Jaarverslag 2015
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
1
Jaarverslag 2015
VOORWOORD................................................................................................................... 3 DEEL I ORGANISATIE EN BELEID ........................................................................................ 4 I. II.
HISTORIEK ........................................................................................................................... 5 ORGANISATIE VAN DE RAAD.................................................................................................... 6 1. Bevoegdheid ................................................................................................................ 6 2. Bevoegdheidsomschrijving .......................................................................................... 8 3. Interne organisatie – huishoudelijk reglement ............................................................ 8 4. Samenstelling van de Raad .......................................................................................... 9 5. Secretariaat ............................................................................................................... 10 6. Taalgebruik in de procedure ...................................................................................... 11 III. WIJZIGINGEN IN DE REGELGEVING .......................................................................................... 12 DEEL II CIJFERGEGEVENS ................................................................................................ 13 IV. STATISTISCHE GEGEVENS EN TOELICHTING ................................................................................ 14 1. Verzoekschriften en zittingsdagen............................................................................. 14 2. Aantal zittingsdagen en zittingen .............................................................................. 17 3. Doorlooptijd ............................................................................................................... 18 4. Verzoekende partijen ................................................................................................. 19 4.1 Gender ..................................................................................................................... 19 4.2 Geografische spreiding ............................................................................................ 19 4.3 Spreiding naar aard verwerende partij .................................................................. 20 4.3.1 Werkjaar 2015 .................................................................................................. 20 4.3.2 Periode 2007-2015 ........................................................................................... 23 4.4 Spreiding over studiegebied.................................................................................... 24 5. Voorwerp van het verzoekschrift ............................................................................... 24 5.1 Aard opleidingsonderdeel ...................................................................................... 24 5.2 Spreiding naar aard studievoortgangsbeslissing ..................................................... 25 5.2.1 Werkjaar 2015 .................................................................................................. 25 5.2.2 Verhouding soorten studievoortgangsbeslissingen over de periode 2005-2015 ................................................................................................................................... 27 5.3 Beslissingen inzake gelijkwaardigheid buitenlandse diploma’s .............................. 28 6. Uitspraken van de Raad ............................................................................................. 29 7. Bijstand door een raadsman ...................................................................................... 31 7.1 Verzoekende partij .................................................................................................. 31 7.2 Instelling .................................................................................................................. 33
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
2
Jaarverslag 2015
Voorwoord Geachte lezer, Dit jaarverslag heeft betrekking op het kalenderjaar 2015, het elfde werkingsjaar van de Raad. De klemtoon van de activiteiten ligt uiteraard op de rechtsprekende opdracht van de Raad. Zoals blijkt uit de cijfers, neemt de bevraging nog steeds toe, zowel voor de studievoortgangsbetwistingen als bij de leerkredietdossiers. Niettemin slaagt de Raad er vooralsnog in de doorlooptijd beperkt te houden en aldus te beantwoorden aan de wens van de decreetgever om op korte termijn uitspraak te doen. In dit verslag wordt aandacht besteed aan de nieuwe regels inzake de taal van de rechtspleging. De arresten van de Raad zijn raadpleegbaar http://onderwijs.vlaanderen.be/nl/raad.
op
de
volgende
website:
De bestaffing van de Raad is in 2015 niet gewijzigd, zij het dat het nieuw huishoudelijk reglement een betere werkverdeling mogelijk heeft gemaakt. Dank is verschuldigd aan alle bestuursrechters van de Raad voor hun onverdroten inzet, en in het bijzonder ook aan de twee secretarissen, die er niet alleen in slagen om de administratie en het griffiewerk van de Raad meester te blijven, maar ook een belangrijke hand hebben gehad in de totstandkoming van dit jaarverslag, dit laatste met de geapprecieerde bijstand van mevrouw Verzelen van AHOVOKS.
Jim Deridder Voorzitter 30 juni 2016
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
3
Jaarverslag 2015
Deel I Organisatie en beleid Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
4
Jaarverslag 2015
I.
Historiek
De Raad werd – oorspronkelijk als Raad voor Examenbetwistingen – bij decreet van 19 maart 20041 opgericht als onafhankelijk administratief rechtscollege binnen de Vlaamse Gemeenschap. De decreetgever motiveerde de oprichting van de Raad vanuit de behoefte om op korte termijn een jurisdictioneel oordeel te hebben over examengeschillen, met een beoordeling ten gronde die effectief rechtsherstel kan bieden.2 De decreetgever overwoog daarbij het volgende: “De Raad van State biedt objectief rechtsherstel door de annulatie van een administratieve rechtshandeling. De geannuleerde beslissing is aldus aangetast door een civielrechtelijke fout, die aanleiding kan geven tot schadevergoeding, te vorderen voor de gewone rechter. Zoals gesteld meent de decreetgever dat procedures waarin schadevergoedingen gevorderd worden op grond van het verlies van één of meerdere jaren niet op zijn plaats zijn in het onderwijs. In onderwijsaangelegenheden dient het recht op onderwijs te worden gevrijwaard, niet het recht op financiële genoegdoening. Een loutere annulatie waarborgt evenwel geen effectief rechtsherstel in deze. De Raad dient daarom bijkomende bevoegdheden te hebben. De behandeling van een verzoekschrift door de Raad leidt overeenkomstig het decreet tot de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid en/of ongegrondheid ervan, of tot de gemotiveerde vernietiging van de onrechtmatig genomen examenbeslissing, in welk geval de Raad inderdaad de nodige, welomschreven, voorlopige en herstelmaatregelen kan bevelen. De decreetgever stelt dat de Raad kan bepalen dat opnieuw in de zaak wordt beslist, desgevallend op grond van een nieuw afgenomen examen of enig onderdeel daarvan. De Raad kan daarbij de legitieme/illegitieme gronden aangeven dewelke bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing moeten/niet mogen betrokken worden.” Met het oog op het waarborgen van het effectief rechtsherstel kreeg de Raad ook de bevoegdheid om voorlopige maatregelen en herstelmaatregelen te bevelen. Volgens de parlementaire voorbereiding oordeelt de Raad niet binnen het ‘objectief contentieux’, maar over politieke rechten zoals bedoeld in artikel 145 van de Grondwet.3
Decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, BS 10 juni 2004 (Aanvullingsdecreet). 2 Parl. St. Vl. Parl. 2003-2004, nr. 1960/1, 17. 3 Parl. St. Vl. Parl. 2003-2004, nr. 1960/1, 18. 1
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
5
Jaarverslag 2015
II.
Organisatie van de Raad
1. Bevoegdheid
Bij zijn oprichting werd de Raad bevoegd gemaakt examen(tucht)beslissingen binnen het hoger onderwijs: -
-
voor
de
volgende
Examenbeslissing: elke beslissing die een eindoordeel inhoudt over het voldoen voor een opleidingsonderdeel, meer opleidingsonderdelen van een opleiding, of een opleiding als geheel; Examentuchtbeslissing: een sanctie opgelegd naar aanleiding van examenfeiten.
Doorheen de daaropvolgende jaren werd de bevoegdheid van de Raad stelselmatig uitgebreid, hetzij door tussenkomst van de decreetgever, hetzij door een nadere omschrijving van de decretale bevoegdheid door de Raad van State als cassatierechter. Krachtens artikel II.15 van het Aanvullingsdecreet kan de Raad vanaf het academiejaar 2008-2009 uitspraak doen over beslissingen in verband met het leerkrediet die door het instellingsbestuur of door de stuurgroep Databank Hoger Onderwijs genomen zijn op grond van de procedure, zoals vastgelegd in artikel 13quater van het Structuurdecreet. Een volgende uitbreiding van de bevoegdheden van de Raad werd ingevoerd met Onderwijsdecreet XIX4, met name ten aanzien van het weigeren van het opnemen van een bepaald opleidingsonderdeel in het diplomacontract waarvoor de student die een geïndividualiseerd traject volgt, zich nog niet eerder heeft ingeschreven. Bovendien werd de bevoegdheid van de Raad ruim(er) gedefinieerd door de rechtspraak van de Raad van State. In de werkjaren 2008 en 2009 was de Raad van oordeel dat hij niet bevoegd is om te oordelen over beslissingen op grond van artikel 51 van het Flexibiliseringsdecreet (rechtstreekse diplomering). Enkel wanneer het kon begrepen worden als een toekenning van vrijstellingen, behandelde de Raad het dossier. In het arrest nr. 200.012 oordeelde de Raad van State evenwel dat de Raad hiervoor wel bevoegd is. Het onderwijsdecreet OD XXI5 heeft vervolgens de bevoegdheid van de Raad uitgebreid wat de beslissingen inzake gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma betreft. Deze zijn aanvechtbaar met ingang van 1 september 2011. Met ingang van 1 september 2011 is de Raad ook bevoegd om beroepen te behandelen van studenten die hun leerkrediet dreigen te verliezen omwille van ‘overmacht’. Deze bevoegdheid is er gekomen ter vervanging van het georganiseerd administratief beroep dat in 2010 kon worden ingesteld bij de Vlaamse Regering. 4 5
Decreet van 8 mei 2009 betreffende het onderwijs XIX, BS 28 augustus 2009. Decreet van 1 juli 2011 betreffende het onderwijs XIX, BS 30 augustus 2011. Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
6
Jaarverslag 2015
Het Onderwijsdecreet XXIII6 heeft de afzonderlijke bevoegdheid “een beslissing van een instellingsbestuur over de gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma genomen in toepassing van artikel 69, §3, van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen” geschrapt om te vermijden dat de instellingen voor deze toelatingsbeslissingen, die geen formele gelijkwaardigheidsbeslissing sensu stricto inhouden (dat is een bevoegdheid van NARIC), een interne beroepsprocedure dienen te organiseren. Het Vereenvoudigingsdecreet7 heeft de bevoegdheid geschrapt omtrent “een beslissing waarbij er in geval van overmacht geen aangepaste examenregeling mogelijk is om organisatorische redenen”, in die zin dat de leerkredietdossiers niet langer onder de term ‘studievoortgangsbeslissing’ vallen en de instellingen hiervoor bijgevolg geen intern beroep meer moeten organiseren. De Raad is en blijft wel bevoegd voor de leerkredietdossiers. Ten slotte heeft het Vereenvoudigingsdecreet nog een bijzondere soort van aanvechtbare beslissing tot stand gebracht, met name het beroep tegen de beslissing van de instelling om een stage of ander praktisch opleidingsonderdeel vroegtijdig te beëindigen. De volgende studievoortgangsbeslissingen konden op grond van artikel I.3, 69° van de Codex Hoger Onderwijs tijdens het werkjaar 2015 het voorwerp uitmaken van een beroep bij de Raad: a) een examenbeslissing, zijnde elke beslissing die, al dan niet op grond van een deliberatie, een eindoordeel inhoudt over het voldoen voor een opleidingsonderdeel, meer opleidingsonderdelen van een opleiding, of een opleiding als geheel; b) een examentuchtbeslissing, zijnde een sanctie opgelegd naar aanleiding van examenfeiten; c) de toekenning van een bewijs van bekwaamheid, dat aangeeft dat een student op grond van eerder verworven competenties of eerder verworven kwalificaties bepaalde competenties heeft verworven; d) de toekenning van een vrijstelling, zijnde de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen; e) een beslissing waarbij het volgen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd en waarbij de studieomvang van dergelijk programma wordt vastgesteld; f) het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking, bedoeld in artikel II.2468;
Decreet van 19 juli 2013 betreffende het Onderwijs XXIII, BS 27 augustus 2013. Decreet van 21 maart 2014 tot aanpassing van enkele hogeronderwijsbepalingen die de organisatie en controle van het onderwijs faciliteren en de plan- en implementatielasten verminderen, BS 15 mei 2014. 8 Met inbegrip van de beslissing om een stage of praktisch opleidingsonderdeel voortijdig te beëindigen (ingevoerd artikel 25 Vereenvoudigingsdecreet). 6 7
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
7
Jaarverslag 2015
g) het weigeren van het opnemen van een bepaald opleidingsonderdeel in het diplomacontract waarvoor de student die een geïndividualiseerd traject volgt, zich nog niet eerder heeft ingeschreven; h) een beslissing inzake gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma van hoger onderwijs met een Vlaams diploma van hoger onderwijs genomen krachtens artikel II.256; Daarnaast is de Raad overeenkomstig artikel II.285, lid 2 Codex Hoger Onderwijs ook bevoegd om kennis te nemen van verzoeken die studenten rechtstreeks bij de Raad indienen om hun leerkrediet aan te passen, omdat ze zich in een overmachtssituatie bevonden en de instelling voor hen geen aangepaste examenregeling heeft geboden. Ten slotte is de Raad bevoegd inzake materiële vergissingen en onjuistheden zoals bedoeld in artikel IV.93 van de Codex Hoger Onderwijs. 2. Bevoegdheidsomschrijving
De initiële bevoegdheid van de Raad is doorheen de jaren stelselmatig uitgebreid. Daardoor is deze bevoegdheid geëvolueerd van een beperkte toegewezen bevoegdheid die eenduidig was in de toepassing (examenbeslissingen en examentuchtbeslissingen), tot een bevoegdheid die weliswaar nog steeds toegewezen van aard is en niet residuair, maar die niettemin een breed veld bestrijkt, met soms onduidelijke grenzen. De vraag kan dan ook worden gesteld of het niet nuttig zou zijn een meer homogene bevoegdheidsomschrijving voor de Raad te overwegen. Dit kan misschien ook beter de doelstellingen van de decreetgever met betrekking tot de beoogde rechtsbescherming tot uiting brengen, dan de huidige uitgebreide opsomming. De Raad merkt een toename in de geschillen die de bevoegdheid van de Raad betreffen, en deze geven ook regelmatig aanleiding tot cassatievoorzieningen voor de Raad van State. Cassatievoorzieningen en prejudiciële vragen die geen betrekking hebben op de grond van de zaak, werken enkel vertragend voor de beoordeling ten gronde en zijn, zeker in een contentieux waar een spoedige beoordeling essentieel is, zoveel mogelijk te vermijden. 3. Interne organisatie – huishoudelijk reglement
Met het oog op een betere organisatie van de werking heeft de algemene vergadering van de Raad op 6 juni 2015 een nieuw huishoudelijk reglement aangenomen, dat werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 15 juli 2015. Het huishoudelijk reglement regelt vooreerst de werking van de algemene vergadering en de bevoegdheden van de voorzitter, alsook de evaluatie van de secretarissen.
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
8
Jaarverslag 2015
Daarnaast is de Raad voortaan ingedeeld in drie kamers (Iste, IIde en IIIde Kamer), waardoor zaken vlotter kunnen worden toebedeeld, rekening houdend met de beschikbaarheid van de leden en de onverenigbaarheden. De indeling in kamers was noodzakelijk geworden om de Raad toe te laten kamers simultaan te laten zetelen ten einde de inkomende beroepen binnen een redelijke termijn verwerkt te krijgen. De voorzitter van de Raad zit de Iste Kamer voor, de plaatsvervangende voorzitters worden als kamervoorzitter aan de andere kamers toegewezen. Vanaf juli 2015 veranderden de uitspraken van de Raad ook van vorm. Er werd een nieuw sjabloon aangenomen en de uitspraken worden voortaan, zoals bij de andere Vlaamse administratieve rechtscolleges, arresten genoemd – deze term zal doorheen dit verslag dan ook worden gebruikt.9 De arresten worden ondertekend door de kamervoorzitter en door de secretaris die op de zitting als griffier is opgetreden. 4. Samenstelling van de Raad
Krachtens artikel II.287, §1, 2° van de Codex Hoger Onderwijs bestaat de Raad naast de voorzitters uit twee werkende en vier plaatsvervangende bijzitters. Omwille van de werklast worden alle bijzitters op gelijke wijze opgeroepen om te zetelen, zodat de Raad geen onderscheid maakt tussen de effectieve en de plaatsvervangende bijzitters. Tijdens het werkjaar 2015 kende de Raad volgende samenstelling10: Voorzitter Kamervoorzitter Bijzitters
Na de benoeming van de heer (kamervoorzitter) is één van de Onderwijs werd gevraagd om de initiëren. Deze procedure wordt Onderwijs.
de heer Jim Deridder de heer Bertel De Groote mevrouw Karla Van Lint de heer Jean Goossens de heer Henri Verhaaren de heer Jan Geens de heer Daniël Cuypers de heer Piet Versweyvelt Bertel De Groote tot plaatsvervangend voorzitter plaatsen van bijzitter vacant. Aan de minister van procedure tot benoeming van een zesde bijzitter te geregeld in artikel II.288, §1 van de Codex Hoger
Tijdens elke zitting van de Raad zetelt er een kamervoorzitter samen met twee bijzitters. De zetel van de Raad voor een zitting wordt samengesteld in functie van de De arresten hebben voortaan een uniek nummer, zodat niet meer naar het rolnummer moet worden verwezen. 10 Artikel 1 Huishoudelijk Reglement Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, BS 15 juli 2015. 9
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
9
Jaarverslag 2015
beschikbaarheid van de leden van de Raad. Wanneer een lid verbonden is aan een bepaalde instelling, zetelt dit lid niet wanneer deze instelling één van de betrokken partijen is. De samenstelling van de kamers is thans als volgt: Iste Kamer Voorzitter Bijzitters
J. Deridder J.Goossens H. Verhaaren J. Geens D. Cuypers P. Versweyvelt
IIde Kamer Voorzitter Bijzitters
B. De Groote J.Goossens H. Verhaaren J. Geens D. Cuypers P. Versweyvelt
IIIde Kamer Voorzitter Bijzitters
K. Van Lint J.Goossens H. Verhaaren J. Geens D. Cuypers P. Versweyvelt
5. Secretariaat
De leden van de Raad worden ondersteund door de medewerkers van het secretariaat, die instaan voor het in staat stellen van de dossiers. Op de zitting nemen de secretarissen de functie van griffier waar. David Keyaerts en Nele Laseure waren tot 2015 aangesteld als secretaris van de Raad. Melissa Thijs en Freya Gheysen werden na een vergelijkend examen voor juristen in de loop van 2015 aangesteld als secretarissen van de Raad. Zij hebben vervolgens de eed afgelegd in handen van de vrederechter van Sint-Joost-ten-Node.
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
10
Jaarverslag 2015
In tegenstelling tot andere administratieve rechtscolleges, beschikt de Raad niet over inhoudelijk ondersteunend personeel zoals referendarissen. 6. Taalgebruik in de procedure
Noch de Codex Hoger Onderwijs, noch een op de Raad van toepassing zijnde besluit van de Vlaamse regering bevat enige bepaling inzake de taal van de procedure. Het huishoudelijk reglement van de Raad (artikel 21) schrijft voor dat de procedure in het Nederl ands verloopt. Regelmatig wenden buitenlandse studenten zich tot de Raad; meestal – doch niet altijd – zijn zij ingeschreven in een Engelstalige opleiding aan een Vlaamse instelling van hoger onderwijs. Deze verzoekende partijen dienen soms een Engelstalig verzoekschrift in. In het verleden heeft de Raad anderstalige verzoekschriften niet om die reden onontvankelijk verklaard. In 2015 werd evenwel een exceptie van onontvankelijkheid opgeworpen door een verwerende partij.11 Aansluitend heeft de Raad zich beraden over de toepassing van de taalwetten. In afwachting van een eventuele decretale regeling die – gegeven onder meer de zeer korte beroepstermijn – rekening houdt met het recht op toegang tot de rechter in hoofde van de anderstalige studenten (in anderstalige opleidingen), houdt de Raad voorlopig de volgende werkwijze aan, die ook op de website is vermeld. De rechtspleging verloopt in het Nederlands. Teneinde de verzoekende partij niet onverwacht met een (ambtshalve) exceptie van onontvankelijkheid te confronteren, verleent de Raad de verzoekende partij die een anderstalig verzoekschrift heeft ingediend, een redelijke termijn om dat verzoekschrift (en in voorkomend geval de wederantwoordnota) in het Nederlands te (laten) vertalen.12 Indien de verzoekende partij vervolgens nalaat om minstens van het verzoekschrift een Nederlandstalige versie neer te leggen, verklaart de Raad het beroep onontvankelijk.13
R.Stvb. 4 september 2015, nr. 2.311. Bv. R.Stvb. 29 oktober 2015, nr. 2.537; R.Stvb. 1 december 2015, nr. 2.659; R.Stvb. 17 december 2015, nr. 2.735. 13 R.Stvb. 8 december 2015, nr. 2.697; R.Stvb. 8 december 2015, nr. 2.698. 11 12
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
11
Jaarverslag 2015
III.
Wijzigingen in de regelgeving
Artikel IV.57 van Onderwijsdecreet XXV14 heeft met ingang van 1 september 201515 artikel II.246 van de Codex Hoger Onderwijs, dat betrekking heeft op de bewaking van de studievoortgang, gewijzigd als volgt16: Art. IV.57. In artikel II.246 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de paragrafen 1 en 2 worden vervangen door een nieuwe paragraaf 1 die luidt als volgt: "§1. Het instellingsbestuur kan maatregelen van studievoortgangsbewaking nemen: 1° indien een student geen 60% van de ingeschreven studiepunten verworven heeft een vorig academiejaar kan bij een nieuwe inschrijving aan eenzelfde of andere instelling een bindende voorwaarde opgelegd worden. Deze bindende voorwaarden betreffen in beginsel geen evaluatie- en/of deliberatiecriteria die strenger zijn dan de regels die in de instelling algemeen gelden. Het instellingsbestuur kan de studievoortgang van de student wel afhankelijk maken van een deliberatie door het orgaan of de persoon die verantwoordelijk is voor de bepaling van de studievoortgang. Bij het niet naleven van deze bindende voorwaarde kan de student een volgend academiejaar geweigerd worden in dezelfde instelling waar de bindende voorwaarde is opgelegd; 2° indien uit de gegevens van het dossier blijkt dat een volgende inschrijving in het hoger onderwijs geen positief resultaat zal opleveren kan de inschrijving van de student geweigerd worden."; 2° paragraaf 3 wordt hernummerd tot paragraaf 2.
Decreet van 19 juni 2015 betreffende het Onderwijs XXV, BS 21 augustus 2015. Artikel IV.76 van Onderwijsdecreet XXV. 16 De belangrijkste wijziging betreft de instellings- of opleidingsoverschrijdende werking van deze regeling en het optrekken van de studie-efficiëntienorm van 50% naar 60%. 14 15
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
12
Jaarverslag 2015
Deel II Cijfergegevens
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
13
Jaarverslag 2015
IV.
Statistische gegevens en toelichting
1. Verzoekschriften en zittingsdagen
In het werkjaar 2015 heeft de Raad 694 verzoekschriften ontvangen en geregistreerd.17 Dit betekent opnieuw een significante stijging tegenover het vorige werkjaar, waarin er reeds 548 verzoekschriften werden ontvangen. Dit werkjaar werden er dus 146 zaken meer ontvangen en geregistreerd, een toename van 27%. De beroepen worden doorheen heel het jaar ingediend, met nog steeds duidelijke pieken in juli, september en oktober, na de examenperiodes van juni en augustus/september. Wat de werklast betreft, deint de impact van deze pieken steeds verder uit, gelet op de termijn die de Raad nodig heeft om tot een eindbeoordeling te kunnen komen. Het aantal verzoekschriften in februari en maart na de eerste examenperiode blijft ongeveer stabiel, hoewel verschillende onderwijsinstellingen na de eerste examenperiode (december-februari) de examenresultaten reeds definitief vastleggen. Dit doet vermoeden dat studenten op dat ogenblik in het academiejaar nog de voorkeur geven aan een tweede zit, eerder dan een beroep in te stellen. Relevant in deze context is dat het voor de instellingen mogelijk is om voor de eerste-semestervakken de tweede examenkans reeds in juni te organiseren. Uit de grafiek kan tevens worden afgeleid dat er in de maanden april, mei en juni een relatief kleinere instroom is.
Aantal ingediende verzoekschriften per maand 250
222
200
169
150 100 50
77 32 12
26
11
19
17
32
44
33
0
Daarin worden ook de ambtshalve registratie en behandeling van verzoekschriften na vernietiging door de Raad van State meegerekend. 17
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
14
Jaarverslag 2015
In onderstaande grafieken wordt het aantal verzoekschriften van de laatste negen werkjaren vergeleken en de trend ten aanzien van refertejaar 2007 weergegeven. De laatste werkjaren neemt het aantal beroepen elk jaar aanzienlijk toe. Hiervoor kunnen verschillende verklaringen worden gegeven. De Raad heeft doorheen de jaren wellicht meer bekendheid gekregen bij de studenten. De verplichte vermelding van de beroepsmogelijkheden bij de Raad op de te bestrijden beslissing (artikel 35 Openbaarheidsdecreet) wijst de studenten ook uitdrukkelijk de weg; deze vermelding geldt evenwel voor alle beslissingen of administratieve handelingen met individuele strekking die beoogt rechtsgevolgen te hebben. Ten slotte werd de bevoegdheid van de Raad ook meermaals uitgebreid, en is er in de media elk jaar aandacht voor de statistieken en het functioneren van de Raad.
Overzicht van het aantal verzoekschriften periode 2007-2015
800 700 600 500 400 300 200 100 0 aantal
2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
2015
89
77
130
149
242
345
413
548
694
In relatieve cijfers, afgezet tegen het referentiejaar 2007, geeft dit de volgende evolutie in de bevraging van de Raad.
Trend periode 2007-2015 800,00% 600,00% 400,00% 200,00% 0,00% -200,00% Trend
2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
2015
0%
-13%
46%
67%
172%
288%
364%
516%
680%
In de 694 beroepen die in 2015 werden ingesteld, merken we een stijging wat de gebruikelijke studievoortgangsbetwistingen (examenbetwistingen, weigering van een inschrijving,…) betreft. Zo werden er in 2014 237 beroepen ingediend, terwijl dit er in 2015 255 waren.
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
15
Jaarverslag 2015
Vanaf 1 september 2011 behandelt de Raad ook dossiers in verband met ‘overmacht en leerkrediet’. Deze beroepen kunnen niet worden beschouwd als klachten tegen een onderwijsinstelling. Het gaat immers om studenten die wegens overmacht (doorgaans ziekte) hun examenkansen niet volledig hebben kunnen benutten en bijgevolg een deel van hun leerkrediet verloren hebben. Zij vragen de verloren studiepunten uit hun leerkrediet terug op grond van een aangetoonde overmachtssituatie. Ook wat deze dossiers betreft, zet de stijgende lijn zich door. In 2015 waren er immers 426 dossiers betreffende leerkrediet en overmacht, terwijl er in 2014 nog maar 302 dossiers werden ingeleid. De overige 13 dossiers die in 2015 werden geregistreerd, betroffen beroepen tegen negatieve beslissingen inzake de gelijkwaardigheid van het buitenlands diploma met een Vlaams diploma, of met een Vlaamse graad. De werkdruk voor de zetel is voornamelijk gelegen in de dossiers, andere dan leerkrediet. Deze laatste worden administratief door het secretariaat voorbereid en vergen in mindere mate een juridische beoordeling. Hoewel zij voor de werklast niet geheel buiten beschouwing kunnen worden gelaten, wordt in de onderstaande grafiek van de leerkredietdossiers abstractie gemaakt. Deze grafiek toont de evolutie van de instroom sinds 2007.
dossiers 300 250 200 150 100 50 0 2007 (89)
2008 (77)
2009 (128) 2010 (140) 2011 (214) 2012 (208) 2013 (230) 2014 (246) 2015 (268) dossiers
De Raad heeft in 2015 669 beroepen behandeld tijdens 49 zittingsdagen. Een en ander vertegenwoordigt in 2015 een globale gemiddelde werklast per kamer per jaar van 231 arresten (inclusief leerkrediet), of 89 arresten inzake studievoortgangsgeschillen.
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
16
Jaarverslag 2015
De Raad hecht veel belang aan het bewaken van de eenheid van de rechtspraak. Het is de taak van de voorzitter om hierop toe te zien op het niveau van de Raad. Elke kamervoorzitter bewaakt daarnaast de eenheid van rechtspraak binnen de eigen kamer. Gelet op het huidige statuut van de bestuursrechters is de kleinschaligheid van het kader een belangrijk voordeel om deze eenheid van rechtspraak te borgen. Onder meer om die reden is een uitbreiding van het kader niet de optimale oplossing om de werklast beheersbaar te houden. 2. Aantal zittingsdagen en zittingen
In het werkjaar 2015 waren er 49 dagen waarop de Raad zitting hield, in vergelijking met 32 zittingsdagen in het werkjaar 2014. Er is dan ook sprake van een significante stijging (+ 53%) van het aantal zittingsdagen tegenover het vorige werkjaar. Hierbij moet bovendien worden opgemerkt dat er op zeven dagen simultaan met twee kamers werd gezeteld, zodat er in 2015 in werkelijkheid 56 zittingen hebben plaatsgevonden, hetzij een stijging met bijna 80%.
Aantal zittingsdagen en zittingen 60 50 40 30 20 10 0 2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
2015
De Raad zal in de toekomst het aantal zittingsdagen wellicht nog verder moeten opvoeren; zittingen met een overbelaste rol zoals die in het verleden voorkwamen, moeten worden vermeden om de kwaliteit van de arresten te kunnen waarborgen. Het is binnen het huidige statuut van de bestuursrechters moeilijk om binnen de termijn van een week tussen de beschikbaarheid van het volledige dossier van de rechtspleging en de zitting, het bestaande volume aan dossiers te blijven voorbereiden, in het bijzonder gelet op artikel II.307 van de Codex Hoger Onderwijs, dat de Raad de facto verplicht om in principe op de dag van de zitting ook uitspraak te doen.
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
17
Jaarverslag 2015
Op de datum van de behandeling worden de partijen in elkaars aanwezigheid gehoord in openbare zitting.18 Ook als een partij niet ter zitting verschijnt, zal de zaak worden behandeld. 3. Doorlooptijd
Artikel II.308 van de Codex Hoger Onderwijs schrijft voor dat de Raad uitspraak doet binnen een ordetermijn van vijftien kalenderdagen na de registratie van het beroep. Voor beroepen inzake de gelijkwaardigverklaring van een buitenlands diploma bedraagt deze ordetermijn dertig kalenderdagen. De ordetermijn van vijftien dagen is door de Raad om verschillende redenen verlaten. Ten eerste heeft de Raad begrip voor de opmerking van verschillende onderwijsinstellingen dat de minimale termijn die de Codex voorschrijft voor de neerlegging van de antwoordnota en het administratief dossier (48 uur, cf. artikel II.302, §1 van de Codex) erg kort is, zeker wanneer er ten aanzien van dezelfde instelling in verschillende dossiers simultaan termijnen lopen. De Raad bedenkt daarbij ook dat hij niet beschikt over een auditoraat of referendarissen die de zaak onderzoeken (bv. wat de volledigheid van het administratief dossier betreft) voordat zij op zitting wordt opgeroepen, zodat het zeker nuttig is dat aan de verwerende partij een voldoende ruime termijn wordt verleend om de antwoordnota en het administratief dossier over te maken. Aldus verleent de Raad gebruikelijk zowel aan de verwerende als aan de verzoekende partij een termijn van een week om de antwoordnota, respectievelijk wederantwoordnota in te dienen. Aangezien ten tweede de Raad, zoals hierboven is aangegeven, niet beschikt over ondersteunend personeel om de ingediende beroepen aan een juridisch onderzoek te onderwerpen alvorens zij aan de leden van de kamer worden overgemaakt, wordt vervolgens een termijn van een week in acht genomen om de kamervoorzitter toe te laten het dossier voor te bereiden met het oog op de zitting. Uiteraard speelt ook de toenemende werklast hierbij een rol. Ten einde de doorlooptijd van een zaak niettemin zo kort mogelijk te houden, wordt onmiddellijk na de behandeling van het dossier – het huishoudelijk reglement voorziet in principe in een pleitduur van vijftien minuten per partij; de complexiteit van het dossier noopt regelmatig tot een ruimer debat – beraadslaagd achter gesloten deuren. Aldus bedraagt de doorlooptijd van een dossier normaliter ongeveer drie weken. Dit kan nog steeds worden beschouwd als een zeer snelle rechtsbedeling voor de partijen. Uiteraard kan de duur van de behandeling van een zaak variëren in functie van de moeilijkheidsgraad, de duidelijkheid en volledigheid van het schriftelijk dossier en de pleidooien van de partijen.
18
De procedure inzake overmacht verloopt in principe wel schriftelijk. Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
18
Jaarverslag 2015
Het arrest wordt de eerste werkdag na de zittingsdag elektronisch aan de partijen bezorgd, behoudens een andersluidende beslissing van de Raad.19 De Raad neemt zich voor om na de nodige aanpassing van de database die de gegevens voor de jaarverslagen aanlevert, de doorlooptijd van de dossiers ook statistisch te monitoren. 4. Verzoekende partijen 4.1 Gender
In 2015 werden er 349 verzoekschriften ingediend door vrouwen en 345 door mannen. Net zoals vorig werkjaar is er aldus sprake van een (quasi) gelijke verdeling tussen mannen en vrouwen.
Genderverdeling
Vrouw 50%
Man 50%
Rekening houdend met de spreiding van beide geslachten in de inschrijvingen in het hoger onderwijs20 zijn de mannelijke verzoekers licht oververtegenwoordigd. 4.2 Geografische spreiding
Wat de geografische spreiding betreft, stellen we zoals elk werkjaar ook voor 2015 vast dat de meeste verzoekschriften – op basis van woonplaatscriterium – uit de provincie Antwerpen komen. Net zoals de vorige twee werkjaren wordt Antwerpen ook in werkjaar Zie art. II. 307, lid 4 Codex Hoger Onderwijs: “De uitspraak van de Raad wordt bij het secretariaat ter beschikking gesteld van de partijen op de eerstvolgende werkdag na de zitting, behoudens een andersluidende beslissing van de Raad. Deze terbeschikkingstelling geldt als enige kennisgeving van de uitspraak aan alle partijen. De uitspraak van de Raad wordt ook nog elektronisch meegedeeld aan de partijen op de eerste werkdag volgend op de zitting van de Raad, behoudens een andersluidende beslissing van de Raad.” 20 De cijfers betreffen het academiejaar 2014-2015: 105.114 mannen en 127.321 vrouwen (bron: http://www.ond.vlaanderen.be/HogerOnderwijs/werken/studentadmin/studentengegevens/HOIC_2014 .pdf). 19
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
19
Jaarverslag 2015
2015 gevolgd door Oost-Vlaanderen. Daarnaast kunnen we dit werkjaar eveneens vaststellen dat het aantal verzoekschriften uit Limburg en Vlaams-Brabant verhoudingsgewijs stabiel blijft. In 2015 waren er, relatief gezien, wel minder studenten uit West-Vlaanderen die een beroep indienden bij de Raad. Voorts stellen we vast dat, net zoals vorig werkjaar, het merendeel van de beroepen gericht wordt tegen instellingen in de provincies Antwerpen (31%), Oost-Vlaanderen (28%) en Vlaams-Brabant (23%).21 De beroepen tegen instellingen in de provincies Limburg en West-Vlaanderen blijven de laatste werkjaren vrij stabiel. In 2015 werd daarnaast één beroep ingediend tegen een buitenlandse onderwijsinstelling. Verder is in één dossier nooit duidelijk geworden tegen welke verwerende partij het beroep gericht was. Voor deze cijfers dient wel opgemerkt te worden dat er abstractie gemaakt wordt van de 13 beroepen inzake gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma.
35,0% 30,0%
spreiding op basis van zetel verwerende partij (abstractie NARIC)
250
200 25,0% 150
20,0% 15,0%
100
10,0% 50 5,0% 0,0%
percentage aantal
Brussels OostWestHoofdsted Vlaandere Vlaandere buitenland onbekend elijk n n Gewest
Antwerpen
Limburg
VlaamsBrabant
30,7%
5,0%
23,2%
9,7%
28,3%
2,8%
0,1%
0,1%
209
34
158
66
193
19
1
1
0
4.3 Spreiding naar aard verwerende partij 4.3.1 Werkjaar 2015
Vgl. cijfers relatieve spreiding van hoger onderwijsinstellingen op basis van zetel, rekening houdend met fusies: Antwerpen (6; 27%), Limburg (4; 18%), Vlaams-Brabant (2; 9%), Brussels Hoofdstedelijk Gewest (4; 18%), Oost-Vlaanderen (3; 14%), West-Vlaanderen (3; 14%). 21
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
20
Jaarverslag 2015
Net zoals in het vorig werkjaar blijkt dat er in 2015 meer verzoekschriften tegen universiteiten werden ingediend dan tegen hogescholen (247 hogescholen - 425 universiteiten). 61% van de verzoekschriften werd ingesteld tegen universiteiten, tegenover 36% tegen hogescholen. Het is het vierde werkjaar dat er, in globaliteit, meer verzoekschriften werden ingediend tegen universiteiten. Gelet op de integratie van een aantal hogeschoolopleidingen in de universiteit, is het normaal dat deze trend zich doorzet, al zijn er – zoals uit de onderstaande analyse blijkt – ook andere factoren die de grotere vertegenwoordiging van universiteiten in de statistieken kunnen verklaren. Daarnaast werden 13 beroepen ingediend tegen negatieve beslissingen inzake de gelijkwaardigheid van het buitenlands diploma met een Vlaams diploma, of met een Vlaamse graad. In 6 dossiers volgde de student een HBO5-opleiding en twee verzoekers waren ingeschreven in het secundair onderwijs. Tot slot was er één verzoeker die beroep instelde tegen een beslissing van een buitenlandse instelling, waarvoor de Raad niet bevoegd is.
