VLIF activiteitenverslag 2009 Vlaamse overheid Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Inleiding Het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) werd in 1993 opgericht als Vlaamse openbare instelling (VOI) van categorie A met rechtspersoonlijkheid. Het heeft, als opvolger van het federale Landbouwinvesteringsfonds, sedertdien zijn plaats ingenomen als volwaardig en veelzijdig beleidsinstrument binnen het Vlaamse land- en tuinbouwbeleid ter ondersteuning van investeringen en vestigingen in de land- en tuinbouwsector. In het decreet tot oprichting van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds wordt opgelegd om jaarlijks een verslag over de werking en het beheer van het VLIF op te stellen en aan het Vlaams Parlement te bezorgen. Met dit werk vervult de afdeling Structuur en Investeringen van het Agentschap voor Landbouw en Visserij, die instaat voor de dagelijkse werking en het beheer van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds, deze opdracht voor 2009 dat al het 17e VLIF-jaar is. Los van de decretale verplichting biedt het verslag ook de gelegenheid om te communiceren over het VLIF naar een ruimere groep van geĂŻnteresseerde personen en instellingen, al dan niet rechtstreeks betrokken bij de dagelijkse werking van het VLIF. Een VLIF-activiteitenverslag bevat per definitie noodzakelijke en relevante informatie: uiteraard veel cijfermateriaal, maar sinds enkele jaren geven we ook enig inzicht en duiding bij deze cijfers en de vastgestelde evoluties. Voor het afgelopen jaar wordt er gerapporteerd over zowel de steun tijdens het afgelopen jaar. In het laatste hoofdstuk wordt bovendien de evolutie over een periode van meer dan 16 jaar aan activiteiten weergegeven.
Inleiding
aanpassingen aan de regelgevingen als over de indiening van aanvragen en de toekenning van de
Na de goedkeuring en inwerkingtreding van de nieuwe VLIF-regelgevingen voor de sedert 2005 door het VLIF bediende nieuwe doelgroepen, nl. de agrovoedingssector en de omkaderingssector (praktijkcentra), krijgen deze uiteraard ook de nodige aandacht omdat de subsidiĂŤring ervan op kruissnelheid is gekomen in 2009. Het zal ook opvallen dat sinds de editie 2008 de wetteksten in extenso zijn weggelaten. Deze veranderen immers niet elk jaar noemenswaardig en zijn bovendien gemakkelijker consulteerbaar via het internet (bv. Belgisch Staatsblad, vandaar de verwijzingen naar de publicatiedatum in hoofdstuk 1). Verdere informatie over de dossierbehandeling en regelgeving, met de geldende omzendbrieven, is te vinden op de VLIF-website www.vlaanderen.be/vlif. De activiteiten van het VLIF passen in een Europees plattelandsontwikkelingsbeleid met specifieke doelstellingen voor Vlaanderen. Ze geven de mogelijkheid aan de land- en tuinbouwer om een praktisch antwoord te bieden op de doelstellingen die door de EU nagestreefd worden voor de sector zoals een uitgesproken zorg voor leefmilieu en dierenwelzijn, energiebesparing en verbreding van de landbouwbedrijvigheden. De VLIF-maatregelen (inclusief agrovoeding) vertegenwoordigen meer dan de helft van de Europese cofinanciering uit de plattelandsverordening opgenomen in het Vlaamse plattelandsontwikkelingsplan 2007-2013, of kortweg PDPO II.
1
2009 zal de geschiedenis ingaan als een jaar waarin een economische crisis zich ook in WestEuropa uitdiepte ten gevolge van een wereldwijde financiële crisis die midden 2008 ontstond in Amerika. De weerslag van de crisis heeft zich echter slechts in beperkte mate laten voelen bij het VLIF. Vrij snel werd duidelijk dat 2009 in vergelijking met de laatste jaren een normaal investeringsjaar zou worden met nog een aanzienlijk hoog investeringsvolume van meer dan een half miljard euro (voorziene vestigings- en investeringskosten). Het aantal vestigingen lag lager dan voorgaande jaren, namelijk 176 in vergelijking met 225 het jaar voordien. Of deze daling te wijten is aan de crisis is maar de vraag aangezien er ook een afwachtende houding werd waargenomen in het licht van de te verwachten stijging van de vestigingssteun tot 70.000 euro na 2009. Anderzijds maakten een aantal specifieke maatregelen een wezenlijk onderdeel uit van het herstelplan voor de Vlaamse land- en tuinbouw. Door het vervroegd uitbetalen van kapitaalpremies werd 10,7 miljoen euro versneld in de sector gebracht. Dat kon enig soelaas bieden omdat tal van bedrijven in 2009 te kampen hadden met liquiditeitsproblemen. Het blijvend succes van het VLIF brengt ook groeiende budgettaire noden met zich mee. Niet zozeer het aantal te behandelen dossiers stijgt, maar vooral de gemiddelde financiële impact per dossier stijgt. Het totaal investeringsvolume van de aanvragen in 2009 is nagenoeg verdubbeld in vergelijking met vijf jaar geleden. De voorbije jaren is, wat toekenning van steun betreft, budgettair grotendeels tegemoet gekomen Inleiding
aan deze grotere behoefte ten opzichte van de basisbegroting. In 2009 werd in volle crisis immers de vastleggingmachtiging over de volgende vijf jaar verhoogd met een totaal bedrag van 63,5 miljoen euro. Beleidsmatig wordt het VLIF naar waarde geschat aangezien het als instrument wordt ingezet om nieuwe accenten in het Vlaamse landbouwondersteuningsbeleid te concretiseren. Bovendien is de afdeling Structuur en Investeringen in 2009 gestart met het inventariseren van milieukengetallen over investeringen op land- en tuinbouwbedrijven met een milieu-effect die aangemeld worden voor VLIF-steun en die uitgevoerd worden na 1 januari 2007. De bedoeling is om via een intensieve samenwerking met de collega’s van de afdeling Monitoring en Studie van het Departement Landbouw en Visserij de totale milieu-impact van dergelijke investeringen op de bedrijven te kunnen bepalen. Dat wij hoopvol zijn over de uitkomst van deze oefening mag blijken uit het gegeven dat in 2009 meer dan 40% (45,9%) van de totale toegekende VLIF-steun werd verleend aan investeringen met een zekere milieu-impact.
Afdeling Structuur en Investeringen
2
Inhoudsopgave
Inleiding
1
1 Wettelijke basis . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9 1.1 Organisatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9 1.1.1 Bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur (B.S. 20/07/1993) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9 1.1.2 Decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 (B.S. 29/12/1993) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9 1.1.3 Besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 1996 houdende vaststelling van de regelen tot de werking en het beheer van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (B.S. 13/09/1996) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
voor het toekennen van kredieten die in aanmerking komen voor steun van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (B.S. 20/10/2005) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11
inhoudsopgave
1.1.4 Ministerieel besluit van 30 september 2005 tot erkenning van kredietinstellingen
1.2 Producenten en hun coöperaties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11 1.2.1 Besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2000 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw (B.S. 14/02/2001) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11 1.2.2 Ministerieel besluit van 24 november 2000 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw (B.S. 12/05/2001) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12 1.3 Agrovoeding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13 1.3.1 Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 betreffende steun aan investeringen in de agrovoedingssector (B.S. 14/09/2007) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13 1.3.2 Ministerieel besluit van 26 november 2007 tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 betreffende steun aan investeringen in de agrovoedingssector (B.S. 11/01/2008) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14 1.4 Omkadering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14 1.4.1 Besluit van de Vlaamse Regering van 27 april 2007 betreffende steun aan investeringen in de omkaderingssector van land- en tuinbouw (B.S. 19/06/2007) . . . . . . . . . . . . . . . . 14 1.4.2 Ministerieel besluit van 15 oktober 2007 betreffende steun aan investeringen in de omkaderingssector van land – en tuinbouw (B.S. 08/11/2007)
. . . . . . . . . . . . . . 14
3
2 Regelgeving . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15 2.1 VLIF-steun aan land- en tuinbouwers . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15 2.1.1 Algemene voorwaarden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15 2.1.2 Steunmaatregelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16 2.1.2.1 Steun aan de vestiging in land- en tuinbouw
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
2.1.2.2 Steun aan de investeringen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18 2.1.2.3 Steun als compensatie van geleden schade . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24 2.1.2.4 Steun ten gunste van bedrijven in financiële moeilijkheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24 2.1.2.5 Steun voor sociale instellingen en consumentencoöperaties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25 2.1.2.6 VLIF-waarborg . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26 2.2 VLIF-steun aan land- en tuinbouwcoöperaties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 27 2.3 VLIF-steun aan de agrovoedingssector . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 28 2.4 VLIF-steun aan de omkaderingssector . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29 2.5 Aanpassingen regelgeving in 2009 en specifieke acties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29
inhoudsopgave
2.5.1 Aanpassingen regelgeving producenten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29 2.5.2 Speciale maatregelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30 2.5.3 Aanpassingen regelgeving land- en tuinbouwcoöperaties 2.5.4 Aanpassingen regelgeving agrovoeding
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33
2.5.5 Aanpassingen regelgeving omkadering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33
4
3 Het VLIF financieel in 2009 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34 3.1 Begroting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34 3.2 Organisatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 36 3.3 Toegekende steun (= budgettaire vastlegging) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38 3.3.1 Toegekende steun aan producenten en hun coöperaties
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39
3.3.2 Toegekende steun aan de agrovoedingssector . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40 3.3.3 Toegekende steun aan de omkaderingssector . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41 3.4 Financiële middelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41 3.4.1 Overdracht saldo 2008 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41 3.4.2 Dotatie van de Vlaamse overheid
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41
3.4.3 Geïnde waarborgbijdragen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41 3.4.4 Terugbetalingen van teveel uitbetaalde rentesubsidie en premies . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41 3.4.5 Terugvorderingen van uitbetaalde VLIF-waarborg . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42
3.5.1 Uitbetaalde VLIF-steun aan land- en tuinbouwers en hun coöperaties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 43 3.5.2 Uitbetaalde VLIF-steun aan de agrovoedingssector . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44
inhoudsopgave
3.5 Uitbetaalde steun . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42
3.5.3 Uitbetaalde VLIF-steun aan de omkaderingssector . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44
5
4 Ingediende aanvragen voor VLIF-steun . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 45 4.1 Dossiers land- en tuinbouwers . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 45 4.1.1 Overzicht: vestigingssteun versus investeringssteun en steun voor diversificatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47 4.1.2 Indeling volgens aantal verrichtingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53 4.1.2.1 Overzicht van de ingediende investeringstypes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 56 4.1.2.2 Aantal en omvang van de kosten voor investeringen met betrekking tot een aantal actuele thema’s . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64 4.1.2.3 Meest voorkomende verrichtingen per provincie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 67 4.2 Dossiers land- en tuinbouwcoöperaties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 69 4.3 Dossiers agrovoeding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 70
inhoudsopgave
4.4 Dossiers omkaderingssector . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 71
6
5 Toegekende steun . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72 5.1 Steun aan land- en tuinbouwers . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72 5.1.1 Vestigingssteun . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 76 5.1.1.1 Algemeen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 76 5.1.1.2 Verrichtingen met vestigingssteun . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 77 5.1.2 Investeringssteun
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78
5.1.2.1 Algemeen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78 5.1.2.2 Steuncategorieën (percentages) voor investeringssteun . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 80 5.1.2.3 Belangrijkste verrichtingen met investeringssteun . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 82 5.1.3 Diversificatiesteun . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 84 5.1.4 Verdeling van de toegekende VLIF-steun volgens type van investering en doelstelling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86 5.1.4.1 Algemeen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86 5.1.4.2 Overzicht van de gesubsidieerde investeringstypes. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88 5.1.5 Waarborg . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95 5.1.6 Andere steunmaatregelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95
5.3 Steun aan de agrovoedingssector . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 97
inhoudsopgave
5.2 Steun aan land- en tuinbouwcoöperaties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 96
5.4 Steun aan de omkaderingssector . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 97
7
6 Evolutie VLIF 1993-2009 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 98 6.1 Begroting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 98 6.2 Indienen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 102 6.2.1 Indieningen van land- en tuinbouwproducenten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 102 6.2.1.1 Evolutie van de indieningen voor vestigingssteun . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 103 6.2.1.2 Evolutie van de indieningen voor investeringssteun (inclusief verbreding) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 104 6.2.2 Indieningen van land- en tuinbouwcoöperaties
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 106
6.2.3 Indieningen van de agrovoedingssector . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 107 6.2.4 Indieningen van de omkaderingssector . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 108 6.3 Toegekende steun . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 109 6.3.1 Toegekende steun aan land- en tuinbouwproducenten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 109 6.3.2 Toegekende steun aan land- en tuinbouwcoöperaties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 111
inhoudsopgave
6.3.3 Waarborg (enkel voor producenten en hun coöperaties) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 112 6.3.4 Toegekende steun aan de agrovoedingssector . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113 6.3.5 Toegekende steun aan de omkaderingssector . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113 6.4 Uitbetaalde steun . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 114 6.4.1 Uitbetaalde steun aan de producenten en hun coöperaties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 114 6.4.1.1 Rentesubsidie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 114 6.4.1.2 Kapitaalpremies . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 115 6.4.1.3 Waarborg . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 117 6.4.2 Uitbetaalde steun aan de agrovoedingssector . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 119 6.4.3 Uitbetaalde steun aan de omkaderingssector . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 119
Colofon
8
120
1 Wettelijke basis Het verlenen van steun door het VLIF en de werking van het VLIF worden geregeld met een aantal basisteksten (decreet, besluiten van de Vlaamse Regering en ministeriële besluiten), die hierna kort besproken worden. De voorstelling gebeurt, voorafgegaan door de algemene basis en organisatie, overeenkomstig de drie pijlers (doelgroepen) van het VLIF: producenten en hun coöperaties, agrovoedingssector en omkaderingssector.
1.1 Organisatie
1.1.1 Bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur (B.S. 20/07/1993) Bij artikel 2, § 2, van deze bijzondere wet werden bepaalde landbouwmateries, waaronder het Landbouwinvesteringsfonds, overgedragen naar de Gewesten met ingang van 1 januari 1993. Omdat er toen in het kader van een rigide begrotingsbeleid jaarlijkse indieningsperiodes voor de steunaanvragen waren afgebakend, waarbij de dossiers ingediend van 1 april van het jaar tot 31 maart van het volgende jaar (begrotingsjaar) dienden afgehandeld te worden in dat volgende jaar, behoren de dossiers ingediend vanaf 1 april 1992 tot de gewestelijke bevoegdheden. 1.1.2 Decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 (B.S. 29/12/1993)
Het VLIF heeft rechtspersoonlijkheid in de vorm van een openbare instelling van categorie A. De doelstelling van het fonds is financiële hulpmiddelen ter beschikking te stellen van de land- en tuinbouwers en hun verenigingen en coöperaties, teneinde alle verrichtingen te bevorderen die de productiviteit van de landen tuinbouwbedrijven verhogen, hun rendabiliteit verzekeren en opvoeren, en de kostprijzen verminderen: zz
Wettelijke basis
Bij artikel 12 van dit decreet werd een Vlaams Landbouwinvesteringsfonds opgericht om de geregionaliseerde bevoegdheid inzake het Landbouwinvesteringsfonds uit te oefenen.
investeringsverrichtingen: goederen van blijvende aard verwerven, uitbreiden of verbeteren zoals grond, gebouwen, constructies, bedrijfsuitrusting, installaties, machines, werktuigen en materieel
zz
omschakeling van bedrijven als gevolg van gewijzigde economische omstandigheden
zz
installatie van jonge land- en tuinbouwers
zz
verwerking en commercialisering van land- en tuinbouwproducten, voornamelijk bij wijze van coöperatie
De doelstellingen zijn dezelfde als in de wet van 15 februari 1961 (oprichting van een Landbouwinvesteringsfonds), maar omdat het VLIF het statuut heeft van een pararegionale zijn er naast de dotatie van de Vlaamse Gemeenschap ook eigen inkomsten: zz
terugbetalingen van ten onrechte verleende steun
zz
saldo van het voorgaande begrotingsjaar
zz
tegemoetkomingen van de Europese Unie op de uitgaven van het Fonds
zz
bijdragen voor het verkrijgen van VLIF-waarborg
De tegemoetkomingen van de Europese Unie op de uitgaven van het fonds zijn inmiddels de facto weggevallen vermits het Fonds zelf enkel de Vlaamse cofinanciering doorstort naar een Betaalorgaan dat de betalingen van de Europese én Vlaamse steun aan de begunstigden uitvoert, de Europese bijstand prefinanciert en naderhand terug ontvangt (zie hoofdstuk 4). Het Fonds wordt ertoe gemachtigd een waarborg te verlenen voor investeringen in de land- en tuinbouw onder de voorwaarden en modaliteiten die door de Vlaamse Regering bepaald zijn en tot beloop van een jaarlijks decretaal vastgelegd maximumbedrag. De Vlaamse Regering regelt de werking en het beheer van het VLIF en stelt de nodige diensten, uitrusting, installaties en personeelsleden ter beschikking van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds.
9
Bij decreet van 19 juli 2002 (B.S. 27/08/2002) werden coöperaties van consumenten en rechtspersonen met een maatschappelijke of sociale doelstelling die een landbouw- of tuinbouwbedrijf exploiteren, opgenomen als doelgroep van het VLIF. Verhogen van de productiviteit wordt geschrapt als na te streven doelstelling bij investeringen. In de plaats komt de verhoging van de duurzaamheid en het bevorderen van de diversificatie. Bij artikel 55 van het decreet van 24 december 2004 (B.S. 31/12/2004) houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2005 werd de doelgroep opnieuw verruimd met de dienstverlenende, de begeleidende, de toeleverende, de afzet- en de primaire verwerkende sector van land- en tuinbouw. De Vlaamse Regering bepaalt regels en voorwaarden waaraan de nieuwe doelgroepen moeten voldoen. Zij kan de steunverlening aan de nieuwe doelgroepen beperken tot een maximaal percentage van het totale voorziene budget van het Fonds. 1.1.3 Besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 1996 houdende vaststelling van de regelen tot de werking en het beheer van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (B.S. 13/09/1996) Naast administratieve regels met het oog op de werking en het beheer van het VLIF worden met betrekking tot de aard van de VLIF-steun volgende zaken bepaald: zz
zz
zz
Wettelijke basis
zz
zz
zz
zz
Het Fonds verleent subsidies onder de vorm van rentesubsidies en investeringspremies overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2000 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw. Voor leningen in de land- en tuinbouw kan een waarborg verkregen worden tot maximaal 80% van het bedrag dat overblijft nadat de vastgestelde eigen zekerheden door de kredietinstellingen zijn gerealiseerd. Het verkrijgen van de waarborg van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds is afhankelijk van het betalen van een bijdrage uiterlijk 60 dagen na de mededeling aan de kredietinstelling van de waarborgtoekenning door het Fonds. Die bijdrage beloopt 0,35% op de toegekende VLIF-waarborg, vermeerderd met 0,015% op de toegekende VLIF-waarborg per jaar duurtijd van deze waarborg. Bij laattijdige betaling wordt de bijdrage forfaitair met 25 euro verhoogd en bij niet-betaling binnen 1 jaar nadat de toekenning van de VLIF-waarborg aan de kredietinstelling werd meegedeeld, vervalt de verleende waarborg. De dossiers ingediend vóór 1 januari 1994 bleven ingevolge een overgangsregeling vrijgesteld van een bijdrage. Om leningen toe te staan die in aanmerking komen voor VLIF-steun moeten de kredietinstellingen erkend zijn. Deze erkenning heeft slechts praktische uitwerking na het ondertekenen van een overeenkomst met het VLIF en het betalen van een borgsom van 12.500 euro die zonder rente terugbetaalbaar is bij het eindigen van de erkenning. De door het VLIF uitbetaalde waarborgen worden teruggevorderd bij de begunstigde van de VLIF-tussenkomsten. Hiervoor staat een centrale invorderingscel in die werd opgericht bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en die handelt volgens de bepalingen van het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor het Vlaams Gewest en de instellingen die eronder ressorteren (B.S. 31/05/1995) en de betreffende uitvoeringsbesluiten.
Alle inkomsten en uitgaven van het Fonds verlopen via een hiertoe door het Fonds geopende rekening. Deze rekening is opgenomen in het centraal thesauriebeheer van alle Vlaamse openbare instellingen (VOI’s) in de schoot van het Centraal Financieringsorgaan (CFO). Met een besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2001 (B.S. 18/05/2001) werd het werkingsbesluit gewijzigd voor wat de volgende aspecten betreft: zz
Er wordt verwezen naar de recentste VLIF-regelgeving.
zz
De maximaal toe te kennen VLIF-waarborg werd gebracht op 80% van de gesubsidieerde bedragen i.p.v. 90 %.
zz
Het besluit wordt aangepast aan de invoering van de euro.
Door een nieuwe wijziging van 18 maart 2005 (B.S. 19/04/2005) vervalt in artikel 13 het discretionair karakter van de erkenning van de kredietinstellingen door de minister. Voortaan kunnen alle instellingen die onder de controle vallen van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, erkend worden als zij dit vragen.
10
1.1.4 Ministerieel besluit van 30 september 2005 tot erkenning van kredietinstellingen voor het toekennen van kredieten die in aanmerking komen voor steun van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (B.S. 20/10/2005) Dit besluit geeft een opsomming van de door het VLIF erkende kredietinstellingen en als bijlage de tekst van de bilateraal te ondertekenen overeenkomst tussen elke erkende kredietinstelling en het VLIF met algemene rechten en plichten inzake het aanvragen en opvolgen van de VLIF-tussenkomsten, zoals: zz
in te dienen documenten bij een aanvraag
zz
mee te delen informatie als er steun is toegekend
zz
kenmerken van de VLIF-waarborg (inclusief start en einde ervan)
zz
VLIF-bepalingen in de kredietakten
zz
kenmerken van de VLIF-rentesubsidie (inclusief start en einde ervan)
zz
procedure bij achterstalligheden en kredietopzegging
zz
mededelingen over de stand van de zekerheden tijdens de looptijd van de steun
zz
penalisatie van nalatigheden van de kredietinstelling bij het beheer van de VLIF-dossiers
1.2 Producenten en hun coöperaties
1.2.1 Besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2000 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw (B.S. 14/02/2001)
Wettelijke basis
In dit besluit wordt de VLIF-regelgeving weergegeven die geldt voor aanvragen ingediend vanaf 1 januari 2000. Voor de maatregelen met Europese medefinanciering ('communautaire steun') betreft het de omzetting in dit besluit van door de Europese Unie goedgekeurde steunmaatregelen in het Vlaams Programmeringsdocument voor Plattelandsontwikkeling 2000-2006 (PDPO I) dat zich richt naar de bepalingen van de EG-Verordening 1257/99 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het EOGFL en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen (Publicatieblad van de EG nr. L160 van 26/06/1999). Inmiddels werd dit programma voortgezet in PDPO II (2007-2013) in toepassing van verordening 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (Publicatieblad van de EU nr. L277 van 21/10/2005). De VLIF-regelgeving bevat naast maatregelen die meegefinancierd worden door het ELFPO ook nog een reeks door de EU aanvaarde staatssteunmaatregelen. De structuur van het besluit is dan ook als volgt: zz
Algemene begrippen
zz
Steun aan investeringen op landbouwbedrijven
zz
Steun aan de vestiging van jonge landbouwers
zz
Regionale steun als compensatie van geleden schade
zz
Regionale steun ten gunste van de bedrijven in financiële moeilijkheden
zz
Regionale steun voor coöperatieve vennootschappen voor verwerking, afzet en dienstverlening
zz
Startpremie aan samenwerkingsverbanden
zz
Algemene bepalingen en slotbepalingen
In hoofdstuk 3 van dit activiteitenverslag wordt gedetailleerd ingegaan op de VLIF-regelgeving. Inmiddels werd dit basisbesluit vijf keer gewijzigd. De wijzigingen waren divers van aard maar zijn algemeen bedoeld om de steunmaatregelen beter af te stemmen op de actuele noden van de land- en tuinbouwsector, om de steunmaatregelen in overeenstemming te brengen met het gewijzigd EU-beleid of het Vlaams beleid in andere beleidsdomeinen (milieu, water, energie …) of om budgettaire redenen. Hierna worden de wijzigingen kort toegelicht. Op 19 maart 2004 (B.S. 14/04/2004) werd het besluit aangepast met als doel steun mogelijk te maken bij de bouw van ammoniakemissiearme stallen, bij omschakeling naar diervriendelijke huisvestingssystemen in de zeugenen legkippenhouderij en bij investeringen in de biologische veehouderij.
11
Op 14 juli 2004 (B.S. 27/09/2004) werd het besluit aangepast met als doel de regelgeving inzake startsteun aan samenwerkingsverbanden af te stemmen op Europese richtlijnen ter zake. Op 3 december 2004 (B.S. 21/02/2005) werd het besluit aangepast met als doel de mogelijkheden voor het verlenen van VLIF-waarborg aan te passen aan de schaalvergroting in de sector en de toenemende nood aan grotere kredieten. Met een besluit van 16 juni 2006 (B.S. 25/08/2006) werd het besluit aangepast met als doel de steunmaatregelen beter af te stemmen op de nieuwe noden inzake investeringen en tezelfdertijd een beter evenwicht tot stand te brengen tussen de vraag naar investeringssteun en de beschikbare middelen. De belangrijkste wijzigingen en accentverschuivingen waren: zz zz
er wordt een steunregeling uitgewerkt voor de sociale instellingen en consumentencoöperaties met een landbouwbedrijf
zz
de gewijzigde steunintensiteit bij investeringen in de varkens- en legkippenhouderij
zz
de afschaffing van de voorwaarde van grondgebondenheid in de varkenshouderij
zz
de extra aandacht voor productie en gebruik van hernieuwbare energie
zz
de extra stimulansen gericht op de vernieuwing van het fruitareaal
zz
de lagere steunintensiteit voor een aantal specifieke investeringen
zz
zz
Wettelijke basis
een aanpassing van de definitie landbouwer
de verruimde mogelijkheden op steun voor kapitaalintensieve bedrijven geëxploiteerd door een samenwerkingsverband van bedrijfsleiders de afschaffing van de maximumnorm inzake aantal arbeidseenheden op het bedrijf
Met een besluit van 17 oktober 2008 (B.S. 10/12/2008) ten slotte werd het besluit nogmaals aangepast met als doel de steunmaatregelen aan te passen aan het gewijzigd EU-beleid inzake vestigingssteun en subsidiabele investeringen; ze verder los te koppelen van door het oude marktbeleid geïnspireerde beperkende voorwaarden; ze coherent te maken met het gewijzigd Vlaams milieubeleid ten aanzien van landbouwsector zonder daarbij het evenwicht tussen de vraag naar investeringssteun en de beschikbare middelen uit het oog te verliezen. 1.2.2 Ministerieel besluit van 24 november 2000 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw (B.S. 12/05/2001) Dit besluit ter uitvoering van de VLIF-regelgeving, bepaald bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2000, bevat de modaliteiten en de specifieke voorwaarden voor de toekenning van VLIF-steun, namelijk:
12
zz
vereiste vakbekwaamheid
zz
vereiste minimale beroepsbekwaamheid bij eerste installatie
zz
bepalingen inzake het verplicht bijhouden van een bedrijfseconomische boekhouding
zz
minimumnormen inzake leefmilieu, hygiëne en dierenwelzijn
zz
vaststelling van het referentie-inkomen
zz
inhoud en model van een bedrijfsplan
zz
inhoud en model van een globale begroting van het bedrijf
zz
inhoud en model van een startplan (bedrijfsplan bij vestiging)
zz
lijst van de documenten die de bedrijfszekerheid aantonen
zz
bepalingen met betrekking tot mogelijke geleden schade en financiële moeilijkheden
zz
bepalingen over de startpremie aan samenwerkingsverbanden
zz
praktische richtlijnen inzake de nieuw ingevoerde kapitaalpremies
zz
voorwaarden en duur van de rentesubsidie en van de waarborg
zz
minimuminvestering of -verrichting die kan gesubsidieerd worden
zz
normbedragen per type investering in aanmerking komend voor steun
Inmiddels werd dit besluit al een tiental keer gewijzigd. De wijziging verloopt veelal parallel met een wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering. Andere wijzigingen betreffen vaststellen van parameters, normbedragen e.a. Hierna worden de wijzigingen in chronologische volgorde opgesomd met vermelding van de voornaamste aanpassingen. zz zz
zz
zz
zz zz
zz
zz
zz zz
Wijziging van 2 mei 2001 (B.S. 29/06/2001): vaststelling van het referentie-inkomen 2001. Wijziging van 12 september 2001 (B.S. 13/12/2001): regeling m.b.t. de uitbetaling van kapitaalpremies kleiner dan 1.000 euro. Wijziging van 6 september 2002 (B.S. 06/11/2002): vaststelling van het referentie-inkomen vanaf 2002, wijziging betalingsritme voor kapitaalpremies groter dan 1.000 euro, aanpassing van sommige bijlagen aan de euro. Wijziging van 4 september 2003 (B.S. 25/09/2003): wijziging van de dierziekten en de aard van de aanvaardbare schade in aanmerking komend voor steun bij herbevolking na veeziekten, naar aanleiding van vogelpestcrisis. Wijziging van 19 maart 2004 (B.S. 14/04/2004): subsidiëring van ammoniakemissiearme stallen. Wijziging van 14 juli 2004 (B.S. 23/09/2004): aanpassen regelgeving startsteun aan samenwerkingsverbanden aan de Europese richtsnoeren voor staatssteun. Wijziging van 13 december 2004 (B.S. 28/12/2004): verhoging investeringsbedrag waarop VLIF-waarborg kan verkregen worden. Wijziging van 16 juni 2006 (B.S. 25/08/2006): bijsturen van de lijst met subsidiabele investeringen, aanpassen van een aantal normbedragen voor de aanvaardbare investeringen en aanpassen bijzondere bepalingen inzake gewaarborgd bedrag. Wijziging van 6 november 2007 (B.S. 23/11/2007): vaststelling van het referentie-inkomen 2007.
1.3 Agrovoeding
Wettelijke basis
Wijziging van 20 januari 2009 (B.S. 24/02/2009): bijsturen van de wijze waarop de bedrijfseconomische boekhouding moet gevoerd worden, vaststelling van het referentie-inkomen vanaf 2008, aanpassing voorwaarden voor vestigingssteun en optrekken minimum investeringsbedrag.
1.3.1 Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 betreffende steun aan investeringen in de agrovoedingssector (B.S. 14/09/2007) Als gevolg van een ruim opgevatte reorganisatie van de steunverlening aan de land- en tuinbouwsector werd de agrovoedingssector via een wijziging van het Decreet in 2004, een doelgroep van het VLIF. De subsidiëring van investeringsdossiers uit de agrovoedingssector (primaire verwerking en afzet) werd overgenomen van de administratie Economie. Dit besluit bepaalt het kader voor VLIF-steunverlening aan investeringen in de agrovoedingssector met o.a. de bepaling van de praktische organisatie van de steunverlening (de steunmaatregel wordt georganiseerd met oproepen) en van de maximale steun. Specifieke voorwaarden en modaliteiten worden bepaald in het ministerieel besluit en in de ministeriële omzendbrieven die iedere oproep voorafgaan.
13
1.3.2 Ministerieel besluit van 26 november 2007 tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 betreffende steun aan investeringen in de agrovoedingssector (B.S. 11/01/2008) Dit besluit geeft verdere invulling aan de VLIF-regelgeving, bepaald bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007, en bepaalt in het bijzonder: zz
de bedrijvigheden, op basis van de NACE-BEL-codes, die in aanmerking kunnen komen voor VLIF-steun
zz
de noodzakelijke vergunningen waaraan moet worden voldaan
zz
de minimuminvesteringen
zz
de investeringen die in aanmerking kunnen komen voor steun
zz
zz
de voorwaarde dat de investeringen voor minimaal 50% betrekking moeten hebben op land- en tuinbouwproducten van landen binnen de EU de investeringsperiode
De steunmaatregel wordt georganiseerd op basis van oproepen. Specifieke voorwaarden en modaliteiten worden bepaald in de ministeriële omzendbrieven die iedere oproep zullen voorafgaan. De oproepen worden voorbereid in samenwerking met alle betrokken sectororganisaties.
1.4 Omkadering
Wettelijke basis
1.4.1 Besluit van de Vlaamse Regering van 27 april 2007 betreffende steun aan investeringen in de omkaderingssector van land- en tuinbouw (B.S. 19/06/2007) Parallel met de opname van de agrovoedingssector werd in 2004 eveneens de omkaderingssector (praktijkcentra en vergelijkbare instellingen) toegevoegd aan de doelsectoren van het VLIF. In dit besluit wordt het kader bepaald voor steunverlening aan investeringen in de omkaderingssector, beperkt tot praktijkcentra en vergelijkbare instellingen, met o.a. de praktische organisatie van de steunverlening en de bepaling van de maximale steun. De steunmaatregel wordt georganiseerd via oproep (investeringsrondes). Specifieke voorwaarden en modaliteiten worden bepaald in het aansluitende ministerieel besluit en vooral ook in de ministeriële omzendbrieven die iedere oproep voorafgaan. 1.4.2 Ministerieel besluit van 15 oktober 2007 betreffende steun aan investeringen in de omkaderingssector van land – en tuinbouw (B.S. 08/11/2007) Dit besluit geeft verdere invulling aan de VLIF-regelgeving, bepaald bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 april 2007 betreffende steun aan investeringen in de omkaderingssector en bepaalt in het bijzonder: zz
de nominatief geselecteerde doelgroepen
zz
de investeringen die in aanmerking komen voor steun
zz
de minimuminvesteringen
zz
de investeringsperiode
De steunmaatregel wordt georganiseerd op basis van oproepen. Specifieke voorwaarden en modaliteiten worden bepaald in de ministeriële omzendbrieven die aan iedere oproep zullen voorafgaan. Een tweede oproep had plaats op 2 december 2008 met VLIF-omzendbrief 47.
14
2 Regelgeving
2.1 VLIF-steun aan land- en tuinbouwers De VLIF-regelgeving vormt de basis om in het Vlaamse Gewest en binnen een door de EU bepaald kader, uitvoering te geven aan het structuur- en investeringsbeleid van de Vlaamse Regering ten aanzien van de land- en tuinbouwers en hun verenigingen (coöperaties). De steun aan de investeringen en de installatie wordt mee gefinancierd door de EU en mee bepaald door het EU-beleid dat vervat zit in verordening 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling, de Communautaire Richtsnoeren voor Staatssteun in de landbouw- en bosbouwsector 20072013 van 27 december 2006 en verordening 1974/2006 van 15 december 2006 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van de Plattelandsverordening. Een aantal andere steunmaatregelen zijn louter Vlaamse maatregelen. Het betreft met name de steun voor de coöperatieve vennootschappen voor verwerking, afzet en dienstverlening, de steun aan bedrijven in financiële moeilijkheden, de steun ter compensatie van geleden schade en de startpremie voor samenwerkingsverbanden. Die maatregelen zijn in overeenstemming met de voormelde Communautaire Richtsnoeren voor Staatssteun in de landbouw- en bosbouwsector 2007-2013, zij het dat dit voor de steun ter compensatie van geleden schade tijdelijk is in afwachting van een verplichte aanpassing (aanmoedigen verzekeringen).
2.1.1 Algemene voorwaarden
Regelgeving
Het onderzoek naar de mogelijkheden voor het verlenen van VLIF-steun voor aanvragen die in 2009 goedgekeurd werden, gebeurde op basis van de bepalingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2000 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw en het gelijknamig ministerieel besluit van dezelfde datum. Beide besluiten worden toegepast op steunaanvragen ingediend vanaf 1 januari 2000. Zij werden inmiddels op een aantal vlakken gewijzigd (zie hoger).
Het VLIF kan onder een aantal algemene voorwaarden steun verlenen aan personen die een land- of tuinbouwactiviteit uitoefenen. Beroepsstatus Zowel personen die hun landbouwactiviteit in hoofdberoep uitoefenen als personen die de landbouwactiviteit in bijberoep uitoefenen, kunnen steun verkrijgen. De landbouwer kan hoogstens een halftijdse betrekking buiten de landbouw hebben en de beroepsinkomsten uit de activiteiten op het bedrijf moeten minstens 35% bedragen van de totale beroepsinkomsten. Zowel natuurlijke personen als vennootschappen kunnen landbouwer zijn. Voor vennootschappen betekent dit dat het doel hoofdzakelijk verband houdt met de exploitatie van een land- of tuinbouwbedrijf en dat er concrete voorwaarden gesteld worden aan de bestuurders en aan de aard en verdeling van de aandelen. Beroepsbekwaamheid Om steun te kunnen krijgen moeten de aanvragers beroepsbekwaam zijn. Hiertoe worden eisen gesteld qua scholing en opleiding, in het bijzonder aan personen die zich voor het eerst in de sector vestigen. Economische levensvatbaarheid Er kan alleen steun verkregen worden indien het land- of tuinbouwbedrijf levensvatbaar is. Dit wordt vastgesteld met een berekening van het arbeidsinkomen (AI) per volle arbeidskracht (VAK) vertrekkend bij de reële bedrijfssituatie. Het AI per VAK moet groter zijn dan het referentie-inkomen. Dit laatste wordt jaarlijks vastgesteld. Het bedraagt ongeveer twee derden van het gemiddeld brutoloon van een loontrekkende buiten de landbouw. Voor aanvragen ingediend in 2009 bedroeg het referentie-inkomen 25.700 euro per VAK, net zoals in 2008.
15
Vergunningen, productie- en emissierechten Er kan alleen steun verkregen worden als de aanvrager in het bezit is van de noodzakelijke vergunningen (stedenbouwkundige vergunning, milieuvergunning, vergunning waterwinning e.a.) en over productie- en emissierechten (melkquotum, nutriëntenemissierechten …) beschikt. Als er voor de beoefende activiteiten wettelijke normen zijn op het vlak van leefmilieu, dierenwelzijn, hygiëne of voedselv eiligheid moeten die gerespecteerd worden. Bedrijfseconomische boekhouding Er kan alleen steun verkregen worden als een bedrijfseconomische boekhouding bijgehouden wordt. De bedrijfseconomische boekhouding kan met akkoord van het VLIF vervangen worden door een vennootschaps- of fiscale boekhouding voor zover die een adequaat bedrijfsbeheer mogelijk maakt. 2.1.2 Steunmaatregelen Het VLIF verleent zowel steun voor verrichtingen gefinancierd met leningen aangegaan bij een erkende kredietinstelling als voor verrichtingen gefinancierd met eigen middelen. De steun is verschillend naargelang het een verrichting betreft die in aanmerking komt voor investeringssteun (modernisering gebouwen, machines …) dan wel een verrichting die in aanmerking komt voor vestigingssteun. De steun wordt verleend onder vorm van rentesubsidie en/of kapitaalpremie (zie verder). Er is geen minimum kredietrente ten laste van de kredietnemer bepaald. Aan de kredieten die van een rentesubsidie genieten, kan door het VLIF een gewestwaarborg worden toegekend als aanvulling op de ontoereikende zekerheden aangebracht door de land- of tuinbouwer zelf.
Regelgeving
Het VLIF kan bij financiële problemen van de bedrijven, op verzoek van de bank, steeds vrijstelling van aflossing toestaan op kredieten met VLIF-steun. De vrijstelling brengt geen verhoging mee van de steun overeenkomstig de voorwaarden opgelegd door de EU. 2.1.2.1 Steun aan de vestiging in land- en tuinbouw Doel en doelgroep van de vestigingssteun De Vlaamse overheid wil jongeren aanmoedigen die zich in de sector als zelfstandige ondernemer vestigen. De steunmaatregel geldt voor alle types van bedrijven ongeacht de aard van de activiteit en de productiemethode. De steun wordt uitsluitend verleend aan natuurlijke personen, hetzij in de hoedanigheid van landbouwer natuurlijke persoon voor de overname van de bedrijfsbekleding, hetzij in de hoedanigheid van mandataris van een vennootschap met landbouw als doel voor de overname van aandelen. Vennootschappen kunnen geen vestigingssteun verkrijgen. Vorm en omvang van de steun In 2008 werd de VLIF-regelgeving op het gebied van vestigingssteun ingrijpend gewijzigd. De wijziging betrof de beperking van de maximale steun tot 55.000 euro, de positieve discriminatie bij een vestiging als mandataris van een vennootschap-landbouwer en het wegvallen van de steun die uitsluitend door Vlaanderen gefinancierd werd. In 2009 werden geen nieuwe wijzigingen doorgevoerd. In 2009 heeft de Europese Commissie met verordening (EG) Nr. 74/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1698/2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het ELFPO wel haar beleid ten aanzien van de steun aan de vestiging van jonge landbouwers gewijzigd. Het maximumsteunbedrag werd verhoogd van 55.000 euro naar 70.000 euro. Aansluitend op die wijziging werd het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling (PDPO) voor de periode 2007-2013 inmiddels ook gewijzigd. Pas na de wijziging ervan en de goedkeuring door de Europese Commissie kan de verhoging van de mogelijke vestigingssteun opgenomen worden in de VLIF-regelgeving. Dit laatste zal gefinaliseerd worden in 2010.
16
Bij een vestiging als landbouwer – natuurlijke persoon – heeft de steun de vorm van: zz zz
een vestigingspremie van 50% op de eerste 50.000 euro aanvaardbare vestigingskosten; een door de EU meegefinancierde rentesubsidie op de aanvaardbare vestigingskosten die het bedrag van 50.000 euro overtreffen. De rentesubsidie bedraagt maximaal 4% gedurende 10 jaar met 1 jaar vrijstelling van kapitaalaflossing op een bedrag dat afhankelijk is van de periodiciteit van het krediet, de vrijstelling en de actualisatievoet. De gekapitaliseerde waarde van de rentesubsidie bedraagt ten hoogste 30.000 euro. Alleen vestigingskosten die gefinancierd worden met krediet bij een erkende bank komen in aanm erking voor steun. Voor een krediet dat vanaf het eerste jaar jaarlijks afgelost wordt bedraagt dit maximum subsidiabel kredietbedrag 164.540 euro voor aanvragen ingediend in 2009 (was 165.707 euro in 2008).
Bij een vestiging als mandataris van een landbouwer – rechtspersoon – heeft de steun de vorm van: zz zz
een vestigingspremie van 50% op de eerste 80.000 euro aanvaardbare vestigingskosten; een door de EU meegefinancierde rentesubsidie op de aanvaardbare vestigingskosten die het bedrag van 80.000 euro overtreffen. De rentesubsidie bedraagt maximaal 4% gedurende 10 jaar met 1 jaar vrijstelling van kapitaalaflossing op een bedrag dat afhankelijk is van de periodiciteit van het krediet, de vrijstelling en de actualisatievoet. De gekapitaliseerde waarde van de rentesubsidie bedraagt ten hoogste 15.000 euro. Alleen vestigingskosten die gefinancierd worden met krediet bij een erkende bank komen in aanm erking voor steun. Voor een krediet dat vanaf het eerste jaar jaarlijks afgelost wordt bedraagt dit maximum subsidiabel kredietbedrag 82.270 euro (was 82.853 euro in 2008).
De overheidswaarborg kan alleen verkregen worden op de leningen die van rentesubsidie genieten (zie verder 2.1.2.6). Leeftijdsgrens, subsidiabele verrichtingen en planmatige aanpak van de vestiging Wie van de vestigingssteun wil genieten moet op het tijdstip van de aanvraag jonger zijn dan 40 jaar en zich voor het eerst vestigen als landbouwer. Enkel de vestigingskosten die op het tijdstip van vestiging gemaakt worden, kunnen aanvaard worden voor het verlenen van de vestigingssteun. Het betreft kosten voor: de overname van de bedrijfsbekleding betrekking hebbend op vee, uitrusting, materieel, aanplantingen, voorraden, vruchten te velde en navetten
zz
de aankoop van vee, uitrusting, materieel en voorraden gericht op het vervolledigen van de bedrijfsbekleding
zz
de aankoop van bedrijfsgebouwen die minder dan 15 jaar oud zijn op basis van de boekhoudkundige waarde ervan
zz
Regelgeving
zz
de overname van aandelen ter gelegenheid van de vestiging als bestuurder in een vennootschap met landbouw als maatschappelijk doel
De mogelijkheid op steun voor overname van bedrijfsbekleding of aandelen buiten het kader van de vestiging werd al afgeschaft voor aanvragen vanaf 1 januari 2007. Bij het verlenen van de vestigingssteun wordt een bedrijfsplan bij vestiging opgesteld. Hierin worden de voornaamste structurele kenmerken van het bedrijf, de structurele tekortkomingen, een aantal bedrijfseconomische kengetallen en de voorwaarden waaronder de steun verleend wordt, overzichtelijk voorgesteld.
17
2.1.2.2 Steun aan de investeringen Doel en doelgroep van de steun Investeringssteun wordt verleend om de landbouwers aan te moedigen hun bedrijfsstructuren aan te passen aan de snel evoluerende en wisselende omstandigheden waarin de bedrijven actief zijn. Er zijn nieuwe noden inzake investeringen op het landbouwbedrijf om de levensvatbaarheid ervan te verzekeren ten gevolge van ontwikkelingen op het vlak van leefmilieu en dierenwelzijn, de technologie in de sector, de energiemarkt, de commercialisatie- en distributiestructuren van land- en tuinbouwproducten, het vrijer en ruimer worden van de markt, de heroriëntatie van het EU- landbouwbeleid e.a. De aanmoediging van de investeringen beoogt een aanpassing van de bedrijfsstructuur m.b.t.: zz
verlaging van de productiekosten
zz
verbetering en omschakeling van de productie
zz
verhoging van de kwaliteit
zz
zz
verbetering van het leefmilieu, de hygiënische omstandigheden en/of de normen op het gebied van welzijn van de dieren bevordering van de diversificatie van de activiteiten op het landbouwbedrijf.
Investeringssteun mag niet in strijd zijn met het beleid op andere vlakken (marktpolitiek, milieubeleid, beleid ruimtelijke ordening ...) en mag de doelstellingen hiervan niet doorkruisen. De steunmaatregelen zijn bedoeld voor alle professionele exploitanten die zich rangschikken als landbouwer volgens de VLIF-normen. Er is steun mogelijk ongeacht de subsector waarin ze actief zijn, de dimensie van het bedrijf (zowel grootschalige als kleinschalige bedrijven) en de strategie van de bedrijfsleider (gericht op diversificatie, grootschaligheid, geïntegreerde productie…).
Regelgeving
Vorm en omvang van de steun De steun kan verkregen worden onder vorm van rentesubsidies en/of kapitaalpremies naargelang de wijze van financiering van de investeringen. De omvang van de steun is onafhankelijk van de wijze van financiering. De steun wordt mee gefinancierd door de EU. Er wordt gewerkt met een limitatieve lijst van subsidiabele investeringen. Per type van investering geldt een bepaalde steunintensiteit. De lijst en de steunintensiteit voor een reeks van investeringen werden een laatste keer aangepast met het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2008. De wijziging trad in werking voor aanvragen om steun ingeleid vanaf 27 juni 2008. De differentiatie inzake steunintensiteit (40, 30, 20 of 10%) weerspiegelt de mate waarin de overheid de ontwikkeling wenst aan te moedigen. Er is verhoogde steun voor investeringen in diversificatie en een reeks leefmilieu-investeringen. Bij het bepalen van de steunintensiteit werd ook rekening gehouden met de economische levensduur van een investeringsgoed. Voor aanvragen vanaf 27 juni 2008 is de steunintensiteit naargelang de aard van de investering als volgt. 40%: investeringen die specifiek zijn voor de biologische landbouw zz
bouwen, verbouwen en uitrusten van bedrijfsgebouwen en de omheining van uitlopen die voldoen aan de normen voor biologische veehouderij vermeld in de lastenboeken voor de dierlijke biologische productie, op voorwaarde dat de aanvrager de biologische productiemethode toepast (bewijs voorleggen)
zz
aanleg van hoogstamboomgaarden in de bioteelt
zz
andere gelijksoortige investeringen die specifiek zijn voor de biologische landbouw
30%: investeringen gericht op de realisatie van een landbouw met verbrede doelstellingen, duurzame landbouw of de reconversie van het landbouwbedrijf zz
zz
zz zz
zz
18
installatie voor waterzuivering op bedrijfsniveau, met inbegrip van de installaties voor waterzuivering in het kader van hergebruik van overtollig regen- en beregeningswater uitrusting voor het reinigen van de rookgassen van stookinstallaties met cyclonen, doekenfilters of rookgaswassing installatie van een eerste energiescherm in een bestaande serre en in een nieuwbouwserre stalverluchtingssysteem met een filter ter bestrijding van de geur- en stofhinder (biofilter, biobed, stoffilters, luchtwassers) installatie van een warmtebuffer en een rookgascondensor
zz
zz zz
zz
zz
zz
zz
zz
zz
zz
zz
zz zz
zz
zz
zz
zz
installatie van een energiebesparende kasomhulling (dubbel glas, gecoat glas, kunststof kanaalplaten) nieuwe verwarmingsinstallaties of omschakeling van bestaande verwarmingsinstallaties naar gas of hernieuwbare brandstoffen, inclusief installaties voor warmtekrachtkoppeling bouwen, verbouwen en uitrusten van bedrijfsgebouwen die gebruikt worden voor de aanmaak van zuivelproducten (met melk van het eigen bedrijf) en het bewaren van die producten, evenals de aankoop van materieel dat specifiek noodzakelijk is voor die activiteit bouwen, verbouwen en uitrusten van bedrijfsgebouwen die gebruikt worden voor het versnijden, bereiden en verkoopsklaar maken van vlees (geproduceerd op het eigen bedrijf) en het bewaren van die producten, evenals de aankoop van materieel dat specifiek noodzakelijk is voor die activiteit bouwen, verbouwen en uitrusten van bedrijfsgebouwen die gebruikt worden voor het artisanaal verwerken en verkoopsklaar maken van land- en tuinbouwproducten (andere producten dan melk en vlees, die geproduceerd zijn op het eigen bedrijf) en het bewaren van die producten, evenals de aankoop van materieel dat specifiek noodzakelijk is voor die activiteit bouwen, verbouwen en uitrusten van bedrijfsgebouwen die bestemd zijn voor de rechtstreekse verkoop van de eigen productie (al dan niet in verwerkte vorm) aan de consument of in een buurtwinkel, met inbegrip van een opslag- of koelruimte die bestemd is voor de verkoopsklare voorraad van die producten, evenals de aankoop van materieel dat specifiek noodzakelijk is om die activiteit uit te oefenen investeringen in vaste en verplaatsbare installaties zoals vogelnetten, imitatieroofvogels, care-eyeballonnen en afschrikwindmolentjes, gericht op het beperken van schade door vogels of ander wild met uitzondering van knalapparatuur mechanische of thermische onkruidbestrijding of loofdoding (schoffelmachine, zwenkmaaier, rijenfrees, vingeregge, loofklapper, onkruid- of loofbrander, grondstoommachine) machines en uitrusting die specifiek noodzakelijk zijn voor het beheer van kleine landschapselementen, perceelsranden en landschap (eventueel contracten voorleggen) installaties voor compostering (omzetten van de composthoop) investeringen, gericht op het educatief toegankelijk maken van de landbouwbedrijvigheid inzake de productie van producten voor een breder publiek
Regelgeving
zz
installatie van een warmtepomp in combinatie met koude-warmteopslag als onderdeel van de inrichting van een gesloten kas
inrichting van verblijfsruimten voor zorgvragers in het kader van de zorgboerderijen installaties en materieel die op bedrijfsniveau specifiek noodzakelijk zijn voor de bereiding van samengestelde voeders (andere dan ruwvoeders), hoofdzakelijk op basis van zelfgeteelde basisproducten en ter vervanging van krachtvoeders, of voor de bereiding van samengestelde voeders voor varkens op basis van CCM (Corn Cob Mix), hoofdzakelijk op basis van zelfgeteelde producten. De samengestelde voeders moeten een drogestofgehalte hebben van minstens 60%. Daarbij zijn ook graandrooginstallaties voor eigen granen inbegrepen op voorwaarde dat die werken volgens een proces waarbij de verbrandingsgassen niet door de granen gestuurd worden en waarbij er zodoende geen residu’s voorkomen in het eindproduct geautomatiseerde champignonplukmachines in geval van reconversie van de productiemethode om het hoofd te bieden aan de delokalisatie van de champignonproductie aanplanten of heraanplanten van fruitplantages met nieuwe commercieel beloftevolle fruitvariëteiten op voorwaarde dat de geïntegreerde productiemethode toegepast wordt. Uitbreiding van het areaal wordt toegestaan installaties en materieel die op bedrijfsniveau specifiek noodzakelijk zijn voor de productie van medicinale en aromatische planten investeringen, gericht op de productie en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen als vorm van diversificatie (land- en tuinbouwproductie blijft hoofdzaak), namelijk: {{
oliepers, bestemd voor de productie van PPO (pure plantaardige olie) en installaties voor het zuiveren van op het bedrijf geproduceerde PPO. De aankoop van een mobiele oliepers door een coöperatie van landbouwers is subsidiabel mits het een coöperatie betreft voor dienstverlening
{{
aanpassing van een tractor of een andere landbouwmachine voor het gebruik van PPO
{{
zonneboilers en fotovoltaïsche zonnecellen
{{
windmolens
19
{{
{{
{{
zz
installaties en materieel voor de productie van biogas en bijbehorende installaties voor de opwekking van elektriciteit op basis van een substantieel gedeelte grondstoffen van het bedrijf installaties en materieel voor de energieproductie op basis van energieteelten en bijbehorende installaties voor de opwekking van elektriciteit op basis van een substantieel gedeelte grondstoffen van het bedrijf installaties en materieel die op bedrijfsniveau specifiek noodzakelijk zijn voor de productie van andere hernieuwbare brandstoffen (bijvoorbeeld houtachtige energieteelten) en bijbehorende installaties voor de opwekking van elektriciteit
andere gelijksoortige investeringen gericht op de realisatie van een landbouw met verbrede doelstellingen, duurzame landbouw of de reconversie van het landbouwbedrijf
20%: investeringen in onroerend goed, gericht op de realisatie van een structuurverbetering zz
zz zz
bouwen van een nieuwe ammoniakemissiearme stal, die voorkomt op de lijst van ammoniakemissiearme stallen van het Vlarem, op voorwaarde dat in zeugenstallen groepshuisvesting wordt toegepast en dat in legkippenstallen volièrehuisvesting of grondhuisvesting wordt toegepast uitrusten van nieuwe ammoniakemissiearme legkippenstallen met volièrehuisvesting of grondhuisvesting;
zz
bouwen, verbouwen en uitrusten van vleeskalverstallen
zz
Regelgeving
bouwen, verbouwen en uitrusten van vleesveestallen en van jongveestallen voor jongvee van dat vleesvee
zz
zz
zz
zz
zz
zz
zz zz
zz
zz
zz zz
zz
bouwen van bijkomende mestopslagcapaciteit op het veebedrijf van mest van de veestapel van het bedrijf in afwachting van de verspreiding op het land om te voldoen aan de bepalingen van artikel 9, §1 van het Mestdecreet van 22 december 2006 verbouwen en uitrusten van bestaande varkens- en pluimveestallen met het oog op de verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het welzijn van de dieren herstellen van daken van hoeven met een cultuurhistorisch karakter, type vierkantshoeven of gelijkgesteld, ongeacht de bestemming van de bedrijfsruimten bouwen, verbouwen en uitrusten van stallen voor herten, schapen, geiten, konijnen en eventueel het bijbehorend jongvee bouwen, verbouwen en uitrusten van stallen voor paarden, met inbegrip van gebouwen voor het trainen van paarden en de aanleg van een buitenpiste (geen manèges). Paardenpension wordt aanvaard als vorm van diversificatie bouwen, verbouwen en uitrusten van gebouwen voor een zeer specifieke dierlijke productie, zoals de kweek van slakken, insecten en larven (geen honden- en nertsenkwekerijen) sleufsilo met recuperatiesysteem voor silosappen bouwen, verbouwen en uitrusten (bijvoorbeeld verwarming, energieschermen, beregening, substraatinstallaties, tabletten) van serres in glas of plastic op vaste voet systemen voor het hergebruik van beregeningswater, opvang en hergebruik van hemelwater als beregeningswater afbraak van serres in combinatie met een project voor het oprichten van nieuwe serres (op dezelfde locatie of elders), met uitsluiting van kosten voor bodemsanering bouwen, verbouwen en uitrusten van kwekerijen van paddestoelen bouwen, verbouwen en uitrusten van bedrijfsgebouwen voor de productie van witloof, met inbegrip van de hydrocultuurinstallatie bouwen, verbouwen en uitrusten van gebouwen voor een zeer specifieke plantaardige productie (in vitroculturen)
zz
installaties voor de robotisering van de productie
zz
frigo’s
zz
20
bouwen, verbouwen en uitrusten van melkveestallen, inclusief melkinstallatie, en van jongveestallen voor jongvee van dat melkvee
beregeningsinstallaties en installaties voor fertigatie (andere dan serre-uitrusting), maar niet op basis van grondwater
zz
zz
zz
zz zz
zz
zz zz
zz
zz
zz zz
loodsen voor de opslag en de bewaring van de productie, het marktklaar maken van de productie of voor het stallen van machines en materieel (geen huisvesting van dieren) erfverharding en andere infrastructuurwerken in onroerende staat (opvangbassins voor hemelwater, kavelwegen, reinigingsplaats met bezinkput voor voertuigen, andere bezinkputten, opslagplaats voor vaste mest op kopakker, verhardingen voor de beperking van grondtarra) nieuwe aanplantingen van kersen, krieken, pruimen, noten en druiven installaties en materieel, gericht op de oogstprotectie in bestaande fruitplantages (hagelkanon, hagelnetten, beregening tegen lentenachtvorst) aankoop van bestaande bedrijfsgebouwen die minder dan 15 jaar oud zijn, hierbij bepalend dat het subsidiabel bedrag in relatie staat met het VLIF-normbedrag bij nieuwbouw en de gangbare afschrijvingsduur voor dergelijke bedrijfsgebouwen sanitaire opslagruimte voor kadavers met een koelinstallatie systemen voor beperking, recyclage of rationeel beheer van afvalwater (ontsmettings- en ontziltingsinstallaties, opslagplaats voor verontreinigd water) systemen voor de beperking van het gebruik of van verliezen van pesticiden. Het betreft voornamelijk geavanceerde spuitmachines waarbij er een duidelijk aantoonbare vermindering is van de drift ten opzichte van de gangbare spuittoestellen investeringen, gericht op de beperking van de verspreiding van ziektekiemen (installaties voor het steriliseren van substraten of afvalgrond, reinigingsplaats met bezinkput voor voertuigen voor het vervoer van dieren, sanitaire laad- of losplaatsen voor dieren, inclusief eventuele afsluiting, sanitair sas in stallen) machines voor directe inzaai ter voorkoming van erosie de eerste aanplant van biologisch geteelde duurzame planten en de eerste aankoop van biologisch gekweekte ouderdieren op voorwaarde dat de biologische productiemethode toegepast wordt (bewijs voorleggen) andere gelijksoortige investeringen, in onroerend goed, gericht op de realisatie van een structuurverbetering
Regelgeving
zz
aanleg van terreinen voor container- en stellingenteelt, evenals de specifieke terreinuitrusting in de boomen sierteelt (algemeen)
10%: overige investeringen, gericht op de realisatie van een structuurverbetering zz
machines en materieel (goederen die roerend zijn van nature) die niet opgenomen zijn in de andere lijsten en met uitzondering van tweedehandsmaterieel
zz
bouwen en uitrusten van nieuwe ammoniakemissiearme legkippenstallen met verrijkte kooien
zz
verbouwen en uitrusten van een bestaande legkippenstal naar een stal met huisvesting in verrijkte kooien
zz
zz
zz zz
heraanplanten van fruitplantages met gangbare fruitvariĂŤteiten, beperkt tot de gerooide oppervlakte van appel, peer en perzik de eerste aanplant (geen vervangingen) van duurzame planten zoals rozen- en moederplanten, hop- en aspergeplanten, houtachtig kleinfruit plastic serres en tunnels, andere dan de serres en tunnels die vermeld worden in groep 3 andere gelijksoortige investeringen, in onroerend goed, gericht op de realisatie van een structuurverbetering
De steun voor investeringen gefinancierd met krediet wordt verleend onder de vorm van een rentesubsidie aangevuld met een investeringspremie, zodat de vooropgestelde steunintensiteit effectief verkregen wordt. In de mate dat de landbouwer minder krediet opneemt of krediet op kortere termijn aangaat, zal een groter deel van de totale steun in de vorm van een investeringspremie verleend worden. Bij het verlenen van steun heeft de rentesubsidie voorrang op de investeringspremie. De rentesubsidie bedraagt: zz
zz
maximaal 4% gedurende maximaal 15 jaar voor investeringen waarvoor de steunintensiteit 40 of 30% bedraagt maximaal 3% gedurende maximaal 15 jaar voor investeringen waarvoor de steunintensiteit 20 of 10% bedraagt
De steun voor investeringen gefinancierd met eigen middelen wordt uitsluitend in de vorm van een investeringspremie verleend. 21
Om een rentesubsidie te kunnen vergelijken met een investeringspremie wordt de actuele waarde berekend van in de tijd gespreide betalingen van rentesubsidie. De actualisatievoet wordt berekend door de EU op basis van de vijfjaarse interbancaire (zgn. 'swap'-)rentetarieven, vermeerderd met een opslag. Voor in 2007 en 2008 ingediende aanvragen wordt een actualisatievoet van respectievelijk 4,62% en 5,19% toegepast. Voor aanvragen van 2009 is dit 4,99%. Een lagere actualisatievoet brengt mee dat de rentesubsidie minder van haar waarde verliest, dat de actuele waarde zodoende groter is en de aanvullende investeringspremie kleiner. Om binnen de vooropgestelde steunintensiteit te blijven moet de rentesubsidie verminderd worden. In de periode 2007-2013 kan de investeringssteun verkregen worden op een investeringsbedrag van maximaal 1.000.000 € per bedrijfsleider die zich rangschikt als landbouwer-natuurlijke persoon of per beherend vennoot, zaakvoerder, bestuurder of gedelegeerd bestuurder met de kwalificatie landbouwer van een rechtspersoonlandbouwer. Het gesubsidieerde bedrag wordt beperkt tot een maximaal normbedrag per aanwezige standplaats voor het vee of per m² bedrijfsgebouw. De overheidswaarborg kan alleen verkregen worden op leningen die van rentesubsidie genieten (zie verder 2.1.2.6). Bijkomende voorwaarden per deelsector van de veehouderij
Regelgeving
Investeringen in de melkveesector waarvoor de steun gevraagd werd in 2009, zijn subsidiabel wanneer het bedrijf na uitvoering ervan over een voldoende groot melkquotum beschikt d.w.z. een quotum dat in een redelijke verhouding staat tot het aantal plaatsen voor melkkoeien. Investeringen in de melkveesector zijn verbonden met het houden van melkkoeien en het bijhorende jongvee. Aanvragen om steun voor investeringen in de melkveehouderij worden, wat melkquotum betreft, vanaf 2009 soepeler behandeld dan voorheen. Vanaf 1 januari 2009 werd een systeem van proportionele steunverlening ingesteld. Dit houdt in dat er uitbreidingsinvesteringen mogelijk zijn zonder dat er op gelijkmatige wijze melkquotum bij verworven wordt. Belangrijke uitbreidingen d.w.z. met meer dan 50% in capaciteit, zonder verhoging van het quotum, zijn nog altijd niet subsidiabel. De versoepeling past bij het gewijzigd EU-investeringsbeleid ten aanzien van de melkveehouderij en moet de overgang naar een tijdperk zonder melkquota vlotter laten verlopen. De sectorale voorwaarden voor het verkrijgen van steun op investeringen in de varkenshouderij werden in fasen versoepeld. Na de afschaffing van de voorwaarde van grondgebondenheid in 2006 werden met het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2008 de mogelijkheden op steun voor de varkenssector verruimd. Voor aanvragen vanaf 1 januari 2009 werd steun mogelijk op uitbreidingsinvesteringen die mogelijk zijn op basis van mestverwerking, de aankoop van varkensstallen en bijkomende mestopslag. Volgende investeringen in de varkenshouderij zijn subsidiabel: zz
nieuwe ammoniakemissiearme varkensstallen
zz
herinrichten bestaande zeugenstallen naar stalllen met groepshuisvesting
zz
bijkomende mestopslagcapaciteit
zz
aankoop varkensstallen
zz
investeringen ter verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het welzijn van de dieren
zz
investeringen in biologische varkenshouderij
Andere investeringen in de varkenshouderij zijn niet subsidiabel, zoals ondermeer de verbouwing en de vernieuwing van de uitrusting van stallen die niet gericht zijn op de verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het welzijn van de dieren.
22
Ook in de pluimveesector werden de sectorale voorwaarden voor het verkrijgen van steun op investeringen in fasen versoepeld. In 2006 werd steun mogelijk bij huisvesting van legkippen in verrijkte kooien waar dit voorheen alleen mogelijk was bij volière- of grondhuisvesting. Vanaf 1 januari 2009 werd steun mogelijk op uitbreidingsinvesteringen mits mestverwerking, op aankoop van pluimveestallen en op bijkomende mestopslag. Volgende investeringen in de pluimveehouderij zijn subsidiabel: nieuwe ammoniakemissiearme stallen; zz
herinrichten bestaande legkippenstallen met huisvesting in verrijkte kooien, volièrehuisvesting of grondhuisvesting
zz
bijkomende mestopslagcapaciteit
zz
aankoop pluimveestallen
zz
investeringen ter verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het welzijn van de dieren
zz
investeringen in biologische pluimveehouderij
zz
Andere investeringen in de pluimveehouderij zijn niet subsidiabel, zoals ondermeer de verbouwing en de vernieuwing van uitrusting van stallen die niet gericht zijn op de verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het welzijn van de dieren
Omschakelingen naar een andere subsector binnen de pluimveehouderij worden niet gerangschikt als uitbreiding als de mestproductie niet toeneemt. Tot eind 2008 waren investeringen in de vleesveesector die niet gericht waren op de verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het dierenwelzijn slechts subsidiabel wanneer het bedrijf voldoende grondgebonden was. De voorwaarde van grondgebondenheid werd afgeschaft voor aanvragen vanaf 1 januari 2009. Op dat tijdstip werden alle investeringen in de vleesveesector subsidiabel onder de algemene voorwaarden.
Planmatige aanpak van investeringen In een bedrijfsplan moet de land- of tuinbouwer aantonen dat de investeringen gerechtvaardigd zijn in het licht van de toestand en van de structuur van zijn bedrijf en dat het uitvoeren van de investeringen zal leiden tot een duurzame verbetering van die toestand. Bij het opstellen van een bedrijfsplan speelt de land- of tuinbouwer een belangrijke rol. Hij brengt alle basisgegevens aan voor het plan. Een bedrijfsplan omvat de volgende onderdelen: zz
Regelgeving
Tot eind 2008 waren in de vleeskalversector uitsluitend investeringen die gericht waren op de verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het dierenwelzijn subsidiabel. Bovendien mocht er geen verhoging zijn van de productiecapaciteit. Voor aanvragen vanaf 1 januari 2009 werden de beperkende sectorale voorwaarden afgeschaft. Op dat tijdstip werden alle investeringen in de vleeskalversector subsidiabel onder de algemene voorwaarden.
beschrijving van het bedrijf met o.a. teeltplan, veebezetting, opbrengsten, kosten, gepresteerde arbeid en ingezet kapitaal
zz
beschrijving van de structurele tekortkomingen op het bedrijf
zz
beschrijving van de geplande investeringen
zz
opgave van de nagestreefde doelstellingen met de investeringen
zz
analyse van de rendabiliteit van het bedrijf
zz
wijze van financiering
23
2.1.2.3 Steun als compensatie van geleden schade Doel van de steun Land- en tuinbouwers die belangrijke schade geleden hebben aan de landbouwproductie of de landbouwproductiemiddelen ten gevolge van onvoorziene gebeurtenissen zoals natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden of het uitbreken van dier- of plantenziekten, kunnen van steunmaatregelen genieten. Vorm van de steun De steun wordt verleend in de vorm van een rentesubsidie van maximaal 3% gedurende maximaal 3 jaar op een overbruggingskrediet. Het maximumbedrag van het overbruggingskrediet is gelijk aan het bedrag van de werkelijk geleden schade aan de landbouwproductie en de landbouwproductiemiddelen verminderd met ontvangen schadevergoedingen. De steun wordt uitsluitend met Vlaamse middelen gefinancierd. Voorwaarden De minimale omvang van de schade aan de landbouwproductie en productiemiddelen door natuurrampen en buitengewone weersomstandigheden moet 30% van een normale productie bedragen. De veeziekten die aanvaard worden zijn: runderbrucellose, -tuberculose en -leucose, gekkekoeienziekte, varkenspest, vogelpest en pseudovogelpest. Er kan slechts steun zijn voor de herbevolking, zz
Regelgeving
zz
hetzij na volledige opruiming van de veestapel of na bewezen noodzakelijke leegstand als gevolg van runderbrucellose, gekkekoeienziekte, varkenspest, vogelpest en pseudovogelpest hetzij na de uitzuivering ten gevolge van een aantasting van rundertuberculose en runderleucose van ten minste 30% van de veestapel
Voor schadegevallen veroorzaakt door natuurrampen en buitengewone weersomstandigheden voorziet de regelgeving niet in een onmiddellijke praktische toepassing. Ze schetst alleen het algemene kader waarbinnen maatregelen kunnen genomen worden waarbij ondermeer bepaald wordt dat er geen overcompensatie van de geleden schade mag zijn. Concrete steunmaatregelen worden in overleg met de Europese Commissie uitgevaardigd via een ministeriële omzendbrief. Ze zijn afhankelijk van andere vormen van vergoedingen: Sanitair Fonds, Rampenfonds e.a. In 2009 werden geen dergelijke nieuwe maatregelen uitgevaardigd. De maatregel uit 2008 die bedoeld was om de schade door blauwtong gedeeltelijk te compenseren, liep tot 30 juni 2009. 2.1.2.4 Steun ten gunste van bedrijven in financiële moeilijkheden Doel van de steun Op het tijdstip dat er zich een onvoorziene gebeurtenis (andere dan natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden of het uitbreken van dier- of plantenziekten) voordoet waardoor land- of tuinbouwers in financiële moeilijkheden komen, kan de minister een algemene steunmaatregel treffen wanneer de situatie dit verantwoordt. In de maatregel worden de voorwaarden en modaliteiten voor het verkrijgen van de steun, de criteria voor het vaststellen van de financiële moeilijkheden, het gebied waarbinnen de bedrijven moeten gelegen zijn en de periode waarin de maatregel van toepassing is, vastgelegd. De regelgeving voorziet dus niet in een onmiddellijke praktische toepassing. Enkel het algemene kader waarbinnen maatregelen genomen kunnen worden, is geschetst. Zowel algemene als specifieke maatregelen (per sector, streek) zijn mogelijk. Vorm van de steun Als er een steunmaatregel uitgevaardigd wordt, zal de steun de vorm hebben van een rentesubsidie van maximaal 3% gedurende maximaal 3 jaar op een overbruggingskrediet. De steun wordt uitsluitend met Vlaamse middelen gefinancierd.
24
Voorwaarden zz
de bedrijven moeten aantonen dat er reële financiële moeilijkheden zijn
zz
de problemen moeten een horizontaal karakter hebben en niet het gevolg zijn van slecht beheer
zz
de steun moet beperkt zijn in omvang
zz
de bedrijven moeten levensvatbaar zijn na het nemen van de gepaste structurele maatregelen
Bovendien moet een herstructureringsplan worden ingediend en dient de sector bepaalde compensaties (capaciteitsafbouw) te leveren wanneer meer dan 1,5 % (bij algemene maatregelen) of 3% (bij specifieke) van de productie bij de maatregel betrokken wordt. Concrete steunmaatregelen worden in overleg met de Europese Commissie uitgevaardigd via een ministeriële omzendbrief. 2.1.2.5 Steun voor sociale instellingen en consumentencoöperaties Doel van de steun De maatregel heeft als doel de sociale instellingen (veelal vzw’s) en consumentencoöperaties met een land- of tuinbouwbedrijf die zich kunnen rangschikken als landbouwer, financieel te steunen bij de noodzakelijke aanpassing van de structuur van het bedrijf. Vorm van de steun Sociale instellingen en consumentencoöperaties kunnen alleen Vlaamse steun verkrijgen voor investeringen. Er is geen vestigingssteun, noch steun bij financiële moeilijkheden of als compensatie van schade mogelijk. Er kan ook geen overheidswaarborg verkregen worden.
Voorwaarden De aard van de investeringen die in aanmerking komen voor steun is dezelfde als die waarvoor de land- en tuinbouwproducenten steun kunnen krijgen.
Regelgeving
Wanneer de financiering gebeurt met krediet bij een erkende kredietinstelling kan naar analogie van de coöperaties voor afzet, verwerking en dienstverlening een rentesubsidie van 4% gedurende 10 jaar (investeringen in onroerende goederen) of 7 jaar (overige) verkregen worden. Bij investeringen gefinancierd met eigen middelen wordt een investeringspremie met dezelfde (actuele) waarde als de rentesubsidie verleend.
De coöperatie of de instelling moet een bestuurder-landbouwer aanwijzen die vanuit het bestuur het land- of tuinbouwbedrijf opvolgt en het beheer ervan waarneemt. Hij of zij is het aanspreekpunt voor de overheid en moet beroepsbekwaam zijn. De andere voorwaarden zijn analoog met die voor de land- en tuinbouwproducenten d.w.z. minimale economische dimensie en rendabiliteit van het bedrijf, vergunningen in orde, wettelijke normen leefmilieu hygiëne en dierenwelzijn respecteren en voldoen aan de sectorale voorwaarden in de veehouderij.
25
2.1.2.6 VLIF-waarborg Doel van de steun De regels voor het toekennen, opvolgen en uitbetalen van waarborg zitten vervat in het decreet van 22 december 1993, het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2000, het ministerieel besluit van dezelfde datum, gewijzigd op 3 december 2004 en 16 juni 2006 voor wat waarborg betreft, het werkingsbesluit van 16 juli 1996, gewijzigd op 30 maart 2001 en 18 maart 2005, de overeenkomst tussen de erkende kredietinstellingen en het VLIF en een aantal ministeriële omzendbrieven. Kenmerken en voorwaarden De waarborg is aanvullend, wat inhoudt dat hij als doel heeft de zekerheden aan te vullen die door de kredietaanvrager zelf aangebracht werden. Die eigen zekerheden moeten maximaal vastgelegd worden. Het bedrag aan subsidiabele investeringen waarop waarborg verkregen kan worden, is beperkt per periode van 7 jaar. In de periode 2007-2013 kan maximaal een waarborg verkregen worden van 80% van investeringen van in totaal 1 miljoen euro per bedrijfsleider of 80% van een investeringen van in totaal 2 miljoen euro per bedrijf. De waarborg is niet subsidiair, wat betekent dat, in geval van een uitwinning, de opbrengsten naar rato van het waarborgpercentage afgeboekt worden op het gewaarborgde kredietgedeelte. De kredietnemer moet volledig uitgewonnen worden en alle aan het krediet gehechte zekerheden moeten verwezenlijkt zijn vooraleer er waarborg kan uitbetaald worden aan de bank, behoudens een voorschotregeling om verwijlintresten te stuiten. Het kredietsaldo na uitwinning kan door de kredietinstelling ten belope van het waarborgpercentage opgevraagd worden bij het VLIF. De uit te betalen waarborg wordt uitsluitend gefinancierd met Vlaamse middelen. De normale duurtijd van de waarborg bedraagt 10 jaar. Voor verrichtingen ter gelegenheid van de eerste installatie kan de duur 15 jaar bedragen, inbegrepen 1 jaar vrijstelling van aflossing.
