Toelichting bij de
Quartairge logische Kaart
Ka
ar tb
la
d
17
MOL
Depotnummer: D/2006/3241/040 Isbn: 90-403-0242-1 Nur: 905
Kaart en tekst opgemaakt door : Koen Beerten o.l.v. F. Gullentops, E. Paulissen en N. Vandenberghe
Vlaamse overheid Dienst Natuurlijke Rijkdommen
Katholieke Universiteit Leuven 2006
Voorwoord Deze uitgave is gebaseerd op het technisch verslag horende bij de Quartairgeologische kaart opgemaakt in 2001. De kaarten en de bijhorende uitleg zijn de neerslag van de stand van zaken op dat moment. Nieuwe tussentijdse ontwikkelingen zijn niet opgenomen in deze uitgave. Koen Beerten Leuven, 2006.
INHOUDSOPGAVE 1 Inleiding ................................................................................................................................... 5 1.1
Algemene geografie ........................................................................................................ 5
1.2
Geomorfologie ............................................................................................................... 7
2 Methodologie ........................................................................................................................... 9 2.1
Algemeen ........................................................................................................................ 9
2.2
Kaartspecifieke methodologie ...................................................................................... 9 2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4
Isohypsenkaart van de basis van het Quartair) ............................................................9 Isopachenkaart van het Quartair ...................................................................................9 Diktekaart van de Maas- en Rijnafzettingen .................................................................9 Breukenkaart ....................................................................................................................9
3 De Quartairgeologie ...............................................................................................................11 3.1
Waarnemingspunten ....................................................................................................11
3.2
Isohypsenkaart van de basis van het Quartair ..........................................................11
3.3
Isopachenkaart van het Quartair ...............................................................................11
3.4
Diktekaart van de Rijnafzettingen .............................................................................11
3.5
Breukenkaart .............................................................................................................. 12
4 De Quartairgeologische karteerbare eenheden .................................................................. 13 4.1
Fluviatiele afzettingen ................................................................................................. 13 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4
4.2
Formatie van Kaulille: Lommel zanden en Bocholt zanden ......................................13 Fluviatiele zanden .........................................................................................................14 Bedekt alluvium .............................................................................................................14 Formatie van Singraven ................................................................................................14
Eolische afzettingen ..................................................................................................... 15 4.2.1 Formatie van Wildert.....................................................................................................15 4.2.2 Duinzand .........................................................................................................................15
4.3
Herwerkte afzettingen ................................................................................................. 15 4.3.1 Herwerkt Tertiair ...........................................................................................................15 4.3.2 Herwerkte Maas- en Rijnafzettingen ...........................................................................16
5 Profieltypekaart ..................................................................................................................... 17 6 Profielen.................................................................................................................................. 19 7 Quartairgeologische evolutie ............................................................................................... 23 7.1
Vroeg-Pleistoceen (tot ca. 700 ka) ............................................................................... 23
7.2
Midden-Pleistoceen (ca. 700 ka - 130 ka)................................................................... 23
7.3
Laat-Pleistoceen (ca. 130 ka - 10 ka) .......................................................................... 23
7.4
Holoceen (10 ka - recent) ............................................................................................. 24
8 Referentielijst ......................................................................................................................... 25 8.1
Kaartmateriaal ............................................................................................................. 25
8.2
Publicaties en thesissen................................................................................................ 25
1 INLEIDING 1.1
Algemene geografie
Het kaartblad Mol (17), gesitueerd in de Kempen in het noordoosten van België, grenst aan de kaartbladen Arendonk (9), Maaseik (18), Hasselt (25) en Lier (16). Het beslaat gedeeltelijk de provincies Antwerpen en Limburg. De stad Mol, een goed uitgeruste stad in het westen van het kaartblad (provincie Antwerpen), ligt op 50 km ten oosten van Antwerpen en ca. 65 km ten noordoosten van Brussel. Andere min of meer belangrijke steden zijn Leopoldsburg, Lommel, Overpelt, Neerpelt, Dessel en Balen. De potentiëel belangrijkste spoorverbinding is de IJzeren Rijn, tussen Antwerpen en het Roergebied in Duitsland. In het uiterste zuidwesten van het kaartblad passeert het Albertkanaal als belangrijkste niet-natuurlijke waterloop. Eveneens belangrijk is het Kanaal Bocholt-Herentals in het noorden en het verbindingskanaal ervan met het Albertkanaal. Het gebied is slecht ontsloten voor wegverkeer: enkel in het uiterste zuidwesten loopt een klein stuk autosnelweg (E 313). Een reeks secundaire wegen verbindt de voornaamste steden onderling met elkaar. Nederland
17
Antwerpen
Brugge
Gent
Hasselt
0
Retie te Ne ne Klei
Dessel
20
30
40
50 km
17/4 32E
17/3 32W lt - herent als cho o B al a n ka
17/2 31E
17/1 31W
10
Neerpelt
Meerhout E31
3 Laakdal
ka na al v a
Balen ote Gr
17/6 46E Nete
Dommel
Geel
17/5 46W
Overpelt
n
Bever lo
Mol
kanaal Des sel - Kwaa dmechelen
Lommel
17/7 47W
17/8 47E
Peer Hechtel-Eksel Leopoldsburg
Alber tkana a
l
Ham
Fig. 1a en 1b : situering van het karteringsgebied
0
5 km
De meteorologische kenmerken van het gebied zijn deze die voorkomen in een gematigd zeeklimaat. Ten opzichte van Ukkel zijn er verschillen die te maken hebben met de zandige ondergrond. De gehele Kempen worden gekenmerkt door warmere zomers en koudere winters, warmere dagen en koudere nachten. Regionaal geologisch bevindt het gekarteerde gebied zich in het Bekken van de Kempen: Post-Paleozoïsche deklagen liggen er discordant op de Varistische sokkel. Onder het Quartaire dek dagzomen van zuid naar noord en van oud naar jong de formaties van Diest, Kasterlee, Mol, Poederlee en Brasschaat. Een reeks noordwest-zuidoost gerichte extensiebreuken zijn getuigen van de westelijke uitbreiding van de Beneden-Rijngraben. Er komen drie grote morfologische eenheden voor (Denis, 1992). Van west naar oost zijn dit de Depressie van de Schijns-Nete (met +18 m als laagste punt), het Glacis van Beringen-Diepenbeek en het Kempisch Plateau (met +75 m als hoogste punt). De belangrijkste rivieren zijn de Kleine en Grote Nete die het gebied vanaf de rand van het Kempisch Plateau in westelijke richting draineren. De Dommel draineert het plateau in noordelijke richting. Een secundaire rug op het westelijk uiteinde van het plateau vormt de waterscheiding tussen het Schelde- en Maasbekken. Inleiding 5
Buiten de huidige valleien is het overheersende bodemtype zandige grond met variabele vochtigheidsgraad (droog tot zeer droog op hoogten en nat tot zeer nat in depressies). Op het Kempisch Plateau is er grindbijmenging of begint het grindsubstraat op geringe diepte. Op bepaalde plaatsen zijn dit lemig-zandgronden (o.a. ten noorden van de Diestiaanheuvel te Meerhout en ten westen van de Dommel op het Kempisch Plateau). Afhankelijk van het substraat geeft de bodemkaart een witte, gele of groene ondergrond (stenige fase op Diestiaanheuvel) op plaatsen waar het Quartair dun is. Dit type bodems hangt samen met het zandige karakter van de Quartaire deklagen. De bodems in de huidige valleien evolueren stroomafwaarts. In de bovenloop van de Grote Nete en de bijrivieren zijn het meestal natte tot zeer natte zandgronden die stroomafwaarts overgaan in lemig-zandgronden tot zelfs licht zandleem- en zandleem-gronden (kaartblad 46W). In de vallei van de Kleine Nete overheersen lemig-zandgronden, de vallei van de Dommel is gekenmerkt door (zeer) natte zand- en lemig-zandgronden. Op verschillende plaatsen worden veenaccumulaties aangegeven op de bodemkaart.
