Skip to main content

procesevaluatievandewerkwinkels_deelrapport1.pdf

Page 1

NAAR ÉÉN LOKET VOOR WERK. RUIMTELIJKE OPTIMALISATIE EN EVALUATIE VAN DE HUIDIGE LOKALISATIE VAN DE WERKWINKELS

DEELRAPPORT 1

K. STUYCK & PROF. DR. E. VAN HECKE ONDERZOEKSGROEP SOCIALE EN ECONOMISCHE GEOGRAFIE, KULEUVEN

2007

Een onderzoek in opdracht van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming, in het kader van het VIONA-onderoeksprogramma. Met ondersteuning van het departement Werk en Sociale Economie en het ESF. EFS: de Europese bijdrage tot de ontwikkeling van de werkgelegenheid door inzetbaarheid, ondernemerschap, aanpasbaarheid en gelijke kansen te bevorderen en door te investeren in menselijke hulpbronnen.


Dit rapport kwam tot stand in het kader van het Viona-onderzoek ‘Procesevaluatie van de werkwinkels. Evaluatie van de netwerkbenadering en de ruimtelijke spreiding van de werkwinkels en contactpunten’. Het vormt samen met het HIVA-rapport over de huidige spreiding, het gebruik en het partnerschap en het syntheserapport een drieluik. De rapporten zijn:

Stuyck, K. & Van Hecke, E. (2007) Naar één loket voor werk. Ruimtelijke optimalisatie en evaluatie van de huidige lokalisatie van de werkwinkels. Deelrapport 1, Leuven: Onderzoeksgroep Sociale en Economische Geografie. Van Hemel, L. & Struyven, L. (2007) Naar één loket voor werk. Evaluatie van de ruimtelijke spreiding, het gebruik en het partnerschap van de werkwinkel. Deelrapport 2, Leuven: HIVA. Struyven, L., Van Hecke, E., Van Hemel, L. & Stuyck, K. (2007) Naar één loket voor werk. Synthese en aanbevelingen over de ruimtelijke spreiding en het partnerschap van de werkwinkel. Syntheserapport, Leuven: HIVA/Sociale en Economische Geografie.

2


DEELRAPPORT 1: NAAR ÉÉN LOKET VOOR WERK. RUIMTELIJKE OPTIMALISATIE EN EVALUATIE VAN DE HUIDIGE LOKALISATIE VAN DE WERKWINKELS

PROF. DR. ETIENNE VAN HECKE KAREN STUYCK ONDERZOEKSGROEP SOCIALE EN ECONOMISCHE GEOGRAFIE KULEUVEN

I.

METHODE

Situering In Vlaanderen bestaan er verscheidene ruimtelijke indelingen, opgesteld in functie van diverse dienstverleningen. Elke dienst heeft zijn eigen noden, waardoor de criteria voor de ruimtelijke inplanting en voor de afbakening van verzorgingsgebieden verschillen. Deze criteria bepalen, samen met de beschikbare budgetten (als het gaat over overheidsdiensten), het aantal mogelijke inplantingen. Aangezien verschillende dienstverleningen vaak onderlinge raakpunten hebben, is frequent de wens geuit om verschillende ruimtelijke indelingen op elkaar te laten afstemmen. Welzijnwerkers werken bijvoorbeeld binnen een gegeven kader, maar moeten voor bepaalde probleemgevallen terugvallen op politiediensten. De ruimtelijke begrenzing van deze beide diensten valt echter niet samen. In dat perspectief heeft de administratie gezondheids- en welzijnszorg van de Vlaamse gemeenschap de wens geuit om zorgregio’s in het leven te roepen, die de verschillende diensten van welzijn en gezondheid omvatten. Daarenboven werd er gevraagd om een hiërarchiesering van de zorgregio’s door te voeren, zodanig dat zorgregio’s van het basisniveau zouden kunnen gegroepeerd worden naar een aantal zorgregio’s van hogere orde. In de centrale plaats van een zorgregio van hogere orde worden dan minder gebruikelijke diensten aangeboden, die omwille van hun kostprijs en gebruiksfrequentie op een geringer aantal plaatsen aanwezig moeten zijn. Zulk instrument is een beleidsinstrument. Daarnaast bestaat er ook een historisch gegroeide hiërarchisering van de administratieve of gerechtelijke organisatie van het Gewest of het Rijk. Deze hiërarchiesering omvat onder andere de gemeenten, de administratieve arrondissementen en provincies, de gerechtelijke kantons, de gerechtelijke arrondissementen,…Omwille van historische en administratieve inertie is het provinciale niveau belangrijk, zodanig dat bij de indeling van overheidsdienstverleningen vaak expliciet rekening gehouden wordt met de provinciegrenzen. Dat regio’s voor alle types dienstverlening dezelfde grenzen zouden hebben, is niet realistisch. Ten eerste omdat de criteria voor elke dienstverlening min of meer verschillen. Ten tweede omdat het

3


aantal inplantingen om budgettaire of organisatorische redenen vaak varieert. Daarenboven moet men bij dienstverlening ook rekening houden met de aard van de aangeboden diensten en de hieraan gekoppelde verplaatsingen: Er zijn diensten waarbij de dienst zich verplaatst (bv. de brandweer), maar meestal is het de ‘klant’ die zich verplaatst (bv. Werkwinkels). Bovendien zijn er diensten waarbij zowel de dienst als de ‘klant’ zich kan verplaatsen (bv. Politie).

Concretisering voor werkwinkels Werkwinkels beantwoorden aan het type dienst waarbij de consument zich uitsluitend naar de dienst verplaatst. De centrale plaatsen komen dan overeen met de potentiële locatie van de werkwinkels. Zo zullen er centrale plaatsen van verschillende niveaus bestaan. Het theoretisch aantal gewenste centrale plaatsen wordt bepaald door de noden eigen aan de dienst: hoeveel klanten moeten/kunnen er bediend worden per dienst? Daarnaast bepalen een aantal beperkingen, eigen aan de klant-dienst relatie, het exacte aantal. Zo zal de dienst zijn efficiëntie verliezen indien de inspanningen die de burger moet leveren om het bedieningspunt te bereiken, te groot worden. Een maximale afstand die de klant bereid is naar de dienst af te leggen, zal daarom mede bepalend zijn voor een goede werking. In de startfase werden een aantal criteria vooropgezet zoals een maximum van 140 werkwinkels, een maximale tijdsafstand van 30 minuten. Vooraleer we van start gaan met het uitbouwen van het ruimtelijk model, werden het minimale en maximale gewogen doelpubliek dat in een werkwinkel geholpen kan worden, geactualiseerd. De verschillende criteria die voldoen aan volgende formule werden geactualiseerd: GEWOGEN DOELPUBLIEK = (NWWZ*1.35) + (LFL*1.78) + (WWZ * 1) + (NWNWZ* 0.05) + (WNWZ*0.005) NWWZ= niet-werkende werkzoekenden (geg 2005) LFL= Personen die terugvallen op een leefloon (geg 2004) WWZ= werkende werkzoekenden (geg 2005) NWNWZ= Niet-werkende niet-werkzoekenden WNWZ= werkende niet-werkzoekenden De doelgroepen, niet-werkende werkzoekenden, leefloners en werkende werkzoekenden werden door de stuurgroep die instond voor de begeleiding van de opstarting van de werkwinkels als prioritair aangeduid. Aan de doelgroepen niet-werkende werkzoekenden (1.35) en bestaansminimumtrekkers (1.78) werd een verhoogde weging toegekend. Deze verhoogde weging resulteert uit de beleidsprioriteiten van de Vlaamse regering ten aanzien van deze doelgroepen en is gebaseerd op een verhoging van de beschikbare consulententijd voor deze doelgroepen. De huidige norm van de VDAB (consulententijd/eenheid doelpubliek) ligt op 2.275 uur. Uitgaande van een berekende minimale en maximale afdekking van het beoogde doelpubliek (= werkbare bezetting van een werkwinkel in voltijdse equivalenten), werd de ondergrens voor het opstarten van een werkwinkel door de stuurgroep in 2000 vastgelegd op 0.45% van het gewogen totale doelpubliek (wat overeenkomt met 1920

4


eenheden gewogen doelpubliek). De bovengrens werd vastgelegd op 1.81% (of 7680 gewogen eenheden doelpubliek). Voor deze geactualiseerde versie kiezen we ervoor om te werken met de minimum- en maximumgrens van het aantal eenheden gewogen doelpubliek. Het werken met de minimum- en maximumpercentages zou immers zorgen voor een verhoogde werkdruk (of voor een toename van het aantal personeelsleden) aangezien het totale doelpubliek tussen 2000 en 2005 toegenomen is met 70301 eenheden. Eerste fase Om tot een operationeel inplantingsmodel te komen werden volgende criteria in acht genomen: 1. De omgeving waar de werkwinkel wordt ingeplant, heeft een hoge bevolkingsconcentratie om op deze wijze zoveel mogelijk ‘klanten’ op korte afstand te kunnen bedienen. Het is een gemeente waar liefst de minimale drempel bereikt is, of in een groep aangrenzende gemeente is het die gemeente met de hoogste score. 2. De plaats waar de werkwinkel wordt ingeplant is goed bereikbaar (ook wat betreft de bereikbaarheid met het openbaar vervoer). 3. Terwijl het eerste en tweede criterium klantgericht zijn, zal het derde criterium gericht zijn op de richting van de overheersende werkpendelfluxen. De gemeenten die een overheersende pendelflux naar de gemeente met de werkwinkel hebben, kunnen eveneens opgenomen worden. Zo kunnen ‘klanten’ van een werkwinkel zich afstemmen op bedrijven van een bepaalde zone. Ook omgekeerd is het mogelijk om de band tussen bedrijven (een variabele die niet opgenomen is in bepaling voor de minimale drempel) en werkwinkels aan te moedigen. Om tot een operationeel inplantingsmodel te komen werd volgende werkwijze gevolgd: - In grote, regionale en kleine steden werd steeds een werkwinkel voorzien. De gevolgde logica heeft betrekking op het feit dat een stad steeds een zwaartepunt in de bevolkingsspreiding is, zodat de afstand van de burger tot de werkwinkel beperkt blijft. Voor de burgers die verder wonen is het centrum van een stad in de regel goed bereikbaar met het openbaar vervoer, aangezien deze centripetaal altijd de beste bediening geeft. - Vervolgens worden die gemeenten bij de stad gevoegd, die op korte afstand liggen en er in regel goed mee verbonden zijn. Vaak is het, omwille van de bereikbaarheid, logisch om er één kring gemeenten rond de stad bij te voegen. Voor de regionale steden stelt het probleem zich dat deze steden reeds recht hebben op één of meerdere werkwinkels. Nochtans is een centrale lokalisatie de meest voor de hand liggende oplossing. Een werkwinkel inplanten in een randgemeente, die verantwoordelijk is voor een kring gemeenten, is immers niet werkbaar. Indien er niet gekozen wordt voor een centrale werkwinkel, moeten groepjes gemeenten rond de stad gevormd worden, die tevens groot genoeg zijn om een werkwinkel te kunnen herbergen. Deze methode wordt in het bijzonder gevolgd wanneer er rond de stad een tweede kring gemeenten aanwezig is, waarbij deze gemeenten duidelijk op deze centrale regionale stad afgestemd zijn en tevens niet bij een kleine stad kunnen aansluiten. Deze tweede kring gemeenten bij de centrale stad voegen zou ten eerste aanleiding geven tot te grote afstanden, maar vooral tot een te groot, onwerkbaar geheel. Voor de grote steden is deze werkwijze ook van toepassing. In het bijzonder rond de stad Antwerpen is het

5


-

-

aantal gemeenten die horen tot de attractiesfeer en het werkbekken van Antwerpen groot. Omwille van het verloop van het openbaar vervoer (en het wegennet) in deze regio, vormen een aantal groepen eerder een uitgerekte zone dan een cirkelvormige zone. De overblijvende gemeenten worden gegroepeerd rond een niet-stedelijke gemeente. Veelal is dit de grootste gemeente van de overblijvende groep, waarmee een zo goed mogelijke bereikbaarheid bestaat. Indien de overblijvende leemten geen aanleiding kunnen geven tot een zinvolle groep, worden deze gemeenten toch bij dichtstbijzijnde stedelijke groep gevoegd. Omwille van de lage bevolkingsdichtheid, en de hieruit resulterende grote oppervlakte zijn er enkele zones afgebakend die de minimale drempel niet bereiken. Dit is bijvoorbeeld het geval voor Poperinge.

Tweede fase: de afstand en dekkingsgraad De voorstellen voor de inplanting van de werkwinkels zoals uitgelegd in de eerste fase, zijn qua lokalisatie voor de hand liggend: zij zijn verhoudingsgewijs voor veel bewoners gemakkelijk bereikbaar aanzien ze in dichtbevolkte kernen ingeplant zijn. Daarenboven beantwoordt hun centrale ligging voor de burgers die op grotere afstand wonen aan een goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer. Bovendien zijn het plaatsen die de bewoners van het gedefinieerde ommeland aandoen voor de aankoop van periodieke goederen of diensten, vaak zelfs voor de courante aankoop van goederen of diensten. In deze tweede fase wordt er geĂŤvalueerd of de afgelijnde gebieden qua oppervlakte niet te groot zijn. Deze evaluatie verloopt als volgt. De kern van de fusiegemeente (spilgemeente) wordt aangeduid als centrale plaats voor de werkwinkel aangezien we van de veronderstelling uitgaan dat de werkwinkel centraal wordt ingeplant. Vervolgens wordt de bevolking van alle statistische sectoren waarvan het zwaartepunt op minder dan een bepaalde afstand van de aangeduide werkwinkel ligt, opgeteld. De verhouding tussen dit bevolkingsaantal en de totale bevolking van het (voorlopig) afgebakende gebied laat toe het aandeel van de burgers te beoordelen die op minder dan een vooropgestelde afstand van de werkwinkel wonen. Omwille van de afwezigheid van data op het niveau van de statistische sector, is het niet mogelijk om het gewogen doelpubliek per statistische sector te berekenen (dit is wel berekend op het niveau van elke gemeente). Er wordt dus van de veronderstelling uitgegaan dat de kenmerken van de bevolking homogeen verdeeld zijn over de ruimte. De verhouding tussen de bevolking die binnen een bepaalde afstandszone woont en de totale bevolking wordt eveneens toegepast op het gewogen doelpubliek per werkwinkel. Hieruit kunnen we het gewogen doelpubliek dat op meer dan een vooropgestelde afstand woont, aflezen. Deze rest kan afgewogen worden ten opzichte van de vooropgestelde minimumdrempel (1920). Theoretisch betekent dit dat er onderzocht moet worden of er een bijkomende werkwinkel kan/moet worden ingeplant. Hierbij moet evenwel rekening gehouden worden met de geografische situatie. Verscheidene geografische situaties kunnen zich voordoen. Zo kunnen de niet-gedekte zones zich bijvoorbeeld op een concentrische afstand van het centrale punt bevinden, waarbij er dus geen sprake zal zijn van een bijkomende inplanting. De basis-afstand die we vooropstellen is 7,5km. Dit is een half uur fietsen, 10 tot 20 minuten met de wagen naargelang men zich op het platteland of in de stad bevindt, en maximaal een half uur met het

6


openbaar vervoer. Bijgevoegde kaarten (zie kaart 1-4) geven voor het finale voorstel de bufferzone weer rond elke werkwinkel en daarbij dus ook de niet-bediende zones. Indien een verdichting of een nog betere bereikbaarheid wordt nagestreefd kan de afstand verkleind worden. Alle gegevens werden daarom eveneens berekend op een afstand van 5 km van de werkwinkel. Het berekenen van een bufferzone van 10 km maakt duidelijk dat bijna de totaliteit van Vlaanderen door de 88 aangeduide werkwinkels bediend kan worden (zonder hierbij rekening te houden met ontdubbelingen binnen de steden) Gebruikte bronnen •

Hiërarchie van steden en gemeenten (E. Van Hecke, 1998/3, Tijdsschrift Gemeentekrediet)

•

Bevolkingscijfers (Rijksregister)

•

De lijn (www.delijn.be)

•

Pendelfluxen (sociaal-economische enquête, 2001)

•

Gegevens werkwinkels (VDAB)

7


II.OPERATIONALISERING PER PROVINCIE II.1. WEST-VLAANDEREN Een eerste indeling houdt geen rekening met de administratieve grenzen van de lokale klantencentra (LKC’s). Deze classificatie biedt de beste oplossing met betrekking tot de bereikbaarheid van de werkwinkel en houdt eveneens rekening met de pendelfluxen van de werkbevolking. In het LKC Brugge zou een eerste werkwinkel in Torhout gelokaliseerd kunnen worden. We stellen voor om de gemeente Ichtegem van het LKC Oostende-Westhoek eveneens op deze werkwinkel af te stemmen. De gemeente Ichtegem is in de eerste plaats op de kleine stad Torhout afgestemd, waarnaar ook de beste verbinding met het openbaar vervoer bestaat. Daarnaast is de pendelstroom in de eerste plaats op de gemeente zelf gericht, terwijl de pendel naar Brugge en Zedelgem van dezelfde grootteorde is als die naar Oostende. De gemeente Koekelare van het LKC Oostende-Westhoek vormt eveneens een probleem. Deze gemeente is qua arbeidsmarkt meer op Oostende dan op Brugge gericht, maar de pendelfluxen tekenen zich niet dominant af, wegens de geografische ligging. Koekelare is, wat het openbaar vervoer betreft, eveneens slecht verbonden met Oostende. Daarentegen zijn er wel verbindingen met Ichtegem, Torhout en Zedelgem. Een eerste oplossing zal de gemeente bijgevolg bij de werkwinkel van Torhout voegen. Voor een tweede oplossing zouden de twee gemeenten Ichtegem en Koekelare in een werkwinkel van Oostende kunnen ondergebracht worden. Dit beantwoordt echter aan een te grote afstand en derhalve zou er beter een werkwinkel gelokaliseerd kunnen worden tussen Torhout en Oostende. Dit zou theoretisch gerealiseerd kunnen worden door de vier gemeenten Koekelare, Ichtegem, Gistel en Oudenburg samen te nemen. Deze vier gemeenten behalen samen de vereiste drempel. Deze oplossing is echter minder voor de hand liggend, aangezien er geen openbaar vervoer is tussen Koekelare en Gistel en tussen Oudenburg en Gistel. Een centraal punt zou hier zodoende niet beantwoorden aan een centrale bereikbaarheid. Deze uitbreiding naar het westen toe, geeft aanleiding tot een eigenaardige vorm, doch is het zo dat Koekelare qua arbeidsmarkt niet op Roeselare of Diksmuide gericht is. Het samennemen van Koekelare met Diksmuide is daarom niet voor de hand liggend. Indien we binnen de grenzen van LKC Brugge blijven, zal de werkwinkel van Torhout ook Zedelgem bedienen. In dat geval zullen Oostkamp en Beernem verbonden door dezelfde spoorlijn samen genomen worden met de werkwinkel in Oostkamp. In eerste instantie worden deze twee gemeenten samengenomen met Zedelgem. De werkwinkel blijft in Oostkamp. Wegens de grote gerichtheid van deze drie gemeenten op Brugge, kan men ook overwegen deze drie gemeenten onder te brengen in een grote of ontdubbelde werkwinkel in Brugge (een alternatief zou ook kunnen zijn Torhout, Ichtegem, Koekelaere en Zedelgem samen te nemen met werkwinkel in Torhout of in Zedelgem). In het LKC Brugge worden in de tweede fase, rekening houdend met afstand en dekkingsgraad, de werkwinkels van Knokke, Blankenberge en Brugge bevestigd. Respectievelijk 100%, 94% en 85% van de bevolking van het zorggebied woont op minder dan 7,5 km. Voornamelijk de bevolking van Damme (50%) en Jabbeke (38,5%) woont op meer dan 7,5km. In het zorggebied van Oostkamp en Torhout woont 72% en 59% van de bevolking binnen de bufferzone. We merken hier op dat een deel

