Advies
Sectorraad Kunsten en Erfgoed i.s.m. Algemene Raad 30 april 2020
Advies bij de Strategische Visienota Kunsten
Situering De Sectorraad Kunsten en Erfgoed van de Strategische Adviesraad voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media werd per brief van 3 april 2020 door minister-president Jan Jambon om advies gevraagd bij de Strategische Visienota Kunsten, goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 27 maart 2020, in uitvoering van het decreet van 13 december 2013 houdende de ondersteuning van de professionele kunsten. Daarin wordt bepaald dat de Vlaamse Regering de visienota uiterlijk op 1 april van het jaar na een verkiezing voorlegt aan het Vlaams Parlement.1 Het betreft ondertussen de tweede strategische visienota in zijn soort voor de kunstensector. Gezien de coronacrisis behandelde de raad deze adviesvraag – binnen de standaardtermijn van 30 dagen – via digitale weg op 17 april 2020 tijdens een vergadering van een daarvoor speciaal opgerichte werkgroep en tijdens een digitale plenaire vergadering op 27 april 2020. Tijdens de bijeenkomst van de werkgroep hadden de leden van de sectorraad het genoegen in gesprek te treden over de totstandkoming en beleidslijnen van de Strategische Visienota Kunsten met onder meer Luc Delrue, secretaris-generaal van het Departement Cultuur, Jeugd en Media en Bart De Vos, raadgever kunsten van de minister-president. De Sectorraad Kunsten en Erfgoed bracht op 4 maart 2020 een advies in aanloop naar de Strategische Visienota Kunsten en de Strategische Visienota Cultureel Erfgoed op eigen initiatief. In dit advies anticipeerde de raad op beide visienota’s, waarvan de Strategische Visienota Kunsten nu voorligt, door reeds in het voorbereidingstraject een aantal aanbevelingen en aandachtspunten te formuleren ten behoeve van een onderbouwde strategische langetermijnvisie voor de kunsten- en cultureelerfgoedsector. Het stemt de sectorraad dan ook tevreden te vernemen dat deze aanbevelingen mee in beschouwing genomen werden door minister-president Jambon bij het opmaken van de Strategische Visienota Kunsten, zoals vermeld tijdens de bespreking van de visienota in de Commissie Cultuur, Jeugd, Sport en Media van het Vlaams Parlement op 16 april 2020. 1
Art. 7, § 4 Decreet 13 december 2013 betreffende de ondersteuning van de professionele kunsten (hierna: Kunstendecreet).
Advies bij de Strategische Visienota Kunsten 30 april 2020
1
Advies i.
Algemene opmerkingen
De huidige particuliere omstandigheden en uitdagingen ten gevolge van de coronacrisis vragen de aandacht van de SARC in dit advies. De Strategische Visienota Kunsten verscheen op een moment van ingrijpende maatschappelijke veranderingen en grote onzekerheid. De raad stelt dan ook vast dat de nota opgesteld is vanuit een perspectief op het kunstenlandschap zoals dit eruit zag voor de coronacrisis. De voorgestelde decretale wijzigingen en ingrepen in het kunstenveld zijn geënt op dit denkkader, namelijk een kunstenveld in balans. De verhoudingen zoals we die kenden, zijn momenteel echter zoek. In het voorwoord van de visienota wordt erkend dat de gevolgen van deze crisis nog niet ten volle in te schatten zijn en we deze nog lang met ons zullen meedragen. De gevolgen monitoren en inschatten zal echter niet volstaan, aangezien in de nabije toekomst het landschap opnieuw opgebouwd moet worden en de zorg voor het ecosysteem een absolute prioriteit zal zijn. Hoe zal de strategische beleidsvisie in deze nota zich daartoe verhouden en hoe zullen de gevolgen van deze gezondheids- en economische crisis interfereren met de voorziene en gedegen uitrol van de Strategische Visienota Kunsten? De SARC pleit er nadrukkelijk voor om gaandeweg, door middel van participatieve trajecten, samen met de sector dit nieuwe landschap te leren kennen en vatten en om gedurende dit ongetwijfeld bijzondere gewaarwordingsproces geen ingrijpende veranderingen door te voeren in de sector – gestoeld op aannames die sinds korte tijd tot het verleden behoren. De beleidsfocus zou momenteel prioritair moeten liggen bij het redden van deze gehavende sector. De SARC verzoekt de minister-president bijgevolg om een herschrijving van het decreet niet aan te vatten voor de impact van de huidige crisis zich duidelijker aftekent en men een beter zicht heeft op de (potentiële) gevolgen. Het advies dat hierna volgt, dient dan ook in het licht van deze crisis beschouwd te worden: het is voorwaardelijk en slechts relevant voor een situatie die momenteel niet langer tot de realiteit behoort.