6 Inleiding
1.2
Geomorfologie (cfr. Topografische kaart van België, schaal 1/25.000)
Geomorfologisch bestaat het gekarteerde gebied uit drie grote eenheden. Praktisch het gehele oostelijk deel wordt ingenomen door het Kempisch Plateau. De hoogte ervan daalt van +75 m in het zuiden tot +40 m in het noorden over een afstand van 20 km. Het plateau is niet vlak maar vertoont erosie- en accumulatiefenomenen onder de vorm van rivierinsnijdingen en duinophopingen, beide tot 5 m in vergelijking met de omgeving. De voornaamste rivier op dit deel van het plateau is de Dommel die tot het Maasbekken behoort. De stroomrichting is van zuid naar noord. De westelijke rand van het plateau is aanzienlijk versneden door terugschrijdende erosie. De valleien op deze rand en stroomafwaarts ervan behoren tot het Scheldebekken. De rand of helling van het plateau is steiler in het zuiden dan in het noorden en op eenzelfde breedte neemt de steilte af in westelijke richting. Deze licht hellende vlakte wordt het Glacis van Beringen-Diepenbeek genoemd. Vervolgens sluiten hierop de bredere valleien van de Witte en Kleine Nete in het noorden en de Molse en Grote Nete in het centrum van het kaartblad aan. Ze vormen de Depressie van de Schijns-Nete. Deze bestaat in feite uit een opeenvolging van grosso modo west-oost gerichte ruggen en dalen met een zwakke reliëfsintensiteit, tot maximum 5 m. Een uitzondering hierop is de heuvelrug ten zuiden van Meerhout die meer dan 15 m boven de omgeving uitsteekt. Morfologisch hoort deze rug en het gebied ten zuiden ervan in feite tot de Heuvels van Lummen, vergelijkbaar met het landschap van het Hageland. Bij het verlaten van het kaartblad bedraagt de absolute hoogte van de valleibodems ongeveer +20 m. Verspreid over de westelijke helling van het Kempisch Plateau en de interfluvia tussen de valleien der Neten en bijrivieren komen duinophopingen voor die één tot enkele meter boven hun omgeving uitkomen. Vanaf de rand van het Kempisch Plateau tot aan de westelijke grens van het kaartblad verlaagt het reliëf zich in westelijke richting. Op sommige plaatsen gebeurt deze verlaging stapsgewijs. Dit fenomeen is bijvoorbeeld zeer uitgesproken in de driehoek Kwaadmechelen-Leopoldsburg-Balen. Verschillende mini-vlakten worden er gescheiden door korte maar zeer steile hellingen. Het Quartaire dek is er zeer dun of onbestaande. Mogelijk gaat het hier om resten van erosieterrassen. Ze kunnen deel uitgemaakt hebben van een fossiel zuid-noord gericht vallei-systeem (cfr. infra). Het feit dat deze resten enkel in het zuiden van het kaartblad bewaard zijn gebleven heeft ongetwijfeld te maken met de resistentie van de ondergrond: waarschijnlijk werd en wordt hier nog steeds een volgende Diestiaanheuvel ‘uitgeprepareerd’. Dit riviersysteem was dominant tot en met het Vroeg-Pleistoceen, en consequent geöriënteerd ten opzichte van de toenmalige kustlijn ten noorden van het kaartblad (Briquet, 1906; Vandenberghe & De Smedt, 1979). Vanaf het Midden-Pleistoceen verlegt het drainagepatroon zich in oost-west richting. De westelijke helling van het Kempisch plateau vertoont ‘inhammen’ en ‘uitsprongen’ die samenhangen met de daar voorkomende Tertiaire afzettingen. De prominente inham van enkele km ten noorden van Leopoldsburg tot aan het dorp Rauw is gevormd in de gemakkelijk erodeerbare Kasterlee Zanden. Het is op deze plek dat de bovenloop van de Grote Nete zich in het plateau dringt. Ten noorden en ten zuiden van deze zanden sub-dagzomen respectievelijk de meer resistente formaties van Mol en Diest hetgeen een ‘uitsprong’ van het Kempisch Plateau veroorzaakt. Op het gekarteerde gebied zijn morfologische aanwijzingen voor tektonische activiteit. Vooreerst zijn op het Kempisch Plateau twee breukranden zichtbaar die getuigen van de zakking van de Beneden-Rijngraben: de Grote-Brogel en Reppel breukranden (Paulissen, 1997). Het bestaan ervan voegt een noordoostelijke component aan de reliëfsdaling van het plateau toe. De reliëfsprong bedraagt in beide gevallen slechts enkele meters. De rand van het plateau zelf wordt ook gezien als tektonisch in oorsprong, maar dan als gevolg van een reliëfsinversie. Het voorkomen van Rijnzanden op het plateau wordt namelijk toegeschreven aan een Vroeg-Pleistocene werking van de breuk van Rauw (Van Mechelen, 1982; Gullentops & Wouters, 1996). Later hebben deze grindhoudende zanden dan als bescherming tegen erosie gefungeerd. In de tweede plaats is het bestaan van het Kempisch Plateau als morfologische eenheid maar mogelijk door een continue opheffing van het gebied. Aanwijzingen hiervoor zijn te vinden in het feit dat het reliëfsverschil in het zuiden groter is dan in het noorden. Vermoedelijk is de opheffing van het plateau gepaard gegaan met breukwerking. Deze is trouwens bewezen in het noordoosten van het gebied waar de randen van Reppel en Grote-Brogel getuigen zijn van een synthetische breukactiviteit. Gelijkaardig kan men voor de westelijke rand moeilijk anders dan een antithetische activiteit langsheen één van de aanwezige breuken in de ondergrond veronderstellen. Een Pleistocene werking van één van deze breuken moet echter nog bewezen worden. Een mogelijke kandidaat is de Rauw breuk. Deze is inderdaad vastgesteld in ontginningen en in boringen, en onlangs nog in een voorbereidend onderzoek naar paleoseismiciteit (Verbeeck, 2001). Enkele boringen op het kaartblad geven indicaties omtrent een antithetische werking. De exacte perioden van breukactiviteit zijn nog niet gekend.
Inleiding 7
35
35
45
30
35
45
50
17/7 79W
17/8 79E
55
30
17/6 78E
20
25
60
35
15
50
30
40
60
30 30
50m 45m 40m
35m 30m 25m
20m 15m
65
35
35
65 60
65m 60m 55m
40
15
45 40
35
25
15
17/4 64E
20
45
17/5 78W
17/3 64W
30
17/2 63E
40
17/1 63W
0
5 km
Fig. 2: Isohypsen van de basis van het Quartair
4
1
4 4 1
4
4
1
10
4
1
4
1
4
17/6 78E
4
4
17/7 79W
4
4
4
4
4
10
4
4
1
10
10
1
22
10
1
1
4
1
4
4 4
4
17/4 64E
4
4
17/3 64W 10
1
4
1
17/2 63E
1
17/8 79E
4
4 1 1
1
1
10 4
1 1
Fig. 3: Isopachen van het Quartair
1
1
1 1
1
1
1
4
1
4
4
1m 4m 10m 22m
1
0
5 km
2 METHODOLOGIE 2.1
Algemeen
Het toegepaste karteerprincipe is dat van de profieltypekartering. Hierdoor kan 3-dimensionele informatie in 2 dimensies weergegeven worden: een bepaalde code of kleur in een gesloten vlak geeft op die manier weer welke lagen in dat vlak opeengestapeld zijn en hoe de volgorde ervan is. Deze gesloten vlakken of polygonen vormen in feite de gemeenschappelijke doorsnede van de voorkomensgebieden van verschillende gekarteerde eenheden. De geïnterpreteerde gegevens komen in een databank terecht (cfr. DOV) die geraadpleegd kan worden. Per gegeven kan lithologische, chronologische, stratigrafische, boortechnische enz... informatie opgevraagd worden. De gebruikte gegevens zijn velerlei: boringen, sonderingen, informatie uit wetenschappelijke artikels, thesissen, bodemkaarten en reliëfkaarten.
