Het Vlaams doelgroepenbeleid Jaarrapport 2019
INHOUD 1 2
Inleiding .................................................................................................................................................................................. 3 Het Vlaams doelgroepenbeleid ................................................................................................................................ 4
2.1
Het doelgroepenbeleid in 2019
4
2.2 2.3
2016-2020: Vlaamse hervormingen De impact van het doelgroepenbeleid
6 7
3 4
Omgevingsanalyse ........................................................................................................................................................... 8 De cijfers van 2019 ........................................................................................................................................................... 9
4.1 4.2
Voltijdsequivalent Personen
4.3 4.4
Toegewezen bedragen Gemiddeld bedrag per persoon
10 10
4.5 4.6
Persoonskenmerken Sectoraal
11 12
5 6
Jaarlijkse evolutie 2017-2019..................................................................................................................................... 15 Bronnen .................................................................................................................................................................................17
9 9
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 2 van 18
Jaarrapport Doelgroepenbeleid 2019
20.01.2021
1 INLEIDING De Vlaamse Regering wil meer mensen aan het werk.1 Daarbij richt het Vlaams beleid zich zowel op het aanbod van arbeid als op de vraagzijde. Het doelgroepenbeleid is een belangrijk instrument om de aanwerving en tewerkstelling van bepaalde groepen op de arbeidsmarkt aantrekkelijker te maken. Sinds de zesde staatshervorming in 2014 is Vlaanderen bevoegd voor het doelgroepenbeleid. Concreet werden de bijdrageverminderingen voor werknemers met bepaalde persoonskenmerken, zoals leeftijd, opleidingsniveau of werkloosheidsduur overgeheveld naar het Vlaams niveau. Twee jaar nadat het doelgroepenbeleid een Vlaamse bevoegdheid werd, trad op 1 juli 2016 het Vlaamse doelgroepenbeleid in werking. Het doelgroepenbeleid werd hierbij inhoudelijk en administratief vereenvoudigd. De Vlaamse regering koos om de tewerkstelling van drie doelgroepen te ondersteunen: laag- en middengeschoolde jongeren, oudere werknemers en ten slotte personen met een arbeidshandicap. Ook na 2016 onderging het Vlaams doelgroepenbeleid wijzigingen. De hervormingen sinds 2016 worden in dit rapport besproken. Na een korte omgevingsanalyse2, bespreekt dit rapport per doelgroep hoeveel personen in 2019 met een doelgroepvermindering werden tewerkgesteld, welk bedrag besteed werd, en meer. Ook illustreren de cijfers per paritair comité in welke mate de doelgroepverminderingen de tewerkstelling van Vlaamse jongeren, ouderen en personen met arbeidshandicap ondersteunen in bepaalde sectoren. Ten slotte werpt dit rapport een blik achteruit: het bespreekt in welke mate doelgroepverminderingen de tewerkstelling in Vlaanderen ondersteunde, en welke evoluties zich daarin voltrokken in de periode 20172019.
1 2
Zie Beleidsnota Werk en Sociale Economie 2019-2024 (2019). Voor een uitgebreide omgevingsanalyse, zie Trendrapport 2020. Kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt door De Smet et al. (2020).
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 20.01.2021
Jaarrapport Doelgroepenbeleid 2019
pagina 3 van 18
2 HET VLAAMS DOELGROEPENBELEID 2.1 HET DOELGROEPENBELEID IN 2019 Het Vlaamse doelgroepenbeleid richt zich tot drie doelgroepen: laaggeschoolde en middengeschoolde jongeren, oudere werknemers en personen met een arbeidshandicap.3 De aanwerving en tewerkstelling van jongere en oudere werknemers wordt ondersteund met een vermindering op de RSZ-bijdrage van de werkgever. Voor werknemers met een arbeidshandicap, worden werkgevers ondersteund met de Vlaamse Ondersteuningspremie (VOP); dit is een loonpremie. Hoe de VOP besteed wordt, wordt beslist door de werkgever in overleg met de werknemer in kwestie. Omdat de doelgroepverminderingen voor jongeren en ouderen een RSZ-vermindering zijn, moeten werknemers werken in het Vlaams Gewest. De VOP wordt toegekend op basis van woonplaats. In 2019 behoorden tot de doelgroep jongeren laag- en middengeschoolde jongeren, leerlingen in een alternerende opleiding, en deeltijds werkende leerlingen uit het beroepsonderwijs. Jongeren die aan de slag gingen in de privésector, de socialprofitsector of bij de overheid met een refertekwartaalloon4 van 7.500 euro (eerste 4 kwartalen) of 8.100 euro (het 5e t.e.m. 8e kwartaal) kwamen in aanmerking (Tabel 1). Voor aanwervingen van laaggeschoolde werknemers onder die loongrens hadden werkgevers recht op een volledige vrijstelling van RSZ-werkgeversbijdragen voor maximaal 8 kwartalen.5 De werkgevers die een middengeschoolde jongere tewerkstelden, ontvingen in het doelgroepenbeleid van 2019 1.000 euro RSZ-vermindering per kwartaal, ook voor een periode van maximaal 8 kwartalen. Op 1 januari 2020 werd de doelgroepvermindering voor middengeschoolde jongeren afgeschaft, en een overgangsmaatregel trad in. Dit jaarrapport bespreekt 2019, dus deze hervorming valt niet in het bestek van dit rapport. In de tweede doelgroep, oudere werknemers, worden zowel recent aangeworven werkzoekenden als zittende werknemers ondersteund. In 2019 konden werkgevers in de privésector voor werknemers van 55 jaar of ouder aanspraak maken op een doelgroepvermindering. 