Skip to main content

dossier 2020-057.pdf

Page 1

Uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/057

Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2020/057

DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Op 23 december 2019 diende xxx een verzoek in bij het woonzorgcentrum Releghem/OCMW Zemst tot het verkrijgen van een afschrift van het volledige dossier van zijn residerende vader. Op 25 februari 2020 diende xxx beroep in bij de beroepsinstantie tegen de ontstentenis van beslissing van OCMW Zemst. Dit beroep werd geregistreerd op 26 februari 2020. Ontvankelijkheid van het beroep Op 23 december 2019 diende xxx per mail een openbaarheidsverzoek in bij het woonzorgcentrum Releghem, om een afschrift te verkrijgen van het volledige dossier van zijn residerende vader. Het OCMW Zemst heeft nagelaten om dit verzoek binnen de decretaal bepaalde termijn te beantwoorden. Conform artikel II.48 van het Bestuursdecreet heeft de termijn om beroep in te stellen bijgevolg geen aanvang genomen. Het beroep d.d. 25 februari 2020 werd bijgevolg tijdig ingediend en is dan ook ontvankelijk. Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van ĂŠĂŠn of meerdere uitzonderingen, zoals bepaald in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.

www.vlaanderen.be


1.

Inhoud van het beroepschrift

Verzoeker dient beroep in tegen de ontstentenis van beslissing vanwege het OCMW Zemst inzake zijn openbaarheidsverzoek en geeft aan over een (notariële) zorgvolmacht te beschikken.

2. Toelichting door het OCMW Zemst De beroepsinstantie nam op 26 februari en 9 maart 2020 contact op met het OCMW Zemst om met kennis van zaken over het beroepschrift te kunnen oordelen. Het OCMW Zemst gaf de reden van de openbaarheidsaanvraag doch wenst geen afschrift te verlenen van het zorgdossier van de betreffende persoon, omwille van volgende overwegingen: -

-

De uitzonderingsgronden uit artikel II. 34 1° en 2° van het Bestuursdecreet doelen op een strijdigheid met een geheimhoudingsverplichting en op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Aangezien er geen toestemming is van betrokkene moet het verzoek worden afgewezen. De vraag werd zelfs niet opgeworpen en gezien zijn medische toestand lijkt het niet aangewezen om de uitdrukkelijke toestemming te vragen aan betrokkene. Het weigeren van een openbaarheidsverzoek dat strijdig is met voornoemde bepalingen lijkt eveneens de zienswijze te zijn van de Nationale Raad van de Orde der Geneesheren (cf. document a072019 – d.d. 16/03/1996). Er moet ook op gewezen worden dat het woonzorgcentrum Releghem gebonden is door het strafrechtelijk beroepsgeheim – artikel 458 Strafwetboek, aangezien het dossier medische gegevens bevat. De omschrijving van het verzoek (“het volledige dossier”) is eerder algemeen geformuleerd en onnauwkeurig omschreven, wat het moeilijk maakt om binnen de toegestane grenzen informatie te delen. De rechten van de patiënt, zoals vervat in hoofdstuk 3 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, en de verplichtingen van zorgverleners lijken in het gedrang te komen als het verzoek wordt ingewilligd. De huisarts van betrokkene was akkoord met de verhuis naar de betreffende afdeling.

3. Standpunt van de beroepsinstantie Artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet bepaalt dat een overheidsinstantie het verzoek voor wat betreft andere dan milieu-informatie afwijst als de openbaarmaking afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, tenzij de betrokken persoon met de openbaarmaking instemt. Hoewel het hier om een absolute uitzonderingsgrond gaat waardoor er geen belangenafweging moet plaatsvinden tussen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang met het belang van de openbaarheid, vertoont de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet voorziene uitzonderingsgrond niettemin een relatief aspect. De decreetgever was weliswaar van oordeel dat er geen afweging vereist is met het openbaar belang dat met de openbaarheid is gediend, maar wijst er desondanks op dat telkens en in concreto geoordeeld moet worden of er al dan niet een inbreuk is gepleegd op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (Vlaams Parlement, Parl. St. 2017-2018, nr. 1656/1, blz. 58). //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/057