2.2
Kaartspecifieke methodologie
Voor de constructie van de kaart werd gebruik gemaakt van de gegevens uit de archieven van de Belgische Geologische Dienst, meer bepaald de dossiers horende bij de kaartbladen Retie (31W), Mol (31E), Lommel (32W), Overpelt (32E), Meerhout (46W), Balen (46E), Leopoldsburg (47W) en Peer (47E). Vooral van recente boorbeschrijvingen bleek de resolutie te klein om aan Quartairstratigrafie te doen. Het betreft meestal spoelboringen. Boorgegevens langsheen de kanalen, autosnelweg en expressweg Mol-Lommel zijn van zeer goede kwaliteit. Een reeks gegevens op kaartbladen 32W, 32E en 47W, uitgevoerd in het kader van lignietontginning, geven lithologische informatie op slechts één enkele diepte. Hieruit kan een minimum- of maximumdikte van het Quartair gehaald worden met in het eerste geval eveneens informatie over de minimum of maximumdikte van de desbetreffende Quartairgeologische eenheid. Tevens zijn een aantal nieuwe boringen geanalyseerd en geïnterpreteerd in het kader van de kartering. Verder is gebruik gemaakt van geotechnische sonderingen (Fugro, 1993). De bodemkaarten zijn gebruikt voor volgende doeleinden: aflijning alluviale vlakten, veenvoorkomens in deze vlakten en duinmassieven. De reliëfsanalyse is uitgevoerd aan de hand van de beschikbare orohydrografische kaarten van het gebied. De combinatie van deze gegevens - geïnterpreteerd volgens de beschikbare literatuur - laat toe om een zo nauwkeurig mogelijk beeld van de opbouw van de Quartaire lagen te schetsen. Naast de gebruikelijke isohypsenkaart van de Quartairbasis en de diktekaart van het Quartair is tevens een diktekaart van de Rijnafzettingen - vrij belangrijk in het oostelijk deel - geconstrueerd.
2.2.1 Isohypsenkaart van de basis van het Quartair (figuur 2) Analoog aan de omliggende kaartbladen zijn isohypsen van de basis van het Quartair (figuur 2) getekend met een interval van 5 m. In principe zou deze kaart exact overeen moeten komen met de gegevens. Nochtans is deze kaart een interpretatie van reeds geïnterpreteerde gegevens. De getrokken isohypsen houden zo ook rekening met de regionale geomorfologische en Quartairgeologische context. Evenzo wordt geen rekening gehouden met “outliers”.
2.2.2 Isopachenkaart van het Quartair (figuur 3) Voor de dikte van het Quartair (figuur 3) werden isopachen getekend volgens een rekenkundige reeks, zodanig dat de intervallen 0-1, 1-4, 4-10 en 10-22 afgelijnd werden. Deze methode houdt rekening met een onzekerheidsprincipe: minder boringen bereiken de basis van het Quartair indien het Quartair dikker is. Evenals de isohypsenkaart van de Quartairbasis is deze kaart een interpretatie van geïnterpreteerde gegevens.
2.2.3 Diktekaart van de Maas- en Rijnafzettingen Analoog aan de Quartairgeologische kaart van kaartbladen Maaseik (18) en Rekem (26) is - gezien het economisch belang ervan (Gullentops & Wouters, 1996) - een diktekaart van de Rijnafzettingen geconstrueerd (figuur 5). De gehanteerde intervallen zijn 0-3, 3-7, 7-15 en >15 m.
2.2.4 Breukenkaart Analoog aan de Quartairgeologische kaart van kaartblad Maaseik (18) is een breukenkaart geconstrueerd (figuur 6). Op deze kaart is tevens de lokatie van de profielen aangeduid.
Methodologie 9
17/1 31W
17/2 31E
17/3 32W
17/4 32E
17/5 46W
17/6 46E
17/7 47W
17/8 47E
basis quartair niet bereikt basis quartair bereikt
0
5 km
Fig. 4: Lokalisatie van de waarnemingspunten
17/2 63E
17/3 64W
3
7
3
15
17/1 63W
15-31m 15
3
3
7
7-15m
3-7m 3
7
0-3m
7
7
3
3-7m
3
17/5 78W
17/6 78E
3
3-7m
3
3
3
3
Rijnzanden 3m 7m 15m
Fig. 5: Diktekaart van de Rijafzettingen
3
3-7m
7
3
7-15m
0
5 km
3 DE QUARTAIRGEOLOGIE 3.1
Waarnemingspunten (figuur 4)
Deze kaart geeft de spreiding weer van het aantal waarneminsgpunten (voornamelijk boringen) over het kaartblad. Er is een opdeling gemaakt tussen de waarnemingen waar het gehele Quartaire pakket doorsneden is (o), en waar maar gedeeltelijk (x). Ongeveer 40 % van de gegevens bereikt de basis van het Quartair. Grosso modo liggen de gegevens goed verspreid over het kaartblad. Toch zijn er enkele clusters waarneembaar: langsheen de autosnelweg en het Albertkanaal in het zuiden, de ringlaan rond Mol in het centrum, ten westen van Hechtel op het Militair Domein en in een brede strook tussen Lommel en de Breuk van Rauw. Relatief weinig gegevens zijn voorhanden in de noordoostelijke sector van het kaartblad. Gegevens die informatie over het hele Quartair geven zijn schaars in een groot gebied ten westen van Mol en op bepaalde stukken van het Kempisch Plateau.
3.2
Isohypsenkaart van de basis van het Quartair (figuur 2)
De grote morfologische eenheden zijn duidelijk terug te vinden in dit vlak. De voornaamste parameters die dit vlak geboetseerd hebben zijn: tektoniek (breukwerking en opheffing) en erosieresistentie. Op het Kempisch Plateau daalt de Quartairbasis van +65 m in het zuiden tot +40 m in het noorden, ten westen en zuiden van de breuk van Grote-Brogel. In het noorden daalt het in noordoostelijke richting over de breuken heen tot minder dan +15 m. De Quartairbasis weerspiegelt hier de basis van het verwilderde riviersysteem dat destijds de Rijnzanden op het plateau heeft afgezet. De helling van het plateau weerspiegelt zich in een daling van de basis van het Quartair in westelijke richting. Vanaf de rand van het plateau is er een daling van +55 m tot ca. +25 m in het zuiden en van +40 m tot +20 à +25 m in het noorden. Dit noord-zuid verschil is reeds besproken in het hoofdstuk over geomorfologie. Het kan verklaard worden door een systematische opheffing van het plateau. In het bekken van de Kleine en Grote Nete vertoont de Quartairbasis ruggen en dalen die overeenkomen met respectievelijk interfluvia en valleibodems. Hier ligt het hoogste punt op +35 m, het laagste op ca. +15 m.
3.3
Isopachenkaart van het Quartair (figuur 3)
Het kaartbeeld is min of meer gelijkaardig aan dat van de isohypsenkaart van de basis. De dikste Quartairafzettingen komen voor ten noorden van de grabenbreuken (cfr. supra). Meer specifiek worden diktes van meer dan 22 m bereikt ten noorden van de breuk van Reppel. Het Quartair bestaat daar voor het grootste deel uit Rijnzanden en lokaal herwerkingsmateriaal ervan. Ten noorden van de breuk van Grote-Brogel schommelt de dikte rond 10 m. De rest van het plateau is bedekt met minder dan 10 m Quartair en op sommige plekken minder dan 4 m (valleien op het plateau). Dikke Quartairafzettingen worden aangetroffen in de vallei van de Grote Nete, aan de rand van die vallei (op sommige plekken meer dan 10 m) en in bepaalde delen van de vallei van de Kleine Nete. Het Quartair bestaat er uit recente en fossiele rivierafzettingen. Zeer dunne Quartairafzettingen (tussen 0 en 1 m) komen hier en daar voor, vooral op interfluvia, sommige plekken op de rand van het plateau, ter hoogte van de ‘uitsprong’ van het Kempisch Plateau (cfr. supra) en op de Diestiaanheuvel ten zuiden van Meerhout. De dikte van het Quartair over de rest van het kaartblad is begrepen tussen 1 en 4 m, met eolische afzettingen en lokaal Pleistocene rivierafzettingen. Verspreid kan een LaatGlaciale tot Holocene duin voor een verdikking van het Quartair zorgen.
3.4
Diktekaart van de Rijnafzettingen (figuur 5)
De verbreiding van de verschillende dikteklassen van deze afzettingen volgen grosso modo de tektonische lijnen van het gebied. Vooreerst is het voorkomen van de Rijnzanden op zich waarschijnlijk gebonden aan de breuk van Rauw. Ten westen ervan komen zeker geen Rijnzanden voor. De lagen worden al gauw meer dan 3 m dik, met een verdikking over de breuk van Grote-Brogel heen met daar diktes tot 15 m. Ten noordoosten van de breukrand van Reppel komen diktes van meer dan 15 m voor.
De quartairgeologie 11
3.5
Breukenkaart (figuur 6)
Het gekarteerde gebied is tijdens de Quartaire geschiedenis, en daarvoor ook al, sterk beïnvloed geweest door tektonische activiteit die zich geuit heeft in breukwerking en opheffingspulsen. In de regionaal-geologische context kan het Kempisch Plateau gezien worden als de rijzende schouder van een zakkende graben. De opheffing van het plateau hangt meer dan waarschijnlijk samen met de opheffing van de Ardennen en meer in het bijzonder van de Hoge Venen. De opheffing is daar alvast gepaard gegaan met breukwerking (Gullentops, 1986; Demoulin, 1988). Aanwijzigingen voor de diepere ligging van de breuken op dit kaartblad zijn te vinden in De Batist & Versteeg (1999). De breuk van Rauw heeft naast een Pliocene werking (deformatie van de Mol Zanden, Gullentops & Vandenberghe, 1993) meer dan waarschijnlijk gewerkt tijdens de afzetting van de Lommel zanden (o.a. Van Mechelen, 1982). Aanwijzingen voor Laat-Quartaire activiteit zijn te vinden in Verbeeck (2001). Op de dikte- en basiskaart zijn enkele indicaties voor een antithetische werking van de breuk ná de afzetting van de Rijnzanden: in de omgeving van de kruising van de IJzeren Rijn en het Kanaal naar Beverlo (Leopoldsburg) doet zich een plotse verdikking van het Quartair voor ter hoogte van de positie van de breuk. Vermoedelijk hangt deze activiteit samen met de opheffing van het plateau. De breuk van Rauw sluit aan op de breuk van Hoge Mierden in Nederland (Vandenberghe, 1982). De breuk van Grote-Brogel (Paredis, 1968; Paulissen, 1997) verplaatst de basis van de Rijnafzettingen met 5 à 10 m in het zuidoosten tot slechts 0 à 5 m in het noorden van het gekarteerde gebied. Ook de deformatie van de top vermindert in die richting. Op basis van de beschikbare gegevens en literatuur stellen we een verbinding met de breuk van Reusel voor (Vandenberghe, 1982). Deze laatste kent vooral een antithetische werking in Nederland waardoor een kniklijn ter hoogte van de grens moet verondersteld worden. Ongeveer op diezelfde breedte treedt een omkering van de hellingsrichting van het Kempisch Plateau op, vermoedelijk samenhangend met de breuk van Rauw (cfr. figuur 1 in Paulissen, 1997). De breuk heeft gewerkt vooral tijdens maar ook na de afzetting van de Rijnzanden. De breuk van Reppel tenslotte (Paulissen, 1997) verplaatst de basis van het Quartair met 10-15 m (zuidelijke afsplitsing) en ca. 5 m (breuk van Reppel zelf). De voornaamste activiteit van deze breuken is gesitueerd respectievelijk tijdens en na de doortocht van de Rijn in de regio.
an
kv
Pro
fiel
4
Br
17/3 64W
k el eu Br epp nR va e n R fs a k va eu elijke id zu
17/2 63E
u Bre
17/1 63W
uw
Ra
pp p li e l tsing
Br eu Profiel 3
k
va n
G
r
ote
17/5 78W
17/6 78E
-B ro ge l
17/7 79W
17/8 79E
Prof
iel 2
Prof
iel 1
Fig. 6: Lokalisatie van breuken en profielen
12 De quartairgeologie
0
5 km
4 DE QUARTAIRGEOLOGISCHE KARTEERBARE EENHEDEN Fluviatiel en organogeen
Ouderdom
Formatie van Singraven (venig) beek- en rivieralluvium
TardiWeichsel
Formatie van Wildert
Haspengouw Fluviatiele
Bedekt
zanden
alluvium
VroegWeichsel
Midden-Pleistoceen
EEM
SAALE
Herwerkt Tertiair
Pleni-Weichsel
Weichsel
Laat-Pleistoceen
Duinzanden
Bedekt alluvium
Brabant
Pleistoceen
Lokaal
Herwerkte Maas- en Rijnafzettinggen
Holoceen
Eolisch
HOLSTEIN ELSTER CROMER
Vroeg-Pleistoceen
Zanden vanLommeel Zanden van Bocholt
Fig. 7: Lithostratigrafische tabel
4.1
Fluviatiele afzettingen 4.1.1 Formatie van Kaulille: Lommel zanden en Bocholt zanden
•
Beide eenheden bestaan uit grijs middelmatig tot grof zand met lokaal grindbijmenging. De zware mineralen zijn typisch deze van Rijnafzettingen. Het voornaamste verschil tussen beide eenheden ligt in het gehalte groene hoornblende, dat in de Bocholt zanden veel groter is. De Lommel zanden bedekken in het gebied het Kempisch Plateau. Ten noorden van de breuk van Reppel liggen de Bocholt zanden onder de Lommel zanden. De dikte van de Lommel zanden schommelt tussen één à enkele meter in het westen tot 10 à 15 m in de graben. De Bocholt zanden zijn waarschijnlijk slechts enkele meter dik. Er moet benadrukt worden dat het bestaan van de Bocholt zanden op dit kaartblad vermoed wordt op basis van de resultaten van de Quartairgeologische kartering van het aangrenzende kaartblad Maaseik (Beerten et al. 2000).
•
Het zijn fluviatiele zanden, afgezet door een verwilderd riviersysteem.
•
Beide eenheden zijn afgezet in het Vroeg-Pleistoceen, na de Jaramillo-paleomagnetische omkering, ca. tussen 1000 ka en 700 ka BP (Gullentops et al., in press).
•
De afzettingen rusten op het Tertiaire substraat en kunnen met eender welke andere eenheid bedekt zijn.
•
Code: LOZd (Lommel zanden) en BOZd (Bocholt zanden). De quartairgeologische karteerbare eenheden 13
4.1.2 Fluviatiele zanden •
Een zeer heterogene eenheid bestaande uit wit, grijs, geel en/of groen fijn, middelmatig en grof zand, soms grindhoudend, soms glauconiethoudend, meestal slecht gesorteerd. Het zand is afkomstig van het onderliggende substraat en van de afzettingen op het Kempisch Plateau. Het grind bestaat uit zandsteenfragmenten en diverse silexen uit het Tertiair en uit Maas- en Rijn-componenten (Ardense gesteenten, kwartskeien,...). Het voornaamste verschil met herwerkte Maas- en Rijnafzettingen ligt in de geomorfologische positie van deze afzettingen: ze zijn eerder gebonden aan begraven fossiele valleivormen, al dan niet in de omgeving van huidige valleien. Op sommige locaties lijken ze in terraspositie te liggen. De overgang van de herwerkte afzettingen op de rand van het Kempisch Plateau naar deze fluviatiele zanden is waarschijnlijk gradueel, doch op de kaart aangeduid als abrupte overgang. De afzettingen kunnen een dikte bereiken van 10 m, meestal iets meer dan 4 m.
