MONUMENTEN. LANDSCHAPPEN & ARCHEOLOOIE 27/3 MEI-JUNt 2008
NATUURLIJKE KLEUREN MAKEN HET V E R S C H I L
hydraulische kalkmortels, kaliei en tadelaktbepleistering UNILIT kalkverven CORICAL silicaatverven CORISILK en KEIM marmerafwerkingen MARMOLUX, CORISTIL en DECORLUX stucco venetiano PLASTELUX en VENESTUK
rviTG Vil nd VIBE-lid /.vibe.be - info@vibe.be +32 (0)3 239.74.23
Arte Constructo bvba Molenberglei 18 - B-2627 Schelle - Belgium Tel. +32 (0)3 880.73.73 - Fax +32 (0)3 880.73.70 www.arteconstructo.be - info@arteconstructo.be
Redactie Agentschap R-0 Vlaanderen Onroerend erfgoed Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel. 02-553 16 13-Fax 02-553 16 12 E-mail: luc.tack@rwo.vlaanderen.be Voorzitter: Luc Tack Eindredactie: Marjan Buyle en Marcel M. Cells Fotografie: Oswald Pauwels Vormgeving en productie: Luc Tack Secretariaat: Diane Torbeyns
Corer; Sfinx in het kasteel van Leeuwergem (foto 0. Pauwels)
Abormementsvoorwaarden 2008
Internet Website: www.onroerenderfgoed.be
België: 35 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 6 € ) . CJP'ers betalen: 27 € Buitenland: 60 €
Redactiecomité*
Advertentiewerving J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: 050-36 25 89 - Fax: 050-37 33 64 E-mail: jancasier.brugge@telenet.be www.jancasier.be
Druk Die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge Tel.: 050-47 12 72 - Fax: 050-34 37 68
Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 091-2206040-95 van Monumenten & Landschappen, Phoenix-gebouw, Koning Albert ll-laan 19 (bus 3), 1210 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 2008". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be
Ere-voorzitter: Edgard Goedleven Voorzitter: Luc Tack Kernredactie: Marjan Buyle, Marcel M. Cells, Luc Tack, Herman Van den Bossche, Peter Van den Hove Redactie: Anna Bergmans, Jo Bracken, Marc De Borgher, Jo De Schepper, Jos Gijselinck, Catheline Metdepenninghen, Dieter Nuytten, Greet Plomteux, Suzanne Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Paul Van den Bremt, Christine Vanthillo, Linda Wylleman
Agentschap R-0 Vlaanderen Onroerend erfgoed Luc Tack Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel.: 02-553 16 13- Fax:02-553 16 05
Zonder schriftelijke opzegging voor het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd
' Het redactiecomité is samengesteld uit erfgoedconsulenten van het Agentschap R-0 Vlaanderen, Onroerend Erfgoed, en van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed
De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
n h O Li 6
Verantwoordelijke uitgever
i
Nieuwe beschouwingen over het park van het kasteel van Leeuwergem Virginie de Burlet
2 6 De tuinen van Alden Biesen: drie stijlen geïllustreerd Chris De Maegd
I 4 9 De tuinpaviljoentjes van de Parkabdij in Heverlee Sofie Beyen en Dieter Nuytten
5 9 Summary
Restauratie en Monumentenzorg
Loofde Heer.,. De vloerverrijzenis bestaat. Een oude natuursteen- of terracottavloer en een versleten parket zijn niet verloren. Solar nv renoveert vloeren en parket zonder breken. Het resultaat is vaak beter dan nieuw en toch blijven de kosten beperkt tot een fractie hiervan. Solar nv beschikt over het gespecialiseerde vakmanschap en hoogstaande technologie om uw vloer opnieuw in haar oorspronkelijke staat te brengen of te reanimeren met behoud van het historisch aspect.
Natuursteen; terracotta- en parketvloeren... mat geworden, beschadigd, loopsporen,... Wij brengen het verleden met glans terug V. BEL m, 03-766.11.66
slijpen - schuren - herpolijsten - kristalliseren - restaureren van natuursteen-, terracotta- en parketvloeren - wanden - trappen
p- Nijs www. pn ijs. be E3-LAAN 49 - 9800 Deinze
TEL 09 386 07 63 - FAX 09 380 35 71
p. nijs. nv@pandora.be
de producent van kaarten, databanken en luchtfoto's o • voor ruimtelijke ordening en stadsrenovatie historische kaarten: archief en reproducties
-r,
Dakwerken G. BOSCH
Algemene Dak- & Restauratiewerken Aartrijkestraat 109 - 8820 Torhout Tel. 050-21 10 85 - Fax 050-22 06 17 GSM: 0485-02 00 50 E-mail: geert@bvbabosch.be Site: www.bvbabosch.be
Erkende aannemers onder nr. 24040 Reg. nr. 051511
Erkenning: Klasse 2 Ondercategorieën: D8 - D12 - D16 - D22 - D24
Renotec n.v. Glas-irvlood restauratie
Restauratie
oger Instituut ^|pr Vertalers & Tolken Antwerpen
&
Renovatie
Renotec n.v. Acaciastraat 14c 2440 Geel
tel: 014/86.60.21 fax: 014/86.16.60
rn@renotec.be www.renotec.be
ra 'ENO 'RESTAURATIE
Generiek T'qffrirai-je ceparc, si cher a l'Anglomane Het klassiek park dat Pieter Emmanuel d'Hane In 1762 bij zijn gloednieuw kasteel in Leeuwergem liet aanleggen blijft in het genre onvolprezen; het tuinplan dat nog maar recent werd herontdekt en inzicht biedt in het ontstaansproces ontneemt voortaan de laatste zweem van twijfel. Virginie de Burlet laat het daar nochtans niet bij, want zoon en opvolger Emmanuel bleef nauwelijks een kwarteeuw later evenmin onbetuigd. Vormen de sinueuze paden in het verdoken Engels Bos, langsheen de rotsgrot, de gouden tempel of nog de graftombe, voor de verstaander geen initiërend parcours van magonnieke signatuur?
Quant au dessein dujardin,
il estplanté en légume
Onderzoek in Rijkhoven naar de verdwenen moestuinen en nog bewaard gebleven boomgaarden van Alden Biezen, herstelt - na uitgesproken aandacht voor de heraangelegde oranjerietuin en deze van de landcommandeur - tegelijk het evenwicht en de historische context. Wat niet belet dat Chris De Maegd in lovende bewoordingen een lans breekt voor de 18de-eeuwse neue Garten van Ghislain-Joseph Henry voor Franz Johann Nepomuk von Reischach: de heden sterk verboste Engelse tuin, waarvan de met klimop begroeide silexgrot door een gelukkig toeval een onvermoed curiosum prijsgaf.
Lumen Acetylena Successit Veteri Luci Dat acetyleenlicht ooit nog kaarslicht zou vervangen had zelfs abt Hieronymus de Waerseggere vanuit de verre 18de eeuw niet kunnen voorspellen. Wél nam hij het initiatief voor de bouw van twee minuscule tuinpaviljoentjes in het kader van een ambitieuse verfraaiïngscampagne van de Abdij van Park, in Kessel-Lo. Godfried met de Baard, wiens privé jachtpark in 1129 dankbaar door de Nobertijnen werd in gebruik genomen, zou het een zorg geweest zijn, maar Sofie Beyen en Dieter Nuytten laten geen moeite onverlet om de metamorfose van onooglijke ruïnes tot sierlijke modelhuisjes met redenen te omkleden.
Virginie de Burlet
NIEUWE BESCHOUWINGEN OVER HET PARK VAN HET KASTEEL VAN LEEUWERGEM • Gezicht op de klassieke tuinen van het kasteel van Leeuwergem (foto 0. Pauwels)
In M&L mei-juni van de historici De Temmerman. ontdekking
2000
verscheen een
Koenraad
artikel
De Wolf en
Ignace
Thans kunnen echter door de
van nieuwe documenten
tie en de interpretatie gevuld en gecorrigeerd
de evolu-
van de parkaanleg worden.
Alle
asen kunnen nu precies gedateerd
aan-
aanlegf-
en beschre-
ven worden (1). Voor het eerst is ook zowel Ontwerp van 1762 vormelijk
als symbolisch vlak de
aanwezigheid
voor de klassieke
ark anies (collectie kasteel
.
van
naar
een
ma onn e f
fa
initiatie
f
'i
parcours met van Emmanuel
op
.
.
reminiscenties d'Hane
Leeuwergem.
foto 0 Pauwels) Engels Bos aan het licht gekomen
(2).
in het
DE ONTDEKKING VAN HET ONTWERP VOOR DE KLASSIEKE PARKAANLEG VAN 1762 Het tuinplan dat enkele maanden geleden in het kasteel van Leeuwergem teruggevonden werd, laat er weinig twijfel over bestaan: de eerste klassieke tuinen van Leeuwergem uit de jaren 1760 door Pieter Emmanuel d'Hane mogen tot de mooiste 18 eeeuwse tuinrealisaties uit onze gewesten gerekend worden. Pieter Emmanuel d'Hane was een tuinliefhebber en legde aan de voet van zijn nieuw kasteel in de heerlijkheid van Leeuwergem, waar hij tijdens de zomermaanden graag verbleef, weelderige klassieke tuinen aan. In die jaren kon men zich met de
^
&ss<*
•
•'
1
i L . i t
aanleg van Franse tuinen nog maatschappelijk positioneren. De bijzonder rijke familie d'Hane koesterde in die jaren hoge politieke en maatschappelijke ambities. Een Gents gezegde stelde dat "wat Gent betreft, men Hm, triste, béte of lent moest zijn", verwijzend naar de namen van de families d'Hane, Triest, de Bette, markiezen van Lede en de graven van Lens. De ultieme bevestiging van hun familiestatus kwam er in 1767 met de toekenning van de titel van graaf door keizerin Maria-Theresia. Die eerste klassieke tuinen weerspiegelden de sociale opgang van de d'Hanes en getuigden van een zeldzaam raffinement en een ongewone ambitie. Alle elementen om de detailstudie van deze tuinen te kunnen maken, zijn inmiddels samengebracht. Bij deze uitzonderlijke bron horen een Staet van becostinge van mijn casteel tot Leeuwerghem en tgene darafis dependerende (3) en de handgeschreven instructies van Pieter Emmanuel d'Hane met het oog op de aanleg van de tuinen. Het Plan du Chateau et jardin de Monsieur Daine de Livergemen sustutié h quatre Lieux de Gand sur Ie chemin de Grammont a Gand is jammer genoeg niet gesigneerd of gedateerd. Het handschrift sluit uit dat Pieter Emmanuel de auteur is. Waarschijnlijk heeft Pieter Emmanuel vooraf zijn visie aan de ontwerper van het plan kenbaar gemaakt. Zijn manuscripten Mémoirepour les jardins de Leeuwerghem (4) en Reglement pour les embellisements a faire aux jardins de Leeuwerghem (5) handelen over alle aanpassingen die hij in het initiële plan wilde aanbrengen. Hij werkte ideeën uit die grotendeels gerealiseerd werden en gaf orders. De toon waarin de teksten gesteld zijn, duidt op een man met smaak die perfect wist wat hij wilde. Pieter Emmanuel was thuis in de Kun-
• an van erar e Deken van 1765
SI:en
Hij frequenteerde al sinds 1754 de Gentse '
n
(© archief museum Academie voor Schone Kunsten. Sterckxhof Deurne)
Ook al berustte de uiteindelijke beslissing waarschijnlijk alleen bij hem, zijn raadslieden waren niet van de minste. Zo refereert hij in zijn geschriften aan Baas Simoens en aan een zekere Sieur Carpentier. Jan-Baptist Simoens (1715-1779) was meester-mestelaar, landmeter en lid van de Koninklijke academie voor beeldende kunst. Hij is de auteur van een niet uitgevoerd tuinplan, gedateerd 1762 en bewaard op het kasteel. Zijn rol beperkte zich tot de uitvoering als aannemer en leverancier van tuinornamenten waaronder tuinvazen van opdrachten van Pieter Emmanuel d'Hane. Pieter Emmanuel stelt Carpentier voor als de auteur van een plan voor een spuitende fontein die hij zeer waardeerde en die hij graag in Leeuwergem wilde gerealiseerd zien. De figuur van deze Carpentier blijft enigszins enigmatisch. Aan de ene kant vinden wij in de rekeningen ene Carpentier als leverancier van leisteen, beeldhouwwerken en beplantingen. Anderzijds weten wij dat een van de leerlingen van de vermaarde architect Laurent Benoit Dewez (17311812) Carpentier heette. Heeft deze laatste meegewerkt aan het tot stand komen van de tuinen? Anderzijds blijken bepaalde van Pieter Emmanuels voorkeuren geïnspireerd te zijn door de Theorie et pratique du jardinage van Dezallier d'Argenville, een werk waarnaar hij in zijn memoires expliciet naar verwijst. Het project dateert waarschijnlijk van 1762, net zoals het niet uitgevoerde project van Jan Baptist Simoens. De rekeningen uit 1764 noteren een betaling van 42 gulden loon voor het klaren van het bos van Leeuwergem. De daarop volgende jaren worden duizenden stuks jong plantsoen aangekocht: iepen, eiken, beuken, witte abelen, lindebomen, tamme kastanjes, berken en haagbeuken.
De klassieke tuinen werden gedeeltelijk ingeplant in de bestaande tuin zodat bepaalde elementen onveranderd bleven, zoals de lange toegangsdreef, moestuin en de boomgaard ten noordwesten van het kasteel. De overige delen werden aangepast volgens de geldende mode. De oevers van de grote vijver rond het kasteel kregen een geometrisch grondplan. De bossen werden ingericht als bosquets van groene kamers, met dreven doorsneden. Toetsing aan latere kaarten, zoals het plan van Gerard De Deken van 3 oktober 1765, de Ferrariskaart van 1771-1778 en het plan van Van der Massen van 1785, toont aan dat het ontwerp grotendeels getrouw op het terrein uitgevoerd is (6). De veranderingen in opdracht van Pieter Emmanuel betroffen vooral de aankleding, de tekeningen van de parterres en het aantal en de inplanting van nissen voor tuinbeelden.
" t — f ~ ^ % "I^""^-R^JMJ. Detail van het
• i
ontwerp van 1762: eerste gedeelte van
1
het klassieke park (collectie kasteel • .
Leeuwergem)
'
•
'^^i
1
i» I l ( ; = ! | ^ : i ; ü j j j :
JJJÜI
Het tuinproject werd gerealiseerd met zorg voor de valorisatie van het nieuwe kasteel, waarvan de architectuut inspeelt op de twee grote perspectiefassen. De eerste as verloopt van oost naar west en sluit aan op de toegangsdreef, kruist het voorhof met de bijgebouwen en geeft uit op de hoofdingang van het kasteel. In het kasteel loopt de as door de hal en het salon om achter het kasteel uit monden in parterres en groene kamers in de vorm van een vertugadin. De dwarsas verloopt van noord naar zuid en staat haaks op de eerste en verdeelt het kasteel in de andere richting, over de grote waterpartij heen om te eindigen achter in het bos. De toegangsdreef verbreedt ter hoogte van het toegangshek om het blikveld op het kasteel te verruimen. Deze plek is, zoals op het plan, vandaag nog steeds afgeboord met lindebomen bij wijze van verwelko-
*
L*-1-
-fl! ming. De twee schuine dreven van de ganzenvoet werden nooit uitgevoerd. Het voorhof zet gebogen aan met een smeedijzeren hek tussen monumentale pijlers. Het grondplan komt perfect overeen met een model, gepubliceerd in 1738 door de befaamde Parijse architect en architectuurtheoreticus Jacques-Francois Blondel (7). In die tijd lagen er twee brede, tweezijdig symmetrische parterres waarvan de uiteinden arabesken vormden die herinnerden aan de rocailles van het kasteel. Dit veel voorkomende type van parterre vindt men terug in de publicaties van Dezallier d'Argenville en van Blondel. De brug naar het kasteel bestond uit twee gemetselde bogen en een houten ophaalbrug. Die werd aan het einde van de 18 c eeuw vervangen door een derde, kleinere bakstenen
M&L
boog. Aan de tegenovergestelde zijde van het kasteel gaf een eenvoudige rechte brug uit op de achterliggende parterres. Historicus Francois Gérard beschrijft in 1853 een brug met smeedijzeren leuningen met de wapens van de d'Hanes (8). De kasteelmot heeft aan de zuidwestkant een ronde uitstulping. Pieter Emmanuel d'Hane voorzag om de boorden van de motte af te dekken met blauwe hardsteen en ze aan te kleden met een smeedijzeren balustrade bekroond met kleine terracotta figuren. Ten zuidwesten van het kasteel toont het plan een geraffineerde compositie van broderie- en grasparterres tussen groene kamers in verscheidene vormen. De broderieparterres vertoonden een nogal archaïsch tracé voor de jaren 1760 en Pieter Emmanuel verkoos platebandes die aangelegd waren met een ezelsrug en versierd met bloemen en struiken en enkele fruitpiramides van peren en appelen. Deze perken kwamen goed tot hun recht tegen de achtergrond van groene kamers met hooghout op het achterplan, twee kamers met iepen en twee kabinetten met lindebomen. De oplopende dwarsas bestond uit drie niveaus. Het eerste niveau bestond hoofdzakelijk uit de grote vijver, verschillende parterres en bosquets die samen een perfect uitzicht op het nieuwe kasteel boden.
Aan het uiteinde van de grote vijver stonden een waterbuffet en twee spuitende fonteinen opgesteld. Zij moesten de blik van de toeschouwer op het belangrijk perspectief van de dwarsas vasthouden. De bosquets ten zuiden van het voorhof werden nooit uitgevoerd. Pieter Emmanuel behield liever de oude, grote vierkantshoeve op deze plek. De bosquet, balzaal geheten, aan de overkant van de grote vijver werd wel aangelegd. In het verlengde van de grote vijver liep de dwarsas door twee parterres om te stoppen ter hoogte van een fontein. Vervolgens doorkruiste zij het sterrebos om uit te monden ter hoogte van de belvedère. O p bevel van Pieter Emmanuel werden de gazonparterres uit het ontwerp vervangen door parterres de compartiments, geïnspireerd door deze op pagina 50 van de Theorie et pratique du jardinage van Dezallier-dArgenville (9). De twee belendende bosquets herbergden groene kamers. In de zuidelijke bosquet^ozwonA zich de zaal van de paardekastanjes waar Pieter Emmanuel in het midden een grote obelisk met een hoogte van 20 voet en bekroond met een gouden bol wilde oprichten. Dit project werd niet door hem gerealiseerd. Zijn oudste zoon Emmanuel richtte later, bij de uitbreiding en wijziging van het Engels Bos die zijn vader opgestart had, niet ver daar vandaan wel een obelisk op. Tegenover de zaal met de paardenkastanjes lag de zaal met de iepen met een meer uitgewerkt grondplan bestaande uit een boulingrin en zijn twee kabinetten. Pieter Emmanuel voorzag hier in het midden een Venus van vier voet op een voetstuk van blauwe hardsteen en allegorische figuurtjes op voetstukken langs de randen van de zaal. Centraal op het achterplan lag een cascade van zeven fonteinen ingebed in een volgend terras. Pieter Emmanuel leek niet overtuigd door de tekening: " Voor de cascade aan de kop van de grote vijver zal ik een paar schetsen laten maken door intelligente personen, de waterspelen op de plannen van Sieur Carpentier moeten bewaard worden omdat zij er de schoonheid van uitmaken. "
Het tweede gedeelte van het plan strekte zich uit over een groot terras. De randen van het terras werden op vraag van Pieter Emmanuel gedecoreerd met bol gesnoeide iepen die alternerend opgesteld waren met wit geschilderde beeldjes op voetstukken. Een erg verknipt gazonparterre met rocaillemotief kreeg een colonnade van iepen als omkadering, waardoor de blik opnieuw op de centrale zich tas gericht werd. Vervolgens was er de "ster aangekleed met waterbekkens en zalerT. In de 18 c eeuw gebruikte men veelvuldig sterpatronen om de beboste zones in te delen. Men doorsneed ze met een
•vV' V '
•^"iire
• • '
Ai • Tweede gedeelte van
Derde en hoogste
het plan van 1762
gedeelte met de
(collectie kasteel
belvédère
Lceuwergem)
(collectie kasteel leeuwergem)
min of meer ingewikkeld patroon van rechte dreven. O p de helling hier in Leeuwergem bestond de uitdaging er in om de verschillende niveaus met elkaar te laten harmoniseren. De eenheid tussen de verschillende onderdelen ontstond door een beredeneerd spel van terrassen en trappartijen vanaf het centrale terras en de hoofddreef. O m bij de lager gelegen waterbekkens ten westen op het plan te komen is daalt men via trappartijen naar een tweede terras en via een zachte helling naar de tuinkamers. Dat terras op het tussenniveau genoot alle aandacht van de opdrachtgever die het wilde verfraaien met symmetrisch op rijen geplaatste figuurtjes, vazen, bloempotten en andere aanzienlijke sierelementen. Hij uitte ook de wens om aan weerszijden van de hellingen een loofgang te construeren en het talud van het terras met gevuldbloemige kersenbomen te beplanten gemengd met bloemenvazen, geplaatst op blauwe hardstenen blokken. De bosquets rechts op het plan tonen groene kamers die verfraaid zijn met forellenvijvers. Pieter Emmanuel voorzag om twee beeldengroepen in blauwe hardsteen te laten beeldhouwen om de spuitende fonteinen te aan te kleden. De bosquets links op het plan lagen op het hoogste gedeelte van de ster en waren verfraaid met twee
groene kamers waar Pieter Emmanuel twee figuren uit zijn tuin in Gent wilde plaatsen. Het derde en laatste gedeelte van het plan ligt in een zone die in haar natuurlijke staat gelaten was. Aan het uiteinde van de centrale as, op het hoogste punt in het park, prijkte een amfitheater voorzien van een waterbekken en een hoger gelegen belvedèrezaal, dit wil zeggen een groene kamer van waaruit men letterlijk een fraai uitzicht heeft. De twee lange kanalen links en rechts naast de hoofddreef op de centrale hoofdas zijn waarschijnlijk nooit uitgevoerd want zij komen niet voor op de latere plannen. Het centrale waterbekken met een gezochte vormgeving diende als reservoir voor de bevoorrading van de Forellenvijvers en was verfraaid met een opborrelende fontein. Uit het plan uit 1785 van landmeter Van der Massen blijkt dat Pieter Enmanuel liever een belvédèregebouwtje op het hoogste terras plaatste dan een rechthoekige groene kamer zoals voorzien op het plan. De verlichte smaak van Pieter Emmanuel evolueerde met de nieuwe trends. Zijn interesse voor de nieuwe Engelse stijl spreekt uit zijn Précis ou coup d'oeil de la course de Leeuwerghem a Enghien, Ath, Beloeil, l'Hermitage, Tournai, Elchin et Audenarde faite en aoüt 1782 (10). Hij geeft als goed inge-
IVI&L
lichte toeschouwer commentaar op de bezochte tuinen. Men weet niet precies wanneer de werken voor de aanleg van het Engels Bos van Leeuwergem gestart zijn. Het plan uit 1785 van landmeter Van der Massen toont aan dat Pieter Emmanuel D ' H a n e in het westelijke gedeelte van de ganzenvoet in het bos een golvende tuin in deze stijl inbracht. De eerste fase van de aanleg van het Engels Bos is dus waarschijnlijk tussen 1782 en 1785 gerealiseerd.
DE VERWEZENUIKINGFN VAN EMMANUFI D'HANF IN LEEUWERGEM
• Detail van het Engels Bos op het plan van circa 1786-1789
Bij het overlijden van Pieter Emmanuel d'Hane in 1786 erfde zijn oudste zoon, Emmanuel, de heerlijkheden van Elene en Leeuwergem. Zijn jongste zoon Jan-Baptist erfde de meesterswoning van de familie in de Veldstraat in Gent. Dat was meteen de aanzet om de klassieke tuinen en het Engels Bos helemaal te wijzigen. Eerdere studies hebben de rol die Emmanuel d'Hane in de transformatie van de tuinen van Leeuwergem geminimaliseerd. De feiten pleitten niet in zijn voordeel: hij was slecht 7 jaar eigenaar van het domein in Leeuwergem. Hij stierf vroegtijdig op veertigjarige leeftijd in Gloucester op de vlucht voor de Franse Revolutie. Waarschijnlijk daarom wordt zijn jongere broer Jan-Baptist ten onrechte gezien als opdrachtgever
(collectie kasteel Leeuwergem
P I . AN Van lui ('-\lVc[ vanLtciiwcrpc. tlr
,
\
.
-Renvoy f„/fr„ .J,-,,/ I ,, ,„, („ y.r ,.
Si /r/
ff*
V
M&L
voor de tweede golf van transformaties in de tuinen van Leeuwergem, waarvan de sporen vandaag nog te zien zijn. O p het kasteel worden twee plannen die bewaard die de wijzigingen die Emmanuel aanbracht in twee etappes verliepen, aantonen. Het eerste plan is niet gedateerd, maar via deductie weten wij dat het tussen 1786 en 1789 ontstaan moet zijn. Het document komt na het opmetingsplan van Van der Massen en dus lijkt het logisch dat dit document na de dood van Pieter Emmanuel in 1786 tot stand gekomen is. Men kan zich inderdaad moeilijk voorstellen dat Pieter Emmanuel het jaar voor zijn dood zijn eigen realisaties zo kort na hun uitvoering teniet zou doen. Dit is onbetwistbaar het werk van zijn zoon Emmanuel, getuige de totaal afwijkende geest en stijl van de voorgestelde parkaanleg. In de tijdspanne van één generatie evolueerden de klassieke tuinen onder invloed van de Engelse landschapstijl naar meer eenvoud. Emmanuel had dit goed begrepen want hij behield de voorbijgestreefde broderieparterres en de groene kamers die zijn vader zo sterk koesterde, niet. Hij liet de grote vijver verlengen en het lovertheater en het kanaal aanleggen. De belangrijkste wijziging in het bos was de afschaffing van de ganzenvoet als overblijfsel van een achterhaalde mode. De paden in het bos werden vereenvoudigd en die vertrokken niet meer vanuit één vertrekpunt om aan te komen in één eindpunt. De idee kiemde om een parcours te voorzien in het oostelijke deel van het bos, dat tot dan onaangeroerd gebleven was, aan te leggen. Bovendien toont dit document aan dat de eerste drie fabriekjes in het bos, namelijk het grafmonument, de hut en de kluis hernomen werden in het volgende plan.
Emmanuel had het hele park volgens de nieuwe trend in Engelse landschapsstijl kunnen laten aanpassen. Hij had de grote vijver van golvende oevers kunnen laten voorzien en een onregelmatiger uitzicht aan de rest. Die werken waren niet noodzakelijk moeilijker of duurder dan de uitgevoerde geweest. Hij verkoos echter een gemengde aanleg met een strakke scheiding tussen de regelmatige en de onregelmatige gedeelten waarbij de klassieke en de landschappelijke aanleg door contrast ten volle tot hun recht kwamen. Het betrokken plan moet gezien worden als voorbereiding op de parkaanleg die vier jaar later uitgevoerd zou worden. Het uiteindelijk plan is ook niet expliciet gedateerd maar men weet dat het getekend is naar aanleiding van een reis in 1789 van Emmanuel d'Hane naar Groot-
Lovcrtheater aangelegd door Emmanuel D'Hane (foto 0. Pauwels)
-4te*«
•4 Brittannië en vóór de prent van Jacques Tranchez uit 1790. Een recent opgedoken archiefstuk verwijst ernaar. Ter gelegenheid van de Belgische onafhankelijkheid in 1830 schreef een zeker Le Mayeur de Merpres een lofdicht waarin hij een vers opdroeg aan Emmanuel d'Hane: « T'offrirai-je cepare, si cher a L'Anglomane, Par les premiers essais qu'y fit le comte d'Hane» (11). In een voetnoot verduidelijkte Le Mayeur: " Omstreeks hetjaar 1789 verbleef graaf d'Hane in Groot-Brittannië waar hij de mooiste plannen van Engelse tuinen in de nieuwe trant liet kopiëren. Hij introduceerde deze praktijk in het park van zijn kasteel in Elene, een gemeente bij Zottegem in Vlaanderen waarbij hij ook exotische planten die recent door leergierigen uit GrootBrittannië waren meegebracht, in cultuur bracht". Emmanuel d'Hane had de reputatie van een overtuigde anglofiel, zowel in zijn politieke ideeën als in zijn artistieke voorkeuren. Zijn Gentse vrienden spraken hem aan met " notre anglois" (12). Le Mayeur schijnt niet te hebben geweten dat Emmanuel d'Hane al voor 1789 de door zijn vader gerealiseerde Engelse aanleg gewijzigd had. Het plan dat in maanden volgend op de reis naar GrootBrittannië ontstond, bestendigt de indeling van het plan van 1786-1789, voltooit de quasi gehele transformatie van de klassieke tuinen en toont de aanleg van het oostelijke gedeelte van het bos. Dit prachtige plan is zeer precies. Alle fabriekjes van het
Engels Bos zijn in de legende afgebeeld. Hoewel ook dit document niet gedateerd of gesigneerd is heeft Emmanuel d'Hane, die helemaal opging in zijn parktransformaties, zich waarschijnlijk laten bijstaan door een architect. Want dit plan is niet alleen opvallend omwille van de technische aandacht voor de waterbouwkunde en het reliëf maar is ook bijzonder rijk aan symbolen. Goetghebuer verduidelijkt dat de architect en aannemer Jacques Jean Dutry de astronomische toren in Leeuwergem gerealiseerd heeft (13). Was hij ook de ontwerper van het plan? Wij weten dat hij pittoreske tuinen in Wondelgem voor de familie van den Hecke en bij het kasteel van Ooidonk voor de familie Bois de Nevele getekend heeft. Het huidige park van Leeuwergem komt nog in grote lijnen overeen met de aanleg van Emmanuel d'Hane uit 1786-1793. O m dat het klassieke park goed gekend is, wordt er in dit artikel niet bij stilgestaan en gaat de aandacht voluit naar het Engels Bos.
BESCHRIJVING VAN HET ENGELS BOS Het Engels Bos werd aangelegd in twee opeenvolgende fasen, de eerste door Pieter Emmanuel en de tweede door zijn oudste zoon, Emmanuel. Met deze laatste krijgt het bos zijn uitzonderlijk karakter. De staat van verval van het Engels Bos staat in
- •
Plan van 1789-1790
< ^ ,
(collectie kasteel
;
Leeuwergern
i
c
f
(
<;
j
i
&
f .P).
