Skip to main content

Effect_en_impactmeting_IWSE_onderzoeksvoorstel.pdf

Page 1

Effect- en impactmeting van het inspectieoptreden op het werkgelegenheidsbeleid en op aangepast normconform handelen bij de geĂŻnspecteerden Offerte voor Het Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk Arbeidsmarktrapportering (VIONA)

Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt School of Business and Economics Maastricht University Postbus 616 6200 MD Maastricht Bezoekadres Tongersestraat 53 6211 LM Maastricht Communicatie T +31 043-3883647 F +31 043-3884914 secretary-roa-sbe@maastrichtuniversity.nl www.roa.nl

12CB023_tender519


Omschrijving van het Studieproject 1

Inleiding

Een inspectieorgaan dat op nationaal niveau efficiënt wil opereren heeft zonder meer nood aan een goed uitgewerkte systematische aanpak, die voorschrijft hoe de beschikbare middelen binnen het bestaande wettelijke kader worden ingezet. In 2008 is de Inspectie Werk en Sociale Economie (IWSE) dan ook begonnen met de introductie van een kader voor risicoanalyse. Deze risicoanalyse is onder andere gestoeld op de VIONA-studie Pacolet en de Wispelaere (2008), die een overzicht geeft van het juridisch kader, de beschikbare data alsook verschillende methodes van risicoanalyse. Behalve op deze studie deed het IWSE ook beroep op de expertise van andere organisaties, zoals OVAM, VDAB en Kind en Gezin. Dit onderzoeksvoorstel is een reactie op de meest recente VIONA-oproep voor een studieopdracht, en heeft als doel zich vooral te richten op de huidige behoefte bij het IWSE naar meer kennis over de impact van het optreden van de Inspectie WSE. Het IWSE wil immers beschikken over tools en methoden om een (continue) evaluatie en bijsturing van de werking van IWSE mogelijk te maken. Men is geïnteresseerd in de impact op microniveau, dat is de impact op het conform handelen van de geïnspecteerde. Ook is men echter geïnteresseerd in de macro-effecten: hebben inspecties een invloed op sociale normen, en sensibiliseren rapporteringen van het IWSE de overheid om nieuwe maatregelen te treffen?

2

De verschillende fases van de studie

De studie zal vier fases omvatten, en elke fase zal gerapporteerd worden in de vorm van een hoofdstuk in een eindrapport. A. Stand van Zaken Zoals blijkt uit voorgaande is de risicoanalyse die het IWSE gebruikt om een prioritaire rangorde te geven aan de inzet van beschikbare middelen nog maar zeer recentelijk in voege getreden, en zij wordt dan ook voortdurend bijgeschaafd. De studie zal dan ook aanvangen met het opmaken van een stand van zaken, en een beknopte beschrijving geven van de huidige werkwijze van het IWSE. Hiervoor willen we gebruik maken van werknota’s van het IWSE (zoals Rossie, 2012) maar ook zullen we trachten de meest recente stand van zaken op te meten via gesprekken met het IWSE. B. Impactevaluaties: Achtergrond In een tweede deel zullen we een duidelijk overzicht geven van het jargon en definities die in de evaluatie-literatuur worden gebruikt, en zo tegemoet komen aan de vraag van het IWSE om een duidelijke inhoudelijke omschrijving te geven van effect en effectiviteit. We zouden bijvoorbeeld het begrip "effectiviteit", dat wordt gebruikt in de studie-oproep, enigszins willen herdefiniëren zodat het beter past binnen de terminologie van de evaluatieliteratuur, en zodat communicatie met andere instanties of onderzoeksgroepen gemakkelijker wordt. Ook zal uitvoerig worden ingegaan op verschillende strategieën (kadermethodieken) die kunnen aangenomen worden om de werking van de inspectiedienst te evalueren. Voor- en nadelen van methodologieën worden in hun algemeenheid besproken, alsook de contextuele elementen die bepalen welke methodologie het meest geschikt is. In dit deel van de studie zal gerefereerd worden aan bestaande rapporten en handboeken die handelen over optimalisatie en evaluatie van inspectieorganen, maar ook zal informatie verwerkt worden uit andere bronnen (handboeken,

