p»^«44.
.a.
V^
JÊÊr u Vil
• •*
i
•
i
Jri
Natuurlijke hydraulische kalk isolerend - dampopen - duurzaam - kalleien UNILIT CORICAL sanerend - injecties mouiures - voegen - pleister metselen - tadelakt - natuurlijke bindmiddelen vette kalk
Arte Constructo
+32 (0)3 880 73 73 info@arteconstructo.be
f
52/1
M O N U M E Ï Ï T E N , LA ANDSCHAPPEN Tweemaandelijks tijdschrift van de Vlaamse overheid. Onroerend
EN
ARCHEOLOGIE
Erfgoed
ISSN 0770-4948 Jaargang 32 nr. 1 J A N U A R I - F E B R U A R I 2013
Inhoud
Archeologisch onderzoek op de Werf in Aalst ( © SOLVA)
rzitter i Bouve
Redactiesecretariaat Diane Torbeyns diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be
I redactie jan Buyle en •r Van den Hove 1 red actie jan Buyle y De Graef man Van den Bossche •r Van den Hove actie a Bergmans raeken c De Borgher on Ervynck Gyselinck. leline Metdepenninghen er Nuytten I Van den Bremt irten Van Dijck pmas Van Dnessche •istine Vanthillo e Verdurme 1 Verhofstadt da Wylleman eden ard Coedleven cel M. Cells )e Schepper iwigVan den Bossche anne Van Aerschot
Tel. 02553 "'ö 13 Abonnementen^ België: 40 € {losse nummers: 7 €.) Buitenland: 65 € CJP- of studentenkaart: 28 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving oprek. nr. 091-22060^0-95 van Monumenten &. Landschappen Koning Albert ll-laan 19 bus 5 i 2 i o Brussel * Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
4
33
65
De stadswording van Aalst. Of hoe een Merovingische nederzetting uitgroeide tot een laatmiddeleeuwse stad
De grote aula van de Leuvense universiteit
Summary
Joris Snaet en Tom Verbist
Koen De Groote
Website www.menl.be Advertentiewerving J. Casier - Brugge jancasier.brugge@telenet.be Vormgeving Bart Delva Druk
'i|dschrift M & i is opgenomen m /laams Academisch Bibliografisch and voor de Sociale en Humane nschappen en gevalideerd als tijdft met peer review.
Oswald Pauwels
erantwoordelijkheid voor de ibliceerde artikels berust uitend bi) de auteurs. Alle rechten het reproduceren, vertalen of erken zijn voorbehouden.
Verantwoordelijk uitgever Sonja Vanblaere Koning Albert ll-laan 19 bus 5 i 2 i o Brussel
die Keure - Brugge Fotografie
IVI1!!
1
>stauratie e n Monumentenzoi'
Schilderijen en beelden (wel en niet polychroom) • Muurschilderingen en stuc • Papier • Meubilair (wel en niet polychroom) • Leder • Begassing • Carton-pierre • Keramiek • Proefrestauratiesl Artisanale kalkverf • Rotsbepleistering • Vooronderzoek bestekken Meetstaten en ramingen TEL.: 056 32 38 12 FAX: 056 32 38 13
SONCK Frederic
GUIDO GEZELLESTRAAT 23 8 5 6 0 WEVELGEM
E-mail: infoermp.bi GSM: 0475 82 56 2
A. M. C O N S U L T AM Consult b v b a Anthonis d e Jonghestraat if B-9100SINT-NIKLAAS t: 03 780 ó l 53 f: 03 766 18 52 a.nn.consult@sk;ynet.be www, amconsult. b e
Restoratie & Renovatie • Siermetselwerk • Ruwbouw • Gewelfbouw • Bekisten en storten van betonnen trappen in bestaande gebouwen • Steenkapperij: monelen, maaswerk, hogels, pinakel, kapitelen • Natuursteenherstelling m e t minerale mortel • Gips-, kalk-, leem- en cementpleisterwerk: 1 of 2 lagensysteem • Lijstwerk - Consolidatie van verpoederd pleisterwerk • Eigen productie van gebluste kalkdeeg • Vloer- en wandbetegeling
Uw partner voor het opsporen van de oorzaken v a n : Vochtviekken Schade aan pleisterwerk Waterinfiltraties Betonrot Schimmels Houtaantasting door zwam Condensvormlng Houtaantasting door insecten Opstijgend vocht Regendoorslag Door: Gravimetrische vochtanalyse Kwantitatieve zoutanalyse RH en T datalogging Endoscopie Microscopisch onderzoek i n s i t u en/of i n h e t l a b o ifv de onderzoeksmethoden
Tel.: 0472/77.65.04 - Fax: 09/234.33.46 Registradenr.: 06.18.1.0
Wij leveren: gefundeerd en praktisch behandelingsadvies! voor een efficiënte aanpak van het probleer
G^jü^rkis
Het geheugen van Aalst Sinds het begin van de jaren '80 van vorige eeuw wordt er in Aalst archeologisch onderzoek verricht. De aanvankelijk kleine interventies en waarnemingen worden later grootschaligere en geplande onderzoeken. Al deze opgravingen - groot en klein - blijken belangrijke puzzelstukken te zijn in de reconstructie van het Aalsterse verleden. Archeoloog Koen De Groote toont ons hoe stedelijke archeologie in voortdurende dialoog dient te staan met cartografische, historische en bouwhistorische gegevens en hoe een dergelijke interdisciplinaire aanpak uiteindelijk toelaat een beeld te schetsen van het ontstaan en de vroegste ontwikkeling van Aalst.
Een auditorium met peristyle Generaties Leuvense studenten hebben in de vertrouwde Grote Aula van het huidige Maria-Theresiacollege colleges gevolgd, wellicht zonder te beseffen dat ze zich bevonden in één van de opmerkelijkste historische gebouwen van de Leuvense universiteit. Als getuige van de Hollandse Periode (1815-1830) was de Alma Mater toen immers voor korte tijd een rijksinstelling. Het bewaren van de klassieke vormentaal en het authentiek karakter, met aandacht voor de hedendaagse functionele eisen, was het leitmotiv van de zorgvuldig voorbereide restauratiecampagne. Joris Snaet kadert de geplande ingreep stevig in het archivalisch bronnenmateriaal en Tom Verbist beschrijft de praktische uitwerking van deze weloverwogen ingreep.
De stadswording van Aalst. Of hoe een Merovingische nederzetting uitgroeide tot een laatmiddeleeuwse stad Koen De Groote
Het onderzoek naar het verleden van een stad steunt op verschillende bronnen en onderzoeksdisciplines zoals historisch bronnenonderzoek, cartografie, historische geografie, bouwgeschiedenis en archeologie (i). De studie van het proces van de stadswording in de middeleeuwen moet gebruik maken van de verbindende elementen tussen deze verschillende disciplines (2). Deze zijn nodig om de wisselwerking te doorgronden die ontstaat tussen de aard, de inrichting en het gebruik van de ruimte in periodes van grote veranderingen op maatschappelijk, economisch en politiek vlak. De archeologie heeft een grote inbreng in het onderzoek naar het stedelijk wordingsproces omdat dit zich doorgaans afspeelt in een periode waarin de historische bronnen zeer schaars zijn en bouwhistorische en cartografische bronnen ontbreken (3). Niet dat de archeologie geen belangrijke rol kan spelen in de geschiedschrijving van de laat- en postmiddeleeuwse stad, integendeel, maar het accent van haar inbreng ligt er anders (4). Het doel van dit artikel is o m alle beschikbare informatie over de stadswording van Aalst samen te brengen in een interdisciplinaire aanpak (5). De betrachting is o m waar mogelijk de verschillende processen in de stadswording te reconstrueren via de beschikbare cartografische, historische en archeologische gegevens (6). Niet alleen de stadswording en de stedelijke evolutie worden behandeld, maar er is - voor het eerst - ook ruim aandacht voor de prestedelijke structuur.
4
IM
L
Historiek van het onderzoek van de Aalsterse stadswording De geschiedschrijving van de stad Aalst kent zijn grote doorbraak met het vierdelige werk van de i9dc-eeuwse volkskundigen en historici Frans de Potter en Jan Broeckaert, waarin voor het eerst alle toen gekende historische gegevens over de stad samengebracht en geïnterpreteerd werden (7). Zij beschouwden de middeleeuwse stad als een statisch gegeven, op een bepaald moment gecreëerd, met de Grote Markt als centrum en van in het begin volledig omwald (8). Dit beeld werd al snel aangeOpgravingen in het Sint-jozefscollege in 2009 {foto Onroerend Erfgoed)
Archeologisch onderzoek op de Hopmarkt in Aalst in 2 0 0 4 en 2005 (foto Onroerend Erfgoed)
vochten door lokale historici en heemkundigen op basis van archivalische bronnen. Bleef men aanvankelijk nog uitgaan van de markt als het centrale punt van ontwikkeling (9), dan ging men later het ontstaan van Aalst toch vanuit verschillende oudere kernen situeren (10). Het gebrek aan academische opleiding en methodiek zorgden er echter voor dat waarheid en verzinsels, heroïek en mythes een belangrijke rol bleven spelen in de lokale geschiedschrijving. Het opkomende historische besef zat bovendien nog geklemd tussen vooroordelen, waardoor soms de vreemdste beweringen neergeschreven werden. Over het vroegmiddeleeuwse Aalst schreef Van der Heyden bijvoorbeeld: "... Aalst was maar 'n gehucht, bestaande uit een groep armzalige hutten; de bewoners waren 'n samenraapsel van dieven en moordenaars." (11). Slechts acht jaar na deze publicatie verscheen de studie van Courteaux die de historische gegevens over de Aalsterse stadswording in het juiste perspectief plaatste. Voor het eerst werd een evolutie geschetst zoals die nu algemeen aanvaard wordt, en die niet meer uitgaat van de Grote Markt als het historisch centrum (12). Het is echter pas met de studie van Callebaut in 1983, waarin hij voortbouwend op het schema van Courteaux systematisch al het historisch, cartografisch en topografisch materiaal bijeenlegt, dat de reconstructie van de topografische groei van de stad zijn definitieve kader krijgt (13). Het was enkel nog wachten op het archeologisch onderzoek om dit verder in te vullen, om sommige werkhypothesen te onderbouwen ofte ontkrachten, en nieuwe inzichten te verschaffen. De aanzet werd in 1982 gegeven door de Nationale Dienst voor Opgravingen (NDO), onder leiding van Dirk Callebaut, met een opgraving in het OudHospitaal, de plaats waar op historische gronden het vroegere Zelhof gesitueerd wordt (14). In de tweede
M LI
5
Zicht op de meersen en de Dender in zijn natuurlijke bedding aan de steilrand van de vallei (foto K. Vandevorst}
Topografie van Aalst en omgeving op basis van het Digitaal Hoogtemodel (DHM). De zwarte driehoek situeert de oudste woonkern van Aalst op een steilrand van de Dendervallei. De stippellijn geeft de afbakening van de hoger gelegen leemrug met de koutergronden aan ( © A G I V en Onroerend Erfgoed)
helft van de jaren 1980 en het begin van jaren 1990 bleef het archeologisch onderzoek beperkt tot vooral kleine interventies en waarnemingen bij allerhande bouwwerven, uitgevoerd door de Aalsterse Vereniging voor Archeologie (15). In 1989 verrichtte de NDO een systematisch vooronderzoek in de toen door afbraak bedreigde H.-Geestkapel (16). Zijn Vlaamse opvolger, het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (IAP), startte in 1993 een programma van preventief onderzoek op bedreigde sites binnen de middeleeuwse stadskern. Hierbij werd veel aandacht besteed aan de problematiek van de stedelijke ruimtelijke ontwikkeling. In totaal zijn 16 preventieve opgravingen en 5 noodopgravingen verricht in de periode tussen 1993 en 2010. Het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE), de opvolger van het IAP, organiseerde in 2004-2005 op de Hopmarkt het eerste grootschalige opgravingsproject in de stad, met een totale onderzochte oppervlakte van ongeveer 3500 m2. Door de toepassing van het Europese verdrag van Malta, dat sinds 2009 door de Vlaamse Regering geratificeerd werd, zijn ook in Aalst nieuwe archeologische spelers actief. Naast enkele archeologische privébedrijven is vooral de archeologische cel van de intercommunale Solva actief, die intussen reeds drie grote opgravingen in de historische kern heeft uitgevoerd (17). Met de hervorming in de loop van 2010 van het VIOE tot het Agentschap Onroerend Erfgoed lijkt de rol van de Vlaamse Overheid als actieve opgravingsdienst voorbij. De combinatie van de historische en topografische studies met de resultaten van het archeologisch onderzoek resulteerde begin 2000 in een nieuwe synthese over de stadswording (18). Hierbij lag de nadruk vooral op de archeologische gegevens, geplaatst binnen het historisch-topografische kader. Deze studie vormt een volgende stap in het denkproces rond de Aalsterse stadswording (19).
De prestedelijke structuur Topografie De kern van Aalst is gelegen op de linkeroever van de Dender, op de overgang tussen de leem- en de zandleemstreek. De middeleeuwse stad heeft zich ontwikkeld op de plaats waar een noordoostelijke uitloper van een leemrug een steilrand vormt met het alluviaal gebied van de Dender, waardoor de bedding van de rivier er zeer dicht tegen de leemrug aanleunt, en waar zich waarschijnlijk al van oudsher een belangrijke oversteekplaats bevond. Het archeologische onderzoek aan de Oude Vismarkt en in het Oud-Hospitaal heeft duidelijk aangetoond dat de winterbedding van de rivier werkelijk tot aan de oostelijke steilrand van de leemrug reikte (20). Het hoogteverschil tussen de
6
I 1VI L
alluviale rand en het 180 meter verder gelegen hoogste punt aan de noordoostzijde van de leemrug ter hoogte van de Grote Markt bedraagt 6 m. Aan de zuidzijde wordt de leemrug begrensd door de valleien van de Hoezebeek en de Siesegembeek, die na hun samenvloeiing ten noorden van de leemrug in de Dender uitmonden. Door de uitgestrekte bebouwde oppervlakte is de oorspronkelijke microtopografie en bodemgesteldheid in het noordoostelijk deel niet gekend. Uit opmetingsgegevens binnen de huidige stad, de bestaande topografische en bodemkundige gegevens en bepaalde archeologische resultaten blijkt echter duidelijk dat deze leemrug van uitzonderlijke grootte was. Het zuiden ervan wordt gevormd door de Hoezekouter, die bijna volledig bestaat uit natuurlijke, goed gedraineerde leemgronden. Vanaf het hoogste punt op de Hoezekouter loopt de leemrug licht afin noordoostelijke richting en wordt hij in het noorden afgesneden door de scherp ingesneden vallei van de Siesegembeek. De in middeleeuwse bronnen vermelde Aalsterkouter (oudste vermelding 1248: cultura de. Alost (21)) besloeg waarschijnlijk het noordoostelijke deel ervan. De totale oppervlakte van deze leemrug beslaat ongeveer 130 ha, wat zeer groot is in vergelijking met de oppervlaktes van vergelijkbare landschapselementen in het omliggende leem- en zandleemgebied.
Gallo-Romeinse periode. Ook de naam Aalst heeft een pre-Germaanse oorsprong. Deze Belgisch nederzettingsnaam zou teruggaan tot alhusta-, een germanisering van alkustom, wat een afieiding is van het Belgische alkos, wat 'heiligdom' betekent (23). Uit het archeologisch onderzoek blijkt alleszins dat dit gebied ten westen van de Dender in de Romeinse periode sterk ontgonnen was. De regelmatige aanwezigheid van landbouwnederzettingen op de natuurlijk gedraineerde leemruggen kan op basis van opgravingen en prospecties worden aangetoond (24). Restanten van een Romeinse nederzetting werden in 1997 opgegraven op de rand van een groot koutercomplex te Erembodegem-Hof ter Wilgen, dat ten zuiden aansluit op de grote leemrug waarop Aalst is gelegen (25). Recent onderzoek van Solva op het industrieterrein Erembodegem Zuid IV kon ook Romeinse bewoning aantonen op de zuidgrens van het onderzochte areaal (26). Maar de start van de ontginning van deze vruchtbare leemgronden moet al veel vroeger gesitueerd worden. Het systematisch aantreffen van fragmenten van gepolijste vuurstenen bijlen bij prospecties in het zandleem- en leemgebied lijkt reeds een aanwijzing te zijn van een systematische ingebruikname als cultuurgrond in de periode van het laat-neolithicum en de bronstijd (27). Ook de archeologie in de Aalsterse binnenstad geeft specifieke informatie over de prestedelijke bewoning. Een concentratie van vuurstenen werktuigen uit het Epi-Paleolithicum op de rand van de Denderoever wijst op een tijdelijk kamp van jagers-verzamelaars in de periode 10.000-8000 voor Chr. (28). Interessanter om een beter beeld te krijgen van de topografische evolutie zijn de vondsten uit de metaaltijden. Op verschillende plaatsen werd aan de natuurlijke oever van de Dender, aan de voet van de steile oostelijke helling van de leemrug, een tot 90 cm dik colluviumpakket aangetroffen, dat een oude bodem afdekt.
De Siesegembeek ter hoogte van de Siesegemkouter op de grens met Nieuwerkerken (foto K. Vandevorst)
Intacte gepolijste vuurstenen bijl uit deelgemeente Herdersem (foto H. Denis)
Iffl^^JTTT
Prestedelijk landschap De gunstige topografische en bodemkundige situatie van dit gebied, met hooggelegen, goed gedraineerde vruchtbare leemgrond en scherp ingesneden beekvalleien moet al van in de prehistorie een grote aantrekkingskracht uitgeoefend hebben. Heel wat plaatsnamen uit de regio ontstonden voor de Germaanse invallen uit de 4'ie-5de eeuw en hebben dus een pre-Germaanse oorsprong (22). Ze zijn een aanduiding van bewoning in het gebied uit de prehistorie en de
é
^H^K
-^•j:.m?^l M LI
7
Epi-Paleolithische werktuigen in vuursteen, in 1983 aangetroffen op de rand van het Denderalluvium onder het Oud-Hospitaal te Aalst (foto H. Denis)
Op de Oude Vismarkt, aan de voet van de steilrand met de Dendervallei. dekte een tot 90cm dik colluviumpakket een prehistorische bodem af: (i) afgedekte bodem, (2) colluvium, {3) vulling van een middeleeuwse gracht (foto Onroerend Erfgoed)
8
I 1VI
L
Deze afgespoelde leemgrond bevatte regelmatig kleine fragmenten van handgevormd aardewerk in prehistorische techniek, dat algemeen in de metaaltijden gedateerd wordt (29). Dat er vanaf deze periode sterke bodemerosie optrad, wijst op ontbossing en ontginning. Archeologische sporen op de leemrug zelfwijzen in dezelfde richting. Bij het onderzoek op de Hopmarkt werden twee parallelle greppels aangetroffen die over een afstand van ongeveer 60 meter te volgen waren. Hun oriëntatie lijkt bepaald door het reliëf. Zowel deze greppels als de sporadische vondsten van ouder materiaal in de middeleeuwse ploeglaag, onder meer 9 fragmenten van gepolijste silexbijlen
of-dissels, 23 scherven in prehistorische techniek, 12 scherven Romeins aardewerk en een Romeinse munt, lijken te wijzen op een continue exploitatie als akkerland van in de prehistorie (30). Ook de aanwezigheid van prehistorisch en Romeins schervenmateriaal in de vullingen van iide-eeuwse perceelsgrachten, en twee fragmenten van gepolijste bijlen in het oude akkerland onder de oudste stadswal (site Sint-Jozefscollege) moeten in die zin geïnterpreteerd worden (31). Woonsporen uit deze periodes zijn echter nog niet aangetroffen. Naast de reeds vermelde prehistorische greppels vormen een restant van een Romeinse gracht in de Albert Liénardstraat (32) en een geïsoleerd Romeins graf uit de 2de of 3* eeuw na Chr., op de oever van de Dender in de nabijheid van de Oude Vismarkt, tot voor kort de enige gekende structuren (33). In maart 2012 is bij een onderzoek op een perceel aan de Kattestraat eveneens een kuiltje met enkele Romeinse vondsten aangetroffen. Twee radiokoolstofdateringen op houtskool leverden respectievelijk een datering op in de iste en de 2de tot eerste helft 3dc eeuw (34). Concrete sporen van landelijke bewoning ontbreken momenteel echter nog steeds op dit deel van de leemrug.
Een bewoningskern uit de vroege middeleeuwen ^de.gde
e e u w
|
Over de vroegmiddeleeuwse ontwikkeling zijn we ingelicht door twee cj^-eeuwse teksten waarin de vermelding Aalst voor het eerst voorkomt (35). Beide komen uit de eigendomslij sten van de abdij
van Lobbes, die rond 868-869 zijn opgesteld. In een polyptycum worden de plaatsen met bezittingen van de abdij per pagus opgesomd, met de vermelding van Alosta in de pagus Brachattensis. Daarnaast is er ook een discriptio villarum bewaard gebleven, waarin heel wat details vermeld staan over dit bezit, waarvan de beschrijving begint met: "Est in villa quae dicitur Alost mansus indominicatus..." (36). Hieruit blijkt dat de Villa Alost een tweeledig uitgebaat domein is, samengesteld uit een vroonhof (de centrale exploitatiehoeve) met reserve (rechtstreeks geëxploiteerd door de heer) en tenures (bewerkt door afhankelijke boeren) en ondermeer in het bezit van een mouterij en een molen. Er zijn andere mansi (vorm van boerderijen met bijhorende vaste oppervlakte aan land), die verplicht zijn tot betalingen in geld (voor militaire dienst) en in natura, en tot het leveren van diensten. Steunend op de vermelding van de naam Zelhof - een Germaanse nederzettingsnaam verwijzend naar een domeincentrum - in de i3dp-eeuwse stichtingsoorkonde van het O.-L.-V.-Hospitaal, wordt de Villa Alost op die plaats gelokaliseerd (37). De 75 meter verder gelegen Sint-Martinuskerk, de latere parochiekerk, kan op basis van het vocabel (de patroonheilige) ook nog in de vroege middeleeuwen gesitueerd worden (38) en kent zijn ontstaan waarschijnlijk als domeinkerk (39). De meer noordelijk, op de rand van de alluviale gebieden van Dender en Siesegembeek gelegen Sint-Ursmaruskapel behoorde waarschijnlijk tot de mansus indominicatus (voor de heer uitgebaat deel van het
Kaart op basis van het i6de-eeuwse stadsplan van Van Deventer met lokalisatie van de vroegmiddeleeuwse sites: het Zelhof (1), de Sint-Martinuskerk (2), de site Burgstraat (3). de Sint-Ursmaruskapel (4). het Sint-Jozefscollege (5). de Hopmarkt (6), het traject van de handelsweg Brugge-Keulen (7, aangeduid in bruin), de Dender en de Siesegembeek (in blauw), het alluviale gebied (m groen), de hoger gelegen leemgronden (in beige).
M L
De van oorsprong vroegmiddeleeuwse Sint-Ursmaruskapel, gelegen buiten de Kapellepoort, staat nog afgebeeld op het Iaat-i6de-eeuwse stadsplan van Cuicciardmi
domein) en kan aldus de kern gevormd hebben van de latere priorij die de abdij van Lobbes er bezat (40). Uit de latere evolutie blijkt wel dat de bezittingen van Lobbes waarschijnlijk nauwelijks een rol speelden in de prestedelijke ontwikkeling. Dat de ontwikkelingskern van de stad in de Villa Alost(a) gezocht moet worden, is duidelijk. De vraag stelt zich echter hoe deze vroegmiddeleeuwse bewoningskern er uit zag en wat zijn ruimtelijke
Gouden munt uit de 6de eeuw van de Ostrogotische koning Athaiaric, een imitatie van een Byzantijnse soïtdus van Justinianus I (foto H. Denis)
no I M
L
structuur was. Archeologisch zijn er in en rond het Oud-Hospitaal nauwelijks sporen uit deze periode te vinden, ook al zijn er al heel wat opgravingen verricht in deze zone (41). Structuren die rechtstreeks in verband te brengen zijn met bebouwing ontbreken volledig. Binnen de zone van het latere O.-L.-V.-Hospitaal zijn tot op heden nog geen sporen of resten uit de Karolingische periode opgegraven. Wel is duidelijk dat de helft van het hospitaalterrein bestaat uit i2de-eeuwse ophogingen binnen de winterbedding van de Dender (42). Hieruit blijkt dat het voorheen vooropgestelde oppervlak van het later omwalde domeincentrum een i2do-eeuwse situatie betreft, en dat de oorspronkelijke structuur hier niet meer bewaard is gebleven(43). Dit lijkt ook te impliceren dat de hypothese over een oorspronkelijke ligging van de Sint-Martinuskerk op deze plaats en een latere verplaatsing naar zijn huidige locatie hoogst onwaarschijnlijk is (44). Een zestigtal meter ten zuiden van het Zelhof zijn in 1993 langsheen de oorspronkelijke Denderoever echter wel vroegmiddeleeuwse sporen en resten opgegraven. Het gaat vooral om enkele kleine kuilen en wat verspit aardewerk uit de Karolingische periode. Interessant hierbij is de aanwezigheid van een aantal vondsten buiten context die dateren uit de Merovingische periode. Naast wat aardewerkscherven is vooral de aanwezigheid van een gouden munt opvallend. Het betreft een imitatie van een Byzantijnse solidus van Justinianus I, die geslagen is te Ravenna door de Ostrogotische koning Atalaric (526-534) (45). Deze vondsten vormden op het moment van hun ontdekking de verrassende aanwijzing dat de 9dl'-eeuwse Villa Alost mogelijk reeds een Merovingische voorganger had. Was kort daarna - in 1994 - het aantreffen van een laatMerovingische bronzen hulsfibula (hulsvormige mantelspeld) op de noordelijke speelplaats van het Sint-Jozefscollege nog een vondst buiten zijn oorspronkelijke context (46), dan leverde het onderzoek in 2009 op de zuidelijke speelplaats van het college uiteindelijk het definitieve bewijs van vroegmiddeleeuwse bewoning in de oudste kern (47). Gelegen op de rand van de kouterrug, net voor de steilrand en dichtbij een belangrijke oversteekplaats aan de Dender, is deze nederzetting perfect gelegen, op een afstand van 300 meter van de locatie van de latere Sint-Martinuskerk en nauwelijks 200 meter van de plaats aan de Denderoever waar de gouden munt is aangetroffen, bijna loodrecht beneden de steilrand. De Merovingische vondsten op de site van het Sint-Jozefscollege betreffen een reeks van paalsporen, toebehorend aan minstens één woongebouw en enkele bijgebouwen, die aangetroffen zijn onder de restanten van de eerste stadswal uit de ii de eeuw (zie verder). Interessant is alvast dat de bewoning op basis van vier radiokoolstofdateringen op houtskool uit de paalkuilen te
plaatsen is in de 5* tot eerste helft van de 6dc eeuw, een periode waarbinnen ook de gouden munt valt. De paalsporen waren afgedekt door een ongeveer 10 cm dikke laag waarin een 120-tal scherven uit de Merovingische periode zijn aangetroffen. Het lokale aardewerk maakt slechts 40 % uit van deze context, en omvat vooral handgevormde donkerbruine ceramiek met zogenaamde chamotteverschraling. De aanwezigheid in het baksel van zwarte glauconietkorrels bij een deel van de scherven bewijst hun herkomst uit de Dendervallei. Opvallend is echter de grote hoeveelheid importaardewerk (ongeveer 60 %). Het gaat vooral om potten die uit het Rijnland en het Eifelgebied afkomstig zijn. Andere, fijnverschraalde grijze baksels zijn afkomstig van aardewerk uit het Maasland en/of noordelijk Frankrijk. Op te merken valt dat alle Merovingische vondsten en bewoningsresten te Aalst uitsluitend binnen de latere, eerste stadsomwalling zijn aangetroffen. Het wijst op het belang van deze zone als ontwikkelingskern voor de latere stad en maakt duidelijk dat de ruimtelijke structuur van de Karolingische Villa Alost veel ruimer moet gezien worden dan wat de identificatie van het Zelhof met het latere hospitaaldomein lijkt te suggereren (48). De kwaliteit van de vondsten is eveneens opvallend, met onder meer een gouden munt, een fibula en veel importaardewerk, wat lijkt te wijzen op een goed ontwikkelde nederzetting met een zekere status.
Karolingische bronzen mantelspeld, aangetroffen op het tracé van de verbindingsweg met het Zelhof (foto H. Denis)
Staalname voor micromorfologisch bodemonderzoek van de
Archeologisch onderzoek in de Sint-Martinuskerk heeft over de prestedelijke periode enkel wat schaarse, maar toch niet onbelangrijke gegevens opgeleverd. Tussen de onderste begravingen in de noordelijke kruisbeuk bevond zich een restant van een afvalpakket met bouwpuin. Dit was samengesteld uit glauconiethoudende kalkzandsteen, dakpanfragmenten van het Romeinse type {tegulae en imbrices), en brokken witte en roze kalkmortel. Waarschijnlijk gaat het om de afbraakresten van een ouder (kerk)gebouw, dat gezien de samenstelling van het bouwpuin nog uit de Karolingische periode kan dateren (49). Een Romeinse herkomst lijkt weinig waarschijnlijk door de totale afwezigheid van Romeins schervenmateriaal. Het radiokoolstofonderzoek op een dierlijk bot dat zich tussen het bouwpuin bevond, levert een datering op in de io de eeuw (50), wat een prestedelijke oorsprong lijkt de bevestigen (51). Op de rand van de oudste stadskern, onder de restanten van de latere eerste omwalling, opgegraven onder de speelplaats van het SintJozefscollege, zijn bewijzen gevonden van het landelijk karakter van dit gebied tot in de ii de eeuw. Enerzijds wijst de vondst van het stuifmeel van granen (o.a. rogge) en van korenbloem (een akker-
door de eerste stadsomwalling afgedekte vroegmiddeleeuwse akkerlaag op de site Sint-jozefscollege (foto Onroerend Erfgoed)
onkruid) in iide-eeuwse perceelsgreppels op de noordelijke speelplaats (opgravingen 1994) op de onmiddellijke nabijheid van graanakkers (52). Restanten van dit akkerland zijn in 2009 aangetroffen aan de andere zijde van het Sint-Jozefscollege boven de reeds beschreven Merovingische sporen (53). Het ging om een tot 30 cm dikke akkerlaag die door de afdekking van de eerste stadswal op die plaats perfect bewaard gebleven was (54), en die op basis van het aangetroffen schervenmateriaal kan gedateerd worden tussen de 8'te en de ii dc eeuw (55). Daaronder bevond zich een oudere cultuurlaag afkomstig van weiland, dat zich boven de Merovingische bewoningshorizont ontwikkeld had (56). Daarnaast zijn buiten de oudste stadskern, maar binnen de laatmiddeleeuwse muren op verschillende plaatsen bewijzen gevonden van het landelijk karakter van dit gebied tot in de vroege i3de eeuw. Er zijn onder meer bij opgravingen op de Hopmarkt, het Vredeplein en de Kattestraat restanten van akkerland aangetroffen die naast
M LI n
nederzetting. De evolutie van een centrale akker, afgescheiden van kleinere individuele akkers, naar één groot, aaneengesloten akkercomplex is een algemene trend in de volle middeleeuwen. In die periode ontstond ook de naamgeving als kouter, meestal met de plaatsnaam als voorvoegsel (59). Het lijkt dan ook waarschijnlijk dat het oude akkerland onder de Hopmarkt deel uitmaakte van een groot complex van landbouwgronden dat als hofkouter bij de domeinhoeve hoorde, en waarvan een deel in de late middeleeuwen als Aalsterkouter gekend stond (60).
Dwarsdoorsnede van de perceelsgreppels onder de eerste stadswal op de site Sint-jozefscollege in 1994 (foto Onroerend Erfgoed)
Deel van de Iaat-i2de-eeuwse versteende weg die uitgaf op het Zelhof, opgegraven onder het Sint-Martensplein in 2000 (foto Onroerend Erfgoed)
^
IM L
kleine aardewerkfragmenten, voornamelijk daterend uit de laatste gebruiksperiode in de i2tle tot vroege 13* eeuw, ook sporadisch wat ouder materiaal bevatten. Naast de reeds vermelde vondsten van fragmenten van gepolijste silexbijlen en van Romeins aardewerk is er ook de aanwezigheid van wat Karolingisch aardewerk. Op de Hopmarkt gaat het om 12 scherven van goed dateerbare Rijnlandse importceramiek uit de 9de eeuw uit de productiecentra van Badorf, Walberberg en Mayen) (57). De iide-eeuwse perceelsgreppels onder de oudste stadswal bevatten residueel Karolingisch, lokaal aardewerk (58). Deze vondsten wijzen er op dat die gronden in de Karolingische periode als akkerland in gebruik waren. Gezien hun ligging kunnen ze deel uitgemaakt hebben van de centrale akker van de
Prestedelijke relicten in het stadsweefsel De plattegrond van een stad is het resultaat van een groot aantal historische processen. De vraag is hoe ver in de tijd kan teruggegaan worden vanuit de huidige situatie, met andere woorden welke elementen in het latere stadsweefsel kennen hun oorsprong in het rurale, prestedelijke landschap? Eén van de oudste lijnen in de plattegrond van Aalst wordt gevormd door de Pontstraat en de Kerkstraat, een deel van de weg van Gent naar Brussel die dwars doorheen de stad loopt. Deze weg maakte deel uit van de handelsweg Brugge-Keulen, die eind jjde e e u w zekej- a\ dit vaste tracé volgde {61). Er zijn geen harde bewijzen om dit wegtracé een veel oudere, bijvoorbeeld Romeinse, oorsprong aan te meten, maar toch zijn er meerdere argumenten in die zin voorhanden. In de archeologische literatuur is er discussie over het verloop van de Romeinse heirbaan tussen Boulogne en Keulen, meer specifiek de verbinding tussen Velzeke en Asse, en de situering van de oversteekplaats van de Dender (62).
Het traject over Aalst wordt steeds meer als het meest waarschijnlijke beschouwd. Op basis van de bodemkundige en topografische situatie is het latere tracé van de weg Brugge-Keulen tussen Erpe en Asse over Aalst inderdaad het meest logisch. Dit impliceert dat dit wegtracé grosso modo zou overeenkomen met de Romeinse baan, en er mogelijk zelfs op teruggaat. De aanwezigheid van een Merovingische bewoningskern (site SintJozefscollege) net naast dit wegtracé, op de rand van de natuurlijke kouterrug en niet ver van de oversteekplaats ter hoogte van de latere Brusselse poort lijkt vanuit deze interpretatie dan ook perfect logisch. Een relatie tussen de situering van de Sint-Martinuskerk en het verloop van het wegtracé moet in dit licht misschien ook herbekeken worden. Waar vroeger eerder uitgegaan werd van een landweg die zich richtte op de bidplaats van het vroegere domein, lijkt mogelijk eerder het omgekeerde te gelden. De Sint-Martinuskerk is volgens deze interpretatie opgericht op het kruispunt van de verbindingsweg tussen het latere Hospitaaldomein, het Zelhof, met de grote landweg, ter hoogte van de bocht Pontstraat-Kerkstraat. Van het oostelijk deel van deze verbindingsweg werd ter hoogte van het SintMartensplein trouwens de laat-i2de-eeuwse fase archeologisch vastgesteld, een in die periode met natuursteen verharde weg (63). Het is echter niet uitgesloten dat dit tracé tot de vroegmiddeleeuwse periode teruggaat, gezien het een verbindingsweg is tussen twee plaatsen met een vroegmiddeleeuwse oorsprong. Het westelijk deel van dit tracé is later vervaagd door de uitbreiding van de Sint-Martinuskerk, waardoor de weg hier een gebogen verloop heeft gekregen. Tenslotte moet nog vermeld worden dat voor de vroege middeleeuwen geen gegevens betreffende de percelering gekend zijn. De oudste perceleringssporen reiken pas terug tot de irde eeuw en zullen behandeld worden in het hoofdstuk over de stedelijke ontwikkeling.
De stadswording De ontwikkeling van de prestedelijke nederzetting tot stad gebeurt in een periode van stadswording. De theoretische historische literatuur brengt politieke, sociale, economische en geografische factoren naar voor die een rol spelen in de totstandkoming van de stad (64). Bijvoorbeeld het driepolig ontwikkelingsmodel voor een middeleeuwse stad gaat uit van drie essentiële voorwaarden die moeten aanwezig zijn: de genius loei (de gunstige ligging, bijzondere kenmerken en omstandigheden van de plaats zelf), de aanwezigheid van zogenaamde ondernemende lieden en het belang voor een
.X^-mr
^
#•" A---V-,.- , ^ i - -
A-i's
•' .'4-^
\'
v - • • ' • •
t
. •' , '£%.—', \-
m \ Detail van het stadsplan van Van Deventer (1540-1575) waarop de
feodale heer. In dit hoofdstuk wordt dit model kort getoetst aan de historische en archeologische bronnen, in een poging om tot een coherente verklaring te komen voor het ontstaan en de ontwikkeling van het stedelijke Aalst. Uit het voorgaande hoofdstuk blijkt duidelijk dat de lokale geografische en economische omstandigheden (ligging, landbouwareaal, nederzetting, wegennet, handelsroutes) gunstig waren voor een eerste stap in de stadswording. De politieke en militaire ontwikkelingen uit het midden van de jjde e e u w schiepen de voorwaarden voor de tweede vereiste tot stadswording: de lokale verankering van een belangrijke heer door de oprichting van een burcht.
motteheuvel (rode pijl) nog mooi zichtbaar is in een oude bocht van de Dender, op het door een gracht afgesloten castrale eiland. Aan de overzijde, op de linkeroever, bevindt zich het O.-L-V.Hospitaal (het vroegere Zelhof)
In 1047-1050 werd het noordelijke gebied tussen Dender en Schelde als Rijks-Vlaanderen (later het Land van Aalst) bij het graafschap Vlaanderen ingelijfd (65). Aalst werd de zetel van deze nieuwe bestuurlijke eenheid en kreeg een belangrijke rol in de verdediging van de nieuwe oostgrens van het graafschap. Daartoe werd een motteburcht opgericht op de rechteroever van de Dender, in het alluviaal gebied recht tegenover het Zelhof. De eerste heer van Aalst was Boudewijn (1046-1082), een telg uit een voornaam adellijk geslacht, in de teksten nobilis en vir illuster genoemd, die zich vanaf dan de Alost noemde (66). Uit de bronnen kan echter afgeleid worden dat zijn voorouders en familie al belang-
IVI&LI 13
/V
'A^VM v^r-tn K
*>
.v m
•fl
\
•
*
-
v
4V
•t^:
:^i M IM L
<w-
>«é>.
Luchtfoto van Aalst met aanduiding van de in de tekst vermelde sites: i.
Sint-Martinuskerk
2.
Sint-Martensplein
3.
Oud-Hospitaal
4.
Oude Vismarkt
5.
Stoofstraat
6.
Burchtparking
7.
Sint-Jozefscollege (2009)
8.
Sint-Jozefscollege (1994)
9.
Louis D'Haeseleerstraat
10. Hopmarkt n . Nieuwstraat 12. Vredeplein 13. Stadhuis 14. Kattestraat 15. Albert Liénartstraat 16. Werf
M&LI 15
— fa fümlDu-Wi tisKnuraniflr i im
n
ïitiufftrrlto «uu :nuu-ai^hinmlatir>6>:r''riiij;fitu-ilfl[Lr,uinnic
Wimmu& haiÉaluGfiliuB ^ralphi n mns -N, vn -1 J.,,,, „• fifiR Qiifnh < 4 lR oaiucfino^liraoii tiipit tia
Ivi'ui.i.ii^urtliifftuwlclr^ilui i •:-öiöitft("jWLaquï,/'Ji»uii.i ribi w.v^utiii*-CUM uiwftnnrtïfwW • -rtMitiiïi'i adfum turyit.
AD lETTOKEM ELECAS EX'HORTMIO
«
1
ifliïiMijümbiicfauimn | s | ^ l ^ ^ ' ' . .
urn V l . mQraiokaïc Vrri>>i'MultAt ^<T>!fi«(d»ntrui TnfrM«cipi»ï
r.^r rt iJituti. fr; pi. .1 ut f ^ r i w • - L T . U I C I UI 11 l u U UT alUrrrtfnuni fult.l.'ic^.H ouficTiul rfufiiXi^r t'.ni''nuc ft
rijke heren waren in dat gebied, met uitgestrekte persoonlijke bezittingen. Voor de Vlaamse graaf, die nauwelijks allodia (eigen goed) bezat in het Land van Aalst, was de steun van enkele machtige families noodzakelijk om er zijn macht te vestigen en zijn bestuur te handhaven (67). De familie van Aalst werd voor 1047-1050 'van Gent' geheten. Het oudst vermelde familielid is Rudolfus, advocatus (voogd) van de Sint-Pietersabdij, tussen 1038 en 1052 in de teksten vernoemd als 'de Gandavo' of'Gandensis' (68). De familie van deze Rudolfus was sinds meer dan een eeuw erfelijke voogd van de goederen van de Sint-Pietersabdij die gelegen waren in de pagus bracbatensis. Zijn huwelijk met een zekere Gisla, de zuster van gravin Otgiva, getrouwd met Boudewijn IV (9801035), verbond hem rechtstreeks met de familiale kring van de Vlaamse graaf. Zijn zoon Boudewijn I, die trouwens ook het ambt van advocatus van de Sint-Pietersabdij erfde, werd de eerste heer van Aalst (69). De familie van Aalst oefende door zijn functie reeds heel wat gezag uit in het Land van Aalst en bezat er heel wat allodiale goederen (70). Deze allodiale bezittingen zouden ze zelfs sterk uitgebreid hebben door de usurpatie van erfgoederen van de vroegere heren van Ename. Rudolfus van Gent en zijn zoon Boudewijn vochten waarschijnlijk mee in de legers van de Vlaamse graaf Boudewijn V en werden bij de organisatie van Rijks-Vlaanderen beloond met zowel eigen allodiaal gebied als met lenen van de Vlaamse graaf, voort-
Portretten van de leden van de Vlaamse grafelijke familie
Graven van Vlaanderen
Heren van Aalst
die van de io d e tot het midden van de i i d e eeuw in de SintPietersabdij begraven werden. Voorgesteld zijn bovenaan gravin
Frederikvan Luxemburg
Mathildis, haar zoon Arnulf II
Arnulf II
en zijn echtgenote Suzanna, en onderaan hun zoon Boudewijn IV, zijn echtgenote Otgiva en
Rodulf
haar zus Cisla. Deze laatste is de vrouw van Boudewijn, de eerste
&
Gisla
Otgiva
&
Boudewyn IV
(+ 10S2/S6)
heer van Aalst I© STAMj
? &
Boudewijn I (+ 1082)
Boudewyn II
Rodulf
Giselbert
& Remundis Diederikvan de Elzas
(+ 1099)
(+ 1168)
Stamboom van de heren van Aalst en hun verwantschap met de grafelijke families
16 I M
L
Boudewyn III
Iwein
(+ 1127)
(+ 1145)
&
Dlederik (+ 1166)
Lauretta
& Swanehilde
Zelhof in de late 12* eeuw valt samen met de dood van de laatste heer van Aalst in 1166 en het in bezit komen van het domein door de Vlaamse graaf. Dit lijkt er op te wijzen dat het Zelhof in deze periode nog belangrijk was, en waarschijnlijk bleef functioneren als bestuurlijk centrum van het Land van Aalst, te identificeren met de in 1196 vermelde aula comitis (gravensteen) (78), die pas in de eerste helft van de i3 dc eeuw verplaatst werd naar het nieuw gebouwde gravensteen aan de Grote Markt. Waarschijnlijk niet toevallig werd daarna het Zelhof weggeschonken voor de oprichting van het O.-L.-V.-hospitaal in 1242. De aanwezigheid van een grafelijke kapel in het Zelhof lijkt eveneens in die richting te wijzen (79). i2de-eeuwse zegel van de stad
komend uit de bezittingen van Sint-Pieters, die zij als advocatus bestuurden (71). Door de aanstelling van Boudewijn verzekerde de graaf zich van een trouwe en goed in het gebied tussen Schelde en Dender verankerde leenman aan wie hij het bestuur kon toevertrouwen. Boudewijn I kreeg later, in 1071, van graaf Robrecht de Fries trouwens ook ondermeer nog het Land van Waas in leen. De heren van Aalst behoorden later tot de pairs van Vlaanderen, de hoofdleenmannen van de graaf die samen zijn raadgevend hof vormden (72). De villa Alost kwam mogelijk tijdens de aanhechting van Rijks-Vlaanderen in de periode 1047-1050 in de handen van de Vlaamse graaf of de heren van Aalst, maar gezien hun machtspositie in het gebied vóór 1050 is de kans groot dat het reeds allodiaal bezit was van deze laatsten (73). Of er een of andere vorm van continuïteit is tussen hen en de eerste bezitters van het domeincentrum uit de vroege middeleeuwen is niet gekend. Bij de dood in 1166 van Diederik van Aalst, de laatste telg van het geslacht van de heren van Aalst, kwam de castrale motte in handen van de Vlaamse graaf. Over de eigendomsevolutie van het Zelhof zijn we niet ingelicht maar in de vroege i3de eeuw is het vroegere domeincentrum zeker in het bezit van de Vlaamse graaf. Waarschijnlijk was het als allodiaal bezit na de dood van Diederik van Aalst via zijn moeder Lauretta, dochter van de Vlaamse graaf Diederik van de Elzas en zuster van graaf Filips (74), in het bezit gekomen van de grafelijke familie (75). In een document uit 1166 verklaart graaf Filips van den Elzas dat hij de bezittingen niet alleen erfrechterlijk maar ook leenrechterlijk overgenomen heeft (76). Feit is dat vanaf dan de burcht van Aalst het nieuwe grafelijke centrum werd, de zetel van de grafelijke leenbank (77). De archeologisch aangetoonde verstening van de hierboven reeds vermelde toegangsweg naar het
De derde bepalende voorwaarde voor stadswording is volgens het ontwikkelingsmodel de aanwezigheid van ondernemende lieden. Op zich is dit een vage en weinig zeggende term die hier kan vertaald worden als 'economische mogelijkheden en ontwikkelingen'. De vestiging en inrichting van een burcht te Aalst zal de bestaande nederzetting een verzorgende functie gegeven hebben (80). Gezien de grootte van zijn kouter moet het oude domeincentrum zeker geschikt geweest zijn voor de levering van een belangrijk deel van de hiervoor benodigde hoeveelheid goederen en diensten (81). De ligging op de kruising van de Dender met de handelsweg Brugge-Keulen schiep bovendien een belangrijke voorwaarde voor het verkrijgen van handelsgoederen. De aanwezigheid van een burcht en een bestuurscentrum was waarschijnlijk de nodige stimulans voor de invloei van ondernemende handels- en ambachtslieden in de nederzetting (82). De Vismarkt, gelegen naast het Zelhof en recht tegenover de burcht, aan de overzijde van de
Detail uit het stadsplan van Sanderus (1644) met daarop de aanduiding van de Graanmarkt, ten noorden van de Sint-Martinuskerk
Stadskeure van Aalst uit 1174 ( © Stadsarchief Aalst)
' .-^-t 1liiifm*1wr.iii«w .^1X1. >!lij^»>r .rt.i.M' ^i-yr^iiiSiVf . . . i j i m i *Uf.Mt.«- !•
ü yj1,.h 1,1 • ffiUm A a - J l m ] ^ 1 , .liniiin iri^.-iil.-l l>.h Uc*:J
-'itJltwum, « - ^ i ,
••«-.• l
J.1&-
Dender, kan in deze periode ontstaan zijn (83), maar kan ook al een oudere oorsprong gehad hebben binnen het domeincentrum (84). In een recente publicatie wordt de functie van de Oude Vismarkt als oorspronkelijke markt van het domein in twijfel getrokken, en wordt terecht gewezen op de opmerkelijke ligging van de vroegere Graanmarkt en de ongunstige geografische situatie van de Vismarkt, op de rand van het alluviaal gebied (85). Het archeologisch onderzoek op de Oude Vismarkt uit 1998 kan dit laatste bevestigen en toont ook aan dat er pas vanaf de i2de eeuw heel wat activiteit was op deze plaats, na het dempen van een deel van de natuurlijke winterbedding van de Dender. Gezien de ligging van de Graanmarkt op hoger en droger gelegen gronden, langsheen de reeds vermelde verbindingsweg tussen het Zelhof en de handelsweg (aansluitend bij deze laatste en gesitueerd naast de Sint-Martinuskerk), is deze plek misschien een betere kandidaat om tot de oorspronkelijke markt van het domein terug te gaan. De als extra argument gebruikte bewering dat ze letterlijk het middelpunt van de eerste omwalde stad vormt, is echter fout. Ze ligt excentrisch, ten noorden van de kerk en van het omwalde centrum. De Vismarkt ligt daarentegen wel centraal, exact in het midden tussen de twee uiteinden van de walgracht die in de Dender uitgeven. Deze periode van stadswording lijkt kort en
18 I M
L
intensief te zijn geweest. Indien er vanuit gegaan wordt dat dit proces effectief pas van start gegaan is na - en onder impuls van - de plaatsing van een burcht, moet het na 1050 gesitueerd worden. De bouw van een eerste stadsversterking kan beschouwd worden als het einde van deze periode, en de definitieve aanvang van de ontwikkeling als stad. De aanleg van de omwalling kan op basis van de archeologische gegevens reeds in de tweede helft van de ii de eeuw gesitueerd worden, op basis van de historische gegevens zeker vóór 112.8 (86^. Het is een periode waarin de meeste steden uit het graafschap Vlaanderen hun eerste omwalling krijgen (87). Dit beeld van een eerste, korte periode van stadswording moet misschien wel gerelativeerd worden, indien er uitgegaan wordt van een reeds eerdere ontwikkeling als handelsnederzetting onder impuls van de ligging van een domeincentrum op de kruising tussen twee belangrijke handelsroutes. Ook de algemene demografische groei in de ii de eeuw zal hierin een rol gespeeld hebben (88). De impuls die uitgaat van de nieuwe status van de nederzetting binnen het graafschap na de inplanting van een burcht moet dan eerder beschouwd worden als de definitieve hefboom voor de wording tot stad. Met de bouw van de eerste stadsomwalling in de tweede helft van de ii dc eeuw is Aalst definitief als stad te beschouwen. De politieke evolutie speelde een zeer gunstige rol in haar eerste eeuw van bestaan. Na de moord op Karel de Goede in 1127 en de opvolgingsstrijd tussen Willem Clito en Diederik van de Elzas had de stad het geluk zich met Iwein van Aalst aan de zijde van de overwinnaar te bevinden (89). Het bezorgde Aalst al heel snel de nodige privileges om haar groei te stimuleren. De bewaarde Keure van Aalst dateert uit 1174, maar is een bekrachtiging van de privileges die vroeger door Diederik van Aalst gegeven werden, vermoedelijk omstreeks 1160. Uit het charter blijkt echter dat de eerste voorrechten voor de Aalsterse burgers reeds verleend werden door Diederik van de Elzas en Iwein van Aalst (90).
De stedelijke ontwikkeling Grote infrastructuurwerken Een reeks van grote infrastructuurwerken kenmerkt de belangrijkste middeleeuwse ontwikkelingsfasen, die de vorm van het stadsweefsel definitief bepaalden. Opvallend is dat dit alles zich afspeelde in een periode van nauwelijks 150 jaar. Uitgaande van de historische bronnen kan de eerste grote fase gesitueerd worden tussen 1050 en 1128 (zie boven). Twee grote infrastructuurwerken werden uitgevoerd in die periode: de bouw van het castrum en de oprichting van de eerste stadsversterking. De tweede fase, te dateren in de tweede helft van de 12^' eeuw, omvat de herinrichting van de zone rond de Oude
Lokalisatie van de volmiddeleeuwse sites. Plan op basis van het i6de-eeuwse stadsplan van Van Deventer met de castrale motte (i), hetZelhof (2), de eerste stadsomwalling (3), de opgevulde winterbedding van de Dender {4), de tweede stadsomwalling {5) en de Grote Markt (6)
Vismarkt. De winterbedding aan de rechteroever van de Dender werd systematisch opgevuld, met de creatie van een kademuur op ongeveer 20 meter van de natuurlijke oever, en het vroegere Zelhof werd omwald (91). De derde fase is vooral gekenmerkt door de aanleg van de tweede stadsomwalling, die rond 1200 gesitueerd wordt (92). Het tracé en de afmetingen van de eerste verdedigingswal zijn dank zij het archeologisch onderzoek nagenoeg volledig te reconstrueren (93). Een volledige doorsnede van gracht en wal werd gerealiseerd bij de opgravingen op de zuidelijke speelplaats van het Sint-Jozefscollege in 2009 (94). Het tracé was min of meer hoefijzervormig (D-shaped) en had een lengte van ongeveer 750 m, wat een omwalde oppervlakte van ongeveer 6,5 ha opleverde. De walgracht had een breedte tussen 15 en 18 meter en een diepte van 3,5 tot 4 meter, naargelang de topografische situatie (95). Op de site Sint-Jozefscollege was de ongeveer 13 meter brede basis van het wallichaam nog op minstens twee plaatsen bewaard. In de vulling van de walgracht zijn resten aangetroffen die aantonen dat op de wal een weermuur in glauconiethoudende kalkzandsteen aanwezig was.
een stevige organisatie en de nodige middelen. In een vroegstedelijke nederzetting kon een dergelijk initiatief enkel uitgaan van de lokale heer, de enige die hiervoor de financiële en organisatorische draagkracht had, en die mogelijk ook heel wat land bezat waarop de werken konden uitgevoerd worden (96). Aangezien de aanleg van een verdedigingswal ook een enorme impact had op de perceelsstructuur, en dus waarschijnlijk ook op de bezitsstructuur, moeten er ook heel wat juridische consequenties
De oudste vulling van de gracht bevatte een pakket van mortel en grote en kleinere brokken glauconiethoudende zandsteen, afkomstig van de stenen weermuur (foto Onroerend Erfgoed)
--
.
•
L
^
J
fc
-—*•*
f-i^^-
^*v^
De inplanting van een verdedigingswal rondom een nederzetting was een grote onderneming. Dergelijke infrastructuurwerken vragen een goede planning.
M&LI 19
Doorsnede van de walgracht en het restant van het wallichaam, zoals geregistreerd op de site Sint-jozefscollege in 2009; (i) walgracht, (2) pakket met natuursteen afkomstig van de weermuur, {3) Kromme Elleboogstraatje, (4) restanten aarden wal, (5) i2de-eeuwse leemwinningskuil, (6) oud akkerland {8 s ' e -ii de eeuw), (7) oud weiland (s'1''-?^ eeuw), (8) paalkuilen van een Merovingisch gebouw {5de-6de eeuw)
Evocatie van de eerste stadsomwalling, op basis van de archeologische gegevens op het Sint-jozefscollege (tekening j . Moens)
20 I M
L
aan verbonden geweest zijn. De vraag is echter hoe het innemen van eigendommen, en het oplossen van mogelijke geschillen daarbij, in hun werk gingen. Er zijn voor zover bekend, geen geschreven bronnen die hiernaar verwijzen. Een dergelijke geplande structuur impliceert tevens grote gevolgen voor de verdere ruimtelijke ontwikkeling van de stad. Vóór de aanleg van de stadswal had de nederzetting een structuur van lange kavels, merendeels haaks op de hoofdweg en de zijstraten geplaatst. Deze perceelsstructuur, die waarschijnlijk reeds vrij snel vorm kreeg in de eerste fase van stadswording (97), is nog steeds ten dele bewaard in het moderne kadaster. Archeologische bewijzen voor de middeleeuwse pre-versterkingsfase van die percelering zijn in de oudste stadskern aangetroffen bij opgravingen in het Sint-Jozefscollege, het Sint-Martensplein, de Oude Vismarkt en de Stoofstraat (98). Zoals reeds vermeld kan archeologisch zelfs aangetoond worden dat alleszins binnen het areaal van de latere laatmiddeleeuwse stadsuitbreiding de oriëntering van de kavels een prestedelijke, agrarische oorsprong kent. Uit deze gegevens blijkt tevens dat het (pre)stedelijk landschap van voor de omwalling vooral bestond uit
strakke lijnen. De kavels werden meestal afgeboord door greppels. Het duidelijkste bewijs hiervan is de vondst van een reeks van ii<i'-eeuwse heruitgegraven greppels, die afgedekt/doorsneden werden door de eerste stadswal (99). De inplanting van de stadsomwalling introduceerde ook gebogen lijnen in het stedelijk landschap, die eveneens tot vandaag nog deels in het stadsweefsel aanwezig zijn. Eigenlijk gaan bijna alle gebogen lijnen die later in de postmiddeleeuwse stadsplattegrond voorkomen, terug tot versterkingen: de tweede stadsomwalling (de huidige Wallenring), de omgrachting van het Zelhof (het gebogen stratenpatroon rondom het huidige Oud-Hospitaal) en de castrale motte (nu verdwenen door de inplanting van een fabriek). In het midden en in de tweede helft van de i2i,: eeuw zijn verschillende grote infrastructuurwerken te situeren aan de Denderoever, Waarschijnlijk werd over de volledige lengte binnen de eerste omwalling een kademuur gecreëerd. De ophoging van de gemiddeld 20 meter brede zone tussen de natuurlijke, zacht oplopende oever en de kademuur gebeurde met aangevoerde grond. Wanden van vlechtwerk (100) dienden om het weg-
schuiven van de ophogingspakketten te voorkomen. De oorspronkelijke kademuren, waarschijnlijk uit hout, zijn niet teruggevonden, wel restanten van een jongere fase in baksteen. Pas na de ophogingen werd een halfcirkelvormige gracht gegraven rondom de Zelhofsite. Het tracé van deze gracht is nu nog duidelijk zichtbaar in het stratenpatroon rondom het latere O.-L.-V.-Hospitaal. Op basis van de opgravingsresultaten op de Oude Vismarkt blijkt deze gracht oorspronkelijk ongeveer 10 meter breed en 2 meter diep geweest te zijn. Reeds in de i3de eeuw geraakte de gracht grotendeels gedempt, samengaand met een nieuwe ophoging van de Oude Vismarkt. Palenrijtjes met vlechtwerk in de i2de-eeuwse opvulling van de winterbedding, aangetroffen bij
Enkel een twee meter brede, ondiepe greppel bleef bewaard in de 14* eeuw. Mogelijk is er een samenhang van deze evolutie met de schenking van het voormalige Zelhof door gravin Johanna van Constantinopel voor de oprichting van het O.-L.-V.Hospitaal in 1242. In dezelfde periode werd namelijk een nieuwe halfcirkelvormige omgrachting gegraven binnen het hospitaalterrein zelf die parallel liep aan de Zelhofomwalling. Uit de huidige gegevens kan enkel afgeleid worden dat deze parallelle gracht de opvolger is van de in het midden van de 13* eeuw reeds grotendeels dichtgeslibde oorspronkelijke gracht. De percelering van de huurhuisjes die het O.-L.-V.-Hospitaal in de 17* eeuw op de reeds gedempte gracht bouwde, weerspiegelt bijna volledig zijn ligging (101). Tegen het midden van de
het onderzoek in het Oud-Hospitaal van 1983 (foto Onroerend Erfgoed)
Kadasterplan van het Onze-
Stad Aelst
Lieve-Vrouw-Hospitaal uit 1845 met aanduiding van de oude huurhuisjes die gelegen zijn op de i4de-eeuwse gracht {nummers 2 t o t i 6) (©Stadsarchief Aalst)
net Gasfnirvs, M&L
21
kanaal. De nieuwe gracht binnen het hospitaalterrein diende als scheidingsgracht tussen de openbare ruimte en het hospitaal. Tussen beide grachten ontstond in de ï^de eeuw een weg die leidde naar de nieuwe brug over de Dender, gelegen naast het hospitaal en tegenover het castrum (102).
Detail uit het stadsplan van Sanderus (1644) met centraal de nieuwerbrugghe over de Dender tussen de Vismarkt en het vroegere castrale eiland
i2de-eeuwse beerkuilen, in 1999 aangetroffen onder een kelder in de oostvleugel van het stadhuis (foto Onroerend Erfgoed)
22 I 1VI L
i4'ie eeuw was ook deze tweede gracht grotendeels gedempt. Deze gegevens bieden aanwijzingen over de eigendomsstructuur en het juridisch statuut van dit stadsdeel. De zone van de eerste gracht rondom het Zelhof situeert zich namelijk volledig op openbaar domein. Na de schenking van het binnen de gracht gelegen domein in 1242 werd echter een nieuwe gracht gegraven, die zich volledig binnen het hospitaaldomein situeert. Dit lijkt te impliceren dat de eerste gracht niet tot het Zelhofdomein gerekend werd. Deze werd grotendeels gedempt, op een smal restant na dat dienst bleef doen als afwaterings-
De aanleg van de tweede stadsomwalling vormt de derde fase van grote infrastructuurwerken. Tot nu toe is er geen enkele archeologische of historische bevestiging van de hypothese dat er vóór de bouw van de tweede stadswal nog een uitbreiding van de eerste omwalling in zuidelijke richting langsheen de Pontstraat zou gerealiseerd zijn (103). Integendeel: een opgraving in 2008 op enkele percelen aan de oostzijde van de Louis D'Haeseleerstraat (de vroegere Hoogstraat), haaks op het veronderstelde tracé, leverde het bewijs dat op deze plaats nooit een walgracht aanwezig geweest is (104). Op basis van de datering van het schepenhuis, dat in het eerste kwart van de i3de eeuw gebouwd werd aan de rand van de Grote Markt, buiten de eerste omwalling, kan de aanleg van de tweede wal gesitueerd worden aan het eind van de i2 de of het begin van de 13* eeuw. Deze datering werd pas in 2010 voor het eerst archeologisch bevestigd op basis van het jongste aardewerk uit een oude akkerlandbodem die op het Vredeplein onder de restanten van de tweede stadsomwalling werd aangetroffen (105). Indirecte aanwijzingen worden mogelijk gevormd door de vondst van bewoning uit de late i2 de eeuw aan de Grote Markt en aan de Nieuwstraat (106). Zoals reeds vermeld wijst de aanleg van een stenen weg naar het Zelhof, in het midden van de i2 de eeuw, op het belang van dit domein als
Anoniem schilderij van het eerste beleg van Aalst In 1658 door de Franse maarschalk Turenne. Na een tweede belegering in 1667 beval hij de verdedigingsmuren te slopen en de walgrachten te dempen (©Stedelijk Museum Aalstj
Opgravingsplan van de oudste fase van de i2de-eeuwse weg onder het Sint-Martensplein die naar het Zelhof leidde met: eikenhouten balken en palen die de weg afzomen (bruin), een restant van het stenen wegdek (groen), grachten met erftoegangen langsheen de weg (blauw), en verstoring door riolering (gearceerd)
bestuurlijk centrum op dat moment en kan de datering van deze aanleg beschouwd worden als een terminus post quem voor de stadsuitbreiding (107). Het tijdstip wijst mogelijk op een verband met het uitsterven van het huis van Aalst na de dood van Diederik in 1166 en de overdracht van zijn bezittingen aan de Vlaamse graaf Filips van de Elzas, die een grote ijver aan de dag legde om zijn bestuursadministratie te hervormen (108). De tweede stadsuitleg betekende bijna een vertienvoudiging van de oppervlakte binnen de muren (van 6,5 ha tot meer dan 50 ha). De nieuwe stadswal, die ook een deel aan de rechteroever van de Dender omvatte, had een lengte van ongeveer 4 km. De wallen en grachten domineerden het uitzicht van de stad tot in de 17* eeuw. Na de inname van Aalst door de troepen van maarschalk Turenne in 1667 werden de versterkingen ontmanteld (109). De laatmiddeleeuwse omwalling heeft echter een stevige stempel gedrukt op de vormgeving van de stad, die tot op heden nog zeer goed in het stratenplan (en de benaming van de straten) merkbaar is. Percelering, erforganisatie en bebouwing De sterke bevolkingsaanwas gedurende de late ii de en de 12^ eeuw (110) zorgde voor een grote druk op de beschikbare ruimte in de eerste omwalde stad. Informatie over de afmetingen van de kavels uit die periode is nauwelijks aanwezig. Op basis van de erftoegangen in de i2de-eeuwse gracht langsheen de verharde weg op het Sint-Martensplein kan daar een
M&L
23
Pentekening {ca. 1620), uitgegeven door Romaan De Visschere, met een beeld van de huizen aan de noordkant van de Grote Markt (©Stadsarchief Aalst)
De opgegraven muurresten langsheen de Kattestraat geprojecteerd op het moderne kadaster met: de eerste kapel uit 1368 (1), de vergrootte kapel uit 1470 (2), bakstenen muren (3, 6 en 13), i6d'"-eeuwse waterput (4), kassei van binnenplaats (5), i4de-eeuwse kuilen met verbrande leem (7), grote i3de-eeuwse leemwinmngskutl (8), oven (9), i3de-eeuwse beerkuil {10), i8de-i9de-eeuwse beerputten (71-12) en de moderne perceelsgrenzen (14)
24 IM
L
perceelsbreedte tussen de 6 en 8 meter berekend worden. Verdere informatie ontbreekt echter. Maar het is duidelijk dat in die periode in Aalst reeds een typisch stedelijk landschap aanwezig was, gekenmerkt door lange, smalle kavels. Uit de beperkte opgravingsgegevens en uit de vergelijking met het modern kadaster blijkt dat het merendeel van de gronden in de tweede stadsuitleg rond 1200 op dezelfde manier verkaveld werden, waarschijnlijk rekening houdend met een toekomstige gestage bevolkingsgroei en een toenemende druk op de bouwoppervlakte, die er echter vóór de i c ^ eeuw nooit is gekomen.
Op basis van de opgegraven laat- en postmiddeleeuwse muurrestanten aan de Kattestraat blijkt dat de laatmiddeleeuwse percelering perfect overeenstemt met het moderne kadaster. Van de zes kavels ten zuiden van de i4de-eeuwse Heilige Geestkapel zijn er vier met een breedte die schommelt tussen 5 en 6 meter, en twee met een breedte rond 3,25 meter. Deze smalle kavels gaan mogelijk oorspronkelijk terug op een doorgangsweg naar de achtererven. De bebouwing reikte tot 12 a 14 meter van de straatkant. Deze maten blijken vrij courant te zijn in Aalst. De meetbare plattegronden en/of erfafbakeningen van de bewoning aan de vroegere Veemarkt (nu Hopmarkt) wijzen steeds in de richting van kavels met een breedte van ongeveer 5 meter. De grote regelmaat in de afmetingen doet zelfs vermoeden dat bij de verkaveling van de landbouwgronden een regelmatig grid van kavels met een breedte van ongeveer 5 meter gehanteerd werd. De diepte van de kavels kon enkel gemeten worden aan de hand van de bewoningsresten op de noordoostelijke hoekpercelen, waar een lengte van om en bij de 16 meter vastgesteld werd. Op de Grote Markt lijkt de oorspronkelijke percelering minder regelmatig en gemiddeld beduidend breder en dieper (in). Ook daar waren echter smallere kavels, de smalste slechts 4 meter breed, maar met minstens 24 meter wel opvallend lang. Uit de analyse van de oudste archeologische sporen blijkt wel dat die smalle kavels, die kunnen vastgesteld worden voor de i5de-i6dc eeuw, mogelijk latere mutaties zijn en dat de percelen hier oorspronkelijk ten dele anders afgelijnd waren (112). De erforganisatie op de kavels in de laatmiddeleeuwse stad lijkt reeds bij aanvang te hebben vast-
2 gelegen. Zowel in de Kattestraat als aan de Grote Markt blijkt uit de positie van de beerputten dat van bij de vroegste bewoning een bepaalde zone achteraan het erf voor dergelijke voorzieningen voorbehouden was. Aan de Grote Markt gaan de vijf oudste beerkuilen terug tot de late i2de eeuw (113), in de Kattestraat tot de tweede helft van de i3'ie eeuw. Op beide locaties zijn op geregelde tijdstippen in de daaropvolgende eeuwen jongere beerkuilen of gemetste beerputten op dezelfde plaats aangelegd, respectievelijk tot in de i6<ie en de vroege ic)de eeuw. Ook de grootte van de huizen, de plaatsing van haarden of de positionering van binnenmuren volgde vaak eeuwen hetzelfde patroon. Enkel de overgang van lemen huizen met centrale haard naar huizen (in vakwerk of baksteen) met een stenen muurhaard bracht hierin veranderingen teweeg. De grote stadsbrand van 1360 (114), waarvan ongeveer op elk perceel binnen de laatmiddeleeuwse stad sporen zijn aangetroffen, markeert de belangrijkste overgang tussen beide huistypes. De weinige opgegraven huisrestanten die dateren uit de periode van de late i2de tot het midden van de i4 de eeuw, zijn vooral afkomstig van lemen huizen met centrale
d
haard. Vele tientallen i4 ''-eeuwse kuilen bevatten bijna uitsluitend de verbrande restanten van lemen wanden. Opvallend is de totale afwezigheid van paalkuilen, ook in zones waar restanten van haarden en leemvloeren duiden op de aanwezigheid van een woning. Dit wijst op het gebruik van liggers of een voetplaat als basis voor de houtbouw, een bouwwijze die maar uitzonderlijk sporen in de bodem nalaat (115). Een constructie waarbij de stijlen van de wand en het vlechtwerk rusten op een doorlopende voetplaat is kenmerkend voor vakwerkbouw (116). Dit wijst er op dat de huizen uit de i3de en de i4 de eeuw reeds van het vakwerkbouwtype met lemen wanden waren. Uit de opgravingsresultaten op de Hopmarkt, de Kattestraat en de Nieuwstraat blijkt duidelijk dat de afgebrande woningen in de i4 de eeuw werden heropgericht in baksteen of in vakwerk. Er zijn bewijzen van vakwerkbouw uit de (late) 14* eeuw op een stenen fundering en op poeren (blokken in natuur- of baksteen die als basis fungeerden). De vondst op de Hopmarkt van een schijnbaar geïsoleerde bakstenen fundering van een muurhaard wijst op de aanwezigheid van een lemen vakwerkbouw op doorlopende voetplaten in hout.
1 3 i. Op een achtererfin de Kattestraat bleef de locatie van de beerputten gedurende ongeveer 600 jaar min of meer dezelfde. Vooraan een beerkuil uit de i3 de eeuw met daarachter de bakstenen muurresten van drie beerputten daterend van de i6 de tot de vroege 19^ eeuw 2. Op de Hopmarkt bevonden zich middeleeuwse woonsporen tussen de restanten van het karmelietenklooster. Centraal zijn twee i4de-eeuwse vierkante kuilen met verbrande leembrokken duidelijk zichtbaar. Links daarvan een lijn van 5 natuurstenen poeren, afkomstig van een vakwerkbouw 3. Schijnbaar geïsoleerde centrale haarden, zoals hier onder de Hopmarkt, wijzen op de aanwezigheid van vakwerkbouw op liggers (foto Onroerend Erfgoed)
Mêl
25
Laatste houten gevel in de Molenstraat (©KIK)
Tonwaterput op de Hopmarkt. De ton kon op basis van dendrochronologisch onderzoek op de duigen gedateerd worden tussen 1332601353 (foto Onroerend Erfgoed)
Op het stadsplan van Sanderus zijn twee grote openbare waterputten duidelijk afgebeeld. Zowel die op de Grote Markt als die in de Klapstraat zijn nog ondergronds aanwezig
26 I M
L
maar met een stenen muurhaard. Er zijn op die plek geen bewijzen gevonden van volledig stenen huizen Het gebruik van lemen vloeren blijft in alle huistypes zeker nog tot in de i6 de eeuw algemeen (117). Grachten als erfafbakening of perceelsscheiding lijken in de volle middeleeuwen algemeen gebruikelijk. Zoals reeds besproken zijn te Aalst voorbeelden gekend uit de 11* en de i2de eeuw. In de i3de-eeuwse stad komen perceelsgrachten echter niet meer voor. waarschijnlijk ondermeer als het gevolg van een rationeler gebruik van de oppervlakte. Erfscheidingen bestonden vanaf dan vooral uit palen met vlechtwerk of uit muurtjes in baksteen. Tenslotte kan nog gewezen worden op het beperkte aantal waterputten dat tot nu toe op woonerven in Aalst is opgegraven. Kon de afwezigheid van een waterput bij de meeste opgravingen nog mogelijks geweten worden aan de beperkte onderzochte oppervlakte, het onderzoek van een volledig woonblok op de Hopmarkt maakte duidelijk dat er meer aan de hand is. Geen enkele van de woonerven die aan de zuidzijde van de vroegere Veemarkt waren gelegen, had een waterput. Er is op een totale oppervlakte van ongeveer 3000 m slechts één waterput uit de i4 de eeuw opgegraven; een tonput gelegen op een achtererf dat minstens 35 meter van de straatzijde verwijderd was (118). Hetzelfde geldt min of meer voor twee grote bakstenen putten, die waarschijnlijk uit de i5dc eeuw stammen (119). Beide stenen putten zijn met een diameter van meer dan 2 meter ook te groot om als gewone put voor huishoudelijk gebruik bedoeld te zijn. Mogelijk dienden ze voor de waterbevoorrading bij ambachtelijke activiteiten, wat trouwens ook een verklaring kan zijn voor de ligging van de tonwaterput, zo ver van de woonhuizen. De aanvoer van water voor huishoudelijk gebruik gebeurde waarschijnlijk vooral via de openbare waterputten, waarvan er verschillende op de pleinen in de stad gesitueerd waren. Twee daarvan, die onder meer op het i7de-eeuwse stadsplan van Sanderus afgebeeld staan, zijn bij werkzaamheden aangetroffen en gedocumenteerd, de ene in 1994 bij de heraanleg van de Grote Markt, de andere bij de verbouwingswerken van de iS^-eeuwse vleugel van het SintJozefscollege in 2009, op de rooilijn met de Klapstraat.
De stadsontwikkeling van Aalst in regionaal perspectief In de literatuur over de opkomst en de ontwikkeling van de steden in Vlaanderen komen de kleine steden nauwelijks of niet aan bod (120). Het is in de huidige stand van onderzoek dan ook niet mogelijk het ontstaan en de evolutie van Aalst op een
adequate wijze te vergelijken met die van andere kleine Vlaamse steden. Gezien de bijzondere positie in het graafschap - als grensstad van RijksVlaanderen - is een vergelijking met de wordingsgeschiedenis van de overige Dendersteden Dendermonde, Ninove en Geraardsbergen echter van belang (121). Op deze manier kunnen de gezamenlijke en de specifieke elementen in hun stadswording onderscheiden worden, wat de mogelijkheid biedt om het gewicht te onderzoeken van de verschillende bepalende factoren hierbij, zoals de ligging aan de Dender - als handelsweg en als rijksgrens - de aanwezigheid van een oud domein en van een groot landbouwareaal, de inplanting van een castrum, de politieke en militaire omstandigheden, enzovoort. Momenteel zijn er voor deze Dendersteden echter enkel verspreide historische en/of archeologische gegevens voorhanden. Zo weten we voor Dendermonde dat de kern gegroeid is rond een burcht met voorburcht en kapel, op de huidige Grote Markt (122). De omschakeling van voorburcht naar prestedelijke kern, met opgave van de kapel, situeert zich in de ii de en i2de eeuw. Een tweede groeipool situeerde zich rondom de Onze-Lieve-Vrouwkerk. Over de eerste stedelijke omwalling zijn er momenteel geen gegevens bekend, maar ze dateert vermoedelijk uit de i2 de eeuw, zeker vóór 1190 (123). Voor Ninove en Geraardsbergen kan momenteel enkel op historische en topografische gegevens worden teruggevallen. In Ninove is er een ruimtelijke breuk tussen enerzijds de vroegmiddeleeuwse nederzetting villa Neonifio en de latere parochie van Nederwic, en anderzijds de stedelijke kern van Ninove die zich in de buurt van de burcht ontwikkeld heeft, aan de kruising van de Dender met de belangrijke landweg tussen Oudenaarde en Brussel (124). Ook in Geraardsbergen is er een ruimtelijke breuk tussen de oude nederzetting Hunnegem en de eerste stedelijke kern, die officieel door graaf Boudewijn VI in 1068 is gesticht op zijn allodium, ook al zou er in het midden van de ii de eeuw al bewoning geweest zijn (125).
Net als de Dendersteden Ninove en Dendermonde is het ontstaan van het stedelijke Aalst te situeren in een derde fase van stadswording in Vlaanderen, zoals beschreven door historicus Adriaan Verhulst (126). De twee oudere fasen dateren uit de 8s,e tot de io de eeuw, wanneer handelscentra ontstaan die zich tot steden ontwikkelen, in een eerste fase in de nabijheid van machtscentra zoals grote abdijen, grote koninklijke of adellijke domeinen en bisschoppelijke residenties (bijvoorbeeld Gent of Doornik), en in een tweede fase rond feodale kastelen (zoals Brugge of Douai). In de ii de eeuw gaan zich dan in een derde fase een reeks handelsnederzettingen ontwikkelen die op korte tijd een zeer sterke groei kennen, zoals leper en Rijsel.
De ontwikkeling van Aalst speelt zich afin dezelfde periode of kort daarna, en is ten dele ermee vergelijkbaar, ook al kent ze een andere dynamiek. Zowel Rijsel als leper zijn ontstaan aan de voet van een kasteel en een groot landbouwdomein (127), zoals Aalst, ook al ging het bij deze laatste niet om grafelijke eigendommen. De situatie van leper bij het begin van de stadswording is zelfs opvallend vergelijkbaar met die van Aalst, met de aanwezigheid van een zaalhof (zelhof), een Sint-Martinuskerk, een castrale motte en een Vismarkt.
archeologische gegevens wijzen er echter op dat de Gentse walgracht al vanaf het midden van de io' ie eeuw buiten functie geraakt was, wat bovenstaande hypothese lijkt tegen te spreken (131). Maar ook al was hij niet meer functioneel, verschillende voorbeelden tonen aan dat restanten van oude omwallingen nog eeuwen in het middeleeuwse stadsbeeld zichtbaar konden blijven (132). Hoe het ook zij, de gelijkenis tussen deze omwallingen is onmiskenbaar.
Besluit Tenslotte moeten nog enkele bedenkingen worden gemaakt bij de opvallende gelijkenis tussen de eerste stadsomwalling van Aalst en de oudste verdedigingswal rond de partus van Gent. Zowel de vorm van de omwalling, de afmetingen van de gracht als de omtrek en het omwalde oppervlak zijn quasi identiek (128). Ook de Antwerpse vicus had een sterk vergelijkbare verdediging. Beide voorbeelden dateren echter uit de late 9de of de io de eeuw en zijn dus 100 tot 150 jaar ouder dan de Aalsterse versterking. Een verklaring kan liggen in het feit dat in de tweede helft van de ii de eeuw nog niet veel steden in Vlaanderen versterkt waren (129). Gent was bij de aanleg van de Aalsterse omwalling misschien één van de weinige gekende voorbeelden van stadsversterking, zeker in de directe nabijheid, dat kon dienen als model. Ook de positie van de heren van Aalst, die vóór 1047 als voogden van de Sint-Pietersabdij nog als 'van Gent' gekend stonden (130), kan hiermee verband houden. De schaarse
In 2000 werden de restanten vrijgelegd van de stenen weg die naar het Zelhof leidde. Op de achtergrond de SmtMartinuskerk (foto Onroerend Erfgoed)
Deze studie over de stadswording van Aalst is de eerste in zijn soort, aangezien het multi-disciplinaire onderzoek naar het ontstaan en de ontwikkeling van kleine steden in Vlaanderen om allerhande redenen tot nu toe steeds wat verwaarloosd geweest is (133). Dit onderzoek toont aan dat het samenbrengen van archeologische, historische en cartografische gegevens het mogelijk maakt een beeld te schetsen van het ontstaan en de vroegste ontwikkeling van de stad en te wijzen op de rol die de kleine steden reeds vroeg speelden in het verstedelijkingsproces in het graafschap Vlaanderen. De mechanismen die de stimulans vormden voor de stadswording van Aalst zijn meervoudig. De basisvoorwaarden waren aanwezig, zoals een reeds bestaand vroegmiddeleeuws domein van lokaal belang met een meer dan gemiddeld grote kouter, en een gunstige geografische ligging aan de kruising van een belangrijke water- en landweg. De politieke situatie in het midden van de ii de eeuw (met het plotse belang van de plek als grensnederzetting en bestuurscentrum van Rijks-Vlaanderen), de macht en het belang van de lokale heer en de inplanting van zijn residentie en kasteel, vormden, gecombineerd met de gunstige economische en demografische omstandigheden van die tijd, belangrijke stimuli voor de stadswording. De snelle evolutie die daar op volgde kreeg zijn definitieve beslag door de politieke gebeurtenissen na de moord op Karel de Goede in 1127 en de belangrijke rol die de heren van Aalst daarin speelden. De toekenning van stadsrechten in het midden van de i2de eeuw vormde de bekroning van de Aalsterse stadswording. Met de bouw van een tweede stadsomwalling omstreeks 1200 lag het stadsplan vast voor vele eeuwen. Het hele proces van stadswording en stadsontwikkeling lijkt in Aalst dan ook nog geen 200 jaar geduurd te hebben. De resultaten van deze studie beantwoorden een reeks vragen rond de problematiek van de totstandkoming van de stedelijke vorm, zoals geformuleerd door Boerefijn (134). Hij wijst onder meer op het hardnekkige vooroordeel dat de
28 I 1VI L
middeleeuwse steden organisch gegroeid zijn, zonder enige planning, waarbij de onregelmatige en/of gebogen lijnen beschouwd worden als de typische uiting van ruimtelijke wanorde (135). De gegevens uit Aalst bewijzen net het omgekeerde: ongeveer alle gebogen lijnen in de stadsplattegrond zijn het gevolg van planmatige, grote infrastructuurwerken, terwijl de oriëntatie van de meeste rechte lijnen zijn oorsprong kent in het middeleeuwse prestedelijke landschap (136). Maar ook de structuur van dit prestedelijk landschap is een uiting van organisatie en planning. De inertie van structuren, vaak met een prestedelijke oorsprong, is een steeds weerkerend element dat sterk bepalend was in de totstandkoming van de stedelijke vorm. Dit blijkt zowel uit oude perceel- en wegstructuren als uit de invloed van de inplanting van de (wal)grachten. Een dergelijke synthese levert uiteindelijk een status quaestionis op over de stadswording en brengt tegelijk talrijke kennislacunes aan het licht. Specifiek voor de Aalsterse stadswording stellen zich nog de meeste vragen rond de inplanting, de ruimtelijke structuur en de ontwikkeling van het oorspronkelijke domein, de villa Alost, en zijn verschillende onderdelen (Zelhof, kerk, markt, wegen) en hun invloed op de vormgeving van de oudste stedelijke ruimte. Hopelijk kan deze studie een stimulans vormen om vanuit historische hoek het ontstaan en de ontwikkeling van kleine steden in Vlaanderen in een algemeen onderzoekskader en een breder perspectief te plaatsen, en ze aldus de aandacht te geven die ze verdienen.
Koen De Groote is als archeoloog en historicus verbonden aan het agentschap Onroerend Erfgoed, Tussen 1993 en 2010 leidde hij een 20-tal projecten in Aalst.
Eindnoten (1)
VERHAEGHE F., Twee zijden van één verleden. Geschiedenis en archeologie: beschouwingen omtrent theorie, methode en praktijk, in Ontstaan en vroegste geschiedenis van de middeleeuwse steden in de zuidelijke Nederlanden. Een archeologisch en historisch probleem. Handelingen van het 14de Internationaal Colloqium, Spa 6-8 sept. igSS (Historische uitgaven reeks in-8 83), Brussel, 1990, p. 501-559; BORGER G., Inleiding, in RUTTE R. en VAN ENGEN H. (ed.). Stadswording in de Nederlanden. Op zoek naar overzicht, Hilversum, 2005, p. 9-13; RENES H., De stad in het landschap, in RUTTE R. en VAN ENGEN H. (ed.), op. rit., p. 15-46, (2) De noodzaak en de problematieken rond volwaardig interdisciplinair historisch en archeologisch onderzoek zijn recent nog uitgebreid aangekaart in DE BOER D., Op naar Gonzo. (Stads-) Archeologie gezien door de ogen van een historicus (C,J,C. Reuvenslezing 23), Amsterdam, 2011, (3) VERHAEGHE F., op. rit, (4) Ibidem, p, 550-552.
(5) RUTTE R. en VAN ENGEN H, (ed,), op. cit. (6) Vele van de hier gepresenteerde gegevens, waarvan nog vele ongepubliceerd, zijn het resultaat van recent onderzoek waarbij vele personen systematisch betrokken zijn: Jan Moens en Vera Ameels (archeologie. Onroerend Erfgoed (OE)), Wouter De Maeyer en Bart Cherreté (archeologie, Solva), Anten Ervynck en An Lentacker (archeozoölogie, OE), Wim Van Neer (archeozoölogie. KBIN). Brigitte Cooremans en Koen Deforce (archeobotanie, OE), Kristof Haneca (dendrochronologie, OE), Wilfried Vernaeve (archiefonderzoek), Johan Van Laecke (topografie, OE), Frans De Buyser (muntdeterminatie, OE), (7)
DE POTTER F. en BROECKAERT )„ De geschiedenis der stad Aalst, voorgegaan van eene historische schets van 't voormalige Land van Aalst, 4 delen (Geschiedenis van de gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen, zevende reeks). Gent, 1873-75 (heruitgave 1988, Roeselare),
(8)
DE POTTER F. en BROECKAERT („ op.cit., deel I, p. 89 en 103, VAN NUFFELP,, De voormalige omvang der stad Aalst, Gent, 1918. VAN DER HEYDEN A„ Geschiedenis der Stad Aalst. Oorsprong en naam der stad, eerste deel, Aalst, 1945, Ibidem, p. 5. COURTEAUX F., Proeve tot verklaring der wordingsgeschiedenis van Aalst, in Het Land van Aalst, jg. V, 1953, p. 190-196. CALLEBAUT D., De topograjische groei van Aalst of hoe een Zelhofeen gebastioneerde stad werd, in Miscellanea Archaeotogica in honorem H. Roosens (Archaeologia Belgica 255), Brussel, 1983a, p. 227-249. CALLEBAUT D., Het Onze-Lieve-Vrouw-Hospitaal te Aalst, in Conspectus MCMLXXXXII (Archaeologia Belgica 253), Brussel, 1983b, p. 91-95. Voor een overzicht van hun activiteiten zie CALLEBAUT D„ COOREMANS B,. DE GROOTE K, e,a., Aalst, Archeologie en Archief (Herlevend Verleden 2), Zellik-Aalst, 1994, PIETERS M., COOREMANS B., ERVYNCK A, en VAN NEER W., Van akkerland tot Heilige Geestkapel. Een kijk op de evolutie van de bewoningsgeschiedenis in de Kattestraat te Aalst, in Archeologie in Vlaanderen, jg. ni-1993,1994, p. 299-329, BARTHOLOMIEUX B. en CHERRETTÉ B., Aalst-Vredeplein. Onderzoek naar de laatmiddeleeuwse stadsomwalling (SOLVA Archeologie-rapport 9). in voorbereiding: DE MAEYER W.. KLINKENBORG S.. VAN CAUWENBERGH S., TAELMAN E. en CHERRETTÉ B„ Het archeologisch onderzoekopde WerfteAalst (Oost-Vlaanderen), in Archaeologia Mediaevalis, jg. 35, 2012, p. 122-125: DE MAEYER W., VAN CAUWENBERGH S„ KLINKENBORG S., TAELMAN E. en CHERRETTÉ B., Het archeologisch onderzoek op de Hopmarkt te Aalst (Oost-Vlaanderen), in Archaeologia Mediaevalis, jg. 35, 2012, p. 126-129.
(9) (10) (11) (12) (13)
(14)
(15)
(16)
(17)
(18) DE GROOTE K., Van prestedelijke nederzetting tot omwalde stad. Archeologie van de Aalsterse stadsontwikkeling, in Het Land van Aalst, jg. Ln-2, 2 0 0 0 , p. 234-252; DE GROOTE K., Acht jaar stadskernonderzoek in Aalst. Problematiek en resultaten, in VOBOV-info, jg. 52, nr. 2, 2000, p. 56-62. 19) DE GROOTE K,, The contribution of archaeological sources to the research of the formation of towns. The example of Aalst, a border town in the county of Flanders, in DE GROOTE K., TYS D. en PIETERS M. (eds.). Exchanging Medieval Material Culture. Studies on archaeology and history presented to Erans Verhaeghe (Relicta Monografieën 4), Brussel, 2010, p. 249266, Dit artikel is een aangepaste, verbeterde en uitgebreide Nederlandstalige versie van de oorspronkelijke tekst uit 2007 en geactualiseerd met een aantal belangwekkende vondsten uit de periode 2008-2011, (20) DE GROOTE K., op. cit, 2000, p. 239-240. (21) HAERS VAN DER MEÜLEN A., Toponymie van Aalst tot het einde der y * eeuw (onuitg. lic. verh.), K.U.Leuven, 1961, p, 1. (22) VERHULST A., Landschap en landbouw in Middeleeuws Vlaanderen, Gent, 1995. p. 118-119. (23) Gotisch alhs, Oudengels ea/fi = heiligdom: GYSSELING M,, Inleiding tot de toponymie, vooral van Oost-Vlaanderen, in Naamkunde, jg. 10, nr. 1-2,1978, p. 6. De term 'Belgisch' is de naam die taalkundige Maurice Gyssling gaf aan een Indo-Europese taal die in Noord-Frankrijk. België, Nederland en Noordwest-Duitsland gesproken werd en die noch Germaans, noch Keltisch was.
(42) (43) (44) (45)
In 1997 werd op het tracé van een gaspijpleiding een kleinschalig archeologisch onderzoek uitgevoerd ter hoogte van het Hof ter Wilgen in Erembodegem (foto Onroerend Erfgoed)
(24) (25) (26)
{27)
(28)
(29) (30)
(31)
(32)
(33) (34)
(55) (36)
(37) (38I
(39) (40) (41)
30 I M
L
Onderzoek in de Stoofstraat te Aalst (0,-V!.), in Archaeologia Mediaevalis, jg. 28, 2005, p.104-105. DE GROOTE K., op. rit. 2000, p. 239 en 246. CALLEBAUT D., op. rit., 1983a, p. 233-234. VAN DE PERRE D., op. rit., p. 43-45. DE GROOTE K., DE BUYSER F., HUYSMAN N. en MOENS J., Een G^-eeuwse solidus uit Aalst, in ROGGE M. en BEECKMANS L. (ed.). Geld uit de grond. Tweeduizend jaar muntgeschiedenis in Zuid-Oost-Vlaanderen, Zottegem, 1994, p. 115,
(46) DE GROOTE K. en MOENS [., op. rit., 1995, p. 141 en fig. 62: 48. (47) DE GROOTE K., AMEELS V., MOENS ). en DEBONNE V., op. at., p. 6-12; DE GROOTE K., MOENS ]. en AMEELS V., Verzegeld door de eerste stadswal. Merovingische nederzeltingssporen onder de speelplaats van het Sint-jozefscollege te Aalst (O.-Vl.), in Archaeologia Mediaevalis. jg. 33, 2010, p. 43-47. (48) Zie ook de opmerkingen hieromtrent bij VAN DE PERRE D,, op. rit., p. 40-46. (49) DE GROOTE, op. rit,, 2 0 0 0 , p. 239, (50) Uitgevoerd in 2001 door het KIK, o.l.v. M. Van Strydonck. Date KIA-13570; I O 9 5 ± 2 5 BP; 95,4% confidence 89oAD(i.oo) 1000AD. 68.2% confidence 895AD(o.44)920AD, 955AD(o.56)-985AD. (51) Voor een overzicht van de verschillende hypothesen over PIETERS M., Romeinse aanwezigheid in Erpe-Mere: een over- zijn oorsprong zie VAN DE PERRE D., op. rit., p. 43-45. zicht, in VOBOV-info, jg. 30, nr. 2,1988, p. 23-27. (52) DE GROOTE en MOENS, op. rit., 1995, p. 137. Ongepubliceerd onderzoek VlOE in samenwerking met de (53) DE GROOTE K., AMEELS V., MOENS ). en DEBONNE V., provincie Oost-Vlaanderen. op. rit., p, 13. VERBRUGGE A., DE GRAEVE A., MONSIEUR P. en (54) DEVOS Y.. 'Sint-Jozefscollege' (Aalst): Archaeopedological CHERRETTE B., Romeinse crematiegraven uit het gebied tusStudy, Campaign zoog. Soil micromorphological study. sen Schelde en Dender doorgelicht: enkele voorheelden uit rurale Bruxelles, 2012, p. 39-40, 44-45. contexten te Sint-Maria-Lierde (gem. Lierde) en Erembodegem (55) DE GROOTE K., AMEELS V., MOENS ). en DEBONNE V., (gem. Aalst), in Signa, jg. 1, 2012, p. 159. op. rit., p. 13. DE GROOTE K., Erpe (Archeologisch Inventaris Vlaande- (56) DEVOS, op. rit., p. 39, 44. ren X), Gent, 1988, p. 26; SERGANT ]., Steentijdvondsten in (57) DE GROOTE K., DE MAEYER W.. MOENS (. en DE de regio Aalst (Oost-Vlaanderen en Brabant, België). Inventaris BLOCK A., op. rit., p. 48. en geografische analyse (Archeologische Inventaris Vlaande- (58) DE GROOTE K. en MOENS ].. op. rit., 2 0 0 0 . p. 137-141. fig. ren Buitengewone Reeks 8), Gent, 2004, p. 45-46. 62; 27-28,47. VANMOERKERKE |., Epipaleolithicum onder het Onze-Lieve-(59) VERHULST A. en BLOK D.P., De agrarische nederzettingen, Vrouw-Hospitaal te Aalst, in Conspectus MCMLXXXU (Arin Algemene Geschiedenis der Nederlanden, deel 1, Haarlem, cheologia Belgica 253), Brussel. 1983 p. 14-16. 1981, p. 156-157; VERHULST A., op. rit., 1995, p. 121-126. DE GROOTE K., op. rit., 2000, p. 237. (60) 1248; cultura de Alost; 1400, 1431; aelster coutere: HAERS DE GROOTE K., DE MAEYER W., MOENS ]. en DE VAN DER MEULEN, op. ril., p. 1. BLOCK A., Het archeologisch onderzoek op de Hopmarkt te(61) BONENEANT P.P., L'origine des villes brabangonnes et la Aalst (O.-Vl.), in Archaeologia Mediaevalis, jg. 29, 2006, 'route' de Bruges a Cologne, in Revue beige de philologie et p.48. d'histoire, jg. 31,1953, p. 410-414. DE GROOTE K. en MOENS J., De oudste stadsversterking van(62) CALLEBAUT D., op. rit., 1983a, p. 229-230; DE GROOTE Aalst (prov. Oost-Vlaanderen), in Archeologie in Vlaanderen, K., op. rit., 1988. p. 37 en de daar vermelde literatuur. jg. IV-1994,1995, p, 138-141; DE GROOTE K., AMEELS V., (63) DE GROOTE K., op. rit., 2 0 0 0 , p. 246; DE GROOTE K., MOENS J. en DEBONNE V., Archeologisch onderzoek te Aalst MOENS J. en DE BLOCK A., Een 12'''-eeuwse stenen weg onder - Sint-jozefscollege (prov. Oost-Vlaanderen) 2009-2010 (Intern het Sint-Martensplein te Aalst (O.-Vl.), in Archaeologia MediRapport VIOE), Brussel, 2010. aevalis, jg. 24, 2001, p. 81-83. DE GROOTE K. en MOENS J., Buiten de Kapellepoort van de(64) RUTTE R., Stadslandschappen. Een overzicht van de stadsworstad Aalst. Archeologisch onderzoek in de Albert Liénartstraat ding in Nederland van de elfde tot de vijftiende eeuw, in RUTTE (O.-VI.j, in Archaeologia Mediaevalis. jg. 30, 2007, p. 44-45. R. en VAN ENGEN H. (ed.), op. rit., p. 143-146. Zie ook DE GROOTE K., op. rit.. 2000, p. 238. VERHULST A., TJie rise of cities in North-Western Europe, LAISNEZ K. en VANHOLME N., Archeologische opgraving: Cambridge, 1999, p. 113-118. Kattestraat - Aalst (prov. Oost-Vlaanderen). Basisrapport, In(65) KOCH A.C.F., Het graafschap Vlaanderen van de cf eeuw tot gelmunster, 2012, p. 27-29. 1070, in Algemene Geschiedenis der Nederlanden, deel 1, HaarCALLEBAUT D., op. rit., 1983a, p. 230-231. lem, 1981, 376-377. De abdij van Lobbes bezat binnen de Villa Akst enkel een (66) WARLOP E., The Flemish Nobility before 1300,1975, Kortrijk, hof in eigen beheer, en dus was niet het hele grootdomein p. 46, 145-146; CALLEBAUT D., op. rif., 1983a, p. 241-242; eigendom van de abdij, zoals deze tekst vroeger ten onrechVAN KERREBROECK A., Het land en de heeren van Aalst in te geïnterpreteerd werd; VAN DE PERRE D., De stedebouwde Xle en XUe eeuw (onuitg. lic. verh.). Rijksuniversiteit kundige ontwikkeling van Aalst. Ninove en Geraardsbergen tot Gent, 1939-40. 1500. Een vergelijkende studie, in Het Land van Aalst, jg.LXIII, (67) KOCH A.C.F., Het land tussen Scheldeen Dender voor de inlijnr. 1, 2011, p 40. Dit hof lag waarschijnlijk in de nabijheid ving bij Vlaanderen, in Handelingen van de Geschied- en Oudvan de Sint-Ursmaruskapel. heidkundige Kring van Oudenaarde. Feestnummer. 1956, Voor een volledige argumentatie, zie CALLEBAUT D., op. 57-64. rit., 1983a, p, 231-232. (68) WARLOP E., op rit., p. 46, 80; KOCH A.C.F., op. rit., 1956, BERINGS G., Les patronages de saints dans la vallée de p. 63-64; VAN KERREBROECK A., op. rit., p. 11. l'Escaut. Esquisse d'une methode de recherche sur la christiani(69) VAN KERREBROECK A. op. rit., p. 11-21, 42-43, 48-55. sation, in Revue du Nord. jg. LXIX, 1986, p. 439-442. (70) Talrijke verwijzingen naar hun allodiaal bezit zijn te vinden CALLEBAUT D., op. rit., 1983a, p. 232-233. bij TEMMERMAN W., De heren of graven van Aalst en hun VAN DE PERRE D., op. rit., p. 40-42. castrum, in Mededelingen WAK, jg. 27, nr. 4, 2000, p. 82-93. Het gaat om acht opgravingen tussen 1982 en 2004: DE ZieookTHOEN E., Landbouweconomie en bevolking in VlaanGROOTE K., op. rit., 2 0 0 0 , p. 238-240; DE GROOTE K., deren gedurende de late Middeleeuwen en het begin van de MoMOENS J. en AMEELS V., Aan de oever van de Dender. derne Tijden. Testregio: de kasselrijen van Oudenaarde en Aalst
(eind if'-eerste helfi IÖ"*' eeuw), Band I (Belgisch Centrum voor Landelijke Geschiedenis 90), Gent, 1988, p. 395-396. (70 Allodiaal bezit door usurpatie van eigendommen van de Sint-Pietersabdij is echter zeker niet uitgesloten, zie THOEN E., op. rit., p. 401-402. (72) Rond het gebruik en het tijdstip van het begrip pares zie WARLOP, op. rit, p. 136-155. (73) KOCH A.C.L op. rit., 1956; THOEN E., op. dl., p. 386-388. (74) DE HEMPTINNE T., Vlaanderen en Henegouwen onder de erfgenamen van de Boudewijns 1070-1244, in Algemene Geschiedenis der Nederlanden, deel 2, Haarlem, 1982, p. 379. 175) WARLOP E., op.rit.,p. 156. (76) THOEN E., op.rit.,p. 395; VAN KERREBROECK A., op. rif., p. 43. 72-73(771 KOCH A.C.F., op. rit., 1956, p. 57. (7X) VAN DE PERRE D., op. rit., p. 46. (79) Ibidem. VERHULST A., op. rit., 1999, p. 32, 78. Zie ook THOEN E., Le demarrage économique de la Flandre au Moyen Age: Ie rok de la campagne et des structures politiques (Xle-XIIIe sièdes). Hypotheses et voies de recherches, in VERHULST A. en MORIMOTO Y. (ed.), Economie rurale et economie urhaine au Moyen Age (Belgisch Centrum voor Landelijke Geschiedenis 108), Gent en Fukuoka, 1994, p. 181-182. BERINGS G., Geschiedenis en archeologie: de vroeg-middeleeuwse bewoning in het Oudenaardse, in Archaeologia Belgica (98) n.s., jg. II, nr. 2,1986, 274. (82) VERHULST A., op. rit., 1999, p. 117. (99) De positie van de oudste markt bij de burcht, gescheiden (100 («3) door rivier of gracht, is een vaak vastgesteld fenomeen in de meeste Vlaamse steden, onder meer te Brugge en Gent: VERHULST A., op. rit., 1999, p. 78 en 100. (101) Archeologische vondsten pal ten zuiden ervan laten alles(84) zins vroegmiddeleeuwse activiteiten zien. VAN DE PERRE D., op. rit. (85) DE GROOTE K. en MOENS J., op. rit., 1995, p. 142. (86) VERHULST A., op. rit., 1999, p. 115. (87) Ibidem, p. 114-115; TAVERNE E., Terug naar Dorestad. Op zoek naar vroege stedelijke stelsels in de noordelijke delta, in RUTTE R. en VAN ENGEN H. (ed.), op. rit., p. 179. (103) DE HEMPTINNE T., op. rit., p. 377-379. (89) CALLEBAUT D., COOREMANS B., DE GROOTE K. e.a., (104) (90) op.rit.,p. 29. (90 M.a.w. het latere hospitaaldomein, dat in de schenkingsakte
Uit het onderzoek In 2008 langsheen de Louis D'Haeseleerstraat (voorheen Hoogstraat) bleek
DE GROOTE K, op. rit., 2000, p. 243-246; DE GROOTE duidelijk dat er geen i2de-eeuwse K., MOENS J. en DE BLOCK A., op. rit., 2001, p. 81-83. uitbreiding van de eerste omwalDE GROOTE K. en MOENS J., op. rit., 1995, p. 136-137. ling geweest is Deze werden vroeger verkeerdelijk beschouwd als restan(foto Onroerend Erfgoed) ten van een occupatie: CALLEBAUT D., op. rit., 1983b, p. 91-95. Duidelijk weergegeven op het 'Kaertboek der onroerende goederen der Burgerhospitaelen van Aelst, Schaerbeke en Mijlbeke' van P.F. Ghysels uit 1845: DE GROOTE K., MOENS J. en ERVYNCK A., Vlekken ^kruimels. Archeologische en culinaire verkenning van een Vlaamse stad, Aalst, 2004, p. 62.
Oudste gekende vermelding als 'nieuwerbrugghe' uit 1399: HAERS VAN DER MEULENA., op. rit., p. 148. CALLEBAUT D., op. rit., 1983a, p. 235-238. DE GROOTE K. en MOENS J., Archeologisch onderzoek in de Louis D'Haeseleerstraat te Aalst (O.-Vl.). Een test voor het ontwikkelingsmodel van de stad, in Archaeologia Mediaevalis, jg. 32, 2 0 0 9 , p. 120-122.
van 1242 Zelhof genoemd wordt: DE GROOTE K., op. rit., (105) CHERRETTÉ B. en BARTHOLOMIEUX B. op. rit, 2000, p. 242 en 246). (106) DE GROOTE K., op. rit., 2000, p. 247; DE GROOTE K., (9-2) CALLEBAUT D., op. rit., 1983a, p. 239-240. MOENS J. en DE BLOCK A., Bewoning uit de 12de eeuw aan DE GROOTE K. en MOENS J., op. rit., 1995; p. 95-148; DE (93) de Nieuwstraat te Aalst (O.-VÏJ, in Archaeologia Mediaevalis, GROOTE K., op. rit., 2000, p. 241; MOENS J., DE BLOCK jg. 25, 2002. A. en DE GROOTE K., Het noordelijk tracé van de oudste stadswal van Aalst (O.-Vl.j, in Archaeologia Mediaevalis, (107) DE GROOTE K., MOENS M. en DE BLOCK A., op. rit., 2001. jg. 25,2002, p. 72-73. Het door historici in twijfel getrokken noordelijke tracé gaat voorbij aan het archeologische bewijs (108) DE HEMPTINNE T., op.rit.,379-388. hiervoor dat in 2002 geleverd werd: VAN DE PERRE D., op. (109) CALLEBAUT D., op. rit., 1983a, p. 247 en 249. rit., p. 66. Recent archeologisch onderzoek aan de Werf (no) VERHULST A., Occupatiegeschiedenis en landbouweconomie in het Zuiden circa 1000-1300, in Algemene Geschiedenis der toont trouwens aan dat de occupatie van de gronden aan de Nederlanden, deel 2, Haarlem, 1982, p. 84 en 93. Sint-Annabrug niet vóór de I4de eeuw gesitueerd kan worOp basis van het ^'-eeuwse kadaster van Popp en van de den. Deze alluviale gronden bleken pas in gebruik genobewaarde middeleeuwse kelders onder het stadhuis: DE men te zijn na het dempen van de restanten van een oude Dendergeul op deze plaats: DE MAEYERW. e.a., op.rit.;DE GROOTE K., MOENS J., CALUWÉ D., COOREMANS B., MAEYER W., KLINKENBORG S., VAN CAUWENBERGH DEFORCE K., ERVYNCK A„ LENTACKER A., RIJMES., TAELMAN E. en CHERRETTÉ B., Aalst Werf. ArcheoloNANTS E., VAN NEER W., VERNAEVE W. en ZEEBROEK gisch onderzoek. Zeven eeuwen hewoningsgeschiedenis aan de I., De Valcke, de Slotele en de Lelye, burgerwoningen op de Dender (SOLVA Archeologie-rapport 23), in voorbereiding. Grote Markt te Aalst (prov. Oost-Vlaanderen): onderzoek naar De oudste fase van de Bisschopstraat, de weg in het verde bewoners, analyse van een vroeg-i6d'-eeuwse beerputvulling lengde van de Molenstraat die naar de Sint-Annabrug leiden de evolutie tot stadhuis, in Archeologie in Vlaanderen, de, kan op basis van het archeologische onderzoek niet veel jg. VIII - 2001-2002, 2004, p. 287-305,fig.3,fig,8. vroeger dan de 14''' eeuw geplaatst worden: DE GROOTE K. DE GROOTE K., MOENS J., CALUWÉ D., COOREMANS en MOENS ]., Verkennend archeologisch onderzoek op de Werf B., DEFORCE K., ERVYNCK A., LENTACKER A. en VAN te Aalst (O.-VI.), in Archaeologia Mediaevalis, jg. 31, 2008, NEER W., Op zoek naar de oudste middeleeuwse bewoning p. 44-45. aan de Grote Markt te Aalst (prov. Oost-Vlaanderen). Het onderzoek van afval- en beerkuilen uit de i2'k tot de 14^ eeuw, (94) DE GROOTE K., AMEELS V, MOENS J. en DEBONNE V, in Relicta.jg. 4, 2009, p. 144, fig. 18. op. rit. DE GROOTE K., MOENS (. e.a.. op.rit.,2009. (95) Ook de afmetingen zijn opvallend gelijklopend met de ("3) oudste walgracht te Gent, die minimum 14 m breed was en ("4) VAN NUFFEL P., Historiek der oude straten, markten, pleinen en gehouwen der stad Aalst met sagen en vertellingen, minstens 3 m diep: RAVESCHOT P., op. rit,, p. 15. Aalst, 1914, p, 130; THEYS C, De grote stadsbrand te Aalst, (96) VERHULST A., op. rit., 1999, p. 119-120. in Het Land van Aalst, jg. IX, 1957, p. 252. (97) BOEREFI1N W., De totstandkoming van de stedelijke vorm, in RUTTE R. en VAN ENGEN H. (ed.), op. rit., p. 134-137; (115) VOSKUIL J.f., Van vlechtwerk tot baksteen. Geschiedenis van de wanden van het boerenhuis in Nederland (Stichting HistoVERHULST A., op. rit., 1999, p. 115.
A/I&LI 31
De middeleeuwse openbare waterput op de Grote Markt
(119)
kwam bij graafwerken voor de heraanleg van het plein opnieuw
(120)
tevoorschijn
(foto Onroerend Erfgoed)
(121)
(123) (124) (125) (126) (127)
(129)
risch Boerderij-onderzoek Monografieën 2), Arnhem, 1979, p. 19. Voorbeelden van deze bouwwijze, waarbij de houten liggers bewaard zijn gebleven, zijn gekend uit opgravingen te Gent, o.a. in het Gravensteen en in de Waaistraat (info M G . Laleman, Dienst Stadsarcheologie Gent, waarvoor dank). (116) VOSKUIL JJ., op. at., p. 16-20. (117) DE GROOTE K. en MOENS J., De Nederstove op de Oude Vismarkt te Aalst. De archeologie van een badhuis in de middeleeuwse rosse huurt, in DEWILDE M. , ERVYNCK A. en BECUWE F. (ed.), Cenulae recensfactae. Een huldeboek voor John De Meulemeester (Novi Monasterii 10), Koksijde-Gent, 2010, p. 123-129. (118) De dendrochronologische analyse wijst op een datering in de tweede helft van de I4 de eeuw: HANECA K., Tonput van de archeologische site Hopmarkt (04/AA.HOP/12S2J te Aalst (prov. Oost-Vlaanderenj. Verslag dendrochwnologisch onder-
32
I IVI
L
zoek (Rapporten Natuurwetenschappelijk Onderzoek Onroerend Erfgoed RNO.OE.2012-006), Brussel, 2012. Een aanleg in de vroegste abdijperiode (na 1497) kan echter niet uitgesloten worden. VAN UYTVEN R., Stadsgeschiedenis in het Noorden en het Zuiden, in Algemene Gechiedenis der Nederlanden, deel 2, Haarlem, 1982, p. 187-253; Ontstaan en vroegste geschiedenis van de middeleeuwse steden in de zuidelijke Nederlanden. Een archeologisch en historisch probleem. Handelingen van het 14de Internationaal Colloqium, Spa 6-8 sept. 1988 (Historische uitgaven reeks in-S 83), Brussel, 1990; VERHULST A., op. cit., 1999. Voor een overzicht van de historische gegevens omtrent Ninove en Geraardsbergen zie VAN DE PERRE D., op. cit. BUYSE P., MEGANCK L, VANDEWEGHE E. en VERVOORT R. (m.m.v. BAUTERS L, DE GROOTE K., ERVYNCK A. en MUYLAERT L), De Grote Markt van Dendermonde van boven tot onder bekeken, Gent, 2007, p. 7-9, 27-34. Ibidem, p. 11-13. VAN DE PERRE D., op. cit, p. 46-49. Ibidem, p. 50-52; THOEN E., op. cit., p. 395. VERHULST A., op. cit., 1999, p. 33-67. Ibidem, p. 103-110. LALEMAN M.C., Archeologische en historische visies op het ontstaan en de vroegste ontwikkeling van Gent in confrontatie. II. Een archeologische visie, in Ontstaan en vroegste geschiedenis van de middeleeuwse steden in de zuidelijke Nederlanden. Een archeologisch en historisch probleem. Handelingen van het 14de Internationaal Colloquium, Spa 6-8 sept. 1988 (Historische uitgaven reeks in-8 83), Brussel, 1990, p. 311; RAVESCHOT P., Een eerste archeologisch onderzoek naar een middeleeuwse gracht in Gent, in Stadsarcheologie, jg. 14, 1990, nr. 4, p. 112-20; VERHULST A., op. cit., 1999, p. 56. De Brabantse steden beginnen pas in de i2iv eeuw te versterken: VERHULST A., op. cit., 1999, p. 115. WARLOP E., op. cit., p. 4 6 .
(130) (131) BERKERS M. en LALEMAN M.C., Vooruitstrevend of ouderwets? Het Gravensteen als spiegel voor het ontstaan en de ontwikkeling van het kasteel in het middeleeuwse graafschap Vlaanderen, in Handelingen van de Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, jg. LXV, nr. 1-2, 2011, p. 12-13. (132) Zoals bijvoorbeeld te Aalst zeker tot in de 14''' eeuw: DE GROOTE K. en MOENS J., op. cit., 1995, p. 142-143, en te Pamele in Oudenaarde zelfs tot in de i6 d e eeuw: DE GROOTE K., De middeleeuwse ambachtelijke wijk van Pamele (stad Oudenaarde, O.-Vl.j. Het onderzoek in het Huis de Lalaing. 1. De pottenbakkersovens, in Archeologie in Vlaanderen, jg. ni-1993, p. 360, fig. 2. (133) De studie uit 2011 van VAN DE PERRE, op. cit., is wel de eerste die systematisch vanuit enkele thema's alle historische bronnen, studies en interpretaties omtrent het ontstaan en de middeleeuwse ontwikkeling van de Dendersteden Aalst, Ninove en Geraardsbergen samenbrengt en aan een kritische evaluatie onderwerpt. Ze vormt dan ook een excellente vertrekbasis voor gelijkaardig onderzoek met betrekking tot die laatste twee steden. (134) BOEREFIJN W., op. cit. (135) Voor Aalst zie recentelijk nog VAN DE PERRE op. cit., p. 4 6 : "concentrisch ontwikkeld". (136) Ook vastgesteld in Nederland: RENES H., op. cit., p. 36.
Binnenkrant Nr. 177 Bijlage bij M&L32/1 jan.-feb. 2013
^N; ^
n •*, /oontoren Fcr a Cheval in Floréal, Watermaal- Bosvoorde (foto Duquenne)
êAM
^
rijke archieven bewaard in privébezit. Aangekocht door de
Tentoonstelling
Koning Boudewijnstichting vanwege de uitzonderlijke waarde voor onze architectuurgeschiedenis, werd het Eggericx-archief in december 2009 geschonken aan de Archives dArchitecture Moderne. Duizenden documenten, foto's, plannen, tekeningen
Jo Braeken
en schetsen met betrekking tot zowat 450 projecten en realisaties, konden in de loop van 2010-11 met ondersteuning van het
Ö •i-H
Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden geordend en gecon-
j.-J. ECCERICX, GENTLEMAN ARCHITECT, ONTWERPER VAN TUINWIJKEN
serveerd. De tentoonstelling en de publicatie van een wetenschappelijke monografie vormen het sluitstuk van deze operatie, die alweer een schakel toevoegt aan de kennis van onze
Nog tot 7 april loopt in het Civa te Brussel de tentoonstelling
architectuur en een van de belangrijkste architectenarchieven
J.-J. Eggericx, Gentleman architect, Ontwerper van tuinwijken.
voor de toekomst vrijwaart.
Met dit initiatief knoopt de Archives d'Architecture Moderne opnieuw aan bij een lange traditie in het organiseren van
Jean-Jules Eggericx (1884-1963) is internationaal bekend als
monografische overzichtstentoonstellingen, bedoeld om zijn
ontwerper van de tuinwijken Floréal en Le Logis in Watermaal-
rijke collectie architectenarchieven voor het publiek te ontslui-
Bosvoorde, die vanaf 1921 werden gebouwd. Zij behoren tot de
ten. Na spraakmakende tentoonstellingen in het verleden van
meest geslaagde realisaties in hun soort in België en Europa,
onder meer Louis-Herman De Koninck, Henri Lacoste en
en getuigen van het sociale engagement dat de loopbaan van
Victor Bourgeois, wordt nu Jean-Jules Eggericx voor het voet-
de architect expliciet vorm gaf. Eggericx, zoon van een hove-
licht gebracht, één van de meest toonaangevende modernisten
nier, brak zijn architectuurstudies aan de Brusselse Academie
actief tijdens het interbellum in België. Het Eggericx-archief dat
al in het derde jaar af, om zich als autodidact in de praktijk te
decennialang door zoon architect John Eggericx werd bewaard,
vormen via stages op de bureaus van architecten als Alban
behoort tot de recentere aanwinsten van de Archives
Chambon, Jean-Baptiste Dewin en Victor Horta. Wegens doof-
dArchitecture Modernes, en vormt het als het ware het sluitstuk
heid afgekeurd voor militaire dienst, bracht hij de Eerste
van zijn collectie Interbellumarchieven. Voor wat de grote Bel-
Wereldoorlog door in Engeland, als ingenieur in de Daimler-
gische architecten uit de periode van het modernisme betrof,
vliegtuigfabriek te Coventry. Hertrouwd met een Ierse en door-
gold het Eggericx-archief immers als een van de laatste belang-
drongen van de Britse cultuur, ontwikkelde de 'gentleman architect' en fervent motorrijder, bij zijn terugkeer naar België in 1919, een passie voor de band tussen architectuur en natuur,
Jean-Jules Eggericx rond 1920
met name in zijn projecten van goedkope woningen. Al sinds zijn eerste geschriften in La Pointe Sèche en later in La Cité, toonde Eggericx zich één van de voornaamste pleitbezorgers van het tuinwijkmodel. In Engeland had hij in detail Letchworth bestudeerd, de allereerste garden city ontworpen door Raymond Unwin en Barry Parker vanaf 1903. Hij beschouwde de tuinwijk als de oplossing voor het woningvraagstuk na de verwoestingen van de Eerste Wereldoorlog. Via architect Raphael Verwilghen kwam hij begin 1920 in dienst van de pas opgerichte Nationale Maatschappij voor Goedkope Woningen en Woonvertrekken, die hem de leiding gaf over de experimentele werf Het Rad in Anderlecht. Op initiatief van huurderscoöperatieven binnen de Algemene Spaar- en Lijfrentekas en de krant Le Peuple ontwierp hij vervolgens in samenwerking met de stedenbouwkundige Louis Van der Swaelmen de aangrenzende tuinwijken Le Logis en Floréal. Met een architectuur die een doorgedreven rationalisme verbond aan een eigentijds regionalisme, werd hier niet alleen het zo unieke verkeerssysteem van hoofdlanen, doorsteken en voetgangerswegels geïntroduceerd, maar ook een van de allereerste woontorens in Brussel, de beeldbepalende Feró Cheval. Na 1925 realiseerde Eggericx enkele opmerkelijke privéresidenties zoals de verdwenen villa Vanden Perre in Ukkel en de meergezinswoning Petrucci-Wolfers in Eisene, die duidelijk maken hoe de vormentaal van Frank Lloyd Wright, hier via de
(D
ö ö •i-H
Floréal, Watermaal-Bosvoorde, voorontwerp voor f er d Cheval, perspectieftekening van Ewaud van Tonderen, 1925
Meergezinswoning Petrucci-Wolfers, Eisene, 1925 (foto Duquenne)
Belgisch Paviljoen op de Wereldtentoonstelling van 1937
omweg van de eigentijdse Nederlandse architectuur ingang
Jean-Jules Eggericx belichten. De getoonde documenten zijn
vond. Geassocieerd met Verwilghen, ontwikkelde hij begin
een feest voor het oog, met een veelheid aan fraai ingekleurde
jaren 1930 in stedelijke context een modern type apparte-
presentatietekeningen, perspectieven, ontwerpschetsen, aan-
mentsgebouw, bestemd voor de betere middenklasse, met als
gevuld met archieffoto's, persoonlijke artefacten, maquettes en
hoogtepunt de tweelingtorens Residence Leopold en Albert aan
een enkel meubelstuk. Uiteraard wordt ruim plaats gemaakt
de Brusselse De Meeussquare. Naast zijn werk als architect
voor de tuinwijken, die ook in de projectieruimte worden ge-
was Eggericx in deze periode docent aan La Cambre, en ontwik-
evoceerd. Andere hoofdthema's zijn de privéresidenties, de
kelde hij in zijn rol als stedenbouwkundige grootstedelijke
stedelijke appartementsgebouwen, de wereldtentoonstellingen
studies voor Brussel en Antwerpen. Een minstens zo belangrijk
en de stedenbouwkundige studies.
aspect van zijn oeuvre waren de paviljoenen die hij voor de Wereldtentoonstellingen van 1930 in Antwerpen en 1935 in
De lijvige en rijk geïllustreerde monografie onder redactie van
Brussel ontwierp, en opnieuw met Verwilghen en onder toe-
Maurice Culot, bundelt een tiental essays en casestudies,
zicht van Henry van de Velde, het Belgische Paviljoen op de
gevolgd door een oeuvrelijst, en een biografisch repertorium in
Wereldtentoonstelling van 1937 in Parijs.
bijlage. Na een inleidend essay door Culot, plaatst Francis Strauven aan de hand van een uitgebreide biografie het leven,
De tentoonstelling volgt een chronologisch opzet, ingedeeld in
het oeuvre en de ideeënwereld van Jean-Jules Eggericx in het
thematische hoofdstukken die de belangrijkste realisaties van
perspectief van zijn tijd. LaurélineTissot behandelt het ont-
staan, de evolutie, de architectuur en de betekenis van de tuin-
cd
wijken Le Logis en Floréal. De relatie tussen architect en op-
Ö
woningen Petrucci-Wolfers en Verwee-Lefebure, gebouwd voor
ö ö
de zussen Verwee. Marc Dubois tekent voor drie casestudies,
PQ
steenfabrikant Sphinx op de Wereldtentoonstelling van 1930 in
Colloquium
drachtgever komt indringend aan bod in het met persoonlijke details gekleurde verhaal door Raf Steel, over de meergezins-
gewijd aan de vakantiekolonie Home des Enfants du Hainaut in Bredene, aan het paviljoen van de Maastrichtse tegel- en bak-
Karel Rohijns
Antwerpen, en aan het naoorlogse wederopbouwplan van Oostende, het laatste belangrijke project van Eggericx. Maurice Culot reconstrueert in detail de verschillende bijdra-
NATIONAAL MONUMENTENCONCRES, AMERSFOORT, 8 NOVEMBER 2012
gen van Eggericx aan de wereldtentoonstellingen, met name de complexe ontstaansgeschiedenis van het Parijse paviljoen.
Op donderdag 8 november 2012 werd in de Rijtuigenloods in
Irene A. Lund en Typhaine Moogin belichten de vernieuwingen
Amersfoort het eerste Nationaal Monumentencongres georga-
op het vlak van het stedelijk appartementsgebouw en de hoog-
niseerd, in aanwezigheid van een zeshonderdtal deelnemers.
bouw, daar waar Geoffrey Grulois en Lauréline Tissot de
Deze deelnemers kwamen uit diverse overheden, gemeenten,
stedenbouwkundige studies voor de Antwerpse Linkeroever en
provincies, stichtingen actief rond erfgoed, bisdommen en
het Rijksadministratief Centrum in Brussel voor hun rekening
studiebureaus uit Nederland. Ook twee Vlaamse deelnemers
nemen.
waren aanwezig: Karel Robijns (agentschap Onroerend Erfgoed) en Elisabeth Michiels (directeur Monumentenwacht Vlaanderen). Het Nationaal Monumentencongres moet naast
Tentoonstelling
een moment van reflectie en debat vooral ook een attractief en
J.-J. Eggericx, Gentleman architect, Ontwerper van tuinwijken
niet te vermijden jaarlijks evenement zijn, gericht op iedereen
n december 2012 tot 7 april 2013
die professioneel met monumenten te maken heeft. Het eve-
Civa, Kluisstraat 55,1050 Brussel
nement moet voldoende mogelijkheden bieden om elkaar
Dinsdag-vrijdag i2u tot i8u,
informeel te ontmoeten en om eventueel verbanden en allian-
zaterdag-zondag 10U30 tot i8u
ties te kunnen smeden. Het congres wil tevens een platform bieden waarop het monumentenveld een boodschap kan afge-
Info +32 (0)2 642 24 62
ven aan de maatschappij en meer in het bijzonder aan de poli-
info@aam.be / www.aam.be
tiek. En daar is het alleszins goed in geslaagd. Daarbij gaat het er nadrukkelijk niet om dat de sector elk jaar iets vraagt van de samenleving maar dat het perspectief zich richt op de bijdrage
Boek J.-J. Eggericx, Gentleman architecte, Créateur de cités-jardins Maurice Culot (red.)
die de erfgoedsector zelf kan leveren aan economische en maatschappelijke ontwikkelingen.
Brussel, Archives d'Architecture Moderne en CFC-Éditions, 2012, 336 p., ISBN 978-2-87143-265-4
Het programma bestond uit een zestal lezingen rond het thema 'Verzilveren van identiteit'. Mario Monsanto, bestuurslid van Nationaal Monumentencongres, lichtte toe dat in deze tijd van bezuinigingen en transitie, verzilvering van het 'maatschappelijk kapitaal' erg belangrijk is gebleken voor de monumentenzorg. De sprekers sloten allemaal op een andere manier aan bij het thema, maar gemeenschappelijk was de serieuze en soms wat sombere boodschap van de lezingen. Ook de urgentie van samenwerking kwam uit meerdere lezingen naar voren. Het programma van lezingen werd halverwege de dag afgewisseld met twee meetings in kleine groepjes: kleinere discussierondes met specifieke thema's die voor en na de
J.-J.
EGGERICX
«•••ilWfWWARCHITECTE CRÉATEUR DE CITÉS-JARDINS
lunchpauze her en der (onder andere in oude treintoestellen) in de loods plaatsvonden. Er werd gediscussieerd over gebiedsstrategieën, lokale en regionale identiteit, de rol van de provincies, positieve kanten van tijden van schaarste, herbestemming, groen erfgoed en herbestemmen van religieus erfgoed.
SAMENVATTINGEN VAN DE LEZINGEN:
instituut vervullen. Behalve het kernwoord 'kennis' is 'samenwerken' volgens Cees van 't Veen hierbij minstens zo belang-
Cees van 't Veen
rijk.
Cees van 't Veen, directeur van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), sprak over de maatschappelijke ontwikke-
Arno Brok
lingen die volgens hem van invloed zijn op de monumenten-
Net als van 't Veen stelde Arno Brok, burgemeester van
sector. Enkele maatschappelijke uitdagingen waar we volgens
Dordrecht en voorzitter Commissie Cultuur Vereniging van
van 't Veen voor staan:
Nederlandse Gemeenten (VNG), dat de huidige ontwikkelin-
- De economische crisis vertolkt zich stilaan ook naar erfgoed
gen voor een nieuwe realiteit zorgen. Vanuit zijn bestuursfunc-
(leegstaande winkels, hoeves, kazernes, kantoren,...).
tie bij de VNG, vroeg hij voornamelijk aandacht voor de grote
Herbestemming is hot en duurzaam, maar we vinden onvol-
gevolgen die gemeenten zullen ondervinden van verdergaande
doende nieuwe functies.
decentralisatie. Brok beschreef dat gemeenten momenteel
- De leegstand van de kerken zal zeer acuut worden.
gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor een vergelijkbare finan-
- De bouwsector zit in het slop door de crisis, en dit zal nog
ciële bijdrage aan de professionele monumentensector als de
verergeren. - De gebruikers vragen een billijke energierekening, ook voor monumenten. - De wijzigende demografie (vergrijzing) en andere gezinssamenstelling noodzaakt andere woonvormen. - De inkrimping van het (rijks)overheidsorgaan (minder geld,
rijksoverheid. Decentralisatie betekent volgens hem dan ook voornamelijk dat gemeenten nieuwe taken krijgen, maar geen geld. Brok verwachtte dat ook corporaties zoals 'stadsherstel' het zeer moeilijk zullen krijgen. Hij vreesde een verschil tussen gemeenten die nog op een erfgoedbeleid gaan inzetten en gemeenten die dit niet meer zullen kunnen of willen. Hij vrees-
minder ambtenaren, minder overheidsinmenging) zal zich
de ook voor de massaal aangekondigde afstoting van leeg-
steeds meer laten voelen.
staande en zonder gebruik zijnde Rijksgebouwen naar lagere
- De rijksoverheid die massaal patrimonium afstoot naar
overheden (bv kazernes, vestingwerken,...)
lagere besturen. Barbara Baarsma Enkele markante cijfers voor 2012 die Cees van 't Veen meegaf,
Barbara Baarsma, directeur SEO en hoogleraar economie, ging
over het jaarlijks budget voor monumentenzorg, waarbij hij
in op de ook in Vlaanderen veelgebruikte argumenten voor de
aangaf dat dit waarschijnlijk in de toekomst niet zo hoog zal
economische waarde van de monumentenzorg. Haar lezing
blijven:
maakte van alle lezingen misschien wel de meeste reacties los.
- 50 miljoen euro aan jaarlijks terugkerend instandhoudings-
Zij begon haar betoog met de constatering dat de monumen-
budget; - 47 miljoen euro voor eenmalige ondersteuning in functie
tenzorg tot dusver nog niet te veel te lijden heeft onder de economische crisis. Ook haalde zij het onderzoek van Natuur-
van relance bouw (opvallend is dat de eenmalige budgetten
monumenten en TNS Nipo aan, waaruit bleek dat men bereid
al gedurende 20 jaar telkens eenmalig zijn en sterk fluctue-
is 5 euro te betalen voor het behoud van cultureel erfgoed.
rend, maar gemiddeld een even groot budget als het regu-
Volgens de respondenten moesten monumenteigenaren echter
liere budget vormden);
ook voor meer verantwoordelijkheid - en dus ook meer geld -
- 4 miljoen euro aan herbestemmingsprojecten;
zorgen. De argumenten echter die vooral door de sector zijn
- 2 miljoen euro aan stadsherstelprojecten;
gebruikt, zijn volgens Baarsma niet sterk genoeg. Volgens
- 20 miljoen euro naar provincieprojecten, die hier nog een
Baarsma wordt er door de sector vooral gebruik gemaakt van
20 miljoen euro bijleggen; - een fiscale aftrek die voor 60 miljoen euro per jaar geboekt wordt; - een restauratiefonds waar nu 350 miljoen euro wordt uitge-
twee argumenten: (1) het multiplier- en fiscaal terugverdieneffect (dat ook in de lezing van Cees van 't Veen genoemd werd) waarbij elke geïnvesteerde euro weer drie euro zou opleveren en (2) het macro-economische terugverdieneffect waarbij van
leend via een rollend fonds en waar de eerste leningen al
elke uitgegeven euro weer 1,50 euro naar de overheid terug zou
terugbetaald zijn, zodat dit geld nu opnieuw wordt uitge-
vloeien. Bij het narekenen van deze effecten komt Baarsma
leend;
echter niet tot dezelfde cijfers. In grote lijnen heeft de miscal-
- en een nieuw 'Restauratiefonds Plus' waar 103 miljoen euro extra kan uitgeleend worden.
culatie volgens Baarsma te maken met het feit dat bij het eerste effect geen rekeningen is gehouden met extra effecten ten opzichte van een alternatief. Daarbij is niet meegenomen dat
Zijn slotconclusie was: de RCE moet nog meer evolueren naar een nationaal kenniscentrum dat digitaal ontsloten is. Met een
subsidie niet gratis is en uiteindelijk verstorend werkt op de economie. Bij het tweede effect heeft het Centraal Planbureau
landelijke onderzoeksagenda, Europese onderzoeksprojecten,
(CPB) volgens Baarsma geen rekening gehouden met de kos-
aandacht voor internationaal gemeenschappelijk erfgoed,
ten die de overheid maakt door bij te dragen. Toch betekenen
actieve communicatie naar 'buiten' en samenwerking met
deze bevindingen volgens Baarsma niet dat de sector zich arm
partners uit het hele erfgoedveld, wil de RCE de rol van kennis-
hoeft te voelen. Zij ziet zeker goede argumenten voor over-
(L) • i—i
PQ
heidssteun, ze moeten alleen in andere, niet economische,
cie Noord-Brabant een zogenaamd 'Job House' aan het ontwik-
effecten gezien worden: in de 'positieve externe effecten'.
kelingen is. In een leegstaand ofte restaureren monument
Bijvoorbeeld het positieve effect van goed onderhouden monu-
moeten jongeren opgeleid worden in restauratieambachten,
menten op het toerisme, het effect van minder criminaliteit in
zodat zowel de jeugd als het monument een perspectief gebo-
een buurt met goed onderhouden objecten en het effect van
den wordt. Het woord 'job' uit de titel refereert volgens haar
sociale cohesie. Overheidssteun is hier juist gewenst omdat er
dan ook niet alleen aan de opleidingsfunctie, maar ook aan
sprake is van een/reer/der-probleem; personen kunnen zonder
de investering die de jeugd daarmee in de provincie doet;
toegangskaart al voordelen hebben van goed onderhouden
het staat ook voor "jij ontwikkelt Brabant".
monumenten waardoor de markt geen prikkel krijgt hierin te investeren. Omdat subsidies niet hoger moeten zijn dan de
Friso de Zeeuw
maatschappelijke baten, raadde Baarsma de Maatschappelijke
Friso de Zeeuw, directeur nieuwe markten bij Bouwfonds Ont-
Kosten-Batenanalyse (MKBA) aan als overtuigend argument
wikkeling en hoogleraar Gebiedsontwikkeling aan de TU Delf,
van overheidssubsidie. Dit instrument drukt de maatschappe-
keek vanuit vastgoedperspectief naar erfgoed en moest daarbij
lijke baten uit in geld om een vergelijking mogelijk te maken.
toegeven toch wat in mineur te zijn. De crisis heeft de vast-
Nadien was er ruimte voor twee rondes waarbij men kon kiezen
goedsector zwaar geraakt. Daarbij heeft de vastgoedsector
uit zeven fringemeetings in kleine groepjes. Hierbij volgde ik:
momenteel geen best imago. Volgens de Zeeuw zorgt de kenniseconomie en de daarbij horende demografische verschui-
'Identiteit en sociaal kapitaal'.
vingen voor polarisatie in sterke en zwakke locaties.
In deze workshop werd, aan de hand van voorbeelden, over
Omdat erfgoed op zwakke locaties in zwaar weer terecht zal
volgende stellingen gediscuteerd:
komen, lijkt het volgens de Zeeuw onvermijdelijk om strak te
- funshoppen en intemetshoppen veroorzaken een versnelde
selecteren welke projecten wel of geen kans meer maken (en
leegstand van winkels. Dit is een onomkeerbaar proces.
om enkele projecten tijdelijk te bevriezen). Andere problemen
Best prioriteit geven aan de markante invalsstraten om deze
waar de sector volgens de Zeeuw mee te maken krijgt, zijn de
terug actief te krijgen {mainstreet mouvement);
verminderde waarde van het vastgoed die nog zal doorwerken
- geef prioriteit aan de projecten die ook wezenlijk bijdragen aan een sociaal kapitaal voor de buurt.
in de grondwaarde en het nog niet ingespeeld zijn op de nieuwe wijze waarop gebiedsontwikkeling nu gaat. De huidige processen zijn daarvoor nu vaak te lang. Als tips voor de erf-
'Kerkelijk erfgoed'. In deze workshop werden voorbeelden van herbestemd kerkelijk erfgoed aangereikt en werd over de volgende stelling gediscuteerd: Erfgoed heeft maar waarde voor zover de burger er die aan toekent. Het is niet de overheid die de waarde zomaar kan opleggen. Erfgoed is een middel, erfgoed is geen doel op zich. Dit is ook voor de kerken zo. Werk volgens principe: - inventariseer het verleden. Noteer de verhaallijn. Bepaal de
goedsector gaf Friso de Zeeuw mee dat het belangrijk is alle verschillende belangen bij een project te harmoniseren (en waarbij de brandweer op dit moment voor hem de moeilijkste is), expertise door erfgoedzorgers te ontwikkelen op meerdere gebieden dan enkel de restauratie, om de krachten in de sterk versnipperde sector te bundelen, om eindgebruikers beter en stelselmatig in beeld te brengen en om als monumentenzorg de eindgebruiker meer centraal te stellen en flexibel te zijn.
waarden die de burger er nu aan geeft. Bepaal wat dit bijbrengt aan de identiteit;
Als conclusie moet ik toegeven dat de dag zeker tegemoet
- maak bewuste keuzes;
kwam aan het vooropgestelde doel. Er werden ruim en openlijk
- geef dit nu vorm, en zet alle mogelijke middelen tegelijk in.
stellingen en trends rond hedendaagse erfgoedzorg in Neder-
Nadien volgden opnieuw enkele sprekers voor de hele groep.
land verkondigd en hierover werd gediscussieerd. Met deze
Brigite van Haaften
van een breed debat over monumentenzorg aan te zwengelen
Als gedeputeerde Cultuur en Samenleving van de Provincie
en zoveel mogelijk partners hierbij te betrekken. Op internet
aanpak is men alleszins in Nederland geslaagd om de traditie
Noord-Brabant gaf van Haaften aan hoe de provincie Noord-
circuleren zelfs verslagen van de dag opgesteld door begees-
Brabant in deze tijden omgaat met cultureel erfgoed. Om de
terde deelnemers.
rijke historie te bewaren en voor een prettig vestigingsklimaat te zorgen, wil Noord-Brabant zich volgens van Haaften vooral inzetten voor het behoud van architectonische, stedenbouwkundige en maatschappelijke iconen die bedreigd worden door leegstand. De provincie heeft gekozen voor een proactieve
Ter informatie voor wie er niet bij kon zijn: Het Nationaal
benadering waarbij op zoek gegaan wordt naar (bedreigde)
Monumentencongres vindt telkens plaats op de tweede
iconen en mogelijke partners. Noord-Brabant zoekt daarbij
donderdag van november. De volgende editie vindt dus
naar oplossingen op maat en kan in projecten verschillende
plaats op donderdag 14 november 2013.
rollen op zich nemen: die van ontwikkelaar, financier, verbinder en ondernemende partner, van Haaften liet zien dat de Provin-
Persbericht De studiedag gaat door op 26 april 2013 in de Croote Sociëteit Maastricht.
WTA NEDERLAND-VLAANDEREN HOUDT EEN STUDIEDAG OVER HET THEMA WANDEN PLAFONDSCHILDERINGEN
Meer informatie vindt u via www.wta-nl-vl.org
In Nederland en Vlaanderen treffen we in historische interieurs dikwijls wand- en plafondschilderingen aan. Het kan gaan om stijlkamers, kerken, musea, openbare gebouwen of ander erfgoed. Die schilderingen op een steenachtige ondergrond heb-
Varia
ben de tijd vaak bijzonder goed doorstaan. Maar er zijn ook schilderingen waarvan nog slechts enkele fragmenten bestaan, of waarvan men weet dat ze er zijn, maar die in de tijd overgekalkt of overschilderd zijn. Schilderingen uit de tijd van
Barbara Dubaere en Tinne Jacobs
Cuypers in het Rijksmuseum zijn daar bekende voorbeelden van, maar ook kerkinterieurs uit de tijd van de reformatie.
Tijdens de studiedag 'Wand- en Plafondschilderingen' zullen
NATIONAAL PARK HOGE KEMPEN RICHTING EUROPA
Angelique Friedrichs (SRAL, Maastricht), Bernard Delmotte (conservator-restaurator), Anne van Crevenstein (emeritus
Op 20 oktober 2000 stelde de Raad van Europa het eerste
hoogleraar Universiteit van Amsterdam), Anna Bergmans
internationale verdrag op dat zich volledig en uitvoerig toe-
(erfgoedonderzoeker. Onroerend Erfgoed), Claudia Junge
spitst op de zorg voor landschappen: de Europese Land-
(restaurator, fort De Bilt), Hilde De Clercq (KIK, Brussel) en
schapsconventie. In 2005 trad deze conventie, ook wel het
Rob van Hees (TNO/TU Delft) elk vanuit hun eigen kennis en
Verdrag van Firenze genoemd, in werking in België. Momen-
ervaring, ingaan op de problematiek rond het onderzoek,
teel zijn al 37 landen toegetreden. Binnen deze conventie werd
behoud en de restauratie van wand- en plafondschilderingen.
de Europese Landschapsprijs opgericht, een eervolle bekro-
De studiedag begint met een overzicht van de plafond- en
en een succesvol landschapsproject op poten wisten te zetten.
ning voor lidstaten die het belang van landschappen erkennen wandschilderingen op een steenachtige ondergrond, zoals we die in Nederland en Vlaanderen aantreffen. Er zullen ook ver-
Europese Landschapsconventie
schillende technieken voor het aanbrengen van de schilderingen aan de orde komen. De problematiek van de achteruitgang
Sinds enkele jaren groeit het besef dat de aantasting en achter-
van de kwaliteit van de schilderingen wordt besproken en er zal
uitgang van landschappen en het verlies aan landschappelijke
ingegaan worden op de technieken van behoud en restauratie.
diversiteit onlosmakelijk verbonden zijn met negatieve gevol-
Daarnaast zal aandacht besteed worden aan wetenschappelijk
gen voor de algemene levenskwaliteit. Zorgen voor de (land-
onderzoek dat verricht wordt en de technieken die hierbij ge-
schappelijke) omgeving, is tegelijkertijd zorgen voor zichzelf.
bruikt worden: microscopie, ultravioletfluorescentie, röntgen-
Om deze gedachte zichtbaarheid te geven in de praktijk, stelde
fotografie, infraroodfotografie en reflectografie en verder micro-
de Raad van Europa de Landschapsconventie op. Naast het
scopisch onderzoek van verfdwarsdoorsneden.
bevorderen van onderlinge Europese samenwerking, doelt de
Aan de hand van enkele casestudies worden restauratietech-
Landschapsconventie erop dat elke lidstaat haar landschappen
nieken behandeld. Ook wordt ingegaan op het vrijmaken van
met de nodige zorg beschermt, beheert en inricht. Volgens de
overschilderde schilderingen, onder andere bij de restauratie
Raad van Europa verdienen niet alleen bijzondere en atypische
van schilderingen in het Rijksmuseum in Amsterdam.
landschappen aandacht, ook de dagelijkse landschappen mo-
Het conserveren van de schildering in samenhang met zijn
gen niet vergeten en achteropgesteld worden. De Europese
ondergrond komt aan de orde, evenals het stellen van een
Landschapsconventie heeft immers betrekking op elk land-
diagnose en welk onderzoek nog nodig is rond een bepaald
schap dat bepalend is voor de kwaliteit van de menselijke leef-
product, techniek en de ontwikkeling ervan. Aan de hand van
omgeving, of het nu natuurlijk, ruraal, stedelijk of net buiten de
enkele sprekende voorbeelden zullen ten slotte lessen getrok-
stad gelegen is. Een sterke link tussen het natuurlijke land-
ken worden uit verkeerde keuzen van onderhouds- en restaura-
schap en culturele, socio-economische ontwikkelingen in het
tietechnieken.
desbetreffende gebied is hierbij bovendien niet weg te denken.
Deze studiedag gaat zowel in op de principiële keuzes, beslissingsprocessen, diagnosestelling als op de praktijkoplossingen
Hoewel verschillende internationale wettelijke instrumenten al
en uitvoeringstechnieken, geïllustreerd aan de hand van di-
(in)direct betrekking hebben op landschappen, onder andere
verse praktijkvoorbeelden.
de UNESCO Werelderfgoedconventie (1972) en de Conventie
ö
van Bern inzake het behoud van in het wild voorkomende dier-
den beide projecten erin de lokale bevolking bewust te maken
en plantensoorten en hun natuurlijke habitat (1979), kan de
en te enthousiasmeren over het belang van landschappen.
Europese Landschapsconventie beschouwd worden als de
CD
ö
•»—i
PQ
belangrijkste katalysator van het landschapsbeleid in de betrok-
Voor de huidige editie ging het agentschap Onroerend Erfgoed
ken lidstaten. De inwerkingtreding van de conventie had en
op zoek naar geschikte kandidaten om uiteindelijk één winnaar
heeft dan ook tot op de dag van vandaag ongetwijfeld een
voor te dragen als Belgische laureaat. Een deelname aan een
grote impact op het Vlaamse landschapsbeleid. Onder impuls
dergelijke Europese wedstrijd, brengt Vlaanderen immers weer
van de Landschapsconventie werden in Vlaanderen diverse
een stap dichter bij de implementatie van de Landschapscon-
maatregelen, gericht op de algemene landschapszorg, succes-
ventie en de vergroting van de bewustwording en het draagvlak
vol uitgewerkt. In het licht van de conventie is het belangrijk
voor landschapszorg.
dat de zorg voor landschappen en doelgerichte acties op het terrein niet langer de verantwoordelijkheid zijn van een beperk-
Een negenkoppige jury, samengesteld uit experten op het ge-
te groep, maar dat het een taak wordt van de volledige samen-
bied van landschapszorg, beoordeelde de kandidaten volgens
leving. Daarom worden de lidstaten aangespoord acties te
vier hoofdcriteria. Ten eerste moest het winnende project zicht-
ondernemen zowel op lokaal, regionaal als (Inter)natlonaal
baar blijk geven van duurzame territoriale ontwikkeling.
niveau. Inspraak van de burger in landschapsbeheer en -plan-
Milieukundige, soclo-economlsche, culturele en esthetische
ning is een must. Wie weet Immers beter hoe de vork in de
kwaliteiten vormden hierbij een belangrijke troef. Ten tweede
steel zit dan de directe omwonenden of bewoners van een
moest het project, zowel qua opzet als qua uitvoering, een
landschap? Een bottom-up gerichte aanpak creëert bovendien
voorbeeldfunctie hebben en Inspirerend zijn voor anderen.
een sterk gevoel van betrokkenheid, identificatie en (mede)
Ten derde woog ook het belang van publieksparticipatie door.
verantwoordelijkheid, wat op termijn ook de duurzaamheid
Een project waarbij het publiek (vb. bezoekers en omwonen-
van het landschapsbeleid ten goede komt.
den) op een actieve en consequente manier betrokken wordt, was eveneens grote kanshebber. Ten vierde ging de jury op
Europese Landschapsprijs
zoek naar een project dat hoog scoort op het vlak van sensibiliseren over de waarde van landschappen, hun rol en evolutie.
Om bewustzijn onder de burgers te creëren en sector- en grensoverschrijdende samenwerking met betrekking tot land-
De kandidaten
schappen te stimuleren, richtte de Raad van Europa In 2008 de Europese Landschapsprijs op. Deze prijs, die kadert binnen de
Zes Vlaamse projecten dienden hun kandidatuur in en werden
Europese Landschapsconventie, Is een eervolle erkenning voor
beoordeeld door de jury.
verenigingen, groeperingen, partnerschappen, lokale of regionale overheden die een beleid of maatregelen in de praktijk
De eerste kandidaat bevindt zich op het kruispunt van de pro-
hebben omgezet met het oog op de bescherming, het beheer,
vincies Antwerpen, Limburg en Vlaams-Brabant. In het groene
de ontwikkeling en/of de inrichting van landschappen. Om de
hart van het projectgebied de Merode situeert zich het presti-
twee jaar reikt de Raad van Europa de Landschapsprijs uit.
gieuze natuurgebied Averbode Bos & Heide, al eeuwenlang
Ruim een jaar vóór deze uitreiking krijgen de deelnemende
beroemd om haar heides, dennenbossen en ontelbare vennen.
lidstaten de tijd op zoek te gaan naar een nationale laureaat
Tot de officiële overname door de Vlaamse overheid in 2004,
die het land zal vertegenwoordigen op Europees niveau.
waren de 1500 ha bossen en landerijen eigendom van de fami-
In België gebeurt de organisatie van deze nationale preselectie
lie de Merode. vzw Natuurpunt Beheer startte met de Vlaamse
via een vastgelegde beurtrol tussen de gewesten. Tijdens de
Landmaatschappij en het agentschap voor Natuur en Bos een
vorige editie (2010-2011) namen onze collega's van het Waals
speerpuntproject dat de waarden van het natuurlijk en land-
gewest de organisatie voor hun rekening. In 2014 zijn onze
schappelijk erfgoed koestert. Verschillende initiatieven werden
Brusselse collega's aan de beurt.
genomen om het landschap als één geheel te bewaren, behe-
Intussen is de Europese Landschapsprijs al aan zijn derde edi-
tingsplan kreeg bosvorming opnieuw een kans, werden het
ren en ontwikkelen. Dankzij een sterk landschapsherinrich-
tie toe. De eerste editie, waaraan België niet deelnam, werd in
historische vencomplex en de dreven hersteld en werd een
2009 gewonnen door het project Pare de la Deuk in Lille,
aangename wandelinfrastructuur aangelegd. Het ecologisch
Frankrijk. De Belgische laureaat van 2010 was het project Route
verantwoorde beheer Is o.a. zichtbaar in de begrazlng van de
paysagère réalisée par Ie Pare naturel des Plaines de l'Eseaut.
open zones door een kudde van 250 schapen. De jury wist de
Het was echter het Italiaanse project Landscape Maehine in
verwezenlijkingen en doelgerichte aanpak in Averbode zeer
Carbonia dat toen de Europese erkenning in de wacht sleepte.
sterk te appreciëren. Het project verdient een speciale vermel-
De winnaars werden door de Raad van Europa verkozen omdat
ding voor de ingrijpende, maar succesvolle omzetting van een
ze alledaagse en gedegradeerde landschappen wisten op te
gesloten privé-eigendom zonder maatschappelijk draagvlak,
waarderen door materiële acties (zoals restauraties) en speci-
naar een toegankelijk, open domein. De jury looft de manier
fieke beheersinstrumenten te implementeren. Bovendien slaag-
waarop de concrete acties op het terrein zodanig werden ge-
Averbode (foto K. Vandevorst) communiceerd aan omwonenden, dat er een gevoel van be-
kan het voor vele andere projecten een goede bron van inspira-
trokkenheid en verantwoordelijkheid is ontstaan. Het draagvlak
tie zijn. Door alle geleverde inspanningen is Bosland vandaag
is er duidelijk zichtbaar door de inzet van talrijke vrijwilligers.
op een kwalitatieve manier ontsloten voor wandelaars, fietsers,
Het tweede project brengt ons naar het noordwesten van de
echter de kinderen. Bosland zet zich dan ook sterk in om het
provincie Limburg. In het centrale kerngebied zorgt het samen-
meest kindvriendelijke bos van Vlaanderen te worden.
ruiters en mountainbikers. Hét doelpubliek van Bosland zijn
werkingsproject Bosland er sinds 2006 voor een duurzame relatie tussen het natuurlandschap en de samenleving.
De derde kandidaat situeert zich in de Oost-Vlaamse Dender-
De zes officiële partners - het agentschap voor Natuur en Bos,
streek. De gemeente Herzele kandideerde met het project
de gemeente Hechtel-Eksel, de stad Lommei, de gemeente
Herzele Habitat, wat eigenlijk een bundeling is van vier uiteen-
Overpelt, de vzw Regionaal Landschap Lage Kempen en de
lopende initiatieven. Zo werkt de vzw Natuurpunt Herzele aan
vzw Toerisme Limburg - worden in hun doelstelling onder-
het beheer en de beleving van het landschap, realiseerde het
steund door enthousiaste vrijwilligers. Betrokkenheid en
Platform Trage Wegen een 'tragewegenplan', zette de bevolking
inspraak van omwonenden, stond van bij het begin centraal
zich in voor de bescherming van de steenuil en organiseert de
in het project Bosland. Zo werd zelfs het Boslandparlement
vzw Arpia een kunstproject dat landschap en kunst verenigt.
opgericht, een initiatief dat door de jury heel erg werd ge-
Het gemeentebestuur van Herzele staat dan weer in voor een
smaakt. De opzet is alvast geïntegreerd, origineel en veelbelo-
vlotte coördinatie. De jury wenste de gemeente Herzele te
vend. Mocht het initiatiefin de toekomst duurzaam blijken.
feliciteren voor hun bottom-up gerichte aanpak die een grote
Bosland (foto K. Vandevorst)
Herzele Habitat (foto K. Vandevorst)
wmmmmmammmmÊmm
Vallei van de Oude Kale (foto K. Vandevorst)
De landloperkolonies van Wortel en Merksplas (foto K. Vandevorst)
de weinige waterlopen in de provincie die niet is rechtgetrokken en zijn typische meanderende loop wist te behouden. De vallei van de oude rivier heeft een hoge belevingswaarde omwille van haar veelheid aan landschapselementen en cultuurhistorisch waardevol erfgoed. In 2002 werd een landschapsinrichtingsplan goedgekeurd; het startschot voor de partners om van de vallei een uniek stukje landschapsbeleving te maken. Dit gebeurde door de aanleg van natuurpercelen, ecologische oeverzones en mooie wandel- en fietsroutes. Het project dat aanvankelijk waterwinning als hoofddoel had, werd een integraal verhaal, vérstrekkend en conserverend voor de landschappelijke kwaliteiten. De jury stelde de duidelijk uitgewerkte visie rond duurzaamheid sterk op prijs, in het bijzonder het belang van een duurzame waterwinning. Het gebied dat voorheen allesbehalve toegankelijk was, kan nu worden beleefd door het grote publiek: een grote meerwaarde voor de omgeving.
Nationaal Park Hoge Kempen (foto K. Vandevorst) Ook het eerste nationaal park van België stelde zich kandidaat. lokale gedragenheid creëert. Ook de kruisbestuiving tussen
In de kern van de Hoge Kempen werd in 2006 een 6000 ha
landschap en kunst en de samenwerking met Individuele eige-
groot gebied afgebakend en gedoopt als het Nationaal Park
naars werd door de juryleden enthousiast onthaald. Dit klein-
Hoge Kempen. Het gebied staat bekend omwille van de uit-
schalig project bewijst dat het deelnemend cultuurlandschap
zonderlijke combinatie tussen rurale en industriële landschap-
niet volledig afgebakend moet zijn van een woongebied, maar
selementen. De combinatie is zo uniek dat het Nationaal Park
even goed de alledaagse leefwereld van mensen kan zijn.
Hoge Kempen wordt voorgedragen voor een erkenning als
Bovendien toont de gemeente Herzele dat er niet steeds grote
UNESCO werelderfgoed. Het agentschap voor Natuur en Bos,
financiële, administratieve of andere middelen nodig zijn om
de provincie Limburg en de twaalf betrokken gemeenten zetten
aandacht te ontwikkelen voor het landschap. Met een stevige
hun schouders onder het project dat de optimale ontsluiting
brok welgemeend engagement en samenwerking tussen inwo-
en beheer van het gebied voor ogen heeft. Het gebied werd in
ners en bestuur, heeft men in Herzele al mooie dingen verwe-
eerste instantie afgebakend. Voor storende elementen zoals
zenlijkt.
een bestaande brug over de E314 werden gepaste oplossingen gezocht. Er wordt een ambitieus natuur- en landschapsherstel-
Het landschapsinrichtingproject Vallei van de Oude Kale was
plan uitgevoerd en ook het aanwezige erfgoed krijgt de aan-
de vierde kandidaat. Op het grondgebied van de gemeenten
dacht die het verdient. Het park werd optimaal toegankelijk
Nevele, Lovendegem en de stad Cent Is een waardevolle vallei
gemaakt voor toeristen en omwonenden die via tal van educa-
van de rivier de Oude Kale gelegen. De Oude Kale is een van
tieve initiatieven gesensibiliseerd en betrokken worden. De jury
ai
ö (D
ö ö
• I—1
ii
Bekendmaking van de Vlaamse laureaat. Nationaal Park Hoge Kempen, die voor België zal meedingen naar de Europese landschapsprijs (foto K. Vandevorst) loofde de inspanningen van alle partners om de landschaps-
De Belgische laureaat
zorg op een interdisciplinaire en intersectorale manier te benaderen. Het Nationaal Park Hoge Kempen betrekt veel verschil-
Op 29 november maakte minister Geert Bourgeois, in zijn
lende actoren, waardoor de uitstraling van het park zo opti-
hoedanigheid van Vlaams ministervan Onroerend Erfgoed, de
maal mogelijk overvloeit op de bredere omgeving. Deze aan-
winnaar bekend van de nationale preselectie. De prijsuitreiking
pak komt ook de duurzaamheid en gedragenheid van het pro-
vond plaats in het kasteel van Bouchout in de Nationale Plan-
ject ten goede.
tentuin. Omwille van haar erkenning als hét expertisecentrum
De landloperkolonies van Wortel en Merksplas dienden ook
ciële bescherming als historisch parklandschap en haar sterke,
hun kandidatuur in. In het noorden van Antwerpen werden
historisch gefundeerde banden met de onroerend erfgoedzorg,
op vlak van onderzoek naar en behoud van planten, haar offi-
landlopers en arme gezinnen tot 1993, al dan niet vrijwillig,
bleek de Nationale Plantentuin een uitstekende locatie voor
ondergebracht in de zogenaamde kolonies om er via arbeid en
deze gelegenheid.
een vaste woonst hun plaats in de maatschappij terug te vinden, vzw Kempens Landschap stelt in samenwerking met de
Ondanks de waardevolle inspanningen en landschappelijke
lokale gemeenschap alles in het werk om de voormalige land-
verdiensten van alle zes de projecten, slaagde de jury er toch in
loperkolonies te behouden, beschermen, ontwikkelen en ont-
een verantwoorde en goed onderbouwde keuze te maken en
sluiten. De inspanningen werpen hun vruchten af, want samen
een winnaar aan te duiden. Het Nationaal Park Hoge Kempen
met de Nederlandse kolonies wordt een erkenning als
zal België in 2013 vertegenwoordigen in de wedstrijd voor de
UNESCO werelderfgoed voorbereid. De jury had lovende woor-
Europese Landschapsprijs. Dit project wist volgens de jury af
den voor dit project. Het karakter en het verhaal van de kolo-
te stappen van het traditioneel beschermingsmodel van land-
nies is uniek en wordt ondersteund door een goede visie.
schappen - waarbij het landschap op een bepaald moment
De jury waardeerde de manier waarop het project op zoek gaat
als het ware 'bevroren' wordt en niet verder evolueert - en de
naar een evenwicht tussen ecologische, economische en socia-
nadruk te leggen op de beleving en de dagelijkse meerwaarde
le belangen. Vooral het ombuigen van een negatieve perceptie
van het landschap. Binnen het park werden storende elemen-
van de gemeenschap over de kolonies tot een zekere fierheid,
ten niet zomaar weggeveegd, maar werd een passende oplos-
vond de jury een belangrijke verwezenlijking. Het leidde tot de
sing gezocht om de elementen te integreren. Het Nationaal
vergroting van het lokale draagvlak.
Park Hoge Kempen zoekt een goed evenwicht tussen bescher-
ö Ö Ö Ö •i-H
PQ 12
ming, beheer en inrichting en gaat op een doordachte en ge-
ren. Sinds dit jaar valt de dagelijkse werking van Open Monu-
paste manier om met een Vlaamse realiteit waarbij het beheer
mentendag Vlaanderen onder de vleugels van Herita.
van waardevolle landschappen niet los kan worden gezien van
De Europese coördinatie gebeurde achtereenvolgens door
de wijdere, sterk verstedelijkte omgeving. Door haar duur-
de Stichting Open Monumentendag in Nederland (1991),
zame, milieukundige, socio-economische, culturele en estheti-
de Koning Boudewijnstichting (1993), het Centra Nacional de
sche kwaliteiten is het Nationaal Park Hoge Kempen het ver-
Cultura in Lissabon (2001-2005)
haal van een geslaagde landschappelijke herwaardering.
Haag (2006). Sinds 2008 heeft de Raad van Europa de coördi-
en
Europa Nostra in Den
natie in handen. In 2012 organiseerden vijftig landen een Open Vervolgtraject
Monumentendag. We mogen gerust stellen dat Open Monumentendag zelf is
Vóór 25 januari 2013 zal het Nationaal Park Hoge Kempen, in
uitgegroeid tot een publiek monument dat gedragen wordt
nauwe samenwerking met het agentschap Onroerend Erfgoed,
door vele vrijwillige handen en erfgoedzorgers.
haar definitieve kandidatuur indienen bij de Raad van Europa. Na de jurering op Europees niveau, maakt de Raad van Europa
Het succesverhaal In Vlaanderen
officieel de winnaar bekend van de Europese Landschapsprijs op 20 oktober 2013.
De eerste Open Monumentendag in Vlaanderen vond plaats in 1989. Aanvankelijk werden de deuren van de monumenten gewoon opengezet, maar de belangstelling en nood aan duiding bij de opengestelde monumenten werd jaar na jaar groter.
Tanya Van Hecke
Daarom werd vanaf 1992 met een jaarthema gewerkt. De enorme opkomst, van circa 250.000 bezoekers het eerste jaar tot bijna 600.000 deelnemers in 1991, was een duidelijk signaal
OPEN MONUMENTENDAG FEEST 25STE EDITIE HAALT ALLES UIT DE KAST
voor de overheden dat erfgoed een prominente plaats op de politieke agenda verdiende. Vanaf de jaren 1990 werd werk gemaakt van een echt monumentenbeleid. Op Vlaams niveau
Een kwarteeuw geleden organiseerde Frankrijk als eerste een
werden meerdere monumenten beschermd en er kwamen
Open Monumentendag. Het concept om de drempel naar
budgetten vrij voor onderhouds- en restauratiepremies.
erfschoon te verlagen sloeg in verschillende Europese landen
Vaak gaf Open Monumentendag ook de impuls voor een lokaal
in als een bom. Ook bij ons, want in Vlaanderen groeide Open
erfgoedbeleid. Een ander positief effect was dat monumenten-
Monumentendag uit tot hét grootste culturele eendagsevene-
eigenaars zich na de openstelling tijdens Open Monumenten-
ment, iets dat we op zondag 8 september 2013, wanneer Open
dag meer bewust werden van de waarde van hun eigendom en
Monumentendag 25 wordt, uitgebreid zullen vieren.
er zich ook echt om gingen bekommeren.
Open Monumentendag: een monument op zich
ln het zog van Open Monumentendag ontstonden de afgelo-
Het concept van een Open Monumentendag ontstond in Euro-
gen bij tot een verruimd erfgoedbegrip. Het thema arbeid
pen jaren een aantal concrete projecten. De jaarthema's droepese context. In 1984 organiseerde Frankrijk de eerste Open
(1997) plaatste het industriële erfgoed op de voorgrond en het
Monumentendag. Mét succes, want een jaar later werd op
thema natuur (2004) toonde dat ook landschappen een
de Europese ministerconferentie over cultureel erfgoed in
belangrijk onderdeel van het onroerend patrimonium zijn.
Granada een resolutie goedgekeurd die de bevolking moest
Het thema van 2008 (de 20s,e eeuw) speelde dan weer in op
sensibiliseren voor het onroerend erfgoed. De resolutie spoor-
het debat over de monumentenzorg van de moderne architec-
de eigenaars aan om hun gebouwen open te stellen voor het
tuur. Kan een monument ook jonger dan honderd jaar zijn?
publiek en stimuleerde openbare besturen, partners uit de privésectoren en het verenigingsleven om gezamenlijk actie te
De realisaties van Open Monumentendag van de afgelopen
ondernemen.
kwarteeuw kan je in een aantal kernwoorden samenvatten:
Er volgde een platform om het initiatief op Europees niveau te
het publiek en de overheid warm maken, een breed draagvlak
ondersteunen en in 1991 werden de European Heritage Days
voor erfgoed creëren en concrete maatregelen realiseren, zoals
(EHD) door de Raad van Europa officieel geïnstalleerd.
de invoering van de onderhoudspremie, het stijgend aantal
Naar het goede voorbeeld van Frankrijk had een aantal landen
beschermingen en de redding van heel wat acuut bedreigde
al vóór 1991 een Open Monumentendag georganiseerd:
monumenten.
Nederland in 1987 en België, Luxemburg, Malta, Groot-Brittannië (Schotland) en Zweden in 1989. In België werd de organisa-
Herita en Open Monumentendag
tie van Open Monumentendag tot 1999 aangestuurd door de Koning Boudewijnstichting. In het najaar van 1999 verhuisde
Sinds dit jaar wordt de dagelijkse werking van de Vlaamse
dit naar Stichting Vlaams Erfgoed, het latere Erfgoed Vlaande-
Open Monumentendag verzorgd door Herita. Deze nieuwe
erfgoedorganisatie knipoogt met haar naam naar het interna-
Danielle De Vooght en Tijl Vereenooghe
tionale woord 'heritage' en wil iedereen die iets met erfgoed
J-H
heeft samenbrengen en ondersteunen. Herita is een krachtenbundeling van Erfgoed Vlaanderen, het Forum voor Erfgoedverenigingen en het Coördinatiecentrum Open Monumentendag
OPRICHTING ETWIE, EXPERTISECENRUM VOOR INDUSTRIEEL ERFGOED
QJ
Vlaanderen. Tijdens een ontmoetingsdag op 1 december 2012 stelde ETWIE Herita is een aanspreekpunt voor lokale organisatoren tijdens
vzw zich voor het eerst aan het grote publiek voor. ETWIE is de
de voorbereidingen van Open Monumentendag. Met de coör-
afkorting van 'Expertisecentrum voor Technisch, Wetenschap-
dinatie van dit grootse evenement voor het erfgoed vervult
pelijk en Industrieel Erfgoed'. De organisatie werd recent
Herita een belangrijke doelstelling: zoveel mogelijk mensen
erkend binnen het Cultureel-Erfgoeddecreet, en zal zich dus
warm maken en motiveren voor hun erfgoed - van het bouw-
focussen op het roerend en immaterieel erfgoed.
kundig, landschappelijk en archeologisch patrimonium tot varend, rijdend, rollend en vliegend erfgoed. Dit kan Herita niet verwezenlijken zonder de hulp van de lokale organisatoren in de Vlaamse steden en gemeenten. Zij vormen al 24 jaar de spil van het succes van Open Monumentendag, leder jaar opnieuw slaan ze samen met het Vlaams Gewest en de provincies de handen in elkaar om het publiek te laten kennismaken met het lokaal erfgoed en vergroten zo het draagvlak.
ETWIE Expertisecentrum voor Technisch, Wetenschappelijk en Industrieel Erfgoed
25 jaar = feest!
Met het Cultureel-Erfgoeddecreet lanceerde de Vlaamse over-
Open Monumentendag heeft alle reden om van haar zilveren
expertisecentra voor cultureel erfgoed. De voorbije jaren waren
verjaardag een echt feest te maken. Want het spreekt al een
zo bijvoorbeeld al expertisecentra actief op het vlak van agra-
kwarteeuw lang over heel Vlaanderen en met dezelfde formule
risch erfgoed (CAG) en religieus erfgoed (CRKC).
heid in 2008 een nieuw instrument, met name de landelijke
een groot publiek aan, krijgt volop media-aandacht en overtuigt mensen en overheden van het belang en de kracht van
Samen met het MOT in Grimbergen en het MIAT in Gent nam
ons onroerend erfgoed. Tijdens de 25'" editie van Open Monu-
SIWE al enkele jaren geleden het initiatief voor de oprichting
mentendag staat het allerbeste van het onroerend erfgoed
van een nieuw platform. Met de medewerking van een denk-
centraal. De zorg voor erfgoed, exclusief opengestelde monu-
tank van experts uit het brede erfgoedveld en met de onder-
menten, het toperfgoed van een gemeente, speciale feestac-
steuning van FARO, het Vlaams steunpunt voor cultureel erf-
ties... op zondag 8 september 2013 kan het grote publiek het
goed, werd in 2010 de vzw ETWIE opgericht. Een beleidsplan
allemaal gratis ontdekken! Wie benieuwd is naar élle monu-
leidde vorig jaar tot de officiële erkenning door en de beheers-
menten die de afgelopen kwarteeuw deelnamen aan de Open
overeenkomst met de Vlaamse overheid. Er werd een jaarlijkse
Monumentendag in Vlaanderen kan terecht in de Grote Inven-
subsidie van 190.000 euro toegekend aan ETWIE voor de be-
taris op de website. Kleine en grote, jonge en al wat oudere
leidsperiode 2012-2016.
gebouwen en landschappen, archeologische sites en mobiel erfgoed, allemaal krijgen ze hier de aandacht die ze verdienen.
ETWIE wil zich de komende jaren ontplooien tot het expertise-
De Grote Inventaris is een interactief instrument: via Facebook
centrum voor Vlaanderen en Brussel voor het technisch,
kan de bezoeker met anderen delen waarom hij of zij nu net
wetenschappelijk en industrieel erfgoed. Ongeacht de periode,
dat monument koestert, wil bewaren voor de toekomst of wel-
komen volgende aspecten hierbij aan bod:
ke mooie herinneringen het oproept... - roerend erfgoed, zoals instrumenten, gereedschappen, toestellen, machines, automaten en de complexe gehelen die ze eventueel samenstellen; - immaterieel erfgoed met alle schriftelijke, mondelinge en Meer weten over 25 jaar Open Monumentendag en de
audiovisuele bronnen, gebruiken, kennis, technieken en alle
Grote Inventaris?
ruimtelijke en historische contexten die hiermee verband
www.openmonumenten.be Ontdek ook Herita, de organisatie die Open Monumen-
ö
houden; - alle roerende en immateriële aspecten van onroerend erfgoed.
tendag coördineert: www.herita.be Het onroerend erfgoed behoort niet tot het terrein van de expertisecentra, maar de raakvlakken zijn op het terrein legio. Niet alleen ervaart de erfgoedgemeenschap de getrokken gren-
ö PQ 13
zen als erg arbitrair. Ook het verband tussen bijvoorbeeld de
geen plan van aanpak om met dit diverse erfgoed om te gaan
werkplaats, het fabrieksgebouw of het labo en zijn oorspronke-
waardoor het na de mijnsluitingen verspreid raakte in versnip-
lijke machine- of instrumentenpark en uitrusting, wordt vaak
perde, vaak private collecties. Pas de laatste jaren kregen deze
als onlosmakelijk gezien. Toch focust men nog vaak vooral op
aspecten ook de verdiende aandacht (1).
de gebouwen. Terwijl de sloop van historisch waardevolle in-
ö ö • 1—1
pq 14
dustriële complexen steevast protest uitlokt bij erfgoedvereni-
ETWIE wil in deze context in de eerste plaats een dienstverle-
gingen, gaat er veel minder aandacht naar het lot van interes-
nende en kennisdelende centrale netwerkorganisatie zijn, een
sante bedrijfsarchieven, machines, instrumenten... laat staan
organisatie die de erfgoedgemeenschap samenbrengt, acti-
naar de menselijke kennis achter bepaalde vaardigheden en
veert, begeleidt en stimuleert. De opdracht van ETWIE is geba-
technieken. Nochtans bezitten ook veel van deze elementen
seerd op drie grote pijlers.
onmiskenbaar een belangrijke erfgoedwaarde. De eerste van die pijlers is 'netwerking'. ETWIE wil het netwerk Ook beleidsmatig was er de voorbije decennia in de eerste
van mensen en organisaties die met erfgoed bezig zijn, uitbou-
plaats aandacht voor de onroerende aspecten. Voor het Lim-
wen en verstevigen. Binnen deze erfgoedgemeenschap zijn
burgse mijnpatrimonium werd bijvoorbeeld al begin jaren 1990
verschillende types actoren te onderscheiden. Naast professio-
een duidelijke keuze gemaakt welke gebouwen te behouden dan
nele en academische spelers, is de rol van de lokale erfgoed-
wel te slopen. Ondertussen is de herbestemming van een aantal
zorgers en vrijwilligers niet te onderschatten, zowel voor het
mijnsites bijna afgerond, bijvoorbeeld met C-Mine in Genk,
onderzoek, als voor het behoud en beheer, en de publiekswer-
terwijl andere volop in ontwikkeling zijn. Terwijl het onroerend
king rond het technisch, wetenschappelijk en industrieel erf-
patrimonium dus snel de nodige beleidsaandacht kreeg, lag dit
goed. De eerste opdracht is bijgevolg dit netwerk in kaart bren-
voor het roerend mijnerfgoed duidelijk anders. Jarenlang was er
gen en zoveel mogelijk mensen, verenigingen en instellingen
Museale opstelling in de ringoven van de voormalige steenbakkerij 'Gebroeders Lauwers' in Noeveren, Boom (foto T. Vereenooghe)
te overtuigen van de zin van deelname daaraan. Hierbij wordt
mondelinge getuigenissen in de waardevolle industriële site
ook de link gelegd met internationale netwerken op diezelfde
was een van de belangrijkste uitdagingen van het project (2).
cd
terreinen. Om dit alles zo goed mogelijk te ondersteunen, zal een platform ontwikkeld worden dat een vlotte onderlinge
Misschien belangrijker nog dan de kennis, zijn de vaardighe-
communicatie mogelijk maakt en waarop de bestaande Vlaam-
den om deze technieken te beoefenen. Goed kunnen kasseileg-
se en internationale expertise ook op een duurzame wijze
gen of een complex toestel hanteren, is immers meestal het
breed toegankelijk wordt én blijft. Al te vaak gaat die waarde-
resultaat van een jarenlang opgebouwde praktische expertise.
volle expertise immers verloren of bereikt ze niet de mensen
Een kennis die in de vingers zit en die je niet gewoon kan
die er interesse voor, of zelfs nood aan, hebben.
overnemen uit een handleiding, voor zover die (nog) bestaat. Precies op die vaardigheden wil ETWIE ook sterk inzetten, met
De tweede pijler is 'makelaardij', een term die binnen het cul-
de ontwikkeling van een expertisedatabank om bedreigde en
tureel-erfgoedveld de laatste jaren meer en meer ingang vindt.
verdwenen expertise te signaleren. In een volgend stadium
De term verwijst naar organisaties die ernaar streven om brug-
wordt geprobeerd om de expertises veilig te stellen en breder
gen te bouwen, ontmoetingen mogelijk te maken en verbindin-
te verspreiden.
gen te leggen tussen allerlei betrokkenen, steeds met de bedoeling om het erfgoed nieuwe betekenissen te geven en net-
Sinds september 2012 wordt de werking van ETWIE uitge-
werken rond erfgoed mogelijk te maken of zelfs te creëren.
bouwd door coördinatoren Danielle De Vooght en Tijl Vereen-
Vanuit de bruggenbouwersrol, die typerend is voor het instru-
ooghe. De druk bijgewoonde studiedag op i december, met als
ment van de erfgoedexpertisecentra, wil ETWIE de sector
thema 'Kennis delen', toonde alvast aan dat er in de sector een
ondersteunen op een zodanige manier dat er meer resultaat
grote interesse bestaat voor de werking van het nieuwe experti-
behaald wordt met dezelfde inspanningen en dat er meer kan-
secentrum. Intussen vond ook al een eerste overleg plaats
sen gecreëerd worden. Dit kan bijvoorbeeld via de ondersteu-
tussen de medewerkers van ETWIE en de cel industrieel erf-
ning van projecten die individuele organisaties moeilijk alleen
goed van het agentschap Onroerend Erfgoed. Aangezien het
van de grond krijgen, of door op zoek te gaan naar de gedeelde
onmogelijk is om de onroerende en de roerende/immateriële
ondersteuningsnoden die leven in de sector.
aspecten van technisch, wetenschappelijk en industrieel erf-
Daarnaast wil ETWIE het technisch, wetenschappelijk en
de toekomst structureel overleg te plegen met belangrijke
goed volledig los van elkaar te zien, is het de bedoeling om in
industrieel erfgoed beter zichtbaar maken en het draagvlak
spelers uit het onroerend erfgoed, zoals het agentschap
ervoor vergroten. Voor sommige aspecten bestaat zeker al een
Onroerend Erfgoed en Herita.
groot draagvlak, denken we maar aan de overwinning van de stoomstroopfabriek in Borgloon in het tv-programma Monumententenstrijd, maar lang niet alle facetten van dit brede erfgoedterrein zijn door het publiek voldoende gekend.
Meer informatie over ETWIE vindt u via www.etwie.be
ETWIE richt zich, naast het grote publiek, echter ook op onderwijs- en onderzoeksinstellingen, en zal relevant onderzoek stimuleren, onder meer door het promoten van stages en het aanbrengen van interessante onderwerpen voor papers en eindwerken. Er liggen ook tal van kansen om andere sectoren, zoals toeristische en socioculturele organisaties, sterker te betrekken en ten slotte hoopt men het erfgoed ook meer aan bod te laten komen in de media.
De derde pijler is de 'immateriële expertise' over het technisch, wetenschappelijk en industrieel erfgoed. Sinds de UNESCOConventie (2003) en de visienota van minister Joke Schauvliege (2010) is er binnen erfgoedinstellingen meer aandacht voor de noodzaak om erfgoed niet te beperken tot de (on) roerende aspecten, maar om ook de verhalen, tradities en kennis een plaats te geven binnen het erfgoedverhaal. Het recente erfgoedproject 'Schitterend Geslepen' vormt een mooie illustratie van het samengaan van onroerend en immaterieel erfgoed. In het project werd onder meer onderzocht welke rol de beschermde diamantslijperij Lieckens in Nijlen kon spelen bij de valorisatie van het (immateriële) erfgoed rond de diamantbewerking in de Kempen. De integratie van
Eindnoten (1) REULENSK., ROELS L. en WESSELS N., Collectiebeheer en erfgoedzorg in de Mijnstreek. De problematiek van bedreigde collecties mijnetfgoed, in Faro, tijdschrift over cultureel erfgoed, jg. 5. nr. 4, 2012. p. 48-53. (2) jANSSENS J.. 'Schitterend geslepen'. Of de impact van diamant in de Kempen (onuitg. eindrapport van het haalbaarheidsonderzoek in functie van de inventarisatie, registratie en ontsluiting van het (immateriële) erfgoedrond de diamantbewerking in de Kempen.), 2007.
CU
ö • I—I
PQ 15
I deliberately disregarded the right angle and rationalist architecture designed with ruler and square to boldly enter the world of curves and straight lines offered by reinforced concrete... This deliberate protest arose from the environment in which I lived, with its white beaches, its huge mountains, its old baroque churches, and the beautiful suntanned women.
Ik heb met opzet de rechte hoek en de rationalistische architectuur, ontworpen met liniaal en winkelhaak, buiten beschouwing gelaten om moedig de wereld van curves en strakke lijnen, voortgebracht door gewapend beton, binnen te gaan... Dit bewuste protest is ontstaan vanuit de omgeving waarin ik woonde: de witte stranden, de enorme bergen, de oude barokke kerken en de mooie zongebruinde vrouwen. Oscar Niemeyer in NIEMEYER O., The curves of Time: The Memoirs of Oscar Niemeyer, New York, 2007, p.62
De Grote Aula van de Leuvense universiteit Joris Snoet en Tom Verbist
Op het binnenplein van het huidige MariaTheresiacollege bevindt zich de Grote Aula, één van de opmerkelijkste historische gebouwen van de Leuvense universiteit. Het bouwwerk werd opgericht in 1825 tijdens de Hollandse Periode en is één van de weinige architecturale getuigen van de korte periode dat de Leuvense universiteit een rijksinstelling was. Het gebouw heeft een monumentaal karakter en werd uitgewerkt in een streng antieke vormentaal. Zowel het exterieur als het interieur hebben hun authentiek karakter goed bewaard. Tijdens een recent ondernomen restauratiecampagne werd het gebouw op historisch verantwoorde wijze gerestaureerd. Tegelijkertijd vonden renovatiewerkzaamheden plaats die het gebouw een modern functioneel karakter gaven conform de hedendaagse normen (1). De Grote Aula van de Katholieke Universiteit van Leuven, exterieur (foto O. Pauwels)
De Rijksuniversiteiten van Gent, Luik en Leuven Kort na de samenvoeging van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden tot een nieuwe staat, sprak koning Willem I (1772-1843) de wens uit om ook in de Zuidelijke Nederlanden een universiteit op te richten. Uiteindelijk werd besloten om er drie in te stellen die zouden fungeren als zuidelijke tegenhangers van de drie universiteiten te Leiden, Utrecht en Groningen. Op 25 september 1816 werd een decreet uitgevaardigd om te Gent, te Luik en te Leuven rijksuniversiteiten op te richten. De universiteit van Luik werd geopend op 25 september 1817 en deze van Gent op 9 oktober 1817. De universiteit van Leuven, die werd geopend op 6 oktober 1817, kwam er pas na een fel debat omdat sommigen de voorkeur aan Brussel hadden gegeven waar zich de Academie bevond. Leuven kon zich evenwel beroepen op een eeuwenoude traditie en in de stad waren nog een groot aantal voorzieningen en gewezen hoogleraren aanwezig. De overheid stond volledig in voor de organisatie en de financiering van deze nieuwe universiteiten en de professoren werden staatsambtenaren. Willem I stelde voor elk van de drie universiteiten een krediet van 60000 gulden beschikbaar. In de nieuwe universiteiten van de Zuidelijke Nederlanden werden telkens vier faculteiten ondergebracht, met name deze van rechten, van geneeskunde, van wiskunde en natuurkunde en van letteren en wijsbegeerte. Het idee om in Leuven een vijfde faculteit van theologie op te richten werd niet doorgevoerd omdat dit maatschappelijk te gevoelig lag en veel tegenkanting dreigde te ondervinden. Aan de universiteiten bleef Latijn de voertaal voor de colleges en voor de officiële aangelegenheden (2).
1V1 L I 33
%7 mm w é-.v ^ ^ ^ ^ ^ ^ 2 * m -^ m^ *Z*^ *.%
>
^
%
^ %
>
fcaBaanannajn
^/k
De uitgekozen steden werden verplicht om de nodige gebouwen te voorzien. De universiteiten van Gent en Luik vonden onderdak in voormalige jezuïetencolleges. In Leuven kreeg de rijksuniversiteit van het stadsbestuur de beschikking over de hallen en een aantal gebouwen van de oude universiteit die gevrijwaard bleven van een openbare verkoop tijdens de Franse bezetting. De universiteitshal bood plaats aan de bibliotheek, vier auditoria, een secretariaat, een vergaderruimte en zelfs een kleine gevangenis. In de hal vond ook de plechtige opening van de universiteit van Leuven plaats, na een receptie op het stadhuis. In het Koningscollege kwamen de instituten voor plantkunde en dierkunde, in het Premonstreitcollege de instituten voor fysica, mechanica en astronomie, in het Veteranencollege (ingericht in een vleugel van het opgeheven jezuïetencollege) het instituut voor scheikunde. Verder werden het Anatomisch amfitheater en het Sint-Elisabethgasthuis, waar ook klinisch onderwijs werd gegeven, ter beschikking gesteld van de universiteit (3). In 1819 liet de universiteit een nieuwe kruidtuin oprichten op het terrein van het voormalige kapucijnenklooster, waarvan de aanschaf gefinancierd werd met een deel van de oprichtingspremie. Voor dit instituut ontwierp Charles vander
Straeten (1771-1834), hofarchitect van de Prins van Oranje, een oranjerie met serres (4). Op 14 juni 1825 besloot Willem I tot de oprichting van een aparte onderwijsinstelling voor de priesteropleiding: het Filosofisch College of Collegium Philosophicum. Dit nieuwe leerinstituut werd toegekend aan de Rijksuniversiteit van Leuven en gehuisvest in het Pauscollege. De stad diende er voor te zorgen dat alle nodige maatregelen daartoe werden genomen terwijl de regering de financiering op zich nam (5). Het nieuwe instituut zou de priesters een meer 'verlichte' opleiding geven en hen onttrekken van het dogmatische karakter van de kleinseminaries, die datzelfde jaar officieel werden afgeschaft. Voortaan verzorgde het college de filosofische opleiding van de theologanten. Elke toekomstige priester moest hier minstens twee jaar les volgen vooraleer hij naar een grootseminarie mocht gaan voor de voltooiing van zijn priesteropleiding. Willem I beschouwde priesters als staatsambtenaren die zich bezig hielden met pastoraal werk en dienden te beschikken over een brede, wereldse kennis (6). Het college bleef zeer autonoom en maakte tot op zekere hoogte niet echt deel uit van de universiteit. Het werd zelfstandig
Algemeen plan van de huidige situatie met aanduiding van het Pauscollege Adrianus VI. het Maria Theresiacollege. het College Veteranorum en de Augustinusvleugel (foto Technische Diensten K U Leuven)
Maria Theresia college
Kleine Aula
Augustinusvleugel
M & L I 35
bestuurd door een regent en beschikte over een vijftal eigen professoren, die voor een aantal vakken werden bijgestaan door professoren van de universiteit. Het collegereglement toont aan dat de leerlingen onderworpen waren aan een streng regime met dagelijkse gebedsstonden en verplichte studies. Bezoekers mochten enkel ontvangen worden in aparte spreekkamers en het was de jongens ten strengste verboden in eikaars kamers te komen. Misstappen waaronder bezoeken aan cafés, biljartlokalen en cabarets of het bezit van slechte boeken of pamfletten werden zwaar bestraft (7). Het Filosofisch College werd weinig gunstig onthaald. Het beantwoordde niet aan de verwachtingen van de katholieke oversten die een faculteit theologie aan de universiteit wensten. Het verplichte karakter van de opleiding werd bovendien aanzien als een illegale inmenging van de overheid in het religieus onderwijs. De weerstand tegen het college groeide snel en in 1829 trachtte Willem I de toestand te redden door de opleiding in het college facultatief te maken. Zijn poging kwam echter te laat en in september 1830 werd het instituut feitelijk opgeheven. Enkele weken later, op 4 oktober 1830, zou het Voorlopig Bewind de onafhankelijkheid van België uitroepen.
Het Pauscollege Het Pauscollege was op het ogenblik dat het Filosofisch College er werd ingericht, het grootste en één van de oudste complexen van de oude universiteit van Leuven. Het college was in 1523 door paus Adrianus VI (1459-1523) gesticht en was
De gevel van het Pauscollege aan het Hogeschoolplein te Leuven (foto Technische Diensten KU Leuven)
36 I A/l L
bestemd voor de huisvesting van theologiestudenten. Het instituut bestond gedurende eeuwen uit een amalgaam van verschillende gebouwen waaronder een patriciërswoning en andere panden, een bibliotheek, een kapel en een rechthoekige bouwvleugel. Op het einde van de i8ic eeuw, tussen 1775 en 1778, werd dit alles afgebroken en verrees een eenvormig classicistisch bouwwerk op een U-vormig grondplan. Het ontwerp was van de hand van de landmeter M. Chenne (1753-1813), de broer van Lambert Ghenne, de president van het college. Tot de heropbouw van het college werd besloten nadat op 13 augustus 1775 een instorting in één van de oude panden het leven had gekost aan een student (8). Kort na deze modernisering kreeg het Pauscollege een nieuwe bestemming die sterk lijkt op deze van het Filosofisch College. Op 16 oktober 1786 had Jozef II besloten om een algemeen seminarie op te richten met de bedoeling dat de overheid een betere greep zou krijgen op de opleiding van de priesters, het zogeheten Seminarie-Generaal (9). Jozef II viseerde hierbij voornamelijk de grootseminaries, die door hem werden afgeschaft. Deze nieuwe instelling werd ondergebracht in het Pauscollege dat vervolgens sterk werd uitgebreid. De hofarchitect Louis Montoyer (1749-1811) gaf het U-vormige Pauscollege een nieuwe vleugel aan de oostzijde en liet aan weerszijden ervan twee nieuwe entiteiten optrekken die beide voorzien waren van een rechthoekige binnenplaats. Tijdens deze werken werden aan de noordzijde de oudere colleges van Baius en van Wickelius geïntegreerd en aan de zuidzijde het Veteranencollege (10). Het hele door Montoyer ontworpen complex telde aldus drie binnenpleinen
Het binnenplein van het Pauscollege te Leuven
De gevels van bet Maria-Theresiacoilege en het
(foto Technische Diensten KU Leuven)
Veteranencollege in de Sint-Michielsstraat te Leuven ffoto Technische Diensten K U Leuven)
Ontwerp voor het Seminarie-Generaal, omstreeks 1786 ( © Brussel Rijksarchief. K&P 539)
1V1 L I
37
Vonckisten die er hun zittingen hielden. Tussen 1801 en 1814, in de Franse tijd, werd in het complex een Hotel des Invalides ondergebracht waar talrijke verminkte Franse soldaten werden opgevangen (12). Nadien werd het een tijdlang als kazerne gebruikt door Pruisische troepen. Na hun vertrek werden in de gebouwen gedurende korte tijd onder meer een casino en een balzaal uitgebaat.
De inrichting van het Pauscollege en de bouw van de Grote Aula
Net als het Filosofisch College van Willem I, was ook het Seminarie-Generaal van Jozef II, het voorwerp van felle kritiek van de katholieken geweest en was het geen lang leven beschoren. Al in 1789 werd het opgeheven. Tijdens het protest tegen het Filosofisch College van Willem I werd overigens expliciet verwezen naar het seminarie van Jozef II (11).
Op 21 juli 1825 stelde de Leuvense gemeenteraad een programma op voor de installatie van het Collegium Philosophicum in het Pauscollege (13). Deze opdracht werd toevertrouwd aan drie bouwmeesters van de stad, met name Martinus Hensmans, Verheyden en Guillielmus Wirix (14). Zij moesten zorgen voor een auditorium van 600 leerlingen met een katheder en halve lessenaars voor de leerlingen, een refectorium voor eenzelfde aantal leerlingen met keuken, en logement voor de regent, de subregenten (of opzichters) en 600 kamers voor de leerlingen alsook de nodige voorzieningen voor de dienstlui. Op 5 augustus 1825 droeg de gemeenteraad Hensmans en Wirix op om de bouw te ondernemen van een nieuw auditorium. Tijdens deze vergadering werd eveneens besloten tot de onmiddellijke schorsing van de werkzaamheden aan een al bestaand auditorium en tot het maken van een inventaris van de hiervoor al aangekochte materialen.
In 1792, tijdens de periode van de Brabantse Omwenteling, werden de gebouwen van dit seminarie-generaal ingenomen door republikeinse
Het Filosofisch College werd ingericht in de gebouwen van het oude Pauscollege en de vleugels om de zuidelijke binnenplaats. De thans verdwenen
Spotprent op het Filosofisch College uitgegeven omstreeks 1825 {© Brussel Prentenkabinet. Caricatures. 1830)
Exterieur van de Grote Aula van de Katholieke Universiteit van Leuven (foto O. Pauwels)
38 IM L
omsloten door vijf onregelmatig aangelegde langwerpige vleugels en besloeg een terrein van ongeveer 140 op 90 meter .
vleugels om de noordelijke binnenplaats van het vroegere Seminarie-Generaal dienden in de Nederlandse tijd vermoedelijk als kazerne. Het bouwprogramma van de bouwmeesters van 24 juni 1826 licht ons in over de functies van de verschillende vleugels. In de voorvleugel van het Pauscollege waren de appartementen van onder meer de regent en de portier, terwijl in de twee zijvleugels net geen 250 kamers bevatten. In de achtervleugel waren de keuken en de provisiekamers in de kelders geïnstalleerd, de refter en een voorlopig auditorium op de begane grond en een ziekenzaal op de eerste verdieping. In de achtervleugel van de zuidelijke binnenplaats waren onderwijslokalen,waaronder een Phisiksch cabinet en een Musiek-zaal, en 160 extra kamers in de zijvleugel. In totaal bood het college ruimte voor 419 kamers voor Kweklingen en Knechte oft Dienstbode. De Grote Aula werd gebouwd tegen de achtervleugel van de zuidelijke binnenplaats en bestaat uit een halfcirkelvormig auditorium met een uitstekende toegangspartij met portiek. Het auditorium heeft een halfrond gewelf met cassetten en een glazen opening die aansluit op een groots, afgeplat segmentboogvormig gewelf boven het sprekersgedeelte. Om de tribune heen, achter de Ionische zuilen, bevindt zich een omgang waarvan de muren geleed worden door pilasters. De portiek heeft vier massief ogende vierkante pijlers en een sober uitgewerkt driehoekig fronton en bevat een trap die leidt naar de omgang in het interieur. Oorspronkelijk was men van plan het interieur af te werken met Dorische zuilen en zonder ornamenten.
Op de gemeenteraad van 24 maart besliste de Stad Leuven dat de Grote Aula uitgewerkt diende te worden zonder rozetten in de cassetten van het gewelf maar beval ze wel de toepassing van een Ionische orde voor het interieur: "Dan daer tegen zijn ons opgeworpen geworden alle de bevoegdheden uit de nieuwe en groote bestemming van het gebouw gegevn af te leiden... te minste de ionische orde voor de kolommen zouden aannemen en de comicheleijsten maken door pleisterwerk die met de orde overeenkomende versiersels zouden verrijken" (15). In een aantal later door Hensmans en Wirix opgestelde verslagen worden niet alleen deze sierelementen maar ook de portiek apart vermeld. Dit lijkt er op te wijzen dat ook dit onderdeel van het gebouw door de Stad Leuven was geëist. Op 25 januari 1827 waren de totale kosten voor de inrichting van het Filosofisch College opgelopen tot 89.463,20 Belgische franken, terwijl de regering een bedrag had voorzien van in totaal 96.418,44 franken. Het verslag vermeldt dat de bouw van de portiek van het auditorium 8918,44 franken had gekost en dat de kosten voor de verziersels in de plegtiscge instelling van het Nieuw collegium Philosophicum 561,11 franken bedroegen.
In de archiefteksten over de inrichting van het Filosofisch College, bewaard in het Stadsarchief, zijn een groot aantal overeenkomsten bewaard van de aannemers en de leveranciers voor de bouw van de Grote Aula (die slechts een onderdeel vormde van het geheel van de werken). De witte en blauwe hardsteen van het auditorium werd geleverd door Michael Ludovicus Vander Hulst die zich verbond "tot het leveren van allen den witten en blauwen steen, met de steenhouwerij, noodig tot allen de werken en voor
De Grote Aula van de Katholieke Universiteit van Leuven (foto O. Pauwels)
M&LI 39
De Grote Aula van de Katholieke Universiteit van Leuven (foto O. Pauwels)
het nieuw op te rechten auditorium met Peristyle,..., daar in begrepen de hand, de rapariage, fatsonneren van rabatsteene en scherpen der steen eizers...". Ook A. Bosnians leverde witte en blauwe steen voor het auditorium volgens plan daer over gemaeckt. Het metselwerk van het "carreel en wit steen, daaronder begrepen leveren en plaatsen des stellingen met alle nootengereedschappen, Reynigen en twymelen van zavel" werd toegewezen aan de meester timmerman en metser Philippus Verheyden. Hij voerde ook timmerwerk uit in hout. Volgens een visitatieverslag van 27 augustus 1825 werden in de opstaande muren verticale eiken balken gestoken: "daer moet op de hoogte van de galderije gelet worden van openingen te laeten in de metselry, voor staenders die de geboutens dragen moeten". De kareelstenen waren geleverd door Coetermans, Decoster, Petrus Devijver uit Korbeek-Lo en Van Asbroek uit Linden. Het overige metsel- en timmerwerk in de verschillende vleugels van het oude college werd opgedeeld tussen zes andere metselaars en vijf timmerlieden, die zich vooral bezig hielden met het optrekken van scheidingsmuren tussen de studentenkamers.
40 I 1VI L
Het dak van het auditorium werd door N. Denie gelegd, waarvoor minstens 75.000 leien nodig waren. Het onderdak werd gemaakt van droog wit berd oftewel een beplanking van wit hout. De slotenmaker Joannes Baptista Neefs leverde het ijzerwerk voor de lantaarn in de koepel. Het pleisterwerk van het interieur werd uitgevoerd door P. Duchaux uit Tienen. De gipsen kapitelen werden geleverd door Madiau uit Brussel, het meubilair door G. Bogaerts en de ramen en deuren door G. Maije. In het college werd ook een centrale verwarmingsinstallatie op stoom geplaatst die ontworpen was door Jean-Baptiste Vifquain (1789-1854). Deze ingenieur was opgeleid aan de Ecole Polytechnique van Parijs en had vanaf 1815 een indrukwekkende reeks projecten gerealiseerd in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden, waaronder de installatie van de gasverlichting in Brussel, de constructie van het kanaal Brussel-Charleroi en de aanleg van verschillende boulevards in Brussel (16). De tussen 1826 en 1827 gerealiseerde verwarmings-
Gedrukt pamflet met plattegrond en doorsneden van het Filosofisch College met aanduiding van de centrale verwarming, omstreeks 1825 [© Stadsarchief Leuven. Modern Archief)
ii 11
i
l l
i/i
•
"
1
1
Een door Jean-Baptiste Vifquain ondertekend grondplan van het Filosofische College in Leuven, met aanduiding van de centrale verwarmingsinstallatie, omstreeks 1825 {© Stadsarchief Leuven, Kaarten en plannen)
installatie van het Pauscollege mag gerekend worden tot de oudst bekende stoomverwarmingsinstallaties van het Europese vasteland (17). De door Vifquain ontworpen installatie bestond uit drie ketels die de stoom met behulp van ijzeren buizen naar de verschillende lokalen leidde. De ketels werden onder-
gebracht in twee nu verdwenen bijgebouwen met grote schoorstenen die opgericht werden aan weerszijden van de oostelijk gelegen vleugel van het Pauscollege. De ketel in het noordelijke bijgebouw voorzag de 90 kamers van de meest noordelijke vleugel van het Pauscollege alsook de helft van het
M & L I 41
oostelijke gevel. Het halfronde deel met zitbanken bevindt zich buiten het eigenlijke volume terwijl het sprekersgedeelte zich nog binnen het volume van de collegevleugel bevindt. Om de neerwaartse druk van de buitenmuur op te vangen werden hier twee verdubbelde, in blauwe hardsteen opgetrokken zuilen opgesteld. In 1827 werd de verwarmingsinstallatie voorzien van een vierde ketel voor dit kleine auditorium.
De Kleine Aula van de Katholieke Universiteit van Leuven (foto O. Pauwels)
refectorium dat was ondergebracht op de begane grond van de oostelijke vleugel van het Pauscollege. De twee ketels in de zuidelijke bijbouw verwarmden de 152 kamers van de middenvleugel, het grote auditorium alsook de ander helft van de eetzaal. Uit een bewaarde kostendeclaratie vernemen we onder meer dat de ijzere voorwerpen en steen afkomstig waren van J. Cockerill et C. van Luik en dat voor de constructie van de schouwen en de vuurovens 176 Duizend Papen steen waren aangewend. De installatie van het geheel had loiyg.ög 1 ' 2 Belgische franken gekost, een som die door de Stad Leuven voorgeschoten was geweest aan de rijksoverheid (18). Tussen 1825 en 1827 werd ook een tweede aula gebouwd, veel kleiner en opgetrokken tegen de
De opslagruimte boven het sprekersgedeelte van de Kleine Aula tijdens de sonderingen naar de vroeg-ic^-eeuwse muurschilderingen (foto K. Vandevorst)
42 I M
L
Doordat het sprekersgedeelte van de kleine aula in het volume van één van de oude vleugels werd ondergebracht, werd het vloerniveau van een grote zaal op de tweede verdieping in deze vleugel aanzienlijk verhoogd. Hierdoor werd de zaal onbruikbaar als auditorium en werd ze uiteindelijk een eenvoudige opslagplaats. Hierdoor bleven de oude pleisterlagen goed bewaard onder een beperkt aantal jongere pleisterlagen. Tijdens een inspectie ontdekte de vertegenwoordigers van Monumentenwacht hier enkele restanten van figuratieve schilderingen. Die werden in het najaar van 2009 uitgebreid onderzocht door een team van het VIOE onder leiding van Marjan Buyle. Er werd een beperkt aantal, strategisch gekozen vrijleggingen uitgevoerd (zie kadertekst). Details van de kledij van een modieus geklede dame verwijzen naar de periode rond 1800, wat zou betekenen dat de schildering werd aangebracht na de opheffing van het Algemeen Seminarie en vóór de installatie van het Filosofisch College in het Pauscollege (19). Na de voltooiing van de bouw ondernamen de bouwmeesters ook de inrichting van de verschillende lokalen van het Filosofisch College. In het dossier
over de inrichting van het college, bewaard in het Stadsarchief, zijn lijsten van de benodigde meubels bewaard. Het appartement van de regent werd comfortabel ingericht met onder meer een commode, een tafel en een ledikant in mahoniehout, tapijten, spiegels en gordijnen, voor een totaal van bijna 6000 frank. De subregenten kregen veel eenvoudiger meubilair ter waarde van ongeveer 350 frank met onder meer een commode, een tafel en een ledikant in kerselaren hout. De studenten of Filosofen dienden zich tevreden te stellen met een inrichting van de kamer ter waarde van 73,50 frank, bestaande uit een schap, een ledikant, een bibliotheek(kast), een tafel en twee stoelen in week hout. Verder werden in elke kamer een matras met stro, enkele lakens en dekens alsook een nachtspiegel voorzien. Op 20 december 1825 stelde de regent van het college een bijkomende lijst op met huisraad en extra meubels die hij als onontbeerlijk voor het college beschouwde. Deze vermeldt onder meer zoutvaten, peperbussen, bierkannen, schorten voor de bedienden, een klokje, een uurwerk voor de binnenplaats alsook een katheder of verheven stoel voor de refter moetende dienen voor de leser gedurende de noen en avond malen. In de lijst worden ook 200 blakers, snutters en domperjes voor elke leerling vermeld. Deze werden als onontbeerlijk beschouwd daar de kweekelingen aan min of meer gevaarlijke middelen kunnen toeslagt nemen, om der zelver koersen te platzen, waardoor er zoude kunnen brand veroorzaakt worden (20).
De universiteitsaula's van Cent en Luik Niet alleen in Leuven maar ook aan de rijksuniversiteiten van Gent en Luik werden ten tijde van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden nieuwe aula's gebouwd. In Gent en Luik werden deze aula's de belangrijkste universiteitsgebouwen, rijkelijker en plechtstatiger uitgewerkt dan deze van Leuven, die in feite slechts toebehoorde aan een bij de universiteit aanleunend instituut. Toch bemerken we hoe de drie aula's een gelijkaardige planopbouw hebben en dat ze uitgewerkt werden in een gelijkaardige sobere antieke vormentaal.
De salie ocadémique van de universiteit van Luik, gebouwd
een halve cirkel, twee galerijen en werd bekroond door een half koepelgewelf met lichtlantaarn en cassetten, die net als de Grote Aula van Leuven geïnspireerd was door het Pantheon in Rome. De muur waartegen het spreekgestoelte stond, werd geleed met pilasters en grote nissen en een monumentale muurschildering. Tussen 1889 en 1892 werden de gebouwen van de universiteit uitgebreid met onder meer een monumentale vleugel aan de voorzijde. Hierbij verdween de portiek en ging het vrijstaande karakter van het bouwwerk verloren.
naar een ontwerp van Jean-Noèl Chevron omstreeks 1821, binnenaanzicht (foto © JL DERU / photo-dayiight.com)
In Gent krijgt de universiteit in 1816 de beschikking over het oude college van de jezuïeten en werden bijkomende huizenblokken door de stad opgekocht.
mm
O)
De aula van de universiteit van
o
Gent, gebouwd tussen 1818 en 1826 naar ontwerp van Louis Roelandt (foto O. Pauwels)
In Luik was de iets oudere academie al vanaf 1811 ondergebracht in het college van de jezuïeten. De openingsplechtigheid van de universiteit op 25 september 1817 vond plaats in de kerk van het college. In 1821 werd beslist om de kerk af te breken om plaats te maken voor een nieuw auditorium of salie académique, waarvan het ontwerp werd toevertrouwd aan de stadsarchitect Jean-Noël Chevron (1790-1867) (21). Chevron ontwierp een groot vrijstaand bouwwerk dat aan de voorkant voorzien werd van een portiek met acht Ionische zuilen. De aula had een grondplan in de vorm van
M LI 43
De plechtige Installatie van de nieuwe Katholieke Universiteit in de Grote Aula op 1 december 1835, postkaart van een thans verdwenen schilderij van L. Matthieu (© Prentenkabinet Brussel, Postkaarten Leuven)
Tussen 1819 en 1826 werd de collegekerk afgebroken en een aula gebouwd naar een ontwerp van de in 1818 tot stadsarchitect benoemde Louis Roelandt (1786-1864) (22). Roelandt gaf de zaal een cirkelvormig grondplan, één enkele galerij en een cirkelvormige koepelbekroning met een lichtopening in de vorm van een oculus. Aan de straatzijde deed hij een monumentale portiek optrekken met acht Korinthische zuilen en een driehoekig fronton. Daartoe recupereerde hij het monumentale tempelfront dat Laurent-Benoit Dewez (1731-1812) had gebouwd voor de infirmerie van de Sint-Pietersabdij. Het langwerpige perceel liet toe om tussen de aula en de portiek een atrium met een galerij en een zaal met een eretrap te installeren. Net als in Luik en Leuven getuigt het bouwwerk van een doorgedreven puurheid in de toepassing van de antieke vormentaal. De aanwending van rijkere materialen, waaronder verschillende soorten natuursteen en marmer, en de rijkere ornamentele afwerking, geven het bouwwerk evenwel een veel plechtstatiger uitzicht dan de twee andere aula's.
De Katholieke Universiteit Leuven Na de oprichting van de Belgische Staat bleven de universiteiten van Luik, Gent en Leuven rijksinstellingen. Als antwoord op deze overmacht van het rijksonderwijs, riepen de Belgische bisschoppen in 1834 een katholieke universiteit in het leven in Mechelen. In 1835 werd deze nieuwe universiteit met steun van het stadbestuur in Leuven geïnstalleerd en
Crondplan van het Pauscollege en het Maria-Theresiacollege te Leuven van 1841 (© Stadsarchief Leuven. Kaarten en plannen)
44 IM L
de aanwezige rijksuniversiteit opgeheven. Aldus kwam de Leuvense universiteit voor een derde keer onder een nieuwe hoedanigheid tot leven (23). Op één december 1835 vond de plechtige installatie van de nieuwe Katholieke Universiteit plaats. De opening vond plaats in de Grote Aula van het Pauscollege, nadat een pontificale mis was opgedragen in de Sint-Pieterskerk. Deze plechtigheid is afgebeeld op een schilderij van de hand van L. Matthieu dat verloren ging tijdens de bibliotheekbrand van 1914 maar ons bekend is van een oude foto (24). De aartsbisschop had plaats genomen op het podium waar een borstbeeld van Leopold I was geplaatst. Om de goede verstandhouding tussen de machten te verbeelden namen de burgemeester en de voorzitter van Eerste Aanleg plaats aan de linker-
Het Pauscollege, de Écoles spéciales en de Grote Aula zoals afgebeeld op de kaart opgenomen in het boek Université de Louvam. 1425-1834-1 gio, Leuven. 1910 {© Universiteitsarchief Leuven)
Grondplan van de Grote Aula opgesteld door de Dienst Werken van de Stad Leuven met
@>*~i ,.,.M,-..->-l-ii',v >„ v
A' L „ u ' m
aanduiding van een bureel dat moest dienen voor de verkiezingen van 13 juni 1876 {© Stadsarchief Leuven. Kaarten en plannen)
M L
45
burgerlijke genie en openbare werken. De eerste nieuwe collegezalen en laboratoria waren aanvankelijk vooral op de begane grond. Dit noodzaakte niet zelden de plaatsing van gietijzeren kolommen onder de moerbalken, die voordien gesteund werden door de tussenmuren van de studentenkamers.
Onderhoud en gebruik van de Grote Aula
De tekenzaal van de Ecoles Spéclaies in het Maria-Theresiacollege, vermoedelijk gefotografeerd door Edouard Morren (1867-1939) omstreeks 1900
kant van de aartsbisschop en de rector en de voorzitter van de Handelsrechtbank aan zijn rechterkant.
{© Universiteitsarchief Leuven. Topografische Atlas)
De universiteit kreeg de vroegere universiteitsgebouwen gratis ter beschikking van de Stad Leuven die eigenaar bleef. De stad stond in voor de belangrijkste herstellingen, de grondbelasting en de verzekeringen terwijl de universiteit diende te zorgen voor het onderhoud van de gebouwen. De Stad Leuven eigende zich wel het recht toe om in sommige gebouwen plechtigheden te houden. In de Grote Aula werden elk jaar in de maand augustus de prijsuitreikingen aan de leerlingen van de stedelijke inrichtingen georganiseerd. Een op het Stadsarchief van Leuven bewaard grondplan van de Grote Aula van 1876 toont aan dat in het gebouw ook verkiezingen werden georganiseerd. Het vroegere Filosofische College werd vanaf 1835 gesplitst in twee delen. In de noordelijke vleugel, het huidige Pauscollege, werd een pedagogie voor studenten in de letteren en de rechten ingericht. In de zuidelijke vleugel, inclusief het Veteranencollege alsook de Grote en Kleine Aula, kwam een pedagogie voor de studenten van wetenschappen en geneeskunde, die vanaf 1837 de naam het MariaTheresiacollege kreeg (25). In de loop van de ic)d'' eeuw werden in beide complexen studentenkamers opgeofferd om plaats te maken voor onderzoeks- en leslokalen. In het Pauscollege werden vanaf omstreeks de jaren '60 onder meer het befaamde scheikundelaboratorium van Louis Henry (1834-1913) en dat van de priesterhoogleraar Jean-Baptiste Carnoy (1836-1899) geïnstalleerd. In het Maria-Theresiacollege kwamen vanaf 1864 de Ecoles Spéciales voor de opleiding van ingenieurs in metaalkunde, mijnbouw, scheikunde.
46 IM L
Gedurende de eerste decennia van het bestaan van de Katholieke Universiteit verliep de samenwerking met de Stad Leuven voorspoedig. De gemeenteraad liet tussen 1839 en 1840 voor de universiteit een nieuw ziekenhuis oprichten, naar ontwerp van architect Alexander Van Arenbergh (1799-1877). Nadat de liberalen bij de gemeenteraadsverkiezingen van 22 september 1848 de meerderheid haalden, bekoelde de relatie met de universiteit echter fel. Niet alleen verminderde de financiële steun aan de universiteit, ook doken er herhaaldelijk problemen op met betrekking tot het gebruik van de universitaire gebouwen (26). Eén van de zwaarste conflicten tussen het liberale gemeentebestuur van de Stad Leuven en de Katholieke Universiteit vond plaats in 1879 en ging over het gebruik van de Grote Aula. Het conflict startte nadat de gemeenteraad had vernomen dat de universiteit toestemming had gegeven aan een katholieke organisatie om er een manifestatie te houden tegen het liberale wetsvoorstel over de hervorming van het lager onderwijs van de Minister van openbaar onderwijs. Pierre Edouard van Humbeeck (1829-1890). De gemeenteraad vond het ongepast dat de universiteit de door de Stad Leuven aan hen beschikbaar gestelde gebouwen voor dergelijke politiek getinte bijeenkomsten zou gebruiken. Het gemeenteraadslid Vanderseypen merkte tijdens het gemeenteraadsdebat van 31 maart 1879 bovendien op dat de universiteit de Grote Aula ook gebruikte voor voorstellingen van een minder verheven karakter: "Il est arrive même qu'on cédé l'Auditoire du College du Pape d des salümbanques de la Bavière, pour y exhiber ce qu'en style de cirque on appel des tableaux vivants"(27). Later dat jaar ontving de gemeenteraad een brief waarin de universiteit een vergoeding eiste van de Stad Leuven omdat tijdens de veelvuldige prijsuitreikingen het interieur beschadigd zou zijn. De universiteit eiste bovendien dat de Stad Leuven er over zou waken dat tijdens ceremonies geen verwijten zouden geformuleerd worden gericht tegen het vrije, katholieke onderwijs. De burgemeester Leopold Vanderkelen (1813-1895) en de overige gemeenteraadsleden stuurden op 15 juli 1879 een brief terug waarin ze woedend
verklaarden niet op deze eisen te zullen ingaan. Uiteindelijk zagen ze zich genoodzaakt om het geschil voor te leggen aan de Rechtbank van Eerste Aanleg. Deze sprak op 28 juli 1879 een vonnis uit waarin de universiteit in het ongelijk werd gesteld en de Stad Leuven vrije toegang tot de Grote Aula kreeg vanaf 1 augustus (om er de prijsuitreikingen te kunnen houden). Groot was echter de consternatie van enkele van de gemeenteraadsleden toen ze de zaal betraden: "Il y règne une malpropreté poussante, une partie du plafond s'effondre et laisse tomher V eau dans la salie, parce qu'il parait que les autorités académiques tolèrent hénévolement que Messieurs les étudiants prennent comme lieu de course ou de promenade, Ie dóme de I' edifice" (28). Uit twee rapporten die stadsarchitect J. Van Lint enkele dagen later voorstelde aan de gemeenteraad bleek pas goed hoe groot deze schade was. In het bijzonder het leien dak was zwaar beschadigd omdat studenten er stenen op hadden gesmeten en er veelvuldig over hadden gelopen. De goten waren verstopt door afval van allerlei aard waaronder oude hoeden, schoenen, flessen, pleisters, nachtvazen, sloten, kruiken, beeldjes en zelfs een bijna intacte stoel. In het auditorium was zodanig veel water binnengesijpeld dat er zich een bijna permanente plas water onderaan de zitbanken gevormd had en er grote
stukken van de siervlakken van het gewelf op de grond waren gevallen. In de halfronde ramen van de buitenmuren alsook in de lichtlantaarn waren de meeste vensters stuk. Van Lint vermoedde dat de studenten de vensters van de lichtlantaarn moedwillig hadden vernield. Vermoedelijk werden er toen slechts minimale herstellingswerken uitgevoerd. Tegen het einde van de eeuw was de toestand van de Grote Aula vanwege voortdurende problemen met insijpelend water zodanig verslechterd dat een grondige renovatie van het dak noodzakelijk was. Eugène Frische, directeur van de Dienst Werken van de Stad Leuven, stelde daarom in 1897 voor om het dak te laten uitvoeren in zink (29). Volgens de directeur zou deze oplossing duurzamer en aanzienlijk goedkoper zijn dan het herstel van het leien dak. Frische voorzag om het zink, gespecificeerd als nr. 14, te plaatsen volgens een gepatenteerd systeem met klampen dat ontwikkeld was door de Société de la Vieille Montagne, gevestigd te Angleur. Een gedetailleerde meetstaat, opgesteld op 30 november 1900 door Frische voor een totaal bedrag van 9783,72 Belgische franken, leert ons dat behalve het dak er ook ingrijpende restauratiewerken ondernomen waren aan het pleisterwerk van het interieur.
Blauwdruk van het plan voor het zinken dak van de Grote Aula, opgesteld door de Dienst Werken van de Stad Leuven omstreeks 1900 (© Stadsarchief Leuven, Modern Archief)
1VI&LI 47
De muurschilderingen in de zogenaamde chauffagezolder van de Grote Aula in Leuven Marjan Buyle
Tijdens het bouwhistorisch onderzoek, dat aan de restauratie van de Grote Aula voorafging, werd een onderzoek gevraagd aan het VIOE (nu Onroerend Erfgoed) van de sporen van beschildering die door de Monumentenwacht waren opgemerkt in de opslagruimte die zich bevindt boven het sprekersgedeelte van de Kleine Aula. Het sonderingsonderzoek werd uitgevoerd door Philippe Schurmans, Els Jacobs en Marjan Buyle in november-december 2009.
Thans is in deze ruimte, die deel uitmaakt van de vleugel die thans de Augustinusvleugel genoemd wordt, de ventilatie- en verwarmingsinstallatie van de Kleine Aula ondergebracht. De lange (14,50 m op 6,67 m) en vrij lage (2,50 m) ruimte heeft nu een houten vloer die zich 2,90 m boven het oorspronkelijke vloerniveau bevindt. Over de functie van deze ruimte is weinig geweten. Er werden sonderingen uitgevoerd op de vier muren, voor zover deze bereikbaar waren achter de technische installaties. De bakstenen muren zijn afgewerkt met een vrij dikke pleisterlaag, waarin veel gips en haren. Daarboven zit een witte kalklaag, die plaatselijk beschilderd is met figuren. De drie aanwezige vensters werden later ingebracht en hebben delen van schilderingen beschadigd. De raamkaders zijn ook vastgehecht met recenter pleistermateriaal.
De figuren zijn ofwel alleen ofwel per twee voorgesteld, op vrij regelmatige afstanden van elkaar. Daartussen is er geen verdere versiering aanwezig. In totaal zijn er een 24-tal personages. Ze zijn eerst in potlood getekend en daarna met verf uitgewerkt, in een mager maar op sommige plaatsen toch vrij pasteus verfsysteem. De verflaag zelf is zeer dun en fragiel. Het gebruikte kleurenpalet is sober: vooral tinten van grijs, zwart, rood en carnatiekleur, met sporadisch wat groen en blauw. Deze beschildering was overdekt met een klein aantal kalklaagjes, waarvan het bovenste zeer vervuild was en bedekt met schimmelsporen. Bijna alle figuren verwijzen naar de klassieke mythologie: Mercurius/Hermes met de gevleugelde helm, een amazone met pijl en boog, figuren met lauwerkransen, een man met een opvallende helmbos. Er zijn ook een aantal koppels voorgesteld, die elkaar liefdevol aankijken of kussen.
Hermes met de gevleugelde helm (foto K. Vandevorst)
41 ft
Sondering van het hoofd van een vrouw (foto K. Vandevorst)
-
48 I A/l L
Buitenbeentje in deze decoratie is de voorstelling van een vrouw en een aap. De vrouw is modieus gekleed en kijkt de toeschouwer frontaal aan. Wellicht heeft ze een tuinhark in de hand (?). De aap kijkt over zijn schouder en heeft een schilderspalet op het hoofd, met daarop verven en een potje penselen. Mogelijks gaat het hier om een allegorie of een uitbeelding van een zegswijze of spreekwoord? Dit groepje werd beschadigd door de installatie van het venster, waardoor het midden- en ondergedeelte ontbreken. Kunsthistorische duiding is moeilijk zolang de oorspronkelijke functie van deze ruimte niet gekend is. De iconografie is volledig profaan. De schildering kan met zekerheid gedateerd worden vóór 1825, toen het Filosofisch College ingericht werd. Misschien werd ze aangebracht in de periode toen de Vonckisten er hun zittingen hielden of toen het college diende als Hotel des Invalides. Het kan echter niet uitgesloten worden dat ze dateert uit de nauwelijks gedocumenteerde periode tussen 1814 en 1825 toen bepaalde delen van het college werden uitgebaat als casino en balzaal. De kledij van de dame, de enige die 'eigentijds' gekleed is in dit klassieke pantheon en een typisch kapsel vertoont, verwijst alleszins naar de mode van begin i^de eeuw.
De Technische Diensten voorzien om de de verwarmings- en verluchtingsinstallatie, die zich thans bevindt in de zaal boven het sprekersgedeelte van de Kleine Aula, te plaatsen op een volume boven het podiumgedeelte, dat gelegen is buiten het bouwvolume van het Maria-Theresiacollege. Dit geeft de mogelijkheid om het interessante ensemble van muurschilderingen van het begin van de i9de eeuw te restaureren en beter toegankelijk te maken.
Krijger met helmbos (foto K. Vandevorst)
Sondering van een vrouwenfiguur in profiel (foto K. Vandevorst)
M&L I 49
Het zinken dak van de Grote Aula in 2010, vlak vóór de restauratie {foto Technische Diensten KU Leuven)
Het Pauscollege, met witgekalkte buitengevels, gefotografeerd tussen 1862 en 1866 door Edmond Fierlants (© Universiteitsarchief Leuven, Topografische Atlas)
de lichtlantaarn alsook aan andere daken van het Pauscollege. Het zinken dak werd gerealiseerd door de aannemer Pardon en de herstellingswerken aan het plafond door plafonneur Meulemans. Beeldhouwer Petré leverde ter waarde van een bedrag van 110 franken nieuwe kapitelen voor het auditorium, wat er op lijkt te wijzen dat een aanzienlijk deel van de kapitelen vervangen werd. Eén jaar voordien, in 1899, waren een aantal gevels van het Pauscollege en van het Maria-Theresiacollege gerestaureerd. Hierbij werden de pleisterlagen verwijderd, de witte stenen en de kareelsteen volledig geschuurd en de voegen opnieuw ingestreken. In de vorderingsstaten van de werken wordt ook vermeld dat de kareelsteen na deze ontpleisteringen bijgeschilderd is geweest (30). Deze werken aan de gevels van deze colleges gebeurde overigens tot grote tevredenheid van professor Joseph Sencie (18651941), de president van het Pauscollege, zoals blijkt uit een door hem ondertekend bewijs van goede uitvoering van 23 maart 1900. In 1904 ondergingen ook de gevels van de binnenplaats van het Pauscollege eenzelfde behandeling. Vermoedelijk werden omstreeks deze tijd ook de buitenmuren van de
Het exterieur van de Grote Aula met witbepleisterde muren, voor 1900 zoals afgebeeld in het boek L'université de Louvain- Coup d'oeil sur son histoire et ses institutions, 7425-7900. Brussel, 1900 (© Universiteitsarchief Leuven)
50 I1VI L
Grote Aula van hun oorspronkelijke pleisterlagen ontdaan met uitzondering van de binnenwanden van de portiek alsook het balkwerk en het timpaan. Een foto, helaas op erg klein formaat, opgenomen in de universiteitsgids van 1900 toont het gebouw vóór deze restauratiewerken (31). Hierop is duidelijk te zien dat de bakstenen muurvlakken bedekt waren met een lichtkleurige pleisterlaag en dat de natuurstenen parementen, de pilasters en de pijlers van de portiek onbedekt waren. Tegenwoordig steekt het natuurstenen parement van onder meer de pilasters en de horizontale lijsten nog steeds lichtjes uit tegenover deze bakstenen muurvlakken, wat doet vermoeden dat deze bakstenen muurvlakken bedekt waren met een erg dikke pleisterlaag. Uit de correspondentie tussen de stadsdiensten en de gemeenteraad blijkt dat de Grote Aula ook na deze ingrijpende werken van omstreeks 1900 nog steeds veel onderhoud vereiste (32). Het podium werd vervangen nadat op 12 juli 1902 de stadsdiensten vastgesteld hadden dat de onderbouw en de planken vloer van het houten podium zodanig versleten waren dat het geheel niet meer voldoende stabiel was. In het najaar van 1906 stelden de stadsdiensten wederom vast dat de studenten allerlei afval op het dak hadden gesmeten. In 1908 vond er waterschade plaats aan het interieur nadat één van de zinken platen losgekomen was, mogelijk doordat een student over het dak was gelopen. Tussen 1914 en 1916 werden het leien dak en de goten van de Kleine Aula hersteld.
rector van de universiteit, de gemeenteraad liet weten dat de universiteit de door de stadsdiensten voorgestelde aanpassingen aan de regenpijpen van de Grote Aula niet zou uitvoeren. Volgens de rector bestond deze constructiefout vóór het afsluiten van de overeenkomst van 1921 en viel ze bijgevolg onder de verantwoordelijkheid van de Stad Leuven (die overigens in 1925 nog schilderwerk had laten uitvoeren aan de lichtkoepel van de Grote Aula en enkele kleinere werken in de Kleine Aula). Uit een verslag van de directeur van werken van de stad Leuven van 5 juli 1930 blijkt dat ook in de daarop volgende jaren er geen verbetering optrad. In de brief meldde de verbouwereerde ambtenaar dat er verschillende vensters in de lichtkoepel van de aula (die nauwelijks vijfjaar voordien hersteld was geweest) gebroken waren en dat er waterplassen stonden op de planken vloer van de omgang die veroorzaakt werden door verstoppingen van de dakgoot. De ingenieur stelde voor om de universiteit hiervan op de hoogte te brengen en benadrukte dat er snel iets ondernomen moest worden omdat reeds op zaterdag 12 juli de Stad Leuven prijsuitreikingen in de Grote Aula zou organiseren (35).