Regelgeving
Voor het verkrijgen van waarborg moet een bijdrage betaald worden. De grootte van de bijdrage hangt af van het gewaarborgde bedrag en de duur van de waarborg. Bij een duurtijd van 10 jaar bedraagt de waarborgbijdrage 0,5% van het gewaarborgde bedrag. Naast de bovenvermelde algemene voorwaarden worden bij het toekennen van waarborg een aantal normen gehanteerd die verband houden met de aanvrager, de rendabiliteit van het bedrijf, het bijhouden van boekhouding en de risico’s. Concreet houdt dit onder meer in dat: zz
het AI/VAK minstens moet gelijk zijn aan het referentie-inkomen
zz
steeds een bedrijfseconomische boekhouding bijgehouden moet worden
zz
zz
de waarborg beperkt of geweigerd kan worden bij overdreven risico’s met betrekking tot het individuele bedrijf, de exploitant of een bepaalde sector een vennootschap waarborg kan verkrijgen wanneer naast de goederen van de vennootschap ook die van de zaakvoerders, bestuurders of afgevaardigde bestuurders als zekerheid dienen voor het krediet. Alleen goederen die structureel deel uitmaken van het bedrijf worden hierbij betrokken. Een vennootschap kan slechts waarborg verkrijgen als het eigen vermogen positief is
Bij belangrijke investeringsdossiers, meer bepaald van vennootschappen, in het bijzonder in de glastuinbouw, wordt naar een billijke verdeling gestreefd van de risico’s tussen de aanvrager, de bank en het VLIF.
26
2.2 VLIF-steun aan land- en tuinbouwcoöperaties
Algemene voorwaarden Het VLIF kan onder een aantal algemene voorwaarden steun verlenen aan landbouwcoöperaties voor afzet en verwerking of dienstverlening. Ondermeer moet: zz
zz
het voorwerp van de vennootschap in hoofdzaak verband houden met de landbouw, de tuinbouw of de veeteelt de meerderheid van de vennoten de activiteit van landbouwer uitoefenen of moet minstens 50% van de stemgerechtigde aandelen in handen zijn van landbouwers en/of van één of meerdere landbouwcoöperaties die zelf in aanmerking komen voor VLIF-steun als coöperatie. De coöperatie heeft ook minimaal 3 werkende leden landbouwers en heeft betrekking op minimaal twee zelfstandige landbouwbedrijven. Het toetreden van nieuwe leden moet worden toegelaten zonder hierbij overdreven eisen te stellen
Steunmaatregel Het VLIF verleent zowel steun voor verrichtingen gefinancierd met leningen aangegaan bij een erkende kredietinstelling, als voor verrichtingen gefinancierd met eigen middelen. Alle materiële investeringen die bedrijfseconomisch verantwoord zijn, komen in principe in aanmerking met een beperkt aantal uitzonderingen (tweedehandsmaterieel, personenwagens …). Het betreft voornamelijk investeringen in de bouw en inrichting van bedrijfsgebouwen en de aankoop van materieel, meer bepaald ook milieu-investeringen. Als aanvulling op de zekerheden aangebracht door de coöperatie zelf, kan het VLIF voor kredieten die van een rentesubsidie genieten, gewestwaarborg toekennen.
Analoog met de steunverlening bij de producenten wordt investeringssteun verleend om de coöperatie aan te moedigen de bedrijfsstructuren aan te passen aan de snel evoluerende en wisselende omstandigheden waarin de bedrijven actief zijn en te moderniseren met aandacht voor: de levensvatbaarheid van de coöperatie, de ontwikkelingen op het vlak van leefmilieu en dierenwelzijn, de technologie in de sector, de energiemarkt, de commercialisatie- en distributie, de markt, de heroriëntatie van het EU- landbouwbeleid e.a.
Regelgeving
Doel van de steun
Bijkomend wordt de gemeenschappelijke afzet (in geval van inbegrepen verwerking) en het gemeenschappelijk gebruik van (kapitaalintensieve) investeringen gestimuleerd. De investeringssteun mag niet in strijd zijn met het beleid op andere vlakken (marktpolitiek, milieubeleid, beleid ruimtelijke ordening ...) en mag de doelstellingen hiervan niet doorkruisen. Vorm van de steun Er wordt een steun verleend van 4% rentesubsidie gedurende 10 jaar voor gebouwen en milieu-investeringen en 7 jaar voor materieel, of een equivalent daarvan in een combinatie van rentesubsidie en kapitaalpremie als geheel of gedeeltelijk met eigen middelen geïnvesteerd wordt. Coöperatieve machineringen genieten onder de algemene voorwaarden van dezelfde steun als de producenten (4 steunintensiteiten: 10 à 40%). De kredieten kunnen ook van VLIF-waarborg genieten, beperkt tot 80% van het kredietbedrag waarop rentesubsidie verleend wordt.
27
2.3 VLIF-steun aan de agrovoedingssector De regelgeving vormt de basis om in het Vlaamse Gewest en binnen een door de EU bepaald kader, uitvoering te geven aan het structuur- en investeringsbeleid van de Vlaamse Regering ten aanzien van de agrovoedingssector (cfr. plattelandsontwikkelingsplan, PDPO II). Steunmaatregel Bedrijven uit de agrovoedingssector, met activiteiten (cfr. NACE-codes) beperkt tot de bedrijvigheden bepaald in het ministeriële besluit van 26 november 2007, en meer bepaald de verwerking en afzet van land- en tuinbouwproducten tot voorwerp hebben, kunnen VLIF-steun verkrijgen voor bepaalde investeringen. Doel van de steun De investeringssteun beoogt: zz
zz
Regelgeving
zz
de continuïteit van de agrovoedingsbedrijven te verzekeren en structurele aanpassingen door te voeren als schakel in de instandhouding en ontwikkeling van de Vlaamse land- en tuinbouw in het algemeen het inzetten van middelen om de concurrentiepositie en economische positie van de Vlaamse land- en tuinbouw te verbeteren. Dit gebeurt door het doel- en actiegericht betoelagen van investeringen bij de primaire verwerkingssector, gericht op activiteiten met directe of indirecte invloed op het land- en tuinbouwinkomen het ontwikkelen van een meer complementair en coherent beleid voor de landbouw en de (primaire) verwerkingssector van land- en tuinbouwproducten, terwijl voorheen de Vlaamse en Europese subsidiëring van investeringsprojecten uit de agrovoedingssector door verschillende administraties gebeurde, elk met hun eigen regelgevingen en objectieven
Vorm van de steun De steun wordt verleend in de vorm van een kapitaalpremie en bedraagt maximaal 20% van de aanvaarde investeringskosten. De kapitaalpremie wordt uitbetaald in maximaal twee schijven. Oproep De steunmaatregel wordt georganiseerd door middel van oproepen. De voorwaarden en modaliteiten die gelden bij iedere oproep worden vooraf bekend gemaakt via een ministeriële omzendbrief in het Belgisch Staatsblad en in de pers.
28
2.4 VLIF-steun aan de omkaderingssector
Steunmaatregel Praktijkcentra en vergelijkbare instellingen, samengevat de omkaderingssector van land- en tuinbouw, kunnen steun verkrijgen voor investeringen in het kader van de door hen uitgevoerde praktijkgerichte en vulgariserende onderzoeksactiviteiten. Doel van de steun De investeringssteun aan de omkaderingssector beoogt de continuïteit van de activiteiten van praktijkcentra en vergelijkbare instellingen te verzekeren, als schakel in het overbrengen van het onderzoek in land- en tuinbouw en in functie van de nagestreefde ontwikkeling van de Vlaamse land- en tuinbouw. Het betreft een selectieve steunverlening waarbij een structurele samenwerking tussen de verschillende instellingen gestimuleerd wordt, en dit zowel wat de plantaardige als de dierlijke sector betreft. Vorm van de steun De steun wordt verleend in de vorm van een kapitaalpremie en bedraagt maximaal 50% van de aanvaarde investeringskosten. De kapitaalpremie wordt uitbetaald in maximaal 4 schijven. Oproep De steunmaatregel wordt georganiseerd via oproepen. De geldende voorwaarden en modaliteiten bij iedere oproep worden vooraf bekend gemaakt via een ministeriële omzendbrief in het Belgisch Staatsblad en in de pers.
Regelgeving
2.5 Aanpassingen regelgeving in 2009 en specifieke acties
2.5.1 Aanpassingen regelgeving producenten De VLIF-regelgeving voor land- en tuinbouwproducenten werd in 2009 niet gewijzigd. De wijziging die het voorwerp was van het besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 2008 bepaalde wel dat een aantal wijzigingen maar in werking trad voor aanvragen om steun vanaf 1 januari 2009. Het ging om de volgende wijzigingen: zz
zz zz
zz
zz
Het verkrijgen van investeringssteun en het bezit van voldoende emissie- en productierechten wordt algemeen geregeld in plaats van per subsector. De voorwaarde van grondgebondenheid die decennia lang bestond in de vleesveehouderij werd afgeschaft. Ook het verbod op steun voor uitbreidingsinvesteringen in de varkens-, pluimvee- en vleeskalversector werd opgeheven, ook wanneer de investering alleen mogelijk is op basis van emissierechten verkregen door mestverwerking. Er wordt steun mogelijk voor bijkomende mestopslagplaatsen om te voldoen aan nieuwe normen die inhouden dat er in bepaalde omstandigheden opslagcapaciteit voor 9 maanden moet zijn. De steunregeling voor aankoop van bedrijven wordt gewijzigd. In plaats van de oude sectorale benadering komt er een algemene benadering waarbij steun verleend wordt op een berekende boekwaarde van de bedrijfsgebouwen en alleen als die minder dan 15 jaar oud zijn.
29
2.5.2 Speciale maatregelen
Omzendbrieven 48 en 50 m.b.t. het invoeren van een tijdelijke steunregeling voor bedrijven met suikerbieten Ter compensatie van ingeleverd suikerquotum kreeg Vlaanderen 8,31 miljoen euro van de Europese Unie in het kader van een tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikersector. Die middelen worden gebruikt onder meer ten gunste van de producenten in de vorm van steun aan de investeringen op landbouwbedrijven die in 2007 suikerbieten hadden. Met omzendbrief 48 van 12 december 2008 werden de hoofdpunten van een tijdelijke steunregeling voor bietentelers meegedeeld. Met omzendbrief 50 van 7 april 2009 werden de praktische regels meegedeeld die in acht moesten worden genomen bij het verlenen van die steun. De maatregelen houden in dat selectief steun wordt verleend bij volgende investeringen: zz
zz
zz
alle investeringen met 10% steun die opgesomd worden in de VLIF-lijst van subsidiabele investeringen, hoofdzakelijk machines en materieel, ongeacht de wijze waarop ze gefinancierd worden. alle investeringen met 20, 30 of 40% steun die opgesomd worden in dezelfde lijst en die volledig met eigen middelen gefinancierd worden de volgende limitatieve lijst van investeringen met 30% steun, ongeacht de wijze waarop ze gefinancierd worden: {{ {{
{{
Regelgeving
{{
{{
fytobak. investeringen in afvalwaterzuivering, met inbegrip van een vetafscheider op reinigingsplaatsen van machines en materieel. investeringen voor de opvang van regenwater voor het reinigen van machines of voor toediening van fytoproducten als alternatief voor grondwater. extra opslagcapaciteit (loods, silo) voor bewaring van geoogste producten in afwachting van hun verkoop tot een investeringsbedrag van 100.000 euro. inrichten en uitrusten van bestaande opslagruimtes met het oog op een kwaliteitsvolle bewaring van geoogste producten.
{{
GPS-sturing voor landbouwdoeleinden.
{{
erosieploeg
{{
wegreinigers zoals een veegmachine of een wegschaaf.
{{
veldreinigingsmaterieel mits voldoende specifiek.
{{
materieel voor het mechanisch afdekken van silo’s en duurzaam afdekkingsmateriaal.
{{
aanpassing lagedrukbandensysteem.
{{
aanpassing multifunctionele tafelreiniger.
Landbouwers die de teelt van suikerbieten vermeld hebben op hun verzamelaanvraag van 2007 hebben toegang tot de maatregel als ze investeringen uitvoeren die subsidiabel zijn en die voldoen aan de algemene voorwaarden voor het verkrijgen van VLIF-steun. In het kader van de maatregel worden twee voorwaarden tijdelijk versoepeld : het minimaal subsidiabel investeringsbedrag per aanvraag wordt verminderd tot 3.000 euro en het bijhouden van bedrijfseconomische boekhouding wordt slechts geëist als het steunbedrag minstens 3.000 euro bedraagt. De steun heeft uitsluitend de vorm van een kapitaalpremie. Die wordt na controle in één keer uitbetaald op 2 vaste tijdstippen in het jaar (eind maart en eind september). De procedure voor het aanvragen van steun is de gebruikelijke, d.w.z. dat de geplande investeringen gemeld worden met een aanvraag voor tussenkomst van het VLIF 1ste luik en dat daarna een (gedocumenteerde) aanvraag voor tussenkomst van het VLIF 2e luik ingediend wordt. Naast de tijdelijk verhoogde steunintensiteit voor een limitatieve lijst van investeringen bestaat het voordeel voor de suikerbietentelers er in dat de steun altijd de vorm heeft van kapitaalpremie en dat de betaling in één keer gebeurt. Andere voordelen zijn de versnelde afhandeling, de verlaging van het minimum vereiste investeringsbedrag en de selectieve vrijstelling van het bijhouden van bedrijfseconomische boekhouding. In 2009 werd ingevolge een wijziging van het herstructureringsprogramma voor diversificatie in de suikersector een vermindering doorgevoerd van de middelen die oorspronkelijk voor investeringssteun aan de producenten voorzien waren. Hierdoor is er 5.507.600,25 euro beschikbaar.
30
Omzendbrief 50 van 7 april 2009 over de praktische regels bij het verlenen van VLIF-steun aan investeringen in de melkveehouderij Waar het voordien niet mogelijk was om VLIF-steun te verkrijgen voor investeringen in de melkveehouderij die het mogelijk maakten meer melk te produceren dan het toegekende melkquotum, werd dit onder bepaalde voorwaarden toch mogelijk voor aanvragen voor steun vanaf 1 januari 2009. De praktische toepassing van deze maatregel maakt het voorwerp uit van de ministeriële omzendbrief nr. 50 van 7 april 2009. Het verlenen van steun aan uitbreidingsinvesteringen in de melkveehouderij past bij het gewijzigd Vlaams beleid om de overgang naar een tijdperk zonder melkquota soepel te laten verlopen. Melkveehouders die hun bedrijfsstructuur aanpassen, moeten toekomstgericht kunnen investeren zonder gelijktijdig te investeren in bijkomend melkquotum. De wijziging past ook bij het gewijzigd beleid van de Europese Unie inzake productiebeperkingen en steun aan de investeringen in de melkveehouderij. Praktisch worden de mogelijkheden op steun bepaald door het aanvaardbare aantal plaatsen voor melkkoeien op het bedrijf en het totale aantal plaatsen. Het aanvaardbare aantal is het aantal dat nodig is om het melkquotum te produceren en wordt verkregen door het melkquotum te delen door 7.000 liter. Bij het onderzoek naar de mogelijkheden op het verlenen van VLIF-steun wordt onderscheid gemaakt tussen drie situaties. zz
zz
zz
Als de capaciteit van het bedrijf uitgedrukt in aantal plaatsen voor melkkoeien na investeringen niet groter is dan de aanvaardbare capaciteit vermeerderd met 15% of niet groter is dan 50 plaatsen voor melkkoeien, is de investering volledig subsidiabel. als de capaciteit van het bedrijf in aantal plaatsen voor melkkoeien na investeringen groter is dan de aanvaardbare capaciteit vermeerderd met 15% en groter is dan 50 plaatsen voor melkkoeien, is voor de investering proportionele steun mogelijk op voorwaarde dat de capaciteit na investeringen niet groter is dan 150% van de aanvaardbare capaciteit. De investering wordt dan gesubsidieerd naar rato van de verhouding: aanvaardbare capaciteit verhoogd met 15% gedeeld door het aantal plaatsen voor melkkoeien op het bedrijf na investeringen. Regelgeving
Indien de capaciteit van het bedrijf in aantal plaatsen voor melkkoeien na investeringen groter is dan 150% van de aanvaardbare capaciteit is geen steun mogelijk. In die situatie kan alsnog steun verkregen worden na een verhoging van het melkquotum. Bij de gebruikte methode moet het bedrijf over voldoende melkquotum beschikken voor tweederde van het aantal plaatsen voor melkkoeien op het bedrijf (naar rato van 7.000 liter per plaats) om steun te kunnen verkrijgen, al dan niet proportionele.
Omzendbrief 51 van 5 juni 2009 over het verkrijgen van VLIF-waarborg op een overbruggingskrediet voor de financiering van operationele kosten Met omzendbrief 51 werd een maatregel uitgevaardigd die inhield dat het VLIF onder voorwaarden tot 80% waarborg kon verlenen op een overbruggingskrediet dat afgesloten werd door een jonge land- en tuinbouwer met liquiditeitsproblemen. Het krediet, dat maximaal 70.000 euro kon bedragen en een maximumduur had van 3 jaar, moest dienen voor de financiering van operationele kosten. Het kredietbedrag werd gedefinieerd als het verschil tussen het bruto bedrijfsresultaat over een recente periode van één jaar en dat van het voorgaande of drie voorgaande jaren. De waarborg kon verkregen worden als voldaan werd aan de algemene voorwaarden voor het verkrijgen van VLIF-steun en aan volgende cumulatieve voorwaarden: zz zz
De aanvrager was minder dan 15 jaar gevestigd als land- of tuinbouwer. Het bruto bedrijfsresultaat voor een recente periode van één jaar was minstens 25% lager dan dat van het voorgaande of het gemiddelde van drie voorgaande.
zz
De land- of tuinbouwactiviteiten werden niet in belangrijke mate ingekrompen.
zz
Het bedrijf had nog steeds een positief eigen vermogen.
zz
De bijkomende kredietlast kon in normale omstandigheden gedragen worden.
zz
De beroepsinkomsten uit niet-landbouwactiviteiten waren lager dan 10.000 euro.
zz
De productierisico’s bleven ten laste van de jonge land- of tuinbouwer.
zz
De lopende kredieten waren niet opgezegd door de bank.
Gedurende de looptijd van het krediet kon geen nieuwe VLIF-steun verkregen worden voor investeringen, tenzij de financiering ervan de terugbetaling van het overbruggingskrediet niet in gevaar bracht. Het bedrijf moest nog minstens 3 jaar voort geëxploiteerd worden. Aanvragen konden tot 31 december 2009 ingediend worden.
31
De maatregel werd inmiddels afgesloten en was geen succes. Er werd amper één aanvraag ingeleid en daarover werd ongunstig beslist omdat niet voldaan werd aan de voorwaarden. De aanvrager was al meer dan 15 jaar gevestigd en kon de vereiste daling van het bruto-bedrijfsresultaat niet aantonen. Dat er geen aanvragen ingeleid werden had ondermeer te maken met verwachtingen rond nieuwe door de EU-Commissie toegelaten steunmaatregelen. Omzendbrief 53 van 23 december 2009 het verkrijgen van VLIF-steun op een overbruggingskrediet voor de financiering van operationele kosten Omdat de economische crisis de landbouwsector sterk treft, besliste de Europse Commissie de tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatssteun ter stimulering van de toegang tot financiering eveneens open te stellen voor land- en tuinbouwbedrijven. Van die versoepeling werd gebruik gemaakt om een nieuwe VLIF-steunmaatregel uit te vaardigen waarbij het mogelijk is rentesubsidie en gewestwaarborg te verlenen op een overbruggingskrediet dat door de banken verleend wordt aan land- en tuinbouwers die door de economische crisis problemen hebben met de financiering van de operationele kosten. Het bedrag van het overbruggingskrediet mag maximaal gelijk zijn aan de helft van de jaarlijkse operationele kosten en maximaal 90.000 euro bedragen. Het kredietbedrag volgt uit een berekening van de operationele kosten. Het krediet mag een duur hebben van maximaal 5 jaar met de mogelijkheid om 1 jaar uitstel van aflossing te verlenen. De rentesubsidie bedraagt maximaal 3% gedurende 3 jaar. Er wordt geen strak terugbetalingschema opgelegd. Alleen kredieten aangegaan door land- of tuinbouwers die minder dan 15 jaar gevestigd zijn kunnen ook van gewestwaarborg genieten. Die bedraagt maximaal 80% van het aanvaarde kredietbedrag gedurende 3 jaar. De steun kan verkregen worden als voldaan is aan de algemene voorwaarden voor het verkrijgen van VLIF-steun en aan volgende cumulatieve voorwaarden: Regelgeving
zz
Het bruto bedrijfsresultaat voor een recente periode van één jaar was minstens 15% lager dan dat van het voorgaande of van het gemiddelde van drie voorgaande.
zz
De land- of tuinbouwactiviteiten werden niet in belangrijke mate ingekrompen.
zz
Het bedrijf had nog steeds een positief eigen vermogen.
zz
De bijkomende kredietlast kan in normale omstandigheden gedragen worden.
zz
De beroepsinkomsten uit niet-landbouwactiviteiten zijn lager dan 10.000 euro.
zz
De productierisico’s blijven ten laste van de jonge land- of tuinbouwer.
zz
De lopende kredieten zijn niet opgezegd door de bank.
De problemen mogen alleen het gevolg zijn van de economische crisis. Gedurende de looptijd van het overbruggingskrediet met gewestwaarborg kan geen nieuwe VLIF-steun verkregen worden, tenzij aangetoond wordt dat de financiering van die investeringen de terugbetaling van het overbruggingskrediet niet in het gedrang brengt. Aanvragen kunnen nog tot 31 december 2010 ingediend worden.
32
2.5.3 Aanpassingen regelgeving land- en tuinbouwcoöperaties
Omzendbrief 52 over aanpassingen van de VLIF-steunmaatregelen voor landbouwcoöperaties voor verwerking, afzet en dienstverlening Coöperaties voor verwerking, afzet en dienstverlening in de sector groenten en fruit komen vanaf 1 september 2009 niet langer in aanmerking voor VLIF-steun. Investeringen, die kaderen binnen de GMO-doelstellingen, kunnen door coöperaties voor verwerking, afzet en dienstverlening in de sector groenten en fruit nog wel worden aangemeld via een operationeel programma of een wijziging ervan om in aanmerking te kunnen komen voor GMO-steun. Een uitzondering is voorzien voor de coöperatieve vennootschappen, type machineringen in de sector groenten en fruit. Deze kunnen nog wel VLIF-steun genieten voor: zz
zz
machines voor veldwerkzaamheden die door minstens twee van de leden van de coöperatie gemeenschappelijk worden gebruikt machineloodsen bestemd voor het stallen van betoelaagde machines
Verder wordt voor de land- en tuinbouwcoöperaties het minimaal aanvaardbaar netto investeringsbedrag per aanvraag vastgesteld op 15.000 euro, ongeacht de financiering. Om te komen tot een meer projectmatige benadering wordt het maximaal aantal aanvragen per kalenderjaar vastgesteld op 2. 2.5.4 Aanpassingen regelgeving agrovoeding De regelgeving bleef in 2009 ongewijzigd. Wel werd begin 2009 een nieuwe oproep agrovoeding gelanceerd via de publicatie van omzendbrief 49 en 49 bis. 2.5.5 Aanpassingen regelgeving omkadering Regelgeving
De regelgeving m.b.t. de steunverlening aan investeringen in de omkaderingssector, op basis van oproepen, werd goedgekeurd in 2007. Er werden nog geen aanpassingen doorgevoerd, te meer omdat het om een kaderregeling gaat.
33
3  Het VLIF financieel in 2009
3.1  Begroting De begroting 2009 van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) bedroeg initieel 61,720 miljoen euro, zowel voor de ontvangsten als voor de uitgaven. De vastleggingmachtiging bedroeg 53,573 miljoen euro en er kon waarborg toegekend worden voor maximaal 40 miljoen euro (cfr. art. 149 van het decreet van 19 december 2008 houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2009, B.S. 23/12/2009). De uitgaven worden gedekt door een dotatie van 57,731 miljoen euro uit de begroting van de Vlaamse overheid en door de eigen inkomsten (zoals waarborgbijdragen) die echter zeer beperkt zijn. In de loop van 2009 zijn er vervolgens nog kredietherverdelingen geweest: zz
Het VLIF financieel in 2009
zz
34
ten gunste van de vastleggingsmachtiging en de dotatie van het VLIF: 100.000 euro uit het Limburgfonds (B.A. CB0129B) ten gunste van de vastleggingsmachtiging van het VLIF: 13 miljoen euro uit het provisioneel vastleggingskrediet ter compensatie van geannuleerde openstaande verplichtingen (B.A. CB0137B)
Bij de begrotingscontrole werden deze bedragen opgenomen, net als de vermindering ten gevolge van de budgettaire discipline die algemeen werd toegepast op de middelen van de Vlaamse overheid. Zo kwam de vastleggingsmachtiging op 67,411 miljoen euro en de dotatie op 57,059 miljoen euro. Het totaal van de VLIF-begroting beliep uiteindelijk 61,576 miljoen euro, zowel voor de ontvangsten als voor de uitgaven, ook omdat het overgedragen saldo van 2008 en het over te dragen saldo van 2009 verhoogden van 3,709 naar 4,132 miljoen euro (cfr. art. 66 van het decreet van 18 december 2009 houdende derde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2009). Onderstaande tabel geeft de uiteindelijke begroting van 2009 weer, nl. de Vlaamse cofinanciering van de VLIFsteun. De EU-medefinanciering wordt geregeld via het hiertoe opgericht Betaalorgaan binnen het Agentschap voor Landbouw en Visserij (zie verder).
Tabel 3.1 Begroting 2009 van het VLIF (x 1000 euro) (finale cijfers)
1. Vastleggingsmachtiging (B.A. KE99.31C)
Bedrag (x 1.000 euro)
Producenten: rentesubsidies
34.200
Producenten: kapitaalpremies
22.796
Producenten: waarborgen
2.382
Startsteun samenwerkingsgroeperingen
45
Agrovoeding
5.988
Omkadering
2.000
Totaal
2. Inkomsten
67.411
Bedrag (x 1.000 euro)
Dotatie van de Vlaamse Gemeenschap (B.A. KE41.41C)
57.059
Terugbetalingen door begunstigden (terugvorderingen)
350 35
Saldo 2007
4.132
Totaal
3. Uitgaven
61.576
Bedrag (x 1.000 euro)
Land- en tuinbouwers: rentesubsidies
31.926
Land- en tuinbouwers: kapitaalpremies
20.888
Land- en tuinbouwers: waarborgen Startsteun samenwerkingsgroeperingen
2.382 23
Agrovoeding
650
Omkadering
1.575
Over te dragen saldo
4.132
Totaal
Het VLIF financieel in 2009
Waarborgbijdragen
61.576
35
3.2 Organisatie Het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds is een Vlaamse Openbare Instelling (VOI) van het type A met eigen rechtspersoonlijkheid. Het werd opgericht bij artikel 12 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 (B.S. 29/12/1993) om, ten gevolge van de regionalisering van het Landbouwinvesteringsfonds krachtens de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, deze bevoegdheden in het Vlaams gewest verder te zetten. Dit betekent dat er geen eigen bestuursorganen zijn en geen eigen vermogen of personeel. De werkingsmiddelen (materieel, gebouwen, personeel …) worden ter beschikking gesteld door de administratieve diensten van de Vlaamse overheid. Het VLIF wordt beheerd in de afdeling Structuur en Investeringen van het Agentschap voor Landbouw en Visserij. Behalve een hoofddienst in Brussel is er ook per provincie een buitendienst met één of twee ingenieurs en een aantal deskundigen (dossierbehandelaars). Het VLIF krijgt als VOI-A een dotatie uit de uitgavenbegroting van de Vlaamse overheid en is dan ook opgenomen in het centraal thesauriebeheer, het Centraal Financieringsorgaan (CFO), waarbij het VLIF een eigen financiële rekening heeft. De zuiver boekhoudkundige operaties (budgettaire vastleggingen en betalingen) worden uitgevoerd door een rekenplichtige bij het Departement Landbouw en Visserij.
Het VLIF financieel in 2009
Het VLIF verleent investerings- en vestigingssteun aan land- en tuinbouwers of hun coöperaties voor afzet, verwerking en dienstverlening in de vorm van rentesubsidie en/of kapitaalpremie en eventueel een aanvullende waarborg op gesubsidieerde kredieten. Daarnaast wordt ook investeringssteun (kapitaalpremies) verleend aan de agrovoedingssector en de omkaderingssector (praktijkcentra en vergelijkbare instellingen). Behalve VLIF-steun (Vlaamse middelen) is er voor de 4 steunmaatregelen Europese medefinanciering opgenomen in het Vlaams Plattelandsontwikkelingsplan 2007-2013 (PDPO II) in uitvoering van de verordening nr. 1698/2005 1 waarvoor er in 2009 Europese medefinanciering (30%) was vanwege het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO): zz
zz
aan producenten: steun aan vestiging van jonge landbouwers, steun aan investeringen en steun aan verbredingsinvesteringen (diversificatie); de EU-cofinanciering is vervat in het toegekende steunvolume aan agrovoedingsbedrijven
De steun voor de voornoemde maatregelen wordt uitbetaald via het Betaalorgaan bij het Agentschap voor Landbouw en Visserij op volgende manier: zz zz
zz
Het VLIF betaalt de Vlaamse cofinanciering aan het Betaalorgaan. Het Betaalorgaan prefinanciert de EU-medefinanciering en betaalt de volledige steun uit aan de begunstigde (kredietinstelling als het gaat om een rentesubsidie/land- of tuinbouwer of agrovoedingsbedrijf als het een kapitaalpremie betreft) zoals geïdentificeerd in de identificatiedatabank van het Agentschap voor Landbouw en Visserij (landbouwernummer en rekeningnummer). Het Betaalorgaan recupereert de EU-medefinanciering bij het ELFPO.
Daarnaast is er nog een beperkt steunvolume zonder EU-medefinanciering, zoals rentesubsidie boven het EU-plafond voor vestiging (voor dossiers ingediend tot en met 2007), steun aan landbouwers- en tuinderscoöperaties (rentesubsidie en kapitaalpremies), aanvullende VLIF-waarborg, steun aan de omkaderingssector … Daarvoor betaalt het VLIF zelf de volledige steun (= 100% Vlaams) uit aan de begunstigden of de erkende kredietinstellingen.
1
36
Verordening 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het ELFPO (Europees Publicatieblad L 277 van 21 oktober 2005)
Procedure voor toekenning en uitbetaling van VLIF-steun aan producenten en hun coÜperaties De steunaanvragen worden ingediend bij de hoofddienst in Brussel. Dit gebeurt door een erkende kredietinstelling als er een lening wordt aangegaan of door de begunstigde zelf als alles gefinancierd wordt met eigen middelen. De aanvraag wordt gecontroleerd op volledigheid zoals bedrijfsgegevens en bijlagen. Daarna krijgt het een dossiernummer. Dit wordt meegedeeld aan de kredietinstelling en de aanvrager in kwestie. De aanvraag wordt vervolgens overgemaakt aan de VLIF-buitendienst van de desbetreffende provincie. Via een bedrijfsbezoek wordt de aanvraag technisch en financieel-economisch onderzocht. Het dossier wordt dan vervolledigd met de nodige documenten (zoals bedrijfsbegroting, technisch verslag) om te komen tot een voorstel van tussenkomst volgens de geldende VLIF-regelgeving. De ingenieur controleert het volledig samengestelde dossier en het voorstel van tussenkomst conform de regelgeving en procedures waarna het dossier naar de VLIF-hoofddienst terugkeert. Daar wordt het dossier nogmaals nagekeken op een correcte en uniforme toepassing van de regelgeving over heel Vlaanderen. Eventueel wordt het dossier teruggestuurd naar de buitendiensten voor aanvulling en/of verbetering. Op de hoofddienst wordt het voorstel van tussenkomst door de bevoegde minister of gedelegeerde ondertekend ter goedkeuring. De toegekende steun wordt voor budgettaire vastlegging naar de VLIF-rekenplichtige gestuurd. Na bevestiging hiervan wordt de VLIF-beslissing meegedeeld aan de begunstigde land- of tuinbouwer, de kredietinstelling en de VLIF-buitendienst. Zodra de kredietinstelling de VLIF-beslissing ontvangen heeft, kan ze de rentesubsidie opvragen bij het begin van het kwartaal waarin de jaarvervaldag van het krediet valt. De kredietinstelling doet dit door middel van opvragingslijsten volgens het type van rentesubsidie. In de VLIF-hoofddienst worden deze lijsten gecontroleerd, meer bepaald of de berekening van de steun overeenkomt met de toegekende steun (gesubsidieerd bedrag, duurtijd ‌). Afwijkingen worden aan de kredietinstelling gemeld met het verzoek om een regularisatie op te nemen in de volgende opvragingslijst.
Voor de rentesubsidies zonder EU-medefinanciering (zie hiervoor) betaalt de VLIF-rekenplichtige zelf de steun uit aan de respectievelijke kredietinstellingen. Vanaf begin 2008 gebeuren de opvragingen door de banken elektronisch (via een gegevensuitwisseling op internet of voor banken met een klein aantal dossiers via een Excel-bestand). Deze bestanden worden vergeleken met de gegevens van de steunaanvraag in de VLIF-databank. Correcte opvragingen worden door het systeem vrijgegeven voor betaling, in tegenstelling tot vastgestelde afwijkingen die teruggestuurd worden naar de bank.
Het VLIF financieel in 2009
Aan het einde van het kwartaal wordt er per type rentesubsidie een betalingsopdracht opgemaakt voor de VLIFrekenplichtige die het Vlaamse deel van de steun gegroepeerd overschrijft naar het Betaalorgaan dat vervolgens de volledige steun betaalt aan de respectievelijke kredietinstellingen.
Zodra de VLIF-buitendienst de beslissing ontvangen heeft en na controle van de facturen en de vaststelling van het definitief investeringsbedrag, stuurt de buitendienst een daartoe geĂŤigend document naar de hoofddienst om de toegekende kapitaalpremies voor uitbetaling vrij te geven. Eventueel moet dus eerst een herziening van de steun worden doorgevoerd. De goedgekeurde premie wordt dan opgenomen in een lijst voor de betaling van de eerste helft van de premie (of volledig als die minder dan 1.000 euro bedraagt). Deze lijst wordt aan de VLIF-rekenplichtige bezorgd voor een gegroepeerde betaling aan het Betaalorgaan van het Vlaamse deel van de premies. Deze instantie betaalt vervolgens de volledige premies (Vlaams en Europees gedeelte samen) aan de respectievelijke land- en tuinbouwers. Als een bedrijf gedwongen stopgezet wordt na een kredietopzegging, kan de kredietinstelling, na de realisatie van de eigen zekerheden ingebracht door de kredietnemer, de uitbetaling van de toegekende aanvullende VLIFwaarborg opvragen. Na juridisch advies over de uitwinningsprocedure en het gebruik van de gerecupereerde sommen, legt het VLIF een betalingsnota met bijhorend besluit ter goedkeuring van de uit te betalen waarborg, voor aan de minister. Dit is de basis van de betalingsopdracht aan de VLIF-rekenplichtige voor de uitbetaling van de waarborg aan de betreffende kredietinstelling.
37
Procedure voor toekenning en uitbetaling van steun aan de agrovoedingssector De steunmaatregel wordt georganiseerd via oproepen. De steunaanvragen worden ingediend bij de hoofddienst in Brussel waar ze worden geregistreerd met een dossiernummer. De aanvrager krijgt een ontvangstbevestiging. De dossiers worden inhoudelijk geanalyseerd tegen de achtergrond van de vereisten, voorwaarden en modaliteiten die vervat zijn in de regelgeving en de omzendbrief over de betreffende oproep. Er kunnen bijkomende vragen of onderzoeksdaden worden gesteld. De bevindingen van het onderzoek worden genoteerd op controlefiches per bedrijf. Dan worden de resultaten van de dossierbehandeling samengevat in een nota met voorstellen tot steunverlening per bedrijf. De nota wordt voor akkoord aan de bevoegde minister voorgelegd. De nota heeft betrekking op zowel de VLIF-steun als op de Europese cofinanciering. Na goedkeuring en ondertekening door de minister wordt de toegekende VLIF-steun voor budgettaire vastlegging naar de VLIF-rekenplichtige gestuurd. Na bevestiging hiervan wordt de VLIF-beslissing schriftelijk meegedeeld aan de begunstigde met eventuele aanduiding en motivatie van de niet weerhouden investeringen. De betrokkene moet, na de gehele of gedeeltelijke uitvoering van het project, een aanvraag tot uitbetaling van de toegekende steun indienen. De aanvragen tot uitbetaling van de toegekende steun komen centraal toe op de hoofddienst waar ze, na een controle op volledigheid, worden doorgestuurd naar de provinciale VLIF-buitendiensten, samen met de oorspronkelijke aanvraagdocumenten en de controlefiche uit de eerste dossierbehandelingsfase. De VLIF-buitendienst voert de nodige controles uit en kijkt in het bijzonder de facturen en betalingsbewijzen na en leggen een bezoek ter plaatse af voor een visuele eindcontrole. De VLIF-buitendienst stelt een eindcontroleverslag op met de bevindingen. Het eindcontroleverslag wordt bezorgd aan de hoofddienst.
Het VLIF financieel in 2009
De hoofddienst geeft, op basis van het eindcontroleverslag, de VLIF-rekenplichtige en ook het Betaalorgaan in geval van Europese cofinanciering, de opdracht over te gaan tot het uitbetalen van de overeenkomstige steun. De steun wordt uitbetaald in maximaal twee schijven. Procedure voor toekenning en uitbetaling van steun aan de omkaderingssector De procedures verlopen analoog met de procedures bij agrovoeding, met uitzondering van de controles op het gebied van de uitbetaling van de steun. De administratieve eindcontrole gebeurt door de hoofddienst (facturen en betalingsbewijzen) in samenwerking met de VLIF-buitendiensten. De visuele eindcontrole, inclusief de opmaak van de technische beschrijving, wordt uitgevoerd door de VLIF-buitendiensten.