8


van het werkgebied van de werkwinkel van Torhout in het LKC Oostende-Westhoek gelegen is. De bevolking van Torhout wordt voor 100% bereikt, deze van Ichtegem voor 37% en deze van Koekelare helemaal niet. Hier lijkt dus een probleem te bestaan, maar het aansluiten bij andere polen lost het afstandsprobleem niet op. Dit afstandsprobleem kan slechts deels opgelost worden (zie alternatief fase 2). In de eerste plaats kunnen Oostkamp en Beernem samen genomen worden, maar het oostelijke deel van Beernem blijft buiten de 7.5 km (dit komt overeen met 37% van de bevolking). Ten tweede kan er aan de westelijke kant winst geboekt worden door de gemeenten Zedelgem en Jabbeke samen te nemen, waardoor 94% van de inwoners van Jabbeke binnen de 7,5km gelegen zijn. Doch zijn de inwoners van Jabbeke duidelijk meer op Brugge dan op Zedelgem gericht en daarenboven is er geen openbaar vervoer tussen beide gemeenten. Deze oplossing kan niet bekeken worden als een volwaardig alternatief, eveneens omdat het verder afgelegen deel maar instaat voor het gewogen doelpubliek van een halve werkwinkel. In geen van de vijf zorggebieden van het LKC Brugge is het gewogen doelpubliek buiten de bufferzone groter dan 19,2. Binnen het LKC Oostende-Westhoek, moet er eerst gewezen worden op een lokale gerichtheid naar de pool Ieper. Bovendien is er vanuit de zone Diksmuide een sterke gerichtheid naar de regionale stad Roeselare. Voor de bespreking van de werkwinkels ten opzichte van de zone tussen Oostende en Torhout verwijzen we naar de bespreking van LKC Brugge. Voor de lokalisatie van een werkwinkel aan de westkust, kan er getwijfeld worden tussen een werkwinkel in Koksijde of één in de centrale kleine stad Veurne. Indien men verkiest de werkwinkel in Koksijde te plaatsen, zullen de gemeenten Alveringem en Lo-reninge op een grote afstand liggen van deze werkwinkel in Koksijde. Daarenboven is het duidelijk dat de gemeente Alveringem beter tot een werkwinkel van Veurne zou behoren. Voor de gemeente Lo-Reninge zou een samengaan met Ieper mogelijk zijn. De voorkeur gaat nochtans naar een werkwinkel in Veurne, waar zowel Lo-Reninge en Alveringem op afgestemd zullen worden. De pendelflux van de gemeente Wervik is veeleer op Menen dan op Ieper afgestemd. Daarenboven is de afstand van Wervik tot Ieper groot. In een eerste oplossing zal de gemeente Wervik daarom samengenomen worden met de gemeente Menen van het LKC Kortrijk. Aangezien Menen duidelijk op Kortrijk gericht is, dient de werkwinkel in Menen ingeplant te worden. In een versie, waar er binnen de grenzen van de LKC’s zou gewerkt worden, dient Wervik bij Ieper gevoegd te worden. In het LKC Oostende-Westhoek kan rekening houdend met de afstand een werkwinkel in Veurne 67% van de bevolking bedienen op 7,5 km (zie tabel 1). Een inplanting in de minder centrale plaats Koksijde kan echter het percentage opdrijven. Omwille van de bereikbaarheid moet de werkwinkel meteen in het kustgedeelte liggen. Hieruit volgt dat de verplaatsing voor een aantal deelgemeenten van Veurne veel groter wordt. Daarenboven zijn deze deelgemeenten eerder op Veurne dan op Koksijde afgestemd. De werkwinkel kan daarom best in Veurne behouden blijven en moet er een oplossing gezocht worden voor Nieuwpoort. Een eerste oplossing bestaat erin de werkwinkel van Oostende op te splitsen en een tweede werkwinkel in Middelkerke te plaatsen. Vanuit Oostende is immers slechts 10% van de bevolking van Middelkerke op 7,5km bediend. Een werkwinkel in Middelkerke geeft een dekking voor 97% van de bevolking van deze gemeente, maar slechts 8% van de bevolking van Nieuwpoort bevindt zich binnen een bereik van 7,5 km. Dit is echter een vooruitgang voor de bevolking van Nieuwpoort, aangezien een werkwinkel in Veurne 0% van de bevolking van

9


Nieuwpoort zou bedienen. Daarenboven is de rest van Nieuwpoort met een geringe bijkomende afstand eveneens bereikbaar. Het onderbrengen van Gistel in de werkwinkel van Middelkerke is geen oplossing (om het potentiële doelpubliek van de werkwinkel van Middelkerke te verhogen), want 99% van de bevolking is niet bereikbaar op een afstand van 7,5 km. De ligging van Gistel in het zorggebied van Oostende is enigszins beter. Aan de noordoostelijke kant kan De Haan bij Blankenberge aansluiten. Door aan te sluiten bij Blankenberge is voor 1/3 van de bevolking van De Haan de werkwinkel Blankenberge bereikbaar. Het openbaar vervoer stelt uiteraard geen probleem. Wat de pendel betreft is deze groter naar Brugge plus Blankenberge dan naar Oostende. De Haan wordt daarom in de eerste plaats bij Blankenberge ondergebracht. In de alternatieve oplossing wordt De Haan bij Oostende geplaatst. De werkwinkel van Poperinge is voor 91% van de bevolking van het zorggebied bereikbaar, maar kent een potentieel doelpubliek dat lager is dan de minimale drempel. De werkwinkel van Diksmuide is bereikbaar voor 51% van de bevolking. Dit lage percentage is algemeen kenmerkend voor dun bevolkte gebieden, de meeste inwoners wonen echter binnen een straal van 10km. Aangezien het totale doelpubliek van dit zorggebied dat buiten de bufferzone woont, slechts 1200 bedraagt, is een andere oplossing niet meteen voor de hand liggend. Ook het samennemen van één van de aangrenzende gemeenten van Diksmuide (Houthulst) met één van de aangrenzende gemeenten van Ieper (Langemark-Poelkapelle) of één van de aangrenzende gemeenten van Roeselare (Staden) zou niet veel oplossen. Een potentiële inplanting in Staden (deze gemeenten heeft slechts een potentieel doelpubliek van 5,0) brengt wel 100% dekking. De situatie van Houthulst verbetert eveneens (van 23% naar 60% dekking), maar de situatie van Langemark-Poelkapelle gaat achteruit (van 49% naar 32% dekking). Alles samen is het percentage van de bevolking dat binnen een straal van 7,5 km woont voor deze potentiële werkwinkel te klein. Daarenboven worden de natuurlijke fluxen doorbroken. De werkwinkel te Ieper is voor 70% van de bevolking bereikbaar binnen een straal van 7,5 km. Het potentiële doelpubliek dat buiten de bufferzone woont, is vrij groot (13,4). Dit is grotendeels te wijten aan de uitgestrekte gemeente Heuvelland (potentieel doelpubliek 5,6). Ook Zonnebeke (potentieel doelpubliek 6,6) blijft best bij Ieper. In het LKC Kortrijk-Roeselare kunnen duidelijk gemeenten gegroepeerd worden rond de steden Tielt, Roeselare en Waregem. Bij de gemeente Izegem hoort ook duidelijk Ingelmunster. Aangezien de omvang van Izegem niet groot is, kan Lendelede hier ook aan toegevoegd worden. Daarenboven is de afstand van Lendelede tot Izegem kleiner dan tot Kortrijk. De pendelflux van Lendelede is wel eerder op Kortrijk gericht, maar is kleiner dan de som van de pendelfluxen naar Izegem en Roeselare. Voor de gemeente Wevelgem, die net aan de minimale drempel komt, zijn er drie oplossingen. De voorkeur gaat uit naar de oplossing om Wevelgem bij de werkwinkel van Menen te plaatsen. Er is immers een kleine pendelflux naar Menen gericht. Daarenboven zijn zowel Menen als Wevelgem voor een min of meer groot deel op dezelfde arbeidsmarkt van Kortrijk gericht. De tweede oplossing zou zijn om de gemeente Wevelgem bij een antenne vanuit Kortrijk te bedienen. Tot slot kan er eveneens in Wevelgem zelf een werkwinkel geplaatst worden (aangezien de gemeente net aan de minimale drempel komt). Omwille van de kleine afstanden kunnen de gemeenten Harelbeke, Kuurne en Deerlijk ten oosten van Kortrijk, samen genomen worden. Er is evenwel geen openbaar vervoer tussen Kuurne

10


en Harelbeke, doch zijn de afstanden klein. Een tweede oplossing zou erin bestaan, een tweede werkwinkel in Kortrijk te maken, waar de winkel voor deze drie gemeenten in de centrale stad ligt. Wat het zuidoosten van het LKC Kortrijk-Roeselare betreft, lijkt het evident om Avelgem, SpiereHelkijn te richten op de werkwinkel van Zwevegem. Indien we de afstand in aanmerking nemen, zijn in het LKC Roeselare-Kortrijk de werkwinkel van Harelbeke, Kortrijk, Menen, Izegem en Waregem voor minimaal 90% van de bevolking bereikbaar op minder dan 7,5km. Voor Zwevegem is dit slechts 67%, met een potentieel doelpubliek buiten de bufferzone van 7,6. Zowel de gehele bevolking van Avelgem als van Spiere-Helkijn bevindt zich buiten de bufferzone van 7,5 km, maar bevindt zich daarentegen wel binnen een straal van 10 km. De werkwinkel in Roeselare is voor 68% van de bevolking van het zorggebied bereikbaar, met een potentieel doelpubliek buiten de bufferzone van 23. Er is echter geen cluster van gemeenten die een andere oplossing kunnen suggereren. De zones die buiten de bufferzone gelegen zijn, bevinden zich in verschillende richtingen rond Roeselare. Staden ligt het meest excentrisch, maar uit vorige paragraaf moeten we onthouden dat een werkwinkel in Staden te weinig potentieel heeft om weerhouden te worden. Voor de werkwinkel in Tielt geldt dezelfde redenering. 71% van de bevolking is bereikbaar, met een restpotentiaal van 9,8. Voornamelijk delen van Wingene, Oostrozebeke en Meulebeke behoren niet tot de bufferzone, maar er is echter geen groep te vormen. II.2. OOST-VLAANDEREN De pendelfluxen en de spontane fluxen voor handel en diensten zijn het in LKC Gent duidelijk door de grote stad Gent gestructureerd. De uitstraling van Gent is verreikend, eveneens omwille van het feit dat er een aantal kleine steden, namelijk Eeklo en Deinze, maar weinig tegengewicht kunnen bieden. Indien er geen prioriteit wordt gegeven aan de bereikbaarheid met het openbaar vervoer, lijkt het omwille van het bestaan van een kleinstedelijke invloedssfeer rond Eeklo het meest logisch om Maldegem onder te brengen bij een werkwinkel in Eeklo. De drie kleinere gemeenten Waarschoot, Sint-Laureins en Kaprijke worden hier logischerwijs ook ondergebracht. Een tweede werkwinkel zou in Aalter komen samen met de gemeente Knesselare, Zomergem en Nevele. Hier stelt zich een openbaar vervoersprobleem, aangezien er geen verbinding is tussen Aalter enerzijds en Zomergem en Nevele anderzijds. Verder kan er een derde werkwinkel gelokaliseerd worden in Evergem of Zelzate, die eveneens Assenede en Wachtebeke bedient. Een tweede oplossing houdt rekening met de bereikbaarheid via het openbaar vervoer. Een eerste werkwinkel zal in Maldegem geplaatst worden, waarop ook Aalter en Knesselare gericht zijn. De groep rond de werkwinkel van Eeklo wordt dan aangevuld met de eerder genoemde drie kleine gemeenten, Waarschoot, Sint-Laureins en Kaprijke, plus de gemeente Zomergem. De gemeente Nevele wordt ondergebracht in de werkwinkel van Deinze, waarnaar ook een belangrijke pendelflux gericht is. De gemeente Lovendegem heeft twee opties, ofwel kan deze gemeente tot de werkwinkel van Gent afhangen, ofwel kan deze gemeente in een werkwinkel in Evergem ondergebracht worden. Omwille van de afstand tussen Lovendegem en Zelzate, zullen de gemeenten Assenede, Zelzate en Wachtebeke in een afzonderlijke werkwinkel ondergebracht worden.

11


De gemeenten Sint-Martens-Latem en De Pinte kunnen in de eerste plaats in een werkwinkel in Gent ondergebracht worden. In het zuidoosten van het LKC Gent zou een werkwinkel in Merelbeke een centrale locatie zijn voor de gemeenten Gavere, Oosterzele en Melle. Er zijn verbindingen met het openbaar vervoer, maar deze gaan niet allemaal via het zuidelijk gelegen centrum van Merelbeke. De werkwinkel kan om deze reden best in de noordelijke wijk Flora gelokaliseerd worden. Ten oosten van Gent blijven de gemeenten Lochristi en Destelbergen over, die samen net boven de minimale drempel liggen. Aangezien het openbaar vervoer voor beide gemeenten op Gent gericht is, is er geen onderlinge verbinding. Het lijkt logisch om als eerste keuze deze twee gemeenten vanuit een werkwinkel in Gent te laten functioneren. Voor de gemeente Moerbeke zijn er twee oplossingen voor handen. Het openbaar vervoer gaat zowel richting Zelzate als richting Lokeren. Wat de arbeidsmarkt betreft, hoort deze gemeente niet bij de arbeidsmarkt van Zelzate. De pendelfluxen naar Sint-Niklaas en Lokeren zijn van dezelfde grootte-orde als deze naar Gent. Daarenboven maakt Moerbeke voor handel en diensten duidelijk deel uit van de kleinstedelijke invloedssfeer van Lokeren. Het eerste voorstel zou Moerbeke daarom bij Lokeren onderbrengen. Indien de grenzen van de LKC’s moeten gerespecteerd worden, zal de gemeente Moerbeke bij Zelzate gevoegd worden, op grond van de openbaar vervoersverbindingen. In het LKC Gent zijn er enkele problemen wat betreft de afstandsbedekking voor de zorggebieden van Gent, Evergem, Eeklo en Aalter. In fase 1 werden de gemeenten Zomergem en Nevele bij de werkwinkel van Aalter gevoegd om een voldoende groot potentieel doelpubliek te hebben. Vanuit Zomergem is 0% van de bevolking woonachtig binnen een zone van 7,5 km, voor Nevele is dit 31%. De werkwinkel van Eeklo is voor de bevolking van Knesselare slechts gering bereikbaar. Om deze reden worden enkele nieuwe voorstellen geformuleerd. Eeklo is voor de bewoners van Zomergem beter bereikbaar dan Aalter. Daarenboven zijn er eveneens fluxen van Zomergem naar Eeklo aanwezig. Deinze is beter bereikbaar voor de bewoners van Nevele, bovendien is er ook meer pendel in die richting. Er stelt zich evenwel een probleem in het westen van dit LKC, namelijk de onderlinge afstand Maldegem-Aalter. Plaats men een werkwinkel in Maldegem, dan is deze niet bereikbaar binnen een straal van 7,5km voor de inwoners van Aalter en vice versa. Het afstandsprobleem kan slechts opgelost worden door een werkwinkel in Knesselare onder te brengen, maar dit is beantwoordt niet aan een dichtbevolkte kern en is dus te voet niet meteen voor een groot aantal burgers bereikbaar. Eeklo is vanuit Maldegem voor 1/3 van de bevolking bereikbaar, Knesselare ligt grotendeels op meer dan 7,5km van Eeklo. De beste oplossing bestaat erin Aalter en Knesselare samen te brengen, maar dan beantwoordt het potentiële doelpubliek (15) niet aan de minimale drempel. Als alternatief worden Aalter, Knesselare en Maldegem in één werkwinkel samengebracht, met keuze voor de inplanting van de werkwinkel. Voor wat Destelbergen en Lochristi betreft, blijven we ondanks het afstandsprobleem pleiten om geen afzonderlijke werkwinkel in Lochristi te plaatsen (werkwinkel als alternatief) omdat er geen verbinding bestaat voor het openbaar vervoer tussen beide gemeenten en omdat beide gemeenten sterk op Gent zijn gericht en niet op elkaar. Een werkwinkel in Evergem betekent een slechte verbinding met het openbaar vervoer vanuit de noordelijke gemeenten Zelzate, Assenede en Wachtebeke. In werkwinkel in Zelzate zou geen oplossing brengen. Daarom wordt er voorgesteld om een werkwinkel in Zelzate in te planten en één in

12


Evergem. Bij deze werkwinkel in Evergem kan wegens de nabijheid eveneens de gemeente Lovendegem ondergebracht worden, een gemeenten die grotendeels op meer dan 7,5 km van het centrum van Gent gelegen is. In het LKC Sint-Niklaas-Dendermonde kunnen logische groeperingen gevormd worden rond de kleine steden Dendermonde, Wetteren en Lokeren. De kleine stad Beveren-Waas is in die mate uitgestrekt en heeft geen gemeentegrens-overschrijdende invloedssfeer, zodat de voorgestelde werkwinkel alleen voor deze kleine stad fungeert. Bij de werkwinkel van de stad Sint-Niklaas worden alleszins de noordelijke gemeenten Stekene en Sint-Gillis-Waas ondergebracht. Omwille van de afstand en de verbindingen met het openbaar vervoer zouden ook de ten zuiden gelegen gemeenten Waasmunster en Hamme bij deze werkwinkel van Sint-Niklaas ondergebracht kunnen worden. Een werkwinkel in Hamme (samen met de gemeente Waasmunster) zou eveneens functioneel kunnen zijn, omwille van de voldoende hoge potentiaal. Nochtans is het openbaar vervoer tussen Waasmunster en Hamme niet goed en geniet een grotere werkwinkel in Sint-Niklaas daarom de voorkeur. Om de groepering rond Sint-Niklaas niet te groot te maken, kan een werkwinkel in Temse ook fungeren voor de gemeente Kruibeke. De gemeente Zele wordt omwille van een iets grotere pendelflux bij Lokeren gevoegd. De verbindingen met het openbaar vervoer zijn zowel naar Lokeren als naar Dendermonde gericht. Voor het LKC Sint-Niklaas zijn de afstandsproblemen gering voor het zorggebied rond de werkwinkel van Wetteren, Beveren en Lokeren. Wat het zorggebied van de werkwinkel van Temse betreft, is een deel van Kruibeke (46%) buiten het bereik van 7,5 km, maar valt daarentegen wel binnen de 10 km-grens. De werkwinkel van Dendermonde is voor 85 % bereikbaar en deze van SintNiklaas voor 65%. Vanuit Stekene is slechts 22% van de bevolking woonachtig binnen een straal van 7,5 km van de werkwinkel van Sint-Niklaas, voor Sint-Gillis-Waas is dit 64%. Een betere oplossing voor de noordelijke gemeenten ligt niet voor de hand. Wat de zuidelijke gemeenten Hamme en Waasmunster betreft, ligt Hamme volledig buiten de 7,5 km-grens. Waasmunster ligt voor 34% buiten het bereik. Een oplossing kan geboden worden door Hamme en Waasmunster in ĂŠĂŠn werkwinkel onder te brengen (met een potentieel doelpubliek van 24). Hierdoor is vanuit Hamme 100% van de bevolking van beide gemeenten bereikbaar. Deze oplossing is logisch voor Hamme; maar is minder geschikt voor Waasmunster. Zo zijn er geen verbindingen met het openbaar vervoer tussen Hamme en Waasmunster en is er geen gerichtheid van de inwoners van Waasmunster naar Hamme. Aangezien er wel een gerichtheid van Waasmunster naar Sint-Niklaas is, is het aangewezen Waasmunster toch onder het werkinsgebied van Sint-Niklaas onder te brengen. Hamme kan eventueel een werkwinkel voor de eigen gemeente hebben. Binnen het voorgestelde zorggebied van de werkwinkel van Lokeren (in fase 1), ligt Moerbeke bijna geheel buiten het 7,5 km-bereik. Op basis van de fluxen kunnen we voorstellen om Moerbeke eventueel bij Zelzate onder te brengen. Aangezien voor deze oplossing Moerbeke eveneens buiten het 7,5 km-bereik ligt en daarenboven de fluxen groter zijn naar Lokeren dan naar Zelzate, wordt er duidelijk geopteerd om Moerbeke bij de werkwinkel van Lokeren te plaatsen.

