedrang.
2.
Duurzaamheid in de primaire sector en de agrovoedingssector
De productie, verwerking, distributie en bereiding van voeding levert een belangrijke bijdrage aan onze economische welvaart, werkgelegenheid en export. De Vlaamse voedingsindustrie onderzoekt de haalbaarheid van milieuneutraliteit tegen 2030. De consument geeft duurzaamheid in voeding een steeds prominentere plaats. Om die positie te behouden en zelfs te verbeteren, zijn de preventie van voedselverliezen en het optimaliseren van de reststromen uit de agrovoedingsketen beleidsprioriteiten. Wereldwijd verliezen en verspillen we een derde van al het voedsel dat we produceren, ook in Vlaanderen.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
Wat de primaire sector betreft, is er voor de meeste milieu-indicatoren een daling vastgesteld tussen 2001 en 2008, terwijl de eindproductiewaarde steeg. Drijvende krachten daarachter zijn het gevoerde mestbeleid en de conjunctuur, die een afname van de veestapel veroorzaakten. Sinds 2008 is er voor de meeste milieu-indicatoren veeleer een stagnatie opgetreden.
3.
Investeren in innovatie
Het aantal innoverende land- en tuinbouwbedrijven neemt jaar na jaar toe in Vlaanderen. Zo hebben meer dan 50% van de landbouwbedrijven en 64% van de tuinbouwbedrijven de voorbije jaren geïnvesteerd in innovatie. Daarbij staan verbeteringen in het productieproces, maar ook product-, vermarktings- en organisatorische innovaties voorop. Ondersteuning van de primaire en secundaire sector is essentieel om de bedrijven verder te kunnen laten investeren in die innovaties en de Vlaamse landbouw verder op een hoog concurrentieel niveau te houden. Volgens het Witboek Landbouwonderzoek zijn er drie tendensen in en rond de landbouw: een toenemende competitieve druk, een toenemende druk van milieu en klimaat en een toenemende volatiliteit van de omgeving. Daarom moet het landbouwonderzoek zich richten op drie innovatiegebieden: het verdiepen van de bestaande competenties in intensieve en efficiënte landbouw, het verbreden van het waardecreatiemodel en het verduurzamen van de productie.
4.
Platteland en stad
De korte afstand tussen stad en platteland zorgt voor economische groeimogelijkheden van het platteland. Typische plattelandsproducten en snelle dienstverlening voor de omliggende stedelijke gebieden zorgen voor opportuniteiten. De korte afstand tussen stad en platteland zorgt dan ook voor economische groeimogelijkheden van het platteland en geeft ook aanleiding tot een verhoogde aandacht voor de belevingswaarde van het platteland in al zijn facetten. Naast de ‘harde’ verstedelijking, die de bebouwing en de verharde oppervlakte doet toenemen, treedt in Vlaanderen ook een ‘zachte’ verstedelijking op door de functiewijzigingen en het multifunctionele gebruik van de bestaande bebouwde en onbebouwde ruimte. De nieuwe functies op het platteland leiden tot ruimtelijke transformaties die in toenemende mate beslag leggen op landbouwgrond en de ruimtelijke kwaliteit onder druk zetten.
1.4 Toerisme
Toerisme heeft een aanzienlijke economische betekenis. Het aandeel van de toeristische bedrijfstakken in de bruto toegevoegde waarde bedroeg in 2010 5,0% of 12,2 miljard euro. Qua werkgelegenheid komt dit in 2011 neer op 233.361 (niet-delokaliseerbare) jobs, waarvan 51.390 jobs voor zelfstandigen en helpers (7,4% van totale tewerkstelling voor zelfstandigen en helpers) en 281.971 jobs voor loontrekkenden (6,4% van totale tewerkstelling voor loontrekkenden). Het toeristisch ondernemerschap wordt wel gekenmerkt door relatief kleine winstmarges, een grote arbeidsintensiteit, gebrek aan voldoende geschoold personeel, seizoensgebondenheid en een strikte regelgeving – vaak vanuit het perspectief van consumentenbescherming.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Toerisme is ook een groeisector. In Vlaanderen nam de toeristische vraag (gerekend in aantal overnachtingen in het commerciële verblijfstoerisme) toe met gemiddeld 1,7% per jaar in de periode 2008-2012. In aantal aankomsten geteld zijn de buurlanden de belangrijkste buiten-landse markten. De grootste groei wordt echter genoteerd in de verre markten, die ook nog eens een enorm groeipotentieel hebben. De internationale reputatie-ontwikkeling van Vlaanderen staat nog in zijn kinderschoenen. In vergelijking met andere bestemmingen besteedt Vlaanderen slechts een klein deel van het toerismebudget aan internationale marketing. Uit de nulpuntmeting naar het internationaal imago van Vlaanderen als bestemming van baanbrekend vakmanschap (2012) blijkt enerzijds dat de bekendheid van Vlaanderen in Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, de BRIC-landen en bij jongeren dient geoptimaliseerd te worden en anderzijds dat Vlaanderen geassocieerd wordt met vakmanschap maar niet zozeer met ‘baanbrekend’.
1.5 Cultuur en creativiteit
1.
Enkele basisgegevens
De culturele en creatieve sectoren (CCS) gaven in 2008 werk aan 121.800 Vlamingen (vte) of 4,3% van de totale werkgelegenheid, en dat percentage geldt zowel binnen de profit- als de non-profitsector. Ze hadden een omzet van 23,9 miljard euro en realiseerden een toegevoegde waarde van 7 miljard euro. Niet alleen in Vlaanderen maar ook op Europees vlak wordt het maatschappelijk en economische belang van de CCS steeds meer benadrukt. 6,7 miljoen mensen vinden er werk (3% van de totale Europese tewerkstelling) en zij vertegenwoordigen 3,3% van het Europese bbp. Ze zijn een van de snelst groeiende sectoren op het vlak van toegevoegde waarde en werkgelegenheid (in sommige Europese regio’s voor meer dan 10 %). Tussen 2008 en 2011 is gebleken dat de werkgelegenheid in de CCS beter dan gemiddeld overeind bleef in de Europese economie.
2.
Cultuur en creativiteit koesteren
Naast hun rechtstreekse impact zorgen de CCS voor de vermarkting van culturele en creatieve innovatieve diensten en producten en spelen ze een rol in de toelevering van creativiteit en innovatie voor de traditionele economie. De CCS zijn ook bij uitstek het uithangbord van Vlaanderen in het buitenland. De CCS hebben specifieke eigenschappen: intellectuele eigendom speelt vaak een essentiële rol, multiple job holding van werknemers in verschillende statuten is meer regel dan uitzondering en veel activiteiten zijn vooral gebaseerd op projectwerking. Daarnaast is de waarde van een creatief of cultureel werk vaak (deels) immaterieel en is zo’n werk meestal maatwerk. Die combinatie van eigenschappen maakt dat ze moeilijke toegang krijgen tot investeringsmiddelen, mede omdat het bestaande instrumentarium niet is afgestemd op hun veelal vernieuwende businessmodellen. Het marktfalen is groot in de CCS, waardoor veel inspirerende initiatieven het levenslicht niet zien en het potentieel ervan onbenut blijft.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
1.6
Media-innovatie en sociale media
1.
Herverdeling van de bestaande rollen, met de consument als drijfveer
Crossmedialiteit en convergentie zorgen ervoor dat dienstenverdelers (Telenet, Belgacom, TV Vlaanderen) ook als omroepen actief kunnen worden en vice versa, wat het bestaande ecosysteem onder druk zet. Via nieuwe distributievormen zoals internet, via nieuwe toepassingen zoals apps, en door middel van micropayment-systemen kunnen omroepen ook rechtstreeks, zonder tussenkomst van een dienstenverdeler, hun content aanbieden en verkopen aan de eindgebruikers. Tegelijkertijd brengen dienstenverdelers eigen inhoud (bijvoorbeeld voetbal of film) en zorgen ze ook voor nieuwe gebruiksfaciliteiten (bijvoorbeeld uitgesteld kijken). De consument wil zijn media-inhoud meer en meer verbruiken waar en wanneer hij wil, waardoor de klassieke media-inhoud wordt gefragmenteerd en geatomiseerd en via tweede schermen en met verrijkte diensten wordt verpakt en aangeboden. Klassieke media worden gekoppeld aan interactie en community’s (sociale media), waar de individuele gebruiker zijn media gaat delen, beoordelen en verspreiden. Tegelijkertijd genereren diegenen die via nieuwe media sociale media-applicaties, zoekmachineproviders enzovoort aanbieden, een enorme hoeveelheid aan informatie over de gebruiker, waardoor die bedrijven potentieel kunnen inspelen op de individuele wensen van de gebruiker, door hem diensten en een op maat gemaakt media- en nieuwsaanbod te bezorgen van zaken die hem interesseren, inclusief reclame, wat dan weer voor de gebruikers nieuwe uitdagingen met zich meebrengt op het gebied van ‘mediawijze’ vaardigheden en attitudes.
2.
Aanpassen om te groeien
In die onvermijdbaar veranderende omgeving komen de bestaande modellen onder druk: omroepen, dienstenverdelers, contentproviders, internetapplicatieproviders, maar ook nieuwe bedrijven uit de creatieve industrie bevinden zich op een nieuw speelveld waar nieuwe spelregels gelden, maar waar ook nieuwe bedrijven uit de creatieve industrie kansen krijgen. Dat alles leidt tot onduidelijkheden bij de interpretatie van basisregels voor de media, tot spanningen in het bestaande ecosysteem, en tot risico’s wanneer socialemedia-informatie verkeerd wordt gebruikt. Anderzijds leidt dat alles tot een groter aanbod, tot nieuwe opportuniteiten voor ontwikkeling van toepassingen en samenwerking tussen actoren, en tot meer mogelijkheden voor burgers in hun digitale ontwikkeling om te communiceren en hun netwerk uit te breiden.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
2.1
Algemene ambitie en visie
Vlaanderen zal in de regeerperiode 2014-2019 uitzonderlijk sterk inzetten op verantwoorde economische groei en creatie van maatschappelijk toegevoegde waarde, vanwege de ervaringen die opgedaan zijn na een moeilijke periode van financieel-economische crisis en recessie en met het doel om in te spelen op de eerste tekenen van pril herstel. De voornaamste instrumenten daartoe zullen zijn:
•• •• •• •• ••
een optimalisatie van het O&O- en innovatiebeleid, de verdere vergroening van onze economie en landbouw en het opnemen van maatschappelijke verantwoordelijkheid door bedrijven, het bevorderen van duurzaam ondernemerschap om bedrijfsleiders te steunen en de groeiende impact van de globalisering positief te kunnen aanwenden, maatregelen die georiënteerd zijn op competitiviteitsgroei, op rendabiliteitsversterking en op het weerbaarder maken tegen de crisis, het versterken van het economisch weefsel en toekomstgerichte clusters om internationaal te kunnen doorgroeien en competitief te blijven.
De Vlaamse Regering blijft geloven in de toekomstmogelijkheden van alle sectoren, ook de primaire en secundaire sectoren, en wil via het nieuwe industriële beleid het weefsel met de tertiaire en quartaire sector nog versterken.
2.2
Strategische doelstellingen en beleidsvoorstellen
Beleidsthema ‘open ondernemer’
SD1. Ondernemen alle kansen geven De Vlaamse overheid creëert een omgeving waarin ondernemers zich kunnen concentreren op de kerntaken van het ondernemen. Een klimaat van respect en een geïntegreerde benadering zijn daarvoor cruciaal. Wij zetten in op administratieve vereenvoudiging, een toegankelijk aanbod van steun-, financierings- en begeleidingsmaatregelen, aandacht voor doelgroepen en specifieke noden van bepaalde economische sectoren en segmenten.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 1: Positieve attitude
Via initiatieven in onder andere de media en het onderwijs creëren wij een positieve attitude tegenover ondernemerschap, zowel bij het brede publiek als binnen de diensten van de Vlaamse overheid (zie ook het actieplan Ondernemend Onderwijs). ‘Respect voor ondernemerschap’ is het motto. Een positieve perceptie van het ondernemen kan een invloed hebben op de beroepskeuze van jongeren.
Beleidsvoorstel 2:
Begeleiding van de ondernemers en van het bedrijf in zijn diverse levensfases met het oog op groei, verduurzaming en internationalisering We nemen maatregelen om de talent- en competentieontwikkeling van (potentiële) ondernemers in de volledige levensloopbaan van de ondernemer te stimuleren. Geïnteresseerden, zowel werkzoekenden, werkenden als al actieve ondernemers werken hun hele loopbaan aan de verdere ontwikkeling en versterking van hun competenties op het vlak van ondernemerschap. Samen met intermediaire organisaties bouwen wij beleidsdomeinoverschrijdend (zie ook ‘Werkgeversservice’) een begeleidingsaanbod uit voor de diverse levensfases van de onderneming: steun bij de ontwikkeling van een ondernemingsplan, het opstarten van een onderneming, groei en opvolging. Bij de ontwikkeling van dat dienstenaanbod besteden wij aandacht aan de noden van doelgroepen als vrouwen, allochtone ondernemers, 50-plussers en arbeidsgehandicapten, maar ook aan de specifieke noden in bepaalde economische segmenten (zoals culturele en creatieve sectoren, toerisme, horeca, kleinhandel, zorg, landbouw) en aan thema’s als maatschappelijk verantwoord ondernemen, milieu- en energie-efficiëntie. De kennis van kmo’s en ondernemers over sociale media moet gestimuleerd en verhoogd worden. Op de markt van apps en toepassingen van sociale media in een (hyper)lokale context is er nog veel ruimte voor nieuwe initiatieven. De nieuwe media kunnen een grote rol spelen in de verdere groei en export van die ondernemingen in een internationale competitieve omgeving. Daarnaast stimuleren wij de uitwerking en toepassing van Vlaamse apps met een lokale meerwaarde en werken wij aan het openstellen van datasets die met publiek geld werden betaald (overheidsinformatie, musea). Nieuwe strategieën om bedrijven te ondersteunen die met deze opendatasets aan de slag gaan, worden onderzocht. Daarnaast ondersteunen wij de vorming over en het gebruik van sociale media in de bedrijfsstrategie en -processen. De Vlaamse overheid wil de bevoegdheden ‘toegang tot het beroep’ en ‘participatiefonds’, die geregionaliseerd worden in het kader van de zesde staatshervorming, optimaal inzetten om de Vlaamse economie te versterken. We willen komen tot een mentaliteitswijziging bij Vlaamse ondernemers. Daartoe nemen we initiatieven rond het belang van groei, verduurzaming en internationalisering, om zo te bouwen aan internationale groeiondernemingen van de toekomst. Ook de noodzakelijke instrumenten worden ontwikkeld om ondernemingen beslissende stappen naar groei, verduurzaming en internationalisering te laten zetten: begeleiding, coaching, ondersteuning bij het inhuren van externe expertise. In dit verband vereist ook de bevoegdheid ‘Erkenning van toeristische centra’, die met de zesde staatshervorming overgedragen wordt, specifieke aandacht.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Beleidsvoorstel 3:
We stimuleren maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) en zetten in op sociaal ondernemerschap Mvo biedt een kader aan bedrijven die rekening houden met goede economische resultaten, milieu en sociale aspecten. Mvo brengt voordelen in termen van kostenbesparing, betere klantrelaties, betrokken personeel en nieuwe inzichten voor producten en diensten. Steeds vaker zien andere landen mvo als een middel om competitief en concurrentieel voor de dag te komen op de wereldmarkt. Ondernemers worden blijvend gestimuleerd en gesensibiliseerd om – in lijn met het Pact 2020 – hun maatschappelijke verantwoordelijkheid op te nemen. Acties moeten daarom bedrijven concrete mvo-handvatten geven in het algemeen en moeten internationale standaarden in het bijzonder hanteerbaar maken voor ondernemers en organisaties. Mvo is en blijft immers een vrijwillig engagement van de ondernemingen en de ondersteuning moet bijgevolg laagdrempelig en gebruiksvriendelijk zijn. Daarbij hanteren we een integrale aanpak. De overheid heeft hier uiteraard een voorbeeldfunctie. We stimuleren mvo via het hanteren van duurzaamheidscriteria bij de beoordeling of als uitvoeringsvoorwaarde in het brede instrumentarium van subsidies, premies en overheidsopdrachten voor ondernemingen. Aandacht voor het milieu en het streven naar een vergroening is cruciaal als bedrijven hun maatschappelijke verantwoordelijkheid opnemen. Dat betekent dat bij het design van de producten en gedurende de volledige levensduur van de producten rekening wordt gehouden met de effecten op het milieu. Er is aandacht voor duurzaam materialenbeheer, grondstoffenverbruik, effecten op de gezondheid, op de natuur en een efficiënt energiegebruik. De onderneming heeft een uitgebouwde interne milieuzorg, zet in op eco-innovatie en streeft naar lokale en milieuvriendelijke productie. Dat alles biedt opportuniteiten voor ecologie én economie en kan leiden tot een nieuwe economische dynamiek. Zo kan Vlaanderen mee inspelen op de internationaal groeiende cleantechmarkt en wordt onze industrie competitiever door energie- en grondstoffenbesparing. Daarvoor is het ondersteunen van de jonge en groeiende milieusectoren en -bedrijven van cruciaal belang. Het gaat bijvoorbeeld over bedrijven die inzetten op bio-economie, groene mobiliteit, kringloopeconomie, duurzame woningen, hernieuwbare energie, milieuvriendelijke product-dienstcombinaties. Om die sectoren te ondersteunen, moeten we inzetten op innovatie (cfr. doorbraak ‘Innovatiecentrum Vlaanderen’). Daarnaast moeten we zorgen dat er voldoende kapitaal voorhanden is. Naast het gericht inzetten van de bestaande portefeuille van subsidies en andere ondersteuningsmaatregelen wordt de mogelijkheid van een ‘groene obligatie plus’ (GOplus) grondig bekeken. Demo- en voorbeeldbedrijven blijven daarbij belangrijk. Maatschappelijke verantwoordelijkheid is echter meer dan milieu en energie en kan niet los gezien worden van andere maatschappelijke uitdagingen. De combinatie van een vergrijzende beroepsbevolking en een mismatch tussen vereiste en beschikbare profielen, bemoeilijkt het economisch herstel en ondergraaft op middellange termijn de concurrentiepositie van de ondernemingen in Vlaanderen. Bedrijven mogen niet door een tekort aan arbeidskrachten afgeschrikt worden om zich in Vlaanderen te vestigen of om er te blijven. Ondernemerschap mag niet gehinderd worden door moeilijkheden op het vlak van rekrutering of retentie. Vandaag al zet het tekort aan (opgeleide) arbeidskrachten een rem op de ontwikkeling van toekomstgerichte sleutelsectoren. Ondernemers alle kansen geven betekent daarom dat wordt ingezet op de activering van arbeidsreserves, talentontwikkeling in ondernemingen, de omscholing van werknemers naar toekomstgerichte beroepen en sectoren, en innovatieve praktijken op de werkvloer. Het doel is om knelpunten om te buigen tot concurrentiële voordelen.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Om organisaties te stimuleren zich via advies en het inhuren van externe expertise verder te professionaliseren, wordt, naar het model van de kmo-portefeuille, een vzw-portefeuille ontwikkeld. Vlaanderen wordt geconfronteerd met enkele maatschappelijke uitdagingen en ontwikkelingen waarvoor onze overheidsmiddelen beperkt zijn: productinnovatie, het aanboren van nieuwe niches, innovatieve ondernemingsmodellen. De afgelopen jaren is gebleken dat sociaal ondernemerschap, inclusief coöperatief ondernemerschap, op het vlak van innovatie een pioniersrol speelt. We moeten die specifieke vorm van innovatie verder stimuleren, bijvoorbeeld door ook in de sociaal-culturele sectoren (zie ook ‘De Warme Samenleving’) synergieën aan te moedigen en als overheid een voorbeeldrol op te nemen. In vele landen maken coöperaties een aanzienlijk deel uit van de economie, en zorgen ze voor stabiliteit en een massa jobs. In sommige sectoren en regio’s vormen ze zelfs de economische ruggengraat. In vergelijking daarmee staat het coöperatief ondernemen in Vlaanderen een pak minder ver. We stimuleren coöperatieve organisatiemodellen, omdat ze erin slagen om op een efficiënte manier in te spelen op lokale noden, en daarbij een kwaliteitsvolle en toegankelijke dienstverlening waarborgen in eigen de regio. De voorbije legislatuur werden er een aantal concrete initiatieven genomen om het coöperatief ondernemen weer op de kaart te zetten. Maar om het potentieel van coöperatieve initiatieven ten volle te benutten, moeten we meer structurele antwoorden bieden. Zo is er nood aan geschikte opleidingen voor coöperatieve ondernemers, en aan een adequate begeleiding en ondersteuning van innovatieve start-ups.
Beleidsvoorstel 4:
Land- en tuinbouwers en vissers als ondernemers We stimuleren land- en tuinbouwers en vissers als ondernemers van de toekomst, door in te zetten op een innovatieve, duurzame en multifunctionele bedrijfsvoering. Kennisopbouw en begeleiding zijn daarbij sleutelwoorden. Ondersteuning van innovatietrajecten, met name via partnerschappen en investeringen, zullen de Vlaamse landbouw verder laten groeien in een mondiale context. De stevige exportpositie van bepaalde landbouwproducten en de afgeleiden ervan moet verder doorgang kunnen vinden en waar mogelijk moeten nieuwe sectoren of markten aangeboord worden. Jonge ondernemers moeten optimaal begeleid worden, ook bij overnames en in de uitbouw van hun strategie. Dat alles moet sterk gelinkt zijn aan de Europese context waarbinnen het landbouwbeleid zich grotendeels afspeelt. Voor de verhoging van de weerbaarheid van onze landbouwbedrijven stellen we zowel economische, sociale als ecologische aspecten voorop. De sector wordt verder gestimuleerd om natuurlijke grondstoffen doordacht te beheren en blijvende aandacht te hebben voor biodiversiteit en klimaataspecten in de bedrijfsvoering. Met name het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling 2014-2020, ter uitvoering van het Europese Gemeenschappelijk landbouwbeleid, zal de sector verder ondersteunen en begeleiden. De zeevisserijsector wordt gestimuleerd en gesensibiliseerd om in de transitie een versnelling hoger te schakelen door meer duurzame en selectievere technieken te stimuleren. Samen met een meer marktgeoriënteerd beheer zetten we daarmee in op groene en slimme visserij. In het kader van de zesde staatshervorming zullen diverse landbouwmateries toegewezen worden aan Vlaanderen: de opdrachten van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau, de pacht, het landbouwrampenfonds en het beleid rond dierenwelzijn. Een maximale onderlinge afstemming van economie- en landbouwstimuleringsmaatregelen is aangewezen.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Beleidsvoorstel 5:
Geïntegreerd ecosysteem voor de culturele en creatieve sectoren Voor de culturele en creatieve sectoren zet de Vlaamse overheid in op een geïntegreerd ecosysteem. De volgende Vlaamse Regering erkent de atypische loopbaan van de culturele en creatieve ondernemers en wil hen economisch weerbaarder maken door hun ondernemerschapsvaardigheden en zakelijke deskundigheid te vergroten. Daartoe wordt een interactief ecosysteem geïntroduceerd waarin zowel de overheidsinstanties, de intermediaire organisaties als de spelers zelf met elkaar in dialoog gaan om elkaar te versterken tijdens de verschillende levensfasen van de culturele en creatieve ondernemingen. Door het geïntegreerde ecosysteem van steunmaatregelen (advies, coaching, financiering) wil Vlaanderen de kloof verkleinen tussen starters en doorgroeiers. Daarmee wordt ook de overlevingsgraad van organisaties verhoogd en het falen van de markt teruggedrongen. Het is belangrijk dat de culturele en creatieve ondernemers alle beschikbare maatregelen ten volle benutten. Dit betekent dat eerst en vooral de bestaande maatregelen meer gepromoot moeten worden. Daarnaast moeten maatregelen die niet afgestemd zijn op hun innovatieve businessmodellen verfijnd en aangepast worden aan het specifieke karakter van ondernemen in de CCS, waarbij groei niet alleen in financiële en economische termen gedefinieerd wordt maar vooral op symbolisch, immaterieel vlak. Ten slotte moeten er gepaste instrumenten worden aangereikt waar er lacunes zijn. Op die manier zal de toegang tot financiering voor de CCS duidelijk verbeteren. De Vlaamse overheid en de CCS zijn zich bewust van het belang van ondernemen in een internationale context aangezien de afzetmarkt binnen Vlaanderen te klein is. De Vlaamse overheid erkent uitdrukkelijk dat een aantal sectoren binnen de CCS van nature internationaal zijn, onder andere games en mode. Samen met de verschillende bevoegde structuren ontwikkelt de volgende Vlaamse Regering een internationaal actieplan dat de CCS zowel aanzet tot internationaal ondernemen als de internationale verkoop stimuleert. Een op maat gemaakt actieplan oormerkt enerzijds de grote evenementen die door de CCS erkend worden als een belangrijk internationaal platform, maar heeft ook oog voor kleinere initiatieven en andere methodieken die geïnteresseerde kleinere actoren de stap laten zetten naar het internationaal ondernemen. De volgende Vlaamse Regering zal de CCS systematisch uitnodigen om mee te bouwen aan het promoten van het merk ‘Vlaanderen’. De volgende Vlaamse Regering voert een gericht beleid dat gebaseerd is op een mentaliteitswijziging waarbij ondernemingszin en ondernemerschap in de CCS positief gewaardeerd worden. Ze erkent daarbij het economische belang van zowel de commerciële als de niet-commerciële spelers en beklemtoont dat culturele en creatieve ondernemers ook respect verdienen voor hun economische activiteiten binnen een niet op winst georiënteerde context. Daarbij gaat ze na waar culturele en creatieve ondernemers uitgesloten worden van instrumenten die hen juist kunnen versterken.
SD2. Meer gerichte internationalisering van de Vlaamse economie
Beleidsvoorstel 1:
We voeren een proactiever en gerichter acquisitiebeleid voor buitenlandse investeringen, dat aansluit bij de slimme specialisatiestrategie van Vlaanderen en het nieuwe industriële beleid, en waarbij we ook instrumenten aanreiken ter verbetering van de algemene kostenpositie van de ondernemingen. Vlaanderen kon zich tot nu toe nog vrij goed positioneren voor het aantrekken van buitenlandse investeringen door het uitspelen van een aantal sterke troeven, onder andere op het vlak van ligging,
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
opleiding, arbeidspotentieel, logistiek en leefklimaat. In het huidige prangende klimaat van concurrentie tussen buurregio’s blijkt dat echter niet meer voldoende te zijn. Een nieuwe differentiatiestrategie die gericht is op de gekozen speerpuntclusters (zie ‘Nieuw Industrieel Beleid’), dringt zich op. Via kloofanalyses worden hiaten in Vlaamse clusters opgespoord en businesscases ontwikkeld, waarmee in het buitenland investeerders en partners voor toekomstgerichte sectoren met maximale toegevoegde waarde voor Vlaanderen worden gescout. Die methodologie kan deels door de bestaande actoren (F.I.T.,VLAM, clusters en sectorfederaties) uitgevoerd worden, maar deels is daar ook onderzoek door specialisten voor nodig, waarvoor momenteel de capaciteit niet bestaat. Er is behoefte aan een kader om externe, wereldwijd actieve experten te kunnen inschakelen voor onderzoeksopdrachten op korte termijn. Snelheid van informatie is vaak het determinerende competitieve voordeel. Meer aandacht is nodig voor de impact en risico’s van Vlaamse administratieve verplichtingen en regelgeving op de finale beslissing van potentiële investeerders om in Vlaanderen of elders te investeren. Buitenlandse investeringen aantrekken is meer dan ooit een salesactiviteit waarbij het risico om een potentiële klant of buitenlandse investeerder te verliezen, voorkomen moet worden. Dat vereist een gezamenlijk en structureel engagement van de betrokken Vlaamse administraties. Om Vlaanderen aantrekkelijker te maken als vestigingsplaats voor internationale ondernemingen en een effectief acquisitiebeleid te kunnen voeren, worden bovendien instrumenten ontwikkeld ter verbetering van de algemene kostenpositie van ondernemingen. Die instrumenten kunnen betrekking hebben op het verlagen van de energiekosten, zoals de maatregel met betrekking tot carbon leakage, loonkosten en andere lastenverlagingen.
Beleidsvoorstel 2:
Het (financieel en operationeel) instrumentarium voor de bevordering van internationaal ondernemen wordt gerichter ingezet op (prioritaire) doelgroepen en markten en we ondersteunen bedrijven bij het opnemen van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid (MVO) in het buitenland. Het financiële instrumentarium en het netwerk van F.I.T. (VLAM) in het buitenland worden gerichter door differentiatie naar doelgroepen en door een grotere focus op groeilanden. Dat voorstel past in de ViA-doelstellingen over het aantal exporterende kmo’s en het Vlaamse marktaandeel in de wereldhandel. Middelen moeten ingezet kunnen worden bij de groepen van bedrijven die er het meeste behoefte aan hebben. Extra capaciteit in het volledige buitenlandse netwerk is ook nodig om flexibel te kunnen inspelen op opportuniteiten in bijvoorbeeld nieuwe opkomende en snelgroeiende markten. De export van Vlaamse kennis en expertise over het beleid in bepaalde domeinen (bijvoorbeeld milieu, energie, zorg) ondersteunt en versterkt het internationaal ondernemen vanuit Vlaanderen. In de internationale context wordt mvo steeds vaker uitgespeeld als een concurrentieel voordeel bij export dat bijdraagt tot het imago van de bedrijven. In verschillende Europese landen is er uitgebreide ondersteuning voor de internationale keten van bedrijven met het oog op risicobeperking en waardemaximalisatie.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Beleidsvoorstel 3:
Alle actoren (van de overheid en het middenveld) handelen vanuit een gemeenschappelijke visie en strategie voor de internationalisering van de Vlaamse economie (outward & inward). In een steeds meer concurrentiële omgeving wordt een eenduidige Vlaamse aanpak in het buitenland belangrijker om de concurrentiepositie van Vlaanderen te versterken. Meer en meer actoren nemen in het buitenland initiatieven. Een versnipperd optreden in het buitenland kan leiden tot imagoschade voor Vlaanderen, verlies van buitenlandse investeringen en het missen van kansen op buitenlandse markten. Een coherente aanpak is daarom noodzakelijk voor een effectief beleid voor het internationaal ondernemen en het aantrekken van buitenlandse directe investeringen. De actoren erkennen dat het agentschap Flanders Investment & Trade (F.I.T.) een coördinerende rol speelt:
•• •• ••
in het afstemmen met overheids- en middenveldpartners over strategische keuzes voor doelgroepen en markten, en de daaraan gekoppelde acties; in een meer performante benadering van buitenlandse bedrijven of partners; in het gezamenlijk verhogen van de visibiliteit en herkenbaarheid van Vlaanderen in het buitenland.
SD3. In afstemming met het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen zorgen voor een adequate duurzame ruimtelijke ontwikkeling, inclusief brownfieldontwikkeling.
Beleidsvoorstel 1:
Vlaanderen als topregio door verhoogde competitiviteit van de economie en door het versnellen van investeringen Het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen stelt terecht dat we concurrentieel moeten blijven en vlot moeten inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen in economie, energie en klimaat. Vlaanderen is gezien zijn ligging een belangrijke logistieke hub in Europa. Om concurrentieel te blijven, zetten we in op ruimte voor speerpuntsectoren, kennisclusters in de buurt van instellingen, universiteiten en ziekenhuizen, en ruimte met een goede connectiviteit voor logistieke activiteiten en landbouw. Onze open economie moet immers functioneren in een internationale context. Vanuit de economie willen we inzicht krijgen in de manier waarop speerpuntsectoren zich in de ruimte organiseren en de vestigingsfactoren die voor hen essentieel zijn. Dat is iets wat we niet alleen topdown (uit bestaande initiatieven zoals VRWB, GAP-analyses van F.I.T., slimme specialisatie van het NIB) maar ook bottom-up (via de streekpacten) willen vormgeven. We willen inzicht krijgen in de specifieke vestigingsfactoren van die speerpuntsectoren om een gericht aanbodbeleid te kunnen ontwikkelen. Door dergelijke initiatieven spelen we vlot in op plotse economische evoluties, zoals in Limburg met het SALK. Voor de logistiek werken we een gelijkaardige aanpak uit. Ook daarbij willen we een zicht krijgen op hoe logistiek zich ruimtelijk manifesteert, wat de vestigingsvoorwaarden zijn en hoe we daar vanuit het ruimtelijk economisch beleid beter op kunnen inspelen om zowel ruimte als een goede connectiviteit te garanderen. Daarbij betrekken we private marktspelers, zodat we tot een realistische aanpak komen. Dat alles moet leiden tot een aanbodbeleid dat gebaseerd is op verschillende logistieke profielen van gronden en panden. Er is dus meer nodig dan het afbakenen van poorten. Er moet een locatiebeleid komen voor verschillende types van logistieke activiteit. Een noodzakelijke randvoorwaarde is dat alle vervoersmodi (spoorweg, water, luchthaven) goed functioneren. Een locatiebeleid moet ook streven naar een beheersing
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
van het aantal voertuigkilometers. Groene modi verdienen daarbij de voorkeur (cfr. Groen en dynamisch stedengewest). Een goede bereikbaarheid is cruciaal voor de logistieke sector maar ook voor de hele economie. Vanuit de landbouw kan een gedragen locatiebeleid uitzicht bieden op rechtszekerheid en een duurzame vernieuwing en investering, noodzakelijk voor het behoud van onder andere intensieve veehouderij, glastuinbouw en het eraan gerelateerde agrobusinesscomplex. Om te voorzien in voldoende ruimte voor ondernemen en om de bestaande ruimte efficiënt te benutten, wil de Vlaamse overheid maximaal gebruikmaken van de nieuwe mogelijkheden die de regionalisering van het handelsvestigingsbeleid in het kader van de zesde staatshervorming biedt. De staatshervorming biedt ook hefbomen voor een gedeeltelijke verlaging van de loonlasten. Ook de loonlasten hebben immers een belangrijke impact op de competitiviteit van onze ondernemingen. De overheveling van een aantal bevoegdheden voor arbeidsmarktbeleid biedt een kans om daarop in te spelen. Bij het beleidsthema ‘Werkende Vlaming’ staat een voorstel om een algemene RSZ-korting voor laaggeschoolden in te voeren. Die maatregel moet laaggeschoolde jobs behouden, de aanwervingskans van kwetsbare groepen ondersteunen en de concurrentiekracht van de private sector verhogen. Bovendien betekent de maatregel een belangrijke vereenvoudiging tegenover het huidige instrumentarium, met meer impact op de verhoging van de werkzaamheidsgraad. Vanuit het beleidsthema ‘Open Ondernemer’ wordt dit voorstel ondersteund als een belangrijke hefboom om de concurrentiepositie van onze bedrijven te verbeteren. Daarnaast moet aandacht besteed worden aan de energiekosten en kunnen voor de verlaging van de globale kosten fiscale instrumenten ingezet worden. Het is een terechte ambitie van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen om in te zetten op het vereenvoudigen en transparanter maken van procedures en op de samenwerking tussen bestuursniveaus en beleidsvelden. Het sneller of flexibeler maken van planningsprocessen en het ontwikkelen van gebiedsgerichte ontwikkelingsprogramma’s zijn lang niet voldoende om ontwikkelingen te faciliteren. Naast een grotere slagkracht op het terrein (door een volwaardig grond- en pandenbeleid) en een proactief milieubeleid is een vraaggericht aanbodbeleid (met breed draagvlak) hier essentieel. Voor het uitwerken van een locatiebeleid is een beleidsdomeinoverschrijdend vooroverleg nodig. Daarbij is een flankerend beleid voor de ingenomen ruimte voor landbouw en andere economische activiteiten primordiaal, in het kader van de versnelling van administratieve procedures. Bij de locatiekeuze maken we gebruik van de beschikbare ruimtelijk-economische informatie en de landbouwimpactstudie kan daarbij waardevolle informatie verstrekken. Een belangrijk vertrekpunt voor dit beleid vanuit het standpunt van het beleidsdomein Economie zijn de resultaten van de studie ‘ruimte behoefteraming voor (niet-verweefbare) economische activiteiten’ en de resultaten van de studie ‘inventarisatie en monitoring van economische activiteiten (buiten bedrijventerreinen, stedelijke gebieden en economische knooppunten)’, uitgewerkt in relatie tot een nieuwe themawerkgroep Interbestuurlijk Plattelandsoverleg (IPO).
Beleidsvoorstel 2:
Verweven waar kan, scheiden waar moet met het oog op een zuinig ruimtegebruik In ons bedrijfshuisvestingsbeleid geldt het principe ‘verweven waar kan en scheiden waar moet’. Heel wat uiteenlopende economische activiteiten hebben er immers baat bij dicht bij de gebruiker te zitten.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Ze hoeven niet afgezonderd te worden in een zogenaamde economische intensiveringsruimte (of een bedrijventerrein). Dat geldt alleen voor de activiteiten die geen verlaging van de leefkwaliteit met zich meebrengen of hinder veroorzaken. De culturele en creatieve sectoren (bijvoorbeeld webdesign) aarden het best in stedelijk gebied. Kleinschalige detailhandel hoort thuis in de kern. Primaire landbouwproductie manifesteert zich in diverse vormen; naargelang van omvang en aard is verweefbaarheid na te streven of kan een koppeling met andere economische activiteiten wenselijk zijn, bijvoorbeeld in het kader van toelevering, afzet of de complementariteit (warmte-krachtkoppeling (wkk), warmtenetten). Landbouwgerelateerde economische activiteiten functioneren dan weer het best in de nabijheid van hun afzetmarkt op het platteland. We onderzoeken welke activiteiten succesvol verweven kunnen worden met andere activiteiten (zoals wonen), en welke factoren daarin van belang zijn. We hebben oog voor bedrijfsactiviteiten die buiten de stedelijke gebieden, economische knooppunten en bedrijventerreinen voorkomen, omdat die een groot deel van de economie uitmaken. Vanuit een goed zicht op vraag en aanbod streven wij daarom naar een globale visie die de beleidsdomeinen overschrijdt. Zo brengen we voor de ondernemer een transparanter en meer gedragen verhaal, dat leidt tot een aangepast bedrijfshuisvestingsbeleid. Binnen dat bedrijfshuisvestingsbeleid moet er voldoende aandacht uitgaan naar problematische ‘ruimtevragers’ en het tegengaan van ruimtelijke versnippering. Gerichte bundeling en herlokalisering met het oog op de leefbaarheid van het platteland moeten globaal worden aangepakt. Omdat de diverse economische actoren niet steeds op dezelfde lijn staan en elkaar beconcurreren in de schaarse beschikbare ruimte, moet de overheid een zuinig ruimtegebruik aanmoedigen en ervoor zorgen dat zwakkere economische actoren toch voldoende kansen krijgen bij verlies van economische productieruimte. Daartoe wordt een flankerend beleid uitgewerkt (cfr. havenontwikkeling). Op basis van het huidige ruimtelijk-economisch beleid (onder andere decreet ruimtelijke economie en bijbehorend beleidskader) is het streven naar zorgvuldig ruimtegebruik en het verhogen van de ruimteproductiviteit een belangrijke doelstelling. Zuinig ruimtegebruik houdt ook in dat nieuwe marktideeën (zoals logistieke concepten) naar boven gehaald worden en onderbenutte ruimte verder geactiveerd wordt. Het voortzetten van de activeringsteams, het terugkooprecht, en het evalueren en bijsturen van de regeling rond de brownfields kunnen daarbij een belangrijke bijdrage leveren.
SD4. Stroomlijnen, professionaliseren en versterken van de internationale promotie en reputatieontwikkeling van Vlaanderen door het uitbouwen van Toerisme Vlaanderen tot de internationale marketingorganisatie van de Vlaamse overheid
Beleidsvoorstel 1:
Internationale promotie-en reputatie ontwikkeling Internationale promotie en reputatieontwikkeling zijn cruciaal voor de beeldvorming van Vlaanderen in het buitenland en leiden tot investeringen in Vlaanderen (door toeristen, bedrijven, studenten, culturele
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
actoren). Het internationale promotie- en reputatiebeleid is nu echter versnipperd over verschillende entiteiten van de Vlaamse overheid. Om efficiëntiewinsten te genereren op het vlak van internationale marketing en om een hogere return on marketing investment te bereiken, zijn drie acties noodzakelijk:
•• •• ••
een stroomlijning van de internationale marketingstrategie en de uitvoering ervan, het professionaliseren van het internationale marketingbeleid, het versterken van de internationale promotie en reputatieontwikkeling van Vlaanderen.
Beleidsvoorstel 2:
Toerisme Vlaanderen als internationale marketingorganisatie van de Vlaamse overheid Toerisme Vlaanderen wordt uitgebouwd tot de internationale marketingorganisatie van de Vlaamse overheid met een verruiming van de scope van ‘toeristische marketing’ naar ‘internationale marketing’ en van ‘toerist’ naar ‘bezoeker’. De kernopdracht van de internationale marketingorganisatie is drieledig:
•• •• ••
het centraal aansturen van de merkstrategie en reputatieontwikkeling van de hele Vlaamse overheid en het aanreiken van de nodige marketinginstrumenten aan economische, culturele en andere partners om zo op een coherente wijze de reputatie van Vlaanderen te ontwikkelen (Brand Flanders); de bestemmingsontwikkeling en -promotie (salesactiviteiten) voor internationale toeristen (Visit Flanders); het coördineren van alle initiatieven van de Vlaamse overheid voor de prospectie van en bidding op internationale evenementen die in Vlaanderen kunnen plaatsvinden en die de reputatie en positionering van Vlaanderen kunnen versterken (Event Flanders).
In het kader van de zesde staatshervorming zal een samenwerkingsakkoord met het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest over de promotie van Brussel als toeristische bestemming afgesloten worden.
Beleidsthema ‘innovatiecentrum vlaanderen’
SD1. Meer middelen (mensen, opleiding en vorming, kapitaal) voor O&O beter inzetten
Beleidsvoorstel:
Tegen 2020 besteedt de Vlaamse overheid 1% aan O&O en we zetten de middelen efficiënt in (het slimme specialisatiekader van de OESO) De ambitie uit het Vlaamse regeerakkoord en VIA/Pact 2020 om tegen 2020 3% van het Bbp aan O&O te besteden – opgesplitst in 2% private en 1% publieke financiering – wordt onverminderd nagestreefd. De Vlaamse overheid heeft het engagement genomen om de 1%- norm voor publieke financiering te bereiken tegen 2020. Resoluut inzetten op wetenschap en innovatie is een expliciete keuze, die leidt tot een collectieve verantwoordelijkheid en draagvlak moet hebben binnen de Vlaamse Regering. De uitdagingen in
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
andere beleidsdomeinen, zoals de klimaat- en milieuproblematiek, de schaarste van grondstoffen, de onderbenutting van het arbeidspotentieel, de vergrijzing, zijn van die aard dat ze zonder wetenschap en (sociale) innovatie geen afdoende oplossing vinden. De extra investeringen in W&I hebben dan ook een positieve impact op diverse beleidsdomeinen. Om de 1%-norm tegen 2020 te bereiken, zijn aanzienlijke extra investeringen in W&I noodzakelijk. Extra middelen worden evenwichtig over de hele innovatieketen ingezet, vanaf fundamenteel onderzoek tot en met valorisatie. Tegelijk met het vergroten van de financiële middelen moeten we er ook over waken dat de middelen zo efficiënt mogelijk worden ingezet en dat het hefboomeffect maximaal is. Naast de focus op het verhogen van de input is het even belangrijk om de middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten en de effecten te maximaliseren. Een hefboom daarvoor is de implementatie van het slimme specialisatiekader dat door de OESO (via een samenwerking tussen het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie en het Expertisecentrum O&O Monitoring (ECOOM)) is uitgewerkt en dat een belangrijk referentiekader wordt voor de gerichte dimensie van het Europese innovatiebeleid. De hefboomwerking tussen het publiek en het door de privésector gefinancierde onderzoek wordt continu bekeken. Het expertisecentrum ECOOM voert samen met het IWT en de andere relevante innovatieactoren op regelmatige basis additionaliteitsstudies uit. Verder wordt ingezet op de uitbouw van onderzoeks- en openinnovatie-infrastructuur in een internationale context, zoals in de eerder genoemde ESFRI-projecten.
SD2. Innovatie stimuleren in ondernemingen
Beleidsvoorstel 1:
Een doelgroepgerichte mix van instrumenten uitbouwen en systeeminnovatie in strategische domeinen versnellen In 2012 werd de directe bedrijfssteun al aangepast zodat de benadering meer op maat van de bedrijven is en het hefboomeffect van de steunverlening in economische en maatschappelijke meerwaarde voor Vlaanderen gemaximaliseerd wordt. Door zoveel mogelijk in te zetten op innovatieprojecten die echt het verschil kunnen maken voor de betrokken bedrijven en voor Vlaanderen, is de directe bedrijfssteun sterk complementair aan de federale fiscale steun die louter gericht is op het goedkoper maken van O&O. Voor innovatie-intensieve, vaak grote en internationale bedrijven betekent een meer doelgroepgerichte en selectieve aanpak dat de steunverlening nog meer ingezet moet worden voor de projecten die echt additioneel zijn voor het bedrijf en waarvoor de toegevoegde waarde ook voor Vlaanderen duidelijk aangetoond kan worden. Samenwerking tussen die bedrijven en andere innovatiestakeholders is daarbij een essentieel element. Open innovatie en cocreatie moeten verder worden aangemoedigd. Zowel via de directe bedrijfssteun als via het SBO-programma (strategisch basisonderzoek door universiteiten en andere onderzoeksorganisaties) zal samenwerking maximaal worden versterkt. Voor kapitaal- en O&O-intensieve jonge groeiondernemingen zijn de mogelijkheden voor het aantrekken van kapitaal zeer belangrijk. De interactie tussen het aanbod aan risicokapitaal en de steunverlening van de overheid aan deze groeibedrijven moet zelfversterkend zijn. Voor de minder innovatie-intensieve bedrijven, vooral kmo’s, betekent het maximaliseren van de hefboom van het overheidsoptreden vooral dat we prioritair de toegankelijkheid van de steunverlening verder moeten verbeteren zodat meer en vooral meer strategische innovaties in de kmo’s met innovatiepotentieel
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
worden gerealiseerd. Ook het betrekken van specifieke groepen die zich niet spontaan richten tot innovatiesteun, moet verder versterkt worden. In dat verband erkent de Vlaamse Regering de cruciale rol die de culturele en creatieve sectoren spelen in de toelevering van creativiteit en innovatie in andere sectoren. De culturele en creatieve sectoren zijn een belangrijke katalysator voor creatief ondernemerschap en daarom werkt de Vlaamse overheid een structureel samenwerkingsprogramma uit voor crosssectorale innovatie (innovatie tussen de CCS en de traditionele sectoren) met aandacht voor de menswetenschappen. Naast de vermelde doelgroepen is er ook een ruime groep van kmo’s die wel innovaties toepassen maar zelf niet de mogelijkheid hebben om innovatie te initiëren, de zogenaamde innovatievolgers. Voor die groep van bedrijven moeten prioritair de collectieve innovatieschema’s verder worden uitgewerkt. Naast projectmatige innovatie op initiatief van individuele of een beperkt aantal ondernemingen is er ook behoefte aan een meer programmatorische aanpak, waarbij op basis van strategische innovatieagenda’s of roadmaps bedrijven, kenniscentra en andere stakeholders met gemeenschappelijke innovatiebehoeften de krachten bundelen. De internationale, Europese agenda geeft daarin de richting aan. Op het Vlaamse niveau moeten aspecten als kritische massa, kwaliteit, groeipotentieel, absorptievermogen en internationalisering naar een zeer selectief selectiekader leiden voor de prioritering van strategische domeinen, thema’s en sectoren. Bestaande initiatieven moeten daaraan getoetst worden. Tijdens de vorige legislatuur werden initiatieven met proeftuinen voor zorginnovatie en voor elektrische voertuigen geïntroduceerd. Daaruit moeten de nodige lessen worden getrokken voor een effectieve aanpak. Voldoende aandacht voor demonstratie en uitbouw van infrastructuur moet ingebouwd worden. De in het kader van de slimme specialisatie opgezette piloottrajecten moeten worden voortgezet en moeten tot een werkbare aanpak leiden, zodat de geselecteerde sectoren en de overheid over de beleidsdomeinen heen samen de vooropgestelde vooruitgang kunnen realiseren.
Beleidsvoorstel 2:
SOC’s (strategische onderzoekscentra) en valorisatie van onderzoek versterken Om de valorisatie binnen de onderzoeksinstellingen te bestendigen en versterken, zullen we verder inzetten op onderlinge samenwerking, zowel binnen Vlaanderen als internationaal. Ook moet in de middelen worden voorzien om extra strategische onderzoekscentra te erkennen in kennisdomeinen waar Vlaanderen een economische meerwaarde kan creëren. Om fundamentele onderzoeksresultaten met groot potentieel sneller te valoriseren voor de maatschappij moeten middelen voorzien worden voor demonstratie- en Proof of Concept projecten.
SD3. Excellentie van onderzoek bevorderen
Beleidsvoorstel 1:
FWO-onderzoeksprojecten voor jonge onderzoekers op de sporen zetten en elke stap in de wetenschappelijke carrière ondersteunen Nadat onderzoekers de fase van doctoraal en postdoctoraal onderzoek doorlopen hebben, is de volgende stap in de academische carrière het instappen in een tenure track of gelijkaardig systeem. Na een aantal jaren én een gunstige evaluatie kunnen de onderzoekers dan de stap naar het ZAP-kader van de universiteit.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
De FWO-onderzoeksprojecten vormen een belangrijke schakel in die ketting. Ze stellen de jonge onderzoekers in staat om een eigen onderzoekslijn uit te bouwen en met de hulp van wetenschappelijke medewerkers de eigen expertise uit te diepen en te valoriseren. Ook in de latere loopbaan van de meer gevestigde academische onderzoekers spelen de FWO-onderzoeksprojecten een belangrijke rol. Ze zorgen ervoor dat een onderzoeksgroep verder kan functioneren en zich ook kan verdiepen in nieuwe mogelijkheden die tijdens het onderzoek opduiken. Om de kwaliteit van het onderzoek op langere termijn te verzekeren en jonge onderzoekers de kans te geven een eigen onderzoeksgroep uit te bouwen, die de internationale competitie aankan, is een aanvaardbaar slaagpercentage voor het aanvragen van FWO-onderzoeksprojecten onontbeerlijk. Om de grens van 33% te halen, is het belangrijk dat de volgende jaren de investeringen in extra FWO-onderzoeksprojecten worden versterkt. Als we uitgaan van een groeitraject waarbij het slaagpercentage naar 23% wordt gebracht in 2014, naar 25% in 2015, 27% in 2016, 30% in 2017, om in 2018 het doel van 33% te behalen, is een jaarlijkse stijging van het budget van bijna 4 miljoen euro per jaar nodig. De meeste Vlaamse toponderzoekers starten hun carrière als aspirant bij het FWO. Na een dergelijke periode is een postdoctoraal mandaat van het FWO de volgende stap in het uitbouwen van de zelfstandigheid van de onderzoeker. De laatste jaren komen beide financieringskanalen echter steeds meer onder druk te staan. Het groeiend aantal studenten op de universiteiten en hogescholen brengt met zich dat meer jongeren de smaak van het onderzoek te pakken krijgen, wat een goede zaak is. Het betekent echter ook dat het aantal kandidaten voor een FWO-mandaat de afgelopen jaren sterk is gestegen. Als men die groep niet wil ontmoedigen, moeten inspanningen geleverd worden om voldoende financiering ter beschikking te stellen en zo de talenten van de jongeren optimaal te ontplooien. Om hun kansen te verbeteren is er voor de mandaten een jaarlijkse stijging van het budget van bijna 6 miljoen euro per jaar nodig vanaf 2014. Ook extra ondersteuning via de middelen van het Bijzonder Onderzoekfonds (BOF) is essentieel. De BOFfinanciering kan als complementair beschouwd worden aan de FWO-financiering, zodat beide kanalen samen met de IWT-beurzen elkaar versterken om zo tot de beste resultaten te leiden.
Beleidsvoorstel 2:
Inzetten op internationale samenwerking Bilaterale onderzoeksprojecten stimuleren Het FWO-programma ‘Bilaterale Onderzoekssamenwerking’ is sinds begin 2010 op kruissnelheid. Na een start met vijf preferente partnerlanden/partnerregio’s (China, Zuid-Afrika, Quebec, Vietnam en Ecuador) bewees het succes van de eerste oproepen dat dat programma tegemoet kwam aan een vraag die leefde bij heel wat Vlaamse onderzoeksgroepen. In 2012 werd de groep van partnerlanden uitgebreid met Brazilië. Het FWO wil ook de volgende jaren op de ingeslagen weg verdergaan en akkoorden afsluiten met de overige BRIC-landen of met andere interessante partnerlanden. Grensoverschrijdend samen werken: ERA en joint calls Europees onderzoek wordt zeker niet alleen mogelijk gemaakt door de Europese Commissie: liefst 85 procent van de inspanningen zijn nog steeds op nationaal niveau te situeren. In het kader van de Europese
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Onderzoeksruimte (European Research Area, ERA) bieden de onderzoeksfinancierende instanties van de Europese lidstaten en geassocieerde landen aan hun onderzoekers de kans om grensoverschrijdend samen te werken. Ook bestaande projecten kunnen via top-up-geld geïntegreerd worden in JPI-calls, wat aan de geest van de joint programming beantwoordt. Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek op Europees niveau brengen De European Research Council (ERC) is ontwikkeld in het kader van het zevende Kaderprogramma en specifiek gericht op fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Het FWO heeft al in 2007 zijn volle steun aan de ERC verleend en wil dat ook in de toekomst blijven doen.
Beleidsvoorstel 3:
Een Vlaams openaccessbeleid uitbouwen Bij open access gaat het over de fundamentele keuze om onderzoek dat betaald wordt met publieke middelen, ook publiek toegankelijk te maken. Anders betaalt de bevolking (ondernemingen, onderzoekers, de overheid) via abonnementsgelden tweemaal voor onderzoek dat van oorsprong publiek is. Het FWO verplicht zijn onderzoekers nu al om de groene weg te volgen en publicaties die voortkomen uit onderzoek dat door het FWO betaald is, na maximaal één jaar in een publieke databank op te slaan. Ze worden aangemoedigd dat ook voor hun andere publicaties te doen. Hun werkingsmiddelen kunnen aangewend worden om de publicatiekosten die gemoeid zijn met een OA Green/Gold-publicatie te betalen.
Beleidsvoorstel 4:
Het belang van interuniversitaire attractiepolen (IUAP’s) Het dossier van de interuniversitaire attractiepolen (IUAP’s) sluit aan bij bevoegdheden die nu nog federaal zijn. Op 22 juni 2011 heeft de ministerraad de uitvoering goedgekeurd van de zevende fase van dat programma voor de periode 2012-2017, waarvoor de federale staat en de gemeenschappen een samenwerkingsakkoord afgesloten hebben. De huidige federale samenwerkingsovereenkomst loopt tot 30 juni 2017, waarbij het beheer van de IUAP’s aan BELSPO is toevertrouwd. Nadien zullen de gemeenschappen over een nieuw protocol moeten onderhandelen om de IUAP’s te kunnen voortzetten. Op dit ogenblik maakt het FWO deel uit van het IUAP-stuurcomité. De IUAP’s vormen een belangrijke schakel in het uitbouwen van (inter)nationale wetenschappelijke netwerken, waarbij er niet alleen ruimte is voor het inrichten van workshops en congressen, maar er ook budget beschikbaar is om echte onderzoeksprojecten uit te bouwen. Het is aangewezen om dit financieringskanaal na 2017 verder te laten bestaan. Het nieuwe artikel 47/11 van het voorstel van Bijzondere Financieringswet van 24 juli 2013 voorziet in een dotatie die vanaf het begrotingsjaar 2018, bij de afloop van fase VII voor de middelen die verbonden zijn met de interuniversitaire attractiepolen, jaarlijks aan de Vlaamse Gemeenschap wordt toegekend.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Na 2017 kan overwogen worden om de IUAP’s om te vormen en uit te breiden tot een financieringskanaal op supraregionaal niveau, beheerd door het FWO, waarbij er op een eenvoudige wijze samenwerkingsverbanden kunnen worden uitgebouwd met de ons omliggende landen en regio’s, naar het voorbeeld van het bilaterale onderzoeksprogramma, dat vooral de focus legt op samenwerking met niet-Europese landen.
Beleidsvoorstel 5:
Wetenschappelijke integriteit bevorderen Het FWO heeft het initiatief genomen om in de schoot van de KVAB een Vlaamse Commissie voor Wetenschappelijke Integriteit (VCWI) op te richten. In de herfst van 2013 zijn de werkzaamheden gestart. De commissie fungeert als een tweede opinie bij vermoedelijke inbreuken en kan daarnaast algemene adviezen over deze materie leveren. Binnen onderzoeks- en universitaire instellingen wordt de oprichting van autocontrolesystemen gestimuleerd.
Beleidsvoorstel 6:
De financiering van universiteiten vereenvoudigen Wat de vereenvoudiging van de financiering van het onderzoek binnen de Vlaamse universiteiten betreft, zullen we de mogelijkheid van bilaterale overeenkomsten tussen de Vlaamse Regering en de universiteiten nagaan. Daarbij moet de eigenheid van de universiteiten worden gerespecteerd, maar tegelijk kunnen er afspraken gemaakt worden over de samen te behalen resultaten naar fundamenteel en toegepast onderzoek en de valorisatie ervan, naar analogie met de vijfjaarlijkse convenanten met de andere gefinancierde onderzoeksinstellingen. In de directe onderzoeksfinanciering van de universiteiten (het gedeelte onderzoek in de werkingstoelagen en de flankerende financiering zoals BOF en IOF) wordt afgestapt van een gesloten enveloppe die tussen de instellingen wordt verdeeld op basis van competitie. Elk instelling krijgt voortaan een financiering op basis van haar eigen prestaties zoals die weerspiegeld wordt in de evolutie van de gewogen input-, output- en impactindicatoren.
SD4. Onderzoeksinfrastructuur om kennis te verankeren en innovatie te stimuleren Voor de ontwikkeling van nieuwe kennis en afgeleid van erop gebaseerde innovatieve toepassingen is toegang tot hoogwaardige onderzoeksinfrastructuur onmisbaar. De onderzoeksinfrastructuur staat in het centrum van de kennisdriehoek die gevormd wordt door onderzoek, opleiding en innovatie.
Beleidsvoorstel:
Door een hoogwaardige onderzoeksinfrastructuur zorgen we ervoor dat uitstekende onderzoekers in Vlaanderen blijven, dat buitenlands talent naar Vlaanderen komt en stimuleren we de samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven. We vernieuwen en breiden de basisuitrusting van de onderzoeksgroepen aan de universiteiten en de kennisinstellingen uit. Om internationaal competitief onderzoek te kunnen verrichten, moeten de
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
onderzoekers over de meest recente uitrusting beschikken. Het gaat daarbij om gespecialiseerd materiaal dat voltijds gebruikt wordt en waarvan de overhead te groot is om het voor andere groepen open te stellen. Tussen de basisuitrusting en de pan-Europese onderzoeksinfrastructuren bevinden zich onderzoeksplatformen waarvan de investerings- en exploitatiekosten een universiteit of onderzoeksinstelling te boven gaan maar die een krachtige impuls kunnen geven aan de regionale kennisontwikkeling en -toepassing. Bij de uitbouw van Vlaamse onderzoeksplatformen wordt gestreefd naar samenwerking met andere regio’s en landen. Vlaanderen neemt vandaag deel aan de bouw van vier ESFRI-infrastructuren en speelt op Europees niveau bij twee ervan een centrale rol. Daarnaast neemt Vlaanderen deel aan PRACE, het Europese netwerk voor supercomputing. We stimuleren verder de Vlaamse deelname aan de bouw en de exploitatie van panEuropese ESFRI-onderzoeksinfrastructuren in domeinen die voor de Vlaamse onderheid prioritair zijn. De huidige Vlaamse Regering beschouwt grote rekencapaciteit voor onderzoek en innovatie als een prioriteit. Steeds meer onderzoeksdomeinen maken er gebruik van en Vlaamse bedrijven willen er toegang toe krijgen. Om op de ingeslagen weg verder te gaan, zijn extra middelen nodig voor investeringen in hard- en software, maar ook in gespecialiseerd personeel dat de onderzoekers opleidt en ondersteunt in het gebruik ervan.
SD5. Een antwoord bieden op maatschappelijke uitdagingen
Beleidsvoorstel 1:
Focus op Sociale innovatie, op maatschappelijke valorisatie en op wetenschappelijke onderbouwing van het beleid Pijlers in dit domein zijn werkplekinnovatie, sociaal ondernemerschap, zorginnovatie en brede ondersteunende sociale innovatie (zie ook thema ‘Warme Samenleving’). Voor elk ervan werden de afgelopen jaren initiatieven genomen die de eerstkomende jaren op hun merites beoordeeld en desgewenst uitgebreid of bijgestuurd worden. De communicatie over wetenschap en innovatie is van belang om het maatschappelijk draagvlak voor onderzoek, technologie en innovatie te versterken en het belang ervan voor de economie en de maatschappij te duiden. Meer en meer wordt van de overheid een wetenschappelijk onderbouwd beleid verwacht. De steunpunten Beleidsrelevant Onderzoek leveren daartoe een belangrijke bijdrage. Daarnaast is het wetenschappelijk onderzoek voor sommige beleidsvelden ingebed in de organisatiestructuur van de Vlaamse overheid in de vorm van Vlaamse wetenschappelijke instellingen. Die specificering als Vlaamse wetenschappelijke instelling is van cruciaal belang om zowel binnen als buiten de Vlaamse overheid voldoende zichtbaarheid en erkenning als volwaardige wetenschappelijke partner te kunnen krijgen. Binnen het algemene kader van hun kernopdracht, het uitvoeren van beleidsgericht onderzoek, moeten die instellingen zich op gelijke voet met hun wetenschappelijke partners kunnen inpassen in nationale en internationale onderzoeksnetwerken en -programma’s, zodat ze de hoge kwaliteit van hun onderzoek kunnen blijven verzekeren en hooggekwalificeerd wetenschappelijk personeel kunnen blijven aantrekken en behouden.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Beleidsvoorstel 2:
Focus op duurzaamheid Duurzame energie promoten Het innovatieknooppunt Groene Energie wil de wetenschappelijke en technologische sterktes in het domein van de energietechnologie in Vlaanderen ten dienst stellen van de transitie naar een koolstofarme economie. Die omschakeling is noodzakelijk voor het realiseren van onze klimaatdoelstellingen, voor onze energieonafhankelijkheid en voor het vrijwaren en versterken van de Vlaamse industrie. Duurzaam materialenbeheer als basis voor een efficiënte economie Het is de uitdaging om als een van de eerste Europese regio’s te evolueren naar een economie die gebaseerd is op gesloten kringlopen. De versnelde transformatie van de economie naar een duurzaam beheer van grondstoffen en materialen vermindert de importafhankelijkheid en zal ons concurrentievermogen versterken, nieuwe jobs creëren en de internationale valorisatie en de vermarkting van knowhow, innovaties en nieuwe technologie op de kaart zetten. Doorgedreven samenwerking tussen de transities Duurzaam Materialenbeheer, Nieuw Industrieel Beleid en Innovatiecentrum Vlaanderen is nodig voor de realisatie van een materiaalzuinige en competitieve economie in Vlaanderen. Op basis van een gezamenlijke roadmap voor de realisatie van een kringloopeconomie willen we de juiste randvoorwaarden creëren op het vlak van regelgeving, publiek-private financiering, onderzoek en ontwikkeling, potentieel voor pilot plants om materiaalkringlopen te sluiten in de bouwsector, de chemische en kunststoffenindustrie, de bio-economie (inclusief voeding) en de metaalsector (inclusief elektronica en transport). Duurzame voeding en de inzet op de bio-economie verminderen de impact op het milieu Duurzame voeding houdt in dat er voldoende, veilige en gezonde voeding voorhanden is tegen een marktconforme maar betaalbare prijs. De ecologische en sociale voetafdruk van voeding moet in de productie- en consumptieketen worden geminimaliseerd. Om de juiste keuze te kunnen maken, moet de consument zich bewust worden van de impact die zijn consumptiepatroon met zich meebrengt. Hij moet daarover worden geïnformeerd. Daarbij zoekt de Vlaamse overheid aansluiting bij lopende Europese initiatieven. Om de consument verder in de juiste richting te sturen, moet de prijs zowel de productiekosten als de internalisering van milieu- en maatschappelijke kosten en baten weerspiegelen. Duurzame voedselproductie vereist een coherent beleid op Vlaams en Europees niveau, waarbij het ILVO samen met de praktijkcentra en Flanders Food een voortrekkersrol moet spelen. Voedselverspilling, dat tot heden in de interdepartementale werkgroep vooral als studiethema werd benaderd, moet evolueren naar een horizontaal beleidsthema, rekening houdend met de Europese beleidsontwikkelingen ter zake.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Duurzame mobiliteit vereist coördinatie De in 2011 opgerichte ‘proeftuin elektrische voertuigen’ loopt eind 2014 af. Op dat moment moeten de resultaten ervan worden benut. Voor de nodige opschaling met het oog op de transitie naar groene voertuigen is er een gecoördineerd beleid nodig voor de uitrol van elektrische voertuigen. Een op te richten e-team moet die doorbraak coördineren, zodat de vooropgestelde doelstellingen tegen 2020 en nadien kunnen worden gehaald (cf. Groen en dynamisch stedengewest). Duurzaam wonen bespaart energie Duurzaam wonen en bouwen is een transitie die een uitdaging voor een gericht innovatiebeleid is. Deze transitie is een systeeminnovatie op het vlak van energie- en materiaalgebruik en nieuwe woonvormen, die aangepast zijn aan de duurzaamheidsuitdaging en de demografische evolutie, die nog een substantiële stijging van het aantal wooneenheden in het vooruitzicht stelt. Een vooruitstrevend innovatiebeleid op dat vlak is een aanmoediging voor de transformatie van de bouwsector tot een echte bouw-, milieuen energiecluster, die zijn binnenlandse en buitenlandse concurrentiepositie zal versterken en nieuwe sectoroverschrijdende waardeketens met de toeleverende sectoren kan ontwikkelen.
SD6. Bewaken en stimuleren van kwaliteit binnen een veranderend innovatief media-ecosysteem
Beleidsvoorstel 1:
Een pluriform, divers en kwaliteitsvol media-aanbod staat centraal In de volgende regeerperiode wordt blijvend ingezet op het bewaken van het diverse en kwaliteitsvolle media-aanbod. Dat gebeurt met een faciliterend en stimulerend beleid voor de audiovisuele sector en voor de geschreven pers, dat gebaseerd is op gerichte subsidiëring en specifieke ondersteuningsmechanismen in combinatie met een sterke openbare omroep. Ook wordt de mogelijkheid onderzocht om respectievelijk kwaliteitsvereisten en cross-ownership-beperkingen in te voeren. De rol van de openbare omroep als baken voor kwaliteit enerzijds en hefboom voor duurzame innovatie in de mediasector anderzijds is een van de kernonderdelen van de nieuwe beheersovereenkomst met de openbare omroep vanaf 2017. Een publieke omroep die sterk verankerd is in de samenleving, is immers een middel om onze culturele identiteit te versterken, mee te bouwen aan een sociale, respectvolle en positieve samenleving, de democratie en een pluralistische uitwisseling van ideeën te stimuleren, en de diversiteit in de samenleving aan bod te laten komen. Ten slotte zet de volgende Vlaamse regering maximaal in op digitalisering, bewaring en ontsluiting van de audiovisuele archieven, verder bouwend op de verwezenlijkingen van het Vlaams Instituut voor digitale Archivering en ontsluiting van Audiovisueel Erfgoed.
Beleidsvoorstel 2:
Rekening houden met de nieuwe (sociale) media, met crossmedialiteit Het referentiekader van waaruit de media vandaag benaderd worden en waarop het regelgevende kader is gebouwd, is aan herziening toe. Met de introductie van nieuwe digitale faciliteiten en in navolging van Europese ontwikkelingen zal de volgende regering een nieuw regelgevend beleidskader ontwikkelen dat
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
zo veel mogelijk rechtszekerheid biedt. Daarbij wordt ingezet op co- en zelfregulering, bijvoorbeeld op het gebied van nieuwe media-applicaties en sociale media. Vlaanderen voert ook een hertekend regelgevend kader in voor de radio-omroep, met het oog op een nieuwe erkenningsronde voor privéradio’s in 2016. De opdeling van mediacontent tot in de kleinst mogelijke delen, waarbij programma’s worden verknipt tot kleine programmaonderdelen en (zeer) korte fragmenten en daarna verkocht en verdeeld worden via verschillende netwerken, platformen en diensten, moet gebeuren in samenwerkingsverbanden tussen omroepen en dienstenverdelers, ter versterking van de kwaliteit van ons Vlaamse omroepbestel. In navolging van Europese ontwikkelingen zal de volgende regering een nieuw regelgevend beleidskader ontwikkelen dat zo veel mogelijk rechtszekerheid biedt. Daarbij wordt ingezet op co- en zelfregulering, bijvoorbeeld op het gebied van nieuwe media-applicaties en sociale media. Vlaanderen voert ook een hertekend regelgevend kader in voor de radio-omroep, met het oog op een nieuwe erkenningsronde voor privéradio’s in 2016. Vlaanderen blijft in de toekomst inzetten op zowel bestaande structuren (bijvoorbeeld MIX, Mediafonds, IWT, PMV) met extra aandacht voor de samenwerking tussen de verschillende spelers. We zorgen er ook voor dat het overheidsinstrumentarium voor innovatie synergetisch wordt ingezet. Gelet op het belang van sociale media als onderdeel van media-innovatie worden middelen ingezet voor onderzoek, opvolging en stimulering van (de effecten van) sociale media. Zo wordt er, binnen het innovatiepalet van het MIX, ook gekeken naar de ondersteuning voor kleine spelers, die elk hun eigenheid hebben. In dezelfde optiek worden meetsystemen ontwikkeld om een duidelijker beeld te hebben van het mediagebruik en wordt de monitoring van de media-inhoud verder uitgebouwd.
SD7. Mediawijsheid, sociale media als kanaal voor burgerparticipatie en het belang van een stimulerend privacybeleid Om de mogelijkheden van (sociale) media ten volle te benutten, heeft de mediagebruiker een waaier aan vaardigheden nodig om op een wijze manier ermee om te gaan. De Vlaamse overheid zet sterk in op het aanleren van diverse competenties waarbij rekening wordt gehouden met de eigenheden van de diverse doelgroepen. Het Kenniscentrum Mediawijsheid is daarbij een belangrijke speler. Verder verkleint intergenerationeel leren de digitale kloof tussen de burgers die over de vaardigheden beschikken om (sociale) media te gebruiken en de burgers die die vaardigheden niet hebben. Alle ambtenaren geven een stem aan het beleid en aan de overheid. We gebruiken sociale media als middel tot beleidsinnovatie en actieve communicatie, en onderzoeken of we op een participatieve manier kunnen werken of nieuwe diensten kunnen ontwikkelen en zo in interactie met de burger kunnen gaan (bijvoorbeeld door vraag-en-antwoordfora). Ook werkt de overheid aan de harmonisering van haar technologische systemen zodat een burger met één elektronische ID gebruik kan maken van alle diensten. Als sociale media transparante en redelijke privacyvoorwaarden hanteren, groeit het vertrouwen van de gebruiker, die geneigd zal zijn er meer mee te werken. Daarom worden burgers gesensibiliseerd en gestimuleerd met betrekking tot privacy en het delen van persoonsgegevens. De overheid vervult een voorbeeldrol op het vlak van een innovatief en ethisch verantwoord privacybeleid.
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsthema ‘Open Ondernemer’
SD 1. Ondernemen alle kansen geven
Beleidsvoorstel 1:
Positieve attitude tegenover ondernemerschap:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd door Hermesfonds.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
25.000 Keuro, binnen huidige 220.000 Keuro Hermesfonds
Vork 25.000-50.000 Keuro, binnen huidige 220.000 Keuro Hermesfonds recurrent
Beleidsvoorstel 2:
Begeleiding van ondernemers en het bedrijf in zijn diverse levensfasen met het oog op groei, verduurzaming en internationalisering:
••
kan deels binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd door Hermesfonds. Bijkomend is jaarlijks 25.000 Keuro nodig voor EFRO-cofinanciering.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
125.000 Keuro, binnen huidige 220.000 Keuro Hermesfonds + 25.000 Keuro
Vork 125.000-150.000 Keuro, binnen huidige 220.000 Keuro Hermesfonds Recurrent + 25.000 Keuro Recurrent
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Beleidsvoorstel 3:
We stimuleren maatschappelijk verantwoord ondernemen en zetten in op sociaal ondernemerschap:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd o.a. door vzw portefeuille via huidige budgetten betrokken BD.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
20.000 Keuro binnen huidige budgetten WSE/ CJSM/WVG
20.000 Keuro binnen huidige budgetten WSE/CJSM/ WVG
Beleidsvoorstel 4:
Land-en tuinbouwers en vissers als ondernemers:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd van Landbouw en Visserij.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Huidig 215.000 Keuro
Huidig 215.000 Keuro recurrent
Beleidsvoorstel 5:
Geïntegreerd ecosysteem voor de Culturele en Creatieve Sectoren:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd door Hermesfonds
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Vork 1.000-10.000 Keuro, binnen huidige 220.000 Keuro Hermesfonds
Vork 1.000-10.000 Keuro, binnen huidige 220.000 Keuro Hermesfonds recurrent
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
SD 2. Meer gerichte internationalisering van de Vlaamse economie
Beleidsvoorstel 1:
Een pro-actiever en gerichter acquisitiebeleid voor buitenlandse investeringen voeren dat aansluit bij de Slimme Specialisatie Strategie (SSS) en het NIB en instrumenten ter verbetering van de algemene kostenpositie van de ondernemingen aanreiken:
••
niet- budgetneutraal: Carbon Leakage wordt geschat in een vork van 40 tot 200 mio euro. In principe zou dit door Klimaatfonds gedragen moeten worden. Voor Internationaal Vlaanderen is er een meervraag van minimum 5 mio euro recurrent. Indien voor Carbon Leakage minder uitgegeven dan begroot, kan 5.000 Keuro hierin verrekend worden.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Klimaatfonds 40.000 Keuro +5.000 Keuro
Vork Klimaatfonds 40.000 – 200.000 Keuro recurrent +5.000 Keuro recurrent
Beleidsvoorstel 2:
het (financieel en operationeel) instrumentarium voor de bevordering van internationaal ondernemen gerichter inzetten en MVO in het buitenland:
••
Niet-budgetneutraal en vraagt een budgettaire meervraag van in totaal min. 5 mio euro recurrent. budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Zit vervat in vorig voorstel +5.000 Keuro
Zit vervat in vorig voorstel +5.000 Keuro recurrent
Budgettaire uitgave (in Keuro)
Beleidsvoorstel 3:
alle actoren van (overheids-en middenveld) handelen vanuit een gemeenschappelijke visie en strategie m.b.t. internationalisering:
••
Niet-budgetneutraal en vraagt een budgettaire meervraag van in totaal min. 5 mio euro recurrent.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Zit vervat in vorig voorstel +5.000 Keuro
Zit vervat in vorig voorstel +5.000 Keuro recurrent
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
SD 3. In afstemming met het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen zorgen voor een adequate duurzame ruimtelijke ontwikkeling, incl. brownfield ontwikkeling.
Beleidsvoorstel 1:
Competitiviteit verhogen en versnellen van investeringen:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd door o.a. Hermesfonds voor bedrijventerreinen.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
40.000 Keuro binnen huidige 220.000 Keuro Hermesfonds
Vork 40.000-50.000 Keuro binnen huidige 220.000 Keuro Hermesfonds recurrent
Beleidsvoorstel 2:
Verweven waar kan scheiden waar moet en de ruimte zuinig gebruiken:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd door o.a. Hermesfonds voor bedrijventerreinen. budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Budget voor dit beleidsvoorstel zit vervat in vorig beleidsvoorstel: 40.000 Keuro binnen huidige 220.000 Keuro Hermesfonds
Budget voor dit beleidsvoorstel zit vervat in vorig beleidsvoorstel: vork 40.00050.000 Keuro binnen huidige 220.000 Keuro Hermesfonds
Budgettaire uitgave (in Keuro)
SD 4. Stroomlijnen, professionaliseren en versterken van de internationale promotie en reputatieontwikkeling van Vlaanderen.
Beleidsvoorstel 1:
de internationale promotie-en reputatie ontwikkeling van Vlaanderen versterken:
••
kan binnen de huidige kredieten Toerisme Vlaanderen worden gerealiseerd + nietbudgetneutrale meervraag die gecompenseerd kan worden door herclustering budgetten en gebruik van FFEU/PPS.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
20.000 Keuro binnen huidig budget
20.000 Keuro binnen huidig budget recurrent
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 2:
Toerisme Vlaanderen als internationale marketingorganisatie van de VO:
••
niet- budgetneutrale meervraag die gecompenseerd kan door herclustering budgetten en gebruik van FFEU/PPS: 100.000 Keuro voor de hele legislatuur
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
20.000 Keuro binnen huidig budget +20.000 Keuro
20.000 Keuro binnen huidig budget recurrent +20.000 Keuro recurrent
Samenvatting voor Open Ondernemer
•• •• •• •• •• ••
De beleidsvoorstellen worden in grote mate gerealiseerd binnen bestaande budgetten. EFRO-cofinanciering vereist een budget in meer van 25.000 Keuro op jaarbasis. Voor maatschappelijk verantwoord ondernemen kunnen ook andere beleidsdomeinen dan EWI (Hermesfonds) bijdragen. Er is meervraag van recurrent 5.000 Keuro voor SD2 Internationalisering +40.000 – 200.000 Keuro voor Carbon Leakage. Dit laatste moet in principe door Klimaatfonds gefinancierd worden. Voor adequate duurzame ruimtelijke ontwikkeling kunnen ook andere beleidsdomeinen dan EWI (Hermesfonds) bijdragen. Voor Toerisme wordt een ‘herclustering’ van budgetten gevraagd + gebruik van FFEU/PPS ten bedrage (supplementair) van 20.000 Keuro jaarlijks recurrent.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Beleidsthema ‘Innovatiecentrum Vlaanderen’
SD1. Meer middelen (mensen, opleiding en vorming, infrastructuur, kapitaal) voor O&O inzetten.
Beleidsvoorstel 1:
1% norm aan publieke financiering bereiken tegen 2020 en slimme specialisatiekader:
••
niet-budgetneutraal en vereist een budgettaire meervraag (inclusief ook Landbouw en Visserij: landbouwonderzoek).(*)
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Meervraag 150.000 – 23.600 = 126.400 Keuro
Meervraag jaar na jaar 2016: 133.900 Keuro; 2017: 132.400 Keuro; 2018: 131.500 Keuro; 2019: 131.000 Keuro
(*) In de periode 2014-2019 worden reeds ‘opstappen’ voorzien in de begrotingen van de beleidsdomeinen Onderwijs en EWI in het kader van het Decreet Integratie Hoger onderwijs, beleid rond Hoger Onderwijs (klik + 45/55 onderzoek + TBS besparing) en het op kruissnelheid brengen van de subsidiëring van de in de universiteiten ingekantelde hogeschoolrichtingen. Het gedeelte van die opstappen dat als O&O kan gerekend worden en dus in mindering kan worden gebracht van de meervraag van 150.000 Keuro, is als volgt: 2015: 23.600 Keuro; 2016: 16.100 Keuro; 2017: 17.600 Keuro; 2018: 18.500 Keuro; 2019: 19.000 Keuro.
SD2. Innovatie stimuleren in ondernemingen.
Beleidsvoorstel 1:
een doelgroepgerichte mix van instrumenten uitbouwen en versnellen van systeeminnovatie in strategische domeinen:
••
niet-budgetneutraal en vraagt een budgettaire meervraag van 30 mio euro, vervat in 150 mio euro recurrent ( zie beleidsvoorstel 1 van SD1).
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
+ 30.000 Keuro. Zit vervat in 126.400 Keuro meervraag SD1
+30.000 Keuro. Zit vervat in de jaar na jaar meervraag van SD1 recurrent
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 2:
SOC’s en valorisatie van onderzoek versterken.
••
niet-budgetneutraal en vraagt een budgettaire meervraag. De meervraag wordt geraamd op 30 mio euro en is vervat in de geraamde meerkost van van 150 mio euro recurrent van beleidsvoorstel 1 van SD1.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
+ 30.000 Keuro. Zit vervat in 126.400 Keuro meervraag van SD1
+ 30.000 Keuro. Zit vervat in de jaar na jaar meervraag van SD1 recurrent
SD3. Excellentie van onderzoek bevorderen.
Beleidsvoorstel 1:
FWO-projecten voor jonge onderzoekers op de sporen zetten en elke stap in de wetenschappelijke carrière ondersteunen:
••
niet-budgetneutraal en vraagt een budgettaire meervraag . De meervraag is vervat in de 150 mio euro recurrent geraamd voor beleidsvoorstel 1 van SD1. De geraamde meerkost is met inbegrip van de 150 mio euro recurrent van beleidsvoorstel 1 van SD1 en is in een groeitraject gevat.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
+ 10.000 Keuro. Zit vervat in 126.400 Keuro meervraag van SD1
2016: + 20.000 t.o.v. 2014 2017: + 30.000. t.o.v. 2014 2018: + 40.000. t.o.v. 2014 2019: + 50.000. t.o.v. 2014 Zit vervat in de jaar na jaar meervraag van SD1 recurrent
Beleidsvoorstel 2:
inzetten op internationale samenwerking.
••
niet-budgetneutraal en vraagt een budgettaire meervraag. Europese samenwerking FWO (ERA + JPI): 6 mio euro per jaar (totaal 30 mio euro) en bilaterale onderzoeksprojecten FWO: extra 300.000 euro/jaar per nieuw partnerland (totaal 1,5 mio euro) en stimuleren internationale mobiliteit: extra in totaal 11 mio euro. De meervraag is vervat in de 150 mio euro recurrent van beleidsvoorstel 1 van SD1.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
+ 6.000 Keuro + 300 Keuro + 2.200 Keuro Zitten vervat in 126.400 Keuro meervraag van SD1
6.000 Keuro per jaar (totaal 30.000 Keuro) + 300 Keuro /jaar per nieuw partnerland (totaal 1.500 Keuro)+ 2.200 Keuro per jaar (totaal 11.000 Keuro) Zitten vervat in de jaar na jaar meervraag van SD1 recurrent
Beleidsvoorstel 3:
een Vlaams Open Accesbeleid uitbouwen:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd afhankelijk van het gekozen beleid.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
500 Keuro. Zit vervat in 126.400 Keuro meervraag van SD1
8.000 Keuro voor de hele legislatuur. Zit vervat in de jaar na jaar meervraag van SD1 recurrent
Beleidsvoorstel 4:
het belang van interuniversitaire Attractiepolen (UIAP’s):
••
niet-budgetneutraal maar kan gefinancierd worden via een extra ontvangst van 17,7mio euro vanaf 2018 + index (overdracht federale middelen 6 SH).
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
nihil
In 2018 extra ontvangst van 17.700 Keuro (6e Staatshervorming)
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 5:
wetenschappelijke integriteit bevorderen:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
200 Keuro. Zit vervat in 126.400 Keuro meervraag van SD1
200 Keuro recurrent. Zit vervat in de jaar na jaar meervraag van SD1 recurrent
Beleidsvoorstel 6:
de financiering van de universiteiten vereenvoudigen.
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Binnen huidig budget ‘Kredietlijnen programma Beleidsdondersteuning en Academisch Beleid’: 448.000 Keuro
Idem als voor 2015 recurrent
SD4. Onderzoeksinfrastructuur om kennis te verankeren.
Beleidsvoorstel 1:
Vernieuwen en uitbreiden van de basisuitrusting van de onderzoeksgroepen aan de universiteiten en de kennisinstellingen.
••
niet-budgetneutraal en vraagt een budgettaire meervraag. De meervraag is vervat in de 150 mio euro recurrent van beleidsvoorstel 1 van SD1. De meervraag betreft 16-22 mio euro voor bottop up vragen vanuit de universiteiten, SOC’s en wetenschappelijke instellingen alsook voor Vlaamse deelname aan ESFRI en de uitbouw HPC-infrastructuur.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 16.000-22.000 Keuro Zit vervat in 126.400 Keuro meervraag van SD1
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur 16.000-22.000 Keuro recurrent Zit vervat in de jaar na jaar meervraag van SD1 recurrent
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
SD5. Een antwoord bieden op maatschappelijke uitdagingen.
Beleidsvoorstel 1:
focus op sociale innovatie, op maatschappelijke valorisatie en op wetenschappelijke onderbouwing van het beleid:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd: 2.560.000 euro voor innovatiefabriek 2013-2016.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
640 Keuro
2013-2016: 2.560 Keuro
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Heroriëntering binnen bestaande budgetten
Heroriëntering binnen bestaande budgetten recurrent
Beleidsvoorstel 2:
focus op duurzaamheid. Budgettaire uitgave (in Keuro)
SD6. Bewaken en stimuleren van kwaliteit binnen een veranderend innovatief media-ecosysteem.
Beleidsvoorstel 1:
een pluriform, divers en kwaliteitsvol media aanbod staat centraal. Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Binnen huidig budget: 306.000 Keuro (VRT Idem als 2015. Verschuiving mogelijk afhankelijk van 292.000 Keuro, Mediafonds het beleid. Vork tussen 300.000 en 310.000 Keuro 4.000 Keuro, regionale recurrent 2.000 Keuro, andere 8.000 Keuro)
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 2:
rekening houden met de nieuwe (sociale) media, met crossmedialteit. Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Binnen huidig budget: 2.500 Keuro (1.500 Keuro VRM, 450 Keuro werking, 550 Keuro gaming)
Idem als 2015. Verschuiving mogelijk afhankelijk van het beleid. recurrent
SD7.Mediawijsheid en sociale media als kanaal voor burgerparticipatie en het belang van een stimulerend privacybeleid
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd: budget CJSM + budget BZ + budget DAR
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Binnen huidig budget: 750 Idem als 2015. Verschuiving mogelijk afhankelijk van Keuro het beleid. recurrent
Samenvatting voor Innovatiecentrum Vlaanderen
•• ••
Voor ‘Meer middelen voor O&O’ wordt recurrent 150.000 Keuro minus de door Onderwijs en EWI jaarlijks reeds vastgelegde ‘opstappen’ gevraagd. Deze meervraag dekt verschillende beleidsvoorstellen van ICV. Voor SD7 ‘Mediawijsheid, burgerparticipatie, privacy’ wordt ook inbreng verwacht van DAR en BZ.
Groen en dynamisch stedengewest
Groen en dynamisch stedengewest
Inhoudstafel 01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE 1.1 Context en uitdagingen 1.2 Status en doelafstand 1.3 Uitdagingen voor de komende legislatuur 1.4 Bronnen
158
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
166
2.1 Algemene ambitie, visie 2.2 Strategische doelstellingen SD1. De (milieu)kwaliteit van de leefomgeving verhogen
158 160 163 165
166 167 167
SD2. Naar een klimaatvriendelijke samenleving evolueren met een nieuw energiesysteem
168
SD3. Natuurlijke hulpbronnen en integriteit van ecosystemen beschermen
168
SD4. Vlaanderen op weg zetten naar een kringloopeconomie
169
SD5. Maatschappelijke zorg voor milieu en milieuvriendelijke consumptie stimuleren
169
SD6. De ecologische integratie en beleidssamenhang verbeteren
169
SD7. Groene investeringen waarborgen en de milieukosten internaliseren
170
SD8. De steden van morgen creëren
171
SD9. Nu inzetten op wonen en (ver)bouwen voor de toekomst
171
2.3 Strategische beleidsvoorstellen Beleidsvoorstel 1: Vergroenen van onze economie Beleidsvoorstel 2: Acties initiëren om van Vlaanderen een leefbare groene metropool te maken
172 172 173
Inhoudstafel
Beleidsvoorstel 3: Vergroenen van de mobiliteit Beleidsvoorstel 4: Een klimaatvriendelijk Vlaanderen creëren: nu en in 2050 Beleidsvoorstel 5: Milieuvriendelijke consumptie promoten Beleidsvoorstel 6: Verder inzetten op de transitie duurzaam materialenbeheer Beleidsvoorstel 7: Een actief en duurzaam bodembeleid voeren Beleidsvoorstel 8: Europese natuurdoelen gericht realiseren Beleidsvoorstel 9: Beter wonen en (ver)bouwen Beleidsvoorstel 10: Initiëren van een Vlaamse energietransitie Beleidsvoorstel 11: Gebiedsgericht investeren in goede waterkwaliteit en -kwantiteit Beleidsvoorstel 12: Beheer overstromingsrisico’s via meerlaagse waterveiligheid Beleidsvoorstel 13: Grond: van belemmerende naar stimulerende factor voor een groen stedengewest
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
174 176 177 178 179 181 182 184 185 186 187
189
Groen en dynamisch stedengewest
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
1.1 Context en uitdagingen
Inleiding De ambitie om Vlaanderen bij te sturen tot een groen en dynamisch stedengewest, omhelst tal van beleidsaspecten, zoals de vergroening van de economie; het duurzame gebruik van materialen, natuurlijke hulpbronnen, energie en ruimte; de verbetering van de leef- en woonkwaliteit; het behoud en de verbetering van milieu en natuur. Alleen al binnen Vlaanderen en België komen voor de uitvoering van dit beleid veel partners, beleidsdomeinen en bevoegdheidsniveaus (lokaal, gewestelijk, federaal) in het vizier. Tal van beleidsstrategieën vertonen raakvlakken met de beleidslijnen die in dit kader naar voren worden geschoven: Pact 2020, sectorale beleidsplannen met betrekking tot milieu, natuur, energie, ruimte, wonen en mobiliteit, Vlaamse en federale plannen duurzame ontwikkeling, Vlaamse en nationale strategieën rond behoud van biodiversiteit enzovoort. Er zijn ook belangrijke internationale of Europese aanknopingspunten. Op het multilaterale niveau is er het implementatieplan van Johannesburg, en meer in het bijzonder de uitkomst van de Rio+20 ‘the future we want’, maar ook de implementatie van de klimaatakkoorden en het biodiversiteitsverdrag met focus op de financiering van het mondiale klimaat- en biodiversiteitsbeleid. Voor het Europese beleidskader wordt verwezen naar de EU2020-strategie, de 20-20-20-doelstellingen en de Roadmap 2050 met betrekking tot klimaat en energie, de Roadmap Resource Efficiency en de Biodiversiteitsstrategie. Het zevende EUMilieuactieprogramma vormt ook een belangrijk kader.
Specifieke factoren De gemiddelde bevolkingsdichtheid van Vlaanderen (466 inwoners per km2 in 2011) bedraagt viermaal die van de Europese Unie. Tussen 2000 en 2011 groeide de Vlaamse bevolking met circa 6%. Het aantal huishoudens vertoonde in dezelfde periode een nog sterkere groei, onder andere door verdere gezinsverdunning. Bevolkingstoename, gezinsverdunning en individualisering zijn factoren die de consumptie mee aanzwengelen. Daartegenover staat dat het milieubesef langzaam toeneemt. Het aandeel Vlamingen dat feitelijk milieuvriendelijk (consumptie)gedrag vertoont, is tussen 2005 en 2010 toegenomen. Dat geldt ook voor het aandeel burgers dat bereid is financiële inspanningen te leveren voor het milieu. Toch blijft de ecologische voetafdruk van een gemiddelde Vlaamse consument (9 gha/persoon) zeer hoog. De consumptiedomeinen met de grootste voetafdruk zijn wonen, transport en voeding. Wat huisvesting betreft, woont het merendeel van de Vlaamse bevolking anno 2009 in een eengezinswoning, waarvan 85% in open en halfopen bebouwingen. In 2013 heeft 20% van de woningen geen dak- of zoldervloerisolatie, 55% heeft geen muurisolatie en 13% van de woningen beschikt alleen over enkel glas. Hoewel het aantal woongelegenheden de evolutie van het aantal huishoudens volgt, bestaat er een toenemende discrepantie tussen het woningaanbod en de woonbehoefte: veel vraag naar kwalitatieve gezinswoningen in steden versus een groot aanbod van vaak onderbenutte woningen buiten de stad.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
In Vlaanderen is er een toenemende vraag naar mobiliteit. Sinds 2000 is het aantal personenkilometers (weg- en spoorverkeer) sneller gestegen dan de bevolking. In 2010 nam de wagen circa 80% van de personenkilometers voor zijn rekening. De laatste tien jaar steeg ook het aantal tonkilometers (wegverkeer, spoor en binnenvaart) sneller dan het bruto binnenlands product (bbp). Anno 2010 gebeurt het overgrote gedeelte (81%) van het goederenvervoer over de weg (vrachtwagen), 10% via binnenvaart en 9% via het spoor. Ondanks de verbeterde energie-efficiëntie in de periode 2000-2011 heeft Vlaanderen na Finland de hoogste energie-intensiteit van de West-Europese lidstaten (EU-15). Dat is onder meer inherent aan de aanwezigheid van een Vlaamse energie-intensieve industrie, zoals de chemie-, de ijzer- en staalsector en de voedingssector. Met betrekking tot energievoorziening blijft Vlaanderen sterk afhankelijk van het buitenland; in 2011 werd 92,8% van de primaire energiebronnen ingevoerd. Het gros van de eigen, primaire energieproductie bestaat onder andere uit biomassa en afvalverbranding. Elektriciteit uit wind, water en zon was goed voor minder dan 1% van het primaire energiegebruik. Het gebruik van grondstoffen en materialen (directe materialeninput van de economie) bedroeg in 2008 circa 37 ton per inwoner (EU-gemiddelde van 15 ton per inwoner). De materiaalintensiteit van de Vlaamse economie vertoont nog geen systematische verbetering. Het totale waterverbruik (exclusief koelwater) vertoonde het voorbije decennium geen duidelijk patroon en bedroeg ongeveer 725 miljoen m2 in 2010. Het leidingwaterverbruik door huishoudens nam in die periode af van 238 naar 226 miljoen m2 (of van 110 tot 99 liter per persoon per dag). In vergelijking met andere West-Europese landen heeft Vlaanderen echter een zeer lage waterbeschikbaarheid, die zich situeert tussen 1100 en 1700 m2 per inwoner en per jaar. Vergeleken met andere regio’s in Europa heeft Vlaanderen een hoge bebouwingsgraad. Die is in 2011 toegenomen tot 27% van de oppervlakte. Het is vooral de woonfunctie die steeds meer oppervlakte inneemt: sinds begin 2000 is die toegenomen met 14%. De Vlaamse bodem is voor 12,9% afgedicht, en scoort daarmee hoger dan België dat met 7,4% tot de landen met de hoogste bodemafdichting binnen Europa behoort. De verstedelijking gaat voornamelijk ten koste van het landbouwareaal, dat tussen 2000 en 2011 met 4,1% is afgenomen. De landbouwsector heeft 45% (in 2011) van de Vlaamse grondoppervlakte in gebruik, en blijft daarmee de grootste ruimtegebruiker. Met respectieve aandelen van 42% en 51% is de landbouw de belangrijkste bron van verzurende en vermestende emissie. In 2012 bedroegen de beleidsbudgetten voor milieu en energie 1,3 miljard euro, een aandeel van 4,7% in de totale Vlaamse begroting. 59% van die middelen wordt aangewend voor openbare waterzuivering. Het Vlaamse beleidsbudget voor wonen bedroeg 617 miljoen euro, of 2% van de totale Vlaamse begroting. Daarvan wordt bijna de helft aangewend voor sociale huur, 43% voor de ondersteuning van de eigendomsmarkt en amper 7% voor de private huursector. Het aandeel milieugerelateerde belastingen ten opzichte van het bbp is gedaald van 2,4% in 1995 naar 2,0% in 2011. In vergelijking met de EU27 heeft Vlaanderen hoge arbeidsbelastingen en lage milieugerelateerde belastingen.
Groen en dynamisch stedengewest
Ontwikkelingen Vlaanderen is sterk afhankelijk van wat in het buitenland gebeurt en wordt beïnvloed door mondiale trends. Relevante ‘megatrends’ met impact op milieu, natuur, energie en wonen in Vlaanderen zijn (zie algemene omgevingsanalyse):
•• •• •• •• •• ••
1.2
veranderende demografische balansen; versnelling in technologische ontwikkelingen (inclusief digitalisering); toenemende schaarste van natuurlijke hulpbronnen en wereldwijde competitie voor grond- en hulpstoffen (inclusief competitie voor grondoppervlakte en bodem); toenemende multipolariteit van en in de maatschappij en gewijzigde mondiale governance (globalisering én regionalisering); mondiale klimaat- en biodiversiteitsverandering met regiospecifieke impact; toenemende fragiliteit van natuurlijke (biotische, abiotische) en maatschappelijke systemen – toenemend belang van ecosysteemdiensten.
Status en doelafstand
Dit onderdeel wordt uitgewerkt op basis van indicatoren die gekoppeld zijn aan een deel van de beleidsdoelstellingen uit het Pact 2020, het regeerakkoord en ViA, beleidsnota’s, het MINA-plan … die verband houden met aspecten van een groen en dynamisch stedengewest.
Eco-efficiëntie en materiaalrecuperatie De eco-efficiëntie van de Vlaamse economie verbetert gestaag, zoals vooropgesteld in het Pact 2020. Beschouwd over de periode 2000-2011 zijn de emissies van verontreinigende stoffen, met uitzondering van de PAK-uitstoot, absoluut losgekoppeld van de economische groei. In de periode 2004-2010 is er ook een ontkoppeling tussen de hoeveelheid primair geproduceerde afvalstoffen en het bbp. De afvalstromen die afkomstig zijn van huishoudens en van bedrijven, nemen de laatste jaren zelfs licht af, in lijn met de vooropgestelde MINA 4-doelstelling. Naast efficiëntieverbetering wordt een beperking van het gebruik van primaire grondstoffen en materialen nagestreefd, onder andere via recyclage en de inzet van milieuverantwoorde alternatieven. In 2010 kreeg 68% van het primaire bedrijfsafval een nieuw leven na twee verwerkingsstappen; in 2011 ging 71% van het huishoudelijk afval naar een of andere vorm van materiaalrecuperatie. De hoeveelheid huishoudelijk restafval is mede daardoor geleidelijk afgenomen tot 150 kg per inwoner in 2011, waardoor het doel (maximaal 150 kg per inwoner) op Vlaams niveau wordt behaald en Vlaanderen koploper is in Europa.
Energie-intensiteit en hernieuwbare energie Het bruto binnenlands energiegebruik vertoont sinds 2005, met uitzondering van het jaar 2010, een dalende tendens en bedroeg in 2012 1566 PJ (- 6% ten opzichte van 2005). Vlaanderen ligt voorlopig op koers om tegen eind 2016 de energiebesparingsdoelstelling van 9% (ten opzichte van 2001-2005) te realiseren. Beschouwd over de periode 2005-2012 werd de Vlaamse economie iets minder energie-intensief. Toch scoort ze op dat vlak beduidend minder goed dan het Europese gemiddelde.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
Met aandelen van 10,1% groene stroom, 4,5% groene warmte en koeling en 4,5% hernieuwbare energie in transport heeft Vlaanderen in 2012 een aandeel van 5,5% hernieuwbare energie in het totale brutoenergiegebruik (doelstelling voor België: 13% tegen 2020).
Energiemarkt Ondanks de gunstige evolutie sinds 2007 is de Vlaamse energiemarkt nog te sterk geconcentreerd (HHindex > 2500) om te kunnen spreken van een voldoende competitieve sector. In 2012 stond 56% van de elektriciteitsleveringen op naam van de GDF-Suezgroep. In 2004, het eerste jaar van de vrijmaking van de markt, bedroeg dat aandeel 76%.
Uitstoot van broeikasgassen In 2011 was 83% van de broeikasgasuitstoot een direct gevolg van energiegebruik. CO2 is dan ook veruit het belangrijkste broeikasgas in Vlaanderen. In de periode 1990-2011 is het aandeel van de emissie van broeikasgassen door gebouwen en transport duidelijk toegenomen. Het Europese emissiehandelssysteem (ETS) voor de industrie heeft de Vlaamse Kyoto-doelstelling (- 5,2% gemiddeld in 2008-2012 ten opzichte van 1990) de facto herleid tot een doelstelling voor de niet-ETS-sectoren. Het niet-ETS-plafond bedraagt voor de Kyotoperiode 45,6 Mton CO2-eq per jaar. De niet-ETS-uitstoot lag in 2008, 2009, 2010 en 2011 altijd boven dat plafond. In 2011 was ze het laagste, met 47,3 Mton CO2-eq. De niet-ETS-uitstoot in 2012 werd geraamd op 49,7 Mton. De niet-ETS-reductiekloof voor de volledige Kyotoperiode wordt voorlopig geschat op 17 Mton en zal ingevuld worden via het gebruik van flexibele mechanismen.
Energieprestatie van gebouwenpark en kwaliteitsvol wonen Het energiegebruik van het gebouwenpark (residentiële en tertiaire sector samen) vertoonde een afname van 8% tussen 2003 en 2012, wat vergelijkbare jaren zijn op het vlak van de temperatuur. Die afname is vooral toe te schrijven aan de inspanningen binnen de residentiële sector: het energiegebruik daalde met 12% in 2003-2012, terwijl de tertiaire sector in deze periode een lichte toename van 3% laat optekenen. Het Pact 2020 stelt dat het energiegebruik van het gebouwenpark aanzienlijk moet afnemen tegen 2020. Het gemiddelde energieprestatiepeil van nieuwbouwwoningen is de laatste jaren sterk verbeterd: van een gemiddelde van E86 in 2006 naar E64 in 2010. Het aandeel zeer energiezuinige nieuwbouwwoningen (E-peil <= 40) is toegenomen tot 10% in 2010 (MINA 4-doel: 21% in 2015). Energiezuinigheid is maar een van de aspecten van kwaliteitsvol wonen. In 2011 leefde bijna een kwart van de Vlaamse bevolking in een huis met structurele gebreken of een gebrek aan elementair comfort. De Pact 2020-doelstelling van maximaal 11,5% in 2020 ligt nog ver weg. Het aanbod aan sociale huurwoningen neemt gestaag toe, van circa 136.000 eind 2003 tot ruim 153.000 eind 2012. Tegen 2020 zouden er 43.000 sociale huurwoningen bij moeten komen, wat neerkomt op een streefdoel van bijna 191.000 (Pact 2020).
Gezondheidsimpact ten gevolge van luchtverontreiniging en milieuhinder Een gemiddelde Vlaming verliest iets meer dan één gezond levensjaar (of DALY) bij levenslange blootstelling aan de huidige niveaus van milieuverstoring. Het verloop van de gezondheidseffecten vertoont over de laatste jaren weinig verandering waardoor het doel, een significante daling van de DALY’s tegen 2020, nog niet in bereik is. Fijn stof is veruit de belangrijkste veroorzaker van DALY’s (73%), gevolgd door geluidshinder (7%).
Groen en dynamisch stedengewest
Toch is de luchtkwaliteit in het voorbije decennium geleidelijk verbeterd. Ondanks de gunstige trend sinds 1997, werd in de periode 2008-2012 tussen 1% en 23% van de Vlamingen blootgesteld aan overschrijdingen van de Europese dagnorm voor fijn stof-PM10. Ook de jaargrenswaarde van NO2 wordt nog overschreden, vooral in dichtbevolkte en verkeersintensieve regio’s. De MINA 4-doelen (0% Vlamingen blootgesteld aan overschrijdingen van PM10 en NO2 in 2015) worden dus nog niet gehaald. Globaal gezien verminderde Vlaanderen zijn luchtverontreinigende emissies aanzienlijk in de periode 2000-2011. De MINA 4-doelstellingen werden in 2011 al gehaald voor SO2 en NH3, alsook voor NOx, VOS en PM2,5 uit stationaire bronnen. Om de doelstellingen voor NOx, VOS en PM2,5 door transport te bereiken, zijn nog bijkomende reducties nodig. Er komen nog altijd overschrijdingen voor van de jaargemiddelde concentraties van zware metalen (As, Cd, Pb, Ni) in de fijnstoffractie van de lucht (MINA 4-doel: geen overschrijdingen in 2015). De resultaten van het Schriftelijk Leefomgevingsonderzoek (SLO) van 2008 tonen aan dat 27% van de Vlamingen gehinderd is door geluid. Verkeer blijft daarbij de belangrijkste bron van hinder: circa 13% van de Vlamingen is ernstig tot extreem gehinderd door verkeerslawaai. Naast geluidsoverlast heeft de transportsector een belangrijk aandeel in de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen als ozonprecursoren, fijn stof, broeikasgassen, PAK’s en zware metalen. Daar staat tegenover dat de eco-efficiëntie van zowel het personen- als goederenvervoer aanzienlijk is verbeterd, dankzij een verhoogde inzet van energiezuinige voertuigen en strengere Europese emissienormen. De gemiddelde ecoscore van het Vlaamse wagenpark (personenwagens) nam toe van 50,2 in 2008 tot 54,9 in 2012 (MINA 4-doel: 61 in 2015).
Toestand van water en bodem De kwaliteit van het oppervlaktewater verbeterde geleidelijk in het voorbije decennium. Ook de biologische kwaliteit vertoonde een positieve evolutie. We staan evenwel nog ver verwijderd van de doelstelling die de kaderrichtlijn Water voorschrijft en van de engagementen van het Pact 2020, namelijk dat de meeste waterlichamen zich in een goede toestand bevinden tegen 2021. In de periode 2005-2007 bevond geen enkele van de 202 Vlaamse oppervlaktewaterlichamen zich in een goede toestand en haalde nog geen 20% een matige ecologische toestand. In landbouwgebied overschreed 28% (winter 2011-2012) van de meetplaatsen de norm van 50 mg nitraat per liter (Nitraatrichtlijn). Om de MINA 4-doelstelling te halen van maximaal 16% overschrijdingen in 2014, en maximaal 5% in 2018, moet de situatie nog aanzienlijk verbeteren. Ook kwantitatief zijn onze watersystemen nog altijd niet in balans, wateroverlast en verdroging zijn sprekende bewijzen daarvan. De kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen vertoont nog geen systematische verbetering: bijna 37% van de geanalyseerde grondwaterstanden vertoont over de periode 2000-2011 geen statistisch significante trend, bijna 44% vertoont een daling en bijna 20% is gestegen. Vlaanderen heeft naar schatting 10.750 gronden met historische bodemverontreiniging. Eind 2012 is op ruim een derde van die gronden (MINA 4-doel: 40% in 2015) de sanering minstens opgestart, voor zo’n 20% van die gronden is de sanering volledig afgerond. Inspanningen blijven nodig om alle gronden met historische verontreiniging tegen 2036 aan te pakken. Inzake erosiebestrijding zijn in 2012 ca. 12% van de belangrijkste bodemerosieproblemen opgelost (MINA 4-doel: 14% in 2014).
Biodiversiteit en groenbeleving Slechts een derde van de dier- en plantensoorten van Europees belang die in Vlaanderen voorkomen, bevindt zich in een gunstige staat van instandhouding; voor 37% van de soorten is de staat zeer ongunstig. De toestand is relatief gezien het slechtst voor aquatische soorten. Drie kwart van de habitats van Europees
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
belang in Vlaanderen bevindt zich in een zeer ongunstige staat van instandhouding. Alle watergebonden habitats krijgen een zeer ongunstige beoordeling. De oppervlakte van de gebieden in effectief natuurbeheer bedroeg 67.451 ha in 2012 of 96% van het vooropgestelde MINA 4-doel (70.000 ha in 2015). Sinds 1991 werd 17.600 ha extra planologisch natuur- en bosgebied gerealiseerd. Dat is maar 37% van de vooropgestelde oppervlakte (bijkomend 38.000 ha natuur en 10.000 ha bos volgens het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen). In 2013 bezit 4,7% van de oppervlakte bossen en natuurreservaten een uitgebreide toegankelijkheidsregeling. Naast die regeling geldt er voor voetgangers een principiële toegankelijkheid op de wegen in de bossen en natuurreservaten. Tegen 2015 zou het oppervlakteaandeel toegankelijke bossen en natuurreservaten 60% moeten bedragen. In onze centrumsteden bedraagt het aandeel inwoners dat op minder dan 400 meter wandelafstand van openbaar groen woont tussen 46% (Mechelen) en 84% (Oostende en Antwerpen); het MINA-plan 4 stelt een toename in 2015 ten opzichte van de toestand in 2008 voorop.
1.3
Uitdagingen voor de komende legislatuur
Uitbouw van groene (kringloop)economie De Vlaamse economie heeft duidelijk vorderingen gemaakt op het vlak van eco-efficiëntie. Ondanks de blijvend hoge vraag naar primaire grondstoffen en materialen zijn we erin geslaagd de afvalproductie onder controle te houden. Ook inzake materiaalrecuperatie kan Vlaanderen goede cijfers voorleggen. De verwachte groei van de Vlaamse bevolking en van onze (energie-intensieve) economie – en de daaruit resulterende toename van de consumptie – kunnen de gerealiseerde (efficiëntie)winsten echter snel ongedaan maken. Bovendien vormt de hoge afhankelijkheid van primaire grondstoffen, beschikbaar op de wereldmarkt tegen schommelende prijzen, een bedreiging voor de competitiviteit.
Evolueren naar een koolstofarme samenleving De gerealiseerde beperking van de energievraag (en verbetering van de energie-efficiëntie) heeft een positieve weerslag gehad op het terugdringen van broeikasgasuitstoot, alsook op de toename van het aandeel hernieuwbare energie. Toch blijft de afstand ten aanzien van Europese klimaat- en energiedoelstellingen voor 2020 groot. Bovendien vereist een transitie naar een koolstofarme samenleving tegen 2050 een veel sterkere CO2-emissiereductie dan de reductie die we de voorbije twintig jaar hebben gerealiseerd. Daarnaast moeten we nu al rekening houden met de impact van de klimaatverandering op milieu en natuur, alsook met de risico’s (bijvoorbeeld overstromingen en waterschaarste, hitte) en bijhorende kosten die de klimaatverandering met zich meebrengt.
Verduurzamen van wonen en bouwen De verwachte snelle bevolkingstoename, wijzigingen in de samenstelling van de bevolking, suburbanisatie en mobiliteitsproblematiek en klimaatverandering leggen bijkomende randvoorwaarden op voor de wijze waarop we bouwen en wonen. Tegelijk moeten we ervoor zorgen dat elke Vlaming kan beschikken over een betaalbare en kwaliteitsvolle woning. Op dat vlak liggen de grootste knelpunten op de private huurmarkt en in de sociale huursector.
Groen en dynamisch stedengewest
Leefkwaliteit verbeteren Te veel Vlamingen ondervinden negatieve gevolgen van milieuverontreiniging (onder andere fijn stof, NO2 en zware metalen) en geluidshinder op hun gezondheid. Het behalen van de Europese luchtkwaliteitsdoelstellingen inzake fijn stof en NO2 blijft problematisch op veel locaties in Vlaanderen. Naast de bekende knelpunten leggen de verdere verstedelijking en de verwachte toename van het wegtransport, een belangrijke bron van luchtverontreiniging en milieuhinder, in de nabije toekomst een bijkomende druk op onze directe leefomgeving. Bovendien zal bij een toenemende verdichting van het stedelijke weefsel het huidige aanbod van toegankelijke groengebieden (natuur, bossen en parken) niet volstaan om de leefbaarheid van onze woongebieden op peil te houden.
Biodiversiteit in stand houden en verbeteren Vlaanderen ontsnapt niet aan de mondiale trend inzake verlies van biodiversiteit. Te veel Europees beschermde soorten en habitats bevinden zich in een ongunstige staat van instandhouding, een rechtstreeks gevolg van de afname van de oppervlakte geschikte habitat en van de dalende habitatkwaliteit. Een trendbreuk is nodig als we, conform de Europese biodiversiteitsstrategie, de achteruitgang in status van soorten en habitats willen stopzetten tegen 2020 en als we voor een derde van onze habitats en soorten een goede of verbeterde staat van instandhouding willen bereiken. Daarbij komt dat toenemende verstedelijking en klimaatverandering ook in de nabije toekomst een bijkomende druk zullen uitoefenen op ecosystemen en de diensten die ze leveren voor de maatschappij.
Milieudruk verder verminderen Vlaanderen is erin geslaagd om voor tal van milieuverontreinigende stoffen de emissies in bodem, water en lucht te reduceren. In het kader van – vaak Europese of internationale – afspraken over emissiereductie, zullen er de komende jaren blijvend inspanningen worden geleverd. Het verlagen van emissies aan de bron vermijdt immers dure remediëring achteraf. Verdere stappen moeten worden gezet ter bescherming van de menselijke gezondheid en van kwetsbare ecosystemen. Een verlaging van de emissies van het verkeer, de industrie, de energieproductie, de landbouw en de bevolking dringt zich daarbij op. Innovatie en toepassing van de beste beschikbare technieken op Europees en Vlaams niveau zullen daarbij een rol spelen.
Gericht remediëren ten behoeve van water- en bodemkwaliteit Er blijft een lange weg te gaan om de watersystemen (oppervlaktewater en grondwater) in goede toestand te brengen, conform de kwaliteitseisen van de Europese kaderrichtlijn Water. De sanering van verontreinigde gronden en het wegwerken van erosieknelpunten vorderen gestaag, maar de problemen zijn nog lang niet allemaal opgelost. De maatschappelijke kosten van remediëring zijn hoog. Saneren vergt een slimme aanpak, gericht op de gebieden of projecten met de meeste milieubaten of met de hoogste maatschappelijke relevantie.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
1.4 Bronnen
Doelstellingen en indicatoren MINA-plan 4: http://www.milieubeleidsplan.be Milieurapport Vlaanderen (MIRA): http://www.milieurapport.be Natuurindicatoren (NARA): http://www.natuurindicatoren.be Pact 2020. Kernindicatoren Meting 2012: http://www.vlaanderen.be/nl/publicaties/ detail/indicatorenmeting-pact-2020 Vlaams Energieagentschap: http://www.energiesparen.be/ Vlaamse regionale indicatoren (VRIND): http://www.vlaanderen.be/svr Wonen-Vlaanderen: https://www.wonenvlaanderen.be/ondersteuning_voor _ p ro f e s s i o n e l e n / o n d e r z o e k _ wo n e n _ e n _ l a n g e _ termijnbeleid
Groen en dynamisch stedengewest
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
2.1
Algemene ambitie, visie
Het toekomstpact voor Vlaanderen gaat ervan uit dat Vlaanderen tegen 2020 ook op ecologisch vlak tot de allerbeste Europese regio’s zal behoren. Een aantal pistes daarvoor worden in grote lijnen in het Pact 2020 geschetst. Het volledige pallet aan uitdagingen voor het thema ‘Groen en dynamisch stedengewest’ is echter omvattender. Het wordt bepaald door internationale verdragen, een uitgebreide Europese en Vlaamse regelgeving en een reeks eerder uitgewerkte doelstellingen en actieplannen. Deze bijdrage focust op dertien strategische beleidsvoorstellen voor de komende regeerperiode, die ingebed worden in een compacte globale visie. We formuleren daarbij negen strategische doelstellingen, die ook op lange termijn richtinggevend zijn. In een termijn van één generatie zouden ze gehaald moeten worden. Meer achtergrond hierbij en bij het lopende beleid is terug te vinden in het Vlaams Milieubeleidsplan (20112015) en in andere plannen over energie, klimaat, water, afval en materialen, wonen … In de totstandkoming en uitvoering van deze bijdrage wordt via afzonderlijke beleidsvoorstellen expliciet gestreefd naar samenwerking en afstemming met voor leefmilieu belangrijke beleidsdomeinen zoals mobiliteit en ruimte. Daarnaast gaat aandacht naar andere integrerende thema’s zoals groene economie en milieuvriendelijke consumptie en worden de bestaande transversale projecten uit VIA versterkt. Het gaat daarbij om de horizontale wisselwerking tussen Duurzaam Wonen en Bouwen, Duurzaam materialenbeleid en Energie. Centraal in deze werking staat het streven naar systeemveranderingen door een intensieve samenwerking tussen overheid, bedrijven, de onderzoekswereld en het maatschappelijk middenveld. Samengevat komt het erop neer dat we van Vlaanderen een groen en dynamisch stedengewest willen maken door op een klimaatvriendelijke wijze de milieu- en woonkwaliteit van de leefomgeving te verhogen, de biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen te bewaren en de risico’s te beheersen. Om dat te bereiken, wordt geïnvesteerd in groene infrastructuur en wordt gemikt op een koolstofarme kringloopeconomie met oog voor hernieuwbare bronnen, meer milieuvriendelijke producten en diensten en op meer maatschappelijke zorg voor het leefmilieu. Een dergelijk ambitieus milieubeleid, op maat van brede maatschappelijke uitdagingen, creëert ook kansen voor een groene, innoverende Vlaamse economie. Die uitdagingen zullen eenvoudiger bereikt kunnen worden als er meer geïntegreerd gewerkt wordt, de milieukosten geïnternaliseerd zijn en het aandeel groene investeringen wordt opgetrokken. Het blijft daarbij duidelijk dat een brongericht beleid de voorkeur verdient. Uit de omgevingsanalyse leren we dat onze ecologische voetafdruk ondanks alle inspanningen groot blijft. Om die trend om te buigen en de toekomstige generaties te vrijwaren moeten we onze manier van wonen, verplaatsen en consumeren grondig aanpassen. Zowel sensibilisering als concrete langetermijnoplossingen zijn noodzakelijk. Traditioneel wordt er binnen het milieu- en energiebeleid vaak gewerkt met juridische instrumenten. Er blijft een belangrijke rol weggelegd voor juridische instrumenten en de komende periode wordt gestaag verder gebouwd aan een betere regelgeving, uitvoering en handhaving. Transparantie en overleg met belanghebbenden zijn daarbij essentieel. Daarnaast is er een groot speelveld aan economische instrumenten, dat beter zou moeten worden benut. Een correcte prijsstelling van producten en diensten moet onder meer gebeuren op basis van de impact op milieu en natuur en de schaarste van energie, grondstoffen,
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
materialen en hulpbronnen en volgens het principe ‘de vervuiler betaalt’. Bestaande, aangepaste en nieuwe mechanismen moeten ervoor zorgen dat de milieukosten geïnternaliseerd worden en dat de milieubaten beloond kunnen worden. Beide soorten instrumenten moeten gepaard gaan met de nodige sensibilisatie. Op internationaal niveau streeft Vlaanderen een ambitieus milieu- en energiebeleid na met bijzondere aandacht voor de draagkracht van het wereldmilieu en respect voor internationale afspraken. Vlaanderen moet daarbij zelf op alle fronten de vergelijking kunnen doorstaan met andere Europese regio’s en tegelijk ook de milieu-impact op andere landen beperken. Vlaanderen beperkt daarvoor de export van milieuverontreiniging naar andere landen. Daarnaast wordt ook de milieu-impact (winning, productie, transport) van ingevoerde producten beperkt, alsook die van het gebruik van uitgevoerde producten. Op Europees en internationaal niveau is het de ambitie om proactief in te spelen op de agenda en onder meer voor bodem- en materialenbeleid tot de top te behoren. Een aantal kernbegrippen of -indicatoren maakt dat meer tastbaar. Er is de ambitie om het aantal ‘verloren gezonde levensjaren’ te verminderen en er wordt gewerkt aan de levenskwaliteit met oog voor lokale milieuproblemen of -risico’s en met oog voor kwetsbare groepen. Een geleidelijke vermindering van de ecologische voetafdruk wordt nagestreefd net als een zo laag mogelijk grondstof-, energie-, materiaal- en verhard ruimtegebruik. Eco-efficiëntie en een absolute ontkoppeling van milieudruk en economie zijn daarvoor het middel bij uitstek. De waarde van de ecosysteemdiensten wordt weerspiegeld in het beleid. Daarbij zijn ook belangrijke kwantitatieve Europese doelstellingen met betrekking tot lucht, water, klimaat, energie en biodiversiteit vertaald naar Vlaanderen.
2.2
Strategische doelstellingen
SD1. De (milieu)kwaliteit van de leefomgeving verhogen De kwaliteit van de leefomgeving in Vlaanderen zal zodanig gunstig evolueren dat de risico’s voor de natuur, het klimaat en de menselijke gezondheid tot een minimum zijn beperkt. Daarbij is rekening gehouden met de meest kwetsbare groepen in de samenleving en wordt ingezet op een gebiedsgerichte benadering én een algemene daling van de emissies en concentraties van polluenten. Alle Vlamingen kunnen daarbij beschikken over een basisnatuurkwaliteit in hun directe omgeving. Een Vlaanderen waar het goed is om te wonen, te leven en te werken vraagt een hoge leef- en omgevingskwaliteit. Zuivere lucht, proper water, niet-vervuilde bodems en een kwaliteitsvolle natuur bevorderen in grote mate het welzijn (voorstel mobiliteit, bodem, natuurdoelen, water, wonen en (ver)bouwen ). Dat geldt ook voor mooie landschappen, groene ruimten in de directe omgeving (voorstel groene metropool ), stilte en rust of de afwezigheid van geluid- en geurhinder. Het gaat daarbij om objectieve vaststellingen, maar ook om de meer subjectieve waarde die mensen of groepen aan hun omgeving hechten voor gebruik en beleving, met het oog op de toekomst. De risico’s die voortvloeien uit onze manier van leven, zijn beperkt tot een maatschappelijk en ecologisch aanvaardbaar niveau en de gevolgen zijn zo veel mogelijk te voorzien en te beheersen. In dat opzicht wordt verder beleid ontwikkeld voor Seveso-bedrijven en transport voor gevaarlijke stoffen, elektromagnetische golven, bestrijdingsmiddelen en andere milieugevaarlijke stoffen, onvoorziene emissies, uitheemse soorten, het gebruik van genetisch gemodificeerde organismen en extreme weersomstandigheden (voorstel overstromingsrisico’s ).
Groen en dynamisch stedengewest
SD2. Naar een klimaatvriendelijke samenleving evolueren met een nieuw energiesysteem De toekomstige klimaatuitdagingen worden het vertrekpunt van het (klimaat)beleid dat vandaag wordt vormgegeven. Voor de overgang van Vlaanderen naar een koolstofarme economie tegen 2050 wordt naar analogie van de routekaarten die op Europees niveau worden opgesteld, ook op Vlaams niveau werk gemaakt van een routekaart 2050 (voorstel klimaat ). Daarin wordt in een traject voorzien om in alle sectoren de broeikasgasuitstoot aanzienlijk terug te dringen. Dat impliceert een lager primair energiegebruik, een drastische bevordering van energie-efficiëntie en een sterke verhoging van het milieuverantwoorde gebruik van hernieuwbare energiebronnen. In dat kader worden in overleg met deskundigen, betrokkenen en het maatschappelijk middenveld een netwerk en een traject opgezet voor de ontwikkeling van een overkoepelende energie-systeemvisie voor Vlaanderen (voorstel energie ). Vraag- en aanbodsturing kan gebeuren door slimme netwerken en de opslag van energie. Er bestaat een ruimtelijk energieplan dat de gewenste mix van hernieuwbare energie-installaties een plaats geeft in het druk bebouwde Vlaanderen. Gezinnen en bedrijven zijn niet langer alleen consument van energie, maar worden ook steeds meer zelf producent. Voor transport maakt men gebruik van vervoerswijzen en voertuigen met een laag energieverbruik en met minder koolstofintensieve brandstoffen, en van hernieuwbare energiebronnen (voorstel mobiliteit ). Het energiegebruik van woningen en gebouwen daalt aanzienlijk (voorstel wonen en (ver)bouwen ). Ook het beleid op tal van andere vlakken buiten het klassieke klimaat- en energiebeleid, zoals het innovatiebeleid, het economisch beleid, het arbeidsmarktbeleid, het milieubeleid en het ruimtelijk beleid, is in die zin bijgestuurd.
SD3. Natuurlijke hulpbronnen en integriteit van ecosystemen beschermen Voedsel, water, energie en grondstoffen zijn levensnoodzakelijk. Ze maken deel uit van de diensten die door ecosystemen worden geleverd. De zorg voor die ecosysteemdiensten, die ook voor koolstofopslag en voor de nodige veerkracht zorgen in het kader van de klimaatadaptatie, worden verankerd in het beleid. In Vlaanderen gaat specifieke aandacht naar water, bodem en de bijbehorende nutriëntencyclus (voorstel water en bodem ). Net als voor andere natuurlijke rijkdommen moet de onttrekking in evenwicht zijn met de aanrijking. Op mondiale schaal wordt die kwestie steeds prominenter voor niet-hernieuwbare ‘delfstoffen’, waaronder mineralen, metalen, steenkool, olie en gas. Het vergt een fundamentele herdenking van het systeem van consumptie en productie om daarmee om te gaan (voorstel consumptie, materialen ). In de Vlaamse context kan grond worden beschouwd als een steeds schaarsere hulpbron. We verzekeren ook in de toekomst een toegang en een optimale invulling van gronden (voorstel grond ). Met betrekking tot biodiversiteit scoren we in 2020 in Vlaanderen even goed als andere economische topregio’s. Hiervoor werken we ambitieus aan het behoud, het herstel en de versterking van de biologische diversiteit en van de ecosysteemdiensten. Er wordt naar gestreefd om de biodiversiteit zowel in de stad als op het platteland te bevorderen en de toestand van kritieke soorten en soortengroepen te verbeteren. De kwaliteit en diversiteit van habitats is verbeterd en de grootte en samenhang is toegenomen ten behoeve van alle inheemse soorten. Invasieve uitheemse soorten worden gecontroleerd en beheerst. Er is behoefte aan een samenhangend en robuust Vlaams Ecologisch Netwerk met een maximale afstemming op het Europese natuurnetwerk (voorstel natuurdoelen ).
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
SD4. Vlaanderen op weg zetten naar een kringloopeconomie Tegen 2020 zijn belangrijke stappen gezet naar een kringloopeconomie met een zo laag mogelijk grondstof-, energie-, materiaal- en ruimtegebruik en een zo beperkt mogelijke impact op milieu en natuur. Hiervoor is onder meer een transitie nodig naar een milieuverantwoord energiesysteem en materialenbeheer (voorstel materialen ), naar milieuverantwoorde huisvesting, voeding en mobiliteit. Meer concreet zorgen we tegen 2020 voor een verlaging van 15% van de hoeveelheid restafval van bedrijven en huishoudens, bestemd voor eindverwerking. Vooruitgang is geboekt op het vlak van eco-innovatie en energie-efficiëntie. Ecoefficiëntie van materialen, producten, diensten en technologieën en een milieuverantwoorde consumptie zijn de norm in Vlaanderen (voorstel consumptie ). Omdat 80% van de volledige milieu-impact van producten ingebakken zit bij het ontwerp, wordt extra klemtoon gelegd op ecodesign. De verhoging van de recycleerbaarheid, de beperking van het energiegebruik tijdens de gebruiksfase, de gerecycleerde inhoud en de levensduur zijn daarbij de uitdagingen. Het traditionele concept van statische stortplaats wordt omgevormd naar dynamische voorraad (voorstel materialen ) om de materialenvoorziening op lange termijn te garanderen. Die doorgedreven aanpak leidt niet alleen tot een verdere ontkoppeling tussen de economische groei en de druk op milieu en natuur, maar ook tot een substantiële verlaging van die milieudruk. Een kringloopeconomie als onderdeel van groene economie biedt kansen voor toekomstgerichte en nieuwe sectoren en tewerkstelling in groene jobs (voorstel groene economie ). Opleidingspolen kunnen specifieke technische kennis aanreiken en kunnen een rol spelen bij het heroriënteren van werkenden en werkzoekenden in die richting.
SD5. Maatschappelijke zorg voor milieu en milieuvriendelijke consumptie stimuleren Vlamingen dragen zorg voor en appreciëren hun leefomgeving. Het milieubewustzijn is versterkt en het maatschappelijke draagvlak voor het milieubeleid vergroot. Individuen, groepen en sectoren kunnen inschatten hoe milieuverantwoord zij functioneren en passen hun gedrag aan. Door in een brede context van duurzaam wonen, ondernemen, voeden en transport in sensibilisering en dialoog te voorzien, ontstaat een gedeelde verantwoordelijkheid (voorstel wonen en (ver)bouwen, mobiliteit ). Op korte termijn verhoogt de Vlaamse overheid het aantal partnerschappen met bedrijven, organisaties en burgers. Zes op de tien Vlamingen kunnen bepaalde aspecten van hun gedrag als milieuverantwoord bestempelen, al is zorg voor het milieu niet altijd hun drijfveer. Vier op de tien hinken achter die min of meer milieubewuste consumenten aan. Om de eerste groep te vergroten, zijn informatie over en een aanbod aan milieuvriendelijke varianten noodzakelijk. Correcte informatie over prijzen of bijkomende prijssignalen completeren dat (voorstel consumptie ). In de toekomst zijn er mature markten voor gerecycleerde materialen, het kopen van milieuverantwoorde producten en milieubewust produceren. Binnen de cyclus van productie en consumptie speelt de consument een cruciale rol. De vraag naar groene producten en diensten bepaalt mee het aanbod en omgekeerd. De overheid vervult daarbij zelf een belangrijke rol als aankoper.
SD6. De ecologische integratie en beleidssamenhang verbeteren Door de toegenomen complexiteit en onderlinge verwevenheid van de maatschappelijke uitdagingen zal er meer geïntegreerd gewerkt worden. Dat vergt een beleidsdomein- en bestuurslaagoverschrijdende aanpak,
Groen en dynamisch stedengewest
maar ook een dialoog met andere maatschappelijke groepen. De Vlaamse overheid brengt meer interne samenwerking en synergieën tot stand, hetzij projectmatig, hetzij procesmatig, hetzij meer strategisch. Specifiek voor het milieubeleid wordt nog meer aansluiting gezocht bij economie, werkgelegenheid, innovatie, mobiliteit, ruimte en landbouw (voorstel groene metropool, mobiliteit, milieuvriendelijke consumptie, materialen en groene economie ). Zo wordt bijvoorbeeld bij de uitvoering van het Plattelandsbeleidsplan gewerkt aan de verhoging van de omgevingskwaliteit, waarbij ruimtelijke, ecologische, socioculturele en economische aspecten worden meegenomen. Daarnaast is belangrijk dat in de beleidsplannen van alle andere beleidsdomeinen en in de strategische toekomstplannen van de Vlaamse overheid (en van de Belgische en Europese overheden) aandacht wordt besteed aan milieu en natuur. In het bijzonder wordt afstemming gezocht tussen de milieuplanning, de ruimtelijke planning en de mobiliteitsplanning. De opname van milieu- en natuuraspecten eindigt niet bij de voorstelling van een plan, maar gaat verder bij de uitvoering. Het integreren van bijvoorbeeld groene infrastructuur bij de uitbouw van energie- en mobiliteitsnetwerken of bij de inrichting van gebieden kan bijdragen tot de realisatie van milieudoelstellingen(voorstel groene metropool ). Het zorgt voor een verbetering van de veerkracht van ecosystemen en waarborgt op die manier de toekomstige levering van ecosysteemdiensten. De keuze voor een geïntegreerd milieubeleid, met transparante opvolging en jaarlijkse rapportering, is vanzelfsprekend.
SD7. Groene investeringen waarborgen en de milieukosten internaliseren De hier genoemde doelstellingen maken deel uit van economische en sociale investeringsprogramma’s. Bij die groene investeringen horen ook inspanningen om via vernieuwende financiële instrumenten en rechtstreekse financiering drempels weg te nemen voor eco-innovatie en voor de ontplooiing van de eco-industrieën (voorstel groene economie ). Ook de eigen overheidsinvesteringen dragen daartoe bij (voorstel water, bodem, grond ). Het aangaan van die complexe uitdagingen houdt ook in dat het volledige potentieel van de bestaande technologieën voor een groen stedengewest wordt aangewend en dat de best beschikbare technieken en innovaties in de industrie worden toegepast. Dat is onder meer noodzakelijk met het oog op een koolstofarme economie of een kringloopeconomie. Een fundamentele bouwsteen van een groene economie is het vermijden (of compenseren) van negatieve externe effecten bij de productie van goederen en diensten door de externe kosten te internaliseren. Dat kan een aanzet zijn om de omslag te maken van belastingen op arbeid naar onder meer belastingen op milieugebruik of -vervuiling, zoals Europa en de OESO vragen. Een correcte prijsstelling van producten en diensten moet onder meer gebeuren op basis van de impact op milieu en natuur en de schaarste van grondstoffen, materialen en hulpbronnen en volgens het principe ‘de vervuiler betaalt’. Belangrijk daarbij is dat de volledige cyclus van de hulpbron, de grondstof of het materiaal in rekening wordt gebracht. Via belastingen, heffingen of handel in emissierechten en een goede onderlinge afstemming daartussen kan voor een duidelijk marktsignaal worden gezorgd. Ook de (tijdelijke) inzet van subsidiëring kan een effectieve oplossing bieden. Nieuwe opportuniteiten worden onderzocht. Zo zijn er momenteel nog weinig of geen financiële incentives voor producten met een lage milieu-impact. De subsidiëring van milieuschadelijke activiteiten en contraproductieve beleidsinstrumenten moet worden vermeden (voorstel groene economie ).
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
SD8. De steden van morgen creëren Een groot deel van de Vlamingen leeft in stedelijk gebied. Het stedelijk gebied en zeker de centrumsteden zijn een vruchtbare voedingsbodem voor wetenschap en technologie, innovatie, cultuur en individuele en collectieve creativiteit. Tegelijkertijd worden steden geconfronteerd met een gemeenschappelijke kern van milieuproblemen, waaronder minder goede luchtkwaliteit, geluidshinder, gebrek aan groen en aangename publieke ruimtes, broeikasgasemissies, hitte-eilandeffecten, waterschaarste, overstromingen en stormen, verontreinigde locaties, zoals oude industrieterreinen, en afval. De daaraan gekoppelde uitdagingen zullen alleen maar toenemen als ook de voorziene bevolkingsgroei moet worden opgevangen. Steden vormen een bijzonder gunstige plaats voor het opzetten van experimenten om onze ecologische voetafdruk te verkleinen en op zoek te gaan naar meer leefkwaliteit (voorstel groene metropool ). Leven, winkelen en werken in de stad is een goede manier om milieuonvriendelijke verplaatsingen te beperken en de druk op de open ruimte te verminderen. Een hoge leefkwaliteit betekent ook een significante verbetering van de stedelijke luchtkwaliteit. Dat wordt gerealiseerd door een mix van maatregelen die leiden tot een verdere daling van de lokale uitstoot (verkeer, gebouwenverwarming, lokale landbouw en industrie). Tegen het einde van de legislatuur worden daarmee de luchtkwaliteitsknelpunten in stedelijke gebieden opgelost. Het komt erop aan om partnerschappen aan te gaan met de (centrum)steden en met geëngageerde groepen in de samenleving, die als voorlopers kunnen fungeren. Daarbij gaat de aandacht naar energiebesparing door wijkrenovaties, hernieuwbare energie, duurzaam bouwen en wonen, groenvoorziening, duurzame materialen, lokale (voedsel)voorzieningen en milieuvriendelijk vervoer (voorstellen klimaat, energie, groene mobiliteit, materialen, bodem, duurzaam wonen en (ver)bouwen, groene economie ).
SD9. Nu inzetten op wonen en (ver)bouwen voor de toekomst Het is duidelijk dat in de organisatie van onze samenleving bepaalde grenzen zijn bereikt, ook op het vlak van wonen en gebouwen. Wonen en gebouwen zijn immers verantwoordelijk voor een behoorlijk groot ruimte- en energieverbruik. Bovendien heeft een groeiende bevolking meer woningen nodig met meer kwaliteit en ook de energieprestatie moet beter. De omgeving en de gebouwen moeten bovendien comfortabel, veilig en toegankelijk zijn en moeten aangepast zijn aan elke levensfase. Daarnaast moeten ze flexibel, milieuvriendelijk en betaalbaar zijn. Wijken zijn levendig en groen met een goede sociale cohesie, en diensten en openbaar vervoer zijn goed bereikbaar. Om het recht op wonen ook in de toekomst blijvend te garanderen, moet het beleid nu actie ondernemen en de noodzakelijke transitie op verschillende vlakken inzetten (werking woningmarkt, cultuurwijziging, wijze van bouwen en wonen, manier van overheidsingrijpen en besteding van overheidsmiddelen …). Daarom wordt op korte termijn uitvoering gegeven aan de doelstellingen van het Woonbeleidsplan Vlaanderen, de richtlijnen en actieplannen met betrekking tot energie-efficiëntie en het transitieproces duurzaam bouwen en wonen (voorstellen duurzaam wonen en (ver)bouwen ).
Groen en dynamisch stedengewest
2.3
Strategische beleidsvoorstellen
Beleidsvoorstel 1:
Vergroenen van onze economie Een vergroening van de economie heeft als doel de druk op het milieu te verminderen en de kwaliteit van de leefomgeving te verhogen, verlies van biodiversiteit tegen te gaan, natuurlijke hulpbronnen en materialen duurzaam te gebruiken en tegelijk een verhoging van het welzijn na te streven. Daarvoor worden structurele veranderingen nagestreefd in het (economische) systeem. Accenten liggen op duurzaam materialenbeheer, groene mobiliteit, rationeel energieverbruik, hernieuwbare energie, voeding en duurzaam wonen en bouwen. Als die veranderingen slim worden doorgevoerd, leiden ze tot het ontstaan van een nieuwe economische dynamiek met gewijzigde productieprocessen en businessmodellen waarbij milieuuitdagingen als een opportuniteit worden bekeken en jobs creëren. Voor dat laatste is het van belang dat de arbeidsmarkt wendbaar genoeg is om zich aan te passen. Een duidelijk beeld op de competenties en talenten die in de toekomst cruciaal zullen zijn, maakt een proactieve aanpak mogelijk. Een eerste accent ligt op het internaliseren van externe kosten. De prijs voor milieuverantwoorde producten ligt momenteel vaak hoger, onder meer omdat bij de andere producten een deel van de (milieu) kosten op de samenleving wordt afgewenteld. Onder andere met een gericht fiscaal en ondersteuningsbeleid kan de overheid zorgen voor een prijszetting die consumenten ertoe aanzet voor het milieuvriendelijker alternatief te kiezen. We grijpen de staatshervorming aan om het belastingstelsel in Vlaanderen te vergroenen. We zoeken naar opties om de arbeidslasten te verlagen en kijken daarbij onder andere naar nieuwe bevoegdheden. Ook om de lastenverlaging te financieren, voeren we nieuwe milieubelastingen in of verhogen we de bestaande milieubelastingen. Op die manier kan de totale belastingdruk gelijk blijven. Daarnaast zorgen we ervoor dat er geen ongewenste herverdelingseffecten zijn. Zo wordt ook tegemoetgekomen aan de aanbevelingen van de Europese Commissie om de bestaande lasten deels te verleggen naar bijvoorbeeld lasten op milieu. Er wordt ook gedacht aan een gedifferentieerde kilometerheffing voor personenwagens met een sterk prijssignaal, een sturende hervorming van de verkeersbelastingen, een belasting op basis van de milieudruk van producten of de energieklasse van toestellen (cf. labeling en ecodesign). Tijdens de komende legislatuur streeft de Vlaamse overheid ernaar om haar overheidsuitgaven te vergroenen. Dat gebeurt onder meer door een groen aankoopbeleid, het afbouwen van sommige milieuschadelijke subsidies of het aanpassen van de voorwaarden voor relevante subsidies met behoud van de oorspronkelijke doelstelling met het oog op meer milieuwinst. Een milieuschadelijke subsidie houdt een overheidsoptreden in, dat een voordeel biedt voor consumenten of producenten om hun kosten te verlagen of hun inkomen aan te vullen, maar dat tegelijk een schadelijk effect heeft op milieu en natuur. Een van de bouwstenen van de groene economie zijn eco-innovaties. Voor een aanzienlijk deel zijn die technologisch van aard, maar een belangrijke focus is ook nodig op alle andere product-, dienst-, proces-, organisatorische en systeeminnovaties, die milieuwinst opleveren. Er is behoefte aan financiering en investeringen om eco-innovaties te stimuleren. Daarom zal de Vlaamse overheid voldoende van haar innovatiemiddelen en andere financiële steun richten op eco-innovatieve projecten. Daarnaast kunnen de publieke middelen ingezet worden om private middelen te kanaliseren voor die projecten. Het kanaliseren van middelen wordt concreet uitgewerkt door een Groene Obligatie Plus te introduceren. Die obligaties worden uitsluitend ingezet voor groene projecten. Plus wil zeggen dat de overheid de obligaties ondersteunt om ze aantrekkelijker (en effectiever) te maken, zodat meer additionele middelen naar de groene economie georiënteerd worden dan bij een ‘klassieke’ groene obligatie. Mogelijke ondersteuningsvormen
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
zijn een rente- of uitgifteprijssubsidie, een rendementsgarantie of een kapitaalwaarborg. De overheid kan daarnaast institutionele beleggers ertoe aanzetten om een zeker aandeel in groene obligaties te beleggen, ze kan in een kwaliteitslabel voor groene obligaties voorzien of de monitoring- en controlekosten subsidiëren Om het beleid rond eco-innovatie beter te onderbouwen en om meer visibiliteit en draagvlak te creëren, zal werk gemaakt worden van het meten van eco-innovatie. Er wordt gezocht naar indicatoren die een beeld geven of eco-innovatie al of niet goed verloopt in Vlaanderen gedurende de verschillende stappen van het innovatieproces. Inzetten op een versteviging van de lokale economie zal ook bijdragen tot een vergroening van de economie, onder meer door een beperking van de transportkilometers. Onder die noemer vallen een heel aantal initiatieven die nu ook bottom-up ontstaan en verder ondersteund zullen worden: voedselteams, volkstuinen, lokale energieopwekking, korte keten landbouw, ‘rapid manufacturing’ enzovoort. Ook door de verenigbare recreatieve functies van bossen en natuur te optimaliseren, en duurzaam geproduceerd hout en biomassa te bevorderen, verbeteren we de economische functie van bos en natuur die de lokale economie ten goede komt.
Beleidsvoorstel 2:
Acties initiëren om van Vlaanderen een leefbare groene metropool te maken De Vlaamse Regering wil van Vlaanderen een veerkrachtige leefbare metropool maken: een veelzijdige levensruimte met een hoge leefkwaliteit en dus ook een gezonde leefomgeving, die is opgewassen tegen de verschillende megatrends die op haar afkomen. Daarvoor is het onder meer essentieel dat tussen en in de steden een groenblauwe netwerkinfrastructuur wordt ontwikkeld. Die groenblauwe infrastructuur maakt mensen gezonder en maakt dagen van strenge vorst of hittegolven draaglijker, bevordert sociale contacten, vangt overstromingen op, lokt toeristen en investeerders en versterkt zo onze economie en samenleving. De ambitie leeft om in een stedelijke context gebouwen en straten op harmonieuze wijze te integreren in een decor van parken, groene hoeken, groendaken, gevelgroen en waterlopen. Tegen het einde van deze regeerperiode moeten alle Vlamingen daarom toegang hebben tot buurtgroen en wordt een deel van de waterlopen verder opengelegd. Daarnaast verhoogt de Vlaamse overheid de leefbaarheid van haar steden door multifunctionele open ruimtes te creëren. Ook projecten, zoals een stadsboerderij voor elke centrumstad, plukparken en volkstuinen met fruit en groenten, multifunctionele stadsbossen of groenpolen dragen daartoe bij, net als de groene ruimten die sport, ontspanning en spel en natuurbeleving mogelijk maken. Burgers worden daar, waar mogelijk, actief bij betrokken. Particuliere initiatieven op dat vlak worden aangemoedigd. Ook tussen het stedelijke en landelijke gebied worden meer onderling verbonden groenblauwe zones in projectvorm uitgebouwd. Ze bieden ruimte aan allerlei milieuvriendelijke mogelijkheden voor lokale economie, sociale en educatieve projecten, toerisme, recreatie en ontspanning. Brownfields en voormalige stortplaatsen mogen in dat kader niet langer een bedreiging vormen. Om ook nieuwe doelgroepen in contact te brengen met natuur, bos, groen en blauw, zijn innovatieve acties nodig die maatwerk leveren, gericht op bijvoorbeeld jongeren, personen met een handicap, het bedrijfsleven. Bijzondere aandacht wordt daarbij geschonken aan minder gegoede burgers. Een evenwichtige spreiding van groen, ook in stedelijke gebieden, kan vermijden dat ze zich vanwege de hogere huur of huizenprijzen geen groene omgeving kunnen permitteren.
Groen en dynamisch stedengewest
Een groenstructuurplan, een kennisnetwerk op Vlaams niveau rond Groen in de Stad en een sterke wetenschappelijke basis zijn de bouwstenen voor een sterk beleid dat een duidelijke kosten-batenanalyse van groen, natuur en bos kan doorvoeren en kennisdeling en -verspreiding tussen lokale besturen en andere spelers opzet. Bovendien vormen het aankopen van gronden en het verzekeren van de nodige opvangfaciliteiten voor het publiek essentiële investeringen om van Vlaanderen een groene metropool te kunnen maken. In navolging van de Europese thematische strategie werken we aan een significante verbetering van de luchtkwaliteit en het geluidsklimaat in de stad. Dat willen we bereiken door een straatbeeld met meer voetgangers en fietsers, zero-emissie en stille voertuigen, milieuvriendelijke lokale industrie en emissiearme gebouwenverwarming. Een samenwerking met stadsbesturen en bijvoorbeeld havenbedrijven moet complementaire lokale maatregelen opleveren voor bedrijven, het bijbehorende transport (offroad, scheepvaart, vrachtwagens), en andere bronnen, zoals de gebouwenverwarming. Omdat het aandeel van de residentiële houtverbranding in de fijnstofproblematiek groot is, zetten we in op een verdere technologische vernieuwing en vergroening van het bestaande installatiepark en op gebruiksbeperkingen, waar dat milieuhygiënisch wenselijk en maatschappelijk aanvaardbaar is. Ten slotte willen we Vlaamse steden en gemeenten stimuleren om zich te ontwikkelen in de richting van een ‘smart city’, waarbij een van de focuspunten het onderdeel ‘smart environment’ is. Om dat te realiseren moet de natuurlijke aantrekkelijkheid omhoog, de verontreiniging omlaag en moet er voldoende sprake zijn van milieubescherming en duurzaam bronbeheer. We leggen onszelf in het kader daarvan de reflex op om milieu en dus ook groen te verankeren in ruimtelijke ordening en in bouwvergunningen en gaan voor een slimme stadsplanning en mobiliteit. Projectmatige en experimentele samenwerkingen met diverse actoren en beleidsdomeinen vullen dat verder aan. Die slimme stadsplanning bestaat onder meer uit een locatiebeleid waarbij er aandacht is voor groenblauwe netwerken, waar nabijheid en selectieve bereikbaarheid centraal staan, rekening wordt gehouden met de verhouding tussen de bouwhoogte en de straatbreedte om het ontstaan van ‘streetcanyons’ te vermijden, kwetsbare functies slim worden gelokaliseerd en doordacht wordt omgesprongen met het parkeeraanbod en de parkeernormeringen.
Beleidsvoorstel 3:
Vergroenen van de mobiliteit De wijze waarop de mobiliteit in Vlaanderen is ingevuld, leidt tot een belasting van de leefkwaliteit. Niet alleen door luchtverontreiniging en geluidshinder, maar ook vanwege het ruimtegebruik en de onveiligheid. De Vlaamse Regering zal inzetten op een verdere vergroening van de mobiliteit. De STOP-logica met een grotere focus op zachte mobiliteit (stappen en fietsen) en op alternatieven voor privévervoer is daarbij de leidraad. Groenblauwe netwerken zullen dat ondersteunen. Het aantal afgelegde gemotoriseerde kilometers wordt verminderd en ruimtelijk beheerst. Dat doen we door een sturende kilometerheffing voor vracht- en personenwagens op het volledige wegennet sterk gedifferentieerd volgens plaats, tijdstip en milieukenmerken van het voertuig (cf. Slimme mobiliteit) in te voeren. Daarnaast bouwen we de alternatieven voor (vracht)wagens verder uit en zetten daarbij onder meer in op de verhoging van het aandeel van binnenvaart en spoor in het goederenvervoer. Bijkomend ontwikkelen we een voorkomingsbeleid door integratie van gepaste instrumenten of maatregelen in het ruimtelijk beleid, het mobiliteitsbeleid en het woonbeleid en door overwogen keuzes bij de verdere
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
uitbouw en inrichting van infrastructuur. Een bijzondere inspanning is daarbij noodzakelijk om de fiets een meer prominente rol te laten spelen en structureel als (stedelijk) vervoermiddel te promoten. In het bijzonder wordt ingezet op binnenstedelijke en interstedelijke fietsverbindingen. Met de komst van de elektrische fiets is immers ook de gemiddelde actieradius toegenomen. De blootstelling aan luchtverontreiniging en geluidshinder door verkeer (bijvoorbeeld langs drukke verkeerswegen) wordt beperkt door de ontwikkeling van actieplannen waarin onder meer voorstellen voor de overdachte inplanting van woonzones, bouwvoorschriften, schermen en een aangepaste wegbedekking zijn opgenomen. Meer specifiek voor de nationale luchthaven ontwikkelen we een coherent ruimtelijk beleid met specifieke plannings- en bouwvoorschriften ter voorkoming en beperking van geluidshinder. De verdere uitbouw van harde verkeersinfrastructuur wordt beperkt en voorafgegaan door een milieukostenbatenanalyse. Het Vlaamse wagenpark zal verder vergroenen door een samenhangend pakket van maatregelen. Een sturende vergroening van de verkeersbelasting wordt uitgevoerd, zodat het bezit van milieuvriendelijke wagens beduidend goedkoper wordt en dat van milieuonvriendelijke beduidend duurder. De overheid zal de bouw en het gebruik van voertuigen op basis van alternatieve technologieën, in de eerste plaats elektrische voertuigen, krachtdadig ondersteunen met aandacht voor lichtere voertuigen, zoals twee- en driewielers. Na afloop van de proeftuin wordt daarvoor een E-team opgericht, dat die doorbraak moet coördineren. Daarbij moet een rol worden opgenomen vanuit Leefmilieu, Energie, Mobiliteit, Economie, Innovatie, Financiën, Bestuurszaken … Het pad richting 2020 met onder meer als doel 10% van de nieuwe personenwagens elektrisch te laten rijden, zal geëffend worden door een pakket van maatregelen die bestaan uit het uitrollen van grootschalige projecten, gericht op kerngebieden of op specifieke vloten, de gestructureerde uitbouw van laadinfrastructuur – onder meer in navolging van de nieuwe Europese richtlijn ‘Clean power for transport’ – en verdere investeringen in innovatie, onder meer in de ontwikkeling van de technologie. De consument wordt over de streep getrokken door rechtstreekse financiële ondersteuning bij de aankoop en door duidelijke en actuele informatie. De Vlaamse overheid neemt daarbij een voorbeeldrol op door zelf versneld over te schakelen op milieuvriendelijke voertuigen. Bij de opmaak van een actieplan duurzame mobiliteit binnen de overheid wordt de verbetering van de ecoscore van de vloot, naast het aantal vermeden kilometers, een belangrijke doelstelling op zich. Afzonderlijke aandacht gaat naar de logistieke sector. Er wordt ingezet op een vergroening van het logistieke systeem (aandacht voor de lokale en tussentijdse overslag) in combinatie met een overschakeling naar (kleinere) milieuvriendelijke voer- en vaartuigen voor de bedeling van dorps- en stadskernen. Lokale besturen spelen in het kader van die vergroening een belangrijke rol. De Vlaamse Regering zal nagaan hoe ze verder gestimuleerd kunnen worden om een deel van de verantwoordelijkheid op zich te nemen. Dat kan gaan van een centrale inhoudelijke ondersteuning, het promoten van voorlopers en het aangaan van partnerschappen tot het opleggen van verplichtingen. Burgers worden daarbij actief betrokken. Dat gaat gepaard met een duidelijke en open communicatie. De leefbaarheid in de binnenstad en in woonwijken is daarbij een specifieke focus die onder meer zal worden gestimuleerd door de inrichting van lage-emissiezones in aanvulling op autoluwe zones.
Groen en dynamisch stedengewest
Beleidsvoorstel 4:
Een klimaatvriendelijk Vlaanderen creëren: nu en in 2050 Om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 met 80 tot 95% te verminderen ten opzichte van 1990 heeft de Europese Commissie de Mededeling ‘Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050’ gepubliceerd. Een concreter kader voor het klimaat- en energiebeleid op middellange termijn (2030) wordt via een groenboek voorbereid. Ook Vlaanderen moet een eigen traject uitzetten om invulling te geven aan de Europese strategie en de internationale akkoorden. In het Vlaams Klimaatbeleidsplan 2013-2020 is bepaald dat het Vlaamse Gewest een ‘koolstofarme ontwikkelingsstrategie’ zal opstellen. Daarvoor moet een langetermijntransitiepad (2050) voor Vlaanderen vastgelegd worden, met onderbouwde langetermijndoelen per sector of doelgroep, aangevuld met tussentijdse mijlpalen. Scenario’s zullen ontwikkeld worden en indien nodig zal het bestaande klimaatinstrumentarium bijgestuurd worden of zullen nieuwe beleidsinstrumenten geïntroduceerd worden. De nadruk ligt daarbij op de vermindering van de emissies van broeikasgassen en een optimale afstemming met de doelstellingen en het beleid voor hernieuwbare energie en energiebesparing (inclusief het gebruik van restwarmte), het ruimtelijk beleid (behoefte aan compacte kernen, verdichting rond belangrijke openbaarvervoerassen, verweving van functies), het mobiliteitsbeleid, het landbouwbeleid, het woonbeleid, het onroerenderfgoedbeleid, het innovatiebeleid en dergelijke. Daarom zal de verantwoordelijkheid en de ‘sense of urgency’ van de verschillende beleidsdomeinen tot het bijdragen aan de klimaatdoelstellingen versterkt worden. De langetermijndoelen en tussentijdse mijlpalen zullen doorwerken en bijkomend beleid in elk van de sectoren noodzakelijk maken. Daarnaast wordt gestart met de ontwikkeling van beleidsinstrumenten om de afvang en het transport van CO2 te faciliteren (focus op financieringsinstrumenten) met het oog op de geologische opslag ervan in het buitenland (Carbon Capture and Storage) en het gebruik ervan in productieprocessen (Carbon Capture Use and Storage). Het kortetermijnbeleid (2020) wordt versterkt en moet in lijn liggen met het langetermijntransitiepad. Bijkomende maatregelen zijn noodzakelijk om de doelstellingen voor 2013-2020 te bereiken. Een belangrijke impuls daarbij is de uitwerking en operationalisering van een nieuw financieringskader binnen het Vlaams Klimaatfonds voor de periode 2015-2020. Op die manier kan cofinanciering vanuit het Vlaams Klimaatfonds een hefboom vormen om beleidsinitiatieven te ontwikkelen. Op voorwaarde dat het grootste deel van het klimaatfonds daarvoor ingezet wordt, zal het op een kostenefficiënte manier significant bijdragen aan de Vlaamse klimaatdoelstellingen. Dat moet bijkomend een hefboom zijn om vanuit de betrokken beleidsdomeinen nieuwe maatregelen te ontwikkelen en te financieren. Naast bijkomende inspanningen uit de algemene middelen is daarbij ook een rol weggelegd voor innovatieve financieringsmechanismen (Vlaams Energiebedrijf, derdebetalerssystemen). Op lokaal niveau zal Vlaanderen ondersteuning bieden aan steden of gemeenten die instappen in het Burgemeestersconvenant. Enerzijds zal Vlaanderen in technische ondersteuning voorzien voor de opmaak van plannen (bijvoorbeeld financiële middelen helpen mobiliseren, technische vergaderingen en workshops organiseren, goede voorbeelden verspreiden), synergieën zoeken tussen Europees, nationaal, regionaal en lokaal beleid, informatie verspreiden en betrokkenheid garanderen bij andere Europese projecten (inclusief Europese financiering). Anderzijds wil Vlaanderen gemeenten financieel ondersteunen om hun actieplannen uit te voeren.
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
In de periode 2014-2019 zal de Vlaamse Regering duidelijkheid scheppen over de wijze van financiering van de gerelateerde financiële verplichtingen die op Vlaanderen afkomen. Wat betreft klimaat gaat het (bijkomend ten opzichte van de lasten van de Kyotoakkoorden) wereldwijd en vanaf 2020 voorlopig over jaarlijks 100 miljard USD aan benodigde middelen voor de Noord-Zuidsolidariteitsfinanciering op lange termijn. Gelet op de omvang van de bedragen zal er voor de Vlaamse engagementen een financieringskanaal los van het Vlaams Klimaatfonds gevonden moeten worden.
Beleidsvoorstel 5:
Milieuvriendelijke consumptie promoten Het huidige consumptiepatroon van de Vlaming legt een zware druk op het leefmilieu en de natuur. In de komende legislatuur zal de Vlaamse Regering ernaar streven om de milieu-impact van het consumptiepatroon van zowel de overheid, de bedrijven als de burger te doen dalen. De promotie en ondersteuning van milieuvriendelijke producten wordt verder uitgebouwd in het bredere kader van een milieuverantwoord consumptiepatroon. De Vlaming is bereid om meer milieuvriendelijke producten aan te kopen, maar het moet zo gemakkelijk mogelijk zijn. Tegelijk geeft hij aan dat hij meer informatie nodig heeft om zijn consumptiepatroon te verduurzamen. Het moet voor de consument snel duidelijk zijn hoe een bepaald product scoort op een aantal milieuparameters, waaronder de CO2-inhoud, het verbruik van water, energie, materialen, en de mate van recycleerbaarheid. Voor de opmaak van een dergelijk milieuprofiel van een product kan aangesloten worden bij Europese initiatieven, zoals de methodologie van de ‘product environmental footprint’. Die informatie zal op eenvoudige en eenduidige manier worden aangeboden. Er kan bijvoorbeeld een app voor smartphones ontwikkeld worden. Samen met onder andere consumentenorganisaties, producentenorganisaties en de distributiesector wordt bekeken welke acties op poten kunnen worden gezet om de informatie en de voordelen van een groen dagelijks consumptiepatroon te onderstrepen. In eerste instantie worden de ‘fast moving consumer goods’ onder de loep genomen. De focus op dagelijkse aankopen kan katalyserend werken. Voeding is, samen met transport en huisvesting, de belangrijkste bron van milieudruk. Een evenwichtig dieet, waarbij ook rekening wordt gehouden met de milieu-impact van de verschillende voedingsproducten, kan zowel op het milieu als op de gezondheid een gunstig effect hebben. Lokale seizoensgroenten en -fruit hebben bijvoorbeeld een geringe ecologische voetafdruk. Lokaal geproduceerde voedingsmiddelen met een korte keten genieten in die optiek vaak de voorkeur vanwege een lagere impact op het milieu. In de strijd tegen de voedselverspilling zal de Vlaamse Regering haar inspanningen opdrijven. Het consumeren van producten en diensten die een grote impact op het milieu hebben, wordt ontmoedigd en alternatieven worden ondersteund. Het promoten en ondersteunen van ‘product-dienstsystemen’ en de ‘deeleconomie’ is een manier om het consumptiepatroon te veranderen. Zo wordt immers niet meer het product gekocht, maar de dienst die een bepaald product vervult, of kan een gedeeld product meer diensten leveren, waardoor de milieudruk daalt. Bestaande barrières, zoals het gebrek aan financiële stimuli, tegenwerkende fiscale wetgeving en gewoontepatronen moeten worden doorbroken. We willen de belanghebbenden samenbrengen om te komen tot praktijkgerichte oplossingen en als overheid daarin zelf het voorbeeld geven.
Groen en dynamisch stedengewest
Als consument zal de Vlaamse overheid er zelf ook verder over waken dat ze bij de aankoop en het gebruik van goederen en diensten, maar ook bij het nemen van beleidsbeslissingen, de impact op milieu en natuur zo laag mogelijk houdt. Dat kan door in opdrachten en bestellingen rekening te houden met duurzaamheidscriteria. Op die manier neemt de Vlaamse overheid een voorbeeldrol op en beïnvloedt ze als grote speler de markt in milieugunstige zin. Tegelijk benut ze de kans om haar eigen personeel door middel van stimulansen en facilitering milieuvriendelijker te laten consumeren. Er kan gedacht worden aan het organiseren van de collectieve aankoop van milieuvriendelijke toestellen en materialen, lokale groentepakketten ...
Beleidsvoorstel 6:
Verder inzetten op de transitie duurzaam materialenbeheer Grondstoffen en materialen blijven kostbaar en schaars voor Vlaanderen, vanuit ecologisch, maatschappelijk en economisch oogpunt. Duurzaam materialenbeheer werd eerder al door de Vlaamse Regering aangeduid als een van de dertien grote maatschappelijke uitdagingen binnen Vlaanderen in Actie. Vlaanderen wil op Europees niveau tegen 2020 tot de top 5-regio’s behoren. Daarom zal Vlaanderen de komende jaren volop verder inzetten op de ingeslagen weg naar een transitie duurzaam materialenbeheer. De focus van een afvalbeleid verschuift verder naar een meer geïntegreerde benadering over de hele levenscyclus heen. Dat moet helpen om in Vlaanderen een efficiënte groene kringloopeconomie te realiseren met een zo laag mogelijk grondstof-, energie- en materiaalgebruik. Belangrijke krachtlijnen in het afvalstoffen- en materialenbeleid zijn: het creëren van nieuwe, duurzame waardeketens op systeem- en productniveau, gebaseerd op zowel technologische als economische en sociale innovatie; het verhogen van de materiaalefficiëntie binnen de Vlaamse economie; het sluiten van materiaalkringlopen door duurzaam design, slimmere productie, logistieke en consumptieprocessen en -modellen, het stimuleren van hoogwaardig hergebruik en recyclage (met aandacht voor het uitfaseren van gevaarlijke stoffen en het creëren van mature markten voor gerecycleerde materialen) en het vermijden van lekstromen. De Vlaamse overheid gaat het engagement aan om het Vlaams Materialenprogramma uit te voeren, in nauwe samenwerking met alle actoren uit industrie, middenveld en kennisinstellingen. Via Plan C blijven we inzetten op systeeminnovatie, waarbij onder meer het opzetten van een krachtige ‘antennefunctie’, het kanaliseren van informatiestromen en het uitwerken van leer- en innovatietrajecten rond duurzaam materialenbeheer een belangrijke rol spelen. Het beleid wordt wetenschappelijk onderbouwd door het Steunpunt voor Duurzaam Materialenbeheer. Het instrumentarium wordt uitgebouwd op maat van de volgende vier prioritaire clusters:
••
Bouw: we zetten samen met de diverse belanghebbenden onze schouders onder het beleidsprogramma bouw. Daarbij gaat de aandacht vooral naar het stimuleren van duurzaam ontwerp en het gebruik van de materialenmethodiek, naar selectieve sloop met extra focus op kunststofrecyclage en naar de verhoging van de afzet van hoogwaardige gerecycleerde granulaten. Een uitfaseringsprogramma voor asbest en asbesthoudende materialen is noodzakelijk om milieu- en gezondheidsrisico’s te verminderen, renovatie en stedelijke herontwikkeling te faciliteren en de kosten voor de afbraak van niet-herbruikbare gebouwen uit landbouw en kmo’s draaglijk te maken.
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
••
Metalen: we stimuleren de selectieve inzameling en recyclage van metalen die van strategisch belang zijn voor de Vlaamse economie.