3.3  Toegekende steun (= budgettaire vastlegging) In dit hoofdstuk worden enkel bedragen gegeven voor de verschillende steunvormen zoals die budgettair werden ingeschreven. Voor de meer inhoudelijke gegevens over de toegekende VLIF-steun wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van dit activiteitenverslag. In totaal werd er 94,156 miljoen euro VLIF-steun (Vlaams en Europees) toegekend in 2009. Vanaf 2005 wordt enkel het Vlaamse deel van de steun aan land- en tuinbouwers (vestiging en investeringen) budgettair vastgelegd omdat het VLIF de Europese medefinanciering bij elke betaling toch niet zelf betaalt. Alleen het Vlaamse deel wordt aan het Betaalorgaan betaald. Deze instantie betaalt vervolgens de totale steun (Vlaamse deel + Europese medefinanciering) uit aan de begunstigde kredietinstelling (rentesubsidie) of aanvrager (kapitaalpremies). In 2009 werd dus 67,411 miljoen euro Vlaamse middelen budgettair vastgelegd. Hiermee werd de beschikbare vastleggingsmachtiging volledig aangewend.
38
Opgesplitst per doelgroep geeft dit:
Totaal toegekende steun land- en tuinbouwers (producenten)
Vastgelegde steun (Vlaams)
79.703.967,72 euro
56.311.267,40 euro
coöperaties voor afzet, verwerking en dienstverlening
3.120.837,58 euro
3.112.017,58 euro
agrovoeding
9.331.360,65 euro
5.987.452,46 euro
omkadering
2.000.000,00 euro
2.000.000,00 euro
94.156.165,95 euro
67.410.737,44 euro
Totaal:
Deze bedragen omvatten de vastlegging van ongeveer 15,250 miljoen euro voor een 800-tal dossiers die eind 2008 voor budgettaire vastlegging werden verschoven naar begin 2009 bij gebrek aan machtiging in 2008. 3.3.1 Toegekende steun aan producenten en hun coöperaties
Rentesubsidies
De rentesubsidies worden opgesplitst in de volgende categorieën: zz
zz
met 30% ELFPO-medefinanciering op de werkelijke uitbetalingen2 CI: vestigingssteun (As 1 in het PDPO II: maatregel 112A) C: investeringen (As 1 in het PDPO II: maatregel 121A) CD: diversificatie (verbreding) (As 3 in het PDPO II: maatregel 311A)
Het VLIF financieel in 2009
Een rentesubsidie wordt toegekend voor een bepaalde duur (5 à 15 jaar) afhankelijk van de looptijd van het betreffende krediet en/of de aard van de investering. Het Vlaamse deel van de toegekende steun wordt budgettair vastgelegd in het jaar van de beslissing om gedurende verschillende jaren, degressief naarmate het kredietsaldo daalt, te worden uitbetaald.
louter regionale rentesubsidie (REG) zonder ELFPO-medefinanciering: aan coöperaties en aan niet-EU-gecofinancierde schijven bij vestigingsdossiers ingediend vóór 2008
In 2009 werden voor deze categorieën voor dossiers van land- en tuinbouwers en hun coöperaties in totaal 49.595.672,30 euro rentesubsidie toegekend. Hiervan beloopt het Vlaams aandeel 35.628.702,40 euro (=budgettair vastgelegd): Vestigingen (CI):
2.546.203,20 euro
(plus 93.740,17 euro voor herzieningen)
Investeringen (C):
26.371.883,18 euro
(plus 640.613,76 euro voor herzieningen)
Diversificatie (CD):
2.769.668,82 euro
(plus 175.114,59 euro voor herzieningen)
Regionale steun (REG):
1.158.283,88 euro
(plus 86.755,79 euro voor herzieningen)
Regionale steun (REG-coöp.)
1.784.443,68 euro
(plus 1.995,33 euro voor herzieningen)
Totaal:
2
34.630.482,76 euro
(plus 998.219,64 euro voor herzieningen)
25% of 50% EU-medefinanciering op betalingen t.e.m. 2006 (= PDPO I)
39
Kapitaalpremies Er worden drie types kapitaalpremies toegekend door het VLIF: zz zz
zz
vestigingspremie van 50% op de eerste schijf van 50.000 euro vestigingskosten investeringspremie, hetzij bij autofinanciering 10%, 20% , 30% of 40% op de subsidiabele investering, hetzij bij financiering met krediet aanvullend bij de rentesubsidie om te komen tot een steunvolume van 10%, 20%, 30% of 40% van de subsidiabele investering diversificatiepremie op bepaalde types investeringen (op dezelfde wijze berekend als de investeringspremies)
In 2009 werd in totaal 29.947.217,08 euro kapitaalpremies toegekend. Hiervan beloopt het Vlaams aandeel 21.361.660,36 euro (= budgettair vastgelegd): Vestigingspremies:
3.309.213,33 euro
(plus 98.000,00 euro voor herzieningen)
Investeringspremies (producenten):
14.138.717,44 euro
(plus 413.232,21 euro voor herzieningen)
Investeringspremies (coĂśperaties):
1.323.509,22 euro
(plus 2.069,35 euro voor herzieningen)
Diversificatiepremies:
1.980.718,91 euro
(plus 96.199,90 euro voor herzieningen)
Het VLIF financieel in 2009
Totaal:
20.752.158,90 euro
(plus 609.501,46 euro voor herzieningen)
Daarnaast zijn er ook nog voor 848.993,70 euro zgn. suikerpremies toegekend (= volledig Europees gefinancierd uit een speciale Europese enveloppe ter compensatie van de diversificatie na herstructurering van de Europese suikersector). Startpremie aan samenwerkingsverbanden In 2009 werd er aan twee nieuwe samenwerkingsverbanden een startsteun toegekend van 22.500 euro, dus 45.000 euro in totaal. De steun werd toegewezen aan twee samenwerkingsverbanden van siertelers, meer bepaald azaleatelers, voor de gezamenlijke promotie en afzet van hun producten. Waarborgen In 2009 werd in totaal 2.387.922,22 euro VLIF-waarborg vastgelegd voor uitbetaling van de aanvullende waarborg voor 10 bedrijven die hun activiteit gedwongen stopzetten na opzegging van de kredieten wegens oplopende achterstallen, nl. 6 tuinbouw- en 4 landbouwbedrijven (zie ook Uitbetalingen onder punt 3.5.1.). 3.3.2  Toegekende steun aan de agrovoedingssector Door de verruiming van de VLIF-doelgroepen (cfr. art. 55 van het Programmadecreet 2005) kent het VLIF ook kapitaalpremies toe aan agrovoedingsbedrijven, meestal als Vlaamse cofinanciering binnen de steunmaatregelen van het PDPO II (2007-2013). In 2009 werd, volgend op de oproep 2009 (omzendbrieven 49 en 49 bis), 9.331.360,65 euro steun toegekend aan 66 goedgekeurde investeringsprojecten vanuit de agrovoedingssector. Deze steun bedraagt 9,90% van het aanvaarde investeringsbedrag: zz
Vlaams en Europees gecofinancierd (70/30): 5.492.452,45 euro / 2.353.908,20 euro.
zz
uitsluitend Vlaams gefinancierd: 495.000 euro.
zz
uitsluitend Europees gefinancierd: 990.000 euro (uit een speciale Europese enveloppe ter compensatie van de diversificatie na herstructurering van de Europese suikersector).
De oproep 2009 stond in het teken van energie-, milieu- en innovatieve investeringen. De 66 goedgekeurde investeringsprojecten maken deel uit van de verwerkingssectoren vlees, vleeswaren, aardappelen, groenten en fruit, zuivel, veevoeders, mout en vlas.
40
3.3.3 Toegekende steun aan de omkaderingssector Door de verruiming van de VLIF-doelgroepen (cfr. art. 55 van het programmadecreet 2005) kent het VLIF ook kapitaalpremies toe aan de omkadering van de land- en tuinbouw, in casu praktijkcentra en vergelijkbare instellingen. Feitelijk werd hiermee de steunverlening aan investeringen van deze doelgroep ingekapseld binnen het VLIF, terwijl ze voorheen met een specifiek begrotingsartikel werden bediend. In 2009 werd, volgend op de oproep eind 2008 (omzendbrief 47), 2 miljoen euro steun toegekend aan 10 investeringsdossiers. Dit is uitsluitend Vlaamse steun.
3.4 Financiële middelen
3.4.1 Overdracht saldo 2008 De VLIF-rekening vertoonde op 31/12/2008 een negatief saldo van 1.944.754,46 euro. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat er van de dotatie 2008 nog 5 miljoen euro niet was vrijgegeven (zie hieronder). 3.4.2 Dotatie van de Vlaamse overheid In 2009 ontving het VLIF 58,831 miljoen euro dotatie: zz
53,831 miljoen euro van de dotatie 2009 (in totaal 57,059 miljoen euro), vrijgegeven in schijven in toepassing van het ministerieel besluit van 28 januari 2009
3.4.3 Geïnde waarborgbijdragen Als het VLIF een aanvullende waarborg verleent, dan moet een bijdrage betaald worden die als volgt wordt berekend: zz
0,35% op de toegekende waarborg
zz
0,015% op de toegekende waarborg per jaar duurtijd van deze waarborg
Het VLIF financieel in 2009
zz
5 miljoen euro saldo van de dotatie 2008
Voor een duurtijd van 10 jaar betekent dit bijvoorbeeld in totaal 0,5% op de toegekende waarborg. In 2009 ontving het VLIF 42.673,61 euro aan waarborgbijdragen voor 27 dossiers (met waarborgtoekenning in 2008 en 2009). 3.4.4 Terugbetalingen van teveel uitbetaalde rentesubsidie en premies Bij een stopzetting van de steun of na een herziening van de initieel toegekende steun, bijvoorbeeld als gevolg van een interne of externe controle (audit) wordt het teveel uitbetaald bedrag teruggevorderd. Rentesubsidies worden meestal onmiddellijk rechtgezet bij de betaling zelf of verrekend bij een volgende opvraging door de banken zodat er hiervoor geen echte geldstroom is. Dit neemt niet weg dat er toch nog beperkte effectieve terugstortingen worden verricht door kredietinstellingen. Terugvorderingen van kapitaalpremies geven wel aanleiding tot effectieve terugstortingen door de land- of tuinbouwers zelf. Net zoals de betalingen met EU-medefinanciering worden uitgevoerd door het Betaalorgaan, worden ook de terugvorderingen teruggestort via het Betaalorgaan, dat dan het Vlaamse deel van de ontvangen sommen doorstort naar het VLIF. In 2009 ontving het VLIF zo in totaal 308.962,69 euro (Vlaamse deel) vanwege het Betaalorgaan na terugbetaling van ten onrechte uitbetaalde steun.
41
3.4.5 Terugvorderingen van uitbetaalde VLIF-waarborg De aan de erkende kredietinstellingen uitbetaalde VLIF-waarborg na liquidatie en uitwinning van het bedrijf, worden teruggevorderd bij de initiële kredietnemers. Daarvoor worden de dossiers doorgestuurd naar de Centrale Invorderingscel (CIC) van de Vlaamse overheid die alle mogelijke wettelijke middelen ter beschikking heeft om de betreffende som in te vorderen, uiteraard nadat er enkele aanmaningen zijn geweest. Deze instantie kan ook betalingsregelingen toestaan, met medeweten van het VLIF. De uiteindelijk toch ontvangen sommen zijn zeer beperkt aangezien het per definitie om schuldenaars gaat die onvermogend zijn ten gevolge van de gedwongen stopzetting van hun land- of tuinbouwactiviteit en uitwinning van hun bedrijf. Deze terugvorderingen worden dan door de CIC doorgestort aan het VLIF. Het VLIF heeft in 2009 zo 26.194,62 euro ontvangen voor een 15-tal zaken waarvoor al enkele jaren regelmatig iets wordt terugbetaald door de betrokkenen (in 2009 zijn er daar enkele bijgekomen). Dit terwijl het VLIF sinds zijn ontstaan in 1993 voor 108 gevallen in totaal 14.752.659,24 euro waarborg uitbetaalde.
3.5 Uitbetaalde steun In dit hoofdstuk worden enkel bedragen gegeven voor de verschillende steunvormen zoals die budgettair werden ingeschreven. De totale uitbetalingen aan steun in 2009 bedroegen 77,530 miljoen euro, waarvan 57,023 miljoen euro ten laste van de VLIF-begroting (Vlaams aandeel).
Het VLIF financieel in 2009
Opgesplitst per doelgroep geeft dit: Totaal steunvolume
waarvan Vlaamse cofinanciering
Aan land- en tuinbouwers en hun coöperaties Rentesubsidies
41.688.647,28 euro
30.630.044,37 euro
Kapitaalpremies
31.311.974,59 euro
22.054.171,25 euro
2.387.922,22 euro
2.387.922,22 euro
11.250,00 euro
11.250,00 euro
634.193,98 euro
443.935,80 euro
1.496.097,15 euro
1.496.097,15 euro
77.530.085,22 euro
57.023.420,79 euro
Waarborg Startsteun groeperingen
Aan de agrovoedingssector Aan de omkadering van land- en tuinbouw Totaal:
Het VLIF betaalt zelf enkel het Vlaamse aandeel van de steun aangezien het Europese deel (ELFPO-medefinanciering) wordt geregeld via het Betaalorgaan (zie hiervoor).
42
3.5.1 Uitbetaalde VLIF-steun aan land- en tuinbouwers en hun coöperaties Rentesubsidies Er werd in 2009 in totaal 41.688.647,21 euro rentesubsidie uitbetaald, waarvan 30.630.044,37 euro ten laste van de Vlaamse VLIF-begroting, verdeeld over de 4 steuncategorieën: Totale steun Vestigingssteun (CI)
waarvan Vlaamse cofinanciering
3.453.934,22 euro
2.417.753,95 euro
31.806.066,21 euro
22.264.246,31 euro
Diversificatiesteun (CD)
1.602.009,10 euro
1.121.406,36 euro
Louter regionale steun (REG)
4.826.637,75 euro
4.826.637,75 euro
Investeringssteun (C)
Het betreft jaarlijkse betalingen als gevolg van beslissingen die kunnen teruggaan tot maximaal 15 jaar geleden. Kapitaalpremies Er werd in 2009 in totaal 31.311.974,59 euro uitbetaald aan kapitaalpremies, waarvan 22.054.171,25 euro ten laste van de Vlaamse VLIF-begroting, verdeeld als volgt:
Aantal dossiers
Totaal uitbetaald (euro)
waarvan Vlaams aandeel (euro)
Vestigingspremies Dossiers met gehele of gedeeltelijke financiering met krediet
5.120.851,25
3.584.595,87
115.996,09
81.197,26
329
5.236.847,34
3.665.793,13
Dossiers met gehele of gedeeltelijke financiering met krediet
2605
18.626.017,20
13.121.286,41
Dossiers met volledige financiering met eigen middelen
1067
4.544.740,78
3.361.227,67
3672
23.170.757,98
16.482.514,08
Dossiers met volledige financiering met eigen middelen
Totaal
320
9
Het VLIF financieel in 2009
Type premie
Investeringspremies
Totaal Diversificatiepremies Dossiers met gehele of gedeeltelijke financiering met krediet
220
2.187.885,12
1.531.519,58
Dossiers met volledige financiering met eigen middelen
53
534.778,11
374.344,67
2.722.663,23
1.905.864,25
Totaal
273
43
Suikerpremies Dossiers met gehele of gedeeltelijke financiering met krediet
19
66.954,78
0
Dossiers met volledige financiering met eigen middelen
28
114.751,26
0
47
181.706,04
0
Totaal
Vermits er in hetzelfde dossier verschillende premietypes kunnen voorkomen zijn de opgegeven aantallen geen ‘unieke’ dossiers. Deze uitbetalingen bevatten de 10,623 miljoen euro premies (de 3 types samen) die vervroegd werden uitbetaald aan de begunstigden in uitvoering van het herstelplan van de minister naar aanleiding van de economische crisis: zz
zz
6.977.461,25 euro op 16 maart 2009 (1.260 premies in 1233 dossiers) in plaats van in het laatste kwartaal 2009 (= 4.949.753,24 euro Vlaamse cofinanciering uit de VLIF-begroting) 3.646.039,82 euro op 24 juli 2009 (617 premies in 607 dossiers) in plaats van in het tweede kwartaal 2010 (= 2.552.227,13 euro Vlaamse cofinanciering uit de VLIF-begroting)
Waarborg
Het VLIF financieel in 2009
De in 2009 vastgelegde VLIF-waarborg werd ook in 2009 uitbetaald, nl. 2.387.922,22 euro. Dit bedrag bestond uit 1.928.373,35 euro kapitaal en 459.548,87 euro intresten en kosten. De waarborguitkeringen in 2009 hadden betrekking op 10 bedrijven in staat van onvermogen, waarvan 6 tuinbouw- en 4 landbouwbedrijven. Zij hadden samen 12 VLIF-dossiers waarvoor het VLIF initieel in totaal 3.817.147,29 euro waarborg had toegekend. Startpremie aan samenwerkingsverbanden In 2009 werd een eerste schijf uitbetaald van 11.250 euro voor een samenwerkingsverband van siertelers waarvan het dossier ook in 2009 werd beslist en vastgelegd. Het andere dossier met vastlegging in 2009 kende nog geen uitbetaling in 2009. 3.5.2 Uitbetaalde VLIF-steun aan de agrovoedingssector In 2009 werd in totaal 634.193,98 euro steun uitbetaald aan de agrovoedingsbedrijven met een project uit de oproep 2008. De dossiers uit de oproep 2009 kenden in dat jaar nog geen uitbetaling. Het uitbetaalde bedrag kan worden opgesplitst in 190.258, 19 euro ELFPO-steun en 443.935,80 euro VLIF-steun. 3.5.3 Uitbetaalde VLIF-steun aan de omkaderingssector In 2009 werd er in totaal 1.496.097,15 euro betaald aan praktijkcentra en vergelijkbare instellingen, waarvan: zz
320.000,00 euro voor 1 dossier uit 2005 waarvoor de steun werd toegekend in 2005
zz
44.365,06 euro voor 1 dossier uit 2006 waarvoor de steun toegekend werd in 2006
zz
571.454,01 euro voor 9 dossiers uit 2007 waarvoor de steun toegekend werd in 2008
zz
560.278,08 euro voor 11 dossiers uit 2008 waarvoor de steun werd toegekend in 2009
De betaling van deze premies gebeurt na controle op de gesubsidieerde verrichting(en). De betaling wordt gespreid over maximum 4 schijven.
44
4 Ingediende aanvragen voor VLIF-steun Een aanvraag voor VLIF-steun kan alleen voor investeringen die nog niet uitgevoerd zijn. Bij retroactief subsidiëren van investeringen is het niet evident het aanmoedigend effect van de steunmaatregelen aan te tonen, zelfs bij een ’open end’- regelgeving zoals die van het VLIF. In die context moet de steun aangevraagd worden vooraleer de uitvoering van het voorgenomen investeringsproject van start gaat. Dit gebeurt met een ’aanvraag om tussenkomst 1e luik’. Pas nadat het VLIF op deze manier kennis genomen heeft van de investeringen en er een subsidiedossier geopend werd, kunnen de investeringen van start gaan. Op het tijdstip van de aanvraag 1e luik is het investeringsproject definitief en mag er nog minimaal van afgeweken worden. In een periode van maximaal 6 maanden die hierop volgt moet het dossier verder aangevuld en gedocumenteerd worden met een ‘aanvraag om tussenkomst 2e luik’ waarbij er ook duidelijkheid komt over de financiering van het project. Als dit niet tijdig of onvoldoende gebeurt, of wanneer een administratief onderzoek uitwijst dat de aanvraag niet gegrond is, wordt die niet verder onderzocht of als niet ontvankelijk gerangschikt. In 2009 drong die maatregel zich op voor ongeveer 10% van de aanvragen voor steun. Onderstaande gegevens over aangevraagde steun hebben betrekking op dossiers waar in het kalenderjaar 2009 een aanvraag om tussenkomst 2e luik ingediend werd. Belangrijk gegeven m.b.t. onderstaand cijfermateriaal betreft de bepalingen in de VLIF-regelgeving over het aantal aanvaardbare aanvragen per jaar. Vóór 1 september 2007 kon een onbeperkt aantal aanvragen voor steun ingediend worden. Vanaf 1 september 2007 tot 31 december 2008 kon nog maar één aanvraag per kalenderjaar ingediend worden. Vanaf 1 januari 2009 konden twee aanvragen per jaar ingeleid worden.
De 3.430 nieuwe dossiers kunnen opgedeeld worden in 3.380 dossiers van land- en tuinbouwproducenten, 37 dossiers van coöperatieve vennootschappen voor verwerking, afzet en dienstverlening, 12 dossiers die betrekking hebben op overbruggingskredieten die door de banken verleend werden aan veehouders die in financiële problemen kwamen door de blauwtongepidemie en 1 dossier dat betrekking heeft op het verkrijgen van een VLIF-waarborg op een overbruggingskrediet voor de financiering van de operationele kosten. Het totale voorziene investeringsvolume voor die 3.430 dossiers bedraagt 570 miljoen euro, waarvan 55,7 miljoen euro voor de coöperatieve vennootschappen en 0,3 miljoen euro voor de blauwtongdossiers. In 2008 was dit 674 miljoen euro (voor 3.980 dossiers), waarvan 35,3 miljoen euro voor de coöperatieve vennootschappen (voor 34 dossiers).
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
Omwille van de heersende economische crisis kon verwacht worden dat het aantal aanvragen lager zou liggen dan de voorgaande jaren. Er werden in 2009 finaal 3.430 aanvragen voor steun geregistreerd ten opzichte van 3.980 aanvragen in 2008. In 2007 waren er 3.214 aanvragen voor steun, in 2006 echter 5.237.
4.1 Dossiers land- en tuinbouwers De 3.380 dossiers van de land- en tuinbouwproducenten hebben voor 72% betrekking op de landbouwsector en voor 28% op de tuinbouwsector. Voor het investeringsbedrag is de verhouding tussen land- en tuinbouw als volgt: 69% voor de landbouwsector en 31% voor de tuinbouwsector. Tabel 4.1 en figuur 4.1 geven een overzicht van het aantal ingediende dossiers en de voorziene investeringsbedragen per provincie. West-Vlaanderen is de belangrijkste provincie, zowel inzake het aantal dossiers als de totale voorziene investeringskost. In Antwerpen zijn de totale voorziene investeringskosten in de tuinbouwsector wel hoger dan in West-Vlaanderen.
45
De jongste jaren is er een opmerkelijke toename van het gemiddeld investeringsbedrag per aanvraag. Voor 2008 ligt de verklaring gedeeltelijk bij de gewijzigde procedure, nl. de verplichting om alle investeringen te bundelen in één aanvraag. Waar het gemiddelde voorziene investeringsbedrag per dossier in 2006 nog 110.000 euro bedroeg, zowel voor landbouw als voor tuinbouw, blijft dit bedrag in 2007 constant voor landbouw maar stijgt het naar 180.000 euro per aanvraag vanuit de tuinbouw. Het optrekken van het maximum subsidiabel bedrag voor aanvragen vanaf 2007, de schaalvergroting en de omschakeling naar warmtekrachtkoppeling (WKK) zijn hieraan niet vreemd. Die ontwikkeling zet zich voort in 2008. Voor dat jaar bedragen de gemiddelde voorziene investeringkosten per dossier 145.000 euro in de landbouw en 207.000 euro in de tuinbouw. Voor 2009 blijven de gemiddelde voorziene investeringskosten per dossier 145.000 euro in de landbouw en 169.000 euro in de tuinbouw. Vergeleken met 2008 betekent dit een status-quo in de landbouw en een daling met 18% in de tuinbouw. Mogelijke verklaringen voor die daling zijn enerzijds de gewijzigde aanvraagprocedure waardoor er in 2009 twee dossiers per aanvrager mochten ingediend worden tegenover één in 2008. De noodzaak om investeringen te groeperen op één aanvraag is hierdoor verminderd. Tuinbouwbedrijven investeren ook frequenter dan landbouwbedrijven. Anderzijds werd het gemiddelde voor 2008 sterk opgetrokken door de vele aanvragen om steun voor grote WKK-installaties. In 2009 waren er niet alleen minder dergelijke aanvragen maar de investeringsbedragen per installatie waren bovendien kleiner. Tabel 4.1a Aantal ingediende dossiers en voorziene investeringskosten (euro) per provincie
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
Provincie
Landbouw
Tuinbouw
Totaal
West-Vlaanderen
1083
281
1364
Oost-Vlaanderen
554
206
760
Antwerpen
378
189
567
Limburg
232
158
390
Vlaams-Brabant
195
104
299
2442
938
3380
Tuinbouw (euro)
Totaal voorziene investeringsvolume (euro)
Vlaanderen
Tabel 4.1b Voorziene investeringskosten (euro) per provincie
Provincie West-Vlaanderen
151.173.110
30.387.011
181.560.121
Oost-Vlaanderen
73.075.445
34.495.821
107.571.267
Antwerpen
74.371.767
58.542.657
132.914.424
Limburg
32.327.742
18.869.345
51.197.087
Vlaams-Brabant
23.907.580
16.605.338
40.512.917
354.855.644
158.900.172
513.755.816
Vlaanderen
46
Landbouw (euro)
Figuur 4.1 Aantal ingediende dossiers in land- en tuinbouw per provincie 1600 1400 1200 1000 800 600 400 200
Tuinbouw Landbouw
0 West-Vlaanderen
Oost-Vlaanderen
Antwerpen
Limburg
Vlaams-Brabant
4.1.1 Overzicht: vestigingssteun versus investeringssteun en steun voor diversificatie
Indeling per maatregel
In één dossier kunnen verschillende types van steun gecombineerd voorkomen wat verklaart dat de som van de aanvragen per categorie groter is dan het aantal dossiers.
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
De aanvragen kunnen niet alleen opgesplitst worden naargelang de aard van het bedrijf, maar ook volgens de aard van de steunmaatregel d.w.z. aanvragen om steun aan de eerste vestiging, aanvragen om steun aan investeringen op land- en tuinbouwbedrijven en aanvragen om steun voor investeringen gericht op het uitoefenen van niet-landbouwactiviteiten (diversificatie). In 2009 werden 176 aanvragen ingediend voor vestigingssteun, 3.013 aanvragen voor investeringssteun en 415 aanvragen voor diversificatiesteun ( = steun voor verbrede activiteiten). Vóór 2007 werden aanvragen om diversificatiesteun niet apart geregistreerd, maar opgenomen als aanvragen om investeringssteun. Dossiers waarvoor de steun verleend werd vanaf 2007 werden, rekening houdend met een in het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling gemaakte opdeling in assen, onderverdeeld in drie categorieën (vestiging, investeringen, verbreding = diversificatie).
Tabel 4.2a Aantal ingediende dossiers en voorziene bedrijfsuitgaven (euro) per maatregel en financieringswijze in 2009
Aantal dossiers
Vestiging
Investering
Verbreding
(deels) Met banklening
163
2114
343
Volledig met eigen middelen
13
899
72
176
3013
415
Totaal
Tabel 4.2b Voorziene bedrijfsuitgaven (euro) per maatregel en financieringswijze in 2009
Voorziene kosten (euro) (deels) Met banklening Volledig met eigen middelen
Totaal
Vestiging
Investering
Verbreding
31.377.747
398.086.157
35.972.603
1.151.297
42.437.380
4.730.633
32.529.044
440.523.537
40.703.236
47
Uit de cijfers blijkt dat het aantal aanvragen om vestigingssteun in 2009 laag is. Waar er in de periode 2006-2008 gemiddeld toch 263 aanvragen waren voor vestigingssteun en dit aantal overeenstemt met de verwachtingen, werden er in 2009 maar 176 aanvragen voor vestigingssteun ingediend. Mogelijke verklaringen zijn de financiĂŤle en economische crisis, maar ook de verwachte verhoging van de vestigingssteun aansluitend op het gewijzigd beleid van de Europese Unie. Een fractie van de kandidaat-landbouwers heeft om die reden de vestiging voor beperkte tijd uitgesteld. De aanvragen om vestigingssteun werden op 13 dossiers na allemaal ingediend door banken. Vestigingskosten worden quasi altijd geheel of gedeeltelijk gefinancierd met krediet mede door het feit dat voor het verkrijgen van vestigingssteun bij meer dan 50.000 euro vestigingskosten financiering met krediet vereist is. De aanvragen voor investeringssteun werden voor 29,8% ingediend door de landbouwer zelf. Dit is alleen mogelijk wanneer de voorziene investeringen volledig met eigen middelen gefinancierd worden. Meestal gaat het om kleinere investeringen. Het minimum vereist investeringsbedrag voor het verkrijgen van gewone VLIF-steun bedraagt 15.000 euro. In 2009 konden landbouwers die in 2007 suikerbieten hadden in hun teeltplan, genieten van een tijdelijk ingestelde steunmaatregel die gefinancierd werd met speciale Europese middelen overeenkomstig de herstructurering van de suikerindustrie. De tijdelijke regeling was extra gunstig voor investeringen gefinancierd met eigen middelen ondermeer via een verlaagd minimum investeringsbedrag van 3.000 euro. Door die actie lag het aantal dossiers met uitsluitend investeringen gefinancierd met eigen middelen kenbaar hoger dan in 2008. Qua investeringsvolume en budgettair gewicht blijft het belang van die dossiers echter beperkt. Door de tijdelijke actie waren er in 2009 weliswaar 899 dossiers voor investeringen die volledig gefinancierd worden met eigen middelen maar die vertegenwoordigen slechts 9,6% van de totale voorziene investeringskosten.
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
De aanvragen voor diversificatiesteun werden voor 17,3% ingediend door de land- of tuinbouwer zelf. Het betrof hier ook gemiddeld kleinere investeringen die slechts 11,6% vertegenwoordigen van de voorziene kosten voor diversificatie.
48
De gemiddelde voorziene kosten per dossier bedragen 146.207 euro voor gangbare investeringen, 98.080 euro voor een investering gericht op diversificatie en loopt op tot 184.824 euro voor een eerste vestiging (bedrijfsovername of overname aandelen). Vergeleken met 2008 is dit een daling voor alle maatregelen. Toen bedroegen de gemiddelde voorziene bedragen respectievelijk 152.933 euro, 111.362 euro en 216.847 euro. Wat de vestigingen betreft wijzen de cijfers er op dat vooral de vestigingen met hoge vestigingskosten uitgesteld werden, wat logisch is wanneer een verhoging van de steun verwacht wordt. Indeling per bank Tabel 4.3 rangschikt het aantal ingediende aanvragen om steun naargelang de financiering (eigen middelen of krediet) en per bank. Het totale kredietvolume bedraagt 425 miljoen euro. De top drie van de belangrijkste kredietinstellingen voor het VLIF blijft ongewijzigd: KBC, Landbouwkrediet en BNP Paribas Fortis. In vergelijking met 2008 is het aandeel van KBC in het geheel van de kredietverlening aan investeringen en vestigingen met VLIF-steun gedaald van 60% naar 55%. Het relatief belang van Landbouwkrediet steeg van 21% naar 26%. Per provincie en naargelang de subsector zijn er nog belangrijke verschillen. In de tuinbouw is KBC in Antwerpen sterker aanwezig dan gemiddeld. De sterke daling van het investeringsvolume in de tuinbouwsector in Antwerpen (van 93 naar 59 miljoen euro) verklaart in grote mate de daling van KBC. In de landbouw in West-Vlaanderen is het relatief belang van BNP Paribas Fortis bijna het dubbele van het gemiddeld aandeel in Vlaanderen.
Tabel 4.3 Aantal ingediende dossiers per kredietinstelling
Aantal verbreding
Aantal vestigingen
Totaal aantal
Eigen middelen
899
72
13
984
KBC Bank
1203
204
87
1494
Landbouwkrediet
513
86
45
644
BNP Paribas Fortis
253
41
29
323
ING BelgiĂŤ
46
3
1
50
CNH Financial Services
48
-
-
48
Centea
16
1
1
18
AXA Bank
11
-
-
11
DEXIA Bank
8
2
-
10
Rabobank Nederland
8
1
-
9
Triodos Bank
3
3
-
6
Delta Lloyd Bank
2
1
-
3
BKCP
1
1
-
2
CBC Banque
1
-
-
1
Record Bank
1
-
-
1
3013
415
176
3604
Totaal
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
Aantal investeringen
Kredietinstelling
49
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
Tabel 4.4 Voorziene bedrijfsuitgaven en kredietvolume per maatregel en per kredietinstelling
Kredietinstelling
Bedrijfsuitgaven investeringen (euro)
Bedrijfsuitgaven diversificatie (euro)
Bedrijfsuitgaven vestigingen (euro)
Totale bedrijfsuitgaven (euro)
Eigen middelen
42.437.380
4.730.633
1.151.297
48.319.310
-
KBC Bank
220.259.470
20.637.937
16.747.659
257.645.067
233.582.577
Landbouwkrediet
107.184.908
8.246.769
8.834.296
124.265.972
112.874.057
BNP Paribas Fortis
40.401.894
6.364.179
5.422.692
52.188.765
43.321.567
ING BelgiĂŤ
11.681.593
225.000
273.100
12.179.693
12.413.032
Rabobank Nederland
8.183.713
15.844
-
8.199.557
13.283.000
CNH Financial Services
2.984.965
-
-
2.984.965
2.471.067
Centea
2.537.913
50.000
100.000
2.687.913
2.229.792
Dexia Bank
1.865.782
68.374
-
1.934.156
1.782.878
AXA Bank
1.666.625
-
-
1.666.625
1.587.050
Delta Lloyd Bank
513.285
42.000
-
555.285
465.000
Record Bank
500.000
-
-
500.000
500.000
Triodos Bank
194.345
275.000
-
469.345
430.000
CBC Banque
92.000
-
-
92.000
92.000
BKCP
19.662
47.500
-
67.162
69.500
440.523.537
40.703.236
32.529.044
513.755.816
425.101.520
Totaal
50
Totaal kredietvolume (euro)
Overzicht vestigingsdossiers In tabel 4.5 wordt een overzicht gegeven van de vestigingsdossiers per provincie. Hieruit blijkt dat West-Vlaanderen niet alleen koploper is wat het aantal vestigingsdossiers betreft, nl. 38% van het totale aantal, maar dat de vestigingskosten er gemiddeld ook het hoogst zijn. Dit kan verklaart worden door de bedrijfsomvang maar houdt ook verband met een andere benadering van de financiering van de vestiging waarbij, meer dan elders, gestreefd wordt naar optimalisatie van de mogelijkheden op vestigingssteun. Tabel 4.5a Overzicht van het aantal ingediende vestigingsdossiers in land- en tuinbouw per provincie
Provincie
Landbouw
Tuinbouw
Totaal
West-Vlaanderen
55
12
67
Oost-Vlaanderen
34
8
42
Antwerpen
26
6
32
Limburg
8
8
16
Vlaams-Brabant
14
5
19
137
39
176
Vlaanderen
Provincie
Landbouw
Tuinbouw
Totaal
West-Vlaanderen
12.251.028
1.683.428
13.934.455
Oost-Vlaanderen
6.464.044
1.282.920
7.746.964
Antwerpen
4.555.754
439.357
4.995.111
Limburg
1.328.261
1.035.078
2.363.339
Vlaams-Brabant
2.704.024
785.150
3.489.174
27.303.111
5.225.933
32.529.044
Vlaanderen
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
Tabel 4.5b Overzicht van de voorziene vestigingskosten (euro) in land- en tuinbouw per provincie
Overzicht dossiers investeringen In tabel 4.6 wordt een overzicht gegeven van de investeringsdossiers per provincie. Aangezien 89% van de dossiers zich rangschikken als investeringsdossier, zijn de sectorale en provinciale spreiding net als de globale trend gelijklopend met die voor het geheel van de dossiers. Vergeleken met 2008 is er gemiddeld voor alle provincies zowel voor landbouw als voor tuinbouw een daling van het aantal dossiers en van het investeringsbedrag. Enkel voor de landbouw in Antwerpen en de tuinbouw in Vlaams-Brabant wordt afgeweken van deze algemene trend. Wat opvalt is dat het totaal aantal ingediende tuinbouwdossiers met 19,7% is gedaald ten opzichte van 2008, terwijl het voorziene investeringsvolume in 2009 is gedaald met 36,2%. Dit is vooral te wijten aan de provincies West-Vlaanderen en Antwerpen waar het aantal ingediende tuinbouwdossiers met respectievelijk 13,7% en 23,7% is gedaald ten opzichte van 2008, terwijl het voorziene investeringsvolume in 2009 met respectievelijk 55,2% en 38,1% is gedaald.
51
Tabel 4.6a Overzicht van het aantal ingediende investeringsdossiers in land- en tuinbouw per provincie
Provincie
Landbouw
Tuinbouw
Totaal
West-Vlaanderen
959
246
1205
Oost-Vlaanderen
494
185
679
Antwerpen
328
174
502
Limburg
210
145
355
Vlaams-Brabant
177
95
272
2168
845
3013
Vlaanderen
Tabel 4.6b Overzicht van de voorziene bedrijfsuitgaven (euro) in land- en tuinbouw per provincie
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
Provincie
Landbouw
Tuinbouw
Totaal
West-Vlaanderen
131.115.616
23.245.017
154.360.633
Oost-Vlaanderen
61.991.077
28.446.429
90.437.506
Antwerpen
64.035.387
56.679.235
120.714.622
Limburg
27.964.232
14.789.891
42.754.123
Vlaams-Brabant
19.429.170
12.827.483
32.256.653
304.535.482
135.988.055
440.523.537
Vlaanderen
Overzicht dossiers diversificatie In tabel 4.7 wordt per provincie een overzicht gegeven van de ingediende dossiers met investeringen gericht op diversificatie naar niet-landbouwactiviteiten op het bedrijf. Onder diversificatie worden volgende activiteiten verstaan: zz
Commercialisatie van hoeveproducten
zz
Hoevetoerisme en het openstellen van het bedrijf voor dagrecreatie
zz
Productie van hernieuwbare energie
zz
Uitvoeren van landschapsbeheer
zz
Activiteiten als zorgboerderij
Investeringen die gericht zijn op de aanmaak van hoeveproducten worden hieronder niet meer gerangschikt sinds 2007. Die worden aanzien als ‘gewone’ investeringen op landbouwbedrijven. Bij vergelijkingen met cijfers over aanvragen tot 2006 moet hiermee rekening gehouden worden. Dossiers met diversificatie-investeringen zijn gemiddeld kleinere dossiers dan die voor een gangbare bedrijfsinvestering of een vestiging. Op het gebied van diversificatie is de provincie West-Vlaanderen het best vertegenwoordigd met 186 dossiers op een totaal van 415. Het aantal ingediende dossiers met diversificatie-investeringen is gestegen van 363 in 2008 naar 415. Wat de voorziene investeringskosten betreft blijft men op een gelijk niveau als 2008. De stijging van het aantal ingediende dossiers met diversificatie-investeringen is vooral te wijten aan de toename van fotovoltaïsche zonnecellen en zonneboilers. Er waren 56 dossiers meer dan in 2008, wat een toename betekent van 307 naar 363.