'
%
C
1 I
{t i >'-k
f
« (
f 1 <'' i |
i
t ,-.>•
(
I
f i i <' *
}
i
k
*
\ \ «
f-
t
t
#
' J
•? t *
•
ó' i
Toegang tot het
van 1789-1790
Engels Bos vanuit
(collectie kasteel
het lovertheater,
Leeuwergem)
i
é
J
detail van het plan
revolutie maakten een eind aan de werken in het Engels bos zodat een aantal fabriekjes niet gebouwd konden worden. Tuinarcheologisch onderzoek zou hier meer klaarheid kunnen brengen.
schril contrast met de originele luister. De zigzaggende paden uit die tijd zijn deels verloren gegaan. Door de jaren heen heeft zich een ondoorzichtig natuurlijk bos met kreupelhout ontwikkeld waarbij de oorspronkelijke doorzichten maskeren. Sommige van de fabriekjes zoals de astronomische toren en de hut liggen in puin, andere zijn wellicht verdwenen. Enkel de oude documenten geven ons een precies idee van het merkwaardige concept. In het geleide bezoek dat hierna volgt, proberen wij een kort overzicht van de aanleg zoals die op het plan van 1789-1790 voorzien was, te geven. Wij besteden ook aandacht aan wat misschien niet uitgevoerd is. De onlusten ten gevolge van de Franse
Het wegenpatroon in het park was niet zomaar vrijblijvend, maar het leidde de bezoeker bewust van het ene naar het andere fabriekje en wel in een precieze volgorde. Zelfs al had de bezoeker de keuze tussen meerdere wegen, toch kwam hij steeds uit bij het volgende fabriekje. De wandeling in het Engels Bos begint in het lovertheater met een verborgen toegang die aan het oog van de oningewijde ontrokken is. De wandelaar diende de linkse loofgang die naar de loges leidde te nemen. Halverwege de loofgang bood een discrete opening in de haagbeukenhaag toegang tot het bos. De weg liep rond het lovertheater en ging over in een doolhof. De warboel van de wegen probeerde de bezoeker in verwarring te brengen zodat hij de indruk kreeg verloren te lopen. Welke weg hij ook nam, hij bemerkte steeds de obelisk en de ernaast gelegen kluis. De inplanting van de obelisk op het plan komt niet exact overeen met de meer westelijke inplanting op
•4 De obelisk, detail
De kluis.
van het plan van
detail van het plan
1789-1790
van 1789-1790
(collectie kasteel
(collectie kasteel
Leeuwergem)
Leeuwergem)
•4 De rotsgrot, detail van het plan van 1789-1790 (collectie kasteel Leeuwergem)
in het park. Uit een brief van 10 juli 1789 van Charles Van Aelbrouck aan notaris Lemaieur, de vertrouwensman van graaf Emmanuel d'Hane blijkt dat de obelisk na juni 1789 werd opgericht (14). Hij legde in zijn brief uit dat grote blokken blauwe hardsteen die in het park rondslingeren geen nut hebben: "behalve als de graaf ze zou willen aanwenden om een naald op te richten zoals zijn vader gepland had, maar dat is mij niet bekend". Emmanuel heeft dus de wens van zijn vader een twintigtal jaren later gerealiseerd. De obelisk bestaat uit op elkaar gestapelde blokken blauwe hardsteen. Vandaag staan nog twee blokken overeind maar het niet onmogelijk dat de obelisk oorspronkelijk afgewerkt was. Er is vandaag geen spoor meer terug te vinden van de kluis. De tekening van 1789 toont een bescheiden gebouwtje met een relatief eenvoudige architectuur. Een deur en twee vensters markeren de voorgevel in baksteen of vlechtwerk. Een dakruiter met een kruis bekroonde het rieten zadeldak. Bij het verlaten van de obelisk en de kluis had de wandelaar de keuze tussen twee paden die allebei via een uitgestrekte open plek naar een 'rotsgrot'leidden, waarvan thans niets meer overblijft. Het is zelfs niet duidelijk of de rotsgrot echt bestaan heeft, want geen enkel later document bevestigt het bestaan
ervan. De open plek was bedoeld om de gigantische, steile en conische rots in haar geheel in de kijker te stellen. Geologische formaties waren opnieuw erg in trek in de tweede helft van de 18 '! eeuw. Legde men ervoor de nadruk vooral op het afschrikwekkende aspect van bergen, vanaf dan kregen zij een halo van verhevenheid die gepaard ging met intense gevoelens die opgewekt werden door hun angstaanjagend uitzicht en hun verblindende schoonheid. De toeschouwer trad binnen via een opening in de rotsflank. Een steil pad wentelde in de rotsformatie omhoog. Bovengekomen had men een fraai uitzicht op een groot deel van het Engels Bos. Vervolgens maakte de weg grote bochten doorheen een gesloten beplanting die het ruimtelijke gevoel van de bezoeker moest verstoren. Uiteindelijk kwam de bezoeker uit bij een vijver met onregelmatige oevers waarvan het linkse uiteinde aangekleed is met een zeer decoratief overstort in blauwe hardsteen. De basis is nog steeds ter plaatse aanwezig maar de vaas die er bovenop stond is er met de tijd afgevallen. Een foto uit het begin van de 20 stc eeuw toont de nog intacte constructie.
M&L
A
A
Het overstort In
van 1789-1790
Oude foto van
intacte opstelling
blauwe hardsteen,
(collectie kasteel
begin 20"' eeuw
(kasteel Leeuwergem,
detail van het plan
Leeuwergem)
met de toen nog
handtekemngenboek)
De hoogteverschillen in het terrein laten zich vanaf hier voelen. Vanaf dit punt is de het wegtracé bewaard gebleven. Het wandelpad dat de loop van een beekje met meerdere overlopen volgt, stijgt lichtjes. De schotbalken hebben een zekere hoogte waardoor het overlopende water een aangenaam klaterend geluid maakt. Vandaag steekt de bezoeker
de waterloop over via een bakstenen brug waaraan waarschijnlijk een oudere brug voorafgegaan is. Geïnspireerd op het Verre Oosten, vertoonde deze houten brug uit de tekening van 1789-1790 de typische boog en leuning met onderbroken stijlen van de bruggen in Chinese tuinen.
Oude brug geïnspi reerd door het Verre Oosten, detail van het plan van 1789-1790 (collectie kasteel Leeuwergem)
Oversteek van rondhout zonder leuning, detail van het plan van 1789-1790 (collectie kasteel Leeuwergem)
M&L
A Rustieke brug
van 1789-1790
in rondhout,
(collectie kasteel
detail van het plan
Lceuwergem' •
De weg meandert vervolgens om uit te komen bij een volgende brug. Ook zij bestaat niet meer in haar oorspronkelijke vorm. Het ging om een oversteek van rondhout die door het ontbreken van elke vorm van leuning als een ware beproeving diende over te komen. In de tweede helft van de 18 e eeuw vond men het leuk om elkaar angst aan te jagen. Naast het spelelement dienden deze beproevingen echter vooral filosofische overpeinzingen op te wekken. Vanaf dit punt kon de wandelaar één van de wegen die naar rechts lopen nemen, van waaruit hij een van de meest idyllische zichten op het landschappelijke bos kon ervaren. O p een omvangrijke kunstmatige heuvel weerspiegelde een vergulde tempel in het water van een onregelmatig waterbekken. O p het plan staan naaldhoutbomen ingetekend in de nabije omgeving de tempel. Tuinontwerpers gebruikten graag naaldhoutsoorten zoals de zilverspar en de fijne spar om het bergachtige karakter van een parkscène te versterken. De wandelaar moest vanaf dat punt via een van de wandelpaden op zijn stappen terugkeren om zijn wandeling langs de linkerzijde via een brug verder te zetten. Het plan van 1789-1790 toont, waar nu een blauwe hardsteen ligt, een rustieke brug in rondhout en enkele takken die als reling dienden. Zoals de vorige bruggen gaf dit soort van werkstuk bij het oversteken niet meteen zelfvertrouwen. Vervolgens steeg de weg redelijk steil en volgde de perceelsgrens van het park. O p dit traject kruiste de wandelaar een nogal merkwaardige blok in blauwe hardsteen die in geen enkele oude bron vermeld is. Het is duidelijk dat het blok een stopplaats aangaf, maar naar zijn functie hebben wij het raden. Dat het hier over een voetstuk voor een beeldhouwwerk zou gaan, lijkt gezien de monumentale afmetingen weinig waar-
Hardstenen monument met enigmatische functie (foto auteur)
Ronde neoklassieke tempel, detail van het plan van 1789-1790 (collectie kasteel Leeuwergem)
schijnlijk. Een dergelijk voetstuk impliceert een gigantisch beeldhouwwerk en zo dicht tegen de weg aan geplaatst lijkt dat esthetisch gezien niet zo verstandig. Het steenhouwermerk aan de achterkant van het blok is van Nicolas Paternotte (1744-1814). De wandelaar ontdekte vervolgens aan zijn rechterkant een ronde neoklassieke ronde tempel die wij op het plan van 1789-1790 en op de prent van Jacques Tranchez van 1790 terugvinden. Twee bronnen ontspringen aan weerskanten van de tempel en hun water loopt in cascade naar de waterpartij aan de voet van de opgeworpen heuvel. Funde-
M&L
nngen van deze tempel zijn tot op heden niet teruggevonden. Was hij in lichte materialen zoals hout opgetrokken? De prent geeft de indruk dat de tempel het licht weerkaatste ondanks zijn standplaats onder de bomen. Was hij eveneens met bladgoud belegd zoals de Apollotempel in Schwetzingen? De weg liep verder langs de parkgrens en volgde de kleine hoogteverschillen in het reliëf. In het uiterste zuiden van het bos staat een astronomische toren met vierkante benedenverdieping en cilindrische bovenbouw naar een ontwerp van architect Jacques Dutry. Enkel de gecementeerde muren van de gelijkvloerse verdieping staan vandaag nog overeind. De cilinder is vanaf de grond opgetrokken en dat is zeldzaam in de architectuur. De muren van de vierkante benedenverdieping zijn dus niet meer dan schermgevels omheen de ronde torenconstructie. De twee bovenste verdiepingen die op een postkaart uit het begin van de 20 i t e eeuw te zien zijn, werden waarschijnlijk in de eerste helft van de 19 dc eeuw toegevoegd. Zij doen afbreuk aan het neoklassieke evenwicht van de tekening uit 1789-1790. De astronomische toren werd geroemd voor het mooie uitzicht dat hij vanaf de top bood. Francois Gérard schrijft in 1853: "De kijker heeft van op de toren een wijds uitzicht over de streek. Niets ontgaat zijn blik. De klokkentorens van de omliggende steden
en dorpen steken met hun grijzige spitsen uit boven het riante groen van de landerijen met uitgestrekte weilanden en vlakten bezaaid met bloemen die je omringen en die zich tot aan de horizon uitstrekken:'' (15) Tot op dit punt van het parcours beantwoordde de enscenering van Emmanuel d'Hane aan het ideale landschap in Groot-Brittannië na 1760 beïnvloed door de geschriften van Burke. Men probeerde de natuur te sublimeren door haar vanuit een wonderlijke, ongebruikelijke en treffende benadering uit te beelden. De rotsgrot illustreerde wonderwel het zo gesmaakte genre van woeste scènes. De bezoeker van zijn stuk proberen te brengen door de gemaskeerde toegang tot het parcours, de doolhof van wegen en de primitieve bruggen droegen bij tot de verwezenlijking van dit ideaal. Had Burke niet gesteld: "alles wat bijdraagt aan de gevoelens van leed en gevaar is bron van het sublieme" {\G)'> Vanaf de astronomische toren tot het eindpunt van het parcours volgde het verloop van de paden en de waterlopen in grote lijnen het tracé dat Pieter Emmanuel bij de aanleg van de eerste Engelse Bos had aangelegd. Men merkt dat de verschillende opeenvolgende scènes veeleer een riante natuur tonen, T Postkaart van begin 20'" eeuw (kasteel Leeuwergem,
•
handtekenlngenboek)
Detail van de astronomische toren, op het plan van 1789-1790 (collectie kasteel Leeuwergein)
s v w a <;. ByteafKffofa «a Dopooi 8ott«f«Bfe
rirooa da Soitegem. La Tour du Ghèteau de Leeuwergem.
A. Codoene, detail
(collectie kasteel
van het plan
Leeuwergem)
van 1789-1790
minder verrassend maar meer in overeenstemming met het landschapsideaal van vóór 1760 in Engeland. Emmanuel heeft hier weinig fabriekjes toegevoegd. Het meest toonaangevende is het grafmonument. De weg omsloot de oevers van een vijver met twee eilanden erin. De vijver werd gevoed door een bron die op oudere plannen als Fontaine Mayence aangegeven staat. Een monument van blauwe hardsteen kleedde de bron aan: een vierkantig blok met afgeronde bovenzijde waarop oorspronkelijk een vaas gestaan heeft. Vandaag ligt de vaas enkele meters lager naast haar voetstuk. Het water uit het bronbekken liep door een ondergrondse leiding naar een reeks cascades stroomafwaarts naar de vijver. De weg langsheen de cascades gaf recht op een hut uit. Dit fabriekje dateerde eveneens uit de eerste aanleg van het Engels Bos en staat op het plan van 1786-1789 als cabaene en is afgebeeld op het plan van 1789-1790. Van het tot ruïne vervallen gebouw staan nog slecht tweederde van de muren recht. In tegenstelling tot de erg sobere buitengevels duiden de restanten van het interieur op een gezochte binneninrichting: de binnenmuren zijn gebogen en in de vier hoeken zijn beeldnissen aanwezig en er was een schouwmantel aanwezig. De wandelaar kon er zich komen opwarmen en misschien zelfs een lichte maaltijd gebruiken. Het was in de 18 ' eeuw gebruikelijk om fabriekjes op te richten die er aan de buitenkant heel rustiek uitzagen en binnenin rijkelijk aangekleed waren. Niet alleen het spel van contrasten speelde een rol; hier werd vooral ook op het verrassingseffect gespeeld.
Niet ver daar vandaan, na een srenen brugje gepasseerd te zijn, ving de bezoeker een glimp op een
graftombe met bomen er omheen op een eiland. De weg liep langs een door lage boomtakken overschaduwd pad dat de graftombe, die men nabij vermoedde, aan het oog onttrok. Dan dook plots een boogbrug op met een borstwering in prachtig rocaille smeedijzerwerk. Het plan van 1789-1790 toont er echter een houten brug die wij in detail terugvinden op afbeelding 3 in George-Louis Lerouge's Detail des nouveaux jardins a la mode (1777) van een houten brug in Painshill Park in Engeland. Vanaf het midden van de brug had men het mooiste zicht op de graftombe. De cenotaaf staat op het plan van 1786-1789 vermeld als mausoleum op een eiland. Het grafmonument van Leeuwergem vertoont overeenkomsten met het grafmonument van Zwitsers-Franse filosoof, schrijver en componist Jean-Jacques Rousseau (1712- 1778) op het Populiereneiland in het park van Ermenonville bij Parijs. Temidden van de centrale plaat op de lange zijde van de graftombe staat de beroemde spreuk van
Stenen brugje, detail van het plan van 1789-1790 (collectie kasteel Leeuwergem)
' t
gr •
t
»—• i r *
\
• '
t
. jr.
f
Horatius gebeiteld: " Carpe Diem". De wandeling in het Engels bos eindigde een dertig meter voorbij het eiland met de graftombe in de klassieke tuinen bij het eind van de hoofdas.
EEN PARCOURS DAT AAN DE MA^ONNIEKE INITIATIE HERINNERT Omstreeks 1770-1780 won de opkomende vrijmetselarij in de Oostenrijkse Nederlanden sterk aan populariteit. De leden namen deel aan initiatieriten die hen lieten opgaan in de denkbeeldige wereld van bijzondere symbolen. Parallel met de bloei van de vrijmetselarij ontstond vanaf omstreeks 1760 in onze gewesten een voorliefde voor de Engelse tuinen. In deze nieuwe tuinen en parken werden talrijke tuinfabriekjes opgetrokken waarbij de tendens evolueerde naar het bijzondere, naar het ongewone. Sommige jonge aristocratische vrijmetselaars legden in hun domeinen symbolische parcours aan die verwezen naar hun eigen initiatie. Dat verliep eerder discreet omdat enkel een ingewijde elite in staat was om de symboliek te ontcijferen. De achteloze bezoeker begreep de onderliggende boodschap niet en merkte hoogstens het vreemde en ongewone van de plek. Maar ja, het was de mode. Het lijkt erop dat Emmanuel d'Hane het Engels Bos van Leeuwergem als een parcours met verwijzingen naar de vrijmetselarij heeft gerealiseerd. Het opzet achter het plan van 1789 getuigt niet louter van een bekommernis voor het esthetische maar ook van een heel eigen symbolische inhoud. De hiaten in de archieven laten niet toe om een sluitend bewijs voor deze hypothese te bieden maar er zijn sterke aanwijzingen in die zin. De twee zonen van Pieter Emmanuel d'Hane de Leeuwerghem waren vrijmetselaar. Guy Schrants schrijft in zijn boek over de Gentse vrijmetselarij in de 18 e eeuw dat Emmanuel en Jean-Baptiste in 1778 lid werden van de Gentse loge La Bienfaisante. In de ledenlijst uit 1783 van La Bienfaisante noteerde markies de Gage Emmanuel als orateuren]tiLn Baptiste als eerste surveillant.
• Graftombe van J.J. Rousseau, uit de Cahiers van Georges-Louis Le Rouge
1VI&L
Bij de ma^onnieke initiatieritus wordt de oude mens symbolisch afgebroken om te herrijzen als een nieuw wezen. De ma^onnieke initiatie is een scenisch en theatraal rollenspel in stappen. ledere graad heeft een eigen ritueel. Ieder ritueel is voor de geïnitieerde een bijzondere ervaring die hij meteen of later zal begrijpen. Het proces heeft tot doel hem te veranderen, op de weg van de Verlichting te zetten, die van de ware vrijheid.
A
Algemeen gezicht op
Het bos in Leeuwergem is waarschijnlijk nooit het kader van een echte initiatieritus geweest. De wandeling werd in de eerste plaats uitgevoerd voor zowel ingewijden als niet-ingewijden. Maar Emmanuel d'Hane schijnt er voor gezorgd te hebben dat de verschillende onderdelen van het traject op symbolische wijze herinneren aan de bijzondere ervaring van de ma^onnieke initiatie. De initiatie verloopt in drie etappes. Aan de hand van een wandeling door het bos kan nagegaan worden hoe deze drie etappes op het terrein symbolisch geëvoceerd zijn. De eerste stap die het begin van de initiatie vormt, bestaat uit wegrukken van de toekomstige geïnitieerde uit zijn natuurlijk milieu en hem van zijn groep en van de maatschappij te scheiden. De etappe van isolement start bij het lovertheater. O m het bos te betreden moet de wandelaar een discrete doorgang in de haagbeukenhaag nemen. De doorgang is oostelijk georiënteerd, daar waar de zon opgaat. De zonsopgang staat voor de kennis die
leidt naar het ontwaken. De aanwezigheid van A r t e m i s e n A p o l l o verduidelijkt een en ander. In d e .
r
.
'
mythologie staat Artemis symbool voor de maan en Apollo voor de zon. In de eeuw van de verlichting staat de maan voor de kwellingen van de onwetendheid en de onverdraagzaamheid, de zon daarentegen staat symbool voor het licht van de kennis. De wandelaar passeert dus voor Artemis op de weg van het Licht. De vluchtige doorgang doorheen de haag appelleerde vanzelfsprekend aan de fantasie van de bezoeker en scherpte zijn aandacht voor het mysterie aan. Het visuele contrast tussen het klassieke park en het Engels bos versterkte nog het gevoel van overgang. De bezoeker van toen moest echt wel de indruk krijgen dat hij een plek met een ander dimensie betrad. Bovendien was de toegang tot het Engels Bos via een theater tekenend. Het theater stelt de menselijke komedie in de kijker: men brengt er levenslessen. Door afgeleide weg naar het Engels bos in te slaan werd de toeschouwer bewust acteur op een parcours vol verrijkende ervaringen.
heI
klassieke park „ met c sinxen
(foto 0. Pauwcis)
». De tweede etappe, deze van de feitelijke initiatie, Het pad s\u[i 0 p J e vorige aan. In het bos gaat de weg snel l over in een doolhof, waarin de wandelaar het besef
naar het
lovertheater van richting verliest. Hier krijgen de obelisk en de (foto 0. Pauwels) kluis hun volle betekenis. Zij verschijnen als bakens die bewust of onbewust de bezoeker leidden. De obelisk, die voor de oude Egyptenaren een versteende zonnestraal voorstelde, staat symbool voor de zon. Dit is een veelvuldig gebruikt symbool in de vrijmetselarij. Men kan de obelisk eveneens interpreteren als de weg naar het licht. Obelisken in parken herinneren dikwijls aan een heuglijk feit, bijvoorbeeld de oprichting van het park of een gedenkwaardig feit. In Leeuwergem is het uitgesloten dat de obelisk naar de aanleg van het park verwijst omdat het ouder is, namelijk uit de periode toen Pieter- Emmanuel nog leefde. Werd ze opgericht ter herinnering aan het succes van de Franse revolutie en de terugtrekking van de Oostenrijkse troepen tijdens de zomer van 1789. Dit is een hypothese. Misschien hebben wij hier te maken met een samenloop van omstandigheden. Maar Emmanuel was voorstander van het vertrek van de Oostenrijkers ten voordele van een staatsbestel die de vrijheden van de burger beter respecteerde. Maar ook de kluis trekt de aandacht van de gedesoriënteerde wandelaar. In de christelijke traditie kiest de heremiet voor de afzondering ver van de mensenwereld om er een leven van contemplatie te leiden. Zoals Christus zich meermaals terugtrok in de woestijn om te bidden, zo ook probeert de kluizenaar door afzondering God nabij te komen. De aanwezigheid naast elkaar van de obelisk en de kluis moet niet verbazen. De 18 c eeuw was nog erg geïnspireerd door het christendom en vanaf het begin werden in de vrijmetselarij Bijbelse symbolen vermengd met symbolen uit de bouwkunst: de Grote Architect van het Heelal en de tempel van Salomon
De rotsgrot roept beelden op van de eerste initiatieritus: de proef van de zuiverende aarde. De rotsgrot is het oude en natuurlijke symbool van het huidige cabinet de réflexion.{\7) De heuvel staat symbool voor het element aarde, een van de vier elementen samen met het water, de lucht en het vuur. Het betreden van de rotsgrot staat voor het afdalen in de schoot van de aarde. Het is alsof de materiële en fysieke ervaringen waarmee de bezoeker geconfronteerd wordt verwijzen naar de geestelijke moeilijkheden die de geïnitieerde moet overstijgen. Het betreden van de spelonk staat symbool voor de uitnodiging om een introspectieve handeling te stellen. De introspectie leidt tot het in vraag stellen van
de gehele persoonlijkheid. De bezoeker betrad de rotsgrot via een onderaardse gang en verliet haar aan de tegenovergestelde zijde, compleet verblind door het felle zonlicht. Een steil pad leidde naar de top. Daar, oog in oog met de zon, herinnerde de ingewijde zich ten volle zijn eerste verlichting. In de Engels-Chinese tuinen van Maupertuis richtte de markies Anne-Pierre de Montesquiou-Fezensac (1749-1798) een uitzonderlijke yo/Zy op die een gelijkaardige lectuur toelaat (18). De bezoeker dringt door in een grot temidden van een donkere rots in een ravijn en komt via een dalende weg uit in een ruime zaal in een piramide. Hij kon bij het verlaten van de duisternis alleen maar aangegrepen zijn door de lichtende opening. Eens de visuele schok verwerkt, ontdekte hij een lieflijke plek, Elysée geheten, aan de voet van de piramide. De grot verzinnebeeldt de onderwereld, de ondergrondse doorgang staat voor de reis naar het centrum van de aarde en de piramide staat voor de verlichting en de spirituele heropstanding. In Leeuwergem kwam de wandelaar uit bij een overstort met een bovenbouw bestaande uit een vaas op een voetstuk. Deze enscenering symboliseert het element water. In alle beschavingen staat water symbool voor het leven, de vruchtbaarheid, de zuiverheid. Naast de intrinsieke symboliek verwees deze plek naar de tweede zuivering door water die de kandidaat vrijmetselaar ondergaat. Vervolgens werd de wandelaar over drie rustieke, steeds gevaarlijker ogende bruggen geleid. Hier werd het overwinnen van de angst op de proef gesteld. In de ma^onnieke initiatie is het overstijgen van zijn angsten een essentiële stap in het bereiken van de ware vrijheid. Door de confrontatie aan te gaan probeert men de angst uit te roeien. Maar de brug is tegelijk het symbool voor de transformatie, de overgang, van één toestand naar een andere. Zo kwam de wandelaar aan bij de voet van de opgeworpen heuvel waarop hij een vergulde tempel kon bewonderen die in de hoogte oprijst. Maar de weg er naartoe is versperd door een netwerk van waterbekkens en waterloopjes. De aarden heuvel creëert een opwaarts effect die de idyllische aanblik nog meer onderstreept. Deze tempel verzinnebeeldt een hoogstaand doel dat moeilijk te bereiken is: van waar de bezoeker staat lijkt geen enkele weg er heen te leiden. De wandelaar diende onverrichter zake op zijn stappen terugkeren wat een proeve van nederigheid is en een noodzakelijke voorwaarde voor elke vorming. Van daar loopt de weg steil omhoog en vereist een zware fysieke inspanning. Hij
• • •
:,
» .vr-
, 1
.
»
/,•
. - •
^ • , # '
^
:
'+tu •••::.
--ĥ.
'
•»
. * >
^-;^.
^ > / ^
^ Cv
^i^M v -•».
.....
R •
..^ •fsk>.-£%ïsj' IVC
^i;;
symboliseert de te overwinnen moeilijkheden om tot dit stadium van kennis te komen. Wat verderop komt de bezoeker bij iets wat op een altaar gelijkt. Herinnert het aan het altaar waarop de leerling vrijmetselaar de eed aflegt na de vier proeven van zuivering? Een laatste klim brengt de bezoeker bij de gouden tempel. In de tuinen in Engelse landschapsstijl heeft de ronde tempel dikwijls een voetstuk van rotswerk. De rotsen staan voor de brute natuur, de tempel daarentegen staat met zijn -tot het uiterste gedreven- geraffineerde architectuur symbool voor al het goeds van de kennis. Toch gaat men er in die periode van uit dat ook van de natuur veel leren valt als je er maar voldoende aandacht aan schenkt. Dit sterke, oogverblindende beeld van natuur en cultuur werd veelvuldig gebruikt in tempels gewijd aan de Deugden, de Filosofie, de Glorie en de Vrijheid. Het lijkt erop dat de vergulde houten tempel in Leeuwergem de ma^onnieke verlichting treffend afbeeldt. Het prachtige panoramisch zicht over het Engels Bos ging ongetwijfeld gepaard met de nodige emoties en gevoelens van verrukking en verwondering, een beetje naar het voorbeeld van de verlichting die door de initiatie ingeluid wordt. Het open karakter hierboven liet aan de bezoeker toe het al afgelegde parcours te overzien en een vooruitblik te werpen op hetgeen hem nog te wachten stond en ze met elkaar in verband te brengen. Twee bronnen met een groot debiet ontsprongen links en rechts van de tempel. Zij doen denken aan het visioen van Ezechiël in het Oude Testament (47,1-13): "een waterbron, synoniem voor leven en vruchtbaarheid, ontspringt uit de grond niet ver van de Tempel. De waterstromen golven zonder onderbreking en zorgen voor leven en vruchtbaarheid waar zij passeren".
De astronomische toren beantwoordt niet aan een symbool van initiatie. Hij duidt enkel op de interesse van zijn bouwer voor de sterrenkunde die in de 18 de eeuw erg in trek was. Bij de graftombe stopt het parcours van symbolen. Zichtbaar vanaf een brug die voor de overgang staat, toont dit grafmonument de dood van de niet-ingewijde en de geboorte van de nieuwe, ingewijde mens. De aanwezigheid langs het parcours van bomen met een funerair karakter zoals de moerascipres, de treurwilg, en de taxus versterken nog de idee. De derde stap in de initiatie is het opnieuw integreren van de ingewijde in de groep. De spreuk van Horatius Carpe Diem moet in die optiek gelezen worden. Het is een nadrukkelijk bevel om te leven
in functie van de vorming die men op de weg hier naartoe gekregen heeft en die men op de ingeslagen weg verder moet perfectioneren. Bij het verlaten van het bos vervolgde de wandelaar zijn weg langsheen het kanaal en merkte er de sfinxen op. In tegenstelling tot Artemis en Apollo hebben zij geen ma^onnieke connotatie. Nochtans reveleren zij een interessante symboliek die aan de orde is hier op het einde van het parcours. In de Griekse mythologie hebben sfinxen iets mysterieus. Mysterie betekent in het Grieks "alles waarover gezwegen wordt". De verplichte geheimhouding is de inzet en nodig voor de inwijding in de vrijmetselarij. De ingewijde moet zich de realiteit eigen maken door middel van zijn gevoelens en zelfs door een zintuiglijke schok en niet door een geestelijke vrees. In de Egyptische traditie is de sfinx hoeder van de dodenwereld, de plaats van waaruit de aflijvige kan verrijzen. De ma^onnieke inwijding viseert eeveneens de symbolische dood en een spirituele wedergeboorte. Het Engels Bos van Leeuwergem lijkt een getuigenis van de bijzondere voorliefde voor de vrijmetselarij in de Eeuw van de Verlichting. Het is zeker niet de enige tuin in België die van ma^onnieke ideeën doordrongen is. Jean-Louis Vanden Eynde heeft aangetoond dat dit eveneens het geval was in het kasteelpark van Attre voor een andere vrijmetselaar, de graaf de Gomegnies. In het grondplan van het kasteel en zijn park duiken symbolisch de elementen van de leerling-schort op. Een gigantische rots, enig in zijn soort, vormt het kader waarin de kandidaat leerling de zuivering volgens met de vier elementen ondergaat (19). Zo ook verwijst de Ruïnetempel in Beloeil naar de tempel van Salomon (20). Ook in Wespelaar ondekte Xavier Duquenne dat het Elysium een mat^onnieke connotatie heeft (21). Relicten als deze zijn zeldzaam geworden. Als ze intussen niet zijn verdwenen, verkeren ze vaak in verval of werden ze gewijzigd bij gebrek aan inzicht. (vertaling Herman Van den Bossche)
Virginie de Burlet is kunsthistorica
EINDNOTEN
zelf, tegenover zijn familie en tenslotte tegenover de mensheid en waar hij zijn filosofisch testament schrijft.
(I)
DE TEMMERMAN I. en DE WOLF K., Het parkdomein van Leeuwergem: een historische reconstructie, in M&L
Monumenten,
Landschappen en Archeologie, jg. 20, nr. 3, 2000, p. 6-27. (2
Urn belle realisation de pare mixte au siècle des Lumi'eres, 2007,
sussen architectuurgeschiedenis en tuinkunstgeschiedenis aan het
pare mixte au siècle des Lumi'eres, 2007. Zie de studie van het park
mijn casteel tot Leeuwerghem, 1762-1773. Fotokopie van een
van Beloeil, p. 181.
D'HANE DE LEEUWERGHEM P. E., Mémotrepour lesjardins de Leeuwergem, s.d., handschrift bewaard in het Stadsatchief van Gent, fonds Vreemde Steden, 60, Leeuwergem-Elene. D'HANE DE LEEUWERGHEM P. E., %/fOTraf/)ö»r/a m M Itssements a faire aux jardins de Leeuwergem, 1768. Handschrift bewaard in het Stadsarchief van Gent, fonds Vreemde Steden, 60, Leeuwergem-Elene.
(6)
IRHAAB. (20) DE BURLET V., Le pare de Leeuwergem. Une belle realisation de
D'HANE DE LEEUWERGEM P. E., Staet van becostinge van
handschrift, bewaard in het kasteel van Leeuwergem.
(5)
Marne, 1992, p. 106. (19) Mondelinge mededeling van J.-L. Vanden Eynde tijdens de cur-
aan het IRHAAB, onder leiding van Jean-Louis Vanden Eynde.
(4)
Robert, in COLLETTE F. (dir.), Le Temps des jardins, Seine-et-
Voor meer details, zie DE BURLET V., Le pare de Leeuwergem.
Proefschrift aan het eind van de studie in de kunstgeschiedenis
(3)
(18) DENEFJ.-P, Le pare de Maupertuis. Ledoux, Brongniart, Hubet
FERRAR1SKAART, 1771-1778, Nationale Bibliotheek van België, sectie Kaarten en Plannen. Plan van landmeter VAN DER MASSEN, 1785, bewaard in het kasteel van Leeuwergem.