55+’ers mochten niet meer dan 13.945 verdienen bij voltijdse prestaties in de eerste 3 kwartalen van elk jaar, en niet meer dan 18.545 euro tijdens het 4e kwartaal (Tabel 1). In de uitzendsector wordt de eindejaarspremie in het eerste kwartaal uitbetaald, daarom ligt de loongrens in deze sector tijdens het eerste kwartaal op 18.545 euro, en tijdens het tweede tot vierde kwartaal op 13.945 euro. Bij aanwerving van een niet-werkende werkzoekende 55-plusser in de privésector werden werkgevers gedurende maximaal 8 kwartalen volledig vrijgesteld van de werkgeversbijdrage aan de RSZ. Voor zittende werknemers was de vermindering kleiner: deze bedroeg tot 600 euro per kwartaal voor werknemers tussen de 55 en 60, en 1500 euro voor 60+’ers. De leeftijdsgrens voor de doelgroepvermindering bij oudere werknemers werd op 1 januari 2020 opgetrokken naar 58 jaar. Net zoals de afschaffing van de doelgroepvermindering voor middengeschoolden, wordt deze wijziging niet besproken in dit rapport. Ten derde wordt ook de aanwerving en tewerkstelling van personen met een arbeidshandicap financieel gesteund met de VOP. Een verschil met de andere doelgroepverminderingen is dat de VOP aan zowel werknemers als zelfstandigen met een arbeidshandicap kan uitbetaald worden. Daarnaast kan de VOP voor bepaalde maar ook onbepaalde duur toegekend worden. De VOP van bepaalde duur geeft In de sociale inschakelingseconomie (SINE) kunnen werkgevers een RSZ-vermindering en loonkostentoelage ontvangen bij de aanwerving van een langdurig werkloze of moeilijk te plaatsen persoon. De bevoegdheid hiervoor werd bij de staatshervorming toegewezen aan Sociale Economie en valt buiten de scope van dit rapport. 4 Het refertekwartaalloon is het brutoloon tijdens een kwartaal van voltijds en ononderbroken werken. Bron: DWSE, op https://www.vlaanderen.be/doelgroepverminderingen. 5 Deze maximumbedragen worden uitbetaald als de werknemer in kwestie 80% of meer werkt. Indien de prestaties minder dan 80% zijn, wordt het bedrag van de doelgroepvermindering geprorateerd. Dit geldt ook bij de doelgroepvermindering voor 55-plussers. 3
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 4 van 18
Jaarrapport Doelgroepenbeleid 2019
20.01.2021
zelfstandigen of werkgevers recht op een premie van 2 jaar, die tot 5 jaar verlengd kan worden. Ook kan de besteding van de VOP beslist worden door de werkgever in overleg met de persoon met arbeidshandicap. Verder is, zoals eerder vermeld, de VOP een loonpremie. Deze bedraagt een aandeel van het geplafonneerd refertekwartaalloon, degressief over de looptijd van de VOP (zie Tabel 1). Dit referteloon is geplafonneerd met het dubbele van het kwartaalequivalent van het GGMI. Voor een werknemer zonder anciënniteit bedroeg het Gemiddeld Gewaarborgd Minimummaandinkomen in 2019 1.593,81 euro. Tabel 1. Overzicht van het doelgroepenbeleid in 2019. Bron: DWSE en Desiere, Cabus, en Cockx (2020).
Doelgroep Jongeren (<25)
Criteria Laaggeschoold
1.
2.
Middengeschoold
1. 2.
Ouderen (55+)
Nieuwe aanwervingen
1. 2.
Zittende werknemers
<60
1. 2.
≥60
Geen studiegetuigschrift 6e leerjaar secundair onderwijs, of geen diploma secundair onderwijs Refertekwartaalloon onder 7.500 euro eerste 4 kwartalen tewerkstelling, en onder 8.100 euro tijdens de volgende 4 kwartalen Hoogstens getuigschrift 6e leerjaar secundair onderwijs, of diploma secundair onderwijs Refertekwartaalloon onder 7.500 euro eerste 4 kwartalen tewerkstelling, en onder 8.100 euro tijdens de volgende 41 kwartalen Werknemer gaat aan de slag in privésector Refertekwartaalloon van maximaal 13.945 euro tijdens eerste 3 kwartalen elk jaar en 18.545 euro tijdens vierde kwartaal elk jaar (uitzendsector: 18.545 euro in kwartaal 1 en 13.945 euro in kwartaal 2-4) Werknemer is actief in privésector Refertekwartaalloon van maximaal 13.945 euro tijdens eerste 3 kwartalen elk jaar, en 18.545 euro tijdens vierde kwartaal elk jaar (uitzendsector: 18.545 euro in
Bedrag vermindering6 Volledige vrijstelling van RSZ-bijdragen voor de werkgever, voor maximum 8 kwartalen
1.000 euro per kwartaal, voor maximum 8 kwartalen
Volledige vrijstelling van RSZ-bijdragen voor de werkgever, voor maximum 8 kwartalen
600 euro per kwartaal
1500 euro per kwartaal
Maximumbedrag wordt uitbetaald als de persoon met doelgroepvermindering 80% of meer werkt. Indien minder prestaties geleverd worden, wordt het bedrag geproratiseerd. 6
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 20.01.2021
Jaarrapport Doelgroepenbeleid 2019
pagina 5 van 18
Personen met Werkgevers arbeidshandicap
Zelfstandigen
1.
1.
kwartaal 1 en 13.945 euro in kwartaal 2-4) Werknemer is actief in privésector, school, maatwerkbedrijf of lokaal bestuur
Bepaalde duur: 20% referteloon Onbepaalde duur: 40% van referteloon eerste 5 kwartalen, bij kwartaal 6-9 30% van het referteloon, en daarna 20% van het referteloon Netto belastbaar inkomen op Kwartaal 1-5: 40% jaarbasis moet minimum 13.500 van het euro bedragen kwartaalequivalent van het GMMI. Kwartaal6-20: 20% van het GMMI op kwartaalniveau.
2.2 2016-2020: VLAAMSE HERVORMINGEN Met de zesde staatshervorming, die effectief werd op 1 juli 20147, werd het doelgroepenbeleid geregionaliseerd. Vanaf dat moment werd de Vlaamse Regering bevoegd voor een reeks bijdrageverminderingen voor de werkgever die afhangen van persoonlijke kenmerken van de werknemer, en de activering van uitkeringen (Groenboek zesde staatshervorming, 2013).8 Een overgangsperiode ging van start voor de federale maatregelen die niet behouden bleven in het Vlaams doelgroepenbeleid, deze liep tot maximaal 31 december 2018. Het jaar 2019 is dus het eerste jaar met enkel Vlaamse doelgroepverminderingen. Tussen 2016 en 2020 werd het Vlaams doelgroepenbeleid enkele malen gewijzigd. Het doelgroepenbeleid van 2019 (zie Tabel 1) was een versterking tegenover 2018.9 Waar in 2019 werkgevers van laaggeschoolde jongeren een volledige vrijstelling van RSZ-bijdragen kregen, was dat in 2018 1.150 euro per kwartaal. Ook werd de doelgroepvermindering voor werknemers boven de 55 versterkt op het vlak van de loongrens en het bedrag. Aanwervingen van werkzoekende 55-plussers gaven in 2018 de werkgever recht op een RSZ-bijdragevermindering van 1.150 euro per kwartaal (55-59 jaar) of 1.500 euro per kwartaal (60 jaar of ouder). Op 1 januari 2019 werd dit opgetrokken naar een volledige vrijstelling van RSZ-bijdragen. Ook werd het loonplafond verhoogd: 55-plussers mogen tot 13.945 euro per kwartaal verdienen tijdens de eerste 3 kwartalen elk jaar; voordien was dit 13.400 euro - het loonplafond dat bij de hervorming van 2019 werd vastgelegd. 13.400 euro zou, indien niet absoluut verankerd in 2016, geëvolueerd zijn tot 13.945 euro per kwartaal in 2019. Ook de loongrens voor het vierde kwartaal (kwartaal 1 in de uitzendarbeid) verhoogde naar 18.545 euro per kwartaal. De loongrens in het vierde kwartaal is hoger dan in de overige kwartalen, om te verhinderen dat een deel werknemers uit de boot valt door een eindejaarspremie. Ten Vanaf 1 januari 2015 werd Vlaanderen financieel verantwoordelijk voor de maatregelen. Zie Deel 4. Arbeidsmarktbeleid, blz.37-59. 9 Na 2016 werd het doelgroepenbeleid ook aangepast zodat werkgevers van oudere werknemers enkel aanspraak kunnen maken op een doelgroepvermindering voor de effectief geleverde prestaties. 7
8
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 6 van 18
Jaarrapport Doelgroepenbeleid 2019
20.01.2021
slotte werd het maximumbedrag van de doelgroepvermindering voor zittende 60-plussers verhoogd van 1.150 euro per kwartaal naar 1.500 euro per kwartaal. De VOP wijzigde ook op 1 januari 2019. De inkomensgrenzen voor zelfstandigen werden verlaagd. Ook kunnen zelfstandigen en werknemers sinds januari 2019 een VOP van bepaalde duur ontvangen. Voordien hadden enkel personen met een arbeidshandicap zonder progressie recht op een VOP. Op 1 januari 2020 werd de doelgroepvermindering voor middengeschoolde jongeren afgeschaft en werd de leeftijdsgrens voor de doelgroepverminderingen voor oudere werknemers opgetrokken van 55 naar 58 jaar. Een overgangsmaatregel werd van kracht, waarbij werknemers tussen de 55 en 58 die reeds een doelgroepvermindering hadden, deze blijven ontvangen. Aangezien dit rapport de cijfers voor 2019 bespreekt, spelen deze hervormingen geen rol in wat volgt.
2.3 DE IMPACT VAN HET DOELGROEPENBELEID In het kader van het VIONA-programma onderzochten Desiere, Cabus en Cockx (2020) de effectiviteit van het Vlaams doelgroepenbeleid. Met data tussen januari 2012 en februari 2019 werd specifiek de impact van de doelgroepverminderingen op de uitstroom naar werk van de doelgroepen onder de loep genomen. Voor de laaggeschoolde en middengeschoolde jongeren wordt geen significante impact gevonden van het doelgroepenbeleid op de uitstroom naar werk.10 Deze twee groepen doen het echter niet even goed op de arbeidsmarkt, en bijgevolg formuleren de onderzoekers verschillende aanbevelingen voor laaggeschoolde en middengeschoolde jongeren, ondanks een gelijkaardige effectiviteit van doelgroepverminderingen. Middengeschoolde jongeren hebben een sterkere positie op de arbeidsmarkt, en Desiere et al. (2020) onderschrijven de afschaffing van de doelgroepvermindering voor middengeschoolde jongeren. Voor laaggeschoolde jongeren anderzijds, worden de bevindingen genuanceerd. Laaggeschoolde jongeren bekleden een kwetsbare positie op de Vlaamse arbeidsmarkt. Met dit in het achterhoofd raden Desiere et al. (2020) bijkomend onderzoek aan naar waarom de RSZvermindering geen significant effect heeft. Uit het onderzoek blijkt immers dat bij laaggeschoolde jongeren met een doelgroepvermindering de kans om gedurende 12 maand elke maand bij dezelfde werkgever aan de slag te zijn, slechts 40% is. De afschaffing van de laaggeschoolde doelgroepvermindering wordt niet aangeraden; meer onderzoek is nodig naar de mechanismen aan het werk bij laaggeschoolde jongeren op de arbeidsmarkt. Een evaluatie van de effectiviteit van doelgroepverminderingen voor 55-plussers werd verhinderd door andere hervormingen. Wat wel duidelijk is uit beschrijvende statistieken, is dat de arbeidsmarktpositie van 55-plussers kwetsbaar is, en hun tewerkstelling met doelgroepvermindering weinig duurzaam is. Slechts 20% van de aangeworven niet-werkende werkzoekenden boven de 55 met doelgroepvermindering blijft gedurende 8 kwartalen aan het werk bij dezelfde werkgever (Desiere et al. 2020). Recht hebben op een VOP heeft een gunstige impact: de kans op uitstroom naar werk van werkzoekenden met een arbeidshandicap is significant hoger nadat ze het recht op een VOP verwerven. Een aantal kanttekeningen moeten wel gemaakt worden. Ook hier is de tewerkstelling weinig duurzaam, en de takeup van de VOP heeft groeimarge. Minder dan de helft van werkzoekenden met arbeidshandicap maakte werkelijk gebruik van de VOP tussen juli 2016 en december 2018 (Desiere et al. 2020). Ten laatste is het Binnen de doelgroep jongeren wordt de categorie van leerlingen en personen in een alternerende opleiding niet onderzocht in de evaluatie van Desiere, Cabus en Cockx (2020) wegens beperkte schaalgrootte. 10
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 20.01.2021
Jaarrapport Doelgroepenbeleid 2019
pagina 7 van 18
effect van de VOP moeilijk te isoleren, aangezien deze premie opereert in samenspel met andere beleidsmaatregelen zoals begeleiding op de werkvloer. Ten slotte heeft de afschaffing van de loonkostensubsidies voor langdurig werkzoekenden een negatieve impact van 1,5 procentpunt gehad op de uitstroom naar werk van deze groep. De onderzoekers bevelen aan dat een herinvoering van deze maatregel wordt overwogen, mits bijkomend onderzoek naar optimaal design.