52
Tabel 4.7a Overzicht van het aantal ingediende dossiers diversificatie in land- en tuinbouw per provincie
Provincie
Landbouw
Tuinbouw
Totaal
West-Vlaanderen
135
51
186
Oost-Vlaanderen
56
34
90
Antwerpen
39
22
61
Limburg
26
20
46
Vlaams-Brabant
17
15
32
273
142
415
Vlaanderen
Tabel 4.7b Overzicht van de voorziene investeringsbedragen (euro) in land- en tuinbouw per provincie
Provincie
Landbouw
Tuinbouw
Totaal
7.806.467
5.458.567
13.265.033
Oost-Vlaanderen
4.620.324
4.766.472
9.386.797
Antwerpen
5.780.626
1.424.065
7.204.691
Limburg
3.035.250
3.044.375
6.079.625
Vlaams-Brabant
1.774.385
2.992.705
4.767.089
23.017.052
17.686.184
40.703.236
Vlaanderen
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
West-Vlaanderen
4.1.2 Indeling volgens aantal verrichtingen Per dossier kan voor verschillende types van uitgaven (investeringen/verrichtingen) steun aangevraagd worden. De types investeringen/verrichtingen worden gegroepeerd in zes categorieën naargelang de aard van de investering: zz
Eerste vestiging
zz
Aankoop bedrijfsgebouwen, woning, grond
zz
Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen
zz
Andere bedrijfsverbeteringen
zz
Materieel, vee en aanplantingen
zz
Diversificatie naar niet-landbouwactiviteiten
De tabellen 4.8 en 4.9 geven een overzicht van het aantal verrichtingen en de voorziene uitgaven per categorie. Binnen één dossier kunnen verschillende verrichtingen gelijktijdig voorkomen. Investeringen die zich rangschikken als ‘Materieel, vee en aanplantingen’ komen het vaakst voor, nl. 36,5% van het totale aantal verrichtingen. Investeringen in de rubriek ‘bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen’ vertegenwoordigen 33% en ’Andere bedrijfsverbeteringen’ zijn goed voor 17%. De categorie ‘Eerste vestiging’ komt vooral voor in de landbouwsector. Overnames van bedrijven komen in de tuinbouwsector minder voor. De vestiging gebeurt in de tuinbouwsector vaker via de oprichting van een nieuw bedrijf waardoor de investeringen in de categorie ‘Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen’ en ‘Materieel, vee en aanplantingen’ terechtkomen.
53
Investeringen in de categorie ‘Aankoop bedrijfsgebouwen, woning, grond’ zijn met 70,5% van de verrichtingen hoofdzakelijk een landbouwaangelegenheid. Tabel 4.8 Overzicht van het aantal ingediende verrichtingen per categorie
Categorie
Landbouw
Tuinbouw
Totaal
Eerste installatie
152
45
197
Aankoop hoeve
110
46
156
Verbreding
279
147
426
Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen
1412
570
1982
Materieel, vee en aanplantingen
1435
734
2169
Andere bedrijfsverbeteringen
770
248
1018
4158
1790
5948
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
Totaal
Tabel 4.9 Overzicht van de voorziene bedrijfsuitgaven (in euro) per categorie
Categorie
Tuinbouw
Totaal
Eerste installatie
28.114.236
5.395.933
33.510.169
Aankoop hoeve
17.799.909
9.859.554
27.659.463
Verbreding
23.017.052
17.686.184
40.703.236
214.002.462
90.617.666
304.620.127
Materieel, vee en aanplantingen
55.758.423
26.658.098
82.416.521
Andere bedrijfsverbeteringen
16.163.563
8.682.737
24.846.299
354.855.644
158.900.172
513.755.816
Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen
Totaal
54
Landbouw
De verrichtingen kunnen ook ingedeeld worden op basis van de voornaamste doelstelling die nagestreefd wordt bij het uitvoeren ervan. Voor het overgrote deel van de investeringen is dit louter economisch. Met bepaalde investeringen wordt een specifieke doelstelling nagestreefd verband houdend met de evolutie naar een meer duurzame land- en tuinbouw. Een aantal van die investeringen moeten bovendien in het kader van andere regelgevingen (milieu, dierenwelzijn) verplicht uitgevoerd worden en genieten in die context van een verhoogde steun. Volgende categorieën worden onderscheiden: zz
Milieu-investeringen
zz
Investeringen ter bevordering van de diversificatie naar niet-landbouwactiviteiten
zz
Investeringen ter bevordering van het dierenwelzijn
zz
Investeringen in de biologische landbouw
zz
Investeringen door sociale instellingen
zz
Overige investeringen
De tabellen 4.10 en 4.11 geven een overzicht van het aantal verrichtingen en de voorziene investeringsbedragen per doelgroep. Binnen één dossier kunnen verschillende verrichtingen voorkomen. Het overgrote deel van de verrichtingen, nl. 73%, rangschikt zich in de rubriek ‘Overige investeringen’, d.w.z. daar waar de voornaamste doelstelling economisch is, wat niet belet dat er in tweede of derde orde een milieudoelstelling of een doelstelling betreffende dierenwelzijn aanwezig is. Een nieuwe zeugenstal met groepshuisvesting rangschikt zich in de categorie ‘Overige’. Groepshuisvesting plaatsen in een bestaande stal wordt gerangschikt als een investering in dierenwelzijn.
Tabel 4.10 Overzicht van het aantal verrichtingen per doelgroep
Categorie
Landbouw
Tuinbouw
Totaal
Milieu
818
234
1052
Diversificatie
310
158
468
Dierenwelzijn
61
2
63
Biologische teelt
3
1
4
Consumentencoöperaties en sociale instellingen
2
-
2
2964
1395
4359
4158
1790
5948
Overige
Totaal
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
Bijna 18% van de verrichtingen hebben betrekking op milieu-investeringen. Hieronder rangschikken zich ondermeer investeringen in ammoniakemissiearme (AEA) stallen waardoor het relatief belang van milieu-investeringen, betrokken op de geïnvesteerde bedragen, oploopt tot meer dan 29% van het totaal. De investeringen die zeer specifiek zijn voor diversificatie vertegenwoordigen 7,9% van het aantal verrichtingen en 8,1% van het investeringsbedrag. Voor investeringen in dierenwelzijn gaat het respectievelijk om 1% en 0,7%. Investeringen in biologische landbouw en door sociale instellingen zijn in het geheel van de VLIF-werking verwaarloosbaar.
55
Tabel 4.11 Overzicht van de voorziene bedrijfsuitgaven (euro) per doelgroep
Categorie Milieu
Landbouw
Tuinbouw
Totaal
120.805.544
29.654.695
150.460.238
Diversificatie
23.834.937
17.862.825
41.697.762
Dierenwelzijn
3.468.544
159.616
3.628.160
Biologische teelt
107.015
6.000
113.015
Consumentencoöperaties en sociale instellingen
240.000
-
240.000
206.399.605
111.217.036
317.616.641
354.855.644
158.900.172
513.755.816
Overige
Totaal
4.1.2.1 Overzicht van de ingediende investeringstypes
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
In tabel 4.12 wordt een overzicht gegeven van de verschillende investeringtypes waarvoor steun werd aangevraagd. Naast het type van investering wordt ook de categorie en de doelgroep vermeld, samen met aantal verrichtingen en de voorziene kosten. De tabel geeft een gedetailleerd beeld van het aantal aanvragen om VLIF-steun ingedeeld naar de aard van de verrichting (5.948 verrichtingen) en met opgave van de voorziene investeringskosten (513,75 miljoen euro). De registratie van een investering betekent niet dat er automatisch ook steun verleend wordt. Of een investering al dan niet gesubsidieerd wordt hangt af van de mate waarin aan alle voorwaarden voldaan wordt. Bepaalde investeringen zijn subsidiabel onder voorwaarden, vb. aangekochte bedrijfsgebouwen als jonger dan 15 jaar. Een aantal investeringen, voorkomend in de lijst, is zelfs nooit subsidiabel zoals de tweede fase van een overname, overname tweede bedrijf, de aankoop van grond en een woning, verbouwen van niet-emissiearme varkens- en pluimveestallen, tweedehands materieel en tweedehands uitrusting, aankoop dieren, productierechten, mestbewerking, boorput en grondverbetering. In de mate dat die verrichtingen onderdeel vormen van een ruimer investeringsproject worden ze ook geregistreerd. Het overgrote deel van de verrichtingen en investeringsbedragen betreft traditionele zaken als de overname, de aankoop van de hoeve, de aankoop van machines, het bouwen en inrichten van melkvee- en varkensstallen, het bouwen van een loods of silo, het bouwen en inrichten van serres … De cijfers zijn nog vatbaar voor wijziging naarmate de dossierbehandeling vordert en de juiste aard van de investering duidelijker wordt. Een investering die aangemeld wordt als rundveestal kan bij de behandeling van de aanvraag gesplitst worden in een investering in de melkveehouderij en een investering in de vleesveehouderij. De gedetailleerde opsplitsing vindt zijn oorsprong in een nood aan statistisch materieel en inzicht in de ontwikkelingen op het gebied van investeringen, het gebruik van verschillende steunintensiteiten naargelang de aard van de verrichting of om een aantal investeringen extra te ondersteunen.
56
Tabel 4.12 Overzicht van de verschillende investeringstypen, categorieĂŤn, doelgroepen, aantal dossiers en voorziene kosten (euro) waarvoor steun werd aangevraagd
Eerste installatie (overige) Overname bij vestiging
Aantal dossiers 107
Voorziene kosten (euro) 18.802.535
Overname 2e fase
2
251.126
Overname aandelen vestiging
67
12.344.594
Overname 2e fase na 1/1/08
3
625.000
Overname aandelen 2e fase na 1/1/08
2
105.000
Aankoop bedrijfsgebouwen bij vestiging
1
284.000
Aankoop vee bij 1e vestiging
6
780.971
Aankoop planten bij 1e vestiging
1
60.000
Aankoop materieel bij 1e vestiging
8
256.943
Aankoop hoeve (overige)
Aantal dossiers
Voorziene kosten (euro)
60
11.783.386
Aankoop gebouwen (niet in gebr.)
13
3.885.933
Aankoop gebouwen (installatie)
15
4.445.069
Aankoop grond (in gebruik)
25
1.811.326
Aankoop grond (niet in gebruik)
16
3.061.672
Bouwen of aankoop woning
27
2.672.078
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
Aankoop gebouwen (in gebruik)
57
Verbreding (diversificatie)
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
Voorziene kosten (euro)
Educatief toegankelijk maken van het bedrijf (gebouwen)
14
1.256.102
Educatief toegankelijk maken van het bedrijf (materieel)
6
263.618
Inrichting van bedrijfsruimten voor zorgvragers
1
75.000
Openstellen bedrijf voor dagrecreatie (gebouwen)
3
355.000
Openstellen bedrijf voor dagrecreatie (materieel)
2
11.800
Detailverkoop (gebouwen)
17
571.156
Detailverkoop (materieel)
14
292.150
Machines landschapsbeheer
3
133.151
FotovoltaĂŻsche zonnecellen en zonneboilers
58
Aantal dossiers
363
37.029.089
Ombouwen landbouwmachines
1
10.825
Energieproductie: vergisting
1
690.000
Energieproductie: verbranding
1
15.345
Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen (milieu)
Aantal dossiers
Voorziene kosten (euro)
AEA-fokvarkensstal (alle categorieën)
14
10.040.000
AEA-zeugenstal
62
26.833.949
AEA-biggenstal
37
6.401.457
AEA-kraamstal
15
2.165.224
AEA-vleesvarkensstal
123
48.025.474
2
995.000
AEA-legkippenstal met volière- of grondhuisvesting
13
8.815.833
AEA-moederdierenstal
8
7.327.710
AEA-poeljenstal
2
533.000
Brijvoedering
4
280.788
Rookgasreiniging
2
235.000
Gasverwarmingsinstallatie
7
398.387
Geur- en stofbestrijding
1
85.000
Verwarming op biobrandstoffen
19
1.080.659
Luchtwasser bij nieuwe AEA-stal
6
225.445
Ander energiescherm
1
8.850
Energiebesparing: stalisolatie
9
193.874
Energiebesparing: eerste energiescherm
40
2.742.526
Energiebesparing: warmtebuffer of rookgascondensor
23
2.761.201
WKK-installatie op gas of biobrandstof
29
18.975.732
Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen (dierenwelzijn)
Aantal dossiers
Voorziene kosten (euro)
Hoevezuivel (gebouwen)
4
108.566
Hoevevlees (gebouwen)
3
82.597
Hoeveproducten andere (gebouwen)
7
237.200
Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen (dierenwelzijn)
Aantal dossiers
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
AEA-legkippenstal met verrijkte kooien
Voorziene kosten (euro)
Herinrichten zeugenstallen met groepshuisvesting
13
863.751
Herinrichten legkippenstal met volière- of grondhuisvesting
7
1.294.338
Groepshuisvesting kalveren
2
83.255
Verbeteren stalklimaat
41
1.386.816
59
Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen (biologische teelt)
2
97.015
Biologische pluimveehouderij
1
10.000
Investeringen voor Sociale Instellingen (onroerend goed)
Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen (overige)
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
Voorziene kosten (euro)
Biologische schapen/geitenhouderij
Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen (consumentencoรถperaties en sociale instellingen)
60
Aantal dossiers
Aantal dossiers 1
Aantal dossiers
Voorziene kosten (euro) 115.000
Voorziene kosten (euro)
Bouwen/Inrichten melkveestal
211
33.607.125
Bouwen/Inrichten jongveestal (melkvee)
83
5.630.713
Bouwen/Inrichten vleesveestal
105
10.244.564
Bouwen/Inrichten jongveestal (vleesvee)
33
2.264.760
Bouwen/Inrichten melkstal/melkinstallatie/voederautomaat
86
11.116.961
Bouwen/Inrichten kweekvarkensstal
12
427.657
Bouwen/Inrichten vleesvarkensstal
6
866.018
Bouwen/Inrichten serre
165
32.178.542
Bouwen/Inrichten champignonkwekerij
4
932.290
Bouwen/Inrichten witloofloods
5
1.525.459
Plastiek tunnels
14
389.485
Bewaar- en machineloods
403
38.862.427
Vaste uitrusting gebouwen
52
3.046.092
Tweedehandse vaste uitrusting
2
114.000
Silo voor opslag akkerbouwgewassen voor verkoop
14
559.599
Loods voor opslag akkerbouwproducten voor verkoop
23
1.680.072
Vernieuwing daken van hoeven met cultuurhistorisch karakter
1
3.465
Voorzieningen voor personeel (gebouwen)
33
2.388.338
Bouw/Inrichten kleinveestallen
6
1.102.342
Bouw/Inrichting pluimveestal
4
943.000
Bouw/Inrichten paardenstallen
5
306.834
Bouwen frigo
54
6.161.527
Melkinstallatie
115
6.649.146
Isolatie en ventilatie bestaande bewaarruimte
48
1.216.064
Materiaal, vee en aanplantingen (milieu)
Aantal dossiers
Voorziene kosten (euro)
Installatie lagedrukbandensysteem
7
51.107
Erosieploeg
57
408.131
Machines voor directinzaai
3
85.100
Geavanceerde spuitmachines
5
326.430
Mestinjectie
7
266.598
Waterbehandeling
11
200.771
Mechanische onkruidbestrijding
19
176.409
Materiaal, vee en aanplantingen (diversificatie)
Aantal dossiers
Voorziene kosten (euro)
10
262.552
Hoevevlees (materieel)
3
28.185
Hoeveproducten andere (materieel)
7
97.429
Maal- en menginstallatie
7
152.998
Materiaal, vee en aanplantingen (biologische teelt) Bio-hoogstamboomgaarden
Materiaal, vee en aanplantingen (consumentencoรถperaties en sociale instellingen) Investeringen voor sociale instellingen (roerend goed)
Aantal dossiers 1
Aantal dossiers 1
Voorziene kosten (euro) 6.000
Voorziene kosten (euro) 125.000
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
Hoevezuivel (materieel)
61
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
Materiaal, vee en aanplantingen (overige)
62
Aantal dossiers
Voorziene kosten (euro)
Overname tweede bedrijf na 1/1/07
2
608.000
Aankoop duurzame planten
10
229.130
Nieuwe fruitvariĂŤteiten
21
615.433
Kersen, pruimen, druiven...
9
90.260
Gangbare pitfruitvariĂŤteiten
82
2.364.870
Installatie gps-sturing
88
694.462
Tafelreiniger
3
103.735
Materieel voor mechanische afdekking silo's
2
2.646
Materieel voor het reinigen van het veld
3
29.042
Materieel voor het reinigen van de weg
46
201.337
Voorzieningen voor personeel (materieel)
7
44.827
Machines en materieel
1701
73.371.485
Buitenberegening en -fertigatie
12
208.108
Oogstprotectie fruit
13
284.348
Vogelschrikapparatuur
5
8.877
Tweedehands materieel
13
407.983
Aankoop dieren
6
444.125
Aankoop productierechten
8
521.145
Andere bedrijfsverbeteringen (milieu) Afbreken serres in combinatie met nieuwbouw
Aantal dossiers 2
Voorziene kosten (euro) 30.390
151
3.912.242
Waterreservoir
174
2.392.913
Opvang regenwater ter vervanging grondwater
78
694.994
Bijkomende mestopslagcapaciteit
22
801.015
Mestbew./verw.systemen
1
700.000
Mestopslagplaats
27
552.956
Opvang/hergebruik beregeningswater
3
184.474
Waterzuiveringsinstallatie
52
920.288
Energiebesparing: kasomhulling
7
545.488
Rationeel afvalbeheer
4
28.823
Fytobak
5
57.000
Andere bedrijfsverbeteringen (diversificatie) Windmolens
Andere bedrijfsverbeteringen (overige)
Aantal dossiers 1
Aantal dossiers
Voorziene kosten (euro) 25.000
Voorziene kosten (euro)
Grondverbetering
3
15.133
Boorput
5
18.374
Erf- en andere verharding
374
6.661.513
Terreinuitrusting
71
3.372.507
Verbetering bedrijfshygiĂŤne
3
183.745
Kadaveropslag
4
27.000
Robotisering
31
3.722.444
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
Sleufsilo
63
4.1.2.2 Aantal en omvang van de kosten voor investeringen met betrekking tot een aantal actuele thema’s Het overzicht van de ingediende aanvragen voor steun op basis van de aard (vestiging, aankoop hoeve, bouwen bedrijfsgebouwen, andere verbeteringen, materieel en vee en diversificatie) of de nagestreefde doelstellingen, verschaft onvoldoende relevant inzicht in de investeringsactiviteit met betrekking tot een aantal actuele thema’s. Navolgend wordt voor een aantal actuele en maatschappelijk relevante investeringen een beeld gegeven van de investeringsactiviteit aan de hand van een aantal samengebrachte cijfers op het gebied van een aantal dossiers en investeringsbedragen. De cijfers moeten met enige voorzichtigheid beoordeeld worden. Het betreft aangemelde investeringsprojecten met opgave van de geraamde uitgaven. Ze worden niet noodzakelijk allemaal uitgevoerd en de opgegeven investeringsbedragen zijn vaak ramingen.
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
Vestiging via overname van aandelen van een vennootschap Eén van de meest in het oog springende evoluties is de manier waarop de vestiging verloopt. Er is een spectaculaire toename van het aantal vestigingen als beherend vennoot, zaakvoerder of bestuurder van een vennootschap via een overname van aandelen. Bij het toenemend aantal vennootschappen in land- en tuinbouw is die evolutie normaal, maar er spelen duidelijk andere elementen. De wijziging in de regelgeving met het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2008 waarbij de overname van aandelen op twee manieren positief gediscrimineerd werd t.o.v. een klassieke overname heeft zijn effect duidelijk niet gemist. Waar het aantal klassieke overnames sinds vorig jaar quasi halveerde (van 204 naar 107) is het aantal overnames van aandelen bij vestiging toegenomen met 250% (van 19 naar 67). Op tal van bedrijven waar de generatiewissel er aan kwam, werd de eenmanszaak vóór de overname omgevormd naar een vennootschap. De sterke daling van het aantal vestigingen als landbouwer natuurlijke persoon wordt, naast de toename van het aantal vestigingen via overname van aandelen, mogelijk verklaard doordat een aantal kandidaat-overnemers de vestiging uitstelt tot wanneer de vestigingssteun verhoogd wordt. Verwacht wordt dat die vestigingen alsnog in 2010 zullen plaatsvinden. Of er echt sprake is van een terugval in het aantal vestigingen zal pas volgend jaar blijken. Tabel 4.13 Overzicht van de ingediende vestigingsdossiers per provincie
Provincie
Overname vestiging
Overname aandelen
Overige
West-Vlaanderen
44
23
0
Oost-Vlaanderen
32
9
1
Antwerpen
17
14
1
Limburg
7
9
0
Vlaams-Brabant
7
12
0
107
67
2
Totaal
Ammoniakemissiearme stallen Na de invoering van de steunmaatregel voor ammoniakemissiearme stallen nam, aansluitend bij een wijziging van het Vlarem in 2004, het aantal aanvragen om steun voor dit type van investering een hoge vlucht, mede door de aanvankelijk zeer aantrekkelijke steunintensiteit. In 2005 werden 503 aanvragen om steun ingeleid. Anticiperend op een verwachte daling van de steunintensiteit werden begin 2006 nog veel aanvragen ingeleid maar na de vermindering van de steunintensiteit vanaf 10 maart 2006 was er een terugval van het aantal aanvragen. Finaal werden er in 2006 toch nog 278 aanvragen om steun ingediend.
64
In 2007 daalde het aantal aanvragen naar 140. Hiermee was een investering van 41,4 miljoen euro gemoeid, d.w.z. dat een gemiddelde aanvraag betrekking had op een investering van 295.714 euro. Dat het gemiddeld gesubsidieerd bedrag (cfr. hoofdstuk 6) lager is, wordt verklaard door het feit dat niet alle stallen gesubsidieerd worden; dat er gesubsidieerd wordt op basis van normbedragen en dat een investering die aanvankelijk als één verrichting geregistreerd wordt bij afhandeling uiteenvalt in twee verrichtingen. In 2008 is er opnieuw een toename tot 247 aanvragen. Hiermee is een investering van 85,93 miljoen euro gemoeid d.w.z. dat een gemiddelde aanvraag slaat op een investering van 347.895 euro. In 238 gevallen betrof het varkensstallen voor een bedrag van 82,10 miljoen euro. In 9 gevallen betrof het pluimveestallen (legkippen en poeljen) voor een geraamde investering van 3,83 miljoen euro. Het aantal aanvragen voor steun bij de bouw van ammoniakemissiearme stallen steeg in 2009 verder tot 276 voor een investering van 111,10 miljoen euro, d.w.z. dat een gemiddelde aanvraag slaat op een investering van 402.672 euro, wat 15,7% hoger is dan in 2008. Dit heeft te maken met de schaalvergroting in de sector. Dossiers waar de investeringen oplopen tot boven 1 miljoen euro zijn geen uitzonderingen meer. Een aantal varkenshouders heeft gekozen voor een sterke schaalvergroting gebruik makend van de mogelijkheden om emissierechten te verwerven via mestverwerking. Zoals voorheen betreft het nog altijd in ruime mate varkensstallen (251 gevallen) voor een bedrag van 93,5 miljoen euro. De verbeterde economische situatie in de pluimveesector vertaalt zich blijkbaar ook in een hogere investeringsbereidheid. Er waren 25 aanvragen om steun voor de bouw van ammoniakemissiearme pluimveestallen (legkippen, moederdieren en poeljen) voor een geraamde investering van 16,7 miljoen euro. Dit is aanzienlijk meer dan in 2008. Het geraamd investeringsbedrag voor een ammoniakemissiearme pluimveestal ligt met 667.061 ook kennelijk hoger dan het gemiddelde. Biologische landbouw
Fotovoltaïsche zonnecellen en zonneboilers Wat diversificatie naar niet-landbouwactiviteiten betreft, zitten de fotovoltaïsche cellen en zonneboilers duidelijk in de lift, ook al benadert het VLIF deze investering in functie van de eigen energiebehoefte van het bedrijf. De steunintensiteit voor die investeringen bedraagt 30% wat maakt dat het, in combinatie met de groenestroomcertificaten, op tal van bedrijven een lucratieve investering is. Van amper 45 aanvragen in 2006 (steun was mogelijk vanaf 10 maart 2006) ging het naar 149 aanvragen in 2007 en 307 aanvragen in 2008. Dit aantal is in 2009 nog gestegen tot 363. Het geïnvesteerde bedrag evolueerde van 4,45 miljoen euro in 2006 naar 16,3 miljoen euro in 2007 en 34,2 miljoen euro in 2008. In 2009 betrof het geschatte investeringsbedrag 37,03 miljoen euro (7,2% van alle aangemelde investeringen in 2009), wat gemiddeld overeen komt met 102.008 euro per dossier.
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
De investeringen die zeer specifiek verbonden zijn met de toepassing van de biologische productiemethode blijven zeer beperkt ondanks de hoge steunintensiteit (40%). In 2009 werden slechts 4 aanvragen ingediend voor een totaal investeringsbedrag van 113.015 euro.
Wateropslag, waterzuivering, hergebruik water Opvang, gebruik en hergebruik van water vormt een belangrijk aandachtspunt op vele bedrijven. De investeringen die te maken hebben met water zijn talrijk en genieten veel aandacht in het investeringsbeleid. In 2009 werden 318 aanvragen geregistreerd waar water een centraal element was voor een investering voor een totaal bedrag van 4,4 miljoen euro. In vergelijking met 2008 is dit een stijging voor het aantal aanvragen met 17,8% terwijl het totale investeringsbedrag ongeveer gelijk bleef. Ingedeeld volgens de aard van de investeringen geeft dit: zz
Opvang van regenwater (in bassins, citernes, e.a.): 174 aanvragen voor een investeringsvolume van 2.392.913 euro
zz
Opvang en hergebruik van beregeningswater: 81 aanvragen voor een investeringsvolume van 879.468 euro
zz
Waterzuiveringsinstallaties: 52 aanvragen voor een investeringsvolume van 920.288 euro
zz
Waterbehandeling: 11 aanvragen voor een investeringsvolume van 200.771 euro
Energiebesparing Energiebesparing wordt sterk aangemoedigd met verhoogde steun. In 2009 werden m.b.t. dit type van investeringen 80 aanvragen (daling met 28% ten opzichte van 2008) geregistreerd voor een investeringsvolume van 6,25 miljoen euro (daling met 44% ten opzichte van 2008). Het betreft quasi integraal investeringen in (eerste) energieschermen, warmtebuffers of rookgascondensors, stalisolatie en kasomhulling.
65
WKK-installaties Geconfronteerd met de stijgende energieprijzen, de verminderde interesse van externe kapitaalverstrekkers (energie-installatiebedrijven) m.b.t. de financiering van warmtekrachtkoppeling (WKK) -installaties op tuinbouwbedrijven en de ruime mogelijkheden op investeringssteun en andere vormen van steun (WKK-certificaten), hebben een aantal tuinders geopteerd voor een investering in een WKK-installatie in eigen beheer. In 2006 waren er 21 aanvragen om steun ingediend, in 2007 was dit al toegenomen tot 36 aanvragen voor een totale investering van 34,5 miljoen euro. In 2008 waren er 54 aanvragen om steun geregistreerd voor een totale investering van 51,7 miljoen euro. De gemiddelde investeringskost per WKK-installatie bedroeg in 2008 ruim 956.000 euro. De budgettaire impact nam zodanige proporties aan dat een ingrijpen zich opdrong. Voor aanvragen vanaf 27 juni 2008 werd de steunintensiteit vermindert van 40% naar 30%. Met de opbrengsten uit warmtekrachtcertificaten en de uit verkoop van elektriciteit is de terugverdientijd van dergelijke investering relatief kort. In 2009 daalde het aantal aanvragen voor steun voor een WKK-installatie tot 29, voor een totale geschatte investering van 18,98 miljoen euro. De investeringskosten per WKK-installatie bedragen in 2009 gemiddeld 654.000 euro, wat een opmerkelijke daling is van 300.000 euro ten opzichte van 2008. Uit deze gegevens kan besloten worden dat de glastuinbouwbedrijven die de bedrijfsomvang hadden en de toelating kregen om te injecteren op het elektriciteitsnet, intussen geïnvesteerd hebben in een WKK-installatie of dit weldra zullen doen. Bij de vaststelling dat eind 2009 van al die aanvragen voor steun voor WKK’s (periode 2006-2009) intussen hooguit 35% gesubsidieerd werd, is het duidelijk dat 2010 en 2011 op dit vlak financieel nog zwaar zullen zijn voor het VLIF.
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
Eerste effecten van wijzigingen in de regelgeving vanaf 1/1/2009 Een aantal wijzigingen in de VLIF-regelgeving die hun beslag kregen met het besluit van de Vlaamse Regering van 18 oktober 2008, kwam in voege op 1 januari 2009. De effecten op de vestiging en de spectaculaire opkomst van de vestiging via overname van aandelen werden al besproken. Andere wijzigingen betroffen onder meer de afschaffing van de voorwaarde van grondgebondenheid in de vleesveehouderij, de afbouw van de steun voor aankoop van bestaande bedrijfsgebouwen, de invoering van steun voor bijkomende mestopslag en mogelijkheden van steun bij uitbreidingsinvesteringen op basis van emissierechten verkregen via mestverwerking. Op basis van het aantal aanvragen kunnen de eerste voorlopige besluiten getrokken worden over die wijzigingen. Navolgend een summier overzicht: zz
zz
zz
Het aantal aanvragen voor steun voor investeringen in de vleesveehouderij is significant toegenomen van 64 aanvragen in 2008 voor vleesveestallen (inbegrepen stallen voor jongvee) naar 138 aanvragen in 2009. Het aantal aanvragen voor steun bij de aankoop van bestaande bedrijfsgebouwen is significant gedaald van 144 aanvragen in 2008 naar 88. Er werden 22 aanvragen ingediend voor steun voor investeringen in bijkomende mestopslag om te voldoen aan de nieuwe normen.
Het aantal aanvragen voor steun voor ammoniakemissiearme stallen en vooral het gemiddeld investeringsbedrag per aanvraag zijn verder gestegen. Dit wijst op aanvragen voor steun voor een aantal grote investeringsprojecten die mogelijk worden op basis van emissierechten verkregen door mestverwerking. Suikerdossiers Na de goedkeuring door de EU-Commissie van het Vlaams plan voor diversificatie in de suikersector eind 2008 werd vanaf 2009 gestart met een tijdelijke steunregeling voor suikerbietentelers die in 2007 suikerbieten hadden in hun teeltplan. Het specifieke van de regeling bestond er in dat de steun altijd de vorm heeft van een kapitaalpremie die snel en in één keer uitbetaald wordt; dat twee voorwaarden (minimum investeringsbedrag en boekhouding bijhouden) versoepeld werden en dat voor een limitatieve lijst van investeringen de steunintensiteit verhoogd werd naar 30%. In tabel 4.14 staan die typische investeringen vermeld met het aantal ingediende dossiers en het verwachte investeringsbedrag.
66
Tabel 4.14 Aantal en bedragen (euro) van ingediende suikerinvesteringen
Investering
Aantal
Investeringsbedrag (euro)
14
559.599
Loods voor opslag van akkerbouwproducten voor verkoop
23
1.680.072
Isolatie en ventilatie van een bestaande bewaarruimte
48
1.216.064
Installatie van lagedrukbandensysteem
7
51.107
Erosieploeg
57
408.131
Installatie gps-sturing
88
694.462
Tafelreiniger
3
103.735
Materieel voor mechanische afdekking silo's
2
2.646
Materieel voor het reinigen van het veld
3
29.042
Materieel voor het reinigen van de weg
46
201.337
Opvang/hergebruik beregeningswater
3
184.474
Waterzuiveringsinstallatie
15
217.552
Fytobak
5
57.000
4.1.2.3  Meest voorkomende verrichtingen per provincie In tabel 4.15 worden per provincie de tien meest voorkomende types van investeringen voor 2009 in de landbouwsector weergegeven. Machines en materieel staan afgetekend op de eerste plaats met 1.157 aanvragen. Dit komt ongeveer overeen met 30% van alle verrichtingen in de landbouwsector (3.920 verrichtingen).
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
Silo voor opslag van akkerbouwgewassen voor verkoop
De ammoniakemissiearme vleesvarkensstallen staan in de lijst op de zevende plaats met 121 aanvragen om steun. Omdat ze geïnventariseerd worden per diersoort (zeugen, vleesvarkens, biggen; legkippen ‌) en zodoende minder doorwegen, ligt het totale aantal aanvragen om steun voor de bouw van een ammoniakemissiearme stal merkelijk hoger, namelijk op 276, wat de 3e plaats zou opleveren in de top 10. De nieuwkomers in 2009 zijn: zz
ammoniakemissiearme vleesvarkenstal
zz
bouwen/inrichten vleesveestal, na het afschaffen van de voorwaarde van grondgebondenheid
Overname bij vestiging is uit de top 10 verdwenen aangezien er meer en meer eerste installaties gebeuren door de overname van aandelen (38,5% van alle eerste installaties in 2009). In 2009 werden er in totaal 174 vestigingsdossiers (overname bij vestiging en overname van aandelen) ingediend. Daarenboven waren er nog 2 dossiers voor aankoop vee binnen de 5 jaar na eerste vestiging waarvoor ook vestigingssteun kan verkregen worden. Wat betreft het totale aantal vestigingen is West-Vlaanderen koploper met 67 dossiers. Daarna volgen de provincies Oost-Vlaanderen (41), Antwerpen (31), Vlaams-Brabant (17) en Limburg (16). Het aantal vestigingen staat weergegeven in tabel 4.13. De provincie West-Vlaanderen is koploper voor elke investeringscode uit de top-10 wat betreft het aantal ingediende dossiers.
67
Tabel 4.15 Top 10 van de verrichtingen in de landbouwsector naar aantal aanvragen per provincie
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
Rangschikking
Type investering landbouw
WestVlaanderen
OostVlaanderen
Antwerpen
Limburg
VlaamsBrabant
Vlaanderen
1
Machines en materieel
488
263
151
132
123
1157
2
Erf- en andere verharding
139
94
31
19
19
302
3
Bewaar- en machineloods
112
56
45
13
26
252
4
Fotovoltaïsche zonnecellen en zonneboilers
126
51
33
21
12
243
5
Bouwen/Inrichten melkveestal
72
67
53
6
12
210
6
Sleufsilo
61
42
24
11
11
149
7
AEA-vleesvarkensstal
70
14
28
7
2
121
8
Waterreservoir
65
36
7
5
8
121
9
Melkinstallatie
41
30
30
13
1
115
10
Bouwen/Inrichten vleesveestal
50
38
8
1
5
102
In tabel 4.16 worden de tien meest voorkomende types investeringen in 2009 in de tuinbouwsector opgesomd. Ook in de tuinbouw zijn machines en materieel het meest voorkomende type van investeringen met 544 aanvragen. Dit komt ongeveer overeen met ruim 30% van alle verrichtingen in de tuinbouwsector (1.790 verrichtingen). In de tuinbouwsector zijn er weinig wijzigingen t.o.v. 2009, de top drie is identiek. Het aantal investeringen is wel gedaald. Wat betreft de provinciale verdeling is de provincie Antwerpen opnieuw koploper wat betreft de bouw en inrichting van serres en loodsen. Opmerkelijke stijger is het aantal aanvragen voor fotovoltaïsche zonnecellen en zonneboilers, dat van de tiende naar de vierde plaats stijgt met in totaal 120 aanvragen. De provincie Limburg blijft duidelijk de fruitteeltprovincie bij uitstek met 47 verrichtingen in gangbare pitfruitvariëteiten niettegenstaande dat Vlaams-Brabant met 15 aanvragen voor het bouwen van een frigo de koppositie heeft overgenomen.
68
Tabel 4.16 Top 10 van de verrichtingen in de tuinbouwsector naar aantal aanvragen per provincie
Rangschikking
Type investering tuinbouw
WestVlaanderen
OostVlaanderen
Antwerpen
Limburg
VlaamsBrabant
Vlaanderen
Machines en materieel
153
115
93
113
70
544
2
Bouwen/Inrichten serre
40
54
57
3
5
159
3
Bewaar- en machineloods
38
41
38
13
21
151
4
Fotovoltaïsche zonnecellen en zonneboilers
46
29
17
15
13
120
5
Gangbare pitfruitvariëteiten
3
9
5
47
15
79
6
Erf- en andere verharding
23
18
14
8
9
72
7
Terreinuitrusting
19
22
14
5
-
60
8
Waterreservoir
13
22
12
1
5
53
9
Bouwen frigo
9
10
4
9
15
47
10
Energiescherm: eerste energiescherm
12
17
10
-
1
40
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
1
4.2 Dossiers land- en tuinbouwcoöperaties Behalve steun aan de land- en tuinbouwproducenten verleent het VLIF ook steun aan land- en tuinbouwcoöperaties. Deze moeten voldoen aan de specifieke bepalingen voor de coöperaties voorzien in de VLIF-regelgeving, afgestemd op deze van de Nationale Raad voor de Coöperatie (o.a. op het gebied van democratische besluitvorming). In 2009 werden door de coöperaties 37 aanvragen ingediend met voorziene totale investeringskosten van 55,7 miljoen euro. Door coöperaties voor afzet en verwerking werden 15 dossiers ingediend, waarvan 8 dossiers van zuivelcoöperaties en 7 van groenten- en fruitcoöperaties (veilingen). 22 aanvragen kwamen van dienstverlenende coöperaties, type machineringen. In vergelijking met 2008 ligt het totale investeringsbedrag waarvoor steun werd aangevraagd, bijna 60% hoger, nl. 55,7 miljoen euro in 2009 t.o.v. 35,2 miljoen euro in 2008. Het aantal ingediende dossiers is licht gestegen t.o.v. 2008 (34 in 2008, 37 in 2009). De stijging is dus vooral een gevolg van het hogere investeringsbedrag per dossier. Vooral de stijging van het ingediende investeringsbedrag in de coöperatieve zuivelsector is opmerkzaam (4,7 miljoen euro in 2007, 22,7 miljoen euro in 2008 en 36,7 miljoen euro in 2009). Ook het aantal dossiers van de machineringen is stabiel gebleven (22 in 2008, 22 in 2009) maar met een daling van het totale ingediende investeringsvolume (1,7 miljoen euro in 2008 en 1,3 miljoen euro in 2009).
69
Tabel 4.17 Overzicht van de voorziene uitgaven (euro) voor ingediende dossiers van land- en tuinbouwcoĂśperaties per provincie
Sector
West-Vlaanderen
Oost-Vlaanderen
Antwerpen
VlaamsBrabant
Limburg
Vlaanderen
Groenten en fruit
11.800.000
0
4.803.656
1.100.000
0
17.703.656
Machineringen
216.679
91.713
124.950
321.502
551.538
1.306.382
27.681.502
9.051.000
0
0
0
36.732.502
39.698.181
9.142.713
4.928.606
1.421.502
551.538
55.741.540
Melkerijen
Totaal
Ingediende aanvragen voor VLIF steun
4.3  Dossiers agrovoeding Met de publicatie van omzendbrief 49 in het Belgisch Staatsblad van 18/2/2009 werd de tweede oproep naar de agrovoedingssector gericht voor het indienen van aanvragen om investeringssteun binnen het plattelandsontwikkelingsplan (PDPO II). In totaal werden 76 dossiers ingediend, goed voor een investeringsbedrag van 135,2 miljoen euro. De oproep 2009 was gericht op milieu-, energie- en innovatieve investeringen voor bedrijven uit de verwerkingssectoren aardappelen, groenten en fruit, mout, suiker, veevoeders, vlas, vlees, vleeswaren en zuivel. In tabel 4.18 wordt een overzicht gegeven van de ingediende dossiers als gevolg van de oproep 2009. Tabel 4.18 Overzicht van de ingediende dossiers en investeringsbedrag (euro) door agrovoedingsbedrijven
Sector
Ingediend investeringsbedrag (euro)
Aardappelen
3
5.861.976,00
Groenten en fruit
12
31.854.232,98
Mout
1
3.034.725,50
Veevoeders
12
1.076.658,43
Vlas
7
1.215.776,84
Vlees
23
52.845.948,00
Vleeswaren
13
22.129.162,73
Zuivel
5
17.205.155,77
Totaal
70
Aantal ingediende dossiers
76
135.223.636,25
4.4  Dossiers omkaderingssector Volgend op de uitwerking van organieke regelgeving, werd eind 2008 een tweede ronde uitgeschreven voor investeringen in de omkaderingssector. In totaal werden er 11 dossiers ingediend eind 2008, waarvan 9 dossiers van praktijkcentra uit de plantaardige sector en 2 dossiers van praktijkcentra uit de dierlijke sector. Deze dossiers vertegenwoordigen een totaal investeringsbedrag van 14,653 miljoen euro. In 2009 werd er hiervoor 2 miljoen euro steun vastgelegd waarvan er al 39% werd uitbetaald.
Ingediende aanvragen voor VLIF steun 71
5 Toegekende steun In 2009 verleende het VLIF 94,156 miljoen euro steun waarvan 67,411 miljoen euro Vlaamse middelen (cfr. hoofdstuk 3 voor meer budgettaire detailinformatie). Hiermee werd de beschikbare vastleggingsmachtiging, net als de voorbije paar jaren, volledig opgebruikt. De steun heeft betrekking op aanvragen vanwege producenten (land- en tuinbouwers), hun coöperaties, de agrovoedingssector en de omkaderingssector. Figuur 5.1 Procentuele verdeling per doelgroep van de bestede VLIF-vastleggingsmachtiging 2009 ( = budgettair vastgelegde Vlaamse cofinanciering)
Land- en tuinbouwers producenten (83,47%) Coöperaties van land- en tuinbouwers (afzet, verwerking, dienstverlening) (4,61%) Agrovoedingssector (8,88%) Omkaderingssector (2,9%)
Toegekende steun
Startpremies groeperingen (0,07%)
5.1 Steun aan land- en tuinbouwers In 2009 werd in 2655 nieuwe dossiers van land- en tuinbouwproducenten VLIF-steun verleend (met uitzondering van de overbruggingskredieten voor blauwtongdossiers, zie 5.1.6). Het totale steunvolume (Vlaams + EU) dat hiermee overeenstemt, bedraagt 77,238 miljoen euro (tabel 5.1). In 244 dossiers werd geen steun verleend. In een aantal van die dossiers wordt mogelijk later nog steun verleend na het vervullen van opgelegde voorwaarden. Er werden 651 dossiers herzien, wat 2,251 miljoen euro aan bijkomende kosten met zich meebracht. De meeste herzieningen volgen op een eindcontrole in het dossier waarbij de steun wordt aangepast op basis van voorgelegde investerings- en betalingsbewijzen. In alle hieronder vermelde cijfers is het totale steunvolume weergegeven, ongeacht de vorm (rentesubsidie of kapitaalpremie), inclusief de steun toegekend onder de zgn. suikerregeling. Dit is immers ook investeringssteun maar ze wordt apart gefinancierd met specifieke bijkomende Europese middelen ingevolge de herstructurering van de suikersector.
72
Tabel 5.1 Aantal dossiers met gunstige beslissing voor land- en tuinbouwproducenten en hun totaal steunvolume (euro)
Dossiers met gunstige beslissing Aantal nieuwe dossiers Steunvolume nieuwe dossiers (euro)
Landbouw
Totaal aantal Steunvolume totaal (euro)
Totaal
1945
710
2655
44.360.088
30.627.510
74.987.598
475
176
651
1.957.891
292.800
2.250.692
2420
886
3306
46.317.979
30.920.311
77.238.290
Aantal herzieningen Steunvolume herzieningen (euro)
Tuinbouw
Tabel 5.2 Aantal dossiers met gunstige beslissing voor land- en tuinbouwproducenten en hun steunvolume (euro) per provincie
Provincie
Aantal nieuwe dossiers
Steunvolume nieuwe dossiers (euro)
Aantal herzieningen
Steunvolume herzieningen (euro)
West-Vlaanderen
1066
23.449.295
269
739.276
Oost-Vlaanderen
660
17.728.649
164
495.445
Antwerpen
464
23.942.189
74
689.967
Limburg
241
5.132.143
56
236.871
Vlaams-Brabant
224
4.735.321
88
89.132
Vlaanderen
2655
74.987.598
651
Toegekende steun
Ruim 73% van de nieuwe dossiers waarover een gunstige beslissing werd genomen, zijn landbouwdossiers, d.w.z. dossiers van bedrijven met hoofdzakelijk landbouwactiviteiten en veehouderij. Zij vertegenwoordigen 59% van het totale steunvolume. De overige 27% van de nieuwe dossiers waarover een gunstige beslissing werd genomen zijn tuinbouwdossiers. Die vertegenwoordigen 41% van het totale steunvolume. Als vergeleken wordt met 2008, blijkt dat het aantal dossiers in de landbouw in verhouding tot de tuinbouw slechts licht gestegen is. De verhouding in de toegekende steun is echter vrijwel constant gebleven. Het aandeel van de tuinbouwdossiers in de toegekende steun is gestegen van 27% in 2007 naar 40% in 2008 en bedroeg 41% in 2009. Die evolutie houdt verband met de aard en de omvang van zowel de landbouwdossiers als de tuinbouwdossiers. In de landbouw is het aantal omvangrijke investeringsprojecten met een hoge steunintensiteit type ammoniakemissiearme stallen gedaald, terwijl in de tuinbouw het omgekeerde gebeurde, d.w.z. er zijn meer grote projecten met gemiddeld hoge steunintensiteit. In 2008 was het gemiddelde steunbedrag per dossier zodoende hoger in de tuinbouw dan in de landbouw terwijl dit in 2007 nog omgekeerd was. In 2009 bedroeg het gemiddelde steunvolume per dossier 22.807 euro in de landbouw en 43.137 euro in de tuinbouw.
2.250.692
73
Uit tabel 5.2 en figuur 5.2 blijkt dat West-Vlaanderen de provincie is met het meeste dossiers. Door de subsidiĂŤring van een relatief beperkt aantal grootschalige projecten en WKK-installaties staat Antwerpen inzake steunvolume in 2009 net boven West-Vlaanderen. Oost-Vlaanderen heeft veel dossiers maar komt inzake steunvolume ver achter West-Vlaanderen en Antwerpen. Limburg en Vlaams-Brabant blijven traditioneel de provincies met de minste investeringsdossiers en het laagste steunvolume. Globaal correspondeert het aantal dossiers en het steunvolume met het belang van de land- en tuinbouw in de provincies. Figuur 5.2 Totale toegekende steun aan land- en tuinbouwproducenten per provincie
West-Vlaanderen (31%) Oost-Vlaanderen (24%) Antwerpen (32%) Limburg (7%)
Toegekende steun
Vlaams-Brabant (6%)
Bij 712 nieuwe dossiers werd alleen steun verleend in de vorm van een kapitaalpremie omdat de betreffende investeringen volledig gefinancierd werden met eigen middelen (tabel 5.3). Bij 1943 nieuwe dossiers had de steun een gemengde vorm (rentesubsidie en kapitaalpremie) omdat de investeringen geheel of gedeeltelijk gefinancierd werden met krediet. Bij deze dossiers met kredietfinanciering is de steun beduidend hoger dan bij dossiers met uitsluitend eigen financiering omdat logischerwijze wordt geleend voor hogere investeringsbedragen. Dossiers waar de investeringen gedeeltelijk met krediet en gedeeltelijk met eigen middelen gefinancierd worden, staan in tabel 5.3 toch gerangschikt in de kolom ‘lening bij kredietinstelling’. Tabel 5.3 Aantal dossiers en toegekende steun (euro) volgens financieringswijze
Nieuwe dossiers Aantal nieuwe dossiers Steunvolume nieuwe dossiers (euro) Aantal herzieningen Steunvolume herzieningen (euro) Totaal aantal Steunvolume totaal (euro)
74
Volledig eigen middelen
Lening bij kredietinstelling
Totaal
712
1943
2655
4.194.480
70.793.118
74.987.598
121
530
651
186.830
2.063.862
2.250.692
833
2473
3306
4.381.310
72.856.980
77.238.290
Het totale steunvolume voor dossiers met krediet bedraagt 70,793 miljoen euro. Dit is 3,715 miljoen euro meer dan in 2008. Het steunvolume voor de dossiers met eigen middelen verminderde tot 4,194 miljoen euro, wat 1,142 miljoen euro minder is dan in 2008. Indeling volgens kredietinstelling Tabel 5.4 Overzicht van het aantal dossiers en het totale steunvolume (euro) in land- en tuinbouw per kredietinstelling
Kredietinstelling
Aantal landbouw
Steunvolume landbouw (euro)
Aantal tuinbouw
Steunvolume tuinbouw (euro)
Totaal aantal
Totaal steunvolume (euro)
501
2.651.503
211
1.542.977
712
4.194.480
KBC Bank
806
24.563.366
308
20.354.925
1114
44.918.290
Landbouwkrediet
361
9.791.123
71
4.787.954
432
14.579.077
BNP Paribas Fortis
184
5.538.639
76
1.575.118
260
7.113.757
ING BelgiĂŤ
36
1.144.306
18
479.861
54
1.624.167
Rabobank Nederland
1
6.883
3
1.393.122
4
1.400.004
Dexia Bank
5
92.485
5
320.020
10
412.505
CNH Financial Services
35
234.150
11
52.101
46
286.250
Centea
7
148.177
1
19.477
8
167.654
AXA Bank
8
124.637
5
44.077
13
168.713
CBC Banque
1
64.820
1
57.880
2
122.700
Totaal
1945
44.360.088
710
30.627.510
2655
Toegekende steun
Eigen middelen
74.987.598
In tabel 5.4 wordt een overzicht gegeven van het steunvolume voor nieuwe dossiers per kredietinstelling. De dossiers ingediend door KBC Bank zijn goed voor 59,9% van de toegekende steun. Op een afstand volgen Landbouwkrediet met 19,4% en BNP Paribas Fortis met 9,5%. Een paar recent erkende banken spelen beperkt mee in een paar nichemarkten zoals de financiering grote glastuinbouwbedrijven door Rabobank Nederland en de financiering door CNH Financial Services van machines aangekocht bij Case New Holland. Dossiers voor investeringen die volledig met eigen middelen gefinancierd worden, zijn gemiddeld klein. Met 26,8% van het aantal dossiers vertegenwoordigen ze slechts 5,6% van het steunvolume.
75
5.1.1  Vestigingssteun
5.1.1.1  Algemeen De steun bestaat uit een vestigingspremie van 50% op de eerste 50.000 euro vestigingskosten, vervolgens rentesubsidie op geleende vestigingskosten boven deze 50.000 euro. In 2009 werd zo voor 192 dossiers 4,727 miljoen euro vestigingspremie toegekend. Hiervan kregen 171 dossiers in totaal 3,637 miljoen euro rentesubsidie met EU-cofinanciering (aanvaarde vestigingskosten hoger dan 50.000 euro), waarvan 75 dossiers in totaal nog eens 1,117 miljoen euro rentesubsidie zonder EU-cofinanciering kregen omdat de aanvaardbare vestigingskosten boven de 150.000 euro lagen. In tabel 5.5a wordt dit totale steunvolume op nieuwe dossiers van 9,482 euro uitgesplitst per provincie en per subsector. Het Vlaamse aandeel hierin (cfr. Vlaamse budgettaire vastlegging) bedroeg 7,486 miljoen euro; het overige deel wordt bij uitbetaling door de Europese Unie gefinancierd. Tevens werden de eerder toegekende vestigingssteun in 15 dossiers herzien (zie tabel 5.5b). Tabel 5.5a Overzicht van de toegekende steun (euro) voor vestigingsdossiers per provincie
Toegekende steun
Provincie
Aantal nieuwe vestigingsdossiers
Steunvolume landbouw (euro)
Steunvolume tuinbouw (euro)
Steunvolume totaal (euro)
West-Vlaanderen
63
2.825.041
460.603
3.285.644
Oost-Vlaanderen
52
2.151.492
366.161
2.517.653
Antwerpen
37
1.410.658
229.480
1.640.138
Limburg
25
839.776
356.819
1.196.594
Vlaams-Brabant
15
649.043
193.017
842.060
7.876.009
1.606.080
9.482.089
Vlaanderen
192
Tabel 5.5b Overzicht van de toegekende steun (euro) voor herzieningen in vestigingsdossiers per provincie
Provincie
Steunvolume landbouw (euro)
Steunvolume tuinbouw (euro)
Steunvolume totaal (euro)
West-Vlaanderen
4
16.067
-
16.067
Oost-Vlaanderen
6
241.456
-
241.456
Antwerpen
4
62.549
15.328
77.878
Limburg
1
22.000
-
22.000
Vlaams-Brabant
0
-
-
-
342.072
15.328
357.400
Vlaanderen
76
Aantal herzieningen vestigingsdossiers
15
Figuur 5.3 geeft een inzicht in de verdeling over de provincies van de steun voor eerste vestigingen. Ongeveer 59,9% van de vestigingen met steun zijn voor rekening van West- en Oost-Vlaanderen. Het aandeel van Antwerpen, Limburg en Vlaams-Brabant bedraagt respectievelijk 19,3%, 13% en 7,8%. De steun gaat voor 83,1% naar vestigingen in de landbouwsector. De figuur toont aan dat, met uitzondering van Limburg vanwege een aantal fruitbedrijven, het aandeel van de vestigingen in de tuinbouw beperkt blijft. Vestigingssteun kan alleen verkregen worden wanneer de jonge landbouwer zich vestigt op een bestaand bedrijf en er de roerende bedrijfsbekleding (deels) overneemt. Bij een vestiging via de creatie van een nieuw bedrijf wordt geen vestigingssteun verleend maar wel investeringssteun. Figuur 5.3 Steunvolume voor nieuwe vestigingsdossiers in land- en tuinbouw per provincie 3500000 3000000 2500000 2000000 1500000 1000000 500000
Tuinbouw
0
Landbouw West-Vlaanderen
Oost-Vlaanderen
Antwerpen
Limburg
Vlaams-Brabant
De 9,482 miljoen euro steun (Vlaams + Europees) voor vestigingsdossiers werd toegekend op 31,994 miljoen euro subsidiabele vestigingskosten (tabel 5.6). De subsidiabele vestigingskosten bestaan voor 86,3% uit de overname van bedrijfsbekleding. Overname van aandelen vertegenwoordigt in 2009 ongeveer 10,2 % van de subsidiabele kosten, wat een stijging is met ruim 4% ten opzichte van 2008. De opgang van de vennootschapsvorming komt in 2009 duidelijker tot uiting in de cijfers van de ingediende dossiers en zal zich dus in de toegekende steun van de komende jaren tonen. De omvorming naar een vennootschap gebeurt vaak kort na de vestiging. Met een wijziging van de regelgeving die overname van aandelen positief discrimineert, wordt een versnelde overgang naar de vennootschapsvorm verwacht.
Toegekende steun
5.1.1.2  Verrichtingen met vestigingssteun
De overige subsidiabele verrichtingen bij vestiging zoals de aankoop van dieren en materieel blijven beperkt in omvang. Tabel 5.6 Overzicht van subsidiabele vestigingskosten (euro) voor de specifieke verrichtingen met vestigingssteun in land- en tuinbouw
Subsidiabele vestigingskost Overname bij vestiging
Landbouw (euro)
Tuinbouw (euro)
Totaal (euro)
23.279.569
4.329.892
27.609.461
2.804.475
446.905
3.251.381
Aankoop vee bij 1e vestiging
271.421
-
271.421
Aankoop materieel bij 1e vestiging
470.783
391.204
861.987
26.826.248
5.168.002
31.994.249
Overname aandelen vestiging
Totaal
77
5.1.2 Investeringssteun
5.1.2.1 Algemeen De investeringssteun wordt bij uitbetaling voor 30% gefinancierd door de Europese Unie. In 2009 werd in 2410 nieuwe dossiers investeringssteun verleend. Voor 390 investeringsdossiers werd een eerdere steuntoekenning herzien. De totale steun (nieuwe investeringsdossiers en herzieningen) bedroeg 60,210 miljoen euro. De nieuw verleende steun heeft betrekking op 256,191 miljoen euro subsidiabele investeringen (tabel 5.7). De verhouding tussen de subsidiabele investeringen in de landbouwsector en die in de tuinbouwsector was in 2008 geëvolueerd naar een 60/40-verhouding die ook in 2009 zo bleef. De verschuiving t.o.v. 2007, toen de verhouding nog 70/30 was, is belangrijk. De cijfers over verleende steun volgen met wat vertraging de ontwikkelingen inzake gevraagde steun (indieningen). De terugval in 2007 in het aantal aanvragen voor ammoniakemissiearme stallen en de toename van aanvragen voor WKK-installaties en serrebouw verklaren in grote mate de verschuiving tussen 2007 en 2008. Voor gesubsidieerde investeringen in de tuinbouw was Antwerpen in 2009 veruit de belangrijkste provincie met 46,106 miljoen euro subsidiabele investeringen. Vergeleken met 2008 werd in 2009 ongeveer evenveel investeringssteun verleend. Het aantal gesubsidieerde nieuwe investeringsdossiers lag 456 eenheden lager. De gemiddelde steun per investeringsdossier is verder gestegen tot 24.359 euro. In 2008 was dit 20.377 euro per dossier en in 2007 slechts 18.735 euro per dossier. Tabel 5.7 Totale subsidiabele investeringskosten (euro) in land- en tuinbouw per provincie
Toegekende steun
Provincie
Subsidiabele investeringskosten landbouw (euro)
Subsidiabele investeringskosten tuinbouw (euro)
Totaal subsidiabele investeringskosten (euro)
West-Vlaanderen
67.136.658
17.234.008
84.370.666
Oost-Vlaanderen
36.381.912
23.916.992
60.298.904
Antwerpen
29.180.502
46.106.547
75.287.049
Limburg
10.848.714
7.835.029
18.683.743
Vlaams-Brabant
11.894.370
5.656.767
17.551.136
155.442.156
100.749.342
256.191.498
Vlaanderen
De verdeling van het aantal dossiers en de investeringssteun per provincie en volgens de subsectoren (landbouw/tuinbouw) is weergegeven in tabel 5.8 en figuur 5.4. De verdeling stemt overeen met de verwachtingen en weerspiegelt het respectievelijk belang van de land- en tuinbouwsector in de provincies. Dat West-Vlaanderen op die basis moet getypeerd worden als de landbouwprovincie bij uitstek en Antwerpen als een belangrijke tuinbouwprovincie, is geen verrassing.
78
Tabel 5.8a Overzicht van de toegekende steun (euro) voor investeringsdossiers per provincie
Provincie
Aantal nieuwe investeringsdossiers
Steunvolume landbouw (euro)
Steunvolume tuinbouw (euro)
Steunvolume totaal (euro)
West-Vlaanderen
978
13.935.434
3.450.027
17.385.462
Oost-Vlaanderen
589
7.384.213
6.714.212
14.098.425
Antwerpen
418
5.830.652
14.649.832
20.480.484
Limburg
218
2.036.645
1.640.737
3.677.383
Vlaams-Brabant
207
1.965.967
1.096.716
3.062.683
31.152.912
27.551.524
58.704.436
Vlaanderen
2410
Tabel 5.8b Overzicht van de toegekende steun (euro) voor herzieningen in investeringsdossiers per provincie
Provincie
Aantal herzieningen investeringsdossiers
Steunvolume landbouw (euro)
Steunvolume tuinbouw (euro)
Steunvolume (totaal)
160
502.952
33.512
536.464
Oost-Vlaanderen
101
208.922
34.990
243.913
Antwerpen
46
364.738
127.934
492.672
Limburg
31
129.708
27.184
156.892
Vlaams-Brabant
52
52.335
23.423
75.758
1.258.656
247.043
1.505.699
Vlaanderen
390
Toegekende steun
West-Vlaanderen
79
Figuur 5.4 Steunvolume (euro) voor nieuwe investeringsdossiers in land- en tuinbouw per provincie 25.000.000
20.000.000
15.000.000
10.000.000
5.000.000
Tuinbouw Landbouw
0 West-Vlaanderen
Oost-Vlaanderen
Antwerpen
Limburg
Vlaams-Brabant
5.1.2.2 Steuncategorieën (percentages) voor investeringssteun
Toegekende steun
Vanaf 2000 worden de investeringen gesubsidieerd naar rato van 10, 20, 30 en 40 % steun. Tussen 1 januari 2003 en 10 maart 2006 bestond er voor ammoniakemissiearme stallen een regime met variabele steun ter compensatie van de meerkosten (tussen 20 en 28 %). Die dossiers, waarvan er in 2009 nog een aantal goedgekeurd werden, worden hier toch gerangschikt in de groep van investeringen met 40% steun. Tabel 5.9 geeft een overzicht van de investeringskosten volgens de toegepaste steunintensiteit. Op 63,6% van het subsidiabel investeringsbedrag wordt 20% steun verleend. Er gaat 10% steun naar 23,2% van het subsidiabel investeringsbedrag en de groep met 40% investeringssteun vertegenwoordigde in 2009 nog 12,6% van het subsidiabel investeringsbedrag. De groep met 30% steun komt net als in de vorige jaren maar beperkt voor (figuur 5.5). Voor de bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen wordt gangbaar 20% steun verleend, maar ook 10% (kippenstal met kooihuisvesting) en 40% (diversificatie en WKK-installaties) steun komt voor. Bij aankoop van materieel en dieren wordt gangbaar 10% steun verleend maar ook 20% (geavanceerde spuitmachine), 30% (oliepers) en zelfs 40% (mechanische onkruidbestrijding en diversificatie) is mogelijk. Andere bedrijfsverbeteringen genieten 20% of 40% steun. De tweede fase van een overname (in de tabel gerangschikt onder eerste installatie) en aankoop van bedrijfsgebouwen worden alleen gesubsidieerd naar rato van 20%. De aanplant van nieuwe fruitrassen is de voornaamste investering met 30% steun. Voor dossiers ingediend na 27 juni 2008 is er alleen voor specifieke dossiers voor biologische land- en tuinbouw nog 40% steun mogelijk. In 2009 werd ook nog op een investeringsvolume van 40.768 euro steun verleend aan 1 vzw met een sociaal doel met een landbouwbedrijf. Hier wordt de steun niet volgens vaste steuncategorieën verleend, maar ten belope van het steunequivalent van 4% rentesubsidie gedurende 7 jaar (roerende goederen) of 10 jaar (onroerende goederen). In concreto is het steunvolume afhankelijk van het jaar van aanvraag (cfr. actualisatievoet, punt 2.1.2.2. Regelgeving en punt 5.2. Steun aan coöperatieven). Voor roerende goederen schommelt dat rond de 14% steun en voor onroerende goederen 18 à 19%.
80
Tabel 5.9 Overzicht van de totale subsidiabele investeringskosten (euro) per steuncategorie
Subsidiabele investeringskosten
Categorie 10%
Categorie 20%
Categorie 30%
Categorie 40%
Andere
Totaal
Eerste installatie
0
4.250.222
0
0
0
4.250.222
Aankoop hoeve
0
8.174.911
0
0
0
8.174.911
Andere bedrijfsverbeteringen
0
14.103.008
147.514
774.706
0
15.025.228
828.858
135.867.376
373.531
30.946.025
0
168.015.790
58.629.446
560.341
836.303
658.490
40.768
60.725.347
59.458.305
162.955.858
1.357.347
32.379.221
40.768
256.191.498
Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen Materieel, vee en aanplantingen)
Totaal
Figuur 5.5 Totale subsidiabele investeringskosten per steuncategorie (10, 20, 30 of 40%)
20% steun (64%)
Toegekende steun
10% steun (23%)
30% steun (1%) 40% steun (13%) Andere (0%)
81
5.1.2.3 Belangrijkste verrichtingen met investeringssteun Hieronder wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste investeringen in de landbouwsector volgens het type van investering. Tabel 5.10 Top 10 van de gesubsidieerde investeringen (euro) in de landbouwsector
Toegekende steun
Rangschikking
Type investering landbouw
Subsidiabel investeringsbedrag (euro)
1
Machines en materieel
42.896.260
2
Bewaar- en machineloods
16.907.045
3
Bouwen/Inrichten melkveestal
15.321.762
4
AEA-vleesvarkensstal
13.886.496
5
AEA-zeugenstal
9.136.433
6
AEA-biggenstal
5.842.516
7
Melkinstallatie
4.995.097
8
Bouwen/Inrichten jongveestal (melkvee)
4.785.735
9
AEA-fokvarkensstal (alle categorieën)
4.618.445
10
Aankoop gebouwen (in gebruik)
4.017.129
In 2009 werd op 155,442 miljoen euro investeringen in de landbouw steun verleend. Tabel 5.10 geeft een overzicht van de tien types investeringen met de grootste subsidiabele investeringskosten in de landbouwsector. Louter op basis van investeringscode staat de aankoop van machines en materieel op één. Een beperkt aantal machines wordt onder specifieke investeringscodes gerangschikt maar die investeringsbedragen blijven beperkt. Als investeringen gehergroepeerd worden, staan de ammoniakemissiearme stallen op de tweede plaats met 37,852 miljoen euro subsidiabele investeringen of 24,4% van het totaal in de landbouwsector. Naargelang de diersoort en de steunintensiteit worden die gerangschikt onder verschillende investeringscodes. Figuur 5.6 geeft de provinciale verdeling voor de tien investeringstypes uit tabel 5.10. De nummers in de figuur corresponderen met de plaats in de top 10. De ammoniakemissiearme varkensstallen (onder 4, 5, 6 en 9) zijn uiteraard belangrijk in West-Vlaanderen. In Vlaams-Brabant wordt nauwelijks geïnvesteerd in varkenshouderij. Aankoop van materieel, bouwen van loodsen, bouwen en inrichten van jongveestallen voor melkvee en aankoop van bedrijfsgebouwen is hier aan de orde.
82
Figuur 5.6 Provinciale verdeling van de belangrijkste investeringstypes in de landbouwsector 100%
West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen Antwerpen
50%
Limburg Vlaams-Brabant
0% 1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
Hieronder wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste investeringen in de tuinbouwsector volgens het type van investering.
Rangschikking
Type investering tuinbouw
Subsidiabel investeringsbedrag (euro)
1
Bouwen/Inrichten serre
25.131.787
2
WKK-installatie op gas of biobrandstof
20.151.460
3
Machines en materieel
14.308.427
4
Bewaar- en machineloods
11.056.457
5
Bouwen frigo
4.711.285
6
Energiebesparing: eerste energiescherm
4.275.998
7
Vaste uitrusting gebouwen
2.959.340
8
Energiebesparing: warmtebuffer of rookgascondensor
2.942.841
9
Terreinuitrusting
2.364.798
10
Aankoop gebouwen (in gebruik)
1.976.307
Toegekende steun
Tabel 5.11 Top 10 van de gesubsidieerde investeringen (euro) in de tuinbouwsector
83
In 2009 werd op 100,749 miljoen euro investeringen in de tuinbouw steun verleend. Tabel 5.11 geeft een overzicht van de tien types investeringen met de grootste subsidiabele investeringskosten in de tuinbouwsector. Bouwen en inrichten van serres is, zoals altijd, de belangrijkste subsidiabele investering in de tuinbouwsector. Investeringen die te maken hebben met het element energie op de tuinbouwbedrijven zijn opvallend aanwezig. Net als in de landbouw zijn ook machines en materieel en loodsen belangrijk. Figuur 5.7 geeft de provinciale verdeling voor de tien investeringstypes uit tabel 5.11. De nummers in de figuur corresponderen met de plaats in de top 10. De figuur illustreert duidelijk het belang van de provincie Antwerpen voor de specifieke investeringen in de glastuinbouw type ‘bouwen serre’, ‘WKK-installatie”, ‘energiebesparing’ en ‘verwarming op biobrandstoffen”. Frigo’s komen relatief meer voor in Limburg en Vlaams-Brabant (fruitteelt) en terreinuitrusting (containervelden) in Oost- en West-Vlaanderen. Figuur 5.7 Provinciale verdeling van de belangrijkste investeringstypes in de tuinbouwsector 100%
West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen Antwerpen
50%
Limburg
Toegekende steun
Vlaams-Brabant
0% 1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
5.1.3 Diversificatiesteun Diversificatiesteun wordt naar rato van 30% mee gefinancierd door de Europese Unie. In 2009 werd in 196 nieuwe dossiers diversificatiesteun verleend en werd voor 35 dossiers een eerdere steuntoekenning herzien (tabel 5.12). Er werd in totaal 6,801 miljoen euro nieuwe diversificatiesteun verleend op een subsidiabel investeringsbedrag van 19,859 miljoen euro (tabel 5.13). Tabel 5.12a Overzicht van de toegekende steun (euro) voor diversificatiedossiers per provincie
Provincie
Steunvolume landbouw (euro)
Steunvolume tuinbouw (euro)
Steunvolume totaal (euro)
West-Vlaanderen
81
2.147.369
630.820
2.778.189
Oost-Vlaanderen
51
754.295
358.277
1.112.571
Antwerpen
33
1.644.841
176.726
1.821.567
Limburg
12
150.988
107.179
258.167
Vlaams-Brabant
19
633.675
196.904
830.579
5.331.167
1.469.906
6.801.073
Vlaanderen
84
Aantal nieuwe dossiers diversificatie
196
Tabel 5.12b Overzicht van de toegekende steun (euro) voor herzieningen in diversificatiedossiers per provincie
Provincie
Aantal herzieningen diversificatie
Steunvolume landbouw (euro)
Steunvolume tuinbouw (euro)
Steunvolume totaal (euro)
West-Vlaanderen
17
171.565
15.180
186.745
Oost-Vlaanderen
2
8.614
1.463
10.077
Antwerpen
6
119.418
0
119.418
Limburg
3
57.979
0
57.979
Vlaams-Brabant
7
-412
13.786
13.374
357.163
30.429
387.592
Vlaanderen
35
De landbouwsector is goed voor 78,4% van het subsidiabel investeringsbedrag. De overige 21,6% betreft investeringen door tuinbouwbedrijven. De belangrijkste provincies voor investeringen in diversificatie zijn West-Vlaanderen en Antwerpen met een respectievelijk subsidiabel investeringsbedrag van 8,038 en 5,414 miljoen euro. Het aantal dossiers ligt in Oost-Vlaanderen (51) echter hoger dan in Antwerpen (33). Het hoge subsidiabel investeringsbedrag in Antwerpen is vooral te verklaren door de investeringen in zonnepanelen. De in 2009 toegekende steun voor “diversificatie� betreft in hoofdzaak productie van zonne-energie: 90,8% van het gesubsidieerde investeringsbedrag voor diversificatie. Tabel 5.13 Totale subsidiabele diversificatiekosten (euro) in land- en tuinbouw per provincie
Subsidiabele verbredingskosten tuinbouw (euro)
Totaal subsidiabele verbredingskosten (euro)
West-Vlaanderen
6.222.278
1.815.941
8.038.219
Oost-Vlaanderen
2.280.869
1.086.609
3.367.478
Antwerpen
4.888.281
526.228
5.414.508
358.685
289.967
648.652
1.816.567
573.395
2.389.962
15.566.680
4.292.139
19.858.819
Limburg Vlaams-Brabant
Vlaanderen
Toegekende steun
Subsidiabele verbredingskosten landbouw (euro)
Provincie
Figuur 5.8 geeft een inzicht in het aandeel van de verschillende provincies in de toegekende steun. Ook hier zien we dat West-Vlaanderen en Antwerpen de grootste provincies zijn met elk een aandeel van respectievelijk 40,8% en 26,8%. De andere provincies, Oost-Vlaanderen (16,4%), Vlaams-Brabant (12,2%) en Limburg (3,8%), hebben duidelijk een lager aandeel qua toegekende steun voor investeringen in diversificatie.
85
Figuur 5.8 Steunvolume (euro) voor nieuwe diversificatiedossiers in land- en tuinbouw per provincie 3000000
2500000
2000000
1500000
1000000
500000
Tuinbouw Landbouw
0 West-Vlaanderen
Oost-Vlaanderen
Antwerpen
Limburg
Vlaams-Brabant
5.1.4 Verdeling van de toegekende VLIF-steun volgens type van investering en doelstelling
5.1.4.1 Algemeen
Toegekende steun
Tabel 5.14 geeft een overzicht van de gesubsidieerde investeringen volgens het type investering of verrichting. Onder ‘Eerste installatie’ wordt vooral de vestigingssteun gerangschikt maar ook de steun voor de tweede fase van een overname (gerangschikt als investeringssteun) is hierin begrepen. Tabel 5.14 Subsidiabele kosten (euro) per categorie in land- en tuinbouw
Subsidiabele kosten (euro) Eerste installatie
Landbouw
Tuinbouw
Totaal
30.993.965
5.250.507
36.244.471
4.730.088
3.444.823
8.174.911
Verbreding
15.566.680
4.292.139
19.858.819
Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen
92.600.044
75.415.746
168.015.790
Materieel, vee en aanplantingen
44.554.142
16.171.205
60.725.347
9.390.165
5.635.063
15.025.228
197.835.084
110.209.483
308.044.567
Aankoop hoeve
Andere bedrijfsverbeteringen
Totaal
In tabel 5.15 wordt het aantal investeringen of verrichtingen weergegeven waarvoor in 2009 steun werd verleend. Zoals eerder aangegeven kunnen per dossier meerdere verrichtingen voorkomen. De bouw van een loods met zonnepanelen staat voor twee investeringen (één onder bouw bedrijfsgebouwen en één onder diversificatie).
86
Tabel 5.15 Aantal verrichtingen per categorie in land- en tuinbouw
Categorie
Landbouw
Tuinbouw
Totaal
Eerste installatie
226
53
279
Aankoop hoeve
51
20
71
Verbreding
163
47
210
Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen
1071
541
1612
Materieel, vee en aanplantingen
1148
509
1657
611
237
848
3270
1407
4677
Andere bedrijfsverbeteringen
Totaal
In tabel 5.16 worden de gesubsidieerde investeringen zodanig ingedeeld dat voor het totaal van de investeringen verduidelijkt wordt welke bedragen specifiek gaan naar investeringen gericht op een evolutie naar duurzame landbouw. De cijfers voor diversificatie wijken beperkt af van de indeling volgens de aard van de verrichting. Het verschil betreft investeringen die gericht zijn op de (artisanale) aanmaak van hoeveproducten. Dit zijn investeringen die vanaf 1 januari 2007 qua aard formeel niet meer gerangschikt worden als diversificatie (maatregelen in As 3 van het plattelandsontwikkelingsprogramma PDPO II) maar hieronder qua doel altijd al gerangschikt werden. Dit komt ook tot uiting onder 5.1.4.2.
Investering (euro) Milieu
Landbouw
Tuinbouw
Totaal
43.535.740
31.703.010
75.238.750
Dierenwelzijn
2.556.374
-
2.556.374
Diversificatie
16.876.556
4.346.419
21.222.975
357.701
-
357.701
40.768
-
40.768
134.467.944
74.160.054
208.627.999
197.835.084
110.209.483
308.044.567
Biologische teelt Consumentencoรถperaties en sociale instellingen Overige
Totaal
Toegekende steun
Tabel 5.16 Subsidiabele kosten (euro) per doelgroep in land- en tuinbouw
Op een totaal van meer dan 308 miljoen euro aan subsidiabele kosten waarop in 2009 steun werd toegekend bedraagt het aandeel aan subsidiabele milieu-investeringskosten (zonnepanelen inbegrepen, vervat in diversificatie) meer dan 30% van het totaal. Het aandeel van de in 2009 aan milieu-investeringen toegekende steun is nog hoger en bedraagt 45,9% van de totale toegekende steun, wat aanzienlijk is. In tabel 5.17 wordt eenzelfde indeling gemaakt voor het aantal investeringen of verrichtingen. Zoals eerder aangegeven, kunnen per dossier meerdere verrichtingen vervat zitten.
87
Tabel 5.17 Aantal verrichtingen per doelgroep in land- en tuinbouw
Investering
Landbouw
Tuinbouw
Totaal
Milieu
539
232
771
Diversificatie
214
51
265
Dierenwelzijn
50
-
50
Biologische teelt
3
-
3
ConsumentencoĂśperaties en sociale instellingen
1
-
1
2463
1124
3587
3270
1407
4677
Overige
Totaal
5.1.4.2  Overzicht van de gesubsidieerde investeringstypes. In Tabel 5.18 volgt een overzicht van de investeringen die in 2009 steun ontvangen hebben, samen met hun aantallen en het corresponderende gesubsidieerde bedragen.
Toegekende steun
Tabel 5.18 Overzicht van de investeringen (aantallen en bedragen)
Eerste installatie (overige)
Subsidiabel investeringsbedrag (euro)
Aankoop materieel bij 1e vestiging
22
861.987
Aankoop vee bij 1e vestiging
5
271.421
Overname 2e fase
59
3.987.245
Overname aandelen 2e fase
3
262.977
Overname aandelen vestiging
23
3.251.381
Overname bij vestiging
167
27.609.461
Aankoop hoeve (overige)
88
Aantal
Aantal
Subsidiabel investeringsbedrag (euro)
Aankoop gebouwen (in gebruik)
54
5.993.436
Aankoop gebouwen (installatie)
5
390.232
Aankoop gebouwen (niet in gebr.)
12
1.791.243
Verbreding (diversificatie)
Aantal
Subsidiabel investeringsbedrag (euro)
Detailverkoop (gebouwen)
18
634.043
Detailverkoop (materieel)
17
180.179
Educatief toegankelijk maken van het bedrijf (gebouwen)
10
775.114
Educatief toegankelijk maken van het bedrijf (materieel)
2
47.005
Energieproductie: andere grondstoffen
1
14.496
Fotovoltaïsche zonnecellen en zonneboilers
149
18.034.682
Hoeveproducten zuivel (gebouwen)
1
1.478
Hoeveproducten zuivel (materieel)
1
7.757
Inrichting van bedrijfsruimten voor zorgvragers
2
103.452
Machines landschapsbeheer
5
16.150
Ombouwen landbouwmachines
1
4.000
Openstellen bedrijf voor dagrecreatie (gebouwen)
3
40.462
Aantal
Subsidiabel investeringsbedrag (euro)
AEA-biggenstal
48
5.842.516
AEA-fokvarkensstal (alle categorieën)
9
4.618.445
AEA-kraamstal
25
3.054.909
AEA-legkippenstal met volière- of grondhuisvesting
1
200.200
AEA-poeljenstal
2
1.113.315
AEA-vleesvarkensstal
52
13.886.496
AEA-zeugenstal
43
9.136.433
Energiebesparing: eerste energiescherm
48
4.275.998
Energiebesparing: stalisolatie
3
35.428
Energiebesparing: warmtebuffer of rookgascondensor
24
2.942.841
Gasverwarmingsinstallatie
9
463.322
Geur- en stofbestrijding
2
117.362
Rookgasreiniging
1
10.734
Verwarming op biobrandstoffen
9
1.985.996
WKK-installatie op gas of biobrandstof
24
20.151.460
Toegekende steun
Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen (milieu)
89
Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen (dierenwelzijn)
5
250.935
Herinrichten legkippenstal met verrijkte kooien
1
684.380
Herinrichten legkippenstal met volière- of grondhuisvesting
2
192.068
Herinrichten zeugenstallen met groepshuisvesting
8
403.938
Verbeteren stalklimaat
34
1.025.054
Aantal
Subsidiabel investeringsbedrag (euro)
Hoeveproducten andere vanaf 1-1-2007 (gebouwen)
3
39.794
Hoevevlees (gebouwen)
1
61.973
Hoevevlees vanaf 1-1-2007 (gebouwen)
5
361.430
Hoevezuivel vanaf 1-1-2007 (gebouwen)
10
365.948
Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen (biologische teelt) Toegekende steun
Subsidiabel investeringsbedrag (euro)
Groepshuisvesting kalveren
Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen (diversificatie)
90
Aantal
Aantal
Subsidiabel investeringsbedrag (euro)
Biologische melkveehouderij
2
28.061
Biologische pluimveehouderij
1
329.640
Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen (overige) Bewaar- en machineloods
Aantal
Subsidiabel investeringsbedrag (euro)
368
27.963.502
Bouw/Inrichten kleinveestallen
5
1.000.613
Bouw/Inrichten paardenstallen
4
1.636.220
Bouwen frigo
59
4.839.786
Bouwen/Inrichten champignonkwekerij
2
413.443
Bouwen/Inrichten jongveestal (melkvee)
111
Bouwen/Inrichten jongveestal (vleesvee)
8
4.785.735 346.657
184
15.321.762
Bouwen/Inrichten serre
151
25.540.342
Bouwen/Inrichten vleesveestal
23
1.309.744
Bouwen/Inrichten witloofloods
7
401.426
Bouwen-Inrichten melkstal/melkinstallatie/voederautomaat
72
3.304.157
Isolatie en ventilatie bestaande bewaarruimte
10
144.151
Melkinstallatie
109
4.995.097
Plastiek tunnels
16
144.479
Silo voor opslag akkerbouwgewassen voor verkoop
3
40.846
Vaste uitrusting gebouwen
71
3.448.530
Vernieuwing daken van hoeven met cultuurhistorisch karakter
3
58.702
Voorzieningen voor personeel (gebouwen)
34
741.923
Materiaal, vee en aanplantingen (milieu)
Aantal
Toegekende steun
Bouwen/Inrichten melkveestal
Subsidiabel investeringsbedrag (euro)
Erosieploeg
15
93.928
Geavanceerde spuitmachines
6
261.215
Installatie lagedrukbandensysteem
2
20.324
Machines voor directinzaai
1
11.775
Mechanische onkruidbestrijding
30
183.632
Mestinjectie
3
108.460
Waterbehandeling
3
13.566
91
Materiaal, vee en aanplantingen (diversificatie)
8
93.108
Hoevevlees vanaf 1-1-2007 (materieel)
7
138.487
Hoevezuivel vanaf 1-1-2007 (materieel)
15
233.302
Maal- en menginstallatie
6
70.114
Investeringen voor Sociale Instellingen (roerend goed)
Materiaal, vee en aanplantingen (overige)
Toegekende steun
Subsidiabel investeringsbedrag (euro)
Hoeveproducten andere vanaf 1-1-2007 (materieel)
Materiaal, vee en aanplantingen (consumentencoöperatie en sociale instellingen)
92
Aantal
Aantal 1
Aantal
Subsidiabel investeringsbedrag (euro) 40.768
Subsidiabel investeringsbedrag (euro)
Aankoop duurzame planten
5
205.695
Buitenberegening en -fertigatie
10
100.645
Gangbare pitfruitvariëteiten
35
693.945
Gangbare pitfruitvariëteiten (20%)
1
19.838
Installatie GPS-sturing
27
144.131
Kersen, pruimen, druiven ...
5
56.151
Machines en materieel
1419
57.204.687
Materieel voor het reinigen van de weg
14
63.659
Nieuwe fruitvariëteiten
19
409.398
Oogstprotectie fruit
4
97.150
Overname tweede bedrijf
5
382.455
Vogelschrikapparatuur
5
44.709
Voorzieningen voor personeel (materieel)
11
34.204
Andere bedrijfsverbeteringen (milieu)
Aantal
Subsidiabel investeringsbedrag (euro)
Afbreken serres in combinatie met nieuwbouw
1
375
Bijkomende mestopslagcapaciteit
1
11.297
Energiebesparing: kasomhulling
8
201.333
Fytobak
1
3.000
Opvang regenwater ter vervanging grondwater
10
109.452
Opvang/hergebruik beregeningswater
13
273.765
Rationeel afvalbeheer
3
18.411
Sleufsilo
130
3.359.241
Waterreservoir
207
2.125.085
Waterzuiveringsinstallatie
37
608.435
Andere bedrijfsverbeteringen (overige) Erf- en andere verharding
Aantal 333
Subsidiabel investeringsbedrag (euro) 4.184.862
4
25.358
Robotisering
13
1.512.325
Terreinuitrusting
85
2.561.689
Verbetering bedrijfshygiĂŤne
2
30.600
Toegekende steun
Kadaveropslag
Vertrekkend bij dit uitgebreid overzicht wordt hieronder toelichting gegeven bij een aantal investeringen die door het VLIF extra aangemoedigd worden. 1) Ammoniakemissiearme stallen De steun voor ammoniakemissiearme stallen werd ingevoerd vanaf 1 januari 2003. Mede door andere gunstige ontwikkelingen werd sterk ingespeeld op de steunmaatregel met een belangrijke impact op de VLIF-begroting als gevolg. Door het grote succes en uit budgettaire noodzaak werd ingegrepen op de steunintensiteit. Het oorspronkelijke regime met een variabel percentage steun gebaseerd op meerkosten of 40% steun voor grondgebonden bedrijven, werd vanaf 10 maart 2006 vervangen door een systeem met een uniforme steunintensiteit van 20%. In 2007 werd in 347 dossiers steun verleend op een investeringsbedrag van 71,848 miljoen euro. Het gesubsidieerde bedrag per stal bedroeg 207.000 euro. Het overgrote deel van de ammoniakemissiearme stallen werd opgericht in West-Vlaanderen. Op enkele eenheden na betreft het allemaal varkensstallen. Er was een sterke terugval in 2008. In 2008 werd aan nog in 228 dossiers (- 34 % t.o.v. 2007) steun verleend op een investeringsbedrag van 45,926 miljoen euro. Het gesubsidieerde bedrag per stal bedroeg 201.000 euro. Met uitzondering van 3 legkippenstallen waren het net als in 2007 bijna uitsluitend varkensstallen. Deze daling zette zich voort in 2009 toen er nog in 180 dossiers (-21% t.o.v. 2008 en -48% t.o.v. 2007) steun verleend werd op een investeringsbedrag van 37,852 miljoen euro. Net als in 2008 werd er in 2009 voor 3 AEA-pluimveestallen steun verleend. Het gesubsidieerde bedrag per stal bedroeg hierbij 210.291 euro.
93
2) Diversificatie van activiteiten op het bedrijf Diversificatie van activiteiten op het bedrijf wordt sinds 2000 onafgebroken aangemoedigd met verhoogde steun. Naast de bekende vormen als productie en commercialisatie van hoeveproducten, hoevetoerisme en openstellen van het bedrijf voor dagrecreatie wordt sinds 10 maart 2006 (wijziging BVR d.d. 16 juni 2006) ook de productie van hernieuwbare energie aanvaard als nieuwe vorm van diversificatie. Alleen investeringen in zonnecellen zijn in dit verband belangrijk. Andere vormen van diversificatie, meer bepaald het opvangen van zorgvragers en het landschapsbeheer, vergen weinig specifieke investeringen waardoor ze zeer beperkt voorkomen in de VLIF-cijfers (in aantal en investeringsbedrag). Het aantal goedgekeurde dossiers voor zonnecellen ging van 30 in 2007 en 86 in 2008 naar 149 in 2009 en het gesubsidieerd investeringsbedrag van 1,924 miljoen euro in 2007 en 8,994 miljoen euro in 2008 naar 18,035 miljoen in 2009. Het aantal dossiers en het geĂŻnvesteerde bedrag voor hoevetoerisme vielen terug. Qua aantal ging het van 42 verrichtingen in 2007 en 23 in 2008 naar 15 in 2009 en qua bedrag van 2,446 miljoen euro in 2007 en 0,941 miljoen euro in 2008 naar 0,863 miljoen euro in 2009. Eenzelfde evolutie was er inzake verrichtingen en investeringen gericht op de aanmaak en verkoop van hoeveproducten. Qua aantal ging het van 172 verrichtingen in 2007 en 85 in 2008 naar 51 in 2009 en qua bedrag van 4,898 miljoen euro en 2,017 miljoen euro naar 1,303 miljoen euro in 2009. Die sterke vermindering wordt gedeeltelijk verklaard door de engere interpretatie van het begrip “hoeveproductâ€? bij de toepassing van de VLIFregelgeving. Aangenomen wordt dat de bedrijven die wilden starten met de klassieke vormen van diversificatie, inmiddels de stap gezet hebben en dat er nog weinig nieuwe starten. 3) Investeringen i.v.m. wateropslag, waterzuivering, gebruik en hergebruik
Toegekende steun
Spaarzaam en duurzaam omgaan met water en overschakelen van grondwater naar oppervlakte- en regenwater wordt noodzakelijk op een toenemend aantal land- en tuinbouwbedrijven. Het beleid is gericht op het aanmoedigen van opvang, gebruik en hergebruik van hemel- en oppervlaktewater. Investeringen gericht op het gebruik van diep grondwater worden niet gesubsidieerd. In 2007 werden 226 dossiers gesubsidieerd voor de aanleg van een waterreservoir op een investeringsvolume van 2,034 miljoen euro. In 42 dossiers werd de opvang, zuivering en hergebruik van beregenings- of voedingswater gesubsidieerd op een gesubsidieerd investeringsbedrag van 2,695 miljoen euro. In 2008 ging het om 193 dossiers voor de aanleg van een waterreservoir voor 2,033 miljoen euro investeringen en om 47 dossiers voor de opvang, behandeling, zuivering en hergebruik van water voor 1,007 miljoen euro investeringen. De forse terugval van het volume investeringen in hergebruik kan gedeeltelijk verklaard worden door de afschaffing van de verhoogde steun voor dit type investeringen voor dossiers ingediend vanaf 10 maart 2006 (wijziging BVR d.d. 16 juni 2006). In 2009 ging het om 207 dossiers voor de aanleg van een waterreservoir (2,125 miljoen euro investeringen) en om 63 dossiers voor de opvang, behandeling, zuivering en hergebruik van water (1,005 miljoen euro investeringen). 4) WKK-installaties Het energievraagstuk was in 2006 en 2007 bijzonder actueel. Bij de ontwikkeling (stijging) van de energieprijzen moest op tal van bedrijven een oplossing gezocht worden. Op een aantal glasgroentebedrijven met voldoende dimensie en afzetmogelijkheden voor de geproduceerde elektriciteit werd de oplossing gezocht in de bouw van een WKK-installatie. Het VLIF moedigde die omschakeling aan met verhoogde steun. Waar er in 2007 steun gegeven werd voor 10 dergelijke investeringsprojecten voor een totaal investeringsvolume van 4,006 miljoen euro, evolueerde dit naar 21 projecten in 2008 voor een investeringsbedrag van 15,456 miljoen euro en naar 24 projecten in 2009 voor 20,151 miljoen euro investeringen. Hiermee werd tot eind 2009 nog maar over 39,6% van de WKK-dossiers beslist. In de periode 2007-2009 werd immers voor 139 dergelijke projecten steun gevraagd.
94
5.1.5 Waarborg In 2009 werd er voor 28 nieuwe dossiers waarover een beslissing werd genomen in totaal 9,060 miljoen euro waarborg verleend op een kredietvolume van 16,829 miljoen euro. Dit heeft betrekking op 1,05% van alle VLIFaanvragen waarover in 2009 gunstig beslist werd. Dat er de laatste jaren in zeer weinig dossiers overheidswaarborg gevraagd wordt, houdt gedeeltelijk verband met de toenemende concurrentie rond de financiering van investeringen in de land- en tuinbouw. Hierbij vormen naast de kredietmodaliteiten ook de kredietkosten een element van concurrentie. Niet alleen zijn er de kosten voor een hypothecaire inschrijving en/of inschrijvingen landbouwvoorrecht, maar daarbij komt nog de bijdrage voor de VLIF-waarborg (0,5% van het gewaarborgde bedrag voor een waarborg gedurende 10 jaar). Land- en tuinbouwers onderhandelen over zekerheden en willen de kosten beperken. Die ontwikkeling houdt wel in dat de projecten waarvoor de VLIF-waarborg finaal toch gevraagd wordt, gemiddeld als risicovol kunnen worden ingeschat. Een andere reden is het streven van het VLIF naar een billijke verdeling bij belangrijke investeringsdossiers (> 200.000 euro waarborg) van de risico’s tussen de aanvrager (veelal vennootschappen), de bank en het VLIF. De in 2009 toegekende VLIF-waarborg komt overeen met een te betalen bijdrage van 44.427,92 euro (= 0,49% van de toegekende waarborg). Tabel 5.19 geeft een overzicht van het aantal dossiers en de toegekende waarborg uitgesplitst per sector en provincie. Aan de grote tuinbouwdossiers in Antwerpen wordt de meeste waarborg verleend. Tabel 5.19 Aantal dossiers en toegekende waarborg(euro) per sector en per provincie
Provincie
Aantal landbouwdossiers
Toegekende waarborg landbouw (euro)
Aantal tuinbouwdossiers
Toegekende waarborg tuinbouw (euro)
7
1.155.033
-
-
Oost-Vlaanderen
-
-
2
610.000
Antwerpen
3
663.959
9
6.054.250
Limburg
3
244.127
3
255.700
Vlaams-Brabant
1
76.594
-
-
Vlaanderen
14
2.139.712
14
Toegekende steun
West-Vlaanderen
6.919.950
5.1.6 Andere steunmaatregelen In 2008 werd er reeds steun toegekend voor één dossier met een overbruggingskrediet in het kader van de speciale maatregel als gedeeltelijke compensatie van de geleden schade door blauwtong (VLIF-omzendbrief 46 d.d. 18/04/2008). Het ging om een krediet van 30.000 euro waarvoor 1.800 euro rentesubsidie werd toegekend. De uiterste indieningsdatum voor blauwtongdossiers was 30 juni 2009. In totaal werden er 30 aanvragen voor steun op een overbruggingskrediet in het kader van de blauwtongmaatregel ingediend. Hiervan werden 26 dossiers in 2009 goedgekeurd met de toekenning van in totaal 32.755,51 euro rentesubsidie op een totaal kredietbedrag van 700.150 euro.
95
5.2 Steun aan land- en tuinbouwcoöperaties Qua steunverlening wordt onderscheid gemaakt tussen de coöperaties voor afzet en verwerking (hoofdzakelijk veilingen en zuivelcoöperaties) en dienstverlenende coöperaties, type machineringen. De machineringen volgen, wat de toekenning van de investeringssteun betreft, de steuncategorieën (percentages steun) van de landen tuinbouwproducenten, terwijl voor de coöperaties voor afzet en verwerking voor dossiers ingediend in 2008 een steunvolume van 18,10% verleend wordt voor onroerende- en milieu-investeringen en 13,80% voor roerende investeringen. Voor dossiers ingediend in 2009 is dit respectievelijk 18,23% en 13,87%. Het steunvolume is het equivalent (actuele waarde) van 4% rentesubsidie over 10 of 7 jaar, en dus afhankelijk van de actualisatievoet die jaarlijks wordt vastgesteld. De totale toegekende steun voor nieuwe dossiers aan land- en tuinbouwcoöperaties bedroeg 3,117 miljoen euro (tabel 5.20), een daling van 45% t.o.v. de totale toegekende steun in 2008 (5,6 miljoen euro). Ook het aantal dossiers waarover een positieve beslissing werd genomen daalde van 38 in 2008 naar 29 in 2009. Tabel 5.20 Aantal dossiers en toegekend steunvolume aan land- en tuinbouwcoöperaties
Aantal nieuwe dossiers met gunstige beslissing Steunvolume nieuwe dossiers (euro)
29 3.116.773
Aantal herzieningen
10
Toegekende steun
Steunvolume herzieningen (euro)
4.065
Totaal steunvolume (euro)
3.120.838
Naast 28 steuntoekenningen onder het klassieke stelsel werd in 1 dossier de steun (8.820 euro) verleend in de vorm van een premie volgens het specifieke suikerstelsel( ingevolge de herstructurering van de Europese suikersector). Naast deze 29 positieve beslissingen was er ook nog voor 1 dossier een ongunstige beslissing. Tevens waren er in 2009 nog 10 herzieningen van eerdere steuntoekenningen, die samen een extra steun van 4.065 euro uitmaakten. De belangrijkste in 2009 betoelaagde investeringen (11,4 miljoen euro) zijn terug te vinden in de sector groenten en fruit ( tabel 5.21). Tabel 5.21 De subsidiabele investeringskosten (euro) voor coöperaties per sector en provincie
Provincie
Zuivel
Machineringen
Totaal
West-Vlaanderen
1.388.987
-
220.194
1.609.181
Oost-Vlaanderen
-
3.376.667
78.227
3.454.895
Antwerpen
-
-
273.390
273.390
10.052.536
-
1.152.780
11.205.316
Vlaams-Brabant
-
-
187.153
187.153
Vlaanderen
11.441.523
3.376.667
1.911.745
16.729.925
Limburg
96
Groenten en fruit
5.3  Steun aan de agrovoedingssector In 2009 werd, volgend op de oproep 2009 (omzendbrief 49 en 49 bis), 9.331.360,65 euro steun toegekend aan 66 goedgekeurde investeringsprojecten vanuit de agrovoedingssector. In totaal werden 76 projecten ingediend, waarvan er dus 10 een ongunstige beslissing kregen. De toegekende steun vertegenwoordigt 9,9% van het aanvaarde investeringsbedrag. De totale toegekende steun (9.331.360,65 euro) werd als volgt gefinancierd: zz
5.987.452,46 euro vanuit het VLIF, waarvan 5.492.452,46 euro als Vlaamse cofinanciering voor 63 projecten en 495.000 euro als staatssteun voor 1 project
zz
2.353.908,20 euro vanuit het ELFPO als Europese cofinanciering voor 63 projecten
zz
990.000,00 euro vanuit het Vlaams plan voor de diversificatie in de suikersector voor 2 projecten
De oproep 2009 stond in het teken van energie-, milieu- en innovatieve investeringen. De 66 goedgekeurde investeringsprojecten komen uit de verwerkingssectoren vlees, vleeswaren, aardappelen, groenten en fruit, zuivel, veevoeders, mout en vlas. Tabel 5.22 Toegekende steun aan investeringen in de agrovoedingssector
Sector
Aantal projecten
Aanvaard investeringsbedrag
Toegekende steun (9,9%)
3
5.703.406,00
564.637,19
Groenten en Fruit
11
20.172.517,91
1.997.079,27
Mout
1
3.034.725,50
300.437,92
Veevoeders
10
986.663,66
97.679,70
Vlas
5
1.075.444,94
106.469,05
Vlees
21
39.636.193,98
3.923.983,20
Vleeswaren
12
16.800.878,30
1.663.286,95
Zuivel
3
6.846.337,90
677.787,45
94.256.168,19
9.331.360,65
Totaal
66
Toegekende steun
Aardappelen
5.4  Steun aan de omkaderingssector De erkende praktijkcentra en vergelijkbare instellingen verkrijgen subsidies van Vlaanderen voor structuurverbeteringen. De subsidies bedragen maximaal 50% van het aanvaarde investeringsbedrag. Na de goedkeuring van de organieke regelgeving in 2007 werd een tweede indieningsronde uitgeschreven eind 2008. Over de 11 ingediende investeringsdossiers werd beslist in 2009. In totaal werd er voor 10 projecten 2.000.000 euro steun toegekend. Voor 1 dossier werd geen steun verleend.
97
6 Evolutie VLIF 1993-2009 Voorgaande hoofdstukken geven een overzicht van de activiteiten in 2009. Hierna wordt de evolutie weergegeven voor de periode 1993-2009. Binnen deze periode tekenen zich een aantal trends af en zorgen bepaalde gebeurtenissen voor afwijkingen of zelfs nieuwe trends.
6.1 Begroting Door de regionalisering van het Landbouwinvesteringsfonds waren 1993 en 1994 budgettair nog overgangsjaren. Vanaf 1995 heeft de begroting haar huidige vorm gekregen, met zowel inkomsten als uitgaven. Vastleggingsmachtiging De vastleggingsmachtiging van het VLIF werd tot 1996 grosso modo constant gehouden op 64,452 miljoen euro (2,6 miljard BEF). In 1995 werd hiervan echter 6,445 miljoen euro (260 miljoen BEF) overgedragen voor andere acties. Ook in 1997 en de daaropvolgende jaren werd de VLIF-machtiging telkens verlaagd om andere activiteiten buiten het VLIF te financieren. Deze verminderingen hinderden het VLIF niet vermits de machtiging voldoende hoog was om met de toen gangbare VLIF-regelgeving alle aanvragen af te handelen.
Evolutie VLIF 1993-2009
De laatste jaren wordt bij de ingediende aanvragen evenwel een toename van de investeringen vastgesteld zodat een VLIF-machtiging van 50 à 53 miljoen euro ontoereikend werd.
98
Vanaf 2005 is er een fundamentele wijziging ingevoerd inzake de budgettaire vastlegging van steun: enkel nog het Vlaams gedeelte van de steun wordt vastgelegd waardoor er budgetruimte kwam om, naast de land- en tuinbouwproducenten, ook de agrovoedings- en omkaderingssector te bedienen met dezelfde hoeveelheid middelen. Voor deze nieuwe doelgroepen werden de voorziene middelen in 2006 en 2007 echter niet volledig aangewend, of zelfs niet voorzien, zodat méér ten goede kwam aan de producenten waarvoor er een tekort was aan middelen, om de steun voor alle afgehandelde aanvragen budgettair te kunnen vastleggen. Daarenboven werd de VLIF-machtiging 2007 opgetrokken met 18,5 miljoen euro (tot 72,138 miljoen euro) door middel van de herverdeling van provisionele kredieten in de begroting 2007 ten gunste van het VLIF. Op dezelfde manier werd ook in 2008 de VLIF-vastleggingsmachtiging van 53,111 miljoen euro opgetrokken tot 67,036 miljoen euro. En ook in 2009 werd een dergelijke operatie doorgevoerd zodat de machtiging van 53,573 miljoen euro steeg naar 67,411 miljoen euro.
Tabel 6.1 Evolutie van de vastleggingsmachtiging, inkomsten en uitgaven (*1000 euro)
Vastleggings machtiging
Dotatie van de Vlaamse overheid
Totale begroting: inkomsten3 = uitgaven
54.784
17.805
25.022
1996
64.663
22.167
34.081
1997
63.565
25.818
35.732
1998
61.842
30.878
42.397
1999
49.199 4*
28.383
42.718
2000
56.725
32.225
53.844
2001
55.508
19.551
38.760
2002
55.370
28.766
40.798
2003
52.000
32.000
36.357
2004
50.650
41.000
41.356
2005
51.076
46.820
50.148
2006
55.039
53.425
53.811
2007
72.138
55.986
58.000
2008
67.036
55.986
59.375
2009
67.411
57.059
61.576
Evolutie VLIF 1993-2009
1995
Betalingskredieten Aangezien het VLIF in 1993 zonder lasten van het verleden startte, werden de behoeften elk jaar groter door het cumulerende aantal dossiers ten laste van het VLIF (cfr. uitbetaling rentesubsidies gedurende vele jaren). De uitgaven worden voor het overgrote deel gedekt door een dotatie van de Vlaamse Gemeenschap. Tot 2002 volstond de toegekende dotatie om elk jaar alle nodige betalingen tijdig te kunnen uitvoeren. Vanaf 2003 rees het probleem dat de dotatie lager was dan wat volgens de behoefteberekening werd gevraagd, zodat er eind 2003 een tekort van ongeveer 4 miljoen euro ontstond. Hetzelfde scenario in 2004 zorgde ervoor dat het gecumuleerd tekort eind 2004 al opgelopen was tot 8 miljoen euro. Met een bijkomende dotatie van 3 miljoen euro eind 2004 werd dit tekort in 2005 teruggeschroefd tot 2 miljoen euro. Het kon in 2006 volledig weggewerkt worden. Voor 2007 werd de dotatie nog iets groter en volstond dan ook om alle betalingsverplichtingen tijdig uit te voeren, net zoals in 2008 en 2009 trouwens.
3
Dotatie Vlaamse Gemeenschap + eigen inkomsten + over te dragen saldo
4
oorspronkelijk 2434,7 miljoen BEF, maar door een overdracht van 450 miljoen BEF herleid tot 1984,7 miljoen BEF (= 49,199 miljoen euro)
99
Tabel 6.2 Evolutie van de inkomsten en uitgaven (x 1.000 euro)
Evolutie VLIF 1993-2009
Inkomsten
100
Dotatie Vlaams Gewest
EU-bijstand
Waarborgbijdragen
Overige terug- betalingen
Saldo vorig jaar
Diverse inkomsten
Totaal
1995
17.805
6.696
521
-
-
-
25.022
1996
22.167
11.257
657
-
-
-
34.081
1997
25.818
7.734
371
-
1.438
371
35.732
1998
30.878
10.694
310
-
69
446
42.397
1999
28.383
9.209
149
12
4.594
371
42.718
2000
32.225
2.442
248
5
18.676
248
53.844
2001
19.551
3.034
322
5
15.674
174
38.760
2002
28.766
943
200
10
10.705
174
40.798
2003
32.000
944
230
200
2.785
199
36.358
2004
41.000
-
100
225
31
-
41.356
2005
46.820
-
100
150
3.078
-
50.148
2006
53.425
-
100
250
36
-
53.811
2007
55.986
-
60
250
1.704
-
58.000
2008
55.986
-
30
250
3.109
-
59.375
2009
57.059
-
35
350
4.132
-
61.576
Tabel 6.3 Evolutie van de uitgaven (x 1.000 euro)
Uitgaven
Rentesubsidies
Kapitaalpremies
Waarborgen
Startsteun groeperingen
Diverse uitgaven
Totaal
21.807
2.970
245
-
-
25.022
1996
29.495
2.727
1.859
-
-
34.081
1997
29.891
2.990
2.479
-
372
35.732
1998
38.944
2.107
900
-
446
42.397
1999
38.883
1.733
1.239
-
863
42.718
2000
49.566
1.968
2.062
-
248
53.844
2001
34.000
2.806
1.735
45
174
38.760
2002
26.267
12.412
1.900
45
174
40.798
2003
18.800
12.622
2.500
50
2.386
36.358
2004
23.500
16.456
1.400
-
-
41.356
2005
26.434
17.614
1.700
-
4.400 5
50.148
2006
26.145
20.884
1.265
-
5.517
53.811
2007
30.000
22.896
1.500
-
3.604
58.000
2008
26.527
24.500
2.329
10
6.009
59.375
2009
31.926
20.888
2.382
23
6.357
61.576
Evolutie VLIF 1993-2009
1995
Vanaf 2001 betaalt het VLIF enkel het Vlaams gedeelte van de steun (aan het Vlaams Betaalorgaan), zodat de prefinanciering van het Europees deel door het VLIF stopte (minder uitgaven vanaf 2001), maar zodat er ook geen inkomsten meer waren uit de EU-bijstand (daling vanaf 2002). Voor kapitaalpremies zijn de uitgaven vanaf 2002 veel hoger dan daarvoor door een meer veralgemeende invoering ervan met de fundamenteel gewijzigde VLIF-regelgeving vanaf 2000. De betalingen stijgen de laatste jaren gezien het toenemend bedrag aan kapitaalpremies (snellere betaling dan rentesubsidies die meer gespreid zijn in de tijd), maar vooral door het hoger niveau van de steuntoekenningen (budgettaire vastleggingen) in 2007, 2008 en 2009 (na herverdelingen uit provisionele kredieten). Tevens zijn er vanaf 2005 ook betalingen voor de nieuwe VLIF-doelgroepen (enkel kapitaalpremies voor agrovoeding en omkadering). Dat is door de inwerkingtreding van de betreffende nieuwe organieke regelgevingen nog toegenomen naarmate er indieningsrondes werden uitgeschreven, gevolgd door de dossierbehandeling (steuntoekenning) en hieruit voortvloeiende betalingen.
5
Vanaf 2005 werden de agrovoedings- en omkaderingssector geĂŻntegreerd in de VLIF-begroting (zie hoger). In tabel 6.3 werden deze opgenomen onder de rubriek diverse uitgaven. 2005: Agrovoeding en Omkadering: 4.400 2006: Agrovoeding en Omkadering: 5.504 ; Over te dragen saldo: 13 2007: Agrovoeding en Omkadering: 1.900 ; Over te dragen saldo: 1.704 2008: Agrovoeding en Omkadering: 2.300 ; Over te dragen saldo: 3.709 2009: Agrovoeding en Omkadering: 2.225 ; Over te dragen saldo: 4.132
101
6.2 Indienen
6.2.1 Indieningen van land- en tuinbouwproducenten Figuur 6.1 toont de evolutie in het aantal indieningen van 1993 tot 2009. Niettegenstaande een terugval in het aantal land- en tuinbouwbedrijven is er globaal een stijgende evolutie. Midden jaren 1990 was er wel een terugval van de aanvragen uit de tuinbouwsector (van 1995 tot 1997), onder meer als gevolg van een crisis in de tuinbouwsector. Eind jaren 1990 start dan weer een opwaartse trend in het aantal indieningen. De cijfers voor 1999, met een uitgesproken stijging van het aantal aanvragen en een stijgend gemiddeld kredietbedrag, moeten enigszins gerelativeerd worden vermits er eind 1999 zeer veel aanvragen zijn binnengekomen om te anticiperen op de wijziging van de VLIF-regelgeving in 2000.
Evolutie VLIF 1993-2009
Zoals verwacht waren er in 2000 veel minder aanvragen voor VLIF-steun. Deze terugval werd in 2001 ruimschoots goedgemaakt, enerzijds door een inhaalbeweging van de uitgestelde investeringsdossiers in afwachting van de nieuwe VLIF-regelgeving, en anderzijds door de nieuwe mogelijkheid om dossiers in te dienen voor subsidiëring van investeringen die uitsluitend met eigen middelen worden gefinancierd. In 2002 is er, zoals verwacht na het piekjaar 2001, een terugval van zowel het aantal ingediende VLIF-aanvragen als van het kredietvolume. Die terugval is relatief beperkt zodat gedurende de periode 2002-2004 kan gesproken worden van een stabilisering van het aantal aanvragen om steun op ongeveer 4000 dossiers per jaar. In 2005 is er een nieuwe opstoot in het aantal aanvragen tot 4448 dossiers. De forse toename kan gedeeltelijk verklaard worden door het extra aantal aanvragen op het einde van het jaar om te anticiperen op een aangekondigde bijstelling van de regelgeving (vermindering steunintensiteit voor een aantal investeringen), die uiteindelijk pas in maart 2006 werd doorgevoerd. Hetzelfde fenomeen herhaalt zich in 2006. Enerzijds door de gewijzigde aanvraagprocedure en anderzijds door de onzekerheid over het behoud van de steunmaatregelen bij een gewijzigd EU-beleid (PDPO II), wordt een historisch hoog aantal aanvragen ingeleid. De stijging is vooral uitgesproken in de landbouw. In 2007 zijn er weer aanzienlijk minder aanvragen door de anticipatie eind 2006. Door het invoeren van de aanvraag in 2 delen (een eerste luik vóór aanvang van de investering, gevolgd door een tweede luik binnen de 6 maanden na het eerste luik), slaan de cijfers 2007 op de indieningen van het tweede luik (compleet dossier analoog met de vroegere enige aanvraag voor tussenkomst). En was er begin 2007 een periode met een zeer beperkt aantal aanvragen (2e luik). Vanaf midden 2007, en zeker vanaf 2008, is er terug een stabiel indieningsritme met een “normaal” aantal aanvragen (2e luik) in 2008. Tegenover de voorgaande jaren (abstractie makend van 2006 en 2007) is het aantal nog iets getemperd omdat er t.e.m. 2008 slechts één dossier per aanvrager kon worden ingediend. In 2009 werden ongeveer 14% minder aanvragen ingediend t.o.v. 2008. Figuur 6.1 Evolutie van het aantal ingediende dossiers voor land- en tuinbouwproducenten Landbouw
Tuinbouw
4000
3000
2000
1000
0 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009
102
6.2.1.1 Evolutie van de indieningen voor vestigingssteun In de figuren 6.2 en 6.3 worden respectievelijk de evolutie van het aantal ingediende dossiers en de voorziene vestigingskosten weergegeven. Zowel het aantal dossiers als de voorziene vestigingskosten zijn na 1999 afgenomen en konden het niveau van midden jaren ’90 niet meer bereiken, ook al geniet een eerste schijf vestigingskosten uitsluitend van een kapitaalpremie zodat familiale overnames zonder krediet hier ook kunnen op inspelen. De halvering van het aantal aanvragen voor vestigingssteun is ook niet gecompenseerd door een verhoging van de globale vestigingskosten. De gemiddelde vestigingskosten per bedrijf zijn wel met ongeveer 20% gestegen in een periode van 10 jaar. In de periode 2002-2005 was er een stabilisatie van het aantal vestigingen (overname van bedrijven) in de landen tuinbouw op ongeveer 200 à 220 per jaar. Dit aantal lag in de lijn van de verwachtingen op basis van een aantal macro-economische gegevens met betrekking tot land- en tuinbouw. Des te opmerkelijker was dan ook de verdubbeling van het aantal aanvragen in 2006, maar dit was te wijten aan de anticipatie op de gewijzigde aanvraagprocedure vanaf 2007 en op een verwachte vermindering van de mogelijkheden op steun (max. 55.000 EUR steunvolume). Om dezelfde redenen duikt dan ook het aantal indieningen in 2007 spectaculair naar beneden. Het gemiddelde van 2006 en 2007 samen, ligt dan weer toch nog iets hoger dan de voorgaande jaren (282 i.p.v. rond de 220). De verklaring hiervoor kan gezocht worden in het toenemend succes van de vestiging in de land- en tuinbouwsector als mandataris van een vennootschap door overname van aandelen en de mogelijkheid van vestigingssteun voor twee partners (man/vrouw) als bedrijfsleider binnen vennootschappen. Uiteraard is het bedrag aan ingediende vestigingskosten voor subsidiëring navenant. Voor 2008 zien we dan weer een “normaal” aantal aanvragen voor vestigingssteun. 2009 komt lager uit omdat er een afwachtende houding werd aangenomen tegenover de verwachte verhoging van de vestigingssteun van maximaal 55.000 EUR naar maximaal 70.000 EUR in toepassing van een wijziging in het Vlaams Plattelandsontwikkelingsplan PDPO II.
