Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen
Verslag over de werkzaamheden 2006
Inhoudstafel 1. Inleiding
p. 2-3
2. Samenstelling van de Raad
p. 4
3. Statistische gegevens
p. 5
4. Procedure
p. 10-14
4.1 Verloop 4.2 Ordetermijn van 15 dagen 4.3 Schorsing der werkzaamheden 4.4 Zitting en uitspraak 4.5 Modaliteiten interne beroepsprocedure 4.6 Bijstand door een raadsman
5. Overzicht en analyse van de beslissingen van de Raad
p.15
5.1 Ontvankelijkheid
p.16
5.2 Gegrondheid
p.22
5.3 Beroepsmogelijkheden en verder gevolg van de uitspraken
p.30
6. Aanbevelingen door de Raad
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
p. 30
1
1. Inleiding 1.1 Voorliggende verslag betreft de werking van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen1 gedurende het jaar 2006, het tweede werkjaar van de Raad. Tijdens het werkjaar 2006 heeft de Raad volledig gefunctioneerd binnen haar meer uitgebreide bevoegdheid inzake studievoortgangsbeslissingen2. De hiernavolgende beslissingen kunnen voorwerp uit maken van een beroep bij de Raad: 1) een examenbeslissing: elke beslissing die, al dan niet op grond van een deliberatie, een eindoordeel inhoudt over het voldoen voor een opleidingsonderdeel, meer opleidingsonderdelen van een opleiding, of een opleiding als geheel; 2) een examentuchtbeslissing: een sanctie opgelegd naar aanleiding van examenfeiten; 3) de toekenning van een bewijs van bekwaamheid, dat aangeeft dat een student op grond van eerder verworven competenties of eerder verworven kwalificaties bepaalde competenties heeft verworven; 4) de toekenning van een vrijstelling: de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen; 5) een beslissing waarbij het volgen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd en waarbij de studieomvang van dergelijk programma wordt vastgesteld; 6) het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking, bedoeld in artikel 52 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen. Het decreet van 16 juni 2006 tot instelling van een aantal maatregelen tot herstructurering en flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen heeft een tweetal aanpassingen doorgevoerd aan het Aanvullingsdecreet3 die rechtsreeks de werking van de Raad betreffen. - Artikel
II.7 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, hierna aangeduid als Aanvullingsdecreet, werd gewijzigd. Het betreft de toepassing van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid in het kader van de relatie student–bestuur. Artikel II.7 stelt meer bepaald dat artikel 35 in dat decreet niet van
1
Hierna Raad genoemd Artikel II.1, 15° bis Aanvullingsdecreet zoals aangevuld door het Flexibiliseringsdecreet bepaalt limitatief de definitie van een studievoortgangsbeslissing 3 Het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen 2
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
2
toepassing is wanneer het de bekendmaking van een examenbeslissing betreft. Deze uitzondering wordt uitgebreid naar alle initiële studievoortgangsbeslissingen. De reden hiertoe is de praktische onmogelijkheid om de beroepsmodaliteiten bij elke examenbeslissing aan de student kenbaar te maken. Deze praktische moeilijkheid stelt zich ook, weliswaar in mindere mate, wanneer het een bekendmaking van een beslissing inzake studievoortgang betreft. Men mag overigens aannemen dat de studenten kennis hebben van het onderwijs- en examenreglement van hun instelling, waarin normaal gesproken de termijnen en modaliteiten van het beroep zijn aangegeven. Deze aanpassing maakt dit artikel conform met de uitbreiding van de bevoegdheden van de Raad ingevolge het Flexibiliseringsdecreet. - Artikel II.17 betreft de samenstelling van de Raad. In het jaarverslag 2005 heeft de Raad aanbevolen om de samenstelling van de Raad uit te breiden omdat was gebleken dat de organisatie van zittingen in de vakantieperiode (juli-augustus) niet altijd gemakkelijk was. De Raad adviseerde in zijn jaarverslag 2005 om bijkomende plaatsvervangende leden te benoemen, en tevens te bepalen dat elke plaatsvervangende bijzitter elk van de werkende bijzitters kan vervangen. Om dezelfde reden werd geadviseerd om een bijkomende plaatsvervangende voorzitter te benoemen. Conform met deze aanbeveling is het artikel II.17 van het Aanvullingsdecreet aangepast. In uitvoering van deze laatste bepaling heeft de Vlaamse Regering op 24 november 2006 twee besluiten goedgekeurd: - een besluit met de benoeming van een aantal bijkomende leden; - een besluit met een aangepaste vergoedingsregeling voor de leden van de Raad. 1.2 De bijkomende leden van de Raad hebben als lid van een administratief rechtscollege de eed afgelegd bij de bevoegde rechtbank. De eedaflegging had plaats op 19 januari en 6 februari 2007 in het vredegerecht van Sint-Joost-ten-Node. 1.3 De Raad kreeg het afgelopen jaar ook informatievragen te verwerken. De vragen werden telefonisch gesteld of via de specifieke postbus van de Raad. Het aantal vragen blijft relatief beperkt. De meeste studenten die nadenken over het instellen van een procedure hebben vooraf de brochure van de Raad doorgenomen. Zij contacteren het secretariaat voor bijkomende concrete vragen over de te volgen procedure. Ook de instellingen stellen geregeld vragen over de gang van zaken. Studenten informeren vaak over het verloop van het intern beroep. De interne beroepsprocedure wordt geregeld in de reglementen van de instellingen. Het secretariaat geeft de studenten dan ook het advies om nauwkeurig de in het reglement opgenomen procedure te volgen en zonodig de ombudsdienst of studentencoördinator te raadplegen. Zowel door de studenten als de instellingen worden er vrij veel vragen gesteld over de bevoegdheid van de Raad. Het secretariaat verwijst naar de decretaal omschreven bevoegdheid en geeft duidelijk aan dat de Raad uiteindelijk beslist of een verzoek als ontvankelijk wordt beschouwd. Ook informeren studenten naar inhoudelijke aspecten en de kans die ze hebben om succesvol een beroep bij de Raad in te stellen. Naar aanleiding van dergelijke vragen wordt de studenten aangeraden om de reeds gepubliceerde besluiten van de Raad te raadplegen.
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
3
1.4 Het secretariaat registreert een verzoekschrift na ontvangst in een register dat per werkjaar wordt aangelegd. In dit register worden de namen van de partijen, het rolnummer en de datum van registratie opgenomen. Dit register is niet openbaar. Na behandeling van de zaken werden de uitspraken wel, zoals decretaal bepaald, geanonimiseerd gepubliceerd op de webstek met aanduiding van het rolnummer. Ook voorliggend jaarverslag wordt gepubliceerd op de webstek: www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/Raad/ In dit verslag zijn er meer details over de werking van de Raad en over de zaken die behandeld werden tijdens het werkjaar 2006. De besluiten waarnaar in voorliggend verslag worden verwezen zijn te raadplegen op de webstek. Het verslag sluit af met aanbevelingen door de leden van de Raad voor een nog optimalere werking in de toekomst.
2. Samenstelling Raad Zoals hoger aangehaald is de samenstelling van de Raad uitgebreid. De Raad is als volgt samengesteld: Voorzitter: de heer Marc Boes Plaatsvervangend voorzitter: de heer Jean Dujardin en mevrouw Kaat Leus* Werkend bijzitter: de heer Luc Van de Velde mevrouw Jacqueline Hellemans Plaatsvervangend bijzitter: mevrouw Christiane Vanvinckenroye de heer Jean Laenens de heer Henri Verhaaren* de heer Jan Geens* De nieuwe leden* kunnen pas na de eedaflegging effectief participeren aan de werking van de Raad. Tijdens het werkjaar 2006 hebben zij bijgevolg nog niet gezeteld. De Raad wordt praktisch en administratief ondersteund door een secretariaat dat in 2006 werd verzorgd door Erwin Malfroy en Karla Van Lint. De Raad werd steeds samengesteld naar gelang de beschikbaarheid van de leden. In bepaalde gevallen dienden sommige leden zich te onthouden omdat zij verbonden waren met de onderwijsinstelling tegen wie de klacht was ingediend. Ook in de loop van het tweede werkjaar hebben er geen wrakingen plaatsgevonden op vraag van de partijen. De Raad behandelde het werkjaar 2006 43 zaken. Eén zaak is pas behandeld tijdens een zitting in 2007. Professor Marc Boes zetelde in 27 zaken, plaatsvervangend voorzitter professor Jean Dujardin in 15 zaken. Professor Jacqueline Hellemans zetelde in 29 zaken, de heer Luc Van de Velde in 11 zaken, Professor Jean Laenens in 7 zaken en mevrouw Christiane Vanvinckenroye in 37 zaken.