De gegevens tonen een licht ander beeld wanneer een onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds de geschillen inzake studievoortgangsbeslissingen en anderzijds de leerkredietdossiers. Bij de studievoortgangsgeschillen heeft 38% van de beroepen betrekking op een hogeschool en 54% op een universiteit.
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
21
Jaarverslag 2015
Wanneer enkel de leerkredietdossiers worden beschouwd, stijgt het aandeel van de universiteiten tot 66%, tegenover 34% voor de hogescholen.
Verhouding hogescholen - universiteiten bij leerkredietdossiers Hogeschool 34%
Universiteit 66%
Hogeschool
Universiteit
De Raad ziet geen eenduidige verklaring voor deze cijfers. In het academiejaar 2014-2015 waren er immers nagenoeg evenveel studenten ingeschreven aan de hogescholen als aan de universiteiten.22 Een meer gelijke verdeling, zeker wat betreft de leerkredietdossiers, lijkt dan in de lijn van de verwachtingen te liggen.
22 Volgens “Hoger Onderwijs
in Cijfers”: 116.166 studenten ingeschreven in het hoger onderwijs en 116.269 studenten ingeschreven in het universitair onderwijs. Cijfers exclusief de studenten ingeschreven in het hoger kunstonderwijs. Gegevens raadpleegbaar op: http://www.ond.vlaanderen.be/HogerOnderwijs/werken/studentadmin/studentengegevens/HOIC_2014 .pdf. Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
22
Jaarverslag 2015
Een eerste mogelijke verklaring kan zijn dat de professionele bacheloropleidingen korter zijn dan universitaire opleidingen, die immers bestaan uit een bachelor en een master. Het is niet uitgesloten dat aldus de studenten aan de hogeschool met een gelijkaardig studieparcours minder snel nood hebben aan teruggave van leerkrediet om hun studies te kunnen afronden. Anderzijds is het ook niet uitgesloten dat het systeem van de terugvordering van leerkrediet onder de universiteitsstudenten beter gekend is. In voorkomend geval kan de informatieverstrekking in de hogescholen mogelijk worden geoptimaliseerd. Ter zake zou bijvoorbeeld kunnen overwogen worden dat op het puntenblad waarop een code verschijnt die duidt op afwezigheid van de student op een examen (bv. ‘A’), automatisch ook een tekst verschijnt die de student wijst op de mogelijkheid tot terugvordering van leerkrediet. Dit hoeft geen vermelding van de volledige procedure te zijn; een verwijzing naar de vindplaats van de relevante informatie volstaat. Die tussenstap kan ook vermijden dat studenten nutteloos (bv. voorbarig) leerkrediet terugvorderen. Alleszins is de Raad van oordeel dat het van belang is dat studenten tijdig en afdoende worden geïnformeerd, zodat zij ook tijdig een procedure tot terugvordering van leerkrediet kunnen instellen.23 4.3.2 Periode 2007-2015 460 440 420 400 380 360 340 320 300 280 260 240 220 200 180 160 140 120 100 80 60 40 20 0
Overzicht van het aantal verzoekschriften ingediend door hogeschool- of universiteitsstudenten over de periode 2007-2015
hogescholen
universiteiten
2007
58
31
2008
51
25
2009
69
61
2010
99
50
2011
120
117
2012
150
175
2013
156
233
2014
192
343
2015
247
425
Wanneer terugvorderingen van leerkrediet betrekking hebben op een verder verleden, wordt de student vaker geconfronteerd met problemen rond het verzamelen van de vereiste (medische) bewijsstukken omtrent de ingeroepen overmacht. 23
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
23
Jaarverslag 2015
4.4 Spreiding over studiegebied
Zoals vorig werkjaar blijken ook de ingediende beroepen over verschillende studiegebieden gespreid te zijn. Bij de hogescholen blijkt het studiegebied ‘Onderwijs’ zeer sterk te zijn vertegenwoordigd met 71 ingestelde beroepen. Deze cijfers zijn evenwel niet gerelateerd aan het aantal studenten dat in de betrokken studierichting is ingeschreven, of er verplichte stages zijn e.d. Beroepen met betrekking tot het studiegebied ‘Gezondheidszorg’, ‘Handelswetenschappen en bedrijfskunde’ en ‘Sociaalagogisch werk’ komen ook meer aan bod, net zoals vorig werkjaar. In de universitaire opleidingen blijken, net zoals de vorige werkjaren, de meeste studenten te komen uit het studiegebied ‘Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen’ (42 beroepen), terwijl ook ‘Economische Wetenschappen’ en ‘Toegepaste Economische Wetenschappen) (27 beroepen), ‘Psychologie en pedagogische wetenschappen (26 beroepen), ‘Taal- en letterkunde’ (20 beroepen) en ‘Industriële wetenschappen en technologie’ (20 beroepen) sterk vertegenwoordigd zijn. Ook deze cijfers zijn niet gerelateerd aan het aantal ingeschreven studenten. 5. Voorwerp van het verzoekschrift 5.1 Aard opleidingsonderdeel
De Raad is met ingang van 1 september 2011 exclusief bevoegd voor de beroepen inzake teruggave van leerkrediet wegens overmacht. In het werkingsjaar 2015 werden er 426 verzoeken tot teruggave van leerkrediet wegens overmacht ingediend. Wat de studievoortgangsbeslissingen betreft, ligt de verhouding tussen de verschillende opleidingsonderdelen die het voorwerp uitmaken van een betwisting ook nu in de lijn van de vorige werkjaren. Net zoals vorig werkjaar hadden de meeste beroepen betrekking op theoretische opleidingsonderdelen. Daarnaast waren in 2015 ook 61 studenten niet akkoord met de beoordeling van hun stage.24 soort opleidingsonderdeel diploma overmacht nvt praktijk proefschrift
aantal 17 426 27 30 20
De geschillen met betrekking tot studievoortgangsbewaking zijn als volgt over deze dossiers verspreid: ‘nvt’: 39 beroepen, ‘stage’: 2 beroepen en ‘theorie’: 8 beroepen. 24
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
24
Jaarverslag 2015
stage stage en portfolio theorie Eindtotaal
61 1 112 694
Bij de verdere analyse wordt abstractie gemaakt van de leerkredietdossiers. 5.2 Spreiding naar aard studievoortgangsbeslissing 5.2.1 Werkjaar 2015
Onderstaand diagram toont aan welke soort beslissingen werden aangevochten.
Aard studievoortgangsbeslissingen 2015 (met abstractie van overmachtdossiers) 4,9%
0,4%
0,4% 2,2% 1,5% 0,4%
18,3% 1,1% 1,5%
69,4%
Examenbeslissing Examentuchtbeslissing Leerkrediet - weigering inschrijving - berekening art. IV. 93 Codex Hoger Onderwijs Maatregel studievoortgangsbewaking/weigering inschrijving - art. II. 246 Codex Hoger Onderwijs meerdere Beslissing Naric gelijkwaardigheid buitenlands diploma - art. II. 256 Codex Hoger Onderwijs Studieprogramma overige Toekenning vrijstelling schakel- en/of voorbereidingsprogramma
Wat de studievoortgangsbeslissingen betreft, blijft het aandeel van de examenbetwistingen met bijna 70% tot het meeste beroepen aanleiding geven (186 dossiers). Beslissingen inzake maatregelen van studievoortgangsbewaking vormen de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
25
Jaarverslag 2015
tweede grootste cluster (18,3% - 49 dossiers). Het betreft in hoofdzaak studenten wiens inschrijving wordt geweigerd op basis van artikel II.246 Codex Hoger Onderwijs (studievoortgangsmaatregelen). Betwistingen over de andere studievoortgangsbeslissingen blijven ook in huidig werkjaar eerder beperkt. Er worden relatief weinig examentuchtbeslissingen en vrijstellingsbeslissingen voorgelegd aan de Raad. Het aantal dossiers betreffende negatieve beslissingen inzake gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma’s blijft nog beperkt, gelet op het grote aantal aanvragen bij de bevoegde instantie. Dit werkjaar ging het om 13 dossiers.
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
26
Jaarverslag 2015
5.2.2 Verhouding soorten studievoortgangsbeslissingen over de periode 2005-2015 studievoortgangsbeslissing 2015
2015%
2014
2014% 2013
2013%
2012
186
26,8%
139
25,4%
135
32,7%
126
36,5%
140
57,9%
90
60,4%
91
70,0%
59
76,6%
68
76,4%
32
74,4%
38
79,2%
4
0,6%
14
2,6%
9
2,2%
11
3,2%
9
3,7%
10
6,7%
17
13,1%
3
3,9%
5
5,6%
1
2,3%
1
2,1%
49
7,1%
60
10,9%
39
9,4%
32
9,3%
31
12,8%
29
19,5%
9
6,9%
4
5,2%
6
6,7%
4
9,3%
6
12,5%
Toekenning vrijstelling
4
0,6%
5
0,9%
3
0,7%
5
1,4%
6
2,5%
5
3,4%
5
3,8%
5
6,5%
8
9,0%
2
4,7%
2
4,2%
Toekenning bewijs van bekwaamheid (EVC)
0
0,0%
2
0,4%
5
1,2%
-
-
2
0,8%
-
-
-
-
1
1,3%
Schakel- en/of voorbereidingsprogramma
1
0,3%
1
0,2%
-
-
-
1
0,4%
-
-
1
0,8%
-
-
1
1,1%
-
-
-
-
Art. II. 245 flex - evc/evk rechtstreeks diplomering
6
0,9%
-
-
-
-
2
1,3%
3
2,3%
1
1,3%
-
-
1
2,3%
-
-
Studieprogramma
1
Examenbeslissing Examentuchtbeslissing Maatregel studievoortgangsbewaking/weigering inschrijving - art. II. 246
Leerkrediet overmacht Leerkrediet - weigering inschrijving
0,0%
9
2,2%
6
1,7%
18
7,4%
1
0,7%
2
1,5%
3
3,9%
-
-
-
-
-
-
61,4%
302
55,1%
183
44,3%
137
39,7%
28
11,6%
9
6,0%
2
1,5%
-
-
-
-
-
-
-
-
3
0,4%
6
1,1%
1
0,2%
5
1,4%
3
1,2%
1
0,7%
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
3
0,5%
1
0,2%
-
-
3
1,2%
-
-
-
-
-
1
0,7%
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Toelatingsproef
Beslissing naric gelijkwaardigheid buitenlands diploma Totaal aantal zaken
0
426
Herziening leerkrediet
meerdere
2012% 2011 2011% 2010 2010% 2009 2009% 2008 2008% 2007 2007% 2006 2006% 2005 2005%
-
-
1
0,1%
7
1,3%
7
1,7%
4
1,2%
1
0,4%
1
0,7%
-
-
1
1,3%
1
1,1%
3
7,0%
1
2,1%
13
1,9%
9
1,6%
21
5,1%
19
5,5%
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
413 100,0%
345
100%
242
100%
149
100%
130
100%
77
100%
89
100%
43
100%
48
100%
694 100,0%
548 100,0%
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
27
Jaarverslag 2015
5.3 Beslissingen inzake gelijkwaardigheid buitenlandse diploma’s
In werkjaar 2015 werden 13 beroepen ingediend waarin een student een gelijkwaardigheid van zijn buitenlands diploma wilde bekomen. De beroepen betreffen negatieve beslissingen inzake de gelijkwaardigheid met de Vlaamse master-graden25, bachelor-graden26 en HBO 5-graden27. De bestreden beslissingen hebben betrekking op diploma’s inzake geneeskunde28, wetenschappen29, gezondheidszorg30, tandheelkunde31, industriële wetenschappen en technologie32 en psychologie en pedagogische wetenschappen33. De verzoekers kwamen niet enkel uit Europa (en meer bepaald Nederland34, het Verenigd Koninkrijk35, Kosovo36 en Spanje37). Er werden immers ook betwistingen over de
R.Stvb. 17 februari 2015, nr. 2015/019; R.Stvb. 21 mei 2015, nr. 2015/071; R.Stvb. 16 juli 2015, nr. 2015/081; R.Stvb. 23 juli 2015, nr. 2.201; R.Stvb. 30 juni 2015, nr. 2015/089; R.Stvb. 30 juni 2015, nr. 2015/091; R.Stvb. 23 juli 2015, nr. 2.202; R.Stvb. 10 november 2015, nr. 2.579; R.Stvb. 14 januari 2016, nr. 2.781. 26 R.Stvb. 21 mei 2015, nr. 2015/073; R.Stvb. 28 juli 2015, nr. 2.209; R.Stvb. 11 februari 2016, nr. 2.815. 27 R.Stvb. 24 maart 2016, nr. 2.867. 28 R.Stvb. 16 juli 2015, nr. 2015/081. 29 R.Stvb. 21 mei 2015, nr. 2015/071. 30 R.Stvb. 21 mei 2015, nr. 2015/073; R.Stvb. 28 juli 2015, nr. 2.209; R.Stvb. 24 maart 2016, nr. 2.867; R. Stvb. 11 februari 2016, nr. 2.815. 31 R.Stvb. 23 juli 2015, nr. 2.201; R.Stvb. 30 juni 2015, nr. 2015/089; R.Stvb. 30 juni 2015, nr. 2015/091; R.Stvb. 23 juli 2015, nr. 2.202; R.Stvb. 10 november 2015, nr. 2.579. 32 R.Stvb. 17 februari 2015, nr. 2015/019. 33 R.Stvb. 14 januari 2016, nr. 2.781. 34 R.Stvb. 21 mei 2015, nr. 2015/073; R.Stvb. 28 juli 2015, nr. 2.209. 35 R.Stvb. 17 februari 2015, nr. 2015/019; R.Stvb. 21 mei 2015, nr. 2015/071. 36 R.Stvb. 16 juli 2015, nr. 2015/081. 37 R.Stvb. 14 januari 2016, nr. 2.781. 25
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
28
Jaarverslag 2015
erkenning van diploma’s uit Brazilië38, Egypte39, Maleisië40 en de Filipijnen41 aan de Raad voorgelegd. 6. Uitspraken van de Raad
Ten einde de cijfers niet te vertekenen (de beroepen inzake leerkrediet zijn atypisch omdat zij in overwegende mate ontvankelijk en gegrond zijn, er bijna nooit tussenkomst is van een raadsman enz.) worden de leerkredietdossiers ook in de onderstaande analyse niet meegenomen. Inzake het leerkrediet kan wel worden aangegeven dat 82,6% van deze beroepen ontvankelijk en gegrond werd verklaard (wat een daling is, vergeleken met 2014), en dat tijdens het werkingsjaar 2015 door de Raad voor een globaal jaartotaal van 10.269 studiepunten de teruggave werd bevolen nadat er overmacht werd vastgesteld.42 Dit is ongeveer evenveel als in 2014 (10.399 studiepunten). Dat het aantal teruggegeven studiepunten stabiel blijft ondanks het toegenomen aantal verzoekschriften inzake leerkrediet, kan erop wijzen dat studenten vaker een beperkt aantal studiepunten terugvragen, bijvoorbeeld onmiddellijk nadat de overmacht heeft plaatsgevonden. Indien men abstractie maakt van de dossiers inzake overmacht en leerkrediet werden er 190 van de 304 dossiers ontvankelijk verklaard (62,5%) en bijgevolg ten gronde behandeld. Dit betreft een lichte daling ten opzichte van vorig werkjaar. Van deze dossiers werden er 114 gegrond verklaard, wat overeenkomt met 60% van de ontvankelijke dossiers en 37,5% van de totaliteit. 29,61% van de dossiers werd onontvankelijk verklaard en in 7,89% van de dossiers verklaarde de Raad het beroep zonder voorwerp of werd de zaak uitgesteld.
R.Stvb. 30 juni 2015, nr. 2015/089; R.Stvb. 30 juni 2015, nr. 2015/091; R.Stvb. 23 juli 2015, nr. 2.202; R.Stvb. 10 november 2015, nr. 2.579. 39 R.Stvb. 23 juli 2015, nr. 2.201. 40 R.Stvb. 24 maart 2016, nr. 2.867. 41 R.Stvb. 11 februari 2016, nr. 2.815. 42 De complexiteit van het Financieringsdecreet laat niet toe om een exacte begroting te maken, maar op basis van een gemiddelde (gegevens Cel Financiering AHOVOKS: financieringspunt 52 euro) heeft de Raad voor ca. 534.000 euro aan gefinancierde studiepunten teruggegeven (-6% ten opzichte van het bedrag in 2014). 38
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
29
Jaarverslag 2015
120 100
Arresten werkjaar 2015 (abstractie van overmachtsdossiers)
80 60 40 20 0
aantal
ontvankelijk - gegrond
114
ontvankelijk - niet gegrond
76
niet ontvankelijk
90
nvt - zonder voorwerp uitgesteld
24
De Raad heeft van de 190 ontvankelijke dossiers (zonder de dossiers m.b.t. leerkrediet en overmacht) 114 dossiers gegrond verklaard (ongeveer 60%) en 76 niet gegrond (40%). Dit is een sterke stijging ten opzichte van het vorig werkjaar, vermits er in 2014 slechts 44% van de ontvankelijke zaken gegrond werden verklaard.
Alle ontvankelijke zaken en hun gegrondheid 2015 (abstractie overmachtsdossier)
60% 40%
ontvankelijk - gegrond
ontvankelijk - niet gegrond
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
30
Jaarverslag 2015
70%
Overzicht van de ontvankelijke zaken en hun gegrondheid over de periode 2012 – 2015 met abstractie van overmachtsdossiers
60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
ontvankelijk - gegrond
ontvankelijk - niet gegrond
2012
41,0%
59,0%
2013
31,8%
68,2%
2014
43,5%
56,5%
2015
60,0%
40,0%
7. Bijstand door een raadsman
Met onderstaande cijfers wordt nagegaan in welke mate de partijen zich laten bijstaan door een raadsman. Ook voor deze cijfers wordt telkens uitgegaan van de beroepen die in 2015 behandeld werden, en niet van de verzoekschriften die tijdens het werkjaar 2015 werden geregistreerd. Het aantal studenten en instellingen dat beroep doet op een raadsman blijft, in absolute cijfers, relatief stabiel ten opzichte van vorig werkjaar. Net zoals in 2014 kiest de meerderheid van de studenten en de instellingen ervoor om geen beroep te doen op een raadsman. 7.1 Verzoekende partij
Studenten kunnen zich voor de procedure bij de Raad laten bijstaan door een raadsman. Dit kan zowel een advocaat als een andere vertrouwenspersoon zijn. In 2015 werd in vijf gevallen gebruik gemaakt van een andere raadsman. In 88 gevallen werd effectief beroep gedaan op een advocaat. Dit kan in elke stand van de procedure gebeuren. In de loop van de procedure kan een partij in principe echter geen nieuwe middelen meer inbrengen. Dit betekent dat een advocaat die op een later moment in de procedure betrokken wordt, binnen de krijtlijnen van het initieel ingediende verzoekschrift zal moeten blijven. Uit bijgevoegde tabel blijkt dat in het werkjaar 2015 het overgrote deel van de studenten hun Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
31
Jaarverslag 2015
zaak zelf hebben verdedigd, zonder specifieke juridische bijstand van een advocaat in te roepen. Dit is een constante.
Raadsman student
advocaat aantal
88
andere geen raadsman raadsman 5 576
De onderstaande tabellen schetsen een mogelijk verband tussen het inschakelen van een raadsman en het resultaat van de procedure. De percentages zijn berekend in verhouding tot het aantal zaken dat binnen een bepaalde groep behandeld is om zodoende een correcte succesratio te berekenen. In 576 dossiers waar de student zelf zijn zaak verdedigd heeft, werden er 342 beroepen gegrond verklaard en werden er 96 dossiers niet-ontvankelijk verklaard. In 88 dossiers waar een advocaat optrad, werden er 49 beroepen gegrond verklaard en werden 15 dossiers niet-ontvankelijk verklaard. Deze cijfers moeten echter steeds duidelijke worden genuanceerd, daar de inhoud van de dossiers zelf buiten beschouwing werd gelaten. Tevens dient ook hier de kanttekening te worden gemaakt dat een groot aantal dossiers leerkrediet en overmacht betreffen. Deze zaken vallen buiten de ‘normale’ procedures bij de Raad. raadsman student ontvankelijkheid advocaat ontvankelijk
gegrondheid gegrond niet gegrond
niet ontvankelijk nvt (zonder voorwerp) Totaal andere raadsman
ontvankelijk
gegrond niet gegrond
niet ontvankelijk nvt (zonder voorwerp) Totaal geen raadsman
ontvankelijk niet ontvankelijk nvt (zonder voorwerp uitgesteld)
gegrond niet gegrond
2015 49 22 15 2 88 3 1 1 0 5 342 114 96
55,68% 25,00% 17,05% 2,27% 100,00% 60,00% 20,00% 20,00% 0,00% 100,00% 59,38% 19,79% 16,67%
24
4,17%
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
32
Jaarverslag 2015
Totaal
576 669
100,00%
advocaat
andere raadsman
nvt (zonder voorwerp uitgesteld)
niet ontvankelijk
ontv. + niet-gegrond
ontv. + gegrond
niet ontvankelijk
ontv. + niet-gegrond
ontv. + gegrond
nvt (zonder voorwerp)
niet ontvankelijk
ontv. + niet-gegrond
ontv. + gegrond
350 300 250 200 150 100 50 0
geen raadsman
7.2 Instelling
De instellingen doen vaker beroep op een advocaat dan de studenten. In 151 dossiers werd een advocaat ingeschakeld om de belangen van de instelling te verdedigen. Wat betreft de instellingen geeft de onderstaande tabel het volgende weer.
Raadsman instelling
aantal
ja 151
neen 518
In dossiers waar de instelling zelf haar belangen verdedigde, werden 329 van de 518 beroepen gegrond verklaard en werden 64 dossiers onontvankelijk verklaard. In dossiers waar een advocaat is tussengekomen, werden 65 van de 151 beroepen gegrond verklaard en werden 48 dossiers onontvankelijk verklaard. Deze cijfers moeten ook hier worden genuanceerd, want de inhoud van het dossier werd buiten beschouwing gelaten. Ook moet er gewezen worden op een mogelijke vertekening van het beeld door het grote aantal dossiers m.b.t. leerkrediet en overmacht. Ten slotte moet opgemerkt worden dat
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
33
Jaarverslag 2015
bij de instellingen die geen externe raadsman hebben, er vaak wel een intern juridisch adviseur is die het dossier behartigt.
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2015
34