3 OMGEVINGSANALYSE In Tabel 2 wordt de werkzaamheid van verschillende leeftijdscategorieën weergegeven. De globale werkzaamheid van jongeren bevond zich in 2019 tussen de 30% en 40%, maar dat komt omdat een grote groep 15-24-jarigen student is (De Smet et al. 2020). Wanneer deze groep niet in rekening wordt genomen, stijgt de werkzaamheidsgraad naar 74% (Tabel 2), wat relatief weinig verschilt met de globale werkzaamheidsgraad in het Vlaams Gewest (78,6%). De werkzaamheid van 55-64-jarigen in 2019 is wel een stuk kleiner dan het gemiddelde bij de 20-64-jarigen. Ten slotte ligt de werkzaamheid van personen met een handicap of langdurige aandoening op 27,0% voor zij die in erge mate hinder ondervinden, op 63,6% voor zij die enige hinder ondervinden en op 74,7% voor personen met een handicap of langdurige aandoening die geen last ervaren (Statbel, Enquête naar de Arbeidskrachten). Tabel 2. Werkzaamheid in het Vlaams Gewest in 2019. Bron: De Smet et al. (2020), Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) en Eurostat – LFS (Bewerking Steunpunt Werk)
Jongeren: 15-24 (exclusief studenten) Totaal 74,0% Laaggeschoold 45,0% Middengeschoold 79,0% Hooggeschoold 85,3% 2019
Ouderen: 55-64 54,9% 36,9% 54,7% 73,0%
Totaal: 20-64 (exclusief studenten) 78,6% 54,9% 78,6% 89,3%
Duidelijke verschillen tekenen zich af wanneer de werkzaamheid wordt opgedeeld naar onderwijsniveau. De werkzaamheid van laaggeschoolde jongeren bedraagt in 2019 45%, waarmee de laaggeschoolde jongeren het een stuk minder goed doen dan hun middengeschoolde (79,0%) en hooggeschoolde leeftijdsgenoten (85,3%). De werkzaamheidsgraad van laaggeschoolde jongeren ligt ook op een lager peil dan dat van de laaggeschoolde 20-64-jarigen. Mensen boven de 55 zijn globaal in minder grote getale aan het werk, maar langs opleidingsniveau tekenen zich ook verschillen af in de werkzaamheidsgraad. De werkzaamheidsgraad is bij hooggeschoolden ongeveer 15 procentpunt hoger dan bij middengeschoolden, en is bijna het dubbele van de werkzaamheidsgraad bij de laaggeschoolde 55-plussers. Ook de uitstroom naar werk verschilt tussen de leeftijdsgroepen. De uitstroom van 55-plussers (2,9%) bedraagt minder dan een vijfde van de gemiddelde uitstroom bij jongeren onder de 25 (15,4%) (De Smet et al. 2020). Ook vergeleken met de 25-39-jarigen (12,9%) en de 40-54-jarigen (9,6%) stromen 55-plussers een stuk minder naar werk uit (De Smet et al., 2020). Opnieuw kunnen hier verschillen onderscheiden worden volgens opleidingsniveau: Tabel 3 geeft weer hoe laaggeschoolde jongeren maandelijks minder
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 8 van 18
Jaarrapport Doelgroepenbeleid 2019
20.01.2021
uitstromen naar werk dan hun leeftijdsgenoten. Ook is bij de jongeren die uitstromen, het aandeel dat uitstroomt naar uitzendarbeid groter bij laaggeschoolde jongeren. Tabel 3. Uitstroom naar werk van niet-werkende werkzoekenden in 2019. Bron: De Smet et al. (2020)
2019 Uitstroom werk Totaal Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold
15-24 jaar naar Waarvan Uitstroom uitzendarbeid werk 15,4% 43,5% 8,9% 51,6% 20,0% 49,1% 32,0% 20,9%
15-64 jaar naar Waarvan uitzendarbeid 10,3% 44,2% 7,6% 52,2% 12,0% 48,5% 13,9% 26,7%
4 DE CIJFERS VAN 2019 4.1 VOLTIJDSEQUIVALENT In het tweede kwartaal van 2019 waren bij de laaggeschoolde jongeren in Vlaanderen 10.928 voltijdsequivalenten (VTE) met een doelgroepvermindering aan de slag. De groep middengeschoolden met een doelgroepvermindering is bijna drie keer zo groot, 29.397,3. Het meeste doelgroepverminderingen wordt bij voorsprong toegekend aan de zittende 55-plussers: bij hen zijn er bijna 130.000 VTE aan de slag met een doelgroepvermindering in april-juni 2019. Tabel 4. Aantal VTE met doelgroepvermindering in 2019. Bron: RSZ-gegevens11
2019 Laaggeschoolde jongeren Middengeschoolde jongeren Leerlingen Zittende 55+’ers Aangeworven 55+’ers
2019Q1 8.998,4 26.528,2 1.319,8 121.117,4 3.882,3
2019Q2 10.928,0 29.397,3 1.381,9 127.705,9 4.325,0
2019Q3 10.158,9 27.340,4 842,4 131.932,0 4336,3
2019Q4 8.296,5 18.935,1 1916,7 136.594,8 4.606,5
4.2 PERSONEN Niet iedereen is voltijds aan de slag, en dat weerspiegelt zich in de verschillen tussen VTE en het aantal personen. Het aantal personen met een doelgroepvermindering stijgt in 2019 tussen januari en september. In het vierde kwartaal is het aantal personen aan de slag met een doelgroepvermindering lager in de categorie laaggeschoolde en middengeschoolde jongeren. Dat is toe te schrijven aan het feit dat in het refertekwartaalloon ook de eindejaarspremie meegenomen wordt. Daardoor kunnen een aantal werknemers in het 4e kwartaal een loon hebben boven de loongrens van hun doelgroepvermindering.