Indieningen 600 500
Evolutie VLIF 1993-2009
Figuur 6.2 Evolutie van het aantal indieningen voor vestigingssteun
400 300 200 100 0 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009
103
Figuur 6.3 Evolutie van de voorziene vestigingskosten voor vestigingssteun van 1993 tot 2008 (x 1000 euro) Vestigingskost (x1000 euro) 100000
80000
60000
40000
20000
0 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009
6.2.1.2 Evolutie van de indieningen voor investeringssteun (inclusief verbreding)
Evolutie VLIF 1993-2009
In de figuren 6.4 en 6.5 worden respectievelijk de evolutie van het aantal ingediende dossiers en de voorziene investeringskosten voor investeringssteun weergegeven. Beide figuren vertonen hetzelfde patroon. In tegenstelling tot de vestigingssteun nam de investeringssteun wel beduidend toe na 2000. Gezien het gewicht van de steun is het vooral dit type steun dat zijn weerslag vindt in het totaalbeeld van figuur 6.1. In 2005 gaat de stijging in het aantal dossiers gepaard met een nog grotere toename van de voorziene investeringskosten: de gemiddelde investeringskosten per dossier lopen sterk op. Vooral de toename van dossiers met grote investeringen zoals ammoniakemissiearme stallen spelen hier een belangrijke rol. Die evolutie zet zich onverminderd door in 2006, nu vooral ook in de tuinbouwsector. Met een volume voorziene investeringen van bijna 500 miljoen euro wordt een niveau bereikt dat bijna het dubbele bedraagt voor de periode 2001-2004. In 2007 zien we minder aanvragen om de eerder al uiteengezette redenen (wijziging indieningsprocedure), maar de trend op het gebied van investeringskosten is veel minder duidelijk, en de stijging van de gemiddelde financiële impact per dossier zet zich door (aantal daalt met 38% terwijl investeringsvolume maar daalt met 23% t.o.v. 2006). In 2007 zijn immers nogal wat grote tuinbouwprojecten ingediend door aanvragers die het periodeplafond 2000-2006 (PDPO I) hadden bereikt met eerdere dossiers. In 2008 herstelt het aantal aanvragen zich zodat de stijging in 2006 en de daling in 2007 enkel te verklaren is door de nieuwe indieningsprocedure (gemiddelde 2006-2007 is wel normaal). Het investeringsbedrag echter bereikt in 2008 een historische recordhoogte van bijna 590 miljoen euro, te wijten aan grote investeringsprojecten in ammoniakemissie-arme stallen en vooral WKK-installaties in de glastuinbouw. Ook het plaatsen van fotovoltaïsche zonnecellen heeft een toenemend succes vanaf 2008. De uitzonderlijke toename van het investeringsvolume in 2008 wordt gevolgd door een daling omdat de genoemde dure investeringsprojecten in aantal niet meer toenemen, en zelfs minderen. 2009 komt uit op een gemiddeld investeringsniveau van de jaren 2006-2007-2008 terwijl het aantal een iets dalende trend vertoont over de jaren 2006-2009. Dit betekent een gemiddeld hogere financiële impact per aanvraag.
104
Figuur 6.4 Evolutie van het aantal indieningen voor investeringssteun Indieningen 6000 5000 4000 3000 2000 1000 0 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009
Figuur 6.5 Evolutie van de voorziene investeringskosten voor investeringssteun (x 1000 euro) Investeringssteun (x1000 euro) 700000 Evolutie VLIF 1993-2009
600000 500000 400000 300000 200000 100000 0 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009
Figuur 6.6 toont de evolutie van de voorziene investeringskosten voor aanvragen per steuncategorie (10, 20, 30 en 40%) sinds de invoering ervan in 2000. Er moet abstractie gemaakt worden van het jaar 2000 (overgangsperiode verschillende regelgevingen) waarin nog dossiers werden ingediend met de regelgeving van vóór 2000 in gedachten. De aanvragen voor de investeringstypes in de steuncategorie 20% (gangbare investeringen in bedrijfsgebouwen, vaste uitrusting en allerlei werken in onroerende staat) beslaan de meeste investeringen. In de periode 2001-2005 bedraagt het investeringsvolume ongeveer 150 miljoen euro om in 2006 te stijgen tot bijna 300 miljoen euro, en toch nog op meer dan 230 miljoen euro uit te komen in 2007 door de wijziging van de regelgeving inzake stallenbouw.
105
De steuncategorie 40% neemt sinds 2001 geleidelijk toe van 26,7 miljoen euro investeringen in 2001 tot 36,5 miljoen euro in 2004. Het massaal indienen van omvangrijke dossiers voor de betoelaging van ammoniakemissiearme stallen in 2005 vertaalt zich in een sterke stijging van het investeringsvolume (verviervoudiging), om vervolgens in 2006 en 2007 na de aanpassing van de regelgeving toch nog op een beduidend hoog niveau van ongeveer 50 miljoen euro te blijven. Dit komt door investeringen in de glastuinbouw. Deze evoluties staan duidelijk in verband met de wijziging in de regelgeving op aanvragen vanaf 10 maart 2006. Het verminderen van de steunintensiteit voor een aantal investeringen van 40% naar 20% (ammoniakemissiearme stallen, potstallen, hergebruik van water en schermdoek) of naar 10% (mestinjectie) vertaalt zich in een scherpe daling van het volume investeringen subsidiabel naar rato van 40% en een stijging van de volumes subsidiabel naar rato van 20% of 10%. De globale daling in 2007 situeert zich enkel in de 10-20%-categorieën want de 40%-categorie blijft in absolute cijfers vrij constant. Deze daling wordt in 2008 meer dan ongedaan gemaakt. Voor 2009 valt het op dat de 30%-categorie veel meer voorkomt dan voordien, dit ten koste van de 40%-categorie. Dit heeft alles te maken met de verschuiving van bijna alle investeringen tegen 40% steun naar 30% steun. Enkel specifieke investeringen voor biolandbouw blijven in de 40%-categorie, wat daar verwaarloosbare cijfers geeft. Figuur 6.6 Evolutie van de voorziene investeringskosten per steuncategorie (10, 20, 30, 40%) voor indieningen (x 1000 euro) investeringskost (x1000 euro) 400000
10%
20%
30%
40%
Evolutie VLIF 1993-2009
300000
200000
100000
0 2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
6.2.2 Indieningen van land- en tuinbouwcoöperaties Gezien het geringere aantal dossiers kunnen sterke schommelingen van jaar tot jaar voorkomen. Niettemin zien we sinds 2005 een jaarlijkse stijging met een absoluut record in 2009 voor wat betreft het ingediende investeringsbedrag. Zowel de voorziene investeringskosten van de afzetcoöperaties (veilingen), en vooral van de verwerkingscoöperaties (zuivelcoöperaties), stijgen sterk (cfr. punt 4.2). Tabel 6.4 geeft een overzicht van zowel het aantal ingediende dossiers per jaar als het totaal aan voorziene investeringskosten die deze aanvragen vertegenwoordigen.
106
Tabel 6.4 Evolutie van het aantal indieningen en de voorziene investeringskosten in euro voor coöperatieven
Aantal dossiers
Voorziene investeringskosten (euro)
1993
9
17.148.530
1994
16
23.838.278
1995
15
14.752.852
1996
11
35.301.122
1997
12
15.273.504
1998
6
2.437.751
1999
16
17.182.332
2000
8
748.564
2001
17
41.569.012
2002
9
1.466.124
2003
7
3.666.728
2004
21
29.180.635
2005
31
15.818.836
2006
26
22.593.899
2007
37
33.417.856
2008
34
35.250.347
2009
37
55.742.540
Evolutie VLIF 1993-2009
Jaartal
6.2.3 Indieningen van de agrovoedingssector Aangezien de steunmaatregelen agrovoeding en omkadering als 2e en 3e VLIF-pijler georganiseerd worden door middel van oproepen, is er voor deze, in tegenstelling tot de producenten en hun coöperaties, geen continue toestroom van aanvragen. Het aantal ingediende dossiers kan en zal sterk variëren per oproep en is vooral afhankelijk van de ter beschikking gestelde budgettaire middelen. Deze bepalen immers het aantal oproepen, het aantal sectoren en de investeringen die in aanmerking kunnen komen voor steun. In 2005 werd een eerste ronde gelanceerd met uitsluitend VLIF-cofinanciering binnen PDPO I (tijdens de vorige ronde binnen het plattelandsprogramma in 2001 was de Vlaamse steun nog hoofdzakelijk afkomstig van de budgetten van de administratie Economie). In totaal werden 145 dossiers ingediend, waarvan er aan 115 steun werd toegekend. Einde 2006 werd buiten PDPO I nog een oproep gelanceerd in het kader van de verwerking van koolzaad tot pure plantaardige olie met uitsluitend Vlaamse middelen. Voor deze oproep was er slechts één inschrijving. De oproepen in 2005 en 2006 waren nog gebaseerd op een ad hoc-beslissing van de Vlaamse Regering. De organieke regelgeving VLIF-agrovoeding werd afgerond in 2007. Een eerste oproep binnen de nieuwe regelgeving werd pas georganiseerd begin 2008 zodat in 2007 geen nieuwe dossiers werden ingediend. Beide oproepen (2008 en 2009) leverden een gelijkaardige respons op in het aantal projecten en totaal investeringsvolume.
107
Tabel 6.5 geeft een overzicht van zowel het aantal ingediende dossiers per jaar vanaf 2005 als van het totaal aan ingediende investeringskosten die deze aanvragen vertegenwoordigden. Tabel 6.5 Evolutie van het aantal goedgekeurde projecten en de subsidiabele investeringskosten (in euro) voor agrovoeding
Ingediende investeringskosten (euro)
Jaartal
Aantal ingediende projecten
2005
115
2006
1
500.000
2007
0
0
2008
62
132.804.444
2009
76
135.223.636
173.720.766
6.2.4  Indieningen van de omkaderingssector
Evolutie VLIF 1993-2009
In 2005 werd slechts 1 dossier ingediend waar alle in 2005 beschikbare VLIF-middelen voor de omkaderingssector naartoe gingen. In 2006 werden 9 projecten ingediend, waarvan 8 moderniseringsprojecten van diverse praktijkcentra en 1 (herlokalisatie)project. Zoals bij de agrovoeding waren de oproepen in 2005 en 2006 het gevolg van een ad hoc-beslissing van de Vlaamse Regering. Na het afronden van de organieke regelgeving VLIF-omkadering in 2007 kon op het einde van het jaar nog een oproep worden gelanceerd voor investeringsprojecten in de omkaderingssector. In totaal werden 12 projecten ingediend. Het hogere aantal is onder meer te wijten aan het feit dat sinds 2007, naast de praktijkcentra in de plantaardige sector, eveneens de praktijkcentra in de dierlijke sector in aanmerking kunnen komen voor steun. Met 11 ingediende aanvragen bevestigt 2008 het vrij constant aantal projecten. Dit is niet onlogisch, gezien het kleine aantal potentiĂŤle indieners waarvan de meeste dan ook zeer regelmatig ingaan op de indieningsoproep. De oproep 2008 dateert van eind 2008 (met verwerking van de aanvragen in 2009): in 2009 is er dan ook geen indieningsronde geweest. Tabel 6.6 geeft een overzicht van zowel het aantal ingediende dossiers per jaar vanaf 2005 als van het totaal aan ingediende investeringskosten die deze aanvragen vertegenwoordigen. Tabel 6.6 Evolutie van het aantal indieningen en de betreffende investeringen (in euro) voor omkadering
108
Jaartal
Aantal ingediende projecten
Ingediende investeringskosten (euro)
2005
1
10.372.002
2006
9
5.569.037
2007
12
6.600.000
2008
11
14.653.226
2009
0
0
6.3 Toegekende steun
6.3.1 Toegekende steun aan land- en tuinbouwproducenten Figuur 6.7 toont de evolutie van de totale toegekende steun aan land- en tuinbouwers sinds 1993. De totale toegekende steun is de som van de toegekende rentesubsidies en kapitaalpremies. Vóór 2001 gaat het bijna uitsluitend om de evolutie van rentesubsidies; vanaf 2001 (nieuwe regelgeving) gaat het zowel om rentesubsidies als om kapitaalpremies. In 1995 en 1996 steeg de verleende steun als gevolg van proceduremaatregelen en van de invoering van een eigen Vlaamse regelgeving voor het VLIF met uitbreiding van de subsidiëringsmogelijkheden. In 1997 en 1998 daalde het toegekende steunvolume echter, enerzijds omdat er gemiddeld kleinere kredietbedragen voor subsidiëring werden ingediend (crisis glastuinbouw), maar ook omdat de omschakeling naar een vernieuwd informaticasysteem bij het VLIF en de decentralisatie van de dossierafhandeling naar de buitendiensten moeizamer verliep dan verwacht. Bovendien lagen de kredietrentevoeten zeer laag zodat niet de maximale VLIFrentesubsidie verleend kon worden, vermits de kredietnemer zelf minimaal 3% rente ten laste moest nemen. In 1999 werd beduidend meer steun verleend dan in 1998, vooral omdat de praktische omschakelingsproblemen naar het vernieuwd informaticasysteem achter de rug waren. In 2000 werden slechts aanvragen van vóór 1 januari 2000 afgehandeld vermits de nieuwe VLIF-regelgeving, van toepassing op aanvragen ingediend vanaf 1 januari 2000, pas eind 2000 werd goedgekeurd en begin 2001 werd gepubliceerd.
Zowel in 2003 als 2004 was er een lichte daling van het totaal toegekende steunvolume, maar de vastleggingsmachtiging werd telkens volledig opgebruikt. Er bleven telkens een niet verwaarloosbaar aantal afgewerkte dossiers liggen die dan op rekening kwamen van het volgende jaar (te lage vastleggingsmachtiging). Dit was niet anders in 2005 met een toename van de toegekende steun, vooral in de landbouw (ammoniakemissiearme stallen).
Evolutie VLIF 1993-2009
In 2001 en 2002 is er dan een inhaaloperatie geweest zodat zelfs het niveau van 1997 overtroffen werd. Doordat de steunverlening onafhankelijk werd van de wijze waarop de investeringen gefinancierd werden, en door het afschaffen van een minimum rentelast voor de kredietnemer, kon steeds de maximale rentesubsidie toegekend worden. Vooral de tuinbouwsector groeide in 2001 sterk, zelfs in die mate dat de totale toegekende steun die van de landbouwsector overtrof.
In 2005 en 2006 kon er als gevolg van budgettaire ingrepen (verhoging vastleggingsmachtiging) en van beperkte noden in de agrovoedings- en omkaderingssector meer steun verleend worden aan de producenten. Opmerkelijk voor de periode 2001-2006 is de alsmaar toenemende divergentie tussen het volume steun voor landbouwbedrijven ten opzichte van het volume steun voor tuinbouwbedrijven. Waar in 2001, zeer uitzonderlijk, meer steun verleend werd aan tuinbouwbedrijven dan aan landbouwbedrijven, was de verhouding in 2006 geëvolueerd naar 73% van de totale verleende steun voor landbouwbedrijven en 27% voor tuinbouwbedrijven. Een paar mogelijke verklaringen zijn: zz
zz
een toenemend aantal tuinbouwbedrijven wordt, naarmate de periode 2000-2006 vordert, geconfronteerd met het maximale subsidiabel investeringsbedrag en wordt op basis hiervan uitgesloten van steun. Naar schatting een 100-tal grote (glas-)tuinbouwbedrijven komt om die reden naar het einde van de periode niet meer in aanmerking voor steun. de geleidelijke selectieve versoepeling van de sectorale beperkingen in de veehouderij waardoor de mogelijkheden op steun gekoppeld aan hoge steunintensiteiten fors toenemen.
Door de verhoogde vastleggingsmachtiging in 2007 kon er meer steun worden toegekend (= budgettair vastgelegd). Deze stijging is groter voor de landbouwsector dan voor de tuinbouwsector. Voor deze laatste werden de zware investeringsdossiers pas in 2007 ingediend (cfr. periodeplafond 2000-2006) en deze zijn in 2007 nog bijna niet behandeld. Dit is in 2008 wel grotendeels het geval, met als gevolg dat het aandeel van de landbouwdossiers in de toegekende steun duidelijk daalt voor wat het steunvolume betreft. Het aantal dossiers ligt beduidend lager dan in 2007 wegens het tekort aan vastleggingsmiddelen. Het algemeen toekenningsniveau was in 2009 ongeveer constant t.o.v. 2008. De vastleggingsmachtigingen waren in beide jaren immers ongeveer gelijk. Het aantal dossiers lag lager vanwege een hoger steunbedrag per dossier.
109
Figuur 6.7 Evolutie van de toegekende steun (euro) aan land- en tuinbouwproducenten steun (euro) 100000000
Landbouw
Tuinbouw
Tuinbouw
80000000
60000000
40000000
20000000
0 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009
Evolutie VLIF 1993-2009
Tabel 6.7 Aantal dossiers van producenten met een beslissing (eerste steuntoekenning)
110
Landbouw
Landbouw
Tuinbouw
Tuinbouw
TOTAAL
TOTAAL
Toekenning in
gunstig
ongunstig
gunstig
ongunstig
gunstig
ongunstig
1993
1613
500
1049
186
2662
686
1994
1182
213
598
104
1780
317
1995
1152
194
784
69
1936
263
1996
1699
191
827
56
2526
247
1997
1975
193
752
22
2727
215
1998
1451
77
601
14
2052
91
1999
1985
86
771
20
2756
106
2000
1287
72
559
13
1846
85
2001
1984
289
1243
63
3227
352
2002
2609
217
1361
73
3970
290
2003
2319
157
1196
51
3515
208
2004
2024
157
1183
47
3207
204
2005
2011
153
960
67
2971
220
2006
2141
167
975
57
3116
224
2007
2862
215
1188
78
4050
293
2008
2150
244
954
91
3104
335
2009
1945
182
710
62
2655
244
6.3.2 Toegekende steun aan land- en tuinbouwcoöperaties De totale toegekende steun voor land- en tuinbouwcoöperaties schommelt sterk over de periode 1993-2007, met uitgesproken pieken in 1996, 2002 en 2005, maar toch ook een gemiddelde toegekende steun van 3,7 miljoen euro over de laatste vier jaar. Door de sterke concentratie in de coöperatieve afzetsector kan een beperkt aantal financieel zware dossiers sterk doorwegen en veel begrotingsmiddelen opslorpen. Het aantal dossiers liep globaal wel op vanaf 2006 wegens het groeiend aantal machineringen (gemeenschappelijk gebruik van machines). Tabel 6.8 Evolutie van de toegekende steun in euro aan land- en tuinbouwcoöperaties
Aantal dossiers
Toegekende steun (euro)
1993
10
2.283.246
1994
15
2.733.792
1995
13
1.556.630
1996
14
6.381.298
1997
10
1.183.693
1998
5
967.465
1999
11
3.664.309
2000
6
128.318
2001
5
2.098.993
2002
14
4.490.271
2003
8
97.745
2004
21
4.179.721
2005
13
2.701.103
2006
24
2.603.067
2007
25
3.566.942
2008
38
5.643.908
2009
29
3.116.773
Evolutie VLIF 1993-2009
Jaartal
111
6.3.3 Waarborg (enkel voor producenten en hun coöperaties) Vanaf 1995 daalt het toegekende percentage waarborg ten opzichte van het totaal kredietvolume (zowel gevraagd als gesubsidieerd) maar stijgt de toegekende waarborg per dossier wel. Het eerste fenomeen is te verklaren doordat er vanaf 1994 een bijdrage betaald moet worden aan het VLIF om VLIF-waarborg te verkrijgen. Het tweede fenomeen wordt veroorzaakt door het optrekken van de maximaal toe te kennen waarborg tot 90% van het gesubsidieerd krediet. Daarenboven wordt, als er waarborg is gevraagd, steeds de maximale waarborg gevraagd en verleend. De kredietinstelling heeft er immers geen belang bij om een lager percentage waarborg te vragen (de kredietnemer wel gezien de bijdrage) want hoe kleiner dit percentage hoe groter het aandeel van het verlies voor de bank als er een uitwinning moet gebeuren. Voor dossiers ingediend vanaf 1 januari 2002 is de maximale VLIF-waarborg wel verlaagd tot 80%, waardoor de medeverantwoordelijkheid van de kredietinstellingen terug groter wordt (EU-regelgeving). De trend van steeds minder toegekende waarborg (in bedragen) manifesteert zich steeds meer in de loop der jaren. De laatste jaren is de toegekende VLIF-waarborg spectaculair gedaald naar een historisch dieptepunt in 2007 voor nog slechts 36 dossiers op ongeveer 2700 dossiers met kredietfinanciering. In 2008 werd er voor nóg minder dossiers waarborg verleend, terwijl ook het gemiddelde toegekende waarborgpercentage daalt tot onder de 50%. De cijfers voor 2009 wijzen op een stabilisering van het aantal dossiers met waarborgtoekenning. Toch is de gemiddelde toegekende waarborg per dossier opnieuw gestegen (van ongeveer 175.000 euro in de jaren 2002-2006 tot 276.300 euro in 2008 en 323.500 euro in 2009).
Evolutie VLIF 1993-2009
Tabel 6.9 Evolutie van de toegekende waarborg en de verhouding t.o.v. het kredietvolume ( x 1000 euro)
112
Toegekende waarborg
Gevraagd kredietvolume van dossiers met waarborg
Jaartal
Aantal dossiers
% waarborg
1993
855
79.138
138.830
57,00%
1994
512
71.264
99.661
71,51%
1995
534
77.013
103.054
74,73%
1996
697
55.821
83.436
66,90%
1997
475
59.879
77.707
77,06%
1998
287
35.414
42.239
83,84%
1999
435
61.021
74.846
81,53%
2000
348
50.726
60.015
84,52%
2001
245
33.764
49.885
67,68%
2002
162
33.667
53.226
63,25%
2003
108
17.123
30.947
55,33%
2004
105
17.888
30.398
58,85%
2005
113
19.344
30.457
63,51%
2006
58
10.681
18.196
58,70%
2007
36
7.023
12.947
54,25%
2008
24
6.632
14.432
45,95%
2009
28
9.060
16.829
53,84%
6.3.4 Toegekende steun aan de agrovoedingssector
Tabel 6.10 Evolutie van de toegekende steun (in euro) aan agrovoeding
Jaartal
Aantal dossiers
Toegekende steun (Vlaamse cofinanciering) (euro)
2005
89
3.484.471
2006
26
2.428.106
2007
1
75.000
2008
54
3.821.784
2009
64
5.987.452
Van de dossiers ingediend in 2005, werden 89 dossiers uit diverse sectoren (uitgezonderd vleeswaren) vastgelegd in 2005 voor een bedrag van 3.484.471,01 euro en werden 26 dossiers van de vleeswarensector vastgelegd in 2006 voor een bedrag van 2.428.105,86 euro. Het enige dossier binnen de oproep “pure plantaardige olie” in 2006 (verwerking koolzaad tot pure plantaardige olie) kreeg 75.000 euro steun toegekend in 2007. Vanaf 2008 wordt gewerkt met de nieuwe regelgeving waarbij geregeld (jaarlijks) een indieningsronde wordt georganiseerd met een groepsgewijze steuntoekenning. Evolutie VLIF 1993-2009
6.3.5 Toegekende steun aan de omkaderingssector
Tabel 6.11 Evolutie van de toegekende steun in euro aan omkadering sinds 2005
Jaartal
Aantal dossiers
Toegekende steun (Vlaamse cofinanciering) (euro)
2005
7
4.137.640
2006
9
2.176.698
2007
0
0
2008
12
2.359.270
2009
10
2.000.000
De toegekende steun van 4.137.640,25 euro in 2005 betreft enerzijds een nieuw project (3.903.279,00 euro) en anderzijds de transfer van de vastleggingen van 6 lopende projecten van een begrotingsartikel van de toenmalige Administratie Land- en Tuinbouw (ALT) naar de VLIF-begroting (234.361,25 euro). Volgend op de inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving werd in 2007 nog een oproep gelanceerd die 12 aanvragen opleverde begin 2008. De steunverlening aan deze 12 ingediende investeringsprojecten gebeurde dan ook in 2008. Eind 2008 werd een nieuwe oproep gelanceerd die 11 aanvragen opleverde, waarvan er 10 steun kregen toegekend in 2009.
113
6.4 Uitbetaalde steun
6.4.1 Uitbetaalde steun aan de producenten en hun coöperaties
6.4.1.1 Rentesubsidie Tabel 6.12 geeft de evolutie weer van de uitbetaalde totale rentesubsidie (investeringssteun, vestigingssteun en louter regionale steun) over de periode 1993-2008. Tabel 6.12 Evolutie van de uitbetaalde rentesubsidies
Evolutie VLIF 1993-2009
Jaartal
Uitbetaalde rentesubsidie (Vlaamse cofinanciering) (x 1000 euro)
1993
667
1996
30.372
2000
40.754
2001
25.451
2002
25.977
2003
19.836
2004
24.987
2005
25.694
2006
23.535
2007
29.574
2008
26.227
2009
30.630
De uitbetalingen aan rentesubsidies worden, afgezien van verklaarbare schommelingen, door de jaren heen belangrijker naarmate het aantal actieve VLIF-dossiers toeneemt. In 1999 werd om praktische redenen slechts voor 3 trimesters rentesubsidie uitbetaald. Voor het 4e trimester 1999 werd begin 2000 in totaal 400,5 miljoen BEF vereffend (10 miljoen euro). Deze zijn begin 2000 uitbetaald zodat er voor 5 trimesters is uitbetaald in 2000. Vanaf 2001 ziet men de intrede van het Betaalorgaan in de betalingsoperaties: Het VLIF betaalt vanaf dan enkel nog het Vlaamse aandeel van de steun (voordien ook de voorfinanciering van de Europese cofinanciering), wat een daling in de absolute cijfers weergeeft. De Europese steun wordt direct bijgepast door het Betaalorgaan. In 2003 werd er minder uitbetaald omdat er niet voldoende dotatie was toegekend om alle betalingsbehoeften te dekken. Deze dotatie was in 2004 wel hoger (zie punt 6.1. Begroting) zodat opnieuw meer betalingen konden uitgevoerd worden, maar nog niet voldoende om alles te vereffenen. Deze betalingsachterstand werd in 20052006 weggewerkt. In 2007 vertonen de uitbetalingen aan rentesubsidies een verhoging vanwege een betere spreiding van de steuntoekenningen over het jaar. In 2007-2008-2009 zien we het betalingseffect van het systematisch méér steun toekennen (hogere vastleggingsmachtigingen dankzij kredietherverdelingen in 2007, 2008 en 2009).
114
6.4.1.2  Kapitaalpremies In tabel 6.12 wordt een overzicht gegeven van de evolutie van de uitbetaalde kapitaalpremies voor de huidige regelgeving (vanaf 2001), meer bepaald de Vlaamse cofinanciering ervan. In 2001 gebeurde de uitbetaling van de kapitaalpremies nog in 5 gelijke delen over 5 jaar, ofwel volledig in 1 keer als de premie kleiner was dan 1.000 euro. In 2002 werd beslist dat deze premies in 2 keer uitbetaald moeste worden, of volledig als de premie kleiner was dan 1.000. Alle dossiers ingediend in 2000 en 2001 met een eerste betaling van 1/5 in 2001, kregen op die manier het resterende deel (4/5) van hun premie gestort in 2002. Vandaar de sterke toename van het premiebedrag in 2002 t.o.v. 2001, en dit zowel voor de uitbetaalde investerings- als de vestigingspremies. Vanaf 2003 vertoont het aantal dossiers waarvoor een kapitaalpremie betaald werd een opwaartse trend, zowel wat uitbetaalde investeringspremies als vestigingspremies betreft. Het aantal uitbetaalde vestigingspremies stijgt over de jaren, net als het premiebedrag, om in 2007 een piek te bereiken van 560 dossiers en 4,893 miljoen euro. Ook de uitbetaalde investeringspremies bereiken een niveau van 6000 à 7000 dossiers met een gestegen premiebedrag tot om en bij de 17 miljoen euro onder meer ten gevolge van een verschuiving naar meer grote premies (stijging steun in de 40%-categorie). In 2006 wordt er iets minder betaald aan investeringspremies omdat er vanaf 16 oktober 2006 betalingen moesten uitgesteld worden tot 2007. Het Europees boekjaar 2006 (financieringsperiode 2000-2006) liep immers ten einde op 15 oktober en voor de nieuwe financieringsperiode 2007-2013 konden er maar betalingen gelanceerd worden vanaf 1 januari 2007. In 2007 werd dan weer absolute voorrang gegeven aan de uitbetaling van vestigingspremies.
Het aantal dossiers stijgt echter niet meer omdat er sedert 2007 een beperking geldt op het aantal ingediende dossiers per jaar per aanvrager (eerst 1 dossier, in 2008 uitgebreid tot 2 dossiers).
Evolutie VLIF 1993-2009
2008 vertoont vervolgens een stijging van de uitbetaalde premies (= betalingseffect van de verhoogde vastleggingen vanaf 2007). In de betalingen 2009 is ook 2,552 miljoen euro inbegrepen voor de 3 premietypes samen (Vlaamse cofinanciering) waarvan de uitbetaling voorzien was in het eerste kwartaal van 2010, maar die vervroegd werden uitbetaald in het kader van het economisch herstelplan voor de landbouwsector (cfr. economische crisis).
115
Tabel 6.13 Evolutie van de uitbetaalde kapitaalpremies (Vlaamse cofinanciering) voor vestigings- en investeringssteun
Vestigingspremies Jaartal 2002
Financiering geheel of deels met krediet
60
1338
3.230
256
2.511
3754
9.668
geheel of deels met krediet
260
1.641
3050
6.451
volledig eigen middelen
10
53
2141
4.147
270
1.694
5191
10.598
geheel of deels met krediet
321
1.998
2690
6.041
volledig eigen middelen
14
73
1977
3.889
335
2.070
4667
9.931
geheel of deels met krediet
455
3.069
4224
11.246
volledig eigen middelen
17
104
2908
6.447
472
3.173
7132
17.693
geheel of deels met krediet
402
2.476
3937
11.144
volledig eigen middelen
17
92
2626
5.734
419
2.568
6563
16.878
geheel of deels met krediet
541
4.746
3541
11.336
volledig eigen middelen
19
147
2191
5.479
560
4,893
5732
16.815
geheel of deels met krediet
453
4.808
3475
13.681
volledig eigen middelen
20
182
2088
5.184
473
4.990
5563
18.865
320
3.585
2605
13.121
81
1067
3-.361
3.666
3672
16.482
totaal
Evolutie VLIF 1993-2009
2005
totaal 2006
totaal 2007
totaal 2008
totaal 2009
Premiebedrag (x 1000 euro) 6.438
totaal 2004
Aantal dossiers 2416
totaal
geheel of deels met krediet volledig eigen middelen
totaal
249
Premiebedrag (x 1000 euro) 2.451
volledig eigen middelen
2003
Aantal dossiers
Investeringspremies
7
9
329
Vanaf 2007 worden er ook premies voor verbreding uitbetaald (as 3 in PDPO II). Tot 2006 waren deze premies inbegrepen in de investeringspremies.
116
Tabel 6.14 Aantal dossiers en bedragen voor verbreding
Jaartal 2007
Financiering
152
671
volledig eigen middelen
115
278
267
949
geheel of deels met krediet
174
916
volledig eigen middelen
79
245
totaal 2009
Premiebedrag (x 1000 euro)
geheel of deels met krediet
totaal 2008
Aantal dossiers
253
1.161
geheel of deels met krediet
220
1.532
volledig eigen middelen
53
374
totaal
273
1.906
6.4.1.3 Waarborg
De cijfers in tabel 6.15 tonen geen duidelijk stramien in de evolutie van de uitbetaalde waarborg over de jaren heen. Meer dan het aantal dossiers waarvoor er waarborg werd verleend en de grootte van de waarborg, zijn externe factoren bepalend voor de uitbetalingen van waarborg na uitwinning. Hierbij denken we aan uitzonderlijke gebeurtenissen (persoonsgebonden, natuurgebonden, marktomstandigheden …) die financiële moeilijkheden kunnen veroorzaken in bepaalde sectoren. Ook de onderlinge verschillen tussen de dossiers qua financiële impact kunnen groot zijn. In 2003 bijvoorbeeld ging er 1,2 miljoen euro naar het failliet van 1 coöperatieve.
Evolutie VLIF 1993-2009
Aangezien enkel de dossiers ingediend vanaf 01/04/1992 ten laste zijn van het VLIF en er tussen de toekenning van VLIF-waarborg en de eventuele afrekening van de waarborg na kredietopzegging en uitwinning enkele jaren kunnen verlopen, begon de uitbetaling van waarborg pas in 1996.
Vanaf 2004 blijft het aantal uitbetalingen vrij constant, met een vergelijkbaar uitbetaald bedrag van 2004 tot 2007.
117
Evolutie VLIF 1993-2009
Tabel 6.15 Uitbetaalde VLIF-waarborg (in euro)
initieel toegekende VLIF-waarborg (euro)
Intresten + kosten (euro)
Totaal uitbetaalde waarborg (euro)
139.689
35.775
175.464
577.747
492.667
86.252
578.919
5
402.132
211.653
33.853
245.506
1999
9
735.993
614.264
127.608
741.872
2000
9
1.014.523
774.446
141.371
915.817
2001
3
387.874
242.570
22.271
264.841
2002
7
1.163.505
797.002
110.728
907.730
2003
3
2.089.785
1.484.639
69.493
1.554.132
2004
11
1.627.522
868.147
333.459
1.201.606
2005
12
1.528.266
855.269
209.712
1.064.981
2006
8
2.182.594
1.083.716
219.303
1.258.019
2007
7
1.618.437
935.434
191.214
1.126.648
2008
9
2.546.922
1.780.303
548.684
2.328.987
2009
10
3.817.147
1.928.373
459.549
2.387.922
Jaartal
Aantal
1996
3
276.343
1997
8
1998
Kapitaal (euro)
De gemiddelde uitbetaalde waarborg per zaak stijgt wel en bereikt 160.950 euro in 2007. In 2008 was er een uitbetaling van ruim 800.000 euro voor ĂŠĂŠn zaak, zodat het absoluut bedrag uitbetalingen merkelijk hoger lag dan de voorgaande jaren. Ook het gemiddelde per zaak stijgt tot 258.776 euro. Voor 2009 zijn er ongeveer dezelfde cijfers als in 2008.
118
6.4.2 Uitbetaalde steun aan de agrovoedingssector De toegekende VLIF-steun wordt uitbetaald in de vorm van een kapitaalpremie in maximaal twee schijven (parallel met de Europese steun). Tabel 6.16 Evolutie van de uitbetaalde VLIF-steun (in euro) aan agrovoeding
Jaartal
Uitbetaalde steun (Vlaamse cofinanciering) agrovoeding (euro)
2005
1.374.354
2006
3.768.474
2007
177.489
2008
0
2009
443.936
De uitbetalingen in 2005 en 2006 hebben betrekking op de in 2005 georganiseerde oproep. Alle projecten (uitvoering van de investering) moesten zijn afgesloten in 2006 als gevolg van het beëindigen van de Europese periode 2000-2006 op 15/10/2006. Het grootste gedeelte van de steun werd dan ook uitbetaald in 2006. Het bedrag dat werd uitbetaald in 2007 had nog gedeeltelijk betrekking op nabetalingen van de projecten van de oproep 2005 (102.489,04 euro) en gedeeltelijk op de enige aanvraag van de oproep 2006 (75.000 euro).
6.4.3 Uitbetaalde steun aan de omkaderingssector
Evolutie VLIF 1993-2009
Alle uitbetalingen voor eerdere aanvragen waren al uitgevoerd en bij gebrek aan nieuwe uitbetalingsdossiers (de steuntoekenning voor indieningsronde van begin 2008 werd midden 2008 goedgekeurd), waren er voor de agrovoedingssector geen uitbetalingen in 2008.
De toegekende steun wordt uitbetaald in de vorm van een kapitaalpremie in maximaal vier schijven. Tabel 6.17 Evolutie van de uitbetaalde VLIF-steun in euro aan omkadering
Jaartal
Uitbetaalde steun omkadering (euro)
2005
1.079.993
2006
1.644.624
2007
1.723.854
2008
2.070.724
2009
1.496.097
De uitbetaalde steun in een bepaald jaar heeft telkens betrekking op een gedeelte van de steun die werd toegekend in dat jaar, maar ook op de steun die werd toegekend in de voorgaande jaren aangezien de betoelaagde projecten meerdere jaren kunnen omvatten in hun uitvoering en uitbetaling.
119
Colofon
Deze publicatie is een uitgave van de Vlaamse overheid, beleidsdomein Landbouw en Visserij. Verantwoordelijke uitgever: Luc Uytdewilligen Afdelingshoofd, afdeling Structuur en Investeringen Samenstelling: Agentschap voor Landbouw en Visserij Afdeling Structuur en Investeringen Eindredactie: Team C&ICT Landbouw en Visserij Colofon
Beeldmateriaal: Departement Landbouw en Visserij, Afdeling Organisatie en Strategisch Beleid Vormgeving: Team C&ICT Landbouw en Visserij Druk: Vlaamse overheid Nummer wettelijk depot: D/2010/3241/228 Overname van de teksten is toegestaan mits bronvermelding. Het Vlif-activiteitenverslag is vrij te downloaden van de website: www.vlaanderen.be/landbouw (Rubriek: Publicaties) Of kan gratis besteld worden bij: Agentschap voor Landbouw en Visserij Afdeling Structuur en Investeringen Koning Albert II-laan 35, bus 41, 1030 Brussel Tel. 02 552 74 70 - Fax 02 552 74 71 inge.vandenbossche@lv.vlaanderen.be
120