13


In LKC Aalst-Oudenaarde kunnen de gemeenten geordend worden rond de vijf kleine steden Oudenaarde, Ronse, Zottegem, Geraardsbergen en Ninove en rond de regionale stad Aalst. De meest uitgestrekte zone is deze rond de werkwinkel Oudenaarde. De gemeente Zwalm zou omwille van de pendelfluxen best bij Oudenaarde ondergebracht worden maar de bereikbaarheid met het openbaar vervoer is beter ten opzichte van Zottegem. De werkwinkels van Ninove en Geraardsbergen zijn niet erg groot, maar gelet op de geringe interactie op de arbeidsmarkt, worden deze twee kleine steden afzonderlijk gehouden. Omwille van het verloop van het wegennet en het openbaar vervoer worden de gemeenten Lede, Erpe-Mere, Haalter en Denderleeuw eveneens door de werkwinkel van Aalst bediend. Voor het LKC Aalst-Oudenaarde is de bevolking van het zorggebied van de werkinkel in Oudenaarde voor 67% bereikbaar, in Ronse voor 87%, in Ninove voor 100%, in Geraardsbergen voor 86%, in Zottegem voor 72% en in Aalst voor 87% van de bevolking bereikbaar. Wat Aalst betreft gaat het vooral over een deel van de gemeente Erpe-Mere en het meest oostelijk deel van de stad. Aangezien deze gebieden op verschillende uithoeken liggen, wordt er geen nieuwe oplossing voorgesteld. II.3. ANTWERPEN In het LKC Antwerpen-Boom is er een zeer sterke polarisatie van het grondgebied door de arbeidsmarkt van de stad Antwerpen. Dit betekent dat er een aantal centrale schakelpunten zullen moeten gevonden worden om niet het hele grondgebied naar de centrale stad te loodsen. De gemeente Zwijndrecht die in het westen een geïsoleerde ligging in de provincie heeft, wordt logischerwijs bij één van de LKW’s van de stad genomen. Omwille van de compacte nederzetting en economische ineenstrengeling kunnen de gemeenten Hemiksem, Schelle, Niel, Aarstelaar en Boom samengenomen worden. Rekening houdend met het openbaar vervoer is een lokalisatie van de werkwinkel in Boom de meest voor de hand liggende oplossing. Ook voor Rumst lijkt een werkwinkel in Boom de beste toegankelijkheid te bieden. Een tweede ineenstrengeling, zowel op het gebied van stedelijke groei als van de arbeidsmarkt, wordt gevormd rond Kontich en Morstel waarbij de gemeenten Edegem, Hove, Lint en Boechout aansluiten. De lokalisatie van een werkwinkel in Wommelgem of Ranst is omwille van de verkeerssituatie en het openbaar vervoer een logische oplossing. Ook in noordoostelijke richting kan op 1 lijn een zone afgebakend worden gaande van Wijnegem over Schilde, Zoersel en Malle, met de lokalisatie van een werkwinkel in Schilde. Evenwijdig hiermee kan de lijn Brecht – Schoten afgetekend worden. De werkwinkel zou in Schoten geplaatst worden. De opsplitsing in twee evenwijdige lijnen wordt doorgevoerd omdat de verbinding met openbaar vervoer tussen Brecht (althans een deel ervan) en Schilde niet zo vlot is. Naar het noorden toe resteren er nog twee groepen: de ene groep bevat de gemeenten Wuustwezel en Brasschaat, waar de werkwinkel gelokaliseerd is, de andere groep is gecentraliseerd rond een werkwinkel in Kapellen, waarop Essen, Kalmthout en Stabroek gericht zijn. Binnen het LKC Antwerpen-Boom zijn, omwille van de grote bevolkingsaantallen en hoge dichtheden, de locaties van de werkwinkels vrij dicht bij elkaar gekozen. Hierdoor woont en groot deel

14


van de bevolking binnen een straal van 7,5 km van een werkwinkel. Er zijn twee zones waar het potentiële doelpubliek dat buiten de bufferzone woont groter is dan 19,2, namelijk Antwerpen en Kapellen. Wat Antwerpen betreft, kan het probleem opgelost worden door de verdeling van de werkwinkels binnen de stad te schikken. In het zorggebied van de werkwinkel van Kapellen wordt Essen voor 0% bereikt, ook wanneer er rekening gehouden wordt met een afstandszone van 10 km. Men kan hier denken aan een opsplitsing van Kapellen-Stabroek en Kalmthout-Essen. Deze oplossing wordt in fase 2 als eerste voorgesteld, omwille van de betere bereikbaarheid. Het potentiële doelpubliek dat buiten de 7,5 km-grens woont van de werkwinkels van Brasschaat, Schilde en Schoten komt overeen met een halve werkwinkel. In het zorggebied van de werkwinkel van Brasschaat is de bijkomende gemeente Wuustwezel echter te klein om zelf een werkwinkel te hebben. De zorggebieden van de werkwinkels van Schilde en Schoten werden omwille van de centripetale fluxen dicht bij de stad geplaatst. Om deze reden zijn de zorggebieden redelijk langgerekt. Ongeveer 70% van het potentiële doelpubliek van deze twee zorggebieden bevinden zich om minder dan 7,5 km. Om de bereikbaarheid enigszins te verbeteren kan men overwegen drie kleinere zorggebieden te vormen, namelijk Schoten, Schilde-Wijnegem-Zoersel en Malle-Brecht. Deze keuze is niet optimaal, aangezien er geen verbinding is met het openbaar vervoer tussen Malle en Brecht. Een inplanting van een werkwinkel in Brecht wordt wel weerhouden als alternatief. In het oostelijk deel van het LKC Mechelen kan de ruimte gestructureerd worden rond de kleine steden Lier en Heist-op-den-Berg, in het centrale deel rond de regionale stad Mechelen, terwijl in het westen geen kleine stad aanwezig is en een belangrijke gemeente als centrum zal fungeren. In dit westelijk deel dienen zich twee oplossingen aan, namelijk een eerste werkwinkel in Willebroek en een tweede in Bornem waarop de gemeenten Puurs en Sint-Amands gericht zijn. Bij schaalvergroting zou er één werkwinkel kunnen ingeplant worden in de centraal gelegen gemeente Puurs. Enerzijds pleiten een aantal feiten voor deze schaalvergroting, namelijk het feit dat beide werkwinkels niet uitgesproken boven de minimale drempel liggen en dat er pendelinteracties zijn tussen Puurs en Willebroek. Anderzijds is enkel de gemeente Willebroek op de Mechelese arbeidsmarkt gericht, de overige drie gemeenten niet. Bij de kleine stad Heist-op-den-Berg zou best de kleine gemeente Hulshout, van het LKC Turnhout gevoegd worden. Deze gemeente is qua arbeidsmarkt op Heist-op-den-Berg en verder op Lier gericht en niet op de gemeenten van het LKC Turnhout. Rond de kleine stad Lier is het evident om de gemeenten Berlaar en Nijlen toe te voegen. Voor de gemeenten ten oosten van Mechelen zijnde Duffel, Sint-Katelijne-Waver, Putte en Bonheiden kunnen verschillende oplossingen bedacht worden. De voorkeur gaat uit naar een oplossing waarbij een werkwinkel in Sint-Katelijne-Waver geplaatst wordt, die ook de gemeenten Duffel, Putte en Bonheiden bedient. Een tweede oplossing brengt deze vier gemeenten bij een stad onder. In dat geval lijkt het logisch om Bonheiden en Sint-KatelijneWaver van Mechelen te laten afhangen. Omwille van de afstand zal de gemeente Putte beter tot de werkwinkel van Heist-op-den-Berg behoren. Ook de pendelflux is gedeeltelijk op Heist-op-den-Berg gericht (evenwel kleiner dan naar Mechelen). Omwille van de afstand wordt Duffel best bij de werkwinkel van Lier ondergebracht. Voor het LKC Mechelen is de bereikbaarheid op 7,5 km voor de zorggebieden van de werkwinkels van Bornem, Heist-op-den-Berg, Mechelen en Willebroek quasi volledig gewaarborgd. Het potentiële

15


doelpubliek dat zich buiten de bufferzone van de werkwinkel van Lier bevindt, is goed voor een halve werkwinkel. Het betreft voornamelijk het noordoostelijk deel van Nijlen. Men zou kunnen denken aan een werkwinkel in Berlaar, die dan ook Nijlen bediend (totaal potentieel doelpubliek van 22,16). Desondanks is de afstand van dit noordoostelijk deel van Nijlen naar Berlaar ongeveer even groot als de afstand naar Lier. Gelet op de fluxen en de verbindingen met het openbaar vervoer is het niet meteen logisch om Nijlen op Berlaar te richten. De werkwinkel van Lier, die ook Nijlen bedient, is hier dus de beste oplossing. De vier gemeenten tussen Lier, Mechelen en Heist-op-den-Berg, namelijk Duffel, Sint-Katelijne-Waver, Bonheiden en Putte zijn goed bereikbaar vanuit deze steden (Lier is voor 98% van de inwoners van Duffel bereikbaar, Heist-op-den-Berg voor 70% van de inwoners van Putte, Mechelen is bereikbaar voor 90% van de inwoners van Sint-Katelijne-Waver n voor 71% van die van Bonheiden). Een extra werkwinkel in Sint-Katelijne-Waver inplanten zou niet veel winst leveren wat de bereikbaarheid betreft (voor Putte zou dit zelfs een verlies betekenen). Binnen het LKC Turnhout worden in eerste instantie de gemeenten gestructureerd rond de kleine steden Herentals, Geel en Mol en de regionale stad Turnhout. Omwille van de afstand wordt ook een werkwinkel voorzien in Hoogstraten. Het samennemen van de gemeente Rijkevorsel bij Hoogstraten leidt niet tot de minimumdrempel. Nochtans wordt dit gebied niet verder uitgebreid, aangezien de pendelflux van Hoogstraten en Rijkevorsel groter is naar Antwerpen dan naar Turnhout, terwijl de andere aanpalende gemeenten zich duidelijk op de Turnhoutse arbeidsmarkt richten. Het samennemen van gemeenten die horen bij de werkwinkels Geel, Mol en Herentals stelt geen problemen, uitgezonderd de gemeenten Westerlo en Herselt. Deze gemeenten zijn vrij ver verwijderd van Geel of Herentals en kunnen daarom afzonderlijk genomen worden. De gemeente Hulshout wordt, zoals reeds beschreven, beter bij Heist-op-den-Berg genomen. Bij een eventuele schaalvergroting, kunnen, omwille van het openbaar vervoer, de gemeenten Herselt en Westerlo met Geel samengenomen worden. De vier oostelijke gemeenten, Retie, Arendonk, Ravels en Oud-Turnhout kunnen samengenomen worden met een lokalisatie van de werkwinkel in Oud-Turnhout (zo nodig naar een werkwinkel in Turnhout stad). De westelijke gemeenten Merksplas, Beerse en Vosselaar kunnen samengenomen worden rond een werkwinkel in Beerse (+ Baarle-Hertog). Wat de twee overblijvende gemeenten betreft, namelijk Kasterlee en Lille, zijn de onderlinge verbindingen tussen de deelgemeenten onbestaande of zwak. De beste oplossing is om Lille vanuit Herentals te bedienen en Kasterlee vanuit Turnhout. In het LKC Turnhout is 52% van de bevolking van het zorggebied van Oud-Turnhout niet bereikt op 7,5 km. Gelet op de onderlinge afstand tussen de gemeenten van dit zorggebied zou een locatie van een werkwinkel in Arendonk slechts een gedeeltelijke oplossing geven omdat de onderlinge afstand tussen de uitgestrekte gemeenten Arendonk, Ravels en Retie zeer groot is. Om deze reden opteren we voor een centripetale benadering van dit gebied. Het zorggebied van de werkwinkel van Turnhout heeft een grote noord-zuid uitgestrektheid waardoor de dekkingsgraad ook redelijk laag is (56%). Een oplossing ligt niet voor de hand. Het potentiĂŤle doelpubliek dat buiten de 7,5 km-grens van de werkwinkel van Geel ligt, komt bijna aan de drempelwaarde van 19,2. Een andere samenstelling ligt echter niet meteen voor de hand. Het

16


onderbrengen van Laakdal bij bijvoorbeeld Westerlo geeft voor Laakdal een nog zwakkere dekkingsgraad. II.4. LIMBURG In het noorden van het LKC Hasselt kan er een duidelijke structurering worden doorgevoerd rond een aantal kleine steden, namelijk Lommel, Neerpelt-Overpelt, Bree, Maaseik en Maasmechelen. Omwille van afstand en interactie op de arbeidsmarkt, wordt Dilsen-Stokkem best bij Maasmechelen ondergebracht. Het onderbrengen bij een werkwinkel in Maaseik zou een alternatief kunnen zijn. Omwille van afstanden tussen de deelgemeenten enerzijds en de gerichtheid op de arbeidsmarkt anderzijds, wordt Lanaken van het LKC Tongeren best overgeheveld, zodat de gemeente bij de werkwinkel van Maasmechelen kan komen. In het noordwesten van het LKC Hasselt is de gemeente Leopoldsburg het meest op Lommel gericht (maar openbaar vervoer en vooral afstand zijn minder gunstig: zie verder), terwijl Hechtel-Eksel eerder op Overpelt en Peer gericht is en niet op Leopoldsburg. Bijgevolg lijkt het logisch Leopoldsburg bij de werkwinkel van Lommel en HechtelEksel en Peer bij de werkwinkel Neerpelt-Overpelt onder te brengen. Een werkwinkel in Neerpelt en één in Peer zijn een mogelijk alternatief, maar beide werkwinkels zouden elk een vrij gering potentiaal hebben (wel boven de drempel). De gemeenten Tessenderlo en Ham kunnen samen het grondgebied voor één werkwinkel vormen, evenwel vrij klein. De gerichtheid van deze gemeenten op Beringen is vrij gering, doch bestaande. Omgekeerd is er vanuit Beringen wel enige gerichtheid op Tessenderlo. Bij schaalvergroting zou dus de werkwinkel van Beringen ook Tessenderlo en Ham kunnen bedienen. Ten westen van Hasselt zijn er drie gemeenten die geografisch dicht bij elkaar liggen, Lummen, Herkde-Stad en Halen. Deze laatste gemeente heeft een grote werkpendel naar Diest gericht en in mindere mate naar Leuven. Ook voor handel en diensten zijn de inwoners van Halen voornamelijk op Diest gericht. Het wegnemen van Halen van de vermelde entiteit brengt de drempel van een werkwinkel in Herk-de-Stad evenwel nauwelijks boven de minimale drempel. In voorstel 1 gaat Halen naar Diest. In alternatief wordt Halen bij Herk-de-Stad gevoegd. De potentiaal van de gemeenten Heusden-Zolder en Houthalen-Helchteren is voldoende groot om in elk van deze gemeenten een werkwinkel te voorzien. De gemeente Zonhoven maakt deel uit van de banlieue van het stadsgewest Hasselt zodat het logisch lijkt om deze gemeente vanuit Hasselt te bedienen, eerder dan vanuit een werkwinkel in Houthalen-Helchteren. Bij schaalvergroting lijkt het ons niet opportuun omwille van verschillen in pendelstroom Houthalen en Helchteren samen te nemen bij Genk of Heusden-Zolder, dus blijft het bij één werkwinkel alleen voor de gemeente HouthalenHelchteren. Voor wat Heusden-Zolder betreft, zou bij schaalvergroting Heusden-Zolder op de werkwinkel van Beringen gericht kunnen worden. Voor het LKC Hasselt zijn er relatief en absoluut een aantal afstandsproblemen voor het zorggebied van Hasselt, Genk, Neerpelt en Maasmechelen. Voor het zorggebied van de werkwinkel van Neerpelt lijkt het aangewezen om de voorgestelde zone op te splitsen en ook een werkwinkel in Peer te voorzien van waaruit ook Hechtel-Eksel bediend kan worden. Een tweede oplossing bestaat erin een werkwinkel in te planten in Hectel-Eksel en van hieruit Peer, maar ook Leopoldsburg te bedienen. Leopoldsburg was aanvankelijk bij de werkwinkel van Lommel ondergebracht, maar een groot deel

17


van Leopoldsburg is niet bereikbaar binnen een straal van 7,5 km. Hechtel is vanuit Leopoldsburg beter bereikbaar en daarenboven zijn er verbindingen met het openbaar vervoer. Omwille van de gerichtheid van Leopoldsburg op Lommel wordt deze oplossing wel als alternatief aangeboden. Het potentieel doelpubliek van de werkwinkel van Hasselt dat zich buiten de bufferzone bevindt, komt overeen met 25,2 eenheden. Het gaat in het bijzonder over de bevolking van de banlieuegemeenten Alken en Kortessem. Kortessem wordt om deze reden bij de werkwinkel van Borgloon gevoegd. Ook voor de werkwinkel van Genk heeft het potentiële doelpubliek dat buiten de bufferzone woont, een waarde gelijk aan de minimale drempel. Het zijn voornamelijk de bewoners van de gemeenten van Opglabbeek en Zutendaal die op aanzienlijke afstand wonen. Dit zijn geen aangrenzende gemeenten, zodanig dat zij niet samen in een andere werkwinkel ondergebracht kunnen worden. We stellen daarom voor om dit voorstel onveranderd te laten. Het potentiële doelpubliek dat zich op meer dan 7,5 km van de werkwinkel van Maasmechelen bevindt, woont voornamelijk in delen van Lanaken en Dilsen-Stokkem. Een alternatief voor DilsenStokkem zou kunnen zijn om deze gemeente bij de werkwinkel van Maaseik onder te brengen, doch levert dit geen betere dekkingsgraad op. De gemeente Beringen is in de eerste plaats alleen ondergebracht. Om het potentieel doelpubliek van deze werkwinkel van Beringen te vergroten zouden Tessenderlo en Ham opgenomen kunnen worden. Dit schept echter een afstandsprobleem (Tessenderlo is slechts gedeeltelijk bedekt). Een alternatief zou kunnen zijn om Heusden bij Beringen te nemen, wat geen afstandsprobleem schept en ook mogelijk is qua openbaar vervoer. In het LKC Tongeren zijn er drie kleine steden, namelijk Sint-Truiden, Tongeren en Bilzen. Bij de werkwinkel in Sint-Truiden komen alleszins de gemeenten Gingelom en Nieuwerkerken, bij de stad Tongeren de gemeente Riemst en Voeren en bij de kleine stad Bilzen de gemeente Hoeselt. De gemeente Lanaken hebben we bij LKC Hasselt ondergebracht, namelijk bij de werkwinkel van Maasmechelen. Hoewel de entiteiten rond Bilzen en rond Tongeren voldoende groot zijn, zouden we bij een schaalvergroting toch kunnen overwegen om één werkwinkel op te richten in Tongeren, waarop dan ook de bevolking van Bilzen en Hoeselt gericht zou zijn. Deze gedachte wordt ondersteund door de oriëntatie van de pendelfluxen, die enerzijds gericht zijn op Tongeren en anderzijds op Hasselt (en Genk). Voor de gemeenten tussen Sint-Truiden en Tongeren zijn er twee mogelijke oplossingen. De eerste bestaat erin een werkwinkel in Borgloon te plaatsen en hierop de gemeenten Heers, Wellen, Alken en Kortessem te richten. Afstanden en openbaar vervoer laten deze oplossing toe. Bij schaalvergrotingen kunnen de gemeenten Borgloon en Heers (en dit op basis van de pendelfluxen) bij Sint-Truiden ondergebracht worden, terwijl de gemeenten Alken en Kortessem bediend kunnen worden door een werkwinkel in Hasselt, waar ook de inwoners van Diepenbeek worden bediend. Dit houdt natuurlijk in dat de gemeenten Kortessem en Alken van LKC veranderen. De gemeente Wellen is qua pendel weinig op Sint-Truiden afgestemd, doch is de afstand tussen Wellen en een mogelijke werkwinkel in Hasselt vrij groot, zodat bij schaalvergroting ook Wellen afhankelijk wordt van de werkwinkel van Sint-Truiden. Voor het LKC Tongeren is voor de helft van het potentiële doelpubliek van het zorggebied van de werkwinkel van Sint-Truiden niet bereikbaar op 7,5 km, voor het zorggebied van de werkwinkel in

18


Tongeren is dit 35 %. In het zorggebied van Sint-Truiden liggen de gemeenten die buiten de 7,5 kmzone liggen op een N-Z-as rond Borgloon. Het lijkt dus aangewezen om een werkwinkel in Borgloon in te planten en Heers en Wellen hierop te richten. Ook Kortessem kan bij deze werkwinkel ondergebracht worden aangezien deze oplossing een betere dekkingsgraad en betere openbaar vervoersverbindingen heeft, dan de gemeente te laten aansluiten bij Hasselt. De meest noordelijk gelegen gemeente Alken, blijft best bij de werkwinkel van Hasselt, een centrum dat beter bereikbaar is dan Borgloon. In het zorggebied van Tongeren is het in het bijzonder de gemeente Riemst die op grotere afstand gelegen is. Door haar perifere ligging zijn er weinig andere mogelijkheden (de afstand tot Lanaken is bijvoorbeeld even ver).

II.5. VLAAMS-BRABANT Voor Vlaams-Brabant doen zich alvast drie problemen voor. Ten eerste liggen de gemeenten van het arrondissement Halle-Vilvoorde voor een deel concentrisch rond het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, hetgeen de compactheid voor het vormen van zones bemoeilijkt. Het tweede probleem vormt de grens tussen beide LKC’s, die op geen enkele geografische relevantie steunt. Ten derde zijn er een aantal plattelandsgemeenten met een geringe doelgroep die op grotere afstand van een stedelijk centrum liggen. Voor het LKC Vilvoorde is een werkwinkel in Vilvoorde zeker aangewezen. Hierop kan ook Zemst gericht zijn, een gemeente die voor handel en diensten sterk op Mechelen gericht is, doch die qua tewerkstelling niet alleen op Mechelen, maar ook op Vilvoorde en Brussel gericht is. Wat de gemeente Machelen betreft, leunt de deelgemeente Machelen alleszins aan bij Vilvoorde, voor de deelgemeente Diegem is dat minder evident. Voor de fusiegemeente Machelen is de pendel behalve naar de eigen gemeente en naar Brussel, iets groter naar Zaventem dan naar Vilvoorde. De gemeente Machelen zou bijgevolg zowel bij Zaventem als bij Vilvoorde kunnen aansluiten. Omdat een deel van de pendel vanuit Vilvoorde op Machelen gericht is, gaat ons voorstel in de eerste plaats naar het onderbrengen van Machelen bij Vilvoorde. Aangezien een deel van de pendel zowel van Vilvoorde als van Machelen op Zaventem gericht is, zal de werkwinkel van Vilvoorde rekening moeten houden met de realiteit Zaventem. De gemeente Kampenhout, gesitueerd in LKC Vilvoorde, zal verder besproken worden in het LKC Leuven. De gemeenten die tussen Asse en Vilvoorde gelokaliseerd zijn, liggen deels op een te grote afstand van ÊÊn van deze kleine steden, om deel uit te maken van hun werkwinkel. Het gaat over de gemeenten Londerzeel, Meise en Kapelle-op-den-Bos. De bevolking van Kapelle-op-den-Bos is in de eerste plaats op de stad Mechelen, van in het gelijknamige LKC, gericht. Wat de arbeidsmarkt betreft, is de gerichtheid op Mechelen minder uitgesproken, aangezien de bevolking eerder naar Londerzeel en Brussel pendelt. Omwille van de geografische ligging, de verbindingen met het openbaar vervoer en de onderlinge pendelbewegingen, is het een voor de hand liggende oplossing om een werkwinkel in de fusiegemeente Meise in te planten (met keuze tussen de deelgemeenten Wolvertem en de deelgemeente Meise). De gemeente Grimbergen heeft voldoende potentiaal om een eigen werkwinkel te herbergen. Toch is dit, gelet op andere oplossingen, geen

19


noodzaak. Hoewel Grimbergen een groter doelpubliek heeft dan Londerzeel en Meise, vinden we het niet opportuun om een werkwinkel in Grimbergen in te planten, die deze gemeenten zou bedienen. De afstand tussen Grimbergen en de noordelijke deelgemeenten van Londerzeel is immers te groot. Een alternatief zou zijn om Grimbergen bij de werkwinkel van Meise onder te brengen. Nochtans zouden we in eerste instantie Grimbergen bij Vilvoorde onderbrengen, enerzijds omwille van de afstand en anderzijds omwille van een grotere pendelflux van Grimbergen naar Vilvoorde of naar Zaventem. Bij de gemeente Asse worden alleszins de gemeenten Opwijk en Merchtem ondergebracht. Rekening houdend met de afstand zou de gemeente Wemmel zowel in de werkwinkel van Meise als in deze van Asse ondergebracht kunnen worden. Omwille van de verbindingen met het openbaar vervoer, stellen we in de eerste plaats voor om de gemeente Wemmel bij de werkwinkel van Asse te voegen. Voor de gemeenten van de Denderstreek, zijnde Affligem, Liedekerke en Roosdaal, lijkt de meest logische oplossing om deze gemeenten onder te brengen bij een werkwinkel samen met Ternat. De gemeente Affligem heeft wel enige binding met zowel Aalst als met Asse, maar het onttrekken van Affligem aan de werkwinkel van Liedekerke-Ternat zou deze te zwak maken. Dilbeek heeft net een voldoende groot doelpubliek om een eigen werkwinkel op te richten. Het plaatsen van een werkwinkel in Dilbeek is bij schaalvergroting niet aan te raden, aangezien de afstand voor de inwoners van Liedekerke, Affligem en Roosdaal dan te groot wordt. In het zuidwesten van Brussel is een werkwinkel in Beersel mogelijk, waarop de gemeenten Sint-Genesius-Rode, Linkebeek en Drogenbos gericht kunnen zijn. De gemeente Sint-Pieters-Leeuw heeft een net voldoende groot doelpubliek om een werkwinkel in de gemeente onder te brengen. De gemeente Lennik zou hier eventueel bij kunnen aansluiten. Toch lijkt het ons beter om Sint-Pieters-Leeuw op te nemen in de werkwinkel van Halle. Omwille van de afstand en de openbaar vervoersverbindingen met Pepingen, lijkt het evident om deze gemeente eveneens bij de werkwinkel van Halle op te nemen. De vijf overblijvende gemeenten in het Pajottenland, namelijk Lennik, Gooik, Herne en Galmaarden, komen samen aan 80% van de minimale drempel. Twee oplossingen bieden zich aan. Ofwel kunnen deze rurale gemeenten ondergebracht worden bij ĂŠĂŠn van de reeds toegekende werkwinkels. In dat geval zouden Lennik, Gooik en Herne bij Halle worden ondergebracht. De gemeenten Galmaarden en Bever zouden dan bij de werkwinkel van Geraardsbergen in het LKC Aalst-Oudenaarde komen. Deze beide gemeenten zijn dichter bij Geraardsbergen dan bij Halle gelegen. Daarenboven is de bevolking van deze twee gemeenten voor handel en diensten eveneens voor een deel op Geraardsbergen afgestemd. Ofwel kan er een werkwinkel geplaatst worden op een centraal punt. De grootste kern in dit gebied is de excentrisch gelegen kern van Lennik. Daarom zou er beter een centraal punt gekozen worden, zoals bijvoorbeeld Leerbeek, waar verschillende buslijnen elkaar kruisen. In dat geval kan men zelfs overwegen om de gemeente Pepingen bij deze werkwinkel in Leerbeek te laten aansluiten.

In het LKC Leuven wordt de ruimte gestructureerd rond de regionale stad Leuven en de kleine steden Aarschot, Diest en Tienen. Het oostelijk deel van dit LKC, bestaat uit kleine gemeenten die onder andere op Sint-Truiden gericht zijn. Indien men LKC overschrijdend werkt en indien men rekening houdt met de afstanden, is het logisch om Geetsbets en Zoutleeuw van de werkwinkel Sint-Truiden te laten afhangen.

20


Een werkwinkel in Landen organiseren, waarop ook de gemeenten Geetbets en Zoutleeuw zouden afgestemd zijn, is niet zo aangewezen, door het feit dat verplaatsingen met het openbaar vervoer van Geetbets en Zoutleeuw naar Landen duidelijk ontoereikend zijn. Omwille van de gerichtheid van de werkpendel is het logisch om Landen bij Tienen te plaatsen. Naar Tienen zijn ook de gemeenten Hoegaarden, Linter, Glabbeek en Boutersem gericht. In het noorden zal de werkwinkel van Diest ook Scherpenheuvel en Bekkevoort bedienen. Bij Aarschot hoort alleszins de gemeente Begijnendijk. Ook Rotselaar kan hier aan toegevoegd worden, aangezien de afstand naar Aarschot kleiner is dan naar Leuven. De arbeidsmarkt van zowel Aarschot, Begijnendijk en Rotselaar is daarenboven niet alleen op Leuven afgestemd, maar ook op Aarschot. Bijgevolg zal deze werkwinkel met dezelfde arbeidsproblemen geconfronteerd worden. Om dezelfde reden worden ook de gemeenten Holsbeek en Tielt-Winge hieraan toegevoegd. Tussen Diest, Leuven en Aarschot zijn er een aantal gemeenten, namelijk Holsbeek, Tielt-winge, Lubbeek, Bierbeek en Kortenaken, die verder verwijderd zijn van één van de drie genoemde steden. De gemeente Kortenaken is gelet op de reeds uitgevoerde indeling geïsoleerd ten oosten van de lijn Diest-Tienen. Ondanks de afstand, maar gelet op de pendelflux van de bevolking voor handel en diensten lijkt het logisch ook Kortenaken aan de werkwinkel van Tienen toe te kennen. Aangezien Holsbeek en Tielt-winge reeds bij Aarschot ondergebracht zijn, dient alleen nog een oplossing gevonden te worden voor Lubbeek en Bierbeek. Het lijkt ons logisch om beide gemeenten samen met Oud-Heverlee aan een werkwinkel in Leuven toe te kennen. Een werkwinkel inplanten tussen deze drie steden, van waaruit Tielt-Winge, Lubbeek, Holsbeek en Bierbeek bediend zouden worden, is een alternatief wanneer er rekening gehouden wordt met de afstanden. In dit geval zal Oud-Heverlee wel rechtstreeks door Leuven bediend worden. Deze werkwinkel zou echter een klein potentiaal hebben en de verbindingen met het openbaar vervoer zijn zwak. De gemeenten tussen Leuven en Mechelen zijn qua afstand te ver gelegen om alle gemeenten bij één van deze twee steden onder te brengen. Een werkwinkel in Haacht onderbrengen, waarop de gemeenten Boortmeerbeek, Keerbergen en Tremelo gericht zijn, vormt een oplossing. Kampenhout sluit hier eveneens bij aan, aangezien de afstand met Haacht gering is en door het openbaar vervoer verbonden. Deze oplossing geniet de voorkeur boven het samengaan van Kampenhout met Vilvoorde of Zaventem. We merken hierbij wel op dat alle vermelde gemeenten een pendel hebben die op verschillende centra gericht is, zij het Leuven, Mechelen, Zaventem of Brussel. De gemeente Kortenberg is dichter bij Zaventem gelegen dan bij Leuven of Tervuren, die op ongeveer gelijke afstand gesitueerd zijn. Tevens is er geen rechtstreekse verbinding met het openbaar vervoer met Tervuren. Het opnemen van de gemeente Kortenberg in de werkwinkel van Zaventem (LKC Vilvoorde) lijkt de meest plausibele oplossing, eveneens omwille van de pendelfluxen. Aan de oostrand van Brussel kan er een werkwinkel in Tervuren (LKC Leuven) opgericht worden, waarop de gemeenten Wezembeek-Oppen en Kraainem (LKC Vilvoorde) gericht zijn. Deze werkwinkel heeft echter een gering potentiaal. Het toevoegen van de gemeente Bertem zou het potentiaal verhogen. De deelgemeente Leefdaal ligt immers even ver verwijderd van Tervuren als van Leuven. De gemeenten Hoeilaart, Overijse en Huldenberg, behorend tot verschillende LKC’s blijven over. De gemeenten Overijse en Hoeilaart (LCK Vilvoorde) komen samen niet aan de minimale drempel. De gemeente Huldenberg (LKC Leuven) vertoont een pendel die zowel op Overijse, Brussel als op Leuven afgestemd is. Daarenboven zijn de afstanden en de verbindingen met het openbaar vervoer

21


tussen Huldenberg en Overijse beter dan met Tervuren. Bij schaalvergroting kan de werkwinkel van Tervuren ook de gemeenten Hoeilaart, Overijse en Huldenberg opnemen. Tenslotte blijft er de stad Leuven over, waarvan de werkwinkel (of een opgesplitste) alleszins de agglomeratiegemeente Herent bedient, alsook de reeds besproken gemeenten Oud-Heverlee, Lubbeek en Bierbeek. In de provincie Vlaams-Brabant zijn er na de eerste fase twee zorggebieden waarbij de potentiële gewogen bevolking die buiten de bufferzone woont een potentiaal heeft groter dan de minimale drempel, namelijk het zorggebied van Tienen en Halle. Daarenboven zijn er vier zorggebieden waarbij de potentiële gewogen bevolking die buiten de bufferzone woont gelijk is aan ½ à ¾ van de minimale drempel. Deze laatste vier zorggebieden zijn Meise, Asse, Leuven en Aarschot. Wat Meise betreft is er geen andere oplossing. Dit komt door de langgerekte vorm van de gemeente en door het feit dat Londerzeel en Kapelle-op-den-Bos een perifere ligging hebben. Indien Kapelle-opden-Bos bij Mechelen zou komen, zou het afstandsprobleem niet opgelost zijn. De bevolking die zich buiten de bufferzone van het zorggebied van Asse bevindt, woont voornamelijk in delen van Merchtem en Wemmel. Als alternatieve oplossing zou Wemmel bij de werkwinkel van Meise ondergebracht kunnen worden, aangezien de afstand Wemmel-Meise kleiner is dan de afstand Wemmel-Asse. Het openbaar vervoer is wel enkel op Asse gericht. De bevolking van het zorggebied van Aarschot die verder dan 7,5 km van de werkwinkel verwijderd is, woont voornamelijk in Holsbeek en Tielt-Winge. Voor het zorggebied van Leuven gaat het voornamelijk over de gemeenten Lubbeek en Bierbeek. Als alternatief wordt een inplanting van een werkwinkel in Lubbeek bestudeerd, waarbij eveneens de gemeenten Lubbeek, Holsbeek, Bierbeek en Tielt-Winge op afgestemd zijn. Deze inplanting geeft een verbetering in afstandsbedekking, maar niet voor de gemeente Bierbeek. Ook de gemeente Boutersem, die niet helemaal gedekt wordt door Tienen, kan bij dit alternatief voorstel bij de werkwinkel van Lubbeek genomen worden. Als eerste oplossing worden de gemeenten Lubbeek, Holsbeek, Bierbeek en Tielt-Winge echter bij de steden Leuven en Aarschot ondergebracht. In het zorggebied van Tienen heeft de potentiële gewogen bevolking die buiten de bufferzone van 7,5 km woont, een waarde van 24,6. Voornamelijk een het westelijk deel van Boutersem, maar vooral Landen en naar het noorden toe Linter en Kortenaken bevinden zich buiten de bufferzone. Landen heeft van deze gemeenten de belangrijkste kern, maar ligt excentrisch zodat het niet logisch is om andere gemeenten bij een werkwinkel in Landen onder te brengen. Een alternatieve oplossing bestaat erin een groep van kleine gemeenten samen te nemen, namelijk Linter, Kortenaken, Geetbets en Zoutleeuw. Een centrale werkwinkel in Zoutleeuw inplanten, geeft een betere afstandsbedekking voor Linter (100% ipv 47%) en Geetbets (64% ipv 0%). Anderzijds is er praktisch geen voordeel voor de gemeente Kortenaken (8,4% ipv 2,2). Rekening houdend met de gerichtheid van de gemeenten, hetzij op Tienen, hetzij op Sint-Truiden, en met het feit dat de opgeleverde winst slechts voor een beperkt aantal burgers telt, wordt deze oplossing maar in 2de rang voorgesteld. Een analoog probleem doet zich voor ten opzichte van het zorggebied van Halle. De gemeenten uit het Pajottenland liggen op grote afstand van Halle. Wellicht kan een centraal gelegen werkwinkel een oplossing bieden. Een werkwinkel in de gemeente Gooik plaatsen, biedt een oplossing voor Gooik en Lennik, voor Pepingen is er geen winst en voor Herne is de winst gering. De gemeenten Galmaarden

22


en Bever zijn op geringe afstand van Geraardbergen gelokaliseerd dan ten opzichte van Gooik. Omdat de uiteindelijke winst maar voor een beperkt aantal burgers geldt, wordt deze oplossing slechts in alternatief aangeboden.

23


Tabel 1: Percentage van de bevolking die tot de bufferzone van 7,5km behoort (toegepast op de 88 werkwinkels van fase 1)

nr ww Gemeente 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55

ANTWERPEN BOOM BRASSCHAAT KAPELLEN MORTSEL RANST SCHILDE SCHOTEN BORNEM HEIST-OP-DE-BERG LIER MECHELEN SINT-KATELIJNE-WAVER WILLEBROEK BEERSE GEEL HERENTALS HERSELT HOOGSTRATEN MOL OUD-TURNHOUT TURNHOUT ASSE BEERSEL DILBEEK HALLE MEISE TERNAT VILVOORDE ZAVENTEM AARSCHOT DIEST HAACHT OVERIJSE LEUVEN TERVUREN TIENEN BLANKENBERGE BRUGGE OOSTKAMP TORHOUT KNOKKE-HEIST DIKSMUIDE IEPER POPERINGE HARELBEKE KORTRIJK MENEN WAREGEM ZWEVEGEM OOSTENDE IZEGEM ROESELARE TIELT VEURNE

Bev bufferzone

Tot bevolking (2002)

% bev bufferzone

Tot gew doelpl (/100)

Tot doelpubl buiten buffer

445901 68208 38157 43185 94633 45113 44010 39880 40496 45594 52023 75884 51918 22574 33164 42442 57126 28726 23732 55204 22775 40133 49530 50331 38119 57601 22587 42113 95468 49980 50703 42305 50152 42750,0 129362 50332 47922 19290 120181 41293 23604 33352 18576 44576 20871 50019 72972 74037 59090 22899 89528 42406 76458 43861 40652

466195 69228 55002 76890 94828 51813 62389 58083 43206 46243 63057 75884 64629 22574 33929 57957 62503 35743 30557 59948 47369 71722 68498 50331 38119 92113 44283 48594 101256 55378 70162 49650 60962 41556 140701 55578 78475 20484 141199 57621 40165 33352 36487 63417 22908 50019 74496 80814 66470 34367 130252 42406 112793 61747 60289

95,6% 98,5% 69,4% 56,2% 99,8% 87,1% 70,5% 68,7% 93,7% 98,6% 82,5% 100,0% 80,3% 100,0% 97,7% 73,2% 91,4% 80,4% 77,7% 92,1% 48,1% 56,0% 72,3% 100,0% 100,0% 62,5% 51,0% 86,7% 94,3% 90,3% 72,3% 85,2% 82,3% 97,2% 91,9% 90,6% 61,1% 94,2% 85,1% 71,7% 58,8% 100,0% 50,9% 70,3% 91,1% 100,0% 98,0% 91,6% 88,9% 66,6% 68,7% 100,0% 67,8% 71,0% 67,4%

655,8 47,5 35,4 47,0 57,8 33,9 36,3 39,1 24,4 37,7 47,5 87,9 37,7 21,1 25,0 49,3 53,5 28,9 18,3 50,1 33,5 70,9 43,0 29,9 23,4 56,8 22,9 28,0 71,3 32,3 44,7 38,1 34,1 22,1

28,5 0,7 10,8 20,6 0,1 4,4 10,7 12,3 1,5 0,5 8,3 0,0 7,4 0,0 0,6 13,2 4,6 5,7 4,1 4,0 17,4 31,2 11,9 0,0 0,0 21,3 11,2 3,7 4,1 3,1 12,4 5,6 6,1 0,6 9,3 2,7 22,5 1,3 15,6 9,7 12,2 0,0 12,0 13,4 1,3 0,0 1,4 5,3 4,5 7,6 40,9 0,0 23,1 9,8 15,0

114,9 28,7 57,9 22,8 105,1 34,2 29,6 23,4 24,4 45,3 15,0 33,7 66,5 62,7 40,7 22,7 130,8 28,0 71,7 33,9 45,9

24


56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88

AALST GERAARDSBERGEN NINOVE ZOTTEGEM DENDERMONDE WETTEREN EEKLO AALTER DEINZE EVERGEM GENT MERELBEKE OUDENAARDE RONSE BEVEREN LOKEREN SINT-NIKLAAS TEMSE BERINGEN GENK HASSELT HERK-DE-STAD SINT-TRUIDEN TESSENDERLO HEUSDEN BREE LOMMEL MAASEIK NEERPELT HOUTHALEN-HELCHTEREN BILZEN TONGEREN MAASMECHELEN

127920 40347 34683 45630 74378 45264 45295 21920 40479 24403 242481 42269 43257 25840 40314 57049 87716 33667 39461 70062 97505 29849 48961 22640 30175 32120 30168 25997 36472 24740 38293 32059 49754

146205 47006 34683 63599 87867 45337 69309 37567 53097 63647 289707 57469 64534 29652 44999 62678 135428 40409 39729 86127 124130 33481 88253 25502 30175 38591 44802 34984 68732 29425 38621 49693 78078

87,5% 85,8% 100,0% 71,7% 84,6% 99,8% 65,4% 58,3% 76,2% 38,3% 83,7% 73,6% 67,0% 87,1% 89,6% 91,0% 64,8% 83,3% 99,3% 81,3% 78,6% 89,2% 55,5% 88,8% 100,0% 83,2% 67,3% 74,3% 53,1% 84,1% 99,2% 64,5% 63,7%

119,1 32,8 26,6 43,6 65,2 31,6 52,2 20,0 30,1 45,1 368,7 33,8 33,8 32,4 31,7 52,4 107,0 31,9 40,1 103,4 117,7 16,9 76,5 14,0 30,9 30,5 42,7 30,5 58,8 32,9 33,5 43,9 83,2

14,9 4,6 0,0 12,3 10,0 0,1 18,1 8,3 7,2 27,8 60,1 8,9 11,2 4,2 3,3 4,7 37,7 5,3 0,3 19,3 25,2 1,8 34,1 1,6 0,0 5,1 14,0 7,8 27,6 5,2 0,3 15,6 30,2

25


III. EEN VERGELIJKING MET DE HUIDIGE WERKWINKELS III.1. WEST-VLAANDEREN In de LKC’s Oostende-Westhoek en Brugge is er een grote overeenkomst tussen de hier gepresenteerde voorstellen en de huidige situatie. Wat de inplanting van de werkwinkels betreft, is binnen het zorggebied Veurne een werkwinkel in Koksijde en één in Veurne ingeplant waar wij enkel een werkwinkel in Veurne voorzien. Koksijde heeft wel een groter potentiaal dan Veurne, waardoor een inplanting in Koksijde eveneens interessant kan zijn. Een inplanting in Koksijde vergroot evenwel de afstand tot Alveringem en Lo-Reninge. Het onderbrengen van Lo-Reninge bij Diksmuide is daarom niet onlogisch. Deze samenstelling wordt in een alternatief voorstel opgenomen. De ontdubbeling van dit zorggebied is te begrijpen, maar gezien de dekkingsgraad geen noodzaak. Wat het zorggebied van Oostende betreft, zijn er verschillen tussen het hier gepresenteerde voorstel en de huidige situatie. Zo voorzien wij een werkwinkel in Oostende en in Middelkerke, terwijl er momenteel naast Oostende ook een werkwinkel voorzien is in Bredene en Gistel. Als alternatief voorstel stellen we voor om De Haan bij Bredene te plaatsen zodanig dat het potentiële doelpubliek van Bredene en De Haan voldoende groot is om een werkwinkel te wettigen. De zone tussen Torhout, Oostende en Diksmuide is een moeilijk in te delen zone. Een werkwinkel enkel voor Torhout zou te zwak zijn (met een potentieel doelpubliek van 14,5). Koekelare en Ichtegem zijn de twee gemeenten die qua flux het best aansluiten bij Torhout, hoewel dit voorstel LKCoverschrijdend is en een andere samenstelling heeft dan het huidige zorggebied. Ten zuidwesten van Oostende kan er best een werkwinkel in Middelkerke ingeplant worden. Het potentiële doelpubliek van Middelkerke is twee maal zo groot als dat van Gistel, waar er momenteel een werkwinkel is ingeplant. We zouden deze werkwinkel in Gistel dus niet weerhouden en een werkwinkel in Bredene als alternatief voorstellen. Om het potentiële doelpubliek van de werkwinkel van Middelkerke te verhogen kan de gemeente Nieuwpoort mee in het zorggebied opgenomen worden. In het voorgestelde zorggebied van Oostkamp zijn er momenteel drie werkwinkels aanwezig, één in Beernem, één in Oostkamp en één in Zedelgem. Het totale potentiële doelpubliek van dit zorggebied bedraagt 34, wat te laag is voor het onderbrengen van zelfs 2 werkwinkels. In het LKC Kortrijk kunnen er gemakkelijk enkele werkwinkels uitgespaard worden. Zo is er momenteel een werkwinkel in Wevelgem en een werkwinkel in Ledegem. De gemeente Ledegem leunt qua flux duidelijk aan bij Roeselare en de gemeente Wevelgem kan qua afstand zonder probleem bij Menen ondergebracht worden. De gemeente Dentergem maakt momenteel deel uit van het zorggebied van Tielt. Wij stellen echter voor om deze gemeente op te nemen in het zorggebied van Waregem, waarnaar meer fluxen gericht zijn (er is eveneens een pendelflux van Dentergem naar Wielsbeke binnen dit zorggebied). De gemeente Lendelede hoort momenteel bij het zorggebied van Harelbeke, terwijl deze gemeente in het voorstel onder het zorggebied van Izegem gebracht is. Zo is de gemeente Izegem voor 100% van de bevolking op 7,5 km bereikbaar en zijn er duidelijke fluxen van Lendelede naar Izegem. De gemeente Deerlijk behoort momenteel bij het zorggebied van Waregem. Dit voorstel brengt deze

26


gemeente onder bij het zorggebied van Harelbeke. Een werkwinkel in Harelbeke ligt op kortere afstand en de fluxen naar Kortrijk en Harelbeke zijn groter dan naar Waregem. Deerlijk bij Harelbeke onderbrengen, versterkt ook het potentiële doelpubliek van Harelbeke. Toch is het onderbrengen van Deerlijk bij het zorggebied van Waregem een niet-onlogische oplossing. Momenteel zijn er in het LKC Kortrijk een aantal zorggebieden met meer dan één werkwinkel. Zo heeft Hooglede binnen het zorggebied van Roeselare eveneens een werkwinkel, Ledegem binnen het zorggebied van Wevelgem, Wervik binnen het zorggebied van Menen, Avelgem binnen het zorggebied van Zwevegem en Kuurne binnen het zorggebied van Harlebeke. De werkwinkels van Hooglede en Ledegem zijn niet te verdedigen, aangezien zij een zeer klein potentieel doelpubliek hebben en niet centraal gelegen zijn. De gemeente Wervik heeft een groter potentieel doelpubliek (14), maar heel deze gemeente ligt binnen een straal van 7,5 km van Menen. Een werkwinkel in Avelgem is eventueel verdedigbaar indien deze werkwinkel ook voor de gemeente Spiere-Helkijn dienst doet. Samen hebben zij een potentiaal van slechts een halve werkwinkel, maar de perifere ligging ten opzichte van Zwevegem zou een argument kunnen zijn. De werkwinkel in Kuurne is niet verdedigbaar, aangezien deze gemeente slechts een potentieel doelpubliek van 8 heeft en in zijn totaliteit op minder dan 7,5 km van Harelbeke gelegen is. III.2. OOST-VLAANDEREN In het LKC Gent is er momenteel een werkwinkel in Zomergem met een zorggebied dat de gemeenten Zomergem, Nevele, Lovendegem en Waarschoot omvat. Het lijkt ons geen prioriteit om in Zomergem een werkwinkel in te planten, aangezien 69% van de bevolking van Zomergem en 100% van de bevolking van Waarschoot op minder dan 7,5 km van Eeklo woont. Lovendegem behoort in het voorstel tot de werkwinkel van Evergem, waarbij 99% van de bevolking bereikbaar is binnen een straal van 7,5 km. Ook de gemeente Nevele die nu bij de werkwinkel van Zomergem wordt ondergebracht heeft sterkere fluxen met Deinze. De ontdubbeling binnen het zorggebied van Eeklo (met een extra werkwinkel in Maldegem), is wegens de grootte van de kern van Maldegem (met een potentieel doelpubliek van 15) te begrijpen. Toch woont 1/3 van dit potentiële doelpubliek op minder dan 7,5 km van Eeklo en 2/3 ongeveer binnen een straal van 10km. Deze ontdubbeling is dus geen noodzaak. De gemeente Gavere hoort momenteel bij het zorggebied van Deinze, terwijl dit voorstel Deinze onderbrengt bij de werkwinkel van Merelbeke. De fluxen gaan duidelijk richting Gent en niet richting Deinze, wat pleit voor het onderbrengen bij het zorggebied van Merelbeke. Dezelfde redenering geldt voor De Pinte en Sint-Martens-Latem, twee gemeenten die duidelijk bij het Gentse stadsgewest horen, zodat dit voorstel deze gemeenten eveneens in het zorggebied van Gent onderbrengen. De kleinstedelijke fluxen van de gemeente Assenede zijn sterker naar Eeklo dan naar Zelzate, maar het omgekeerde geldt voor de pendelfuxen. Daarenboven is de afstand tot Zelzate korter dan tot Eeklo, wat voor een onderbrengen van Assenede bij het zorggebied van Zelzate pleit (en niet bij Eeklo, zoals momenteel gebeurt). De werkwinkel in Destelbergen stemt overeen met het alternatief voorstel om een werkwinkel in Lochristi te plaatsen, die deze beide gemeenten bedient. Wat de gemeente Moerbeke betreft, stellen we voor om LKC-overschrijdend te werken, aangezien de fluxen van Zelzate naar Lokeren sterk uitgesproken zijn.

27


In het LKC Sint-Niklaas - Dendermonde zijn er momenteel meer werkwinkels dan wat voorzien is in dit voorstel. Het betreft de werkwinkels van Hamme, Zele en Lebbeke. Een werkwinkel in Lebbeke plaatsen lijkt niet echt functioneel, aangezien 100% van de bevolking van Lebbeke binnen een straal van 7,5 km van de werkwinkel van Dendermonde woont en het potentiële doelpubliek van deze werkwinkel slechts 12,3 is. Dezelfde redenering geldt voor de werkwinkel in Zele. 100% van de bevolking van Zele kan de werkwinkel in Lokeren binnen een straal van 7,5 km bereiken. Thans wordt de gemeente Berlare bij het zorggebied van Zele gerekend. Wij stellen voor om deze gemeenten, omwille van fluxen bij de stad Dendermonde onder te brengen. De afstand van Berlare tot Zele is bovendien van dezelfde grootte-orde als de afstand tot Dendermonde. Berlare bij het zorggebied van Lokeren onderbrengen, zorgt voor te grote afstanden tussen Berlare en Lokeren. Wat Hamme betreft, behoort de gemeente Waasmunster momenteel bij het zorggebied van Hamme. Een werkwinkel in Hamme plaatsen, lijkt ons een haalbaar alternatief, aangezien de werkwinkel van Sint-Niklaas voor de bevolking van Hamme niet bereikbaar is binnen de 7,5 km. Nochtans stellen we voor om de gemeente Waasmunster bij het zorggebied van Sint-Niklaas op te nemen, aangezien Waasmunster duidelijk meer gericht is op Sint-Niklaas dan op Hamme. Op basis van de afstand zou de werkwinkel van Temse kunnen uitgespaard worden en kan Temse ondergebracht worden bij het zorggebied van Bornem en Kruibeke bij het zorggebied van Beveren. De aanwezige fluxen geven echter aan dat dit geen goede oplossing zou zijn. III.3. ANTWERPEN In het LKC Antwerpen-Boom zijn er thans meer werkwinkels dan wat wij voorstellen. Het betreft de werkwinkels van Kontich, Zoersel, Wijnegem, Brecht, Wuustwezel en Essen. Het zorggebied van Mortsel, zoals hier voorgesteld, is thans opgesplitst (met een extra werkwinkel in Kontich). Dit is echter geen noodzaak, aangezien alle gemeenten op minder dan 7,5 km van Morstel gelegen zijn. Wuustwezel is momenteel bij het zorggebied van Kalmthout ondergebracht, hoewel Wuustwezel ook het statuut van werkwinkel heeft. Dit is begrijpelijk omwille van de bereikbaarheid, maar het potentiële doelpubliek (10,5) bedraagt maar de helft van de minimale waarde. Er is tevens geen rechtstreeks openbaar vervoer tussen Wuustwezel en Kalmthout. Wij blijven echter bij het voorstel om Wuustwezel bij Brasschaat onder te brengen. We willen nog opmerken dat de gemeenten ten oosten en noordoosten van Antwerpen momenteel op een andere manier verdeeld zijn. De gemeente Zandhoven behoort momenteel bij het zorggebied van Malle. Dit is niet de beste oplossing en deze gemeente kan beter bij de werkwinkel van Ranst ondergebracht worden. De gemeente Brecht vormt een probleem wat openbaar vervoer betreft. Op basis van dit kenmerk zou Brecht het best bij Brasschaat ondergebracht worden (gemakkelijkste bereikbaarheid). Op basis van afstandsdekking en fluxen hoort deze gemeente eerder bij het zorggebied van Malle. Dit wordt dan ook in alternatief voorgesteld. Momenteel is er een afzonderlijke werkwinkel in Brecht voorzien. Het potentiële doelpubliek (16,0) valt echter onder de drempelwaarde.

28


De gemeenten Ranst, Wommelgem, Zandhoven, Borsbeek, Schilde, Zoersel, Wijnegem en Malle zijn in het voorstel opgedeeld in twee zorggebieden: Ranst en Schilde. Momenteel zijn deze gemeenten ondergebracht in het zorggebied van Zoersel, Wijnegem of Morstel. Dit voorstel heeft deze gemeenten opgedeeld rond twee assen, rekening houdend met de gerichtheid. Of de werkwinkel in het zorggebied van Ranst in Ranst (als gemeente met het grootste potentieel doelpubliek) of in Wommelgem moet komen, kan open blijven. Hetzelfde geldt voor de keuze van de werkwinkel in Schilde of Wijnegem. Een ontdubbeling met een werkwinkel in Schilde en Wijnegem, zoals momenteel gebeurt, is geen noodzaak. Zo is het potentieel doelpubliek te klein voor een ontdubbeling en is de afstandsdekking verzekerd. In het LKC Mechelen is er een grote overeenkomst tussen de huidige situatie en de hier gepresenteerde voorstellen. Momenteel wordt het zorggebied van Lier opgesplitst met een extra werkwinkel in Nijlen, die ook de gemeente Berlaar bedient. Deze opsplitsing is moeilijk verdedigbaar, aangezien Nijlen en Berlaar sterk op Lier gericht zijn en de bevolking van deze twee gemeenten voor 2/3 binnen een straal van 7,5 km wonen. In het zorggebied van Bornem treedt er een ontdubbeling op, met een twee werkwinkel in Puurs. Noch het potentiĂŤle doelpubliek, nog de afstandsbedekking pleiten voor deze keuze. De gemeente Hulshout is momenteel opgenomen bij het zorggebied van Westerlo, waar wij de voorkeur geven aan het opnemen van Hulshout bij het zorggebied van Heist-op-den-Berg, hoewel dit LKC-overschrijdend is. In het LKC Turnhout zijn het aantal werkwinkels in het hier gepresenteerde voorstel gelijk aan het huidige aantal. De indeling van de zorggebieden is echter niet altijd gelijk. Rond Turnhout behoort de gemeente Kasterlee momenteel tot het zorggebied van Herentals. Op basis van het openbaar vervoer en de fluxen opteren wij om de gemeente Kasterlee op te nemen bij het zorggebied van Turnhout. De gemeente Merksplas is momenteel ondergebracht bij het zorggebied van Hoogstraten, maar omwille van de afstandsbedekking, de fluxen en de verbindingen met het openbaar vervoer kan deze gemeente beter bij Turnhout ondergebracht worden. Thans is er een werkwinkel in Arendonk ingeplant. Wij kiezen er echter voor dat Oud-Turhout een betere lokalisatie geeft. De werkwinkel van Oud-Turnhout en Turnhout zijn dan wel zeer dicht bij elkaar gelokaliseerd. Om deze reden zou het onderbrengen van de werkwinkel van Oud-Turnhout bij Turnhout niet veel verlies in dekkingsgraad betekenen. De westelijke gemeenten Vosselaar, Beerse en Merksplas zouden eventueel ook bij Turnhout kunnen ondergebracht worden. EĂŠn werkwinkel voor het hele gebied in Turnhout leidt wel tot een te groot potentieel doelpubliek. Deze werkwinkel is dan van dezelfde grootte-orde dan de werkwinkel van Aalst, die een gelijkaardige problematiek heeft van op de centrale stad gerichte gemeenten. We stellen deze keuze dan ook slechts als alternatief voor. Voor de westelijke gemeenten hebben we omwille van de compacte ligging, daarom een werkwinkel in Beerse voorzien (net zoals er nu een ontdubbeling van het zorggebied van Turnhout met twee werkwinkels heeft plaats gegrepen).

29


III.4. LIMBURG In het LKC Hasselt is er een grote overeenkomst tussen de huidige situatie en de hier gepresenteerde voorstellen. Het huidige aantal werkwinkels, is ondermeer door ontdubbelingen, groter dan wat hier voorgesteld wordt. Zo zijn er momenteel in het zorggebied van Beringen twee werkwinkels aanwezig (een werkwinkel in Beringen en één in Leopoldsburg). In dit voorstel wordt Leopoldsburg bij de werkwinkel van Hechtel-Eksel geplaatst, omwille van de geringere afstand en de openbaar vervoersverbindingen. Leopoldsburg heeft ook slechts een potentieel doelpubliek van 14,5, wat niet voldoende is voor een eigen werkwinkel. Het onderbrengen van deze gemeente bij de werkwinkel van Beringen is echter een valabel alternatief. Deze gemeente bij Hechtel onderbrengen, geeft echter ook een afstandsprobleem. Een groot deel van de bevolking van Leopoldsburg ligt op meer dan 7,5 km, zowel van Hechtel als van Beringen. Een alternatief zou kunnen zijn om ook Heusden-Zolder in de wrkwinkel van Beringen onder te brengen. Maasmechelen, Dilsen-Stokkem en Lanaken zijn momenteel drie afzonderlijke werkwinkels. Wij stellen voor om deze drie gemeenten onder te brengen bij de werkwinkel van Maasmechelen, hoewel er zich dan enige afstandsproblemen voor een deel van de bevolking van Lanaken en Dilsen-Stokkem voordoen. Als alternatief voorstel wordt er daarom voorgesteld om in Lanaken (met een potentieel doelpubliek boven de minimumdrempel) een extra werkwinkel op te richten. De gemeente Zonhoven heeft momenteel een eigen ontdubbelde werkwinkel (binnen het zorggebied van Houthalen-Helchteren). Nochtans heeft Zonhoven een duidelijke gerichtheid op Hasselt en een potentieel doelpubliek dat niet aan het minimum komt. We stellen voor om Zonhoven bij de werkwinkel van Hasselt te laten aansluiten. De gemeente Alken, van het LKC Tongeren, werd als banlieuegemeente van Hasselt, bij de werkwinkel van Hasselt gevoegd (eerder dan bij Borgloon). Borgloon kan wel als alternatief voorgesteld worden. De gemeenten Zoutleeuw en Geetbets worden in eerste voorstel bij Sint-Truiden ondergebracht. III.5. VLAAMS-BRABANT In het LKC Vilvoorde zijn er veel overeenkomsten wat betreft de locatie van de werkwinkels en de samenstelling van de zorggebieden. Een werkwinkel in Londerzeel, waarbij de gemeenten Meise en Kapelle-op-den-Bos aansluiten wordt als eerste voorstel geopteerd. Wanneer ook de gemeente Wemmel bij dit zorggebied gerekend wordt, kan de werkwinkel beter in Meise gelokaliseerd worden. Momenteel is er een werkwinkel aanwezig in Sint-Pieters-Leeuw. Nochtans is 2/3 van de bevolking woonachtig op minder dan 7,5 km van het centrum van Halle. Het potentiële doelpubliek van SintPieters-Leeuw is ook niet veel hoger dan de minimumdrempel, waardoor deze werkwinkel eerder overbodig lijkt. Momenteel is er een werkwinkel aanwezig in Gooik, wat ook in de alternatieve oplossing wordt voorgesteld.

30


De constructies in Midden-Brabant zijn niet altijd even logisch. Om deze reden blijven we bij het voorstel om de gemeente Steenokkerzeeel bij Zaventem onder te brengen samen met de gemeente Kortenberg (van het LKC Leuven). Dit geldt eveneens voor Huldenberg, een gemeente die we in de werkwinkel van Overijse hebben ondergebracht. Het ontdubbelen van de werkwinkel in Tervuren, met een extra werkwinkel in Kortenberg is geen logische constructie. Het potentiële doelpubliek van Kortenberg bedraagt slechts 9,4 en wettigt geen zelfstandige werkwinkel. In het LKC Leuven werd bij de werkwinkel van Diest de gemeente Halen van het LKC Hasselt ondergebracht. Het zuidoosten van dit LKC is momenteel opgedeeld in een zorggebied rond Tienen en een zorggebied rond de werkwinkel van Landen (‘ZO-Hageland’). In het voorstel wordt als meest logische oplossing de gemeenten Zoutleeuw en Geetbets bij Sint-Truiden geplaatst en de overige gemeenten worden bij de werkwinkel in Tienen ondergebracht. De keuze om een ‘landelijke’ werkwinkel op te richten wordt als alternatieve oplossing voorgesteld. Het is echter niet gemakkelijk om een goed centraal punt te zoeken (niet Zoutleeuw), tevens is het potentieel doelpubliek vrij klein en blijft er een probleem bestaan voor Landen. Landen kan in deze oplossing nog het best als antenne dienen binnen Tienen dan binnen het zorggebied ZO-Hageland. Een ontdubbeling binnen dit zorggebied, met een werkwinkel in Zoutleeuw en één in Landen, is luxe. De gemeente Rotselaar behoort op basis van de fluxen duidelijk tot het zorggebied van Aarschot (dan bij het zorggebied van Haacht). Indien er een samenstelling komt van het zorggebied ‘centraalHageland’ rond een werkwinkel in Lubbeek, opteren wij om de gemeente Tielt-Winge, evenals Boutersem hier ook bij onder te brengen (en niet bij Aarschot en Tienen, zoals eerst voorgesteld) Deze uitbereiding van het huidige zorggebied ‘drie Beken’ kan wat ons betreft een alternatief vormen. Het zorggebied Midden-Brabant (met de gemeenten Bertem, Huldenberg, Kortenberg, Oud-Heverlee en Tervuren) vormt geen alternatief, rekening houdend met onderlinge fluxen en verkeer.

31


IV. DE CENTRUMSTEDEN

Potentieel doelpubliek (/100) 1ste voorstel

Potentieel doelpubliek (/100) alternatief voorstel

TURNHOUT

59

119

KORTRIJK

66

ROESELARE

72

GENK

103

BRUGGE

105

MECHELEN

106

88

OOSTENDE

107

93

SINT-NIKLAAS

107

90

HASSELT

110

102

LEUVEN

115

104

AALST

119

Regionale steden

Grote steden GENT

364

343

ANTWERPEN

656

679

Er zijn 8 regionale steden (Genk, Brugge, Mechelen, Oostende, Sint-Niklaas, Hasselt, Leuven en Aalst), waarvan het zorggebied een gelijkaardig potentieel doelpubliek heeft dat groter is dan de maximale drempel en drie regionale steden waarvan het potentiële doelpubliek onder de maximale drempel valt (Turnhout, Kortrijk en Roeselare). Deze steden beantwoorden meestal aan eenzelfde structuur, waarbij de randgemeenten duidelijk gericht zijn op een uitgesproken centrum. Omwille van centripetale fluxen en de organisatie van het openbaar vervoer is een decentralisatie (het plaatsen van een 2de werkwinkel in een randgemeente) niet voor de hand liggend. Deze tweede werkwinkel kan eventueel in de grootste randgemeente opgericht worden, maar het potentieel doelpubliek voor deze werkwinkel zal niet in verhouding zijn met het potentieel doelpubliek van de centrale werkwinkel. Deze operatie is daarom een eerder ‘overbodige’ operatie. Voor de twee grote steden, namelijk Antwerpen en Gent, is de situatie omwille van de grotere bevolkingsomvang en de grotere oppervlakte, enigszins verschillend. De oude deelgemeenten van Antwerpen zijn van die omvang dat de meeste een werkwinkel zouden kunnen opnemen in hun eigen kern. Dit geldt voor Merksem, Deurne, Borgerhout, Berchem, Wilrijk en Hoboken. Ekeren daarentegen telt minder inwoners. Toch lijkt het ons, omwille van afstands- en bevolkingsproblemen, beter om bepaalde deelgemeenten bij een werkwinkel buiten de gemeente Antwerpen te voegen. Zo zou Ekeren bij Brasschaat kunnen aansluiten, Zandvliet bij Stabroek (werkwinkel van Kapellen). Omgekeerd zou de gemeente Schoten, die omwille van het verkeersnet niet zo meteen in te passen is in een andere zone, bij Antwerpen kunnen komen. Zo lijkt het ons

32


evident om bijvoorbeeld één werkwinkel te maken voor Merksem en voor Schoten. Wat de rest van Antwerpen betreft, zou een werkwinkel op linkeroever, de deelgemeenten Antwerpen-Linkeroever en Zwijndrecht kunnen bedienen. Luchtbal zou bij Merksem kunnen komen, district 10 bij Wilrijk en het Kiel bij Hoboken. Volgende werkwinkels worden er dan voor de stad Antwerpen verkregen: 1. Antwerpen LO + Zwijndrecht 2. Merksem + Luchtbal + Schoten 3. Deurne 4. Borgerhout 5. Berchem 6. Wilrijk 7. Hoboken 8.-9 Antwerpen - Zandvliet bij ww. Kapellen/Stabroek - Ekeren bij ww. Brasschaat Voor de stad Gent is de situatie enigszins verschillend aangezien de deelgemeenten kleiner zijn. Er zou eventueel wel een werkwinkel kunnen opgericht worden in Ledeberg, die eveneens Gentbrugge bedient en een werkwinkel in Sint-Amandsberg, die ook de gemeenten Lochristi en Destelbergen opvangt. Voor de deelgemeenten Mariakerke en Wondelgem wordt de vraag gesteld of er een werkwinkel in één van deze twee werkwinkels moet worden ingeplant of dat er eerder een werkwinkel wordt opgericht aan de ring, of verder richting binnenstad, waar dan ook de inwoners van Drongen en die van het noordwesten van de Gentse binnenstad terecht kunnen. Deze werkwinkel in de binnenstad zou kunnen overeenkomen met de huidige werkwinkel ‘Rabot’. In analogie met de werkwinkel Rabot, zou er een werkwinkel in het zuidwesten kunnen komen voor Sint-Denijs en Afsnee, maar ook voor Sint-Martens-Latem en De Pinte (in de buurt van de Sterre). Dit moet nader bekeken worden in het kader van het openbaar vervoer. Dit voorstel voorziet vijf werkwinkels, aangezien het zorggebied in dit voorstel groter is dan het huidige zorggebied van Gent (dat enkel de gemeente Gent bevat). 1. Ledeberg 2. Sint-Amandsberg. 3. Rabot 4. Sterre 5. Gent-Centrum

33


V. BESLUIT Op basis van stedelijke hiërarchie, fluxen voor handel en diensten, pendelfluxen, verbindingen met het openbaar vervoer en afstanden werd een optimaal spreidingsplan voor werkwinkels uitgewerkt. Terwijl heel wat zorggebieden op basis van de hierboven genoemde criteria aan een zekere evidentie beantwoorden, doen zich ook gevallen voor waar verschillende oplossingen binnen een zekere logica mogelijk zijn. Om deze reden werden voor een aantal zorggebieden alternatieve voorstellen geformuleerd. Deze alternatieve oplossingen kunnen ofwel een andere samenstelling van het zorggebied voorzien, ofwel een opsplitsing van het zorggebied voorstellen, ofwel het samennemen van twee eerder voorgestelde zorggebieden. Uit het lokalisatieplan blijkt dat met de hier gepresenteerde voorstellen (die aan een geringer aantal werkwinkels beantwoorden dan dit nu het geval is), voor 83 % van de bevolking een werkwinkel op minder dan 7,5 km bereikbaar is. Op een afstand van 10km zijn werkwinkels voor 95 % van de bevolking bereikbaar. Uit de vergelijking van de hier gepresenteerde voorstellen van inplanting van de werkwinkels met deze van de huidige situatie, blijkt dat er heel wat overeenkomsten zijn, hetgeen positief kan genoemd worden. In de begeleidende tekst werden enkele ‘overbodige’ werkwinkels aangeduid. Recente ontwikkelingen hebben echter geleid tot heel wat ontdubbelingen van werkwinkels binnen het eigen zorggebied. In een aantal gevallen is deze opsplitsing te begrijpen, omwille van het bestaan van een grotere kern (die echter de minimale drempel van het potentieel doelpubliek niet bereikt). In de meeste gevallen is dit geen positieve ontwikkeling omdat deze twee (of zelfs drie) werkwinkels binnen hetzelfde zorggebied voorkomen. Indien er zich problemen van terreindekking en afstand voordoen, moet men afstappen van de grenzen van het zorggebied en deze herschikken met de aangrenzende zorggebieden om een eventuele ontdubbeling te rechtvaardigen. Het is duidelijk dat niet noodzakelijke ontdubbelingen binnen een bestaand zorggebied alleen maar kunnen gedragen worden door het lokaal niveau. Men zal dan moeten onderzoeken of een te kleine werkwinkel dezelfde dienstverlening kan bieden dan een grotere. Wenst men meer werkwinkels in te planten, dan moet dit onderzocht worden op een globaal niveau en moeten de zorggebieden heringedeeld worden. Acht van de elf regionale steden hebben een potentieel doelpubliek dat hoger ligt dan de vooropgestelde maximale drempel. Theoretisch kan er dus een opsplitsing plaats vinden en hebben elk van deze steden ‘recht’ op twee werkwinkels. De ruimtelijke structuur is echter vaak van die aard dat er maar één centrum is. De keuze voor een tweede lokalisatie is daarom vaak niet evident. In veel gevallen is het waarschijnlijk efficiënter om één grote werkwinkel uit te bouwen. Er kan voor deze acht steden een aangepaste subsidiëring uitgedacht worden. Voor de grotere steden, voornamelijk voor de stad Antwerpen, is een opsplitsing in veel gevallen mogelijk en zelfs aangewezen omdat er verschillende secundaire kernen bestaan (hierdoor komt het potentieel doelpubliek vaak onder de maximale drempel). Het samennemen van twee secundaire kernen zou niet logisch zijn omdat deze vaak geen banden met elkaar hebben.

34


VI. SYNTHESE RUIMTELIJK MODEL

AANTAL werkwinkels

GEWOGEN DOELPUBLIEK/ werkwinkel

% gewogen doelpubliek

GROOTSTEDELIJKE

13

78

21%

REGIONAALSTEDELIJKE

11

97

22

KLEINSTEDELIJKE

45

38

39%

NIET-STEDELIJKE

34 103

27 49

18% 100

Er werden 103 werkwinkels gedefinieerd. 69 werkwinkels hebben een inplanting in een stad: de 13 van Antwerpen en Gent hebben een ander karakter aangezien ze een aan een opdeling van de 2 grootssteden beantwoorden. De andere 56 hebben doorgaans een hinterland dat de stad overschrijdt. De andere 34 hebben een niet-stedelijke inplanting omdat de bereikbaarheid anders niet gewaarborgd is. Deze 34 vullen dus de leemtes op tussen de stedelijke. Hier kan men weer verschillende soorten onderscheiden: sommige werkwinkels zijn eerder ingebed in een stadsgewestomgeving, andere zijn echt tussen steden en stadsgewesten. Deze niet-stedelijke zorggebieden kunnen een verschillend karakter hebben: sommige bestaan slechts uit één gemeente; andere zijn gewoon samengesteld uit aangrenzende gemeenten, in het ene geval ten opzichte van een min of meer centrale plaats (bv. rond Zelzate, Borgloon,…geen steden, maar plaatsen met een zekere aantrekkingskracht). Indien men reflecteert naar de graden van bereikbaarheid (zie deel HIVA) waarbij stedelijke beter scoren dan andere kan men stellen dat de stedelijke, de niet-stedelijke met een centrale plaats of de één-gemeente zorggebieden een positief resultaat moeten opleveren. Het gaat over 90% van het te bedienen cliënteel. Van de overblijvende 10% woont ongeveer de helft in de gemeente waar de werkwinkel werd voorgesteld zodat 5% van het cliënteel woont in een gemeente zonder werkwinkel en waarbij de locatie van de werkwinkel op nabijheid en niet op centraliteit steunt. Binnen die 5% woont 3% op minder dan 7,5 km van de werkwinkel. Er blijft dus 2% over. Het in acht nemen van deze cijfers duidt op het feit dat het opdrijven van het totaal aantal werkwinkels aan een lage toegevoegde waarde zal beantwoorden. Er werden ook alternatieven voorgesteld om te duiden op het feit dat gelet op plaatselijke omstandigheden ook andere combinaties mogelijk zijn. Ze zijn nochtans niet legio: drie soorten alternatieven komen voor: herschikking van twee aangrenzende zorggebieden; opsplitsen (al of niet met herschikken van grenzen) en schaalvergroting. Alle alternatieven samen komen tot het creëren van 10 (11 bij het opdrijven van de ww binnen Antwerpen van 8 naar 9) en het afschaffen van 5. Het is dus duidelijk dat ook bij het beschouwen van alternatieven het totaal aantal werkwinkels binnen een logisch kader niet drastisch verandert.

35


Kaart 1: Bufferzone van 7.5 km rond de werkwinkel (fase 2)

36


Kaart 2: Bevolking die bereikt wordt binnen een straal van 7,5 km van de werkwinkel (fase 2)

37


Kaart 3: Bufferzone van 10 km rond de werkwinkel (fase 2)

38


Kaart 4: Bevolking die bereikt wordt binnen een straal van 10 km van de werkwinkel (fase 2)

39


Samenvattende tabel: Indeling van de gemeenten naar zorggebied (fase 2) LKC

BRUGGE OOSTENDE-WESTHOEK OOSTENDE-WESTHOEK BRUGGE BRUGGE BRUGGE BRUGGE BRUGGE BRUGGE BRUGGE

Fase 2 TORHOUT KOEKELARE ICHTEGEM OOSTKAMP BEERNEM ZEDELGEM BRUGGE JABBEKE DAMME KNOKKE-HEIST BLANKENBERGE

Gew % bev doelpl buffer (/100)

Gew dlpl (buiten zone)

Tot gew doelpl (/100)

Tot doelp buiten buffer

100,0 0,0 36,8

14,50 5,87 9,23

0,0 5,9 5,8

29,60

12,2

87,8 62,7 62,0

13,20 7,40 13,60

1,6 2,8 5,2

34,20

9,7

93,9 38,5 50,3

92,40 7,30 5,40

5,7 4,5 2,7

105,10

15,6

100,0

23,40

0,0

23,40

0,0

21,20 1,60 9,19

0,0 0,7 6,1

31,99

8,8

23,48

3,5

26,07

13,9

35,30

5,0

79,51

0,0

OUDENBURG

31,6

5,61

3,8 6,7

BREDENE

100,0

14,29

OOSTENDE-WESTHOEK

OUDENBURG

31,6

5,61

OOSTENDE-WESTHOEK

GISTEL DIKSMUIDE

12,2

7,60

92,9 22,9 18,1

10,72 6,27 7,42

0,8 4,8 6,1

96,9 8,3 94,0 100,0 97,1

14,58 8,97 8,43 9,41 14,62

0,5 8,2 0,5 0,0 0,4

4,6

2,83

2,7

0,0 98,9 0,0 37,1 23,4 48,9

1,67 27,29 1,10 6,60 5,56 4,71

1,7 0,3 1,1 4,2 4,3 2,4

IEPER MESEN ZONNEBEKE HEUVELLAND LANGEMARK-POELKAP

16,7

100,0

0,0

OOSTENDE-WESTHOEK

LO-RENINGE

92,71

OOSTENDE

79,51

OOSTENDE-WESTHOEK OOSTENDE-WESTHOEK OOSTENDE-WESTHOEK OOSTENDE-WESTHOEK OOSTENDE-WESTHOEK OOSTENDE-WESTHOEK

1,3

0,0

100,0

OOSTENDE-WESTHOEK

22,80

0,0 0,7 0,0

OOSTENDE

NIEUWPOORT VEURNE DE PANNE KOKSIJDE ALVERINGEM

Tot doelp buiten buffer

21,20 1,60

OOSTENDE-WESTHOEK

OOSTENDE-WESTHOEK OOSTENDE-WESTHOEK OOSTENDE-WESTHOEK OOSTENDE-WESTHOEK OOSTENDE-WESTHOEK

Tot gew doelpl (/100)

100,0 56,9

ZUIENKERKE DE HAAN

100,0 56,9 33,9

HOUTHULST KORTEMARK MIDDELKERKE

BLANKENBERGE

Gew dlpl (buiten zone)

ZUIENKERKE

BRUGGE BRUGGE OOSTENDE-WESTHOEK

OOSTENDE-WESTHOEK OOSTENDE-WESTHOEK OOSTENDE-WESTHOEK

Alternatief: fase 2

Gew % bev doelpl buffer (/100)

107,00

16,6

3,8

GISTEL

12,2

7,60

6,7

BREDENE DE HAAN

100,0

14,29

0,0

66,8 92,9 0,0

9,19 10,72 1,67

3,0 0,8 1,7

KORTEMARK

22,9 18,1

6,27 7,42

4,8 6,1

KOKSIJDE VEURNE

100,0

14,62

0,0

84,9

8,43

1,3

DE PANNE

100,0 0,0

9,41 2,83

0,0 2,8

24,40

12,0

23,55

8,7

36,97

6,8

DIKSMUIDE LO-RENINGE HOUTHULST

ALVERINGEM 45,25

13,4

40


Gew dlpl (buiten zone)

LKC

Fase 2

Gew % bev doelpl buffer (/100)

OOSTENDE-WESTHOEK OOSTENDE-WESTHOEK KORTRIJK-ROESELARE

94,4 73,6 100,0

12,77 2,19 29,01

0,7 0,6 0,0

OOSTENDE-WESTHOEK

POPERINGE VLETEREN MENEN WERVIK

100,0

WEVELGEM

78,2

13,77 19,94

0,0

KORTRIJK-ROESELARE KORTRIJK-ROESELARE KORTRIJK-ROESELARE KORTRIJK-ROESELARE KORTRIJK-ROESELARE KORTRIJK-ROESELARE KORTRIJK-ROESELARE KORTRIJK-ROESELARE

ROESELARE

100,0 90,1 0,0 24,6 33,6 73,4 0,0

41,88

Tot gew doelpl (/100)

Tot doelp buiten buffer

14,96

1,3

62,73

5,3

71,73

23,1

33,90

9,8

Alternatief: fase 2

Gew % bev doelpl buffer (/100)

Gew dlpl (buiten zone)

Tot doelp buiten buffer

47,14

6,5

27,17

0,0

4,3 0,0 0,5 4,4 4,4 3,3 1,4 4,6

KORTRIJK-ROESELARE

HOOGLEDE LICHTERVELDE MOORSLEDE STADEN ARDOOIE LEDEGEM TIELT

100,0

4,81 4,42 5,80 5,02 5,16 4,65 10,78

KORTRIJK-ROESELARE

MEULEBEKE

94,2

6,43

KORTRIJK-ROESELARE

OOSTROZEBEKE

21,3

3,84

3,0

KORTRIJK-ROESELARE KORTRIJK-ROESELARE KORTRIJK-ROESELARE

PITTEM RUISELEDE WINGENE

100,0 78,0 18,1

3,64 2,41 6,81

0,0 0,5 5,6

KORTRIJK-ROESELARE

WAREGEM

100,0

23,31

0,0

WAREGEM

100,0

23,31

0,0

KORTRIJK-ROESELARE

WIELSBEKE

92,6

5,55

0,4

WIELSBEKE

92,6

5,55

0,4

KORTRIJK-ROESELARE

DENTERGEM

64,6

4,19

1,5

DENTERGEM

64,6

4,19

1,5

KORTRIJK-ROESELARE

ANZEGEM

71,5

7,60

2,2

DEERLIJK

70,7

6,49

1,9

KORTRIJK-ROESELARE

IZEGEM

100,0

18,59

0,0

ANZEGEM

71,5

7,60

2,2

KORTRIJK-ROESELARE

INGELMUNSTER

100,0

6,40

KORTRIJK-ROESELARE KORTRIJK-ROESELARE KORTRIJK-ROESELARE KORTRIJK-ROESELARE KORTRIJK-ROESELARE

LENDELEDE

100,0 98,1 0,0 0,0 98,0

3,05

KORTRIJK-ROESELARE

HARELBEKE

KORTRIJK-ROESELARE KORTRIJK-ROESELARE

DEERLIJK KUURNE

HARELBEKE

100,0 100,0

18,81

0,0 0,0

ZWEVEGEM AVELGEM SPIERE-HELKIJN KORTRIJK

Tot gew doelpl (/100)

0,0 0,4

40,65

4,5

0,0

28,04

0,0

13,88 6,97 1,90 66,46

0,0 0,3 7,0 1,9 1,4

22,75

7,6

66,46

1,4

100,0

18,81

0,0

100,0 100,0

6,49 8,36

0,0 0,0

33,66

0,0

KUURNE

8,36

41


Gew % bev doelpl buffer (/100)

LKC

Fase 2

GENT GENT

EEKLO KAPRIJKE

100,0

18,73 3,90

GENT

MALDEGEM

34,9

GENT

SINT-LAUREINS

51,3

100,0

Gew dlpl (buiten zone) 0,0

18,73 3,90

15,20

9,9

WAARSCHOOT

100,0

5,36

0,0

3,80

1,9

SINT-LAUREINS

51,3

3,80

1,9

ZOMERGEM

69,0

4,67

1,4

MALDEGEM

100,0

15,20

0,0

AALTER

9,80

KNESSELARE

0,0 12,9

5,22

9,8 4,5

GENT DE PINTE SINT-MARTENS-LATEM LOCHRISTI DESTELBERGEN

97,9 7,1 18,7 100,0 74,1

333,54 5,12 4,03 10,28 10,54

7,0 4,8 3,3 0,0 2,7

SINT-NIKLAAS STEKENE SINT-GILLIS-WAAS WAASMUNSTER

96,6 21,6 63,6

60,99 11,64 10,37

2,1 9,1 3,8

66,0 100,0

6,61 17,41

2,2 0,0

ZOMERGEM

69,0

4,67

1,4

100,0

5,36

0,0

GENT

AALTER

100,0

9,80

0,0

GENT GENT

KNESSELARE EVERGEM

87,1 78,1

5,22 20,02

0,7 4,4

GENT

LOVENDEGEM

98,7

5,23

0,1

GENT

ZELZATE

100,0

11,73

0,0

GENT GENT

ASSENEDE

51,5 100,0

8,71

4,2 0,0

4,60 12,99

MELLE GAVERE OOSTERZELE GENT DE PINTE SINT-MARTENS-LATEM LOCHRISTI DESTELBERGEN DEINZE ZULTE NAZARETH NEVELE

100,0 100,0 12,9 63,4 97,9 7,1 18,7 11,1 91,6 100,0 47,2 54,9 39,9

SINT-NIKLAAS DENDERMON

LOKEREN

100,0

33,06

0,0

SINT-NIKLAAS DENDERMON

ZELE

100,0

0,0

GENT SINT-NIKLAAS DENDERMON SINT-NIKLAAS DENDERMON SINT-NIKLAAS DENDERMON SINT-NIKLAAS DENDERMON

MOERBEKE BEVEREN SINT-NIKLAAS STEKENE SINT-GILLIS-WAAS HAMME

2,2 89,6 96,6 21,6 63,6

15,63 3,76 31,69 60,99 11,64 10,37

3,7 3,3 2,1 9,1 3,8

0,8 66,0

17,41 6,61

17,3 2,2

WAASMUNSTER

Gew dlpl (buiten zone) 0,0

100,0

WAARSCHOOT

SINT-NIKLAAS DENDERMON SINT-NIKLAAS DENDERMON

Alternatief: fase 2

Gew % bev doelpl buffer (/100)

EEKLO KAPRIJKE

GENT

GENT GENT GENT GENT GENT GENT GENT GENT GENT GENT GENT GENT GENT

Tot doelp buiten buffer

0,0

GENT

WACHTEBEKE MERELBEKE

Tot gew doelpl (/100)

6,67 6,96 7,21 333,54 5,12 4,03 10,28 10,54 16,67 8,29 5,13 5,48

0,0 0,0 6,1 2,6 7,0 4,8 3,3 9,1 0,9 0,0 4,4 2,3 3,3

51,67

15,02

14,8

0,6

25,25

4,3

25,05

5,1

33,83

8,9

363,50

50,9

35,56

10,6

52,45

4,7

31,69

3,3

107,02

37,7

HAMME

100,0

Tot gew doelpl (/100)

Tot doelp buiten buffer

36,46

4,3

30,22

15,8

342,69

29,3

20,82

2,6

89,61

20,0

17,41

0,0

0,0

42


Gew dlpl (buiten zone)

Tot gew doelpl (/100)

Tot doelp buiten buffer

31,87

5,3

65,16

10,0

31,56

0,05

33,82

8,2

43,62

12,4

Fase 2

Gew % bev doelpl buffer (/100)

SINT-NIKLAAS DENDERMON

TEMSE

100,0

21,73

0,0

SINT-NIKLAAS DENDERMON SINT-NIKLAAS DENDERMON

KRUIBEKE

53,8 100,0

10,14 35,31

4,7 0,0

58,8 100,0

8,43 12,30

3,5 0,0

LKC

SINT-NIKLAAS DENDERMON SINT-NIKLAAS DENDERMON SINT-NIKLAAS DENDERMON SINT-NIKLAAS DENDERMON SINT-NIKLAAS DENDERMON SINT-NIKLAAS DENDERMON

DENDERMONDE BUGGENHOUT LEBBEKE BERLARE WETTEREN WICHELEN LAARNE OUDENAARDE

42,9

9,12

5,2

100,0 99,3 100,0

17,43 7,40 6,72

0,0 0,05 0,0 0,0

100,0

18,82

AALST-OUDENAARDE

KRUISHOUTEM

15,2

3,95

3,3

AALST-OUDENAARDE

WORTEGEM-PETEGEM

86,8

2,97

0,4

AALST-OUDENAARDE

MAARKEDAL

74,9

3,52

0,9

AALST-OUDENAARDE

ZINGEM

28,6

3,66

2,6

AALST-OUDENAARDE

HOREBEKE

100,0

0,90

0,0

100,0 48,1 21,5

14,30 5,98 8,32

0,0 3,1 6,5

84,8

10,88

1,7

69,8

4,14

1,3

98,7 100,0 22,8 39,5

24,44 3,37 1,09 3,90

0,3 0,0 0,8 2,4

32,80

4,6

26,62

0,0

119,07

14,9

32,36

4,2

AALST-OUDENAARDE

AALST-OUDENAARDE AALST-OUDENAARDE AALST-OUDENAARDE

ZOTTEGEM

AALST-OUDENAARDE

SINT-LIEVENS-HOUTEM BRAKEL HERZELE

AALST-OUDENAARDE

ZWALM

AALST-OUDENAARDE AALST-OUDENAARDE VILVOORDE VILVOORDE

GERAARDSBERGEN LIERDE BEVER GALMAARDEN NINOVE

100,0

26,62

0,0

AALST-OUDENAARDE

AALST

98,2

70,24

1,3

AALST-OUDENAARDE

DENDERLEEUW

95,2

12,80

0,6

AALST-OUDENAARDE

HAALTERT

66,9

11,77

3,9

AALST-OUDENAARDE

LEDE

75,0

12,20

3,1

AALST-OUDENAARDE

ERPE-MERE

67,4

12,07

3,9

100,0

28,73

0,0

36,1

3,64

2,3

AALST-OUDENAARDE

AALST-OUDENAARDE AALST-OUDENAARDE

RONSE KLUISBERGEN

Alternatief: fase 2

GERAARDSBERGEN LIERDE

Gew % bev doelpl buffer (/100)

98,7 100,0

24,44 3,37

Gew dlpl (buiten zone)

Tot gew doelpl (/100)

Tot doelp buiten buffer

0,3 0,0

27,81

0,3

43


LKC

Fase 2 ANTWERPEN

Gew % bev doelpl buffer (/100)

Gew dlpl (buiten zone)

Tot gew doelpl (/100)

Tot doelp buiten buffer

655,84

28,5

95,5 100,0

642,97 12,87

29,1 0,0

100,0 88,9 100,0 100,0 100,0 100,0

14,48 4,67 6,29 7,73 7,56

0,0 0,8 0,0 0,0 0,0 0,0

KONTICH

100,0 99,0

17,54 12,12

0,0 0,1

ANTWERPEN-BOOM

EDEGEM

100,0

12,64

0,0

ANTWERPEN-BOOM

BOECHOUT

100,0

6,81

0,0

ANTWERPEN-BOOM

HOVE

100,0

4,33

0,0

ANTWERPEN-BOOM

LINT

100,0

0,0

ANTWERPEN-BOOM

RANST

100,0

4,41 10,32

ANTWERPEN-BOOM ANTWERPEN-BOOM ANTWERPEN-BOOM

WOMMELGEM ZANDHOVEN BORSBEEK SCHILDE

100,0 44,8 100,0

8,15 7,04 8,41

0,0 3,9 0,0

100,0 73,9 100,0 6,5

11,39 11,42 4,91 8,56

0,0 3,0 0,0 8,0

36,28

10,7

100,0

23,10

0,0

23,10

0,0

100,0 51,5 5,2

24,86 16,02 10,54

0,0 7,8 10,0

72,9

15,16

4,1

100,0 100,0 27,7

11,44 9,91 10,50

0,0 0,0 7,6

ANTWERPEN-BOOM ANTWERPEN-BOOM ANTWERPEN-BOOM ANTWERPEN-BOOM ANTWERPEN-BOOM ANTWERPEN-BOOM ANTWERPEN-BOOM ANTWERPEN-BOOM ANTWERPEN-BOOM ANTWERPEN-BOOM

ANTWERPEN-BOOM ANTWERPEN-BOOM ANTWERPEN-BOOM ANTWERPEN-BOOM ANTWERPEN-BOOM ANTWERPEN-BOOM ANTWERPEN-BOOM ANTWERPEN-BOOM ANTWERPEN-BOOM ANTWERPEN-BOOM ANTWERPEN-BOOM ANTWERPEN-BOOM

ZWIJNDRECHT BOOM HEMIKSEM SCHELLE NIEL AARTSELAAR RUMST MORTSEL

ZOERSEL WIJNEGEM MALLE SCHOTEN BRASSCHAAT BRECHT WUUSTWEZEL KAPELLEN STABROEK

6,78

47,51

0,7

57,84

0,1

33,92

4,4

Alternatief: fase 2 ANTWERPEN * ZWIJNDRECHT SCHOTEN

Gew % bev doelpl buffer (/100)

Gew dlpl (buiten zone)

Tot gew doelpl (/100)

Tot doelp buiten buffer

678,94

GN DATA

50,22

10,6

36,00

9,4

98,3 100,0

642,97 12,87

11,2 0,0

42,2

23,10

13,4

100,0 100,0 84,9

11,39 4,91 10,32

0,0 0,0 1,6

100,0 57,6 11,5 100,0

8,15 7,04 8,41 8,56

0,0 3,0 7,4 0,0

0,0

MECHELEN

KALMTHOUT ESSEN BORNEM

100,0

11,61

0,0

MECHELEN

SINT-AMANDS

100,0

4,27

0,0

MECHELEN

PUURS

82,8

8,46

1,5

SCHILDE WIJNEGEM RANST WOMMELGEM ZANDHOVEN BORSBEEK MALLE BRECHT ZOERSEL

51,42

26,60

18,7

4,3

20,41

7,2

24,35

1,5

BRASSCHAAT WUUSTWEZEL ANTWERPEN-EKEREN KAPELLEN STABROEK ANTWERPEN (Zandvli/Berendr)

46,2

16,02

8,6

90,5 100,0 5,2

11,42 24,86

1,1 0,0 10,0

10,54

84,7 72,9 100,0 21,3

GN DATA

0,0 15,16 11,44

4,1 0,0 0,0

GN DATA

44


Gew dlpl (buiten zone)

Tot gew doelpl (/100)

Tot doelp buiten buffer

21,09

0,0

47,41

4,1

LKC

Fase 2

Gew % bev doelpl buffer (/100)

MECHELEN

WILLEBROEK HEIST-OP-DE-BERG

100,0

21,09

0,0

MECHELEN

99,4

29,94

0,2

TURNHOUT

HULSHOUT

95,1

7,77

0,4

MECHELEN

PUTTE

70,0

9,69

MECHELEN

LIER

100,0

25,29

MECHELEN

NIJLEN

63,3

MECHELEN MECHELEN

BERLAAR DUFFEL

65,5 98,2

MECHELEN

MECHELEN

MECHELEN

Alternatief: fase 2

Gew % bev doelpl buffer (/100)

Gew dlpl (buiten zone)

HEIST-OP-DE-BERG

99,4

29,94

0,2

HULSHOUT

95,1

7,77

0,4

2,9

LIER

100,0

25,29

0,0

0,0

NIJLEN

63,3

14,79

5,4

14,79

5,4

BERLAAR

65,5

7,37

2,5

7,37 10,05

2,5 0,2

MECHELEN

100,0 100,0

87,88 10,78

0,0 0,0

100,0

87,88

0,0

BONHEIDEN

76,8

7,17

1,7

SINT-KATELIJNE-WAVER

90,1

10,78

1,1

DUFFEL

100,0

10,05

0,0

MECHELEN

BONHEIDEN

71,5

7,17

2,0

PUTTE

38,8

9,69

5,9

TURNHOUT TURNHOUT

HOOGSTRATEN RIJKEVORSEL HERENTALS

78,9 91,9

10,98 7,31

2,3 0,6

100,0

24,02

0,0

TURNHOUT

99,7

47,20

0,1

KASTERLEE

3,2

12,04

11,7

TURNHOUT TURNHOUT TURNHOUT TURNHOUT

HERENTHOUT

83,7 65,9 37,7

6,00 7,59 11,69

1,0 2,6 7,3

TURNHOUT

GROBBENDONK LILLE OLEN

100,0

9,61

0,0

TURNHOUT

VORSELAAR

93,9

6,26

0,4

TURNHOUT

MOL

99,2

26,88

0,2

TURNHOUT

DESSEL

99,9

6,92

0,0

TURNHOUT

BALEN

77,1

16,34

3,7

TURNHOUT

GEEL

96,9

30,40

0,9

21,7

11,38

8,9

57,50

8,2

SINT-KATELIJNE-WAVER 105,83

5,8

18,29

3,0

65,17

12,4

50,14

4,0

49,27

13,2

TURNHOUT

LAAKDAL

TURNHOUT

MEERHOUT

67,9

7,48

2,4

TURNHOUT

WESTERLO

100,0

17,33

0,0

100,0

8,89

0,0

TURNHOUT

HERSELT

68,2

11,56

3,7

ARENDONK

0,0

9,22

9,2

TURNHOUT

TURNHOUT

99,7

47,20

0,1

RAVELS

28,6

8,36

6,0

TURNHOUT

KASTERLEE

3,2

12,04

11,7

RETIE

0,0

7,07

7,1

TURNHOUT

OUD-TURNHOUT

100,0

8,89

0,0

BEERSE

48,8

12,16

6,2

TURNHOUT

ARENDONK

42,7

9,22

5,3

MERKSPLAS

53,0

6,04

2,8

TURNHOUT

RAVELS

30,6

8,36

5,8

VOSSELAAR

100,0

6,85

0,0

TURNHOUT

RETIE

12,4

7,07

6,2

BAARLE-HERTOG

0,0

1,43

1,4

17,33 59,25

33,54

2,1 18,0

17,4

OUD-TURNHOUT

Tot gew doelpl (/100)

Tot doelp buiten buffer

37,72

0,5

47,45

8,3

87,88

0,0

37,70

7,4

119,27

53,2

45


LKC

Fase 2 BEERSE

Gew % bev doelpl buffer (/100)

Gew dlpl (buiten zone)

100,0

12,16

0,0

TURNHOUT

MERKSPLAS

90,5

6,04

0,6

TURNHOUT

VOSSELAAR

100,0

6,85

0,0

TURNHOUT HASSELT HASSELT HASSELT

BAARLE-HERTOG

0,0

1,43

1,4

NEERPELT OVERPELT HAMONT-ACHEL

100,0 100,0 44,6

13,30 10,46 11,52

0,0 0,0 6,4

HASSELT

HECHTEL-EKSEL

100,0

10,20

0,0

HASSELT

PEER

60,6

13,31

5,2

HASSELT

LEOPOLDSBURG

38,5

14,49

8,9

HASSELT

LOMMEL

97,6

0,7

100,0

28,25 44,76

40,0 28,1 76,8 69,4 99,3 100,0 69,5 100,0 73,2 100,0

17,91 20,56 20,08 10,42 40,06 13,99 8,62 9,06 10,68 30,88

10,8 14,8 4,7 3,2 0,3 0,0 2,6 0,0 2,9 0,0

84,1 95,9 61,8 64,2 66,8

32,85 70,02 16,60 15,55 8,30

5,2 2,9 6,3 5,6 2,8

100,0 0,0 24,9 78,9

83,19 7,52 6,70 5,94

0,0 7,5 5,0 1,3

TURNHOUT

HASSELT HASSELT TONGEREN HASSELT HASSELT HASSELT HASSELT HASSELT HASSELT HASSELT HASSELT HASSELT HASSELT HASSELT HASSELT TONGEREN HASSELT HASSELT HASSELT HASSELT

MAASMECHELEN DILSEN-STOKKEM LANAKEN MAASEIK KINROOI BERINGEN TESSENDERLO HAM HERK-DE-STAD LUMMEN HEUSDEN-ZOLDER HOUTHALENHELCHTEREN HASSELT ZONHOVEN DIEPENBEEK ALKEN GENK OPGLABBEEK AS ZUTENDAAL

Tot gew doelpl (/100)

Tot doelp buiten buffer

26,48

2,2

35,28

6,3

Alternatief: fase 2

Gew % bev doelpl buffer (/100)

PEER

Gew dlpl (buiten zone)

100,0

13,31

0,0

38,00

13,7

HECHTEL-EKSEL

90,0

10,20

1,0

28,25

0,7

MAASMECHELEN DILSEN-STOKKEM

100,0

44,76

0,0

40,0

17,91

10,8

BERINGEN HEUSDEN-ZOLDER LEOPOLDSBURG

99,3 81,0 29,4

40,06 30,88 14,49

0,3 5,9 10,2

HERK-DE-STAD LUMMEN HALEN

100,0 73,2

9,06 10,68

0,0 2,9

100,0

6,26

0,0

95,9 61,8 64,2

70,02 16,60 15,55

2,9 6,3 5,6

0,0 83,24

30,2

30,50

7,8

40,06

0,3

22,61

2,5

19,74

2,8

30,88

0,0

32,85

5,2

110,47

19,0

103,36

19,3

HASSELT ZONHOVEN DIEPENBEEK

Tot gew doelpl (/100)

Tot doelp buiten buffer

23,51

1,0

62,67

12,8

85,44

16,1

26,00

2,8

102,17

15,9

46


Gew dlpl (buiten zone)

Tot gew doelpl (/100)

Tot doelp buiten buffer

30,52

5,1

43,88

15,6

33,47

0,3

Fase 2

Gew % bev doelpl buffer (/100)

HASSELT

BREE

100,0

11,55

0,0

HASSELT

BOCHOLT

70,3

9,34

2,8

HASSELT

MEEUWEN-GRUITRODE

76,7

9,64

2,2

TONGEREN

TONGEREN

TONGEREN TONGEREN TONGEREN

HERSTAPPE RIEMST VOEREN

100,0 100,0 15,2

29,44 0,07 11,13

0,0 0,0 9,4

0,0

3,24

3,2

TONGEREN

BILZEN

TONGEREN TONGEREN

HOESELT SINT-TRUIDEN

99,1 99,2

26,37 7,10

0,2 0,1

97,4

35,69

0,9

TONGEREN

GINGELOM

TONGEREN

NIEUWERKERKEN

LEUVEN LEUVEN TONGEREN

GEETBETS ZOUTLEEUW BORGLOON

100,0

8,30

0,0

TONGEREN

HEERS

73,1

5,73

1,5

TONGEREN

WELLEN

100,0

5,95

0,0

ALKEN

TONGEREN VILVOORDE

KORTESSEM

48,5 100,0

7,21 31,61

3,7 0,0

LANAKEN

72,3

10,14 8,67

0,0

LKC

17,5 57,8 0,0 72,2

VILVOORDE

VILVOORDE ZEMST

VILVOORDE

MACHELEN

100,0

VILVOORDE

GRIMBERGEN LONDERZEEL

100,0

VILVOORDE VILVOORDE VILVOORDE VILVOORDE VILVOORDE VILVOORDE VILVOORDE VILVOORDE

100,0 76,3 100,0 95,1 78,3 84,0 11,3 100,0

5,94 5,18 4,31 5,39

20,90 8,45

SINT-TRUIDEN

4,9 2,2 4,3 1,5

2,8

Alternatief: fase 2

56,51

15,6

5,1

71,33

4,1

14,45

1,4

Gew dlpl (buiten zone)

97,4

35,69

0,9

GINGELOM

17,5

5,94

4,9

NIEUWERKERKEN

57,8 100,0 73,1

5,18 8,30 5,73

2,2 0,0 1,5

100,0

5,95

0,0

48,5

7,21

3,7

BORGLOON HEERS WELLEN 27,20

Gew % bev doelpl buffer (/100)

KORTESSEM

4,9

8,30

7,9

100,0

20,56

0,0

100,0 14,6 19,3 100,0 95,1 78,3 84,0

9,83 8,45

0,0 7,2 3,7 0,0 1,0 1,6 1,0

Tot gew doelpl (/100)

Tot doelp buiten buffer

46,81

9,1

35,50

13,7

20,56

0,0

32,86

12,2

33,02

3,9

0,0

9,83 4,62 19,46 7,45 6,11 9,97 8,26

0,0 2,3 0,0 1,0 1,6 1,0 8,8 0,0

VILVOORDE

MEISE KAPELLE-OP-DEN-BOS ASSE MERCHTEM OPWIJK WEMMEL LIEDEKERKE ROOSDAAL

100,0

5,76

0,0

VILVOORDE

TERNAT

76,8

1,7

VILVOORDE

AFFLIGEM

100,0

7,17 6,77

MEISE

42,99

11,9

19,70

1,4

LONDERZEEL KAPELLE-OP-DEN-BOS WEMMEL ASSE MERCHTEM OPWIJK

4,62 9,97 19,46 7,45 6,11

0,0

47


LKC

VILVOORDE

Fase 2 DILBEEK BEERSEL

Gew % bev doelpl buffer (/100) 100,0

23,41

Gew dlpl (buiten zone) 0,0

Tot gew doelpl (/100) 23,41

Tot doelp buiten buffer

29,88

0,0

LINKEBEEK

100,0

12,75 2,90

0,0

VILVOORDE VILVOORDE

DROGENBOS

100,0 100,0

4,36 9,87

0,0 0,0

100,0 67,3 0,0 76,7 0,0 2,3

22,91 21,04 3,90 1,75 3,25 4,00 17,65

0,0 6,9 3,9 0,4 3,2 3,9

56,85

0,0 0,3

32,29

3,1

22,14

0,6

VILVOORDE VILVOORDE VILVOORDE VILVOORDE VILVOORDE VILVOORDE VILVOORDE VILVOORDE LEUVEN VILVOORDE

SINT-GENESIUS-RODE HALLE SINT-PIETERS-LEEUW GOOIK PEPINGEN HERNE LENNIK ZAVENTEM STEENOKKERZEEL KORTENBERG OVERIJSE

100,0

100,0 95,0 72,2 100,0

VILVOORDE

HOEILAART

LEUVEN

HULDENBERG

LEUVEN

TIENEN

LEUVEN

HOEGAARDEN

93,0

LEUVEN

GLABBEEK

LEUVEN

5,26 9,39 12,14

Gew dlpl (buiten zone)

Tot gew doelpl (/100)

Tot doelp buiten buffer

43,95

6,8

17,89

7,4

45,41

12,2

18,32

5,8

38,12

5,6

0,0

VILVOORDE

VILVOORDE

Alternatief: fase 2

Gew % bev doelpl buffer (/100)

0,0

HALLE

21,3

SINT-PIETERS-LEEUW GOOIK PEPINGEN HERNE LENNIK BEVER GALMAARDEN

100,0 67,3 100,0 74,7 17,0 100,0

22,91 21,04 3,90 1,75 3,25 4,00

0,0 6,9 0,0 0,4 2,7 0,0

0,0 4,3

1,09 3,90

1,1 3,7

2,6 0,0

5,35

0,0

87,0

4,66

0,6

100,0

28,17

0,0

TIENEN

100,0

28,17

0,0

3,58

0,3

HOEGAARDEN

93,0

3,58

0,3

62,7

2,54

0,9

GLABBEEK

62,7

2,54

0,9

BOUTERSEM

40,1

3,84

2,3

9,6

11,11

10,0

LEUVEN

LANDEN

9,6

11,11

10,0

ZOUTLEEUW

100,0

5,39

0,0

LEUVEN

LINTER

47,0

4,34

2,3

LINTER

100,0

4,34

0,0

LEUVEN

KORTENAKEN

2,2

4,28

4,2

KORTENAKEN

8,4

4,28

3,9

100,0

19,58

0,0

GEETBETS

64,1

4,31

1,6

99,7

57,86

22,5

LANDEN

LEUVEN

DIEST

LEUVEN

74,6

15,53

3,9

100,0

19,58

0,0

LEUVEN

SCHERPENHEUVELZICHEM BEKKEVOORT

67,7

3,02

1,0

SCHERPENHEUVEL-ZICHEM

74,6

15,53

3,9

HASSELT

HALEN

92,6

6,26

0,5

BEKKEVOORT

67,7

3,02

1,0

DIEST 44,38

6,1

48


Gew dlpl (buiten zone)

LKC

Fase 2

Gew % bev doelpl buffer (/100)

LEUVEN LEUVEN

AARSCHOT BEGIJNENDIJK ROTSELAAR

98,5 100,0

20,18 5,56

0,3 0,0

54,9

8,71

3,9

HOLSBEEK

48,4 20,6 100,0 83,3 96,8

4,37 5,90 87,67 5,32 10,55

2,3 4,7 0,0 0,9 0,3

50,6

6,96

3,4

74,9 100,0 59,4

4,41 7,67 8,45

1,1 0,0 3,4

93,0

5,93

0,4

100,0

6,81

LEUVEN LEUVEN LEUVEN LEUVEN LEUVEN LEUVEN LEUVEN LEUVEN LEUVEN LEUVEN

TIELT-WINGE LEUVEN OUD-HEVERLEE HERENT LUBBEEK BIERBEEK

Tot gew doelpl (/100)

Tot doelp buiten buffer

Gew dlpl (buiten zone)

Tot gew doelpl (/100)

Tot doelp buiten buffer

34,45

4,7

25,48

4,3

103,54

2,1

50,83

9,9

Alternatief: fase 2

Gew % bev doelpl buffer (/100)

AARSCHOT BEGIJNENDIJK ROTSELAAR

98,5 100,0

20,18 5,56

0,3 0,0

54,9

8,71

3,9

LUBBEEK

100,0 64,5 88,8 77,7 77,4

6,96 4,41 3,84 4,37 5,90

0,0 1,6 0,4 1,0 1,3

100,0

87,67

0,0

HERENT

83,3 96,8

5,32 10,55

0,9 0,3

TERVUREN

100,0

10,11

0,0

0,0

BERTEM

40,9

2,5

100,0

4,19 7,32

100,0

7,07

0,0

44,72

114,90

12,4

9,3

BIERBEEK BOUTERSEM HOLSBEEK TIELT-WINGE LEUVEN OUD-HEVERLEE

LEUVEN

HAACHT TREMELO BOORTMEERBEEK

LEUVEN

KEERBERGEN

VILVOORDE

KAMPENHOUT

57,9

5,27

2,2

KRAAINEM

LEUVEN

TERVUREN

100,0

10,11

0,0

WEZEMBEEK-OPPEM

LEUVEN

BERTEM

40,9

2,5

39,8

VILVOORDE

KRAAINEM

100,0

4,19 7,32

HULDENBERG

0,0

HOEILAART

77,1

4,66 5,35

1,2

VILVOORDE

WEZEMBEEK-OPPEM

100,0

7,07

0,0

OVERIJSE

73,6

12,14

3,2

34,13

28,69

6,1

2,7

0,0 2,8

LKC en provinciegrens oververschrijdend : LKC overschrijdend xx,xx : Te klein of te groot doelpubliek (19,2 > doelpubliek > 76,8 ) xxxx : Momenteel ww aanwezig Antwerpen* = Antwerpen - Ekeren - district 4-5 : Percentage van de bevolking die behoort tot een bepaalde werkwinkel en die binnen en straal van 7,5 km van deze ww woont % bev buffer gew dlpl (buiten zone) tot doelp buiten zone

: Helft van de bevolking moet meer dan 7,5 km afleggen tot de ww : Gewogen doelpubliek – (gewogen doelpublubliek * % bev buffer) (gewogen doelpubliek dat zich buiten de bufferzone bevindt) : Gewogen doelpubliek buiten de bufferzone > 10 : Totale gewogen doelpubliek per werkwinkel dat zich buiten de bufferzone bevindt : Totale doelpubliek buiten bufferzone > 19,2

49


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
procesevaluatievandewerkwinkels_deelrapport1.pdf by Vlaanderen-be - Issuu