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
4
3 . Statistische gegevens Dit werkjaar werden 43 verzoekschriften ingediend. Dit aantal is dus vergelijkbaar met vorig werkjaar (48 verzoeken). Het aantal verzoeken dat wordt ingediend blijft dus binnen redelijke perken. De verzoekschriften worden als gevolg van de meer uitgebreide bevoegdheid van de Raad en het in de meeste instellingen ingevoerde semestersysteem meer verspreid ingediend, met vanzelfsprekend hoogtepunten na de juni en september zittijd. In 24 gevallen diende een mannelijke student een verzoekschrift in, in 19 gevallen betrof het vrouwelijke studenten. De studenten zijn afkomstig uit verschillende provincies met zoals vorig jaar het grootste aantal uit de provincie Antwerpen.
Verdeling m an-vrouw
Vrouw 44%
Man 56%
Aantal per provincie w oonplaats student
14 12 10 8 6 4 2 0
Aantal
Antw erpen
OostVlaanderen
VlaamsBrabant
Limburg
WestVlaanderen
WaalsBrabant
Brussels Hoofdstedelijk gew est
13
9
8
5
3
1
4
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
5
Ook zoals vorig jaar zijn het in hogere mate hogeschoolstudenten die een beroep indienen.
Universiteit 23%
Hogeschool 77%
Zowel in werkjaar 2005 als 2006 komen meerdere maar wel dezelfde studiegebieden overwegend aan bod. En vierde van de zaken die door hogeschoolstudenten worden ingeleid betreffen het studiegebied onderwijs. De verzoekers bevonden zich in verschillende stadia van hun studieloopbaan. studiegebied
soort opleiding
aantal
Hogeschool Architectuur
Academisch gerichte bachelor
1
Audiovisuele en beeldende kunst
Academisch gerichte bachelor
2
Audiovisuele en beeldende kunst
Basisopleiding 2 van 2
3
Gezondheidszorg
Professioneel gerichte bachelor - Basisopleiding 1 cyclus
3
Handelswetenschappen en bedrijfskunde
Professioneel gerichte bachelor - Basisopleiding 1 cyclus
3
Handelswetenschappen en bedrijfskunde
Master na master
3
Industriële wetenschappen en technologie
Master
1
Nautische wetenschappen
Basisopleiding 1 cyclus
1
Onderwijs
Professioneel gerichte bachelor - Basisopleiding 1 cyclus
Onderwijs
Initiële lerarenopleiding van academisch niveau
1
Sociaal-agogisch werk
Professioneel gerichte bachelor - Basisopleiding 1 cyclus
4
Economische en toegepaste economische wetenschappen
Basisopleiding 2e cyclus
2
Geneeskunde
Basisopleiding 1e cyclus
1
Geneeskunde
Basisopleiding 2e cyclus
1
11
Universiteit
Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht
Master na master
1
Psychologie en pedagogische wetenschappen
Schakelprogramma
2
Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen
Basisopleiding 2e cyclus
1
Wetenschappen
Basisopleiding 1e cyclus
2
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
6
De betwistingen hadden betrekking op examenresultaten van theorieonderdelen, stage, praktijkoefeningen en verhandelingen. Stages, praktijkoefeningen en verhandelingen geven meer aanleiding tot betwisting. Dit heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat deze prestaties niet altijd éénduidig te beoordelen zijn. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de verschillende soorten opleidingsonderdelen die voorwerp uitmaken van de verzoekschriften.
soort opleidingsonderdeel praktijk verhandeling stage theorie gehele opleiding meerdere theorie praktijk + theorie praktijk + stage theorie + verhandeling gecombineerd traject nvt (036-038-038)
aantal 1 5 6 15 5 1 4 1 1 1 3
Bijgaand overzicht toont aan dat, ondanks de meer uitgebreide bevoegdheden van de Raad, voornamelijk de examenbeslissingen voorwerp waren van een betwisting.
studievoortgangsbeslissing Examenbeslissing Examentuchtbeslissing Maatregel studievoortgangsbewaking Toekenning vrijstelling art. 52 flex - evc/evk rechtstreeks diplomering Examenbeslissing + examentuchtbeslissing Toekenning vrijstelling + examenbeslissing
2006 32 1 4 2 1
2005 38 1 6 2 0
3
0
0
1
Het aantal betwistingen over het al dan niet toekennen van vrijstellingen blijft zeer beperkt. Een beslissing over een voorbereidingsprogramma of schakelprogramma is evenmin voorwerp van een betwisting geweest. Dergelijke programma’s lopen pas sinds het huidige academiejaar.
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
7
Na behandeling van de zaken besliste de Raad in 17 gevallen dat het verzoek van de student volledig gegrond was. In één geval werd het verzoekschrift deels gegrond bevonden. In 10 gevallen heeft de Raad zich niet kunnen buigen over de grond van de zaak wegens de onontvankelijkheid van het verzoekschrift of wegens het feit dat het verzoek in de loop van de procedure zonder voorwerp werd. Op de 33 zaken waar de Raad kon ingaan op de gegrondheid werden dus 18 zaken volledig of deels gegrond verklaard.
Ontvankelijkheid - gegrondheid 18 16 14 12 10 8 6 4 2 0
aantal
volledig ontvankelijk - volledig gegrond
17
volledig ontvankelijk - niet gegrond
15
volledig ontvankelijk - deels gegrond
1
niet ontvankelijk - niet van toepassing
5
niet van toepassing nvt (4 zonder voorw erp - 1 uitgesteld)
5
Alle ontvankelijke zaken en hun gegrondheid
3%
45%
volledig ontvankelijk - volledig gegrond
52%
volledig ontvankelijk - niet gegrond
volledig ontvankelijk - deels gegrond
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
8
De onderwijsinstellingen deden in 19 zaken beroep op een raadsman. De student deed 15 maal beroep op een raadsman.
Raadsm an inste lling
25 20 15 10 5 0 aantal
ja
neen
19
24
Raadsm an student
15 10
5 0
aantal
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
ja, advocaat
ja, andere raadsman
neen
15
13
15
9
4. De procedure 4.1 Verloop De voorgestelde procedureregels zoals uitgeschreven in de artikelen II.24 tot II.38 van het Aanvullingsdecreet inzake het aanhangigmaking, samenstelling van het dossier, onderzoek van het dossier en vaststellen van de procedurekalender, de zitting en de uitspraak laten voldoende ruimte voor een vlotte behandeling van de dossiers zonder al te veel formalisme. Dit is ook tijdens het werkjaar 2006 duidelijk gebleken. De samenwerking met de instellingen laat ook een vlot verloop van de procedure toe. De korte ordetermijn van 15 dagen verplicht de Raad en de partijen tot een snelle respons. De stukken worden doorgaans snel aan de Raad en de student meegedeeld. Een contactpersoon wordt onmiddellijk aangeduid. Meestal betreft het eenzelfde persoon die voor een bepaalde instelling de belangen behartigt, waardoor de communicatie met het secretariaat van de Raad gemakkelijk verloopt. De briefwisseling met de partijen en het bezorgen van de noodzakelijke procedurestukken gebeurt in hoofdzaak via elektronische post. Dit is aangewezen om de korte ordetermijn van 15 dagen te respecteren. Enkel de procedurekalender en de besluiten worden per aangetekende zending bezorgd aan de partijen. Deze werkwijze stelt tot op dit ogenblik geen enkel probleem. Doorgaans worden ook geen problemen gemaakt over de vastgestelde procedurekalender. Ingeval om afdoende redenen dan toch een wijziging werd gevraagd, is de kalender steeds in overleg met beide partijen aangepast. Het indienen van antwoordnota en verweernota gebeurde doorgaans tijdig, ondanks de vaak zeer kort vastgestelde termijn. Het eerste werkjaar klaagden de partijen echter geregeld over deze termijn. Intussen lijkt de snelle proceduregang aanvaard. Een laattijdig ingediende antwoordnota of wederantwoordnota wordt uit de procedure geweerd4. Tijdens het werkjaar 2006 heeft de Raad slechts éénmaal deze beslissing moeten nemen. Ook de zitting verloopt zonder problemen en vrij informeel. In de regel zijn alle partijen aanwezig. Naast een korte toelichting door de partijen wordt meermaals tijdens de zitting een verduidelijking van een aantal feiten gevraagd. In alle zaken volgt na de zitting de beraadslaging en wordt ook een besluit genomen. De dag nadien worden de partijen per aangetekend schrijven en indien gewenst ook per e-mail op de hoogte gebracht. 4.2 Ordetermijn van 15 dagen De Raad spreekt zich uit binnen een ordetermijn van vijftien kalenderdagen, termijn die ingaat de dag na deze waarop het beroep werd ingeschreven in het register. De termijn van 15 kalenderdagen is kort, met het oog op een snelle rechtsbedeling. Het betreft wel een termijn van orde, wat betekent dat in noodgevallen de termijn kan overschreden worden zonder dat dit tot gevolg heeft dat de uitspraak ongeldig zou zijn. De Raad stelt deze ordetermijn voorop wanneer een zittingsdag wordt vastgesteld. In dit kader wenst de Raad efficiënt te werken zodat in de drukke periodes (na de juni- en septemberzittijd) de zaken worden gebundeld op bepaalde zittingsdagen. Dit 4
Artikel,II.17 Aanvullingsdecreet
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
10
heeft nooit meer dan een verlenging van enkele dagen tot gevolg. Een uitdrukkelijke schorsingsaanvraag door de instelling leidt onvermijdelijk tot een overschrijding van de termijn met twee weken. Verder wordt de termijn enkel in beperkte mate verlengd wanneer een goede rechtsbedeling en het belang van beide partijen dit vereisen. Samenvattend werd in het werkjaar 2006 (43 beroepen) in meer dan een derde van de beroepen het dossier binnen de termijn van 15 dagen behandeld (15 dossiers). In een vierde van de gevallen binnen de drie weken (11 dossier). In negen gevallen was een schorsing aangevraagd. In vier gevallen werd de zaak zonder voorwerp. Vier verzoeken betrof anderstalige studenten aan wie om hun dossier degelijk te kunnen voorbereiden in het Nederlands een langere termijn is toegestaan. Eén zaak werd uitgesteld tot een nader te bepalen datum. In twee gevallen werd de zaak over meerdere zittingen gespreid omdat het dossier diende verder toegelicht en onderzocht te worden. In een zaak was het de uitdrukkelijke wens van de student de zaak pas later te behandelen wegens een verblijf in het buitenland. 4.3 Schorsing der werkzaamheden Vanuit het veld werd ook tijdens het werkjaar 2006 gewezen op de problematiek van het tijdspad dat decretaal is opgelegd, voornamelijk dan vanuit organisatorisch oogpunt met betrekking tot de vakantieperiode. Hogescholen stellen dat deze termijnen onvoldoende rekening houden met collectief verlof. Zij wijzen op de tegenstrijdigheid tussen enerzijds het recht van de student op een snelle rechtsbedeling en het recht van het personeel op een welverdiende rustperiode. Het tijdspad leidt dan noodzakelijk tot een vervroegde deliberatiedatum, tot het sneller afhandelen van het intern beroep of tot het uitstellen van de behandeling van het intern beroep om een eventuele zittingsdatum voor de Raad later te voorzien. De decreetgever houdt hiermee in beperkte mate rekening door te bepalen dat tijdens de vakantieperiode een schorsing kan aangevraagd worden5. Verschillende hogescholen maken hiervan gebruik. De Raad achtte een beperkte schorsingsperiode van 2 weken aanvaardbaar. Nadien is het aan de instellingen om de dossiers tijdig voor te bereiden en de nodige contactpersonen aan te duiden, die een eventuele procedure kunnen opvolgen. Het afgelopen werkjaar leek dit reeds vlotter te verlopen. Buiten de vakantieperiode blijkt het tijdspad niet voor problemen te zorgen. 4.4 Zitting en uitspraak Zoals hoger reeds aangehaald volgt na de zitting onmiddellijk de beraadslaging en uitspraak. De 43 tijdens het werkjaar 2006 ingeleide zaken werden behandeld op16 zittingsdagen. De zitting van één zaak, die pas eind december is ingeleid, ging door begin 2007. Eén zaak werd uitgesteld tot een nader te bepalen datum en zal verder op een zitting in 2007 voorkomen. De behandeling van twee zaken werd gespreid over meerdere zittingsdagen omdat de Raad vooraleer een eindbeslissing te nemen, zich voorafgaandelijk wenste te laten voorlichten wat een aantal punten betreft. Hierbij een overzicht van de zittingsdagen en behandelde zaken.
5
Artikel II.40, Aanvullingsdecreet
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
11
Zittingsdatum woensdag 28 juni 2006 maandag 10 juli 2006 vrijdag 28 juli 2006
donderdag 3 augustus 2006 donderdag 10 augustus 2006
vrijdag 18 augustus 2006
dinsdag 22 augustus 2006
dinsdag 26 september 2006 woensdag 4 oktober 2006 dinsdag 17 oktober 2006 dinsdag 31 oktober 2006 donderdag 9 november 2006
vrijdag 24 november 2006
dinsdag 28 november 2006
maandag 18 december 2006 maandag 15 januari 2007
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
rolnummers 2006/001 2006/002 2006/003 2006/004 2006/005 2006/007 2006/010 2006/016 2006/008 2006/014 2006/015 2006/017 2006/018 2006/006 2006/009 2006/012 2006/013 2006/011 2006/019 2006/020 2006/021 2006/022 2006/023 2006/024 2006/025 2006/026 2006/027 2006/029 2006/031 2006/028 2006/032 2006/034 2006/035 2006/036 2006/037 2006/038 2006/029 2006/030 2006/033 2006/039 2006/040 2006/042 2006/041 2006/043
12
Opvallend dit tweede werkjaar is dat een aantal studenten meerdere keren na elkaar een verzoekschrift indienden waarvoor ook telkens een nieuwe zittingsdag werd vastgelegd. Het betreft studenten die na een vernietigingsbeslissing van de Raad niet akkoord gaan met de nieuw genomen beslissing. Aantal terugkerende zaken Rolnummers
Beslissingen
1. 001- 022 2. 012-025-039-040 3. 011-019-028 4. 018-023
gegrond - niet gegrond drie maal gegrond – niet gegrond twee maal gegrond- zonder voorwerp gegrond - gegrond
4.5 Modaliteiten interne beroepsprocedure Een beroep bij de Raad is pas ontvankelijk nadat intern beroepsprocedure is uitgeput. Buiten het beperkt decretaal kader wordt deze procedure geregeld in de onderwijsreglementen. Uit de communicatie met de studenten en uit de behandelde zaken tijdens het werkjaar 2006 van de Raad blijkt dat de modaliteiten van deze interne procedure niet altijd gemakkelijk te achterhalen waren en het ook niet altijd duidelijk is waar de student terecht kan, of aan wie het intern beroep moet gericht worden. Zeker in het licht van de nieuwe studievoortgangsbeslissingen blijft dit een pijnpunt. De feitelijke procedure die studenten moeten volgen om een bezwaar ten aanzien van een vrijstellingsbeslissing aan te tekenen verloopt niet altijd ordentelijk. De behandeling van de aanvraag geschiedt vaak in verschillende stappen. Zo blijkt niet altijd duidelijk wanneer een officiële, definitieve beslissing is genomen waartegen beroep kan ingesteld worden en bij wie uiteindelijk beroep moet ingediend worden. Studenten blijken ook niet altijd nauwkeurig te onderwijsreglementen te raadplegen. Reeds naar aanleiding van het jaarverslag van 2005 heeft de Raad de aanbeveling gedaan om tot een zekere stroomlijning van de reglementering te komen door afspraken tussen faculteiten en instellingen (op niveau van de associaties). Op die manier wordt de procedure voor de studenten transparanter en meer toegankelijk. In het jaarverslag 2005 is ook benadrukt dat het aangewezen is dat de persoon die het intern beroep behandelt, zich onafhankelijk kan profileren en niet betrokken is bij de aangevochten beslissing. Een analyse van de interne beroepsbeslissingen die de afgelopen jaren aan de Raad zijn voorgelegd, toont echter aan dat de voorzitter van de examencommissie veelal de beslissing op beroep neemt. Andere instanties die de beslissingen nemen zijn de faculteitsraad; coördinator studentenbeleid; departementshoofd; directeur onderwijsbeleid, hoofd studentenzaken; algemeen directeur; rector; decaan; institutionele ombudsman. 4.6 Bijstand door een raadsman Zoals uit de hoger weergegeven tabel blijkt laten studenten-verzoekers zich bijstaan door een advocaat in ongeveer een derde van de ingeleide zaken. Bij de instellingen ligt dit aantal licht hoger. In de gevallen waar de instelling geen beroep deed op een advocaat als raadsman werd de instelling vaak vertegenwoordigd door een jurist van Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
13
de instelling. Meestal worden zij vergezeld van een departementshoofd of persoon de vertrouwd is met het specifieke dossier. In een aantal van de behandelde zaken is een bijkomende toelichting van deze laatste noodzakelijk gebleken. De student laat zich ook vaak vergezellen door een familielid. Voor het werkjaar 2006 werd in 12 van de 18 gegronde besluiten door de student geen beroep gedaan op een advocaat. Vanzelfsprekend kan hier geen rechtstreeks verband gelegd worden. Maar alleszins wordt aangetoond dat het inschakelen van een advocaat geen absolute noodzaak is om met succes een beroep bij de Raad in te stellen. raadsman student
ontvankelijkheid
gegrondheid
aantal
Ja, advocaat
volledig ontvankelijk
volledig gegrond
6
Ja, advocaat
volledig ontvankelijk
niet gegrond
4
Ja, advocaat
niet ontvankelijk
nvt
2
Ja, advocaat
nvt
nvt
3
Ja, andere raadsman volledig ontvankelijk
volledig gegrond
5
Ja, andere raadsman volledig ontvankelijk
niet gegrond
6
Ja, andere raadsman Neen
nvt
2
Neen
volledig ontvankelijk
deels gegrond
1
Neen
volledig ontvankelijk
volledig gegrond
6
Neen
volledig ontvankelijk
niet gegrond
5
Neen
Neen
nvt
1
Neen
nvt
nvt
2
raadsman instelling
ontvankelijkheid
gegrondheid
aantal
Ja Ja Ja Ja Ja
volledig ontvankelijk volledig ontvankelijk volledig ontvankelijk Neen nvt
volledig gegrond deels gegrond niet gegrond nvt nvt
6 1 5 5 2
Neen Neen Neen
volledig ontvankelijk volledig ontvankelijk nvt
volledig gegrond niet gegrond nvt
11 10 3
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
14
5. Overzicht en analyse van de beslissingen van de Raad Wat de uitspraken van de Raad betreft, is er ten aanzien van vorig werkjaar een opvallende evolutie merkbaar in het voordeel van de student, zoals duidelijk blijkt uit bijgevoegde tabel. In meer dan de helft van de beroepen, waarbij de Raad zich kan buigen over de grond van de zaak, heeft de Raad het verzoek gegrond verklaard. Vorig jaar betrof zulks een verhouding van 1 op 4. Ontvankelijke zaken en hun gegrondheid 2005-2006
30 25 20 15 10 5 0
volledig ontvankelijk - volledig ontvankelijk - volledig ontvankelijk volledig gegrond deels gegrond niet gegrond
deels ontvankelijk niet gegrond
2006
17
1
15
0
2005
2
7
26
1
Het aantal beroepen dat onontvankelijk wordt verklaard blijft eveneens beperkt, met name 6 beroepen in 2005 en 5 beroepen in 2006. Twee zaken werden uitgesteld tot een nader te bepalen datum en 9 zaken zijn zonder voorwerp verklaard. Ontvankelijkheid 2005 2006
40 30 20 10 0
volledig ontvankelijk
deels ontvankelijk
niet ontvankelijk
niet van toepassing
2006
33
0
5
5
2005
35
1
6
6
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
15
Vooreerst worden de besluiten van het werkjaar 2006 naar hun ontvankelijkheid (5.1) geanalyseerd en vervolgens komen de ten gronde behandelde zaken (5.2) aan bod. 5.1. Ontvankelijkheid In een groot aantal zaken blijkt de ontvankelijkheid van het beroep voor betwisting te zorgen. De onontvankelijkheid van het verzoek wordt door de instelling ingeroepen op verschillende gronden: - wegens het niet toepassen van de vormvoorschriften; - wegens laattijdigheid; - wegens onbevoegdheid van de Raad naar voorwerp; - wegens ontbreken van belang; - wegens het niet naleven van de taalvoorschriften. De Raad onderzoekt de ontvankelijkheid van het beroep ambtshalve omdat de bevoegdheidsvraag de openbare orde raakt. In vier zaken hoefde de Raad niet meer over de ontvankelijkheid te oordelen omdat de beroepen zonder voorwerp6 werden verklaard. Het betreft dan studenten die in de loop van de procedure met de instelling tot een oplossing zijn gekomen, een andere instelling hebben gevonden of intussen bijvoorbeeld in de tweede zittijd geslaagd zijn verklaard en geen belang meer hebben bij een verdere behandeling. In al deze zaken deed de student expliciet afstand van zijn beroep en ging de instelling hiermee akkoord. In het werkjaar 2006 werden vijf beroepen7 onontvankelijk verklaard: op grond van niet-tijdigheid (1); wegens onregelmatigheid van het intern beroep (1); op grond van onbevoegdheid naar voorwerp (3). Deze zaken zijn te raadplegen op basis van de aangeduide rolnummers op de webstek van de Raad. Ingedeeld volgens de verschillende gronden van onontvankelijkheid wordt hierna de belangrijkste rechtspraak van het werkjaar 2006 van de Raad weergegeven. 1. Tijdigheid van het verzoekschrift De Raad gaat ambtshalve na of een verzoekschrift binnen de decretaal bepaalde termijn is ingediend. De besluiten van het werkjaar 2006 geven telkens volgens een gebruikelijke formule het tijdspad weer. Slechts eenmaal werd tijdens het werkjaar 2006 een verzoek niet ontvankelijk verklaard wegens ontijdigheid8. Drie verzoeken9 die buiten de termijn zijn ingesteld werden toch ontvankelijk verklaard omdat de beroepsmogelijkheid en/of de modaliteiten niet waren vermeld in de beslissing op intern beroep10.
6
Raad, nrs. 2006/028//034/038/042 Raad, nrs. 2006/002/011/020/039/043 8 Raad nr. 2006/020 9 Raad, nrs. 2006/023/017/013 10 Artikel 35 van het Openbaarheidsdecreet 7
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
16
In twee gevallen had de instelling wel degelijk de beroepsmogelijkheid aangeduid maar de modaliteiten onvolledig vermeld. Er was geen melding gemaakt van het adres van de Raad11, enkel werd inzake modaliteiten verwezen naar de webstek van de Raad12. De Raad heeft zoals vermeld in het jaarverslag 2005 ten behoeve van de instellingen een voorbeeld van een formulering van de vermelding van de beroepsmogelijkheden op de website geplaatst. - Een verplichte vermelding van de beroepsmogelijkheden geldt enkel voor de beslissing op intern beroep, niet voor de initiële examenbeslissingen en bij uitbreiding ook niet voor de initiële studievoortgangsbeslissingen13. De Raad heeft in een besluit deze decretale bepalingen verduidelijkt en in die zin een besluit genomen14. - Ook in het werkjaar 2006 bestond nog steeds onduidelijkheid omtrent de vaststelling van de datum van kennisname van de beslissing op intern beroep. Deze datum is echter beslissend voor de aanvang van de vervaltermijn van vijf kalenderdagen. De Raad heeft telkens een termijn in acht genomen waarbinnen de post redelijkerwijze de beslissing op intern beroep aan de student kon bezorgen. Zo verlengt een weekend de termijn. In andere gevallen ligt de bewijslast bij de student. - Om uit te maken of een verzoekschrift tijdig werd ingediend, dient enkel de poststempel van de bij de ter post aangetekende brief in aanmerking genomen en niet de datum van registratie door het secretariaat van de Raad. Dit bleek niet altijd duidelijk te zijn voor de instellingen. De Raad verklaarde de betreffende decretale bepaling15 in zijn besluiten16. 2. Naleving van vormvoorschriften De decreetgever wilde een strikt formele rechtsgang vermijden en op een flexibele en snelle manier tot een oplossing komen. Daarom werden de formaliteiten tot een minimum beperkt. Uit de genomen besluiten blijkt dat de Raad het formele niet wenst te laten overwegen. In geval er een betwisting bestaat over de naleving van bepaalde formaliteiten, die niet op straffe van nietigheid werden voorgeschreven, gaat de Raad telkens na in hoeverre de rechten van verdediging werden gerespecteerd. Het niet naleven van de vormvoorschriften leidt tot een zwaardere bewijslast voor de student of instelling die de betreffende vormvoorschriften niet heeft nageleefd. - Het decreet17 schrijft slechts één vormvereiste op straffe van onontvankelijkheid voor: de ondertekening van het beroep door de verzoeker of zijn raadsman. In een aantal zaken werd de onontvankelijkheid betwist op grond van een onregelmatigheid van de handtekening. De Raad achtte de beroepen wat dit
11
Raad, nr. 2006/013. Raad, nr. 2006/012 13 Artikel II.7 Aanvullingsdecreet 14 Raad, nr. 2006/001 15 Artikel, II.24 Aanvullingsdecreet 16 Raad, nr. 2006/040/012//025. 17 Artikel II.24 §2 Aanvullingsdecreet 12
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
17
vormvoorschrift betreft telkens regelmatig ingesteld. Het beroep dat loco een advocaat ondertekend door een andere advocaat is ontvankelijk18. In een ander geval werd het verzoekschrift ondertekend door een raadsman, evenwel geen advocaat, die ook op de zitting samen met verzoekende partij aanwezig was19. Als een raadsman die geen advocaat is (en die al dan niet het verzoekschrift ondertekend heeft) zonder verzoekende partij aanwezig is, dan wordt een volmacht vereist die ten laatste op de zitting dient neergelegd20. Dit wordt steeds ambtshalve door de Raad nagegaan. Het voorschrift stelde tot op vandaag nog geen probleem. - In een aantal zaken werd de ontvankelijkheid betwist omdat het verzoekschrift geen correcte omschrijving van het voorwerp inhield. De Raad kan enkel een beslissing vernietigen21 en opnieuw doorverwijzen naar de bevoegde instantie voor een nieuwe beslissing onder door de Raad te bepalen voorwaarden. Soms is niet duidelijk of het beroep gericht is tegen het intern beroep én de initiële beslissingen. Uit de behandelde zaken blijkt dat het verzoekschrift meestal wordt begrepen of gelezen in het voordeel van de student22. - Artikel II.24 van het Aanvullingsdecreet schrijft voor dat, samen met het indienen van het verzoek, een kopie van het verzoekschrift aangetekend bezorgd moet worden aan de instelling. De Raad behandelde een zaak waar de ontvankelijkheid werd betwist op grond van dit voorschrift. Uit het onderzoek van het dossier bleek dat de kopie wel degelijk werd verstuurd, doch laattijdig. Verder bleek uit het dossier dat verwerende partij niettemin tijdig had kunnen kennisnemen van het verzoekschrift en zich naar behoren had kunnen verdedigen. Het beroep werd ontvankelijk23 verklaard. - Ook de gebrekkige ‘adressering’ aan verwerende partij werd betwist. In geen van de gevallen werd aangetoond dat verwerende partij zich niet naar behoren had kunnen verdedigen24. 3. Regelmatig ingesteld en uitgeput intern beroep De Raad gaat telkens ambtshalve na of een intern beroep regelmatig werd ingesteld en uitgeput. Zoniet is het beroep niet ontvankelijk. - Instellingen blijken niet altijd nauwkeurig de in het eigen onderwijsreglement bepaalde procedure op te volgen. Zo werd de beslissing soms genomen door een instantie die daartoe niet is aangeduid in het instellingsreglement, of werd de beslissing niet genomen conform de in het reglement bepaalde vormvoorschriften. Zo besliste de Raad dat in geval de beslissing op intern beroep genomen werd door een niet bevoegd orgaan, de beslissing op het intern beroep niet regelmatig was. In dat geval werd de beslissing op intern beroep vernietigd. Het beroep bij de Raad was wel ontvankelijk.
18
Raad nr. 2006/029 Raad nr. 2006/027 20 Artikel II.39 Aanvullingsdecreet 21 Artikel II.22 Aanvullingsdecreet 22 Raad, nrs, 2006/031/017/030/013/021 23 Raad nr.2006/021 24 Raad nr. 2006/007 19
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
18
“De bestreden beslissing is genomen door een onbevoegd orgaan. Deze onregelmatigheid raakt aan de openbare orde en wordt door de Raad ambtshalve ingeroepen”. 25 Zoals de decreetgever bij de wijze waarop het verzoekschrift wordt ingediend overdreven formalisme heeft willen verhinderen, geldt dit naar analogie ook voor het procedureverloop van het intern beroep. De Raad stelt: “In het geval dat de verzoekende partij kiest voor een vorm van beroep die niet door het reglement wordt bepaald, draagt zij wel de bewijslast dat het beroep (1) tijdig, (2) volledig en (3) naar behoren ter kennis is gebracht van de instelling. In deze zaak stelt de Raad vast dat de verzoekende partij faalt in die bewijslast. De verwerende partij heeft het intern beroep terecht onontvankelijk verklaard”.26 - Uit de beslissingen blijkt dat door de instellingen niet altijd nauwkeurig het onderscheid gemaakt wordt tussen de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het intern beroep. Beide begrippen worden door elkaar gehaald. Artikel II.14 van het Aanvullingsdecreet bepaalt dat het intern beroep kan leiden tot twee soorten beslissingen, namelijk een gemotiveerde beslissing tot onontvankelijkheid of een bevestiging dan wel herziening van de oorspronkelijke beslissing. De Raad besliste in dit verband27: “Dat is inderdaad wat artikel 2.14 bepaalt, maar dat artikel bepaalt niet dat de beslissing over de ontvankelijkheid en de beslissing tot bevestiging of herziening door hetzelfde orgaan genomen moeten worden. Elke instelling is vrij haar eigen beroepsprocedure in te richten, zolang maar voldaan wordt aan de vereisten van artikel 2.14. Het getrapte systeem van de instelling (de Directeur Onderwijsbeleid beslist over de ontvankelijkheid, de examencommissie over de grond van de zaak) is daarmee perfect in overeenstemming.” In dat geval werd de beslissing op intern beroep vernietigd, omdat de directeur ook uitspraak had gedaan over de grond van de zaak, waarvoor hij niet bevoegd was. - In het werkjaar 2006 hebben opvallend meer studenten meermaals na elkaar een verzoekschrift ingediend28. De verplichting om, na vernietiging van een eerste instellingsbeslissing door de Raad, vervolgens bij de aanvechting van een nieuwe instellingsbeslissing de interne procedure nogmaals te doorlopen, volgt uit de huidige decretale regeling en werd herhaaldelijk door de Raad bevestigd in zijn besluiten. De Raad besliste dat, ingeval een tweede beslissing werd genomen door de instelling in opvolging van een besluit van de Raad, dezelfde procedurevoorschriften blijven gelden en derhalve het intern beroep volledig moet uitgeput zijn, vooraleer een student opnieuw een ontvankelijk extern beroep bij de Raad kan instellen29 .
25
Raad nr.2006/035 Raad, 2006/024 27 Raad, nr. 2006/018 28 Raad nrs 2006 /001/022/012/025/039/040/011/019/028/018/023. 29 Raad, zaak nr.2006/039 26
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
19
- De Raad heeft in enkele gevallen enkel de beslissing op intern beroep vernietigd en bleef de initiële beslissing overeind30. In deze gevallen is de student na een regelmatig genomen beslissing op intern beroep opnieuw naar de Raad gestapt voor een beslissing ten gronde. 4. Onontvankelijkheid inzake voorwerp In tegenstelling tot vorig werkjaar waren de ingeroepen onontvankelijkheidsgronden veeleer gericht op de bevoegdheid ratione materiae van de Raad. Hieronder volgen enkele beslissingen die niet meteen onder één noemer te plaatsen zijn: - Een betwisting kan niet voor de Raad gebracht worden wanneer nog geen officiële beslissing is genomen en er enkel voorbereidende besprekingen zijn gevoerd31. - Een beslissing over een uitstel van deliberatie behoort niet tot de bevoegdheid van de Raad32. - De beoordeling van de examencommissie betreffende de eerste zittijd kan geen voorwerp uitmaken van het verzoekschrift omdat de decretale procedurevoorschriften, zoals de beroepstermijnen, niet zijn nageleefd33. - Materiële vergissingen behoren in principe niet tot de bevoegdheid van de Raad. Toch is het niet evident om hier een strikte lijn te trekken. Tijdens een procedure ingeleid voor de Raad werd vastgesteld dat er inderdaad een materiële vergissing had plaatsgevonden, die dan door de instelling werd rechtgezet nog voordat de zitting plaats had. Het externe beroep bij de Raad werd op vraag van beide partijen zonder voorwerp verklaard34. De Raad heeft inzake bevoegdheid tijdens het werkjaar 2006 enkele belangrijke beslissingen genomen waarop hierna wordt ingegaan. - Verhouding tussen oorspronkelijke beslissing en intern beroep Kan een beroep bij de Raad ingesteld worden tegen zowel de oorspronkelijke én de nieuwe beslissing samen ? De verwerende partij35 betwiste de bevoegdheid van de Raad voor zover het beroep de initiële beslissing, met name de examenbeslissing zelf, betrof. De Raad stelde dat het inherent is aan de procedure, zoals deze werd uitgewerkt in artikelen II.21 tot en met artikel II. 23 van het Aanvullingsdecreet, dat de beslissing op intern beroep samen met de initiële examenbeslissing voorwerp uitmaakt van het beroep bij de Raad.
30
Raad nr. 2006/018 Raad, nr. 2006/002/020 32 Raad, nr 2006/011 33 Raad, nr.2006/035 34 Raad, 2006/034 35 Raad, nrs 2006/032 31
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
20
‘Artikel II.21 tot en met artikel II. 23 van het Aanvullingsdecreet bepalen de bevoegdheid van de Raad. De Raad beoordeelt een studievoortgangsbeslissing. Artikel II.1, 15° bis zoals aangevuld door het Flexibiliseringsdecreet bepaalt limitatief wat een studievoortgangsbeslissing is. Het betreft een examenbeslissing, een examentuchtbeslissing, de toekenning van een bewijs van bekwaamheid, de toekenning van een vrijstelling, een beslissing over het volgen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma, het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking. De Raad heeft dus wel degelijk bevoegdheid over de examenbeslissing zelf maar kan de betreffende beslissing pas beoordelen op haar regelmatigheid voor zover de student het interne beroep heeft uitgeput (artikel II.15). De beslissing op intern beroep zoals bepaald in artikel II.13 op zich is geen studievoortgangsbeslissing zoals opgesomd in II.1 15° bis en kan samen met de initiële examenbeslissing voorwerp uitmaken van het beroep bij de Raad. Dit is inherent aan de procedure zoals deze is uitgewerkt in het Aanvullingsdecreet.’ - De inhoudelijke bevoegdheid van de Raad inzake studievoortgangsbeslissingen Eén zaak betrof een betwisting over de classificatie van een bepaalde beslissing als studievoortgangsbeslissing, waarvoor de Raad bevoegd is. De bevoegdheid van de Raad is zeer strikt decretaal afgelijnd. De Raad is inderdaad bevoegd voor het beoordelen van studievoortgangsbeslissingen. Artikel II.1, 15° bis, zoals aangevuld door het Flexibiliseringsdecreet, bepaalt limitatief de definitie van een studievoortgangsbeslissing (zie hiervoor, punt 1.1) . De Raad heeft het beroep , waarin het voorwerp van de betwisting een weigering tot inschrijving was, niet ontvankelijk verklaard. Het betrof een betwisting over de omvang van het studieprogramma waarvoor verzoekende partij zich wenste in te schrijven. In het betreffende dossier ging het om een weigering tot inschrijving voor een gecombineerd programma36. De Raad stelde dat in de ruime zin een dergelijke beslissing de studievoortgang van de student raakt. De Raad is echter van oordeel dat deze weigeringsbeslissing niet kan beschouwd worden als een maatregel van studievoortgangsbewaking zoals voorzien in artikel 52 van het Flexibiliseringsdecreet37. Deze maatregelen betreffen enkel studenten die na één academiejaar niet ten minste 50 % van de in het diplomacontract opgenomen studiepunten hebben verworven: studenten die dus reeds een poging hebben ondernomen om een bepaald opleidingsonderdeel af te werken doch daarin faalden. 4. Onontvankelijkheid op grond van afstand van beroep of wegens geen verder belang In een aantal zaken doet de student uitdrukkelijk afstand van zijn beroep. Deze beroepen worden dan zonder voorwerp verklaard (zie hoger).
