Vlaanderen is milieu
Jaarrapport Lucht Effecten van luchtvervuiling op gezondheid en ecosystemen VLAAMSE MILIEUMAATSCHAPPIJ
www.vmm.be
DOCUMENTBESCHRIJVING Titel Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op gezondheid en ecosystemen Samenstellers Afdeling Lucht, Milieu en Communicatie, VMM Dienst Lucht en Intergewestelijke Cel voor het Leefmilieu Inhoud Dit rapport maakt deel uit van de drie achtergrondrapporten van het Jaarrapport Lucht. Dit rapport bespreekt de effecten die luchtvervuiling kan hebben op gezondheid en ecosystemen. Wijze van refereren Vlaamse Milieumaatschappij (2020), Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op gezondheid en ecosystemen Verantwoordelijke uitgever Bernard De Potter, Vlaamse Milieumaatschappij Vragen in verband met dit rapport Vlaamse Milieumaatschappij Dokter De Moorstraat 24-26 9300 Aalst Tel: 053 72 62 10 info@vmm.be Depotnummer D/2020/6871/022
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Effecten van luchtvervuiling ● 1
INHOUD 1 Effecten op gezondheid................................................................................................................................. 5 1.1 Inleiding .................................................................................................................................................. 5 1.2 Focus op enkele polluenten ................................................................................................................... 5 1.2.1 Fijn stof........................................................................................................................................... 6 1.2.2 NO2 ...............................................................................................................................................11 1.2.3 Ozon .............................................................................................................................................12 1.2.4 Zware metalen .............................................................................................................................14 1.2.5 PAK’s ............................................................................................................................................15 1.2.6 Vluchtige organische stoffen (VOS) .............................................................................................15 1.3 Gezondheidsimpact door luchtvervuiling ............................................................................................15 1.4 Conclusies.............................................................................................................................................18 2 Effecten op ecosystemen ............................................................................................................................20 2.1 Inleiding ................................................................................................................................................20 2.2 Ozon .....................................................................................................................................................22 2.3 Zwaveldioxide, stikstofoxiden en ammoniak .......................................................................................25 2.4 Emissie en depositie van verzurende stoffen en stikstof .....................................................................25 2.4.1 Algemeen .....................................................................................................................................25 2.4.2 Emissie van verzurende stoffen en stikstof in 2018 ....................................................................26 2.4.3 Trend emissie van verzurende stoffen en stikstof tussen 2000 en 2018 ....................................26 2.4.4 Depositie van verzurende stoffen en stikstof in 2019 .................................................................29 2.4.5 Trend verzurende depositie en stikstofdepositie tussen 2000 en 2019 ......................................32 2.4.6 Oppervlakte natuur met overschrijding kritische last .................................................................35 2.5 Programmatische aanpak stikstof (PAS) ..............................................................................................37 2.6 Conclusies.............................................................................................................................................40 Lexicon ..............................................................................................................................................................41 Afkortingenlijst .................................................................................................................................................46
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 2 ● Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op gezondheid en ecosystemen
DEEL III – EFFECTEN VAN LUCHTVERVUILING In dit deel gaan we dieper in op de effecten die luchtvervuiling kan hebben:
− −
Hoofdstuk 1: Effecten op gezondheid Hoofdstuk 2: Effecten op ecosystemen
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Effecten van luchtvervuiling ● 3
Luchtverontreiniging heeft effecten op ecosystemen, menselijke gezondheid en klimaat Dit deel gaat over de effecten van luchtvervuiling op ecosystemen en gezondheid. Voor de wisselwerking tussen de luchtkwaliteit en het klimaat verwijzen we naar de VMM-website1. Ecosystemen leveren heel wat voordelen aan de mens en de maatschappij, de zogenaamde ecosysteemdiensten. De mens is ook sterk afhankelijk van het klimaat. In die zin is de ‘gezondheid’ van natuur en klimaat onlosmakelijk verbonden met het menselijk welzijn. De uitstoot of emissie van luchtverontreinigende stoffen beïnvloedt de luchtkwaliteit op meerdere manieren, zie Figuur 1. Zo heeft de emissie van bijvoorbeeld ammoniak invloed op de luchtconcentratie van fijn stof en verzurende en vermestende stoffen. Omgekeerd kan de luchtconcentratie van een polluent afhangen van de emissie van meerdere stoffen. Zo wordt fijn stof in de lucht zowel beïnvloed door de uitstoot van primair fijn stof en zware metalen als door de uitstoot van gassen die secundair fijn stof vormen, zoals ammoniak, zwaveldioxide, stikstofoxiden en organische verbindingen. Figuur 1: Impact van luchtverontreinigende stoffen (aangepast naar EMA, 20122)
NOx: stikstofoxiden, SO2: zwaveldioxide, ZM: zware metalen, NH3: ammoniak, PM: fijn stof, VOS: (niet-methaan) vluchtige organische stoffen, PAK’s: polycyclische aromatische koolwaterstoffen, CH4: methaan, CO: koolstofmonoxide *: Hiermee bedoelen we atmosferische stoffen die de energiebalans van de atmosfeer beïnvloeden op een tijdsschaal die veel korter is dan voor CO2 (‘short-lived climate forcers’), zoals zwarte koolstof, aerosol en troposferische ozon
1 2
https://www.vmm.be/klimaat Europees Milieuagentschap (2012). Air quality in Europe – 2012 report. EEA Report No 4/2012. European Environment Agency, Copenhagen
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 4 ● Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op gezondheid en ecosystemen
1 EFFECTEN OP GEZONDHEID 1.1 Inleiding Huidig Europees kader pakt luchtvervuiling aan De Europese Commissie heeft een strategie om: — —
de schadelijke gevolgen van luchtkwaliteit voor de gezondheid van de mens en het milieu te voorkomen, te verhinderen of te verminderen; de goede luchtkwaliteit in stand te houden en die in andere gevallen te verbeteren.
De Europese luchtkwaliteitsdoelstellingen bieden geen volledige bescherming van de gezondheid Bij de definiëring van de Europese luchtkwaliteitsdoelstellingen, hield men rekening met: — — —
gezondheidseffecten, de technische haalbaarheid, de economische consequenties van de opgelegde concentratieniveaus.
Daarom zijn de Europese normen vaak minder streng dan de advieswaarden van Wereldgezondheidsorganisatie (WGO). De WGO houdt énkel rekening met gezondheidseffecten.
de
De VMM berekent de blootstelling van de bevolking aan luchtvervuiling In dit hoofdstuk focussen we op de impact die de huidige luchtconcentraties hebben op onze gezondheid. Voor enkele polluenten berekenen we hoeveel mensen blootgesteld werden aan hoge concentraties en bekijken we het kankerrisico bij langdurige blootstelling. De modellen geven een inschatting hoeveel mensen blootgesteld worden aan te hoge concentraties De cijfers in dit hoofdstuk zijn berekend met modellen. Dit betekent dat het een inschatting is waar ook een onzekerheid op zit.
1.2 Focus op enkele polluenten Blootstelling bevolking aan luchtvervuiling Luchtvervuiling heeft een negatieve impact op de gezondheid. In Europa zijn er een aantal stoffen die de sterftecijfers het meest beïnvloeden. Dit zijn ook de stoffen waar we hier op focussen: − − −
fijn stof, stikstofdioxide, ozon.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Effecten op gezondheid ● 5
Modellen schatten in hoeveel mensen blootgesteld zijn aan te hoge concentraties van deze stoffen De VMM meet op heel wat plaatsen de luchtkwaliteit. Op plaatsen zonder metingen schatten we de luchtkwaliteit in met modellen. Voor 2019 gebruikten we ATMO-Street die 3 modellen koppelt en toelaat luchtconcentraties in te schatten tot op straatniveau. Om te weten hoeveel mensen blootgesteld werden aan luchtvervuiling, gebruikten we een bevolkingslaag die aangeeft hoeveel mensen er in 2019 woonden in een regio met te hoge concentraties. Het is echter ook interessant om de evolutie in de tijd te kennen. Wegens de lange rekentijd van het ATMO-Street-model, modelleerden we enkel tot op het eerste niveau (RIO) en voegden we niet de IFDM- en OSPM-keten toe. Op te merken valt dat de volledige cijferreeks hoger ligt dan wat we vorig jaar rapporteerden. Dit komt onder meer door het gebruik van een nieuwe RIO-versie. Berekend kankerrisico WGO voor zware metalen, benzeen en PAK’s De WGO drukt de schadelijkheid van bepaalde stoffen ook uit als het aantal extra kankergevallen bij een levenslange blootstelling aan een bepaalde concentratie. Dit laat ons toe om de gezondheidsrisico’s voor deze polluenten te bepalen bij lokale blootstellingen. De VMM toetst de huidige concentraties aan deze waarden en gebruikt een toetsingskader van het Agentschap Zorg en Gezondheid (AZG). Risico’s lager dan 1 op 1.000.000 inwoners beschouwt AZG als gezondheidskundig verwaarloosbaar, risico’s hoger dan 1 op 1.000.000 zijn volgens AZG gezondheidskundig niet verwaarloosbaar. We berekenden het kankerrisico van: − − −
arseen en nikkel, benzo(a)pyreen, benzeen.
1.2.1 Fijn stof 1.2.1.1 PM10 2019: helft bevolking woont in een gebied met overschrijding van jaaradvieswaarde PM10 De advieswaarden die de WGO voorschrijft, zijn veel strenger dan de Europese grenswaarden. Figuur 1.1 toont een inschatting van de PM10-jaargemiddelden in 2019 in Vlaanderen door middel van het model ATMOStreet getoetst aan de WGO-jaaradvieswaarde (20 µg/m³). Overschrijdingen van deze jaaradvieswaarde zien we vooral in het noordelijk deel van Vlaanderen. De kust en de zuidelijke delen van alle provincies scoren beter. Uitzondering is de driehoek Roeselare-KortrijkWielsbeke in het zuiden van de provincie West-Vlaanderen waar de jaaradvieswaarde ook overschreden wordt. De hoogste concentraties worden gemeten en gemodelleerd in de omgeving van de Gentse Kanaalzone en de Antwerpse haven. Het ATMO-Street-model schat dat in 2019 51 % van de bevolking woonde in een gebied waar de WGO-jaaradvieswaarde voor PM10 werd overschreden.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 6 ● Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op gezondheid
Figuur 1.1: Gemodelleerde PM10-jaargemiddelden in 2019 getoetst aan de WGO-jaaradvieswaarde
2019: Bijna 80 % van de Vlamingen woont in gebied met teveel fijnstofdagen De WGO formuleerde ook een advieswaarde voor PM10-dagwaarden. Dit houdt in dat er op jaarbasis maximaal 3 dagen mogen zijn met overschrijdingen van 50 µg/m³ PM10. Via ATMO-Street-modellering berekenden we dat 78 % van de Vlaamse bevolking woonde in een gebied waar de dagadvieswaarde voor PM10 werd overschreden. Trend: Blootstelling aan PM10 daalt Voor het eerst woont de helft van de Vlaamse bevolking in een gebied dat de WGO-jaaradvieswaarde voor PM10 respecteert. We zien een duidelijke verbetering ten opzichte van 2018. Dit heeft deels te maken met de meteocondities: 2018 was een zeer droog jaar, wat allicht voor minder uitwassing van het stof heeft gezorgd en meer resuspensie (heropwaaien). Kijken we op lange termijn, dan zien we een duidelijk dalende trend met steeds meer mensen die in regio’s wonen met lagere fijnstofconcentraties, zie Aandeel bevolking blootgesteld aan verschillende PM10-jaargemiddelden (RIO)Figuur 1.2. Het aantal dagen met hoge PM10-concentraties daalt eveneens. Toch zijn we nog steeds ver verwijderd van de WGO-doelstelling die maximaal 3 dagen met een PM10-concentratie hoger dan 50 µg/m3 toelaat. De figuur toont verder dat de Europese grenswaarde (maximaal 35 dagen > 50 µg/m³, zwarte kleur in Figuur 1.3) sinds 2012 werd gerespecteerd.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Effecten op gezondheid ● 7
Figuur 1.2: Aandeel bevolking blootgesteld aan verschillende PM10-jaargemiddelden (RIO)
Figuur 1.3: Aandeel bevolking blootgesteld aan dagen met een PM10-gemiddelde > 50 µg/m3 (RIO)
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 8 ● Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op gezondheid
1.2.1.2 PM2,5 Bijna elke Vlaming woont in gebied met te hoge PM2,5 concentraties De PM2,5 is de fijne fractie van PM10. Dit betekent dat deze deeltjes dieper in de longen kunnen doordringen en dus een grotere gezondheidsimpact hebben. Via ATMO-Street schatten we dat in 2019 93 % van de bevolking woonde in een gebied waar de jaaradvieswaarde voor PM2,5 werd overschreden. Voor de dagadvieswaarde liep dit percentage op tot 100 %. Bekijken we dit geografisch, dan zien we dat het merendeel van Vlaanderen oranje of rood kleurt en dus de WGO-jaaradvieswaarde overschrijdt. Enkel in bepaalde gebieden in de provincie Limburg en ten zuiden van Brussel schat het model dat de PM2,5-jaaradvieswaarde gerespecteerd wordt. Figuur 1.4: Gemodelleerde PM2,5-jaargemiddelden in 2019 getoetst aan de WGO-jaaradvieswaarde
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Effecten op gezondheid â—? 9
Doelstellingen WGO voor PM2,5 nog niet in zicht Over de jaren heen dalen de PM2,5-concentraties. In 2007 komen er nog jaarconcentraties voor tussen 23 en 25 µg/m³. In 2019 ligt de hoogste klasse tussen 14 en 16 µg/m³. Slechts 6 % van de Vlamingen woont in deze klasse, wat het beste resultaat ooit is. Het model schat dat sinds 2014 een klein percentage van de bevolking woont in een gebied dat voldoet aan de WGO-jaaradvieswaarde van 10 µg/m³. In 2019 is dit minder dan 10 % van de bevolking. De Europese grenswaarde van 25 µg/m³ is veel minder streng en wordt sinds 2005 reeds gehaald, zie Figuur 1.5.
Figuur 1.5: Aandeel bevolking blootgesteld aan verschillende PM2,5-jaargemiddelden (RIO)
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 10 ● Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op gezondheid
In 2019 werd de WGO-dagadvieswaarde voor PM2,5 nergens gehaald: de volledige Vlaamse bevolking werd blootgesteld aan minstens 3 dagen met concentraties hoger dan 25 µg/m³. Sinds 2014 zien we gebieden waar er minder dan 350 dagen zijn met concentraties hoger dan 25 µg/m³. In 2019 zien we dat er steeds meer mensen wonen in gebieden met minder piekdagen. Toch toont de grafiek dat we nog steeds ver verwijderd zijn van het maximum van 3 dagen dat de WGO adviseert. Figuur 1.6: Aandeel bevolking blootgesteld aan dagen met een PM2,5-gemiddelde > 25 µg/m3 (RIO)
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Effecten op gezondheid ● 11
1.2.2 NO2 Stikstofdioxide te hoog op verkeersdrukke plaatsen Stikstofdioxide is een polluent die in grote mate gerelateerd is aan verkeer, zie emissies in Deelrapport II – Hoofdstuk 2: Stikstofoxiden. Uit het CurieuzeNeuzen-project bleek dat een kwart van de kleine steden en gemeenten in Vlaanderen minstens 1 meetlocatie heeft die de Europese grenswaarde indicatief overschrijdt. Als we de NO2-concentraties voor Vlaanderen modelleren, dan komen de hoogste waarden voor in gebieden met veel verkeer. In nagenoeg alle steden en gemeenten wordt een overschrijding gemodelleerd. Vooral voor de Antwerpse agglomeratie en de Antwerpse haven berekent het model hoge NO2-concentraties. Ook de snelwegen, de Gentse Kanaalzone, de Gentse agglomeratie en de overige centrumsteden zijn duidelijk zichtbaar in Figuur 1.7. Volgens het ATMO-Street-model zou in 2019 0,9 % van de bevolking wonen in een gebied waar de WGO-advieswaarde voor NO2 overschreden werd. In het Luchtbeleidsplan 2030 van de Vlaamse Overheid3] hanteert men een streefdoel van 20 µg/m³. In 2019 woont ruim een kwart van de Vlaamse bevolking in een regio met NO2-concentraties hoger dan 20 µg/m³. Figuur 1.7: Gemodelleerde NO2-jaargemiddelden in 2019
Blootstelling aan NO2 daalt Tussen 1990 en 2003 schommelde het aandeel van de bevolking dat blootgesteld werd aan NO2concentraties boven de WGO-advieswaarde (40 µg/m³), maar de trend was globaal wel dalend. Sinds 2004 ligt dit aandeel rond een kleine 2 %., en sinds 2014 is dit aandeel nog verder gedaald. Over de jaren heen
3
Op 25 oktober 2019 keurde de Vlaamse Regering het Luchtbeleidsplan 2030 goed: https://omgeving.vlaanderen.be/luchtverontreinigingactieplannen#luchtbeleidsplan
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 12 ● Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op gezondheid
wonen steeds meer mensen in een regio met een concentratie lager dan 20 µg/m³. In 1990 was dit slechts 2 %, zie Figuur 1.8. Figuur 1.8: Aandeel bevolking blootgesteld aan verschillende NO2-jaargemiddelde (RIO)
1.2.3 Ozon Concentraties overal te hoog volgens Europa en WGO De WGO-advieswaarde werd overal in Vlaanderen overschreden. Figuur 1.9 toont duidelijk dat de hoogste 8-uursgemiddelde ozonconcentratie per dag nog vaak boven de 100 µg/m³ klimt terwijl de WGO 0 dagen adviseert. Dat zien we duidelijk in de modelkaart: nergens is er een regio die blauw kleurt. Het minste aantal overschrijdingsdagen zien we in West-Vlaanderen en de grootsteden Gent en Antwerpen, het hoogste aantal in Limburg. Op plaatsen nabij NOx-bronnen zoals verkeersassen zijn er minder overschrijdingsdagen, zie Figuur 1.9.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Effecten op gezondheid ● 13
Figuur 1.9: Ruimtelijke spreiding van de overschrijdingen van de WGO-advieswaarde (aantal dagen met hoogste 8-uursgemiddelde >100 µg/m³)
Blootstelling aan ozon blijft hoog In Vlaanderen woonde er tot nog toe niemand in een regio die de advieswaarde voor ozon haalt. Ook in 2019 zijn we ver van die doelstelling verwijderd. Opvallend is dat het aandeel van de bevolking blootgesteld aan hogere ozonconcentraties sterk varieert van jaar tot jaar. We zien geen dalende trend. Figuur 1.10 illustreert dat 2019 geen goed ozonjaar was.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 14 ● Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op gezondheid
Figuur 1.10: Aandeel bevolking blootgesteld aan dagen met hoogste 8-uursgemiddelde voor ozon > 100 Âľg/m3 (RIO)
1.2.4 Zware metalen Arseen en cadmium te hoog in Hoboken Arseen en cadmium overschreden de Europese streefwaarden in Hoboken. Hierbij gaat het voor cadmium om een kleine zone met een 30-tal inwoners in de onmiddellijke omgeving van een non-ferrobedrijf. Voor arseen is de zone groter en zijn er circa 2.600 inwoners blootgesteld aan een te hoog jaargemiddelde. Nikkel lag wel overal onder de Europese streefwaarde. Kankerrisico arseen en nikkel niet-verwaarloosbaar in specifieke gebieden De WGO definieerde een kankerrisico voor arseen en nikkel. Als de concentratie van arseen stabiel blijft in Hoboken dan leidt dit bij een levenslange blootstelling tot 1 extra kankergeval per 31.000 tot 87.000 mensen, afhankelijk van de woonplaats. In Beerse schommelt het risico tussen 1 op 170.000 en 1 op 520.000 inwoners. Dit gaat dus om een gezondheidskundig niet verwaarloosbaar risico. Het risico in de rest van Vlaanderen schommelt tussen 1 op 690.000 en 1 op 1.420.000. Voor nikkel in Genk lag het risico bij de huidige concentraties tussen 1 op 180.000 en 1 op 410.000 inwoners, wat gezondheidskundig niet verwaarloosbaar is. Zakken de concentraties in de loop van de tijd, dan neemt het kankerrisico af. Het risico in de rest van Vlaanderen schommelt tussen 1 op 310.000 en 1 op 1.850.000.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Effecten op gezondheid â—? 15
1.2.5 PAK’s Gebouwenverwarming door houtverbranding zorgt voor verhoogd kankerrisico benzo(a)pyreen Benzo(a)pyreen behoort tot de groep van polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s). Als de huidige concentratie van benzo(a)pyreen constant zou blijven in de tijd, bedraagt het extra kankerrisico over alle meetplaatsen tussen 1 op 50.000 en 1 op 210.000 inwoners, met een meetnetgemiddelde van 1 op 90.000 inwoners. Dit is gezondheidskundig niet verwaarloosbaar. De PAK’s in de omgevingslucht zijn in Vlaanderen bijna volledig toe te schrijven aan huishoudelijke gebouwenverwarming door houtverbranding. Het betreft een regionaal probleem dat niet aan een bepaald gebied gelinkt is. Tabel 1.1: Overzicht van extra risico op kanker bij levenslange blootstelling
Meetplaats Borgerhout-straatkant Genk Gent-Baudelohof Gent-Meulestedekaai Grimbergen-Kievitstraat Houtem Sint-Kruis-Winkel Zelzate-Burgemeester Jos Chalmetlaan Gemiddelde
Extra risico op kanker bij levenslange blootstelling 1/100.000 1/120.000 1/120.000 1/70.000 1/90.000 1/210.000 1/50.000 1/80.000 1/90.000
1.2.6 Vluchtige organische stoffen (VOS) Kankerrisico benzeen is niet verwaarloosbaar De huidige benzeenconcentraties geven bij een levenslange blootstelling aanleiding tot 1 extra kankergeval op 156.000 tot 587 000 inwoners, afhankelijk van de woonplaats. In de Antwerpse haven loopt dit cijfer op tot 1 op 65.000 inwoners. Dit is een industriële zone met weinig bewoning.
1.3 Gezondheidsimpact door luchtvervuiling Verschillende parameters voor toetsing impact op gezondheid In wat voorafgaat, worden de polluentconcentraties in Vlaanderen getoetst aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO). Deze advieswaarden zijn gebaseerd op gezondheidsstudies en bepalen de concentraties waaronder de impact op de gezondheid beperkt is. Slechte lucht leidt tot heel wat gezondheidsklachten Luchtvervuiling kan leiden tot diverse gezondheidsklachten van uiteenlopende aard en ernst. Hoge concentraties van vervuilende stoffen leiden tot acute effecten. Zo induceren ozonpieken respiratoire effecten, longfunctievermindering en een verhoogde hospitalisatie van personen ouder dan 65 jaar4. Hoge concentraties van stikstofdioxide doen het aantal astma-aanvallen en ziekenhuisopnames toenemen. Chronische blootstelling aan lagere concentraties hebben echter ook een grote impact. Hierbij denken we aan chronische luchtweginfecties met hospitalisatie tot gevolg. Ook cardiovasculaire aandoeningen worden
4
Buekers J. & Int Panis L. (2013), Gezondheidsindicator blootstelling aan verhoogde ozonconcentraties, studie uitgevoerd in opdracht van de Vlaamse Milieumaatschappij, MIRA, MIRA/2013/13, VITO, VITO/2014/MRG/49.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 16 ● Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op gezondheid
toegeschreven aan een slechte luchtkwaliteit. Verder heeft luchtvervuiling een nadelig effect op zwangere vrouwen en op het geboortegewicht van hun baby's. Naast deze ziektes of aandoeningen (morbiditeit) kan er ook vroegtijdige sterfte optreden (mortaliteit). Figuur 1.11 toont dat vroegtijdige sterftes het ‘topje van de ijsberg’ zijn van de gezondheidsimpact van luchtvervuiling. Figuur 1.11: Piramide van gezondheidseffecten door luchtvervuiling (Kunzli et al) 5
Enkel berekeningen voor vroegtijdige sterfte door NO2, PM2,5 en ozon Hier beschouwen we enkel vroegtijdige sterfte en geen andere gezondheidseffecten. Een vroegtijdige sterfte betreft het overlijden van een persoon voor de verwachte leeftijd. Deze levensverwachting is afhankelijk van onder meer het land waarin men leeft en het geslacht. Door een verbetering van de luchtkwaliteit, met dus lagere concentraties van NO2, PM2,5 of ozon, kunnen deze vroegtijdige sterftes verminderd worden. De berekeningen zijn gebaseerd op onder meer sterftecijfers per leeftijdscategorie. De huidig beschikbare cijfers zijn de sterftecijfers van 2018. Voor de concentraties van NO2, PM2,5 en ozon werden modelberekeningen van RIO gebruikt. Deze concentraties zijn representatief voor achtergrondconcentraties waarbij lokale verhogingen van NO2 door het verkeer niet in rekening gebracht worden. We gebruikten hoofdzakelijk de dosis-responsrelaties uit de meest recente HRAPIE studie van de WGO6. Als kanttekening geven we mee dat dit een inschatting betreft. Er zitten onzekerheden op de modelberekeningen en op de
5
Künzli N, Perez L, & Rapp R (2010) Air quality and health, Lausanne: European Respiratory Society, 66. ISBN 978-1-84984-008-8 WHO (2013a) Health risks of air pollution in Europe –HRAPIE project – http://www.euro.who.int/en/health-topics/environment-and-health/airquality/publications/2013/health-risks-of-air-pollution-in-europe-hrapie-project.-recommendations-for-concentrationresponse-functions-forcostbenefit-analysis-of-particulate-matter,-ozone-and-nitrogen-dioxide 6
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Effecten op gezondheid ● 17
gehanteerde dosis-responsrelaties. De impact van verschillende gehanteerde dosis-responsrelaties, drempelconcentraties en het aangeven van een boven- en ondergrens van 95 % betrouwbaarheid op deze sterftecijfers illustreren dit, zie Figuur 1.12. We geven mee dat deze berekeningen onderhevig zijn aan voortschrijdende inzichten en actualisatie van inputdata. Zo gebruikten we een geactualiseerd model voor de berekening van de concentraties. Toenemend gezondheidseffect door NO2 Recente studies tonen aan dat lage NO₂-concentraties een grotere impact hebben op de gezondheid dan eerder gedacht7,7. Tot voor kort werden de gezondheidseffecten van NO₂ berekend vanaf jaargemiddelde concentraties hoger dan 20 µg/m³. Uit recente studies8 blijkt dat deze ‘drempelconcentratie’ (C0). vermoedelijk nog te hoog is. De laagste concentratie waaronder geen gezondheidseffecten vastgesteld zijn is volgens de WGO 10 µg/m³9. Voor Vlaanderen heeft dit een grote impact want Noordwest-Europa is een hotspot voor NO₂. Naast de aanbevolen dosis-respons relatie voor NO₂ van de WGO werd ook een dosis-responsrelatie uit een recentere COMEAP studie in het UK gebruikt10. Hier hanteren ze een drempel van 5 µg/m³. De NO2concentraties in Vlaanderen zijn echter steeds hoger dan deze drempel. De twee berekende resultaten voor de vroegtijdige overlijdens door NO₂ tonen echter de onzekerheden aan die gepaard gaan met dit soort berekeningen. Voor NO₂ wordt geschat dat er een overlap is van 33 % met de gezondheidseffecten van PM 2,5. De recente studie uit de UK hanteert een overlap van 20 %. In die zin werd een correctie uitgevoerd op deze vroegtijdige sterftes. Bovendien wijzen recente wetenschappelijke bevindingen uit 201811 op het feit dat deze sterftes veroorzaakt door NO₂ en fijn stof erg moeilijk te scheiden zijn. Bijgevolg kan men de vroegtijdige sterftes veroorzaakt door NO₂ en fijn stof niet zomaar optellen. PM2,5 heeft grootste gezondheidsimpact Er bestaan verschillende fracties van fijn stof. Over het algemeen wordt aan PM 2,5 de grootste gezondheidsimpact toegekend. Voor de berekening van de vroegtijdige overlijdens door PM2,5 hanteerden we twee drempelconcentraties namelijk 0 µg/m³ en 2,5 µg/m³. De PM2,5 -concentraties in Vlaanderen vallen echter nooit onder deze drempels. Het aantal berekende vroegtijdige sterftes blijft daarom gelijk voor beide drempels. Luchtvervuiling zorgt voor vroegtijdige sterftes Het aantal vroegtijdige overlijdens in 2018 in Vlaanderen door PM2,5 wordt geschat op zo’n 4.800 en deze voor ozon op een 200-tal. Het aantal vroegtijdige sterftes door NO₂ in 2018 in Vlaanderen bedraagt, afhankelijk van de gehanteerde dosis-respons functie en drempel, 1.500 tot 1.800 personen. Bij interpretatie van deze cijfers moeten de onzekerheden die gepaard gaan met deze berekeningen en het feit dat de
7
WHO (2013b) Review of evidence on health aspects of air pollution–REVIHAAP project: final technical report – http://www.euro.who.int/en/whatwe-do/health-topics/environment-and-health/air-quality/publications/2013/review-of-evidence-on-health-aspects-of-air-pollution-revihaapproject-final-technical-report 8 European Environment Agency, Air quality in Europe, 2017 report 9 Héroux et al, 2015, Quantifying the health impacts of ambient air pollutants: recommendations of a WHO/Europe project 10 Committee on the medical effects of air pollutants (COMEAP), 2018, Associations of long-term average concentrations of nitrogen dioxide with mortality 11 Atkinsons et al, 2018 Long-term concentrations of Nitrogen dioxide and Mortality: a Meta-analysis of Cohort Studies
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 18 ● Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op gezondheid
vroegtijdige sterftes door NO₂ en fijn stof niet zomaar opgeteld kunnen worden, in beschouwing genomen worden12. Figuur 1.12: Vergelijking tussen vroegtijdige sterftes door PM2,5, NO2 en ozon in 2018
NO2: er gebeurde een correctie voor de overlap met gezondheidseffecten van PM2,5: *: reductie met 20 % - °: reductie met 33 %. zwarte lijn: bovenste en onderste grens van 95 % betrouwbaarheidsinterval
1.4 Conclusies Bijna volledige bevolking blootgesteld aan teveel fijn stof Modellen schatten dat in 2019 de helft van de bevolking woont in een gebied met een te hoog jaargemiddelde voor PM10. Dit percentage loopt op tot 78 % als we het aantal dagen met hoge fijnstofwaarden in beschouwing nemen. Ook voor PM2,5 zijn de doelstellingen van het WGO nog niet in zicht: 93 % woonde in een gebied met overschrijding van de jaaradvieswaarde, voor de dagadvieswaarde liep dit percentage op tot 100 %. De blootstelling is het hoogst in de omgeving van de Gentse Kanaalzone en de Antwerpse haven.
12
WHO (2013c) Health risks of air pollution in Europe — HRAPIE project: New emerging risks to health from air pollution — Results from the survey of experts - https://www.euro.who.int/en/health-topics/environment-and-health/air-quality/publications/2013/health-risks-of-air-pollution-ineurope-hrapie-project.-new-emerging-risks-to-health-from-air-pollution-results-from-the-survey-of-experts.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Effecten op gezondheid ● 19
Blootstelling bevolking aan fijn stof daalt De concentraties zakken gestaag waardoor de bevolking momenteel blootgesteld wordt aan concentraties die beduidend lager liggen dan in 1997. Ook zijn er steeds minder dagen met hoge fijnstofwaarden. Echter, de WGO-advieswaarden zijn nog steeds ver buiten bereik. Stikstofdioxide te hoog op verkeersdrukke plaatsen, blootstelling daalt Vooral voor de Antwerpse agglomeratie en de Antwerpse haven berekent het model hoge NO2concentraties. Verder zijn de snelwegen, de Gentse Kanaalzone, de Gentse agglomeratie en de overige centrumsteden duidelijk zichtbaar. Het model schat dat 0,9 % van de bevolking woont in een gebied hoger dan de WGO-advieswaarde van 40 µg/m³. Ruim een kwart van de Vlaamse bevolking woont in een regio met NO2-concentraties hoger dan 20 µg/m³, het streefdoel uit het Luchtbeleidsplan 2030 van de Vlaamse Overheid. De concentraties zakken, hierdoor wonen steeds meer mensen in een regio die voldoet aan die streefwaarde. Iedere Vlaming woont in een regio met teveel ozon. Blootstelling blijft hoog In Vlaanderen woonde er tot nog toe niemand in een regio die de WGO-advieswaarde voor ozon haalt. Ook in 2019 zijn we ver van die doelstelling verwijderd. Het aandeel van de bevolking blootgesteld aan hogere ozonconcentraties varieert sterk van jaar tot jaar, we zien dus geen dalende trend. Er is wel een regionaal verschil met het hoogste aantal overschrijdingsdagen in Limburg en het minste in West-Vlaanderen en op de as Brussel-Antwerpen. Verhoogd kankerrisico voor zware metalen, benzeen en PAK’s Dit zien we voor arseen en nikkel in bepaalde aandachtsgebieden maar ook voor benzeen en benzo(a)pyreen. Als de concentraties van deze stoffen constant blijft in de tijd dan is er lokaal een verhoogd kankerrisico. Volgens het Agentschap Zorg en Gezondheid is dit gezondheidskundig niet verwaarloosbaar. Luchtvervuiling zorgt voor vroegtijdige sterftes door PM2,5, ozon en NO2 Voor PM2,5 wordt dit geschat op zo’n 4.800 en voor ozon op een 200-tal. Voor NO₂ bedroeg dit, afhankelijk van de gehanteerde dosis-respons functie en drempel, 1.500 tot 1.800 personen. We gebruikten de meest recent beschikbare sterftecijfers van 2018. Door een verbetering van de luchtkwaliteit, met dus lagere concentraties van NO2, PM2,5 of ozon, kunnen deze vroegtijdige sterftes verminderd worden.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 20 ● Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op gezondheid
2 EFFECTEN OP ECOSYSTEMEN 2.1 Inleiding Biodiversiteit staat onder druk Biodiversiteit is volgens de Europese biodiversiteitsstrategie voor 202013 essentieel voor alle leven op aarde. De verscheidenheid aan ecosystemen, soorten en genen is niet alleen belangrijk op zich, maar voorziet de samenleving ook van een brede waaier aan ecosysteemdiensten die essentieel zijn voor onze economie en welzijn, zoals zoet water, gewasbestuiving en bescherming tegen overstromingen. De biodiversiteit staat onder druk door factoren als habitatverlies, overexploitatie, invasieve soorten, bestrijdingsmiddelen en klimaatverandering. Maar ook luchtverontreiniging heeft een grote impact op de ecosystemen. Luchtverontreiniging heeft negatieve invloed op vegetatie en biodiversiteit In dit hoofdstuk bespreken we de impact van ozon en verzurende en vermestende stoffen op ecosystemen. Planten nemen koolstofdioxide (CO2) op uit de lucht, maar ook andere gassen zoals ozon (O3), zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3). Dit kan schadelijk zijn voor de vegetatie. De uitstoot van SO2 en stikstof (NOx en NH3) leidt tot de verzuring van bodem en water en de vermesting van gevoelige habitats, met negatieve effecten op ecosystemen en de biodiversiteit. Zomersmog (ozon) beschadigt vegetatie, inclusief landbouwgewassen Via de huidmondjes in de bladeren nemen planten ozon op. Dit leidt tot chemische reacties binnen de plant waarbij schade wordt aangebracht. De schadelijke effecten kunnen zich voordoen op korte termijn, maar zijn meestal het gevolg van een langdurige, geaccumuleerde blootstelling aan verhoogde ozonconcentraties tijdens het groeiseizoen. Mogelijke effecten zijn beschadigingen van het blad, vermindering van de biomassa, vermindering van de gewasopbrengst (kwalitatief en kwantitatief), ... . Stikstof heeft verzurende en vermestende effecten, zwavel werkt enkel verzurend De uitstoot van SO2, NOx en NH3 noemen we samen de potentieel verzurende emissie. We gebruiken de term ‘potentieel’ omdat het verzurende effect afhangt van processen in de bodem en het (oppervlakte)water. De uitstoot van NOx en NH3 noemen we samen de stikstofemissie. Een overmaat aan stikstof veroorzaakt zowel verzuring als vermesting. Na emissie verspreiden stoffen zich via de lucht en komen zo op de aarde terecht. Dit noemen we depositie. Figuur 2.1 toont dat dit op twee manieren gebeurt: — —
natte depositie: aanvoer van stoffen via regen, sneeuw of hagel. De luchtverontreiniging is dan opgelost in de neerslag; droge depositie: aanvoer van gassen en deeltjes tijdens droge periodes. Dit omvat ook de directe opname van gassen door de huidmondjes van bladeren.
13
EU (2011). De biodiversiteitsstrategie van de EU voor de periode tot 2020 – http://ec.europa.eu/environment/pubs/pdf/factsheets/biodiversity_2020/2020%20Biodiversity%20Factsheet_NL.pdf
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Effecten op ecosystemen ● 21
De som van natte en droge depositie is de totale aanvoer van stoffen vanuit de lucht en noemen we de totale atmosferische depositie. Figuur 2.1: Omzettingen van de gassen NH3, NOx en SO2 tot droge en natte verzurende en vermestende depositie
Verzuring heeft negatieve invloed op bodem- en waterkwaliteit Verzuring is de toename van de zuurconcentratie in bodem en water. Hierdoor daalt de buffercapaciteit van de bodem en worden op termijn giftige metalen zoals aluminium vrijgesteld. Dit bemoeilijkt de opname door plantenwortels van essentiĂŤle voedingsstoffen zoals kalium, calcium en magnesium. Verzuring leidt ook tot waterverontreiniging door het uitspoelen van nitraat en metalen naar het oppervlakte- en grondwater. Uit langetermijnonderzoek door het INBO in 5 Vlaamse bossen blijkt dat de daling van de verzurende depositie heeft gezorgd voor een beperkt herstel van de bodemwaterkwaliteit. Toch is de bodemverzuring niet gestopt
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 22 � Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op ecosystemen
waardoor nog steeds nitraat en andere stoffen uit de bodem spoelen14. Verzurende depositie veroorzaakt ook corrosie van materialen en een versnelde verwering van gebouwen. Vermesting verstoort ecologische processen Vermesting ontstaat door een overmaat aan voedingsstoffen. Het overschot wordt niet opgenomen door planten, maar zorgt voor aanrijking van bodem en water waardoor het natuurlijke kringlopen en ecologische processen verstoort. De belangrijkste vermestende stoffen zijn stikstof, fosfor en kalium. Deze zijn van nature beperkt aanwezig in de omgeving, maar menselijke activiteiten zoals verbrandingsprocessen, veeteelt, het gebruik van meststoffen, afvalwaterlozingen en het storten van huishoudelijk afval en waterzuiveringsslib veroorzaken een grote, bijkomende toevoer. In de omgevingslucht zijn de concentraties van fosfor en kalium verwaarloosbaar en is enkel stikstof relevant. Fosfor en kalium worden daarom niet verder besproken, enkel stikstof. Verzuring en vermesting tasten ecosystemen aan en verminderen biodiversiteit Door bodemverzuring gaan voedingsstoffen verloren en komen giftige stoffen in oplossing. Hierdoor kunnen planten onder meer vatbaarder worden voor ziekten en minder gemakkelijk kiemen. Hoewel stikstof een essentiĂŤle voedingsstof is, heeft te veel stikstof negatieve effecten op natuurlijke ecosystemen. Veel plantensoorten groeien van nature in vrij voedselarme omstandigheden. Bij een overmaat aan stikstof verminderen of verdwijnen deze soorten door competitie met snelgroeiende soorten zoals grassen. Zo kan bijvoorbeeld heide vergrassen door het toenemen van soorten als pijpenstrootje. Een grote stikstofbeschikbaarheid kan ook de gevoeligheid van planten verhogen voor abiotische en biotische stress15. Vermesting leidt op termijn dus tot veranderingen in de vegetatie. Dit heeft op zijn beurt gevolgen voor de fauna en ten slotte voor het globale functioneren van ecosystemen. Minder stikstofdepositie noodzakelijk voor instandhouding biodiversiteit in Vlaanderen Om de achteruitgang in de status van soorten en habitats tot stilstand te brengen, is het essentieel dat ingezet wordt op de Europese vogel- en habitatrichtlijn16,17 als ruggengraat van het natuurbeleid. De habitatrichtlijn vereist dat alle lidstaten de achteruitgang van de natuurkwaliteit stoppen en de instandhoudingsdoelstellingen behalen. In veel Vlaamse Natura 2000-gebieden zijn vermesting en verzuring door een te hoge stikstofdepositie een probleem, naast factoren zoals versnippering en verdroging. Voor een effectief instandhoudingsbeleid is een daling van de stikstofbelasting noodzakelijk. Hiervoor is de programmatische aanpak stikstof (PAS) in Vlaanderen ontwikkeld. Een aantal onderdelen van de PAS zijn al lopende zoals de toepassing van significantiekaders en het gebruik van de PAS-lijst voor emissiereducerende maatregelen in de landbouw. Een juridische verankering wordt voorzien in de nabije toekomst, zie paragraaf 2.5.
2.2 Ozon Hoe bepalen we ozonschade aan vegetatie? Om de schadelijke impact van ozon op vegetatie te bepalen zijn er twee indicatoren in gebruik. De eerste indicator is de AOT40ppb-vegetatie. Deze indicator is gebaseerd op de blootstelling aan de ozonconcentraties
14
Verstraeten A. (2018). Evolutie van de chemische samenstelling van de bodemoplossing in Vlaamse bossen onder dalende atmosferische depositie. Doctoraatsthesis, Universiteit Gent 15 Abiotische stress is de negatieve impact door milieufactoren zoals vorst en droogte. Biotische stress is te wijten aan levende organismen zoals bacteriĂŤn, virussen, insecten, enzovoort. 16 Vogelrichtlijn (2009/147/EG) van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand 17 Habitatrichtlijn (92/43/EEG) van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Effecten op ecosystemen â—? 23
boven het plantoppervlak gecumuleerd over het groeiseizoen en wordt behandeld in Deelrapport II, Hoofdstuk 5: Ozon. Een tweede indicator is de fytotoxische ozondosis of de geaccumuleerde stomatale opname van ozon boven een bepaalde drempelwaarde Y (PODY). Dit noemen we de ozondosis. Deze indicator accumuleert de ozon die wordt opgenomen via de huidmondjes (stomata) van de plant tijdens een bepaalde periode of groeiseizoen. De huidmondjes reageren verschillend onder invloed van de weersomstandigheden, het licht, de bodem- en luchtvochtigheid en het stadium van het groeiproces. Bij droge en warme omstandigheden bijvoorbeeld zullen de huidmondjes sluiten om vochtverlies tegen te gaan waardoor de plant minder ozon opneemt. Dit zijn net periodes waar de ozonconcentraties over het algemeen hoog zijn. De ozondosis wordt beschouwd als een betere indicator voor het bepalen van de ozonschade aan vegetatie dan de AOT40ppb-vegetatie. De ozondosis geeft een inschatting van de hoeveelheid ozon die de plant effectief opneemt en die dus schade berokkent binnen de plant zelf. Hiermee houdt de AOT40ppb-indicator geen rekening. Het berekenen van de ozondosis is wel ingewikkelder en vereist meer kennis over de meteorologie en de fenologie van de plant. De berekening kan gebeuren voor specifieke gewassen of een generiek vegetatietype. Hier gebruiken we de generieke methode (PODYIAM, Integrated Assessment Models) voor gewassen en loofbos. Dit levert het potentieel maximale effect op in het worst case scenario. Ozon heeft negatieve effecten op de opbrengst van gewassen Figuur 2.2 en Figuur 2.3 tonen de ozondosis voor de generieke vegetatietypes gewassen en loofbos. Voor gewassen werden de parametrisaties afgeleid van tarwe. Dit gewas is het meest gevoelig voor ozon. Volgens de laatste wetenschappelijke inzichten werd een kritiek niveau van 7,9 mmol/m² bladoppervlak bepaald18. Als effectparameter wordt de graanopbrengst beschouwd. Het kritiek niveau komt overeen met een mogelijk opbrengstverlies voor graan van 5 %. Uit het resultaat van de ozondosis voor gewassen blijkt dat in 2019 97 % van de oppervlakte met akkergewassen negatieve effecten ondervond van ozon. Het oosten van Vlaanderen kende de grootste ozondosissen. De ozondosis geeft voor de impact van ozon op vegetatie een duidelijk negatiever beeld dan de AOT40ppb indicator van de Europese wetgeving, zie Deelrapport II, Hoofdstuk 5: Ozon. Ozon heeft negatieve effecten op de biomassa-aangroei van loofbossen Voor loofbos zijn de generieke parametrisaties bepaald op basis van beuk, berk en eik. Volgens de laatste wetenschappelijke inzichten werd een kritiek niveau van 5,7 mmol/m² bladoppervlak bepaald18. Als effectparameter wordt de totale biomassa beschouwd. Het kritiek niveau komt overeen met een mogelijke vermindering van de jaarlijkse biomassa-aangroei van 4 %. Uit het resultaat van de ozondosis voor loofbos is het duidelijk dat in 2019 de bossen in heel Vlaanderen negatieve effecten hebben ondervonden van ozon. De ozondosiswaarden liggen in heel Vlaanderen ruim boven het kritieke niveau. Het oosten van Vlaanderen kende de grootste ozondosissen. In verstedelijkt gebied zijn de ozondosissen lager door de lagere ozonconcentraties. Uit resultaten van het EMEP-model blijkt dat loofbossen over bijna heel Europa schade ondervinden van te hoge ozonconcentraties.
18
CLRTAP, 2017. Guidance on mapping concentrations levels and deposition levels, Chapter 3 of Manual on methodologies and criteria for modelling and mapping critical loads and levels and air pollution effects, risks and trends. UNECE Convention on Long-range Transboundary Air Pollution; accessed on 01/08/2018 at http://www.icpmapping.org
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 24 ● Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op ecosystemen
Figuur 2.2: POD3 voor het generieke vegetatietype gewas in 2019
Figuur 2.3: POD1 voor het generiek vegetatietype loofbos in 2019
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Effecten op ecosystemen â—? 25
2.3 Zwaveldioxide, stikstofoxiden en ammoniak Kritieke niveaus voor SO2 en NOx voor de bescherming van de vegetatie gerespecteerd Richtlijn 2008/50/EG geeft kritieke niveaus voor SO2 en NOx voor de bescherming van de vegetatie. In Vlaanderen zijn er strikt genomen geen gebieden waar deze kritieke niveaus van toepassing zijn omwille van de dichte bebouwing, het uitgebreide wegennet en de verspreide industrie. Een aantal meetplaatsen voldoet bij benadering aan de criteria voor zones waar deze kritieke niveaus gelden. Voor SO2 gaat het om 3 meetplaatsen met automatische monitoren en 9 plaatsen met passieve samplers. Het jaargemiddelde op deze 12 plaatsen was 1 tot 2 µg/m3 in 2019. Het kritieke niveau voor SO2 voor de bescherming van de vegetatie (20 µg/m³) over het jaar en het winterseizoen werd in 2019 dus ruimschoots gerespecteerd. Voor NOx waren er 8 meetplaatsen met automatische monitoren die de zones benaderen waarop het kritieke niveau van toepassing is en 9 meetplaatsen met passieve samplers. De NO2-metingen met passieve samplers worden omgezet naar NOx-concentraties met omzettingsfactoren op basis van het automatisch meetnet. Het jaargemiddelde voor NOx op deze 17 meetplaatsen lag in 2019 tussen 8 en 21 µg/m3. Al deze meetplaatsen respecteerden dus het kritieke niveau voor NOx voor de bescherming van de vegetatie (30 µg/m3). Kritiek niveau voor NH3 voor de bescherming van hogere plantensoorten gehaald op 6 meetplaatsen Voor NH3 zijn kritieke niveaus voor de bescherming van de vegetatie bepaald in het kader van het verdrag over grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand (UNECE-CLRTAP)19. Dit zijn aanbevelingen en geen wettelijke normen. In 2019 lag het jaargemiddelde voor NH3 op 23 meetplaatsen tussen 1,2 en 9,9 µg/m3. Hiervan voldeden er 6 aan het kritieke niveau voor de bescherming van hogere plantensoorten, met inbegrip van heide, grasland en de kruidlaag van bossen (3 µg/m³). Het kritieke niveau voor de bescherming van (korst)mossen (1 µg/m3) werd op alle meetplaatsen overschreden.
2.4 Emissie en depositie van verzurende stoffen en stikstof 2.4.1 Algemeen Emissie en depositie bepalen de aanvoer van verzurende stoffen en stikstof op ecosystemen Dit deel behandelt de emissie in 2018 en de depositie in 2019. We bekijken vervolgens de evolutie vanaf het jaar 2000. Op basis van deze gegevens kunnen we de effecten van zwavel en/of stikstof op ecosystemen beoordelen. Dit gebeurt aan de hand van de overschrijding van kritische lasten en is samengevat in Figuur 2.14, zie paragraaf 2.4.6. Stikstof leidt tot verzurende en vermestende emissie/depositie, zwavel werkt enkel verzurend De emissie van SO2, NOx en NH3 veroorzaakt (potentieel) verzurende depositie onder de vorm van: — — — —
19
gereduceerde stikstof (NHx): ammoniak (NH3) en ammonium (NH4+); geoxideerde stikstof (NOy): stikstofoxiden (NOx), nitraat (NO3-) en nitriet (NO2-); zwavel: zwaveldioxide (SO2) en sulfaat (SO42-); halogeenzuren en organische zuren (niet gemeten; wel inbegrepen in de depositiemodellering).
UNECE CLRTAP, United Nations Economic Commission for Europe - Convention on Long-range Transboundary Air Pollution
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 26 ● Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op ecosystemen
De verzurende emissie en depositie drukken we uit in (potentiële) zuurequivalenten (pot. Zeq). De emissie van stikstof (NOx en NH3) leidt tot de depositie van: — — —
gereduceerde stikstof (NHx): ammoniak (NH3) en ammonium (NH4+); geoxideerde stikstof (NOy): stikstofoxiden (NOx), nitraat (NO3-) en nitriet (NO2-); opgeloste organische stikstof (DON) (niet gemeten; wel inbegrepen in modellering).
De stikstofemissie en -depositie drukken we uit in de hoeveelheid stikstof (ton N, kg N).
2.4.2 Emissie van verzurende stoffen en stikstof in 2018 Land- en tuinbouw heeft het grootste aandeel, gevolgd door verkeer In 2018 bedroeg de verzurende emissie 6.163 106 potentiële zuurequivalenten. Dit was vooral te wijten aan de uitstoot van NOx (44 %) en NH3 (41 %). De uitstoot van SO2 droeg in 2018 minder bij aan de verzurende emissie (15 %). De land- en tuinbouwsector vormde de grootste bron van verzurende emissie, vooral door de uitstoot van NH3, gevolgd door verkeer (vooral NOx) en industrie (vooral NOx en SO2), zie Figuur 2.4-A. In 2018 werd 73.390 ton stikstof uitgestoten naar de lucht. Deze vermestende emissie gebeurde voor 52 % onder de vorm van NOx en voor 48 % als NH3. De land- en tuinbouwsector was de belangrijkste bron van stikstofemissie (50 %), gevolgd door verkeer (32 %). De overige sectoren stootten samen slechts 18 % uit, zie Figuur 2.4-B. Figuur 2.4: Aandeel van de verschillende sectoren in de verzurende (A) en vermestende (B) emissie in 2018 (%)
2.4.3 Trend emissie van verzurende stoffen en stikstof tussen 2000 en 2018 Uitstoot verzurende stoffen is gehalveerd tussen 2000 en 2018 De totale verzurende emissie lag in 2018 51 % lager dan in 2000. Dit was vooral te danken aan een daling van de SO2-emissies en in mindere mate van de NOx-emissies, zie Figuur 2.5.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Effecten op ecosystemen ● 27
Figuur 2.5: Trend van NOx, NH3 en SO2 in de potentieel verzurende emissie tussen 2000 en 2018 (106 pot. Zeq/jaar)
De emissie van stikstof door de land- en tuinbouw daalde tussen 2000 en 2007 en bleef daarna stabiel. Omdat de uitstoot van de andere sectoren wel verder afnam, zie Figuur 2.6, steeg het belang van de landbouw in de verzurende emissie na 2007. De emissies door verkeer daalden in de periode 2000-2018, maar namen in belang toe, vooral door de NOx-emissies. De sector energie was in 2000 een belangrijke bron van verzurende emissies, maar het belang ervan nam af door een daling van de SO2- en NOx-emissies vooral bij de elektriciteitscentrales en in mindere mate bij de raffinaderijen. Deze emissiedalingen zijn het gevolg van het verminderde stookolie- en steenkoolverbruik, wijzigingen in de gebruikte brandstoffen en technische maatregelen. De industrie is ook verantwoordelijk voor een belangrijk aandeel in de verzurende emissies, maar het aandeel bleef gelijkaardig over de jaren, zie in dit verband ook de hoofdstukken 2, 3 en 4 in Deelrapport II met informatie van de trends per verontreinigende stof.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 28 � Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op ecosystemen
Figuur 2.6: Trend totaal potentieel verzurende emissie (linkeras) en emissie per sector (rechteras), 2000- 2018 (106 pot. Zeq/jaar)
Uitstoot stikstof is 39 % gedaald tussen 2000 en 2018 De totale stikstofemissie daalde iets sterker tussen 2000 en 2008 dan in de daaropvolgende periode, zie Figuur 2.7. Het aandeel van de land- en tuinbouw daarentegen steeg van 42 % in 2000 tot 50 % in 2018. De stikstofemissie door het verkeer nam jaar na jaar geleidelijk af. De bijdrage van het verkeer aan de stikstofemissie steeg tot 38 % in 2008 en daalde erna tot 32 % in 2018.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Effecten op ecosystemen â—? 29
Figuur 2.7: Trend totale stikstofemissie (linkeras) en emissie per sector (rechteras), 2000-2018 (ton N/jaar)
2.4.4 Depositie van verzurende stoffen en stikstof in 2019 De VMM bepaalt de depositie van verzurende stoffen en stikstof met metingen en modelberekeningen. Natte en droge depositie hangen deels af van de neerslaghoeveelheid In 2019 lag de neerslag op de 9 meetplaatsen tussen 681 mm (Bonheiden) en 872 mm (Maasmechelen). In Ukkel registreerde het KMI 798,6 mm neerslag in 2019, of 6 % minder dan het langdurig gemiddelde (852,4 mm in 1981-2010). Het KMI omschrijft 2019 als een warm, zonnig en relatief droog jaar. Meer informatie over de meteorologie kan u raadplegen via https://www.vmm.be/data/evaluatie-luchtkwaliteit. De natte depositie van stikstof en zwavel is algemeen hoger als er meer neerslag is, maar het verband is niet lineair. Na een droge periode zal de concentratie in de neerslag vaak hoger zijn omdat er meer polluenten in de lucht zweven. Omgekeerd zal de regen de luchtverontreiniging uitwassen, waardoor er na een bui minder droge depositie kan zijn. Natte en droge depositie variĂŤren tussen meetplaatsen Figuur 2.8 toont de verzurende depositie per meetplaats in 2019 als som van de gereduceerde stikstof (NHx), geoxideerde stikstof (NOy) en zwavel (SOx). De donkere kleuren tonen de natte depositie, de lichte kleuren de droge depositie. De verzurende depositie bestaat uit de natte depositie (ND) van ammonium, nitraat, nitriet en sulfaat en de droge depositie (DD) van voornamelijk NH3, NOx en SO2. De figuur toont de natte depositie van nitraat en nitriet samen (ND NOy) omwille van de beperkte bijdrage van nitriet. De deposities
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 30 � Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op ecosystemen
voor de 7 componenten afzonderlijk kan u raadplegen via https://www.vmm.be/data/evaluatieluchtkwaliteit. Figuur 2.8: Verzurende depositie in 2019 via natte depositie (ND) en droge depositie (DD) voor 9 meetplaatsen (Zeq/(ha.jaar))
De verzurende depositie was in 2019 het hoogst op de meetplaatsen in Kapellen en Retie en het laagst in Koksijde en Tielt-Winge. Gemiddeld hadden de natte en de droge verzurende depositie een vergelijkbaar aandeel (respectievelijk 48 en 52 % van de totale depositie). Dit verschilt wel naargelang de meetplaats: de bijdrage van de natte depositie varieerde van 37 % in Gent tot 60 % in Maasmechelen. In Kapellen en Koksijde droeg zwavel meer bij aan de verzurende depositie (20-22 %) dan op de andere meetplaatsen (11-15 %). Voor Kapellen kan dit toegeschreven worden aan verhoogde SO2-concentraties door de industrie ten noorden van Antwerpen, voor Koksijde aan meer sulfaat via natte depositie door opstuivend zeewater. Figuur 2.9 toont de stikstofdepositie voor de meetplaatsen in 2019. Die was het hoogst in Retie en het laagst in Koksijde. De depositie van gereduceerde stikstof (NHx) was het hoogst in Retie; voor geoxideerde stikstof (NOy) was dit het hoogst in Kapellen.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Effecten op ecosystemen â—? 31
Figuur 2.9: Stikstofdepositie in 2019 via natte depositie (ND) en droge depositie (DD) voor 9 meetplaatsen (kg N/(ha.jaar))
Hoogste depositie in centrum van West-Vlaanderen en noorden van Antwerpen Om de depositie in te schatten op plaatsen waar we niet meten, voerden we berekeningen uit met het atmosferische transport-dispersiemodel VLOPS20. Voor de modelberekeningen in dit rapport wordt gewerkt met emissies van 2018 en meteodata van 2019. De berekeningsmethode kan een over- of onderschatting geven op bepaalde plaatsen en geeft dus een benaderend beeld van de verspreiding van de depositie. Figuur 2.10 toont de spreiding van de gemodelleerde verzurende depositie in Vlaanderen. Figuur 2.11 toont de spreiding van stikstof. De hoogste depositie kwam voor in het centrum van de provincie West-Vlaanderen, het noorden van Antwerpen en het noordoosten van Limburg. In 2019 bestond de verzurende depositie in Vlaanderen volgens VLOPS20 gemiddeld voor 48 % uit NHx, 26 % uit NOy, 12 % uit SOx en 14 % uit halogeenzuren en organische zuren. De stikstofdepositie bestond gemiddeld voor 59 % uit NHx, 32 % uit NOy en 9 % uit opgeloste organische stikstof.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 32 � Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op ecosystemen
Figuur 2.10: Gemodelleerde verzurende depositie (VLOPS20 met emissies van 2018 en meteo van 2019, 1x1 km2)
Figuur 2.11: Gemodelleerde stikstofdepositie (VLOPS20 met emissies van 2018 en meteo van 2019, 1x1 km2)
2.4.5 Trend verzurende depositie en stikstofdepositie tussen 2000 en 2019 Verzurende depositie is 46 % gedaald tussen 2000 en 2019 Vooral de depositie van zwavel is zeer sterk afgenomen, namelijk met 78 %. De zwaveldepositie daalde het sterkst tussen 2007 en 2009. Tussen 2000 en 2019 daalde de depositie van NHx met 32 % en de depositie van
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Effecten op ecosystemen â—? 33
NOy met 43 %. Voor halogeenzuren en organische zuren (HZ+OZ) wordt een constante depositie aangenomen in de tijd. Na 2013 is de verzurende depositie weinig veranderd, zie Figuur 2.12. Deze cijfers zijn gemiddelden voor Vlaanderen. Lokaal kan de depositie anders evolueren. Figuur 2.12: Evolutie van de Vlaamse gemiddelde verzurende depositie van SOx, NOy, NHx en de som van halogeenzuren en organische zuren (HZ+OZ) tussen 2000 en 2019 berekend met VLOPS20 (Zeq/(ha.jaar))
*: Voorlopige cijfers: de deposities in 2019 werden berekend met emissies van 2018 en meteogegevens van 2019
Stikstofdepositie is 34 % gedaald tussen 2000 en 2019 De depositie van stikstof daalt dus minder snel dan de depositie van alle verzurende stoffen samen. In 2019 was er 32 % minder depositie van NHx dan in 2000 en 43 % minder depositie van NOy. Voor DON wordt een constante depositie aangenomen. Vanaf 2013 varieerde de stikstofdepositie weinig, zie Figuur 2.13. Net als voor de verzurende depositie zijn dit gemiddelde waarden voor Vlaanderen, zodat de aanvoer van stikstof lokaal mogelijk anders evolueert.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 34 � Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op ecosystemen
Figuur 2.13: Evolutie van de Vlaamse gemiddelde stikstofdepositie van NOy, NHx en DON tussen 2000 en 2019 berekend met VLOPS20 (kg N/(ha.jaar)
*: Voorlopige cijfers: de deposities in 2019 werden berekend met emissies van 2018 en meteogegevens van 2019
Ammoniak draagt meer bij aan depositie dan aan emissie van verzurende stoffen en stikstof De verzurende depositie in Vlaanderen bestond in 2018 voor zowat de helft uit gereduceerde stikstof (47 %). Dit aandeel in de verzurende depositie is kleiner dan het aandeel van NH3 in de verzurende emissie (41 % in 2018). De uitstoot van NH3 draagt dus meer bij aan de verzurende depositie dan aan de verzurende emissie. Gereduceerde stikstof droeg in 2018 gemiddeld ook het meest bij aan de depositie van stikstof (57 %), hoewel NH3 minder dan de helft uitmaakte van de stikstofemissie (48 % in 2018). De reden hiervoor is dat NH3 sneller dan NOx en SO2 uit de atmosfeer verdwijnt door droge depositie en omzetting naar fijn stof. Uit het VLOPS-model blijkt dat in 2018 zo’n twee derde van de NHx-depositie in Vlaanderen veroorzaakt werd door Vlaamse NH3-emissies. Dit in tegenstelling tot de depositie van NOy en SOx, die voor ruim 60 % afkomstig was van buiten Vlaanderen. De Vlaamse NH3-uitstoot leidt dus tot een belangrijke depositie van verzurende stoffen en stikstof in Vlaanderen. De Vlaamse SO2 en NOx-uitstoot wordt over grotere afstanden verspreid en veroorzaakt meer depositie buiten Vlaanderen. Meer gegevens zijn te vinden in het Milieurapport20.
20
VMM - Milieurapport – https://www.milieurapport.be/milieuthemas/vermesting-verzuring/verzuring/aandeel-doelgroepen-en-import-in-depotentieel-verzurende-depositie
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Effecten op ecosystemen ● 35
Bijdrage van NHx aan verzurende depositie stijgt Het aandeel van NHx in de verzurende depositie nam toe van 38 % in 2000 tot 48 % in 2019, zie Figuur 2.12. Het aandeel van NOy schommelde in deze periode tussen 25 en 29 %. Het aandeel van zwavel is sterk gedaald, namelijk van 30 % in 2000 tot 12 % in 2019. Bij de stikstofdepositie bleef het belang van NHx en NOy vrij stabiel in de periode 2000-2019, zie Figuur 2.13. De NHx-depositie droeg in deze periode gemiddeld 56 % bij aan de vermestende depositie. Zie in dit verband ook de hoofdstukken 2, 3 en 4 in Deelrapport II met informatie van de trends per verontreinigende stof.
2.4.6 Oppervlakte natuur met overschrijding kritische last Kritische lasten als schadedrempel voor depositie van verzurende stoffen en stikstof Als de depositie hoger is dan de kritische last spreken we van een overschrijding. Voor het natuurareaal met overschrijdingen bedroeg de kritische last voor verzuring in 2019 gemiddeld 2.520 Zeq/(ha.jaar) en voor vermesting gemiddeld 16,2 kg N/(ha.jaar). De kritische last hangt af van de bodem en de vegetatie. Meer informatie hierover kan u raadplegen via https://www.vmm.be/lucht/wetgeving. Vegetatie ondervindt nog steeds schade door verzuring, maar vooral door vermesting In 2019 werd de kritische last voor verzuring overschreden op 17 % van de oppervlakte natuur, terwijl dit in 2000 nog 81 % was. De oppervlakte natuur in overschrijding voor verzuring is dus sterk gedaald in de tijd. De middellange termijndoelstelling voor 2030 (minder dan 62 % overschrijding volgens het luchtbeleidsplan) is al gehaald. Opgesplitst naar vegetatietype was er in 2019 een overschrijding voor verzuring op 18 % van de oppervlakte bos, 18 % voor soortenrijk grasland en 4 % voor heide (Figuur 2.14A). In 2019 was 80 % van de oppervlakte natuur in overschrijding voor vermesting. Dit is een vrij beperkte daling ten opzichte van 2000 (97 %). Het natuurareaal met te veel stikstofdepositie was in 2019 nog veel hoger dan de middellange termijndoelstelling voor 2030 (minder dan 47 % overschrijding volgens het luchtbeleidsplan). Voor bos en heide was de stikstofdepositie in 2019 overal hoger dan de kritische last (100 % overschrijding). Voor soortenrijk grasland was dit het geval voor 30 % van de oppervlakte (Figuur 2.14-B). Naast het aandeel van de natuuroppervlakte met overschrijding van de kritische lasten, is ook de grootte van die overschrijding van belang. Dit wordt voorgesteld aan de hand van de oppervlaktegewogen overschrijding. Meer info vind je in het Milieurapport21.
21
VMM – Milieurapport – https://www.milieurapport.be/milieuthemas/vermesting-verzuring/verzuring/oppervlakte-natuur-met-overschrijding-van-de-kritische-lastverzuring en https://www.milieurapport.be/milieuthemas/vermesting-verzuring/vermesting/oppervlakte-natuur-met-overschrijding-kritische-last-vermesting
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 36 ● Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op ecosystemen
Figuur 2.14: Oppervlakte natuur met overschrijding van de kritische last voor (A) verzuring en (B) vermesting (%)
*: Voorlopige cijfers: de deposities in 2019 werden berekend met emissies van 2018 en meteogegevens van 2019
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Effecten op ecosystemen â—? 37
2.5 Programmatische aanpak stikstof (PAS) VMM rapporteert voortgang monitoringsplan PAS heeft als doel de uitstoot van stikstof terug te dringen met behoud van verdere economische ontwikkeling. De VMM kreeg de opdracht22 een monitoringsplan op te stellen dat in kaart brengt welke additionele initiatieven nodig zijn om de monitoring van de programmatische aanpak stikstof (PAS) te kunnen garanderen. In 2019 werd beslist de voortgang van het monitoringsplan te rapporteren in het Jaarrapport Lucht. Emissies worden vergeleken met BAU-scenario’s We vergelijken de emissies van 2018 met de BAU-prognoses en de bijhorende emissietaakstellingen per sector, zoals vastgelegd in de beslissing van de Vlaamse Regering22. De evolutie van zowel de NOx- als de NH3uitstoot werd voorspeld aan de hand van 3 BAU-scenario’s, namelijk BAU2020, BAU2025 en BAU2030. Om de emissies te kunnen vergelijken met de BAU-prognoses, moet je twee belangrijke factoren in acht nemen: —
—
De sectorindeling voor de berekening van de BAU-prognoses volgt deze van de Nationale Emissieplafonds (NEC-richtlijn). Deze plaatst de emissie van bijvoorbeeld het brandstofverbruik in de sectoren landbouw, huishoudens en tertiair onder de sector energie. In andere delen van dit jaarrapport wordt deze emissie opgedeeld onder respectievelijk de landbouwsector, huishoudens of tertiaire sector. De NH3-emissie van de landbouwsector (met uitzondering van de verbrandingsemissies) wordt berekend met het EmissieModel Ammoniak Vlaanderen (EMAV). De NH3-emissie voor de BAU-prognoses is gebaseerd op berekeningen met het EMAV-model versie 2.0. Hieronder berekenden we de landbouwemissie met het EMAV-model versie 2.1. De keuze voor 2.1 is gebaseerd op huidig wetenschappelijk inzicht. Algemeen stellen we vast dat de resultaten berekend met EMAV2.1 een stuk hoger liggen dan de berekeningen met EMAV2.0. Alhoewel de tijdreeks (1990-2018) hoger ligt, blijft de evolutie min of meer gelijk.
Vooral de NOx-uitstoot door verkeer moet naar omlaag De voorspelde daling van de NOx-emissies situeert zich voornamelijk binnen de sector Transport/verkeer. Bij de energiesector werd zelfs een lichte stijging (4,1 kton) toegestaan, zie Tabel 2.1. Tabel 2.1: Overzicht van de BAU-prognoses voor NOx per sector zoals beschreven in de beslissing van de Vlaamse Regering
Sector Huishoudens Industrie Energie Land- en tuinbouw Transport/verkeer Handel en diensten
BAU2020 (kton NOx) 5,3 21,6 9,1 8,6 63,9 1,9
BAU2025 (kton NOx) 4,8 21,7 12,1 8,6 58,6 1,8
BAU2030 (kton NOx) 4,4 21,9 13,2 8,6 58,9 1,6
22
Quinquiesconceptnota van de Vlaamse Regering van 30 november 2016 over de Instandhoudingsdoelstellingen (IHD) en Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) – https://beslissingenvlaamseregering.vlaanderen.be/document-view/516e8b06-dec1-11e9-aa72-0242c0a80002
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 38 ● Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op ecosystemen
Figuur 2.15 toont de emissies van 2015 tot 2018. Volgende conclusies kunnen we trekken: — — —
De sector transport/verkeer zit nog meer dan 18 kton boven de BAU2020-prognose. De uitstoot neemt af maar doorgedreven inspanningen blijven nodig; De sectoren land- en tuinbouw en handel en diensten halen de doestellingen BAU-2020 nog niet. Ook hier dringen bijkomende inspanningen zich op; De sector huishoudens haalt al in 2018 de BAU2020-prognose, industrie en energie halen zelfs al de BAU2030-prognoses.
Figuur 2.15: Overzicht van de NOx-emissies per sector voor de jaren 2015-2018 (kton)
Landbouw stoot nog teveel NH3 uit Toekomstige ontwikkelingen in de NH3-emissie door de landbouw hangen enerzijds samen met ontwikkelingen in de omvang en samenstelling van de veestapel (volumeontwikkelingen) en anderzijds met maatregelen die de sector onder invloed van het beleid treft om de emissies verder te verlagen. De sector landbouw heeft het grootste aandeel in de NH3-emissie. Daarom situeert de NH3-reductie zich vooral tot deze sector, zie Tabel 2.2.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Effecten op ecosystemen ● 39
Tabel 2.2: Overzicht van de BAU-prognoses voor NH3 per sector zoals beschreven in de beslissing van de Vlaamse Regering
Sector Huishoudens Industrie Energie Land- en tuinbouw Transport/verkeer Handel & Diensten
BAU2020 (kton NH3) 1,7 1,0 0,0 39,3 0,5 0,0
BAU2025 (kton NH3) 1,5 1,0 0,0 37,8 0,5 0,0
BAU2030 (kton NH3) 1,4 1,0 0,0 36,7 0,6 0,0
Voor NH3 kunnen we het volgende vaststellen: — — —
De sectoren huishoudens, industrie, energie en handel en diensten voldoen nu al aan de BAU-2030prognoses; De sector transport/verkeer zal nog een minimale inspanning moeten leveren, maar de BAU-2020 prognose lijkt binnen handbereik; De sector land- en tuinbouw zal de volgende 2 jaar nog inspanningen moeten leveren om de BAU-2020prognose van 39,3 kton te halen. Ook naar de toekomst toe zullen de NH3-emissies nog verder moeten dalen.
Figuur 2.16: Overzicht van de NH3-emissies per sector voor de jaren 2015-2018, berekend met EMAV2.1 (kton)
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 40 ● Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op ecosystemen
2.6 Conclusies Ozon heeft een erg negatieve impact op vegetatie Voor gewassen werd het kritieke niveau voor de ozondosis op 97 % van de oppervlakte overschreden in 2019. Voor loofbossen werd het kritieke niveau overal in Vlaanderen ruim overschreden. Kritieke niveaus voor bescherming van vegetatie gerespecteerd voor SO2 en NOx maar niet voor NH3 De kritieke niveaus voor SO2 en NOx voor de bescherming van de vegetatie werden in 2019 gerespecteerd. Voor NH3 werd aan het kritieke niveau voor de bescherming van hogere plantensoorten voldaan op 6 van 23 meetplaatsen. Het kritieke niveau voor lagere plantensoorten werd op alle plaatsen overschreden. Landbouw is de voornaamste emissiebron van verzurende stoffen en stikstof in 2018 Voor verzurende emissies is dat 43 %, voor vermestende emissies 50 %. Daarna komen verkeer en industrie. Vooral de uitstoot van NOx (44 %) draagt bij aan de verzurende emissie, gevolgd door NH3 (41 %) en SO2 (15 %). De vermestende emissie bestond voor 52 % uit NOx en 48 % uit NH3. Verzurende emissie is gehalveerd tussen 2000 en 2018, stikstofemissie daalde met 39 % De verzurende emissies daalden vooral door de afname van de uitstoot van SO2 en NOx. De daling was het sterkst vóór 2009. De verzurende en vermestende emissie door de land- en tuinbouw daalde van 2000 tot 2007, maar bleef daarna stabiel. Hoogste depositie in centrum West-Vlaanderen en noorden van Antwerpen Uit metingen en modelberekeningen blijkt een grote variatie in de depositie binnen Vlaanderen. De depositie van verzurende stoffen en stikstof is het hoogst in regio’s met intensieve veeteelt. Verzurende depositie daalde met 46 % tussen 2000 en 2019, stikstofdepositie met 34 % Sinds 2013 is de gemiddelde depositie van verzurende stoffen en stikstof weinig veranderd. Gereduceerde stikstof draagt sterk bij aan de depositie. De bijdrage van NHx aan de verzurende depositie steeg van 38 % in 2000 tot 48 % in 2019. De bijdrage van NHx aan de stikstofdepositie was gemiddeld 56 % in deze periode. Emissie van NH3 veroorzaakt relatief meer depositie in Vlaanderen Gereduceerde stikstof (NHx) draagt meer bij aan de depositie van verzurende stoffen en stikstof dan aan de emissie. Dit komt doordat NH3 sneller uit de atmosfeer verdwijnt dan NOx en SO2. De Vlaamse NH3-emissie veroorzaakte in 2018 zo’n twee derde van de gereduceerde stikstofdepositie. De NH3-uitstoot door Vlaamse bronnen zorgde hiermee gemiddeld voor 47 % van de verzurende depositie en 57 % van de stikstofdepositie in Vlaanderen in 2018. Vegetatie ondervindt nog steeds schade door verzuring, maar vooral door vermesting De oppervlakte natuur waar de verzurende depositie hoger ligt dan de kritische last, is sterk gedaald tussen 2000 (81 %) en 2019 (17 %). De oppervlakte natuur met overschrijding van de kritische last voor vermesting is veel minder gedaald (van 97 % naar 80 %). We besluiten dat een verdere afname van de stikstofuitstoot nodig is voor het behoud en herstel van de ecosystemen en biodiversiteit in Vlaanderen. BAU2020-prognoses nog niet gehaald voor alle sectoren Voor NOx moet vooral de sector transport/verkeer bijkomende inspanningen leveren, voor NH3 is dit de landen tuinbouwsector.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Effecten op ecosystemen ● 41
Lexicon AOT25°C De verkorte aanduiding voor ‘Accumulated exposure Over a Threshold’, wat voor alle indicatoren zoals ozonconcentraties, temperatuur, … gebruikt kan worden. Hier heeft het betrekking op de temperatuur. AOT25°C is de som van alle temperaturen > 25 °C. Als de temperatuur bijvoorbeeld op uur 1 = 20, uur 2 = 24, uur 3 = 28, uur 4 = 30, uur 5 = 24, dan is de AOT25 gelijk aan 8, namelijk (28-25) + (30-25). Met andere woorden: hoe hoger de AOT in een zomer, hoe warmer de zomer. Een AOT is bijgevolg nuttiger dan bijvoorbeeld een indicator als ‘aantal dagen met temperatuur max > 25 °C’. In dit geval kan je immers 10 dagen hebben met elke dag 26 °C of 10 dagen met elke dag 32 °C. Alarmdrempel Een niveau waarboven een kortstondige blootstelling risico's voor de gezondheid van de mens inhoudt en waarbij de lidstaten onmiddellijk overeenkomstig de betreffende richtlijn maatregelen moeten nemen bij overschrijding van deze waarde. Depositie of atmosferische neerslag De aanvoer van stoffen (gassen en deeltjes) van de atmosfeer naar oppervlakten (bijvoorbeeld bodem, vegetatie, water, gebouwen, … ). Deze aanvoer gebeurt enerzijds door rechtstreeks contact tussen de verontreinigde lucht en oppervlakten. Dit noemen we droge depositie. Anderzijds kunnen polluenten via neerslag (regen, hagel, mist, sneeuwvlokken, …) op het oppervlak terecht komen. Dit noemen we natte depositie. De totale depositie is de som van de natte en droge depositie. Dioxines De verkorte aanduiding voor de polychloordibenzo-para-dioxinen (PCDD) en de polychloordibenzofuranen (PCDF) met 4 tot 8 chlooratomen per molecule. Er zijn 17 toxische dioxines waarvan het 2,3,7,8-tetrachloordioxine (2,3,7,8-TCDD) het meest bekende is. De dioxinewaarden die we tonen in dit rapport staan voor de som van de 17 toxische dioxines. Emissie De uitstoot van luchtverontreinigende stoffen door bronnen zoals bijvoorbeeld schoorstenen, uitlaat… Ferrometalen Metaal of legering waarvan het hoofdbestanddeel ijzer, kobalt en/of nikkel is. Ferrometalen zijn vaak magnetisch. Op die manier kunnen ze gescheiden worden van de andere metalen voor afvalverwerking. Glijdend gemiddelde Het glijdend gemiddelde van een tijdreeks visualiseert de algemene trend van een fenomeen met uitvlakking van de piekconcentraties. Het glijdend jaargemiddelde wordt als volgt berekend: Voor een tijdreeks X1, X2, X3, ... wordt het glijdend gemiddelde van de orde P berekend door de sequentie van de opeenvolgende rekenkundige gemiddelden.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 42 ● Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op gezondheid en ecosystemen
1 P
P
i =1
Xi ,
1 P
P +1
i =2
Xi ,
1 P
P+2
i =3
X i ,.......................,
1 P
P + k −1
X i =k
i
Als Xi maandgemiddelden zijn, dan wordt het glijdend gemiddeld van orde 12 – glijdend jaargemiddelde – berekend op basis van opeenvolgende reeksen van 12 data, bijvoorbeeld van januari 2010 tot december 2010, van februari 2010 tot januari 2011, enzovoort. De berekende waarden worden geassocieerd met de laatste maand zoals bijvoorbeeld december 2010, januari 2011, enzovoort. Grenswaarde Een niveau dat op basis van wetenschappelijke kennis is vastgesteld om schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu in zijn geheel te voorkomen, te verhinderen of te verminderen en dat binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt en, als het eenmaal is bereikt, niet meer mag worden overschreden. Immissieniveau De concentratie van een bepaalde stof in de omgevingslucht op een bepaalde plaats, als resultante van verschillende bronnen - inclusief natuurlijke - en meteorologische verspreidingskarakteristieken. Informatiedrempel Een niveau waarboven een kortstondige blootstelling een gezondheidsrisico inhoudt voor bijzonder kwetsbare bevolkingsgroepen en voor wie een onmiddellijke en toereikende informatievoorziening noodzakelijk is. Kritiek niveau Een luchtconcentratie die op basis van wetenschappelijke kennis wordt vastgesteld, waarboven directe ongunstige gevolgen kunnen optreden voor sommige receptoren, zoals bomen, andere planten of natuurlijke ecosystemen, maar niet voor de mens. Kritische last De maximaal toelaatbare depositie per eenheid van oppervlakte voor een bepaald ecosysteem zonder dat er – volgens de huidige wetenschappelijke kennis – verandering in de biodiversiteit optreedt op lange termijn. Luchtkwaliteitsnormen Doelstellingen voor de luchtkwaliteit die wettelijk zijn vastgelegd. Deze concentraties van polluenten – over een bepaalde periode van bijvoorbeeld 1 uur, 24 uur – mogen normaal gezien niet overschreden worden. Overschrijding van een luchtkwaliteitsnorm vraagt onmiddellijke actie zoals rapportering, reden opzoeken, en dergelijke. Mediaan van een reeks metingen De middelste waarde als alle waarden die uit de metingen bekomen werden in opklimmende volgorde, van de laagste tot de hoogste, worden gerangschikt. Dit houdt dus in dat er 50 % van de waarden kleiner zijn dan de mediaan en 50 % groter zijn dan de mediaan. Men spreekt dan ook van het 50ste percentiel.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Lexicon ● 43
Non-ferrometalen Metaal of legering waarvan het hoofdbestanddeel niet ijzer is (bijvoorbeeld koper, lood, aluminium, zink, brons en messing). Overschrijdingsmarge Het percentage van de grenswaarde waarmee deze onder de in de betreffende richtlijn vastgelegde voorwaarden kan worden overschreden. PAK’s De verkorte aanduiding voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen. Deze klasse van componenten, waarvan de structuur gebaseerd is op gecondenseerde benzeenkernen, behoort tot de groep luchtverontreinigende stoffen met hoge prioriteit omwille van hun kankerverwekkende en mutagene eigenschappen. Ze zijn in hoofdzaak afkomstig van verbrandingsprocessen van fossiele brandstoffen. Belangrijke bronnen zijn onder andere het verkeer, de gebouwenverwarming en de industriële verbrandingsprocessen voor energieproductie. Belangrijke PAK’s zijn fluorantheen, pyreen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(b)fluorantheen, benzo(j)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, dibenzo(a,h)antraceen, benzo(ghi)peryleen en indeno(1,2,3-cd)pyreen. PCB’s De verkorte aanduiding voor polychloorbifenylen. Er bestaan 209 verschillende PCB’s waarvan er 12 een dioxineachtige werking vertonen en een toxicologische equivalentiefactor (TEF) bezitten. PCB126 is de meest toxische verbinding waarbij de TEF gelijk is aan 0,1. De PCB-waarden die we tonen in dit rapport staan voor de som van de 12 dioxineachtige PCB’s. Percentiel P Die waarde waarbij P % van het totaal aantal meetwaarden lager zijn en (100-P %) van de waarden hoger zijn. Het 98ste percentiel bijvoorbeeld is die waarde waarbij 98 % van de meetwaarden lager zijn en 2 % van de waarden hoger zijn. De percentielen worden meestal berekend over relatief lange perioden zoals bijvoorbeeld 6 maanden of 1 jaar.