(7)
BLONDEL J.-E, De la distribution des maisons de plaisance,
(8)
GERARD E, Histoire des anciennes seigneuries de Leeuwergem et
(9)
DEZALLIERD'ARGENVILLEAJ., Theorie et pratique du pr-
Parijs, 1738, t. 1, p. 23.
d'Elene, Gent, 1853, p. 80.
dinage, Parijs, 1709. (10) D'HANE DE LEEUWERGHEM P. E., Précis ou coup d'ceilde la course de Leeuwerghem a Enghien, Ath, Beloeil, THermitage, Journal, Elchin et Audenardefaite en aoüt 1782. Handschrift bewaard in het Stadsarchief van Gent, fonds Vreemde Steden, 60, Leeuwergem-Elene. (II) LE MAYEUR DE MERPRES ET ROGERIES M., Lagloire Belgiijue. Poeme national en dix chants, Leuven, 1830, t. 1, p. 314315. (12) SCHRANTS G., Vrijmetselaars te Gent in de achttiende eeuw, Gent, 1997, p. 222. (13) GOETGHEBUER P. J., Notes sur les sculpteurs et architectes des Pays-Bas, 1831. Handschrift bewaard in de bibliotheek van de univetsiteit Gent. (14) Brief van Van Aelbrouck aan Lemaieur van 10 juni 1789. Handschrift bewaard in het Rijksarchief van Gent in het familiefonds van den Hecke de Lembeke nr. 222. (15) GERARDE, o/i.a>, p. 81. (16) BURKE E., A Physical Enquiry into the Origin of our Ideas of the Sublime and Beautiful, Londen, 1757. (17) Het cabinet de reflexion is een klein kamertje dat zich meestal op de kelderverdieping bevindr en waarvan de muren zwart geschilderd zijn. Deze kelderruimte is de plaats van de filosofische dood van de kandidaat-vrijmetselaar die er schriftelijk op drie vragen moet antwoorden, nl. de verplichtingen van de mens jegens zich-
(21) DUQUENNE X., Het park van Wespelaar, Brussel, 2001.
Chris De Maegd
DE TU1MEN VAN ALDEN B1ESEN: DRIE STIJLEN GEÏLLUSTREERD • De door lanen doorsneden landcommanderi) vanuit het zuidwesten. Links, de Hertcnberg en de Maastrichter allee van de westelijke poort naar de Hariapoort (boven). De tuinen zijn nog met aangelegd. Rechts, de Engelse tuin
(Hasselt, Archief Cel OE) (Luchtopname ca. 1980, Topografische dienst. Ministerie van Openbare werken)
Alden Biesen, de voormalige
landcommanderij
van de Teutoonse ridderorde
in het Limburgse
Rijkhoven (Bilzen) geniet bij een ruim bekendheid dankzij de culturele die er regelmatig
evenementen
plaats vinden. De gebouwen
zijn mooie illustraties de architectuur
publiek
van de ontwikkeling de
van de T é * t o t de 18
in
fabriekjes.
Geleidelijk aan en tegen het einde
van de 7 9''' eeuw verschoof het karakter deze tuin naar een park in de landschappelijke
van
romantische
stijl eigen aan die dagen.
Vandaag is deze tuin eerder een parkbos geworden waar het omgekeerde van het
eeuw.
bekende gezegde van toepassing is: door het
Dit artikel bekijkt de landcommanderij
voor-
bos ziet men de bomen niet meer. De restaura-
namelijk
vanuit een tuinkunsthistorisch
oog-
tie van de Engelse tuin is echter voorzien in
punt en vraagt aandacht voor de drie
stijlen
die in de tuinen van Alden Biesen worden. De oranjerietuin landcommandeur
geïllustreerd
en de tuin van de
zijn recente creaties in de
het goedgekeurde masterplan
voor Alden
Biesen. De bescherming als monument die op de landcommanderij
al sedert 16 september
1942 rust, werd sedert IS juli 1996
uitgebreid
geometrische stijl, geïnspireerd op de tuinen
tot de " w a t e r g r a c h t e n , dreven, voorpleinen,
die er aan voorafgingen.
koeren, t u i n e n , Engels p a r k , H e r t e n b e r g ,
Het park ten zuiden h
van het slot werd op het einde van de 18'
Inclusief hun o m h e i n i n g e n en
eeuw aangelegd als een Engelse tuin met
Winterbergbos".
De ets van Romeyn De Hooghe uit 1700 met Alden Biesen vóór de herstructurering langs een lengte-as (Bilzen, Collectie Alden Biesenj
LmNMESEMJ LANDCQMMANDERIJ. KASTEELDOMEIN, CULTUREEL CENTRUM Alden Biesen vindt zijn oorsprong in het eerste kwart van de 13 e eeuw, toen de abdis van Munsterbilzen en haar broer de graaf van Loon aan de ridders van de Duitse Orde een kapel schonken. Deze werd mettertijd uitgebouwd tot de landcommanderij of baleie Alden Biesen, waaronder de 12 commanderijen in Brabant, Luik, Nederland en het Rijnland sorteerden (1).
CTrUOMA.SO BE UOOCHX .
J
Tussen 1710 en 1775 evolueerde het slotcomplex tot een machtige en luxueuze adellijke residentie dankzij de landcommandeurs Hugo Damian von Schönborn (1709-1743) en Casper Anton van der Heyden de Belderbusch (1766-1784). De herstructurering langs een lengte-as en met een streven naar symmetrie was evenwel al ingezet door hun voorganger Hendrik van Wassenaer (1690-1709). Het belang en de impact van hun bemoeienissen op het landschap is op de Ferrariskaart (1774-1775) geregistreerd.
T De Ferrariskaart (1774-1775 voor het Land van Luik) met de structuur van het landgoed, doorsneden door lanen en dreven. Rechts de zeven-
In de 16 c eeuw werden de middeleeuwse gebouwen vervangen door een waterslot met U-vormige voorburcht. Hieraan werd begin van de 17 t eeuw ten noorden een buitenhof of neerhof toegevoegd dat ook de kapel en het (later deels gesloopte) hospitaal omvatte. De prent van Romeyn de Hooghe uit 1700 en de tekening van Remacle Leloup uit 1731 illustreren het nog gesloten karakter van de landcommanderij. In tegenstelling met Leloups andere tekeningen werd er geen gravure gemaakt van Alden Biesen, maar de landcommanderij wordt wel in de uitgave Les Délices du pais de Liège beschreven (2). De mooie ligging, de vruchtbaarheid van het land, de opeenvolgende binnenkoeren, de mooi uitgeruste en comfortabele appartementen worden vermeld, naast de parterretuinen en de ommuurde warande met wild (de Hertenberg, nu een boomgaard).
Sedert 1652 en dankzij landcommandeur Godfried Huyn van Geleen (1634-1652) lag de hoofdingang of Mariapoort ten oosten van de gebouwen, op het hoogste punt van de omgeving. O p de Ferrariskaart ziet men hoe daar in stervorm zeven lanen samen komen, symbool voor de zeven smarten van Maria,
sprong bij de Mariapoort, er onder de nieuwe as door het kasteel kort voor de aanleg van de Engelse tuin van Reischach (Brussel. Koninklijke Bilbiotheek, Kaarten en Plannen)
De toegang tot de commanderij, of die nu uit het oosten (de hoofdpoort) of uit het westen (de secundaire poort) werd benaderd, gebeurde in elk geval langs de Maastrichter allee. Door de poort van de Buitenhof en via de brug over de gracht van de Voorburcht, bereikte men de brug over de slotgracht en zo het waterslot.
1VI&L
samen met de oprit waartoe het behoorde in onbruik, maar het bestaat nog wel, evenals de dreef van geknotte linden (voorheen waren het olmen) die nog steeds door de boomgaarden van Kamp loopt.
A Op de tekening van
voorafgegaan door
Remade bestaat de
een l-vormig
Chéroux-Crolsiers.
Engelse tuin nog
gebouw dat later
Salie Ulysse
met en is de
plaats zal maken
Capitame)
voorburcht nog
voor de ri|school en (Opname Kris
afgesloten en nog
de tiendenschuur
(Luik, Bibliotheek
Vandevorst)
de beschermheilige van de landcommanderij. Ze komen respectievelijk uit de richting van Bilzen, later op het Primitief kadaster (3) aangeduid als Allee dit den langen dreft (4), Martenslinde, Berg, Maastricht (de Maastrichter Allee), Weert, het gehucht Bosselaert (de Bosselaerdreefi en het verlengde van de Maastrichter Allee die voor dit tracé ook chemin et allee dit den linnen drefviovdx genoemd. Dit netwerk van lanen en dreven (die tot vandaag een constante zijn) brengen de greep van de Orde op het landschap en de natuur tot uiting. Onder landcommandeur Belderbusch werd parallel met de Maastrichter allee een nieuwe hoofdas gecreëerd die het netwerk uitbreidde en het accent naar de heerlijke residentie verplaatste. De nieuwe as vertrok van de Weertse dreef, liep door het slot en viel in westelijke richting samen met de dreef naar Hoeselt, samen een 2 km lange lijn door het landschap. O m deze 'herentoegang' tot het kasteel te realiseren werd de oostelijke vleugel van de voorburcht gesloopt en werd een nieuw voorhof gecreëerd met de Tiendenschuur aan één zijde en er tegenover de Rijschool. Tussen beide gebouwen kwam een monumentaal statiehek. Dat hek is het eindpunt van de nieuwe toegangsdreef die het perceel Camp doorsneed en van de formalisering van de reorganisatie van Alden Biesen. Het jaartal 1775 en het wapen van de landcommandeur staan op de vaasvoet van de hekpijlers. Het statiehek raakte
Het slot was door de verbouwingen in opdracht van Schönborn en dankzij een duidelijke middenas, een uitgesproken symmetrie, nieuwe vensters en een koninklijke traphal geëvolueerd van een gesloten waterburcht naar een vorstelijke residentie, aangepast aan de nieuwe wooneisen. Uit de briefwisseling blijkt dat de Weense hofarchitect Johann Lucas von Hildebrandt voor de verbouwing en voor de aanleg van de nieuwe tuinen plannen heeft getekend. De plannen zelf bleven niet bewaard; wel bestaat er een tekening uit 1716 van de in Luik geboren maar in Maastricht aktieve bouwmeester Gilles Doyen (1669-1736) die de leiding van de werken had (5). Dankzij de nieuwe lengte-as kreeg het vernieuwde herenverblijf meer uitkijk op het vruchtbare Haspengouwse landschap van boomgaarden, weiden en dreven. Het staatsiehek, de dreef en de architecturale aanpassingen zijn tot vandaag toe de tastbare en betekenisvolle relicten van het streven naar openheid en heerlijk wonen zo kenmerkend voor de 18 e eeuw. De aanleg van een Engelse tuin later in de eeuw vormt daar het sluitstuk van.
Het einde van het ancien régime betekende ook het einde van de Duitse ridderorde in Alden Biesen: in 1794 worden de goederen verbeurd verklaard en in 1797 openbaar verkocht. De landcommanderij komt na de loting in 1819 volledig in handen van Guillaume Claes, de notoire Hasseltse opkoper van nationaal verklaard goed (6). Bij zijn dood in 1841 erft zijn oudste zoon Adophe Alden Biesen en bij diens dood in 1857 wordt het goed eigendom van zijn jongere broer Ulysse, die uit de vaderlijke nalatenschap al de voormalige abdij Herkenrode (Kuringen, Hasselt) bezat. Alden Biesen was in 1870 meer dan 119 ha groot, telde in 1895 meer dan 122 ha en blijft het privé-kasteeldomein van de nakomelingen van Claes langs vrouwelijke lijn. Vanaf het interbellum echter is de familie niet meer gefortuneerd genoeg om het landgoed in optimale conditie te onderhouden. De teloorgang zet langzaam maar zeker in en de gebouwen blijken na de inkwartiering van Duitse troepen tijdens de Tweede Wereldoorlog erg onderkomen. In 1971 zet een nieuwe fase in de geschiedenis van de landcommanderij in. Toen kocht de Vlaamse
gemeenschap de gebouwen en verwierf de provincie Limburg de gronden. Door de brand die de excentrieke jonker Armand Roelants du Vivier veroorzaakte omdat hij het kasteel warm wilde stoken voor de ondertekening van het verkoopcompromis, was de reconstructie van alle gebouwen nog grondiger en omvattender dan verwacht. Er volgde een herbestemming en vandaag is Alden Biesen een Cultureel Centrum van de Vlaamse overheid. De omliggende boomgaarden en de Engelse tuin werden door de provincie Limburg afgestoten en vormen sedert kort met de gebouwen weer één eigendom.
De Maastrichter allee is momenteel, zoals vóór de 18 ' eeuw, opnieuw een belangrijke as waarlangs de rest van het domein bereikbaar is. De westelijke poort en niet meer de oostelijke Mariapoort is nu echter de hoofdingang en via het Buitenhof en de Voorburcht wordt het kasteel bereikt.
me wordt aangegeven door zes pilasters van blauwe hardsteen, hiërarchisch gevarieerd. De twee pilasters op de hoek van de Rijschool en de Tiendeschuur hebben enkel een deksteen, de pijlers halfweg het vaste hek hebben kleine siervazen op de deksteen en de poortpilasters zijn hoger, hebben een zwaardere deksteen en grotere siervazen met Anno 1775 en het wapenschild. Geprofileerde spiegels versieren de vierkante pijlers met sokkels en geprofileerde dekstenen. De vaste delen zijn eenvoudige spijlenhekken van zwaar smeedijzer tussen onder- en bovenregels, maar het poorthek zelf is sierlijk uitgewerkt en overspannen door een boog die een netwerk van krullen en tegenkrullen draagt. Het hek zelf heeft een rechthoekig kader van vierkant stijl- en regelwerk, bekroond door een eveneens met krullen en tegenkrullen gevulde segmentboog. De boven- en de onderregels worden ondersteund door in elkaar gevlochten of in spiegelbeeld geplaatste volutes die uitgelengd zijn tot tegen de dubbele tussenregels. Tussen deze laatste liggen nogmaals krullen en tegenkrullen, zodat een zeker evenwicht ontstaat tussen de gebogen en de strakke lijnen.
Het staatsiehek van 1775 heeft vandaag zijn functie als hoofdtoegang verloren, maar het sluit nog steeds de opeenvolgende erven van de boomgaarden op Kamp af. Het bestaat uit een centraal poorthek en vier vaste traveeën die op een gebogen tracé aansluiten op de Rijschool en de Tiendenschuur. Het rit-
Muren begrenzen Alden Biesen aan de Kasteelstraat en verschillende hekken verlenen toegang tot de verschillende tuinen. Toen Philippe de Corswarem begin 19 c eeuw Alden Biesen vanuit het westen aquarelleerde, stond er een lange hoge muur aan de straat, slechts onderbroken in de as van de burcht
DF TOEGANGEN
Het fraaie hek van 1775 op de prentkaart is het eindpunt van de nieuwe toegangsdreef die mee de nieuwe lengte-as door het kasteel bepaalt (Alken, Collectie Coosemans)
Het I9de-eeuwse hek aan de Kasteelstraal gaf via de tuin rechtstreeks toegang tot het kasteel, zonder langs het neerhof te passeren (Foto 0. Pauwels)
door een eenvoudig voetgangershekje tussen twee pijlers van blauwe steen met een bekroning (7). Dit hekje werd ook al door Remacle Leloup getekend in 1738-1740, in de as van het deurtje naar de brug over de kasteelwal, waar Romeyn De Hooghe in 1700 een overdekt poortje situeerde. De vier boompjes die door Philippe de Corswarem werden getekend en die behoren tot de in 1738-40 nog niet bestaande Hoesseltse dreef, roepen deze 18 ^eeuwse as door het kasteel duidelijk op. Ter hoogte van de burcht loopt er vandaag langs de straat een modern spijlenhek van wel 36 traveeën met vierkante onder- en bovenregels, dat met gebogen staven verankerd is in de keermuur van de tuin van de landcommandeur. Het hekje op de tekeningen van Leloup en op de aquarel van de Corswarem werd in de late 19 c eeuw vervangen door een monumentaal smeedijzeren kasteelhek. De hekstijlen bestaan uit vier in een vierkant geplaatste zware staven met ajourwerk van zich kruisende volutes tussen de vier regels; ze zijn bekroond door de bundeling van acht in de top samenkomende volutes. Het hek zelf is eenvoudiger en heeft vierkante onder- en dubbele tussenregels met dunne onderspijltjes en gepunte spijlen, waarvan het klimmend beloop naar de door
M&L
volutes versterkte makelaar opgevangen wordt door volutes op de bovenregel. Dit hek geeft rechtstreeks toegang tot de tuin van de landcommandeur.
DF DRANIFRIETUIN Romeyn de Hooghe tekende in 1700 de oranjerietuin ten noorden van het slot en twee tuinen ten westen en ten zuiden, samen de tuin van de landcommandeur die hier op neerkeek. Het waren parterretuinen in de toen gangbare geometrische of Franse stijl die sedert André Lenótre, Vaux-leVicomte en Versailles de hele barokperiode overheerste. De tuin kreeg zijn naam van de oranjerie die landcommandeur Hendrik van Wassenaer (1690-1709) er op de noordzijde liet bouwen en van zijn wapensteen liet voorzien. In 1716 bespreekt Schönborn het (niet bewaarde) plan van Hildebrandt voor de bloementuin zoals de tuin toen werd genoemd. Hij schreef: waar de letter A is aangemerkt zijn het "louter haagbeuken waardoor de tuin een regelmatigheid verkrijgt en een blok gevormd wordt waarin 's zomers de pommeranzen (oranjebomen) kunnen opgesteld
D^ W f i o ^ U A A ^ E VAM Pir eU^Hfel5 ^^HOUU^
>':
B I N N E N K R A N T
Literatuur
Jo Bracken
DF KFI17F V A N
MftL
Frank Lloyd Wright Daniël Treiber Basel, Birkhauser, 2008, 192 p., ISBN 978-3-7643-8697-9 Tweede verbeterde uitgave (Editions Hazan, 1988) van een monografie over de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright (1867-1959), deel uitmakend van een fraaie reeks architectenmonografieën waarin eerder studies verschenen over Claude-Nicolas Ledoux (2006) en Ludwig Mies van der Rohe (2007). Frank Lloyd Wright oefende wereldwijd een invloed uit op de architectuurgeschiedenis, die slechts door de allergrootsten wordt geëvenaard. Zijn gebouwen, ontwikkeld vanuit het landschap, het programma, het materiaal en de constructie, zijn uitermate individualistisch en onafhankelijk van de stijlenevolutie in de moderne architectuur. Zijn permanent streven naar vernieuwing resulteerde in de sterk individualistische vormen en structuren die zijn oeuvre bepalen. In deze monografie worden de fundamentele eigenschappen van het werk van deze charismatische architect, die ook vandaag nog niets aan relevantie verloren hebben, geanalyseerd, met de autobiografie van Wright als gids.
Thematische essays belichten op een toegankelijke wijze, met aandacht voor de paradox eerder dan de logica, de herdefinitie van het huis en zijn stedenbouwkundige inplanting, het effect van orde en ontdekking in zijn ontwerpen, de poëtische kracht van zijn architectuur, en de culturele doordringing die onder meer tot uiting komt in Japanse invloeden.
Zeven avant-gardistische huizen Maurizio Cohen (red.) Brussel, CIVA, 2008, 248 p., ISBN 978-2-930391-29-8 Meertalige publicatie gewijd aan zeven minder bekende avant-gardistische woningen, die een belangrijke rol speelden in de evolutie van de wooncultuur op het Europese en het Amerikaanse continent. De zeven ruim geïllustreerde essays gaan uitgebreid in op de ontstaansgeschiedenis en de betekenis van deze huizen, hun bewoners en architecten. Het boek vormt een vervolg op het werk De gevel van de hemel (1998) gewijd aan het platte dak, eveneens uitgegeven op initiatief van het bedrijf Imperbel. Het White House in Surrey uit 1931 is na het bekende High and Over de tweede woning van de Nieuw-Zeelandse architect Amyas Connell, die bijdroeg tot de introductie van het modernisme in het Verenigd Koninkrijk. De eigen woning van Johannes van den Broek in Rotterdam kwam in 1952 tot stand, gelijktijdig met de Lijnbaan, één van de iconen van de Nederlandse Wederopbouw. De enigmatische Villa Girasole van Angelo Invernizzi in het Italiaanse Verona uit 1935, een draaibare woning op rails, vertaalt de fascinatie voor beweging en zonlicht uit het interbellum. In het VDL Research House I uit 1932 en het na brand heropgebouwde VDL Research House II uit 1966, paste de Oostenrijks-Californische architect Richard Neutra zijn inzichten over het nieuwe wonen op een experimentele wijze toe op zijn eigen woonomgeving. Het destijds ophefmakende Casa Ocampa door Alejandro Bustillo in Buenos Aires uit 1928, is één van de eerste modernistische villa's in Argentinië, het Casa
Duclós in het Spaanse Sevilla uit 1929, één van de eerste realisaties van José Luis Sert die het modernisme verrijkte met het 'mediterranisme'. De Woning Everaert in Ukkel uit 1953 tenslotte, gebouwd voor een kunstverzamelaar, is een sleutelwerk van Jacques Dupuis, één van de belangrijkste vernieuwers van de woningarchitectuur in België.
Between Earth and Heaven The Architecture of John Lautner Nicholas Olsberg (red.), Jean-Louis Cohen en Frank Escher New York, Rizzoli, 2008, 234 p., ISBN 978-0-8478-3014-5 Fraai monografie over de Amerikaanse architect John Lautner (1911-1994), uitgegeven naar aanleiding van een belangrijke overzichtstentoonstelling
B1NNE1\KRA1\JT
van zijn werk in het Hammer Museum in Los Angeles. Lautner, die zijn carrière begon als medewerker van Frank Lloyd Wright, behoort tot de meest visionaire architecten van de 20ste eeuw. Hij ontwierp een uitermate vernieuwend oeuvre, grotendeels gesitueerd in Los Angeles, dat een zeldzame gevoeligheid demonstreert voor de plek, de ruimte en de constructie, en getuigt van een avontuurlijk gebruik van structuur, vorm en materiaal. Hoewel enkele van zijn woningen een icoonstatus bereikt hebben, wordt zijn werk nog vaak al te eenzijdig geïnterpreteerd als 'space age'-fantasieën of exponenten van Hollywoodiaanse extravagantie. Daarmee wordt het ironisch genoeg vereenzelvigd met wat hij zelf het meest verafschuwde in de Californische levensstijl: 'fast food, fast deals, fast everything', het cultiveren van oppervlakkige sensatie en het etaleren van luxe. Deze monografie met een viertal rijk geïllustreerde essays, waagt zich aan een hernieuwde interpretatie, voor het eerst gebaseerd op een grondige studie van Lautner's architectuurarchief, zijn brieven en geschriften. Het werk wordt gesitueerd in het progressieve architectuurdebat van zijn tijd, de ideeënwereld die eraan ten grondslag ligt, en het individualisme dat hij met de grote vernieuwers in de Amerikaanse kunst van zijn generatie gemeen heeft. Zijn fascinatie voor nieuwe vormen en structuren komt hieruit naar voor als een streven om de gebouwde wereld te humaniseren en om in eindeloze variatie organische poëzie te scheppen.
Die Interbau 1957 in Berlin Sfocff von heute - Stadt von morgen, Stadtebau und Gesellschaftskritik der SOerJahre Sandra Wagner-Conzelmann Petersberg, Michael Imhof Verlag, 2008, 192 p., ISBN 978-3-86568-231-4 Studie over Interbau 57, de Internationale Bauaustellung in Berlijn in 1957, de belangrijkste architectuurmanifestatie van de jaren 1950 in de toenmalige Bondsrepubliek Duitsland, die ook internationaal een grote weer-
DIEINTERBAU 1957 IN BERLIN
STADT VON HEUTE - SHDT ÏDN MORGEN S T k D I E I I U UND EESELLSCHiFTSKRim O f * SIER J1HRE
M I C H I E l IMHOF VERLtB
klank kende. Het meest spraakmakende onderdeel van Interbau 57 was het zogenaamde Hansaviertel in de WestBerlijnse Tiergarten, een nieuwbouwwijk met hoogbouwflats waaraan enkele van de belangrijkste architecten van het moment - Alvar Aalto, Max Taut, Egon Eiermann, Oscar Niemeyer, Walter Gropius, Pierre Vago, Luciano Baldessari, Johannes van den Broek en Jacob Bakema - een bijdrage leverden. De manifestatie trok niet minder dan 1,37 miljoen bezoekers, en ging als 'Schaufenster der Freiheit' de confrontatie aan met het autoritaire wederopbouwconcept van de KarlMarxallee in Oost-Berlijn. Deze studie focust echter op twee minstens zo belangrijke aspecten van Interbau 57 die hier in de politieke en maatschappelijke context van het naoorlogse West-Berlijn worden geanalyseerd, enerzijds het stedenbouwkundige concept van het Hansaviertel en anderzijds de afzonderlijke tentoonstellingen die mee Interbau 57 uitmaakten. De ontstaansgeschiedenis van de wijk, waarbij de politieke functie als propagandamiddel op gespannen voet kwam te staan met de doelstelling een toekomstgerichte oplossing te bieden voor de woningnood, wordt in detail geanalyseerd. Daarnaast wordt uitvoerig ingegaan op de tentoonstelling 'die stadt von morgen', het programmatische hoogtepunt van Interbau 57, die de ideale stedenbouw wilde tonen om daarmee een impuls te geven aan de maatschappelijke vernieuwing.
Expo 58 Tussen droom ft werkelijkheid Gonzague Pluvinage (red.) Tielt, Lannoo, 2008, 206 p., ISBN 978-90-209-7723-3 Catalogus van de herdenkingstentoonstelling over Expo 58 in het Atomium, georganiseerd door Algemeen Rijksarchief en het Archief van de Stad Brussel. Expo 58 was de eerste wereldtentoonstelling die na de Tweede Wereldoorlog werd georganiseerd, onder het motto van de vooruitgang en de broederlijkheid tussen de volkeren. Dit boek gaat in op de verschillende hoofdrolspelers en deelnemers van de Expo, en schetst aan de hand van deze manifestatie een beeld van de Belgische geschiedenis in de late jaren 1950. Het toont ook aan hoe deze gigantische onderneming als politiek, economisch, sociaal en cultureel evenement een getuige is van zijn tijd. De Expo weerspiegelde de traditionele sociale verhoudingen tussen de generatie, tussen man en vrouw, tussen het moederland en de kolonie, maar kondigde ook al de veranderende maatschappij, de economische, technologische en stedenbouwkundige moderniteit en de welvaart van de 'Golden sixties' aan. Het boek omvat een reeks ruim geïllustreerde essays die handelen over de geschiedenis van de wereldtentoonstellingen in België, de politieke en sociale geschiedenis van de naoorlogse jaren, de grote infrastructuurwerken in Brussel, de
!V,
MXPI51 Tussen droom & werkelijkheid
1VI&L
B 1 N N E N K R A M T
boodschap van de Expo, de geopolitiek van de internationale, buitenlandse en koloniale afdeling, de deelname van de Belgische nijverheid in de Belgische afdeling, het vooruitstrevende karakter van architectuur en grafiek op de Expo, de ervaring van de bezoekers en de hostesses, en tenslotte de recente restauratie van het Atomium.
Voor alle reacties: Jozef.Braeken@rwo.vlaanderen.be De boeken liggen ter inzage in de bibliotheek van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) Koning Albert ll-laan 19 bus 5 1210 Brussel (tijdens de kantooruren)
Myriam Van den Broeck en Dirk Pauwels H F X , EEN PRINSELIJK lANDGOFD Chris De Maegd en tuinen zijn één begrip. De (tuin)kunsthistorica maakte als eerste een diepgaande, boeiende en vlot leesbare studie over de ontstaansgeschiedenis van Hex, de aanleg en ontwikkeling van de Engelse tuin en het park in landschappelijke stijl, van de aanvang tot de huidige situatie. Ze analyseerde grondig de in het kasteel bewaarde archiefstukken. Deze studie is zonder meer een belangrijke bijdrage aan de historiografie van Limburg, Vlaanderen en België. Het boek is opgedeeld in zeven hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de bewonersgeschiedenis, het landgoed, het kasteel, de siertuinen, de nutstuinen, de verloren Engelse tuinen en het park worden belicht. De studie van het interieur werd, om redenen van privacy, niet in het boek opgenomen. Talrijke illustraties en achtergrondinformatie van actoren vervolledigen en verduidelijken de tekst. In de eerste drie hoofdstukken wordt het ontstaan van het domein en de
vererving besproken. De creatie van het landgoed was namelijk een project van lange duur. In 1769 kocht FrancoisCharles de Velbruck (1719-1784), vanaf 1772 tot aan zijn dood prinsbisschop van Luik, een hoeve bij zijn herenkwartier in Hex, het vertrekpunt voor het ontstaan van het landgoed. Velbruck wordt herinnerd als een verlichte vorst en historici loven hem om zijn uitgesproken humanitair beleid. Zoals zovele van zijn tijd was hij ook erg geïnteresseerd in tuinen en planten. Dit alles komt ook tot uiting in Hex, in oorsprong zijn lenteverblijf en privéjachtpaviljoen, waar hij een jardin anglais liet aanleggen naast de toen klassieke parterretuinen in Franse stijl. De gevels van het kasteel waren sober en streng, gekaleid of witgekalkt, zoals te zien in een aquarel van Philippe de Corswarem van circa 1828. Als onderwerp voor de stucdecoratie in de salons werd gekozen voor emblemen en attributen van het landleven, de kunsten en de wetenschappen, het vermaak en de ontspanning. Bij Velbrucks dood in 1784 waren de tuinen nog niet voltooid, maar de ontwikkeling tot het indrukwekkende kasteeldomein van vandaag, werd door zijn erfgenamen verder gezet. Vanaf hoofdstuk 4 staan de tuinen centraal met onder andere meerdere ontwerptekeningen van Louis Fuchs (1818-1904) en Jules Janlet (18801973) voor verschillende delen ervan. De moestuin is waarschijnlijk de meest vermaarde en geliefde tuin van Hex. Hij wordt besproken in hoofdstuk 5. Sinds Velbrucks tijd ononderbroken in
lieu prinselijk landgoed ontsluierd
bedrijf gebleven, vervult hij vandaag nog zijn rol als vanouds. Elk najaar worden de groenten traditioneel ingekuild in de groentekelders onder de prinsentuin. Fruit was in Hex ook een belangrijk product. In de legende op een plattegrond van de groentetuin uit 1789, staan niet minder dan 135 verschillende variëteiten van appels, peren, perziken, abrikozen, druivelaars, pruimen, kersen en vijgen genoteerd. Het belangrijkste deel van het boek is ongetwijfeld hoofdstuk 6, over de verloren Engelse tuinen, één van de vroegste in die stijl in onze contreien. Chris De Maegd reconstrueert hier aan de hand van niet alledaagse documenten, waaronder de sterfhuisinventaris van 1784 en een plantenlijstvan 1791, ontwerptekeningen uit het huisarchief van het kasteel en de nog aanwezige elementen, de geschiedenis van de verloren Engelse tuinen van Hex. Het was Joseph-Romain d'Ansembourg, erfgenaam van Velbruck, die in 1791 een lijst van de bomen, struiken, heesters, vaste planten, oranjerieplanten en kruiden in zijn Engelse tuinen liet opstellen. De lijst omvat 285 nummers en 240 verscheidene taxa die in vier verschillende tuincompartimenten stonden. De plantenlijst waarvan sprake is echter niet origineel, maar een vrij recente transcriptie van iemand die niet vertrouwd was met een 18deeeuws handschrift. Paul Van den Bremt heeft er een studie aan gewijd. De volledige lijst zal onder de titel Een interessante plantenlijst van 1791 uit de Engelse tuinen van kasteel Hex in /?e//cfo gepubliceerd worden. Tot slot in het laatste hoofdstuk de beschrijving van de aanleg van het park in landschappelijke stijl. Met de parkaanleg werd begonnen in 18801881, nadat de vernieuwing van het kasteel was afgerond. Het 18de-eeuwse uitzicht moest hiervoor grotendeels het veld ruimen. Alfred I de Marchant, graaf d'Ansembourg (1813-1876), die Hex van zijn tante erfde, had namelijk in de jaren 1870 een nieuwe noordoostelijke kasteelvleugel, nieuwe dienstgebouwen en de wintertuin aangelegd, veranderde het aanzicht van het oude landhuis naar ontwerp van de Brusselse neoclassicistische
B l l ^ N E N K R A N T
architect Chretien Goevaert (18161887) en legde parterres en het huidig park in landschappelijke stijl aan, ontworpen door Fuchs. Het echtpaar Alfred II d'Ansembourg (1886-1944) Ghislaine de Bousies (1890-1976) restaureerde kort na hun huwelijk in 1911 het kasteel in zijn 18de-eeuwse glorie en gaven ook de opdracht voor de nieuwe geometrische tuinen naar ontwerp van Janlet. Later kwam het goed in handen van de familie d'Ursel, die het nog steeds in bezit heeft. Nanda d'Ursel (19281997) legde een prachtige en vermaarde rozencollectie aan. Het park is vandaag ongeveer 65 ha groot. Het bezit onder andere drie 'fabriekjes', een indrukwekkende platanendreef en een prachtige, glooiende vallei, waarin onder meer twee monumentale solitaire eiken groeien. Het zijn echte kampioenenbomen die volgens de traditie wel 800 jaar oud zijn en in 1990 een stamomtrek hadden van 790 cm, eeuwen ouder dus dan de parkaanleg of de bouw van Velbruck. Hex laat voorbeeldig zien hoe de tijd een Haspengouws landschap vorm geeft.
De Maegd Chris, Hex, een prinselijk landgoed ontsluierd, met een bijdrage van Paul Van den Bremt, een voorwoord van Ghislain d'Ursel en een nawoord van Xavier Duquenne, Brussel, Mercatorfonds, 2007, 223 p., talloze illustraties, ISBN 978-90-6153-744-1, prijs 50 € . Er is bij de zelfde uitgeverij een Franse (Hex, genese d'un domaine princier) en een Engelse (Hex, a princely estate reve;7edj versie beschikbaar, prijs 50 € .
Tentoonstellingen
Marjan
museum
TY1 Catharijnecom
Buyle
M F T PASSIE G E S r H I I D F R D . T O P S T U K K E N UIT DF nOUDFN FFUW De Gouden Eeuw spreekt tot ieders verbeelding. Imposante schuttersstukken, uitbundige stillevens en weelderige landschappen zijn iedereen welbekend. Bijbelse thema's uit de Gouden Eeuw zijn dat minder. In de tentoonstelling Met Passie Geschilderd zet Museum Catharijneconvent deze onderbelichte kant van de Gouden Eeuw in de schijnwerpers met meer dan 70 topstukken van meesters als Rembrandt van Rijn, Matthias Stom, Frans Hals, Abraham Bloemaert, Salomon de Bray en Govaert Flinck. Bijzondere bruiklenen en schilderijen Met Passie Geschilderd toont een prachtige selectie schilderijen uit de collectie van Museum Catharijneconvent verrijkt met een aantal bijzondere bruiklenen uit binnen- en buitenland. Het museum is bovendien trots de Barmhartige Samaritaan van de Utrechtse caravaggist Matthias Stom te kunnen tonen. Dit werk is afkomstig uit de collectie van het Museum of Fine Arts in Malta en is nog nooit in Nederland te zien geweest.
opmaat naar en de ontwikkeling van belangrijke onderwerpen ten tijde van de Gouden Eeuw. In het onderstaande vindt u een beknopt overzicht van de thema's die in de tentoonstelling aan de orde komen. • Van Rome naar Utrecht Vanaf het begin van de 16de eeuw dringt de invloed van Italiaanse kunst steeds meer door in de Nederlanden. Schilders bestuderen prenten van hun Italiaanse collega's of trekken voor inspiratie naar het Zuiden. Een van de
Matthias Stom, Barmhartige Samaritaan, ca. 1645 - ® Museum Catharijneconvent
Kruisigingsaltaar van Jan van Score! Tijdens Met Passie Geschilderd wordt een bijzonder drieluik tentoongesteld van de Utrechtse kunstenaar Jan van Scorel. Dit Kruisigingsaltaar uit 1535 is jarenlang niet te zien geweest wegens een ingrijpende restauratie. Extra: van de restauratie is een korte documentaire gemaakt, die u kan bekijken op de tentoonstelling. Diverse thema's Aan de hand van diverse thema's toont Met Passie Geschilderd de
M&L
B I N ^ E I M K R A M T
• Tot lering en vermaak Na de beeldenstorm in 1566 wordt het protestantse geloof de officiële godsdienst van de Republiek van de Verenigde Nederlanden. Hoewel na de Reformatie religieuze afbeeldingen in de protestantse kerk worden verboden, zijn bijbelse voorstellingen in huis wel toegestaan.
De themaroutes behandelen de onderwerpen:
• Rembrandt: meester, leerling, tijd-
• Door het oog van de kunstenaar, over de gebruikte materialen en technieken van de schilders uit de 16 d e ende 17 de eeuw.
genoot Bij de Gouden Eeuw denkt menigeen aan de Amsterdamse schilder Rembrandt van Rijn (1606-1669). Dat de kunstenaar ook in zijn eigen tijd zeer wordt gewaardeerd, blijkt uit de vele werken van schilders die in hun stijl door hem zijn beïnvloed.
Cesor van Everdingen, Heilige Familie, ca. 1660 - @ Museum Catharijneconvent
eerste kunstenaars die naar Italië reist, is de Utrechtse schilder Jan van Scorel. • Italië en de Nederlanden In Italië ontstaat in de 15de eeuw onder invloed van het humanisme een hernieuwde belangstelling voor de kunst van de klassieke oudheid. Deze nieuwe kunst, de Renaissance, doet in het begin van de IS'15 eeuw zijn intrede in de Nederlanden. • Tulpomanie De Antwerpse schilder Daniël Zeghers ontwikkelt in de M^ eeuw een nieuw type schilderij: een religieuze voorstelling binnen een bloemenkrans. Al snel wordt dit een populair genre. • In de buitenlucht In de Hollandse l/^-eeuwse schilderkunst neemt het landschap als zelfstandig onderwerp een steeds belangrijkere positie in. Er zijn twee groepen landschapsschilders te onderscheiden. De ene groep brengt het Nederlandse landschap in beeld. De andere groep verwerkt zuidelijke, Italiaanse, impressies in hun schilderijen. Ook religieuze thema's worden steeds vaker voorgesteld in een landelijke omgeving.
• Machtig, prachtig Tijdens de Gouden Eeuw is de kerk niet langer de belangrijkste opdrachtgever en afnemer van kunst. De nieuwe kunstkopers zijn gewone burgers. Door het grote aantal schilders is de concurrentie enorm. Kunstenaars zijn hierdoor genoodzaakt zich te specialiseren in een specifiek genre. • Katholiek en Protestant Katholiek of protestant, het maakt voor een opdrachtgever of kunstkoper niet veel uit tot welk kerkgenootschap een schilder behoort. Het gaat immers om de stijl, het vakmanschap en de naamsbekendheid van de kunstenaar. • Utrechtse caravaggisten. Meesters van het Licht Dramatische licht-donker contrasten, natuurgetrouw realisme, levensgrote figuren en emotionele bijbelscènes zijn kenmerkend voor de Italiaanse schilder Caravaggio (1571-1610). Bij Nederlandse schilders die zijn werk in Italië zien, oogst hij veel bewondering. Themaroutes en specials Over bepaalde onderwerpen of schilderijen is veel te vertellen. Daarom zijn er voor Met Passie Geschilderd themaroutes en specials samengesteld. Deze extra informatie is beschikbaar op de tentoonstelling in de vorm van zaalbladen.
• Blikken en blozen, met boeiende verhalen over opdrachtgevers, geportretteerden en kunstenaars. • Kinderen in de hoofdrol, een route langs schilderijen waarin kinderen een belangrijke rol spelen: vereeuwigd met hun ouders of als personage in een bijbelverhaal.
De tentoonstelling loopt nog tot 14 september 2008 in het Museum Catharijneconvent aan de Lange Nieuwstraat 38 in Utrecht. Open van dinsdag tot en met vrijdag van 10 tot 17u. Zaterdag, zon- en feestdagen van 11 tot 17u. De publicatie Goddelijk geschilderd. Honderd meesterwerken van het museum, het uitgangspunt van deze tentoonstelling, is verkrijgbaar in de museumshop voor 9,95 € in paperback.
Marjan Buy Ie
HFNRI BLES In plaats van kunstwerken te verzamelen in grote overzichtstentoonstellingen, is het natuurlijk beter dat de bezoekers zelf zich verplaatsen. Dit is ook de idee van de culturele diensten van de Waalse Gemeenschap die een viertal /f/néra/Vesuitwerkte, waaronder een ontdekkingstocht naar de werken van Henri Bles, bij ons beter gekend als Herri met de Bles. Deze getalenteerde landschapsschilder die actief was in het tweede kwart van de 16de eeuw, werd geboren in Bouvignes bij Dinant, maar trekt als snel naar Antwerpen, de culturele metropool in die periode, waar hij zijn atelier vestigde. Van zijn leven is weinig concreets gekend. Zijn bijnaam "met de bles" zou hij te danken hebben aan een witte vlek of lok in zijn haar, althans volgens Karel van Mander. Hij is in elk geval beïnvloed door
Bl^NENKRANT
IVI on urnen ten prijs
Marcel M. Celts
DF V I A A M S F MONUMFNTFNPRIIS ?nnB
de landschappen van Joachim Patinir, wiens landschappen hem tot voorbeeld dienden. Er wordt ook geopperd dat hij een neef was van Patinir. Feit is dat hij zich in Antwerpen inschrijft als Herri de Patinir.hetgeen deze these zou onderschrijven. De kunstenaar was, zoals andere Vlaamse landschapsschilders in die periode, erg populair in Italië, waar hij de bijnaam /.o C/Vetfo kreeg, hetgeen uil betekent. In zijn landschappen is inderdaad vaak een uiltje te vinden. Of hij effectief in Italië geweest is, wordt betwist. Zijn landschappen kenmerken zich door weidse perspectieven met rivieren, bergen en valleien, waarin kleine gebouwengroepen zichtbaar zijn. De figuratie is in vele gevallen bijna een voorwendsel om een mooi landschap te kunnen neerzetten. Op de voorgrond zijn de kleuren naturalistisch, om aan de einder te vervagen naar blauwgrijze tinten. De /'t/Viéra/re brengt u langs vier musea die niet ver van elkaar liggen: Musée provincial des Arts anciens du Namurois'm Namen, Musée d'art religieux et d'Art mosan in Luik, de Musée de l'Art Wallon in Luik en het Bonnefantenmuseum in Maastricht, even over de grens. Deze tocht brengt u overigens langs interessante sites zoals de citadel van Dinant, de rotsen van Marche-les-Dames, het kasteel van d'Aigremont en andere.
Een folder met de route Henri Bles vindt u op www.cfwb.be en bij het Ministère de la Communauté frangaise, 44 boulevard Leopold II in 1080 Brussel, tel. 02 413 28 85.
De Vlaamse Monumentenprijs, ingesteld in 1993 als Prijs Vlaams Monument, bekroont een persoon, een privé- of een openbare instelling, een project of een realisatie met belangrijke verdiensten in de monumentenzorg. Behalve naar de intrinsieke waarde van een monument gaat de aandacht daarbij ook naar de betekenis en de waarde van de hedendaagse omgang met onroerend erfgoed, de hefboomfunctie, sensibilisatie en betrokkenheid van de omgeving, het vernieuwende karakter, de inschakeling en interactie met andere processen en domeinen. De Vlaamse regering kiest, na een voorselectie door de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest, uit een lijst van genomineerden de laureaten voor de Vlaamse Monumentenprijs Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant en West-Vlaanderen. De laureaten krijgen elk een bedrag van 2.500 euro. Vervolgens worden onder deze vijf laureaten een winnaar van de Vlaamse Monumentenprijs aangeduid. Deze wint een bedrag van 12.500 euro.
PROVINCIE LIMBURG - Kanne, de Tiendeberg - Peer, de Sint-Trudokerk - Rekem, de Roomse Keizer PROVINCIE OOST-VLMNDEREN - Aalst, D'Haeseleerstraat, de zaal Gillade - Sint-Laureins, Leemweg 11, het godshuis - Lovendegem (Vinderhoute), de SintBavokerk met kerkhof PROVINCIE VLAAMS-BRABANT - Leuven (Kessel-Lo), het gastenkwartier van de Abdij van Vlierbeek - Merchtem (Peisegem), het Hotten Houte - Zoutleeuw, de Sacramentstoren PROVINCIE WEST-VLAANDEREN - Heuvelland, het project Mijnenslag 1917 - De Panne, Zeedijk 73, villa l'Escale - Veurne, Lindendereef 5-7, het kasteel Ter Linden DE NOMINATIES: ANTWERPEN De Ruien De Antwerpse Ruien betreffen het ondergronds historisch riolen- en grachtenstelsel, waarvan een traject van 1600m werd ontsloten voor het publiek via het nieuwe Ruihuis en de nieuwe Ruitgang. De ontsluiting omvatte het creëren van een toegang en een uitgang en
In haar vergadering van 15 mei 2008 werden door de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest, op een totaal van 88 (ontvankelijke) kandidaten -een merkelijke stijging ten opzichte van de vorige jaren- voor de Vlaamse Monumentenprijs 2008 alvast volgende 15 realisaties genomineerd (in alfabetische rangorde): PROVINCIE ANTWERPEN - Antwerpen, de ruien - Brasschaat, Bredabaan 14, de villa Van Hoof - Mechelen, Frederik de Merodestraat 41, het huis Cadix
M&L
B I N N E M K R A N T
het inrichten van het daartussen gelegen traject waardoor grote aantallen bezoekers, telkens in groep en onder begeleiding van een deskundige gids, kunnen ervaren wat de ruien zijn, kunnen leren wat hun actuele rol is in het afvalwaterbeleid en kunnen ontdekken op welke verassende manier dit haast onaangetast stuk eeuwenoud ondergronds erfgoed de geschiedenis van Antwerpen tot leven brengt. De ontsluiting omvatte de vorming van een bezoekersconcept, de verbouwing van twee aanpalende bovengrondse panden en kelders, een reeks kleine chirurgische ingrepen zoals een kijkperiscoop, minimale verlichting, een waterbassin en observatiepunten, en het opzetten van een permanente gidsen- en bezoekerswerking. In een tweede fase werd de mogelijkheid ontwikkeld om tevens korte, individuele en onaangekondigde bezoekers te ontvangen. Hiervoor werden speciale informatieve voorzieningen ontwikkeld. BRASSCHAAT Bredabaan 14, de villa Van Hoof De inmiddels beschermde interbellumwoning, gebouwd in 1936 naar de plannen van de architecten P. en C. de Nijs, is een prachtig voorbeeld van het Belgische moderne bouwen in Brasschaat. De kenmerkende vormelementen zijn het evenwichtige volume en de harmonieuze gevelopbouw, de halfronde woonruimte, de dakterrassen en de luifels die soms de ramen doorsnijden. In de optiek van culturele duurzaamheid werden de gevels in hun oorspronkelijke toestand gerestaureerd. Alle beslissingen werden genomen met
een zo groot mogelijk behoud van de aanwezige materialen en kwaliteiten voor ogen. Hierbij was het een uitdaging tegelijk te zorgen voor hedendaagse wooncomfort. Zo werd er gezocht naar een oplossing voor het integreren van thermisch isolerende beglazing, waarbij het behoud van de stalen stoeltjesprofielen kon gewaarborgd worden. MECHELEN Frederik de Merodestraat 41, het huls Cadix
Huis Cod/x dateert uit de 18de eeuw en is uitgevoerd in régence-rococo overgangsstijl. Het is samengesteld uit vier bepleisterde en geschilderde vleugels rond een binnenkoer. Het pleisterwerk, schilderwerk en schrijnwerk hebben gedurende vele jaren regelmatig onderhoud gevergd. Na restauratiewerken in 1990, werden met regelmaat met onderhoudspremies onderhoudswerken uitgevoerd (1998, 1999,2000,2001). Vermoedelijk in 2009 wordt het pand door de huidige eigenaars, de zusters van Overijse-Mechelen, overgedragen aan een vzw met sociaal doel. De laatste onderhoudswerken van 2007 (herstellen en schilderen van ramen, schilderen van de plint op de binnenkoer) zullen de laatste getuigen zijn van de jarenlange inspanningen van de concregatie om het pand in goede staat te houden. KANNE De Tiendeberg Het natuurreservaat De Tiendeberg maakt deel uit van de definitief aangeduide Ankerplaats Kanne. In 1988 richtte een groep vrijwilligers met de steun van het gemeentebestuur het natuurreservaat De Tiendeberg op. Van meet af aan werd er gestreefd naar het herstel van het cultuurhisto-
rische landschap, waarin droge hellingsgraslanden de hoofdrol spelen. De geformuleerde doelstellingen waren ambitieus, omdat de eeuwenoude historisch permanente graslanden door verwaarlozing compleet dreigden dicht te groeien. Om het tij te keren ging in een eerste fase (1988-1995) alle aandacht naar het heropstarten van het graasbeheer met schapen en geiten. De volgende fase (1995-2001) bestond uit het verwijderen van struweel en een verschralingsbeheer om het graslandaspect te herstellen. Hierbij speelde de Jeugdbond voor Natuur en Milieu (JNM) een belangrijke rol. Sinds 2001 is het accent verschoven naar natuurhistorisch en ecologisch onderzoek. Dit leidde ondermeer tot een uitgebreide natuurhistorische studie, de inventarisatie van historische sporen in het gebied, de erkenning als Ankerplaats en de publicatie van een artikel in het tijdschrift MEtL. Daarnaast werd het traditionele begrazingsbeheer (een schaapskudde met stootbegrazing) heropgestart en werden er beheersmaatregelen uitgewerkt om de floristische en faunistische waarde terug op peil te brengen. Tegelijk werd er gezorgd voor een verantwoorde openstelling van het terrein. S
«ann». — Tngnng gr«tlM
PEER De Sint-Trudokerk Op de plaats van de huidige kerk werden tijdens de jongste restauratiewerken funderingen vrijgelegd van de eerste preromaanse kerk uit de 10de11de eeuw en van daaropvolgende kerken. De huidige kerk met haar indrukwekkende toren - de Reus der Kempen - is een baken in het noord Limburgse landschap. Merkwaardig is
B I M N E ^ K R A ^ T
vloer en de sierbepleistering volgens de oorspronkelijke plannen hersteld. Ook de hoofdingang uit 1958 werd in ere hersteld, maar de ingangshal en de verlichting zijn wegens het ontbreken van informatie nieuw. De zaal wordt nu polyvalent gebruikt als schoolkantine, turnzaal, feestzaal en voor socio-culturele activiteiten. SINT-LAUREINS Leem weg 11, het Godshuis
dat de toren, waarvan de bouw vermoedelijk begon in 1392, in eerste instantie een verdedigingstoren was voor de inwoners van Peer en omgeving, één van de 10 stadjes uit het graafschap Loon. Aan de voet van de indrukwekkende toren werd de SintTrudokerk gebouwd. De restauratie van de buitenzijde van kerk en toren werd aangevat in juni 1995 en was voltooid einde 1996. De restauratie van de binnenzijde, met inbegrip van het befaamde Clerinxorgel, werd aangevat in juni 2002 en was voltooid midden december 2004. Bijzonder aan de toren is dat na de restauratie élke verdieping een eigen bestemming gekregen heeft. Twee verdiepingen zijn ingericht als musea; de bovenste verdieping huisvest een beiaard. Eén museum herbergt de kerkschatten, het andere een oude gerestaureerde klokkenstoel - de oude Mariaklok uit 1641 - en een reeks oude torenuurwerken van andere kerken uit Groot Peer.
REKEM Herenstraat 1, de Roomse Keizer Het pand werd omstreeks 1632 als rentmeesterswoning gebouwd in Maaslandse renaissancestijl (met blauwhardstenen deur- en raamomlijstingen en speklagen in mergelsteen. Verbouwingen volgden omstreeks 1750. Omstreeks 1850 werd de volledige voorgevel van een cementen bepleistering voorzien, waardoor de authenticiteit volledig verloren ging. Bij gebrek aan onderhoud en na 15 jaar
leegstand waren de muren verzadigd van vocht. De restauratie van dit monumentale pand, gelegen op een strategische plek in Rekem heeft een beeldbepalende invloed voor het dorp. Het betrof een zachte restauratie, waarbij de oorspronkelijke elementen van het pand, waaronder het dakgebinte, onaangeroerd zijn gebleven. De museumapotheek, een privé-initiatief verbonden aan een dokterskabinet, is door deze restauratie in situ bewaard kunnen blijven. De vestiging van een handelszaak heeft tevens de openbare toegankelijkheid aanzienlijk verhoogd. AALST D'Haeseleerstraat, de zaal Gillade Dit project betreft de binnen-en buitenrestauratie van de oude art decodanszaal uit 1924, één der laatste getuigen van het ooit drukke uitgaansleven in de toenmalige Hoogstraat. Ingrijpend verbouwd omwille van een voormalig gebruik als schoolrestaurant, werden bij de restauratie de verdwenen elementen zoals de balkons, de verhoogde scènes, de dans-
Het Godshuis is een voormalig klooster uit de 19dc eeuw dat lange tijd dienst deed als opvang voor weeskinderen, zieken en ouderlingen. Het monumentaal karakter van het gebouw bleek vanaf de jaren 1970 niet meer verenigbaar met de wettelijke normen voor bejaardenzorg. Leegstand volgde. De bescherming als monument in 1986 leidde op termijn tot een gedurfde projectontwikkeling en de uitbouw van een kwalitatief hoogstaand horecacomplex. De vroegere kapel vormt de inkompartij voor drie feestzalen; zeven kleinere zalen werden ingericht op de eerste verdieping. In de kelders werden restaurantmogelijkheden voorzien, we/ness- en tentoonstellingsruimten. De volledige achterbeuk en tweede verdieping werden uitgebouwd tot een zestigtal hotelkamers. De werken namen een aanvang in 2001, de opening volgde in september 2004. LOVENDEGEM (VINDERHOUTE) Dorpsweg, de Sint-Bavokerk en omgevend kerkhof De restauratie van deze volledige site, en niet enkel van individuele elementen, vormt een belangrijk onderdeel in de herwaardering van de dorpskern van Vinderhoute. Het meerjarenproject omvatte de heraanleg van het dorpsplein (2000), de restauratie van de kerk (2000-2005), de restauratie van
BIMMEIVJKRAI^T
voorzien wat naast visuele rust tevens een fysisch rustpunt kan betekenen. De realisatie getuigt van een positieve interactie tussen erfgoedzorg en het versterken van de leefomgeving van de inwoners van de gemeente en van hedendaags omgaan met het onroerend erfgoed: nu er niet langer begraven wordt op de site doet het kerkhof dienst als ontmoetingsplaats met reminiscenties naar zijn oude functie.
de graven en grafkapellen (2006-2007) en heraanleg van het kerkhof (20062007). Voor de dorpskern werd de traditionele kasseisteen verkozen. De bestrating geeft éénheid aan de dorpskern, past binnen de landelijke context van de gemeente en remt tevens het verkeer. De enkele jaren terug gerestaureerde kerk (exterieur en interieur) wordt versterkt door de kwalitatieve heraanleg van zijn historische omgeving. De restauratie bestond uit de typische werken als hervoegen, nieuw dak, interieurschilderwerken. Opmerkelijk waren de werken aan de koepel die sterk verzwakt was. Hoewel het interieur reeds gerestaureerd was werd er in de laatste fase toch voor geopteerd om de waardevolle grafzerken, die zwaar onder de weersomstandigheden te lijden hadden, te integreren in het kerkinterieur. De nieuwe aanleg van het kerkhof met referenties naar het verleden en de kerkhoffunctie (plantenkeuze: klimop, buxus, varens) wordt gecombineerd met de landelijke context van de site (bloemenweide, linden, fruitbomen) en een modern gebruik (gekasseid pad, bank, gedicht). De kerkhofmuur werd hersteld en gebroken grafplaten terug geïntegreerd na restauratie. De aanwezige monumentale graven werden gereinigd, verstevigd en gerestaureerd. De omgevende kerkhofaanleg werd ontworpen vanuit de graftekens, zodat aanleg en graven een perfecte eenheid vormen. Zowel op het kerkhof als op het dorpsplein werden uniforme verlichting, zitbanken en kunstwerken
LEUVEN (KESSEL-LO) Abdij van Vlierbeek, het gastenkwartier Het gastenkwartier van de abdij van Vlierbeek werd gebouwd in drie campagnes, van circa 1650 tot 1727, in een homogene classicerende barokstijl. In 1837 werd het gebouw onderverdeeld in drie woningen, waarvan er één sindsdien in gebruik is als pastorie. Bij deze onderverdeling werden zowel exterieur als interieur ingrijpend gewijzigd. In de voorgevel werden de raamkruisen verwijderd, de vensterdorpels werden verlaagd, en de rode baksteen werd ruw bekapt en met een groene pleister afgewerkt. Voor de middenste woning werd een toegangsdeur gemaakt in de westgevel. In de achtergevel werden de meeste rondbogen van de pandgang - waarvan de laatgotische westelijke arm geïntegreerd is in het volume van het gastenkwartier - gedeeltelijk dichtgemetseld; de gevel werd in die periode geschilderd met okerkleurige kalkverf. In elke woning werd er een gang gemaakt, er werden drie neo-klassieke trappen geplaatst en er kwamen ook nieuwe schouwen. In dezelfde periode zijn de andere delen van het claustrum grotendeels afgebroken: in de tuin resten nog slechts drie traveeën van de noordelijke arm van de pandgang en fragmenten van de overige kloostergebouwen.
Rond 1900 zijn in het interieur nog aanpassingen in neogotische stijl uitgevoerd. In de loop van de 20sX' eeuw werd de homogeniteit van de oostgevel verstoord door diverse banale aanbouwen, en werden de ruimtelijke indeling aangepast voor het inrichten van klaslokalen. Basisoptie voor de restauratie was de bouwfase circa 1837, toen de gevels hun huidige ordonnantie kregen, met behoud van de interessante neogotische ingrepen in het interieur. Ook zijn de nog aanwezige rondbogen van de pandgang opengemaakt en ingevuld met hedendaags schrijnwerk. Recente aanbouwen zonder architecturale waarde zijn verwijderd. In de westgevel zijn gepleisterde vakken in goede staat behouden en waar nodig aangevuld en geretoucheerd; alleen slecht hechtende pleister werd afgekapt en vervangen door een tweelagige pleister identiek aan de 19de-eeuwse. De Lediaanse en Gobertinger kalkzandsteen werd maximaal behouden. De meeste ramen zijn, gezien de verregaande sleet, vervangen door nieuwe ramen in europees eikenhout. De profielen hebben hetzelfde uitzicht als de oorspronkelijke, maar in de aanslag is er een dichtingsprofiel ingewerkt. De binnenluiken en het oorspronkelijk beslag werden herbruikt. Mondgeblazen cilinderglas is zoveel mogelijk behouden en aangevuld met integreerbaar getrokken glas. De ramen zijn geschilderd overeenkomstig de 19deeeuwse toestand. In het interieur is de ruimtelijke indeling van 1837 hersteld, zijn alle oorspronkelijke zolderingen vrijgemaakt en gerestaureerd. Verfsystemen en kleurstelling zijn ook gebaseerd op de fase 1837, behalve waar er waardevolle neogotische ingrepen aanwezig waren. Het binnenschrijnwerk is behouden. De restauratie van dit gebouw is te situeren in het ruimer kader van de gefaseerde restauratie van de abdijgebouwen, onder meer van het claustrum : in de restauratie van het gastenkwartier is reeds een aanzet gegeven voor het herintegreren van de resten van de noordelijke pandgang.
B 1 N N E N K R A N T
MERCHTEM (PEISEGEM) Dries 77, het Hof ten Houte Het project beslaat een beschermde middeleeuwse woontoren (donjon) met nieuwe woonuitbreiding en bijgebouwen {schuur en stal) gelegen in een als landschap beschermde omgeving. De in 1367 reeds bestaande en waarschijnlijk kort voordien gebouwde donjon wordt vereenzelvigd met de huidige toren met de dubbele nis met vierpas op het voormalige residentiële niveau, de spitsboogvormige latei boven de inkom, het schietgat in de kelder en de alternerende hoekkettingen. Dit wordt bevestigd door een meer gedetailleerde studie van de steenbehouwingen op de omkaderingen in natuursteen van het moneelvenster en de deuropening naar de voormalige latrine. De nieuwe woning houdt een actualisatie in van de volledige site, aangepast aan de huidige comfortnormen, zonder afbreuk te doen aan het historisch zeer waardevolle karakter ervan met de donjon als meest markante element. Hierbij diende het originele concept van deze middeleeuwse woonvorm als leidraad. Alhoewel het historische gebouw zich na tientallen jaren verwaarlozing in een lamentabele toestand bevond, bleek de bakstenen constructie gelukkig stevig genoeg om opnieuw zijn oorspronkelijke functie van woontoren te kunnen vervullen. Ook op het vlak van stabiliteit werd het originele concept zo veel mogelijk hersteld. De funderingen waren in goede staat en de dramatische scheuren waren voornamelijk te wijten aan latere onoordeelkundige ingrepen. De bestaande moerbalken namen na herstel van de balkkoppen en het terug aanspannen van de muurankers hun functie weer op, hierbij gesteund door niet-zichtbaar geplaatste trekkers. Het keider-
gewelf werd ontlast door middel van een betonnen vloerplaat en het nieuwe dak steunt nu op een betonnen ringbalk. Het metselwerk werd minutieus gerestaureerd met behoud van de verschillende bouwsporen. Historisch materiaal werd maximaal bewaard; alleen daar waar de natuurstenen dorpels of lintelen hun bouwfysische functie niet meer konden vervullen werden ze vernieuwd. Daar waar bakstenen dienden aangevuld of vernieuwd, werd gebruik gemaakt van een streekeigen baksteen, gebakken uit plaatselijke klei in het originele formaat. Ook de oorspronkelijke functies van de verschillende bouwlagen van de woontoren werden zoveel mogelijk gerespecteerd in het nieuwe ontwerp. De 'autonome' opstelling van de toren ten opzichte van de nieuwe woning wordt verzekerd door een 90 cm smalle glazen wig. Deze transparante tussenruimte zorgt ervoor dat de donjon als het ware los komt te staan. De nieuwe woning plaatst zich als het archetype van 'het huis' naast de donjon. ZOUTLEEUW Sint-Leonarduskerk, de Sacramentstoren De Sint-Leonarduskerk in Zoutleeuw is één van de merkwaardigste kerken van Vlaanderen. Internationale vermaardheid verwierf de kerk door haar rijke verzameling kunstschatten. Eén van de meest indrukwekkende kunstwerken in de Sint-Leonarduskerk is ongetwijfeld de Sacramentstoren. Dit 18 meter hoge kunstwerk uit 1552 werd gemaakt door Cornells Floris de Vriendt uit Antwerpen. De negen verdiepingen tellende toren in renaissancestijl in witte steen van Avesnes, bevat ongeveer 200 beeldjes. De Sacramentstoren is uitgewerkt als een gotische remonstrans en stelt bijbelse taferelen of belangrijke kerkelijke figuren voor. Na zoveel eeuwen was dit kunstwerk dringend aan een grondige restauratie toe. Het ontwerp voorzag dat op het kunstwerk, na restauratie, opnieuw een afdekkingslaag met licht-grijze verf zou worden aangebracht. In de loop van de restauratie werd door de
restaurateurs ontdekt dat de oorspronkelijke schildering van het kunstwerk nog bijna integraal aanwezig was en zonder gevaar van beschadiging kon blootgelegd worden. In overleg met Onroerend Erfgoed werd besloten de originele I6de-eeuwse picturale loodwitlaag terug bloot te leggen en af te zien van een nieuwe overschildering. Ondertussen is de restauratie van de toren beëindigd en kreeg hij het uitzicht van edel wit marmer. Het koperen hekwerk werd na restauratie terug rond de Sacramentstoren geplaatst. HEUVELLAND Project Mijnenslag 1917 Het project stelt zich tot doel de Mijnenslag 1917 - de op militair vlak meest succesvolle geallieerde aanval op de Duitse stellingen tijdens W0I in het landschap te duiden en te ontsluiten. Hiertoe werden diverse initiatieven ontwikkeld in overleg met diverse partners: het Agentschap Natuur en Bos, het OCMW leper, Westtoer, het IFFM leper, de V W Heuvelland, Talbot House Poperinge, privé
B 1 N N E N K R A N T
eigenaars, Toerisme Vlaanderen, het Provinciebestuur project 'Oorlog en vrede', de VRT, het Redmondgenootschap, het Passendaele 1917 museum, de RLWH en Irish. Naar aanleidingh van de 90ste verjaardag van deze slag werden volgende initiatieven genomen: - een wandelroute rond het dorp Wijtschate, waarbij diverse locaties met elkaar worden verbonden en waarlangs het verhaal van de Mijnenslag wordt verteld met een minimale, sobere en eenvormige duiding op de meest belangrijke sites ( Bayernwald, Pool of Peace, campagnebos); - een fietsroute, aanvullend op de wandelroute die leper-Heuvelland en Mesen verbindt; - de website www.zerohour.be, met het verhaal van de slag en de link met het landschap; - een permanente presentatie in het streekbezoekerscentrum in Kemmel; - een 20'lange documentaire die in het streekbezoekerscentrum getoond wordt als eerste kennismaking met de slag en als instap naar het landschap rond Wijtschate; - een Ierse wandelgids die op een 40tal locaties het verhaal brengt wat er vóór en tijdens de slag op die locaties is gebeurd; - een fotoboek waarbij relicten van deze slag in het landschap in alle sereniteit én op een professionele manier worden in beeld gebracht; - twee Ierse zuiltjes die de locatie aantonen waar de Ierse aanval op het dorp is gestart, voor het Ierse verhaal een sterk symbolische plaats: Katholieke en Protestantse soldaten vochten hier voor het eerst zij aan zij; - de aanleg van een dorpsonthaalpunt: op dit punt krijgt de bezoeker eerstelijns informatie wat er in Wijtschate en omgeving te zien en te beleven is. DE PANNE Zeedijk 73, Villa /'£sca/e Deze villa, gelegen op de Zeedijk van De Panne, werd in 1923-'24 gebouwd naar ontwerp van architect Jean-Jules Eggerickx en is aan de Belgische kust een zeldzaamheid geworden. Geprand tussen een rij appartementsbuildings straalt ze desondanks met
M&L
1908 door weduwe en dochter Vercruysse gebouwd naar ontwerp van de Gentse architect Julien Leyns. Het werd recent gerenoveerd en heringericht tot logies, met respect voor de aanwezige oorspronkelijke binnenstoffering.
haar typisch 20ste -eeuwse architectuur, iets heel bijzonders uit. De privéwoning kreeg in 1929 een 1 s t c vermelding in het kader van de prestigieuze prijs E. Van De Ven en werd in 1995 beschermd als monument. Het pand werd, net zoals het in de jaren '60, recent ingericht als een logiesverstrekkend bedrijf. De oorspronkelijke materialen werden hierbij zoveel mogelijk behouden. Onder andere werden de authentieke lambriseringen en trappen hersteld en opnieuw gevernist. Ook de oorspronkelijke kleuren en technieken werden gerespecteerd. Verder beschikt het gebouw over vloeren met de typische Winckelmanstegels die behouden werden en hersteld waar nodig. De buitengevel en de binneninrichting van de beschermde delen, werden in oorspronkelijke staat hersteld; de niet beschermde delen werden via een eigentijds concept geïntegreerd. Hier werd een symbiose tussen kunst en logies gerealiseerd die openstaat voor het brede publiek. Ook hedendaagse kunstenaars als Hubert Minnebo, F. Vanderplancke, Marie-Ange Demuysere en Jacky Duyck hebben bijgedragen tot de artistieke meerwaarde van dit unieke pand.
VEURNE Lindendreef 5-7, het kasteel Ter Linden Blijkens de opschriften ook Torenhuis genoemd, werd dit bakstenen landhuis met speklagen in Euvillesteen en blauwhardstenen plint wellicht in
DE WINNAARS 1993 - 2007 Prijs Vlaams Monument (1993) - 1993 Koekelare, de brouwerij Christiaen - 1994 Antwerpen (Berchem), het huis De Winter - 1995 leper (Boezinge), de kazematten Vlaamse Monumentenprijs (30 mei 1996) - 1996 Alveringem, het mout- en brouwhuis De Snoek - 1997 Hoogstraten, het Convent - 1998 Oudenaarde (Ename), het Tijdsvenster - 1999 Lanaken (Rekem), de kasteelsite -2000 Gent, het Kunstencentrum Vooruit -2001 Brugge, de Griffie Vlaamse Monumentenprijs (wijziging 28 Juni 2002) -2002 Oudenaarde, het Bos 't Ename -2003 Antwerpen, de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten -2004 Halle, de Sint-Martinusbasiliek -2005 Borgloon, het klooster van Kolen -2006 Maldegem, Stoomcentrum vzw -2007 Koksijde, Hotel Normandie
B l l M N E M K R A l M T
Marjan
Buyle
RRABANTSF M O N I I M F N T F N PRI1S Op 6 juni werd de provinciale prijs monumentenzorg in Vlaams-Brabant plechtig overhandigd aan de zusters van de Onze-Lieve-Vrouw van Troost in Vilvoorde. De basiliek werd de voorbije jaren aan de buitenkant gerestaureerd. In 2008 startte de restauratie van het interieur met een grondig vooronderzoek, onder andere naar de oude afwerkingslagen. Het interieur staat er nu, na zovele overschilderingen, een beetje troosteloos bij met haar grijs-witte afschilferende verf. Nochtans bleek uit de proefvensters dat bijvoorbeeld de koorpijlers met een prachtige rode marmerimitatie (Rouge Royal) beschilderd waren, zoals de ontwerper Jos de Rouck aan de talrijk opgekomen geïnteresseerden uitlegde. Ook het oorspronkelijke barokaltaar, dat het koor sierde, is in de loop der tijden verdwenen en men is ook druk op zoek naar meubilair dat past bij de barokstijl van het gebouw. De jury onder het deskundig en enthousiast voorzitterschap van pro-
fessor Luc Verpoest loofde vooral de manier waarop de eigenaars, de kleine kloostergemeenschap van de karmelietessen, vanuit de basis een heel netwerk opzette om hun aandeel in de grootscheepse werken te financieren. Zo ontstond in 1995 de Vriendenkring, die met aangepaste activiteiten zoals een jaarlijkse kunsttentoonstelling in de pandgangen, concerten en voordrachten, probeert hiervoor fondsen te verzamelen. Deze Vriendenkring liet ook een hedendaags bronzen Mariabeeld aanbrengen in de buitengevel. Van een naar de buitenwereld gesloten gemeenschap met een duidelijke muur er rond evolueerde deze kloostergemeenschap naar een open en levend monument. De kerk dateert uit 1663 en is een opvallend monument in het straatbeeld, met haar stijl die de overgang markeert van de laatgotiek naar de triomfantelijke barokstijl. In 2006 verkreeg de kerk de eretitel van basiliek. Dit heeft er mede mee te maken dat de Onze-Lieve-Vrouw van Troost de oudste nog bestaande karmelgemeenschap ter wereld is, die onafgebroken teruggaat tot 1469. De kerk is naast kloosterkerk met haar typisch opgehoogd zusterkoor, dat
vroeger onzichtbaar was afgeschermd van de andere gelovigen, ook een befaamd bedevaartsoord. Onderwerp van de devotie is het gepolychromeerd houten madonnabeeld uit de 13de eeuw. De restauratie van het kerkgebouw gebeurt op een kwaliteitsvolle manier en met een grote betrokkenheid van de buurt. De zusters die optreden als privé-eigenaars voor dit restauratiedossier, hebben zichzelf en hun klooster en kerk letterlijk opengesteld voor de gemeenschap van Vilvoorde. Ze zijn er, met de hulp van de Vriendenkring en hun waardevolle nevenactiviteiten, in geslaagd om mensen warm te maken voor dit uitzonderlijk monument en haar restauratie. Het engagement dat hier wordt getoond is binnen een stedelijke context zeker niet evident, aldus de jury. Het was de tiende keer dat deze monumentenprijs werd uitgereikt. Tijd dus voor de provincie om de balans op te maken en terug te blikken op vorige edities. Dat resulteerde in een fraaie brochure, waarin de tien bekroonde projecten worden voorgesteld, uitvoerig geïllustreerd door fotograaf Lander Loeckx. De winnaars van de vorige
A/I&L
B I N N E N K R A N T
monumentenprijzen werden in Vilvoorde ook nog even aan het publiek voorgesteld. De oogst van deze tien jaar is zeer verscheiden: dat gaat van de restauratie van de muurschilderingen in de Sint-Pauluskerk van Vossem tot de geslaagde herbestemming tot hedendaagse woningen van de begijnhofhuisjes van Aarschot. De wijnmuur van Wezemaal wordt geloofd als origineel toeristisch totaalproject. De Herisemmolen in Alsemberg is een unieke getuige van ons industrieel verleden en een prachtige levenddidactische realisatie als enige nog bestaande papierwatermolen in ons land. De abdijkerk van Vlierbeek straalt weer in verblindend wit en het tramstation van Humbeek is nu een woning met een ziel. Dat een molen moet gebruikt worden om te blijven leven als monument, was ook de eigenaars van de Hertboommolen van Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek duidelijk, en ze zetten na het voltooien van de restauratie prompt gediplomeerde molenaars aan het werk. De woning Heeremans als schitterende realisatie van de modernistische architect Huib Hoste verdiende de prijs voor haar zorgvuldig omgaan met alle waardevolle details van interieur en exterieurafwerking, waarbij ook de tuinaanleg van Jean Canneel-Claes bij de restauratie betrokken werd. Na tien jaar is het wellicht tijd om de provinciale monumentenprijs te heroriënteren. Tijdens de plechtige overhandiging van de prijs in Vilvoorde werd al een tipje van de sluier gelicht: naast restauratie van monumenten zal er ook oog zijn voor hedendaagse architectuur in een bestaande omgeving en hedendaagse inbreng in oude gebouwen.
De publicatie Een monument staat niet alleen. De provinciale prijs monumentenzorg in Vlaams-Brabant 7998-2007 werd uitgegeven door de provincie Vlaams-Brabant. Teksten van Paul Geerts. Info bij Els Deconinck, dienst Cultuur: cultuurOvlaamsbrabant.be en 016 26 76 15. www.vlaamsbrabant.be/cultuur
M&L
Buitenkrant Edgard
Goedleven
den in de periode van de zomer 2004 tot de zomer 2005 uitgevoerd door het VIOE (Vlaams Instituut voor het onroerend erfgoed) in opdracht van Erfgoed Vlaanderen. • De kruidentuin werd ingewandeld op 22 juni 2006.
ABDIJSITE V A N HFRKFNRODF, 1 0 JAAR VFRWEZENLIIKINGFN Op 12 mei 1998 kocht Vlaams minister Theo Kelchtermans in Hasselt ruim 100 ha natuurgebied met inbegrip van de vervallen hoevegebouwen van de voormalige abdij van Herkenrode. Het abdijhoevecomplex en de bijhorende gebouwen werden op 7 januari 1999 in erfpacht gegeven aan Erfgoed Vlaanderen vzw, waarvoor Wim Van Lishout opdrachthouder wordt. Tijdens de 10 jaar die sindsdien zijn verstreken werd een belangrijk gedeelte van de historische gebouwen gerestaureerd, herbestemd en ontsloten voor het publiek. Een overzicht. • De ruwbouw restauratie van de tiendschuur werd aangevat in juli 1999 en beëindigd in januari 2002. • De afwerking van de tiendschuur en de realisatie van de annex-stallingen bij de schuur (voornamelijk voor de inbreng van technische ruimtes) werden opgeleverd in februari 2004. • In het najaar 2003 werd een overeenkomst afgesloten met LRM/LISOM (Limburgse Reconversiemaatschappij/ Limburgse Strategische Ontwikkelingsmaatschappij) waarbij deze voor een bedrag van 13,92 miljoen Euro zou bijdragen voor de restauratie van de abdij. Dit betekende een zeer belangrijke en wezenlijke bijdrage voor de haalbaarheid van het globale project. • Het conceptbureau Mimesis werd in het najaar van 2004 aangesteld om een volledig nieuwe concept voor het project Abdijsite Herkenrode op te stellen. Eerste realisaties van dit concept zijn: de reconstructie van het kloosterpand op de archeologische site, de scenografie in de kruidentuin en de inhoudelijke ontsluiting van het tijdelijk bezoekerscentrum en het project via een bezoekersgids. • De archeologische opgravingen wer-
• De ruwbouwrestauratie van het poortgebouw en de portierswoning was de volgende fase in het verhaal. Beide ruwbouwwerken werden opgeleverd in april 2006. De afwerking van het poortgebouw werd verder gezet en in mei 2007 werd het gebouw ingehuldigd . • Ongeveer op hetzelfde moment van de opening van het poortgebouw werd de ruwbouw van de watermolen afgewerkt. De loden spitsen werden in april 2007 op het dak geplaatst • De stallingen van de westzijde waren het volgend deelproject. Hierin zal het /ndoor gedeelte, ontwikkeld door Mimesis, worden ondergebracht. De werken aan de stallingen rechts van het koetshuis werden aangevat in augustus 2006. De ruwbouw hiervan werd afgewerkt in juni 2007. Onmiddellijk daarna werd de verdere afwerking aangevat, samen met de volledige restauratie van het koetshuis. Het is de bedoeling dat dit gedeelte al klaar zou zijn nog vóór het bouwverlof 2008. • De ruwbouw van de stallingen links van het koetshuis werd in mei 2007 opgestart en zal ook nog vóór het bouwverlof van 2008 worden opgeleverd. Voor de verdere afwerking van dit gedeelte wordt een restauratiepremie aangevraagd. In geval die tijdig kan worden toegekend zal in het najaar van 2009 de /ndoor tentoonstelling worden geopend. Het restauratiedossier voor de bouwkundige afwerking is eveneens ingediend met het oog op het verkrijgen van een restauratiepremie. De restauratiedossiers voor de technieken worden nog vóór het bouwverlof van 2008 ingediend. • De restauratie van de ruwbouw van de paardenstallen werd opgestart in september 2007 en zal na het bouwverlof van 2008, dus nog voor de winter van dit jaar, worden opgeleverd.
B 1 N N E N K R A N T
motieven en vergulde plaatjes, is cultuurhistorisch en wetenschappelijk van Europees niveau. De vele inspanningen gedurende de laatste tien jaar hebben er voor gezorgd dat het project Abdijsite van Herkenrode thans voor meer dan de helft is gerealiseerd. Bijzonder hoopgevend is de vaststelling dat in de loop van de eerste helft van 2008 een aantal belangrijke stappen zijn gezet en beslissingen zijn genomen, waardoor het project vanaf nu in een stroomversnelling komt die kan leiden naar een versnelde restauratie, die tegen mogelijk tegen eind 2010 nagenoeg volledig zal voltooid zijn. Hierbij zijn in het bijzonder te vermelden. De abdij van Herkenrode vóór de aanvang van de werken (foto Stefaan Dewickere)
• Het dossier voor de ruwbouw van de stallingen zuid is in aanmaak en zal ook nog vóór het bouwverlof 2008 worden ingediend met het oog op het verkrijgen van een restauratiepremie. • De parking blijft een moeilijk punt. In overleg met de aannemer en de ontwerper wordt een oplossing gezocht voor de gestelde technische problemen. • In de marge van deze opsomming dient er ook de aandacht worden op gevestigd dat de kerkfabriek van Sint-Kwintinus uit Hasselt in 2005 een dossier heeft opgestart voor het
De abdij van Herkenrode vanuit de lucht
onderzoek en de restauratie van 43 reliekschedels gewikkeld in uiterst waardevolle geweven stoffen. Ooit waren die relieken het kostbaarste bezit van de abdij van Herkenrode. Ze worden nu bewaard in de SintKwintinuskerk te Hasselt. Eind april 2008 werd het vooronderzoek dat twee jaar studie vergde afgerond. Nu volgt de restauratiefase die over twee jaar, tegen de volgende Virga Jessefeesten in 2010, zal voltooid zijn. De studie en restauratie van deze schedels, gewikkeld in uitzonderlijk kostbare weefsels, versierd met gouddraad, rivierparels, florale
• Vooreerst en op uitdrukkelijk verzoek van de Vlaamse regering, heeft Erfgoed Vlaanderen een structuur uitgetekend waarbij een belangrijk bedrag aan BTW voor diverse uitgevoerde werkzaamheden kan worden gerecupereerd. Hiermee is tevens de voorwaarde vervuld voor de recuperatie van de voor enkele jaren verminderde bijdrage uit de LRM-LISOM middelen. De gerecupereerde BTW komt uiteraard ten goede aan de verdere afwerking van het project. • Met de vzw Herkenrode werden de nodige overeenkomsten afgesloten met het oog op een verzelfstandiging van de site door middel van evenwichtige afspraken over de taakverdeling en afbakening van De hoektoren van de abdij van Herkenrode (foto Daniël Kievith]
B l N M E f ^ K R A N T
De tiendschuur van de abdij van Herkenrode, huidige toestand (foto Daniël Kievithj
verantwoordelijkheden van de vzw Herkenrode en de vzw Erfgoed Vlaanderen. Dit zal de al goede verstandhouding en de samenwerking van beide partijen nog verstevigen. • De Vlaamse regering heeft zeer onlangs beslist om de LRM/LISOM gelden die tot nog toe van zeer groot belang zijn geweest voor de financiering van het project Abdijsite van Herkenrode, over te dragen aan de provincie Limburg. Hiermee bevindt zich thans de sleutel, voor de verdere restauratie en voltooiing van het project Abdijsite van Herkenrode, in Limburgse handen. • Minister Dirk Van Mechelen bevoegd voor Monumenten en Landschappen (onroerend erfgoed) heeft de kredieten voor werkzaamheden aan als monument beschermde gebouwen de laatste twee jaar in belangrijke mate opgetrokken. Het is ook zijn ambitie om de wachtlijsten, zeker in de privésector (zoals het geval is met Herkenrode) op korte termijn volledig weg te werken. Dit betekent dat thans voor elke euro aan LRM/LISOM middelen door
de provincie via Erfgoed Vlaanderen besteed aan Herkenrode, de Vlaamse overheid 2,5 euro kan bijleggen in de vorm van restauratiepremies. Toerisme Vlaanderen zal hierbij allicht ook een aanvullende financiële ondersteuning kunnen leveren. • Erfgoed Vlaanderen heeft begin 2008 grote inspanningen gedaan om extra inkomsten te verwerven. In dit verband geldt niet alleen de al vermelde BTW recuperatie. Op dit ogenblik loopt de marktbevraging voor de commercialiseerbare delen van de abdij, namelijk de tiendschuur, paardenstallen, poortgebouw, stallingen zuid en kelders onder de portierswoning. Ook de parking zit mee in de bevraging. De voorstellen van de kandidaten zullen in de tweede helft van 2008 tot concrete overeenkomsten leiden. • De laatste jaren heeft zich een bijzonder sterke stijging voorgedaan inzake de bouwkosten. Alleen reeds in 2007 stegen de bouwkosten met 12,5%. Gelet op deze prijsstijgingen moet Erfgoed Vlaanderen dan ook, ondanks
de toename van de eigen inkomsten en de recuperatie van de BTW, een actualisering bepleiten van de bijdragen van de betrokken partners en de recuperatie van de voor enkele jaren verminderde LRM/LISOM bijdrage. Hiervoor heeft Erfgoed Vlaanderen een volledige actualisering van de financieringsbehoeften uitgewerkt. De vooruitzichten zijn gunstig dat de door de Vlaamse regering aan de provincie overgedragen LRM/LISOM middelen hiervoor een oplossing kunnen bieden. De uitbouw van de abdijsite van Herkenrode is tot nog toe een succesverhaal. Dit resultaat is slechts haalbaar geweest doordat alle betrokken partners er zich voluit hebben voor ingezet. De volledige karkasrestauratie en allicht het grootste gedeelte van de binnenafwerking, de herbestemming en de ontsluiting worden daarmee haalbaar binnen een termijn van mogelijk nog slechts twee jaar. De VZW Erfgoed Vlaanderen is op deze programmatic voorbereid en wil er voluit voor gaan om deze ambitieuze uitdaging op zich te nemen.
Bl^NENKRANT
Naar aanleiding van de tiende verjaardag van de aankoop van het domein verscheen de rijkelijk geïllustreerde brochure Smeets Luc, Herkenrode W jaar later, 1998-2008. Het is een uitgave van Herkenrode vzw, Herkenrodeabdij 4, in 3511 Hasselt. Tel: 011 33 43 70, fax: 011 33 46 45. De brochure kan worden besteld bij Herkenrode vzw door overschrijving van 5 € + 4 € verzendingskosten met vermelding'Brochure 10 jaar Herkenrode ' op rekening nr. 001-3630110-58.
Dendermonde 1891
Luc
Olyslager
DENDERMONDE: DAG V A N H F T V F R S T F R K T FRFGOFD 9 0 0 » De vesting Dendermonde: de geschiedenis Al vóór 1200 was Dendermonde een ommuurde stad. In 1368 wordt de stad uitgebreid tot aan de huidige Leopold II laan. De toenmalige stadsmuur wordt geflankeerd door 23 halfronde torens en er zijn vier stadspoorten: de Gentse-, Brusselse-, Mechelseen Waterpoort. De stad wordt herhaalde malen belegerd. De sterkste verdediging van Dendermonde wordt gevormd door inundaties of overstroomde terreinen rondom de stad.
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (15681648) worden de versterkingen door de Spaanse veldheer Alexander Farnese gemoderniseerd. De middeleeuwse muur en de torens worden verlaagd en aangeaard om beter te kunnen weerstaan aan het artillerievuur en om er geschut te kunnen opstellen. Vóór de muur worden er beklede driehoekige bolwerken opgetrokken. Er komt ook een citadel. Door het Barrièretraktaat, een clausule bij het Vredesverdrag van Rijswijk, wordt Dendermonde vanaf 1697 een barrièrestad en wordt de stad bemand met een gemengd Oostenrijks-Staats garnizoen. Maar onder Keizer Jozef II worden de meeste Zuid-Nederlandse vestingen ontmanteld, waardoor de Staatse troepen het grondgebied moeten verlaten. In Dendermonde
4/00 van het
VERSTERKT ERFGOED
.«.IOU»*
SIMON STEVIN
Dendermonde 4 oktober 2008 DENDERMO
wordt enkel de gracht behouden als octrooimuur. Tijdens de Hollandse periode (18151830) wordt Dendermonde opnieuw een vestingstad. Dit geschiedt in het kader van de Wellingtonbarrière, een verdedigingssysteem tegen Frankrijk. Het oude tracé blijft behouden maar de stad wordt nu een gebastioneerde vesting. De omwalling bestaat uit een 9m hoge aarden wal die de stad tegen het vijandelijke kanonvuur moet beschermen. Bovenop die wal is er een borstwering waarachter de verdedigers zich opstellen. Vóór de wal ligt een brede gracht die de hindernis vormt. Die hindernis wordt zijdelings onder vuur gehouden vanuit bastions, vijfhoekige uitsteeksels van de wal. Er zijn nog steeds vier poorten: de Waterpoort, de Mechelsepoort, de Brusselsepoort en de Gentsepoort. In de gracht en vóór de laatste drie poorten ligt er telkens een ravelijn, dat de poort aan de veldzijde moet dekken. Binnen de vesting worden er een aantal militaire gebouwen opgetrokken, waaronder de bomvrije kazerne en het bomvrij arsenaal.
pitèty Tijdens het Belgische bewind wordt Dendermonde in de opeenvolgende verdedigingssystemen opgenomen. De genie zal de Vesting verder versterken.
1V1&L
B I N N E N K R A N T
Op de wallen worden aarden ophogingen opgegooid, die de verdedigers tegen van opzij komende schoten moeten beschermen. Achter of In de bastions worden er bijkomende bomvrije gewelven gebouwd, en in het zuiden een bijkomend ravelijn. Vóór de gracht worden er een aantal bijkomende versterkingen opgericht. Bij de aanleg van het station loopt de spoorweg naar het Land van Waas door Bastion 3 de vesting binnen, om die langs de Waterpoort te verlaten. Om de straat- en spoorwegen naar Mechelen en Brussel te onderscheppen, worden er drie batterijen aangelegd. De Brusselsepoort
De Hollandse kazerne
Het kruitmagazijn aan de Brusselsepoort
M&L
De Vesting Dendermonde was rond 1850 ongetwijfeld een stevige vesting, maar de snelle ontwikkeling van de artillerie zal daar een einde aan maken. De invoering van het getrokken geschut (met trekken in de loop) rond 1860 gaat de reikwijdte, de nauwkeurigheid en de impact van het artillerievuur sterk vergroten. De ondervindingen van de Frans-Duitse oorlog van 1870 leren dat een voorliggende fortengordel noodzakelijk is. De in 1879-1883 gebouwde voorliggende batterijen van Dendermonde zijn daar een poging toe. De invoering van de brisantgranaat (met krachtige springstoffen gevuld) verhoogt de uitwerking van het artillerievuur nogmaals dramatisch. Dit betekent het einde van de open opstellingen op wallen en bakstenen gewelven. De Vesting Dendermonde zou nogmaals versterkt moeten worden en voorzien worden van pantserkoepels. Dit gebeurt echter niet. In 1906 wordt Dendermonde dan ook gedeclasseerd als vestingwerk. Na WO I begint de geleidelijke afbraak. Vandaag zijn de overblijvende relicten beschermd en meer dan het bezoeken waard.
Het Simon Stevin Vlaams Vestingbouwkundig Centrum Het Simon Stevin V.V.C, stelt zich tot doel oude, buiten gebruik gestelde vestingwerken als militair bouwkundig erfgoed beter kenbaar te maken, te bestuderen, in stand te houden en de restauratie te bevorderen. Daarom organiseert Simon Stevin V.V.C, regel-
B 1 N N E N K R A N T
het grondgebied van de provincie Oost-Vlaanderen. Aan de hand van talrijke documenten wordt deze periode terug tot leven gebracht. De infobeurs met binnen- en buitenlandse deelnemers biedt gespecialiseerde informatie over andere vestingbouwkundige sites, versterkte steden, forten, organisaties, uitgevers en boekhandels. Tevens kunnen de bezoekers genieten van rondleidingen langsheen de vestingbouwkundige relicten.
Hef arsenaal aan de Zuidlaan matig bezoeken aan forten en andere vestingbouwkundige sites in binnenen buitenland, publiceert het tijdschrift Vesting, werkt mee aan diverse thematische uitgaven en beheert een uitgebreid documentatiecentrum dat op verzoek geraadpleegd kan worden. Op de website www.simonstevin.org wordt een overzicht geboden van alle activiteiten, publicaties en vestingbouwkundige links. Dag van het Versterkt Erfgoed 2008 In de Abdijschool Dendermonde kunnen de bezoekers van de Dag van het Versterkt Erfgoed 2008 kennis maken met de indrukwekkende geschiedenis en resterende relicten van Dendermonde als versterkte stad. De start wordt om 14.00 u gegeven door de burgemeester van Dender-
monde. Aansluitend belichten sprekers elk een aspect van de Dendermondse vestingbouwkundige geschiedenis: J. Dauwe, Iconografie en Cartografie van Dendermonde door de eeuwen heen; J.-P. Aesseloos, De belegering van Dendermonde bij het uitbreken van WO I; L. Buyse, De situatie van Dendermonde na de bevrijding en de wederopbouw. Een overzichtstentoonstelling schetst een beeld van De Wellingtonbarrière en de Versterkte stad Dendermonde. Tussen 1815 en 1830, tijdens de kortstondige hereniging van de beide Nederlanden onder het Huis van Oranje, vernieuwt de Nederlandse genie een aantal vestigingen als verdediging tegen Frankrijk: de Wellingtonbarrière. Drie van die vestingen, waaronder Dendermonde, lagen op
Rondleidingen brengen de bezoekers langs de vestingbouwkundige relicten van Dendermonde. In de omgeving van de Mechelsepoort treffen we nog de restanten aan van profielmuren, een buitenpoort en een kruitmagazijntje. Van Bastion 5 is de wal nog grotendeels aanwezig, met hierin twee holtraversen. Achter dit bastion vinden we een gedeelte van een Nederlands laboratorium en negen Belgische bomvrije gewelven. De Brusselsepoort is nog steeds voorzien van een speciaal ophaalmechanisme. Het overblijvende gedeelte van het ravelijn is omgevormd tot park en bevat een bomvrij kruitmagazijn. Twee holtraversen zijn opgenomen in het Natuureducatief reservaat Bastion 8. Achter Bastion 9, aan het Sas, bevindt zich nog een patronenfabriekje. Verder zijn er zestien Belgische bomvrije gewelven, met o.a. dertien affuitloodsen en twee kruitmagazijnen. Het Nederlands bomvrij arsenaal aan de Zuidlaan, is nog in vrij originele staat, net zoals de Nederlandse bomvrije kazerne.
Dag van het Versterkt Erfgoed 2008. Zaterdag 4 oktober 2008 van 14.00 u. tot 18.00 u. PCVO Scheldeland (voormalige Abdijschool), Oude Vest - Dijkstraat 52, 9200 Dendermonde. Toegang is gratis.
A/I&L
MEtL citaat
WS^Q&WJK®
"^^^©-'^1i5^.
De oran|erietuin aangelegd in 1991
worden . . . " en waar B staat zijn het "louter rabatten (stroken voor planten) waarin de vierkantjes de plaatsen zijn van de stenen of houtjes waarop de pommeranzen kunnen staan ($). In 1726 beschrijft men het gebouw in de bloementuin als oranjerie gelegen tussen de aan de gasten voorbehouden paardenstallen (9). Het perceel ligt lager dan de straat en is zoals van oudsher ook toegankelijk vanuit de Buitenhof via een deurtje en enkele traptreden. De oranjerietuin wordt aan de straatkant begrensd door een hogere bakstenen muur die als steun is gebruikt voor de bersauw van de nieuwe tuinaanleg. De muur is onderbroken door een recent hek naar de tuin. Het volgt het eenvoudigste patroon, namelijk met vier regels, rechte stijlen en spijlen zonder enige versiering. De huidige tuinaanleg werd in 1989 gerealiseerd naar een ontwerp van Viviane Paelinck in een hedendaagse interpretatie van de geometrische stijl. Er ging een eerste niet ontvankelijk plan van haar hand aan vooraf en een ontwerp van 1984 door tuinarchitect Guido van Giel (10). Rondom de tuin loopt een breed pad in dolomiet waarin stroken natuursteen de opgegraven platte-
grond van verdwenen gebouwen weergeven en de volgens een ontwerp 45 m lange bersauw tegen de straatmuur een blik- y (Foto 0. Pauwels) vanger is. Hij telt 17 onderling verbonden korfbogen waarvan de metalen structuur op de muur verankerd is. Tegen de bersauw groeien leiperen, verder ook klimhortensia, klimop, verschillende variëteiten van clematis en ook enkele rozen, telkens met een voorkeur voor soorten die al rond 1700 of in de 18 c eeuw bekend waren. De geschoren taxushaag die op de drie andere zijden de tuin begrenst, is ook het verbindend element met de tuin van de landcommandeur, ten westen van het kasteel. Het obligate, ook in dolomiet gelegde padenkruis verdeelt de parterretuin in vier compartimenten of perken rond het centrale waterbekken. Het bekken van de fontein is achthoekig, omlijst met natuursteen en is een oorspronkelijk element van de oude tuin. In het goede seizoen worden op het omlopende, in dolomiet gelegde tuinpad de kuipplanten opgesteld die voor het verticale accent in de tuin zorgen. Een bloemenstrook tussen buxushaagjes en een strook witte grind lopen rondom de compartimenten in rode steenslag; daarin zijn in de hoeken gespiegelde krullen uitgespaard en in het midden een diagonaal kruis van vier Franse lelies - embleem
1V1&L
dat de orderidders in hun wapen mochten voeren (11). De perken zelf zijn uiteraard laag gehouden en de tekening ervan is geïnspireerd op één van de modellen voor parterres gepubliceerd in Jan van der Groens populaire 17 c -eeuwse tuinhandboek (12). De krullen en lelies zelf zijn met gras ingezaaid en een tweede strook witte grind rond de lelies onderlijnt ze. In de voor wisselende bloemen bestemde stroken vormen de hoge taxuskegels een begeleidende ruime kring rond het waterbekken, terwijl de lage buxuskegels de hoeken accentueren.
DF WESTELUKF EN ZUIDELIJKE PARTERRETUIN O p de kaart met de bezittingen van de landcommanderij in 1658 lag er ten zuiden van het waterslot een door een kruis in vieren verdeelde tuin. Volgens de ets van Romeyn de Hooghe strekte de parterretuin zich in 1700 over de hele breedte van het slot uit en was hij op de oostzijde begrensd door een tuinmuur. Een omlijst en met een fronton bekroond poortje gaf via een uitsparing in een hoge haag doorgang tot de eigenlijke tuinruimte. De rechthoekige bedden waren omzoomd en op de hoeken voorzien van een vertikaal accent door de hoge, in niveaus gesnoeide boompjes.
Op het plan met de plattegrond tekende Gilles Do/en in 1716 ook een deel van de tuin van de landcommandeur, ten zuiden van de burcht (Wenen, Centraal Archief van de Duitse Orde) (Collectie Alden Biesen)
In Les Délices du pais de Liége wordt expliciet vermeld dat één van de beide toegangsbruggen over de gracht uitkijkt op "een parterre en op andere zeer aangename tuinen ten westen (13). Daarmee wordt meer bepaald de westelijke tuin bedoeld, waar Romeyn de Hooghe een parterretuin tekende met rechthoekige bedden en snoeivormen in kegel- en bolvorm, een schema dat men eveneens herkent op de tekening van Remacle Leloup (1738). Er groeit leifruit tegen de straatmuur en die heeft een toegangsportaaltje onder fronton. Een deel van de tuin verschijnt ook schematisch op het bewaarde plan dat bouwmeester Gilles Doyen in 1716 van het kasteel maakte en dat aan de Weense barokarchitect Johann Lucas von Hildebrandt ter advies werd voorgelegd. Het plan dat deze laatste voor de landcommandeur Schönborn tekende kwam beschadigd aan en is niet bewaard. In 1746 toonde de landcommandeur Ferdinand von Sickingen (1744-1749) de tuinen aan Emmanuel de Croij (1718-1784) en die noteerde in zijn dagboek dat hij er uitzonderlijke planten en de mooiste bloemen zag, een "door hem ontdekte bron en " wonderbaarlijk veel zeeschelpen, te wit om uit de grond te komen (14). Uit Schönborns briefwisseling blijkt dat Hildebrandt niet alleen de oranjerietuin en de sokkel voor een Sint-Damiaanbeeld tekende, maar ook een oranjerie waarvan de ramen in lood werden uitgevoerd. Het is een atypische oranjerie, wellicht eerder een serre (15) of een oranjerie gecombineerd met een serre (16). Ze lag vermoedelijk in de zuidelijke tuin, is allicht de constructie die op de Ferrariskaart wordt gesignaleerd en het " drijfhaus" {Treibhaus) dat in 1784 vermeld wordt in de schriftelijke instructies van landcommandeur Reischach om deze tuin om te spitten (17). Men vindt ze terug als het kadastrale perceel nr. 543 dat in 1813 op deze site is geregistreerd (18) en op de plattegrond in de linkerbovenhoek op de Prospectus de la Vente par forme de loterie autorisée par arrêté Royal du 19 may 1819 (19). Ze verdwijnt pas van het kadaster in 1892(20). Uit de briefwisseling over het omspitten kan men afleiden dat er in deze tuin een fontein was met paden er naartoe, dat de tuin op twee door trappen verbonden niveaus lag, dat in het laagste deel (de westelijke tuin dus) in piramides gesnoeide taxus en buxus stond en er andere kruiden groeiden; dat het "drijfhauf in het hogere deel (de zuidelijke tuin) stond; dat er verder een bloementuin en gras-
parterres waren "'buiten het door plaveien omgeven vierkant"; en tenslotte dat er fruitbomen tegen de muren groeiden. Het omspitten van deze tuin en de bestelling van een groot aantal planten, waarvan twee leveringslijsten bewaard zijn, was de voorbereiding voor de aanleg van de Engelse tuin (21). De zuidelijke parterretuin bestaat niet langer, want het terrein maakt nu deel uit van het grasveld van de Engelse tuin. Vandaag wordt alleen het deel tussen de straat en de westelijke kasteelwal - dat een duidelijke eigen identiteit bezit - nog de tuin van de landcommandeur genoemd. Deze tuin is zonder gemarkeerde overgang toegankelijk vanaf de oranjerietuin, vanaf de straat via het 19 e -eeuwse hek en via de deur in de westelijke kasteelvleugel en de opnieuw gebouwde brug over de wal. Geschoren taxushagen begeleiden de trap naar de brug en schermen de kasteelwal en de keermuur naar de Engelse tuin af. In deze laatste haag is een met klimop beklede nis geschoren waarop de lengteas van de tuin eindigt. Viviane Paelinck was ook hier voor de tuinaanleg verantwoordelijk en paste de schijnsymmetrie toe op de trapezoïdale vorm van het perceel dat ze in drie verdeelde. De zones links en rechts vertonen rijen van rechthoekige, door strakke buxushagen omzoomde, door blauwe steen afgeboorde en door dolomietpaden gescheiden bloemperken. Die zijn gevuld ofwel met purperbladige salie {Salvia officinalis L. cv. Purpurescens), ofwel met rozen ofwel met bolvormig gesnoeide jeneverbes op stam {Pyrus salicifolia), geïnspireerd op de bolboompjes op Romeyn De Hooghe's ets. Aan hun voet groeit lavendel [Lavandula officinalis L.). De middelste, enkele treden hoger gelegen zone, waar symmetrie heerst, is geaxeerd op de toegangsbrug. De vier door buxus [Buxus sempervirens) en cypressekruid {Santolina chamaecyparissus L.) gevormde broderieparterres zijn door hoge taxushagen afgelijnd en daarin zijn vier tegenover elkaar gelegen nissen gesnoeid, een verre echo van die op Doyens plattegrond. De liaanroos {Rosa Bobby James') die zich weelderig rondom de brugleuning windt, contrasteert met de strakke lijnvoering van de tuin en onderlijnt dat nog..
DE ENGELSE TUIN VAN REISCHACH De aanleg van de Engelse tuin is archivalisch goed gedocumenteerd. Een tiental jaar geleden werd er een artikel aan gewijd (22), maar zonder de informarie uit de kadastrale archieven. Een confrontatie daarmee verheldert nochtans het beeld van de tuin.
• ïiviane Paelinck tekende voor de
De 'neue Garten'w^trA op de helling van de Winterberg, ten zuiden van het kasteel in 1786-87 aangelegd in opdracht van Franz Johann Nepomuk von Reischach, de laatste landcommandeur van Alden Biesen (1784-1807). De toen nog jonge architect Ghislain-Joseph Henry (1754-1820) leverde de plannen en was regelmatig voor langere perioden op de werf. In 1814 wordt de tuin vermeld als "jardin pittoresque tres interessant par ses plantations" (23). De bewaarde plantenlijst (24) bevat inderdaad naast enkele gepanacheerde soorten die toen bij de liefhebbers erg in de smaak vielen, vooral Aziatische en uit Noord-Amerika geïntroduceerde planten (25). De dendrologische interesse van de landcommandeur spreekt er in elk geval uit en dat was niet uitzonderlijk voor kasteelheren in die laatste decennia van de 18 e eeuw. Uitgaven over dendrologie waren toen erg gegeerd, zoals het succes van baron de Poederlé's Manuel onder meer aantoont (26).
tuin van de landcommandeur uitgevoerd in 1991 (Foto 0. Pauwels)
Henry's creatie was een voor zijn tijd typerende tuin in de Engelse stijl die toen sedert kort ook onze streken had bereikt. De tuin van Reischach behoort tot de 18 c -eeuwse voorbeelden van Engelse tuinen in ons land. Samen met nog een handvol andere realisaties zijn vooral te vermelden: de tuin van de Luikse prinsbisschop Velbruck in Hex (Heks, Heers) (27), die van graaf de Borchgrave d'Altena in Bovelingen (Mechelen-Bovelingen, Heers) (28), die van graaf van der Noot in Duras (Sint-Truiden) (29), de tuin van Joanna Artois in Wespelaar (Haacht) (30) en die bij het verdwenen kasteel Zangerhei in Eigenbilzen (Bilzen). De vier laatste zijn ook door Henry ontworpen.
IVI&L
• Op het Primitief kadasterplan van Kansen uit 1813 komt heel wat verhelderende informatie voor over de Engelse tuin van Relschach toen die nauwelijks 25 jaar bestond (Hasselt, Archief van het Kadaster)
CHATié? m «
VJEU^i ^n.:!%mh:'i B i W /
^aiu
.
/ ' . - / •
•
^
.'u-v •
M&L
w
Eigen aan deze Engelse tuinen is dat de strakke geometrische lijnen achterwege blijven en de vlotte lijnvoering overheerst, er een netwerk doorloopt van snel kronkelende paden, de beplanting rijk, verzorgd, afwisselend is en deels exoten telt, en dat de blik van de wandelaar verrast wordt door fabriekjes die verschillende werelden en culturen oproepen. Dat was in Alden Biesen niet anders. Het bestaande, oplopende reliëf werd gemodelleerd naar de plannen van Henry, die ook een kunstmatige rivier en een watervalletje liet aanleggen en een wandelparcours uittekende van kronkelende paden langs de verschillende fabriekjes. De blikvanger van de tuin was de mergelstenen Minervatempel in klassieke stijl op een eilandje in de rivier. Het in de archieven vermelde bowling green is vermoedelijk het ruime grasveld tussen de kasteelwal en de rivier. Er is ook sprake van een theatre de comédie, maar men vond in de archieven geen aanwijzingen dat zulk lovertheater werd gerealiseerd, tenzij de bestelling van 1000 ligusterplantjes daarvoor was bestemd. Verder passeerde de wandelaar een gebouwde ruïne op een kunstmatige rotspartij met een voorstelling van Daniël in de leeuwenkuil, een tweede eveneens kunstmatige grot van silex, een kleurrijke Chinese tempel afgedekt met houten leien, een stenen hermitage onder strodak en een Chinese tempel eveneens met strooien daken. Er waren twee houten bruggen, waarvan de eerste de rivier overstak, de tweede een kleine poel in de zuidwestelijke hoek (31).
De eindafrekening van de aanleg, in juni 1787, liep op tot 16.036 gulden, een fameus bedrag - te vergelijken met het jaarinkomen van een kleine adellijke familie — waar het ereloon, de bouwwerken en de aankoop van planten inbegrepen zijn. Voor de creatie van de kunstmatige rivier werd het water via loden buizen aangevoerd vanuit de hoger gelegen weide naast de poort. Een gemetseld kanaal zorgde voor de afvoer van de overloop naar de slotgracht, maar dat bleek te optimistisch want bij de uitvoering bleek de moeilijkheid nu juist voldoende water in de rivier te krijgen. Niet te verwonderen dus dat de rivier niet meer bestaat. Bij de plantenleveringen hoorden allerhande houdt en houdtgewasch, te begrijpen als bijvoorbeeld bloeiende struiken die toen erg in de smaak vielen, maar ook 1 grote en 93 kleine palmbomen, 29 vrachten populieren, 108 vremde hoornen (exoten), 200 mastbomen (pijnbomen) en wel 1000 ligusterplantjes (misschien in functie van het lovertheater besteld ?). Bij de bouwwerken hoorden, naast de paviljoenen ook een annanashuijs in 155 melgerblocken en roode steentjes en twee nieuwe broije huijsen (32). Een aantal van
de geleverde planten moest inderdaad in een oranjerie overwinteren. Plannen van de Engelse tuin bleven niet bewaard, maar het vóór-primitief kadasterplan (1813) door Hansen is veel gedetailleerder dan gebruikelijk en reveleert daarom één en ander, ook over de andere tuinen in Alden Biesen (33). Bijvoorbeeld zijn in het perceel van de oranjerietuin (nr. 556) het kruisend pad, de fontein en een constructie (vermoedelijk een paviljoen) weergegeven. In de Engelse tuin (nr. 537) zelf-aangeduid als "jardin Englois, dit den hoof"- zijn er talrijke, doorgehaalde perceelnummers en percelen zonder definitief nummer. Dat is veelzeggend: de landmeter moet immers op het terrein een verschil hebben gezien met de naastliggende percelen, omdat er een afscheiding was of omdat de vegetatie er waarneembaar anders was. De cirkeltjes, ovalen en grillige vormen moeten opvallend geweest zijn. Zo moet bijvoorbeeld het doorgehaalde perceel 372 duidelijk verschillend
Het Primitief kadasterplan van Le Fize hemen in 1842 is gemakkeliiker te lezen maar geeft niet alle detaillering weer (Hasselt, Archief van het Kadaster)
/
-- •
1 •
1 1VI&L
geweest zijn dan het Winterberg Bosch (perceel nr. 534) waarin het lag. Ze stellen zeker de paviljoenen en de rotspartijen voor, maar bijvoorbeeld ook een kring van bomen of een groenpaviljoen en afgescheiden plekken waar bepaalde planten, al dan niet in potten of kuipen, verzameld werden. In deze zones vond men de in de archieven vermelde palmen, het hout en de houtgewassen; in Nederland wordt een Engelse tuin ook aangeduid als 'Engels hout'. Duidelijk is ook de kleine poel met een brugje, ten westen van het oudere tuinpaviljoen tegen de Winterbergmuur. Mogelijk leverde die poel later het ijs voor de kort bij gelegen ijskelder. Het jongere kadasterplan van Le Fize (1842) (34) is sterk vereenvoudigd en het aantal percelen in de Engelse tuin is er beperkt. Toch komen er nog heel wat cijferloze percelen voor: de rivier met de twee eilandjes, het Minervapaviljoen en het brugje en 12 andere kleine constructies, waaronder de hekken. Drie percelen, met name een woning, een tuin en een akkerland, parallel met de huidige Kasteelstraat behoren niet tot de eigenlijke Engelse tuin en zijn er van gescheiden door hagen en een dreef (35).
DE 1 9 D E EN 2Q STE EEUW De oudste iconografische voorstelling van de Engelse tuin is de tekening voor de affiche die de 'loterij van 1819' aankondigde (36). Het is een zicht op
Links boven op de affiche van de loterl| uit 1819 wordt de Engelse tuin met lijn fabriekies opgeroepen (Bilzen, Collectie Alden Biesen)
het gebouwencomplex en de onmiddellijke omgeving met op de voorgrond het staatsiehek. De Olmendreef die hier eindigt vormt een kruis met de Kampdreef (ook Lindendreef genoemd) die zelf met een hek uitgeeft op de toen met populieren beplante Maastrichter Allee. Rechts is de ommuurde boomgaard op de Hertenberg te zien, links de Engelse tuin waarvan de muur met hek aansluit op de Rijschool. In de tuin zelf nemen de Minervatempel op het eilandje in de rivier en het wandelpad over het boogbrugje de centrale plaats in. Links van de tempel tekent zich de maansikkel op het Chinese paviljoen tegen de lucht af en tussen de begroeiing rechts valt de ruïne op de rots te ontwaren. O p een aquarel van rond 1820, gemaakt vanuit het noordwesten, op de Lange Wey die een omhaagde boomgaard was, is die ruïne door haar witte kleur duidelijk rechts naast de Minervatempel te herkennen. De twee hoge, scheefgroeiende pijnbomen op de loterij-tekening waren geen unicum, zoals blijkt uit het dennenbos op deze prent. De populieren die er achter het neerhof uitsteken, stonden in de Bosselaardreef. Deze pijnbomen en populieren komen in de plantenlijst van de aanleg door Henry voor. Het kasteel is op deze tekening nog witgekalkt zoals op Philippe de Corswarems aquarel. Deze laatste tekende een hekje in de muur langs de huidige Kasteelstraat en dat staat ook op deze prent. O p de voorgrond links loopt de nog bestaande muur met
In de aquarel van Gromann wordt in 1820 vanuit het noordwesten naar het landgoed gekeken. Op de voorgrond de boomgaard tegenover de muur van de rentmeesteri| en rechts de Engelse tuin met het Mincrvapaviljoen en de artificiële ruïne (Bilzen. Collectie Alden Biesen)
steunberen naar de in de 17 c eeuw opgetrokken Rentmeesterij van Alden Biesen. O p een prentkaart met een zicht op het oude slot, vanuit het zuidwesten, bestaat de brug van de westelijke vleugel naar de tuin van de landcommandeur niet meer, maar in de plaats verzekert een nieuwe houten brug over de slotgracht de verbinding tussen de noordelijke vleugel en de Engelse tuin. Dit werd getekend op de kadastrale schets van 1892 die nogal wat andere wijzigingen in de Engelse tuin registreert (37). In de realisatie van deze verbinding kan men de evolutie in de beleving van de natuur en van de tuin in het bijzonder aflezen, maar ook de functieverschuiving naar familiekasteel. De rivier van Henry bestaat kadastraal niet meer in 1892 -ze moet al langer droog zijn gevallen- en ook de twee kleine constructies in de noordoostelijke hoek, waarschijnlijk de Tartaarse huisjes, worden niet meer opgetekend.
het karakter van de 18 c -eeuwse Engelse tuin in een 19 e -eeuws park in landschappelijke stijl. De transformatie van landcommanderij naar kasteeldomein was in 1892 voltooid. De moestuinmuren, de serres, de oranjerie, de hagen en de vijver bestonden toen niet meer. De enige paviljoenen waren toen: het Mincrvapaviljoen dat niet langer op een eiland lag en pas in 1892 een kadastraal nummer kreeg (nr. 392 b); het nieuwe Tvormige paviljoen (nr. 393) waarvan de rieten daken tussen het groen op een prentkaart zichtbaar zijn en dat in 1904 alweer kadastraal niet meer genoteerd wordt; en het oudere Winterbergpaviljoen dat in 1882 als 'zomerhuis' en in 1900 als "gloriette en ruines" geregistreerd werd (38). In de noordwestelijke hoek ligt er dan nog wel de kunstmatige rots met de gebouwde ruïne er boven. Verder is er nog een niet genummerd per-
De houten trap van de zuidelijke gevel naar de Engelse tuin is een uiting van de nieuwe relatie met de tot park geëvolueerde Engelse tuin (Alken, Prentkaartencollectie Coosemans)
Ten zuiden van het kasteel lag er inderdaad volgens de Dépotkaart met de terreinopname van 1871 en de ICM-kaart met de revisies van 1904, een landschappelijk park zoals er in die periode één was bij elk kasteel die naam waardig: een groenaanleg met een circuit van gebogen wandelpaden, een vijver, een moestuin en enkele gebouwtjes (de rode puntjes). De Engelse tuin moet toen geleidelijk aan een verschuiving in stijl hebben ondergaan zonder dat er een nieuwe aanleg gebeurde. De beplanting en de constructie van een nieuw paviljoen wijzigden
M&L
—
'\A.<itee£
vos,! Je-n oi-cJe-n.
vie^dj-cn.
.,.,.*,*) "4"" "^^-^i
A In de kadastrale Opmetlngschets wordt de toestand van de Engelse tuin geregistreerd vóór en na 1892, als de evolutie tot park is voltrokken. (Hasselt, Archief van het Kadaster)
ceeltje tegen de oostelijke muur en één in de zuidwestelijke hoek, niet ver van de niet meer bestaande poel die op de kadasterkaart van 1813 een brugje bezat. Eén van deze niet genummerde perceeltjes betreft de ijskelder die vandaag nog wel bestaat, maar daarover zo dadelijk meer.
DF NUTSTtJINEN Vandaag zijn er in Alden Biesen geen nutstuinen meer, maar dat was voorheen anders. Moestuinen met groenten, kruiden, kleinfruit en bloemen waren er voordien wel en tegen de muren groeide leifruit, niet alleen in de moestuin, ook bijvoorbeeld tegen de gevels van de voorburcht. Dat is goed te zien op de prentkaarten. In de 16 e en 17 e eeuw moet er al een moestuin geweest zijn en in functie van het hospitaal zeker ook een kruiden- en medicinale tuin. Vermits de achtergevel van het hospitaal op de huidige oranjerietuin uitzag, moet die laatste hier worden gezocht. Informatie daarover moet in de archieven terug te vinden zijn. Bij de aanleg van de Engelse tuin door Henry, hoorde in elk geval een moestuin, zoals Henry aan zijn opdrachtgever op 18 april 1786 schreef: " Quant au dessein du jardin en descendant Ie pont, il est planté
M&L
De verschuiving tot
via een nieuwe
rietendak van het
park in landschap-
houten brug. is in
T-vormige paviljoen zichtbaar
pelijke stijl, recht-
deze prentkaart
streeks vanuit het
zichtbaar. Tussen de (Alken, Collectie
kasteel bereikbaar
struiken is het
Coosemans)
en legume" en enkele maanden later waren er 30 werklui doende de tuin in te richten. O p het kadastraal plan van Hansen uit 1813 en op het plan Le Fize (perceel nr. 538) ligt de tuin in de noordoostelijke hoek. De legger bevestigt dit grondgebruik. In deze tuin liggen tegen de achtergevel van de Rijschool drie ondiepe constructies zonder perceelnummer. Dit moeten de serres bestemd voor perziken en druiven en het verwarmde ananashuis zijn van Ghislain-Joseph Henry. Net buiten de moestuinmuren ligt rechts een vierde gebouwtje, vermoedelijk de oranjerie waarvan sprake is in de briefwisseling van landcommandeur Schönborn (39). De serres zullen niet exclusief bestemd zijn geweest voor het kweken van ananas maar voor al wat de moestuin aan groenten, kleinfruit en bloemen voortbracht. In de briefwisseling is sprake van 51 perelaars van wel 19 verschillende soorten, 12 kerselaars, 6 abrikozebomen, en zes Reine-Claude pruimen die aangekocht werden en aardbeien, boontjes, sla, komkommer, raapjes, erwten en bloemkool die men in de tuin kweekte. De palmbomen en de vorstgevoelige soorten tussen de 108 vreemde bomen uit de plantenlijst van 1787 brachten voorzeker de winter door in de oranjerie in afwachting van hun opstelling in de afgeschermde zones van de Engelse tuin. Wellicht waren de ligusterplanten voor een groot deel bestemd voor de hagen die deze zones beschermden. Dat verklaart wellicht de afgebakende plekken zonder perceelnummer op de Hansenkaart van 1813. In de "Stukken voorbereidend tot de kadastrale schatting van 1842 wordt de 44a 40 ca grote moestuin.
kif»
tot de eerste klasse gerekend: hij ligt op goede landbouwgrond, is met muren omringd waartegen leifruit groeit en er worden "allerlei fijne groentens" gekweekt (40). Deze moestuin is het licht roze gekleurde vlekje op de Dépotkaart van 1871. O p het moment dat het kadaster in 1892 de verschuiving van de tuin naar landschappelijk park registreert, verdwijnt de tuin. Werden nadien de groenten en fruit bij hun pachters gehaald, omdat de kasteelbewoners niet permanent op Alden Biesen verbleven ? In het domein lagen inderdaad nog andere moestuinen: ten oosten van het neerhof een grote moestuin (perceel nr. 532) met een bakhuis, in gebruik door de pachter, en twee kleine moestuintjes bij de woningen naast de Mariapoort. Kleinfruit (bessen, rabarber) hoort van oudsher in de moestuin thuis, steenvruchten vond men er ook meestal als spalieren en kordons, maar toch voornamelijk op hoogstam (kriek, kers, appels en peren) in de fruitweiden of als leifruit (meestal peren) tegen de muren. Alden Biesen had genoeg muren die voor leifruit goed geëxposeerd waren en volgens de legger van 1842 waren talrijke percelen in gebruik als boomgaard. De muren worden vandaag niet langer als fruitmuren benut, maar het Cultureel Centrum vindt haar charme voor een deel wel nog steeds in zijn schitterende ligging in een glooiend landschap van uitgestrekte hoogstamboom-
A Detail uit de Dépotkaart van
gaatden. Ze worden beheerd door de Nationale Boomgaardenstichting die er haar collectie uitbouwt: tot nu toe 200 verschillende rassen.
1871 met de moestuin, de rivier en de parkpaden in de Engelse tuin van landcommandeur
De boomgaarden waren en zijn nog steeds gelegen binnen bakstenen muren of meidoornhagen. De grote boomgaard op de Hertenberg bijvoorbeeld is omgeven door meterslange muren. Aan de straatzijde loopt er vanaf het Gasthof tot aan het hek van
Reischach (Brussel. Nationaal Geografisch Instituut)
De Hertenberg is nog steeds een fruitwelde met een barrier in de muur aan de Maastrichter allee (Foto 0. Pauwelsj
M&L
HE de Rentmeesterij een hoge, door steunberen geritmeerde bakstenen muur van 6 brede traveeën. Daar wordt de muur haaks verder gezet en vormt hij de scheiding tussen het parkje van de Rentmeesterij en de boomgaard. De Hertenbergboomgaard wordt ook langs de Maastrichter allee door een muur beschermd die plaatselijk is onderbroken door 'barriers' (een Limburgse, aan het Frans ontleende term voor boomgaardhekken). Deze laatste muur werd reeds jaren geleden gerestaureerd, maar de andere muren, de meidoornhagen en de 'barriers' vragen momenteel hoognodige zorgen.
DE ENGELSE TUIN: FFN PARKBQS De Engelse tuin van Reischach bleef in zijn volledige oppervlakte binnen de oude begrenzing van zijn muren behouden, in tegenstelling tot het ten zuiden aangrenzende Winterbergbos, dat door de laatste kasteelheer in 1962 werd verkocht en door de nieuwe eigenaar, een plaatselijke slager, gedeeltelijk werd verkaveld (41). Een 19t<:-eeuws smeedijzeren hek vormt in de straatmuur naast de kasteelwal de rechtstreekse toegang tot de Engelse tuin. Het hek vervangt een huis dat landmeter Hansen op het Primitief plan van 1813 samen met de achterliggende tuin registreerde
Het grasveld en de talrijke bruine beuken die het padentracé volgen behoren tot het park m landschappelijke stijl, geënt op de oude Engelse tuin. De bomen in het rechter deel behoren tot het Winterbergbos (Hasselt, Archief Cel Onroerend erfgoed) (Luchtopname ca 1980, Topografische dienst. Ministerie Openbare werken)
M&L
(42). Het hek heeft dubbele rechte onderregels, dubbele gebogen bovenregels en ronde spijlen in twee verschillende hoogten en met kleine volutes aan weerszijde van de spijlpunten. Aan de Winterberg geeft een tweede hek, ook uit de 19 e eeuw toegang tot de Engelse tuin. Het is van zwaar, vierkant stijl- en regelwerk met gepunte onderspijltjes en spijlen. Meterslange bakstenen muren zonder steunberen werden bij de aanleg van de Engelse tuin in 1784 opgetrokken langs de Kasteelstraat en als begrenzing met de Winterberg en de boomgaarden op Kamp. Het puin en de bakstenen van de oude muur, zichtbaar op de ets van Romeyn de Hooghe, werden als wegverharding hergebruikt of verkocht en de oude kalk werd als meststof over de weiden verspreid (43). Ook deze muren vragen momenteel dringende zorgen. De klimopbegroeiing is een bedreiging geworden en hier en daar zijn al bressen geslagen en zijn hekken uit hun hengsels gelicht. Ingrijpen is dwingend geworden. Gelukkig is hun behoud en hun restauratie in het Masterplan voor Alden Biesen voorzien. Ook de begroeiing in de onderkomen en de hele site kaarten uit de vroege 20SK laatste kwart van die eeuw
Engelse tuin is nogal is sterk verbost. Prenteeuw en foto's uit het laten zien dat er toen
DE PLANTENSAMENSTELLING VAN DE ENGELSE TUIN VAN REISCHACH Paul
Van den
In het artikel uit 1995 van Jozef Menens over de aanleg van de Engelse tuin van Alden Biezen worden twee plantenlijsten als bijlage gegeven (1). De eerste lijst bevat de planten die geleverd werden door advocaat Dury uit Leuven. De planten waren waarschijnlijk afkomstig uit het buitenverblijf (Onze Lieve-Vrouw Lombeek) van de advocaat. De lijst omvat 51 inventarisnummers met in hoofdzaak Franstalige plantennamen. Toch konden we de meeste van Duty's planten vrij nauwkeurig identificeren, de meerderheid zelfs tot op de soort. Het gros van de planten is van Europese of West-Aziatische herkomst. Opvallend is echter dat zowat twintig procent van de soorten uit Noord-Amerika afkomstig is. Enkele van deze Amerikaanse soorten zoals de weymouthden (4 ex.) en de virginische populier (6 ex.) werden in meerdere exemplaren geleverd. Hieruit blijkt dat ze in ons land toch al in zekere mate ingeburgerd waren omdat ze uit de eigen kweektuin van een particulier eigenaar aan Alden Biezen werden geschonken. De weymouthden [Pinus strobus) heeft zijn naam te danken aan Lord Weymouth (1640-1714) die de boom in 1705 in zijn park in Engeland aanplantte. In de loop van de 18 e eeuw werd deze naaldboom steeds populairder en werd hij ook aangeplant op het Europese continent. De virginische populier {Populus deltoides) bereikte vermoedelijk via Frankrijk Europa omstreeks 1750. Door een (toevallige) kruising van deze soort met de inheemse zwarte populier [Populus nigra) ontstond later in de 18 e eeuw de canadapopulier {Populus yicanadensis). De tweede lijst bevat 133 inventarisnummers. Ze omvat alle planten die in opdracht van de landcommandeut werden aangekocht bij FA. Wiegers in Mechelen. Deze Wiegers was op het vlak van de horticultuur niet de eerste de beste: hij specialiseerde zich vooral in zeldzame uitheemse planten. Hij was aanbevolen door de commanderij Pitsenburg in Mechelen waar hij als tuinier werkte. Maar daarnaast beschikte hij ook over een eigen kwekerij. Met enige regelmaat (ca. 1780-1810) liet hij catalogi van zijn plantencollectie drukken, waarin hij al zijn planten volgens alfabetische lijst opnam (2). Naast elke plant afficheerde hij bovendien de prijs, uitgedrukt in Brabantse munt. De kwekerij van Wiegers verwierf gaandeweg Europese bekendheid. Zo vermeldt de beroemde Zwitserse plantkundige Augustin Pyrame de Candolle (1778-1841) in 1810 tijdens een bezoek aan ons land ten tijde van de Franse overheersing: "M. Wiggen (sic) possede ..., kMalines, l'un desjardins marchands les plus riches et les plus soignés qu'on puisse rencontre f (3). Bijna gelijktijdig met de levering aan Alden Biezen ver-
Bremt
wijst trouwens ook de befaamde Belgische dendroloog, baron de Poederlé, naar diens kwekerij. In de tweede uitgave van zijn Manuel \xn 1788 beschouwt hij ze als één van de beste kwekerijen voor "arbres et arbustes étrangen (4). De levering van Wiegers bestond voor ruim een derde uit Noord-Amerikaanse soorten. In zijn leveringslijst worden hoofdzakelijk de toen gangbare wetenschappelijke plantennamen gehanteerd en slechts uitzonderlijk de volksnamen. Enerzijds vergemakkelijkt dit de plantenidentificatie. Anderzijds bestonden er in Wiegers' tijd nog geen eenduidige afspraken over de naamgeving van de in cultuur ontstane planten. Dit maakt dan weer de exacte identificatie van vooral de cultivars problematisch. Zo vinden we op de lijst dtie cultuurvariëteiten van Amerikaanse es {Fraxinus americand) terug, waarvan we er slechts één exact konden identificeren: F. americana 'Juglandifolia'. Van de Amerikaanse soorten zijn vooral de geslachten berk {Betuld), kornoelje {Cornus) en meidoorn {Crataegus) goed vertegenwoordigd. Ook een aantal soorten uit het Verre oosten worden door Wiegers geleverd waaronder de papiermoerbei {Brousonnetia papyriferd). Uit beide plantenlijsten blijkt duidelijk dat de Engelse tuin van Alden Biezen een prachtige collectie van zeldzame planten bevatte. Moest de tuin nu nog in zijn vroegere samenstelling hebben bestaan, dan zou hij zeker en vast nog steeds de belangstelling hebben genoten van de liefhebbers van zeldzame bomen en struiken. Soorten zoals de uit de uit Noord-Amerika afkomstige westerse plataan {Platanus occidentalis), de uit China afkomstige Indische meidoorn [Rhaphiolepis indicd) en de wasboom {Toxicodendron succedaneum) zouden nog steeds niet misstaan in een hedendaagse collectietuin van zeldzame gewassen.
EINDNOTEN (l)MERTENSJ.,o.c.p. 386-389 (2) Bijv. WIEGERS, RA., Collection d'arbres, arhrisseaux, plantes et oignons étrangen. Malines, 1809, 128p, Deze verkoopscatalogus bevat meer dan 3000 soorten. (3) VAN HULTHEM C , Discours sur l'état ancien et moderne de l'Agriculture et de la Botanique dans les Pays-Bas a l' époque du salon d'exposition de fleurs, Ie dimanche 29 juin 1817. Hommage a la Mémoire de feu M. Charles Van Hulthem, Mechelen, 18372, 75. (4) DE POEDERLÉ , Manuel de l'Arhoriste et du Forestier belgiques, Bruxelles, 1788", 2: 442. We vonden nog verwijzingen naar Wiegers' kwekerij tot 1824, Vgl. DELBECQJ.B., Jugement du concours: Extrait du procèsverbal de la séance du 29 Juin 1824, Messager des sciences et des arts 1824,
2,99.
De 45 meter lange bersauw van haagbeuk, een relict in de Engelse tuin (Foto 0. Pauwels)
geen opslag was en de begroeiing veel schaarser. De oudste bomen, waaronder enkele rode beuken, zijn nu windvallig en zouden omwille van de veiligheid gerooid moeten worden. Een mooi maar ook verwaarloosd relict is de 45 m lange gebogen bersauw (loofgang) van haagbeuk waaronder het wandelpad doorloopt. Verder verstoort de opslag de waarneming en het ruimtelijke gevoel .. De Minervatempel zelf is nog steeds de blikvanger van de tuin, zeker nu hij sedert zijn restauratie van 1983 weer helder oplicht tegen het groen (44). Van zodra de wandelaar de tuin betreedt wordt zijn blik gevangen door de tempel, aan het einde van het grasveld in het laagste deel van de tuin. De tholos, een open ronde tempel met een koepeltje op zuilen, is opgetrokken in gele zandsteen en herbergt het beeld van Minerva, de godin van wijsheid en kennis. Aanvankelijk stond dit fabriekje op een eilandje in de kunstmatige rivier, maar van bij de aanleg waren er moeilijkheden om het water staande te houden. Hoewel de rivier zowel op de kadastrale documenten als op de militaire kaarten van 1871 en 1886 opgetekend blijft, moet ze al lang niet
0e Minervatempel nog steeds de blikvanger op het grasveld ten zuiden van het kasteel (Foto 0. Pauwels)
HET BOMENBESTAND IN ALDEN BIESEN Myriam
Van den
Broeck
De ster van lanen en dreven ten oosten van de gebouwen is tot op vandaag intact gebleven en enkele van deze dreven zijn nog beboomd. De meest beeldbepalende zijn: de gekandelaberde dreef van 18 grootbladige linde (Tilia platyphyllos) (370 cm) naar het statiehek; de rij van grootbladige linden {Tiliaplatyphyllos) (350cm) in de Maastrichterallee; een tamme kastanjedreef (Gwtanea sativa) (270cm) die vanaf het apostelhuis vertrekt richting Reekstraat en richting Maartenslinde; en de notendreef (Juglans regia) (220cm) die in 1953 werd aangeplant (1).
Op deze prentkaart met de twee overgebleven paviljoenen in de Engelse tuin is de begroeiing zo schaars dat men in wintertijd zicht had tot tegen de Winterbergmuur. (Alken. Prentkaartencollectie Coosemansj
Van de oorspronkelijke aanplanting in de Engelse tuin blijft weinig over, waarschijnlijk te omdat er veel naaldhout stond met slechts hier en daar een loofboom. De oudste geënte bruine beuken {Fagus sylvatica' Atropunicea') met een stamomtrek van 670cm, een tweede exemplaar van 600 cm en een gewone plataan (Platanus x hispanica) (390cm) zijn vandaag de oudste exemplaren van het bomenbestand. De Engelse tuin is ook een voorbeeld van een rijk stinzenmilieu. In de Limburgse plantenatlas onderscheidt Robert Berten binnen de echte stinzenplanten twee groepen, namelijk de lokale en de Vlaamse stinzenplanten. Bij de lokale groep gaat het om soorten die in bepaalde delen van Vlaanderen (vrijwel) uitsluitend tot kasteelparken en aanverwante milieus beperkt zijn, maar die elders in Vlaanderen of in aangrenzende streken ook in meer natuurlijke milieus voorkomen. De groep Vlaamse stinzenplanten omvat soorten waarvan het natuurlijke verspreidingsgebied (vrij) ver van Vlaanderen ligt en die al geruime tijd door de mens zijn ingevoerd, ze zijn ingeburgerd. Van deze twee groepen groeien respectievelijk: blauwe monnikskap {Aconitum napellus),
méér zijn geweest dan een vochtige, soms waterzuchtige zone in de tuin. Momenteel wordt door de restauratiecommissie (45) onderzocht of de rivier opnieuw blijvend van water kan worden voorzien. Het zou het beeld van de Engelse tuin versterken, maar in de eerste plaats zou het water vooral een
gevlekt longkruid {Pulmonari officinalis), herfststijloos {Colchicum autumnalè), vingerhelmbloem (Corydalis solidd) en donkere ooievaarsbek [Geraniumphaeuni), hartbladzonnebloem [Doronicum pardalianches) in Alden Biesen (2).
MOTEN (1) Bomen in Bilzen niet zomaar brandhout, uitgave van de adviesraad leefmilieu, Bilzen, 2007. (2) BERTEN ROBERT, Limburgse plantenatlas, 1993. De gegevens van deze plantenatlas steunen op de uitgebreide inventarisatie van Herman Vannerom (1970-1983), Leo Andriessen, Robert Berten, Celine Nagels en andere leden van de Limburgse Botanische Werkgroep (1975-1992).
middel zijn om de door Minerva aangetrokken vandalen-op-schoolreis op afstand te houden. Mede om dit te onderzoeken werden er in de zomer van 2007 door de Engelse tuinarcheoloog Brian Dix opgravingen uitgevoerd. Hij concentreerde zich voornamelijk op de wandelpaden en de boorden
1VI&L
vertoont meerdere openingen die toegang geven tot de uitgespaarde grot of er licht in toelaten. Naar verluidt werd de grot later omgevormd tot een Lourdeskapel en werd de gevel met veldknollen bekleed. De geplande restauratie van de rots en de ruïne werd niet uitgevoerd (47). De rotsis erg door klimop overwoekerd, door een afrastering beschermd en niet langer toegankelijk. Boven op deze rotsmassa stond een gebouwde ruïne. Ghislaine de Bousies, gravin d' Ansembourg maakte van de ruïne een aquarel en er bestaat ook een postkaart van, uit de eerste helft van de 20 stt eeuw. In de jaren 1990 werd de ruïne helaas moedwillig omgetrokken. Ze wekte de illusie de restant te zijn van een klassieke, vierkante tempel, gebouwd uit natuursteen en gevormd door een L-vormige, ruïneuze muur verbonden met een door twee Dorische zuilen gedragen architraaf met hoofdgestel. Zo'n gebouwde, gewilde ruïne is in Engelse tuinen een veel voorkomend fabriekje of folly (VTN).
De artificiële ruïne van de Engelse tuin op een prentkaart uit het interbellum (Hasselt. Archief Cel Onroerend erfgoed)
van de rivier. Zoals de werklui in de 18 c eeuw bij de aanleg ondervonden, werden de archeologen meer dan 200 jaar later bij hun graafwerken gehinderd door het voortdurend ineenstorten van de randen van de rivier (46). Het door Henry gesignaleerde drijfzand blijft blijkbaar parten spelen. Prentkaart uit het interbellum, met het belvédère voorzien van een balustrade op de koepel en nog nauwelijks opslag in de buurt (Hasselt, Archief Cel Onroerend erfgoed)
Rechts van het wandelpad dat de ronde maakt van het park, ligt de kunstmatige rots van Reischach, zonder de ruïne die er voorheen op stond. De rots is gebouwd van ruw behouwen natuurstenen en
Het belvédère of zomerpaviljoen, het tweede nog bestaande tuinpaviljoen, leunt tegen de muur van de Winterbergdreef aan, het hoogste punt van het landgoed Het is ouder dan de aanleg van het perceel als Engelse tuin, werd begin van de 20 SK eeuw gerestaureerd nadat het in 1900 ruïneus was geworden en werd in 1987 opnieuw hersteld (48). Het heeft een torenachtig, uit twee bouwdelen bestaand volume onder een koepeldak gecombineerd met een schilddak, wat een aantrekkelijk, complex silhouet oplevert. O p een prentkaart uit het begin van de 20 stc eeuw is de koepel nog bekroond door een vermoedelijk houten balustrade. De onderbouw heeft twee deuren en sporen van dichtgemaakte vensters. De noordelijke, verhoogd gelegen deur geeft toegang tot het voorportaal met de 19 e eeuwse trap naar de zeshoekige salon en een deur naar de er onder gelegen kamer. De salon bezit een vernieuwd, bepleisterd gewelf en is verlicht door beluikte vensters met houten kruisen en kleine roeden. De bezoekers moeten van hieruit een weids uitzicht op de wijde omgeving hebben gehad, .aanvankelijk op de boomgaarden , later op de Engelse tuin met zijn fabriekjes en zijn uitzonderlijke beplanting.
De tweede, gelijkvloers gelegen westelijke deur van het zomerpaviljoen geeft toegang tot het voorportaal en de trap naar de er naast (ten oosten) gelegen ijskelder. Deze is vermoedelijk jonger dan het paviljoen, meet ongeveer 5 bij 7 meter, is wel 5 meter diep en bestaat uit een gemetseld gewelf in omgekeerde peervorm. Bovenaan zit er een luik, dat voor
IVI&L
verkoelen die in het salon van het paviljoen werden geschonken.
Hct gerestaureerde belvédère, zonder balustrade en met
Verder treft men hier en daar langs het wandelpad, waarlangs buxus en taxus groeien, ook steenresten en relicten aan van wat vermoedelijk de tweede rotspartij van de Engelse tuin was, van een gemetselde put met deksel en van een poeltje. Plaatselijk valt nog waar te nemen dat er langs de buitenzijde van de omheiningsmuur een droge gracht was gegraven met een opgeworpen wal, om de muur in feite hoger te maken en de gracht dieper en daardoor de veiligheid te vergroten. Een mooie 19 ' eeuwse oplossing.
het deurtje naar de ijskelder in de westelijke gevel (Hasselt. Archief Cel Onroerend erfgoed)
RESLUII
de verluchting zorgde (49). De kleine poel die met een brugje op het Primitief kadasterplan in de nabijheid is gesignaleerd, leverde vermoedelijk het ijs dat er werd bewaard tot het 's zomers de dranken kon
De Oranjerietuin en de tuin van de landcommandeur, beide in de geometrische stijl, worden goed onderhouden en zijn voor de bezoekers van het Cultureel Centrum een aantrekkelijke rustplek. De Engelse tuin van Reischach mag men vandaag terecht een verwilderd parkbos met mogelijkheden noemen: decennia lang werd het onderhoud verwaarloosd en kon de opslag van bomen en struiken welig groeien. Toch zijn er nog voldoende elementen en relicten over om een reconstructieve restauratie van de tuin te overwegen. Wellicht kan deze historische nota helpen een beter inzicht te verkrij-
•4 Zicht vanuit het park op het kasteel en de hooiweide die het grasveld toen was (Alken, Prentkaartencollectie Coosemans)
REGENVAL EN BOUWHISTORIE Chris De
Maegd
De laatste decennia ligt de artificiële rots met grot in de dichte begroeiing van het parkbos en sedert de vandalenstreek de kunstmatige ruïne vernielde - op een overblijvend stuk muur na - wordt ze omringd door een ondoordringbare draadafsluiting die haar onbereikbaar maakt. Door de seizoenen heen stapelen de bladeren zich in dikke lagen op de rots op en vormen daar een vruchtbare bodem voor woekerende planten - een proces dat bij meer dan één ruïne voorkomt. Lange ranken van klimop vormen een gordijn dat de ingang en de gevel van de grot aan het oog onttrekt. Dat was tot begin juni het geval.
I. De leeuwenkop 1. De Festoenrand 3. De rivier 4. Het eiland 5. Grot (foto's Oswald Pauwels)
1VI&L
Gewoonlijk brengen lange dagen van zware regen klachten en somberheid met zich mee, maar voor de bouwhistorie van de Engelse tuin was de onophoudelijke regen van einde mei en begin juni een welgekomen zegen. Door hun gewicht zijn de doornatte klimopranken immers los geraakt uit de doorweekte laag boven op de grot en dat maakt dat de gevel met zijn drie openingen weer zichtbaar is voor wie langs het pad wandelt. Maar, misschien was niet de natuur oorzaak van de nieuwe toestand en was het een gewilde ingreep? De afsluiting rond de rotsberg is anderzijds beschadigd door de vorige winter omgevallen bruine beuk die opslag meesleurde. Een avontuurlijke fotograaf als de onze kon zo doende het interieur van de grot
fotograferen. Zijn foto's maken duidelijk dat de "Daniël in de leeuwenkuil" uit de 18de-eeuwse archieven een gebeeldhouwde voorstelling was, waarvan de vermoedelijk tijdens de Franse revolutie aan stukken geslagen fragmenten bij de restauratie op het einde van de 19de eeuw in de grotwand zijn ingemetseld. De duidelijk herkenbare leeuwenkop laat daarover geen twijfel bestaan. Ook het poeltje in de zuidwestelijke hoek van de Engelse tuin is dankzij de stortregens weer zichtbaar en daardoor krijgt de speling van het reliëf weer betekenis. Maar er is meer. De overvloed aan water die de Winterberg te verwerken kreeg verzamelde zich in het oude tracé van de rivier van Reischach. De bedding was voorheen al in het niveauverschil afleesbaar, maar met water gevuld - tenminste de dag van de foto's -, is het heuveltje duidelijker een eiland. Op het kadasterplan van 1813 heeft dit oostelijke eiland een brugje over de rivier. Opruiming van de opslag zou de afleesbaarheid nog klaarder maken. De grot verborg nog een verrassing: enkele uit de zuidelijke wand gevallen rotsstenen houden de aarde waaruit de heuvel bestaat en waarop de artificiële ruïne stond, niet langer samen. De gaten laten vermoeden dat in de heuvel zelf een dassenburcht werd gebouwd ... natuur en cultuur verenigd.
gen in de essentie van de Engelse tuin. De tuinarcheologie kan de kennis hopelijk vergroten en verfijnen. Samen moeten de verzamelde gegevens toelaten gefundeerde beslissingen te nemen en tot actie over te gaan: van parkbos opnieuw naar Engelse tuin? Een uitdaging voor de tuinontwerpers.
(4) Deze dreef verliest blijkbaar zijn bomen, te oordelen naar de nora op de kadastrale schets van 1861 nr. 102: ily a lieu de supprimer la denomination 'de Langen drejï. (5) Bewaard in Wenen, in het Centraal archief van de Duitse orde. (6) CLAES S., La familie Claes de Hasselt aux si'ecles derniers, S.I., s.d. SEVERIJNS P. en MOERMANS W., Willem Claes, een opkoper van domeingoederen, in Limburg, 1985, nr. 6, p. 247-252. Voor de nakomelingen van Claes en de verschillende kasrelen in hun bezit, zie DE MAEGD C. (red.) en VAN DEN BROECK M,
Chris De Maegd is kunsthistorica en erfgoedconsulent met het onderzoek van historische tuinen en parken in Limburg als specialisatie
Historische Tuinen en Parken van Vlaanderen. Provincie Limburg. Deel 3. Alken, Borgloon, Heers. Kortessem, Wellen (M&L Cahier 15), Brussel, 2007, p. 34 (7) Gepubliceerd in NIJSSEN R. en VAN LAERE R., Kastelen op papier. Aquarellen van Limburgse kastelen uit de eerste helft van de negentiende eeuw, Wijer, 2005, p. 96-99.
EINDNOTEN
(8) SIEPMANN M.D., o.c, p. 179. In 1868 wordt de hele vleugel die tot dan uit verschillende kadastrale percelen besraar (nr. 553,
(1) Zoals gebruikelijk voor de Inventaris historische tuinen en parken
554, 555) en dus verschillende bestemmingen heeft, onder één
raadpleegden we samen met collega Myriam Van den Broeck het
nummer gebracht (nr. 554a), zie Hasselt, AK, Opmetingschets 1868 nr. 70.
archief van het kadaster. Hoewel dit voor het grondgebruik nochtans de voornaamste bron is, gebeurde dit niet voor de basiswer-
(9) SIEPMANN M.D., o.c, p. 139. Het kadaster noteert in 1944
ken die we voor dir artikel consulteerden: Bouwen door de eeuwen
dat het 'oranjehuis' geheel is uitgebrand, wat door foto's in het heen. Inventaris van het cultuurbezit tn België. Architectuur. Deel archief van M&L (Cel Limburg) wordt gestaafd, l4n 3 Provincie Limburg. Arrondissement Tongeren. Kantons Bil(10) VAN DEN BOSSCHE H., o.c, p. 35
zen - Maasmechelen, Brussel, 1996, p. 135-152. DE DIJN C. G.,
(11) VAN DEN BOSSCHE H , o.c, p. 36-38. Enkele eerste beschouwingen bij een verbouwingsontwerp van 1716 (12) VAN DER GROEN J., Den Nederlandtschen hovenier. Twee honvoor de landcommanderij Alden Btesen, in Bulletin van de Konink- den modellen voor liefhebbers van hoven en thuynen, seer dienstigh lijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, 1973, nr. 2-3, p. 75-84. om alderhande bloempercken, parterres oft loofwercken te legghen,
MERTENS ]., De aanleg van de Engelse tuin in Alden Biesen door
Brussel, 1687. landcommandeur Frans von Reischach 1786-1787 [Bijdragen tot de (13) DE SAUMERY P. L, o.c, deel 4, p. 259. geschiedenis van de Duitse orde in de balije Biesen, 2), Bilzen, 1995, (14) MERTENS J., o.c, p. 364, voernoot 12, p. 359-389. SIEPMANN M. D., Das deutschordenschloss Alten- (15) SIEPMANN M. D., o.c, p. 136, 139 en 179-182. hiesen. Die ehemalige Landkommende des deutsch Ordens in Bel(16) Mer dank aan Herman Van Den Bossche (Vioe) voor deze suggesgisch Limburg. Die Anlage und ihre entwicklungsgeschichtliche Be- tie. deutung fiir den Schlossbau des 16. Jahrhunderts, (onuitgegeven (17) MERTENS]., o.c, p. 366-367. dissertatie), Innsbruck, 1971; over de tuinaanleg meer specifiek (18) Hasselt, AK, Primitief plan Sectie A 2e blad door Le Fize, 1813, het hoofdstuk Die Gartenanlage und ihre Bauten, p. 178 e.v. herziening 1842; perceel nr. 398 op her Primitief plan van Sectie STINCKENS M., De landcommanderij Alden Biesen. Kort HistoK door Hansen. De legger van 1842 geeft 'gebouw als besremrisch overzicht, in Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudming op. heidkundige Bond, 1973, nr. 2-3, p. 71-74. VAN DEN BOSSCHE (19) Gepubliceerd in VAN DEN BOSSCHE H , o.c, p. 32. H , Df tuinen van Alden Biesen, een nieuwe hof naar oud model in (20) Hasselt, AK, Opmetingsschets 1892 nr. 2. M^-i, 1991, nr. 3, p. 25-40. (21) MERTENS ]., o.c, p. 366-367 en 386-389. (2) DE SAUMERY P. L, Les Déltces du pais de Liége, 1738-1744, (22) MERTENS ]., o.c, p. 359-389. deel 4, p. 259-260. Met Le Loup op reis. Limburg door een 18e- (23) Guide des curieux qui visitent les eaux de Spa ou indications des eeuwse bril hekeken (tent.cat.), Hasselt, 1993, p. 48.
lieux oii se trouvent les curiosités de Lx nature et de Tart, Verviers, 1814, p. 72.
(3) Hasselt, AK, Verzamelplan van de gemeente Bilzen in twee exemplaren. Her exemplaar door Hansen is gedateerd 1813. Een ander
(24) Gepubliceerd in MERTENS J., o.c, p. 372-377.
exemplaar geeft meer details: "terminésur le terrain 13 mai 1813, (25) Mer dank aan Paul Van den Bremr (Vioe). dessiné le 5 janvier 1817, revise par Vandevelde, géometre du cadas(26) Meer hierover in DE MAEGD C , Hex, een prinselijk landgoed tre, revise 1842 par Le Fize, géometre du cadastre". Alden Biesen
ontsluierd Brussel, 2007, p. 166-168. D' OLMEN de POEDER-
resorteerde onder Bilzen (Sectie K) tot de oprichting van de ge-
LE E., Manuel de Tarbonste et du forestier belgique, Brussel, 1772
meenre Rijkhoven in 1870. Op de Sectieplannen kregen de per-
en Supplément au Manuel de T arboriste et du forestier belgique,
celen rot 3 verschillende nummers. De legger van Bilzen met het grondgebruik dateert van 1844, die van Rijkhoven uit 1870.
Brussel, 1779. (27) DE MAEGD C, ibidem, p. 137-179. Paul Van den Bremt signa-
ieert gelijkenissen tussen de plancenlijst van 1791 in Hex en de
(38) Hasselt, AK, Artikelgewijze legger en Opmetingschets 1900
lijst van 1786-1787 in Alden Biesen.
nr. 3.
(28) DE MAEGD C. (red.) en M. VAN DEN BROECK, o.c, p.
(39) MERTENS J., o.c, p. 379. Zie ook voetnoot 15.
180-190.
(40) Hasselt, AK. Bundel Bilzen. De Engelse tuin (perceel 537) is vol-
(29) DE MAEGD C. (red.) en H. VAN DEN BOSSCHE, Inventaris
gens dit document 5 ha 8 a 90 ca groot.
Historische Turnen en Parken. Provincie Limburg. Gingelom, Halen, (41) Hasselt, AK, Opmetingschets 1964 nr. 6. Herk-de-Stad, Nieuwerkerken, Sint-Truiden, (M&L Cahier 8), (42) Zie noot 35. Brussel, 2003, p. 175.
(43) MERTENS J., o.c, p. 364-365 en p. 371.
(30) DUQUENNE X., Het park van Wespelaar. De Engelse tuin in Bel-(44) Hasselt, Archief R-0 Vlaanderen, Onroerend Erfgoed, Restauragië in de 18e eeuw, Brussel, 2001. p. 31 e.v.
tiedossier van de Provincie Limburg. Minervatempel, plannen gedateetd 1983. Volgens de bijgevoegde nota was de tempel aan-
(31) MERTENS J., o.c, p. 376. In een brief naar Reischach vanuit de
vankelijk witgeschilderd met roodbruin opgehoogde sculpturale
landcommanderie luidt het: "Le temple chinois est achevé en sa
structure. Le temple de Minerve est retardé ...La maison de Thermite details. est batie. La grottefait une piece monstrueuse, la caverne de Daniel (45) De commissie is samengesteld uit de directeurs van het Cultureel entre les deux lions n'étoit pas si affreuse. On fait les fondements du Centrum Alden Biesen en van de Afdeling gebouwen van de bassin. Le Ut de la rivire se cimente avec de terre pipes. Charles avecVlaamse overheid, consulenten van het Agentschap RO - Onroel'autre menusier ont achevé la gloriette au bas jardin du coté de
rend Erfgoed, het Agentschap Natuur en Bos, een vertegenwoorTéglise, lesgens de Bruxelles en admirent meme la beauté'. De beide diger van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed en brugjes, van de poel en van de rivier, zijn voorgesteld op de van de Boomgaardenstichting. Ze adviseert het ontwerpbureau kadasterkaarten: Hasselt, AK, Bilzen Sectie K door Hansen
A20 en de landschapsarchitecten Ronny Nulens en Paul Deroose,
(1813) en Rijkhoven Sectie A 2de blad door Le Fize (1813, her-
belast met de restauratie van de Engelse tuin.
zien 1842). (32) VAN DEN BOSSCHE H., o.c, p. 30. (33) Zie voetnoot 3. Op het plan van Alden Biesen Sectie K 2de blad van de gemeente Bilzen, werden veel percelen drie keer genum-
(46) Onuitgegeven rapport van DIX B., VAN DEN BOSSCHE H. EN VYNCKIER G., Archaeological garden investigation in the English park at Alden Biesen Land Commandery, Tongeren, 2007.
merd. Het register dat 1842 gedateerd is, noteert slechts het
(47) Hasselt, Archief R-0 Vlaanderen, Onroerend Erfgoed, Restaura-
grondgebruik van die percelen waarvan het nummer niet is door-
tiedossier van de Provincie Limburg. Grotruïne en tempel, plan-
gchaald.
nen gedateerd 1989-1990. In de begeleidende nota is sprake van
(34) Hasselt, AK, Rijkhoven, Sectie A door Le Fize, herziening 1842.
ingewerkte fragmenten afkomstig van de voorstelling van Daniel
(35) De constructie (perceel nr. 349) bestaat niet meer op het plan van
in de leeuwenkuil. Over kunstmatige ruïnes, zie DE MAEGD C ,
Le Fize. Vandaag maakt deze zone wel deel uit van de Engelse tuin.
Rond ruïnes. Omgaan met ruines getoetst aan de Begijnhofkerk in Tienen, in M&L, 1999 nr. 3, p/ 2-63.
(36) De eerste prijs van deze door Guillaume Claes zelf ingerichte
(48) Hasselt, Archief R-0 Vlaanderen, Onroerend Erfgoed, Restaura-
loterij was het kasteel met alle gebouwen. De gronden had Claes
tiedossier van de Provincie Limburg. Tuinpaviljoen, plannen ge-
op de verkoop van nationaal vetklaarde goederen reeds voordien verworven. (37) Hasselt, AK, Artikelgewijze legger en Opmetingschets 1892 nr. 2.
dateerd 1987. (46) Met dank aan ir. arch. Jan Martens (provinciebestuur Limburg) voor deze inlichtingen.
Sofie Beyen en Dieter Nuytten
DE TUITMPAVILJOENTJES VAM DE PARKABÜU IN MEVERLEE
De tuinpaviljoent|es vóór de start van de restauratiewerken en de heraanleg van de tuin (foto Sofie Bcyen'
De norbertijnenabdij
van Park, gelegen
Heverlee bij Leuven, wordt vandaag deel nog omringd
door een
dat ze zelf gedurende gegeven.
voor een
cultuurlandschap
eeuwen vorm
Het groene abdijdomein
de stadsrand
in
heeft
sluit aan op
van Leuven en de hoge
snelheids-
De Parkabdij
vertegenwoordigt
voorschrijdende
modernisering
te' uit lang vervlogen
tijden,
een
'restruim-
wordt
gerestau-
lings langs. Paradoxaal
kleine maar fijne tuinpaviljoentjes
d
die het domein sinds de
19 '' eeuw omringen,
die het ensemble
behoed tegen de oprukkende
hebben
verstedelijking.
en stap
voor stap worden de abdijgebouwen reerd. Als één van de eerste kwamen
spoorweggeulen,
waarvan
het restauratieproject
genomen
aan de Vlaamse
2007.
ruimte
de
van de site voorbereid
trein tussen Brussel en Keulen scheurt er rakegenoeg zijn het net de
de
toen open
nog geen luxe was. Momenteel herbestemming
binnen
de twee
aan heeft
bod, deel-
Monumentenprijs
DE ABDIJ VAN PARK: EEN MONUMENT VAN BOVENLOKAAL BELANG
De abdi| van Park m 1666, bli|kens het Kaartboek TC of Boschboek
De Parkabdij heeft tot op vandaag een grote authenticiteitwaarde behouden. In de Lage Landen blijkt het één van de best bewaarde abdijsites te zijn met bijgevolg een erfgoedwaarde van bovenlokaal belang (1). Haar naam dankt de abdij aan het jachtpark van de vroegere hertog van Brabant, Godfried I met de Baard, die in 1129 zijn park aan de Norbertijnen van de Noord-Franse abdij van Laon schenkt, met het uitdrukkelijke verzoek om er een abdij op te richten (2). Het belangrijkste onderdeel van het abdijcomplex, het klooster met de kerk, wordt duidelijk zichtbaar ingeplant op het hoogste punt van het domein. Een opeenvolging van poorten leidt de bezoeker naar de statige hoofdgebouwen. Beneden, aan de voet van de helling, liggen de voormalige bedrijfsgebouwen van het abdijcomplex: de abdijhoeve, de watermolen, de smidse, de stallingen en de tiendenschuur. De overgang tussen beide delen wordt gemaakt door het provisorenhuis waarin eertijds het kantoor van de pater-econoom gehuisvest was.
Vandaag telt het abdijdomein nog 42 ha. Dit minidomein, althans in vergelijking met het vroegere grondbezit van de abdij, vormt een bijzonder historisch ensemble en bewaart nog alle onderdelen van een abdij uit het Ancien Regime: kloosterpand, abdijkerk, hoeve, poortgebouwen, watermolen, tuinen, landerijen, bospartijen en visvijvers. De abdij dankt zijn huidige gaafheid aan het feit dat er sinds het einde van de 18 c eeuw niets meer bijgebouwd noch afgebroken is, en dat de abdij de Franse Revolutie heelhuids heeft doorstaan. Dit maakt de Parkabdij vandaag tot één van de best bewaarde abdijsites in België en Nederland. Het huidige uitzicht stamt voornamelijk uit de 17 e en 18 e eeuw, maar de oorsprong van de abdij is ouder. De plattegrond van de site, met de bebouwingspatronen en het omringende cultuurlandschap met de vijvers, is middeleeuws. Het huidige boerderijcomplex, met tiendenschuur en wagenhuis, wordt gebouwd in 1663-1664 in opdracht van abt Libert de Pape. De laatste grote bouwcampagne dateert van het abbatiaat van Hieronymus de Waerseggere (1719-1730). Hij geeft het abtskwartier van het klooster zijn huidig uitzicht, verbouwt het merendeel van de poorten en de kerk en laat de kerktoren (1730) optrekken. Nadien volgen nog enkele kleinere projecten, waaronder de aanpassingswerken aan de Mariapoort en de bouw van twee tuinpaviljoentjes (1750). Het zijn deze twee paviljoentjes die verder onderwerp van deze bijdrage vormen
HERBESTEMMING VAN DF SITE VAN DE PARKABDIJ De religieuze gemeenschap van de Parkabdij heeft haar abdij door de eeuwen heen gekoesterd, maar de noodzaak tot restauratie van de gebouwen dringt zich al geruime tijd op. Dit is een kolossale opdracht, onmogelijk om dragen door de norbertijnengemeenschap van Park. Daarom geeft de vzw Abdij van Park in 2003 (zie kadertekst) grote delen van het domein met het neerhof, de poorten, de watermolen, de bijhorende gronden en vijvers in erfpacht aan de stad Leuven. Het wagenhuis wordt in erfpacht gegeven aan de vzw Kerk in Nood/ Oostpriesterhulp, die er zijn kantoren vestigt. Het centraal gelegen klooster met de abdijkerk blijft eigendom van de paters. Hier wordt in eerste instantie gestreefd naar een museale ontsluiting: op termijn zal het museum voor Religieuze Kunst en Cultuur, kortweg ook Museum Parkabdij geheten, er gehuisvest worden. Het museum hoopt de motor te zijn van de restauratie van het kloostergedeelte.
•4 Perpectieftekening van de Abdij van Park. Vooraan rechts de conventstuin met 9
de tuinpaviljoenen (tekening Jan Jonas en Teresa Olrech)
De gefaseerde restauratie van het domein en het klooster van de abdij van Park wordt de afgelopen en volgende jaren grondig voorbereid. De restauratie van het gebouwencomplex en tegelijk de vrijwaring van de authenticiteit ervan is een gigantische opdracht die tijd, geld en voorbereiding vraagt. Met een breed draagvlak van partners met onder andere consulenten van de dienst Onroerend Erfgoed van de Vlaamse Overheid, de vzw Abdij en haar aangezochte externe consulenten, medewerkers van het toekomstige museum en, sinds 2003 ook vertegenwoordigers van de Stad Leuven, zijn eerst een masterplan, een haalbaarheidsstudie voor de museumwerking en een beleidsplan uitgewerkt. Sinds 2005 neemt de abdij van Park deel aan het Europese Interreg III B N / W E programma Converting Sacred Spaces. In het kader van dit programma is een Europese tentoonstelling over abdijen en kloosters en de soms noodzakelijke herbestemming ervan uitgewerkt. Deze tentoonstelling was eind 2007 in de Parkabdij opgesteld. Tegelijk wordt de ontsluiting van de site verbeterd met onder andere de aanleg van een oriëntatiepad met audiogids. De tuinpaviljoentjes zijn een weliswaar relatief klein maar waardevol onderdeel van dit grote einddoel. De paviljoenen zijn de bekroning van de heraanleg van de tuinen en zullen bij gelegenheid als kleine tentoonstellingsruimte voor natuur- en cultuureducatie gebruikt worden. Bovenal vinden ze terug aansluiting met hun vroegere functie als fraai element in de abdijtuinen. De Vrienden van de Abdij hebben zich vanouds ingezet voor de instandhouding van het kunsthistorische erfgoed van
de abdij: boeken, glasramen, schilderijen etc. Centraal in de beheersopvatting staat het bewaren en versterken van de natuurwaarden die zijn verbonden met het cultuurlandschap waarvan de twee gerestaureerde tuinpaviljoenen deel uitmaken. In 1999 beslist de vzw Vrienden van de Abdij om de oude verwaarloosde abdijtuinen opnieuw aan te leggen. Een dossier voor de heraanleg wordt ingediend bij het Aardgas Natuurfonds van de Koning Boudewijn Stichting. De vzw wordt in 2000 laureaat van dit fonds en start met de heraanleg van de conventtuin, inclusief kruidentuin, naast de kloostergebouwen en van een biologische moestuin naast de tiendenschuur, op de plaats waar hij zich tijdens het Ancien Regime bevond (3). Achter het wagenhuis komt opnieuw een hoogstam boomgaard. De restauratie van de tuinpaviljoenen wordt uitgewerkt als onderdeel van de voormelde heraanleg van de conventtuin, gelegen langs de zuidkant van het klooster, tussen de gebouwen en de vijvers. Hier is een boomgaard met oude hoogstam fruitrassen heraangeplant en centraal is de kruidentuin aangelegd, omgeven door buxushaagjes en bessenrijen. Langs de tuinmuren zijn druivelaars aangeplant en er is een bijenhal geïnstalleerd.
BOUWGESCHIEDENIS VAN DF TUINPAVILJOENTJES De tuinpaviljoentjes zijn kleine gebouwtjes, het ene nog kleiner dan het andere, beide daterend uit de 18 <: eeuw. Het grootste is via een datumsteen terug te brengen tot 1750 en wordt in oude teksten 'pavil-
die betrekking hebben op een gebouwtje omschreven als 'zomerhuisje in de hof van de prior' dat hier al bestond in 1638. Er zijn van dit gebouwtje verder echter nog geen sporen teruggevonden, ook niet tijdens de uitvoering van de restauratiewerken aan de huidige paviljoentjes.
Het paviljoentje van de prior
Het grootste van beide paviljoentjes. ook pavil|oent|e van de Prior genoemd, in de staat waarin het zich vóór de restauratie bevond (foto Sofle Beyen)
joen van de prior' genoemd. Het archiefonderzoek heeft geen concrete informatie opgeleverd over de bouw, eventuele verbouwing of gebeurlijke herstelling van de paviljoentjes. Enkel de periode vóór de bouw van het prieeltje van de prior is gedetailleerd geïnventariseerd. Uit de periode vanaf 1750 worden geen verdere facturen of vermeldingen in verband met de paviljoentjes teruggevonden maar uit de periode vóór 1750 bestaan enkele vermeldingen,
Het uit 1750 stammende gebouwtje is uitgewerkt in de in die periode gangbare rococostijl, bekroond met een mansardedak. Het gebouwtje is, wellicht omwille van de windrichting en het zicht, op het oosten georiënteerd. Enkel deze oostgevel is architecturaal uitgewerkt terwijl de overige sober en vlak blijven. De twee zijgevels hebben een segmentvormig venster, de achtergevel is volledig blind en onversierd. De beide segmentvensters waren vóór de restauratie dichtgemetseld, maar zijn tijdens de werken opnieuw geopend. De voorgevel is geleed met vlak gebosseerde pilasters die een hoofdgestel dragen waarin kapitelen zijn verwerkt en waarin, in het midden, het bouwjaar is afgebeeld. De middentravee, waarin de centrale deur onder gebogen fronton is ondergebracht, heeft weelderige kapiteeltjes van het Korinthische type. De laterale traveeën waarin de segmentboogvensters zijn gesitueerd, worden afgebakend door overhoekse pilasters en
Het stucplafond in rococostijl in het pavil|oent|e van de Prior, vóór de restauratie (foto Sofie Beyen)
/
A
M&L
i\
kapitelen met rocaillecartouches. Dit getuigt van een speelse omgang met de klassieke orden, een kenmerk dat goed past in deze lustgebouwtjes. Het interieur van het paviljoentje wordt versierd met een uitgewerkt stucplafond: van op een hoofdgestel lopen er telkens rocailles in het midden van de wanden door tot in de fries met daarboven een gecassetteerd en met ornamenten versierd plafond in stucwerk. Het paviljoentje van de prior is waarschijnlijk op de plaats van het hoger vermelde, 17 e -eeuwse paviljoentje gebouwd. Het jaartal 1750, terug te vinden op de gevel van het huidige paviljoentje, komt goed overeen met de rococostijl waarin het is uitgevoerd en kan dus met enige zekerheid als de bouwdatum van het huidige paviljoentje naar voren geschoven worden, toch zeker van de voorgevel, de dakstructuur en het mooie reliëfplafond.
18 e -eeuwse gebouwen wordt aangetroffen en dat blijkbaar tot het einde van de 18 e eeuw stand heeft gehouden. In het midden van de 19 t c eeuw komt dit formaat niet meer voor. De geveltjes zijn bovenaan voorzien van een eenvoudige, in baksteen gestructureerde kroonlijst. In de voorgevel is een rondbogige deur die geflankeerd wordt door twee rondbogige venstertjes. De imposten van de deur zijn op dezelfde wijze opgebouwd als de kroonlijst. Dergelijke rondboogopeningen komen terug op in de classicerende architectuur vanaf het derde kwart van de 18 "^ eeuw. De overige gevels van het kleinste paviljoentje zijn oorspronkelijk als blinde wanden opgevat maar later worden er in de zijgevels kleine rondbogige raampjes toegevoegd. Deze vertonen een soms slordig geconstrueerde omlijsting in kleine haardsteentjes (zwarte, gele en rode). Binnenin is het gebouwtje erg eenvoudig uitgewerkt met een vlak uitgepleisterd plafond.
Het tuinhuisje Het tweede paviljoentje staat, net als het eerste, naar het oosten gekeerd. Het gaat om een veel eenvoudiger opgevat en nog kleiner vierkant gebouwtje onder een tentdak waarvan aanvankelijk enkel de voorgevel van lichtopeningen was voorzien. Het gebouw is opgetrokken in een baksteensoort en -formaat dat in de Leuvense regio nog in andere
Materieeltechnisch gezien is het tuinhuisje te dateren in de periode van 1720 tot 1830, dit is de periode waarin de rode bakstenen 26 x 5,5 x 12,5 cm gebruikt worden in de Leuvense regio. De stijlkenmerken (rondbogige openingen) verkleinen deze periode tot het derde kwart van de 18 e eeuw, of ruim genomen, de periode 1750-1790, dus niet
Het klein paviljoent|e, ook wel Tuinhuisje genoemd, in de toestand waarin het zich vóór de restauratie bevond (foto Sofie Beyen)
zoveel later dan het rococopaviljoentje. Historisch gezien is het logisch de periode 1789-1836 uit te sluiten gezien de opheffing van de abdij tijdens de Franse Revolutie in 1789 geen abt ertoe zal aangezet hebben een tuinhuisje te bouwen. Hoewel tot vandaag algemeen wordt aangenomen dat het om een 19 e -eeuws gebouwtje zou gaan, lijkt het nu toch eerder een gebouwtje uit het derde kwart van de 18 e eeuw. Waarom beide gebouwtjes ondanks het kleine verschil in bouwdatum toch zo verschillend zijn uitgewerkt is niet duidelijk: misschien heeft het grotere als theehuisje gediend en het kleinere enkel als tuinberging?
DE HERBESTFMMINn VAN DE PAVIUQENTJES
Opstanden, plan en doorsnede van het paviljoent|e van de Prior (Sofie Beven)
De restauratie van beide paviljoentjes is opgenomen in het totaalconcept van de herwaardering van de conventtuin. H u n belangrijkste huidige functie is dan ook het gewoon aanwezig zijn in het beeld van de conventtuin, als prieeltje, paviljoentje zonder meer. Voor het eenvoudige tuinpaviljoentje wordt wel verder aan een bestemming als eigenlijk tuinhuisje gedacht: het kan dienst doen voor de berging van tuinmateriaal en planten of bloembol-
len tijdens de winter. Het luxueuzere paviljoentje van de prior zal openstaan voor de bezoekers en onderdak bieden aan kleine tentoonstellingen over oude fruitrassen, zwaluwen, vleermuizen, bijen en imkerij. Beide gebouwtjes kunnen dus hun originele functie min of meer behouden. Dit maakt het denken over een bestemming en het restaureren een stuk eenvoudiger. De enkele technische ingrepen die wenselijk zijn betreffen een minimum aan elektriciteitsvoorzieningen, verlichting, verwarming (voor één van beide paviljoentjes) en wateraanvoer (voor één van beide paviljoentjes). De belangrijkste keuze moest gemaakt worden tussen de diverse teruggevonden historische lagen. Door deze restauratie met zorg voor de details, vakmanschap, juist materiaalgebruik en kleurkeuze krijgen deze mooie kleinoden weer de volle aandacht die ze verdienen.
RESTAURATIE VAN HET PAVIL JQENTJE VAN DE PRIOR Voor het paviljoentje van de prior was het formuleren van de restauratieopties niet moeilijk. De infrastructuur die later is ingebracht toen het als deel van de boerderij in gebruik was (cementering van de binnenmuren, de cementvloer, nieuwe houten
PAVILJOENTJE VAN DE PRIOR
VLOERPATROON
J
* * * * *
1
«SSSfi mm mmm • • •
mmgÊ • A a
De dakstructuur van het pavlljoent|e van de Prior
1
Het vloerpatroon
(foto Sofie Beyen)
ïan het pavlljoentje
^_
ramen), bleek niet interessant genoeg om bewaard te blijven. De aanwezige vloer in beige cementtegels is verwijderd en onder de vloer zijn sporen teruggevonden van een oudere vloer, vermoedelijk de originele vloer uit 1750, namelijk enkele brokstukken van rode en zwarte terracottategels. Naar voorbeeld van vele in de abdij teruggevonden vloertjes, is hier geopteerd voor een nieuwe terracotta vloer met een ruitvormig patroon van rode en zwarte tegels van 12 x 12 cm. De gevels van het paviljoentje zijn steeds wit gepleisterd geweest. Waar mogelijk (bovenaan de gevels en op de kapitelen, de kroonlijst, ...) is deze behouden en nodig opnieuw aangevuld met kalkpleister. Het geheel, binnen en buiten, is opnieuw wit gekalkt. Voor het schrijnwerk zijn opnieuw opendraaiende (eiken)houten ramen gebruikt. Voor de houten profilering en detaillering stond een nog bestaand 18 e -eeuws raam model, dat is teruggevonden in de abdij. De indeling verwijst naar de tijdsgeest rond 1750: een opdeling met twee opendraaiende vleugels en een vast bovenlicht waarbij het raam in kruisvorm wordt opgedeeld. Dit kruis geeft het raam een verdeling van 1/3 op 2/3. De vleugels en het bovenlicht zijn verder met kleinhouten opgedeeld: de vaste stukken in vier delen, de opengaande vleugels in acht delen. Voor de beglazing is mondgeblazen glas gebruikt. De twee later dichtgemetselde ramen (in de voor- en zijgevel) zijn opnieuw opengemaakt. Van de houten toegangsdeur zijn de aanwezige
van de Prior (Sofie Beyen)
stukken -de deurlijsten en het boogvormige bovenstuk- bewaard en gerestaureerd. De nieuwe deur werd als een paneeldeur uitgewerkt. Voor het dak en de uitwerking van de natuurleien bedekking, is teruggegrepen naar een oude archieffoto, waarop het mansardedak, de plaatsing van de leien, de aansluitingen in ruitvorm, de nokpannen in natuursteen, de zinken pinakels e.a. duidelijk zichtbaar zijn. Eén van deze pinakels is bewaard in het abdijarchief, zodat reconstructie naar bestaand model haalbaar was. Kroon op het werk is de restauratie van het rococo-stucplafond. Dit plafond, zeer sterk beschadigd door waterinsijpeling, is met een onderhoudspremie van de Vlaamse Overheid voorafgaandelijk aan de restauratie gestut met luchtkussens. De restauratie van het paviljoen is gestart met de bouw van een voorlopig afdak boven het gebouwtje zodat, zonder de weersomstandigheden te moeten vrezen, de voorlopige dakdichting kon gedemonteerd worden en een nieuwe leien dakbedekking aangebracht, na restauratie van de houten structuur en versteviging langs bovenuit van het stucplafond. Het stucplafond is gefixeerd, gerestaureerd en enkele ontbrekende stukken zijn opnieuw ingevuld. Gelukkig zijn voldoende elementen aanwezig waarvan afdrukken genomen zijn om de ontbrekende delen mee aan te vullen. Als bekroning van de binnenrestauratie is een eenvoudige kristallen luchter opgehangen.
1VI&L
wordt de vroegere provisor van de Parkabdij bedoeld, broeder Leo Martin, die omstreeks 1900 een verlichtingsinstallatie op basis van acetyleengas in de abdij installeerde. Vermoedelijk was de moederinstallatie of de gasketel daarvoor ondergebracht in het paviljoen. Er zit ook een chronogram in de tekst verwerkt, waarbij de daarvoor in aanmerking komende letters als overeenkomende Romeinse cijfers kunnen gezien worden. In dat geval komt men inderdaad rond de eeuwwisseling uit: probleem is hier de Y die als Romeins cijfer zowel met waarde 2 als 5 kan worden gezien. In dat geval komt men finaal uit op hetzij 1902 of 1905. Bij de restauratie werd de spreuk behouden, vrijgelegd en conserverend behandeld, te weten: geconsolideerd en hier en daar geretoucheerd met scalpel en gepigmenteerde kalkverf.
• Het paviljoentje van de Prior,
T Met stucplafond in het paviljoentje
na restauratie
van de Prior,
(foto Sofie Beyen)
na restauratie (foto Sofle Beyen)
Het licht van broeder Leo In het paviljoentje is op de fries van het stucplafond het opschrift aangebracht: "Fratris Leonis Pulsu Atque Concursu Lumen Acetlyllena Successit II Veteri Luci", wat zoveel betekent als: O p initiatief en met de bijdrage van broeder Leo is acetyleenlicht gekomen in plaats van het oude licht (4). Met broeder Leo
M&L
De verlichtingstechniek op basis van acetyleengas werd in 1836 uitgevonden. Het betreft een relatief eenvoudige techniek. Acetyleengas wordt verkregen uit calciumcarbide ( C a C 0 2 ) , een harde steenachtige stof die ontstaat door cokes (bruinkool/steenkool) en gebluste kalk te verhitten in een oven. Wanneer calciumcarbide reageert met water ontstaat tijdens de chemische reactie acetyleengas ( C 2 H 2 ) . Bij het verbrandingsproces van acetyleengas ontstaat, in combinatie met de precies afgewogen hoeveelheid zuurstof, want dit gas veroorzaakt een hevige verbrandingsreactie, een zuiver helwit licht. Het carbid werd daartoe in een generator geplaatst en in contact gebracht met een gecontroleerde hoeveelheid water. Het daarbij gevormde acetyleengas werd naar de brander geleid, bijvoorbeeld via een rubberen slang. Acetyleenverlichting werd toegepast daar waar (nog) geen elektriciteit beschikbaar was. Nadeel van de toepassing van acetyleengas als verlichting is de hoge explosiviteit en de hoge temperatuur van de vlam, die tot 3000 0 C oploopt. Tegenwoordig worden carbid en acetyleengas samen met zuivere zuurstof vanwege die bijzonder hete vlam gebruikt in apparatuur voor autogeen lassen, bij de productie van staal in hoogovens en in vuurwerk (5). Gezien de hoge instabiliteit en explosiviteit van het gas bij blootstelling aan vuur en zuurstof, mogen we van geluk spreken dat de Parkabdij toen niet in vlammen is opgegaan.
RFSTAURATIE VAN HFT TUINHLJISIF Voor het eenvoudige paviljoentje of het tuinhuisje zijn de keuzes wat moeilijker geweest omdat er meerdere mogelijkheden voorhanden waren. De
•4 Opstanden, doorsnede en plan van het klein paviljoen (Sofie Beyen)
eerste mogelijkheid was een terugkeer naar een eerste periode in de geschiedenis. Dit zou een rood paviljoentje opleveren, zonder ramen in de zijgevels. Het materieel-technisch onderzoek wijst uit dat er minstens drie rode lagen aanwezig waren, alvorens het gebouwtje op een bepaald moment is wit gekalkt (6). Het metselwerk rond de zijramen vertoonde enkel sporen van de witte kalklaag zodat kan aangenomen worden dat deze ramen er in de laatste periode ingebracht werden. Dit was te zien aan de uitgewerkte bogen met kleine baksteentjes boven deze ramen. Als tweede mogelijkheid kon de laatste periode, met witte kleur en met rondboogramen in de zijgevels, geconserveerd worden. Zo blijven alle sporen van de geschiedenis van het gebouwtje behouden. Er is gekozen voor deze tweede optie: op deze
RFSTAURATIEFICHE Ligging: Abdij van Park 7, 3001 Heverlee Bouwheer: Abdij van Park VZW, Z E H F. Swarte, prelaat Restauratie op initiatief van: Vrienden van de Abdij van Park V Z W Ontwerper: ir.-arch. Sofie Beyen De werken werden opgesplitst in twee loten: - Lot 1: alle werken met uitzondering van de stuc-, pleister en kaleiwerken - Lot 2: restauratie van de stucwerken, pleisteren kaleiwerken Gunning: openbare offertevraag (openbare publicatie) gevolgd door een beperkte aanbesteding (op basis van kostprijs en referenties). Uitvoering: T V Goedleven - Altri Tempi (beide loten). Materieel-technisch onderzoek: Studiebureau Lode De Clercq Periode: januari 2006 - 15 april 2007 (plechtige inhuldiging). Kostprijs: 180.000 euro, 2 1 % B T W inbegrepen, exclusief erelonen Toezichthoudende en premieverlenende overheden: Vlaamse Overheid (consulenten Karel Robijns, tot 2002, en Dieter Nuytten), Provincie Vlaams-Brabant (Norbert van den Hove) en Stad Leuven (Roger Jacobs) De werken werden voor 8 0 % betoelaagd ('zen'monument): Vlaamse Overheid 50%, Provincie 15% en Stad 1 5 %
manier blijft niet alleen de gelaagdheid van de geschiedenis bewaard, maar ook het eenheidsbeeld van beide paviljoentjes. In tegenstelling tot het paviljoentje van de prior werd het tuinpaviljoentje niet gepleisterd maar is er geopteerd voor een platvolle voegvulling en een kaleilaag, in navolging van de resultaten van het materieel-technisch onderzoek. Wat het dak betreft, is dezelfde oplossing als voor het rococopaviljoentje aanhouden: de archieffoto geeft informatie over de plaatsing van de natuurleien en de nokafdekking. Het interieur van dit paviljoentje is steeds zeer eenvoudig geweest: witgekalkte muren en een vlak witgekalkt plafond. Ook hier zit onder de recente vloer nog een oudere vloer in zwarte en rode terracotta. Deze vondst tijdens de werf leidde dan tot de keuze ook hier opnieuw een terracotta vloer in te brengen.
Sofie Beyen is ingenieur-architect en ontwerper van de restauratie van de tuinpaviljoentjes van de Abdij van het Park. Dieter Nuytten is ingenieur-architect en erfgoedconsulent monumenten bij het Agentschap R-0 Vlaanderen, Onroerend Erfgoed VlaamsBrabant.
FINDNOTEN (1) VAN AERSCHOT-VAN HAEVERBEECK S., De abdij van Park te Heverlee, in M&L (Monumenten, Landschappen en Archeologie), jg. 6, nr. 5, 1987, p. 49-57. (2) LEMAIRE R.M. (red.), Bouwen door de eeuwen heen. Inventaris van het kunstbezit in Vlaanderen. Architectuur, deel 1: provincie Brabant, arrondissement Leuven, Luik, 1971, p. 130-141. (3) De basisprincipes van het tuinproject zijn: respect voor de ruimtelijke samenhang en geest van de plek zonder een archeologische reconstructie na te streven; duurzaamheid waarbij de handenarbeid van de broeders wordt vervangen door vrijwilligers die maandelijks in de tuinen werken {de moestuin werd in beheer gegeven aan de vzw Wikke, een project van de vzw Wonen en Werken); milieuvriendelijkheid en ecologie: chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest worden geweerd; natuureducatie en sensibilisatie via opendeurdagen en rondleidingen. (4) De tekst werd ontcijferd door prof. em. Andries Welkenhuysen, classicus en Stefan Van Lani, archivaris van de Abdij van het Park vzw, met dank aan beiden. (5) Carbid maakt het staal zuiverder en verwijdert verontreinigingen. Carbid speelt ook een rol als plantenhormoon bij het doen rijpen van fruit. (6) Het materieel-technisch onderzoek werd uitgevoerd door studiebureau De Clercq.
SUMMARY New views on the Leeuwergem park Recently new discoveries have been made in the Leeuwergem park allowing us to date more accurately the different phases in the development of the park since the second half of the 18th century. The project design of the first classical park of 1762 was found a few months ago in the castle. This park, created by Emmanuel d'Hane, reveals an extraordinary ambition and refinement, making it without any doubt one of the finest projects in our region. From 1786 until 1793, following the death of Pierre Emmanuel d'Hane, his first heir Emmanuel undertook a complete change of the inherited park. He created a composition of different styles where the parts in classic style alternate with the English style, sometimes bringing out the contrast or on the contrary emphasizing each other. T h e English wood in the Leeuwergem park is of an exceptional value, on a formal as well as symbolic level. T h e hypothesis of a route symbolizing the masonic initiation of Emmanuel d'Hane has been raised.
The gardens at Alden Biesen. Three styles illustrated Alden Biesen is the former commandery of the Teutonic knighthood in Rijkhoven (Bilzen). The buildings, an illustration of evolving architecture and living between the 16th and 18th century, are being restored since the acquisition in 1971 and converted into Cultural Centre of the Flemish community. The site, surrounded by standard orchards and located in the sloping Limburg Haspengouw landscape, is just as much determined by lanes, alleys, hedges, walls and gates of the estate as by the impressive volume of the building complex. This article focuses on the history of Alden Biesen's gardens, three garden styles illustrated with literature, iconography, ancient printings, the land registry's archives and military maps. The Orangery and the Land commander's garden are recent creations in geometrical style, inspired by an etching by Romeyn De Hooghe from 1700. Attention is paid to the layout of the English garden which was commissioned by the Land commander Reischach in 1786-1787 on the slopes south of the castle and which is very well documented, even the delivery notes of all plants were included. Actually there are no more market gardens in Alden Biesen as there used to be. T h e kitchen garden with glasshouses and an orangery for plants of the English garden which aren't frost proof were traced and the importance is emphasized of the orchards and trained fruit trees growing against the numerous walls.
In a final paragraph the actual condition of the English garden is described and a number of precious relics from the 18th century are discussed: some ancient trees, a hornbeam gallery of 45 meters long, the promenades in the gardens which in the meantime have evolved into a landscape park as it appears on 19th century military maps, traces of the artificial pond which were dug up in the summer of 2007 by Brian Dix, the restored Minerva temple y Reischach, the artificial ruins, now disappeared, and indispensable in any garden of those times, the older summer pavilion on the Winterberg (Winter mountain) and the icehouse next to it. The approved master plan for Alden Biesen provides for the restoration of the standard orchards for the collection of the orchard foundation and of the hawthorn hedges and fences, in the restoration of the hundreds of meters of brick walls and of the English garden. An ad hoc commission investigates all possibilities and gives advice to all appointed designers. All data collected should enable a sound decision prior to coming into operation: perhaps the park forest will once again become an English garden?
The garden pavilions in the Park abbey of Heverlee The Norbertine abbey of Park in Heverlee near Leuven is still partly surrounded by the culture landscape which it has shaped itself over the centuries. For the moment the abbey's new destination is being prepared and the abbey buildings are being restored in stages. In one of the first stages, the two small but exquisite garden pavilions were treated. Park abbey; which until now has preserved to a large extent its authenticity, appears to be one of the best preserved abbey sites in the Low Countries. The abbey's domains still stretch out over 42 ha where all parts of the abbey from the Ancien Regime can still be distinguished: cloister building, abbey church, farm, gate buildings, water mill, gardens, estates, woodland and fish ponds.
1VI&L
T h e authenticity of it all is due to the fact that since the late 18th centuty nothing has been added nor demolished, and that the abbey has survived the French Revolution in one piece. T h e last major building campaign dates from theperiod when Hieronymus de Waerseggere was abbot (1719-1730). After that a few minor projects followed, like the construction of the two garden pavilions treated in this article. Their restoration fits in with the entire concept of revaluating the convent garden. T h e small garden pavilions, one even smaller than the other, both date from the 18th century. Research in the archives has not produced any concrete information on their construction, nor possible changes or repairs. T h e largest of the two, in ancient texts referred to as the Prior's pavilion, has a stone indicating the year 1750. T h e building is executed in Rococo style, crowned with a mansard roof. T h e building is oriented toward the east, most probably because of the wind and the view. While the other facades are extremely sober and flat, the eastern facade is architecturally decorated with embossed pilasters, curbed fronton, lush Corinthian style capitols and rocaille cartouches. This playful approach of classic order is typical
M&L
for these pleasure buildings. T h e pavilion's interior is decorated with a detailed stucco ceiling. T h e second pavilion, just like the first one, is oriented toward the east, but is simpler in its concept and even smaller. Material-technically it can be dated between 1750-1790, so not later than the Rococo pavilion. W h y both buildings, while dating from a similar period, have been worked out so differently is not entirely clear: perhaps the larger served as a tea house and the small one only as a kind of garden storage. For the Prior's pavilion the options for restoration were quite obvious. Underneath the floor, traces were found of a still older floor, probably the original floor from 1750, consisting of pieces of black and red terracotta tiles. By analogy with many floors discovered in the abbey, a rhombic pattern of black and red tiles was chosen. The fa9ades have always been plastered white: this was consolidated and where necessary filled up with lime mortar and subsequently the whole was again whitewashed on the exterior as well as interior. T h e two windows which had been bricked up (one in the front facade and one on the side) have been opened again. For the wooden profiles and details of the oakwood a still existing 18th century window, found in the abbey, was used as model. T h e glass is mouth blown. T h e roof was based on the original mansard roof, like it can be seen in picture archives. O n e of the roof's pinnacles had been preserved in the abbey's archives, allowing a faithful reconstruction. For the restoration of the simple garden house, there were several options. T h e first being a return to the original condition: a small pavilion painted red with no windows in the sidewalls. A second possibility was to preserve the latest period, coloured white and with round arched windows. This option was chosen: this way the historical layers and the uniform image once desired was preserved. T h e pavilion's interior has always been very simple: whitewashed walls and a flat, white ceiling. Also in this pavilion there is an older floor in black and red terracotta underneath the more recent floor. This discovery has led to the option of also laying a terracotta floor.