ii. ii.1
Puntsgewijze opmerkingen Het duurzame en dynamische kunstenlandschap: meerstemmigheid in alle opzichten
Een dynamisch kunstenlandschap waarin mogelijkheden gecreëerd worden voor nieuwe, jonge of startende initiatieven is een krachtig voornemen en ziet de raad als een positieve doelstelling voor het beleid. Daarbij primair uitgaan van de artistieke kwaliteit van het initiatief, mag echter niet verhinderen dat men ook durft geloven in initiatieven die nog niet ten volle ontwikkeld zijn en men kansen wil geven aan jonge makers op basis van het geloof in hun kunnen of de noodzakelijkheid van het artistieke werk, onder meer door het adresseren van een lacune of opportuniteit in het ecosysteem.
Advies bij de Strategische Visienota Kunsten 30 april 2020
2
In de visienota wordt niet helemaal duidelijk wat een ‘herijking van het gesubsidieerde kunstenlandschap’ precies zal inhouden. Deze beperkte, niettemin potentieel impactvolle passage in de visienota roept een aantal vragen op: door wie en op welk punt in de beoordeling zal deze herijking waarvan sprake gebeuren en hoe zal deze nieuwe maatstaf er dan uit gaan zien? Wat is het precieze doel en binnen welke financiële kaders dient het te gebeuren? Men dient ervoor te zorgen dat een ‘herijking’ onder geen beding een voorafname wordt op besluiten die genomen moeten worden in de beoordelingsronde. Ook over de zogenaamde ‘zorgwekkende tendensen binnen het internationale veld’ blijft de nota aan de oppervlakte: over welke tendensen heeft men het en hoe zullen deze aangepakt worden? De raad pleit daarom voor een ‘verrijking’ in plaats van een ‘herijking’, die overigens gemotiveerd moet zijn vanuit een zorg voor een (her)dynamiseren van het landschap en in nauw overleg met de sector gestalte zou moeten krijgen. De ruime aandacht voor meerstemmigheid en de daaruit voortvloeiende vrijheid van expressie wordt door de raad zeer positief onthaald. Een forum bieden aan verschillende stemmen en perspectieven moet volgens de raad nagestreefd worden aan de vraag- en aanbodzijde, maar moet ook gestimuleerd worden op het inhoudelijke niveau. Naast de aandacht voor meerstemmigheid binnen het kunstenveld zelf, kan ook het bruggen bouwen vanuit en naar andere sectoren – denk aan onderwijs, toerisme, innovatie, economie,… – onder deze noemer ressorteren en een verrijking betekenen voor de betrokken actoren en sectoren. De sectorraad wil desondanks een kanttekening maken bij meerstemmigheid als een beoordelingscriterium: hoe zal men bepalen welke stemmen aan bod moeten komen? Hoe tracht men dit afdwingbaar te maken en op welke manier nodigt men het werkveld uit om dit in handen te nemen? Een top-down benadering en aanpak lijkt de raad voor de realisatie van deze ambitie niet aangewezen.
ii.2
Een vierledige structuur binnen het ecosysteem
In de strategische visienota kondigt de minister een hervorming van het Kunstendecreet aan: het introduceren van een vierledige structuur in het gesubsidieerd kunstenlandschap zal een verstarring van de sector – die in het huidige systeem op een plafond lijkt te botsen – tegengaan en de blijvende druk op de Vlaamse overheidsmiddelen doen afnemen. Deze hervorming leest als een gelijkschakeling van de structuren van het Kunstendecreet en het Cultureel Erfgoeddecreet en bouwt voort op de bestaande instrumenten, maar kondigt een aantal vernieuwingen voor het kunstenveld aan. Zo zullen de projectmatige subsidies gevat worden door het concept van de ‘dynamische ruimte’ en zal een beperkt aantal organisaties uit het brede veld op een stabieler subsidieperspectief kunnen rekenen dankzij de totstandkoming van de Kerninstellingen. De sectorraad vindt het – nog meer gezien de huidige omstandigheden – noodzakelijk om te wijzen op de financiële impact van deze ambitieuze, nieuwe structuur voor het kunstenlandschap. Een decretale verankering van de ‘dynamische ruimte’ draagt een potentiële verduurzaming van het kunstenveld in zich, maar kiezen voor projectmatig werken, zou de aanvrager echter niet mogen verplichten om gedurende vijf jaar enkel en alleen in de dynamische ruimte te opereren. De raad vraagt om de instroom in het werkveld niet proberen te beperken, maar de veelheid aan initiatieven eerder als een troef van het Vlaamse kunstenlandschap te beschouwen. Inzake een fondsmatige aanpak voor de dynamische ruimte meent de raad dat dit geen gunstig model is in een context van herstel van het kunstenlandschap. Advies bij de Strategische Visienota Kunsten 30 april 2020
3
Men dient een mogelijkheid te blijven voorzien om een instap te maken in het brede veld en zo nieuwe initiatieven en organisaties vorm te laten krijgen en structureel te ondersteunen. Wanneer de drempel – en dus het eisenpakket – om toe te treden tot het brede veld te hoog ligt, zal dit als gevolg hebben dat kunstenaars in de toekomst minder vaak eigen structuren zullen uitbouwen, waar de creativiteit nochtans optimale kansen krijgt om te gedijen en groeien. Kleinschalige en wendbare organisatievormen – denk daarbij bijvoorbeeld aan de alternatieve managementbureaus zoals die in de niet-klassieke muzieksector – komen op die manier onder druk te staan, terwijl deze net een belangrijk deel uitmaken van de artistieke kracht en productie in Vlaanderen. Het niet langer kunnen combineren van een werkingssubsidie met een projectsubsidie ziet de raad als een potentiële bedreiging voor een beweeglijke en ondernemende manier van omgaan met ad hoc ontwikkelingen en opportuniteiten voor de organisaties uit het brede veld. De raad pleit – gezien de verwevenheid van beide subsidie-instrumenten in de praktijk – voor een denkoefening rond uitzonderingen, alternatieven inzake internationale projectkansen of andere opportuniteiten die niet steeds in een meerjarig plan vervat kunnen worden. Een beleidsinstrument dat de opstart en uitbouw van een structurele werking op langere termijn ondersteunt is daarom noodzakelijk. Het onderverdelen van de projectsubsidiemiddelen in twee groepen kan een uitkomst bieden: een deel voor organisaties die niet structureel ondersteund worden en een deel voor de organisaties die wel kunnen rekenen op een werkingssubsidie. De sectorraad meent dat de meerwaarde van de Kerninstellingen verder uitgewerkt en gemotiveerd dient te worden. In verband met de beheersovereenkomst die de Vlaamse overheid zal afsluiten met de Kern- en Kunstinstellingen, wordt de ontwikkeling van een gestandaardiseerde overeenkomst en uniforme werkwijze gevraagd, gekoppeld aan ruimte voor de specificiteit en individualiteit van de organisatie. De raad wil in deze context benadrukken dat de autonomie van de culturele sector te allen tijde gevrijwaard dient te worden. Ondanks de beheersovereenkomst moet men blijvend kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen en ruimte creëren voor experiment. Indien de nieuwe categorie van de Kerninstellingen geïntroduceerd wordt in een context van een gesloten subsidie enveloppe, vreest de raad negatieve gevolgen en een mogelijke kaalslag voor de organisaties uit het brede veld, wat niet het doel kan zijn van een hervorming van het decreet.
Talentontwikkeling en groeimogelijkheden voor de individuele kunstenaar lijken in de visienota voornamelijk een verantwoordelijkheid voor het brede veld en de instellingen te worden. De sectorraad merkt op dat dit niet uitsluitend een eenrichtingsverkeer mag zijn waarbij organisaties een kunstenaar steunen op basis van de aansluiting bij de werking van de organisatie. Ook zouden er kansen ontwikkeld moeten worden op maat van de kunstenaar en dus niet louter op maat van de instelling. In de visienota komt de rol van de bovenbouworganisaties kort ter sprake. De minister neemt zich voor om verder te bouwen op de Aanbevelingen voor een vernetwerkte Bovenbouw Cultuur (Van Dyck en Larock, 2017), met als doel een efficiëntere werking en het beter aansluiten van de bovenbouw bij de beleidsprioriteiten, als bij de werking van de sector en het departement. De raad ziet hierin een kans voor een grondige bijsturing van de eerste efficiëntie-oefening. In bovengenoemd rapport wordt immers aanbevolen een expertisenetwerk op te richten voor het lokaal en bovenlokaal cultureel werk, waaraan het bevorderen van de complementariteit tussen de verschillende beleidsniveaus en het versterken van het (boven)lokaal cultureel werk als basisopdrachten kunnen toegewezen worden. Advies bij de Strategische Visienota Kunsten 30 april 2020
4
ii.3
Uniciteit en landschapszorg
De sectorraad onthaalt de grote mate van aandacht voor landschapszorg in de visienota zeer positief en verzoekt aansluitend dat het uittekenen en inpassen van een methode rond deze zorg in de beoordelingsprocedure een verantwoordelijkheid van de Adviescommissie Kunsten zou worden, aangezien deze commissie reeds alle procedurele en methodologische zaken overschouwt. Ook het voornemen rond een gedegen regionale spreiding kadert binnen deze landschapszorg en ervaart de raad als uiterst belangrijk. Streven naar complementariteit van het lokale en Vlaamse beleid is cruciaal in deze context. De uniciteit en positionering van iedere speler binnen het kunstenecosysteem als een essentieel uitgangspunt om de verhoudingen en meerwaardecreatie binnen het volledige landschap te kunnen inschatten, noopt echter tot de volgende bedenkingen: op welke manier wordt het begrip ‘uniciteit’ gedefinieerd? Indien uniciteit als een voorzieningenbeleid geïnterpreteerd wordt, zal dit een aanzienlijk effect teweeg brengen op de organisatietypes waarvan er meerdere in hun soort zijn. Op welke manier zal deze uniciteit zich verhouden tot andere ambities in de visienota, zoals de herijking van het gesubsidieerde kunstenlandschap en de landschapszorg? Op het vlak van de infrastructuur ziet de raad veel potentieel in het integraal in kaart brengen van de (boven)lokale culturele infrastructuur en wordt verzocht dat de kunstensector nauw betrokken zal worden bij het benoemen van de infrastructurele noden en troeven in Vlaanderen. De rol van de cultuurcentra dient hierin maximaal erkend en benut te worden. Daarnaast wil de sectorraad inzake infrastructuur opnieuw oproepen verdere stappen te nemen richting een duidelijke scheiding van financiële stromen inzake de werkingsmiddelen binnen het Kunstendecreet. Ook betreffende het onderhoud van de infrastructuur moet voorkomen worden dat men deze werkingsmiddelen of investeringsmiddelen vanuit het Fonds Culturele Infrastructuur daartoe zou aanwenden. Het opstellen van infrastructurele beheers- en masterplannen zal bijdragen aan een gedegen overzicht van de infrastructurele behoeftes.
ii.4
De individuele kunstenaar als hoeksteen in het landschap
De SARC steunt de doelstellingen van de minister inzake de fair practices en fair pay, maar vraagt aandacht voor de particuliere omstandigheden in de verschillende subsectoren. Inzake de leidraad cultural governance die momenteel wordt herzien, hoopt de raad dat de sector betrokken wordt in de discussie over de manier waarop de bestuurscode zal ontworpen en geïmplementeerd worden. Daarnaast vraagt de raad om de sector te ondersteunen in de uitvoering ervan. Zoals eerder opgemerkt onder ii.2 wordt de zorg en aandacht voor de individuele kunstenaar positief onthaald, maar vraagt men om niet uitsluitend via de dynamische ruimte en de samenwerking met de Kunst- en Kerninstellingen in te zetten op de artistieke ontwikkeling van de kunstenaar. Ook via een structurele subsidiëring worden meerdere individuele kunstenaars bereikt en (zakelijk) ondersteund. De raad pleit ervoor om een dergelijke zakelijke omkadering als hefboom voor de kunstenaar te blijven voorzien in het brede veld en de dynamische ruimte.
Advies bij de Strategische Visienota Kunsten 30 april 2020
5
ii.5
Excelleren in innovatie en meesterschap
De visienota benadrukt het belang van de complementariteit van de kunsten- en erfgoedsectoren, maar de sectorraad waarschuwt voor een te sterke instrumentalisering van het erfgoed in het zich hybridiserende cultuurlandschap. De raad roept op om de eigenheid, de autonomie en de eigen dynamiek en werkwijzen van beide disciplines blijvend te erkennen en respecteren. Zo speelt het wetenschappelijk onderzoek voor beide sectoren een belangrijke rol, maar gelden voor de kunstensector zeker ook andere onderzoeksdisciplines als bepalend en richtinggevend voor de praktijk.
ii.6
Internationalisering
De uitgebreide aandacht voor de internationale ambities, kruisbestuiving en uitstraling van het Vlaamse kunstenlandschap kan op een grote waardering rekenen binnen de sectorraad. Men vraagt om op dit vlak ook kansen te bieden aan kleine spelers en individuen en de ondersteunende rol van de bovenbouworganisaties daarin te erkennen. Internationalisering wordt door de leden van de raad beschouwd als een traject waar men bewust voor kiest, en niet uitsluitend als een eindpunt van een excellent dossier. De ondersteuning van Vlaamse kunstenaars en organisaties voor productie en presentatie in het buitenland wordt niet structureel georganiseerd. Dit blijkt een missende schakel te zijn in de visienota: de grote aandacht voor internationalisering gaat niet gepaard met een koppeling aan de gepaste beleidsinstrumenten om deze ambitie te realiseren. De raad kijkt in deze context ook uit naar de nota rond het strategisch internationaal cultuurbeleid die momenteel in voorbereiding is.
ii.7
Het ondernemerschap in de kunstensector stimuleren
Dit hoofdstuk sluit nauw aan bij voorgaande elementen, zoals de aandacht voor de individuele kunstenaar en de passende zorg voor een zakelijke omkadering en ondersteuning. In dit kader wordt de tax shelter ter sprake gebracht, waarover de raad uitdrukkelijk wil vermelden dat vanuit de praktijk dit systeem onder druk blijkt te staan – te meer in de huidige crisissituatie – en een verduurzaming zich opdringt. Inzake het marktconform werken erkent de sectorraad dat de subsidiëring van bepaalde spelers voor een discrepantie kan zorgen tussen de mogelijkheden van het gesubsidieerde en niet-gesubsidieerde veld. Dit noopt tot nader onderzoek naar potentiële ongewenste effecten. Desondanks mag het marktconform werken niet geïnterpreteerd worden als een louter commercieel werken. Subsidiëring moet voornamelijk als een faciliterend en democratiserend instrument beschouwd worden, waardoor kunst en cultuur bepaalde doel- en kansengroepen (beter) kunnen bereiken.
ii.8
Kunst als gemeenschapsvormende hefboom
De SARC waardeert de uitgebreide belangstelling en ambities voor de sociale cohesie, maatschappelijke uitdagingen en de rol die kunst daarin speelt en kan spelen. Zo wordt uitdrukkelijk de permanente zorg van het beleid voor het stimuleren van de samenwerking en afstemming tussen Advies bij de Strategische Visienota Kunsten 30 april 2020
6
de professionele kunstenaar, de professionele kunstenorganisaties, de amateurkunstenaars, het Deeltijds Kunstonderwijs en het sociaal-cultureel volwassenenwerk vermeld. De verbinding met het jeugdwerk mag in deze context zeker niet ontbreken. Allen dragen ze bij aan een laagdrempelige spreiding van kunst en cultuur en spelen ze een verbindende rol op het lokale niveau. De cultuur- en gemeenschapscentra speelden in het verleden in deze context reeds een belangrijke netwerkrol en koesteren grote ambities voor de toekomst als een ontmoetingsplaats voor deze verschillende spelers. De speciale aandacht die in dit hoofdstuk uitgaat naar bevolkingsgroepen die momenteel nog te grote drempels ondervinden om te participeren in het kunst- en cultuuraanbod kan op grote waardering rekenen van de SARC. De raad ziet in de hierboven besproken verwevenheid van sectoren en actoren dan ook bijzondere kansen om de veilige ontmoetingsplekken – waarvan sprake in de visienota – tot stand te brengen. De functie participatie is waardevol voor het gehele kunstenveld en draagt onmiskenbaar bij aan de hefboomfunctie van diversiteit in de sector. De nadrukkelijke vermelding van kwalitatieve producties en activiteiten voor kinderen en jongeren in de visienota wordt tevens zeer positief onthaald in de raad. Echter, het kunsteducatieve veld is een complex amalgaam van gesubsidieerde en niet-gesubsidieerde spelers en het beleid rond participatie, kunst-, erfgoed- en cultuureducatie en -bemiddeling is momenteel versnipperd georganiseerd in verschillende decreten en fondsen. De raad roept daarom op om werk te maken van een overkoepelende visie en een gestructureerd beleid, en vraagt een grondige evaluatie van Cultuur in de Spiegel als leidend instrument binnen het onderwijs. Schoolprogrammatie is namelijk een elementaire poot binnen de werking van kunsteducatieve organisaties en cultuurcentra. Ze investeren heel secuur in de professionele toeleiding, educatie en omkadering. Een betere afstemming met de eindtermen in het onderwijs is noodzakelijk.
ii.9
Planlastvermindering, administratieve vereenvoudiging en digitalisering
Inzake de planlastvermindering ondersteunt de sectorraad de ambitie van de minister-president om een lichtere en vereenvoudigde aanvraagprocedure tot stand te brengen. Dit voornemen is zowel van belang voor de organisaties die een subsidieaanvraag indienen, de commissie die de aanvraag beoordeelt, als voor de medewerkers van het Departement Cultuur, Jeugd en Media. Rond het verminderen van de administratieve lasten werd in het verleden meermaals een intentie geformuleerd, maar kon het werkveld hier nog maar zelden een effect van ondervinden of de vruchten van plukken. Bij de ontwikkeling van een vereenvoudigde aanvraagprocedure dient men op te letten voor een te generieke vraagstelling, wat een accurate beschrijving van de werking van bepaalde subsectoren zou kunnen belemmeren. Op het vlak van technologie en digitale innovatie beaamt de raad volmondig de noodzakelijkheid en waarde ervan. Niet zelden kwam vernieuwing in de kunsten voort uit technologische ontwikkelingen. Een toegenomen digitale distributie en digitale verkoop hebben echter een impact op de verdienmodellen en op de auteurs- en naburige rechten. Hoewel dit federale materie betreft, vraagt de sectorraad aan de Vlaamse Regering de evolutie richting een correcte regelgeving mee te ondersteunen. De huidige crisis heeft de digitalisering van de sector in een versnelling gebracht en illustreerde de flexibiliteit en creativiteit van organisaties en individuen om op de maatregelen in te spelen. De nieuwe omstandigheden en voorwaarden die gesteld zullen worden bij een heropstart van de sector vragen Advies bij de Strategische Visienota Kunsten 30 april 2020
7
echter om een hybride verdienmodel waarin fysieke en digitale aspecten gecombineerd kunnen worden. De raad wil daarom wijzen op het belang van digitalisering op maat van de sector, want tegelijkertijd botst men in deze crisis ook op de grenzen van een doorgedreven digitale omschakeling.
ii.10 Aandachtspunten beoordeling De sectorraad is tevreden met de concrete en objectieve formulering van de aandachtspunten voor de beoordeling van de subsidieaanvragen. Men verzoekt om duidelijk het onderscheid met de beoordelingscriteria aan te geven en helder te communiceren rond de plaats en relevantie van de aandachtspunten, namelijk op het einde van de beoordelingsprocedure met als doel de dossiers finaal te rangschikken. De raad vraagt om lessen te trekken uit de erfgoedronde, waar de aandachtspunten geleid hebben tot een vertaling in de ambities van de aanvragers en uiteindelijke beheersovereenkomsten met de betoelaagde organisaties, maar uiteindelijk losgekoppeld werden van de budgettaire oefening. De sectorraad vraagt daarom nadrukkelijk aandacht voor het spanningsveld dat kan ontstaan tussen de beoordelingscriteria en de aandachtspunten.
Conclusie De Sectorraad Kunsten en Erfgoed van de Strategische Adviesraad voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media brengt in samenwerking met de Algemene Raad op vraag van minister-president Jan Jambon advies uit bij de Strategische Visienota Kunsten. Bij wijze van algemene beschouwing vraagt de SARC aandacht voor de impact op het kunstenlandschap ten gevolge van de coronacrisis. Een herschrijving van het decreet wordt ten sterkste afgeraden tot de gevolgen voor de sector zich duidelijk aftekenen en de impact ervan helder in kaart gebracht kan worden. De raad beschouwt deze verheldering en een dialoog met de sector en de SARC als belangrijke voorwaarden voor een (verdere) uitrol van de visienota. Het is noodzakelijk de budgetten te vrijwaren ten behoeve van de noden die de huidige crisis met zich meebrengt. Dit advies moet bijgevolg als voorwaardelijk beschouwd worden, en daarom enkel van toepassing op het Vlaamse kunstenlandschap zoals men het voor de crisis kende. De raad waardeert in de strategische visienota de ruime aandacht voor meerstemmigheid, landschapszorg en infrastructuur, zorg en aandacht voor de individuele kunstenaar, de complementariteit van de kunsten- en erfgoedsectoren mits respect voor de eigenheid van beide disciplines, maar ook internationalisering en een uitgebreide belangstelling voor de sociale cohesie, maatschappelijke uitdagingen en de rol die kunst daarin speelt en kan spelen gekoppeld aan expliciete aandacht voor kinderen en jongeren. Anderzijds slaagt de visienota er niet in om duidelijkheid te scheppen rond de definiĂŤring van het gehanteerde begrippenkader en de nieuw geĂŻntroduceerde concepten, noch rond de implementatie van bepaalde strategische beleidslijnen:
Advies bij de Strategische Visienota Kunsten 30 april 2020
8
-
-
-
-
-
Zo kwam uit de nota niet helder naar voor hoe een herijking van het gesubsidieerde kunstenlandschap vorm zal krijgen of binnen welke financiële kaders dit zal plaatsgrijpen. De raad pleit voor een ‘verrijking’ in plaats van een ‘herijking’, die overigens gemotiveerd moet zijn vanuit een zorg voor een (her)dynamiseren van het landschap en in nauw overleg met de sector gestalte zou moeten krijgen; In de voorgestelde hervorming van het Kunstendecreet en het introduceren van een vierledige structuur ziet de raad een mogelijke hypothekering van het brede veld indien de categorie Kerninstellingen binnen een gesloten enveloppe geïntroduceerd wordt; Concrete beleidsinstrumenten om de ruime aandacht voor internationalisering te realiseren, ontbreken; Het beleid rond participatie, kunst-, erfgoed- en cultuureducatie en -bemiddeling is momenteel versnipperd georganiseerd in verschillende decreten en fondsen. De raad roept op om werk te maken van een overkoepelende visie en een gestructureerd beleid; De huidige crisis bracht een versnelde digitale omslag teweeg in de sector waardoor de nood aan een hybride verdienmodel zich aftekent. Digitalisering op maat van de sector is een prioriteit; Inzake de aandachtspunten voor de beoordeling vraagt de raad om een duidelijk onderscheid te maken met de beoordelingscriteria en om lessen te trekken uit de erfgoedronde, waar de aandachtspunten werden losgekoppeld van de budgettaire oefening.
Namens de Sectorraad Kunsten en Erfgoed,
Namens de Algemene Raad,
Herman Baeten, voorzitter Jorijn Neyrinck, ondervoorzitter Laura Van Wijnsberghe, secretaris
Luk Verschueren, algemeen voorzitter Bart Dierick, algemeen secretaris
Advies bij de Strategische Visienota Kunsten 30 april 2020
9