••
Biomassa: we zetten actief in op het verankeren én implementeren van de basisprincipes van de biomassacascade. We maximaliseren energie- en materiaalwinst via verhoogde inzet op gft en groeninzameling en -verwerking (in casu compostering en vergisting). Ook zetten we in op het sterk terugdringen van voedselverliezen en een vernieuwd beleid rond biomassareststromen. Chemie en kunststoffen: er gaan nog steeds te veel waardevolle kunststoffen verloren, dus zetten we ook in op selectieve inzameling en recyclage én afzet van hoogwaardige recyclaten. We geven extra aandacht aan bioplastics, onder meer door proefprojecten op te zetten. Daarnaast ondersteunen en faciliteren we de innovatie-initiatieven binnen FISCH.
••
In het kader van de (her)introductie van materialen, producten en systemen is een afstemming met het delfstoffen- en het energiebeleid erg belangrijk. De principes van preventie, hergebruik en recyclage worden in beide beleidsthema’s geïntegreerd. Primaire grondstoffen moeten hoogwaardig vervangen worden door recyclaten en hernieuwbare materialen. Die recyclage moet in haar breedste betekenis worden bekeken en omvat onder meer Enhanced Landfill Mining. Een duurzaam voorraadbeheer van stortplaatsen, met een geïntegreerde aanpak voor bodemsanering, moet een substantiële invulling geven aan de behoefte aan grondstoffen en ruimte. De Vlaamse overheid werkt een visie daarvoor uit, inventariseert mogelijk interessante stortplaatsen én zet in op demonstratieprojecten op stortplaatsen waar bodemsanering noodzakelijk is. Ook in de openbare waterinfrastructuur liggen kansen om zich te transformeren en te innoveren naar een geïntegreerd water-, grondstoffen- en energiesysteem. Naast efficiëntiewinsten zullen de mogelijkheden voor hergebruik en kringloopsluiting van materialen, nutriënten en energie onderzocht en gevaloriseerd worden. De verruiming naar materialenbeleid vraagt meer interactie, ook met stedenbeleid, productbeleid, economisch beleid, innovatiebeleid … Zo wordt bijvoorbeeld met het transitieproces Nieuw Industrieel Beleid een gezamenlijke roadmap uitgevoerd ter realisatie van een groene kringloopeconomie. Voor de lokale besturen wordt het beleidskader geoptimaliseerd en wordt in specifieke ondersteuning voorzien, onder meer door overeenkomsten te sluiten op maat van het bestuur. Op Europees en internationaal niveau is het de ambitie om onder meer een actieve rol op te nemen in de activiteiten rond Resource Efficiency Strategy en Raw Materials Initiative.
Beleidsvoorstel 7:
Een actief en duurzaam bodembeleid voeren Beschikbare ruimte, een kwaliteitsvolle bodem en kwaliteitsvol grondwater blijven schaarse en kostbare goederen in Vlaanderen. Het bodembeleid wordt daarom maximaal gericht op het helpen realiseren van andere maatschappelijke behoeften (zoals ruimte, water, ondersteuning van kwetsbare groepen, bodem als ecosysteem). Bodemverontreiniging kan een bedreiging betekenen voor gezondheid en milieu. Daarom moeten tegen 2036 alle historisch verontreinigde gronden gesaneerd zijn. Gelet op de grote kosten van sanering ligt de
Groen en dynamisch stedengewest
focus op het voorkomen en beperken van bodemverontreiniging. Nieuwe bodemverontreiniging wordt daarbij zo vlug mogelijk gesaneerd om verdere verspreiding en risico’s te vermijden. Voor de sanering van historisch verontreinigde gronden zal prioriteit gegeven worden aan kwetsbare gebieden, gronden met hoge risico’s of interessant potentieel en aan maatschappelijk belangrijke sectoren of doelgroepen. Binnen het huidige beleid wordt dan ook nog meer nadruk gelegd op het optimaal faciliteren van overdrachten van verontreinigde gronden en de realisatie van bouwprojecten op die gronden. Onder meer de cofinanciering biedt mogelijkheden om een meer billijke saneringslast te verkrijgen. Bodemverontreiniging en -sanering wordt ook meer integraal benaderd: afstemming en wisselwerking met andere beleidsdomeinen en -thema’s wordt verder onderzocht en waar mogelijk in proefprojecten uitgetest. Samen met de betrokken actoren wordt vanuit het bodembeleid actief bijgedragen aan een duurzaam ruimtelijk beleid en aan een duurzaam materialenbeleid, onder meer via voorbeeldprojecten, gericht op een duurzame ontwikkeling van brownfields en gronden die ambtshalve gesaneerd moeten worden. Tal van (semi-)industriële locaties worden niet meer optimaal ingezet. Via geïntegreerde projecten bieden we een oplossing aan, waarbij de bodemsanering afgestemd wordt op herontwikkeling. Bovendien zal ingezet worden op een programmatische aanpak op maat van belangrijke maatschappelijke uitdagingen of doelgroepen met ernstige problemen. Stadsvernieuwings- en stadsontwikkelingsprojecten zijn voorbeelden van complexe projecten die een dergelijke aanpak behoeven. In een aantal gevallen vormt een zwaar verontreinigde waterbodem een hinderpaal voor verdere waterkwaliteitsverbetering. Bovendien worden waterloopbeheerders daar altijd geconfronteerd met zeer hoge kosten voor het ruimen van de waterloop. In nauw overleg start de Vlaamse overheid met het onderzoek en de eventuele sanering van de prioritaire waterbodems. We zetten bodemsaneringsfondsen op in samenwerking met sectoren die te kampen hebben met bodemverontreiniging. Specifiek in het geval van bodemverontreiniging ten gevolge het gebruik van particuliere stookolietanks, zetten we prioritair in op de oprichting van een stookolietankfonds. De overheid neemt expliciet haar voorbeeldrol op. We willen volop gebruikmaken van de expertise en schaalvoordelen van de OVAM, die waar mogelijk een rol als ‘huissaneerder’ opneemt en saneringsverplichtingen van andere overheden uitvoert. We zetten ook in op een verhoogde, kwaliteitsvolle dienstverlening door de doorlooptijd van bodemdossiers te verkorten, door een mogelijke vrijstelling van de onderzoeksplicht voor particulieren te onderzoeken en door de werking te optimaliseren met de hulp van bodemsaneringsdeskundigen. Mogelijkheden ter ondersteuning van de gemeenten bij de inventarisatie van risicogronden worden onderzocht. Tenslotte gaat er extra aandacht naar handhaving bij grondverzet en nieuwe bodemverontreiniging. De aanpak van erosie wordt versneld en slagkrachtiger gemaakt door via de randvoorwaarden maatregelen op te leggen op een groter areaal en door vrijwillige maatregelen krachtiger te ondersteunen. Een bijzonder aandachtspunt is de uitbreiding van de vrijwillige en verplichte erosiebestrijdingsmaatregelen tot de bodemgebruikers op wie het Europese landbouwbeleid niet van toepassing is. Bijkomende bodemafdichting wordt vertraagd zodat er geen bij komt tegen 2050.
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 8:
Europese natuurdoelen gericht realiseren In Vlaanderen zijn in 2013 5 van de 47 Europees beschermde habitats in een gunstige staat van instandhouding. Bij de soorten gaan er meer achteruit dan vooruit. Dat is niet alleen ecologisch een probleem. Als habitats en soorten het niet goed doen, legt Europa ook strenge vergunningsregels op. Het bereiken van een gunstige staat van instandhouding voor habitats en soorten is dus een win-winsituatie voor ecologie en economie. Met een sluitend Natura 2000-programma willen we tegen 2020 een derde of zestien Europees beschermde habitattypes in een gunstige of verbeterde staat van instandhouding brengen, ter uitvoering van de Habitat- en Vogelrichtlijn en de daarbij geldende instandhoudingsdoelstellingen (IHD). Ook voor de andere Europees beschermde habitattypes en -soorten worden maatregelen genomen, zodat in 2020 70% van de benodigde oppervlakte correct beheerd wordt. Daarbij worden de 2015- en 2020-projecten van het geactualiseerde Sigmaplan volledig gerealiseerd. Voor 35 Europees beschermde soorten wordt dat geconcretiseerd via de opmaak van soortbeschermingsprogramma’s. Voor invasieve en abundante soorten (onder andere everzwijn) wordt nagegaan of ze een negatieve impact hebben. Als dat nodig is, worden beheermaatregelen voorgesteld. Voor de realisatie van het natuurbeleid is voldoende ruimte nodig. Blijvende aandacht moet gaan naar de afbakening van 38.000 ha extra natuurgebied, 10.000 ha bosgebied en 150.000 ha natuurverwevingsgebied. Dat is een bindende bepaling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (2002-2007). Overheden en terreinbeherende verenigingen moeten hun terreinen maximaal inzetten om de Europese taakstelling te realiseren. Daarbovenop zal nog 20.000 ha extra onder correct beheer moeten worden gebracht. Er wordt van uitgegaan dat de helft van de resterende taakstelling kan worden opgenomen door particulieren, de andere helft gebeurt via verwerving. In 2016 wordt geëvalueerd of de taakverdeling tot de gewenste resultaten leidt. Het financieringssysteem op het vlak van inrichting en beheer zal alle beheerders gelijkwaardig behandelen. Naast klassieke subsidies wordt ook werk gemaakt van fiscale stimuli om een ruimer aandeel beheerders ertoe aan te zetten om een groter deel van de taakstelling op te nemen. Een monitoringsysteem wordt uitgebouwd om afspraken, uitvoering en resultaten te volgen op Vlaams, gebieds- en terreinniveau. De decreten en besluiten inzake natuur, bos en jacht worden verder doorgelicht en waar nodig geactualiseerd, vereenvoudigd en geïntegreerd, zonder afbreuk te doen aan de prioritaire doelstellingen. De aanpassingen die nodig zijn om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken, staan centraal. Tegelijk vindt een vereenvoudiging van de jachtregelgeving plaats. De prioritaire inspanningen voor milieucondities worden geconcretiseerd en worden toegewezen aan de bevoegde overheden en administraties. Een ondersteunend instrument moet initiatiefnemers zo veel mogelijk ontlasten bij de opmaak van een passende beoordeling. Voor verzurende en vermestende deposities wordt een programmatische aanpak ontwikkeld, die een ecologische oplossing koppelt aan economische ontwikkelruimte. Naast het eigen budget worden alternatieve financieringstechnieken ontwikkeld die tegen 2019 5% moeten bijdragen aan het Natura 2000-programma. Ook zal in financiële provisies of andere financiële anticiperende maatregelen worden voorzien met het oog op de Vlaamse bijdrage aan internationaal bindende
Groen en dynamisch stedengewest
VN-akkoorden voor biodiversiteit. Globaal wordt gesproken over een mondiale financieringsbehoefte van jaarlijks 200 miljard euro. Alle partners krijgen een aangemeten rol en ondersteuning op grond van hun respectieve sterkten en met het oog op effectiviteit en draagvlak. De optimalisatie van de samenwerkingsverbanden zal het maatschappelijk draagvlak voor natuur en landschapsbeleid bestendigen en vergroten. Daarom wordt blijvend ingezet op wetenschappelijke onderbouwing en participatieve ontwikkeling van het beleid en de uitvoering ervan, ook voor de evaluatie en eventuele herziening van de instandhoudingsdoelen in 2019, aansluitend op de Natura 2000-rapportering voor Europa.
Beleidsvoorstel 9:
Beter wonen en (ver)bouwen Transitie duurzaam wonen en bouwen Het tweesporenbeleid met betrekking tot duurzaam wonen en bouwen wordt verder vormgegeven. Het richt zich op het versterken van het transitieproces duurzaam wonen en bouwen en van de interne en externe coherentie en afstemming van het Vlaamse beleid duurzaam wonen en bouwen. Het vernieuwde transitieproces duurzaam wonen en bouwen (TM duwobo 2.0) moet leiden tot een strategische agenda waarmee leergemeenschappen of projectgroepen aan de slag kunnen om experimenten op te zetten. Er is behoefte aan meer innovatie- en experimenteerruimte, waarbinnen in voldoende middelen voorzien wordt om innovatie op alle aspecten van de woon- en bouwketen te ondersteunen. De bestaande subsidiekanalen van de Vlaamse overheid zijn daar momenteel te weinig op afgestemd. Dat kan via een apart, nieuw op te richten subsidiefonds, via het opentrekken van de criteria binnen bestaande subsidiekanalen en de toepassing van een geïntegreerde aanpak daarbij, en mogelijk ook door nieuwe vormen van financiering op te zetten in samenwerking met de privésector. Essentieel daarbij is dat de resultaten van de projecten gedeeld worden binnen het DuWoBo-netwerk. Experimenteerruimte wil ook zeggen dat men moet werken aan de randvoorwaarden die de experimenten in de weg staan. De reglementering is soms niet aangepast en staat innovatief experimenteren in de weg. Deze verschillende aspecten (experimenteerruimte, financiering en aangepaste reglementering) zouden kunnen gebundeld worden in een nieuw instrument nl de duurzamewijken-convenant naar analogie met de brownfieldconvenant. Om de duurzame wijken op een objectieve manier te selecteren kan de duurzaamheidsmeter wijken ingezet worden. De leerervaringen van de transitie-experimenten zouden moeten kunnen doorstromen naar nieuwe leernetwerken. Ook daarin kan de overheid een faciliterende rol spelen. Nieuwe leernetwerken zullen opgestart worden en nieuwe vormen van interactie worden ingeschakeld via een ideeënmanagementsysteem. De lopende initiatieven zullen versterkt voortgezet worden: de maatstaf duurzaam wonen en bouwen, de Belgian sustainable buidling council, de provinciale steunpunten, het leernetwerk en doorbraakprojecten rond duurzame wijken, het verduurzamen van curricula voor opleidingen in de bouwsector, het integreren en opzetten van proefprojecten rond maatschappelijk verantwoord ondernemen in de bouw, werken in bouwteams en flexibel en demontabel bouwen en nieuwe vormen van samenwonen. De afstemming van het beleid zal worden vormgegeven in een Vlaams actieplan duurzaam wonen en bouwen. Een verdere integratie en afstemming van bijvoorbeeld subsidiekanalen, studies en beleidsvoorstellen is een absolute noodzaak. Het actieplan zal opgemaakt worden in een partnerschap tussen de overheid en de actoren (sector, ngo’s, kennisnetwerk, bedrijven …).
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
Wonen20 De realisatie van het recht op wonen voor iedereen via een coherent en consistent woonbeleid staat centraal. We streven naar een woningmarkt met sterke deelmarkten en, waar nodig, gerichte overheidsondersteuning. De huur- en eigendomsmarkt moeten elk in gelijke mate garant staan voor kwaliteit, betaalbaarheid, woonzekerheid en beschikbaarheid. In het kader van de zesde staatshervorming krijgen de geregionaliseerde woonfiscaliteit en woninghuurwet een plaats in het Vlaamse woonbeleid en worden de middelen gericht op de grootste woonnoden. We heroriënteren de inspanningen naar de huursector, met een uitbreiding en renovatie van het aanbod aan sociale huurwoningen en een substantiële inhaalbeweging voor de private huursector. Voor de sociale huurmarkt moeten financiële middelen beschikbaar worden gesteld om de meerkosten voor de hogere energie-eisen te kunnen dragen (zowel voor het nieuwbouw- als het renovatieprogramma). De minimale investeringsvolumes om sociale woningen ter beschikking te stellen, worden opgetrokken in lijn met het groeipad, zoals bepaald in het grond- en pandenbeleid. In het kader van de toegenomen wachtlijsten is het bovendien essentieel dat de doelgroep van de sociale huisvesting wordt begrensd en dat er geen doorschuifoperaties meer plaatsvinden van doelgroepen tussen de verschillende beleidssectoren. Voor de private huursector moeten financiële middelen beschikbaar worden gesteld en wordt in stimulerende maatregelen voorzien, die zowel de huurder als de verhuurder ten goede komen. De woninghuurwet wordt in overleg met de stakeholders aangepast voor een aantal specifieke knelpunten, waaronder de huurwaarborgregeling. De middelen van de federale woonfiscaliteit worden traditioneel voornamelijk ingezet voor de eigendomssector. Een gedeeltelijke heroriëntering van de middelen naar de huursector is noodzakelijk aangezien de woonnoden er op dit moment het grootst zijn. De Vlaamse woonfiscaliteit en het Vlaamse woonbeleid worden geëvalueerd om overheidsmiddelen optimaal in te zetten ter verbetering van de woonsituatie van de meest woonbehoeftigen. Energie Elke Vlaming moet in 2020 in een energiezuinige woning wonen. De aandacht moet daarbij niet alleen gaan naar de technische aspecten, maar vooral naar de innovatie in het proces, naar nieuwe samenwerkingsvormen en naar de ontwikkeling van nieuwe concepten. We blijven inzetten op de uitvoering van de Europese richtlijn betreffende energie-efficiëntie, met in het bijzonder de langetermijnstrategie voor de renovatie van het gebouwenpark en de uitvoering van het actieplan bijna-energieneutrale gebouwen, dat vooral focust op de ondersteuning van een voorlopersbeleid. Daarnaast zal de Vlaamse overheid investeren in initiatieven die gericht zijn op een grootschalige grondige energierenovatie van het Vlaamse gebouwenbestand met bijzondere aandacht voor de private huurmarkt, kwetsbare gezinnen en woongebouwen in mede-eigendom. Een substantiële stabiele vraag naar grondige energierenovaties is essentieel om een breed aanbod te creëren en financiers en investeerders aan te trekken. Gerichte maatregelen maken dat aanbod aan energierenovatie toegankelijk voor kwetsbare gezinnen, zodat energiearmoede structureel wordt opgelost of vermeden. De invoering van energierenovatieverplichtingen wordt daarbij niet uitgesloten, rekening houdend met sociaal zwakkere doelgroepen. Met de invoering van de Vlaamse dakisolatienorm vanaf 2015 wordt een eerste bescheiden stap in die richting gezet.
20
Voor meer duiding bij dit voorstel zie Annex bij de bijdrage aan het regeerakkoord, te raadplegen op: https://www. wonenvlaanderen.be/ondersteuning_voor_professionelen/onderzoek_wonen_en_lange_termijnbeleid
Groen en dynamisch stedengewest
Bijzondere aandacht zal gaan naar een versnelde vernieuwing van het gebouwenbestand. Daarvoor zullen nieuwe financieringsinstrumenten worden ontwikkeld. Met de opmaak en uitvoering van een actieplan interne energiezorg willen we ook het energieverbruik van de Vlaamse overheid terugdringen.
Beleidsvoorstel 10:
Initiëren van een Vlaamse energietransitie Het energievraagstuk is wereldwijd een van de grootste maatschappelijke en economische uitdagingen. Energie is een basisbehoefte en een basisrecht. Maar de niet-hernieuwbare energiebronnen, zoals olie, gas en steenkool raken opgebruikt. Het welzijn van de mensen, de competitiviteit van onze industrie en het algemeen functioneren van onze maatschappij hangen af van veilige, verzekerde, duurzame en betaalbare energie. Een globaal transitieproces voor ons energiesysteem is nodig vanwege de dwingende uitdagingen, onder andere op het vlak van klimaatverandering, bevoorradingszekerheid, betaalbaarheid, energiearmoede en concurrentievermogen. Consumenten zullen zelf meer elektriciteit produceren, bijvoorbeeld door gebruik te maken van zonnepanelen, windmolens of via warmte-krachtkoppeling. Het elektriciteitsnetwerk moet tweerichtingsverkeer ondersteunen en ook beter toelaten dat de productie interactief op de vraag wordt afgestemd. De bestaande elektriciteitsinfrastructuur moet worden omgebouwd tot een intelligent netwerk of smart grid. De opmaak van warmtekaarten en potentieelstudies moet uitwijzen waar de aanleg van warmtenetten kan worden bevorderd. We gaan voor een energietransitie waarbij economische, sociale en ecologische belangen optimaal met elkaar sporen. Vlaanderen wil daarin een voortrekkersrol spelen. Vlaanderen zet een energietransitie in naar een energiesysteem gebaseerd op hernieuwbare energie en streeft ernaar uiterlijk tegen 2050 zijn energiebehoefte zo veel mogelijk uit hernieuwbare energie te halen en een slim elektriciteitsnetwerk uit te bouwen. Tijdens deze legislatuur zullen de concrete hernieuwbare energiedoelstellingen voor 2030 worden vastgelegd. De energie zelf willen we zo veel mogelijk in Vlaanderen zelf opwekken. Die ontwikkeling mag de energiekosten in Vlaanderen niet veel sterker doen stijgen dan in de landen die ons omringen. De energietransitie vraagt onder meer:
•• •• •• •• ••
een substantiële vermindering van de vraag naar energie zonder de basisbehoeften in het gedrang te brengen; vraag- en aanbodsturing door slimme netwerken en de opslag van energie; zowel technologische innovaties als de uitwerking van innovatieve beleidsstrategieën; een ruimtelijk energieplan dat hernieuwbare energie-installaties een plaats geeft in het druk bebouwde Vlaanderen; maatregelen en initiatieven om in de nodige infrastructuur te voorzien en de gewenste mix van hernieuwbare energietoepassingen (groene stroom, groene warmte, hernieuwbare energie in transport) te creëren.
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
Ruimte voor hernieuwbare energie wordt in het dichtbevolkte Vlaanderen zo veel mogelijk multifunctioneel ingevuld, waarbij wordt ingezet op verweving en slimme functiecombinaties. De energiepotenties van landschappen, alsook de koppeling met de energievraag in een bepaald gebied, zijn, samen met de ontwerpopgave die ze met zich meebrengen, belangrijke aspecten die in elke relevante gebiedsontwikkeling mee in overweging moeten worden genomen. Op die manier wordt ernaar gestreefd de aanwezige potenties maximaal te valoriseren en energieke landschappen te realiseren, waarbij de energieproductie geïntegreerd is in het landschap en de functies die er aanwezig zijn. Via een ruimtelijk energieplan wordt daarvoor een passend kader uitgewerkt. Een slim net vergt slimme meters waarmee het verbruik en de productie van de consumenten opgevolgd en, waar nodig, gestuurd kunnen worden vanop afstand. De tarifering van het netwerkgebruik zal worden uitgebouwd tot een belangrijk beleidsinstrument, zowel aan de kant van de netbeheerders als aan de kant van de gebruiker. Het Vlaams Energiebedrijf krijgt de opdracht om voor de uitbouw van een slim net een maatschappelijk gedragen investeringsplan op te maken en de uitvoering ervan te coördineren.
Beleidsvoorstel 11:
Gebiedsgericht investeren in goede waterkwaliteit en -kwantiteit De goede toestand van het oppervlaktewater en grondwater, zoals gevraagd door de kaderrichtlijn Water, is een bijzonder ambitieuze doelstelling voor Vlaanderen. De voornaamste hinderpalen liggen bij een teveel aan nutriënten, zuurstofbindende stoffen, pesticiden en andere milieugevaarlijke stoffen, in combinatie met de slechte structuurkwaliteit van veel waterlopen, het kwantitatieve beheer en historische verontreiniging (onder andere waterbodem). Het intens benutten van grondwater en oppervlaktewater in droge periodes verhoogt bovendien de impact van verontreiniging. Dat effect zal in de toekomst nog versterkt worden door de verwachte klimaatwijziging. Maatregelen en acties zullen worden opgenomen in de volgende stroomgebiedbeheerplannen (2016-2021). Europa heeft ook een evaluatie van het waterbeleid gemaakt (de ‘Blauwdruk’) en stelt een driesporenaanpak voor, waarbij de mogelijkheden van de bestaande wetgeving ten volle worden benut, de integratie in andere beleidsdomeinen wordt versterkt en de hiaten in het bestaande kader worden gedicht, zoals instrumenten om de waterefficiëntie te verhogen. Het generieke waterbeleid blijft cruciaal: rioleringen en waterzuivering, het mestactieplan, bufferstroken, erosiemaatregelen, milieuvergunningen (lozingsnormen, grondwateronttrekking enzovoort). Dat generieke beleid zal leiden tot een gestage verbetering van zowel grond- als oppervlaktewater. Drinkwaterlevering en afvalwatersanering moeten gegarandeerd blijven. Dat vereist onder meer de verdere uitbouw van het risicobeheer, de beheersing van de prijs voor water en de voorbereiding op de mogelijke gevolgen van een klimaatwijziging. Een cruciale voorwaarde om in een significant aantal oppervlakte- en grondwaterlichamen de goede toestand te bereiken, is de aanpak aanvullen met een gerichte inzet in specifieke gebieden. Die aanpak bouwt voort op de aanpak van de speerpuntgebieden en de herstelprogramma’s voor grondwaterlichamen in kwantitatief ontoereikende toestand uit de huidige stroomgebiedbeheerplannen. Het biedt de mogelijkheid tot en het voordeel van aangepast maatwerk: integratie van acties, winwinsituaties, grotere effecten. Het is belangrijk om samen met alle actoren gedragen oplossingen uit te werken en die tijdig te implementeren.
Groen en dynamisch stedengewest
Specifieke aandacht (zowel generiek als gebiedsgericht) gaat naar groenblauwe infrastructuur, zoals oeverzones, bufferstroken, schorren, wetlands, waterpartijen, overstromingsgebieden en dergelijke. Die bieden (milieu)baten op zeer veel gebieden: (ecologische) waterkwaliteit, beheer van wateroverlast en waterschaarste, buffer voor diffuse verontreinigingsprocessen en calamiteiten, watervoorziening, biodiversiteit, omgevingskwaliteit enzovoort. Aangepaste verweving met bijvoorbeeld recreatie en landbouw genereert bovendien baten buiten het milieuveld. Bovendien is die aanpak meestal voordelig op het vlak van kostenefficiëntie en robuustheid. Kwantiteit en kwaliteit zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden in een watersysteem. Op generiek niveau zal werk gemaakt worden van het opstellen van waterbalansen en verdringingsreeksen, milieukwantiteitsdoelstellingen en ecological flow, prijsbeleid enzovoort. Gebiedsgericht wordt dat vertaald in minder watergebruik, het lokaal zoeken naar alternatieven, het implementeren van herstelprogramma’s voor grondwaterlichamen, aangepast peilbeheer en dergelijke. De financiering van het waterbeheer is een complex gegeven. Een onderbouwde visie op de langetermijnfinanciering van het waterbeheer en de kostentoerekening voor waterdiensten, maar ook een correctere, redelijke en billijke doorrekening van de werkelijke kosten van milieugebruik zijn nodig. Bij de uitwerking van een financieringsplan op lange termijn moeten de huidige instrumenten (bijvoorbeeld heffingen, subsidies), bestaande fondsen enzovoort geëvalueerd worden, en moeten mogelijke pistes voor een betere kostenterugwinning (bijvoorbeeld hemelwater) of alternatieve financiering uitgewerkt worden op basis van een analyse van de betaalbaarheid voor de doelgroepen en een vergroening van de economische instrumenten van het integraal waterbeleid, zodat gedragsverandering en innovatie gestimuleerd worden. Sensibilisatie, en waar nodig toezicht en handhaving, ondersteunen die gedragsverandering.
Beleidsvoorstel 12:
Beheer overstromingsrisico’s via meerlaagse waterveiligheid Onze watersystemen zijn niet altijd in balans: wateroverlast en verdroging zijn sprekende bewijzen daarvan. In het dichtbevolkte Vlaanderen is de ruimte die aan het watersysteem wordt gegeven, minimaal. Er is echter behoefte aan ruimte om water te infiltreren, vast te houden en te bergen. De toename van de verharde oppervlakken en bodemverdichting in Vlaanderen zorgen zowel voor een snellere afstroming als voor een verminderde infiltratie van het water. De effecten van droogte zullen in samenhang met effecten van te veel water beheerd moeten worden. De voorbije jaren is in Vlaanderen stilaan het besef gegroeid dat de huidige protectieve beleidsstrategie van vasthouden, bergen en afvoeren van waterlopen stroomopwaarts van het getijgebied een sterke visie blijft, maar onvoldoende is om de huidige en toekomstige overstromingsrisico’s het hoofd te bieden. Door protectieve, preventieve en paraatheidsverhogende maatregelen (3P’s) te combineren en door een gedeelde verantwoordelijkheid na te streven bij de betrokkenen (waterbeheerder, ruimtelijke ordening, crisisdiensten, burger en verzekeringssector) ontstaat geleidelijk een meerlaagse waterveiligheid.
••
Protectieve maatregelen werken in op de kans op overstromingen. Het concept van ‘vasthouden, bergen en afvoeren’ blijft een van de pijlers voor het waterkwantiteitsbeheer. Ook de bouw van infrastructuur, zoals stuwen, pompstations, dijklichamen, strandsuppleties en zeedijken, kan een kostenefficiënte maatregel zijn. Door intelligente sturingssystemen te gebruiken, wordt de infrastructuur geoptimaliseerd.
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
••
Preventieve maatregelen werken structureel in op de gevolgschade van overstromingen. Dat kan via de vrijwaring van bepaalde gebieden van bebouwing, door overstromingsbestendige nieuwbouw te ontwerpen of door bestaande bebouwing te verbouwen. Via de watertoets worden schadelijke effecten van nieuwe plannen, programma’s en vergunningen vermeden. Preventie is cruciaal met het oog op uitdagingen, zoals klimaatverandering en bevolkingstoename.
••
Een sterke parate respons heeft ook tot gevolg dat de actuele schade ten gevolge van overstromingen kan worden beperkt. Voorspellingssystemen waarschuwen voor nakend onheil zodat burgers en hulp- en crisisdiensten proactief kunnen handelen. Verder zijn er nog bewustwordingscampagnes, gezamenlijke rampoefeningen …
De verschillende waterbeheerders en beleidsdomeinen werken nu al aan een adequate invulling van de diverse lagen, via bijvoorbeeld investeringsprojecten, de signaalgebieden, de watertoets, de portaalsite waterkwantiteitsdata enzovoort. De transitie naar een volledige meerlaagse veiligheid is echter een langdurig proces. De protectieve maatregelen kunnen binnen de bestaande instrumenten en afhankelijk van de budgetten op relatief korte termijn worden gerealiseerd. Ze zijn een voortzetting van het huidige beleid, met bijkomende toetsen op kostenefficiëntie en invloed van klimaatverandering. Het terrein van de preventieve maatregelen wordt een belangrijke uitdaging voor de komende jaren. Dat vergt de inzet van verschillende, aangepaste en vaak nieuwe flankerende beleidsinstrumenten, zoals erfdienstbaarheid en herverkaveling. Zolang de realisatie van het preventieve spoor niet voldoende voltooid is, blijven investeringen in paraatheid noodzakelijk, zelfs al lijkt het eerder een ad-hocbeleid. Overstromingen vanuit zee vormen een aparte problematiek. De Vlaamse kusthavens vormen daarbij de zwakste schakels. De realisatie van een voldoende hoge bescherming tegen stormen en overstromingen, gebundeld in het Masterplan Kustveiligheid, vormt een prioriteit in het Vlaamse beleid. Opportuniteiten voor het creëren van een veilige en veerkrachtige kust door het vooruitschuiven van de kustlijn worden onderzocht.
Beleidsvoorstel 13:
Grond: van belemmerende naar stimulerende factor voor een groen stedengewest Steeds meer verschillende overheden kopen grond aan in dezelfde gebieden om hun doelstellingen (instandhoudingsdoelstellingen, integraal waterbeleid, Sigma, infrastructuurprojecten, havenuitbreidingen) te realiseren. Daardoor ontstaat onduidelijkheid bij en mogelijke concurrentie tussen de betrokkenen. Een goed uitgebouwde grondmobiliteit maakt de Vlaamse projecten, plannen en programma’s meer actiegericht en zorgt voor een kostenefficiënte en transparante oplossing van acute knelpunten op het terrein (bijvoorbeeld de problematiek van nog niet ingevulde woongebieden in overstroombare zones).
Groen en dynamisch stedengewest
We maken werk van een goede organisatie van de grondmobiliteit met het oog op de realisatie van Vlaamse plannen, projecten en programma’s, met evenwaardige aandacht voor de diverse invalshoeken, zoals bescherming, investeringen en veiligheid. Dat doen we door:
•• •• •• ••
de grondmobiliteit in Vlaanderen efficiënt te organiseren, onder meer naar aanleiding van de regionalisering van de federale aankoopcomités door de zesde staatshervorming; de Vlaamse Grondenbank en een rollend fonds voor strategische grondaankopen verder te operationaliseren; een breed in te zetten instrumentenbox ‘grondmobiliteit’ te creëren in het kader van het decreet Landinrichting; te onderzoeken of het tot op heden gevoerde grondenbeleid vanuit de Vlaamse overheid de prijs van de gronden heeft beïnvloed.
Om eventuele knelpunten, veroorzaakt door bodemverontreiniging in het kader van grondmobiliteit, te vermijden, brengt de Vlaamse overheid systematisch in kaart op welk van haar gronden risico’s van bodemverontreiniging aanwezig zijn.
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
De uitdagingen op het vlak van milieu, natuur, energie, materialen, ruimte, … blijven groot. Om een groen en dynamisch stedengewest en de doelstellingen van het PACT2020 te realiseren, moeten we op een klimaatvriendelijke wijze de milieu- en woonkwaliteit verhogen, de biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen bewaren en de risico’s beheersen. Er wordt daarbij geïnvesteerd in een groene infrastructuur en gemikt op een koolstofarme kringloopeconomie met hernieuwbare bronnen en meer milieuvriendelijke producten en diensten. De maatschappelijke zorg voor het leefmilieu wordt binnen alle lagen van de bevolking verhoogd. Zo’n ambitieus beleid, gestoeld op brede en urgente maatschappelijke uitdagingen, creëert ook kansen voor een groene, innoverende Vlaamse economie. De administratie pleit voor gerichte investeringen waarvan uitgegaan wordt dat die baten zullen opleveren op verschillende niveau’s (niveau van de Vlaams samenleving en de Vlaamse overheid als geheel, zowel op korte als op lange termijn). Elke investeringskost dient zorgvuldig te worden afgewogen, afhankelijk van de baat die daarmee naar de overheidswerking of samenleving terugkeert. Er zijn tal van randvoorwaarden die maken dat op vandaag de begrotingsimpact van de voorgestelde maatregelen moeilijk in te schatten valt. Toch werd hier getracht om een richtinggevende inschatting te maken van de budgettaire impact verbonden aan de uitvoering van de diverse beleidsvoorstellen.
1. Groene economie Kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd De uitwerking van de meeste geformuleerde beleidsvoorstellen uit dit luik is in regel opvangbaar binnen de beschikbare kredieten binnen constant beleid.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de apparaatskredieten en beleidskredieten van het departement LNE (programma’s LA en MINAfonds) – grootteorde minder dan 500 k.euro per jaar
Idem
Groen en dynamisch stedengewest
Niet-budgetneutraal maar kan gefinancierd worden via een mogelijke extra ontvangst (belasting, retributie, gebruikersbijdrage, …) Wat betreft het voorstel om de staatshervorming aan te grijpen om het belastingstelsel in Vlaanderen te vergroenen heeft de politiek alle mogelijkheden om te beslissen tot meeropbrengsten of meeruitgaven. Dit kan via het verlagen van de uitgebreide opcentiemen voor de personenbelasting en het invoeren van nieuwe milieubelastingen of verhogen de bestaande milieubelastingen.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Meeropbrengsten of meeruitgaven te concretiseren via wijzigingen belastingstarieven
Idem
Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag Uitzondering op de regel van budgetneutraliteit is het voorstel om eco-innovaties te stimuleren. Het kanaliseren van middelen kan immers bijvoorbeeld uitgewerkt worden door het introduceren van een Groene obligatie Plus. Deze obligaties worden uitsluitend ingezet voor groene projecten. De plus wil zeggen dat de overheid deze obligaties ondersteunt om ze aantrekkelijker (en effectiever) te maken, zodat meer additionele middelen naar de groene economie georiënteerd worden dan bij een ‘klassieke’ groene obligatie. Uit lectuurstudies blijkt dat voor een obligatie die 1 miljard euro zou moeten ophalen een extra recurrent budget tussen 1 en 10 miljoen euro ingezet moet worden.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Vork 1.000 – 10.000 k.euro (nieuw)
Idem
2. Naar een leefbare groene metropool Vlaanderen Kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd Met uitzondering van twee voorstellen, is de uitwerking van alle geformuleerde voorstellen uit dit luik is in regel opvangbaar binnen de beschikbare kredieten binnen constant beleid.
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de apparaatskredieten en beleidskredieten van het departement LNE en ANB (programma’s LA-LD en MINAfonds) – grootteorde tussen 100.000 k.euro en 125.000 k.euro
Idem
Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag Wat betreft het voorstel om de leefbaarheid van haar steden te verhogen door multifunctionele open ruimtes te creëren, is er wel sprake van een recurrente meerkost (2,5 mio euro) voor de gerichte inzet binnen VLM van de instrumenten landinrichting, ruilverkaveling en natuurinrichting.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
+2.500 k.euro (+20% tov. huidig budget 2014 op programma’s LC en MINAfonds)
Idem
Tenslotte is er ook een meerkost om Vlaamse steden en gemeenten te stimuleren om zich te ontwikkelen in de richting van een ‘smart city’ waarbij één van de focuspunten het onderdeel ‘smart environment’ is. Om dit te realiseren moet de natuurlijke aantrekkelijkheid omhoog, de verontreiniging omlaag en moet er voldoende sprake zijn van milieubescherming en duurzaam bronbeheer. Ter stimulering van deze doelen zou het een absolute meerwaarde zijn om onder wedstrijdvorm gerichte projectsubsidies te voorzien (3 a 6 mio euro eenmalig).
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
vork 3.000 – 6 .000 k.euro (nieuw)
0 (eenmalig)
3. Vergroening mobiliteit Kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd De uitwerking van de meeste geformuleerde voorstellen uit dit luik is in regel opvangbaar binnen de beschikbare kredieten binnen constant beleid. Bovendien heeft de politiek alle mogelijkheden om inzake sturende kilometerheffingen, heffingen op geluidsoverlast door luchtverkeer, of via vergroening van de verkeersbelastingen te beslissen tot meeropbrengsten of meeruitgaven.
Groen en dynamisch stedengewest
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de apparaatskredieten en beleidskredieten van de departementen LNE en MOW (programma’s LA – MINAfonds VIF) - grootteorde tussen 40.000 k.euro en 60.000 k.euro
Idem
Niet-budgetneutraal maar kan gefinancierd worden via een mogelijke extra ontvangst (belasting, retributie, gebruikersbijdrage, …) Wat betreft het ontwikkelen van een voorkomingsbeleid door integratie van gepaste instrumenten/ maatregelen in het ruimtelijk beleid, het mobiliteitsbeleid en het woonbeleid en door overwogen keuzes bij de verdere uitbouw en inrichting van infrastructuur is er wel sprake van een budgettaire impact. Ter bestrijding en sanering van geluidsoverlast kan er politiek een recurrent budget voorzien worden van 10 mio euro (recurrent per jaar), dat extern gefinancierd kan worden op basis van luchtvaartheffingen, federaal in te voeren. Brussels-Nationaal had in 2013 bijna 20 miljoen passagiers. Een specifieke geluidheffing van 1 euro per vertrekkende passagier betekent een recurrente opbrengst van 10 miljoen euro per jaar.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 Meeropbrengsten of meeruitgaven te concretiseren via wijzigingen belastingstarieven
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur Idem
Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag Het krachtdadig ondersteunen van de bouw en het gebruik van voertuigen op basis van alternatieve technologieën, in de eerste plaats elektrische voertuigen, zou gepaard met een recurrente meerkost van 16 mio euro per jaar. Dit extra budget kan dan ingezet worden voor het uitwerken van een Vlaams ondersteunend premiestelsel.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 +16.000 k.euro (nieuw)
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur Idem
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
4. Klimaat Kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd Vlaanderen dient een eigen traject uit te zetten om invulling te geven aan deze Europese strategie en de internationale akkoorden. De nadruk ligt daarbij op het verminderen van de emissies van broeikasgassen en een optimale afstemming met de doelstellingen en het beleid voor hernieuwbare energie en energiebesparing, het ruimtelijk beleid, het mobiliteitsbeleid, het landbouwbeleid, het woonbeleid, het innovatiebeleid e.d.m.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de apparaatskredieten en beleidskredieten van het departement LNE (programma’s LA en MINAfonds) – minder dan 500 k.euro
Idem
Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag Het kortetermijnbeleid (2020) wordt versterkt en moet in lijn liggen met het lange termijn transitiepad. Bijkomende maatregelen zijn noodzakelijk voor het bereiken van de doelstellingen voor 2013-2020. Een belangrijke impuls daarbij is de uitwerking en operationalisering van een nieuw financieringskader binnen het Vlaams Klimaatfonds voor de periode 2015-2020. Op die manier kan cofinanciering vanuit het Vlaams klimaatfonds een hefboom vormen voor het ontwikkelen van beleidsinitiatieven. Op voorwaarde dat het grootste deel van het klimaatfonds hiervoor ingezet wordt, zal dit toelaten om op een kostenefficiënte manier significant bij te dragen aan de Vlaamse klimaatdoelstellingen. Dit moet bijkomend een hefboom zijn om vanuit de betrokken beleidsdomeinen nieuwe maatregelen te ontwikkelen en te financieren. Naast bijkomende inspanningen uit de algemene middelen (200 mio euro recurrent per jaar) is er hierbij ook een rol weggelegd voor innovatieve financieringsmechanismen (Vlaams Energiebedrijf, derdebetalersystemen,…) In de periode 2014-2019 zal de Vlaamse Regering duidelijkheid scheppen over de wijze van financiering van de gerelateerde financiële verplichtingen die op Vlaanderen afkomen. Wat betreft klimaat gaat het (bijkomend t.o.v. de lasten van de Kyoto-akkoorden) wereldwijd voorlopig over jaarlijks 100 miljard euro aan benodigde middelen voor de lange termijn Noord-Zuid solidariteitsfinanciering. Gelet op de omvang van de recurrent te voorziene bedragen (10 a 18 mio euro in periode 2014-2019, 100 a 170 mio euro vanaf 2020) zal er voor de Vlaamse engagementen een financieringskanaal los van het Vlaamse klimaatfonds gevonden moeten worden.
Groen en dynamisch stedengewest
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Vork 210.000 – 218.000 k.euro (+100% tov. totale budgetten 2014 verspreid over LNE-OV-RWO-MOWEWI-…)
Vork 210.000 – 218.000 k.euro in 2014-2019; Vork 300.000 – 370.000 k.euro vanaf 2020
Budgettaire uitgave (in Keuro)
De start met de ontwikkeling van beleidsinstrumenten voor het faciliteren van afvang en transport van CO2 (focus op financieringsinstrumenten) met het oog op de geologische opslag ervan in het buitenland (Carbon Capture and Storage) en het gebruik ervan in productieprocessen (Carbon Capture Use and Storage) gaat gepaard met een recurrente meervraag van 2 mio euro, waarbij deze middelen versterkt worden via Europese cofinanciering.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
2.000 k.euro (nieuw)
Idem
5. Milieuvriendelijke consumptie Kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd De uitwerking van bijna ieder geformuleerd voorstel uit dit luik is in regel opvangbaar binnen de beschikbare kredieten binnen constant beleid.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de apparaatskredieten en beleidskredieten van het departement LNE (programma’s LA en MINAfonds) – minder dan 1.000 k.euro
Idem
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag Uitzondering op de regel van budgetneutraliteit is het voorstel tot het opmaken en communiceren van een milieu productprofiel (1 mio euro recurrente meerkost).
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
1.000 (+60% tov. huidig studiebudget 2014)
Idem
6. Duurzaam materialenbeheer Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag De uitbouw van het beleid rond dit thema gaat gepaard met de vraag tot significante extra budgetten voor OVAM. Wat betreft het beleidsprogramma bouw gaat de aandacht met de inzet van gemiddeld jaarlijks 0,65 mio euro vooral naar het stimuleren van duurzaam ontwerp en het gebruik van de materialenmethodiek, naar selectieve sloop en het verhogen van de afzet van hoogwaardige gerecycleerde granulaten. Het uitfaseringsprogramma voor asbest en asbesthoudende materialen om milieu- en gezondheidsrisico’s te verminderen, renovatie en stedelijke herontwikkeling te faciliteren en de kosten voor afbraak van oude gebouwen uit landbouw en KMO draaglijk te maken, betekent een extra investering van 10,8 mio euro vanaf 2018). De introductie van Enhanced Landfill Mining, een duurzaam voorraadbeheer van stortplaatsen, vergt eveneens een extra jaarlijks budget van 1,2 mio euro. Het voorzien van specifieke ondersteuning voor duurzaam materialenbeheer bij de lokale besturen betekent een meerkost van jaarlijks 2,8 miljoen euro.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
4.412 k.euro (+11% tov. huidig afvalen materialen-budget 2014 OVAM)
15.726 k.euro
7. Duurzaam bodembeheer Kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd Voor de oprichting van een stookolietankfonds is er geen budgettaire meervraag indien er politiek in een overheveling van middelen van de bestaande vzw BOFAS kan worden voorzien.
Groen en dynamisch stedengewest
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Meeruitgaven te compenseren via overheveling BOFAS-middelen – in 2014 geen budget voorzien
Idem
Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag Voor dit beleidsthema zijn er eveneens significante meervragen binnen OVAM. Voor de onderzoeken en eventuele sanering van waterbodems wordt jaarlijks een gemiddelde meerkost van 3,4 mio euro voorzien (waarvan jaarlijks 5,5 mio euro vanaf 2018). Het opnemen van de rol van huissaneerder voor andere overheden kost jaarlijks gemiddeld 0,5 mio euro en daarbovenop eenmalig (in 2018) 4,5 mio. Voor het onderzoek naar vrijstellingen van de onderzoeksplicht voor particulieren dient jaarlijks gemiddeld 2,6 mio euro voorzien te worden waarvan jaarlijks 3,3 mio euro vanaf 2017. Voor de handhaving in geval van grondverzet gaat het om de recurrente bijkomende inzet van 1,4 mio euro.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
3.584 k.euro (+7% tov. huidig bodem-budget 2014 OVAM)
11.020 k.euro
8. Gerichte realisatie van Europese natuurdoelen Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag Het behalen van de Europese natuurdoelstellingen vergt de inzet van significante budgetten. Via het gericht focussen en inzetten van de beschikbare middelen binnen de Vlaamse overheid kan het grootste deel van meerkost nog binnen de beschikbare Vlaamse kredieten opgevangen worden. Hierbij geldt dan de notie constant beleid waarbij kostendrijvers als het aantal aan te kopen. Desalniettemin zijn er extra recurrente budgetten (17,9 mio per jaar waarvan 12,3 mio ANB en 5,6 mio INBO) nodig voor de uitvoering van een sluitend Natura 2000 Programma (inclusief aanmaak bijhorende databank passende beoordeling) met de uitvoering van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn en de daarbij geldende instandhoudingsdoelstellingen (IHD). Voor 35 Europees beschermde soorten wordt ingezet op de opmaak van soortbeschermingsprogramma’s. Voor invasieve en abundante soorten (o.a. everzwijn) wordt nagegaan of ze een negatieve impact hebben en worden waar nodig beheermaatregelen voorgesteld. In totaal is hiervoor na prioritering van de beschikbare middelen nog een bijkomend recurrent budget van 1,5 mio euro te voorzien. Hierbij is wel een mogelijkheid tot recuperatie van 0,5 mio euro extra inkomsten door recuperatie van de inkomsten van de verkoop van jachtverloven in een jachtfonds.
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
Voor de volledige realisatie van de 2010 en 2015 projecten van het geactualiseerd Sigmaplan (Scheldeverdragen) en van de natuurcompensaties op LinkerSchelde-oever en RechterSchelde-oever is voor de periode 2014 – 2020 ca. 72 mio euro nodig. Uitgaande van een minimale realisatiegraad van 75 % (55 mio euro) en rekening houdende met de inzet van een recurrent budget van 5 mio euro per jaar door het ANB voor Sigma en van 1,5 mio euro door meekoppeling met de instandhoudingsdoelstellingen en de soortenbeschermingsprogramma’s, is nog een gemiddeld recurrent budget nodig van 1,5 mio euro per jaar.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
20.900 k.euro (+28% tov huidig INBO (programma LA en LD) en ANB budget MINAfonds)
Idem
De prioritaire inspanningen betreffende milieucondities worden geconcretiseerd en toegewezen aan de bevoegde overheden en administraties. Een ondersteunend instrument moet initiatiefnemers zoveel mogelijk ontlasten bij de opmaak van een passende beoordeling. Voor verzurende en vermestende deposities wordt een programmatische aanpak ontwikkeld, die een ecologische oplossing koppelt aan economische ontwikkelruimte. Om deze inspanningen te kunnen concretiseren, dient eenmalig een budget van 6,5 mio euro voorzien te worden verdeeld over 2015 en 2016 voor de uitvoering van gebiedsgerichte ecohydrologische studies.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
6.500 k.euro (+12% tov. huidig ANB budget MINAfonds)
0 (eenmalig)
9. Wonen en (ver)bouwen De zesde staatshervorming maakt de financiering van het beleidsthema duurzaam wonen en (ver)bouwen in Vlaanderen een van de grootste uitdagingen voor de Vlaamse Regering. Het financiële bereik van het Vlaamse woonbeleid zal verviervoudigen, van 600 miljoen euro tot bijna 2,4 miljard euro. Die middelen zullen echter ontoereikend zijn, zelfs zonder de saneringsbijdrage, om het bestaande Vlaamse en federale beleid onverkort voort te zetten. Daarom hebben we ervoor gekozen om de strategische voorstellen zo veel mogelijk uit te werken zonder de kosten voor de overheid te laten oplopen. Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag De meerkost van de geformuleerde beleidsgerichte voorstellen uit het transitietraject duurzaam wonen en bouwen situeert zich voornamelijk bij de uitbouw van meer innovatie- en experimenteerruimte (3,2 mio euro recurrent voor ondersteuning voorbeeldprojecten). Hiernaast dient er ook bijkomend 0,4 mio euro recurrent voorzien te worden voor het transitienetwerk DUWOBO voor het departement DAR.
Groen en dynamisch stedengewest
Voor de sociale huurmarkt moeten echter bijkomende financiële middelen (35 mio euro recurrent) beschikbaar worden gesteld om de meerkosten voor de hogere energie-eisen te kunnen dragen en toe te werken naar de doelstellingen van het energierenovatieprogramma 2020 . Voor de stimulatie van de private huursector moeten begeleidende maatregelen worden voorzien, die zowel de huurder als de verhuurder ten goede komen. Een eerste stap daarin kan bestaan in de uitbreiding van het huurpremiestelsel (30 mio euro recurrent op kruissnelheid). Om de woninghuurwet in overleg met de stakeholders aan te passen voor een aantal specifieke knelpunten, waaronder de huurwaarborgregeling, dient een expertisecel binnen het Agentschap Wonen-Vlaanderen uitgebouwd te worden (0,3 mio euro), terwijl er geen personeelsoverdrachten worden verwacht.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
+ 68.900 k.euro (+11,5% tov budget 2014 voor 6° SHV)
Idem
Kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd De minimale investeringsvolumes om sociale woningen ter beschikking te stellen, worden opgetrokken in lijn met het groeipad, zoals bepaald in het grond- en pandenbeleid en voorzien in de meerjarenbegroting. Een gedeeltelijke heroriëntering van de middelen van de federale woonfiscaliteit is noodzakelijk gegeven de woonnoden van het moment. Het budget van de woonbonus is expansief. Bij onverkorte verderzetting van de huidige regeling zal het tekort in de volgende legislatuur jaar na jaar aangroeien. Er moet over worden gewaakt dat het binnen de perken blijft. Dat kan door gericht in te grijpen en de strategische doelstellingen van het woonbeleid als maatstaf te blijven hanteren. Het geraamde budget voor de woonfiscaliteit op kruissnelheid kan afhankelijk van de doorgevoerde heroriëntering variëren tussen een besparing van 400 mio euro en een meerkost van 500 mio euro. Daarom wordt in onderstaande tabel uitgegaan van een budgetneutraal scenario, behoudens voor de uitbouw van een expertisecel binnen het Agentschap Wonen-Vlaanderen (0,2 mio euro vermits geen personeelsoverdrachten worden verwacht).
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de referentiebudgetten van beleidsveld Wonen – tussen 600.000 en 650.000 k.euro
Idem
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
Voor het stimuleren van initiatieven die gericht zijn op een grootschalige grondige energierenovatie van het Vlaamse gebouwenbestand en voor de versnelde vernieuwing van het gebouwenbestand kan ter financiering het principe van de openbaredienstverplichtingen toegepast worden. Bij deze werkwijze heeft de politiek alle mogelijkheden om de meerkosten te laten verrekenen in de elektriciteitsprijzen, en zodoende zelf te beslissen over het eigen aandeel in de meeruitgaven.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Meeruitgaven te compenseren via openbaredienstverplichtingen
Idem
10. Energietransitie Kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd Voor het concretiseren van (de eerste stappen richting) de energietransitie naar een energiesysteem gebaseerd op hernieuwbare energie en de uitbouw van een slim elektriciteitsnetwerk kan ter financiering eveneens het principe van de openbaredienstverplichtingen toegepast worden, waarbij de politiek alle mogelijkheden heeft om de meerkosten dus te laten verrekenen in de elektriciteitsprijzen, en zodoende zelf te beslissen over het eigen aandeel in de meeruitgaven.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Meeruitgaven te compenseren via openbaredienst-verplichtingen
Idem
Wat betreft de uitbouw van de tarifering van het netwerkgebruik tot een belangrijk beleidsinstrument is er sprake van een meerkost van jaarlijks 1,2 mio euro om de VREG de mogelijkheid te geven deze nieuwe bevoegdheid op te nemen. Aangezien via de 6e staatshervorming er hiertoe geen budgetten zouden overkomen, dienen deze voorzien te worden in de meerjarenbegroting 2014-2019.
11. Gebiedsgericht investeren in goede waterkwaliteit en kwantiteit Niet-budgetneutraal maar kan (deels) gefinancierd worden via een mogelijke extra ontvangst (belasting, retributie, gebruikersbijdrage, …) Het generieke waterbeleid blijft cruciaal: rioleringen en waterzuivering, het mestactieplan, bufferstroken, erosiemaatregelen, milieuvergunningen (lozingsnormen, grondwateronttrekking e.a.)
Groen en dynamisch stedengewest
etc. Drinkwaterlevering en afvalwatersanering moeten gegarandeerd blijven, evenals de noodzakelijke slibruimingen. Een bijkomend recurrent budget van 15 mio euro is hiervoor noodzakelijk, waarbij 10 mio bestemd is voor de ondersteuning van de investeringen in gemeentelijke rioleringen (resulterend in een totaal jaarlijks budget van 129 mio euro) en 5 mio euro voor slibruimingen. Een cruciale voorwaarde om in een significant aantal waterlichamen de goede toestand te bereiken is om deze aanpak aan te vullen met een gerichte inzet in specifieke gebieden. Deze aanpak bouwt verder op de aanpak via speerpuntgebieden uit de Stroomgebiedbeheerplannen 2010-2015 en de herstelprogramma’s voor grondwater. De kostprijs van de maatregelen en acties die zullen worden opgenomen in het kader van de volgende stroomgebiedbeheerplannen (SGBP 2016-2021) zijn zeer moeilijk te begroten, vooral gegeven de betrokkenheid van een veelheid aan actoren (VMM, ANB, VLM, MOW, ... maar ook lokale overheden en stakeholders). Momenteel (april 2014) wordt, op basis van de door de CIW voorbereide teksten, vanaf 2016 de jaarlijkse meerkost voor de Vlaamse Overheid voor de uitvoering van het maatregelenprogramma van de SGBP ingeschat op 20 à 31 mio euro voor gebiedsgerichte acties en bijhorend ondersteunend beleid. Voor de sanering van historisch verontreinigde waterbodems is jaarlijks een budget van 19-36 mio euro nodig. Gezien de mogelijke overlap met “duurzaam bodembeleid”, de meervraag voor ruiming en met de verdere uitwerking van de gebiedsgerichte aanpak, wordt hiervoor in de onderstaande tabel echter geen bedrag weerhouden. Een “redelijke bijdrage in de kosten” en het principe “de vervuiler betaalt” zijn 2 centrale principes van het integraal waterbeleid. In kader van de stroomgebiedbeheerplannen dient de toepassing geëvalueerd te worden (bv. hemelwater) en waar nodig bijgestuurd. In de kader zal de Europese rechtspraak aangaande de “waterdiensten” meebepalend zijn.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
15.000 k.euro (+5% tov. het totale referentiebudget voor gebiedsgerichte (water) investeringen bij MOW, LNE e.a.
Vork 35 000 - 46 000 k.euro.
12. Beheer overstromingsrisico’s via meerlaagse waterveiligheid Kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd Overstromingen altijd en overal uitsluiten is onmogelijk. Het beleid en beheer staat daarom in het teken van bescherming tegen onverantwoorde schade, waarbij budgettair van het principe uitgegaan wordt dat mits goede prioritering van de beschikbare middelen er geen budgettaire meervraag nodig is.
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de referentiebudgetten van VMM (programma LC, LD en MINAfonds) – grootteorde tussen 10.000 en 20.000 k.euro
Idem
Overstromingen vanuit zee vormen een aparte problematiek. De uitvoering van het Masterplan Kustveiligheid voor wat betreft de zachte maatregelen kan binnen de huidige kredieten van MOW worden uitgevoerd (6,5 mio euro).
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de referentiebudgetten van MOW (programma VIF) – grootteorde 6.500 k.euro
Idem
Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag Voor de uitvoering van de harde maatregelen uit het Masterplan Kustveiligheid is voor MOW in 2015 een bijkomend budget nodig van 70,150 mio euro.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
+70.150 k.euro (+10% tov totale VIF-budget 2014)
Idem
Groen en dynamisch stedengewest
13. Grond: van belemmerende naar stimulerende factor voor een groen stedengewest Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag De gerelateerde geplande operationalisering van een nieuw rollend fonds voor strategische grondaankopen gaat gepaard met een jaarlijkse meerkost van 2,5 mio euro bij VLM.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
2.500 (+20% tov. ESRuitgavenbudget VLM Grondenbank
Idem.
Ruimte voor morgen
Inhoudstafel
Inhoudstafel 01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
208
1.1 Uitdagingen voor het ruimtelijk beleid Uitdaging 1: Een sterker stedelijk, openruimte- en logistiek netwerk als basis voor de ruimtelijke ontwikkeling van Vlaanderen en Brussel Uitdaging 2: Een goede mix van effectieve instrumenten voor het uittekenen van ruimtelijke ontwikkelingen en realisatie op terrein Uitdaging 3: Ruimtelijke governance als basis voor maatschappelijk gedragen besluitvorming
208
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
212
2.1 Algemene ambitie en visie 2.2 Strategische doelstellingen en beleidsvoorstellen
SD1. Het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen bewerkstelligt het systeem van beleidsplanning
209 210 210
212 213
214
SD2. Stedelijke regio’s, veerkrachtige landschappen en ruimtelijk rendement zijn prioriteiten uit het witboek Beleidsplan Vlaanderen 215 Beleidsvoorstel 1: De Vlaamse Regering keurt het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV) goed op basis van de uitkomsten van de publieke consultatie en verankert decretaal de beleidsplanning. 218 Beleidsvoorstel 2: De Vlaamse Regering stelt een rollend meerjarenprogramma beleidsplanning Ruimte op. Dat laat toe op strategisch niveau binnen iedere legislatuur de juiste ruimtelijke keuzes te maken en nieuwe accententen te leggen op basis van de prioriteiten die zich op dat moment stellen. 219 SD3. Investeren in meerkernig stedelijk, infrastructuur- en openruimtenetwerken
219
SD4. Inzeten op multilevel-governance
220
SD5. Evidence-based beleid met focus op ontwikkelingskansen Beleidsvoorstel 3: De Vlaamse Regering versterkt de ruimtelijk samenhang en territoriale cohesie in Vlaanderen
221 222
Ruimte voor morgen
Beleidsvoorstel 4: De Vlaamse Regering versterkt de grensoverschrijdende ruimtelijke samenwerking
222
SD6. Prioritaire ontwikkelingsgebieden op schaal van de stedelijke regio’s
223
SD7. Realisatie via een gebiedsgericht ruimtelijk ontwikkelingsbeleid Beleidsvoorstel 5: De Vlaamse Regering formuleert een ontwikkelingsprogramma die maatschappelijke uitdagingen een plaats geeft. Beleidsvoorstel 6: De Vlaamse Regering neemt initiatief in prioritaire ontwikkelingsgebieden
224
SD8. Een effectief instrumentarium installeert beleidsplanning
225
SD9. Verruiming van de proceswinsten naar alle vergunnings- en planprocessen
SD10. Inzetten op vooroverleg en bemiddeling:VIP Beleidsvoorstel 7: De Vlaamse Regering voorziet de operationaliseren van de decreten Omgevingsvergunning en Complexe Projecten en verruimt de methodiek naar alle vergunnings- en planprocessen Beleidsvoorstel 8: De Vlaamse Regering maakt de instrumenten toegankelijker
223 224
225
226
226 226
SD11. Een verenigende rol van het ruimtelijk beleid binnen een ransparant bestuurlijk samenspel 227 Beleidsvoorstel 9: De Vlaamse Regering voorziet een aangepast bestuursmodel, met volle doorwerking van het subsidiariteitsbeginsel 227 Beleidsvoorstel 10: De vlaamse Regering coördineert de in te zetten middelen van de beleidsvelden van de Vlaamse overheid met een belangrijke territoriale impact met het oog op kwalitatieve ruimtelijke ontwikkeling. 229
03/ raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen 230 BRONNEN
239
Figuur 1: De strategische en beleidsdoelstellingen Het onderstaande overzicht geeft een eerste aanzet tot het invullen van de strategische doelstellingen en biedt een kader voor de uitwerking van concrete hefbomen.
Ruimte voor morgen
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
1.1
Uitdagingen voor het ruimtelijk beleid
Vlaanderen staat voor uiteenlopende maatschappelijke uitdagingen1 waarvoor ruimte een kritieke succesfactor is. De ruimte kwaliteitsvol laten functioneren – zowel nu als in de toekomst – is de cruciale, absolute ruimtelijke doelstelling. Het is essentieel om in de komende legislatuur maatschappelijke opgaven te formuleren, te investeren in territoriale cohesie, veranderingen in de ruimte te integreren, in te zetten op een efficiënt, effectief en realisatiegericht instrumentarium en een aangepaste governance, en de bestaande middelen te optimaliseren zodat zowel ruimtelijke, economische, ecologische als sociaal-culturele doelstellingen worden bereikt. De komende legislatuur vormt een kantelpunt. De beleidsplanning die nu wordt opgezet bij de uitwerking van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV) met horizon 2050, zal stelselmatig het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) vervangen naarmate beleidskaders en -programma’s worden ontwikkeld voor thema’s en gebieden, met het oog op de realisatie ervan. Inzetten op territoriale cohesie betekent voortbouwen op de sterke punten van elk gebied, regio’s beter verbinden, concentratie in goede banen leiden en de samenwerking tussen overheden binnen regio’s en met sectoren verbeteren. Met goed afgewogen en onderbouwde keuzes zorgen we voor een maximaal maatschappelijk en ruimtelijk rendement. Het ruimtelijk ontwikkelingsbeleid vervult daarin een regierol. Het zoekt naar een maatschappelijke consensus in een telkens aangepast samenspel van actoren en overheden, en vervult daarbij een ondersteunende, inspirerende en stimulerende rol. De bereikte consensus wordt gevalideerd en gerealiseerd via de geëigende instrumenten. Dat gebeurt op verschillende schaalniveaus: van de bouwplek tot de Vlaamse ruimte in internationaal perspectief. Vlaanderen is geen eiland. Beleidskeuzes en ontwikkelingen in nabije regio’s beïnvloeden onze regio en het Europese beleid2 stuurt in toenemende mate het Vlaamse beleid. Deze bijdrage focust vanuit de bovenstaande context op drie kernuitdagingen.
1
De maatschappelijke uitdagingen zijn uitvoerig beschreven in het Groenboek Beleidsplan Ruimte en andere documenten.
2
Cf. ‘Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa’, (COM (2011) 571) van 20 september 2011; ‘Groene Infrastructuur (GI) – versterking van Europa ’s natuurlijke kapitaal’, (COM (2013) 249) van 6 mei 2013; ‘Richtsnoeren inzake de beste praktijken om bodemafdekking te beperken, te verzachten en te compenseren’, (SWD(2012) 101/2 van 15 mei 2012.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
Uitdaging 1:
Een sterker stedelijk, openruimte- en logistiek netwerk als basis voor de ruimtelijke ontwikkeling van Vlaanderen en Brussel Om de maatschappelijke vragen te kunnen beantwoorden staan de verhoging van de leefkwaliteit en belevingswaarde in Vlaanderen (cf. groen en dynamisch stedengewest) en de versterking van de Vlaamse concurrentiepositie (cf. open ondernemer, innovatiecentrum Vlaanderen en slimme mobiliteit) centraal in onze regio. Het witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV) verzekert dat door inzet op drie ruimtelijke netwerken: het stedelijk, het openruimte- en het logistiek netwerk. Die drie netwerken vormen de basis voor de verdere ruimtelijke ontwikkeling van Vlaanderen 2050. Het stedelijk netwerk wint aan belang. Vandaag leeft driekwart van de bevolking in Europa in steden en volgens de OESO zet de verstedelijking zich door. Vooral steden met een hoge leefkwaliteit en sterke toekomstperspectieven zullen erin slagen mensen aan te trekken en te behouden, en economisch succesvol te blijven. Vlaanderen heeft het voordeel ingebed te zijn in het mondiaal verknoopte stedelijk en economisch zwaartepunt van het continent. Het is een van de weinige regio’s die er – ondanks een economisch verzwakt Europa – nog in slaagt de doelstellingen van de Europese 2020-strategie te halen.3 Vlaanderen, ingebed in de metropolitane regio van de Noordwest-Europese Delta, heeft heel wat potentieel met haar stedelijke regio’s. Daarbij gaan we uit van meerkernige stedelijke netwerken, waarbij niet wordt uitgegaan van administratieve entiteiten, maar van de sociale, culturele en economische functionele realiteit. De uitdaging is om de samenwerking en connectiviteit tussen steden te bevorderen. Om de functionele samenhang ertussen te versterken, bouwt Vlaanderen een samenhangend hoogwaardig vervoersnetwerk uit. De stedelijke regio’s en de poorten (havens, luchthavens, HST), met hun infrastructurele basis, zijn de ruggengraat voor de maatschappelijke ontwikkeling van de toekomst. Het stedelijk netwerk leefbaar houden, met nabije open ruimte en waterlopen, is een andere uitdaging. Daarom zetten we niet alleen in op investeringen in stedelijke leefkwaliteit, maar ook op de versterking van het openruimtenetwerk, een geheel van grote en aaneengesloten openruimtegebieden en groenblauwe verbindingen ertussen. Ook het Europese beleid benadrukt dat investeringen in groene infrastructuur een meervoudige winst opleveren voor natuur, samenleving en burgers4. Het openruimtenetwerk levert immers vitale ecosysteemdiensten zoals voedselproductie, zoetwatervoorziening, waterberging, klimaatregulering en biodiversiteit. Tot slot versterken we Vlaanderen als logistieke draaischrijf. Een intelligent, duurzaam en kwalitatief logistiek netwerk genereert maximale maatschappelijke meerwaarde in termen van toegevoegde waarde, een vlottere mobiliteit en tewerkstelling. Knooppunten en verbindingen vormen metropolitane hefboomplekken met economisch intensiveringsperspectief. In logistieke knooppunten komen goederenstromen samen. Ze bieden potentieel voor intelligente logistieke ketens (labelen, verpakken,
3
ESPON 2013 Programme (2013) ESPON Atlas, Territorial Dimensions of the Europe 2020 Strategy, ESPON Coordination Unit, Luxembourg.
4
Cf. Engagementen in het kader van Pact 2020, ViA en in het kader van mededelingen van de Europese Commissie over de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 (COM (2011) 244 final) en over groene infrastructuur (COM(2013) 249 final). Eind 2013 zal de Commissie een leidraad uitwerken om duidelijk te maken hoe groene infrastructuur in de periode van 2014 tot 2020 in de uitvoering van dat beleid kan worden geïntegreerd.
Ruimte voor morgen
wegen, overslag, verplaatsing …). Dat logistieke netwerk inbedden in het internationale (goederen)systeem, vormt een uitdaging waarvoor verhoogde samenwerking tussen economische logistieke activiteiten in de Noordwest-Europese Delta vereist is.
Uitdaging 2:
Een goede mix van effectieve instrumenten voor het uittekenen van ruimtelijke ontwikkelingen en realisatie op terrein Te complexe en te lange procedures, te weinig draagvlak of een te beperkte afstemming door centrale sectorale benaderingen belemmeren vaak de uitvoering van plannen of projecten. Die knelpunten staan investeringen in de weg en ontmoedigen initiatiefnemers. De inzet gaat uit naar een effectief instrumentarium, efficiënte en heldere regelgeving, en samenwerking tussen besturen. Dat moet toelaten flexibel en innovatief in te spelen op de snel veranderende samenleving, op het onvoorspelbare en het regionaal specifieke. Bottom-upinitiatieven worden gestimuleerd en ondersteund. Het is de uitdaging om beleidsplanning te installeren om ruimtelijke doelstellingen op lange termijn te formuleren, beleidskaders en programma’s te ontwikkelen voor thema’s en gebieden op kortere termijn, en acties te realiseren. Het is de uitdaging om met een realisatiegericht ruimtelijk ontwikkelingsbeleid, strategisch belangrijke ruimtelijke opgaven te realiseren in zowel de privé- als de publieke sector. Door (sectorale) ruimtevragen op elkaar af te stemmen, ontstaat synergetisch en innovatief ruimtegebruik. De gebiedsgerichte, geïntegreerde en netwerkbenadering leidt tot een betere inzet van publieke middelen, betere randvoorwaarden voor sociale en economische investeringen, en een groter maatschappelijk draagvlak en rendement. Met het ontwerpdecreet Complexe Projecten5 en het ontwerpdecreet Omgevingsvergunning6 is de basis gelegd voor een efficiënt en effectief instrumentarium7. Het geïntegreerd vergunnings- en planningsproces legt de nadruk op het vooroverleg, op de integratie van de effectenbeoordeling in het proces, en op een Vlaamse overheid die met één stem spreekt en faciliterend en stimulerend optreedt. De cel Vlaamse Investeringsprojecten (VIP) ondersteunt vandaag al proactief investeerders. De implementatie van die initiatieven is een uitdaging.
Uitdaging 3:
Ruimtelijke governance als basis voor maatschappelijk gedragen besluitvorming Een nieuwe bestuurlijke aanpak is nodig voor een duurzame en kwaliteitsvolle ruimtelijke ontwikkeling.
5
VR 2013 2405 DOC.0513 Complexe projecten
6
VR 20131907 Omgevingsvergunningendecreet (2de principiële goedkeuring voorontwerp).
7
In maart 2010 presenteerden de commissies Berx en Sauwens hun aanbevelingen over het versnellen en verbeteren van de procedures bij maatschappelijk belangrijke investeringsprojecten. De Vlaamse Regering presenteerde haar Visienotavisienota, die de aanbevelingen concretiseert, op 15 oktober 2010.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
Participatie en coproductie waarborgen een gedragen procesvoering. We staan voor een ruimtelijk ontwikkelingsbeleid waarbij ieder bestuur zich toespitst op zijn subsidiaire opdrachten. Vlaanderen ondersteunt, initieert en trekt waar nodig, vanuit zijn eigen processen en middelen. Die benadering vraagt om een cultuurverandering en houdt rekening met een aantal belangrijke maatschappelijke verschuivingen. Innovatie komt meer vanuit de gemeenschap naar boven (bottom-up), vanuit vertrouwen, en speelt in op de lokale eigenheid.8
Paradigmashift Exploitation model Co-operation model Economic profit Societal profit Linear processes Circular processes Deriving values Creating values Individual-driven Community-driven
Maatschappij Certainties Uncertainties Physical Virtual/hybrid Ownership Usage Top-down Bottom-up Global Glocal
Waarden Effectiveness Quality/time Efficiency Trust Control Space Rule-driven Choice of freedom Costs Benefits 9
Het geschetste samenspel van besturen is projectgedreven. Het concreet definiëren van een project en de doelstellingen die ermee worden nagestreefd, maakt het mogelijk om verantwoordelijkheden af te bakenen en het maatschappelijk draagvlak te vergroten. Dat verhoogt de kans op realisatie, wat tegemoetkomt aan een reële zorg van zowel overheid als investeerder. Het ontwerpdecreet Complexe Projecten zet in op die cultuurverandering.9 Daarbij evolueren we van een sterk centraal gestuurd ruimtelijk ontwikkelingssysteem naar een samenspel van bestuurlijke partners, waarin ieder zijn eigen verantwoordelijkheid heeft en opneemt. Dat komt alleen tot zijn recht bij voldoende bestuurskracht en is nodig om de legitimiteit van de overheid te versterken. Een hernieuwd vertrouwen tussen overheid en burger is de doelstelling.
8
Cf. J. Rotmans, ‘In het oog van de orkaan’, 2013: ‘Om de noodzakelijke veranderingen te realiseren zijn breuklijnen nodig om sociale reproductie (van burger tot ambtenaren die het systeem zien continueren) te doorbreken. Belangrijk is dat innovatie mede van bottom up komt (community driven), vanuit trust en local benefits.’
9
Jan Rotmans, 2013, “In het oog van de Orkaan. Old world view New world view.”
Ruimte voor morgen
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
2.1
Algemene ambitie en visie
Visie: Ruimte als integrerend kader In een complexe en sterk verstedelijkte regio kan alleen een geïntegreerde ruimtelijke ontwikkeling leiden tot maatschappelijk gedragen beslissingen. Het maakt goed onderbouwde keuzes vanuit een gedragen ruimtelijke visie in het belang van en met meerwaarde voor de samenleving. Het speelt in op de behoeften van een snel veranderende samenleving met gepaste en efficiënte instrumenten, vanuit een gebiedsgerichte en projectmatige aanpak en met sterke engagementen van de betrokken sectoren en stakeholders. De Vlaamse ruimte is schaars. Een verantwoorde inzet ervan is meer dan ooit aan de orde. Een kwaliteitsvolle10 en duurzame ruimtelijke organisatie is een sterke katalysator voor maatschappelijke ontwikkeling. Het noodzaakt afstemming tussen ruimtelijke en (inter)sectorale beleidskeuzes. Bovendien wordt het Vlaamse ruimtelijk beleid in toenemende mate gestuurd door Europese beleidskaders (bijvoorbeeld Europa 2020 strategie, Cohesiebeleid …) en door (beleids-)ontwikkelingen in nabijgelegen regio’s. Het ruimtelijk beleid in Vlaanderen speelt een belangrijke regierol in het faciliteren ervan. Ambitie: De Vlaamse ruimtelijke netwerken versterken binnen Europa Steden, stedelijke regio’s en het omvattende stedelijk netwerk zijn de motor van de samenleving. Ruimtelijke herverdelingsvraagstukken worden in die context opgelost. Vlaanderen vormt een logistieke draaischijf in Europa en wil door het slim organiseren en ontwikkelen van het logistiek systeem in de ruimte, een maximale maatschappelijke meerwaarde genereren. Ook de vergroening van de mobiliteit draagt daartoe bij. Met de ontwikkeling van een veerkrachtig openruimtenetwerk houden we het stedelijk netwerk leefbaar, dringen we luchtverontreiniging terug met het oog op het klimaat- en gezondheidsbeleid, stoppen we de teruggang van de biodiversiteit, en benutten we het ruimtelijke kapitaal van relatief kleinschalige landschappen en groenstedelijke ruimtes dat Vlaanderen rijk is ... We zetten ruimtelijke ontwikkelingsagenda’s en sterke coalities van betrokken besturen en belanghebbenden in om territoriale win-winsituaties en synergieën te realiseren via financiële middelen en beleidsinitiatieven, gekoppeld aan gebieden.
10
Beleidsplan Ruimte Vlaanderen - Groenboek p. 24; ‘We bewaken het samengaan van vier kwaliteitsaspecten: locatiekeuze, gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde.’
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Met het oog op de ruimtelijke samenhang zetten we in op grensoverschrijdende samenwerking. We nemen de Europese context proactief op bij het maken van strategische keuzes.
2.2
Strategische doelstellingen en beleidsvoorstellen
Uitgaande van de ruimtelijke uitdagingen definiëren we strategische keuzes op lange termijn en strategische doelstellingen op korte termijn. We doen concrete beleidsvoorstellen als hefboom voor het realiseren van bovenstaande ambities.
2.1.1 Definiëring maatschappelijke opgaven op korte termijn
2.1.1.1 Ondersteunen en regisseren van Vlaamse prioriteiten met ruimtelijke impact Voor diverse prioritaire Vlaamse doelstellingen vormt ruimte een kritieke succesfactor. De grootste ruimtelijke voetafdruk wordt veroorzaakt door wonen, transport en voeding. Ook energie- en watervoorziening vergen hernieuwde ruimtelijke kaders. De stedelijke functies nemen steeds meer oppervlakte in. De verstedelijkingsdruk – inclusief randeffecten zoals vertuining en verpaarding – weegt op de open ruimte en het landbouwareaal. De ruimtelijke invulling van maatschappelijke vragen verandert snel en houdt rekening met effecten zoals milieuhinder, erosie, fijn stof, geluidshinder, bodemverontreiniging, sociale cohesie … Ze streeft een winwinsituatie na voor diverse belanghebbenden. Het Vlaamse grondgebied kan niet langer sectoraal ingedeeld worden. Het vernieuwde ruimtelijk beleid regisseert de afstemming van de sectorale doelstellingen vanuit een eigen beleidskader dat in coproductie opgesteld wordt. Ondertussen blijven de bindende bepalingen uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen van kracht. De belanghebbenden – de Vlaamse overheid, lokale besturen, onderwijsverstrekkers, zorginstellingen, dienstverleners … – staan voor de uitdaging om in bijkomende infrastructuur te voorzien: scholen, welzijnsvoorzieningen, zorginstellingen, bibliotheken, sportinfrastructuur, jeugdinfrastructuur (veel bespeelbare ruimte wordt nu niet ontsloten en heel wat lokalen voor jeugdverenigingen verdwijnen). … Kinderen en jongeren verdienen erkenning als mede-eigenaars van de publieke ruimte. Een inhaaloperatie, middels een combinatie van nieuwbouw, hergebruik en renovatie, dringt zich op. Structurele samenwerking is nodig voor een totaaloplossing die tegemoetkomt aan zowel ruimtelijke, economische, ecologische als sociaal-culturele doelstellingen: ruimte-inname, bijkomende mobiliteit, milieu-impact … Samenwerking tussen sectoren en een faciliterende overheid bieden ruimte voor innovatieve oplossingen, zoals meervoudig ruimtegebruik (bijvoorbeeld in de vorm van een verweving van een innovatiecampus met bedrijven en dienstinstellingen). Om de economische attractiviteit en het innovatiepotentieel van steden te versterken, en vraag en aanbod op het vlak van werk lokaal op elkaar af te stemmen, zijn de omgevingskenmerken van de steden – zoals het vestigingsklimaat voor wonen en werken – bepalend. Het vergroten van het werkaanbod of het creëren van bijkomende jobs voedt de vraag naar bijkomende ruimte. Het vernieuwde ruimtelijk
Ruimte voor morgen
beleid stemt de ruimtelijke inplanting en intensivering van het aanbod aan woon-werkvoorzieningen en vervoersmodi op elkaar af en zorgt voor goede verbindingen en gepaste gebiedskenmerken. Zo ondersteunt ze de concurrentiekracht van de regio. In de ondersteuning van ondernemingen vormt een aangepaste ruimtelijke inplanting een belangrijke factor. Kenmerken van de locatie en vestigingsplaatseisen van de onderneming moeten goed bij elkaar aansluiten. Naargelang van de levensfase van een onderneming veranderen haar ruimtevraag en locatievereisten. Het door een gericht locatiebeleid op elkaar afstemmen van economische activiteiten die complementair, dan wel synergetisch zijn, kan zowel economische, ecologische als maatschappelijke voordelen teweegbrengen (bijvoorbeeld door gebruik van restwarmte). Korte- en langetermijnbehoeften vragen een maatschappelijke afweging. Het reactiveren van verontreinigde gronden kan een belangrijke rol spelen in het invullen van economische ruimte. Ruimte voor economische speerpuntsectoren en logistiek is belangrijk. In overeenstemming met de doelstelling van het (ontwerp)witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen benaderen we het ruimtelijk vraagstuk integraal. In het kader van het bedrijfshuisvestingsbeleid verweven we waar het kan en scheiden we waar het moet. Zo kunnen we – om de competitiviteit te verhogen – de investeringen versnellen en een zuinig ruimtegebruik aanmoedigen. Bij verlies van economische productieruimte moeten ook zwakkere economische actoren kansen krijgen. De demografische evolutie stelt een stijgende vraag naar het aantal wooneenheden in het vooruitzicht. De strengere Europese bouweisen, onder meer inzake energieverbruik, vormen financiële en ruimtelijke uitdagingen. Ze moeten worden opgenomen in een gericht gebouweninnovatiebeleid. Voor infrastructuren ligt het accent op de realisatie van diverse Vlaamse projecten, zoals de missing links: de ombouw van wegen tot een hoger wegennet (N49, A12, noordelijk deel van de RO, de sluiting van de ring rond Antwerpen ...), de ingrepen bij hoofddragers van openbaar vervoer waarbij ook nieuwe woon- en werkontwikkelingen worden afgestemd, het voltooien van het energienetwerk … Het ruimtelijk ontwikkelingsbeleid moet ook de flankerende maatregelen – die samengaan met de sectorale opgaven (realisatie via een locatiebeleid en overige vereffeningsmechanismen) – goed in beeld brengen en realiseren.