•
Het merendeel van deze eenheid is waarschijnlijk afgezet door verwilderde riviersystemen. Nochtans werden ook grote fining-upward sequenties gevonden, o.a. ten noorden van de Diestiaanheuvel in de omgeving van Meerhout, hetgeen depositie door een grote meanderende rivier suggereert.
•
Vandenberghe (1977) en Vandenberghe & De Smedt (1979) beschrijven ten zuidwesten van dit gebied (o.a. omgeving Heist-op-den-Berg, kaartblad Aarschot) diepe fossiele geulen, opgevuld met grof kris-kras gelaagd fluviatiel zand enerzijds en planatievlakten bedekt met ditzelfde zand anderzijds. De opvulling van de geulen zou gebeurd zijn tijdens het Vroeg-Weichsel terwijl de planatievlakten en bijhorende grove afzettingen gevormd zouden zijn tijdens fasen van insnijding ervoor en erna. Voor het grootste deel is deze eenheid dus diachroon en kan afgezet zijn in een periode gaande vanaf het Midden-Pleistoceen tot en met het Pleni-Weichsel (Hesbayaan).
•
De afzettingen rusten op het Tertiaire substraat en zijn al of niet bedekt door dekzand en/of duinzand.
•
Code: Zf
4.1.3 Bedekt alluvium • Eenheid bestaande uit fijn tot grof zand, vaak grindhoudend, soms veenrijk, vooral aan de top. De kleur is sterk variabel. Zeer gelijkend op de eenheid Fluviatiele zanden. De afzettingen vormen het basale deel van de afzettingen in de huidige morfologische valleien in het bekken van de Grote en Kleine Nete en onderscheiden zich op die manier van de Fluviatiele zanden. De dikte van de afzetting schommelt tussen 1 en 5 m doch kan lokaal bijna 10 m bedragen. •
Essentiëel fluviatiele afzettingen, vermoedelijk afgezet door een verwilderd riviersysteem.
•
Chronostratigrafisch situeert deze afzetting zich in het Weichsel. In diepe vallei-uitschuringen is de basis van de afzetting Vroeg- tot Midden-Weichsel, elders is ze essentiëel Tardi-Weichsel van ouderdom. Vandenberghe (1977) beschrijft in de vallei van de Grote Nete tussen Westmeerbeek en Heist-op-den-Berg (kaartblad Aarschot) een basaal grof zand, afgezet tijdens het Alleröd-interstadiaal (Laat-Weichsel). Munaut & Paulissen (1973) beschrijven in de vallei van de Kleine Nete (2 km ten westen van Herentals) het Lid van Vuilvoort (stabilisatie tijdens Alleröd: afzetting van humusrijke lemige klei) en het Lid van Addernesten (instabiliteit tijdens Jongste Dryas: relatief dikke pakketten gelaagd fijn zand) als karteerbare eenheden. Op deze kaart is het onderscheid echter niet te maken en zijn alle afzettingen die tot één van deze twee leden behoren onder de noemer Bedekt alluvium gebracht.
•
Deze sedimenten rusten op het Tertiaire substraat en worden zelf bedekt door de Formatie van Singraven. Soms aan de dagzoom. Kan sporadisch afwezig zijn in de huidige valleien.
•
Code: NbdA
4.1.4 Formatie van Singraven •
Eenheid bestaande uit klei, venig en siltig fijn zand en soms grof zand. Hier en daar komen pure veenlagen voor. Vaak ijzerhoudend. Op de kaart zijn ze apart aangeduid, in de databank zijn ze samengenomen. Deze afzettingen zijn het resultaat van (sub)recente alluviatie in het bekken van de Grote en Kleine Nete. De eenheid komt eveneens voor in diverse beekvalleien, o.a. op het Kempisch Plateau. Komt overeen met het alm, alfe en alt van de vroegere geologische kaart. De dikte bedraagt meestal 1 à 2 m.
•
Afgezet door een meanderende rivier of beek, met lokaal veenvorming.
•
Chronostratigrafisch bevindt de eenheid zich volledig in het Holoceen. Mullenders & Coremans (1961), Paulissen & Munaut (1973) en Vandenberghe (1977) konden dit op basis van pollenanalysen aantonen.
•
Rust op het bedekt alluvium, op herwerkte Maas- en Rijnafzettingen, op dekzand of op het Tertiaire substraat.
•
Code: SIGR
14 De quartairgeologische karteerbare eenheden
4.2
Eolische afzettingen 4.2.1 Formatie van Wildert
•
Eenheid bestaande uit geel en geelgrijs vrij goed gesorteerd zwaklemig kwartshoudend zand. Sporadisch grindhoudend, waarschijnlijk door cryoturbatie van onderliggende grindrijke afzettingen. Soms wordt aan de basis een keienlaag aangetroffen. Bezit regelmatig een zwakke gelaagdheid die zich manifesteert door een minieme korrelgrootte-variatie op cm-schaal. Deze zanden zijn doorgaans fijner dan de fluviatiele en herwerkte zanden, beter gecalibreerd en bezitten een typische gele kleur. Het verschil met duinzanden ligt in de geomorfologische positie (typische positief reliëf bij duinzand) en in het leemgehalte (afwezig bij duinafzettingen). De formatie is essentiëel allochtoon en omvat de dekzanden in het noorden en noordoosten van België. De dikte varieert tussen 1 en 4 m.
•
De afzettingsomstandigheden zijn eolisch.
•
De formatie is afgezet tijdens het Pleni-Weichsel, meer bepaald het Brabantiaan, onder periglaciale omstandigheden.
•
De eenheid rust op het substraat, op Rijnafzettingen, op herwerkingen van beide en op Pleistocene fluviatiele zanden. Wordt zelf bedekt door duinzand of ligt aan de oppervlakte.
•
Code: WILD
4.2.2 Duinzand •
Eenheid bestaande uit geel en geelgrijs zeer goed gesorteerd leemloos kwartshoudend zand. Omvat verstuivingen van vroeger afgezet dekzand. Vormt essentiëel positieve reliëfs. Paraboolduinen komen voor. De dikte is meestal begrepen tussen 1 en 4 m.
•
Eolische afzettingsomstandigheden.
•
De duinzanden zijn afgezet in het Laat-Weichsel (Jongste Dryas) en Holoceen.
•
De eenheid kan rusten op eender welke andere formatie uitgenomen de Holocene beek- en rivierafzettingen (Formatie van Singraven).
•
Code: D
4.3
Herwerkte afzettingen 4.3.1 Herwerkt Tertiair
•
Deze eenheid bestaat uit herwerkte Tertiaire zanden. Gezien de variabele ondergrond is deze eenheid in theorie behoorlijk heterogeen. In praktijk komt ze enkel voor op de flanken van de Diestiaanheuvel ten zuiden van Meerhout en bestaat dus uit herwerkte Diestiaanzanden. Gelijkend op deze zanden bevat het toch veel minder klei. Het onderscheid met niet verplaatste Diestiaanzanden is dikwijls moeilijk. De gemiddelde aangetroffen dikte bedraagt 1m.
•
De werkzame processen zijn voornamelijk deze die te maken hebben met hellingsprocessen.
•
De eenheid is diachroon en kan eender wanneer van het Midden-Pleistoceen tot en met het Laat-Pleistoceen zijn afgezet.
•
Het herwerkt Tertiair ligt steeds op het substraat en is al of niet bedekt door dekzanden (Formatie van Wildert).
•
Code: $h
De quartairgeologische karteerbare eenheden 15
4.3.2 Herwerkte Maas- en Rijnafzettingen •
Uit analyses uitgevoerd in het kader van de opmaak van de Quartairgeologische kaart van kaartblad Maaseik (18) is gebleken dat de eenheid zich onderscheidt van de in situ Maas- en Rijnafzettingen op basis van de geomorfologische positie, lithologie, structuren en zware mineralen. De afzettingen bestaan uit middelmatig tot grof zand met regelmatig bijmenging van grind. Ze komen voor in een brede band ten westen van het Kempisch Plateau (Glacis van Beringen-Diepenbeek). Herwerkte afzettingen komen ook voor ten noordoosten van de breuk van Reppel. Worden tevens aangetroffen in de grotere valleien op het Kempisch Plateau (bv. Dommel). De maximale dikte bedraagt ca. 4 m.
•
Genetisch zijn het hellings-, puinkegel- en fluviatiele afzettingen.
•
Chronostratigrafisch is de eenheid diachroon en kan eender wanneer vanaf het Midden-Pleistoceen tot en met het Laat-Pleistoceen zijn afgezet.
•
Deze eenheid rust op het Tertiaire substraat of in situ Maas- en Rijnafzettingen. Ze is al of niet bedekt door dekzanden, duinzanden en/of Holocene beekafzettingen.
•
Code: Zh of Gh
16 De quartairgeologische karteerbare eenheden
5 PROFIELTYPEKAART Voor een volledig overzicht van de profieltypes wordt verwezen naar de profieltypekaart. Profieltypes 1-8 zijn profieltypes op het Kempisch Plateau, meer bepaald die met Lommel zanden. Profieltypes 9-15 geven een stapeling van de Lommel zanden op de Bocholt zanden aan. De gegevens op dit kaartblad lieten niet toe de aanwezigheid van deze laatste aan te tonen. Ze zijn echter ingetekend op basis van de resultaten van de Quartairgeologische kartering van het aangrenzende kaartblad Maaseik (cfr. bijlage in Beerten et al., 2000). Ook het voorkomen van uitgestrekte herwerkte afzettingen ten noorden van de breukrand van Reppel is gebaseerd op die resultaten. De overgang van profieltypes 16 tot en met 21 (profieltypes met herwerkte Maas- en Rijnafzettingen) naar profieltypes 24-27 (fluviatiele zanden) en 28-29 (bedekt alluvium) is in werkelijkheid gradueel, maar op de kaart scherp afgegrensd. De eerstgenoemde groep van profieltypes hangt samen met de ontwikkeling van de westelijke plateaurand en de vorming van het Glacis Beringen-Diepenbeek. De tweede groep wordt vooral aangetroffen langsheen de valleien van de Grote en Molse Nete, minder frequent langsheen de Kleine Nete. Geomorfologisch hangen ze samen met fossiele valleien, planatievlakten of terrasresten. Sommige fossiele valleien vormen nu interfluvia, na bedekking met dek- en duinzanden. Profieltypes 28-29 tenslotte zijn verbonden met de huidige evolutie van de valleien. Het is echter niet uitgesloten dat het bedekt alluvium in sommige delen van de huidige vallei van de Grote Nete equivalent is met Vroeg-Weichsel fluviatiele zanden. In dit verband vermelden we een fossiele geul die te vervolgen is over de gehele lengte van de Molse Nete, over Mol richting Grote Nete. Deze geul sluit zeer waarschijnlijk aan met de fossiele noordoost-zuidwest geul uit Vandenberghe (1977), meer naar het zuidwesten, waarin de Grote Nete stroomde richting Dijle-Demer vóór de overloop nabij Westmeerbeek (daterende uit het Brabantiaan-Weichsel).
Profieltypekaart 17
NbdA
SIGR
189
D
188
Zf
D
WILD
187
$h
WILD
192 185 54 184
WILD
213 212
35m 30m NbdA 25m SIGR SIGR NbdA WILD 20m NbdA 15m 10m 5m 0m
186
WILD
214
10 0
m
250m
NbdA NbdA
SIGR
227 225 209 208
WILD
210
HO = 25x 5
$h
211
D WILD $h SIGR Zf NbdA
222 207
184
Fig. 9: Profiel 2
m
0
HO = 25x 5
10
WILD
250m
Zf
$h
$h
$h WILD NbdA
SIGR NbdA
SIGR
SIGR NbdA
233 205 204 203
201
NbdA
202
152 199
Zf
WILD
200
35m 30m 25m 20m 15m 10m 5m 0m
WILD
305 307 296 297 298 299 300 301 302 303 304 306
Duinzand Formatie van Wildert Herwerkt Tertiair Formatie van Singraven Fluviatiele zanden Bedekt alluvium
206
277 280 286 276 279 282 260 265 271 273 284 288 293 295 257 258 259 261 262 263 264 266 267 268 269 270 272 274 275 278 281 283 285 287 289 290 291 292 294
Fig. 8: Profiel 1
35m 30m 25m 20m 15m 10m 5m 0m
����
NbdA WILD NbdA
SIGR
����
197 190
WILD
217 5 231 229 215
Kleine Laak
35m 30m 25m 20m 15m 10m 5m 0m
198
Dode Beek
Halfwegloop
218
Halfwegloop
35m 30m 25m 20m 15m 10m 5m 0m
Luikse Beek
219
Maasbeek
220
Maasbeek
221
35m 30m SIGR 25m 20m NbdA WILD 15m 10m WILD Formatie van Wildert 5m $h Herwerkt Tertiair 0m SIGR Formatie van Singraven Fluviatiele zanden Zf NbdA Bedekt alluvium
Dode Beek
18 Profielen
6 PROFIELEN De eerste twee profielen zijn gelegen in de uiterste zuidwestelijke hoek van het kaartblad. Ze volgen de autosnelweg E313 en het Albertkanaal en sluiten aan op profielen van het aangrenzende kaartblad Lier. Deze profielen geven een beeld van de opbouw van het pakket fluviatiele zanden ten noorden van de Diestiaanheuvel, de herwerkte Tertiair- en dagzomende Tertiair-afzettingen op de heuvel en het Bedekt alluvium en de Formatie van Singraven ten zuiden ervan. De dikke fluviatiele pakketten, hier bedekt door de Formatie van Wildert, sluiten vermoedelijk aan op de fossiele geul (cfr. supra; bespreking van profieltypes). Profiel 3 geeft een driedimensionaal beeld van een aantal opeenvolgende geomorfologische en Quartairgeologische entiteiten: huidige vallei-evolutie en gerelateerde afzettingen (Formatie van Singraven, Bedekt alluvium), fossiele geul en dekzand (Fluviatiele zanden, Formatie van Wildert), Glacis van Beringen-Diepenbeek (Herwerkte Maas- en Rijnafzettingen), Kempisch Plateau (Lommel zanden). In dit profiel is tevens de vermoedelijke positie van de breuk van Rauw aangegeven (cfr. supra voor commentaar omtrent deze breuk). Profiel 4 tenslotte geeft de opbouw van de afzettingen op het Kempisch Plateau weer. Naast een duidelijke verdikking van de Lommel zanden, en een verplaatsing van de basis ervan over de grabenbreuken heen, suggereert het profiel dat deze zanden zijn afgezet in zeer brede ondiepe valleien van één tot enkele kilometer breed. De breuken vallen samen met trapjes in het reliëf: ze hebben nog na de afzetting van deze zanden gewerkt (cfr. supra).
Profielen 19
SIGR
WILD
289
NbdA
1008
Zh
31E 32W
Venig SIGR
Mol
Oude Nete
Fig. 10: Profiel 3
0m
10m
20m
30m
40m
50m
60m
0m
10m
20m
30m
40m
50m
Breuk van Rauw
60m
10
m
0
HO = 25x 5
Zh
WILD
252
SIGR
82
317 320 323 309 311 313 315 318 321 324 308 310 312 314 316 319 322 325 128
Kanaal naar Beverlo
20 Profielen 250m
257
Zf
84
262
WILD
1009
WILD
118 377
171.1 170 165 169 172 173 160 171 177 285 Kanaal Dessel - Kwaadmechelen
380
WILD
Zf
WILD
LOZd
D
Kempens Plateau
348
D
1020
D
D WILD SIGR LOZd Zh Zf NbdA
399
384
LOZd
Zh
72
350
1021
WILD
0m
10m
20m
30m
40m
50m
60m
WILD Zh
0m
10m
20m
30m
40m
50m
Glacis van Beringen - Diepenbeek Rauw 60m
385
Duinzand Formatie van Wildert Formatie van Singraven Lommel Zanden Herwerkte Maas- en Rijnafzettingen Fluviatiele zanden Bedekt alluvium
D
80
Profielen 21
32W 32E
WILD
Kanaal Bocholt - Herentals
WILD
154
137
WILD
23
416
LOZd
SIGR Zh
Grote Barrier
417
LOZd
418
101 100 133 99
411
410
419
LOZd
141
140
LOZd
WILD
139
420
SIGR
421
30
Zh
SIGR
153
Venig SIGR Zh SIGR
408
423
LOZd BOZd
161
LOZd
Venig SIGR SIGR
Zh SIGR
422
20m
30m
40m
50m
Fig. 11: Profiel 4
m
0
HO = 25x 5
10
SIGR Zh WILD
60m
20
424
0m
LOZd
D
22
Duinzand Formatie van Wildert Formatie van Singraven Lommel zanden Bocholt zanden Herwerkte Maas- en Rijnafzettingen
LOZd
WILD
Kanaal Bocholt - Herentals
0m
11
D WILD SIGR LOZd BOZd Zh
D
403 Kanaal Bocholt - Herentals
10m
LOZd
D
70 Kanaal Bocholt - Herentals
10m
20m
30m
40m
50m
60m
0m
10m
20m
30m
40m
50m
60m
Kanaal Bocholt - Herentals
339
Kanaal Bocholt - Herentals
338
Kanaal Bocholt - Herentals
337
Kanaal Bocholt - Herentals
Kanaal Bocholt - Herentals Klagloop Breuk van Reppel zuidelijke afsplitsing
334 335
Dommel
250m
0m
10m
20m
30m
40m
50m
60m
7 QUARTAIRGEOLOGISCHE EVOLUTIE 7.1
Vroeg-Pleistoceen (tot ca. 700 ka)
Na het verdwijnen van de mariene invloed uit het gebied tijdens het Plioceen ontstaat een zuid-noord gericht riviersysteem, consequent op de toenmalige oost-west kustlijn in het noorden. Terwijl daar de Kempische Klei wordt afgezet is de landschapsvorming in het gekarteerde gebied reeds begonnen. Elders, in het oosten van België, zijn van die tijd reeds terrasafzettingen van de Maas bekend. Hier is van deze vroege geomorfologische evolutie waarschijnlijk niets bewaard gebleven. De eerste Quartaire afzettingen van betekenis moeten tegen de achtergrond van een actieve Roergraben bekeken worden. Meer dan waarschijnlijk heeft een Vroeg-Pleistocene synthetische werking (afzakking van de oostelijke schol) van de breuk van Rauw ervoor gezorgd dat de Rijn tot in het gebied kan doordringen. Eerst de Bocholt zanden en later met zekerheid de Lommel zanden worden afgezet ten oosten van deze breuk, waarschijnlijk in een verwilderd riviersysteem tijdens één of meerdere glacialen. Momenteel wordt de absolute ouderdom van deze afzettingen geschat op 1000 tot 700 ka. Terwijl de Rijn sedimenteert zijn de breuken van Grote-Brogel en Reppel actief, hetgeen nu zichtbaar is in een verdikking van deze afzetting, vooral over de breuk van Reppel heen. Op dat moment is de Maas een bijrivier van de Rijn met het confluentiegebied gelegen tussen Houthalen en Bree. Ongeveer gelijktijdig met de Lommel zanden zet de Maas de Winterslag Zanden af, ten zuiden van Bree, buiten dit kaartblad. Deze zanden bevatten een groot gehalte herwerkt Bolderiaan hetgeen wijst op een sterke erosiecapaciteit van de toenmalige rivier.
7.2
Midden-Pleistoceen (ca. 700 ka - 130 ka)
In de loop van het vroege Midden-Pleistoceen (700 ka - 500 ka) krijgt de landschapsvorming een nieuwe puls. Rond deze periode treden een aantal belangrijke veranderingen in de randvoorwaarden op. Vooreerst zijn er aanwijzigingen dat na een lange periode van daling langsheen de Rauw breuk er nu voor het eerst een antithetische werking (relatieve opheffing van oostelijke schol) langsheen deze breuk optreedt, samenhangend met een regionale opheffing van het gebied, gerelateerd aan de opheffing van de Hoge Venen in het oosten van België. Ten tweede is de kustlijn, voorheen ten noorden van het gebied, opgeschoven naar het westen en heeft een andere oriëntatie aangenomen, noordoost-zuidwest. Eén en ander heeft tot gevolg dat de Rijn stilaan uit het gebied verdwijnt. Door de continue opheffing wordt zij gedwongen haar loop naar het oosten te verleggen, buiten het kaartblad. Door een relatieve zeespiegeldaling worden in het westelijk deel van het kaartblad de nauwelijks bedekte Tertiaire zanden aan een streng erosief regime onderworpen. Vanaf nu kunnen in principe de eerste herwerkte Tertiaire sedimenten afgezet zijn (Herwerkt Tertiair). Doordat op de oostelijke kaartbladen deze zanden beschermd zijn door de relatief weerstandbiedende Rijn- en Maasafzettingen worden ze gespaard van erosie en blijft dit deel van het gebied in reliëf staan ten opzichte van de omgeving. Op dat moment is het Kempisch Plateau als morfologische eenheid een feit. De ruimtelijke overgang van de Rijnzanden naar de Tertiaire zanden ten westen ervan wordt geomorfologisch gekenmerkt door een zachte helling naar een lager gelegen brede depressie. Deze helling wordt het Glacis van Beringen-Diepenbeek genoemd en is voornamelijk bedekt met Herwerkte Maas- en Rijnafzettingen. Perioden van breukactiviteit geven het ontstaan aan breukranden langsheen de breuken van Reppel en Grote-Brogel zodat ten oosten daarvan eveneens herwerkt materiaal wordt afgezet. Onder invloed van de verplaatste kustlijn en de constitutie van de ondergrond hebben de insnijdende rivieren zich ondertussen in oost-west richting verlegd. Op die manier wordt de Depressie van de Schijns-Nete gevormd: een brede ingesneden vallei met gesuperponeerd in die vallei een afwisseling van noordoost-zuidwest gerichte interfluvia en valleien. Bij een voortdurende afwisseling van intense koude tijdens glacialen en gematigde omstandigheden tijdens interglacialen wisselen erosie en sedimentatie zich af, hoewel het netto-resultaat erosie blijft. Fossiele geulen vormen zich en vullen op, terrasvorming vindt plaats met gerelateerde terrasafzettingen, planatievlakten worden gevormd en bedekt met een dunne laag sediment. Buiten het kaartblad, meer bepaald ten westen ervan, wordt vanaf het Saale de Vlaamse Vallei gevormd. Hier snijden rivieren zich voornamelijk door de lage zeespiegelstand in en worden daarna weer opgevuld met stroomopwaarts geërodeerd materiaal. Dit proces gaat door tijdens de laatste interglaciaal-glaciaal cyclus.
