BVR WERK- EN ZORGTRAJECTEN
Advies van de Vlaamse Raad voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Wetstraat 34-36, 1040 Brussel W www.vlaamseraadwvg.be – T +32 2 209 01 11 – E info@vlaamseraadwvg.be
Adviesvraag
Voorontwerp van besluit houdende de uitvoering van het decreet over de werk- en zorgtrajecten
Adviesvrager
Jo Brouns - Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw
Ontvangst adviesvraag
14 juli 2022
Decretale opdracht
adviesfunctie
Goedkeuring
Intersectorale kamer op 30 augustus 2022
Contactpersoon
Annemie Nys
anys@serv.be
Inhoud Advies
4
Situering
4
1.
Algemene beschouwingen
5
Weinig weerklank voor de structurele problemen
5
Beperkte of ontbrekende financiering op diverse vlakken
5
Kluwen van grote werkingsgebieden
6
Voldoende ruimte voor effectieve begeleiding?
7
Activeringstrajecten
8
2.1
Werkingsgebieden
8
2.2
Mandatering
9
2.3
Financiering en begeleiding
10
2.4
Overige punten ter verduidelijking
10
2.
3.
Arbeidsmatige activiteiten
12
3.1
Finaliteit
12
3.2
Warme overdracht
12
3.3
Financiering
12
3.4
Overige punten ter verduidelijking
13
Advies Situering Binnen beide beleidsdomeinen Werk en Sociale Economie en Welzijn, Volksgezondheid en Gezin liepen onderzoeken via VIONA en het Steunpunt WVG waarvan de inhoudelijke of beleidsmatige aanbevelingen verwerkt werden in aanpassingen van het regelgevend kader. Na de aanpassing van het decretale kader volgt de verdere uitwerking via het voorliggende voorontwerp van besluit. De raad ontving op 14 juli een adviesvraag van Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw, Jo Brouns over het voorontwerp van besluit houdende de uitvoering van het decreet over de werk- en zorgtrajecten. Deze adviesvraag is binnen de raad behandeld door de Intersectorale kamer die het voorliggende advies in consensus aanvaarde op 30 augustus 2022.
4
1. Algemene beschouwingen Een inclusieve samenleving, waarbij iedereen op zijn niveau en ritme actief kan zijn, is een belangrijk maatschappelijk streefdoel. De voorliggende maatregelen moeten dan ook maximaal een antwoord op maat bieden aan personen die omwille van persoons- en/of maatschappijgebonden redenen niet, nog niet of niet (meer) betaald aan het werk kunnen in het reguliere of beschermde tewerkstellingscircuit, maar wel nog gemotiveerd zijn om arbeidsmatig actief te zijn. Personen binnen de activeringstrajecten en de arbeidsmatige activiteiten (AMA) sociale economie die evenwel klaar zijn om door te stromen naar de reguliere arbeidsmarkt of de sociale economie moeten de kans krijgen om met de nodige ondersteuning in betaalde duurzame statuten aan de slag te gaan. De huidige krapte op de arbeidsmarkt is een opportuniteit om sterker in te zetten op een inclusieve tewerkstelling op maat.
Weinig weerklank voor de structurele problemen De raad formuleerde in februari 2022 een advies over het voorontwerp van decreet betreffende de werk- en zorgtrajecten waarin hij – ondanks vele positieve elementen – vaststelde dat nog een aantal structurele uitdagingen en bekommernissen onbeantwoord bleven. De raad betreurt dan ook dat er in het voorontwerp van besluit weinig aandacht is voor de aangekaarte problemen met o.a. het statuut bij een advies ‘welzijn’, de onkostenvergoeding voor deelnemers binnen AMA, de degressiviteit van de werkloosheidsuitkering, de afstemming en continuïteit, etc. Hij gaat er van uit dat deze gekende problematieken hoog op de agenda blijven en de werk- en zorgtrajecten continu gemonitord en geoptimaliseerd zullen worden. Ook voor de onthaaltrajecten via het Geïntegreerd Breed Onthaal (GBO), die geen verdere uitwerking in dit besluit vinden, geeft de raad mee dat het cruciaal is om kwaliteitsvolle begeleiding te kunnen blijven bieden. Bijgevolg moeten er voldoende middelen worden vrijgemaakt zodat de doelstellingen van het GBO ten volle kunnen gerealiseerd worden. De projectfinanciering van de onthaaltrajecten valt in het nieuwe kader volledig weg. Een verhoging van het beschikbare begrotingskrediet GBO is dan ook noodzakelijk. De raad behoudt zijn standpunten die in het advies over het voorontwerp van decreet werden opgesteld.
Beperkte of ontbrekende financiering op diverse vlakken Hoewel de nota stelt dat de hervorming budgetneutraal is, stelt de raad vast dat er door de Inspectie van Financiën wordt gewezen op heel wat budgettaire risico’s en niet-opgenomen kosten in de raming. Met betrekking tot de activeringstrajecten, leest de raad in de nota van de Inspectie van Financiën dat “het groeipad1 (zoals voorzien in het BVR 2018) wordt behouden” en dat “de verhoogde kost per activeringstraject moet [] leiden tot een hogere uitgave”. De raad treedt de Inspectie van Financiën bij en vraagt een antwoord op de vraag hoe de vastgelegde activeringstrajecten aan een hogere kost gerealiseerd kunnen worden binnen een budgetneutraal kader. Met betrekking tot 5
de arbeidsmatige activiteiten wordt het budget vastgeklikt op het eerder overeengekomen groeipad1. De raad is tevreden met de hogere uitgave per begeleiding, maar vreest dat een verhoging van de financiële ondersteuning voor de begeleiding binnen het huidige bestaande financiële kader zal leiden tot minder erkenningen en dus minder begeleiding. Gelet op het plaatsgebrek van vandaag, kan dit uiteraard niet de bedoeling zijn. De raad is niet overtuigd dat het groeipad en het financieel kader aansluit bij de reële noden. Hij vraagt hier verduidelijking rond en dringt aan op én voldoende plaatsen én voldoende kwalitatieve begeleiding. De raad stelt wel tevreden vast dat bepaalde vergoedingen worden verhoogd, maar vreest dat deze alsnog niet toereikend zijn. Een beperkte financiering hypothekeert in ernstige mate het inzetten op méér proactief, outreachend en aanklampend werken, hoewel dat een wenselijke aanbeveling is op basis van het VIONA onderzoek. Hetzelfde geldt voor meer contextgericht werken en het sociale netwerk van de cliënt meer te betrekken. In het uitvoeringsbesluit worden deze werkingsprincipes expliciet onderschreven, maar er worden navenant geen middelen of tijd voorzien. Ook de noodzakelijke nazorg en/of een kwaliteitsvolle overdracht van en naar andere maatregelen binnen hetzelfde decreet wordt onder druk gezet. Deze zorgzame begeleiding is, gezien de kwetsbaarheid van de betrokken cliënten, nochtans cruciaal. Het decreet beoogde deze vlottere overgangen, maar in het besluit vinden deze geen uitwerking De raad kaartte dit punt reeds aan in zijn vorig advies, maar moet vaststellen dat dit niet verder uitgewerkt is.
Kluwen van grote werkingsgebieden De raad uitte zijn bezorgdheid bij het ontwerpdecreet over de onduidelijkheid met betrekking tot de werkingsgebieden. Niet alleen kwam het ‘werkingsgebied’ meermaals voor zonder dat het duidelijk was of hier over éénzelfde regio werd gesproken, maar het was ook niet duidelijk wat dit concreet ging inhouden. Het uitvoeringsbesluit geeft hier nu duidelijkheid over en refereert voor alle concretisering van de werkingsgebieden naar de referentieregio’s. De raad onderschrijft dat er moet ingezet worden op een efficiëntere werking en dat schaalgrootte daarbij van belang is, maar er mag niet voorbij worden gegaan aan de realiteit van het werkveld en het draagvlak van de betrokken actoren. De werkingsgebieden mogen geen belemmerende factor worden – iets waar de raad met de huidige concretisering voor vreest. Er moet op worden toegezien dat het engagement en de verworven knowhow die over de jaren is opgebouwd, niet verloren gaat. Er moet bovendien voor gezorgd worden dat de doelgroep in de eigen regio terechtkan. De nabijheid en continuïteit van de dienstverlening is cruciaal in deze trajecten. Dit vereist ook binnen de regio een goede spreiding van de initiatiefnemers/dienstverleners. Het zal belangrijk zijn dit proces goed op te volgen en zo nodig met het werkveld concrete oplossingen te zoeken.
1
Zie Nota van de Vlaamse regering bij de principiële goedkeuring van het uitvoeringsbesluit 2018 (VR 2017 1310 DOC.1005-1)
6
Voldoende ruimte voor effectieve begeleiding? De raad stelt vast dat de activeringstrajecten een zeer zware procesmatige ‘bovenbouw’ kennen waarbij (het dossier van) een cliënt eerst passeert bij het casemanagementteam, nadien bij de netwerkcoördinator om uiteindelijk te belanden bij één of meerdere partner(s) in het netwerk. De raad herneemt zijn uitgangspunt dat de deelnemers zelf een naadloos traject moeten kunnen afleggen, zonder administratieve drempels en met een duidelijke en transparante ondersteuning en coördinatie. Hij dringt er op aan dat deelnemers zelf maximaal administratief ontzorgd moeten worden, zodat zij volledig kunnen focussen op hun inhoudelijk traject. Kwalitatieve begeleiding is daarbij essentieel, maar de middelen voor daadwerkelijke ondersteuning2 door de dienstverleners in het netwerk zijn binnen de activeringstrajecten, zeker in de verhouding met de “overheadkost”, laag. Ook bij AMA welzijn is de vergoeding te beperkt, waardoor ze volledig naar administratie gaat en niet naar de begeleiding. Het optrekken van de vergoeding binnen AMA welzijn kan positief zijn, maar niet in een budgetneutraal kader.
2
De vergoeding voor de coördinatie (i.e. de casemanagers werk (indien uitbesteed), het Samenwerkingsverband Zorg en de netwerkcoördinator) bedraagt in totaal 2.088,54 euro. De vergoeding voor de effectieve begeleiding van de deelnemer door de dienstverleners in het netwerk bedraagt (maximaal) 2.989 euro. Dit impliceert een overheadkost van 41%.
7
In de volgende sectie zal de raad deze algemene aandachtspunten, tezamen met enkele trajectspecifieke bezorgdheden, verder verduidelijken.
2. Activeringstrajecten 2.1
Werkingsgebieden
In de toelichting bij artikel 7 leest de raad dat het werkingsgebied van de casemanager Werk, het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg en de netwerkcoördinator op gelijkaardige wijze wordt bepaald. De werkingsgebieden worden gebaseerd op de 15 referentieregio’s, opgenomen in het Regiodecreet dat op 1 april 2022 principieel werd goedgekeurd door de Vlaamse Regering (m.u.v. Limburg waar het werkingsgebied ook uit één of meer subregio's kan bestaan). Er wordt verder gesteld dat “de betrokken organisaties in de activeringstrajecten voor hun andere werking vandaag ook gevat zijn door de indeling in referentieregio’s." Gelet op de verschillende wijze van mandateren, wordt ten slotte een onderscheid gemaakt tussen enerzijds het werkingsgebied van (1) de casemanager Werk en de netwerkcoördinator en (2) het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg. Het werkingsgebied kan aldus verschillend zijn naargelang de functie. De raad vindt het een goede zaak dat men tot een gekend en standvastig team wil komen, maar stelt vast dat de referentieregio’s zeer grote regio’s zijn en dat WVG-actoren in hun werking vandaag niet gevat zijn door deze indeling. Zorgvoorzieningen, waaronder ook VAPH- en GGZ-voorzieningen, hebben geen afgebakende werkingsgebieden of zijn gevat onder andere netwerkgebieden (bv. GGZ-netwerken) die niet overeenstemmen met de referentieregio’s. De raad ziet de grootte van de regio’s dan ook als een niet te onderschatten uitdaging voor de mandaathouders en vreest dat deze keuze drempelverhogend zal zijn voor organisaties die deze rol willen opnemen. Om de beperkte financiering van casemanager Zorg als organisatie haalbaar te houden, combineren verschillende organisaties op vandaag de rol van casemanager Zorg met de rol als zorgactor en eventueel ook penhouder. Dit zal veel moeilijker gaan door het kiezen voor referentieregio’s omdat veel van deze organisaties niet regio-dekkend zijn (en dit een mandateringsvoorwaarde is voor het Samenwerkingsverband Zorg). De raad vreest dat reeds ervaren organisaties hierdoor gaan afhaken en verworven knowhow verloren zal gaan. Ook voor de netwerkcoördinator wacht een grote opdracht om binnen de afgebakende regio’s het overzicht te houden en de veelheid aan dienstverleners op één lijn te houden. De vereiste kennis van het netwerk en de sociale kaart is veel ruimer dan de huidige regio’s, en zal dan ook de nodige tijd vragen. In functie van continuïteit benadrukt de raad dat de opgebouwde knowhow en jarenlange ervaring van de huidige penhouders en organisaties essentieel zal zijn om een zo vlot mogelijke overgang te maken naar de nieuwe situatie.
8
2.2
Mandatering
Samenwerkingsverband Zorg In Afdeling 4 van het ontwerpbesluit stelt de raad vast dat – in tegenstelling tot het vorige besluit3 waarin elke actor zich onbeperkt in tijd en onafhankelijk van andere actoren kandidaat kon stellen – het samenwerkingsverband Zorg nu als een vast trio van zorgactoren wordt gemandateerd. Er wordt bovendien geen melding gemaakt van de mogelijkheid om deze opdracht uit te besteden aan andere actoren. De welzijns- en zorgvoorzieningen van het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg zullen bijgevolg het hele werkingsgebied moeten kunnen bedienen. De raad stelt vast dat de mandateringsprocedure en -voorwaarden zwaar zijn en vreest dat deze voorwaarden weinig realistisch zijn. De raad herhaalt dat er vandaag geen VAPH-voorzieningen noch GGZ-voorzieningen of OCMW’s actief zijn die een volledige regio kunnen dekken. Het kan niet de bedoeling zijn om deelnemers te verplichten zich te verplaatsen naar één centraal punt in het werkingsgebied. De nabijheid en continuïteit van de dienstverlening is cruciaal in deze trajecten en dit vereist dan ook werkingsgebieden die niet te groot zijn. Het beperken tot één VAPH-, één GGZ-voorziening, en één OCMW is dan ook onhaalbaar tenzij men samenwerkingsverbanden toelaat, die dan wel regio-dekkend zijn.
Netwerkcoördinator en netwerk van dienstverleners Het is voor de raad zeer belangrijk dat beschikbare expertise maximaal wordt ingezet, en dat de blik steeds open wordt gehouden om de meest geschikte partners te kunnen betrekken bij de trajecten. In artikel 31 leest de raad dat er “wordt geëist dat de werkactoren en de welzijns- en zorgorganisaties die als dienstverleners de acties willen uitvoeren, zich samen kandidaat stellen als een netwerk van dienstverleners”. Doordat bij de start het volledige netwerk van dienstverleners moet bepaald worden, wordt de flexibiliteit sterk beperkt. Daarnaast moeten deze dienstverleners zich ook voor vijf jaar engageren - een lange periode in tijden van constante evoluties en verandering. De raad vreest dat dit zal leiden tot zeer uitgebreide samenwerkingsverbanden waarbij partners zich wel principieel aanmelden, maar operationeel wachten tot de eerste aanmelding van een client (die mogelijks niet gebeurt). De raad herhaalt dat de vereiste kennis van het netwerk en de sociale kaart zeer belangrijk zal zijn voor de trajecten. In artikel 26 leest hij dat “het casemanagementteam identificeert samen de meest geschikte dienstverleners uit het netwerk om de vooropgestelde acties uit te voeren.” Artikel 14§2 5° in het ontwerpdecreet stelt echter dat “een geïntegreerde trajectplan [] met acties op het vlak van zorg en op het vlak van begeleiding op en naar een werkvloer [] [wordt bezorgd] aan de netwerkcoördinator” wat betekent dat de netwerkcoördinator instaat voor de effectieve uitvoering van het trajectplan. De raad vraagt uitklaring over de taakverdeling tussen de netwerkcoördinator en het casemanagementteam, maar meent dat de netwerkcoördinator het meest geschikt is
3
Zie artikel 7, Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 25 april 2014 houdende de werk- en zorgtrajecten, wat betreft de activeringstrajecten en de arbeidsmatige activiteiten
9
om overzicht te houden over het netwerk, en hierbinnen te bekijken met welke dienstverlener het uitgetekende trajectplan best wordt uitgevoerd.
2.3
Financiering en begeleiding
Wat betreft de vergoedingen, stelt de raad vast dat er – ten opzichte van de huidige financiering enkel bij de netwerkcoördinator een verhoging is voorzien. De raad is tevreden met deze herziening, maar ondanks de stijging, blijven de voorziene middelen voor de activeringstrajecten zowel wat betreft het uurloon (vergoeding onder huidige loonbarema’s voor sommige disciplines) als qua voorziene tijdsmarge per actie eerder onrealistisch laag. Verder wordt er bij de berekening per traject ook geen rekening gehouden met •
ondersteunende, doch noodzakelijke kosten zoals bv. verplaatsingstijd, administratie in het Vertrouwelijk Luik (VDAB registratie), overhead-onkosten (stafmedewerker, boekhouding, personeelsdienst…), verplaatsingskosten, …
•
middelen voor de organisatie die binnen het Samenwerkingsverband Zorg als administratief aanspreekpunt optreedt.
•
Ook middelen voor verplichte en niet verplichte opleidingen en overleg worden niet voorzien, terwijl het belang daarvan als sleutelfactor wél expliciet in het uitvoeringsbesluit staat. Het gaat dan onder meer om de verplichte ICF opleiding, maar ook om de aangehaalde wenselijke ondersteuning met het oog op verdere professionalisering (bv rond contextgerichter werken, gegevensbescherming en -deling werk-zorg…), wenselijke basisopleiding voor nieuwe casemanagers, de praktijkimplementatie van de Samenwerkingsverbanden Zorg enerzijds en van de interprofessionele (werk-zorg) casemanagementteams anderzijds. De installatie van deze teams tot vlot functionerend geheel vergt – zeker in de opstartfase – extra tijd voor overleg en afstemming, en dit zowel praktisch, administratief als inhoudelijk.
Tot slot valt de passage op die stelt dat “deze kostprijs wordt bepaald op niveau van het traject. Gezien de complexe problematiek van de deelnemers is een inschatting van de prijs van een standaardtraject geen evidentie. De Vlaamse overheid moet er doorheen de uitvoering van de opdrachten op toezien dat de compensatie niet hoger is dan de kosten van de gehele of gedeeltelijke uitvoering van de opdrachten, anders is er sprake van overcompensatie.” Dit betekent concreet dat de mandaathouders niet zeker zijn dat het voorziene budget ook zal uitgekeerd worden. In de praktijk wordt vandaag echter vastgesteld dat de dossiers vaak té zwaar zijn in verhouding met de beschikbare middelen. Activering initiëren en hen vervolgens kwalitatief begeleiden vergt meer inzet dan een ‘standaard’ dossier. De modaliteiten rond deze overcompensatie zullen dan ook zeer duidelijk moeten toegelicht worden aan de organisaties die willen indienen, om niet voor onverwachte verrassingen te komen staan doorheen of op het einde van de uitvoeringsperiode.
2.4
Overige punten ter verduidelijking
Voor wat betreft de activeringstrajecten resten er voor de raad nog de volgende vragen en onduidelijkheden: 10
•
Artikel 24 bepaalt dat “als VDAB beroep doet op één of meer werkactoren om de functie van casemanager Werk op te nemen (artikel 13 §2), [] de bevoegde minister de procedure en het model van het aanvraagformulier [bepaalt]”. De raad vindt de criteria van deze mandateringsprocedure zeer onduidelijk, en stelt vast dat de zwaarte van de procedure mogelijk in contrast staat tot de mandateringsprocedure van het Samenwerkingsverband Zorg. Ook wat betreft de einddatum van het mandaat is het voor de raad onduidelijk waarom deze op een andere wijze dan die van de samenwerkingsverband Zorg wordt bepaald. De raad vraagt hier duidelijkheid om.
•
In de toelichting staat dat de vergoeding minstens 883,27€ per traject bedraagt wanneer VDAB beroep doet op een werkactor. In het BVR vindt de raad hier echter niets over terug en ook in de raming van de budgettaire impact wordt met deze kost geen rekening gehouden.
•
In artikel 30 van het BVR staat het volgende geformuleerd: ‘elke casemanager zorg van het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg beschikt over een gecertificeerde kennis van ICF of verbindt zich ertoe die te verwerven aansluitend bij de start van het mandaat van het samenwerkingsverband Zorg’. Binnen de terug-naar-werk trajecten hebben de coördinatoren de opleiding disability management van het RIZIV gevolgd, waarvan het ICF een klein onderdeel is. Hoe ziet men dan concreet de link met de opleiding van het RIZIV?
•
Het is momenteel onduidelijk of alle mandaten automatisch worden verlengd tot juni 2023 of dat casemanagers, zorg- en werkactoren zelf nog iets moeten ondernemen om erkend te blijven onder het huidige decreet?
•
Het is voor de raad belangrijk dat het nieuwe Samenwerkingsverband Zorg, het casemanagers team en het nieuwe dienstverlenersnetwerk op hetzelfde moment opstarten en niet het ene voor het andere. Het is voor organisaties/begeleiders anders een grote chaos om te weten volgens welke manier ze cliënten moeten opstarten, begeleiden en hoe ze onderling dienen samen te werken. Verduidelijking over de bepalingen in artikel 78 en artikel 79 is voor de raad dan ook belangrijk.
11
3. Arbeidsmatige activiteiten De raad is tevreden om in de nota te lezen dat “het niet de bedoeling kan zijn om betaalde arbeid te verdringen” en “erover gewaakt wordt dat onze arbeidsmarkt ook kansen biedt aan personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt door het inzetten van hun competenties ook te verlonen”. De raad heeft wel bekommernissen over hoe dit in de praktijk zal worden bewaakt.
3.1
Finaliteit
De opsplitsing van de AMA in de sociale economie, gericht op activering, en de AMA in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid gericht op participatie, blijft behouden omwille van de verschillende subfinaliteit. Artikel 46 stelt dat maatwerkbedrijven – die binnen de AMA in de sociale economie een essentiële partner vormen omwille van hun expertise in het herkennen van arbeidsmarkgerichte competenties – ook als begeleider voor AMA welzijn kunnen optreden. Omwille van de uiteenlopende subfinaliteit van de groepen, moet er actief bewaakt worden dat de juiste begeleiding voor elke doelgroep gegarandeerd blijft.
3.2
Warme overdracht
De raad is voorstander van een warme overdracht bij de overstap naar een ander traject. Het is momenteel echter niet te beoordelen of de tijdelijke combinatie van AMA in de sociale economie en een aantal andere activerende maatregelen in artikel 56 daar het juiste antwoord op biedt. Een draaideurpolitiek moet ten alle tijden vermeden worden en het is momenteel onduidelijk in welke mate artikel 56 een oplossing dan wel een versterking van het probleem voorstelt. Hoe zal men bij een tijdelijke combinatie de begeleiding in deze verschillende maatregelen, met andere begeleidingskaders, op elkaar afstemmen? En welke financiële impact heeft dit op de deelnemer? Deelnemers binnen AMA sociale economie die klaar zijn om door te stromen naar de reguliere arbeidsmarkt of de sociale economie moeten de kans krijgen om met de nodige ondersteuning in betaalde duurzame statuten aan de slag te gaan. Het is voor de raad dan ook belangrijk dat er maximaal ingezet wordt op een warme overdracht voor deelnemers die klaar zijn om een overstap te maken. De vrijwilligheid die vervat zit in artikel 56 is daarom ook zeer belangrijk. Tegelijkertijd moet er ook voldoende lange termijn perspectief kunnen geboden worden wanneer een overstap wordt gemaakt. Om te vermijden dat de doelgroep nadien snel (opnieuw) in werkloosheid of inactiviteit terechtkomt, moet er een algemene sterkere focus liggen op inclusie en werkbaar werk binnen het normaal economisch circuit. Dit is noodzakelijk om op lange termijn de duurzaamheid van deze trajecten te verzekeren, en te vermijden dat de doelgroep van de ene naar de andere maatregel wordt versluisd.
3.3
Financiering
De raad heeft bij het ontwerpdecreet gepleit voor een volwaardige en op de voorziene taken afgestemde financiering van AMA en ideaal gezien voor één afgestemde regelgeving rond AMA, 12
waarbij de financiering maximaal naar dienstverlening gaat en minimaal naar administratieve bepalingen. Ondanks het feit dat er geen volledig afgestemde regelgeving uitgewerkt is, is de raad tevreden dat in dit uitvoeringsbesluit naar tussenkomsten voor de trajecten AMA voorzien is in een verhoging van de budgetten. De verhoging die wordt voorzien voor de AMA welzijn trajecten is echter ontoereikend, en – omdat het totale budget niet toeneemt – gaan deze verhoogde tussenkomsten ten koste van het aantal begeleiders. Ook de grotere voorfinanciering door AMA welzijn - begeleiders die nu wordt ingevoerd, is een jammere ontwikkeling. Daarnaast stelt de raad stelt vast dat het budget voor AMA sociale economie het dubbele is van het budget dat voor AMA welzijn is voorzien4. Het is voor de raad onduidelijk of de bijkomstige begeleidingsopdrachten zulk groot verschil in budget kunnen verklaren.
3.4
Overige punten ter verduidelijking
Voor wat betreft de arbeidsmatige activiteiten resten er voor de raad nog de volgende vragen en onduidelijkheden: •
Bij de uitleg voor artikel 43 wordt vermeld dat “bij arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid [] het gaat om mensen met een nul- of negatieve productiviteit.” De betrokken organisaties vertrekken steeds vanuit de mogelijkheden en capaciteiten van de mensen waarbij ze maximaal hierop inspelen en oplossingen zoeken. Stellen dat deze mensen nul of negatieve productiviteit hebben, vindt de raad dan ook een verkeerde bewoording die afbreuk doet aan de mogelijkheden en drive van deze mensen.
•
In artikel 49§2 leest de raad dat een erkenning wordt toegekend voor een periode van 5 jaar. Het is echter onduidelijk of artikel 47 impliceert dat er op eender welk moment vanaf de inwerkingtreding van het decreet en het uitvoeringsbesluit een aanvraag tot erkenning kan worden ingediend?
•
Artikel 58 stelt dat de psychiatrische afdelingen van een algemeen ziekenhuis wel kunnen instaan als werkpost voor de arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie, maar niet als begeleider arbeidsmatige activiteiten. Het is voor de raad onduidelijk waarom de psychiatrische afdelingen niet langer kunnen optreden als begeleider, maar wel als werkpost. Hij vraagt hierover verduidelijking.
•
Het is positief dat artikel 66 een grote variëteit binnen het maatwerk voorziet. Er zit echter ook de mogelijkheid in vervat om de doelgroep binnen een enclavewerking in te zetten. De raad vraagt om waakzaam te zijn dat de werkdruk en verwachtingen van het ontvangend bedrijf aansluiten bij de doelgroep.
4
Het budget voor AMA welzijn wordt opgetrokken van 840 euro/traject/jaar naar max. 1.061,2 euro per begeleide deelne-
mer per kalenderjaar, op basis van de reëel gepresteerde begeleidingsperiode. Ook het budget van AMA sociale economie wordt opgetrokken (+200€) en afgestemd met de subsidiëring binnen collectief maatwerk (2.812,20 euro).
13
•
In artikel 74-76 worden de overgangsbepalingen met betrekking tot de arbeidsmatige activiteiten bepaald. Artikel 76 stelt dat – om de continuïteit van de begeleiding in arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie te verzekeren – het toegekende contingent op 31 december 2023 verder wordt gezet. Tegelijkertijd verliezen de zorg- en welzijnsvoorzieningen hun erkenning vanaf 31 december 2023, en worden voor hen de overgangsmaatregelen niet verdergezet. Het is voor de raad onduidelijk wat dit in de praktijk betekent voor AMA Welzijn.
14