11
Voor de VOP zijn geen gegevens over VTE beschikbaar.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 20.01.2021
Jaarrapport Doelgroepenbeleid 2019
pagina 9 van 18
Tabel 5. Aantal personen met doelgroepvermindering in 2019. Bron: RSZ- en DWSE-gegevens12
2019 Laaggeschoolde jongeren Middengeschoolde jongeren Leerlingen Zittende 55+’ers Aangeworven 55+’ers VOP
2019Q1 14.017 34.207 1.768 159.402 5.787 12.475
2019Q2 16.623 36.693 1.697 165.497 6.317 12.592
2019Q3 16.430 37.469 1.827 170.576 6.466 12.580
2019Q4 13.699 26.352 2.648 175.569 6.737 12.945
4.3 TOEGEWEZEN BEDRAGEN De uitbetaalde bedragen voor zittende en aangeworven 55+’ers zitten in 2019 in stijgende lijn, abstractie makend van het 4e kwartaal wegens de eerder vermelde eindejaarspremie. Globaal neemt het uitbetaalde bedrag aan doelgroepverminderingen toe tussen januari en december 2019, van ongeveer 164 miljoen euro in januari-maart 2019 naar 180 miljoen euro in oktober-december 2019. Tabel 6. Uitbetaalde bedragen van doelgroepverminderingen in 2019. Bron: RSZ- en DWSE-gegevens
2019 Laaggeschoolde jongeren Middengeschoolde jongeren Leerlingen Zittende 55+’ers Aangeworven 55+’ers VOP
2019Q1 10.221.295 24.818.449 65.823 100.640.136 6.550.750 22.110.507
2019Q2 12.762.011 27.248.892 69.698 106.601.434 7.117.486 22.800.498
2019Q3 11.432.383 25.617.737 44.747 109.598.482 7.135.850 21.853.898
2019Q4 9.583.439 18.152.632 78.773 119.012.252 9.189.594 24.338.918
4.4 GEMIDDELD BEDRAG PER PERSOON De werkgever van een middengeschoolde werknemer met doelgroepvermindering ontvangt gemiddeld tussen de 684 en 743 euro RSZ-vermindering in 2019. Dit is een stuk kleiner dan het maximumbedrag van 1.000 euro aan vermindering in de RSZ-werkgeversbijdragen. Dit valt deels toe te schrijven aan het aantal middengeschoolde jongeren dat deeltijds werkt. Anderzijds kunnen middengeschoolde jongeren slechts een deel van het kwartaal werken, wegens tijdelijke contracten, of schakelen ze bijvoorbeeld na de start van het kwartaal over van werkloosheid naar werk. Het aantal personen in de categorie van middengeschoolde jongeren is logischerwijze dan ook groter dan het aantal voltijdsequivalenten (zie resp. Tabel 5 en 4). Verder kan de toegewezen vermindering onder 1.000 euro liggen omdat de verschuldigde RSZ-bijdrage kleiner is dan 1.000 euro. Werkgevers kunnen netto geen RSZ-bijdragen ontvangen; wanneer de vermindering de verschuldigde werkgeversbijdragen aan de RSZ overtreft, wordt de bijdrage kwijtgescholden.
Lokale en provinciale besturen, die gebruik kunnen maken van de doelgroepvermindering voor laaggeschoolde en middengeschoolde jongeren, en leerlingen, rapporteerden t.e.m. 2019Q1 ren het aantal personen met doelgroepverminderingen niet aan de RSZ (DIBISS). Voor het aantal hoofden met doelgroepvermindering bij lokale en provinciale besturen in 2019Q1 gebruikt dit rapport operationele data van DWSE. Verschillen met data die RSZ publiceert kunnen hieraan toegeschreven worden. 12
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 10 van 18
Jaarrapport Doelgroepenbeleid 2019
20.01.2021
Ten slotte ligt de gemiddelde doelgroepvermindering bij leerlingen opmerkelijk laag. Dit komt omdat werkgevers van leerlingen reeds een speciaal RSZ-tarief genieten. Ook hier wordt de verschuldigde RSZbijdrage tot 0 herleid wanneer de doelgroepvermindering de werkgeversbijdragen aan de RSZ overschrijdt. Tabel 7. Gemiddeld uitbetaald bedrag doelgroepvermindering per persoon in 2019. Bron: RSZ- en DWSE-gegevens
2019 Laaggeschoolde jongeren Middengeschoolde jongeren Leerlingen Zittende 55+’ers Aangeworven 55+’ers VOP
2019Q1
2019Q2 729 726 37 631 1.132 1.772
2019Q3 768 743 41 644 1.127 1.811
2019Q4 696 684 24 643 1.104 1.737
700 689 30 678 1.364 1.880
4.5 PERSOONSKENMERKEN In de meeste doelgroepen maken mannen de meerderheid uit van de werknemers – of mogelijk zelfstandigen, in het geval van de VOP – met doelgroepvermindering. De uitzondering vormt de categorie van de middengeschoolde jongeren, waar het aandeel doelgroepverminderingen uitbetaald voor mannelijke en vrouwelijke werknemers ongeveer gelijk is. Tabel 8. Procentuele verdeling van doelgroepverminderingen volgens geslacht in 2019. Bron: RSZ- en DWSE-gegevens13
2019 Laaggeschoolde jongeren Middengeschoolde jongeren Leerlingen Zittende 55+’ers Aangeworven 55+’ers VOP14
2019Q1 Man Vrouw
2019Q2 Man Vrouw
2019Q3 Man Vrouw
2019Q4 Man Vrouw
60,2%
39,8%
62,6%
35,7%
63,1%
36,9%
60,9%
39,1%
51,6% 70,5% 58,8%
48,4% 29,5% 41,2%
53,2% 70,6% 58,6%
46,8% 29,4% 41,3%
52,3% 70,4% 59,0%
47,7% 29,6% 41,0%
49,3% 69,7% 59,0%
50,7% 30,3% 41,0%
59,7% 61,0%
40,3% 39,0%
59,4% 60,7%
40,6% 39,3%
59,1% 60,5%
40,9% 39,5%
58,8% 59,5%
41,2% 40,5%
Lokale en provinciale besturen, die gebruik kunnen maken van de doelgroepvermindering voor laaggeschoolde en middengeschoolde jongeren, en leerlingen, rapporteerden t.e.m. 2019Q1 het geslacht van personen met doelgroepverminderingen niet aan de RSZ (DIBISS). In deze tabel zijn lokale en provinciale besturen niet opgenomen in de cijfers voor 2019Q1. 14 Voor een deel van de werknemers met arbeidshandicap bij lokale besturen, wordt de VOP manueel uitbetaald. Voor de manueel betaalde VOPs is geen informatie over geslacht van de werknemer beschikbaar, en deze zijn dus niet opgenomen in Tabel 8. 13
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 20.01.2021
Jaarrapport Doelgroepenbeleid 2019
pagina 11 van 18
4.6 SECTORAAL Uit Tabel 9 en Tabel 10 wordt duidelijk dat de doelgroepverminderingen in verschillende sectoren in verschillende mate worden gebruikt. Sectoren zoals de uitzendsector, de dienstenchequesector en de distributie lopen op kop in de relatieve aanwezigheid van doelgroepverminderingen bij jonge werknemers, met aandelen van respectievelijk 49,9%, 48,0% en 38,0%. Sectorale verschillen verschijnen ook bij de data over de doelgroepverminderingen van 55-plussers. In veel sectoren bedraagt het aandeel 55-plussers met een doelgroepvermindering 60% of meer. De landbouw, gas- en elektriciteitssector, financiële sector en social profit zijn sectoren waar de tewerkstelling van oudere werknemers in beperkte mate financieel wordt ondersteund door een doelgroepvermindering. Op globaal vlak neemt het aandeel jonge werknemers ondersteund met een doelgroepvermindering toe tegenover 2017: in het tweede kwartaal van 2019 bedraagt dit 26,3%, tegenover 20,0% in het tweede kwartaal van 2017 (Jaarrapport Doelgroepenbeleid 2017). Het aandeel werknemers met doelgroepvermindering vermindert licht, van 43,5% naar 41,1%. Wanneer de doelgroepvermindering voor jongeren, ouderen en de VOP samen in overweging worden genomen, wordt de tewerkstelling van 9,8% van de werknemers financieel ondersteund met een doelgroepvermindering. Dit is een stijging van 0,8 procentpunt tegenover het tweede kwartaal van 2017 (Jaarrapport Doelgroepenbeleid 2017). Tabel 9. Sectorale verdeling van de tewerkstelling en doelgroepverminderingen voor jongeren en ouderen in het Vlaams Gewest, 2e kwartaal 2019. Bron: RSZ-gegevens15
2019Q2
Werknemers totaal Aantal en 39.781 en
Land-, tuinbosbouw, zeevisserij Voedingsindustrie Kledingen textielindustrie Houtnijverheid Papieren kartonindustrie Chemie en petroleum
15
Jonge werknemers Aantal 8.966
Met doelgroepvermindering (- Werknemers 25) 55+ Aantal Aandeel Aantal 803 9,0% 4.462
Met doelgroepvermindering Aantal 1.885
Aandeel 42,2%
67.511 33.461
3.872 1.453
827 440
21,4% 30,3%
11.730 6.935
7.882 5.203
67,2% 75,0%
13.399 8.595
1.278 349
440 83
34,4% 23,8%
2.509 1.844
2.010 1.320
80,1% 71,6%
90.119
3.610
435
12,0%
16.269
5.829
35,8%
Voor een aantal mensen kan de sector niet bepaald worden, waardoor de totalen kunnen verschillen van Tabel 5.
Steenen glasindustrie Metaalindustrie Gas en elektriciteit Bouw Distributie Vervoer, transport en logistiek Media, drukkerij- en uitgeverijsector Financiële sector Diensten aan ondernemingen en personen Uitzendsector Dienstenchequesector Horeca, sport en ontspanning Social Profit Overheid/geen PC Overige Totaal
9.322
420
47
11,2%
1.901
1.513
79,6%
200.437 8.548 95.079 151.573 136.982
15.420 163 8.986 18.503 7.339
3.617 8 1.466 7.028 2.185
23,5% 4,9% 16,3% 38,0% 29,8%
32.676 1.407 14.929 24.392 26.988
21.651 240 10.713 17.771 18.483
66,3% 17,1% 71,8% 72,9% 68,5%
10.585
721
101
14,0%
1.393
1.033
74,2%
44.033 88.243
1.164 8.132
75 1.726
6,4% 21,2%
8.886 13.936
3.943 8.956
44,4% 64,3%
118.818 81.141 76.640
31.794 3.910 15.053
15.851 1.877 3.504
49,9% 48,0% 23,3%
11.186 14.150 13.069
8.664 10.580 6.129
77,5% 74,8% 46,9%
328.416 475.224 319.485 2.397.392
21.128 20.909 17.644 190.814
3.857 2.389 3.332 50.101
18,3% 11,4% 18,9% 26,3%
68.375 99.737 41.325 418.099
11.905 1.958 24.016 171.684
17,4% 2,0%16 58,1% 41,1%
Tabel 10. Sectorale verdeling van de tewerkstelling en loonkostverminderingen (jongeren -25, 55+, VOP) in het Vlaams Gewest, 2e kwartaal 2019. Bron: RSZ- en DWSEgegevens
2019Q2
Land-, tuinbosbouw, zeevisserij 16
Werknemers totaal Aantal en 39.781 en
Met loonkostvermindering DGV Jongeren 803
DGV 55+’ers 1.885
VOP 363
Totaal loonkostvermindering Aantal
Aandeel
3.051
7,7%
De doelgroepvermindering voor 55-plussers vereist dat de werknemer aan de slag is of gaat in de privésector (zie Tabel 1).
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 20.01.2021
Jaarrapport Doelgroepenbeleid 2019
pagina 13 van 18
Voedingsindustrie Kledingen textielindustrie Houtnijverheid Papieren kartonindustrie Chemie en petroleum Steenen glasindustrie Metaalindustrie Gas en elektriciteit Bouw Distributie Vervoer, transport en logistiek Media, drukkerij- en uitgeverijsector Financiële sector Diensten aan ondernemingen en personen Uitzendsector Dienstenchequesector Horeca, sport en ontspanning Social Profit Overheid/geen PC17 Overige Totaal
17
67.511 33.461
827 440
7.882 5.203
330 195
9.039
13,4%
5.838
17,4%
13.399 8.595
440 83
2.010 1.320
222 32
2.672
19,9%
1.435
16,7%
90.119 9.322
435 47
5.829 1.513
205 39
6.469
7,2%
1.599
17,2%
200.437 8.548 95.079 151.573 136.982
3.617 8 1.466 7.028 2.185
21.651 240 10.713 17.771 18.483
1129 15 804 777 383
26.397 263 12.983 25.576
13,2% 3,1% 13,7% 16,9%
21.051
15,4%
10.585
101
1.033
82
1.216
11,5%
44.033 88.243
75 1.726
3.943 8.956
181 387
4.199
9,5%
11.069
12,5%
118.818 81.141 76.640
15.851 1.887 3.504
8.664 10.580 6.129
1042 477 432
25.557 12.944
21,5% 16,0%
10.065
13,1%
328.416 475.224 319.485 2.397.392
3.857 2.389 3.332 50.101
11.905 1.958 24.016 171.684
2570 1.601 1326 12.592
18.332 5.948 28.674 234.377
5,6% 1,3% 9,0% 9,8%
Dit cijfer is exclusief manueel uitbetaalde VOPs aan lokale besturen.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 14 van 18
Jaarrapport Doelgroepenbeleid 2019
20.01.2021
5 JAARLIJKSE EVOLUTIE 2017-2019 Het aantal voltijdsequivalenten van laaggeschoolde jongeren met doelgroepverminderingen neemt licht af in het tweede kwartaal van 2019 tegenover datzelfde kwartaal in 2018, net als het aantal hoofden. Het aantal doelgroepverminderingen bij middengeschoolden daalt ook, zowel in VTE als in aantal personen. De doelgroepvermindering voor ouderen groeit in VTE en in aantal hoofden in 2019, dit kan herleid worden naar het optrekken van hun loonplafond op 1 januari 2019. Een stuk van de grote toename in personen zal ook toe te wijzen zijn aan de vergrijzing. Tussen april-juni 2017 en april-juni 2018 noteren alle RSZ-doelgroepverminderingen een stijging in personen en VTE. De Vlaamse doelgroepverminderingen werden beschikbaar in 2016, en hebben een duurtijd tot 8 kwartalen. De maatregelen kwamen dus in 2018 op kruissnelheid, wat de grote procentuele stijging tussen 2017 en 2018 verklaart in Tabel 11-13. De VOP bestaat reeds langer. Het aantal personen met een VOP blijft vrij stabiel in de periode 2017-2019. De totale uitgaven aan doelgroepverminderingen verlopen grotendeels in stijgende lijn tussen 2017 en 2019. De uitzondering vormen de doelgroepen van de middengeschoolden en de personen met arbeidshandicap, en de leerlingen. Bij de middengeschoolde jongeren daalt het totaal uitgekeerd bedrag aan doelgroepverminderingen met 2,2 miljoen euro tussen 2018 en 2019. Ook hier geldt dat de VOP ongeveer stabiel blijft tussen 2017 en 2019. De gemiddelde bedragen per persoon kennen een gelijkaardig verloop: deze groeien hoofdzakelijk tussen 2017, 2018 en 2019. Opnieuw vormen de middengeschoolde jongeren, de VOP en de leerlingen de uitzondering in 2019. Opmerkelijk is de groei in het gemiddeld bedrag voor laaggeschoolde jongeren, aangeworven en zittende 55-plussers. Dit valt te verklaren door de hervormingen van het doelgroepenbeleid op 1 januari 2019. De doelgroepvermindering van zowel de laaggeschoolde jongeren en werkzoekende 55-plussers werd toen opgetrokken naar een volledige vrijstelling van de RSZ-bijdragen. Voor zittende 60-plussers anderzijds, werd de maximale vermindering verhoogd van 1.150 euro per kwartaal naar 1.500 euro per kwartaal. Tabel 11. Evolutie van het aantal VTE met doelgroepvermindering. Bron: RSZ-gegevens18
VTE
2017Q2 2018Q2 2019Q2 Aantal Aantal Groei t.o.v. 2017 Aantal Groei t.o.v. 2018 Laaggeschoolde jongeren 8.007,7 11.554,8 +44,3% 10.928,0 -5,4% Middengeschoolde jongeren 20.906,1 31.428,7 +50,3% 29.397,3 -6,5% Leerlingen 1.043,8 1.365,0 +30,8% 1.381,9 +1,2% Zittende 55+’ers 107.521,3 114.645,8 +6,6% 127.705,9 +11,4% Aangeworven 55+’ers 2.110,8 3.762,4 +78,2% 4.325,0 +15,0%
18
Voor de VOP zijn geen gegevens over VTE beschikbaar.