pagina 2 van 4


Artikel 22 van de Grondwet waarborgt uitdrukkelijk het recht op eerbiediging van het privéleven, net zoals artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dit doet. De bedoeling en het fundamentele uitgangspunt van de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet bedoelde uitzonderingsgrond bestaat er precies in om het aan iedereen toegekende grondwettelijke recht op de eerbiediging van zijn privéleven te beschermen. De beroepsinstantie merkt op dat bij onderzoek naar de uitzonderingsgrond met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van informatie in een bestuursdocument die op de persoonlijke levenssfeer betrekking heeft. De persoonsgegevens uit het zorgdossier van de residerende vader van verzoeker behoren ontegensprekelijk tot diens privéleven. Het vrijgeven van deze gegevens zou wel degelijk een inbreuk uitmaken op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het privéleven vormt de kern van de persoonlijke levenssfeer (F. SCHRAM, Het decreet openbaarheid van bestuur. Een juridische analyse in historisch perspectief, Brugge, Vanden Broele, 247; Concl. Adv.Gen. bij HvJ 8 april 2014, nr. C-293/12, Digital Rights Ireland Ltd, nr. 61). Het openbaar maken van deze gegevens heeft aldus betrekking op de kern van een belang – het door artikel 22 van de Grondwet en het door artikel 8 EVRM aan eenieder toegekende recht op eerbiediging van zijn privéleven – dat de uitzonderingsgrond uit artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet wenst te beschermen tegen de openbaarheid van bestuur (RvS, nr. 234.609 dd. 2 mei 2016). De beroepsinstantie heeft het zorgdossier in kwestie kunnen inkijken en stelt vast dat het dossier vanzelfsprekend vrijwel uitsluitend persoonlijke – zorg-medische informatie bevat van de betrokkene. De beroepsinstantie is bijgevolg van oordeel dat de openbaarmaking van het dossier afbreuk doet aan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene en dat deze gegevens dan ook moeten worden afgeschermd in toepassing van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet. Verzoeker stelt weliswaar te beschikken over een zorgvolmacht. De beroepsinstantie wijst erop dat zo een volmacht aan de volmachtdrager niet zomaar de toegang toekent tot gegevens en informatie betreffende de persoonlijke levenssfeer. Met een zorgvolmacht (via een lastgeving) geeft de betrokken persoon die wil anticiperen op zijn wilsonbekwaamheid de bevoegdheid aan één of meerdere personen om specifieke of algemene handelingen te stellen met betrekking tot zijn vermogen. Dat is iets geheel anders dan het verlenen van een toestemming om toegang te verkrijgen tot een zorgdossier. Artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet laat echter wel de mogelijkheid dat gegevens betreffende de persoonlijke levenssfeer toch openbaar worden gemaakt, mits toestemming van de betrokken persoon. In dat verband wijst de beroepsinstantie erop dat de Nationale Raad van de Orde der Geneesheren die mogelijkheid eveneens aanstipt in het standpunt waarnaar het OCMW Zemst verwijst. Het OCMW Zemst geeft aan dat het, gezien de medische toestand van de vader van verzoeker, niet aangewezen is om de uitdrukkelijke toestemming te vragen. De vraag werpt zich dan ook op of betrokkene überhaupt voldoende wilsbekwaam is om zijn uitdrukkelijke toestemming met of weigering van de openbaarmaking te kunnen aangeven. De beroepsinstantie heeft hierin geen enkele beoordelingsbevoegdheid en kan daarover dus geen uitspraken doen.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/057

pagina 3 van 4


Bijgevolg dient het beroep als ongegrond te worden beschouwd, onder voorbehoud van de eventuele wilsbekwame toestemming van de betrokkene tot openbaarmaking van zijn zorgdossier. De beroepsinstantie merkt nog op dat er voor wat betreft artikel II. 34 1° Bestuursdecreet in casu geen rechtsbepalingen voorhanden zijn betreffende een geheimhoudingsplicht. Verder heeft artikel 458 van het Strafwetboek in casu geen toepassing, aangezien het in voorkomend geval de betrokkene zelf zal zijn die over de openbaarmaking beslist. Na beraadslaging,

BESLUIT: Het beroepsschrift van xxx d.d. 25 februari 2020 wordt als ongegrond beschouwd, onder voorbehoud van de eventuele wilsbekwame toestemming van de betrokkene tot openbaarmaking van zijn zorgdossier. In voorkomend geval (de eventuele wilsbekwame toestemming van de betrokkene) dient het OCMW Zemst een afschrift te verlenen van het zorgdossier van de in het woonzorgcentrum Releghem residerende vader van xxx.

In zoverre dit beroep gegrond werd verklaard, geldt dat deze inwilliging van de aanvraag tot openbaarmaking GEEN toestemming inhoudt om de gevraagde bestuursdocumenten te hergebruiken, als vermeld in titel II, hoofdstuk 4 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 (zie artikel II.44, §3, van het Bestuursdecreet). Brussel, 24 maart 2020 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur, Bruno ASSCHERICKX Voorzitter

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/057

pagina 4 van 4


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook