Skip to main content

Indicatorenboek_2007.pdf

Page 1

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07


2

COLOFON Het Vlaams Indicatorenboek 2007 is een uitgave van het Steunpunt O&O Indicatoren in opdracht van de Vlaamse minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel. Hoofdredactie:

Prof. Dr. Ir. Koenraad Debackere Prof. Dr. Reinhilde Veugelers (Steunpunt O&O Indicatoren)

ISSN:

1374-6294

Coรถrdinatie en tekstaanpassing:

Dani Vandepoel

Lay-out en druk:

Altera Grafische Vormgeving, Heverlee Drukkerij Van Der Poorten, Kessel-Lo

Copyright 2007

Vlaamse Overheid Koning Albert II-laan 35, bus 10 B-1030 Brussel


3

I N H O U D S O P G AV E COLOFON

2

WOORD VOORAF

8

BIJ WIJZE VAN INLEIDING …

9

HOOFDSTUK 1: HET VLAAMS WT&I - SYSTEEM: EEN OVERZICHT EN EEN BESPREKING

11

1.1

Vlaanderen: enkele kerncijfers

13

1.2

De actoren in het Vlaams WT&I-systeem

18

1.2.1

De universiteiten

18

1.2.2

De Vlaamse onderzoeksinstellingen

19

1.2.3

De collectieve centra

20

1.2.4

De bedrijven

20

1.2.5

De hogescholen

20

1.2.6

De herverdelende mechanismen: IWT-Vlaanderen, FWO-Vlaanderen, 20

Het departement Economie, Wetenschap en Innovatie

22

1.2.8

De Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid

23

1.2.9

De adviesorganen

23

1.2.10 De Steunpunten Beleidsrelevant Onderzoek

24

1.2.11 Specifieke acties naar technologietransfer en diffusie

24

1.2.12 Sensibilisering

25

Conclusie

25 25

Noten

HOOFDSTUK 2: HET MENSELIJKE POTENTIEEL IN WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE IN VLAANDEREN

27

2.1

Inleiding

28

2.2

Instroom en participatie: kwantificatie en stratificatie

28

2.3

Overzicht van de uitgereikte diploma’s

34

2.4

Internationale vergelijking

42

2.5

Doctoreren aan Vlaamse universiteiten

44

2.5.1

Beschrijving populatie junior onderzoeker

44

2.5.2

Leiden meer afgestudeerden tot meer vorsers en tot meer doctoraten?

45

2.5.3

Doctoraatsefficiëntie: bepalende parameters

46

2.5.4

Duur van het doctoraatsproces

48

2.5.5

Doorstroom van junior naar senior - omkadering

48

2.6

Besluit

50

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 0 0 7 I N H O U D S O P G AV E

1.3

Hercules en BOF 1.2.7


4

HOOFDSTUK 3: O&O-ACTIVITEITEN VAN DE VLAAMSE BEDRIJVEN

51

3.1

Inleiding

52

3.2

Methodologie

52

3.2.1

Populatie

52

3.2.2

Definities

53

3.2.3

Schattingen: inter- en extrapolatie

53

3.3

3.4

3.5

Gerapporteerde resultaten

54

3.3.1

Responsgraad

54

3.3.2

Intramurale O&O-uitgaven

54

3.3.3

O&O-personeel in voltijdse equivalenten

56

3.3.4

O&O-intensiteit

56

Totale resultaten

58

3.4.1

Totale O&O-cijfers

58

3.4.2

Historische evolutie van de O&O-uitgaven van Vlaamse bedrijven

62

3.4.3

Evolutie van de O&O-uitgaven bij bedrijven als % van BBP

62

Conclusie

Bijlage 1: Overzicht van de definities die gebruikt werden in de O&O-enquête 2006

63 63

Bijlage 2: Belangrijkste etappes van de schattingsmethodologie van de O&O-gegevens bij de bedrijven

64

Bijlage 3: de NACE-BEL classificatie

66

Bijlage 4: TOP50-bedrijven

67

HOOFDSTUK 4: ONDERZOEK EN ONTWIKKELING BINNEN DE NON-PROFIT SECTOR

69

4.1

Inleiding

70

4.2

Het O&O-personeel geanalyseerd

71

4.3

De O&O-uitgaven geanalyseerd

75

4.4

Internationale vergelijking

79

4.5

Besluit

83

HOOFDSTUK 5 - DEEL 1: DE TOTALE O&O-UITGAVEN IN VLAANDEREN: GERD

85

5.1

De gebruikte indicatoren

86

5.2

GERD per uitvoeringssector

87

5.3

O&O-intensiteit: GERD als % van het BBRP voor Vlaanderen

89

5.4

Een internationale vergelijking

89

5.5

Conclusies

90

5.6

APPENDIX: Overzicht van de Collectieve Onderzoekscentra (BERD Collectieve Centra), Publieke Onderzoekscentra (GOVERD), en Particuliere Non-profit Instellingen (PNP)

HOOFDSTUK 5 - DEEL 2: HET TOTALE O&O-PERSONEEL BINNEN VLAANDEREN

91

93

5.1

Totaalbeeld en internationale vergelijking

94

5.2

Besluit

98


5

HOOFDSTUK 6: DE OVERHEIDSKREDIETEN VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE IN VLAANDEREN

99

6.1

Inleiding

100

6.2

Vlaamse overheidskredieten voor wetenschap, technologie en innovatie

101

6.3

Overheidskredieten voor de Vlaamse universiteiten

103

6.4

Besteding van de middelen verdeeld via het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO-Vlaanderen)

105

6.5

Overheidskredieten voor industrieel onderzoek

108

6.6

Besteding van de middelen verdeeld via het instituut voor de aanmoediging van Innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen (IWT-Vlaanderen)

108

6.7

O&O-input voor de Vlaamse onderzoeksinstellingen IMEC, VITO, VIB en IBBT

109

6.8

O&O-input voor de Vlaamse wetenschappelijke instellingen

111

6.9

O&O-uitgaven in de publieke sector in Vlaanderen: een internationale vergelijking

111

6.10 Referenties

HOOFDSTUK 7: INNOVATIE-INSPANNINGEN VAN VLAAMSE ONDERNEMINGEN: KERNRESULTATEN VAN DE CIS-4 ENQUĂŠTE

115

117

7.1

Inleiding

118

7.2

Methodologie

118

7.3

Analyse

119

7.4

Profiel van de respondenten

119

7.5

Innovatieactiviteit in Vlaanderen

119

7.5.1

De innovatieve onderneming

119

7.5.2

Ontwikkeling van nieuwe of duidelijk verbeterde producten en/of processen

120

7.5.3

Nog niet voltooide en/of stopgezette innovatieactiviteiten

120

Actoren in het innovatieproces van de onderneming

121

7.7

Innovatieactiviteiten in 2004

122

7.8

Onderzoek en ontwikkeling (O&O)

122

7.9

Publieke financiering van innovatie

122

7.10 Samenwerkingspatronen van innovatieve ondernemingen

122

7.11 Informatiebronnen

125

7.12 Resultaten van de innovatieactiviteiten

125

7.13 Belemmering van innovatieactiviteiten

125

7.14 Oorzaken van de afwezigheid van innovatieactiviteiten

126

7.15 Innovatiebelemmerende factoren

126

7.16 Bescherming van innovatie

127

7.17 Besluit

127

7.18 Referenties

128

7.19 Appendix: Sectoren (op basis van de NACE-BEL classificatie) weerhouden door Eurostat

129

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 0 0 7 I N H O U D S O P G AV E

7.6


6

HOOFDSTUK 8: BIBLIOMETRISCHE ANALYSE VAN HET VLAAMS ONDERZOEK IN DE LEVENS-, NATUUR- EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN. HET VLAAMS ONDERZOEK IN EUROPESE CONTEXT 131 8.1

Inleiding

132

8.2

Bibliometrische studies en de bibliografische gegevensbestanden van de ISI

132

8.3

Databronnen en dataverwerking

133

8.4

Bibliometrische indicatoren

134

8.5

De evolutie van de Vlaamse publicaties in de levens-, natuur- en technische wetenschappen

136

8.6

Het Vlaams publicatieprofiel in de levens-, natuur- en technische wetenschappen

139

8.7

De citatie-impact van de Vlaamse publicaties in de levens-, natuur- en technische wetenschappen

141

8.8

De internationale wetenschappelijke samenwerking van Vlaanderen

144

8.9

Slotbeschouwingen

147

8.10 Referenties

148

8.11 Bijlage

149

HOOFDSTUK 9: DE VLAAMSE TECHNOLOGIEPOSITIE: ANALYSE AAN DE HAND VAN USPTO- EN EPO-OCTROOIEN EN PCT-AANVRAGEN

151

9.1

Het belang van octrooistatistieken

152

9.2

Octrooien in België en Vlaanderen: EPO, PCT en USPTO

153

9.2.1

Belgische/Vlaamse versus buitenlandse aanvragers

156

9.2.2

Internationale vergelijking

156

9.3.

Octrooieren per type organisatie nader bekeken

158

9.3.1

159

Belangrijkste spelers

9.4.

Samenwerkingspatronen

159

9.5

Relatieve technologie-specialisatiepatronen

162

9.6

Conclusie

165

HOOFDSTUK 10: DE VLAAMSE WT&I ACTIVITEITEN IN EEN INTERNATIONALE CONTEXT

167

10.1 Inleiding

168

10.2 De Vlaamse deelname aan het Europese kaderprogramma voor onderzoek

168

10.2.1 Situering

168

10.2.2 Evolutie van de Vlaamse deelname aan de opeenvolgende kaderprogramma’s

169

10.2.3 Conclusies

173

10.3 ERA-NET

176

10.4 Vlaamse deelname in het EUREKA-programma

177

10.4.1 Inleiding

177

10.4.2 EUREKA projecten

177

10.4.3 Verleende steun aan Vlaamse deelnemers in EUREKA (2000 – 2005).

178

10.4.4 Situering in internationale context.

179

10.5 Conclusie

181


7

HOOFDSTUK 11: CONCLUSIES EN NABESCHOUWINGEN

183

11.1 Uitgaven voor O&O

184

11.2 Opleidingen

185

11.3 Resultaten: publicaties, programmadeelname en octrooien

186

11.4 Ter afronding

187

HOOFDSTUK 12: DE 11 VLAAMSE KERNINDICATOREN VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE

189

Kernindicator 1

O&O-intensiteit: GERD als % van BBPR

190

Kernindicator 2

Overheidskredieten voor O&O als % van het BBPR

193

Kernindicator 3

Totaal O&O-personeel in % van de beroepsbevolking

195

Kernindicator 4

Nieuwe w&t-gediplomeerden (t.o.v. leeftijdsgroep 20-29 jaar)

197

Kernindicator 5

Totaal aantal innoverende bedrijven (in % van aantal bedrijven in de industrie- en dienstensector)

199

Kernindicator 6

Investeringen in risicokapitaal (‘Venture Capital’)

200

Kernindicator 7

Aantal aangevraagde EPO-octrooien met uitvinder van betreffend land of regio/per miljoen inwoners

Kernindicator 8

Aandeel van innovatieve producten in de omzet (nieuwe producten in % van de totale omzet van de industriële en dienstenbedrijven)

Kernindicator 9

205 207

Tewerkstellingsgraad in medium hightech en hightech industrie en diensten als % van de totale beroepsbevolking

210

Kernindicator 10

Groei van het Bruto Binnenlands Product per Regio (BBPR)

211

Kernindicator 11

Exportaandeel van de hightech sectoren in Vlaanderen

213

Extra indicator

Fiscale maatregelen voor O&O

214

DOSSIERS

217 218

Dossier 2: Vlaamse deelname aan grootschalige internationale onderzoeksinfrastructuur

225

Dossier 3: Technologie en innovatie in Vlaanderen: Prioriteiten

229

Dossier 4: Samenwerking Universiteiten en Bedrijven: Een studie van de internationale literatuur

235

Dossier 5: Vlaamse Innovatie-Samenwerkingsverbanden - VIS

240

AUTEURSLIJST

245

LIJST VAN VOORNAAMSTE AFKORTINGEN

246

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 0 0 7 I N H O U D S O P G AV E

Dossier 1: Additionaliteit van O&O-subsidies in Vlaanderen


8

WOORD VOORAF De Vlaamse overheid heeft beleidsindicatoren nodig die de

Zo een indicatorensysteem omvat de kredieten en de uitgaven

ontwikkeling van het Vlaams potentieel inzake wetenschap,

voor wetenschap, technologie en innovatie van zowel de

technologie en innovatie in kaart brengen, opvolgen, onder-

overheid als van de private sector, de impact van het Vlaams

steunen en internationaal positioneren, zowel wat de geleverde

wetenschappelijk onderzoek aan de hand van bibliometrische

inspanningen als de behaalde resultaten betreft. Daarnaast moet

indicatoren, de Vlaamse technologiepositie op basis van Europese

Vlaanderen deze gegevens ook systematisch ter beschikking

en Amerikaanse octrooien, het in kaart brengen van het menselijk

stellen van supranationale instanties zoals de Organisatie voor

potentieel op vlak van wetenschap, technologie en innovatie

Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en het

evenals de opleidingsprofielen in deze kennisgenererende

statistisch bureau van de Europese Commissie (EUROSTAT).

activiteiten. Ook de deelname aan internationale programma’s,

De Europese Commissie is alvast erg overtuigd van de noodzaak

zoals de Europese kaderprogramma’s ESA en EUREKA, wordt

om de evolutie van de lidstaten voor wat betreft de investeringen

beschouwd als een belangrijke indicator om het Vlaams

in Onderzoek en Ontwikkeling, zowel op niveau van de financiële

kennisgebeuren internationaal te situeren. De verworven data

middelen als op niveau van het menselijk potentieel, op te volgen

worden maximaal uitgesplitst volgens gender. Naast het

en zo bij te dragen tot de verdere uitbouw van de Europese

aanleveren en het ontwikkelen van deze gevalideerde

onderzoeksruimte. Een instrumentarium van geijkte, valide en

indicatoren, voert het Steunpunt tevens onderzoek uit naar

betrouwbare indicatoren kan deze inspanningen opvolgen en

nieuwe en verbeterde indicatoren en indicatorensystemen.

met mekaar vergelijken. Aan de hand van deze indicatoren wordt sinds 2003 tweejaarlijks De beschikbaarheid van voldoende financiële middelen voor

een Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie en

onderzoek en ontwikkeling is een eerste noodzakelijke

Innovatie samengesteld. Het Steunpunt staat in voor de

voorwaarde om een competitief wetenschaps- en technologisch

coördinatie en de aanmaak. De vorige edities verschenen in

innovatiebeleid te voeren en uit te bouwen. De ontwikkeling

1999, 2003 en 2005. Dankzij de samenwerking tussen de

van instrumenten om het effect van deze inspanningen te

onderzoekers van het Steunpunt, de verschillende bevoegde

kunnen inschatten, onder meer aan de hand van geijkte

administraties en de Vlaamse openbare instellingen beschikken

outputindicatoren in een internationaal vergelijkbare context,

we vandaag met het Vlaams Indicatorenboek Wetenschap,

is een tweede voorwaarde. Naarmate onderzoek en innovatie

Technologie en Innovatie 2007 over een gamma aan indicatoren

belangrijker worden voor de samenleving, is de studie ervan

die het mogelijk maken om het Vlaams beleid inzake wetenschap,

uitgegroeid tot een afzonderlijke wetenschappelijke discipline.

technologie en innovatie op een periodieke basis in kaart te

Het ontwikkelen van kwantitatieve methoden om onderzoeks-

brengen en op te volgen in een internationaal perspectief.

prestaties en -realisaties in kaart te brengen, is daar een belangrijk onderdeel van.

De gegevensbestanden over de verschillende aspecten van het Vlaams potentieel inzake onderzoek en ontwikkeling zijn vanaf

Om haar beleid op een adequate manier te ondersteunen,

nu - met respect voor de intellectuele eigendomsrechten -

besliste de Vlaamse overheid in 2001 tot de oprichting van een

beschikbaar voor al wie betrokken is bij het Vlaams

steunpunt voor beleidsrelevant onderzoek “O&O Statistieken”

wetenschaps- en technologisch innovatiebeleid.

dat operationeel werd in 2002 en dat in 2007 werd omgevormd tot een interuniversitair steunpunt voor beleidsrelevant onderzoek “O&O Indicatoren”. Het Steunpunt “O&O Indicatoren” levert gegevens aan die gebruikt worden om punctuele beleidsvragen

Fientje Moerman

te beantwoorden. Het heeft ook de opdracht gekregen om een systeem van indicatoren op te bouwen dat de omvang en de

Viceminister-president van de Vlaamse Regering

internationale positie van het Vlaams potentieel inzake

Vlaams minister van Economie, Ondernemen,

onderzoek, ontwikkeling en innovatie in kaart moet brengen.

Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel


9

BIJ WIJZE VAN INLEIDING … Wetenschap, technologie en innovatie worden onmiskenbaar

Uiteraard kan dergelijk Indicatorenboek slechts tot stand

de voornaamste hefbomen tot economische welvaart en sociaal

komen dankzij de bundeling van de inspanningen van vele

welzijn in de kenniseconomie van dit nieuwe millennium.

enthousiaste medewerkers. De redactie en het schrijven van dit

De Vlaamse overheid heeft dan ook, naarmate ze door de

boek kwam dan ook tot stand onder impuls van een werkgroep

regionalisering van de Belgische Staat over meer bevoegdheden

van experten behorend tot de verschillende beleidsactoren uit

inzake wetenschaps-, technologie- en innovatiebeleid beschikte,

het Vlaams Innovatiesysteem, die de staf van het Steunpunt

veel aandacht besteed aan de verdere ontwikkeling van de

O&O Indicatoren van de Vlaamse overheid bijstond in zijn

kwaliteit en de slagkracht van het Vlaams wetenschaps-,

opdracht dit Indicatorenboek te ontwikkelen. Elk van hen droeg

technologie- en innovatiesysteem. Het brede spectrum van

bij tot de conceptie van dit werk. Wij willen hen dan ook van

wetenschappelijk en technologisch onderzoek werd hierbij verder

harte danken voor de constructieve samenwerking om onder

vervolledigd met maatregelen om het innovatievermogen van

hoge tijdsdruk dit document af te werken:

ondernemingen te verhogen, om de kleine en middelgrote ondernemingen meer innovatiekansen te bieden, en om het

• De Heer Koen Verlaeckt en Mevrouw Ingrid Reynaert van

bredere publiek dichter bij het wetenschaps- en innovatie

het Kabinet van de Vlaamse Vice-minister-president en tevens

gebeuren te betrekken.

voorzitter en ondervoorzitter van de stuurgroep van het Steunpunt O&O Indicatoren,

Het is dan ook nuttig en wenselijk om het geheel aan acties,

• Mevrouw Linda De Kock van de Administratie Hoger Onderwijs,

en hun reeds meetbare resultaten, in een coherent, regelmatig

• Mevrouw Danielle Gilliot van de Vlaamse Interuniversitaire

te verschijnen Indicatorenboek te bundelen. Dit is dan ook de doelstelling van dit werk dat de tijdsreeksen die in het Indicatorenboek 2005 verschenen, verder actualiseert en uitbreidt.

Raad, • Mevrouw Greta Vervliet en Mevrouw Pascale Dengis, Departement Economie, Wetenschap en Innovatie,

Zo wordt het mogelijk, dankzij de inspanningen die de laatste

• De Heren Eric Sleeckx en Olivier De Cock van het IWT,

jaren op het vlak van dataverzameling en regionalisering van

• De Heer Edwin Pelfrene van de Studiedienst van de Vlaamse

wetenschaps-, technologie- en innovatie indicatoren op Vlaams niveau werden geleverd, een valide en internationaal vergelijkbaar overzicht te geven van de situatie in Vlaanderen op vlak van de

Regering, • Mevrouw Daniëlle Raspoet en Mevrouw Kristien Vercoutere van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid,

bestedingen voor en de resultaten van onderzoek, ontwikkeling en innovatie.

die de nodige expert-inzichten en inbreng geleverd hebben bij het tot stand komen van de Vlaamse O&O-gegevens.

Na een overzicht van het wetenschaps-, technologie- en Daarnaast danken we tevens alle auteurs die op basis van de

actoren, programma’s en hun resultaten in de daaropvolgende

inbreng van de werkgroep, de verschillende hoofdstukken en

hoofdstukken in detail besproken en, waar mogelijk,

dossiers hebben geschreven en gedocumenteerd met relevant

internationaal vergeleken. Alsdusdanig wordt een globaal

en betrouwbaar cijfermateriaal.

overzicht bekomen van de respectievelijke actoren en hun bijdrage tot de werking van het Vlaams Innovatie Systeem.

Zonder hun gezamenlijke inspanning was dit Indicatorenboek

Aan de hand van vijf dossiers, die dit boek afsluiten, worden

nooit tot stand kunnen komen.

bovendien een aantal recente studies inzake wetenschap en innovatie samengevat die in opdracht van de Vlaamse overheid werden uitgevoerd sinds het verschijnen van de vorige editie

Prof. Koenraad Debackere en Prof. Reinhilde Veugelers

van dit Indicatorenboek. Redactie Werkgroep Vlaams Indicatorenboek Leuven, 12 september 2007

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07

innovatie-systeem in Vlaanderen, worden de verschillende


10


11

HET VLAAMS WT&I - SYSTEEM: EEN OVERZICHT EN EEN BESPREKING Door Koenraad Debackere (K.U.Leuven) en Reinhilde Veugelers (K.U.Leuven)

01


12

In dit inleidend hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven

Daarnaast zijn er specifieke overlegorganen tussen actoren,

van de voornaamste actoren in het Vlaams Wetenschap,

zoals de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) en de Vlaamse

Technologie en Innovatie (afgekort als WT&I)-systeem en van

Hogescholen Raad (Vlhora) die ook inzake WT&I-materies

hun rol hierin. Sinds het begin van de jaren 1990 heeft dit

coördinerend en adviserend optreden tussen en voor hun

Vlaams WT&I-systeem volop vorm gekregen. Als gevolg van

leden, doch wiens activiteitenspectrum uiteraard ruimer is dan

de continu voortschrijdende federalisering van België werden

enkel WT&I-materies. Tot slot vermelden we ook de Commissie

significante bevoegdheidspakketten inzake het WT&I-beleid en

voor Federale Samenwerking (de CFS) en haar werkgroep CFS-

zijn implementatie ondergebracht bij de Gewesten en

STAT die instaat voor de coördinatie en de afspraken tussen

Gemeenschappen. Bij de analyse van het Vlaamse WT&I-beleid

federale en regionale overheden inzake indicatorontwikkeling

dient men dan ook rekening te houden met de specifieke

en -implementatie.

Belgische federale staatsstructuur, die een onderscheid maakt tussen gewest- en gemeenschapsmateries. Voor wat betreft

Sinds 1995 heeft de Vlaamse overheid een uitgesproken

de betrokkenheid van de “private” sector (bedrijfssector en

stimuleringsbeleid

instellingen zonder winstoogmerk) en de Vlaamse overheid bij

De zogenaamde “inhaalbeweging” die in 1995 werd ingezet,

het “meten” van de resultaten van het WT&I-beleid, wordt het

heeft ervoor gezorgd dat sinds 1995, de Vlaamse overheids-

Vlaams Gewest als territoriale entiteit gehanteerd. Het hoger

kredieten voor Onderzoek en Ontwikkeling (verder afgekort als

onderwijs is evenwel gemeenschapsmaterie. De politieke keuze

O&O) beduidend zijn toegenomen. Dit heeft ertoe geleid dat

van de Vlaamse Gemeenschap bestaat erin de Vlaamse publieke

Vlaanderen anno 2005 een ratio van 2.09% (berekend op

middelen die worden toegekend aan onderwijsinstellingen

Gewestniveau) of 2.13% (berekend op Gemeenschapsniveau)

die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn gevestigd, bij

van het Bruto Binnenlands Product per Regio besteedt aan

Vlaanderen te tellen en dit zowel voor wat betreft de

O&O-activiteiten, waarbij deze laatste naast onderzoek en

statistieken die worden opgemaakt per financieringsbron als

ontwikkeling uiteraard ook een innovatiecomponent bevatten,

voor wat betreft deze voor de uitvoering van het onderzoek.

zoals verder zal blijken uit de verschillende hoofdstukken van

gevoerd

inzake

WT&I

activiteiten.

dit Indicatorenboek. Daarmee scoort Vlaanderen duidelijk De sleutelactoren in de conceptie en de uitvoering van dit

boven het Europees gemiddelde, al blijven er natuurlijk nog

Vlaams WT&I-beleid zijn vandaag: het departement Economie,

extra-inspanningen te leveren wil men de 3% norm halen die

Wetenschap en Innovatie (EWI), het Vlaams Instituut voor de

Europees Commissaris Busquin in 2002 heeft geïntroduceerd.

bevordering van het Wetenschappelijk-Technologisch onderzoek in de Industrie (IWT), het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek

Bij de implementatie van het Vlaams WT&I-beleid vallen volgende

Vlaanderen (FWO-Vlaanderen), de Hercules-Stichting ter

tendensen op. Ten eerste creëert het beleid aanzienlijke ruimte

financiering middelzware en zware onderzoeksapparatuur, de

voor bottom-up initiatieven. Dit zijn initiatieven die vanuit de

grote Vlaamse strategische onderzoeksinstellingen (IMEC, VITO,

onderzoekswereld (op initiatief van de vorser) of vanuit het

VIB en IBBT), de Vlaamse universiteiten en hun associaties

bedrijfsleven zelf ontstaan. Significante hoeveelheden middelen

(K.U.Brussel, K.U.Leuven met campus Kortrijk, Universiteit

zijn beschikbaar voor bottom-up projectfinanciering (we vinden

Hasselt met als zusteruniversiteit de tUL (transnationale

deze terug bij het IWT, het FWO-Vlaanderen en het Bijzonder

Universiteit Limburg), U. Antwerpen, U. Gent en V.U.Brussel),

Onderzoeksfonds van de universiteiten). Ten tweede heeft

en de competentiepolen die de brug slaan naar de diffusie en

het Vlaams WT&I-beleid op gezette tijdstippen de nood

toepassing van nieuwe technologieën in het bedrijfsleven.

herkend en erkend om op bepaalde, toekomstgerichte

De hogescholen die heel belangrijke actoren zijn in het toegepast

speerpuntdomeinen een voldoende concentratie aan middelen

wetenschappelijk onderzoek, zijn via de vorming van de associaties

te voorzien. Op regelmatige ogenblikken zijn er dus meer

met hun respectievelijke associatie-universiteiten verbonden.

top-down gerichte interventies die de vrijheidsgraden voor

De Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid (VRWB) fungeert

bottom-up onderzoek en ontwikkeling aanvullen.

als centraal adviesorgaan van de Vlaamse overheid inzake het WT&I-beleid en staat aldus tussen alle beleidsactoren in.


13

Getuige hiervan zijn de vier grote, strategische onderzoeks-

Ten zevende, de omzetting van onderzoek in innovatie vereist

instellingen IMEC (op het vlak van nano- en micro-elektronica),

vaak een grote inzet van financiële middelen. De Vlaamse

VITO (op brede vlak van technologisch onderzoek), VIB (op

overheid heeft dan ook niet nagelaten om via de Participatie-

het vlak van biotechnologie) en recent het IBBT (op vlak

maatschappij voor Vlaanderen (PMV) de nodige financiële

van breedbandtechnologie). Daarnaast onderkennen we de

hefbomen te creëren in de vorm van de kapitaalvehikels

op innovatie gerichte middelenconcentraties en platformen, de

Arkimedes en VINNOF (het Vlaams Innovatiefonds). Tot slot,

zogenaamde competentiepolen, zoals deze op het vlak van

en meer algemeen, de Vlaamse overheid heeft bij de

technologieontwikkeling voor de automobielindustrie (Flanders'

federaliseringsbeweging snel oog gehad voor het opdrijven van

Drive), voor de mechatronica industrie (Flanders' Mechatronics),

de O&O-intensiteit in Vlaanderen. In 1995 werd daartoe een

voor de ontwikkeling van geografische informatiesystemen

eerste significante “inhaalbeweging” opgestart. Deze wordt

(IncGeo), voor het ondersteunen van de toepassing van

sindsdien continu en op significante wijze verder gezet en

geavanceerde methodologieën voor materiaalonderzoek

geactualiseerd in de uitvoering van het Innovatiepact, dat voor

(Flanders' Materials Research Centre of FLAMAC), voor de

Vlaanderen het streven naar en het bereiken van de zopas

voedingsindustrie (Flanders' Food), en voor de design industrie

vermelde 3% O&O-norm moet onderbouwen. Tot slot vermelden

(Productontwikkeling en productontwerp). Ten derde hebben

we ook nog de fiscale vrijstellingen (vermindering van bedrijfs-

de Vlaamse O&O-actoren, zowel uit de publieke sector als uit

voorheffing) voor onderzoekers aan de kennisinstellingen en in

de private sector, in de loop der jaren ruim aandacht besteed

de bedrijven. Deze federale maatregel is een additionele impuls

aan de grote verscheidenheid en complementariteit aan

voor het innovatiebeleid.

acties die noodzakelijk zijn om een productief en competitief WT&I-landschap (of Regionaal Innovatiesysteem) te creëren. Dit heeft geleid tot het herkennen en erkennen van de nood

1.1 VLAANDEREN: ENKELE KERNCIJFERS

aan netwerking en coördinatie op verschillende niveaus van het De federalisering van de Belgische staat heeft ervoor gezorgd

kan een Vlaams WT&I-beleid onmogelijk plaatsvinden in een

dat een statistisch apparaat op Vlaams niveau werd gecreëerd.

vacuüm. Toetsing van en alertheid voor de Vlaamse aanwezigheid

Dit leidt tot volgende eerste-orde gegevens voor Vlaanderen,

in Europese Kaderprogramma's evenals in de verschillende

relevant voor verdere normalisatie van de WT&I-gegevens.

acties en programma's van de Belgische federale overheid is en

In een eerste tabel wordt de evolutie van het Bruto Binnenlands

blijft dan ook een continu aandachtspunt van het Vlaams

Product per Regio weergegeven. Het Bruto Binnenlands Product

WT&I-beleid. Ten vijfde is de positie die Vlaanderen vandaag

(BBP) is een maat voor de welvaart welke gecreëerd wordt

verworven heeft inzake WT&I-performantie mede het gevolg

binnen een afgebakend gebied. De maat laat zich het eenvoudigst

van de significante bedrijfsinvesteringen voor O&O. De rol van

berekenen voor nationale staten, maar ook het Bruto Binnenlands

de private sector in het Vlaams WT&I-systeem mag dus zeker

Product per Regio (BBPR) voor regio's of deelgebieden binnen

niet worden onderschat, zoals verder zal blijken in dit

nationale staten kan bepaald worden mits een aantal aannames.

Indicatorenboek. Ten zesde, heeft de Vlaamse overheid de laatste jaren expliciet veel aandacht besteed aan de verhoging

Het BBPR moet onderscheiden worden van het Bruto

van de mobiliteit en diversiteit in de onderzoekspopulatie.

Regionaal Product (BRP), wat de tegenhanger is van het Bruto

Zo zijn er gericht maatregelen genomen om beloftevolle

Nationaal Product (BNP). Het BBPR is samengesteld uit de som

evenals performante onderzoekers uit het buitenland naar

van de bruto toegevoegde waarden (tegen basisprijs, in werkelijke

Vlaanderen te halen (het Odysseus programma) en om

prijzen) van alle bedrijfstakken binnen de geografische eenheid,

excellente onderzoekers voldoende financiële armslag te geven

vermeerderd met de BTW op de producten en met de indirecte

(het Methusalem programma). Mobiliteit tussen de Vlaamse

belastingen bij de invoer, en verminderd met subsidies bij de

universiteiten en kenniscentra wordt eveneens structureel

uitvoer. Verdiscontering van de BTW, de indirecte belastingen

aangemoedigd. Ook het stimuleren van diversiteit in de Vlaamse

en de subsidies geschiedt overeenkomstig de verdeling van de

onderzoekspopulatie, door onder andere het structureel

bruto toegevoegde waarde over de gewesten, wat maakt dat

stimuleren van de vervrouwelijking van de onderzoekspopulatie,

het aldus bepaalde BBPR een schatting betreft, weliswaar

staat hoog op de agenda van het WT&I-beleid.

volgens de bepalingen van Eurostat, het Europees Bureau voor de Statistiek.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 1

WT&I-beleid. Het IWT speelt hierin een centrale rol. Ten vierde


14

Tabel 1.1: Gewestelijke verdeling van het Bruto Binnenlands Product per Regio, in lopende prijzen, 1975-2006, in duizend euro. Jaar 1975 1976 1977 1978 1979 1980 1981 1982 1983 1984 1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006

Vlaams Gewest 30.823.876 34.987.314 37.828.407 40.504.218 43.668.542 47.423.553 48.872.852 53.414.117 56.940.026 62.002.814 66.965.683 70.602.514 73.930.786 79.913.936 87.517.195 93.851.189 98.100.031 103.584.398 106.636.909 112.540.312 117.908.700 119.849.000 126.623.300 131.010.200 136.379.300 144.135.800 147.999.400 152.714.900 157.115.100 164.948.300 170.600.089 179.409.536

Waals Gewest 15.272.078 17.166.656 18.436.965 19.841.363 21.029.456 23.158.331 24.025.866 25.694.823 27.083.491 28.807.969 30.710.371 32.481.905 33.490.955 35.726.026 38.492.210 40.339.386 42.975.979 45.379.633 46.256.643 48.031.078 49.919.800 50.794.200 52.682.900 54.965.800 56.386.900 59.412.500 60.928.200 62.586.200 64.211.600 67.284.400 70.071.185 73.331.457

Brussel Hoofdstedelijk Gewest 13.173.329 14.508.599 15.747.673 16.843.361 17.857.536 19.404.614 20.534.327 22.019.456 22.888.173 24.825.986 26.270.618 27.889.518 29.237.770 30.540.420 32.156.510 33.922.495 35.025.543 36.789.717 37.552.142 38.600.157 39.512.700 40.415.800 41.554.200 43.268.800 45.141.500 47.873.100 49.624.900 51.953.800 52.969.800 55.625.100 57.133.096 59.207.485

BRON: Studiedienst van de Vlaamse Regering op basis van diverse bronnen. 1975 - 1994: ramingen APS op basis INR-gegevens volgens het oude ESER79 1995-2004: INR 2005-2006: Vlaams Gewest = Raming Studiedienst van de Vlaamse Regering

Tabel 1.1 en tabel 1.2 geven de geschatte waarden van het

Een tweede gegeven, relevant voor de normalisering van

BBPR voor het Vlaamse Gewest (en de andere gewesten) voor

bepaalde WT&I-gegevens, betreffen de bevolkingsgegevens.

opeenvolgende jaren van de periode 1975-2006, in lopende

De basisgegevens voor de bevolking woonachtig in het

prijzen en in constante prijzen. De officiële reeks, zoals bepaald

Vlaamse Gewest zijn afgeleid uit de tabellen van het Nationaal

door de Administratie Planning en Statistiek (APS) van het

Instituut voor de Statistiek (N.I.S.) dat op zijn beurt aangewezen

ministerie van de Vlaamse Gemeenschap op basis van de

is op de registraties van de loop van de bevolking door het

gegevens het Instituut voor Nationale Rekeningen (INR), loopt

Rijksregister. Aangenomen wordt dat de bevolking van de

van 1975 tot en met 1994 volgens de oude ESER79-standaard.

“Vlaamse Gemeenschap” is samengesteld uit de bevolking

Voor de periode 1995-2004 gebeurde een raming op basis

van het Vlaamse Gewest en 20 procent van de bevolking

van INR-gegevens. Voor 2005-2006 betreft het een raming

van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Tabel 1.3 geeft de

van de Studiedienst van de Vlaamse Regering en van IWEPS

bevolkingsgegevens weer per 1 januari 2006.

(Waals Gewest).


15

Tabel 1.2: Gewestelijke verdeling van het Bruto Binnenlands Product per Regio, in constante prijzen, 1975-2006, in duizend euro. Jaar

Vlaams Gewest

Waals Gewest

Brussel Hoofdstedelijk Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

1975

70.930.342

35.756.885

30.572.669

76.214.934

38.556.176

1976

32.810.386

75.607.662

37.720.854

31.558.095

81.240.733

40.673.897

33.867.938

1977

76.503.349

37.895.938

32.064.468

82.203.152

40.862.688

34.411.375

1978

78.896.499

39.287.444

33.030.376

84.774.601

42.363.130

35.447.980

1979

81.472.737

39.853.563

33.517.316

87.542.779

42.973.569

35.970.562

1980

84.625.144

42.003.139

34.835.830

90.930.053

45.291.428

37.385.582

1981

82.866.000

41.419.833

35.075.172

89.039.846

44.662.457

37.642.442

1982

84.258.321

41.144.272

34.942.108

90.535.901

44.365.323

37.499.639

1983

85.075.508

41.050.975

34.352.985

91.413.971

44.264.722

36.867.396

1984

87.904.127

41.379.653

35.349.164

94.453.333

44.619.131

37.936.488

1985

90.807.373

42.166.782

35.744.194

97.572.882

45.467.883

38.360.432

1986

91.988.404

42.798.467

36.342.598

98.841.905

46.149.020

39.002.636

1987

94.720.518

43.226.225

37.058.736

101.777.573

46.610.265

39.771.190

1988

99.962.214

44.953.761

38.119.797

107.409.796

48.473.044

40.909.914

1989

104.470.843

46.028.997

38.574.133

112.254.335

49.632.457

41.397.504

1990

108.183.138

46.843.684

39.339.295

116.243.211

50.510.923

42.218.671

1991

109.684.635

48.561.514

39.130.634

117.856.576

52.363.237

41.994.737

1992

111.618.031

49.080.171

39.530.457

119.934.017

52.922.498

42.423.824

1993

110.391.702

48.136.940

38.883.844

118.616.322

51.905.424

41.729.883

1994

114.371.646

48.944.395

39.261.063

122.892.787

52.776.092

42.134.713

1995

117.908.700

49.919.800

39.512.700

126.693.366

53.827.859

42.404.768

1996

118.851.970

50.069.559

39.986.852

127.706.913

53.989.342

42.913.625

1997

123.487.196

51.121.020

40.706.616

132.687.482

55.123.118

43.686.070

1998

125.709.966

51.990.077

41.602.161

135.075.857

56.060.211

44.647.164

1999

129.355.555

53.081.869

42.975.033

138.993.057

57.237.476

46.120.520

2000

134.141.710

55.098.980

44.608.084

144.135.800

59.412.500

47.873.100

2001

135.617.269

55.925.465

46.035.543

145.721.294

60.303.688

49.405.039

2002

137.380.294

56.093.241

47.462.644

147.615.671

60.484.599

50.936.595

2003

139.303.618

56.710.267

47.652.495

149.682.290

61.149.929

51.140.342

2004

142.368.298

57.674.341

48.271.977

152.975.300

62.189.478

51.805.166

2005

144.076.717

58.770.154

48.513.337

154.811.004

63.371.078

52.064.192

2006

148.254.942

60.180.638

49.192.524

159.300.523

64.891.984

52.793.091

van 1995

Brussel Hoofdstedelijk Gewest

van 2000

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 1

BRON: Studiedienst van de Vlaamse Regering op basis van diverse bronnen. 1975 - 1994: ramingen APS op basis INR-gegevens volgens het oude ESER79 + jaren voor 1985: toepassing Belgische deflator om constante groeivoeten te bekomen. 1995-2004: raming op basis gegevens INR. 2005-2006: Vlaams Gewest = raming Studiedienst van de Vlaamse Regering. Waalse Gewest = IWEPS.


16

Tabel 1.3: Bevolking per Gewest per 1 januari 2006 Leeftijd 0 JAAR 1 JAAR 2 JAAR 3 JAAR 4 JAAR 5 JAAR 6 JAAR 7 JAAR 8 JAAR 9 JAAR 10 JAAR 11 JAAR 12 JAAR 13 JAAR 14 JAAR 15 JAAR 16 JAAR 17 JAAR 18 JAAR 19 JAAR 20 JAAR 21 JAAR 22 JAAR 23 JAAR 24 JAAR 25 JAAR 26 JAAR 27 JAAR 28 JAAR 29 JAAR 30 JAAR 31 JAAR 32 JAAR 33 JAAR 34 JAAR 35 JAAR 36 JAAR 37 JAAR 38 JAAR 39 JAAR 40 JAAR 41 JAAR 42 JAAR 43 JAAR 44 JAAR 45 JAAR 46 JAAR 47 JAAR 48 JAAR 49 JAAR 50 JAAR 51 JAAR 52 JAAR 53 JAAR 54 JAAR 55 JAAR 56 JAAR

Vlaams Gewest Mannen Vrouwen 33.024 31.086 32.526 30.839 31.455 30.051 31.524 29.976 31.856 30.463 32.696 31.422 32.584 31.588 33.498 31.900 34.175 32.878 34.172 33.010 34.379 32.954 34.988 33.076 36.158 35.057 37.411 35.906 38.015 36.100 37.577 35.824 36.354 34.579 36.030 34.484 35.636 33.920 35.669 34.059 34.635 33.812 35.496 34.594 36.376 36.083 37.635 36.563 38.875 37.416 38.372 37.953 38.897 37.517 38.018 37.467 37.325 36.963 36.893 36.019 36.117 35.232 37.599 36.857 39.037 37.978 40.809 40.160 42.508 42.165 44.021 43.069 44.088 43.021 44.510 43.376 45.786 43.978 47.349 45.911 48.696 47.107 50.598 49.168 50.066 48.390 49.367 47.678 48.784 47.822 47.841 46.695 48.300 47.185 47.518 45.684 46.504 44.884 45.147 44.256 44.404 43.637 43.455 42.368 42.299 40.892 42.105 40.616 40.152 39.026 39.519 38.921 39.633 38.512

Waals Gewest Mannen Vrouwen 19.828 18.932 19.967 18.927 19.814 19.124 20.053 19.066 20.719 19.971 21.174 20.165 20.648 19.705 20.659 19.718 20.733 19.938 21.069 20.039 20.566 19.721 20.839 19.777 21.615 20.505 22.739 21.763 23.222 22.404 23.031 22.038 23.014 22.038 22.868 21.874 22.182 21.269 22.177 21.127 21.216 20.609 21.031 20.562 20.968 19.791 21.049 20.672 21.033 20.938 21.078 20.675 20.702 19.992 20.309 19.801 20.449 20.050 20.737 20.427 20.849 20.815 21.966 21.666 23.100 22.720 23.975 23.650 24.350 24.244 24.020 23.669 24.005 23.881 23.602 23.857 24.120 23.999 24.847 24.780 25.702 25.426 26.312 26.229 25.891 25.973 25.172 25.375 25.698 25.966 25.833 25.391 25.658 26.046 25.269 25.572 24.846 24.900 24.390 24.744 23.954 24.526 23.828 24.274 23.507 23.774 23.144 23.414 22.302 23.002 23.028 23.137 22.741 22.947

Brussels Hoofdstedelijk Gewest Mannen Vrouwen 7.895 7.601 7.701 7.311 7.132 6.986 6.703 6.572 6.671 6.595 6.493 6.080 6.254 5.982 6.071 5.896 6.156 5.703 5.887 5.710 5.848 5.495 5.854 5.424 5.814 5.488 5.802 5.522 5.758 5.531 5.758 5.496 5.670 5.532 5.746 5.431 5.586 5.784 5.808 6.043 5.784 6.145 6.033 6.766 6.170 7.071 6.635 7.575 7.348 8.287 7.884 9.047 8.332 9.076 8.595 9.305 8.738 9.180 8.865 9.099 8.801 8.788 8.889 8.661 8.979 8.723 9.008 8.549 8.879 8.321 9.005 8.329 8.636 8.025 8.455 7.612 8.130 7.358 7.951 7.430 8.114 7.411 7.963 7.382 7.430 7.121 7.193 6.886 6.967 6.823 6.973 7.002 6.722 6.761 6.443 6.544 6.193 6.493 6.152 6.425 6.096 6.361 5.802 6.202 5.800 6.102 5.794 6.142 5.345 5.698 5.389 5.974 5.222 5.637

Koninkrijk België Mannen Vrouwen 60.747 57.619 60.194 57.077 58.401 56.161 58.280 55.614 59.246 57.029 60.363 57.667 59.486 57.275 60.228 57.514 61.064 58.519 61.128 58.759 60.793 58.170 61.681 58.277 63.587 61.050 65.952 63.191 66.995 64.035 66.366 63.358 65.038 62.149 64.644 61.789 63.404 60.973 63.654 61.229 61.635 60.566 62.560 61.922 63.514 62.945 65.319 64.810 67.256 66.641 67.334 67.675 67.931 66.585 66.922 66.573 66.512 66.193 66.495 65.545 65.767 64.835 68.454 67.184 71.116 69.421 73.792 72.359 75.737 74.730 77.046 75.067 76.729 74.927 76.567 74.845 78.036 75.335 80.147 78.121 82.512 79.944 84.873 82.779 83.387 81.484 81.732 79.939 81.449 80.611 80.647 79.088 80.680 79.992 79.230 77.800 77.543 76.277 75.689 75.425 74.454 74.524 73.085 72.844 71.606 70.768 71.043 70.172 67.799 67.726 67.936 68.032 67.596 67.096


17

Tabel 1.3: Bevolking per Gewest per 1 januari 2006 Leeftijd

Vlaams Gewest Mannen Vrouwen

Waals Gewest Mannen Vrouwen

Brussels Hoofdstedelijk Gewest Mannen Vrouwen

Koninkrijk België Mannen Vrouwen

39.376

38.884

23.129

23.733

5.225

5.644

67.730

68.261

58 JAAR

38.850

38.406

22.911

23.234

5.167

5.723

66.928

67.363

59 JAAR

39.657

38.804

22.071

22.969

5.081

5.549

66.809

67.322

60 JAAR

34.804

34.871

16.466

17.708

4.289

4.886

55.559

57.465

61 JAAR

34.372

34.660

16.370

17.377

4.425

4.994

55.167

57.031

62 JAAR

32.678

33.104

15.049

16.273

4.107

4.669

51.834

54.046

63 JAAR

28.420

28.952

13.174

14.342

3.743

4.141

45.337

47.435

64 JAAR

25.420

26.488

12.231

13.522

3.188

3.613

40.839

43.623

65 JAAR

27.683

29.418

13.620

15.210

3.618

4.238

44.921

48.866

66 JAAR

29.904

32.315

14.317

16.493

3.524

4.267

47.745

53.075

67 JAAR

30.546

32.885

14.039

16.701

3.503

4.192

48.088

53.778

68 JAAR

29.142

31.565

13.526

15.662

3.303

4.010

45.971

51.237

69 JAAR

27.724

30.782

12.826

15.526

3.202

4.085

43.752

50.393

70 JAAR

27.069

30.442

12.360

15.413

3.075

4.092

42.504

49.947

71 JAAR

26.665

30.851

12.592

15.805

3.110

4.004

42.367

50.660

72 JAAR

26.004

30.432

12.381

15.802

2.948

4.073

41.333

50.307

73 JAAR

25.767

31.260

12.554

16.753

3.037

4.222

41.358

52.235

74 JAAR

24.915

30.737

12.338

16.906

2.897

4.140

40.150

51.783

75 JAAR

23.689

30.219

11.768

16.891

2.841

4.492

38.298

51.602

76 JAAR

20.915

27.672

10.687

15.703

2.618

4.123

34.220

47.498

77 JAAR

19.414

26.469

9.964

15.429

2.532

4.083

31.910

45.981

78 JAAR

17.824

24.895

9.338

14.762

2.354

3.931

29.516

43.588

79 JAAR

16.348

24.427

8.697

14.426

2.246

3.938

27.291

42.791

80 JAAR

15.571

23.252

8.068

14.250

2.093

3.823

25.732

41.325

81 JAAR

13.929

21.815

7.295

13.267

2.037

3.835

23.261

38.917

82 JAAR

12.480

20.837

6.372

12.397

1.819

3.737

20.671

36.971

83 JAAR

10.837

18.537

5.649

11.586

1.672

3.505

18.158

33.628

84 JAAR

9.473

17.237

4.926

10.888

1.622

3.320

16.021

31.445

85 JAAR

8.051

15.476

4.199

9.841

1.337

3.161

13.587

28.478

86 JAAR

5.278

10.709

2.568

6.443

911

2.095

8.757

19.247

87 JAAR

3.008

6.776

1.461

4.019

508

1.414

4.977

12.209

88 JAAR

2.404

5.810

1.173

3.449

448

1.208

4.025

10.467

89 JAAR

2.298

5.765

1.084

3.179

329

1.183

3.711

10.127

90 JAAR

2.260

5.775

978

3.341

375

1.228

3.613

10.344

91 JAAR

1.938

5.589

947

3.325

356

1.203

3.241

10.117

92 JAAR

1.371

4.687

679

2.478

250

977

2.300

8.142

93 JAAR

1.009

3.630

457

1.982

193

792

1.659

6.404

94 JAAR

686

2.552

262

1.405

137

562

1.085

4.519

95 JAAR

493

1.928

218

1.059

96

495

807

3.482

96 JAAR

285

1.323

132

740

53

310

470

2.373

97 JAAR

192

1.005

70

533

34

234

296

1.772

98 JAAR

129

678

44

366

17

134

190

1.178

99 JAAR

60

397

24

224

18

125

102

746

100 JAAR

54

286

20

147

15

70

89

503

101 JAAR

26

166

4

75

7

52

37

293

102 JAAR

11

80

4

54

1

27

16

161

103 JAAR

3

53

1

23

0

15

4

91

104 JAAR

0

32

0

16

0

7

0

55

105 JAAR

2

11

0

6

0

3

2

20

106 JAAR

1

6

0

7

1

1

2

14

107 JAAR

0

4

0

2

0

2

0

8

108 JAAR

0

2

0

0

0

0

0

2

109 JAAR

0

0

0

0

0

0

0

0

110 JAAR & +

0

1

0

0

0

0

0

1

2.997.496

3.081.104

1.656.641

1.757.337

489.684

529.120

5.143.821

5.367.561

TOTAAL

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 1

57 JAAR


18

1.2 DE ACTOREN IN HET VLAAMS WT&I-SYSTEEM

Het onderzoek aan de universiteiten wordt daarbij via een veelheid aan kanalen gefinancierd. Naast de werkingstoelagen om het wetenschappelijk onderzoek te financieren, dienen tevens

Het Vlaams WT&I-systeem wordt gekenmerkt door een breed

de belangrijke inspanningen vermeld te worden die geleverd

spectrum aan actoren die elk hun eigen bijdrage leveren tot

worden op niveau van de betoelaging voor het Bijzonder

de implementatie van O&O- en innovatie-activiteiten. We vatten

Onderzoeksfonds, het FWO-Vlaanderen en de specialisatie-

ze hierna kort samen.

beurzen van het IWT, met het oog op een versterking van het fundamenteel onderzoek. Daarnaast is er recent de werking van de Hercules-Stichting bijgekomen, die de financiering van

1.2.1 De universiteiten

middelzware en zware onderzoeksapparatuur voor haar rekening zal nemen. Via het FWO-Vlaanderen werden recent tevens

Zoals verder zal blijken spelen de Vlaamse universiteiten een

belangrijke excellentieprogramma's gefinancierd. Het betreft

cruciale rol in het Vlaams WT&I-systeem. Momenteel telt

het Odysseus-programma (dat excellente onderzoekers

Vlaanderen zes universiteiten: K.U.Brussel, K.U.Leuven, UHasselt,

terughaalt naar Vlaanderen) en het Methusalem-programma

U. Antwerpen, UGent en V.U.Brussel. Deze universiteiten zijn

(dat Vlaamse excellente onderzoekers van een significante

significante spelers in de wetenschapscreatie in Vlaanderen.

onderzoeksfinanciering voorziet).

Meer dan 85% van alle wetenschappelijke publicatie-output in Vlaanderen is immers afkomstig van deze zes universiteiten.

Voor wat betreft de Vlaamse universiteiten worden de voorbije

Ook voor wat betreft de vertaling van academisch onderzoek

vijftien jaar niet enkel gekenmerkt door een significante

naar economisch relevante innovaties toe, wordt de rol van de

toename van de onderzoeksintensiteit, doch tevens door een

universiteiten in toenemende mate erkend en belangrijk geacht

duidelijke aanpak inzake de kwaliteitsbewaking en -opvolging

door de Vlaamse overheid. De laatste tien jaar heeft ze daartoe

van het uitgevoerde onderzoek. Dit kwaliteitsbeleid is en blijft

een passend wettelijk kader gecreëerd dat onder andere de

duidelijk een van de hoofdthema's voor het management van

eigendomsrechten van vindingen gemaakt door universitaire

de Vlaamse universiteiten voor de komende jaren. Temeer daar

onderzoekers toewijst aan de universiteiten.

vanaf het begrotingsjaar 2003 een gedeelte van de onderzoeksmiddelen die toegewezen worden aan de Vlaamse universiteiten,

Het Vlaamse universiteitslandschap heeft de laatste jaren nogal

met name van de middelen voor het Bijzonder Onderzoeksfonds

wat beweging gekend. Zo werd in de periode 2000 - 2002 de

aan de universiteiten, verdeeld worden op basis van de

fusie van de drie Antwerpse universiteiten (RUCA, UFSIA en

publicatie- en citatieoutput van de betreffende instellingen.

UIA) een feit met het ontstaan van de Universiteit Antwerpen (UA) als geïntegreerd geheel. Daarnaast heeft de UHasselt

De Vlaamse overheid heeft verder via verschillende decretale

(UH) een grensoverschrijdende samenwerking met de

bepalingen op de valorisatie van academisch onderzoek sinds

Universiteit Maastricht in Nederland, waarbij de tUL of de

medio de jaren 1990 eveneens een aantal concrete

transnationale Universiteit Limburg werd gecreëerd. Tot slot

beleidslijnen uitgestippeld die het voor universiteiten mogelijk

werden, samen met de Bachelor - Master hervormingen van

maken om de resultaten van hun wetenschappelijk onderzoek

het Hoger Onderwijs in de Europese Unie, samenwerkings-

economisch te exploiteren. Zeer concreet is het nu mogelijk voor

verbanden of associaties tussen de Vlaamse universiteiten en de

de Vlaamse universiteiten op een consistente wijze te investeren in

Vlaamse hogescholen gevormd die de komende jaren het

spin-off bedrijven die universitaire wetenschappelijke kennis

landschap van het hoger onderwijs in Vlaanderen drastisch

commercieel valoriseren. Verschillende Vlaamse universiteiten

zullen hertekenen en beïnvloeden.

hebben daartoe, samen met financiers, participatiefondsen opgericht: het Gemma Frisius Fonds I & II aan de K.U.Leuven

De Vlaamse universiteiten hebben in de context van het

samen met Fortis Private Equity en KBC Private Equity (het

Vlaamse WT&I-systeem een drievoudige opdracht, waarbij ze:

eerste Fonds werd opgericht in 1997, het tweede Fonds werd

(1) wetenschappelijk onderwijs verstrekken, (2) wetenschappelijk

opgericht in 2002), het Baekeland Fonds aan de UGent samen

onderzoek definiëren en uitvoeren, en (3) wetenschappelijke en

met Fortis Private Equity en GIMV (opgericht in 1998) en recent

technologische dienstverlening verzorgen aan de maatschappij

gevolgd door het Baekeland II Fonds dat met ARKIV-steun

in al haar geledingen, zowel sociaal als economisch.

werd opgericht, het Wendelen Fonds aan de UHasselt samen met Fortis Private Equity en KBC-Investco (opgericht in 1998 en


19

stopgezet in 2002), het AIC aan de U.Antwerpen (opgericht

De Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) is

in 2001 samen met Anchis, Fortis Private Equity, GIMV en

ontstaan in 1993 als een gevolg van de diversificatie van de

KBC-Investco), en het Brussels I3 Fund aan de V.U.Brussel

activiteiten van het Studiecentrum voor Kernenergie. De VITO

(opgericht in 2002 samen met de GIMB, Fortis Private Equity,

is actief op de brede domeinen van materiaaltechnologie en -

KBC-Investco, Mercator en OMOB). En, niet minder belangrijk,

onderzoek, milieu-onderzoek en toepassingen, energie, proces-

sinds 1998 heeft de Vlaamse overheid, zoals reeds aangehaald,

technologie, teledetectie en atmosferische processen. De instelling

een wettelijk kader gecreëerd waarbij de eigendomsrechten op

richt zich daarbij zeer sterk op de noden van de industrie.

academische vindingen aan de universiteit worden toegewezen. Dit kader vormt het fundament waarop het valorisatiebeleid

Vervolgens is er het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB)

van de Vlaamse universiteiten is gestoeld.

dat in 1995 als een virtueel instituut werd opgericht waarin de krachten van verschillende uitmuntende biotechnologie

Met het oog op het verder stimuleren en versterken van het

laboratoria aan de Vlaamse universiteiten worden gebundeld.

valorisatiegericht onderzoek, werd door de Vlaamse overheid

Deze bundeling moet niet enkel strategisch basisonderzoek

sinds een drietal jaar voor de universiteiten (en sinds 2006

verder versterken, doch eveneens de valorisatie van de

eveneens voor de hogescholen toegankelijk), het Industrieel

onderzoeksresultaten op een meer effectieve en efficiënte wijze

Onderzoeksfonds (IOF) opgericht. Het IOF financiert onderzoeks-

mogelijk maken. Het VIB is actief op acht toekomstgerichte

mandaten en projecten die de kennistransfer naar het

onderzoeksdomeinen, met name moleculair biomedisch

bedrijfsleven toe moeten ondersteunen en verder uitbouwen.

onderzoek, plantgenetica, transgene technologie en gentherapie, humane genetica, immunologie en parasitologie, ontwikkelingsbiologie, moleculaire genetica en medicinaal proteïne onderzoek.

1.2.2 De Vlaamse onderzoeksinstellingen Recent werd, op basis van de studie en inzichten van Prof. Naast de universiteiten, die qua fundamenteel onderzoek de

Paul Lagasse, het IBBT opgericht (2004), het Instituut voor

voornaamste actor in het Vlaams WT&I-systeem zijn, heeft de

Breedbandtechnologie, dat als een vierde, vraaggedreven

Vlaamse overheid eveneens geopteerd voor een concentratie

innovatie-instituut

van middelen in een aantal strategische domeinen voor

onderzoeksinstellingen opereert. Het IBBT richt zich als virtueel

wetenschappelijk en technologisch innovatieonderzoek. Dit heeft

kennisinstituut op economisch relevante toepassingen van

geleid tot het ontstaan van vier grote Vlaamse onderzoeks-

breedbandtechnologie, zoals e-media en e-health toepassingen

centra. Gemeenschappelijke kenmerken van deze centra zijn:

evenals medische beeldverwerking. Op die manier wil de

hun financiering door de Vlaamse overheid op basis van

Vlaamse overheid zich volop inschakelen in de belangrijke

vijfjaarlijkse beheersovereenkomsten en hun oriëntatie naar de

digitale evoluties van de 21ste eeuw. De complementaire rol

industrie toe. Zowel inhoudelijk als qua opdracht en concrete

van het Vlaamse bedrijfsleven en kenniscentra op dit domein

werking verschillen de vier centra van elkaar.

staat daarbij centraal.

Het Interuniversitair Micro-elektronica Centrum (IMEC) werd

Naast deze vier “grote” onderzoekscentra, beschikt Vlaanderen

opgericht in 1985 in het kader van de DIRV-actie (Derde

nog over vijf instellingen die opgericht werden op basis van

Industriële Revolutie Vlaanderen). Inspirator en oprichter van

het Koninklijk Besluit van 1961 op de wetenschappelijke

IMEC was wijlen Prof. R. Van Overstraeten van het departement

instellingen. Hun opdracht bestaat erin wetenschappelijk

Elektrotechniek van de K.U.Leuven. Het is het “oudste” van de

onderzoek op hun domein op te volgen, de resultaten ervan in

vier onderzoekscentra en het is ondertussen geëvolueerd tot

beleidsgerichte aandachtspunten te vertalen en eveneens zelf

het grootste, onafhankelijke micro-elektronica onderzoekscentrum

beleidsgericht onderzoek uit te voeren. Deze centra zijn: (1) het

in Europa. IMEC voert zowel industrieel basisonderzoek uit als

Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudies, (2) het Vlaams

toegepast onderzoek. Een steeds toenemend gedeelte (meer

Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE), (3) het Instituut

dan 80% in 2006) van de inkomsten van IMEC ontstaat uit

voor Landbouw en Visserijonderzoek (ILVO), (4) het Instituut voor

industriële samenwerkingen, waarvan de omvangrijke “Industriële

Natuur- en Bosonderzoek (INBO), en (5) het Koninklijk Museum

Affiliatie Programma's” (de zogenaamde IAPs) internationaal tot

voor Schone Kunsten - Antwerpen (KMSKA). Het Centrum voor

de verbeelding spreken. IMEC ligt eveneens aan de basis van

Bevolkings- en Gezinsstudies werd in 2006 opgeheven en zal

meer dan 20 spin-off bedrijven.

dus vanaf 2007 niet meer in de overzichten verschijnen.

in

het

Vlaamse

landschap

van

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 1


20

Verder dient vermeld dat sinds 2001 het Vlaams Instituut voor

De meeste grote ondernemingen zijn duidelijk innovatie-actief.

de Zee (VLIZ) tenvolle operationeel werd, met als doel het

Sommige onder hen hebben aanzienlijke onderzoeksbudgetten.

aanzienlijk potentieel op het gebied van zeewetenschappelijk

Echter, gelet op de industriële textuur in Vlaanderen, behoort

onderzoek in Vlaanderen verder te bundelen en internationaal

het merendeel van deze grote ondernemingen tot multinationale

te valoriseren door participatie aan belangrijke programma's van

groepen zodat hun onderzoeksbeleid niet enkel in en vanuit

Europese en multinationale organisaties te faciliteren. Het VLIZ

Vlaanderen wordt bepaald. Naast de grote, innovatie-intensieve

omvat eveneens het Vlaams Maritiem Data Centrum.

ondernemingen, is de laatste jaren een groep van hoogtechnologische kleine en middelgrote ondernemingen ontstaan

Verder dienen ook de steeds vaker voorkomende en op innovatie

die gestadig aangroeit, niettegenstaande de tegenslagen (en

gerichte platformen (de zogenaamde “competentiepolen”) te

bijhorende falingen) die zich hebben voorgedaan in de periode

worden vermeld, zoals deze op het vlak van technologie-

2000-2001 die volgde op het barsten van de “internet-bubble.”

ontwikkeling voor de automobielindustrie (Flanders' Drive), voor

Daarnaast is er een grote meerderheid van kleine en

de mechatronica industrie (Flanders' Mechatronics), voor de

middelgrote ondernemingen die zelf niet aan onderzoek doet,

ontwikkeling van geografische informatiesystemen (IncGeo), voor

doch waarvan sommigen tot op zeker hoogte onderzoek

het ondersteunen van kennisopbouw op vlak van logistiek (Vlaams

uitbesteden, of nog, waarvan een aantal zeker innovatiegericht

Instituut voor de Logistiek), voor de toepassing van geavanceerde

kan worden genoemd.

methodologieën voor materiaalonderzoek (Flanders' Materials Research Center of FLAMAC), het kennisinitiatief op vlak van voedingstechnologie (Flanders' Food) en op vlak van product-

1.2.5 De hogescholen

ontwikkeling en -ontwerp. Het betreft hier steeds publiek-private partnerships die voor een belangrijk technologisch toepassings-

In 1997 werd in opdracht van de Vlaamse regering door

domein een complementaire krachtenbundeling nastreven tussen

het IWT de actie “HOBU-Fonds” gelanceerd. Het HOBU-fonds

industriële partners en academische onderzoeksgroepen.

werd ondertussen geactualiseerd en omgevormd tot het TETRA-fonds. Het wil enerzijds een impuls geven aan de opwaardering en de valorisatie van het technologisch

1.2.3 De collectieve centra

onderzoek aan de Vlaamse hogescholen. Anderzijds wil men via de hogescholen (vooral kleinere) bedrijven de mogelijkheid

Deze elf centra (BIL, Centexbel, CORI, CRM, CWOKBN, OCCN,

bieden om op de hoogte te blijven van de mogelijkheden

OCW, TCN, WTCB, WTCM, WTOCD) werden opgericht door

die geboden worden door technologische ontwikkelingen.

de Belgische bedrijfsfederaties, meestal onder de vorm van

Op die manier worden de hogescholen verder gestimuleerd in

vzw's, en doen in de eerste plaats aan toegepast onderzoek dat

hun opdracht om naast onderwijs, ook actief met toegepast

relevant is voor de bedrijven uit hun sector. Daarnaast nemen

technologisch onderzoek bezig te zijn. De Associaties

zij vaak deel aan Europese, federale en Vlaamse onderzoeks-

universiteiten-hogescholen vormen een geschikt kader om in

programma's en - of voeren zij zelf onderzoek uit om hun

de volgende jaren het onderzoekspotentieel van de

kennisniveau op peil te houden. Meer specifiek, in het kader

hogescholen verder uit te bouwen. Ook de ontwikkeling van

van steunverlening via het IWT kunnen deze centra dergelijk

het Industrieel Onderzoeksfonds (IOF) op niveau van de

onderzoek definiëren en uitvoeren. Tevens voeren zij, op vraag

associaties en hun hogescholen, moet hun rol in het toegepast

van individuele bedrijven, contractonderzoek uit.

onderzoek verder ondersteunen en vormgeven.

1.2.4 De bedrijven

1.2.6 De herverdelende mechanismen: IWT-Vlaanderen, FWO-Vlaanderen, Hercules en BOF

De bedrijven zijn niet weg te denken uit het Vlaams WT&Isysteem. Zij nemen een vooraanstaande plaats in voor wat betreft

Het IWT-Vlaanderen (Instituut voor de Aanmoediging van

hun aandeel in het totaal aan WT&I-uitgaven in Vlaanderen.

Innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen) is de

Meer bepaald, staan de bedrijven in voor afgerond 70% van

operator voor het technologiebeleid in Vlaanderen. Het instituut

de O&O-financiering in het Vlaams Gewest. Het dient echter

bestaat sinds 1991. De basisfilosofie bestaat erin op te treden als

wel gezegd dat ze een zeer heterogene groep vormen.

“één loket voor de Vlaamse bedrijven.”


21

Het staat in voor de financiering van het onderzoek met een

Belangrijke nieuwe evoluties in de activiteitenportfolio van het

economische finaliteit. Dit betreft zowel onderzoek dat op

IWT, mogelijk gemaakt door het nieuwe financieringsbesluit,

initiatief van een bedrijf wordt aangevraagd als de definitie en

betreffen de Vlaamse Innovatie Samenwerkingsverbanden

de implementatie van instrumenten die gebruikt worden voor

(VIS). Deze samenwerkingsverbanden willen actief innovatie

het stimuleren van technologische innovatie.

in Vlaanderen stimuleren door vier projecttypes te steunen: (1) thematische innovatiestimulering (TIS), (2) subregionale

Ook de Vlaamse kennisinstellingen en intermediairen zijn hierin

innovatiestimulering (RIS), (3) technologische dienstverlening

belangrijke partners en ontvangen daartoe de nodige financiële

(via de technologische adviseerdiensten), en (4) het collectief

steun. Het IWT speelt daarnaast ook een centrale rol bij het

onderzoek. De projecten kunnen ingediend worden door

toekennen van specialisatie-beurzen voor doctoraatsopleidingen

een vereniging van bedrijven (federaties, vzw's, consortia

en post-doctorale vorsers in wetenschappelijk en technologisch

of gelijkgestelde collectieve centra en subregionale actoren).

onderzoek aan de universiteiten. Verder ondersteunt het

Voor de uitvoering van het project kunnen zij een beroep doen

IWT het bedrijfsleven inzake deelname aan internationale

op een brede waaier van kenniscentra (Collectieve Centra,

technologische programma's, inzake de overdracht van

hogescholen, universiteiten en grote onderzoeksinstellingen).

technologie en het zoeken naar partners, evenals inzake

Het VIS-subsidiemechanisme betekende aldus een significante

(eerste lijns)begeleiding. Het IWT coördineert bovendien de

verruiming zowel naar de potentiële projectindieners toe als

werkzaamheden van de technologische adviseerdiensten onder

naar de uitvoerende kenniscentra toe.

andere bij de sectoriële collectieve onderzoekscentra. Via haar eenheid Monitoring & Analyse speelt het IWT tevens een rol

Tevens werd in 2001 het nieuwe KMO-programma

bij het waarnemen en het beleidsgericht evalueren van

geoperationaliseerd dat op 15 december 2000 goedgekeurd

tendensen op het domein van technologische evolutie en

werd door de Vlaamse regering. Dit programma verving en

innovatie in Vlaanderen.

bundelde vijf vroegere steunregelingen met verschillende indienings- en steunmodaliteiten. Dit KMO-programma voorziet vandaag in zes types KMO steunmaatregelen. Dit programma

financieringsbesluit voor steun aan projecten van bedrijfs-O&O

wordt continu geactualiseerd zodat een steeds betere dienst-

definitief goedgekeurd. Dit nieuwe financieringsbesluit

verlening naar de Vlaamse KMO-populatie mogelijk wordt.

vervangt het zogenaamde FIOV-besluit van 23 oktober 1991.

Het succes van het programma kan worden afgeleid uit het

Naast de administratieve vereenvoudigingen en de verruiming

aantal projectvoorstellen dat steeg tot meer dan 300 per jaar

van de subsidieerbare kosten die opgenomen werden in het

sinds 2003, te vergelijken met een jaarlijks gemiddelde van 111

nieuwe besluit, wordt hierbij tevens meer aandacht besteed aan

de jaren daarvoor.

het economisch valorisatiepotentieel in Vlaanderen van de goedgekeurde projecten. Het nieuwe financieringsbesluit

Verder werd als “opvolger” van het STWW programma

besteedt verder bijzondere aandacht aan de KMO's. Naast de

(Strategische Technologieën voor Welzijn en Welvaart) en

vroeger geldende subsidietoeslag van 10%, wordt voortaan

het GBOU-programma (Generisch Basisonderzoek aan de

tevens de mogelijkheid voorzien van het verstrekken van

Universiteiten), in 2002-2003 het SBO-programma opgestart

achtergestelde leningen bovenop de subsidie, samen tot een

(Strategisch Basisonderzoek). In het kader van het SBO-

maximum van 80% van de projectbegroting. Bij samenwerking

programma kunnen Vlaamse onderzoeksgroepen (zowel uit

van minstens drie bedrijven waarvan minstens twee KMO's

de kennisinstellingen als uit het bedrijfsleven) projecten voor

wordt verder 20% extra indirecte kost toegekend. De KMO-

strategisch technologisch en maatschappelijk onderzoek indienen

projecten, evenals projecten die kaderen in de Duurzame

waarvan de resultaten op termijn een duidelijke toegevoegde

Technologie Ontwikkelingsobjectieven van de Vlaamse

waarde creëren op economisch of maatschappelijk vlak.

overheid (DTO, operationeel sinds 2002), genieten naast een

Een basisdoelstelling is het realiseren van een brugfunctie

subsidietoeslag eveneens van een selectieprioriteit. Ook dient hier

tussen de onderzoekswereld enerzijds en de economie en

vermelding gemaakt van de 10% toeslag voor O&O-projecten

maatschappij anderzijds. Het onderzoek wordt gekwalificeerd

ten bate van de Vlaamse automobielsector.

als “strategisch basisonderzoek.” Dit houdt in dat het kwalitatief hoogwaardig onderzoek is, gericht op langere termijn, met een uitgesproken origineel, creatief en grensverleggend karakter.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 1

Op 5 oktober 2001 werd door de Vlaamse regering het nieuwe


22

Tot slot vermelden we naast deze verschillende maatregelen en

Naast het FWO-Vlaanderen, dat een belangrijk financierings-

steunmechanismen ook nog de steun aan de universitaire

instrument is voor het academisch wetenschappelijk onderzoek

interfacediensten ter ondersteuning van de exploitatie van het

op initiatief van de vorser, dient tevens het Bijzonder

onderzoek aan de Vlaamse universiteiten, de Eureka-steunregeling

Onderzoeksfonds (of BOF) te worden vermeld. Het BOF is een

(met de Medea+ projecten, Itea- en Pidea-projecten), de steun-

interuniversitair verdelingsmechanisme dat aan de Vlaamse

regeling voor projecten uit de lucht- en ruimtevaart die sinds

universiteiten een significant onderzoeksbudget ter beschikking

2002 van kracht is en de betrokkenheid van het IWT bij de

stelt, het welk de universiteiten vervolgens intern kunnen

doorlichtingen betreffende meer omvangrijke subsidies voor de

verdelen aan grote (de zogenaamde GOA's) en kleinere

ondersteuning van technologische innovatie (zoals Flanders'

onderzoeksprojecten (projecttoelagen) op basis van een eigen,

Drive, KMO-IT Centrum, Flanders' Mechatronics, Incubatiepunt

intern selectieproces dat vaak op “peer-review“ van een

GeoInformatie, FLAMAC, Flanders' Food).

competitieve projectindiening gebaseerd is. De middelen van het BOF zijn in de periode 1995 - 2006 nagenoeg

Het FWO-Vlaanderen (Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek

vervijfvoudigd. Tot en met 2002 werden de BOF-middelen

- Vlaanderen) verdeelt de middelen voor fundamenteel

interuniversitair verdeeld op basis van drie criteria, met name

onderzoek aan de universiteiten en dit vooral onder de vorm

het aandeel in het aantal afgeleverde tweede cyclusdiploma's

van (1) beurzen voor doctoraats- en post-doctorale onderzoekers,

over een vier jaar tijdsvenster (35%), het aandeel in het aantal

(2) de financiering van onderzoeksprojecten, en (3) de steun

afgeleverde doctoraten over een vier jaar tijdsvenster (50%) en

aan congressen en symposia. Daarnaast financiert het FWO

het aandeel in de werkingsmiddelen van de betreffende

onderzoeksgemeenschappen waarin Vlaamse en buitenlandse

universiteiten (15%). Voor wat de verdeelsleutel vanaf 2003

onderzoekers in een bepaalde discipline elkaar in een

betreft, werden deze drie criteria aangevuld met een criterium

gestructureerd verband kunnen ontmoeten en onderzoeks-

dat het aandeel van elke Vlaamse universiteit in de totale

ervaringen uitwisselen. Dergelijke netwerken laten de

Vlaamse academische publicatie- en citatie-output in de Science

deelnemende onderzoekseenheden toe aan te sluiten bij grote,

Citation Index (geëxtraheerd uit de Expanded Web-of- Science,

prestigieuze internationale netwerken, die ondermeer door

ISI-Thomson)

de European Science Foundation worden opgezet. Via het

tijdsvenster weergeeft. Voor 2003 telden de drie originele

FWO-Vlaanderen werden recent tevens belangrijke excellentie-

criteria hierbij voor 90% mee, terwijl de SCI-output voor

programma's gefinancierd. Het betreft het Odysseus-programma

10% in de verdeelsleutel meetelde. De 90/10 verhouding is

(dat excellente onderzoekers terughaalt naar Vlaanderen) en het

ondertussen geëvolueerd naar de 70/30 verhouding conform

Methusalem-programma (dat Vlaamse excellente onderzoekers

het BOF-besluit.

gedurende

een

tienjaar

voortschrijdend

van een significante onderzoeksfinanciering voorziet). De belangrijke groei vanaf 1996 in de financiële middelen voor

1.2.7 Het departement Economie, Wetenschap

het fundamenteel niet-gericht onderzoek vanwege de Vlaamse

en Innovatie

overheid, heeft het FWO een bijzondere impuls gegeven. Het onderzoekersbestand werd zowel op niveau van de aspirant-

Het departement Economie, Wetenschap en Innovatie maakt

doctorandi als op niveau van de postdoctorale onderzoekers

deel uit van de Vlaamse regering. Het staat in voor de

substantieel versterkt. Ook het aantal onderzoeksprojecten

geïntegreerde ondersteuning van het economisch beleid en het

werd gevoelig opgetrokken. Deze groei wordt de komende

wetenschaps- en innovatiebeleid van de Vlaamse overheid.

jaren verdergezet.

De kerndoelstellingen van het economisch beleid betreffen de proactieve ontwikkeling van het Vlaams economisch weefsel en

Tevens werden recent de krachten ter ondersteuning van de

het stimuleren van ondernemersactiviteit. Wat het wetenschaps-

financiering van middelzware en zware onderzoeksapparatuur

en innovatiebeleid betreft, zijn de aandachtspunten:

gebundeld in de Hercules-Stichting. De Hercules-Stichting zal via geëigende advies- en beslissingsorganen aanzienlijke hoeveelheden

●

het uitbouwen en implementeren van instrumenten voor

middelen investeren in onderzoeksapparatuur. De Stichting zal

effectmeting van het wetenschaps- en technologiebeleid en

opereren als een autonome instelling, echter met sterke banden

de bijdrage van dit beleid tot innovatie;

met zowel IWT als FWO, zowel op niveau van het bestuur van de Stichting als op niveau van haar operationele werking.


23

●

●

●

●

het uitbouwen en onderhouden van een geïntegreerd systeem

De VRWB is bevoegd om (op eigen initiatief of op verzoek)

van wetenschaps-, technologie- en innovatie-indicatoren en

aanbevelingen te formuleren, onderzoek te verrichten en

het organiseren van de gegevensverzameling;

advies uit te brengen. Jaarlijks analyseert en bespreekt de Raad

de federale en bilaterale internationale samenwerking op

het Vlaams begrotingsbeleid voor wetenschap en technologie.

vlak van wetenschap en innovatie;

De VRWB-begrotingsadviezen zijn inmiddels een begrip

de coördinatie van het beleid inzake wetenschappelijk

geworden. De Vlaamse regering is verplicht de VRWB vooraf

onderzoek intern in de Vlaamse regering, met de andere

te raadplegen over alle decreten en besluiten, die algemene

Vlaamse instellingen en met de supranationale en

aangelegenheden inzake wetenschapsbeleid regelen en die

internationale instellingen;

instellingen betreffen die instaan voor de betrokken materies.

de opvolging van de evoluties inzake wetenschap,

Ook alle belangrijke acties en initiatieven op het vlak van

technologie en innovatie op Vlaams, Belgisch en internationaal

wetenschaps- en technologiebeleid moeten aan de VRWB voor

niveau en de terugkoppeling van deze opvolging naar het

advies worden voorgelegd.

beleid van de Minister; ●

de voorbereiding van het beleid van de Minister.

Bij zijn adviesverlening en om de gestelde problemen uit te diepen, doet de VRWB beroep op vier permanente

Om deze veelvuldige opdracht in te vullen, is EWI opgebouwd uit

commissies: Wetenschapsbeleid, Technologiebeleid, Begroting

drie klantgerichte (Beleidsondersteunend & Academisch Beleid,

en Financiën en tot slot Federale en Internationale

Valorisatie & Industrieel Beleid, Sensibilisering & Samenleving)

Samenwerking. Voor bijzondere vraagstukken of voor het

en twee informatiegerichte (Statistieken & Indicatoren,

uitvoeren van onderzoeksopdrachten worden ad hoc

Studiedienst & Prospectief Beleid) entiteiten. Daarnaast zijn er

werkgroepen en externe deskundigen ingeschakeld. Sinds zijn

vijf thematische entiteiten actief (Organisatiebeheersing en

ontstaan heeft de Raad zich continu verder ontplooid en

Externe Relaties, Mobiliteit Privé en Overheid, Begroting,

ontwikkeld. Hij groeide inmiddels uit tot een volwaardig

Communicatie en Europa).

adviesinstrument voor het beleid. Naast de talrijke expliciet gevraagde adviezen, nam de VRWB zelf tal van initiatieven voor studiedagen, onderzoeksstudies en analyses. Daarbij heeft

1.2.8 De Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid

de VRWB steeds een grote belangstelling aan de dag gelegd voor toekomstgerichte vraagstukken van het wetenschaps- en technologiebeleid. Getuige daarvan zijn het onderzoek naar

adviesorgaan voor elke aangelegenheid rond wetenschaps- en

betere deflatoren voor O&O-uitgaven en bestedingen, naar de

technologiebeleid, zowel voor de Vlaamse regering als voor

problematiek van “science sharing” en naar methodologieën

het Vlaams Parlement. De wettelijke basis is het decreet van

voor wetenschaps- en technologieverkenning evenals het in

15 december 1993. Dat versterkte de juridische basis van de

kaart brengen van voor Vlaanderen belangrijke wetenschaps-

Raad, die al in 1985 werd opgericht bij besluit van de Vlaamse

en technologie-evoluties aan de hand van verkenningsstudies.

regering. De Raad is samengesteld uit een voorzitter en 16 leden,

Vermeldenswaard is zeker ook de VRWB studiereeks die een

waarvan 6 uit het academisch milieu afkomstig zijn, 6 uit de

regelmatige output van gedegen studies en analyses inzake

socio-economische middens, en 4 door de regering aangeduid

wetenschaps- en technologiebeleid garandeert.

zijn. Allen worden benoemd op basis van hun deskundigheid of betrokkenheid bij het wetenschaps- en technologiebeleid in Vlaanderen. Vijf hoge ambtenaren uit de Vlaamse administratie

1.2.9 De adviesorganen

nemen met raadgevende stem deel aan de vergaderingen. Tot 2002 was Prof. R. Dillemans voorzitter. Hij werd opgevolgd

De

Koninklijke

Vlaamse

Academie

van

België

voor

door de heer K. Vinck.

Wetenschappen en Kunsten fungeert als de ontmoetingsplaats voor uitmuntende Vlaamse wetenschappers en is het

Deze structuur vormt een uniek forum, waar vooraanstaande

aanspreekpunt voor verschillende gelijkaardige organisaties

actoren uit de academische en uit de sociaal-economische wereld

overal ter wereld. De Academie vervult alsdusdanig de rol van

zich als een “raad van wijzen” beraden over de algemene kracht-

een Vlaams Kennis- en Cultuurforum, een rol die in de loop

lijnen van het wetenschaps- en technologiebeleid in Vlaanderen.

van 1998 werd vastgelegd.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 1

De Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid (VRWB) is het hoogste


24

Voor wat de relatie tussen technologie en economie betreft, dienen ook de activiteiten van de SERV (de Sociaal

1.2.11 Specifieke acties naar technologietransfer en diffusie

Economische Raad voor Vlaanderen) met de Stichting Technologie Vlaanderen (STV) te worden vermeld, die zich

Naast de hoger beschreven actoren, wordt het Vlaams WT&I-

vooral richten op het uitvoeren van studies naar het Vlaamse

systeem gekenmerkt door een hoge mate van bekommernis

socio-economisch weefsel, inclusief technologievraagstukken

om de resultaten van wetenschappelijk en technologisch

die zich daarbij kunnen stellen.

onderzoek evenals de innovatieve aanwendingen van deze resultaten, zo goed mogelijk te laten doorstromen naar zoveel mogelijk actoren in Vlaanderen. Daarom wordt vanuit de

1.2.10 De Steunpunten Beleidsrelevant Onderzoek

Vlaamse regering en vanuit het IWT ruime aandacht besteed aan transfer en diffusie van technologie.

Met de oprichting van de steunpunten voor beleidsrelevant onderzoek verzekert de Vlaamse overheid zich van een grotere

Daartoe werden de laatste jaren verschillende mechanismen in

stabiliteit in het beleidsondersteunend onderzoek en, hiermee

het leven geroepen, die hierna kort worden toegelicht.

gepaard gaand, van de gestadige opbouw van een kritische kennismassa omtrent een aantal prioritaire beleidsthema's.

Sinds 1998 wordt door de Vlaamse overheid een subsidie

De werking van de steunpunten wordt opgevolgd door het

toegekend aan de universitaire interfacediensten met de

departement EWI, telkens in samenspraak met de Minister

bedoeling op deze wijze de valorisatie-activiteiten van de

bevoegd voor het beleidsdomein waarop het betreffende

universiteiten een duw in de rug te geven. Het IWT speelt

Steunpunt actief is.

hierbij, zoals hoger vermeld, een coördinerende rol. Aan de Collectieve Centra zijn technologische adviseerdiensten

De veertien Steunpunten voor Beleidsrelevant Onderzoek

verbonden. Hun taak bestaat erin KMO's te sensibiliseren voor

worden gevormd door één of meer onderzoeksgroepen uit

nieuwe of vernieuwende technologische ontwikkelingen en het

één of meer universitaire instellingen die samen gedurende

daarbij horend eerstelijnsadvies. De Vlaamse Innovatie

een 5-jaar periode wetenschappelijke ondersteuning bieden

Samenwerkingsverbanden (zie hoger) geven aan deze diensten

aan de Vlaamse overheid:

sinds 2001 een nieuwe en verruimde impuls.

• Fiscaliteit en Begroting;

Verwant aan de Collectieve Centra werden in de periode

• O&O Indicatoren;

1995-1997 een tiental clusters in het leven geroepen.

• Ondernemen en Internationaal Ondernemen;

Clusters werden daarbij gedefinieerd als een netwerk van

• Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

bedrijven die onderling samenwerken of samenwerken met

• Werk en Sociale Economie;

onderzoeksinstellingen op één of meerdere domeinen (zoals

• Milieu en Gezondheid;

wetenschappelijk onderzoek, productontwikkeling of opleiding).

• Bestuurlijke Organisatie Vlaanderen;

Conform de beleidsopties van de Vlaamse regering, werd

• Buitenlands Beleid, Toerisme en Recreatie;

beslist deze specifieke steunvorm niet verder te verlengen,

• Studie en Schoolloopbanen;

maar de bestaande initiatieven de kans te geven zich in te

• Cultuur, Jeugd en Sport;

schakelen in het ruimer mechanisme van de Vlaamse Innovatie

• Mobiliteit en Openbare Werken;

Samenwerkingsverbanden. Deze evolutie werd in de periode

• Ruimte en Wonen;

2001-2002 met goed gevolg volop in beweging gezet en heeft

• Duurzame Ontwikkeling;

vandaag geleid tot een brede portfolio aan goedgekeurde en

• Gelijkekansenbeleid.

werkende samenwerkingsverbanden.


25

Bij deze veelheid aan acties die ondernomen worden op het

1.3 CONCLUSIE

vlak van transfer en diffusie valt tot slot nog te vermelden dat de Vlaamse overheid steeds meer belang hecht aan valorisatie,

In dit inleidend hoofdstuk werd een overzicht gegeven van

kennistransfer en samenwerking tussen de verschillende actoren

de voornaamste actoren en instrumenten van het Vlaams

in het Vlaams WT&I landschap. Deze centrale beleidsoptie

WT&I-systeem en WT&I-beleid. Dit overzicht, dat in de

komt heel zichtbaar tot uiting in de waaier aan stimulerings-

volgende hoofdstukken verder wordt gedetailleerd, illustreert

maatregelen (bvb. competentiepolen, RIS-platformen, …) die

de inspanningen die in Vlaanderen de laatste jaren werden

vandaag het Vlaams WT&I-beleid kenmerken.

geleverd om het WTI-beleid op een internationaal vergelijkbaar en competitief niveau te brengen. In de volgende hoofdstukken worden deze resultaten verder besproken en wordt, waar

1.2.12 Sensibilisering

mogelijk, eveneens de Vlaamse aanwezigheid in een internationale onderzoeks- en innovatie context bekeken.

Tot slot, de laatste jaren werd eveneens op een gestructureerde wijze aandacht besteed aan het opzetten van een brede publiekssensibilisatie omtrent wetenschap, technologie en

NOTEN

innovatie. De Stichting “Flanders' Technology International” (FTI), Technopolis (een “doe-centrum” voor wetenschap en technologie

• BIL: Belgisch Instituut voor Lastechniek

dat in het najaar 1999 zijn deuren opende en werd voorbereid

• Centexbel: Wetenschappelijk en Technisch Centrum van de

door FTI), de wetenschapsweek, en diverse communicatie-

Belgische Textielnijverheid

campagnes omtrent innovatie kaderen in die brede

• CoRI: Coatings Research Institute

sensibilisatie activiteit. De meest recente campagne “Flanders'

• CRM: Centrum voor Research in de Metallurgie

Future” is daarvan een voorbeeld. Ook mediaprogramma's

• CWOBKN: Centrum voor Wetenschappelijk Onderzoek

zoals “Jongens en Wetenschap” kaderen in die sensibilisatieaanpak. In 2004 ging tot slot het initiatief Flanders' Districts of Creativity (Flanders' DC) van start dat de creativiteit en innovativiteit van de Vlaamse economie regionaal en internationaal moet ondersteunen.

der Belgische Keramische Nijverheid • OCCN: Centrum voor Wetenschappelijk en Technisch Onderzoek der Cementnijverheid • OCW: Onderzoekscentrum voor de Wegenbouw • TCHN: Technisch Centrum der Houtnijverheid Bouwbedrijf • WTCM: Wetenschappelijk en Technisch Centrum van de Metaalverwerkende Nijverheid • WTOCD: Wetenschappelijk en Technisch Onderzoekscentrum voor Diamant

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 1

• WTCB: Wetenschappelijk en Technisch Centrum van het


26


27

H ET M E N S E LI J K E POTE NTI E E L IN WETENSCHAP, TECHNOLOGIE E N I N N OVAT I E I N V L A A N D E R E N Door Linda De Kock (Administratie Hoger Onderwijs) en Kristien Vercoutere (VRWB)

02


28

2.1 INLEIDING

2.2 INSTROOM EN PARTICIPATIE: KWANTIFICATIE EN STRATIFICATIE

Dit hoofdstuk beoogt door middel van een aantal statistieken en grafieken een beeld te schetsen - huidige situatie en tendensen

Op 1 februari 2006 telde men in het Vlaamse hoger onderwijs

- van de aantrekkingskracht van het Vlaamse hoger onderwijs.

40.968 generatiestudenten. Meer dan de helft van deze

In een eerste deel komt de instroom in het hoger onderwijs aan

generatiestudenten (54,0%) startte een professioneel gerichte

bod. Vervolgens besteedt dit hoofdstuk aandacht aan de

bacheloropleiding aan een hogeschool. De universiteiten en de

gerealiseerde output - in de vorm van uitgereikte diploma’s -

academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen trokken

van het hoger onderwijs. Op deze manier wordt getracht een

respectievelijk 33,7% en 12,3% aan van het totaal aantal

overzicht te geven van de ‘kennis’rijkdom waaruit men nu en

generatiestudenten.

in de nabije toekomst zal kunnen putten om het Vlaamse potentieel in WTI te realiseren. Tenslotte wordt in dit hoofdstuk

Een analyse van de evolutie van de generatiestudenten aan

ook dieper ingegaan op doctoreren aan Vlaamse universiteiten.

de Vlaamse universiteiten over de laatste 10 jaar geeft het volgende beeld (tabel 2.1):

De cijfergegevens van de universiteiten tot en met het academiejaar 1998-1999 zijn afkomstig van de interuniversitaire

●

In de beschouwde periode daalde globaal genomen het

databank inzake de Vlaamse universitaire studentenbevolking van

aantal generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten van

de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR). Alle cijfergegevens

14.128 generatiestudenten in het academiejaar 1996-1997 tot

van de hogescholen, evenals de gegevens van de universiteiten

12.423 generatiestudenten in het academiejaar 2003-2004.

vanaf het academiejaar 1999-2000, komen uit de Databank

Deze gestage afname van het aantal generatiestudenten is

Tertiair Onderwijs (DTO), beleidsdomein Onderwijs en Vorming.

gestopt in het academiejaar 2004-2005. De laatste twee academiejaren nam het aantal generatiestudenten aan de

De gegevens in hoofdstuk 2.4. (internationale vergelijking) zijn

universiteiten toe (+ 752 studenten in 2004-2005 en + 633

afkomstig uit de publicatie “Vlaamse onderwijsindicatoren in

studenten in 2005-2006). Deze ‘trendbreuk’ valt samen

internationaal perspectief”, editie 2005, Departement Onderwijs

met de invoering van de bachelor/masterstructuur. Verdere

en Vorming.

analyse is nodig om na te gaan of hier een - en zo ja, welk - oorzakelijk verband bestaat tussen de introductie van deze

Hoofdstuk 2.5. geeft een beknopt overzicht van de voornaamste

nieuwe structuur en de toegenomen instroom in het

bevindingen van de onderzoeksopdracht ‘Doctoreren aan

universitair onderwijs.

Vlaamse universiteiten’ waarmee de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid het proces van doctoreren in Vlaanderen in

●

De relatieve deelname van de Vlaamse achttienjarigen aan

kaart heeft gebracht. Voormeld project was een vervolg en

het universitair onderwijs kent een enigszins andere evolutie.

uitbreiding van een gelijkaardige studie die eerder in het kader

Terwijl in de tweede helft van de jaren ’90 de participatie-

van het Programma Beleidsgericht Onderzoek werd uitgevoerd

graad afnam, krijgt men al vanaf het academiejaar 2000-2001

voor de K.U.Leuven en de UGent. Deze nieuwe studie bundelt

een stijging. In het academiejaar 1999-2000 was nog slechts

de personeels-, afgestudeerden- en doctoratenbestanden van

16,8% van de potentiële doelgroep ingeschreven aan een

de vijf Vlaamse universiteiten over de periode 1991-2002 tot

Vlaamse universiteit. In het academiejaar 2005-2006 was

een uniek gegevensbestand en voert hierop een kwantitatieve

dit percentage gestegen tot 19,2%. De eerste jaren was

analyse van het doctoraatsproces uit. Voor de uitvoering

deze stijging hoofdzakelijk te wijten aan de daling van het

werd samengewerkt met het Centrum voor Wetenschaps- en

aantal achttienjarigen, de laatste twee academiejaren is de

Technologiestudies (CWTS) van de Universiteit Leiden. Door het

toename van het aantal generatiestudenten aan de

gebruik van bovenvermelde brongegevens kunnen de cijfers

universiteiten evenwel verantwoordelijk voor deze stijging

uit deze studie enigszins afwijken van de DTO-gegevens.

van de participatiegraad.


29

Tabel 2.1: Het aantal generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten en hogescholen (periode 1996-1997 t.e.m. 2005-2006) in verhouding tot het globaal aantal Vlaamse achttienjarigen Generatiestudenten Universiteiten

18 jarigen

Hogescholen

Deelname aan hoger onderwijs (%) Universiteiten

Academiejaar

Kan/ABA

Totaal

HO1C/PBA

HO2C/ABA

1996-1997

14.128

25.268

19.190

6.078

1997-1998

13.856

26.527

20.559

1998-1999

13.495

25.820

1999-2000

12.771

2000-2001

Hogescholen

Kan/ABA

Totaal

HO1C/PBA

HO2C/ABA

74.796

18,9

33,8

25,7

8,1

5.968

75.863

18,3

35,0

27,1

7,9

19.625

6.195

75.863

17,8

34,0

25,9

8,2

26.746

20.260

6.486

75.958

16,8

35,2

26,7

8,5

12.602

26.766

20.592

6.174

73.688

17,1

36,3

27,9

8,4

2001-2002

12.953

26.552

20.851

5.701

72.417

17,9

36,7

28,8

7,9

2002-2003

12.801

25.627

20.253

5.374

70.750

18,1

36,2

28,6

7,6

2003-2004

12.423

25.860

20.600

5.260

69.641

17,8

37,1

29,6

7,6

2004-2005

13.175

26.438

21.199

5.239

71.447

18,4

37,0

29,7

7,3

2005-2006

13.808

27.160

22.140

5.020

71.830

19,2

37,8

30,8

7,0

Bij analyses van de instroom van studenten in het hoger onderwijs wordt meestal de term 'generatiestudent' gehanteerd. De definitie van generatiestudent is in de loop van de laatste 10 jaar meermaals aangepast. Tot en met het academiejaar 1998-1999 werd binnen het universitair onderwijs een andere definitie gebruikt dan bij de hogescholen. De volgende definitie werd gebruikt binnen het universitair onderwijs: 'Een generatiestudent is elke persoon die zich voor de eerste maal inschrijft aan een Belgische universiteit'. In deze groep werd meestal nog een onderscheid gemaakt tussen generatiestudenten ingeschreven in een eerste jaar en die in een niet-eerste jaar. Voor het schetsen van de evolutie van de universitaire studentenbevolking maakte men vooral gebruik van de generatiestudenten in een eerste jaar. Bij de hogescholen werd een generatiestudent als volgt beschreven: ‘Een generatiestudent is een student die zich voor de eerste maal inschrijft in het eerste jaar van een basisopleiding van het Vlaams hoger onderwijs.’ Deze laatste definitie werd vanaf het academiejaar 1999-2000 gebruikt voor het gehele hoger onderwijs. Vanaf de invoering van de bachelor/ masterstructuur in het Vlaamse hoger onderwijs - academiejaar 2004-2005 - wordt een generatiestudent als volgt gedefinieerd: ‘Een generatiestudent is een student die zich voor het eerst inschrijft met een diplomacontract voor een professioneel of academisch gerichte bachelor in het Vlaamse hoger onderwijs en op 1 februari nog is ingeschreven.’ Enige voorzichtigheid is dan ook geboden bij de interpretatie van de gegevens inzake de evolutie van de generatiestudenten in het Vlaamse hoger onderwijs. Deelname aan hoger onderwijs: deze berekening geeft een indicatie voor de vermoedelijke participatiegraad in het hoger onderwijs. Afwijkingen zijn mogelijk onder meer omdat geen statistisch materiaal voorhanden is over het evenwicht tussen de instroom van studenten uit Franstalig België en uit het buitenland en de uitstroom naar Franstalige en buitenlandse universiteiten. Enige voorzichtigheid is hier ook geboden omdat een aantal dubbeltellingen kunnen voorkomen. De cijfers betreffende het aantal 18-jarigen woonachtig in Vlaanderen zijn afkomstig van het Nationaal Instituut voor Statistiek. Zij omvatten het aantal achttienjarigen woonachtig in het Vlaams Gewest + 20% van het aantal achttienjarigen woonachtig in het Brussels Gewest. Vanaf het academiejaar 2004-2005 wordt in het Vlaamse hoger onderwijs de bachelor/masterstructuur ingevoerd. Dit betekent dat vanaf dat academiejaar de generatiestudenten in de nieuwe bacheloropleidingen (de professioneel gerichte en de academisch gerichte) geteld worden.

Bij de hogescholen vindt men twee verschillende evoluties terug.

Globaal genomen kan men stellen dat meer dan de helft van

Enerzijds krijgt men een daling van de relatieve deelname aan

de Vlaamse jongeren een kans waagt in het hoger onderwijs:

de hogeschoolopleidingen van twee cycli, anderzijds krijgt men

in het academiejaar 2005-2006 startte 57,0% van de potentiële

een quasi onafgebroken toename van de relatieve deelname

doelgroep een opleiding in het Vlaamse hoger onderwijs. In het

aan de hogeschoolopleidingen van een cyclus. Globaal genomen

academiejaar 1996-1997 bedroeg dit aandeel 52,7%.

nam het aantal generatiestudenten aan de hogeschoolopleidingen van twee cycli af van 6.078 studenten in 1996-1997 (met een

Op 1 februari 2006 maakten de vrouwelijke generatiestudenten

maximum van 6.486 in het academiejaar 1999-2000) naar

54,8% uit van het totaal aantal generatiestudenten in het Vlaamse

5.020 generatiestudenten in 2005-2006. De participatiegraad

hoger onderwijs (tabel 2.2). Dit vrouwelijk overwicht komt ook

daalde van 8,1% naar 7,0%. Bij de eencyclusopleidingen nam het

sterk tot uiting in de participatiegraad: 64,1% van de potentiële

aantal generatiestudenten toe van 19.190 in het academiejaar

doelgroep (achttienjarige vrouwen wonende in het Vlaams

1996-1997 naar 22.140 in 2005-2006. De relatieve deelname

Gewest + 20% van de achttienjarigen wonende in het Brussels

groeide van 25,7% naar 30,8%.

Gewest) startte in het academiejaar 2005-2006 een opleiding in het hoger onderwijs. Bij de mannen bedroeg dit percentage slechts 50,4%.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 2

Gebruikte afkortingen: Kan: kandidatuursopleidingen ABA: academische bacheloropleidingen PBA: professionele bacheloropleidingen HO1C: hogeschoolopleidingen van 1 cyclus HO2C: hogeschoolopleidingen van 2 cycli


30

Tabel 2.2: Het aantal generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten en hogescholen (1996-1997 t.e.m. 2005-2006) in verhouding tot het aantal Vlaamse achttienjarigen, uitgesplitst naar geslacht Mannen Academiejaar

Generatie studenten

18 j. Vl.

1996-1997

6.834

38.019

1997-1998

6.649

39.007

1998-1999

6.194

1999-2000

Vrouwen %

Generatie studenten

18 j. Vl.

%

18,0

7.294

36.777

19,8

17,0

7.207

36.856

19,6

38.642

16,0

7.301

37.221

19,6

5.771

39.051

14,8

7.000

36.907

19,0

2000-2001

5.598

37.741

14,8

7.004

35.947

19,5

2001-2002

5.841

36.804

15,9

7.112

35.613

20,0

2002-2003

5.623

36.138

15,6

7.178

34.612

20,7

2003-2004

5.550

35.444

15,7

6.873

34.197

20,1

2004-2005

5.888

36.669

16,1

7.287

34.778

21,0

2005-2006

6.247

36.753

17,0

7.561

35.077

21,6

Universitair onderwijs

Hogescholenonderwijs

1996-1997

11.126

38.019

29,3

14.142

36.777

38,5

1997-1998

11.889

39.007

30,5

14.638

36.856

39,7

1998-1999

11.522

38.642

29,8

14.298

37.221

38,4

1999-2000

12.026

39.051

30,8

14.720

36.907

39,9

2000-2001

12.120

37.741

32,1

14.646

35.947

40,7

2001-2002

11.942

36.804

32,4

14.610

35.613

41,0

2002-2003

11.617

36.138

32,1

14.010

34.612

40,5

2003-2004

11.433

35.444

32,3

14.427

34.197

42,2

2004-2005

11.932

36.669

32,5

14.506

34.778

41,7

2005-2006

12.265

36.753

33,4

14.895

35.077

42,5

Deze grotere deelname van vrouwen vindt men zowel terug

periode de relatieve deelname van de achttienjarige mannen af

bij de hogeschoolopleidingen als bij de universiteiten. Toch zijn

van 18,0% naar 15,6% (2002-2003) om daarna terug toe te

er een aantal verschillen. Tot en met het academiejaar 2003-2004

nemen tot 17,0% in 2005-2006. Bij de hogescholen steeg dit

is aan de universiteiten het aantal mannelijke generatiestudenten

percentage van 29,3% naar 33,4%. Bij de universiteiten

sterk afgenomen: van 6.834 generatiestudenten in het academie-

groeide de vrouwelijke participatie van 19,8% naar 21,6%, bij

jaar 1996-1997 tot 5.550 generatiestudenten in 2003-2004.

de hogescholen van 38,5% naar 42,5%.

Pas de laatste twee academiejaren kent het universitair onderwijs terug een stijging van het aantal mannelijke generatiestudenten.

Uit tabel 2.3 blijkt dat de evolutie van de generatiestudenten in de beschouwde periode zich duidelijk verschillend manifesteert

Het hogeschoolonderwijs kent globaal genomen een aangroei

in de diverse studiegebieden. Bij de universiteiten springen de

van het aantal mannelijke generatiestudenten over de

volgende tendensen in het oog:

beschouwde periode (11.126 generatiestudenten in 1996-1997 en 12.265 generatiestudenten in 2005-2006). Opvallend is dat

â—?

De studiegebieden Economische en toegepaste economische

ook hier de laatste twee academiejaren een aanzienlijke stijging

wetenschappen en Rechten, notariaat en criminologische

waar te nemen is.

wetenschappen oefenen de grootste aantrekkingskracht uit op de generatiestudenten. Met respectievelijk 1.849 en

De evolutie van de vrouwelijke generatiestudenten kende

1.840 generatiestudenten in het academiejaar 2005-2006

zowel aan de hogescholen als aan de universiteiten een

trekken zij meer dan ĂŠĂŠn vierde (26,7%) van deze groep

schommelend verloop, maar bekeken over de globale periode

aan. Opvallend hierbij is dat het studiegebied Economische

van 10 jaar nam het aantal vrouwelijke generatiestudenten aan

en toegepaste economische wetenschappen het laatste

de hogescholen toe met 5,3%, aan de universiteiten met 3,7%.

jaar een sterke toename kent (+ 295 generatiestudenten), terwijl het aantal generatiestudenten in het studiegebied

Dit alles weerspiegelt zich ook in de evolutie van de

Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen

participatiegraad. Bij de universiteiten nam in de beschouwde

eerder stagneert.


31

Tabel 2.3: Aandeel van de verschillende studiegebieden in het geheel van inschrijvingen van de generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten (1996-1997 t.e.m. 2005-2006) Academiejaar

96-97

97-98

98-99

99-00

00-01

01-02

02-03

03-04

04-05

05-06

Studiegebied

N

N

N

N

N

N

N

N

N

N

Wijsbegeerte en moraalwetenschappen

215

238

241

179

198

213

193

152

142

163

Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht

62

46

37

42

31

34

46

46

51

33

1.058

1.010

999

862

787

796

796

773

905

956

Geschiedenis

511

497

469

470

465

534

542

508

486

581

Archeologie en kunstwetenschappen

356

386

336

283

268

298

256

238

252

277

Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen

2.049

2.066

1.805

1.637

1.630

1.719

1.798

1.813

1.841

1.840

Psychologie en pedagogische wetenschappen

1.317

1.358

1.354

1.359

1.411

1.432

1.485

1.407

1.439

1.360

Economische en toegepaste economische wetenschappen

1.792

1.908

2.016

1.868

1.711

1.732

1.587

1.499

1.554

1.849

Politieke en sociale wetenschappen

1.082

1.030

1.151

1.168

1.183

1.122

1.208

1.128

1.101

1.207

Sociale gezondheidswetenschappen

139

86

133

81

80

87

89

108

120

148

Bewegings- en revalidatiewetenschappen

654

523

544

594

695

588

550

556

605

525

Taal- en letterkunde

1.387

1.519

1.586

1.416

1.405

1.254

1.080

1.042

1.088

1.018

Toegepaste wetenschappen

700

764

770

741

687

1.036

860

821

964

1.032

Toegepaste biologische wetenschappen

540

591

620

541

523

451

439

416

408

400

1.160

692

377

343

358

345

404

531

612

686

Tandheelkunde

110

70

26

29

26

47

43

48

53

91

Diergeneeskunde

366

350

329

308

286

322

358

339

371

324

Farmaceutische wetenschappen

297

322

308

247

269

250

261

290

361

352

Biomedische wetenschappen

110

145

156

412

426

501

486

404

526

554

Wetenschappen

Geneeskunde

Verkeerskunde

48

35

255

238

191

163

192

320

304

248

377

TOTAAL

14.128

13.856

13.495

12.771

12.602

12.953

12.801

12.423

13.175

13.808

Academiejaar

96-97

97-98

98-99

99-00

00-01

01-02

02-03

03-04

04-05

05-06

Studiegebied

%

%

%

%

%

%

%

%

%

%

Wijsbegeerte en moraalwetenschappen

1,5%

1,7%

1,8%

1,4%

1,6%

1,6%

1,5%

1,2%

1,1%

1,2%

Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht

0,4%

0,3%

0,3%

0,3%

0,2%

0,3%

0,4%

0,4%

0,4%

0,2%

Taal- en letterkunde

7,5%

7,3%

7,4%

6,7%

6,2%

6,1%

6,2%

6,2%

6,9%

6,9%

Geschiedenis

3,6%

3,6%

3,5%

3,7%

3,7%

4,1%

4,2%

4,1%

3,7%

4,2%

Archeologie en kunstwetenschappen

2,5%

2,8%

2,5%

2,2%

2,1%

2,3%

2,0%

1,9%

1,9%

2,0%

14,5%

14,9%

13,4%

12,8%

12,9%

13,3%

14,0%

14,6%

14,0%

13,3%

9,3%

9,8%

10,0%

10,6%

11,2%

11,1%

11,6%

11,3%

10,9%

9,8%

Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen Psychologie en pedagogische wetenschappen Economische en toegepaste economische wetenschappen

12,7%

13,8%

14,9%

14,6%

13,6%

13,4%

12,4%

12,1%

11,8%

13,4%

Politieke en sociale wetenschappen

7,7%

7,4%

8,5%

9,1%

9,4%

8,7%

9,4%

9,1%

8,4%

8,7%

Sociale gezondheidswetenschappen

1,0%

0,6%

1,0%

0,6%

0,6%

0,7%

0,7%

0,9%

0,9%

1,1%

Bewegings- en revalidatiewetenschappen

4,6%

3,8%

4,0%

4,7%

5,5%

4,5%

4,3%

4,5%

4,6%

3,8%

Wetenschappen

9,8%

11,0%

11,8%

11,1%

11,1%

9,7%

8,4%

8,4%

8,3%

7,4%

Toegepaste wetenschappen

5,0%

5,5%

5,7%

5,8%

5,5%

8,0%

6,7%

6,6%

7,3%

7,5%

Toegepaste biologische wetenschappen

3,8%

4,3%

4,6%

4,2%

4,2%

3,5%

3,4%

3,3%

3,1%

2,9%

Geneeskunde

8,2%

5,0%

2,8%

2,7%

2,8%

2,7%

3,2%

4,3%

4,6%

5,0%

Tandheelkunde

0,8%

0,5%

0,2%

0,2%

0,2%

0,4%

0,3%

0,4%

0,4%

0,7%

Diergeneeskunde

2,6%

2,5%

2,4%

2,4%

2,3%

2,5%

2,8%

2,7%

2,8%

2,3%

Farmaceutische wetenschappen

2,1%

2,3%

2,3%

1,9%

2,1%

1,9%

2,0%

2,3%

2,7%

2,5%

Biomedische wetenschappen

0,8%

1,0%

1,2%

3,2%

3,4%

3,9%

3,8%

3,3%

4,0%

4,0%

0,4%

0,3%

Verkeerskunde Gecombineerde studiegebieden TOTAAL

1,6%

1,8%

1,8%

1,5%

1,3%

1,5%

2,5%

2,4%

1,9%

2,7%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

Onder de noemer "Gecombineerde studiegebieden" ressorteren opleidingen die niet in ĂŠĂŠn studiegebied thuis te brengen zijn, m.n. Oosterse talen en culturen, Arabistiek en islamkunde, Taal- en regiostudies:Sinologie, Taal- en regiostudies:Japanologie, Taal- en regiostudies: Oude nabije Oosten, Oost-Europese talen en culturen, Afrikaanse talen en culturen, Slavistiek en Oost-Europakunde, Sociaal-economische wetenschappen. De studiegebieden opgenomen in de tabellen zijn de studiegebieden zoals vastgelegd in het Structuurdecreet (decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen).

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 2

223

Gecombineerde studiegebieden


32

●

Het studiegebied Psychologische en pedagogische weten-

●

Door de invoering van het toelatingsexamen voor arts/

schappen blijft in het academiejaar 2005-2006 de derde

tandarts kende het aantal generatiestudenten in de

plaats innemen met 1.360 generatiestudenten. Het relatief

studiegebieden Geneeskunde en Tandheelkunde een sterke

aandeel van dit studiegebied neemt evenwel de laatste drie

daling vanaf het academiejaar 1997-1998. Door een

academiejaren gestaag af: van 11,6% in het academiejaar

versoepeling van de slaagvoorwaarden van dit toelatings-

2002-2003 naar 9,8% in 2005-2006. De populariteit van

examen steeg vanaf het academiejaar 2002-2003 het

dit studiegebied lijkt over zijn hoogtepunt te zijn.

aantal generatiestudenten in de opleiding Geneeskunde. Ten opzichte van het aantal generatiestudenten in 1999-

●

2000 doet zich hier ongeveer een verdubbeling voor.

In het studiegebied Wetenschappen blijft het aantal generatiestudenten dalen: van 1.586 generatiestudenten in het academiejaar 1998-1999 naar 1.018 generatiestudenten

●

●

Eenzelfde evolutie vindt men terug in het studiegebied

in 2005-2006. Eenzelfde tendens vindt men terug in het

Tandheelkunde. Na een absoluut dieptepunt in de

studiegebied Toegepaste biologische wetenschappen:

academiejaren 1998-1999 t.e.m. 2000-2001 (minder dan

vanaf het academiejaar 1998-1999 kent dit studiegebied

30 generatiestudenten) was er vanaf het academiejaar

een continue daling van het aantal generatiestudenten.

2001-2002 opnieuw een aangroei van het aantal

Ten opzichte van het topjaar 1998-1999 telt men in het

generatiestudenten. Opvallend hierbij is de sterke toename

academiejaar 2005-2006 ongeveer een derde minder

in het laatste academiejaar: van 53 generatiestudenten in

generatiestudenten.

2004-2005 naar 91 generatiestudenten in 2005-2006.

Het studiegebied Toegepaste wetenschappen daarentegen

Op 1 februari 2006 volgden in het hogeschoolonderwijs

kent de laatste twee academiejaren een toename van

81,5% van de generatiestudenten een professioneel gerichte

het aantal generatiestudenten (+ 143 generatiestudenten

bacheloropleiding en 18,5% een academisch gerichte

in 2004-2005 en + 68 generatiestudenten in 2005-2006).

bacheloropleiding. Het aantal generatiestudenten in de

Deze stijging is wellicht voor een groot deel te wijten aan

professioneel gerichte opleidingen blijft toenemen, zowel in

de afschaffing van het interuniversitair overlegd en erkend

absolute als relatieve aantallen. Anderzijds blijft de instroom in

toelatingsexamen voor de opleidingen tot burgerlijk

de academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen

ingenieur en burgerlijk ingenieur architect.

afnemen: terwijl men hier in het academiejaar 1999-2000 nog 6.486 generatiestudenten telde, waren er dat in het

●

Eenzelfde positieve evolutie tijdens de laatste twee academie-

academiejaar 2005-2006 nog slechts 5.020.

jaren vindt men terug in het studiegebied Biomedische

●

wetenschappen: van 404 generatiestudenten in 2003-2004

De meest in het oog springende tendensen bij de hogescholen

naar 526 in 2004-2005 en 554 in 2005-2006.

zijn (tabel 2.4):

Bekijkt men globaal de evolutie van het aantal generatie-

●

Het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde

studenten in de exacte en toegepaste wetenschappen

blijft het grootste aantal generatiestudenten aantrekken:

(studiegebieden Wetenschappen, Toegepaste wetenschappen

6.705 generatiestudenten in de professioneel gerichte

en Toegepaste biologische wetenschappen, Farmacie en

bacheloropleidingen in het academiejaar 2005-2006 en

Biomedische wetenschappen), dan stelt men in het

895 generatiestudenten in de academisch gerichte

academiejaar 2004-2005 een kentering vast: na een quasi

bacheloropleidingen. Daarmee trekt dit studiegebied meer

onafgebroken daling van het aantal generatiestudenten

dan een kwart van het totaal aantal generatiestudenten aan.

vanaf het academiejaar 1998-1999, neemt de instroom in

Opvallend hierbij is de sterke toename van het aantal

de laatste twee academiejaren toe. Deze stijging is vooral

generatiestudenten in de professioneel gerichte opleidingen

te wijten aan de toegenomen populariteit van de studie-

in het academiejaar 2005-2006, terwijl anderzijds de

gebieden Biomedische wetenschappen, Farmaceutische

academisch gerichte opleidingen een verminderde

wetenschappen en Toegepaste wetenschappen.

instroom kennen.


33

Tabel 2.4: Aandeel van de verschillende studiegebieden in het geheel van inschrijvingen van de generatiestudenten aan de Vlaamse hogescholen (1996-1997 t.e.m. 2005-2006) Academiejaar Studiegebied

96-97

97-98

98-99

99-00

00-01

01-02

02-03

03-04

04-05

05-06

N

N

N

N

N

N

N

N

N

N

Opleidingen van één cyclus/PBA 456

508

495

467

421

534

546

580

533

0

26

19

21

29

39

40

25

52

46

171

263

242

245

259

253

268

407

462

476

Gezondheidszorg

3.356

3.089

2.733

2.380

2.398

2.175

2.293

2.502

2.695

3.138

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

6.552

7.527

7.377

7.043

7.332

7.026

6.436

6.073

6.170

6.705

Industriële wetenschappen en technologie

2.473

2.624

2.453

2.572

2.646

2.724

2.837

2.709

2.946

2.959

7

9

8

16

15

20

12

9

10

12

4.066

4.272

4.284

5.269

5.307

5.796

5.463

5.604

5.584

5.300

Architectuur Audiovisuele en beeldende kunst Biotechniek

Muziek en podiumkunsten Onderwijs

559

Sociaal-agogisch werk

2.109

2.241

2.014

2.247

2.185

2.284

2.358

2.691

2.747

2.945

Totaal één cyclus/PBA

19.190

20.559

19.625

20.260

20.592

20.851

20.253

20.600

21.199

22.140

Architectuur

572

520

429

473

380

416

514

558

566

547

Audiovisuele en beeldende kunst

893

849

926

936

895

898

854

896

856

896

67

94

77

75

56

56

60

56

84

85

253

280

312

262

119

166

211

178

Opleidingen van twee cycli/ABA

Biotechniek Gezondheidszorg Handelswetenschappen en bedrijfskunde

1.135

1.205

1.217

1.263

1.294

1.179

1.066

952

1.006

895

Industriële wetenschappen en technologie

2.033

2.095

2.107

2.234

2.061

1.781

1.660

1.577

1.425

1.380 267

310

299

263

262

305

246

272

236

267

Produktontwikkeling

94

84

93

121

113

82

77

80

64

82

Toegepaste taalkunde

974

822

830

842

758

781

752

739

760

690

Muziek en podiumkunsten

6.078

5.968

6.195

6.486

6.174

5.701

5.374

5.260

5.239

5.020

Algemeen totaal

25.268

26.527

25.820

26.746

26.766

26.552

25.627

25.860

26.438

27.160

Academiejaar

96-97

97-98

98-99

99-00

00-01

01-02

02-03

03-04

04-05

05-06

%

%

%

%

%

%

%

%

%

%

Totaal twee cycli/ABA

Studiegebied

Opleidingen van één cyclus/PBA 1,8%

1,9%

1,9%

1,7%

1,6%

2,0%

2,1%

2,2%

2,0%

2,1%

0,0%

0,1%

0,1%

0,1%

0,1%

0,1%

0,2%

0,1%

0,2%

0,2%

Biotechniek

0,7%

1,0%

0,9%

0,9%

1,0%

1,0%

1,0%

1,6%

1,7%

1,8%

Gezondheidszorg

13,3%

11,6%

10,6%

8,9%

9,0%

8,2%

8,9%

9,7%

10,2%

11,6%

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

25,9%

28,4%

28,6%

26,3%

27,4%

26,5%

25,1%

23,5%

23,3%

24,7%

Industriële wetenschappen en technologie

9,8%

9,9%

9,5%

9,6%

9,9%

10,3%

11,1%

10,5%

11,1%

10,9%

Muziek en podiumkunsten

0,0%

0,0%

0,0%

0,1%

0,1%

0,1%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

16,1%

16,1%

16,6%

19,7%

19,8%

21,8%

21,3%

21,7%

21,1%

19,5%

Onderwijs Sociaal-agogisch werk

8,3%

8,4%

7,8%

8,4%

8,2%

8,6%

9,2%

10,4%

10,4%

10,8%

Totaal één cyclus/PBA

75,9%

77,5%

76,0%

75,7%

76,9%

78,5%

79,0%

79,7%

80,2%

81,5%

Opleidingen van twee cycli/ABA Architectuur

2,3%

2,0%

1,7%

1,8%

1,4%

1,6%

2,0%

2,2%

2,1%

2,0%

Audiovisuele en beeldende kunst

3,5%

3,2%

3,6%

3,5%

3,3%

3,4%

3,3%

3,5%

3,2%

3,3%

Biotechniek

0,3%

0,4%

0,3%

0,3%

0,2%

0,2%

0,2%

0,2%

0,3%

0,3%

Gezondheidszorg

0,0%

0,0%

1,0%

1,0%

1,2%

1,0%

0,5%

0,6%

0,8%

0,7%

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

4,5%

4,5%

4,7%

4,7%

4,8%

4,4%

4,2%

3,7%

3,8%

3,3%

Industriële wetenschappen en technologie

8,0%

7,9%

8,2%

8,4%

7,7%

6,7%

6,5%

6,1%

5,4%

5,1%

Muziek en podiumkunsten

1,2%

1,1%

1,0%

1,0%

1,1%

0,9%

1,1%

0,9%

1,0%

1,0%

Produktontwikkeling

0,4%

0,3%

0,4%

0,5%

0,4%

0,3%

0,3%

0,3%

0,2%

0,3%

Toegepaste taalkunde

3,9%

3,1%

3,2%

3,1%

2,8%

2,9%

2,9%

2,9%

2,9%

2,5%

Totaal twee cycli/ABA

24,1%

22,5%

24,0%

24,3%

23,1%

21,5%

21,0%

20,3%

19,8%

18,5%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

Algemeen totaal

De opleidingen van twee cycli in het studiegebied ‘Gezondheidszorg’ worden pas georganiseerd vanaf academiejaar 1998-1999. De studiegebieden opgenomen in de tabellen zijn de studiegebieden zoals vastgelegd in het Structuurdecreet (decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen).

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 2

Architectuur Audiovisuele en beeldende kunst


34

●

●

Het studiegebied Onderwijs is het tweede grootste

terwijl in het ‘topjaar’ 1999-2000 nog 2.234 generatiestudenten

studiegebied. De quasi continue toename van het aantal

startten in een academisch gerichte opleiding, is dit aantal al

generatiestudenten in dit studiegebied lijkt de voorbije twee

afgenomen tot 1.380 generatiestudenten in het academie-

academiejaren gestopt: vanaf het academiejaar 2004-2005

jaar 2005-2006. Wellicht speelt hier een zekere impact van

neemt het aantal instromende studenten af (-120 generatie-

1) de versoepeling en 2) de afschaffing van het toelatings-

studenten in 2004-2005, -284 studenten in 2005-2006).

examen voor burgerlijk ingenieur aan de universiteiten mee.

Vermeldenswaardig bij de professioneel gerichte opleidingen is de evolutie van het aantal generatiestudenten in het studiegebied Gezondheidszorg: terwijl in het academiejaar

2.3 OVERZICHT VAN DE UITGEREIKTE DIPLOMA’S

2001-2002 slechts 2.175 generatiestudenten instroomden in dit studiegebied, was dit aantal in het academiejaar 2005-

Naast instroom is het eveneens belangrijk een goed zicht

2006 gestegen tot 3.138 generatiestudenten.

te krijgen op de uitstroom hoger onderwijs. In dit deel wordt dan ook stilgestaan bij de kwantificatie en de stratificatie van

●

Twee andere studiegebieden die in de beschouwde periode

de diploma’s uitgereikt in het Vlaamse hoger onderwijs.

het aantal generatiestudenten aanzienlijk zagen toenemen, zijn het studiegebied Biotechniek (van 171 generatiestudenten

In het academiejaar 2004-2005 hebben de Vlaamse universiteiten

in het academiejaar 1996-1997 naar 476 generatiestudenten in

9.306 licentiaatsdiploma’s uitgereikt, 4.585 diploma's in de

2005-2006) en het studiegebied Sociaal-agogisch werk (van

voortgezette academische opleidingen, 1.007 doctoraatsdiploma's

2.109 generatiestudenten naar 2.945 generatiestudenten in

en 1.627 diploma's van een academische initiële lerarenopleiding.

de beschouwde periode).

Ten opzichte van het academiejaar 1996-1997 betekent dit een toename van +13,1% voor het aantal tweedecyclusdiploma's,

●

Het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie

+72,2% voor het aantal diploma's in de voortgezette academische

kent een afname van het aantal generatiestudenten zowel bij de

opleidingen, +68,4% voor het aantal doctoraatsdiploma's en

professioneel gerichte opleidingen als bij de academisch gerichte

+10,5% voor het aantal diploma’s van een academische initiële

opleidingen. Zeker bij deze laatste is de daling significant:

lerarenopleiding.

Figuur 2.1: Universiteiten: diploma’s per type diploma (periode 1995-1996 t.e.m. 2004-2005)

12.000

10.000

8.000

6.000

4.000

2.000

0 1995-1996

1996-1997

1997-1998

1998-1999

■ 2de cyclus ■ VAO's (voortgezette academische opleiding) ■ AILO (academische initiële lerarenopleiding) ■ Doctoraat

1999-2000

2000-2001

2001-2002

2002-2003

2003-2004

2004-2005


35

Tabel 2.5: Universiteiten: diploma’s per studiegebied, type diploma en geslacht (periode 2000-2001 t.e.m. 2004-2005) Diploma

2000-2001 M

V

2001-2002 T

M

V

2002-2003 T

M

V

2003-2004 T

M

V

2004-2005 T

M

V

T

Wijsbegeerte en moraalwetenschappen 2e cyclus

96

56

152

102

64

166

96

49

145

88

55

143

98

68

vao's

17

7

24

19

17

36

16

16

32

22

24

46

34

15

49

ailo

8

10

18

18

18

36

18

14

32

26

18

44

24

28

52

doctoraat 14 1 15 21 Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht

3

24

12

3

15

10

6

16

19

6

25

48

113

34

38

72

1

31

15

46

2e cyclus

166

74

34

108

65

30

95

79

33

112

65

vao's

2

5

7

2

3

5

1

2

3

1

ailo

5

18

23

12

16

28

5

17

22

10

14

24

10

11

21

15

0

15

23

32

26

15

2

17

21

2

23

21

4

25

doctoraat Taal- en letterkunde

209

446

655

183

516

699

164

404

568

140

417

557

163

419

582

vao's

46

105

151

39

95

134

45

116

161

28

66

94

41

83

124

ailo

65

191

256

71

262

333

94

242

336

76

246

322

72

248

320

doctoraat

11

13

24

18

11

29

10

18

28

16

21

37

20

18

38 330

2e cyclus

Geschiedenis 152

142

294

180

160

340

148

154

302

163

168

331

173

157

vao's

5

8

13

13

9

22

19

23

42

15

18

33

19

16

35

ailo

28

45

73

48

43

91

45

65

110

45

76

121

42

70

112

2

11

11

0

11

9

6

15

12

5

17

6

6

12 193

2e cyclus

doctoraat 9 Archeologie en kunstwetenschappen 2e cyclus

79

162

241

70

137

207

46

141

187

61

149

210

52

141

vao's

3

17

20

8

16

24

10

28

38

6

13

19

11

24

35

ailo

10

37

47

8

44

52

6

29

35

11

34

45

7

31

38

doctoraat 2 2 4 Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen

7

8

15

6

4

10

7

5

12

10

9

19

617

766

1.383

607

815

1.422

578

807

1.385

531

738

1.269

440

756

1.196

vao's

223

209

432

216

231

447

280

236

516

255

301

556

275

298

573

9

20

29

12

36

48

11

44

55

14

53

67

15

45

60

doctoraat 14 6 Psychologie en pedagogische wetenschappen

20

15

8

23

16

5

21

10

9

19

12

7

19

ailo

2e cyclus

187

685

872

171

600

771

203

755

958

169

783

952

146

815

961

vao's

33

89

122

50

66

116

40

100

140

45

104

149

47

109

156

ailo

20

98

118

doctoraat 15 7 22 Economische en toegepaste economische wetenschappen

22

122

144

29

155

184

24

184

208

20

223

243

19

18

37

21

21

42

18

17

35

27

16

43

2e cyclus

643

425

1.068

657

525

1.182

633

552

1.185

598

533

1.131

637

492

1.129

vao's

481

357

838

444

369

813

648

450

1.098

654

444

1.098

596

364

960

ailo

15

38

53

18

32

50

23

69

92

29

79

108

19

63

82

doctoraat 14 Politieke en sociale wetenschappen

10

24

19

8

27

31

7

38

18

12

30

18

16

34 823

2e cyclus

278

393

671

316

421

737

295

459

754

353

484

837

337

486

vao's

129

220

349

183

206

389

243

294

537

213

340

553

217

264

481

ailo

16

29

45

13

49

62

33

76

109

34

97

131

31

76

107

doctoraat 18 Sociale gezondheidswetenschappen

8

26

17

7

24

11

7

18

16

9

25

19

15

34

2e cyclus

41

165

206

30

188

218

29

193

222

41

186

227

26

181

207

vao's

22

10

32

28

25

53

31

22

53

27

22

49

38

50

88

ailo

2

41

43

6

36

42

6

53

59

7

44

51

2

49

51

doctoraat

1

1

2

1

2

3

2

1

3

1

1

2

3

1

4

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 2

2e cyclus


36

Tabel 2.5: Universiteiten: diploma’s per studiegebied, type diploma en geslacht (periode 2000-2001 t.e.m. 2004-2005) (vervolg) Diploma

2000-2001 M

V

Bewegings- en revalidatiewetenschappen 2e cyclus 161 213

2001-2002 T

M

V

2002-2003 T

M

V

2003-2004

2004-2005

T

M

V

T

M

V

T

417

374

162

199

361

122

123

245

148

253

401

158

259

vao's

30

81

111

33

81

114

42

81

123

15

43

58

17

32

49

ailo

65

78

143

49

63

112

57

83

140

50

92

142

62

100

162

3

2

5

3

4

7

5

5

10

9

2

11

6

5

11

Wetenschappen 2e cyclus

461

386

847

496

373

869

465

366

831

530

313

843

448

275

723

vao's

195

107

302

202

108

310

197

118

315

213

129

342

168

157

325

ailo

47

99

146

33

102

135

65

108

173

88

142

230

79

125

204

161

83

244

156

87

243

179

67

246

164

94

258

177

93

270

2e cyclus

464

119

583

498

142

640

519

121

640

488

131

619

508

161

669

vao's

271

119

390

244

87

331

309

113

422

320

169

489

311

153

464

doctoraat

doctoraat Toegepaste wetenschappen

ailo doctoraat

5

7

12

6

5

11

5

10

15

13

7

20

17

11

28

85

17

102

90

23

113

107

18

125

130

15

145

143

35

178

Toegepaste biologische wetenschappen 2e cyclus

vao's ailo doctoraat

192

158

350

193

199

392

214

185

399

200

196

396

170

209

379

93

86

179

95

84

179

111

103

214

133

91

224

135

114

249

6

14

20

6

15

21

5

21

26

15

18

33

14

31

45

48

26

74

53

32

85

45

49

94

67

30

97

66

35

101

341

482

823

312

451

763

339

494

833

265

432

697

219

360

579

46

68

114

45

61

106

43

59

102

49

49

98

45

73

118

Geneeskunde 2e cyclus

vao's

5

5

10

5

3

8

1

6

7

3

4

7

2

16

18

doctoraat Tandheelkunde

61

34

95

41

54

95

61

54

115

78

51

129

63

61

124

2e cyclus

46

55

101

41

46

87

30

35

65

25

25

50

18

28

46

vao's

12

26

38

14

28

42

17

26

43

11

11

22

11

19

30

ailo

0

0

0

0

0

0

1

1

2

doctoraat

1

0

1

1

0

1

1

0

1

ailo

2

2

Diergeneeskunde 2e cyclus

63

86

149

95

98

193

63

108

171

70

122

192

50

110

160

vao's

0

0

0

3

6

9

4

1

5

6

9

15

7

5

12

ailo

1

3

4

1

4

5

3

5

8

1

3

4

1

7

8

doctoraat

3

6

9

4

5

9

11

10

21

10

6

16

8

11

19

2e cyclus

61

190

251

50

186

236

60

178

238

37

147

184

34

176

210

vao's

19

24

43

12

44

56

26

53

79

19

37

56

18

42

60

ailo

0

3

3

3

11

14

1

7

8

11

11

2

13

15

12

13

25

12

18

30

19

14

33

22

18

40

12

24

36

8

34

42

26

81

107

44

183

227

58

205

263

50

225

275

1

3

4

4

2

6

ailo

3

3

doctoraat

2

2

Farmaceutische wetenschappen

doctoraat Biomedische wetenschappen 2e cyclus vao's

8

8

8

20

28

2

27

29

1

1

2

1

3

4

1

4

5

Gecombineerde studiegebieden 2e cyclus 59

139

198

64

141

205

64

142

206

58

131

189

58

131

189

205

214

419

226

272

498

294

328

622

332

440

772

338

387

725

ailo

0

17

17

3

25

28

7

20

27

7

28

35

7

25

32

doctoraat Totaal

3

2

5

5

2

7

6

2

8

2

6

8

6

2

8

2e cyclus

4.232

5.136

9.368

4.318

5.372

9.690

4.191

5.482

9.673

4.088

5.516

9.604

3.819

5.487

9.306

vao's

1.832

1.752

3.584

1.877

1811

3.688

2.376

2.169

4.545

2.364

2.310

4.674

2.363

2.222

4.585

ailo

307

753

1.060

334

889

1.223

415

1.033

1.448

461

1170

1.631

428

1.199

1.627

doctoraat

490

233

723

516

324

811

568

294

862

612

312

924

639

368

1.007

vao's


37

Opvallend bij deze evoluties is evenwel dat het aantal licentiaats-

in de voorbije vijf academiejaren afgeleverd. Voor de meeste

diploma’s afneemt vanaf het academiejaar 2002-2003. Het aantal

studiegebieden werd in de voorbije vijf academiejaren een

doctoraatsdiploma’s daarentegen blijft continu toenemen.

stijging van het aantal doctoraten waargenomen. De grootste toename van het aantal doctoraten (in absolute cijfers,

In het academiejaar 2004-2005 werd het grootste aantal

vergelijking uitgereikte diploma’s 2003-2004 ten opzichte

tweedecyclusdiploma's uitgereikt in de studiegebieden Rechten,

van 2004-2005) vindt men terug in de studiegebieden

notariaat en criminologische wetenschappen (1.196), Economische

Toegepaste

en toegepaste economische wetenschappen (1.129) en

biologische wetenschappen en Wetenschappen.

wetenschappen,

Geneeskunde,

Toegepaste

Psychologische en pedagogische wetenschappen (961). Bij de licentiaatsdiploma’s is het aantal vrouwelijke gediploHet aantal uitgereikte diploma's in de voortgezette academische

meerden groter dan het aantal mannelijke gediplomeerden.

opleidingen in 2004-2005 was het grootst bij Economische en

Vertrekkend van een quasi gelijke verdeling (49,1% mannen en

toegepaste economische wetenschappen (960), de gecombineerde

50,9% vrouwen) in 1995-1996 is het aandeel van diploma’s

studiegebieden (725), Rechten, notariaat en criminologische

uitgereikt aan vrouwelijke studenten ondertussen toegenomen

wetenschappen (573), en Politieke en sociale wetenschappen (481).

tot 59,0% (figuur 2.2).

De voorbije vijf academiejaren werd het grootste aantal diploma's

De man-vrouw verhouding bij de uitgereikte tweedecyclus-

van de academische initiële lerarenopleiding toegekend in de

diploma’s is niet in alle studiegebieden dezelfde (zie tabel 2.5).

studiegebieden Taal- en letterkunde (1.567 diploma’s in de

In het academiejaar 2004-2005 was er een sterk vrouwelijk

beschouwde periode), Psychologische en pedagogische

overwicht in de studiegebieden Taal- en letterkunde (72,0%),

wetenschappen (897), Wetenschappen (888), en Bewegings-

Archeologie en kunstwetenschappen (73,1%), Psychologische

en revalidatiewetenschappen (699).

en pedagogische wetenschappen (84,8%), Sociale gezondheidswetenschappen (87,4%), Farmaceutische wetenschappen (83,8%) en Biomedische wetenschappen (81,8%). Ook in de studie-

2004-2005 werd uitgereikt in de studiegebieden Wetenschappen

gebieden Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en

(1.261), Toegepaste wetenschappen (663), Geneeskunde (558)

kerkelijk recht (52,7%), Rechten, notariaat en criminologische

en Toegepaste biologische wetenschappen (451). Deze vier

wetenschappen (63,2%), Politieke en sociale wetenschappen

richtingen samen hebben 67,8% van het totaal aantal doctoraten

(59,1%), Bewegings- en revalidatiewetenschappen (62,1%),

Figuur 2.2: Universiteiten: tweedecyclusdiploma’s per geslacht (periode 1995-1996 t.e.m. 2004-2005)

6.000

5.000

4.000

3.000

2.000

1.000

0 1995-1996

■ Mannen ■ Vrouwen

1996-1997

1997-1998

1998-1999

1999-2000

2000-2001

2001-2002

2002-2003

2003-2004

2004-2005

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 2

Het grootste aantal doctoraten in de periode 2000-2001 tot


38

Figuur 2.3: Universiteiten: diploma’s voortgezette academische opleidingen per geslacht (periode 1995-1996 t.e.m. 2004-2005)

2.500

2.000

1.500

1.000

500

0 1995-1996

1996-1997

1997-1998

1998-1999

1999-2000

2000-2001

2001-2002

2002-2003

2003-2004

2004-2005

■ Mannen ■ Vrouwen

Figuur 2.4: Universiteiten: doctoraatsdiploma’s per geslacht (periode 1995-1996 t.e.m. 2004-2005)

700 600 500 400 300 200 100 0 1995-1996

1996-1997

1997-1998

1998-1999

1999-2000

2000-2001

2001-2002

2002-2003

2003-2004

2004-2005

■ Mannen ■ Vrouwen

Toegepaste biologische wetenschappen (55,2%), Geneeskunde

economische wetenschappen (56,4%) en Geschiedenis

(62,2%), Tandheelkunde (60,9%), Diergeneeskunde (68,8%)

(52,4%) werd aan meer mannen dan vrouwen een

en in de gecombineerde studiegebieden (69,3%) studeerden

licentiaatsdiploma uitgereikt.

meer vrouwen dan mannen af. Opvallend hierbij is dat het aantal studiegebieden met een vrouwelijk overwicht

Bij de voortgezette academische opleidingen heeft men nog

toegenomen is ten opzichte van de vorige editie van het

steeds een klein overwicht van het aantal mannelijke

Vlaams indicatorenboek (diploma’s 2002-2003).

afgestudeerden

(51,5%

tegenover

48,5%

vrouwelijke

afgestudeerden). Terwijl in het begin van de beschouwde Een duidelijk mannelijk overwicht was er daarentegen in de

periode het mannelijk overwicht nog ongeveer 55% was,

studiegebieden Toegepaste wetenschappen (75,9%) en

schommelt de laatste jaren de verhouding mannelijke

Wetenschappen (62,0%). Ook in de richtingen Wijsbegeerte en

afgestudeerden/ vrouwelijke afgestudeerden rond de 50 à

moraalwetenschappen (59,1%), Economische en toegepaste

52% / 50 à 48% (figuur 2.3).


39

Figuur 2.5: Hogescholen: eencyclusdiploma’s versus tweecyclidiploma’s (periode 1996-1997 t.e.m. 2004-2005)

20.000 18.000 16.000 14.000 12.000 10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0 1996-1997

1997-1998

1998-1999

1999-2000

2000-2001

2001-2002

2002-2003

2003-2004

2004-2005

■ Eén cyclus ■ Twee cycli

Het grootste onevenwicht tussen mannen en vrouwen blijft

werk (+300) en Industriële Wetenschappen en technologie (+276),

zichtbaar bij de uitgereikte doctoraatsdiploma’s (figuur 2.4).

terwijl Gezondheidszorg (-347) en Handelswetenschappen en

Ondanks een quasi verdubbeling van het aantal doctoraats-

bedrijfskunde (-318) werden geconfronteerd met de sterkste

diploma’s uitgereikt aan vrouwen in de beschouwde periode

daling van het aantal gediplomeerden.

van 10 jaar, blijft hun aandeel beperkt tot 36,5% (in het De meeste tweecyclidiploma's werden in 2004-2005

doctoraatsdiploma’s uit aan mannen tegenover 368 aan

toegekend in de studiegebieden Industriële Wetenschappen en

vrouwen). In dezelfde periode nam het aantal mannelijke

technologie (1.659), Handelswetenschappen en Bedrijfskunde

doctoren toe met iets meer dan 50%. Het hoofdstuk

(1.088), Audiovisuele en Beeldende Kunst (566) en Toegepaste

‘Doctoreren aan Vlaamse universiteiten’ gaat hier verder op in.

Taalkunde (449).

In het academiejaar 2004-2005 hebben de Vlaamse hoge-

Terwijl het aantal gediplomeerden in de studiegebieden

scholen 17.879 diploma’s van eencyclusopleidingen en 4.697

Toegepaste taalkunde (-70), Architectuur (-61) en Industriële

tweecyclidiploma's uitgereikt. Ten opzichte van het academie-

wetenschappen en technologie (-59) in de voorbije vijf academie-

jaar 1996-1997 betekent dit een toename van +15,5% voor het

jaren het sterkst gedaald is, kenden de studiegebieden

aantal diploma’s van de eencyclusopleidingen en +7,4% voor

Handelswetenschappen en bedrijfskunde (+ 80), Gezondheids-

het aantal diploma’s van de tweecycliopleidingen. Tijdens de

zorg (+61) en Muziek en podiumkunsten (+54) de grootste

beschouwde periode schommelde het aandeel van de

toename van het aantal uitgereikte diploma’s.

eencyclusdiploma’s tussen de 78 en 80% (figuur 2.5). Bij de eencyclusdiploma's is het aantal vrouwelijke gediploIn het academiejaar 2004-2005 werd het grootste aantal

meerden groter dan het aantal mannelijke gediplomeerden.

eencyclusdiploma's toegekend in de studiegebieden Handels-

In het academiejaar 2004-2005 reikten de Vlaamse hogescholen

wetenschappen en Bedrijfskunde (5.992), Onderwijs (4.378)

62,5% van de eencyclusdiploma's (of 11.171) uit aan vrouwelijke

en Gezondheidszorg (2.581). De voorbije vijf academiejaren

afgestudeerden, tegenover 37,5% (of 6.708) aan mannelijke

werd de grootste toename van het aantal gediplomeerden in

afgestudeerden. Bekeken over de periode 1996-2004 is deze

absolute cijfers gemeten bij Onderwijs (+936), Sociaal-agogisch

verhouding nagenoeg constant gebleven.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 2

academiejaar 2004-2005 reikten de universiteiten 639


40

Tabel 2.6: Hogescholen: diploma’s per studiegebied, type diploma en geslacht (periode 2000-2001 t.e.m. 2004-2005) Academiejaar Studiegebied

2000-2001

2001-2002

2002-2003

2003-2004

2004-2005

M

V

T

M

V

T

M

V

T

M

V

T

M

V

T

203

182

385

179

206

385

180

180

360

169

230

399

189

248

437

Opleidingen van één cyclus Architectuur Audiovisuele en beeldende kunst

20

20

40

12

24

36

13

35

48

22

35

57

13

23

36

Biotechniek

151

62

213

163

69

232

169

76

245

150

71

221

179

81

260

Gezondheidszorg

514

2.414

2.928

451

2.279

2.730

333

2.222

2.555

354

2.203

2.557

352

2.229

2.581

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

2.685

3.625

6.310

2.798

3.442

6.240

2.982

3.488

6.470

2.940

3.270

6.210

2.805

3.187

5.992

Industriële wetenschappen en technologie

1.517

291

1.808

1.714

320

2.034

1.750

328

2.078

1.747

281

2.028

1.791

293

2.084

Muziek en podiumkunsten

2

7

9

1

10

11

1

8

9

2

4

6

1

8

9

838

2.604

3.442

932

3.296

4.228

929

3.259

4.188

914

3.360

4.274

988

3.390

4.378

Onderwijs

363

1.439

1.802

391

1.574

1.965

365

1.533

1.898

353

1.608

1.961

390

1.712

2.102

6.293

10.644

16.937

6.641

11.220

17.861

6.722

11.129

17.851

6.651

11.062

17.713

6.708

11.171

17.879

Architectuur

146

155

301

123

116

239

131

128

259

121

172

293

103

137

240

Audiovisuele en beeldende kunst

254

326

580

242

350

592

260

362

622

255

322

577

252

314

566

50

36

86

36

37

73

49

41

90

51

39

90

38

33

71

43

111

154

66

136

202

69

139

208

75

140

215

Sociaal-agogisch werk Totaal één cyclus

Biotechniek Gezondheidszorg Handelswetenschappen en bedrijfskunde

543

465

1.008

500

484

984

496

430

926

643

579

1.222

574

514

1.088

Industriële wetenschappen en technologie

1.412

306

1.718

1.556

321

1.877

1.486

348

1.834

1.483

300

1.783

1.387

272

1.659

Muziek en podiumkunsten

118

149

267

100

124

224

116

150

266

140

141

281

150

171

321

Produktontwikkeling

34

23

57

37

20

57

45

26

71

57

25

82

41

34

75

Toegepaste taalkunde

103

416

519

106

378

484

88

397

485

85

360

445

85

364

449

Gecombineerd studiegebied Totaal twee cycli 2.660

1.876

4.536

2.743

1.941

4.684

2.737

2.018

4.755

2.904

2.077

4.981

4 2.709

9 1.988

13 4.697

8.953

12.520

21.473

9.384

13.161

22.545

9.459

13.147

22.606

9.555

13.139

22.694

9.417

13.159

22.576

Algemeen totaal

In het studiegebied ‘Gezondheidszorg’ worden de opleidingen van twee cycli georganiseerd vanaf het academiejaar 1998-1999. De eerste diploma’s werden uitgereikt op het einde van het academiejaar 2001-2002.

De man-vrouwverhouding is niet voor alle studiegebieden

Bij de tweecyclidiploma's zijn eveneens verschillen in de man-

dezelfde (zie tabel 2.6). Terwijl in het academiejaar 2004-2005

vrouwverhouding tussen de studiegebieden merkbaar. Het

het aantal vrouwelijke gediplomeerden in de studiegebieden

verschil tussen het aantal vrouwelijke en het aantal mannelijke

Onderwijs, Sociaal-agogisch werk, Gezondheidszorg en Muziek

gediplomeerden is vooral groot bij de studiegebieden

en podiumkunsten sterk in de meerderheid was (77,4% à

Industriële wetenschappen en technologie en de Toegepaste

88,9%), kenden de studiegebieden Biotechniek en Industriële

taalkunde met respectievelijk 83,6% mannelijke en 81,1%

wetenschappen en technologie meer mannelijke gediplomeerden

vrouwelijke afgestudeerden in 2004-2005. Ook in de richting

(respectievelijk 68,9 % en 85,9%).

Gezondheidszorg was er een duidelijk vrouwelijk overwicht (65,1% of 140 vrouwelijke afgestudeerden in 2004-2005).

De tweecyclidiploma's werden in tegenstelling tot de eencyclusdiploma’s nog steeds overwegend aan mannelijke afgestudeerden uitgereikt, hoewel het aantal en het aandeel vrouwelijke gediplomeerden in de beschouwde periode licht is toegenomen: van 1.673 (of 38,3%) in 1996-1997 tot 1.988 (of 42,3%) in 2004-2005.


41

Figuur 2.6: Hogescholen: eencyclusdiploma’s per geslacht (periode 1996-1997 t.e.m. 2004-2005)

12.000

10.000

8.000

6.000

4.000

2.000

0 1996-1997

1997-1998

1998-1999

1999-2000

2000-2001

2001-2002

2002-2003

2003-2004

2004-2005

■ Mannen ■ Vrouwen

Figuur 2.7: Hogescholen: tweecyclidiploma’s per geslacht (periode 1996-1997 t.e.m. 2004-2005)

3.500 3.000 2.500 2.000

1.000 500 0 1996-1997

■ Mannen ■ Vrouwen

1997-1998

1998-1999

1999-2000

2000-2001

2001-2002

2002-2003

2003-2004

2004-2005

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 2

1.500


42

Tabel 2.7: Percentage afgestudeerden hoger onderwijs in verhouding tot de referentiepopulatie op de typische leeftijd van afstuderen, naar type programma en duur - internationale vergelijking (2002-2003) Niet-universitair hoger onderwijs (eerste diploma)

Doctoraat of equivalent***

Onderwijs van universitair niveau (eerste diploma)* Totaal

Middelmatige duur** (3-4 jaar)

Lange duur** (5 jaar)

Heel lange duur (>5 jaar)

Vl. Gem.****

28,3

18,7

11,8

6,0

0,9

1,0

IER

19,3

36,8

28,2

8,6

x

1,1

FR

18,6

26,7

8,6

17,1

1,0

1,2

SP

15,7

32,1

13,4

18,7

n

1,1

VK

13,8

38,2

35,4

2,6

0,1

1,8

D

10,0

19,5

7,0

12,5

a

2,0

DEN*****

9,7

42,2

27,5

14,7

0,1

1,1

ZW

4,0

35,1

34,0

1,4

a

2,8

FIN*****,******

1,6

48,7

30,4

17,7

0,7

1,9

IT5

1,1

26,7

4,3

22,4

a

0,5

POR

m

m

m

m

m

2,4

OOS

m

19,0

3,1

16,0

a

1,9

NED

m

m

m

m

m

1,3

BEL

m

m

m

m

m

1,0

9,3

32,2

19,4

12,2

0,6

1,3

OESO-x * ** *** **** ***** ******

Een eerste diploma van universitair niveau betekent in internationale context voor Vlaanderen een licentiaatsdiploma of gelijkwaardig. Exclusief studenten die daaropvolgend een programma van langere duur afwerken. Percentage berekend als som van de percentages per leeftijd, behalve voor Frankrijk, Italië en Nederland. Cijfers bevatten mogelijk dubbeltellingen. Referentiejaar 2001-2002. Er werden programma's in niet-universitair hoger onderwijs afgeschaft met een stijging in het universitair onderwijs tot gevolg.

a m x

Data niet toepasselijk Data niet beschikbaar Duidt aan dat de data in een andere kolom geïntegreerd werden. Die kolom wordt tussen haakjes aangeduid.

Bron: OECD, Education at a Glance 2005.

2.4 INTERNATIONALE VERGELIJKING Tabel 2.7 toont de percentages afgestudeerden in het hoger

Deze cijfergegevens moeten evenwel met de nodige

onderwijs ten opzichte van de referentiepopulatie op typische

voorzichtigheid geïnterpreteerd worden, de verschillen in

leeftijd van afstuderen voor het academiejaar 2002-2003.

classificaties tussen de landen spelen hier immers sterk mee.

De tabel maakt een onderscheid naar het type programma (niet-universitair hoger onderwijs versus onderwijs van universitair

Globaal genomen kan men op basis van deze cijfers stellen

niveau) dat doorlopen werd en naar de opleidingsduur.

dat de jongste generatie twintigers gemiddeld geschoold is in internationaal perspectief. Toch is het zo dat in vergelijking met

Uit deze tabel blijkt de uitzonderlijke positie van Vlaanderen

de andere opgenomen landen er relatief minder Vlamingen zijn

m.b.t. het percentage diploma’s van het niet-universitair

die een diploma van universitair niveau behalen, vooral wat de

hoger onderwijs (opgelet: de gegevens omvatten hier voor

opleidingen van langere duur en de doctoraatsdiploma’s betreft.

Vlaanderen zowel de hogeschoolopleidingen van één cyclus als de HOSP-opleidingen). Het Vlaamse percentage afgestudeerden

Bekijken we de procentuele verdeling over de studiegebieden

van universitair niveau (licentiaat of gelijkwaardig in Vlaanderen)

in internationaal perspectief (tabel 2.8), dan bevindt Vlaanderen

situeert zich dan weer onder het OESO-landengemiddelde.

zich meestal in de buurt van het OESO-landengemiddelde.

Dit is ook het geval bij de doctoraten.


43

Tabel 2.8: Verdeling van de diploma’s in het hoger onderwijs, naar studiedomein en type onderwijs (2002-2003) Education

Humanities and arts

(1)

(2)

(3)

Social sciences, business and law (4)

Services

(7)

(8)

(9)

(10)

(11)

(12)

(13)

België*

A B

7,0 24,3

13,7 4,9

36,3 26,2

3,1 2,0

11,3 9,2

3,2 0,5

14,2 26,1

5,1 0,8

2,7 0,2

1,0 n

2,5 5,9

n n

Denemarken**

A B

10,4 a

15,2 5,3

24,6 38,3

1,1 11,8

9,7 19,7

1,3 6,5

31,0 a

2,4 a

2,3 a

0,4 a

1,6 18,4

a a

Duitsland

A B

7,7 8,0

15,1 1,3

27,9 11,9

1,9 7,8

17,3 16,2

2,1 2,9

14,5 50,3

3,3 n

4,6 a

1,8 a

3,9 0,8

n 0,8

Finland**

A B

6,8 9,5

11,7 23,4

23,5 4,7

5,0 31,1

21,3 25,2

2,4 1,2

21,8 3,5

1,3 n

1,8 n

0,6 n

3,8 1,3

n n

Frankrijk

A B

9,3 a

16,9 1,6

39,0 41,3

3,1 6,3

12,4 25,6

0,3 0,3

2,6 19,4

5,8 a

4,8 0,1

2,5 0,4

3,0 5,0

0,3 a

Ierland

A B

10,4 0,4

18,1 6,0

29,1 33,9

0,8 7,2

8,0 18,9

1,2 1,7

12,0 13,2

5,3 2,0

2,1 2,8

0,7 n

9,0 13,8

3,2 0,1

Italië**

A B

7,3 56,5

12,3 43,5

34,6 a

3,1 a

15,7 a

2,2 a

16,5 a

3,0 a

1,7 a

2,0 a

1,1 a

0,6 a

Nederland

A B

17,7 a

6,5 a

34,4 a

2,3 a

10,7 a

2,3 a

20,5 a

1,1 a

1,7 a

0,3 a

1,8 a

n a

Portugal

A B

22,2 22,2

8,1 8,1

28,2 28,2

5,1 5,1

13,0 13,0

2,0 2,0

15,5 15,5

1,4 1,4

1,9 1,9

1,3 1,3

1,4 1,4

m m

Oostenrijk

A B

9,9 34,4

10,6 3,6

38,3 3,3

1,8 7,0

17,5 30,5

2,7 5,6

9,1 15,6

3,4 n

2,9 n

0,8 n

2,8 n

0,1 n

Spanje

A B

13,7 4,7

9,7 7,9

31,8 25,2

4,2 12,7

15,1 21,8

3,0 0,6

12,4 12,9

2,5 n

2,9 n

1,0 n

3,6 14,3

0,1 n

Verenigd Koninkrijk

A B

10,8 10,0

17,2 9,4

30,6 18,0

0,7 0,8

9,2 7,5

0,9 1,4

11,9 40,8

6,9 2,1

4,1 1,6

1,5 0,5

6,2 7,7

n n

Vl. Gem.

A B

8,2 26,5

16,1 5,3

35,0 26,2

2,0 0,5

12,0 11,1

2,2 n

12,1 24,8

6,9 0,3

2,4 n

0,8 n

2,3 5,3

n a

Zweden

A B

17,8 5,3

5,1 10,0

21,3 20,6

0,9 13,1

20,8 22,1

0,8 3,6

24,1 10,6

2,6 n

2,2 0,1

0,6 0,3

3,8 14,5

a a

OESO-x

A B

11,8 1,5

11,0 9,2

37,7 45,3

2,7 6,4

7,3 10,8

1,0 2,5

13,8 13,7

3,0 1,0

2,1 n

n n

9,2 9,3

n n

(5)

Engineering, manufacturing and construction (6)

Agriculture

Health and welfare

Life sciences

Physical sciences

Mathematics and statistics

Computing

Not known or unspecified

a m n

Data niet toepasselijk Data niet beschikbaar Grootte is verwaarloosbaar of nul

Bron: OECD, Education at a Glance 2005.

Bij de diploma’s in het universitair onderwijs valt het hoge

Deze percentages hangen natuurlijk ook samen met de mate

percentage op voor het studiegebied “Life Science” (6,9%

waarin deze opleidingsdomeinen in de onderwijstypes (niet-

tegenover 3,0% voor alle OESO-landen), alsook het lage

universitair versus universitair niveau) worden aangeboden.

percentage voor het studiegebied “Computing” (2,3% tegenover

Terwijl in Vlaanderen de meeste studenten in de leraren-

9,2% gemiddeld).

opleiding in het hogescholenonderwijs van één cyclus les volgen, situeert de lerarenopleiding zich in andere landen soms

Voor het studiegebied “Education” valt het vrij lage percentage diploma’s in het universitair onderwijs op (8,2% tegenover 11,8% voor alle OESO-landen). In het niet-universitair hoger onderwijs ligt het percentage voor dit studiegebied een stuk hoger (26,5% tegenover 1,5% gemiddeld), alsook voor “Health and welfare”(24,8% voor Vlaanderen tegenover 13,7% gemiddeld).

enkel op het niveau van het universitair onderwijs.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 2

Kolom 1 specificeert het onderwijsniveau, waarin A refereert aan onderwijs van universitair niveau en verdere onderzoeksprogramma's, en B refereert aan niet-universitair hoger onderwijs (in Vlaanderen: hogescholenonderwijs van één cyclus en HOSP). x duidt aan dat de data in een andere kolom geïntegreerd werden. Die kolom wordt tussen haakjes aangeduid. * Geen voortgezette opleidingen van type B opgenomen. ** Referentiejaar 2001-2002.


44

Figuur 2.8: Percentage diploma’s in wiskunde, wetenschappen en technologie in het hoger onderwijs ten opzichte van alle diploma’s in het hoger onderwijs (evolutie 2000-2003)

POR

0,146

BEL

0,157 0,155 0,158 0,163

Vl. Gem

0,186 0,171 0,183 0,190

DEN

0,189 0,189 0,188 0,193

0,207 0,205 0,198 0,205

SP

20%

0,217 0,222 0,189 0,198

0,250 0,268 0,272 0,281

D

0,231 0,223 0,229

0,266 0,259 0,262 0,264

VK

0,248 0,244 0,243 0,241

0,279 0,273 0,268 0,258

0,280 0,295 0,287

0,301 0,275 0,297 0,284

ZW

30%

0,294

0,306 0,321 0,319 0,305

IER

0,305 0,299

0,345 0,319 0,302 0,299

40%

10%

0% FR

OOS

FIN

EU25-x

IT

NED

LUX

■ 2000 ■ 2001 ■ 2002 ■ 2003

De landen werden gerangschikt o.b.v. waarden voor 2000 omdat voor dat jaar meer gegevens beschikbaar zijn. Bron: 'Progress towards the Lisbon objectives in education and training' van de Europese Commissie (2006).

Figuur 2.8 geeft internationaal het percentage diploma’s in wiskunde, wetenschappen en technologie ten opzichte van alle

2.5 DOCTOREREN AAN VLAAMSE UNIVERSITEITEN

diploma’s in het hoger onderwijs. Het gaat hier steeds om alle opleidingen in het hoger onderwijs samen, zowel niet-

2.5.1 Beschrijving populatie junior onderzoeker

universitair als universitair, en zowel basisopleidingen als voortgezette opleidingen. België, Portugal, Nederland en

De studie1 brengt het doctorale traject in beeld van meer dan

Luxemburg zitten aan de staart van het Europese peloton wat

18.000 onderzoekers die gedurende de bewuste periode aan

het aandeel van deze diploma’s in wiskunde, wetenschappen

de Vlaamse universiteiten instroomden. Deze populatie is zeer

en technologie ten opzichte van alle diploma’s hoger onderwijs

ruim gedefinieerd: élke afgestudeerde die in het onderzoek

betreft. Het percentage voor Vlaanderen ligt iets hoger dan

werkte of ten laste van een project werd bezoldigd, is opgenomen,

voor België als geheel. Het Europese gemiddelde bedraagt

ook wie niet de intentie had te doctoreren maar eerder louter

volgens Eurostat in 2003 24,1 %.

bijkomende ervaring en/of een arbeidsplaats betrachtte. De junioronderzoekers werden op grond van hun aanstellingsgraden en financieringsbronnen in een achttal categorieën ingedeeld. Hierin kunnen we drie grote hoofdgroepen onderscheiden: de beursstudenten met specifieke doctoraatsopdracht, de assistenten en de onderzoekers gebonden aan projecten.

1 VRWB - studiereeks 15 ‘Doctoreren aan Vlaamse universiteiten’ (1991-2002), juni 2006


45

Figuur 2.9: Instroom junioronderzoekers naar hoofdcategorie van classificatiecategorie (1991-2002)

600

500

400

300

200

100

0 1991

1992

1993

1994

1995

1996

■ Andere projecten

■ FWO-aspiranten

■ FWO-, BOF- en IUAP-projecten

■ UP-mandaten

■ Bezoldigde assistenten

■ IWT-bursalen

1997

1998

1999

2000

2001

2002

De waargenomen daling voor de IWT-bursalen en FWO-aspiranten is een gevolg van de gehanteerde procedure van toekenning aan een classificatiestatuut. Indien de junior vorsers die in 2001 en 2002 zijn ingestroomd langer hadden kunnen gevolgd worden, dan was het aantal hoger uitgevallen, vanwege de hoge prioriteit die in de toekenningsprocedure aan de beide statuten werd toegekend.

Tabel 2.9: Aantallen afgestudeerden, ingestroomde junioronderzoekers en afgelegde doctoraten N 1991 7.012 1.033 480

N 2002 8.961 1.794 850

N 1991-2002 96.006 18.561 7.578

% Toename 28% 74% 77%

* Exclusief Universiteit Hasselt

Figuur 2.9 toont de spreiding en evolutie van de ingestroomde junioronderzoekers over de verschillende hoofdgroepen. De groep

2.5.2 Leiden meer afgestudeerden tot meer vorsers en tot meer doctoraten?

met persoonsgebonden mandaten (FWO-aspiranten, IWTbursalen, universitaire persoonsgebonden mandaten) blijft

De jaarlijkse instroom van junioronderzoekers aan de vijf

ongeveer stabiel in omvang (uitzondering is de laatste groep

Vlaamse universiteiten is over de elf jaar (1991-2002) met

die toeneemt). Het aantal bezoldigde assistenten daalt vanaf

74% toegenomen. Ter vergelijking: de toename van het aantal

1999. De groep van juniors die instromen via een aanstelling

afgeleverde tweede cyclusdiploma’s in diezelfde periode

op projecten, zowel uit de tweede geldstroom (FWO, BOF,

bedraagt 28%. Het aantal doctoraten dat per jaar afgeleverd

IUAP) als uit andere geldstromen (andere onderzoeksprojecten),

wordt, is bijna verdubbeld: van 480 in 1991 tot 850 in 2002.

neemt daarentegen sterk toe.

Deze toenames weerspiegelen de toegenomen publieke steun voor het wetenschappelijk onderzoek in Vlaanderen. Daardoor zijn ook de mogelijkheden uitgebreid om als onderzoeker te starten aan de Vlaamse universiteiten (tabel 2.9).

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 2

Groep Afgestudeerden* Ingestroomde junioronderzoekers Afgelegde doctoraten


46

2.5.3 Doctoraatsefficiëntie: bepalende parameters

Wat betreft de verdeling over de aanstellingscategorieën heeft elke faculteit een eigen profiel dat mee de globale

Het hoofddoel van het project was een beschrijving te geven

doctoraatsefficiëntie van die faculteit bepaalt (tabel 2.11).

van de determinerende variabelen voor de doctoraatsefficiëntie. Uit de studie blijkt dat heel wat parameters, elk afzonderlijk

Assistenten zijn bv. sterk vertegenwoordigd in de facultaire clusters

gemeten, een belangrijke invloed uitoefenen op het succes van

Diergeneeskunde, Economische en Toegepaste Economische

het doctoraatstraject. Bovendien is de wijze waarop ze met

Wetenschappen, Farmaceutische Wetenschappen, Geneeskunde,

elkaar verbonden zijn of elkaar onderling beïnvloeden niet

Lichamelijke Opvoeding en Kinesitherapie, en Rechts-

steeds eenduidig vast te stellen.

geleerdheid maar relatief weinig in de facultaire clusters Landbouwkundige en Toegepaste Biologische Wetenschappen,

Ten eerste toont de studie drastische verschillen in succeskans

Toegepaste Wetenschappen en Wetenschappen. Het percentage

aan, in functie van de aard van de genoten doctorale statuten.

gedoctoreerden in deze categorie verschilt zeer sterk tussen de

Van de juniors die een doctoraatstraject aanvatten in statuten

facultaire clusters, variërend van dubbel zo hoog als gemiddeld

met een specifieke doctoraatsfinaliteit (FWO-, IWT- of

voor de facultaire cluster Wetenschappen (63%) over gemiddeld

universitaire persoonsgebonden mandaten) rondt bijna 80%

(Psychologische en Pedagogische Wetenschappen, Toegepaste

het doctoraat succesvol af. Deze groep (22% van alle juniors)

Wetenschappen) tot half zo hoog als gemiddeld (Economische

neemt ongeveer de helft van alle doctoraten voor zijn rekening.

en Toegepaste Economische Wetenschappen), 15%; (Politieke

Van de assistenten behaalt gemiddeld één op drie een

en Sociale Wetenschappen) en (Rechtsgeleerdheid), 19%.

doctoraat, met grote verschillen tussen de faculteiten (zie verder). Dit geldt ook voor de onderzoekers tewerkgesteld in

De FWO-aspiranten, IWT-specialisatiebeurzen en universitaire

een project. Deze projecten gebeuren vaak in opdracht van

persoonsgebonden doctoraatsmandaten komen relatief vaak

de industrie, zijn meestal kortlopend en bieden niet meteen

voor in de facultaire clusters Farmaceutische Wetenschappen,

de mogelijkheid om een doctoraat te halen. Het globale

Landbouwkundige en Toegepaste Biologische Wetenschappen

gemiddelde over alle onderzoekers heen bedraagt 34%.

en vooral in de facultaire cluster Wetenschappen. In de helft van de facultaire clusters zijn zij ondervertegenwoordigd:

Naast de aard van de mandaten beïnvloeden nog heel wat

Diergeneeskunde, Economische en Toegepaste Economische

andere parameters het succes van het doctoraatstraject: de

Wetenschappen, Lichamelijke Opvoeding en Kinesitherapie,

afstudeergraad tweede cyclusdiploma, de mate van voltijdsheid

Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, Politieke en

en de totale duur van aanstelling, het geslacht … Ook het

Sociale Wetenschappen en Rechtsgeleerdheid. Het percentage

verschil in ‘doctoraatscultuur’ speelt een rol. Een aantal van

gedoctoreerden in deze categorie is voor alle facultaire clusters

deze parameters worden hieronder meer toegelicht.

hoger dan in de andere categorieën en is voor twee derden van de facultaire clusters minstens 70%.

Globaal gezien behaalde 35% van alle juniors, ingestroomd in de periode 1991 - 1997, het tweede cyclusdiploma met de

Doctoraatsbursalen en medewerkers op FWO-, BOF- en IUAP-

hoogste graden (GRO). Daarvan behaalde meer dan de helft

onderzoeksprojecten komen betrekkelijk vaak voor in de

(51%) het doctoraat, wat sterk boven de gemiddelde slaagkans

facultaire clusters Letteren en Wijsbegeerte, maar zijn statistisch

(34%) uitsteekt. Een detailanalyse maakt duidelijk dat er een vrij

gezien ondervertegenwoordigd in de helft van de facultaire

sterk verband bestaat tussen de naar ‘kwaliteit’ gedifferentieerde

clusters: Diergeneeskunde, Economische en Toegepaste

instroom en de verschillende succesratio’s per aanstelling.

Economische Wetenschappen, Farmaceutische Wetenschappen,

Zo zijn de houders van FWO- en IWT-mandaten beduidend

Landbouwkundige en Toegepaste Biologische Wetenschappen,

vaker met de hoogste graden afgestudeerd dan het

Lichamelijke Opvoeding en Kinesitherapie en Politieke en Sociale

gemiddelde (resp. 85% en 48% t.o.v. 35%). Zij vertonen ook

Wetenschappen. Ook hier varieert de doctoraatsefficiëntie sterk

zeer hoge succesratio’s (resp. 79% en 81%). In de groep van

over de facultaire clusters.

de assistenten is ongeveer 40% met de hoogste graden afgestudeerd, wat vrij goed het gemiddelde benadert. Onder de bursalen en medewerkers op ‘onderzoeksprojecten’, van welke aard ook, komen beduidend minder (21%) dan gemiddeld juniors voor met de hoogste graden (tabel 2.10).


47

Tabel 2.10: Succesratio in functie van afstudeergraad en statuut Afstudeergraad GRO

OND

VOL

ONB

Juniorcategorie

N

%D

N

%D

N

%D

N

%D

Totaal

%D

Bezoldigde assistenten

905

38%

856

30%

117

12%

384

24%

2.262

31%

FWO-aspiranten

711

79%

23

48%

2

50%

95

71%

831

77%

IWT-bursalen

463

81%

396

76%

0

103

60%

962

77%

UP-mandaten: bursalen

50

66%

30

40%

1

77

71%

158

63%

UP-mandaten: WM

14

79%

2

100%

0

9

89%

25

84%

FWO-, BOF-, IUAP-projecten: bursalen

164

54%

192

52%

19

58%

260

28%

635

43%

FWO-, BOF-, IUAP-projecten: WM

276

36%

359

28%

76

14%

318

20%

1.029

27%

41

39%

72

31%

2

0%

117

21%

232

27%

344

13%

782

8%

206

2%

598

8%

1.930

8%

3.123 (35%)

51%

3.013 (33%)

29%

523 (6%)

9%

2.378 (26%)

22%

9.037

34%

Andere projecten: bursalen Andere projecten: WM Totaal

0%

Instroom 1991/1992 - 1997/1998, gedoctoreerd voor 1 oktober 2003 GRO: grote onderscheiding en hoger; OND: onderscheiding; VOL: voldoende en ONB: onbekend UP-mandaten: universitaire persoonsgebonden mandaten bv. BOF-mandaten WM: wetenschappelijk medewerker

Tabel 2.11: Aantal junioronderzoekers per faculteit en per junior-hoofdcategorie (instroom 1991/1992-1997/1998, gedoctoreerd voor 1 oktober 2003) Juniorcategorie Faculteit

Bezoldigde assistenten

FWO-, IWT-, UP-mandaten

FWO-, IUAP-, BOF-projecten

Overige projecten

Totaal

%

Alle overige

N % GEDOC

40 38%

20 80%

8 75%

36 17%

14 0%

118 36%

(1%)

EW

N % GEDOC

391 15%

45 47%

84 29%

102 6%

114 4%

736 15%

(8%)

FW

N % GEDOC

67 66%

68 76%

23 57%

38 24%

8 13%

204 58%

(2%)

GK

N % GEDOC

367 24%

221 76%

228 39%

218 10%

131 18%

1.165 33%

(13%)

LB

N % GEDOC

82 51%

228 77%

96 25%

364 14%

25 16%

795 37%

(9%)

LO

N % GEDOC

64 36%

10 50%

16 13%

26 0%

53 2%

169 18%

(2%)

LW

N % GEDOC

154 36%

174 71%

197 19%

118 2%

113 4%

756 29%

(8%)

PP

N % GEDOC

110 32%

47 81%

87 29%

124 2%

57 0%

425 24%

(5%)

PS

N % GEDOC

110 19%

39 64%

52 19%

162 3%

44 0%

407 15%

(5%)

RG

N % GEDOC

271 19%

26 65%

97 8%

125 1%

74 1%

593 13%

(7%)

TW

N % GEDOC

293 33%

372 73%

319 31%

458 12%

117 11%

1.559 35%

(17%)

WE

N % GEDOC

287 63%

713 82%

426 48%

337 19%

92 10%

1.855 56%

(21%)

OV

N % GEDOC

26 0%

13 38%

31 6%

54 2%

131 1%

255 4%

(1%)

Totaal

N (%N) % GEDOC

2.262 (25%) 31%

1.976 (22%) 76%

1.664 (18%) 33%

2.162 (24%) 10%

973 (11%) 6%

9.037 (100%) 34%

(100%)

Om vergelijking mogelijk te maken werden door de vijf deelnemende universiteiten facultaire clusters samengesteld. Hiertoe werd, waar nodig, gedifferentieerd binnen de faculteiten op het niveau van afdelingen en werden hierop een aantal kleine ingrepen uitgevoerd. Volgende facultaire clusters werden gevormd: DG: Diergeneeskunde; EW: Economische en Toegepaste Economische Wetenschappen; FW: Farmaceutische Wetenschappen; GK: Geneeskunde; LB: Landbouwkundige en Toegepaste Biologische Wetenschappen; LO: Lichamelijke Opvoeding en Kinesitherapie; LW: Letteren en Wijsbegeerte; PP: Psychologie en Pedagogische Wetenschappen; PS: Politieke en Sociale Wetenschappen; RG: Rechtsgeleerdheid; TW: Toegepaste Wetenschappen; WE: Wetenschappen; OV: overige

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 2

DG


48

Figuur 2.10: Percentage gedoctoreerde juniors per faculteit en geslacht (instroom 1991/1992-1997/1998 en gedoctoreerd voor 1 oktober 2003)

70% 60% 50% 40%

34%

30% 20% 10% 0% FW

WE

LB

DG

TW

GK

LW

PP

LO

EW

PS

RG

OV

■ Mannen ■ Vrouwen

Onderzoekers op ‘Overige onderzoeksprojecten’ zijn relatief

Het globaal lagere percentage gedoctoreerde vrouwen in

veel aangesteld in de facultaire clusters Diergeneeskunde,

de totale populatie kan dus allicht voor een deel worden

Landbouwkundige en Toegepaste Biologische Wetenschappen en

toegeschreven aan het feit dat vrouwen relatief sterk

in de Politieke en Sociale Wetenschappen. Zij zijn relatief weinig

vertegenwoordigd zijn in facultaire clusters waarin de

aanwezig in de helft van de facultaire clusters: Economische en

frequentie van doctoreren in het algemeen laag is, zowel voor

Toegepaste Economische Wetenschappen, Farmaceutische

vrouwen als voor mannen, en minder vertegenwoordigd zijn

Wetenschappen, Geneeskunde, Lichamelijke Opvoeding en

in één van de grootste facultaire clusters (Wetenschappen),

Kinesitherapie, Letteren en Wijsbegeerte en de Wetenschappen.

waar de frequentie van doctoreren ver boven het gemiddelde

Het percentage gedoctoreerden in deze hoofdcategorie ligt

ligt zowel voor vrouwen als voor mannen. Anderzijds blijkt

voor alle facultaire clusters lager dan voor de drie voorgaande

eveneens dat dit niet de enige factor kan zijn.

categorieën en is globaal slechts 10%. Figuur 2.10 die de doctoraatsefficiëntie uitsplitst per facultaire

2.5.4 Duur van het doctoraatsproces

cluster en naar geslacht toont grote verschillen over de faculteiten. Zo wordt de globale doctoraatsefficiëntie (34%) aan

De gemiddelde doctoraatsduur is met 5,4 jaar aan de hoge kant.

de Farmaceutische Wetenschappen en aan de faculteit

Dit aspect is een punt van zorg. Momenteel is het modeltraject

Wetenschappen ruim overschreden voor zowel de vrouwelijke

op vier jaar bepaald en dit niet enkel in Europese maar ook in

als voor de mannelijke vorsers. In alle facultaire clusters is

Vlaamse context, al is er internationaal nogal wat verschil in

het percentage gedoctoreerden voor vrouwen lager dan of

lengte van het globale ‘modeltraject’ van bachelor tot doctor.

ongeveer gelijk aan dat voor mannen, zij het dat er zich zeer grote verschillen voordoen: in de Wetenschappen slagen beide groepen even goed, in Landbouwkundige en Toegepaste

2.5.5 Doorstroom van junior naar senior - omkadering

Biologische Wetenschappen, Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, Economische en Toegepaste Economische

De data lieten ook toe om via een trechteranalyse te

Wetenschappen, en Sociale Wetenschappen, Rechtsgeleerdheid

achterhalen hoe de doorstroming verloopt van het junior

en ook Geneeskunde daarentegen is de succesratio voor

wetenschappelijk en academisch korps naar de volgende fases

mannen beduidend hoger dan voor vrouwen.

van een academische carrière: het behalen van het doctoraat en het verkrijgen van een aanstelling als senioronderzoeker voor bepaalde/onbepaalde duur.


49

Tabel 2.12: Analyse doctoraatsduur in jaren per juniorcategorie (instroom 1991-1994) Juniorcategorie Bezoldigde assistenten Plaatsvervangende assistenten FWO-aspiranten IWT-bursalen UP-mandaten: bursalen UP-mandaten: WM FWO-, BOF-, IUAP-projecten: bursalen FWO-, BOF-, IUAP-projecten: WM Andere projecten: bursalen Andere projecten: WM Overige: bursalen Overige: WM Totaal

Junior (N) 1.243 129 430 529 30 11 27 549 30 959 18 341

Gedoct (N) 496 11 355 434 18 11 20 158 14 89 3 18

4.296

1.627

Gemiddelde 6,3 5,2 4,8 4,8 5,4 5,9 4,9 5,6 4,5 5,2 5,8 4,5

Mediaan 6,2 5,2 4,5 4,6 4,9 5,9 4,9 5,6 4,6 5,2 5,6 3,9

5,4

5,2

Figuur 2.12: Evolutie VTE junior- en senioronderzoekers aan de Vlaamse universiteiten (1992-2002)

7.000

6.000

5.000

4.000

3.000

2.000

0 1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

■ Junior ■ Senior BD (bepaalde duur) ■ Senior OD (onbepaalde duur)

171 juniors (bijna 4%) zijn erin geslaagd het gehele traject van

Belangrijk zijn ook de verhoudingen tussen de verschillende

instroom tot aanstelling als senior van onbepaalde duur (veelal

groepen vorsers in de populatie. Zij geven immers de

ZAP-lid) af te leggen. Een belangrijke meerderheid van de

omkaderingsgraad, het begeleidingscomfort van de juniors of

doctors bouwt dus een loopbaan uit buiten de academische

de opleidingslast van de seniors weer.

wereld, in de overheidssector, bedrijfsleven … en zowel de doctor als de markt moeten hierop worden voorbereid.

De sterke toename van het aantal ingestroomde junioronderzoekers in de periode 1991-2002, zoals voorgesteld in figuur 2.12 kan dus vragen doen rijzen naar de omkadering die beschikbaar is voor deze jonge onderzoekers.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 2

1.000


50

Uit de analyse (niet zichtbaar in de figuur) bleek ook dat in de

Het aantal doctoraten aan Vlaamse universiteiten neemt gestaag

groep van ‘seniors met aanstelling van onbepaalde duur’ het

toe. Dit is wellicht grotendeels te danken aan de toegenomen

aandeel vrouwen gedaald is tot minder dan 30%, vergeleken

investeringen van de Vlaamse overheid in wetenschappelijk

met de helft van de afgeleverde masters van het vrouwelijke

onderzoek. De stijgende vraag naar hoog opgeleide

geslacht. Er gaat dus nog steeds een veel groter reservoir aan

onderzoekers voor Vlaanderen in het Europa van de kennis

‘vrouwelijke’ dan aan ‘mannelijke’ kennis verloren. Blijven werken

moet verder via een scala aan maatregelen worden aangepakt.

aan begeleidende maatregelen tot het bewerken van een

Maatregelen moeten er in de eerste plaats op gericht zijn te

gelijke slaagkans voor beide geslachten is dus, en dit niet enkel

sturen naar parameters die de instroom en de efficiëntie van

uit maatschappelijk oogpunt, noodzakelijk.

doctoreren kunnen verbeteren, en de mogelijkheden uit te breiden voor die kanalen waar het slaagpotentieel optimaal blijkt. Tot slot lijkt het ook zinvol om op permanente basis de

2.6 BESLUIT

opvolging te verzekeren van zowel het doctoraatsgebeuren zelf, als van de doorstroming na afloop, en dit zowel binnen als

In dit hoofdstuk wordt in een eerste deel een overzicht gegeven van de stratificatie van de Vlaamse studentenbevolking. Kenmerkend zijn de hoge participatiegraad van de Vlaamse achttienjarigen aan het hoger onderwijs en de sterke vervrouwelijking van het academisch onderwijs en van de eencyclusopleidingen. De laatste twee academiejaren kent het universitair onderwijs opnieuw een toename van het aantal generatiestudenten. Ook de professioneel gerichte opleidingen aan de hogescholen (de vroegere eencylusopleidingen) blijven een verhoogde aantrekkingskracht op studenten uitoefenen. De opleidingen van twee cycli aan de hogescholen (in de bachelor/ masterstructuur zijn dit de academisch gericht opleidingen aan de hogescholen) blijven verder aan populariteit inboeten.

buiten de academische wereld.


51

O & O - AC T I V I T E I T E N VA N DE VLAAMSE BEDRIJVEN

Door Petra Andries (K.U.Leuven), Hanna Binz (K.U.Leuven), Dirk Czarnitzki (K.U.Leuven) en Machteld Hoskens (K.U.Leuven)

03


52

3.1 INLEIDING

Toch zijn er ook heel wat kleinere bedrijven die in termen van absolute grootte van budgetten en personeel minder

Het stimuleren van O&O en innovatie neemt een centrale

O&O-actief zijn dan de grote spelers, maar relatief tegenover

plaats in in het Vlaamse overheidsbeleid. Vlaanderen heeft zich

hun eigen activiteiten zeer intens betrokken zijn bij O&O-

in het Innovatiepact geschaard achter de Europese Lissabon-

activiteiten. Daarom bespreken we ook de O&O-intensiteit.

strategie en de Barcelona-doelstelling om de O&O-uitgaven te verhogen tot 3% van het BBP tegen 2010. Dit Innovatiepact,

In de vierde sectie worden de totale O&O-cijfers gegeven.

ondertekend in maart 2003, houdt een formeel engagement in

Deze sectie bevat naast de gerapporteerde budgetten ook de

van alle betrokken actoren in het Vlaamse innovatielandschap

geschatte gegevens. Hier wordt ook de link naar het verleden

(overheid, bedrijfsleven, universiteiten en onderzoeksinstellingen)

gelegd. Daarna wordt de verhouding van de totale O&O-

om door gezamenlijke en complementaire inspanningen de

uitgaven van de Vlaamse bedrijven versus het Vlaamse Bruto

3%-norm mogelijk te maken en te halen. Het implementeren

Binnenlands Product berekend.

van de 3%-norm impliceert in eerste instantie dat goede O&Ogegevens beschikbaar moeten zijn op Vlaams niveau.

In de vijfde sectie worden de belangrijkste conclusies van dit hoofdstuk betreffende de O&O-enquête van 2006 bij de

De bedoeling van dit hoofdstuk is een inzicht te geven in de

Vlaamse bedrijven kort samengevat.

O&O-cijfers die verzameld werden in de meest recente O&Oenquête bij de Vlaamse bedrijven en in de trends ten opzichte van de historische O&O-cijfers.

3.2 METHODOLOGIE

Belangrijk om op te merken is dat de hier gerapporteerde

De O&O-cijfers zijn gebaseerd op enquêtes bij bedrijven die

bedragen nog niet de volledige BERD-reeks voor 2004 en

O&O-activiteiten hebben verricht in Vlaanderen. Voor deze

2005 weergeven (BERD: Business Expenditures on Research &

oefening wordt zo dicht mogelijk aangesloten bij de

Development). Immers, conform de afspraken inzake de

internationale standaarden en de nationale implementatie

gehanteerde methodologie, moeten ook de O&O-uitgaven van

hiervan. De federale overleggroep CFS-STAT is het orgaan

de collectieve onderzoekscentra nog in rekening gebracht

waarin de methodologische afspraken rond de O&O-

worden bij de berekening van de totale BERD voor Vlaanderen.

statistieken voor België gemaakt worden. De daar gemaakte

In een later hoofdstuk worden deze cijfers samengebracht tot

afspraken liggen aan de basis van de O&O-cijfers die in dit

de volledige BERD-reeks. In dit hoofdstuk wordt enkel de

hoofdstuk gepresenteerd en gerapporteerd worden.

bedrijvencomponent van BERD besproken. Vooreerst worden de methodologische aspecten van de O&O-

3.2.1 Populatie

enquête toegelicht. Daarna volgen twee secties die volledig gewijd zijn aan het cijfermateriaal dat verzameld werd. We geven

De methodologie die in het verleden gebruikt werd voor de

eerst de gerapporteerde resultaten weer en vervolgens de

organisatie van de tweejaarlijkse O&O-enquête, en die ook voor de

totale cijfers, inclusief schattingen voor ontbrekende gegevens.

enquête 2006 werd toegepast, is deze van de inventarisatie,

We concentreren ons hierbij enkel op de kernvariabelen,

d.w.z. het opstellen van een exhaustieve lijst van bedrijven die

O&O-uitgaven en O&O-personeel.

aan O&O doen. De keuze voor een inventarisatieopzet, eerder dan

een

steekproeftrekking

is

te

relateren

aan

de

Bij de gerapporteerde O&O-gegevens worden eerst de intra-

scheve verdeling van het O&O-gebeuren in Vlaanderen.

murale O&O-uitgaven van de bedrijven behandeld: het totaal

Deze methode volstaat voor de registratie van de O&O-

en de opsplitsing per sector en per grootteklasse. Zoals zal

inspanningen van de grote ondernemingen en de bedrijven die

blijken, is het O&O-gebeuren in Vlaanderen sterk geconcentreerd

als onderzoeksintensief bekend staan en die, zoals ook uit dit

bij een eerder beperkt aantal bedrijven. Er wordt dan ook

rapport zal blijken, verantwoordelijk zijn voor een overgrote

aandacht besteed aan de O&O-concentratie. Vervolgens komt het

meerderheid van de O&O-uitgaven.

O&O-personeel aan bod, met dezelfde opsplitsing. De grootste O&O-spelers in Vlaanderen zijn vaak grote bedrijven.


53

In de inventaris (of repertorium) zitten twee groepen: de

Het totale bedrag voor Vlaanderen bestaat uit het totale O&O-

permanente inventaris (verder aangeduid als P) en de occasionele

bedrag van het repertorium (zowel P- als O-groep), opgehoogd

inventaris (verder aangeduid als O). Alleen bedrijven die ooit een

met een schatting voor bedrijven buiten het repertorium om

enquête ingevuld hebben en voldoen aan de P-criteria kunnen

eventuele ontbrekende gegevens op te vangen. Voorbeelden

tot de P-groep behoren. Deze P-criteria zijn de volgende:

van ontbrekende gegevens buiten het repertorium betreffen nieuwe bedrijven, verschuivingen van uitgaven in bestaande

●

bedrijven die in de O&O-enquête van 2004 geantwoord

bedrijven over de Vlaamse grenzen, het opstarten van O&O

hebben dat ze permanent aan O&O doen en minimum

in bestaande bedrijven, ...

1 personeelslid (voltijds equivalent) in O&O hebben; ●

bedrijven die in de CIS41 geantwoord hebben permanent

Het bedrijvenbestand van de federale overheid (POD WB)

aan O&O te doen;

diende als basis voor de samenstelling van de inventaris van

●

bedrijven uit de vorige P-inventaris die niet geantwoord

de bedrijven2 in Vlaanderen voor de O&O-enquête 2006.

hebben op de O&O-enquête van 2004, maar waarvan uit

Dit “kernbestand” werd aangevuld en/of gecorrigeerd op basis

andere bronnen met grote zekerheid geweten is dat ze

van berichten in de media over mogelijke O&O-actieve

permanente O&O-activiteiten hebben.

bedrijven of op basis van relaties die gelegd konden worden tussen failliete bedrijven in het kernbestand en hun opvolgers.

De occasionele inventaris wordt aangehouden als een sluis

De uiteindelijke basisset telt 2585 ondernemingen.

om tot de permanente inventaris te komen. De groep van bedrijven met occasionele O&O-status bevat bijgevolg ook bedrijven die mogelijk aan O&O doen met een permanent

3.2.2 Definities

karakter, maar die daarover nog geen uitsluitsel gegeven hebben, i.e. bedrijven die nog geen O&O-enquête invulden in

De definities van interne en externe O&O-activiteiten werden

het verleden of bedrijven die meldden dat zij op occasionele

niet gewijzigd tegenover de vorige enquêtes en zijn de toepassing

(= onregelmatige) wijze aan O&O doen. Het afzonderen van

van de Frascati Manual. Ze worden kort opgesomd in bijlage 1.

de O-inventaris is belangrijk voor de extrapolatie-oefening (cf. infra). Voorbeelden van criteria waarop bedrijven geselecteerd 3.2.3 Schattingen: inter- en extrapolatie

●

bedrijven die bij de vorige enquête verklaard hebben

De totale O&O-uitgaven bij Vlaamse bedrijven, alsmede het

occasioneel O&O-activiteiten te verrichten;

corresponderende totale O&O-personeel bestaat uit de

●

●

●

1

niet-gerepertorieerde bedrijven die bij de CIS4 verklaard

volgende componenten:

hebben aan O&O te doen;

a) gerapporteerde en - waar nodig - gecorrigeerde O&O-

niet-gerepertorieerde bedrijven die in de voorbije 2 jaar

budgetten en O&O-personeel van de responderende

bij de structurele enquêtes van het NIS (Nationaal Instituut voor

inventarisbedrijven (zowel P als O);

de Statistiek) verklaard hebben aan O&O te hebben gedaan;

b) geïnterpoleerde O&O-budgetten en O&O-personeel voor

niet-gerepertorieerde bedrijven die geïdentificeerd zijn als

de niet-responderende inventarisbedrijven met historische

bedrijven die subsidies en openbare O&O-contracten genieten

c) geëxtrapoleerde O&O-budgetten en O&O-personeel voor

vrijstellingen voor bijkomend aan onderzoek toegewezen

de niet-responderende inventarisbedrijven zonder historische

personeel; ●

niet-gerepertorieerde bedrijven die in 2005 in België octrooien bekomen hebben;

●

observaties (zowel P als O);

(lijsten afkomstig van de Gewesten) alsook belasting-

observaties (zowel P als O); d) geëxtrapoleerde O&O-budgetten en O&O-personeel voor bedrijven buiten de inventaris.

niet-gerepertorieerde bedrijven die op andere lijsten voorkomen, zoals bvb. spin-offs of als zodanig geïdentificeerd

In bijlage 2 worden de belangrijkste etappes van de gegevens-

door welke bron ook (media, ...) als bedrijven die O&O

verzameling en -schattingen van de O&O-enquête 2006 kort

verrichten.

weergegeven.

1 De uitgebreide CIS-enquête (Community Innovation Survey) is een vierjaarlijkse enquête rond innovatie. De CIS4 werd uitgevoerd in 2005. 2 Een bedrijf wordt hier gedefinieerd als een eenheid met een eigen BTW-nummer.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 3

werden om in de O-inventaris opgenomen te worden, zijn:


54

3.3 GERAPPORTEERDE RESULTATEN

3.3.2.1

Totaal

Voor 2004 hebben 572 bedrijven gerapporteerd dat ze aan O&O doen. De totale gerapporteerde O&O-uitgaven voor

3.3.1 Responsgraad

dat jaar bedragen 1.704 miljoen euro. In 2005 hebben de Een hoge responsgraad is zeer belangrijk voor de betrouwbaarheid

591 O&O-actieve respondenten 1.794 miljoen euro uitgegeven

van de cijfers. De uiteindelijke responsgraad in de enquête 2006

aan O&O. 558 bedrijven hebben een previsie gegeven van

bedraagt 40,08%: op een totaal van 2585 observaties (de

hun O&O-uitgaven voor 2006. Dit totaal komt op 1.788 miljoen

oorspronkelijke basisset) hebben we 1036 antwoorden bekomen.

euro. Er is dus een stijging in de periode 2004-2006, en dit in tegenstelling tot de dalende trend die in vorige enquêtes vanaf

De verwachte concentratie van de O&O-budgetten bij een

2001 werd vastgesteld. 346 bedrijven hebben geantwoord

beperkt aantal spelers impliceert dat we bij de opvolging van

niet aan O&O te doen in de periode van 2004 tot 2006.

de respondenten een differentiële strategie gevolgd hebben.

In tabel 3.1 worden deze cijfers samengevat. Gegeven het

Bij de enquête 2006 werd getracht om een zo hoog mogelijke

verschil tussen previsies en reële uitgaven en omdat een aantal

respons te halen bij de 50 belangrijkste3 O&O-spelers in

belangrijke bedrijven geen cijfers heeft opgegeven als previsie

Vlaanderen. De responsgraad in deze doelgroep bedraagt

voor 2006, zullen deze cijfers in de verdere opsplitsingen van

4

94%. Geen enkel van de bedrijven uit de TOP 50 heeft

de intramurale O&O-uitgaven niet meer weergegeven worden.

aangegeven momenteel niet (meer) aan O&O te doen in Vlaanderen. Van de TOP 200 belangrijkste O&O-bedrijven

3.3.2.2 Sector

heeft 85% geantwoord. Daarvan hebben 6 bedrijven geen

Uit de verdeling van de interne O&O-uitgaven over de

O&O-activiteiten (meer) in Vlaanderen. Dat er in het repertorium

verschillende sectoren5 in tabel 3.2 blijkt duidelijk op welke

van O&O-actieve bedrijven toch een aanzienlijk aantal

sectoren de O&O-activiteiten in Vlaanderen gericht zijn: het

bedrijven aangeeft niet aan O&O te doen (zie verder ook

betreft de hightech sectoren van de farmaceutische producten

tabel 3.4.), toont aan dat de samenstelling van het repertorium-

(24.4) en van de ICT hardware en instrumenten (30, 32, 33).

bestand nauwgezet dient opgevolgd te worden. Dit is dan ook een

Ook de sector “andere bedrijfsdiensten” scoort hoog (65 tot 74

betrachting die met de huidige enquête-ronde werd nagestreefd.

met uitzondering van 64.2 en 72.2).

In dit hoofdstuk worden enkel de intra-muros O&O-uitgaven

3.3.2.3 Grootte

besproken, aangezien deze cijfers de basis vormen voor

Tabel 3.3 geeft de verdeling van de intramurale O&O-uitgaven

de Vlaamse BERD (“Business Expenditures on Research &

over de grootteklassen. Het is duidelijk dat de grootste

Development”) -cijfers. In de volgende secties worden de cijfers

bedrijven het meest spenderen aan O&O, zeker als we het

besproken. Eerst bekijken we binnen het respondentenbestand

kleine aantal bedrijven dat hiervoor verantwoordelijk is in het

de intramurale O&O-uitgaven en het O&O-personeel.

achterhoofd houden.

Daarna volgt de O&O-intensiteit. 3.3.2.4 O&O-grootte en concentratie Tabel 3.4 geeft de verdeling van de intramurale uitgaven over 3.3.2 Intramurale O&O-uitgaven

de verschillende types repertoriumbedrijven. We zien dat de O&O-uitgaven sterk geconcentreerd zijn bij een kleine groep

De intramurale O&O-uitgaven worden eerst besproken in hun

van bedrijven. Dit bevestigt de validiteit van de keuze voor een

totaliteit. Daarna volgen opsplitsingen volgens sectoren en

geïnventariseerde populatie, in plaats van een steekproeftrekking.

grootteklassen. We sluiten deze sectie af met de verdeling over de verschillende types repertoriumbedrijven om de sterke concentratie aan te geven.

3 De rangschikking van de bedrijven in termen van ‘belangrijkheid’ gebeurde hier op basis van de historische O&O-cijfers die verzameld werden in de vorige O&O-enquêtes. De bedrijven werden gerangschikt op basis van hun gemiddelde uitgaven voor interne O&O voor de jaren 2002 en 2003. 4 Bijlage 4 bevat een lijst van bedrijven die zowel in de TOP50 van de vorige O&O-enquête (op basis van gemiddelde uitgaven voor interne O&O voor de jaren 2002 en 2003) als in de TOP50 van de huidige O&O-enquête (op basis van gemiddelde uitgaven voor interne O&O voor de jaren 2004 en 2005) voorkomen. 5 Om deze nota niet onnodig te verzwaren, worden in de tabellen enkel de NACE-codes weergegeven. De volledige omschrijving van de NACE-sectoren is terug te vinden in bijlage 3. In deze bijlage wordt een beknopte versie van de NACE-classificatie gegeven. De uitgebreide versie is te raadplegen in een publicatie van het Nationaal Instituut voor de Statistiek op http://statbel.fgov.be/pub/d0/p021y2003a_nl.pdf.


55

Tabel 3.1: Totale jaarlijkse intramurale uitgaven Totale intramurale uitgaven in miljoen euro

Respondenten

2004

1.704

O&O-actieve respondenten Geen O&O-uitgaven Totaal

572 351 923

2005

1.794

O&O-actieve respondenten Geen O&O-uitgaven Totaal

591 346 937

2006p

1.788

O&O-actieve respondenten Geen O&O-uitgaven Totaal

558 349 907

Tabel 3.2: Verdeling van de intramurale O&O-uitgaven over de NACE-sectoren IND

NACE

2004

2005

Voeding en tabak

15, 16

1,2%

1,3%

17, 18, 19

0,9%

0,9%

20, 36.1

0,2%

0,2%

21, 22

0,2%

0,2%

Chemie en raffinaderijen

23, 24 (excl. 24.4)

4,6%

4,5%

Farmaceutische producten

24.4

22,7%

24,1% 1,8%

Textiel, kledij en leder Hout en meubels Papier en drukwerk

25

1,9%

Metaal en metalen producten

27, 28

4,0%

3,8%

Machines en uitrusting (incl. electric.)

29, 31

10,4%

11,4%

30, 32, 33

27,7%

25,9%

34, 35

2,6%

2,7%

45

0,5%

0,6%

1, 10, 26, 36.5, 37, 40, 41

1,3%

1,2%

50...64.1

1,2%

1,2%

65...74 (excl. 64.2 en 72.2)

18,0%

18,0%

64.2 en 72.2

2,6%

2,3%

Rubber en plastics

ICT hardware en instrumenten Transport Constructie, bouw Andere industrieĂŤn incl. landbouw Handel en transportdiensten Andere bedrijfsdiensten Softwareontwikkeling en communicatie

Aantal werknemers:

1 tot 9

10 tot 49

50 tot 249

250 tot 499

meer dan 500

Totaal

120

370

274

63

96

923

74

204

181

42

71

572

1,1%

6,3%

20,2%

7,8%

64,6%

100%

112

381

280

70

94

937

70

222

184

46

69

591

0,6%

6,3%

19,5%

6,9%

66,6%

100%

2004

Aantal respondenten Aantal O&O-actieve respondenten % van de totale interne O&O-uitgaven 2005

Aantal respondenten Aantal O&O-actieve respondenten % van de totale interne O&O-uitgaven

Tabel 3.4: De verdeling van de intramurale O&O-uitgaven per type repertorium-bedrijven Repertorium:

TOP 50

P

O

Totaal

2004

Aantal respondenten

50

476

397

Aantal O&O-actieve respondenten

50

401

121

572

81,4%

18,0%

0,6%

100%

Aantal respondenten

50

490

397

937

Aantal O&O-actieve respondenten

50

415

126

591

80,8%

18,5%

0,7%

100%

% van de totale interne O&O-uitgaven

923

2005

% van de totale interne O&O-uitgaven

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 3

Tabel 3.3: De verdeling van de intramurale O&O-uitgaven over de grootteklassen


56

De respondenten uit de TOP50 bedrijven met de hoogste uitgaven voor interne O&O

6

3.3.3.2 Sector

vertegenwoordigen 81,4%,

In tabel 3.6 zien we dat de verdeling van het O&O-personeel

respectievelijk 80,8% van de gerapporteerde O&O-uitgaven in

over de NACE-sectoren licht verschilt van de verdeling van de

2004 (N=50), respectievelijk 2005 (N=50). De niet-TOP50

intramurale O&O-uitgaven over de sectoren. Het aandeel van

permanente O&O-besteders, vertegenwoordigen nog eens 18%,

de sector farmaceutische producten (24.4) ligt lager dan bij de

respectievelijk 18,5%, van de gerapporteerde O&O-budgetten

verdeling van de O&O-uitgaven, wat wijst op een relatief

in 2004, respectievelijk 2005, met respectievelijk 401 en 415

kapitaal-intensief O&O-proces in deze sector8. Het aandeel van

O&O-actieve respondenten. De occasionele O&O-besteders

machines en uitrusting (29 en 31) ligt nu iets hoger dan bij de

vertegenwoordigen ongeveer 1% van de gerapporteerde

opsplitsing van de intramurale O&O-uitgaven: in deze sector is

budgetten.

het O&O-gebeuren dus meer O&O-personeel-intensief. 3.3.3.3 Grootte

3.3.3 O&O-personeel in voltijdse equivalenten

Bij de verdeling van het O&O-personeel over de grootteklassen (zie tabel 3.7) worden de vroegere conclusies bevestigd: de

Eerst bespreken we het totale O&O-personeel. Daarna volgen

meerderheid van het O&O-personeel is actief in een beperkt

opsplitsingen volgens sectoren en grootteklassen. Afsluitend volgt

aantal grote bedrijven.

de verdeling over de verschillende types repertorium-bedrijven. 3.3.3.4 O&O-grootte en concentratie 3.3.3.1

Totaal

Tabel 3.8 toont de sterke concentratie van het O&O-personeel

In 2004 waren er bij de 558 O&O-actieve respondenten

in de TOP50-bedrijven. De concentratie is echter minder

12.858 voltijdse equivalenten7 actief voor O&O-activiteiten.

uitgesproken dan voor de O&O-uitgaven.

In 2005 hebben 575 O&O-actieve respondenten 13.663 voltijdse equivalenten tewerkgesteld. Voor het laatste jaar van de geobserveerde periode hebben 552 O&O-actieve

3.3.4 O&O-intensiteit

respondenten een previsie gemaakt van 10.624 voltijdse equivalenten voor O&O. Deze schijnbare daling voor 2006 is

De O&O-intensiteit wordt in dit hoofdstuk bekeken vanuit twee

te wijten aan het lagere aantal respondenten die een previsie

invalshoeken. Enerzijds wordt de verhouding

heeft gegeven. Als we enkel kijken naar de bedrijven die voor de drie jaren hebben geantwoord, dan zien we dat ook voor 2006 een verdere stijging van het aantal O&O-personeelsleden wordt verwacht. 349 respondenten waren niet O&O-actief van 2004 tot 2006. Tabel 3.5 toont deze antwoorden schematisch. Net als voor de O&O-uitgaven constateren we dus een stijging

interne-O&O-uitgaven omzet berekend. De tweede invalshoek is O&O-personeel totaal personeel

tijdens de periode 2004-2006, en dit in tegenstelling tot de

In deze berekening worden enkel de O&O-actieve bedrijven

dalende trend die in vorige jaren werd vastgesteld. Door het

meegeteld. Eerst wordt de totale O&O-intensiteit gegeven en

ontbreken van de O&O-cijfers van belangrijke spelers, gaan we

daarna de opsplitsingen volgens sector en grootteklasse.

in verdere analyses echter niet in op de opsplitsing van de cijfers van 2006.

6 Hierbij werden de bedrijven gerangschikt op basis van hun gemiddelde uitgaven voor interne O&O voor de jaren 2004 en 2005, zoals aangegeven in de huidige enquête. 7 Eén voltijdse eenheid (VTE) komt overeen met één voltijdse positie. Iemand die 30% van zijn tijd betrokken is bij O&O-activiteiten van de onderneming, telt voor 0,3 VTE. Iemand die slechts voor een periode van zes maanden voltijds betrokken is bij de O&O-activiteiten, vertegenwoordigt 0,5 VTE. 8 De vierde fase van de klinische tests wordt niet meegerekend als O&O, volgens de richtlijnen van de Frascati manual rond O&O-enquêtes.


57

Tabel 3.5: Totaal O&O-personeel in voltijdse equivalenten Totaal O&O-personeel in voltijdse equivalenten

Respondenten

2004

12.858

O&O-actieve respondenten Geen O&O-personeel Totaal

558 354 912

2005

13.663

O&O-actieve respondenten Geen O&O-personeel Totaal

575 349 924

2006p

10.624

O&O-actieve respondenten Geen O&O-personeel Totaal

552 354 906

Tabel 3.6: Verdeling van het O&O-personeel over de NACE-sectoren IND

NACE

2004

2005

Voeding en tabak

15, 16

3,3%

4,2%

17, 18, 19

1,4%

1,5%

20, 36.1

0,4%

0,5%

21, 22

0,2%

0,2%

Chemie en raffinaderijen

23, 24 (excl. 24.4)

4,0%

4,0%

Farmaceutische producten

24.4

13,5%

14,2% 2,4%

Textiel, kledij en leder Hout en meubels Papier en drukwerk

25

2,6%

Metaal en metalen producten

27, 28

4,6%

4,2%

Machines en uitrusting (incl. electric.)

29, 31

12,8%

12,9%

30, 32, 33

27,1%

26,2%

34, 35

3,8%

3,1%

45

1,0%

1,1%

1, 10, 26, 36.5, 37, 40, 41

1,7%

1,7%

50...64.1

1,8%

1,9%

65...74 (excl. 64.2 en 72.2)

17,9%

18,4%

64.2 en 72.2

3,8%

3,6%

Rubber en plastics

ICT hardware en instrumenten Transport Constructie, bouw Andere industrieĂŤn incl. landbouw Handel en transportdiensten Andere bedrijfsdiensten Softwareontwikkeling en communicatie

Aantal werknemers:

1 tot 9

10 tot 49

50 tot 249

250 tot 499

meer dan 500

Totaal

116

363

273

65

95

912

73

197

176

42

70

558

1,6%

7,8%

22,2%

8,7%

59,7%

100%

113

370

275

70

96

924

67

209

184

46

69

575

1,2%

9,3%

22,9%

8,4%

58,2%

100%

2004

Aantal respondenten Aantal O&O-actieve respondenten % van het totale O&O-personeel 2005

Aantal respondenten Aantal O&O-actieve respondenten % van het totale O&O-personeel

Tabel 3.8: De verdeling van het O&O-personeel per type repertorium-bedrijven Repertorium:

TOP 50

P

O

Totaal

2004

Aantal respondenten

46

479

387

Aantal O&O-actieve respondenten

46

402

110

558

68,6%

30,0%

1,4%

100%

Aantal respondenten

48

490

386

924

Aantal O&O-actieve respondenten

47

414

114

575

66,8%

31,5%

1,6%

100%

% van het totale O&O-personeel

912

2005

% van het totale O&O-personeel

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 3

Tabel 3.7: De verdeling van het O&O-personeel over de grootteklassen


58

3.3.4.1

3.3.4.3 Grootte

Totaal

Tabel 3.9 geeft de O&O-intensiteiten. De O&O-intensiteit interne-O&O-uitgaven omzet

In tabellen 3.12 en 3.13 wordt de opsplitsing van de O&Ointensiteiten per grootteklasse gegeven. Voor de eerste dimensie interne-O&O-uitgaven

bedroeg 3,33% in 2004. In 2005 was dat 3,30%. Volgens de

omzet

dimensie, O&O-personeel totaal personeel was de O&O-intensiteit in 2004 10,22% en in 2005 10,85%.

zijn de kleine en middelgrote bedrijven (tot 249 werknemers) het meest O&O-intensief. Wanneer we de O&O-intensiteit bekijken op basis van het personeel, zien we dezelfde trend. Hier hebben de kleinste bedrijven (1-9 werknemers) een veel hogere O&O-intensiteit dan de andere spelers. Het is duidelijk dat deze kleine bedrijven in absolute termen kleine O&O-

We zien dat de verhouding interne-O&O-uitgaven omzet

spelers zijn, vergeleken met de TOP50-bedrijven, maar dat ze zeer intensief met O&O bezig zijn.

daalt in de beschouwde periode, terwijl de verhouding O&O-personeel totaal personeel

3.4 TOTALE RESULTATEN 3.4.1 Totale O&O-cijfers

stijgt. Deze op het eerste gezicht tegenstrijdige tendensen kunnen verklaard worden als we de onderliggende basis-

De totale O&O-cijfers bevatten zowel de geobserveerde

gegevens bekijken (zie tabel 3.9). We zien dat zowel de omzet

gegevens als de inter- en extrapolaties. Omdat schattingen in

als de intramurale O&O-uitgaven stijgen, maar dat deze laatste

se altijd onzeker zijn, werden verschillende scenario’s gevolgd,

stijging beperkter is. Bij de personeelsgegevens is de situatie

vooral met betrekking tot de extrapolaties, toch de meest

anders. Het totale personeel daalt lichtjes, terwijl het O&O-

gevoelige component. De verschillen in de resultaten van deze

personeel stijgt.

scenario’s voor de geëxtrapoleerde gegevens, tonen aan hoe gevoelig deze schattingen zijn en legitimeren de keuze voor deze sensitiviteitsanalyse.

3.3.4.2 Sector De O&O-intensiteiten zijn in tabel 3.10 en tabel 3.11 opgedeeld volgens sectoren. We zien in tabel 3.10 dat volgens de verhouding

3.4.1.1

De totale intramurale O&O-uitgaven binnen het repertorium

interne-O&O-uitgaven omzet

In de volgende tabellen wordt een overzicht gegeven van de totale intramurale uitgaven van de bedrijven in het repertorium volgens de verschillende scenario’s. Zoals aangegeven in

de sectoren farmaceutische producten (24.4), software-

sectie 3.2.3 van dit hoofdstuk werden verschillende schattings-

ontwikkeling en communicatie (64.2 en 72.2) en andere

methodes gevolgd voor de verschillende groepen in het

bedrijfsdiensten (van 65 tot 74 met uitzondering van 64.2

repertorium (P-inventaris versus O-inventaris). De schattingen

en 72.2) het meest O&O-intensief zijn. Voor de dimensie

en geobserveerde gegevens worden daarom ook opgesplitst

O&O-personeel totaal personeel

weergegeven. Het eerste scenario dat gerapporteerd wordt (tabel 3.14),

ziet de tabel er licht anders uit. Hier zijn ook de sectoren

gebruikt alle bedrijven voor de extrapolatie en is eerder voorzichtig.

machines en uitrusting (29, 31) en ICT hardware en

Het tweede scenario (tabel 3.15), dat het basisscenario is en

instrumenten (30, 32, 33) zeer O&O-intensief.

dat ook in het verleden gebruikt werd, is optimistischer.


59

Tabel 3.9: Totale O&O-intensiteit9

Omzet* Interne O&O-uitgaven* Interne O&O-uitgaven omzet

2004

2005

48.475

51.401

groei 6,04%

1.613

1.697

5,24%

3,33%

3,30%

-0,75%

Totaal personeel

93.462

92.956

-0,54%

O&O-personeel

9.551

10.088

5,62%

10,22%

10,85%

6,19%

O&O-personeel totaal personeel

# observaties n=544

n=375

* in miljoen euro

interne O&O-uitgaven Tabel 3.10: O&O-intensiteit:

omzet

per sector

IND

NACE

2004

2005

Voeding en tabak

15, 16

0,6%

0,6%

17, 18, 19

1,0%

1,0%

20, 36.1

0,4%

0,4%

21, 22

0,6%

0,5%

Chemie en raffinaderijen

23, 24 (excl. 24.4)

0,8%

0,8%

Farmaceutische producten

24.4

17,2%

17,8%

Textiel, kledij en leder Hout en meubels Papier en drukwerk

2,6%

2,6%

27, 28

1,0%

1,0%

Machines en uitrusting (incl. electric.)

29, 31

4,0%

4,3%

30, 32, 33

8,2%

7,9%

34, 35

0,8%

0,9%

45

1,7%

1,7%

1, 10, 26, 36.5, 37, 40, 41

1,8%

1,4%

50...64.1

0,7%

0,5%

65...74 (excl. 64.2 en 72.2)

14,7%

15,3%

64.2 en 72.2

12,1%

10,3%

ICT hardware en instrumenten Transport Constructie, bouw Andere industrieën incl. landbouw Handel en transportdiensten Andere bedrijfsdiensten Softwareontwikkeling en communicatie

O&O-personeel Tabel 3.11: O&O-intensiteit:

totaal personeel

per sector

IND

NACE

2004

2005

Voeding en tabak

15, 16

3,2%

4,5%

17, 18, 19

3,5%

4,2%

20, 36.1

2,2%

2,2%

21, 22

1,0%

1,4%

Chemie en raffinaderijen

23, 24 (excl. 24.4)

5,4%

3,9%

Farmaceutische producten

24.4

29,2%

31,0% 6,4%

Textiel, kledij en leder Hout en meubels Papier en drukwerk

25

5,7%

Metaal en metalen producten

27, 28

4,5%

3,0%

Machines en uitrusting (incl. electric.)

29, 31

12,5%

12,5%

30, 32, 33

19,1%

19,8%

34, 35

2,6%

2,9%

45

1,8%

1,9%

1, 10, 26, 36.5, 37, 40, 41

3,7%

3,9%

50...64.1

1,8%

1,8%

65...74 (excl. 64.2 en 72.2)

18,7%

29,3%

64.2 en 72.2

14,8%

16,1%

Rubber en plastics

ICT hardware en instrumenten Transport Constructie, bouw Andere industrieën incl. landbouw Handel en transportdiensten Andere bedrijfsdiensten Softwareontwikkeling en communicatie

9 De O&O-intensiteiten worden berekend op basis van de omzet, de personeelsgegevens, de intramurale O&O-uitgaven en de O&O-personeelsaantallen van de bedrijven waarvoor al deze gegevens beschikbaar (ingevuld in de enquête) zijn.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 3

25

Metaal en metalen producten

Rubber en plastics


60

interne O&O-uitgaven Tabel 3.12: O&O-intensiteit:

per grootteklasse

omzet

Aantal werknemers:

1 tot 9

10 tot 49

50 tot 249

250 tot 499

meer dan 500

Totaal

63

196

178

41

70

548

6,0%

6,6%

5,0%

2,8%

2,9%

3,3%

68

205

180

41

70

564

7,1%

5,1%

4,7%

2,4%

3,0%

3,3%

2004

Aantal O&O-actieve respondenten O&O-intensiteit: intramurale O&O-uitgaven omzet 2005

Aantal O&O-actieve respondenten O&O-intensiteit: intramurale O&O-uitgaven omzet

O&O-personeel Tabel 3.13: O&O-intensiteit: Aantal werknemers:

totaal personeel

per grootteklasse

1 tot 9

10 tot 49

50 tot 249

250 tot 499

meer dan 500

Totaal

63

166

137

37

47

450

54,0%

18,8%

13,6%

8,0%

8,5%

9,8%

50

135

132

42

41

400

50,4%

26,2%

15,0%

7,6%

9,2%

10,5%

2004

Aantal O&O-actieve respondenten O&O-intensiteit:

O&O-personeel totaal personeel

2005

Aantal O&O-actieve respondenten O&O-intensiteit:

O&O-personeel totaal personeel

Tabel 3.14: Totale intramurale O&O-uitgaven van de bedrijven in het repertorium volgens scenario 1 Inventaris

Extrapolaties

Interpolaties

Observaties

Totaal

%

2004

O P Totaal %

23.258 137.535 160.793 8%

352 237.758 238.111 11%

9.925 1.683.073 1.692.998 81%

33.535 2.058.366 2.091.901 100%

2% 98% 100%

29.816 142.416 172.232 8%

1.573 239.603 241.176 11%

11.310 1.783.946 1.795.256 81%

42.699 2.165.965 2.208.664 100%

2% 98% 100%

2005

O P Totaal %

Tabel 3.15: Totale intramurale O&O-uitgaven van de bedrijven in het repertorium volgens scenario 2 Inventaris

Extrapolaties

Interpolaties

Observaties

Totaal

%

2004

O P Totaal %

23.258 157.579 180.836 9%

352 237.758 238.111 11%

9.925 1.683.073 1.692.998 80%

33.535 2.078.410 2.111.945 100%

2% 98% 100%

29.816 163.087 192.904 9%

1.573 239.603 241.176 11%

11.310 1.783.946 1.795.256 81%

42.699 2.186.636 2.229.336 100%

2% 98% 100%

2005

O P Totaal %


61

Voor de extrapolatie voor de bedrijven in het P-repertorium werden in dit scenario alleen cijfers van bedrijven met

3.4.1.3

De totale O&O-uitgaven bij de Vlaamse bedrijven 2004 en 2005

intramurale O&O gebruikt; P-bedrijven die zeggen niet aan

Zoals al aangegeven in de methodologiesectie 3.2.3 worden

interne O&O te doen zijn dus verwijderd uit de extra-

de O&O-uitgaven van de bedrijven in het repertorium

polatiebasis. De verschillen tussen beide scenario’s voor de

opgehoogd met een schatting voor bedrijven buiten het

totale cijfers zijn evenwel klein. De stijging van de totale

repertorium om eventueel ontbrekende gegevens op te

budgetten tussen 2004 en 2005 die we constateerden op basis

vangen. Tabel 3.18 geeft deze opgehoogde bedragen weer

van de gerapporteerde resultaten, is ook hier bij de totale

terwijl tabel 3.19. de totale som aan O&O-uitgaven van de

schattingen aanwezig.

bedrijven in Vlaanderen weergeeft, inclusief de opgehoogde bedragen. Belangrijk om op te merken is dat de hier

3.4.1.2

Het totale intramurale O&O-personeel binnen het

gerapporteerde bedragen nog niet de volledige BERD-reeks

repertorium

voor 2004 en 2005 uitmaken. Immers, ook de O&O-uitgaven van

Voor het totale O&O-personeel werden eveneens beide scenario’s

de collectieve onderzoekscentra moeten nog in rekening gebracht

gevolgd. De resultaten zijn weergegeven in tabellen 3.16 en

worden bij de berekening van de totale BERD. In hoofdstuk 5

3.17. Net als bij de gerapporteerde resultaten zien we een

worden deze cijfers samengebracht tot de volledige BERD-reeks.

stijging van het totale O&O-personeel en dit in beide scenario’s.

Tabel 3.16: Totaal O&O-personeel (in FTE) van de bedrijven in het repertorium volgens scenario 1 Inventaris

Extrapolaties

Interpolaties

Observaties

Totaal

%

2004

O P Totaal %

409 1.747 2.156 12%

21 3.717 3.738 21%

157 11.463 11.620 66%

588 16.927 17.515 100%

3% 97% 100%

475 1.765 2.240 12%

13 3.623 3.636 20%

195 12.080 12.275 68%

683 17.468 18.151 100%

4% 96% 100%

2005

Tabel 3.17: Totaal O&O-personeel (in FTE) van de bedrijven in het repertorium volgens scenario 2 Inventaris

Extrapolaties

Interpolaties

Observaties

Totaal

%

2004

O P Totaal %

409 2.017 2.427 14%

21 3.717 3.738 21%

157 11.463 11.620 65%

588 17.197 17.785 100%

3% 97% 100%

475 2.036 2.511 14%

13 3.623 3.636 20%

195 12.080 12.275 67%

683 17.739 18.422 100%

4% 96% 100%

2005

O P Totaal %

Tabel 3.18: Schatting van de O&O-bedragen buiten het repertorium (in duizend euro) 2004

2005

200.666

211.820

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 3

O P Totaal %


62

Tabel 3.19: Totale intramurale O&O-uitgaven van de Vlaamse bedrijven (exclusief de O&O-uitgaven van de collectieve centra) (in duizend euro)

Scenario 1 Scenario 2

2004

2005

2.292.567 2.312.611

2.420.484 2.441.156

Tabel 3.20: Evolutie van de O&O-uitgaven bij bedrijven (scenario 2, exclusief de O&O-uitgaven van de collectieve centra) BERD-bedrijven

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

in miljoen euro

1.357

1.421

1.472

1.614

1.804

1.897

2.119

2.426

2.659

2.412

2.332

2.313

2.441

Tabel 3.21: Bruto Binnenlands Product van Vlaanderen

in miljoen euro

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

106.637

112.540

117.909

119.849

126.623

131.010

136.379

144.136

147.999

152.715

157.115

164.948

170.769

bron: APS, 25 januari 2007

Tabel 3.22: Evolutie van de O&O-uitgaven bij bedrijven als % van BBP (scenario 2, exclusief de O&O-uitgaven van de collectieve centra) BERD-bedrijven/BBP

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

1,27%

1,26%

1,25%

1,35%

1,42%

1,45%

1,55%

1,68%

1,80%

1,58%

1,48%

1,40%

1,43%

3.4.2 Historische evolutie van de O&O-uitgaven van Vlaamse bedrijven

3.4.3 Evolutie van de O&O-uitgaven bij bedrijven als % van BBP

Bij de O&O-enquête van 2004 werden inspanningen geleverd om

Vertrekkende van tabel 3.20 kunnen we de evolutie van de

de historische reeks van O&O-cijfers te valideren. De gegevens

O&O-uitgaven bij bedrijven als % van het BBP voor 2004 en

van de O&O-enquête van 2006 kunnen dus in het kader van

2005 berekenen. Ten opzichte van de rapportering betreffende

deze gecorrigeerde historische reeks bekeken worden. We zien

de O&O-enquête van 2004 werd een extra update gemaakt,

in tabel 3.20 dat de dalende trend die sinds 2001 werd

namelijk de verrekening van de meest recente cijfers voor het

geobserveerd, stabiliseert in 2004. Voor 2005 constateren

Vlaamse BBP van de Administratie Planning en Statistiek (APS)

we een stijging in de totale intramurale O&O-uitgaven van de

(zie tabel 3.21).

Vlaamse bedrijven. De ratio’s worden weergegeven in tabel 3.22. Deze ratio bedraagt in het basisscenario (scenario 2) 1,40% voor 2004 en 1,43% voor 2005. Hier laat de historische vergelijking zien dat de dalende trend zich verder zet in 2004, maar dat er zich in 2005 een stijging voordoet.


63

3.5 CONCLUSIE Dit hoofdstuk verschaft inzicht in de resultaten van de O&O-

BIJLAGE 1: OVERZICHT VAN DE DEFINITIES DIE GEBRUIKT WERDEN IN DE O&O-ENQUÊTE 2006

enquête van 2006 op basis van de Vlaamse enquêtegegevens. Naarmate de Belgische gegevens beschikbaar komen, zullen

‘Onderzoek en ontwikkeling’ (O&O)

de extrapolaties van de O&O-gegevens nog meer verfijnd kunnen worden. In de opvolgpublicaties van het Steunpunt

O&O omvat alle creatieve activiteiten die door de onderneming

O&O Indicatoren zal deze analyse verder gedetailleerd worden

op een systematische manier ondernomen worden met het oog

en zullen de resultaten met betrekking tot de extrapolaties in

op kennisuitbreiding of kenniscreatie (onderzoek), evenals

overleg met de federale overheden worden verdergezet en

het gebruik van deze kennis om nieuwe toepassingen te

verfijnd. De hier gerapporteerde resultaten zijn gebaseerd op

ontwikkelen (ontwikkeling). Kenmerkend voor O&O is het

uitgebreide controles en validaties van de onderliggende

‘nieuwheidskarakter’.

gerapporteerde Vlaamse brondata. Ook het wegwerken van onzekerheden op wetenschappelijk of De dalende trend die in vorige jaren werd vastgesteld, zet zich

technisch vlak (zowel op bedrijfs- als op marktniveau) behoort

nog even verder in 2004. In de periode 2004-2006 zien we

tot de O&O-activiteiten van een onderneming. O&O omvat

echter een stijging in de gerapporteerde O&O-cijfers, en dit

drie activiteiten: fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek

zowel voor O&O-uitgaven als voor O&O-personeel. Voor 2005

en experimentele ontwikkeling.

leidt dit tot een ratio voor de O&O-uitgaven bij bedrijven als % van BBP van 1,43%.

O&O is creatief werk en omvat dus geen aankoop van technologie onder de vorm van octrooien en licenties, maar

In een volgend hoofdstuk van dit Indicatorenboek worden

wel alle uitgaven die het bedrijf gemaakt heeft om kennis te

deze cijfers verwerkt tot de totale BERD (inclusief collectieve

ontwikkelen die kan resulteren in de aanvraag van octrooien of

onderzoekscentra) en de GERD (“Gross Expenditures on Research

het generen van licentie-inkomsten.

and Development”). In deze laatste zitten ook de uitgaven van de overheid, de onderwijsinstellingen, en de non-profit-

Het begrip O&O moet zeer eng geïnterpreteerd worden: de

instellingen vervat.

uitwerking van een idee tot een praktische toepassing met als O&O; de fasen die daarop volgen (design, testproductie, commercialisering…) niet meer. In geval van twijfel is het belangrijk het hoofddoel van de desbetreffende activiteiten te evalueren. Indien de voornaamste doelstelling erin bestaat om technologisch nieuwe of sterk verbeterde producten, diensten of processen tot stand te brengen, moet men deze activiteiten beschouwen als O&O. Worden niet tot O&O gerekend: • metingen of controles met een routinematig karakter en marktonderzoeken; • scholingen en training; • werkzaamheden i.v.m. het aanvragen van octrooien en licenties; • het operationeel maken van ingekochte technologie of geavanceerde (productie-)apparatuur; • het herschrijven van bestaande software en/of klantspecifiek maken van al op de markt gebrachte software; • onderzoek gericht op (esthetische) vormgeving en andere niet-technologische veranderingen (geur, kleur, smaak,...).

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 3

eventuele prototypes (ontwikkeling) wordt wel nog beschouwd


64

Interne of eigen O&O wordt uitgevoerd binnen de eigen onderneming.

BIJLAGE 2: BELANGRIJKSTE ETAPPES VAN DE SCHATTINGSMETHODOLOGIE VAN DE O&O-GEGEVENS BIJ DE BEDRIJVEN

Uitgaven voor interne O&O zijn alle uitgaven die hiervoor gemaakt zijn.

1

Samenstelling van het repertorium

Zowel lopende uitgaven (personeelskosten en algemene kosten) als investeringen (grond, gebouwen, instrumenten en

• Enquêtes van de inventaris van het wetenschappelijk potentieel van België, voor de jaren 1994, 1996, 1998,

apparatuur) zijn inbegrepen. De gerealiseerde uitgaven van het jaar moeten aangegeven

2000, 2002 en 2004 – luik privé-ondernemingen

worden in hun totaliteit. Noch afschrijvingen noch de

• CIS-enquêtes 1, 2, 3 en 4

resterende boekwaarde van vorige jaren mogen in rekening

• Jaarverslagen van de ondernemingen (Nationale Bank van België - Belfirst) enz.

gebracht worden. Voor ondernemingen van de farmaceutische sector (NACE-BEL

• Andere bronnen zoals structurele enquêtes van het NIS,

244) moeten de klinische testen (fasen 1, 2 en3), met uitzondering

toekenningen van octrooien en van fiscale attesten voor

van de commercialisatiefase (fase 4), deel uitmaken van de

O&O-personeel…

interne of externe uitgaven voor O&O.

• Opsplitsing bedrijven die permanent dan wel occasioneel aan O&O doen (P en O)

Externe of uitbestede O&O wordt uitgevoerd door derden ten behoeve van de onderneming (op niveau van het BTW-nummer). 2

Consolidatie van het repertorium

Uitgaven voor externe O&O zijn alle uitgaven die hiervoor voor rekening van de onderneming gemaakt zijn, ongeacht de

• BTW-nummer, naam van de ondernemingen, adressen

financieringsbron. Uitgaven die buiten de onderneming

• Koppeling aan Belfirst (BTW-nummer, oprichtingsdatum,

gemaakt worden ter ondersteuning van de interne (eigen)

juridische toestand, werkgelegenheid, omzet, activiteiten-

O&O (bvb. voor de aanschaf van O&O-uitrusting), worden

sector, postcode)

meegeteld. De gerealiseerde uitgaven van het jaar moeten aangegeven worden in hun totaliteit. Noch afschrijvingen noch de

3

resterende boekwaarde van vorige jaren mogen in rekening

Logische en coherentiecontroles van de enquêteantwoorden

gebracht worden. Voor ondernemingen van de farmaceutische sector (NACE-BEL

Coherentietests en logische controles waaronder de controle

24.4) moeten de klinische testen (fasen 1, 2 en 3), met

van de boekjaren, de ratio O&O-uitgaven/O&O-personeel,

uitzondering van de commercialisatiefase (fase 4), deel

de opsplitsing van de O&O-personeelsaantallen volgens functie

uitmaken van de interne of externe uitgaven voor O&O.

en kwalificatieniveau, de gerapporteerde omzet/personeel ten opzichte van de Belfirst-omzet/Belfirst-personeel, het aantal O&O-personeelsleden in voltijdse equivalenten ≤ het aantal O&O-personeelsleden in fysieke eenheden,…

4

Aanvulling van gedeeltelijke antwoorden

Wanneer een bedrijf de O&O-gegevens slechts gedeeltelijk heeft ingevuld, gebeurt de schatting op basis van de hoeveelheid O&O-uitgaven per O&O-personeelslid van het bedrijf zelf, zoals die afgeleid kunnen worden uit de antwoorden van het bedrijf in de huidige en vorige enquête. Bij afwezigheid hiervan wordt de gemiddelde hoeveelheid O&O-uitgaven per O&Opersoneelslid genomen van de sector waartoe het bedrijf behoort.


65

5

Interpolatie voor niet-respondenten uit het

Voor de O&O-gegevens van 2005 wordt een groeicijfer

repertorium

toegepast op de geschatte gegevens van 2004. Dit groeicijfer bestaat uit het gemiddelde van de groei van het bedrijf

• Interpolatie aan de hand van een previsiecijfer. Voorwaarde:

(afgeleid uit data van deze en de vorige enquête) én van de

gegevens voor 2004 ontbreken, het previsiecijfer is

gemiddelde groei van de sector waartoe het bedrijf behoort.

beschikbaar voor 2004 (uit vorige enquête) en groei/afname

Indien de groei van een bedrijf niet berekend kan worden,

van previsie 2004 ten opzichte van gerapporteerde getal

wordt enkel de gemiddelde groei van de sector genomen.

voor 2003 moet binnen de marges +/- 20% blijven. • Interpolatie aan de hand van historische data + groeivoet.

• Voor de bedrijven die occasioneel aan O & O doen (O-reper-

Voorwaarde: vorige regel niet van toepassing, historische

torium) wordt telkens het celgemiddelde genomen van de cel

gegevens beschikbaar en de groei/afname van de historische

waartoe het bedrijf behoort10.

gegevens van het bedrijf blijven binnen marges +/- 20%. Het groeicijfer is het gemiddelde van de groei van het bedrijf (uit historische data) en de gemiddelde groei van de sector waartoe het bedrijf behoort (voor 2004-2005).

7

Extrapolatie

van

de

bedrijven

buiten

het

repertorium • O&O-gegevens van de bedrijven buiten het repertorium.

6

Extrapolatie voor de niet-respondenten uit het

Voor 2004 gebruiken we de schatting die we voor deze

repertorium

niet-repertoriumbedrijven bekomen in de CIS4-enquête. Vervolgens passen we de gemiddelde groei van 2004 naar

Wanneer er geen historische data beschikbaar zijn, wordt er

2005 (bekomen in de huidige O&O-enquête) toe om een

geëxtrapoleerd. Dit gebeurt op een verschillende manier voor

schatting te bekomen voor deze bedrijven voor 2005.

de bedrijven die permanent aan O&O doen en zij die dit

Voor het bepalen van het groeicijfer worden de bedrijven

occasioneel doen. Voor beide categorieën wordt echter

met een groei buiten de marges van +/- 20% buiten

bepaald tot welke cel elk bedrijf behoort. Een bedrijf behoort

beschouwing gelaten.

tot een specifieke cel op basis van haar Nace-sector en grootteklasse.

repertorium) wordt voor het schatten van het O&O-personeel voor 2004, de verhouding O&O-personeelgem_cel * Totaal personeelbedrijf Totaal personeelgem_cel gebruikt. Als O&O-personeelgem_cel en Totaal personeelgem_cel worden respectievelijk het gemiddeld aantal O&Opersoneelsleden en het gemiddeld totaal aantal personeelsleden berekend van de bedrijven uit de cel waartoe het bedrijf behoort en dit voor 2004. Hierna kunnen de geschatte O&O-uitgaven berekend worden voor 2004 aan de hand van de verhouding: O&O-uitgavengem_cel * O&O-personeelgeschat O&O-personeelgem_cel

10 Voorlopig worden enkel de Vlaamse cijfers gebruikt om celgemiddelden te berekenen. In een later stadium, wanneer de Belgische cijfers beschikbaar zijn, kunnen voor de cellen waar er weinig Vlaamse observaties zijn, Belgische celgemiddelden gebruikt worden.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 3

• Voor de bedrijven die permanent aan O & O doen (P-


66

BIJLAGE 3: DE NACE-BEL CLASSIFICATIE De NACE-BEL classificatie is een activiteitennomenclatuur die werd opgesteld in een geharmoniseerd Europees kader met de bedoeling de ordening van economische en sociale statistische informatie te vergemakkelijken. Beschrijving

Code

Code in dit hoofdstuk

Primaire sector

Landbouw, jacht, bosbouw en visserij Winning van delfstoffen

01, 02 en 05

1

10 tot 14

10

15

15

16

16

17

17

18

18

19

19

20

20

21

21

22

22

23

23

Verwerkende nijverheid

Voedingsproducten, dranken en tabak Voedingsproducten en dranken Tabaksproducten Textiel, kleding, bontnijverheid en leernijverheid Textiel Kleding en bontnijverheid Leernijverheid en schoeisel Hout, papier, drukkerijen Hout en kurk (exclusief meubels) Papier en kartonnijverheid Uitgeverijen, drukkerijen en reproductie van opgenomen media Cokes, petroleum, kernbrandstof, chemische producten, rubber en kunststoffen Cokes, geraffineerde aardolieproducten en kernbrandstof Chemische producten Chemische producten (exclusief farmaceutische producten) Farmaceutische producten Rubber en kunststoffen Niet-metaalhoudende minerale producten Metallurgie Metallurgie, ferro Metallurgie, non-ferro Vervaardiging van producten in metaal (exclusief machines en werktuigen) Machines, materialen, werktuigen en transport Machines, apparaten en werktuigen Elektrische en elektronische instrumenten (kantoormachines en computers) Elektrische machines en apparaten Audio-, video-, en telecommunicatieapparatuur Elektronische onderdelen (inclusief halfgeleiders) Audio-, video-, en telecommunicatieapparatuur Medische apparatuur, precisie- en optische instrumenten en uurwerken Auto's, aanhangwagens en opleggers Overige transportmiddelen Scheepsbouw Vervaardiging van lucht- en ruimtevaartuigen Overige transportmiddelen Meubels, overige industrie Meubels Overige industrie Recuperatie van recycleerbaar afval Productie en distributie van elektriciteit, gas en water Bouwnijverheid

24 zonder 244

24

244

244

25

25

26

26

27 zonder 271/274

27

271

271

274

274

28

28

29

29

30

30

31

31

321

321

32 zonder 321

32

33

33

34

34

35 zonder 351/353/355

35

351

351

353

353

355

355

36 zonder 361/366

36

361

361

366

366

37

37

40 en 41

40

45

45

Dienstensector

Kleinhandel, verkoop en reparatie van auto’s en motorrijwielen Groothandel Hotels en restaurants Vervoer, opslag Post en Telecommunicatie Post Telecommunicatie

50 en 52

50

51

51

55

55

60 tot 63

60

641

641

642

642


67

Beschrijving

Code

Code in dit hoofdstuk

65 tot 67

65

722

722

Dienstensector

Financiële instellingen (inclusief verzekeringen) Informatica en aanverwante activiteiten Realisatie van programma's en gebruiksklare systemen Overige informatica-activiteiten Onderzoek en ontwikkeling Overige zakelijke dienstverlening Openbaar bestuur, sociale en collectieve diensten,...

BIJLAGE 4: TOP50-BEDRIJVEN

72 zonder 722

72

73

73

70, 71 en 74

70

75 tot 99

75

• DAIKIN EUROPE • INNOGENETICS

De volgende tabel bevat 35 bedrijven die zowel in de O&O-

• JANSSEN PHARMACEUTICA

enquête van 2004 als van 2006 tot de TOP 50 van grootste

• LMS INTERNATIONAL

O&O-spelers in Vlaanderen behoorden. Deze lijst werd

• MICHEL VAN DE WIELE

samengesteld op basis van de gerapporteerde O&O-uitgaven

• ONDERZOEKSCENTRUM VOOR AANWENDING

voor 2005, die in de O&O-enquête van 2006 verzameld werden,

VAN STAAL • PFIZER MANUFACTURING BELGIUM

2004, werden de bedrijven gerangschikt op basis van hun

• PHILIPS INNOVATIVE APPLICATIONS

gemiddelde uitgaven voor interne O&O voor de jaren 2002 en

• PHILIPS INNOVATIVE TECHNOLOGY SOLUTIONS

2003. Voor de O&O-enquête van 2006, werden de bedrijven

• PROCTER & GAMBLE EUROCOR

gerangschikt op basis van hun gemiddelde uitgaven voor interne

• PUNCH GRAPHIX INTERNATIONAL

O&O voor de jaren 2004 en 2005. De doorsnede van de TOP50

• RECTICEL

bedrijven voor beide edities wordt hieronder weergegeven.

• ROBERT BOSCH PRODUKTIE • SCIENTIFIC-ATLANTA EUROPE • SESVANDERHAVE

Bedrijven in TOP 50 voor de enquête 2004 en de enquête

• SIEMENS

2006 op basis van de gemiddelde intramurale O&O-uitgaven

• STMICROELECTRONICS BELGIUM

voor 2002-2003 en voor 2004-2005

• TENNECO AUTOMOTIVE EUROPE • THOMSON TELECOM BELGIUM

• AGFA-GEVAERT

• TIBOTEC

• ALCATEL BELL

• TYCO ELECTRONICS RAYCHEM

• AMI SEMICONDUCTOR BELGIUM

• UBIZEN

• BARCO

• UMICORE

• BAYER ANTWERPEN

• VAN HOOL

• BAYER BIOSCIENCE • BEKAERT • BELGISCH LABORATORIUM VAN DE ELEKTRICITEITSINDUSTRIE • BOSAL RESEARCH • CERESTAR FRANCE • CNH BELGIUM

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 3

en de historische cijfers voor 2004. Voor de O&O-enquête van


68


69

ONDERZOEK EN ONTWIKKELING B I N N E N D E N O N-P R O F IT S E CTO R

Door Peter Viaene (EWI)

04


70

4.1 INLEIDING

Bij het berekenen van de Vlaamse O&O-inspanningen wordt rekening gehouden met de specifieke Belgische federale staats-

De Vlaamse cijfers uit deze analyse zijn afkomstig van de

structuur die gewest- en gemeenschapsmateries onderscheidt.

tweejaarlijkse OESO O&O-enquête non-profit, (versie 2006

Het hoger onderwijs is immers een gemeenschapsmaterie en

met referentiejaren 2004 en 2005) waarin alle instellingen uit

hierdoor is een verduidelijking van de gehanteerde terminologie

deze sector bevraagd worden naar hun inspanningen voor

en werkwijze noodzakelijk.

1

onderzoek en ontwikkeling (O&O) . De OESO O&O-enquête is een resultaat van het samenwerkingsakkoord uit 1994

Bij de gemeenschapsbenadering worden de O&O-inspanningen

betreffende de permanente inventaris van het wetenschappelijk

van alle instellingen binnen het hoger onderwijs - ook de

personeel. Ze wordt georganiseerd door het Departement

Vlaamse instellingen gelegen in het Brusselse Hoofdstedelijk

Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI), voor de instellingen

Gewest - opgeteld. Bij de gewestbenadering daarentegen, geldt

waarvoor de Vlaamse gemeenschap bevoegd is en/of in het

de territoriale opdeling en worden enkel de O&O- inspanningen

Vlaamse Gewest gelegen zijn. Dit alles gebeurt in nauw overleg

in rekening gebracht voor de instellingen uit het hoger

met de andere bevoegde overheden (federaal, gemeenschappen

onderwijs gelegen in het Vlaamse Gewest.

en gewesten) wat van belang is voor het hanteren van een uniforme methodologie. Door alle instanties wordt erover gewaakt

Met het oog op de internationale vergelijking van de cijfers

dat deze enquête opgesteld wordt volgens internationaal

wordt in het Vlaams Indicatorenboek WTI 2007 standaard

vastgelegde definities (‘Frascati Manual’).

enkel het gewestcijfer opgenomen voor het hoger onderwijs bij de verdere analyses. In sommige gevallen (onder meer om

De POD Wetenschapsbeleid heeft de eindverantwoordelijkheid

de invloed van de staatsstructuur te kunnen vatten voor

wat de aggregatie van de Belgische cijfers voor de non-profit

Vlaanderen) worden toch beide cijfers (het gewest- en het

sector én de profit sector betreft en zorgt voor de aanlevering

gemeenschapscijfer) opgenomen voor het hoger onderwijs en

van de cijfers aan EUROSTAT en OESO. De geaggregeerde

het totaalcijfer voor de non-profit sector. De territoriale opdeling

data uit deze enquête worden onder meer gebruikt voor

geldt vanzelfsprekend ook voor overige sectoren uit de non-

internationale publicaties zoals ‘Research and Development

profit sector: de publieke onderzoekscentra en de particuliere

Statistics’ (OESO), ‘Statistical Yearbook’ (EUROSTAT) en ‘Main

non-profit organisaties.

Science and Technology Indicators’ (OESO). In de verdere analyse van de non-profit sector worden de De non-profit sector binnen Vlaanderen bestaat uit drie grote

statistische O&O-gegevens voor de collectieve onderzoekscentra

uitvoeringssectoren. De grootste sector wordt gevormd door

(met inbegrip van de competentiepolen) ook opgenomen.

het hoger onderwijs samengesteld uit de Vlaamse universiteiten,

De collectieve onderzoekscentra vormen een onderdeel van de

de Vlaamse autonome universitaire onderzoekscentra en de

profit sector en worden bijgevolg ook in de totaalcijfers voor

Vlaamse hogescholen. De twee andere subsectoren worden

O&O-personeel en uitgaven van de profit sector opgenomen.

gevormd door de publieke Vlaamse onderzoekscentra enerzijds

Door hun economische finaliteit (meestal opgericht en voor het

en de Vlaamse publieke en particuliere non-profitorganisaties

overgrote deel gefinancierd door de bedrijven zelf) zijn ze

anderzijds. Voorbeelden van publieke Vlaamse onderzoeks-

nauw verbonden met de ondernemingen en worden ze in de

centra zijn onder andere de onderzoeksinstellingen (VIB, VITO,

internationale statistieken bij de bedrijven en de BERD-gegevens

IMEC en IBBT) en de Vlaamse wetenschappelijke instellingen

opgenomen. Ze bezitten immers het statuut van een non-profit

die in het Vlaamse Gewest gelokaliseerd zijn zoals het ILVO.

organisatie en streven niet onmiddellijk een winstoogmerk na.

Het grote kenmerk van de non-profit sector is zeker en vast de

De bevraging van deze instellingen gebeurt dan ook volgens

diversiteit, doordat die naast de universiteiten en hogescholen,

de methodiek van de OESO O&O-enquête non-profit.

ook publieke onderzoeksinstellingen bevat die sterk gespecialiseerd

Dit verklaart waarom de resultaten voor de collectieve

zijn op één of meerdere onderzoeksdomeinen. Deze sector

onderzoekscentra geanalyseerd worden in dit hoofdstuk.

omvat ook enkele kleinere instellingen, die slechts in geringe mate O&O-activiteiten verrichten naast W&T en andere activiteiten. 1 Definitie O&O: Het onderzoek en de experimentele ontwikkeling omvatten het creatieve werk dat systematisch plaatsvindt om de kennisvoorraad te vergroten, met inbegrip van die van de mens , de cultuur en de samenleving, alsmede het gebruik van deze kennisvoorraad om nieuwe toepassingen te ontwikkelen (OECD, 2002, Frascati Manual p.30)


71

De bevraging van de profit sector en de non-profit sector

Zo wordt het O&O-personeel opgedeeld naar universitaire

gebeurt door verschillende instanties zodat de analyse

diploma’s, diploma’s hoger onderwijs één cyclus en andere

verspreid wordt over 2 hoofdstukken naargelang de bevraagde

kwalificaties. Een tweede opdeling van menselijk potentieel is

instanties. De analyse van de resultaten uit de profit enquête,

gebaseerd op het beroep of de functie van het O&O-personeel

uitgevoerd door het Steunpunt O&O-Indicatoren (OOI), is terug

namelijk onderzoekers, technisch personeel en administratief /

te vinden onder hoofdstuk 3. Het totaalbeeld voor Vlaanderen

overig personeel. Beide benaderingen komen verder nog

(profit en non-profit) wordt verder in hoofdstuk 5 deel I en

uitgebreid aan bod.

deel II bestudeerd. Figuur 4.1 toont aan hoe de O&O-actoren en subsectoren zich In dit hoofdstuk worden de Vlaamse O&O-inspanningen

tot elkaar verhouden binnen de publieke onderzoekssector.

(uitgaven en personeel) binnen de non-profit meer in detail

Ter referentie wordt ook het cijfer voor het aantal collectieve

bestudeerd. De bestaande tijdsreeks 1993-2003 (die voor eerst

centra meegegeven.

opgenomen werd en geanalyseerd in het Vlaams Indicatorenboek WTI 2005) werd verder uitgebreid naar 2004 en 2005.

Tabel 4.1 geeft een evolutie weer van het totale O&O-personeel

Dit laat een vergelijking toe met de analyseresultaten OESO

(in voltijdse eenheden) in de non-profit sector tussen 1993 en

O&O-enquête 2006 (referentiejaar 2005) en die uit de OESO

2005. Sinds 2000 is het totale personeelsequivalent met

O&O-enquête 2004 (referentiejaar 2003)2.

ongeveer een vijfde toegenomen tot 12.827 VTE in 2005. Het hoger onderwijs, als uitvoeringssector, realiseert de grootste

4.2 HET O&O-PERSONEEL GEANALYSEERD

stijging (+ 25%). Het hoger onderwijs blijft dé belangrijkste actor wat O&O-activiteiten betreft, en haar positie wordt de

Het is duidelijk dat menselijk potentieel een sleutelelement blijft

laatste jaren opnieuw verstevigd. De hogescholen worden pas

in de huidige kennismaatschappij. De OESO Canberra Manual

sinds 1998 naar hun O&O-inspanningen bevraagd. De structurele

omschrijft en definieert twee benaderingen voor het meten van

verhoging van de algemene werkingsmiddelen aan de

menselijk potentieel in ‘Science & Technology (S&T)’. De eerste

universiteiten én het alsmaar groeiende belang van project-

benadering beklemtoont de opdeling aan de hand van de

financiering (eigen en externe financiering) bieden belangrijke

formele kwalificaties (opleidingsniveau) van het O&O-personeel.

verklaringen voor de stijging van het O&O-personeelscijfer bij

De publieke onderzoekscentra kennen een beperktere stijging

Figuur 4.1: Verdeling van de O&O actoren over

(+12%). Het totale O&O-personeel bij de publieke onderzoeks-

de non-profit sector (2005)

centra is sinds 1993 verdubbeld qua omvang, maar de sterke groei lijkt zich de laatste jaren wat af te remmen. Na de sterke

35

daling in 2002 voor het Vlaamse deel van de federale onderzoeks30

instellingen (categorie 210) ten gevolge de Lambermontakkoorden

25

die van landbouw een gewestbevoegdheid maakten en de

20

betrokken onderzoekinstellingen onder categorie 220 lieten

15

ressorteren, lijken de O&O-inspanningen in de categorie 210 zich te consolideren op hetzelfde niveau.

10 5

Collectieve onderzoekscentra

Publieke en particuliere non-profitorganisaties

Publieke onderzoekcentra

Hoger onderwijs

0

2 Een aandachtige lezer merkt kleine verschillen op met de gegevens rondom O&O-personeel, O&O-uitgaven en de O&O-intensiteit gepubliceerd in het Vlaams Indicatorenboek WTI 2005. Die zijn te wijten aan nieuwe aggregaties op Belgisch niveau (personeel en uitgaven) en nieuwe berekeningen van het BBRP (Vlaams Gewest) aangeleverd door de Studiedienst van de Vlaamse regering (invloed op berekening O&O-intensiteit).

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 4

de universiteiten.


72

Tabel 4.1: Evolutie van het O&O-personeel uit de non-profit sector en de collectieve centra tussen 1993 en 2005 (in VTE)

O&O-personeel voor Vlaanderen 200 Publieke onderzoekcentra (gewest) 210

Federale overheid (Vlaams Gewest)

220 Vlaamse Gemeenschap/Gewest 270 Lagere overheden 300 Publieke en particuliere non-profitorganisaties (gewest) 320 Semi-publieke instellingen 330 Particuliere centra 510

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

1.189,6

1.204,6

1.466,7

1.583,4

1.767,7

1.894,8

2.200,1

2.369,6

2.351,3

2.415,0

2.388,4

2.471,2

12,3%

476,7

471,4

483,5

443,7

468,0

471,6

494,2

487,9

471,0

147,8

148,8

147,0

145,0

674,0

716,1

719,0

1.020,9

1.113,4

1.294,0

1.398,5

1.707,6

1.894,0

2.197,5

2.260,2

2.233,8

2.318,1

2,1

2,1

2,1

2,1

2,1

2,1

2,1

4,6

4,6

6,0

6,0

7,6

8,1

294,6

326,6

333,6

340,2

347,4

347,4

347,4

356,2

361,3

366,4

364,3

374,2

368,5

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

3,4%

5,0

6,3

6,3

8,4

8,4

8,4

8,4

16,9

22,0

28,1

27,0

36,9

31,2

320,3

327,3

331,8

339,0

339,0

339,0

339,0

339,0

338,0

337,0

337,0

337,0

5.975,3

5.981,6

6.009,0

5.603,0

5.975,6

6.624,2

7.458,5

7.993,8

8.227,2

8.279,6

8.610,7

9.759,8

9.987,3

5.842,9

5.840,8

5.868,7

5.454,3

5.824,5

6.401,0

7.210,5

7.577,4

7.757,3

7.692,6

7.998,7

9.124,3

9.281,0

132,3

140,8

140,3

148,7

151,1

151,1

151,1

120,9

118,1

179,8

187,3

251,5

263,2

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

72,1

97,0

295,5

351,8

407,2

424,7

384,0

443,1

7.132,3

7.141,4

7.164,9

6.541,7

7.007,8

7.774,4

8.679,9

9.082,5

9.286,4

9.416,7

9.773,0

11.031,0

11.338,0

7.000,0

7.000,6

7.024,6

6.393,0

6.856,7

7.523,0

8.400,4

8.628,2

8.776,5

8.750,5

9.078,2

10.274,5

10.485,4

132,3

140,8

140,3

148,7

151,1

151,1

151,1

120,9

118,1

179,8

187,3

251,5

263,2

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

100,4

128,4

333,4

391,8

486,4

507,5

505,0

589,4

Totaal non-profit met hoger onderwijs gewest

7.422,6

7.497,7

7.547,2

7.409,8

7.906,3

8.739,2

9.700,7

10.550,1

10.958,1

10.997,3

11.390,0

12.522,4

12.827,0

21,6%

Totaal non-profit met hoger onderwijs gemeenschap

8.579,6

8.657,5

8.703,0

8.348,5

8.938,6

9.889,4

10.922,1

11.638,8

12.017,3

12.134,4

12.552,3

13.793,6

14.177,7

21,8%

311,9

309,9

296,4

363,4

366,2

429,6

425,2

508,2

508,0

468,0

474,1

325,1

361,3

Universiteiten

420 Zelfstandige universitaire onderzoekcentra 490 Hogescholen 400 Hoger onderwijs (gemeenschap) 410

1994

1.152,8

289,6

Internationale instellingen in België

400 Hoger onderwijs (gewest) 410

1993

% groei 20002005

Universiteiten

420 Zelfstandige universitaire onderzoekcentra 490 Hogescholen

130 Collectieve onderzoeksentra*

Bron: CFS/STAT - POD Wetenschapsbeleid + eigen berekeningen voor 2004 en 2005 * Als onderdeel van de bedrijven

De recente daling van het O&O-personeel voor de collectieve

Bij het hoger onderwijs ligt het aandeel van vrouwelijke

onderzoekscentra geeft een vertekend beeld weer van de

O&O-personeelsleden het hoogst met ongeveer 46%. Bij de

realiteit. Een belangrijke instelling uit deze categorie werd

publieke onderzoekscentra ligt dat aandeel met 34% heel wat

immers omgevormd tot een profit organisatie en ressorteert nu

lager net als bij de collectieve onderzoekscentra (25%), maar de

bij de sector ondernemingen. In werkelijkheid neemt het aantal

representativiteit van dit cijfer ligt ook lager. Wanneer vrouwen

instellingen binnen deze categorie én de O&O component

O&O-activiteiten uitvoeren, gebeurt dit vaker (meer dan 80%

lichtjes toe. De Vlaamse competentiepolen, die enkele jaren

van het totale O&O-cijfer) onder de koepel van het hoger

geleden opgericht werden door de Vlaamse Regering, bouwen

onderwijs.

hun O&O-activiteiten immers verder uit. Het effect van deze beslissing zal beter bestudeerd kunnen worden naar resultaten

Het O&O-personeel voor 2005 wordt in tabel 4.3 opgesplitst

van toekomstige enquêtes toe.

naar functie en naar geslacht. Uit deze cijfers blijkt dat 73% van het O&O-personeel binnen de non-profit sector onderzoekers

Tot slot toont tabel 4.1 het effect van de gewest- en de

zijn ten opzichte van 70% onderzoekers voor 2003. Bij de

gemeenschapbenadering voor het O&O-personeel in het hoger

vrouwen ligt het aandeel onderzoekers met 65,6% voor 2005

onderwijs. Bij het gebruik van de gemeenschapsbenadering ligt

toch een stuk lager (62% voor 2003). Uit dezelfde tabel blijkt

het totale O&O-personeel ongeveer 1.250 voltijdse eenheden

ook dat ongeveer 6 op 10 onderzoekers mannen zijn.

hoger (dit correspondeert met 10% van het totaal) dan bij de gewestbenadering, die internationaal gehanteerd wordt.

Wanneer nu gekeken wordt naar de opsplitsing over de diverse subsectoren voor 2005 blijkt het aandeel onderzoekers het

Tabel 4.2 deelt het O&O-personeelscijfer (in voltijdse eenheden)

grootst te zijn voor het hoger onderwijs (77%). Bij de publieke

op naar geslacht en / of uitvoeringsector. De verhouding

onderzoekscentra bedraagt het aandeel onderzoekers

mannen / vrouwen bedraagt ongeveer 56 / 44 voor 2005.

ongeveer 60%. In vergelijking met 2003 valt de aanzienlijke

Bij de vorige analyse in het Vlaams Indicatorenboek WTI 2005

stijging (+5%) op in het aandeel onderzoekers uit de publieke

bedroeg die verhouding nog 58 / 42 (cijfer voor 2003).

onderzoekscentra.

24,9%

24,8%


73

Tabel 4.2: O&O-personeel naar geslacht en uitvoeringssector (in VTE) - 2005 Mannen

Vrouwen

% Mannen

% Vrouwen

Abs.

Rel.

Abs.

Rel.

Hoger onderwijs (gewest)

5.403,0

74,7%

4.584,3

82,0%

54,1%

45,9%

Universiteiten (gewest)

4.982,8

92,2%

4.298,2

93,8%

53,7%

46,3%

Zelfstandige universitaire centra (gewest)

141,6

2,6%

121,6

2,7%

53,8%

46,2%

Hogescholen (gewest)

278,6

5,2%

164,5

3,6%

62,9%

37,1%

1.633,6

22,6%

837,6

15,0%

66,1%

33,9%

196,4

2,7%

172,1

3,0%

53,3%

46,7%

7.233,0

100,0%

5.594,0

100,0%

56,4%

43,6%

75,3%

24,7%

Publieke onderzoekscentra Publieke en particuliere NPO's Vlaamse NPO's* (gewest)

272,1

Collectieve onderzoekscentra**

89,3

Tabel 4.3: O&O-personeel (totaal en vrouwen) volgens functie in VTE en als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2005 Totaal Onderzoekers

Vrouwen

Technisch en Overig gelijkgesteld personeel personeel

Onderzoekers

Onderzoekers

Technisch en Overig gelijkgesteld personeel personeel

%M

%V

Technisch personeel %M

%V

Overig personeel %M

%V

Hoger onderwijs (gewest)

7.728,2

77,4%

1.515,0

744,1

3.156,0

68,8%

957,5

470,9

59,2% 40,8%

36,8% 63,2%

36,7% 63,3%

Universiteiten (gewest)

7.090,6

76,4%

1.460,6

729,8

2.912,2

67,8%

924,1

461,9

58,9%

41,1%

36,7%

63,3%

36,7%

Zelfst universit. centra (gewest)

215,5

81,9%

45,8

1,9

91,5

75,2%

28,4

1,7

57,5%

42,5%

38,0%

62,0%

10,5%

89,5%

Hogescholen (gewest)

422,0

95,3%

8,6

12,4

152,3

92,6%

5,0

7,3

63,9%

36,1%

42,1%

57,9%

41,5%

58,5%

1.485,4

60,1%

633,3

352,4

439,7

52,5%

243,9

153,9

70,4% 29,6%

61,5% 38,5%

56,3% 43,7%

191,5

52,0%

98,3

78,7

75,5

43,8%

49,9

46,8

60,6% 39,4%

49,3% 50,7%

40,6% 59,4%

9.405,0

73,3%

2.246,7

1.175,2

3.671,2

65,6%

1.251,3

671,5

61,0% 39,0%

44,3% 55,7%

42,9% 57,1%

132,4

36,6%

183,3

45,8

29,2

32,7%

45,2

14,9

77,9% 22,1%

75,3% 24,7%

67,5% 32,5%

Publieke onderzoekscentra Publieke en particuliere NPO's Vlaamse NPO's* (gewest) Collectieve onderzoekscentra**

63,3%

Tabel 4.4: O&O-personeel (totaal en vrouwen) volgens kwalificatieniveau in VTE en als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2005 Totaal Diploma's één cycli

Andere kwalificaties

Universitaire diploma's

Universitaire diploma’s

Diploma's één cycli

Andere kwalificaties

%M

%V

Diploma’s één cycli %M

%V

Andere kwalificaties %M

%V

Hoger onderwijs (gewest)

8.219,0

82,3%

1.038,6

729,8

3.402,8

74,2%

748,0

433,5

58,6% 41,4%

28,0% 72,0%

40,6% 59,4%

Universiteiten (gewest)

7.588,8

81,8%

965,4

726,8

3.156,9

73,4%

709,5

431,8

58,4%

41,6%

26,5%

73,5%

40,6%

59,4%

Zelfst universit. centra (gewest)

229,3

87,1%

32,2

1,8

99,0

81,4%

21,9

0,7

56,8%

43,2%

31,9%

68,1%

61,1%

38,9%

Hogescholen (gewest)

400,9

90,5%

41,0

1,2

146,9

89,3%

16,6

1,0

63,4%

36,6%

59,5%

40,5%

16,7%

83,3%

1.630,2

66,0%

428,5

412,5

483,1

57,7%

240,1

114,3

70,4% 29,6%

44,0% 56,0%

72,3% 27,7% 37,0% 63,0%

Publieke onderzoekscentra Publieke en particuliere NPO's Vlaamse NPO's* (gewest)

228,5

62,0%

101,0

39,0

96,5

56,1%

51,1

24,6

57,8% 42,2%

49,4% 50,6%

10.077,6

78,6%

1.568,1

1.181,3

3.982,4

71,2%

1.039,2

572,4

60,5% 39,5%

33,7% 66,3%

51,5% 48,5%

191,1

52,9%

93,0

77,3

52,8

59,2%

23,7

12,8

72,4% 27,6%

74,6% 25,4%

83,4% 16,6%

Collectieve onderzoekscentra**

* NPO = non-profit organisaties ** Als onderdeel van de bedrijven

Zowel bij het technisch personeel als bij het overig personeel

Tabel 4.4 gaat dieper in op het opleidingsniveau van het O&O-

(vaak administratief personeel) zijn er meer vrouwen dan

personeel. Bijna 79% van het O&O-personeel had in 2005 een

mannen binnen de non-profit sector. Toch vallen nog enkele

universitair diploma. In vergelijking met 2003 is dit een stijging

verschillen op naar subsector. Bij de publieke onderzoekscentra

met ongeveer 3%. Bij de vrouwen ligt het percentage met een

zijn er zowel bij het technisch personeel als bij het overig

universitair diploma toch merkbaar lager (71%). Het merendeel

personeel meer mannen dan vrouwen tewerkgesteld.

van het O&O-personeel met een universitair diploma zijn mannen (ongeveer 60% voor 2005). Twee kwart van O&O-personeel met een diploma hoger onderwijs één cyclus zijn vrouwen in de non-profit.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 4

Universitaire diploma's

Vrouwen


74

Tabel 4.5: O&O-personeel (totaal en vrouwen) volgens wetenschapsdomein (in VTE) - als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2005 Natuur- en exacte wetenschappen

Toegepaste wetenschappen

Medische wetenschappen

Landbouwwetenschappen

Sociale wetenschappen

Humane wetenschappen

Hoger onderwijs (gewest)

24,9%

15,3%

22,2%

10,0%

17,5%

10,1%

Publieke onderzoekscentra VROUWEN

19,3%

62,7%

0,1%

14,5%

0,2%

3,2%

Hoger onderwijs (gewest)

21,3%

8,4%

28,2%

11,0%

19,8%

11,3%

Publieke onderzoekscentra

27,5%

50,2%

0,2%

17,5%

0,3%

4,3%

TOTAAL

Tabel 4.6: O&O-personeel uitgedrukt in fysieke personen (2005) Uitgedrukt in fysieke personen

Onderzoekers (totaal)

O&O-personeel totaal

Onderzoekers (mannen)

O&O-personeel (mannen)

Onderzoekers (vrouwen)

O&O-personeel (vrouwen)

Hoger onderwijs (gewest)

13.290

18.911

8.437

10.665

4.853

8.246

Hoger onderwijs (gemeenschap)

15.544

22.025

9.919

12.481

5.625

9.544

1.620

2.750

1.116

1.765

504

985

199

386

122

206

77

180

15.109

22.047

9.675

12.636

5.434

9.411

Publieke onderzoekscentra Publieke en particuliere NPO's Vlaamse NPO's (gewest)

Wanneer de cijfers voor 2005 geanalyseerd worden voor

In 2005 was ongeveer een kwart van het totale O&O-

de verschillende subsectoren, valt op dat meer mannen dan

personeel uit het hoger onderwijs actief in de natuur- en exacte

vrouwen in de publieke onderzoekscentra een universitair

wetenschappen en 22,2% in de medische wetenschappen.

diploma hebben en dat vrouwen vaker over een diploma hoger

Iets meer dan 28% van het vrouwelijk O&O-personeel is actief

onderwijs 1 cyclus beschikken.

in de medische wetenschappen voor 2005, gevolgd door 21,3% bij de exacte- en natuurwetenschappen. Voor het hoger

Tabel 4.5 geeft de verdeling weer van het totale O&O-

onderwijs zijn er niet onmiddellijk grote verschuivingen

personeel per wetenschapsdomein voor het hoger onderwijs en

merkbaar in de verdeling over de wetenschapsgebieden van de

de publieke onderzoekscentra. Bij de publieke onderzoekscentra

O&O-activiteiten ten opzichte van de vorige resultaten uit 2003.

worden alle personeelsleden aan ĂŠĂŠn wetenschapsdomein

Het aandeel van O&O-activiteiten in de volgende domeinen

toegewezen op basis van de O&O-activiteiten die door de

dalen lichtjes: medische wetenschappen (-1,8%) en sociale

onderzoeksinstelling uitgevoerd worden. Zo is het mogelijk om

wetenschappen (-1,7%). Bij de vrouwen is de stijging bij de

toch een beeld te krijgen in welke onderzoeksdomeinen de

medische wetenschappen het meest opvallend (+2,3%).

publieke onderzoekcentra actief zijn. De kern van de onderzoeksactiviteiten ligt vooral bij de toegepaste wetenschappen met een

Tabel 4.6 drukt de onderzoeksinspanningen uit in fysieke

aandeel van 62,7% in het O&O-personeel. De natuur- en

personen voor de non-profit sector voor 2005. Iets meer dan

exacte wetenschappen (19,3%) en de landbouwwetenschappen

22.000 fysieke personen werkten in 2005 volledig of

(14,5%) zijn ook nog belangrijke domeinen bij de publieke

gedeeltelijk rondom O&O-activiteiten. Dit cijfer correspondeert

onderzoekscentra. Ten opzichte van de cijfers uit 2003 valt

voor 2005 met 12.827 voltijdse equivalenten (zie tabel 4.1).

vooral de daling (-5%) op van de landbouwwetenschappen

Hiervan zijn er ongeveer 15.100 onderzoekers, de overige 7.000

voor het O&O-personeel. Het onderzoek binnen de publieke

zijn technisch en overig personeel. Dit cijfer kan verder

onderzoekscentra focust zich meer en meer op twee grote

opgedeeld worden naar 36% vrouwelijke onderzoekers en

domeinen (de natuur- en exacte wetenschappen en de

64% mannelijke. Tabel 4.6 toont ook de verspreiding van

toegepaste wetenschappen) met een totaalaandeel van 82%

de onderzoekers naar geslacht en naar subsector binnen de

in 2005 ten opzichte van 77% voor 2003. Ook bij de

non-profit.

vrouwen neemt het aandeel van de exacte wetenschappen en toegepaste wetenschappen samen aanzienlijk toe (77% voor 2005 ten opzichte van 70% in 2003).


75

Figuur 4.2: Verdeling van het O&O-personeel binnen de non-profit sector (in VTE voor 2005)

Ter vergelijking de % verdeling van de O&O-uitgaven

2,87%

over de subsectoren (2005) 19,27% 3,52%

35,03% 77,86%

61,45%

■ Overheid

■ Non-profit organisatie

■ Hoger onderwijs

Figuur 4.2 geeft de verdeling weer van het O&O-personeel

Europese Top in Lissabon (maart 2000) om van Europa de

over de drie uitvoeringssectoren voor 2005 en legt ook de link

meest ‘competitieve, kennisgebaseerde economie’ van de

met de O&O-uitgaven (komen verder aan bod in punt 3)

wereld te maken. De O&O-uitgaven en de O&O-intensiteit

per uitvoeringssector voor 2005. Ongeveer 78% van het

komen hierna uitvoerig aan bod.

O&O-personeel is actief binnen het hoger onderwijs tegenover Tabel 4.7 geeft een overzicht van de O&O-uitgaven in de

gekeken wordt naar de spreiding van de O&O-uitgaven over

periode 1993-2005 voor de non-profit sector. Hieruit blijkt

de uitvoeringssectoren voor 2005, vallen toch wel enkele

dat de O&O-uitgaven de laatste vijf jaar met ongeveer 45%

conclusies op. Het hoger onderwijs vertegenwoordigt slechts

gestegen zijn. Uit dezelfde tabel blijkt ook dat de O&O-

ongeveer 61% van de O&O-uitgaven en de publieke

uitgaven sterker gestegen zijn binnen de publieke onderzoeks-

onderzoekscentra ongeveer 35%. De verdeling van het

centra (+63,7%) tussen 2000 en 2005. De O&O-uitgaven

O&O-personeel over de drie subsectoren is amper gewijzigd

binnen het hoger onderwijs zijn minder sterk gestegen maar de

ten opzichte van 2003. Bij de O&O-uitgaven valt de aanzienlijke

stijging beloopt toch nog altijd ongeveer 38%. Wanneer de

verschuiving op, in de verhouding tussen de publieke

absolute cijfers gecorrigeerd worden voor inflatie en op het

onderzoekscentra (+6%) en het hoger onderwijs (-5,4%) ten

prijsniveau 2000 gebracht worden, krijgt men de volgende

opzichte van 2003.

resultaten. De stijging binnen de non-profit beloopt dan nog altijd 31,5% en de stijging van de O&O-uitgaven binnen de publieke onderzoekscentra zijn de laatste vijf jaar gestegen met

4.3 DE O&O-UITGAVEN GEANALYSEERD

48,6%. Hieruit blijkt duidelijk dat alle onderzoeksinstellingen uit de non-profit hun onderzoeksbudget de voorbije jaren

Naast het O&O-personeel vormen de O&O-uitgaven de tweede

serieus verhoogd hebben. De O&O-uitgaven voor de publieke

peiler voor het meten van de O&O-inspanningen. Bij de O&O-

onderzoekscentra stegen (tussen 2000 en 2005) heel wat sneller

intensiteit drukt men de totale intramurale O&O-uitgaven uit

dan het O&O-personeel (+12%).

in % van het Bruto Binnenlands Product (BBP). Op de Europese top in Barcelona (maart 2002) hebben de Europese leiders

De O&O-uitgaven kunnen verder opgedeeld worden naar

afgesproken om de O&O-intensiteit te verhogen tot 3% van het

kostensoort: personeelskosten, investeringen en uitgaven voor

BBP tegen 2010 waarvan één derde of 1% zou gefinancierd

werking en uitrusting (zie tabel 4.8). Ongeveer 57,8% van

worden door de publieke sector en de overige 2% door de

de O&O-uitgaven zijn personeelskosten, 30,6% voor werking

private sector. Deze afspraak was een gevolg van een vroegere

en uitrusting en 11,5% voor investeringen.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 4

ongeveer 19% bij de publieke onderzoekcentra. Wanneer verder


76

Tabel 4.7: Overzicht van de totale O&O-uitgaven in de non-profit sector en de collectieve centra (1993-2005)

O&O-uitgaven Vlaanderen non-profit

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

95.691 104.133 109.185 146.113 159.651 192.131 220.056 231.979 247.869 280.883 260.821

% groei 20002005 2005

Lopende prijzen (x 1000 EUR) 200 GOVERD 210

Federale overheid (Vlaams Gewest)

220 Vlaamse Gemeenschap/Gewest

335.331

379.713

23.326

23.485

27.180

16.647

17.192

17.901

71.572

79.917

81.136 122.070 132.431 163.400 191.976 202.991 217.669 263.298 243.320

316.424

360.042

793

731

869

887

902

910

920

893

940

527

853

1.715

1.769

29.084

32.370

31.065

31.671

32.054

32.360

32.722

33.903

34.928

36.266

36.225

36.881

38.125

0

0

0

0

0

0

0

28

28

69

71

83

92

270 Lagere overheden 300 PNP 320 Semi-publieke instellingen 330 Particuliere centra

23.156

26.319

27.821

27.159

28.096

29.260

17.057

308

251

254

245

246

248

251

578

779

1.712

1.344

1.314

1.342

28.775

32.120

30.811

31.426

31.808

32.112

32.471

33.298

34.121

34.485

34.810

35.483

36.690

400 HERDgewest

311.321 330.682 343.429 367.428 399.583 437.930 460.294 482.293 523.929 540.688 600.367

625.329

666.037

410

Universiteiten

302.180 321.152 334.842 357.006 388.784 423.378 442.553 453.859 493.434 499.532 555.866

581.057

619.723

420

Zelfstandige universitaire onderzoekcentra

23.757

490

Hogescholen

510

Internationale instellingen in BelgiĂŤ

9.142

9.530

8.588

10.422

10.799

10.902

11.024

10.978

10.845

17.764

19.248

21.922

0

0

0

0

0

3.649

6.717

17.457

19.650

23.391

25.254

22.349

22.557

400 HERDgemeenschap

362.415 384.388 401.662 411.515 468.787 500.377 516.221 549.862 587.568 608.738 666.994

692.735

736.899

410

Universiteiten

353.232 374.816 393.030 401.048 457.941 483.692 496.219 519.146 554.474 562.511 617.197

640.463

681.287

420

Zelfstandige universitaire onderzoekcentra

490

Hogescholen Totaal non-profit met HERDgewest

9.183

9.572

8.632

10.467

10.846

10.950

11.073

10.978

10.845

17.764

19.248

21.922

23.757

0

0

0

0

0

5.735

8.930

19.738

22.249

28.463

30.549

30.349

31.855

436.096 467.185 483.680 545.212 591.288 662.421 713.072 748.175 806.725 857.837 897.413

997.540 1.083.875

Totaal non-profit met HERDgemeenschap 487.190 520.892 541.912 589.299 660.493 724.868 768.999 815.744 870.365 925.888 964.039 1.064.947 1.154.737 130 Collectieve onderzoeksentra*

22.380

23.454

23.598

31.172

31.283

43.125

43.151

60.330

59.367

47.233

63,7%

12,5%

38,1%

34,0%

44,9% 41,6%

46.812

36.685

44.490

-26,3%

105.037 111.959 115.975 154.309 166.527 196.788 223.880 231.979 243.556 271.041 247.504

48,6%

Constante prijzen op prijsniveau 2000 (x 1000 EUR) 200 GOVERD

311.147

344.650

34.375

34.221

34.604

2,1%

400 HERDgew

341.729 355.534 364.786 388.037 416.790 448.546 468.294 482.293 514.812 521.741 569.715

580.229

604.536

25,3%

400 HERDgem

397.813 413.277 426.640 434.596 488.975 512.506 525.194 549.862 577.344 587.407 632.939

642.774

668.855

21,6%

478.690 502.296 513.759 575.793 616.752 678.478 725.466 748.175 792.688 827.777 851.594

925.596

983.791

31,5%

34.040

40.382

-33,1%

300 PNP

31.924

Totaal non-profit met HERDgewest 130 Collectieve onderzoeksentra*

24.566

34.803

25.216

32.997

25.066

33.447

32.920

33.435

32.630

33.144

44.170

33.291

43.901

33.903

60.330

34.320

58.334

34.996

45.578

44.422

Bron: CFS/STAT - POD Wetenschapsbeleid, MSTI-deflator OECD November 2006 + eigen berekeningen * Als onderdeel van de bedrijven; HERD = Higher Education Expenditures on R&D, GOVERD = Government Expenditures on R&D, PNP = Non-Profit Expenditures on R&D

Tabel 4.8: O&O-bestedingen volgens kostensoort als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2005 Personeelskosten

Werking en uitrusting

Investeringen

HERDgew

65,42%

29,91%

4,67%

Universiteiten (gewest)

65,18%

30,23%

4,59%

Zelfstandige univ. Onderzoekscentra (gewest)

56,91%

38,18%

4,91%

Hogescholen (gewest)

80,93%

12,59%

6,48%

GOVERD

44,14%

31,50%

24,36%

PNP

61,80%

34,73%

3,47%

Vlaamse NPO's (gewest)

57,84%

30,64%

11,52%

Collectieve onderzoekscentra*

59,28%

23,48%

17,24%

* Als onderdeel van de BERD

Er zijn ook wel enkele verschillen in de kostenstructuur naar

Uit de vergelijking met de cijfers van 2003 blijkt dat het aandeel

subsector vast te stellen. Bij het hoger onderwijs bedraagt het

van de personeelkosten gedaald is van 66,2% naar 57,8%

aandeel personeelskosten 65,4% terwijl dit bij de publieke

binnen de non-profit. Uit de vergelijking van de gegevens voor

onderzoekscentra maar 44,1% is. Het aandeel van de investeringen

de subsectoren blijken toch ook enkele verschuivingen. Zowel in

ligt bij de publieke onderzoekscentra met 24,4% heel wat

het hoger onderwijs (-6,8%) als bij de publieke onderzoekscentra

hoger dan in bijvoorbeeld in het hoger onderwijs met 4,7%.

(-8,9%) is het aandeel van de personeelskosten sterk gedaald.


77

Tabel 4.9: O&O-bestedingen volgens financieringsbron- als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2005 Bedrijven

Overheden

PNP's

Hoger Onderwijs

Buitenland

HERDgew

14,76%

63,96%

0,11%

16,05%

5,12%

Universiteiten (gewest)

14,99%

64,60%

0,00%

15,98%

4,43%

Zelfstandige univ onderzoekscentra (gewest)

15,04%

44,26%

2,85%

14,47%

23,38%

7,98%

67,29%

0,11%

19,63%

4,99%

10,63%

51,81%

0,79%

0,00%

36,77%

2,57%

6,77%

1,97%

0,00%

88,69%

Non-profit sector in Vlaanderen (gewest)

12,88%

57,69%

0,42%

9,86%

19,15%

Collectieve onderzoekscentra*

55,05%

40,59%

0,17%

0,22%

3,97%

Hogescholen (gewest) GOVERD PNP

* Als onderdeel van de BERD

Tabel 4.10: O&O-bestedingen volgens wetenschapsdomein - als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2005 Natuur- en exacte wetenschappen

Toegepaste wetenschappen

Medische wetenschappen

Landbouwwetenschappen

Sociale wetenschappen

Humane wetenschappen

HERD (gewest)

19,77%

13,39%

30,18%

11,19%

17,14%

8,35%

GOVERD

15,51%

74,73%

0,09%

7,85%

0,11%

1,71%

Het investeringaandeel bij de publieke onderzoekscentra

O&O-activiteiten. Het hoge aandeel voor het buitenland als

daarentegen is gestegen van 13,7% in 2003 naar 24,4% in

financieringsbron binnen de PNP hangt samen met het feit dat

2005. Het is duidelijk dat werking / uitrusting en investeringen

het Centrum voor Gemeenschappelijk Onderzoek van de EU

alsmaar een grotere hap nemen uit het onderzoeksbudget.

als internationale instelling deel uitmaakt van deze subsector. Bij de collectieve centra zijn de bedrijven met 55% de grootste

Ondanks extra aandacht en onderzoek rondom de O&O-uitgaven

financieringsbron, maar dit hoeft niet echt te verbazen gezien hun

en de post investeringen blijft het vermoeden dat de bedragen,

economische finaliteit en de sterke link met de ondernemingen.

gerapporteerd door de universiteiten voor grote investeringen Tenslotte worden bovenstaande resultaten van de opdeling naar

uitgaven bij de universiteiten), nog steeds onderschat worden.

financieringsbron vergeleken met die van 2003. Het buitenland verhoogt zijn aandeel als financieringsbron voor de non-profit

Tabel 4.9 deelt de O&O-uitgaven uit 2005 op naar financierings-

met ongeveer 3% tot 19,2% in 2003, terwijl de overheid als

bron. Vijf grote bronnen kunnen hierbij onderscheiden worden:

financieringsbron de grootste daling optekent (-1,8%). Uit de

de bedrijven, de overheid (federale, Vlaamse en gedecentraliseerde

vergelijking naar subsector van dit cijfer valt op dat de grootste

overheid), de non-profit organisaties, het hoger onderwijs (het

wijzigingen vast te stellen zijn bij de publieke onderzoekscentra.

Bijzonder Onderzoeksfonds (BOF) en het Tetra-fonds) en het

Het aandeel van de overheid als financieringsbron daalt met

buitenland (buitenlandse bedrijven en Europese en internationale

ongeveer 5,3% tot 51,8% terwijl het aandeel van het buitenland

organisaties). De overheid is de grootste financieringsbron met

stijgt met ongeveer 4,9% tot 36,8%.

een aandeel van ongeveer 57,7%, gevolgd door het buitenland (aandeel 19,2%) en de bedrijven met 12,9%.

Tabel 4.10 bekijkt voor 2005 de O&O-uitgaven vanuit het standpunt van de wetenschapsdomeinen voor de GOVERD

Wanneer gekeken wordt naar de verdeling per subsector voor

(publieke onderzoekscentra) en de HERDgew (hoger onderwijs-

de non-profit vallen enkele verschillen op. Bij de publieke

gewestbenadering) voor 2005. Bij de GOVERD is de dominante

onderzoekscentra ligt het aandeel van het buitenland met

positie van het onderzoek binnen de toegepaste wetenschappen

36,8% hoger dan het cijfer voor alle sectoren samen. Bij het

overduidelijk met een aandeel van 74,7%. In het hoger

hoger onderwijs liggen de aandelen van de overheid (64%) en

onderwijs zijn de medische wetenschappen het belangrijkste

het hoger onderwijs (BOF & Tetra-fonds) met 16,1% aanzienlijk

onderzoeksdomein met 30,2%, gevolgd door de exacte en

hoger, maar dit laatste is niet echt verrassend gezien de

natuurwetenschappen met 19,8% en de sociale wetenschappen

financiĂŤle grondslag van de universiteiten en de hogescholen voor

met 17,1% als de O&O-uitgaven verder opgedeeld worden.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 4

(en bijgevolg ook het procentuele aandeel in de totale O&O-


78

Wanneer de link met tabel 4.5 (de opsplitsing van het

volgende cijfers voor de gemeenschap en het gewest (zie

O&O-personeel) bestudeerd wordt, valt op dat de medische

inleiding). Op basis van de gewestberekening wordt 0,39%

wetenschappen bij de HERD een groter aandeel (30,2%)

van het BBRP-Vlaanderen besteed aan O&O voor het hoger

hebben in de O&O-uitgaven dan bij het O&O-personeel

onderwijs. Volgens de gemeenschapsbenadering bedraagt

(22,2%). Bij de exacte- en natuurwetenschappen ligt het aandeel

het cijfer voor O&O, binnen het hoger onderwijs voor 2005,

in de O&O-uitgaven (19,8%) lager dan het aandeel in het

0,43% van het BBRP-Vlaanderen. Beide cijfers variëren minimaal

O&O-personeel (24,9%). Bij de GOVERD is het overwicht

(+0,01%) ten opzichte van het cijfer voor 2003. De publieke

van de toegepaste wetenschappen in de O&O-uitgaven nog

onderzoekscentra noteren voor 2005 een O&O-intensiteit van

opvallender ten opzichte van het aandeel in het O&O-personeel

0,22%, een groei ten opzichte van 2003 met 0,05%. Vooral de

met 74,7% versus 62,7%. Het personeelseffectief aan

stijging binnen de laatste subsector doet de O&O-intensiteit

O&O-personeel in de landbouwwetenschappen beloopt 14,5%

voor de totale non-profit sector stijgen naar 0,63% (gewest-

van het totaal maar neemt slechts 7,9% van de O&O-uitgaven

benadering) en 0,68% (gemeenschapsbenadering). De O&O-

voor haar rekening binnen deze sector.

intensiteit voor de collectieve centra, als onderdeel van het totaalcijfer voor de BERD, blijft ongeveer constant op 0,03%

Wanneer bovenstaande cijfers vergeleken worden met de

van het BBP. Kleine afwijkingen in de O&O-intensiteit voor de

resultaten uit 2003 springen toch enkele evoluties in het oog.

voorbije jaren ten opzichte van vroegere publicaties vallen

Binnen de HERD is het aandeel van de O&O-uitgaven binnen

vooral te verklaren door herwerkte cijfers van het Bruto

de medische wetenschappen met 4,8% gestegen tot 25,4%

Binnenlands Product voor het Vlaams Gewest.

vooral ten koste van de O&O-uitgaven binnen de toegepaste wetenschappen (-3,3% tot 13,4%). Bij de GOVERD is het

Tabel 4.12 gaat dieper in op de herkomst van de O&O-

aandeel van de toegepaste wetenschappen in de totale

uitgaven. De financiële middelen zijn niet enkel afkomstig van

O&O-uitgaven verder toegenomen met 3,2% tot 74,7%,

binnen- of buitenlandse bronnen, maar binnen elke categorie

vooral ten koste van de landbouwwetenschappen (-1,2%) en

kunnen die nog verder opgesplitst worden. Met binnenlandse

de humane wetenschappen (-1,3%).

private financiering worden de binnenlandse bedrijven aangeduid terwijl met de publieke binnenlandse financiering alle overheden,

Tabel 4.11 toont naast de O&O-intensiteit (O&O-uitgaven als %

de non-profit organisaties en het hoger onderwijs binnen

van het BBP) voor de totale non-profit sector, ook die van alle

Vlaanderen en België gedefinieerd worden. Met buitenlandse

subsectoren en de cijfers voor de collectieve centra (als onderdeel

private financiering worden de buitenlandse bedrijven bedoeld

van de bedrijven) tussen 1993 en 2005. Afhankelijk van de

en met buitenlandse publieke financiering de Europese en

berekeningswijze voor de O&O-intensiteit, resulteert dit in de

internationale organisaties.

Tabel 4.11: Evolutie van de O&O intensinteit van de non-proft sector en de collectieve onderzoekscentra tussen 1993-2005 en de opsplitsing voor de HERD voor 2005

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

HERDgew

0,29%

0,29%

0,29%

0,31%

0,32%

0,33%

0,34%

0,33%

0,35%

0,35%

0,38%

0,38%

0,39%

HERDgem GOVERD PNP non-profit Vlaams gewest non-profit Vlaamse gemeenschap

0,34%

0,34%

0,34%

0,34%

0,37%

0,38%

0,38%

0,38%

0,40%

0,40%

0,42%

0,42%

0,43%

0,09%

0,09%

0,09%

0,12%

0,13%

0,15%

0,16%

0,16%

0,17%

0,18%

0,17%

0,20%

0,22%

0,03%

0,03%

0,03%

0,03%

0,03%

0,02%

0,02%

0,02%

0,02%

0,02%

0,02%

0,02%

0,02%

0,41%

0,42%

0,41%

0,45%

0,47%

0,51%

0,52%

0,52%

0,55%

0,56%

0,57%

0,60%

0,63%

0,46%

0,46%

0,46%

0,49%

0,52%

0,55%

0,56%

0,57%

0,59%

0,61%

0,61%

0,65%

0,68%

0,02%

0,02%

0,02%

0,03%

0,02%

0,03%

0,03%

0,04%

0,04%

0,03%

0,03%

0,02%

0,03%

Collectieve onderzoekscentra*

Bron: CFS/STAT, POD Wetenschapsbeleid, Studiedienst van de Vlaamse Regering (BBP-Vlaanderen, cijfers 25 januari 2007) + eigen berekeningen * Als onderdeel van de bedrijven

O&O-intensiteit voor 2005 opgesplitst voor HERDgew en HERDgem Universiteiten (gewest) 0,36% Zelfstandige univ. Onderzoekscentra (gewest) 0,01% Hogescholen (gewest) 0,01%

Universiteiten (gemeenschap) 0,40% Zelfstandige univ. Onderzoekscentra (gemeenschap) 0,01% Hogescholen (gemeenschap) 0,02%


79

Tabel 4.12: Private versus publieke financiering in de non-profit sector voor 2005

Totale O&O-uitgaven

Binnenlandse herkomst (belgische bedrijven + overheid + pnp + hoger onderwijs)

Buitenlandse herkomst

Privaat

Publiek

Privaat

Publiek

Privaat

Publiek

40,13%

59,87%

16,81%

83,19%

80,23%

19,77%

5,67%

94,33%

22,68%

77,32%

3,50%

96,50%

HERDgew

14,93%

85,07%

15,56%

84,44%

3,34%

96,66%

HERDgem

14,16%

85,84%

14,74%

85,26%

3,10%

96,90%

Vlaamse NPO's (gewest)

23,43%

76,57%

15,93%

84,07%

55,09%

44,91%

Collectieve onderzoekscentra *

55,08%

44,92%

57,32%

42,68%

0,86%

99,14%

GOVERD PNP

* Als onderdeel van de bedrijven

Tabel 4.13: Private versus publieke financiering & O&O-uitgaven (non-profit) voor 2005

O&O-uitgaven non-profit (gewest) O&O-uitgaven non-profit (gemeenschap)

Publiek gefinancierd 0,49% 0,52%

Privaat gefinancierd 0,15% 0,15%

Totale O&O-intensiteit 0,63% 0,68%

Ruim 76% van alle O&O middelen uit de non-profit zijn

wordt de opsplitsing gemaakt in tabel 4.13. De totale O&O-

publieke middelen, de overige zijn van private oorsprong.

intensiteit bedraagt 0,63% van het BBRP of 0,68% naargelang

De binnenlandse O&O middelen zijn hoofdzakelijk afkomstig

de berekeningswijze gewest of gemeenschap is. Wanneer die

van publieke instanties (84%), terwijl de buitenlandse O&O

dan verder opgesplitst worden naar de herkomst, geeft dit

middelen voor meer dan de helft (55,1%) afkomstig zijn van

het volgende resultaat. De publieke inspanningen binnen de

de ondernemingen. Het private aandeel (40,1%) binnen de

non-profit sector bedragen 0,49% van het BBRP (volgens

publieke onderzoekscentra is veel hoger dan dit binnen

de gewestbenadering) en 0,52% (volgens de gemeenschaps-

het hoger onderwijs (14,9%). Ruim 80% van de buitenlandse

benadering). De private inspanningen voor O&O binnen de

onderzoeksmiddelen bij de publieke onderzoekscentra zijn

non-profit belopen 0,15% van het BBP. Het spreekt voor zich dat dit slechts voor een deel toelaat

absolute en relatieve cijfers vrij hoog is.

om de private en publieke inspanningen te evalueren omdat Uit de vergelijking met de cijfers van 2003 valt op dat de

dezelfde oefening moet gebeuren voor de profit sector.

ondernemingen een belangrijkere financieringsbron worden

Daarom wordt verwezen naar hoofdstuk 5 waarin de resultaten

met een stijging van ongeveer 4% (nu 23,4%). Uit tabel

van de profit enquête (bedrijven) verder geanalyseerd worden

4.12 blijkt ook dat dit vooral voor rekening is van de

naar herkomst. Voor een totaalbeeld kan verwezen worden

buitenlandse ondernemingen, die hun aandeel zien verhogen

naar de 3% nota van het Steunpunt O&O-Indicatoren, die

in de buitenlandse financiering van 38,7% tot 55,1%. Uit de

de totale O&O-intensiteit opdeelt naar private en publieke

detailcijfers per sector, blijkt duidelijk dat de stijging bijna

financiering en het beleid kan evalueren.

exclusief bij de GOVERD op te tekenen valt (van 65% naar 80,2%). De buitenlandse ondernemingen worden stilaan dé

buitenlandse

financieringsbron

voor

de

publieke

4.4 INTERNATIONALE VERGELIJKING

onderzoekscentra. In dit derde deel worden enkele Vlaamse kengetallen Het cijfer voor de O&O-intensiteit uit tabel 4.11 is een belangrijke

vergeleken met de buitenlandse cijfers. Het gaat hier om

bron om na te gaan hoe het staat met de afspraken dat de

een vergelijking met de ‘klassieke landen’ waarmee Vlaanderen

publieke sector 1% van het BBRP zal financieren voor O&O en

vergeleken wordt en om de volgende variabelen: het aantal

de privé sector 2%. Vervolgens is ook een opdeling van de O&O-

onderzoekers, het totale O&O-personeel, de O&O-uitgaven,

uitgaven naar publieke / private financiering nodig (tabel 4.12)

de O&O-intensiteit en vrouwen en O&O.

zowel van de profit als van de non-profit. Voor de non-profit

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 4

afkomstig van buitenlandse ondernemingen wat zowel in


80

Tabel 4.14: Internationale vergelijking van het O&O-personeel (VTE) voor het hoger onderwijs Hoger onderwijs Onderzoekers (VTE)

Totaal O&O-personeel (VTE)

% aandeel onderzoekers

Vlaanderen (2005) (gewest)

7.728

9.987

77,4%

Vlaanderen (2005) (gemeenschap)

8.775

11.338

77,4%

België* (2005)

13.168

17.689

74,4%

Nederland (2003)

10.211

27.209

37,5%

Frankrijk (2004)

65.498

97.036

67,5%

Duitsland (2004)

65.764

96.092

68,4%

-

-

-

Japan (2005)

180.494

234.052

77,1%

EU-27*** (2003)

437.754

673.091

65,0%

7.846

11.139

70,4%

Finland (2005)

12.879

17.453

73,8%

Zweden (2004)

17.794

21.910

81,2%

7.512

9.420

79,7%

VS**

Denemarken (2004)

Noorwegen (2005)

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, Volume 2007/1 * Voorlopige cijfers ** Geen cijfers sinds 1999 beschikbaar *** Schatting door secretariaat op basis van nationale bronnen

Tabel 4.15: Internationale vergelijking van het O&O-personeel (VTE) voor de overheidssector (publieke onderzoekscentra)

Vlaanderen (2005) (gewest) België* (2005) Nederland** (2005) Frankrijk*** (2004) Duitsland (2004) VS*** (2002) Japan (2005) EU-27* (2004) Denemarken (2004) Finland (2005) Zweden**** (2004) Noorwegen**** (2005)

Onderzoekers (VTE) 1.485 2.238 7.034 24.779 42.646 47.822 34.035 172.446 2.287 4.374 2.345 3.449

Publieke onderzoekscentra Totaal O&O-personeel (VTE) 2.721 3.967 12.712 51.931 76.862 62.975 314.727 3.250 7.422 3.056 5.147

% aandeel onderzoekers 54,6% 56,4% 55,3% 47,7% 55,5% 54,0% 54,8% 70,4% 58,9% 76,7% 67,0%

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, Volume 2007/1 * Voorlopige cijfers voor België en EU, voor EU schatting door secretariaat ** Omvat andere dan de publieke onderzoekscentra *** Defensieonderzoek uitgesloten voor Frankrijk en VS, enkel centrale of federale overheid voor VS **** Universitaire diploma's in plaats van onderzoekers

Tabel 4.14 toont de internationale vergelijking voor het hoger

voor een internationale vergelijking, terwijl dit relatief gezien

onderwijs (onderzoekers en O&O-personeel). Het percentage

geen verschil uitmaakt.

onderzoekers voor Vlaanderen (77,4%) is hoger dan de grote buurlanden Frankrijk, Duitsland en het EU-27 gemiddelde,

Tabel 4.15 vergelijkt Vlaanderen op internationaal vlak voor

maar verhoudt zich wisselend ten opzichte van de cijfers voor

O&O-personeel en onderzoekers binnen de publieke onderzoeks-

de Scandinavische landen. Globaal genomen ligt (op uitzondering

centra. Vlaanderen scoort lager dan de Scandinavische landen

van Noorwegen) het cijfer voor het O&O-personeel hoger

bij de vergelijking van het totale O&O-personeel. Het aandeel

in de Scandinavische landen. Voor Vlaanderen werden

onderzoekers voor Vlaanderen is min of meer gelijklopend

zowel de gewest- als gemeenschapscijfers weergegeven bij

met de buurlanden (wel hoger dan Frankrijk) en op het niveau

de vergelijking, omdat dit ook aantoont dat dit in absolute

van het EU-27 gemiddelde. Het feit dat de cijfers voor enkele

cijfers wel een verschil uitmaakt welke basis gebruikt wordt

Scandinavische landen nu effectief gebaseerd zijn op de


81

Tabel 4.16: Internationale vergelijking van de HERD

Tabel 4.17: Internationale vergelijking van de O&O-

en GOVERD (in lopende prijzen)

intensiteit voor de GOVERD en HERD

(uitgaven in miljoen PPP $)

HERD

GOVERD

Vlaanderen (2005) (gewest)

765,5

436,4

Vlaanderen (2005) (gemeenschap)

847,0

O&O-intensiteit

GOVERD

HERD

0,22%

0,39%

Vlaanderen (2005) (gewest)

0,43%

Vlaanderen (2005) (gemeenschap)

België* (2005)

1.433,3

481,9

België* (2005)

0,14%

Nederland* (2004)

2.710,5

0,41%

1.396,5

Nederland* (2004)

0,26%

Frankrijk (2004)

0,50%

7.416,8

6.602,5

Frankrijk (2004)

0,37%

0,41%

Duitsland** (2004)

10.163,9

8.402,6

Duitsland** (2004)

0,34%

0,41%

VS*,**** (2004)

43.090,0

36.786,5

VS*** (2004)

0,32%

0,37%

Japan (2005)

17.525,3

10.839,1

Japan (2005)

0,28%

0,45%

EU-27*** (2004)

49.230,0

30.294,6

EU-27**** (2004)

0,24%

0,39%

Denemarken (2004)

1.061,1

297,7

Denemarken** (2004)

0,17%

0,61%

Finland (2005)

1.075,2

539,6

Finland (2005)

0,33%

0,66%

Zweden**** (2004)

2.378,5

322,7

Zweden*** (2004)

0,12%

0,85%

Noorwegen** (2005)

1.042,5

529,5

Noorwegen (2005)

0,24%

0,47%

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, Volume 2007/1 * Schattingen voor VS, België en Nederland (HERD), voor VS geen 'grote investeringen' bij HERD ** Bevat ook ander instellingen dan publieke onderzoekscentra *** Schatting door secretariaat op basis van nationale bronnen **** Enkel federale overheid, geen lokale overheden

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, Volume 2007/1 * Voorlopige cijfers voor België, Nederland (HERD) en VS ** Omvat andere dan de publieke onderzoekscentra *** Enkel federale overheid voor Zweden en VS, voor de VS geen 'grote investeringen' bij de HERD **** Schatting door secretariaat op basis van nationale bronnen

Tabel 4.18: Internationale vergelijking van de financiering

Tabel 4.19: Internationale vergelijking voor het % aandeel

van de HERD en GOVERD door de bedrijven % door de bedrijven gefinancieerd

HERD

GOVERD

Vlaanderen (2005) (gewest)

14,80%

10,60%

België (2003)

vrouwelijke onderzoekers (headcount) % aandeel vrouwelijke onderzoekers

HERD

GOVERD

Vlaanderen (2005) (gewest)

36,50%

31,10%

België (2003)

35,30%

30,10%

Nederland* (2003 en 2005)

29,00%

29,00%

8,90%

6,80%

16,20%

Frankrijk (2004)

2,70%

6,40%

Frankrijk** (2004)

33,90%

32,70%

Duitsland** (2004)

13,20%

2,50%

Duitsland (2004)

26,10%

28,50%

VS***,***** (2004)

5,00%

0,00%

VS***

Japan (2005)

2,80%

0,70%

Japan (2005)

EU-27**** (2004)

6,70%

6,10%

EU-27*** (2004)

-

-

Denemarken (2004)

3,00%

1,80%

Denemarken (2004)

33,60%

35,50%

Finland (2005)

6,50%

12,40%

Finland (2005)

44,00%

42,00%

Zweden*** (2003)

5,50%

1,70%

Zweden**** (2003)

43,70%

36,40%

Noorwegen (2005)

4,70%

10,60%

Noorwegen**** (2005)

39,00%

37,00%

-

-

21,00%

13,00%

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, Volume 2007/1 * Knik in gegevensreeks ten opzichte van vorige jaar voor de GOVERD ** Omvat andere dan de publieke onderzoekscentra *** Enkel federale overheid, geen lokale overheden **** Schatting door secretariaat op basis van nationale bronnen ***** VS: geen 'grote investeringen' bij de HERD, voorlopige cijfers

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, Volume 2007/1 * Omvat andere dan de publieke onderzoekscentra, GOVERD (2004), HERD (2003),nationale schatting voor de HERD ** Defensieonderzoek uitgesloten *** Geen recente gegevens voor VS en EU-25 **** Universitaire diploma's ipv onderzoekers voor Noorwegen (HERD en GOVERD) en Zweden (GOVERD)

functiegegevens en niet meer op opleidingsgegevens zoals dit

Tabel 4.16 vergelijkt de O&O-uitgaven binnen de publieke

voor 2003 wél het geval was, wijzigt de vergelijkingsbasis

onderzoekscentra (GOVERD) en binnen het hoger onderwijs

enigszins, maar veroorzaakt geen grote wijzigingen in de

(HERD) op internationaal vlak in miljoen (PPP $). Dit laat een

verhouding onderzoekers / O&O-personeel voor Scandinavië.

objectievere cijfervergelijking toe. Wat de GOVERD betreft valt

Het percentage onderzoekers voor de publieke onderzoekscentra

op dat de uitgaven voor O&O ten opzichte van 2003 voor

blijft voor de Scandinavische landen heel wat hoger liggen.

Vlaanderen behoorlijk gestegen zijn.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 4

11,60%

Nederland* (2003)


82

Deze werkelijke cijfers voor Vlaanderen zullen zeker hun effect

Tabel 4.18 vergelijkt de financiering van de GOVERD en HERD

hebben op alle ramingen voor België in de ‘MSTI-cijfers’ voor

op internationaal vlak. Vlaanderen kent het hoogste percentage

2005. De uitgaven voor de GOVERD liggen hoger voor

voor de HERD qua financiering door de bedrijven (14,8%).

Vlaanderen dan voor Zweden en voor Denemarken maar de

Enkel Duitsland kent een vergelijkbaar cijfer. Het Europese

kloof met de andere Scandinavische landen wordt kleiner in

gemiddelde bedraagt ongeveer 6%, wat een heel stuk lager is

absolute cijfers. Het effect op de O&O-intensiteit (zie tabel 4.17)

dan het Vlaamse cijfer.

is merkbaar maar toch blijft er nog een kloof met de Scandinavische landen. Wat de HERD betreft valt op dat

Ook binnen de GOVERD vormen de bedrijven voor Vlaanderen

het cijfer voor Vlaanderen (zowel gewest- als gemeenschaps-

internationaal gezien een belangrijke financieringsbron met

benadering) lager ligt dan bijvoorbeeld Nederland, maar ook

10,6%. Het EU-27 gemiddelde bedraagt 5,9%, een stuk lager.

lager dan de Scandinavische landen. Ook hier stijgen de

Enkel Nederland en Finland scoren nog hoger wat het aandeel

uitgaven voor O&O ten opzichte van 2003, maar het effect op

van de bedrijven betreft in de GOVERD. Voor Zweden,

de O&O-intensiteit is minder groot bij de HERD.

Denemarken, Japan en Duitsland ligt het percentage van de GOVERD dat door de bedrijven gefinancierd is lager dan 3%.

Tabel 4.17 vergelijkt de O&O-intensiteit (O&O-uitgaven als % van het BBP) voor de HERD en de GOVERD internationaal.

Tabel 4.19 vergelijkt het percentage vrouwelijke onderzoekers

Tabel 4.17 toont aan dat het gebruik van de gemeenschaps- of

binnen de publieke onderzoekscentra en het hoger onderwijs

gewestbenadering toch wel van belang is bij een internationale

op internationaal vlak. Vlaanderen scoort met 36,5% voor het

vergelijking. Op basis van de gemeenschapsbenadering ligt

hoger onderwijs niet zo slecht in vergelijking met Duitsland,

de O&O-intensiteit van het hoger onderwijs hoger dan bij de

Nederland en Frankrijk. Ook in vergelijking met de

buurlanden (Frankrijk en Duitsland) en hoger dan het EU-27

Scandinavische landen, kan Vlaanderen behoorlijke cijfers

gemiddelde. Wanneer men de gewestbenadering gebruikt

voorleggen. In Zweden, Finland en Noorwegen ligt het

voor Vlaanderen, scoort Vlaanderen zoals het EU-27

percentage vrouwelijke onderzoekers bij het hoger onderwijs

gemiddelde maar alle andere referentielanden scoren wel heel

wel nog lichtjes hoger. Ook bij de publieke onderzoekscentra

wat beter. De Scandinavische landen kennen een veel hogere

scoort Vlaanderen behoorlijk (beter dan Duitsland en Nederland

O&O-intensiteit voor het hoger onderwijs, namelijk 0,47% voor

maar iets lager dan Frankrijk), maar liggen de Vlaamse cijfers

Noorwegen en 0,85% zelfs voor Zweden. Internationaal gezien

wel nog onder die voor de Scandinavische landen.

is het beeld rondom de O&O-intensiteit van de HERD ten opzichte van 2003 wisselend. De meeste landen kennen een stagnatie. Vlaanderen blijft ook ongeveer op het zelfde niveau ten opzichte van 2003. De O&O-intensiteit van de publieke onderzoekcentra (GOVERD) ligt hoger dan die van Zweden en Denemarken, maar ligt toch heel wat lager dan de buurlanden (zoals Nederland, Frankrijk en Duitsland) en het EU-27 gemiddelde niettegenstaande de behoorlijke groei van de O&O-intensiteit van de GOVERD ten opzichte van 2003. Opvallend is dat de O&O-intensiteit voor de GERD voor Vlaanderen sinds 2003 gestegen terwijl die voor de meeste andere landen gedaald is ten opzichte van 2003.


83

4.5 BESLUIT

Het buitenland als financieringsbron wint aan belang in het onderzoeksgebeuren ten koste van de overheid (binnenland).

Zowel het opleidingsniveau van het O&O-personeel als het

Het buitenland (omvat middelen van buitenlandse bedrijven

percentage onderzoekers binnen de non-profit nemen toe in

ĂŠn Europese en internationale organisaties) bedraagt voor

vergelijking met 2003. Uit de opsplitsing naar geslacht blijkt

de publieke onderzoekscentra zelfs 36% van de beschikbare

dezelfde stijgende tendens, ook al blijken vrouwen minder

onderzoeksmiddelen. De private financiering binnen de non-

vaak universitair geschoold en / of onderzoeker te zijn. Er zijn

profit sector ten opzichte van 2003 is toegenomen. Deze stijging

ook verschillen per sector. In de publieke onderzoekscentra

is hoofdzakelijk toe te schrijven aan de publieke onderzoeks-

hebben minder mensen een universitair diploma en ligt het

centra, waar de onderzoeksmiddelen uit het buitenland en

percentage onderzoekers ook lager dan bij het hoger onderwijs.

meerbepaald die afkomstig van de buitenlandse bedrijven,

Het percentage vrouwen binnen het O&O-personeel ligt er ook

sterk gestegen zijn.

lager. Vrouwen hebben wel vaker een diploma hoger onderwijs 1 cyclus binnen de publieke onderzoekscentra. Het aandeel

Binnen de publieke onderzoekscentra situeren de O&O-uitgaven

van de vrouwen in het totale O&O-personeel is wel lichtjes

zich vooral binnen de toegepaste wetenschappen en neemt

toegenomen van ongeveer 42% naar 44% sinds 2003, maar

de dominante positie verder toe (ten kosten van humane en

de mannen blijven zowel bij het O&O-personeel als bij de

landbouwwetenschappen) in vergelijking met 2003. Voor het

onderzoekers sterker vertegenwoordigd.

hoger onderwijs versterken de medische wetenschappen hun positie als belangrijkste onderzoeksdomein op basis van de

Wat de verdeling van het O&O-personeel naar wetenschaps-

O&O-uitgaven.

gebied betreft, valt vooral de daling op voor de landbouwwetenschappen en de stijging op bij de toegepaste en

De O&O-intensiteit binnen de non-profit is gestegen van

natuurwetenschappen bij de publieke onderzoekscentra

0,57% naar 0,63% (gewestbenadering). De stijging ten

ten opzichte van 2003. De toegepaste wetenschappen is

opzichte van 2003 komt vooral voor rekening van de publieke

hĂŠt onderzoeksdomein (voor het O&O-personeel) binnen de

onderzoekscentra die de grootste stijging optekenen voor

non-profit sector. Binnen het hoger onderwijs zijn de

de O&O-intensiteit. Wanneer de O&O-intensiteit opgedeeld

verschuivingen eerder beperkt en blijven de medische en

wordt naar publieke en private financiering is 0,49% afkomstig

natuurwetenschappen de belangrijke onderzoeksdomeinen.

van publieke financiering en 0,15% afkomstig van private

Het totale O&O-personeel binnen het hoger onderwijs is

er de voorbije jaren heel wat inspanningen geleverd zijn binnen

tussen 2000 en 2005 met ongeveer een kwart toegenomen,

de publieke sector om de O&O-intensiteit te verhogen.

terwijl de stijging binnen de publieke onderzoekscentra slechts 12% bedraagt. Daarentegen stegen de O&O-uitgaven

De internationale vergelijking toont aan dat Vlaanderen, wat

de afgelopen vijf jaar het sterkst bij de publieke onderzoekscentra

de HERD en GOVERD betreft, in meerdere opzichten niet

(+63,7%), terwijl de stijging voor het hoger onderwijs met

zo slecht presteert op Europees vlak maar dat de geleverde

38% lager ligt.

inspanningen zeker en vast gehandhaafd moeten worden wil de O&O-intensiteit verder verhoogd worden en Vlaanderen

Een ander opvallend gegeven, hieraan gerelateerd, is dat het aandeel van de personeelsuitgaven in de totale O&O-uitgaven daalt. De O&O-uitgaven voor investeringen stijgen binnen de non-profit. Bij de publieke onderzoekscentra, verantwoordelijk voor deze beweging, belopen de investeringsuitgaven voor onderzoek al een kwart van de onderzoeksmiddelen en maken de personeelskosten nog minder dan de helft van het totaal uit.

zijn positie als sterke regio handhaven of versterken.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 4

financiering. Met andere woorden, uit de cijfers blijkt zeker dat


84


85

DEEL 1 D E TOTA L E O & O - U I TG AV E N IN VLAANDEREN: GERD

Door Petra Andries (K.U.Leuven), Hanna Binz (K.U.Leuven), Dirk Czarnitzki (K.U.Leuven), Koenraad Debackere (K.U.Leuven) en Machteld Hoskens (K.U.Leuven)

05


86

5.1 DE GEBRUIKTE INDICATOREN

De gezamenlijke inspanningen van alle sectoren leveren de totale bruto uitgaven voor O&O in een beschouwd geografisch

Vlaanderen heeft zich ten volle geëngageerd in de Europese

gebied. Dit zijn de Bruto Binnenlandse Uitgaven voor O&O

Lissabon-ambitie en vertaalde die in de Vlaamse context via het

(BUOO) of GERD (Gross Expenditure on R&D). Deze staat

Innovatiepact. Dit pact werd ondertekend in maart 2003 en

voor de som van de BERD, GOVERD, HERD en PNP:

houdt een formeel engagement in van alle betrokken actoren in het Vlaamse innovatielandschap (overheid, bedrijfsleven,

GERD=BERD+GOVERD+HERD+PNP

universiteiten en onderzoeksinstellingen) om door gezamenlijke en complementaire inspanningen de 3%-O&O-norm te

Het gaat hier om de O&O-activiteiten die worden uitgevoerd

realiseren. Deze 3%-norm specificeert dat de uitgaven voor

binnen de statistische eenheid. Naar bestemming worden enkel

O&O-activiteiten in Vlaanderen over alle actoren heen, ten

de intramurale uitgaven in rekening genomen, ongeacht de

minste 3% van het Bruto Binnenlands Regionaal Product (BBRP)

herkomst van de middelen.

moet bedragen tegen 2010, verdeeld over zowel publieke als private actoren. In het kader van deze 3%-O&O-norm wordt

De O&O-intensiteit drukt de GERD uit relatief ten opzichte van

vandaag algemeen aanvaard dat de diverse Europese

het Bruto Binnenlands Regionaal Product (BBRP). Deze indicator

overheden ernaar streven om 1% voor hun rekening te nemen,

schakelt de invloed van de grootte van een gebied uit en is dus

terwijl het bedrijfsleven ernaar streeft 2% voor zijn rekening te

geschikt voor internationale vergelijkingen.

nemen. Dit streven heeft ondertussen in verschillende Europese landen en regio’s geleid tot het afsluiten van zogenaamde

De internationale afspraken specificeren dat de allocatie naar

innovatiepacten of de oprichting van innovatieplatformen tussen

regio’s gebeurt via de geografische locatie van de responderende

publieke en private O&O-actoren.

entiteit. In de eigen Belgische context dient men evenwel rekening te houden met de specifieke federale staatsstructuur,

Ter ondersteuning van deze beleidsoptie, is een continue

die gewest- en gemeenschapsmateries onderscheidt. Bij het

opvolging van de toestand aan de hand van recent en

toepassen van de internationale definities voor de verschillende

internationaal vergelijkbaar cijfermateriaal nodig. Dit hoofdstuk

regio’s in België werd de volgende procedure afgesproken,

levert de meest recent beschikbare cijfers over de totale O&O-

binnen CFS-STAT. Voor de BERD, de GOVERD, de PNP en

uitgaven in Vlaanderen.

het BBP wordt het Gewest als territoriale entiteit gehanteerd. De HERD, de uitgaven in het hoger onderwijs, zijn echter een

De bruto binnenlandse uitgaven voor O&O of GERD (Gross

gemeenschapsmaterie. De O&O-activiteiten van de Vlaamse

Expenditures on Research and Development) worden in

gemeenschapsinstellingen die in het Brussels Hoofdstedelijk

hoofdzaak geanalyseerd per uitvoeringssector, waar de

Gewest zijn gevestigd horen bijgevolg bij de Vlaamse

uitgaven geïdentificeerd worden volgens locatie van activiteit:

Gemeenschap.

●

Bedrijven: BERD: Business Expenditures on R&D: de

De Gewestbenadering is de internationaal gehanteerde

bedrijvencomponent en de Collectieve Onderzoekscentra

procedure om alle componenten van GERD en BBPR op

(COC)*

éénzelfde eenheid, in casu het gewest, toe te passen. In dit

●

Overheden: GOVERD: Government Expenditures on R&D

hoofdstuk

●

Hoger Onderwijs: HERD: Higher Education Expenditures

Desondanks rapporteren we ook ter vergelijking de

on R&D (zowel universiteiten, als onderzoeksinstellingen

Gemeenschapsbenadering.

verbonden aan universiteiten, als hogescholen)

benaderingen, zijnde de uitgaven in Vlaamse instellingen uit

Instellingen zonder winstoogmerk: PNP: Not for Profit

het hoger onderwijs gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk

Organisations Expenditures on R&D (zowel semi-publieke

Gewest, geeft een licht verschil voor de totale GERD cijfers.

●

volgen

we

deze Het

als private organisaties en internationale organisaties)*

* Zie bijlage voor een overzicht van de Collectieve Onderzoekscentra (COC) en van de Not-for-Profit-organisaties (PNP).

internationale verschil

procedure.

tussen

beide


87

5.2 GERD PER UITVOERINGSSECTOR

Waar historisch de GERD een opwaartse trend vertoonde en 2000 een piekjaar vormde, constateerden we een dalende

In een eerste onderdeel wordt een overzicht gegeven van alle

trend in de GERD voor de periode 2001-2003. Deze stabiliseert

componenten van de GERD voor Vlaanderen. Het betreft hier de

in 2004 en voor 2005 merken we dat de GERD duidelijk

BERD (met enerzijds de bedrijvencomponent (BERD-bedrijven)

stijgt en opnieuw het recordniveau van het jaar 2000 bereikt.

en anderzijds de component van de collectieve onderzoeks-

Zowel de BERD-bedrijven, de Collectieve Onderzoekscentra van

1

centra (COC), de GOVERD (de O&O-uitgaven van de overheid)

de BERD, de GOVERD, en de HERD vertonen in 2005 een

de HERD (de O&O-uitgaven in het Hoger Onderwijs) en de

stijging ten opzichte van 2004. De PNP-uitgaven voor onderzoek

PNP (Instellingen zonder winstoogmerk). De berekening van

en ontwikkeling bleven in deze periode constant.

de HERD kan, zoals eerder aangegeven, op twee manieren gebeuren: volgens gewest en volgens gemeenschap. Tabel 5.1.

Ter vergelijking, wordt in tabel 5.3. de gemeenschaps-

geeft de internationaal vergelijkbare gewestbenadering in

benadering4 weergegeven in lopende prijzen, in tabel 5.4 volgt

lopende prijzen.

dezelfde benadering in constante prijzen (basisjaar 2000).

Om een correcte vergelijking over de tijd mogelijk te maken en

Uit deze resultaten blijkt dat de bedrijven het overgrote deel van de

reële trends te identificeren, drukken we de GERD-cijfers uit in

totale O&O-uitgaven voor hun rekening nemen: in 2005 werden

constante prijzen (met basis 2000). De deflator die binnen de

volgens de gewestbenadering 68% van de totale O&O-bestedingen

overleggroep CFS-STAT gebruikt wordt om de O&O-uitgaven

uitgevoerd door de bedrijven. Dit is iets lager dan in 2003, toen

te herrekenen naar constante prijzen is de OESO MSTI-deflator,

het aandeel van de bedrijven nog 71% bedroeg. De universiteiten

3

specifiek voor O&O-uitgaven (Bron: POD WB, januari 2007) .

en hogescholen (HERD) zijn de tweede grootste uitvoerder met (voor 2005) 19% van de totale GERD op gewestniveau.

Tabel 5.1:

GERD voor het Vlaams Gewest in miljoen euro (lopende prijzen)* 1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005 2.441

1.421

1.472

1.614

1.804

1.897

2.119

2.426

2.659

2.412

2.332

2.313

22

23

24

31

31

43

43

60

59

47

47

37

44

GOVERD

96

104

109

146

160

192

220

232

248

281

261

335

380

311

331

343

367

400

438

460

482

524

541

600

625

666

29

32

31

32

32

32

33

34

35

36

36

37

38

1.815

1.911

1.979

2.190

2.427

2.602

2.875

3.234

3.525

3.317

3.276

3.347

3.569

BERD-bedrijven

HERD PNP GERD

Tabel 5.2: GERD voor het Vlaams Gewest in miljoen euro (constante prijzen, op basis van 2000: MSTI-deflator)*

BERD-bedrijven

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

1.490

1.528

1.564

1.704

1.881

1.944

2.156

2.426

2.413

2.328

2.213

2.145

2.215

24

25

25

33

32

44

44

60

54

45

45

34

40

GOVERD

105

112

116

154

167

197

224

232

225

271

248

311

345

HERDgew

341

356

365

388

417

449

468

482

476

522

569

580

604

32

34

33

34

33

33

34

34

32

35

34

34

34

1.992

2.056

2.103

2.313

2.531

2.667

2.925

3.235

3.199

3.202

3.108

3.104

3.239

Collectieve centra

PNP GERD

* Bron: Eigen berekeningen in coördinatie met Commissie Federale Samenwerking, CFS/STAT

2

1 De instellingen IMEC en VIB worden voor de gehele periode 1993-2005 ingedeeld bij GOVERD en niet bij HERD, zoals in het verleden het geval was. 2 Zoals aangegeven in vorig hoofdstuk, bevatten de BERD-bedrijven-cijfers voor 2004 en 2005 voor Vlaanderen extrapolaties bij ontbrekende cijfers die enkel gebaseerd zijn op Vlaamse gegevens. Wanneer de cijfers voor België beschikbaar zullen zijn, kunnen de extrapolaties verder verfijnd worden, wat nog een lichte verandering in de BERD-bedrijven tijdsreeks kan geven, conform met de Belgisch BERD-bedrijven-tijdsreeks. Deze laatste aanpassing is de zogenaamde top-down aanpassing van de tijdsreeks, in aanvulling op de bottom-up extrapolaties die nu gebeurd zijn. 3 Deze MSTI deflator is evenwel niet specifiek voor Vlaanderen. De door de VRWB ontwikkelde specifieke O&O-deflator voor Vlaanderen is niet beschikbaar voor de meeste recente jaren. Specifiek voor Vlaanderen en beschikbaar voor de gehele tijdsperiode is de BBRP deflator, maar deze is niet specifiek voor O&O. 4 Het verschil tussen de gewest- en de gemeenschapscijfers voor de HERD zijn de instellingen gelokaliseerd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: VUB, KUB, Erasmus, EHSAL en Hogeschool voor Wetenschap en Kunst; en Universitair Instituut voor het Jodendom. Deze instellingen zijn niet opgenomen in de HERDgewest, maar wel in de HERDgemeenschap.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 5

1.357

Collectieve centra


88

Tabel 5.3: GERD voor de Vlaamse Gemeenschap in miljoen euro (lopende prijzen)*

BERD-bedrijven

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

1.357

1.421

1.472

1.614

1.804

1.897

2.119

2.426

2.659

2.412

2.332

2.313

2.441

Collectieve centra

22

23

24

31

31

43

43

60

59

47

47

37

44

GOVERD

96

104

109

146

160

192

220

232

248

281

261

335

380

HERDgem

362

384

402

412

469

500

516

550

588

609

667

693

737

PNP GERDgem

29

32

31

32

32

32

33

34

35

36

36

37

38

1.866

1.964

2.038

2.235

2.496

2.664

2.931

3.302

3.589

3.385

3.343

3.415

3.640

Tabel 5.4: GERD voor de Vlaamse Gemeenschap in miljoen euro (constante prijzen, op basis van 2000: MSTI-deflator)* 1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

1.490

1.528

1.564

1.704

1.881

1.944

2.156

2.426

2.413

2328

2213

2145

2215

24

25

26

33

32

44

44

60

54

45

45

34

40

GOVERD

105

112

116

154

167

197

224

232

225

271

248

311

345

HERDgem

397

413

427

435

489

512

525

550

534

588

633

643

669

32

34

33

34

33

33

34

34

32

35

34

34

34

2.049

2.113

2.166

2.359

2.603

2.731

2.982

3.302

3.257

3.267

3.172

3.168

3.303

BERD-bedrijven Collectieve centra

PNP GERDgem

Tabel 5.5: Het aandeel van de BERD en NonBERD in de GERD voor het Vlaams Gewest (gebaseerd op lopende prijzen)* (in miljoen euro) BERD nonBERD GERD

1993 1.379 436 1.815

1994 1.444 467 1.911

1995 1.496 483 1.979

1996 1.645 545 2.190

1997 1.835 592 2.427

1998 1.940 662 2.602

1999 2.162 713 2.875

2000 2.486 748 3.234

2001 2.718 807 3.525

2002 2.459 858 3.317

2003 2.379 897 3.276

2004 2.350 997 3.347

2005 2.485 1.084 3.569

BERD/GERD nonBERD/GERD

0,76

0,76

0,76

0,75

0,76

0,75

0,75

0,77

0,77

0,74

0,73

0,70

0,70

0,24

0,24

0,24

0,25

0,24

0,25

0,25

0,23

0,23

0,26

0,27

0,30

0,30

Tabel 5.6: Het aandeel van de BERD en NonBERD in de GERD (Vlaamse Gemeenschap) (gebaseerd op lopende prijzen)* (in miljoen euro) BERD nonBERD GERDgem BERD/GERDgem nonBERD/GERDgem

1993 1.379 487 1.866

1994 1.444 520 1.964

1995 1.496 542 2.038

1996 1.645 590 2.235

1997 1.835 661 2.496

1998 1.940 724 2.664

1999 2.162 769 2.931

2000 2.486 816 3.302

2001 2.718 871 3.589

2002 2.459 926 3.385

2003 2.379 964 3.343

2004 2.350 1.065 3.415

2005 2.485 1.155 3.640

0,74

0,74

0,73

0,74

0,74

0,73

0,74

0,75

0,76

0,73

0,71

0,69

0,68

0,26

0,26

0,27

0,26

0,26

0,27

0,26

0,25

0,24

0,27

0,29

0,31

0,32

* Bron: Eigen berekeningen in coördinatie met Commissie Federale Samenwerking, CFS/STAT

Tabel 5.5 splitst de GERD op in twee categorieën van

Het aandeel van BERD in de totale GERD loopt sinds 2001

uitvoerders: privaat versus publiek. De eerste categorie omvat

achteruit, een reflectie van de daling in de BERD-uitgaven in

de BERD (bedrijvencomponent en collectieve onderzoekscentra).

de periode 2001-2004, die zich niet heeft voorgedaan in de

De tweede categorie omvat de GOVERD, de HERD en de

non-BERD-component, waar we integendeel een stijging

PNP. De O&O-uitgaven van beide categorieën worden eerst in

blijven zien. In 2005 lijken de aandelen van BERD en non-

absolute getallen weergegeven en daarna procentueel ten

BERD zich echter te stabiliseren. Ter vergelijking geeft tabel 5.6

opzichte van de totale GERD.

de gemeenschapsbenadering.


89

5.3 O&O-INTENSITEIT: GERD ALS % VAN HET BBRP VOOR VLAANDEREN

5.4 EEN INTERNATIONALE VERGELIJKING Om de Vlaamse resultaten naar waarde te kunnen schatten, is

Een van de meest gebruikte indicatoren om de O&O-activiteit van

een internationale vergelijking noodzakelijk. We vergelijken

een regio weer te geven, is de O&O-intensiteit: het percentage

Vlaanderen met andere Europese landen, de VS en Japan6.

van het BBRP dat besteed wordt aan O&O. Tabel 5.7. geeft het BBRP weer voor Vlaanderen in lopende prijzen.

In eerste instantie vergelijken we internationaal de grootste GERD-component, zijnde BERD (de bedrijvencomponent en

Wanneer we de totale O&O-uitgaven (GERD) uitdrukken als %

de collectieve onderzoekscentra). Om het grootte-effect uit te

van het BBRP bekomen we voor 2005 een percentage van

schakelen, drukken we BERD uit als % van het BBP. We herhalen

2,09% voor de GERD op gewestniveau en 2,13% voor de

de procedure voor het non-BERD-gedeelte (wat overeenkomt

GERD op gemeenschapsniveau. Deze cijfers geven aan dat de

met de GOVERD, de HERD en de PNP).

3%-doelstelling nog niet in zicht is. De volledige historische reeksen worden weergegeven in tabel 5.8 en 5.95.

De ratio BERD/BBRP komt voor Vlaanderen op 1,42% en 1,46%, respectievelijk voor 2004 en 2005 (zie tabel 5.8).

In tabel 5.8 worden ook de 2 componenten van de GERD

Wanneer we dit vergelijken met het gemiddelde van de EU-25

(namelijk het BERD- en het non-BERD-gedeelte) voorgesteld als

(1,11%) blijkt dat Vlaamse bedrijven relatief meer investeren in

percentage van het BBRP. Waar de BERD/BBRP-ratio een stijgende

O&O, ook in vergelijking met onze buurlanden Nederland,

lijn vertoonde tussen 1995 en 2001, daalt de BERD/BBRP-ratio

Frankrijk en UK. Maar dit is nog beduidend lager dan in de

voor Vlaanderen in de periode 2002-2004. Voor 2005 stellen

EU-sterlanden: Finland & Zweden. Bovendien zitten we ook nog

we een lichte stijging vast. De non-BERD/BBRP-ratio blijft in de

ver onder de ratio’s voor de VS en Japan. Bij de vergelijking

gehele periode 1995-2005 stijgen. Volgens deze benadering

moeten we er rekening mee houden dat de cijfers per

krijgen we voor 2005 een percentage van 1,46% uitgevoerd door

land betrekking hebben op een verschillend referentiejaar (zie

de private sector en 0,63% door de publieke sector. Tabel 5.9

tabel 5.10).

geeft vervolgens, ter vergelijking, de zeer vergelijkbare resultaten volgens de gemeenschapsbenadering.

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

106.636.909

112.540.312

117.908.700

119.849.000

126.623.300

131.010.200

136.379.300

144.135.800

147.999.400

152.714.900

157.115.100

164.948.300

170.768.666

Bron: APS, 25 januari 2007

Tabel 5.8: BERD, nonBERD en GERD als percentage van het BBRP in het Vlaams Gewest (in %)

BERD/BBRP nonBERD/BBRP GERD/BBRP

1993 1,29 0,41 1,70

1994 1,28 0,41 1,70

1995 1,27 0,41 1,68

1996 1,37 0,45 1,83

1997 1,45 0,47 1,92

1998 1,48 0,51 1,99

1999 1,59 0,52 2,11

2000 1,72 0,52 2,24

2001 1,84 0,55 2,38

2002 1,61 0,56 2,17

2003 1,51 0,57 2,09

2004 1,42 0,60 2,03

2005 1,46 0,63 2,09

2003 1,51 0,61 2,13

2004 1,42 0,65 2,07

2005 1,46 0,68 2,13

Tabel 5.9: BERD, nonBERD en GERD als percentage van het BBRP (Vlaamse Gemeenschap) (in %)

BERD/BBRP nonBERD/BBRP GERD/BBRP

1993 1,29 0,46 1,75

1994 1,28 0,46 1,75

1995 1,27 0,46 1,73

1996 1,37 0,49 1,86

1997 1,45 0,52 1,97

1998 1,48 0,55 2,03

1999 1,59 0,56 2,15

2000 1,72 0,57 2,29

2001 1,84 0,59 2,43

2002 1,61 0,61 2,22

5 Aangezien de O&O-intensiteit een ratio is, kan de historische vergelijking gebeuren met beide reeksen (GERD en BBPR) in lopende prijzen. Dit is analoog aan het deflateren van zowel GERD en BBPR met een gezamenlijke deflator, i.c. de BBPR deflator, om vervolgens van beide constante cijferreeksen de ratio te nemen. 6 Een vergelijking met ander regio’s zou voor Vlaanderen meer relevant zijn. Maar internationaal vergelijkbare regionale cijfers zijn nog in ontwikkeling, en voorlopig nog niet voldoende gestandaardiseerd en regulier beschikbaar (cf Eurostat, 24 januari 2007)

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 5

Tabel 5.7: Bruto Binnenlands Product van Vlaanderen (lopende prijzen) (in duizenden euro)


90

Tabel 5.10: Internationale vergelijking van de BERD/BBRP en het referentiejaar waarop de gegevens per land betrekking hebben (in %)* DK

DE

ES

FR

IE

IT

NL

FI

SE

UK

US

JP

EU25

BE

VLA

BERD/BBRP

1,67

1,71

0,61

1,32

0,90

0,55

1,02

2,42

2,88

1,10

1,84

2,40

1,11

1,24

1,46

Referentiejaar

2005

2005

2005

2005

2006

2006

2005

2006

2005

2005

2006

2003

2005

2005

2005

Tabel 5.11: Internationale vergelijking van de NonBERD/BBRP en het referentiejaar waarop de gegevens per land betrekking hebben (in %)* DK

DE

ES

FR

IE

IT

NL

FI

SE

UK

US

JP

EU25

BE

VLA

nonBERD/BBRP

0,78

0,75

0,51

0,81

0,44

0,55

0,75

1,00

1,01

0,68

0,77

0,80

0,66

0,58

0,63

Referentiejaar

2005

2005

2005

2005

2006

2005

2004

2006

2005

2005

2006

2003

2005

2005

2005

Tabel 5.12: Internationale vergelijking van de GERD/BBRP en het referentiejaar waarop de gegevens per land betrekking hebben (in %)* DK

DE

ES

FR

IE

IT

NL

FI

SE

UK

US

JP

EU25

BE

VLA

GERD/BBRP

2,45

2,46

1,12

2,13

1,34

1,10

1,78

3,42

3,89

1,78

2,61

3,20

1,77

1,82

2,09

Referentiejaar

2005

2005

2005

2005

2006

2004

2004

2006

2005

2005

2006

2003

2005

2005

2005

* Bron: Eurostat (24 januari 2007) en OECD Main Science and Technology Indicators (vol. 2007/1)

Daarnaast kunnen ook de O&O-uitgaven in publieke

5.5 CONCLUSIES

instellingen in een internationale context geplaatst worden. Voor Vlaanderen wordt de Non-BERD/BBRP ratio in 2005:

De meest recente cijfers voor de GERD als % van het BBRP

0,63% (zie tabel 5.8). De internationale vergelijking wordt

geven voor 2005 een percentage van 2,09% (2,03% voor 2004).

voorgesteld in tabel 5.11. Daaruit blijkt dat de Vlaamse ratio

In vergelijking met de EU, zit Vlaanderen daarmee behoorlijk

onder het EU25-gemiddelde (0,66%) ligt, en nog verder

boven het EU-gemiddelde, maar toch nog een stuk verwijderd

verwijderd is van de ratio in onze buurlanden, VS, Japan en de

van de 3%-O&O-norm, de Barcelona-doelstelling voor 2010.

Scandinavische landen. Ondernemingen staan in voor het leeuwenaandeel van de Wanneer we beide ratio’s per land samentellen, verkrijgen we

O&O in Vlaanderen. De BERD als % van het BBRP bedraagt

de totale O&O-uitgaven GERD/BBRP per land. Dit maakt

in 2005 1,46%, waarmee Vlaanderen boven het EU25-

duidelijk dat de Vlaamse ratio (2,09% in de internationaal

gemiddelde scoort. De niet-BERD of publieke component van

vergelijkbare gewestbenadering) nog steeds hoger ligt dan het

O&O-bestedingen als % van het BBRP bedraagt in Vlaanderen

EU-gemiddelde (voor 25 landen), maar toch beduidend lager

0,63% voor 2005, onder het EU25-gemiddelde.

dan de Scandinavische landen en de VS & Japan. Waar historisch de GERD een opwaartse trend vertoonde en 2000 een piekjaar vormde, constateerden we een dalende trend in de GERD voor de periode 2001-2003. Deze stabiliseert in 2004. Voor 2005 merken we dat de GERD sterk stijgt en opnieuw het recordniveau van het jaar 2000 bereikt (in constante prijzen). Zowel de BERD-bedrijven, de Collectieve Onderzoekscentra van de BERD, de GOVERD, en de HERD vertonen in 2005 een stijging ten opzichte van 2004. De PNP-uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling bleven in deze periode constant.


91

5.6 APPENDIX: OVERZICHT VAN DE COLLECTIEVE ONDERZOEKSCENTRA (BERD COLLECTIEVE CENTRA), PUBLIEKE ONDERZOEKSCENTRA (GOVERD), EN PARTICULIERE NON-PROFIT INSTELLINGEN (PNP)

Collectieve Onderzoekscentra

• Incubatiepunt Geo-informatie (IncGEO) • Productinnovatie en industrieel design

De collectieve centra bevatten zowel sectorale centra (die

• Flanders’ Food vzw

uitgesplitst worden naar de drie gewesten), autonome centra,

• Flanders’ Mechatronics Technology Centre (FMTC)

als competentiepolen.

• Flanders Materials Center (FLAMAC) • Flanders District of Creativity (Flanders DC) Kenniscentrum

• Wetenschappelijk en Technisch Centrum van de Belgische

• Clusta vzw

Textielnijverheid (CENTEXBEL) - Vlaams Gewest • Wetenschappelijk en Technisch Centrum van de Metaalverwerkende Nijverheid (WTCM) - Vlaams Gewest

Publieke Onderzoekscentra

• Opzoekingscentrum voor de Wegenbouw (OCW) Vlaams Gewest

Deze omvatten de vier 'grote' onderzoekscentra, de Vlaamse

• Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor

wetenschappelijke instellingen gelegen in het Vlaams Gewest,

het Bouwbedrijf (WTCB) - Vlaams Gewest

de federale 'onderzoekinstellingen' die in het Vlaams Gewest

• Wetenschappelijk en Technisch Onderzoekcentrum voor Diamant (WTOCD)

gelegen zijn, en de lokale onderzoeksinstellingen gelegen in het Vlaams Gewest die aan de provincie verbonden zijn.

• Centrum voor Research in de Metallurgie (CRM) Vlaams Gewest • Belgisch Instituut voor Lastechniek

• Algemeen Rijksarchief en het Rijksarchief in de Provinciën - Vlaams Gewest • Belgisch Historisch Instituut te Rome

• Belgisch verpakkingsinstituut

• Studiecentrum voor Kernenergie - Mol

• Kon. Belg. Inst. tot verbetering v/d biet

• Koninklijk Museum voor Midden-Afrika

• Proefcentrum Fruitteelt vzw

• Nationale Plantentuin van België

• Proefcentrum voor de Sierteelt

• Koninklijk Museum voor Schone Kunsten - Antwerpen

• Proefstation voor de groententeelt

• Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer - Geraardsbergen

• BECETEL • Provinciaal onderzoeks- en voorlichtingscentrum voor land- en tuinbouw

(onderdeel van INBO sinds 2006) • Afdeling Waterbouwkundig Laboratorium en Hydrologisch onderzoek (WLH)

• PCF - Proeftuin Aardbeien en Houtig Kleinfruit

• Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek (nu het ILVO)7

• Provinciaal Proefcentr. van de Groententeelt -

• Centrum voor Landbouweconomie (nu het ILVO)

O.-Vlaanderen vzw • Nationale Proeftuin voor witloof

• Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde

• PCF - Proeftuin Pit en Steenfruit

• VITO

• Vlaamse Rundveeteeltvereniging

• IMEC

• Vlaams Centrum voor de Bewaring van

• VIB

Tuinbouwproducten (VCBT) vzw • Interprovinciaal Proefcentrum voor de Aardappelteelt O.-Vlaanderen (PCA) • Vlaams Kunststofcentrum (VKC)

• UNU_CRIS • Interdisciplinair Instituut Breedbandtechnologie (IBBT) • Provinciaal Centrum voor opsporing van metabole aandoeningen

• Vlaams Instituut voor de Logistiek (VIL)

• Hooibeekhoeve

• Flanders' DRIVE Netwerk

• Proefbedrijf voor de veehouderij

7 De gegevens hebben betrekking op 2004 en 2005 en dan waren CLO en CLE nog aparte entiteiten.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 5

• Koninklijke Vereniging van Belgische Gasvaklieden


92

Onderstaande Vlaamse onderzoekinstellingen worden niet meegerekend voor de Vlaamse O&O-cijfers, aangezien zij in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen zijn: • Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudieën • Instituut voor Natuurbehoud (sinds 2006 onderdeel van INBO) • Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed • Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België • Stichting Technologie Vlaanderen • viWTA

Particuliere Non-profit instellingen De particuliere non-profit-instellingen bevatten semi-publieke instellingen, particuliere instellingen en internationale instellingen uit het Vlaams Gewest. • Vlaamse compostorganisatie (VLACO) • Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde • Mobiel 21 vzw • BIKIT • Von Karman Institute for Fluid Dynamics • Centrum voor Gemeenschappelijk Onderzoek van de EG


93

DEEL 2 H E T TOTA L E O & O - P E R S O N E E L BINNEN VLAANDEREN

Door Peter Viaene (EWI)

05


94

5.1 TOTAALBEELD EN INTERNATIONALE VERGELIJKING

De bestaande tijdsreeks (1993-2003) werd verder uitgebreid naar 2004 en 2005 toe. De statistische cijfers rondom O&Opersoneel zijn het gevolg van een samenwerkingsakkoord tussen

Menselijk potentieel is van groot belang in de verdere

de regionale overheden en de federale overheid betreffende

economische en technologische ontwikkeling van een land of

de permanente inventaris van het wetenschappelijk potentieel.

regio. De beschikbaarheid én kwaliteit van menselijk potentieel in

Alle bevoegde instanties waken erover dat deze enquête

wetenschap en technologie vormen daarom cruciale instrumenten

opgesteld wordt volgens internationaal vastgelegde definities.

zeker in de huidige geglobaliseerde kenniseconomie. In een kenniseconomie staat kennis(ontwikkeling) centraal bij innovatie

Licht gewijzigde cijfers ten opzichte van de historische

en economische groei. Daarom vormen investeringen in menselijk

gegevens uit het Vlaams Indicatorenboek WTI 2005 duiden op

potentieel een belangrijk element in een concurrentiële omgeving.

nieuwe geaggregeerde cijfers van de regionale cijfers naar de Belgische cijfers en de vertaling hiervan in deze publicatie.

1

De OESO Canberra Manual onderscheidt voor het meten

De tijdsreeks van het totale O&O-personeelseffectief (in

van het menselijk potentieel twee benaderingen. De eerste

voltijdse eenheden) tussen 1993 en 2005 voor het Vlaams

benadering kijkt naar het hoogst behaalde opleidingsniveau

Gewest komt in dit hoofdstuk eerst aan bod. Een internationale

van het O&O-personeel. Deze benadering wordt gekenmerkt

vergelijking van het O&O-personeel vormt in combinatie met

door beperkingen omdat deze werkwijze geen rekening houdt

de bevolkingsgegevens een volgend vergelijkingspunt.

met onderzoekservaring, zelfontwikkeling en kennisuitbouw via

Vervolgens wordt het O&O-personeel voor 2005 opgesplitst

netwerking van het O&O-personeel. De andere benadering

naar geslacht, functie, opleiding, de combinatie functie én

voor het meten van menselijk potentieel betreft de functie van

geslacht en het opleidingsniveau én geslacht. Voor de bedrijven

het personeelslid. Hierbij wordt gekeken naar het type werk

(profit) gebeurt dit op basis van de geobserveerde ratio’s van

dat het personeel in het kader van O&O-activiteiten uitoefent.

de steekproefgegevens.

Het gaat hierbij om onderzoekers, technisch personeel en overig personeel (vaak administratief personeel).

Tabel 5.1 biedt een evolutieoverzicht van het O&O-personeel voor Vlaanderen tussen 1993 en 2005 voor de vier uitvoering-

In dit hoofdstuk worden de aparte cijfers voor de non-profit

sectoren: de ondernemingen (BERD), de publieke onderzoekscentra

versus profit sector geaggregeerd tot een gezamenlijk cijfer

(GOVERD), het hoger onderwijs - gewestbenadering (HERD)

voor het totale O&O-personeel binnen het Vlaams Gewest.

en de particuliere non-profit organisaties (PNP).

Deze Vlaamse cijfers zijn gebaseerd op twee grote informatiebronnen. Enerzijds is er de bevraging die tweejaarlijks door de

Voor het hoger onderwijs bestaan er twee benaderingen

Vlaamse overheid, Departement Economie, Wetenschap en

voor het meten van het O&O-personeel binnen de Belgische

Innovatie (EWI), georganiseerd wordt met inbreng van de POD

staatsstructuur. Bij de gemeenschapsbenadering worden de

Wetenschapsbeleid (voor wat het Vlaamse aandeel van de

O&O-inspanningen van alle instellingen binnen het hoger

federale instellingen betreft) voor de O&O-inspanningen uit de

onderwijs - ook de Vlaamse instellingen gelegen in het Brussels

non-profit. Anderzijds is er een bevraging, uitgevoerd door het

Hoofdstedelijk Gewest - opgeteld. Bij de gewestbenadering

Steunpunt O&O-Indicatoren, die de O&O-inspanningen van

daarentegen, geldt de territoriale opdeling en worden enkel de

de bedrijven bestudeert. De gehanteerde methodiek en het

O&O-inspanningen in rekening gebracht voor de instellingen

achterliggende referentiekader van beide O&O-enquêtes

uit het hoger onderwijs gelegen in het Vlaams Gewest. Met het

werden uitvoerig toegelicht in hoofdstuk 4 voor de non-profit

oog op de internationale vergelijking van de cijfers wordt hier

sector en hoofdstuk 3 voor de profit (ondernemingen).

enkel het gewestcijfer opgenomen voor het hoger onderwijs bij de verdere analyses.

1 De OESO Canberra Manual ‘The Measurement of Human Resources in Science and Technology’ opgemaakt in samenwerking met de EU (Eurostat en DG Onderzoek)


95

Tabel 5.1:

Overzicht van het totale O&O-personeel over de verschillende sectoren (in VTE, 1993-2003)

Ondernemingen Publieke onderzoekscentra Particuliere NPO's* Hoger onderwijs (gewest) Totaal met hoger onderwijs gewest

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

%-groei 2000-2005 13.205,6 14.230,9 14.853,5 16.549,6 17.449,0 18.609,3 19.700,7 21.838,6 23.708,2 20.865,1 20.454,1 20.663,1 21.360,3 -2,2% 1.152,8

1.189,6

1.204,6

1.466,7

1.583,4

1.767,7

1.894,8

2.200,1

2.369,6 2.351,30 2.415,00 2.388,40 2.471,20

294,6

326,6

333,6

340,2

347,4

347,4

347,4

356,2

5.975,3

5.981,6

6.009,0

5.603,0

5.975,6

6.624,2

7.458,5

7.993,8

361,3

2002

366,40

2003

364,30

2004

374,20

2005

12,3%

368,50

3,5%

8.227,2 8.279,60 8.610,70 9.759,80 9.987,30

24,9%

20.628,2 21.728,6 22.400,7 23.959,4 25.355,4 27.348,5 29.401,4 32.388,6 34.666,2 31.862,4 31.844,1 33.185,5 34.187,3

5,6%

* NPO's = non profit organisaties

Figuur 5.1:

Het O&O-personeel in het Vlaams Gewest

Het totale O&O-personeel voor het Vlaams Gewest is, tussen 2000 en 2005, met 5,6% toegenomen tot ongeveer 34.187

opgedeeld voor 2005 (in VTE)

voltijdse equivalenten (VTE). In figuur 5.1 wordt de verspreiding over de verschillende O&O actoren van het O&O-personeel weergegeven. Hieruit blijkt 29,2%

dat ruim 62% van het O&O-personeel actief is binnen de ondernemingen of de privé-sector. Iets minder dan 30% oefent O&O-activiteiten uit binnen het hoger onderwijs. De publieke onderzoekscentra zijn goed voor een aandeel van 7,2% en de particuliere non-profitorganisaties zijn goed voor het kleinste

1,1%

62,5%

aandeel (1,1%). De motor voor O&O-activiteiten ligt bij de bedrijven en het hoger onderwijs en in mindere mate bij de

7,2%

publieke onderzoekscentra (overheid).

vergelijking van het O&O-personeel voor Vlaanderen (2005). ■ Ondernemingen

■ Particuliere NPO’s

Het is duidelijk dat deze cijfers enkel richtinggevend zijn om de

■ Publieke onderzoekscentra

■ Hoger onderwijs (gewest)

prestaties van een land of regio te meten. Het gaat hier immers om absolute cijfers van verschillende landen met elk hun eigen omvang en wetenschappelijke structuur. Het O&O-personeels-

Bij de trendbreuk in de cijfers voor de bedrijven tussen 2001

cijfer voor 2005 ligt lager in Vlaanderen dan in vergelijkbare

en 2002 is enige verduidelijking toch wel gepast. Voor een

landen qua bevolking zoals Finland, Denemarken en

gedeelte is er een reële daling van het VTE aan O&O-

Noorwegen. Verhoudingsgewijs scoort Vlaanderen ongeveer

personeel bij de bedrijven voor 2002 en 2003, maar daarnaast

op het niveau van Nederland. Net als bij het bevolkingsaantal

werden ook correcties aangebracht voor bedrijven waarvoor uit

is het O&O-personeelsequivalent voor het Nederlandse cijfer

de O&O-enquête van 2004 bleek dat zij reeds geruime tijd

ongeveer 2,7 maal het Vlaamse cijfer.

geen O&O-activiteiten meer uitoefenden. De cijfers voor 2001 en vroeger bevatten uiteraard wel nog deze cijfers wat

Bij de ratiogegevens uit tabel 5.3 tot en met tabel 5.7 zijn

voor een gedeelte ook de trendbreuk met 2001 verklaart.

enkele verduidelijkingen noodzakelijk. De procentuele cijfers

Het O&O-personeel bij de bedrijven stijgt opnieuw lichtjes sinds

voor de instellingen uit de publieke sector en de collectieve

2003 maar ten opzichte van 2000 ligt het personeelseffectief

centra (analyse voor de non-profit uit hoofdstuk 4) zijn niet

objectief gezien nog ongeveer 2% lager. Het O&O-personeel uit

gebaseerd op steekproeven maar hebben telkens betrekking

het hoger onderwijs binnen het Vlaams Gewest is het sterkst

op alle instellingen uit de diverse sectoren.

gestegen (+25%) en het O&O-personeel binnen de publieke onderzoekscentra is gestegen met 12,3% tussen 2000 en 2005.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 5

In tabel 5.2 wordt verder ingegaan op de internationale


96

Tabel 5.2: Internationale vergelijking van het O&O-personeel Totale O&O-personeel (in VTE)

Totale bevolking***

Vlaanderen (2005) (gewest)

34.187

6.043.161

BelgiĂŤ* (2004)

53.938

10.445.900

91.594

16.305.500

Frankrijk (2004)

352.485

60.561.200

Duitsland (2004)

470.971

82.500.800

-

291.685.100

Nederland** (2004)

VS***

896.211

127.273.800

2.088.449

459.488.400

Denemarken** (2005)

43.545

5.411.400

Finland (2005)

57.471

5.236.600

Zweden (2005)

77.925

9.011.400

Noorwegen (2005)

30.557

4.606.400

Japan (2004) EU-25**,*** (2004)

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, December 2006 + Studiedienst Vlaamse Regering (bevolking) * Schattingen gemaakt door het secretariaat ** Voorlopige cijfers ***Bevolkingscijfers voor 2005, voor Japan en VS voor 2004

Tabel 5.3: O&O-personeel naar functie voor 2005 (%-verdeling naar sector) Onderzoekers

Technisch personeel

Overig personeel

Bedrijven*

53,41%

34,73%

11,86%

Collectieve centra

36,63%

50,71%

12,66%

Hoger onderwijs (gewest)

77,38%

15,17%

7,45%

Publieke onderzoekscentra

60,11%

25,63%

14,26%

Publieke non-profit organisaties

51,96%

26,68%

21,36%

Private sector

Publieke sector

* Gebaseerd op antwoorden van 333 bedrijven

Tabel 5.4: O&O-personeel naar diploma voor 2005 (%-verdeling per sector) Universitaire diploma's

Diploma's hoger onderwijs 1 cyclus

Andere kwalificaties

Bedrijven*,**

54,33%

26,28%

19,39%

Collectieve centra

52,88%

25,73%

21,39%

Hoger onderwijs (gewest)

82,29%

10,40%

7,31%

Publieke onderzoekscentra

65,97%

17,34%

16,69%

Publieke non-profit organisaties

62,00%

27,41%

10,58%

Private sector

Publieke sector

* Gebaseerd op antwoorden van 237 bedrijven ** Cijfer voor universitaire diploma's uit 9,56% doctoraten en 44,77% universitaire diploma's

De vergelijkingsbasis voor de bedrijven in deze tabellen is op

Daarom werd de afspraak gemaakt met het Steunpunt

een andere manier opgebouwd. Enkel volledig (ingevulde)

O&O-Indicatoren, dat bij elke variabele uitdrukkelijk vermeld

antwoorden uit de beperkte steekproef bij de ondernemingen

wordt op hoeveel bedrijven de geanalyseerde cijfers betrekking

werden in de analyseresultaten opgenomen. Dit verklaart het

hebben. Later zullen nog geĂŤxtrapoleerde absolute cijfers voor

verschillende aantal antwoorden per variabele (geslacht, functie,

de bedrijven (in voltijdse eenheden) qua geslacht, functie en

opleidingsgraad en de combinatie tussen meerdere variabelen).

opleidingsniveau beschikbaar zijn, maar om toch een analyse


97

Tabel 5.5: O&O-personeel naar geslacht voor 2005 (%-verdeling per sector) Mannen

Vrouwen

Bedrijven*

74,15%

25,85%

Collectieve centra

75,29%

24,71%

Hoger onderwijs (gewest)

54,10%

45,90%

Publieke onderzoekscentra

66,11%

33,89%

Publieke non-profit organisaties

53,30%

46,70%

Private sector

Publieke sector

* Gebaseerd op antwoorden van 439 bedrijven

te kunnen maken werd ervoor geopteerd om de enquête-

Een andere invalshoek voor het vergelijken van de non-profit

resultaten met deze kanttekening op te nemen in dit hoofdstuk.

en de profit sector is de opdeling naar geslacht. In de private

De berekende ratio’s voor de bedrijven (voor tabel 5.3 tot en

sector is er op basis van de enquêteresultaten veel meer

met 5.7) kunnen dan ook niet zomaar toegepast worden op

mannelijk O&O-personeel actief (om en bij de 75%). In de

het totale personeelscijfer voor O&O zoals vermeld in tabel 5.1

publieke sector ligt het aandeel van de vrouwen hoger met

voor 2005, want dit zou leiden tot statistische vertekeningen van

ongeveer 34% bij de publieke onderzoekscentra en bijna 46%

de analyseresultaten. In hoofdstuk 3 vindt men gedetailleerde

bij het hoger onderwijs. In vergelijking met de enquêteresultaten uit 2003, is het aandeel van het vrouwelijk O&O-personeel voor de bedrijven gestegen van 17% naar 25,9%.

In tabel 5.3 wordt het O&O-personeel voor 2005 opgesplitst

Tabel 5.6 groepeert de combinatie functie en geslacht voor alle

naar functie voor zowel de private als de publieke sector.

uitvoeringssectoren van de publieke en private sector. Bij de

Het hoogste percentage onderzoekers (77,4%) geldt voor de

bedrijven ligt het aandeel vrouwelijk O&O-personeel voor alle

subsector van het hoger onderwijs. Het aandeel onderzoekers

functies het laagst. Het percentage vrouwelijke onderzoekers

bij de bedrijven op basis van de steekproefgegevens bedraagt

bedraagt voor de bedrijven slechts 16,5%, maar ook het

slechts 53%. Het aandeel technici ligt in de private sector hoger

aandeel vrouwen bij de technici (20,8%) en bij het overig

dan bij de publieke sector. In vergelijking met de resultaten uit

personeel (34,7%) ligt lager dan de deelsectoren van de

2003 (Vlaams Indicatorenboek WTI 2005) is zowel het percentage

publieke sector. Het aandeel van de vrouwelijke onderzoekers

onderzoekers uit de publieke als voor de private sector gestegen.

varieert van 29,6% voor de sector overheid tot 40,8% binnen het hoger onderwijs. Binnen het hoger onderwijs is er zowel

Tabel 5.4 geeft een opdeling van het O&O-personeel naar

voor het technisch als het overige personeel een meerderheid

diploma voor alle private en publieke deelsectoren. Iets meer

aan vrouwelijk O&O-personeel. Het aandeel van het vrouwelijke

dan de helft van het O&O-personeel uit de private sector heeft

O&O-personeel is in vergelijking met 2003 voor alle categorieën

een universitair diploma. Dit cijfer stijgt naar meer dan 60%

(zowel publiek als privaat) met ongeveer 2 à 3% gestegen.

voor zowel de publieke onderzoekscentra als voor de publieke non-profit organisaties, tot meer dan 80% bij het hoger

Tabel 5.7 combineert de variabelen geslacht met het

onderwijs. Dat het hoger onderwijs hier opmerkelijk hoog

opleidingsniveau voor het O&O-personeel. Iets minder dan vier

scoort hoeft niet te verbazen daar het zwaartepunt van het

op vijf universitair geschoolde O&O-personeelsleden bij de

wetenschappelijk onderzoek bij de universiteiten te situeren

bevraagde bedrijven zijn mannen. Uit de vergelijking voor alle

valt en heel wat studenten na afloop van hun studies er

sectoren blijkt dit het hoogste cijfer te zijn. Het hoger onderwijs

onderzoeksactiviteiten blijven uitoefenen (er is nog steeds meer

scoort het best met 41,4% universitair geschoolde vrouwen.

en meer projectonderzoek). Uit de enquêteresultaten voor

Bij de diploma’s hoger onderwijs 1 cyclus ligt het aandeel

de bedrijven blijkt ook dat het O&O-personeel daar vaker

vrouwen voor de geanalyseerde bedrijven met ongeveer een

een diploma hoger onderwijs 1 cyclus heeft. Het aandeel van

derde aanzienlijk hoger dan bij de universitair geschoolden

de universitair geschoolden ligt bij de bedrijven iets lager dan

(21,3%). Voor het hoger onderwijs loopt het aandeel vrouwen

in 2003 volgens de enquêteresultaten.

met een diploma hoger onderwijs 1 cyclus zelfs op tot 72%.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 5

informatie terug over de O&O-enquête voor de bedrijven en de resultaten worden er ook verder geanalyseerd.


98

Tabel 5.6: O&O-personeel naar functie en geslacht voor 2005 (%-verdeling per sector) O&O-personeel 2005 Private sector Bedrijven*,**,*** Collectieve centra Publieke sector Hoger onderwijs (gewest) Publieke onderzoekscentra Publieke non-profit organisaties

Onderzoekers Man Vrouw

Technisch personeel Man Vrouw

Ander personeel Man Vrouw

83,46%

16,54%

79,21%

20,79%

65,21%

34,79%

77,91%

22,09%

75,33%

24,67%

67,53%

32,47%

59,16%

40,84%

36,80%

63,20%

36,72%

63,28%

70,40%

29,60%

61,49%

38,51%

56,33%

43,67%

60,58%

39,42%

49,26%

50,74%

40,57%

59,43%

* Onderzoekers gebaseerd op antwoorden van 362 bedrijven ** Technisch personeel gebaseerd op antwoorden van 303 bedrijven ***Overig personeel gebaseerd op antwoorden van 288 bedrijven

Tabel 5.7: O&O-personeel naar opleiding en geslacht voor 2005 (%-verdeling naar sector) O&O-personeel 2005 Private sector Bedrijven*,**,*** Collectieve centra Publieke sector Hoger onderwijs (gewest) Publieke onderzoekscentra Publieke non-profit organisaties

Universitaire Diploma's Man Vrouw

Diploma's hoger onderwijs 1 cyclus Man Vrouw

Andere kwalificaties Man Vrouw

78,65%

21,35%

66,85%

33,15%

76,55%

23,45%

72,36%

27,64%

74,56%

25,44%

83,42%

16,58%

58,60%

41,40%

27,98%

72,02%

40,60%

59,40%

70,36%

29,64%

43,97%

56,03%

72,29%

27,71%

57,77%

42,23%

49,43%

50,57%

37,00%

63,00%

* Universitaire diploma's (bevatten ook doctoraatgegevens) gebaseerd op antwoorden van 236 bedrijven ** Diploma's hoger onderwijs 1 cyclus gebaseerd op antwoorden van 244 bedrijven ***Andere kwalificaties gebaseerd op antwoorden van 238 bedrijven

Net als bij de opdeling naar functie en geslacht stijgt het

Uit de internationale vergelijking blijkt dat Vlaanderen minder

aandeel van de vrouwen bij het universitair geschoold

goed scoort in vergelijking met de Scandinavische landen die

O&O-personeel met 2 Ă 3 % in vergelijking met 2003 voor

qua bevolkingsaantallen vergelijkbaar zijn. Vlaanderen scoort

zowel het hoger onderwijs, de publieke onderzoekscentra en

verhoudingsgewijs ongeveer gelijk met Nederland, wanneer

de bedrijven.

de verhouding tussen de bevolkingscijfers toegepast wordt op het O&O-personeel.

5.2 BESLUIT

Op basis van de geanalyseerde enquĂŞtecijfers blijkt duidelijk dat vrouwelijk O&O-personeel, en zeker de vrouwelijke onderzoekers,

In 2002 en 2003 daalden de totale O&O-personeelsinspanningen

ondervertegenwoordigd blijven in de private sector. Maar ten

licht, vooral door de daling bij de ondernemingen. Het O&O-

opzichte van 2003 is er wel een lichte stijging meetbaar in het

personeel binnen de non-profit tekende voor die jaren wel nog

aandeel vrouwen en vrouwelijke onderzoekers bij de

een lichte stijging op. Uit de analyse van de meeste recente

ondernemingen op basis van de steekproefgegevens. Los van

personeelsgegevens (2004 en 2005) blijkt duidelijk een

het gendereffect blijkt immers dat het aandeel tewerkgestelde

positieve tendens van het totaalcijfer (O&O-personeel). Er is

onderzoekers in de private sector lager ligt dan voor de publieke

een lichte stijging merkbaar bij de bedrijven en een iets grotere

sector. Ook tussen het geslacht en het opleidingsniveau is er

stijging bij het hoger onderwijs. Het O&O-personeel bij de

een ook verband voor het O&O-personeel. Het aantal vrouwelijke

publieke onderzoekscentra is ongeveer onveranderd gebleven

universitair geschoolde O&O-personeelsleden ligt beduidend

sinds 2003.

lager bij de bedrijven. Vrouwelijk O&O-personeel beschikt ook vaker over een diploma hoger onderwijs 1 cyclus dan mannen.


99

DE OVERHEIDSKREDIETEN VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN I N N OVAT I E I N V L A A N D E R E N Door Koen Waeyaert (EWI)

06


100

6.1 INLEIDING

financieren. Er blijkt meteen ook uit welke accenten worden gelegd binnen het globale wetenschappelijk en technologisch

De inspanningen van de overheid en de privé-sector voor

innovatiebeleid. Door de systematische, jaarlijkse opmaak van

onderzoek en ontwikkeling (O&O) en innovatie in het

het HBPWB kan ook de evolutie opgevolgd worden van

algemeen, zijn van groot belang voor de economische en

de kredieten die aan de verschillende grote indelingen binnen

maatschappelijke ontwikkeling van een land of regio. De input

het wetenschappelijk en technologisch innovatiebeleid worden

voor O&O wordt gemeten aan de hand van de uitgaven en

toegekend. Ondertussen werd een tijdreeks van 15 jaar

het personeel. De input voor innovatie kan men ruimer zien

(1993-2007) opgebouwd. Bovendien wordt ook jaarlijks een

als alle middelen die worden gespendeerd om wetenschap,

bestedingsanalyse

technologie en innovatie te stimuleren.

Deze meet de daadwerkelijk benutte middelen voor

voor

wetenschapsbeleid

uitgevoerd.

wetenschap en innovatie. Dit betekent dat wordt nagegaan in De inspanningen voor O&O kunnen via twee types van gegevens

hoeverre de geplande wetenschapskredieten werden besteed

gemeten worden. Vooreerst kunnen ze afgeleid worden uit

en waaraan. De bestedingsanalyses van het wetenschaps-

retrospectieve surveys van de betrokken actoren (universiteiten,

budget van 1997 tot en met 2005 geven aan dat het geplande

bedrijven, …) die daadwerkelijk het onderzoek uitvoeren.

budget ook daadwerkelijk voor praktisch 100% werd benut en

Zij rapporteren hoeveel hun totale uitgaven bedroegen voor

bovendien in grote mate in overeenstemming is met wat er

O&O voor werking, personeel, uitrusting en investeringen.

gepland was. In hoofdstuk IV.1 van de Speurgids WTI 2005

Gezien het retrospectieve karakter van de surveys is het moeilijk

werd de tijdreeks 1997-2003 behandeld.

om zeer recente gegevens te bekomen. Verder kunnen een aantal landen slechts ruwe schattingen van de O&O-uitgaven

OESO en EUROSTAT nemen de middelen voor O&O in

geven, omdat ze moeilijk de correcte O&O-uitgaven voor

statistieken op om de inspanningen van overheid en bedrijven

defensie kunnen inschatten.

in de verschillende landen te kunnen vergelijken. Een goed gestructureerd en correct samengesteld HBPWB is dus van

Meer actuele informatie over de overheidssteun aan O&O kan

cruciaal belang om op het internationale niveau correcte gegevens

afgeleid worden uit de begrotingsgegevens, de ‘Government

te verspreiden aangaande de Vlaamse inspanningen voor

Budget Applications or Outlays for R&D’ (GBAORD) zoals

wetenschap, technologie en innovatie. Om een internationale

gerapporteerd door de financierende ministeries en andere

vergelijking mogelijk te maken, gebruikt men bij de opmaak

agentschappen. Aangezien deze budgetten zijn afgeleid uit de

van het HBPWB de door de OESO gestandaardiseerde

begroting, kunnen ze gekoppeld worden aan de beleidslijnen

methodologie en definities, zoals omschreven in de FRASCATI-

en de socio-economische objectieven waarvoor ze bestemd zijn.

Manual. Hierin wordt de term ‘wetenschappelijke activiteiten’

Ze geven dus een beleid weer op een bepaald moment in de

onderverdeeld in:

tijd. Bovendien gaan deze budgetten ruimer: niet alleen onderzoek en ontwikkeling, maar ook de andere wetenschappelijke

●

Onderzoek en Ontwikkeling (O&O): ‘Op stelselmatige

activiteiten die innovatie stimuleren, worden mee in rekening

wijze uitvoeren van creatieve werkzaamheden met het doel

gebracht. Gezien het toenemende belang van de innovatie-

het kennisbestand, met inbegrip van kennis van mens,

activiteiten als geheel naast de O&O-performantie zelf, is het

cultuur en maatschappij, te vergroten en deze kennis te

noodzakelijk om ook hierover meer inzicht te bekomen.

gebruiken om nieuwe toepassingen te ontwerpen’.

Sinds 1996 wordt voor de Vlaamse overheid jaarlijks op

●

Onderwijs en Vorming (O&V): ‘Alle activiteiten in het kader

systematische wijze het Horizontaal Begrotingsprogramma

van het gespecialiseerd niet-universitair hoger onderwijs,

Wetenschapsbeleid (HBPWB) opgemaakt. Het HBPWB geeft

het universitair onderwijs, het post-universitair onderwijs en

een globaal budgettair overzicht van alle kredieten die in de

verdere bijscholing en het georganiseerd, continu onderwijs

verschillende departementen en Vlaamse openbare instellingen

ten behoeve van wetenschappers en ingenieurs’.

bestemd zijn voor activiteiten omtrent wetenschap, technologie en innovatie. Het geeft de bestemming van de middelen aan

●

Wetenschappelijke en Technologische Dienstverlening

en welke de betrokken actoren zijn. Dit overzicht van de

(W&T): ‘Activiteiten met betrekking tot onderzoek en

kredieten per jaar, toont de inspanningen van de Vlaamse

ontwikkeling, die bijdragen tot het genereren, verspreiden

overheid om wetenschappelijke activiteiten in Vlaanderen te

en toepassen van wetenschappelijke en technische kennis’.


101

indeling volgens het type van onderzoek:

6.2 VLAAMSE OVERHEIDSKREDIETEN VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE

●

Fundamenteel onderzoek: ‘experimentele of theoretische

Figuur 6.1 geeft de evolutie van de HBPWB’s tussen 1993 en

werkzaamheden die in de eerste plaats tot doel hebben om

2007 weer, samen met de verdeling naar het type activiteit:

nieuwe kennis te vergaren over de fundamenten die aan

O&O, O&V en W&T. De opeenvolgende regeringen stelden

verschijnselen en waarneembare feiten ten grondslag

het wetenschapsbeleid prioritair én voorzagen er de nodige

liggen, zonder daarbij een specifieke toepassing of een

middelen voor. Dit is duidelijk te zien aan de stijging van de

specifiek gebruik op het oog te hebben’;

kredieten: 294 miljoen euro tijdens de jaren 1996 tot en met

De analyse naar O&O, O&V en W&T wordt systematisch uitgevoerd op het HBPWB. Binnen O&O is er een verdere

1999, en 445 miljoen euro tijdens de periode 2000-2006. ●

Toegepast onderzoek: ‘oorspronkelijk onderzoek dat in de

De oorzaak voor de daling in 2007 ligt bij het feit dat de

eerste plaats is gericht op een specifiek praktisch doel’;

eenmalige, niet structurele toekenning in 2005 en 2006 van telkens 75 miljoen euro via het VINNOF, niet wordt herhaald

●

Experimentele ontwikkeling: ‘systematische werkzaam-

in 2007 en niet volledig wordt gecompenseerd door de

heden op basis van bestaande, door onderzoek of

eenmalige middelen voor het Hermesfonds en de LRM-

praktische ervaring opgedane kennis, die tot doel hebben

impulsfinanciering die voor 2007 zijn voorzien. De stijging van

nieuwe of aanzienlijk verbeterde processen, systemen of

de kredieten over de jaren heen is vooral toe te schrijven aan

diensten in te voeren’.

de dynamiek op de programma’s voor het ‘eigenlijke’ wetenschapsbeleid: tijdens de jaren 1996-1999 stegen ze met

Binnen de O&O-kredieten wordt nog verder aangegeven welke

266 miljoen euro, tijdens de jaren 2000-2007 met 455 miljoen

de verdeling is over de verschillende onderzoeksdomeinen,

euro (initiële kredieten). Vanaf 2002 gaf men jaarlijks nog extra

zoals die zijn geklasseerd volgens de NABS1-codenomenclatuur.

impulsen via bijkomende kredietlijnen en financierings-

Op het HBPWB wordt derhalve ook een volledige NABS-

mechanismen. Ondanks het niet herhalen in 2007 van de

analyse doorgevoerd.

toekenning van 75 miljoen via het VINNOF, is er toch nog een lichte toename met 6 miljoen euro van het ‘eigenlijk’

In punt 2 van dit hoofdstuk wordt vooreerst het Horizontaal

wetenschapsbeleid in 2007 t.o.v. 2006.

over de periode 1993-2007 voorgesteld. De verdeling van de

W&T neemt slechts een klein aandeel in het HBWPB in.

Vlaamse overheidskredieten over O&O, O&V en W&T, over

In 1993 is het O&V-aandeel nog groter dan dit voor O&O.

de verschillende grote indelingen van het wetenschaps- en

Vanaf 1996 komt hier een kentering in. In 1996 zijn het O&O-

technologisch innovatiebeleid, en over de NABS-domeinen

en het O&V-aandeel nagenoeg gelijk. Van dan af stijgen de

wordt aangegeven.

O&O-kredieten gestaag, als gevolg van de jaarlijkse stijging bijna exclusief bestemd voor O&O. In 1996 was het

Vervolgens worden kerncijfers gegeven uit de analyse-input

procentueel aandeel van O&O, O&V en W&T respectievelijk

(bestedingen, personeel), onder meer van de Vlaamse

49%, 47% en 4%; in 1999 52%, 40% en 8%. In 2007 is het

universiteiten, de Vlaamse onderzoeksinstellingen en de

O&O-aandeel gestegen tot 61,3%. O&V maakt nog slechts

Vlaamse wetenschappelijke instellingen.

33,8 % en W&T 5,0% uit van het HBPWB 2007.

Er wordt verwezen naar de Speurgidsen Wetenschap, Technologie en Innovatie 1996 - 2006 en de EWI-Speurgids 2007. De meeste van de voorgestelde gegevens werden daarin in extenso gepubliceerd.

1 Nomenclatuur voor de analyse en vergelijking van wetenschapsbegrotingen en -programma’s.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 6

Begrotingsprogramma Wetenschapsbeleid en de evolutie ervan


102

Figuur 6.1: Verdeling van het wetenschapsbudget over O&O, O&V en W&T, 1993-2007 (in miljoen euro)

1.800 1.600 1.400 1.200 1.000 800 600 400 200 0 1993

■ O&O

1994

1995

■ O&V

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

■ W&T

Een doorsnede doorheen het HBPWB kan gemaakt worden

De verdeling van het totale budget van het HBPWB over deze

volgens zes grote indelingen:

zes grote indelingen, evenals de sterke stijging die het kent in de periode 1993-2006, wordt gegeven in tabel 6.1.

1. Niet-gericht onderzoek aan de universiteiten

Spectaculaire stijgingen zijn gesitueerd ter hoogte van het

2. Werking universiteiten en gelijkgestelde instellingen

niet-gericht onderzoek en de werkingsuitkeringen van de

3. Financiering van onderzoek en ontwikkeling van nieuwe

universiteiten enerzijds en anderzijds ter hoogte van het

technologieën ten behoeve van het bedrijfsleven

industrieel onderzoek. Door het niet herhalen van de 75

4. Wetenschappelijke instellingen, departementale diensten

miljoen euro via het VINNOF voor financiering van innovatie-

en VOI’s

projecten via risicokapitaal, daalt het industrieel onderzoek in

5. Sectorale initiatieven en beleidsondersteunend onderzoek

2007 t.o.v. 2006.

en studies 6. Allerhande uitgaven i.v.m. het algemeen wetenschapsbeleid

Tabel 6.1: Verdeling van het totale budget van het HBPWB (in miljoen euro) 1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

76,866

81,487

89,248

106,930

124,926

137,439

155,727

171,906

180,526

190,964

195,554

218,288

233,359

256,512

278,597

2.1 Werkingstoelagen universiteiten

401,472

418,670

434,771

449,777

464,636

479,022

489,009

500,975

512,265

539,532

561,284

577,947

594,462

615,590

633,213

2.2 Andere toelagen universiteiten

75,700

119,152

99,891

91,218

73,848

64,903

83,944

88,260

88,058

88,506

89,112

83,855

85,543

87,926

62,431

9,649

10,015

10,105

10,378

9,165

9,237

11,902

11,225

12,455

13,822

14,382

14,362

14,724

14,968

16,564

1

Niet-gericht onderzoek

2.3 Andere instellingen 3

Industrieel onderzoek

120,873

133,743

121,855

146,549

178,442

207,867

219,446

216,199

227,163

292,746

330,105

378,606

433,491

465,475

426,919

4

Wet. instellingen, dep. diensten en VOI's

15,113

19,246

19,217

40,183

39,890

40,380

45,813

54,372

52,917

48,983

71,795

65,300

69,029

73,091

70,000

5

Sectorale initiatieven beleidsondersteunend onderzoek

18,927

27,092

25,419

28,333

29,850

41,704

39,338

43,771

68,867

67,338

50,500

31,201

33,857

36,310

39,116

6

Globaal wetenschapsbeleid

6,780

11,140

7,350

17,921

22,099

32,704

61,800

40,348

23,417

26,911

22,465

23,314

24,365

26,325

28,931

725,380

820,545

807,855

891,288

TOTAAL

942,855 1.013,256 1.106,979 1.127,056 1.165,667 1.268,801 1.335,196 1.392,873 1.488,829 1.576,197 1.555,772


103

Figuur 6.2: De procentuele verdeling van de O&O-kredieten over de NABS-codes

■ 0,87% ■ 1,65%

■ 0,17%

■ 1,87%

■ 1. Exploratie en exploitatie van het aardse milieu

■ 1,05% ■ 0,03% ■ 2,47%

■ 29,23%

■ 2. Infrastructuur en ruimtelijke ordening ■ 3. Milieubescherming en milieuzorg ■ 4. Bescherming en bevordering van de menselijke gezondheid ■ 5. Productie , distributie en rationeel gebruik van energie ■ 6. Landbouwproductie en -technologie ■ 7. Industriële productie en technologie ■ 8. Maatschappelijke structuren en relaties ■ 10. Onderzoek gefinancierd uit algemene universiteitsfondsen ■ 11. Niet-toepassingsgericht onderzoek ■ 12. Overig onderzoek in de civiele sector

■ 19,65%

■ 1,57%

■ 41,43%

De procentuele verdeling van de O&O kredieten over de

voor de universiteiten een belangrijk deel voor hun rekening.

NABS-codes voor 2007 wordt weergegeven in figuur 6.2.

Voor 2007 is dit 611,137 mln. EUR (39%). Van dit bedrag is

De toewijzingen zijn benaderend te interpreteren, omdat voor

75% bestemd voor Onderwijs en Vorming (O&V), terwijl 25%

sommige onderzoeksdomeinen de uitgave 1993 van de NABS-

gaat naar Onderzoek en Ontwikkeling (O&O).

codes ondertussen ook al achterhaald is. Het grootste kredietvolume is in 2007 voor het industrieel onderzoek (NABS 7)

De tweede geldstroom omvat de middelen voor het

met 395 miljoen euro (41,5%). Dan volgt niet-gericht onderzoek

fundamenteel, niet-gericht onderzoek.

(NABS11): 466 miljoen euro (49%). Dit zijn inderdaad de twee

Tabel 6.3 geeft de evolutie (1993-2007) van de middelen

grote polen van het wetenschapsbeleid: het fundamenteel onder-

bestemd voor het niet-gericht onderzoek aan de universiteiten

zoek als basis voor het verdere technologisch innovatiebeleid.

- m.a.w. het onderzoek op vrij initiatief van de vorser. De middelen van het Bijzonder Onderzoeksfonds (BOF) gaan rechtstreeks naar de universiteiten en worden door de

6.3 OVERHEIDSKREDIETEN VOOR DE VLAAMSE UNIVERSITEITEN

onderzoeksraad verdeeld in functie van het universitaire onderzoeksbeleid. De middelen voor de specialisatiebeurzen van het IWT en voor de mandaten en projecten van het FWO

De overheidskredieten voor de universiteiten bestaan uit de

worden indirect verdeeld door deze intermediairen, volgens

eerste en tweede geldstroom.

vastgelegde kwaliteitscriteria en een evaluatie op basis van peer review.

De eerste geldstroom bevat de werkingsuitkeringen van de universiteiten. De werkingsuitkeringen zijn de middelen die

Deze middelen stegen sterk door de forse inhaalbeweging

de universiteiten ontvangen voor hun gewone werking voor

van de Vlaamse regering én door een heroriëntering van

academisch onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en weten-

de middelen met beleidsaccent op de stimulering van het

schappelijke dienstverlening.

fundamenteel, grensverleggend onderzoek.

Tabel 6.2 geeft een overzicht van de universitaire

Het relatieve aandeel en de evolutie van de middelen voor

werkingstoelagen voor de jaren 1993-2007. Van het totaal

het niet-gericht onderzoek verdeeld via BOF, FWO en IWT

van de kredieten voor wetenschapsbeleid nemen de toelagen

(1993-2007) worden op hun beurt gegeven in figuur 6.3.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 6

(NABS 10) samen met de algemene universiteitsfondsen


104

Tabel 6.2: Werkingsuitkeringen aan de universiteiten (in miljoen euro) 1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

KUBrussel

4,351

4,586

4,603

4,698

4,762

5,228

4,960

4,968

4,742

4,984

5,068

5,177

5,259

5,349

5,421

KULeuven

164,115

169,418

173,597

178,349

183,109

187,504

189,688

192,370

194,544

200,420

204,136

207,890

211,105

214,659

217,568

11,619

14,792

16,554

16,537

16,924

16,351

16,889

17,236

17,625

14,535

14,661

15,047

15,289

15,828

16,298

0,087

5,202

5,898

6,174

6,620

7,106

7,236

UHasselt tUL UGent

2007

104,271

108,778

117,264

124,244

130,186

138,228

142,695

147,846

154,058

161,344

166,422

171,482

176,804

182,460

190,852

75,899

78,177

80,096

81,251

83,048

84,315

58,437

61,059

61,945

64,035

66,140

67,765

69,286

71,544

72,748

RUCA

16,872

18,027

18,547

19,425

20,340

20,615

21,029

21,718

22,067

UFSIA

18,709

19,353

19,261

19,479

20,069

20,501

20,964

21,465

21,715

UIA

22,856

23,679

24,137

25,131

25,731

26,649

27,293

28,361

28,966

58,679

60,037

60,808

61,914

63,515

63,324

65,491

67,011

68,461

70,551

72,044

73,388

74,524

75,777

76,805

401,472

418,670

434,771

449,777

464,636

478,400

489,009

500,975

512,265

532,935

546,406

559,254

570,852

584,227

598,495

0,000

6,597

7,425

7,531

12,225

12,574

12,642

512,265

539,532

553,831

566,785

583,077

596,801

611,137

7,453

8,562

8,785

14,189

14,476

2,600

2,600

2,600

2,600

2,000

5,000

577,947

594,462

615,590

633,213

UA

VUB Totaal werkingsuitkeringen

0,622

Verhoging basissubsidie Aanvullende werkingsmiddelen - BAMA Totaal werkingsuitkeringen + aanvullende middelen

479,022

Enveloppe hogescholenonderwijs academiseringsgelden (2 cycli) + elektrongelden LRM impulsfinanciering tUL Onderzoeksbetrokkenheid academische opleidingen aan de hogescholen Algemeen totaal

401,472

418,670

434,771

449,777

464,636

479,022

489,009

500,975

512,265

539,532

561,284

Tabel 6.3: Middelen voor het niet-gericht onderzoek (in miljoen euro)

Specialisatiebeurzen IWT FWO

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

6,130

7,600

10,697

11,936

12,747

12,181

15,791

15,486

16,247

18,265

17,786

18,053

20,269

21,729

24,255

18,396

19,098

19,844

20,521

76,686

83,359

90,960

90,969

80,883

82,408

84,784

92,514

103,922

120,288

112,531

11,712

11,700

11,712

11,712

15,615

FWO - beurzen en mandaten

27,129

FWO - projecten FWO - toelage projecten FWO - geassocieerde fondsen

2,573

2,648

2,695

29,767

31,730

34,866

2,592

FWO-Vlaanderen FWO-Vlaanderen (Nat. Loterij) FWO-Vlaanderen internat.

0,750

Onderzoeksfaciliteiten

5,000

Herculesstichting BOF

20,000

BOF - speciale fondsen

10,369

10,558

14,229

BOF - overlegde programma’s

10,042

10,588

14,908 35,493

Subsidie BOF

41,899

48,976

65,451

83,396

90,291

92,984

96,009

97,468

Methusalem-progr.

99,033

100,444

3,000

10,043

256,512

278,597

1,500

ZAP-mandaten Algemeen totaal

0,941 12,171

Odysseus-programma

76,866

81,487

89,248

106,930

124,926

137,439

155,727

171,906

180,526

190,964

195,554

218,288

233,359


105

Figuur 6.3: Het relatieve aandeel en de evolutie van de middelen van het niet-gericht onderzoek verdeeld via BOF, FWO en IWT (1993-2007)

150 140 130 120

Kredieten (in mln. EUR)

110 100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0 1993

■ IWT

1994

1995

■ FWO

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

■ BOF

6.4 BESTEDING VAN DE MIDDELEN VERDEELD VIA HET FONDS VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK (FWO-VLAANDEREN)

over de drie luiken: de individuele kredieten en mandaten, de projecten en de diversen, is terug te vinden in tabel 6.4; de evolutie en verdeling van het globale mandatenbestand en verdeling van de projectkredieten over de wetenschaps-

De evolutie 1992-2006 van de Vlaamse overheidskredieten voor

sectoren in figuur 6.6 en 6.7.2

het FWO-Vlaanderen, evenals de verdeling van de kredieten

Tabel 6.4: Evolutie van de toelagespreiding over de actiemiddelen van het FWO-Vlaanderen (in miljoen euro) Uitgaven Mandaten

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

28,06 45%

31,78 45%

35,05 47%

37,90 47%

38,84 44%

43,28 46%

49,26 46%

53,72 48%

55,57 48%

44,55 42%

49,66 42%

51,53 40%

56,33 44%

57,23 41%

60,19 40%

Wetenschappelijke contacten

2,08 3%

2,01 3%

1,91 3%

1,91 3%

2,73 3%

2,88 3%

2,33 2%

2,48 2%

2,20 2%

3,41 3%

2,66 2%

2,68 2%

2,94 2%

3,41 2%

3,59 2%

Kredieten aan navorsers

1,07 2%

0,94 1%

2,35 3%

2,33 3%

2,88 3%

2,75 3%

0,97 1%

1,66 1%

1,77 2%

1,67 2%

2,24 2%

1,70 1%

1,57 1%

2,08 2%

1,71 1%

28,28 45%

32,33 46%

31,95 43%

34,90 43%

39,74 45%

41,62* 44%

50,72* 47%

50,07* 45%

50,93 44%

53,02 49%

58,44 50%

67,27 53%

63,54 49%

70,61 51%

78,24 52%

Diversen

2,85 5%

3,00 5%

3,30 4%

3,69 5%

3,89 5%

4,36 4%

4,51 4%

4,51 4%

4,59 4%

4,67 4%

4,66 4%

4,87 4%

4,94 4%

5,08 4%

5,58 4%

TOTAAL

62,34 100%

70,06 100%

74,56 100%

80,73 100%

88,08 100%

94,89 100%

107,79 100%

112,44 100%

115,05 100%

107,32 100%

117,67 100%

128,05 100%

129,31 100%

138,41 100%

149,31 100%

Onderzoeksprojecten

De kostprijs van de permanente onderzoekers is continu opgenomen bij mandaten, terwijl die eertijds boekhoudkundig bij de onderzoeksprojecten hoorde. Vanaf 1/10/2000 zijn deze onderzoekers echter naar het Z.A.P. overgeheveld. * Gelden voor het Max-Wildiersfonds worden besteed vanaf 2000 e.v. 2 Een uitgebreide beschrijving van de besteding van de middelen van het FWO werd opgenomen in de Speurgids WTI 2006, hoofdstuk IV.1. Basisteksten en gegevens werden aangeleverd door B. Hinnekint, FWO-Vlaanderen.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 6

volgens wetenschapssector in de figuren 6.4 en 6.5; de evolutie


106

Figuur 6.4: Evolutie van het mandatenbestand volgens wetenschapssector 1991-1996 (FWO)

300

250

200

150

100

50

0 1992

1991

1993

1994

1995

1996

■ Natuur- en Exacte wetenschappen ■ Biomedische wetenschappen ■ Toegepaste wetenschappen ■ Taal- en Cultuurwetenschappen ■ Maatschappijwetenschappen

Figuur 6.5: Evolutie van het mandatenbestand volgens wetenschapsgebied 1996-2005 (FWO)

400 350 300 250 200 150 100 50 0 1996

1997

1998

1999

■ Exacte wetenschappen ■ Biologische wetenschappen ■ Medische wetenschappen ■ Toegepaste wetenschappen ■ Cultuur- en taalwetenschappen ■ Gedrags- en maatschappijwetenschappen

2000

2001

2002

2003

2004

2005


107

Figuur 6.6: Evolutie van de kredieten van de onderzoeksprojecten, uitgesplitst per wetenschapsgebied 1992-1997 (FWO) (in miljoen euro)

25

20

15

10

5

0 1992

1993

1994

1995

1996

1997

■ Natuur- en Exacte wetenschappen ■ Biomedische wetenschappen ■ Toegepaste wetenschappen ■ Taal- en Cultuurwetenschappen ■ Maatschappijwetenschappen

Figuur 6.7: Evolutie van de kredieten van de onderzoeksprojecten, uitgesplitst per wetenschapsgebied 1998-2005 (FWO) (in miljoen euro)

25

15

10

5

0 1998

1999

2000

■ Exacte wetenschappen ■ Biologische wetenschappen ■ Medische wetenschappen ■ Toegepaste wetenschappen ■ Cultuur- en taalwetenschappen ■ Gedrags- en maatschappijwetenschappen

2001

2002

2003

2004

2005

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 6

20


108

Tabel 6.5: Financiering van onderzoek en ontwikkeling van nieuwe technologieĂŤn ten behoeve van het bedrijfsleven (in miljoen euro) 1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

IWT - initiatief Vlaamse regering (vroegere FIOV)

31,854

53,297

38,748

26,051

34,762

38,104

54,321

29,435

32,848

37,744

11,048

6,186

13,750

8,751

26,468

IWT - initiatief bedrijven en innovatie samenwerkingsverbanden

37,184

27,268

20,662

29,668

41,993

53,590

54,289

77,777

82,734

82,484

101,503

96,863

98,213

119,275

121,721

5,445

13,457

11,839

10,901

11,065

IWT - innovatieve mediaprojecten IWT - Vlaams Innovatie Netwerk (VIN)

0,814

0,826

7,095

8,042

8,215

9,581

10,811

11,012

11,090

11,601

11,780

27,271

27,618

28,245

28,659

33,652

34,308

34,481

35,033

35,625

38,909

27,075

25,821

27,499

27,772

29,353

29,934

31,263

33,501

33,101

37,754

35,131

1,487

2,181

2,132

22,806

23,490

24,194

24,921

25,669

26,034

27,817

28,595

29,453

30,366

31,334

38,104

17,000

17,287

23,046 9,602

3,966

4,333

4,442 1,450

1,006

2,910

2,866

IMEC

22,065

23,166

24,316

24,316

27,055

VITO

24,274

24,281

25,808

26,569

IWT - werking Vergoeding geleverde prestaties IWT

VITO-Prodem VIB

3,461

4,291

4,162

IBBT 9,265

10,794

9,602

9,602

9,602

1,591

1,760

1,834

1,896

1,916

1,943

1,973

1,973

2,002

2,165

2,200

2,231

2,479

3,927

4,358

4,358

5,935

5,949

5,949

5,949

5,949

5,949

6,999

7,399

3,000

3,000

11,500

9,000

9,000

1,239

7,437

2,801

9,901

16,840

37,488

37,488

38,604

38,604

5,000

5,000

1,365

2,087

2,717

30,000

30,000

30,000

75,000

75,000

10,030

11,341

11,503

2,300

2,374

465,475

426,919

Landbouwonderzoek 1,530

STV

1,398

1,470

IWT-TETRA (HOBU) Fonds PWO Technopolis Strategisch basisonderzoek SBO (GBOU)

2,157

16,192

10,139

10,139

16,840

Preklinisch toegepast onderzoek 4,958

Biotech-fonds Vlaanderen

4,958

4,958

4,958 1,239

Interfacediensten

1,257

1,269

1,289

FFEU - wetenschapsbeleid

0,327

1,326

1,345

37,180

37,250

14,278

30,000

30,000

Vlaamse excellentiepolen Innovatie

17,989

Participaties O&O via P.M.V. P.M.V. - VINNOF

2,000

Industrieel Onderzoeksfonds

30,000

Onderzoek Staalindustrie vzw Flanders DC

1,439

Limburgplan Totaal

120,873

133,743

121,855

146,549

178,442

207,867

6.5 OVERHEIDSKREDIETEN VOOR INDUSTRIEEL ONDERZOEK De verdeling en evolutie van de middelen voor industrieel onderzoek over de periode 1993-2007 wordt gegeven in tabel 6.5.

219,446

216,199

227,163

292,746

330,105

378,606

433,491

6.6 BESTEDING VAN DE MIDDELEN VERDEELD VIA HET INSTITUUT VOOR DE AANMOEDIGING VAN INNOVATIE DOOR WETENSCHAP EN TECHNOLOGIE IN VLAANDEREN (IWT-VLAANDEREN)

De evolutie van de onderscheiden beleidsinitiatieven en bijhorende kredieten kunnen gevolgd worden over verschillende

Het IWT heeft sinds 1994 de opdracht de specialisatiebeurzen

jaren. Een constante zijn de IWT-kredietlijnen en de onderzoeks-

(doctoraatsbeurzen) te beheren. De evolutie van de IWT-

instellingen IMEC, VITO, VIB en vanaf 2005 ook IBBT, evenals

specialisatiebeurzen per discipline, wordt gegeven in figuur 6.8.3

STV. De meest markante wijzigingen zijn de opkomst van het strategisch basisonderzoek en de aandacht voor het onderzoek in de hogescholen. Vanaf 2003 zijn er extra middelen voor de Vlaamse excellentiepolen en zijn ook door de defederalisering van de beleidspost Landbouw de kredieten voor het landbouwonderzoek ingeschreven in de Vlaamse begroting. In 2007 bedraagt het krediet voor IWT ten behoeve van het initiatief bedrijven en innovatie samenwerkingsverbanden 121,721 mln. EUR.

3 Een uitgebreide beschrijving van de besteding van de middelen van het IWT werd opgenomen in de Speurgids WTI 2006, hoofdstuk IV.2. Referentie: Dirk Maeckelberghe, IWT-Vlaanderen


109

Figuur 6.8: Evolutie van de bursalen over de Vlaamse universiteiten in de periode 1994-2006

350

Totaal aantal bursalen

300 250 200 150 100 50 0 1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

■ KULeuven ■ UGent ■ UA ■ VUB ■ UHasselt

6.7 O&O-INPUT VOOR DE VLAAMSE ONDERZOEKSINSTELLINGEN IMEC, VITO, VIB EN IBBT

IMEC kende vanaf de start een sterke groei in haar

De input van middelen en personeel, en de evolutie over

VITO voert contractonderzoek uit en ontwikkelt innovatieve

de periode 1992-2005, voor de onderzoeksinstellingen IMEC

producten en processen in de domeinen energie, leefmilieu

(Interuniversitair Centrum voor Micro-elektronica), VITO

en materialen, zowel voor de overheid als het bedrijfsleven

(Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek), VIB

en met de nadruk op het bevorderen van duurzaam gebruik

(Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie) en IBBT

van grondstoffen en energie. De onderzoeksactiviteiten zijn

(Interdisciplinair instituut voor BreedBand Technologie) wordt

georganiseerd in twee clusters van telkens vier expertisecentra

weergegeven in tabel 6.6. Een meer uitgebreide beschrijving

die zich respectievelijk richten op wetenschappelijke diagnose

van de besteding van de middelen van IMEC, VITO en VIB

(centra voor evaluatie en metingen) en innovatie (remediërende

werd opgenomen in de Speurgids 2002, deel IV.

en toegepaste productontwikkeling). VITO is binnen de eerste

personeelsbestand. In 2006 steeg het aantal medewerkers (payroll + non-payroll) van 1418 naar 1506.

wetenschappelijke partner van de Vlaamse milieuadministraties.

contractonderzoek, waarbij onderzoeksprojecten met regionale

VITO levert, net als IMEC, grote inspanningen voor het

en internationale partners worden uitgebouwd. De jaarlijkse

verwerven van meer contractwerk. Daarbij blijft het evenwel

overheidstoelage stelt IMEC in staat om het basisonderzoek

prominent aanwezig op het internationaal wetenschapsforum,

op lange termijn te financieren, waarmee de strategische

in het bijzonder dat van de Europese Kaderprogramma’s.

‘background know-how’ wordt ondersteund, los van de specifieke

Sedert 1996 verhoogde het personeelsbestand met 18%,

samenwerkingsverbanden. IMEC’s onderzoeksactiviteiten zijn

een stijging die zich vooral bij hoger geschoolden situeert.

georganiseerd in divisies, waarvan procestechnologie (micro-

De aantrekkelijkheid voor jonge onderzoekers wordt o.a.

elektronica) de belangrijkste is. Daarnaast zijn er de

gewaarborgd via een vlotte en erkende doorstroming naar

onderzoeksdivisies in nanotechnologie, ontwerpmethodes en

zowel de private als openbare sector.

technologieën voor ICT-systemen.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 6

cluster het Vlaams referentielaboratorium en structurele IMEC genereert hierbij diverse inkomsten uit voornamelijk


110

Tabel 6.6: Input aan middelen en personeel voor de Vlaamse onderzoeksinstellingen IMEC, VITO, VIB en IBBT Onderzoeksinstelling 1992 IMEC VITO 1993 IMEC VITO 1994 IMEC VITO 1995 IMEC VITO 1996 IMEC VITO*** VIB** 1997 IMEC VITO VIB 1998 IMEC VITO VIB 1999 IMEC VITO VIB 2000 IMEC VITO VIB 2001 IMEC VITO VIB 2002 IMEC VITO VIB 2003 IMEC VITO VIB 2004 IMEC VITO VIB 2005 IMEC VITO VIB IBBT****

Vlaamse overheid (toelage) (mln. EUR)

Contractonderzoek (mln. EUR)

21,02

16,06

0,64

292

103

22,05

5,61

0,66

145

188

22,06

18,84

0,30

312

109

24,27

5,31

0,75

153

204

23,18

19,86

0,79

333

117

24,27

6,96

0,43

165

208

24,32

23,13

2,13

352

124

25,81

7,27

0,78

175

208

24,32

29,15

2,82

375

132

26,46

9,72

1,36

173

207

22,81

0,70

0,62

138

136

27,06

35,15

6,41

414

145

27,56

13,04

1,85

193

211

23,50

2,68

0,28

144

165

27,59

38,70

6,52

464

163

24,45

16,14

6,58

212

212

25,18

4,34

1,17

169

165

27,95

42,50

10,11

504

177

27,50

17,57

0,38

236

211

24,92

5,74

1,25

199

165

28,25

70,48

4,13

542

191

27,77

17,72

0,17

233

216

25,67

5,41

0,42

199

164

27,42

87,71

3,43

622

218

29,35

19,04

0,18

253

212

26,03

5,63

0,35

175

173

33,65

103,39

1,36

738

259

29,93

21,88

247

204

27,81

5,19

0,48

219

214

34,31

108,93

2,07

754

263

31,26

24,30

264

201

28,60

5,80

1,14

228

193

34,48

118,14

6,29

790

261

33,50

26,64

261

201

29,45

8,11

2,11

261

193

35,03

157,24

4,35

814

274

33,10

29,11

271

199

30,37

9,28

297

205

17,00

1,06

2,27 -

* Doctor, Burg. Ir., licentiaat, Ind. Ir. ** Het VIB werd opgericht in 1995 en werd operationeel in 1996 *** Globale basistoelage, recente referentietaken en doelfinanciering inbegrepen **** Personeel IMEC: alleen payroll (koppen) ***** Personeel IBBT centrale functies

Diverse (mln. EUR)

Personeel Hoger geschoold*

8

Personeel Ander


111

VIB is een onderzoekscentrum voor biotechnologie waarin de mogelijkheden worden geëxploreerd rond de combinatie van innovatief basisonderzoek met tech transfer. De ontwikkeling

6.9 O&O-UITGAVEN IN DE PUBLIEKE SECTOR IN VLAANDEREN: EEN INTERNATIONALE VERGELIJKING

van industriële activiteiten in de biotechnologiesector is sterk afhankelijk van de aanwezigheid van een technologieplatform.

Door de OESO worden de uitgaven voor O&O als een

Daartoe voert VIB, naast strategisch basisonderzoek via een

bijzonder belangrijke indicator beschouwd voor het meten van

groeiende publicatieperformantie, een proactief technologie-

de O&O-intensiteit en innovatie. Deze uitgaven kunnen worden

transferbeleid, met name het vertalen van uitvindingen in

uitgedrukt in een percentage van het regionale BBP en worden

economische groei, nieuwe jobs en op termijn nieuwe

gerelateerd aan het aantal inwoners. Als basisindicator worden

producten. VIB fungeert meer en meer als - internationale -

de O&O-uitgaven gefinancierd door de overheid genomen.

katalysator voor de Vlaamse biotechbedrijven en staat

Deze kan worden uitgedrukt in de nationale munt, maar

ondertussen bekend als centrum waar overheid en publiek

ook geconverteerd naar USD door gebruik te maken van de

terecht kunnen voor correcte, wetenschappelijk onderbouwde

purchasing power parities (PPP). Afgeleide indicatoren zijn echter

informatie over biotechnologie en haar toepassingen. Sinds de

nodig om zinvolle vergelijkingen mogelijk te maken, bijvoorbeeld

opstart van het instituut in 1995 is het personeelsbestand

om de invloed van de omvang van het land of de regio te

gegroeid van 504 naar 1030 (31 december 2006). De sterke

elimineren. De ‘O&O-uitgaven gefinancierd door de overheid

innovatieve oriëntatie zorgt dat onderzoekers in een creatieve

in % van het BBP’ en de ‘O&O-uitgaven gefinancierd door de

en autonome omgeving goed kunnen functioneren.

overheid per capita’ worden als afgeleide indicatoren gezien.

IBBT is gericht op onderzoek in Informatie- en Communicatie-

Tabel 6.8 geeft een overzicht van de overheidskredieten die in

technologie (ICT) in het algemeen, en de ontwikkeling van

Vlaanderen voor O&O beschikbaar zijn (Vlaamse kredieten +

breedbandtoepassingen in het bijzonder. Dit onderzoek is

Vlaams aandeel van de federale kredieten + het aandeel in de

interdisciplinair en vraaggedreven en vindt plaats in nauwe

EU overheidskredieten) als %BBP-Vlaanderen - ofwel het bruto

samenwerking met zowel bedrijven als de overheid. Het heeft

binnenlands product per regio. Uit deze tabel blijkt duidelijk de

tot doel oplossingen te bieden voor complexe problemen en

sinds 1996 volgehouden inhaalbeweging.

zo tegemoet te komen aan toekomstige uitdagingen van de Tabellen 6.9 en 6.10 geven voor de afgeleide indicatoren

een breed gamma aan domeinen zoals eHealth en

- % BBP en per capita - een vergelijking van Vlaanderen met

ouderenzorg, mobiliteit en logistiek, nieuwe media en

de belangrijkste EU-landen, aangevuld met de Verenigde

eGovernment. IBBT’s multidisciplinair onderzoek bouwt bruggen

Staten en Japan. Er dient hier opgemerkt dat Vlaanderen quasi

tussen kennisinstellingen, de industrie en de overheid en

60% van de bevolking van België levert, maar dat het Vlaamse

verzekert de opbouw van hoogcompetent menselijk kapitaal.

aandeel van de federale kredieten zelfs niet de 56% bereikt - de ESA-kredieten komen slechts voor 35,5 % Vlaanderen ten goede (Bron: VRWB).

6.8 O&O-INPUT VOOR DE VLAAMSE WETENSCHAPPELIJKE INSTELLINGEN

In 1996 situeert Vlaanderen zich nog op een relatief bescheiden niveau. Uit de tabellen blijkt dat Vlaanderen zijn

De input aan middelen en personeel, en de evolutie over

positie aanzienlijk verbeterd heeft en op een vergelijkbaar

de periode 1992-2005, voor de Vlaamse wetenschappelijke

niveau komt met de belangrijkste EU-partners.

instellingen word weergegeven in tabel 6.7.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 6

maatschappij. Toepassingen van IBBT-onderzoek zijn er binnen


112

Tabel 6.7: Input aan middelen en personeel voor de Vlaamse wetenschappelijke instellingen Wet. instelling 1992 IN IBW IAP CBGS KMSKA 1993 IN IBW IAP CBGS KMSKA 1994 IN IBW IAP CBGS KMSKA 1995 IN IBW IAP CBGS KMSKA 1996 IN IBW IAP CBGS KMSKA 1997 IN IBW IAP CBGS KMSKA 1998 IN IBW IAP CBGS KMSKA 1999 IN IBW IAP CBGS KMSKA 2000** IN IBW IAP CBGS KMSKA 2001 IN IBW IAP CBGS KMSKA

Vlaamse overheid (mln. EUR)

Andere inkomsten (mln. EUR)

Personeel Hoger geschoold*

Personeel Ander

0,75 0,55 0,45 0,27

0,05 0,35 0,23 0,35

25 11 17 17 17

9 20 43 9 64

0,75 0,70 0,53 0,28 1,07

0,29 0,30 0,56 0,15

29 12 17 17 17

11 22 71 9 64

1,20 1,22 0,54 0,28 0,72

0,24 0,53 0,71 0,01 0,23

31 15 18 17 17

13 23 60 9 64

1,19 1,54 0,59 0,29 1,47

0,38 0,41 0,66 0,02 0,43

31 22 19 17 19

13 31 65 9 63

1,48 1,94 0,42 0,28 1,49

0,37 0,36 0,68 0,02 0,30

30 22 19 17 20

17 33 64 9 62

1,77 2,11 0,74 0,29 1,52

1,43 0,49 0,92 0,10 0,65

48 26 20 17 20

21 38 76 9 62

1,89 2,33 0,94 0,30 1,53

1,16 0,59 0,03 0,03 1,08

38 31 18 17 25

20 44 55 9 75

2,85 2,40 0,82 0,31 1,79

0,82 0,69 0,03 0,03 0,98

54 31 20 17 25

16 50 55 9 75

3,84 3,02 2,56 1,59 4,23

0,83 0,64 0,03 0,03 0,29

61 41 31 20 25

28 70 73 9 75

4,36 3,84 3,60 1,62 4,74

0,97 1,02 0,03 0,03 1,02

96 44 60 21 25

28 66 84 9 75


113

Tabel 6.7: Input aan middelen en personeel voor de Vlaamse wetenschappelijke instellingen (vervolg) Wet. instelling 2002 IN IBW IAP CBGS KMSKA 2003 IN IBW IAP*** CBGS KMSKA CLO CLE 2004 IN IBW VIOE CBGS KMSKA CLO CLE 2005 IN IBW VIOE CBGS**** KMSKA CLO***** CLE*****

Vlaamse overheid (mln. EUR)

Andere inkomsten (mln. EUR)

Personeel Hoger geschoold*

Personeel Ander

4,84 4,73 4,37 1,87 5,58

1,04 0,68 0,23 0,06 0,00

104 52 61 21 27

31 68 55 6 72

5,14 4,93 4,81 1,66 4,85 12,57 2,92

1,26 0,86 0,24 0,05 0,00 9,30 0,00

80 56 52 19 26 13 22

29 72 53 7 68 402 51

4,44 5,15 4,27 1,85 4,75 15,03 3,33

1,00 1,04 0,18 0,07 0,00 10,10 0,34

83 53 34 22 29 121 27

36 78 73 6 72 348 56

4,66 6,10 4,83 1,88 4,64 14,35 2,31

1,09 0,58 0,19 0,09 0,00 10,97 0,53

85 58 54 22 30 121 21

49 84 80 7 68 342 50

Doctor, burg. ir., bio-ingenieur, licentiaat, ind ir. Vanaf 2000 worden de salarissen en toelagen van het personeel voor de wetenschappelijke instellingen (behalve voor het IBW) vermeld als onderdeel van de middelen van de Vlaamse overheid. Deze informatie is gebaseerd op de O&O-uitgaven zoals vermeld in de OESO O&O-enquĂŤte en wordt toegevoegd aan de middelen afkomstig van de Vlaamse overeheid. *** Vanaf 2004: Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) **** CBGS werd in 2006 opgeheven ***** Vanaf 2006 vormen CLO en CLE samen het ILVO (Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek)

Tabel 6.8: O&O-overheidskredieten als percentage BBP-Vlaanderen (kredieten in miljoen euro) VLAAMSE OVERHEID Jaar

BBP-Vlaanderen

1995

117.908,7

O&O-kredieten 365,400

% O&O/BBP-Vlaanderen 0,31

1996

119.849,0

429,670

0,36

1997

126.623,3

479,620

0,38

1998

131.010,2

518,640

0,40

1999

136.379,3

575,120

0,42

2000

144.135,8

595,685

0,41

2001

147.999,4

625,071

0,42

2002

152.714,9

711,258

0,47

2003

157.115,1

770,687

0,49

2004

164.948,3

820,666

0,50

2005

170.768,7

898,638

0,53

2006

180.284,9

966,137

0,54

2007

188.487,9

953,584

0,51

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 6

* **


114

Tabel 6.8: O&O-overheidskredieten als percentage BBP-Vlaanderen (kredieten in miljoen euro) (vervolg) VLAAMSE OVERHEID + VLAAMS AANDEEL FEDERALE OVERHEID Jaar

BBP-Vlaanderen

Vlaamse + Vlaams aandeel Federale O&O-kredieten * 1995 117.908,7 570,238 1996 119.849,0 635,946 1997 126.623,3 700,292 1998 131.010,2 746,690 1999 136.379,3 801,236 2000 144.135,8 831,333 2001 147.999,4 865,123 2002 152.714,9 946,773 2003 157.115,1 1.023,284 2004 164.948,3 1.069,544 2005 170.768,7 1.132,233 2006 180.284,9 1.219,024 2007 188.487,9 1.188,807 VLAAMSE OVERHEID + VLAAMS AANDEEL FEDERALE + VLAAMS AANDEEL EU-OVERHEID

% O&O/BBP-Vlaanderen

Jaar

BBP-Vlaanderen

% O&O/BBP-Vlaanderen

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007

117.908,7 119.849,0 126.623,3 131.010,2 136.379,3 144.135,8 147.999,4 152.714,9 157.115,1 164.948,3 170.768,7 180.284,9 188.487,9

0,48 0,53 0,55 0,57 0,59 0,58 0,58 0,62 0,65 0,65 0,66 0,68 0,63

Vlaamse + Vlaams aandeel Federale + EU O&O-kredieten ** 638,588 704,296 768,642 815,040 869,586 901,033 935,845 1.017,495 1.094,006 1.140,266 1.202,955 1.289,747 1.259,529

0,54 0,59 0,61 0,62 0,64 0,63 0,63 0,67 0,70 0,69 0,70 0,72 0,67

* Verdeelsleutel ESA aan 35,5% Vlaams (Bron VRWB - 1997-2003) en de rest van de Federale kredieten aan 56% Vlaams ** Geraamd volgens berekende return van 2,38% voor het Vierde Kaderprogramma (1994-1998) en berekende return van 2,19% voor het Vijfde Kaderprogramma (1998-2002) Bron BBP-Vlaanderen: Studiedienst van de Vlaamse Regering (SVR) - Vlaamse overheid (versie 25 januari 2007 van de berekeningen), op basis van diverse bronnen: 2001-2004: INR; 2005-2007: raming SVR

Tabel 6.9: Internationale vergelijking van de O&O-overheidsuitgaven (GBAORD), uitgedrukt in %BBP O&O-overheidsuitgaven (GBAORD) in %BBP 1996 1998 0,36 0,40 Vlaanderen* Vlaanderen** 0,53 0,57 Vlaanderen*** 0,64 0,66 België 0,54 0,56 Duitsland 0,88 0,81 Frankrijk 1,07 0,96 Verenigd Koninkrijk 0,75 0,66 Ierland 0,32 0,27 Nederland 0,81 0,79 Denemarken 0,71 0,74 Finland 0,95 1,07 Zweden 1,07 0,77 Italië 0,57 0,56 Portugal 0,48 0,51 Spanje 0,47 0,55 Verenigde Staten 0,89 0,85 Japan 0,56 0,60 EU-25 0,75 0,71

2000 0,41 0,58 0,66 0,57 0,79 0,96 0,69 0,30 0,77 0,76 0,98 0,71 0,64 0,58 0,60 0,86 0,65 0,72

2001 0,42 0,58 0,65 0,59 0,78 0,99 0,68 0,32 0,75 0,75 0,97 0,84 0,68 0,60 0,66 0,91 0,70 0,73

2002 0,47 0,62 0,69 0,60 0,78 1,00 0,77 0,33 0,74 0,73 0,96 0,90 geen data 0,67 0,74 0,99 0,72 0,75

2003 0,49 0,65 0,71 0,61 0,79 0,99 0,76 0,34 0,74 0,73 1,00 0,95 geen data 0,61 0,73 1,05 0,73 0,74

2004 0,50 0,65 0,71 0,59 0,77 0,96 0,71 0,44 0,73 0,72 1,01 0,90 geen data 0,63 0,80 1,08 0,72 0,74

Main Science and Technology Indicators, OECD, Volume 2007/1 * Vlaamse overheidskredieten ** Vlaamse overheidskredieten + verdeelsleutel ESA aan 35,5% ESA + rest federale kredieten aan 56% V + EU-KP Vlaams aandeel *** Vlaamse overheidskredieten + Vlaams aandeel 56% van de federale kredieten + EU-KP Vlaams aandeel

2005 0,53 0,66 0,72 0,60 0,77 0,93 0,72 0,47 0,70 0,71 1,03 0,89 0,67 0,73 0,84 1,06 0,71 0,72

2006 0,54 0,68 0,73 0,62 0,77 geen data geen data 0,48 0,73 0,71 0,99 0,87 0,62 0,72 geen data 1,03 0,70 geen data

2007i 0,51 0,63 0,69


115

Tabel 6.10: Internationale vergelijking van de O&O-overheidsuitgaven (GBAORD) per capita (in lopende PPP$) O&O-overheidsuitgaven (GBAORD) per capita (in lopende PPP$) Vlaanderen* Vlaanderen** Vlaanderen*** België Duitsland Frankrijk Verenigd Koninkrijk Ierland Nederland Denemarken Finland Zweden Italië Portugal Spanje Verenigde Staten Japan EU-25

2001 113 169 175 164 205 270 184 100 230 224 268 231 181 115 148 321 183 176

2002 131 187 193 176 212 280 223 109 231 221 276 255 geen data 132 175 358 194 189

2003 141 201 206 188 229 274 226 119 235 225 278 281 geen data 116 183 395 203 191

2004 150 208 215 190 230 278 225 161 246 230 301 279 geen data 123 207 430 212 200

2005 165 221 226 198 236 282 238 181 246 242 317 286 190 146 231 442 220 203

Main Science and Technology Indicators, OECD, Volume 2007/1 * Vlaamse overheidskredieten ** Vlaamse overheidskredieten + verdeelsleutel ESA aan 35,5% ESA + rest federale kredieten aan 56% V + EU-KP Vlaams aandeel *** Vlaamse overheidskredieten + Vlaams aandeel 56% van de federale kredieten + EU-KP Vlaams aandeel

6.10 REFERENTIES • ‘Main Science and Technology Indicators’, OESO, Volume 2007/1 • Bestedingsanalyses 1991-2000 en 2000-2004; Jaarverslagen (via Benno Hinnekint) • De Vlaamse deelname aan de ESA-ruimteonderzoeksprogramma’s, VRWB, Vlaams Indicatorenboek WTI 2005 • Basisgegevens BBPR en statistische gegevens in verband met de bevolking: Studiedienst van de Vlaamse regering, Vlaamse overheid • IWT Activiteitenverslagen 2001-2005

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 6

2001-2004, Jaarboek 2005, FWO-publicaties op www.fwo.be


116


117

I N N OVAT I E - I N S PA N N I N G E VLAAMSE ONDERNEMI K E R N R E S U LTAT E DE CIS-4 EN

N N N Q

VA N GEN: VA N UÊTE

Door Kris Aerts (K.U.Leuven), Petra Andries (K.U.Leuven), Dirk Czarnitzki (K.U.Leuven) en Machteld Hoskens (K.U.Leuven)

07


118

7.1 INLEIDING

De twee vorige Indicatorenboeken bevatten reeds een hoofdstuk waarin de resultaten van de CIS3 werden voorgesteld (Delanghe

Op de Europese Raad van Lissabon in 2000 heeft de Europese

et al., 2003; Aerts, 2005). De daarin bevraagde periode loopt

Unie de lat voor de toekomst zeer hoog gelegd: ze wil “de

van 1998 tot 2000. In dit Indicatorenboek worden de belangrijkste

meest concurrerende economie ter wereld worden die in staat

resultaten van de CIS4-enquête beschreven. Na een korte

is tot duurzame economische groei, met meer en betere banen

schets van de methodologische aspecten, rapporteren we de

en een hechtere sociale samenhang” (Commissie van de Europese

kernresultaten van de CIS4-enquête.

Gemeenschappen, september 2000). Doorheen de decennia heeft men verschillende factoren als

7.2 METHODOLOGIE

drijfveer van het concurrentievermogen beschouwd. In de jaren ’60 en ’70 van de 20ste eeuw lag de klemtoon op efficiëntie.

De methodologische aanbevelingen die Eurostat uitschreef

Tijdens de jaren ’70 verschoof de focus naar kwaliteit. De volgende

voor het afnemen van de enquête in alle EU-lidstaten werden

decennia werd flexibiliteit de nieuwe kracht. Vanaf de jaren ’90

gevolgd op het niveau van de Vlaamse regio. Merk op dat het

is men innovatie gaan beschouwen als dé ultieme competitieve

huidige rapport niet volledig vergelijkbaar is met eerdere

kracht (Debackere, 2002, p. 2). Ook de Europese Unie is tot

afnames van de CIS in Vlaanderen, zoals het CIS3 rapport voor

dat inzicht gekomen en doet dan ook heel wat inspanningen

2001 (Delanghe et al., 2003). Ten eerste zijn de bevraagde

om het innovatiepeil in de Unie op te krikken, om zo haar

sectoren veranderd (naast een reeks sectoren die door Eurostat

ambitieuze doelstelling te realiseren.

worden aangeraden als “optioneel”, bevat CIS4 meer sectoren dan CIS3; en meer bepaald de NACE sectoren 45, 50 en 52,

Een krachtig meetinstrument om de innovatieactiviteiten te

die respectievelijk (a) de bouwnijverheid; (b) de verkoop,

meten is hierbij een noodzaak. Sinds het begin van de jaren ’90

onderhoud en reparatie van motorvoertuigen en motorrijwielen;

werd hard gewerkt aan een instrumentarium om innovatie te

en (c) de kleinhandel vertegenwoordigen, en die samen goed

meten. Hieruit ontstond de “Oslo manual” (OECD, 1997), een

zijn voor bijna 30% van de populatie). Ten tweede volgde de

rapport van de OECD met richtlijnen voor de verzameling en

datavoorbereiding van de CIS4 veel nauwer de aanbevelingen

de interpretatie van gegevens over technologische innovatie.

van Eurostat met betrekking tot gegevensopkuis, imputatie van

De laatste jaren is het bewustzijn gegroeid dat innovatie breder

ontbrekende waarden, behandeling van non-respons, en het

is dan technologische innovatie en werd gewerkt aan een

berekenen van gewichten voor de extrapolatie van steekproef-

nieuwe versie van deze handleiding, waarin ook organisatorische

naar populatieresultaten.

en marketinginnovatie de nodige aandacht krijgen. Deze nieuwe versie van de handleiding is ondertussen klaar, maar werd nog

Voor de Vlaamse CIS-enquête wordt een steekproef getrokken

niet gebruikt in de CIS4-enquête.

uit de populatie van Vlaamse ondernemingen op basis van grootte (meer dan 10 werknemers) en sector. De meest

Op basis van de principes in deze Oslo manual worden de

recente versie van het werkgeversbestand van de Belgische

innovatie-inspanningen in de Europese Unie systematisch gemeten

Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ), namelijk de versie

aan de hand van een geüniformiseerde enquête: de Community

van 31 december 2004, fungeerde als referentiepopulatie.

Innovation Survey (CIS). De Europese Commissie (via Eurostat) is

Deze data werden verfijnd op basis van informatie van het

de opdrachtgever. De eerste Vlaamse CIS-enquête werd uitgevoerd

internet, de Algemene Directie Statistiek en Economische

in 1993. Een tweede en derde CIS-enquête volgden in 1996

Informatie, en de Nationale Bank van België via Bureau

en in 2000. In 2005 werd de vierde CIS-enquête gelanceerd.

Van Dijk. Uit deze resterende populatie van 15.775 bedrijven

De drie eerste CIS-enquêtes werden uitgevoerd door het Instituut

werden uiteindelijk 4.024 bedrijven geselecteerd voor

voor Wetenschap en Technologie (IWT). Het Steunpunt O&O

bevraging. Hiervan hadden 72 bedrijven minder dan 10 werk-

Statistieken - het huidige Steunpunt O&O Indicatoren - heeft

nemers, en 61 bedrijven hadden 10 of meer werknemers,

deze taak overgenomen en stond in voor de uitvoering van de

hun hoofdkwartier in Brussel maar belangrijke activiteiten in

CIS4-enquête, in samenspraak met de federale en regionale

Vlaanderen, of waren actief in sectoren die niet behandeld

overheden. Momenteel voert het Steunpunt O&O Indicatoren de

worden in de Eurostat-rapportering. Deze bedrijven werden

CIS2006-enquête (een kortere versie van de CIS-vragenlijst) uit.

bevraagd voor onderzoeksdoeleinden.


119

In totaal beantwoordden 1.727 bedrijven de vragenlijst.

7.4 PROFIEL VAN DE RESPONDENTEN

Hiervan beantwoordden 58 enkel de algemene vragen, maar geen enkele kernvraag betreffende innovatie. Wanneer we

De helft (47%) van de respondenten maakt deel uit van een

deze 58 bedrijven buiten beschouwing laten, komen we dus

ondernemingsgroep. Van ongeveer de helft (51%) van deze

tot 1.669 bruikbare antwoorden, of een responsgraad van 41%.

bedrijven is de hoofdzetel in België gevestigd. Daarna volgen bedrijven met hoofdzetel in Nederland (14%), de V.S. (10%), Duitsland (6%), Frankrijk (5%) en Groot-Brittannië (3%).

7.3 ANALYSE

Andere landen zijn onder andere Japan, Zwitserland en Luxemburg.

De manier van rapporteren aan de hand van frequentie- en kruistabellen is consistent met het vorige Indicatorenboek.

Meer dan de helft (57%) van de respondenten rapporteert

De twee basisdimensies (grootte en sector) van de steekproef-

exportactiviteiten. Ondernemingsgrootte is duidelijk gerelateerd

trekking worden - in een meer geaggregeerde vorm, voor

aan exportgedrag: 55% van de kleine bedrijven, 69% van de

de validiteit van de gegevens - verwerkt in deze tabellen.

middelgrote bedrijven, en 72% van de grote bedrijven

De grootteklassen zijn: kleine bedrijven (10 tot 49 werknemers),

exporteert. De dienstenbedrijven die bevraagd werden,

middelgrote bedrijven (50 tot 249 werknemers) en grote

exporteren minder dan de productiebedrijven.

bedrijven (vanaf 250 werknemers). De Nace-sectoren worden ondergebracht in elf grote categorieën. Deze worden

7.5 INNOVATIEACTIVITEIT IN VLAANDEREN

weergegeven in tabel 7.1.

7.5.1 De innovatieve onderneming Tabel 7.1: Aggregaten van NACE-sectoren* Eurostat toetst de innovativiteit van een onderneming op vier 17, 18, 19 20, 21, 22 23+24-244+25, 244

dimensies. Een onderneming is innovatief als ze voldoet aan minstens één van de volgende criteria:

27, 28 29, 34, 35

●

30, 31, 32, 33

producten (goederen of diensten) op de markt gebracht

1, 14, 15, 16, 26, 36, 37, 40, 41, 45

(tussen begin 2002 en eind 2004);

50, 51, 52 60, 61, 62, 63, 64

de onderneming heeft nieuwe of duidelijk verbeterde

●

72, 73, 74.2, 74.3

de onderneming heeft nieuwe of duidelijk verbeterde productieprocessen geïntroduceerd, inclusief methoden om

65, 66, 67 (except 74.2, 74.3), 85, 90

producten en diensten te leveren (tussen begin 2002 en eind 2004);

* De appendix bevat een overzicht van de twee cijferige NACE-codes ●

de onderneming was eind 2004 bezig met activiteiten (inclusief O&O) om nieuwe of duidelijk verbeterde producten

In een eerste sectie wordt een profiel geschetst van de

(goederen of diensten) of processen te ontwikkelen of op de

respondenten. Daarna worden de innovatieactiviteiten van de

markt te brengen, maar deze waren nog niet afgewerkt op

respondenten besproken. Voor deze laatste analyses wordt

het moment van bevraging;

steeds gewerkt met gewogen resultaten, omdat op die manier

●

de onderneming heeft activiteiten (inclusief O&O) verricht

de resultaten bekomen met de steekproef veralgemeend

om nieuwe of duidelijk verbeterde producten (goederen of

kunnen worden naar de beoogde populatie (voor meer details

diensten) of processen te ontwikkelen of op de markt te

in verband met de steekproeftrekking en de weging, zie Aerts,

brengen, maar heeft deze voortijdig stopgezet (tussen begin

Cassiman, Czarnitzki, Hoskens, Vanhee & Veugelers, 2006).

2002 en eind 2004).

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 7

Textiel Hout/Papier/Druk Chemie/Plastics Metaal Machines Elektronica en Elektromechanica Overige Industrie Handel Transport Informatiediensten Andere diensten


120

Figuur 7.1: Innovatieve ondernemingen in Vlaanderen

75%

50%

65%

67%

61%

25%

0%

Niet-innovatief: 54%

0%

20%

Innovatief: 46%

40%

60%

80%

100%

■ Product ■ Proces ■ Lopend/Afgebroken

Uit de dataset blijkt dat 46% van de Vlaamse ondernemingen

In tabel 7.2 wordt de innovatiegraad gegeven per sector en per

innovatief is. In figuur 7.1 wordt de groep van innovatieve

grootteklasse. We zien dat de grote bedrijven meer innovatief

ondernemingen verdeeld over de verschillende dimensies van

zijn dan de kleinere bedrijven (77% versus 61% en 43%).

innovativiteit. Deze dimensies zijn niet mutueel exclusief. De

De Elektronicasector (84%) is de meest innovatieve sector.

meeste Vlaamse innovatieve bedrijven zijn procesinnovators (67%). 7.5.2 Ontwikkeling van nieuwe of duidelijk verbeterde producten en/of processen Tabel 7.2: Innovatieve ondernemingen in Vlaanderen, opgedeeld volgens grootte en sector

In de tweede en derde kolom van tabel 7.3 ligt de klemtoon op bedrijven die een innovatie geïntroduceerd hebben, hetzij een

Innovatiegraad

productinnovatie, hetzij een procesinnovatie. Hieruit blijkt

Textiel

51%

Hout/Papier/Druk

60%

opnieuw dat de grote bedrijven en de middelgrote bedrijven

Chemie/Plastics

79%

meer innovaties introduceren dan de kleine ondernemingen.

Metaal

62%

Machines

75%

Elektronica en Elektromechanica

84%

Overige Industrie

39%

Handel

41%

Transport

36%

Informatiediensten

78%

Andere diensten

34%

Totaal

46%

Kleine bedrijven

43%

Middelgrote bedrijven

61%

bedrijven die zich geëngageerd hebben in innovatieactiviteiten,

Grote bedrijven

77%

maar (nog) geen succesvolle innovaties geïntroduceerd hebben.

Totaal

46%

7.5.3 Nog niet voltooide en/of stopgezette innovatieactiviteiten Bij innovatieactiviteiten heerst er altijd een grote mate van onzekerheid: niet alle innovatie-inspanningen leiden effectief tot een innovatie. Daarom loont het de moeite om ook te kijken naar


121

Tabel 7.3: Type van innovatie, opgedeeld naar ondernemingsgrootte Nieuw of duidelijk verbeterd product geïntroduceerd

Nieuw of duidelijk verbeterd proces geïntroduceerd

Lopende / afgebroken innovatieactiviteiten

Kleine bedrijven

27%

28%

25%

Middelgrote bedrijven

41%

45%

39%

Grote bedrijven

59%

62%

64%

Totaal

30%

31%

28%

Tabel 7.4: Wie heeft de nieuwe of duidelijk verbeterde producten ontwikkeld? In hoofdzaak de onderneming(sgroep) 70%

Kleine bedrijven Middelgrote bedrijven Grote bedrijven Totaal

81% 86% 73%

De onderneming in samenwerking met andere bedrijven of instellingen 15% 16% 13% 15%

In hoofdzaak andere ondernemingen of instellingen 15% 3% 2% 12%

Tabel 7.5: Wie heeft de nieuwe of duidelijk verbeterde processen ontwikkeld? In hoofdzaak de onderneming(sgroep) 65%

Kleine bedrijven Middelgrote bedrijven Grote bedrijven Totaal

65% 71% 65%

De onderneming in samenwerking met andere bedrijven of instellingen 24% 28% 25% 25%

In hoofdzaak andere ondernemingen of instellingen 10% 7% 5% 9%

Tabel 7.6: Innovatie activiteiten, opgedeeld naar ondernemingsgrootte Externe O&O

Aankoop van machines

Verwerving externe kennis

Training

Marktintroductie van innovaties

Design, andere productie / leveringsvoorbereidingen

Kleine bedrijven

43%

19%

70%

15%

56%

32%

29%

Middelgrote bedrijven

62%

31%

76%

27%

71%

41%

37%

Grote bedrijven

75%

58%

81%

41%

84%

57%

61%

Totaal

48%

23%

71%

19%

60%

35%

32%

Het profiel van deze ondernemingen is weergegeven in de rechterkolom van tabel 7.3. Hieruit blijkt dat heel wat bedrijven

7.6 ACTOREN IN HET INNOVATIEPROCES VAN DE ONDERNEMING

actief innovatie-inspanningen leveren, maar dat dit niet noodzakelijk gereflecteerd wordt in de introductie van een

Uit vele analyses van het innovatiesysteem blijkt dat

innovatie.

ondernemingen steeds vaker samenwerken met andere organisaties voor innovatieactiviteiten. Daarom wordt in de CIS-

Tot nu toe werden in de analyses alle bedrijven betrokken.

enquête ook gepeild naar de actoren die betrokken zijn bij de

In de volgende secties (7.6 t.e.m. 7.12) zullen we de eigenschappen

ontwikkeling van een innovatie. De actoren die betrokken

van de groep van innovatieve ondernemingen (46%) verder

waren bij de product- en procesinnovaties worden getoond in

onderzoeken.

tabellen 7.4 en 7.5. De cijfers duiden op het belang van andere organisaties in het innovatieproces. Bij procesinnovaties wordt meer samengewerkt dan bij productinnovaties.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 7

Interne O&O


122

7.7 INNOVATIEACTIVITEITEN IN 2004 Innovatieactiviteiten

omvatten

een

brede

waaier

7.9 PUBLIEKE FINANCIERING VAN INNOVATIE van

Van de Vlaamse innovatieve ondernemingen kon gemiddeld

engagement, gaande van O&O (intern of extern) tot aankoop

12% in de periode 2002-2004 een beroep doen op financiële

van uitrusting en kennis. Deze verschillende activiteiten en het

ondersteuning van de regionale overheid in de vorm van

belang ervan zijn terug te vinden in Tabel 7.6. Wat opvalt, is dat

beurzen en leningen inclusief subsidies en leningsgaranties

de grote bedrijven zeer actief zijn in interne O&O-activiteiten.

maar exclusief overheidsbestellingen. De nationale overheid

Dit blijkt ook uit hoofdstuk 3 van dit Indicatorenboek, dat de

ondersteunde 9% van de ondernemingen. Slechts 3% van de

resultaten van de profit O&O-enquête van 2006 beschrijft: het

populatie ontving financiële steun van de Europese overheid.

O&O-gebeuren in Vlaamse bedrijven is zeer scheef verdeeld.

Maar 2% van de ondernemingen was betrokken in een kader-

Dit wordt verder besproken in de volgende sectie.

programma voor Onderzoek en Technologische Ontwikkeling van de Europese Unie (het vijfde (1998-2002) of het zesde (2003-2006)). Deze percentages worden in tabel 7.8 verder

7.8 ONDERZOEK EN ONTWIKKELING (O&O)

opgesplitst naar sector en grootte. Sectoren van Papier/ hout/druk, Elektronica en elektromechanica, en Informatie-

Van de innovatieve ondernemingen die intern aan O&O doen,

diensten worden relatief sterker ondersteund door de regionale

doet gemiddeld 31% slechts occasioneel aan O&O en 69%

overheid. De Europese overheid financiert ook vooral bedrijven

permanent. Grote bedrijven doen meer op systematische wijze

in de sector Informatiediensten. We zien ook dat grote

aan O&O dan middelgrote bedrijven, en deze doen op hun

ondernemingen veel externe fondsen ontvangen.

beurt meer aan O&O dan kleine bedrijven. Elektronica/ elektromechanica (88%), Hout/papier/druk (82%) en Machines (78%) zijn sectoren waar het overgrote deel van de innovatieve ondernemingen permanent aan O&O doet. Tabel 7.7 geeft

7.10 SAMENWERKINGSPATRONEN VAN INNOVATIEVE ONDERNEMINGEN

meer cijfers. Gemiddeld werkt een derde (34%) van de populatie voor innovatieprojecten samen met een partner. Bij grote bedrijven ligt dit gemiddelde veel hoger (72%). Bedrijven in de Chemie

Tabel 7.7: Karakter van de O&O-activiteiten van

(59%), Metaal (55%), Informatiediensten (49%), Elektronica

de innovatieve ondernemingen

(47%), en Machines (41%) zijn ook relatief meer geneigd Permanent

Occasioneel

Textiel

58%

42%

Hout/Papier/Druk

82%

18%

Chemie/Plastics

72%

28%

Metaal

40%

60%

In deze samenwerkingsverbanden zijn leveranciers (27%)

Machines

78%

22%

en klanten (20%) de belangrijkste partners. Daarna volgen de

Elektronica en Elektromechanica

88%

12%

Overige Industrie

69%

31%

Handel

71%

29%

laboratoria/private O&O-bedrijven (15%). Universiteiten of

Transport

72%

28%

instellingen van hoger onderwijs zijn eveneens een belangrijke

Informatiediensten

75%

25%

partner (13%). In Tabel 7.10 wordt de verdeling weergegeven

Andere diensten

66%

34%

van het belang van elke partner in samenwerkingsverbanden

Totaal

69%

31%

Kleine bedrijven

66%

34%

Middelgrote bedrijven

73%

27%

Grote bedrijven

84%

16%

Totaal

69%

31%

tot samenwerken. De percentages worden weergegeven in tabel 7.9.

andere bedrijven in de groep (16%) en consultants/commerciële

van Vlaamse bedrijven voor innovatieactiviteiten.


123

Tabel 7.8: Publieke financiering van de innovatieactiviteiten Regionale overheid

Belgische overheid

EU

Europees Kaderprogramma

Textiel

12%

23%

1%

1%

Hout/Papier/Druk

25%

15%

1%

1%

Chemie/Plastics

13%

19%

3%

0%

Metaal

19%

14%

7%

6%

Machines

19%

13%

0%

0%

Elektronica en Elektromechanica

22%

7%

8%

8%

Overige Industrie

9%

7%

4%

1%

Handel

6%

6%

1%

0%

Transport

3%

3%

0%

0%

Informatiediensten

29%

10%

14%

10%

Andere diensten

5%

6%

1%

1%

Totaal

12%

9%

3%

2%

Kleine bedrijven

11%

8%

2%

1%

Middelgrote bedrijven

13%

11%

4%

2%

Grote bedrijven

23%

10%

13%

9%

Totaal

12%

9%

3%

2%

Tabel 7.11 geeft weer hoeveel bedrijven samenwerkingspartners Tabel 7.9: Samenwerkingspatronen van innovatieve

hebben in België, de EU, de V.S. en in andere landen. We zien dat kleine en middelgrote bedrijven vooral samenwerkings-

ondernemingen

partners binnen België hebben. Grote ondernemingen (250 Textiel

34%

Hout/Papier/Druk

19%

Chemie/Plastics

59%

Metaal

55%

de V.S. en in andere landen. Wanneer we naar de sectoren

Machines

41%

kijken, zien we dat Textiel, Chemie, en Machines relatief veel

Elektronica en Elektromechanica

47%

samenwerkingsverbanden met Europese partners hebben.

Overige Industrie

22%

Handel

31%

Transport

28%

werken voor hun innovatie-inspanningen relatief veel samen

Informatiediensten

49%

met partners in de V.S.

Andere diensten Totaal

35%

Kleine bedrijven

29%

Middelgrote bedrijven

48%

Grote bedrijven Totaal

72%

werknemers en meer) werken vooral samen met Europese partners. Zij hebben ook heel wat samenwerkingsverbanden in

Textiel, Chemie, Machines, Elektronica en Informatiediensten

34%

Tabel 7.10: Belang van partners in samenwerkingsverbanden Leveranciers van uitrusting, materiaal, componenten en software Klanten of afnemers Andere bedrijven in de groep Universiteiten of andere instellingen van hoger onderwijs Consultants / Commerciële laboratoria / O&O-bedrijven Publieke onderzoeksinstellingen Concurrenten en andere bedrijven uit dezelfde industriële sector

27% 20% 16% 13% 15% 10% 12%

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 7

34%


124

Tabel 7.11: Belang van partners in samenwerkingsverbanden, volgens geografische locatie BelgiĂŤ

EU

VS

Andere landen

Textiel

34%

30%

8%

6%

Hout/Papier/Druk

19%

12%

0%

0%

Chemie/Plastics

49%

44%

13%

6%

Metaal

48%

30%

5%

2%

Machines

35%

30%

10%

6%

Elektronica en Elektromechanica

41%

23%

16%

10%

Overige Industrie

21%

16%

2%

1%

Handel

27%

19%

5%

6%

Transport

25%

18%

4%

3%

Informatiediensten

45%

31%

13%

7%

Andere diensten

29%

15%

3%

2%

Totaal

30%

22%

5%

4%

Kleine bedrijven

26%

16%

3%

2%

Middelgrote bedrijven

42%

34%

11%

8%

Grote bedrijven

61%

63%

28%

19%

Totaal

30%

22%

5%

4%

Tabel 7.12: Informatiebronnen voor de innovatieactiviteiten Interne bronnen Onderneming zelf en andere bedrijven binnen de groep (voor ondernemingen die deel uitmaken van een groep)

49%

Marktbronnen Leveranciers van uitrusting, materiaal, componenten en software

31%

Klanten of afnemers

36%

Concurrenten en andere bedrijven uit dezelfde industriĂŤle sector

16%

Institutionele bronnen Consultants

4%

Universiteiten of andere instellingen van hoger onderwijs

4%

Publieke of particuliere non-profit instellingen

3%

Andere bronnen Beurzen, tentoonstellingen, conferenties

14%

Tijdschriften, publicaties

10%

Professionele associaties

10%

Tabel 7.13: Resultaten van de innovatieactiviteiten Productgerichte resultaten Betere kwaliteit van goederen of diensten

42%

Groter aanbod van goederen of diensten

29%

Grotere markt of groter marktaandeel

28%

Procesgerichte resultaten Grotere productiecapaciteit

25%

Grotere productieflexibiliteit

22%

Arbeidskostenverlaging per producteenheid

16%

Minder materiaal- en energieverbruik per productie-eenheid

9%

Andere resultaten Beter milieu of beter gezondheids- en veiligheidsaspecten

13%

Tegemoetkomen aan overheidsregels of -normen

14%


125

Tabel 7.14: Belemmering van innovatieactiviteiten Afgebroken in conceptstadium

Afgebroken na start

Textiel

7%

4%

8%

Hout/Papier/Druk

3%

1%

13%

Chemie/Plastics

17%

18%

31%

Metaal

11%

1%

31%

Machines

8%

14%

25%

Elektronica en Elektromechanica

12%

8%

20%

Overige Industrie

13%

6%

21%

Handel

5%

4%

25%

Transport

6%

6%

6%

Informatiediensten

12%

7%

27%

Andere diensten

13%

7%

23%

Totaal

9%

6%

22%

Kleine bedrijven

8%

4%

21%

Middelgrote bedrijven

11%

9%

21%

Grote bedrijven

26%

21%

34%

Totaal

9%

6%

22%

7.11 INFORMATIEBRONNEN

Ernstig vertraagd

De belangrijkste output (42%) van innovatieactiviteiten is een stijging van de kwaliteit van de producten. Op een duidelijke

De informatiebronnen die aan de basis liggen van de innovatie-

afstand volgen de realisatie van een groter aanbod (29%), een

activiteiten werden ook bevraagd in de CIS4. Uit de antwoorden

grotere markt of groter marktaandeel (28%), een grotere

blijkt dat de meeste informatie uit interne bronnen (49%)

productiecapaciteit (25%), een grotere productieflexibiliteit

gehaald wordt. Andere belangrijke bronnen zijn leveranciers

(22%), maar ook lagere arbeidskosten (16%) en lagere kosten

(31%), en klanten of afnemers (36%). In mindere mate zijn ook

voor energie en materiaal (9%). De resultaten zijn dus zowel

concurrenten (16%) een bron van informatie. Naast deze

product- als procesgericht.

actoren die rechtstreeks aan de onderneming verbonden zijn, en tentoonstellingen (14%), professionele associaties (10%), en tijdschriften / publicaties (10%). Consultants (4%), universiteiten

7.13 BELEMMERING VAN INNOVATIEACTIVITEITEN

en andere instellingen van hoger onderwijs (4%) en publieke of particuliere non-profit instellingen (3%) zijn relatief minder

De innovatieve ondernemingen geven aan dat ze toch in enige

belangrijk. Tabel 7.12 vat deze informatie kort samen.

mate belemmeringen ondervinden op hun innovatieactiviteiten. Dit is te zien in tabel 7.14. 9% van de projecten wordt reeds afgebroken in het conceptstadium en 6% na het begin van

7.12 RESULTATEN VAN DE INNOVATIEACTIVITEITEN

het project. Een vierde (22%) van de ondernemingen heeft innovatieprojecten die ernstige vertraging hebben opgelopen. Vooral de Chemie- en Metaalsector (beide 31%) en de

Om de innovatiegraad te analyseren moet, naast de inputzijde,

Informatiediensten (27%) ondervinden dit. Grote bedrijven

ook de outputkant bekeken worden: leiden de geleverde

ondervinden duidelijk meer hinder dan middelgrote en kleine

innovatie-inspanningen uiteindelijk ook tot resultaten? In deze

bedrijven.

sectie gaan we kort in op de effecten van innovatie, zoals de bedrijven dat zelf percipiĂŤren. Deze subjectiviteit is een belangrijke nuance. Tabel 7.13 toont het belang van de outputdimensies van innovatieactiviteiten van de Vlaamse bedrijven.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 7

spelen ook een aantal indirecte bronnen een rol, zoals beurzen


126

Tabel 7.15: Oorzaken van de afwezigheid van innovatieactiviteiten Geen behoefte wegens vroegere innovaties

Geen behoefte wegens marktomstandigheden

Textiel

2%

22%

Hout/Papier/Druk

7%

11%

Chemie/Plastics

2%

5%

Metaal

6%

10%

Machines

3%

7%

Elektronica en Elektromechanica

0%

14%

Overige Industrie

11%

18%

Handel

2%

16%

Transport

7%

18%

Informatiediensten

2%

9%

Andere diensten

6%

16%

Totaal

5%

15%

Kleine bedrijven

5%

16%

Middelgrote bedrijven

6%

11%

Grote bedrijven

4%

11%

Totaal

5%

15%

Tabel 7.16: Innovatiebelemmerende factoren* Kostenfactoren 14%

Gebrek aan interne financieringsbronnen Gebrek aan externe financieringsbronnen

8%

Te hoge innovatiekosten Kennisfactoren

16%

Gebrek aan gekwalificeerd personeel

11%

Gebrek aan technologie-informatie

4%

Gebrek aan marktinformatie

4%

Moeilijkheden om geschikte prtners te vinden Marktfactoren

6%

Dominantie van bestaande bedrijven

14%

Onzekere vraag naar innovatieve produkten/diensten Andere factoren

10%

Problemen met regelgeving of standaarden

12%

Interne weerstand tegen verandering

4%

Innovatie kan te gemakkelijk gecopieerd worden

9%

* In deze tabel wordt enkel de score 'van groot belang' meegenomen

7.14 OORZAKEN VAN DE AFWEZIGHEID VAN INNOVATIEACTIVITEITEN

7.15 INNOVATIEBELEMMERENDE FACTOREN Voor alle bedrijven, zowel innoverende als niet-innoverende,

Het percentage van innovatieve ondernemingen ligt in

werd gepeild naar de factoren die de innovatieactiviteiten

Vlaanderen op 46%; er is dus ook een aanzienlijk aantal

belemmeren. Er werden vier categorieĂŤn onderscheiden:

bedrijven dat niet innoveert. Het loont de moeite om de

kostenfactoren, kennisfactoren, marktfactoren en andere

oorzaak hiervan te onderzoeken (zie tabel 7.15). De belangrijkste

factoren. Bij de kostenfactoren bleek de hoge innovatiekost de

oorzaak (relevant voor 15% van de bedrijven) ligt in de

belangrijkste factor (16%). Gebrek aan interne financierings-

marktomstandigheden. Het ontbreken van de behoefte aan

bronnen (14%) legt eveneens een zware druk op de

innovatie wegens recent doorgevoerde innovaties speelt voor

innovatieactiviteiten. Gebrek aan gekwalificeerd personeel is

5% van de bedrijven een rol.

een belangrijke inhiberende kennisfactor (11%).


127

Tabel 7.17: Bescherming van innovaties in innovatie-actieve ondernemingen: verschillende methoden Octrooien

Industriële ontwerpen

Handelsmerken

Textiel

8%

7%

21%

Auteursrecht 2%

Hout/Papier/Druk

2%

1%

11%

10%

Chemie/Plastics

20%

3%

13%

1%

Metaal

6%

4%

4%

0%

Machines

18%

6%

5%

1%

Elektronica en Elektromechanica

19%

12%

24%

1%

Overige Industrie

2%

1%

4%

1%

Handel

4%

3%

7%

1%

Transport

0%

0%

3%

1%

Informatiediensten

13%

1%

12%

7%

Andere diensten

1%

0%

4%

3%

Totaal

5%

2%

7%

2%

Kleine bedrijven

3%

2%

5%

1%

Middelgrote bedrijven

9%

4%

15%

2%

Grote bedrijven

24%

11%

23%

5%

Totaal

5%

2%

7%

2%

Verder vinden we belangrijke belemmerende effecten van de

Auteursrechten worden echter vooral in de sector Papier/Hout

dominantie van bestaande bedrijven (14%), de onzekere vraag

gebruikt. Grote ondernemingen zijn duidelijk meer actief in de

naar innovatieve producten/diensten (10%), en problemen met

vier beschermingsmethoden die werden bevraagd.

regelgeving of standaarden (12%). Een overzicht van alle factoren wordt gegeven in tabel 7.16.

7.17 BESLUIT 7.16 BESCHERMING VAN INNOVATIE

In dit hoofdstuk werden de CIS4-resultaten kort samengevat in een aantal kerntabellen. De innovatiegraad van de Vlaamse bedrijfswereld bedraagt 46%. De meeste Vlaamse innovatieve

belangrijk dat bedrijven de geleverde inspanningen voldoende

bedrijven zijn procesinnovators (67%), maar productinnovatie

kunnen afschermen om zo de maximale opbrengst uit de

komt bijna even vaak voor (65%). De belangrijkste reden voor

investering te realiseren. Een zeer belangrijke - maar zeker niet

bedrijven om niet te innoveren ligt in de marktomstandigheden.

steeds waterdichte - manier is de aanvraag van een octrooi. In eerste instantie kijken we in deze sectie naar de octrooi-

Van de Vlaamse bedrijven die innoveren, ontving in de periode

aanvragen. Deze geven een indicatie van de innovatieoutput

2002-2004 gemiddeld 12% financiële ondersteuning van de

die bedrijven proberen te beschermen. In de tweede kolom

regionale overheid, 9% van de nationale overheid, en 3% van

van tabel 7.17 wordt het percentage van bedrijven dat

de Europese overheid. Vooral de grote ondernemingen ontvingen

minstens één octrooiaanvraag ingediend heeft, weergegeven.

veel externe fondsen.

Gemiddeld is dat slechts 5%. Grote bedrijven en bedrijven in de sectoren Chemie, Elektronica, en Machines zijn duidelijk

Samenwerkingverbanden voor innovatieprojecten blijken zeer

meer actief in octrooiaanvragen.

belangrijk. Leveranciers en klanten zijn de belangrijkste partners. Deze twee groepen vormen ook een belangrijke bron

Naast octrooiaanvragen wordt er nog een hele waaier andere

van informatie die aan de bron ligt van innovatieactiviteiten.

beschermingsmethoden toegepast. Tabel 7.17 geeft ook drie andere mogelijkheden: het registreren van industriële ontwerpen,

Het gebruik van verschillende beschermingsmethoden voor

handelsmerken, en auteursrechten. We zien dat de handels-

innovatie is sectorafhankelijk. In het algemeen blijkt wel dat grote

merken het belangrijkst zijn, en dan vooral voor bedrijven in de

bedrijven meer actief zijn in het beschermen van hun innovaties.

sectoren Elektronica en Textiel. Ook het registreren van industriële ontwerpen blijkt het meest relevant in de Elektronicasector.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 7

Innovatie-inspanningen zijn zeer belangrijk, maar het is ook


128

7.18 REFERENTIES • AERTS, K. (2005), Hoofdstuk 7: Innovatie-inspanningen van Vlaamse ondernemingen: kernresultaten van de CIS-3 enquête, pp. 113-127, In: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2005, Vlaamse Indicatorenboek, Brussel, N’lil Specialised Communication. • AERTS, K. CASSIMAN, B., CZARNITZKI, D., HOSKENS, M., VANHEE, M., & VEUGELERS, R. (2006), Research, Development and Innovation in Flanders 2004. IWT-studie 55, Brussel, IWT. • Commissie van de Europese Gemeenschappen, september 2000, Innovatie in een kenniseconomie, Brussel. • DEBACKERE, K., 2002, Universities as Incubators, Science Alliance Conference, Den Haag. • DELANGHE, H., TIRI, M., LAROSSE, J., en CARCHON, D., Hoofdstuk

8:

Innovatie-inspanningen

van

Vlaamse

ondernemingen: een exploratie van de CIS3-enquête, pp.103-124, in: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2003, Vlaams indicatorenboek, Brussel, N’lil Specialised Communication. • European Communities, 2004, Innovation in Europe: Results for the EU, Iceland and Norway, Luxemburg. • OECD/EUROSTAT, 1997, The Measurement of Scientific and Technological Activities. Proposed Guidelines for Collecting and Interpreting Technological Innovation Data: Oslo Manual, Paris, OECD. • TIRI, M., PEETERS, L., LAROSSE, J., 2005 (te verschijnen), New insights on the Flemish CIS-3, Brussel, IWT. • TIRI, M., 2004 (niet gepubliceerd), Doctoraatsproefschrift: An Assessment of the Innovation Performance of Flemish Firms based on the CIS-3, an Investigation of Patterns of Innovation, and an Estimation of the Innovation Propensity in the Presence of Unobserved Firm-Heterogeneity. Essay 1: The Third Community Innovation Survey for Flanders: Discussion of methodological issues and critical assessment of results.


129

7.19 APPENDIX: SECTOREN (OP BASIS VAN DE NACE-BEL CLASSIFICATIE) WEERHOUDEN DOOR EUROSTAT Primaire sector Winning van delfstoffen 10

Winning van steenkool, bruinkool en turf

11

Winning van aardolie en aardgas en aanverwante diensten

12

Winning van uranium- en thoriumerts

13

Winning van metaalertsen

14

Overige winning van delfstoffen

Verwerkende nijverheid Voedingsproducten, dranken en tabak 15

Vervaardiging van voedingsmiddelen en dranken

16

Vervaardiging van tabaksproducten

Textiel, kleding, bontnijverheid en leernijverheid 17

Vervaardiging van textiel

18

Vervaardiging van kleding en bontnijverheid

19

Leernijverheid en vervaardiging van schoeisel

Hout, papier, drukkerijen 20

Houtindustrie en vervaardiging van artikelen van hout, kurk, rieten vlechtwerk

21

Papier- en kartonnijverheid

22

Uitgeverijen, drukkerijen en reproductie van opgenomen media

Cokes, petroleum, kernbrandstof, chemische producten, rubber en kunststoffen 23

Vervaardiging van cokes, geraffineerde aardolieproducten en splijt- en kweekstoffen

24

Chemische nijverheid

244

Farmaceutische nijverheid

25

Rubber- en kunststofnijverheid

26

Vervaardiging van overige niet-metaalhoudende minerale producten

Metallurgie 27

Metallurgie

Vervaardiging van producten in metaal (exclusief machines en werktuigen) 28

Vervaardiging van producten van metaal

Machines, materialen, werktuigen en transport 29

Vervaardiging van machines, apparaten en werktuigen

30

Vervaardiging van elektrische en elektronische apparaten en instrumenten

31

Vervaardiging van elektrische machines en apparaten

32

Vervaardiging van audio-, video- en telecommunicatie-apparatuur

33

Vervaardiging van medische apparatuur, van precisie- en optische instrumenten en van uurwerken

34

Vervaardiging en assemblage van auto's, aanhangwagens en opleggers

35

Vervaardiging van overige transportmiddelen

Meubels, overige industrie 36

Vervaardiging van meubels, overige industrie

Recuperatie van recycleerbaar afval 37

Recuperatie van recycleerbaar afval

Productie en distributie van elektriciteit, gas en water 40

Productie en distributie van elektriciteit, gas, stoom en warm water

41

Winning, zuivering en distributie van water

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 7

Niet-metaalhoudende minerale producten


130

Dienstensector Bouwnijverheid 45

Bouwnijverheid

Motorvoertuigen en motorrijwielen 50

Verkoop, onderhoud en reparatie van motorvoertuigen en motorrijwielen; detailhandel in motorbrandstoffen

Groothandel 51

Groothandel en handelsbemiddeling, met uitzondering van de handel in motorvoertuigen en motorrijwielen

Kleinhandel 52

Detailhandel, met uitzondering van de detailhandel in motorvoertuigen en motorrijwielen; reparatie van consumentengoederen

Vervoer, opslag 60

Vervoer te land

61

Vervoer over water

62

Luchtvaart

63

Vervoersondersteunende activiteiten

Post en telecommunicatie 64

Post en telecommunicatie

FinanciĂŤle instellingen (inclusief verzekeringen) 65

FinanciĂŤle instellingen

66

Verzekeringswezen

67

Hulpbedrijven ivm financiĂŤle instellingen

Informatica en aanverwante activiteiten 72

Informatica en aanverwante activiteiten

Onderzoek en ontwikkeling 73

Speur- en ontwikkelingswerk

Overige zakelijke dienstverlening 742

Technisch advies, architecten en ingenieurs

743

Technische tests en analyses


131

B I B L I O M E T R I S C H E A N A LY S E VA N H E T V L A A M S O N D E R ZO E K I N D E L E V E N S - , N AT U U R - E N TECHNISCHE WETENSCHAPPEN. HET VLAAMS ONDERZOEK IN EUROPESE CONTEXT Door Koenraad Debackere (K.U.Leuven), Wolfgang Glänzel (K.U.Leuven) en Bart Thijs (K.U.Leuven)

08


132

8.1 INLEIDING

literatuur zelf, die tot op zekere hoogte een weerspiegeling vormt van de activiteiten.

Bij het concipiëren, het opvolgen en het evalueren van het O&O-beleid van de overheid maar ook van universiteiten,

De diverse wetenschappelijke domeinen hebben wel een eigen

onderzoeksinstellingen en bedrijven, groeit de nood aan

typische onderzoeks- en publicatiecultuur. Zo spelen in de

kwantitatieve informatie. Hoewel kwantitatieve gegevens nooit

natuur- en levenswetenschappen tijdschriften een essentiële rol

toelaten de werkelijkheid volledig te omschrijven, vormen ze

in de communicatie tussen vakgenoten. Voor de technische

wel onmisbare achtergrond-informatie.

wetenschappen nemen conferentieproceedings en rapporten daarnaast een belangrijke plaats in. De natuur- en levens-

Naast informatie over onder meer de O&O-bestedingen door

wetenschappen en ook de basisdisciplines in de technische

de verschillende actoren en de verdeling van deze middelen over

wetenschappen zijn bovendien sterk internationaal gericht -

de verschillende domeinen, hebben beleidsmakers ook behoefte

waarbij het Engels dominant is bij de informatieuitwisseling.

aan gegevens over de wetenschappelijke en technologische output. Bibliometrische analyses, die gebaseerd zijn op de

In deze disciplines kan dan ook een onderscheid worden

bibliografische gegevens van publicaties vormen een van de

gemaakt tussen de ‘centrale’ en de meer ‘perifere’ tijdschriften.

methoden om het onderzoekspotentieel in kaart te brengen.

De eerste zijn grosso modo de internationaal toonaangevende publicaties, met een goed functionerend referee-systeem.

In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de omvang

De andere zijn wat minder belangrijk en vaak meer nationaal

en de impact van het Vlaams onderzoek in de natuur-, levens-

georiënteerd.

en technische wetenschappen zoals dat kan worden zichtbaar gemaakt aan de hand van publicaties verschenen in tijdschriften

Bibliometrische macro- en meso-analyses zijn vandaag de dag

die worden verwerkt voor de Science Citation Index en aan de

dan ook ondenkbaar zonder te vertrekken van een veel-

hand van papers voorgesteld op internationale/nationale

omvattende, multidisciplinaire bibliografische databank. Voor de

conferenties en opgenomen in de Proceedings databank.

bibliometrische analyse van de onderzoeksprestaties van landen, regio’s, instituten en onderzoeksgroepen is bovendien de recurrente beschikbaarheid van een citatie-index een

8.2 BIBLIOMETRISCHE STUDIES EN DE BIBLIOGRAFISCHE GEGEVENSBESTANDEN VAN DE ISI

noodzakelijke voorwaarde. De bibliografische databestanden van het Amerikaanse Instituut voor Wetenschappelijke Informatie (Thomson Scientific - ISI, Philadelphia, PA, USA) vormen in deze optiek een onmisbaar vertrekpunt voor om het

Bibliometrische analyses van publicaties laten toe onderzoeks-

even welke bibliometrische analyse. Tijdens de voorbije

prestaties in kaart te brengen. Voor de wetenschapsbeoefening

vijfentwintig jaar is de Science Citation Index (SCI®) en later ook

wordt hierbij een model gebruikt, waarvan we hier even de

het Web of Science® een van de meest geaccepteerde en

krijtlijnen schetsen. Fundamenteel onderzoek leidt tot nieuwe

onderzochte bronnen voor bibliometrische analyses geworden.

inzichten in de mens en zijn omgeving. De praktische

Hoewel er ook kritische bedenkingen te geven zijn (bijvoorbeeld

toepassing van de resultaten van dit soort onderzoek zijn echter

voor wat betreft de tijdschriftendekking en de aanpak van het

zelden onmiddellijk duidelijk en vragen vaak nog belangrijke

ISI in verband met de dataverwerking bij de ontwikkeling en

investeringen. Fundamenteel onderzoek wordt dan ook

invulling van de SCI), zijn de unieke kenmerken van de SCI

grotendeels gefinancierd met publieke middelen. De resultaten

tegenwoordig algemeen aanvaarde onderdelen geworden van

ervan vormen een quasi-publiek goed. Ze maken deel uit van

de bibliometrische technologie. Van deze kenmerken zijn

het cultureel en maatschappelijk patrimonium.

vooral de volgende vermeldenswaard:

Publicaties in de open literatuur vormen de meest gebruikte

●

‘Multidisciplinariteit’: De SCI is uniek door zijn brede

maar niet enige manier om deze resultaten bekend te maken.

dekking. Alle wetenschapsgebieden in de levens-

Het is daarbij gebruikelijk dat onderzoekers door vermeldingen

wetenschappen, de natuurwetenschappen evenals de

in voetnoten of in een referentielijst aangeven op welke wijze

basisdisciplines van de technische wetenschappen zijn in

ze voortbouwden op eerder werk. Daarom kan men de

het gegevensbestand aanwezig.

wetenschap bestuderen aan de hand van de wetenschappelijke


133

●

‘Selectiviteit’: alle wetenschappelijke tijdschriften die in de

8.3 DATABRONNEN EN DATAVERWERKING

SCI opgenomen zijn, werden op grond van kwantitatieve criteria (impactmaatstaven) gekozen en de selectie door

Alle bibliometrische gegevens die in dit hoofdstuk gebruikt

ISI wordt in het algemeen ook door de opinie van experten

worden, zijn gebaseerd op de bibliografische ‘ruwe’ data

in de betreffende disciplines gevalideerd en aanvaard.

geëxtraheerd uit de 1992-2005 cumulatieve databestanden van de Science Citation Index Expanded® (SCIE). Om de

●

‘Volledige dekking’: alle publicaties in tijdschriften die in

literatuurdekking ietwat uit te breiden wordt als bijkomende

de SCI opgenomen zijn, worden ook geïndexeerd.

databron de Science & Technology Edition van de ISI Proceedings (STP) gebruikt. Omdat conferentiebijdragen ook

●

‘Volledigheid van adressen’: de werkadressen van alle

in tijdschriften worden gepubliceerd is de overlap van de

auteurs worden vermeld. Dit kenmerk maakt dus de analyse

twee databronnen aanzienlijk. Bij de bijkomende publicaties

van wetenschappelijke samenwerking en de toepassing van

gaat het echter om conferentiebijdragen die niet reeds - bijv. in

een volledig of een gefractioneerd telschema (waarbij een

het kader van speciale journal issues - in het WOS zijn

publicatie geheel of gedeeltelijk aan bijvoorbeeld elke

opgenomen. Bij de “zuivere” proceedingsliteratuur kan echter

auteur, instelling of land wordt toegewezen) mogelijk.

enkel een publicatie-analyse gebeuren en geen citatie-analyse daar er met ISI nog geen overeenstemming bestaat over de

●

●

juiste wijze waarop de impact moet berekend worden in geval

worden ook hun referenties verwerkt. De herdefinitie van

van de Proceedings. Bovendien is voor de periode 1992-1994

deze referenties als brondocumenten maakt het mogelijk

enkel één adres per publicatie vermeld zodat voor deze

om citatiepatronen te onderzoeken en citatieindicatoren

periode ook geen analyse van wetenschappelijke samenwerking

te construeren.

kan worden uitgevoerd.

‘Beschikbaarheid’: De SCI is beschikbaar als gedrukte

De bibliometrische analyse die in het vervolg van dit hoofdstuk

versie, elektronisch op magneetband, on-line en als CD-editie.

wordt weergegeven, is gebaseerd op de vier zogenaamde

Vooral de laatstgenoemde is in de negentiger jaren zeer

‘relevante’ of ‘citeerbare’ documenttypes, namelijk (1) articles,

populair geworden. Een meer uitgebreide versie van dit

(2) letters, (3) notes en (4) reviews. De publicaties van de laatste

databestand, de SCI expanded, is onderdeel van het Web

veertien jaar, d.w.z. van de periode 1992-2005, werden voor

of Science (WoS®), dat eveneens door het ISI geproduceerd

deze analyses geselecteerd.

wordt. Dat is meestal on-line beschikbaar. De SCI Expanded (SCIE) heeft duidelijk een bredere tijdschriftendekking dan

Sinds het verschijnen van de laatste editie van het indicatoren-

de ‘gewone’ SCI. De volledige Web of Science bevat naast

boek heeft Thomson - ISI regelmatig bestanden met correcties

de SCIE ook nog de SSCI (Social Science Citation Index) en

aangeleverd. Deze gegevens corrigeren niet alleen bibliografische

de A&HCI (Arts&Humanities Citation Index).

of citatiegegevens maar tevens worden ook volledige issues aan vorige jaarlijkse volumes toegevoegd of in vroegere updates

Er zijn zonder twijfel enkele kritische bedenkingen te

verwijderd. Door deze aanpassingen is het nu mogelijk de SOOI

formuleren over de databestanden van het ISI. Naast de twee

gegevens met de actuele versie van het WoS in overeenstemming

reeds genoemde aspecten (dekkingsgraad en verwerking bij

te brengen. Door deze aanpassingen kunnen zowel de Vlaamse

aanmaak) moet ook nog de oververtegenwoordiging van

indicatoren alsook de kencijfers van de referentielanden lichtjes

publicaties afkomstig uit Engelstalige landen, in het bijzonder

veranderen. Wij raden dus aan ook telkens de actuele versie

van publicaties uit de Verenigde Staten, vermeld worden.

van het Indicatorenboek te raadplegen.

Ondanks deze bedenkingen is de SCIE momenteel de meest geschikte bibliografische bron voor uitgebreide, alle vakgebieden

Aan de basis van de toewijzing van publicaties aan Vlaanderen

omvattende, bibliometrische analyses.

en aan de referentielanden lagen de werkadressen. De nationaliteit van een auteur was dus niet doorslaggevend maar wel zijn of haar adres van institutionele affiliatie. Er is verder een ‘volledig’ telschema toegepast, met andere woorden, indien een publicatie co-auteurs met werkadressen in verschillende landen heeft, dan wordt deze publicatie aan alle betrokken landen als één

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 8

‘Bibliografische referenties’: Samen met de documenten


134

volledige publicatie toegewezen. Er wordt dus niet gefractioneerd

4. Biomedisch onderzoek

tussen de landen. Doch in het geval een publicatie meer dan

5. Klinische en experimentele geneeskunde I (algemene en

één werkadres in hetzelfde land vermeldt, dan wordt dit

interne geneeskunde)

document enkel één keer aan het betrokken land toegewezen.

6. Experimentele geneeskunde II (niet-interne vakken)

Anderzijds kan ook één publicatie van één auteur wel als

7. Neuro- en gedragswetenschappen

afkomstig van twee landen en dus als een internationale

8. Chemie

co-publicatie beschouwd worden, indien deze auteur

9. Fysica

werkadressen in twee verschillende landen heeft vermeld.

10. Aard- en ruimtewetenschappen 11. Technische wetenschappen

De bepaling van Vlaamse publicaties was iets ingewikkelder

12. Wiskunde

dan die van de Europese referentielanden. Een document werd beschouwd als afkomstig van Vlaanderen op voorwaarde dat

De citatiegegevens werden bepaald via een op een speciale

het tenminste één (co)auteur een Vlaams werkadres heeft.

identificatiesleutel gebaseerd koppelingsalgoritme. Hierbij worden

Verder werden 20% van het aantal publicaties en citaties

de individuele bronpublicaties gekoppeld met de individuele

van alle brondocumenten die enkel een Brussels doch geen

bestanddelen van de referentielijsten van alle bronpublicaties.

Vlaams werkadres hebben, bij de berekening van de Vlaamse

Het aantal citaties dat een bronpublicatie in elk jaar na het jaar

basisindicatoren gevoegd. Dit betekent concreet dat 20% van

van zijn publicatie krijgt is natuurlijk niet constant. Het is aan

alle instellingen met een Brussels werkadres aan Vlaanderen

veranderingen onderworpen die eigen zijn aan het proces van

werden toegewezen. Uitzonderingen vormen de Nederlandstalige

veroudering van (wetenschappelijke) informatie. Het citatieproces

Vrije Universiteit Brussel (VUB) die aan Vlaanderen wordt

is dus niet homogeen. De keuze van een geschikt citatievenster

toegewezen en ULB/ULC met toekenning aan Wallonië.

is daarom van groot belang. Het in dit hoofdstuk gekozen

Verder werden alle bijkomende Brusselse gegevens manueel

venster is in overeenstemming met de resultaten van recente

geverifieerd en aan de betreffende gemeenschap toegekend.

methodologische studies en met de praktische ervaring die

Enkel op de federale en andere niet onmiddellijk toekenbare

gangbaar is in het bibliometrisch onderzoek (bijv. Glänzel en

instellingen werd dus de 20/80 regel toegepast. Deze allocatie-

Schoepflin, 1995, van Raan, 2006). Er werd op basis van deze

regel werd reeds in het Indicatorenboek 2005 toegepast.

inzichten een vast tijdvenster van drie jaar, beginnend met het jaar van publicatie, toegepast. Aldus werden bijvoorbeeld voor

Voor de vergelijkende analyses werden, net als in het

publicaties die in de jaargang 2003 van het SCI Expanded

Indicatorenboek 2005, de volgende elf Europese referentie-

opgenomen zijn, alle citaties gedurende de periode 2003-

landen in aanmerking genomen: België, Denemarken,

2005 geteld. Dankzij dit citatievenster konden alle tussen 1992

Duitsland, Finland, Frankrijk, Ierland, Italië, Nederland, Spanje,

en 2003 gepubliceerde en in het SCIE geïndexeerde documenten

Verenigd Koningrijk en Zweden.

in aanmerking genomen worden voor de citatieanalyse.

De toewijzing van publicaties aan wetenschapsgebieden is gebaseerd op een disciplinetoekenning vertrekkend van het

8.4 BIBLIOMETRISCHE INDICATOREN

door het ISI ontwikkelde Subject Category System waarbij tijdschriften worden gegroepeerd in cognitief logische

Een basismaatstaf van de wetenschappelijke output is het aantal

disciplinegroepen. Het hier toegepaste disciplinestelsel is een

publicaties, of om precies te zijn, het aantal publicaties in het

verdere groepering van de afgerond 200 disciplinecodes van

gebruikte bibliografisch databestand. De dekkingsgraad en het

het ISI en bevat 60 deelgebieden en 12 hoofdgebieden. In het

profiel van de SCIE is onderworpen aan jaarlijkse wijzigingen

kader van deze studie werd het Vlaams onderzoek op niveau

en aanpassingen. Daarom moet het meten van de regionale of

van de hoofdgebieden geanalyseerd. Deze hoofdgebieden zijn:

nationale publicatieoutput altijd in samenhang met de ontwikkeling van het gegevensbestand als geheel beschouwd

1. Agronomie en omgevingswetenschappen

worden. Een logische consequentie hiervan is dat voor het

2. Biologie (op het organisme- en het supraorganismevlak)

onderzoek van publicatietrends, het nationale aandeel in het

3. Biowetenschappen (algemene, cellulaire en subcellulaire

totaal van de wereld-output gemeten wordt in plaats van de

biologie; genetica)

nationale publicatieoutput als dusdanig.


135

Het institutionele, regionale of nationale onderzoeksprofiel voor

De gemiddelde verwachte citatiefrequentie (Mean Expected

een gegeven systeem van wetenschapsgebieden kan door de

Citation Rate: MECR) geeft een vergelijkingswaarde voor de

zogeheten Activiteitsindex (AI) uitgedrukt worden. Frame (1977)

feitelijke citatieimpact op basis van de impactmaatstaven van

heeft deze indicator als een bibliometrische versie van de

de tijdschriften. Het verwachte aantal citaties van een publicatie

‘Comparative Advantage Index’ ingevoerd. De Activiteitsindex

is gedefinieerd als de gemiddelde citatiefrequentie van alle

voor landen wordt op de volgende manier gedefinieerd:

publicaties die in hetzelfde tijdschrift in hetzelfde jaar verschenen zijn. Om een compatibele verwachtingswaarde te kunnen definiëren, moeten natuurlijk de citatievensters

Ci / C AI =

gehanteerd voor beide indicatoren (MOCR en MECR)

, Wi / W

overeenstemmen. In plaats van het citatievenster van één jaar t voor publicaties verschenen in de twee voorafgaande jaren (t–1) en (t–2) (zoals gehanteerd in de definitie van de impact factor in de Journal Citation Report uitgegeven door het ISI), zal

waarbij Ci /C het aandeel nationale publicaties in een gegeven

in dit hoofdstuk eveneens een venster van drie jaar toegepast

gebied i in de nationale publicaties over alle gebieden en Wi /W

worden. Voor een verzameling van publicaties die aan een

het aandeel publicaties van de wereld in hetzelfde gebied i over

bepaalde onderzoeksgroep, instituut, regio of land wordt

de publicaties van de wereld in alle gebieden is.

toegekend is deze indicator dus de verhouding van alle individuele verwachte citatiefrequenties tot alle publicaties in de

In eerdere studies konden de volgende vier verschillende

beschouwde verzameling.

‘paradigmatische’ patronen in nationale publicatieprofielen onderscheiden worden (bijv. REIST-2, 1997):

De derde indicator is de zogeheten relatieve citatiefrequentie (Relative Citation Rate: RCR). Deze indicator wordt gedefinieerd

1. Het ‘westerse’ model met biowetenschappen en medische wetenschappen als overheersende gebieden,

als het quotiënt van de gemiddelde geobserveerde en gemiddelde verwachte citatiefrequentie, dus RCR = MOCR/MECR.

2. De typische patronen van de voormalige socialistische

RCR drukt uit of de publicaties van een onderzoeksgroep,

landen met overheersende activiteit in chemie en fysica,

instituut, regio of land meer of minder citaties hebben

3. Het ‘bio-omgevingsmodel’ met biologie en aard- en

aangetrokken dan verwacht op basis van de citatiefrequenties

4. Het ‘japans’ model met overheersende oriëntatie in de richting van technische wetenschappen en chemie.

van de tijdschriften. Omdat de citatiescores van de artikelen relatief ten opzichte van de citatiestandaard van de opgenomen tijdschriften gemeten worden, is deze indicator relatief ongevoelig tegenover de grote verschillen die tussen de citatiepraktijken in

De neutrale waarde van deze indicator is 1. AI > 1 betekent dus

de verschillende wetenschapsgebieden optreden.

publicatieactiviteit boven de wereldstandaard, AI = 1 betekent een publicatiepatroon overeenkomstig de wereldstandaard en

RCR = 0 reflecteert ‘ongeciteerdheid’, RCR < 1 betekent dat

AI < 1 drukt uit dat de activiteit van het land in het betrokken

de betrokken eenheid (onderzoeksgroep, instituut, regio of land)

onderzoeksgebied beneden de wereldstandaard ligt.

lager dan de wereldstandaard presteert, RCR > 1 betekent hoger dan de wereldstandaard en RCR = 1 drukt uit dat de betrokken

Drie indicatoren werden toegepast om verschillende aspecten

eenheid gemiddeld evenveel citaties heeft gekregen als werd

van de impact van het Vlaams wetenschappelijk onderzoek in

verwacht op basis van de citatiepatronen van de tijdschriften.

de Europese context te kenmerken. De drie indicatoren werden geïntroduceerd door Schubert De eerste indicator is de gemiddelde geobserveerde citatie-

et al. (1983) en worden sedertdien regelmatig toegepast in

frequentie (Mean Observed Citation Rate: MOCR). Deze indicator

vergelijkende meso- en macrostudies. Versies van deze

is gedefinieerd als het quotiënt van het aantal citaties

indicatoren, namelijk Citations per Paper (CPP strookt met

geobserveerd in een bepaalde periode (bijv. drie jaar

MOCR), Mean Citation Rate of Journal Packet (JCSm komt

beginnend met het jaar van publicatie) en het aantal aan de

overeen met MECR) en CPP/JCSm (kom overeen met RCR)

basis liggende publicaties. De MOCR weerspiegelt de feitelijke

worden ook aan het CWTS in Leiden gebruikt (bijv. Moed

impact van een onderzoeksgroep, instituut, regio of land.

et al., 1995).

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 8

ruimtewetenschappen op de voorgrond en


136

8.5 DE EVOLUTIE VAN DE VLAAMSE PUBLICATIES IN DE LEVENS-, NATUUREN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN

Vlaanderen toe - maar niet overal in dezelfde mate. De groei in Vlaanderen, België is duidelijk sterker dan in Duitsland en Frankrijk: terwijl hun per capita activiteit in 1992 nog op hetzelfde niveau was, is er in 2005 een geprononceerd verschil

Zoals in de derde sectie van dit hoofdstuk beschreven, waren

waarneembaar. De evolutie is nog duidelijker als de proceedings-

de werkadressen doorslaggevend bij de toewijzing van

literatuur word meegenomen. Hier heeft de per capita productie

publicaties aan Vlaanderen en aan de referentielanden. Er werd

in 2005 al het niveau van Nederland bereikt (zie tabel 8.2).

een ‘volledig’ telschema gebruikt, d.w.z. indien een publicatie

Enkel de Scandinavische landen zijn nog productiever dan

co-auteurs met werkadressen in verschillende landen heeft, dan

Vlaanderen.

werd deze aan alle betrokken landen als één volledige publicatie toegewezen. Om de toename van publicaties en de

Tabel 8.3 geeft de evolutie van de publicatieoutput weer op basis

wijzigingen aan de tijdschriftendekking van het SCI-Expanded

van het procentuele aandeel van Vlaanderen en de elf referentie-

bronbestand te kunnen compenseren, werden het Vlaamse en

landen in het wereldtotaal in alle wetenschapsgebieden samen.

het nationale aandeel in het wereldtotaal tijdens de periode

Het Vlaamse aandeel in het wereldtotaal is vanaf 1992 tot 2005

1992-2005 berekend. Tabel 8.1 geeft de evolutie van de

met meer dan 50% gestegen. Deze ontwikkeling is tijdens

publicatieoutput weer op basis van publicatie activiteit van

de eerste tien jaar van de volledige periode vergelijkbaar met

Vlaanderen en de elf referentielanden per 10.000 inwoners in

die van Finland. Hoewel het Vlaamse procentuele aandeel iets

alle wetenschapsgebieden samen.

kleiner is dan dat van Finland, lopen hun beide trendlijnen tot en met 2001 nagenoeg parallel. Vanaf 2001 wordt de Finse

De berekening van de Vlaamse publicatieoutput, rekening

groei stopgezet om tijdens de laatste twee jaar weer te dalen.

houdend met Brusselse publicaties, is hoger beschreven.

De Vlaamse groeidynamiek wordt enkel door die van Ierland

De bevolkingstallen zijn gebaseerd op openbare informatie

en Spanje overtroffen. Op de oorzaken van de groei in

gepubliceerd door EUROSTAT. Het aantal publicaties per

die laatstgenoemde landen werd op verschillende plaatsen

10.000 inwoners splitst Vlaanderen en de referentielanden in

gewezen (bijv. Cano en Julian, 1992, Román en Méndez,

twee groepen op: landen met relatief lage output per hoofd -

1994, Gómez et al., 1995, REIST-2, 1997). De ononderbroken

zoals Duitsland, Frankrijk, Ierland, Italië en Spanje - en landen met

stijging van deze landen kan namelijk in grote mate als een

hoge activiteit per hoofd - zoals de Scandinavische referentie-

gevolg van de integratie van deze landen in de organisaties

landen, België en het Verenigde Koningrijk. De regio Vlaanderen

en de kaderprogramma’s van de Europese Gemeenschap

maakt deel uit van de laatstgenoemde groep. Het aantal

beschouwd worden.

publicaties per hoofd neemt in alle referentielanden en in

Tabel 8.1: Evolutie van de publicatieoutput van Vlaanderen en de elf referentielanden per 10.000 inwoners (alle vakgebieden samen; enkel tijdschriftenliteratuur) Jaar

VL

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

ESP

SWE

1992

6.70

6.78

10.94

9.46

6.50

5.99

4.46

3.78

9.69

3.41

12.83

9.91

1993

6.74

6.90

11.09

10.00

6.63

5.92

4.68

3.87

10.08

3.56

13.35

10.02

1994

7.46

7.62

12.19

10.89

7.05

6.33

4.99

4.28

10.57

3.89

14.04

10.73

1995

8.14

8.29

12.51

11.52

7.51

6.71

5.51

4.61

11.16

4.23

14.90

11.22

1996

8.87

8.89

12.82

12.16

7.77

7.13

5.96

5.01

11.45

4.60

15.85

11.66

1997

9.05

9.00

13.13

12.70

7.94

7.48

6.23

5.10

11.81

5.02

15.89

11.24

1998

10.26

9.82

14.66

13.40

8.49

8.28

7.06

5.48

12.23

5.49

17.08

12.15

1999

10.63

10.08

14.62

14.05

8.55

8.27

7.08

5.58

12.04

5.75

17.37

12.24

2000

10.54

9.83

14.78

14.47

8.30

8.27

7.17

5.57

12.08

5.76

16.96

12.37

2001

11.16

10.24

15.08

14.88

8.49

8.45

7.32

5.93

12.30

6.06

18.09

12.16

2002

11.13

10.35

14.54

14.38

8.10

8.22

7.52

5.99

12.19

6.20

17.38

11.70

2003

12.54

11.62

16.40

15.80

8.89

8.89

8.31

6.75

13.57

6.64

18.53

12.57

2004

12.55

11.32

15.43

14.97

7.92

8.38

8.64

6.61

13.03

6.58

17.42

12.06

2005

14.61

13.05

17.44

16.46

9.00

9.60

10.41

7.40

15.17

7.46

19.78

13.45

* Bevolkingsdata op basis van EUROSTAT

GBR


137

Tabel 8.2: Evolutie van de publicatieoutput van Vlaanderen en de elf referentielanden per 10.000 inwoners (alle vakgebieden samen; tijdschriften- en proceedingsliteratuur) Jaar

VL

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

ESP

SWE

GBR

1992

6.81

6.88

11.04

9.53

6.60

6.08

4.48

3.87

9.86

3.42

13.01

10.04

1993

6.84

7.04

11.26

10.15

6.80

6.04

4.71

3.95

10.32

3.59

13.56

10.16

1994

8.55

8.72

13.60

12.26

8.09

7.29

5.57

5.08

12.26

4.23

15.56

12.18

1995

9.57

9.70

14.28

13.24

8.83

7.92

6.23

5.69

13.01

4.67

16.77

12.97

1996

10.14

10.13

14.11

13.87

8.79

8.31

6.49

5.88

13.01

5.07

17.47

13.12

1997

10.22

10.11

14.34

14.47

8.98

8.49

6.79

5.89

13.22

5.43

17.45

12.45

1998

11.62

11.05

15.92

15.34

9.47

9.41

7.66

6.35

13.87

6.04

18.75

13.46

1999

11.84

11.20

15.77

15.69

9.47

9.24

7.59

6.29

13.24

6.21

18.98

13.31

2000

11.75

10.93

15.97

16.20

9.11

9.23

7.69

6.28

13.33

6.18

18.50

13.47

2001

12.47

11.39

16.01

16.48

9.28

9.40

8.03

6.69

13.54

6.54

19.56

13.33

2002

12.73

11.65

15.77

16.80

9.15

9.37

8.44

6.94

13.68

6.86

19.19

13.07

2003

13.99

12.79

17.55

17.98

9.80

9.94

9.45

7.71

14.95

7.26

20.02

13.65

2004

14.06

12.52

16.44

16.79

8.79

9.41

9.57

7.48

14.25

7.19

18.84

13.07

2005

16.46

14.57

18.83

19.11

9.98

10.72

12.39

8.51

16.64

8.25

21.53

14.60

Tabel 8.3: Evolutie van het aandeel van Vlaanderen en elf Europese referentielanden in het totaal van de databank (alle vakgebieden samen; enkel tijdschriftenliteratuur) VL

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

ESP

SWE

GBR

1992

0,61%

1,03%

0,86%

0,72%

5,65%

7,32%

0,24%

3,27%

2,23%

2,02%

1,69%

8,73%

1993

0,62%

1,06%

0,88%

0,77%

5,83%

7,34%

0,26%

3,37%

2,35%

2,13%

1,78%

8,92%

1994

0,65%

1,11%

0,91%

0,80%

5,84%

7,41%

0,26%

3,52%

2,34%

2,20%

1,77%

9,01%

1995

0,67%

1,15%

0,89%

0,80%

5,92%

7,47%

0,27%

3,60%

2,35%

2,27%

1,79%

8,96%

1996

0,72%

1,20%

0,90%

0,83%

6,00%

7,78%

0,29%

3,83%

2,36%

2,42%

1,87%

9,13%

1997

0,73%

1,22%

0,92%

0,87%

6,14%

8,17%

0,30%

3,90%

2,45%

2,64%

1,87%

8,81%

1998

0,80%

1,28%

0,99%

0,88%

6,34%

8,70%

0,33%

4,04%

2,45%

2,78%

1,93%

9,19%

1999

0,82%

1,30%

0,98%

0,91%

6,31%

8,56%

0,33%

4,05%

2,39%

2,88%

1,94%

9,17%

2000

0,82%

1,27%

1,00%

0,95%

6,17%

8,60%

0,34%

4,07%

2,43%

2,91%

1,90%

9,33%

2001

0,85%

1,30%

1,00%

0,95%

6,19%

8,60%

0,35%

4,24%

2,43%

3,02%

1,99%

9,00%

2002

0,85%

1,32%

0,97%

0,93%

5,96%

8,42%

0,36%

4,29%

2,44%

3,15%

1,92%

8,68%

2003

0,88%

1,36%

1,00%

0,93%

5,99%

8,30%

0,37%

4,42%

2,48%

3,12%

1,87%

8,54%

2004

0,91%

1,38%

0,97%

0,91%

5,75%

8,10%

0,41%

4,48%

2,48%

3,26%

1,83%

8,43%

2005

0,93%

1,39%

0,96%

0,88%

5,73%

8,07%

0,44%

4,41%

2,52%

3,27%

1,81%

8,22%

Tabel 8.4: Evolutie van het aandeel van Vlaanderen en elf Europese referentielanden in het totaal van de databank (alle vakgebieden samen; tijdschriften- en proceedingsliteratuur) Jaar

VL

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

ESP

SWE

GBR

1992

0,52%

0,88%

0,73%

0,61%

4,83%

6,26%

0,20%

2,82%

1,91%

1,71%

1,44%

7,46%

1993

0,53%

0,92%

0,76%

0,66%

5,05%

6,33%

0,22%

2,91%

2,04%

1,82%

1,53%

7,65%

1994

0,63%

1,08%

0,87%

0,76%

5,72%

7,28%

0,25%

3,57%

2,31%

2,04%

1,67%

8,72%

1995

0,66%

1,12%

0,85%

0,77%

5,80%

7,34%

0,25%

3,71%

2,28%

2,09%

1,68%

8,62%

1996

0,70%

1,16%

0,84%

0,80%

5,76%

7,69%

0,27%

3,81%

2,28%

2,26%

1,74%

8,70%

1997

0,71%

1,17%

0,86%

0,84%

5,94%

7,93%

0,28%

3,85%

2,34%

2,44%

1,76%

8,35%

1998

0,78%

1,23%

0,92%

0,86%

6,04%

8,45%

0,31%

4,00%

2,37%

2,61%

1,81%

8,70%

1999

0,80%

1,26%

0,92%

0,89%

6,10%

8,35%

0,31%

3,99%

2,30%

2,72%

1,85%

8,71%

2000

0,80%

1,25%

0,95%

0,94%

5,98%

8,46%

0,32%

4,04%

2,36%

2,76%

1,83%

8,96%

2001

0,83%

1,26%

0,92%

0,92%

5,91%

8,33%

0,33%

4,17%

2,33%

2,85%

1,87%

8,60%

2002

0,82%

1,25%

0,88%

0,91%

5,66%

8,05%

0,34%

4,18%

2,30%

2,92%

1,78%

8,14%

2003

0,84%

1,28%

0,92%

0,91%

5,66%

7,95%

0,36%

4,33%

2,35%

2,92%

1,73%

7,95%

2004

0,88%

1,31%

0,89%

0,88%

5,46%

7,79%

0,39%

4,34%

2,32%

3,05%

1,70%

7,83%

2005

0,89%

1,32%

0,88%

0,87%

5,42%

7,68%

0,44%

4,32%

2,35%

3,08%

1,68%

7,61%

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 8

Jaar


138

Tabel 8.5: Evolutie van het aandeel van Vlaamse publicaties in het wereldtotaal voor twaalf vakgebieden (enkel tijdschriftenliteratuur) Jaar

AGRI

BIOL

BIOS

BIOM

CLI1

CLI2

NEUR

CHEM

PHYS

GEOS

ENGN

MATH

1992

0,53%

0,76%

0,89%

0,76%

0,76%

0,68%

0,33%

0,50%

0,61%

0,36%

0,52%

0,50%

1993

0,48%

0,75%

0,88%

0,80%

0,79%

0,70%

0,36%

0,53%

0,60%

0,27%

0,53%

0,48%

1994

0,48%

0,83%

0,95%

0,81%

0,79%

0,73%

0,40%

0,57%

0,63%

0,31%

0,52%

0,62%

1995

0,58%

0,92%

0,99%

0,75%

0,87%

0,72%

0,45%

0,56%

0,62%

0,31%

0,54%

0,63%

1996

0,68%

0,95%

1,04%

0,85%

0,80%

0,76%

0,38%

0,62%

0,78%

0,42%

0,63%

0,77%

1997

0,73%

0,98%

1,02%

0,91%

0,89%

0,81%

0,53%

0,63%

0,69%

0,37%

0,64%

0,74%

1998

0,88%

1,04%

1,10%

1,02%

1,01%

0,84%

0,57%

0,68%

0,76%

0,47%

0,74%

0,85%

1999

0,89%

1,11%

1,10%

0,97%

0,99%

0,85%

0,57%

0,73%

0,85%

0,49%

0,78%

0,89%

2000

0,91%

1,17%

1,01%

0,98%

1,00%

0,88%

0,58%

0,71%

0,80%

0,46%

0,80%

0,77%

2001

0,97%

1,19%

1,08%

0,97%

0,97%

0,87%

0,71%

0,76%

0,88%

0,49%

0,83%

0,91%

2002

1,03%

1,18%

1,03%

0,98%

0,99%

0,87%

0,72%

0,71%

0,88%

0,56%

0,87%

0,86%

2003

1,06%

1,20%

1,00%

0,91%

0,99%

0,87%

0,78%

0,74%

0,89%

0,60%

0,94%

0,98%

2004

1,11%

1,20%

1,04%

1,00%

1,05%

0,98%

0,82%

0,70%

0,97%

0,64%

0,96%

1,02%

2005

1,23%

1,28%

1,08%

0,98%

1,12%

0,94%

0,96%

0,75%

0,91%

0,68%

0,93%

0,94%

Tabel 8.6: Evolutie van het aandeel van Vlaamse publicaties in het wereldtotaal voor twaalf vakgebieden (tijdschriften- en proceedingsliteratuur) Jaar

AGRI

BIOL

BIOS

BIOM

CLI1

CLI2

NEUR

CHEM

PHYS

GEOS

ENGN

MATH

1992

0,53%

0,76%

0,89%

0,76%

0,76%

0,68%

0,33%

0,50%

0,61%

0,36%

0,52%

0,50%

1993

0,48%

0,75%

0,88%

0,80%

0,79%

0,70%

0,36%

0,53%

0,60%

0,27%

0,53%

0,48%

1994

0,53%

0,85%

0,94%

0,77%

0,79%

0,72%

0,42%

0,55%

0,60%

0,30%

0,51%

0,62%

1995

0,60%

0,89%

0,97%

0,74%

0,88%

0,74%

0,45%

0,54%

0,65%

0,33%

0,57%

0,64%

1996

0,68%

0,92%

1,01%

0,80%

0,79%

0,75%

0,37%

0,62%

0,75%

0,43%

0,62%

0,73%

1997

0,76%

0,98%

0,99%

0,88%

0,89%

0,80%

0,55%

0,60%

0,66%

0,34%

0,59%

0,77%

1998

0,85%

1,04%

1,07%

0,99%

1,02%

0,83%

0,56%

0,67%

0,75%

0,42%

0,69%

0,82%

1999

0,92%

1,10%

1,08%

0,92%

0,98%

0,85%

0,56%

0,71%

0,81%

0,52%

0,70%

0,85%

2000

0,95%

1,16%

1,00%

0,96%

1,00%

0,89%

0,57%

0,70%

0,77%

0,48%

0,74%

0,77%

2001

1,00%

1,19%

1,06%

0,98%

0,97%

0,87%

0,69%

0,76%

0,84%

0,47%

0,74%

0,90%

2002

0,99%

1,17%

1,02%

0,92%

0,98%

0,87%

0,72%

0,71%

0,80%

0,53%

0,73%

0,89%

2003

1,01%

1,14%

0,99%

0,87%

0,98%

0,85%

0,77%

0,73%

0,84%

0,54%

0,76%

0,89%

2004

1,11%

1,21%

1,03%

0,96%

1,04%

0,97%

0,81%

0,71%

0,90%

0,60%

0,80%

0,94%

2005

1,24%

1,27%

1,06%

0,93%

1,12%

0,92%

0,94%

0,74%

0,88%

0,61%

0,82%

0,90%

Er wordt een meer of minder grote stijging van de relatieve

tussen 1992 en 2005 is gestegen, maar dat de ontwikkeling en

output van alle referentielanden waargenomen, hoewel de

de groei in enkele levenswetenschappen, vooral in de

groei in enkele landen (vooral Frankrijk en Verenigd Koningrijk)

biowetenschappen (BIOS), het biomedisch onderzoek (BIOM),

in de laatste jaren eerder stagneert. Deze waarnemingen zijn in

en de klinische en experimentele geneeskunde I (CLI1) eerder

lijn met de algemene groei van de publicatieoutput van de

stagneert rond de millenniumwissel. Opvallend is de sterke

Europese Gemeenschap (REIST-2, 1997, REIST-3, 2003).

groei in GEOS tijdens de laatste vier jaar. Maar ook de klinische en experimentele geneeskunde vertoont vanaf 2004 weer een

Opmerkelijk is ook dat het aandeel van de Vlaamse publicaties

opmerkelijke groei. Opvallend is ook dat het aandeel van de

in het Belgisch geheel duidelijk gestegen is, van om en bij de

gebieden agronomie en omgevingswetenschappen (AGRI) en

58% in 1992 en 1993 tot bijna 67% in de jaren 2004 en 2005

wiskunde (MATH) ongeveer verdubbelde. Het Vlaamse aandeel

(vgl. tabel 8.3 en 8.4).

in de neuro- en gedragswetenschappen (NEUR) is duidelijk meer dan verdubbeld. Algemeen kan men stellen dat de groei

In tabel 8.5 en 8.6 is de ontwikkeling van de Vlaamse publicatie-

sterker is in die gebieden waar Vlaanderen minder actief is.

output uitgesplitst naar twaalf wetenschapsgebieden (zie sectie

Anderzijds is de stijging het langzaamst in die drie gebieden

drie van dit hoofdstuk) weergegeven. Uit deze tabel blijkt dat

(BIOS, BIOM, CLI1), waar de activiteit in 1992 duidelijk boven

het Vlaams aandeel in het wereldtotaal in alle vakgebieden

het Vlaams aandeel in alle gebieden samen (0.60%) was


139

(vgl. tabel 8.5 en 8.6). De analyse van de Vlaamse activiteit

Figuur 8.1 geeft voor drie deelperioden van de periode 1992-2005

in de individuele gebieden zal in het volgende deel van dit

het procentuele aandeel van de verschillende organisatietypen

hoofdstuk aan de orde komen.

weer in de Vlaamse publicatieoutput over alle gebieden samen. Ook hierbij werd een volledig telschema toegepast, d.w.z. indien

De trends in de ontwikkelingen op basis van tijdschriften-

een publicatie werkadressen van meer dan ĂŠĂŠn organisatietype

literatuur en van tijdschriftenpublicaties plus conferentiemateriaal

had, werd deze aan elk type als een volledige publicatie toe-

komen tamelijk overeen. Opmerkelijke discrepanties tussen de

gewezen. De procentuele aandelen kunnen dus op grond van

betrokken indicatoren konden niet worden geobserveerd.

deze meervoudige toekenning niet tot 100% opgeteld worden. Het aandeel van instellingen voor hoger onderwijs, dus

8.6 HET VLAAMS PUBLICATIEPROFIEL IN DE LEVENS-, NATUUR- EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN

van universiteiten en hogescholen, met meer dan 85% SCIEdocumenten overheerst dit resultaat. Ruim 10% van alle Vlaamse SCIE-documenten worden door medewerkers van publieke onderzoeksinstellingen of administraties gepubliceerd.

Vooraleer de specialisatieprofielen van het Vlaams onderzoek te

Private instellingen en ziekenhuizen dragen met respectievelijk

beschouwen, komt eerst een ander aspect van dit publicatie-

rond de 7% en de 5% tot het Vlaamse totaal bij (hierbij merken

profiel aan de orde.

we op dat de publicaties van de universitaire ziekenhuizen

Figuur 8.1: Verdeling per organisatietype van de Vlaamse publicaties op basis van de SCIE (boven: 1992-1996, midden: 1997-2001, beneden: 2002-2005)

0.1%

V

5.2%

IV

6.7%

III

10.0%

II

0%

5%

10%

15%

20%

25%

30%

35%

40%

45%

50%

55%

60%

65%

70%

75%

80%

85%

90%

95%

0.6%

V

4.9%

IV

6.6%

III

13.8%

II

86.3%

I 0%

5%

10%

15%

20%

25%

30%

35%

40%

45%

50%

55%

60%

65%

70%

75%

80%

85%

90%

95%

0.7%

V

4.4%

IV

6.2%

III

11.0%

II

88.1%

I 0%

5%

10%

15%

20%

25%

30%

35%

40%

45%

50%

55%

60%

65%

70%

(I Instelling voor hoger onderwijs, II Publieke onderzoeksinstelling of administratie, III Private instelling, IV Ziekenhuis, V Andere)

75%

80%

85%

90%

95%

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 8

85.1%

I


140

bij de universiteiten zelf werden geteld). Vooral het aandeel

Het uurwerkdiagram beschrijft het profiel van Vlaanderen

van de universitaire sector is continu lichtjes gestegen.

eenduidig als Type 1, dit is het westers model met bio- en

Bovenstaande gegevens stemmen nauw overeen met de

medische wetenschappen als overheersende gebieden. Wel is

resultaten van de vorige uitgaven van dit Indicatorenboek (vgl.

het profiel van de tweede periode enigszins veranderd en wel in

Debackere, 1999, Debackere en Veugelers, 2003, 2005), maar

de richting van de wereldstandaard, maar het ‘paradigmatische’

lijken meer algemeen ook op de situatie in andere Europese

basistype van het Vlaams profiel is onveranderd gebleven.

landen (bijv. Katz en Hicks, 1998).

Desondanks valt de sterke groei op van enkele vakgebieden zoals vooral agronomie en omgevingswetenschappen (AGRI),

De specialisatie van het Vlaams onderzoek tijdens de perioden

neuro- en gedragswetenschappen (NEUR) en wiskunde (MATH),

1992-1996 en 1999-2003 wordt in figuur 8.2 op basis van de

waarop in het vorige deelhoofdstuk al gewezen werd (vgl.

Activiteitsindex grafisch weergegeven. Deze indicator werd reeds

figuur 8.2). Samenvattend kan gesteld worden dat het Vlaamse

vroeger besproken. De wereldstandaard is in het diagram door

publicatieprofiel gekenmerkt wordt door significant boven de

een regelmatige twaalfhoek aangeduid. Er dient op gewezen

wereldstandaard liggende activiteiten in de gebieden biologie

dat de Activiteitsindex, de relatieve activiteit met betrekking

(BIOL), biowetenschappen (BIOS), biomedisch onderzoek

tot de wereldstandaard, een evenwichtsindicator is, d.w.z. als

(BIOM) en klinische en experimentele geneeskunde I (CLI1) en

de activiteit van een land in enkele gebieden boven de

door beneden de wereldstandaard liggende activiteiten in de

wereldstandaard ligt, moet de activiteit in andere gebieden

gebieden neuro- en gedragswetenschappen (NEUR), chemie

noodzakelijkerwijs beneden de standaard liggen.

(CHEM) en aard- en ruimtewetenschappen (GEOS).

Figuur 8.2: Het publicatie profiel van het Vlaams onderzoek in de perioden 1992-1996, 1997-2001 en 2002-2005 op basis van de Activiteitsindex AI (bron: SCIE)

AGRI 1.8

MATH

1.6

BIOL

1.4 1.2 1.0

ENGN

BIOS

0.8 0.6 0.4 0.2

GEOS

BIOM

0.0

PHYS

CLI1 ■ 1992-1996 ■ 1997-2001 CHEM

CLI2

■ 2002-2005 ■ World Standard

NEUR


141

8.7 DE CITATIE-IMPACT VAN DE VLAAMSE PUBLICATIES IN DE LEVENS-, NATUUREN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN

geobserveerde citatiefrequentie (MOCR) en de gemiddelde verwachte (MECR) citatiefrequentie weer voor Vlaanderen, voor elf Europese referentielanden en voor de wereld in alle vakgebieden samen. Omdat beide citatiegemiddelden voor

Het bibliometrische middel bij uitstek om de impact van publicaties

het wereldtotaal op het volledige gegevensbestand gebaseerd

te meten is de citatie. Citaties zijn primair een belangrijke vorm

zijn, geldt voor het wereldtotaal de identiteit MOCR = MECR

van de mate waarin gebruik gemaakt wordt van wetenschappelijke

(vgl. laatste kolom van tabel 8.7).

informatie in het kader van gedocumenteerde wetenschappelijke communicatie. Zij weerspiegelen de acceptatie en erkenning van

Allereerst moet erop gewezen worden dat de rechtstreekse

gepubliceerde onderzoeksresultaten door de wetenschappelijke

vergelijking tussen de indicatorwaarden van Vlaanderen en de

gemeenschap. Hoewel het aantal citaties niet rechtstreeks als

referentielanden mogelijkerwijze tot verkeerde interpretaties

kwaliteitsmaat kan beschouwd worden, drukt een groot aantal

kan leiden omdat grote verschillen tussen de citatiepraktijken in

ontvangen citaties per publicatie wel een bepaalde impact uit.

de verschillende wetenschapsgebieden en deelgebieden

Met andere woorden, “indien een publicatie 5 of 10 citaties

optreden die door afwijkende nationale publicatieprofielen ook

ontvangt gedurende enkele jaren na de publicatie, dan is het

de nationale gemiddelde citatiefrequentie in alle vakgebieden

waarschijnlijk dat de inhoud van deze publicatie geïntegreerd

samen kunnen beïnvloeden. Op basis van het citatievenster

zal worden in de kennisbasis van dat onderzoeksdomein,

van drie jaar dat in deze studie werd gebruikt, konden alleen

indien echter, na 5 of 10 jaar geen enkele referentie naar deze

de jaren 1992-2003 in aanmerking genomen worden.

publicatie verwijst, dan zullen de bevindingen in die publicatie niet bijdragen tot de hedendaagse wetenschappelijke paradigma’s

De citatieindicatoren met betrekking tot het wereldtotaal zijn

van het onderzoeksdomein in kwestie.” (Braun et al., 1985).

tussen 1992 en 2003 met meer dan één derde gestegen. De MOCR-waarden van Vlaanderen en alle referentielanden

De methodologische achtergrond van de citatieanalyses is reeds

(behalve misschien Frankrijk en Zweden) stijgen sneller dan

beschreven. Tabel 8.7 geeft de evolutie van de gemiddelde

het wereldtotaal.

Tabel 8.7: Evolutie van de gemiddelde geobserveerde (MOCR) en verwachte (MECR) citatiefrequentie voor Vlaanderen

Jaar

VL

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

ESP

SWE

GBR

Wereld

1992

MOCR MECR

4.17 3.54

3.86 3.53

4.14 3.57

3.85 3.26

3.52 3.38

3.63 3.26

3.04 2.73

3.25 3.34

4.34 3.74

2.59 2.90

4.21 3.69

3.94 3.56

3.24

1993

MOCR MECR

4.50 3.72

4.16 3.65

4.68 3.83

4.03 3.48

3.72 3.56

4.00 3.52

2.62 2.88

3.42 3.53

4.49 3.96

2.84 3.20

4.38 3.84

4.18 3.74

3.47

1994

MOCR MECR

4.45 3.82

4.36 3.84

4.63 3.92

4.38 3.60

3.84 3.67

4.16 3.66

3.12 2.99

3.71 3.68

4.77 4.13

3.06 3.30

4.71 4.01

4.25 3.83

3.52

1995

MOCR MECR

4.89 3.94

4.54 3.88

4.91 4.08

4.46 3.83

3.98 3.75

4.33 3.84

2.99 3.04

3.85 3.80

5.02 4.34

3.03 3.42

4.75 4.14

4.40 3.97

3.58

1996

MOCR MECR

4.65 3.73

4.42 3.70

4.74 4.08

4.47 3.74

4.01 3.74

4.35 3.84

3.01 2.80

3.80 3.78

4.79 4.22

3.26 3.52

4.75 4.06

4.30 3.92

3.55

1997

MOCR MECR

4.96 4.14

4.80 4.10

5.22 4.46

4.86 4.15

4.23 4.01

4.51 4.05

4.38 3.48

4.09 4.02

5.38 4.52

3.42 3.63

5.00 4.29

4.82 4.34

3.76

1998

MOCR MECR

4.90 4.07

4.63 4.01

5.32 4.40

4.90 4.06

4.28 4.03

4.53 4.03

3.95 3.37

4.26 4.05

5.31 4.54

3.49 3.67

5.04 4.34

4.79 4.33

3.79

1999

MOCR MECR

5.07 4.33

4.87 4.32

5.47 4.67

4.87 4.38

4.28 4.12

4.75 4.26

4.36 3.56

4.38 4.29

5.64 4.83

3.64 3.80

5.06 4.46

4.86 4.45

3.90

2000

MOCR MECR

4.90 4.37

4.76 4.35

5.55 4.70

5.15 4.43

4.47 4.27

4.82 4.33

3.91 3.61

4.44 4.38

5.59 4.92

3.95 3.91

5.26 4.58

4.98 4.51

3.93

2001

MOCR MECR

5.27 4.47

5.22 4.52

6.15 5.04

5.18 4.53

4.69 4.46

5.09 4.49

5.27 3.79

4.54 4.46

5.87 5.04

3.94 4.01

5.38 4.76

5.24 4.78

4.13

2002

MOCR MECR

5.40 4.59

5.25 4.57

5.87 4.97

5.44 4.62

4.76 4.54

5.22 4.60

4.73 4.04

4.81 4.55

5.97 5.24

4.02 4.06

5.49 4.83

5.60 5.00

4.17

2003

MOCR MECR

5.99 4.85

5.77 4.83

6.66 5.31

5.33 4.79

4.91 4.68

5.44 4.83

4.97 4.30

4.80 4.79

6.55 5.47

4.29 4.28

5.93 5.13

5.74 5.22

4.40

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 8

en elf Europese referentielanden (alle vakgebieden samen; bron SCIE)


142

De groeisnelheid van de Franse citatieimpact stemt ongeveer met

De enorme stijging van de citatieimpact in Spanje en Ierland

de globale overeen. De relatieve daling van de Zweedse impact

van meer dan 60% stemt overeen met de bovengenoemde

in de jaren 1990 werd in de literatuur al meermaals opgemerkt

algemene groei van het wetenschappelijk onderzoek in deze

(bijv. Glänzel, 2000, Glänzel et al., 2003).

landen. Vlaanderen heeft een relatief lage groeivoet, maar die groei begint op een zeer hoog niveau in 1992 dat onder de referentielanden alleen met Zweden, Denemarken en Nederland

Figuur 8.3 Relatieve citatiekaart van Vlaanderen en elf

van Nederland en Denemarken is ongetwijfeld indrukwekkend.

samen; bron: SCIE), 1992-1995 (boven),

Ook op dit feit werd in de literatuur al meermaals de nadruk

1996-1999 (midden) en 2000-2003 (beneden)

gelegd (bijv. Thijssen et al., 2000, Glänzel, 2001). De verwachte citatieimpact van Vlaanderen en van alle andere

(1992-1995) 6.5

referentielanden is gestegen en wel ongeveer in gelijke mate

6.0

als de MOCR. De geobserveerde waarde ligt voor Vlaanderen

5.5

en alle referentielanden (behalve Spanje en, in het begin van de periode, ook Ierland en Italië) steeds boven de verwachte waarde.

5.0

MOCR

vergelijkbaar is. De evolutie en het niveau van de citatieimpact

Europese referentie landen (alle vakgebieden

DK NL VL SE BE FI UK DE FR IT

4.5 4.0 3.5 3.0

IE

In overeenstemming met beide citatieindicatoren kan men stellen dat Vlaanderen eenduidig tot de wetenschappelijke top binnen de gekozen referentielanden behoort. Dit wordt door de relatieve positie kaarten in figuur 8.3 aanschouwelijk geïllustreerd.

ES

2.5 2.5

3.0

3.5

4.0

4.5

5.0

5.5

6.0

6.5

MECR

diagrammen geven drie standaarden aan en verdelen dus de map in zes sectoren. De verticale rasterlijn geeft aan of de

(1996-1999) 6.5

gemiddelde verwachte citatiefrequentie van een land beneden

6.0

(links) of boven (rechts) van de wereldstandaard ligt. De horizontale lijn geeft de afwijking van de gemiddelde geobserveerde

5.5 DK NL VL SE FI BE UK DE FR IT

MOCR

5.0 4.5 4.0

citatiefrequentie van een land weer ten opzichte van de wereldstandaard. Uiteindelijk toont de bissectrice de identiteit RCR = 1. De door de voorwaarden MECR < 1, MOCR < 1 en

IE

3.5

RCR < 1 gedefinieerde sector stemt overeen met een uiterst

ES

ongunstige situatie. De diametraal tegenoverliggende sector,

3.0

die door de voorwaarden MECR > 1, MOCR > 1 en RCR > 1

2.5 2.5

3.0

3.5

4.0

4.5

5.0

5.5

6.0

6.5

MECR

wordt bepaald, weerspiegelt in tegenstelling daartoe de meest gunstige situatie qua de citatieimpact. Twee observaties vallen op in figuur 8.3: het uiteendrijven van de landencoördinaten

(2000-2003)

langs de bissectrice en de positieve evolutie van Spanje en

6.5 6.0

vooral Ierland wat de enorme stijging van hun geobserveerde

DK NL

5.5

citatiegemiddelde weerspiegelt. Zoals figuur 8.3 visualiseert,

VL SEUK BE FI DE

5.0

MOCR

De twee rasterlijnen en de diagonale lijn in de relatieve

IE

4.5 4.0

bevindt Vlaanderen zich samen met Zweden, Denemarken en

FR IT

Nederland voor alle drie deelperioden in de topgroep van de referentielanden hoewel de afstand tussen Denemarken en

ES

Nederland enerzijds en de andere referentielanden continu groeit.

3.5 3.0

Figuur 8.4 geeft de relatieve citatiefrequentie voor drie deelperioden

2.5 2.5

3.0

3.5

4.0

4.5

MECR

5.0

5.5

6.0

6.5

van telkens vier jaar (1992-1995, 1996-1999 en 2000-2003). De relatieve citatiefrequentie van Vlaanderen is in alle wetenschapsgebieden boven of tenminste gelijk aan de wereldstandaard.


143

Figuur 8.4: Relatieve citatiefrequentie voor Vlaanderen in twaalf vakgebieden (1992-1995, 1996-1999 en 2000-2003; bron: SCIE)

AGRI 1.8 1.6

MATH

BIOL

1.4 1.2 1.0

ENGN

BIOS

0.8 0.6 0.4 0.2

GEOS

BIOM

0.0

PHYS

CLI1 ■ 1992-1995 ■ 1996-2000 CHEM

■ 2001-2005

CLI2

■ World Standard NEUR

(alle vakgebieden samen; bron: SCIE) Jaar

VL

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

ESP

SWE

GBR

1992

33,7%

35,8%

34,5%

28,4%

27,1%

25,1%

29,4%

27,2%

27,5%

23,0%

31,9%

20,5%

1993

35,6%

37,7%

36,1%

28,2%

27,5%

26,5%

32,0%

28,4%

28,4%

24,8%

32,3%

21,2%

1994

38,0%

39,2%

38,1%

29,8%

28,8%

27,8%

32,1%

29,1%

30,2%

25,1%

34,1%

22,1%

1995

40,0%

40,6%

40,2%

32,1%

30,1%

29,0%

34,8%

30,1%

32,4%

26,4%

35,5%

24,0%

1996

41,1%

41,8%

41,8%

33,6%

31,8%

31,0%

34,7%

30,6%

34,1%

28,3%

37,1%

25,7%

1997

42,9%

43,7%

45,5%

35,8%

33,3%

31,9%

37,2%

32,0%

36,3%

28,6%

38,5%

27,7%

1998

45,2%

46,5%

47,7%

39,0%

35,8%

34,7%

43,9%

34,9%

39,8%

31,2%

41,7%

31,3%

1999

48,4%

49,6%

49,0%

41,4%

37,2%

36,4%

43,7%

35,6%

41,2%

32,3%

43,7%

32,6%

2000

48,8%

50,3%

49,5%

43,3%

39,5%

37,7%

45,5%

35,8%

44,0%

33,4%

44,8%

33,7%

2001

50,5%

51,7%

50,8%

42,1%

40,9%

39,8%

45,8%

36,8%

44,6%

34,5%

46,2%

35,8%

2002

52,4%

53,6%

51,4%

43,5%

42,4%

41,4%

47,9%

37,0%

46,0%

34,9%

48,1%

38,2%

2003

50,7%

53,3%

51,3%

45,7%

43,8%

43,1%

49,2%

37,4%

47,3%

36,5%

48,7%

39,2%

2004

51,6%

53,7%

52,3%

44,7%

45,3%

44,0%

49,5%

37,9%

48,0%

37,0%

49,2%

41,1%

2005

53,1%

55,3%

53,1%

46,1%

46,3%

44,7%

49,6%

39,2%

47,6%

38,5%

50,0%

42,4%

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 8

Tabel 8.8: Evolutie van het aandeel internationale co-publicaties van Vlaanderen en elf Europese referentielanden


144

Figuur 8.5: Het publicatieprofiel van de internationale co-publicaties van Vlaanderen, 1992-1996, 1997-2001 en 2002-2005

AGRI 1.8

MATH

1.6

BIOL

1.4 1.2 1.0

ENGN

BIOS

0.8 0.6 0.4 0.2

GEOS

BIOM

0.0

PHYS

CLI1 ■ 1992-1996 ■ 1997-2001 CHEM

CLI2

■ 2002-2005 ■ World Standard

NEUR

De levenswetenschappen en wiskunde hadden voor alle

kan worden. Meerdere studies (bijv. Gómez et al., 1995,

deelperioden een zeer hoge score. De indicatorwaarde van de

Glänzel et al., 1999, Glänzel en Schubert, 2004) hebben

natuurwetenschappen stemt met de wereldstandaard overeen

aangetoond dat internationale samenwerking tijdens de

of bevindt zich enigszins boven de waarde van 1.0. De relatieve

voorbije twintig jaar sterk is toegenomen. Een eenvoudige maar

citatiescores in de levenswetenschappen en wiskunde zijn -

duidelijke indicator voor het bibliometrisch meten van

vooral in het klinische onderzoek - toch iets hoger dan in de

internationale samenwerking is het aandeel van internationale

natuurwetenschappen.

co-publicaties in het nationale totaal. Men beschouwt een publicatie als internationaal indien tenminste één co-auteur met een werkadres van een ander land heeft meegewerkt aan de

8.8 DE INTERNATIONALE WETENSCHAPPELIJKE SAMENWERKING VAN VLAANDEREN

publicatie. Grote landen worden door een lager, kleine landen door een groter, aandeel van internationale co-publicaties in hun totale publicatieoutput gekenmerkt. Een rechtstreekse vergelijking is dus alleen zinvol tussen landen van ongeveer gelijke grootte.

Belangrijke onderzoeksresultaten, die een gevolg van internationale samenwerking zijn, worden in het kader van

Tabel 8.8 geeft de evolutie weer van het aandeel aan internationale

gedocumenteerde wetenschappelijke communicatie meestal

co-publicaties van Vlaanderen en elf Europese referentielanden

ook in de wetenschappelijke literatuur gepubliceerd. Op die

in alle vakgebieden samen. Het aandeel van internationale

manier wordt wetenschappelijke samenwerking gereflecteerd

co-publicaties in Vlaanderen is net als in alle referentielanden in

door het ermee overeenstemmend co-auteursschap dat met

aanzienlijke mate gestegen. Dit aandeel is in de ‘grote’ landen

behulp van bibliometrische methoden gemeten en geanalyseerd

zoals Verenigd Koningrijk, Duitsland, Frankrijk, Italië en Spanje


145

Figuur 8.6: De relatieve citatiefrequentie van de internationale copublicaties in Vlaanderen, 1992-1995, 1996-1999 en 2000-2003 (bron: SCIE)

AGRI 1.8

MATH

1.6

BIOL

1.4 1.2 1.0

ENGN

BIOS

0.8 0.6 0.4 0.2

GEOS

BIOM

0.0

PHYS

CLI1 ■ 1992-1995 ■ 1996-2000 CHEM

CLI2

■ 2001-2003 ■ World Standard

NEUR

Het is bijna een bibliometrische gemeenplaats dat internationale

andere referentielanden. De ontwikkeling van de Vlaamse

co-publicaties gemiddeld meer citaties ontvangen dan

indicatorwaarden lijkt onder de referentielanden van vergelijkbare

‘binnenlandse’ publicaties (vgl. Glänzel, 2001). Figuur 8.6 geeft

grootte vooral op die van Denemarken. Het percentage van

de evolutie van de relatieve citatiefrequentie van de internationale

meer dan 50% in de periode 2001-2005 ligt duidelijk hoger

copublicaties in Vlaanderen tussen de eerste helft van de jaren

dan dat van Finland, Ierland, Nederland en Zweden.

1990 en de tijd na de millenniumwissel. Hier kan de dezelfde trend vastgesteld worden die ook bij alle Vlaamse publicaties

Figuur 8.5 geeft het publicatieprofiel van de internationale

(vgl. figuur 8.4) waarneembaar was, maar in het geval van

co-publicaties van Vlaanderen over drie deelperioden weer.

de copublicaties wordt deze trend nog veel duidelijker.

De vergelijking van dit profiel met het profiel van alle Vlaamse publicaties toont een duidelijke polarisatie ten gunste van

Een heel belangrijk aspect van internationale samenwerking is

biowetenschappen en fysica en ten nadele van de technische

de analyse van de links tussen partners. In de bibliometrische

wetenschappen en niet-interne geneeskunde. Deze waarneming

praktijk is de volgende methode daarbij gebruikelijk geworden.

stemt overeen met de resultaten van de vorige Vlaams

Eerst worden de werkadressen van elke publicatie naar partner-

Indicatorenboeken (Debackere, 1999, Debackere en Veugelers,

paren (in dit geval landen) opgesplitst. Daarna kunnen dan de

2003, 2005). Het profiel ligt evenals in het geval van alle

bibliometrische kenmerken van deze paren als copublicatielinks

Vlaamse publicaties (vgl. figuur 8.2) in de tweede en derde

geanalyseerd worden. Dus bepalen bijvoorbeeld twee Vlaamse

deelperiode iets dichter bij de wereldstandaard dan tijdens

publicaties waarbij één publicatie nog werkadressen in Nederland

de eerste deelperiode tussen 1992 en 1996.

en Duitsland en de andere een werkadres in Nederland heeft,

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 8

overeenkomstig met de verwachtingen, kleiner dan in de


146

uiteindelijk vier links: twee tussen Vlaanderen en Nederland,

De algemene intensiteit van Vlaamse co-publicatielinks is

een tussen Vlaanderen en Duitsland en uiteindelijk ook een link

beduidend toegenomen. Deze waarneming is in overeen-

tussen Duitsland en Nederland. In de bibliometrische analyse

stemming met de globale trend die voor vele landen een

wordt dan in plaats van op basis van co-publicaties op basis van

duidelijke intensivering van samenwerkingsrelaties weerspiegelt

links gewerkt. Om de sterkte van de links tussen bepaalde

(vgl. Glänzel, 2001). Desondanks is de evolutie van enkele

landen te kunnen meten wordt een geschikte similariteitsmaat

Vlaamse co-publicatielinks opmerkelijk. Opvallend maar niet

toegepast. De in deze optiek meest gebruikte maat is de

verbazend is vooral de sterke link met Nederland. De link met

zogeheten cosinusmaat volgens Salton of de Salton-maat (r).

Nederland is in alle deelperioden verreweg de sterkste

Hij is op de volgende manier gedefinieerd:

internationale band. Deze band is de enige link boven de drempelwaarde van 5,0% in de tweede en derde deelperiode.

pij

De opvallende relatie met enkele Afrikaanse landen, vooral met

r =

,

Kongo, heeft een historische achtergrond en kan tenminste

√ pi • pj

gedeeltelijk door de aanwezigheid van een neokoloniale binding gekenmerkt worden (vgl. Nagtegaal en de Bruin, 1994).

waarbij pij het aantal links tussen de landen i en j en pi (pj ) het

De relaties met deze Afrikaanse landen werden stilaan naar het

totaal aantal publicaties van het land i (j) is. De belangrijkste

einde van de observatieperiode duidelijk zwakker (vgl. figuur 8.7)

co-publicatielinks van Vlaanderen en hun ontwikkeling in

en de sterkte van hun links met Vlaanderen daalt naar het

de jaren 1990 en rond de millenniumwissel zijn in figuur 8.7

einde van de observatieperiode onder de 1,5% drempel.

gevisualiseerd.

Figuur 8.7a: De geografische kaart van de belangrijkste co-publicatielinks van Vlaanderen op basis van de SCIE, 1992-1996 (links) en 1997-2001 (rechts)

SWE

GBR

GBR

NLD DEU

VL

NLD

USA

DEU

VL

CZE CHE

SVK

CHE

FRA

FRA ESP

PRT

PRT

COD

RWA BDI

■ r ≥ 0,05

ITA

COD

■ r ≥ 0,05

■ 0,025 ≤ r < 0,05

■ 0,025 ≤ r < 0,05

■ 0,015 ≤ r < 0,025

■ 0,015 ≤ r < 0,025


147

In tegenstelling tot deze ontwikkeling werden de Vlaamse

8.9 SLOTBESCHOUWINGEN

co-publicatielinks met Europese landen, vooral met leden van de Europese Gemeenschap, intensiever. Behalve de in figuur 8.7

De omvang en de impact van het Vlaams potentieel in de

vermelde middelsterke en sterke links, ligt de intensiteit van

natuur-, levens- en technische wetenschappen werd zichtbaar

samenwerking met andere Europese landen, zoals met de

gemaakt aan de hand van één erg relevante set van

Scandinavische landen Denemarken, Finland en Noorwegen,

indicatoren: de bibliometrische analyse van de publicaties,

met de Midden-Europese landen Oostenrijk en Luxemburg en

verschenen in de internationaal wetenschappelijke literatuur.

in Zuid-Europa met Griekenland in de laatste periode onder de

Het aantal Vlaamse wetenschappelijke publicaties in deze

1,5% drempel. Naast de EU-relatie is de versterkte samenwerking

disciplines is in de beschouwde periodes duidelijk gegroeid.

met Noord-Amerika (naast de VS met r > 1,5% nog Canada

Ook qua zichtbaarheid van de wetenschappelijke output behoort

met r = 1% in de laatste deelperiode), maar ook met voormalig

Vlaanderen zonder meer tot de Europese top. Men kan dan

socialistische landen in Oost-Europa, zoals Hongarije en Polen

ook duidelijk stellen, dat de Vlaamse en Belgische onderzoekers

met middelsterke samenwerkingsintensiteit, zowel als Tsjechië,

op een bijzonder efficiënte manier de beschikbare middelen

Bulgarije, Roemenië en Rusland net onder de drempelwaarde

hebben aangewend. De productiviteit van Vlaanderen in de

in 2002-2005, vermeldenswaard. Samenvattend kenmerkt

natuur-, levens- en technische wetenschappen is immers

de kaart in figuur 8.7 Vlaanderen als een in het Europees

spectaculair toegenomen.

wetenschappelijke systeem volledig geïntegreerde Europese regio met sterke bindingen, vooral tot zijn buurlanden.

De Vlaamse universiteiten staan in voor ongeveer 85%-90% van de Vlaamse publicatieoutput. Dit hoge percentage hoeft niet te verbazen, omdat het overgrote deel van het fundamenteel onderzoek, waarvan de resultaten worden gepubliceerd in de open literatuur, aan universiteiten wordt verricht.

Figuur 8.7b: 2002-2005

Het aandeel van de wetenschappelijke instellingen neemt toe in de loop van de jaren 1990, om vervolgens te stabiliseren rond de 10%. Hierbij moeten we ook rekening houden met de rol SWE

van het Interuniversitair Micro-elektronica Centrum (IMEC), de het einde van de beschouwde periode, ook het Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie (VIB). Het aandeel

GBR

van de Vlaamse bedrijven situeert zich rond de 7%, een lichte NLD

USA

DEU

VL

afname ten opzichte van de 8% die in de jaren 1980 werd POL

waargenomen (zoals blijkt uit de vorige edities van het Vlaams Indicatorenboek, Debackere 1999, Debackere en Veugelers,

CHE

HUN

FRA

2003, 2005). De verdeling van deze publicaties is echter erg vertekend, omdat een beperkt aantal bedrijven, met name

ESP ITA

■ r ≥ 0,05 ■ 0,025 ≤ r < 0,05 ■ 0,015 ≤ r < 0,025

Bron geografische map: University of Alabama, Cartographic Research Lab

Janssen Pharmaceutica en Innogenetics, het leeuwenaandeel voor hun rekening nemen.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 8

Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) en op


148

De vergelijking van de relatieve verdeling van de Vlaamse

8.10 REFERENTIES

publicaties over de grote wetenschapsdomeinen met deze van andere landen (-groepen) en met de gegevens van de volledige

• BRAUN, T., GLÄNZEL, W., SCHUBERT, A., Scientometrics

database, geeft informatie over de specialisatie van het Vlaams

indicators. A 32-country comparative evaluation of publishing

onderzoek. Zowel in vergelijking met het profiel van de volledige

performance and citation impact. World Scientific. Singapore

SCIE als met het profiel van de Europese Unie, hebben de

* Philadelphia. 1985.

publicaties in de klinische geneeskunde en de biowetenschappen een relatief groter gewicht t.o.v. de globale Vlaamse publicatie-

• CANO, F., JULIAN, S., Some Indicators in Spanish Scientific Production, Scientometrics, 24 (1), 1992, 43-59

output. Het aandeel van de technische wetenschappen is

• DEBACKERE, K. (red.). Vlaams Indicatorenboek Wetenschap,

daarentegen eerder klein, doch het heeft enkele positieve

Technologie, Innovatie, AWI en IWT, Depotnummer

evoluties doorgemaakt.

D/1999/3241/087, 1999. • DEBACKERE, K., VEUGELERS, R. (red.). Vlaams Indicatoren-

Meer dan andere landen, heeft het Vlaams onderzoek een

boek Wetenschap, Technologie, Innovatie, Steunpunt O&O

internationale component en deze sterke internationalisering

Statistieken, Depotnummer D/2003/3241/173, 2003.

lijkt nog verder te gaan. Er kunnen hiervoor een aantal

• DEBACKERE, K., VEUGELERS, R. (red.). Vlaams Indicatoren-

verklaringen worden aangereikt. België is een partner in diverse

boek Wetenschap, Technologie, Innovatie, Steunpunt O&O

internationale onderzoeksinstellingen, zoals CERN, ESO, EMBO

Statistieken, Depotnummer D/2005/3241/150, 2005.

en ESRF. Daarnaast neemt Vlaanderen erg actief deel aan multinationaal onderzoek, met voorop de Europese Kaderprogramma’s.

• FRAME, J.D., Main Stream Research in Latin America and the Caribbean, Interciencia, 2, 1997, 143-148.

Bovendien leiden de voortschrijdende specialisatie en het

• GLÄNZEL, W., SCHOEPFLIN, U., A bibliometric study on

toenemend interdisciplinair karakter van de wetenschap ertoe

ageing and reception processes of scientific literature,

dat Vlaamse onderzoekers geen geschikte collega's binnen

Journal of Information Science, 21 (1), 1995, 37-53.

Vlaanderen meer vinden, waarmee ze kunnen samenwerken.

• GLÄNZEL, W., SCHUBERT, A., CZERWON, H.-J., A

Ze zullen zich dan ook op een natuurlijke manier richten op

Bibliometric Analysis of International Scientific Cooperation

een buitenlandse partner. Bovendien overstijgen bepaalde

of the European Union (1985-1995), Scientometrics, 45,

actuele wetenschappelijke problemen de landsgrenzen - men

1999, 185-202.

denke maar aan de studie van klimatologische veranderingen.

• GLÄNZEL, W., Science in Scandinavia: A Bibliometric

De snelle ontwikkeling van de informatie- en telecommunicatie-

Approach, Scientometrics, 48, 2000, 121-150. (Correction:

technologieën bevorderen zeker ook internationalisering.

Scientometrics, 49 (2), 2000, 357) • GLÄNZEL, W., National Characteristics in International

De citaties die publicaties in de internationale wetenschappelijke

Scientific Coauthorship, Scientometrics, 51 (1), 2001, 69-115.

literatuur oogsten, laten toe de internationale zichtbaarheid

• GLÄNZEL, W., DANELL, R., PERSSON, O., The decline of

ervan te analyseren. Het onderzoek, verricht in Vlaanderen

Swedish neuroscience - decomposing a bibliometric national

tijdens de jaren 1990 en na de millenniumwissel, wordt

science indicator, Scientometrics, 57 (2), 2003, 197-213.

beduidend meer geciteerd dan het wereldgemiddelde.

• GLÄNZEL, W. SCHUBERT, A., Analyzing scientific networks

Wanneer het gemiddelde aantal citaties per publicatie wordt

through co-authorship, In: H.F.M. Moed, W. Glänzel,

gerelateerd aan de gemiddelde impactfactor van de gebruikte

U. Schmoch (Eds), Handbook of Quantitative Science and

tijdschriften, ligt deze score voor Vlaanderen even hoog of zelfs

Technology Research. The use of publication and patent

hoger dan voor de meeste andere Europese landen.

statistics in studies on S&T Systems. Kluwer Academic Publishers, Dordrecht, The Netherlands, 2004, 257-276. • GÓMEZ, I., FERNÁNDEZ, M.T. AND MÉNDEZ, A., Collaboration patterns of Spanish scientific publications in different research areas and disciplines, In: Proceedings of the Biennial Conference of the International Society for Scientometrics and Informetrics (ed. by M.E.D. Koenig and A. Bookstein), Learned Inf., Medford, NJ, 1995, pp. 187-196.


149

• KATZ, J. S., HICKS, D. Indicators for systems of innovation,

8.11 Bijlage

IDEA paper series, No. 12, Oslo: STEP Group, 1998. • MOED, H. F., DE BRUIN, R.E., VAN LEEUWEN, TH. N.,

Landen en regio’s met hun code

New bibliometric tools for the assessment of national research Code

Vlaanderen

VL*

Oostenrijk

AUT

• NAGTEGAAL, L.W., DE BRUIN, R.E., The French

Burundi

BDI

connection and other neo-colonial patterns in the global

Canada

CAN

network of science, Research Evaluation, 4 (2), 1994, 119-127.

Congo

COG

Democratische Republiek Congo

COD

Tsjechië

CZE

Indicators 1997, Second Edition. EUR 17639. European

Denemarken

DNK

Commission 1997. Brussels.

Finland

FIN

• REIST3. The European Report on Science and Technology

Frankrijk

FRA

Indicators 2003, Third Edition. EUR 20025. European

Duitsland

DEU

Griekenland

GRC

Groot- Brittannië

GBR

Italië

ITA

democracy seen through the Spanish database ISOC,

Luxemburg

LUX

Scientometrics, 30, 1994, 201-212.

Nederland

NLD

Noorwegen

NOR

Polen

POL

Portugal

PRT

Publications. In: D. Tomov, L. Dimitrova (Eds.), Proceedings of

Rwanda

RWA

the 1st National Conference with International Participation

Russische Federatie

RUS

on Scientometrics and Linguistic of the Scientific Text, Varna

Senegal

SEN

1983, 80-81.

Slovakije

SVK

Slovenië

SVN

Spanje

ESP

H., VERSPAGEN, B., Het Nederlands Observatorium van

Verenigde Staten van Amerika

USA

Wetenschap en Technologie. Wetenschaps- en Technologie-

Zweden

SWE

Indicatoren 2000. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en

Zwitserland

CHE

and first applications, Scientometrics, 33, 1995, 381-422.

• REIST2. The European Report on Science and Technology

Commission 2003. Brussels. • ROMÁN, A., MÉNDEZ, A., The Spanish transition to

• SCHUBERT, A., GLÄNZEL, W., BRAUN, T., Relative Citation Rate: A New Indicator for Measuring the Impact of

• THIJSSEN, R.J.W., VAN LEEUW, Th. N, HOLLANDERS,

Wetenschappen, 2000. • VAN RAAN, A.F.J., Comparison of the Hirsch-index with standard bibliometric indicators and with peer judgment for 147 chemistry research groups, Scientometrics, 67 (3), 2006, 491-502.

* Vlaanderen heeft geen ISO-code

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 8

Land/regio

performance: database description, overview of indicators


150


151

DE VLAAMSE TECH NOLOGI EPOSITI E: A N A LY S E A A N D E H A N D VA N US PTO- E N E PO- OCTR OOI E N E N P C T- A A N V R AG E N Door Koenraad Debackere (K.U.Leuven), Mariette Du Plessis (K.U.Leuven), Tom Magerman (K.U.Leuven), Xiaoyan Song (K.U.Leuven) en Bart Van Looy (K.U.Leuven)

09


152

9.1 HET BELANG VAN OCTROOISTATISTIEKEN

Het is evident dat octrooigegevens ook een inzicht kunnen geven in het proces van technologische vooruitgang. Daarbij zijn

Alvorens de analyse van de Vlaamse octrooigegevens aan te

ze een van de indicatoren die kan gebruikt worden om een beeld

vatten, schetsen we kort de achtergrond van octrooien en octrooi-

te krijgen van de mate van innovatie binnen een organisatie,

systemen. De Amerikaanse econoom Zvi Griliches (Journal of

een regio of een nationaal of supranationaal innovatiesysteem.

Economic Literature, 1990) geeft een duidelijke omschrijving van

Hierbij dient opgemerkt dat niet alle uitvindingen worden

wat het proces van octrooieren juist inhoudt. Hij formuleert ook

geoctrooieerd of nog, dat niet alle innovaties berusten op

het inzicht in het mogelijke gebruik van octrooidocumenten bij

geoctrooieerde uitvindingen. Echter, zoals de daarnet geciteerde

het meten van technologische vooruitgang:

Griliches verder stelt: “In this desert of data, patent statistics loop up as a mirage of wonderful plentitude and objectivity”.

“A patent is a document, issued by an authorized governmental

Met andere woorden, voor wie technologische vooruitgang wil

agency, granting the right to exclude anyone else from the

meten, zijn octrooien een unieke en zeer betrouwbare bron

production or use of a specific new device, apparatus or process

van statistisch materiaal, ook al vormen ze slechts één van de

for a stated number of years. The grant is issued to the inventor of

benaderingen (naast bijvoorbeeld de rechtstreekse bevraging

this device or process after an examination that focuses on both

van onderzoeksinstellingen en ondernemingen) die voor

the novelty of the claimed item and its potential utility. The right

dergelijke meting mogelijk zijn. Dankzij hun betrouwbaarheid en

embedded in the patent can be assigned by the inventor to

hun beschikbaarheid zijn octrooianalyses en octrooistatistieken

somebody else, usually to his employer, a corporation and/or sold

de laatste jaren dan ook uitgegroeid tot een basisonderdeel van

to or licensed for use by somebody else. This right can be

alle indicatorenstelsels voor Wetenschap, Technologie en Innovatie,

enforced only by the potential threat of or an actual suit in the

zowel op Europees niveau als op OESO-niveau. En, uiteraard is

courts for infringement damages”1.

het meten van technologische vooruitgang niet zonder bedoeling.

Het octrooisysteem heeft als doelstelling de uitvinder te

Ettelijke jaren van econometrisch onderzoek hebben immers

beschermen. Door het verlenen van een tijdelijk monopolie aan

uitgewezen dat technologie en kenniscreatie significante

de uitvinder, verzekert men het rendement van de innovatieve

productiefactoren zijn in het hedendaags economisch gebeuren.

inspanningen voor de uitvinder. Dit moet ervoor zorgen dat

Met andere woorden, economische vooruitgang wordt in sterke

de prikkels om te innoveren voldoende hoog zijn en dat er

mate bepaald door technologische vooruitgang. Voldoende reden

bijgevolg voldoende innovatieve inspanningen ondernomen

dus om de nodige aandacht te besteden aan de topografie van

worden, die op hun beurt de technologische vooruitgang van

het octrooilandschap in Vlaanderen. Hierbij richten we ons op

ondernemingen, regio’s en landen ten goede komen. In ruil

de twee ‘grote’ octrooisystemen in de wereld: het Amerikaanse

voor het toekennen van een monopolie wordt wel geëist dat

octrooisysteem (op basis van de data van het U.S. Patent

de informatie betreffende de vinding publiek wordt gemaakt.

and Trademark Office, afgekort als USPTO) en het Europese

Dus, de informatie vervat in het octrooidocument wordt

octrooisysteem (op basis van de data van het European Patent

publiek toegankelijk en leidt zo tot een grotere diffusie van

Office, afgekort als EPO). Daarnaast wordt ook een analyse

technologische innovaties. De rol die het octrooisysteem vervult

verricht van aangevraagde octrooien die het PCT proces (het

in het verstrekken van informatie is belangrijk, aangezien op

zogenaamde ‘Patent Cooperation Treaty’) van de “World Intellectual

die manier het nutteloos dupliceren van O&O-inspanningen

Property Organization” (WIPO) volgen. Deze procedure laat toe

kan vermeden worden en men zo snellere technologische

om een octrooiaanvraag in te dienen bij de 136 aangesloten

vooruitgang kan bewerkstelligen. Tenslotte, de duidelijk

landen. Binnen de procedure wordt in een eerste fase een

afgelijnde eigendomsrechten die ontstaan dankzij het

internationaal onderzoek uitgevoerd dat resulteert in een rapport

octrooisysteem, maken het verhandelen en overdragen van

inzake ‘prior art,’ inclusief een eerste advies inzake octrooieer-

technologische kennis mogelijk en eenvoudiger.

baarheid. In een volgende fase heeft men twee opties.

1 Grilliches, Z. (1990), ‘Patent Statistics as Economic Indicators: A Survey’, Journal of Economic Literature, 28, pp. 1661-1707.


153

Ofwel vraagt men een grondige internationale analyse inzake

Als regel hanteren we de logica dat een octrooi wordt

octrooieerbaarheid binnen het PCT-protocol ofwel start men met

toegewezen aan een regio of land indien de uitvinder of

de uiteindelijke toekenningsprocedures die verder afgehandeld

aanvrager deel uitmaakt van de regio of het land. In het geval

worden door de daartoe gemachtigde regionale autoriteiten

van co-uitvindingen of co-aanvragen, waarbij verschillende

(USPTO, EPO, JPO,…) waarvoor de aanvrager uiteindelijk

landen of regio’s betrokken zijn, worden de betreffende

bescherming vraagt. In het tweede geval wordt een aanvraag

octrooien geteld voor alle betrokken entiteiten (dit is het

gepubliceerd na 18 maanden; in het eerste geval verlengt men

zogenaamde ‘full count’ principe).

de termijn voorafgaandelijk aan publicatie tot 30 maanden. Bij de hierna gerapporteerde analyses moet steeds het onderscheid gemaakt worden tussen het Amerikaans en het

9.2 OCTROOIEN IN BELGIË EN VLAANDEREN: EPO, PCT EN USPTO

Europese octrooisysteem, te meer daar beide systemen niet steeds dezelfde procedures hanteren. Zo werden, tot voor kort

Zoals blijkt uit figuur 9.1, is de trend voor het aantal aangevraagde

(d.i. 2000), Amerikaanse octrooien pas bekendgemaakt na

EPO-octrooien met Belgische zowel als Vlaamse aanvrager of

toekenning, terwijl Europese octrooien 18 maanden na

uitvinder, duidelijk stijgend. Tegelijkertijd zien we na 1999 een

aanvraag al publiek worden gemaakt via publicatie in de

zekere stagnatie optreden in het aantal aangevraagde octrooien

‘European Gazette’. Bovendien stelt men vast dat de data die

zowel voor Belgische als voor Vlaamse octrooien, met name

betrekking hebben op aanvragen binnen het Amerikaans

voor de periode 2001/2002. Vanaf 2003 stijgen de cijfers

octrooisysteem erg onvolledig zijn op het vlak van informatie

opnieuw. Deze evolutie valt samen met een analoog patroon

die betrekking heeft op de aanvrager. Voor de meerderheid

inzake O&O-uitgaven zoals elders in deze publicatie wordt

ontbreekt adresinformatie, wat een allocatie naar landen en

gerapporteerd. Uiteraard moeten we hierbij voor de jaren na

regio’s bemoeilijkt of onmogelijk maakt. Bovendien stelt men

2004 rekening houden met de EPO-publicatiepraktijk (waarbij

vast dat tal van deze aanvragen in een eerste fase worden

octrooiaanvragen pas bekendgemaakt worden 18 maanden

ingediend door professionele dienstverlenende bedrijven

na de aanvraag van het octrooi), wat de daling in aantallen

waardoor de ‘reële’ aanvrager pas bekend wordt bij

verklaart die optreedt in 2004 en vooral 20052.

toekenning. Daardoor is het creëren van betrouwbare Inzake PCT-aanvragen met Belgische aanvrager wordt een

aanvragen nog steeds niet mogelijk. Voor wat het USPTO

duidelijke stijgende trend vastgesteld. Daar waar het bij het

betreft, beperken we ons in dit hoofdstuk dan ook tot de

begin van de jaren ’90 het een honderdtal aanvragen betreft,

toegekende octrooien. Wat de indicatoren gebaseerd op het

stijgt dit tot meer dan vijfhonderd tien jaren later. Deze groei is

Europese systeem betreft, kunnen we wel gebruik maken van

beduidend hoger dan wat geobserveerd wordt in het EPO-

zowel aangevraagde als toegekende octrooien. Inzake PCT-

systeem en duidt als dusdanig op een toenemend belang van

aanvragen dient opgemerkt dat zich een analoog probleem

internationale octrooiaanvragen.

stelt, maar ditmaal op het niveau van adresinformatie. Enkel de landcodes zijn systematisch beschikbaar, meer gedetailleerde

Zoals reeds gesignaleerd in de inleiding, bevatten de beschikbare

adresgegevens die toelaten om een regionale distributie (op het

PCT-data voor de meerderheid van de aanvragen geen adres-

niveau Vlaanderen, Brussel, Wallonië) uit te werken ontbreken

informatie. Dit bemoeilijkt de allocatie naar regio’s. Slechts voor

in regel. Ten slotte, betreffende ieder octrooi zijn verder nog

11% van de aanvragen is deze informatie beschikbaar. Van deze

twee onderscheiden hoofdanalyses mogelijk: de analyse naar

596 aanvragen kan de helft toegewezen worden aan Vlaanderen,

aanvrager en de analyse naar uitvinder. De uitvinders zijn zij die

17% aan Brussel en 33% aan Wallonië.

het intellectuele vaderschap van het octrooi kunnen opeisen. De aanvragers zijn zij die de eigendomstitel van het octrooi dragen. Uitvinders zijn steeds individuen, aanvragers zijn vaak organisaties, in het bijzonder ondernemingen. In de analyses wordt steeds met deze verfijningen rekening gehouden.

2 De data gebruikt voor deze analyses hebben betrekking op octrooiaanvragen gepubliceerd tot en met mei 2006.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 9

statistieken op land of regio niveau aan de hand van USPTO


154

Figuur 9.1: Aangevraagde EPO-octrooien met Belgische of Vlaamse aanvrager of uitvinder (periode 1978-2005)

2.000

0,9

1.800

0,8

1.600

0,7

Aantal octrooien

0,6

1.200

0,5

1.000 0,4 800 0,3

600

Aandeel Vlaanderen

1.400

0,2

400

0,1

200

0 2004

2005

2002

2003

2001

2000

1999

1998

1997

1996

1995

1994

1993

1991

1992

1990

1989

1987

1988

1985

1986

1983

1984

1982

1981

1980

1978

1979

0

Jaar van aanvraag

■ BE ■ VL ■ Aandeel Vlaanderen

Figuur 9.2: Aangevraagde PCT-octrooien met Belgische aanvrager of uitvinder (periode 1997-2005)

1.000 900 800

Aantal octrooien

700 600 500 400 300 200 100 0 1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

Jaar van aanvraag

Bovenstaande EPO-analyses betreffen aangevraagde octrooien.

Vlaamse aanvrager of uitvinder effectief ook al werd toegekend.

Uiteraard worden (of zijn nog) niet alle aangevraagde octrooien

Dit is eveneens 47% zoals wordt weergegeven in figuur 9.3.

(al) toegekend. Op een totaal van 24.979 EPO-octrooien met

Merk op dat tot 1997 de verhouding tussen aantal toegekende

Belgische aanvrager of uitvinder, werden er op het ogenblik

en aangevraagde octrooien ongeveer 65 à 70% bedraagt3.

van de analyses voor deze editie van het Indicatorenboek reeds

Dit cijfer daalt systematisch in de jaren nadien omwille van de

11.610 toegekend. Dit is afgerond 47%. Voor wat Vlaanderen

aanzienlijke tijdsperiodes nodig voor het definitief toekennen

betreft, stellen we vast dat 7.995 van de 17.013 EPO-octrooien met

van een octrooi.

3 Deze proportie is gelijkaardig aan wat men observeert voor de referentielanden (zie infra), waaronder o.m. Duitsland, UK, US, Frankrijk, Nederland, Finland en Zweden.


155

Figuur 9.3: Distributie van toegekende EPO-octrooiaanvragen voor België en Vlaanderen over de periode 1978-2001 Verhouding toegekende/aangevraagde EPO-octrooien

900

0,8

800

0,7 0,6

600

0,5

500 0,4 400 0,3

300

verhouding

Aantal octrooien

700

0,2

200

0,1

100 0 2004

2005

2002

2003

2001

2000

1999

1998

1997

1996

1995

1994

1993

1991

1992

1989

1990

1987

1988

1986

1985

1984

1983

1982

1981

1980

1979

1978

0

Jaar van aanvraag

■ Aantal toegekende octrooien voor BE ■ Aantal toegekende octrooien voor VL ■ Verhouding toegekende/aangevraagde octrooien voor BE ■ Verhouding toegekende/aangevraagde octrooien voor VL

Figuur 9.4: Aantal toegekende USPTO-octrooien met Belgische versus Vlaamse aanvrager of uitvinder (periode 1991-2003)

1.200

1,0 0,9

0,7

800

0,6 600

0,5 0,4

400

0,3 0,2

200

0,1 0

0 1991

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

Jaar van aanvraag

■ BE ■ VL ■ Aandeel Vlaanderen

2000

2001

2002

2003

2004

2005

Aandeel Vlaanderen

Aantal octrooien

0,8

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 9

1.000


156

Analoge trends stellen we vast voor de toegekende USPTO-

Zoals reeds duidelijk was in de vorige edities van dit Indicatoren-

octrooien, zoals blijkt uit figuur 9.4. Ook hier is de dalende

boek, liggen deze cijfers anders voor de toegekende USPTO-

trend vanaf 2001 te verklaren door de tijdsvertragingen in de

octrooien. Hier is 50% van de octrooien waarbij Belgische

USPTO toekenningspraktijk.

uitvinders betrokken zijn exclusief in handen van buitenlandse

De vergelijking van figuur 9.3 en 9.4 toont aan dat de gemiddelde

aanvragers (59%), gevolgd door Duitsland (9,7%) Frankrijk (9,1%),

toekenningsperiode binnen het Europese octrooisysteem

Nederland (8,3%) en tenslotte het VK (4,8%). Het Vlaamse en

langer is dan deze binnen het Amerikaanse systeem. Daar waar

het Belgische patroon vallen hier nagenoeg samen.

aanvragers. Ook hier betreft het merendeel Amerikaanse

men voor de EPO-tijdsreeks een afname waarneemt vanaf 1998 (terwijl de aanvragen een stijgende trend laten zien, zie figuur 9.1), treedt deze daling binnen het USPTO-systeem pas op na 2000.

9.2.2 Internationale vergelijking

Daarnaast wordt het ook duidelijk dat er de laatste jaren meer Belgische en Vlaamse octrooiactiviteit is in het USPTO-systeem

Ook internationaal blijkt een significante toename van octrooi-

dan in het EPO-systeem. Het verschil in investeringen evenals

gedrag voor nagenoeg alle voor Vlaanderen en België relevante

de marktambities van de aanvragers spelen dienaangaande

‘referentie’-landen, en dit zowel voor wat EPO-aanvragen,

ongetwijfeld een rol.

PCT-aanvragen als USPTO-octrooien betreft. Dit wordt weergegeven in tabellen 9.1, 9.2 en 9.3 waarbij voor alle landen de octrooivolumes per miljoen inwoners worden weergegeven.

9.2.1 Belgische/Vlaamse versus buitenlandse aanvragers

Binnen de referentiegroep bekleedt Vlaanderen een zesde plaats voor wat betreft het aantal EPO-aanvragen4; de rangschikking

Wanneer men nagaat hoeveel van de octrooien waarbij Belgische

wordt aangevoerd door Finland, Nederland, Duitsland en

en Vlaamse uitvinders zijn betrokken, een Belgische/Vlaamse dan

Zweden. Denemarken maakt de top 5 volledig.

wel buitenlandse aanvrager(s) impliceren, dan worden de trends gerapporteerd in de vorige edities van dit Indicatorenboek

Inzake toegekende octrooien binnen het USPTO systeem

bevestigd. Bij het geheel van de Belgische EPO-aanvragen, is in

bekleden België en Vlaanderen respectievelijk een negende en

36% van de gevallen geen Belgische aanvrager betrokken.

een zevende plaats5. Koplopers zijn hier de VS, Japan, Zweden,

Indien men enkel de laatste tien jaar bekijkt, schommelt dit

Finland en Nederland. Ook Duitsland doet het relatief beter

aandeel rond 39/40%, zonder nog een stijgende trend te

dan Vlaanderen. Vlaanderen - met een min of meer gelijkaardig

vertonen. Het leeuwenaandeel van deze octrooiaanvragen

genormaliseerd volume als Denemarken - laat wel Frankrijk,

betreft Amerikaanse aanvragers (44%); gevolgd door Frankrijk

het VK, Italië en Spanje achter zich.

en Duitsland (ieder 15%) en tenslotte Nederland (11%) en het Verenigd Koninkrijk (5%). Wanneer men enkel de Vlaamse

Wat betreft PCT-aanvragen betreft doet België het relatief

octrooiaanvragen in ogenschouw neemt, stelt men vast dat in

gezien minder goed. Het bekleedt hier een elfde plaats (op

40% van de gevallen enkel buitenlandse aanvragers betrokken

dertien). De rangschikking wordt aangevoerd door opnieuw een

zijn. Qua betrokken landen stelt men een analoog patroon vast

aantal Scandinavische landen (Finland, Zweden, Denemarken)

als voor de Belgische situatie. Koplopers zijn de VS (38%),

samen met Nederland en Japan. Noteer dat het aantal

Frankrijk en Duitsland (resp. 15,3% en 15,7%), Nederland (11,2%)

Belgische PCT-aanvragen wel aanzienlijk sneller stijgt dan het

en het VK (4,8%). De patronen inzake toegekende EPO-octrooien

aantal EPO-aanvragen. Deze patronen suggereren mogelijk

zijn identiek, op Belgisch zowel als op Vlaams niveau.

een inhaalbeweging waarbij Belgische aanvragers pas de laatste jaren systematisch meer gebruik gaan maken van het PCTprotocol (voor Duitsland observeert men een analoog verschil inzake rangorde op basis van EPO- versus PCT- aanvragen).

4 Wanneer men normaliseert aan de hand van O&O-uitgaven stijgt Vlaanderen enkele plaatsen; wat wijst op een relatieve technologische efficiëntie. Nederland wordt op dat ogenblik koploper, een fenomeen dat samenhangt met de rol van Philips (een van de grootste octrooiaanvragers ter wereld). 5 Wanneer men normaliseert aan de hand van O&O-uitgaven stijgen Vlaanderen en België een plaats, ten koste van Zweden.


157

Tabel 9.1: JAAR 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 RANG 2001

Internationale vergelijking EPO-octrooiaanvragen per miljoen inwoners naar origine van uitvinder of aanvrager BE

VL

DE

DK

63,3

76,0

139,5

71,6

79,2

94,6

149,0

80,9

86,9

109,7

150,5

83,8

95,1

118,1

154,3

94,1

100,1

127,0

166,6

104,8

103,0

133,6

175,9

110,1

130,1

159,7

209,3

134,5

151,7

186,4

241,1

141,6

158,9

193,0

265,3

168,6

166,6

189,4

289,7

186,2

162,6

181,0

299,6

194,1

162,5

184,4

295,2

199,1

172,0

203,2

291,1

204,2

168,1

193,3

266,6

170,6

41,2

56,8

107,8

19,1

8

6

3

5

ES 7,8 8,6 8,7 10,7 11,0 10,5 13,4 17,2 19,3 20,9 23,5 26,4 25,8 23,4 8,3 13

FI

FR

GB

IE

IT

JP

NL

SE

US

87,4

88,4

68,7

22,2

38,6

103,7

137,0

116,7

62,9

86,2

91,2

68,1

23,1

44,2

95,7

139,0

120,0

65,7

110,9

86,4

67,8

35,0

41,3

89,7

139,6

131,3

66,8

123,9

89,6

69,1

32,2

41,8

90,1

143,9

146,1

69,1

147,8

93,1

73,3

37,2

43,2

90,1

152,9

179,9

74,6

158,3

97,0

77,6

43,6

48,3

102,6

167,4

209,5

82,5

194,6

109,9

85,8

51,2

54,4

115,3

188,9

250,4

88,1

234,9

123,6

93,7

57,4

61,0

123,5

207,9

280,9

99,2

274,9

131,4

103,0

73,9

63,5

131,0

225,8

301,6

107,7

329,4

142,0

114,1

87,4

70,1

150,2

265,2

326,8

116,3

354,6

146,1

120,4

84,4

74,1

169,6

292,4

336,8

117,6

334,3

149,2

109,9

102,9

76,2

155,1

323,5

315,0

114,1

286,9

153,9

106,3

93,3

78,2

158,4

347,5

295,7

118,4

245,4

141,6

92,3

76,8

70,5

151,5

293,7

243,1

101,1

38,2

57,8

19,4

13,8

29,2

74,8

47,6

31,3

25,5

1

9

10

11

12

7

4

2

11

Gemiddelde 77,4 81,8 86,3 91,3 100,1 108,6 127,5 144,3 158,4 175,3 182,6 182,0 181,1 159,9 40,8

Tabel 9.2: Internationale vergelijking USPTO-octrooien per miljoen inwoners naar origine van uitvinder of aanvrager BE

VL

DE

DK

42,2

51,0

90,0

42,2

42,7

52,6

91,6

39,8

50,7

61,4

90,9

53,2

67,8

80,4

102,1

66,8

87,1

108,7

117,0

107,5

83,9

102,2

118,7

81,1

91,6

105,8

138,4

105,5

98,5

115,7

141,3

108,2

104,9

125,5

162,7

116,7

101,8

115,3

167,8

113,9

95,8

120,4

169,1

124,0

84,7

95,4

155,3

90,6

53,8

63,8

99,4

49,0

18,1

21,9

39,1

17,4

1,5

2,3

4,3

3,1

9

7

6

8

ES 4,0 4,8 4,8 5,8 7,0 7,5 8,6 8,1 8,9 10,1 11,2 9,6 6,3 2,7 0,4 14

FI

FR

GB

IE

IT

JP

NL

SE

US

73,0

53,4

44,7

19,0

23,1

182,7

67,7

86,6

191,3

73,0

53,2

44,9

20,2

23,8

183,6

73,4

90,9

203,0

78,2

54,0

49,9

20,7

22,3

181,2

77,3

105,4

215,5

102,1

59,0

58,2

36,7

24,6

211,4

83,1

130,0

242,6

122,7

70,4

70,6

33,0

28,6

235,9

97,6

153,1

291,9

156,9

66,9

68,2

35,2

28,6

250,7

104,5

161,6

279,1

178,5

78,1

79,6

45,3

32,4

291,8

122,3

228,7

328,8

174,9

80,7

79,8

59,6

31,2

271,6

113,8

243,1

325,2

224,8

88,5

85,6

60,3

33,8

276,3

139,6

250,0

340,4

246,4

90,7

85,3

64,3

35,3

303,2

168,3

252,5

349,3

232,1

81,3

80,2

67,7

36,1

313,2

196,5

217,3

331,7

173,4

68,1

68,7

62,3

30,7

262,5

146,0

165,3

288,0

104,0

41,5

40,7

31,0

21,8

189,0

73,9

101,5

192,6

37,1

16,9

14,1

16,2

8,6

78,4

34,1

40,4

73,0

2,9

2,1

1,6

2,2

0,8

15,4

3,9

4,3

11,0

4

10

11

12

13

2

5

3

1

Gemiddelde 69,4 71,3 76,1 90,8 109,4 110,4 131,1 132,3 144,1 150,3 148,3 121,5 76,3 29,9 4,0

Tabel 9.3: Internationale vergelijking PCT-octrooiaanvragen per miljoen inwoners naar origine van uitvinder of aanvrager JAAR 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 RANG 2003

BE 8,9 7,4 10,1 15,2 16,9 20,8 22,1 32,3 40,9 42,8 46,3 42,2 51,7 50,4 50,6 11

DE

DK

11,8

64,2

12,8

64,6

14,9

77,6

19,1

91,2

24,1

94,7

32,5

104,6

39,5

115,0

49,0

114,7

55,6

142,7

63,3

148,4

68,6

172,5

69,5

184,9

64,0

183,6

46,1

186,4

38,4

157,4

9

4

ES 2,2 2,1 2,9 3,6 4,6 6,9 8,3 10,0 11,7 13,5 15,6 18,6 18,9 19,2 18,7 13

FI

FR

GB

76,1

17,2

35,2

65,2

19,9

35,9

102,7

21,0

40,9

110,3

26,2

45,7

134,6

30,4

49,4

132,1

36,5

52,3

161,3

43,7

58,4

198,8

51,2

65,2

226,9

58,6

78,0

267,0

68,9

93,4

279,1

78,9

105,6

320,6

83,5

103,4

280,4

79,6

101,6

295,9

73,7

95,6

311,8

74,7

89,6

1

7

6

IE 0,9 9,1 15,5 18,9 20,7 26,1 30,3 33,7 41,8 56,1 63,0 68,9 62,3 59,8 53,9 10

IT

JP

NL

SE

2,0

13,7

17,6

95,5

2,8

13,2

16,1

93,3

2,6

15,0

21,3

116,8

4,6

18,1

29,4

143,8

5,1

21,8

67,4

213,5

6,2

30,6

78,3

241,1

7,6

38,8

95,1

305,2

9,8

48,0

100,2

347,2

12,6

59,8

94,2

333,5

16,3

77,2

88,0

323,2

20,0

95,8

98,7

360,9

23,9

112,3

219,6

315,2

24,3

135,4

244,9

268,6

22,8

156,3

235,3

271,8

19,1

165,4

240,5

213,7

12

5

3

2

Bij de PCT-octrooiaanvragen wordt geen uitsplitsing gemaakt naar Vlaanseren wegens ontbrekende adresinformatie.

US 0,5 0,5 0,7 1,5 2,3 2,8 3,3 6,9 65,4 130,8 149,4 141,2 65,3 10,6 10,3 8

Gemiddelde 26,6 26,4 34,0 40,6 52,7 59,3 71,4 82,1 94,0 106,8 119,6 131,1 121,6 117,2 111,1

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 9

JAAR 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 RANG 2001


158

Tabel 9.4: Procentueel aandeel verschillende types organisaties - BelgiĂŤ - EPO-octrooiaanvragen

1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 Gemiddelde

Individu 6,55 7,33 4,99 5,63 5,94 6,78 5,45 6,16 4,84 4,53 5,69 6,98 5,48 4,63 6,52 5,69

Bedrijf 87,80 87,83 89,90 90,22 86,73 86,26 86,95 85,22 86,01 86,31 83,62 82,51 84,06 83,77 82,70 85,64

Overheid 0,30 0,24 0,54 0,49 1,21 0,36 1,36 0,86 0,64 0,67 0,85 0,91 1,18 1,96 0,22 0,89

Univ. 1,93 1,30 2,17 1,48 2,41 4,07 4,23 5,73 6,36 6,71 7,28 6,76 7,68 7,52 8,54 5,43

Ziekenh. 0,00 0,00 0,11 0,00 0,09 0,00 0,07 0,06 0,12 0,00 0,06 0,06 0,00 0,00 0,00 0,04

Non Profit 3,27 3,07 2,06 1,78 3,43 2,26 1,65 1,91 1,98 1,40 2,33 2,39 1,18 1,69 2,02 2,04

Onbekend 0,15 0,24 0,22 0,40 0,19 0,27 0,29 0,06 0,06 0,39 0,17 0,40 0,43 0,44 0,00 0,27

Tabel 9.5: Procentueel aandeel verschillende types organisaties - Vlaanderen - EPO-octrooiaanvragen

1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 Gemiddelde

Individu 4,91 5,19 3,28 4,70 5,71 4,71 4,16 5,46 4,64 4,58 4,60 6,07 5,02 3,87 5,62 4,81

Bedrijf 89,53 91,52 93,13 92,13 89,21 88,53 90,56 85,62 86,50 86,27 85,40 84,75 84,94 85,26 82,58 87,32

Overheid 0,43 0,17 0,30 0,55 0,76 0,24 0,20 0,26 0,08 0,51 0,09 0,26 0,16 0,58 0,00 0,31

Univ. 2,78 1,38 2,09 1,24 2,28 4,95 4,47 7,19 7,37 7,46 8,05 7,11 8,63 8,07 10,67 6,02

Ziekenh. 0,00 0,00 0,15 0,00 0,00 0,00 0,10 0,09 0,08 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,03

Non Profit 2,35 1,56 1,04 0,97 1,78 1,45 0,30 1,30 1,24 1,10 1,77 1,47 0,86 1,81 1,12 1,31

Onbekend 0,00 0,17 0,00 0,41 0,25 0,12 0,20 0,09 0,08 0,08 0,09 0,35 0,39 0,41 0,00 0,20

9.3 OCTROOIEREN PER TYPE ORGANISATIE NADER BEKEKEN In tabel 9.4 en 9.5 wordt een overzicht gegeven van de

Een belangrijke breuklijn is 1996, waarin het aandeel van de

samenstelling van het weefsel aan organisatietypes voor wat betreft

octrooien van universiteiten verdubbelde van 2 naar 4%. Voor de

het aantal aangevraagde EPO-octrooien, en dit voor BelgiĂŤ en

laatste jaren is het aandeel van de universiteiten verder gestegen

Vlaanderen. In deze tabel werd niet gefractioneerd geteld,

tot 7%-8%. Binnen Europa behoren we hiermee tot de koplopers.

wat betekent dat octrooien met meerdere aanvragers worden toegewezen aan elk type aanvrager. Ondernemingen nemen

De cijfers voor Vlaanderen laten een analoog beeld zien. Ook hier

het leeuwendeel van de octrooiaanvragen voor zich (gemiddeld

valt de stijging op van het aandeel in de octrooiaanvragen door

85%). Daarnaast stelt men vast dat het aandeel van de octrooi-

universiteiten vanaf 1995, meer bepaald de periode na de

aanvragen afkomstig van universiteiten (inclusief de interuniversitaire

invoering van de decreten betreffende de exploitatie van

onderzoekscentra IMEC en VIB) stelselmatig groeit.

intellectuele eigendomsrechten aan de universiteiten.


159

9.3.1 Belangrijkste spelers

•

K.U. LEUVEN RESEARCH & DEVELOPMENT

•

N.V. BEKAERT

Wanneer we vervolgens kijken naar de grootste spelers (België/

•

N.V. MICHEL VAN DE WIELE

Vlaanderen) op het vlak van uitgebouwde octrooiposities, dient

•

PICANOL

het geen verwondering te wekken dat de ondernemingen hier

•

RECTICEL

een dominante rol spelen. Onder de bedrijven die een

•

SOFITECH

aanzienlijke portfolio aan octrooiactiviteit hebben uitgebouwd,

•

SOLVAY

vinden we onder meer Agfa Gevaert, GlaxoSmithKline (GSK),

•

SOREMARTEC

Janssen Pharmaceutica, Alcatel Bell, UCB, Solvay, Totalfina.

•

TECHSPACE AERO

Daarnaast profileren ook een aantal kenniscentra, waaronder

•

TOTALFINA

IMEC en VIB alsook een aantal Vlaamse en Franstalige

•

TYCO ELECTRONICS RAYCHEM

universiteiten zich als octrooiontwikkelaars met een duidelijke

•

UCB

schaalgrootte (meer dan 50 octrooiaanvragen voor de periode

•

UMICORE

1991 - 2005). Een analyse aan de hand van toegekende EPO-

•

UNIVERSITE CATHOLIQUE DE LOUVAIN

en USPTO-octrooien resulteert in analoge bevindingen.

•

UNIVERSITE DE LIEGE

•

UNIVERSITE LIBRE DE BRUXELLES

•

UNIVERSITEIT GENT

Belangrijkste Organisaties

•

VLAAMS INTERUNIVERSITAIR INSTITUUT VOOR BIOTECHNOLOGIE VZW.

Geïdentificeerd aan de hand van het totaal aantal EPO octrooi-

•

VRIJE UNIVERSITEIT BRUSSEL

aanvragen 1990-2005

•

XEIKON

•

AGFA-GEVAERT

•

ALCATEL BELL

•

ATLAS COPCO AIRPOWER

•

BARCO

•

BAYER

Octrooi-informatie kan ook gebruikt worden om patronen inzake

•

CNH BELGIUM

samenwerking in technologieontwikkeling te onderzoeken,

•

CRM

meer specifiek door het fenomeen van meerdere aanvragers

•

CROPDESIGN

of uitvinders, vermeld per octrooi, te onderzoeken (zie tabel 9.6

•

CYTEC SURFACE SPECIALTIES

tot en met 9.9 voor een analyse van de EPO-octrooiaanvragen).

•

DOW CORNING

•

ELECTROLUX HOME PRODUCTS CORPORATION

Zowel voor EPO- als voor USPTO-octrooien is er een duidelijk

•

ESSELTE

verschil tussen het voorkomen van co-aanvragerschap en

•

GLAVERBEL

co-uitvinderschap. Waar co-uitvinderschap in het merendeel

•

GSK

van de gevallen voorkomt, blijven co-aanvragen zeer beperkt

•

HERAEUS ELECTRO-NITE INTERNATIONAL

tot een uitgesproken minderheid van de octrooien.

•

INERGY AUTOMOTIVE SYSTEMS RESEARCH

•

INNOGENETICS

Co-aanvragerschap in Vlaanderen schommelt rond de 10% voor

•

INNOVENE MANUFACTURING BELGIUM

de aangevraagde EPO-octrooien6. Voor EPO-octrooien blijft

•

INTERUNIVERSITAIR MICROELEKTRONICA CENTRUM

deze verhouding de laatste jaren nagenoeg stabiel. De cijfers

VZW (IMEC)

voor Vlaanderen komen grotendeels overeen met de cijfers

ION BEAM APPLICATIONS

voor België.

6 Dit cijfer situeert zich op 8% voor toegekende USPTO-octrooien (telkens voor octrooien aangevraagd in de periode 1991-2005, en telkens ten opzichte van het totale aantal octrooien met Vlaamse aanvrager).

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 9

•

9.4. SAMENWERKINGSPATRONEN


160

Tabel 9.6: Samenwerking gemeten aan de hand van het aantal EPO-co-aanvragen ten opzichte van het totaal aantal aangevraagde octrooien per land (aangevraagd in de periode 1991-2005) (%)

1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 Gemiddelde

BE

VL

10,4

12,1

13,4

15,3

7,6

6,7

10,5

9,9

12,2

9,0

11,1

9,0

12,2

9,5

9,8

8,2

11,2

10,8

9,8

10,8

11,5

9,8

10,5

9,5

11,7

10,7

12,6

11,1

7,0

8,3

10,8

10,0

DE 7,5 7,8 6,5 7,2 6,9 6,5 6,7 6,0 6,3 5,9 6,3 6,9 6,8 7,2 3,8 6,5

DK 7,0 8,1 6,1 11,0 10,2 8,1 10,0 6,2 7,1 8,8 7,0 7,7 6,2 7,6 2,4 7,6

ES 12,8 17,9 13,0 11,6 9,7 11,9 9,6 10,8 7,4 10,3 8,6 11,0 11,7 8,4 7,1 10,8

FI 2,4 5,3 5,1 4,8 5,3 5,0 4,0 2,7 3,8 3,1 3,0 3,4 3,3 3,6 2,7 3,8

FR

GB

IE

IT

14,1

17,3

10,6

6,2

12,9

18,4

8,5

6,4

11,6

18,2

12,5

7,1

12,3

17,2

17,4

9,0

12,2

16,9

23,1

8,8

10,6

15,2

13,9

7,3

10,0

15,3

12,4

7,3

9,3

14,1

12,7

7,0

10,3

12,7

16,7

7,0

9,0

13,8

13,1

7,0

10,1

12,7

9,4

6,6

10,8

12,5

8,7

7,7

11,8

12,9

9,7

7,7

10,9

11,8

7,9

6,4

5,4

9,5

12,8

5,0

10,8

14,6

12,6

7,1

JP 7,9 8,1 8,0 8,3 7,6 8,0 7,4 7,5 7,5 7,8 8,0 8,2 9,0 8,5 6,2 7,9

NL 26,6 26,1 24,7 23,2 22,5 18,8 19,0 16,8 15,3 16,1 15,5 15,9 14,9 15,3 10,6 18,8

SE 6,2 8,1 5,2 6,6 7,7 6,8 7,4 5,3 4,7 4,0 3,6 4,2 3,6 4,4 1,3 5,3

US 4,3 4,2 4,5 4,8 4,7 5,1 5,1 5,5 5,0 5,1 5,3 4,9 5,4 5,1 1,8 4,7

Gemiddelde 10,3 11,2 10,0 11,1 11,4 9,9 9,7 8,7 8,8 8,8 8,3 8,6 8,8 8,4 5,8 9,3

Tabel 9.7: Internationale samenwerking gemeten aan de hand van het aantal EPO-co-aanvragen met aanvragers uit verschillende landen ten opzichte van het totaal aantal co-aangevraagde octrooien per land (aangevraagd in de periode 1991-2005) (%)

1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 Gemiddelde

BE

VL

DE

DK

ES

FI

FR

GB

IE

IT

88,9

90,6

55,8

66,7

54,5

30,0

53,6

84,3

42,9

29,9

86,1

83,3

59,5

54,8

50,0

33,3

52,4

82,8

33,3

32,9

71,1

71,4

53,0

56,0

67,6

19,2

49,4

88,7

83,3

36,3

83,1

75,0

49,9

72,5

55,0

48,3

47,6

85,6

89,5

31,6

68,3

60,5

55,8

66,7

59,4

39,5

47,4

83,9

83,3

34,0

74,3

64,3

52,8

70,7

25,0

51,4

42,6

84,4

83,3

32,6

71,0

57,1

44,2

73,8

30,8

43,2

40,9

80,7

70,0

41,1

70,7

58,5

45,9

70,0

37,5

38,7

36,9

79,0

52,2

42,0

69,6

65,2

44,5

81,8

25,6

60,0

39,5

78,1

54,1

30,8

65,0

57,4

41,8

67,6

28,6

44,9

42,3

78,8

55,9

28,0

65,8

48,2

46,0

67,2

26,8

56,9

49,5

78,6

58,3

37,1

68,7

65,6

50,9

71,2

22,5

58,9

50,6

75,1

76,9

35,6

64,4

51,9

56,3

69,0

34,9

59,6

52,7

77,5

77,8

38,7

69,2

60,0

56,6

63,3

35,1

50,0

49,0

74,3

47,4

41,2

66,7

65,0

34,2

100,0

27,8

40,0

43,3

78,9

40,0

20,5

72,2

63,2

49,8

70,1

38,7

44,9

46,5

80,7

63,2

34,2

JP 7,4 11,7 15,0 13,6 16,5 18,8 16,2 18,8 21,3 16,5 16,1 15,8 19,9 14,5 5,7 15,2

NL

SE

US

95,2

47,4

46,4

96,7

55,1

45,7

94,3

38,2

41,4

93,1

49,4

42,5

96,1

60,4

44,9

91,7

74,8

42,2

92,5

66,9

44,2

89,2

69,5

47,5

88,2

62,2

49,4

88,5

52,4

44,2

89,4

50,0

46,4

94,5

52,9

45,0

94,8

60,0

47,8

93,3

63,0

44,8

79,7

66,7

62,3

91,8

57,9

46,3

Gemiddelde 54,1 53,4 54,9 58,6 58,2 57,3 55,0 53,7 54,2 50,3 52,9 55,3 58,0 54,0 51,2 54,7

Wanneer we enkel kijken naar internationale samenwerking op

Wanneer we voor EPO een vergelijking maken met de

het niveau van aanvragers, stellen we vast dat een meerderheid

referentielanden op het vlak van internationale samenwerking

van de samenwerking een internationale organisatie impliceert

stelt men vast dat België en Vlaanderen zich in de top

(> 70% van alle samenwerkingen voor België, > 60% voor

positioneren samen met Nederland, het Verenigd Koninkrijk,

Vlaanderen). Enkel Nederland (90%), het VK (80%),

Denemarken en Ierland.

Denemarken (70%) en Ierland (63%) halen een hogere of vergelijkbare ratio inzake internationale samenwerking. Voor de volledige steekproef waarmee Vlaanderen en België werden vergeleken ligt het gemiddelde op 55%.


161

Tabel 9.8: Samenwerking gemeten aan de hand van het aantal EPO-co-uitvindingen ten opzichte van het totaal aantal aangevraagde octrooien per land (aangevraagd in de periode 1991-2005) (%)

1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 Gemiddelde

BE

VL

DE

DK

ES

FI

FR

GB

IE

IT

JP

NL

SE

US

65,8

66,3

59,6

47,2

42,6

55,2

56,4

54,8

59,7

46,9

73,3

55,9

45,7

65,2

68,1

70,0

60,4

53,8

45,6

49,5

58,4

56,8

48,6

49,6

73,4

56,2

45,0

67,2

69,9

73,5

61,2

53,8

47,1

52,8

58,3

58,3

69,1

48,3

75,7

56,3

48,3

67,9

71,5

72,3

60,9

56,6

45,3

53,4

60,7

58,1

57,7

47,5

74,9

57,8

47,8

68,9

70,6

72,1

63,5

57,3

48,5

55,1

60,2

59,4

72,9

50,1

76,1

60,6

50,6

70,2

71,5

71,2

63,1

62,7

47,7

55,8

61,6

60,0

65,9

48,5

75,3

61,1

48,9

70,3

72,9

75,2

63,3

57,8

46,0

57,4

62,2

60,9

68,7

50,0

74,6

60,6

53,3

71,3

69,4

70,0

62,9

56,2

48,0

61,0

62,9

61,1

71,9

47,7

73,3

58,3

58,2

72,3

72,9

75,6

64,1

59,5

50,6

58,4

62,5

63,7

71,1

49,3

73,7

61,8

56,9

72,7

71,4

75,1

64,6

55,7

51,3

58,8

63,2

63,4

69,6

48,0

73,9

62,0

58,8

73,8

70,8

73,9

66,3

59,1

57,6

63,1

64,2

63,6

64,5

48,9

73,0

64,2

59,3

74,3

71,0

72,3

66,8

64,1

59,8

65,9

66,3

65,7

73,8

53,1

74,4

64,8

60,2

74,7

70,5

72,1

68,1

61,7

55,5

63,7

67,2

65,9

76,0

51,8

73,5

67,3

60,6

74,9

70,4

71,7

66,8

62,4

56,5

65,8

67,8

64,9

68,9

50,4

71,6

68,2

60,6

75,4

59,4

59,4

59,3

43,2

40,5

50,8

61,7

57,7

65,9

38,7

65,8

52,1

48,3

75,3

69,7

72,3

63,4

56,7

49,5

57,8

62,2

60,9

66,9

48,6

73,5

60,5

53,5

71,6

Gemiddelde 59,2 56,5 59,0 58,5 61,2 61,0 61,5 61,8 62,9 62,6 63,8 66,2 65,9 65,4 55,3 61,3

Tabel 9.9: Internationale samenwerking gemeten aan de hand van het aantal EPO-co-uitvindingen met uitvinders uit verschillende landen ten opzichte van het totaal aantal co-uitgevonden octrooien per land (aangevraagd in de periode 1991-2005) (%) BE

VL

DE

DK

ES

FI

FR

GB

IE

IT

44,0

40,0

10,3

25,9

34,1

13,6

11,2

18,9

51,2

10,7

39,8

29,0

11,8

31,3

32,9

13,5

12,0

22,5

40,0

11,0

35,4

28,1

11,3

25,4

27,7

21,3

13,8

23,5

58,2

12,4

37,8

32,7

11,4

31,5

36,7

16,5

15,2

24,4

33,3

13,0

34,4

27,5

12,9

37,0

36,7

14,0

14,7

25,9

47,4

13,9

41,7

37,8

13,6

33,0

33,8

19,5

16,6

28,7

53,1

15,4

44,3

40,8

14,6

31,7

32,9

25,3

20,3

29,5

50,5

18,5

40,3

37,3

14,8

30,6

34,7

17,2

20,6

31,4

47,2

19,3

47,5

45,4

16,6

25,0

34,2

21,7

21,1

29,5

47,5

18,6

49,7

47,8

16,6

33,0

35,8

18,2

21,7

31,8

48,5

18,4

48,3

44,6

17,4

29,8

33,7

24,4

24,8

34,4

40,4

20,1

49,8

47,0

17,7

33,9

36,2

22,4

24,7

35,9

45,7

19,3

48,4

45,1

18,1

33,4

38,1

23,3

23,9

34,0

49,0

17,3

48,8

45,5

17,6

29,7

37,7

18,2

23,9

33,3

44,4

18,2

45,5

36,7

11,8

43,9

31,9

14,6

13,4

31,6

37,0

13,2

43,7

40,5

14,4

31,7

34,5

18,9

18,5

29,0

46,2

16,0

JP 2,9 3,1 3,4 3,3 4,0 3,9 3,7 4,6 4,2 4,5 3,6 4,0 4,6 3,5 2,2 3,7

NL

SE

18,5

24,6

20,7

20,8

20,3

19,4

24,0

23,8

27,5

23,0

29,9

24,1

25,6

21,5

26,1

23,6

27,6

28,0

25,5

26,5

23,6

28,0

22,4

28,4

25,4

24,9

26,2

27,6

24,6

29,0

24,5

24,9

US 8,4 9,2 10,0 10,6 12,1 11,9 12,8 14,0 14,3 14,9 16,2 16,5 15,4 15,8 13,6 13,1

Gemiddelde 19,6 25,7 21,7 21,6 23,4 25,0 25,5 25,0 25,8 26,5 26,5 27,4 27,4 26,5 24,0 24,8

Cijfers in verband met internationale co-aanvragen dienen met

Vanuit dit perspectief biedt een analyse aan de hand van co-

de nodige omzichtigheid geïnterpreteerd te worden. De plaats

uitvinderschap een complementair beeld.

(en dus het land) van aanvraag kan verschillend zijn van de locatie van de uitvinding, zeker in multinationale ondernemingen

Co-uitvinderschap komt veel frequenter voor zowel in het geval

die het beheer van intellectuele rechten centraliseren of hun

van EPO- als USPTO-octrooien. Co-uitvinderschap in Vlaanderen

aanvragen indienen vlakbij de locatie van octrooibureaus of

schommelt rond de 72% voor aangevraagde EPO-octrooien,

advocatenkantoren (bijvoorbeeld Den Haag voor EPO-octrooien).

en rond de 77% voor de toegekende USPTO-octrooien

Om diezelfde reden wijst een co-aanvraag niet noodzakelijkerwijze

(telkens voor octrooien aangevraagd in de periode 1991-2005,

op een daadwerkelijke samenwerking tussen verschillende

en telkens ten opzichte van het totale aantal octrooien met

organisaties. Het kan gaan om verschillende afdelingen van

Vlaamse uitvinder). Voor België liggen de cijfers doorheen de

eenzelfde organisatie, wat zowel kan duiden op een effectieve

jaren 1-tot-2% procent lager. Vlaanderen en België behoren

samenwerking als op een strategische of praktische beslissing

hier samen met de VS en Japan tot de koplopers.

van de organisatie om de aanvraag (ten dele) door een andere afdeling te laten afhandelen.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 9

1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 Gemiddelde


162

Wanneer we, opnieuw voor EPO-aanvragen, een systematische

Figuur 9.5: Salton-map met Vlaamse internationale

vergelijking maken inzake internationale samenwerking - gemeten

co-uitvindersrelaties

aan de hand van internationale co-uitvindingen ten opzichte van alle co-uitvindingen - stellen we opnieuw vast dat België en Vlaanderen hoge ratio’s behalen: samen met Ierland betreft het meer dan 40% van alle octrooiaanvragen waarbij uitvinders van verschillende landen zijn betrokken. Vlaanderen werkt daarnaast ook veel samen over de regiogrenzen: het aantal

SE

co-uitvindingen waarbij een Vlaamse en Brusselse of Waalse

FI

NO

uitvinder betrokken zijn bedraagt 19% voor EPO en 25% voor USPTO.

DK

CA Om de belangrijkste landen te identificeren waarmee internationaal wordt samengewerkt tussen aanvragers, werd gekeken naar het aantal aangevraagde EPO octrooien

GB

NL

US

DE

VL

CZ

MX

(aangevraagd in de periode 1995-2005) met minstens één

CH

FRA

aanvrager uit Vlaanderen en minstens één aanvrager uit een

RO

ESP

BG

ander land. Op basis daarvan is gebleken dat Vlaamse aanvragers

ITA

samenwerken met aanvragers uit 34 landen. De belangrijkste

GR

landen waartussen aanvragers samenwerken zijn de Verenigde CN

Staten (22%), Duitsland (19%), Nederland (15%), Frankrijk (9%), het Verenigd Koninkrijk (7%) en Japan (3,6%). Voor België liggen deze cijfers toch enigszins anders: de meest intensieve

■ >=0.01

samenwerking betreft Frankrijk (20,2%), gevolgd door

■ 0.005 =< r <0.01

Duitsland (18,7%), Nederland (13%) en Italië (9%).

■ 0.0025 =< r <0.005

Tot slot, een meer systematisch beeld van samenwerkingspatronen aan de hand van geografische verdeling wordt geboden in figuur 9.5. Onderliggende data betreffen Salton maten berekend op het aandeel co-uitvindingen tussen de

9.5 RELATIEVE TECHNOLOGIE-SPECIALISATIEPATRONEN

betreffende landen: Octrooien worden doorgaans geklasseerd op basis van de

rij r =

technologiedomeinen waartoe ze behoren. Voor deze

, √ ni • nj

analyses hebben we de nomenclatuur en de aggregaten van de bijbehorende IPC-klassen (d.i. de ‘International Patent Classification’-indeling) gebruikt, zoals die ontwikkeld werden door het Fraunhofer Gesellschaft - Institut für Systemtechniek und

In de teller staat het aantal co-uitvinderschappen tussen

Innovationsforschung (FhG-ISI, Duitsland) in samenwerking

betreffende landen (rij). Deze worden genormaliseerd aan de

met het Franse Octrooibureau (INPI) en het Observatoire des

hand van de vierkantswortel van het product van de octrooien

Sciences et Technologies (OST, Parijs). Deze classificatie

van de betreffende landen (ni nj ).

werd geactualiseerd naar aanleiding van de introductie van de achtste herziening van de IPC-classificatie (ingevoerd in 2006). Deze aanpassingen leiden tot een classificatie in 30 technologiedomeinen waarbij vooral inzake optica en chemie een aantal klassen anders worden gegroepeerd dan voorheen het geval was. De relatieve verdeling EPO-octrooiaanvragen voor Vlaanderen en België over deze 30 technologiedomeinen is weergegeven in tabel 9.10.


163

Tabel 9.10: Distributie van Belgische en Vlaamse EPO-octrooiaanvragen over 30 Fraunhofer technologiedomeinen, periode 1996-2005

De belangrijkste technologiedomeinen waarin Vlaamse en

Aandeel - België 1,8% 2,2% 4,5% 1,7% 4,3% 6,0% 3,7% 3,5% 4,0% 3,6% 1,3% 1,0% 6,0% 2,3% 1,3% 9,8% 5,8% 3,1% 1,8% 2,7% 0,8% 3,9% 7,4% 4,4% 1,6% 0,2% 2,4% 4,4% 1,2% 3,3% 100,0%

Aandeel - Vlaanderen 2,3% 2,3% 4,5% 2,2% 4,1% 5,9% 3,6% 3,3% 4,4% 4,1% 0,8% 1,0% 7,0% 2,7% 1,3% 7,6% 5,8% 2,0% 1,6% 2,3% 0,7% 5,3% 7,4% 4,4% 2,0% 0,0% 2,1% 5,5% 1,2% 2,5% 100,0%

Een volgend belangrijk aandachtspunt betreft deze technologie-

Belgische EPO- octrooiaanvragen zich situeren zijn: chemie

domeinen waarin Vlaanderen en België een relatief sterke of

(macromoleculaire chemie, organische fijnchemie, petrochemie),

zwakke positie innemen ten opzichte van belangrijke

verpakkings- en druktechnologie, materiaalbehandeling van textiel

referentielanden. Daartoe maken we gebruik van de constructie

en papier, farmacie en cosmetica, analyse en meettechnologie

van relatieve specialisatie-indexen op niveau van technologieklassen

en tevens biotechnologie. Voor Vlaanderen valt ook het relatieve

(op basis van de geaggregeerde IPC-(‘International Patent

aandeel in optica en telecommunicatietechnologie op.

Classification’)-indeling zoals voorgeschreven door de eerder bediscussieerde Fraunhofer-nomenclatuur). Deze relatieve

Wanneer we kijken naar de toegekende USPTO-octrooien valt

specialisatie-indexen worden als volgt berekend:

opnieuw de sterke positie op inzake chemische technologie. Verder observeert men zowel voor België als Vlaanderen relatief

RTAij= Relatieve Technologiespecialisatie in technologieklasse

meer activiteit inzake optica, verpakkings- en druktechnologie,

voor land j = (Pij /∑i Pij ) / (∑j Pij /∑ij Pij )

materiaalbehandeling van textiel en papier, analyse en meettechnologie, elektrische machines, telecommunicatie, biotechnologie, farmacie en cosmetica. Voor Vlaanderen valt ook het relatieve aandeel in halfgeleiders op.

• met categorie i : de Fraunhofer technologiedomeinen en Pi het aantal octrooien in klasse i ; • met i = 1 ... N (N = het aantal klassen in de studie); met j = 1 ... M (M = het aantal landen in de studie).

i

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 9

Technologiedomein (noot: de originele Fraunhofer benamingen worden gebruikt) Agricultural and food processing, machinery and apparatus Agriculture, food chemistry Analysis, measurement, control technology Audio-visual technology Biotechnology Chemical and petrol industry, basic materials chemistry Chemical engineering Civil engineering, building, mining Consumer goods and equipment Electrical machinery and apparatus, electrical energy Engines, pumpes, turbines Environmental technology Handling, printing Information technology Machine tools Macromolecular chemistry, polymers Materials processing, textiles, paper Materials, metallurgy Mechanical elements Medical technology Nuclear engineering Optics Organic fine chemistry Pharmaceuticals, cosmetics Semiconductors Space technology, weapons Surface technology, coating Telecommunications Thermal processes and apparatus Transport Totaal


164

Tabel 9.11: Distributie van Belgische en Vlaamse USPTO-octrooien over 30 Fraunhofer technologiedomeinen, periode 1996-2005 Technologiedomein (noot: de originele Fraunhofer benamingen worden gebruikt) Agricultural and food processing, machinery and apparatus Agriculture, food chemistry Analysis, measurement, control technology Audio-visual technology Biotechnology Chemical and petrol industry, basic materials chemistry Chemical engineering Civil engineering, building, mining Consumer goods and equipment Electrical machinery and apparatus, electrical energy Engines, pumpes, turbines Environmental technology Handling, printing Information technology Machine tools Macromolecular chemistry, polymers Materials processing, textiles, paper Materials, metallurgy Mechanical elements Medical technology Nuclear engineering Optics Organic fine chemistry Pharmaceuticals, cosmetics Semiconductors Space technology, weapons Surface technology, coating Telecommunications Thermal processes and apparatus Transport Totaal

Aandeel - België 1,18% 1,21% 3,87% 2,47% 3,85% 8,63% 4,07% 1,72% 2,01% 3,97% 1,05% 0,70% 5,65% 2,57% 1,14% 10,68% 5,56% 2,91% 1,78% 2,87% 0,74% 7,25% 8,89% 3,13% 2,57% 0,14% 2,56% 3,60% 0,62% 2,63% 100,00%

Aandeel - Vlaanderen 1,52% 1,38% 4,14% 2,98% 3,73% 7,10% 3,70% 1,81% 1,99% 4,79% 0,81% 0,72% 6,85% 2,99% 1,26% 8,62% 5,94% 2,12% 1,85% 2,36% 0,71% 8,94% 8,36% 2,97% 3,41% 0,04% 2,21% 4,44% 0,35% 1,91% 100,00%

Deze index geeft het aandeel van land j in technologiecategorie

Waarden gelijk aan 1 stemmen overeen met de neutrale positie

i weer, ten opzichte van het aandeel van alle landen in

van de index, terwijl waarden groter dan 1 duiden op een

technologiecategorie i, rekening houdend met alle octrooien

relatief voordeel. De index corrigeert voor de ‘grootte’ van het

van land j en alle octrooien over alle landen en categorieën

technologiedomein. Deze indicator is dus erg geschikt voor het

heen. Als referentiegroep M worden in deze analyse (naast

maken van vergelijkingen en het in kaart brengen van

België en Vlaanderen zelf) tien Europese landen gebruikt

veranderingen over tijdsperiodes net als voor het aangeven van

(Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Ierland, Italië,

de veranderingen in niveaus van specialisaties van een land

Nederland, Spanje, Verenigd Koninkrijk, Zweden) alsook de

of een groep van landen. De RTA-analyses gerapporteerd in

Verenigde Staten en Japan. Deze index vergelijkt dus het

deze sectie, werden uitgevoerd op de EPO-aanvragen en de

aandeel van Vlaamse octrooien in een bepaald technologie-

toegekende USPTO-octrooien.

domein met het aandeel dat dit domein heeft in andere landen. Indien dit aandeel voor Vlaanderen groter is, spreken we van

Uit de RTA-analyses weergegeven in tabel 9.12 en 9.13, blijkt

een ‘Revealed Technological Advantage’ voor Vlaanderen in

dat Vlaanderen vooral een relatief sterke technologische positie

deze klasse.

(RTA > 1.5) heeft opgebouwd in een aantal chemische domeinen, optica, machines voor de landbouw- en voedingsindustrie,

De waarde van deze relatieve specialisatie-indices varieert van

biotechnologie, verpakkings- en druktechnologie en tenslotte

[0;+∞]. Een waarde kleiner dan 1 betekent dat land j een

nucleaire engineering.

relatief nadeel heeft in de betreffende categorie i.


165

Tabel 9.12: RTA-waarden voor de EPO-aanvragen voor de periode 1996-2005 op basis van 30 Fraunhofer technologiedomeinen ten opzichte van referentiegroep BE

VL

DE

DK

ES

FI

FR

GB

IE

IT

JP

NL

SE

US

1,90

2,37

1,15

2,79

2,48

0,76

1,28

1,11

1,73

1,84

0,35

2,64

1,28

0,68

1,82

1,90

0,60

4,44

2,13

1,31

1,07

1,41

2,08

1,21

0,70

2,77

0,68

0,90

0,68

0,68

1,11

0,89

0,79

0,85

0,96

1,20

1,17

0,72

0,91

0,85

0,96

1,05

0,42

0,53

0,45

0,69

0,40

0,84

0,89

0,79

0,47

0,30

2,09

2,40

0,53

0,85

1,29

1,23

0,67

2,58

0,94

0,42

0,75

1,37

1,09

0,36

0,71

0,96

0,67

1,45

2,16

2,10

0,97

0,98

1,10

0,43

0,83

1,60

0,58

0,67

0,75

1,46

0,30

1,06

1,10

1,05

1,17

1,12

1,18

0,99

1,04

1,08

0,93

0,96

0,73

0,90

0,95

1,02

1,34

1,26

1,67

1,82

2,24

1,03

1,41

1,38

1,40

1,98

0,27

1,33

1,21

0,53

1,14

1,26

1,14

1,08

2,34

0,56

1,34

1,27

1,15

2,61

0,60

0,87

0,96

0,80

0,62

0,71

1,17

0,61

0,88

0,67

1,10

0,66

0,67

0,97

1,40

1,05

0,78

0,77

0,45

0,29

1,48

0,81

0,63

0,32

0,91

0,84

0,35

1,07

1,25

0,22

0,93

0,77

1,35

1,26

1,25

1,44

0,87

1,02

1,12

1,00

0,78

0,90

1,14

0,67

1,09

0,73

1,43

1,67

1,11

0,97

1,70

0,84

0,88

0,98

0,96

2,03

1,04

0,97

0,95

0,77

0,43

0,50

0,55

0,50

0,41

1,13

0,87

1,02

1,30

0,43

1,17

1,24

0,75

1,36

0,59

0,57

1,58

0,72

1,02

0,77

0,77

0,69

0,73

2,02

0,95

0,50

1,64

0,70

2,18

1,70

1,03

0,37

0,48

0,66

0,71

0,57

0,49

0,74

1,19

1,12

0,27

1,06

1,50

1,51

1,19

0,98

0,89

2,04

0,83

0,76

0,81

1,73

0,89

0,74

1,00

0,89

1,43

0,95

1,05

0,94

0,90

0,57

1,14

0,76

0,44

0,80

1,36

0,73

0,93

0,84

0,57

0,52

1,60

0,87

1,09

0,52

1,23

0,97

0,48

1,38

0,89

0,56

1,29

0,65

0,59

0,50

0,68

1,46

0,76

0,53

0,67

1,01

2,68

1,01

0,49

0,73

1,49

1,63

2,42

2,04

0,85

0,15

0,43

0,59

1,53

1,02

0,55

0,51

0,87

1,56

1,47

0,94

1,21

1,65

0,54

0,43

0,23

0,22

0,64

0,80

0,42

0,46

1,85

1,24

0,46

1,07

1,23

1,23

0,81

1,51

1,27

0,30

0,89

1,42

0,92

0,74

0,74

0,73

0,89

1,29

1,15

1,16

0,70

1,55

1,32

0,39

1,30

1,39

2,36

0,84

0,57

0,83

1,00

1,32

0,79

1,03

0,75

0,14

0,20

0,26

0,64

0,47

0,69

0,62

1,79

1,09

0,38

1,07

0,66

0,13

1,36

0,28

1,07

0,45

2,07

0,79

0,58

0,64

0,31

0,34

2,15

1,05

1,20

1,06

0,99

0,59

0,60

0,67

0,71

0,67

0,87

0,84

1,21

0,59

0,83

1,13

0,54

0,67

0,68

0,69

0,60

4,31

1,23

1,02

1,08

0,42

0,94

1,10

2,19

1,06

0,87

0,81

1,46

1,35

1,61

1,27

1,13

0,74

0,93

2,06

0,87

0,89

1,25

0,62

0,71

0,55

1,68

0,36

1,61

0,35

1,48

0,75

0,49

1,28

0,98

0,48

1,03

0,57

9.6 CONCLUSIE Er is de laatste jaren een duidelijk stijgende trend waar te

Tegelijk tonen de statistieken uit dit hoofdstuk aan dat er ook nog

nemen voor wat betreft octrooieren in Vlaanderen, en dit

steeds ruimte voor verbetering is. Zo blijven octrooien sterk

zowel in het EPO-systeem, het USPTO-systeem als in het

geconcentreerd bij een beperkt aantal grote multinationale

PCT-systeem. Recente EU-statistieken bevestigen deze trend.

ondernemingen, terwijl de kleine en middelgrote ondernemingen

Vlaanderen is over de periode 1991-2003 opgeklommen tot

gemiddeld genomen opvallend afwezig zijn in het octrooi-

203 octrooiaanvragen per miljoen inwoners en behoort

landschap (zie ook Vlaamse Indicatorenboeken 2003 en 2005).

daarmee tot de meer performante Europese regioâ&#x20AC;&#x2122;s. Ook de

Daarentegen geldt wel zeer duidelijk dat de meest productieve

academische sector in Vlaanderen is in toenemende mate actief

ondernemingen inzake EPO- en USPTO-octrooien ook

bij het aanvragen van octrooien als middel tot bescherming en

internationaal technologische topposities hebben weten uit te

valorisatie van het uitgevoerde onderzoek. Deze trend wordt

bouwen, wat dan weer duidt op een sterkte van de Vlaamse

ook op Belgisch niveau bevestigd.

technologiepositie in een bedrijfseconomische context.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 H O O F D ST U K 9

EPO-AANVRAGEN 1996-2005 Agricultural and food processing, machinery and apparatus Agriculture, food chemistry Analysis, measurement, control technology Audio-visual technology Biotechnology Chemical and petrol industry, basic materials chemistry Chemical engineering Civil engineering, building, mining Consumer goods and equipment Electrical machinery and apparatus, electrical energy Engines, pumpes, turbines Environmental technology Handling, printing Information technology Machine tools Macromolecular chemistry, polymers Materials processing, textiles, paper Materials, metallurgy Mechanical elements Medical technology Nuclear engineering Optics Organic fine chemistry Pharmaceuticals, cosmetics Semiconductors Space technology, weapons Surface technology, coating Telecommunications Thermal processes and apparatus Transport


166

Tabel 9.13: RTA-waarden voor de USPTO-toekenningen voor de periode 1996-2005 op basis van 30 Fraunhofer technologiedomeinen ten opzichte van referentiegroep USPTO-TOEKENNINGEN 1996-2005 Agricultural and food processing, machinery and apparatus Agriculture, food chemistry Analysis, measurement, control technology Audio-visual technology Biotechnology Chemical and petrol industry, basic materials chemistry Chemical engineering Civil engineering, building, mining Consumer goods and equipment Electrical machinery and apparatus, electrical energy Engines, pumpes, turbines Environmental technology Handling, printing Information technology Machine tools Macromolecular chemistry, polymers Materials processing, textiles, paper Materials, metallurgy Mechanical elements Medical technology Nuclear engineering Optics Organic fine chemistry Pharmaceuticals, cosmetics Semiconductors Space technology, weapons Surface technology, coating Telecommunications Thermal processes and apparatus Transport

BE

VL

DE

DK

ES

FI

FR

GB

IE

IT

JP

NL

SE

US

1,17 1,41

1,50 1,61

0,67 0,56

1,48 6,84

2,04 3,62

0,57 1,83

0,78 1,31

0,67 1,35

1,24 1,46

1,14 1,25

0,27 0,49

1,66 2,94

1,20 0,97

1,31 1,10

0,55 0,49 1,85

0,59 0,59 1,79

1,13 0,30 0,82

0,85 0,49 5,33

0,62 0,30 1,77

0,85 0,61 0,66

0,88 0,63 1,28

1,13 0,67 1,88

0,96 0,72 1,03

0,66 0,33 0,69

0,85 2,02 0,45

0,88 2,02 1,44

0,90 0,33 0,90

1,06 0,77 1,13

4,11 1,39 0,70 0,42

3,38 1,27 0,74 0,41

1,63 1,34 0,78 0,56

1,92 1,41 1,10 0,71

1,44 1,52 1,29 1,28

0,54 1,38 0,71 0,39

1,39 1,54 0,80 0,85

1,95 1,21 1,56 0,84

0,54 1,00 0,93 0,85

0,99 1,21 1,02 1,33

0,64 0,58 0,28 0,43

1,51 1,15 0,85 0,61

0,38 1,24 1,08 0,62

0,93 1,05 1,29 1,32

0,57 0,38 1,09 1,50 0,32 0,51 3,26 1,91 1,67 0,62 0,63 1,97 1,46 1,98 1,50 0,58 0,26 1,28 0,48 0,54 0,61

0,69 0,29 1,12 1,82 0,37 0,57 2,63 2,04 1,21 0,65 0,52 1,90 1,80 1,86 1,42 0,77 0,07 1,10 0,59 0,30 0,44

0,99 1,92 1,21 1,22 0,35 1,60 1,73 1,64 1,34 1,93 0,75 1,06 0,58 1,54 0,93 0,61 0,97 1,01 0,54 1,06 1,73

0,50 0,90 1,44 0,79 0,32 0,64 0,52 1,56 1,36 0,92 1,36 0,48 0,37 2,62 2,50 0,09 0,06 0,28 0,61 1,17 0,39

0,65 0,77 0,69 2,91 0,35 0,78 0,83 1,02 1,25 1,11 0,83 0,50 0,23 2,54 1,96 0,16 1,54 0,57 0,48 1,90 1,34

0,60 0,29 1,11 0,93 0,57 1,01 0,74 3,35 0,72 0,62 0,60 0,98 0,15 0,50 0,68 0,21 0,28 0,96 4,45 1,47 0,37

0,97 0,79 0,89 0,85 0,60 0,73 1,13 1,21 1,70 1,23 0,76 1,80 0,61 1,76 2,25 0,46 1,39 0,87 1,12 1,36 1,23

0,66 0,97 1,00 0,94 0,78 0,78 0,87 0,92 0,95 1,13 0,90 1,00 0,80 2,05 1,84 0,33 0,69 0,66 1,12 0,87 0,79

1,14 0,59 0,44 0,95 1,10 0,66 0,89 0,89 0,56 0,51 2,46 0,11 0,37 0,89 2,65 0,57 0,00 0,52 1,74 0,60 0,65

0,91 1,12 0,62 2,10 0,59 1,87 1,45 1,88 1,11 1,19 1,00 0,50 0,46 1,70 1,58 0,68 0,68 0,92 0,53 1,49 1,05

1,39 1,33 0,91 1,05 1,05 0,99 1,06 0,84 1,24 1,02 0,30 0,96 2,04 0,57 0,38 1,69 0,13 1,16 0,89 0,84 0,96

1,08 0,27 0,84 0,81 0,77 0,57 1,78 1,06 1,04 0,61 1,08 1,89 1,01 1,24 0,95 0,68 0,27 0,74 1,06 0,66 0,33

0,66 1,16 1,20 1,04 0,39 1,84 0,32 1,58 1,34 1,26 1,62 1,71 0,39 1,06 1,48 0,29 1,58 0,84 2,56 1,25 1,03

0,90 0,80 1,02 0,93 1,15 0,94 0,83 0,89 0,81 0,86 1,31 0,93 0,73 0,95 1,10 0,91 1,37 0,98 1,04 1,03 0,95


167

DE VLAAMSE WT&I ACTIVITEITEN I N E E N I N T E R N AT I O N A L E C O N T E X T Door Pascale Dengis (EWI), Frank Monteny (IWT), Monica Van Langenhove (EWI) en Danny Van Steenkiste (IWT)

10


168

10.1 INLEIDING

De Vlaamse deelnemers worden ingedeeld in de volgende categorieën:

In dit hoofdstuk behandelen we de meest recente gegevens

●

bedrijven;

met betrekking tot de Vlaamse aanwezigheid in de internationale

●

universiteiten en hogescholen;

WT&I context. Meer bepaald hebben we hierbij bijzondere

●

onderzoekscentra: hier onderscheiden we de Vlaamse

aandacht voor de Vlaamse aanwezigheid in de Europese

onderzoeksinstellingen IMEC, VITO, VIB en ITG, de collectieve

Kaderprogramma’s, het ERA-NET en het EUREKA-programma. De aanwezigheid van Vlaanderen in grote internationale

centra en andere wetenschappelijke instellingen; ●

overige instellingen waaronder overheidsinstellingen, vzw’s,

onderzoeksinfrastructuren wordt als een apart Dossier in dit

European Economic Interest Groups (Europese Economische

Indicatorenboek behandeld. Deze aparte behandeling wordt

Samenwerkingsverbanden), internationale organisaties,

verklaard door het feit dat de gegevens inzake de Vlaamse

GCO’s en andere instellingen die niet in de voorgaande

deelname aan grote onderzoeksinfrastructuren berusten op een

categorieën thuishoren.

eenmalige studie, terwijl de deelname aan de Kaderprogramma’s, het ERA-NET en het EUREKA-programma permanent

Naast deze categorieën hanteren we de begrippen “Vlaanderen”,

opgevolgd worden door de betrokken entiteiten van de

“Brussel” en “Wallonië”.

Vlaamse Overheid. Bij “Vlaanderen” horen:

10.2 DE VLAAMSE DEELNAME AAN HET EUROPESE KADERPROGRAMMA VOOR ONDERZOEK

●

bedrijven: de bedrijven met hun zetel in het Vlaamse Gewest;

●

universiteiten en hogescholen: de universiteiten en hogescholen die ressorteren onder de Vlaamse Gemeenschap, dus ook de instellingen die zich bevinden in het Brusselse Gewest;

●

●

Het

Europese

onderzoekscentra: de onderzoekscentra die gelokaliseerd zijn in het Vlaamse Gewest;

10.2.1 Situering kaderprogramma

voor

onderzoek

overige: de instellingen die zich bevinden in het Vlaamse

en

Gewest, plus de instellingen uit het Brusselse Gewest die

technologische ontwikkeling is het belangrijkste instrument

rechtstreeks onder Vlaamse bevoegdheid vallen (zoals het

van de Europese Unie voor het financieren van onderzoek in

IWT-Vlaanderen, de Vlaamse Overheid, de VRT, …).

Europa. Het Kaderprogramma is een kernfactor in de Europese inspanningen om de ambitieuze Lissabondoelstellingen te

Bij “Brussel” horen:

behalen. Zopas is het Zevende Kaderprogramma (KP7), dat

●

bedrijven: de bedrijven met hun zetel in het Brusselse Gewest;

loopt van 2007 tot 2013, van start gegaan.

●

onderzoekscentra: de onderzoekscentra die gelokaliseerd zijn in het Brusselse Gewest;

In een eerste gedeelte van deze sectie wordt de evolutie

●

geschetst van de Vlaamse deelname aan de laatste Europese

overige: de instellingen die zich bevinden in het Brusselse Gewest.

Kaderprogramma’s voor Onderzoek en Technologische Ontwikkeling (hierna afgekort tot KP). Het Derde Kader-

Bij “Wallonië” horen:

programma (KP3) liep van 1990 tot 1994, het Vierde (KP4)

●

bedrijven: de bedrijven met hun zetel in het Waalse Gewest;

van 1994 tot 1998, het Vijfde (KP5) van 1998 tot 2002 en

●

universiteiten/hogescholen: de universiteiten en hogescholen

het Zesde (KP6) van 2002 tot 2006. Van dat laatste, dat

die ressorteren onder de Franse Gemeenschap (inclusief

onlangs is afgesloten, zijn tussentijdse resultaten gebruikt ten

de instellingen die zich bevinden in het Brusselse Gewest);

belope van de helft van het totale programmabudget.

●

In het tweede gedeelte worden meer gedetailleerde tussentijdse

●

onderzoekscentra: de onderzoekscentra die gelokaliseerd zijn in het Waalse Gewest; overige: de instellingen die zich bevinden in het Waalse Gewest.

resultaten weergegeven van het Zesde Kaderprogramma (KP6). De toewijzing van de deelnames aan het gewest gebeurde op basis van het adres van de deelnemer.


169

Tabel 10.1: Algemene cijfers over de Vlaamse deelname aan de Europese Kaderprogramma’s KP3

KP4

KP5

KP6*

Aantal deelnames

885

1.972

1.575

732

Aantal projecten

niet beschikbaar

1.567

1.304

567

Aantal deelnemende organisaties

niet beschikbaar

495

444

197

Aantal deelnames als coördinator

niet beschikbaar

348

337

112

Ontvangen deelnametoelage

131,3 miljoen euro

273,4 miljoen euro

278,8 miljoen euro

199,8 miljoen euro

Totaal EU-KP-budget besteed aan contracten

9,65 miljard euro

5,09 miljard euro

11,49 miljard euro

12,72 miljard euro

Financiële return

2,58%

2,38%

2,19%

2,07%

Verwachte return

2 – 2,4%

2,1 – 2,3%

2,1 – 2,2%

2,1 – 2,2%**

* Voorlopige cijfers (contracten getekend t.e.m. 24/01/2006; ongeveer 55% van het totale budget) ** Voorlopige raming

10.2.2 Evolutie van de Vlaamse deelname aan de opeenvolgende kaderprogramma’s

De deelnametoelagen in figuur 10.2 bevestigen de trends uit de vorige figuur. De universiteiten en hogescholen blijven het grootste aandeel behouden met voorlopig 41% in KP6.

10.2.2.1 Algemene cijfers

De onderzoekscentra vergroten hun aandeel aanzienlijk t.o.v.

In tabel 10.1 zijn de kerncijfers weergegeven van de Vlaamse

de vorige KP’s en zijn in KP6 voorlopig de tweede belangrijkste

deelname aan de laatste Kaderprogramma’s.

deelnemerscategorie met 33%. De bedrijven daarentegen verliezen sterk en stranden in KP6 voorlopig op 18%.

Wanneer men de financiële return (i.e. het procentuele financiële aandeel in de totale toegekende Europese middelen) die Vlaanderen uit elk Kaderprogramma wist te halen, vergelijkt

10.2.2.3 De voorlopige Vlaamse deelname aan het Zesde Kaderprogramma De onderstaande resultaten hebben betrekking op ongeveer

tendens van het Derde tot en met het Zesde Kaderprogamma

55% van de totale middelen van KP6. In figuur 10.3 bekijken

(KP6) worden vastgesteld. In de voorlopige tussenstand van

we de Vlaamse deelnametoelage per prioriteit en per

KP6 behaalt Vlaanderen nog maar net de verwachte return.

deelnemerscategorie.

De opmerking moet daarbij wel worden gemaakt dat het

De Vlaamse deelnemers halen de meeste middelen uit de

resultaat van KP6 nog niet definitief is, aangezien het slechts

prioriteiten ‘Technologieën voor de informatiemaatschappij’ (IST),

55% van het totale KP-budget betreft. De resultaten moeten

‘Biowetenschappen, genomica en biotechnologie voor de

dus met de nodige omzichtigheid worden benaderd.

gezondheid’ (LIFESCIHEALTH), ‘Structurering van de Europese Onderzoeksruimte’ (STRUCTURING), ‘Nanotechnologieën

10.2.2.2 De Vlaamse deelname volgens deelnemerscategorie

en nanowetenschappen, kennisgebaseerde multifunctionele

In figuur 10.1 is de Vlaamse deelname aan de opeenvolgende

materialen en nieuwe productieprocédés en -apparatuur’ (NMP)

Kaderprogramma’s weergegeven voor de verschillende

en ‘Duurzame Ontwikkeling, veranderingen in het aardsysteem

categorieën van deelnemers. Bekijkt men het aantal deelnames,

en ecosystemen’ (SUSDEV).

dan blijkt dat de universiteiten en hogescholen het grootste aandeel hadden in de opeenvolgende KP’s, met voorlopig 44%

De universiteiten en hogescholen halen vooral middelen uit de

in KP6, wat dus een forse stijging inhoudt ten opzichte van KP5.

prioriteiten LIFESCIHEALTH, IST en NMP. Bij de onderzoeks-

Het aandeel van de bedrijven is tegenover KP5 opnieuw sterk

centra zijn dit IST en STRUCTURING. Bij de bedrijven gaat het

gedaald (van 35% naar 23%), wat hen in de rangschikking tot

hoofdzakelijk om IST.

een derde plaats terugbrengt. De onderzoekscentra konden hun aandeel KP na KP vergroten en blijven hun positie versterken in KP6. Zij vormen voorlopig de tweede belangrijkste deelnemerscategorie in KP6.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 7 H O O F D S T U K 10

over de opeenvolgende Kaderprogramma’s, dan kan een dalende


170

Figuur 10.1: Evolutie van de Vlaamse deelname aan

Figuur 10.2: Evolutie van de Vlaamse deelname aan

de Europese Kaderprogramma’s volgens

de Europese Kaderprogramma’s volgens

deelnemerscategorie (aantal deelnames %)

deelnemerscategorie (deelnametoelage %)

KP6*

KP6*

KP5

KP5

KP4

KP4

KP3

KP3

0%

20%

40%

60%

80%

0%

100%

20%

Aantal deelnames (%)

40%

60%

80%

100%

Aantal deelnames (%)

■ Universiteiten en hogescholen

■ Universiteiten en hogescholen

■ Bedrijven

■ Bedrijven

■ Onderzoekscentra

■ Onderzoekscentra

■ Andere

■ Andere

Figuur 10.3: Vlaamse deelnametoelage per prioriteit en per deelnemerscategorie

■ Universiteiten en hogescholen

LIFESCIHEALTH

■ Onderzoekscentra

IST

■ Bedrijven

NMP

■ Overige

AERO FOOD SUSDEV CITIZENS SME POLSUP INCO ERANET STRUCTURING EURATOM 0

10

20

30

40

Deelnametoelage (Meuro)

* Voorlopige cijfers (contracten getekend t.e.m. 24/01/2006; ongeveer 55% van het totale budget)

50

60


171

Figuur 10.4: Vlaamse return per prioriteit en per deelnemerscategorie

■ Universiteiten en hogescholen

LIFESCIHEALTH

■ Onderzoekscentra

IST

■ Bedrijven

NMP

■ Overige

AERO FOOD SUSDEV CITIZENS SME POLSUP INCO ERANET STRUCTURING EURATOM 0

1

2

3

4

5

6

Return (%)

Vergeleken met een verwachte Vlaamse return in het Zesde

Vlaanderen presteert eerder zwak in de prioriteiten ‘Lucht- en

Kaderprogramma van 2,1 tot 2,2% (verticale lijn) blijkt uit

ruimtevaart’ (AERO, 0,9%), ‘Specifieke onderzoeksactiviteiten voor

figuur 10.4 dat Vlaanderen sterk presteert in de programma’s

KMO’s’ (SME, 1,2%) en ‘Duurzame Ontwikkeling, veranderingen

Euratom (5,0%), IST (3,0%), ‘Specifieke activiteiten voor

in het aardsysteem en ecosystemen’ (SUSDEV, 1,5%).

(2,3%). Voor Euratom is dit bijna uitsluitend te danken aan de federale onderzoeksinstelling SCK. Het succes in IST bestaat uit

10.2.2.4 Vlaamse deelname per projecttype en per deelnemerscategorie

ongeveer gelijke bijdragen vanuit bedrijven, onderzoekscentra (IMEC) en universiteiten en hogescholen. Vlaanderen dankt

Vlaanderen neemt het vaakst deel aan projecten van het type

zijn return in INCO aan de onderzoekscentra (vooral het

STREP en de grootschalige geïntegreerde projecten (IP) en is

Instituut voor de Tropische Geneeskunde (ITG)) en de

verder duidelijk aanwezig in de gecoördineerde acties (CA),

universiteiten en hogescholen. De return van LIFESCIHEALTH

de excellentienetwerken (NoE), de Marie Curie acties (MCA) en

is voor ongeveer tweederde toe te schrijven aan de

de specifieke ondersteunende activiteiten (SSA). In projecten van

universiteiten en hogescholen en voor ongeveer een kwart aan

het type CRAFT, specifieke acties ter promotie van onderzoeks-

onderzoekscentra (vooral VIB).

infrastructuur (II) en collectieve onderzoeksprojecten (CLR) is Vlaanderen daarentegen weinig of niet vertegenwoordigd.

Vlaanderen scoort volgens de verwachting in ‘Beleidsondersteunend onderzoek’ (POLSUP, 2,2%), ‘Voedselkwaliteit en -veiligheid’

De universiteiten en hogescholen zijn voornamelijk terug

(FOOD, 2,1%), en ‘Nanotechnologieën en nanowetenschappen,

te vinden in projecten van het type STREP, IP, NoE, MCA, CA

kennisgebaseerde multifunctionele materialen en nieuwe

en SSA. De onderzoekscentra vinden we terug in dezelfde

productieprocédés en -apparatuur’ (NMP, 2,0%). In de eerste

projecttypes, al zijn ze minder vertegenwoordigd in de

twee is de return in grote hoofdzaak toe te schrijven aan de

excellentienetwerken (NoE). De bedrijven nemen vooral deel

universiteiten en hogescholen. Voor NMP is dit meer gespreid

aan de geïntegreerde projecten (IP), de STREPS en CRAFT

over universiteiten en hogescholen, bedrijven en onderzoekscentra.

(zie figuur 10.5).

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 7 H O O F D S T U K 10

internationale samenwerking’ (INCO, 2,5%) en LIFESCIHEALTH


172

Figuur 10.5: Vlaamse deelname per projecttype en per deelnemerscategorie (aantal deelnames in KP6*)

■ Universiteiten en hogescholen

IP

■ Onderzoekscentra

STREP

■ Bedrijven

NoE

■ Overige

MCA SSA CA CRAFT II CLR 0

50

100

150

200

250

Aantal deelnames

Tabel 10.2: Vlaamse topdeelnemers Instelling

Aantal deelnames*

Deelnametoelage (Meuro)*

%

148

42,2

21%

IMEC

68

35,3

18%

UGent

80

18,5

9%

VIB

33

12,1

6%

VUB

39

8,8

4%

UA

32

8,4

4%

Philips Innovative Technology Solutions

10

5,3

3%

SCK

18

5,3

3%

2

5,0

3%

21

4,7

2%

K.U.Leuven

Alcatell Bell NV VITO

* Voorlopige cijfers (contracten getekend t.e.m. 24/01/2006; ongeveer 55% van het totale budget)

10.2.2.5 Vlaamse topdeelnemers

Het valt op dat de gemiddelde toelage per deelnemer sterk

In tabel 10.2 worden de Vlaamse topdeelnemers weergegeven.

varieert. Sommige instellingen halen een grotere deelname-

De K.U.Leuven is nog steeds de grootste Vlaamse deelnemer.

toelage met minder deelnames dan andere.

IMEC volgt op de tweede plaats met minder deelnames dan UGent dat volgt op de derde plaats.

10.2.2.6 Vlaanderen binnen België Uit figuur 10.6 valt af te lezen dat vooral de Belgische universiteiten

Het eerste deelnemende Vlaamse bedrijf, Philips Innovative

en hogescholen middelen uit het Kaderprogramma halen.

Technology Solutions, komt in KP6 op de zevende plaats.

Vlaanderen heeft hierbij het overwicht. De ‘overige instellingen’

Alcatel Bell NV volgt op de negende plaats.

komen op de tweede plaats en dit is in hoofdzaak toe te schrijven aan instellingen uit de Brusselse regio. Op de derde

De federale wetenschappelijke instelling SCK (Studiecentrum

plaats volgen de bedrijven. Hier is de deelname gespreid over

voor Kernenergie) komt voorlopig op de achtste plaats. VITO

de drie regio’s met een overwicht voor Vlaanderen. Ten slotte

vervolledigt de top tien.

volgen de onderzoekscentra met een deelname die bijna uitsluitend is toe te schrijven aan instellingen uit Vlaanderen.


173

Figuur 10.6: Deelname van de Belgische regio’s in KP6* volgens deelnemerscategorie (in deelnametoelage)

■ Vlaanderen

Universiteiten en hogescholen

■ Wallonië ■ Brussel Bedrijven

■ Niet toegewezen

Onderzoekscentra

Andere

0

20

40

60

80

100

120

140

160

Deelnametoelage (Meuro)

* Voorlopige cijfers (contracten getekend t.e.m. 24/01/2006; ongeveer 55% van het totale budget)

Vlaanderen is duidelijk de sterkst deelnemende regio binnen

10.2.3 Conclusies

België met een aandeel in de toelage van 50%. Vlaanderen weet voorlopig in het Zesde Kaderprogramma nog 10.2.2.7 Vlaanderen in de Europese rangschikking

net de gemiddelde verwachte return van 2,1% te behalen maar

Om Vlaanderen te kunnen positioneren in de Europese context

ziet zijn aandeel in het deelnamebudget van de opeenvolgende

werden rangschikkingen opgesteld. Die werden verkregen

Kaderprogramma’s gestaag verkleinen.

door de deelnameresultaten - zowel in aantal als in toelage Bekijkt men de Vlaamse deelname in de verschillende

aantal inwoners. Bij die rangschikkingen werden enkel die

deelnemerscategorieën over de KP’s heen, dan valt op dat

landen meegenomen met een BBP van minimaal 100 miljard

zowel wat het aantal deelnames als de deelnametoelage betreft,

euro, een inwonersaantal van minimaal een miljoen en met

de universiteiten/hogescholen en de onderzoekscentra hun

minimaal 500 deelnames aan KP6.

aandeel steeds vergroten ten koste van dat van de bedrijven.

Uit de rangschikking (figuur 10.7) blijkt dat Vlaanderen zich

Vlaanderen neemt in KP6 voorlopig sterk deel aan de programma’s

- voor wat het aantal deelnames betreft - positioneert op de

‘Euratom’ (5,0%), ‘Technologieën voor de informatiemaatschappij’

9de en 10de plaats in de buurt van lidstaten zoals Oostenrijk,

(IST, 3,0%), ‘Specifieke activiteiten voor internationale samen-

Nederland en Ierland en vóór grote lidstaten zoals het

werking’ (INCO, 2,5%) en ‘Biowetenschappen, genomica en

Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk. Aan de top van

biotechnologie voor de gezondheid’ (LIFESCIHEALTH, 2,3%)

de rangschikking bevinden zich de Scandinavische landen.

en scoort volgens de verwachting in de programma’s ‘Beleidsondersteunend onderzoek’ (POLSUP, 2,2%), ‘Voedsel-

Wat de deelnametoelage betreft positioneert Vlaanderen zich

kwaliteit en -veiligheid’ (FOOD, 2,1%), en ‘Nanotechnologieën

veel hoger in de rangschikking, namelijk op een zesde plaats

en nanowetenschappen, kennisgebaseerde multifunctionele

in de buurt van Nederland en de Scandinavische landen.

materialen en nieuwe productieprocédés en -apparatuur’

Hieruit kunnen we besluiten dat Vlaanderen een relatief hoge

(NMP, 2,0%). Vlaanderen presteert eerder zwak in de

gemiddelde deelnametoelage ontvangt vergeleken met de

prioriteiten ‘Lucht- en ruimtevaart’ (AERO, 0,9%), ‘Specifieke

andere landen. België, Nederland en Vlaanderen doen het in

onderzoeksactiviteiten

deze rangschikking zeer goed. De grote lidstaten volgen veel

‘Duurzame Ontwikkeling, veranderingen in het aardsysteem

verder in de rangschikking. België scoort in alle rangschikkingen

en ecosystemen’ (SUSDEV, 1,5%).

opvallend goed met een tweede tot vierde plaats.

voor

KMO’s’

(SME,

1,2%)

en

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 7 H O O F D S T U K 10

te relateren aan het bruto binnenlands product (BBP) en het


174

Figuur 10.7: Vlaanderen in de Europese rangschikking

Griekenland Polen Finland België Zweden Portugal Denemarken Oostenrijk Vlaanderen Nederland Zwitserland Ierland Noorwegen Spanje Verenigd Koninkrijk Duitsland Frankrijk Italië 0

2

4

6

8

150

200

Aantal deelnames/BBP (in miljard euro)

Zweden Denemarken Finland België Noorwegen Zwitserland Nederland Oostenrijk Ierland Vlaanderen Griekenland Verenigd Koninkrijk Duitsland Frankrijk Portugal Spanje Italië Polen 0

50

100 Aantal deelnames/miljoen inwoners


175

Figuur 10.7: Vlaanderen in de Europese rangschikking

Zweden België Finland Griekenland Nederland Vlaanderen Denemarken Oostenrijk Verenigd Koninkrijk Duitsland Frankrijk Portugal Zwitserland Ierland Noorwegen Polen Spanje Italië 0

200

400

600

800

1.000

1.200

1.400

1.600

1.800

Deelnametoelage/BBP (in miljard euro)

Zweden Denemarken België

Finland Vlaanderen Noorwegen Oostenrijk Zwitserland Ierland Verenigd Koninkrijk Duitsland Frankrijk Griekenland Italië Spanje Portugal Polen 0

10.000

20.000

30.000

40.000

Deelnametoelage (in euro)/1.000 inwoners

50.000

60.000

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 7 H O O F D S T U K 10

Nederland


176

Vlaanderen neemt het vaakst deel aan projecten van het type

De oproepen staan, in tegenstelling tot het merendeel van

STREP en de grootschalige geïntegreerde projecten (IP) en

de andere financieringsschema’s binnen KP7 niet open voor

is verder duidelijk aanwezig in de gecoördineerde acties (CA),

onderzoeksinstellingen en/of bedrijven.

de excellentienetwerken (NoE), de Marie Curie acties (MCA) en de specifieke ondersteunende activiteiten (SSA). In projecten

ERA-NET projecten verlopen in grote lijnen steeds op dezelfde

van het type CRAFT, specifieke acties ter promotie van

wijze, in principe kunnen hierbij de volgende fasen worden

onderzoeksinfrastructuur (II) en collectieve onderzoeksprojecten

onderscheiden:

(CLR) is Vlaanderen daarentegen weinig of niet vertegenwoordigd. 1. Informatie-uitwisseling In de rangschikking van de Vlaamse topdeelnemers voeren de K.U.Leuven, IMEC en UGent de rangschikking aan.

betreffende

de

ingebrachte

Programma’s en de wijze waarop ze worden voorbereid en uitgevoerd (leerproces); 2. Identificatie van mogelijke gemeenschappelijke activiteiten

Een vergelijking binnen België, geeft aan dat Vlaanderen

inzake de coördinatie en samenwerking tussen de

de sterkst deelnemende regio is (50% van het totaal voor

financieringsprogramma’s;

België) en dat Vlaanderen vooral het overwicht heeft bij de onderzoekscentra en in mindere mate ook bij de bedrijven

3. Uittesten van dergelijke activiteiten op een beperkte schaal met een beperkt aantal partners;

en bij de universiteiten en hogescholen.

4. Structureren van de samenwerking.

In de Europese rangschikking blijkt Vlaanderen het vrij goed te

Het bottom-up karakter van het ERA-NET schema verklaart

doen, vooral wanneer men rangschikt naar deelnametoelage.

de grote diversiteit aan opgestarte initiatieven, zowel rond

Vlaanderen situeert zich dan op een zesde plaats in de buurt

steunprogramma’s voor fundamenteel onderzoek steun-

van lidstaten zoals Nederland en de Scandinavische landen en

programma’s voor toepassingsgericht onderzoek als rond

vóór de grote lidstaten zoals het Verenigd Koninkrijk, Duitsland

meer horizontale maatregelen (bijvoorbeeld Programma’s

en Frankrijk.

voor Collectief Onderzoek, voor de ondersteuning van Competentiepolen) werden initatieven opgestart.

10.3 ERA-NET

Binnen KP6 werden uiteindelijk een tachtigtal ERA-NET projecten opgestart. Vlaanderen is betrokken in 16 van deze

Het ERA-NET schema wenst de samenwerking en coördinatie te

projecten (zie tabel 10.3).

bevorderen tussen de verschillende financieringsprogramma’s ter ondersteuning van onderzoek en innovatie van de lidstaten

Binnen verschillende ERA-NET projecten worden, in het

van de Europese Gemeenschap en van de geassocieerde

kader van het uittesten van gemeenschappelijke activiteiten,

landen. Het schema werd opgestart binnen het zesde

geëxperimenteerd met gemeenschappelijke oproepen tot

Kaderprogramma (KP6) en wordt verder gezet binnen het

voorstellen. De middelen die voor deze kleinschalige initiatieven

zevende Kaderprogramma (KP7).

worden voorzien zijn afkomstig van de deelnemende nationale (regionale) overheden en zijn geen onderdeel van het Europees

Het ERA-NET schema wordt geïmplementeerd via de

Kaderprogramma. Vlaanderen heeft binnen ERA-NET projecten

publicatie van open oproepen tot voorstellen. De voorstellen

actief deelgenomen aan de organisatie van dergelijke oproepen

kunnen ingediend worden door overheidsorganisaties die

tot voorstellen.

verantwoordelijk zijn voor de financiering of het beheer van onderzoekprogramma’s op nationaal of regionaal niveau (Ministeries, agentschappen, ...), andere nationale organisaties die dergelijke programma’s financieren of beheren (bijv. agentschappen die door de overheid onder publiek recht zijn opgericht) en organisaties die op Europees niveau werkzaam zijn en onder andere instaan voor de pan-Europese coördinatie van nationaal gefinancierd onderzoek.


177

Tabel 10.3: Vlaamse deelname in ERA-NET projecten Organisatie

ERA-NET project

AWI

ERA-PG

AWI

HY-CO

Co-ordination Action to Establish a Hydrogen and Fuel Cell ERA-Net, Hydrogen Coalition

AWI

PV-ERA-NET

Networking and Integration of National and Regional Programmes in the field of Photovoltaic (PV) Solar Energy Research and Technological Development (RTD) in the European Research Area (ERA)

AWI

VISION

Shared knowledge base of sustainable innovation policies

CLO - Dep. Zeevisserij

MARI-FISH

Coordination of European marine fisheries research

IWT

COMPERA

ERA-NET on national and regional Programmes and initiatives dedicated to the creation and support of Competence Research Centres

IWT

CORNET

ERA-Net on National and Regional Programmes and initiatives to promote research, and the dissemination of the results of that research, to the benefit of large communities of SMEs: Collective Research

IWT

EraSME

ERA-NET on National and Regional Programmes to promote innovation networking and co-operation between SME's and research organisations

IWT

eTRANET

ICT in traditional manufacturing industries ERANET

IWT

MATERA

ERA-NET Materials

IWT

MNT-ERA-NET

From micro- and nano-scale science to new technologies for Europe

IWT

SUSPRISE

Networking, coordination, cooperation and integration of national RTD programmes in the field of sustainable enterprise

FWO

ERA-CHEMISTRY Implementation of joint bottom-up European Programmes in Chemistry

FWO

EUROPOLAR

The European Polar Consortium: Strategic Coordination and networking of European Polar RTD Programmes

FWO

HERA

Humanities in the European Research Area

UZ-KUL

HESCULAEP

Health Emergency national/regional programmes for an improved coordination in pre-hospital setting

European Research Area Plant Genomics

10.4 VLAAMSE DEELNAME IN HET EUREKA-PROGRAMMA

Het aanvragen van steun in het kader van EUREKA-projecten, en de evaluatie van deze aanvragen, gebeurt in overeenstemming met de gebruikelijke procedures van het IWT, en dit volgens de

10.4.1 Inleiding

modaliteiten voor O&O bedrijfssteun of KMO-Innovatieprojecten. In aanvulling op de basissteun hanteert het IWT, ter stimulering van de internationale industriële samenwerking, een toeslag

bevordering van de internationale samenwerking op het

van 10% op kostenbasis.

vlak van toegepast en marktgericht industrieel Onderzoek & Ontwikkeling. Het EUREKA netwerk omvat aktueel 38 lidstaten en de Europese Unie.

10.4.2 EUREKA projecten

EUREKA hanteert, in tegenstelling tot het Kaderprogramma

Het EUREKA-programma maakt een onderscheid tussen

van de Europese Commissie, het ‘Bottom Up’ principe: de

projecten die op individueel initiatief van de betrokken bedrijven

partners in een O&O project bepalen zèlf de inhoud, het

tot stand komen, en projecten die gegenereerd worden in door

samenwerkingsverband, en de timing van hun project.

de Europese grootindustrie opgezette “Clusters.”

Het netwerk verleent, na een internationale evaluatie-

De projecten van het eerste type, waarnaar we verwijzen met de

procedure, aan de goedgekeurde projecten een kwaliteitslabel.

term ‘INDIVIDUELE’-projecten, verkrijgen het EUREKA-label

Voor co-financiering kunnen de individuele partners terecht

na een evaluatie door de betrokken Nationale of Regionale

bij de eigen nationale of regionale overheden, en dit op basis

overheden op basis van een uniforme en internationaal

van de plaatselijke modaliteiten.

geaccepteerde procedure.

Bedrijven, en hiermee samenwerkende universiteiten en onderzoeksinstellingen, uit het Vlaams Gewest kunnen voor hun deelname in een project beroep doen op het IWT.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 7 H O O F D S T U K 10

EUREKA is een intergouvernementeel initiatief voor de


178

De EUREKA-Clusters oriënteren zich op een specifiek onderzoeks-

●

EUROGIA (1/1/2004 tot 1/1/2008): “Eureka Oil & Gas

terrein of een industriële sector. De onderzoeksdoelstellingen

Industry Initiative For Sustainable Development And A

worden geformuleerd in een “Road Map”, en hieraan wordt

Secure Energy Supply In A Cleaner/Safer Future”.

invulling gegeven via de initiatie van “sub-projecten”. Deze subprojecten verkrijgen het EUREKA-label na een evaluatie door

Gedurende de periode 2000 – 2005 werden de Vlaamse

het Technisch Committee van de Cluster.

partners in 108 EUREKA-projecten door IWT gesteund.

De aanvragen voor cofinanciering worden door de betrokken

De totale investering van de Vlaamse bedrijven in deze projecten

overheden behandeld synchroon met, of aansluitend op,

bedraagt 215 miljoen euro, hierin is begrepen 100 miljoen euro

de evaluaties voor het Eureka-label. De beschrijvingen van

steun vanwege IWT, een gemiddeld steunpercentage van 47%.

de projecten en deelnemende partners worden na verlening van de EUREKA-label publiek gemaakt door de opname in

De omvang van de projecten verschilt sterk naargelang het

databases welke toegankelijk zijn via de EUREKA website

type. Uitersten zijn weer te vinden bij de projecten van de

(http://www.eureka.be).

MEDEA en MEDEA+ Cluster (gemiddeld Vlaams projectbudget 4 miljoen euro) en projecten van het ‘INDIVIDUELE’-type

Tabel 10.4 toont het aantal nieuwe projecten waarin Vlaamse

(gemiddeld Vlaams budget 0,7 miljoen euro). Een dalende

partners aktief zijn (2000-2005).

trend is waarneembaar, echter vooral te wijten aan de lagere frequentie van zeer grote (> 5 miljoen euro) projecten.

Met uitzondering van 2002, toen geen MEDEA oproep werd behandeld, is de Vlaamse deelname aan EUREKA projecten

Het gemiddeld steunpercentage van 47 % vertoont weinig

stabiel. Ze omvat een gemiddelde deelname aan 22 projecten

variatie tussen de projecttypes, maar wel tussen ‘INDIVIDUELE’

per jaar, evenredig verdeeld tussen ‘INDIVIDUELE’ en Cluster

projecten, wat een gevolg is van de impact van de aard van het

projecten.

onderzoekstype (industrieel basisonderzoek of prototypeontwikkeling) en de mate van KMO-deelname.

10.4.3 Verleende steun aan Vlaamse deelnemers in EUREKA (2000 – 2005).

In de beschouwde 108 EUREKA projecten waren 251 Vlaamse partners aktief (Opmerking: er zijn soms meerdere participaties door eenzelfde entiteit). Het aantal Vlaamse partners per

De volgende tabellen en figuren geven meer detail over de

project is hoger in de Cluster-projecten (gemiddeld 2,5) dan

projecten met door IWT gesteunde Vlaamse partners. Hierbij is

in de projecten van het ‘INDIVIDUELE’-type (gemiddeld 2,0).

de categorie ‘Cluster’-projecten verder opgesplitst. In de periode

Ook deze gemiddelden verbergen een grote variatie gezien

2000 - 2005 waren de volgende Cluster-organisaties aktief:

het beduidend aantal projecten met 1 enkele Vlaamse industriële partner, en enkele grote Vlaamse consortia met 5

●

MEDEA (looptijd van 1/1/1997 tot 1/1/2001) en vervolg-

tot 7 partners in Cluster-projecten.

cluster MEDEA+ (1/1/2001 tot 1/1/2009): “Micro-Electronics ●

●

●

●

Development for European Applications”.

De

EURIMUS (30/6/1998 tot 30/6/2003) en EURIMUS II

participatie van 57 KMO’s (23%). De KMO deelname

(1/1/2004 tot 1/1/2009): “EUReka Industrial Initiative for

concentreert zich verhoudingsgewijs vooral in de projecten

Microsystems Uses”.

van het ‘INDIVIDUELE’-type. De Vlaamse consortia in de

ITEA (1/10/1998 tot 1/1/2006) en ITEA II (1/1/2006 tot 1/1/2014):

Clusterprojecten tonen een sterke vertegenwoordiging van

“Information Technology for European Advancement”.

grote ondernemingen. De deelname van 32 KMO’s in deze

PIDEA (1/10/1998 tot 1/4/2004) en PIDEA+ (1/4/2004 tot

projecten toont echter aan dat kleinere onderzoeksgerichte

1/4/2009): “Packaging and Interconnection Development

bedrijven ook hun weg vinden naar de meer grootschalige

for European Applications”.

projecten van de EUREKA-Clusters.

CELTIC (1/1/2004 tot 1/1/2009) “Cooperation for a European sustained Leadership in Telecommunications”.

108

EUREKA

projecten

vertegenwoordigen

een


179

Tabel 10.4: Aantal EUREKA-projecten met Vlaamse partners

INDIVIDUELE Projecten CLUSTER Projecten Totaal

2000 13 10 23

2001 9 17 26

2002 11 3 14

2003 12 9 21

2004 10 17 27

2005 12 11 23

Totaal 67 67 134

Tabel 10.5: Aantal gesteunde projecten, met projectbudget van de Vlaamse partners en steuntoelagen van IWT Aantal Projecten

2000

2001

MEDEA

5

EURIMUS

1

ITEA

3

2

PIDEA

1

2

2002

2003

13

6

2004

2005

5

Totaal

4

33

6

22

1

3

1 3

3

2

5 3

6

2

CELTIC 7

7

5

8

7

8

42

17

24

8

17

23

19

108

Budget (miljoen euro)

2000

2001

2003

2004

2005

Totaal

MEDEA

22,3

49,9

26,1

18,3

8,4

125

13,6

46,9

INDIVIDUEEL Totaal

EURIMUS

1,7

ITEA

7,8

4,6

PIDEA

1,6

1,6

2002

1,8 5,4

3,3

2,6

CELTIC INDIVIDUEEL

6,8

3,5

12,1

3,9

4,6

6,9

5,8

4,1

0,1

4,2

2,8

4,9

29,9

Totaal

40,3

60,0

9,9

36,3

41,6

27,0

215,2

Steun (miljoen euro)

2000

2001

2002

2003

2004

2005

Totaal

MEDEA

11,6

22,9

12,7

6,7

4,8

58,7

5,6

20,3

EURIMUS

0,6

1,0

ITEA

3,2

1,8

PIDEA

0,7

0,9

3,1

1,9

1,1

CELTIC INDIVIDUEEL Totaal

1,6

4,6

2,7

1,7

0,05

1,7

3,8

2,0

2,4

3,7

1,2

2,1

15,1

20,0

27,6

5,5

18,3

16,3

12,6

100,2

Aantal Vlaamse partners 2000-2005

Groot bedrijf

KMO

Onderzoeks instelling

Totaal 78

43

9

26

1

3

2

6

32

15

17

64

PIDEA

6

3

3

12

CELTIC

2

2

2

6

30

25

30

85

114

57

80

251

MEDEA EURIMUS ITEA

INDIVIDUEEL Totaal

10.4.4 Situering in internationale context. Recente analyses van het internationaal EUREKA secretariaat

Gezien de relatief hoge participatie van het Vlaams Gewest in

(Facts and Tendencies, French Chairmanship, Paris June 2004;

de projecten van het ‘INDIVIDUELE’-type, en de overheersende

“The EUREKA INITIATIVE, Czech Chair 2005-2006”) tonen aan

deelname in de Cluster-projecten, kan gesteld worden dat

dat België qua deelname aan EUREKA gedurende de laatste

Vlaanderen prominent aanwezig is in het internationaal

jaren bij de top-5 lidstaten behoort. Hierbij dient opgemerkt dat

EUREKA netwerk.

deze deelnames in meerderheid gebeuren als project-‘partners’, en in veel mindere mate als initiatiefnemer of project-‘coördinator’.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 7 H O O F D S T U K 10

Tabel 10.6: Aantal Vlaamse partners in gesteunde projecten


180

Figuur 10.8: Aantal Eureka projecten met IWT steun

Figuur 10.10: IWT steunbedragen aan de Vlaamse partners,

aan Vlaamse partners

per deelprogramma

25

30 25

Miljoen Euro

Aantal projecten

20

15

10

5

20 15 10 5 0

0 2000

2001

2002

2003

2004

2000

2005

■ CELTIC

2001

2002

2003

2004

2005

■ CELTIC

■ PIDEA

■ PIDEA

■ ITEA

■ ITEA

■ EURIMUS

■ EURIMUS

■ MEDEA

■ MEDEA

■ INDIVIDUEEL

■ INDIVIDUEEL

Figuur 10.9: Projectbudgetten van de Vlaamse partners,

Figuur 10.11: Aantal Vlaamse partners in gesteunde

per deelprogramma

projecten 100

70 60

80

Miljoen Euro

50 60

40 30

40 20 10

20

0 2000

2001

■ CELTIC

2002

2003

2004

2005

0 MEDEA

EURIMUS

ITEA

■ PIDEA

■ Onderzoeksinstelling

■ ITEA

■ KMO

■ EURIMUS

■ Groot bedrijf

■ MEDEA ■ INDIVIDUEEL

PIDEA

CELTIC

INDIVIDUEEL


181

10.5 CONCLUSIE

Thematische prioriteiten: • LIFESCIHEALTH: Biowetenschappen, genomica en bio-

Vlaanderen is, in lijn met wat in vorige versies van dit

technologie voor de gezondheid

Indicatorenboek gerapporteerd werd, heel visibel aanwezig in

• IST: Technologieën voor de informatiemaatschappij

de belangrijke Europese WT&I programma’s. Voor het ERA-NET

• NMP: Nanotechnologieën en nanowetenschappen, kennis-

en het Eureka-programma hebben de verschillende Vlaamse actoren en hun onderzoeksploegen een niet onaardige positie

gebaseerde

multifunctionele

materialen

en

nieuwe

productieprocédés en -apparatuur

weten uit te bouwen. Voor wat het Kaderprogramma betreft, is

• AERO: Lucht- en ruimtevaart

die aanwezigheid er duidelijk ook, doch de dalende tendens

• FOOD: Voedselkwaliteit en -veiligheid

van de Vlaamse deelname, en in het bijzonder die van de

• SUSDEV: Duurzame ontwikkeling, veranderingen in het

bedrijven, is duidelijk iets wat de nodige aandacht verdient.

aardsysteem en ecosystemen • CITIZENS: Burgers en bestuur in de kennismaatschappij • SME: Specifieke onderzoeksactiviteiten voor KMO’s

Referentielijst

• POLSUP: Beleidsondersteunend onderzoek • INCO: Specifieke activiteiten voor internationale samenwerking

Vlaanderen in het Europese Vijfde Kaderprogramma voor

• ERANET: Ondersteuning voor de coördinatie van activiteiten

Onderzoek (1998-2002), Dengis P., Dewallef E. en Verlaeckt K.,

• STRUCTURING: Structurering van de Europese Onderzoeks-

2005, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Wetenschap, Innovatie en Media, Administratie Wetenschap en

ruimte • EURATOM: Euratom

Innovatie. Projecttypes: Vlaamse deelname aan het Europese Zesde Kaderprogramma

• CA: coördinatiewerkzaamheden

voor Onderzoek (tussentijdse analyse), Van Langenhove M.,

• CLR: collectieve onderzoeksprojecten

februari 2007, Vlaamse Overheid, departement Economie,

• CRAFT: coöperatieve onderzoeksprojecten

Wetenschap en Innovatie.

• II: specifieke acties ter promotie van onderzoeksinfrastructuur • IP: geïntegreerde projecten • MCA: Marie Curie acties ter bevordering en ontwikkeling van menselijk potentieel en mobiliteit • NoE: Excellentienetwerken

• EEI: European Economic Interest Group (Europees Economisch Samenwerkingsverband) • GCO: Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek • IMEC: Interuniversitair Mikro-Electronica Centrum VZW • ITG: Instituut voor Tropische Geneeskunde • IWT-Vlaanderen: Instituut voor de aanmoediging van Innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen • K.U.Leuven: Katholieke Universiteit Leuven • SCK: Studiecentrum voor Kernenergie • UA: Universiteit Antwerpen • UGent: Universiteit Gent • VIB: Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie • VUB: Vrije Universiteit Brussel • VITO: Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek • VRT: Vlaamse Radio en Televisie • KP3: Derde Europese Kaderprogramma • KP4: Vierde Europese Kaderprogramma • KP5: Vijfde Europese Kaderprogramma • KP6: Zesde Europese Kaderprogramma

• SSA: specifiek ondersteunende activiteiten • STREP: specifiek gerichte projecten

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 7 H O O F D S T U K 10

Gebruikte Afkortingen


182


183

CONCLUSIES EN NABESCHOUWINGEN

Door Koenraad Debackere (K.U.Leuven) en Reinhilde Veugelers (K.U.Leuven)

11


184

Dit derde Indicatorenboek biedt een bundeling van de inzet

Bovendien hebben de grote bedrijven zowat hun maximale

en de resultaten die de laatste tien jaar door de actoren in

capaciteit voor het uitvoeren en het absorberen van

het Vlaams Wetenschaps-, Technologie- en Innovatielandschap

O&O-activiteiten bereikt. Verschillende grote, multinationale

werden gerealiseerd. Het geeft een overzicht van de sterke

ondernemingen zien inderdaad hun O&O-uitgaven eerder

punten van dit landschap, maar ook van de aandachtspunten

krimpen dan nog verder toenemen. De kleinere en middelgrote

die verdere inspanningen noodzaken. In elk geval tonen

bedrijven, daarentegen, hebben nog steeds onvoldoende de

de resultaten aan dat inspanningen op vlak van wetenschap,

weg naar het intensifiëren van hun O&O-activiteiten gevonden.

technologie en innovatie voldoende continuïteit en niveau van

Alhoewel we in positieve zin kunnen stellen dat de resultaten

inspanning vergen vooraleer zich te vertalen in relevante output

van de recente Vlaamse O&O-enquêtes duidelijk een

en de eruit volgende welvaartscreatie. De resultaten van al deze

vermindering in concentratie van de O&O-uitgaven aantonen.

inspanningen worden immers pas zichtbaar met een behoorlijke tijdsvertraging. Vandaar het belang om, in Vlaanderen, de

Dit laatste houdt bijgevolg in dat ook de kleine en middelgrote

investeringen in wetenschap, technologie en innovatie

bedrijven een groter proportioneel aandeel van de O&O-uitgaven

consequent verder te zetten. Zeker met het oog op het streven

voor hun rekening nemen. Op zich dus een goede evolutie,

naar de realisatie van de 3% O&O-norm, zoals vooropgesteld

die echter vooralsnog de terugval aan O&O-bestedingen bij de

door de Europese Commissie op de top van Lissabon.

grote bedrijven in onvoldoende mate kan compenseren. Tot slot, er dient steeds voorzichtig te worden omgesprongen met trends afgeleid uit korte-termijn evoluties. Het 'noemer' (BBRP)-effect

11.1

UITGAVEN VOOR O&O

bij de O&O-indicator is immers zeer groot. Periodes van mindere of meerdere economische groei hebben duidelijk een

Uit verschillende analyses blijkt dat er in de periode 1995 tot 2001

effect op de berekende O&O-intensiteit. Daarnaast worden,

een continue stijging optrad van de Vlaamse O&O-uitgaven

zoals reeds gesteld, investeringen in O&O wel degelijk

tot een piek werd bereikt van 2,43% van het BBPR in 2001.

beïnvloed door de algemene economische condities. Tijdens de

In de daaropvolgende jaren zakken de O&O-uitgaven. Op niveau

zwakkere economische periode volgend op 2001, werd

van de Vlaamse Gemeenschap dalen de O&O-uitgaven tot

wereldwijd een tragere groei van de investeringen in O&O

2,22% in 2002, respectievelijk 2,13% in 2003. In 2004 bereikt

waargenomen. De kentering die we in 2005 vaststellen, wordt

de daling een dieptepunt met een niveau van 2,07%. Voor 2005

ook wereldwijd vastgesteld. Een regio als Vlaanderen drijft dus

is er dan weer een kentering te zien. De totale O&O-uitgaven

minstens ten dele mee op die meer globale trends.

voor de Vlaamse Gemeenschap stijgen in dat jaar opnieuw en bereiken opnieuw het niveau van 2003, met name 2,13%.

Niettegenstaande deze evoluties houdt de Vlaamse overheid

De cijfers op niveau van het Vlaams Gewest liggen telkens

duidelijk vast aan haar streven naar de 3% O&O-norm. Dit

enkele percentpunten lager, hetgeen logisch is gelet op de

streven wordt verankerd in de continue toename van de

berekeningen die aan de basis liggen van de betreffende

publieke budgetten voor wetenschap, technologie en innovatie

percentages. Niet alleen is in 2005 dus een kentering waar te

die zich ook de laatste jaren heeft doorgezet. Zoals blijkt uit de

nemen in de O&O-uitgaven, maar wanneer we deze uitgaven

O&O statistieken gerapporteerd in dit Indicatorenboek blijven

in absolute termen bekijken, dan valt op dat ze in 2005

de Vlaamse overheidsuitgaven voor O&O tijdens de recente en

hetzelfde niveau bereikt hebben als in het topjaar 2001.

huidige regeerperiodes gestadig en consistent toenemen. Deze toename geschiedt onder de vorm van een diversiteit aan

Deze evolutie, die in eerste instantie bij de bedrijven te situeren

steunkanalen en maatregelen, waaraan recent een belangrijk

was en nog steeds is, daar het overheidsaandeel in de O&O-

pakket fiscale stimuli werd toegevoegd onder de vorm van een

uitgaven verder positief evolueert, kent verschillende verklaringen.

vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers van

Naast het doorvoeren van een aantal methodologische

zowel kennisinstellingen als van bedrijven. Daarnaast dienen

verfijningen en empirische actualiseringen met betrekking

ook de verschillende maatregelen te worden vermeld om

tot de Vlaamse O&O-bedrijfsdata, is er de economische

excellentie in onderzoek en innovatie verder te stimuleren en

conjunctuur en de toenemende internationale concurrentie

ook daadwerkelijk financieel te steunen.

die bedrijven (en overheden) kritischer maakt ten opzichte van elke uitgave, ook daar waar het O&O-uitgaven betreft.


185

11.2

OPLEIDINGEN

Deze stijging is vooral te wijten aan de toegenomen populariteit van

de

studiegebieden

Biomedische

wetenschappen,

Op 1 februari 2006 telde men in het Vlaamse hoger onderwijs

Farmaceutische wetenschappen en Toegepaste wetenschappen.

40.968 generatiestudenten. Meer dan de helft van deze

Door de invoering van het toelatingsexamen voor arts/tandarts

generatiestudenten (54,0%) startte een professioneel gerichte

kende het aantal generatiestudenten in de studiegebieden

bacheloropleiding aan een hogeschool. De universiteiten en

Geneeskunde en Tandheelkunde een sterke daling vanaf het

de academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen

academiejaar 1997-1998. Door een versoepeling van de

trokken respectievelijk 33,7% en 12,3% aan van het totaal

slaagvoorwaarden van dit toelatingsexamen steeg vanaf het

aantal generatiestudenten.

academiejaar 2002-2003 het aantal generatiestudenten in de opleiding Geneeskunde. Ten opzichte van het aantal

In de beschouwde periode daalde globaal genomen het aantal

generatiestudenten in 1999-2000 doet zich hier ongeveer

generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten van 14.128

een verdubbeling voor. Eenzelfde evolutie vindt men terug in

generatiestudenten in het academiejaar 1996-1997 tot 12.423

het studiegebied Tandheelkunde.

generatiestudenten in het academiejaar 2003-2004. Deze gestage afname van het aantal generatiestudenten is gestopt in het

Op 1 februari 2006 volgden in het hogeschoolonderwijs 81,5%

academiejaar 2004-2005. De laatste twee academiejaren

van de generatiestudenten een professioneel gerichte

nam het aantal generatiestudenten aan de universiteiten toe.

bacheloropleiding en 18,5% een academisch gerichte bachelor-

De studiegebieden Economische en toegepaste economische

opleiding. Het aantal generatiestudenten in de professioneel

wetenschappen en Rechten, notariaat en criminologische

gerichte opleidingen blijft toenemen, zowel in absolute als

wetenschappen oefenen de grootste aantrekkingskracht uit

relatieve aantallen. Anderzijds blijft de instroom in de

op de generatiestudenten. Het studiegebied Psychologische en

academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen afnemen:

pedagogische wetenschappen blijft in het academiejaar 2005-

terwijl men hier in het academiejaar 1999-2000 nog 6.486

2006 de derde plaats innemen.

generatiestudenten telde, waren er dat in het academiejaar 2005-2006 nog slechts 5.020.

In het studiegebied Wetenschappen blijft het aantal generatieHet studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde

academiejaar 1998-1999 naar 1.018 generatiestudenten in

blijft het grootste aantal generatiestudenten aantrekken.

2005-2006. Eenzelfde tendens vindt men terug in het

Opvallend hierbij is de sterke toename van het aantal

studiegebied Toegepaste biologische wetenschappen: vanaf het

generatiestudenten in de professioneel gerichte opleidingen in

academiejaar 1998-1999 kent dit studiegebied een continue

het academiejaar 2005-2006, terwijl anderzijds de academisch

daling van het aantal generatiestudenten. Het studiegebied

gerichte opleidingen een verminderde instroom kennen.

Toegepaste wetenschappen daarentegen kent de laatste twee

Het studiegebied Onderwijs is het tweede grootste studiegebied.

academiejaren een toename van het aantal generatiestudenten.

Vermeldenswaardig bij de professioneel gerichte opleidingen

Deze stijging is wellicht voor een groot deel te wijten aan de

is de evolutie van het aantal generatiestudenten in het

afschaffing van het interuniversitair overlegd en erkend

studiegebied Gezondheidszorg: terwijl in het academiejaar

toelatingsexamen voor de opleidingen tot burgerlijk ingenieur

2001-2002 slechts 2.175 generatiestudenten instroomden in dit

en burgerlijk ingenieur architect. Eenzelfde positieve evolutie

studiegebied, was dit aantal in het academiejaar 2005-2006

tijdens de laatste twee academiejaren vindt men terug in het

gestegen tot 3.138 generatiestudenten. Twee andere studie-

studiegebied Biomedische wetenschappen.

gebieden die in de beschouwde periode het aantal generatiestudenten aanzienlijk zagen toenemen, zijn het

Bekijkt men globaal de evolutie van het aantal generatie-studenten

studiegebied Biotechniek (van 171 generatiestudenten in het

in de exacte en toegepaste wetenschappen (studiegebieden

academiejaar 1996-1997 naar 476 generatiestudenten

Wetenschappen, Toegepaste wetenschappen en Toegepaste

in 2005-2006) en het studiegebied Sociaal-agogisch werk

biologische wetenschappen, Farmacie en Biomedische

(van 2.109 generatiestudenten naar 2.945 generatiestudenten

wetenschappen), dan stelt men in het academiejaar 2004-2005

in de beschouwde periode).

een kentering vast: na een quasi onafgebroken daling van het aantal generatiestudenten vanaf het academiejaar 1998-1999, neemt de instroom in de laatste twee academiejaren toe.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 7 H O O F D S T U K 11

studenten dalen: van 1.586 generatiestudenten in het


186

Het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie

De grootste toename van het aantal doctoraten (in absolute

kent een afname van het aantal generatiestudenten zowel bij

cijfers, vergelijking uitgereikte diploma's 2004-2005 ten opzichte

de professioneel gerichte opleidingen als bij de academisch

van 2004-2005) vindt men terug in de studiegebieden

gerichte opleidingen. Zeker bij deze laatste is de daling

Toegepaste

significant: terwijl in het 'topjaar' 1999-2000 nog 2.234

biologische wetenschappen en Wetenschappen.

wetenschappen,

Geneeskunde,

Toegepaste

generatiestudenten startten in een academisch gerichte opleiding, is dit aantal al afgenomen tot 1.380 generatiestudenten in het academiejaar 2005-2006. Wellicht speelt hier een zekere impact van 1) de versoepeling en 2) de afschaffing van het toelatingsexamen voor burgerlijk ingenieur aan de

11.3 RESULTATEN: PUBLICATIES, PROGRAMMADEELNAME EN OCTROOIEN

universiteiten mee. De Vlaamse en Belgische onderzoekers hebben in de periode Opvallend is ook de sterke toename van het aantal vrouwelijke

1992-2005 op een bijzonder efficiënte manier de beschikbare

generatiestudenten. Op 1 februari 2006 maakten de vrouwelijke

middelen aangewend. De wetenschappelijke productiviteit van

generatiestudenten 54,8% uit van het totaal aantal generatie-

Vlaanderen in de natuur-, levens- en technische wetenschappen is

studenten in het Vlaamse hoger onderwijs. Dit vrouwelijk

zoals blijkt spectaculair toegenomen. De Vlaamse universiteiten

overwicht komt ook sterk tot uiting in de participatiegraad:

zijn mede verantwoordelijk voor meer dan 85% van de

64,1% van de potentiële doelgroep (achttienjarige vrouwen

Vlaamse publicatieoutput. Dit hoge percentage hoeft niet te

wonende in het Vlaams Gewest + 20% van de achttienjarigen

verbazen, omdat het overgrote deel van het fundamenteel

wonende in het Brussels Gewest) startte in het academiejaar

onderzoek, waarvan de resultaten worden gepubliceerd in de

2005-2006 een opleiding in het hoger onderwijs. Bij de mannen

open literatuur, aan universiteiten wordt verricht.

bedroeg dit percentage slechts 50,4%. Ten slotte, de ondertussen ingezette bachelor-masterhervorming in het Europees hoger

De aanwezigheid van de wetenschappelijke instellingen in

onderwijs evenals de creatie van associaties tussen universiteiten

de publicatie-output nam de laatste jaren verder toe tot ruim

en hogescholen in Vlaanderen, zullen de komende jaren het

10% vandaag, vaak in samenwerking met een of meerdere

opleidingslandschap in Vlaanderen en Europa grondig

Vlaamse universiteiten. Deze evolutie wordt verklaard doordat

beïnvloeden, niet in het minst door de academisering van de

het Interuniversitair Micro-electronica Centrum (IMEC), de

tweecyclus opleidingen aan de hogescholen.

Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (Vito), het Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie (VIB), en

Globaal genomen kan men vandaag stellen dat meer dan de

ook het Instituut voor Breedband Technologie (IBBT) nu op

helft van de Vlaamse jongeren een kans waagt in het hoger

volle snelheid meedraaien in het Vlaams onderzoekslandschap.

onderwijs: in het academiejaar 2005-2006 startte 57,0% van de potentiële doelgroep een opleiding in het Vlaamse

Het aandeel van de Vlaamse bedrijven situeert zich in de jaren

hoger onderwijs. In het academiejaar 1996-1997 bedroeg dit

1990 rond de 8%, om momenteel af te nemen tot afgerond

aandeel 52,7%.

6%. De verdeling van deze bedrijfspublicaties is bovendien erg scheef, omdat een zeer beperkt aantal bedrijven, met name

Tot slot is de doctoraatsoutput van de Vlaamse universiteiten

Janssen Pharmaceutica en Innogenetics, een significant deel van

vermeldenswaard. Het grootste aantal doctoraten in de periode

deze output voor hun rekening nemen. Ten slotte dient gewezen

2000-2001 tot 2004-2005 werd uitgereikt in de studiegebieden

op de sterke aanwezigheid van internationale samenwerking in

Wetenschappen (1.261), Toegepaste wetenschappen (663),

het Vlaamse O&O-landschap. Ook de analyse van de Vlaamse

Geneeskunde (558) en Toegepaste biologische wetenschappen

deelnames aan diverse internationale programma's (zoals Eureka

(451). Deze vier richtingen samen hebben 67,8% van het totaal

en zijn diverse programmatorische assen, de Kaderprogramma's

aantal doctoraten in de voorbije vijf academiejaren afgeleverd.

en het ERA-NET) wijzen in die richting.

Voor de meeste studiegebieden werd in de voorbije vijf academiejaren een stijging van het aantal doctoraten waargenomen.


187

Er is de laatste jaren eveneens een duidelijke en continu stijgende

11.4 TER AFRONDING

trend waar te nemen voor wat betreft octrooieren in Vlaanderen. Recente Europese statistieken bevestigen deze trend.

Ter afronding willen we wijzen op het belang dat aan de

Vlaanderen is sinds begin de jaren 1990 sterk opgeklommen in

veelheid en de verscheidenheid aan actoren in het Vlaams

de Europese rangschikkingen inzake octrooiaantallen. Vandaag

WT&I-systeem moet worden gehecht. Alhoewel dit niet tot

situeert Vlaanderen zich dan ook bij de meer performante

uiting komt in de 'traditionele' WT&I-indicatoren, zijn er op

technologische regio's in Europa. Het kan de vergelijking

Vlaams niveau gedurende de laatste jaren significante

doorstaan met regio's zoals Baden-Wuerttemberg, Beieren,

inspanningen geleverd om de toegankelijkheid van het WT&I-

Hamburg, Nordrhein-Westfalen of nog, Ile-de-France.

instrumentarium voor de verschillende geledingen van het bedrijfsleven zo goed en transparant mogelijk te maken. In die

Tegelijk tonen de octrooistatistieken aan dat er ook nog steeds

optiek dienen zeker de inspanningen vermeld te worden om

ruimte voor verbetering is. Zo is de toename van het octrooi-

waar mogelijk en nuttig ook de kleine en middelgrote

gedrag aan de Vlaamse universiteiten van recente aard en

ondernemingen bij het innovatiegebeuren te betrekken.

zijn (net zoals in de ons omringende landen) de kleine en

De eigenheid van het Vlaams industrieel weefsel zorgt ervoor

middelgrote ondernemingen opvallend afwezig in het

dat ook op het vlak van WT&I-inspanningen de complementariteit

octrooilandschap. Daarentegen geldt wel zeer duidelijk dat de

tussen de verschillende geledingen van de ondernemings-

meest 'productieve' ondernemingen inzake octrooinames ook

populatie (multinationaal versus regionaal, groot versus klein en

internationaal sterke competitieve posities hebben weten uit te

middelgroot) moet worden in rekening gebracht. Er wordt

bouwen. Globaal genomen blijft het ook voor Vlaanderen, net

daarom nu ook een instrumentarium ontwikkeld dat met die

zoals voor de meeste Europese landen, van prioritair belang

eigenheid en complementariteiten rekening houdt.

om de kloof tussen technologische sterktes en economische voordelen verder te dichten: in sommige sectoren is hij immers

Naarmate al deze inspanningen worden volgehouden, zal

nog steeds (erg) groot.

uiteraard ook het statistisch apparaat waarover Vlaanderen beschikt om de resultaten van deze inspanningen te meten en in een internationale context te evalueren, verder evolueren en verfijnd worden. Dit Indicatorenboek vormt dan ook een tastbaar resultaat van die inspanningen, dat op recurrente wijze Indicatorenboek een geĂŻntegreerd en consistent beeld te geven van de inspanningen en de resultaten van het WT&I-beleid in Vlaanderen. Dit beleid moet Vlaanderen helpen zijn vooraanstaande plaats in de kenniseconomie van de 21ste eeuw verder te consolideren en uit te bouwen.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 7 H O O F D S T U K 11

verfijnd en geactualiseerd wordt. Aldus hopen we met dit


188


189

D E 11 V L A A M S E K E R N I N D I C ATO R E N VOOR WETENSCHAP, T E C H N O LO G I E E N I N N OVAT I E Samenvatting op basis van het VRWB Advies 113 'Begroting Wetenschap en Innovatie 2007', 5 juli 2007

Door Vincent Thoen (VRWB) en Danielle Raspoet (VRWB)

12


190

DE 11 VLAAMSE KERNINDICATOREN VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE De 11 kernindicatoren Wetenschap, Technologie en Innovatie die door de VRWB geselecteerd werden voor de opvolging van het Vlaamse Innovatiepact zijn weergegeven in de volgende tabel: KERNINDICATOREN I

GERD: Gross Expenditures on R&D (of BUOO: Bruto Binnenlandse Uitgaven voor Onderzoek en Ontwikkeling), uitgedrukt als % van het BBPR (ook wel de O&O-intensiteit genoemd). De 3%-norm vooropgesteld tijdens de Raad van Barcelona (maart 2002) slaat op deze maatstaf.

II

GBOARD: Government Budget Outlays or Appropriations on R&D (of de overheidskredieten voor O&O), uitgedrukt als % van het BBPR

III

Totaal O&O-personeel in % van de beroepsbevolking

IV

Nieuwe W&T-gediplomeerden (tov leeftijdsgroep 20-29 jaar)

V

Totaal aantal innoverende bedrijven (als % van aantal bedrijven in de industrie- en dienstensector)

VI

Investering van risicokapitaal in hightech-sectoren (als % van het BBP)

VII

Aantal aangevraagde EPO-octrooien met Vlaamse uitvinder/miljoen inwoners

VIII

Nieuwe producten (als % van de totale omzet van de industriĂŤle en diensten bedrijven)

IX

Tewerkstellingsgraad - in medium hightech en hightech industrie; - in hightech diensten (uitgedrukt als % totale beroepsbevolking)

X

Groei van het Bruto Binnenlands Product per Regio (BBPR)

XI

Exportaandeel van de hightech sectoren in Vlaanderen

KERNINDICATOR 1 O&O-INTENSITEIT: GERD ALS % VAN BBPR Tabel 12.1: Totale uitgaven voor O&O als % van het BBPR in Vlaanderen, in lopende prijzen (1995-2005)

GERDgew/%BBPR

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

1,68%

1,83%

1,92%

1,99%

2,11%

2,24%

2,38%

2,17%

2,09%

2,03%

2,09%

Bron: Steunpunt O&O Indicatoren (3% nota feb 2007): berekeningen op basis van gevalideerde data.


191

Tabel 12.2: Internationale vergelijking van de O&O-intensiteit (1993-2005)

Vlaanderen België Duitsland Finland Frankrijk Ierland Italië Nederland Spanje Zweden Denemarken Oostenrijk Japan VK VS EU-25 EU-15 Total OECD China Rusland

SOOS (p) (e) (p) (ep) (p) (p) (ep)

1993 1,75 1,70 2,35 2,17 2,40

1,93

1994 1,75 1,74 2,26 2,29 2,34 1,31 1,05 1,95 0,81

3,27

(p) (ep) 2,82 2,05 2,52

(s) (s)

2,84 2,07 2,42

1995 1,73 1,67 2,19 2,26 2,29 1,26 0,97 1,97 0,79 3,32 1,82 1,54 2,92 1,98 2,49 1,82 1,85

1996 1,87 1,77 2,19 2,52 2,27 1,30 0,99 1,98 0,81 1,84 1,59 2,82 1,91 2,53 1,77 1,81

1997 1,96 1,83 2,24 2,70 2,19 1,27 1,03 1,99 0,80 3,51 1,92 1,69 2,89 1,84 2,56 1,80 1,84

1998 2,04 1,86 2,27 2,86 2,14 1,23 1,05 1,90 0,87 3,59 2,04 1,77 3,02 1,80 2,61 1,73 1,81

1999 2,14 1,94 2,40 3,16 2,16 1,18 1,02 1,96 0,86 3,62 2,18 1,88 3,04 1,87 2,65 1,77 1,86 0,76 1,00

2000 2,28 1,97 2,45 3,34 2,15 1,23 1,05 1,82 0,91

2001 2,43 2,08 2,46 3,30 2,20 1,10 1,09 1,80 0,92 4,25 2,39 2,04 3,13 1,87 2,74 1,80 1,93 2,27 0,95 1,18

2,24 1,91 3,05 1,86 2,73 1,77 1,89 2,23 0,90 1,05

2002 2,24 1,94 2,49 3,36 2,23 1,10 1,13 1,72 0,99 2,51 2,12 3,18 1,89 2,64 1,81

2003 2,14 1,89 2,52 3,43 2,17 1,16 1,11 1,76 1,05 3,95 2,56 2,21 3,20 1,88 2,67 1,81

2,24 1,07 1,25

2,25 1,13 1,28

2004 2,03 1,85 2,50 3,46 2,14 1,21 1,10 1,78 1,06 2,48 2,23 3,13 1,73 2,67 1,77 1,91 2,26 1,23 1,15

2005 2,09 1,82 2,51 3,48 2,13 1,25

1,12 3,86 2,44 2,36

1,85 1,91

Bron: Vlaanderen: Vlaams Indicatorenboek (2003, 2005); Steunpunt O&O Statistieken (3% nota 2005) en Steunpunt O&O Indicatoren (3% nota 2007). Int'l: Eurostat Jan 2007 voor 1995-2005 (OECD MSTI 2004 voor 1993-1994); OECD MST 2006/2 voor Total OECD, China & Rusland (s) Eurostat estimate (b) Break in series (p) Provisional value (e) Estimated value

Figuur 12.1: Internationale vergelijking van de O&O-intensiteit voor Vlaanderen en België (2005) (in % BBP)

3,86

Zweden

3,13

Japan* 2,67

VS* 2,51

Duitsland

2,44

Denemarken

2,36

Oostenrijk

2,26

OECD* 2,13

Frankrijk

2,09

Vlaanderen 1,85

EU-25

1,82

België

1,78

Nederland*

1,73

VK* 1,25

Ierland 1,12

Spanje

1,10

Italië* 0

1

2

3

Bron: Vlaanderen: Steunpunt O&O Statistieken (3% nota 2005) en Steunpunt O&O Indicatoren (3% nota 2007). Int’l: Eurostat januari 2007, OECD MSTI 2006/2 voor OECD. * Italië, Japan, Nederland, OECD, VK, VS: gegevens voor 2004

4

5

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 7 H O O F D S T U K 12

3,48

Finland


192

Figuur 12.2: Internationale vergelijking van de O&O-intensiteit voor Vlaanderen en België (in % BBP) in de periode 1993-2005

5,0

■ Vlaanderen 4,5

■ België ■ EU-25

4,0

■ EU-15 3,5

Zweden Finland Japan VS Duitsland Denemarken Oostenrijk Frankrijk VK Nederland Ierland China Rusland Italië Totaal OECD Spanje

3,0 2,5 2,0 1,5 1,0 0,5 0 1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

Bron: Vlaanderen: Vlaams Indicatorenboek (2003, 2005), Steunpunt O&O Statistieken (3% nota 2005) en Steunpunt O&O Indicatoren (3% nota 2007). Int’l: OECD MSTI 2004 voor 1993-1994; Eurostat januari 2007 voor 1995-2005; OECD MSTI 2006/2 voor OECD, China, Rusland.

AANVULLENDE SECUNDAIRE INDICATOREN Tabel 12.3: Opsplitsing van GERD op Vlaams Gewestniveau, naar privaat versus publieke financiering (2005)

Privaat gefinancierd Publiek gefinancierd Totaal % GERDgewest/BBPR

2001 1,84 0,55 2,38

Bron: Steunpunt O&O Statistieken (3% nota 2005) en Steunpunt O&O Indicatoren (3% nota 2007).

2003 1,51 0,57 2,09

2005 1,46 0,63 2,09


193

KERNINDICATOR 2 OVERHEIDSKREDIETEN VOOR O&O ALS % VAN HET BBPR GBAORD (Government Budget Appropriations or Outlays on R&D) Tabel 12.4: Benaderende berekening van de overheidskredieten voor O&O (GBAORD) in Vlaanderen als % van het BBPR (1991-2007) Overheidskredieten voor O&O in Vlaanderen (in miljoen euro) 1995 1996 1997 1998 Vlaamse overheid1

359,87

431,38

483,16

523,68

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

580,76

600,06

613,35

704,14

766,89

830,85

898,638

966,137

953,584

Federale overheid2 ESA

41,31

41,329

49,892

50,973

52,197

53,181

55,973

55,448

56,736

57,430

57,298

57,733

58,571

163,45

164,947

170,766

177,063

174,440

182,771

184,063

180,659

189,746

192,354

168,593

195,960

180,150

204,760

206,276

220,657

228,036

226,637

235,952

240,036

236,107

246,483

249,784

225,891

253,694

238,720

68,36

68,36

68,36

68,36

68,18

68,18

68,18

68,18

89,078

89,078

89,078

89,078

89,078

632,99

706,02

772,18

820,08

875,58

904,19

921,57

1.008,43

1.102,45

1.169,71

1.213,61

1.308,91

1.281,38

Overige Totaal Europese kaderprogramma's3 Totale overheidskredieten BBPR4

114.650,80 117.074,90 123.744,30 127.552,60 134.050,10 141.703,40 145.068,80 148.852,10 153.555,83 160.097,30 170.768,67 180.284,92 188.487,88

O&O als % BBPR

0,55%

0,60%

0,62%

0,64%

0,65%

0,64%

0,64%

0,68%

0,72%

0,73%

0,71%

0,73%

0,68%

Voetnoot: 1 Vlaamse overheid: zoals vastgelegd in het HBPWB - O&O-aandeel. De cijfers t.e.m. 2004 zijn afkomstig van eerdere VRWB-berekeningen; de cijfers voor 2005-2007 werden overgenomen uit het Vlaams Indicatorenboek 2007. De gegevens in deze tabel verschillen licht van de gegevens die in het Indicatorenboek worden gepubliceerd, onder meer omdat classificaties tussen kredietlijnen licht kunnen verschillen, gelet op de interpretatie die bij de analyse van de begroting wordt gehanteerd. 2 Overzicht van de overheidskredieten voor O&O van de federale overheid - Commissie Federale Samenwerking, Overleggroep CFS/STAT; berekeningen federaal wetenschapsbeleid. Als verdeelsleutel voor de ESA-kredieten wordt een returnpercentage van 28,5% voor Vlaanderen toegepast voor de periode 1991-1996 (VRWB-Aanbeveling 13, 1997). Voor de periode 1997-2007 wordt een ongewogen returnpercentage van 35,49% gehanteerd (VRWB: aanbeveling 28, 2006). De rest van de federale kredieten worden berekend aan 56% voor Vlaanderen volgens de vastgestelde IMCWB-verdeelsleutel van 56%N/44%F. 3 Voor de Kaderprogramma’s wordt de return voor Vlaanderen voor de periode 1991-1994 geraamd volgens het berekende returnpercentage van 2,52% voor het 3de EU-Kaderprogramma (M. Oleo en M. Luwel), voor de periode 1995-1998 geraamd volgens berekende return van 2,38% voor het 4de EU-Kaderprogramma (P. Dengis, E. Dewallef en V. Lories), voor de periode 1999-2002 geraamd volgens de voorlopig berekende return van 2,19% voor het 5de Kaderprogramma (P. Dengis, E. Dewallef en V. Lories). We houden dit returnpercentage ook aan voor 2003-2006, vermits er nog geen gegevens zijn voor het 6de EU-Kaderprogramma. Door gebrek aan definitieve cijfers houden we dit percentage ook onder voorbehoud aan voor het 7de KP (2007-2013). Voor de Kaderprogramma’s zijn geen jaarlijkse bedragen bekend. Het totaalbedrag wordt daarom over de duur van het Kaderprogramma (4 jaar) opgesplitst. 4 Bruto Binnenlands Product per regio (BBPR) tegen marktprijzen (in lopende prijzen) Deze gegevens werden verzameld of geraamd door de Studiedienst van de Vlaamse Regering (APS).

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007i

Vlaanderen

0,55%

0,60%

0,62%

0,64%

0,65%

0,64%

0,64%

0,68%

0,72%

0,73%

0,71%

0,73%

0,68%

België

0,51%

0,54%

0,55%

0,56%

0,58%

0,57%

0,59%

0,60%

0,61%

0,59%

0,57%

Frankrijk

1,10%

1,07%

0,99%

0,96%

0,94%

0,96%

0,99%

1,00%

0,99%

0,96%

0,93%

Duitsland

0,88%

0,88%

0,84%

0,82%

0,81%

0,79%

0,78%

0,78%

0,79%

0,77%

0,77%

Nederland

0,82%

0,81%

0,83%

0,79%

0,78%

0,77%

0,76%

0,74%

0,74%

0,73%

0,71%

VK

0,79%

0,75%

0,73%

0,66%

0,68%

0,69%

0,68%

0,77%

0,76%

0,71%

0,72%

Finland

0,97%

0,95%

1,10%

1,07%

1,04%

0,98%

0,97%

0,96%

1,00%

1,01%

1,03%

1,03%

Zweden

1,10%

1,07%

0,77%

0,72%

0,71%

0,84%

0,90%

0,95%

0,90%

0,89%

0,88%

Denemarken

0,66%

0,71%

0,72%

0,74%

0,79%

0,76%

0,75%

0,73%

0,73%

0,71%

0,71%

0,71%

Ierland

0,32%

0,32%

0,29%

0,27%

0,27%

0,30%

0,32%

0,33%

0,34%

0,42%

0,42%

Japan

0,50%

0,56%

0,59%

0,60%

0,64%

0,66%

0,70%

0,72%

0,73%

0,73%

0,71%

VS

0,94%

0,88%

0,86%

0,84%

0,84%

0,85%

0,91%

0,99%

1,05%

1,08%

1,07%

0,72%

0,72%

0,73%

0,74%

0,76%

0,76%

0,73%

0,74%

EU25

Bron:Vlaanderen: eigen berekeningen VRWB (voor 2007 betreft het geraamde cijfers) Int’l: Eurostat februari 2007 voor 1996-2000; eigen berekeningen VRWB voor 1995, 2001-2006 op basis van OECD MSTI 2006

0,69%

1,00%

0,75%

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 7 H O O F D S T U K 12

Tabel 12.5: Internationale vergelijking van de overheidskredieten voor O&O (GBAORD) als % van het BBPR (1995-2007)


194

Figuur 12.3: Internationale positionering en evolutie van de overheidskredieten voor O&O (GBAORD) in Vlaanderen als % van het BBPR (1995-2007)

1,2%

■ Vlaanderen ■ België 1,0%

■ EU-25 ■ EU-15 Zweden Finland Japan VS Duitsland Denemarken Frankrijk VK Nederland Ierland

0,8%

0,6%

0,4%

0,2%

0,0% 1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

Bron:Vlaanderen: eigen berekeningen VRWB (voor 2007 betreft het geraamde cijfers) Int’l: Eurostat februari 2007 voor 1996-2000; eigen berekeningen VRWB voor 1995, 2001-2006 op basis van OECD MSTI 2006

2007i


195

KERNINDICATOR 3 TOTAAL O&O-PERSONEEL IN % VAN DE BEROEPSBEVOLKING Tabel 12.6: Internationale vergelijking totaal O&O-personeel in % van de beroepsbevolking (1991-2005) 1991 Vlaanderen België Frankrijk Duitsland Nederland VK Finland Zweden Oostenrijk Italië Griekenland Denemarken Ierland Portugal Spanje Japan EU15 EU25 China Rusland

0,95% 1,20% 1,31% 1,03% 0,91% 1,15% 1,18% 0,58% 0,28% 0,88% 0,59% 0,46% 1,40% 0,93%

1992

1993

1994

1995

1,24%

0,86% 1,25%

0,90% 1,25%

1,05% 0,90% 1,22% 1,29% 0,66% 0,62% 0,35% 0,95% 0,56%

1,10%

0,92% 1,26% 1,17% 1,07%

0,47% 1,43% 0,92%

0,50% 1,42%

1,01% 0,90%

0,59% 0,91% 0,62% 0,29% 0,46% 1,43% 0,92%

1,30%

1,34% 1,43%

0,63%

0,62% 0,41% 1,08% 0,66% 0,33% 0,49% 1,42% 0,95%

0,60%

1996 0,94% 1,00% 1,27% 1,17% 1,10%

1997 1,00% 1,03% 1,21% 1,19% 1,11%

1998 1,07% 1,08% 1,21% 1,18% 1,11%

1999 1,14% 1,15% 1,22% 1,22% 1,11%

2000 1,24% 1,23% 1,26% 1,24% 1,10%

2001 1,33% 1,30% 1,29% 1,23% 1,09%

1,65% 1,50%

1,84%

1,96% 1,52%

2,02%

2,03% 1,62%

0,61% 0,59% 1,27% 0,71% 0,41% 0,59% 1,36% 1,00%

0,63%

0,81% 0,63%

0,62% 0,47% 1,20% 0,70% 0,37% 0,52% 1,32% 0,96%

1,14% 0,66% 0,52% 1,33% 0,96%

0,72% 0,39% 0,57% 1,36% 0,98%

0,73% 0,43% 0,67% 1,33% 1,02%

0,44% 0,70% 1,32% 1,04%

2002 1,21% 1,19% 1,32% 1,22% 1,05%

2003 1,21% 1,18% 1,32% 1,20% 1,03%

2004 1,23% 1,18% 1,32% 1,20% 1,09%

1,05%

1,04% 0,96%

1,05% 0,97%

2005 1,25% 1,18% 1,16%

Bron: cijfers 1991-1995: VRWB Begrotingsadvies 2004; 1996-2005: berekeningen VRWB (op basis van gegevens Steunpunt O&O Statistieken, APS en Eurostat)

Figuur 12.4: Internationale positionering van Vlaanderen inzake O&O-personeel in % van de beroepsbevolking (2005)

2,03

Finland**

1,32

Frankrijk*

1,32

Japan** 1,25

Vlaanderen

1,20

Duitsland

1,18

België 1,09

Nederland*

1,05

EU-15* 0,97

EU-25* 0,70

Spanje** 0,44

Portugal** 0,0

0,5

1,0

Bron: berekeningen VRWB (op basis van gegevens Steunpunt O&O Statistieken, APS en Eurostat) * EU-15, Nederland, Frankrijk: 2004 ** Finland, Japan, Portugal, Spanje: 2001

1,5

2,0

2,5

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 7 H O O F D S T U K 12

1,62

Zweden**


196

Figuur 12.5: Internationale vergelijking van de evolutie in O&O-personeel in % van de beroepsbevolking (1991-2005)

2,5%

■ Vlaanderen ■ België ■ EU-25

2,0%

■ EU-15

1,5%

1,0%

0,5%

0,0% 1991

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

Zweden Finland Japan Duitsland Denemarken Oostenrijk Frankrijk VK Nederland Ierland Griekenland Portugal Italië Spanje

Bron: cijfers 1991-1995: VRWB Begrotingsadvies 2004; 1996-2005: berekeningen VRWB (op basis van gegevens Steunpunt O&O Statistieken, APS en Eurostat)


197

KERNINDICATOR 4 NIEUWE W&T-GEDIPLOMEERDEN (T.O.V. LEEFTIJDSGROEP 20-29 JAAR) Tabel 12.7: Aandeel hoger afgestudeerden in wiskunde, wetenschappen en technologie t.o.v. leeftijdsgroep 20 tem 29 jaar (‰) (1998-2005) 1998 5,0 4,6 6,0 7,9 8,8 8,0 4,9 5,1 9,2 5,2 -9,2 8,0 -12,3 8,1 7,9 9,3 15,2 22,9 18,5 15,9

Hongarije Tsjechië Nederland Oostenrijk Duitsland Slovenië Polen Italië Verenigde Staten Portugal België Vlaanderen Spanje EU25 Japan Denemarken Zweden Litouwen VK Ierland Frankrijk Finland

1999 5,1 5,0 5,8 6,9 8,6 8,4 5,7 5,5 9,3 6,1 -9,3 9,6 9,4 12,6 8,2 9,7 11,7 15,6 -19,0 17,8

2000 4,5 5,5 5,8 7,2 8,2 8,9 6,6 5,7 9,7 6,3 9,7 10,3 9,9 10,2 12,6 11,7 11,6 13,5 16,2 24,2 19,6 16,0

2001 3,7 5,6 6,1 7,3 8,0 8,2 7,6 6,1 9,9 6,6 10,1 10,6 11,3 11,0 12,8 12,2 12,4 14,8 19,5 22,9 20,2 17,2

2002 4,8 6,0 6,6 7,9 8,1 9,5 8,3 7,4 10,0 7,4 10,5 10,9 12,0 11,4 13,0 11,7 13,3 14,6 19,5 20,5 -17,4

2003 4,8 6,4 7,3 8,2 8,4 8,7 9,0 -10,9 8,2 11,0 12,3 12,6 12,2 13,2 12,5 13,9 16,3 21,0 24,2 22,2 --

2004 5,1 7,4 7,9 8,7 9,0 9,3 9,4 10,1 10,2 11,0 11,2 11,8 12,5 12,7 13,4 13,8 15,9 17,5 18,1 23,1 ---

2005 -----------12,0 -----------

Bron: Internationaal: EIS 2005 & EIS 2006; Vlaanderen: Departement Onderwijs, MVG; cijfer 2003 is afkomstig uit 'Vlaamse onderwijsindicatoren in internationaal perspectief (2005)' (herkomst gegevens 'Progress towards the Lisbon objectives …' EU Commissie (2006))

Figuur 12.6: Aandeel hoger afgestudeerden in wiskunde, wetenschappen en technologie t.o.v. de leeftijdsgroep 20 tot en met 29 jaar (academiejaar 2003-2004) (‰)

23,1

VK

18,1

Litouwen

17,5

Zweden

15,9

Denemarken

13,8

Japan

13,4

EU-25

12,7

Spanje

12,5

Vlaanderen

11,8

België

11,2

Portugal

11,0

VS

10,2

Italië

10,1

Polen

9,4

Slovenië

9,3

Duitsland

9,0

Oostenrijk

8,7

Nederland

7,9

Tsechië

7,4

Hongarije

5,1

0

5

10

Bron: Internationaal: EIS 2005 & EIS 2006; Vlaanderen: Departement Onderwijs, MVG.

15

20

25

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 7 H O O F D S T U K 12

Ierland


198

AANVULLENDE INDICATOR Tabel 12.8: Evolutie van het percentage diploma’s in wiskunde, wetenschappen en technologie in het hoger onderwijs ten opzichte van alle diploma’s in het hoger onderwijs ((200X-1)-200X) 1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

(:)

19,70%

19,80%

20,70%

20,50%

19,80%

20,50%

20,05%

20,32%

Bron: Vlaamse onderwijsindicatoren in internationaal perspectief, 2005 (Departement Onderwijs, MVG)

Figuur 12.7: Percentage diploma’s in wiskunde, wetenschappen en technologie in het hoger onderwijs ten opzichte van alle diploma’s in het hoger onderwijs (academiejaar 2002-2003) (%)

Zweden

30,5

Ierland

29,9

Frankrijk

29,4

Finland

28,7

Oostenrijk

28,4

Spanje

28,1

Duitsland

26,4

VK

25,8

EU-25

24,1

Italië

22,9

Vlaanderen

20,5

Denemarken

19,8

België

19,3

Portugal

19,0

Nederland

16,3

0

5

10

15

20

Bron: Vlaamse onderwijsindicatoren in internationaal perspectief, 2005 (Departement Onderwijs, MVG)

25

30

35

40


199

KERNINDICATOR 5 TOTAAL AANTAL INNOVERENDE BEDRIJVEN (IN % VAN AANTAL BEDRIJVEN IN DE INDUSTRIE- EN DIENSTENSECTOR) Tabel 12.9: Gecombineerde innovatie indicator (% innovatieve bedrijven) volgens CIS-enquête CIS-3 (2000) 58.2% 57.5% 83.2% 54.9% 71.1% 68.5% 48.6%

Alle bedrijven KMO’s Grote bedrijven Low tech High tech Industrie Diensten

CIS-4 (2005) 58,6% 57,4% 88,1% 54,9% 77,8% 64,0% 53,8%

Bron: Steunpunt O&O Statistieken (CIS-3) en Steunpunt O&O Indicatoren (CIS-4)

Tabel 12.10: Internationale vergelijking van het aantal (%) innovatieve bedrijven volgens de resultaten van de CIS-4 enquête (2005) VL

BE

FR

IER

NL

FI

ZWE

VK

DUI

IT

DK

GR

SP

POR

EU-27

Alle bedrijven

58,6%

51,3%

32,6%

52,2%

34,3%

43,3%

50,0%

43,0%

65,1%

36,3%

52,0%

35,8%

34,7%

40,9%

42,0%

Industrie

64,0%

58,1%

36,1%

60,9%

41,6%

49,3%

54,3%

44,4%

72,8%

37,5%

57,7%

35,1%

36,5%

39,1%

41,5%

Diensten

53,8%

45,3%

29,0%

43,8%

29,2%

36,8%

45,9%

41,8%

57,5%

33,5%

46,0%

36,7%

32,1%

44,1%

37,0%

KMO’s*

57,4%

50,0%

30,8%

51,0%

32,9%

41,5%

48,7%

42,2%

35,3%

35,7%

50,8%

35,3%

34,0%

40,2%

Grote bedrijven

88,1%

83,0%

72,6%

75,1%

71,4%

76,0%

77,8%

62,5%

66,6%

68,9%

77,8%

66,6%

66,0%

72,0%

Bron: Vlaanderen: Steunpunt O&O Indicatoren (resultaten van de CIS-4 enquête); Internationaal: berekeningen op basis van Eurostat-gegevens (CIS-4) * KMO: de som van ‘small’ en ‘medium’ bedrijven.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 7 H O O F D S T U K 12


200

KERNINDICATOR 6 INVESTERINGEN IN RISICOKAPITAAL (‘VENTURE CAPITAL’) Tabel 12.11: Internationale vergelijking van venture capital investeringen in % BBP (1997-2005) 1997 0,104 0,029 0,086 0,039 0,114 0,015 0,144 0,044 0,055 0,042 0,051 0,016 0,023 0,004 0,078 0,046 n/a n/a 0,014 n/a n/a

VK Zweden Finland Spanje Noorwegen Denemarken Nederland Frankrijk Europa Portugal Ierland Zwitserland Italië Oostenrijk België Duitsland Polen Hongarije Griekenland Slovakijke Tsjechië

1998 0,132 0,059 0,100 0,004 0,104 0,025 0,165 0,065 0,076 0,047 0,055 0,057 0,051 0,019 0,106 0,068 n/a n/a 0,019 n/a n/a

1999 0,203 0,191 0,109 0,085 0,123 0,050 0,533 0,118 0,130 0,047 0,090 0,158 0,049 0,028 0,252 0,130 0,097 0,010 0,053 0,009 0,054

2000 0,376 0,219 0,184 0,118 0,166 0,088 0,330 0,209 0,215 0,110 0,184 0,071 0,124 0,073 0,205 0,184 0,117 0,062 0,091 0,007 0,191

2001 0,167 0,368 0,157 0,134 0,118 0,165 0,216 0,088 0,127 0,059 0,108 0,058 0,085 0,060 0,118 0,131 0,050 0,046 0,070 0,037 0,042

2002 0,154 0,214 0,205 0,105 0,093 0,128 0,191 0,076 0,098 0,048 0,080 0,094 0,069 0,053 0,084 0,064 0,032 0,015 0,032 0,011 0,039

2003 0,163 0,143 0,131 0,127 0,124 0,106 0,096 0,091 0,083 0,082 0,060 0,052 0,049 0,045 0,042 0,033 0,032 0,027 0,015 0,010 0,002

2004 0,209 0,228 0,067 0,157 0,100 0,146 0,084 0,109 0,098 0,116 0,042 0,042 0,036 0,052 0,063 0,044 0,013 0,119 0,003 0,013 0,010

2005 0,292 0,305 0,096 0,085 0,137 0,401 0,098 0,083 0,113 0,133 0,064 0,107 0,031 0,043 0,038 0,056 0,002 0,050 0,001 0,002 0,001

Bron: EVCA Yearbooks 1998-2006

Figuur 12.8: Internationale vergelijking van de investeringen in risicokapitaal in % BBP (1997-2005)

0,6

■ België ■ Europa 0,5

Zweden Finland Duitsland Denemarken Oostenrijk Frankrijk VK Nederland Ierland Portugal Italië Spanje

0,4

0,3

0,2

0,1

0,0 1997

1998

Bron: EVCA Yearbooks 1998-2006

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005


201

Figuur 12.9: Internationale vergelijking van de investeringen in risicokapitaal in % BBP (2005)

Denemarken

0,400

Zweden

0,305

VK

0,292

Noorwegen

0,137

Portugal

0,133

EU

0,113

Zwitserland

0,107

Nederland

0,098

Finland

0,096

Spanje

0,085

Frankrijk

0,083

Ierland

0,064

Duitsland

0,056

Hongarije

0,050

Oostenrijk

0,043

België

0,038

Italië

0,031

Slovakije

0,002

Polen

0,002

Tsjechië

0,001

Griekenland

0,001

0,000

0,100

0,050

0,150

0,200

0,250

0,300

0,350

0,400

0,450

Bron: EVCA Yearbook 2006

Tabel 12.12: Evolutie van de hightech investeringen als % van de totale risicokapitaalinvesteringen in België (1997-2005) 1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

26,70%

61,17%

39,00%

33,00%

45,00%

31,90%

27,28%

18,80%

47,60%

Bron: eigen berekeningen op basis van gegevens van EVCA (2007)

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 7 H O O F D S T U K 12

AANVULLENDE INDICATOR HIGHTECH AANDEEL IN RISICOKAPITAAL


202

Tabel 12.13: Internationale vergelijking van het aandeel van de hightech investeringen t.o.v. de totale risicokapitaalinvesteringen (2000-2005) 2000-2001 0,303 0,390 0,441 0,602 0,226 0,423 0,285 0,761 0,151 0,205 0,214 0,311

EU25 België Duitsland Denemarken Spanje Finland Frankrijk Ierland Italië Nederland Zweden VK

2001-2002 0,261 0,385 0,327 0,624 0,147 0,428 0,195 0,752 0,164 0,180 0,401 0,261

2002-2003 0,219 0,296 0,235 0,453 0,065 0,380 0,219 0,763 0,099 0,168 0,501 0,202

2003-2004 0,210 0,230 0,258 0,465 0,088 0,414 0,228 0,755 0,049 0,287 0,377 0,181

2004-2005 0,218 0,332 0,320 0,627 0,085 0,454 0,167 0,714 0,063 0,301 0,312 0,201

Bron: eigen berekeningen op basis van EVCA gegevens (2007). Om het volatiliteitseffect enigszins uit te zuiveren, wordt het gemiddelde investeringsniveau van twee opeenvolgende jaren berekend.

Figuur 12.10: Internationale vergelijking van het aandeel hightech investeringen t.o.v. de totale risicokapitaalinvesteringen (gemiddelde van 2 opeenvolgende jaren)

100%

■ België 90%

■ EU25 Zweden Finland Duitsland Denemarken Frankrijk VK Nederland Ierland Italië Spanje

80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 2000-2001

2001-2002

Bron: eigen berekeningen op basis van gegevens van EVCA (2007).

2002-2003

2003-2004

2004-2005


203

AANVULLENDE INDICATOR EARLY STAGE VENTURE CAPITAL (IN % BBP) Tabel 12.14: Internationale vergelijking van de early stage risicokapitaalinvesteringen in % BBP (1997-2005) 1997 0,002 0,014 0,002 0,008 0,007 0,011 0,002 0,007 0,047 0,011 0,004 0,002 0,009 0,009

Oostenrijk België Denemarken Finland Frankrijk Duitsland Ierland Italië Nederland Portugal Spanje Zweden VK EU

1998 0,006 0,063 0,008 0,054 0,020 0,024 0,030 0,015 0,050 0,014 0,009 0,012 0,014 0,021

1999 0,007 0,090 0,019 0,056 0,039 0,051 0,046 0,013 0,091 0,008 0,016 0,111 0,020 0,040

2000 0,029 0,103 0,019 0,100 0,079 0,080 0,097 0,044 0,087 0,025 0,031 0,089 0,099 0,073

2001 0,020 0,039 0,084 0,104 0,038 0,056 0,033 0,024 0,043 0,013 0,017 0,097 0,058 0,044

2002 0,013 0,042 0,075 0,071 0,026 0,027 0,021 0,005 0,045 0,008 0,015 0,097 0,036 0,029

2003 0,013 0,014 0,050 0,059 0,025 0,014 0,025 0,005 0,008 0,043 0,008 0,064 0,039 0,021

2004 0,007 0,017 0,085 0,027 0,028 0,016 0,019 0,002 0,008 0,027 0,009 0,084 0,047 0,023

2005 0,012 0,021 0,051 0,044 0,028 0,014 0,023 0,002 0,004 0,040 0,013 0,053 0,047 0,022

Bron: EVCA Yearbooks 1998-2006

Figuur 12.11: Internationale vergelijking van de investeringen in early stage risicokapitaal in % BBP (1997-2005)

0,12

■ België ■ Europa 0,10

0,08

0,06

0,04

0,02

0,00 1997

1998

Bron: EVCA Yearbooks 1998-2006

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 7 H O O F D S T U K 12

Zweden Finland Duitsland Denemarken Oostenrijk Frankrijk VK Nederland Ierland Portugal Italië Spanje


204

Figuur 12.12: Internationale vergelijking van de investeringen in early stage risicokapitaal in % BBP (2005)

Zweden

0,053

Denemarken

0,051

VK

0,047

Finland

0,044

Portugal

0,040

Noorwegen

0,028

Frankrijk

0,028

Zwitserland

0,026

Ierland

0,023

EU

0,022

België

0,021

Duitsland

0,014

Spanje

0,013

Oostenrijk

0,012

Nederland

0,004

Hongarije

0,004

Italië

0,002

Polen

0,000

Slovakije

0,000

Tsjechië

0,000

Griekenland

0,000

0,000

Bron: EVCA Yearbook 2006

0,010

0,020

0,030

0,040

0,050

0,060


205

KERNINDICATOR 7 AANTAL AANGEVRAAGDE EPO-OCTROOIEN MET UITVINDER VAN BETREFFEND LAND OF REGIO PER MILJOEN INWONERS Figuur 12.13: Aangevraagde EPO-octrooien in Vlaanderen met Vlaamse uitvinder/miljoen inwoners (1992-2003)

200 180 160 140 120 100 80 60 40 20 0 1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

Bron: eigen berekeningen ahv data Steunpunt O&O Statistieken en APS

Tabel 12.15: Evolutie van het aantal aangevraagde EPO-octrooien in Vlaanderen met Vlaamse uitvinder/miljoen inwoners 1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

102,9

109,3

114,1

116,8

143,9

167,0

172,4

173,7

164,0

161,8

169,2

160,6

47,72

Bron: eigen berekeningen ahv data Steunpunt O&O Statistieken en APS

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 7 H O O F D S T U K 12

1992 86,38


206

Figuur 12.14: Internationale vergelijking van het aantal aangevraagde EPO-octrooien met uitvinder/miljoen inwoners (2003)

Zwitserland

425,6

Duitsland

311,7

Finland

305,6

Zweden

284,9

Nederland

244,3

Denemarken

235,8

Japan

219,1

Oostenrijk

195,1

Vlaanderen

169,2

VS

167,6

Frankrijk

153,7

BelgiĂŤ

144,5

EU25

136,1

Verenigd Koninkrijk

121,4

ItaliĂŤ

87,3

Ierland

77,3

Spanje

30,6

0

50

100

150

200

250

Bron: Vlaanderen: eigen berekeningen ahv data Steunpunt O&O Statistieken en APS; Internationaal: Eurostat

300

350

400

450

500


207

KERNINDICATOR 8 AANDEEL VAN INNOVATIEVE PRODUCTEN IN DE OMZET (NIEUWE PRODUCTEN IN % VAN DE TOTALE OMZET VAN DE INDUSTRIËLE EN DIENSTENBEDRIJVEN) Tabel 12.16: Aandeel van innovatieve producten in de omzet volgens CIS-enquête CIS-3 (2000) 20,2% 20,3% 18,6% 17,7% 25,6% 19,2% 21,5%

Alle bedrijven KMO’s Grote bedrijven Low tech High tech Industrie Diensten

CIS-4 (2005) 23,5% 23,7% 21,2% 22,0% 27,5% 22,4% 24,9%

Bron: IWT-Studie 47 (Resultaten CIS-3 enquête); Steunpunt O&O Indicatoren (resultaten CIS-4 enquête)

Figuur 12.15: Internationale vergelijking van het aandeel innovatieve producten in de omzet voor alle bedrijven in % (2004)

Bulgarije

24,5

Vlaanderen

23,5

Malta

22,0

Slovakije

21,1

Roemenië

15,7

Polen

13,2

Slovenië

13,0

Finland

12,6

Tsjechië

12,4

Zweden

11,1 9,7

EU25

9,6

Griekenland

9,6

Frankrijk

9,0

Luxemburg

8,8

Verenigd Koninkrijk

8,7

Duitsland

8,5

Letland

8,4

Hongarije

8,4

Ierland

8,1

Denemarken

7,6

Litouwen

7,0

Oostenrijk

7,0

Estland

6,7

België

6,6

Portugal

6,5

Nederland

6,3

Spanje

6,0

Cyprus

2,6

0

5

10

15

20

25

Bron: Vlaanderen: Steunpunt O&O Indicatoren (resultaten van de CIS-4 enquête); Internationaal: berekeningen op basis van Eurostat-gegevens (CIS-4 enquête)

30

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 7 H O O F D S T U K 12

Italië


208

Figuur 12.16: Internationale vergelijking van het aandeel van innovatieve producten in de omzet voor bedrijven uit de 'industrie' in % (2004)

Malta

32,2

Vlaanderen

22,4

Bulgarije

20,6

Slovakije

20,4

Roemenië

17,7

Finland

16,8

Polen

15,6

Slovenië

15,2

Zweden

14,6

Tsjechië

14,1

Duitsland

10,9

Ierland

10,8

EU25

10,8

Denemarken

10,4

Frankrijk

10,2

Verenigd Koninkrijk

10,2

Italië

9,3

Griekenland

9,0

Oostenrijk

8,5

Spanje

8,4

Hongarije

8,2

Nederland

8,0

België

7,8

Portugal

6,8

Litouwen

5,3

Luxemburg

5,2

Letland

4,6

Estland

4,4

Cyprus

3,1

0

5

10

15

20

25

30

Bron: Vlaanderen: Steunpunt O&O Indicatoren (resultaten van de CIS-4 enquête); Internationaal: berekeningen op basis van Eurostat-gegevens (CIS-4 enquête)

35


209

Figuur 12.17: Internationale vergelijking van het aandeel van innovatieve producten in de omzet voor bedrijven uit de 'dienstensector' in % (2004)

Bulgarije

30,9

Vlaanderen

24,9

Slovakije

23,0

Litouwen

17,1

Slovenië

11,9

Roemenië

11,1

Luxemburg

9,9

Tsjechië

9,5

Polen

9,1

Hongarije

9,0

Italië

8,6

EU25

8,3

Frankrijk

7,2

Zweden

6,3

Portugal

6,1

België

5,6

Nederland

4,6

Denemarken

4,4

Spanje

3,5

Cyprus

2,5

Malta

2,3

0

5

10

15

20

25

30

35

Bron: Vlaanderen: Steunpunt O&O Indicatoren (resultaten van de CIS-4 enquête); Internationaal: berekeningen op basis van Eurostat-gegevens (CIS-4 enquête)

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 7 H O O F D S T U K 12


210

KERNINDICATOR 9 TEWERKSTELLINGSGRAAD IN MEDIUM HIGHTECH EN HIGHTECH INDUSTRIE EN DIENSTEN ALS % VAN DE TOTALE BEROEPSBEVOLKING Tabel 12.17: Tewerkstellingsgraad in medium hightech en hightech industrie (uitgedrukt als % van de totale beroepsbevolking) (2000-2006)

EU25 België Brussels HG Vlaams gewest Waals gewest Duitsland Denemarken Spanje Finland Frankrijk Ierland Italië Nederland Oostenrijk Portugal Zweden VK VS

2000 6,99 7,08 3,37 8,63 4,92 11,18 6,44 5,37 7,23 7,23 6,96 7,62 4,45 6,77 3,61 7,90 7,29 5,09

2001 6,97 6,89 3,52 8,35 4,83 11,21 6,99 5,48 7,44 7,16 7,26 7,42 4,29 6,48 3,63 7,72 7,10 4,89

2002 6,84 6,59 3,02 7,86 4,98 11,36 6,31 5,31 7,38 6,82 6,81 7,37 4,06 6,58 3,28 7,27 6,64

2003 6,60 6,40 2,32 7,67 4,98 11,04 6,12 5,05 6,85 6,51 6,27 7,42 4,03 6,19 3,17 7,03 6,23

2004 6,40 2,22 7,77 4,75 11,23 5,97 4,87 6,79 6,50 6,49 7,46 3,59 6,24 3,52 7,07 5,68

2005 6,66 6,51 2,58 8,01 4,56 10,43 6,29 4,69 6,76 6,34 5,99 7,37 3,30 6,45 3,25 6,53 5,61 3,84

2006 6,60 2,74 7,95 4,91 10,75 5,80 4,54 6,81 6,33 5,65 7,37 3,25 6,75 3,17 6,29 5,52

Bron: Eurostat, 2007

Tabel 12.18: Tewerkstellingsgraad in hightech diensten (uitgedrukt als % van de totale beroepsbevolking) (2000-2006) 2000

2001

2002

2003

EU25

3,08

3,29

3,24

3,19

België

3,86

4,03

3,77

4,04

3,93

3,73

3,95

Brussels HG

5,22

4,62

4,98

5,52

5,20

3,99

5,54

Vlaams gewest

3,75

4,08

3,65

3,84

3,80

3,88

3,87

Waals gewest

4,92

4,83

4,98

4,98

4,75

4,56

4,91

Duitsland

3,03

3,20

3,33

3,32

3,35

3,36

3,48

Denemarken

5,04

4,93

4,73

4,50

4,09

4,69

4,22

Spanje

2,29

2,67

2,50

2,33

2,54

2,75

2,68

Finland

4,39

4,40

4,73

4,68

4,57

4,51

4,59

Frankrijk

3,83

4,07

4,06

4,07

3,82

3,92

3,7

Ierland

4,03

4,08

4,26

3,88

3,59

3,55

3,87

Italië

2,92

3,05

3,02

2,93

3,07

2,89

2,97

Nederland

4,13

4,16

3,72

3,89

4,00

4,05

4,08

Oostenrijk

2,79

3,03

3,47

3,32

Portugal

1,18

1,43

1,47

1,45

1,37

1,84

1,85

Zweden

5,13

5,18

5,22

4,85

4,75

5,13

5,06

VK

4,28

4,69

4,39

4,32

4,33

4,28

4,20

Bron: Eurostat, 2007

2004

2005

2006

3,35

2,71


211

KERNINDICATOR 10 GROEI VAN HET BRUTO BINNENLANDS PRODUCT PER REGIO (BBPR) Tabel 12.19: Groeicijfers voor het bruto binnenlands product voor Vlaanderen, respectievelijk volgens lopende en constante prijzen BBPR (lopende prijzen van 1995) 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007

100,00 103,46 107,70 113,83 116,88 120,61 124,08 130,27 134,86 142,38 148,86

Jaarlijkse groeicijfers (constante prijzen) t.o.v. het vorige jaar

Ontwikkelingsindex (constante prijzen) t.o.v. 1997

101,76 98,90 103,61 103,09 100,80 103,90 101,80 102,90 103,70 101,10 101,30 101,40 102,20 101,30 103,30 102,50

100,00 101,80 104,75 108,63 109,82 111,25 112,81 115,29 116,79 120,64 123,66

Jaarlijkse groeicijfers (constante prijzen) t.o.v. het vorige jaar

Ontwikkelingsindex (constante prijzen) t.o.v. 1997

101,76 98,90 103,61 103,09 100,80 103,90 101,80 102,90 103,70 101,10 101,30 101,40 102,20 101,30 103,30 102,50

100,00 101,80 104,75 108,63 109,82 111,25 112,81 115,29 116,79 120,64 123,66

117.856.576 119.934.017 118.616.322 122.892.787 126.693.366 127.706.913 132.687.482 135.075.857 138.993.057 144.135.800 145.721.294 147.615.671 149.682.290 152.975.300 154.963.979 160.077.791 164.079.735

Bron: 1975 - 1994: ramingen APS op basis van INR-gegevens volgens het oude ESER79 1995-2004: INR 2005-2007: ramingen Studiedienst van de Vlaamse Regering (APS)

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 7 H O O F D S T U K 12

105,59 102,95 105,54 104,77 101,65 105,65 103,46 104,10 105,69 102,68 103,19 102,88 104,99 103,53 105,57 104,55

109.684.635 111.618.031 110.391.702 114.371.646 117.908.700 118.851.970 123.487.196 125.709.966 129.355.555 134.141.710 135.617.269 137.380.294 139.303.618 142.368.298 144.219.085 148.978.315 152.702.773

BBPR (constante prijzen van 2000) 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007

Ontwikkelingsindex (lopende prijzen) t.o.v. 1997

98.100.031 103.584.398 106.636.909 112.540.312 117.908.700 119.849.000 126.623.300 131.010.200 136.379.300 144.135.800 147.999.400 152.714.900 157.115.100 164.948.300 170.768.666 180.284.920 188.487.884

BBPR (constante prijzen van 1995) 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007

Jaarlijkse groeicijfers (lopende prijzen) t.o.v. het vorige jaar


212

Figuur 12.18: Internationale vergelijking van de groei van het BBP in lopende prijzen (met 1997 als vertrekbasis)

3,00

■ Vlaanderen 2,75

■ België ■ EU-25

2,50

Zweden Finland Japan VS Duitsland Denemarken Frankrijk VK Nederland Ierland

2,25 2,00 1,75 1,50 1,25 1,00 0,75 0,50 1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

Bron: eigen berekeningen op basis van gegevens afkomstig van: Vlaanderen: Studiedienst van de Vlaamse regering (APS); Int’l: Eurostat, Bureau of Economic Analysis (VS), Economic and Social Research Institute (Japan).


213

KERNINDICATOR 11 EXPORTAANDEEL VAN DE HIGHTECH SECTOREN IN VLAANDEREN Tabel 12.20: Export aandeel van Vlaanderen in medium- en hightech industrie en hightech diensten (2004) Aandeel in Industriële medium & hightech sector Industriële hightech sectoren Hightech diensten

Vlaanderen 59,16% 17,48% 12,88%*

EU-15 63% 19,42% 9,50%

Wereld 59,16% 20,38%

Bron: SERA-rapport (SERV, 2005) * Geen cijfers voor Vlaanderen beschikbaar, wel voor België

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 7 H O O F D S T U K 12


214

EXTRA INDICATOR

FISCALE MAATREGELEN VOOR O&O

De waarde 1-ß geeft de mate aan waarin fiscale stimuli voor de private sector aanwezig zijn. De waarde van de ß-index geeft aan wat, voor de investering van USD 1 in O&O, de vereiste opbrengst voor belastingen moet zijn, om na belastingen geen verlies te maken. Een grotere waarde voor 1-ß duidt bijgevolg op een meer stimulerend fiscaal beleid.

Figuur 12.19: Internationale vergelijking van 1-ß voor grote bedrijven (2006)

Spanje

0,44

Portugal

0,28

Noorwegen

0,21

Frankrijk

0,19

Canada

0,17

Denemarken

0,16

Japan

0,12

VK

0,10

België

0,09

Oostenrijk

0,08

VS

0,07

Nederland

0,07

Ierland

0,05

Zwitserland

-0,01

Griekenland

-0,01

Finland

-0,01

Zweden

-0,01

Italië

-0,02

Duitsland

-0,03

-0,1

0,0

0,1

0,2

0,3

0,4

0,5

Bron: OECD Science, Technology and Industry Outlook 2006 Noot: De Belgische maatstaf van O&O fiscale stimuli incorpeert in 2006 een nieuwe maatregel. In 2006 introduceerde België immers een belastingkrediet ten belope van 50% van de verschuldigde belastinginhouding voor privaat-publieke O&O-samenwerking.


215

Figuur 12.20: Internationale vergelijking van 1-ß voor KMO's (2006)

Spanje

0,44

Italië

0,43

Canada

0,32

Portugal

0,28

Nederland

0,24

Noorwegen

0,23

Denemarken

0,18

Japan

0,16

Frankrijk

0,13

VK

0,11

Oostenrijk

0,08

VS

0,07

Ierland

0,05

Zwitserland

-0,01

Griekenland

-0,01

België

-0,01

Finland

-0,01

Zweden

-0,01

Duitsland

-0,03

-0,1

0,0

0,1

0,2

0,3

0,4

0,5

Bron: OECD Science, Technology and Industry Outlook 2006

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 7 H O O F D S T U K 12


216


217

DOSSIERS

12


218

D O S S I E R 1 : A D D I T I O N A L I T E I T VA N O&O-SUBSIDIES IN VLAANDEREN Door K. Aerts (K.U.Leuven) en D. Czarnitzki (K.U.Leuven)

1.1 O&O-SUBSIDIES IN VLAANDEREN

Voorgaande cijfers geven duidelijk aan dat er een aanzienlijk bedrag getransfereerd wordt van de overheid naar Vlaamse

In Vlaanderen is het IWT (Instituut voor de aanmoediging van

bedrijven, met de bedoeling de O&O-activiteiten en uiteindelijk

innovatie door Wetenschap & Technologie in Vlaanderen) de

ook de innovatiecapaciteit te versterken. Ook Vlaanderen heeft

belangrijkste verstrekker van subsidies voor O&O (Onderzoek

zich geëngageerd in de Lissabon doelstelling om tegen 2010

en Ontwikkeling). Vlaamse, Belgische en Europese O&O-subsidies

3% van het BBP (Bruto Binnenlands Product) aan O&O te

aan Vlaamse bedrijven worden geëvalueerd en toegekend door

besteden. In de O&O-sectie van dit Indicatorenboek werd al

het IWT. Bij de oprichting van het IWT in 1992 was het aantal

aangegeven dat dit percentage momenteel slechts 2,09% is

goedgekeurde projectvoorstellen 36 en ontvingen 28 bedrijven

(voor 2005). Overheidsondersteuning van de O&O-activiteiten

steun voor een totaalbedrag van 13 miljoen EUR. In 2004

van ondernemingen (die 2% van de totale 3% zouden moeten

keurde het IWT 425 projecten goed, waarmee 335 verschillende

bijdragen) is dus zeker geen onnodige luxe, tenminste in de

bedrijven gesteund werden voor een totaalbedrag van 76 miljoen

veronderstelling dat het subsidiesysteem werkt zoals het

EUR. Het totale subsidiebudget stijgt, samen met het aantal

bedoeld is. In dit dossier gaan we dieper in op deze vraag en

projectaanvragen (zie figuur 1.1). De gemiddelde subsidie per

zal duidelijk worden dat dit niet noodzakelijk het geval is.

project en per bedrijf is min of meer constant gebleven.

De focus ligt op subsidies die direct aan ondernemingen toegekend worden, aangezien dit het meest gebruikte

Terwijl in het begin van de jaren ’90 vooral projecten van grote

instrument is in het huidige innovatiebeleid in vele Europese

bedrijven werden goedgekeurd, is het aantal projectvoorstellen

landen.

van KMO’s sindsdien gestaag gestegen. Vooral tussen 2000 en 2004 was er een sterke stijging, zoals te zien is in figuur 1.2.

Figuur 1.1: Projectaanvragen: goedgekeurd versus afgewezen

600

Totaal aantal projecten

500 400 300 200 100 0 1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

■ Goedgekeurd ■ Afgewezen

Bron: eigen berekeningen op de ICAROS databank van IWT Noot: Deze bijdrage is gebaseerd op lopend onderzoek van het Steunpunt O&O Indicatoren. Een meer uitgebreide uiteenzetting van het onderzoek en de resultaten is terug te vinden in Aerts, K. en Czarnitzki, D., 2006, The Impact of Public R&D-Funding in Flanders, IWT M&A studie 54.


219

Figuur 1.2: Aantal goedgekeurde projecten: KMO’s versus grote bedrijven (per jaar van goedkeuring)

450 400

Totaal aantal projecten

350 300 250 200 150 100 50 0 1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

■ KMO’s ■ Grote bedrijven

Bron: eigen berekeningen op de ICAROS databank van IWT

1.2 WAAROM SUBSIDIES?

wordt voor het private geld dat in elk geval uitgegeven zou worden en een subsidie dus niet leidt tot meer O&O-

Publieke steun voor O&O wordt traditioneel gemotiveerd door

investeringen. Om het ware effect van een subsidie te kunnen

het argument dat de markt faalt in het O&O-domein. O&O heeft

meten, luidt de kernvraag dus: “Hoeveel zou een gesubsidieerd

de eigenschappen van een publiek goed (zie bv. Samuelson,

bedrijf uitgegeven hebben aan O&O als het de subsidie niet

1954). Arrow (1962) stelt dat geen enkele mate van wettelijke

ontvangen zou hebben?”. Deze waarde kan uiteraard nooit

bescherming ervoor kan zorgen dat men zich een goed, zo

waargenomen worden en moet bijgevolg geschat worden.

ontastbaar als informatie, volledig kan toe-eigenen. Een bedrijf dat Een vergelijking van de gemiddelde O&O-uitgaven van

toe-eigenen, aangezien andere bedrijven altijd mee kunnen

gesubsidieerde en niet-gesubsidieerde bedrijven volstaat niet,

profiteren zonder zelf de investering te maken. De investeringen

omdat gesubsidieerde bedrijven mogelijk al innovatiever waren

in O&O zullen dus onder het sociale optimum liggen: bedrijven

voordat de subsidie toegekend werd. Het zou kunnen dat

zijn van nature niet geneigd de volledige investering te maken.

bedrijven die meer O&O-activiteiten hebben en dus een beter

Subsidies van de overheid verlagen de prijs van sociaal waarde-

verwacht resultaat van O&O-projecten hebben, eerder een

volle O&O-projecten voor private investeerders tot een niveau

positief antwoord krijgen op een subsidie-aanvraag dan een

waarop het winstgevend wordt voor bedrijven om te investeren.

bedrijf dat weinig O&O-ervaring heeft; ook de regering wil de resultaten maximaliseren. Anderzijds zou het kunnen dat bedrijven die een subsidie-aanvraag indienen, dit doen omdat

1.3 WAT IS DE IMPACT VAN SUBSIDIES VOOR O&O?

ze beter op de hoogte zijn van het O&O-beleid en maatregelen waarvoor zij in aanmerking komen. Als er op voorhand dus al een verschil bestaat in innovativiteit tussen gesubsidieerde en

De grote uitdaging voor de overheid ligt er dus in om enkel die

niet-gesubsidieerde bedrijven, leidt een eenvoudige vergelijking

projecten te subsidiëren die sociaal waardevol zijn, maar

van gemiddelden tot een overschatting van het subsidie-effect.

normaal gezien niet uitgevoerd zouden worden. Dit is echter

Vertaald in econometrische termen is het al dan niet ontvangen

niet vanzelfsprekend aangezien bedrijven uiteraard altijd een

van een subsidie dus een endogene variabele, door de

motivatie hebben om subsidies aan te vragen. Daardoor zou

mogelijke aanwezigheid van een vertekening in de selectie tot het

het kunnen dat publiek geld louter een vervangingsmiddel

ontvangen van een subsidie (de zogenaamde selectievertekening).

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 D O S S I E R S

investeert in O&O kan zich de resultaten ervan dus nooit volledig


220

1.4 METHODOLOGIE

1.5 BESCHRIJVING VAN DE DATASET

Om een juiste correctie te maken voor de selectievertekening

De dataset waarop we onze analyses uitgevoerd hebben,

werd een hele waaier econometrische technieken ontwikkeld,

werd samengesteld op basis van vier bronnen (zie figuur 1.3).

onder meer de matchingtechniek en regressie met een

De CIS3-databank2 bevat 776 waarnemingen in de verwerkende

instrumentele variabele. Deze methoden

1

zullen we hier

aanwenden om het O&O-beleid in Vlaanderen te evalueren.

nijverheid en in de dienstensectoren IT, O&O en zakelijke diensten. Van deze 776 ondernemingen hebben 180 ondernemingen aangegeven dat ze tussen 1998 en 2000 een subsidie ontvangen hebben. Vervolgens werd deze informatie aangevuld met balansgegevens uit de Belfirstdatabank. Daarna werd patentinformatie

1.4.1 Matchingtechniek

van het Europese patentenbureau (EPO) toegevoegd. In een Bij de matchingtechniek wordt getracht een situatie na te

laatste stap werd ook de ICAROS databank van het IWT

bootsen waarin subsidies wél willekeurig worden toegekend

gekoppeld aan de dataset, met als toegevoegde waarde

aan bedrijven. Voor elk gesubsidieerd bedrijf wordt een niet-

informatie over het aantal subsidieprojecten en het bijhorende

gesubsidieerd bedrijf gezocht dat er sterk op lijkt. Om zoveel

subsidiebedrag dat elke onderneming jaarlijks ontvangen heeft.

mogelijk variabelen te kunnen gebruiken om tweelingsbedrijven ^

te selecteren, wordt een index P(X) berekend met een probitregressie. Daarna wordt voor elk gesubsidieerd bedrijf het

Figuur 1.3: Gegevensopbouw

niet-gesubsidieerde bedrijf geselecteerd met een index die het dichtst bij de index van het gesubsidieerde bedrijf ligt.

Databank

Niveau

Door vergelijking van de gemiddelde O&O-uitgaven van de tweelingsgroepen kan de impact van de subsidie (het

BELFIRST

CIS

Onderneming

ICAROS

Project

zogenaamde additionaliteitseffect) berekend worden.

1.4.2 Regressie met een instrumentele variabele (IV) EPO

Patent

Omdat we naast de dummy variabele (het al dan niet ontvangen van een subsidie) ook gedetailleerde informatie hebben over

De hoofdvariabelen van onze analyse zijn enerzijds de dummy

hoeveel elk bedrijf jaarlijks aan subsidies ontvangen heeft,

variabele FUN, die 1 is als het bedrijf tussen 1998 en 2000 een

kunnen we verfijndere analysetechnieken, zoals de zogenaamde

subsidie ontvangen heeft van de Vlaamse, Belgische of

IV-regressie toepassen. Het ontvangen van een subsidie is, zoals

Europese regering en anderzijds de continue variabele AMT:

hierboven al gezegd, mogelijk een endogene variabele door de

het subsidiebedrag dat de gesubsidieerde onderneming in die

potentiële selectievertekening. IV-regressie laat toe hiervoor te

periode ontvangen heeft.

controleren met een instrumentele variabele. Deze variabele moet zo geselecteerd worden dat ze wél een invloed heeft op

In dit onderzoek wordt de impact van een subsidie op de O&O-

de ontvangen subsidies, maar niet gecorreleerd is met de

inspanningen3 van ondernemingen geëvalueerd: RD geeft de

uitkomstvariabelen, O&O-uitgaven in dit geval. De coëfficiënt

O&O-uitgaven van de onderneming in 2000 weer. De verdeling

die vervolgens in de IV-regressie geschat wordt, geeft de impact

van deze variabele is echter zeer scheef en daarom kijken we

weer van 1EUR meer subsidie op de O&O-intensiteit.

enerzijds ook naar de O&O-intensiteit RDINT, gemeten als de verhouding van de O&O-uitgaven tot de omzet, en anderzijds naar de logaritmisch herschaalde variabelen ln(RD) en ln(RDINT).

1 Een uitgebreide beschrijving van deze en andere methoden is terug te vinden in Aerts, Czarnitzki en Fier (2007). 2 Community Innovation Survey. Deze bevraging wordt tweejaarlijks uitgevoerd in alle Europese landen, gecoördineerd door Eurostat. Een beschrijving van de Vlaamse CIS-data die in dit onderzoek gebruikt worden (CIS3) is terug te vinden in het Vlaamse Indicatorenboek 2005; een beschrijving van de Europese gegevens werd gepubliceerd door de European Communities (2004). De recent verzamelde CIS-gegevens worden gepresenteerd in hoofdstuk 7 van dit Indicatorenboek. 3 Daarnaast kan ook de impact op de output (aantal patenten, aantal innovatieve producten,...) of meer algemeen op het gedrag (samenwerking met andere ondernemingen of universiteiten, O&O-management,...) van de onderneming bestudeerd worden. Dit valt echter buiten de opzet van dit onderzoek.


221

Tabel 1.1: Vergelijking van de gemiddelden vóór de matching* Gesubsidieerde bedrijven N1 = 179

Variabele

Potentiële controlegroep N0 = 595

p-waarde v/d tweezijdige t-test op verschil v/d gemiddelden

Gemiddelde

Std. Afw.

Gemiddelde

Std. Afw.

ln(EMP)

4,399

1,427

3,779

1,239

p < 0,0001

SME

0,553

0,499

0,662

0,473

p = 0,0099

NPRJ

0,453

1,981

0,076

0,384

p = 0,0122

PSTOCK/EMP

0,720

2,412

0,126

0,936

p = 0,0015

GROUP

0,682

0,467

0,539

0,499

p = 0,0005

FOREIGN

0,296

0,458

0,255

0,436

p = 0,2936

EXPORT

0,533

0,331

0,353

0,340

p < 0,0001

^ P (X)

0,329

0,194

0,201

0,122

p < 0,0001

RD

1,623

4,602

0,299

1,211

p = 0,0002

RDINT

4,613

8,422

1,719

5,116

p < 0,0001

ln(RD)

-2,033

3,107

-5,826

3,947

p < 0,0001

ln(RDINT)

-0,092

2,437

-2,747

3,071

p < 0,0001

* 12 sectordummies worden niet gerapporteerd.

Een aantal variabelen wordt aan de regressie toegevoegd om

1.6 ANALYSERESULTATEN

te controleren voor de waarschijnlijkheid om een subsidie te ontvangen en voor de grootte van de O&O-uitgaven. Met het

De matchingtechniek en de IV-regressie laten toe om de

aantal werknemers ln(EMP) wordt gecontroleerd voor grootte-

gemiddelde impact van een O&O-subsidie op de O&O-

effecten. De dummy SME geeft aan of het bedrijf al dan niet

uitgaven van een onderneming te onderzoeken en daarbij de

een KMO is. De variabele NPRJ, het aantal goedgekeurde

potentiële selectievertekening te corrigeren. In deze sectie

subsidieprojecten van een onderneming vóór 1998, corrigeert

bespreken we de analyseresultaten.

voor de waarschijnlijkheid dat een bedrijf een subsidieaanvraag indient. Met de patentstock per werknemer PSTOCK/EMP wordt gecontroleerd voor O&O- en innovatie-activiteiten in

1.6.1 Matchingtechnieken

het verleden. Een dummy GROUP geeft aan of het bedrijf al Tabel 1.1 beschrijft de gemiddelde waarden van de variabelen

hebben op het beleid van de onderneming. Een filiaal van een

voor de groep van gesubsidieerde bedrijven en voor de volledige

buitenlandse onderneming (dummy FOREIGN) vraagt mogelijk

potentiële controlegroep. We zien dat de O&O-variabelen

eerder een subsidie aan in het thuisland. De exportquota

significant verschillen (t-tests in de laatste kolom). Er zijn echter

EXPORT zijn een maatstaf voor de internationale concurrentie

ook significante verschillen in de controlevariabelen. Het is dus,

waaraan een bedrijf het hoofd moet bieden. Een andere

door het potentiële endogeneïteitsprobleem, niet vast te stellen

controlevariabele is de kapitaalintensiteit KAPINT: bedrijven

of de verschillen in O&O-activiteit te wijten zijn aan de impact

met een kapitaalintensief productieproces realiseren mogelijk

van de subsidie of de verschillen in de controlevariabelen.

meer innovaties dan arbeidsintensieve bedrijven. Maatstaven

Daarom schatten we met een probitmodel4 een index P(X) die

voor interne (cashflow per werknemer CASHFLOW/EMP) en

voor elk bedrijf de waarschijnlijkheid aangeeft om een subsidie

externe (schuldgraad DEBT/ACTIVA) middelen voor O&O

te ontvangen (deze index is in tabel 1.1 al significant verschillend

worden eveneens opgenomen in de regressie. Tot slot worden

tussen beide groepen, wat duidt op de aanwezigheid van een

ook nog 12 sectordummies opgenomen.

selectievertekening). Aan de hand van deze index wordt voor

^

elk gesubsidieerd bedrijf een tweelingspartner geselecteerd zodat de selectievertekening geëlimineerd wordt.

4 FUN=f(ln(EMP), SME, NPRJ, PSTOCK/EMP, GROUP, FOREIGN, EXPORT, 12 sectordummies). KAPINT, CASHFLOW/EMP en DEBT/ACTIVA werden oorspronkelijk ook opgenomen in het probitmodel, maar werden weggelaten omdat ze niet significant waren.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 D O S S I E R S

dan niet behoort tot een groep omdat dit een invloed kan


222

Tabel 1.2: Matchingresultaten* Gesubsidieerde bedrijven N1 = 174

Variabele

Geselecteerde controlegroep N0 = 174

p-waarde v/d tweezijdige t-test op verschil v/d gemiddelden**

Gemiddelde

Std. Afw.

Gemiddelde

Std. Afw.

ln(EMP)

4,379

1,408

4,369

1,302

p = 0,952

SME dummy

0,557

0,498

0,621

0,487

p = 0,320

NPRJ

0,276

0,621

0,241

0,729

p = 0,701

PSTOCK/EMP

0,462

1,319

0,447

1,723

p = 0,942

GROUP

0,684

0,466

0,678

0,469

p = 0,924

FOREIGN

0,293

0,456

0,224

0,418

p = 0,217

EXPORT

0,525

0,330

0,499

0,330

p = 0,546

^ P (X)

0,312

0,166

0,312

0,166

p = 1,000

RD

1,292

3,563

0,518

1,213

p = 0,010

RDINT

4,370

8,202

2,208

4,653

p = 0,006

ln(RD)

-2,142

3,073

-3,996

3,988

p < 0,001

ln(RDINT)

-0,155

2,436

-1,624

2,962

p < 0,001

* 12 sectordummies worden niet gerapporteerd. ** De t-statistieken zijn gebaseerd op Lechnerâ&#x20AC;&#x2122;s (2001) asymptotische benadering van de standaardfouten die rekening houdt met het feit dat we de tweelingsondernemingen geselecteerd hebben met vervanging (hetzelfde niet-gesubsidieerde bedrijf kan meerdere malen voorkomen als tweelingspartner).

Tabel 1.2 toont de gemiddelde waarden van de variabelen voor

zoals verwacht, iets lager, maar nog steeds significant positief;

de groep van gesubsidieerde bedrijven5 en de geselecteerde

het verschil in O&O-intensiteit is bijvoorbeeld nog steeds 1,9%.

tweelingsondernemingen. Nu zijn er geen significante verschillen meer vast te stellen in de controlevariabelen en de ^

waarschijnlijkheidsindex P(X). De uitkomstvariabelen daaren-

1.6.2 IV-regressie

tegen zijn nog steeds significant verschillend. Hieruit kunnen we dus besluiten dat O&O-subsidies wel degelijk een positieve

In de matchingtechniek werd gewerkt met de FUN dummy:

invloed hebben op de O&O-activiteiten van de gesubsidieerde

heeft een bedrijf al dan niet een subsidie ontvangen? We hebben

bedrijven. De O&O-intensiteit van gesubsidieerde bedrijven is

echter gedetailleerde informatie over hoeveel subsidiegeld elk

bijvoorbeeld 4,4% terwijl dat in de geselecteerde controlegroep

bedrijf jaarlijks ontvangen heeft (ln(AMT)). Met IV-regressie

slechts 2,2% is. De O&O-intensiteit gaat dus gemiddeld met

kunnen we het additionaliteitseffect meten, met als afhankelijke

2,2% omhoog als het bedrijf een subsidie voor O&O ontvangt.

variabele de subsidie die het bedrijf in 2000 ontvangen heeft. Voorwaarde is evenwel dat we een geschikt instrument vinden:

In de analyse hierboven worden in de potentiĂŤle controlegroep

de instrumentvariabele mag niet gecorreleerd zijn met de

alle waarnemingen van de CIS-databank opgenomen: zowel

huidige O&O-uitgaven, maar moet wel een impact hebben op

innovatieve als niet-innovatieve bedrijven. Het is dus mogelijk

de waarschijnlijkheid om een subsidie te ontvangen. De variabele

dat een innovatief bedrijf dat een subsidie ontvangen heeft,

die hieraan voldoet en zich dus aandient als instrumentele

gekoppeld wordt aan een niet-gesubsidieerd bedrijf dat niet

variabele, is de subsidies die het bedrijf in het verleden

innovatief was. Het kan immers zijn dat een niet-innovatief bedrijf

ontvangen heeft: de huidige O&O-uitgaven hebben geen

dankzij een subsidie innovatief wordt. Dit kan echter leiden tot een

effect op de subsidies die in het verleden ontvangen werden;

overschatting van het additionaliteitseffect. Om de robuustheid

maar als het bedrijf in het verleden subsidies ontvangen heeft,

van onze resultaten te testen, hebben we dezelfde matching-

is het waarschijnlijker dat het opnieuw een aanvraag indient en

techniek toegepast en daarbij de controlegroep beperkt tot de

een subsidie verkrijgt.

set van innovatieve bedrijven. De additionaliteitseffecten zijn,

^

5 Om een gepaste tweelingsonderneming te vinden moet de waarschijnlijkheid om een subsidie te ontvangen P(X) tussen 0 en 1 liggen. Dit is niet altijd het geval in onze dataset. Als er bijgevolg niet voldoende overlap is in de controlevariabelen tussen de twee groepen, kan niet steeds een geschikte partner gevonden worden. Daarom werden een aantal observaties verwijderd en behouden we 174 gesubsidieerde bedrijven en hun tweelingspartners.


223

De coëfficiënt6 van ln(AMT) is significant en positief (1,34) voor

1.8 REFERENTIES

de volledige groep van ondernemingen: een verhoging van

• AERTS, K. en D. CZARNITZKI (2006), The Impact of Public

de subsidie met 1EUR leidt tot een verhoging van de O&O-

R&D-Funding in Flanders, IWT M&A studie 54.

uitgaven met 1,34EUR: de gekregen 1EUR wordt geïnvesteerd

• AERTS, K., D. CZARNITZKI en A. FIER (2007), Evaluación

en bovendien voegt het bedrijf daar nog 0,34EUR eigen geld

econométrica de la política pública de I+D: estado del arte,

aan toe. Als we, zoals hierboven, de dataset beperken tot

forthcoming in: Instituto de Estudios Fiscales (Ed.),

innovatieve bedrijven, zien we dat bedrijven 0,85EUR meer

Cooperación en innovación en España: El papel del Estado,

investeren in O&O als ze 1EUR meer subsidie krijgen: in dit

Madrid, forthcoming.

geval wordt de verkregen subsidie niet volledig omgezet in

• AERTS, K. en T. SCHMIDT (2006), Two for the price of one?

een O&O-investering door het bedrijf. Dit kan echter een

On additionality effects of R&D subsidies: A comparison

onderschatting zijn, omdat we in de subset geen rekening

between Flanders and Germany, ZEW Discussion Paper

houden met de mogelijke omschakeling van een niet-innovatief

06-063, Mannheim.

naar een innovatief bedrijf dankzij een O&O-subsidie, hetgeen,

• ALMUS, M. en D. CZARNITZKI (2003), The Effects of Public

zeker in kleine bedrijven, wel degelijk het geval kan zijn.

R&D Subsidies on Firms' Innovation Activities: The Case of

We kunnen dus besluiten dat het additionaliteitseffect van een

Eastern Germany, Journal of Business and Economic

verhoging van de subsidies met 1EUR ergens tussen 0,85EUR

Statistics 21(2), 226-236.

en 1,34EUR ligt. Verdere tests hebben zelfs uitgewezen dat

• ARROW, K. J. (1962), Economic Welfare and the Allocations

het effect niet significant kleiner is dan 1EUR. De conclusie

of Resources of Invention, in: Nelson, R.R. (ed.), The Rate

is dus dat het volledige subsidiebedrag omgezet wordt in

and Direction of Inventive Activity: Economic and Social

O&O-uitgaven.

Factors, Princeton. • BUSOM, I. (2000), An empirical evaluation of the effects of R&D subsidies, Economics of Innovation and New

1.7 CONCLUSIE

Technology 9(2), 111-148. • CZARNITZKI, D. (2001), Die Auswirkungen der Forschungs-

De resultaten van zowel de matchingtechniek als de IV-regressie

und Technologiepolitik auf die Innovationsaktivitäten

tonen aan dat de additionaliteitseffecten van O&O-subsidies in

ostdeutscher Unternehmen, Schmollers Jahrbuch - Zeitschrift

Vlaanderen positief zijn: een subsidie wordt volledig vertaald

für Wirtschafts- und Sozialwissenschaften 121(4), 1-22. • CZARNITZKI, D. (2006), Research and development in

vervanging van private O&O-uitgaven. Dit resultaat werd

small and medium-sized enterprises: the role of financial

bijvoorbeeld wél gevonden door Wallsten (2000) bij de

constraints and public funding, Scottish Journal of Political

evaluatie van het SBIR project in de VS. De resultaten voor

Economy (53)3, 335-357.

Vlaanderen zijn in lijn met recente studies in Europese landen.7

• CZARNITZKI, D. en A. FIER (2002), Do Innovation

Een versteviging van het O&O-beleid in de richting van de 3%-

Subsidies Crowd Out Private Investment? Evidence from

doelstelling, zoals dat overeengekomen is in het Europese

the German Service Sector, Konjunkturpolitik - Applied

Actieplan, is dus mogelijk een goede strategie om het

Economics Quarterly 48(1), 1-25.

streefdoel te behalen. Het is echter wenselijk om de meer

• CZARNITZKI, D. en K. HUSSINGER (2004), The link

recente ontwikkelingen in Vlaanderen van nabij te bestuderen

between R&D subsidies, R&D input and technological

met meer recente gegevens, om de stabiliteit van de resultaten

performance, ZEW Discussion Paper 04-56, Mannheim.

over de tijd heen op te volgen.

• CZARNITZKI, D. en G. LICHT (2006), Additionality of public R&D grants in a transition economy: the case of Eastern Germany, Economics of Transition 14(1), 101-131.

6 ln(AMT)=f(ln(EMP), PSTOCK/EMP, GROUP, FOREIGN, EXPORT, CASHFLOW/EMP, DEBT/ACTIVA, KAPINT, 12 sectordummies). 7 Zie bijvoorbeeld Czarnitzki (2001), Czarnitzki en Fier (2002), Hussinger (2003), Almus en Czarnitzki (2003), Czarnitzki and Hussinger (2004), Aerts en Schmidt (2006) en Czarnitzki en Licht (2006) voor Duitsland, Busom (2000) en González et al. (2006) voor Spanje, Duguet (2004) voor Frankrijk.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 D O S S I E R S

naar extra O&O-uitgaven en wordt niet gebruikt ter


224

• DUGUET E. (2004), Are R&D subsidies a substitute or a complement to privately funded R&D? Evidence from France using propensity score methods for non experimental data, Revue d’Economie Politique 114(2), 263-292. • European Communities (2004), Innovation in Europe: Results for the EU, Iceland and Norway, Luxemburg. • GONZÁLEZ, X., J. JAUMANDREU and C. PAZÓ (2005), Barriers to innovation and subsidy effectiveness, RAND Journal of Economics, 36(4), 930-950. • HUSSINGER, K. (2003), R&D and subsidies at the firm level: an application of parametric and semi-parametric two-step selection models, ZEW Discussion Paper 03-63, Mannheim. • ROSENBAUM, P.R. en D.B. RUBIN (1983), The central role of the propensity score in observational studies for causal effects, Biometrika 70(1), 41-55. • SAMUELSON, P.A. (1954), The Pure Theory of Public Expenditure, Review of Economics and Statistics 36(4), 387-389. • Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie en Innovatie DEBACKERE, K., VEUGELERS, R., GLÄNZEL, W., AERTS, K., DU PLESSIS, M., VAN LOOY, B., MAGERMAN, T., VANHEE, M., THIJS, B., VERBEEK, A., 2005, (Steunpunt O&O Statistieken, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Leuven). • WALLSTEN, S.J. (2000), The effects of government-industry R&D programs on private R&D: the case of the Small Business Innovation Research Program, RAND Journal of Economics 31(1), 82-100.


225

DOSSIER 2: VLAAMSE DEELNAME AAN G R O O T S C H A L I G E I N T E R N AT I O N A L E ON DERZOEKSI N FRASTRUCTU U R Door D. Raspoet (VRWB) en K. Vercoutere (VRWB)

2.1 SITUERING

Voor de voorbereiding van het advies1 werd een specifieke ad-hocwerkgroep opgericht, samengesteld uit Vlaamse

Grote onderzoeksinstallaties (bv. deeltjesversnellers en detectoren

wetenschappers en vertegenwoordigers van Vlaamse en

voor elementaire deeltjesfysica en kernfysica, apparatuur voor

federale administraties die betrokken zijn bij deze internationale

synchrotronstraling, sterrenkunde, moleculaire biologie …)

onderzoeksorganisaties.

betekenen belangrijke investeringen die de draagkracht van een land of regio sterk overstijgen en dus enkel kunnen

Om zo concreet mogelijk te kunnen antwoorden op deze

gerealiseerd worden in internationale samenwerkingsverbanden.

vragen en om aanbevelingen te formuleren die steunen op een

CERN (Conseil Européen pour la Recherche Nucléaire),

voldoende lange ervaring, onderwierp de VRWB een viertal

ESRF (European Synchrotron Radiation Facility), ESO (European

grote onderzoeksinfrastructuren aan een uitgebreide analyse.

Southern Observatory) en EMBO-EMBC-EMBL (European

De focus lag enkel op die grote Europese installaties of

Molecular Biology Organisation/Conference/Laboratory) zijn

instituten waarvoor het lidgeld federaal wordt bijgedragen en

voorbeelden van dergelijke grote Europese installaties. Het zijn

waarvoor de Vlaamse overheid de middelen biedt aan

unieke infrastructuren die zeer succesvol zijn en die op een

onderzoekers om optimaal op de geboden opportuniteiten in

zeer hoog wetenschappelijk niveau staan. België/Vlaanderen

te spelen. Het betreft CERN, synchrotronstraling (ESRF/EMBL),

kan zich niet veroorloven hierin afwezig te zijn.

ESO en EMBO-EMBC-EMBL. Onmiddellijk wordt hierbij de kanttekening gemaakt dat deze vier uiteraard het landschap

De strategische keuzes om deel te nemen aan deze

niet volledig dekken en dat zij elk hun eigen dimensie,

grootschalige multilaterale onderzoeksinfrastructuur worden

doelstelling, cultuur en werkwijze hebben.

momenteel op federaal niveau gemaakt, gebaseerd op de in België aanwezige expertise. De Belgische deelname - m.a.w het

In de context van een nieuw beleidskader voor internationale

De jaarlijkse bijdrage van de lidstaten in de begroting van

wetenschappelijke en technologische samenwerking - waarbinnen

CERN, ESO en (EMBO)-EMBC-EMBL wordt berekend op

ook de ondersteuning van Vlaamse onderzoekers bij deelname

basis van hun BBP. De financiële bijdrage van België aan ESRF

aan dergelijke grootschalige onderzoeksinfrastructuren aan bod

is geregeld via het Belgisch-Nederlandse BENESYNC-

zal komen - vroeg minister Fientje Moerman aan de VRWB om

consortium dat 6% van de constructie- en de exploitatiekosten

de Vlaamse deelname hieraan te analyseren. Een belangrijk

voor zijn rekening neemt (elk land voor 3%).

aspect hierin is de vraag of de investeringen (federaal en Vlaams) wel beantwoorden aan een wetenschappelijke nood en welke

De Belgische bijdrages zijn ten laste van de (federale)

de te verwachten wetenschappelijke en economische return is.

Interdepartementale Begroting Wetenschapsbeleid, het ‘lidgeld’

Ze informeerde ook naar hoe de financiering verloopt van

voor CERN is afkomstig van de federale overheidsdienst

Vlaamse projecten die gebruik maken van deze infrastructuur

Economie, KMO, Middenstand en Energie en dit voor de

en hoe het systeem mogelijks kan verbeterd worden.

andere instellingen wordt beheerd door de federale overheidsdienst Wetenschapsbeleid.

1 VRWB - Advies 106 ‘De Vlaamse deelname aan grote internationale onderzoeksinfrastructuur’, 28 september 2006

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 D O S S I E R S

federaal niveau gefinancierd.

2.2 FINANCIËLE BIJDRAGE BELGIË LIDGELD

lidgeld voor het gebruik van deze infrastructuur - wordt ook op


226

Figuur 2.1: Relatieve verhouding van de financiële

Het

federale

lidgeld

moet

worden

gezien

als

een

basisfinanciering die momenteel enkel de toegang tot de grote

bijdragen (in euro)

installaties (deeltjesversnellers, synchrotronring, centrale bundellijnen) verzekert. De eigenlijke projectkosten vallen buiten deze financiering; het zijn de Gemeenschappen en

2.000.000 3.500.000

Gewesten die hiervoor instaan. Het lidgeld dekt ook niet de uitrustingskosten, werkingskosten (zoals loonkosten voor wetenschappelijk, administratief en technisch personeel) van de

2.000.000

participerende onderzoeksgroepen. De financiering van deze zgn. institutionele kosten, samen met de ‘gewone’ projectkosten, gebeurt in Vlaanderen voornamelijk via het FWO. Het efficiënte gebruik van deze installaties wordt bepaald door de beschikbaarheid van voldoende Vlaamse middelen.

■ EBMO/EMBL

16.500.000

De dimensie en de aard van het onderzoek aan dergelijke

■ ESO

grote wetenschappelijke instituten/infrastructuren is meestal

■ ESRF

zeer verschillend van dat van klassieke (FWO-) projecten:

■ CERN ●

de omvang en de financiële behoeften van de internationale initiatieven is meestal veel hoger dan deze van de andere

Figuur 2.1 toont de relatieve verhouding van deze financiële bijdragen (in euro).

projecten; ●

deze initiatieven vereisen meestal een veel langere looptijd en hebben dikwijls een structureel karakter met een fase van opbouw van specifieke instrumenten en daarna een

2.3 FINANCIERING O&O-PROJECTEN AAN DEZE APPARATUUR

exploitatiefase; ●

men moet ook kunnen intekenen op projecten en participeren aan technologische ontwikkelingen onder

Het gebruik van de unieke onderzoeksapparatuur (versnellers,

de vorm van een partnership. Dit impliceert een koppeling

telescopen ...) wordt verleend op basis van zorgvuldig

aan de programmering en timing van de internationale

uitgewerkte experimentvoorstellen die gedragen zijn door een

installaties.

internationale samenwerking en gebaseerd op een diepgaande evaluatie op internationale schaal. Het toekennen van bundel-

Zo zijn bv. de complexiteit, grootteorde, financiële impact

of meettijd gebeurt eveneens vnl. op basis van de kwaliteit

en duur van de experimentele campagnes op CERN vaak van

van de ingediende projecten en ook de wetenschappelijke

die aard dat er grote internationale samenwerkingsverbanden

partners worden voor hun excellentie gekozen. De federale

moeten worden opgezet, waarin getracht wordt de nodige

basisfinanciering die weliswaar de toegang tot deze onderzoeks-

materiële en menselijke middelen (bouw van detector, bemanning

faciliteiten verschaft, staat dus niet automatisch garant voor

van experimenten …) te verenigen en waarin afspraken over

deelname aan de eigenlijke experimenten, waarnemingen ...

de (financiële) verantwoordelijkheden worden gemaakt.

De Vlaamse onderzoeksgroepen concentreren zich op een beperkt aantal experimenten, via een bewuste keuze en conform de langdurig opgebouwde expertise, waarmee ze op hoog niveau kunnen meespelen. Ze zijn hierin ook succesvol.


227

2.4 EEN GETRAPT SYSTEEM VOOR FINANCIERING VAN BIG-SCIENCE PROJECTEN

installaties en daar dus ter plaatse werken, meerekenen in de wetenschappelijke return. Voor zover mogelijk werden gegevens verzameld voor de punten 1, 2 en 4. Vaak zijn enkel cijfers voor België beschikbaar en is geen opsplitsing per regio mogelijk.

De wijze waarop dergelijke grote en langlopende initiatieven worden beheerd en gefinancierd vanuit de structurele

De algemene conclusie is dat Vlaanderen/België zich, ondanks

betoelagingskanalen van het FWO vormt echter een knelpunt.

de goede slaagpercentages (zie boven), niet optimaal profileert

Dit FWO-financieringsmechanisme maakt ook de consolidatie

en dat we de geboden mogelijkheden om aan deze

van het menselijk potentieel onzeker. De chronische onder-

onderzoeksinfrastructuren deel te nemen nog beter kunnen

financiering geeft aanleiding tot een onvoldoende uitgebouwde

benutten.

staf van postdocs maar ook van aspiranten. Een paar voorbeelden: in 2004 waren slechts 89 van de 6.862 Om hiervoor een oplossing te bieden stelt de VRWB voor een

‘visitors’ aan CERN van Belgische nationaliteit, een percentage

getrapt systeem uit te werken. Deze financiering moet, in eerste

van 1,3%. T.o.v. het Belgische aandeel in het CERN-lidgeld van

instantie althans, beperkt zijn tot deze infrastructuren waarvoor

2,62%, is dit een onderbenutting. Op de publieke bundellijnen

de federale overheid het lidgeld betaalt.

van ESRF haalt het BENESYNC-consortium, in termen van gebruik van bundeltijd, een wetenschappelijke return van

Het voorgestelde systeem omvat:

5,29% tegenover 5,89% als berekende ‘ideal share’. Er is dus

●

Het federale lidgeld, dat de toegang tot de infrastructuur

een deficit ten opzichte van de ‘juste retour’ van ca. 10%.

verschaft;

Het slaagpercentage van Belgische waarnemingsvoorstellen bij

Een nieuwe specifieke, recurrente kredietlijn binnen het

ESO is in het algemeen vergelijkbaar met dat van de andere

FWO, financieel duidelijk afgescheiden en betoelaagd met

lidstaten. EMBO-EMBC-EMBL is in deze reeks internationale

afzonderlijke middelen, voor de zogenaamde institutionele,

initiatieven een buitenbeentje; het gaat hier eerder om een

logistieke kosten van die big science projecten in directe

‘fellowship’systeem, waarbij de begunstigden geselecteerd worden

correlatie met de betrokken faciliteiten;

op basis van hun excellentie, dan om de infrastructuur/

Via de bestaande financieringskanalen, i.h.b. het FWO, maar

apparatuur. Wat het aantal deelnemende onderzoekers betreft,

ook bv. IUAP’s … (blijven) de eigenlijke ‘adhoc’ onderzoeks-

scoort België onder het gemiddelde. Dit heeft vooral te maken

projecten gefinancierd worden.

met de geringe mobiliteit van Vlaamse/Belgische onderzoekers.

●

●

Nochtans hebben we er alle belang bij dat het federale lidgeld,

hebben weten te profileren, die een trekkersrol spelen in hun

dat de toegang tot deze multilaterale installaties verzekert, optimaal

domein en hierdoor geselecteerd werden voor een project

wordt benut zowel op wetenschappelijk als op economisch vlak.

aan een grote onderzoeksinfrastructuur, op een financieel engagement voor een langere periode (in betere verhouding

Het is aan de Vlaamse overheid, die de middelen aan de

tot de looptijd van de big science projecten, typisch tien - vijftien

onderzoekers biedt, om optimaal op de geboden opportuniteiten

jaar) kunnen rekenen.

in te spelen. Ook stimuli voor mobiliteit zijn volgens de VRWB van groot belang. Hierbij moet men er op toezien dat het een brain circulation wordt en geen brain drain.

2.5 WETENSCHAPPELIJKE RETURN De minister polste ook naar de wetenschappelijke return van

2.6 ECONOMISCHE RETURN

deze belangrijke investeringen. De wetenschappelijke return bevat verschillende componenten en kan geëvalueerd worden

Over het algemeen is de economische return naar België die

door: (1) na te gaan hoeveel Vlaamse onderzoekers betrokken

voortvloeit uit het lidmaatschap van deze infrastructuren

zijn in het onderzoek, (2) de positie te bekijken die de Vlaamse

(hieronder wordt de directe industriële return uit leveringen en

onderzoekers innemen in de beleidsorganen en in principe

diensten aan installaties door Belgische ‘leveranciers’ verstaan),

ook (3) via bibliometrische gegevens. Verder (4) kan men ook

goed tot zeer goed. Afzonderlijke cijfers voor Vlaanderen

nog de onderzoekers en technici die verbonden zijn aan de

worden niet aangeleverd.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 D O S S I E R S

Deze werkwijze moet toelaten dat die onderzoekers die zich


228

De economische return voor CERN is gedurende de laatste jaren steeds hoger geweest dan het bijdragepercentage in het

2.7 TOEKOMSTIGE INITIATIEVEN EN OPPORTUNITEITEN

lidgeld. Benaderende gegevens voor Vlaanderen, berekend door Voka, tonen echter aan dat de return naar onze regio,

Gezien de lange looptijd van projecten aan deze internationale

voor wat CERN betreft, totaal ondermaats is (< 5%). De Belgische

infrastructuren worden nu al plannen voor de toekomst (2015)

return wordt door ESRF gesitueerd in de context van het

uitgetekend. Dit betekent dat, indien Vlaanderen hierin wil

BENESYNC consortium en de gegevens van beide landen

blijven meespelen:

worden niet afzonderlijk gecompileerd. Voor de periode 2002-2005 behaalde het BENESYNC consortium een return

●

in de ESRF van slechts 0,35 (just return = 1). In 2006 heeft België een bestelling van 3 miljoen euro (48% van de totale

een snelle oplossing voor de bestaande knelpunten zich opdringt;

●

zowel universiteiten als industrie alert moeten (kunnen)

bestellingsenveloppe voor ESRF voor 2006) binnen gehaald.

inspelen op en actief gebruik maken van de wetenschappelijk/

Dit zal het beeld totaal veranderen. Het is echter duidelijk dat

technologische opportuniteiten die zich aanbieden en voor

ook hier de Vlaamse return ver beneden het normale peil ligt.

ontwikkelingen in domeinen waar we niet in kunnen/

In de laatste 10 jaar werd voor ESO door België een overall

mogen ontbreken;

return coëfficiënt (verhouding van procentuele uitgave in een lidstaat tot de procentuele bijdrage) van 2,16 behaald, wat de

●

ook op Vlaams niveau zal snel moeten worden nagedacht over keuzes wat eventuele toekomstige initiatieven betreft.

hoogste is onder de lidstaten. Het is belangrijk dat men de nieuwe (Europese) initiatieven die Een

de

op het getouw staan (voorstellen van het ‘European Strategy

opportuniteiten die zich voor industriële partners bij deze grote

gebrekkige

informatiedoorstroming

omtrent

Forum on Research Infrastructures’ ESFRI) grondig analyseert

infrastructuur en projecten aandienen, is een belangrijke

en zich pro-actief inschrijft in deze wetenschappelijke en

oorzaak van de Vlaamse onderreturn.

technologische ontwikkelingen. Ook de grote Europese spelers kunnen het vaak niet allemaal alleen en hebben baat bij een

De VRWB beveelt daarom aan dat een actieve politiek van

sterk partnership. Bovendien gaat dergelijke apparatuur (zoals:

informatiedoorstroming en -uitwisseling wordt gevoerd, en dat

ITER, X-ray free Electron Laser, Neutron Spallation Source,

hiervoor een efficiënt forum/kanaal wordt opgezet. Zowel het

Zeer Hoge Magneetvelden, GRID ...) de mogelijkheden van

capteren, het doorgeven als het gebruiken van de informatie is

een klein land te boven.

hierin een belangrijk gegeven. Voldoende consultatie en overleg van de federale overheid Significante economische return, via openbare aanbestedingen,

met de regionale overheden over multilaterale infrastructuur is

is voornamelijk te verwachten in de bouwfase of in periodes

een noodzaak. Grondig voorafgaand overleg met het volledige

van grote vernieuwing aan deze infrastructuren.

potentieel betrokken (wetenschappelijk) gremium in Vlaanderen is evenzeer van groot belang.

Uiteraard is economische return veel breder dan enkel deze directe industriële return. Vaak levert het onderzoek talrijke toepassingen op en leidt tot spin-offs. Ook de indirecte return door bestellingen van de onderzoeksgroepen, de opleiding van onderzoekers zijn aspecten die als ‘economische’ return kunnen onderscheiden worden, maar die zijn veel moeilijker kwantificeerbaar.

Tot

slot

dient

opgemerkt

dat

de

technologische return veel verder reikt dan het onmiddellijk commerciële voordeel. Deelname aan een hoog technologisch project zal, naast zijn referentiewaarde, de Belgische industrie de mogelijkheid bieden bruikbare deskundigheid te verwerven voor andere toepassingen en andere markten.


229

DOSSIER 3: T E C H N O LO G I E E N I N N OVAT I E I N VLAANDEREN: PRIORITEITEN Door E. Smits (VRWB), E. Ratinckx (VRWB), V. Thoen (VRWB) o.l.v. K. Debackere (K.U.Leuven), E. Monard (FWO), D. Raspoet (VRWB) en K. Vinck (VRWB)

3.1 SITUERING

Concreet resulteerde deze studies in de oprichting van Flamac en Flanders’ FOOD als een samenwerkingsverband tussen

Technologie en innovatie zijn van cruciaal belang voor

bedrijven en hun sectororganisatie, de academische wereld en

de sociaal-economische ontwikkeling van Vlaanderen. Voor een

de Vlaamse Regering.

kleine regio als Vlaanderen is de ontwikkeling van een strategische visie noodzakelijk wil het ook internationaal iets te betekenen

De huidige verkenningsstudie kadert in het initiatief van de

hebben. Waar leggen we onze prioriteiten om welvaart en

VRWB om een langetermijn referentiekader te ontwikkelen

welzijn in de toekomst te blijven verzekeren? De overheid,

voor technologie en innovatie in Vlaanderen, rekening

bedrijven en kennisinstellingen zullen samen moeten focussen

houdende met de eigen techno-economische context enerzijds,

en kritische massa creëren op domeinen die de Vlaamse

met de internationale trends anderzijds, en de mogelijke en

concurrentiepositie versterken en waarvan de potentiële

gewenste kruisbestuiving tussen beide.

maatschappelijke baten aanzienlijk zijn. Een dergelijk beleid vergt een beperkt aantal weloverwogen keuzes en inspanningen. De Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid (VRWB) heeft

3.2 METHODOLOGISCH KADER

daarom begin 2005 een verkenningsstudie op macroniveau opgestart. Hiermee wil de VRWB een cartografie aanreiken van

Het methodologisch kader voor technologieverkenningen

de strategische keuzes inzake technologie en innovatie die

(Debackere et al., 2000) laat toe om de ontwikkeling van

welvaart en welzijn in Vlaanderen blijvend kunnen verzekeren.

techno-economische domeinen te identificeren, te onderzoeken, te monitoren én te ondersteunen, en dit vanuit het oogpunt om innovatie in de Vlaamse regio aan te moedigen.

Geens, de toenmalige voorzitter van de Vlaamse Regering,

Steeds vertrekkende van een concrete beleidsvraag heeft het

technologieverkenningen met een langetermijnvisie als een

methodologisch kader voor verkenningsstudies als essentieel

belangrijk thema voor de werking van de VRWB. De VRWB

element het stimuleren en ondersteunen van de participatie

ontwikkelde ondertussen, in samenwerking met de onderzoeks-

van de betrokken actoren.

divisie Incentim van de K.U.Leuven, heel wat kennis en ervaring met de organisatie en de sturing van technologieverkennings-

Op basis van inzichten in de relatieve positie van Vlaanderen

projecten (Monard et al., 2005 en Smits et al., 2006). Er werd

voor wat betreft wetenschappelijk en technologisch onderzoek,

een

en

innovatie en economische activiteit enerzijds, en inzichten in de

technologieverkenningen ontwikkeld (Debackere et al., 2000)

belangrijke en relevante ontwikkelingen bepaald op basis van

dat in opdracht van de VRWB aan de praktijk werd getoetst

een Europese trendanalyse anderzijds, werden de volgende zes

voor twee belangrijke sectoren in Vlaanderen: namelijk de

strategische clusters voor Vlaanderen geselecteerd:

methodologisch

kader

voor

wetenschaps-

chemie en de voedingssector (Verbeek et al., 2004a en b). Deze methodologie werd eerder ook al toegepast in opdracht

●

van de multisectorfederatie AGORIA Vlaanderen (Van Looy et al., 2001). De verworven inzichten hebben bedrijfsleiders en onderzoekers uit die specifieke domeinen sterk geïnspireerd. Voor beleidsmakers hebben deze sectoriële verkenningsstudies een ondersteunend kader aangereikt om tot beter geïnformeerde keuzes te komen en om acties en instrumenten te ontwikkelen.

Strategische cluster 1: Transport - Logistiek - Diensten Supply chain management

●

Strategische cluster 2: ICT en Diensten in de Gezondheidszorg

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 D O S S I E R S

Reeds bij de opstart van de VRWB in 1986 beschouwde Gaston


230

●

Strategische cluster 3: Gezondheidszorg - Voeding Preventie en behandeling

●

Strategische cluster 4: Nieuwe

materialen

-

Nano-

technologie - Verwerkende industrie ●

Strategische cluster 5: ICT

voor

3.3 PRIORITEITEN VOOR DE ZES STRATEGISCHE CLUSTERS 3.3.1 Transport - Logistiek - Diensten - Supply chain

Socio-economische

management

Innovatie ●

Strategische cluster 6: Energie en Milieu voor Diensten

De transport- en logistieke industrie zal zich onder invloed

en Verwerkende industrie

van een ruime waaier van technologieën sterk ontwikkelen. De transportsystemen van de toekomst moeten beantwoorden

Per strategische cluster werd een panel samengesteld met experts

aan de stijgende kwantitatieve noden en aan de wijzigende

uit het bedrijfsleven en de kennisinstellingen. Deze experts

kwalitatieve vereisten van de gebruikers, onder meer op het

hebben, elk voor hun domein, om en bij de 160 technologische

vlak van functionaliteit, kwaliteit, veiligheid, betrouwbaarheid,

en economische ontwikkelingen geanalyseerd en aan de

duurzaamheid en milieu-impact. Voor Vlaanderen vormen het

Vlaamse situatie getoetst. Dit resulteerde in 30 prioritaire

realiseren van een effectief en efficiënt intermodaal

technologiedomeinen waarin Vlaanderen tegen 2015 een

verkeersmodel, het verder uitbouwen van intelligente supply

koppositie kan nemen in Europa en in de wereld (cfr. VRWB-

chain managementtechnieken én het ontwikkelen en creëren

studiereeks 18). Tabel 3.1 geeft een bondig overzicht van de

van intelligente vervoerssystemen duidelijke prioriteiten voor de

technologiedomeinen die finaal als prioriteiten voor Vlaanderen

komende jaren. Door bij het nastreven van deze prioriteiten

naar voren werden geschoven.

intensiever gebruik te maken van virtuele ontwerp- en productietechnieken kan Vlaanderen in deze domeinen een vooraanstaande rol innemen.

Tabel 3.1: Prioriteiten voor de zes strategische clusters in Vlaanderen Zes strategische clusters voor Vlaanderen Strategische cluster 1: Transport - Logistiek - Diensten - Supply chain management

Strategische cluster 2: ICT en Diensten voor de Gezondheidszorg

Strategische cluster 3: Gezondheidszorg: Preventie en behandeling

Voeding en Landbouw

Strategische cluster 4: Nieuwe materialen - Nanotechnologie - Verwerkende industrie

Strategische cluster 5: ICT voor Socio-economische Innovatie

Strategische cluster 6: Energie en Milieu voor Diensten en Verwerkende Industrie

Prioriteiten voor Vlaanderen - Intermodaal verkeer - Intelligent supply chain management - Intelligente vervoerssystemen - Virtueel ontwerp en productie - E-health met klemtoon op het elektronisch medisch dossier en de integratie van de verschillende zorginformatiesystemen - Innovatieve zorgdiensten en producten op vlak van (thuis)zorg - Medische beeldvorming - en verwerking - Multidisciplinariteit: bioinformatica - chemoinformatica - neuroinformatica - Moleculaire diagnostiek en biomerkers - Preventieve en therapeutische vaccins - Celtherapie - Moleculair biologisch onderzoek voor gerichte diagnose en therapie - Translationele geneeskunde - Interdisciplinariteit met toepassingen in de gezondheidszorg - Relatie tussen voeding en gezondheid - Agrarische biotechnologie - Industriële biotechnologie - Gestructureerde micro-en nanomaterialen - Materialen voor de nano-electronica, micro-optica, fotonica, micro-mechanica, … - Materialen met een unieke samenstelling - Materialen en materiaalsystemen die interageren met de omgeving - Enabling technologies - Geavanceerde netwerken: breedband -mobiel -draadloos - Eigenschappen van geavanceerde netwerken: gebruiksvriendelijkheid en ‘ambient intelligence’, ‘context awareness’, veiligheid - Convergerende technologieën en applicatieontwikkeling - E-toepassingen: e-health en e-society - Efficiënt energiegebruik in de industrie en gebouwen - Smart Grids - Energiegeneratie - Duurzaamheid van productieprocessen en producten


231

3.3.2 ICT en Diensten voor de Gezondheidszorg

in de richting van gepersonaliseerde geneeskunde. De grote biotechnologische vooruitgang in combinatie met toenemende

Integratie van informatie- en communicatietechnologie in de

kennis van infectieziekten en immunologie zal leiden tot

gezondheidszorg kan enerzijds de kwaliteit verbeteren en

de ontwikkeling van nieuwe vaccins. Investeringen in

anderzijds toelaten kostenefficiënter te werken. De laatste jaren

biotechnologische productieplatformen voor efficiënte vaccin-

zetten e-health- of e-gezondheidstoepassingen zich meer

productie zullen het vaccinlandschap aanzienlijk veranderen.

en meer door. De klemtoon ligt hierbij op de omschakeling

Biotechnologische ontwikkelingen worden ook steeds vaker

van het geschreven naar een elektronisch medisch dossier.

toegepast voor therapeutische doeleinden. Celtherapie is daarbij

Verder staan de geïntegreerde zorgtrajecten - ondersteund door

in volle ontwikkeling. De volgende tien jaar zal de ontrafeling

een geïntegreerd en geautomatiseerd informatiesysteem -

van de moleculaire mechanismen die aan de basis liggen van

centraal om patiëntgericht te werken én doelmatiger gebruik

specifieke aandoeningen een steeds vroegere en nauwkeurige

te maken van middelen.

diagnosestelling en een gerichte therapie mogelijk maken. Vooral onderzoek op het grensvlak van laboratorium en kliniek,

Door de toenemende vergrijzing wordt ook een toename aan

het zogenaamde translationeel onderzoek is van groot belang

nieuwe diensten in de zorgsector verwacht; dergelijke diensten

voor verdere verbetering van de behandelingsmethoden.

worden mogelijk door het oordeelkundig ontwikkelen en

Het moderne onderzoek in de levenswetenschappen kenmerkt

gebruiken van ICT-platformen. Innovaties op vlak van thuiszorg

zich door een toenemende omvang en complexiteit. Ook hier

bevorderen het langer zelfstandig thuis wonen en kunnen op

wordt interdisciplinariteit het sleutelwoord. Een toenemende

die manier kostenstijgingen in de gezondheidszorg beperken.

convergentie van biotechnologie, nanotechnologie, informatietechnologie en cognitieve wetenschappen wordt verwacht met

De digitalisering van de medische beeldvorming en -verwerking

veel toepassingsmogelijkheden in de gezondheidszorg.

is een feit. De computerondersteunde diagnose is sterk in

Een combinatie van goed opgeleide mensen en hoogwaardige

opkomst en moet toelaten de veelheid aan medische beelden

faciliteiten is essentieel om de onderzoeksinfrastructuur in

te analyseren. Moleculaire beeldvorming is een veelbelovende

Vlaanderen sterk competitief te houden.

techniek voor de toekomst. De relatie tussen voeding en gezondheid zal steeds duidelijker worden door interdisciplinair onderzoek m.b.t. voedings-

informatiebronnen en domeinen is belangrijk: een goede

wetenschappen en medische wetenschappen. In de landbouw-

balans is nodig tussen verdiepend onderzoek in specialisatie-

en voedingsector verwacht men door een toenemende kennis

domeinen enerzijds en in interdisciplinair onderzoek anderzijds.

van genetica en de moleculaire biologie steeds meer genetische

Meer specifiek is de integratie tussen ICT en biotechnologie,

interventies in gewassen. Op die manier kunnen gewassen

ICT en chemie én ICT en neurowetenschappen van bijzonder

worden ontwikkeld die beter aansluiten bij de noden van

belang. Deze convergentie van hoog gespecialiseerde

consumenten en industrie, waarbij ziekteresistentie, productiviteit

wetenschappen biedt een groot groeipotentieel en kansen op

alsook tolerantie tegenover extreme omgevingsfactoren

de ontwikkeling van nieuwe applicaties.

prioritair zijn. Tot slot is de industriële biotechnologie, met toepassingen in de voedingssector, sterk in opmars.

3.3.3 Gezondheidszorg - Voeding - Preventie en behandeling

3.3.4 Nieuwe materialen - Nanotechnologie Verwerkende industrie

De toenemende vergrijzing van onze samenleving maakt technologische innovatie in de gezondheidszorg tot dé

Een aantal specifieke materiaaldomeinen, waarin al heel wat

uitdaging voor de toekomst. Zo wordt moleculaire diagnostiek

kennis en expertise is opgebouwd, zullen de komende jaren

steeds belangrijker. Op basis van het (epi)genetisch profiel zal

voor Vlaanderen bijzonder belangrijk worden: de gestructureerde

men kunnen vaststellen wie aanleg heeft voor welke ziekten en

nano- en micromaterialen, de materialen voor de micro/nano-

hoe het verloop van de ziekte zal zijn. Met biomerkers, die

elektronica en -mechanica, materialen met een unieke

opereren op het grensvlak van diagnostiek en therapeutica, kan

samenstelling én materialen die interageren met de omgeving.

men voor patiënten de gepaste therapie selecteren; een stap

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 D O S S I E R S

Multidisciplinariteit en integratie van kennis vanuit verschillende


232

Deze materiaalgerelateerde innovaties worden aangevuld met

Een doorgedreven informatisering en aandacht voor innovatie

een aantal ondersteunende, maar essentiële technologieën.

in de verschillende socio-economische sectoren, zoals e-health,

Tot deze ‘enabling’ technologieën behoren het ontwikkelen van

e-society, … zijn belangrijk voor de verdere ontwikkeling van

nieuwe specifieke onderzoeks- en productietechnieken, het

onze kennismaatschappij. In deze context is er een belangrijke

karakteriseren van materialen en producten, net als het ganse

stimulerende rol voor de overheid weggelegd.

domein van modellering, simulatie en metrologie. Het ontwikkelen van nieuwe productietechnologieën en nieuwe materialen zal leiden tot nieuwe, geavanceerde en

3.3.6 Energie en Milieu voor Diensten en Verwerkende industrie

verbeterde producten, toepassingen en productieprocessen. Het combineren van de materialen en materiaalkennis uit

Energie- en milieutechnologie spelen niet enkel een belangrijke

verschillende domeinen is daarbij cruciaal.

rol binnen Europa maar vormen tegelijk een prominente en snel groeiende wereldmarkt die belangrijke exportmogelijkheden biedt. Ze kunnen bovendien bijdragen tot het

3.3.5 ICT voor Socio-economische Innovatie

oplossen van verschillende belangrijke socio-economische uitdagingen: globale klimaatverandering, uitputting van

De informatiesamenleving is in sterke mate afhankelijk van

energiebronnen, leven in een gezonde omgeving, competitiviteit

haar infrastructuur, waarbij innovatie gerelateerd is aan het

en groei. Nieuwe technologieën moeten echter wel leiden tot

vermogen om informatie van interne en externe bronnen te

een verhoging van de energie-efficiëntie. Efficiënt energiegebruik

gebruiken en te combineren. Voor onze moderne kennis-

is een belangrijke strategie om (toekomstige) energietoevoer te

economie zijn geavanceerde netwerken dan ook onontbeerlijk.

verzekeren, voor economische groei te zorgen en omwille van

Door de evolutie naar een alomtegenwoordig internet evolueert

ecologische redenen. Energie-efficiëntie kan zowel bewerkstelligd

de maatschappij naar een intelligente omgeving waarbij de

worden in de industrie (cfr. warmtekrachtkoppeling) als in

consument gebruik kan maken van allerlei informatie,

gebouwen (cfr. passiefhuistechnologie).

draadloos op gelijk welk moment (‘always connected’) en op eender welke plaats (‘multi-access’). De verdere ontwikkeling

Nieuwe of vernieuwde energietechnologieën kunnen ook een

naar een grotere bandbreedte en van mobiele en draadloze

belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van innovatieve

toepassingen wordt daarbij als prioritair beschouwd.

energiegeneratie. De voor Vlaanderen als prioritair gestelde technologieën zijn zonne-energie, biomassa, efficiënt gebruik

Het gebruiksvriendelijker en eenvoudiger maken van ICT-

van fossiele brandstoffen, kernenergie en brandstofcellen.

diensten moet het comfort van de consument sterk verhogen.

Ook het belang van intelligente elektriciteitsnetten (cf. ‘smart

Het inbouwen van een zekere mate van intelligentie in ICT is

grids’), waarbij energie op een geïntegreerde, efficiënte manier

daartoe onontbeerlijk.

lokaal gegenereerd en gedistribueerd kan worden, is groot. De ontwikkeling van ‘smart grids’ vergt niet alleen hardware-

Geavanceerde netwerken moeten tevens ‘ambient intelligent’

ontwikkeling voor o.m. de sturing en meting maar ook software

zijn, waarbij ICT alomtegenwoordig is, ook in alledaagse objecten

die een dergelijk systeem en haar onderdelen moet beheersen

(bv. kleding). Verder wordt ‘context awareness’ een steeds

en de bedrijfszekerheid ervan dienen te garanderen.

belangrijker eigenschap van informatiediensten die rekening moeten houden met een aantal kenmerken en voorkeuren van

Milieuvriendelijke productieprocessen (cfr. ‘closed loop’),

de gebruiker. Ook een verbetering van de veiligheid van

industriële en agrarische biotechnologie, en de sanering van water,

intelligente netwerken zodat privacy en beveiliging van data

lucht en bodem, zullen bijdragen tot de duurzaamheid van

kan gegarandeerd worden, staat hoog op de agenda.

productieprocessen en producten. Biotechnologische productieprocessen beloven bijvoorbeeld een hogere efficiëntie in

De convergentie van technologieën en multidisciplinaire

vergelijking met hun scheikundige tegenhanger. Zij kunnen

domeinen (cfr. de door National Science Foundation

gebruikt worden in een tal van sectoren: farmaceutische

beschreven Bio-Nano-Cogno-Info integratie) en daaruit

industrie, chemie, voedselverwerking, pulp en papier, enz.

voortvloeiend de ontwikkeling van nieuwe toepassingen, vormen bovendien een belangrijke uitdaging.


233

Figuur 3.1: Het belang voor innovatie en de actuele positie van Vlaanderen inzake 15 kritische innovatiefactoren zoals gepercipieerd door de zes expertpanels

ACTUELE POSITIE VLAANDEREN

Gemiddeld competitief

Dual use

Onvoldoende competitief

Niet belangrijk

Belangrijk

W&T communicatie Nieuwe leermethodes R&D settings

Menselijk kapitaal Internationale netwerken

Innovatie bij KMO Arbeidsmarkt Loonkost Fiscaliteit Innovatief aanbesteden Bureaucratie

Regelgeving Risicokapitaal Langetermijnvisie onderzoeksfinanciering

Zeer belangrijk

Essentieel

BELANG VOOR INNOVATIE

3.4 KRITISCHE INNOVATIEFACTOREN

3.5 CONCLUSIE

Strategische keuzes alleen volstaan echter niet om welvaart en

Deze eerste verkenningsoefening op Vlaams niveau biedt

welzijn te blijven verzekeren. Een gunstig omgevingskader is

beleidsmakers een referentiekader dat strategische beleids-

minstens even belangrijk. Tijdens de interactieve panelsessies

keuzes op vlak van technologie en innovatie kan ondersteunen

werden door de experts 15 kritische innovatiefactoren

en motiveren. De resultaten kunnen eveneens als inspiratie-

geïdentificeerd.

bron dienen voor onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten binnen zowel de kennisinstellingen als de bedrijven. Verkenningsstudies kunnen op deze manier de brug vormen

gerangschikt op basis van hun belang voor innovatie en

tussen de gezonde dynamiek van stuwen en sturen die het

de actuele positie van Vlaanderen hierin (zie figuur 3.1).

onderzoeks- en innovatieproces kenmerken. ’Bottom-up’

Het spreekt vanzelf dat deze randvoorwaarden op basis van

stuwen van creativiteit en initiatief is absoluut noodzakelijk om

kwantitatieve economische analyses nog verder kunnen

te komen tot succesvolle innovatietrajecten. ‘Top-down’ of het

worden verfijnd om aldus te komen tot meer gedetailleerde

op een meer sturende manier bundelen van krachten is echter

inzichten met het oog op mogelijke beleidsimplicaties en

evenzeer noodzakelijk wil men de opgestuwde innovatieve

daaruit afgeleide beleidsaanbevelingen. Dit laatste aspect vergt

kracht effectief transformeren in daadwerkelijke economische

evenwel een meer diepgaande studie.

slagkracht. Het is bijgevolg juist op het kruispunt van stuwen en sturen dat verkenningsstudies hun maximale toegevoegde

Om de innovatieve slagkracht van Vlaanderen te verhogen is

waarde kunnen hebben (zie figuur 3.2). Bovendien creëert

het van groot belang gelijktijdig en harmonieus in te spelen op

deze verkenningsstudie, door haar procesmatig en interactief

zowel de prioriteiten (product- en procesinnovatie) als op de

karakter, betrokkenheid van alle actoren bij het innovatie-

kritische innovatiefactoren (structurele innovatie). Dit bleek

gebeuren en dus ook bij de ontwikkeling van een toekomstvisie

immers de succesformule te zijn in de Scandinavische landen.

voor Vlaanderen.

De overheid speelt bij dit alles een belangrijke rol als katalysator. Het is immers aan de overheid om een gunstig omgevingsklimaat voor innovatie te creëren.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 D O S S I E R S

Deze randvoorwaarden werden vervolgens door de experts


234

Figuur 3.2: De valorisatie van het referentiekader situeert zich op twee dimensies: naar intensiteit tussen stuwen en sturen en naar betrokkenheid van het beleid van hands-off naar hands-on

Hands-on Keuzes maken Selectiekader Competentiepool Strategische onderzoekscentra

BETROKKENHEID VAN HET BELEID Toetsingskader Beheersovereenkomsten Ronde Tafel Inspiratiebron onderzoek en beleid

Hands-off Stuwend

3.6 REFERENTIES • DEBACKERE K., VEUGELERS R., BOUWEN R., VAN LOOY B., ZIMMERMAN E. Methodological framework for examining science and technology in Flanders, K.U.Leuven, 2000 • MONARD E., RASPOET D., Verkennen om te kiezen, Delta 4, 2005 • SMITS E., VAN LOOY B., DEBACKERE K., MONARD E., Five years of regional technology foresight: the Flemish experience, Veille Stratégique Scientifique et Technologique, Lille, 2006 • VAN LOOY B., DEBACKERE K., ANDRIES P., ZIMMERMAN E., CALLAERT J., VERBEEK A. Technologies for the future: looking a decade ahead, Incentim K.U.Leuven , 2001 • VERBEEK A., DEBACKERE K., WOUTERS R. Chemische industrie in Vlaanderen. Gepubliceerd door de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid (www.vrwb.be), 2004a • VERBEEK A., DEBACKERE K., WOUTERS R. De voedingsindustrie in Vlaanderen. Gepubliceerd door de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid (www.vrwb.be), 2004b • VRWB-STUDIEREEKS 18, Technologie en innovatie in Vlaanderen: Prioriteiten. Gepubliceerd door de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid (www.vrwb.be), 2006

INTENSITEIT

Sturend


235

DOSSIER 4: SAMENWERKING UNIVERSITEITEN E N B E D R I J V E N : E E N S T U D I E VA N D E I N T E R N AT I O N A L E L I T E R AT U U R Door B. Van Looy (K.U.Leuven), C. Lecocq (K.U.Leuven), R. Belderbos (K.U.Leuven), D. Faems (K.U.Leuven), R. Veugelers (K.U.Leuven) i.s.m W. Vanhaverbeke (TUEindhoven), G. Duysters (TUEindhoven) en A P. De Man (TUEindhoven)

4.1 INLEIDING: NAAR EEN BREDERE BENADERING VAN INNOVATIEVE SLAGKRACHT.

Freeman (1987) gebruikte als eerste de term “nationaal innovatie systeem” bij zijn analyse van de Japanse economie. Maar ook het werk van Nelson (1993) waarin de samenstelling van het wetenschappelijke en technologische weefsel in de US systematisch

Vanaf het midden van de jaren ’80 wordt het innovatie-

vergeleken werd met andere landen, wordt beschouwd als één

gebeuren meer en meer als een systeem benaderd; de

van de hoekstenen van de huidige versie van het concept

ontwikkeling, diffusie en het gebruik van kennis - nodig voor

“nationaal innovatie systemen”2. Om de complexiteit van het

het totstandkomen van innovaties - worden gedragen door een

innovatieproces te vatten, wordt dus een breder perspectief

verscheidenheid aan actoren. Naast de ondernemingen, wordt

naar voor geschoven, waarbij innovatie wordt gezien als het

ook de rol van de overheid en onderzoeksinstellingen erkend1.

resultaat van zowel acties van als interacties tussen verschillende

In 1985 introduceerde Lundvall het concept “innovatie systeem”.

actoren gesitueerd in een welbepaalde institutioneel kader.

Figuur 4.1: Nationale Innovatie Systemen (OECD, 1997)

Macroeconomic and regulatory context

Global innovation networks

Regional innovation systems

Communication infrastructure

Knowledge generation, diffusion and use

Other research bodies

Firms’ capabilities and networks Science system

Clusters of industries

Supporting institutions Product market conditions

National innovation system

Factor market conditions

National innovation capacity

COUNTRY PERFORMANCE Growth, job creation, competitiveness

1 Andere modellen zoals de Triple Helix (Etzkowitz, 1996, 1998) en het Triangle model (Sabato, 1975) erkennen dezelfde drie central actoren, maar focussen respectievelijk op de rol van de universiteit en de overheid binnen het innovatieproces (Etzkowitz, 2000). 2 Ook Porter and Whitley bestudeerden nationale systemen maar legden minder de nadruk op innovatie.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 D O S S I E R S

Education and training system


236

Een veelheid aan studies toont aan dat de economische groei

Chesbrough (2003) beschrijft hoe het gesloten innovatiemodel

en de welvaart van een land of regio in grote mate worden

evolueerde tot een open innovatiemodel. Dit open innovatiemodel

bepaald door de competitiviteit en het innovatievermogen van

(figuur 4.3) verwijst naar het combineren van zowel interne

het industriële weefsel. De innovatieve slagkracht van een regio

als externe bronnen van innovatie evenals het gebruik van

of land wordt op zijn beurt gedreven door een O&O

interne en externe kanalen om nieuwe producten op de markt

georiënteerd industrieel weefsel, een sterke wetenschappelijke

te brengen.

basis en een overheid die investeert in onderwijs en onderzoek en een stimulerende ondernemende omgeving creëert.

Een toenemende complexiteit van de kennisbasis in combinatie

Daarnaast bevordert samenwerking tussen verschillende

met de ontwikkeling van gefocuste strategieën, versterkt de

actoren - in het bijzonder bedrijven en onderzoeksinstellingen -

noodzaak op bedrijfsniveau om meer beroep te doen op

het proces van kenniscreatie en kennisdiffusie en verhoogt de

kennispartners. Daarnaast kan samenwerking op het vlak van

innovatieve performantie van regio’s.

innovatie ook leiden tot het verkorten van de doorlooptijd en het reduceren van kosten en risico’s. Omgekeerd laat open innovatie ook toe om nieuw ontwikkelde technologieën of

4.1.1 Samenwerking op het niveau van ondernemingen: een overzicht van de belangrijkste aandachts-

producten te valoriseren die niet binnen de eigen exploitatiestrategie passen.

punten In dat verband spelen ook evoluties op het vlak van Voor ondernemingen is innovatie vaak noodzakelijk zowel in

risicodragend kapitaal een rol: in toenemende mate zijn

termen van het uitbouwen van een duurzaam competitief

ondernemende werknemers met een nieuw idee of technologie

voordeel als inzake het realiseren van groei-objectieven.

in staat om deze ideeën via risicofinanciering onafhankelijk te

Om hun innovatieve slagkracht te verhogen, zijn bedrijven in

ontwikkelen tot een winstgevende onderneming (Keil et al.,

toenemende mate aangewezen op het exploreren en

2004). Zo stelt men vast dat het aandeel van de grote bedrijven

assimileren van extern gegenereerde kennis. Tevens doen

(+25.000 werknemers) in de O&O-uitgaven in de Verenigde

bedrijven ook steeds meer aan technologie-outsourcing.

Staten is gedaald van 71% in 1981 tot 39% in 2001. Het aandeel

De toenemende openheid en wisselwerking van bedrijven en

van bedrijven met minder dan 1000 werknemers steeg in

hun bredere omgeving op het vlak van O&O wordt geduid

dezelfde periode van 4% tot 25%.

met de term ‘open innovatie’. Deze term werd naar voor geschoven door Henry Chesbrough (2003). Hij definieert open

Wanneer de open innovatietrend zich doorzet zal ook het

innovatie als een hedendaagse trend in het innovatieproces

gehele innovatieproces van bedrijven een grondige wending

gekenmerkt door een toenemende openheid en wisselwerking

nemen. Innoveren zal niet langer bestaan uit interne O&O-

van bedrijven en hun bredere omgeving. Als dusdanig zorgt

activiteiten van grote industriële bedrijven, maar zal een

deze notie dan ook voor een complementair microperspectief

complex geheel worden van gezamenlijke kennisontwikkeling

ten aanzien van het ‘innovatie systeem’ concept.

en samenwerking in interorganisationele netwerken.

Hoewel al voordien in de literatuur werd verwezen naar het

Tenminste, als dergelijke samenwerking ook effectief bijdraagt

belang van allianties en samenwerking voor innovatie, kan

tot de innovatieve slagkracht van de onderneming. Maar ook

men toch stellen dat tot het midden de jaren ’90 "het gesloten

hier is recent onderzoek eenduidig: samenwerking en allianties

innovatiemodel" overheerste als belangrijkste denkkader

zijn effectief voor het verhogen van de innovatieve slagkracht

binnen de innovatieliteratuur: de verklaringsgrond van

van ondernemingen.

innovatieve performantie van ondernemingen werd in eerste instantie gesitueerd bij de omvang en de organisatie van de

Analyse van de innovatieve performantie van bedrijven (ook in

eigen O&O middelen (zie figuur 4.2).

Vlaanderen en Nederland) toont aan dat een verscheidenheid aan samenwerkingsverbanden een positief effect heeft op de innovatieve slagkracht van bedrijven. Onderzoek aan ECIS toont bovendien aan dat samenwerking een effectievere strategie betreft dan fusies of overnames voor het verhogen van de innovatieve slagkracht van ondernemingen.


237

Figuur 4.2: Gesloten innovatiemodel (Chesbrough, 2003)

ONDERZOEK

ONTWIKKELING

Grenzen van het bedrijf

Onderzoeksprojecten

DE MARKT

Figuur 4.3: Open innovatie (Chesbrough, 2003)

ONDERZOEK

ONTWIKKELING

NIEUWE MARKT

HUIDIGE MARKT

Grenzen van het bedrijf

Wanneer de vraag wordt bekeken met wie men als

Samenwerking met kenniscentra (universiteiten, onderzoeks-

onderneming best samenwerkt - andere ondernemingen zoals

centra) blijkt op dat vlak weinig meerwaarde te bieden.

klanten en leveranciers of ook onderzoekscentra en universiteiten

Een duidelijke meerwaarde van samenwerking tussen

- komt een gediversifieerd en tezelfdertijd coherent beeld naar

bedrijven en kenniscentra â&#x20AC;&#x201C; voor ondernemingen - observeert

voor. Samenwerkingsrelaties met andere ondernemingen - in

men dan wel systematisch op het vlak van het ontwikkelen van

het bijzonder met klanten en leveranciers - blijkt instrumenteel

nieuwe producten en diensten.

te zijn voor het verder ontwikkelen en verbeteren van bestaande producten.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 D O S S I E R S

Onderzoeksprojecten


238

Tabel 4.1: Uitgaven inzake R&D verricht binnen het Hoger Onderwijs (HERD), opgesplitst per financieringsbron 1999 Overheid

Bedrijfsleven

Buitenland

Italië

94,4%

4,8%

0,8%

Andere (nationaal) 0%

Denemarken

89,3%

2,1%

3,7%

4,9%

Portugal

88,7%

1,2%

3,4%

6,7%

Frankrijk

88,5%

3,4%

2,6%

5,5%

Finland

87,2%

4,7%

5,7%

2,4%

Duitsland

87,0%

11,3%

1,7%

0%

Nederland

82,2%

5,1%

3,5%

9,1%

Spanje

72,9%

7,7%

5,8%

13,6%

Zweden

72,4%

3,9%

4,6%

19,0%

Griekenland

67,4%

5,0%

22,8%

4,9%

Ierland

66,1%

6,6%

19,6%

7,7%

België

65,4%

10,9%

9,9%

13,8%

UK

65,0%

7,2%

7,9%

19,8%

EU-15

81,5%

6,9%

4,1%

7,5%

US

71,3%

6,3%

0%

22,4%

Japan

50,0%

2,3%

0%

47,7%

Bron: ‘Third S&T Indicators Report’, EC, 2003

Het observeren van dergelijk, gedifferentieerd patroon dient, bij

4.1.2 Samenwerking op het niveau van kenniscentra en

nader toezien geen verwondering te wekken. Universiteiten en

universiteiten: een overzicht van de belangrijkste

onderzoekscentra zijn net actief op het vlak van onderzoeks-

aandachtspunten.

activiteiten die zich situeren op middellange termijn en die - vanuit het perspectief van economische agenten - veel (markt-)

Niet alleen op het niveau van de innovatieve slagkracht van

exploitatierisico vertonen. Zoals destijds al beargumenteerd

ondernemingen stelt men positieve effecten vast van

door Arrow (1962) wordt innovatie ten dele gekenmerkt door

samenwerking tussen ondernemingen en kenniscentra: een

het risico op marktfalingen: als de onzekerheid over de

veelheid aan onderzoek toont ook aan dat een open,

(technische) haalbaarheid en de risico’s inzake commerciële

ondernemende oriëntatie van kenniscentra en universiteiten

exploitatie te groot worden, zullen economische agenten

positieve effecten ressorteren op het vlak van regionale,

verkiezen niet te investeren in innovatie. Om te vermijden dat

economische ontwikkeling. Voorbeelden zoals Silicon Valley

een

situaties

(US) en in Europa de regio’s rond Cambridge (UK) en

onderinvesteert in innovatie - en hiermee de eigen innovatieve

Stockholm (SE) inspireren tot het stimuleren van een

maatschappij

als

geheel

in

dergelijke

en competitieve slagkracht ondermijnt - worden meer

ondernemende houding bij universiteiten en kenniscentra.

risicovolle, lange termijn, investeringen in (basis)onderzoek

Dergelijke ondernemende houding manifesteert zich door meer

door de overheid ondersteund. Dergelijke ondersteuning

aandacht voor samenwerking via contractonderzoek alsook het

neemt de vorm aan van het betoelagen van universiteiten en

actief stimuleren van het valoriseren van opgebouwde kennis

onderzoekscentra om actief te zijn op het vlak van

aan de hand van spin-off creatie en octrooien.

basisonderzoek. De resultaten van verschillende empirische studies signaleren dan ook een complementaire rol van kenniscentra en ondernemingen: samenwerking tussen beide type actoren verhoogt de innovatieve slagkracht van ondernemingen dan ook net op het vlak van het meer exploratieve, risicovolle deel van de R&D portfolio.


239

Inzake samenwerking tussen ondernemingen en kenniscentra

Analyse van de huidige praktijk in Vlaanderen laat toe om te

- gemeten aan de hand van contractonderzoek - stelt men

besluiten dat het vinden van een dergelijk evenwicht tussen

tussen landen grote verschillen vast (zie tabel 4.1). De overheid

wetenschappelijke excellentie en ondernemende slagkracht

blijft de belangrijkste financier van publiek onderzoek. In relatieve

haalbaar is. Naast het institutioneel omkaderen van dergelijke

termen, stelt men vast dat de EU-15 en de VS een min of meer

evenwichtsoefening lijkt ook het in stand houden van de

vergelijkbaar aandeel van private financiering binnen de

relatieve onafhankelijkheid van kenniscentra (zie tabel 4.1) een

3

publieke onderzoekssector vertonen . Het aandeel van

belangrijke garantie voor het verder ontwikkelen van de eigen,

ondernemingen is het grootste in België en Duitsland

complementaire rol van kenniscentra binnen innovatiesystemen.

(ongeveer 11%); België behoort op het vlak van samenwerking tussen universiteiten en ondernemingen tot de koplopers. Inzake doorstroming en valorisatie van kennis aan de hand

4.2 CONCLUSIES: SAMENWERKING UNIVERSITEITEN EN BEDRIJVEN

van spin-off creatie en octrooien stelt men vast dat Europa ten dele achterloopt ten aanzien van de Verenigde Staten.

Om duurzame innovatieve economische activiteiten te

Tezelfdertijd observeert men in verschillende Europese landen,

ontwikkelen, heeft een regio nood aan zowel performante

waaronder het VK, België en Nederland, een sterke groei en

ondernemingen en onderzoeksinstellingen, als aan samen-

dus ook een inhaalbeweging ten opzichte van de US.

werkingsverbanden tussen beide. Bedrijven en universiteiten worden gedreven door verschillende objectieven en belangen.

Dergelijke groei wordt mogelijk gemaakt door het creëren van

Binnen het innovatieproces, kunnen zij echter complementaire

een institutioneel kader dat universiteiten toelaat op te treden

rollen spelen, in het bijzonder op het vlak van samenwerking in

als economische actor. Waar in de Verenigde Staten dergelijk

niet-routinematige onderzoeksactiviteiten.

kader wordt geboden door o.m. de Bayh Dole act, observeert men in verschillende Europese landen het ontwikkelen van analoge

Het ontwikkelen van dergelijke samenwerkingsrelaties op een

regelgeving. Deze kent eigendomsrechten toe aan universiteiten

systematische basis gedijt beter binnen een institutioneel kader

en kenniscentra m.b.t. nieuwe inzichten voortkomend uit het

dat kennisinstellingen legitimeert als economische actor.

eigen onderzoek. Het creëren van dergelijke kaders laat toe om

Tezelfdertijd dienen binnen dergelijk institutioneel kader de

marktfalingen op het vlak van valorisatie van nieuwe kennis op

nodige garanties ingebouwd te worden ten aanzien van

te vangen.

onderzoek en onderwijs; ook de mogelijkheden op het vlak van valorisatie - vaak in samenwerking met andere economische actoren - dient gegarandeerd. De actuele praktijk in Vlaanderen

aanzien van ongewenste effecten op het vlak van onderwijs en

- zowel op het niveau van de regio als op het niveau van de

onderzoek (geheimhouding, maar ook eenzijdige bepaling van

kennisinstellingen - lijkt aan deze criteria te voldoen en te

de onderzoeksagenda’s door het bedrijfsleven). Anders gesteld,

resulteren in positieve effecten.

dergelijk institutioneel kader dient oog te hebben voor de specifieke rol van kenniscentra binnen innovatiesystemen op

• Bron: Samenwerking Universiteiten en Bedrijven: Een studie

het vlak van kenniscreatie en diffusie (Onderzoek en Onderwijs).

van de internationale literatuur. Studiereeks VRWB, 16,

Het complementeren van beide doelstellingen met een derde

2006. De volledige studie is verkrijgbaar via de VRWB.

missie resulteert in positieve effecten op korte en middellange termijn zolang deze derde missie onderzoek en onderwijs niet hypothekeert. Sterker nog, onderzoek inzake kenmerken van ondernemende universiteiten toont net aan dat een sterke wetenschappelijk

oriëntatie

een

van

de

belangrijkste

antecedenten is van effectieve valorisatie. Met andere woorden, institutionele kaders dienen een constructieve symbiose na te streven tussen onderzoek, onderwijs en valorisatie.

3

In absolute termen – en rekening houdend met bevolking en GDP – dient wel opgemerkt te worden dat in de US meer wordt geïnvesteerd in hoger onderwijs en R&D (HERD & BERD).

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 D O S S I E R S

Tezelfdertijd dient een evenwicht gevonden te worden ten


240

D O S S I E R 5 : V L A A M S E I N N O VAT I E SAMENWERKINGSVERBANDEN - VIS Door E. Sleeckx (IWT)

5.1 INLEIDING

Figuur 5.1

Naast de steun aan kennisontwikkeling is de steun aan kennisdiffusie een even belangrijke component in een uitgebalanceerd innovatiesysteem. De Vlaamse overheid ondersteunt dit proces

Missionarissen prediken innovatie

Animatoren sensibiliseren en koppelen bedrijven aan netwerk van technologische expertise

Technologen bieden technologische oplossingen en opportuniteiten

RIS

TIS

TD

van technologie-overdracht en - implementatie met diverse maatregelen. In dit proces spelen de projecten in het kader van de Vlaamse InnovatieSamenwerkingsverbanden (VIS) een prominente rol. Dit door IWT beheerde subsidieprogramma kende een zesde oproepronde in 2006.

BEDRIJVEN

In deze bijdrage komt een korte analyse aan bod van de CO

huidige status (per dec 2006) van het VIS-programma.

Onderzoekers, collectief- en vertaalonderzoek

5.2 DEFINITIE VAN EEN VLAAMS INNOVATIESAMENWERKINGSVERBAND Onder een samenwerkingsverband wordt in de VIS-context verstaan: 5.3.1 ●

●

●

●

VIS - Technologische Dienstverlening (TD)

ofwel een consortium van in hoofdzaak Vlaamse bedrijven (minimaal 10 bij de start);

Technologische adviseerdiensten kennen een lange traditie

ofwel een organisatie die de facto kan optreden namens

(meer dan 20 jaar). De taak van de technologische adviseur

een groep van bedrijven zoals bvb. een beroepsfederatie,;

bestaat voornamelijk uit het verstrekken van technologisch

ofwel een collectief centrum dat middels het VIS-besluit

advies en innovatiestimulering; hiernaast zijn de adviseurs ook

erkend is als de facto VIS;

actief bij de verspreiding van de onderzoeksresultaten van

of een combinatie van voorgaande.

onderzoeksresultaten uit het kenniscentrum waar de adviseur gehuisvest is.

5.3 DE VERSCHILLENDE SUBPROGRAMMA’S BINNEN HET VIS-PROGRAMMA

Eind november 2006 waren er 68 technologische adviseerdiensten (TD) actief in 34 kenniscentra (waarvan 8 collectieve centra). In totaal betreft het een 78-tal VTE technologische

Er zijn, afhankelijk van de activiteiten en invalshoek (zie figuur 5.1),

adviseurs.

4 types van VIS-projecten: • technologische dienstverlening

In tabel 5.1 worden een aantal kengetallen weergegeven die

• thematische innovatiestimulering

de prestaties van de technologisch adviseurs in kaart brengen.

• regionale innovatiestimulering en

Deze cijfers zijn gebaseerd op de resultaatsgerichte rapportering

• collectief onderzoek.

voor de periode sept 2005 - augustus 2006.

Al deze projecttypes richten zich bij voorkeur naar KMO’s.


241

Zo bezoekt een voltijdsequivalent adviseur gemiddeld genomen

Figuur 5.4: Verdeling van al de geselecteerde projecten

een 50-tal bedrijven per jaar en worden er per voltijdsequivalent

over de technologiedomeinen (VIS/TD)

adviseur gemiddeld 35 technologische innovatieadviezen geleverd. Meer dan 80% van de klanten van de adviseer-

1%

diensten zijn kmo’s.

17%

Figuur 5.2: Aantal geselecteerde projecten per oproepjaar

3% 2%

30

60%

25

17% 20 15 25 10

21

20 12

5

10

0 2001

2002

2003

2004

2005

■ Basistechnologie

■ Informatietechnologie

■ Biotechnologie

■ Materialen en chemie

■ Energie en milieu

■ Micro-electronica en systemen

■ VIS/TD Aantal projecten per jaar

5.3.2 VIS - Thematische InnovatieStimulering (TIS) Figuur 5.3: Aantal gebudgetteerde VTE in geselecteerde

Projecten Thematische InnovatieStimulering (TIS) hebben tot doel een groep van bedrijven met een gelijkaardige innovatie-

projecten per oproepjaar

problematiek te begeleiden bij hun innovatieproces. 30,00

In eind november 2006 waren er 58 projecten van Thematische Innovatie- Stimulering actief (ca. 82 voltijds adviseurs).

20,00

Een belangrijk gedeelte van de tijdsbesteding van deze projecten bestaat uit pro-actieve innovatiestimulering en

15,00

26,95 23,70

10,00

in totaal ruim 3500 bedrijven bereikt. Een adviseur organiseert

17,39

15,75

13,71

gemiddeld per werkjaar 5 seminaries of workshops.

5,00 0,00 2001

informatieverspreiding evenals netwerkvorming. In 2006 werden

2002

2003

2004

2005

Men kan bovendien vaststellen dat een relatief groot aandeel van de contacten een behoorlijke diepgang heeft en vervolgens

■ VIS/TD Aantal VTE per jaar

leidt tot punctuele interventies (1917), partner matchings (400), technologie- of innovatieadvies (222) of het opstellen van innovatieplannen (129). Met de aansturing of begeleiding van het indienen van innovatiestudies of -projecten (67 in totaal) heeft het programma ook een impact op het KMO-Programma. In tabel 5.1 worden een aantal kengetallen weergegeven, die de prestaties van de adviseurs in kaart brengen. Deze cijfers zijn gebaseerd op de rapportering voor de periode september 2005 tot augustus 2006.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 D O S S I E R S

25,00


242

Positief blijft de betrokkenheid van universiteiten, onderzoeks-

Figuur 5.7: Verdeling van al de geselecteerde projecten

instellingen en hogescholen bij de projecten. Dit toont aan dat

over de technologiedomeinen (VIS/TIS)

de projectvorm Thematische InnovatieStimulering een potentieel heeft als disseminatiekanaal voor resultaten bereikt in SBO- en

7%

TETRA-projecten. TIS-projecten kunnen immers ook waardevol zijn bij de verdere ondersteuning van het valorisatietraject van SBO- en TETRA-projecten.

14%

40%

Figuur 5.5: Aantal geselecteerde projecten per oproepjaar 16% 30 25

9%

20 15 26

28

10 14

12

5

15

12%

■ Basistechnologie

■ Informatietechnologie

■ Biotechnologie

■ Materialen en chemie

■ Energie en milieu

■ Micro-electronica en systemen

0 2001

2002

2003

2004

2005

5.3.3 VIS - (sub)Regionale InnovatieStimulering (RIS) ■ VIS/TIS Aantal projecten per jaar

De algemene opdracht van een project (sub)Regionale InnovatieStimulering bestaat erin alle bedrijven gelegen binnen Figuur 5.6: Aantal gebudgetteerde VTE in geselecteerde

een bepaald gebied te helpen bij het ondersteunen van hun innovatieproces en het nastreven van concrete synergie tussen

projecten per oproepjaar

de bedrijven onderling en tussen bedrijven en de technischwetenschappelijke wereld. De specifieke doelgroep zijn

50,00

bedrijven met een sluimerend innovatiepotentieel. Sinds begin

45,00

2003 zijn er zes projecten actief, één in iedere provincie,

40,00

met uitzondering van Antwerpen waar twee projecten in

35,00

samenwerkingsverband de regionale innovatiestimulering

30,00

uitvoeren (een 5-tal adviseurs per provincie).

25,00 44,81 20,00

10,00

Inhoudelijk blijven de RIS-adviseurs een erg pro-actieve aanpak

34,02

15,00

hanteren. Gemiddeld bezochten zij in 2006 ieder een 70-tal 18,00

16,40

17,00

2004

2005

5,00

bedrijven en per RIS-adviseur werden er ca. vier innovatiestudies of -projecten bij het IWT ingediend. Ook het begeleiden van

0,00 2001

2002

2003

bedrijven bij het opstellen van innovatieplannen is een belangrijke bezigheid van dit type innovatie-adviseur, in totaal werden in

■ VIS/TIS Aantal VTE per jaar

2006 een 100-tal Innovatie-audits afgenomen. Tot slot dient men vast te stellen dat de RIS-adviseurs een belangrijke schakelfunctie in het netwerk blijven vervullen: in 2006 zorgden zij gezamenlijk voor zo’n 250 ‘partnermatchings’; meestal betrof het hier het begeleiden van bedrijven naar technologische kenniscentra.


243

5.3.4 VIS - Collectief Onderzoek (CO)

Figuur 5.10: Verdeling van al de geselecteerde projecten over de technologiedomeinen (VIS/CO)

De projecten Collectief Onderzoek omvatten activiteiten waarbij zowel elders ontwikkelde geavanceerde kennis wordt verzameld, als eigen kennis wordt opgebouwd binnen het innovatiesamenwerkingsverband. Een project Collectief Onderzoek kan echter ook activiteiten dienstverlening en innovatiestimulering

32%

omvatten, voor zover deze activiteiten rechtstreeks betrekking hebben op verspreiding en sensibilisatie met betrekking tot 52%

de onderzoeksresultaten.

5%

Figuur 5.8: Aantal geselecteerde projecten per oproepjaar 2% 9%

30 25

■ Basistechnologie

■ Informatietechnologie

20

■ Biotechnologie

■ Materialen en chemie

■ Energie en milieu 15 10

20

19

16 12

5

15

0 2001

2002

2003

2004

2005

■ VIS/CO Aantal projecten per jaar

Figuur 5.9: Aantal gebudgetteerde VTE in geselecteerde

70,00 60,00 50,00 40,00 30,00

60,36

58,15 47,23

20,00 30,33

36,49

10,00 0,00 2001

2002

2003

■ VIS/CO Aantal VTE per jaar

2004

2005

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07 D O S S I E R S

projecten per oproepjaar


244

5.4 OVERZICHT VAN DE PRESTATIES Onderstaande tabellen geven de prestaties weer zoals die in de periode van 1 september 2005 tot en met 31 augustus 2006 door de VIS-adviseurs gerapporteerd werden.

Tabel 5.1 Totaal aantal activiteiten

RIS

TD

TIS

1. Algemene promotie en informatieverspreiding

238

538

718

1.494

44

737

832

1.613

2. Aantal innovatieondersteunende publicaties/presentaties

Totaal

170

304

402

876

1.841

4.055

2.124

8.020

5. Aantal punctuele interventies/diensten

483

7.477

1.917

9.877

6. Aantal begeleide doorverwijzingen of Partner Matching

250

233

400

883

8

10

11

29

186

2.517

222

2.925 171

3. Aantal georganiseerde seminaries/workshops 4. Aantal bedrijfsbezoeken

7. Aantal technologieprofielen ingebracht in IRC 8. Aantal Technologische/Innovatie-adviezen (met rapport, incl. GTA) 9. Aantal uitgevoerde innovatie-audits 10. Aantal uitgewerkte innovatieplannen/trajecten 11. Aantal IWT-Innovatiestudies waarvan de voorbereiding begeleid werd

92

13

66

259

391

129

779

60

56

23

139 121

44

33

44

101

217

46

364

1.184

6.381

3.565

11.130

114

526

387

1.027

-

9

20

29

Gemiddelde activiteit per VTE

RIS

TD

1. Algemene promotie en informatieverspreiding

9,1

7,0

9,5

2. Aantal innovatieondersteunende publicaties/presentaties

1,7

9,6

11,0

12. Aantal ingediende IWT/EU-Innovatieprojecten waarvan de indiening begeleid werd 13. Aantal innovatieplannen waarvan de uitvoering begeleid werd 14. Aantal klanten (KMO, GO) 15. Aantal samenwerkingen met andere intermediairen. 16. Aantal netwerkondersteunende activiteiten

TIS

6,5

4,0

5,3

4. Aantal bedrijfsbezoeken

70,1

53,1

28,0

5. Aantal punctuele interventies/diensten

3. Aantal georganiseerde seminaries/workshops

18,4

97,9

25,3

6. Aantal begeleide doorverwijzingen of Partner Matching

9,5

3,1

5,3

7. Aantal technologieprofielen ingebracht in IRC

0,3

0,1

0,1

8. Aantal Technologische/Innovatie-adviezen (met rapport, incl. GTA)

7,1

33,0

2,9

9. Aantal uitgevoerde innovatie-audits

3,5

0,2

0,9

10. Aantal uitgewerkte innovatieplannen/trajecten

9,9

5,1

1,7

11. Aantal IWT-Innovatiestudies waarvan de voorbereiding begeleid werd

2,3

0,7

0,3

12. Aantal ingediende IWT/EU-Innovatieprojecten waarvan de indiening begeleid werd.

1,7

0,4

0,6

13. Aantal innovatieplannen waarvan de uitvoering begeleid werd

3,8

2,8

0,6

45,1

83,5

47,0

4,3

6,9

5,1

-

0,1

0,3

14. Aantal klanten (KMO, GO) 15. Aantal samenwerkingen met andere intermediairen. 16. Aantal netwerkondersteunende activiteiten Projecttype

Gepresteerde dagen

VTE

VIS/RIS

5.775

26,3

VIS/TD

16.805

76,4

VIS/TIS

16.675

75,8 178,4


245

AUTEURSLIJST • Drs. Kris AERTS, K.U.Leuven, is als doctoraatsonderzoeker

• Dr. Dries FAEMS, K.U.Leuven, is post-doctoraal onderzoeker

verbonden aan het Steunpunt O&O Indicatoren van de

aan de Faculteit Economische en Toegepaste Economische

Vlaamse Gemeenschap.

Wetenschappen, Departement Personeel en Organisatie.

• Dr. Petra ANDRIES, K.U.Leuven, is senior onderzoeker

• Prof. Dr. Wolfgang GLÄNZEL, K.U.Leuven, is hoogleraar

verbonden aan het Steunpunt O&O Indicatoren van de

aan de K.U.Leuven en is co-promotor – directeur van het

Vlaamse Gemeenschap.

Steunpunt O&O Indicatoren van de Vlaamse Gemeenschap.

• Prof. Dr. René BELDERBOS, K.U.Leuven, is gewoon hoogleraar

• Dr. Machteld HOSKENS, K.U.Leuven, is als senior onderzoeker

aan de Faculteit Economische en Toegepaste Economische

verbonden aan het Steunpunt O&O Indicatoren van de

Wetenschappen, Departement Bedrijfseconomie, Strategie

Vlaamse Gemeenschap.

en Innovatie. • Drs. Catherine LECOCQ, K.U.Leuven, is als doctoraats• Drs. Hanna BINZ, K.U.Leuven, is als doctoraatsonderzoeker

onderzoeker verbonden aan de Faculteit Economische en

verbonden aan het Steunpunt O&O Indicatoren van de

Toegepaste Economische Wetenschappen, Departement

Vlaamse Gemeenschap.

Bedrijfseconomie, Strategie en Innovatie.

• Prof. Dr. Dirk CZARNITZKI, K.U.Leuven, is co-promotor

• Drs. Tom MAGERMAN, K.U.Leuven, is als doctoraats-

van het Steunpunt O&O Indicatoren van de Vlaamse

onderzoeker verbonden aan het Steunpunt O&O Indicatoren

Gemeenschap en is hoofd van de onderzoeksgroep

van de Vlaamse Gemeenschap.

Innovatie van het Steunpunt. • De Heer Frank MONTENY, I.W.T., is als adviseur verbonden • Prof. Dr. Ir. Koenraad DEBACKERE, K.U.Leuven, is gewoon

aan het I.W.T.

hoogleraar en promotor-woordvoerder van het Steunpunt O&O Indicatoren van de Vlaamse Gemeenschap.

• Dr. Ir. Elisabeth MONARD, FWO, is secretaris-generaal van het FWO-Vlaanderen.

• Mevrouw Linda De KOCK, Onderwijs Vlaanderen, is adjunct van de directeur Hoger Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap. • Dr. Ir. Aard-Pieter DE MAN is als academicus en onderzoeker

de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid. • Dr. Elie RATINCKX, V.R.W.B., is als onderzoeker – navorser verbonden aan de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid.

(ECIS), TUEindhoven. • Dr. Ir. Eric SLEECKX, I.W.T., is als adviseur verbonden aan • Dr. Ir. Pascale DENGIS, E.W.I., is als onderzoeker – navorser

het I.W.T.

verbonden aan het departement Economie, Wetenschap en Innovatie van de Vlaamse Gemeenschap.

• Dr. Elke SMITS, V.R.W.B., is als onderzoeker – navorser verbonden aan de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid.

• Ir. Mariëtte Du Plessis, is als onderzoeker verbonden aan het Steunpunt O&O Indicatoren van de Vlaamse Gemeenschap.

• Drs. Xiaoyan SONG, K.U.Leuven, is als onderzoeker verbonden aan het Steunpunt O&O Indicatoren van de

• Prof. Dr. Geert DUYSTERS is als hoogleraar verbonden

Vlaamse Gemeenschap.

aan het Eindhoven Center for Innovation Studies (ECIS), TUEindhoven.

• Drs. Bart THIJS, K.U.Leuven, is als doctoraatsonderzoeker verbonden aan het Steunpunt O&O Indicatoren van de Vlaamse Gemeenschap.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07

verbonden aan het Eindhoven Center for Innovation Studies

• Dr. Daniëlle RASPOET, V.R.W.B., is secretaris-generaal van


246

• Dr. Vincent THOEN, V.R.W.B., is als onderzoeker – navorser verbonden aan de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid. • Prof. Dr. W. VAN HAVERBEKE is als hoogleraar verbonden aan de Universiteit Hasselt en de TUEindhoven. • Mevrouw Monica VAN LANGENHOVE, E.W.I., is als adviseur

LIJST VAN VOORNAAMSTE AFKORTINGEN VAN HET VLAAMS WTI-SYSTEEM: AAP

Assisterend Academisch Personeel

A&HCI

Arts and Humanities Citation Index

AI

Activiteitsindex

AILO

Academische Initiële Lerarenopleiding

– navorser verbonden aan het departement Economie,

APS

Administratie Planning en Statistiek

Wetenschap en Innovatie van de Vlaamse Gemeenschap.

AWI

Administratie Wetenschap en Innovatie

AWZ

Administratie Waterwegen en Zeewezen

• Prof. Dr. Bart VAN LOOY, K.U.Leuven, is co-pomotor van het

AZF

Departement Algemene Zaken en Financiën

Steunpunt O&O Indicatoren van de Vlaamse Gemeenschap

BB

Beroepsbevolking

en hoofd van de onderzoeksgroep Technometrie van het

BBPR

Bruto Binnenlands Product per Regio

Steunpunt.

BERD

Business Expenditures on R&D

BNP

Bruto Nationaal Product

BOF

Bijzonder Onderzoeksfonds

BP

Begrotingsprogramma

BUOO

Bruto Binnenlandse Uitgaven voor Onderzoek

• De Heer Danny VAN STEENKISTE, I.W.T., is als adviseur verbonden aan het I.W.T. • Prof. Dr. Reinhilde VEUGELERS, K.U.Leuven, is co-pomotor

en Ontwikkeling (zie GERD)

van het Steunpunt O&O Indicatoren van de Vlaamse

CBGS

Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudiën

Gemeenschap.

CERN

Centre de Recherche Nucléaire

CFS

Commissie voor Federale Samenwerking

CFS-STAT

Werkgroep Statistiek voor de Commissie

• Dr. Kristien VERCOUTERE, V.R.W.B., is als onderzoeker – navorser

verbonden

aan

de

Vlaamse

Raad

voor

Wetenschapsbeleid.

Federale Samenwerking CIS (1,2,3,4) Community Innovation Survey CIS

Commissie voor Internationale Samenwerking

• De Heer Peter VIAENE, E.W.I., is als adviseur – navorser

COO

Departement Coördinatie

verbonden aan het departement Economie, Wetenschap en

COST

European Cooperation in the field of Scientific

CPP

Citations per Paper

CREST

Comité voor Wetenschappelijk en Technisch

Innovatie van de Vlaamse Gemeenschap. • De Heer Karel Vinck, V.R.W.B., is voorzitter van de Vlaamse

and Technical Research

Raad voor Wetenschapsbeleid. • De Heer Koen WAEYAERT, E.W.I., is als adviseur – navorser

Onderzoek DTO

Databank Tertiair Onderwijs

DWTC

Federale Diensten voor Wetenschappelijke,

EFRO

Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling

EPO

European Patent Office

ESA

European Space Agency

ESF

Europees Sociaal Fonds

ESO

European Southern Observatory

EU

Europese Unie

EUR

Euro

EUROSTAT

Europees Statistisch Bureau

EWBL

Departement Economie, Werkgelegenheid,

verbonden aan het departement Economie, Wetenschap en Innovatie van de Vlaamse Gemeenschap.

Technische en Culturele aangelegenheden

Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw EWI

Departement Economie, Wetenschap en Innovatie


247

FIOV

Fonds tot bevordering van het Industrieel

FRWB

Federale Raad voor Wetenschapsbeleid

FTI

Flanders Technology International

FWO

Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek –

IWETO

Onderzoek in Vlaanderen

Inventaris van het Wetenschappelijk en Technologisch Onderzoek

IWT

Instituut voor de aanmoediging van Innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen

IWW

Vlaanderen

Interdepartementale Werkgroep Wetenschapsbeleid

Government Budget Appropriations

JCSm

Mean Citation Rate of Journal Packet

or Outlays for R&D

JESSI

Joint European Submicron Silicon Initiative

GBOU

Generisch Basisonderzoek aan de Universiteiten

KIV

KMO-Innovatie-Vlaanderen

GERD

Gross Expenditures R&D

KMO

Kleine en Middelgrote Ondernemingen

GIMV

Gewestelijke Investeringsmaatschappij

KMSKA

Koninklijk Museum voor Schone Kunsten –

GBAORD

Vlaanderen

Antwerpen

GIMB

Gewestelijke Investeringsmaatschappij Brussel

KP

Kaderprogramma’s

GIS

Geografische InformatieSysteem

KUB

Katholieke Universiteit Brussel

GOVERD

Government Expenditures on R&D

K.U.Leuven Katholieke Universiteit Leuven

HBPWB

Horizontaal Begrotingsprogramma

KULAK

Katholieke Universiteit Leuven Afdeling Kortrijk

Wetenschapsbeleid

KVAB

Koninklijke Vlaamse Academie van België voor

HERD

Higher Education Expenditures on R&D

HIVA

Hoger Instituut voor de arbeid

LIN

Departement Leefmilieu en Infrastructuur

HOBU

Hoger Onderwijs Buiten de Universiteit

LUC

Limburgs Universitair Centrum

HRST

Human Resources for Science and Technology

MECR

Mean Expected Citation Rate

IAJ

Individueel Aangepast Jaarprogramma

MEDEA

Micro-electronics Development for European

IAP

Instituut voor het Archeologisch Patrimonium

IBW

Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer

MER

MilieuEffectRapport

ICT

Informatie- en Communicatietechnologie

Meuro

Miljoen euro

IEA

International Association for the Evaluation

Mln.

Miljoen

of Education Achievement

Mld.

Miljard

IES

Instituut voor Europese Studiën

MINA-fonds Fonds voor Preventie en Sanering inzake

IMEC

Interuniversitair Micro-Elektronica Centrum

IN

Instituut voor Natuurbehoud

MIRA

Milieu- en Natuurrapport Vlaanderen

INES

International Indicators of Education Systems

MKB

Midden en Klein Bedrijf

INR

Instituut voor Nationale Rekeningen

MTA

Material Transfer Agreement

IPC

International Patent Classification

MOCR

Mean Observed Citation Rate

IAP

Industriële Affiliatie Programma’s

NABS

Nomenclatuur voor de analyse en vergelijking

International Standard Classification of Education

ISCO

International Standard Classification of

ISI ISIC

Applications

Leefmilieu en Natuurbehoud

van wetenschapsbegrotingen en -programma’s NACE

Statistische nomenclatuur van de economische

Institute for Scientific Information

NARA

Natuurrapport

International Standard Industrial Classification

NOD

Nederlandse Onderzoek Databank

Occupations

activiteiten in de Europese Unie

of All Economic Activities)

NRC

Non-recurring costs

IOB

Vlaams Interuniversitair Instituut voor

O&O

Onderzoek en Ontwikkeling

Ontwikkelingsbeleid en – beheer

O&V

Onderwijs en Vorming

IT

Informatie Technologie

OA

Organisatieafdeling

ITA

Actieprogramma Informatietechnologie

OBPWO

Onderwijskundig Beleids- en Praktijkgericht

ITEA

Information Technology for European

ITG

Instituut voor Tropische Geneeskunde

IUB

Interuniversitaire Begeleidingsgroep

Advancement

Wetenschappelijk Onderzoek OESO

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling

OND

Departement Onderwijs

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 07

ISCED

Wetenschappen en Kunsten


248

OVAM

Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor

VLIET

Vlaams Impulsprogramma Energietechnologie

het Vlaamse Gewest

VLINA

Vlaams Impulsprogramma Natuurontwikkeling

PBO

Programma Beleidsgericht Onderzoek

VLIR

Vlaamse Interuniversitaire Raad

PNP

Not for Profit Organisations Expenditures

VLIZ

Vlaams Instituut voor de Zee

on R&D

VLM

Vlaamse Landmaatschappij

PPP

Purchasing Power Parities

VMM

Vlaamse Milieumaatschappij

RCA

Revealed Comparative Advantage

VOI

Vlaamse Openbare Instellingen

RCR

Relative Citation Rate

VRT

Vlaamse Radio- en Televisieomroep

RIS

Subregionale Innovatiestimulering

VRWB

Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid

RTA

Relatieve technologiespecialisatie

VUB

Vrije Universiteit Brussel

RUCA

Universitair Centrum Antwerpen

VVOB

Vlaamse Vereniging voor Ontwikkelings-

SBO

Strategisch Basis Onderzoek

SCI

Science Citation Index

SCIE

Science Citation Index Expanded

SSCI

Social Science Citation Index

STV

Stichting Technologie Vlaanderen

STWW TA TIS tUL TWOL

samenwerking en Technische Bijstand W&T

Dienstverlening WAV

Vlaams Steunpunt Werkgelegenheid,

Strategische Technologieën voor Welzijn

WIM

Departement Wetenschap, Innovatie en Media

en Welvaart

WIV

Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid

Technology Assessment

WoS

Web of Science

Thematische Innovatiestimulering

WTI

Wetenschap, Technologie en Innovatie

transnationale Universiteit Limburg

WTO

World Trade Organization

Toegepast Wetenschappelijk Onderzoek

WVC

Departement Welzijn, Volksgezondheid

Arbeid en Vorming

Leefmilieu UA

Universiteit Antwerpen

UFSIA

Universitaire Faculteiten St.-Ignatius Antwerpen

UGent

Universiteit Gent

UIA

Universitaire Instelling Antwerpen

ULB

Université Libre de Bruxelles

UNESCO

United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization

UNU

Wetenschappelijke en Technologische

United Nations University – Universiteit van de Verenigde Naties

USD

Amerikaanse dollar

USPTO

United States Patent and Trademark Office

VALUE

Valorisation and Utilisation for Europe

VAO

Voortgezette Academische Opleiding

VIA

Vlaams Innovatie-Adviescentrum

VIB

Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie

VIF

Vlaams Infrastructuurfonds

VIONA

Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk

VIS

Vlaamse Innovatie Samenwerkingsverbanden

Vito

Vlaamse Instelling voor Technologisch

Arbeidsmarktrapportering

Onderzoek VLAB

Vlaams Actieprogramma Biotechnologie

VLGMS

Vlerick Leuven Gent Management School

Vlhora

Vlaamse Hogescholenraad

en Cultuur ZAP

Zelfstandig Academisch Personeel


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook