Skip to main content

2010 06 01 Jaarverslag PDPO 2009_v4 4.pdf

Page 1

Programma voor Plattelandsontwikkeling Vlaanderen 2007-2013 Jaarverslag 2009

Departement Landbouw en Visserij afdeling Monitoring en Studie

Michael Van Zeebroeck Ellen Maertens


Programma voor Plattelandsontwikkeling Vlaanderen 2007-2013, Jaarverslag 2009 Michael Van Zeebroeck, Ellen Maertens juni 2010 Depotnummer: D/2010/3241/295

Departement Landbouw en Visserij Afdeling Monitoring en Studie Ellipsgebouw (6de verdieping) Koning Albert II - laan 35, bus 40 1030 Brussel Tel. 02 552 78 24 - Fax 02 552 78 21 e-mail: ams@vlaanderen.be Vermenigvuldiging of overname van gegevens zijn toegestaan mits de bron expliciet vermeld wordt:

Van Zeebroeck M., Maertens E. (2010) Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling 2007-2013, Jaarverslag 2009, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Graag vernemen we het als u naar dit rapport verwijst in een publicatie. Als u een exemplaar ervan opstuurt, nemen we het op in onze bibliotheek. Wij doen ons best om alle informatie, webpagina's en downloadbare documenten voor iedereen maximaal toegankelijk te maken. Indien u echter toch problemen ondervindt om bepaalde gegevens te raadplegen, willen wij u graag hierbij helpen. U kan steeds contact met ons opnemen. Wilt u op de hoogte gehouden worden van onze nieuwste publicaties, schrijf u dan in op de AMS-nieuwsflash via de onderstaande link: http://www.vlaanderen.be/landbouw/studies


Programma voor Plattelandsontwikkeling Vlaanderen 2007-2013 Jaarverslag 2009


4

Conform artikel 78, d) van Verordening (EG) nr. 1698/2005 werd dit jaarverslag 2009 door het ToezichtcomitĂŠ onderzocht en goedgekeurd, alvorens het aan de Europese Commissie werd overgemaakt.


5

Inhoudsopgave VOORWOORD..................................................................................................................................................... 6 LEESWIJZER....................................................................................................................................................... 7 1

ALGEMENE OMSTANDIGHEDEN........................................................................................................ 8

2

PROGRAMMA MANAGEMENT ............................................................................................................ 9 2.1 2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.4

3

TOEZICHT EN EVALUATIE...................................................................................................................... 9 BEHEER VAN HET PROGRAMMA .......................................................................................................... 10 TECHNISCHE BIJSTAND ....................................................................................................................... 11 Algemeen....................................................................................................................................... 11 Vlaams Ruraal Netwerk ................................................................................................................ 12 VOORLICHTING EN PUBLICITEIT .......................................................................................................... 15

ONGOING EVALUATION ..................................................................................................................... 16 3.1 INLEIDING ........................................................................................................................................... 16 3.2 HET SYSTEEM VOOR EVALUATIE TIJDENS DE UITVOERING .................................................................. 16 3.3 DE ONDERNOMEN EVALUATIEACTIVITEITEN....................................................................................... 18 3.3.1 Indicatoren voor het opvolgen van de hoge natuurwaarden op landbouwgrond in het kader van de PDPO-monitoring. Finaliseren van een verkennende analyse. .............................................................. 18 3.3.2 PDPO II-impact op biodiversiteit ................................................................................................. 18 3.3.3 Thematische studie betreffende agrobiodiversiteit........................................................................ 19 3.3.4 Thematische studie betreffende de afbakening van Less Favoured Area met natuurlijke handicaps in Vlaanderen .............................................................................................................................................. 19 3.3.5 Achtergrondstudie bij de subsidies voor de biologische land- en tuinbouw in Vlaanderen.......... 19 3.3.6 Analyse van en optimaliseren van de werking van het bedrijfsadviessysteem (BAS).................... 19 3.3.7 Waterkwaliteit: lopende onderzoeksprojecten in het kader van de nitraatrichtlijn....................... 20 3.3.8 Milieueffecten van investeringen................................................................................................... 21 3.4 DATAVERZAMELING ........................................................................................................................... 21 3.4.1 PDPO II-indicatorendatabank: webservice .................................................................................. 21 3.4.2 PDPO II-indicatorendatabank: lasten uit het verleden ................................................................ 22 3.4.3 Indicatoren .................................................................................................................................... 22 3.4.4 Capaciteitsopbouw aangaande resultaat- en impactindicatoren .................................................. 22 3.5 NETWERKACTIVITEITEN VAN DE MENSEN DIE BETROKKEN ZIJN BIJ EVALUATIE ................................. 23

4

PDPO INDICATOREN 2009 ................................................................................................................... 24 4.1 4.2 4.3 4.3.1 4.3.2 4.4 4.4.1 4.4.2 4.4.3 4.4.4

ALGEMEEN ......................................................................................................................................... 24 INTERPRETATIE ................................................................................................................................... 24 FINANCIËLE INDICATOREN .................................................................................................................. 24 Overzicht uitgaven ........................................................................................................................ 24 Overzicht terugvorderingen .......................................................................................................... 33 INDICATOREN PER AS .......................................................................................................................... 34 As 1 – Verbetering van het concurrentievermogen ....................................................................... 34 As 2 – Verbetering van het milieu en het platteland...................................................................... 58 As 3 – De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie ............... 80 As 4 –Leader ................................................................................................................................. 90

5

SAMENVATTING .................................................................................................................................... 93

6

REFERENTIES......................................................................................................................................... 96

7

LIJST AFKORTINGEN........................................................................................................................... 97

8

LIJST CONTACTPERSONEN ............................................................................................................... 98

9

LIJST ARTIKEL 82................................................................................................................................ 100

10

BIJLAGE 1: LIJST AANGEPASTE TARGETS ................................................................................. 101

11 BIJLAGE 2: TIJDREEKS VAN AANTAL CONTRACTEN, AREAAL EN UITGAVEN VAN DE AGROMILIEUMAATREGELEN .................................................................................................................. 104 12

BIJLAGE 3: INDICATORENTABELLEN (EXCEL)......................................................................... 107


6

Voorwoord

Het jaarverslag 2009 van het Programma voor Plattelandsontwikkeling Vlaanderen 20072013 (PDPO II) is een feit. Dit is het 3e jaarverslag van het PDPO II, een programma dat in 2007, met instemming van de Europese Commissie, uit de startblokken ging. Het rapport bevat opnieuw heel wat cijfermateriaal, in de vorm van op Europees niveau gedefinieerde indicatoren, voor u verduidelijkt aan de hand van figuren en tabellen. Voor de gebiedsgerichte werking van as 3 werden voor het eerst de resultaatindicatoren opgenomen. Voor de maatregelen die via het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds uitgevoerd worden werden een aantal kaderstukken opgenomen die wat dieper ingaan op de betreffende maatregelen. De coördinatie voor de opmaak van dit jaarverslag werd toevertrouwd aan de afdeling Monitoring en Studie (AMS) van het Departement Landbouw en Visserij. Een belangrijke bijdrage werd eveneens geleverd door de Coördinerende Cel Europees Plattelandsbeleid. Aan de totstandkoming van dit jaarverslag kwam heel wat voorbereidend werk te pas. De bijdrage van sleutelpersonen in de Beheersdiensten van het beleidsdomein Landbouw en Visserij en van het beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie was onontbeerlijk voor het aanleveren van het nodige cijfermateriaal. Mijn dank gaat dan ook uit naar de betrokken medewerkers van de respectievelijke beheersdiensten en het Vlaams Betaalorgaan.

Ik wens u veel leesplezier. Jules Van Liefferinge Secretaris-generaal Departement Landbouw en Visserij Voorzitter Uitvoeringscomité PDPO


7

Leeswijzer

Onderhavig rapport geeft een beeld van het derde jaar van uitvoering van het Programma voor Plattelandsontwikkeling Vlaanderen 2007-2013 (PDPO II) dat bij beschikking C(2007)5555 van 13 november 2007 door de Europese Commissie werd goedgekeurd. Hoe een jaarverslag er moet uitzien en wat er allemaal in hoort, staat te lezen in de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82 punt 2 a) tot g) en werd in detail uitgewerkt in de EU-Guidelines (European Commission, 2007a). In feite komen de bepalingen van de EU-plattelandsverordening voor het jaarverslag neer op een kwantitatieve rapportering aan de hand van door de Europese Commissie vastgelegde indicatoren (artikel 82, punt 2 b) en een beschrijving van de uitvoeringsomstandigheden, de stand van zaken betreffende de werkzaamheden aan monitoring en evaluatie en de genomen maatregelen door de beheersautoriteit en het ToezichtcomitĂŠ om tot een goede programmauitvoering te komen (alle andere onderdelen van artikel 82 punt 2). Waar van toepassing, werd in een kaderstukje de betreffende bepaling van artikel 82 opgenomen (overzicht met paginering in bijlage). De door de Europese Commissie gevraagde indicatorentabellen (European Commission, 2007b) vormen een bijlage van dit rapport. De belangrijkste kengetallen worden in het rapport nader toegelicht aan de hand van figuren en tabellen.


8

1

Algemene omstandigheden Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82, 2 a) elke verandering van de algemene omstandigheden die een rechtstreekse invloed heeft op de voorwaarden voor de uitvoering van het programma, en elke wijziging van het communautaire en nationale beleid dat gevolgen heeft voor de coherentie tussen de bijstand van het ELFPO en die van de andere financieringsinstrumenten;

In 2009 werd een nieuwe Vlaamse regering samengesteld. Op 26 oktober 2009 heeft de heer Kris Peeters, minister-president van de Vlaamse regering en Vlaams minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid, de beleidsnota 2009-2014 ingediend in het Vlaams Parlement. In de beleidsnota is weergegeven dat PDPO II onverkort zal uitgevoerd worden en dat het voorziene budget optimaal gebruikt zal worden om de problemen waar de landbouwers en het platteland mee geconfronteerd worden, te verhelpen. Eveneens worden de wijzigingen in het kader van de Health Check en het Economisch Herstelplan aangekondigd. In 2012 zal de voorbereiding opgestart worden voor de opmaak van PDPO III. Hierbij zal de midterm evaluatie, die in 2010 wordt uitgevoerd, een zeer nuttige leidraad zijn. Ten slotte worden ook nieuwe evaluatie-initiatieven aangekondigd, zoals de evaluatie van de milieu-impact van het VLIF en de agromilieumaatregelen.

In 2009 werden een aantal wijzigingen aan het programma doorgevoerd. De wijziging die bij de EC officieel was ingediend op 4 november 2008 werd door de EC goedgekeurd op 13 maart 2009 bij beschikking C(2009)1662. De wijziging die op 16 december 2008 werd ingediend via de notificatieprocedure, werd goedgekeurd door de EC op 4 mei 2009. In 2009 werd twee maal een wijziging aan het PDPO II ingediend bij de EC: 1) De Health Check en het Economisch Herstelplan Met deze wijziging komt 29.507.430 euro (ELFPO) extra ter beschikking van het PDPO II. Het budget wordt gebruikt voor de maatregelen 121, 123, 214 en 311 voor zover ze passen binnen de vooropgestelde prioriteiten klimaat, hernieuwbare energie, biodiversiteit, waterbeheer en herstructurering zuivelsector. Er werd tevens een nieuwe agromilieumaatregel (verwarringstechniek in pitfruitteelt) uitgewerkt, die vanaf 2010 van toepassing zal zijn. Van het totale budget werd 1.110.000 euro al in 2009 ter beschikking gesteld. Tegelijkertijd werden ook een aantal wijzigingen ingediend, met name: - het verhogen van de maximale vestigingssteun van 55.000 naar 70.000 euro (maatregel 112) - het voorzien van nieuwe maatregelen voor de paardenhouderij (321-B en 331-B) - overheveling van budgetten binnen As 1 Al deze wijzigingen werden officieel ingediend op 14 juli 2009. Na opmerkingen van de Commissie werd een aangepaste versie ingediend op 19 november 2009. De wijzigingen werden via notificatie goedgekeurd door de EC op 10 december 2009.


9 De wijzigingen ten gevolge van de Health Check en Economisch Herstelplan werden door de EC goedgekeurd op 11 december 2009 via beschikking C(2009)1662. 2) Een wijziging categorie c aan maatregel 114 (BAS). Op 27 november 2009 werd een wijziging ingediend aan de maatregel 114 (BAS) via de notificatieprocedure. Deze wijziging werd goedgekeurd op 27 januari 2010.

2

Programmamanagement Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82, 2f) een verklaring over de inachtneming van het communautaire beleid in het kader van de bijstand, inclusief informatie over de ondervonden problemen en over de maatregelen die zijn genomen om deze aan te pakken

Alle communautaire voorschriften op het gebied van mededinging, de plaatsing van overheidsopdrachten, milieubescherming en -verbetering, de bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen en non-discriminatie werden in acht genomen. Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82, 2e) de maatregelen die de beheersautoriteit en het toezichtcomité hebben genomen om de kwaliteit en de doeltreffendheid van de uitvoering van het programma te waarborgen, en met name: - de activiteiten op het gebied van toezicht en evaluatie; - een samenvatting van de grote problemen die bij het beheer van het programma zijn ondervonden, en de maatregelen die eventueel, al dan niet naar aanleiding van overeenkomstig artikel 83 gemaakte opmerkingen, zijn genomen; - het gebruik van technische bijstand; - de maatregelen die zijn genomen om overeenkomstig artikel 76 bekendheid aan het programma te geven;

2.1

Toezicht en evaluatie

Het Toezichtcomité vergaderde op 10 juni 2009. Volgende punten stonden op de agenda: 1. Goedkeuring van het verslag van het Toezichtcomité van 14 oktober 2008 2. Programmawijziging in het kader van de Health Check van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en het Europees Economisch Herstelplan 3. Jaarverslag PDPO II 2008 In de loop van november 2009 werd het wijzigingsvoorstel voor maatregel 114 (BAS) voorgelegd aan het Toezichtcomité via een schriftelijke procedure. Door het aantreden van een nieuwe Vlaamse Regering in 2009, moest ook het Toezichtcomité opnieuw samengesteld worden.


10 Op 9 oktober 2009 werd het Besluit van de Vlaamse Regering houdende wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 april 2007 tot oprichting en samenstelling van het Toezichtcomité ter implementatie van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling voor de periode 2007-2013 goedgekeurd. Op 1 september heeft de CCEP de nieuwe kabinetten aangeschreven met de vraag om een effectief en een plaatsvervangend lid af te vaardigen voor het Toezichtcomité. Het ministerieel besluit van 21 juni 2007 tot benoeming van de leden van het Toezichtcomité ter implementatie van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling voor de periode 2007-2013 zal worden gewijzigd, van zodra alle voordrachten zijn gebeurd.

2.2

Beheer van het programma

Het uitvoeringscomité PDPO II vergadert op maandelijkse basis. In het uitvoeringscomité zijn de beheersautoriteit (CCEP) en alle beheersdiensten vertegenwoordigd alsook het Betaalorgaan, de interne audit, de Inspectie van Financiën, het Vlaams Ruraal Netwerk en de afdeling Monitoring en Studie, die de monitoring en evaluatie van het PDPO opvolgt. De vergaderingen in 2009 vonden plaats op: 14 januari, 16 februari, 2 april, 12 mei, 22 juni, 20 oktober, 17 november en 15 december. Vaste onderwerpen op de agenda zijn: - verslaggeving Rural Development Committee - briefing door en afspraken met het Betaalorgaan - mededelingen vanuit CCEP - Vlaams Ruraal Netwerk - monitoring en evaluatie Deze agenda wordt aangevuld met onderwerpen die op dat moment actueel zijn en bijzondere aandacht vragen, zoals de Health Check wijzigingen, de controlestatistieken, … Grote problemen met betrekking tot de uitvoering van PDPO II waren er niet in 2009. Het jaarlijkse overleg tussen de Europese Commissie en de beheersautoriteit, zoals voorgeschreven door Verordening 1698/2005 heeft plaatsgevonden op 19 januari 2010. De agendapunten waren: - nationaal strategisch plan - voortgang programma - beheer en monitoring - jaarverslag 2008 - wijzigingen programma - ruraal netwerk Het verslag werd opgemaakt door de EC en toegestuurd op 19 februari 2010. Er werd met voldoening akte genomen van de gemaakte vooruitgang in het vervolledigen van de waarden voor de verschillende voorziene indicatoren in het gemeenschappelijk toezicht- en evaluatiekader. Er werd aangemoedigd om enkele ontbrekende gegevens verder aan te vullen. Er werd eveneens gevraagd om meer oog te hebben voor het feit dat het beschrijvend gedeelte van het jaarverslag en de monitoringtabellen als één geheel beschouwd dienen te worden.


11

2.3

Technische bijstand

2.3.1 Algemeen In het PDPO II zijn er binnen het onderdeel technische bijstand twee maatregelen: - algemene technische bijstand - ruraal netwerk Tabel 1 Overzicht betalingen technische bijstand in 2009 Betalingen 2009(EUR) ELFPO Vlaams Gewest Overheidssteun Algemene technische bijstand 1.1 voorbereiding 0,00 0,00 0,00 1.2 beheer 4.322,92 4.322,90 8.645,82 1.3 toezicht 0,00 0,00 0,00 1.4 evaluatie 163.769,61 163.769,52 327.539,13 1.5 voorlichting 2.430,75 2.430,75 4.861,50 1.6 controle m.b.t. verleende bijstand 0,00 0,00 0,00 1.7 provincies 71.428,60 71.428,55 142.857,15 totaal algemene technische bijstand 241.951,88 241.951,72 483.903,60 ruraal netwerk 2.1 beheer 5.566,28 5.566,28 11.132,56 2.2 uitvoering actieplan 66.601,63 66.601,53 133.203,16 totaal ruraal netwerk 72.167,91 72.167,81 144.335,72 Algemeen totaal 314.119,79 314.119,53 628.239,32

Binnen deze maatregel kaderen centrale uitgaven op het gebied van voorbereiding, beheer, toezicht, evaluatie, voorlichting van de beheersautoriteit. Beheer Het vermelde bedrag is de loonkost van de contractuele beleidsmedewerker plattelandsontwikkeling die werkzaam was binnen de CCEP van september 2008 - januari 2009. Evaluatie De uitgaven hebben betrekking op: - de eindbetaling voor de ex-post evaluatie van het PDPO I, die in 2008 werd uitgevoerd - de loonkosten voor de beleidsondersteuner plattelandsontwikkeling die instaat voor de monitoring en evaluatie van PDPO II. Voorlichting In 2009 werden volgende instrumenten uitgewerkt: - een Engelstalige brochure over het PDPO II - een folder over de communicatieverplichting voor begunstigden. Provincies De provincies staan in voor de uitvoering en begeleiding van de gebiedsgerichte werking en ontvangen hiervoor een financiĂŤle bijdrage.

Beheer Vlaams Ruraal Netwerk


12 Het bedrag is een deel van de loonkost van de coördinator van het Vlaams Ruraal Netwerk. Actieplan Vlaams Ruraal Netwerk De betalingen in 2009 hadden voornamelijk betrekking op: - personeelskosten: deel loonkost van coördinator en de volledige loonkost van ondersteuner die vanaf 1 juli 2009 actief is binnen het Vlaams Ruraal Netwerk) - onderhoud van de website www.ruraalnetwerk.be - kosten verbonden aan studiedagen en excursies - publicaties - promotiemateriaal (balpennen, schrijfblokken) - netwerking (o.m. meetings buitenland)

2.3.2 Vlaams Ruraal Netwerk Op basis van de interne evaluatie van het werkjaar 2008 werkte het Vlaams Ruraal Netwerk in 2009 rond twee speerpunten: o Het Vlaams Ruraal Netwerk stelde een asoverschrijdende benadering van het PDPO II centraal. Dé meerwaarde van de werking van het Vlaams Ruraal Netwerk ligt namelijk in het samenbrengen van plattelandspartners over de grenzen van de maatregelen en assen heen. o Het Vlaams Ruraal Netwerk spitste zich ook toe op het bevorderen van de kruisbestuiving tussen de verschillende plattelandspartners, en met name tussen de verschillende beheersdiensten van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling 2007-2013. Deze doelstellingen werden in en met behulp van drie grote pijlers uitgewerkt: organisatie, communicatie en ondersteuning. De belangrijkste krachtlijnen vindt u hieronder terug – voor verslagen en foto-impressies kan de website (http://www.ruraalnetwerk.be) geraadpleegd worden.

2.3.2.1

Organisatie

2.3.2.1.1 Studiedagen Het Vlaams Ruraal Netwerk organiseerde vier studie- en informatiedagen. Twee hiervan hadden een algemeen asoverschrijdend thema. Een derde studiedag had het “Vlaams Landbouwinvesteringsfonds” als onderwerp en een vierde bijeenkomst was gericht op het faciliteren van samenwerking tussen de Vlaamse en Waalse Leadergroepen. De eerste studiedag (9 januari 2009) ging door op de landbouwbeurs Agriflanders. De studiedag met als titel “Het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF): ten dienste van landen tuinbouw” werd gewaardeerd door de ruim 200 aanwezigen. Tezelfdertijd werd de publicatie “De zichtbare hand aan de ploeg…” aan het grote publiek voorgesteld. Op 17 juni 2009 werd de tweede studiedag georganiseerd. Het thema was “Op naar een duurzaam Vlaams Platteland” en bestond enerzijds uit een excursie naar twee melkveebedrijven (voormiddag) en anderzijds uit een workshop (namiddag).


13 “Foire à la Coopération – Samenwerkingsbeurs”, onze derde studiedag, was bedoeld voor de Vlaamse en Waalse Leadergroepen en werd in samenwerking met Réseau Rural Wallon georganiseerd op 28 oktober 2009. Tijdens deze eerste kennismaking werd veel informatie uitgewisseld en werden thematische ronde tafelgesprekken georganiseerd. De vierde studiedag van 2009 (“Ruraal erfgoed: knelpunten en kansen”) ging op 3 december door tijdens de landbouwbeurs Agribex. In het gezelschap van circa 90 personen hoorden we verschillende visies over het rurale erfgoed op het Vlaamse platteland.

2.3.2.1.2 Vormingsmomenten Tijdens het werkjaar 2008 gaven de coördinatoren van As 3 en 4 aan dat ze nood hadden aan vorming en ondersteuning. Het Vlaams Ruraal Netwerk werkte in het voorjaar van 2009, in samenwerking met AgO (Agentschap voor Overheidspersoneel van de Vlaamse overheid) drie voorstellen van op maat te maken leertrajecten uit (één bestaande uit drie modules inzake Belanghebbendenmanagement, een ingekort traject met slechts twee modules en een minimaal traject met enkel masterclasses). Bij aftoetsing met de coördinatoren bleek dat ze hier geen interesse voor hadden. Hierdoor werd het idee aan de kant geschoven. Het verspreiden van algemene en specifieke informatie gebeurde dan ook enkel via de organisatie van studiedagen (zie hoger) en via diverse publicaties (zie onder).

2.3.2.1.3 Studiebezoeken/uitwisseling In 2009 organiseerde het Vlaams Ruraal Netwerk diverse binnenlandse studiebezoeken. Eén van deze excursies werd ingericht voor de buitenlandse collega’s van de Rurale Netwerken en het Europees Netwerk voor Plattelandsontwikkeling (31 maart – zie onder). Een andere excursie vond plaats tijdens de ochtendlijke sessie van de studiedag rond duurzaamheid (17 juni – zie hoger). Een derde uitwisseling, specifiek gericht op de Leadergroepen, vormde het centraal thema van de studiedag die samen met het Réseau Rural Wallon werd georganiseerd (zie hoger). Hierbij werden echter geen projecten bezocht. Ten slotte organiseerde het Vlaams Ruraal Netwerk in samenwerking met het Plattelandsloket van de Provincie Oost-Vlaanderen op 29 september een excursie naar Oost-Vlaamse plattelandsprojecten. Hieraan namen 50 personen deel. Buitenlandse excursies werden niet georganiseerd.

2.3.2.1.4 Kennismarkten/ervaringsplatforms Om de bekendheid van het Vlaams Ruraal Netwerk en de maatregelen van het PDPO II binnen de Vlaamse administratie te verhogen, werd in 2009 gestart met de organisatie van ‘interne informatiemomenten’, gekoppeld aan de vergaderingen van het Uitvoeringscomité van het PDPO II. Hierbij werd de naam ‘kennismarkt’ vervangen door de term ‘Ervaringsplatform’ – hetgeen de uitwisseling van kennis en ervaring centraal stelt. Hiervoor worden steeds een vertegenwoordiger van de beheersdienst, een eventuele tussenpersoon en een ervaringsdeskundige aan het woord gelaten. In 2009 werden er twee edities gehouden: op een eerste ervaringsplatform (22 juni) lichtten sprekers uit As 3 en 4 van het PDPO II hun werking toe. Tijdens een tweede editie (17 november) werd de maatregel “Bedrijfsadviessysteem voor land- en tuinbouwers” uit de doeken gedaan.


14

2.3.2.2

Communicatie

2.3.2.2.1 Website: http://www.ruraalnetwerk.be In 2009 werd de website van het Vlaams Ruraal Netwerk inhoudelijk en structureel onder handen genomen. In totaal werd de inhoud van de website meer dan wekelijks aangevuld of aangepast. De 71.228 individuele bezoekers, in stijgende lijn in de loop van het jaar, tonen aan dat de bekendheid van de website steeds aangroeit.

2.3.2.2.2 Publicaties In 2009 werd gekozen voor een asoverschrijdende benadering van de driemaandelijkse nieuwsbrieven. Waar mogelijk werd dit thema gelinkt aan een studiedag of overlegmoment. Deze verhoogt op zich al de aantrekkelijkheid van de nieuwsbrieven, omdat men dan gemakkelijk eens ‘om het hoekje kan kijken’. De thema’s waren respectievelijk: duurzaamheid, innovatie en creativiteit, ruraal erfgoed, kansen van de stad. Het aantal abonnementen op deze nieuwsbrieven kende in 2009 een lichte stijging. Begin 2009 verscheen de brochure “De zichtbare hand aan de ploeg: innovatie en overheidsinvesteringen in de landbouw en agrovoedingssector in Vlaanderen (19de eeuw – heden)”in het kader van de studiedag rond het (Vlaams) Landbouwinvesteringsfonds. Hiernaast werden geen eigen publicaties meer uitgegeven maar werd enkel meegewerkt aan andere communicatiemiddelen: o artikel “Boosting rural skill-bases in Belgium”, in samenwerking met Réseau Rural Wallon (Rur@l News – Newsletter for the ENRD – December 2009, 7, p. 4) o bijdragen aan de brochure “Land- en tuinbouwer als voedselproducent” (Beleidsdomein Landbouw en Visserij – publicatie in het kader van Agribex 2009), agenda 2010 (Beleidsdomein Landbouw en Visserij) Eind 2009 lanceerde het Vlaams Ruraal Netwerk een grootschalige tevredenheidsenquête, gericht naar alle stakeholders. De resultaten van deze antwoorden werden meegenomen in de evaluatie van het werkjaar 2009 en het actieplan voor 2010. Externe persartikelen: - Het Landbouwinvesteringsfonds ten dienste van land- en tuinbouw: Boer&Tuinder, 16 januari 2009, p. 8. - Leden rurale netwerken strijken neer in regio: Het Nieuwsblad, 01 april 2009, s.p. - Samenwerking rond ruraal erfgoed gewenst: Boer&Tuinder, 24 december 2009, p. 39. Ten slotte werd ook communicatie- en promotiemateriaal aangekocht.


15

2.3.2.3

Transnationale ondersteuning

Het Vlaams Ruraal Netwerk ondersteunt de transnationale werking van de maatregelen van het PDPO II op verschillende manieren en niveaus: als actief lid, als co-organisator, als deelnemer en als respondent op ad-hocvragen. Eerst en vooral neemt het Vlaams Ruraal Netwerk in eigen naam en als Belgisch aanspreekpunt deel aan de bijeenkomsten van zowel het Coordination Committee (19/5, 9/12) als het Leadersubcommittee (28/4, 25/11) van het European Network for Rural Development. In het verlengde hiervan heeft het Vlaams Ruraal Netwerk zich ook geëngageerd voor deelname aan minstens één van de in 2010 op te richten werkgroepen (met name “Innovative/experimental character of Leader”). Daarnaast werkt het Vlaams Ruraal Netwerk actief mee aan de bijeenkomsten van de Nationale Rurale Netwerken. In 2009 werd vijf maal vergaderd (februari (Praag), april (Brussel), juni (Sevilla), september (Boedapest), december (Brussel)). Eind 2009 werden hieronder een aantal werkgroepen opgericht, waarbij het Vlaams Ruraal Netwerk zich reeds actief inzette voor de technische werkgroep “Social Farming”. De bijeenkomst op 1 april 2009 werd gehost door het Vlaams Ruraal Netwerk, waarbij de agenda samen met het Réseau Rural Wallon werd voorbereid. De dag ervoor had het Vlaams Ruraal Netwerk een excursie naar het Leadergebied Pajottenland aan de geïnteresseerde buitenlandse collega’s aangeboden. Ten derde nam het Vlaams Ruraal Netwerk in 2009 actief deel aan de inhoudelijke uitwerking van de “Peri-Urban Leader Conference” (Le Mans, december 2009). Door overlapping met onze eigen studiedag op 3 december 2009 was het echter onmogelijk aan deze tweedaagse conferentie deel te nemen. Aan de Vlaamse delegatie werd gevraagd een verslag voor onze website te schrijven. Ten vierde was het Vlaams Ruraal Netwerk aanwezig op diverse binnen- en buitenlandse studiedagen en conferenties, onder andere het Leaderseminarie in Levi (Finland, maart) en het Capacity Building Seminar van DG AGRI (Brussel, maart). Ten slotte ging het Vlaams Ruraal Netwerk in op de ad-hocvraag van ontvangst van een Poolse Leadergroep (oktober 2009) en de ad-hocvraag om input voor een activiteit van DG AGRI.