SD1. Het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen bewerkstelligt het systeem van beleidsplanning Om te anticiperen op de maatschappelijke dynamieken en ontwikkelingskansen, zetten we beleidsplanning op als een continu en integrerend proces. Ruimtelijke beleidskaders en actieprogramma’s worden tijdig aangeboden om maatschappelijke ontwikkeling mogelijk te maken. Het witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen vormt het fundament voor het hernieuwd ruimtelijk ontwikkelingsbeleid. Het legt de basis voor de vervanging van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV). Thematische en gebiedsgerichte beleidskaders faciliteren de continue ontwikkeling van de ruimte. Voor belangrijke thema’s en gebieden bieden ze inzicht in de manier waarop de ruimtelijke ontwikkeling op operationeel niveau gestalte krijgt. Een beleidskader wordt opgesteld voor thema’s en gebieden waarvoor
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
in het traject naar het witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV) een participatieproces is gestart: stedelijke regio’s, veerkrachtige landschappen en ruimtelijk rendement. De dynamiek van de beleidsplanning wordt verankerd in een meerjarenprogramma. Dat biedt een globaal overzicht van de op te stellen Vlaamse beleidskaders en actieprogramma’s voor de periode van één legislatuur. Het kan jaarlijks worden bijgesteld op basis van de maatschappelijke dynamiek en de Vlaamse prioriteiten. De actieprogramma’s benoemen prioritaire ontwikkelingsgebieden op het niveau van regio’s met belangrijke en complexe maatschappelijke opgaven (bijvoorbeeld de kustzone), prioritaire thema’s die een geïntegreerd ontwikkelingskader vergen (bijvoorbeeld logistieke ketens), grensoverschrijdende ontwikkelingsopgaven (bijvoorbeeld stedelijke regio Rijsel) en sectorale thema’s met een sterke ruimtelijke dimensie die worden uitgewerkt op aangeven van en in nauwe samenwerking met het beleidsdomein in kwestie (bijvoorbeeld wonen, infrastructuur, kennisclusters, diverse voorzieningen).
2.2.1.2 Prioriteiten uit het witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen
SD2. Stedelijke regio’s, veerkrachtige landschappen, ruimtelijk rendement en ruimtelijke kwaliteit zijn prioriteiten uit het witboek Beleidsplan Vlaanderen Stedelijke regio’s Steden spelen een cruciale rol in de mondialisering. Ze vormen de motor van economie, welvaart, sociaalculturele ontwikkeling, en werk. Ze krijgen als eerste te maken met zowel de nieuwe demografische en economische uitdagingen (bijvoorbeeld woon-werkverplaatsing, zorg, klimaatverandering - urban heat effect …) als met de effecten van de crisis, zoals de neerwaartse economie, de stagnatie van de vastgoedmarkt en de beperking van de overheidsmiddelen. Om die uitdagingen het hoofd te bieden en economisch concurrentieel te blijven, zijn een aantal stedelijke factoren essentieel: een goede ontsluiting en bereikbaarheid, aandacht voor de woningmarkt, een kwalitatieve, duurzame leefomgeving en het creëren van aantrekkelijke vestigingsmilieus voor het internationale bedrijfsleven en voor particulieren Een beleid van individuele besturen schept – als het ongewijzigd blijft – op grotere schaal een ruimtelijke uitsortering van woonmilieus en economische activiteiten, die ongelijkheden versterkt en hogere doelstellingen van het ruimtelijk beleid ondermijnt. Zo geeft de burger bij een overaanbod aan bouwgrond de voorkeur aan woonontwikkeling buiten de kernen van het stedelijk netwerk, in plaats van de duurdere herontwikkeling in stedelijke regio’s.11 De ruimtelijke uitdagingen stoppen niet bij morfologische, planologische, bestuurlijke of administratieve grenzen. Het oplossen van het ruimtelijk verdeelvraagstuk en de opbouw van ruimtelijke systemen – zoals vervoer, woon-werkverkeer – vragen een integrale geografische en functionele benadering van de stad en haar omgeving én de samenwerking tussen individuele besturen. Het overstijgt het stedelijk centrum en de individuele randgemeente. Die functionele verbanden – veelal tussen stad en rand – leiden tot begrippen als ‘stadsgewest’ of ‘stedelijke regio’. Het gaat om een stedelijk centrum met een zekere omvang, een werkgelegenheidsaanbod en andere
11
(Needham 2003).
Ruimte voor morgen
centrumfuncties, die grotendeels worden ingevuld door de bewoners van de randgemeenten. Omgekeerd worden heel wat functies in de stedelijke rand (bijvoorbeeld recreatie) mee door de stedelijke bewoners ingevuld. Vlaanderen bestaat uit een aaneenschakeling van elkaar overlappende stedelijke regio’s. De bestaande functioneel-ruimtelijke verbanden zijn met het (administratieve) selectie- en afbakeningsbeleid niet in rekening gebracht. Door uit te gaan van de functioneel stedelijke regio waarbinnen het dagelijkse leven zich afspeelt, kunnen we verdeelvraagstukken beter oplossen en overheidsinvesteringen efficiënter inzetten. Gevolgen zijn een grotere maatschappelijke winst en een betere service aan de burgers. In die ruimtelijke context is het ook mogelijk om voor- en nadelen van de stedelijke ontwikkeling (sociaal, milieu ...) beter op te vangen. Het beheer en de ontwikkeling van het stedelijk-regionaal functioneren is een grote ruimtelijke uitdaging. Het beleidsplan Vlaanderen biedt met die benadering een alternatief voor het stedelijk gebiedsbeleid uit het RSV. De morfologische benadering – gebaseerd op het trekken van afbakeningslijnen – evolueert naar een ontwikkelingsgericht model voor goed gesitueerde kernen binnen functioneel samenhangende stedelijke regio’s waarbinnen het verdeelvraagstuk een gemeentegrensoverschrijdende oplossing krijgt. Vlaanderen participeert daarin met een Vlaamse agenda (wonen, zorg, economie, scholen …). Bij gebrek aan bottom-upinitiatieven initieert Vlaanderen. Via proefprojecten stimuleert het Vlaams ruimtelijk beleid de ontwikkeling van stedelijke regio’s. De beleidsmatige en juridische mogelijkheden moeten daarop afgestemd worden. Veerkrachtige landschappen ‘Veerkrachtige landschappen’ is de opvolger van het buitengebiedbeleid uit het RSV. Het vertrekt vanuit een brede kijk op de ontwikkeling van de open ruimte. De open ruimte beschouwen we als een productief en fundamenteel onderdeel van de Vlaamse ruimte. Daarbij denken we onder andere aan:
•• •• •• ••
het vrijwaren van voldoende onbebouwde open ruimte voor noodzakelijke ecosysteemdiensten, zoals voedselproductie, zoetwatervoorziening, waterberging, klimaatregulering en biodiversiteit en groene infrastructuur12; het ontwikkelen van nieuwe openruimtefuncties, zoals hernieuwbare energiewinning; het versterken van de ruimtelijke veerkracht door de ruimte klimaatbestendig in te richten; het stoppen van verdere versnippering van de open ruimte en verzegeling van bodem.
Samen met het beleidskader ‘stedelijke regio’s’ doorbreekt dit beleidskader de strikte dichotomie van stad en land (bijvoorbeeld de groenblauwe dooradering van de bebouwde en onbebouwde ruimte). De uitbouw en optimalisatie van de stedelijke kernen en regio’s in relatie tot het openruimtenetwerk zijn essentieel om tot gezamenlijke ontwikkelingsdoelstellingen en actiepunten te komen. We verbeteren de territoriale connectiviteit niet alleen op het gebied van mobiliteit en informatietechnologie. Ook energieen distributienetwerken en ecologische netwerken en systemen bepalen de harmonieuze en duurzame ontwikkeling van Vlaanderen. Binnen die context beschouwen we de stedelijke regio als een ‘ecosysteem’, met aandacht voor stadsgroen en -natuur, biodiversiteit, en water.
12
Mededeling van de Europese Commissie van 6 mei 2013 over ‘Groene Infrastructuur (GI) – Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal’, COM (2013) 249 final.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Kwaliteitsvolle hedendaagse en cultuurhistorische landschappen dragen bij aan de onderscheidende identiteit van de Vlaamse regio’s en hun economische ontwikkeling. Ze versterken de belevings- en toekomstwaarde van een gebied. Een analyse van het landschap legt de fysische, cultureel-geografische en historische gegevens bloot die bepalend zijn voor het uitzicht. De maatschappelijke ontwikkelingen laten voortbouwen op de karakteristieken van het landschap, waarborgt de kwaliteit van het toekomstige landschap. Het platteland is de laatste decennia veranderd van monofunctionele agrarische productieruimte naar multifunctionele consumptieruimte: naast landbouw kregen ook natuur, landschap, recreatie, toerisme en nieuwe economische dragers er een plaats.13 Het ruimtelijk beleid blijft gericht op het tegengaan van versnippering en fragmentatie door het vrijwaren van grote aaneengesloten openruimtegebieden en de robuuste verbindingen ertussen. We willen bijkomende bebouwing vermijden en inzetten op het herstel en de verbetering van de connectiviteit tussen de onderdelen van het openruimtenetwerk. Nieuwe ontwikkelingen voor wonen, werken of recreëren situeren we maximaal binnen de bebouwde ruimte. Zo blijft de onbebouwde open ruimte voorbehouden voor essentiële functies als water- en biodiversiteitsbeheer, de winning van voedsel, energie of grondstoffen, en functies die geen druk creëren op de open ruimte, zoals zachte recreatie. Kennis van de achterliggende krachten of invloeden die leiden tot verandering van open en verstedelijkte landschappen, vormt de basis van gebiedsgerichte ontwikkelingen en versterkt de kwaliteit van het openruimtenetwerk.14 Het Vlaams ruimtelijk beleid zet bovenlokale ruimtelijke investeringsprojecten op waar de veerkrachtsopgave urgent is: in gebieden die gevoelig zijn voor veranderingen. Het gaat om gebieden die vandaag al blootgesteld zijn aan de gevolgen van de klimaatverandering, waarvoor een klimaatbestendige inrichting prioritair is. Het gaat tevens om gebieden die geconfronteerd worden met economische of demografische transities en waarvoor kansen bestaan voor radicale omslag naar veerkrachtige ruimten. We sensibiliseren lokale besturen, partners en individuele burgers om zo veel mogelijk maatregelen te realiseren. Alleen zo kunnen we de maatschappelijke kosten beperken en de leefbaarheid in onze regio verzekeren. Ruimtelijk rendement Een serie generieke beleidsmaatregelen spelen in op de bepalende krachten voor ruimtelijk rendement. Vlaanderen is een dichtbevolkte regio. Op basis van de huidige inzichten verwachten we dat de bevolking de komende decennia verder toeneemt. Om de maatschappelijke kosten te beheersen van de ruimte die daar bijkomend voor nodig is, verhogen we het rendement van de ruimte. We organiseren meer activiteiten op minder ruimte (bijvoorbeeld via verantwoorde hogere dichtheden, verweving van activiteiten, een doordachter hergebruik en omkeerbaar ruimtegebruik). Zo verlaagt tegelijk de druk op de open ruimte.
13
Scott et al., 2011; Heins 2004; A. Pisman, P. Vervoort, I. Appermont, ‘Ontwikkeling van open regio’s in Vlaanderen, een verzameling van kleine verhalen. Denkpistes voor een vernieuwd ruimtelijk beleid bij de ontwikkeling van de open regio’s in Vlaanderen’, bijdrage n.a.v. de Plandag 2013.
14
A. Pisman, P. Vervoort, I. Appermont, ‘Ontwikkeling van open regio’s in Vlaanderen, een verzameling van kleine verhalen. Denkpistes voor een vernieuwd ruimtelijk beleid bij de ontwikkeling van de open regio’s in Vlaanderen’, bijdrage n.a.v. de Plandag 2013.
Ruimte voor morgen
Het onderdeel ‘groen en dynamisch stedengewest’ neemt de ambitie op om bodemafdichting sterk te vertragen en tot een nul-netto-evenwicht te brengen tegen 2050.15 Vandaag al is een dalende trend waar te nemen in het ruimtebeslag: burgers en de bouwsector gaan al verantwoorder om met de schaarse ruimte. Het Vlaams ruimtelijk beleid wil die tendens versterken door maatschappelijke activiteiten te ontwikkelen binnen een efficiënt ruimtegebruik. Het beleid kan dat optimaliseren door functies te scheiden waar dat nodig is, of ze te verweven waar opportuniteiten bestaan voor synergie. Ter ondersteuning van een hoger ruimtelijk rendement zijn een stimulerend beleid en aangepaste instrumenten (bijvoorbeeld grond- en pandenbeleid) nodig, die transformaties vergemakkelijken. Ruimtelijke kwaliteit Het toekomstige ruimtelijke beleid gaat uit van een netwerkbenadering (stedelijk-, open ruimte- en logistiek netwerk). De verschillende ruimtelijke netwerken interfereren met elkaar en bepalen hoe de ruimte zal functioneren. Het ruimtelijk beleid maakt keuzes binnen deze ruimtelijke netwerken zodat de versterking van het ene netwerk zal plaatsvinden zonder het functioneren en ontwikkelen van de andere netwerken te hypothekeren. Om Vlaanderen voor haar gebruikers leefbaar, aangenaam en aantrekkelijk te houden en maken is naast het inzetten op het goed ruimtelijk functioneren van deze netwerken het nastreven van ruimtelijke kwaliteit een voorwaarde. Ruimtelijke kwaliteit wordt bepaald door het gebiedsgericht samenspel tussen locatiekeuze, gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Het is echter een moeilijk hanteerbaar begrip want het is gebonden aan de intrinsieke en contextuele elementen van een plek en aan de subjectieve appreciatie van haar gebruikers. Een enkelvoudige, sluitende en toepasbare definitie van ruimtelijke kwaliteit is dan ook niet haalbaar. Toch wil het beleid in de toekomst ruimtelijke kwaliteit stimuleren door het begrip inhoudelijk te verduidelijken en door ruimtelijke kwaliteit in te bedden in ruimtelijke processen .
Beleidsvoorstel 1:
De Vlaamse Regering keurt het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV) goed op basis van de uitkomsten van de publieke consultatie en verankert decretaal de beleidsplanning. De modernisering van het plansysteem – waarbij de structuurplanning evolueert naar een volwaardig systeem van beleidsplanning – krijgt haar beslag in een wijziging van de VCRO. De decretale onderbouwing van de beleidsplanning gebeurt op basis van de principiële krijtlijnen uit het witboek BRV. Concreet keurt de Vlaamse Regering het BRV definitief goed en wijzigt ze de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO).
15
Zie ook ‘Roadmap to a Resource Efficient Europe (COM(2011) 571’ waarin wordt vooropgesteld dat tegen 2020 het EU-beleid zijn impact op landgebruik in rekening moet brengen met tot doel geen nettolandinname tegen 2050.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 2:
De Vlaamse Regering stelt een rollend meerjarenprogramma beleidsplanning Ruimte op. Dat laat toe op strategisch niveau binnen iedere legislatuur de juiste ruimtelijke keuzes te maken en nieuwe accenten te leggen op basis van de prioriteiten die zich op dat moment stellen. Concreet stelt de Vlaamse Regering jaarlijks drie tot vijf beleidskaders en/of actieprogramma’s vast. Daarbij gaat permanente zorg naar:
•• •• ••
communicatie en draagvlakcreatie die het proces van beleidsplanning ondersteunen; periodieke monitoring, voor een transparante realisatie van de ontwikkelingsdoelen; een model voor ruimtelijke governance en permanente vernieuwing van het (ruimtelijk) instrumentarium.
2.2.2 Investeren in territoriale cohesie
2.2.2.1 Strategische langetermijndoelstellingen Vlaanderen ligt centraal in de Noordwest-Europese Delta, die meer dan 35 miljoen inwoners vertegenwoordigt. Ze gaat de concurrentie aan met regio’s zoals São Paulo en Singapore. Ze is opgebouwd uit metropolitaanse bouwblokken, zoals de Randstad en het Ruhrgebied. Door slimme specialisatie kunnen de bouwblokken elkaar aanvullen. Door een kwalitatief uitgebouwd stedelijk en infrastructuurnetwerk kan Vlaanderen extra bijdragen aan het uitgroeien van de Delta tot een innovatieve topregio.
SD3. Investeren in meerkernige stedelijke, infrastructuur- en openruimtenetwerken Het meerkernig stedelijk en infrastructuurnetwerk De Europese Territoriale Agenda16 stelt tegen 2020 de versterking van de territoriale cohesie voorop, door bij te dragen aan een duurzame economische groei, het creëren van werkgelegenheid en sociale en ecologische ontwikkeling in alle Europese regio’s. De agenda biedt een ruimtelijk antwoord op maatschappelijke uitdagingen vanuit het meerkernig stedelijk netwerk. Ze daagt uit om op een betere manier gebruik te maken van de beschikbare grondstoffen. Opdat Vlaanderen zich verder ontwikkelt als economische topregio, staan belangrijke ruimtelijkeconomische investeringen centraal. Vlaanderen bestaat uit een aaneenschakeling van elkaar overlappende stedelijke regio’s en logistieke ketens. De versterking daarvan – met bijvoorbeeld investeringen in logistieke poorten – zet in op interconnectiviteit, specialisatie en complementariteit. De stedelijke regio’s vervullen een functioneel en economisch complementaire rol in het netwerk. Door samenwerking kunnen we complementaire troeven inzetten en het meerkernig netwerk Vlaanderen verder uitbouwen.
16
European Commission, 2011.
Ruimte voor morgen
Ruimtelijke investeringen moeten daarom enerzijds bijdragen aan een harmonieuze en duurzame ontwikkeling van geografische gebieden met uiteenlopende kenmerken en mogelijkheden. Anderzijds moeten ze een evenwichtige ontwikkeling bevorderen van het hele (Vlaamse en) Europese grondgebied. We zetten in op territoriale diversiteit als troef voor regionale competitiviteit. Die beleidsaanpak wordt omschreven als ‘territoriale cohesie’; het is sinds het Verdrag van Lissabon (2009) een uitdrukkelijke doelstelling van de Europese Unie. Territoriale cohesie gaat hand in hand met sociale en economische cohesie. Door ruimtelijke investeringen in de logistieke en stedelijke netwerken, en een harmonieuze territoriale ontwikkeling, versterkt Vlaanderen zijn positie in het netwerk van wereldsteden en -regio’s. Ontwikkeling van een openruimtenetwerk Om een kwalitatieve en duurzame versterking van het stedelijk en het infrastructuurnetwerk te realiseren, moeten we ook het openruimtenetwerk ontwikkelen: de groenblauwe verbindingen tussen het geheel van grote en aaneengesloten openruimtegebieden. Het openruimtenetwerk omvat zowel kerngebieden voor biodiversiteitsbehoud en voedselproductie, het netwerk van rivier- en beekvalleien, als het fijnmazig netwerk van openruimtegebieden en -verbindingen doorheen bebouwde gebieden. De ontwikkeling van het openruimtenetwerk heeft tot doel:
•• •• ••
de ontwikkelingskansen te vergroten door verankering van veerkrachtige landschappen in een netwerk; kerngebieden voor biodiversiteitsbehoud en de functionele verbindingen ertussen te versterken voor de instandhouding van plant- en diersoorten17; toegang vanuit woonomgevingen tot groene ruimte en het daaraan gekoppelde netwerk aan te bieden binnen fiets- of wandelbereik.
We herstellen ecosystemen en verbeteren de connectiviteit van ecologische netwerken door de ontwikkeling van grote aaneengesloten openruimtegebieden op een veerkrachtige manier. We passen de inrichting ervan aan om een omslag te realiseren naar een hulpbronnenefficiënte, koolstofarme en klimaatbestendige landen bosbouwsector. Zo kunnen we onder meer schade door overstromingen vermijden en watervoorraden verzekeren, en nieuwe vormen van grootschalige hernieuwbare energie- en grondstoffenwinningen mogelijk maken.
SD4. Inzetten op multilevel-governance 2.2.2.2. Grens- en sectoroverstijgende territoriale multilevel-governance Ontwikkelingskansen laten zich steeds minder onder één sectorale paraplu thuisbrengen. Denk maar aan energievoorziening, biodiversiteit, demografische ontwikkelingen, armoedebestrijding, economische vernieuwing, diversifiëring van de landbouw, het voorzien van een materialenkringloop … Zowel voor
17
Het ruimtelijk beleid neemt zijn verantwoordelijkheid op bij de realisatie van de engagementen die Vlaanderen is aangegaan op basis van Europese afspraken (cf. Vlaamse Overheid, Pact 2020. Vlaanderen in Actie. Europese Commissie (2011), Mededeling van de Commissie, ‘Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU biodiversiteitsstrategie voor 2020’, 3.5.2011, COM(2011) 244 final, Brussel.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
kennisopbouw als voor de realisatie is territoriale samenwerking nodig. Het territorium vormt daarbij het integrerend kader. Dat veronderstelt een beleidsaanpak waarbij we grenzen tussen regio’s, bestuursniveaus, beleidsdomeinen en stakeholders doorbreken.
2.2.2.3. Boven-Vlaamse multilevel-governance Het is van belang dat de federale aanspraken op het ruimtelijk beleid – waaronder de beleidsopties voor de kust – op Vlaams niveau worden afgetoetst. Ze moeten binnen een internationaal ruimtelijk kader worden gesitueerd, en afgestemd worden op diverse sectorale behoeften. Diverse ontwikkelingen op het terrein en de beleidskeuzes die de drie gewesten maken, hebben gewestgrensoverschrijdende effecten. De drie gewesten werken aan een bijstelling van de strategische ruimtelijke beleidsplannen op lange termijn. In het kader van het witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, ruimtelijke beleidskaders, ontwikkelingsprogramma’s en de uitvoeringsplannen erbij worden synergieën gezocht. We moeten een antwoord zoeken op gemeenschappelijke stedelijke uitdagingen die zich voordoen in de context van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest in zijn ruimtelijke interactie met Vlaanderen. Dat kan door:
•• •• •• •• ••
Tijdens het intergewestelijk overleg af te stemmen rond visie, beleid, instrumentaria en governance18; de connectiviteit te verzekeren via ruimtelijke oplossingen (bijvoorbeeld de RO, een integrale visie op het openbaar vervoer, meer synergie tussen voorzieningen zoals wonen, werken enzovoort); te zorgen voor de opvang van de bevolkingstoename in het hele stedelijk netwerk; het economisch, ecologisch en openruimtebeleid op elkaar af te stemmen; de stedelijke activiteiten in het ‘Brussel buiten Brussel’ te definiëren enzovoort.
Daarnaast zijn er ook belangrijke grensoverschrijdende interacties met andere regio’s en steden. Het verst staat de Eurometropool Lille-Kortrijk-Moeskroen-Doornik, waar een Europese Groepering voor Territoriale Samenwerking (EGTS) de samenwerking vorm geeft. Daarnaast is er het MHAL (Maastricht, HeerlenHasselt-Genk, Aken en Luik) als grensoverschrijdend netwerk. Eindhoven verdient hier een vermelding als kennispool. Het creëren van een win-winsituatie is afhankelijk van grensoverschrijdende samenwerking.
SD5. Evidence-based beleid met focus op ontwikkelingskansen Het vertrekpunt van de beleidsvoering in een geografisch gebied is inzicht in het ontwikkelingskapitaal. Om een evenwichtige ontwikkeling van diverse geografische gebieden in Vlaanderen te verzekeren, is inzicht in de ruimtelijke samenhang en diversiteit essentieel.
18
Ook het ‘Brussels Metropolitan’-verhaal (http://www.brusselsmetropolitan.eu/) kan actief worden opgenomen.
Ruimte voor morgen
Onzekerheidsmarges bij heel wat maatschappelijke uitdagingen kunnen de keuzes voor gewenste toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen sterk beïnvloeden. Daarom zijn scenario’s en een beleid dat op wetenschappelijk onderzoek gebaseerd is, noodzakelijk. Ook de uitwisseling van kennis binnen en buiten de Vlaamse overheid creëert een grotere synergie. Om het stedelijke, het openruimte- en het logistieke netwerk met aandacht voor territoriale cohesie te versterken, formuleert de Vlaamse Regering ontwikkelingsprogramma’s die een geïntegreerd kader behoeven en die op aangeven van en in nauwe samenwerking met het beleidsdomein in kwestie worden uitgewerkt.
Beleidsvoorstel 3:
De Vlaamse Regering versterkt de ruimtelijk samenhang en territoriale cohesie in Vlaanderen De volgende realisaties zijn prioritair:
•• •• •• ••
••
de missing links en infrastructuurnetwerken met een sterk ontwikkelingspotentieel in het metropolitaans kerngebied (Antwerpen, Mechelen, Leuven, Brussel, Aalst, Gent); de ruimtelijke ontwikkeling van performant functionerende poorten in de context van een Europese delta – zoals havengebieden, luchthavens, HST – en aansluitend de ontwikkeling van logistieke ketens; de ontwikkeling van woningen, kennisclusters, diverse voorzieningen, ondernemingen … die vragen naar hernieuwde ruimtelijke verbindingen; een actief ontwikkelingsbeleid voor netwerken van grote aaneengesloten openruimtegebieden in transformatie, en robuuste openruimteverbindingen. Een openruimtenetwerk in strategische gebieden om mee invulling te geven aan de Vlaamse opgaves inzake water, klimaatbestendigheid, energie, bodemkwaliteit, biodiversiteit, Natura 2000 … De ontwikkeling van het fijnmazig netwerk van groenblauwe aders, enerzijds door generieke beleidsmaatregelen, anderzijds door lokale besturen te stimuleren om voor de realisatie met elkaar en met openruimte-investeerders samen te werken; ruimtelijke kennisverwerving en inzet op (Europees) ruimtelijk onderzoek in het kader van territoriale ontwikkeling. We vormen een Europese Groepering voor Territoriale Samenwerking met de drie Belgische gewesten en ondersteunen met Luxemburg een nieuwe programmastructuur voor de periode na 2013.
Beleidsvoorstel 4:
De Vlaamse Regering versterkt de grensoverschrijdende ruimtelijke samenwerking Zonder afbreuk te doen aan de eigen gewestelijke bevoegdheid inzake ruimtelijk ordening, beoogt de Vlaamse Regering win-winsituaties door het ontwikkelen van grensoverschrijdend beleid en grensoverschrijdende projecten. Selectieve ruimtelijke investeringen en beleidsmatige en gebiedsgerichte programma’s worden continu ingebracht binnen de bestaande fora of het partnerschapoverleg (bijvoorbeeld het Informatieforum Ruimtelijke Ordening tussen de drie Belgische gewesten) om complementariteit en diversiteit te versterken.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Binnen dat actieprogramma vormt de maritieme ruimtelijke ordening – vandaag opgenomen op federaal niveau – een specifiek aandachtspunt. De maritieme ruimtelijke ordening kan niet los gezien worden van de beleidsopties die – internationaal en in Vlaanderen – ontwikkeld worden in samenwerking met verschillende beleidsdomeinen en -sectoren. De traditionele kustverdediging, het toerisme, maar ook projecten als de Vlaamse Baaien en het energiebeleid interfereren met de federale maritieme ruimtelijke ordening.
2.2.3 Inzetten op ruimtelijke transitie
2.2.3.1 Strategische langetermijndoelstellingen
SD6. Prioritaire ontwikkelingsgebieden op schaal van de stedelijke regio’s In het kader van de hernieuwde beleidsplanning erkennen we ontwikkelingsgebieden op schaal van de stedelijke regio’s met belangrijke en complexe maatschappelijke opgaven. De gebieden met de grootste uitdagingen zijn het functioneel gebied Brussel, Antwerpen, Gent en Leuven, en de regioCentraal-Limburg. In het gebied Brussel, Antwerpen, Gent en Leuven zijn heel wat ruimtelijke ontwikkelingen aan de gang: het uitbreiden van de luchthaven van Zaventem, de verdichting van het gebied Vilvoorde-Machelen, het aanleggen van het voetbalstadion enzovoort. Willen we internationaal competitief zijn, dan moeten we die ontwikkelingen naar een hoger niveau tillen. Het goed functioneren van het ‘metropolitaan kerngebied’ is van cruciaal belang: het vormt immers een belangrijke motor voor Vlaanderen. In dat gebied trekken we investeringen aan, vergroten we de competitiviteit van Belgische bedrijven en creëren we welvaart. De uitdaging bestaat erin om de heersende dynamiek in dat gebied goed te benutten, om er zowel de economische kansen te grijpen als de leefkwaliteit te versterken. Centraal-Limburg wil zich ontwikkelen tot een innovatieve regio binnen de Vlaamse netwerkstructuur door wederzijdse versterking van de economische en ruimtelijke structuren. Het SALK leert dat bij de herstructurering van de regio niet op één economische speler mag ingezet worden (cf. Ford Genk), maar op een brede waaier van vernieuwende niche-economieën (duurzame energiesystemen, gepersonaliseerde zorgsystemen, circulaire economieën voor materiaal- en afvalbeheer …). Dergelijke economieën vragen creatieve ruimtelijke strategieën en synergieën. Precies de typische raakvlakken tussen stedelijk en landschappelijk systeem, eigen aan de regio, bieden daarvoor een troef.
SD7. Realisatie via een gebiedsgericht ruimtelijk ontwikkelingsbeleid Al te vaak bekampen verschillende sectoren elkaar vandaag met een exclusieve claim op de schaarse ruimte. Bovendien wordt de burger steeds mondiger en is een ‘juridisering’ van de ruimtelijke ontwikkeling aan de gang. Daardoor dreigt er een ruimtelijke stilstand, waarbij het onmogelijk wordt om het sterk groeiende aantal Vlamingen op een duurzame wijze een plaats te geven om te wonen, te werken, te recreëren en het landschap te beleven.
Ruimte voor morgen
Om het maatschappelijk draagvlak te vergroten, besturen te overtuigen en de (concurrerende) sectorale aanspraken te kanaliseren, is gebiedsgericht regisseren en beheren noodzakelijk. Het regisseren slaat zowel op het bepalen van de gebiedsagenda – Wie moet wat doen met het oog op welke doelstelling? – als op de uitvoering. De agenda omvat een territoriale coördinatie en afstemming van sectorale doelstellingen en investeringsprogramma’s via gericht project- en gebiedsmanagement. Besturen, belanghebbenden en burgers buigen zich als partners over zowel de opmaak als de realisatie van gebiedsgerichte actieprogramma’s. We realiseren daarbij telkens een territoriale win-winsituatie. Vlaanderen bepaalt zijn betrokkenheid (als initiator, deelnemer of opvolger) op basis van zijn eigen territoriale doelstellingen en het lokale initiatief en belang. Gebiedsgerichte actieprogramma’s kenmerken zich door een groot aanpassingsvermogen, zodat ze effectief kunnen inspelen op lokale en veranderende maatschappelijke condities.
Beleidsvoorstel 5:
De Vlaamse Regering formuleert een ontwikkelingsprogramma dat maatschappelijke uitdagingen een plaats geeft. De Vlaamse overheid maakt haar ontwikkelingsagenda op en stemt zijn middelen mee af op de gezamenlijke programma’s van lokale besturen. Vlaanderen voorziet in kader van het BRV daarvoor in een ruimtelijk ontwikkelingsbeleid en faciliteert en stimuleert het ontwikkelingsproces. De samenwerking tussen lokale besturen en stakeholders om gemeenschappelijke ruimtelijke ontwikkelingsprogramma’s op maat van een stedelijke regio uit te werken, stelt een gezamenlijke strategie over de ruimtelijke ontwikkeling en de realisatie van afgesproken en gevalideerde programma’s centraal.
Beleidsvoorstel 6:
De Vlaamse Regering neemt initiatief in prioritaire ontwikkelingsgebieden Vlaanderen initieert in prioritaire ontwikkelingsgebieden met complexe maatschappelijke opgaven door opmaak van actieprogramma’s, in partnerschap, gebaseerd op een Vlaamse agenda en het lokaal aanwezige ontwikkelingspotentieel. Vlaanderen zet in op ontwikkelingsgebieden zoals het metropolitaan kerngebied, Centraal-Limburg en de Kust.
2.2.4 Een effectief, efficiënt en realisatiegericht instrumentarium
2.2.4.1 Strategische langetermijndoelstellingen Om tot een evenwichtige en effectieve ruimtelijke realisatie te komen, is er behoefte aan een continue beleidsplanning, efficiënte instrumenten en blijvende inzet op proceswinst.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
SD8. Een effectief instrumentarium installeert beleidsplanning Beleidsplanning is een belangrijk onderdeel van een effectief instrumentarium. Het zet de krijtlijnen uit op strategisch niveau en is cyclisch. Het ontwikkelt beleidskaders en actieprogramma’s voor concrete realisatie. Voor uitvoering van een continue beleidsplanning en een continu gebiedsgericht beleid is een aangepast instrumentarium essentieel: We zorgen voor de nodige juridisch-planologische flexibiliteit om gebiedsgericht beleid te realiseren en nieuwe, innovatieve vormen van ruimtegebruik te ondersteunen. Dat zonder aantasting van de rechtszekerheid. Een afwegingskader objectiveert de gevolgen van en de voorwaarden voor ruimtelijke ingrepen. Geïntegreerde effectenanalyses, kosten-batenanalyses, internalisering externe kosten … maken de gevolgen inzichtelijk en dragen bij tot het bepalen van maatschappelijke prioriteiten. Flankerende maatregelen zoals methodieken om te komen tot een gekoppelde overheid of intergemeentelijke – ruimtelijke, financiële...– vereffening, grondmobiliteit enzovoort faciliteren de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen, wat een nieuwe prioritering en transparante herverdeling mogelijk maakt. De ontwikkeling van een grond- en pandenbeleid ondersteunt de gebiedsontwikkeling vanuit drie thema’s: ‘verwerving en uitgifte’, ‘inrichting en beheer’ en ‘financiële aspecten’.
SD9. Verruiming van de proceswinsten naar alle vergunnings- en planprocessen Het ruimtelijk ontwikkelingsproces verbindt vier stappen: ontwerpen, onderzoeken, beslissen en uitvoeren. Het zoekt zo naar een evenwichtig en gedragen ruimtelijk antwoord op maatschappelijke vragen en schept de voorwaarden om dat antwoord te kunnen realiseren.
Naast en op basis van een inhoudelijke afweging focust het proces op het overleg en de verbinding tussen de vier stappen. Het gaat erom met partners gedeelde doelstellingen te ontwikkelen, die nadien effectief gerealiseerd worden. Het accent ligt op procesmanagement en getrapte besluitvorming om efficiënt tot realisatie te komen. Met het decreet Complexe Projecten en het Omgevingsvergunningsdecreet worden belangrijke stappen gezet in het realiseren van een efficiënt en effectief instrumentarium, specifiek door het stroomlijnen en op elkaar afstemmen van procedures en beslismomenten. De omgevingsvergunning slaat op het hele pakket van vergunningen: stedenbouw, milieu, natuur, onroerend erfgoed ... De proceswinsten die worden geboden met het decreet Complexe Projecten zijn echter vooralsnog alleen toepasbaar op de projecten, vermeld in het decreet. Het is belangrijk dat de proceswinsten, die voornamelijk worden gerealiseerd in het planningsdeel op Vlaams niveau, ook doorgang vinden in de lokale planprocedures. Om effectief tot realisaties te komen en de betrokkenheid te vergroten, is het belangrijk dat de instrumenten beschikbaar (en toegankelijk) zijn voor iedereen die ze wil realiseren.
Ruimte voor morgen
Het ruimtelijk ontwikkelingsproces is per definitie een evenwichtige (effecten)afweging van de ruimtelijke maatschappelijke vragen.
SD10. Inzetten op vooroverleg en bemiddeling: VIP De overheid begeleidt initiatiefnemers van complexe projecten bij de realisatie van een project vanaf de ontwerpfase. Het kan gaan om private of publieke projecten: rusthuizen, wooneenheden, wegeninfrastructuur. Op 16 november 2012 heeft de Vlaamse Regering daarvoor een cel Vlaamse en strategische Investeringsprojecten (VIP) opgericht. Binnen de ambtenarij is een cultuuromslag aan de orde van oppositioneel naar constructief, van besluitvormend naar procesbegeleidend, waarbij de combinatie van inhoud, strategie en proces dienstverlenend is aan de samenleving. In die context continueren en verruimen we het opgezette vooroverleg in het kader van de VIP-werking. We begeleiden het verdere procesverloop. Ambtenaren regisseren oplossingsgericht, veeleer dan louter als vergunning- en adviesverleners.
Beleidsvoorstel 7:
De Vlaamse Regering voorziet in de operationalisering van de decreten Omgevingsvergunning en Complexe Projecten en verruimt de methodiek naar alle vergunnings- en planprocessen Vlaanderen operationaliseert de decreten Omgevingsvergunning en Complexe Projecten en realiseert de verdere stroomlijning van planning. De operationalisering betekent een juridische, procedurele en organisatorische aanpassing in diverse departementen. Dat stelt efficiëntie van het proces en vereenvoudiging voor de gebruiker voorop. We versterken en stroomlijnen het vooroverleg, als een structureel onderdeel dat leidt tot de realisatie van zowel private als publieke investeringen. Om verdere proceswinst te realiseren, trekt de Vlaamse Regering de methodiek uit het decreet voor Complexe Projecten door naar de meeste planningsprocessen, en strategische en externe projecten. Het betreft het concept van een startbeslissing met bijbehorende procesnota; van voorbereidend ruimtelijk en ander relevant of verplicht onderzoek van redelijke alternatieven dat moet uitmonden in een voorkeursbesluit; en van de formele procedures op basis van één of meer projectbesluiten, zoals ruimtelijke uitvoeringsplannen.
Beleidsvoorstel 8:
De Vlaamse Regering zorgt voor digitaal beschikbare ruimtelijke informatie tegen het einde van de legislatuur Om ontwikkelingskansen in te schatten binnen het potentieel van de locatie, is inzicht in (geplande) ruimtelijke ontwikkelingen voor alle belanghebbenden noodzakelijk. Relevante informatie is beschikbaar in een informatieloket (bijvoorbeeld om het potentieel van locaties in te schatten, bestemmingen te interpreteren, sneller in te spelen op wijzigingen of veranderingen) en via aangepaste applicaties zoals de digitale omgevingsvergunning.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
2.2.5 Aangepaste governance
2.2.5.1 Strategische langetermijndoelstellingen
SD11. Een verenigende rol van het ruimtelijk beleid binnen een transparant bestuurlijk samenspel Vlaanderen bevindt zich tussen twee in belang toenemende beleidsniveaus: het lokale, en het internationale en Europese beleidsniveau. Bovendien is er de vraag van de burger en de belanghebbenden om maatschappelijke en individuele keuzes in de ruimte te realiseren. Het vergroten van het draagvlak voor ruimtelijke ontwikkelingen vergt een versterking van partnerschappen. De nieuwe rol van het ruimtelijk beleid en het bestuurlijke samenspel baseert zich op een gelijkwaardig partnerschap, waarbinnen de verschillende partners, elk met hun eigen taak, samenwerken met de Vlaamse overheid om de Vlaamse kernopdrachten te realiseren. Lokale besturen vervullen een belangrijke rol in het kwaliteitsvol wonen, leven en werken. De ingezette versnelde ontvoogding is ook een uitgangspunt voor de omgevingsvergunning. Daarbij wordt aandacht besteed aan de versterking van de capaciteit van de lokale besturen. Het ruimtelijk beleid moet in essentie een verenigende rol spelen, door de verschillende belangen met elkaar in verband te brengen en ervoor te zorgen dat de ruimte de realisatie van de maatschappelijke doelstellingen mogelijk maakt. Het verenigend vermogen bestaat vooral in consensusvorming: het maken van ruimtelijke verbintenissen en gebiedsgerichte engagementen, waarin ruimtelijke beleidsmakers de ontwikkelingen definiëren en realiseren samen met de betrokken sectoren en actoren. Naargelang van de geviseerde ontwikkelingen zullen er andere trekkers zijn. We mikken dus op een geëngageerd en realisatiegericht partnerschap.
Beleidsvoorstel 9:
De Vlaamse Regering voorziet een aangepast bestuursmodel, met volle doorwerking van het subsidiariteitsbeginsel Het aangepast bestuursmodel dat de Vlaamse Regering voorziet, met volle doorwerking van het subsidiariteitsbeginsel:
•• •• ••
bevordert doelgericht bovenregionale, Europese en internationale samenwerking; versterkt de bestuurskracht van lokale overheden. Burgernabije zaken kunnen het best en meest effectief op het laagste niveau beslist worden (zowel de plannen, vergunningen, als de handhaving). Burgers worden geresponsabiliseerd en de nadruk ligt op de beloning van verantwoordelijkheden (toelatingssystemen). faciliteert bottom-up initiatieven en co-creatie.
Ruimte voor morgen
2.2.6 Optimalisatie van bestaande middelen19
2.2.6.1 Doelstellingen Om de haalbaarheid van de bovenstaande doelstellingen in te schatten, is inzicht nodig in de financiële realiteit in het beleidsveld ruimtelijke ordening en in de beleidsvelden van de Vlaamse overheid die een belangrijke territoriale impact hebben. Optimale afstemming zal moeten groeien vanuit ruimtelijke ontwikkelingsagenda’s, waarbij territoriaal georiënteerde sectorale initiatieven en middelen worden samengelegd. Op die basis kunnen ook engagementen worden nagekomen. Verdeling van huidige RO-middelen Het beleidsveld Ruimtelijke ordening beschikt over een krediet van VAK ca. € 53 000 000 of ca. 0,20% op een totale Vlaamse begroting (VAK € 26 065 997 000). € 28 618 000 wordt ingezet voor beleidsbepaling, ruimtelijke ontwikkeling en gebiedsgerichte werking. Die middelen zijn niet toereikend om de gewenste ruimtelijke ontwikkeling en investering te realiseren in een periode van economische crisis. Benchmarking met Nederland 20 Het Nederlandse Rijk besteedt 1,48% van zijn investeringsbudget voor ruimtelijke ontwikkeling aan de uitbouw van ruimtelijke beleidswerking, terwijl dat in Vlaanderen maar 0,96% is. Nederland wist in de periode 2007–2013 voor € 830 000 000 aan EFRO–middelen te verwerven voor ruimtelijke ontwikkeling, terwijl Vlaanderen maar € 118 526 000 (15% van het Nederlandse bedrag) toebedeeld kreeg. De beleidskredieten van Ruimte Vlaanderen bedragen daarentegen maar 26,9% van die in Nederland voor 2014 en maar 14,6% van de middelen in 2015. Gezien de financiële situatie van Vlaanderen is het ondenkbaar om op korte termijn een gelijke proportionele middeleninzet te realiseren. Daarom is het cruciaal dat het gebiedsgericht beleid geïntegreerd wordt opgebouwd en onderbouwd met de diverse beleidsdomeinen en -entiteiten, en vervolgens procesmatig wordt afgestemd op projectniveau en realisatie, zodat eventuele kosten genivelleerd worden. Met een gebiedsgerichte aanpak en de koppeling van de EFRO-middelen creëren we zelfs een grotere win– winsituatie. Bundeling van Vlaamse overheidsmiddelen nodig voor ruimtelijke realisaties Door zijn faciliterende rol – in tegenstelling tot bijvoorbeeld in Nederland – in de realisatie van de beleidsobjectieven van de aanverwante beleidsvelden, draagt ruimtelijke ordening veelal proceskosten, gekoppeld aan de planning en het vergunproces. Dat is ook logisch, aangezien het ruimtelijk beleid als kernopdracht heeft om in overleg geïntegreerde ruimtelijk keuzes te maken en vast te stellen. Die rol moet het ook in de toekomst volop spelen en versterken.
19
Zie bijlage
20
MIRT Projectenboek 2013 Tabel 1 : Financieel overzicht beschikbare middelen.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Op het vlak van realisatie zijn er evenwel nog heel wat stappen te zetten naar een optimale inzet van de beschikbare middelen. De middelen voor ruimtelijke realisaties van eigen Vlaamse ruimtelijke projecten en de middelen voor de ondersteuning van diverse lokale besturen en stakeholders zitten verspreid over verschillende beleidsvelden. Daarnaast zijn er ook ruimtelijke investerings- of stimuleringsmechanismen21 zoals PMV, Via-Invest en SALK, die in feite al een gebiedsgerichte uitwerking omvatten, zonder beleidskader en zonder dat die ingezet kunnen worden op basis van een verhoogde territoriale cohesie en ruimtelijk rendement. In de context van de bepleite gebiedsgerichte en realisatiegerichte benadering is niet alleen een geïntegreerde benadering noodzakelijk in de definiëring van de gebiedsagenda en planning, maar ook in de realisatie. Dat kan door sterke (sectorale) engagementen, die ervoor zorgen dat wat gepland is, ook gerealiseerd wordt. Dat kan ook door het creëren van maximale synergie van middelen die vandaag al – zij het versnipperd – worden ingezet voor de gebiedsgerichte ontwikkeling. Gebiedsregie zal daarvoor noodzakelijk zijn. Ook in de ruimtelijke instrumenten die nodig zijn voor een performante overheid, moeten we investeren. De digitalisering van het vergunningen- en planningsproces heeft administratieve planlastvermindering tot doel. Om een efficiënte werking en optimale ondersteuning te verlenen aan stakeholders, zijn substantiële investeringen nodig. Die kunnen momenteel niet komen vanuit de beleidskredieten van ruimtelijke ordening. Het gaat om ondersteuning van lokale overheden bij de implementatie, de helpdeskwerking, ICTondersteuning … Maar ook de uitwerking van informatiestromen die efficiëntiewinst beogen (bijvoorbeeld de integratie van diverse sectorale vergunningen) vraagt extra middelen. De maatschappelijke kosten en baten van de omgevingsvergunning22 en het versnellen van investeringsprojecten op korte en lange termijn moeten nog worden becijferd.
Beleidsvoorstel 10:
De vlaamse Regering coördineert de in te zetten middelen van de beleidsvelden van de Vlaamse overheid met een belangrijke territoriale impact met het oog op kwalitatieve ruimtelijk ontwikkeling De optimale afstemming zal moeten groeien vanuit ruimtelijke ontwikkelingsagenda’s, waarbij territoriaal georiënteerde sectorale initiatieven en middelen worden samengelegd. Op die basis kunnen ook engagementen worden nagekomen. Om tot een territoriale win-winsituatie te komen worden de in te zetten middelen beter gecoördineerd. Daartoe wordt een geïntegreerde beleidsprogrammatie vooropgesteld.
21
Beleidsbrieven 2012-2013
22
Cf. nota VR in. het kader van het decreet omgevingsvergunning.
Ruimte voor morgen
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
De opmaak van het budgettaire luik van de verschillende beleidsvoorstellen legt focus op de uitdagingen voor de volgende legislatuur maar brengt geen inzicht in de budgettaire impact van het te continueren beleid. Om de beleidsvoorstellen financieel in kaart te brengen is uitgegaan van een aantal aannames. Niet meegenomen:
•• •• ••
De apparaat kredieten. Wel is aangegeven indien mogelijk, waar er verschuivingen en/of extra VTE zullen moeten worden ingezet dmv samenwerking of herorientering van Vlaamse proces en projectwerking. Ook de reguliere werkingskosten en informaticakosten werden niet opgenomen. Bij de budgettaire inschatting werd ook geen rekening gehouden met mogelijke scenario’s van besparingen die zullen worden doorgevoerd naar aanleiding van de bevoegdheidsoverdrachten in het kader van de 6de staathervorming.
Niet budgetneutrale voorstellen geven de meervraag tov het huidige beleid.
Beleidsvoorstel 1: De Vlaamse Regering keurt het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV) goed op basis van de uitkomsten van de publieke consultatie en verankert decretaal de beleidsplanning. Inhoud die middelen kan vereisen: Definitieve goedkeuring van het beleidsplan Ruimte Vlaanderen na publieke consultatie. Opstarten van continue beleidsplanning (periodieke evaluatie en bijsturing kernnota in partnerschapsmodel). Bestaande kredieten onder beleidslijn 1 “Visievorming en BRV”: 201 kEur (procesbegeleiding). Bestaande kredieten onder beleidslijn 2 “Effectueve uitvoering van het RSV en BRV”: 320 kEur (partnerschappen). Nieuw initiatief: Opzetten van continue beleidsplanning.
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag: 1. Personeelskredieten: geen bijkomende kredieten vereist. 2. Definitieve goedkeuring van het beleidsplan Ruimte Vlaanderen na publieke consultatie. 3. Opstarten van continue beleidsplanning in partnerschapsmodel (periodieke evaluatie en bijsturing kernnota in partnerschapsmodel).
Budgettaire uitgave (in KEur)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Communicatie Proces specifiek ondersteuning/ consultancy Continuering procesonderzoek
600 kEur
Nieuw budget 600 kEur recurrent
Beleidsvoorstel 2:
De Vlaamse Regering stelt een rollend meerjarenprogramma beleidsplanning Ruimte op. Dit laat toe op strategisch niveau binnen iedere legislatuur de juiste ruimtelijke keuzes te maken en nieuwe accenten te leggen op basis van de prioriteiten die zich op dat moment stellen. Inhoud die middelen kan vereisen: Opzetten rollend meerjarenprogramma (Cf. BV1). Jaarlijks 3 tot 5 beleidskaders en/of actieprogramma’s vastleggen. Binnen de huidige kredieten daarvoor geen middelen beschikbaar. Nieuw en continuering bestaand beleid: 1. Proces specifieke consultancy en inhoudelijke ondersteuning per kader. 2. Opzetten partnerschap voor de verschillende kaders. 3. Proces en inhoudelijk monitor voor de kaders. Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag: 1.150 kEur 1. Personeelskredieten: 2 vte per beleidskader vereist, totaal bijkomend 7 vte op te vangen door samenwerking of herorientering van Vlaamse proces of projectwerking 2. Proces specifieke consultancy en inhoudelijke ondersteuning per kader 3. Opzetten en continueren partnerschap 4. proces en inhoudelijke monitor opzetten en onderhouden: Assumptie: 5 kaders per jaar zijnde totaal 1.150 kEur. Budgettaire uitgave (in KEur)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Proces specifieke consultancy
750 kEur
Nieuw budget 750 kEur recurrent
Opzetten partnerschap
250 kEur
Nieuw budget 250 kEur recurrent
monitor
150 kEur
Nieuw budget 50 kEur recurrent
Ruimte voor morgen
Beleidsvoorstel 3:
De Vlaamse Regering versterkt de ruimtelijk samenhang en territoriale cohesie in Vlaanderen Inhoud die middelen kan vereisen: De opname van territoriale cohesie in Lissabon Verdrag als te realiseren doelstelling vertaalt Vlaanderen door in te zetten op: 1. de missing links en infrastructuurnetwerken met een sterk ontwikkelingspotentieel in het metropolitaans kerngebied 2. de ruimtelijke ontwikkeling van performant functionerende poorten 3. de ontwikkeling van woningen, kennisclusters, diverse voorzieningen, ondernemingen … die vragen naar hernieuwde ruimtelijke verbindingen 4. een actief ontwikkelingsbeleid voor netwerken van grote aaneengesloten openruimtegebieden in transformatie, en robuuste openruimteverbindingen. 5. ruimtelijke kennisverwerving en inzet op (Europees) ruimtelijk onderzoek in het kader van territoriale ontwikkeling. Bestaande kredieten onder beleidslijn 1 “Visievorming en BRV”: 58 kEur.(Espon) en 370 kEur (Steunpunt). Bestaande kredieten onder beleidslijn 2 “Effectieve uitvoering van het RSV en BRV”: 1.096 kEur (onderzoek en ondersteuning opmaak GRUP’s) en 2.530 kEur (strategische projecten). Continuering bestaand beleid: 1. Effectieve uitvoering RSV en BRV: Opstart van projecten (AGNAS, RUP’s,..) 2. Door sector overschrijdende projectondersteuning met al dan niet oog op potentiële (Europese) medefinanciering (GTI) 3. Gebiedsgericht onderzoek en daaruit volgende projecten en programma’s (beleidsvoorstel 1,2, 5,6) 4. Continuering van ruimtelijke kennisverwerving en inzet op (Europees) ruimtelijk onderzoek (beleidsvoorstel 4): Meerkost: kost nader te bapalen 5. herziening van projecten (RUP’s) Budgettaire uitgave (in KEur)
budget in 2015
Bijdrage Espon Herziening van uitvoeringsprojecten Effectieve uitvoering Strategische projecten
Nader te bepalen
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
Beleidsvoorstel 4:
De Vlaamse Regering versterkt de grensoverschrijdende ruimtelijke samenwerking. Daardoor continueren we het ruimtelijke functioneren over de grenzen en zijn win wins te halen uit ruimtelijke oplossingen. Inhoud die middelen kan vereisen: 1. Grensoverschrijdende uitwisselen van ervaringen en goede praktijken rond algemene beleidsvisies, -instrumentaria en -governance, … 2. Territoriale samenwerking door afstemming en opmaak van ruimtelijke visie, -beleid, gebiedsgerichte en projectmatige samenwerking met buurlanden en federale overheid. Bestaande kredieten onder beleidslijn 1 “Visievorming en BRV”: 1.087 kEur (Onderzoek). Nieuw en continuering bestaand beleid: 1. Te continueren beleid: de grensoverschrijdende samenwerking (fora en projectwerking) 2. Nieuwe initiatieven volgen uit het concretiseren van de grensoverschrijdende samenwerking: het starten van gebiedsgerichte projecten met oog op Europese medefinanciering, het starten van grensoverschrijdend onderzoek en (MKBA en MER) studies, het uitwisselen van informatie en data. Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag 1. De opstart en prefinanciering van 2 grensoverschrijdende projecten: •• opzet van 2 extra (MKBA en MER) studies: à 150 kEur/ studie = 300 kEur totaal. •• opzet van grensoverschrijdend onderzoek: 250 kEur/ jaar. Informatie en data-uitwisseling ter synergie van programmatie: budgetneutraal 2. 3. Monitoring en evaluatie: 50 kEur/jaar Budgettaire uitgave (in KEur)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Visievorming en onderzoek
250 kEur
Nieuw budget 250 kEur recurrent
Onderzoek en studies ter ondersteuning van RO processen
300 kEur
300 kEur recurrent
Monitoring en evaluatie
50 kEur
50 kEur recurrent
De efficiëntiewinsten: •• Het maatschappelijk rendement dient bewaakt door evaluatie en monitoring van de initiatieven •• Een beheer en regie van de grensoverschrijdende initiatieven
Ruimte voor morgen
Beleidsvoorstel 5:
De Vlaamse Regering formuleert een ontwikkelingsprogramma die maatschappelijke uitdagingen een plaats geeft. Inhoud die middelen kan vereisen: De Vlaamse overheid brengt haar ontwikkelingsagenda in en stemt haar middelen af op gezamenlijke programma’s van lokale besturen. Continuering en optimalisering bestaand beleid: •• Voorzien vanuit BRV in ruimtelijk ontwikkelingsbeleid dat faciliteert en het ontwikkelingsproces stimuleert. •• Samenwerking om tot gezamenlijke strategie te komen –door investering in voortrajecten. •• Gericht locatiebeleid en passende flankerende maatregelen: vereist verder onderzoek naar noden sectoren. Budgetneutraal: Geen bijkomende kredieten vereist. Kan opgevangen worden vanuit de interne werking op beleidsvoorstel 1, 2, 3. Budgettaire uitgave (in KEur)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Binnen huidige budgetten
Beleidsvoorstel 6:
De Vlaamse Regering neemt initiatief in prioritaire ontwikkelingsgebieden Inhoud die middelen kan vereisen: Gebieden met complexe maatschappelijke opgaven: actieprogramma’s opmaken en realiseren in partnerschap. 1. Initiëren in prioritaire ontwikkelingsgebieden geraamd op één per jaar (relatie met beleidsplanning). 2. Voor elk prioritair ontwikkelingsgebied: Opmaak van actieprogramma in partnerschapsmodel. 3. Voor elk prioritair ontwikkelingsgebied: Realisatie van actieprogramma in partnerschapsmodel. Vervat in de bestaande kredieten onder beleidslijn 2 “Effectueve uitvoering van het RSV en BRV”: 1.096 kEur (onderzoek en ondersteuning opmaak GRUP’s) en 2.530 kEur (strategische projecten) die ook werden opgenomen onder voorstel 3.Continuering en nieuw beleid: •• Huidige financiële middelen en VTE worden verschoven i.f.v. deze prioritaire ontwikkelingsgebieden, •• Inzet op projectmonitoring. Nieuw initiatief: •• Opstarten van proactieve én realisatiegerichte processen in regionale gebieden.
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
Meerkost: 10pct cofinanciering in investeringsprojecten. Budgettaire uitgave (in KEur)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Projectwerking
300kEur/ project
1500kEur (1/jaar voor 5 projecten) recurrent
Communicatie en procesondersteuning
50kEur/ project
1250kEur (1/jaar voor 5 projecten) recurrent
Tools
200 kEur
Gedeeltelijke heroriëntering van bestaande middelen mogelijk.
Cofinanciering van investeringsprojecten
10 % van het investeringsbudget zijn Vlaamse middelen
Afhankelijk van het investeringskapitaal van het project Met oog op potentiële (Europese) medefinanciering (IBA, EFRO, Horizon 2020, EGTS, LIFE…)
De efficiëntiewinsten: Cofinanciering door coproductie: Ruimte Vlaanderen initieert maar draagt niet alle kosten. Het partnerschap neemt engagementen op voor opmaak en realisatie van het actieprogramma, inclusief financiële engagementen. De ambitie is om tot VO-brede actieprogramma’s te komen, en Vlaamse middelen te bundelen in de prioritaire ontwikkelingsgebieden.
Beleidsvoorstel 7:
De Vlaamse Regering voorziet het operationaliseren van de decreten betreffende de omgevingsvergunning en betreffende complexe projecten en verruimt de methodiek (procesmatige aanpak) naar alle vergunnings- en planprocessen Inhoud die middelen kan vereisen: Vlaanderen operationaliseert de decreten Omgevingsvergunning en Complexe Projecten en realiseert de verdere stroomlijning van planning. De operationalisering betekent een juridische, procedurele en organisatorische aanpassing binnen diverse departementen. Continuering en versterking bestaand beleid Voor realisatie back-office is extra ondersteuning (ook in vte) nodig. Budgettaire meervraag op te vangen door interne verschuivingen. Budgettaire uitgave (in KEur)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Binnen huidige budgetten Mogelijke efficiëntiewinsten: Reduceren van juridisch procedures.
Ruimte voor morgen
Beleidsvoorstel 8: De Vlaamse Regering zorgt voor digitaal beschikbare ruimtelijke informatie tegen het einde van de legislatuur Inhoud die middelen kan vereisen: Verder uitbouw van het digitaal omgevingsloket: 1. Verdere uitbouw met bijkomende functionaliteiten, technische ondersteuning en ontwikkelingen van toepassingen. 2. Inkanteling van de omgevingsvergunning in het digitaal uitwisselplatform. Dit is een gedeeld project met LNE die mee voor cofinanciering zorgt. 3. Datauitwisseling tussen burger en overheid via het omgevingsvergunningenregister (OVR). Bestaande kredieten onder beleidslijn 3 “Inzetten instrumentarium” 1.266 kEur (verdere ontwikkeling DBA) en 729 kEur (digitale uitwisseling met gemeenten). Nieuw of continuering bestaand beleid: •• Continuering bestaand beleid op niveau van verdere uitbouw DBA. •• Nieuwe beleid in kader van omgevingsvergunning. Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag: 470 kEur
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Ondersteuning gemeenten
470 kEur
470 kEur (afhankelijk van het instappen van de gemeenten) recurrent
Subsidies provincies voor instap in omgevingsvergunning
Nader te bepalen
Cofianciering LNE Upgraden vergunningenregister en financiering omgevingsvergunning
Nader te bepalen
Budgettaire uitgave (in KEur) Uitvoering DBA
Beleidsvoorstel 9:
De Vlaamse Regering voorziet een aangepast bestuursmodel, met volle doorwerking van het subsidiariteitsbeginsel
•• •• ••
Doelgericht bovenregionale, Europese en internationale samenwerking bevorderen; De bestuurskracht van lokale overheden versterken; burgernabije zaken worden het best en meest effectief op het laagste niveau beslist (zowel de plannen, vergunningen, als de handhaving). Burgers worden geresponsabiliseerd en de nadruk ligt op de beloning van verantwoordelijkheden (toelatingssystemen). Dat bottom-up initiatieven en co-creatie faciliteert.
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
Inhoud die middelen kan vereisen: •• Doelgericht, versterkte bestuurskracht en intergemeentelijke samenwerking. •• Detecteren van mogelijkheden voor co-creatie en bottom-up. •• Verdere uitwerking en operationaliseren van het handhavingsbeleid. Bestaande kredieten onder beleidslijn 3 “Inzetten instrumentarium” 6.416 kEur (diverse subsidies aan de gemeenten). Budgetneutraal: Heroriëntering en afstemming van subsidiering van lokale overheden ikv bovenstaande doelstellingen. Budgettaire uitgave (in KEur)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Heroriënteren subsidie
De efficiëntiewinsten: Linken, ontsluiten en transparant maken van informatie binnen de VO.
Beleidsvoorstel 10:
De vlaamse regering coördineert de in te zetten middelen van de beleidsvelden van de Vlaamse overheid met een belangrijke territoriale impact in functie van ruimtelijke ontwikkeling. Inhoud die middelen kan vereisen: Coördinatie van de in te zetten Vlaamse middelen vanuit ruimtelijke ontwikkelingsagenda: •• Verhoogde inzet op procesmanagement (op niveau van de Vlaamse Overheid) inzetten voor ruimtelijke ontwikkelingen. •• Opzet van een meerjarenplanningen en een geïntegreerde proceswerking. •• Het gezamenlijk ontwikkelen van een visie op een bepaald gebied de vertaling ervan naar een gebiedsgericht project. •• De beschikbare begrotingsmiddelen van de verschillende beleidsvelden worden doelgericht ingezet •• Inzetten op een Vlaams ruimte gebonden (meerjarig) investeringsplan. •• Een grotere toegankelijkheid van ruimte gebonden onderzoeks- en studie resultaten. •• De bestaande subsidiemechanismen en samenwerkingsinstrumenten worden verruimd. Inzet van de huidige kredieten ook opgenomen bij o.a. voorstel 3 en 6.
Ruimte voor morgen
Kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd:
Budgettaire uitgave(in KEur)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
In functie van monitoring, evaluatie en communicatie
Nader te bepalen
Nader te bepalen
10 % van het investeringsbudget zijn Vlaamse middelen
Afhankelijk van het investeringskapitaal van de projecten
Heroriëntering van het subsidiemechanisme Cofinanciering van investeringsprojecten
BRONNEN
BRONNEN
Met het oog op de herziening van de strategisch ruimtelijke beleidskaders van Vlaanderen en haar aangrenzende regio’s werden ruimtelijke trends en uitdagingen al breed verkend voor: •• Vlaanderen: “Beleidsplan Ruimte, Groenboek-Trends en uitdagingen, Vlaamse Overheid, Departement RWO-afdeling Ruimtelijke Planning en Kernteam Beleidsplan Ruimte Vlaanderen” •• Europa: •• Redefining Urban: a new way to measure metropolitan areas, EOCD •• http://www.oecd.org/regional/redefiningurbananewwaytomeasuremetropolitanareas.htm •• Groenboek Territoriale Cohesie. De weg voor ons.: http://ec.europa.eu/regional_policy/ sources/docgener/panorama/pdf/mag28/mag28_nl.pdf Regionale rapporten: •• •• Wallonie: “Diagnostic territorial de la Wallonie", 2006 – Conférence Permanente du Développement Territorial •• Brussel : http://stedenbouw.irisnet.be/spelregels/pdf/gpdo/prdd_standvanzaken •• Frankrijk /Picardie: http://www.picardie.fr/-Le-SRADDT-adopte-par-les-elus,766•• Nederland: •• Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2012, Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig •• “Welvaart en Leefomgeving, een scenariostudie voor Nederland in 2040, Centraal Planbureau, Milieu- en Natuurplanbureau en Ruimtelijk Planbureau, Projectleiding en redactie L.H.J.M. Janssen, V.R. Okker, J. Schuur” De strategische langetermijndoelstellingen voor de ruimte van morgen baseren zich op: •• Berx, 2010, ESPON 2013 Programme (2013) ESPON Atlas, Territorial Dimensions of the Europe 2020 Strategy, ESPON Coordination Unit, Luxembourg •• EUROPEAN COMMISSION (1994), Europe 2000 +, Co-operation for European territorial development, Brussel, Luxembourg •• EUROPEAN COMMISSION (1999), European Spatial Development Perspective. •• European Commission (2007) Territorial Agenda of the European Union: Towards a More Competitive Europe of Diverse Regions. Brussels: EC •• European Commission, 2011, Territorial Agenda 2020 - Towards an Inclusive, Smart and Sustainable Europe of Diverse Regions. Agreed at the Informal Ministerial Meeting of Ministers responsible for Spatial Planning and Territorial Development on 19th May 2011 Gödöllő, Hungary •• European Commission, 2008,Green Paper on Territorial Cohesion •• Flowscapes; infrastructure as landscape, landscape as infrastructure. Graduation lab landscape architecture semester guide 2012-2013. Nijhuis, S., Jauslin, D. and Vries, C. de (2012) Delft University of Technology •• Loecxk A., e.a., 2012, Naar een nieuwe gemeenschappelijkheid voor Brussel, Metaforum, KULeuven, Visietekst 8, 13 februari 2012, 69 p. •• Sauwens, 2010, •• Vlaamse Regering, 2012, Groenboek. Vlaanderen in 2050: mensenmaat in een metropool. Beleidsplan Ruimte, samen denken over de Vlaamse Ruimte. Vlaamse overheid •• Jan Rotmans “In het oog van de orkaan” Nederland in transitie. •• Design and Politics #5 “Adaptieve regionale planning en ontwerp”
Ruimte voor morgen
•• •• •• ••
Vlaamse overheid (2011) Polycentric regions facing global challenges: A role for strategic spatial planning. Brussels: Ministry of the Flemish Community, Department of Spatial Planning, Housing Policy and Immovable Heritage “Stedelijke Vitaliteit, ‘Steden zijn lui’ en 32 andere visies op de vitale stad.” University of Applied Sciences Amsterdam & Elba Media Amersfoort, ISBN 978-90-7935-408-5 2010 “Sensing Human Activity: GPS Tracking” ISSN 1424-8220; CODEN: SENSC9 ‘Exploring the Public City, Improving the space between buildings’ Copenhagen Technical Academy (CTA). 2010
BRONNEN
Slimme mobiliteit
Inhoudstafel
Inhoudstafel 01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE 1.1 Personenvervoer 1.2 Logistiek 1.3 Vlot verkeer 1.4 Verkeersveiligheid 1.5 Groene mobiliteit 1.6 Prijsbeleid
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
245 245 245 247 248 248 249
250
2.1 Algemene ambitie, visie 2.2 Strategische doelstellingen en beleidsvoorstellen
250 254
SD1. De bereikbaarheid van de economische knooppunten en poorten op een selectieve wijze waarborgen;
254
SD2. Iedereen op een selectieve wijze de mogelijkheid bieden zich te verplaatsen, met het oog op de volwaardige deelname van eenieder aan het maatschappelijk leven;
254
SD3. De verkeersonveiligheid terugdringen met het oog op een wezenlijke vermindering van het aantal verkeersslachtoffers;
254
SD4. De verkeersleefbaarheid verhogen, onafhankelijk van de ontwikkeling van de mobiliteitsintensiteit;
254
SD5. De schade aan milieu en natuur terugdringen onafhankelijk van de ontwikkeling van de mobiliteitsintensiteit.
254
Beleidsvoorstel 1: Beleidsvoorstel 2: Beleidsvoorstel 3: Beleidsvoorstel 4: Beleidsvoorstel 5: Beleidsvoorstel 6: Beleidsvoorstel 7:
We zorgen voor betrouwbare en efficiënte netwerken 273 We pakken de files aan 274 We zorgen voor een veiligere mobiliteit 275 We gaan voor een prijsbeleid dat gebaseerd is op het principe ‘de gebruiker / de vervuiler betaalt’ 276 We bouwen onze netwerken verder uit tot slimme netwerken 276 We zetten in op een meer duurzame en efficiënte stedelijke mobiliteit 277 We verbeteren de mobiliteit van minder mobielen 278
Slimme mobiliteit
Beleidsvoorstel 8: We investeren in slim goederenvervoer en logistiek Beleidsvoorstel 9: We versterken de concurrentiepositie van de Vlaamse zeehavens Beleidsvoorstel 10: De Vlaamse regionale luchthavens worden samen met private partners efficiënt uitgebouwd en geëxploiteerd.
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
278 279 279
272
3.1 Algemeen 272 3.2 Concrete budgettaire impact van de beleidsvoorstellen 272 Beleidsvoorstel 1: We zorgen voor betrouwbare en efficiënte netwerken 273 Beleidsvoorstel 2: We pakken de files aan 274 Beleidsvoorstel 3: We zorgen voor een veiligere mobiliteit 275 Beleidsvoorstel 4: We gaan voor een prijsbeleid dat gebaseerd is op het principe de gebruiker / de vervuiler betaalt 276 Beleidsvoorstel 5: We bouwen onze netwerken verder uit tot slimme netwerken 276 Beleidsvoorstel 6: We zetten in op een meer duurzame en efficiënte stedelijke mobiliteit 278 Beleidsvoorstel 7: We verbeteren de mobiliteit van minder mobielen 278 Beleidsvoorstel 8: We investeren in slim goederenvervoer en logistiek 278 Beleidsvoorstel 9: We versterken de concurrentiepositie van de Vlaamse zeehavens 278 Beleidsvoorstel 10: De Vlaamse regionale luchthavens worden samen met private partners efficiënt uitgebouwd en geëxploiteerd 279 Conclusie budgettaire impact 280
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
1.1
Personenvervoer
De personenmobiliteit nam in de periode 2000-2010 met 14% toe tot 81 miljard personenkilometers. De afgelopen tien jaar is het verplaatsingsgedrag niet drastisch gewijzigd. In 2010 legden de Vlamingen 80,6% van de (gemotoriseerde) personenkilometers met de auto af, 11,4% met de bus en 8% met de trein. Het is belangrijk om het autogebruik terug te dringen met het oog op een vlotter, veiliger en milieuvriendelijker verkeer. De afgelopen jaren werd gestreefd naar een aandeel van 40% voor duurzame woon-werkverplaatsingen (te voet, met de fiets of met het collectief vervoer, cf. Pact 2020 - Vlaanderen in Actie). Dat wensbeeld is nog niet bereikt. Volgens het Onderzoek Verplaatsingsgedrag Vlaanderen 4.4 (2011-2012) gebeurt 73,4% van het woon-werkverkeer met de auto als hoofdvervoerwijze. Het collectief vervoer en de fiets zijn goed voor respectievelijk 11,5% en 11,2% van de woon-werkverplaatsingen. Het woon-schoolverkeer verloopt duurzamer: het gebruik van de auto (30,8% van de verplaatsingen), collectief vervoer (28,9%) en de fiets (28,6%) staan ongeveer op hetzelfde niveau. In tien jaar tijd is het aantal reizigers bij het stads- en streekvervoer en spoorvervoer sterk toegenomen, respectievelijk +129% en +47% (2000-2010). Het openbaar vervoer wordt vooral gebruikt voor woonwerkverkeer en woon-schoolverkeer. In stedelijke gebieden heeft het openbaar vervoer ook een belangrijk aandeel. In beide gevallen gaat het om grote voorspelbare vervoerstromen die zich bijgevolg uitstekend lenen tot collectieve systemen. Een belangrijk deel van de verplaatsingen speelt zich af op lokaal niveau. Voor meer dan de helft (52,4%) van de verplaatsingen is de afstand korter dan 5 km en amper een vijfde (21,4%) is langer dan 15 km. Voor afstanden tot en met 1 km gaat 71,8% van de Vlamingen te voet of met de fiets. Toch kiest nog altijd 27,3% de auto voor die verplaatsingen. In de afstandsklasse tussen 1 en 5 km zijn er heel wat minder trappers en stappers, maar 27,7%. Er rest dus nog een aanzienlijk potentieel voor duurzame modi in Vlaanderen.
1.2 Logistiek
De vervoersector is een belangrijke economische sector in Vlaanderen. De sector is goed voor 5,8% van het bbp (2010) en 4,4% van de werkgelegenheid (2011). De logistieke sector werd hard getroffen door de economische crisis, waardoor die percentages iets lager liggen dan vóór 2009. Ook de zee- en luchthavens zijn belangrijk voor de welvaart in Vlaanderen. De zeehavens zorgden in 2011 voor een directe en indirecte toegevoegde waarde van respectievelijk 14,5 miljard euro (+ 4,3% ten opzichte van 2006) en 13,2 miljard euro (+ 12,7% ten opzichte van 2006) en voor 101.478 directe (- 3,6% ten opzichte van 2006) en 125.873 indirecte (- 0,3% ten opzichte van 2006) voltijdse banen. De directe toegevoegde waarde van de Vlaamse luchthavens in 2009 bedroeg 1,67 miljard euro. Het aandeel van Brussels Airport
Slimme mobiliteit
daarin is ongeveer 95%. De Vlaamse luchthavens waren verantwoordelijk voor 18.723 directe voltijdse banen in 2006. Het indirecte effect is van dezelfde grootteorde als het directe effect. In tegenstelling tot de personenmobiliteit vertoonde het goederenvervoer de laatste tien jaar een sterke groei in zowat alle vervoersegmenten. De totale goederenmobiliteit, uitgedrukt in tonkilometer, nam in de periode 2000-2010 toe met 25%. Die globale toename verbergt een sterke terugval in 2008 en 2009 als gevolg van de economische crisis (respectievelijk - 14% en - 5%). Het vrachtvervoer via de weg nam tussen 2000 en 2007 toe met ongeveer de helft en daalde tussen 2007 en 2011 met 15,3%. Het wegvervoer is met een aandeel van ongeveer 81% (2011) dominant in de modale verdeling van het vrachtvervoer. Sinds 2005 stagneert de trafiekgroei van de binnenvaart. Na een terugval in 2009 ten gevolge van de economische crisis en een herstel presteerde de binnenvaart in 2012 opnieuw 5% minder dan het jaar voordien. De redenen daarvoor zijn de achteruitgang van de nijverheid, de gebrekkige binnenvaartontsluiting van de kusthavens, verouderde infrastructuur, de concurrentie van het spoor en een tekort aan goed ontsloten watergebonden bedrijventerreinen. Het modale aandeel bedroeg 10% in 2011. Het leeuwendeel van de ladingen en lossingen vindt plaats in de havens van Antwerpen en Gent. Het aanbod aan overslaginfrastructuren langs de waterweg werd gestaag uitgebreid via het kaaimurenprogramma. Onderhoud werd vooral uitgevoerd voor de beweegbare kunstwerken en de drukst bevaren waterwegen. Door de hoge leeftijd van heel wat kunstwerken dreigt de storingsgevoeligheid van het waterwegennet de komende jaren echter toe te nemen. Om de baggerachterstand weg te werken, blijft het creëren van bijkomende behandelings- en stortcapaciteit en reële toepassingsmogelijkheden van de aangevoerde specie een aandachtspunt. Daarenboven zijn de kosten die verbonden zijn aan het op diepte houden van de waterwegen, sterk toegenomen als gevolg van strengere milieureglementering. Het aantal binnenvaartschepen (België) voor goederenvervoer vertoont een dalende trend. Wel is er, vanwege de schaalvoordelen, een tendens om grotere schepen te gebruiken. Dat heeft ertoe geleid dat de hoofdwaterwegen gemoderniseerd werden en dat de kleinere vaarwegen onderbenut werden. Dat heeft negatieve gevolgen voor de ontsluiting van bedrijven die aan kleinere waterwegen liggen. Na een aanzienlijk marktaandeelverlies van het goederenvervoer per spoor in de jaren negentig was er tussen 2001 en 2006 een toename (+ 23%). De trafiek daalde in 2009 met 22%. In 2011 steeg het aantal gerealiseerde tonkilometer in Vlaanderen opnieuw lichtjes met 2% en bedroeg het modale aandeel circa 9%. Het maritieme goederenvervoer nam tussen 2000 en 2010 toe met 34%. In 2012 werd 257 miljoen ton behandeld, dat is 3% minder ten opzichte van 2011. De havens van Antwerpen, Zeebrugge, Gent en Oostende behandelen respectievelijk 72%, 17%, 10% en 1% van die tonnage. Het Vlaamse aandeel in de totale trafiek van de Le Havre-Hamburg-range bedroeg 23,3% in 2012, hetzij 0,8 procentpunt minder dan in 2011. De toename van het maritieme transport houdt verband met de groei van de internationale handel en de schaalvergroting in de zeevaart. Short Sea Shipping neemt verder toe en heeft een belangrijk trafiekaandeel van circa 52% in 2012. Een andere belangrijke trend binnen de havens is de groeiende overslag van containers: van 12,8% van de overslag in 1990 tot 48,6% in 2012. Door de schaalvergroting steeg de gemiddelde brutotonnenmaat per schip (sinds 1990 verdrievoudigd, in Zeebrugge verviervoudigd). Die tendens heeft implicaties voor de maritieme toegankelijkheid van de havens.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
De modale verdeling van aan- en afvoer van goederen in de zeehavens verschilt. In de Antwerpse haven is het hinterlandtransport eerder gediversifieerd. Dat transport verloopt voornamelijk via binnenvaart, via pijpleidingen en via wegtransport. De haven van Zeebrugge is in grote mate aangewezen op wegvervoer voor de aan- en afvoer van goederen. Ook spoor- en pijpleidingenvervoer vervullen een belangrijke rol. Het gebrek aan volwaardige binnenvaartverbinding in Zeebrugge wordt de laatste jaren voor de containervaart slechts deels opgevangen door de inzet van estuaire schepen. In de haven van Gent verloopt het vervoer naar het achterland voornamelijk via de binnenvaart en over de weg. Wat betreft hinterlandontsluiting ondervinden de zeehavens een aantal problemen, zoals de beperkte capaciteit van het spoor, de aansluitende binnenvaartverbindingen en de sluizen in de haven. De congestie op het wegennet is ook een belangrijk knelpunt. Het pijpleidingennetwerk is erg belangrijk voor Vlaanderen. Goederentransport via het pijpleidingennetwerk in Vlaanderen is veelal een private aangelegenheid. Via haar rol als vergunningsverlener kan de Vlaamse overheid de verdere uitbouw faciliteren.
1.3
Vlot verkeer
Na de sterke groei in de jaren negentig bleef het aantal voertuigkilometers ook de laatste tien jaar (2000-2010) op zowel gewest- als gemeentewegen toenemen (+8%). Wel zien we een veel sterkere groei op de autosnelwegen dan op de overige gewestwegen. Vooral binnen de Vlaamse Ruit zijn er hoge verkeersconcentraties. Tot de wegvakken met het hoogste aantal voertuigen per dag behoren de ringwegen rond Antwerpen (R1) en Brussel (R0). De oorzaak daarvan is de sterke interferentie van het bestemmings-, doorgaand en lokaal verkeer. In 2008 en 2009 stagneerde de filezwaarte op het hoofdweggennet in alle regio’s, wat toegeschreven kan worden aan de economische crisis. In 2010 en 2011 vertoonde de filezwaarte opnieuw een stijgend trend. In 2012 was er opnieuw een stijging in Vlaanderen en in de regio Brussel maar een daling in de regio Antwerpen. De meeste waterwegen beschikken nog over een behoorlijke restcapaciteit. De transportinfrastructuur van het wegennet werd de laatste tien jaar slechts in beperkte mate verder uitgebouwd (+ 5% in lengte). De groei deed zich vooral voor op het gemeentelijk wegennet (aandeel 90 %). De nadruk lag eerder op het optimaliseren van het bestaande wegennet, het wegwerken van zwarte punten en missing links, de herinrichting van doortochten en de uitbreiding van de fiets- en voetgangersinfrastructuur. In woongebieden en stads- en dorpskernen werd de toegelaten snelheid vaak verlaagd en op het hele wegennet was er een strenger handhavingsbeleid, onder meer via flitscamera’s. Van de Vlaamse autosnelwegen scoort 10,6% onvoldoende qua spoorvorming, vlakheid, beschadigingsgraad en stroefheid. Respectievelijk 9,5% en 12,7% van de autosnelwegen en gewestwegen heeft nood aan structureel onderhoud. Momenteel is bijna twee derde van het Bovenlokaal Functioneel Fietsroutenetwerk uitgerust met fietspaden. In 2012 was slechts 32% van dat netwerk conform de richtlijnen uit het Vademecum Fietsvoorzieningen.
Slimme mobiliteit
Bovendien bleek uit inspectie dat 9,5% (of 685 km) van alle fietspaden in beheer van het Vlaamse Gewest een quotering ‘onvoldoende’ kreeg voor de staat van het wegdek. Maatregelen om de doorstroming van het openbaar vervoer te verbeteren door middel van vrije busbanen en verkeerslichtenbeïnvloeding zijn van groot belang. De gemiddelde verplaatsingssnelheid met bus, tram en metro ligt de helft lager ligt dan met de auto of de trein. Op de vijftig belangrijkste knelpunten verliezen openbaarvervoergebruikers dagelijks 4244 uur door slechte doorstroming. Een evaluatie die uitgevoerd is in het kader van de Vlaamse spoorstrategie, leert dat bijna alle spoorinfrastructuurwerken die belangrijk zijn voor Vlaanderen en die opgenomen zijn in het meerjarenplan 2001-2012, vertraging hebben opgelopen of niet zijn opgestart.
1.4 Verkeersveiligheid
Het veiligheidsrisico voor voetgangers, fietsers en motorrijders ligt erg hoog. Het risico is het hoogst voor motorrijders (82 dodelijke slachtoffers per miljard voertuigkilometers in 2010), gevolgd door voetgangers (32,1) en fietsers (19,2). Het risico ligt significant lager voor personenwagens (4,2). Het risico op ernstige verwondingen geeft ongeveer hetzelfde beeld. In de periode 1999-2011 is het aantal verkeersslachtoffers in het wegverkeer significant gedaald. In 2011 werden nog 432 doden en dodelijk gewonden (-46,5% t.o.v. 1999) en 3.697 zwaargewonden (-44,9%) in Vlaanderen geteld. In 2012 werden 381 dodelijke ongevallen geregistreerd (-11,8% t.o.v. 2011). De daling is onder meer toe te schrijven aan beleidsmaatregelen en evoluties in de medische sector en voertuigveiligheid. De doelstellingen die vooropgesteld zijn in het ontwerp Mobiliteitsplan Vlaanderen (2003), zijn evenwel niet gehaald. Het risico op een ongeval ligt aanzienlijk lager op autosnelwegen dan op overige wegen (respectievelijk 101,8 en 773,1 ongevallen per miljoen voertuigkilometers in 2010). Uit het EuroRap-rapport blijkt echter dat amper 12% van het Trans-Europese snelwegennet in België een laag veiligheidsrisico heeft. Stads- en streekvervoer, treinverkeer, binnenvaart en ondergronds transport worden gekenmerkt door een erg gering ongevallenrisico. Personen- of goederenvervoer via die modi biedt dus een verkeersveilig alternatief voor het wegvervoer.
1.5
Groene mobiliteit
Het verkeer is een van de belangrijkste emissiebronnen van broeikasgassen en fijn stof in Vlaanderen. De emissies leiden tot een aantasting van de leef- en omgevingskwaliteit. Vooral het gemotoriseerd wegverkeer draagt in grote mate bij tot de verkeersemissies, bij het spoorverkeer en de binnenvaart is dat minder het geval. De totale uitstoot van broeikasgassen (CO2, CH4 en N2O) is in de periode 2000-2010 met 1% toegenomen. De emissie van ozonprecursoren (NMVOS, NOx, CH4 en CO) en van de verzurende componenten (SO2, NOx en NH3) daalde in die periode met respectievelijk 40% en 30%.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
Het laatste decennium daalde de uitstoot van het personenvervoer ondanks de verdere toename van de personenkilometers. Hoewel ook vrachtwagens energiezuiniger worden, steeg hun emissie van broeikasgassen door het goederenvervoer door een toegenomen activiteit. De emissie steeg echter minder snel dan de gerealiseerde tonkilometers. De uitstoot wordt teruggedrongen door strengere Europese emissienormen voor nieuwe voertuigen en motoren en het toenemende gebruik van energiezuinige wagens en biobrandstoffen. Desondanks vinden een aantal schadelijke trends plaats. In de eerste plaats is het aandeel van dieselvoertuigen in het voertuigenpark toegenomen van 29% in 1990 tot 63% in 2012. Daarnaast hebben alternatieve brandstoffen een uiterst beperkt aandeel in de brandstofmix. Het aandeel van verkochte voertuigen op alternatieve brandstof of aandrijflijn bleef in 2009 onder 0,5% van het totale aantal nieuwe wagens. Technologische vernieuwingen in de binnenvaart dringen zich ook op om de milieuprestaties te verbeteren (de gemiddelde leeftijd van motorschepen is 46 jaar). Ten slotte gebruikt de internationale zeevaart zware brandstoffen en heeft ze dus een groot aandeel in de NOx-emissies. Fijn stof in Vlaanderen wordt voor bijna een kwart veroorzaakt door het verkeer. Voor de fracties PM10 en PM2.5 ligt het aandeel hoger, respectievelijk 32% en 40%. De aandacht verschuift de laatste jaren meer naar ultrafijn stof en het aantal deeltjes. Het aandeel van het verkeer daarin is immers nog hoger. Roet behoort tot de schadelijkste fractie in het fijn stof. De gezondheidseffecten van het verkeer zijn dus groter dan het emissieaandeel laat vermoeden. Wegverkeer is een van de belangrijkste geluidsbronnen. Sinds 2001 is het geluidsdrukniveau in Vlaanderen niet wezenlijk gewijzigd. De afname van de geluidsproductie per voertuig wordt gecompenseerd door de toename van de verkeersintensiteit en van het aandeel vrachtwagens. Het aandeel van de bevolking dat blootgesteld is aan geluid door wegverkeer, is wel licht toegenomen. De binnenvaart scoort zowel wat betreft de uitstoot van broeikasgassen en fijn stof, als van geluid per tonkilometer beter dan het wegverkeer. Door de toepassing van ondermeer walstroom voor de aangemeerde schepen en de modernisering van de aandrijfsystemen van binnenschepen wordt de milieuimpact van de binnenvaart steeds verder gedrukt.
1.6 Prijsbeleid
Momenteel is de kostprijs van personen- en goederenmobiliteit slechts in beperkte mate gekoppeld aan de interne en externe kosten van de mobiliteit. Openbaar vervoer wordt erg gesubsidieerd waardoor die vervoersmodi hun kosten niet internaliseren. Voor de private modi verschilt de mate van internalisering. Een dieselwagen betaalt ongeveer 69% van zijn externe kosten, terwijl een benzinewagen, door de lagere externe milieuschadekosten en de hogere accijnzen, 50% te veel betaalt. Zware vrachtwagens internaliseren tussen de 30% en de 66% van hun externe kosten. Op andere vervoersmodi worden amper belastingen geheven waardoor de graad van internalisering laag is.
Slimme mobiliteit
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
2.1
Algemene ambitie, visie
Het ontwerp Mobiliteitsplan Vlaanderen vormde het kader waarbinnen de beleidsprioriteiten voor het beleidsthema ‘Slimme Mobiliteit’ werden bepaald. Als Vlaanderen wil uitgroeien tot een Europese topregio, zal ook het mobiliteitsbeleid via een gerichte ontwikkeling van de mobiliteit en van het transportsysteem moeten bijdragen aan de realisatie van die ambitie. In het Mobiliteitsdecreet1 wordt de missie voor het mobiliteitsbeleid als volgt omschreven: “Het mobiliteitsbeleid is gericht op een duurzame mobiliteitsontwikkeling waarbij de mobiliteit wordt beheerd voor de huidige generatie zonder de behoeftevoorziening van de toekomstige generaties in het gedrang te brengen. Daarbij wordt aandacht besteed aan de integratie van en de synergie tussen sociale, ecologische en economische aspecten. De realisatie ervan steunt op een maatschappelijk veranderingsproces waarin het gebruik van hulpbronnen, de bestemming van investeringen, de gerichtheid van de technologische ontwikkeling en institutionele veranderingen worden afgestemd op zowel toekomstige als huidige behoeften.” Conform de Vlaamse Strategie voor Duurzame Ontwikkeling2 werken we aan een duurzaam mobiliteitsmodel dat:
•• •• •• •• •• ••
een levendige economie ondersteunt en voor meer welzijn zorgt; de toegang tot mobiliteit als basisbehoefte van individuen en de maatschappij garandeert; betaalbaar en sociaal rechtvaardig is; veilig is; de ecosysteemgrenzen van onze planeet respecteert; slechts een minimale milieu-impact en gezondheidsgevolgen heeft.
De visie die in het Mobiliteitsplan Vlaanderen wordt geformuleerd, geeft aan hoe we in de toekomst (2050) vorm zullen geven aan de ontwikkeling van een duurzaam mobiliteitsmodel. Daarbij houden we onder meer rekening met de strategieën die in Vlaanderen en Europa ontwikkeld zijn om het transportsysteem te verduurzamen, en met de afspraken die gemaakt zijn in het kader van het Pact 2020 om uit te munten als economisch innovatieve, duurzame en sociaal warme samenleving. Die visie is opgebouwd rond de volgende pijlers:
1
decreet betreffende het Mobiliteitsbeleid (2009), artikel 3
2
tweede Vlaamse Strategie Duurzame Ontwikkeling, goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 29 april 2011
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
•• •• •• •• ••
bereikbaar; inclusief; veilig; beperkte impact op mens, natuur en milieu; partnerschappen.
Bereikbaar Om te komen tot een mobiliteitsmodel dat een ‘levendige economie en meer welzijn’ ondersteunt, zorgen we ervoor dat Vlaanderen vlot verbonden is met andere metropolen in Europa en de rest van de wereld. Om Vlaanderen zijn rol als logistieke draaischijf en poort tot Europa te laten spelen, zorgen we voor een optimale ontsluitingsinfrastructuur die een vlotte toegang verschaft tot de internationale knooppunten (onder andere zeehavens en luchthavens) en het ondersteunende net van regionale knooppunten. Binnen Vlaanderen zijn, naast de havens en de luchthavens, ook de stedelijke regio’s belangrijke economische polen. Daarom versterken we hier de relaties tussen en binnen die gebieden. Door de fijnmazigheid van het water- en spoorwegennet te garanderen, zorgen we ervoor dat ook de binnenvaart en het spoor daarin een rol kunnen spelen. We zoeken naar duurzame en economisch rendabele oplossingen voor de levering van goederen binnen die stedelijke omgevingen. Op die manier verminderen we de verkeers- en milieudruk. Binnen de stedelijke regio’s realiseren we een fijnmazig fiets- en voetgangersnetwerk aangevuld met een ontsluitend collectiefvervoersysteem dat garant staat voor een duurzame en ruimtezuinige mobiliteit. In die gebieden verbeteren we ook het leef- en woonklimaat van de verschillende verkeersruimten (zie ook beleidsthema Groen en dynamisch stedengewest). Om de relaties tussen de stedelijke regio’s te verzorgen, versterken we de collectieve systemen, die ondersteund worden door een palet aan andere vervoerswijzen. We zorgen ervoor dat de verschillende knopen onderling goed verbonden zijn via robuuste en samenhangende netwerken met een hoge (gebruikers)kwaliteit, waardoor we een multimodale bereikbaarheid garanderen en, doordat die netwerken deel uitmaken van de Trans-Europese netwerken, ook een Europese inbedding verzekeren. Om Vlaanderen bereikbaar te houden, is het belangrijk dat de verkeersvolumes onder controle gehouden worden. Daarom voeren we een actief beleid dat gericht is op het aansturen van de vervoerswijzekeuze en op de verhoging van de vervoerefficiëntie. Voor de vervoerswijzekeuze hanteren we conform het Mobiliteitsdecreet en de resolutie van het Vlaams Parlement (voor de personenmobiliteit) het STOPprincipe3. In het goederenvervoer zetten we, conform het Europese beleid, in op comodaliteit en sturen we waar mogelijk aan op een modale verschuiving. Op die manier zorgen we er mee voor dat de groei van het gemotoriseerd verkeer onder controle blijft om zowel de bereikbaarheid over de weg te kunnen (blijven) garanderen als de verbetering van de veiligheid en het minimaliseren van de impact op de mens, de natuur en het milieu. Om tot een gewijzigde vervoerswijzekeuze te komen benadrukken we de complementariteit van de verschillende modi vanuit de eigen sterkten en sturen aan op een meer gevarieerd gebruik ervan. Op die manier komen we tot een betere benutting van het transportsysteem als geheel en van de intrinsieke
3
STOP-principe: We zetten eerst in op Stappen, dan Trappen, vervolgens Openbaar vervoer en tenslotte Privévervoer.
Slimme mobiliteit
kwaliteit van de verschillende modi. We besteden daarom extra aandacht aan het ontwikkelen van de knooppunten (hubs) waar de verschillende vervoerssystemen elkaar ontmoeten en aan een performante overstap en overslag. Dit betekent dat we de verschillende modi niet alleen fysiek verknopen maar deze verknoping ook doortrekken tot op het niveau van de informatie en de dienstverlening zodat zowel multimodale reisinformatie als end-to-end services aan de gebruikers worden aangeboden. Hiervoor is het belangrijk dat we de intelligentie van de verschillende modale netwerken verhogen. Een veranderde of meer gevarieerde vervoerswijzekeuze vraagt ook om een wijziging op het niveau van de gebruiker (mental shift). Om gewoontepatronen in de manier van verplaatsen of vervoeren te doorbreken, treden we zowel ondersteunend of faciliterend op ten aanzien van gewenst gedrag als ontmoedigend ten opzichte van ongewenst gedrag. Conform het Europese beleid zetten we in op de internalisering van de externe kosten en op een betere aanrekening van de gebruikskosten als hefboom tot een verhoogde vervoersefficiëntie en een gewijzigde vervoerswijzekeuze. Via een slim locatiebeleid dat gericht is op zowel de verweving en verdichting van werk en voorzieningen nabij de woonomgeving als op een evenwichtige clustering van menselijke, logistieke en industriële activiteiten in de ruimte, beperken we de vraag naar mobiliteit, ondersteunen we het gebruik van duurzame en ruimtezuinige vervoersmodi en zorgen we voor een meer evenwichtige belasting van het transportsysteem. Voor implementatie en strategische beleidsvoorstellen inzake locatiebeleid verwijzen naar het beleidsthema ‘Ruimte voor morgen’. Inclusief Vooral mensen met een verminderde mobiliteit, inkomenszwakke groepen, maar ook ouderen en jongeren vragen naar een betere, meer toegankelijke en (sociaal) veilige mobiliteit die hen toelaat op een zelfstandige manier te leven en te participeren in het maatschappelijke leven. Om tot een mobiliteitsmodel te komen dat de ‘toegang tot mobiliteit als basisbehoefte’ van individuen en de maatschappij garandeert en ‘betaalbaar en sociaal rechtvaardig’ is, stimuleren we vormen van gedeelde mobiliteit en bouwen we de collectieve systemen en fiets- en voetgangersnetwerken verder uit. Bij de uitbouw van het transportsysteem en de dienstverlening besteden we daarom de nodige aandacht aan de specifieke vereisten die die groepen stellen aan het gebruik van het transportsysteem. Om te voorkomen dat mensen met een mobiliteitsbeperking worden uitgesloten van deelname aan het sociale en maatschappelijke leven of moeilijk toegang hebben tot het zorgaanbod, werken we, complementair aan en geïntegreerd in met het reguliere aanbod, een vraagafhankelijk aanbod van aangepast vervoer (gang-tot-gangvervoer) uit. Veilig Om de veiligheid voor de verschillende gebruikers te garanderen en op termijn te komen tot een slachtoffervrij systeem, maken we werk van een transportsysteem dat het risico op ongevallen minimaliseert en afdoende bescherming biedt als zich toch nog ongevallen voordoen. Via ingrepen in de infrastructuur streven we naar inherent veilige wegen. We streven ook naar een weginrichting die het gewenste ruimtelijke functioneren ondersteunt op het vlak van functionaliteit en werkelijk gebruik.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
We verbeteren het verkeersgedrag van weggebruikers door in te zetten op de ontwikkeling van persoonlijke vaardigheden en veiligheidsgerichte attitudes. Opleiding en bewustwording zien we daarbij als een levenslang proces dat ervoor moet zorgen dat verkeersdeelnemers niet alleen over de juiste basiscapaciteiten maar ook over de juiste houding beschikken om risicovol gedrag te vermijden. Via systematische controles op de naleving van de verkeersregels gaan we onveilig en asociaal rijgedrag tegen. Om te komen tot een veilig gebruik van het transportsysteem, bieden technologische ontwikkelingen op het niveau van voertuigen en infrastructuurnetwerken perspectieven. Naast de verkeersveiligheid besteden we ook de nodige aandacht aan de sociale veiligheid (bijvoorbeeld risico op diefstal beperken) en de ‘beveiliging’ van het transportsysteem (bijvoorbeeld risico op aanslagen beperken). Beperkte impact op mens, natuur en milieu Om te komen tot een mobiliteitsmodel dat de ‘ecosysteemgrenzen van onze planeet’ respecteert en ‘minimale milieu-impact en gezondheidsgevolgen’ heeft, maar ook zuinig omspringt met ruimte en andere natuurlijke rijkdommen, is het belangrijk om de vervoersvraag te beheersen en de mobiliteitsontwikkeling brongericht te heroriënteren naar meer milieuvriendelijke, energie-efficiënte en ruimtezuinige modi. Toch blijven ook maatregelen die gericht zijn op het milieuvriendelijker, geluidsarmer en energie-efficiënter maken van de voer- en vaartuigen een rol vervullen in de verduurzaming van de mobiliteit. Op het Vlaamse beleidsniveau nemen we de nodige initiatieven, als die economisch en sociaal verantwoord zijn, zodat nieuwe technologieën zo snel mogelijk ingang vinden. Om te zorgen dat de baten van een milieuvriendelijker en energie-efficiënter voer- en vaartuigenpark niet verloren gaan, zorgen we ervoor dat de verschillende gebruikers over de nodige kennis en vaardigheden beschikken om milieuvriendelijk en energiezuinig te rijden. Bij het stads- en streekvervoer wordt verder ingezet op de vergroening van het voertuigenpark. Het respecteren van de ecosysteemgrenzen impliceert dat we de verschillende modale netwerken op een zuinige en milieu- en natuurvriendelijke manier ruimtelijk inplanten, aanleggen, inrichten, onderhouden en ook gebruiken. Door de nodige mitigerende maatregelen te nemen werken we specifieke knelpunten weg. Voor strategische beleidsvoorstellen met betrekking tot dat aspect verwijzen we naar de beleidsthema’s ‘Innovatiecentrum Vlaanderen’ en ‘Groen en dynamisch stedengewest’. Een duurzame ontwikkeling impliceert echter dat we spaarzaam omspringen met eindige voorraden, zoals ruimte en andere natuurlijke rijkdommen. Om het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en materialen te beperken, zijn belangrijke maatschappelijke veranderingen (zoals het verder sluiten van kringlopen van materialen) en doorbraken (vooral op vlak van hernieuwbare energie) nodig. Daarom moeten we er zorgvuldig mee omspringen en het ruimtegebruik zoveel als mogelijk beperken, hergebruiken of omkeerbaar maken. Daarom werken we verder met het principe van ‘bundeling’ en concentreren de verkeersafwikkelingen op de hoofdassen. Om de verwachte mobiliteitsgroei op een kostenefficiënte manier te kunnen opvangen en te verzoenen met de zorg voor een zorgvuldig ruimtegebruik zorgen we ervoor dat de beschikbare capaciteit van zowel de voertuigen/vaartuigen als van de verschillende modale netwerken optimaal wordt benut. Het principe ‘de vervuiler / gebruiker betaalt’ en de internalisering van de kosten gebruiken we daarbij als hefboom om tot die verhoogde vervoersefficiëntie te komen.
Slimme mobiliteit
De ambitie op lange termijn is te komen tot gesloten kringlopen voor wat het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreft en tot een koolstofarm transportsysteem. Om de druk op de primaire grondstoffen te verminderen, houden we bij de (her)aanleg en het onderhoud van de infrastructuur ook rekening met de impact van bepaalde keuzes op het onderhoud en de levensduur van de infrastructuur. We maken hierbij (zoveel als mogelijk) gebruik van secundaire grondstoffen en bijproducten en waken erover dat de gebruikte materialen zoveel als mogelijk recycleerbaar of inzetbaar zijn als secundaire grondstof (sluiten van materiaalkringlopen). We trachten, indien evenwaardige alternatieven voorhanden zijn, het gebruik van gevaarlijke stoffen bij aanleg, onderhoud en beheer te vermijden. Hierdoor worden zoveel als mogelijk, gevaarlijke stoffen uit de materiaalketen verwijderd. Partnerschappen De realisatie van een duurzaam mobiliteitsmodel is een complex vraagstuk waarbij uiteenlopende doelstellingen van zowel economische, milieutechnische als sociale aard een rol spelen. Vooral om de vervoersvraag te wijzigen, zijn grondige maatschappelijke veranderingen nodig. Daarom maken we binnen de Vlaamse Strategie voor Duurzame Ontwikkeling, het Milieubeleidsplan en het ontwerp van het Mobiliteitsplan Vlaanderen en het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen werk van de maatschappelijke veranderingsprocessen die moeten leiden tot een duurzame ontwikkeling van de samenleving. Een duurzaam mobiliteitssysteem impliceert dat we het beleid op en over de verschillende beleidsen bestuursniveaus heen aligneren. We optimaliseren daarom de samenwerking met de andere beleidsdomeinen en bestuursniveaus. Omdat private partners een steeds grotere rol gaan spelen in de uitvoering van vervoerdiensten, ontwikkelen we de nodige beleidskaders om tot een goede samenwerking en een duurzaam transportsysteem te komen. De realisatie van de missie vraagt ook om een sterkere betrokkenheid en medewerking van zowel de verschillende middenveldorganisaties, de burgers als het bedrijfsleven. Daarom besteden we zowel bij de beleidsvoorbereiding als bij de beleidsuitvoering voldoende aandacht aan participatie.
2.2 Strategische doelstellingen en beleidsvoorstellen
De beleidsvoorstellen die geformuleerd worden in het volgende hoofdstuk, zijn gebaseerd op de strategische doelstellingen, vermeld in het Mobiliteitsdecreet:
•• •• •• •• ••
SD1. De bereikbaarheid van de economische knooppunten en poorten op een selectieve wijze waarborgen; SD2. Iedereen op een selectieve wijze de mogelijkheid bieden zich te verplaatsen, met het oog op de volwaardige deelname van eenieder aan het maatschappelijk leven; SD3. De verkeersonveiligheid terugdringen met het oog op een wezenlijke vermindering van het aantal verkeersslachtoffers; SD4. De verkeersleefbaarheid verhogen, onafhankelijk van de ontwikkeling van de mobiliteitsintensiteit; SD5. De schade aan milieu en natuur terugdringen onafhankelijk van de ontwikkeling van de mobiliteitsintensiteit.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
In dit hoofdstuk schuiven we binnen het beleidsthema ‘Slimme mobiliteit’ een aantal prioritaire beleidsvoorstellen voor de volgende legislatuur naar voren. Die beleidsvoorstellen dragen bij tot de realisatie van een of meer van de bovenvermelde strategische doelstellingen. Het is belangrijk te benadrukken dat alleen de meest prioritaire beleidsvoorstellen aan bod komen. Het Mobiliteitsplan Vlaanderen bevat een veel uitgebreider pakket aan maatregelen dat inspeelt op alle strategische doelstellingen die hierboven vermeld worden. Het Vlaamse mobiliteitsbeleid moet dan ook uitgaan van het integrale Mobiliteitsplan Vlaanderen. Bij het bepalen van de prioritaire beleidsvoorstellen werd enerzijds gekeken naar de belangrijkste maatschappelijke behoeften en knelpunten inzake mobiliteit (zie ook omgevingsanalyse). Anderzijds zijn we ons ervan bewust dat ook de volgende jaren een strikte budgettaire discipline noodzakelijk zal zijn. Bij het formuleren van de onderstaande beleidsprioriteiten gaan we uit van die realiteit. De beleidsvoorstellen beogen een zo efficiënt mogelijke inzet van de verwachte budgettaire middelen met een duidelijke nadruk op het in stand houden of op kwalitatief aanvaardbaar peil brengen van de bestaande infrastructuur en de veiligheid van die infrastructuur. Om het maatschappelijk draagvlak voor een kilometerheffing te realiseren, investeren we de bijkomende opbrengsten in het verduurzamen en innoveren van de ruime mobiliteitssector volgens het principe dat de gebruiker (anders) betaalt en hiervoor meer kwaliteit in de plaats krijgt. Daardoor kunnen een aantal noodzakelijke investeringen versneld worden (zie beleidsvoorstellen). Ten slotte moeten we de komende jaren rekening houden met de belangrijke en stijgende budgettaire impact van de beschikbaarheidsvergoedingen voor pps-projecten. Heel wat van de onderstaande beleidsvoorstellen dragen bij tot de realisatie van de strategische doelstellingen inzake de verhoging van de verkeersleefbaarheid (4) en het terugdringen van de schade aan milieu en natuur (5). In het beleidsthema’s ’Groen en dynamisch stedengewest’ wordt meer specifiek ingegaan op de vergroening van de mobiliteit. Ook bij ‘Ruimte voor morgen’ worden beleidsvoorstellen geformuleerd die bijdragen aan de onderstaande doelstellingen.
Beleidsvoorstel 1:
We zorgen voor betrouwbare en efficiënte netwerken Als goede huisvader is het onze eerste verantwoordelijkheid om in te staan voor het zuinig en efficiënt beheer en het onderhoud van de transportinfrastructuur. Alleen op die wijze kunnen we ervoor zorgen dat de bestaande infrastructuur haar functie op een performante wijze kan blijven vervullen en dat een veilig gebruik gegarandeerd blijft. Die ambitie werd in het Pact 2020 als volgt vertaald: ‘In 2020 heeft Vlaanderen een verkeers- en vervoerssysteem dat tot de performantste van Europa behoort.’ Een tijdig onderhoud en een voldoende hoog onderhoudspeil voorkomen veel hogere onderhouds- of vernieuwingskosten op langere termijn waardoor middelen op een kostenefficiënte wijze worden ingezet. De vermindering van de storingsgevoeligheid door een voldoende hoog onderhoudspeil speelt een belangrijke rol in de verbetering van de reistijden op de verschillende modale netwerken en in de verbetering van de betrouwbaarheid ervan. Aan een verminderde storingsgevoeligheid zijn ook een aantal voordelen verbonden, zoals verminderde arbeids- en brandstofkosten, verminderde verkeersemissies en een lager energieverbruik, en een verbetering van de verkeersveiligheid. Bovendien kan van dat onderhoud
Slimme mobiliteit
gebruikgemaakt worden om de (verkeers)veiligheid van de infrastructuur te verhogen of de milieukwaliteit van de infrastructuur te verbeteren. Bij het onderhoud van de infrastructuur besteden we ook aandacht aan goede zichtbaarheid van de signalisatie en aan de netheid van het openbaar domein. Dit beleidsvoorstel wordt hierna voor de verschillende types transportinfrastructuur verder uitgewerkt. Voor het hoofdwegennet en het onderliggende wegennet leggen we het accent op het wegwerken van het achterstallige onderhoud (van zowel de rijweg als de beveiligingsconstructies). De voorbije jaren is een grote inhaalbeweging ingezet om de achterstand op het structurele onderhoud van de autosnelwegen weg te werken. Die inhaalbeweging wordt voortgezet in 2014 en 2015. Een logische vervolgstap is om de achterstand op de gewestwegen aan te pakken. Op basis van objectieve metingen bepalen we op welke wegen onderhoud aangewezen is. Zo maken we een gerichte programmering van de werken en zorgen we voor een efficiënte inzet van de beschikbare middelen. Uiteraard waken we er bij de programmering van die onderhoudswerken over dat de hinder voor de weggebruiker tot een minimum beperkt blijft. De vernieuwingsoperaties laten ons soms ook toe om ervoor te zorgen dat de vernieuwde weg veiliger wordt. Als dat raadzaam is, maken we van de onderhoudswerken gebruik om voor een geluidsarme wegverharding te kiezen en om de nodige regeninfiltratiegebieden aan te leggen. Bij de inspectie en het onderhoud verdienen bruggen en tunnels bijzondere aandacht. Voor diverse bruggen zijn gerichte acties noodzakelijk om ze te herstellen of te renoveren zodat ze integraal deel kunnen blijven uitmaken van het netwerk. Via periodieke inspecties zorgen we voor een goede monitoring van de staat van de fietspaden die in beheer zijn van de Vlaamse overheid. We stemmen het onderhoud af op de objectieve resultaten van die monitoring. Kleine gebreken worden zo snel mogelijk verholpen (putten, vuil, overgroeiing en slechte afwatering ten gevolge van verstopte rioolkolken). Meer fundamentele ingrepen worden mee opgenomen in de planning. Om de kwaliteit van de fietsvoorzieningen te verhogen, moeten nieuwe fietspaden aangelegd worden conform de richtlijnen van het Vademecum Fietsvoorzieningen. Om het fietsgebruik te stimuleren, is het verzekeren van de veiligheid een eerste vereiste. We zetten in op volledige trajecten, waar alle knelpunten weggewerkt worden en de fietsroute overal in goede staat is. Heel wat bestaande fietspaden voldoen niet aan de richtlijnen. Er wordt ook rekening gehouden met de opportuniteiten die de opkomst van elektrische fietsen biedt, waarbij actieradius en snelheid groter worden. Bij onderhoudswerken wordt er zo veel mogelijk naar gestreefd om de bestaande fietspaden te laten voldoen aan de richtlijnen. Via het onderhoud van de fietspaden verhogen we de veiligheid en het comfortniveau ervan. Zo leveren we een belangrijke stimulans voor het fietsgebruik. Ook de lokale besturen vervullen een belangrijke rol in het tot stand brengen van een kwaliteitsvol netwerk van fiets- en voetpaden, dat zowel veilig als comfortabel is. We ondersteunen lokale besturen bij het in beeld brengen van de staat van de fietspaden op hun grondgebied. Het aanbieden van volledige, veilige fietsroutes zal drempelverlagend werken voor het fietsgebruik in Vlaanderen. Een betrouwbaar en efficiënt waterwegennetwerk betekent het garanderen van voldoende capaciteit, het onderhouden van de infrastructuur, het verzekeren van de diepgang op de waterwegen,het behoud van het fijnmazige netwerk van hoofdwaterwegen en kleine waterwegen en het stimuleren van permanente innovatie in zowel de waterbouw als de scheepsbouw. Daarom werken we op het waterwegennet het achterstallige onderhoud weg , voorzien we waar nodig in vernieuwbouw en vervangingsbouw van de kunstwerken en ontwikkelen we in permanente dialoog met de betrokken bedrijfssectoren, vernieuwende binnenvaartconcepten uit. Voor het functioneren van de waterweg is de bedrijfszekerheid van de beweegbare kunstwerken cruciaal, zowel de infrastructurele componenten als de sturing ervan. Daarom geven we de nodige prioriteit aan een voldoende hoog kwaliteitsniveau en aan het onderhoud van
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
de componenten van de beweegbare kunstwerken. Om de beschikbare vaarwegcapaciteit optimaal te gebruiken, voeren we tijdig de nodige baggerwerken uit. We geven daarbij prioriteit aan de secties waarin de scheepvaartfunctie het meest in het gedrang komt. Door het op diepte houden van de waterwegen vrijwaren we niet alleen de vaarkenmerken, maar ook de rol die die waterwegen vervullen in de berging en de af- en aanvoer van water. Die verhoogde aandacht is noodzakelijk gezien de verwachte effecten van de klimaatverandering (cf. Vlaams Adaptatieplan). Het is daarbij belangrijk om te voorzien in de nodige bergingslocaties en verwerkingscapaciteit voor baggerspecie. Net zoals baggerwerken zal het onderhoud van dijken, stuwen en sluizen het risico op overstromingen beperken. Ook wordt rekening gehouden met de nodige remediëring van vervuilde waterbodems. Bij het stads- en streekvervoer besteden we de nodige aandacht aan het goede onderhoud van de voertuigen, de lijninfrastructuur en de haltes. Waar nodig vervangen we de infrastructuur of de voertuigen. Zo verbeteren we de bedrijfszekerheid en verhogen we de aantrekkelijkheid. Aan die verjongingsoperatie zijn ook een aantal veiligheids- en milieu- en energiebaten verbonden. Aangezien bij het spoor de verminderde betrouwbaarheid nauw samenhangt met onderhoudsproblemen van vaste infrastructuur en rollend materieel, dringen we aan bij de federale overheid om prioriteit te verlenen aan die problematiek en op basis van goede analyses te voorzien in het benodigde onderhoud of de vereiste vernieuwingen door te voeren. Ook hier laten vernieuwingsoperaties toe om een aantal milieuknelpunten, zoals geluidshinder, aan te pakken.
Beleidsvoorstel 2:
We pakken de files aan De dagelijkse files zijn een van de grootste bronnen van ergernis voor de weggebruiker. Bovendien veroorzaken ze belangrijke economische schade. Ten slotte geven files op hoofdwegen vaak aanleiding tot sluipverkeer op het lagere weggennet. Daardoor ontstaan ook op het lagere wegennet files, daalt de verkeersleefbaarheid en vermindert de verkeersveiligheid. In het Pact 2020 werd daarover de volgende ambitie geformuleerd: ‘De economische poorten zijn in 2020 vlot bereikbaar via de verschillende transportmodi (weg, spoor, water of lucht) en via de verschillende transportdragers (zowel privaat als openbaar vervoer). Hiermee realiseren we in 2020 minder dan 5% verliesuren (op het totaal aantal gereden voertuiguren) op de hoofdwegen en beperken we de milieu-impact van het goederen- en personenvervoer.’ De files concentreren zich vooral in de Vlaamse Ruit en meer bepaald op de R1 (ring Antwerpen), R0 (ring Brussel) en de snelwegen in de richting van die grootsteden. De files doen zich in belangrijke mate voor op het ogenblik dat we pieken in het woon-werkverkeer vaststellen. Niet alleen op de weg maar ook bij het openbaar vervoer stellen we tijdens de ochtend- en avondspits capaciteitsproblemen vast. De files kunnen we enerzijds aanpakken door gericht de capaciteit van de wegen en het openbaar vervoer te verhogen. Anderzijds kunnen we ons richten op de vraagzijde en het aantal verplaatsingen in de filegevoelige regio’s tijdens de ochtend- en avondspits terugdringen door de vervoersefficiëntie te verhogen of door weggebruikers te heroriënteren naar andere transportmodi of andere tijdstippen. Onder de verhoging van de ‘vervoersefficiëntie’ verstaan we een betere benutting van zowel de vervoerscapaciteit, de netwerkcapaciteit als de juiste moduskeuze. In dit hoofdstuk focussen we op maatregelen die de capaciteit van het vervoersysteem kunnen verhogen. De mogelijkheid om de vervoersvraag door middel van het prijsbeleid te sturen komt later nog aan bod (cf. beleidsvoorstel 4).
Slimme mobiliteit
Bij het investeren in bijkomende capaciteit op het wegennet leggen we het accent op de congestiegevoelige regio’s. Op die manier zorgen we ervoor dat de ringwegen rond en de invalswegen naar de grootstedelijke gebieden Antwerpen en Brussel over voldoende capaciteit beschikken om een vlottere doorstroming van het verkeer te garanderen. We zorgen ervoor dat de capaciteit flexibel inzetbaar is (onder andere spitsstroken, wisselstroken) om de fluxen in de vervoersvraag te kunnen opvangen. Ook zetten we verder in op de realisatie van de Oosterweelverbinding en de andere projecten van het Masterplan Antwerpen 2020. Via Via-Invest realiseren we de optimalisatie van het noordelijke deel van de R0 – zone Zaventem. We werken bovendien verder aan de resterende missing links in het hogere wegennet (MPV 1 – ontwerp en RSV 1), met onder andere de ombouw van de N49 Westkapelle – Zelzate en de ombouw van de A12 BoomBrussel tot autosnelweg. Verder worden ook de wegenprojecten waarvoor VIA-Invest instaat, voorbereid en uitgevoerd in functie van de te doorlopen procedures en de beschikbare budgettaire middelen. De aanpak van de files vereist evenwel niet enkel investeringen in wegen, het vergt ook het inzetten op een wijziging in de vervoerswijze en het versterken van de alternatieve vervoersmodi. Vlaanderen kiest resoluut voor het versterken van comodaliteit en het vergroten van het modale aandeel van de binnenvaart en het spoor in het goederenvervoer. De binnenvaart zal maar structureel kunnen bijdragen aan het verbeteren van de mobiliteit als de waterwegen een betrouwbare en bedrijfszekere vervoersmodus zijn en blijven, ook bij de verwachte toename van het goederenvervoer. De capaciteit van de waterwegen dient afgestemd te blijven op de beoogde verhoging van de modal split, op de toenemende vervoersvraag, de voortgaande schaalvergroting in de binnenvaart en de blijvende groei van het containervervoer. Het is van belang om de capaciteit aan te passen van die Vlaamse waterwegen die aansluiten op groeipolen en sterke economische knopen en/of die een internationaal verbindende en netwerkversterkende functie hebben. Voor Short Sea Shipping (SSS) biedt het Vlaamse waterwegennetwerk opportuniteiten om met zeeschepen het Vlaamse hinterland diep landinwaarts te bedienen zoals het Zeekanaal Brussel-Schelde, de Zeeschelde, het Albertkanaal. Daarom dragen we er zorg voor dat de waterwegen die hiervoor in aanmerking komen zo worden uitgebouwd, uitgerust en onderhouden dat ze voor SSS toegankelijk blijven. Bij de uitbouw en versterking van het waterwegennet ligt de focus op de verdere uitbouw van het Albertkanaal, het Zeekanaal Brussel-Schelde en de Seine-Scheldeverbinding via de Leie en de Schelde waarvan het gabariet en de vaarkenmerken in overeenstemming worden gebracht met de geldende internationale normen. Maar ook de besluitvorming en investeringen in andere waterwegprojecten vergt aandacht: de hinterlandontsluiting van de zeehaven van Brugge, de opwaardering van de Boven-Zeeschelde en de capaciteitsverhoging van het kanaal Bocholt-Herentals. Ook de kleine waterwegen maken een vitaal onderdeel uit van het Vlaamse waterwegennet. Zij dragen bij tot het beheersen van de mobiliteitsproblematiek en beschikken nog over capaciteit om meer trafiek te verwerken. Het vrijwaren van de transport-economische functie van de kleine waterwegen verdient bijzondere aandacht. Om de bestaande vervoersfunctie op deze kleine waterwegen te behouden en te versterken, moet er, gezien het dreigend tekort aan kleine schepen, aandacht zijn voor een voldoende
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
aanbod aan kleine schepen of alternatieven hiervoor. Vernieuwingen en innovatieve vervoersconcepten en scheepstypen - samen met een daling van de personeelskosten – en aangevuld met nieuwe organisatiestructuren, moeten de binnenvaart op de kleine waterwegen nieuwe impulsen geven. Voor de projecten maatregelen en initiatieven in functie van het bevorderen van de binnenvaart en het vergroten van haar marktaandeel in het goederenvervoer wordt uitgegaan van het Masterplan 2020 van de Vlaamse waterwegbeheerders. Naast het verzekeren van een bedrijfszekere waterweginfrastructuur en het gericht uitbouwen van het waterwegennet, zet het Masterplan 2020 ook in op het voeren van een specifiek beleid, gericht op stimuleren van het vervoer via de binnenvaart en het aansnijden van nieuwe markten. De investeringen in wegen, waterwegen en spoorwegen zullen een positieve bijdrage leveren aan de bereikbaarheid van Vlaanderen en meer specifiek aan de bereikbaarheid van de economische knooppunten en stedelijke gebieden. We verwachten dat technologische ontwikkelingen op middellange termijn op het niveau van de infrastructuur en de voertuigen (zie beleidsvoorstel 5) een capaciteitsverhogend effect hebben doordat kortere volgtijden tussen de verschillende voertuigen (vertreinen) mogelijk worden en we bereiden ons daarop voor. De afgelopen jaren zijn op een aantal plaatsen spitsstroken aangelegd. Die spitsstroken zijn voorlopig alleen aangelegd voor het verkeer dat wegrijdt van de stedelijke gebieden. Die aanpak kan op zorgvuldig geselecteerde locaties voortgezet worden. Pas wanneer de capaciteit van de ringwegen wordt verhoogd, heeft het zin om ook in de andere richting spitsstroken aan te leggen. Via investeringen in bijkomende rijstroken en spitsstroken in de Randstad is men er in Nederland in geslaagd om het aantal files gevoelig te verminderen. Om onder meer de verkeersdruk op en binnen de stedelijke regio’s te verminderen (zie beleidsvoorstel 6), verhogen we de aantrekkelijkheid van het stads- en streekvervoer. Conform de criteria voor het netmanagement vullen we de missing links van het openbaarvervoernet in, waarbij we (op basis van de vraag) zorgen voor een verbeterd lijnvoeringstype, de inzet van materiaal met een hogere capaciteit (onder andere tramprojecten) of een verhoging van de aangeboden frequenties tijdens de momenten van hoge vervoerpotentiëlen. We geven prioriteit aan de realisatie van de voorstedelijke netwerken en aan de uitbouw van de hoofddragers van het openbaar vervoer op stedelijk niveau (zoals Antwerpen: de Masterplanprojecten Brabo II en LIVAN, de tramverlengingsprojecten Melsele-Beveren en Olympiade-Wilrijk; Gent: de tramlijnverlenging Zwijnaarde Brug - Zwijnaarde Dorp en de trambediening UZ Gent, The Loop en de vertramming van de buslijnen 3 en 7; Brussel / Vlaams-Brabant: de ringtram tussen Jette en Zaventem, de lijn tussen Brussels Airport en Brussel en de verbinding Willebroek - Brussel langs de A12). Op het onderliggende wegennet zullen aangepaste (intelligente) verkeerslichtenregelingen de capaciteit van het kruispunt en de daarmee verbonden wegsegmenten (verder) optimaliseren. Vlaanderen moet de mogelijkheden benutten om door cofinanciering de realisatie van spoorprojecten die belangrijk zijn voor Vlaanderen, te helpen versnellen. Vlaanderen moet ook mee waken over een zo snel mogelijke uitvoering van de uitbouw van het GEN Brussel.
Slimme mobiliteit
Door de kwaliteit van alternatieve transportmodi voor personen- (bijvoorbeeld fietspaden, openbaar vervoer) en goederenvervoer (bijvoorbeeld waterwegen, spoor) te verbeteren, worden die transportmodi aantrekkelijk voor de huidige gebruikers van het weggennet. Voor het spoorvervoer zijn de prioriteiten opgelijst in de Vlaamse Spoorstrategie.
Beleidsvoorstel 3:
We zorgen voor een veiligere mobiliteit Binnen het mobiliteitsbeleid moet de verkeers(on)veiligheid bijzondere aandacht krijgen. Ondanks de sterke daling de afgelopen jaren blijft het aantal verkeersslachtoffers in Vlaanderen veel hoger dan in de buurlanden. Aangezien achter die statistieken altijd familiale en sociale drama’s schuilgaan, moeten we maximaal inzetten op de verdere beperking van de verkeersongevallen. In het Pact 2020 stelde men daarom de volgende doelstellingen voor Vlaanderen voorop voor 2020: maximaal 200 doden en dodelijk gewonden en maximaal 1500 zwaargewonden. Een eerste maatregel om de verkeersveiligheid verder te verhogen, is de aanpassing van de infrastructuur. In 2002 werden 800 zogenaamd gevaarlijke punten op het wegennet geïdentificeerd. Sindsdien is de meerderheid van die gevaarlijke punten al weggewerkt. De laatste van die 800 gevaarlijke punten zullen op korte termijn worden weggewerkt. Het is aangewezen om op basis van een continue opvolging nieuwe gevaarlijke punten te detecteren en aan te pakken. Daarbij focussen we op infrastructurele maatregelen om gevaarlijke situaties voor zwakke weggebruikers weg te werken. Vooral voor de zwakke weggebruikers is het uiterst belangrijk dat de veiligheid op hun volledige traject verzekerd is. Ondanks de vooruitgang die wordt geboekt om de verkeersveiligheid te verbeteren, blijven fietsers en voetgangers op het vlak van verkeersveiligheid een kwetsbare groep en zien we een toename van het relatieve aandeel van die weggebruikers in de ongevallenstatistieken. Fietsers en voetgangers opteren vaak voor andere transportmodi vanwege één gevaarlijk punt op hun traject. Door gericht de knelpunten aan te pakken kunnen we het aantal trappers en stappers verhogen. Bij de aanleg van nieuwe wegen en bij het onderhoud en de aanpassing van wegen zorgen we door middel van inrichtingsprincipes en normen voor een leesbare inrichting van de weg met bijzondere aandacht voor zwakke weggebruikers (voetgangers, fietsers, motorrijders). Door de verder uitwerking van uniforme normen en inrichtingsprincipes evolueren we van een aanpak van individuele knelpunten naar een veilige inrichting van zones of trajecten. Bij de aanleg en het onderhoud van fietspaden houden we rekening met het toenemende aantal elektrische fietsen. Dankzij de zesde staatshervorming hebben we meer grip op het regelgevende kader (bijvoorbeeld snelheidsbeperkingen), ter ondersteuning van de leesbare weginrichting. We moeten ook investeren in de veiligheid van tunnels, zodat we die op het niveau van de internationale normen en richtlijnen brengen. De eerste focus ligt daarbij op de TERN-tunnels van het kernnetwerk (Craeybeckxtunnel, Kennedytunnel en Vierarmentunnel; vanaf 1/1/2014 behoort ook de R2 tot het TERNnetwerk en zullen bijgevolg de Tijsmanstunnel, Beverentunnel en de in concessie gegeven Liefkenshoektunnel ook onder het toepassingsgebied vallen van de Europese Tunnelrichtlijn). De volgende jaren zal onder meer het beveiligingsniveau in de overige tunnels (op het uitgebreide TEN-netwerk) in beheer van de Vlaamse overheid ook preventief verhoogd worden.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Op het vlak van handhaving zijn zeer veel toepassingen ontwikkeld en uitgerold op het terrein, zoals filedetectiesysteem (FDS), roodlicht- en snelheidscamera’s, trajectcontrole, inhaalverbod, verbod rijden op pechstrook, vrachtwagensluis, controle van tussenafstanden, automatische nummerplaatherkenning (ANPR), weigh-in-motion (WIM) voor het Aslastendecreet. Die toepassingen worden verder gericht ingezet en zullen, naarmate de technologie evolueert, ook nieuwe toepassingen mogelijk maken ter verbetering van de verkeersveiligheid van de weggebruikers en omwonenden. Zowel inzake infrastructuur als inzake handhaving is een belangrijke rol weggelegd voor de lokale overheden (gemeenten en politiezones) als voor de federale overheid (federale politie, regelgeving en vervolgingsbeleid (bijvoorbeeld rijbewijs met punten)). Dankzij de bijkomende bevoegdheden die we met de zesde staatshervorming krijgen, kunnen we nog meer inzetten op vorming en sensibilisering. Daarbij leggen we specifieke accenten op kwetsbare doelgroepen. Bij kinderen blijft het accent liggen op de verhoging van vaardigheden en inzichten als weggebruiker ((mee) stappen, trappen …). Naast de ontwikkeling van de nodige vaardigheden hebben we ook aandacht voor het kunnen identificeren van en leren omgaan met potentiële risicosituaties. Bij ouderen ligt het accent op het onderhouden (zowel bij auto als fiets) en het verwerven van (rij)vaardigheden (e-fiets, andere voertuigtechnologieën enzovoort), waardoor ze zich langer op een veilige en milieuvriendelijke manier in het verkeerssysteem kunnen begeven. Naast het onderhouden van de eerder opgedane vaardigheden is het vooral belangrijk om te leren omgaan met verminderende psychomotorische en andere vaardigheden. Bij professionele bestuurders zorgen we ervoor dat hun vaardigheden op het gebied van energiezuinig rijden en verkeersveiligheid tot een zeer hoog niveau worden ontwikkeld gezien hun grote blootstelling in het verkeer, hun voorbeeldfunctie ten opzichte van andere bestuurders, en het feit dat het merendeel onderweg is met voertuigen die vaak een groot risico inhouden voor de overige gebruikers. We blijven autobestuurders waarschuwen voor overdreven snelheid en de gevaren van drank en drugs. Door andere veiligere transportmodi, zoals vervoer over de waterweg en het openbaar vervoer, te stimuleren, verhogen we de verkeersveiligheid. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen optimaliseren we op basis van onder andere risicoanalysemodellen de modale verdeling en het functioneren van de overeenkomstige netwerken. Via de harmonisatie van alle regelgeving over externe veiligheid (zowel voor vervoer als voor de verschillende schakels in de keten van opslag, vervoer en gebruik) zorgen we voor eenduidigheid, een optimale moduskeuze (zowel vanuit het oogpunt van de omwonenden als van de passanten) en een performante handhaving.
Beleidsvoorstel 4:
We gaan voor een prijsbeleid dat gebaseerd is op het principe ‘de gebruiker / de vervuiler betaalt’ Onder meer via prijsinstrumenten kunnen we ervoor zorgen dat het vervoerssysteem efficiënter werkt en de milieu-impact wordt beperkt. Door de gebruiker in belangrijke mate de kosten te laten dragen van de verplaatsingen (van personen en goederen) kunnen we het aantal verplaatsingen beperken en kunnen we de vervoerswijze sturen. Bovendien kunnen we verplaatsingen op congestiegevoelige plaatsen en tijdstippen ontmoedigen door ze duurder te maken.
Slimme mobiliteit
We onderzoeken op welke wijze we op termijn kunnen komen tot een betere doorrekening van de externe en interne kosten en baten bij alle modi. Vanuit het Europese beleid (maar ook vanuit de OESO) wordt sterk aangestuurd op een betere doorrekening van de externe kosten en de gebruikskosten aan de gebruikers van de verschillende modale netwerken. Om ervoor te zorgen dat het gemotoriseerd wegverkeer voldoende prikkels krijgt om zelf de door hen veroorzaakte schade te beperken, zetten we, conform het Europese beleid, verder in op de internalisering van de externe kosten. Via een sturende vergroening van de fiscaliteit (recent de belasting op inverkeerstelling en in de toekomst de jaarlijkse verkeersbelasting) komen we tot een betere aanrekening van de milieukosten (vervuiler betaalt) en stimuleren we ondermeer de aankoop van milieuvriendelijke wagens of het sneller vervangen van de meest vervuilende wagens. De mogelijkheid om sociale correcties in te voeren blijft mogelijk. We waken erover dat de extra gegenereerde middelen benut worden om die externe kosten te compenseren. Om tot een betere aanrekening van de door de gebruiker gegenereerde interne en externe kosten te komen, voeren we een gedifferentieerde kilometerheffing voor vrachtwagens in (streefdatum 2016). Die zal uitgebreid kunnen worden naar lichte vrachtwagens en personenwagens. De heffing van gebruikskosten kan mogelijk gepaard gaan met een daling van de heffingen op het bezit van een voertuig. In samenwerking met de drie gewesten voeren we momenteel een proefproject voor personenvoertuigen uit. Bij een gunstige evaluatie, en in overleg met de andere gewesten, zetten we de nodige stappen om zo snel mogelijk over te gaan tot de invoering van een gedifferentieerde kilometerheffing voor lichte vrachtwagens en personenwagens. De kostendekkingsgraad van De Lijn moet verhogen. Ook moet er van een vooral aanbodgericht beleid overgestapt worden naar een vraaggestuurd beleid. Dat betekent een aanpassing van de regelgeving inzake basismobiliteit, wat de efficiëntie ten goede zal komen. Bovendien moet de tariefstructuur aangepast worden, met inbegrip van de geldende regelingen voor gratis openbaar vervoer. RETIBO4 zal nuttige beleidsinformatie aanleveren om de beleidskeuzes ter zake te onderbouwen. We gaan na of en op welke wijze de tarieven bij het openbaar vervoer - net zoals de slimme kilometerheffing - op basis van het tijdstip van de rit gedifferentieerd kunnen worden. Ook op dat vlak moet RETIBO nieuwe mogelijkheden bieden. Om het maatschappelijk draagvlak te realiseren, investeren we de bijkomende opbrengsten van de kilometerheffing in de mobiliteitssector. We zorgen voor de nodige flankerende maatregelen. De inkomsten moeten bijdragen aan de bouw en het onderhoud van infrastructuur en aan investeringen die de impact van de mobiliteit op het leefmilieu en de ruimte milderen of compenseren, en aan een duurzame mobiliteit, onder meer door het gebruik van meer duurzame modi te stimuleren. We sturen ook het gebruik in de gewenste richting aan via (tijdelijke) incentives en pilootprojecten die gericht zijn op het verbeteren van de logistieke organisatie of het optimaliseren van de totale vervoersketen. We zorgen voor compenserende maatregelen voor inkomensgevoelige groepen en de nodige flankerende maatregelen. Om de concurrentiekracht van de eigen vervoerssector te vrijwaren, houden we bij de verdere uitrol van prijsinstrumenten rekening met de ontwikkelingen en initiatieven die in de buurlanden worden genomen. 4
RETIBO: REgistratie- en TIcketingsysteem met BOordcomputer
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Er moet over gewaakt worden dat de maatregel beantwoordt aan de algemene fiscale doelstellingen. Dat betekent dat ze geen degressief karakter mag hebben en geen aanleiding mag geven tot een verhoging van de arbeidskosten.
Beleidsvoorstel 5:
We bouwen onze netwerken verder uit tot slimme netwerken Dankzij intelligente transportsystemen kunnen we de vervoers- en verkeersstromen vlotter en veiliger laten verlopen. Nieuwe ICT-toepassingen kunnen het gebruiksgemak in belangrijke mate verhogen. Deze systemen verschaffen de infrastructuurbeheerders en de aanbieders van openbaar vervoer heel wat nuttige informatie die een efficiënter beheer mogelijk moet maken. Bij het openbaar vervoer zorgen we ervoor dat alle voertuigen – zowel uit monitoringoverwegingen als voor actuele verkeersregeling – uitgerust zijn met een performante boordcomputer (RETIBO). Een verhoogde intelligentie op het niveau van de registratie en de ticketing, zoals momenteel in uitwerking, laat ook een betere afstemming toe van het vervoersaanbod op het reisgedrag van de reiziger als een gedifferentieerde prijszetting (zie beleidsvoorstel 4). We breiden de realtime-informatievoorziening voor de openbaarvervoergebruiker uit. We zorgen ervoor dat de informatie die de reiziger ontvangt, gepersonaliseerd is en een overzicht biedt van het hele traject. Bij de operationalisering verlenen we prioriteit aan trajecten met de grootste groepen. Op het hoofdwegennet zetten we verder in op de uitbouw van het dynamisch verkeersmanagement (DVM) voor de snelwegen. We baseren ons daarbij op het DVM-plan voor autosnelwegen (DVM-plan) en we stemmen verdere acties af op de ITS5-ontwikkelingen binnen Europa. We zetten in op een verdere verfijning van het netwerk en de apparatuur om het verkeer te meten en we benutten die informatie om het verkeer gericht te sturen. Door middel van DVM sturen we verkeersstromen op het gebied van snelheid en routekeuze aan en bieden we de weggebruiker realtime-informatie aan. Bij het aansturen van de verkeersstromen zorgen we ervoor dat we, naast doorstromings- en verkeersveiligheidsoverwegingen, ook rekening houden met milieuoverwegingen (via aangepaste gelijkmatige snelheden). We zetten verder in op incidentdetectie en incidentmanagement waardoor we bij storingen de beschikbare capaciteit sneller vrijmaken en secundaire incidenten vermijden. Bij de gefaseerde verdere uitrol van het dynamisch verkeersmanagement naar het onderliggende wegennet benutten we de mogelijkheden die voertuiggerelateerde systemen bieden om de verkeersstromen aan te sturen. Om op dat vlak de samenwerking met lokale besturen, ITS-dienstverleners of andere private partijen aan te gaan, werken we een faciliterend kader uit. Voor een performant verkeersmanagement is een accuraat beeld van de verkeerstoestand op de weg nodig. We hanteren het uitgebouwde basismeetnet om die verkeersdata in te winnen. We werken datalacunes (onder andere op het onderliggende wegennet) weg door gebruik te maken van diensten die gebaseerd zijn
5
Intelligente TransportSystemen
Slimme mobiliteit
op onder andere floating car data6. Om tot een correct en volledig beeld van de actuele verkeerssituatie te komen, centraliseren we de informatie die via verschillende kanalen ingewonnen wordt. Op het waterwegennet ligt het accent op de verdere uitbouw van RIS (River Information Services) conform de Europese richtlijnen en standaarden. In combinatie met de verdere uitrol van AIS (Automatic Identification System) en het verplichte gebruik ervan zorgen we voor een snelle, accurate en gebruiksvriendelijke communicatie en informatieoverdracht tussen de infrastructuurbeheerder en de schipperij over de toestand van de waterweg, wat zowel een vlotte verkeersafwikkeling en optimale capaciteitsbenuttiging, de betrouwbaarheid als de vaarveiligheid op de waterweg ten goede komt. Dankzij een optimalisatie van de inzet van de loodsen en een optimale benutting van de beschikbare vaarwegcapaciteit op de maritieme vaarwegen naar de Vlaamse zeehavens kunnen we inspelen op de steeds verdergaande schaalvergroting van de zeescheepvaart. De specifieke mogelijkheden van ITS in de logistieke sector komen uitgebreid aan bod bij de beleidsvoorstellen met betrekking tot slimme logistiek. De toekomst van ITS ligt vooral in de samenwerking tussen systemen die alsmaar meer en beter met elkaar communiceren om zo tot een optimaal informatienetwerk te komen, waardoor het voor de gebruiker (reiziger, verladers enzovoort) en de infrastructuurbeheerder (en hulpdiensten) makkelijker wordt om de juiste beslissingen te nemen. Om tot een multimodale dienstverlening te komen, is een partnerschap vereist tussen de publieke sector en de privésector. Tal van vervoersdiensten worden nu al door private partners aangeboden. We garanderen daarom de interoperabiliteit tussen de diverse informatie- en communicatiesystemen voor de verschillende modi. Om in het personenvervoer multimodale informatie (pretrip maar ook on trip) en diensten aan de verschillende gebruikers aan te bieden, maken we werk van een geïntegreerd (nationaal) netwerk van operationele informatiesystemen voor alle transportmodi. In samenwerking met lokale besturen en private partners zorgen we voor de koppeling van realtime-informatie aan verkeersgeleiding waardoor in de stedelijke regio’s een geïntegreerd aanbod mogelijk is van parkeergeleiding, parkeren, voor- of natransport en eenmalige betaling of ontwaarding. Binnen het kader van het (Europese) Actieplan voor de invoering van intelligente modusoverschrijdende vervoerssystemen in Europa zetten we op dat vlak de nodige stappen voorwaarts (op het vlak van standaardisatie en interoperabiliteit, certificering van providers, vrijwaring van privacy enzovoort). Op het waterwegennet optimaliseren we de bediening van de verschillende beweegbare kunstwerken onder andere door werk te maken van verdere automatisering en afstandsbediening en een aanpassing van de bedieningstijden, waardoor niet alleen een vlotter maar ook een intensiever gebruik van de waterweg mogelijk wordt door een optimalisatie van de infrastructuurbenutting en een verbeterde transportplanning. We geven in eerste instantie de prioriteit aan de assen die gebruikt worden voor het containervervoer en aan de internationaal verbindende assen.
6
floating car data: een technologie waarbij het verkeer door middel van gps in wagens wordt gemonitord
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 6:
We zetten in op een meer duurzame en efficiënte stedelijke mobiliteit Verkeer zorgt in stedelijke gebieden nog meer dan elders voor hinder. We denken daarbij aan geluidshinder, luchtvervuiling en ruimtebeslag, en de impact ervan op de leefbaarheid van verschillende buurten. Verkeersveiligheid en files zijn in stedelijke en voorstedelijke gebieden vaak een nog belangrijker knelpunt dan in het buitengebied. De hogere bevolkingsdichtheid, de nabijheid van heel wat functies (winkelen, onderwijs, zorg …) en de veel dichtere vervoersstromen bieden evenwel een aantal opportuniteiten om die knelpunten aan te pakken. De efficiëntie van een aantal beleidsmaatregelen inzake mobiliteit is veel hoger in stedelijke gebieden. Gekoppeld aan het gegeven dat onze steden blijven groeien is dat een voldoende reden om in dit hoofdstuk te focussen op een aantal specifieke beleidsvoorstellen over mobiliteit in steden. In stedelijke gebieden kunnen we de noodzaak van het individuele autobezit beperken door middel van een afdoende aanbod van het openbaar vervoer, systemen van auto- en fietsdelen en een inrichting van het openbaar domein die uitnodigt tot stappen en trappen. In en rond stedelijke regio’s (en de belangrijke tewerkstellingspolen) maken we werk van fietssnelwegen, samen met de lokale besturen en de provincies. Daarbij streven we, als dat mogelijk en wenselijk is, naar een zo goed mogelijke bundeling met andere lijninfrastructuren. Door met de realisatie van die projecten zo veel mogelijk rekening te houden bij de aanleg van tram- en lightrailsystemen, zorgen we voor de nodige aanvoerroutes naar het openbaar vervoer. De focus ligt daarbij in de eerste plaats op de stedelijke gebieden Antwerpen, Brussel en Gent. Specifieke aandacht in de stedelijke omgevingen zal worden gegeven aan de (verdere) uitbouw van de netwerkknooppunten, en meer bepaald de stationsomgevingen. Deze uitbouw zal gebeuren in het licht van verhoogd (overstap-)comfort, verbeterde toegankelijkheid en een vlottere bereikbaarheid van de sites (doorstroming ruimere omgeving) Aanvullend biedt de stedelijke omgeving goede mogelijkheden voor een vergroening van de voertuigen, zodat onder meer luchtverontreiniging en geluidshinder maximaal worden beperkt. Om de luchtkwaliteit in stedelijke regio’s te verbeteren is het belangrijk om het gebruik van sterk vervuilende voertuigen te beperken. De doorbraak van voertuigen met een zero emissie op elektriciteit en waterstof moet dat bewerkstelligen. Via het opzetten van demonstratieprojecten, gerichte communicatie, ondersteuning van de marktintroductie door financiële stimuli, het uitrollen van grootschalige projecten in kerngebieden, aangepaste wetgeving, aangepaste of uit te bouwen infrastructuur en de toekenning van voordelen bij het gebruik werken we de nodige stimuli uit om de opportuniteiten van dergelijke voertuigen aan te grijpen. Een E-team moet zorgen voor een geïntegreerde aanpak (cf. Groen en dynamisch stedengewest). Bijkomend werken we ten behoeve van de lokale besturen en conform het Luchtkwaliteitsplan een kader uit voor lage-emissiezones (LEZ’s). Daardoor wordt het mogelijk om binnen stedelijke regio’s, woonkernen of in zones met een hoge luchtverontreiniging (hotspotzones) gebruiksbeperkingen op te leggen aan sterk vervuilende voertuigen. We ondersteunen initiatieven die een gedeelde mobiliteit (autodeel- maar ook fietsdeelsystemen) stimuleren. Belangrijk daarbij is dat die gedeelde modi maatwerk toelaten waardoor gebruikers op basis van het moment, persoonlijke voorkeuren en hun levensstijl hun optimale vervoersmodi kunnen kiezen. Bij het openbaar vervoer kunnen we vanwege de dichte vervoersstromen hogere frequenties aanbieden. Openbaar vervoer met een hoge frequentie en een hoge bezettingsgraad zorgt ervoor dat investeringen in reizigersinformatie en in betere doorstroming voor het openbaar vervoer een hoger rendement hebben.
Slimme mobiliteit
In overleg met de lokale besturen maken we werk van de uitbouw van lokale knooppunten. Vooral op plaatsen zoals rond de grootsteden en in stationsomgevingen waar de vervoersstromen voldoende groot zijn om hoogfrequente collectieve systemen te kunnen aanbieden, maken we verder werk van de uitbouw van aantrekkelijke P&R-faciliteiten en fietsenstallingen die toelaten om privé- en collectief vervoer te combineren of vlot over te stappen binnen een ruim (openbaar)vervoeraanbod. Van de lokale besturen verwachten we dat zij verder werk maken van duurzame mobiele steden. Dit impliceert dat zij verder inzetten op het autoluw maken van binnensteden en van een stringent parkeerbeleid om het gebruik van het openbaar vervoer maar ook de fiets te ondersteunen. Binnen een globaal Vlaams kader voor stedelijke distributie zoeken we in samenwerking met de lokale overheden en de bedrijfswereld (logistieke bedrijven, transporteurs, handelaars) naar duurzame maar ook economisch rendabele oplossingen voor de levering van goederen binnen stedelijke omgevingen. Daarbij kan voor de aanlevering van goederen in watergebonden depots in de periferie van steden ook de binnenvaart ingeschakeld worden. Bewustmaking van de problematiek en de mogelijkheden om stedelijke distributie te verbeteren en de perspectieven daarvan om de stedelijke leefbaarheid te verhogen, zijn belangrijke randvoorwaarden om te kunnen rekenen op de medewerking van lokale besturen. Om ervoor te zorgen dat private partners het engagement aangaan, zijn vooral vooruitzichten op een economisch rendabele exploitatie nodig. Een Vlaams kader voor stedelijke distributie dient als leidraad voor steden en gemeenten bij de uitwerking van een eigen lokaal beleid op het gebied van stedelijke distributie. De uitwerking van een stedelijk distributieplan volgens de specifieke context, goederenstromen en beleveringspatronen van de specifieke stad of gemeente is een absoluut pluspunt.
Beleidsvoorstel 7:
We verbeteren de mobiliteit van minder mobielen Mobiliteit is een essentieel onderdeel van onze samenleving. Daarom moeten we de toegang tot het transportsysteem verbeteren voor mensen met een mobiliteitsbeperking. We zorgen ervoor dat alle voertuigen van het stads- en streekvervoer toegankelijk zijn voor mensen met een mobiliteitsbeperking en we besteden de nodige aandacht aan een klantgerichte ontvangst in de tram en de bus die rekening houdt met ouderen en personen met een mobiliteitsbeperking. Bij de aanleg van nieuwe halteplaatsen houden we rekening met de toegankelijkheid voor fysisch en visueel gehandicapten. Zowel om het openbaar domein als om de halteplaatsen van het openbaar vervoer toegankelijk te maken, is de medewerking van de lokale besturen vereist. Ten slotte zorgen we ervoor dat het gebruik van het stads- en streekvervoer vereenvoudigd wordt door gemakkelijk toegankelijke informatie. Om te komen tot een verbeterde toegankelijkheid van het openbaar domein voor mensen met een functiebeperking is het onder meer belangrijk om samen met de lokale besturen erop toe te zien dat op voetpaden en fietspaden een obstakelvrije ruimte wordt gerespecteerd, en dat parkeerplaatsen voorbehouden blijven voor mensen met een handicap. Van de federale overheid verwachten we dat ze werk maakt van een verbeterde toegankelijkheid van de stations, halteplaatsen, perrons, treinstellen en informatie die zowel visueel als auditief beschikbaar is. Door samenwerking met andere beleidsdomeinen, zoals de welzijnssector, zetten we in op de verbreding
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
van de vervoersmogelijkheid voor personen met een verminderde mobiliteit door het bestaande aanbod beter op de mogelijkheden van de gebruikers af te stemmen en na te gaan hoe bijkomende verplaatsingsmogelijkheden gecreëerd kunnen worden. We spelen daarbij ook maximaal in op de mogelijkheden van technologische ontwikkelingen (cf. Blue Call Phone). We rekenen daarvoor op de medewerking van de private sector. In de toegankelijkheid van het transportsysteem spelen naast fysieke ook financiële drempels een rol. Om de financiële toegankelijkheid te garanderen voor inkomenszwakke groepen (kansarmen, ouderen, jongeren en kinderen enzovoort) zorgen we voor sociale tarieven of een sociaal mobiliteitsbudget. We zorgen ervoor dat de informatie over de meest voordelige tariefsystemen eenvoudig toegankelijk is en dat het meest voordelige tarief zelfs automatisch wordt toegekend.
Beleidsvoorstel 8:
We investeren in slim goederenvervoer en logistiek Slimme logistieke activiteiten vereisen een efficiënte en vlotte werking van de havens en snelle hinterlandverbindingen. Een performante logistieke infrastructuur is cruciaal voor alle actoren in de logistieke keten om de totale logistieke kosten zo laag mogelijk te houden. Een belangrijke factor om de totale logistieke kosten te beperken, zijn bundelingsmogelijkheden van goederenstromen. In het kader van het ‘extended gateway’-concept wordt verder ingezet op de bundeling van goederenstromen en op de clustering van logistieke activiteiten in de geïdentificeerde logistieke hotspots, specifieke locaties in het hinterland die bij voorkeur al bi- of trimodaal ontsloten zijn. Op die manier kunnen logistieke stromen worden gebundeld tot grotere stromen die via alternatieve modi (binnenvaart, spoor) kunnen worden getransporteerd. De logistieke efficiëntie die door de realisatie van de ‘extended gateways’ nagestreefd wordt, verlaagt de interne en externe kosten om het hinterland te bedienen. Veel multimodale inlandterminals en logistieke platformen doen dienst als een extended gateway en vormen een belangrijke schakel in de verdere verknoping van het transportnetwerk. Een samenhangend netwerk van wegen, spoorwegen, waterwegen en pijpleidingen bevordert de logistieke bereikbaarheid, wat essentieel is om duurzame logistieke afwikkelingsmogelijkheden van goederenstromen aan te bieden en bijgevolg tot een geïntegreerde logistieke keten te komen. We blijven actief op zoek gaan naar bijkomende opportuniteiten voor inlandterminals en logistieke platformen op multimodaal ontsloten strategische locaties die de aantrekkelijkheid van logistiek Vlaanderen kunnen vergroten. Verder worden de mogelijkheden van watergebonden bedrijventerreinen volop ontplooid, bijvoorbeeld via het ppskaaimurenprogramma. Het optimaliseren van de multimodale hinterlandontsluiting van de havens en de verhoging van de efficiëntie van de logistieke hotspots moeten ervoor zorgen dat Vlaanderen zich verder kan ontwikkelen als ‘Slimme draaischijf van Europa’. Comodaliteit wordt beschouwd als een van de oplossingen voor bedrijfsinterne logistieke problemen en negatieve maatschappelijke effecten van een te eenzijdig modusgebruik. Hoewel comodaliteit al lange tijd wordt gepromoot, is er nog een groot potentieel voor verbetering in de praktijk. Vooral demonstratie kan daarin een belangrijke rol spelen.
Slimme mobiliteit
We stellen vast dat logistieke actoren zich niet of onvoldoende bewust zijn van de mogelijke efficiëntiewinsten en de bijbehorende kostenbesparingen die gerealiseerd kunnen worden door logistieke stromen op een meer duurzame manier te organiseren. Daarom worden ‘Flanders Logistics’-consulenten en transportdeskundigen ingezet. Die logistieke experten stimuleren en ondersteunen bedrijven om hun logistieke stromen te optimaliseren via comodaliteit. Comodaliteit dient ondersteund door een gericht locatiebeleid zodat ontwikkelingen die sterke verkeersen vervoersstromen genereren gelokaliseerd worden op plaatsen die multimodaal ontsloten zijn, in de buurt van knooppunten of langsheen waterwegen of corridors van het openbaar vervoer. Door modusneutrale informatie te verschaffen over de verschillende transportmogelijkheden en door aan te tonen dat alternatieve modi tot efficiëntiewinsten kunnen leiden, worden bedrijven ertoe aangezet om hun logistieke stromen te herbekijken. Door de voordelen van de afzonderlijke transportmiddelen te combineren, ontstaan de meest concurrentiële logistieke ketens. In het goederenvervoer maken we in samenwerking met de private sector werk van een betere en constante informatieverstrekking tussen de vervoerders, operators, verladers, terminals enzovoort en van de ontwikkeling van onestopshop multimodale logistieke oplossingen. Binnen modi kan ook samenlading tot meer efficiënt vervoer leiden, met heel wat bedrijfseconomische en maatschappelijke positieve effecten als gevolg. Ook daarin is een taak weggelegd voor de ‘Flanders Logistics’-consulenten en de transportdeskundigen. Door realtime-informatieverstrekking over goederenstromen en netwerkcondities zorgen we ervoor dat goederenstromen opgevolgd kunnen worden (tracking en tracing) en dat informatie beschikbaar is over vermoedelijke aankomsttijden (ETA). We zorgen daardoor voor een efficiënte werking en opvolging van de logistieke keten en komen tot een optimale integratie van de binnenvaart in de logistieke keten. Een volgende generatie van RIS-toepassingen moet verder focussen op het ter beschikking stellen van informatie met toegevoegde waarde voor de vervoerslogistiek. Om de verschillende schakels van de logistieke keten beter op elkaar af te stemmen, is het ook essentieel om de informatiestromen die gepaard gaan met de fysieke goederenstromen, te stroomlijnen. De optimalisatie van de informatiestromen tussen de verschillende schakels vraagt echter nog veel aandacht in de toekomst. Het uitbouwen van een multimodaal vervoersmanagement kan ervoor zorgen dat de bestaande transportinfrastructuur optimaal wordt benut, zodat zowel de impact op de economie als op het milieu tot een minimum wordt beperkt. Intelligente transportsystemen (ITS) zijn een middel om ‘intelligente logistieke systemen’ uit te bouwen. We verwachten dat geleidelijk aan meer coöperatieve ITS-systemen, dat zijn systemen die meer en beter met elkaar communiceren om tot een optimaal informatienetwerk te komen, op de markt zullen komen. Innovatie speelt een belangrijke rol bij het voorzien in de randvoorwaarden voor logistiek. Ze is ook een cruciaal element dat bijdraagt tot het behoud van de toppositie die Vlaanderen op het vlak van logistiek inneemt en wil behouden en versterken.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
We ondersteunen zowel de ontwikkeling van nieuwe logistieke concepten voor het goederenvervoer als de inzet van moderne telematica- en communicatietechnologie om de logistieke, multimodale ketens in Vlaanderen zo concurrentieel mogelijk te maken. Binnen het kader van Flanders Logistics worden concrete innovatieprojecten uitgewerkt die mogelijke bedreigingen omvormen tot opportuniteiten om de logistiek in Vlaanderen dieper te verankeren en te versterken. In het bijzonder wordt ingezet op het vergroten van het modale aandeel van spoor en binnenvaart. We nemen maatregelen die ervoor moeten zorgen dat binnenvaarttransport in een bredere range van marktsectoren en -condities competitief kan zijn door onder meer het reduceren van operationele kosten en het verhogen van de kwaliteit. Dit doen we onder andere door het voeren van een waterweggeoriënteerd grondbeleid en het initiëren van beleidsdomein-overschrijdende pilootprojecten zoals stedelijke watergebonden distributiecentra. Vanuit het mobiliteitsaspect werken we mee aan geïntegreerde concepten die inspelen op het bereiken van de doelstellingen inzake mobiliteit, leefmilieu en een zuinig en meervoudig ruimtegebruik. Onder meer voor producten uit de bouwsector, afval en recyclage zijn belangrijke synergiën te realiseren door zowel de winning van de primaire grondstoffen, de productie, de distributie tot en met het laatste hergebruik ervan of de afvalwerking van deze grote volume stromen te concentreren rond onze waterwegen. Via dit “cradle to cradle “ vervoersconcept realiseren we grote en meervoudige maatschappelijke baten zoals minder congestie, minder ruimtebeslag, minder milieuvervuiling en een hogere verkeersleefbaarheid. De mate waarin aan onderzoek en ontwikkeling wordt gedaan, is mee bepalend voor de marktintroductie van intelligente systemen en innovaties en gedeeltelijk dus ook voor de snelheid waarmee we het transportsysteem moderner, efficiënter, gebruiks- maar ook milieuvriendelijker kunnen maken.
Beleidsvoorstel 9:
We versterken de concurrentiepositie van de Vlaamse zeehavens Om de concurrentiepositie van de Vlaamse zeehavens behouden, is het uiterst belangrijk dat de bereikbaarheid van de Vlaamse zeehavens verzekerd blijft. De onderhoudsbaggerwerken in de Noordzee en op de Schelde zijn daarvoor erg belangrijk. Het onderhoud en de ontdubbeling van de zeesluizen vormen een tweede aandachtspunt. In 2013 is er gestart met de bouw van een nieuwe zeesluis in de Waaslandhaven. De volgende jaren moeten voor de bouw van nieuwe zeesluizen in Terneuzen en Zeebrugge (SHIP) de plannings- en vergunningsprocedures voortgezet worden. Onze Vlaamse havens opereren in een globale context, met globale concurrentie tot gevolg. Industriële activiteiten staan wereldwijd onder druk, en onze havens vormen daarop geen uitzondering. Daarom streeft de Vlaamse overheid ernaar, samen met de havenbedrijven, de havenverenigingen en de ondernemingen, om de concurrentiepositie van de Vlaamse havens te behouden en te versterken. Dat garandeert de toekomst van zowel de havens als de welvaart van Vlaanderen. De Vlaamse overheid legt zich erop
Slimme mobiliteit
toe de noodzakelijke randvoorwaarden te realiseren, zoals het verzekeren van een optimale maritieme toegankelijkheid tot de havens en het voeren van een gezond industrieel beleid. Cruciaal voor de toekomst van de Vlaamse havensector is echter de samenwerking die sinds april 2013 vernieuwd is, tussen de havenbedrijven, de havenverenigingen en de Vlaamse overheid in het kader van Flanders Port Area, het netwerk van en voor de havensector. Flanders Port Area vormt het forum waarop zowel bestaande als nieuwe, bottom-up gegroeide samenwerking verder wordt ontwikkeld. Op 18 april 2013 ondertekenden de vier havenbesturen, de havenverenigingen en de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken Hilde Crevits een samenwerkingsakkoord, waarin ze het engagement aangaan om doelgericht samen te werken om de competitiviteit van de Vlaamse havens te verzekeren. Uitgangspunt daarbij is de troeven die Vlaanderen als logistieke topregio heeft maximaal uit te spelen. Het moet de bedoeling zijn om maximale toegevoegde waarde en werkgelegenheid te koppelen aan de goederenstromen die via onze havens verlopen. De sterke positie van de Vlaamse havens in een internationaal steeds concurrentiëler wordende omgeving moet veilig gesteld worden. De Vlaamse overheid moet verder in overleg met de havenbesturen zorgen voor een goede hinterlandverbinding en maritieme toegankelijkheid van de Vlaamse zeehavens. Het blijven garanderen van nautische toegankelijkheid kan niet los gezien worden van het Masterplan Kust met inbegrip van de Scheldemonding, waar verschillende eisen (veiligheid, toegankelijkheid, energiecreatie, recreatie en natuur) gezamenlijk aan bod komen. Naast de uitwerking van het concept moet aandacht gaan naar de wijze waarop de verschillende projecten gefinancierd zullen worden. Het samenwerkingsakkoord bevat dertig actiepunten, verspreid over zes domeinen waarop de betrokkenen zullen samenwerken. Om een effectieve en efficiënte uitvoering te garanderen, zijn alleen acties geselecteerd die een meerwaarde voor elk van de havens, de Vlaamse economie en het Vlaamse aandeel in het transport in de Hamburg-Le Havre-range inhouden. De volgende stap is de implementatie van de verschillende acties, die voorbereid wordt in werkgroepen. De zes domeinen waarop de samenwerking tussen de havens geïntensifieerd wordt, zijn economische en commerciële samenwerking, samenwerking rond logistiek, samenwerking rond beleidsthema’s, gezamenlijke ontwikkeling van operationele tools, gezamenlijke benadering van student en werknemer en het gezamenlijk creëren van een groter draagvlak voor havenactiviteiten. Binnen die domeinen zijn concrete acties geformuleerd, die in uitvoering zijn. Er wordt echter ook continu werk gemaakt van het detecteren van nieuwe acties en deeldomein, altijd met het oog op de bovenvermelde doelstelling. Bij de verdere uitbouw van de havens zal het gebruik van de binnenvaart voor de aan- en afvoer van goederen een beleidsprioriteit zijn. Binnen de havengebieden is het geven van een plaats aan de binnenvaart gelijkwaardig aan de andere modi spoor- en wegvervoer, noodzakelijk. Dit dient een vertaling te krijgen in aangepaste infrastructurele voorzieningen, gepaste reglementering, inzonderheid t.a.v. de zeevaart en
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
gebruiksregels inzake overslag losgekoppeld van deze die bestaan voor de zeevaart waardoor de behandeling van de binnenvaart en specifiek de afhandeling van kleine containervolumes vlotter verloopt en op gebied van service, heffingen en investeringsvolume op hetzelfde niveau komt als het weg- en spoorvervoer. Maar ook het zoeken naar oplossingen voor de dreigende congestie van de containerbinnenvaart in de haven is een belangrijke uitdaging voor zowel de overheid als de transportsector.
Beleidsvoorstel 10:
De Vlaamse regionale luchthavens worden samen met private partners efficiënt uitgebouwd en geëxploiteerd. In 2013 werd EGIS aangewezen als private luchthavenexploitatiemaatschappij (LEM) voor de regionale luchthavens Oostende-Brugge en Antwerpen. Vanaf 2014 worden de luchthavens Antwerpen en Oostende-Brugge door EGIS uitgebaat. Het Vlaamse Gewest blijft als aandeelhouder van de twee luchthavenontwikkelingsmaatschappijen (LOM’s) sterk betrokken bij de regionale luchthavens. De LOM’s zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van de basisinfrastructuur en staan in sterke mate in voor het behoud van de ICAO-certificaties van beide regionale luchthavens. De opstart van de nieuwe beheersstructuur vereist bijzondere aandacht zodat een vlotte opstart van deze LOM’s en LEM’s gegarandeerd kan worden, niet het minst voor de overdracht van het contractuele personeel en de terbeschikkingstelling van het statutaire personeel. Voor de luchthaven Kortrijk-Wevelgem zal een alternatieve beheersvorm opgestart worden. Ook hier moet voor het behoud van de ICAO-certificaties en de noodzakelijke infrastructurele investeringen gezorgd worden.
Slimme mobiliteit
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
3.1 Algemeen
Zoals eerder aangegeven, zijn alleen de meest prioritaire beleidsvoorstellen geformuleerd. We zijn ons bewust van het feit dat er ook de volgende jaren nood zal zijn aan een strikte budgettaire discipline. Bij het formuleren van de onderstaande beleidsprioriteiten gaan we uit van die realiteit. De beschikbare budgettaire middelen moeten in eerste instantie ingezet worden voor de prioriteiten. De beleidsvoorstellen beogen een zo efficiënt mogelijke inzet van de verwachte budgettaire middelen met een duidelijke nadruk op het in stand houden of op een kwalitatief aanvaardbaar peil brengen van de bestaande infrastructuur en de veiligheid van de gebruiker van die infrastructuur verzekeren. Voor de overige beleidsvoorstellen zullen de beschikbare middelen en operationele en procedurele randvoorwaarden bepalend zijn voor de snelheid waarmee of de mate waarin de beleidsvoorstellen gerealiseerd kunnen worden. Concreet zal de regering op basis van de beschikbare budgetten kunnen bepalen wanneer en gespreid over welke periode de geformuleerde voorstellen kunnen gerealiseerd worden. De volgende jaren zal men op basis van lopende en geplande onderzoeken ook meer zekerheid krijgen over de kostprijs van deze voorstellen. De afgelopen jaren zijn onder meer voor de realisatie van infrastructuur tal van pps-overeenkomsten gesloten. Voor die projecten zullen de volgende jaren beschikbaarheidsvergoedingen betaald moeten worden. Voor de reeds besliste Via-Investprojecten loopt het bedrag van de te betalen beschikbaarheidsvergoedingen op van 29 miljoen euro in 2014 tot 104.1 miljoen euro in 2019. Als alle geplande Via-Investprojecten gerealiseerd worden, lopen de jaarlijkse beschikbaarheidsvergoedingen (infrastructuur + onderhoud) in de volgende legislatuur op tot 224,2 miljoen euro per jaar. De termijnen waarin die vergoedingen betaald moeten worden, bedragen meestal dertig jaar. Ook voor een aantal projecten van De Lijn wordt een beroep gedaan op een pps-financiering met beschikbaarheidsvergoedingen. Deze beschikbaarheidsvergoedingen zullen in 2014 24 miljoen euro bedragen Voorgaande impliceert de beschikbaarheidsvergoeding voor stelplaatsen en tramlijnen, voor alle componenten (investeringscomponent, onderhoudsvergoeding en vervangingsinvesteringen) en inclusief het niet-tramgedeelte Brabo 1 (i.e. gedeelte beschikbaarheidsvergoeding niet voor De Lijn). In 2019 zal het bedrag voor de op dit moment reeds gesloten overeenkomsten 26,6 miljoen euro bedragen (met alle elementen zoals hierboven beschreven). Voor de totaliteit van de reeds door de Vlaamse Overheid vastgelegde projecten betreft het bedrag 108,4 miljoen euro, voor alle componenten en inclusief de niettramgedeelten voor de tramlijnprojecten Brabo 1 en Brabo 2 (i.e. gedeelte beschikbaarheidsvergoeding niet voor De Lijn). Ten slotte is ook voor de bouw van de Deurganckdoksluis een pps-overeenkomst gesloten. Vanaf 2016 zal een jaarlijkse beschikbaarheidsvergoeding van 18 miljoen euro betaald moeten worden.
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
Hierna wordt voor een aantal beleidsvoorstellen met een belangrijke budgettaire impact nader ingegaan op de middelen die nodig zijn om de beleidsvoorstellen uit te voeren.
3.2 Concrete budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
Beleidsvoorstel 1:
We zorgen voor betrouwbare en efficiënte netwerken Het reguliere en het structurele onderhoud van de gewestwegen, de A-wegen en de telematica vergt 385 miljoen euro per jaar. Het wegwerken van het achterstallige onderhoud op A-wegen en N-wegen vergt respectievelijk 65 miljoen euro per jaar (2014 en 2015) en 120 miljoen euro per jaar (2015 tot en met 2020). Door die achterstand weg te werken moeten de langetermijn onderhoudskosten dalen. Het onderhoud en het baggeren van onze waterwegen vergen jaarlijks respectievelijk 100 miljoen. euro en 35 miljoen euro. De vernieuwbouw en vervangingsbouw vergt +/- 14 miljoen euro per jaar. Hiervoor putten NV Waterwegen en Zeekanaal en De Scheepvaart nv uit hun investerings- en werkingsdotaties (respectievelijk 180 miljoen euro voor W&Z en 60 miljoen euro voor DS in 2014). Deze investeringsdotaties worden evenwel ook aangewend voor het gericht uitbouwen van het waterwegennet (zie beleidsvoorstel 2), RIS, automatisatie en afstandsbediening (zie beleidsvoorstel 5), het nemen van specifieke modal shift acties zoals promotie, gerichte communicatie, steunmaatregelen, marktprospectie en marketing, het voeren van een waterweg-georiënteerd grondbeleid (zie beleidsvoorstel 6 en 8) en het vergroenen van het netwerk en de vloot. (zie beleidsthema Groen en Dynamisch Stedengewest). Daarnaast worden ook de investeringen in de andere waterwegfuncties, in het bijzonder de waterbeheersing, gefinancierd uit de investeringsdotatie van de waterwegbeheerders. De noodzakelijk geachte onderhouds- en baggerwerken vergen de volgende legislatuur jaarlijks +/- 45 miljoen euro meer dan de middelen die hiervoor tot op heden worden uitgetrokken. Bijgevolg moeten beduidend meer van de beschikbare middelen worden ingezet om de betrouwbaarheid van het waterwegennet te vrijwaren. De baggerwerken die de maritieme toegang (o.a. Westerschelde) tot onze zeehavens moeten verzekeren kosten 245 miljoen euro per jaar. Dit beleidsvoorstel is niet-budgetneutraal maar kan vanaf 2016 gefinancierd worden via een mogelijke extra ontvangst uit de slimme kilometerheffing (zie beleidsvoorstel 4). In onderstaande tabel worden de budgettaire middelen opgelijst die noodzakelijk zijn om deze beleidsvoorstellen te realiseren. De hier opgegeven bedragen zijn de totale uitgaven voor dit beleidsvoorstel en niet de bijkomende middelen die hiervoor noodzakelijk zijn.
Slimme mobiliteit
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
reguliere en het structurele onderhoud van de gewestwegen, de A-wegen en de telematica
385.000
385.000
wegwerken van het achterstallige onderhoud op A-wegen
65.000
(jaarlijks periode 2014-2015)
wegwerken van het achterstallige onderhoud op N-wegen
120.000
120.000 (jaarlijks in periode 20152020)
onderhoud van waterwegen
100.000
100.000
baggeren van waterwegen
35.000
35.000
vernieuwbouw en vervangingsbouw waterwegen
14.000
14.000
baggerwerken maritieme toegang zeehavens
245.000
245.000
Beleidsvoorstel 2:
We pakken de files aan Dit beleidsvoorstel is niet-budgetneutraal maar kan vanaf 2016 gefinancierd worden via een mogelijke extra ontvangst uit de slimme kilometerheffing (zie beleidsvoorstel 4 en via tolheffing (Oosterweelverbinding). Voor de kostenramingen van de werken in het kader van het Masterplan Antwerpen (wegen, waterwegen, fietspaden en openbaar vervoer) verwijzen we naar de voortgangsrapportages in het Vlaams Parlement. De kostprijs van de herinrichting van de ring rond Brussel (R0) wordt voor de zone Zaventem op 98 miljoen euro geraamd. Die werken zullen via een pps gerealiseerd worden. De beschikbaarheidsvergoedingen worden geraamd op 15,3 miljoen euro per jaar (gedurende 40 jaar). De bouwkosten voor de herinrichting van het noordelijke deel van de R0 wordt op 280 miljoen euro geraamd. Het verhogen van de capaciteit van het waterwegennetwerk en het wegwerken van knelpunten vraagt voor het netwerk beheerd door Waterwegen en Zeekanaal een jaarlijkse investering van gemiddeld 100 miljoen euro (bruto-bedrag zonder EU-subsidies) waarvan voor de Seine- Schelde-verbinding gemiddeld 35,5 miljoen euro / jaar).
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
Voor het netwerk van De Scheepvaart bedraagt de jaarlijkse investering minstens 45 mio. euro (brutobedrag, zonder EU-subsidies). In functie van nog te nemen beleidsbeslissingen (uitvoering/ timing) dient dit bedrag te worden verhoogd met 120 miljoen euro voor het verhogen van de sluiscapaciteit in Wijnegem (Albertkanaal) en 80 miljoen euro voor het vervangen van drie sluizen te Mol-Lommel (Kanaal BocholtHerentals). De Connecting Europe Facility, het financieringsinstrument voor de uitbouw van het TEN-T netwerk, biedt belangrijke opportuniteiten om in de periode 2014-2020 de EU-subsidiemogelijkheden voor de waterwegprojecten maximaal te benutten. Met name voor de projecten op de cruciale grensoverschrijdende binnenvaartcorridors wordt een subsidiepercentage van 40% in het vooruitzicht gesteld, voor overige projecten daarbuiten 20%. Voor o.a. het project Seine-Schelde en voor het verhogen van de bruggen over het Albertkanaal vormt de Europese steun een belangrijke financieringsbron.
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Ring rond Brussel zone Zaventem
0
+/- 15.300 per jaar vanaf einde der werken (timing afhankelijk van plannings-, vergunnings en aanbestedngsprocedures)
Waterwegen
110.000
Gemiddeld 190.000 per jaar
Budgettaire uitgave (in Keuro)
Beleidsvoorstel 3:
We zorgen voor een veiligere mobiliteit Dit beleidsvoorstel kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd. De aanpassingen aan de wegeninfrastructuur met het oog op de verbetering van de verkeersveiligheid vergen jaarlijks 100 miljoen euro. Dat komt overeen met het bedrag dat daarvoor tijdens de vorige legislatuur jaarlijks werd uitgetrokken.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
aanpassingen wegeninfrastructuur voor verbetering verkeersveiligheid
100.000
100.000
Slimme mobiliteit
Beleidsvoorstel 4:
We gaan voor een prijsbeleid dat gebaseerd is op het principe de gebruiker / de vervuiler betaalt Dit beleidsvoorstel genereert vanaf 2016 belangrijke extra inkomsten die ondermeer worden ingezet voor de realisatie van de overige beleidsvorstellen. De slimme kilometerghheffing voor vrachtwagens zal bij een gemiddeld tarief 0,13 euro/km (= maximaal toegelaten tarief rekening houdend met de infrastructuur en externe kosten) volgens de huidige raming jaarlijks +/- 572 miljoen euro opbrengsten genereren. De kosten van de slimme kilometerheffing worden momenteel op 60 tot 80 miljoen euro geraamd. Om het maatschappelijk draagvlak voor een kilometerheffing te realiseren, investeren we de bijkomende opbrengsten in de mobiliteitssector.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Slimme kilometerheffing inkomsten
0
572.000 (bij maximaal tarief van 0,13 € /km)
Slimme kilometerheffing kosten
0
60.00 – 80.000
Beleidsvoorstel 5:
We bouwen onze netwerken verder uit tot slimme netwerken Dit beleidsvoorstel kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd. De kostprijs van de verdere uitbouw van het dynamisch verkeersmanagement wordt op 50 miljoen euro per jaar geraamd. De investeringen in RIS afstandsbediening en automatisatie voor een slimmere en veiligere mobiliteit op onze waterwegen vergen in 2014 en 2015 een bedrag van 6,1 miljoen euro per jaar en in de periode 20162019 5,1 miljoen euro per jaar (brutobedragen, 50% EU-subsidies).
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Dynamisch verkeersmanagement uitbouwen
50.000
50.00
RIS afstandsbediening en automatisatie voor een slimmere en veiligere mobiliteit op onze waterwegen
6.100
5.100
Beleidsvoorstel 6:
We zetten in op een meer duurzame en efficiënte stedelijke mobiliteit Dit beleidsvoorstel kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd. Voor de verder uitbouw van de kwaliteit van de overstapknooppunten (i.c. stationsomgevingen) wordt – bij constant beleid - een jaarlijks investeringsbedrag van gemiddeld 20 miljoen euro naar voor geschoven. De overige elementen uit dit beleidsvoorstel vergen geen bijkomende budgetten maar vergen een meer gerichte inzet van de vandaag beschikbare budgetten voor de realisatie van dit beleidsvoorstel. Indien bijkomende middelen beschikbaar kunnen worden gesteld kan dit beleidsvoorstel uiteraard sneller en beter uitgevoerd worden.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
uitbouw van de kwaliteit van de overstapknooppunten (i.c. stationsomgevingen)
20.000
20.00
Slimme mobiliteit
Beleidsvoorstel 7:
We verbeteren de mobiliteit van minder mobielen Dit beleidsvoorstel is niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag of kan gefinancierd vanaf 2016 worden met inkomsten uit de slimme kilometerheffing. Voor de financiering van vervoer van minder mobielen, de kosten voor de centrales aangepast vervoer en de tussenkomst voor personen met beperkt inkomen via de Mindermobielencentrales is in 2015 8 miljoen euro nodig. Dit bedrag loopt de daaropvolgende jaren geleidelijk op tot 17,5 miljoen euro in 2019.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
vervoer van minder mobielen, de kosten voor de centrales aangepast vervoer en de tussenkomst voor personen met beperkt inkomen via de Mindermobielencentrales
8.000
Oplopend tot 17.500 in 2019
Beleidsvoorstel 8:
We investeren in slim goederenvervoer en logistiek Dit beleidsvoorstel kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd. De budgettaire middelen noodzakelijk voor de realisatie van dit beleidsvoorstel zitten verspreid over tal begrotingsartikels. Dit beleidsvoorstel vergt geen bijkomende budgetten maar vergt een meer gerichte inzet van de vandaag beschikbare budgetten voor de realisatie van dit beleidsvoorstel. Indien bijkomende middelen beschikbaar kunnen worden gesteld kan dit beleidsvoorstel uiteraard sneller en beter uitgevoerd worden
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Bevorderen slim goederenvervoer en logistiek
verspreid over tal begrotingsartikels
verspreid over tal begrotingsartikels
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 9:
We versterken de concurrentiepositie van de Vlaamse zeehavens Dit beleidsvoorstel is niet-budgetneutraal maar kan vanaf 2016 gefinancierd worden via de extra ontvangst uit de slimme kilometerheffing. De jaarlijkse ondersteuning aan de Vlaamse havens (subsidies en decreetkosten) bedraagt 41 miljoen euro per jaar (vanaf 2017 43 miljoen euro per jaar). De bouw van zeesluizen vergt de volgende investeringen:
•• •• •• ••
Deurganckdoksluis: 18 miljoen euro per jaar beschikbaarheidsvergoeding; sluis Terneuzen: van 2017 tot en met 2022: 87 miljoen euro per jaar; SHIP Zeebrugge: geraamde bouwkosten: geraamde bouwkosten 946 miljoen euro; renovatie Royerssluis: geraamde bouwkosten: geraamde bouwkosten 140 miljoen euro (vanaf 2016). Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Deurganckdoksluis
0
18.000 (beschikbaarheidsvergoeding)
Sluis Terneuzen
0
87.000 (jaarlijks in periode 2017-2022)
SHIP Zeebrugge
0
geraamde bouwkosten 946.000 (timing nog te bepalen)
Renovatie Royerssluis
0
geraamde bouwkosten 140.000 (vanaf 2016)
Beleidsvoorstel 10:
De Vlaamse regionale luchthavens worden samen met private partners efficiënt uitgebouwd en geëxploiteerd De Vlaamse Regering besliste op 19 juli 2013 dat de luchthavens Antwerpen en Oostende-Brugge voortaan beheerd zullen worden door een luchthavenontwikkelingsmaatschappij (LOM) en een luchthavenexploitatiemaatschappij (LEM). De uitbating van de luchthavens d.m.v. een LOM-LEM structuur betekent een gemiddelde meerkost van +/- 1,4 miljoen € per jaar t.o.v. de DAB-structuur. In de begroting 2014 zijn de middelen voor de LOM-LEM structuur ingeschreven.
•• ••
••
De LOM krijgt een jaarlijkse werkings- en investeringssubsidie van het Vlaamse Gewest, als aanvulling op de concessievergoeding die de LEM aan de LOM betaalt. De hoogte van de investeringssubsidies fluctueert door de jaren naargelang de behoefte aan investeringen. Ook de werkingssubsidies fluctueren door de jaren afhankelijk van de cashbehoefte van de LOM en de door de LEM gegeven concessievergoeding. Gemiddeld wordt deze legislatuur per jaar 4,2 miljoen euro aan subsidies uitgetrokken voor de LOM Antwerpen, en 5,6 miljoen euro voor de LOM Oostende-Brugge. De LEM verkrijgt een werkings- en investeringssubsidie van het Vlaamse Gewest, als vergoeding voor de kosten inzake de veiligheids- en beveiligingstaken die de LEM uitvoert.
Slimme mobiliteit
•• ••
••
De hoogte van de investeringssubsidies fluctueert door de jaren naargelang de behoefte aan investeringen. De werkingssubsidie betreft een maximum en wordt bepaald op basis van de reëel gemaakte kosten. Gemiddeld wordt in 4,9 miljoen euro subsidies voorzien voor de LEM Antwerpen, en in 7,6 miljoen euro voor de LEM Oostende-Brugge. Voor de luchthaven Kortrijk-Wevelgem zal een nv van privaat recht worden opgericht die de volledige uitbating van de luchthaven op zich zal nemen. In het kader van die beheershervorming zal het Vlaamse Gewest jaarlijks subsidies verstrekken aan de op te richten nv voor de uitvoering van infrastructuurwerken. De op te richten nv verkrijgt ook jaarlijks een subsidie voor de uitvoering van taken inzake veiligheid en beveiliging. De hoogte van die subsidies moet nog nader bepaald worden. De gemiddelde jaarlijkse subsidies voor de Vlaamse regionale luchthavens over de periode 20152019 zijn de volgende:
Dit beleidsvoorstel is budgetneutraal. In de begroting 2014 zijn de middelen voor de LOM-LEM structuur voor het eerst ingeschreven. In vergelijking met 2014 vergt dit beleidsvoorstel in de periode 2015-2019 gemiddeld geen bijkomende middelen. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de geraamde uitgaven.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
gemiddelde. subsidie aan de LOM Antwerpen
4.200
4.200
gemiddelde. subsidie aan de LOM Oostende-Brugge
5.600
5.600
gemiddelde. subsidie aan de LEM Antwerpen
4.900
4.900
gemiddelde. subsidie aan de LEM Oostende-Brugge
7.600
7.600
Conclusie budgettaire impact De bovenstaande beleidsvoorstellen kunnen slechts gerealiseerd worden indien, bovenop de huidige budgetten, vanaf 2016 de inkomsten uit de slimme kilometerheffing (beleidsvoorstel 4) volledig kunnen ingezet worden voor dit beleidsthema.
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
Warme samenleving
inhoudstafel
Inhoudstafel 01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
1.1 Vergrijzing, verzilvering, verdunning en vergroening 1.2 Van meer diversiteit naar superdiversiteit 1.3 Armoede en sociale uitsluiting 1.4 Relatie overheid burger 1.5 Individualisering en alternatieve verenigingsvormen 1.6 Vermaatschappelijking van de zorg 1.7 Ruimtegebruik 1.8 Digitalisering en sociale media 1.9 Professionalisering van het aanbod 1.10 Internationalisering
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
287 287 288 288 289 290 290 291 291 292 293
294
2.1 Algemene ambitie en visie 2.2 Strategische doelstellingen en beleidsvoorstellen
294 295
A
295
De inclusieve en diverse samenleving
SD1. We werken ambitieus en constructief aan een samenleving waarin iedereen – ongeacht herkomst, gender, seksuele geaardheid, leeftijd, handicap of gezondheidstoestand – samenleeft op grond van gelijkwaardigheid, binnen een gemeenschappelijk kader van normen en waarden (vrijheid, gelijkheid, solidariteit, respect en burgerschap) én met respect voor ieders eigenheid. Einddoel is een volwaardige en evenredige participatie van elke burger aan de samenleving, waar alle discriminatie is uitgebannen, en het creëren van voldoende sociale samenhang in die samenleving. Beleidsvoorstel 1: We streven naar een sterk en gecoördineerd transversaal en inclusief integratie- en gelijkekansenbeleid. Beleidsvoorstel 2: We streven naar een verticaal en functioneel integratie- en inburgeringsbeleid. Beleidsvoorstel 3: We streven naar een gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid voor iedereen.
B
De zorgzame samenleving
SD1. Om mensen te versterken in hun fysiek, psychisch en sociaal welbevinden zetten we resoluut en primair in op preventie van welzijns- en gezondheidsproblemen en willen we snel inspelen op acute noden.
295 295 295 295 295
301
Warme samenleving
Beleidsvoorstel 1: Beleidsvoorstel 2:
We prioriteren het preventieve welzijns- en gezondheidsbeleid op basis van objectiveerbare noden, op evidentie gebaseerde methodieken en gezondheidseconomische afwegingen, in de eerste plaats via gezondheidsdoelstellingen en het versterken van de eerstelijnshulp, met inbegrip van het aanbod geestelijke gezondheidszorg. 301 We zetten in op een maximale gezondheidswinst door, via een beleid van health in all policies, actief verschillende maatschappelijke sectoren (facettenbeleid) en beleidsdomeinen in te schakelen. We betrekken in het bijzonder de lokale besturen en, voor het realiseren van een gezondheidsbevorderende werkomgeving, de sociale partners en organisaties die bedrijven ondersteunen, de media en de gezinnen. 302
SD2. Om tegemoet te komen aan de diverse welzijns-, gezondheids- en zorgnoden van mensen, bedden we de zorg verder in de samenleving in, en investeren we in een aanpak op maat van de individuele noden. 303 Beleidsvoorstel 1: We actualiseren en realiseren het Perspectiefplan 2020. We realiseren de basisdoelstellingen (zorggarantie voor wie de grootste noden heeft en autonomie voor de personen met een handicap) in eerste instantie door het invoeren van een persoonsvolgende financiering. 303 Beleidsvoorstel 2: We realiseren het actieplan jeugdhulp zodat de jeugdhulp maximaal vertrekt van de krachten van jongeren en passende hulp kan worden geboden: rechtstreeks toegankelijk als het kan, niet-rechtstreeks toegankelijk als dat nodig is. 303 Beleidsvoorstel 3: We bouwen de Huizen van het Kind uit tot volwaardige basisvoorzieningen voor alle (aanstaande) gezinnen met kinderen vanuit een sterke lokale samenwerking tussen de partners op het vlak van preventieve gezinsondersteuning. 303 Beleidsvoorstel 4: We organiseren het thuiszorgaanbod cliëntgericht (maximumfactuur, inkomensgerelateerde bijdrage) met de behoeften en de autonomieversterking van de zorgbehoevende als centraal aandachtspunt. 304 Beleidsvoorstel 5: We voorkomen en bestrijden armoede, met bijzondere aandacht voor een transitie in de aanpak van kinderarmoede en voor het wegwerken van gezondheidsongelijkheid. 304 SD3. Om de, toenemend complexe, zorgvragen efficiënt te kunnen beantwoorden, werken we resultaatgericht samen met andere beleidsdomeinen en bestuursniveaus. 306 Beleidsvoorstel 1: We zetten maximaal in op samenwerking met andere beleidsdomeinen en andere bestuursniveaus. 306 Beleidsvoorstel 2: We zorgen voor kwaliteitsvolle kinderopvang zoals vastgelegd in het decreet houdende de organisatie van kinderopvang van baby’s en peuters en we bouwen aan een kwaliteitsvolle en op de leefwereld van schoolkinderen afgestemde opvang vanuit een sterke samenwerking tussen alle stakeholders op het vlak van opvang en vrije tijd van schoolkinderen. 306
inhoudstafel
SD4. Om de zorg efficiënt en effectief te kunnen inzetten, maken we een sociaal ondernemen mogelijk dat een flexibele inzet van middelen paart aan een beleidsgerichte verantwoording ervan. 308 Beleidsvoorstel 1: Met het oog op cliëntgerichte zorg optimaliseren we de operationele en beleidsgerichte informatie-uitwisseling, met het decreet over het netwerk voor digitale gegevensdeling in de zorg als basis. 308 Beleidsvoorstel 2: We formuleren een kader waarbinnen voorzieningen eigenaarschap voor deugdelijk bestuur en sociale innovatie kunnen opnemen, met duidelijke afspraken over een gerichte verantwoording ten opzichte van de overheid. 308 SD5. We sturen, stimuleren en ondersteunen de welzijns- en gezondheidsactoren zodat ze kwaliteitsvolle zorg bieden. 310 Beleidsvoorstel 1: We ontwikkelen voor Zorginspectie een uniform juridisch kader voor de uitoefening van het inspectietoezicht en we realiseren in samenwerking met de zorgvoorzieningen en -verstrekkers een veralgemeende registratie van kwaliteitsindicatoren, waarvan de resultaten gericht publiek kunnen worden gemaakt. 310 SD6. We operationaliseren de nieuwe bevoegdheden waarvoor de Vlaamse overheid verantwoordelijk wordt bij de overheveling van de zesde staatshervorming zodat ze bijdragen tot een versterkte beleidsaanpak met een breed draagvlak. Beleidsvoorstel 1: We zorgen voor de uitvoering van de concrete bevoegdheidsoverdrachten die zijn opgenomen in het witboek van de zesde staatshervorming.
310
C
310
De creatieve en actieve samenleving
SD1. Met ons cultuurbeleid creëren we ruimte en tijd voor experiment, creativiteit en innovatie. Beleidsvoorstel 1: We zetten maximaal in op e-cultuur en digitalisering. Beleidsvoorstel 2: We stimuleren sociale innovatie. Beleidsvoorstel 3: We zetten in op organisatorische, wetenschappelijke, ruimtelijke en financiële innovatie. Beleidsvoorstel 4: We ontwikkelen een vernieuwend cultureel diplomatiebeleid. SD2. In ons cultuurbeleid erkennen we de diversiteit als stimulans voor de creativiteit en verrijking van de samenleving en haar leefomgeving. Beleidsvoorstel 1: We stimuleren het cultureel leren en voeden het vanuit het beleid. Beleidsvoorstel 2: We ontwikkelen een gediversifieerd cultuurbeleid.
310
311 312 312 312 312
314 315 315
Warme samenleving
SD3. We versterken het jeugdwerk opdat het de ontwikkeling, het welzijn en de sociale insluiting van alle kinderen en jongeren verbetert.
Beleidsvoorstel 1:
Vanuit een herbronning van de rol van het jeugdwerk in de samenleving ontwikkelen we, in dialoog met andere beleidsdomeinen, een jeugdwerkstrategie om betere voorwaarden en meer kansen te creëren voor de ontwikkeling, ondersteuning en uitvoering van het jeugdwerk op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau.
SD4. We willen zo veel mogelijk Vlamingen op een duurzame en gezonde manier doen sporten via een kwalitatief, voor iedereen toegankelijk en goed gecommuniceerd sportaanbod. Beleidsvoorstel 1: We willen mensen levenslang en gezond doen sporten, door sensibilisering van de Vlaamse bevolking, facilitering van de niet-georganiseerde sportbeoefening en ondersteuning van de georganiseerde sportbeoefening als componenten. Beleidsvoorstel 2: We willen de sportsector professionaliseren door het verhogen van de kwaliteit van de sportbegeleiders en het verlagen van de drempels voor tewerkstelling. Beleidsvoorstel 3: We willen het structureel tekort aan sportinfrastructuur wegwerken. Beleidsvoorstel 4: We willen een betere preventie en educatie rond doping creëren door het versterken van de complementaire aanpak van NADO Vlaanderen. SD5. We willen een verhoging van het aantal behaalde top-8-plaatsen en medailles op de Olympische Spelen en op wereldkampioenschappen en Europese kampioenschappen in olympische disciplines. Beleidsvoorstel 1: We willen de integrale uitvoering van het T opsportactieplan III (2013-2016) en opmaak van het Topsportactieplan IV (2017-2020).
03 / RAMING VAN DE BUDGATTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
VERKLARENDE LIJST VAN AFKORTINGEN
316
317
318
318
318 324
318
321
321
322 337
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
De onderstaande tendensen hebben vandaag al een belangrijke impact op de samenleving en haar karakter. Ook in de nabije en verdere toekomst zullen deze een invloed hebben op aspecten als zorgzaamheid, solidariteit, emancipatie, keuzevrijheid, persoonlijke ontwikkeling, creativiteit, enzovoort. Dat zijn aspecten die mee het ‘warme’ karakter van onze samenleving uitmaken en garant staan voor het mentale en fysieke welzijn van alle burgers.
1.1
Vergrijzing, verzilvering, verdunning en vergroening
Door de verdere vergrijzing (65-plussers) en de aankomende verzilvering (80-plussers) van de bevolking zal de vraag naar zorg de komende jaren sterk blijven toenemen. Samen met de aankomende pensioengolf bij de zorgverleners in een sector die nu al kampt met een tekort aan arbeidskrachten, vormt die trend voor het afstemmen van vraag en aanbod een belangrijke bijkomende uitdaging. Niet alleen in de welzijns- en zorgsector, maar ook in de brede cultuur- en sportsector vraagt die steeds groeiende bevolkingsgroep specifieke aandacht. Uit de participatiesurvey 2009 blijkt immers dat de participatiecijfers voor cultuur, sport en verenigingsleven in het algemeen sterk dalen vanaf 60 jaar. Onze samenleving wordt ook gekenmerkt door een steeds verder om zich heen grijpende gezinsverdunning. Die houdt in hoofdzaak verband met de toename van het aantal echtscheidingen, en daaraan gelinkt de toename van alleenstaande ouders. Bovendien is er ook een toename van alleenstaande ouderen, vaak van heel hoge leeftijd. Daar waar mensen elkaar (weer) vinden, zorgen de soms complexe nieuw samengestelde gezinnen voor een bijkomende uitdaging en zet het tweeverdienersmodel meer en meer druk op gezinnen om het gezinsleven te verzoenen met arbeid. Het is daarbij van belang ook de genderdimensie (bijvoorbeeld de loopbaankloof) niet uit het oog te verliezen. Globaal gezien stagneert de ontgroening in Vlaanderen. Vooral in de centrumsteden zoals Antwerpen en Gent, maar nog het meest in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ziet men een nieuwe demografische groei en zal de leeftijdsgroep van de min-15-jarigen ook in de komende periode verder toenemen. Meer structurele aandacht voor het psychisch en sociaal welbevinden van deze doelgroep is nodig om tegemoet te komen aan hun toenemende psychische problemen. Bijkomend gaat het in hoofdzaak om een gekleurde vergroening. Zowel de hele welzijns- en zorgsector als de brede cultuur-, jeugd- en sportsector zullen daarmee rekening moeten houden bij het vormgeven van hun aanbod en dienstverlening.
Warme samenleving
1.2
Van meer diversiteit naar superdiversiteit
De diversiteit in de bevolking evolueert naar een superdiversiteit door onder andere een grotere diversiteit wat betreft de landen van herkomst (specifiek kan hier de intra-Europese migratie worden vermeld), de redenen voor migratie en de statuten van verblijf. De migratie kent ook een sterke vervrouwelijking tegenover de klassieke arbeidsmigratie. We zien ook dat kinderen met wortels in migratie steeds meer de steden kleuren. En de bevolkingspiramide van inwoners met een vreemde nationaliteit wijst op een verouderende populatie. De verscheidenheid in religieuze of wereldbeschouwelijke opvattingen, seksuele voorkeuren, culturele expressies en tradities springt elke dag meer in het oog, niet alleen in de stedelijke agglomeraties maar ook in de meer landelijke gebieden. De bevolkingssamenstelling kenmerkt zich ook door een toenemende maatschappelijke diversiteit. Personen met een beperking, ouderen, mensen in armoede en laaggeletterde mensen hebben gemeenschappelijk dat ze vaak moeilijkheden ondervinden bij het realiseren van gelijke kansen, rechten en volwaardige participatie. Die superdiversiteit vormt een belangrijke uitdaging voor het cultuur-, erfgoed-, jeugd- en sportbeleid. Er is nog steeds een belangrijk participatiedeficit van minderheidsgroepen op diverse vlakken: de organisaties en hun personeel, het bestuur, het aanbod, de actieve/passieve deelname enzovoort. De drempels zijn divers: sociaal, financieel, bereikbaarheid, toegankelijkheid, tijd, herkenbaarheid … . Die evolutie naar superdiversiteit vraagt ook van de hulp- en dienstverlening en van de gezondheidszorg een antwoord, zowel op personeelsvlak, met betrekking tot de methodische kaders die worden gehanteerd, als op het vlak van de toegankelijkheid van sociale voorzieningen.
1.3
Armoede en sociale uitsluiting
In het bijzonder moeten de trends van verkleuring van armoede en de gevolgen van armoede voor gezinnen en kinderen (het aantal geboortes in kansarme gezinnen is meer dan verdubbeld tussen 1997 en 2010) sterk gevolgd worden. Ook de toename van het aantal alleenstaande moeders met kinderen (12%, tegenover 1,9% vaders) is een trend die bijzondere aandacht verdient, net zoals de armoede op het platteland. Het is duidelijk dat de meest extreme vorm van armoede, namelijk dak- en thuisloosheid, een geïntegreerd en inclusief beleid vereist, waarbij gezocht wordt naar synergie tussen de beleidsvelden om zo de sociale uitsluiting tegen te gaan. Het thema armoede bij kinderen en jongeren is ook één van de uitdagingen van het nieuw jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan (JKP). Op het raakvlak van gezondheidszorg, welzijn en justitie situeert zich ook de groep van geïnterneerden in de gevangenissen met onbeantwoorde noden. Sociale ongelijkheid vinden we terug in de participatiecijfers voor cultuur, jeugd en sport. Hoogopgeleiden participeren in het algemeen meer dan laagopgeleiden, mannen meer dan vrouwen, en werkenden meer dan werklozen. Personen van vreemde herkomst nemen weinig deel.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
In het algemeen blijkt de maatschappelijke positie van personen van vreemde herkomst op een aantal belangrijke levensdomeinen minder gunstig dan die van autochtone Vlamingen. Ook tussen personen met een vreemde herkomst onderling bestaan duidelijke verschillen: terwijl de EU-burgers veelal gelijke tred kunnen houden met de Vlamingen, hinken de niet-EU-burgers vaak (ver) achterop.
1.4
Relatie overheid burger
Door de gewijzigde gezagsverhoudingen en de toegenomen individualisering is de burger bewuster en mondiger geworden. De burger wil voldoende waarborgen voor kwaliteitsvolle zorg- en dienstverlening, en een gevarieerd en aangepast aanbod, zowel binnen de welzijnssector als binnen de brede cultuur- en sportsector. Tezelfdertijd neemt de vraag naar transparantie in de grote hoeveelheid, vaak complexe, informatie toe. De burgers verwachten van de overheid een publieke verantwoording van haar keuzes. De toegenomen aandacht voor cliëntenrechten en voor participatieve hulpverlening, alsook het grote aantal zelfhulpgroepen sluit aan bij die tendens. Voor de overheid impliceert dat extra aandacht voor meer kwetsbare burgers. Aangezien kinderen en jongeren nog geen stemrecht hebben, behoren zij expliciet tot deze groep en moeten voor hen voldoende participatiemogelijkheden voorzien worden. De overheid moet haar rol van hoeder van de publieke ruimte waar kunnen maken en sociale cohesie ondersteunen. Het aanvoelen is dat er op dit ogenblik (te) weinig sociale en culturele cohesie is. Dat laat zich voelen in een maatschappelijk ongenoegen met betrekking tot het samenleven in het algemeen en het samenleven in diversiteit in het bijzonder. Als een van de oorzaken van verminderde sociale cohesie wordt vaak de link gelegd met de multiculturele samenleving, en botsende belangen en waarden. Een gebrek aan herkenbaarheid van de ander en het feit dat sociale netwerken van burgers van allochtone en autochtone herkomst van elkaar gescheiden blijven, verklaren mee de verminderde sociale cohesie. Anderzijds behoren harmonie én conflict tot het normale samenleven. Het komt erop aan dergelijke samenlevingsconflicten hetzij te voorkomen, hetzij op de voet te volgen en ze niet te laten escaleren tot ze haast niet meer opgelost kunnen worden. De maatschappelijke discussie rond de GAS-boetes, van waaruit een groeiende onverdraagzaamheid ten opzichte van onder andere kinderen en jongeren kan gedetecteerd worden, is daar een voorbeeld van. Burgerparticipatie en een ondernemerschap dat inzet op innovatieve, sociale waarde creërende activiteiten, zowel in non-profit- als in profitomgevingen, krijgen steeds meer ruimte. Innovaties ontstaan niet alleen door toedoen van de overheid of vanuit de markt; ook individuele burgers, wijken, het middenveld en vrijwilligersorganisaties zijn belangrijke spelers. Dat is geen nieuw gegeven — denk bijvoorbeeld aan de jeugdbewegingen — maar die dynamiek kent vandaag een hausse, zoals mag blijken uit talrijke initiatieven: autodelen, thuisafgehaald.be, LETS-systemen, projecten coöperatief ondernemen, gezamenlijke energieaankopen … . Overheid en burgers kunnen elkaar hier vinden en versterken. Informatisering is daarbij een belangrijke factor.
Warme samenleving
1.5
Individualisering en alternatieve verenigingsvormen
Conform de algemene maatschappelijke ontwikkelingen en de toenemende individualisering en digitalisering zien we een grotere verscheidenheid aan groepsrelaties op korte en langere termijn ontstaan. Doordat de grote traditionele netwerken aan belang verliezen, gaat ook de binding met en het begrip voor het daaraan verbonden erfgoed (religieus, industrieel, agrarisch …) verloren. Dezelfde tendensen laten zich ook voelen in de sport- en cultuursector. Er wordt namelijk meer individueel en in niet-, anders- of lichtgeorganiseerd verband gesport, even goed als er culturele, jongeren- of sportactiviteiten op initiatief van enkele individuele burgers worden georganiseerd. De clubsportparticipatie ondervond desondanks een lichte toename, terwijl het actieve sportcontact (minstens tweemaal per jaar sporten) sterk is toegenomen. Dat laatste is mee te danken aan de volgehouden sensibiliserings- en sportpromotiecampagnes in het kader van Sport voor Allen. Diverse studies tonen verder het belang van de georganiseerde sport voor het levenslang sporten aan. Daarnaast heeft ook de sociale rol (fair play, het belang van normen en waarden …) van een sportclub zijn meerwaarde. De amateurkunstensector ontsnapt evenmin aan de impact van die veranderingen. Zo is er een groei van feitelijke verenigingen, lossere (artistieke) samenwerkingsverbanden, ad-hocinitiatieven, clubs, bands en startende verenigingen die dankzij de sociale media hun contacten en sympathisanten kunnen mobiliseren. Het virtuele netwerk waarbinnen culturele organisaties zich bewegen, wordt steeds belangrijker. Dat maakt een meer informele omgang met cultuur en vrije tijd mogelijk. De uitdaging bestaat erin om alert te blijven voor de wijzigende behoeften van de burgers en een duurzaam flankerend beleid te voeren.
1.6
Vermaatschappelijking van de zorg
De inclusiegedachte veronderstelt een zorgmodel dat organisch ingebed is in de samenleving. Dat sluit aan bij de tendens naar meer vermaatschappelijking van de zorg. De rechten realiseren van kwetsbare burgers (ouderen, personen met een fysieke of mentale beperking, personen met een psychiatrische problematiek, kinderen en jongeren in de jeugdzorg …) vanuit hun eigen krachten en positie is daarbij de centrale doelstelling. Daaraan liggen ethische en emancipatorische redenen ten grondslag, naast overwegingen van efficiëntie (de actuele vragen zijn via een institutioneel aanbod onbetaalbaar). Voorbeelden daarvan zijn eigenkrachtconferenties, community building, pleegzorg enzovoort. In elk geval vereist een vermaatschappelijkt zorgmodel een creatief samenspel tussen de zelfredzame burger, zijn gezins- en sociale context, en de reguliere en de gespecialiseerde professionele hulp. Dat structureel waarmaken veronderstelt het faciliteren van een keten- en netwerkbenadering van de hulp- en dienstverlening.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
1.7 Ruimtegebruik
De druk op de algemene fysieke en mentale gezondheid en levenskwaliteit zal toenemen. Daarbij spelen onder andere maatschappelijke factoren, gerelateerd aan arbeid (werkdruk, werkloosheid …) en externe factoren zoals de klimaatverandering een rol. Ook de aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving, met een minimale belasting van het milieu, stijgt. Voor onroerend erfgoed is hier, als facet van levenskwaliteit en duurzaamheid, een uitgesproken rol weggelegd. Beschikken over voldoende en geschikte fysieke (én mentale) ruimte vormt een belangrijke randvoorwaarde voor het welzijn en de (geestelijke) gezondheid van de burgers binnen een warme samenleving, en voor de kwaliteit van het aanbod en de dienstverlening. Gewijzigde noden en behoeften vragen om een aangepaste ruimtelijke invulling, zowel voor welzijnsvoorzieningen en zorginstellingen als voor bibliotheken, verenigingslokalen, repetitieruimtes, jeugdhuizen, (digitale) bewaarinfrastructuur voor cultureel erfgoed, herbestemming van bestaande gebouwen en terreinen, kunstenhuizen, jeugdculturele zones (de zogenaamde vrijhavens), festivals en sportinfrastructuur. Toenemend ruimtebeslag, tekort aan of verouderde infrastructuur, maar ook de digitale evolutie vragen om een adequaat antwoord van het Vlaamse beleid en van lokale besturen. Flexibele modulaire bouwprojecten, die op een ruimtelijk doordachte manier worden ingeplant, zijn in dat verband cruciaal. Multi-inzetbare infrastructuur kan gericht inspelen op wisselende noden en behoeften binnen de context van toenemend ruimtebeslag.
1.8
Digitalisering en sociale media
De digitale ontwikkelingen en de alomtegenwoordige sociale media en mobiele audiovisuele communicatietechnologieën noodzaken sociale en culturele actoren om op zoek te gaan naar nieuwe omgangsvormen met publiek en klanten. Ze moeten aandacht hebben voor de evolutie van de passieve consument naar de prosument die een veel actievere rol op zich neemt. Tegelijkertijd moet de gebruiker zelf over de nodige mediawijsheid beschikken om optimaal gebruik te maken van de mogelijkheden die de informatiemaatschappij biedt. De digitale ontwikkelingen en sociale media bieden aan sociale en culturele organisaties en instellingen niet alleen nieuwe kansen voor de interactie met het publiek, ze grijpen in op elk onderdeel van hun dagelijkse werking. Ook digital born en gedigitaliseerde objecten en bronnen geven vele mogelijkheden waar de sectoren mee aan de slag kunnen gaan door het opzetten van experimenten. De vraag is welke van die initiatieven kunnen doorgroeien naar vaste waarden. Standaardisering, open data, het bereiken van een (nieuw) publiek en het respecteren van rechten zijn nieuwe sporen die op dit ogenblik nog onvoldoende ontwikkeld zijn.
Warme samenleving
1.9
Professionalisering van het aanbod
We zien op alle terreinen van de ‘warme samenleving’ een toenemende professionalisering van de sectoren: de evolutie naar deugdelijk bestuur, aandacht voor kwalitatieve opleidingen, een doorgedreven kwaliteitsbeleid met oog voor klantentevredenheid en organisatorische keuzes met betrekking tot schaalgrootte zijn aspecten die dat illustreren. Zo blijkt uit de SCV-survey (2012), die peilt naar de tevredenheid van de Vlaamse bevolking over diverse voorzieningen, dat 83,5% van de Vlaamse bevolking tevreden tot zeer tevreden was over de culturele voorzieningen. De cultuursector investeerde de voorbije jaren dan ook, ten dele gedwongen door de moeilijkere economische situatie, gericht in cultuurmanagement en ondernemerschap. Er is echter een spanning merkbaar tussen de nagestreefde professionalisering en de draagkracht van een organisatie. Die spanning wordt mee gevoed doordat van cultuur en erfgoed, in een context van toenemende economisering, steeds uitdrukkelijker een financiële return wordt verwacht. Ook in de non-profitsector en het vrijwilligerswerk worden nieuwe competenties ontwikkeld. In de jeugdsector is de kloof tussen het specifieke, vaak geprofessionaliseerde jeugdwerk en de vrijwilligersbewegingen echter groot. Bovendien wordt vastgesteld dat het lange termijnengagement en het algemeen engagement bij vrijwilligers verdwijnt. De diverse sectoren moeten rekening houden met de mogelijkheden om meer met kortere en lossere engagementen te werken. Als gevolg van de steeds groter wordende verwachtingen van de sporters over het aanbod en de begeleiding is er ook in de sportsector een mentaliteitswijziging op gang gekomen, die het belang van kwaliteitsvolle en professionele begeleiding bij sportbeoefening in de georganiseerde sport steeds meer erkent. Vooral sportclubs hebben een grote behoefte aan kwaliteitsvolle medewerkers, maar het is niet altijd evident om die te vinden. Daarnaast wordt vastgesteld dat het aantal regulier tewerkgestelden in de sportsector wel toeneemt, maar dat dit maar in beperkte mate het geval is in sportclubs. De vraag van de verschillende sportactoren naar kwaliteit in de begeleiding van sporters en maatregelen die de drempels voor het tewerkstellen van professionele medewerkers in de sportclubs verlagen, is dan ook groot. Verdere professionalisering is evengoed aan de orde in de topsport. Topsportresultaten worden objectief in kaart gebracht via de Vlaamse topsportindex. Aan de hand van top-8-plaatsen en medailles in olympische disciplines op mondiaal niveau is het marktaandeel van Vlaanderen (0,09% van de wereldbevolking) gedaald van 0,35% naar 0,29%. België is in het mondiale landenklassement gezakt van de 43ste naar de 47ste plaats. De performantie van het topsportbeleid in Vlaanderen wordt afgeremd door versnippering op beleidsniveau en op het terrein. Er is dus behoefte aan centralisatie van de volledige uitvoering van het topsportbeleid, waarbij topsporters, coaches en experts zo veel mogelijk worden gecentraliseerd in een beperkt aantal hoogwaardige topsporttrainingscentra. Om niet verder weg te zakken op mondiaal vlak moet Vlaanderen daarnaast de focus leggen op een beperkt aantal topsporttakken en topsporters.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
In de sectoren van de welzijns- en gezondheidszorg, tot slot, is de tendens naar professionalisering eveneens onmiskenbaar aanwezig. De ontwikkelingen met betrekking tot een modulair en steeds meer intersectoraal uitgebouwd en gesubsidieerd aanbod dwingen daar ook toe. De grote uitdaging daar bestaat erin dat het sterker geprofessionaliseerde aanbod, in de context van een groeiend sociaal ondernemerschap, in balans wordt gebracht met de terechte vraag naar regie over de eigen ondersteuning van diegene die hulp vraagt.
1.10 Internationalisering
Burgers en hun organisaties van over de hele wereld zijn geconnecteerd. De individuele mobiliteit op alle leeftijden en in alsmaar bredere bevolkingsgroepen neemt toe. Buitenlandse producten, diensten, actoren en kennis vinden de weg naar Europa en Vlaanderen. Digitale communicatiemiddelen werken geografische drempels weg. Die internationalisering en globalisering brengen nieuwe ideeën, concepten en tradities naar Vlaanderen. De ontmoeting met het onbekende biedt heel wat mogelijkheden om de eigen inzichten en praktijken te verrijken, te herbronnen of te vernieuwen. Tegelijkertijd kan die confrontatie ook leiden tot angst en onbegrip. Vaak gaat daarmee ook een versterkte interesse voor de eigen cultuur en het eigen verleden gepaard. Die houding is positief als ze leidt tot een grotere bekommering om het sociale en culturele erfgoed, maar het gevaar bestaat ook dat bepaalde gemeenschappen worden uitgesloten. In de geest van de Unesco Conventie voor Culturele Diversiteit (2005) is het belangrijk om aan elke cultuurgemeenschap het recht voor te behouden zijn eigen culturele tradities en expressies te vrijwaren. Internationale organisaties zoals de Europese Unie, de Raad van Europa, de Unesco en de Verenigde Naties hebben de voorbije decennia steeds nadrukkelijker een rol opgenomen in allerhande beleidsvorming, al dan niet bindend van aard, waarvan we de impact tot op het nationale, regionale en soms zelfs lokale niveau ervaren. Het is niet langer mogelijk en nog minder wenselijk om de eigen beleidsontwikkeling los van die internationale tendensen te zien. Integendeel, de Vlaamse beleidsontwikkeling moet enerzijds proactief zijn stem inbrengen in de internationale debatten om er mee richting aan te geven, en anderzijds de internationale ontwikkelingen op de voet volgen om ze naar de Vlaamse context te kunnen vertalen, zoals bij het omzetten van internationale wetgeving.
Warme samenleving
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
2.1
Algemene ambitie en visie
Het Vlaanderen van 2020 is een warme samenleving die zich kenmerkt door verschillende sleutelelementen. Het is in de eerste plaats een samenleving die een open blik koestert op een wereld in verandering. Een samenleving die garanties biedt voor de sociale en culturele (grond)rechten, en de ontplooiing en activering van de huidige en toekomstige generatie inwoners. Een samenleving waarin iedereen – ongeacht herkomst, gender, seksuele geaardheid, leeftijd, handicap of gezondheidstoestand – samenleeft op grond van gelijkwaardigheid, en dat binnen een gemeenschappelijk kader van normen en waarden, én met respect voor ieders eigenheid. Levenskwaliteit is een andere belangrijke sleutel voor iedere burger, van jong tot oud, in Vlaanderen en Brussel. Daarvoor werken we aan een kwaliteitsvolle omgeving waar zorg, hulp en ondersteuning in de samenleving zijn ingebed. We geloven overigens dat preventie loont bij het vergroten van de kansen op levenskwaliteit. In die warme samenleving worden zowel in het zorg-, jeugd, cultuur- als sportaanbod de basisrechten van iedereen gerespecteerd, met bijzondere aandacht voor de meest kwetsbaren. Een gelijke toegang voor iedereen is het uitgangspunt. Ieders creativiteit wordt daarbij gestimuleerd. Participatie wordt ook hoog in het vaandel gedragen. We gaan voor volwaardige en evenredige participatie van elke burger in een samenleving die kan omgaan met diversiteit, waar discriminatie gebannen is en met voldoende sociale samenhang. We realiseren die aspecten van een warme samenleving samen met de burger, en vertrekken daarbij van zijn krachten en vragen. We werken op een onderbouwde manier en met oog voor duurzaamheid, creativiteit, innovatie en efficiëntie. Samenwerking met alle belanghebbenden, andere beleidsdomeinen en overheden is daarbij cruciaal. Elkaar versterken door te groeien in samenwerking is het motto!
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
2.2
Strategische doelstellingen en beleidsvoorstellen
A. De inclusieve en diverse samenleving
SD1. We werken ambitieus en constructief aan een samenleving waarin iedereen – ongeacht herkomst, gender, seksuele geaardheid, leeftijd, handicap of gezondheidstoestand – samenleeft op grond van gelijkwaardigheid, binnen een gemeenschappelijk kader van normen en waarden (vrijheid, gelijkheid, solidariteit, respect en burgerschap), én met respect voor ieders eigenheid. Ons einddoel is een volwaardige en evenredige participatie van elke burger in de samenleving, waaruit alle discriminatie is gebannen, en het creëren van voldoende sociale samenhang in die samenleving.
Beleidsvoorstel 1:
We streven naar een sterk en gecoördineerd transversaal en inclusief integratie- en gelijkekansenbeleid.
Beleidsvoorstel 2:
We streven naar een verticaal en functioneel integratie- en inburgeringsbeleid
a. b. c.
We zorgen voor een behoeftedekkend individueel vormings- en begeleidingsaanbod dat het integratieproces van personen van vreemde herkomst versnelt. We ondersteunen voorzieningen bij het toegankelijk maken van hun dienstverlening zodat personen van vreemde herkomst evenredig en volwaardig kunnen participeren. We werken aan een samenleving die op een positieve manier kan omgaan met de toenemende diversiteit.
Beleidsvoorstel 3:
We streven naar een gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid voor iedereen. Algemeen a. We versterken de Vlaamse monitoring van de gewenste maatschappelijke verandering en voortgang op de gelijkekansenthema’s. Gender als ordeningsmechanisme wegwerken b. We zetten in op het wegwerken van horizontale en verticale maatschappelijke segregatie. c. We werken aan een financieringskader voor een slagkrachtig gendermiddenveld. Seksuele diversiteit d. We bouwen de kennis van de leefsituatie, de specifieke behoeften en het welbevinden van holebi’s en transgenders verder uit. e. We streven naar een verhoging van het welbevinden van holebi’s en transgenders.
Warme samenleving
Toegankelijkheid f. We streven naar de realisatie van integrale toegankelijkheid. g. We realiseren een structurele verankering van het toegankelijkheidsmiddenveld. Handicap h. We stimuleren en ondersteunen de uitvoering van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (IVRPH) met het oog op de realisatie van een inclusieve samenleving. i. We realiseren een structurele beleidsrelatie met het middenveld van personen met een handicap via participatie, advies en regelmatige consultatie en samenwerking. Non-discriminatie en gelijke behandeling j. We versterken de aanpak tegen discriminatie Het Vlaamse beleid met betrekking tot de realisatie van gelijke kansen en gelijke behandeling gaat uit van het gegeven dat burgers in de loop van hun leven kunnen worden geconfronteerd met diverse mechanismen van achterstelling of ongelijkheid die hun volwaardige en gelijkwaardige participatie in het maatschappelijke leven in de weg staan. Het is een belangrijke verantwoordelijkheid van de Vlaamse overheid om die mechanismen en drempels te traceren, weg te werken of te compenseren en om zo veel mogelijk te voorkomen dat de maatschappelijke problemen die er potentieel mee samenhangen, zich manifesteren. Beleidsmatig moet er daarom gewerkt worden op het niveau van individuen en groepen die met die mechanismen geconfronteerd worden, en op het niveau van de maatschappij en haar burgers. Inhoudelijk focust het beleid zich op de thema’s, vermeld in artikel 6, §2, van het decreet houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid van 20081, en op de thema’s en uitgangspunten van het decreet betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid van 2013. Het proactieve Vlaamse gelijkekansen- en integratiebeleid gaan gepaard met een gelijkebehandelingsbeleid, waarbij het – juridisch – bestrijden van feitelijke discriminatie wordt opgenomen via onder meer de samenwerking met het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme en de voor de burger nabije werking van de Vlaamse lokale meldpunten discriminatie, die worden ingebed in dat centrum.
Beleidsvoorstel 1: Achterstellings- en uitsluitingsmechanismen doen zich voor op vele terreinen van het maatschappelijke leven. Daarom wordt – zowel vanuit het Vlaamse gelijkekansenbeleid als vanuit het Vlaamse integratiebeleid – beleidsdomeinoverschrijdend of transversaal gewerkt. Uitgangspunt daarbij is dat het om een inclusief beleid gaat, dat maximaal gerealiseerd moet worden binnen het algemene beleid van de verschillende sectoren, vooral via algemene maatregelen en alleen als dat nodig is via een specifiek aanbod.
1
het Vlaamse gelijkekansenbeleid onderneemt daarbij prioritair activiteiten die erop gericht zijn gelijke kansen te bewerkstelligen: 1° ongeacht geslacht; 2° ongeacht seksuele geaardheid; 3° ongeacht handicap of gezondheidstoestand; 4° door de integrale toegankelijkheid te bevorderen van infrastructuur die voor een publiek toegankelijk is; 5° door de integrale toegankelijkheid te bevorderen van informatie die voor een publiek toegankelijk is; 6° ongeacht zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of etnische of nationale afstamming, geloof of levensbeschouwing; 7° ongeacht leeftijd.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Het is aangewezen om dat transversaal en inclusief beleid te bestendigen en vooral ook te versterken. Een nauwere samenwerking, beleidscoördinatie en afstemming over de thema’s van het integratiebeleid en de thema’s van het gelijkekansenbeleid dringen zich daarbij op. Concreet wordt in dat verband gepleit dat één minister bevoegd is voor zowel het gelijkekansenbeleid als het integratiebeleid, ten aanzien van de verschillende decretaal vastgelegde thema’s: inburgering en integratie, gender, LGBT (lesbian, gay, bisexual en transgender), integrale toegankelijkheid, handicap en non-discriminatie). In samenspraak met de betrokken (beleids)actoren en stakeholders moet worden gewerkt aan een stappenplan dat streeft naar een beter afgestemde beleidsvoering rond de desbetreffende thema’s en dat voorziet in een structurele afstemming en samenwerking tussen en met betrokken actoren. Tegelijk is het zinvol te bekijken hoe andere transversale thema’s zoals het beleid met betrekking tot de armoedebestrijding, jeugdbeleid en ouderenbeleid door een beter afgestemde aanpak tot een efficiëntere horizontale beleidsaanpak kunnen leiden. Via de weg van beleidsdomeinoverstijgende samenwerking, beïnvloeding, coördinatie, afstemming en samenwerking wordt systematisch aandacht ingebouwd voor de centrale thema’s van dat type van transversaal beleid in de Vlaamse beleidsdomeinen, namelijk integratie, gender, LGBT, integrale toegankelijkheid, handicap, leeftijd. Bovendien worden de betrokken beleidsmakers gestimuleerd en ondersteund bij het nemen van initiatieven die gelijke kansen, participatie en empowerment bevorderen. Essentieel in de komende regeerperiode zijn drie elementen in een dergelijke aanpak:
•• •• ••
er moet een gezamenlijke kader van doelstellingen binnen de Vlaamse Regering worden afgesproken; iedere minister moet verantwoordelijkheid opnemen voor de realisatie van doelstellingen binnen de eigen bevoegdheid; op regelmatige basis moet monitoring, evaluatie en uitwisseling plaatsvinden, zodat de desbetreffende domeinen en partners van elkaar kunnen leren en elkaar kunnen stimuleren bij de uitvoering.
Daarmee zou de Vlaamse Regering tegemoet kunnen komen aan de vaststelling dat er te veel horizontale Vlaamse beleidsplannen zijn, waarbij actieplannen soms meer dan eens worden uitgevoerd en waarbij al met al te weinig aandacht naar cross-sectionele thema’s gaat. Als de aanpak en afstemming beter geïntegreerd worden, kan een dergelijke transversale aanpak een stimulans vormen voor vernieuwende beleidsinzichten met het oog op de betere realisatie van gelijke kansen, participatie en integratie.
Beleidsvoorstel 2: Het integratie- en inburgeringsbeleid moet resulteren in de zelfstandige, evenredige en volwaardige participatie van de personen van vreemde herkomst in alle domeinen van het maatschappelijk leven, in de toegankelijkheid van alle voorzieningen voor die doelgroepen, in actief en gedeeld burgerschap van eenieder en in sociale samenhang. Het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid gaat ervan uit dat de personen van vreemde herkomst én de samenleving en haar voorzieningen samen verantwoordelijk zijn voor een geslaagd integratieproces en het opbouwen van een gedeelde samenleving. Zelfstandige, evenredige en volwaardige participatie van de personen van vreemde herkomst in alle domeinen van
Warme samenleving
het maatschappelijk leven, toegankelijkheid van alle voorzieningen voor die doelgroepen en actief en gedeeld burgerschap van eenieder, in sociale samenhang, vormen het einddoel. In die ambitie slagen vereist aandacht voor coördinatie, afstemming en samenwerking binnen een transversaal en inclusief beleid. Daarnaast is er ook behoefte aan specifiek, categoriaal beleid, gericht op zowel de begeleiding en empowerment van individuele burgers als op ondersteuning van voorzieningen, besturen, verenigingen en de ruimere samenleving in het leren omgaan met migratie en de gevolgen ervan. Dat gebeurt op basis van een gemeenschappelijk kader van waarden en normen.
a.
We voorzien in een behoeftedekkend individueel vormings- en begeleidingsaanbod op maat dat het integratieproces van personen van vreemde herkomst versnelt. Dat aanbod moet nog meer dan voorheen inhoudelijk gediversifieerd zijn, organisatorisch zo flexibel mogelijk worden aangeboden en maximaal worden bekendgemaakt en gepromoot. Dat moet nieuwkomers voldoende kansen bieden om hun weg te vinden in onze samenleving en zo hun integratieproces te versnellen. Voor andere personen van vreemde herkomst is een intensief inburgeringstraject doorgaans minder aangewezen. Ze kunnen wel baat hebben bij bepaalde vormingsactiviteiten of bij een specifieke begeleiding. Daarom moeten we ook voorzien in een aangepast vormings- en begeleidingsaanbod voor specifieke doelgroepen. Daarbij moet maximaal samengewerkt worden met voorzieningen die al begeleiding aanbieden aan die personen om zo een reële meerwaarde te bieden ten aanzien van het bestaande aanbod van de reguliere voorzieningen.
b.
We ondersteunen voorzieningen bij het toegankelijk maken van hun dienstverlening zodat personen van vreemde herkomst evenredig en volwaardig kunnen participeren. Om de doelstellingen van het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid te realiseren, volstaat het niet om de doelgroepen zelf te versterken. De aandacht voor de doelgroepen moet geplaatst worden in een ruimer toegankelijkheidsbeleid en deel uitmaken van een kwaliteitsvolle dienstverlening voor alle burgers. Dat veronderstelt een doordachte visie op de wijze waarop personen van vreemde herkomst gelijke toegang krijgen tot voorzieningen en hun dienstverlening. Toegankelijk maken van voorzieningen gaat ook over taal en taalbeleid. Uitgangspunt daarbij is dat kennis van het Nederlands weliswaar een basisvoorwaarde is om werkelijk te integreren, om echt deel uit te maken van de samenleving, maar dat taal niet alleen een voorwaarde is voor, maar ook een middel tot participatie en integratie. Het Vlaamse integratiebeleid moet verder inzetten op het ondersteunen, stimuleren en begeleiden van organisaties, voorzieningen en besturen bij het toegankelijker maken van hun aanbod voor personen van vreemde herkomst.
c.
We werken aan een samenleving die op een positieve manier kan omgaan met de toenemende diversiteit. Om de doelstellingen van het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid te realiseren, moet er niet alleen aandacht gaan naar de doelgroepen en naar de voorzieningen, maar ook naar de ruimere samenleving, het ‘samen leven’ in diversiteit. Dat houdt in dat het Vlaamse integratiebeleid ook initiatieven moet nemen om tot een samenleving te komen waarin iedereen, ongeacht zijn of haar herkomst en uitgaande van wederzijds respect, met elkaar ‘samen leeft’ en het burgerschap deelt, om de bevolking actief en correct te informeren over de feitelijke diversiteit in de samenleving, te stimuleren en te ondersteunen, om samenlevingsvraagstukken te voorkomen, te detecteren, bespreekbaar te maken en op te lossen.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 3: Naast het belang van een gecoördineerd, afgestemd en versterkt transversaal gelijkekansenbeleid in Vlaanderen via de open coördinatiemethode (OCM), zet Vlaanderen in op een verticaal-functioneel gelijkekansenbeleid, met afgestemde prioriteiten en middelen. Dat behelst onder meer:
•• •• ••
de ontwikkeling van – wetenschappelijk onderbouwde – expertise en monitoring via het Steunpunt Gelijkekansenbeleid; de ontwikkeling van methodieken en instrumenten als stimulans voor – en ter ondersteuning van – de beleidsdomeinen en sectoren bij hun werking rond gelijke kansen; de sensibilisering van de brede bevolking via het verspreiden van informatie en via campagnes.
Algemeen
a.
We versterken de Vlaamse monitoring van de gewenste maatschappelijke verandering en voortgang op de gelijkekansenthema’s. Er is behoefte aan indicatoren die de vooruitgang (positie, participatie, beeldvorming enzovoort) op diverse maatschappelijke domeinen van diverse groepen en aspecten van het gelijkekansenbeleid meet. In dat verband gaat het om de verdere ontwikkeling en consolidatie van een en ander in bevattelijke sets van indicatoren, in samenwerking met de Studiedienst van de Vlaamse Regering.
Gender als ordeningsmechanisme wegwerken Vrouwen en mannen bewust maken van gendermechanismen, hen een ‘genderklik’ laten maken, is een belangrijke voorwaarde om de genderonevenwichten weg te werken. De focus ligt op de onderstaande aspecten:
b.
c.
We zetten in op het wegwerken van horizontale en verticale maatschappelijke segregatie. Bijvoorbeeld in het onderwijs en op de arbeidsmarkt manifesteren zich ongelijkheden tussen vrouwen en mannen. De loopbaankloof is er nog steeds, zowel verticaal (vrouwen zijn ondervertegenwoordigd op hogere posities) als horizontaal (vrouwen en mannen zijn onder- of oververtegenwoordigd in bepaalde sectoren). Het Vlaamse gelijkekansenbeleid stimuleert en ondersteunt initiatieven die een betere balans in de verdeling van verantwoordelijkheden in de privé-, zorg- en werksfeer nastreven, onder meer via sensibiliseringscampagnes die stereotiepe beeldvorming doorbreken. We werken aan een financieringskader voor een slagkrachtig gendermiddenveld. De hervorming van het gendermiddenveld die in de legislatuur 2009-2014 werd voorbereid, moet in de periode 2014-2019 leiden tot een nieuw kader dat beleid en middenveld in staat stelt performanter te werken aan een maatschappij zonder genderonevenwichten.
Seksuele diversiteit Vanuit het Vlaamse gelijkekansenbeleid wordt verder gewerkt aan het bewerkstelligen van een maatschappij waarin respect is voor iedereen, ongeacht zijn of haar seksuele identiteit.
d.
We bouwen de kennis van de leefsituatie, de specifieke behoeften en het welbevinden van holebi’s en transgenders verder uit. Er is behoefte aan meer inzichten in de situatie van holebi’s en transgenders, in de oorzaken van de
Warme samenleving
e.
weerstanden tegen gender en seksuele diversiteit, en in de mogelijke oplossingen via het verzamelen van statistisch materiaal en beleidsgericht onderzoek. We streven naar een verhoging van het welbevinden van holebi’s en transgenders. Die verhoging van het welbevinden van holebi’s en transgenders wordt via drie sporen uitgebouwd: •• het informeren en empoweren van holebi’s en transgenders; •• het sensibiliseren en informeren van de brede maatschappij met het oog op het wegwerken van weerstanden; •• het aanpakken van concrete belemmeringen in diverse Vlaamse beleidsdomeinen.
Toegankelijkheid Integrale toegankelijkheid en universal design in de fysieke en immateriële (leef)omgeving zijn cruciaal voor de realisatie van een inclusieve samenleving waarin mensen een actief en zo autonoom mogelijk sociaal en economisch leven kunnen leiden.
f.
g.
We streven naar de realisatie van integrale toegankelijkheid in alle levensdomeinen. Het voldoen aan de door het IVRPH gestelde verwachtingen en eisen ten aanzien van de ontwikkeling van een integraal toegankelijke omgeving vormt de belangrijkste uitdaging. Dat betekent dat alle burgers, in het bijzonder personen met een handicap en ouderen, dankzij een betere inrichting van de publieke ruimte en een beter ontwerp van publieke en private gebouwen, gelijkwaardige toegang hebben. Het subsidiebeleid van de Vlaamse overheid kan als hefboom dienen voor de daadwerkelijke realisatie van een integraal toegankelijke samenleving. Een belangrijke ambitie bestaat erin om ook bestaande gebouwen met een publiek karakter in Vlaanderen te conformeren aan de vereisten inzake toegankelijkheid. Een meer eenvoudige en eenduidige communicatie en informatieverstrekking moeten leiden tot gelijke toegang tot informatie, communicatie en elektronische diensten. We realiseren een structurele verankering van het toegankelijkheidsmiddenveld. In de voorbije legislatuur werden belangrijke stappen ondernomen in de stroomlijning en versterking van het toegankelijkheidsbeleid en het verbonden middenveld. In het nieuw opgerichte verzelfstandigd agentschap werd de aanwezige toegankelijkheidsexpertise samengebracht. Diezelfde expertise inzetten in de diverse Vlaamse beleidsdomeinen vormt de uitdaging voor het begin van de komende regeerperiode.
Handicap
h.
We stimuleren en ondersteunen de uitvoering van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (IVRPH) met het oog op de realisatie van een inclusieve samenleving. Als Vlaanderen de ambitie die ze geformuleerd heeft door de ratificatie van het VN-verdrag progressief wil realiseren en de facto dus ook de uitgangspunten van een toegankelijke en inclusieve samenleving als handelingskader aanneemt, heeft dat tal van consequenties in alle beleidsdomeinen. De komende bestuursperiode zal de uitvoering van dat verdrag op een meer ambitieuze manier moeten worden ontplooid via de ontwikkeling van een duidelijk masterplan voor inclusie, gekoppeld aan een concrete monitoring van de voortgang van de uitvoering van het IVRPH.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
i.
We realiseren een structurele beleidsrelatie met het middenveld van personen met een handicap via participatie, advies en regelmatige consultatie en samenwerking. Het IVRPH stelt dat het beleid dat (direct of indirect) raakt aan de positie van personen met een handicap, maar tot stand kan komen voor zover er bij de ontwikkeling en uitvoering ervan ook rekening wordt gehouden met de standpunten en inzichten van mensen met een beperking. Vlaanderen heeft dat uitgangsprincipe van ‘niets over ons zonder ons’ onderschreven en maakt werk van een goede beleidssamenwerking met het advies- en beleidsparticipatieorgaan op Vlaams niveau, waarin de mensen met een beperking gesprekspartner zijn van de Vlaamse overheid.
Non-discriminatie en gelijke behandeling Het gelijkekansen- en gelijkebehandelingsdecreet biedt een juridisch kader voor de bestrijding van discriminaties en geeft daarbij gevolg aan vier Europese richtlijnen inzake non-discriminatie. In 2013 heeft de Vlaamse Regering een samenwerkingsakkoord gesloten met de andere gewesten en gemeenschappen en de federale overheid voor de gezamenlijke oprichting van het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme. Dat onafhankelijk gelijkheidsorgaan gaat van start in 2014 en kan in rechte optreden en discriminatie ook binnen Vlaamse bevoegdheden bestrijden. We stellen - omwille van duidelijkheid, laagdrempeligheid, kracht van optreden en eenvormigheid – voor dat de discriminatiegrond geslacht eveneens wordt opgenomen in de opdrachten van het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme. De Vlaamse regering kan bij het begin van de nieuwe regeerperiode daartoe een voorstel voor addendum bij het samenwerkingsakkoord opstellen.
j.
We versterken de aanpak tegen discriminatie. Het Vlaamse non-discriminatiebeleid zal ervoor ijveren om een non-discriminatiereflex te integreren in de reguliere beleidsvoering van alle Vlaamse departementen. Daarbij zal zowel op een beleidsmatige als een meer juridische benadering gewerkt worden. Het Interfederaal Centrum en de Meldpunten zijn belangrijke partners bij dat beleid.
B. De zorgzame samenleving
SD1. Om mensen te versterken in hun fysiek, psychisch en sociaal welbevinden zetten we resoluut en primair in op preventie van welzijns- en gezondheidsproblemen, en op het snel inspelen op acute noden.
Beleidsvoorstel 1:
We prioriteren het preventieve welzijns- en gezondheidsbeleid op basis van objectiveerbare behoeften, op evidentie gebaseerde methodieken en gezondheidseconomische afwegingen, in de eerste plaats via gezondheidsdoelstellingen en het versterken van de eerstelijnshulp, met inbegrip van het aanbod geestelijke gezondheidszorg.
Warme samenleving
Beleidsvoorstel 2:
We zetten in op een maximale gezondheidswinst door, via een beleid van ‘health in all policies’, actief verschillende maatschappelijke sectoren (facettenbeleid) en beleidsdomeinen in te schakelen. We betrekken in het bijzonder de lokale besturen en, voor het realiseren van een gezondheidsbevorderende werkomgeving, de sociale partners en organisaties die bedrijven ondersteunen, de media en de gezinnen.
Beleidsvoorstel 1: Dit eerste strategische beleidsvoorstel wil gezondheidswinst op populatieniveau realiseren door een doelmatig en planmatig preventief beleid. Dat impliceert het formuleren, uitvoeren, monitoren, evalueren en, indien nodig, herzien van de Vlaamse gezondheidsdoelinstellingen inzake preventie. Meer in het bijzonder gaat het om:
•• •• •• •• •• ••
het versterken van het zelfzorgvermogen van de burgers door sensibilisatie, educatie en begeleiding; het besteden van extra aandacht aan groepen met bijzondere behoeften zoals personen met een lagere sociaal-economische status; het organiseren van doelmatig bevolkingsonderzoek, bijvoorbeeld bij de pasgeborenen en met betrekking tot kanker; andere initiatieven voor vroegdetectie en vroeginterventie, bijvoorbeeld op het vlak van eetstoornissen, geestelijke gezondheid, alcohol en drugs; vroegdetectie en vroeginterventie op populatieniveau in de strijd tegen uitbraken met multidrugresistente organismen (MDRO’s) in zorginstellingen; het onderzoeken van de gevolgen van de ontwikkelingen en mogelijkheden op het vlak van menselijke erfelijkheid, predictieve gezondheidszorg en geïndividualiseerde preventie en zorg.
Ook het algemeen welzijnswerk heeft een belangrijke preventieve opdracht, namelijk de instroom van hulpvragen naar de zwaardere zorgsectoren afremmen. Capaciteitsproblemen in het huidige onthaalaanbod verhinderen een kwaliteitsvolle uitvoering van die opdracht. Prioritair moet worden ingezet op een kwalitatief laagdrempelig jongerenonthaal, op een aanbod voor volwassen personen met psychische problemen en voor personen met relationele moeilijkheden. Voor de geestelijke gezondheidszorg heeft de eerstelijnspsychologische functie als doel om de ambulante geestelijke gezondheidszorg te versterken. Die functie ondersteunt personen met lichte psychische problemen door het vergroten van hun draagkracht. Maar even goed biedt de eerstelijnspsychologische functie aan mensen met psychische problemen de kans om langer in hun thuismilieu te verblijven. De eerstelijnspsychologische functie moet worden uitgebreid binnen een netwerkaanpak geestelijke gezondheidszorg zodat het principe van getrapte zorgverlening kan worden toegepast, namelijk minimale zorg als dat mogelijk is, en maximale zorg (via doorverwijzing naar meer gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg) als dat nodig is. We brengen ook zorgnetwerken en zorgcircuits voor geestelijke gezondheidszorg tot stand om de continuïteit te garanderen voor de gebruikers en om flexibeler om te gaan met wisselende zorgbehoeften. Bijzondere aandacht is nodig voor een versterking van het aanbod inzake forensische geestelijke gezondheidszorg en andere specifieke doelgroepen, zoals minderjarigen met een complexe problematiek, personen met een psychische of gedragsproblematiek en personen met een verstandelijke handicap. De lopende proefprojecten met betrekking tot zorgcircuits en -netwerken geestelijke gezondheidszorg voor
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
volwassenen (zie artikel 107 van de ziekenhuiswetgeving) moeten gecontinueerd, geëvalueerd en, indien nodig, bijgestuurd worden. Het bestaande aanbod inzake preventie, vroegdetectie en -interventie en ambulante behandeling moet versterkt worden.
Beleidsvoorstel 2: De inbreng van diverse sectoren en beleidsdomeinen is essentieel omdat de gezondheidsbedreigingen evolueren van acuut naar chronisch, van monocausaal naar multifactorieel en van somatisch naar psychosociaal(-economisch). Meer concreet betekent dat:
•• •• •• ••
werken aan een facettenbeleid waarin diverse maatschappelijke sectoren een bijdrage leveren tot het realiseren van gezondheidswinst (health in all policies), zoals is opgenomen in het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid. Alle Vlaamse ministers en Vlaamse agentschappen werken aan een geïntegreerd beleid als dat een meerwaarde heeft; samenwerken met andere overheden op verschillende niveaus, waarbij volgens het subsidiariteitsprincipe, extra wordt ingezet op het versterken van het lokale niveau; overleggen met de sociale partners over een gezondheidsbevorderende werkomgeving en bedrijven daarin ondersteunen; uittekenen van mogelijke preventiestrategieën en prioritaire acties rond milieugerelateerde aandoeningen.
SD2. Om tegemoet te komen aan de diverse welzijns-, gezondheids- en zorgbehoeften van mensen, bedden we de zorg verder in de samenleving in en investeren we in een aanpak op maat van de individuele behoeften.
Beleidsvoorstel 1:
We actualiseren en realiseren het Perspectiefplan 2020. We realiseren de basisdoelstellingen (zorggarantie voor wie de grootste behoeften heeft en autonomie voor de personen met een handicap), in eerste instantie door het invoeren van een persoonsvolgende financiering.
Beleidsvoorstel 2:
We realiseren het actieplan jeugdhulp zodat de jeugdhulp maximaal vertrekt van de krachten van jongeren en passende hulp kan worden geboden: rechtstreeks toegankelijk als het kan, niet-rechtstreeks toegankelijk als dat nodig is.
Beleidsvoorstel 3:
We bouwen de Huizen van het Kind uit tot volwaardige basisvoorzieningen voor alle (aanstaande) gezinnen met kinderen, op basis van een sterke lokale samenwerking tussen de partners op het vlak van preventieve gezinsondersteuning.
Warme samenleving
Beleidsvoorstel 4:
We organiseren het thuiszorgaanbod cliëntgericht (maximumfactuur, inkomensgerelateerde bijdrage), met de behoeften en de autonomieversterking van de zorgbehoevende als centraal aandachtspunt.
Beleidsvoorstel 5:
We voorkomen en bestrijden armoede, met bijzondere aandacht voor een transitie in de aanpak van kinderarmoede en voor het wegwerken van gezondheidsongelijkheid.
Beleidsvoorstel 1: Diverse strategische projecten en acties moeten gerealiseerd worden om de doelstellingen van het Perspectiefplan 2020 te bereiken. De verdere uitbreiding van de ondersteuningscapaciteit in de sector voor personen met een handicap én de andere welzijnssectoren is een van de randvoorwaarden voor het welslagen van de zorgvernieuwing. Daarenboven moet het Perspectiefplan 2020 geflankeerd worden door aandacht voor een inclusief beleid vanuit andere sectoren, zowel binnen het eigen beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin als binnen andere beleidsdomeinen. Het meest ingrijpende en centrale project van Perspectiefplan 2020 is de invoering van de persoonsvolgende financiering. De invoering van die financiering impliceert de ontwikkeling van een gevalideerd inschalingsinstrument op basis waarvan budgetten objectief kunnen worden berekend. De contouren van de zorgregie moeten worden aangepast en om de overstap te maken van het huidige aanbod naar de nieuwe financieringsvorm moet voor de bestaande capaciteit een tussenkader gecreëerd worden. Voor minderjarigen zal dat verlopen via de multifunctionele centra, voor de meerderjarigen via het flexibel aanbod. Ten slotte moet er ook voor de bestaande PAB-regelgeving een transitietraject worden opgezet.
Beleidsvoorstel 2: De jeugdhulp staat voor belangrijke uitdagingen om kinderen en jongeren kwaliteitsvol te blijven ondersteunen. Voortbouwend op verschillende recente regelgevende initiatieven (integrale jeugdhulp, pleegzorg, preventieve gezinsondersteuning, persoonsvolgende financiering …) en de ambitie van de StatenGeneraal Jeugdhulp om te evolueren naar één jeugdhulp, worden een aantal actielijnen gebundeld in één actieplan voor de jeugdhulp. We maken onder andere werk van:
•• •• •• ••
een uitbreiding van het aanbod: we investeren weloverwogen in het aanbod dat prioritair het meeste aandacht verdient, namelijk verblijf voor jonge kinderen, gecombineerd aanbod voor complexe problematieken en rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp; een cliëntenforum voor de jeugdhulp: met dit forum voorzien we in financiële en inhoudelijke ondersteuning van de cliëntvertegenwoordigers zodat ze kunnen participeren aan de besluitvorming op beleidsniveau, zoals is vastgelegd in het decreet Integrale Jeugdhulp; een afgestemd financieringsmodel voor alle jeugdhulpaanbieders zodat jeugdhulpmodules ook subsidietechnisch gecombineerd kunnen worden. Dat impliceert tevens een rationalisatie van de gebruikersbijdragen, die in de verschillende sectoren anders ingevuld worden; de versterking van het regioniveau: de behoeften aan jeugdhulp verschillen van regio tot regio.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
•• ••
Door het regioniveau te responsabiliseren, kunnen we gerichter werk maken van de afstemming tussen vraag en aanbod; een afgestemd systeem van kwaliteitsbewaking en -rapportage: we stroomlijnen de verschillende sectorale initiatieven van kwaliteitszorg en integreren de bestaande sectorale steunpunten zodat er één knooppunt voor expertiseontwikkeling en -deling ontstaat; gegevensdeling tussen de sectoren onderling en monitoring over de sectoren heen, zodat we op termijn een duidelijk beeld krijgen van de kinderen en jongeren die een beroep doen op jeugdhulp en de trajecten die ze in de jeugdhulp doorlopen.
Beleidsvoorstel 3: Het decreet van 29 januari 2014 houdende de organisatie van preventieve gezinsondersteuning ondersteunt vanaf 2014 de uitbouw van de Huizen van het Kind. Om ze te laten uitgroeien tot volwaardige basisvoorzieningen moeten tal van partners en het ondersteuningsaanbod samengebracht worden opdat elke ouder en elk kind met elke vraag of ondersteuningsbehoefte terecht kan in een Huis van het Kind dicht in de buurt.
Beleidsvoorstel 4: Om de thuiszorg betaalbaar te houden voeren we een transparante en automatisch berekende gebruikersbijdrage voor de gezinszorg in. Die moet gekoppeld worden aan het inkomen en de gezinssamenstelling. De implementatie van een maximumfactuur voor de thuiszorg en een goede coördinatie van de zorg moeten ervoor zorgen dat zelfs complexe zorgsituaties in het natuurlijke thuismilieu haalbaar en betaalbaar blijven.
Beleidsvoorstel 5: Een integrale systeemaanpak is vereist om armoede, en kinderarmoede in het bijzonder, een forse halt toe te roepen. In de eerste plaats omvat dat een verregaande afstemming en coördinatie binnen de Vlaamse overheid en tussen de overheden (Vlaams, federaal, lokaal, Europees), vertrekkend vanuit een progressief universalistisch tweegeneratiebeleid dat focust op kinderen van 0 tot 3 jaar en toekomstige ouders. De huidige maatregelen in de strijd tegen armoede blijven eveneens relevant, maar ze zijn onvoldoende om de streefcijfers te halen. Het gaat onder andere om het automatisch toekennen van rechten, het inbouwen van een armoedetoets in de regelgeving, de inzet op preventieve gezinsondersteuning, het realiseren van een warme overgang tussen opvang en onderwijs, en het projectmatig stimuleren van lokale actoren om integrale netwerken te vormen. Om een effectieve langetermijnaanpak mogelijk te maken, moeten die maatregelen gecombineerd worden met de vermelde integrale systeemaanpak en met een structurele ondersteuning van de lokale besturen. Die partner is immers het best geplaatst om in de strijd tegen kinderarmoede dicht bij de burger de regierol voor het tot stand brengen van lokale netwerken op te nemen. De Vlaamse beleidsdomeinen leverden, onder andere via een doorgedreven doelgroepenbeleid, forse inspanningen om de levensverwachtingen en -omstandigheden van de Vlaming te handhaven en te verbeteren. Niettemin blijft een gradiënt in gezondheid en overlijden overeind. Die vaststelling vraagt om
Warme samenleving
een geïntegreerd beleid om de levensverwachtingen in goede gezondheid voor iedere burger te verhogen en om de ongelijkheden tussen hoger- en lageropgeleiden weg te werken. Dat vereist een ‘all-of-government’aanpak, dat is een aanpak die zich niet tot de allerarmsten beperkt, maar de volledige bestaande gradiënt als scope neemt. Om dat concreet vorm te geven moet een gemandateerd projectteam op hoog niveau worden samengesteld. Dat projectteam zal in de eerste plaats doorgedreven informatie moeten verzamelen zodat een efficiënte coördinatie en samenwerking mogelijk is.
SD3. Om de, toenemend complexe, zorgvragen efficiënt te kunnen beantwoorden, werken we resultaatgericht samen met andere beleidsdomeinen en bestuursniveaus.
Beleidsvoorstel 1:
We zetten maximaal in op samenwerking met andere beleidsdomeinen en andere bestuursniveaus. We doen dat minstens voor: a. het realiseren van een structureel kader voor een aanbod van arbeidsmatige activiteiten onder begeleiding in combinatie met de nodige zorg via het decreet werk-zorg; b. het stapsgewijs versterken van de samenwerking op het terrein tussen de woon- en welzijnsactoren, met bijzondere aandacht voor het wegwerken van dak- en thuisloosheid;
Beleidsvoorstel 2:
We zorgen voor kwaliteitsvolle kinderopvang zoals vastgelegd in het decreet houdende de organisatie van kinderopvang van baby’s en peuters, en we bouwen aan een kwaliteitsvolle en op de leefwereld van schoolkinderen afgestemde opvang, vanuit een sterke samenwerking tussen alle belanghebbenden op het vlak van opvang en vrije tijd van schoolkinderen.
Beleidsvoorstel 1: Op een aantal terreinen veronderstelt het halen van resultaten een beleidsdomeinoverschrijdende aanpak.
a.
We geven uitvoering aan het decreet werk-zorg in Vlaanderen en Brussel, meer bepaald aan de tijdelijke activeringstrajecten en de trajecten maatschappelijke oriëntatie, alsook aan een aanbod van arbeidsmatige activiteiten onder begeleiding in combinatie met de nodige welzijnsen zorgbegeleiding, beter bekend als arbeidszorg. Door deze uitwerking geven we invulling aan de twee middelste “treden van de participatieladder”, waardoor we zorgen voor een continuüm tussen welzijns- en zorgbegeleiding en betaald werk zonder ondersteuning.
b.
Voortbouwend op het bestaande afsprakenkader tussen de beleidsdomeinen Welzijn, Volksgezondheid en Gezin enerzijds, en Ruimtelijke ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed anderzijds, moet de samenwerking tussen wonen en welzijn op drie vlakken worden versterkt: door het bundelen van de krachten op die domeinen waar zorg en wonen elkaar raken (onder meer preventieve woonbegeleiding en het valideren van de 11 lopende regelluwe projecten wonenwelzijn), door het bestrijden van de dak- en thuisloosheid, en door het uitwerken van richtlijnen en normen voor het realiseren van flexibele en multifunctionele gemeenschapsinfrastructuur.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Het valideren van de 11 regelluwe projecten wonen-welzijn moet de samenwerking op het terrein tussen de woon- en zorgpartners sturen op basis van een aantal in de regelgeving te verankeren beleidsbesluiten, in elk geval met betrekking tot de methodiek “proefwonen”. Dak- en thuisloosheid is een complexe problematiek. Een effectieve aanpak houdt twee componenten in: een geïntegreerd globaal actieplan dat de inspanningen van elk beleidsniveau en elke betrokken actor benoemt en op elkaar afstemt enerzijds, en daarop geënte lokale actiestrategieën anderzijds. Concreet betekent dat het afsluiten van een partnerschap tussen de Vlaamse overheid, de Vlaamse provincies, de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG). Dat partnerschap moet zorgen voor de totstandkoming en de aansturing van het globaal actieplan. Daarnaast is een samenwerkingsprotocol tussen de Vlaamse overheid, de VVSG en de federatie van de CAW’s aangewezen om op lokaal niveau concrete overleg- en samenwerkingsafspraken te maken en uit te voeren. Cruciaal blijven in dat verband het prioritair huisvesten van daklozen en een dekkend aanbod van woonbegeleiding om uithuiszetting te voorkomen. Dat houdt in dat de helft van de 12 000 thuislozen moet kunnen doorstromen naar sociale woningen, voor zover die voor hen toegankelijk zijn. Nog eens een vierde moet via een traject begeleid wonen de noodzakelijke vaardigheden om zelfstandig te wonen aangeleerd krijgen. De opstart van een lokaal zorgoverleg met daarin welzijns- en gezondheidsorganisaties, de lokale besturen en de sociale huisvestingsactoren, moet dat in goede banen leiden. De gelijktijdige, maar sterk over de tijd fluctuerende vergroening, verkleuring en verzilvering (toename van het aantal 80-plussers) in Vlaanderen dwingen tot structurele oplossingen op het vlak van fysieke voorzieningen (bouw van scholen, ouderenvoorzieningen …). Wat vandaag aan infrastructuur nodig is voor bepaalde doelgroepen, is over tien jaar mogelijk overbodig. Evolueren naar aanpasbare, combineerbare en multi-inzetbare infrastructuur kan daarbij een belangrijke meerwaarde bieden. Met het eindrapport Aanpasbare, combineerbare en multi-inzetbare infrastructuur in centrumsteden: uitdagingen en knelpunten voor het beleid komt er een inventaris van de bestaande normen en richtlijnen met betrekking tot gemeenschapsinfrastructuur in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Op die basis kan er afstemming gerealiseerd worden, ook met andere entiteiten die gemeenschapsinfrastructuur subsidiëren (AGION, VIPA, CJSM en VMSW).
Beleidsvoorstel 2: De doelstelling om stap voor stap voldoende, kwaliteitsvolle kinderopvang te realiseren die voor iedereen toegankelijk is, vormt de basis voor het decreet houdende de organisatie van kinderopvang van baby’s en peuters. Het decreet en de vergunningsvoorwaarden maken het kinderopvanglandschap transparanter en dragen bij tot dezelfde basiskwaliteit in heel de sector. Het voortzetten van de transitie in de kinderopvang wordt ook voor de volgende legislatuur een belangrijk strategisch beleidsvoorstel. Om de doelstellingen van het nieuwe decreet te realiseren zullen onder meer extra middelen nodig zijn voor de uitbreiding van het aantal plaatsen (waaronder de plaatsen met inkomenstarief en die met specifieke opdrachten) en voor gelijkschakeling van subsidiebedragen. Met een beter kwaliteitsbeleid en meer pedagogische ondersteuning willen we de sector inhoudelijk versterken. Om gezinnen kwaliteitsvolle kinderopvang te kunnen bieden is een volgehouden investering
Warme samenleving
nodig in het verbeteren van de competenties van medewerkers (onder meer via kwalificerende trajecten) en het verlagen van het aantal kinderen per begeleider. Tegelijkertijd moet er oog zijn voor de financiële leefbaarheid van de organisatoren van kinderopvang, zodat ze in staat zijn om gezinnen te midden van alle veranderingen continuïteit te bieden. De verdere uitbreiding van het kinderopvangaanbod en de brede invoering van de kinderopvangzoeker moeten er samen met de versterking van de lokale loketten kinderopvang voor zorgen dat ouders eenvoudiger en sneller opvang vinden. Door het inhoudelijk en financieel versterken van kinderopvang die gericht is op kwetsbare gezinnen, en via kinderopvang voor kinderen met een specifieke zorgbehoefte, creëert het nieuwe decreet ook ruimte voor kinderopvang die maatschappelijk het verschil maakt. Gezinnen doen in toenemende mate een beroep op buitenschoolse en vakantieopvang. Met plaats voor maar elf op de honderd schoolkinderen is het formele opvangaanbod binnen welzijn ontoereikend. Dat aanbod fors uitbreiden is niet betaalbaar. Gezien de diverse vraag wordt overigens best onderzocht hoe het aanbod het best afgestemd kan worden op de verschillende opvangvragen. Maar net in die diversiteit ligt een belangrijke piste om zo veel mogelijk schoolkinderen op een kwaliteitsvolle manier van opvang te laten genieten: via samenwerking tussen welzijn, onderwijs, jeugd, sport en cultuur is een nieuwe visie op de opvang van schoolkinderen mogelijk. Op basis van de resultaten en de beleidsaanbevelingen van de Staten-Generaal buitenschoolse kinderopvang willen we komen tot een nieuwe visie op de buitenschoolse opvang, waarbinnen de bevoegdheden op het vlak van regie en organisatie duidelijk worden toegewezen. Daarbij zal onderzocht worden of uitbreiding van het aanbod nodig is en volgens welk groeipad dat eventueel gerealiseerd kan worden.
SD4. Om de zorg efficiënt en effectief te kunnen inzetten, maken we een sociaal ondernemen mogelijk dat een flexibele inzet van middelen paart aan een beleidsgerichte verantwoording ervan.
Beleidsvoorstel 1:
Met het oog op cliëntgerichte zorg optimaliseren we de operationele en beleidsgerichte informatie-uitwisseling, met het decreet over het netwerk voor digitale gegevensdeling in de zorg als basis.
Beleidsvoorstel 2:
We formuleren een kader waarbinnen voorzieningen eigenaarschap voor deugdelijk bestuur en sociale innovatie kunnen opnemen, met duidelijke afspraken over een gerichte verantwoording ten opzichte van de overheid.
Beleidsvoorstel 1: Met de visietekst (e)Zorgzaam Vlaanderen. Gegevensdeling in de zorg- en welzijnssector leverden de belanghebbenden in de zorg, onder impuls van Flanders’ Care, een duidelijk kader om in Vlaanderen werk te maken van meer informatisering in de zorg. Die informatisering laat de zorgverleners toe om
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
gegevens over hun zorggebruikers beter met elkaar te delen, stroomlijnt het gegevensverkeer tussen de zorgvoorzieningen en de zorgoverheden, en vermindert de administratieve lasten van de zorggebruikers, bijvoorbeeld door tegemoetkomingen automatisch toe te kennen. De visietekst leidde tot een actieplan van de administratie dat nu volop uitgevoerd wordt, maar ook tot een decreet over het netwerk voor digitale gegevensdeling in de zorg. De voornaamste aandachtspunten bij de uitvoering van dat decreet zijn:
•• •• •• ••
de oprichting van een agentschap waarbinnen de belanghebbenden in de zorg de operationele gegevensdeling concreet vorm kunnen geven; de maximale aansluiting bij het eHealth-platform en de verdere uitbouw van Vitalink; het faciliteren van de gegevensdeling op het terrein en het informeren en sensibiliseren van de zorgverleners en de zorggebruikers; het eventuele gebruik van de data uit het operationele netwerk om met respect voor de privacy beleidsrelevante kennis op te bouwen.
Beleidsvoorstel 2: In Vlaanderen gaan erg veel overheidsmiddelen naar de zorg. Hoe die middelen concreet besteed worden, hangt in grote mate af van keuzes die de zorgondernemers maken. Ze zijn in die materie immers sterk geresponsabiliseerd. In plaats van lonen, prestaties, infrastructuur enzovoort te subsidiëren, werd er bijvoorbeeld steeds meer gekozen voor vormen van enveloppefinanciering. Die laat de zorgondernemers toe hun organisatie op de meest performante wijze vorm te geven. Ze kunnen bovendien met enige vrijheid innoveren en inspelen op nieuwe behoeften en contexten. Daartegenover staat dat de zorgondernemers verantwoording moeten afleggen over de wijze waarop de overheidsmiddelen (al dan niet) gebruikt werden. Op dat vlak ontbreekt het aan een duidelijk, transparant en uniform kader. Het is niet altijd duidelijk welke zorg er met de overheidsmiddelen aangeboden wordt, hoeveel zorggebruikers bereikt worden, welke bijdragen ze eventueel zelf moeten betalen, hoeveel werknemers er betaald worden (en wat ze precies verdienen) … Verder is het niet altijd duidelijk wat de effecten van de zorg zijn. Levert de gesubsidieerde zorg de verwachte resultaten of niet? En wat gebeurt er met de middelen die op het einde van het jaar overblijven? Worden die belegd en, als dat het geval is, waarin worden ze belegd? Worden ze geïnvesteerd in infrastructuur of in niet-gesubsidieerde zorg, of worden ze doorgestort, verdeeld …? De overheid kan uiteraard gebruikmaken van publieke jaarrekeningen, (financiële) jaarverslagen en beleidsplannen. Maar die volstaan niet altijd om de vraag van de belastingbetaler waar zijn geld naartoe gaat, goed te kunnen beantwoorden. Dat vraagt, in dialoog met de representatieve organisaties, de uitwerking van een transparant kader.
Warme samenleving
SD5. We sturen, stimuleren en ondersteunen de welzijns- en gezondheidsactoren zodat ze kwaliteitsvolle zorg bieden.
Beleidsvoorstel 1:
We ontwikkelen voor Zorginspectie een uniform juridisch kader voor de uitoefening van het inspectietoezicht en we realiseren in samenwerking met de zorgvoorzieningen en zorgverstrekkers een veralgemeende registratie van kwaliteitsindicatoren, waarvan de resultaten gericht publiek kunnen worden gemaakt.
Beleidsvoorstel 1: De Vlaamse overheid draagt binnen het domein van de zorg- en hulpverlening de eindverantwoordelijkheid voor een kwaliteitsvol toezicht op toegankelijke, betaalbare en kwaliteitsvolle zorg. Het toezicht door het agentschap Zorginspectie vormt een van de pijlers daarvan. Op dit moment is de opdracht van Zorginspectie louter fragmentarisch geregeld of versnipperd in sectorale regelgeving. Daarom is er behoefte aan een uniform decretaal kader voor de uitoefening van een efficiënt en slagkrachtig toezicht door Zorginspectie. Het is daarbij de bedoeling om duidelijkheid te scheppen over alle aspecten van dat toezicht (toegangsrechten, bewijskracht, waarborgen, de mogelijke gevolgen van inspectie enzovoort). Het gebruikersperspectief ondervindt de laatste jaren een sterke opmars. In het kader daarvan is er behoefte aan een generiek meetinstrument om op een uniforme wijze de kwaliteit vanuit het perspectief van de gebruiker te meten. Zo’n instrument zal toelaten om sectoren met elkaar te vergelijken (benchmarking). Daarnaast biedt registratie van kwaliteitsindicatoren de kans om tendensen tijdig te detecteren, beleidsbeslissingen te volgen en in de mate van het mogelijke outcome-indicatoren te creëren.
SD6. We operationaliseren de nieuwe bevoegdheden waarvoor de Vlaamse overheid verantwoordelijk wordt bij de overheveling van de zesde staatshervorming zodat ze bijdragen tot een versterkte beleidsaanpak met een breed draagvlak.
Beleidsvoorstel 1:
We zorgen voor de uitvoering van de concrete bevoegdheidsoverdrachten die zijn opgenomen in het witboek van de zesde staatshervorming op de volgende domeinen:
•• •• •• •• •• •• ••
het ziekenhuisbeleid: normering, financiering, geïsoleerde G- en SP-diensten; het ouderenbeleid: ouderenzorgvoorzieningen en tegemoetkoming in de hulp aan bejaarden; de geestelijke gezondheidszorg; het preventief gezondheidsbeleid; de eerstelijnsgezondheidszorg; de hulpmiddelen voor personen met een beperking (leeftijdsonafhankelijk); de revalidatie: ambulant, residentieel en met betrekking tot verslaafden;
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
•• •• ••
gezondheidszorgberoepen; het gezinsbeleid: gezinsbijslagen en het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten (FCUD); het justitieel beleid: vervolgingsbeleid, justitiehuizen en jeugdsanctierecht.
Door de zesde staatshervorming krijgt Vlaanderen belangrijke nieuwe hefbomen. Het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin zal op een aantal essentiële vlakken eigen (innovatieve) accenten kunnen leggen. We noemen hier bij wijze van voorbeeld en aansluitend bij de opsomming die in het kader hierboven is opgenomen, de clusters van het gezondheidsbeleid, het gezinsbeleid, het justitieel beleid en het ouderenzorgbeleid. De inkanteling van die nieuwe bevoegdheden in het Vlaamse beleid rond welzijn, volksgezondheid en gezin zal de actuele organisatie van het Vlaamse zorgsysteem voor fundamentele vraagstukken plaatsen over onder andere de integratie, financiering en beheersvorm van die nieuwe bevoegdheden. Het impact en de omvang van de op stapel staande transitie kunnen moeilijk overschat worden. Het is de nieuwe Vlaamse regering die in dit verband de politieke keuzes zal maken. Ter ondersteuning van dat proces heeft de administratie een gericht dossier voorbereid waarin, in elk geval voor een aantal van de hiervoor genoemde sectoren, een onderbouwd beleidsadvies is uitgewerkt. Dat dossier is, aanvullend bij de voorliggende bijdrage aan het regeerakkoord, als apart document uitgewerkt.
C. De creatieve en actieve samenleving
SD1. Met ons cultuurbeleid2 creëren we ruimte en tijd voor experiment, creativiteit en innovatie. De opbouw van de Vlaamse overheid is altijd nauw verbonden geweest met cultuur als uitgangspunt voor de ontplooiing van het individu binnen de samenleving enerzijds, en voor de maatschappelijke bijdrage aan identiteit, diversiteit, duurzaamheid, cohesie ... Investeren in cultuur voor de borging van haar intrinsieke waarde en haar ‘kanarie-‘ of laboratoriumfunctie blijft het uitgangspunt. Cultuur mag echter niet tot die kern gereduceerd worden. Van oudsher is ze een belangrijk onderdeel van de toeristische troeven in Vlaanderen, en de culturele en creatieve sectoren zijn snelgroeiende sectoren van het Vlaams-economische landschap. Als cultuur haar intrinsieke en maatschappelijke waarde, haar cohesieversterkende, experimentele, duurzame en economische waarde wil blijven vervullen binnen de nieuwe uitdagingen waarvoor Vlaanderen in Europa en de wereld staat, dan moet op de volgende vier beleidslijnen worden ingezet:
2
Voor ‘cultuurbeleid’ wordt de brede definitie gehanteerd. Daarmee wordt verwezen naar een beleid voor kunsten, (roerend, onroerend en immaterieel) erfgoed en sociaal-cultureel werk (sociaal-cultureel volwassenenwerk, amateurkunsten, circuskunsten en lokaal cultuurbeleid). Hetzelfde geldt voor de term ‘culturele sector’. Die omvat de kunstensector, de erfgoedsector en de sector van het sociaal-culturele werk.
Warme samenleving
Beleidsvoorstel 1:
We zetten maximaal in op e-cultuur en digitalisering.
Beleidsvoorstel 2:
We stimuleren sociale innovatie.
Beleidsvoorstel 3:
We zetten in op organisatorische, wetenschappelijke, ruimtelijke en financiële innovatie.
Beleidsvoorstel 4:
We ontwikkelen een vernieuwend cultureel diplomatiebeleid.
Beleidsvoorstel 1: Digitale technologieën en sociale media beheersen hoe langer hoe meer alle geledingen van de maatschappij. Het is belangrijk dat de cultuursector de veranderingen binnen het gebruikersveld – van passieve consumer naar interactieve prosumer (producer en consumer van digitale content) - ook structureel vertaalt, met aandacht voor:
•• •• •• ••
mediawijsheid; integratie in het strategisch management van organisaties; transversale samenwerking en interdisciplinariteit; het aanbod van gedigitaliseerde en digital born objecten als open data.
De instrumenten daarvoor zijn:
•• •• ••
het voeren van een gericht impulsbeleid; het ontwikkelen van modulaire oplossingen; het onderhouden van een duurzaam en structureel partnerschap tussen de sector en het VIAA.
Beleidsvoorstel 2: Cultuur neemt vaak het voortouw op het vlak van maatschappelijke vernieuwing. De rol van het verenigingsleven in Vlaanderen op dat vlak kan moeilijk overschat worden. In Vlaanderen is het verenigingsleven bijzonder sterk ontwikkeld. Dat is een belangrijke troef om het hoofd te bieden aan de huidige maatschappelijke uitdagingen die in de omgevingsanalyse scherp werden omschreven. Nieuwe verenigingsvormen en vormen van burgerparticipatie moeten de kans krijgen zich te ontwikkelen en aandacht te besteden aan de knelpunten in onze huidige maatschappij.
••
Een flankerend beleid en meer aandacht voor projectwerking faciliteert de werking van culturele organisaties en lossere (ook niet-gesubsidieerde) samenwerkingsverbanden die inspelen op sociale innovatie.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
•• •• •• ••
Sociaal ondernemerschap en sociale innovatie met een culturele invalshoek worden ondersteund om het hoofd te bieden aan belangrijke maatschappelijke uitdagingen in Vlaanderen, onder meer door deelname aan de Sociale Innovatiefabriek. De culturele sector wordt gestimuleerd om een voortrekkersrol op zich te nemen in het transitiedenken en in transitiebewegingen over maatschappelijke thema’s zoals duurzaamheid, diversiteit en armoede, en om dat te doen samen met de drijvende krachten in andere domeinen en sectoren zonder daarbij de eigenheid van cultuur te verloochenen. Er moet worden ingezet op praktijkonderzoek rond sociale innovatie met als doel het in kaart brengen van de sociale effecten. Doordat nieuwe ideeën worden uitgetest en doordat bij dat onderzoek meteen ook de effectiviteit wordt getoetst, kan dat leiden tot navolging en verdere vernieuwing binnen de sociaal-culturele sector. Er wordt ingezet op internationalisering van sociaal-cultureel werk en internationale uitwisseling van medewerkers en expertise op het vlak van sociaal-cultureel werk.
(zie ook thema ‘Innovatiecentrum Vlaanderen’)
Beleidsvoorstel 3: De vele uitdagingen waar cultuur (sociaal-cultureel werk, erfgoed en kunsten) voor staat, vragen:
••
•• ••
•• ••
een verdere ontwikkeling van wetenschappelijk gefundeerde methoden en instrumenten voor het meten (kwalitatief en kwantitatief) en het aantonen van de maatschappelijke en economische meerwaarde van cultuur. Zowel internationaal als in Vlaanderen is daar grote vraag naar. Het aantonen van die meerwaarde faciliteert de co-creatie en co-productie met andere partijen (eigenaars, andere besturen, andere beleidsdomeinen, andere sectoren …); inzetten op belangrijk erfgoed door middel van het waarderen van erfgoed en het inzetten op innovatieve technieken en vakmanschap in de erfgoedzorg en –ontsluiting. Dat moet het mogelijk maken om de gevolgen van klimaatverandering of de weerslag van toeristische ontsluiting op kwetsbaar erfgoed te verzoenen met het duurzaam behoud en beheer van erfgoed; de ontwikkeling van fiscale stimuli voor de creatie, het behoud, het beheer en het verkeer van culturele goederen en diensten inclusief erfgoed. Particulieren en bedrijven kunnen ertoe worden aangezet om via fiscale voordeelregelingen (onder meer via een indemniteitsregeling) bij te dragen tot het verzamelen, het behoud, het beheer, het onderzoek en de ontsluiting van topstukken en andere waardevolle culturele goederen; vanuit het oogpunt van organisatieontwikkeling en het veld, het opnieuw samenvoegen van roerend, onroerend en immaterieel erfgoed als erfgoed binnen het culturele domein. Dat zou het draagvlak versterken en een eenvormig beleid bevorderen; vanuit organisatieoogpunt, het spelen van een voortrekkersrol op het vlak van innovatief beheer (creatief ruimtegebruik, hergebruik, herbestemming, innovatieve technieken en zuinig materieel gebruik) van het eigen patrimonium en daarmee naar buiten treden met het oog op sensibilisering. Een concreet nieuw voorbeeld is de uitbouw van een nieuw depot voor de archieven en collecties van de Vlaamse Gemeenschap. Die uitbreiding van het Depot Vilvoorde moet tegemoetkomen aan de behoeften van de verschillende domeinen. Ook de grondige renovatie van het KMSKA tot museumgebouw van de 21ste eeuw wordt voortgezet. De volgende fasen worden opgestart, waaronder de renovatie van de buitengevel en de buitenaanleg van het museum. Een ander project bestaat in de upgrading van de site van het Kasteel van Gaasbeek (uitvoering
Warme samenleving
•• ••
masterplan) zodat het zijn museale en eventfuncties toonaangevend verder kan uitvoeren; de consolidatie van de huidige voorhoede-positie van Vlaanderen binnen het internationale veld, wat het immaterieel erfgoed betreft, kan gewaarborgd worden door de uitbouw van een categorie II-centrum in Vlaanderen conform de UNESCO-conventie voor de borging van immaterieel cultureel erfgoed (2003); een ondersteunend beleid voor innovatieve culturele (en hybride) infrastructuur ontwikkelen.
Beleidsvoorstel 4: Het vernieuwde culturele diplomatiebeleid moet het resultaat zijn van domeinoverschrijdend overleg binnen het management comité en focust op vier beleidslijnen:
•• •• •• •• ••
een internationaal impulsbeleid dat gebaseerd is op thematische en geografische prioriteiten, met ruimte voor ad-hoc-prioriteiten; een structureel uitgebouwd evenementen- en presentatiebeleid en aandacht voor stageplekken en uitwisselingsprogramma’s; het stimuleren van Vlaamse culturele organisaties in internationale netwerken; een actieve aanwezigheid in de 28 EU-lidstaten; een bijzondere aandacht voor de BRIC- en MINT-landen.
SD2. In ons cultuurbeleid3 erkennen we de diversiteit als stimulans voor de creativiteit en verrijking van de samenleving en haar leefomgeving. Ouderen, laagopgeleiden, personen van vreemde herkomst en personen met een laag inkomen participeren nog steeds beduidend minder in de samenleving, alsook in het vrijetijdsleven. Toenemende etnische en sociale ongelijkheid is geen randfenomeen, ook niet in de meer landelijke delen van Vlaanderen. Om op die fundamenteel veranderende maatschappij in te spelen moet het cultuurbeleid nieuwe recepten ontwikkelen om iedereen aan te spreken en superdiversiteit als uitgangspunt en troef te erkennen. Daarvoor moet het klassieke diversiteitsdenken, waarbij mensen en groepen worden ingedeeld op basis van één kenmerk (etnisch, sociaal-economisch, gender) verlaten en herijkt worden. Een identiteit is immers een complex samenspel van biologische, historische, sociale en cultureel bepaalde kenmerken. Het kruispuntdenken sluit beter aan bij de maatschappelijke superdiversiteit. Maatschappelijke verschillen komen immers in steeds wisselende, gelaagde combinaties voor. Dat maakt hybride of meer vloeiende vormen mogelijk. Omgaan met diversiteit biedt nieuwe perspectieven, reikt onbekende inhouden en vormen aan, laat individuen en gemeenschappen wisselwerken met ‘andere’ individuen en gemeenschappen. Omgaan met diversiteit veronderstelt een proces van continue dialoog en onderhandeling over inhouden, kwaliteitsnormen, vormen, methodieken enzovoort. De onderstaande strategische beleidsvoorstellen zullen daarbij cruciaal zijn. 3
Voor ‘cultuurbeleid’ wordt de brede definitie gehanteerd. Met de term wordt verwezen naar een beleid voor kunsten, (roerend, onroerend en immaterieel) erfgoed en sociaal-cultureel werk. Hetzelfde geldt voor de term ‘culturele sector’. Die omvat de kunstensector, de erfgoedsector en de sector van het sociaal-culturele werk.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 1:
We stimuleren het cultureel leren en voeden het vanuit het beleid.
Beleidsvoorstel 2:
We ontwikkelen een gediversifieerd cultuurbeleid.
Beleidsvoorstel 1: Samen leven binnen een gediversifieerde samenleving vereist de nodige culturele competentie. Die competentie wordt al lerend verworven, een leven lang en in verschillende contexten. Cultuureducatie begint op het ogenblik dat gericht een leerproces wordt opgezet dat uitgaat van een bewuste omgang met cultuur, in al zijn verscheidenheid en deelaspecten. Het laat creatieve talenten tot bloei komen en zorgt ervoor dat mensen over de competenties beschikken om te kunnen deelnemen én deelhebben aan cultuur. Daarnaast groeit daardoor ook hun culturele zelfbeeld, als basis voor een verdiepende interactie met anderen en de wereld rondom hen. Hetzelfde geldt voor het erkennen en waarderen van de competenties die mensen verworven hebben: ook dat sterkt mensen in hun zelfbewustzijn en in het aangaan van toekomstige ervaringen binnen de diverse samenleving.
••
••
De verschillende contexten waarbinnen mensen (cultureel) leren, moeten beter met elkaar verbonden worden, om zo nieuwe leerimpulsen te creëren vanuit ieders eigen leefwereld. Het komt erop aan de brug te slaan tussen cultuureducatieve initiatieven binnen het (sociaal-)culturele veld en het onderwijs, en meer informele leercontexten binnen andere maatschappelijke domeinen (welzijn, voorschoolse opvang, openbare ruimte, de nieuwe media …). Interculturele en intergenerationele ontmoetingen bieden in dat opzicht belangrijke kansen. Erfgoedlocaties en -organisaties kunnen vanuit een competentiebenadering worden uitgebouwd tot krachtige leerplekken. De verdere versterking van de (inter)culturele, agogische, didactische … competenties van cultuureducatieve werkers en andere cultuurprofessionals en -vrijwilligers moet blijvend gestimuleerd worden. De overheid moet daarin een faciliterende en sensibiliserende rol vervullen op het vlak van de opleiding en vorming, en de erkenning van verworven competenties. De Vlaamse kwalificatiestructuur en een geïntegreerde, overkoepelende EVC-beleidsvisie bieden daarvoor een referentiekader.
Beleidsvoorstel 2: Culturele organisaties, verenigingen en instellingen moeten inspelen op het superdiverse, dynamische en gelaagde publiek. Het vergroten van de mogelijkheden van mensen om keuzes te maken uit het rijke en diverse cultuurpalet volstaat niet. Er moet ook gezocht worden naar nieuwe inhouden, formats en betekenisgevers die inspelen op de veranderende noden en behoeften, en interesses van alle groepen in de samenleving. Daarbij wordt er steeds vertrokken vanuit de idee dat cultuur in al zijn verschijningsvormen een vertrouwde en stimulerende (leef)omgeving moet zijn om in te vertoeven, een plek waar mensen zich thuis voelen. Voor de overheid is er daarvoor een tweeledige rol weggelegd:
Warme samenleving
1. De eigen werking wordt aangepast:
•• •• ••
voorbeeldwerkingen, experimenten, en nieuwe disciplines en verenigingsvormen die culturele en sociale innovatie creëren, worden van onderuit gedetecteerd en gevaloriseerd; om de subsidielijnen aan te passen en breder bekend te maken bij diverse doelgroepen moeten er extra inspanningen geleverd worden; er wordt samengewerkt met andere beleidsvelden met het oog op het verhogen van de participatie van specifieke doelgroepen (zie andere items onder Warme Samenleving). Het werken op de knooppunten van verschillende beleidsvelden laat immers toe op complexe situaties in te spelen. Inburgering (nieuwkomers), integratie (etnisch-culturele minderheden), welzijn (jongeren, personen in armoede, ouderen), onderwijs, werk, enzovoort ….
2. Beleidsinstrumenten moeten maximaal en optimaal ingezet worden om een structurele verankering van diversiteit te realiseren, zowel bij de ondersteunende actoren uit het veld als bij de sectorale organisaties zelf:
•• ••
culturele organisaties moeten blijvend aangespoord worden om in te zetten op factoren die de participatie rechtstreeks beïnvloeden, zoals toegankelijkheid, toegankelijke en verstaanbare communicatie, duidelijke informatie, een laagdrempelige en uitnodigende omkadering en publieksbemiddeling; culturele organisaties worden gestimuleerd om de diversiteit in de organisatie binnen te halen, in het bijzonder in het personeelsbestand en de raden van bestuur. Veel meer dan het ‘toeleiden’ van mensen naar het aanbod is participatie binnen de organisatie (als maker, staflid, bestuurslid …) een sleutel tot meer diversiteit in de cultuursector.
SD3. We versterken het jeugdwerk opdat het de ontwikkeling, het welzijn en de sociale insluiting van alle kinderen en jongeren verbetert. Jeugdwerk heeft betrekking op buitenschoolse activiteiten en op specifieke vrijetijdsactiviteiten, en is gebaseerd op niet-formele en informele leerprocessen, en op vrijwillige deelname. Die activiteiten en processen worden uitgevoerd in zelfbeheer of in gezamenlijk beheer, of worden beheerd onder educatieve of pedagogische begeleiding van professionele of vrijwillige jeugdwerkers en jeugdleiders. Ze kunnen onder invloed van verschillende factoren ontwikkeld en gewijzigd worden. Jeugdwerk wordt op verschillende manieren georganiseerd en uitgevoerd: door organisaties die door jongeren zelf worden geleid, organisaties voor de jeugd en informele groepen, of door jeugddiensten en overheden. Aan jeugdwerk wordt vorm gegeven op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 1:
Vanuit een herbronning van de rol van het jeugdwerk in de samenleving ontwikkelen we, in dialoog met andere beleidsdomeinen, een jeugdwerkstrategie om betere voorwaarden en meer kansen te creëren voor de ontwikkeling, ondersteuning en uitvoering van het jeugdwerk op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau.
Beleidsvoorstel 1:
a.
Het jeugdwerk ondersteunen bij het ontwikkelen van zijn structuren, werkmethodes en communicatiekanalen, en het de kans geven om zich voortdurend te verbeteren zodat er meer jongeren worden bereikt, vooral jongeren die sociaal buitengesloten zouden kunnen raken: •• door werk te blijven maken van verschillende vormen van structurele ondersteuning van het jeugdwerk; •• door openingen te laten voor een projectmatige ondersteuning van jeugdwerkinitiatieven, met het oog op ondersteuning van vernieuwing; •• door het formuleren van bijkomende beoordelingscriteria voor vorming en competentieprofielen van jeugdwerkers; •• door het maatschappelijk middenveld te helpen bij het uitwerken van geschikte opleidingsmodules voor jeugdwerkers en jeugdleiders; •• door het stellen van prioriteiten in de subsidiëring.
b.
Onderzoek naar jeugdwerk en jongerenbeleid bevorderen en steunen: •• door de beleidsplannen en werking van de verenigingen te monitoren; •• door verschillende jeugdwerksoorten verder te analyseren; •• door de drempels voor niet-participanten te analyseren: verhogen van de kennis, horen van belanghebbenden (bijvoorbeeld ouders), terugkoppelen naar de betrokken kinderen en jongeren zelf.
c.
Lokale en regionale overheden en actoren, waar dat passend is, een belangrijke rol laten spelen bij de ontwikkeling, de ondersteuning en de uitvoering van het jeugdwerk: •• door het lokale jeugdbeleid te monitoren in samenwerking met de lokale besturen; •• door de beleidsprioriteiten jeugdwerk aan te scherpen met het oog op een grotere maatschappelijke integratie.
d.
Multiplicator zijn voor goede en vernieuwende praktijken in de werking voor maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren, als opstap naar jeugdwerk: •• door zowel in het beleid als in de praktijk de verbanden met jeugdgerelateerde gebieden als gezondheid, onderwijs, opleiding en werkgelegenheid, cultuur en sport, te versterken; •• door aan te sturen op resultaten van het jeugdwerk die bijdragen tot de ontwikkeling, het welzijn en de sociale insluiting van jongeren; •• door via de relevante programma’s, platforms en kanalen, de Europese en internationale uitwisseling van goede praktijken, opleiding, competentieverwerving en intercollegiaal leren met betrekking tot op kwaliteit gebaseerd jongerenwerk, te bevorderen.
Warme samenleving
SD4. We willen zo veel mogelijk Vlamingen op een duurzame en gezonde manier doen sporten via een kwalitatief, voor iedereen toegankelijk en goed gecommuniceerd sportaanbod. Sport focust zijn beleid voor de volgende regeerperiode op twee grote strategische beleidsdoelstellingen. Eén strategische doelstelling omvat Sport voor Allen, de tweede focust op Topsport.
Beleidsvoorstel 1:
We willen mensen levenslang en gezond doen sporten, door sensibilisering van de Vlaamse bevolking, facilitering van de niet-georganiseerde sportbeoefening en ondersteuning van de georganiseerde sportbeoefening als componenten.
Beleidsvoorstel 2:
We willen de sportsector professionaliseren door het verhogen van de kwaliteit van de sportbegeleiders en het verlagen van de drempels voor tewerkstelling.
Beleidsvoorstel 3:
We willen het structureel tekort aan sportinfrastructuur wegwerken.
Beleidsvoorstel 4:
We willen een betere preventie en educatie rond doping bewerkstelligen door het versterken van de complementaire aanpak van NADO Vlaanderen.
Beleidsvoorstel 1: Een van de uitdagingen voor de komende beleidsperiode is zo veel mogelijk Vlamingen levenslang aan het sporten krijgen en houden. Dat vereist doeltreffende maatregelen op verschillende vlakken, rekening houdend met de maatschappelijke context. Een cruciaal element daarbij is een doorgedreven sensibiliseringscampagne rond het belang van levenslang sporten, die rekening houdt met de verschillende doel- en kansengroepen. Correcte, actuele informatie over het sportaanbod via onder meer de verdere uitbouw van de Sportdatabank Vlaanderen als belangrijk sportpromotioneel instrument voor sporten in clubverband, moet de opstap naar levenslang sporten kracht bijzetten. De maatschappelijke ontwikkelingen in het sportgedrag, met naast het sporten in clubverband een groeiend aantal mensen die individueel of met vrienden sporten, vraagt van de overheid een antwoord op twee sporen. Niet-georganiseerde sport moet gefaciliteerd worden. Randvoorwaarden zoals uitnodigende infrastructuur in de nabije omgeving en aangepaste informatie en communicatie vormen daarvoor belangrijke sleutels.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Gezien het belang van de georganiseerde sport voor het levenslang sporten, moeten ook de verschillende vormen van georganiseerde sportbeoefening (andersgeorganiseerde, recreatieve en competitieve sportbeoefening) blijvend gefaciliteerd en ondersteund worden, zowel decretaal als projectmatig. Door het opzetten, ondersteunen, evalueren en eventueel integreren van experimentele projecten en proeftuinen wordt gezorgd voor voldoende innovatie. Bij die projecten wordt in het bijzonder ingespeeld op de gedetecteerde trends van onder meer vergrijzing en superdiversiteit, waarbij sport een middel kan zijn om stappen vooruit te zetten op andere levensdomeinen. Transversale samenwerking over de beleidsdomeinen is daarbij een noodzakelijke voorwaarde, en internationale tendensen en wetenschappelijk onderzoek kunnen daarbij richtinggevend zijn voor de experimentele projecten en acties die worden opgezet. Via stimulerende en ondersteunende maatregelen, een goede omkadering en bewustmaking, moet ten slotte worden ingezet op een gezonde sportbeoefening die bijdraagt tot levenslang sporten. Een ethisch sportklimaat wordt gestimuleerd, waarbij sportethische principes bewust(er) in missie, visie, beleid, werking, doelstellingen en acties van de sportsector worden opgenomen en waarin de integriteit van elkeen optimaal gewaarborgd wordt. Gezond sporten is een belangrijke voorwaarde voor een duurzaam effect. Daartoe zullen blijvend campagnes worden gevoerd rond screening en letselpreventie.
Beleidsvoorstel 2: Sportclubs hebben het moeilijk om in te spelen op de steeds groter wordende verwachtingen van sporters op het vlak van begeleiding. De Vlaamse overheid kan beleidsmatig een helpende hand toesteken door in te zetten op opleiding van trainers en op tewerkstelling. Het faciliteren van tewerkstelling in de sportsector door het verlagen van de drempels voor het tewerkstellen van professionele medewerkers in de sportclubs, is daarbij van fundamenteel belang. Naast een belangrijke klemtoon op het aanreiken van mogelijkheden tot tewerkstelling bieden ook samenwerkingsverbanden tussen verschillende actoren kansen op het creëren van volwaardige jobs. Het uitwerken van een specifiek statuut voor de sportbegeleider moet een oplossing bieden voor de grijze zone tussen het vrijwilligerswerk en de minimale arbeid. In kwaliteitsvolle en enthousiasmerende begeleiding voorzien bij de beoefening van de verschillende sportvormen in diverse verbanden vereist het inschakelen van sportgekwalificeerde begeleiders. Om dat te realiseren zal de Vlaamse Trainersschool (VTS) meer en betere trainers opleiden. Daarbij zijn het professionaliseren en valoriseren van de occasionele VTS-medewerkers en de verdere uitbouw van de Vlaamse Trainersschool als samenwerkingsverband cruciaal.
Warme samenleving
Beleidsvoorstel 3: Voldoende en geschikte sportinfrastructuur is een noodzakelijke voorwaarde voor het bereiken van de strategische doelstellingen rond sport. Het structurele tekort aan beschikbare sportinfrastructuur moet dan ook planmatig weggewerkt worden. De diversiteit in de sportbeoefening vereist differentiatie in die beleidsmaatregel, zowel naar soort infrastructuur als naar wijze van ondersteuning. De selectieve ondersteuning van de bouw en van de noodzakelijke renovaties moet zowel betrekking hebben op eenvoudig toegankelijke en kleinschalige sportinfrastructuren (voor individuele en nietgeorganiseerde sporters) als op sportinfrastructuren van lokaal en bovenlokaal niveau. De uitbouw, optimalisatie en renovatie van de Bloso-centra met het oog op het vervullen van hun multifunctionele bovenlokale taak en de uitbouw van trainingsinfrastructuur voor topsport zijn daarin belangrijke facetten. Bij iedere vorm van ondersteuning moet de meerwaarde van mogelijke investeringspartners en samenwerkingsverbanden worden onderzocht. Om bovenlokale sportinfrastructuurprojecten financieel te ondersteunen is de oprichting van een Vlaams Sportinfrastructuurfonds wenselijk. Nieuwe infrastructuur moet rationeel en afhankelijk van de behoeften worden ingepland. Het openstellen van schoolsportinfrastructuur moet bijdragen tot een efficiënter gebruik van bestaande sportinfrastructuur. Tot slot moet bij de inplanning en investering van sportinfrastructuur gestreefd worden naar duurzame oplossingen voor sporten met een groot ruimtebeslag of een hinderlijk karakter.
Beleidsvoorstel 4: Het beschermen van de integriteit van de sport tegen doping blijft een voortdurende, wereldwijde uitdaging, die internationale en sectoroverschrijdende samenwerking en initiatieven vereist van overheden, sportorganisaties en nationale antidopingorganisaties (NADO). Nu er steeds meer gesofisticeerde dopingmethodes de kop opsteken en een toenemende criminele inmenging in doping in de sport wordt vastgesteld, moet de overheid een nieuwe en efficiëntere aanpak van die strijd ontwikkelen. Op basis van de nieuwe Wereldantidopingcode 2015 van het WADA zal daarom de nadruk gelegd worden op nog meer onderzoek en informatieverzameling, een versterkte samenwerking met politie, justitie en douane via de bevoegde hormonenmagistraat, een grotere inzet op sensibilisering en preventie, een verdere Europese harmonisering van het antidopingbeleid en meer beleidsondersteunend wetenschappelijk onderzoek naar illegale middelen, in samenwerking met de farmaceutische industrie.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
SD5. We willen een verhoging van het aantal behaalde top-8-plaatsen en medailles op de Olympische Spelen, en op wereldkampioenschappen en Europese kampioenschappen in olympische disciplines.
Beleidsvoorstel 1:
We willen de integrale uitvoering van het Topsportactieplan III (2013-2016) en opmaak van het Topsportactieplan IV (2017-2020).
Beleidsvoorstel 1: Het Topsportactieplan III focust op een beperkt aantal olympische disciplines, zowel structureel via de Vlaamse topsporttakkenlijst als ad hoc via windows of opportunity. De eenloketfunctie voor de topsporter moet verder worden gerealiseerd door de operationele bevoegdheden en structuren voor de uitvoering van het Vlaamse topsportbeleid samen te brengen bij het Bloso. Op het terrein wordt de centralisatie van het topsportbeleid gerealiseerd via de verdere uitbouw van trainingsinfrastructuur voor topsport in drie Vlaamse topsportcentra (Gent, Antwerpen en Leuven) en een één-campusmodel per sporttak. De resultaten van Vlaamse topsporters (individueel en in ploeg) en de organisatie van topsportevenementen in Vlaanderen dragen in belangrijke mate bij tot het verbeteren van de visibiliteit en het imago van Vlaanderen. Topsport Vlaanderen is daarvoor een belangrijk communicatie-instrument dat voluit moet worden ingezet in het Vlaamse merkbeleid. De wielerploegen nemen daarbij een belangrijke plaats in. Op basis van de evaluatie van het Topsportactieplan Vlaanderen III en de sportieve resultaten op de Olympische Spelen, de Wereldkampioenschappen en de Europese kampioenschappen (2013-2016) wordt voor de periode 2017-2020 het Topsportactieplan Vlaanderen IV opgemaakt.
Warme samenleving
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
3.1
De inclusieve en diverse samenleving
Beleidsvoorstel 1:
We streven naar een sterk en gecoördineerd transversaal en inclusief integratie- en gelijkekansenbeleid. De kosten van de personeelsinzet van het secretariaat, het voorzitterschap en de leden van de verschillende commissies kan met de huidige apparaatskredieten gerealiseerd worden. Een meer sturende, overkoepelende en verbrede transversale beleidsaanpak betekent een budgettaire meervraag van 200 000 euro op apparaatskredieten. Dit betekent een meervraag van 0,3% op het totale budget van 64 964 Keuro.
budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)
200
idem
Beleidsvoorstel 2:
We streven naar een verticaal en functioneel integratie- en inburgeringsbeleid. Het creëren van een individueel vormings- en begeleidingsaanbod dat de behoeften dekt, kan met de huidige kredieten gerealiseerd worden. Het versterken van het lokaal integratiebeleid is niet budgetneutraal en vereist bijkomende uitgaven. Experimentele projectsubsidies zijn niet budgetneutraal, maar kunnen mogelijk gefinancierd worden via overdracht van middelen uit het federaal Impulsfonds voor het Migrantenbeleid (zesde staatshervorming).
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)
budget voor individueel vormingsen begeleidings-aanbod dat de behoeften dekt en dat het integratieproces van personen van vreemde herkomst versnelt
4950
ongewijzigd
budget voor ondersteunen van voorzieningen bij het toegankelijk maken van hun dienstverlening zodat personen van vreemde herkomst evenredig en volwaardig kunnen participeren
22 135
budget voor het werken aan een samenleving die op een positieve manier kan omgaan met de toenemende diversiteit
x
totaal:
60 085
1000 (gespreid over de volledige legislatuur) voor bijkomende integratiesubsidies 750 (jaarlijks) voor experimentele subsidies
Beleidsvoorstel 3:
We zetten versterkt in op een functioneel verticaal gelijkekansenbeleid met afgestemde prioriteiten en middelen. Het verticale gelijkekansenbeleid zit in 2014 met 4 879 000 euro in een krap budgettair framewerk, maar kan met de nieuwe accenten grotendeels worden gerealiseerd binnen de beschikbare programmakredieten. In dit beleidsvoorstel houdt beleidsprioriteit 3j, dat betrekking heeft op het versterken van het nondiscriminatie- en gelijkebehandelingsbeleid ten gevolge van de uitvoering van het samenwerkingsakkoord met het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme vanaf 2015 een extra uitgave in van 49 200 euro op jaarbasis.
budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)
Verticale gelijkekansenbeleid
4879 (+index)
idem
Interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme
49,2
idem
Dit betekent een meervraag van 1% op het totale budget van 4879 Keuro.
Warme samenleving
3.2
De zorgzame samenleving
Beleidsvoorstel 1:
We prioriteren het preventieve welzijns- en gezondheidsbeleid op basis van objectiveerbare behoeften, op evidentie gebaseerde methodieken en gezondheidseconomische afwegingen, in de eerste plaats via gezondheidsdoelstellingen en het versterken van de eerstelijnshulp, met inbegrip van het aanbod geestelijke gezondheidszorg. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal compensatiemogelijkheden zijn.
en
vereist
extra
uitgaven
waarvoor
er
geen
Het verder uitbouwen van de eerstelijnspsychologische functie veronderstelt een gezamenlijke en gedeelde financiering tussen de federale en de Vlaamse overheid. Ook de ziekenfondsen zijn betrokken partij. De omvang van de extra kosten voor Vlaanderen hangt af van het resultaat van te voeren onderhandelingen met de federale overheid. Voor het verder uitbouwen van de zorgcircuits geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen en het opstarten van dergelijke circuits voor kinderen en jongeren zijn federale middelen nodig voor de zorgfaciliteiten die tot de bevoegdheden van de federale overheid behoren en een versterking van de ambulante zorgcapaciteit voor wat tot de gemeenschapsbevoegdheden behoort. Meer specifiek is er een groeipad nodig in de subsidiëring van de centra voor geestelijke gezondheidszorg (voor de relevante doelgroepwerkingen). Een procentuele aangroei van 4% op jaarbasis is in deze context indicatief relevant. De versterking van het algemeen welzijnswerk kan worden opgesplitst in een luik jongerenonthaal en een luik opvang van volwassenen met psychische en relationele moeilijkheden. De meerkost voor het jongerenonthaal is opgenomen in het actieplan jeugdhulp (zie beleidsprioriteit 4). De meerkost voor de opvang van de vermelde volwassenen wordt indicatief berekend naar rato van 60 000 euro per vte. Inzetten op een versterkt aanbod voor hen vereist in elk geval de bijkomende inzet van 13 vte, wat neerkomt op 0,78 miljoen euro extra uitgaven en een toename met 16,5% van wat nu geïnvesteerd wordt.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)
Eerstelijnspsychologische functie
Te bepalen in overleg met de federale overheid
Te bepalen in overleg met federale overheid
Centra geestelijke gezondheidszorg
2640
13 200
Centra algemeen welzijnswerk
160
780
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 2:
We zetten in op een maximale gezondheidswinst door, via een beleid van ‘health in all policies’, actief verschillende maatschappelijke sectoren (facettenbeleid) en beleidsdomeinen in te schakelen. We betrekken in het bijzonder de lokale besturen en, voor het realiseren van een gezondheidsbevorderende werkomgeving, de sociale partners en organisaties die bedrijven ondersteunen, de media en de gezinnen. De budgettaire implicatie is gespreid over de betrokken ‘facettenpartners’ en hangt af van ieders mogelijkheden om daarover keuzes te maken.
Beleidsvoorstel 3:
We actualiseren en realiseren het Perspectiefplan 2020. We realiseren de basisdoelstellingen (zorggarantie voor wie de grootste behoeften heeft en autonomie voor de personen met een handicap), in eerste instantie door het invoeren van een persoonsvolgende financiering. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal compensatiemogelijkheden zijn.
en
vereist
extra
uitgaven
waarvoor
er
geen
De meerkost vindt zijn grond in vier sporen: een toenemende nood aan rechtstreeks toegankelijke ondersteuning (RTH), het inzetten van een basisondersteuningsbudget (BOB) en een persoonsvolgend budget (PGB) (allebei verankerd in het decreet betreffende de persoonvolgende financiering), en vragen voor individuele materiële bijstand (IMB). Op basis van een prognose van te verwachten aantallen aanvragen, betekent dat volgend budgettair impact, dat, in het licht van de lopende investering, neerkomt op een aangroei met een derde.
budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
Budget op kruissnelheid in volgende legislatuur (in Keuro)
BOB
73 500
152 000
RTH PVB IMB TOTAAL
137 000
30 000 103 500
192 000 5000
486 000
Warme samenleving
Beleidsvoorstel 4:
We realiseren het actieplan jeugdhulp zodat de jeugdhulp maximaal vertrekt van de krachten van jongeren en passende hulp kan worden geboden: rechtstreeks toegankelijk als het kan, niet-rechtstreeks toegankelijk als dat nodig is. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal compensatiemogelijkheden zijn.
en
vereist
extra
uitgaven
waarvoor
er
geen
Om het actieplan te realiseren is een budget van 44,15 miljoen euro noodzakelijk. Gespreid over de legislatuur komt dit neer op een jaarlijkse bijkomende investering van 8,8 miljoen euro. Dat budget wordt hoofdzakelijk aangewend voor de uitbreiding van het aanbod zodat we in 2020 voor de meest kwetsbare doelgroepen de wachtlijsten kunnen terugdringen. Het uitdrukken van de proportionaliteit van dit bedrag in het licht van de huidige uitgaven, is geen sinecure. Het actieplan jeugdhulp is immers te situeren in een nog grotendeels te realiseren intersectorale context. Als indicatie kunnen we wel meegeven dat het gevraagde bijkomende bedrag neerkomt op een kleine 10% van wat het agentschap Jongerenwelzijn momenteel al investeert.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)
14 400
44 150
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 5:
We bouwen de Huizen van het Kind uit tot volwaardige basisvoorzieningen voor alle (aanstaande) gezinnen met kinderen, op basis van een sterke lokale samenwerking tussen de partners op het vlak van preventieve gezinsondersteuning. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal compensatiemogelijkheden zijn.
en
vereist
extra
uitgaven
waarvoor
er
geen
Er zal volgens gemiddelde schattingen een budgettaire investering van 6,2 miljoen euro nodig zijn voor de lokale omkadering en ondersteuning van de Huizen van het Kind. Het versterken van het aanbod van de Huizen van het Kind vraagt een bijkomende impuls van 5,62 miljoen euro. Daarvan wordt 1 miljoen euro ingezet voor kinderarmoedebestrijding, 4 miljoen euro voor het aanbieden van diverse aanbodsvormen en 620 000 euro voor de samenwerking met artsen op het vlak van de preventieve gezondheidszorg. Globaal genomen komt de meerkost neer op een verhoging van het budget met 18%.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)
Lokale omkadering
1240
6200
Versterken aanbod
1124
5620
Beleidsvoorstel 6:
We organiseren een cliëntgericht thuiszorgaanbod (maximumfactuur, inkomensgerelateerde bijdrage), met de behoeften en de autonomieversterking van de zorgbehoevende als centraal aandachtspunt. Voor de nieuwe en vereenvoudigde cliëntbijdrage wordt budgetneutraliteit nagestreefd. Voor de invoering van de maximumfactuur worden de extra uitgaven op kruissnelheid op 21,5 miljoen euro op jaarbasis geraamd, waarvoor er geen compensatiemogelijkheden zijn. Aangezien de maximumfactuur een nieuw gegeven is, is er geen referentiecijfer.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)
Maximumfactuur
4300
21 500
Warme samenleving
Beleidsvoorstel 7:
We voorkomen en bestrijden armoede, met bijzondere aandacht voor een transitie in de aanpak van kinderarmoede en voor het wegwerken van gezondheidsongelijkheid. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal compensatiemogelijkheden zijn.
en
vereist
extra
uitgaven
waarvoor
er
geen
Het verder en sterker ondersteunen van lokale besturen in hun acties tegen kinderarmoede, voortbouwend op de acties die al zijn genomen, vereist een extra uitgave van minimaal 5 miljoen euro, wil het beleid effect sorteren. Deze meer veralgemeende uitrol is te situeren ten opzichte van een momentele uitgave van 7000 Keuro. Daarnaast zijn in dit verband ook inspanningen in andere beleidsdomeinen van groot belang, bijvoorbeeld op het vlak van de huursubsidie.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)
1000
5000
Beleidsvoorstel 8:
We zetten maximaal in op samenwerking met andere beleidsdomeinen en andere bestuursniveaus. We doen dat minstens voor de onderstaande twee acties.
a.
het realiseren van een structureel kader voor een aanbod van arbeidsmatige activiteiten onder begeleiding, in combinatie met de nodige zorg via het decreet werk-zorg: Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal en vereist extra uitgaven waarvoor geen compensaties mogelijk zijn. Kiezen voor een structureel kader van erkenning en subsidiëring voor de arbeidsmatige activiteiten en (verder) investeren in de activeringstrajecten en de trajecten maatschappelijke oriëntatie, zoals vastgelegd in het goedgekeurde decreet W2, veronderstelt een maatschappelijk engagement waarvoor de Vlaamse regering beleidsdomeinoverstijgend middelen vrijmaakt en alloceert. De opgenomen meerkost situeert zich bovenop wat momenteel al vanuit Werk en Sociale Economie wordt geïnvesteerd (14 600 Keuro).
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)
0 (wegens nog uit te werken regelgeving)
27 400
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
b.
het stapsgewijs versterken van de samenwerking op het terrein tussen de woon- en welzijnsactoren, met bijzondere aandacht voor het wegwerken van dak- en thuisloosheid: Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal en vereist extra uitgaven waarvoor geen compensaties mogelijk zijn. Het verder uitbouwen van de samenwerking wonen-welzijn vraagt een investering van minimaal 3,75 miljoen euro. Die middelen maken een vooruitgang op drie vlakken mogelijk: bestrijden dak- en thuisloosheid, versterken en diversifiëren preventieve woonbegeleiding, verankeren en uitbreiden van woonvormen en woonbegeleidingsmodellen, gedistilleerd uit de lopende 11 projecten, en het faciliteren van kennisdeling tussen de actoren welzijn en wonen. Momenteel wordt al 3260 Keuro geïnvesteerd in preventieve woonbegeleiding.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)
750
3750
Beleidsvoorstel 9:
We zorgen voor kwaliteitsvolle kinderopvang zoals is vastgelegd in het decreet Kinderopvang van Baby’s en Peuters en we bouwen aan een kwaliteitsvolle en op de leefwereld van schoolkinderen afgestemde opvang vanuit een sterke samenwerking tussen alle stakeholders op het vlak van opvang en vrije tijd van schoolkinderen. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal en vereist extra uitgaven. Om tegen 2020 in kinderopvangplaatsen te voorzien voor alle gezinnen met een behoefte aan kinderopvang, zoals het decreet vooropstelt, zijn er naar schatting 25 000 extra plaatsen nodig. De kostprijs van die extra plaatsen wordt geraamd op 190 miljoen euro. Daar bovenop is 18 miljoen euro nodig om, via een structurele oplossing, de recurrente tekorten uit het verleden weg te werken (de ouderbijdragebonus die niet wordt gehonoreerd, de meeruitgave ten gevolge van de gemiddelde leeftijd van het personeel binnen de kinderopvangvoorzieningen, het tekort van 7 miljoen euro voor de financiering van alle inkomensgerelateerde kinderopvangplaatsen (vanaf 1 april 2014, trap 2) en het tekort op budget financiële ondersteuningen (vanaf 1 april 2014, trap 1). Daarnaast is er 14,6 miljoen euro nodig om in de basissubsidie (trap 1 van het nieuwe systeem) te voorzien voor alle vergunde plaatsen die vandaag nog geen basissubsidie hebben. De kosten voor een kwalitatief groeipad voor trap 2 (subsidie voor inkomenstarief op basis van het verbeteren van de ratio van het aantal kinderbegeleiders ten opzichte van het aantal aanwezige kinderen, met een gelijkschakeling tussen de erkende en de zelfstandige sector) vraagt een investering van 82,3 miljoen euro. Voor trap 3, een subsidie voor de 10% van het kinderopvangaanbod voor baby’s en peuters die in een kansarm gezin leven, is voor het bestaande aanbod in 2015 een extra uitgave van 5,5 miljoen euro nodig. De kostprijs om in 2019 10% van het bijkomend aanbod in het kader van de uitbreiding te voorzien als
Warme samenleving
trap 3, is nog eens 25,4 miljoen euro. Maar die zit reeds vervat in de globale kostprijs van 190 miljoen euro voor de uitbreiding (de 5,5 miljoen euro nog niet). Deze bijkomende investeringen zijn nodig om het decreet Kinderopvang van Baby’s en Peuters te kunnen uitvoeren. Het aldus realiseren van een volledige hertekening van de Vlaamse kinderopvang vertegenwoordigt op termijn een globale stijging van het kinderopvangbudget met 80%.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)
Uitbreiding
38 000
190 000
Wegwerken recurrente tekorten
3600
18 000
Basissubsidie trap 1
2920
14 600
Trap 2
16 460
82 300
Trap 3
5500
Zit al vervat in uitbreiding
Beleidsvoorstel 10:
Met het oog op cliëntgerichte zorg optimaliseren we de operationele en beleidsgerichte informatie-uitwisseling, met het decreet over het netwerk voor digitale gegevensdeling in de zorg als basis. Het in toepassing brengen van het decreet gegevensdeling veronderstelt, naast het operationeel maken van het agentschap, actieve sensibilisering van zowel de zorggebruiker als de zorgverstrekker. Daarnaast moeten er standaarden bepaald worden, wat onderzoek en een draagvlak vereist. Ook op het vlak van noodzakelijke basisdiensten, het respecteren van de veiligheidsaspecten en ondersteunende identificatiebestanden zal de overheid zijn verantwoordelijkheid moeten nemen. Naast de gebruikelijke investeringen via de reguliere subsidies voor ICT zal er een bijkomende investering noodzakelijk zijn voor het verzekeren en onderbouwen van een veilige gegevensdeling. Aangezien het om een nieuw decreet gaat, is er geen referentiekost.
budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)
500
4000
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 11:
We formuleren een kader waarbinnen voorzieningen eigenaarschap voor deugdelijk bestuur en sociale innovatie kunnen opnemen, met duidelijke afspraken over een gerichte verantwoording ten opzichte van de overheid. Voor dit beleidsvoorstel wordt budgetneutraliteit nagestreefd.
Beleidsvoorstel 12:
We ontwikkelen voor Zorginspectie een uniform juridisch kader voor de uitoefening van het inspectietoezicht en we realiseren in samenwerking met de zorgvoorzieningen en -verstrekkers een veralgemeende registratie van kwaliteitsindicatoren, waarvan de resultaten gericht publiek kunnen worden gemaakt. Voor dit beleidsvoorstel wordt budgetneutraliteit nagestreefd.
Beleidsvoorstel 13:
We zorgen voor de uitvoering van de concrete bevoegdheidsoverdrachten die zijn opgenomen in het witboek van de zesde staatshervorming. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal. Uiteraard is de zesde staatshervorming niet budgetneutraal. De impact ervan is ook bijzonder groot. We herinneren daarvoor aan de volgende cijfers. Voor 2015 wordt de begroting van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin geraamd op 11 miljard euro. Die 11 miljard euro is het resultaat van de 4,2 miljard voor de huidige Vlaamse bevoegdheden, plus 7 miljard euro voor de bevoegdheden die na de 6de staatshervorming verschuiven naar de Gemeenschappen en de Gewesten. De uiteindelijke impact hangt mee af van de beleidskeuzes die in dit verband nog moeten worden gemaakt.
3.3
De creatieve en actieve samenleving
Beleidsvoorstel 1:
We zetten maximaal in op e-cultuur en digitalisering. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal en vereist een extra budgettaire uitgave van 3 miljoen euro voor de verdere uitbouw van het VIAA, 300 000 euro voor een impulslijn, en 825 000 euro voor PACKED. De reeds beschikbare middelen voor dit beleidsvoorstel zijn beperkt tot 113 000 euro.
budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)
4125
4125
Warme samenleving
Beleidsvoorstel 2:
We stimuleren sociale innovatie. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal en vereist een extra budgettaire uitgave van 200 000 euro op jaarbasis. Het betreft een nieuw beleidsvoorstel waarvoor er binnen de cultuurbegroting nog geen middelen zijn.
budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)
200
200
Beleidsvoorstel 3:
We zetten in op organisatorische, wetenschappelijke en financiële innovatie. Dit beleidsvoorstel is niet-budgetneutraal. Voor de inhaalbeweging op vlak van erfgoed is zeker 12,25 miljoen euro aan bijkomende middelen nodig, waarvan 10 miljoen euro voor de zorg voor, digitalisering en ontsluiting van erfgoed en 2,25 miljoen euro voor de ondersteuning van belangrijke aankopen (topstukken en sleutelwerken). Voor de uitvoering van het Kunstendecreet is zeker 5 miljoen euro extra nodig, als ook 1 297 700 euro voor projectwerking. Voor de verdere renovatie van het KMSKA (fase 3) is 5 miljoen euro nodig (4 miljoen in 2016 en 1 miljoen in 2017). Voor de uitbouw van een categorie II-centrum in Vlaanderen, conform de UNESCO-conventie voor de borging van immaterieel erfgoed, is minimaal 200 000 euro nodig. Voor het kasteel van Gaasbeek en het Depot Vilvoorde zijn er nog geen ramingen beschikbaar. Voor de renovatie van het operagebouw in Gent is eenmalig 15 000 000 euro nodig en 500 000 euro recurrent. Voor het concertgebouw in Brugge moet 500 000 euro voorzien worden en voor het M HKA is 12 miljoen euro noodzakelijk. Ten slotte is er voor het ontwikkelen van een ondersteunend beleid voor infrastructuur nog 500 000 euro nodig.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)
Inhaalbeweging erfgoed
0
12 250
Uitvoering kunstendecreet
0
6297,7
KMSKA
x
4000 (2016) + 1000 (2017)
Categorie II-centrum
200
200
Operagebouw Gent
500
500 + 15 000 (niet recurrent)
Concertgebouw Brugge
500
500
M HKA
x
12 000 (niet recurrent)
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 4:
We ontwikkelen een vernieuwend cultureel diplomatiebeleid. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal en vereist een extra budgettaire uitgave van 300.000 euro op jaarbasis. Het betreft een meervraag van 43%.
budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)
300
300
Beleidsvoorstel 5: We stimuleren het cultureel leren en voeden het vanuit het beleid. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal en vereist een extra budgettaire uitgave van 100.000 euro op jaarbasis. Het betreft een meervraag van 100%
budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)
100
100
Beleidsvoorstel 6:
We ontwikkelen een gediversifieerd cultuurbeleid. Dit beleidsvoorstel kan met de huidige kredieten (96 000 euro) worden gerealiseerd.
Warme samenleving
Beleidsvoorstel 7:
Vanuit een herbronning van de rol van het jeugdwerk in de samenleving ontwikkelen we, in dialoog met andere beleidsdomeinen, een jeugdwerkstrategie om betere voorwaarden en meer kansen te creëren voor de ontwikkeling, ondersteuning en uitvoering van het jeugdwerk op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal en vereist een extra budgettaire uitgave van 1 miljoen euro, gespreid over een aantal jaren. Dit is een meervraag van 1,4%
budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)
200
1000
Beleidsvoorstel 8:
We willen mensen levenslang en gezond doen sporten, door sensibilisering van de Vlaamse bevolking, met facilitering van de niet-georganiseerde sportbeoefening en ondersteuning van de georganiseerde sportbeoefening als componenten. De selectie van acties die in dit beleidsvoorstel in de regeerbijdrage werden opgenomen, is niet budgetneutraal en vereist een jaarlijkse extra budgettaire uitgave van 500 000 euro. Dat extra krediet is noodzakelijk voor het opstarten en voeren van een sensibiliseringscampagne rond het belang van levenslang sporten, een cruciale component binnen dit beleidsvoorstel. Daarnaast is er 51 283 000 euro beschikbaar binnen de huidige kredieten. Dit betekent voor dit beleidsvoorstel een meervraag van 0,97%.
budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)
500
500
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 9:
We willen de sportsector professionaliseren door het verhogen van de kwaliteit van de sportbegeleiders en het verlagen van de drempels voor tewerkstelling. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal en vereist een jaarlijkse extra budgettaire uitgave van 1 567 500 euro, boven op de 342 500 euro uit een herschikking van de beschikbare budgetten. De extra middelen zijn essentieel voor het professionaliseren en valoriseren van de occasionele VTS-medewerkers en het verder intensifiëren van het VTS-aanbod en de communicatie. Daarnaast is er 8 666 000 euro beschikbaar. Het betreft dus een meervraag van 18%.
budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)
1567,5
1576,5
Beleidsvoorstel 10:
We willen het structurele tekort aan sportinfrastructuur wegwerken. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal en vereist een extra budgettaire uitgave van 2 miljoen euro op jaarbasis voor de verdere uitbouw van de trainingsinfrastructuur voor topsport en voor de optimalisering en aanwending van duurzame technieken in de Bloso-centra, bovenop het beschikbare budget van 12 454 000 euro.
budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)
2000
2000
Beleidsvoorstel 11:
We willen een betere preventie en educatie rond doping bewerkstelligen door het versterken van de complementaire aanpak van NADO Vlaanderen. Dit beleidsvoorstel kan met de huidige kredieten (1 050 000 euro) worden gerealiseerd.
Warme samenleving
Beleidsvoorstel 12:
We willen de integrale uitvoering van het Topsportactieplan III (2013-2016) en opmaak van het Topsportactieplan IV (2017-2020). Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal en vereist een jaarlijkse extra budgettaire uitgave van 1 015 000 euro. In 2016 (Olympisch jaar) zijn de budgettaire meerkosten iets hoger, namelijk 1 415 000 euro. Het reeds beschikbare budget bedraagt 20 258 000 euro.
budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 (in Keuro)
budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)
1015
1015 (1415 in 2016)
VERKLARENDE LIJST VAN AFKORTINGEN
VERKLARENDE LIJST VAN AFKORTINGEN
BOB: basisondersteuningsbudget BRIC-landen: Brazilië, Rusland, India en China EVC: erkennen van competenties FCUD: Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten individuele materiële bijstand IMB: IVRPH: Internationaal Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap JKP: Jeugd- en Kinderrechtenbeleidsplan KMSKA: Koninklijk Museum Schone Kunsten Antwerpen LGBT: lesbian, gay, bisexual, transgender multidrugresistente organismen MDRO: MINT-landen: Mexico, Indonesië, Nigeria en Turkije NADO: Nationaal Antidoping Organisatie OCM: open coördinatiemethode PGB: persoonsvolgend budget RTH: rechtstreeks toegankelijke ondersteuning VIAA: Vlaams Instituut voor Digitale Archivering en Ontsluiting van het Audiovisueel Erfgoed. vte: voltijds equivalenten VTS: Vlaamse Trainerschool VVSG: Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten WADA: World Anti-Doping Agency
Slagkrachtige overheid
Slagkrachtige overheid
Slagkrachtige overheid
Inhoudstafel 01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
342
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
346
2.1 Algemene ambitie, visie 346 2.2 Strategische doelstellingen en beleidsvoorstellen 348 SD1. We zeggen waar we als overheid voor staan en ontwikkelen ons beleid en onze werking in dialoog en interactie met de doelgroepen en belanghebbenden. We bouwen verder aan een meer intensieve wisselwerking tussen de overheid en de maatschappij en tussen overheden onderling. (‘We werken niet alleen.’) 348 Beleidsvoorstel 1.1: We zeggen waar we als Vlaamse overheid voor staan en voeren een ‘communicatief’ beleid. 348 Beleidsvoorstel 1.2: We versterken binnen de Vlaamse overheid een praktijk van tijdige en transparante advies- en consultatieprocessen. 349 SD2. We versterken de intra- en interbestuurlijke samenwerking door entiteits- en domeinoverschrijdende project- en samenwerkingsverbanden en door doorgedreven innovatie inzake onderlinge gegevensuitwisseling, om maatschappelijke uitdagingen meer geïntegreerd aan te pakken en de omslag naar een duurzame samenleving te ondersteunen. (‘We zorgen voor integratie en transitie.’) Beleidsvoorstel 2.1: We ondersteunen overheidsbrede regeringsprioriteiten met een verdieping van de entiteits- en domeinoverschrijdende samenwerking en een globale, resultaatgerichte, ambtelijke coördinatie. Beleidsvoorstel 2.2: We implementeren innoverende toepassingen inzake intra- en interbestuurlijk gegevensverkeer in samenwerking met het federale en lokale bestuursniveau. Beleidsvoorstel 2.3: We integreren duurzaamheid in onze beleidsdoelstellingen en in onze interne werking.
SD3. We verhogen onze bestuurskracht door de bestuurlijke drukte verder terug te dringen
en de administratieve procedures met onze doelgroepen verder te vereenvoudigen. (‘We zijn toegankelijk en transparant.’)
Beleidsvoorstel 3.1: We reduceren de bestuurlijke drukte op alle bestuursniveaus in Vlaanderen. Beleidsvoorstel 3.2: We zorgen in onze administratieve procedures voor een lage, administratieve last voor al onze doelgroepen die gebaseerd is op kwaliteitsvolle niet-bureaucratische regelgeving.
351
351
353 354
354
354
357
Inhoudstafel
SD4. We zetten ons personeel en onze werkingsinstrumenten performant en innovatief in, om de kosten van het overheidsapparaat maatschappelijk aanvaardbaar te houden. (‘We innoveren permanent, gericht op efficiëntie, effectiviteit en kwaliteit.’) Beleidsvoorstel 4.1: We voeren opnieuw een meerjarenprogramma uit dat gebaseerd is op een kritische efficiëntie-, effectiviteits- en kwaliteitsmeting van onze beleidsmaatregelen. Beleidsvoorstel 4.2: We vernieuwen onze instrumenten op het vlak van strategisch (beleids)management en personeelsmanagement. SD5. We dragen in onze beleidsvoering een multiactor- en multilevelgovernanceaanpak verder uit binnen de beleidscascade ‘Europees-federaal-regionaal-(boven)lokaa’, gericht op een entiteits- en bestuursniveauoverschrijdende samenwerking tussen alle institutionele actoren. (‘We werken intens samen met andere overheden.’) Beleidsvoorstel 5.1: We richten ons sterker op de wereld en oriënteren ons op het EU-beleid en internationale beleidskaders, en dragen actief bij tot de vorming daarvan. Beleidsvoorstel 5.2: We versterken onze bovenlokale aanpak ten aanzien van (groot)stedelijke problematieken. Beleidsvoorstel 5.3: We ondersteunen vanuit diverse beleidsdomeinen de samenwerking tussen actoren die betrokken zijn bij het plattelandsontwikkelingsbeleid. Beleidsvoorstel 5.4: We ondersteunen het beleid ten aanzien van Brussel, en de Vlaamse Rand met respectievelijk de Vlaamse Gemeenschapscommissie en vzw De Rand als prioritaire partner.
357
357 359
361
361 362
363
363
03 / raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen 366
Slagkrachtige overheid
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
In de algemene omgevingsanalyse wordt inzake politiek-institutionele ontwikkelingen gewezen op drie belangrijke trends:
•• •• ••
de verschuiving in mondiale machtsverhoudingen en de tendens naar een sterker Europees bestuur; noch de legitimiteit van de overheid, noch de burgerbetrokkenheid is verworven; meer bestuurskracht door professionalisering en staatshervorming.
Binnen die vooruitzichten zien we een aantal specifieke vaststellingen. Die vaststellingen zijn onderbouwd door cijfermateriaal, verzameld door de Studiedienst Vlaamse Regering in zijn ‘Barometer Slagkrachtige Overheid’, door studies van het Steunpunt Bestuurlijke Organisatie Vlaanderen, alsook door analyses op internationaal en Europees niveau. Op internationaal (OESO ...) en Europees niveau is het thema van een efficiënte en effectieve overheid door de jaren een steeds belangrijker item geworden.
Vaststelling 1: Het vertrouwen van de Vlamingen in politieke en ambtelijke instellingen vertoont een schommelend verloop. Er is toenemende aandacht voor nieuwe vormen van consultatie en participatie, die beter aansluiten bij de verwachtingen van de burgers.
In 2012 had ruim een kwart van de bevolking veel tot zeer veel vertrouwen in de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement. Dat vertrouwen ging tussen 2008 en 2010 achteruit en steeg weer in 2011. In 2012 kon die positieve trend niet worden aangehouden. De gemiddelde schaalscore (van 0-10) voor het vertrouwen dat men heeft in de Vlaamse administratie, bedraagt 6,40 bij de lokale besturen, 6,08 bij de burgers en 5,96 bij de bedrijven/organisaties. Die scores voor het vertrouwen liggen hoger dan de scores voor de tevredenheid bij zowel de lokale besturen (gemiddelde tevredenheid van 6,22) als bij de bedrijven/organisaties (5,84). Bij de burgers liggen de scores voor tevredenheid en vertrouwen dicht bijeen (6,09 voor tevredenheid tegenover 6,08 voor het vertrouwen). Zowel de lokale besturen, de burgers als de bedrijven zijn maar matig tevreden over hun betrokkenheid bij de beleidsvoorbereiding van de Vlaamse overheid. Bij verschillende beleidsinitiatieven (bijvoorbeeld versnelling van investeringsprojecten, wetgevingsbeleid, duurzame ontwikkeling, interne staatshervorming, beleidsplan ruimte) is er een toenemende aandacht voor nieuwe vormen van maatschappelijke consultatie en participatie. Het gebruik van conceptnota’s, groen- en witboeken is steeds meer ingeburgerd en formeel verankerd in de Vlaamse beleidscultuur. Binnen het geformaliseerde adviesverleningsproces blijkt dat het aantal adviezen dat door de strategische adviesraden (SAR’s) is verstrekt sinds 2009, met 81% is gestegen. Opvallend daarbij is dat die stijging zich vooral voordoet in de gevallen waar het advies van de SAR’s wordt gevraagd, terwijl de toename van de adviezen op eigen initiatief van de SAR’s eerder beperkt is. Verder blijkt ook dat slechts een beperkt aantal adviezen van de SAR’s van strategische aard is.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
De deelname aan de meer geïnstitutionaliseerde vormen van politieke participatie lijken erop achteruit te gaan. In Europees en Vlaams onderzoek wordt bevestigd dat die vormen vervangen – of minstens aangevuld – worden door niet-geïnstitutionaliseerde vormen van participatie die beter aansluiten bij de eisen en verlangens van de hedendaagse burger.
Vaststelling 2: Burgers, lokale besturen en ondernemingen vinden de onderlinge afstemming binnen en tussen de bestuursniveaus een centraal knelpunt. Hierbij kondigt zich een verdere digitalisering van de dienstverlening aan.
De afstemming tussen de verschillende administraties en de snelheid van de dienstverlening wordt door burgers, lokale besturen en bedrijven/organisaties als een belangrijk knelpunt ervaren, inzonderheid bij de bedrijven. Afstemming binnen de Vlaamse administratie wordt ook als heel doorslaggevend beschouwd voor de algemene appreciatie van de dienstverlening. Er is nog veel werk op het vlak van de verhoudingen tussen de lokale besturen en de Vlaamse administratie. De helft van de lokale besturen is van oordeel dat de verhouding tussen de lokale besturen en de Vlaamse administratie niet gebaseerd is op gelijkwaardigheid, dat ze niet tijdig geconsulteerd worden en dat er onvoldoende rekening wordt gehouden met de verscheidenheid aan lokale besturen. In haar jaarlijkse groeianalyse formuleert de Europese Commissie de modernisering van het overheidsapparaat als een van de vijf prioriteiten. De Europese Commissie stelt vast dat de hervormingen in de overheidsdiensten om de invoering van informatie- en communicatietechnologieën te bevorderen, langzamer vorderen dan in andere dienstensectoren. In 2012 kwam meer dan de helft (52%) van de Vlamingen tussen 16 en 74 jaar in het voorbije jaar online in contact met de overheid. Daarmee is voor het eerst de doelstelling van het scorebord van de Digitale Agenda van de Europese Commissie bereikt (tegen 2015 maakt 50% van de burgers gebruik van e-government). Vlaanderen scoort heel wat beter dan het gemiddelde voor de EU27 (43%). Bijna negen op de tien Vlaamse bedrijven met meer dan tien werknemers (88%) gebruikten in 2012 het internet in relatie met de overheid (alle niveaus). Dat is een grote sprong vooruit tegenover 2009 (80%). Het Vlaamse Gewest schommelt rond het EU27-gemiddelde. In dertien EU27-landen is dat percentage minstens 90%.
Vaststelling 3: Het bestuurlijke landschap in Vlaanderen verandert door de
interne staatshervorming, de planlastvermindering voor lokale besturen en de bevoegdheidsoverdrachten in het kader van de zesde staatshervorming. Op het vlak van administratieve vereenvoudiging, zijn al belangrijke inspanningen geleverd, maar verdere initiatieven zijn noodzakelijk.
Naast de Vlaamse overheid zijn vijf provincies en 308 gemeenten rechtstreeks verkozen bestuursniveaus, en daarnaast ook 308 OCMW’s, een groot aantal interlokale en interbestuurlijke samenwerkingsverbanden en andere samenwerkingsvormen. Uit onderzoek blijkt dat hun aantal de jongste jaren sterk is toegenomen, zowel ten gevolge van Vlaamse regelgeving als op initiatief van de lokale besturen. Te veel overheidsniveaus en instellingen interveniëren in de bestuurlijke processen. Dat leidt tot trage, niet-transparante besluitvorming en tot administratieve overlast. Tegelijkertijd zetten de budgettaire en economische omstandigheden de financiën van de overheid onder een bijzonder zware druk.
Slagkrachtige overheid
In het kader van de nieuwe bevoegdheden, die met de zesde staatshervorming worden overgedragen, wordt vastgesteld dat er in bijna de helft van de beleidsaangelegenheden sprake is van de overheveling van een regelgevende bevoegdheid. Er wordt ook een substantiële toename van het aantal controle- en inspectietaken vastgesteld. Dat creëert een belangrijke uitdaging om de nieuwe materies in te passen in de Vlaamse regelgeving en tegelijkertijd de administratieve lasten voor onze doelgroepen te verminderen en laag te houden. De berekening van de administratieve kosten geeft aan dat de Vlaamse overheid positieve inspanningen levert om administratieve lasten van nieuwe en wijzigende regelgeving in te perken. Sinds 2009 is er een positieve vaststelling van administratieve lastenverlaging. Ook de kwaliteit van de regelgeving is sinds 2005 gestegen, zoals blijkt uit controle van de opgemaakte RIA’s. Tegelijkertijd vraagt de Vlaamse administratie, onder meer in de bevraging rond het Charter over politiekambtelijke samenwerking, om de eigen interne plan- en rapportagelast drastisch te verminderen.
Vaststelling 4: Het personeelsbestand van de Vlaamse administratie is op vele vlakken
in beweging. De totale personeelscapaciteit is gedaald, het opleidingsniveau is gestegen, het aantal contractuele personeelsleden daalt, het personeelsbestand ontgroent, vergrijst, vervrouwelijkt en wordt meer divers.
Met betrekking tot de totale personeelscapaciteit van de Vlaamse overheid is de beoogde vermindering van 6% tegen juni 2014 ten opzichte van 2009 al in juni 2013 bereikt. In het kader van het meerjarenprogramma Slagkrachtige overheid is bovendien opgenomen dat de managementondersteunende functies tegen het voorjaar van 2014 maximaal 10% van de totale personeelscapaciteit moeten uitmaken. Tussen 2007 en 2012 is er al een daling van 14,5% naar 11,5% bereikt. Er worden systematisch steeds meer personeelsleden van niveau A en B (masters en bachelors) tewerkgesteld, terwijl het aandeel personeelsleden van niveau D (zonder diploma) verder daalt. Er zal blijvend behoefte zijn aan medewerkers op alle niveaus om als Vlaamse overheid voluit ten dienste te staan van burgers en bedrijven. We stellen een groeiende statutarisering vast: het aandeel contractuele personeelsleden daalt stelselmatig, vooral de laatste twee jaar, naar 27% (eind 2012). Ondanks die daling vormen de contractuele medewerkers nog altijd een aanzienlijke groep binnen het personeelsbestand. De substantiële vergrijzing van het personeelsbestand bij de Vlaamse overheid resulteert de komende jaren in een grote uitstroom. Tegelijk is er een steeds kleinere instroom door een intern klimaat van besparingen en de ontgroening op de arbeidsmarkt, zodat de strijd om talent, ook intern, zich ook bij de overheid steeds harder zal doen voelen. Met een score van 22% op de indicator ‘prestatiegericht begroten’ is de Vlaamse overheid nog ver verwijderd van de streefwaarde van 100%. Vlaanderen doet het daarmee weliswaar beter dan België, maar aanmerkelijk minder goed dan de buurlanden.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
Vaststelling 5: In Vlaanderen zijn er nauwelijks nog beleidsvraagstukken die niet beïnvloed
worden door EU-regelgeving of internationale beleidskaders. Een slagkrachtige overheid is per definitie sterk internationaal georiënteerd en geconnecteerd.
Als antwoord op de economische en eurocrisis heeft de EU nieuwe stappen gezet in de verdere integratie van het economische beleid. De uitvoering van de nieuwe verdragen en EU-regelgeving over een versterkt Europees economisch bestuur zal de druk van de Europese besluitvorming op het Vlaamse regeringsbeleid nog versterken, en zijn beleidsruimte verder beïnvloeden. De doelstelling van Pact 2020 om Europese regelgeving tijdiger om te zetten is nog niet gehaald. Sinds 2010 gaat het aantal laattijdige omzettingen in Vlaanderen weer in stijgende lijn. De EU staat voor cruciale beslissingen over de richting die ze uit wil. De publieke steun voor Europese solidariteit en verdere integratie is verzwakt, mede als gevolg van de economische crisis. In die context krijgt het buitenlands beleid van landen en regio’s een meer economische inslag, en wordt sterker gemikt op aantoonbare economische baten. In het buurlandenbeleid stijgt het belang van grensoverschrijdende samenwerking ter versterking van de concurrentiepositie van regionale ‘kennispolen’ in een geglobaliseerde economie. De aandacht verschuift snel naar de opkomende economieën, die volgens voorspellingen in 2025 zullen instaan voor meer dan de helft van de wereldwijde economische groei. Kenmerkend is ook de verdere instrumentalisering van de ontwikkelingssamenwerking voor het internationaal economisch beleid, en de toenemende rol van de private sector in de internationale armoedebestrijding. De internationale gemeenschap werkt aan de VN-agenda post-2015, waarbij gestreefd wordt naar een evenwichtige integratie van de ontwikkelingsagenda (Millennium development goals), leefmilieuagenda (waaronder klimaat en biodiversiteit)- en duurzameontwikkelingsagenda (‘The Future We Want’, Rio+20) door het ontwikkelen van overkoepelende duurzameontwikkelingsdoelstellingen (sustainable development goals). Het onderscheid tussen Noord en Zuid vervaagt verder. De ongelijkheid blijft wereldwijd echter toenemen en wordt een van de belangrijkste uitdagingen van deze tijd. De Vlaamse ontwikkelingssamenwerking heeft haar bijdrage de voorbije vijf jaar sterker geconcentreerd, zowel geografisch als sectoraal. In 2012 werd 82% van de Zuid-kredieten besteed in de regio Zuidelijk Afrika, waarmee de Vlaamse Regering sinds 1994 prioritair samenwerkt. De doelstelling uit Pact 2020 om de Vlaamse ontwikkelingshulp tegen 2020 te verdubbelen ten opzichte van 2008 zit niet op koers.
Slagkrachtige overheid
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
2.1
Algemene ambitie, visie: welke overheid willen we zijn ?
De Vlaamse overheid voert het regeringsbeleid uit zodat de positie van Vlaanderen als topregio verankerd wordt. De Vlaamse overheid staat ten dienste van de maatschappij, werkt doelgroepgericht en stapt mee in de grootste uitdaging van de 21ste eeuw: een culturele omslag naar een duurzame samenleving. We willen een overheid zijn die efficiënt en effectief werkt en zich onderscheidt als een participatieve, integrerende, zuinige, transparante en innovatieve organisatie. We zien onze dienstverlening als een essentiëel instrument om maatschappelijke uitdagingen aan te pakken. We laten ons hierbij inspireren door vier beleidsbrede waarden: we willen een open en wendbare organisatie zijn, die daadkrachtig anticipeert op evoluties en behoeften in de samenleving. Samen met en gericht op alle belanghebbenden werken we aan een duurzame dienstverlening in vertrouwen en vanuit het algemeen belang. We zetten in op digitalisering en minder regelgeving. Participatief en integrerend We werken samen met de betrokken actoren binnen en buiten de overheid. Samenwerking binnen de Vlaamse overheid, met de lokale besturen en met de federale overheid, is de spil van een succesvolle uitvoering van het regeringsbeleid. De Vlaamse overheid en de lokale besturen zijn gelijkwaardige partners. Door een geïntegreerde, entiteits- en domeinoverschrijdende werking ervaren burgers, organisaties en ondernemingen een coherente advies- en dienstverlening. Met een meer projectmatige aanpak maken we werk van een integraal beleid. We werken geïntegreerd samen om de noodzakelijke transities rond de grote maatschappelijke uitdagingen te realiseren. We stimuleren en faciliteren bedrijven, organisaties en lokale besturen om samen initiatief te nemen en veranderingstrajecten uit te voeren voor meer sociale gelijkheid, milieubewuste economische vernieuwingen en innovatieve en technologische ontwikkeling. Zorgzaam en zuinig We gaan zuinig om met de budgettaire middelen en de interne en externe planlasten. Administratieve vereenvoudiging, digitalisering, data-uitwisseling tussen overheden, kwalitatieve regelgeving en de rationalisering van onze eigen werking zijn daarbij sleutelwoorden. We zijn overtuigd dat we met beperkte middelen een hoogstaande dienstverlening kunnen aanbieden.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
In onze beleidsvoering gaan we zorgzaam om met de specifieke kenmerken van maatschappelijk kwetsbare groepen, zodat zij een gelijkwaardige toegang krijgen tot onze dienstverlening. Transparant Als transparante overheid communiceren we duidelijk over beleid en werking. We kennen de behoeften van de verschillende doelgroepen en hanteren in deze dienstbaarheid de eenloketfunctie per doelgroep als leidraad. We richten onze dienstverlening in vanuit de behoeften, noden en verwachtingen van de burgers, bedrijven en organisaties. We zijn goed georganiseerd en vermijden bestuurlijke drukte op alle bestuursniveaus. We bouwen aan een goede samenwerking tussen de verschillende bestuursniveaus vanuit respect voor ieders bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Innovatief We ontwikkelen ons ook als een innovatieve overheid, zowel in onze eigen arbeidsorganisatie als in onze dienstverleningsprocessen, met een mensgericht HR-beleid en de focus op een integere, open, sociale en samenwerkingsgerichte organisatiecultuur. Om deze innovatie te voeden, evalueren we permanent of onze dienstverleningsprocessen afdoende efficiënt, effectief en kwaliteitsvol verlopen. We maken gebruik van de nieuwe technologische ontwikkelingen om administratieve lasten zo laag mogelijk te houden. Gelet op de vaststellingen uit de omgevingsanalyse achten we het noodzakelijk, teneinde deze visie en deze ambitie te realiseren, om in de komende regeerperiode de klemtoon te leggen op de volgende engagementen:
1. 2. 3.
Efficiëntie-, effectiviteits- en kwaliteitswinst realiseren in onze prestaties Onze bestuurskracht verhogen Investeren in de digitalisering van onze dienstverleningsprocessen.
Deze engagementen hebben we opgenomen binnen de dertien onderstaande beleidsvoorstellen, verspreid over vijf strategische doelstellingen.
Slagkrachtige overheid
2.2
Strategische doelstellingen en beleidsvoorstellen
SD1. We zeggen waar we als overheid voor staan en ontwikkelen ons beleid en onze werking in dialoog en interactie met de doelgroepen en belanghebbenden. We bouwen verder aan een meer intensieve wisselwerking tussen de overheid en de maatschappij en tussen overheden onderling. (‘We werken niet alleen.’)
Beleidsvoorstel 1.1:
We zeggen waar we als Vlaamse overheid voor staan en voeren een ‘communicatief’ beleid. Bestuur en beleid moeten aansluiten bij de verlangens, verwachtingen en waarden die leven in de samenleving. De samenleving vraagt naar een meer ‘converserende’ overheid: een overheid die luistert, oplossingen aanbiedt, uitlegt waarom en ook zegt waar ze zelf voor staat, wat ze zelf kan doen en wat niet. Een overheid die zich bezighoudt met belangrijke problemen waarvoor ze echte oplossingen uitwerkt. Die duidelijke en laagdrempelige informatie geeft. Een sterk ‘communicatief’ beleid luistert, maakt de beleidskeuzes en -inzet transparant, en meet en monitort regelmatig perceptie en betrokkenheid. We profileren de Vlaamse overheid als een organisatie met een duidelijke identiteit. We zetten verder in op een heldere profilering en positionering van de Vlaamse overheid, gebaseerd op een breed gedragen merkarchitectuur. Dat betekent dat er aandacht nodig is voor een duidelijke identiteit, in de vorm van een ‘gezamenlijk verhaal’, gedragen door alle medewerkers (als ambassadeurs voor hun organisatie) en gezamenlijke kernwaarden. Aan de kernwaarden moet daadwerkelijk lading worden gegeven: ze moeten merkbaar en voelbaar zijn in het interne en externe beleid. Doelgroepen moeten weten waarvoor ze terechtkunnen bij welke dienst van de Vlaamse overheid en ze moeten een antwoord krijgen op de vraag: Wie is de Vlaamse overheid en welke rol wil en kan ze spelen in de maatschappij? Dat uitgangspunt vormt de basis voor een gedegen, ‘accountable’ communicatiebeleid. We communiceren en gaan in dialoog met onze belanghebbenden, in alle fasen van het beleidsvoeringsproces. Een doeltreffende beleids(uit)voering vraagt in toenemende mate overleg én samenwerking tussen private en publieke actoren, alsook tussen publieke actoren onderling. Steeds meer wordt de keuze gemaakt om publieke taken en grote maatschappelijke uitdagingen te laten uitvoeren in partnerschappen tussen overheid, middenveldorganisaties en private organisaties. Tegelijkertijd is er de toenemende maatschappelijke vraag om verantwoording af te leggen over het gebruik van overheidsmiddelen. Uit onderzoek blijkt dat in de meeste gevallen communicatie pas in een laat stadium betrokken wordt bij de beleidsvoering. Dat resulteert vaak in beleid dat moeilijk te communiceren is of niet goed (genoeg) is afgestemd op de doelgroep. Idealiter is communicatie een geïntegreerd deel van beleidsprojecten. Beleid en communicatie zijn niet te scheiden van elkaar en moeten als één vraagstuk bekeken worden. Daarbij zijn proces (hoe communiceren we) en inhoud (waarover communiceren we) met elkaar verbonden. We ontsluiten alle overheidsinformatie via een gepaste kanalenmix die toegankelijk is voor alle doelgroepen. Burgers zijn mondiger geworden en verwachten openheid van de overheid via een kanalenmix die aangepast is aan de doelgroep. Om het intransparante effect van versnippering van kanalen (op het vlak van onder andere websites, socialemediaprofielen, mobiele apps) te vermijden, is het aangewezen om een overkoepelende digitale communicatiestrategie te ontwikkelen. Overheidsinformatie moet bereikbaar
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
en toegankelijk zijn voor álle doelgroepen. Daarom moet de communicatie laagdrempelig gehouden worden en effectief zijn voor iedereen. We hebben er oog voor dat voor bepaalde doelgroepen aangepaste materialen, media en kanalen nodig zijn, of we werken met intermediaire organisaties samen voor de specifieke communicatiebehoeften van kwetsbare groepen.
Beleidsvoorstel 1.2:
We versterken binnen de Vlaamse overheid een praktijk van tijdige en transparante adviesen consultatieprocessen. In de huidige participatiepraktijk stellen we een aantal knelpunten vast:
•• •• •• ••
Er is een toenemende onvrede bij belanghebbenden over de geldende inspraakmogelijkheden of juridische procedures. Geijkte instrumenten, zoals het openbaar onderzoek en de klassieke inspraakmomenten in de besluitvormingsprocedures, blijken geen garantie te zijn voor een efficiënte, effectieve en tijdige beleidsrealisatie. De doelgroepen en het middenveld zijn vragende partij om in een zo vroeg mogelijk stadium actief betrokken te worden bij het beleidsproces, zodat ze voldoende ruimte hebben om een eigen inbreng te geven. In een toenemende participatiepraktijk moet erover gewaakt worden dat voor dezelfde doelgroepen gerichte consultaties beter op elkaar afgestemd worden.
Om onze dienstverlening beter te laten aansluiten bij de behoeften van onze doelgroepen, organiseren we een maatgerichte participatiepraktijk. De participatiepraktijk moeten we ruimer invullen dan via de formele advies- en inspraakprocedures, waarbij we méér maatwerk moeten invoeren. Participatie kan ingezet worden op verschillende tijdstippen in de loop van het beleidsvoerings- en besluitvormingsproces. Ze kan ook verschillende doelstellingen nastreven, volgens verschillende treden in de participatieladder: informeren, consulteren, adviseren, coproduceren/cocreëren, tot cobeheren. Ook de vorm kan sterk verschillen: van informele sociale netwerken, focusgroepen, gebruikerspanels, tevredenheidsonderzoeken … tot formele adviesorganen en cobeheer in bestuursorganen. Bij de start van elk advies- en consultatieproces is het belangrijk om de wederzijdse verwachtingen, rollen en verantwoordelijkheden duidelijk af te bakenen. In de consultatiecode vinden we daarvoor kwaliteitscriteria en richtlijnen terug. De afbakening kan gebeuren in maatgerichte afsprakenkaders, aangepast aan elk participatieproces en met aandacht voor een evenwichtige inbreng van alle actoren. De procesnota, verankerd in het ontwerpdecreet betreffende complexe investeringsprojecten, is een voorbeeld van zo’n afsprakenkader. Een procesnota speelt in op de behoefte aan duidelijkheid voor alle betrokken partijen over het tijdstip, de rol en doelstelling van de verschillende participatiemogelijkheden in de verschillende fases van een beleidstraject. Binnen de participatiepraktijk is het belangrijk evenwichten na te streven, ook tussen de inspanningen versus de baten en de beoogde resultaten. De afsprakenkaders zijn ook belangrijk zodat participatie evenwichtig verdeeld is over de maatschappelijke actoren.We moeten daarbij ook aandacht besteden aan de vaststelling dat er groepen in de maatschappij zijn die moeilijk of zelfs niet bereikt worden. Het vergt extra inspanningen om ervoor te zorgen dat rekening wordt gehouden met de behoeften van die maatschappelijk kwetsbare groepen.
Slagkrachtige overheid
Om de participatiepraktijk te ondersteunen, is het wenselijk dat binnen de Vlaamse administratie verder wordt geïnvesteerd in de beleidscapaciteit en in competenties om de participatiepraktijk te doen slagen. Dat vereist een actieve kennisdeling rond diverse methodieken die daarbij kunnen worden ingezet, gaande van consultatiemethodieken, gebruikersonderzoeken tot cocreatieve trajecten en een samenwerkingscultuur die groepsresultaten op de eerste plaats zet. We vullen de participatiepraktijk aan met een beleidskader voor ‘overleg’. Bij de totstandkoming van het SAR-decreet is geen invulling gegeven aan een (decretaal) kader om vorm te geven aan het overleg tussen overheid en maatschappelijke actoren. Adviesverlening vindt plaats binnen een onafhankelijk orgaan en richt zich op het verwerven van draagvlak via een deskundige en onderbouwde opvatting over een beleidsaangelegenheid. Overleg daarentegen verloopt in een orgaan waar overheid én maatschappelijke actoren samenzitten om te komen tot een wederzijdse aftasting en gedachtewisseling over het beleid met het oog op het nastreven van een consensus erover. We stellen voor om ook een beleidskader voor ‘overleg’ uit te werken waardoor onduidelijkheid en verwarring over de plaats en rol van sommige maatschappelijke actoren in de strategische adviesraden weggewerkt kunnen worden en hun samenstelling en werking vereenvoudigd kunnen worden. Dat beleidskader voor ‘overleg’ moet ruimte laten voor een maatgerichte invulling per beleidsaangelegenheid, zodat het verschillende vormen kan aannemen, gaande van structurele overlegfora tot een overlegmodel medebeheer binnen een EVA-structuur. We zien efficiëntie- en effectiviteitswinsten in een hervorming van het strategische advieslandschap Strategische adviesraden hebben in het SAR-decreet een formele rol gekregen in het participatielandschap. Ze functioneren op basis van deskundigheid en kunnen individuele belangen overstijgen om te komen tot een draagvlak voor gezamenlijke standpunten over het Vlaamse beleid. Binnen het strategische advieslandschap is het werken aan effectiviteits- en efficiëntiewinsten een gedeelde verantwoordelijkheid van de overheid en van de belanghebbenden die in de strategische adviesraden zitten. Met betrekking tot de regeringsbeslissing om het aantal strategische adviesraden te reduceren, stellen we voor om de hervorming van dat adviesstelsel te baseren op een beleidskader, dat breder kijkt dan alleen een reductie in aantal of een samenvoeging van de ondersteunende secretariaten. In dat bredere beleidskader achten we het belangrijk dat strategische adviesraden zich meer kunnen oriënteren op strategische beleidsitems. Met de volgende verbeterpunten kunnen effectiviteits- en efficiëntiewinsten worden gerealiseerd:
•• ••
De huidige optie om te kiezen voor één strategische adviesraad per beleidsdomein wordt vervangen door een thematische indeling die losstaat van de huidige organisatorische indeling, waarbij ervoor gekozen wordt om het aantal strategische adviesraden te reduceren. De nieuwe bevoegdheden in het kader van de zesde staatshervorming moeten ook worden ingepast in die thematische indeling. Het gebruik van conceptnota’s, groen- en witboeken moet worden aangemoedigd, want dat creëert de mogelijkheid om de strategische adviesraden in een vroeger stadium te betrekken bij de besluitvorming en hun bijdrage strikter te richten op strategische beleidskeuzes. We vragen de mogelijkheid om, na adviesverlening over beleidsopties die opgenomen zijn in conceptnota’s, groenen witboeken, in welbepaalde beleidsthema’s ervoor te kiezen om de verplichte adviesverlening over ontwerpdecreten en strategische uitvoeringsbesluiten te schrappen.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
••
••
Dubbelwerk kan vermeden worden als (onderzoeks)informatie uitgewisseld wordt en werkprogramma’s onderling afgestemd worden tussen de secretariaten van de strategische adviesraden, de Steunpunten Beleidsgericht Onderzoek, de Vlaamse wetenschappelijke instellingen en de Studiedienst van de Vlaamse Regering. Een intensere samenwerking creëert voor al die actoren een belangrijke toegevoegde waarde. Voor hun managementondersteunende diensten maken de strategische adviesraden maximaal gebruik van de MOD’s. Ook samenwerking op het vlak van administratieve, uitvoerende taken, alsook een logistieke integratie in de huisvesting van de Vlaamse administratie zorgen voor synergie- en efficiëntiewinsten.
SD2. We versterken de intra- en interbestuurlijke samenwerking door entiteits- en domeinoverschrijdende project- en samenwerkingsverbanden en door doorgedreven innovatie inzake onderlinge gegevensuitwisseling, om maatschappelijke uitdagingen meer geïntegreerd aan te pakken en de omslag naar een duurzame samenleving te ondersteunen. (‘We zorgen voor integratie en transitie.’) Veel samenlevingsproblemen, die vooral te maken hebben met het overschrijden van de grenzen van wat financieel, economisch en ecologisch mogelijk is, vragen een entiteits- en domeinoverschrijdende aanpak, want ze zijn te complex om ze als uitdaging van één minister, één entiteit, één beleidsdomein of zelfs één bestuursniveau te beschouwen. Samenhang kan maar bereikt worden door een geïntegreerde overheidswerking.
Beleidsvoorstel 2.1:
We ondersteunen overheidsbrede regeringsprioriteiten met een verdieping van de entiteitsen domeinoverschrijdende samenwerking en een verankering van globale, resultaatgerichte, ambtelijke coördinatie. We zetten meer in op overheidsbrede projectwerking. In de overheidsbrede projectwerking vertrekken we prioritair vanuit een doelgroepgerichte aanpak en niet vanuit een bestuurlijke logica. Dat vraagt meer coherentie in de ontwikkeling van beleidsdomeinoverschrijdende strategische plannen, waarbij overlapping of onderlinge tegenstrijdigheid wordt vermeden en waarbij duidelijke prioriteiten worden vastgelegd. De strategische, overheidsbrede projecten vragen een entiteits-, beleidsdomein- en bestuursniveauoverschrijdende aanpak, die de vorm kan aannemen van transversale trajecten met partnerschappen tussen overheden onderling en tussen overheden, middenveldorganisaties, kennisinstellingen en private partners. Opdat overheidsbrede initiatieven het verhoopte effect kunnen bereiken, is het niet alleen belangrijk dat ze expliciet verankerd worden in het nieuwe regeerakkoord. Een doeltreffende en efficiënte uitvoering ervan vereist duidelijk geformuleerde strategische en operationele doelstellingen, met koppeling aan de bijbehorende mensen en middelen, duidelijk gealloceerd in de begroting, en met duidelijke plannings- en rapporteringslijnen. De voorbereiding, uitvoering, opvolging en evaluatie van die overheidsbrede projecten vragen een duidelijk engagement van de betrokken politieke verantwoordelijken en ook voldoende verankerde coördinatie tot op het niveau van de betrokken managementcomités. Daarbij willen we de transversale, overheidsbrede
Slagkrachtige overheid
samenwerking expliciet koppelen aan de bestaande sturingsinstrumenten, zowel binnen de beleids-, begrotings- als planningscyclus, en ook de ondernemingsplannen inzetten om de overheidsbrede projecten in alle betrokken entiteiten in te bedden. Die projectmatige verankering van de overheidsbrede projecten kan het aanknopingspunt zijn om te komen tot een meer resultaatgerichte opvolging en monitoring van het regeerakkoord en de bijbehorende beleidsnota’s. Vanuit een globaal, samenhangend doelstellingenkader bouwen we een geïntegreerd monitoringssysteem met aandacht voor een juiste mix van indicatoren (proces-, output- en effectindicatoren) en in afstemming met de bestaande monitoringsinspanningen. We versterken de samenwerkingsgerichte cultuur binnen het College van AmbtenarenGeneraal. Om die geïntegreerde aanpak te ondersteunen, moet er ook ingezet worden op het ontwikkelen en stimuleren van een bedrijfscultuur binnen de Vlaamse overheid die gericht is op het opnemen van gedeelde verantwoordelijkheid. Om die samenwerkingsgerichte cultuur te ondersteunen, ziet het College van Ambtenaren-Generaal (CAG) voor zichzelf de volgende fundamentele opdrachten:
•• •• •• •• •• ••
brugfunctie tussen het politieke en ambtelijke niveau voor organisatiebrede aangelegenheden; op strategisch niveau afstemmen over generieke organisatiebrede aangelegenheden; spreekbuis voor het management; coördinatiecentrum voor beleidsdomeinoverschrijdende samenwerking, overleg en kennisdeling (beheersaspecten); netwerking en brugfunctie tussen leidend ambtenaren; klankbord voor centrale dienstverlening.
Bij de uitvoering van die fundamentele opdrachten leert de praktijkervaring dat de volgende voorwaarden bepalend zijn voor een optimale en performante werking van het CAG:
•• •• •• •• ••
Voor de efficiënte werking van de Vlaamse overheid is het vereist dat de Vlaamse Regering, de ministers of de kabinetten, voor ze beslissingen over organisatiebrede aangelegenheden nemen, eerst het advies van het CAG vragen en dat advies meenemen in de uiteindelijke besluitvorming. De leden van het CAG zijn vertegenwoordigers van de beleidsdomeinen. Ze moeten de mogelijkheid krijgen om in fine in de besprekingen hun verantwoordelijkheid op te nemen, waarbij het ‘algemeen belang van de hele Vlaamse overheid’ en de dienstbaarheid aan de hele samenleving voorop moeten staan. Het CAG streeft consensusbeslissingen na, wat impliceert dat alle leidend ambtenaren die beslissingen aanvaarden voor verdere uitvoering. Het CAG kan optreden als coördinator of bemiddelaar tussen beleidsdomeinen met het oog op het (her)opstarten van de dialoog en het bereiken van een gedragen oplossing tussen de betrokken entiteiten als geen overeenstemming bereikt wordt over beleidsdomeinoverschrijdende aangelegenheden met ernstige beleidsimpact. Om optimaal en performant te kunnen werken, moet het CAG over een eigen werkingsbudget en een ruimere bestaffing kunnen beschikken via de herschikking van budgetten en het ter beschikking stellen van personeel.
Om de slagkracht van het CAG als orgaan voor ambtelijke coördinatie te verhogen, om toe te laten dat de Vlaamse overheid efficiënt, effectief, kwaliteitsvol en klantgericht samenwerkt, is het aangewezen dat de taakstelling van het CAG juridisch verankerd wordt.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
De doorgevoerde afslanking van de kabinetten heeft de opportuniteit gecreëerd om inzake beleidsondersteuning nog meer onze verantwoordelijkheid te nemen en onze expertise uit te bouwen. We willen dat als samenwerkingskader tussen politiek en administratie behouden.
Beleidsvoorstel 2.2:
We implementeren innoverende toepassingen inzake intra- en interbestuurlijk gegevensverkeer in samenwerking met het federale en lokale bestuursniveau. Een belangrijk instrument om te komen tot een geïntegreerde, kostenefficiënte en doeltreffende aanpak van maatschappelijke problemen ligt in verhoogde inspanningen voor innoverende toepassingen op het vlak van intra- en interbestuurlijke gegevensuitwisseling. Inzake e-government, dienstenintegrator, geografische informatie, en gegevensdeling in de zorgsector zijn al diverse beleidsmaatregelen decretaal verankerd. We gaan de uitdaging aan tot een digitale sprong voorwaarts. De overdracht van de nieuwe bevoegdheden in het kader van de zesde staatshervorming tonen aan dat een duidelijke informatiestrategie een bestuursniveau-overschrijdende visie en aanpak vraagt waarin een nauwe samenwerking binnen en tussen het federale, het Vlaamse en het lokale niveau wenselijk is. We willen de gegevensstroom vanuit burgers, organisaties en ondernemingen naar de overheid beperken tot de informatie die nog niet in handen is van een overheid. Die digitale sprong voorwaarts willen we realiseren in concrete, innoverende toepassingen in al onze processen en dienstverleningen. We pleiten ervoor dat de Vlaamse Regering hier een hoog ambitieniveau neerzet: alle administratieve transacties tussen overheid en burgers of lokale besturen of ondernemingen worden in 2020 via digitale kanalen vanuit de Vlaamse overheid aangeboden. We benaderen elk van onze doelgroepen daarbij maximaal vanuit één virtueel en digitaal loket, dat consulteerbaar is op de plaatsen en de tijden die aansluiten bij de behoeften van de gebruikers. Elke burger, elke onderneming en elk lokaal bestuur beschikt tegen het einde van de volgende regeerperiode over de mogelijkheid om elke interactie met de Vlaamse overheid, ter uitvoering van Vlaamse regelgeving, via één digitaal toegangskanaal te verrichten. De Vlaamse overheid zal dat toegangskanaal ook zelf gebruiken om elke interactie met burgers, ondernemingen en lokale besturen te communiceren. Inzonderheid zetten we hiervoor de verdere stappen om één geïntegreerd loket tot stand brengen voor de ondernemers. Hoewel het digitale landschap in onze samenleving met rasse schreden verandert, moeten we vanuit de administratie blijvend oog hebben voor de impact van de digitale kloof. Zelfs bij de keuze van 100% digitalisering moet de overheid blijvend aandacht besteden aan actieve prospectie en benadering van de maatschappelijke groepen die de digitale trein dreigen te missen We gaan het engagement aan om voor de geïntegreerde afstemming van frontoffice- en backofficetoepassingen de nodige businesscases uit te werken, gebaseerd op een planmatige en fasegewijze implementatie. Om die investeringskosten te dragen binnen een stringente budgettaire context, stellen we voor om een organisatiebreed gedragen ICT-strategie te implementeren die gebaseerd is op een gelaagd ICT-dienstenmodel. In dat gelaagde ICT-dienstenmodel kan een evenwicht tussen maximale (business) autonomie en efficiëntie/effectiviteit van de ingezette ICT-middelen het best gewaarborgd worden door een complementair model van enkele technologische basisplatformen en daarbovenop de specifieke businessoplossingen van de entiteiten. Met een gemeenschappelijke basisinfrastructuur, als onderbouw voor enkele gedeelde basisplatformen, kunnen schaalvoordelen, hergebruik en standaardisatie gerealiseerd worden met belangrijke kostenoptimalisaties.
Slagkrachtige overheid
Beleidsvoorstel 2.3:
We integreren duurzaamheid in onze beleidsdoelstellingen en in onze interne werking. We integreren duurzaamheid in onze beleidsdoelstellingen. We zien duurzame ontwikkeling als een beleidsdoelstelling voor alle beleidsdomeinen, waarbij het aspect duurzaamheid in de kern van elke beleidssector wordt geïntegreerd, in het bijzonder in zijn stimuleringsbeleid en zijn innovatiestrategie. Vanuit het toetsingskader de ‘visie voor Vlaanderen in 2050’, zoals opgenomen in de Vlaamse Strategie voor Duurzame Ontwikkeling, vertalen we strategische duurzaamheidsdoelstellingen in sleutelprojecten die opgenomen worden in de verschillende beheersinstrumenten (beheersovereenkomsten en ondernemingsplannen). Als bijdrage om onze overheidsuitgaven te verduurzamen, kunnen we voorstellen om subsidiestromen met een negatief effect op duurzaamheid stelselmatig af te bouwen en om duurzaamheidscriteria in te bouwen in de voorwaarden voor nieuwe en bestaande subsidieregelingen. Duurzaamheid vraagt ook om systemische veranderingen. Die transitieprocessen vragen een andere rol van de overheid en de manier waarop we als overheid samenwerken met elkaar, met andere overheden en met verschillende actoren en belanghebbenden in de samenleving. Systeemveranderingen kunnen pas slagen in partnerschap met, en met betrokkenheid en steun van de belanghebbenden. De overheid wordt daarbij een actor tussen actoren (multiactorbeleid) die in partnerschap en cocreatie initiatieven neemt en beleid uittekent, in samenwerking met federaties, bedrijven, kennisinstellingen, ngo’s, de verschillende overheidsniveaus en ook niet-georganiseerde burgers. We verduurzamen onze interne werking. De laatste jaren zijn er binnen de Vlaamse overheid verschillende instrumenten en begeleidingstrajecten opgestart om ondersteuning te bieden voor de verduurzaming van de interne werking van alle entiteiten van de Vlaamse overheid. We willen de ambitie realiseren om van de Vlaamse overheidsadministratie de meest duurzame werkplek in Vlaanderen te maken. Het stelselmatig verduurzamen van de werking van de entiteit start bij de integratie van duurzaamheid in het strategisch management, de strategische planning, de missie en de visie van de entiteiten. We zetten daarvoor onze inspanningen voort om de vooropgestelde doelstelling van 100% duurzame overheidsopdrachten tegen 2020 te halen. Duurzaamheidsmaatregelen nemen we ook op in onder andere ons aankoopbeleid, in onze facilitaire processen, in ons energieverbruik, in ons werk-werk- en woon-werkverkeer, in ons eigen huisvestingsbeleid en in onze interne milieuzorg.
SD3. We verhogen onze bestuurskracht door de bestuurlijke drukte verder terug te dringen en de administratieve procedures met onze doelgroepen verder te vereenvoudigen. (‘We zijn toegankelijk en transparant.’)
Beleidsvoorstel 3.1:
We reduceren de bestuurlijke drukte op alle bestuursniveaus in Vlaanderen. De economische crisis zet de lokale besturen en de Vlaamse overheid financieel zwaar onder druk, zodat de noodzaak om meer fundamentele doorbraken tot stand te brengen in het Vlaamse bestuurlijke landschap nog groter wordt. De implementatie van de zesde staatshervorming zal de uitdaging nog verscherpen om het (nieuwe) inhoudelijke beleid vorm te geven met een minimum aan procedures en interveniërende niveaus. In die maatschappelijke context stellen we voor om het traject voort te zetten
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
naar méér bestuurskracht, zowel binnen de lokale overheden als binnen de Vlaamse overheid, gebaseerd op de principes van responsabilisering, autonomie en subsidiariteit. We vragen meer bestuurskracht voor de gemeenten. Aansluitend op de principes van het witboek Interne Staatshervorming moet het Vlaamse overheidslandschap, zonder politieke tussenniveaus zoals de provincies, opgebouwd worden rond twee bestuursniveaus: Vlaanderen en sterke, bestuurskrachtige gemeenten. Daarvoor is duidelijke en zichtbare decentralisatie van bevoegdheden aan de gemeenten noodzakelijk, met behoud van het belfortprincipe. De gemeenten dragen de verantwoordelijkheid voor de brede lokale beleidsbepaling en de invulling van het beleid binnen kaders die de centrale overheid bepaalt. Verschillende gemeenten beschikken niet over voldoende bestuurskracht en mogelijkheden om te beantwoorden aan de maatschappelijke behoeften en de toegenomen vragen van de burgers. Een politieke keuze om het aantal gemeenten te reduceren of om bestuurlijke zones in te richten naar analogie van de politiezones zou een van de belangrijkste bijdragen betekenen voor de efficiëntieverhoging en transparantie van de administratieve processen en diensten die gericht zijn op de burgers en de lokale actoren. Het inwonersaantal mag niet de allesoverheersende maatstaf zijn om de lokale bestuurskracht te meten. Verschillende factoren spelen daarin een rol, zoals de socio-economische omgeving, de oppervlakte, de ruimtelijke logica van de gemeente en de draagkracht van de inwoners. Die selectieve schaalvergroting heeft tot doel om na de lokale verkiezingen van 2018 te beschikken over bestuurskrachtige Vlaamse gemeenten die substantieel meer bevoegdheden bezitten en die in staat zijn tot een betere dienstverlening en een professioneler bestuur, zodat elke Vlaamse burger een gelijkwaardige dienstverlening krijgt tegen een vergelijkbare prijs. Aanvullend op een bestuurskrachtig lokaal beleid moet het traject van een gebiedsdekkende regioscreening worden voortgezet. De actieplannen die de lokale besturen opstellen naar aanleiding van de evaluatie van de geïnventariseerde samenwerkingsverbanden, moeten leiden tot een minder groot aantal, maar meer samenhangende en voor de burger democratisch herkenbare samenwerkingsvormen. Die interlokale samenwerking moet georganiseerd worden vanuit de gemeenteraden, op een zodanige wijze dat de rechtstreekse impact (via voorbereiding of rapportering) van de verkozen bestuurders en de democratische legitimatie van de besluitvorming maximaal gevrijwaard zijn. Tot slot kan ook de interne efficiëntie van de lokale besturen zelf nog worden vergroot. Tijdens de nieuwe legislatuur moeten de resterende juridische obstakels voor een doorgedreven beleidsen beheersintegratie tussen de gemeenten en OCMW’s worden weggewerkt, waar nodig in overleg met de federale overheid. De lokale verkozenen moeten autonoom kunnen beslissen in welke mate ze daartoe overgaan om maximaal te kunnen bijdragen tot het welzijn van de burgers. Op het Vlaamse bestuursniveau willen we sterke, bestuurskrachtige entiteiten en homogene beleidsdomeinen. De noodzaak aan een efficiëntere en transparantere organisatie-inrichting binnen de Vlaamse administratie wordt algemeen onderschreven met argumenten zoals verkokering, groei aan overheadkosten, overlapping en fragmentatie. Inkanteling van entiteiten en beleidsdomeinen (of delen) tot functioneel samenhangende eenheden onderschrijven we als een noodzakelijke piste. Om de daaruit voorvloeiende transitietrajecten
Slagkrachtige overheid
zodanig te laten verlopen dat de uitvoering van de kerntaken niet in het gedrang komt, is het noodzakelijk om de organisatorische herschikking stapsgewijs aan te pakken, met de noodzakelijke zorg voor het behoud van de continuïteit van de dienstverlening. Daarbij zijn de bevoegdheidsoverdrachten in de zesde staatshervorming, alsook personeelswissels van leidinggevenden, mogelijke transitiemomenten. Elke herinrichting vraagt in elk geval een grondige, geobjectiveerde inhoudelijke onderbouwing die mee gebaseerd is op de verzelfstandigingscriteria uit het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid, het subsidiariteitsprincipe en een sterke bestuurskracht, en die gevoed is door een kosten-batenanalyse. Op basis van die uitgangspunten willen we samen met de Vlaamse Regering concrete voorstellen uitwerken om te komen tot een efficiëntere en transparantere organisatie-inrichting, waarbij we ook een rationalisering van de juridische verscheidenheid in organisatietypes op het oog hebben. Een slagkrachtige organisatiestructuur vraagt om een duidelijke afbakening van rollen en verantwoordelijkheden voor elk van de deelentiteiten, zonder overlapping en fragmentatie. In de relatie tussen departementen en agentschappen is gebleken dat het referentiekader ‘beleidsondersteuning versus beleidsuitvoering’ in de praktijk niet het doorslaggevende indelingscriterium kan zijn. We pleiten voor een meer maatgerichte invulling van de rollen en verantwoordelijkheden van elke entiteit, aangepast aan de eigenheid van elk beleidsdomein. We zien in elk geval de noodzaak om in elk homogeen beleidsdomein aan één entiteit een coördinerende rol toe te vertrouwen, zonder hiërarchische relatie met de andere entiteiten in het beleidsdomein, op het vlak van:
•• •• •• ••
organisatiebrede beleidsafstemming rond entiteitsoverschrijdende beleidslijnen en -projecten; inrichting van beleids- en beheersinformatiestromen, onder andere in het kader van parlementaire controle en rapportering aan de betrokken doelgroepen; ondersteuning van een coherent verloop van de beleids-, begrotings- en beheerscyclus; het overleg in de beleidsraad.
Ter ondersteuning van een optimale politiek-ambtelijke samenwerking vragen we om bij de ministeriële bevoegdheidsverdeling de voogdijbevoegdheid voor elk agentschap maar aan één minister toe te vertrouwen. Bij de aansturing van een departement door verschillende ministers is het belangrijk dat bij het begin van de regeerperiode de samenwerkingsrelatie en de impact op de inzet van personeel en werkingsmiddelen in duidelijke werkafspraken wordt vastgelegd. Het decreet Deugdelijk Bestuur en het decreet Bestuurlijk Beleid hebben het kader vastgelegd waarin, volgens de beginselen van behoorlijk bestuur, het topmanagement, alsook de raden van bestuur van extern verzelfstandigde agentschappen hun opdrachten moeten vervullen. We vragen en ondersteunen een consequente toepassing daarvan, wat ons moet toelaten op de meest efficiënte wijze onze rol op te nemen en op een geresponsabiliseerde wijze onze verantwoordelijkheid ten volle te nemen. De beheersovereenkomst is daarbij het instrument dat bij uitstek gehanteerd kan worden om de opdrachten te bepalen, in te passen in het beleid van de Vlaamse Regering en de transparantie- en rapporteringsverplichtingen vast te leggen. Externe verzelfstandigde agentschappen worden slagkrachtiger als hun budgettaire en operationele autonomie wordt verhoogd en als die gericht is op het verder versterken van het bedrijfseconomisch functioneren.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 3.2:
We zorgen in onze administratieve procedures voor een lage, administratieve last voor al onze doelgroepen die gebaseerd is op kwaliteitsvolle niet-bureaucratische regelgeving. Vanuit diverse doelgroepen (ondernemingen, burgers, organisaties én overheden) worden we geconfronteerd met klachten over het volume, de regeldichtheid en het hoge detailniveau van de Vlaamse regelgeving. Daarnaast stellen we vast dat regelgeving ook tot stand komt als antwoord op actualiteitsgebeurtenissen waarbij de maatschappelijke vraag tot regulering urgent wordt geformuleerd. Door de bevoegdheidsoverdracht in de zesde staatshervorming wordt de Vlaamse overheid bevoegd om ook in die nieuwe domeinen normerend, regulerend of sanctionerend op te treden. We zetten verder in op voelbare en aantoonbare administratieve vereenvoudiging. In de verschillende transacties (subsidies, premies, vergunningen, erkenningen, …) waarbij burgers, ondernemingen en lokale besturen in contact komen met de Vlaamse overheid, stellen we voor om in deze procedures de volgende principes te hanteren:
•• •• •• •• •• ••
Alle aanvragen moeten elektronisch kunnen worden ingediend. Als papieren stukken alsnog vereist zijn, moet altijd maar één exemplaar worden ingediend. De aanwending van de middelen mag altijd verantwoord worden met elektronische bewijsstukken. Publiek beschikbare dossier- en bewijsstukken hoeven niet meer bezorgd te worden aan de Vlaamse administratie. Sociale rechten worden automatisch toegekend of maximaal eenvoudig toegankelijk gemaakt. Subsidieregelingen voor lokale besturen worden maximaal afgestemd op de timing van de lokale meerjarenplanning en op de principes van het Planlastendecreet.
We toetsen onze transacties met onze doelgroepen aan deze principes (focus proces-vereenvoudigingen) en prioriteren aan de hand hiervan een aantal vereenvoudigingsacties. Op basis hiervan voeren we een continue en geïntegreerde screening uit van onze regelgeving op de acht kenmerken van goede regelgeving (noodzakelijk en doeltreffend; doelmatig en afgewogen; uitvoerbaar en handhaafbaar; rechtmatig; samenhangend; eenvoudig, duidelijk en toegankelijk; onderbouwd en overlegd; blijvend relevant en actueel). Die toetsing wordt bij voorkeur uitgevoerd van onderuit, in nauwe samenwerking met onze doelgroepen, onder andere via gebruikerspanels, en met bijzondere aandacht voor de impact op maatschappelijk kwetsbare groepen. Ook nieuwe regelgeving toetsen we aan deze principes.
SD4. We zetten ons personeel en onze werkingsinstrumenten performant en innovatief in om de kosten van het overheidsapparaat maatschappelijk aanvaardbaar te houden. (‘We innoveren permanent, gericht op efficiëntie, effectiviteit en kwaliteit.’)
Beleidsvoorstel 4.1:
We voeren opnieuw een meerjarenprogramma uit dat gebaseerd is op een kritische efficiëntie-, effectiviteits- en kwaliteitsmeting van onze beleidsmaatregelen. We screenen onze dienstverleningsprocessen op efficiëntie, effectiviteit en kwaliteit. De burgers en bedrijven hebben recht op een efficiënte, effectieve en kwaliteitsvolle dienstverlening, tegen de laagst mogelijke kostprijs. Rekening houdend met de noodzakelijke besparingen in de overheidsuitgaven is
Slagkrachtige overheid
het cruciaal om ons overheidsapparaat afdoende efficiënt, effectief en kwaliteitsvol te organiseren. Daarbij moet de vraagstelling ‘wat moet de overheid waarborgen (en wat niet)?’ permanent vooropstaan. Welke overheidstaken zijn minder relevant geworden? Gelet op de stijgende budgettaire krapte zal de overheid keuzes moeten maken. Bij de inrichting van het overheidslandschap is het noodzakelijk om te focussen op de kerntaken die we nog wel willen en kunnen uitvoeren. Het efficiëntiedebat kan niet losstaan van de politieke en maatschappelijke prioriteitendiscussie waarbij mogelijkheden tot in-, co- en outsourcing en publiek-private samenwerking in de eerste plaats beantwoord moeten worden vanuit de keuze tussen marktwerking of publieke taak, en vanuit de keuze tussen de mogelijke vormen van samenwerking. We zetten de inspanningen voort om, ingebed in onze ondernemingsplannen, efficiëntietrajecten uit te voeren. Daarbij hanteren we efficiëntiewinst niet alleen als ‘meer doen met minder’, maar werken we op verschillende manieren ook aan een positieve input-outputbalans, met gewaarborgde kwaliteit van de dienstverlening. Om de noodzakelijke budgettaire ruimte vrij te maken, vragen we de regering om geen lineaire hervormingsen besparingsdoelstellingen op te leggen, die onze bewegingsruimte op het vlak van personeelsmanagement en operationele autonomie inperken. Wel stellen we voor om, in nauw overleg met de regering en met andere actoren in het besluitvormingsproces een kritische kosten-batenanalyse per dienstverleningspakket uit te voeren, vanuit een doelgroepenbenadering en met aandacht voor de maatschappelijke impact van een beleidsmaatregel. Dat moet leiden tot een efficiëntie- én effectiviteitsmeting van de huidige beleidsmaatregelen, in samenhang met de doorlichting van de regelgeving, vermeld in punt 3.2, als basis voor gedocumenteerde beleidsevaluaties en prioriteitenkeuzes. Binnen de context van die efficiëntie- en effectiviteitsmeting, die moet leiden tot een hertekening of herschikking van de overheidstaken, gaat de Vlaamse administratie het engagement aan om, naast een besparing op de beleidskredieten, ook te komen tot een globaal besparingsbedrag op de apparaatskredieten in de komende legislatuur. Dat besparingsbedrag zal in beginsel en volgens de reële mogelijkheden een evenredige afspiegeling zijn van het aandeel van de apparaatskredieten in het totaal van de begrotingsmiddelen. Om die inschatting te onderbouwen, ontwikkelen we mogelijke scenario’s van hoe de besparingen binnen onze beleidsdomeinen tot stand kunnen komen, waarbij het maatschappelijke effect ervan geminimaliseerd blijft en de doelstellingen van het Pact 2020 gemaximaliseerd blijven. Daarvoor wordt in de nodige ruimte voorzien voor overleg tussen het topmanagement, het politieke niveau en de vakbonden. We werken samen aan een nieuw meerjarenprogramma effectieve en efficiënte overheid. Naast entiteitsspecifieke trajecten, gebaseerd op een adequaat procesmanagement en resultaatgerichte prestatiemeting, zullen we de nieuwe Vlaamse Regering opnieuw een meerjarenprogramma voorstellen waarin organisatiebrede efficiënte-initiatieven worden opgenomen. Daarmee willen we de efficiëntiecultuur in onze organisatie nog verder verhogen en aanvullen met een gerichte aanpak voor de communicatie over de bereikte en de tastbare resultaten. We stellen alvast de volgende efficiëntietrajecten voor:
•• •• ••
We zetten de samenwerking en fusietrajecten op het vlak van de managementondersteunende diensten voort om de interne dienstverlening nog efficiënter te laten verlopen, de professionaliteit te verhogen en het beschikbare personeel meer te kunnen inzetten op de kerntaken. We implementeren organisatiebrede, innoverende toepassingen op het vlak van intra- en interbestuurlijke gegevensuitwisseling. We werken samen aan een visie, procedures en ICT-toepassingen op het vlak van belastings- en heffingsmateries (inclusief die welke vanuit het federale niveau worden overgedragen), om voor alle
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
•• ••
belastingplichtigen eenduidigheid en transparantie in de Vlaamse fiscaliteit te waarborgen. We stroomlijnen onze subsidiestromen om de transparantie voor de begunstigden en de respectieve betrokken entiteiten te verhogen en een snelle, correcte, zuinige en efficiënte subsidieverlening en -verantwoording beter te monitoren. We passen onze interne werkprocedures ook organisatiebreed aan zodat we bijna voor 100% een tijdig betaalgedrag kunnen verzekeren.
Beleidsvoorstel 4.2:
We vernieuwen onze instrumenten op het vlak van strategisch (beleids)management en personeelsmanagement. We meten en verantwoorden onze prestaties, met een geringe interne planlast. Als we ons als Vlaamse overheid willen profileren als een organisatie die inzet op maximale efficiëntie en effectiviteit en die daarvoor publieke verantwoording geeft, zullen we, binnen het kader van het Rekendecreet, net zoals de lokale besturen vergelijkbare stappen moeten zetten om de koppeling te maken tussen beleidsplanning, budgettering en beleidsrapportering. Beleidsprestaties meten en verantwoorden vraagt een aanpak die de interne planlasten niet verhoogt, maar valoriseert: wat verzameld en gerapporteerd wordt, moet ook worden gebruikt. We stellen voor om in samenspraak met het politieke niveau (regering en parlement) concrete voorstellen uit te werken om, zowel inzake inhoud, timing als vorm, de documenten in de beleids-, beheers- en begrotingscyclus op elkaar af te stemmen in het licht van een prestatiegerichte begroting en beleidsvoering. Daarbij mag de klemtoon niet louter liggen op de aanlevering van cijfermateriaal, en moet ook aandacht besteed worden aan het bieden van transparantie en duiding bij de stand van zaken van de vooropgestelde beleidsinitiatieven, om zo te komen tot een meer ‘evidence based’- beleidspraktijk, gebaseerd op meetbare indicatoren die de kernprestaties in kaart brengen. We gaan het engagement aan om te komen tot organisatiebrede afspraken over diverse richtlijnen voor beleids- en beheersinformatie, om de steeds toenemende tijdrovende activiteiten op dat vlak (onder andere het beantwoorden van vragen over toegankelijke bestuurlijke informatie aan parlement, burgers, bedrijven en organsaties, alsook de dubbele rapporteringen over dezelfde projecten) drastisch terug te dringen. We werken, samen met de diensten van het Vlaams Parlement, aan een gezamenlijke visie op het vlak van informatieverstrekking om de rapporteringslast ten gevolge van de parlementaire vragen te reduceren. We zetten fiscaliteit in als beleidsinstrument. Fiscaliteit, ook Vlaamse fiscaliteit, is te vaak ingegeven door ad-hocdesiderata en kortetermijnplanning. Lange tijd was fiscaliteit louter een instrument om middelen te vergaren. Nu zien we dat fiscaliteit vaak niet langer alleen een fiscaal doel heeft. Het fiscale doel wordt in dat geval een nevengeschikt doel naast andere meer beleidsgerichte doelstellingen. Opdat de Vlaamse fiscaliteit meer gedragen, onderbouwd en eenduidig zou zijn, is het belangrijk om na te gaan of de bestaande fiscaliteit meer gestroomlijnd kan worden over de bestaande belastingen heen, waarbij de coherentie van het belastingstelsel (in zijn geheel, per belasting en over de doelstellingen heen) echter moet worden bewaakt. Waar die stroomlijning zich de laatste jaren beperkt heeft tot het vormelijk stroomlijnen, in de vorm van codificatie zonder grootse materiële wijzigingen, is het aangewezen alle Vlaamse belastingen, voor zover mogelijk, meer beleidsmatig te stroomlijnen in het licht van diverse doelstellingen en binnen het bestaande bevoegdheidskader. We zorgen voor een eenduidig begrippeninstrumentarium en voor de aanpassing van onze Vlaamse fiscaliteit aan nieuwe samenlevingsvormen en meer duurzame (ecologie, armoede …) accenten.
Slagkrachtige overheid
We implementeren onze HR-strategie. De HR-visie is geoperationaliseerd in een actieplan waarin concrete initiatieven opgenomen worden die zich richten op de ontwikkeling of optimalisering van het HR-instrumentarium, de regelgeving en de bijbehorende IT-ondersteuning. Voor de volgende regeerperiode stellen we de volgende maatregelen voor:
1° Personeelsbewegingen Om personeelsleden toe te laten op een vlotte manier te bewegen door het functiegebouw van de Vlaamse overheid, stellen we een grondige hervorming van de procedures voor de in-, door- en uitstroom voor, ter ondersteuning van een nieuw loopbaanmodel. De kwaliteit van de procedures staat daarbij centraal. Ook de professionaliteit van de procedures en de gelijke toegang tot het openbaar ambt blijven cruciaal in de nieuwe aanpak. We werken een aanpak uit die gericht is op de realisatie van administratieve vereenvoudiging en efficiëntiewinsten. 2° Inzetbaarheid De mogelijkheid tot afschaffing van het APKB, zoals bepaald in de wijziging van de bijzondere wet op de hervorming der instellingen, biedt ons een vehikel om een coherente visie op contractuele en statutaire tewerkstelling te ontwikkelen. Deze visie willen we verder uitwerken op basis van volgende principes: een maximaal uniforme invulling van de arbeidsvoorwaarden voor alle personeelsleden, een aantrekkelijke werkgever blijven en de nodige waarborgen voorzien voor een onafhankelijke functie-uitoefening, met aandacht voor mobiliteitsmogelijkheden van en naar andere sectoren (onderwijs, lokale besturen en private sector), alsook aandacht voor de nodige overgangsmaatregelen. Het huidige loopbaanmodel vormen we om tot een multidirectioneel flexibel model met duidelijke loopbaanpaden (zowel horizontaal, verticaal als diagonaal) waarbinnen personeelsleden zich vlot kunnen bewegen en waarin ze zicht hebben op de mogelijkheden van hun verdere loopbaan, die zich zowel binnen een functiefamilie als over functiefamilies heen kan aftekenen. We implementeren maatregelen rond retentie en (her)inzetbaarheid, om loopbanen langer en duurzamer te maken. We verzoenen de besparingsdoelstellingen met de problematiek van de re-integratie van langdurig afwezige personeelsleden met gezondheidsproblemen. We zorgen voor een overkoepelend ondersteuningsaanbod voor entiteiten die werken rond re-integratie, zowel op het vlak van beleid als op het vlak van praktische oplossingen voor concrete situaties, zodat de overheid haar rol als maatschappelijk verantwoorde werkgever kan waarmaken.
3° Beloningsbeleid We werken aan concrete proefprojecten met als doel de processen, de instrumenten en het beloningsgebouw zelf te optimaliseren, te experimenteren met het nieuwe beloningsbeleid en het te simuleren, om op die manier een gefundeerde visie voor een nieuw beloningsgebouw binnen de Vlaamse overheid voor te leggen. 4° Leiderschap We herbekijken de selectie-instrumenten voor de leidinggevenden, met een belangrijke focus op middenkaderfuncties. Gezien de sleutelfunctie van leidend ambtenaren in de realisatie van een cultuuromslag en het stellen van voorbeeldgedrag, spreekt het voor zich dat die groep recht heeft op aanvullende ondersteuning en ontwikkeling. Daarvoor zetten we in op de verdere ontwikkeling van competenties en talenten van het
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
topkader voor de Vlaamse administratie. Dat doen we door een ondersteunend HR-platform samengesteld uit leidend ambtenaren uit te bouwen. Verder maken we werk van de optimalisering van de jaarlijkse evaluatieprocedure voor topambtenaren door de huidige procedure te evalueren en bij te sturen. De beroepsbevolking, ofwel het arbeidsaanbod, krimpt in relatieve termen en is steeds diverser van samenstelling. Als de samenstelling van het personeel van de Vlaamse overheid een afspiegeling is van de Vlaamse bevolking, komt dat haar imago en legitimiteit ten goede. Daarom willen we binnen de Vlaamse overheid verder streven naar een evenwichtig samengesteld personeelsbestand voor alle doelgroepen (gender, personen met een migratieachtergrond, medewerkers met een arbeidshandicap of chronische ziekte). Die ingrijpende wijzigingen, die voortvloeien uit de HR-visie en het bijbehorende actieplan, vragen een brede gedragenheid bij het lijnmanagement, het personeel en de vakorganisaties. Daarvoor bepleiten we een wijziging in het overleg tussen politiek, administratie en vakbonden. Het is aangewezen dat de administratie in een vroeg stadium de gesprekken met de vakorganisaties kan opstarten, in lijn met de principes van een volwaardig participatiemodel.
SD5. We dragen in onze beleidsvoering een multiactor- en multilevelgovernanceaanpak verder uit binnen de beleidscascade ‘Europees-federaal-regionaal-(boven)lokaal’, gericht op een entiteits- en bestuursniveauoverschrijdende samenwerking tussen alle institutionele actoren. (‘We werken intens samen met andere overheden.’) Vlaanderen schaart zich achter de meerwaarde die een multilevelgovernance- en multiactorgovernancebeleid met zich meebrengt. De beleidscascade ‘Europees-federaal-regionaal-(boven)lokaal’ moet uitnodigen om de krachten over de verschillende overheidsniveaus heen te bundelen en een antwoord te bieden op de maatschappelijke uitdagingen. We zien de implementatie van beleid altijd als het resultaat van onderhandelingen en afspraken tussen actoren op verschillende schaalniveaus, en we benaderen de implementatie in een context van multiactor- en multilevelgovernance.
Beleidsvoorstel 5.1:
We richten ons sterker op de wereld en oriënteren ons op het EU-beleid en internationale beleidskaders, en dragen actief bij tot de vorming daarvan. We zetten verder in op een geïntegreerde aanpak rond het EU-beleid. We willen organisatiebreed verder inzetten op een geïntegreerde aanpak bij het vertalen van het EU-beleid voor alle belanghebbenden binnen Vlaanderen en bij het proactief voorbereiden van Vlaamse standpunten ten aanzien van het EU-beleid. Hoewel Vlaanderen in het kader van de zesde staatshervorming onder andere meer sociaal-economische hefbomen in handen krijgt, zal een goede samenwerking met de federale overheid en met de andere gewesten en gemeenschappen noodzakelijk zijn en blijven. We pleiten ervoor om de structurele interactie tussen de Vlaamse en de Europese instellingen te vergroten. De Europese regelgeving wordt steeds meer bepalend voor de Vlaamse decreten. Het debat over de omvang, de geometrie, de kerntaken, de bevoegdheden, de begroting … van de Europese Unie zal de volgende jaren
Slagkrachtige overheid
de politieke agenda domineren. Daarom is het aangewezen dat we als Vlaamse overheid onze visie op de toekomst van de EU duidelijker articuleren en communiceren om zo onze politieke relevantie in binnen- en buitenland te versterken. Voor die uitdagingen moet onderzocht worden hoe de Vlaamse administratie een sterkere en structurele rol kan opnemen in Europese en internationale betrekkingen. De voorbereiding en de tijdige betrokkenheid van stakeholders bij Europese dossiers moeten worden versterkt. Voortbouwend op de conclusies van de Vlaams-Nederlandse toekomstdenkgroep, zien we een belangrijke meerwaarde om verder te investeren in strategisch partnerschap met Nederland als natuurlijke bondgenoot in de aanpak van globale uitdagingen, zoals de toenemende economische concurrentie, de leefmilieuproblematiek, de vergrijzing en de efficiënte vermarkting van onderzoek en innovatie. We richten ons sterker op de wereld. Gelet op economische evoluties in de regio en in het licht van het nieuwe VN-doelstellingenkader post2015 lijkt een herijking van het beleid ten aanzien van Zuidelijk Afrika aanbevolen. Voorgesteld wordt dat de Vlaamse Regering zich inschakelt in de uitvoering van de nieuwe geïntegreerde VN-agenda die in voorbereiding is – en in de uitvoering van die agenda voldoende focus bewaart op armoedebestrijding. Ook het beleid voor de samenwerking met groeilanden en ‘opkomende economieën’ zal geherdefinieerd moeten worden. Het beleidsinstrumentarium daarvoor is in wezen voorhanden, maar kan meer gecoördineerd en doelgerichter worden ingezet, als een wezenlijk deel van de Vlaamse economische diplomatie. Internationale verbintenissen ingevolge de goedkeuring van internationale verdragen over klimaat, duurzame ontwikkeling en biodiversiteit hebben voor de Vlaamse overheid een potentieel grote financiële weerslag. We stellen voor om een interdepartementaal gedragen roadmap uit te werken om de internationale verbintenissen in te vullen.
Beleidsvoorstel 5.2:
We versterken onze bovenlokale aanpak ten aanzien van (groot)stedelijke problematieken. (Groot)stedelijke problematieken, zoals de jongerenwerkloosheid en het capaciteitstekort in kinderopvang en scholen, vragen nieuwe bestuurlijke antwoorden. De traditionele sectorale manier waarbij weliswaar nauw samengewerkt wordt, stoot op grenzen. Daardoor neemt de dualisering in die domeinen eerder toe dan af. Dat is eigen aan een stedelijke dynamiek waar veel maatschappelijke behoefen gelijktijdig samenkomen en nieuwe antwoorden vragen. De Vlaamse overheid kan de uitdagingen alleen aangaan door ze samenhangend en gecoördineerd aan te pakken, voortbouwend op de leerervaringen uit de steden. Een gezamenlijke agendaopbouw door de stad(sgebieden) en Vlaanderen, die uitmondt in realisatieovereenkomsten met duidelijke rollen (naar analogie van de stadsprogramma’s), kan een antwoord bieden. Het wederzijds nadenken over achterliggende oorzaken van aspecten van de problematiek en geslaagde interventies creëert daarbij een meerwaarde. Op die manier kan tot een multilevelgovernancebenadering gekomen worden, waarbij diensten lokaalVlaams samenwerken en waarbij vertrokken wordt vanuit de behoeften van de doelgroep(en). Voor jeugdwerkloosheid gaat het bijvoorbeeld om toeleiding naar de arbeidsmarkt, onderwijs, inburgering en integratie, jeugdwelzijn, wonen, armoede en economisch beleid. Voor de capaciteit rond kinderopvang en onderwijs gaat het bijvoorbeeld om welzijn, onderwijs, patrimonium, duurzame ontwikkeling, wonen en ruimte. Het lokale niveau moet een gedeelde regie kunnen voeren en moet die partnerschappen zelf mee vorm kunnen geven, binnen de krijtlijnen van de op Vlaams niveau vastgelegde doelstellingen en
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
randvoorwaarden. Zeker zo essentieel als een coregie is dat de lokale partners, zoals stad en OCMW, systematisch betrokken worden in het Vlaamse beleidsproces bij het bepalen van doelstellingen, en bij het uitwerken en implementeren van (nieuwe) maatregelen. Daarbij gaan we naar een coregie tot zelfs een coproductie of cocreatie van beleid. Daarbij zal er behoefte zijn aan een duidelijke regisseur met een gedragen mandaatsrol, zowel op het lokale als op het Vlaamse niveau.
Beleidsvoorstel 5.3:
We ondersteunen vanuit diverse beleidsdomeinen de samenwerking tussen actoren die betrokken zijn bij het plattelandsontwikkelingsbeleid. Het platteland herbergt een mix van actoren en de bijbehorende diverse beleidsdoelstellingen. Via geïntegreerde samenwerking tussen verschillende betrokken beleidsdomeinen wordt ingezet op de economische, ecologische en sociale facetten (werken, leven, wonen, recreatie, stilte …) om een optimale verwevenheid en evenwicht te verkrijgen. Om die verweving in stand te houden en waar nodig te versterken, zet het plattelandsontwikkelingsbeleid, gedragen door diverse beleidsdomeinen, enerzijds in op ondersteuning van de economische sectoren die werkzaam zijn op het platteland (land- en tuinbouw, bosbouw, kmo’s, industrie …) en anderzijds op herstel, instandhouding en verbetering van de ecosystemen en hulpbronnen. Dat alles wordt aangevuld door een versterking van de sociale plattelandsduurzaamheid, met zowel aandacht voor sociale inclusie, armoedebestrijding en economische ontwikkeling van de plattelandsbewoners als aandacht voor het ontspannings- en toeristische potentieel van de streken (met ecologische en economische gevolgen op duurzaamheidsvlak). Daarmee speelt men in op de bestaande behoeften op het vlak van samenwerking tussen diverse betrokken beleidsniveaus, aan maatwerk rond specifieke lokale kansen, aan begeleiding van de snelle evolutie van de land- en tuinbouwsector (minder bedrijven, schaalvergroting, diversificatie, deeltijdse landbouw, veranderend uitzicht van landschap en gebouwen …), aan verfraaiing, inrichting en het kwaliteitsvolle onderhoud van het platteland in al zijn facetten (gebouwen, wegen, kleine landschapselementen, water, erfgoed, natuur …), aan een specifieke aanpak van de plattelandsarmoede, aan basisvoorzieningen en aan een versterkte relatie met de verstedelijkte omgeving.
Beleidsvoorstel 5.4:
We ondersteunen het beleid ten aanzien van Brussel, en de Vlaamse Rand met respectievelijk de Vlaamse Gemeenschapscommissie en vzw De Rand als prioritaire partner. Het eindrapport van de ambtelijke taskforce Brussel omvat, naast een specifieke omgevingsanalyse die gericht is op de Brusselse context, en naast beleidsdomeinspecifieke knelpuntenanalyses en beleidsvoorstellen, beleidsvoorstellen die gericht zijn op het globale kader van het Vlaamse gemeenschapsbeleid in Brussel. We herhalen hier enkele van de voorstellen. We stellen voor om de Brusselnorm als beleidsinstrument te consolideren en de effectieve toepassing ervan te verzekeren. We stellen voor om de ambitie te handhaven om een aanbod te ontwikkelen van Nederlandstalige gemeenschapsvoorzieningen voor 30% van de Brusselaars en daarbij ten minste 5% van de totale uitgaven van de Vlaamse Gemeenschap in en voor de hoofdstad aan te wenden.
Slagkrachtige overheid
De Brusselnorm is niet relevant voor (deel)domeinen waarbij de centrumfuncties en hoofdstedelijke functies primeren. Voor deeldomeinen met een uitgesproken lokale relevantie, in casu voor materies die voortvloeien uit decreten en besluiten die gerelateerd zijn aan het Planlastendecreet, blijft de Brusselnorm een budgettaire norm waarmee de Vlaamse Gemeenschapscommissie autonoom een beleid kan voeren, binnen de strategische voorwaarden van de respectieve sectordecreten. We stellen voor om de implementatie van de Brusselnorm altijd te actualiseren op basis van de demografische prognoses in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, waardoor de evolutie van het vraaggestuurde aanbod in het kader van de gemeenschapsaangelegenheden gelijke tred ermee kan houden. Dat versterkt ook de formele en informele positie van het Nederlands in Brussel, als gevolg van een grotere toegankelijkheid van de Nederlandstalige voorzieningen voor anderstaligen. We pleiten ervoor om de positionering en de rol van de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) eenduidiger te maken en te verankeren. Dat zal de coherentie, de efficiëntie en de slagkracht van het beleid van de Vlaamse Gemeenschap in Brussel ten goede komen, en het kan ook de afstemming op het beleid van de andere institutionele actoren versterken. De VGC is de logische overheid om in de grootstedelijke omgeving een regierol op te nemen met betrekking tot het beleid van de Vlaamse Gemeenschap in Brussel, zonder de overdracht van decretale bevoegdheden. We stellen voor om de strategische beleidslijnen vast te leggen in een globale beleidsovereenkomst tussen de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Die overeenkomst wordt gesloten op basis van een strategische meerjarenplanning. Het gezamenlijke gemeenschapsbeleid op strategisch niveau volgt de beleidscyclus van de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschapscommissie (legislatuur van vijf jaar). De regie voor de uitvoering van de strategische beleidslijnen berust bij de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Voor de uitvoering van investeringen pleiten we voor samenwerking tussen beide overheden, waarbij onderzocht wordt hoe een maximale clustering van middelen en competenties gerealiseerd kan worden om maximaal in te spelen op de uitdagingen van een investeringsbeleid in de Brusselse grootstedelijke context: de behoefte aan geïntegreerde en polyfunctionele projecten waar cultuur, welzijn en onderwijs, en expertise op het vlak van publiek-private samenwerking en publiek-publieke samenwerking samenkomen. We zijn er voorstander van om het administratieve toezicht van de Vlaamse Gemeenschap op de Vlaamse Gemeenschapscommissie te vereenvoudigen (het bijzonder toezicht op het vlak van goedkeuring van grote overheidsopdrachten, schenkingen en legaten, personeelsformatie en rechtspositieregeling afschaffen; het dwangtoezicht behouden; de mededelingsplicht van de Vlaamse Gemeenschapscommissie aan de toezichthoudende overheid vereenvoudigen). Met betrekking tot het begrotings- en rekeningstelsel van de Vlaamse Gemeenschapscommissie zien we een hervorming mogelijk, geïnspireerd op de beleids- en beheerscyclus (BBC) en het daarin vervatte strategische meerjarenplan. We gaan ook op zoek naar synergieën met het beleid van de Vlaamse Rand. De sociaal-economische verwevenheid tussen Brussel en de Vlaamse Rand maakt beleidsafstemming noodzakelijk in verschillende maatschappelijke sectoren, binnen het bestaande institutionele kader en met het behoud van de specifieke focus. De demografische en socio-economische evoluties in Brussel kunnen niet los gezien worden van hun impact op - en relatie met - het hinterland. Er zal op het vlak van dataverzameling, op het vlak van expertise en ook op het vlak van programmatie (onderwijs, mobiliteit, tewerkstelling (jeugdwerkloosheid), huisvesting …), samengewerkt worden door de betrokken overheden binnen de globale visie van de hoofdstedelijke gemeenschap.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
De Vlaamse Rand als regio wordt geconfronteerd met nagenoeg alle kenmerken van de grootstedelijke problematiek. De druk van de hoofdstad deint uit en zadelt de Vlaamse Rand op met groeiende vraagstukken. Toch stopt de erkenning van deze problematiek vaak aan de grens van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest terwijl de onmiskenbare, statistische feiten met betrekking tot de Vlaamse Rand verloren gaan in de uitgestrektheid en diversiteit van Vlaanderen. We achten een structureel verankerde aanpak van deze evolutie wenselijk en we stellen voor om een oplossingsgerichte, grensoverschrijdende samenwerking aan te gaan met Brussel met oog voor de leerervaringen van de hoofdstad. Een duidelijke positionering van de Vlaamse Rand als unieke regio binnen Vlaanderen is cruciaal. Door de spreiding van het gebied neutraliseert het welvarende deel de kansarmoede die heerst in andere delen. We benadrukken de dringende nood aan een verankerde aanpak en de erkenning van de Vlaamse Rand als een bijzondere regio met een vaststaand statuut. Enkel op die manier kan efficiënt proces- en productgericht gewerkt worden. Voor de versterking van het Nederlandstalig karakter blijft in deze taalgevoelige regio de huidige samenwerking tussen de verschillende actoren binnen de Vlaamse Rand een onmisbare factor. We stellen voor om de bestaande expertise niet verloren te laten gaat en deze ook verder actief te ontwikkelen. De ontwikkeling van de eerste randtaalbarometer levert een nulmeting waaraan het huidige beleid zal worden gestaafd. De vzw ‘de Rand’, die een belangrijke partner is voor de uitvoering van het beleid in de Vlaamse Rand, moet verder optimaal zijn decretale missie kunnen blijven realiseren, met name het ondersteunen en bevorderen van het Nederlandstalig karakter van de Vlaamse Rand.
Slagkrachtige overheid
03 / raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
Het thema slagkrachtige overheid gaat over de wijze waarop de overheid zich organiseert en de wijze waarop zij haar taken uitvoert. Het gaat over het vergroten van de efficiëntie en effectiviteit van de dienstverlening en van de werking van het overheidsapparaat. Een impuls geven aan een meer efficiënte en effectieve werking wordt gedaan, omdat er hoe dan ook baten mee gepaard gaan. Maar de baten zullen vooral in het holistisch kader terug te vinden zijn. De Vlaamse overheid zal sneller, doelgerichter en kostenbewuster en bovenal kwalitatiever worden. De administratie pleit voor gerichte investeringen waarvan uitgegaan wordt dat die baten zullen opleveren op verschillende niveau’s (van projectniveau over entiteitsniveau tot op niveau van de Vlaams overheid als geheel, zowel korte als lange termijn). Elke investeringskost dient zorgvuldig te worden afgewogen, afhankelijk van de baat die daarmee naar de overheidswerking of samenleving terugkeert. Er zijn tal van randvoorwaarden waardoor de begrotingsimpact van de voorgestelde maatregelen moeilijk in te schatten valt. Daarom hebben we ons beperkt tot een inschatting van de budgettaire impact verbonden aan de uitvoering van de diverse beleidsvoorstellen. 1. We zeggen waar we als Vlaamse overheid voor staan en voeren een ‘communicatief’ beleid:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd.
Het beleidsvoorstel betreft procesoptimalisaties en -verbeteringen die binnen de beschikbare budgetten voor communicatie zijn voorzien. Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de communicatiebudgetten van elke entiteit
Idem
2. We versterken binnen de Vlaamse overheid een praktijk van tijdige en transparante advies- en consultatieprocessen:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd.
Er zullen situatieafhankelijk tegelijkertijd meerkosten én baten aan verbonden zijn. De maatregel beoogt de facto baten ingevolge het bekomen van een beter draagvlak en verhoogde effectiviteit van de maatregel. Sommige bijkomende investeringen zijn gerelateerd aan de investeringen die nodig zijn voor de digitalisering van processen (zie beleidsvoorstel 4.)
03 / raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de apparaatskredieten van elke entiteit
Idem
3. We ondersteunen overheidsbrede regeringsprioriteiten met een verdieping van de entiteits- en domeinoverschrijdende samenwerking en een globale, resultaatgerichte, ambtelijke coördinatie:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd.
De beleidsmaatregel is gericht op het vermijden van dubbel werk en het breder inzetten van beschikbare expertise en zal hoe dan ook kostenbesparend zijn op vlak van personeelsinzet. Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de apparaatskredieten van elke entiteit
Idem
4. We implementeren innoverende toepassingen inzake intra- en interbestuurlijk gegevensverkeer in samenwerking met het federale en lokale bestuursniveau:
••
niet- budgetneutraal maar kan gecompenseerd worden via een mogelijke besparing.
Het beleidsvoorstel zet in op een digitale sprong voorwaarts, waarbij manuele ondersteunende processen worden geautomatiseerd en geïntegreerd. Dit betreft een proces van ‘meer met minder’ en levert vooral besparingen op vlak van personeel op. De vraag hier is om hier versterkt op in te zetten, wat tijdelijk een gerichte substantiële verhoging van de investeringsbudgetten voor ICT vereist, waarbij de terugverdientijd niet per definitie binnen dezelfde legislatuur zal plaatsvinden. De besparingen die gerealiseerd worden door de implementatie van een gelaagd ICT-dienstenmodel, gebaseerd op een organisatiebreed gedragen ICT-strategie, kan ingezet worden voor de ontwikkeling van geïntegreerde toepassingen en platformapplicaties gericht op een innoverende intra- en interbestuurlijke gegevensuitwisseling. In het nieuwe ICT-exploitatiecontract wordt voor vergelijkbare diensten een kostenverlaging geraamd van in de grootteorde van 20%. Over de volledige contractduur van 7 jaar betekent dit een aanzienlijke kostenreductie bij gelijkblijvende afnamevolumes. Deze kostenreductie wordt geraamd op 130 miljoen euro, of 18,5 miljoen euro per jaar. We stellen voor om deze kostenreductie maximaal te reserveren en te herinvesteren in digitaliseringsprojecten gericht op een geïntegreerde afstemming van frontoffice- en backofficetoepassingen. Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 18,5 miljoen euro (compensatie door kostenreductie t.g.v. nieuw ICT-exploitatiecontract)
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur 18,5 miljoen euro
Slagkrachtige overheid
5. We integreren duurzaamheid in onze beleidsdoelstellingen en in onze interne werking:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd.
Het voeren van een duurzaam beleid in alle sectoren en voor het verduurzamen van onze interne werking zullen gecompenseerd kunnen worden door het doelbewust realiseren van efficiëntiewinsten door bv. samenwerking, schaalvergroting (inkopen, raamcontracten). Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de apparaatskredieten van elke entiteit
Idem
6. We reduceren de bestuurlijke drukte op alle bestuursniveaus in Vlaanderen:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd
Een beperking van het aantal entiteiten zal leiden tot meer samenhang en zal toelaten meer strategisch te handelen, minder dubbel werk te leveren en een vereenvoudigde werkrelatie tussen de bevoegde minister en de leidend ambtenaar te realiseren. Er zijn efficiëntiewinsten te verwachten op vlak van besparingen die gerelateerd zijn aan de schaalvoordelen, daling VTE’s, daling van het aantal leidinggevenden en vermindering van het aantal ondersteunende functies. Dezelfde interne efficiëntiewinsten zijn te verwachten ingevolge de voorgestelde selectieve schaalvergroting bij lokale besturen en lokale samenwerkingsvormen.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de apparaatskredieten van elke entiteit
Idem
7. We zorgen in onze administratieve procedures voor een lage, administratieve last voor al onze doelgroepen die gebaseerd is op kwaliteitsvolle niet-bureaucratische regelgeving:
••
niet- budgetneutraal maar kan gecompenseerd worden via een mogelijke besparing.
Het inzetten op administratieve vereenvoudiging is niet alleen voor de doelgroepen kostenbesparend, maar ook voor de werking van de overheid, vooral op vlak van personeelsinzet. Daarentegen gaan vereenvoudigingsvoorstellen veelal gepaard met digitaliseringsopdrachten. Bijkomende investeringen voor deze beleidsmaatregel zijn rechtstreeks gerelateerd aan de investeringen voor de digitalisering van processen (zie beleidsvoorstel 4.) Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Zie beleidsvoorstel 4
Zie beleidsvoorstel 4
03 / raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
8. We voeren opnieuw een meerjarenprogramma uit dat gebaseerd is op een kritische efficiëntie-, effectiviteits- en kwaliteitsmeting van onze beleidsmaatregelen:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd.
Het beleidsvoorstel betreft het realiseren van een besparingsdoelstelling op basis van een efficiëntieen effectiviteitsmeting, die moet leiden tot een hertekening of herschikking van de overheidstaken. Dit resulteert in een besparing op de beleidskredieten, met daaraan gekoppeld een globaal besparingsbedrag op de apparaatskredieten in de komende legislatuur. Deze besparingsvoorstellen zullen gebaseerd zijn op keuzes die worden gemaakt tussen marktwerking, publieke taak of vormen van samenwerking enerzijds en op het opzetten van organisatiebrede efficiëntietrajecten en kwalitatieve efficiëntietrajecten op entiteitsniveau gericht op een positieve input-output balans en een kritische kosten-batenanalyse per dienstverleningspakket anderzijds. Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de apparaatskredieten van elke entiteit
Idem
9. We vernieuwen onze instrumenten op het vlak van strategisch (beleids)management en personeelsmanagement:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd.
Een gedeelte van de beoogde maatregelen, zoals interne planlasten verminderen en de initiatieven in het kader van modern HR-beleid zullen budgetneutraal kunnen worden uitgewerkt. Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de apparaatskredieten van elke entiteit
Idem
10. We richten ons sterker op de wereld en oriënteren ons op het EU-beleid en internationale beleidskaders, en dragen actief bij tot de vorming daarvan: •• kan grotendeels binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd. Eén deelcomponent is nietbudgetneutraal en vraagt een meerkost. Het beleidsvoorstel kan gerealiseerd worden door een heroriëntatie van het takenpakket. Het betreft voornamelijk een inzet op het vergroten van de structurele interactie tussen de Vlaamse en de Europese en internationale instellingen, het aangaan van strategische partnerschappen, een herijking van het beleid ten aanzien van Zuidelijk Afrika en een herdefiniëring van het beleid voor de samenwerking met groeilanden en opkomende economieën. Hiervoor de samenwerking versterken over de beleidsdomeinen zal efficiëntiewinsten opleveren.
Slagkrachtige overheid
De uitwerking van een interdepartementaal gedragen roadmap om internationale financiële verbintenissen ingevolge van de goedkeuring van internationale verdragen in te vullen is niet-budgetneutraal. Dit vraagt een meerkost die niet op te vangen is binnen de betrokken entiteit(en). Dit meervraag is opgenomen in het budgettaire luik van het: beleidsthema Groen en Dynamisch Stedengewest – beleidsvoorstel 4: m.b.t. tot de financiering van de internationale financiële klimaatverplichtingen. Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien binnen beleidskredieten van beleidsdomein IV Idem zie ook beleidsvoorstel 4 bij Groen en dynamisch Stedengewest
11. We versterken onze bovenlokale aanpak ten aanzien van (groot)stedelijke problematieken:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd.
Het beleidsvoorstel voorziet een evolutie in de beleidsontwikkeling voor grootsteden naar co-regie, coproductie en co-creatie met lokale partners. Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de werkingsbudgetten van de betrokken entiteiten
Idem
12. We ondersteunen vanuit diverse beleidsdomeinen de samenwerking tussen actoren die betrokken zijn bij het plattelandsontwikkelingsbeleid:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd.
Met het beleidsvoorstel wordt vooral ingezet op meer samenwerking tussen de betrokken beleidsniveaus en op doelgericht maatwerk, waardoor heroriëntatie van het huidig beleid nodig is.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de werkingsbudgetten van de betrokken entiteiten
Idem
03 / raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
13. We ondersteunen het beleid ten aanzien van Brussel en de Vlaamse Rand, met respectievelijk de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de vzw ‘de Rand’ als prioritaire partner:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd.
Het beleidsvoorstel betreft een vernieuwde focus op het beleid wat betreft de implementatie van de Brusselnorm, een globale beleidsovereenkomst tussen de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse gemeenschapscommissie, meer samenwerking tussen beide overheden op vlak van investeringen, vereenvoudiging van het administratieve toezicht en synergiën met het beleid van de Vlaamse Rand. Voor de investeringsnoden op het vlak van het sectorale beleid binnen Brussel wordt verwezen naar de beleidsvoorstellen binnen de andere beleidsthema’s in deze bijdrage. Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de werkingsbudgetten op programma AG (Coördinatie Brussel) en programma AH (Coördinatie Vlaamse Rand)
Idem