X 1 X 2 X 3 .... X k ... X ( N −1) X N pg TEQ De toxiciteit van dioxinen en PCB’s wordt uitgedrukt ten opzichte van 2,3,7,8-tetrachloordioxine, de meest bekende dioxine, in picogram Toxicologische Equivalenten, rekening houdend met toxicologische equivalentiefactoren. Picogram Een miljoenste van een miljoenste gram, ofwel 10-12 gram. PM2,5-fractie Particulate matter kleiner dan 2,5 µm. Wettelijk gezien gaat het om stofdeeltjes die bemonsterd worden met een PM2,5 gravimetrische bemonsteraar. Om een toetsing aan de Europese normen die gebaseerd zijn op gravimetrische analyses te kunnen doorvoeren, worden de PM2,5-resultaten van de automatische monitoren indien nodig omgerekend met een kalibratieconstante.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 44 ● Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op gezondheid en ecosystemen
PM10-fractie Particulate matter kleiner dan 10 µm. Om een toetsing aan de Europese normen die gebaseerd zijn op gravimetrische analyses te kunnen doorvoeren, worden de PM10-resultaten van de automatische monitoren indien nodig omgerekend met een kalibratieconstante. Pollutieroos Figuur die de gemiddelde concentratie van een luchtverontreinigende stof toont per windrichting. Elk segment van een pollutieroos wijst in de richting van herkomst van de overeenkomstige wind, zodat de grootste segmenten wijzen in de windrichting met de hoogste concentratie. ppb Parts per billion. Deeltje per miljard; dit is de meeteenheid die de concentratie van polluenten aanduidt in eenheid van volume per eenheid van volume. 1 ppb van een polluent X is gelijk aan 1 volumedeel in een mengsel van 1.109 volumedelen, met andere woorden 1 mm³ van polluent X is aanwezig in 1 m³ omgevingslucht. Precursor Polluent waaruit achteraf door atmosferische reacties secundaire polluenten ontstaan. Rekenkundig gemiddelde Som van de waarden die bij de metingen werden opgetekend, gedeeld door hun aantal. Streefwaarde Een concentratieniveau van een verontreinigende stof in de lucht dat is vastgesteld om schadelijke effecten voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu in zijn geheel op lange termijn te vermijden, en dat zoveel mogelijk binnen een gegeven periode moet worden bereikt. Temperatuursinversie Tijdens bepaalde atmosferische omstandigheden is de luchttemperatuur van de hogere luchtlagen hoger dan deze van de onderste luchtlagen. In plaats van af te nemen met de hoogte, zal de temperatuur van de lucht dus eerst toenemen ter hoogte van de thermische inversielaag. De luchtlagen met de grootste dichtheid bevinden zich dan tegen de bodem zodat de verontreinigende stoffen zich niet naar de hogere atmosferische luchtlagen verspreiden, maar zich opstapelen in de lager gelegen luchtlagen. Toxische equivalentiefactor (TEF) Eenheid waarmee verschillende dioxines en PCB’s qua giftigheid met elkaar kunnen vergeleken worden. Toxische equivalentie (TEQ) Totale toxiciteit van een mengsel van dioxines en PCB’s. VOS De verkorte aanduiding voor vluchtige organische stoffen. Dit zijn organische stoffen van antropogene en biogene bronnen, uitgezonderd methaan, die onder invloed van zonlicht door reactie met stikstofoxiden fotochemische oxidanten kunnen produceren.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Lexicon ● 45
x-mean (virtueel station) Tijdens de dataverwerking wordt een imaginaire meetplaats gecreëerd dat voor elk halfuur de gemiddelde waarde aanneemt van de meetresultaten van alle meetplaatsen. De ‘x-mean’ meetplaats is dus als dusdanig geen ruimtelijk gemiddelde halfuurwaarde van een polluent over Vlaanderen. Het laat wel toe alle statistische grootheden van een bepaalde meetplaats te evalueren ten opzichte van de volledige groep van meetplaatsen die door x-mean wordt vertegenwoordigd. Zuurequivalent (Zeq) Een Zeq is een eenheid om de verzuringsgraad van verontreinigende stoffen te meten en komt overeen met 1 mol waterstofionen. Eén mol zwaveldioxide kan 2 mol waterstofionen vrijgeven, wat overeenkomt met een verzurend effect van 2 equivalenten. Eén mol stikstofoxiden en ammoniak kunnen elk 1 mol waterstofionen vrijstellen en komen beide overeen met 1 zuurequivalent. Eén zuurequivalent komt dus overeen met 32 gram zwaveldioxide, 46 gram stikstofoxiden of 17 gram ammoniak. µg/m³ Microgram per kubieke meter. Meeteenheid die de concentratie van polluenten aanduidt, uitgedrukt in een miljoenste deel van een gram in een kubieke meter omgevingslucht, dus in eenheid van massa per eenheid van volume. Luchtconcentraties voor gasvormige verontreinigde stoffen worden niet uitgedrukt per volume omgevingslucht, maar worden – volgens 2008/50/EG, Bijlage VI, C – gestandaardiseerd naar een temperatuur van 293 K en een atmosferische druk van 1013 hPa. Dit wordt soms ook aangeduid als µg/Nm3. Zie ook de tabel hieronder met omrekening van ppb naar µg/m3 (in feite van ppbv naar µg/Nm3). Omrekeningsfactoren ppb naar µg/m³ bij 293 K en 1.013 mbar voor SO2, NO2, NO en O3 polluent SO2 NO2 NO O3
omrekeningsfactor ppb → µg/m³ 2,66 1,91 1,25 2,00
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 46 ● Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op gezondheid en ecosystemen
Afkortingenlijst Meeteenheden mg/m³ µg/m³ µg/(m².dag) ng/m³ pg/m³ pg TEQ/(m².dag) kg N/(ha.jaar) Zeq/(ha.jaar)
10-3 gram per kubieke meter 10-6 gram per kubieke meter 10-6 gram per vierkante meter per dag 10-9 gram per kubieke meter 10-12 gram per kubieke meter 10-12 gram uitgedrukt in toxische equivalent per vierkante meter per dag kilogram stikstof per hectare per jaar zuurequivalent per hectare per jaar
Afkortingen 3D-ED-XRF a.d. AOTxxppb As ANB AZG B(a)P Be Belac Benelux BPF BTEX CAMP Cd CFK CH4 Co CO CO2 COPD COPERT Corinair Cr Cu DD DO3SE DON EC EEA EISSA-B
3 dimensionale-energie dispersieve-X-stralen fluorescentie Aerodynamische diameter Accumulated exposure over a Threshold of xx ppb Arseen Agentschap Natuur en Bos Agentschap Zorg en Gezondheid Benzo(a)pyreen Beryllium Belgische accreditatie-instelling België, Nederland en Luxemburg Belgische Petroleum Federatie Benzeen, tolueen, ethylbenzeen en xyleenisomeren Comprehensive Atmospheric Monitoring Program Cadmium Chloorfluorkoolstof Methaan Kobalt Koolstofmonoxide Koolstofdioxide Chronisch obstructief longlijden Computer Program Emissions Road Transport Core Inventory Air Emissions Chroom Koper Droge depositie Deposition of O3 for stomatal exchange Dissolved Organic Nitrogen (opgeloste organische stikstof) Elementair koolstof European Environment Agency Emission Inventory Support System Air-Buildings
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Afkortingenlijst ● 47
EKG EMA EMAV EMEP EMMOL EMMOSS EU Fe GBI GGBI H HCB Hg HZ IARC IFA IFDM IFDM-EMIAD ILVO IMJV K KMI LTD LTO MAP MINA-plan MIRA Mn N ND NEC NETxxppb NH3 NH4+ NHx Ni NMVOS NO NO2NO2 NO3NOx NOy O3 OC OESO
Departement Omgeving, Afdeling Energie, Klimaat en Groene Economie Europees Milieuagentschap EmissieModel Ammoniak Vlaanderen European Monitoring and Evaluation Programme Emissie Model Luchtvaart Emissie Model Spoorverkeer Scheepvaart Europese Unie IJzer Gemiddelde blootstellingsindex Gewestelijke gemiddelde blootstellingsindex Waterstof Hexachloorbenzeen Kwik Halogeenzuren International Agency for Research on Cancer International Fertilizer Association Immissie Frequentie Distributie Model Immission Frequency Distribution Model - Emission, Meteorology, Immission Antwerp Daily Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek Integraal Milieujaarverslag Kalium Koninklijk Meteorologisch Instituut van België Langetermijndoelstelling Landing and take off MestActiePlan Milieubeleidsplan Milieurapport Vlaanderen Mangaan Stikstof Natte depositie National Emissions Ceilings Number of Exceedances of a Threshold of xx ppb Ammoniak Ammonium Gereduceerd stikstof Nikkel Niet-methaan vluchtige organische stoffen Stikstofmonoxide Nitriet Stikstofdioxide Nitraat Stikstofoxiden (NO en NO2) Geoxideerd stikstof Ozon Organische koolstof Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 48 ● Jaarrapport Lucht – Effecten van luchtvervuiling op gezondheid en ecosystemen
OFFREM OM OZ P PAK’s PAN PAS Pb PCB’s PCDD PCDF PM PM10 PM2,5 PODY RIO-CORINE RIO-IFDM RIVM Sb SCR Se Smog SO2 SO42SOx TEF TEQ Th TNC TSP UAN UFP V VCM VITO VLAREM VLM VLOPS VMM VOS WGO WKK Zeq Zn
Off Road Emissie Model Organische massa Organische zuren Fosfor Polycyclische aromatische koolwaterstoffen Peroxyacetylnitraat Programmatische aanpak stikstof Lood Polychloorbifenylen Polychloordibenzo-p-dioxines Polychloordibenzofuranen Particulate matter (fijn stof) Deeltjes met een diameter kleiner dan 10 µm Deeltjes met een diameter kleiner dan 2,5 µm Phytotoxic ozone dose (geaccumuleerde stomatale opname van ozon boven een drempelwaarde Y) Residual Interpolation optimised for Ozone + Coordination of Information on the Environment Residual Interpolation optimized for Ozone + Immission Frequency Distribution Model Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Nederland) Antimoon Selective Catalytic Reduction Seleen Smoke + fog Zwaveldioxide Sulfaat Geoxideerd zwavel (SO2 en SO42-) Toxische equivalentiefactor Toxische equivalenten Thallium Total number concentration (totale aantalconcentratie) Total suspended particulate Ureum ammoniumnitraat Ultrafine particles (ultrafijne deeltjes) Vanadium Vlaams Coördinatiecentrum Mestverwerking
Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning Vlaamse Landmaatschappij Vlaams Operationeel Prioritaire Stoffen-model Vlaamse Milieumaatschappij Vluchtige organische stoffen Wereldgezondheidsorganisatie Warmtekrachtkoppeling Zuurequivalenten Zink
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Afkortingenlijst ● 49
Vlaamse Milieumaatschappij Dokter De Moorstraat 24-26 9300 Aalst www.vmm.be