2.4

Voorlichting en publiciteit

De algemene communicatie over het programma gebeurt door de CCEP in samenwerking met het Vlaams Ruraal Netwerk. De specifieke communicatie over de voorwaarden en toepassing van de verschillende maatregelen naar de potentiële begunstigden toe gebeurt door de beheersdienst die voor de betrokken maatregel bevoegd is. De CCEP heeft een communicatieplan opgesteld en geactualiseerd. In het kader van de algemene voorlichting en de publiciteit met betrekking tot het PDPO II werden in 2009 volgende specifieke acties ondernomen:


16 o Webpagina PDPO II: binnen de website van het Beleidsdomein Landbouw en Visserij, is er een webpagina ontwikkeld voor het PDPO II. Via deze webpagina kan het volledige programmadocument en het nationale strategieplan gedownload worden. Via deze webpagina kan men doorklikken naar de webpagina’s van de afzonderlijke maatregelen. Er zijn ook links naar de website van de Europese Commissie, naar het Vlaams Ruraal Netwerk, … o Drukken en verspreiden van een Engelstalige brochure RDP II o Geven van presentaties door de CCEP m.b.t. het PDPO II: o bilaterale ontmoeting met Nederlandse administratie in juli 2009 (thema Health Check) o ontmoeting Departement Landbouw en Visserij met UNIZO (mei 2009) o Artikel “Programma voor Plattelandsontwikkeling 2007-2013” in het jaarverslag 2008 Beleidsdomein Landbouw en Visserij, juli 2009, p. 49-50 o Interne communicatie: artikel over de Health Check in de elektronische nieuwsbrief “Leesvoer” van het departement Landbouw en Visserij o Drukken en verspreiden van een folder over de communicatieverplichting van begunstigden.

3

Ongoing evaluation Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82, 2d) een beknopt overzicht van de werkzaamheden op het gebied van de evaluatie tijdens de uitvoering overeenkomstig artikel 86, lid 3;

3.1

Inleiding

De evaluatie tijdens de uitvoering van een programma omvat alle evaluatiewerkzaamheden tijdens de volledige programmeringsperiode. Daarbij gaat het zowel om een ex ante, mid term en ex post evaluatie als om alle andere evaluatieactiviteiten die nuttig zijn voor het verbeteren van het programmabeheer. Hieronder vallen eveneens de interactie tussen evaluatieactiviteiten, het ontwikkelen en verfijnen van indicatoren en het verzamelen van gegevens. Voor een uitgebreidere inleiding wordt verwezen naar het jaarverslag 2007 en naar twee documenten van de Europese Commissie: http://ec.europa.eu/agriculture/rurdev/eval/guidance/note_b_nl.pdf en http://ec.europa.eu/agriculture/rurdev/eval/guidance/document_nl.pdf.

3.2

Het systeem voor evaluatie tijdens de uitvoering

De coördinatie voor monitoring- en evaluatieactiviteiten is in handen van de afdeling Monitoring en Studie. Deze opdracht wordt eveneens beschreven in het hoofdstuk “Monitoring van het PDPO” van het programmadocument zelf.


17 Vanaf het begin van de programmeringsperiode werd een systeem opgezet voor een permanente evaluatie (“ongoing evaluation”) van het PDPO II. Op basis van o.a. informatie uit het European Evaluation Network for Rural Development, aanbevelingen uit de ex post evaluatie van het PDPO I en de ex ante evaluatie van het PDPO II werd een evaluatieplan samengesteld. De afdeling Monitoring en Studie organiseerde op regelmatige basis intern overleg met alle betrokkenen bij het PDPO om het evaluatieplan op te volgen en zo nodig bij te sturen. Op het Uitvoeringscomité werd maandelijks gerapporteerd over de stand van zaken van de evaluatie tijdens de uitvoering. Midden 2009 werd gestart met de voorbereiding van de overheidsopdracht voor de mid term evaluatie van het PDPO II. Deze opdracht was een opdracht voor aanneming van diensten. Er werd geopteerd voor een gunning via een algemene offerteaanvraag. In het kader van de opmaak van de technische bepalingen van het bestek werd er overlegd met alle betrokken beheersdiensten. Hierbij werden o.a. alle relevante evaluatievragen werden doorgenomen. Voor het bestek werd het gunstig advies van de Inspecteur-generaal van Financiën van de Vlaamse overheid verkregen op 12 oktober 2009. De opdracht werd officieel gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen op 20 oktober 2009. De uiterste indieningsdatum van de offertes was op 1 december 2009. IDEA Consult nv diende als enige een offerte in. Deze offerte werd in december 2009 grondig onderzocht en beoordeeld. De opdracht werd begin 2010 gegund aan IDEA Consult nv. In het najaar van 2009 werden nog twee overheidsopdrachten uitgeschreven in het kader van de evaluatie tijdens de uitvoering. Deze opdrachten waren opdrachten voor de aanneming van diensten. Er werd in beide gevallen gekozen voor een gunning via onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking. Een eerste opdracht had als voorwerp het bepalen van de impact van het Vlaamse Programma voor Plattelandsontwikkeling 2007-2013 (PDPO II) op biodiversiteit, en dit conform de Europese regelgeving. Op 30 oktober 2009 werden er per brief drie kandidaten uitgenodigd om in te schrijven. De uiterste indieningsdatum van de offertes was op 20 november 2009. Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) diende als enige een offerte in. Op 24 november 2009 vond de onderhandeling plaats. Deze opdracht werd op 23 december 2009 gegund aan het INBO. De opdracht startte op 1 januari 2010 en loopt tot 30 september 2010. De tweede opdracht had als voorwerp het uitvoeren van een onderzoeksopdracht in verband met stand van zaken, mogelijke opportuniteiten en bevordering van agrobiodiversiteit in en voor de Vlaamse landbouw. Op 18 september 2009 werden vier kandidaten uitgenodigd om in te schrijven. De uiterste indieningsdatum van de offertes was op 27 oktober 2009. Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) vormde een consortium met het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) en diende als enige een offerte in. Op 6 november 2009 vond de onderhandeling plaats. Deze opdracht werd op 7 december 2009 gegund aan de inschrijver. De opdracht startte op 1 januari 2010 en loopt tot 30 juni 2010.


18

3.3

De ondernomen evaluatieactiviteiten

3.3.1 Indicatoren voor het opvolgen van de hoge natuurwaarden op landbouwgrond in het kader van de PDPO-monitoring. Finaliseren van een verkennende analyse. In september 2009 werd de studie over landbouwgrond met hoge natuurwaarden, het zogenaamde High Nature Value Farmland (HNVF), afgerond. Deze opdracht die startte in 2008, maakte deel uit van het evaluatieplan en kaderde ook in de voorbereiding van de mid term evaluatie. Omwille van het wetenschappelijk karakter werkte de afdeling Monitoring en Studie samen met het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. Het HNVF-concept dateert van begin jaren ’90 en erkent het verband tussen bepaalde types landbouwactiviteit en natuurwaarden. HNVF verwijst zowel naar het landgebruik (farmland) en naar de ermee geassocieerde beheersactiviteiten (farming systems). Landbouwgrond met hoge natuurwaarden is de vertaling van het begrip High Nature Value Farmland (HNVF) en wordt gedefinieerd als “die gebieden waar landbouw het belangrijkste (en meestal dominante) landgebruik is en waar landbouw geassocieerd is met ofwel een hoge soorten- of habitatdiversiteit of de aanwezigheid van soorten op Europees, nationaal of regionaal niveau ondersteunt of beide” (Andersen et al., 2003). Vanuit het European Evaluation Network for Rural Development werden lidstaten aangespoord om werk te maken van een HNVF impact indicator voor hun programma’s voor plattelandsontwikkeling. Het door dat netwerk ontwikkelde Guidance document (november 2008) benadrukt het belang van dergelijke indicatoren om de impact te kunnen meten van de bijdrage van de As 2 middelen tot een van de Europese prioriteiten, met name de biodiversiteit en het behoud en de ontwikkeling van HNV land- en bosbouwsystemen en traditionele agrarische landschappen. Verder geeft het document aan dat de HNV indicator geen “single numerical indicator” hoeft te zijn, maar dat een “basket of quantitative and qualitative indicators” aangewezen is en dat HNV niet gaat over “drawing a line on a map” noch over “designation of areas”. Het doel van deze studie is inzicht te geven in wat in Vlaanderen beschouwd kan worden als HNVF, de ligging en omvang van HNVF, en wat de belangrijkste kenmerken zijn in termen van soorten, habitats en agrarisch beheer. Dit document is een verkennende analyse voor een baseline-indicator met wetenschappelijk onderbouwde criteria voor wat al dan niet als HNVF kan worden beschouwd.

3.3.2 PDPO II-impact op biodiversiteit In het kader van de mid term evaluatie werd een externe opdracht ter bepaling van de impactindicator “biodiversiteit” uitgeschreven. Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) start deze opdracht in januari 2010. Er wordt een wetenschappelijke methodologie ontwikkeld worden voor het vaststellen van een impactindicator “biodiversiteit” conform het Gemeenschappelijk Toezicht- en Evaluatiekader. Daarnaast worden de nodige gegevens verzameld voor het bepalen van de indicatorwaarde voor de mid term evaluatie. Ten slotte kunnen de geformuleerde conclusies en aanbevelingen ook als insteek voor de mid term evaluatie dienen.


19

3.3.3 Thematische studie betreffende agrobiodiversiteit In navolging van het evaluatieplan werd een overheidsopdracht uitgeschreven betreffende agrobiodiversiteit. Aan landbouw wordt gevraagd actief mee te werken aan het behoud en herstel van biodiversiteit, door het leveren van groene diensten. De positieve effecten van agrobiodiversiteit voor landbouw werden tot nu toe maar deels onderzocht. Gedurende de eerste zes maanden van 2010 zullen het INBO en ILVO zich op dit onderzoek toeleggen.

3.3.4 Thematische studie betreffende de afbakening van Less Favoured Area met natuurlijke handicaps in Vlaanderen In 2009 werd er een thematische studie opgestart voor de bepaling van de Less Favoured Area (LFA) met natuurlijke handicaps in Vlaanderen, conform het ‘Commission staff working document’ genaamd ‘Towards a better targeting of the aid to farmers in areas with natural handicaps’. In het document zijn de klimatologische en bodemkundige criteria opgenomen, welke de lidstaten moeten gebruiken om LFA met natuurlijk handicaps af te bakenen. In een eerste fase worden de gemeenten als LFA afgebakend als minstens 66% van de landbouwoppervlakte te lijden heeft onder 1 of meerdere criteria. In een tweede fase wordt voor elke afgebakende gemeente nagegaan of deze criteria ook in werkelijkheid beperkend zijn voor de landbouw (door bv. de opbrengst van het meest voorkomende gewas te vergelijken met het gemiddelde). Om de wetenschappelijke criteria inclusief drempelwaarden zo goed als mogelijk om te zetten naar de Belgische situatie werd samengewerkt met Wallonië. Er werden afspraken gemaakt om tot een uniforme benadering te komen van het afbakeningsproces in de eerste fase. Op Vlaams niveau werd er een interdisciplinair team gevormd tussen het Departement Landbouw en Visserij en het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie om deze oefening uit te voeren. Goede afspraken en regelmatig overleg zorgden voor een vlotte samenwerking. Eind 2009 was deze studie nog niet afgerond.

3.3.5 Achtergrondstudie bij de subsidies voor de biologische land- en tuinbouw in Vlaanderen Deze studie werd uitgevoerd door het Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek in samenwerking met het Louis Bolk Instituut. Het doel van de studie was om knelpunten van de omschakeling naar bio te verduidelijken en zo goed mogelijk in geldwaardes uit te drukken Uit de studie kan samenvattend gesteld worden dat zeker tijdens de omschakelingsperiode ondersteuning noodzakelijk is. De noodzaak voor steun is afhankelijk van de intensiteit van het bedrijf of de teelt. Enkele kwetsbaarheden werden herbevestigd: • belang van meerprijs en dus ontwikkeling van markt • transactiekosten met nadruk op kennisbehoefte vooral tijdens omschakelperiode maar moeilijk toewijsbaar op teeltniveau • belang van ondersteuning tijdens omschakelperiode door lagere rendabiliteit en hogere financiële kwetsbaarheid

3.3.6 Analyse van en optimaliseren van de werking van het bedrijfsadviessysteem (BAS)


20

Dit project betrof een procesevaluatie van het BAS met als onderwerpen: een toelichting rond de werking van het systeem, een analyse van de betekenis van BAS voor landbouwer en maatschappij, een kritische doorlichting en voorstellen om de werking van het systeem te optimaliseren. Dit project was geen evaluatie ten gronde van het BAS, hiervoor was de timing nog te vroeg. Het systeem was toen pas recent opgestart en de eerste adviezen werden toen verstrekt. Er waren nog te weinig gegevens beschikbaar over de effectieve adviesverlening aan de landbouwers. Volgens de Europese regelgeving moet adviseringsactiviteit tenminste betrekking hebben op enerzijds de beheerseisen en de goede landbouw- en milieuconditie en anderzijds de arbeidsveiligheid. In het Vlaamse BAS is verder ook bedrijfseconomisch advies opgenomen, gebaseerd op een boekhouding die aan specifieke vereisten voldoet. Het aantal BASaanvragen is gestegen tussen 2007 en 2009 en zal de volgende jaren nog stijgen aangezien het vroegere bedrijfsleidings- en/of milieuadvies van een aantal landbouwers zal aflopen. Het beschikbare budget is echter beperkt. Voorgaande elementen duiden aan dat de regeling van het BAS op een aantal vlakken aangepast zou moeten worden opdat de oorspronkelijke doelstellingen beter bereikt kunnen worden en opdat het beschikbare budget meer doelgericht besteed wordt. Hiervoor werden er verschillende opties voorgesteld zoals het verminderen van het maximum subsidiebedrag, het werken met een jaarenveloppe, het subsidiebedrag verminderen indien al eerder BAS-advies werd aangevraagd, de minimumperiode tussen twee BAS-aanvragen te verhogen, het aantal aanvragen per landbouwer gedurende een bepaalde periode te beperken of het BAS-advies te beperken tot een bepaalde groep landbouwers of bepaalde sectoren uit te sluiten. Daarnaast werd voorgesteld om te werken aan de online beschikbare informatie, aan de bekendheid van het BAS en aan de vorming van de adviesdiensten. Ten slotte wordt er ook aangespoord om op lange termijn te onderzoeken in welke mate afstemming mogelijk is met het LandbouwMonitoringsNetwerk (LMN) en de duurzaamheidsster. In navolging van deze studie wordt het BAS-systeem in 2010 aangepast. De minimumperiode tussen twee BAS-aanvragen wordt verlengd van twee naar drie jaar om nog meer boeren gebruik te laten maken van dit bedrijfsadviessysteem. De maximale tussenkomst van 1.500 euro blijft behouden maar wordt voor een volgend advies gereduceerd tot 750 euro. Daarnaast werd de website uitgebreid.

3.3.7 Waterkwaliteit: lopende onderzoeksprojecten in het kader van de nitraatrichtlijn 3.3.7.1

Onderzoek evaluatie procesfactor

In januari 2009 ging een onderzoeksproject van start met als opdracht de evaluatie van de nitraatresiduwaarde en de differentiatie ervan in functie van bodemtype of gewas. Het nitraatresidu is de hoeveelheid nitraatstikstof aanwezig in de bodemlaag van 0 cm tot 90 cm diepte per ha, gemeten in de periode van 1 oktober tot 15 november. Onderzoek heeft al eerder aangetoond dat er een goed verband is tussen het nitraatresidu en het risico op uitspoeling van nitraat naar oppervlakte- en grondwater. Gezien de grote rol van het nitraatresidu in het Vlaamse mestbeleid, is het van belang dit beleidsinstrument verder te evalueren in functie van de beoogde doelstelling van het mestbeleid, namelijk het bereiken van een goede waterkwaliteit. De evaluatie van de nitraatresiduwaarde zal gebeuren door een link te leggen tussen de nitraatresidumetingen in het najaar en de gemeten waterkwaliteit in de MAP-meetnetten voor oppervlakte- en grondwater, de zogenaamde “procesfactoren�, op basis


21 van een wetenschappelijk onderbouwde methodiek. Het onderzoek loopt over een periode van 2 jaar en wordt uitgevoerd door een consortium van de Bodemkundige Dienst van België (BDB) en de Katholieke Universiteit Leuven (KUL). De resultaten worden verwacht begin 2011.

3.3.7.2

Uitbouw monitoringsnetwerk derogatie

Eveneens in januari 2009 ging een onderzoeksproject van start met als opdracht de opzet en opvolging van een monitoringsnetwerk van minstens 150 landbouwbedrijven. Doel van dit monitoringsnetwerk is de impact van derogatie op de stikstof- en fosforverliezen uit de bodem en op de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater te beoordelen, onder bepaalde condities van bodemtype, gewas en bemestingspraktijken. De opzet en opvolging van dit derogatiemonitoringsnetwerk is een verplichting vanuit de Europese derogatiebeschikking. Het onderzoek wordt tevens uitgevoerd door een consortium van de BDB en KUL. Deze opdracht loopt tot half 2011.

3.3.7.3

Resultaten nitraatresidumetingen

Jaarlijks maakt de Vlaamse Landmaatschappij een rapport op van de gemeten nitraatresiduwaarden in Vlaanderen (www.vlm.be). Het meest recente rapport ‘Nitraatresidurapport 2010; Resultaten van de nitraatresidumetingen in Vlaanderen tot en met de staalnamecampagne van 2009’ toont dat er aanzienlijke lagere nitraatresiduresultaten gehaald zijn over de jaren heen, zowel op gangbare percelen als percelen met een beheerovereenkomst verminderde bemesting (BO Water). Voor 2009 waren de resultaten op gangbare landbouwpercelen minder goed dan in 2008, tot zekere hoogte te wijten aan de specifieke weersomstandigheden in de zomer en het najaar van 2009.

3.3.8 Milieueffecten van investeringen In de ex post evaluatie van het PDPO I werd aangeraden om in functie van een betere monitoring van de milieueffecten van investeringen per VLIF-dossier relevante milieuparameters bij te houden. Deze aanbeveling werd opgenomen in het evaluatieplan van 2009. In het voorjaar werd er een verkennende studie uitgevoerd om de na te gaan hoe een emissie(reductie) op basis van een eenvoudig bij te houden indicator bepaald kan worden. Op basis van bestaande BBT (best beschikbare technieken) studies, werden deze indicatoren ontwikkeld. Meer informatie hieromtrent vindt u in de rubriek 3.4.4.2.

3.4

Dataverzameling

3.4.1 PDPO II-indicatorendatabank: webservice In 2009 werd een eerste IT-project afgerond in het kader van monitoring en evaluatie van het programma voor plattelandsontwikkeling. Als resultaat van het project wordt d.m.v. SASprogramma data afkomstig van de dataleveranciers ingelezen vanuit verschillende Excelbestanden. Deze data wordt door SAS® verwerkt en terug weggeschreven naar een vooraf gecreëerde Excel-file die aangeleverd wordt door de Europese Commissie (EC). In mei 2009 werd het systeem gebruikt voor de monitoringgegevens van 2008. In april 2009 heeft EC echter laten weten om af te stappen van het systeem van overdracht van de gegevens via een


22 Excel-bestand (werd gebruikt van 2000 tot 2008). Het nieuwe systeem houdt in dat de keuze gelaten werd tussen een Webapplicatie (elektronisch formulier) en een WebService om de informatie door te geven. In juni 2009 werden de gegevens overgedragen aan de hand van de webapplicatie. Dit hield echter in dat het Excel-bestand dat automatisch opgevuld werd vanuit SAS® handmatig moest overgetypt worden in het elektronisch formulier. Naar schatting waren hier 3,5 mensdagen voor nodig inclusief de controle op typefouten. In 2009 werd de mogelijkheid voor de ontwikkeling van de webservice onderzocht. Bij start van het webserviceproject in 2010 is gebleken dat de uitwerking van het systeem niet haalbaar was binnen de vooropgestelde werkdagen en bijhorende budget. De externe consultant schat de uitwerking van een webservice, zoals deze op dit moment aangeboden wordt door EC, op een werklast van 80 mensdagen, acht keer meer dan voor de uitwerking van een klassieke webservice.

3.4.2 PDPO II-indicatorendatabank: lasten uit het verleden Als gevolg van de wijzigingen van de indicatorentabellen in april 2009 werden eind 2009 deze aanpassingen ook doorgevoerd in het automatische dataverwerkingsprogramma in SAS®. Deze wijzigingen aan de indicatorentabellen omhelzen allen een meer duidelijke scheiding tussen lasten uit het verleden en de huidige lasten. Deze aanpassingen aan de EC monitoringtabellen komen de duidelijkheid zeker ten goede, maar hadden het best al plaatsgevonden voor de start van het programma. Voor een vlotte opmaak van het jaarverslag is het wenselijk dat de lidstaten tijdig op de hoogte gebracht worden van de vereiste wijzigingen.

3.4.3 Indicatoren In november 2009 werd een update uitgevoerd van de baseline-indicatoren. Op een algemene vraag van de Commissie werden deze waarden zoveel als mogelijk op het jaar 2006 gezet, zodanig dat deze gebruikt kunnen worden als uitgangssituatie voor de start van PDPO II. Voor een tiental indicatoren was nog geen waarde voor het jaar 2006 beschikbaar. De meeste van deze indicatoren waren geassocieerd met bosbouw. Op 14/12/2009 werden de geüpdate baseline-indicatoren verzonder naar Commissie. In het kader van het strategisch monitoringrapport in 2010 zullen de ontbrekende waarden voor 2006 zo ver als mogelijk aangevuld worden.

3.4.4 Capaciteitsopbouw aangaande resultaat- en impactindicatoren 3.4.4.1

Bruto toegevoegde waarde van landbouwbedrijven en agrovoedingsbedrijven

Voor een meer gedetailleerde beschrijving wordt verwezen naar het jaarverslag 2008. Als aanvulling op Bruto Toegevoegde Waarde (BrTW) gegevens van landbouwbedrijven uit het LandbouwMonitoringsNetwerk (LMN-FADN) werd in 2009 een oproep gedaan aan commerciële boekhoudkantoren om per landbouwbedrijf eveneens de BrTW door te geven. Twee boekhoudkantoren, waaronder de marktleider, hebben een gevolg gegeven aan deze oproep. Met hen werd de definitie van de BrTW zoals gevraagd door EC zo goed als mogelijk afgestemd op de gegevens in hun boekhoudsysteem. Voor het huidige jaarverslag en eveneens voor de mid term evaluatie kon al een beroep gedaan worden op deze gegevens.


23

3.4.4.2

Impactindicatoren

Voor een meer gedetailleerde beschrijving wordt verwezen naar jaarverslag 2008. In 2009 werd een belangrijk project opgestart in het kader van ongoing evaluatie om de milieuimpacts van investeringen op landbouwbedrijven in kaart te brengen. Dit project wordt uitgevoerd in samenwerking met het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF). Per type investering waar een impact op milieu te verwachten is, werden specifieke indicatoren ontwikkeld die toelaten de impact op kwantitatieve wijze in te schatten. Zo is het in principe mogelijk om voor investeringen in het kader van energiebesparing vrij nauwkeurig te berekenen welke CO2-besparing gerealiseerd wordt. In totaal werden een veertigtal indicatorenfiches (1 per type investering) opgesteld met gemiddeld per fiche een vijftal indicatoren. Deze indicatoren worden ingevuld door de dossierbehandelaars van de verschillende investeringsdossiers. Deze indicatoren werden eveneens toegevoegd aan het computersysteem dat gebruikt wordt door het VLIF voor de dossierbehandeling. Binnen het VLIF zal eveneens een kwaliteitscontrole plaatsvinden. De administratieve databank van milieu-indicatoren wordt in 2010 gebruikt voor de mid-term evaluatie. Op basis van deze databank zullen communautaire en programmaspecifieke milieu-impactindicatoren berekend worden.

3.5

Netwerkactiviteiten van de mensen die betrokken zijn bij evaluatie

In het kader van het “Expert Committee on Evaluation of Rural Development Programmes” werd een focusgroep georganiseerd voor het Nederlandse taalgebied in Dordrecht op 3 april 2009. Vertegenwoordigers van o.a. de Nederlandse en de Vlaamse overheid (afdeling Monitoring en Studie), evaluatoren en de geografisch deskundige waren hierbij aanwezig. Kritische observaties met betrekking tot het CMEF, suggesties voor aanpassingen aan het CMEF en verbeterpunten die nu al kunnen opgenomen worden door de lidstaten werden er besproken. In het kader van de voorbereiding van de mid term evaluatie organiseerde de afdeling Monitoring en Studie een overleg met collega’s van de Nederlandse (18/09/2009), Waalse (26/10/2009) en Engelse overheid (24/06/2009). Vlaanderen werd vertegenwoordigd door de afdeling Monitoring en Studie op de tweede (23 juni 2009) en derde (7 december 2009) bijeenkomst van het “Expert Committee on Evaluation of Rural Development Programmes” in Brussel. IDEA Consult, evaluator van de ex post evaluatie PDPO I, vertegenwoordigde Vlaanderen op de “Thematic Working Group on Assessment of Impacts of Rural Development Programmes 2007-13” in Rome op 28 oktober 2009. De stand van zaken, actuele methodologische benaderingen en goede praktijken voor het bepalen van de socio-economische en milieuimpact van programma’s voor plattelandsontwikkeling werden uitgewisseld tussen de lidstaten. Hierbij diende een ontwerpdocument opgesteld door de thematische werkgroep als leidraad. De bijdragen en conclusies van de workshop werden opgenomen in de methodologische toelichting die de lidstaten kan helpen bij de evaluatie van hun plattelandsontwikkelingsprogramma's.


24 Op 19 oktober 2009 organiseerde het Vlaams-Europees verbindingsagentschap (VLEVA) een themaplatform plattelandsbeleid. Het themaplatform bracht verschillende Vlaamse stakeholders, uit zowel het middenveld als administratie, van dit beleid bijeen. Als vertrekpunt werd het jaarverslag 2008 van het PDPO II voorgesteld door de afdeling Monitoring en Studie. Daarna maakten vertegenwoordigers van de Europese Commisie (DG AGRI) een vergelijking van PDPO II met plattelandsprogramma’s van andere regio’s en lidstaten. Op 22 en 23 juni 2009 volgde een vertegenwoordiger van de afdeling Monitoring en Studie een seminarie omtrent de evaluatie van Europese fondsen in Berlijn. Het seminarie werd georganiseerd door de European Academy for Taxes, Economics and Law. Op 22 september 2009 was de afdeling Monitoring en Studie aanwezig op het seminarie betreffende “Ways forward for Impact Assessment” dat georganiseerd werd door Ecorys.

4

PDPO indicatoren 2009

4.1

Algemeen

Op basis van de gemaakte databehoefteanalyes werd voor 2009 heel wat cijfermateriaal verkregen. Al dat cijfermateriaal werd samengebracht in de indicatorentabellen, te vinden in bijlage van dit document. De indicatoren betreffen input-, output- en resultaatindicatoren die volgens de Verordening (EG) nr. 1698/2005 dienen deel uit te maken van dit jaarverslag.

4.2

Interpretatie

Voor de interpretatie van de belangrijkste indicatoren wordt verwezen naar jaarverslag 2007 en naar de website van de EC: “http://ec.europa.eu/agriculture/rurdev/eval/index_en.htm”

4.3

Financiële indicatoren

4.3.1 Overzicht uitgaven Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82 c) de financiële uitvoering van het programma, waarbij per maatregel een overzicht van de uitgaven voor betalingen aan begunstigden wordt gegeven; indien het programma geldt voor regio's die onder de convergentiedoelstelling vallen, moeten de uitgaven voor die regio’s afzonderlijk worden vermeld In tabel 2 worden de uitgaven weergegeven zonder top-up (overeenkomstig commissieverordening 1974/2006). In deze tabel zijn bij de geplande uitgaven eveneens de extra Health Check budgetten opgenomen. In de figuren en tekst wordt steeds de totale steun besproken (Europees + Vlaams) en inclusief top-up (=100% Vlaamse steun)


25 In totaal werd in 2009 101.070.874 1 euro overheidssteun uitgegeven voor de verschillende maatregelen. Hierbij komt nog 628.239 euro voor technische bijstand zodat een totaalbedrag van 101.699.113 euro verkregen wordt. Cumulatief werd tijdens de eerste drie jaar van PDPO II 298.557.499 euro uitgegeven, dit is 42,1% van de geplande uitgaven voor de volledige programmaperiode 2 zonder extra budget t.g.v. Health Check. Hieruit volgt dat de effectieve uitgaven goed aansluiten bij de geplande uitgaven 3 . Indien het extra budget t.g.v. de Health Check meegerekend wordt, werd tijdens de eerste drie jaar van uitvoering 39,6% van het voorziene budget uitgegeven. Figuur 1 geeft een overzicht van de uitgaven in 2009 over de verschillende assen. 60,4% van uitgaven in 2009 was bestemd voor as 1, 27,6% voor as 2, 10,5% voor as 3 en 1,5% voor as 4. Figuur 2 geeft een overzicht van de uitgaven 2007-2009 over de verschillende assen. 67,8% van uitgaven in 2009 was bestemd voor as 1, 24,8% voor as 2, 6,7% voor as 3 en 0,7% voor as 4. Indien dit vergeleken wordt met de geplande verdeling 2007-2013 (inclusief HC) over de assen (as 1: 66,0%; as 2: 18,5%, as 3: 9,7%, as 4: 5,9%) blijkt dat de uitgaven voor as 3 en 4 in de periode 2010-2013 een inhaalbeweging te maken hebben. Dit blijkt eveneens uit de volgende cijfers: voor as 1 werd in de periode 2007-2009 43,4% van het geplande budget uitgegeven, voor as 2 44,1% (inclusief top-up, ook bij doelstelling), voor as 3 29,3% en voor as 4 5,0%. Hieruit volgt dat de uitgaven voor as 1 en 2 goed op schema zitten en de uitgaven voor as 3 en vooral as 4 de komende jaren een inhaalbeweging moeten maken. Figuur 3 geeft een overzicht van de procentuele verdeling van de uitgaven in 2009 voor alle maatregelen over de assen heen. Wanneer de uitgaven voor de afzonderlijke maatregelen lager waren dan 1% van het totaalbudget werden ze ondergebracht in de categorie ‘andere’(dit om de leesbaarheid van de figuur te verhogen). Budgettair gezien waren de volgende maatregelen het belangrijkst in 2009: 1) Investeringen in de landbouw (VLIF) (46,0%), 2) BO water (13,4%), 3) Vestiging van jonge landbouwers (VLIF) (7,6%), 4) Opleiding in de landbouw met cursussen, stages, korte vorming (4,2%), 5) Diversificatiesteun (VLIF) (3,9%). Figuur 4 geeft een overzicht van de uitgaven van As 1. Binnen deze as worden 89,1% van de uitgaven verdeeld door het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF). Figuur 5 geeft een overzicht van de uitgaven binnen As 2. Bijna de helft van alle uitgaven (49,6%) binnen as 2 waren bestemd voor de agromilieumaatregel ‘BO water’. Deze worden gevolgd door de agromilieumaatregelen ‘groenbedekking’ (12,7%), ‘vlinderbloemige gewassen’ 10,8% en ‘BO perceelsranden’ 9,0%. De overige maatregelen binnen as 2 maken 17,9% uit van het totale budget. Figuur 6 geeft een overzicht van de uitgaven binnen As 3 en 4. 32,5% van de uitgaven zijn toe te schrijven aan diversificatiesteun voor landbouwbedrijven (VLIF) en 16,8% aan de maatregel ‘dorpskernvernieuwing’. Tabel 2 geeft een overzicht van de uitgaven ten opzichte van de doelstellingen voor de gehele programmaperiode. 1

Bedragen die weegegeven worden zijn inclusief top-up (niet gelijk aan staatssteun) Inclusief top-up 3 Dit blijkt o.a. uit de volgende berekening: 100%/7jaar=14,3% per jaar; 14,3%*3jaar=42,9% 2


26

As 4; 1.544.775; 1,5% As 3; 10.595.174; 10,5%

As 2; 27.930.861; 27,6% As 1; 61.000.064; 60,4%

Figuur 1 Procentuele en absolute (euro) verdeling van de totale uitgaven (inclusief top-up) in kalenderjaar 2009 over de vier assen van het PDPO As 4; 2.054.601; 0,7% As 3; 19.926.176; 6,7%

As 2; 73.720.910; 24,8%

As 1; 201.789.710; 67,8%

Figuur 2 Procentuele en absolute (euro) verdeling van de totale uitgaven (inclusief top-up) voor kalenderjaren 2007-2009 over de vier assen van het PDPO


27

13.408.873; 13,4%

3.444.518; 3,4%

2.920.275; 2,9%

3.941.511; 3,9% 2.041.669; 2,0% 6.923.310; 6,9%

4.236.745; 4,2%

1.313.765; 1,3% 1.310.047; 1,3%

7.653.753; 7,6% 1.068.098; 1,1% 11.555.610; 11,5%

1.013.522; 1,0%

982.038; 1,0% 2.428.095; 2,4% 1.398.375; 1,4% 46.094.958; 46,0% investeringen in landbouwbedrijven

vestiging van jonge landbouwers

opleiding (cursussen, stages, korte vorming)

sensibiliseringsprojecten duurzame landbouw

bedrijfsadviessysteem voor land- en tuinbouwers

AMM: vlinderbloemige gewassen

AMM: BO perceelsrandenbeheer

AMM: BO water

AMM: groenbedekking

diversificatiesteun (VLIF)

basisvoorzieningen voor economie en plattelandsbevolking

dorpskernvernieuwing en -ontwikkeling

instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed

intermediaire dienstverlening

AMM: BO erosiebestrijding

maatregelen < 1%

Figuur 3 Procentuele verdeling van de totale uitgaven (inclusief top-up) in kalenderjaar 2009 over de maatregelen van het PDPO (uitgaven lager dan 1% van het totaal werden ondergebracht in de categorie â&#x20AC;&#x2DC;maatregelen < 1%â&#x20AC;&#x2122;)

7.653.753; 12,5%

4.236.745; 6,9% 1.398.375; 2,3%

634.194; 1,0%

3.014.607; 4,9%

982.038; 1,6% 46.094.958; 75,6%

investeringen in landbouwbedrijven (VLIF) vestiging van jonge landbouwers (VLIF) Opleiding (cursussen, stages, korte vorming) sensibiliseringsprojecten duurzame landbouw bedrijfsadviessysteem voor land- en tuinbouwers verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten (VLIF)

Figuur 4 Procentuele en absolute (euro) verdeling van de totale uitgaven in kalenderjaar 2009 over de maatregelen van As 1


28

3.444.518; 12,7%

401.153; 1,5%

1.013.522; 3,7% 13.408.873; 49,6%

665.790; 2,5%

421.658; 1,6%

4.837.779; 17,9% 526.670; 1,9% 168.786; 0,6% 145.833; 0,5% 656.181; 2,4% 2.920.275; 10,8%

248.796; 0,9%

114.066; 0,4% 475.324; 1,8%

2.428.095; 9,0% vergoeding natuur buiten Natura 2000 AMM: lokale veerassen/hoogstamboomgaarden AMM: sierteelt AMM: BO perceelsrandenbeheer AMM: BO erosiebestrijding AMM: BO kleine landschapselementen AMM: BO botanisch beheer niet productieve investeringen in bossen

vergoeding natuur binnen Natura 2000 AMM: vlinderbloemige gewassen AMM: hectaresteun biolandbouw AMM: BO soortenbescherming AMM: BO water AMM: groenbedekking bebossing van landbouwgronden

Figuur 5 Procentuele en absolute (euro) verdeling van de totale uitgaven (inclusief top-up) in kalender jaar 2009 over de maatregelen van As 2


29

649.796; 5,4% 894.979; 7,4% 3.941.511; 32,5% 1.310.047; 10,8%

1.313.765; 10,8%

920.083; 7,6% 2.041.669; 16,8%

1.068.098; 8,8%

diversificatiesteun (VLIF) bevordering van toeristische activiteiten basisvoorzieningen voor economie en plattelandsbevolking dorpskernvernieuwing en -ontwikkeling instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed intermediaire dienstverlening LEADER: lokale ontwikkelingsstrategieĂŤn LEADER: werking plaatselijke groepen

Figuur 6 Procentuele en absolute (euro) verdeling van de uitgaven in kalenderjaar 2009 over de maatregelen van As 3 en 4 Tabel 2 Overzicht van de uitgaven in de periode 2007-2009 in verhouding tot de vooropgestelde uitgaven.. Top-up is niet opgenomen. De geplande overheidsuitgaven zijn inclusief Health Check Overheidsuitgaven â&#x20AC;&#x201C; Geprogrammeerde Code Overheids- Cumulatieve betalingen overheidsuitgaven 2007van de uitgaven van 2007 t/m jaar N 2013 Maatregel maat(ELFPO) regel Jaar N ELFPO Totaal ELFPO Totaal

% Gerealiseerd (totaal)

111

Acties op het gebied van beroepsopleiding en voorlichting

1.565.635

4.608.195

15.360.650

11.306.603

37.688.677

40,8

112

Vestiging van jonge landbouwers

2.296.126

8.610.938

28.703.126

15.210.760

50.702.533

56,6

114

Gebruik van adviesdiensten

419.513

1.478.893

4.929.642

5.692.962

18.976.540

26,0

121

Modernisering van landbouwbedrijven

13.828.491

45.416.886

151.389.578

95.638.815

303.781.190

49,8

190.258

398.467

1.328.224

12.662.321

21.545.416

6,2

0

23.547

78.490

111.984

261.296

30,0

18.300.023

60.536.926

123

125

Totaal As 1

Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten Infrastructuur voor de ontwikkeling en aanpassing van de land- en de bosbouw Totaal As 1

201.789.710 146.362.115 464.858.857

43,4


30

Code van de maatregel

212

213

214

216

221 227 Totaal As 2 311 313

321

322 323

331

Totaal As 3

Maatregel

Betalingen aan landbouwers in andere gebieden met handicaps dan berggebieden Natura 2000betalingen en betalingen in verband met Richtlijn 2000/60/EC (Kaderrichtlijn Water) Agromilieubetalingen inrichtingsmaatregelen door landbouwers in kader van kaderrichtlijn water Eerste bebossing van landbouwgronden Niet-productieve investeringen Totaal As 2 Diversificatie naar niet-agrarische activiteiten Bevordering van toeristische activiteiten Basisvoorzieningen voor de economie en de plattelandsbevolking Dorpsvernieuwing en ontwikkeling Instandhouding en opwaardering van het landelijke erfgoed Opleiding en voorlichting voor economische actoren die werkzaam op de onder As 3 vallende terreinen Totaal As 3

Overheidsu it-gaven (ELFPO) Jaar N

Overheidsuitgaven â&#x20AC;&#x201C; Cumulatieve betalingen van 2007 t/m jaar N

Geprogrammeerde overheidsuitgaven 20072013

ELFPO

Totaal

ELFPO

Totaal

% Gerealiseerd (totaal)

37.048

115.090

301.917

1.547.208

3.094.416

9,8

27.408

430.356

919.962

1.306.531

2.613.062

35,2

6.813.458

23.575.696

56.836.587

59.530.319

119.060.638

47,7

0

0

0

280.032

560.064

0,0

167.830

510.820

1.107.635

1.357.104

2.714.208

40,8

243.938

411.062

860.918

1.156.403

2.312.806

37,2

7.289.682

25.043.024

60.027.018

65.177.597

130.355.194

46,0

1.182.453

2.677.511

8.925.036

15.502.218

33.674.060

26,5

276.025

945.709

3.152.362

1.340.045

4.466.817

70,6

320.429

426.094

1.420.313

1.569.669

5.232.230

27,2

612.501

822.577

2.741.925

2.855.055

9.516.850

28,8

394.129

578.562

1.928.541

4.246.091

14.153.637

13,6

393.014

527.400

1.758.000

291.456

971.520

181,0

3.178.552

5.977.854

19.926.176

25.804.534

68.015.113

29,3


31

Code van de maatregel 413

421

431

Totaal As 4

Maatregel

lokale ontwikkelingsstrategie ën leefkwaliteit / diversificatie samenwerkingsproject en met andere plattelandsgebieden Beheer van de plaatselijke groep, verwerving van vakkundigheid en dynamisering van het gebied zoals bedoeld in artikel 61 Totaal As 4 Technische bijstand

Totaal

Totaal

Overheidsu it-gaven (ELFPO) Jaar N

Overheidsuitgaven – Cumulatieve betalingen van 2007 t/m jaar N

Geprogrammeerde overheidsuitgaven 20072013

ELFPO

Totaal

ELFPO

Totaal

% Gerealiseerd (totaal)

268.494

268.494

894.979

9.606.527

32.021.757

2,8

0

0

0

375.000

1.250.000

0,0

194.939

347.887

1.159.622

2.401.632

8.005.440

14,5

463.433

616.380

2.054.601

12.383.159

41.277.197

5,0

533.051

1.066.101

4.490.414

8.980.828

11,9

314.120

29.545.810

92.707.235

284.863.607 254.217.819 713.487.189

39,9

Tabel 3 Overzicht van de top-up uitgaven (extra Vlaams geld bovenop cofinanciering) Code van de maatregel

Maatregel

Top-up uitgaven - Jaar N

Top-up overheidsuitgaven – Cumulatieve betalingen van 2007 t/m jaar N

214

Agromilieumaatregelen

3.410.466

13.683.512

221

Eerste bebossing van landbouwgronden

0

10.380


32 In tegenstelling tot de financiële tabel G5 die opgenomen is in deel II jaarverslag (indicatorentabellen) is in bovenstaande tabel de top-up (extra Vlaams geld bovenop cofinanciering) niet opgenomen, eveneens is de misboeking 112-121 (zie jaarverslag 2007) hierin niet gecorrigeerd. Het verschil in uitgaven die bestaan tussen Tabel G5 (deel II jaarverslag) en de verschillende tabellen per maatregel (eveneens deel II) bedraagt gemiddeld 1 à 2 €. Deze verschillen zijn volledig te verklaren door afrondingsverschillen. Deze worden veroorzaakt door de afronding op de Excel-tabellen van EC zelf én de afrondingen die de beheersdiensten uitvoeren bij de onderverdeling van de uitgaven over de verschillende gevraagde categorieën voor de monitoring. Een uitzondering hierop is maatregel 214: hier bedraagt het verschil 659 euro (totaal deel). 584€ hiervan wordt verklaard door de sterke afronding op tabel O.AGRI-ENV (kan niet aangepast worden, beveiligd door EC). De 75 euro die overblijft, is het gevolg van geïnde nalatigheidintresten bij terugvorderingen van betalingen voor agromilieumaatregelen. De systemen van het betaalorgaan en de beheersdiensten laten niet toe deze interesten op eenvoudige wijze toe te kennen aan de verschillende agromilieumaatregelen en ook nog eens uit te splitsen in PDPO I en II contracten zoals door EC gevraagd wordt in de monitoringtabellen. Voor de opvolging van de betalingen in het kader van PDPO monitoring wordt gebruik gemaakt van de ‘jaarrekening’ en niet van SFC. De Diereden redenhiervoor hiervoorisisdat datde dejaarrekening gebaseerd is op de correcte detailinformatie ook de beheersdiensten zich baseren. beheersdiensten enkel toegang hebben tot dewaarop jaarrekening.

Het betaalorgaan verklaart verschillen tussen jaarrekening en SFC als volgt: Het betreft afrondingsverschillen door de eenmalige éénmalige berekening van het Europees aandeel van uitgevoerde betalingen in de SFC declaratie per maatregel, terwijl dit bij het betaalorgaan per individuele betaling per landbouwer wordt berekend. Concreet voorbeeld: als een landbouwer 50,55 EUR overheidssteun krijgt aan een cofinancieringspercentage van 50%, dan is het Europees aandeel in de boekhouding van het betaalorgaan == 50,55 50,55 ** 0,5 0,5 == 25,275 25,275 of of afgerond afgerond op twee decimalen 25,28. Het Vlaams aandeel is bijgevolg 25,27 EUR (de totale overheidssteun min het Europees aandeel). Een dergelijke afronding gebeurt in SFC maar één keer voor alle uitgaven van één maatregel terwijl die in het betaalorgaan bij elke individuele betaling voor die maatregel gebeurt. Gecumuleerd verklaren deze afrondingen dan ook het verschil tussen de boekhouding van het betaalorgaan en de SFC SFC-declaratie. declaratie.


33

4.3.2 Overzicht terugvorderingen Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82 g) In voorkomend geval, het hergebruik van steun die overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1290/2005 is teruggevorderd. In 2009 werd 372.347,83 euro teruggevorderd, waarvan 133.111,52 euro Europese inbreng voor volgende maatregelen: • 11.129,35 euro (3.338,80 euro van ELFPO ) voor M111 Opleiding in de landbouw • 52.797,40 euro (15.839,23 euro van ELFPO ) voor M112 Vestiging van jonge landbouwers • 1.325,00 euro (397,50 euro van ELFPO ) voor M114 Bedrijfsadviessystemen • 109.048,89 euro (32.714,67 euro van ELFPO) voor M121 Modernisering van landbouwbedrijven • 1.231,50 euro (615,75 euro van ELFPO) voor M212 Vergoeding natuur buiten Natura 2000 • 4.847,64 euro (2.423,81 euro van ELFPO) voor M213 Vergoeding natuur binnen Natura 2000 • 160.617,30 euro (67.244,31 euro van ELFPO) voor M214 Agromilieumaatregelen • 1.025,50 euro (512,76 euro van ELFPO) voor M221 Bebossing van landbouwgronden • 4.635,60 euro (2.317,80 euro van ELFPO) voor M227 Niet-productieve investeringen in bossen • 7.447,83 euro (2.234,34 euro van ELFPO) voor M311 Diversificatie naar niet agrarische activiteiten • 18.241,82 euro (5.472,55 euro van ELFPO) voor M321 Basisvoorzieningen voor de economie en de plattelandsbevolking De teruggevorderde bedragen werden in mindering gebracht op de uitgaven, waardoor de betrokken beheersdienst deze bedragen opnieuw kan gebruiken voor de betreffende maatregel.


34

4.4

Indicatoren per as Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82 b) de aan de hand van output- en resultaatindicatoren aangegeven vorderingen met het programma in het licht van de vastgestelde doelstellingen;

4.4.1 As 1 – Verbetering van het concurrentievermogen Belangrijk: slechts een selectie aan indicatoren wordt in onderstaande figuren en tabellen gedetailleerd toegelicht. Voor een overzicht van alle indicatoren wordt verwezen naar de indicatorentabellen in bijlage.

4.4.1.1

111-A. Opleiding in de landbouw

4.4.1.1.1 Outputindicatoren Onder deze maatregel vallen cursussen (starters- en vormingscursussen), stages en korte vorming. In tegenstelling tot cursussen en stages zijn “korte vorming” bijeenkomsten van één tot drie uur waarop een bepaald onderwerp in verband met de landbouwsector onder leiding van een lesgever wordt uitgediept. Cursussen en stages Tabel 4 geeft een overzicht van het aantal deelnemers, het aantal vormingsdagen en de uitgaven per thema. Voor het aantal deelnemers wordt dit ook grafisch voorgesteld in Figuur 7. Hieruit blijkt dat de categorie ‘vaardigheden op management-, administratief- en marketinggebied’ veruit de belangrijkste categorie is, zowel voor wat betreft aantal deelnemers (37,2%), het aantal vormingsdagen (57,6%) als de uitbetaalde subsidie (57,5%). De stages maken deel uit van de startersopleiding en werden daarom onder de managementsopleidingen ondergebracht. Op de tweede plaats komt categorie ‘andere’ waarin zowel de cursussen aangaande sectorspecifieke technische thema’s als het aanleren van praktische vaardigheden in onder gebracht zijn, met 35,0% van het aantal deelnemers, 25,5% van het aantal vormingsdagen en 24,0% van de uitgaven. Op de derde plaats komen de cursussen aangaande ICT met 24,9% van het aantal deelnemers, 15,1% van het aantal vormingsdagen en 17,2% van de uitgaven. De overige thema’s (landschapsbehoud en verbetering en milieubescherming, nieuwe normen en nieuwe technologische processen en machines / innovatieve benaderingen) vormden slechts in weinig gevallen het hoofdthema van de cursus. Niet toevallig komen deze thema’s in Vlaanderen eerder aan bod in de demoprojecten (zie verder). De geslacht- en leeftijdsgegevens van het aantal deelnemers aan de cursussen en stages worst weergegeven in Tabel 5. In totaal waren er 5.721 deelnemers aan cursussen en stages. 37,4% van deze deelnemers was vrouwelijk (stijging met 1,4% t.o.v. 2008). 55,7% van de deelnemers was jonger dan 40 jaar (stijging met 1,6% t.o.v. 2008).


35 De 5.721 deelnemers aan cursussen of stages betrof 4.069 unieke personen, d.w.z. dat er in 2009 eveneens personen zijn die meerdere cursussen of stages gevolgd hebben. Van deze 4.069 personen was 36,4% van het vrouwelijk geslacht en was 52,6% jonger dan 40 jaar. Het unieke aantal deelnemers aan cursussen en stages werd ook bepaald over drie jaren heen (2007, 2008 en 2009): 9.656. Voor de jaren 2007 en 2008 samen bedroeg dit 7.373 personen, hieruit volgt dat 2.283 personen in 2009 voor het eerst sinds de start van PDPO II een cursus gevolgd hebben. Van de 9.656 personen was 36,9% van het vrouwelijk geslacht en was 52,9% jonger dan 40 jaar. Tabel 4 Overzicht van het aantal deelnemers en uitgaven per thema

Thema

Aantal deelnemers

Vaardigheden op management-, administratief en marketinggebied ICT-opleiding Nieuwe technologische processen en machines / innovatieve benaderingen Nieuwe normen Productkwaliteit Landschapsbehoud en -verbetering en milieubescherming Andere 4 Totaal

Aantal vorming

dagen Totale uitgaven (euro)

2.127 1.425

15.446 4.051

1.130.176 337.797

27 37 0

139 93 0

3.809 5.068 0

102 2.003 5.721

264 6.831 26.825

16.098 472.028 1.964.977

2.003; 35,0%

2.127; 37,2%

102; 1,8% 37; 0,6% 27; 0,5% 1.425; 24,9% Vaardigheden op management-, administratief en marketinggebied ICT-opleiding Nieuwe technologische processen en machines / innovatieve benaderingen Nieuwe normen Landschapsbehoud en -verbetering en milieubescherming Andere

Figuur 7 Overzicht van het aantal deelnemers per thema voor de cursussen en stages (2009)

4

De uitgaven voor ‘sociale promotie’ werden bij de categorie ‘andere’ geteld, zonder de cursisten een tweede maal te tellen


36 Tabel 5 Leeftijd en geslacht van het uniek aantal deelnemers aan cursussen en stages

Niet-uniek 2009 Uniek 2009 Uniek 2007-2009

Uniek aantal mannen < 40 j ≥ 40 j Totaal

Uniek aantal vrouwen < 40 j ≥ 40 j Totaal

2.138

1.444

3.582

1.050

1.089

2.139

1.463

1.125

2.588

677

804

1.481

3.422

2.675

6.097

1.687

1.872

3.559

Korte vorming Tabel 6 en Figuur 8 geven een overzicht van het aantal deelnemers en de uitgaven per thema voor de korte vorming. Hieruit blijkt dat de categorie ‘andere’ de belangrijkste is (53,4%) In deze categorie worden allerhande technische thema’s voor de verschillende landbouwsectoren ondergebracht. 33,1%, 6,9% en 4,3% van het aantal deelnemers aan de korte vorming kan toegewezen worden aan respectievelijk “Vaardigheden op management-, administratief en marketinggebied”, “Landschapsbehoud en -verbetering en milieubescherming” en “ICTopleiding”. De overige thema’s (productkwaliteit, nieuwe normen en nieuwe technologische processen en machines / innovatieve benaderingen) waren slechts in beperkte gevallen het hoofdthema van de korte vorming. Niet toevallig komen deze thema’s in Vlaanderen eerder aan bod in de demoprojecten (zie verder). Bij de korte vorming wordt enkel het aantal deelnemers geregistreerd, zonder persoonsgegevens. De statistieken over geslacht en leeftijd van de deelnemers aan de korte vorming zijn gebaseerd op steekproeven. 28,8% van de deelnemers aan korte vorming zijn vrouwelijk en 21% is jonger dan 40 jaar. Deze gegevens wijzen erop dat de deelnemers aan de korte vorming gemiddeld een hogere leeftijd hebben dan de deelnemers aan de cursussen en stages en dat eveneens het percentage vrouwelijke deelnemers lager is. Tabel 6 Overzicht van deelnemers en uitgaven per cursuscategorie voor de korte vorming in 2009

Cursusinhoud Vaardigheden op management-, administratief en marketinggebied ICT-opleiding Nieuwe technologische processen en machines / innovatieve benaderingen Nieuwe normen Productkwaliteit Landschapsbehoud en verbetering en milieubescherming Andere Totaal

Aantal deelnemers

Aantal dagen Totale vorming (euro)

uitgaven

56.091

12.913

276.217

7.239

2.129

100.721

388

90

1.622

2.102 1.356

670 365

20.966 10.850

11.707

2.635

57.200

90.428

21.446

533.169

169.311

40.248

1.000.746


37

56.091; 33,1%

90.428; 53,4%

7.239; 4,3% 388; 0,2% 2.102; 1,2% 1.356; 0,8% 11.707; 6,9% Vaardigheden op management-, administratief en marketinggebied ICT-opleiding Nieuwe technologische processen en machines / innovatieve benaderingen Nieuwe normen Produktkwaliteit Landschapsbehoud en -verbetering en milieubescherming Andere

Figuur 8 Absolute en procentuele verdeling van het aantal deelnemers aan korte vorming over de verschillende themaâ&#x20AC;&#x2122;s

4.4.1.1.2 Resultaatindicatoren Cursussen en stages In totaal werden in 2009 5.211 diplomaâ&#x20AC;&#x2122;s en getuigschriften uitgereikt voor 3.650 unieke personen. 37,7% van de personen was van het vrouwelijk geslacht en 52,2% was jonger dan 40 jaar. Tijdens de eerste drie jaar van PDPO II werden in totaal 15.118 diplomaâ&#x20AC;&#x2122;s en getuigschriften uitgereikt aan 8.636 unieke personen. Van de 8.636 unieke personen die tijdens de eerste drie jaar van PDPO II een diploma of getuigschrift behaald hebben was 37,5% van het vrouwelijk geslacht en 52,7% jonger dan 40 jaar. Korte vorming Daar de onderwerpen van korte vorming dicht bij de praktijk staan wordt aangenomen dat 100% van de deelnemers wat ze geleerd hebben op het infomoment ook in de praktijk zullen brengen. Dit cijfer komt dan overeen met het unieke aantal deelnemers (31.255). De absolute cijfers van geslacht en leeftijd werden verkregen door dezelfde procentuele verdeling te gebruiken als hierboven aangegeven.


38

4.4.1.1.3 Targets Tabel 7 Targets voor maatregel 111-A Opleiding in de landbouw

Type indicator

Output

Resultaat

4.4.1.2

Doel 2007- Gerealiseerd Procentuele Indicator 2013 in 2007-2009 deel Aantal unieke deelnemers aan 35.000 40.911 5 116,9% opleidingen Aantal deelnemers aan 1.200.000 511.084 42,6% opleidingen Totaal aantal dagen opleiding 519.750 195.654 37,6% voor alle deelnemers Aantal unieke deelnemers die succesvol een opleiding 34.000 39.891 6 117,3% gevolgd hebben

111-C. Sensibiliseringsprojecten (demoprojecten)

duurzame

landbouw

4.4.1.2.1 Outputindicatoren In Figuur 9 wordt het aantal deelnemers en de uitgaven weergegeven voor de demoprojecten per thema. In totaal waren er 17.370 deelnemers aan sensibiliseringsprojecten die in 2009 beëindigd werden 7 . Veruit het grootste aantal deelnemers, zijnde 78%, nam deel aan demoprojecten die vallen onder de categorie “landschapsbehoud en –verbetering en milieubescherming”. 11,1% van de deelnemers nam deel aan projecten die vallen onder de categorie “Nieuwe technologische processen en machines / innovatieve benaderingen” en eveneens 11,1% van de deelnemers nam deel aan projecten die thuishoren onder het thema “productkwaliteit. Naar schatting waren 10% van de deelnemers aan de demoprojecten vrouwelijk en 43% van de deelnemers was jonger dan 40 jaar. In Figuur 10 worden de uitgaven in 2009 weergegeven voor de demoprojecten per thema. De uitbetalingen voor de demoprojecten vinden plaats in meerdere schijven. Per project is de uitbetaling in 2009 van één of twee schijven opgenomen onder de juiste cursuscategorie. Het betreft de betalingen voor projecten van oproep 2004 tot 2008. De uitbetalingen in 2009 waren vooral voor projecten in de categorie “landschapsbehoud en –verbetering en milieubescherming” (63,8%). Betalingen voor demoprojecten aangaande productkwaliteit komt op de tweede plaats met 30,2% van de totale uitgaven in 2009.

5

9.656 unieke deelnemers aan cursussen en stages in 2007-2009 (exact) + 31.255 geschatte aantal unieke deelnemers korte vorming 2007-2009 6 8.636 unieke geslaagden cursussen en stages 2007-2009 + 31.255 unieke geslaagden korte vorming 7 Projecten die in 2009 beëindigd werden en waarvoor de derde schijf van de betaling werd uitgevoerd.


39 1.930; 11,1%

1.930; 11,1%

13.510; 77,8% Nieuwe technologische processen en machines / innovatieve benaderingen Produktkwaliteit Landschapsbehoud en -verbetering en milieubescherming

Figuur 9 Absolute en procentuele verdeling van het aantal deelnemers in 2009 aan demoprojecten per thema 8 30.000,00; 3,1% 28.379,39; 2,9%

296.771,43; 30,2%

626.887,35; 63,8%

Vaardigheden op management-, administratief en marketinggebied Nieuwe technologische processen en machines / innovatieve benaderingen Produktkwaliteit Landschapsbehoud en -verbetering en milieubescherming

Figuur 10 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de uitgaven in 2009 voor demoprojecten per thema

De gegevens aangaande de demoprojecten die goedgekeurd werden in 2009 zijn nog niet opgenomen in de indicatoren van dit jaarverslag omdat noch lijsten met totaal aantal 8

De categorie â&#x20AC;&#x2DC;Vaardigheden op management-, administratief en marketinggebiedâ&#x20AC;&#x2122; komt niet voor omdat in 2009 voor geen enkele project dat onder deze categorie valt de derde schijf van betaling uitgevoerd werd (=einde project). Enkel het deelnemersaantal van beĂŤindigde projecten wordt gemonitord. Er vonden echter wel betalingen plaats voor projecten die onder deze categorie vallen, maar dit betrof de eerste of tweede schijf van betaling.


40 deelnemers beschikbaar zijn (de uitvoering van een demoproject wordt immers over meerdere jaren verspreid) noch betalingen uitgevoerd werden. Vervolledigend wordt in Tabel 8 de lijst weergegeven van de goedgekeurde demoprojecten in 2009. Tabel 8 Lijst met onderwerpen van de goedgekeurde demoprojecten in 2009 en de uitvoerende instantie

Naam demoproject Verbetering van de rendabiliteit in de vleeskuikensector door een optimalisatie van de strooiselkwaliteit Doodgeboren biggen en uitval bij de biggen op het moderne varkensbedrijf Arbeid ADELT, ook in de melkveehouderij

Uitvoerende instantie

Verbetering van de rendabiliteit in de vleesveehouderij door beperking van de kalversterfte Arbeid en derogatie, een lastige combinatie op een rundveebedrijf? Introductie precisielandbouw in de openlucht groenteteelt VERKOHT! Korteomloophout (KOH) voor biodiversiteit in het landbouwlandschap

Vlaamse Rundveeteelt Vereniging (VRV) Landbouwcentrum voor Voedergewassen (LCV) Provinciaal Proefcentrum voor de Groenteteelt Oost-Vlaanderen (PCG)

Genetische diversiteit in groentegewassen in actie

Nationale Proeftuin voor Witloof (NPW)

Boeren beheren samen sloten tegen verdroging

Provinciaal Centrum voor Landbouw en Milieu (PROCLAM)

Efficiënter spuiten met behulp van GPS

Praktijkcentrum voor Land- en Tuinbouw (PCLT) Provinciaal Proefcentrum voor de Groenteteelt Oost-Vlaanderen (PCG) West-Vlaamse Proeftuin voor Industriële Groenten (WPIG)

Residuarm telen van bladgewassen onder glas Stimuleren van een correct gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in twee waterbekkens (IJzer en Demer) Demonstratie van de efficiëntie van selectieve gewasbeschermingsmiddelen en hun sparend effect op natuurlijke vijanden in de boomkwekerij

Dierengezondheidszorg Vlaanderen (DGZ) Dierengezondheidszorg Vlaanderen (DGZ)

Proefcentrum voor Innovatie, Verbreding en Advies in de Landbouw en Veehouderij (PIVAL)

Provinciaal Centrum voor Landbouw en Milieu (PROCLAM)

Proefcentrum voor Sierteelt (PCS)

4.4.1.2.2 Resultaatindicatoren De resultaatindicator geeft het aantal deelnemers aan die het geleerde toepassen in de praktijk. Hiervoor kunnen nog geen resultaten doorgegeven worden. Deze informatie kan enkel via enquêtes verkregen worden een aantal jaren na het demoproject.


41

4.4.1.2.3 Targets Tabel 9 Targets van maatregel 111-C Sensibiliseringsprojecten duurzame landbouw

Type indicator

Output

Resultaat

Doel 2007- Gerealiseerd Procentuele Indicator 2013 in 2007-2009 deel Aantal unieke deelnemers aan 12.600 11.500 9 91% opleidingen Aantal deelnemers aan 106.000 47.620 45% opleidingen Totaal aantal dagen opleiding 37.800 20.663 55% voor alle deelnemers Aantal unieke deelnemers die succesvol een opleiding 7.560 NA NA gevolgd hebben

De inschatting van het unieke aantal deelnemers is gebaseerd op verslagen en de ervaring van de verantwoordelijken bij de administratie. Het werkelijk aantal unieke deelnemers is niet bekend, omdat er geen systematische deelnemerslijsten bestaan.

4.4.1.3

111-D. Opleiding in de biologische landbouw (uitdovende maatregel)

Voor deze maatregel werden in 2009 geen betalingen uitgevoerd en er werden eveneens geen dossiers goedgekeurd.

4.4.1.3.1 Targets Tabel 10 Targets voor maatregel 111-D Opleiding in de biologische landbouw

Type indicator

Output

Resultaat

9

Indicator Aantal unieke deelnemers aan opleidingen Aantal deelnemers aan opleidingen Totaal aantal dagen opleiding voor alle deelnemers Aantal unieke deelnemers die succesvol een opleiding gevolgd hebben

Doel 2007- Gerealiseerd Procentuele 2013 in 2007-2008 deel 14

14

100%

17

17

100%

14

17

121%

14

14

100%

Er wordt verondersteld dat alle unieke deelnemers aan de demoprojecten eveneens deelgenomen hebben aan de cursussen en stages en de korte vorming, vandaar dat het in de monitoringtabellen (zie deel II jaarverslag) enkel het cijfer van maatregel 111A vermeld werd.


42

4.4.1.4

112. Vestiging van jonge landbouwers

4.4.1.4.1 Outputindicatoren In 2009 werden 190 vestigingsdossiers goedgekeurd die ingediend werden na 1 januari 2007 onder PDPO II-regelgeving. 22,1 % van deze vestigingsdossiers gebeurden in het kader van vervroegde pensionering; (=voorgaande bedrijfsleider tussen 55-64 jaar). 17,4 % van deze dossiers werd ingediend door een vrouw. Van deze 190 dossiers werd ook het investeringsvolume gemonitord, dat de som is van de overheidssubsidie en de privébijdrage. Het investeringsvolume bedroeg 31,8 miljoen euro. Figuur 11 en Figuur 12 geven respectievelijk de verdeling per landbouwactiviteit van het aantal goedgekeurde PDPO II dossiers en het totale investeringsvolume. Hieruit blijkt dat de meeste vestigingsdossiers betrekking hebben op gemengde bedrijven, melkvee- en tuinbouwbedrijven. In 2009 werden ook 2 dossiers goedgekeurd die ingediend werden vóór januari 2007 onder PDPO I-regelgeving. 31,5% van de uitgaven in 2009 (t.o.v. 82% in 2008) vond plaats voor dossiers daterende van de vorige programmaperiode. 67,7% van de subsidies werd uitbetaald in de vorm van kapitaalsubsidies, de rest in de vorm van rentesubsidies. Voor de geografische uitsplitsing van het aantal goedgekeurde dossiers in Less Favoured Area (LFA) 10 en normaal gebied werd gebruik gemaakt van een GIS-applicatie. Een bedrijf werd beschouwd gelegen in LFA-gebied wanneer meer dan 50% van de percelen in LFA-gebied ligt. Van geen enkel van de goedgekeurde dossiers ingediend onder PDPOI of PDPO II was het bedrijf gelegen in LFA-gebied. Er vonden eveneens geen uitbetalingen plaats voor bedrijven gelegen in LFA-gebied. Dezelfde GIS-oefening werd ook uitgevoerd voor Natura 2000-gebied. Een bedrijf wordt beschouwd gelegen te zijn in Natura-2000 gebied indien meer dan 50% van de percelen erin liggen. Van de dossiers goedgekeurd in 2009 onder PDPO II–regelgeving zijn zes bedrijven gelegen in Natura 2000-gebied. 1,6% van de subsidies (kapitaal- en rentesubsidies) die in 2009 uitbetaald werden, waren bestemd voor landbouwbedrijven gelegen in Natura 2000gebied.

4.4.1.4.2 Resultaatindicatoren Op basis van het Landbouwmonitoringnetwerk (LMN), dat gegevens aanlevert aan het Farm Accountancy Datanetwork (FADN), kan een uitspraak gedaan worden voor bruto toegevoegde waarde (BrTW) van de gesteunde bedrijven. Van de dossiers die in 2007 goedgekeurd werden (zowel PDPO I als II) zijn er negen bedrijven zowel in boekjaar 2007 als boekjaar 2008 in het LMN opgenomen. Voor de berekening van de BrTW werd gebruik gemaakt van de nieuwe definitie die in 2009 de EC vooropgesteld werd. De gezamenlijke BrTW van deze negen landbouwbedrijven steeg in 2008 met 423 euro tot 953.607 euro. Voor 10

Voor Vlaanderen komt LFA-gebied overeen met landbouwgrond gelegen in Kwetsbaar Gebied Natuur (KGN), waarop eveneens nulbemesting van toepassing is (dus landbouwgrond in KGN waarop ontheffing van nulbemesting geldt wordt niet meegerekend).


43 een verklaring van deze stijging wordt verwezen naar de midterm evaluatie van PDPO II die eind 2010 gepubliceerd zal worden.

4.4.1.4.3 Targets Tabel 11 Overzicht van de targets voor maatregel 112 vestiging van jonge landbouwers

Type indicator Output Resultaat

Doel 2007- Gerealiseerd Procentuele Indicator 2013 in 2007-2009 deel Aantal gesteunde landbouwers 1.400 358 25,6% Totaal investeringsvolume 280.000.000 62.392.882 22,3% (euro) Bruto toegevoegde waarde van 0 euro NA NA de landbouwbedrijven (euro) verhoging 11

De relatief lage realisatie van de targets in 2007-2009 van de outputindicatoren is te verklaren door het gegeven dat enkel de dossiers ingediend en goedgekeurd onder PDPO II-regelgeving in beschouwing worden genomen. Aangezien slechts voor een beperkt aantal bedrijven de BrTW bekend is en het complexe gegeven van de bruto toegevoegde waarde niet in ĂŠĂŠn jaarlijks cijfer te vatten is, verkiezen we via de indicatorentabellen geen cijfer door te geven. 8; 4,2%

5; 2,6% 30; 15,8%

12; 6,3% 70; 36,8%

29; 15,3%

3; 1,6% 13; 6,8% Akkerbouwgewassen Melkvee Pluimvee

20; 10,5%

Tuinbouw Graasdieren (excl. Melkvee) Gemengd (akkerbouw/veeteelt)

Fruitteelt Varkens Andere

Figuur 11 Absolute en procentuele verdeling per landbouwactiviteit van de goedgekeurde vestigingsdossiers (PDPO II regelgeving) in 2009

11

In tegenstelling tot de huidige waarde van de BrTW van een groep bedrijven in het monitoringjaar n is de doelstelling te interpreteren als het verschil in BrTW voor de groep bedrijven in jaar n (jaar van toekenning PDPO steun) en jaar n+7.


44

1.831.057; 5,8%

1.036.545; 3,3% 3.448.900; 10,9%

1.689.900; 5,3%

4.610.138; 14,5%

13.464.092; 42,4%

3.338.538; 10,5% 300.200; 0,9% Akkerbouwgewassen Melkvee Pluimvee

2.028.429; 6,4%

Tuinbouw Graasdieren (excl. Melkvee) Gemengd (akkerbouw/veeteelt)

Fruitteelt Varkens Andere

Figuur 12 Absolute (euro) en procentuele verdeling per landbouwactiviteit van het totale investeringsvolume van de goedgekeurde PDPO II vestigingsdossiers


45

Vestigingssteun: goedgekeurde dossiers en toegekende steun, 2001-2009 In Figuur 13 wordt het aantal goedgekeurde dossiers en de toegekende overheidssteun weergegeven voor vestiging van landbouwbedrijven. Uit deze figuur valt vooral de tijdelijke stijging op 2007 als gevolg van een verhoogd aantal vestigingsdossiers die in 2006 onder PDPO I regelgeving ingediend werden. Verder valt ook de tijdelijke daling op in 2004. Deze twee jaren terzijde gelaten, is de toegekende steun en het aantal goedgekeurde dossiers vrij constant en schommelt deze waarden rond de 200 goedgekeurde dossiers per jaar en 8.000.000 euro toegekende steun. 15.000.000

350

14.000.000 13.000.000 12.000.000 11.000.000

250

10.000.000 9.000.000

200

8.000.000 7.000.000 150

6.000.000 5.000.000

100

4.000.000

Toegekende overheidssteun

Aantal goedgekeurde dossiers

300

3.000.000 50

2.000.000 1.000.000

0

0 2001

2002

2003

2004

2005

aantal goedgekeurde dossiers

2006

2007

2008

2009

toegekende overheidssteun

Figuur 13 Tijdsverloop van het aantal goedgekeurde dossiers en de toegekende overheidssteun voor vestiging van landbouwbedrijven


46

Vestigingssteun: Toegekende overheidssteun per bedrijfstype, 2001-2009 Figuur 14 geeft de toegekende overheidssteun voor vestiging in de landbouwsector in de periode 2001-2009 per type landbouwbedrijf. Hieruit blijkt dat de toegekende overheidssteun het hoogst is voor de gemengde bedrijven (2009: 3,4 miljoen euro), gevolgd door de melkveebedrijven (2009: 1,3 miljoen euro). De toegekende overheidssteun voor gemengde bedrijven bevindt zich in 2009 terug op het niveau van voor 2004. Voor melkveebedrijven valt de stijging in de periode 2005-2008 op. De toegekende steun aan tuinbouwbedrijven bevindt zich in 2009 terug op het niveau van 2001. Voor graasdieren exclusief melkvee dat vooral bestaat uit vleesvee valt de stijging van de toegekende steun op vanaf 2007. Voor varkensbedrijven valt de tijdelijke daling in 2004 op.

5.500.000 5.000.000 4.500.000 4.000.000 3.500.000 3.000.000 2.500.000 2.000.000 1.500.000 1.000.000 500.000 0 2001

2002

Akkerbouwgewassen Melkvee Pluimvee

2003

2004

2005

2006

Tuinbouw Graasdieren (exclusief melkvee) Gemengd (akkerbouw/veeteelt)

2007

2008

2009

Permanente gewassen Varkens Andere

Figuur 14 Toegekende overheidssteun voor vestiging in de landbouw per type landbouwbedrijf in de periode 2001-2009


47

4.4.1.5

114. Bedrijfsadviessysteem voor land- en tuinbouwers

4.4.1.5.1 Outputindicatoren In 2009 werden 1.402 bedrijfsadviezen (BAS) aangevraagd en voorlopig goedgekeurd. In de periode 2007-2009 werd van 2.473 unieke landbouwers de BAS-aanvraag voorlopig goedgekeurd. In 2009 vonden nog geen effectieve betalingen plaats voor het nieuwe BAS 12 . Alle uitbetalingen in 2009 betreffen dossiers van de eerste programmaperiode PDPO I uitgevoerd onder maatregel ‘Essentiële dienstverlening voor plattelandseconomie en –bevolking’ waartoe “milieumodule” en “bedrijfsleidingadvies” werden gerekend. Deze twee maatregelen vallen niet onder verordening EG 1782/2003 aangaande het bedrijfsadviessysteem. 3.070 landbouwers hebben in 2009 subsidie ontvangen voor de milieumodule voor een totaal bedrag van 907.000 euro. 1.249 landbouwers hebben in 2009 subsidie ontvangen voor bedrijfsleidingadvies voor een bedrag van 491.000 euro.

4.4.1.5.2 Resultaatindicatoren Daar er in het landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) geen landbouwbedrijfbedrijven opgenomen die deelnemen aan het BAS, werd in het kader van de ongoing evaluatie in 2009 gegevens aangaande BrTW verkregen van commerciële boekhoudkantoren. Voor de resultaten van deze analyse wordt verwezen naar de midterm evaluatie die eind 2010 gepubliceerd zal worden.

4.4.1.5.3 Targets Tabel 12 Targets voor maatregel 114 Bedrijfsadviessystemen voor land- en tuinbouwers

Type indicator

12

Doel 2007- Gerealiseerd Procentuele 2013 in 2007-2009 deel

Indicator

Output

Aantal landbouwers 13

gesteunde

Resultaat

Bruto toegevoegde waarde van de landbouwbedrijven (euro)

18.634

5.977

32%

0 euro stijging 14

NA

NA

Het ‘type advies’ zoals gevraagd in de monitoring (te begrijpen als het belangrijkste onderdeel van het advies) zal opgenomen worden in de jaarverslagen zodra de eerste effectieve betalingen plaatsgevonden hebben 13 Aantal gesteunde landbouwers wordt geïnterpreteerd als het aantal unieke landbouwers dat in 2007-2009 een uitbetaling ontving voor milieumodule/bedrijfsleidingsadvies of welke een aanvraag eerste fase ingediend hebben voor het nieuwe BAS (waarvoor in 2007-2009 nog geen betalingen plaatsvonden) 14 In tegenstelling tot de huidige waarde van de BrTW van een groep bedrijven in het monitoringjaar n is de doelstelling te interpreteren als het verschil in BrTW voor de groep bedrijven in jaar n (jaar van toekenning PDPO steun) en jaar n+7.


48

4.4.1.6

121. Investeringen in landbouwbedrijven

4.4.1.6.1 Outputindicatoren In 2009 werden 2.162 dossiers, ingediend onder PDPO II-regelgeving, goedgekeurd. Figuur 15 geeft de verdeling van de dossiers over de verschillende bedrijfstypen. 36% van de goedgekeurde investeringsdossiers vond plaats voor gemengde bedrijven, 21% voor tuinbouwbedrijven en 19% voor melkveebedrijven. 17% van deze dossiers werd ingediend door een rechtspersoon, dit is een stijging met 4% t.o.v. vorig jaar. 133; 6,2%

76; 3,5%

460; 21,3%

768; 35,5% 127; 5,9%

410; 19,0%

15; 0,7% 88; 4,1% 85; 3,9% Akkerbouw Melkvee Pluimvee

Tuinbouw Graasdieren (excl. melkvee) Gemengde bedrijven

Fruitteelt Varkens Andere

Figuur 15 Procentuele en absolute verdeling van de goedgekeurde dossiers onder PDPO II-regelgeving per bedrijfstype

Van de dossiers ingediend door een natuurlijk persoon was de aanvrager in 44% van de gevallen jonger dan 40 jaar en in 6% van de gevallen van het vrouwelijk geslacht. 1,4% van de investeringsdossiers ingediend onder PDPO II-regelgeving betrof een investering voor het produceren van een nieuw product. 8,5% van de dossiers betrof een investering die gezien kan worden als investering voor een nieuwe techniek en nieuwe producten op sectorniveau (bv. WKK-installatie). Dit is een stijging met vier procent t.o.v. vorig jaar. De lijst met nieuwe technieken en nieuwe producten werd niet veranderd en hiervoor wordt verwezen naar vorige jaarverslagen. 0,6% van de goedgekeurde dossiers betrof een biologisch landbouwbedrijf, dit is een daling met 1,1% t.o.v. 2008. Van deze 2.162 dossiers werd ook het investeringsvolume gemonitord dat de som is van de overheidssubsidie en de privĂŠbijdrage. Dit bedroeg 232.999.000 euro. Figuur 16 geeft een overzicht van het investeringsvolume per bedrijfstype. Het grootste investeringsvolume (32%) komt voor bij de tuinbouwbedrijven, gevolgd door de gemengde bedrijven (28%) en de melkveebedrijven (13%).


49

15.448.347; 6,6%

7.679.743; 3,3%

74.356.665; 31,9% 66.108.114; 28,4%

2.690.162; 1,2% 13.607.759; 5,8%

15.489.698; 6,6% 6.790.138; 2,9%

Akkerbouw Melkvee Pluimvee

30.828.403; 13,2%

Tuinbouw Graasdieren (excl. melkvee) Gemengde bedrijven

Fruitteelt Varkens Andere

Figuur 16 Procentuele en absolute (euro) verdeling van het investeringsvolume van de goedgekeurde dossiers onder PDPO II-regelgeving per bedrijfstype

In 2009 werden ook 69 dossiers goedgekeurd die ingediend werden voor januari 2007 onder PDPO I-regelgeving. 48,1% van de uitbetalingen van PDPO I en PDPO II dossiers samen gebeurde in de vorm van kapitaalsubsidies (de rest in de vorm van rentesubsidies). Dit is een daling met 3% t.o.v. 2008. Dit is wel nog 1% hoger dan in 2007. Voor de geografische uitsplitsing van het aantal goedgekeurde dossiers in Less Favoured Area (LFA)-gebied en normaal gebied werd gebruik gemaakt van een GIS-applicatie. Van de goedgekeurde dossiers ingediend onder PDPO II-regelgeving waren twee bedrijven gelegen in LFA-gebied. Slechts 16.262 euro of 0,04% van de in 2009 uitbetaalde steun was bestemd voor bedrijven gelegen in LFA-gebied. Dezelfde GIS-analyse werd ook uitgevoerd voor Natura 2000-gebied Een bedrijf werd beschouwd als gelegen in Natura 2000-gebied wanneer meer dan 50% van de percelen in dat gebied liggen. 100 van de 2.231 bedrijven (4,5%) met goedgekeurde PDPO I of II aanvraag zijn gelegen in Natura 2000 gebied. 1.174.278 euro of 2,5% van de uitbetaalde investeringssteun in 2009 was bestemd voor bedrijven gelegen in Natura-2000 gebied.


50

4.4.1.6.2 Resultaatindicatoren Op basis van het Landbouwmonitoringnetwerk (LMN), dat gegevens aanlevert aan het Farm Accountancy Datanetwork (FADN) kan een uitspraak gedaan worden voor bruto toegevoegde waarde (BrTW) van de gesteunde bedrijven. Van de dossiers (zowel PDPO I als PDPO II) die in 2007 goedgekeurd werden zijn 181 landbouwbedrijven zowel in boekjaar 2007 als boekjaar 2008 opgenomen in LMN. Voor deze 181 bedrijven werd de gezamenlijke BrTW berekend. Hiervoor werd de nieuwe definitie van BrTW gebruikt, die in 2009 door EC vooropgesteld werd. De gezamenlijke BrTW van de 181 landbouwbedrijven daalde in 2008 met 3.062.324 euro tot 28.336.423 euro. Voor een verklaring voor deze daling wordt verwezen naar de mid-term evaluatie PDPO II die eind 2010 gepubliceerd zal worden. Een mogelijke verklaring is alvast de daling van de afzetprijzen in 2008 van de meeste landbouwproducten.

4.4.1.6.3 Targets Tabel 13 Targets van de maatregel 121 Modernisering van landbouwbedrijven

Type indicator Output

Resultaat

Doel 2007- Gerealiseerd Procentuele Indicator 2013 in 2007-2009 deel Aantal gesteunde 24.500 3.896 15,9% landbouwers Totaal investeringsvolume 1.295.000.000 369.348.504 28,5% (euro) Bruto toegevoegde waarde 10 % van de landbouwbedrijven NA NA stijging 15 (euro) Aantal landbouwbedrijven die nieuwe producten of 4.900 317 6,5% technieken introduceren

De relatief lage realisatie van de targets in 2007-2009 van de outputindicatoren is te verklaren door het gegeven dat enkel de dossiers ingediend en goedgekeurd onder PDPO II-regelgeving in beschouwing worden genomen. Aangezien slechts voor een beperkt aantal bedrijven de BrTW bekend is en het complexe gegeven van de bruto toegevoegde waarde niet in ĂŠĂŠn jaarlijks cijfer te vatten is, verkiezen we via de indicatorentabellen geen cijfer door te geven.

15

In tegenstelling tot de huidige waarde van de BrTW van een groep bedrijven in het monitoringjaar n is de doelstelling te interpreteren als het verschil in BrTW voor de groep bedrijven in jaar n (jaar van toekenning PDPO steun) en jaar n+7.


51 VLIF investeringen (inclusief diversificatie): opsplitsing toegekende steun per thema (milieu, dierenwelzijn, biologische landbouw, diversificatie) In Figuur 17 werden de toegekende uitgaven in kalenderjaar 2009 voor maatregel 121 ‘investeringssteun’ en maatregel 311 ‘diversificatiesteun’ opgedeeld in vier thema’s: milieu, dierenwelzijn, biologische landbouw en diversificatie. Deze indeling gebeurde op basis van de investeringscodes die door de VLIF-administratie gebruikt worden. Elke investeringscode werd uniek aan een thema toegewezen, behalve voor de fotovoltaïsche cellen waarbij de toegekende steun zowel toegewezen werd aan het thema milieu als aan het thema diversificatie. In de categorie ‘overige’ is de toegekende steun ondergebracht die aan geen enkel van de beschouwde thema’s toegewezen kan worden. De som van de weergegeven bedragen in figuur 17 (58.033.614 euro) komt overeen met de totale toegekende steun in 2009 voor investeringssteun inclusief diversificatie. Voor de toegekende rentesubsidies werd in Figuur 17 met de actuele waarde gewerkt. 45,9 % van alle toegekende uitgaven in 2009 waren bestemd voor milieu-investeringen. In absolute cijfers komt dit neer op 26,6 miljoen euro. Dit bedrag is van dezelfde grootteorde als de effectieve uitgaven voor alle agromilieumaatregelen in 2009, nl. 26,7 miljoen euro. De toegekende uitgaven bestemd voor diversificatie op het landbouwbedrijf bedroegen in 2009 6,7 miljoen euro, overeenkomende met 11,5% van de totale toegekende uitgaven. De specifieke uitgaven in 2009 voor de thema’s ‘dierenwelzijn’ en ‘biologische landbouw’ in 2009 waren eerder beperkt. Belangrijk is er echter op te wijzen dat de 143.000 euro toegekende steun voor biologische landbouw enkel de steun is voor specifieke investeringen in de biolandbouw en niet de totale toegekende VLIFsteun in 2009 voor biologische landbouwbedrijven. Deze laatste bedroeg in 2009 542.155 euro (AMS-berekening op basis van VLIF-databank).

Overige; 24.138.959; 41,6%

Milieu; 26.638.565; 45,9%

Diversificatie; 6.670.174; 11,5%

Dierenwelzijn; 442.837; 0,8% Biologische landbouw; 143.080; 0,2%

Figuur 17. Verdeling van de toegekende uitgaven in 2009 over de verschillende thema’s. Hierbij werd elke type investering uniek toegewezen, behalve de fotovoltaïsche cellen die zowel bij thema diversificatie als bij thema milieu geteld werden


52

VLIF investeringen (inclusief diversificatie): aantal goedgekeurde dossiers en toegekende overheidssteun, 2001-2009

4.500

80.000.000

4.000

70.000.000

3.500

60.000.000

3.000 50.000.000 2.500 40.000.000 2.000 30.000.000 1.500 20.000.000

1.000

10.000.000

500 0

0 2001

2002

2003

2004

2005

Aantal goedgekeurde dossiers

2006

2007

2008

2009

Toegekende overheidssteun

Figuur 18 Aantal goedgekeurde dossiers en toegekende overheidssteun 2001-2009 voor maatregel 121 investeringen in landbouwbedrijven en maatregel 311 diversificatiesteun. Voor de toegekende rentesubsidies werd met de nominale waarde gewerkt.

Toegekende overheidssteun (euro)

Aantal goedgekeurde dossiers

In Figuur 18 wordt de toegekende overheidssteun en aantal goedgekeurde dossiers weergegeven in de periode 2001-2009. Hieruit blijkt dat toegekende overheidssteun in 2009 haast verdubbeld is t.o.v. 2004. Verder valt ook het piekjaar 2007 op. Dit is het gevolg van een verhoogd aantal dossiers die in 2006 nog onder PDPO I regelgeving ingediend werden. Het topjaar 2007 buiten beschouwing gelaten schommelt het jaarlijkse aantal goedgekeurde dossiers rond de 3.000. De daling in 2009 is te wijten aan de omvang van de dossiers en het snel uitgeput zijn van de Vlaamse machtiging.


53

VLIF investeringen (inclusief diversificatie): Toegekende overheidssteun per bedrijfstype, 2001-2009 In Figuur 19 wordt de tijdsevolutie van de toegekende overheidssteun weergegeven voor de verschillende landbouwbedrijfstypes. In de eerste plaats blijkt dat in 2009 het grootste deel van de toegekende overheidssteun (24,5 miljoen euro) bestemd was voor tuinbouwbedrijven, gevolgd door de gemengde bedrijven (15,0 miljoen euro). Verder valt op dat de toegekende steun aan tuinbouwbedrijven hersteld is van de tijdelijke daling in de periode 2003-2006, en de toegekende overheidssteun terug op het niveau is van de periode 2001-2002. Verder valt ook de verhoging van de toegekende overheidssteun aan varkensbedrijven op vanaf 2005, hetzelfde geldt eveneens voor de gemengde bedrijven. Voor melkveebedrijven en ‘andere’ categorie valt de stijging vanaf 2006 op. Onder de ‘andere’ categorie vinden we vooral het subbedrijfstype ‘combinaties van veeteelt met of zonder veredeling’. De toegekende steun voor pluimveebedrijven blijft nog steeds laag, maar is wel aan het stijgen sinds 2007.

30.000.000

25.000.000

20.000.000

15.000.000

10.000.000

5.000.000

0 2001 Akkerbouwgewassen Melkvee Pluimvee

2002

2003

2004

2005

2006

Tuinbouw Graasdieren (exclusief melkvee) Gemengd (akkerbouw/veeteelt)

2007

2008

2009

Permanente gewassen Varkens Andere

Figuur 19 Tijdsevolutie van de toegekende overheidssteun per type landbouwbedrijf. Voor de toegekende rentesubsidies werd met de nominale waarde gewerkt.


54

VLIF-investeringen (inclusief diversificatie): toegekende steun per type investering In Tabel 15a wordt de top 10 van toegekende steun in 2009 weergegeven voor alle type investeringen. In Tabel 15b wordt de top 10 van de toegekende steun in 2009 weergegeven voor alle type milieu-investeringen. Uit beide tabellen blijkt dat het belangrijkste type investering de WKK-installaties zijn en dit eveneens een milieu-investering is. Daarnaast staan nog vier andere milieu-investeringen in de algemene top 10: fotovoltaïsche zonnecellen en zonneboilers, ammoniakemissiearme (AEA) vleesvarken- en zeugenstallen en de installatie van het eerste energiescherm in de serreteelt.

Tabel 15a Top 10 van toegekende steun in 2009 voor alle type investeringen

Type investering WKK-installatie op gas of biobrandstof Machines en materieel Bewaar- en machineloods Fotovoltaïsche zonnecellen en zonneboilers Bouwen/Inrichten serre Bouwen/Inrichten melkveestal Ammoniakemissiearme -vleesvarkensstal Ammoniakemissiearme -zeugenstal Energiebesparing: eerste energiescherm Aankoop gebouwen (in gebruik)

Toegekende steun (euro) 8.060.584 5.720.469 5.592.700 5.410.405 5.108.068 3.064.352 2.777.299 1.827.287 1.659.775 1.198.687

Tabel 15b Top 10 van toegekende steun in 2009 voor alle type milieu-investeringen

Type investering WKK-installatie op gas of biobrandstof Fotovoltaïsche zonnecellen en zonneboilers Ammoniakemissiearme -vleesvarkensstal Ammoniakemissiearme -zeugenstal Energiebesparing: eerste energiescherm Energiebesparing: warmtebuffer of rookgascondensor Ammoniakemissiearme -biggenstal Ammoniakemissiearme -fokvarkensstal (alle categorieën) Verwarming op biobrandstoffen Sleufsilo

Toegekende steun (euro) 8.060.584 5.410.405 2.777.299 1.827.287 1.659.775 1.177.136 1.168.503 923.689 794.398 671.848


55

4.4.1.7

123-A. Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten

4.4.1.7.1 Outputindicatoren In 2009 werd de tweede oproep gelanceerd voor financiële steun aan agrovoedingsbedrijven. De steun wordt toegekend aan een aantal innovatieve projecten, maar ook investeringen op het vlak van alternatieve energie, energiebesparingen en leefmilieu. In totaal werd van 63 agrovoedingsbedrijven het dossier goedgekeurd 16 . 23 bedrijven zijn micro-ondernemingen, 22 zijn medium ondernemingen en 18 zijn halfgrote ondernemingen 17 . Figuur 20 en Figuur 21 geven respectievelijk de verdeling weer van de goedgekeurde aanvragen en het subsidiabele investeringsbedrag over de verschillende sectoren van de agrovoedingsbedrijven 18 . Zowel wat betreft het aantal goedgekeurde dossiers als wat betreft het totale investeringsvolume zijn de drie belangrijkste sectoren: 1) 20 (31,7%) vleesverwerkende bedrijven (slachthuizen) voor een investeringsvolume van 4,6 miljoen euro (43,7%), 2) 12 (19,0%) bedrijven gespecialiseerd in vleeswaren voor een investeringsvolume van 16,8 miljoen euro (21,2%), 3) 10 (15,9%) bedrijven in groenten- en fruitsector voor een investeringsvolume van 15,2 miljoen euro (19,1%). De subsidie bedraagt 9,9% van het totale investeringsvolume. In 2009 werd 634.194 euro effectief uitbetaald en dit voor dossiers goedgekeurd in 2008. 2; 3,2%

3; 4,8%

10; 15,9%

12; 19,0%

1; 1,6%

10; 15,9%

20; 31,7% 5; 7,9% Aardappelen

Groenten en Fruit

Mout

Veevoeders

Vlas

Vlees

Vleeswaren

Zuivel

Figuur 20 Procentuele en absolute verdeling van de goedgekeurde dossiers per sector van de agrovoedingsindustrie 16

Voor oproep 2009 werden eveneens drie bijkomende dossiers goedgekeurd die vallen buiten PDPO II Micro: Minder dan 50 personen werkzaam in bedrijf en jaarlijkse omzet en/of jaarlijkse balans niet hoger dan 10 m€ Medium: Minder dan 250 personen werkzaam in bedrijf en jaarlijkse omzet niet hoger dan 50 m€ en/of een jaarlijkse balans niet hoger dan 43 m€ Half-groot: Minder dan 750 personen werkzaam in bedrijf en jaarlijkse omzet niet hoger dan 200 m€ 17


56

1.846.337,90; 2,3%

5.703.406,00; 7,2%

16.800.878,30; 21,2% 15.172.517,91; 19,1%

3.034.725,50; 3,8% 986.663,66; 1,2% 1.075.444,94; 1,4%

34.636.193,98; 43,7% aardappelen

groenten en fruit

mout

veevoeders

vlas

vlees

vleeswaren

zuivel

Figuur 21 Subsidiabele investeringskost (absoluut in euro en %) van de goedgekeurde dossiers per sector van de agrovoedingsindustrie

4.4.1.7.2 Resultaatindicatoren In 2009 waren 11 nieuwe technieken en 6 nieuwe producten betrokken bij de goedgekeurde dossiers. Deze nieuwe technieken en producten worden op sectorniveau beschouwd, niet op bedrijfsniveau. De bruto toegevoegde waarde van de agrovoedingsbedrijven werd bepaald op basis van de jaarrekeningen neergelegd bij de Nationale Bank Van BelgiĂŤ. In de loop van 2009 werd de definitie van de BrTW aangepast door EC. In samenspraak met de midterm evaluator werd rekening houdende met de nieuwe Europese definitie, ook de Vlaamse berekening op basis van jaarrekening van de Nationale Bank aangepast. Het gevolg van deze aanpassing is dat nog maar van 24 bedrijven waarvan het dossier in 2008 goedgekeurd werd de BrTW berekend kan worden. Van de overige bedrijven ontbreken cruciale gegevens van de resultaatrekening om de berekening te kunnen uitvoeren. Van deze bedrijven werd de gezamenlijke BrTW berekend in 2007 en in 2008. Voor het jaar 2007 bedroeg de BrTW 186.374 euro, voor het jaar 2008 203.502 euro. Dit is een stijging met 17.128 euro. Het is echter twijfelachtig dat de subsidie al een effect gehad heeft op de BrTW, aangezien de dossiers pas in 2008 goedgekeurd werden (tenzij de uitvoering van investeringen al aangevat werd voor of tijdens moment van goedkeuring dossier).


57

4.4.1.7.3 Targets Type indicator Output

Resultaat

Doel 2013

2007- Gerealiseerd Procentuele in 2007-2009 deel

Indicator Aantal gesubsidieerde 250 bedrijven Totaal investeringsvolume 335.000.000 19 (euro) Bruto toegevoegde waarde Stijging van van de agrovoedings- 155.000.000 bedrijven (euro) euro 20 Aantal agrovoedingsbedrijven die 75 nieuwe producten of technieken introduceren

108

43,2%

133.853.080

40,0%

NA

NA

22

29,3%

Aangezien slechts voor een beperkt aantal bedrijven de BrTW bekend is en het complexe gegeven van de bruto toegevoegde waarde niet in ĂŠĂŠn jaarlijks cijfer te vatten is, verkiezen we via de indicatorentabellen geen cijfer door te geven.

4.4.1.8

132. Deelname door landbouwers aan voedselkwaliteitsregelingen

Deze maatregel werd nog niet uitgevoerd in 2009.

4.4.1.9

133. Voorlichting en afzetbevordering van Vlaamse producten erkend als BOB/BGA/GTS

Deze maatregel werd nog niet uitgevoerd in 2009.

19

In jaarverslag 2008 werd aangegeven dat de target in jaarverslag 2009 vervangen zou worden door 414.000.000 euro aangezien de oorspronkelijke target gebaseerd was op te hoog ingeschatte budgetten. In het kader van de laatste programmaherziening (eind 2009) werd het totale budget voor maatregel 123 verder beperkt zodanig dat de doelstelling van het totale investeringsvolume eveneens aangepast diende te worden tot 335.000.000 euro. 20 In tegenstelling tot de huidige waarde van de BrTW van een groep bedrijven in het monitoringjaar n is de doelstelling te interpreteren als het verschil in BrTW voor de groep bedrijven in jaar n (jaar van toekenning PDPO steun) en jaar n+7.


58

4.4.2 As 2 – Verbetering van het milieu en het platteland Belangrijk: Slechts een selectie aan indicatoren wordt in onderstaande figuren en tabellen toegelicht. Voor het overzicht van alle indicatoren wordt verwezen naar de indicatorentabellen in bijlage.

4.4.2.1

212/213. Vergoeding natuur binnen en buiten Natura 2000

4.4.2.1.1 Outputindicatoren Voor 607 landbouwbedrijven werd in 2009 vergoeding natuur uitbetaald, dit voor een totale oppervlakte van 1.812 ha. 827 ha hiervan is gelegen binnen Natura 2000 gebied. Voor deze analyse werden alle uitbetaalde aanvragen GIS-matig onderverdeeld in binnen en buiten Natura 2000 21 . Sinds de start van PDPO II werd voor 1.771 unieke landbouwbedrijven vergoeding Natuur uitbetaald. De uitbetaalde oppervlakte in 2009 was 441 ha lager dan in 2008 en er werden in 2009 ook 271 landbouwbedrijven minder uitbetaald. Vergeleken met het eerste jaar van PDPO II (2007) werden in 2009 649 minder landbouwbedrijven uitbetaald en werd eveneens 1.302 ha minder uitbetaald.

4.4.2.1.2 Resultaatindicatoren Voor de betekenis van de resultaatindicator wordt verwezen naar het jaarverslag 2007.

21

Alle betalingen in 2009 betroffen dossiers daterende van 2008 (voornamelijk), 2007 of 2006 (beperkt aantal). De uitbetaalde dossiers van 2006 vielen nog onder PDPO I-regelgeving met o.a. een vergoeding van 200 €/ha i.p.v. 150 €/ha vanaf PDPO II. Vanaf PDPO II wordt voor de uitbetaling van vergoeding Natuur een onderscheid gemaakt tussen het gebied gelegen binnen Natura 2000 en er buiten. Indien de percelen gelegen zijn binnen Natura 2000 gebied worden ze uitbetaald op budgetpost 213, indien ze er buiten liggen op budgetpost 212. Alle uitbetalingen van de aanvragen daterende van 2006 werden echter uitbetaald op budgetpost 213. Dit heeft tot gevolg dat volgende gegevens gelden: Cijfers voor 2009: Budgetpost: 212: 386 landbouwers, werden uitbetaald voor 979 ha. Budgetpost 213: 281 landbouwers werden uitbetaald voor 833 ha. 607 landbouwers zijn hiervan uniek d.w.z. dat sommige landbouwers op beide budgetposten uitbetaald werden (landbouwer die zowel percelen binnen als buiten Natura 2000 hebben). Cijfers voor 2009 cumulatief: 212: 667 landbouwers werden uitbetaald voor 1.080 ha. Budgetpost 213: 1.510 landbouwers werden uitbetaald voor 3.114 ha (cumulatieve cijfers zijn te interpreteren als het unieke aantal landbouwers dat in de periode 2007-2009 uitbetaald is op de budgetpost, het cumulatieve areaal is te interpreteren als het maximale areaal dat in een bepaald jaar in de periode 2007-2009 op het terrein aanwezig was)


59

4.4.2.1.3 Targets Tabel 16 Targets voor de outputindicatoren voor maatregel 212/213 Vergoeding natuur binnen en buiten Natura 2000 (PDPO I en II samen, gebaseerd op uitbetaling volgens budgetposten)

Type indicator

Doel 2007- Gerealiseerd Procentuele 2013 in 2007-2009 deel

Indicator Aantal gesteunde bedrijven binnen Natura 2000 gebied

Output

Gesteunde landbouwgrond binnen Natura 2000 gebied (ha) Aantal gesteunde bedrijven buiten Natura 2000 gebied Gesteunde landbouwgrond buiten Natura 2000 gebied (ha)

1.241

1.510

121,7%

3.462

3.114

90%

2.482

667

26,9%

5.148

1.080

21%

Tabel 17 Targets voor de resultaatindicatoren voor maatregel 212 Vergoeding natuur buiten Natura 2000 (PDPO I en II samen; gebaseerd op GIS-analyse)

Type indicator Resultaat

Indicator Landbouwgrond (ha) succesvol bijdraagt biodiversiteit en HNVF Landbouwgrond (ha) succesvol bijdraagt waterkwaliteit Landbouwgrond (ha) succesvol bijdraagt klimaatsverandering Landbouwgrond (ha) succesvol bijdraagt bodemkwaliteit Landbouwgrond (ha) succesvol bijdraagt tot vermijden landmarginalisatie en het verlaten van land

Doel 2007- Gerealiseerd 2013 in 2007-2009 die 2.445 802 tot

Procentuele deel 33%

die tot

4.891

1.603

33%

die tot

NP

NP

NP

die tot

2.445

802

33%

die het van van

NP

NP

NP


60 Tabel 18 Targets voor de resultaatindicatoren voor maatregel 213 Vergoeding natuur binnen Natura 2000 (PDPO I en II samen gebaseerd op GIS-analyse)

Type indicator Resultaat

4.4.2.2

Indicator Landbouwgrond (ha) succesvol bijdraagt biodiversiteit en HNVF Landbouwgrond (ha) succesvol bijdraagt waterkwaliteit Landbouwgrond (ha) succesvol bijdraagt klimaatsverandering Landbouwgrond (ha) succesvol bijdraagt bodemkwaliteit Landbouwgrond (ha) succesvol bijdraagt tot vermijden landmarginalisatie en het verlaten van land

Doel 2007- Gerealiseerd 2013 in 2007-2009 die 1.644 756 tot

Procentuele deel 46%

die tot

3.289

1.511

46%

die tot

NP

NP

NP

die tot

1.644

756

46%

die het van van

NP

NP

NP

214-C Behoud van met uitsterven bedreigde lokale veerassen en variĂŤteiten van hoogstamboomgaarden

4.4.2.2.1 Outputindicatoren In 2009 werden 129 nieuwe contracten ondertekend voor lokale veerassen voor een totaal van 2.082 runderen (ouder en jonger dan 2 jaar) en 1.158 schapen. Dit komt overeen met 1.889 grootvee-eenheden (GVE). Voor hoogstamboomgaarden werden in 2009 330 nieuwe contracten ondertekend voor een totale oppervlakte van 145 ha. In 2009 liepen ook contracten verder die gestart werden onder PDPO I of de eerste twee jaar van PDPO II. Indien deze contracten meegerekend worden, waren er in 2009 1.732 contracten voor hoogstamboomgaarden voor een oppervlakte van 713 ha. Voor lokale veerassen waren er 343 contracten voor een totaal van 4.671 grootvee-eenheden: 4.821 runderen (ouder en jonger dan 2 jaar), 4.640 schapen en 18 geiten. 1.263 unieke bedrijven hadden in het jaar 2009 een contract hoogstamboomgaarden en 253 unieke bedrijven een contract voor lokale veerassen. 1.503 bedrijven hadden in 2009 een contract hoogstamboomgaarden of lokale veerassen, d.w.z. dat 13 bedrijven de beide samen hadden. 23,5% van het budget uitbetaald in 2009 ging naar hoogstamboomgaarden (111.474 euro), 57,6% naar lokale runderen (273.900 euro), 18,8% naar lokale schapenrassen (89.500 euro) en 0,1% naar lokale geitenrassen (450 euro).


61

4.4.2.2.2 Resultaatindicatoren De targets en de jaarlijkse gegevens voor de resultaatindicatoren worden enkel weergegeven voor alle agromilieumaatregelen samen (§.4.4.2.3.2).

4.4.2.2.3 Targets Tabel 19 Targets voor maatregel 214-C Behoud van met uitsterven bedreigde lokale veerassen en variëteiten van hoogstamboomgaarden

Type indicator

Output

4.4.2.3

Maatregel

Indicator

214-C bedreigde lokale veerassen en hoogstamboomgaarden

Totaal areaal dat agromilieusteun ontvangt Totaal aantal contracten

Doel 20072013 NA

3.239

Gerealiseerd Procentueel in 2007-2009 deel 720 (enkel hoogstamNA boomgaarden) 2.191

67,6%

Bespreking van alle agromilieumaatregelen

Belangrijk: De uitgaven in 2009 komen niet overeen met het aantal contracten en het areaal. Het aantal contracten en het areaal gelden voor de lopende, maar nog niet uitbetaalde contracten, overeenkomende met de verzamelaanvraag 2009. De uitgaven zijn de effectieve betalingen door het betaalorgaan in kalenderjaar 2009. Dit betreft voornamelijk de uitbetalingen van de verzamelaanvraag 2008, naast mogelijke achterstallige betalingen van eerdere campagnes.

4.4.2.3.1 Outputindicatoren Gegevens van 2009 In 2009 bedroeg het totale areaal agromilieumaatregelen 67.873 ha en waren er in totaal 12.657 contracten. De uitgaven in kalenderjaar 2009 bedroegen 26,7 miljoen euro. Figuur 22 tot Figuur 24 geven een overzicht van het areaal, de uitgaven en het aantal contracten voor alle agromilieumaatregelen in 2009. De kleinere maatregelen (bekeken vanuit areaal, budget en aantal contracten werden samengenomen onder de noemer ‘overig’ en verder uitgesplitst in de balk aan de rechterkant. De agromilieumaatregelen kunnen onderverdeeld worden in drie groepen: de groep die duidelijk het belangrijkste deel inneemt van areaal, uitgaven of aantal contracten, een groep die een beperkt deel inneemt en een groep die zich tussen beiden bevindt. Wat betreft areaal, behoren ‘BO water’ en ‘Groenbedekking’ tot de belangrijke groep, samen nemen ze 67,7% van het totale areaal agromilieumaatregelen in. Tot de middelste groep


62 behoren: ‘BO erosie’, ‘Bio-hectaresteun’, ‘Vlinderbloemigen’ en ‘Mechanische onkruidbestrijding’. Deze vier agromilieumaatregelen nemen 24,5% van het totale areaal agromilieumaatregelen in. Alle overige agromilieumaatregelen (7) kunnen tot de groep gerekend worden met beperkte bijdrage tot het totale areaal agromilieumaatregelen. Van deze laatste groep is ‘BO perceelsranden’ de belangrijkste maatregel met 2,1% van het totale areaal. Wat betreft de effectieve uitgaven in kalenderjaar 2009, behoort enkel ‘BO water’ tot de eerste groep, deze maatregel neemt 50,2% van de totale uitgaven in. Tot de middelste groep kunnen vijf agromilieumaatregelen gerekend worden: ‘Groenbedekking’, ‘Vlinderbloemigen’, ‘BO Perceelsranden’, ‘BO erosie’ en ‘Mechanische onkruidbestrijding’. Deze vijf maatregelen nemen 40,0% van de totale uitgaven in. Al de overige agromilieumaatregelen (8) kunnen tot de groep gerekend worden met beperkte bijdrage in de uitgaven in 2009. Van deze laatste groep is ‘Bio-hectaresteun’ de belangrijkste maatregel met 2,5% van de totale uitgaven. Wat betreft het aantal contracten (elke begunstigde heeft maximum 1 contract per agromilieumaatregel) kan een opdeling gemaakt worden in twee groepen. Tot de belangrijke groep behoren acht agromilieumaatregelen (van belangrijk naar minder belangrijk): ‘Groenbedekking’, ‘Vlinderbloemigen’, ‘Subsidie hoogstammige fruitbomen’, ‘BO water’, ‘BO kleine landschapselementen’, ‘BO perceelsranden’, ‘Mechanische onkruidbestrijding’ en ‘BO erosie’. Samen nemen deze agromilieumaatregelen 89,5% van het totale aantal contracten in. Al de overige agromilieumaatregelen (6) behoren tot de tweede groep met beperkt aantal contracten. Van deze laatste groep is ‘BO Natuur’, de belangrijkste maatregel met 3,2% van het totale aantal contracten.

Groenbedekking; 16.096; 23,7%

Subsidie hoogstammige fruitbomen; 713; 1,0% Sierteelt; 1.133; 1,7%

BO Water; 29.944; 44,0%

BO Perceelsranden; 1.395; 2,1% Overig; 5.328; 7,8%

Mechanische onkruidbestrijding; 4.616; 6,8% BO Erosie; 3.321; 4,9%

Vlinderbloemigen; 5.902; 8,7% Bio-hectaresteun; 2.795; 4,1%

BO Soortenbescherming; 774; 1,1% BO kl. Landschapselemente n; 129; 0,2% BO Botanisch beheer ; 197; 0,3% BO Natuur; 987; 1,5%

Figuur 22 Absolute waarde en procentuele verdeling van de oppervlakte (ha) in 2009 voor de verschillende agromilieumaatregelen


63

Groenbedekking; 3.444.518; 12,9% BO Water; 13.408.873; 50,2%

Subsidie hoogstammige fruitbomen; 111.474; 0,4% Lokale veerassen; 363.850; 1,4% Sierteelt; 248.796; 0,9% Bio-hectaresteun; 656.181; 2,5%

Overig; 2.616.030; 9,8%

Mechanische onkruidbestrijding; 891.320; 3,3%

BO Erosie; 1.013.522; 3,8%

Vlinderbloemigen; 2.920.275; 10,9% BO Perceelsranden; 2.428.095; 9,1%

BO Soortenbescherming; 168.786; 0,6% BO kl. Landschapselementen; 401.153; 1,5% BO Botanisch beheer ; 96.474; 0,4% BO Natuur; 569.316; 2,1%

Figuur 23 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de uitgaven in kalenderjaar 2009 voor de verschillende agromilieumaatregelen

BO kl. Landschapselementen; 1.171; 9,3% BO Water; 1.726; 13,6%

Groenbedekking; 1.995; 15,8% Lokale veerassen; 343; 2,7% Sierteelt; 139; 1,1% Bio-hectaresteun; 208; 1,6%

BO Erosie; 788; 6,2% Overig; 1.332; 10,5%

BO Botanisch beheer ; 71; 0,6%

Perceelsranden; 1.153; 9,1% Mechanische onkruidbestrijding; 980; 7,7% Vlinderbloemigen; 1.780; 14,1%

BO Soortenbescherming; 171; 1,4%

BO Natuur; 400; 3,2%

Subsidie hoogstammige fruitbomen; 1.732; 13,7%

Figuur 24 Absolute waarde en procentuele verdeling van het aantal contracten in 2009 voor de verschillende agromilieumaatregelen


64 Evolutie tussen 2000 en 2009 Figuur 25 tot Figuur 30 geven de evolutie van het areaal, het aantal contracten en de uitgaven voor de agromilieumaatregelen in de periode 2000-2009 weer. Het is belangrijk op te merken dat ‘BO kleine landschapselementen’ uit de tijdsreeks voor het areaal verdwenen is. De reden hiervoor is dat de kleine landschapselementen vanaf 2008 niet meer gekoppeld zijn aan percelen. In het verleden werd de oppervlakte van de percelen aangeduid 22 , terwijl vanaf 2008 enkel nog de oppervlakte van kleine landschapselementen op zich bijgehouden wordt 23 . Areaal Het totale areaal agromilieumaatregelen 24 is met 52.803 ha (43,8%) achteruitgegaan in 2009 t.o.v. 2008. In totaal is het areaal agromilieumaatregelen tijdens de eerste drie jaren van PDPO II met 60.979 ha (47,3%) achteruitgegaan t.o.v. het laatste jaar van PDPO I. Deze drastische achteruitgang is volledig toe te schrijven aan de agromilieumaatregel ‘groenbedekking’. Dit is een uitdovende maatregel, dit betekent dat tijdens PDPO II geen nieuwe vijfjarige contracten meer afgesloten kunnen worden. Indien enkel het areaal van de niet-uitdovende maatregelen bekeken wordt (=agromilieumaatregelen waarvoor wel nog nieuwe contracten afgesloten kunnen worden), dan is er slechts een zeer beperkte daling van het areaal agromilieumaatregelen in 2009 t.o.v. 2008, nl. een daling met 276 ha of 1,3%. Indien 2009 vergeleken wordt met het laatste jaar van PDPO I valt nog steeds een stijging met 1.622 ha of 8,5% te noteren. Het areaal van de volgende agromilieumaatregelen is sterk (> 10%) toegenomen in 2009 t.o.v. 2008: ‘BO erosie’ (+46,3%; 1.051 ha), ‘hoogstamboomgaarden’ (+25,7%, 146 ha), ‘Sierteelt’ (+17,4%, 168 ha), ‘BO water’ (+10,9%, 2.945 ha). Indien 2009 vergeleken wordt met het laatste jaar van PDPO I zijn de volgende agromilieumaatregelen sterk (>10%) toegenomen: ‘BO erosie’ (+91,3%, 1.585 ha), ‘hoogstamboomgaarden’ (+83,8%, 325 ha), ‘Vlinderbloemigen’ (+23,8%, 1.136 ha), ‘BO perceelsranden’(+14,2%, 173 ha). Het areaal van de volgende agromilieumaatregelen is beperkt (< 10%) toegenomen in 2009 t.o.v. 2008: ‘BO kleine landschapselementen’ (+9,3%, 11 ha), ‘BO perceelsranden’ (+9,0%; 115 ha), ‘BO soortenbescherming’ (+6,3%, 46 ha), ‘Bio-hectaresteun’ (+4,5%, 121 ha). Indien 2009 vergeleken wordt met het laatste jaar van PDPO I zijn de volgende agromilieumaatregelen beperkt (<10%) toegenomen: ‘Bio-hectaresteun’ (+5,7%, 150 ha), ‘Sierteelt’ (+2,8%, 31 ha), ‘BO water’ (+2,2%, 644 ha). Voor de hierna volgende bespreking van de verschillende agromilieumaatregelen die een daling van het areaal gekend hebben, wordt geen rekening gehouden met de uitdovende maatregelen daar een daling hier triviaal is. Het areaal ‘Mechanische onkruidbestrijding’ kende in 2009 t.o.v. 2008 een sterke daling, nl. een daling met 22,7% overeenkomende met 22

In tegenstelling tot de ‘BO perceelsranden’ waar de oppervlakte van de perceelsrand zelf geldt Voor de niet-vlakvormige kleine landschapselementen (zoals hagen en heggen) wordt een proxy van de VLM gebruikt. Voor heggen werd de lengte vermenigvuldigd met 1m breedte, voor de hagen werd de lengte vermenigvuldigd met 0,5m breedte. 24 Zonder de BO kleine landschapselementen in rekening te brengen voor beide jaren 23


65 1.353 ha. Het areaal ‘Vlinderbloemigen’ kende in 2009 t.o.v. 2008 een beperkte daling, nl. een daling met 8,8% wat overeenkomt met 570 ha. Indien 2009 vergeleken wordt met het laatste jaar van PDPO I zijn de volgende agromilieumaatregelen sterk gedaald: ‘Mechanische onkruidbestrijding’ (-25,6%, 1.591 ha) en ‘BO soortenbescherming’ (-19,5%, 187 ha). Deze laatste maatregel is echter wel aan een herstel bezig met een stijging met 6,3% in 2009 t.o.v. 2008. Zowel indien 2009 vergeleken wordt t.o.v. 2008 als 2009 vergeleken wordt t.o.v. 2006 konden buiten de hierboven genoemde sterke dalingen geen dalingen in het areaal vastgesteld worden. Het areaal kleine landschapselementen kan enkel vergeleken worden met 2008 om de eerder aangehaalde reden. Ook hier is een stijging van het areaal vast te stellen, nl een stijging met 9,3% overeenkomende met 11 ha. Gezien de aard van de maatregel is voor ‘behoud van met uitsterven bedreigde lokale veerassen’ geen areaalmeting beschikbaar. Uit de gegevens van het aantal contracten blijkt een sterke stijging in 2009 t.o.v. 2008, nl een stijging met 28,9% overeenkomende met 77 contracten. Aantal contracten Het totale aantal contracten van alle agromilieumaatregelen samen is met 5.622 (-30,8%) achteruitgegaan in 2009 t.o.v. 2008. In totaal is het aantal contracten tijdens de eerste drie jaren van PDPO II met 5.399 (-29,9%) achteruitgegaan t.o.v. het laatste jaar van PDPO I. Deze drastische achteruitgang is volledig toe te schrijven aan de agromilieumaatregel ‘groenbedekking’. Dit is een uitdovende maatregel, dit betekent dat tijdens PDPO II geen nieuwe vijfjarige contracten meer afgesloten kunnen worden. Indien enkel het aantal contracten van de niet-uitdovende maatregelen bekeken wordt (=agromilieumaatregelen waarvoor wel nog nieuwe contracten afgesloten kunnen worden), dan is er een beperkte stijging van het aantal contracten in 2009 t.o.v. 2008, nl. een stijging van 361 of 3,7%. Indien 2009 vergeleken wordt met het laatste jaar van PDPO I valt een sterke stijging te noteren nl. 1.266 contracten meer, overeenkomende met 14,2%. Het aantal contracten van de volgende agromilieumaatregelen is sterk (> 10%) toegenomen in 2009 t.o.v. 2008: ‘BO soortenbescherming’ (+33,6%; 43), ‘BO erosie’ (+29,6%, 180), ‘lokale veerassen’ (+28,9%, 77), ‘hoogstamboomgaarden’ (+25,0%, 347); ‘BO kleine landschapselementen’ (+23,8%, 225). Indien 2009 vergeleken wordt met het laatste jaar van PDPO I is het aantal contracten van de volgende agromilieumaatregelen sterk (>10%) toegenomen: ‘hoogstamboomgaarden’ (+102,8%, 878), ‘BO erosie’ (+36,1%, 209), ‘lokale veerassen’ (+28,5%, 76), ‘BO kleine landschapselementen’(+28,1%, 257), ‘bio-hectaresteun (+19,5%, 34), ‘vlinderbloemigen (11,7%, 186). . Het aantal contracten van de volgende agromilieumaatregelen is beperkt (< 10%) toegenomen in 2009 t.o.v. 2008: ‘BO perceelsranden’ (+8,0%; 85), ‘BO water’ (+7,3%, 117), ‘Biohectaresteun’ (+3,5%, 7). Indien 2009 vergeleken wordt met het laatste jaar van PDPO I zijn de volgende agromilieumaatregelen beperkt (<10%) toegenomen: ‘BO soortenbescherming (+4,9%, 8) ‘sierteelt (+3,7%, 5), ‘BO perceelsranden’ (+2,0%, 23).


66 In de hierna volgende bespreking van de verschillende agromilieumaatregelen die een daling van het aantal contracten gekend hebben, wordt geen rekening gehouden met de uitdovende maatregelen daar een daling hier triviaal is. Het aantal contracten ‘Mechanische onkruidbestrijding’ kende in 2009 t.o.v. 2008 een sterke daling, nl. een daling met 31,1% overeenkomende met 442 contracten. Het aantal contracten ‘Vlinderbloemigen’ kende in 2009 t.o.v. 2008 eveneens een sterke daling, nl. een daling met 13,3% overeenkomende met 273 contracten. Indien 2009 vergeleken wordt met het laatste jaar van PDPO I zijn enkel het aantal contracten van ‘BO water’ sterk gedaald met 15,7% overeenkomende met 322 contracten. ‘Sierteelt’ kende in 2009 t.o.v. 2008 een beperkte daling van het aantal contracten, nm. 3,5% overeenkomende met 5 contracten. Deze daling wordt echter niet vastgesteld indien 2009 vergeleken wordt t.o.v. 2006, dan is enkel een beperkte daling vast te stellen van het aantal contracten ‘mechanische onkruidbestrijding’, nl -8,2% overeenkomende met 88 contracten. Uitgaven per boekjaar Wat de uitgaven per boekjaar voor agromilieumaatregelen betreft, is er een duidelijke toename in 2009 t.o.v. 2008: een stijging van de totale uitgaven met 1,9 miljoen euro tot 24,7 miljoen euro, dit is een stijging met 8,2%. In 2009 werden voornamelijk contracten van 2008 uitbetaald. Indien de totale uitgaven in 2009 vergeleken wordt met het laatste jaar van PDPO I is er zelfs een stijging met 8,6 miljoen overeenkomende met 53,8%. Er was vooral een sterke stijging in 2009 t.o.v. 2008 van de uitbetalingen voor ‘BO kleine landschapselementen’ (+158,0%, 248.000 euro), ‘BO perceelsranden’ (+109,5%, 1.283.000 euro), ‘BO erosie’ (+103,0%, 545.000 euro), ‘BO soortenbescherming’ (+37,2%, 51.000 euro), ‘mechanische onkruidbestrijding’ (+21,1%, 157.000 euro). Indien de uitgaven in boekjaar 2009 vergeleken worden met het laatste jaar van PDPO I valt een sterke (> 10%) stijging van de uitgaven te noteren voor: ‘BO erosie (+381,6%, 851.000 euro), ‘BO perceelsranden’ (+218,8%; 1.685.000 euro), ‘BO water’ (+86,2%, 5.350.000 euro), ‘vlinderbloemigen (+56,9%, 1.070.000 euro), ‘mechanische onkruidbestrijding’ (+47,1%, 289.000 euro), ‘BO kleine landschapselementen (+17,4%, 60.000 euro). Uitgaven stijgen sterker dan het areaal daar de premies per eenheid (meestal hectare) voor de PDPO II contracten hoger zijn dan voor de PDPO I contracten. De uitgaven van de volgende maatregelen zijn in boekjaar 2009 beperkt toegenomen t.o.v. 2008: ‘vlinderbloemigen’ (+2,9%, 82.000 euro) en ‘BO water’ (+2,4%, 275.000 euro). In de hierna volgende bespreking van de verschillende agromilieumaatregelen die een daling van de uitgaven gekend hebben, wordt geen rekening gehouden met de uitdovende maatregelen daar een daling hier triviaal is. Er valt weliswaar een duidelijke daling vast te stellen van de uitgaven 2009 t.o.v. 2008 en 2009 t.o.v. 2006 voor lokale veerassen /hoogstamboomgaarden enerzijds en ‘sierteelt’ anderzijds. Deze dalingen zijn echter slechts ‘schijnbaar’. Voor hoogstamboomgaarden/lokale veerassen is dit is het gevolg van laattijdige betalingen die niet meer in het boekjaar 2009 opgenomen werden (wel in het kalenderjaar 2009). Een gelijkaardige reden geldt voor ‘sierteelt’ waar de uitzonderlijk hoge uitgaven in het boekjaar 2008 eveneens het gevolg zijn van laattijdige betalingen van de campagne 2006. Indien voor lokale veerassen en hoogstamboomgaarden de uitgaven per kalenderjaar 2009 vergeleken worden t.o.v. 2008 (dat wel een juister beeld geeft) is er een status-quo te noteren voor de uitgaven voor lokale veerassen en hoogstamboomgaarden samen. Voor ‘sierteelt’ is enkel een vergelijking tussen boekjaar 2009 t.o.v. boekjaar 2006 (laatste jaar PDPO I) zinvol


67 en hieruit blijkt een toename van de uitgaven met 77,7% overeenkomende met 108.000 euro. Hieruit volgt dat voor 2009 t.o.v. 2008 voor geen enkele (niet-uitdovende) agromilieumaatregel een sterke daling in de uitgaven te noteren valt. Indien de uitgaven in 2009 vergeleken worden met het laatste jaar van PDPO I valt enkel een sterke daling vast te stellen voor ‘BO soortenbescherming’, nl. een daling met 22,0% overeenkomende met 53.000 euro 25 Voor bio-hectaresteun is er voor de uitgaven in boekjaar 2009 t.o.v. 2008 en boekjaar 2009 t.o.v. 2006 een beperkte daling van de uitgaven vast te stellen, nl. respectievelijk -5,4% overeenkomende met 38.000 euro en -3,2% overeenkomende met 22.000 euro. 140.000 130.000 120.000 110.000 100.000 90.000 80.000 70.000 60.000 50.000 40.000 30.000 20.000 10.000 0 2000 2001 Groenbedekking BO soortenbescherming BO natuur Steun biovarkens Vlinderbloemigen

2002

2003 2004 2005 Mechanische onkruidbestrijding BO perceelsrandenbeheer BO water Hectaresteun biolandbouw BO erosie

2006

2007 2008 2009 Sierteelt BO botanisch beheer Subsidie hoogstammige fruitbomen Hectaresteun geïntegreerd pitfruit

Figuur 25 Oppervlakte (ha) voor de verschillende agromilieumaatregelen in campagnejaren 2000-2009 (areaal kleine landschapselementen werd op 0 gezet, uitleg zie tekst)

25

De sterke daling van 2009 t.o.v. 2006 voor hoogstamboomgaarden + lokale veerassen is het gevolg van laattijdige betalingen van campagne 2008.


68 55.000 50.000 45.000 40.000 35.000 30.000 25.000 20.000 15.000 10.000 5.000 0 2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Mechanische onkruidbestrijding

Sierteelt

BO soortenbescherming

BO perceelsrandenbeheer

BO water

Subsidie hoogstammige fruitbomen

Hectaresteun biolandbouw

Vlinderbloemigen

BO erosie

Figuur 26 Oppervlakte voor de verschillende agromilieumaatregelen in campagnejaren 2000-2009 zonder de uitdovende maatregelen (areaal kleine landschapselementen werd op 0 gezet, uitleg zie tekst)

20.000 19.000 18.000 17.000 16.000 15.000 14.000 13.000 12.000 11.000 10.000 9.000 8.000 7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0 2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

Groenbedekking

Mechanische onkruidbestrijding

Sierteelt

Lokale veerassen

BO soortenbescherming

BO perceelsrandenbeheer

BO kleine landschapselementen

BO botanisch beheer

BO natuur

BO water

Subsidie hoogstammige fruitbomen

Steun biovarkens

Hectaresteun biolandbouw

Hectaresteun geĂŻntegreerd pitfruit

Vlinderbloemigen

BO erosie

Figuur 27 Aantal contracten voor agromilieumaatregelen in campagnejaren 2000-2009

2009


69

11.000 10.000 9.000 8.000 7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0 2000

2001

2002

Mechanische onkruidbestrijding BO soortenbescherming BO water Vlinderbloemigen

2003

2004

2005

2006

Sierteelt BO perceelsrandenbeheer Subsidie hoogstammige fruitbomen BO erosie

2007

2008

2009

Lokale veerassen BO kleine landschapselementen Hectaresteun biolandbouw

Figuur 28 Aantal contracten voor agromilieumaatregelen in campagnejaren 2000-2009 zonder de uitdovende maatregelen 26.000 24.000 22.000 20.000 18.000 16.000 14.000 12.000 10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0 2003

2004

Groenbedekking Sierteelt BO soortenbescherming BO Kleine landschapselementen BO water Hectaresteun biolandbouw Vlinderbloemigen

2005

2006

2007

2008

2009

Mechanische onkruidbestrijding Genetische diversiteit dieren + hoogstam BO perceelsrandenbeheer BO botanisch beheer incl BO natuur Steun biovarkens Hectaresteun geĂŻntegreerd pitfruit BO erosie

Figuur 29 Uitgaven per boekjaar voor de verschillende agromilieumaatregelen in de periode 2003-2009 (x1000 euro)


70

22.000 20.000 18.000 16.000 14.000 12.000 10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0 2003

2004

2005

Mechanische onkruidbestrijding Genetische diversiteit dieren + hoogstam BO perceelsrandenbeheer BO water Vlinderbloemigen

2006

2007

2008

2009

Sierteelt BO soortenbescherming BO Kleine landschapselementen Hectaresteun biolandbouw BO erosie

Figuur 30 Uitgaven per boekjaar voor de verschillende agromilieumaatregelen in de periode 2003-2009 zonder de uitdovende maatregelen (x1000 euro)


71 Tabel 20. Overzicht van de procentuele verschillen tussen jaar 2009 en 2008 enerzijds en tussen 2009 en 2006 (laatste jaar PDPO I) anderzijds. Daar voor 2006 de effectieve uitgaven enkel beschikbaar zijn voor het boekjaar werden ook voor 2008 en 2009 de boekjaren gebruikt

2009 t.o.v. 2008

-

2009 t.o.v. 2006

-

Areaal

Contracten

Uitgaven

Areaal

Contracten

Uitgaven

BO erosie

+46

+30

+103

+91

+36

+382

BO perceelsrandenbeheer

+9

+8

+110

+14

+2

+219

BO kleine landschapselementen

+9

+24

+158

/ 26

+28

+17

Hoogstamboomgaarden

+26

+25

-10

+84

+103

/ 27

Sierteelt

+17

-4

/ 28

+3

+4

+78

BO water

+11

+7

+2

+2

-16

+86

Lokale veerassen

/ 29

+29

+3

/ 30

+29

/ 31

Vlinderbloemigen

-9

-13

+3

+24

+12

+57

Hectaresteun biolandbouw

+5

+4

-5

+6

+20

-3

BO soortenbescherming

+6

+34

+37

-20

+5

-22

Mechanische onkruidbestrijding

-23

-31

+21

-26

-8

+47

Daling > 10% Daling < 10% Stijging > 10% Stijging < 10%

/ = geen data beschikbaar Voor de tabellen waarmee bovenstaande figuren gemaakt zijn geweest wordt verwezen naar bijlage 2.

26

Geen vergelijkingspunt aangezien in enkel 2006 de perceelsoppervlakte bekend is en voor 2009 enkel de oppervlakte van kleine landschapselementen op zich 27 Geen vergelijkingspunt aangezien voor 2006 effectieve betaling van maatregel 214-C niet beschikbaar is voor de opsplitsing lokale dieren en hoogstamboomgaarden 28 Geen vergelijkingspunt met 2008 wegens laattijdige betalingen 29 Er kan geen areaal gekoppeld worden aan het beheer van de lokale veerassen 30 Er kan geen areaal gekoppeld worden aan het beheer van de lokale veerassen 31 Geen vergelijkingspunt aangezien voor 2006 effectieve betaling van maatregel 214-C niet beschikbaar is voor de opsplitsing lokale dieren en hoogstamboomgaarden


72 GIS-informatie In Tabel 21 en Tabel 22 de overlap van de agromilieuverbintenissen met respectievelijk Natura 2000- en VEN- (Vlaams Ecologisch Netwerk) gebied aangegeven. De hoge concentratie van ‘BO soortenbescherming’ en ‘BO natuur’ in Natura-2000 gebied kan verklaard worden door de redelijke mate van doelgerichtheid, doordat maatregelen en middelen geconcentreerd worden in beheergebieden met een grote kansenrijkdom of met restpopulaties (Natuurrapport, 2007). Tabel 21 Overlap agromilieuverbintenissen met Natura 2000 gebied

Agromilieumaatregel

Areaal in Natura 2000 gebied (ha)

Totale oppervlakte (ha)

Percentage (%)

Mechanische onkruidbestrijding

120

4.616

2,6

Vlinderbloemigen

727

5.902

12,3

Sierteelt

12

1.133

1,1

Hectaresteun Bio

397

2.795

14,2

Groenbedekking

1.201

16.096

7,5

BO Perceelsranden

171

1.395

12,3

BO Soortenbescherming

209

774

27,0

BO Erosiebestrijding

31

3.321

0,9

BO Water

1.614

29.944

5,4

BO Kl. Landschapselementen

25

129

19,4

BO Botanisch beheer (excl. BO natuur)

17

BO Natuur

537

197 987

8,6 54,4

Tabel 22 Overlap van agromilieuverbintenissen met VEN (Vlaams Ecologisch Netwerk) –gebied

Agromilieumaatregel

Areaal in VENgebied (ha)

Totale oppervlakte (ha)

Percentage (%)

Mechanische onkruidbestrijding

16

4.616

0,3

Vlinderbloemigen

94

5.902

1,6

Sierteelt

13

1.133

1,1

Hectaresteun Bio

93

2.795

3,3

Groenbedekking

56

16.096

0,3

BO Perceelsranden

55

1.395

3,9

BO Soortenbescherming

0

774

0,0


73 BO Erosiebestrijding

3

3.321

0,1

BO Water

355

29.944

1,2

BO Kl. Landschapelementen

4

129

3,1

BO Botanisch beheer (excl. BO natuur)

3

BO Natuur

727

197 987

1,5 73,7

Het areaal waarop één of meerdere agromilieumaatregelen uitgevoerd werden (= unieke areaal) bedroeg in 2009 64.898 ha. Dit is een daling met 54.657 ha t.o.v. vorig jaar. De grote daling van het unieke areaal en de unieke begunstigden is het gevolg van de sterke achteruitgang in 2009 van de agromilieumaatregel ‘groenbedekking’. De grote meerderheid van de begunstigden die in 2009 geen ‘groenbedekking’ meer uitvoerden, hebben ook geen andere agromilieumaatregelen in uitvoering. Het areaal ‘groenbedekking’ werd eveneens weinig gecombineerd met andere agromilieumaatregelen. Uit Tabel 23 blijkt dat 5.775 ha van het unieke areaal agromilieumaatregelen gelegen is in Natura-2000 gebied (8,9%), 925 ha (1,4%) in VEN-gebied, en 425 ha (0,7%) in LFA-gebied (Kwetsbaar Gebied Natuur met nulbemesting). Op 10,7% van de landbouwgrond die gelegen is in Natura 2000 gebied (53.866 ha landbouwgrond in Natura 2000 gebied, NARA, 2007) werd in 2009 1 of meerdere agromilieumaatregelen toegepast. Dit is 0,3% hoger dan gemiddelde voor Vlaanderen: op 10,4% van de cultuurgrond in Vlaanderen werd in 2009 één of meerdere agromilieumaatregelen uitgevoerd. Er werd in 2009 415.120 euro steun uitbetaald voor agromilieumaatregelen gelegen in LFAgebied. Voor twee van de 1.025 (0,2%) nieuwe afgesloten contracten in 2009 was het areaal agromilieumaatregelen voor meer dan 90% van de oppervlakte gelegen in LFA-gebied. Aantal begunstigden In 2009 hebben 9.034 begunstigden één of meerdere agromilieumaatregelen uitgevoerd. Dit is een daling met 3.986 begunstigden t.o.v. vorig jaar. 3.692 begunstigden 32 hebben in 2009 één of meerdere PDPO II-contracten voor een totale unieke oppervlakte van 12.255 ha. 1.463 begunstigden hebben in 2009 één of meerdere nieuwe agromilieucontracten afgesloten voor een totale unieke oppervlakte van 4.343 ha.

32

3.712 bedrijven hebben in de periode 2007-2009 een PDPO II contract gehad, dit is 20 hoger dan het effectieve aantal in 2009 d.w.z. dat 20 bedrijven geen PDPO II contract meer hebben in 2009 en dit in 2007 of 2008 wel hadden


74 Tabel 23 Unieke oppervlakte agromilieumaatregelen (behalve 214-C) in Natura-2000 en VEN-gebied

-

Totale unieke oppervlakte van de Percentage Overlap (ha) agromilieumaatregelen (%) (ha)

Overlap agromilieumaatregel met Natura-2000 gebied

5.775

64.898

8,9%

Overlap agromilieumaatregel met VEN-gebied

925

64.898

1,4%

Overlap agromilieumaatregelen met LFA-gebied

425

64.898

0,7%

4.4.2.3.2 Resultaatindicatoren Voor de betekenis van de resultaatindicatoren voor de agromilieumaatregelen wordt verwezen naar het jaarverslag 2007. De cumulatieve waarde van het areaal dat bijdraagt tot de verschillende milieudoeleinden is weergegeven in Tabel 25. Er kan gesteld worden dat 119.405 ha van de agromilieumaatregelen (19% van landbouwoppervlakte) bijdraagt tot de verbetering van de waterkwaliteit in Vlaanderen. Dit is op de eerste plaats te danken aan “groenbedekking” en op de tweede plaats aan de “BO water”. 106.966 ha (17% van landbouwoppervlakte) van de agromilieumaatregelen draagt bij tot een verbetering van de bodemkwaliteit in Vlaanderen. Dit is op de eerste plaats te danken aan “groenbedekking” en op de tweede plaats aan de “BO water”. 47.290 ha (8% van landbouwoppervlakte) draagt bij tot het voorkomen van de marginalisering van gronden. Dit is vooral te danken aan “groenbedekking” en “BO kleine landschapselementen”. “Groenbedekking” heeft een onrechtstreeks effect op het voorkomen van landmarginalisatie, “BO landschapselementen” heeft echter een rechtstreeks effect volgens de ex-ante evaluator. Hierbij heeft de ex-ante evaluator de redenering gemaakt dat “behoud en verbetering van landschappen” in rechtstreeks verband staat met het voorkomen van landmarginalisatie. 10.534 ha (2% van landbouwoppervlakte) van de agromilieumaatregelen in Vlaanderen draagt bij tot de verhoging van de biodiversiteit. Hierbij dient wel rekening gehouden te worden met de bepaling van de totale landbouwoppervlakte. In het totale landbouwoppervlakte zijn ook de gronden in natuurgebied opgenomen, die onder strikte voorwaarden beheerd worden door landbouwers. In Vlaanderen werd, in tegenstelling tot sommige andere Europese regio’s, bepaald dat voor percelen die in natuurgebied gelegen zijn en beheerd worden door landbouwers, geen beheerovereenkomsten aangevraagd kunnen worden. Dit kan evenmin voor percelen gelegen in de afgebakende uitbreidingszones voor natuurgebieden. Op deze percelen in natuurgebied, of uitbreidingszones voor natuurgebied, beheerd door landbouwers (meegeteld in de totale landbouwoppervlakte) worden echter ook maatregelen genomen die bijdragen tot de verhoging van de biodiversiteit in Vlaanderen, los van de PDPObeheerovereenkomsten. In de oppervlakte van 10.534 ha dragen de “BO kleine landschapselementen” en “vlinderbloemigen” het meest bij tot de biodiversiteit, hoewel er maar een matig verband bestaat tussen deze beheerovereenkomst en biodiversiteit. De beheerovereenkomst soortenbescherming, die sterk gericht is op de verhoging van de biodiversiteit, neemt maar 7% van de totale oppervlakte die bijdraagt tot de biodiversiteit voor zijn rekening. De BO


75 perceelsranden, die ook een positief effect heeft op de akkervogels neemt 11% van de oppervlakte voor zijn rekening. De bijdrage tot het tegengaan van klimaatsverandering (3.188 ha of 0,5% van landbouwoppervlakte) is volledig te danken aan een indirect effect van de agromilieuverbintenis â&#x20AC;&#x153;vlinderbloemigenâ&#x20AC;?. De cumulatieve cijfers zijn niet veranderd t.o.v. vorig jaar omdat in 2009 de oppervlakte die bijgedragen heeft tot de verschillende milieudoeleinden niet gestegen is. Voor het cumulatieve areaal voor de periode 2007-2013 wordt het jaar genomen waarin het areaal het hoogst was. In de praktijk komt dit ofwel neer op 2007 ofwel op 2008. Voor de volledigheid worden ook de arealen weergegeven die in 2009 bijgedragen hebben tot de verschillende milieudoeleinden: biodiversiteit: 9.034 ha, waterkwaliteit: 57.090 ha, tegengaan van klimaatsverandering: 2.873 ha, bodemkwaliteit: 45.599 ha, landmarginalisatie: 13.583 ha.

4.4.2.3.3 Targets Tabel 24 Targets voor de outputindicatoren voor maatregel 214 Agromilieumaatregelen (PDPO I en II samen)

Maatregel 214-A en N Mechanische onkruidbestrijding

214-C Lokale veerassen en hoogstamboomgaarden

214-D Vlinderbloemigen

33

Doel 20072013

Gerealiseerd in 2007-2009 33

Procentuele deel

8.500

7.671

90,3%

2.000

1.677

83,9%

Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt (ha)

NA (geen doelstelling beschikbaar incl. locale veerassen)

720 (enkel hoogstamboomgaarden

NA

Totaal aantal contracten

3.239

2.191

67,6%

7.500

7.624

101,7%

2.300

2.251

97,9%

Indicator Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal aantal contracten

Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal aantal contracten

Wat het areaal betreft betekent dit niet dat het betreffende areaal in de periode 2007-2009 effectief gelijktijdig aanwezig was op het terrein. Er wordt namelijk het maximale areaal bijgehouden dat in uitvoering was voor een bepaald contract in een bepaald jaar. Voor sommige agromilieumaatregelen is immers het jaarlijkse areaal dat in uitvoering is variabel. De maximale oppervlakte die in uitvoering geweest is voor een bepaalde agromilieumaaregel waarvan het contract afgelopen is (bv. omdat de periode van vijf jaar verstreken is of het contract stopgezet werd) wordt eveneens meegenomen tot 2013. Het aantal contracten betekent eveneens niet noodzakelijk dat deze gelijktijdig op het terrein in uitvoering waren.


76

214-E Sierteelt

214-F Bio hectaresteun

214-M Groenbedekking

214-O Pitfruit

214-G BO Perceelsranden

214-H BO Soortenbescherming

214-I BO Erosie

214-J BO water

Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal aantal contracten Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal aantal contracten Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal aantal contracten Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal aantal contracten Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal aantal contracten Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal aantal contracten Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal aantal contracten Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal aantal contracten

1.500

1.190

79,3%

300

165

55,0%

4.000

4.249

106,2%

375

337

89,9%

80.000

75.958

94,9%

8.500

8.211

96,6%

323

396

122,6%

71

46

64,8%

2.143

1.478

69,0%

2.567

1.314

51,2%

2.499

928

37,1%

568

208

36,6%

4.171

3.561

85,4%

1.720

811

47,2%

32.300

30.695

95,0%

3.615

1.846

51,1%


77

214-K BO kl. Landschapelementen

BO Botanisch beheer (inclusief BO Natuur)

Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal aantal contracten Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal aantal contracten

243

143

58,8%

2.392

1.405

58,7%

1.600

1.604

100,3%

664

594

89,5%

Tabel 25 Oppervlakte (ha) van agromilieumaatregelen die bijdraagt tot de verschillende milieudoeleinden in vergelijking met de doelstellingen voor de gehele programmaperiode

Milieudoelstelling Biodiversiteit en HNVF Waterkwaliteit Klimaatsverandering Bodemkwaliteit Landmarginalisatie

Behaald 2009

Target

in

2007-

Procentuele deel

16.854

10.534

62,5%

123.921 3.712 111.524 57.110

119.405 3.188 106.966 47.290

96,4% 85,9% 95,9% 82,8%

Voor de methodologie voor de bepaling van de verschillende bijdragen tot de milieudoeleinden wordt verwezen naar jaarverslag 2007.

4.4.2.4

216. Inrichtingsmaatregelen door landbouwers in kader van kaderrichtlijn water

In 2009 werden voor deze maatregel noch uitgaven gedaan noch dossiers goedgekeurd. In 2009 werkte de beheerdienst aan de uitwerking van een procedure voor goedkeuring van steunaanvragen voor de maatregel vanaf 2011.

4.4.2.5

221. Bebossing van landbouwgronden

4.4.2.5.1 Outputindicatoren In 2009 werden 43 dossiers voor bebossing van landbouwgrond goedgekeurd voor 42 unieke begunstigden. Met deze 43 dossiers komt een te bebossen landbouwoppervlakte van 52,82 ha overeen. Op 47,6% van de landbouwoppervlakte wordt ĂŠĂŠn loofboomsoort gepland, op 52,4% van het areaal is in een gemengde aanplant voorzien van verschillende boomsoorten. 25,6% van de unieke begunstigden waarvoor in 2009 een dossier goedgekeurd werd, had betrekking op gemeenten en hun associaties. 74,4% van de unieke begunstigden waren privĂŠ-eigenaars. Voor deze goedgekeurde dossiers vonden in 2009 nog geen uitbetalingen plaats. 48,88 ha (92,5%) landbouwgrond zal bebost worden in het kader van het bevorderen van de biodiversiteit, terwijl 3,94 ha (7,5%) eerder bebost zal worden in het kader van het tegengaan


78 van klimaatsverandering 34 . 1,25 ha (2,4%) van het areaal is gelegen in LFA-gebied en 5,96 ha (11,3%) is gelegen in Natura 2000 gebied. In 2009 werden de eerste betalingen uitgevoerd van contracten die goedgekeurd werden onder PDPO II-regelgeving, nl voor de 57,68 ha die goedgekeurd werd in 2008. De totale uitbetaling hiervoor bedroeg 115.473 euro. Het totale areaal beboste of te bebossen landbouwgrond onder PDPO II contract bedraagt in 2009 110,5 ha. In 2009 werden daarnaast ook nog voor 397 dossiers daterende van PDPO I de onderhoud- en aanplantsubsidie en inkomenscompensatie verder uitbetaald. Indien de PDPO I en II dossiers samengenomen worden kan gesteld worden dat er in Vlaanderen 633,5 ha landbouwgrond bebost is of bebost zal worden. Op 370,56 ha (58,5%) hiervan werd één loofboomsoort aangepland. 262,17 ha (41,4%) betreft een gemengde aanplant van verschillende boomsoorten, slechts 0,77 ha (0,1%) bestaat uit uitsluitend één naaldboomsoort. 521,56 ha (82,3%) hiervan heeft als hoofddoelstelling de bevordering van de biodiversiteit, 111,94 ha (17,7%) heeft als hoofddoelstelling de klimaatsverandering tegengaan. In totaal gaat het over 405 begunstigden.

4.4.2.5.2 Resultaatindicatoren Deze maatregel draagt bij tot het terugdringen van klimaatsverandering, tot biodiversiteit en tot waterkwaliteit. Hiervoor wordt de volledige oppervlakte gerekend waarop de maatregel correct werd uitgevoerd, gebaseerd op controlegegevens. Deze oppervlakte zal doorgegeven worden bij betaling van de 2de schijf van de PDPO II-contracten. Het is pas bij de betaling van de 2de schijf dat voldoende controlegegevens beschikbaar zijn.

4.4.2.5.3 Targets Tabel 26 Targets voor de outputindicatoren voor maatregel 221 Bebossing van landbouwgronden

Type indicator

Output

Doel 2007- Gerealiseerd Procentuele Indicator 2013 in 2007-2009 deel Aantal begunstigden die steun krijgen voor bebossing van 700 86 12,3% landbouwgronden Aantal hectaren landbouwgrond die bebost 840 110,50 13,2% werden

De targets werden enkel opgemaakt voor de aanvragen goedgekeurd tijdens de nieuwe programmaperiode.

34

Deze indeling gebeurt op basis van de boomsoorten


79 Tabel 27 Targets voor de resultaatindicatoren voor maatregel 221 bebossing van landbouwgronden

Oppervlakte (ha) die bijdraagt tot Target (ha) milieudoelstelling Biodiversiteit en 832 HNVF Waterkwaliteit 832 Klimaatsverandering 832 Bodemkwaliteit NP Landmarginalisatie NP

Gerealiseerd 2007-2009 (ha)

in

Procentuele deel

NA

NA

NA NA NP NP

NA NA NP NP

Voor de methodologie voor de bepaling van de verschillende bijdragen tot de milieudoeleinden wordt verwezen naar jaarverslag 2007. Voor de verklaring van het niet beschikbaar zijn van de gegevens (NA – Not Available) wordt verwezen naar § 4.4.2.5.2.

4.4.2.6

227. Niet productieve investeringen in bossen

4.4.2.6.1 Outputindicatoren In totaal werden 101 aanvragen goedgekeurd waarvan 63 voor de submaatregel ‘bebossing/herbebossing’ en 38 voor ‘ecologische bosfunctie’. 65 unieke boseigenaars werden gesteund voor de maatregel ‘bebossing/herbebossing’ en 208 voor de ecologische bosfunctie. Voor de periode 2007-2009 komt dit op 255 unieke boseigenaars voor ‘bebossing/herbebossing’ en 208 unieke boseigenaars voor ‘ecologische bosfunctie’. Voor beide submaatregelen samen zijn er 455 unieke boseigenaars voor de periode 2007-2009. Voor deze maatregel bestaan, in tegenstelling tot wat in de monitoringtabellen van 2008 vermeld stond, ook lasten uit het verleden. Deze werden nu correct vermeld in de monitoringtabel. Zowel in 2007, 2008 als 2009 vonden nog betalingen voor lasten uit het verleden plaats. Dit zijn enkel betalingen voor de submaatregel bebossing/herbebossing, die ook al bestond tijdens PDPO I

4.4.2.6.2 Resultaatindicatoren Van de submaatregel “ecologische bosfunctie” werd 1.736 ha succesvol 35 uitgevoerd. Deze oppervlakten dragen enkel bij tot de verbetering van de biodiversiteit in het bos. Van de submaatregel “bebossing/herbebossing” werd 64 ha succesvol uitgevoerd. Deze submaatregel draagt bij tot de biodiversiteit, waterkwaliteit en de klimaatsverandering.

35

Er werden geen belangrijke overtredingen vastgesteld


80

4.4.2.6.3 Targets Tabel 28 Targets voor de outputindicatoren voor maatregel 227 niet-productieve investeringen in bossen

Type indicator Output

Doel 2007- Gerealiseerd Procentuele Indicator 2013 in 2007-2009 deel Aantal gesteunde boseigenaars 1.050 455 43,3% Totale investeringsvolume 5.490.625 1.861.270 33,9% (euro)

Tabel 29 Targets voor maatregel 227 niet-productieve investeringen in bossen

Oppervlakte (ha) die bijdraagt tot Target (ha) milieudoelstelling Biodiversiteit en 3039 HNVF Waterkwaliteit 35 Klimaatsverandering 35 Bodemkwaliteit NP Landmarginalisatie NP

Behaald 2009

in

2007-

Procentuele deel

1.736

57,1%

64 64 NP NP

182,9% 182,9% NP NP

Voor de methodologie voor de bepaling van de verschillende bijdragen tot de milieudoeleinden wordt verwezen naar jaarverslag 2007.

4.4.3 As 3 â&#x20AC;&#x201C; De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie Belangrijk: slechts een selectie aan indicatoren wordt in onderstaande figuren en tabellen toegelicht. Voor een overzicht van alle indicatoren wordt verwezen naar de indicatorentabellen in de bijlage. A-Diversificatie van landbouwactiviteiten naar niet-agrarische activiteiten

4.4.3.1

311 A. Investeringen m.b.t. diversificatie van landbouwactiviteiten

4.4.3.1.1 Outputindicatoren In 2009 werden 191 dossiers goedgekeurd die werden ingediend onder PDPO II-regelgeving Figuur 31 tot Figuur 32 geven een overzicht van het aantal goedgekeurde dossiers en het subsidiabele investeringsvolume over de verschillende categorieĂŤn van verbreding. Uit beide figuren blijkt dat de investeringen voor hernieuwbare energie met voorsprong de belangrijkste vorm van diversificatie zijn. Wat deze laatste betreft valt ook de stijging over de jaren op. De totale investeringskost voor hernieuwbare energie is gestegen van 7,0 miljoen euro in 2008 tot 17,6 miljoen euro in 2009. 8 % van de goedgekeurde investeringsdossiers in 2009 werd ingediend door een vrouw. 19% van de dossiers werden ingediend door een rechtspersoon, dit is een stijging met 7% t.o.v. vorig jaar. 1% van de dossiers werd ingediend door een persoon jonger dan 25. 68,9% van uitbetaalde subsidies in 2009 gebeurde in de vorm van een kapitaalpremie, de rest in de vorm van rentesubsidies.


81

In 2009 werden echter ook drie dossiers goedgekeurd die ingediend werden voor januari 2007, dus onder PDPO I-regelgeving. 6; 3,1%

11; 5,8%

27; 14,1%

147; 77,0% Toerisme

Detailhandel

Hernieuwbare energie

Andere

Figuur 31 Procentuele en absolute verdeling van het aantal goedgekeurde dossiers over de categorieĂŤn van verbreding in 2009

164.194; 0,8% 733.406; 3,8% 854.830; 4,4%

17.578.098; 90,9% Toerisme

Detailhandel

Hernieuwbare energie

Andere

Figuur 32 Procentuele en absolute (euro) verdeling van de investeringskost voor de in 2009 goedgekeurde dossiers over de categorieĂŤn van verbreding

4.4.3.1.2 Resultaatindicatoren Op basis van het Landbouwmonitoringnetwerk (LMN), dat gegevens aanlevert aan het Farm Accountancy Datanetwork (FADN) kan een uitspraak gedaan worden over de bruto


82 toegevoegde waarde van de gesteunde bedrijven. Op dit moment wordt in de LMNboekhouding echter geen onderscheid gemaakt tussen landbouw en niet-landbouwactiviteiten, zodanig dat de niet-landbouw BrTW niet kan berekend worden. Op dit moment loopt echter een project voor de aanpassing van de boekhoudkundige software om dit in de toekomst wel mogelijk te maken. Indien echter de BrTW van het gehele landbouwbedrijf geanalyseerd wordt, komen we tot de volgende cijfers. Van de 14 landbouwbedrijven waarvan in 2007 het dossier goedgekeurd werd daalde de BrTW in 2008 met 370.757 euro tot 1.735.251 euro. Wat betreft het aantal gecreëerde bruto banen werd al een voorlopig cijfer aangegeven. Deze bruto banen werden berekend op basis van het aantal dossiers per type investering. Aan elk type investering werden door experts van het VLIF het aantal bruto banen gekoppeld 36 .

4.4.3.1.3 Targets Tabel 30 Targets voor maatregel 311-A Investeringen m.b.t. diversificatie van landbouwactiviteiten

Type indicator Output

Resultaat

Doel 2007- Gerealiseerd Procentuele Indicator 2013 in 2007-2009 deel Aantal begunstigden 2.000 291 14,6% Totaal investeringsvolume 70.000.000 26.840.925 38,3% (euro) Niet-landbouw bruto 10 % toegevoegde waarde van de NA NA stijging 37 landbouwbedrijven (euro) Bruto aantal banen gecreëerd 500 (67) (13,4%)

De lage realisatie van de targets van de outputindicatoren is te verklaren door het gegeven dat enkel de dossiers ingediend en goedgekeurd onder PDPO II-regelgeving in beschouwing werden genomen. B-Gebiedsgerichte werking

4.4.3.2

313. Bevordering van toeristische activiteiten

4.4.3.2.1 Outputindicatoren Deze maatregel wordt uitgevoerd door drie beheersdiensten: Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke rijkdommen (ALBON) voor landinrichtingsprojecten, Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) voor de natuurinrichtingsprojecten en de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) voor gebiedsgerichte projecten die goedgekeurd worden via de Provinciale Management Comités (PMC).

36

Aangezien het slechts een eerste inschatting is van het aantal gecreëerde banen werd in de monitoringtabellen van deel II van het jaarverslag de waarde op ‘NA’ (not available) gezet 37 In tegenstelling tot de huidige waarde van de BrTW van een groep bedrijven in het monitoringjaar n is de doelstelling te interpreteren als het verschil in BrTW voor de groep bedrijven in jaar n (jaar van toekenning PDPO steun) en jaar n+7


83 In 2009 werden echter enkel projecten goedgekeurd of subsidies uitbetaald in opdracht van de VLM. In 2009 werden 10 nieuwe projecten goedgekeurd via de PMC’s. Acht projecten hebben betrekking op de voorziening van kleine losse infrastructuur (bv. infopunten en infoborden, een informatiecentrum). Er werden ook twee projecten goedgekeurd die vooral gericht zijn op de ontwikkeling en marketing van diensten op het gebied van plattelandstoerisme. Voor de projecten die vorig jaar goedgekeurd werden door de PMC’s in 2007, 2008 en gedeeltelijk ook al 2009 werd in 2009 een subsidie gegeven van 920.083 euro. De begunstigden zijn vooral provinciale en gemeentelijke besturen, met daarnaast nog enkele vzw’s die volledig gericht zijn op het organiseren van toeristische infrastructuur.

Voor meer informatie aangaande de projecten die goedgekeurd werden door de PMC’s wordt verwezen naar de projectendatabank van het Vlaams Ruraal Netwerk: http://www.ruraalnetwerk.be.

4.4.3.2.2 Resultaatindicatoren Van de afgelopen projecten (goedgekeurd in 2007) werden de resultaatindicatoren bepaald. Er werden door de projecten 75 banen gecreëerd en 120.936 bijkomende bezoekers genoteerd. 40,0% van de gecreëerde banen was bestemd voor een vrouw en 10,7% voor een persoon jonger dan 25. Slechts twintig bezoekers overnachtten, de overige waren allemaal dagbezoekers. Voor een meer gedetailleerde analyse wordt verwezen naar de mid-term evaluatie (publicatie eind 2010).

4.4.3.2.3 Targets Tabel 31 Targets voor maatregel 313 Bevordering van toeristische activiteiten

Type indicator Output

Indicator Aantal gesteunde toeristische acties

Doel 2007- Gerealiseerd Procentuele 2013 in 2007-2009 deel nieuwe

Totaal investeringsvolume

Resultaat

Stijging van de niet-landbouw bruto toegevoegde waarde van de bedrijven Bruto aantal banen gecreëerd Bijkomend aantal toeristische bezoeken

182

35

19,2%

8.190.000 euro

3.960.284 euro

48,4%

NA

NA

NA

182

75

41,2%

16.000

120.936

755,9%

Uit de realisaties van de resultaatindicatoren blijkt dat de doelstellingen die gebaseerd werden op eerdere voorlopig gegevens van de in 2007 goedgekeurde projecten onderschat worden. Deze doelstellingen zullen in het volgende jaarverslag vervangen worden door nieuwe.


84

4.4.3.3

321. Basisvoorzieningen voor de economie en plattelandsbevolking

4.4.3.3.1 Outputindicatoren In 2009 werden zes initiatieven door de PMCâ&#x20AC;&#x2122;s goedgekeurd, waarvan vier aangaande het opzetten van culturele en sociale infrastructuur en twee initiatieven aangaande kinderopvang. In 2009 werd een bedrag van 1.031.614 euro uitbetaald voor de goedgekeurde projecten van 2007, 2008 en gedeeltelijk ook al 2009. Voor meer informatie aangaande de projecten die goedgekeurd werden door de PMCâ&#x20AC;&#x2122;s wordt verwezen naar de projectendatabank van het Vlaams Ruraal Netwerk: http://www.ruraalnetwerk.be.

4.4.3.3.2 Resultaatindicatoren Van de afgelopen projecten (goedgekeurd in 2007) werden resultaatindicatoren bepaald. De projecten hadden als resultaat dat 8.576 personen toegang hebben gekregen tot internet en in totaal kunnen 849.480 personen van de basisvoorzieningen genieten. Dit is veel hoger dan voorzien (zie 4.4.3.3.3). Voor een meer gedetailleerde analyse wordt verwezen naar de midterm evaluatie die eind 2010 gepubliceerd wordt. In deze evaluatie zal onderzocht worden welke projecten bijgedragen hebben tot dit succes.

4.4.3.3.3 Targets Tabel 32 Targets voor maatregel 321 basisvoorzieningen voor de economie en de plattelandsbevolking

Type indicator Output

Resultaat

Indicator Aantal gesteunde acties Totaal investeringsvolume (in euro) Toename van het internetgebruik in ruraal gebied Aantal inwoners in ruraal gebied die van de basisvoorziening genieten

Doel 2007- Gerealiseerd Procentuele 2013 in 2007-2009 deel 147 27 18,4% 14.700.000

1.395.528

9,5%

2.000

8.576

428,8%

60.000

849.480

1415,8%

Uit de realisaties van de resultaatindicatoren blijkt dat de doelstellingen die gebaseerd werden op eerdere voorlopig gegevens van de in 2007 goedgekeurde projecten onderschat worden. Deze doelstellingen zullen in het volgende jaarverslag vervangen worden door nieuwe.


85

4.4.3.4

322. Dorpskernvernieuwing en –ontwikkeling

4.4.3.4.1 Outputindicatoren In 2009 keurde de PMC’s 9 projecten goed in verband met dorpskernvernieuwing. Deze projecten hebben betrekking op fysieke wijzigingen (5 projecten) en op de bevordering van de sociale activiteit in de dorpen (4 projecten). De projecten aangaande bevordering van sociale activiteiten hebben vooral tot doel om de functie van het dorp als ontmoetingsplaats en locatie voor sociaal contact te bevorderen. Het opfleuren van dorpspleinen en het aanleggen van groenvoorzieningen om zodoende meer dorpelingen samen te brengen zijn daar voorbeelden van. De fysieke wijzigingen slaan op het visueel attractiever maken van het dorp door restauratie, herinrichting en onderhoud van openbare voorzieningen en het restaureren van dorpshuizen. In totaal waren in de jaren 2007, 2008 en 2009 samen 36 unieke deelgemeenten betrokken bij de uitvoering van dorpskernvernieuwingsprojecten. Voor meer informatie aangaande de projecten die goedgekeurd werden door de PMC’s wordt verwezen naar de projectendatabank van het Vlaams Ruraal Netwerk: http://www.ruraalnetwerk.be.

4.4.3.4.2 Resultaatindicatoren Van de afgelopen projecten (goedgekeurd in 2007) werden resultaatindicatoren bepaald. 82.399 personen kunnen genieten van de verbeterde voorzieningen. Voor een meer gedetailleerde analyse wordt verwezen naar de mid-term evaluatie (publicatie eind 2010).

4.4.3.4.3 Targets Tabel 33 Targets voor maatregel 322 Dorpskernvernieuwing en -ontwikkeling

Type indicator Output

Resultaat

38

deelgemeenten

Indicator Uniek aantal gemeenten 38 waar acties plaatsvonden Totaal investeringsvolume Inwonerstal van de plattelandsgebieden die profiteren van verbeterde voorzieningen

Doel 2007- Gerealiseerd Procentuele 2013 in 2007-2009 deel 112

36

32,1%

15.225.000

4.315.504

28,3%

1.365.925

82.399

6,0%


86

4.4.3.5

323 Instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed

4.4.3.5.1 Outputindicatoren Deze maatregel wordt uitgevoerd door drie beheersdiensten: Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke rijkdommen (ALBON) voor landinrichtingsprojecten, Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) voor de natuurinrichtingsprojecten en de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) voor gebiedsgerichte projecten die goedgekeurd worden via Provinciale Management Comités (PMC). In 2009 werden echter enkel projecten goedgekeurd of subsidies uitbetaald in opdracht van de VLM. De PMC’s keurden voor deze maatregel in 2009 vijf projecten goed, waarvan vier projecten op cultureel erfgoed betrekking hadden en één op natuurlijk erfgoed 39 . Voor de projecten die goedgekeurd werden in 2007, 2008 en gedeeltelijk ook 2009 werd 1.313.765 euro subsidie gegeven. Voor meer informatie aangaande de projecten die goedgekeurd werden door de PMC’s wordt verwezen naar de projectendatabank van het Vlaams Ruraal Netwerk: http://www.ruraalnetwerk.be.

4.4.3.5.2 Resultaatindicatoren Van de afgelopen projecten (goedgekeurd in 2007) werden resultaatindicatoren bepaald. 531.621 personen kunnen genieten van de verbeterde voorzieningen. Voor een meer gedetailleerde analyse wordt verwezen naar de mid-term evaluatie (publicatie eind 2010).

4.4.3.5.3 Targets Tabel 34 Targets voor maatregel 323-A Instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed

Type indicator Output

Resultaat

39

Indicator Aantal gesteunde landelijk erfgoed acties 40 Totaal investeringsvolume 41 Aantal inwoners van de plattelandsgebieden die profiteren van verbeterde voorzieningen

Doel 2007- Gerealiseerd Procentuele 2013 in 2007-2009 deel 182

31

17,0%

5.460.000

1.331.711

24,4%

531.621

22,6%

2.353.828

Voor de indeling van cultureel / natuurlijk erfgoed werd de afspraak gemaakt dat natuurlijke elementen die bij een cultureel erfgoed horen, ook als cultureel erfgoed beschouwd dienen te worden (bv. kasteelvijvers, stuk groengebied rond kloosters). Natuurlijk erfgoed staat volledig los van het culturele voorwerp (bv. stukken natuurgebied of bosgebied). 40 Inclusief lasten uit verleden 41 Inclusief lasten uit verleden


87

4.4.3.6

331. Intermediaire dienstverlening (opleiding en vorming van ruraal ondernemerschap)

4.4.3.6.1 Outputindicatoren In 2009 werden 7 nieuwe projecten rond opleiding en vorming van ruraal ondernemerschap goedgekeurd. Er zijn eveneens gegevens beschikbaar aangaande de deelnemers voor de verschillende vormingsactiviteiten voor de projecten die in 2007 goedgekeurd werden en waarvan de projecten beëindigd werden. In Figuur 33 wordt het aantal economische actoren weergegeven die deelgenomen hebben aan de verschillende opleidingscategorieën en eveneens het aantal opleidingsdagen (1 dag=8uur). Hieruit blijkt dat de grote meerderheid van de deelnemers niet toegewezen kunnen worden aan de verschillende Europese categorieën. Voor de categorie ‘ICT’ waren er geen deelnemers, vandaar dat deze categorie niet opgenomen werd in de figuur. In Figuur 34 worden de economische actoren uitgesplitst naar de verschillende types actoren. Er waren 581 overheidsorganisaties betrokken bij de projecten, 20 organisaties zonder winstoogmerk en 3 bedrijven. Er waren eveneens 12.019 landbouwbedrijven betrokken. De overige deelnemers (55.383) kunnen niet tot een van de eerder genoemde actoren gerekend worden en hun deelname was dus op zelfstandige basis. Voor de deelnemers die niet toegewezen kunnen worden aan ondernemingen, non-profit organisaties of overheidsorganisaties is eveneens geslacht en leeftijdscategorie bekend. Voor deze deelnemers wordt een onderscheid gemaakt tussen landbouwers en niet-landbouwers. Van de landbouwers was 4,3% jonger dan 25 jaar en was 40,8% van het vrouwelijke geslacht. Van de niet-landbouwers was 5,5% jonger dan 25 en was 82,9% van het vrouwelijke geslacht. Voor meer informatie aangaande de projecten die goedgekeurd werden door de PMC’s wordt verwezen naar de projectendatabank van het Vlaams Ruraal Netwerk: http://www.ruraalnetwerk.be.


88

Aantal opleidingsdagen

Aantal economische actoren

0

10.000

20.000

30.000

40.000

50.000

60.000

70.000

Andere Behoud en verbetering van landschap en milieubescherming Management, administratie (boekhouding) en marketingvaardigheden

Figuur 33. Aantal opleidingsdagen en het aantal economische actoren die betrokken zijn bij de afgelopen projecten van intermediaire dienstverlening

Andere zelfstandigen; 55.838; 81,6%

Microondernemingen; 3; 0,0% Overheidsorganisaties ; 581; 0,8% Overig; 604; 0,9%

Individuele landbouwbedrijven; 12.019; 17,6%

Organisaties zonder winstoogmerk; 20; 0,0%

Figuur 34 Verdeling van de deelnemers aan de beĂŤindigde projecten van intermediaire dienstverlening volgens type actor


89

4.4.3.6.2 Resultaatindicatoren In totaal waren bij de afgesloten projecten 69.468 unieke personen betrokken. Hierbij worden niet alleen de landbouwers gerekend en de ‘zelfstandigen’, maar ook de personen die behoren tot vzw’s, overheidsorganisaties en KMO’s. Deze personen hebben eveneens allen met succes deelgenomen aan het project (opleidingsactiviteit). Van deze personen was 5,6% jonger dan 25 en was 73,5% van het vrouwelijke geslacht.

4.4.3.6.3 Targets Tabel 35 Targets voor maatregel 331 opleiding en vorming van ruraal ondernemerschap

Type indicator

Output

Resultaat

Indicator Aantal deelnemende economische actoren aan gesteunde activiteiten (nietuniek)

Doel 2007- Gerealiseerd Procentuele 2013 in 2007-2009 deel 70

70.332

100.474%

Aantal dagen opleiding voor alle deelnemers

210

58.514

27.864%

Aantal unieke deelnemers die met vrucht de opleidingsactiviteit volbrachten

500

69.468

13.894%

Uit het procentuele deel van de realisaties is het duidelijk dat de doelstellingen voor de outputindicatoren daterende van de ex-ante evaluatie en eveneens de resultaatindicatoren niet realistisch waren. De reden is een foutieve interpretatie van de indicatoren. In het volgende jaarverslag zullen nieuwe doelstellingen vooropgesteld worden.


90

4.4.4 As 4 –Leader 4.4.4.1

413. Lokale ontwikkelingsstrategieën leefkwaliteit / diversificatie

4.4.4.1.1 Outputindicatoren In 2009 werden 160 verschillende Leader-projecten door de PG’s goedgekeurd. Voor de periode 2007-2009 komt dit op 247 goedgekeurde Leader-projecten In Vlaanderen kunnen de Leader-groepen enkel projecten indienen die passen binnen de doelstellingen van de gebiedsgerichte werking van As 3. Het is eveneens het geval dat binnen een Leader-gebied subsidie voor As 3 maatregelen enkel kan gebeuren door toepassing van de Leader-methodologie, dus via de Plaatselijke Groepen. Reguliere subsidiëring via de gebiedsgerichte werking van As 3 (PMC’s) is niet mogelijk. In Figuur 35 werden de 247 goedgekeurde Leader-projecten in de periode 2007-2009 onderverdeeld in de verschillende type maatregelen van As 3. Dit is enkel bedoeld om een onderscheid te kunnen maken aangaande het type projecten (bv. toeristische activiteiten of landelijk erfgoed), dit betekent niet dat de financiering gebeurt via de reguliere werking van As 3. Uit de figuur blijkt dat de meeste Leader-projecten plaatsvonden in het kader van instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed en in het kader van de bevordering van toeristische activiteiten. De 247 goedgekeurde projecten hebben in totaal 415 financieel begunstigden, waarvan 330 uit de privésector en 185 uit de openbare sector. In 2009 vonden de eerste effectieve uitgaven plaats voor een gedeelte van de goedgekeurde Leader-projecten voor een totaal bedrag van 895.000 euro. 38; 15,4% 60; 24,3%

64; 25,9%

49; 19,8%

36; 14,6% Bevordering van toeristische activiteiten

Basisvoorzieningen voor economie en plattelandsbevolking

Dorpskernvernnieuwing en -ontwikkeling

Instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed

Intermediaire dienstverlening

Figuur 35 Absolute en procentuele verdeling van de goedgekeurde Leader-projecten over de verschillende maatregelen van de gebiedsgerichte werking van As 3 in de periode 2007-2009


91

4.4.4.1.2 Resultaatindicatoren Deze worden pas bij beëindiging van de Leader-projecten doorgegeven. De Plaatselijke Groepen zijn allen op de hoogte dat dit moet gebeuren. In 2009 werden nog geen Leaderprojecten beëindigd.

4.4.4.1.3 Targets Tabel 36 Targets voor maatregel 413 Lokale ontwikkelingsstrategieën leefkwaliteit/diversificatie

Type indicator

Output

4.4.4.2

Indicator Aantal gesteunde Plaatselijke Groepen (PG’s) Totale oppervlakte PG-gebied (km²) Totale bevolking in PG gebied Aantal projecten gefinancierd door PG’s Aantal gesteunde begunstigden

Doel 2007- Gerealiseerd Procentuele 2013 in 2007-2009 deel 10

10

100%

3.500

5.821

166%

900.000

1.191.884

132%

500

247

49,4%

700

415

59,3%

421. Samenwerkingsprojecten met andere plattelandsgebieden

In april 2009 werd een oproep voor samenwerkingsprojecten gelanceerd. In 2009 werden echter nog geen aanvragen ingediend.

4.4.4.3

431. Werking Plaatselijke Groepen

4.4.4.3.1 Outputindicatoren Binnen deze maatregel wordt steun verleend voor het beheer van de Plaatselijke Groepen, de verwerving van vakkundigheid en het dynamiseren van het gebied. Dit zijn voornamelijk kortlopende vormingsactiviteiten. In 2009 werden 293 activiteiten gesteund (effectieve betalingen in 2009 en later). Voor de periode 2007-2009 komt dit op 558 activiteiten. In Figuur 36 wordt een overzicht gegeven van deze activiteiten per type activiteit in 2009. 44,7% van de activiteiten had betrekking op het geven van informatiesessies over het Leader-gebied en het bekendmaken van de lokale ontwikkelingsstrategieën. Deze omvatten het uitgeven van artikels en folders, het verspreiden van persberichten en het organiseren van studiedagen en infomomenten. 35,8% van de activiteiten had betrekking op het opleiden van het personeel dat de lokale ontwikkelingsstrategie moet voorbereiden en uitvoeren. 11,6% van de activiteiten had betrekking op het voeren van promotie. Een beperkt aantal acties is onder te brengen in de categorie ‘studies over het betrokken gebied’ en de categorie ‘andere’. De laatste categorie heeft betrekking op zeven acties die niet ondergebracht kunnen worden in één van de andere categorieën (bv. kosten ontvangst andere Leadergroep). In de ‘andere categorie zijn eveneens de secretariaatskosten en de personeelskosten van de PG-coördinatoren en de administratieve kracht opgenomen. Voor de secretariaats- en personeelskosten worden 10 ‘activiteiten’ geteld die overeenkomen met de 10 Leadergebieden.


92

17; 5,8% 6; 2,0% 34; 11,6%

131; 44,7%

105; 35,8%

Studies over het betrokken gebied Acties om voorlichting te geven over het gebied en over de plaatselijke ontwikkelingsstrategie Opleiding van personeel dat wordt betrokken bij de opstelling en uitvoering van een lokale ontwikkelingsstrategie Dynamiseringacties (promotie) Andere

Figuur 36 Absolute en procentuele verdeling van de activiteiten per categorie van activiteit in 2009

4.4.4.3.2 Resultaatindicatoren In 2008-2009 hebben 964 unieke personen succesvol deelgenomen aan één of meerdere opleidingsactiviteiten aangaande de opstelling en uitvoering van een lokale ontwikkelingsstrategie. 31,2% van de deelnemers waren van het vrouwelijk geslacht en 3,9 % was jonger dan 25 jaar. Alle deelnemers die aanwezig waren op de opleiding worden als ‘geslaagd’ beschouwd in de zin dat ze het geleerde zullen toepassen in de praktijk.

4.4.4.3.3 Targets Tabel 37 Targets van de outputindicatoren van maatregel 431 Werking Plaatselijke Groepen

Type indicator Output

Indicator Aantal gesteunde acties

Doel 2007- Gerealiseerd Procentuele 2013 in 2007-2009 deel 1700 558 32,8%


93

5

Samenvatting

Het PDPO jaarverslag 2009 geeft een beeld van de eerste drie jaar van uitvoering van het nieuwe Vlaamse Programma voor Plattelandsontwikkeling (PDPO II, 2007-2013). In het rapport ligt de grootste nadruk op de monitoringsgegevens voor de verschillende maatregelen. Er ging ook aandacht naar de activiteiten op het gebied van evaluatie en de uitvoeringsomstandigheden. Deze samenvatting is enkel gericht op de monitoringsinformatie. In totaal werd in 2009 101,7 miljoen euro overheidsmiddelen uitgegeven voor de verschillende maatregelen en technische bijstand. Voor de eerste drie jaren van PDPO II komt dit op 298,6 miljoen euro - dit is 39,6% van de geplande uitgaven voor de gehele programmaperiode. De overheidsuitgaven in 2009 zijn als volgt verdeeld over de verschillende assen: As 1: 60,4%, As 2: 27,6%, As 3: 10,5% en As 4: 1,5%. Budgettair gezien waren de volgende maatregelen het belangrijkst in 2009: 1) Investeringen in de landbouw (VLIF) (46,0%), 2) BO water (13,4%), 3) Vestiging van jonge landbouwers (VLIF) (7,6%), 4) Opleiding in de landbouw met cursussen, stages, korte vorming (4,2%), 5) Diversificatiesteun (VLIF) (3,9%). As1 In het kader van opleiding werden vooral starters- en vormingscursussen rond ICT, management/marketing en landbouwtechnieken georganiseerd. In totaal hebben 4.069 landbouwers en loonwerkers in 2009 één of meerdere cursussen of stages gevolgd. De eerste drie jaar van uitvoering hebben 9.656 landbouwers en loonwerkers minstens 1 cursus of stage gevolgd. Er werden in 2009 5.211 diploma’s en getuigschriften uitgereikt aan 3.650 unieke personen. Tijdens de eerste drie jaren van PDPO II werden 15.118 diploma’s en getuigschriften uitgereikt aan 8.636 unieke personen. 37% van de deelnemers aan cursussen en stages in 2007-2009 was van het vrouwelijk geslacht en 53% was jonger dan 40 jaar. Deze percentages fluctueren weinig per jaar. Het aantal deelnemers bij de korte vorming of infomomenten was het hoogst voor landbouwtechnieken (53,4%) en management/marketing (33,1%). Op de derde plaats komt het aantal deelnemers aan korte vorming over landschapsbehoud en -verbetering / milieubescherming (6,9%). In totaal hebben 169.311 (niet-unieke) personen deelgenomen aan een korte vorming. In 2009 waren er 17.370 deelnemers aan sensibiliseringsprojecten duurzame landbouw (demoprojecten). Veruit het grootste aantal deelnemers (77,8%) nam deel aan demoprojecten die vallen de onder de categorie “landschapbehoud en -verbetering / milieubescherming “, gevolgd door de thema’s “Nieuwe technologische processen en innovatieve benaderingen” (11,1%) en productkwaliteit (11,1%). Voor de maatregel “vestiging van jonge landbouwers” werd in 2009 7,7 miljoen euro uitbetaald. Er werden 192 dossiers in 2009 goedgekeurd. 22,1% van deze dossiers kan onderverdeeld worden bij de vervroegde pensionering, d.w.z. dat de voorgaande bedrijfsleider tussen de 55 en 64 jaar was. 17,4% van de vestigingsdossiers werd ingediend door een vrouw. Er werden in 2009 1.402 bedrijfsadviezen (BAS) aangevraagd en voorlopig goedgekeurd. In de periode 2007-2009 werd van 2.473 unieke landbouwers de BAS-aanvraag voorlopig goedgekeurd. In 2009 hebben respectievelijk 3.070 en 1.249 landbouwers subsidies ontvangen voor de milieumodule en bedrijfsleidingadvies. Dit zijn beide maatregelen


94 daterend van de vorige programmaperiode waarvan het vijfjarige contract voortgezet wordt tot eind 2011. Voor de maatregel “modernisering van landbouwbedrijven” werd in 2009 46,1 miljoen euro uitbetaald. Er werden 2.162 dossiers die ingediend werden onder PDPO II-regelgeving goedgekeurd. 36% van deze dossiers betrof investeringen voor gemengde bedrijven, 21% voor tuinbouwbedrijven en 19% voor melkveebedrijven. 17% van deze dossiers werd ingediend door een rechtspersoon, dit is een stijging met 4% t.o.v. vorig jaar. 6% van de dossiers ingediend door een natuurlijk persoon was een vrouw en 44% was jonger dan 40 jaar. 8,5% van de investeringsdossiers betreft naast mogelijke andere investeringen een investering voor een nieuwe techniek of product op sectorniveau (bv. WKK-installatie). Slechts 0,04% en 2,5% van de uitbetaalde steun was bestemd voor bedrijven waarvan de percelen respectievelijk voor meer dan 50% gelegen zijn in LFA-gebied (Kwetsbaar Gebied Natuur met nulbemesting) en Natura-2000 gebied. In 2009 werd de tweede oproep gelanceerd voor financiële steun aan agrovoedingsbedrijven. Hiervoor kwamen innovatieve projecten in aanmerking, maar ook investeringen op het vlak van alternatieve energie, energiebesparing en leefmilieu. Voor 63 agrovoedingsbedrijven werd het dossier goedgekeurd. Op basis van de goedgekeurde subsidiabele investeringskost is te merken dat de belangrijkste investeringen uitgevoerd worden door de vleesverwerkende bedrijven (43,7%), bedrijven gespecialiseerd in vleeswaren (21,2%) en bedrijven in de groenten- en fruitsector (19,1%). As 2 In 2009 werden door 607 bedrijven met nulbemestingspercelen gelegen in Kwetsbaar Gebied Natuur compenserende betalingen ontvangen. Dit voor een totale oppervlakte van 1.812 ha. 827 ha hiervan is gelegen binnen Natura 2000 gebied. Tijdens PDPO II werd al voor 1.711 unieke landbouwbedrijven een vergoeding natuur uitbetaald. In 2009 bedroeg het totale areaal agromilieumaatregelen 67.873 ha en waren er in totaal 12.657 vijfjarige contracten in uitvoering. De uitgaven in kalenderjaar 2009 voor de agromilieumaatregelen bedroegen 26,7 miljoen euro. 50,2% van deze uitgaven was bestemd voor beheerovereenkomst (BO) water en 15% voor de uitdovende maatregel ‘groenbedekking’. ‘BO water’ en ‘groenbedekking’ nemen samen 67,7% van het totale areaal agromilieumaatregelen in. Het totale areaal agromilieumaatregelen is met 52.803 ha achteruitgegaan t.o.v. 2008. Deze sterke achteruitgang is volledig toe te schrijven aan de sterke achteruitgang van het areaal ‘groenbedekking’. Het areaal van de volgende agromilieumaatregelen is sterk (> 10%) toegenomen in 2009 t.o.v. 2008: ‘BO erosie’ (+46,3%; 1.051 ha), ‘hoogstamboomgaarden’ (+25,7%, 146 ha), ‘Sierteelt’ (+17,4%, 168 ha), ‘BO water’ (+10,9%, 2.945 ha). Het areaal van de volgende agromilieumaatregelen is beperkt (< 10%) toegenomen in 2009 t.o.v. 2008: ‘BO kleine landschapselementen’ (+9,3%, 11 ha), ‘BO perceelsranden’ (+9,0%; 115 ha), ‘BO soortenbescherming’ (+6,3%, 46 ha), ‘Bio-hectaresteun’ (+4,5%, 121 ha). Voor de hierna volgende bespreking van de verschillende agromilieumaatregelen die een daling van het areaal gekend hebben, wordt geen rekening gehouden met de uitdovende maatregelen daar een daling hier triviaal is. Het areaal ‘Mechanische onkruidbestrijding’ kende in 2009 t.o.v. 2008 een sterke daling, nl. een daling met 22,7% overeenkomende met 1.353 ha. Het areaal ‘Vlinderbloemigen’ kende in 2009 t.o.v. 2008 een beperkte daling, nl. een daling met 8,8% overeenkomende met 570 ha.


95 In 2009 hebben 9.034 begunstigden één of meerdere agromilieumaatregelen uitgevoerd. Dit is een daling met 3.986 begunstigden t.o.v. vorig jaar. Op een areaal van 64.898 ha werd één of meerdere agromilieumaatregelen uitgevoerd (=unieke areaal). 5.775 ha van het unieke areaal agromilieumaatregelen is gelegen in Natura-2000 gebied (8,9%), 925 ha (1,4%) in VENgebied, en 425 ha (0,7%) in LFA-gebied. Voor de maatregel ‘bebossing van landbouwgronden’ werden in 2009 43 dossiers goedgekeurd. Het totale areaal landbouwgrond dat overeenkomt met deze dossiers is 53 ha. Voor 47,6% van het areaal zal de aanplant bestaan uit één loofboomsoort en voor 52,4% uit gemengde aanplant van verschillende boomsoorten. Indien de dossiers van PDPO I en PDPO II samen worden beschouwd, kan gesteld worden dat er in Vlaanderen 633,5 ha landbouwgrond bebost is of bebost zal worden. In 2009 werden 101 aanvragen goedgekeurd voor de maatregel niet productieve investeringen in bossen, waarvan 38 voor ‘ecologische bosfunctie’ en 63 voor ‘bebossing/herbebossing’. As 3 Voor de maatregel “investeringen m.b.t. diversificatie van landbouwactiviteiten” werd in 2009 3,9 miljoen euro subsidie uitbetaald. Er werden 194 investeringsdossiers in 2009 goedgekeurd. Zowel uit het aantal dossiers als de subsidiabele investeringskost blijkt dat investeringen in hernieuwbare energie veruit de belangrijkste vorm van diversificatie is. 19% van goedgekeurde dossiers werd ingediend door een rechtspersoon. Voor de gebiedsgericht werking van as 3 werden door de provinciale managementcomités in 2009 37 nieuwe projecten goedgekeurd. Hiermee komt het totale aantal goedgekeurde projecten 2007-2009 op 159. Er is een evenwichtige verdeling van het aantal goedgekeurde projecten over de verschillende maatregelen. De maategel waarvoor in de periode 2007-2009 de meeste projecten goedgekeurd werden is de intermediaire dienstverlening (36) gevolgd door de toeristische activiteiten (35). As 4 Voor de projecten die goedgekeurd werden in 2008 door Plaatselijke Groepen (Leader) vonden in 2009 de eerste uitbetalingen plaats. De Plaatselijke Groepen hebben in 2009 160 Leader-projecten goedgekeurd. In totaal komt voor de periode 2007-2009 het aantal goedgekeurde Leader-projecten op 247. Er is een evenwichtige verdeling van de goedgekeurde Leader-projecten over de verschillende maatregelen van as 3. De belangrijkste maatregel is echter ‘landelijk erfgoed’ (25,9%), gevolgd door ‘toerisme’ (24,3%). De 247 goedgekeurde projecten hebben in totaal 415 financieel begunstigden, waarvan 330 uit de privésector en 185 uit de openbare sector. In 2009 werden 293 activiteiten georganiseerd door de Plaatselijke Groepen. 44,7% van de activiteiten had betrekking op het bekendmaken van de lokale ontwikkelingsstrategieën, 35,8% van de activiteiten kaderde in opleiding van personeel die voor het opmaken en uitvoeren van de lokale ontwikkelingsstrategieën instaat. Het overige deel van de activiteiten was gericht op studies van het betrokken gebied en op promotie.


96

6

Referenties

Administratie Land- en Tuinbouw. (2000). Programma voor Plattelandsontwikkeling in Vlaanderen (PDPO), periode 2000-2006 Carels K., Platteau J. , Samborski V. & Gijseghem D. (2007) ProgrammeringsDocument voor PlattelandsOntwikkeling (PDPO) 2000-2006: Een terugblik, Departement Landbouw en Visserij, Afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Danckaert S., Carels K., Van Gijseghem D. & Hens M. (2009) Indicatoren voor het opvolgen van de hoge natuurwaarden op landbouwgrond in het kader van de PDPO-monitoring. Een verkennende analyse, Beleidsdomein Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. De Cock L., De Meyer P., De Wit J., Lauwers L. & Wolput B. (2009) Achtergrondstudie bij de subsidies voor de biologische land- en tuinbouw in Vlaanderen. Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek, Merelbeke. Departement Landbouw en Visserij. (2008). Programma voor Plattelandsontwikkeling in Vlaanderen (PDPO), periode 2007-2013 http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?fid=72 European Commission (2006a). Guidance document. http://ec.europa.eu/agriculture/rurdev/eval/index_en.htm European Commission (2006b). Guidance document, Annex 1 - B Evaluation Guidelines. AGRI2006-63618-00-02-NL-TRA-00.DOC http://ec.europa.eu/agriculture/rurdev/eval/index_en.htm European Commission (2007a) Common indicators for monitoring and evaluation of rural development programmes 2007-2013 Part I: Explanatory guidelines European Commission (2007b) Common indicators for monitoring and evaluation of rural development programmes 2007-2013 Part II: Common indicator tables IDEA Consult (2006). Ex ante evaluatie van het PDPO 2007-2013, Brussel. IDEA Consult (2008). Ex post evaluatie van het Vlaams plattelandsontwikkelingsprogramma 20002006 (2008), Brussel. Dumortier M., De Bruyn L., Hens M., Peymen J., Schneiders A., Van Daele T. en Van Reeth W. (red.) (2007). Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid. Mededeling van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek nr. 4, Brussel. Mestbank (2009). Voortgangsrapport Mestbank 2009, Vlaamse Landmaatschappij, Brussel. Van Zeebroeck M., Carels K., Samborski V (2008) Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling 2007-2013, Jaarverslag 2007, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Van Zeebroeck M., Carels K., Samborski V. & Danckaert S. (2009) Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling 2007-2013, Jaarverslag 2008, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel.


97

7

Lijst afkortingen

ADLO AEA AMS ANB BO BrTW CCEP CMEF EC ELFPO EPR GIS GTEK HNVF INBO LEADER LFA LMN MIB NA NARA NP PMC SFC VEN VLIF VLM

Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling Ammoniakemissiearm Afdeling Monitoring en Studie Agentschap Natuur en Bos Beheerovereenkomst Bruto Toegevoegde Waarde Coördinerende Cel Europees Plattelandsbeleid Common monitoring and evaluation framework Europese Commissie Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling Eenmalige perceelsregistratie Geografisch Informatiesysteem Gemeenschappelijk toezichts- en evaluatiekader High Nature Value Farmland Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Liaisons Entre Actions de Développement de l’Economie Rurale Less Favoured Area Landbouwmonitoringsnetwerk Afdeling Markt- en Inkomensbeheer Not Available Natuurrapport Not applicable Provinciaal Management Comité Structural Funds Common system Vlaams Ecologisch Netwerk Vlaams Landbouwinvesteringsfonds Vlaamse Landmaatschappij


98

8

Lijst contactpersonen

Coördinerende Cel Europees plattelandsbeleid (CCEP): Patricia De Clercq Els Soenen Belinda Cloet Vlaams Betaalorgaan: Kris Heyse De leden van het uitvoeringscomité Afdeling Monitoring en Studie: Michael Van Zeebroeck Ellen Maertens Beheersdiensten: Dienst

Nr

PDPO-maatregel

ADLO

111A

Opleiding in de landbouw

ADLO

111C

Sensibiliseringsprojecten duurzame landbouw

SI

112

Vestiging van jonge landbouwers

SI

114

Bedrijfsadviessysteem voor land- en tuinbouwers

SI

121

Investeringen in landbouwbedrijven

SI

123

ADLO

123B

ALBON

125

ADLO

132

ADLO

133

VLM

212

VLM

213

MIB

214A

ADLO

214C

MIB

214D

MIB

214E

MIB

214F

Verhoging van de toegevoegde waarde van landen bosbouwproducten Steun voor samenwerking bij de ontw. en afzet van landbouwproducten met een innovatief karakter Infrastructuur ontwikkeling Deelname door landbouwers aan voedselkwaliteitsregelingen Voorlichting en afzetbevordering van Vlaamse producten erkend als BOB/BGA/GTS Vergoeding nauur voor percelen buiten Natura 2000 gebied Vergoeding natuur Introductie van technieken die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen verminderen waaronder mechanische onkruidbestrijding Behoud van met uitsterven bedreigde lokale veerassen en variëteiten van hoogstamboomgaarden Introductie van vlinderbloemige gewassen in het silagevoeder voor een meer grondgebonden Vlaamse veehouderij Reductie van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen in de sierteelt Hectaresteun voor biologische landbouwproductie

Contact Steenberghen, Jean Van der Elst, Herman ; Lapage, Els De Kelver, Peter; De Laender, Daniel Windels, Jozef De Kelver, Peter; De Laender, Daniel Geerts, Rudy De Smit, Lieve; Ryckaert, Ivan; Van Roy, Johan Honoré Pauwels, De Smit, Lieve De Smit, Lieve Vandenberghe, Günther Vandenberghe, Günther Butaye Katleen ; Bockstal Anja Nijs Katrien Bockstal Anja; Butaye Katleen Bockstal Anja; Butaye Katleen Bockstal Anja; Butaye Katleen


99

VLM

214G

Beheerovereenkomst Perceelsrandenbeheer

VLM

214H

Beheerovereenkomst Soortenbescherming

VLM

214I

Beheerovereenkomst Erosiebestrijding

VLM

214J

Beheerovereenkomst Water

VLM

214K

Beheerovereenkomst Herstel, Ontwikkeling en Onderhoud van Kleine Landschapselementen

MIB

214M

Groenbedekking

MIB

214N

Mechanische onkruidbestrijding gecombineerd met rijbespuiting

MIB

214O

Geïntegreerde productiemethode voor pitfruit

VLM

214P

Botanisch beheer

ADLO

214Q

VLM

216

ANB ANB

221 227

SI

311A

VLM ANB ALBON

313 313 313A

VLM

321

VLM

322

ALBON

323A

VLM

323A

ANB

323A

ALBON

323B

Reconversie varkenshouderij Inrichtingsmaatregelen door landbouwers in kader van kaderrichtlijn water Bebossing van landbouwgronden Niet productieve investeringen in bossen Investeringen m.b.t. diversificatie van landbouwactiviteiten Bevordering van toeristische activiteiten Bevordering van toeristische activiteiten Bevordering van toeristische activiteiten Basisvoorzieningen voor de economie en plattelandsbevolking Dorpskernvernieuwing- en ontwikkeling Instandhouding- en opwaardering van het landelijk erfgoed Instandhouding- en opwaardering van het landelijk erfgoed Instandhouding- en opwaardering van het landelijk erfgoed Landelijk erfgoed

ANB

323B

Landelijk erfgoed

VLM

331

VLM

413

VLM

421

VLM

431

Intermediaire dienstverlening (opleiding en vorming van ruraal ondernemerschap) Lokale ontwikkelingsstrategieën leefkwaliteit / diversificatie Samenwerkingsprojecten met andere plattelandsgebieden Plaatselijke groepen

D’ Hoker Isabel; Marvellie Els D’ Hoker Isabel; Marvellie Els D’ Hoker Isabel; Marvellie Els D’ Hoker Isabel; Marvellie Els D’ Hoker Isabel; Marvellie Els Bockstal Anja; Butaye Katleen Bockstal Anja; Butaye Katleen Bockstal Anja; Butaye Katleen D’ Hoker Isabel; Marvellie Els Theunissen, Ann D’ Hoker Isabel; Marvellie Els Van Doorslaer, Ben Neels, Tom De Kelver, Peter; De Laender, Daniel Vantomme, Nadine Neels, Tom Van Roy, Johan Vantomme, Nadine Vantomme, Nadine Van Roy, Johan Vantomme, Nadine Van Hoydonck, Gert; Reynaert, Maarten Van Roy, Johan Van Hoydonck, Gert; Reynaert, Maarten Vantomme, Nadine Dedobbeleer, Davy Dedobbeleer, Davy Dedobbeleer, Davy


100

9

Lijst artikel 82

Artikel uit de Kaderverordening

Pagina

Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82 a) Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82 b) Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82 c) Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82 d) Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82 e) Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82 f) Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 82 g)

8 34 24 16 9 9 33


101

10

Bijlage 1: Lijst aangepaste targets

Hieronder volgt de lijst van aangepaste targets. In het jaarverslag van een bepaald jaar wordt telkens bij de maatregel zelf het probleem met de target beschreven en wordt een nieuwe target om het probleem op te lossen aangegeven. De nieuwe target vervangt in het jaarverslag erop volgende automatisch de oude. De aanpassingen van de targets worden ook gemeld aan EC via de procedures voor aanpassing programmadocument en Nationale Strategie. Monitoringjaar vaststelling probleem target 2007

Maatregel

Oorspronkelijke waarden

Nieuwe waarden

Verantwoording

111A

1) 519.750 2) 34.000

1) Er werd bij opmaak target niet vermenigvuldigd met het aantal deelnemers 2) Slaagpercentage voor korte vorming 100% (geleerde vaardigheden in praktijk brengen) i.p.v. 80%

2007

111D

1) 14 2) 14 3) 14

Targets moeten aangepast worden daar maatregel in uiteindelijk programmadocument een uitdovend karakter gekregen heeft

2007

114

1) Totaal aantal dagen opleiding: 32.669 2) Aantal unieke deelnemers die succesvol een opleiding gevolgd hebben: 28.000 1) Aantal unieke deelnemers: 490 2) Totaal aantal dagen opleiding voor alle deelnemers: 420 3) Aantal unieke deelnemers die succesvol een opleiding gevolgd hebben= 3 Aantal gesteunde landbouwers: 11.900

18.634

De beheersdienst heeft vastgesteld dat de target van 11.900 gesteunde landbouwers enkel slaat op de bedrijfsadviessystemen conform EG 1782/2003 en niet op de landbouwers die uitbetaald worden voor de milieumodule en bedrijfsleidingadvies. Om deze reden werd een nieuwe target voor het â&#x20AC;&#x2DC;aantal gesteunde landbouwersâ&#x20AC;&#x2122; voorgesteld, die bestaat uit de


102

2008

111A

Aantal deelnemers (nietuniek): NA

1.200.000

som van de target voor bedrijfsadviessystemen (11.900), bedrijfsleidingadvies (2.367) en milieumodule (4.367): 18.634. Doelstelling werd bepaald op basis gegevens 2007-2008

2008

111C

106.000

Doelstelling werd bepaald op basis gegevens 2007-2008

2008

111D

17

Doelstelling werd bepaald op basis gegevens 2007-2008

2008

121

2008

123A

Aantal deelnemers (nietuniek): NA Aantal deelnemers (nietuniek): NA Stijging bruto toegevoegde waarde: 0% Stijging van de bruto toegevoegde waarde: 20 %

2008

123A

2008

132

2008

214K

2008

214P

2008

311

Totale investeringsvolume: 1.015.000.000 Waarde van de landbouwproductie onder kwaliteitslabel: 2,5% stijging per jaar Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt: 13.977 ha 1) Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt: 203 ha 2) Aantal contracten: 74 Stijging niet-landbouw bruto toegevoegde waarde: 0%

10%

Deze nieuwe inschatting is gebaseerd op FADN data van de periode 20002006 155.000.000 Deze doelstelling is tot stand gekomen door informatie aangaande BrTW van euro agrovoedingsbedrijven die steun gekregen hebben tijdens PDPO 2000-2006 (zie ex-post evaluatie PDPO 2000-2006) te koppelen aan de outputindicatoren voor maatregel 123 voor PDPO 2007-2013 414.000.000 Oorspronkelijke target werd opgemaakt op basis van onrealistisch ingeschatte euro budget 344.000.000 euro

Omzet biosector (zonder producenten en import): 289,3 miljoen euro in 2006: stijging van 2,5% per jaar: eind 2013: 344 miljoen euro

243 ha

Vanaf M2008 is het niet meer mogelijk het areaal kleine landschapselementen te koppelen met de percelen. De nieuwe doelstelling geeft enkel de oppervlakte van de kleine landschapselementen op zich aan. De doelstellingen van subpakket â&#x20AC;&#x153;beweiding zonder beperking van weidedatumâ&#x20AC;? (BO Natuur) werden toegevoegd

1) 1.600 ha 2) 664

10%

Deze nieuwe inschatting is gebaseerd op FADN-data van de periode 20002006


103 2008

321

2008

331

2008

413

2008

431

1) Bevolking die voordeel haalt uit een verbeterde dienstverlening: NA 2) Bevolking toegang tot internet: NA Aantal deelnemers die succesvol ene trainingsessie beĂŤindigd hebben: NA Aantal begunstigden: 200.000 Aantal gesteunde acties: 250

1) 60.000 2) 2000

Schatting op basis van preliminaire gegevens M2007 en M2008

500

Schatting op basis van preliminaire gegevens M2007 en M2008

700

Verkeerde interpretatie van begunstigden bij opstelling target

1.700

Te enge interpretatie van het aantal acties bij het opstellen van de target


104

11

Bijlage 2: Tijdreeks van aantal contracten, areaal en uitgaven van de agromilieumaatregelen

Tabel 38 Overzicht van de oppervlakte (ha) voor de verschillende agromilieumaatregelen voor de campagnejaren 2000-2009 Agromilieumaatregelen (oppervlakte in ha) -

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

Verschil met 2009 2008

Groenbedekking

5.655

27.132

34.330

39.582

68.275

72.103

78.031

75.958

71.339

16.096

-55.243

Mechanische onkruidbestrijding

151

1.298

2.033

2.627

4.966

5.973

6.207

6.191

5.969

4.616

-1.353

Sierteelt

375

344

668

767

748

748

1.102

920

965

1.133

168

BO soortenbescherming

165

251

443

499

620

816

961

732

728

774

46

35

89

210

308

370

530

1.222

1.204

1.280

1.395

115

0

0

0

0

17

81

203

201

197

197

0

1.372

1.597

1.726

1.934

2.130

2.628

1.397

1.403

1.216

987

-229

17.526

29.665

32.019

30.709

27.210

27.800

29.300

29.384

26.999

29.944

2.945 146

BO perceelsrandenbeheer BO botanisch beheer BO natuur BO water Subsidie hoogstammige fruitbomen

0

0

0

0

0

232

388

482

567

713

0

0

6

6

6

6

6

6

0

0

0

Hectaresteun biolandbouw

1.350

1.584

1.839

2.861

2.735

2.689

2.645

2.704

2.674

2.795

121

Hectaresteun geĂŻntegreerd pitfruit

5.157

8.478

9.408

10.058

6.749

4.941

888

396

0

0

0

Steun biovarkens

Vlinderbloemigen

0

0

0

0

1.057

3018

4.766

5.751

6.472

5.902

-570

BO erosie

0

0

0

0

0

920

1.736

2.091

2.270

3.321

1.051

TOTAAL AREAAL

31.786

70.438

82.682

89.351

114.883

122.485

128.852

127.423

120.676

67.873

-52.803

RAMING UNIEK AREAAL

29.554

65.711

79.930

87.117

111.354

118.945

125.001

121.513

119.555

64.898

-54.657


105 Tabel 39 Overzicht van het aantal contracten voor de verschillende agromilieumaatregelen voor de campagnejaren 2000-2009 Groenbedekking

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

Verschil met 2009 2008

971

3.310

4.238

3.906

7.534

7.910

8.378

8.211

7.929

1.995

-5.934

Mechanische onkruidbestrijding

22

177

298

424

892

989

1.068

1.365

1.422

980

-442

Sierteelt

90

71

109

131

107

107

134

127

144

139

-5

321

443

533

550

332

390

267

285

266

343

77

28

46

94

114

123

190

163

128

128

171

43

Lokale veerassen BO soortenbescherming BO perceelsrandenbeheer

51

141

280

446

430

715

1.130

871

1.068

1.153

85

BO kleine landschapselementen

71

186

415

607

664

916

914

713

946

1.171

225

BO botanisch beheer BO natuur BO water Subsidie hoogstammige fruitbomen Steun biovarkens Hectaresteun biolandbouw Hectaresteun geĂŻntegreerd pitfruit

0

0

0

0

10

33

76

73

71

71

0

590

731

789

874

929

1.150

588

521

449

400

-49

1.551

3.077

3.385

3.429

3.260

3.760

2.048

1.707

1.609

1.726

117 347

0

0

0

0

0

515

854

1.133

1.385

1.732

0

0

2

2

2

2

2

2

0

0

0

88

100

101

175

173

173

174

205

201

208

7

336

599

656

715

473

344

87

46

0

0

0

Vlinderbloemigen

0

0

0

0

379

1.005

1.594

1.894

2.053

1.780

-273

BO erosie TOTAAL AANTAL CONTRACTEN

0

0

0

0

0

127

579

486

608

788

180

4.119

8.881

10.900

11.373

15.308

18.326

18.056

17.767

18.279

12.657

-5.622


106 Tabel 40 Overzicht van de uitgaven per boekjaar voor de verschillende agromilieumaatregelen in de periode 2003-2009

(uitgaven in 1000 euro)

2003 -

Groenbedekking Mechanische onkruidbestrijding

2004 -

2005 -

2006 -

2007 -

2008 -

Verschil met 2009 2008 -

1.548

1.866

3.190

3.499

3.771

3.666

3.465

254

-201

323

528

613

640

745

902

157

Sierteelt Genetische diversiteit dieren + hoogstam

3

12

56

139

0

502

247

-255

148

153

366

423

447

476

273

-203

BO soortenbescherming

118

141

132

241

189

137

188

51

BO perceelsrandenbeheer

169

380

194

770

1.135

1.172

2.455

1.283

BO Kleine landschapselementen

128

199

118

345

202

157

405

248

BO botanisch beheer incl BO natuur

455

617

601

479

365

520

485

-35

10.117

8.770

7.126

6.206

9.080

11.281

11.556

275

0

5

5

5

5

5

0

-5

BO water Steun biovarkens Hectaresteun biolandbouw

444

740

694

684

737

700

662

-38

2.133

1.750

1.042

525

84

28

0

-28

Vlinderbloemigen

0

0

541

1.882

2.677

2.870

2.952

82

BO erosie

0

0

0

223

592

529

1.074

545

15.518

14.957

14.593

16.034

19.924

22.788

24.664

1.876

Hectaresteun geĂŻntegreerd pitfruit

TOTALE UITGAVEN


107

12

Bijlage 3: Indicatorentabellen (Excel)

Tabellen met gemeenschappelijke indicatoren voor het toezicht op en de evaluatie van de programmaâ&#x20AC;&#x2122;s voor plattelandsontwikkeling


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
2010 06 01 Jaarverslag PDPO 2009_v4 4.pdf by Vlaanderen-be - Issuu