7.3
Laat-Pleistoceen (ca. 130 ka - 10 ka)
Meer dan waarschijnlijk zijn alleen sedimenten uit het Weichsel bewaard gebleven op dit kaartblad. Vroegere afzettingen zijn er ongetwijfeld geweest, maar door de overheersende erosie nadien weer afgebroken zodat globaal alleen sedimenten uit de laatste glaciaal-interglaciaal cyclus bewaard gebleven zijn. Bij de overgang van het Eem naar het Weichsel vormt zich een belangrijke geul die te vervolgen is via de huidige Molse Nete, over de confluentie van de Molse en Grote Nete tot de plek waar de Grote Nete het kaartblad verlaat. Deze dichtgesedimenteerde geul vindt verder stroomafwaarts aansluiting op het fossiele systeem dat gedurende een lange periode in het Weichsel richting DijleDemer-bekken draineerde. Het ontstaan van deze geul hangt ongetwijfeld samen met de vorming van de Vlaamse Vallei. Het kan beschouwd worden als de meest oostelijke uitloper ervan. Deze afzettingen, en verder alle afzettingen die niet samenvallen met de huidige riviervlakten, essentiëel fluviatiel van aard, zijn ondergebracht onder de noemer Fluviatiele zanden. Rivierafzettingen uit het Weichsel die wel samenvallen met het huidige valleistelsel worden BeQuartairgeologische evolutie 23
dekt alluvium genoemd. Hoewel beide genetisch hetzelfde zijn is er een belangrijk verschil: het Bedekt alluvium loopt in tijd door tot aan het Holoceen. De Fluviatiele zanden, gelegen buiten de huidige alluviale vlakte, dateren uit het Weichsel, tot en met de overgang van het Hesbayaan naar het Brabantiaan. Van het laatste glaciaal zijn niet enkel riviersedimenten bewaard gebleven. De nabijheid van de ijskap (in de buurt van Denemarken) zorgt ervoor dat zand en silt opgewaaid en tot in onze streken getransporteerd worden. De afzetting ervan gebeurt in vochtige (Hesbayaan) of droge (Brabantiaan) omstandigheden. Op dit kaartblad zijn enkel de afzettingen uit het Brabantiaan teruggevonden, meer bepaald de dekzanden van de Formatie van Wildert. Fijner materiaal wordt verder naar het zuiden getransporteerd en afgezet als Brabant Leem. Het Brabantiaan is de koudste en droogste periode van het laatste glaciaal, ook wel Last Glacial Maximum genoemd (LGM). Correlatieve uviatiele sedimenten uit deze periode zijn waarschijnlijk onbestaande. Vanaf ca. 14 ka, bij een verbeterend klimaat, stijgt de erosiecapaciteit van de rivieren terug met insnijding als gevolg. De sedimenten die hierna deze (kleinere) valleien opvullen worden eveneens bij het Bedekt alluvium ingedeeld. Tussen 11 ka en 10 ka is er een korte terugkeer van de koude en droogte. Deze globale laatste afkoeling wordt de Jongste Dryas genoemd. Tijdens deze periode worden de eerder afgezette dekzanden opgestoven om Duinzanden te vormen.
7.4
Holoceen (10 ka - recent)
Wanneer de deďŹ nitieve opwarming en de laatste insnijding een feit is gaan de meeste rivieren en beken de eerder gemaakte valleitjes opvullen, hoofdzakelijk met zand en leem, lokaal met veenvorming. Deze sedimenten worden tot de Formatie van Singraven gerekend. Hier en daar treedt verdere verstuiving op van eerder afgezette duinzanden.
24 Quartairgeologische evolutie
8 REFERENTIELIJST
B
8.1
Kaartmateriaal
Baeyens, L. en Tavernier, R. 1(966-1972). Bodemkaart van België, schaal 1/20.000. Kaartbladen Retie (31W), Mol (31E), Lommel (32W), Overpelt/Neerpelt (32E/19E), Meerhout (46W), Balen (46E), Leopoldsburg (47W), Peer (47E). Militair Geografisch Instituut. Brussel.
M
Mourlon. (1896-1899). Carte Géologique de la Belgique, échelle 1/40.000. N° 31, 32, 46 et 47. Institut Cartographique Militaire. Bruxelles.
T
Topografische kaart van België, schaal 1/25.000. Kaartbladen Retie-Mol (17/1-2), Lommel-Overpelt (17/3-4), Meerhout-Balen (17/5-6) en Leopoldsburg-Peer 17/7-8. Nationaal Geografisch Instituut. Brussel.
B
8.2
Publicaties en thesissen
Beerten, K., Gullentops, F., Paulissen, E. en Vandenberghe, N. (2000). Quartairgeologische kaart van kaartblad 18 Maaseik, 1/50.000. Kaartenbundel, digitale databank, legende, begeleidende tekst en stratigrafische tabel. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie. Brussel. Briquet, A. (1906). Contribution à l’étude des origines du réseau hydrographique du Nord de la Belgique. Bull. Soc. belge Géologie, Mém., 20, 71-82.
D
De Batist, M. en Versteeg, W.H. (1999). Seismic stratigraphy of the Mesozoic and Cenozoic in northern Belgium: main results of a high-resolution reflection seismic survey along rivers and canals. Geologie en Mijnbouw, 77, 17-37. Demoulin, A. (1988). Cenozoic tectonics on the Hautes Fagnes Plateau (Belgium). Tectonophysics, 145, 31-41. Denis, J. (1992). Geografie van België. Gemeentekrediet.
F
Fugro. (1993). Rapport: resultaten betreffende onderzoek ten behoeve van thematische kartering. Opdrachtnummer T-2269. Halle-Zoersel.
G
Gullentops, F. en Vandenberghe, N. (1993). Geologische kaart van België kaartblad Mol (16). Ministerie van Economische Zaken. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Brussel. Gullentops, F. en Wouters, L. (1996). Delfstoffen in Vlaanderen. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement EWBL. Gullentops, F. (1986). The Maastrichtian sea level rise. Ann. Soc. Géol. de Belgique, 109, 363-365. Gullentops, F., Bogemans, F., De Moor, G., Haesaerts, P., Paepe, R., Pissart, A. en Paulissen, E. (in press). Quaternary Lithostratigraphy (Belgium).
M
Mullenders, W. en Coremans, M. (1961). Recherches palynologiques dans la vallée de la Grande Nèthe à Geel (Campine Belge). Bull. Soc. Roy. Bot. Belgique, 23, 131-136. Mullenders, W., Gullentops, F. en Coremans M. (1966). Les sediments de la transition “Eemien-Wurm” à Oevel, Campine Belge. Acta Geographica Lovaniensia, IV, 57-67. Munaut, A.V. en Paulissen, E. (1973). Evolution et paléo-écologie de la vallée de la Petite Nèthe au cours du PostWürm (Belgique). Ann. Soc. Géol. Belgique, 96, 301-348.
P
Paredis, A. (1968). Geomorfologische studie van de NE-wand van het Kempisch Plateau. Licentiaatsthesis K.U.Leuven. 157 p. Paulissen, E. (1997). Quaternary morphotectonics in the Belgian part of the Roer Graben. Aardk. Meded., 8, 131134. Referentielijst 25
T
Tavernier, R. (1948). Les formations quaternaire de la Belgique en rapport avec l’évolution morphologique du pays. Bull. Soc. belge Géol., 57, 609-641.
V
Van Mechelen, J. (1982). Geomorfologie van de westelijke rand van het Kempens Plateau en mikro-eolisatieverschijnselen op grint. Licentiaatsthesis K.U.Leuven. Vandenberghe, J. en de Smedt P. (1979). Palaeomorphology in the eastern Scheldt Basin (Central Belgium) - The Dijle-Demer-Nete confluence area. Catena, 6, 73-105. Vandenberghe, J. (1977). Geomorfologie van de Zuiderkempen. Verh. Koninkl. Ac. Wet. Let. en Schone Kunsten van België. Klasse der Wetenschappen. Jaargang XXXIX. Nr. 140. Vandenberghe, J. (1982). Geoelectrical investigations of a fault system in Quaternary deposits. Geophysical Prospecting, 30, 879-897. Verbeeck, K. (2001). Intern Rapport Paleoseismologie. NIRAS. Brussel.
W
Wouters, L. en Vandenberghe, N. (1994). Geologie van de Kempen. Een synthese. Niras. Brussel.
26 Referentielijst