36
Raad nr.2006/043 Artikel 52 van het Flexibiliseringsdecreet dat werd gewijzigd bij artikel 65 van het decreet van 16 juni 2006 tot instelling van een aantal maatregelen tot herstructurering en flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (B.S. 12 oktober 2006)
37
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
21
De Raad stelt in dit verband dat afstand van beroep niet kan vermoed worden maar uitdrukkelijk dient te gebeuren38. In voorliggende zaak pleitte verwerende partij de onontvankelijkheid omdat de student zich reeds had ingeschreven voor een derde examenperiode. Een inschrijving voor de derde examenperiode door de verzoeker belet deze niet om ook een beroep in te stellen bij de Raad. 5. Onontvankelijkheid wegens het niet naleven van de taalvoorschriften Tijdens het werkjaar 2006 werden vier verzoekschriften van buitenlandse studenten behandeld die in een anderstalige opleiding waren ingeschreven. De taal van de procedure van de Raad is het Nederlands39. De taalregeling houdt concreet in dat gevraagd wordt om de specifieke proceduredocumenten in het Nederlands op te stellen. In een aantal zaken40 heeft de verwerende partij telkens de onontvankelijkheid van het verzoek ingeroepen omdat zij niet bij aanvang van de procedure reeds over de vertaling van het verzoekschrift beschikte. Verzoekende partij bezorgde wel een vertaling in de loop van de procedure. De Raad was van oordeel dat in voorliggend geval verwerende partij geen nadeel heeft ondervonden van deze gang van zaken en zich naar behoren heeft kunnen verdedigen. 5.2. Gegrondheid 1. De in 2006 voorgelegde zaken waren meer complex maar ook beter onderbouwd. Dit resulteerde zoals hoger aangegeven in een merkbaar hoger aantal gegronde zaken. De gegronde zaken zijn te raadplegen op basis van de aangeduide rolnummers op de webstek van de Raad 41. In de besluiten werd benadrukt dat het de Raad niet toekomt zijn appreciatie in de plaats te stellen van die van de examencommissie of de bevoegde instantie. De Raad heeft hier slechts een marginaal toetsingsrecht. Hij kan de bestreden beslissing vernietigen wanneer zij in strijd is met de decretale en reglementaire bepalingen, de onderwijs- en examenregeling en de algemene administratieve beginselen42 of wanneer een beslissing ‘kennelijk onredelijk’ is. Zo werd vaak door studenten een examenresultaat aangevochten op grond van tekorten in de begeleiding. Dit is op zich geen voldoende grond om een examenbeslissing te vernietigen. De Raad heeft in 2006 geen enkele maal opgelegd dat de student in afwachting van een nieuwe beslissing voorlopig werd ingeschreven43. De Raad beoordeelt soeverein of hij al dan niet in gaat op een vraag om getuigen te horen. Enkel wanneer een getuigenis noodzakelijk is om tot een beslissing te komen wordt een verzoek ingewilligd. De Raad is in 2006 in geen enkele zaak ingegaan op een verzoek44. 38
Raad nr.2006/004 Artikel 14 van het Huishoudelijk Reglement 40 Raad nr. 2006/036/ 037/038 41 Raad nrs. 2006: 001 – 006 – 008 – 009 – 010 – 012 – 013 – 014 – 016 – 017 – 018 – 019 – 023 – 025 – 026 – 029 – 032 – 035. 42 Artikel II.21, Aanvullingsdecreet 43 Artikel II.21, Aanvullingsdecreet 44 Artikel II.24, Aanvullingsdecreet 39
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
22
De Raad kan ook voorwaarden45, inzake de organisatie van het examen of inzake de motieven die bij het nemen van de beslissing moeten worden betrokken, verbinden aan het nemen van een nieuwe beslissing. In verschillende besluiten neemt de Raad overwegingen op in het licht waarvan een nieuwe beslissing moet worden genomen. De Raad bepaalt ook meermaals dat het resultaat, ingeval een nieuwe beslissing wordt genomen, niet negatiever mag zijn voor de student, in vergelijking met de oorspronkelijke beslissing. Als een beslissing werd vernietigd, stelde de Raad telkens een vrij korte termijn vast waarbinnen een nieuwe beslissing dient te worden genomen. 2. Ingedeeld volgens de verschillende soorten studievoortgangsbeslissingen, die reeds voorwerp zijn geweest van een verzoekschrift, wordt de belangrijkste rechtspraak van de Raad hieronder weergegeven. 2.1. Beroep tegen een examenbeslissing Onregelmatige samenstelling van de examencommissie46 In verschillende zaken werd de regelmatigheid van de samenstelling van de examencommissie door studenten betwist. De Raad gaat telkens na of de in het reglement bepaalde regeling werd nageleefd en de samenstelling op redelijke wijze is gebeurd. In meerdere zaken werd in het voordeel van de student vastgesteld dat zulks niet conform het reglement gebeurde. Voornamelijk in het kader van stages blijkt de representativiteit van de examencommissies niet evident47.Vooraleer tot een examenbeslissing te komen, vindt er namelijk een breed evaluatieproces plaats, waarbij op verschillende niveaus een aantal personen betrokken zijn: stagementoren, stagebegeleiders, stagesupervisors, de examencommissie. De instellingsreglementen bepalen niet altijd duidelijk wie uiteindelijk bevoegd is om het definitieve resultaat vast te leggen en hoe de verhouding tussen de onderscheiden deelevaluaties werd bepaald. Gelijkheids -en nondiscriminatiebeginsel In het kader van het gelijkheidsbeginsel worden verschillende grieven geformuleerd zoals: - Het feit dat de eigen resultaten strenger werden beoordeeld in vergelijking met medestudenten48. - Het feit dat de examens van de tweede zittijd in vergelijking met de eerste zittijd onredelijk zwaarder zijn: zo besliste de Raad meermaals dat: ‘Het niet blijkt dat het examen van de tweede zittijd, objectief bekeken, onredelijk zwaarder was dan het examen van de eerste zittijd’ 49.
45
Artikel II.24 Aanvullingsdecreet Raad, nr. 2006/030/029/032/039 47 Raad nr. 2006/029 48 Zie Memorie van toelichting bij het Aanvullingsdecreet 49 Raad nr.2006/032 46
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
23
- In een ander zaak besliste de Raad dat: ‘De verzoekende partij kan dus niet stellen dat zij voor de beide opleidingsonderdelen op een verschillende wijze werd behandeld.’50 In voorliggend geval betrof het een reguliere beoordeling op basis van een examen en een beoordeling op basis van een permanente evaluatie. Uit de behandelde zaken blijkt duidelijk dat de student een zware bewijslast heeft om aan te tonen dat hij ongelijk werd behandeld. Recht op gehoor / recht op inzage In meerdere zaken werd aanvullend door de studenten de klacht geformuleerd dat zij onvoldoende zijn gehoord of geen inzage hebben gekregen in de examenkopijen. Dit betreft vaak een bezwaar dat in het kader van een interne beroepsprocedure wordt opgeworpen, vaak ook wanneer het voorwerp van de betwisting een stage is. Meerdere beslissingen, zowel in het voordeel als in het nadeel van de student, werden genomen op basis van de door de partijen uiteengezette feiten. Zo werd ten nadele van een studente geoordeeld dat zij door de korte termijn van oproeping niet in staat was geweest haar standpunt naar behoren te kunnen uiteenzetten51. Gebrekkige motivering Het Aanvullingsdecreet52 bepaalt in het kader van de rechtspositie van de student dat rechtshandelingen van individuele strekking, die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meerdere studenten, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten vermelden waarop zij zijn gegrond. Dit geldt voor alle studievoortgangsbeslissingen maar ook voor de beslissingen op intern beroep. De Raad toetst of de motivering afdoende is. De Raad besliste meermaals dat een initiële beslissing of beslissing op intern beroep diende vernietigd te worden wegens ontoereikende motivering. 53 . In het kader van stages bleek een onduidelijke motivering meermaals tot betwisting te leiden en werd zulks in het voordeel van de student beslecht. Vaak komen de betreffende studenten nadien terug naar de Raad om de nieuwe beslissing, die behouden blijft maar grondiger gemotiveerd is op basis van bestaande documenten, opnieuw te betwisten. Gebrekkige begeleiding De meeste besluiten van de Raad stellen duidelijk dat gebreken in de begeleiding op zich niet tot gevolg kunnen hebben dat om die reden een betere quotering moet gegeven worden54. Vooral in het kader van een stage werd een gebrek in de begeleiding als klacht geformuleerd. 50
Raad, nr.2006/021 Raad nr. 2006/030 52 Artikel II.11 53 Raad nr.2006/017 54 Raad nr.2006/027/007 51
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
24
In een vrij specifiek geval werd in het voordeel van de student beslist. ‘Uit de door de verzoekende partij ingediende stukken is verder gebleken dat de begeleiding van de docent voor het bewuste vak quasi onbestaande was, zodat de verzoekende partij zich te goeder trouw kon vergissen over wat zij precies diende te doen ter voorbereiding van het examen. De lesvoorbereidingen van een andere student door de instelling als vergelijkingspunt meegedeeld tonen niet aan dat er veel meer als lesvoorbereiding verwacht werd dan wat de verzoekende partij heeft gepresteerd.55’ Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel Onzorgvuldigheid van het instellingsbestuur wordt in meerdere gevallen als vernietigingsgrond aangehaald. - De Raad heeft tijdens het werkjaar 2006 een duidelijk standpunt ingenomen wat betreft het verlies van examenkopijen56. ‘Een instelling staat in voor de organisatie van de examens. Dat houdt in, dat bij schriftelijke examens erover gewaakt wordt dat de studenten alle examenbladen (en alle kladbladen, als dat vereist is) daadwerkelijk afgeven. Wanneer, zoals in dit geval, wel vaststaat dat een examenblad ontbreekt, maar niet aangetoond kan worden dat de student hiervoor verantwoordelijk is, dan moeten de gevolgen daarvan door de instelling gedragen worden. Er kan niet mee volstaan worden de ontbrekende antwoorden te quoteren aan de hand van de gegevens van de kladbladen. De verzoekende partij merkt terecht op dat kladbladen maar een hulpmiddel zijn, waarop de antwoorden doorgaans niet in extenso worden genoteerd om daarna op de examenbladen te worden overgeschreven. Het staat derhalve onvoldoende vast dat de betwiste quotering op regelmatige wijze is gegeven. De beslissing van de examencommissie steunt op deze gebrekkige quotering, en kan niet in stand blijven. De wijze van herstel die het meest aangepast is in deze zaak bestaat er in de verzoekende partij de kans te geven het examen voor het betwiste opleidingsonderdeel opnieuw af te leggen, waarna de examencommissie opnieuw zal moeten delibereren over het globale resultaat. Het spreekt vanzelf dat dit examen vergelijkbaar moet zijn qua omvang en moeilijkheidsgraad met het examen van 17 augustus 2006’. Stageresultaten De stage vormt in hoge mate een voorwerp van betwisting en meer bepaald gaan de betwistingen over: - stage en de discrepantie met resultaten behaald op stageverslagen - evaluatie- en beoordelingsmethode van de stage - stage en onvoldoende motivering - stage en gebrekkige begeleiding De beoordelingsprocedure inzake stages is vaak complex en verloopt noodgedwongen minder gestructureerd. Een duidelijk reglement is een absolute 55 56
Raad nr. 2006/017 Raad nr.2006/026
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
25
noodzaak om willekeur te vermijden. In het kader van dergelijke stages werd meermaals de schending van het vertrouwensbeginsel en het consistentiebeginsel ingeroepen. Naast de hoger aangehaalde casussen volgen hierna enkele opvallende uitspraken ter illustratie: ‘De Raad stelt dus vast dat er opnieuw geen afdoende motivering wordt aangehaald om de discrepantie te verantwoorden tussen de beoordeling van de deelcompetenties en -attitudes en de uiteindelijk toegekende quotering’. ‘Uit de lezing van bovenvermelde stukken kan de Raad echter geen voldoende en eenduidige motivering afleiden. De evaluatie is niet dermate negatief dat hiermee een quotering van 5/20 kan worden verantwoord.’ ‘De Raad stelt vervolgens vast dat de globale motivering, ter ondersteuning van de eindevaluatie van de stage, niet wettigt dat aan de verzoekende partij een quotering wordt gegeven waardoor zij, met toepassing van het onderwijs- en examenreglement, niet meer in aanmerking komt voor deliberatie’. ‘Het komt aan de lectoren van de instelling toe om de studenten te evalueren; zij moeten wel rekening houden met de verslagen van de mentoren, maar die zijn niet beslissend. De Raad stelt vast dat de verslagen van de lectoren over de prestaties van de verzoekende partij tijdens de uren die zij hebben bijgewoond, degelijk gemotiveerd zijn57.’ ‘ Het is niet vereist dat de evaluatiecommissie stage bij alle rubrieken alle punten van alle stageverslagen als zodanig vermeldt. Het volstaat dat de weergave van de verslagen in de rubrieken een goed beeld biedt van de positieve en negatieve punten van de student, en dat is het geval58.’ Daaruit volgt dat de instelling had moeten nagaan of de twee dagen nog hadden kunnen worden ingehaald of omwille van overmacht een beperkte afwijking van de stageperiode had kunnen worden toegestaan. Zij heeft dit niet gedaan en heeft aldus haar eigen reglement niet nageleefd 59. Uit het overzicht blijkt dat naargelang het dossier zowel in het voordeel als nadeel van de student werd beslist. In het werkjaar 2006 was wel een stijgende evolutie in het voordeel van de student merkbaar. De in 2006 ingediende dossiers waren ook ook beter onderbouwd. Kennelijke onredelijkheid Een beslissing als ‘kennelijk onredelijk’ bestempelen gebeurt eerder uitzonderlijk. Dergelijke beweringen zijn niet gemakkelijk te staven en doorgaans werd onvoldoende bewijs geleverd om de beslissing als kennelijk onredelijk te verklaren. Toch heeft de Raad enkele keren tijdens het afgelopen werkjaar een besluit in die zin genomen. Het betrof telkens het gehanteerde deliberatie- of beoordelingssysteem, dat kennelijk onredelijk werd bevonden; Enkele voorbeelden uit de rechtspraak: ‘Dit opleidingsonderdeel bestond uit twee deelopleidingen. De Raad oordeelde dat beide deelresultaten niet tot uitdrukking kwamen in het globale resultaat’60. 57
Raad nrs 2006/014/017 Raad nr. 2006/015 59 Raad nr. 2006/008 58
60
Raad, nr 2006/09
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
26
‘ Een dergelijke methode van opeenvolgende afrondingen is kennelijk onredelijk en dus onwettelijk. De éénmalige afronding van het eindresultaat is niet kennelijk onredelijk en dus wettelijk.61. Gehanteerde beoordelings- en deliberatiecriteria en methodes Vaak, en niet enkel in het kader van stages, betreft een betwisting de evaluatiemethode die niet conform is met het onderwijsreglement. De Raad heeft dit meermaals vastgesteld: ‘Voor wat betreft het opleidingsonderdeel “de zorgvrager in sociale context” stelt de Raad vast dat er een beoordelingcijfer is toegekend voor dit opleidingsonderdeel terwijl vaststaat dat er slechts een globaal beoordelingcijfer kan worden toegekend nadat alle deelexamens zijn afgelegd, zoals bepaald in het examenreglement’ Enkel de vaststellingen en de prestaties van de student gedurende het academiejaar 2005-2006 kunnen als beoordelingcriteria in aanmerking genomen worden.62 ‘De Raad is van oordeel dat in voorliggend geval geen rekening mag gehouden worden met de evaluatie van het vorig academiejaar. Enkel de vaststellingen en de prestaties van de student gedurende het academiejaar 2005-2006 kunnen als beoordelingcriteria in aanmerking genomen worden’ Enkele specifieke besluiten -Bevoegdheid examencommissie voor het geheel van de opleiding63 ‘In dit geval kon de examencommissie voor het geheel van de opleiding dus niet de resultaten die door de vorige examencommissies al definitief waren vastgesteld, wijzigen. Door dat toch te doen heeft zij haar bevoegdheid overschreden en kan haar beslissing niet in stand blijven. Dit belet niet dat de examencommissie, bevoegd voor de opleidingonderdelen waar de verzoekende partij fraude zou gepleegd hebben, opnieuw bijeen kan komen om in voorkomend geval een nieuwe beslissing ten aanzien van de verzoekende partij te nemen.’ -Vaststelling van fraude64 ‘Een beslissing die door bedrog is aangetast kan worden ingetrokken en door een andere vervangen ongeacht de tijd die er verlopen is, mits gehandeld wordt binnen een redelijke termijn na de ontdekking van het bedrog’. Overgangsmaatregelen In sommige zaken wordt de Raad wel degelijk geconfronteerd met pijnlijke situaties voor studenten, mede veroorzaakt door de overgang naar een nieuwe opleidingsstructuur en het creditstelsel. In een aantal zaken blijken de instellingen hier niet altijd even flexibel. Vaak wordt een algemene regeling getroffen zonder de specifieke situatie van de student te bekijken. De Raad benadrukte in zijn besluiten 61
Raad, nr 2006/023 Raad,nr. 2006/013 63 Raad nr 2006/019; Artikel 32 en 33 Flexibiliseringsdecreet 64 Raad nr. 2006/019 62
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
27
dat de instelling alle inspanningen moet doen om die overgang voor de verzoekende partij zo gunstig mogelijk te laten verlopen65. De Raad heeft ook gewezen op de toepassing van artikel 97 van het Flexibiliseringsdecreet dat bepaalt dat studenten, die gestart zijn in het vóór de inwerkingtreding van dit decreet van toepassing zijnde studiejaarsysteem, bij wijze van juridische fictie worden geacht een creditbewijs te hebben behaald voor de opleidingsonderdelen waarvoor zij binnen het studiejaarsysteem examens hebben afgelegd en waarvoor zij geslaagd zijn verklaard66. 2.2 Een beroep tegen een examentuchtbeslissing67 Inzake examentuchtbeslissingen stelt de Raad dat het aan de instelling toekomt om te beslissen welke sanctie aangepast is aan de ernst van de feiten. De Raad gaat na of de zwaarte van de straf niet kennelijk onredelijk is gelet op de ernst van de feiten. In die zin besliste de Raad nu eens in het voordeel, dan weer in het nadeel van de student. 2.3. Een beroep in verband met het toekennen van een vrijstelling68 Slechts in twee beroepen was het voorwerp van de betwisting het toekennen van een vrijstelling. - In het werkjaar 2006 nam de Raad een belangrijke beslissing ten gronde in het voordeel van de student inzake de toekenningsvoorwaarden op grond van inhoudelijke aansluiting tussen het betrokken opleidingsonderdeel en de geattesteerde EVC’s en EVK’s69 en inzake de draagwijdte van de motiveringsverplichting van de instellingen70 terzake. De student vroeg een vrijstelling aan op grond van een diploma van de Open Universiteit Nederland. In zijn besluit71 stelde de Raad dat bij het heroverwegen van een vrijstellingsbeslissing diende rekening gehouden te worden met het academisch niveau van de door verzoeker gevolgde opleiding, en met het gegeven dat voor het verkrijgen van een volledige vrijstelling niet vereist is dat er een volledige inhoudelijke overeenstemming is tussen het hiervoor vermelde opleidingsonderdeel en de door verzoeker eerder gevolgde opleidingsonderdelen, en dat bij weigering van volledige vrijstelling dient te worden uitgelegd waarom en in welke mate inhoudelijke verschillen tot gevolg hebben dat de verzoeker niet geacht kan worden de eindtermen te hebben behaald. De betreffende student stapte opnieuw naar de Raad nadat de instelling een nieuwe beslissing had genomen waarbij nogmaals enkel een partiële vrijstelling werd verleend. De instelling motiveerde haar beslissing de tweede keer uitvoeriger. 65
Raad, nr.2006/041 Raad, nr 2006/041 67 Raad nrs.2006/019/011/028 68 Raad nrs.2006/001/022 69 Eerder verworven competenties en eerder verworven kwalificaties zoals bepaald in artikel 2, 12°en13° van het Flexibiliseringsdecreet 70 Artikel 47, Flexibiliseringsdecreet 71 Raad.nr 2006/001 66
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
28
Samenvattend kwam de Raad72 in zijn tweede besluit tot de vaststelling dat verzoekende partij geen precieze en concrete gegevens voorlegde waaruit zou blijken dat de bestreden beslissing inhoudelijk gebrekkig of onvolledig gemotiveerd was. 2.4. Een beroep in verband met de toekenning van een bewijs van bekwaamheid Tot nu toe heeft de Raad nog geen standpunt ten gronde moeten innemen naar aanleiding van een betwisting over het toekennen van een bewijs van bekwaamheid op grond van EVC’s. Eén student diende een verzoek in op grond van artikel 51 van het Flexibiliseringsdecreet, inzake rechtstreekse diplomering op grond van EVK en /of een bekwaamheidsbewijs. Het betreffende beroep was echter niet ontvankelijk73 zodat de Raad zich niet over de grond van de zaak heeft kunnen uitspreken. 2.5. Opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking zoals bepaald in artikel 52 van het Flexibiliseringsdereet74 Weigeringsbeslissingen zijn reeds meermaals voorwerp van een betwisting geweest bij de Raad. Zoals hoger omschreven gaat de Raad steeds ambtshalve na of een bepaalde beslissing tot zijn bevoegdheid behoort. Weigeringen van inschrijving behoren tot de bevoegdheid van de Raad voor zover zij binnen de omschrijving van artikel 52 van het Flexibiliseringsdecreet vallen. Dit is een strikt omschreven toepassingsgebied en een aantal verzoeken zijn zoals hoger aangehaald onontvankelijk verklaard. Tijdens het werkjaar 2005 heeft de Raad een belangrijk precedent gecreëerd inzake de toepassing van artikel 52 in de context van examencontracten. Er heerste grote onduidelijkheid over de interpretatie van dit artikel in het onderwijsveld. Op grond van sommige onderwijsreglementen werden deze studenten wel onder toepassing van artikel 52 geplaatst en werd hun inschrijving geweigerd. De Raad oordeelde dat aan een student die een diploma wenst te behalen en zich inschrijft met een examencontract geen maatregelen van studievoortgang kunnen opgelegd worden. Deze student kan nooit geweigerd worden’ dit in het verlengde van de regeling die voorheen gold voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap waarbij de student zich een onbeperkt aantal keren kon inschrijven. Instellingen hebben hun reglementen in 2006 conform met de beslissing van de Raad aangepast en in de loop van het tweede werkjaar zijn er hieromtrent geen betwistingen meer ingeleid voor de Raad. Aan een student die een diploma wenst te behalen en zich inschrijft met een diplomacontract kunnen maatregelen van studievoortgang opgelegd worden, indien hij niet slaagt voor 50% van de studiepunten waarop het betreffende diplomacontract betrekking heeft. Ingeval hij niet voldoet aan de opgenomen maatregelen kan hem een volgende inschrijving geweigerd worden. Uitzonderlijk kan een student ook ‘geweigerd’ worden nadat hij een eerste maal niet geslaagd is voor 50% van de 72
Raad, nr 2006/022 Raad, nr.2006/008 74 Raad nrs. 2006/036/037/038/043 73
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
29
ingeschreven studiepunten, voor zover de instelling op basis van zijn dossier kan aantonen dat de student manifest geen kans op slagen heeft. In geen van de door de Raad behandelde gevallen die handelden over de concrete toepassing van deze bepaling voor studenten met een diplomacontract oordeelde de Raad in het voordeel van de student. De beslissingen van de instelling waren niet in die mate onredelijk dat ze konden vernietigd worden. 5.3. Beroepsmogelijkheden en verder gevolg van de uitspraken Tegen de uitspraken van de Raad is een administratief cassatieberoep bij de Raad van State mogelijk overeenkomstig artikel 14, §2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De instellingen noch studenten zijn verplicht om aan de Raad te laten weten welk gevolg aan de uitspraken van de Raad werd gegeven. In een aantal zaken heeft de instelling en/of student spontaan laten weten welke nieuwe beslissing is genomen in uitvoering van het besluit van de Raad. Voor de Raad is deze informatie vanzelfsprekend zeer belangrijk. Een beperkte opvolging is mogelijk wanneer een student ingeval hij niet tevreden is met het resultaat van een nieuwe beslissing, opnieuw een verzoek indient bij de Raad. Tijdens het werkjaar 2006 is vastgesteld (zie hoger )dat verschillende studenten een tweede tot zelf derde/vierde verzoek bij de Raad hebben ingediend. Uit de communicatie met studenten blijkt dat de meeste studenten die een verzoek bij de Raad indienen nadien of zelfs tijdens de procedure alsnog vaak opteren voor een andere instelling om hun opleiding te vervolgen. Uit de communicatie met de instellingen blijkt ook dat een aantal beslissingen van de Raad reeds geleid hebben tot een good practice in de instellingen, met name bij de redactie van de stageverslagen en de inzage door de studenten. Een besluit van de Raad heeft ook tot gevolg dat in bepaalde departementen de onderwijsreglementering beter op punt wordt gesteld. De vier verzoeken (zie hoger ) bij de Raad die ‘zonder voorwerp’ zijn verklaard betreffen studenten die in de loop van de procedure met de instelling tot een oplossing zijn gekomen of die intussen in de tweede zittijd geslaagd zijn voor het betreffende opleidingsonderdeel.
6. Aanbevelingen door de Raad In geval de Raad een besluit vernietigt, zou het wenselijk zijn dat de Raad door de instelling geïnformeerd wordt over het gevolg dat aan de vernietiging gegeven wordt.
Jaarlijks verslagboek 2006 – Raad
30