Tabel 12. Evolutie van het aantal personen met doelgroepvermindering. Bron: RSZ- en DWSE-gegevens
Personen Laaggeschoolde jongeren Middengeschoolde jongeren Leerlingen Zittende 55+’ers Aangeworven 55+’ers Personen met arbeidshandicap
2017Q2 2018Q2 2019Q2 Aantal Aantal Groei (%) Aantal Groei (%) 12.942 17.392 +34,4% 16.623 -4,4% 27.422 1.366 140.994 3.189
39.140 1.752 149.838 5.728
+42,7% +28,3% +6,3% +79,6%
36.693 1.697 165.497 6.317
-6,3% -3,1% +10,5% +10,3%
12.484
12.444
-0,3%
12.592
+1,2%
Tabel 13. Evolutie van het totale bedrag uitbetaalde doelgroepvermindering. Bron: RSZ- en DWSE-gegevens
Toegewezen bedragen Laaggeschoolde jongeren Middengeschoolde jongeren Leerlingen Zittende 55+’ers Aangeworven 55+’ers Personen met arbeidshandicap
2017Q2 2018Q2 2019Q2 Aantal Aantal Groei (%) Aantal Groei (%) 7.835.177 11.562.444 +47,6% 12.762.011 +10,4% 19.105.169 60.246 81.566.366 2.362.157
29.482.878 78.715 87.366.243 4.255.239
+54,3% +30,7% +7,1% +80,1%
27.248.892 69.698 106.601.434 7.117.486
-7,6% -11,5% +22,0% +67,3%
22.519.420
22.506.340
-0,1%
22.800.498
+1,3%
Tabel 14. Evolutie van het gemiddelde bedrag doelgroepvermindering per persoon. Bron: RSZ- en DWSE-gegevens
Gemiddeld bedrag/persoon
2017Q2 2018Q2 Aantal Aantal Groei (%) Aantal Laaggeschoolde jongeren 605 665 +9,8% Middengeschoolde jongeren 697 753 +8,1% Leerlingen 44 45 +1,9% Zittende 55+’ers 579 583 +0,8% Aangeworven 55+’ers 741 743 +0,3% Personen met arbeidshandicap 1.804 1.809 +0,3%
2019Q2 Groei (%) 768 +15,4% 743 -1,4% 41 -8,7% 644 +10,5% 1.127 +51,7% 1.811
+0,1%
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 16 van 18
Jaarrapport Doelgroepenbeleid 2019
20.01.2021
6 BRONNEN Beleidsnota 2019-2024 Werk en Sociale Economie (2019). Ingediend door viceminister-president Hilde Crevits, Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale Economie en Landbouw. Beschikbaar op https://www.vlaanderen.be/beleidsnotas-van-de-vlaamse-regering-2019-2024. De Smet, R., Penders, I., Sourbron, M., Vansteenkiste, S., Boey, R., Van Langenhove, H., & Van Onacker, E. (2020). Trendrapport 2020: Kwetsbare groepen op de Vlaamse arbeidsmarkt (Werk.Rapport 2020 nr. 4). Brussel/Leuven: Departement Werk en Sociale Economie/Steunpunt Werk. Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken. Groenboek zesde staatshervorming. Deel 4. Arbeidsmarktbeleid (2013). Beschikbaar op https://www.vlaanderen.be/publicaties/groenboek-zesdestaatshervorming. Departement Werk en Sociale Economie (2018). Vlaams Doelgroepenbeleid: Jaarrapport 2017. Beschikbaar op https://www.vlaanderen.be/publicaties/jaarrapport-vlaams-doelgroepenbeleid. Desiere, S., Cabus, S., & Cockx, B. (2020). Evaluatie van het Vlaamse Doelgroepenbeleid. HIVA – KU Leuven, uitgegeven door Departement Werk en Sociale Economie. Beschikbaar op https://www.vlaanderen.be/publicaties/evaluatie-van-het-vlaamse-doelgroepenbeleid.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 20.01.2021
Jaarrapport Doelgroepenbeleid 2019
pagina 17 van 18
Colofon Samenstelling Vlaamse overheid Departement Werk en Sociale Economie Koning Albert II-laan 35 bus 20 1030 Brussel 02 553 42 56 departement.wse@vlaanderen.be www.vlaanderen.be/departement-wse
Verantwoordelijke uitgever Dirk Vanderpoorten Secretaris-generaal
Uitgave juni 2021
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 18 van 18
Jaarrapport Doelgroepenbeleid 2019
20.01.2021