2


overzichtsartikelen) die de methodologische aspecten van impactevaluatie meer in het algemeen behandelen. Zoals bekend uit handboeken over programma-evaluatie, en zoals ook wordt aangegeven in documentatie inzake impactevaluatie van inspectie (bv. in Werkgroep Effectmeting IG-Beraad, 2005) is het allereerst belangrijk doelstellingen (beoogde effecten) te formuleren. Vervolgens moet men dan op zoek naar indicatoren die de effecten kunnen meten. Meestal zijn deze indicatoren proxy variabelen: de eigenlijke doelstelling meten is vaak erg moeilijk, en daarom doet men vaak beroep op variabelen die eenvoudiger te observeren zijn, en waarvan men aanneemt dat ze in hoge mate gecorreleerd zijn met het al dan niet bereiken van de doelstelling. Enige omzichtigheid bij het kiezen van proxy variabelen is echter nodig. Een daling van het aantal meldingen over zwartwerk kan erop wijzen dat het zwartwerk inderdaad daalt, maar kan ook op een heel aantal andere manieren geïnterpreteerd worden, zoals het optreden van meldingsmoeheid van de burger. Bovendien delen we de bezorgdheid van het IWSE dat een positief effect op normconform handelen van entiteiten (bedrijven etc.) niet noodzakelijk leidt tot de gewenste maatschappelijke veranderingen. Zo is recentelijk in de media ophef ontstaan over het feit dat veel interimkantoren nog steeds, op vraag van klanten, discrimineren in het nadeel van allochtone werknemers. Indien na verloop van tijd blijkt dat door een strengere controle interimkantoren niet ingaan op de vraag van bedrijven om allochtonen weg te filteren uit selecties, impliceert dit nog niet automatisch dat de eigenlijke doelstelling, het verhogen van de arbeidsmarktkansen van de allochtoon, gerealiseerd is. Zoals aangegeven in WODC (2010) en op de webstek van het “anti-Corruption Research Network”, worden nieuwe inspectiestrategieën idealiter geëvalueerd via pilootstudies. Hierbij geldt dat een nieuw project of een nieuwe werkwijze geleidelijk wordt ingevoerd. Een willekeurig gekozen subgroep van de entiteiten die onder de controlebevoegdheid van het inspectieorgaan valt, dient dan te worden onderworpen aan het nieuwe, experimentele beleid, terwijl voor de andere groep alles bij het oude blijft. Ook al wordt zo’n “gerandomiseerd experiment” door velen gezien als de gouden standaard, toch heeft zij ook haar beperkingen. Vaak is het immers omwille van ethische, juridische of technische redenen niet mogelijk om een willekeurig deel van de entiteiten aan een ander regime te onderwerpen. Zo is het niet mogelijk om twee bedrijven die identiek dezelfde inbreuk hebben gepleegd een verschillende sanctie op te leggen. Als men een mediacampagne op touw zet om te wijzen op de noodzaak van het naleven van arbeidsvoorwaarden, is het niet mogelijk om de campagne-boodschappen enkel te laten verschijnen op de televisieschermen van een willekeurig gekozen subgroep van bedrijfsleiders en aandeelhouders. Een ander belangrijk nadeel is dat gerandomiseerde experimenten enkel geschikt zijn voor het bepalen van microeffecten. Macro-effecten, die enorm relevant zijn wanneer een bepaald pilootproject uit de testfase wordt gehaald en landelijk wordt ontplooid, kunnen niet geanalyseerd worden met behulp van een gerandomiseerd experiment (Imbens en Wooldridge, 2009). Veronderstel bijvoorbeeld dat een inspectieorgaan wil inzetten op het terugdringen van tewerkstelling van illegalen, en dat men een willekeurige groep van bedrijven gaat onderwerpen aan een meer frequente controle op dit soort van arbeid. Het is best mogelijk dat men na verloop van tijd vaststelt dat bedrijven die vaker worden gecontroleerd ook meer conform gaan handelen naar de regels. Er wordt dan echter nog geen rekening gehouden met macro-effecten die gaan meespelen wanneer de hele populatie van bedrijven aan strenger toezicht onderworpen wordt. Omdat illegale arbeid door de meer frequente controles minder aantrekkelijk wordt en dus de vraag naar deze arbeid daalt, kunnen de illegale werknemers ervoor kiezen om hun diensten aan te bieden aan gunstigere voorwaarden, waardoor het opnieuw aantrekkelijker wordt voor bedrijven een beroep te doen op deze arbeid. Om deze redenen is men vaak aangewezen op andere evaluatiemethoden. Zo kan men bv. het gedrag van entiteiten, die onder de bevoegdheid van het inspectieorgaan vallen, gaan vergelijken net voor en net na de invoering van een nieuw regime (natuurlijk experiment). Bij deze werkwijze dient men er wel op te letten dat het resultaat niet wordt beïnvloed door andere factoren, die 3


tussentijds zijn veranderd. Ook kwalitatieve benaderingen zijn mogelijk om een zicht te krijgen op de impact die het inspectie-optreden heeft. Het moge dus reeds duidelijk zijn dat het tweede, meer theoretische deel van de studie, dient te illustreren dat een zorgvuldige afweging van vooren nadelen van een bepaalde methode op zijn plaats is. Omdat in de oproep van de studieopdracht ook wordt aangegeven dat het IWSE naast actief opsporen van mistoestanden ook meer wil gaan inzetten op preventiecampagnes, wordt er tot slot ook aan deze strategie (en aan de evaluatie daarvan) aandacht besteed in dit tweede deel. Naast het proactief op zoek gaan naar overtredingen is de reactieve bestrijding van overtredingen, door bijvoorbeeld burgers de mogelijkheid te bieden fraudegevallen aan te geven en door mediacampagnes op te starten die waarschuwen voor de consequenties van het niet naleven van de wetgeving, een belangrijke sleutel om het handelen conform de wetgeving te stimuleren (United Nations, 2004). C. Enkele case studies Een goed theoretisch kader (het tweede deel van de studie) is uiteraard nodig, omdat het duidelijk maakt welke aannames nodig zijn bij het gebruik van een bepaalde methodologie, en omdat het duiding geeft welke methodologie het meest geschikt is in welke omstandigheden. Zo’n kader is echter vrij abstract zonder illustraties uit de praktijk. Bovendien vergt een goede evaluatie niet enkel een grondige kennis van de beschikbare methodologieën en technieken, maar ook de nodige creativiteit, onderzoekservaring en probleemoplossend vermogen. Daarom heeft het derde deel van de studie tot doel gevalsstudies te bespreken, met name evaluatiestudies van monitoring en inspectie, die zich situeren binnen de beleids- of academische wereld. Niet enkel zal aandacht besteed worden aan de resultaten van deze studies, maar vooral aan de aard van de onderzoeksvraag, de gekozen indicatoren, de evaluatiemethode, de praktische problemen die rezen bij de implementatie van de evaluatiemethode en creatieve oplossingen die werden gevonden ten einde de geloofwaardigheid van de studie te vergroten. Dit deel moet dienen als bron van inspiratie en aanleiding tot brainstorming over een evaluatiestrategie voor het IWSE en andere inspectie-organen. Zo zullen studies behandeld worden die de korte- en langetermijneffecten van de Amerikaanse Fair Labor Standards Act (FLSA) en de Occupational Safety and Health Act (OSHA) meten (Bartel en Thomas, 1985; Gray en Jones, 1991; Mendeloff, 2005; Weil, 2005, 2007). Er zal ook worden gekeken naar de aandacht voor impactstudies in de buurlanden. Zo bestaat er in Nederland sinds kort een gelijkaardige interesse voor de evaluatie van toezicht en inspectie, en in 2009 werd er een meerjarenprogramma “effecten van toezicht” opgestart onder de auspiciën van de Inspectieraad. Uit tussentijdse evaluaties en voortgangsrapportages blijkt echter dat de pilootstudies moeizaam van de grond komen. Ook studies uitgevoerd in een context van ontwikkelingslanden kunnen ons potentieel veel inspiratie en bouwstenen opleveren (Björkman en Svenson, 2009; Duflo et al., 2010; Olken, 2007; Qin en Brause, 2007). Ook zal worden aangegeven dat het uitvoeren van een impactstudie belangrijk is, en dat men het niet louter kan houden bij een meta-analyse, dat is, nagaan welke systemen in een bepaald land effectief zijn bevonden om zo een uitspraak te doen over de efficiëntie van de eigen aanpak. Immers, de impact van een bepaalde strategie hangt af van contextgevoelige details, en niet alle werkgevers zullen op dezelfde manier reageren op een bepaald controlemechanisme (Weil, 2008). Bovendien geeft dit derde deel ons de gelegenheid gedeeltelijk te antwoorden op de vraag van het IWSE hoeveel tijd het in beslag zal nemen om een evaluatiestudie te implementeren. Zo zal uit de case studies vaak naar voren komen dat praktische problemen kunnen rijzen en dat het vaak heel wat geduld en diplomatie vergt om de nodige partijen op een rij te krijgen. Veel van het voorbereiden werk, dat nodig is om een evaluatiestudie op te starten, zal echter reeds gebeuren tijdens de VIONA-studieopdracht. 4


D. Praktische aanbevelingen In een vierde deel van de studie dienen dan praktische aanbevelingen voor de evaluatie van het effect (op micro- en macroniveau) van het IWSE te worden uitgewerkt. Suggesties en oplossingen worden aangereikt steunend op een synthese van de bevindingen uit de voorgaande fases van het onderzoeksproject. Bovendien is het de bedoeling dat dit vierde en laatste deel van de studie gebruik maakt van feedback van het IWSE. Acht het IWSE het mogelijk om bepaalde van hun beleidsmaatregelen te evalueren via een pilootproject? Zijn bepaalde alarmsignalen vatbaar voor manipulatie wanneer bedrijven weten dat zij gebruikt worden om non-conform handelen op te sporen? Is er een mogelijkheid om een inspecteur na elke inspectie een korte fiche te laten invullen die dan op bedrijfsindicator kan gemerged worden met bestaande databanken? In dit deel zal dus vooral worden ingegaan op de specifieke doelstellingen, de indicatoren die doelstellingen kunnen meten en de strategie die moet gevolgd worden om een zuivere impactstudie mogelijk te maken. Ook zal, zoals gevraagd door het IWSE in de studieoproep, een schatting gemaakt worden van de tijd die nodig is om de evaluatiestudies uit te voeren. Deze tijd die nodig is bevat de voorbereidingstijd (hoewel een deel van de verkenning van de mogelijkheden reeds dient te gebeuren in de VIONA-studie), en, in het geval van een gerandomiseerd of natuurlijk experiment, de tijd die nodig is om genoeg observaties te verzamelen in zowel de controle- en treatmentgroep. De hoeveelheid observaties die men wil verzamelen hangt dan weer af van de precisie waarmee men effecten wil meten, alsook de variatie tussen de verschillende entiteiten van de indicator(en) die men wil evalueren (zie Raudenbusch et al., 2007). Hoe meer de waardes van indicatoren variĂŤren tussen verschillende entiteiten, hoe meer observaties er nodig zullen zijn om een gewenste precisie te bereiken. Wellicht zal dit deel van de studie genuanceerde oplossingen moeten bieden. Het meten van impact louter op basis van veranderingen in objectieve indicatoren, heeft zijn beperkingen. Stel dat een verhoogd aantal rapportages door het IWSE van non-conform handelen voorafgaan aan wetswijzigingen die het opsporen van mistoestanden moeten faciliteren. Door enkel naar kwantitatieve gegevens te kijken is het wellicht vrij moeilijk om te argumenteren dat de verhoogde rapportages de oorzaak waren van de wetswijzigingen. Diepte-interviews met politici zouden daarom bijkomende nuttige informatie kunnen leveren: kwantitatieve informatie, maar ook kwalitatieve informatie, lijken cruciaal om te komen tot een goed beeld van de impact van het IWSE op de gecontroleerde ondernemingen, op de samenleving en op het gevoerde beleid.

5


Referenties Bartel, A. en L. Thomas. (1985) Direct and Indirect Effects of Regulation: A New Look at OSHA’s Impact. Journal of Law and Economics 28, 1-25. BjÜrkman, M. en J. Svensson (2009) Power to the People: Evidence from a Randomized Field Experiment on Community-Based Monitoring in Uganda. The Quarterly Journal of Economics 124, 735-769. Duflo, E., R.N. Hanna en S.P. Ryan. Incentives Work: Getting Teachers to Come to School. American Economic Review, Forthcoming. Gray, W.B. en C.A. Jones (1991) Longitudinal Patterns of Compliance with Occupational Safety and Health Administration: Health and Safety Regulations in the Manufacturing Sector. Journal of Human Resources 26, 623-653. Imbens, G. en J. Wooldridge (2009) Recent Developments in the Econometrics of Program Evaluation. Journal of Economic Literature 47, 5-86. Mendeloff, J. (2005) The Declining Effects of OSHA Inspections on Manufacturing Injuries, 19791998. Industrial and Labor Relations Review 58, 571-587. Olken, B.A. (2007) Monitoring Corruption: Evidence from a Field Experiment in Indonesia. Journal of Political Economy 115, 200-249. Pacolet, J. en F. De Wispelaere (2008) Ontwikkelen van een Conceptueel Methodologisch Kader voor Risicoanalyse binnen de Entiteit Inspectie Werk en Sociale Economie. Een Onderzoek in Opdracht van de Minister van Werk, Onderwijs en Vorming in het Kader van het VIONAOnderzoeksprogramma. Qin, f. en A. Brause (2007) Does Monitoring Improve Labor Standards? Lessons from Nike. Industrial and Labor Relations Review 61, 3-31. Raudenbusch, S., A. Martinez en J. Spybrook (2007) Strategies for Improving Precision in GroupRandomized Experiments. Educational Evaluation and Policy Analysis 29, 5-29. Rossie, T. (2012) Risicoanalyse Macroanalyse 2012. Departement Werk en Sociale Economie. United Nations (2004) Handbook on Practical Anti-Corruption Measures for Prosecutors and Investigators, Vienna. Weil, D. (2005) Public Enforcement/Private Monitoring: Evaluating a New Approach to Regulating the Minimum Wage. Industrial and Labor Relations Review 58, 238-257. Weil, D. (2007) Crafting a Progressive Workplace Regulatory Policy: Why Enforcement Matters. Comparative Labor Law and Policy Journal 28, 125-154. Weil, D. (2008) A Strategic Approach to Labour Inspection. International Labour Review 147, 349375. Werkgroep Effectmeting IG-Beraad (2005) Leidraad Effectmeting bij Inspecties. WODC, Ministerie van Justitie (2010) Toezicht en Effectmeting: Het Kan. Researchsynthese van Onderzoek Naar de Effectiviteit van Toezichtsinterventies.

6


Website voor het Meerjarenprogramma "Effecten van Toezicht", http://www.inspectieloket.nl/vernieuwing_toezicht/toezichtmeteffect/meerjarenprogramma/ Website Anti-Corruption Research Network, http://corruptionresearchnetwork.org/ Timing

•

Deel 1 en 2, het samenvatten van de stand van zaken van de werkwijze van het IWSE en het theoretische deel zouden tijdens de zomermaanden juli, augustus en september van dit jaar kunnen uitgevoerd worden.

•

Het derde deel, dat academische en beleidsstudies bespreekt inzake impactmeting van toezicht, kan afgewerkt worden tijdens de maanden oktober, november en december van 2012.

•

Het vierde deel, dat concrete suggesties bevat voor het IWSE, dient wat meer uitgespreid te worden over de tijd. Immers, men moet beleidsmakers de kans geven om de output van de voorgaande drie delen te bestuderen, en onderzoekers moeten de kans krijgen om de feedback te verwerken. Het vierde deel zou dan afgerond kunnen zijn tegen 1 juni 2013. Tegen deze datum moet dan een volledig rapport klaar zijn, waarin aan elk gedeelte van het onderzoek een hoofdstuk wordt besteed. Tegen 1 juli 2013 kan hiervan een Engelstalige en Nederlandstalige samenvatting gemaakt worden. Tijdens de zomer van 2013 kan de output van het project nog op andere manieren gevaloriseerd worden.

Valorisatie van het onderzoek De output van het onderzoek dient het volgende te bevatten:

• • •

Een standaard VIONA-rapport met een hoofdstuk voor elke fase van de studie.

•

Bevindingen van het onderzoek kunnen worden gepresenteerd op een (beleids)conferentie. We denken dan aan het jaarlijks arbeidsmarktcongres (georganiseerd door Departement en Steunpunt WSE) maar het ROA speelt ook met het idee om in 2013 een Belgisch-Nederlandse arbeidsmarktconferentie te organiseren waar de resultaten kunnen worden toegelicht in een plenaire zitting.

•

Tot slot zou het onderzoeksproject moeten leiden tot een nieuw onderzoeksvoorstel. Als het IWSE besluit om, op basis van de bevindingen uit het rapport, de huidige werkwijze te evalueren, zouden we hier graag bij betrokken zijn, zeker indien de evaluatie relevant lijkt te zijn voor de internationale literatuur. We zouden dan cofinanciering kunnen aanvragen bij o.a. het Network Social Innovation (http://www.networksocialinnovation.nl/nsi/), dat beleidsrelevant academisch onderzoek stimuleert waarbij een centrum binnen de universiteit Maastricht samenwerkt met een partner buiten de universiteit. Het is voor het ROA belangrijk dat er op termijn een eventuele academische publicatie uit het project kan voortvloeien. Immers, de financieringsregels van VIONA laten ons niet toe de gebruikelijke tarieven aan te rekenen. Werken onder onze tarieven doen we meestal enkel als er op termijn meerwaarden aan het project verbonden zijn, zoals output voor een internationaal academisch tijdschrift.

De vereiste Engelstalige en Nederlandstalige samenvatting. Verder kan er ook nog een Engelstalige overzichtspaper worden geschreven, voor een internationaal publiek. Deze paper kunnen we dan uitbrengen als ROA Research Memorandum en IZA Discussion Paper.

7


Maastricht, 16 mei 2012 Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt

Dr. Frank Cรถrvers Hoofdonderzoeker Arbeidsmarktdynamiek

8


Over de Aanvrager Het ROA (Researchcentrum voor Onderwijs en de Arbeidsmarkt) is ondergebracht bij de Maastricht University School of Business and Economics (i.e. de economische faculteit) en is opgericht in 1986. Het ROA beoogt door het uitvoeren van wetenschappelijk verantwoord onderzoek naar de relatie tussen onderwijs en arbeidsmarkt een bijdrage te leveren aan zowel het academische als het maatschappelijk debat op dit terrein. Daartoe bestudeert het ROA de effecten van kennis en vaardigheden vergaard in onderwijs en andere leersituaties op drie gebieden: wisselwerking tussen arbeidsvraag en -aanbod, beroepsloopbanen, en prestaties binnen organisaties. Ongeveer acht onderzoekers van het ROA zijn lid van het departement Algemene Economie van de faculteit, waaronder vier hoogleraren, en alle onderzoekers participeren in het onderzoeksprogramma The Development and Utilization of Human Resources (DUHR) van de economische faculteit. Verschillende onderzoekers zijn tevens lid van de facultaire onderzoeksschool METEOR. Diverse onderzoekers schrijven een proefschrift en volgen in het kader van hun opleiding cursussen voor PhDs. Verschillende PhDs en postdocs van het ROA hebben beurzen van het Nederlands Wetenschappelijk Onderzoeksfonds (NWO) of worden gefinancierd uit middelen van de economische faculteit. Het ROA bestaat uit ongeveer 40 medewerkers. Onderzoekers van het ROA nemen regelmatig deel aan seminars en congressen aan de universiteit of daarbuiten. Het ROA heeft de laatste jaren heel wat ervaring opgedaan in verband met impactevaluatie, en onderzoek heeft geleid tot publicaties in gerespecteerde internationale vakbladen. Zo werd nagegaan, met behulp van een natuurlijk experiment, wat de effecten zijn van een verhoogde pensioenleeftijd op de investeringen in menselijk kapitaal (Montizaan et al., 2010) en op depressiviteit (de Grip et al., 2012). Ook werd er een gerandomiseerd experiment opgezet om na te gaan of, en via welke mechanismen, on-the-job training een effect kan hebben op productiviteit (de Grip en Sauermann, 2012). Verder werden ook enkele methodologische vorderingen gemaakt bij het identificeren van parameters in niet-experimentele settings (Van Landeghem, 2012a,b). Ook heeft het ROA veel ervaring met afnemen van grootschalige enquĂŞtes, een expertise die van pas kan komen bij het operationaliseren van de impactstudies, waarbij vooral gedacht wordt aan het evalueren van de impact van het IWSE op wetgeving en maatschappelijke veranderingen. Tot slot zit het ROA ook in een opstartfase van een impactstudie van het arbeidsmarktbeleid in samenwerking met de VDAB en het Departement WSE. Beide projecten kunnen positieve spillovers voor elkaar genereren, bv. door kennisname van verschillende databronnen en mogelijkheden om deze met elkaar te koppelen. Een beknopte CV van de drie onderzoeksverantwoordelijken wordt toegevoegd in de bijlage. Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) is een onderzoeksinstituut van de School of Business and Economics (SBE) van de Universiteit Maastricht. Het ROA is ondergebracht bij de Stichting LIBER dat het contractonderzoek beheert van de SBE. Adres: P.O. Box 616, 6200 MD, Maastricht, The Netherlands de Grip, A., M. Lindeboom en R. Montizaan (2012) Shattered Dreams: The Effects of Changing the Pension System Late in the Game. Economic Journal 122, 1-25. de Grip, a. en J. Sauermann (2012) The Effects of Training on Own and Co-worker Productivity: Evidence from a Field Experiment. Economic Journal 122, 376-399. Montizaan, r., F. CĂśrvers en A. de Grip (2010) The Effects of Pension Rights and Retirement Age on Training Participation: Evidence from a Natural Experiment. Labour Economics 17, 240-247. Van Landeghem, B. (2012a) A Test for the Convexity of Human Well-Being over the Life Cycle: Evidence from a 20-Year Panel. Journal of Economic Behavior and Organization 81, 571-582. Van Landeghem, B. (2012b) Panel Conditioning and Subjective Well-Being: Evidence from International Panel Data and Repeated Cross-Sections. Paper Prepared for the 2012 Meeting of the European Economic Association, Malaga. 9


Dr. Bert G.M. Van Landeghem General Information Date of birth: 26/01/1982 Place of birth: Ekeren (Belgium) Gender: Male Nationality: Belgian Contact Details ROA Research Centre for Education and the Labour Market Tongersestraat 53, 6211 LM Maastricht, the Netherlands. Tel.: +31 43 3883852 Mobile: +32 497 391493 E-Mail: B.VanLandeghem@maastrichtuniversity.nl Research interests Land and Credit Markets; Active Labour Market Policies; Applied Microeconometrics; Measurement and Determinants of Well-Being. Education 2005-2010: PhD in Economics, University of Leuven, Belgium. September 2007 - January 2008: Research visit at the University of Warwick, United Kingdom. 2004-2005: Master of Advanced Studies in Economics, University of Leuven (high distinction). 2000-2004: Master of Arts in Economics, University of Leuven, (distinction). September 2003 - January 2004: Exchange Student at the University of Southampton, United Kingdom. 1994-2000: Humanities, Greek-latin, College van het Eucharistisch Hart, Essen, Belgium. Working Papers Christiaensen, L., & B. Van Landeghem (2010). Whose Poverty Is It Anyway? The Place of Subjectivism in Measuring Poverty - Insights from Mali. mimeo. Van Landeghem, B. (2011). Human Well-Being and Adaptation to Income: Panel Data Evidence Across Countries. mimeo. Van Landeghem, B. (2012). Panel Conditioning and Subjective Well-Being: A Comparison of Results from International Panel Data and Repeated Cross-Sections. Mimeo. Publications Blanchflower, D.G., A.J. Oswald, & B. Van Landeghem (2009). Imitative Obesity and Relative Utility. Journal of the European Economic Association, 7, 528-538. Van Landeghem, B. (2009). The Course of Subjective Well-Being over the Life Cycle. Schmollers Jahrbuch / Journal of Applied Social Science Studies, 129, 261-267. Van Landeghem, B., J. Swinnen, & L. Vranken (Forthcoming). Land and Happiness: Land Distribution and Subjective Well-Being in Moldova. Eastern European Economics. Van Landeghem, B. (2012). A Test for the Convexity of Human Well-Being over the Life Cycle: Evidence from a 20-Year Panel. Journal of Economic Behavior and Organization 81, 571-582. Presentations at International Conferences Oxford GPRG-Conference, Oxford, United Kingdom, March 2007; 8th International German SocioEconomic Panel Users Conference, Berlin, Germany, July 2008; 12th Congress of the European Association of Agricultural Economists, Ghent, Belgium, August 2008; Well-Being Conference, Cassino, Italy, September 2008; The HEIRS Conference, Venice, Italy, June 2009; The 4th Italian Congress of Econometrics and Empirical Economics, Pisa, Italy, January 2011; 10


The Royal Economic Society Conference 2011, London, United Kingdom, April 2011; The IZA Workshop on Sources of Well-Being, Bonn, Germany, October 2011.

Presentations at Seminars University of Bern (Switzerland); University of Leuven (Belgium); University of Rome Tor Ver- gata (Italy), University of Warwick (United Kingdom); Maastricht University (The Netherlands), Institute for the Study of Labor (Germany). Refereeing Journal of Economic Behavior and Organization, Journal of Wine Economics, Journal of Applied Social Science Studies. Press Coverage The research on obesity as well as on well-being over the life cycle has received attention in both the national and international written and spoken press in August 2008 and April 2011. Professional Experience April 2010 - Current: Postdoctoral researcher at ROA Research Centre for Education and the Labour Market. October 2005 - April 2010: Research/teaching assistant at LICOS Centre for Institutions and Economic Performance (University of Leuven). Teaching assistance for courses ‘Development Economics’, ‘Problems of the Developing Countries’, ‘Advanced Development Economics’, ‘Introductory Economics’. Supervision of undergraduate and master dissertations. Research assistance (planning and organizing seminars, workshops and conferences). December 2009: Short-term consultancy for the OECD. July-September 2004: Volunteer work for the NGO TRIAS: putting together a database of MFI-FIS (Financial Intermediaries for Microfinance Institutions) and their properties. Grants and Awards October 2004 - September 2008: Ph.D. scholarship awarded by the University of Leuven. November 2010 - November 2011: Postdoctoral RUBICON grant, awarded by the Dutch Organization for Scientific Research (NWO). Language Skills Dutch: native. English and French: fluent. German: basic knowledge. Computer Skills Proficient with Microsoft applications Word, Excel, Outlook and Powerpoint. Experienced with the statistical software package Stata. Advanced working knowledge of the typesetting language LaTeX.

11


CV Dr. Frank Cörvers (1966) frank.corvers@maastrichtuniversity.nl Frank Cörvers (1966) studeerde algemene economie aan de universiteiten van Hannover en Maastricht. Hij studeerde in 1991 af aan de Universiteit Maastricht op de relatie tussen corporatisme en macro-economische prestaties. Vervolgens werkte hij als docent bij de Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde aan de Universiteit Maastricht, en als onderzoeker bij het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA). Vanaf 1998 werkte hij bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in Heerlen, waar hij onder meer hoofd was van de taakgroep Inkomensinformatiesysteem. In 1999 is hij gepromoveerd op de invloed van investeringen in onderwijs en training op de internationale concurrentiepositie van industriesectoren. Vanaf september 2000 is hij weer in dienst bij het ROA, waar hij verantwoordelijk voor het onderzoeksprogramma Arbeidsmarktdynamiek. Binnen dit onderzoek staat de modellering van de vraag- en aanbodontwikkelingen op de arbeidsmarkt centraal, hetgeen onder andere resulteert in arbeidsmarktprognoses naar opleiding en beroep. Frank Cörvers publiceerde diverse onderzoeksrapporten voor opdrachtgevers van onder andere ministeries, provincies, Europese instellingen, en onderwijs- en branche-organisaties. Hij heeft veel ervaring met complexe, langdurige projecten waar meerdere opdrachtgevers bij betrokken zijn. Zijn recente publicaties in nationale en internationale tijdschriften gaan over onder meer reintegratie, arbeidsmarktflexibiliteit, de arbeidsparticipatie van mannen en vrouwen, migratie en brain drain, en de betekenis van regionale arbeidsmarkten. Een uitgebreide beschrijving is te vinden op http://www.roa.unimaas.nl/cv/Coervers/coervers.htm

Huidige functie Hoofdonderzoeker Arbeidsmarktdynamiek bij het Researchcentrum Arbeidsmarkt (ROA) aan de Universiteit Maastricht.

voor

Onderwijs

en

Affiliaties Departementslid bij Algemene Economie (Universiteit Maastricht), fellow bij onderzoeksschool METEOR en Network Social Innovation (NSI, Universiteit Maastricht), Fellow bij Netspar, lid van de Raad van Toezicht van Citaverde College (Roermond) Werkervaring 1999-2000 1998-1999

1992-1998 1991-1992

1989

1988-1990

12

Centraal Bureau voor de Statistiek te Heerlen: Taakgroepchef Inkomens Informatie Systeem bij de sector Inkomen en Vermogen Centraal Bureau voor de Statistiek te Heerlen: Projectleider berichtgeverscommunicatie en imputatietechnieken bij de sector Commerciële Dienstverlening Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt te Maastricht: Onderzoeker Faculteit der Economische Wetenschappen, Universiteit Maastricht, Vakgroep Bedrijfseconomie: Docent bij financiering, berichtgeving, strategisch management en interne organisatie Handwerkskammer Rheinhessen te Mainz, Duitsland: Medewerker van de afdelingen rechtszaken, om- en nascholing en fraudebestrijding; stageplaats in het kader van een internationaal uitwisselingsprogramma Faculteit der Economische Wetenschappen, Universiteit Maastricht: Tutor bij marketing, financiering, organisatie, overheidsfinanciën, micro- en macroeconomie


1986-1988

1984

Faculteit der Economische Wetenschappen, Universiteit Maastricht, Vakgroep Algemene Economie: Onderzoeksassistent bij onderzoek naar het regionaal ontwikkelingspotentieel Langen BV te Geleen, internationaal transportbedrijf: Administratief medewerker

Cursussen en trainingen 2010 Universiteit Maastricht, Postgraduate cursus Overtuigen en veranderen 2009 Teacher qualification (BKO, Basis Kwalificatie Onderwijs) 2004-2005 Krauthammer International, leiderschap en skills training 2000 Bureau Cirkels, training persoonlijk leiderschap voor leidinggevenden 1999-2000 Volksuniversiteit, introductiecursus Spaans 1999 Bureau Cirkels, training managementvaardigheden voor leidinggevenden 1999 CBS, SPSS-cursus Multivariate Technieken 1998 NIMO, opleiding Projectmatig Werken 1994 Worldneth, cursus Engels schrijfvaardigheid 1993-1994 Landelijk Netwerk voor Algemene en Kwantitatieve Economie, diverse cursussen waaronder arbeidseconomie, internationale handel, econometrie 1993-1994 Nederlandse Woonbond, diverse cursussen volkshuisvesting waaronder financiering, huurdersbelangen, volkshuisvestingsrecht 1993 Worldneth, cursus Engels presentatietechnieken Consultancy 2012 2011 2011 2010

2008

2008

2007

2007 2006

2005 2004-2005 2004-2005

Consultant voor opzet van arbeidsmarktinformatiesysteem voor Vietnamese delegatie van het Ministerie van Arbeid, Maastricht Consultant voor de World Bank voor arbeidsrelaties in Nederland, New York Consultant voor arbeidsmarktprognoses voor Poolse delegatie van de Universiteit van Warschau, Maastricht Co-organiser voor een studiebezoek op arbeidsmarktthema’s voor een Marokaanse ministeriÍle delegatie, op verzoek van het Ministerie van SZW, Maastricht Organiser van een studiebezoek op het terrein van arbeidsmarkt, onderwijs en training voor een delegatie van de Egyptische Education, Training and Employment Observatory en vertegenwoordigers van Egyptische ministeries, werkgevers en het Central Statistics Agency, Maastricht Consultant voor manpower forecasting issues voor Maleisische delegatie (Centre for Human Resource Development and Labour Market) and Koreaanse delegatie (KEIS), Maastricht Expert in the Welsh Peer Review on matching skills supply and demand, Mutual Learning Programme of the European Employment Strategy, European Commission - DG Employment, Cardiff Expert in workshop on Identifying emergent Job Profiles and their Skill Needs, DG Employment, Brussel Expert in de Finnish Peer Review on forecasting skills and labour market needs, Mutual Learning Programme of the European Employment Strategy, European Commission - DG Employment, Helsinki Expert voor OECD missie naar Nederland op het terrein van innovatie en productiviteitsgroei, in voorbereiding op de 2005 Economic Survey, Den Haag Consultant on manpower forecasting issues for various Korean delegations (Kotef, Kedi, Korean Ministry of Education, Krivet), Maastricht Consultant voor de Ministry of Labour and Social Development of the Russian Federation, Moskou/Maastricht 13


Enkele recente Engelstalige publicaties - D. Bertrand-Cloodt, F. Cörvers, B. Kriechel, J. van Thor (2012), ‘Why do recent graduates enter into flexible jobs?’, De Economist, Vol. 160, pp. 157-175. - F. Cörvers, R. Euwals, A. de Grip (2012), ‘Flexibility of the labour market’, De Economist, Vol. 160, pp. 83-87. - F. Cörvers, R. Euwals, A. de Grip (2011), Labour Market Flexibility in the Netherlands, The role of contracts and self-employment, CPB/ROA, Den Haag. - L. Borghans and F. Cörvers (2010), The Americanization of European Higher Education and Research, in: C.T. Clotfelter (ed.), American Universities in a Global Market, NBER, The University of Chicago Press, Chicago and London, pp. 231-267. - R. Montizaan, F. Cörvers, A. De Grip (2010), The effects of pension rights and retirement age on training participation: Evidence from a natural experiment, Labour Economics, Vol. 17, pp. 240247. - F. Cörvers and A. Dupuy (2010), Estimating employment dynamics across occupations and sectors of industry, Journal of Macroeconomics, Vol. 32, pp. 17-27. - M. Hensen, R. de Vries, F. Cörvers (2009), The role of geographic mobility in reducing education-job mismatches in the Netherlands, Papers in Regional Science, Vol. 88, pp. 667-682. - F. Cörvers, M. Hensen, D. Bongaerts (2009), The delimitation and coherence of functional and administrative regions, Regional Studies, Vol. 43, pp. 19-31. - M. Vendrik, F. Cörvers (2009), Dynamics of Dutch labour force participation: empirical evidence and policy implications, in: Contributions to the international scientific Conference 24orMore held in Amsterdam on 5 and 6 November 2009, International conference on increasing female labour participation. Conference proceedings, Task Force Part-Time Plus, The Hague, pp. 86-100. - Cedefop (2008), Future Skill Needs in Europe, Medium-term Forecast, Synthesis Report, European Centre for the Development of Vocational Training, Thessaloniki, Luxembourg. - B. Kriechel, F. Cörvers and H. Heijke (2008), Regional Labour Market Forecasts in the Netherlands, in C. Knobel, B. Kriechel and A. Schmid (eds), Regional Labour Market Forecasting, Rainer Hampp Verlag, Mering, pp. 38-51.

Enkele recente Nederlandstalige publicaties - F. Cörvers, R. Euwals, A. de Grip (2011), ‘Zonder flexibele contracten meer werkloosheid?’ in Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde, Jaarboek 2011, Sdu, Den Haag, pp. 160163 (eerder als gepubliceerd in Me Judice, jaargang 4, 4 februari 2011). - J. Sanders, F. Cörvers (2010), Re-integreren is vooruitzien!, Aan de slag, Vol. 10, No. 7/8, pp. 29-31. - W. Smits, R. de Vries, F. Cörvers, R. Montizaan (2010), Passend werk na werkloosheid of inactiviteit, Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, Vol. 26, pp. 214-222. - F. Cörvers (2010), Immigratie en werkloosheid, Economisch Statistische Berichten, Vol. 95, No. 4581, p. 176. - F. Cörvers, S. Dijksman, B. Kriechel, R. Montizaan (2010), Vervangingsvraag naar beroep en stromen op de arbeidsmarkt, ROA-TR-2010/3, Maastricht University. - F. Cörvers (2009), De arbeidsmarktperspectieven voor arbeidsongeschikten: Het belang van opleiding, Maandblad Reïntegratie, Vol. 9, No. 3, pp. 9-11. - F. Cörvers (2009), Concentratie van technieklocaties in het MBO, De invloed op de studiekeuze van leerlingen in Zuidoost-Nederland, in M. Boekenoogen, P. van Hoesel, Y. Prince, Ca. Verheijen (red.), Methoden van beleidsonderzoekers: creatief en oplossingsgericht, Den Haag, pp. 69-78. - F. Cörvers, J. Muysken, C. de Neubourg, A. Schliwen (2009), Arbeidsmigratie, in WODC, Migratie naar en vanuit Nederland - een eerste proeve van de Migratiekaart, Cahiers 2009-03, WODC/Maastricht University, Den Haag, pp. 43-92. - L. Borghans, F. Cörvers, B. Kriechel and R. Montizaan (2007), Productiviteit, beloning en arbeidsparticipatie van ouderen, Rapport voor het Ministerie van Economische Zaken, ROA-R2007/5, Maastricht. - J. Muysken, F. Cörvers en T. Ziesemer (2007), Immigratie als wapen in de strijd tegen de vergrijzing, Kwartaalschrift Economie, Vol. 4, Themanummer Vergrijzing, pp. 475-496.

14


Prof. dr. Andries de Grip is Head of the research department “Employment and Training” at the Research Centre for Education and the Labour Market (ROA) and Professor of Economics at the School of Business and Economics, Maastricht University. Furthermore, he is research fellow at IZA, METEOR Netspar and NSI. He graduated in economics at the Free University of Amsterdam ('cum laude'), where he also wrote his PhD thesis on 'Education and the Labor Market: schooling mismatches'. He has published many articles in both international and national journals, among which Economic Journal, Oxford Economic Papers, Industrial and Labor Relations Review, Economics Letters, Labour Economics, Research Policy, Applied Economics, International Labour Review, Economics of Education Review, International Journal of Human Resource Management, and the International Journal of Forecasting. Furthermore, he has been project leader of a large number of labor market research projects on behalf of the European Commission, OECD, the Dutch Ministries of Education, Social Affairs and Economic Affairs, Public Employment Services, pension funds, employers’ organizations, training funds, and many other organizations. His expertise includes the fields of human capital development, skills obsolescence, aging, skill mismatches and human resource management. A full CV is available at www.roa.nl

15


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Effect_en_impactmeting_IWSE_onderzoeksvoorstel.pdf by Vlaanderen-be - Issuu