De restauratie van de Grote Aula door Raymond Lemaire
In de loop van het jaar 1965 werd een grondige restauratie van de Grote Aula aangevat door professor Raymond M. Lemaire (1921-1997). In een brief van 2 maart 1965 meldde hij de slechte toestand van het gebouw aan de Raad van Beheer van de universiteit en deed hij een voorstel om het Op 20 juni 1921 verleden de Stad Leuven en de bouwwerk aan te passen aan de prestige funktie welke Katholieke Universiteit van Leuven een akte op met betrekking tot het gebruik van de Universiteitshal en het vervult in het kader van het Universitair Leven (36). Lemaire schreef in de brief hoe de zuilen in de de oude collegegebouwen, waaronder het Heiligomgang licht doorgezakt waren waardoor er barsten Geestcollege, het Koningscollege, het Premonstreitin de kroonlijst waren ontstaan en de kapitelen aan college, het Veteranencollege en het Pauscollege die het afscheuren waren. Het geheel maakte ook een bezit waren van de Stad Leuven. Tot deze erfpacht vuile indruk en de vloerbekleding was zodanig was besloten vanwege de desastreuze situatie van versleten dat er grote gaten en barsten waren een groot aantal, tijdens de Eerste Wereldoorlog ontstaan. Om de aula opnieuw gebruiksvriendelijk vernietigde gebouwen: "Aujourd'hui, a cause, de la te maken stelde de Lemaire ook voor om de guerre, la situation a complètement change. L' état de vétusté de certains batiments occupés exige des reparationstoegangen te verbeteren en aan te passen aan de tres coüteuses que la Ville ne peut prendre d sa charge wettelijke voorschriften alsook om de nodige parce qu'elle n'a pas l'usage de ces locaux. L'Université sanitaire ruimten en een vestiaire te installeren. Tenslotte dienden ook de verwarming en het ne peut assumer cette charge sons avoir la garantie de verluchtingssysteem alsook de elektrische installatie pouvoir utiliser ces batiments pendant de longues vernieuwd te worden. Het geheel van de kosten années" (33). De erfpachtovereenkomst bepaalde dat werd door Lemaire geschat op 5.188.000 Belgische de universiteit de gebouwen zou mogen gebruiken franken. voor een periode van 99 jaar (34). In de erfpacht eigende de stad zich nog steeds het recht toe om gebruik te maken van de Grote Aula voor de prijsuitreikingen. Dit leidde enkele jaren opnieuw tot spanningen zoals blijkt uit een brief van 1 juli 1926 waarin Paulin Ladeuze (1870-1940), de
Lemaire was kunsthistoricus en was in 1953 benoemd tot gewoon hoogleraar in de faculteit Toegepaste Wetenschappen waar hij onder meer de geschiedenis van de bouwkunst doceerde. Omstreeks 1963 wist hij binnen de universiteit een Dienst voor
1 2 3
4
i. De Grote Aula tijdens de uitreiking van een eredoctoraat aan Koning Boudewijn In 1951 (© Universitcitsarchief Leuven, Archief rector Honoré van Waeyenberg) 2. Het interieur van de Grote Aula tijdens de restauratie door Raymond Lemaire in 1965 ( © Universiteitsarchief Leuven, Archief Raymond Lemaire)
3. Het interieur van de Grote Aula tijdens de restauratie door Raymond Lemaire in 1965, net voor de plaatsing van de stoelen (© Universiteitsarchief Leuven, Archief Raymond Lemaire) 4. Het interieur van de Grote Aula met zitbanken, gefotografeerd omstreeks 1900 f© Universiteitsarchief Leuven, Topografische Atlas)
Historische Monumenten op te richten die zich voornamelijk bezig hield met de restauratie van het door de universiteit verworven Groot Begijnhof. Hier paste hij de restauratieprincipes toe die resulteerden in het in 1964 opgestelde Charter van Venetië, waarvan hij één van de belangrijkste medeauteurs was. De Grote Aula van de universiteit van Leuven mogen we bijgevolg beschouwen als één van de vroegste monumenten waar de principes van dit akkoord werden toegepast. De dienst voor Historische Monumenten fungeerde geheel onafhankelijk van de Technische Diensten van de universiteit, die niet nalieten kritiek te uiten op het 'dure' karakter van de door Lemaire ondernomen restauraties in het begijnhof (37). Voor de uitvoering van de restauratiewerken deed Lemaire een beroep op zijn assistenten en een klein tekenbureau dat geïnstalleerd was in het begijnhof. Eén van deze medewerkers was de ingenieur-architect Heinrich Sermeus (1935-1987) wiens naam ook geregeld opduikt in de archiefstukken betreffende de restauratie van de Grote Aula. Van de toestand van het interieur van de aula voor de werken van Lemaire kunnen we ons een beeld vormen dankzij de foto's die gemaakt werden tijdens de uitreiking van een eredoctoraat aan
52 I 1VI
L
Koning Boudewijn in 1951. Op dat ogenblik waren de kapitelen, de kroonlijst en de vlakke wanden in verschillende kleurtonen geschilderd en de kapitelen gedecoreerd met gouden biezen. De sobere houten zitbanken van het halfrond die zichtbaar waren op de foto's van rond de eeuwwisseling waren op dat ogenblik vervangen door houten klapstoelen met een kleine lessenaar. Uit de notities van Lemaire weten we dat de zaal verwarmd werd met een eenvoudige koleninstallatie. De algemene restauratiewerken aan de Grote Aula werden ondernomen door de firma A. Behets, de Zonen. Voor enkele posten waaronder bijvoorbeeld de stoelen van het halfrond, het schilderwerk en de vloerbekleding ondernam de professor telkens bijkomende aanbestedingen. Lemaire voorzag vooreerst een volledige controle en versteviging van de eikenhouten structuur die verwerkt was in de muren, de kolommen en de kroonlijst. Van de kolommen werden de houten schachten, de meerdelige gipsen kapitelen en de meerdelige houten zuilvoeten gedemonteerd om de houten balken die zich hierin bevonden te kunnen restaureren. Ook de houten balken die zich bevinden in de kroonlijst en in de overkapping van de omgang werden aan de onderkant zichtbaar gemaakt en waar nodig verstevigd of hersteld met nieuw eikenhout of metalen ijzers. Vervolgens werden de muurvlakken en grote delen van de kroonlijst opnieuw bepleisterd. Een groot deel van de kapitelen van de zuilen en pilasters werden vervangen door nieuw gegoten pleisteren of gipsen exemplaren. Ook de draagstructuur van het podium werd verstevigd terwijl de houten vloer van het halfrond volledig werd vernieuwd (38). Lemaire liet het interieur van de aula in een egale helder witte kleur herschilderen en de vloeren van de tribune en het podium bekleden met een donkere linoleum. De nieuwe stoelen, voorzien van kleine opklapbare schrijfbladen, werden geleverd door de firma
De door Raymond Lemaire ontworpen trap in de portiek van de Grote Aula (foto O. Pauwels)
Fibrocit. Tevens werd een technische cabine geïnstalleerd en een geluidsversterking voorzien. Lemaire liet ook het zinken dak van de aula restaureren. Hierbij werd het zink vernieuwd en een isolatie van glaswollen matten voorzien. De glazen lichtlantaarn werd hersteld met behoud van het ijzeren draaggestel. Om de circulatie van het gebouw te verbeteren liet Lemaire twee grote trappartijen oprichten in de noordelijke en zuidelijke bouwvleugels die uitkomen op de rondgang. Hierbij werden in de hier aanwezige stenen arcadebogen telkens twee deuropeningen geïnstalleerd, hoewel de op het stadsarchief bewaarde plannen van omstreeks 1826 aantonen dat er hier oorspronkelijk slechts één deuropening aan elke zijde bevond. In de portiek werden twee van de drie toegangen die uitkomen op de omgang gedicht en werd de toen aanwezige
Het interieur van de Kleine Aula
Het interieur van de Kleine Aula
tijdens de restauratie door
omstreeks 1965, vóór de restau-
Raymond Lemaire in 1965
ratie door Raymond Lemaire
( © Universiteitsarchief Leuven,
(©Universiteitsarchief Leuven. Archief Raymond Lemaire)
Archief Raymond Lemaire)
M&LI 53
brede trap vervangen door een smallere trap, die we ook terugvinden op de oude plannen. De trap werd wel uitgevoerd in een moderne vormentaal, zeer waarschijnlijk naar een ontwerp van Lemaire. Aan weerzijden van deze trap liet de professor twee nieuwe deuropeningen maken die toegang gaven tot de kelderverdieping waarvan het vloerniveau werd verlaagd om ruimte te geven aan de ventilatie- en verwarmingsinstallatie. De ingrepen van de professor voorzagen een functionele verbetering van het gebouw en een aanpassing van het gebouw aan de toen meest moderne technische standaards. De nieuwe technieken werden telkens op een verdoken wijze geïntegreerd. Enkel de nieuw aangebrachte trappen waren manifest ontworpen in een eigentijds ontworpen vormentaal waardoor ze duidelijk herkenbaar waren als nieuwe ingrepen, overeenkomstig de artikels 9 en 12 van het Charter van Venetië (39). Tegelijkertijd zien we dat Lemaire het aanzicht van het gebouw, en in het bijzonder het interieur, terugbracht in een toestand die, naar wij aannemen, volgens hem overeenstemde met de originele esthetische opvattingen van de ontwerpers van het bouwwerk. De vele in het Universiteitsarchief bewaarde foto's die werden genomen vlak na de eigenlijke restauratiewerken en net voor de plaatsing van de zitbanken tonen de Grote Aula met een strak in het wit uitgewerkte interieuropstand die in fel contrast staat met de donkere vloer en zwart geschilderde muurplinten en sokkels van de kolommen. Opvallend is wel dat hij niet aarzelde de originele kapitelen en de oude houten vloer volledig te vervangen.
In 1966 werd ook de Kleine Aula onder leiding van Lemaire gerestaureerd en voorzien van moderne technieken. Hier werden de houten balken die zich bevinden in de kroonlijst en de muurvlakken blootgelegd om ze te verstevigen. Lemaire liet ook de vier zuilen, die in blauwe hardsteen zijn opgetrokken om het gewicht van de bovenliggende buitenmuur te dragen, volledig ontpleisteren. De zinken dakbekleding werd verwijderd en vervangen door een drielagige roofing waarvan de bovenste laag voorzien was van schilfers in de kleur van leistenen.
dak wierpen. De verstopping heeft heel wat schade aangebracht aan de binnenkant van de Aula, gezien het water onder de zink liep van het ronde dak en langs een zuil tot in de kelder vloeide. Bovendien werd een zwarte plastieke afdekking van de centrale lantaarn met latten vastgenageld door de nieuwe zinkbezetting met het gevolg dat het regenwater door de gaten het gebouw binnen loopt!... Indien men in de toekomst dergelijke nutteloze uitgave wil vermijden, lijkt het mij noodzakelijk dat de nodige maatregelen zouden genomen worden om te beletten dat het dak van de Aula als vuilnisbelt zou gebruikt worden en dat men het gebouw niet definitief beschadigt om voorlopige eisen te vervullen" (40).
Uitbreiding van de universitaire site In de loop van het jaar 1967 werd het Pauscollege gedeeltelijk gerestaureerd door de ingenieur-architect Paul van Aerschot op vraag van de toenmalige president en professor Maurits Sabbe (1924-2004). In drie van de vier vleugels werden de studentenkamers en de appartementen gemoderniseerd. De voormalige refter in de oostelijke vleugel werd omgebouwd tot een grote hal die toestaat dat voetgangers om op vlottere wijze door het gebouw kunnen gaan. Enige jaren later werd de bouw aangevat van de Theologische Bibliotheek, thans Maurits Sabbebibliotheek, die voltooid werd in 1970. Deze bibliotheek werd ontworpen door Van Aerschot en vormde slechts een onderdeel van een veel ingrijpender, in 1969 tot stand gekomen project voor de gehele faculteit van Theologie. Omdat dit project de afbraak van delen van het Maria-Theresiacollege voorzag werd de hoofdingang van de bibliotheek aan de westzijde voorzien en werden er aan deze zijde ook grote ramen en balkons voorzien. In 1973 werden het Pauscollege, het Veteranencollege alsook het Maria-Theresiacollege evenwel beschermd als monument omwille van hun artistieke en historische waarde, waardoor het algemene project geen doorgang vond en de gebouwen waarvan de afbraak voorzien was overeind bleven.
Tussen 1985 en 1989 onderging de site opnieuw een grondige transformatie met de bouw van de Aula Pieter de Somer, eveneens naar een ontwerp van Van Aerschot. Deze aula werd gebouwd omdat de Grote Aula op dat ogenblik te klein bevonden In het op het universiteitsarchief bewaarde dossier werd en niet langer kon voldoen een de van de restauratie van beide aula's bevindt zich een academische, ceremoniële en culturele noden enigszins bitsige brief van de professor van 6 mei 1968 aan Ledure, adviseur van de Technische van de universiteit. De nieuwe Aula werd gebouwd Diensten: "Onlangs werd de waterafloop op het dak van in een heldere vormentaal met veel aandacht voor de de Grote Aula ontstopt. Hierbij is gebleken dat de volumetrie en de textuur en kleuren van de hoofdoorzaak van de verstopping lag in het feit dat de verschillende bouwmaterialen. De Aula heeft een studenten van de kamers, die uitgeven op het ronde dak capaciteit van 825 zitplaatsen met bijkomend twee van de Aula, allerhande afvalprodukten o.a. coca'cola kleine tribunes waarin samen ongeveer 150 flesjes, 1 literfles, conserveblikken (tot j liter !) op het personen extra plaats kunnen nemen (41).
De restauratie van de Grote Aula door de Technische Diensten Van eind mei tot september 2011 onderging de Grote Aula opnieuw een ingrijpende restauratie en modernisering. Deze werken werden ondernomen door de Divisie Monumenten van de Technische Diensten van KU Leuven (42). Vóór de aanvang van de werken, was de Grote Aula in een zorgwekkende staat. Het zinken dak vertoonde scheuren en de lichtkoepel was aangetast door ernstige roestvorming. In het interieur had waterinsijpeling schade veroorzaakt aan de verf- en pleisterlagen. De linoleum vloerbekleding van de tribune en de omgang was versleten en de klapstoelen bevonden zich in een slechte staat. Bovendien waren er in de loop der jaren ad hoc borden, kabels, brandblussers en allerhande elektrische toestellen geplaatst De technische voorzieningen van de fase Lemaire waren eveneens verouderd. De verlichting was onvoldoende sterk en weinig energiezuinig. Ook de verwarmings- en verluchtingsinstallaties waren verouderd en niet langer efficiënt. Vooral de audiovisuele uitrusting van het auditorium voldeed niet langer aan de hedendaagse normen. Een bijkomend probleem vormde de lange nagalmtijd van het interieur die storend was bij het lesgeven. De veiligheids- en toegankelijkheidsvoorzieningen waren niet aangepast aan de hedendaagse eisen. Omdat de capaciteit van het auditorium vaak ontoereikend was voor de hier georganiseerde lessen en activiteiten werden in de omgang systematisch losse stoelen opgesteld, die de voorziene vluchtwegen blokkeerden. Als enige tegemoetkoming aan de eisen van de integrale toegankelijkheid waren enkele losse hellende vlakken voor rolstoelgebruikers op het podium geplaatst.
waren met een licht getinte olieverf. Hierdoor tekenden deze architectuuronderdelen zich af tegen het wit bepleisterde plafond en de muren van de omgang. Het onderzoek toonde ook aan dat de eenvoudige houten vloeren van de tribune en het podium zichtbaar werden gelaten en dat de zaal zeker tot in het begin van de 20sle eeuw voorzien was van zeer sobere, bijna 'Spartaanse' zitbanken. Het beeld dat we aldus kregen van het interieur van de Grote Aula week dus enigszins af van het door Lemaire uitgedachte concept. Uit het onderzoek bleek ook onomstotelijk dat de daken van de Grote Aula oorspronkelijk met leien afgewerkt waren. Op basis van deze gegevens werd in overleg met Onroerend Erfgoed geopteerd om het zinken dak te vervangen door een leien dak, wat bijkomend een grotere duurzaamheid biedt. Tevens werden de goten vernieuwd in lood en werden nieuwe afvoerpijpen met een groter debiet geïnstalleerd. Een gunstige kosten-batenanalyse van de door Lemaire in de dubbele bebording van het dak aangebrachte isolatie, deed besluiten om die te behouden. Wel werd in de zolderruimte boven de portiek een bijkomende isolerende wand aangebracht. De dakkoepel werd gerestaureerd met behoud van de metalen structuur maar het aanwezige glas werd wel vervangen door enkel veiligheidsglas. Eveneens in samenspraak met Onroerend Erfgoed werden de oorspronkelijke kleuren van de muren, de kroonlijst en de zuilen en pilasters opnieuw aangebracht. Hierbij werden zorgvuldig hedendaagse verfsoorten gekozen die maximaal de oorspronkelijke verfsoorten benaderen. De houten omkasting van de schachten van de zuilen en de
Het interieur van de Grote Aula in het voorjaar van 2011, vlak vóór de restauratie (foto Technische Diensten K U Leuven)
Bij de uitwerking van het dossier werd enerzijds gestreefd om het beschermde gebouw in zijn oorspronkelijke staat te herstellen en anderzijds om het uit te rusten naar hedendaagse normen. Hierbij diende rekening gehouden te worden met het gegeven dat de Grote Aula behalve voor collegelessen ook regelmatig gebruikt wordt voor culturele activiteiten. De akoestiek en de toegankelijkheid van de zaal werden grondig onderzocht in samenwerking met het departement Architectuur, Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening (ASRO) en met het labo akoestiek van de KU Leuven. Het gebouwencomplex werd onderworpen aan diverse historische en materiaaltechnische onderzoeken, die door Onroerend Erfgoed financieel ondersteund werden. Dit onderzoek leverde voldoende materiaal op om een duidelijk beeld te krijgen van de geschiedenis en de originele toestand van het gebouw. Uit het materiaaltechnisch onderzoek bleek dat de kolommen, de pilasters en de kroonlijst afgewerkt
M L
55
Moderne onderzoeken en technieken in een historische aula: akoestiek, toegankelijkheid en gebruikscomfort Dieter Nuytten
De imposante ruimte van de Grote Aula mag dan haar historische karakter bewaard hebben, toch drong een functionele aanpassing aan de noden van de tijd zich op aangezien het gebouw zijn oorspronkelijke bestemming als auditorium voor hoorcolleges blijft vervullen. Hierbij bleek vooral dat de akoestiek van de ruimte ongeschikt was voor de huidige invulling van didactische functies waarbij gebruik gemaakt wordt van een grote waaier aan audiovisuele ondersteuning zoals projectie, schermen en geluidsinstallatie. Het is belangrijk dat het gebouw als tweede grootste auditorium van de universiteit ook in de toekomst als aula in gebruik kan blijven zodat oplossingen dienden te worden gezocht om de actuele middelen voor multimediale ondersteuning te integreren in het historische interieur. Ook de toegankelijkheid voor mindervaliden, de verlichting en een verhoging van het zitcomfort waren aandachtspunten. Met dit doel voor ogen werden ter voorbereiding van het project diverse studies uitgevoerd waarvan de resultaten grondig met elkaar werden afgewogen (i). Er waren onder andere onderzoeken naar de akoestiek in de aula, naar de toegankelijkheid en naar maatregelen om het gebruikscomfort te bevorderen (2). Wat de akoestiek betrof, lag de kern van het probleem in de naar hedendaagse normen te hoge nagalmtijd van de ruimte: deze bedroeg 2,48 seconden, e nagalmtijd is de tijd, uitgedukt in seconden, die nodig is opdat het geluidniveau in een ruimte met 60 dB terugvalt ten opzichte van de initiële waarde, met andere woorden de tijd nodig vooraleer geluidenergie geabsorbeerd is door de aanwezige materialen en de lucht: ruimten met weinig absorberende oppervlakken hebben een lange nagalmtijd. Nagalmtijd
56
I 1VI
L
is bepalend voor de spraakverstaanbaarheid en voor de manier hoe muziek klinkt in een ruimte: de ideale nagalmtijd is afhankelijk van het ruimtegebruik. In een theaterzaal is een korte nagalm gewenst om de gesproken tekst goed te kunnen verstaan: galm bemoeilijkt de verstaanbaarheid. Muziek vraagt een langere nagalmtijd, afhankelijk van het soort muziek. De lange nagalmtijd bleek een groot probleem voor de verstaanbaarheid van hoorcolleges in de Grote Aula: de optimale nagalmtijd voor het gesproken woord situeert zich namelijk rond één seconde. Anderzijds werd en wordt de aula in tweede instantie gebruikt voor muzikale activiteiten, waarvoor een nagalmtijd van ongeveer 1,7 seconden wenselijk is. Een goed gemiddelde schommelt rond 1,4 seconden. In het onderzoek werden enkele maatregelen bekeken die konden bijdragen tot het behalen van dit streefdoel in verschillende stappen, met telkens een grotere impact op de historische ruimte.
Een eerste ingreep die werd onderzocht betrof de stoffering van de stoelen waardoor de nagalmtijd kon gereduceerd worden tot 2,44 seconden. Deze ingreep was eenvoudig te realiseren en beïnvloedde slechts op beperkte wijze de erfgoedwaarde van de historische ruimte op voorwaarde dat de stof qua textuur en kleur gepast gekozen werd. Een tweede ingreep omvatte het introduceren van een tapijt over de volledige vloeroppervlakte, waardoor de nagalm bijkomend verkort zou kunnen worden tot 1,72 seconden. De impact van deze maatregel op de nagalm was wezenlijk, al heeft dit tussen de stoelen minder effect dan in de gangpaden en op het podium. De ingreep was eenvoudig te realiseren maar zou wel een gevoelige invloed op het historische aspect van het interieur hebben waar oorspronkelijk de
plankenvloer zichtbaar was. Er werd tijdens de restauratie daarom geopteerd om de planken vloer tussen de stoelen vrij te laten. Een volgende theoretisch mogelijke ingreep met een groot effect op de nagalmtijd was het aanbrengen van een akoestische pleister op een 5 cm. dikke absorberende tussenlaag. Hierdoor zou de nagalmtijd van 1,72 verder tot 1,18 seconden kunnen verkorten. Deze ingreep werd bij het uitwerken van het restauratiedossier dan ook verder onderzocht. Om een optimaal akoestisch klimaat voor spraak te bekomen zou het aanbrengen van een absorberende pleister op het koepelgewelf van de aula noodzakelijk zijn: hier was theoretisch een zeer belangrijke winst te boeken van 1,18 naar 1,01 seconden. Maar dit was a priori niet aanvaardbaar vanuit de erfgoedwaarden van het historische interieur: deze mogelijke oplossing werd daarom terzijde geschoven. De enige plaatsen waar vervolgens nog een akoestische verbetering kon worden gerealiseerd, was op de wanden. Wanneer, behalve de stoffering van de stoelen en het aanbrengen van tapijt, ook de achterwanden en de voorwand zouden worden aangepakt met akoestische pleister, zou een theoretische nagalmtijd bekomen worden van 1,26 tot 1,10 seconden. Deze mogelijkheid werd dan ook verder onderzocht. Aangezien het bekleden van de voorwand de ruimte te fel zou verstoren, het tapijt niet overal kon worden toegepast en ook tegen de gebogen achterwand delen vrij gelaten moesten worden om de architectuur van de ruimte te respecteren, zou uiteindelijk een nagalmtijd van 1,40 gerealiseerd kunnen worden. Hoewel dit nog niet ideaal is voor hoorcolleges, betekende dit een gevoelige winst ten opzichte van de huidige situatie en bovendien een goed compromis tussen spraak en muziek.
Vooral het aanbrengen van een pleister op de gebogen achterwand van de aula bleek theoretisch een belangrijk effect te bewerkstelligen. Nadelen van dergelijke oplossing zijn echter het moeilijke onderhoud (overschilderen doet het absorberend vermogen teniet) en de gevoeligheid voor beschadiging. Omdat een akoestische pleister eveneens een belangrijke (nadelige) ingreep betrof op het historische interieur, werd in een tweede studiefase mogelijke alternatieven verder onderzocht. Het aanbrengen van gordijnen kon als alternatief voor een akoestische pleister op de achterwand een gevoelige vermindering van de nagalm bewerkstelligen maar werd omwille van het risico op beschadigingen door de gebruikers (studenten) niet als realistisch ingeschat. Een volgende onderzochte alternatief was het aanbrengen van wegneembare geluidabsorberende panelen (3). Het grote voordeel van dergelijke panelen is dat ze een volledig reversibel karakter hebben en dus gemakkelijk opnieuw verwijderd kunnen worden. Deze optie werd daarom weerhouden en verder uitgewerkt tijdens de restauratie. Er kon daarbij ook rekening gehouden worden met de architecturale geleding van de ruimte en het kleurgebruik van de panelen, dat aangepast diende te zijn aan het historische kleurgebruik, dat op basis van het materiaaltechnisch onderzoek zou worden gereconstrueerd.
Naast de akoestische problematiek, vormde de toegankelijk tot de aula een tweede kernprobleem dat opgelost moest worden voor het verder gebruik van de aula. Het gaat hierbij niet alleen om het gebruikscomfort van rolstoelgebruikers, maar ook van mensen die slecht te been zijn, zoals oudere mensen (de aula wordt ook gebruikt voor bijeenkomsten van de Derdeleeftijd Universiteit), van blinden of slechtzienden, van doven of slechthorenden. Uitgangspunt hierbij zijn de principes van het zogenaamde universal design, waarbij producten en omgevingen ontworpen worden voor gebruik door een zo groot mogelijke groep mensen: met andere woorden het ontwerp is niet gemaakt voor de 'standaardmens' met
een gemiddelde grootte en perfecte gezondheid, waarbij achteraf specifieke maatregelen moeten worden ingevoerd voor alle afwijkingen. Universal design streeft naar een geïntegreerde oplossing. In een bestaand gebouw is dit een ander uitgangspunt dan in nieuwbouw, en al zeker in het geval van een waardevol historisch gebouw: men moet rekening houden met de al bestaande randvoorwaarden en beperkingen en de streefdoelen van het ontwerp moeten zorgvuldig afgewogen worden ten opzichte van de erfgoedwaarden van het monument. In het vooronderzoek werden een aantal maatregelen onderzocht voor een verbeterde toegankelijkheid, die geëvalueerd werden door de Technisch Diensten van de KUL in nauw overleg met Onroerend Erfgoed (4). Het probleem van de zware deuren werd eenvoudig opgelost via automatische deuropeners. Het herkennen van de traptreden voor mensen met een visuele beperking werd bevorderd via LED verlichting aan de zijkant van de stoelenrijen. De 'klassieke' signalisatie met contrasterende strips botste namelijk met het monumentale karakter van het interieur. Het inbrengen van leuningen voor mensen die slecht te been zijn gebeurde met een ontwerp dat aangepast was aan het bijzondere interieur. Het historisch interieur kwam hier ook te hulp: door het herschilderen in de oorspronkelijke historische kleuren, kon de vereiste betere herkenbaarheid van deuren (vluchtwegen) eenvoudig en geheel in overeenstemming met de erfgoedwaarden gerealiseerd worden. De toegankelijkheid en beschikbare plaatsen voor rolstoelgebruikers werd dan weer gevoelig opgedreven door een aan het historisch interieur aangepast ontwerp: zo werd de podiumzone hiertoe uitgebreid en het loopvlak achteraan aangepast, telkens zonder impact op de historische ruimte.
Een derde belangrijke problematiek, naast akoestiek en toegankelijkheid, was de noodzakelijke verbetering van het gebruikscomfort voor de hoorcolleges. Hier is een uitgebreide studie verricht door de interne Facilitaire Diensten van de universiteit, in samenwerking met de
Divisie Monumenten als ontwerper en in nauw overleg met Onroerend Erfgoed (5). De studie concentreerde zich op aspecten als kunstmatige en natuurlijke verlichting, multimediale apparatuur, projectiefaciliteiten en verduisteringsmogelijkheden, schrijfborden en geluidsinstallatie. Een aantal noodzakelijke voorzieningen konden geïntegreerd worden in de historische ruimte, echter steeds volgens een doorgedreven aangepast ontwerp om het monumentale interieur zo min mogelijk te verstoren. Andere installaties zijn verdekt opgesteld, zodat ze niet zichtbaar zijn in de ruimte en een minimale impact hebben op het monumentale interieur. Er werd gewaakt over de volledige en eenvoudig te realiseren reversibiliteit van de installaties om enerzijds zo min mogelijk schade toe te brengen aan het interieur en anderzijds vlot te kunnen inspelen op de snelle technologische evolutie op dit gebied.
Eindnoten (1) De kadertekst baseert zich op volgend restauratiedossier, opgemaakt door Tom Verbist van de Technische Diensten KUL: Dossier Restauratiepremie Interieur Grote Aula (dossier TD/ooS.ygo/VETO-fen), p. 14-19. (2) DE LEYE K. en DOOMS E.. Akoestisch gebruikscomfort voor iedereen in auditoria; casestudy: Grote Aula. Maria Theresiacollege (onuitgeg. verh. o.l.v. prof. G. Vermeir), KULeuven. 2007: BEERNAERTS E., Obstakels en good practices voor universele universiteitsgebouwen: casestudy: Grote Aula, Maria Theresiacollege (onuitgeg. verh. o.l.v. prof. H. Neuckermans en prof. A. Heyligen, KULeuven. 2007: Studie naar gebruikscomfort door Facilitaire Diensten en Diensten AV-net van de KUL (onuitg. studies onder begeleiding van de Technische Diensten. Divisie Monumenten, in overleg met Onroerend Erfgoed). (3) Over deze bevindingen werd intensief overleg gepleegd met prof. Vermeir. met diverse fabrikanten en met Onroerend Erfgoed om de meest geschikte uitwerking van deze oplossing te bepalen. (4) Technische Diensten KUL, Dossier Restauratiepremie Interieur Grote Aula (dossier TD/ 008.790/VETO-fen), p. 20-22. (5) Technische Diensten KUL, Dossier Restauratiepremie Interieur Grote Aula (dossier TD/ 008.790/VETO-fen), p. 23-27.
A/l
L I 57
achteraan en de belangrijkste gangpaden werden omwille van akoestische redenen wel voorzien van een effen, donker gekleurd tapijt. Tegen de muur van de rondgang werden panelen met akoestische pleister aangebracht. Deze maatregelen sorteren een maximaal effect met een minimale ruimtelijk impact, waarbij de koepel ontzien werd. Een bijkomende ondersteuning door strategisch opgestelde geluidsboxen zorgt voor een optimale akoestiek. In de omgang werden de vier halfronde raampjes vrijgemaakt zodat het natuurlijk licht zoveel mogelijk kan binnenvallen.
Het interieur van de Grote Aula tijdens de restauratiewerken in 2011 (foto Technische Diensten KU Leuven)
Het interieur van de Grote Aula tijdens de restauratiewerken in 2 0 i i de installatie van de zitbanken (foto Technische Diensten KU Leuven)
pilasters werden hierbij voorzien van een flinterdun glasvlies om een meer effen ondergrond te verkrijgen. Ook werd een transparante glacis aangebracht die zorgt voor een mooie glanswaarde en dieptewerking van de schilderlagen. De muren van de rondgang kregen een getemperde glanswaarde terwijl voor het koepelgewelf een matte verf gebruikt werd. Hierdoor ontstond in het interieur van de Grote Aula in een subtiele wisselwerking tussen matte witte delen en delen in een licht glanzende olieverf. Tijdens de werken werden de tapijten en het linoleum verwijderd. Op de tribune werd, met uitzondering van de belangrijkste gangpaden, de houten beplanking zichtbaar gelaten. Het podium, de rondgang
De zaal werd technisch en functioneel opgewaardeerd en aangepast aan de hedendaagse eisen, die erg verschillen van deze van de 19* eeuw. Er werden nieuwe, sober ogende auditoriumstoelen geïnstalleerd op de tribunes. Ook in de omgang werden vaste zitjes aangebracht zodat de studenten niet langer losse stoelen moeten gaan zoeken. De volledige elektrische installatie werd vervangen, waarbij de bekabeling onzichtbaar werd ondergebracht in de kelder- en zolderruimtes alsook boven de kroonlijsten. Er werd enerzijds een belichting geïnstalleerd boven de kroonlijst die zich richt op het koepelgewelf en zorgt voor een majestueus lichteffect en anderzijds een meer discrete belichting van de rondgang. Ook de verwarmings- en verluchtingsinstallaties werden volledig vernieuwd, waarbij wel gebruik gemaakt werd van de door Lemaire aangebrachte openingen. De audiovisuele en didactische uitrusting van de aula werd geoptimaliseerd. De in hedendaagse collegezalen onmisbare schermen en de elektrisch gestuurde zonwering in de koepel werden behouden. Beide werden wel aangesloten op een centraal sturingssysteem, dat verder ook de verlichting kan dimmen en de projectie kan aansturen. Het paneel met de besturingselementen werd zo ontworpen dat het eenvoudig opgeborgen kan worden in een kast die onzichtbaar in het schrijnwerk boven het podium past. Dit maakt het mogelijk om het podium volledig vrij te maken voor concerten, debatten of voorstellingen. In de lantaarn werd bovendien een kleine, automatisch gestuurde lichtbrug aangebracht waar theaterspots aan bevestigd kunnen worden.
Ook voor mensen met een functiebeperking werden een aantal voorzieningen getroffen waardoor rolstoelgebruikers gemakkelijk plaats kunnen nemen tussen de stoelen op de eerste rij. Ten behoeve van slechtzienden en met het oog op de algemene veiligheid werden de trapneuzen met tapijt voorzien van inox markeringen, die de geïmproviseerde en weinig esthetische gekleurde tape vervangen die eertijds aanwezig waren. Voor slechthorenden is er, verborgen onder de gradins, een gehoorlus aangebracht.
IM L
Bouwhistorisch en materiaaltechnisch onderzoek Dieter Nuytten Wat aanvankelijk startte als een grondige opfrissingsbeurt van het interieur, groeide geleidelijk aan uit tot een volwaardige en, door de resultaten van uitgevoerde vooronderzoeken, goed onderbouwde interieurrestauratie. Voorafgaand zijn, naast een pakket technologische voorstudies op gebied van akoestiek, toegankelijkheid en multimediaal gebruik (zie andere kadertekst), een grondig bouwhistorisch vooronderzoek, een materieeltechnische studie en een uitgebreide proefrestauratie uitgevoerd. Het bouwhistorisch vooronderzoek kaderde in het onderzoek naar een groter bouwkundig geheel, waar de Grote Aula deel van uitmaakt, en waarvan de restauratie is aangevat bij het Veteranencollege in 2004 (1). In overleg tussen de KU Leuven en Onroerend Erfgoed en met betoelaging door de Vlaamse Overheid werd een vooronderzoek uitgevoerd van de bouwkundige ontwikkeling van dit grote ensemble waar naast de Grote Aula ook het Pauscollege, het MariaTheresiacollege en het Veteranencollege deel van uitmaken (2). In een volgende fase en aansluitend op het historisch onderzoek, werd een materiaaltechnische studie van het interieur van de Grote Aula uitgevoerd (3). Voorliggende tekst is gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoeken en gaat dieper in op de resultaten ervan, alsook op deze van de voorbereidende proefrestauraties. De voornaamste ingrepen doorheen de tijd in het interieur van de aula konden dankzij het archiefonderzoek achterhaald worden (zie hoofdtekst). Omdat er bij de talrijk bewaarde archiefstukken geen i9de-eeuwse documenten teruggevonden zijn over veranderingen aan het gebouw, kan dit betekenen dat de Grote Aula tot omstreeks 1900 zijn oorspronkelijke, uit 1825-1826 daterende gedaante behouden had. Pas in 1900 werd voor de eerste keer overgegaan tot een algemene grootschalige onderhoudsbeurt, waarbij onder andere de volledige dakconstructie vernieuwd werd. De originele dakbekleding met
natuurleien en loden aansluitingen werd vervangen door een zinken dak en terzelfder werd de kenmerkende dakkoepel, die voor zenitaal licht in het interieur van de aula zorgt, helemaal vernieuwd. Wat het interieur betreft, werden er algemene schilder- en pleisterwerken ondernomen en enkele van de Ionische kapitelen vervangen. Grondige ontmantelingswerken in 1965 De laatste grondige herinrichting van het interieur van de Grote Aula, voorafgaand aan de huidige restauratie, had plaats in de periode 1965-1966. Deze ingrijpende restauratie, uitgevoerd onder leiding van Raymond Lemaire, bleek vooral een technisch gestuurde ingreep, die noodzakelijk was omwille van een belangrijke actieve aantasting van het houtwerk door de kleine klopkever in de houten onderbouw, de onderliggende balkenstructuur in de halfronde buitenmuur en het dakgebinte. Hoewel restauratiefilosofisch een 'archeologische' restauratie werd beoogd, moesten omwille van deze dwingende reden zeer verregaande ontmantelingswerken worden uitgevoerd ter controle van de aantasting en ter lokale versteviging van de aanwezige balkenstructuren waarvoor verschillende interieuronderdelen werden gedemonteerd. De binnenruimte werd toen gelukkig na deze ontmantelingswerken nauwgezet fotografisch gedocumenteerd. Dankzij vergelijking van dit fotoarchief enerzijds met het oorspronkelijke bestek anderzijds, stelden de onderzoekers vast dat in de praktijk niet al het materiaal van de gedemonteerde interieuronderdelen uiteindelijk werd gerecupereerd en hergebruikt zoals voorzien in het uitvoeringsbestek. Uiteindelijk zijn het grootste deel van de kapitelen nieuw gegoten naar bestaand model en zijn de plafonds van de halfronde gaanderij volledig hermaakt. Ook grote delen van het pleisterwerk zijn vernieuwd.
Daartegenover staat dat delen van de beplanking van vloeren, zuilen en pilasters wel werden teruggeplaatst en dat het oorspronkelijke architecturale opzet van het interieur werd gerespecteerd ondanks het vervangen van veel origineel materiaal. Uit het onderzoek bleek verder ook dat de opstelling van het podium en delen van de tribune in de loop der tijden werd aangepast aan de zich steeds wijzigende gebruikseisen. Het oorspronkelijk podium uit 1826 was veel kleiner dan het huidige en werd omstreeks 1900-1902 sterk vergroot. Het originele houten podium bleef daarbij ongewijzigd behouden. Tijdens de restauratiefase van Lemaire in 1965-1966 werd dit podium opnieuw verbouwd. Gelijktijdig zijn delen van de plankenvloer vervangen, podium- en tribunetrappen gewijzigd en trapneuzen aangepast ten behoeve van de toen nieuwe mechanische ventilatie. Resultaten van het materieeltechnisch onderzoek Van de kleurstellingen op de verschillende architecturale onderdelen bleken slechts weinig archiefgegevens voorhanden. Voor dergelijke interieuringrepen waren in die tijd geen vergunningen nodig van de overheid, in dit geval de stedelijke overheid, zoals dat bij bouwkundige werken wel het geval was. Ook lieten de zwart-wit foto's in de archieven, gemaakt vanaf ca. 1900, niet toe om gefundeerde veronderstellingen te maken omtrent de opeenvolgende kleurstellingen en zo de restauratieopties mee te bepalen. Hoewel de intensieve ontmantelingswerken van het houtwerk tijdens de restauratie van 1965-1966 het materieeltechnisch onderzoek van de afwerkingslagen uiteraard sterk bemoeilijkten, bracht het toch meer duidelijkheid. Er werden steekproeven uitgevoerd op verschillende plaatsen op wanden, cassettegewelf, kroonlijsten, zuilen en pilasters. De wanden zijn opgetrokken in bakstenen metselwerk, met natuurstenen
M LI 59
omlijstingen rond de deuropeningen. Het onderzoek op de wanden toonde dat het verflagenpakket hier verstoord is waardoor het aantal nog aanwezige afwerkingslagen te klein is om de volledige historische gelaagdheid te kunnen documenteren. Alle pleisterwerk, zowel de oude als de nieuwere lagen, zijn traditioneel van samenstelling: zavel, wit zand, kalk en koehaar voor de raaplaag, en zand, kalk en koehaar voor de toplaag. De laatste afwerkingslaag uit 1965 was een acrylverf. Hieronder bevond zich een donkergroene laag, die teruggaat op herinrichtingswerken voor de ontvangst van koning Boudewijn in de Grote Aula in 1951 (4). Onder deze laag werd een bruinrode olieachtige laag aangetroffen, mogelijk een grondlaag als voorbereiding voor de groene laag (5). Ten behoeve van de werken in de jaren 1950 werd het volledige interieur ontpleisterd. Op één plaats zijn oudere pleister- en verflagen teruggevonden, met name ter hoogte van de hoofdingang onder de rondboog: de oudste laag op de wanden bleek hier een lichtgrijze olieachtige laag. Ook het grote cassettegewelf werd in het verleden volledig ontdaan van afwerkingslagen. Op één plaats bleken nog fragmenten van de, overigens sterk vervuilde, oorspronkelijke verflagen aanwezig: het betrof een pakket van een vier- tot vijftal kalkwitsellagen, variërend van wit over gebroken wit tot lichtgrijs. Bovenop dit pakket bevond zich een okergele laag, die overeenkomt met de groene laag op de wanden en teruggaat tot de fase van 1951. De kroonlijst is nog deels oorspronkelijk en werd deels vernieuwd tijdens de restauratie van 1965. Op het plafond boven de lijst bevond zich enkel een synthetische witte verf, maar op de kroonlijst zelf werden lagen teruggevonden in twee tinten groene verf (fase 1951) met eronder een zalmkleurige grondlaag en een bruingekleurde preparatie (isolatie-) laag. Ter hoogte van de hoofdingang, waar de olieachtige grijze verflaag als oudste laag is teruggevonden, is op de sierlijst als oudste laag een eveneens grijs gepigmenteerde kalkverf aan het daglicht gekomen (6).
60 I 1VI L
De meeste zuilen werden volledig ontmanteld en opnieuw aangekleed tijdens de restauratie van 1965: het hout van de ronde kolommen werd daarbij wel gerecupereerd. Ook de pilasters op de ronde achterwand werden nieuw hermaakt en omkist met spaanderplaat. Enkele zuilen zijn echter nog volledig oorspronkelijk: hier werd gelukkig wel een historisch integraal afwerkingslagenpakket teruggevonden. Deze zuilen zijn opgebouwd uit hout, waarbij de verbinding tussen de houtdelen is aangewerkt met een vette, beigekleurige olieplamuur, waarop een witte oliegrondlaag is aangebracht. De eerste verflaag is een licht grijsblauwe olieverf met een dunne grijsgroene glacis (7). Tot ongeveer heuphoogte was bijkomend een dunne bruingekleurde olieverf aanwezig, vermoedelijk een verkleurde laag die ter bescherming was aangebracht op de meest aan normale gebruikslijtage onderhevige zone, om ook het vuil te camoufleren. Als daaropvolgende lagen werden een beige olieplamuur, een zalmkleurige verflaag, een krijtlaag, een grondlaag, papier en een witte acrylaatgebonden verflaag blootgelegd. Op de kapitelen, die in tegenstelling tot de zuilen zelf wel grondig werden gedecapeerd, zijn sporen teruggevonden van een grijsgroene verf. Op de wandpilasters is dezelfde oorspronkelijke afwerking gevonden als op de zuilen: op een beige grondlaag is een grijsblauwe olieverf aangebracht waarop een dunne grijsgroene glacis is aangebracht. Net als de zuilen, zijn de pilasters nadien in een zalmkleur overschilderd, later met papier overdekt en opnieuw met een witte acrylaatverf beschilderd. De oudste verflaag op de deuren aan podiumzijde is gebroken wit, waarop later verschillende lichtgekleurde verflagen zijn geschilderd. De deur van de hoofdingang was eerst witgeschilderd, daarna lichtgeel en als laatste laag opnieuw wit.
Reconstructie van de kleurstellingen van het interieur
Het onderzoek van de afwerkingslagen toonde in eerste plaats aan dat deze grondig werden verstoord, zodat enige voorzichtigheid bij de interpretatie nodig
was, alsook enige terughoudendheid bij de hypothetische reconstructie van de opeenvolgende kleurstellingen van het interieur van de Grote Aula. Er konden wel drie duidelijk verschillende afwerkingsfasen afgebakend worden: dit is, gezien de leeftijd van het interieur, eerder weinig. Gelukkig kon daarbij, dankzij sporadisch bewaard gebleven fragmenten, die aan algemene ontpleisterings-, decapatie- en ontmantelingswwerken zijn ontsnapt, ook de oorspronkelijke kleurstelling achterhaald worden. De eerste verfsystemen waren naar alle waarschijnlijkheid een combinatie van enerzijds oliegebonden verven, die werden aangebracht op de wanden en op de houten pilasters en zuilen, en anderzijds al dan niet gepigmenteerde kalkgebonden verven voor het lijstwerk en het cassettegewelf. Het voordeel van de oliegebonden verven, was het grotere gemak om ze te reinigen. Dit kan mede een verklaring zijn voor het relatief lage aantal opeenvolgende afwerkingslagen in het interieur. De mogelijkheid tot gemakkelijk reinigen verminderde de noodzaak tot herschilderen als middel om vervuiling tegen te gaan.
De eerste teruggevonden afwerkingslaag op zuilen en pilasters is de grijsblauwe olieverf met grijsgroene olieverfglacis. De wanden, rondboog en de kolommen waarop de rondboog steunt, waren in lichtgrijze olieverftinten beschilderd. De rondbogen boven de deuren waren in lichtgrijze kalkverf geschilderd. Door de olie in de verf, leken de wanden in een iets diepere grijstint geschilderd dan de rondbogen, waardoor een subtiel toonverschil werd bekomen. Het cassettegewelf was volledig met kalkverf witgeschilderd, wat de ruimte lichter maakte. Een volgende belangrijke fase in de interieurafwerking, is deze van omstreeks 1951. Het interieur werd dan volledig herschilderd in contrasterende kleuren naar aanleiding van het bezoek van koning Boudewijn. De wanden waren beschilderd met een donkergroene latexachtige verf, nadat de oude pleisterlaag werd verwijderd en een
lieuwe aangebracht. De zuilen waren almkleurig beschilderd en het assettegewelf in een tint van gele oker. Mogelijks hadden de zuilkapitelen een erguld boordje. Op het balkgestel waren wee tinten groen aanwezig: een onkerdere op de eigenlijke kroonlijst en en lichtere op architraaf en bloktandlijst. )mdat de wanden en kroonlijsten aardoor donkerder waren dan de zuilen n het cassettegewelf, leek het interieur uidelijker begrensd en donkerder, haast itiemer. Een derde herkenbare fase is eze van 1965 als het volledige interieur anuit de wens tot een strakke niformiteit grondig werd herdacht en gaal werd overschilderd met een witte crylverf, met als enige accent de zwarteschilderde zuilsokkels. Na deze fase zijn r geen noemenswaardige wijzigingen neer ondernomen aan het interieur, tot ian de huidige algemene restauratie. roefrestauraties en dergelijke eenduidige ouwhistorische evolutie maakt het iegelijk om op gefundeerde wijze over te ••an tot een aantal ondubbelzinnige stauratieopties. Zo kon worden soordeeld terug te gaan naar de irspronkelijke kleurstelling van het terieur gezien dit de kunsthistorisch leest waardevolle is en de latere iterieurfasen een minder hoge rfgoedwaarde vertegenwoordigen. Ter erdere voorbereiding van de precieze ?stauratieparameters werden aansluitend m aantal voorbereidende roefrestauraties uitgevoerd. Om de aaibaarheid van het vrijleggen van de riginele planken vloer te bepalen, werd ier een eerste proefrestauratie ndernomen. Deze werd uitgevoerd in rie zones, namelijk twee proefvlakken an telkens 2m ter hoogte van de trappen n één ter plaatse van de gaanderij chteraan. Hierbij werden de ondervloer it spaanplaat en de looplaag uit linoleum an 1965-1966 verwijderd, werden de aderliggende oorspronkelijke planken jn opgeschuurd, gereinigd en hersteld oor plaatselijk vervangen van houtdelen mder andere lokale delen van de door itensief gebruik verweerde trapneuzen) n gevernist.
Een tweede proefrestauratie had als doel meer informatie te verzamelen met betrekking tot de afwerkingslagen. Zij werd uitgevoerd op twee verschillende zones. Een eerste zone met en rond één van de muurpilasters om de halfronde achterwand van de aula werd volledig ontdaan van de in de restauratiecampagne van 1965-1966 aangebrachte spaanplaten, de ondergrond werd aansluitend voorbereid en afgewerkt volgens de originele kleurstellingen met de originele afwerkingsproducten. In een tweede zone rond één van de vrijstaande zuilen werden alle papieren onderlagen uit 1965-1966 verwijderd, de ondergrond voorbereid en afgewerkt met de oorspronkelijke kleurstellingen maar ditmaal echter met eigentijdse verfproducten. Op die wijze kon niet alleen ingeschat worden hoe de eigenlijke restauratie best verder werd aangepakt, maar konden ook concrete uitspraken gedaan worden over de verder toe te passen verfsystemen voor de andere te schilderen delen van de aula. Ook kon tijdens de proefrestauratie de juiste kleurstelling nagetrokken worden. Wat de kleur der zuilen en pilasters betreft leverde de uitvoering van de combinatie van de twee lagen boven elkaar, zoals teruggevonden in het vooronderzoek, namelijk de beige grondlaag met daarop de grijsblauwe verflaag en een grijsgroene glacis, de uiteindelijke lichte, wat grijsgroene kleur. De huidige kleur is daarmee de historisch correcte kleur zoals deze na verder overleg met de vooronderzoekers en na de proefrestauratie naar voren is gekomen.
Bij de uiteindelijke restauratie waren twee opties mogelijk: gebruik maken van de oorspronkelijke verfsystemen, ofwel gebruik maken van moderne verven. Indien geopteerd werd voor originele verfsoorten, te weten kalkverf op plafond en lijsten en olieverf op zuilen, pilasters en wanden, diende het volledige interieur voorafgaandelijk ontdaan te worden van alle verflagen. Door de onderliggende verflagen, zoals ondermeer de latexachtige verf, zouden de traditionele verven namelijk niet kunnen hechten aan de ondergrond. Omdat volledig ontverven niet wenselijk nog haalbaar werd geacht,
zijn hedendaagse verven toegepast, met name een halfmineraal systeem voor het plafond en de sierlijsten, dat het matte aspect van kalkverf zeer goed benadert en bijkomend beter bestand is naar veroudering toe. Voor de wanden en zuilen zijn acrylverven gebruikt, die een aspect en kleurdiepte hebben die aanleunen bij oorspronkelijke olieverf. De verven zijn handmatig met een borstel aangebracht. De proefrestauraties wezen uit dat de beoogde behandeling realistisch was en op basis hiervan kon een gericht bestek voor de uiteindelijke restauratie opgemaakt worden.
Eindnoten (1) BOA Bouwhistorisch vooronderzoek van het gebouwencomplex Pauscoüege, Maria-Theresiacollege, Collegium Veteranorum (onuitg. rapport), Brussel, 2004. (2) Dossier RBooi655/2O05-3795/Ro79/DN/ac. Binnen het kader van het geldend restauratie premiebesluit werden 80% van de onderzoekskosten door de Vlaamse Overheid (Onroerend Erfgoed) gedragen met het oog op het verhogen van de kwaliteit van de restauratie van de als monument beschermde gebouwen. Het vooronderzoek werd geadviseerd en begeleid door Onroerend Erfgoed (Dieter Nuytten). (3) De algemene coördinatie van het onderzoek lag bij ARTER (o.a. Mare Vanderauwera), het historische luik werd uitgevoerd door Annelies Wouters en de materieeltechnische studie door PRC - Patrimonium Research & Consultancy (o.a. Sien Godderis). Het vooronderzoek werd inhoudelijk begeleid door Onroerend Erfgoed (Dieter Nuytten). De verflagenanalyse gebeurde door het Koninklijk instituut voor het kunstpatrimonium (Marina Van Bos en Ingrid Nijs). Projectverantwoordelijke voor de KUL was Tom Verbist, aan wie dank voor de zeer goede samenwerking. Zie ARTER, PRC, WOUTERS A., Bouwhistorisch vooronderzoek en materiaaltechnische studie van het gebouwencomplex Pauscollege, Maria-Theresiacollege en Veteranencollege: Het interieur van de Grote Aula (onuitg. rapport), Brussel, 2007. (4) Het betreft vermoedelijk een stelatexverf, voorloper van de latexverven. ARTER, PRC, WOUTERS A., op.cit., p. 68. (5) Op de natuurstenen deuromlijstingen is dit de eerste aanwezige laag. (6) Door het verschil in bindmiddel, is er een verschil in eindaspect: de olieachtige laag op de wanden heeft een dieper en licht glanzend aspect (zijdeglans) terwijl de grijze kalkverf op de sierlijst mat is. (7) Glacis is de laatste verflaag die in een laagsgewijs opgebouwde kleurstelling wordt aangebracht: deze zeer dunne afwerking is een gekleurde, transparante laag waarmee subtiele kleurovergangen worden gemaakt of een oppervlakteaspect wordt geëvoceerd.
1VI&LI 61
Besluit De Grote Aula van de Leuvense universiteit, waarvan de bouw werd opgestart in 1825 en die werd voltooid in 1826 of 1827, vormt één van de belangrijkste materiële getuigen van de korte periode gedurende dewelke de universiteit een rijksinstelling was. Het gebouw was oorspronkelijk bestemd voor het Filosofisch College, maar werd ook door de Stad Leuven gebruikt voor prijsuitreikingen tijdens de zomermaanden. Zowel het exterieur als het interieur getuigen van een extreem doorgedreven eenvoud in de uitwerking van de architectuur. Deze strengheid is algemeen kenmerkend voor de architectuur van het Koninkrijk der Nederlanden maar getuigt evenzeer van de strenge, ascetische opleiding waaraan men de priesterstudenten onderwierp. De keuze voor een Ionische orde voor de zuilen van het interieur en vermoedelijk ook de toevoeging van de portiek beantwoordden aan de verlangens van de vertegenwoordigers van de stad, die het gebouw een representatief karakter wouden geven. De geschiedenis van de Grote Aula illustreert zeer goed de geschiedenis van het onderhoud en de restauratie van het academisch bouwkundig erfgoed. Tot ver in de 205,e eeuw viel het onderhoud van een aanzienlijk deel van de universiteitsgebouwen, waaronder het Pauscollege, onder de bevoegdheid van de diensten van de Stad Leuven. De correspondentie over de voortdurende problemen met het onderhoud van de Grote Aula toont aan dat de universiteit destijds niet steeds zijn rol als goede huisvader op voorbeeldige wijze vervulde en soms naliet belangrijke technische problemen tijdig aan de stadsdiensten te melden. Omstreeks 1900 ondernamen deze een ingrijpende restauratie van het gebouw waarbij het leien dak vervangen werd door een zinken exemplaar en de buitenmuren ontdaan van hun pleisterlagen. Ook nadat in 1920 een erfpachtovereenkomst was afgesloten tussen de stad en de universiteit kwam het groot onderhoud voor rekening van de stadsdiensten. Een ingrijpende restauratiecampagne werd in 1965 ondernomen op persoonlijk initiatief van Lemaire, die op dat ogenblik binnen de universiteit een onafhankelijk dienst voor de restauratie van de universiteitsgebouwen had opgezet. De professor herstelde het gebouw volgens een strak uitgezet, historiserend concept en conformeerde het aan de toenmalige functionele standaards. De recent voltooide restauratie werd gepland en georganiseerd door de Technische Diensten van de Leuvense universiteit die sinds enige tijd in toenemende mate investeren in monumentenzorg. Op basis van de resultaten van verschillende bouwhistorische studies werd een strategie opgezet voor de restauratie van de
Grote Aula waarbij enerzijds gestreefd werd naar een herstel van het historisch karakter van het gebouw en anderzijds naar een modernisering van de technische uitrusting van het auditorium. Tijden de werkzaamheden werd de leien dakbedekking in zijn oorspronkelijke staat teruggebracht en werd de originele kleurstelling van het interieur hersteld. Tegelijkertijd werd de audiovisuele en didactische uitrusting van de aula helemaal gemoderniseerd naar hedendaagse normen en het gebruikscomfort aanzienlijk verbeterd. Treffend in het verhaal van de Grote Aula is ook de vaststelling dat de bijna voortdurende schade die he gebouw opliep in aanzienlijke mate door studenten werd veroorzaakt. Zowel in de brieven van de Leuvense stadsdiensten van de tweede helft van de i9 de eeuw en het begin van de 20"* eeuw alsook in de correspondentie van Lemaire vonden we brieven waarin beschreven wordt hoe de studenten het dak beschadigden of de dakgoot verstopten. Ook nu nog worden de Technische Diensten van de KU Leuven geregeld geconfronteerd met afval dat in de dakgoot wordt gedumpt. De recente restauratie van de Grote Aula vormt een belangrijke schakel in het geheel van de reeds uitgevoerde en de nog voorziene werken op deze belangrijke universitaire site. Er zijn nog verdere werken voorzien om de oude universiteitsgebouwer aan te passen aan de hedendaagse normen van onderwijs en energieverbruik. Tegelijkertijd zullen de Technische Diensten ook trachten het historisch' karakter van dit gebouwenpatrimonium meer tot hun recht te laten komen. Thans is reeds voorzien om de dakpannen van het huidige Pauscollege en het Maria-Theresiacollege te vervangen door leien, overeenkomstig de situatie van het dak van de Grote Aula en het Veteranencollege. Ook de oude, verdwenen pleister- en kalkverflagen van deze collegegebouwen en van de Grote Aula zullen opnieuw aangebracht worden. Deze ingreep wordt verantwoord door de bevindingen van de versch'^'end bouwhistorische studies. Deze werken zullen iters behoedzaam gepland worden in overleg met de bevoegde diensten van Onroerend Erfgoed vanwege de grote historische gelaagdheid van dit belangrijke academisch erfgoed en met het oog op de beeldkwaliteit van deze gebouwen, die een belangrijke plaats innemen in het weefsel van de stad Leuven.
Joris Snaet is doctor in de kunstwetenschappen ei coördinator van de bouwhistorische studies bij de Divisie Monumenten van de KU Leuven. Tom Verbist is Master in Conservation en ingenieur-architect bij de Divisie Monumenten van de KU Leuven.
(5) 550 jaar Universiteit te Leuven, p. 414. (4) DE MAEGD C, Hortus Lovaniensis. Zijn geschiedenis en zijn gebouwen. De restauratie van de oranjerie, in Mejl, jg. 3. nr. 4, • Uitvoerders 1984, p. 6-26. Vandezande nv, Mourik nv, Renotec nv, (5) De universiteit te Leuven 1425-39S5, op. cit.; DEREZ M., VANFabricom (GDF Suez) nv, IW-Technieken bvba, DEKERCHOVE V., VELDEMAN P. en VERSCHAFFEL T. (red.). Vrijgevochten stad: Leuven en de Revolutie van PIT Antwerpen nv, Veldeman bvba, Poels 1S30/1831, Leuven. 2006. p. 80-81. Romain nv, Biesmans bvba, BIS Industrial (6) Leuven, Rijksarchief, Filosofisch College (1817-1835), nr. 175. Services, Jennen nv, Herentalse Metaalwerken In het college doceerde men de vakken Latijn, Grieksch, Wiskunde. Hebreeuwsch. Psijcologie en Logica. Nederlandsche GeLeysen bvba, Auvipartners nv, DC. Fibrocit nv, schiedenis, Kerkelijke Geschiedenis, Algemeene geschiedenis, Timmermans Interieur bvba Hoogduitsche Letterkunde. Nederduitsche Letterkunde en Wel« Opdrachtgever sprekendheid, Hebreeuwshe Oudheden. Kanoniek Regt, Metaphijsica. Geschiedenis der wijsbegeerte en Ethica. KU Leuven, directie Technische Diensten, Leuven, Rijksarchief, Filosofisch College (1817-1835), nr. 176. (7) divisie Monumenten (X) VAN EVEN E., Louvain dans Ie passé et dans Ie present, Leu• Ontwerp en projectcoördinatie ven, 1895. p. 389; DEREZ M., Een academisch parcours. Van het Hogeschoolplein naarde Pieterde Someraula, in Open MoKU Leuven, directie Technische Diensten, numentendag, 13 september 1992. Leuven, p. 84- 91. divisie Monumenten (Tom Verbist) (9) CALBRECHT J., Het Seminarie Theologorum Veteranorum • Projectteam Technische Diensten KU Leuven te Leuven, in Mededelingen van de Geschied-en Oudheidkundige Kring van Leuven en Omgeving. 14. 1974, p. 3-17; ROETom Verbist, Eric Boucquey, Jochen Scheers, GIERS )., Politiek, religie en samenleving, in VAN UYTVEN Lucie Stroobants, Kristof Wevers, Chris Wuyts, R. (red.). Geschiedenis van Brabant: van het hertogdom tot Tim Deckers heden, Leuven, 2004, p. 457-479. • Overleg met Vlaamse Overheid Dit college was ingericht in een deel van de gebouwen van het in 1773 afgeschafte jezuïetencollege. Tussen 1778 en Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant (Dieter 1786 werd het gebruikt voor de opleiding van hoog opgeNuytten) leide seminaristen die reeds een priesterwijding hadden • Restauratiepremies ontvangen. ROEGIERS ).. Het jongste college van de Oude Universiteit. Het Veteranencollege, in Collegium Veteranorum. Vlaamse Overheid, provincie Vlaams-Brabant en Aedes Sacrae Facultatis, Bij de inwijding van het VeteranencolStad Leuven lege, Faculteit Godgeleerdheid. K.U. Leuven, 1 ju/i. 2009. Leu• Bouwhistorisch vooronderzoek ven, 2009, p. 8-49. Vrijgevochten stad: Leuven en de Revolutie van 1830/1831. BOA-ARTER 2006, p. 81. • Materiaaltechnisch vooronderzoek VAN EVEN E., op. cit, p. 590; DE KEMPENEER J. (ed.), BOA-ARTER, Annelies Wouters, PRC Leuvense Kroniek van J.-B. Hous (1780-1829), Heverlee, 1991. Proefrestauratie (13) Leuven, Stadsarchief, Oud Archief. 11469 (Cuvelier). IBOA-ARTER, PRC (•4) Van Hensmans weten we dat hij samen met de architect Uitvoeringstermijnen CharlesVanderstraeten (1771-1834) meegewerkt had aan de rooronderzoek en proefrestauratie: juni 2007verbouwingen van het Premonstreitcollege. het Koningscollege en het Veteranencollege. Leuven. Rijksarchief, Filosptember 2008, ontwerp: januari 2008sofisch College (1817-1835), nr. 80. Ook de ontwerpen van hvember 2010, uitvoering: juni 2011-september de octrooigebouwen aan de Brusselse Poort van Leuven aan hem toegeschreven. Deze bouwwerken dateren van 1825 en werden eveneens in een streng klassieke stijl opgericht. HOECKX R., Tolhuis, Brusselsestraat 203, in Open Monumentendag. 15 september 1991, Leuven, 1991, p. 44-47. (15) Leuven, Stadsarchief, Oud Archief, 11469 (Cuvelier), nota [indnoten door Hensmans en Wirix van 16 juni 1826. (.6) Later werkte Vifquain ook mee aan de uitbouw van het spoorwegnet in België. De ingenieur is ook bekend van een Deze bijdrage is in belangrijke mate gebaseerd op drie niet uitgevoerd ontwerp voor het herdenkingsmonument vooronderzoeken die door de Technische Diensten van de te Waterloo dat hij maakte omstreeks 1820, en het ontwerp KU Leuven werden ondernomen tussen 2006 en 2010: Bouwhistorisch vooronderzoek en materiaaltechnische studie van de ijzeren hangbrug aan het kasteel van Bazel die werd van het gebouwencomplex Pauscollege, Maria-Theresiacollege gerealiseerd in 1820. LEDERERA., Vifquain (Jean-Baptisteen Veteranencollege. Het interieur van de Grote Aula. deelstu- Joseph), in Biographic Nationale, dl. 43, kol. 700-738. Deze techniek werd in de loop van de i8dl' eeuw in Engedie 3 (BOA-Arter, Annelies Wouters, PRC). september (17) land ontwikkeld, onder andere voor de verwarming van 2007. Bouwhistorisch vooronderzoek van het gebouwencomplex Pauscollege. Maria-Theresiacollege en Collegium Vetera- kassen en serres, maar kende pas in de eerste decennia van de 19* eeuw een wijdere verspreiding. De door Alexandre novum (BOA), 2004, 2 delen. Bouwhistorisch vooronderzoek Theodore Brongniart (1739-1813) ontworpen en onder leiMaria-Theresiacollege te Leuven (Sofie Beyen architecten, ding van Eloy de la Barre (1764-1833) in 1826 voltooide Studiebureau Lode De Clercq. Annelies Wouters, Piet SteBeurs van Parijs is vermoedelijk het eerste monumentale vens), september 2010, 2 delen. Bijkomend onderzoek openbaar gebouw dat met een stoominstallatie verwarmd werd verricht in het Stadsarchief, het Universiteitsarchief werd. De Leuvense installatie is ouder dan die van de tusen het Rijksarchief van Leuven. De auteurs wensen de volsen 1826 en 1829 gebouwde Brusselse plantentuin die omgende personen te danken voor hun medewerking: Zeljka streeks 1832 werd voorzien van een verwarmingsinstallatie Knezevic. diensthoofd van de Divisie Monumenten van de op stoom en tot op heden bekend stond als de oudste Technische Diensten van de KU Leuven; Marie Verlinden, stoomverwarming van België. DE CLERCQ L., De internaingenieur-architect bij de Divisie Monumenten van de tionale context van de Belgische verwarmingstechnologie in Technische Diensten van de KU Leuven; Mark Derez, verhaar relatie met de architectuur, in Gentse Bijdragen tot de bonden aan het Universiteitsarchief van de KU Leuven en interieurgeschiedenis, vol. 32. 2003, p. 77-112. Dieter Nuytten. erfgoedconsulent bij Onroerend Erfgoed. Aldus de Deklaratie van het Stedelijk Bestuur van Leuven we550 jaar Universiteit te Leuven {tent. cat.), Leuven, 1976. gens de Gedaane Betalingen voor Materialen en andere Voorp. 406-407; De universiteit te Leuven i/pj-igSj.Tielt, 1986. werpen welke vervaardigt en aangekocht zijn ten Dienst van p. 157-187. Restauratiefiche
1VI L I 63
't Collegium Phiüosophicum tot inrigting van 't Warmetestel(36) Leuven, Universiteitsarchief, Archief Lemaire, dossiers bin't zelve gesticht. Leuven, Stadsarchief, 3036, College philotreffende de Grote en Kleine Aula. (37) TOLLEBEEK J.en NYS L. De stad op de berg. Een geschied sophique Chauffage et mobilier, Convention du 26.9.1836 convan de Leuvense universiteit sinds 1968, Leuven, 2005, p. 21 clue entre la Ville et l'Etat. 1826-1859. (19) BUYLE M., Maria Theresiacollege, verkennend onderzoek(38) Onder het podium, dat enkele aanpassingen ondergin door het conservatieteam van het VIOE (onuitg. rapport), detrof Lemaire restanten aan van een ouder, mogelijk het 01 cember 2009. ginele podium. Deze werden door hem in situ bewaard. (39) The Venice Charter for the Conservation and Restoration (20) Leuven, Stadsarchief, Oud Archief, 11469 (Cuvelier). Monuments and Sites, article 9: "The process of restoration (21) HENRION P., La salie académique de l'université de Liège, highly specialized operation. Its aim is to preserve and re in Le patrimoine exceptionnel de Wallonië. Namen, 2004, the aesthetic and historic value of the monument and is has P- 373-376. on respect for original material and authentic documents, (22) BEKAERT G., DE MEYER R. en CHRISTIAENS H. (red.), must stop at the point where conjecture begins, and in this Hommage Aula academica, Gent, 2006. moreover any extra work which is indispensable must be d (23) ROEGIERS J., Leven in Leuven. Van Brabantse tot Belgische tinctfrom the architectural composition and must bear a co Omwenteling, in DEREZ M., VANDEKERCHOVE V.. VELtemporary stamp. The restoration in any case must be prece DEMAN P. en VERSCHAFFELT. (red.), op. at, p. 9-25. and followed by an archaeological and historical study of (24) Alsookvan een overtekening opgenomen in VAN EVEN E., monument." The Venice Charterfor the Conservation and R op. cit., p. 607; L'université de Louvain. Coup d'oeil sur son toration of Monuments and Sites, article 12: "Replacemen histoire et ses institutions, 1425-1900, Brussel, 1900. missing parts must integrate harmoniously with the whole, (25) De universiteit te Leuven, p. 283-296. at the same time must be distinguishable from the original (26) De universiteit te Leuven, p. 283. that restoration does not falsify the artistic or historic evide (27) Verslag Gemeenteraad Leuven, 31 maart 1879, p. 70. (28) Verslag Gemeenteraad Leuven, 4 augustus 1879, p. 246. (40) Leuven, Universiteitsarchief, Archief Lemaire, dossiers t treffende de Grote en Kleine Aula. (29) Leuven, Stadsarchief, nr. 1974. (30) Leuven, Stadsarchief, nr. 1974, aldus de door Frische on- (41) PATTEEUW V. (ed.), Paul Van Aerschot: ontwerper, bouw didacticus, Leuven, 2007. dertekende vorderingsstaten van de aannemer Gebroeders (42) De Divisie Monumenten werd opgericht in 2004 ome Vrederikel Frans Smets. (31) BRANTS V., L'université de Louvain. Coup d'oeil sur son hishet voortdurend aangroeiende patrimonium van de univc toire et ses institutions, 1425-1900, Brussel, 1900, p. 156. siteit een specifieke aanpak nodig heeft. Het telt nameli meer dan 55 beschermde gebouwen, alsook de als UN E (32) Leuven, Stadsarchief, nr. 1974. CO Werelderfgoedsite van het Groot Begijnhof met hiet (33) Verslag Gemeenteraad Leuven van 3 september 1920. nog 86 extra beschermde gebouwen. Aan vele van de (34) Deze erfpacht van 20 juni 1921 werd vernieuwd na de volgebouwen worden erg hoge eisen gesteld omdat de univt tooiing van de restauratie van de Universiteitshal op 4 desiteit voortdurend op zoek gaat naar een optimaal gebru cember 1926. Op 27 september 2006 werd de erfpacht ervan en niet zelden hoge functionele eisen aan deze g opnieuw verbroken en vervangen door een nieuwe die bouwen stelt. loopt over 99 jaar. (35) Leuven, Stadsarchief, nr. 1974.
1
64 IM L
Mimmar THE URBAN FORMATION OF AALST OR HOW A MEROVINGIAN SETTLEMENT BECAME A LATE MEDIEVAL TOWN Recent interdisciplinary research has resulted in new insights in the urban formation process of Aalst. This small town is located on the Dender river, between Ghent and Brussels, on the limits of the county of Flanders. Archaeology plays a major role in the research of the emergence of towns, as it concerns an era on which historical sources are extremely rare and no architectural or cartographic sources are available. The goal is to test, wherever possible, the different theoretical processes of urban formation processes against the available cartographic, historical and archaeological data. For the first time attention is paid to the pre-urban structure and its influence on further evolution. Characteristics and development are investigated for the pre-urban landscape, the Carolingian domain and its Merovingian predecessor as original development area in Aalst, as well as their relics in the present urban structure. Another main issue are the different elements and processes in the actual urban formation process of Aalst. The political and military events from the nth century played a major role, resulting in a major position ofthe town as border settlement and administrative centre ofthe annexed territory east ofthe Scheldt, known as Rijks-Vlaanderen (the part of the Flemish County belonging to the Holy Roman Empire). The subsequent urban development is also treated, focusing on a number of specific elements crucial for the actual urban outline: large infrastructure works such as the city walls, the allotment, parcel organization and building activities. A short comparative study ofthe urban formation in other cities in the county of Flanders concludes it all. This study on Aalst is the first of its kind, the research on urbanization of small Flemish cities having been neglected until now. This study proves that joining archaeological, historical and cartographic data enables us to create an image ofthe creation and early development of a town and indicate the role small cities have been playing in the earliest stages of urbanization ofthe county of Flanders. The results of this study provide answers to a number of issues concerning the development ofthe urban outline. These are an indication ofthe inertia of ancient structures and take the edge off ingrained prejudices that medieval towns would have grown organically without any planning and where the irregular and/or curved lines were being considered as the typical result of this. The data from Aalst are proof of the exact opposite: almost all of the curved lines in the city plan are the result of planned, major infrastructure works, while most straight lines have their origins in the pre-urban landscape. Such a synthesis eventually results in a sfofus quaestionis on the urban formation process and especially confronts us with the large gaps in our expertise. Specifically for the urban development in Aalst, most issues concerned the location, the
spatial organization and development of the original domain, the villa Alost with its different components (Zelhof, church, marketplace, roads) and their influence on the planning ofthe most ancient (pre-urban) structure.
THE GREAT HALL OF THE LEUVEN UNIVERSITY The construction ofthe Great Hall (Aula Major) ofthe Leuven University started in 1825 and was presumably finished in 1826. The construction was part ofthe design ofthe former Pauscollege (Pope's college) as a teaching establishment for priests, the socalled Philosophical College or Collegium Philosophicum. The foundation ofthe institute was ordered by Willem I with a view to provide priests with a somewhat more enlightened education, moving them away from the rather dogmatic preparatory seminaries. The construction ofthe former Pauscollege and the construction ofthe Aula were led by the three master builders ofthe city of Leuven: Martinus Hensmans, Verheyden and Guilielmus Wirix. The exterior as well as interior design were extremely austere as was the architectural fashion in the Kingdom ofthe Netherlands. The architectural austerity is however also an expression ofthe stern, ascetic education the seminarists were subject to. When in 1835 the Catholic University of Leuven was founded in the young state of Belgium, a whole number of buildings, among which the Aula, owned by the city of Leuven, were put at the disposal ofthe university. Both the university and the town then used the Hall for lectures as well as events and ceremonies. Until today the Hall is still officially owned by the city of Leuven, although a lease arrangement from 1921 (renewed in 2006) provided for the maintenance to be carried out by the university's own services. Letters in the Leuven city archives reveal that during the 19th century the Aula suffered from water infiltration, caused among others by trash thrown into the roof-gutters by students. This caused some annoyance with the city services responsible for the building. In 1900 the city started a major exterior restoration campaign during which the slate-roof was replaced with a zinc roof and the plaster exterior coating was removed. During the first half of the 20th century the benches were replaced with tip-up seats and the pillars and cornices were painted in different colours. Around 1966 the Aula was thoroughly restored by Professor Raymond M. Lemaire, who reintroduced the austere, white appearance ofthe building, and made sure it was fitted out with every modern convenience as well as the necessary educational equipment. In 2011 the Aula was once again restored by the university's technical services. The zinc roof was again replaced with a slate-roof in conformity with the building's original state. Stratigraphic exposures revealed the original interior colour scheme which was subsequently restored. The cornice, pillars and pilasters appeared to have been painted in a slightly brilliant oil paint, mildly contrasting with the mat surface ofthe walls and domed vault. During this restoration campaign the Aula was also upgraded functionally and adapted to modern standards.
M&iLI 65
restoration works In eigen huis / Restauratie is meer dan nostalgie. Meer dan angstvallig bewaren wat ooit was. Restauratie blaast de pracht van ons erfgoed nieuw leven in en integreert het met de kracht van het hier en het nu. Daarom zijn restauratiewerken ons op het lijf geschreven. We slaan de brug tussen traditie en hightech. We hanteren de meest innovatieve bouwtechnieken, maar we hebben het grootste respect voor het oorspronkelijke karakter van ons erfgoed. Bij Denys beheersen we alle restauratietechnieken en voeren we ze uit met eigen mensen en materieel. Dat is de beste garantie op feilloze kwaliteit binnen de gestelde stricte deadlines. Foto I De koepel van de monumentale Sint Pieterskerk in Gent (BE) schittert in zijn oorspronkelijke glorie. Denys restau reerde het interieur van de barokke koepel.
i
www.denys.com
O EN
VS
TUNNELLING WORKS / CIVIL WORKS / WATER WORKS / RESTORATION WORKS / BUILDING WORKS / PIPELINE WORKS / DREAM WORKS