JULI-AUGUSTUS 1995//
TWEEMAANDELIJKS//
NIEUW IN DE REEKS
Middeleeuwse muurschilderingen N VLAANDEREN
Aantal pagina's: 208 Kleurillustraties:
350 Papier: Kunstdruk Galerie Art Silk 1 35 g/mJ Afwerking: garengenaaid gebrocheerd Prijs: 1.200,-fr. Auteurs: Anna Bergmans en Marjan Buyle Foto's: Oswald Pauwels Concept en vormgeving: Luc Tack ISBN 90-403-0032-1
"
NA HET EERSTE M&L-CAHIER OVER GLAS IN LOOD, ZETTEN WE DE ONTDEKKINGSTOCHT VERDER NAAR MINDER BEKENDE ASPECTEN VAN ONS KUNSTBEZIT. DITMAAL RICHTEN WE ONZE AANDACHT
Samen met de gebeeldhouwde retabels. de sculpturen en schilderijen, en in de rijkere kerken de wandtapijten en de gebrandschilderde ramen waren dit de kunstwerken die in de middeleeuwen voor iedereen waren. Deze oude kunstvorm. die U meeneemt naar het fascinerende Vlaanderen van de 14de. 15de en 16de eeuw, stellen we U voor in het tweede M&L-cahier: Middeleeuwse muurschilderingen in Vlaanderen.
Bestuur Monumenten en Landschappen Pers & Voorlichting Zandstraat 3 1000 Brussel Tel. (02) 209 27 37 Fax (02) 209 27 05
OP WAT IN DE MIDDELEEUWEN
Rekeningnummer:
OP MUREN EN GEWELVEN
470-0278201-29
GESCHILDERD WERD.
1
Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening en Huisvesting Afdeling Monumenten en Landschappen ISSN 0770-4948
MONUMENTEN
•
14 jaargang Nr. 4
•
juli-augustus 1995
Afgiftekantoor: Brussel X
EN
LANDSCHAPPEN Redactie Bestuur Monumenten en Landschappen. Afdeling Pers & Voorlichting. Zandstraal 3. 1000 Brussel. Tel.: (02) 209 27 37 - Fax: (02) 209 27 05. Eindredactie: M.M. Celis. Productie en promotie: L. Tack. Zetwerk en secretariaat: D. Torbeyns. Vormgeving: L. Tack.
Redactiecomité Voorzitter: E. Goedleven. Leden: A. Bergmans, J. Braeken. M. Buyle. M.M. Celis, M. De Borgher. J. De Schepper, M. Fierlafijn, J. Gyselinck. A. Malliet, G. Plomteux. H. Stynen, L. Tack, S. Van Aerschot. Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt, Ch. Vanthillo. L. Wylleman.
Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: (050) 36 25 89 - Fax: (050) 37 33 64.
Druk
Inhoud Generiek De kapel van de Kinkenberg te 's Gravenvoeren Jos Gyselinck De vallei van de Kleine Nete en de Aa tussen Grobbendonk en Herentals Ludo Meesters
20
De IJzertoren: krachtpatserij of bedevaartsoord Jan Mortier
36
De Westhoek en "De Groote Oorlog": restanten, toeristen en de officiële erkenning Anne-Marie Deiepiere en Martine Huys
50
Summarv
64
M&L Binnenkrant
Die Keure Oude Gentweg 108,8000 Brugge Tel.: (050) 33 12 35 - Fax: (050) 34 37 68.
Verantwoordelijke uitgever Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening en Huisvesting Luc Tack Zandstraal 3. 1000 Brussel De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor hef reproduceren, vertalen of herwerken /i)n voorbehouden.
Abonnementsvoorwaarden 1995 België: 1150 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 220 fr.). CJP'ers betalen: 950 fr. Buitenland: 1300 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 091-2206040-95 van Monumenten & Landschappen. Zandstraal 3, 1000 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 1995". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen w orden geannuleerd.
Cover: Nieuwpoort (Ramskapetle): versterkte fabrieksschoorsteen ohsertatiepost tijdens Iste W.O. (foto 0. Pamels)
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
ZONDER RENOFORS-BETA ZAG U DIE MOLENS NIET MEER... Heeft U zich al eens afgevraagd hoe het komt dat eeuwenoude houten molens nog steeds de wind trotseren? Of hoe de Middeleeuwse klokkestoel van de prachtige SintRomboutskathedraal zijn tonnenzware beiaard torst? Solar nv vernieuwt en versterkt rottend hout met het Renofors-Bèta systeem. Voor jaaaren. Renofors-Bèta is een (kostenbesparend) alternatief voor dure en moeilijke vervangingswerken. Renofors-Bèta is een gewapend kunstharssysteem dat snel, doeltreffend en esthetisch eeuwenoude constructies restaureert. Vraag nu vrijblijvend documentatie. Bel 03/776.91.62
U HEEFT GEEN MONUMENT TE VERLIEZEN...
Solar
n.v.
Kleine Breedstraat 33 - 9100 St.-Niklaas
Ook sterk in: gevelreiniging - steenverharding vochtwering - drooglegging van muren met capillair stijgend vocht - dichtingswerken - betonrestauratie houtbehandeling - brandremming.
SUPPORT - SURFACE •RESTAURATIE + CONSERVATIE.
Bennesteeg 3, 9000 Gent, (09) 223 87 03 Wapenstraal 12B, 2000 Antwerpen, Tel. & Fax (03) 248 12 97
GENERIEK Een kapel aan de Voer
Welke draai men er ook aan geve, de recente metamorfose van de barokkapel aan de Kinkenberg te 's Gravenvoeren kan niet ongenuanceerd een ideële restauratie worden genoemd. Waar de bijna onomkeerbare staat van verval een aanzienlijke reconstructie onvermijdelijk maakte, bleef ook uit praktische overweging de beschermende kaleilaag achterwege: een optie waar de redding van een plaatselijk monument tegenover staat...
Valleien
Binnen de vallei van de Kleine Nete spreekt de voormalige Britse Basis wellicht het meest tot de verbeelding. Toch wordt dit bosrijke en zowel botanisch als biologisch boeiende gebied meer dan goed is geplaagd door niet steeds aangewezen vormen van recreatie. Ludo Meesters pleit hierbij voor zijn welbekende zachte, maar kordate aanpak.
Nooit meer oorlog Zelden wist in dit land een herdenkingsmonument evenzeer de gemoederen te verhitten als de tot tweemaal toe in de Uzervlakte opgerichte gelijknamige toren. Gegroeid vanuit Joe English's Keltisch geïnspireerde Heldenhuldezerkjes, stimuleerde de ongewone opdracht méér dan één Vlaamse architect tot in het licht van de naoorlogse wederopbouw opvallend modernistische, ja zelfs utopische projecten. Naar aanleiding van de hoognodige instandhoudingswerken aan dit Memoraal van de Vlaamse Ontvoogding overloopt Jan Mortier samen met Rudy Vereecke deze heroïsche periode.
Ypres Salient Nergens in Vlaanderen bleven van de Groote Oorlog evenveel schrijnende sporen bewaard als in de grotendeels met de grond gelijkgeschoten Westhoek. Militaire begraafplaatsen, loopgraven of verdedigingsbunkers lokten er overigens nog in volle vijandelijkheden de eerste ramptoeristen. Bij de bescherming van een handvol bewaarde getuigen gidsen Anne-Marie Delepiere en Martine Huys ons doorheen een onwaarschijnlijk oorlogspark.
ÏB&-C-
. _
P. NIJS N.V. ALGEMENE ONDERNEMING DAK-ZINK-BOUW- EN RESTAURATIEWERKEN STEENKAPPERIJ SCHRIJNWERKERIJ E3-Laan 49 - 9800 DEINZE
Tel. : (09) 386 07 63 - 386 61 50 Fax: (09) 386 04 15
België's enigste, oudste en wereldbefaamde goudslager
IMPERPLEX -MndëTilficöncn
De ideale anti-grafitibescherming voor blauwe steen (petit granit) Inlichtingen : Mecheisestraat 125, 3000 Leuven Tel. 016/23.98.25
AL. BUGGENHOUT BVBA BLADGOUD en accessoires voor het vergulden (mixtion, rode bolus, messen, borstels...) ARTIST OIL COLOURS SCHEVENINGEN Olieverven en pigmenten speciaal voor kunstschilders en restauraties Uitsluitend Groothandel. Voor informatie voor het adres van uw dichtstbijgelegen verkooppunt: VAN ARTEVELDESTRAAT139 - 1000 BRUSSEL Tel. 02/512 71 19 - Fax 02/502 14 55
Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde! Duivenmest is naast luchtpolluiic één van de belangrijkste oorzaken «au beschadigingen aan gebouwen en monumenten. Agressieve ebemische verbindingen in de uitwerpselen dringen diep door in de bonwmaleilalen en tasten deze onomkeerbaar aan. Dit geeft aaaleidlng tot regelmatige schoonmaakbeurten en dure restauraties. Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het kaftuurpalrimonium ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals «mithose, salmonella, e.a....
RESTAURATIE & MONUMENTENZORG Oostveldkouter 26 • 9920 Lovendegem
Meubilair (wel en niet gepolychromeerd) Sculptuur (steen en hout) • Leder Bodemvondsten (hout en leder) Schilderijen (paneel en doek) ONDERZOEK & BEHANDELING Lauwers M. Van Der Biest L. Vandenborre H. FAX
09/372 03/771 09/372 09/372
63 44 63 63
03 66 03 03
Nu is er echter Birdex®, een diervriendelijk afschrikkingsmiddel dat de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Wilt u er meer over weten ? Neem dan vrijblijvend kontakt met ons op.
Soiar
Kleine Breedstraat 33, B-9100 St.-Niklaas (03)776 91 62
ERDM9
Restauratie Toren Postgebouw Gent
ETN. FLOR BRUXELMAN & ZOON N.V. Restauratie - Nieuwbouw - Steenkapperij Reigerstraat 8, 9000 Gent Tel. (09) 222 22 39 - 222 20 48 / Fax (09) 220 27 75
Diksmuide - "Restauratie IJzertoren'
Monument Vandekerckhove Herstelling monumenten en openbare werken MONUMENT VANDEKERCKHOVE N.V OOSTROZEBEKESTRAAT 54 8770 INGELMUNSTER Tel. (051)31 60 80 Fax (051)30 22 37
GROUP T l /T
MONlJÉNT
Meer informatie Te bekomen op het Secretariaat Open Monumentendag Vlaanderen, Koning Boudewijnstichting, Brederodestraat21, 1000 Brussel. Tel02/51140 50 Fax 02/512 00 35
M&L
DE KAPEL VAN DE KINKENBERG TE 'S GRAVENVOEREN JOS GYSELINCK
Het pleintje van de Kinkenberg circa 1945 (verzameling Th. Broers, Moelingen)
In het hart van 's Gravenvoeren,
ogen tot de heer Edgar Goedleven (1)
te midden van het schilderachtig drie-
het initiatief nam om, via de Stichting
hoekig plein van de Kinkenberg aan de
Monumenten- en Landschapszorg
rechteroever van de Voer, werd in 1715
V.Z.W., de kapel te redden (2).
de barokke Onze-Lieve-Vrouwkapel ingeplant. Het plein is omgeven met 18de-eeuwse gebouwen: De Swaen,
SITUERING (3)
Het Wit Kruis en het Blancktyshof. De wettelijke bescherming als landschap bij koninklijk besluit van 30 november 1960, heeft niet kunnen verhinderen dat de prachtige lindeboom die de kapel overschaduwde, werd geveld. Het gebouwtje verkommerde ziender-
De landelijke gemeente 's Gravenvoeren is gesitueerd te midden van het beboste en steile valleilandschap van de centrale Voerstreek. Dit landschap vormt de overgang tussen droog Haspengouw en het land van Herve. Zoals de andere Voerdorpen, is 's Gravenvoeren een leefkern met een eigen identiteit. Het is een typisch landbouwdorp waar de woonkern gesitueerd is tussen boomgaarden en huisweiden;
M&L
9
KINKENBERG (5)
9
Het toponiem "kinkenberg" is afgeleid van "kink" (6) wat "knik" of "draai" betekent. "Kinkenberg" zou derhalve verwijzen naar de twee rechte hoeken die de weg maakt wanneer hij, komende van het Plein, langsheen hetBlancktyshof{l) richting Koetswegstraat en Snauwenberg stijgt. De Kinkenberg is een driehoekig pleintje, oorspronkelijk van aarde en sinds 1972 geasfalteerd, waar de Onze-Lieve-Vrouwkapel gesitueerd is. Vóór de kapel stond een monumentale lindeboom die in 1972 gekapt werd, naar verluidt omdat de doorgang te smal was voor grote hooiwagens die langsheen de kapel naar de weilanden reden.
$&/*
S3
Het Centrum van 's Gravenvoeren en de Kinkenberg op de Ferrariskaart (1771-1777)
de aanpalende akkers vervloeien in het weidse landschap. Sinds 1977 vervult het een centrumfunctie als hoofdplaats van de bestuurlijke entiteit Voeren die uit zes gemeenten is samengesteld. Op de stafkaart van de Oostenrijkse Nederlanden (4) die in de periode 1771-1777 in opdracht van graaf de Ferraris werd getekend, komt 's Gravenvoeren voor als een kemdorp dat zich lintvormig uitstrekt langsheen de oevers van de Voer die het dorp van oost naar west doorstroomt.
Inplantingsplan van de Kinkenbergkapel (Provinciale Dienst voor het Kunstpatrimonium)
Dit langgerokken nederzettingspatroon langsheen een natuurlijke waterloop is deels te verklaren door het feit dat de plaatselijke bevolking voor haar drinkwatervoorziening uitsluitend aangewezen was op het water van de Voer. Natuurlijke bronnen ontbraken en waterputten waren onbestaand. De ondergrond is plaatselijk zeer doorlaatbaar door het ontbreken van een waterophoudende kleilaag. De kern van dit Voerdorp is een L-vormig plein. De zuidelijke arm is het eigenlijke kerkplein waar de Sint-Lambertuskerk en de pastorie met ommuurde tuin en inrijpoort gesitueerd zijn. Dit kerkplein ligt in het verlengde van de Kloosterstraat en geeft uit op de Hoogstraat die leidt naar Sint-Martens-Voeren. Beide straten vormen de hoofdas die, parallel met de Voer, 's Gravenvoeren doorloopt in oost-westrichting. Het haakse gedeelte, "de Pley ", strekt zich in noordelijke richting uit, overbrugt de Voer en verbindt het plein met Kinkenberg.
Ten noorden van de kapel wordt het pleintje afgezoomd door de herberg De Swaen, door ankers gedateerd 1742 (8). Deze voormalige afspanning was oorspronkelijk een L-vormig complex, bestaande uit een herberg van het breedhuistype met de voorgevel naar het pleintje gekeerd. Haaks erop en gescheiden door een rondbogige inrijpoort, stond een langwerpig bouwvolume. Rond 1950 verkleinde men dit haakse gebouw en transformeerde het naar een U-vormig complex met de open binnenkoer aan de straatzijde. Aan de zuidkant van het pleintje staat een alleenstaand breedhuis. Het Wit Kruis (9), aan de achterzijde omstroomd door de Voer. Het huis werd in 1746 herbouwd door Henri Delvaux, die in 1715 ook de Onze-Lieve-Vrouwkapel liet oprichten. De kapel werd gebouwd op een perceel, zijn eigendom, dat vóór zijn huis lag en vermoedelijk niet doorkruist werd door een publieke doorgang. Deze weg is pas later door verjaring publiekrechtelijk geworden.
Blancklyshof
10 De Kinkenberg met centraal de kapel en links het 'Wit Kruis' omstroomd door de Voer (foto 0. Pauwels)
De Kapel en het
Wit Kruis vamH het westen (foto 0. Pauwels)
M&L
M&L
11
De kraan is vastgemaakt op een ijzeren plaat waarin, vóór de kraan, een gietijzeren afvoerrooster bevestigd is. Het geheel is omrand met een kalkstenen boordsteen.
KAPEL: ONTSTAAN EN VERVAL
AT Herberg De Sivaen en de postkoetsweg naar Snauwenberg in 1949 (verzameling
Th. Broers, Woelingen) en in 1994 vóór de restauratie van de kapel (foto 0. Pauwels)
Rechts van het pleintje loopt de oude postkoetsweg langswaar de postwagen van Luik naar Aken heen en weer reed. Aan de afspanning De Swaen werden de paarden verwisseld. De postwagens vertrokken in Luik, langs Bemeau. de Sint-Annakapel, Mennekesput, het Plein van 's Gravenvoeren tot Kinkenberg en zo via het gehucht Snauwenberg ten noorden van de kapel, naar Aken (10). Rechts van het kapelletje staat één der gietijzeren kranen die in de periode 1891-1893 door de gemeente 's Gravenvoeren her en der werden geplaatst om de bewoners van bronwater te voorzien. Dit leidingwater werd aangevoerd uit Sint-Martens-Voeren waar het gemeentebestuur een put had laten boren.
In 1715(11) bouwde Henri Delvaux, de eigenaar van Het Wit Kruis, vóór zijn woning, een kapel ter ere van Onze-Lieve-Vrouw. Vóór de aanvang van de restauratiewerken, herkennen wij het als een witgekalkt (12) gebouwtje in barokstijl in zeer vervallen toestand. Het bouwsel is één travee diep en opgericht op rechthoekig grondplan (3,28 m bij 3,72 m). Het zadeldak met zwarte kruispannen vervangt de oorspronkelijke leibedekking. Bij de constructie van de kapel werd gebruik gemaakt van handvormsteen, mergel en maaskalksteen. De hoge gepikte sokkel in baksteen waarin onderaan enkele lagen breuksteen voorkomen, is nog slechts gedeeltelijk afgedekt met een afdeksteen. De gevels zijn uitgevoerd in baksteen met afwisselend speklagen in mergel. De voorgevel heeft een rondboogvormig timpaan, afgewerkt met een rollaag van op hun kant geplaatste bakstenen. De mergelstenen aanzetstukken van de topgevel hebben een sterk verweerde voluutversiering. In het hoogveld bevinden zich een gedichte, mergelstenen oculus en een nis waarin een witgeschilderd, kalkstenen Onze-Lieve-Vrouw-beeldje staat. In de speklaag waarin de bovenzijde van het osseoog is opgenomen, is een inscriptie aangebracht: VIRGINA MARIA. De achtergevel heeft een driehoekige topgevel met schouderstukken en vlechtingen. Onder de geveltop loopt rondom de kapel een geprofileerde, mergelstenen kroonlijst die in de zijgevels rust op zware, ojiefvormige consoles. De rondboogvormige, gemetselde deuropening steunt op kalkstenen posten. In de kalkstenen dorpel zijn centraal twee kleine holtes waar de grendel van de dubbele deur in klemde en telkens één holte naast elke deurpost waar de deurhengsels in draaiden. In de kapel bevindt zich op ongeveer 0,60 m van de ingang, over de volledige breedte, een grafsteen die gebruikt wordt als trede en waarop een driedelige eikehouten wand is gemonteerd die de daarachter gelegen altaarruimte afsloot. Alleen het centrale gedeelte functioneerde als deur. De drie wandelementen zijn opgevat als een houten raamwerk waarvan de onderste helft met planken bekleed is; de bovenste helft is opengewerkt met overhoeks geplaatste vierkante houten stijltjes. Rudimentair in elkaar getimmerde luikjes sluiten de transparante bovenzijde af langs de achterkant.
12
M&L
Grondplan, doorsnede en voorgevel, schaal 1/20 (Provinciale Dienst voor het Kunstpatrimonium). Toestand vóór de restauratie in 1980. (eigen foto)
M&L
De achtergevel en rechter zijgevel, schaal 1/20 (Provinciale Dienst voor het Kunstpatrimonium). Toestand vóór de restauratie in 1980 (eigen foto)
13
Na demontage van deze wand en bij nader onderzoek ervan is gebleken dat de twee buitenste elementen in feite de oorspronkelijke, dubbele buitendeur vormden. In een latere fase (19de eeuw?) heeft men deze deurvleugels in de kapel geplaatst en een derde verwant element tussengevoegd. Zo ontstond een voorportaaltje waar men de kapel kon betreden om een kaars te laten branden, geld te offeren of op een bidbankje neer te knielen. Tegen de achterzijde van de kapel staat een portiekaltaar met centrale nis en twee zuiltjes die een entablement dragen. Onder de altaartafel is een holle ruimte waarin tot 1976 een liggend, gepolychromeerd houten beeld voorstellend Christus in het Heilig Graf, aanwezig was (13). Het beeld behoorde niet tot de oorspronkelijke inboedel van de kapel. Het zou herkomstig geweest zijn uit het voormalig klooster van de Kanunniken van het Heilig Graf te Hoog-Cruts (14) dat tijdens de Franse revolutie, meer bepaald in 1796, werd opgeheven (15).
De toestand van de kroonlijst in 1980 (eigen foto)
De drie houten beelden die op het altaar stonden (16), zijn eveneens verdwenen. In de grote nis bevond zich een Mariabeeld; op de twee sokkeltjes die later links en rechts van de nis waren toegevoegd, stonden respectievelijk een Sinte-Apollonia (17) en een Sint-Laurentius- of Sint-Lambertusbeeld (18). Aan de voet van het altaar ligt in dwarse richting een grafsteen met wapenschild. De grafsteen is van elders hierheen gebracht en diende als sokkel voor de plaatsing van de houten wand. Het oppervlak van de steen is sterk afgesleten en niet leesbaar. De bovenkant van de steen is verdeeld in twee zones. Op de bovenste helft komt een barokke versiering voor met een gehelmd schild. Op de helm zit een vogel met gespreide vleugels. In de punt van het schild kan men de vage sporen van dezelfde vogel herkennen. In de onderste helft was een grafschrift ingegrift in Latijnse letters. De tekst is nagenoeg totaal onleesbaar. De wanden en het tongewelfje waren wit geschilderd. Er werden geen andere verflagen teruggevonden. Het tongewelfje moet in een latere periode hermaakt zijn, gezien het vóór de opening van de oculus in de voorgevel, geconstrueerd was. DEVOTIEKAPEL Uit het dagboek van pastoor d'Affnay (19) blijkt dat er jaarlijks, ter gelegenheid van verschillende religieuze feesten, processies werden gehouden die evenwel nooit - en dit tot 1771 - deze kapel hebben aangedaan. Nagenoeg alle religieuze optochten
14
Het wapenschild op de grafsteen (eigen foto)
De gietijzeren kraan naast de kapel, geplaatst tussen 1891 en 1893 ter bevoorrading van de inwoners (eigen foto)
M&L
gingen naarde Sint-Annakapel. Henri Delvaux, de bouwer, kreeg in oktober 1721 de toelating van de pastoor om in zijn kapel een offerblok te plaatsen. Voorwaarde was dat hij het geld zou besteden aan het onderhoud. De pastoor zou de sleutel bewaren en diende aanwezig te zijn bij het openen van de offerblok (20). Na het overlijden van pastoor d'Affnay kwam hier blijkbaar verandering in. Sindsdien kwam de processie jaarlijks voorbij de kapel op 15 augustus, ter gelegenheid van het feest van Onze-Lieve-VrouwHemelvaart. De kapel werd volledig opgefrist en vijfjaarlijks zelfs volledig gewit; de plint en de deuromlijsting werden geteerd. Het houten Christusbeeld werd bij die gelegenheid gewassen aan de kraan die langs de kapel staat. Men versierde het altaar en gebruikte het als rustaltaar voor het Heilig Sakrament. Vóór de kapel was de weg versierd met processievaantjes en op de grond lag een wit kleed, bestrooid met knipsels en bloemen. Dwars op de weg werd een hoge boog getimmerd, waaronder de processie naar de kapel ging (21).
EIGENAARS VAN DE KAPEL BEWONERS VAN HET W I T KRUIS (22) In 1715 gebouwd door Henri Delvaux (1664-1754) (gehuwd x Ida Wijnants), bevestigt zijn schoonzoon Jacobus Cerfontaine senior (gehuwd x Ida Delvaux) op 13 mei 1794, vóór notaris J.W. Denis, zijn eigendomsrecht op de kapel. In deze akte was tevens de verplichting tot jaarlijks onderhoud opgenomen. Bij zijn overlijden gaat de kapel over in de handen van zijn zoon Jacobus Cerfontaine junior (17661847) en vervolgens van diens zoon Theodoor Dominicus Cerfontaine (1809-1902). Clementine, de dochter van Theodoor, huwt met Jozef Belboom. Deze vreesde voor de stabiliteit en liet in 1902 rond de kapel, onder de consoles van de kroonlijst, een ijzeren ankering aanbrengen. Uiteindelijk verkopen de Belbooms de kapel aan Jean Mathieu Hubert Wijnants die in maart 1976 de kapel voor 20.000 F verkoopt aan de gemeente 's Gravenvoeren (23).
NA JARENLANGE VERWAARLOZING ... HERSTEL Toen de kapel in 1975 door een vrachtwagen werd aangereden, ontstond er een zware scheur in de oostmuur. De gemeente liet de scheur dichten. Sindsdien gebeurde niets meer...
M&L
15
16
M&L
De kapel werd in erfpacht gegeven aan de Stichting Monumenten- en Landschapszorg die met financiële steun van het Vlaams Gewest en met beperkte sponsoring de kapel liet herstellen door het aannemersbedrijf N. V. Metten uit Zonhoven voor een bedrag van 1.135.370,-fr. Hoewel klein van omvang, was de aftakeling van de kapel dermate groot dat meer dan 600 manuur en groot vakmanschap nodig waren om dit resultaat te bereiken. Door het ontbreken van een fundering en het wegspoelen van gedeeltes van de basis, waren er in de twee zijgevels over de volledige hoogte, naar boven toe breder wordende scheuren ontstaan. Bij de restauratiewerken besliste de aannemer de kapel zelfs niet gedeeltelijk te demonteren, doch opnieuw in het lood te trekken. Voorafgaandelijk werd het metselwerk goed bevochtigd. De hoeken van de kapel werden gestut met balken en in de achtergevel bracht men onderaan twee ijzeren staven aan waaronder olievijzels werden geplaatst. Tegelijkertijd bevestigde men stalen trekkabels in de achtergevel. Zo kon men deze gevel opvijzelen en bijtrekken. Na het aanbrengen van een fundering, konden de barsten opnieuw in verband gemetseld worden. De ijzeren ankering die in 1902 was aangebracht, kon verwijderd worden. Na de stoomreiniging, werd het parament hersteld. De volledige plint diende hermetseld met oude brikken en bovenaan afgedekt met een afgeschuinde deksteen in mergel. De mergelstenen kroonlijst die naar buiten was geduwd door het reeds vroeger verbouwd dak dat op de buitengevels drukte, werd grotendeels vervangen en voorzien van nieuwe consoles. Ook in de mergelstenen speklagen waren veel blokken aan vernieuwing toe. Gezien de bakstenen rollaag boven de geveltop in de voorgevel refereerde naar een latere, ondeskundige verbouwing en vermits de aanwezige voluten nog verwezen naar de originele afdekking, werd geopteerd voor een geveltopbekleding in mergel volgens de oorspronkelijke profilering. De zuiltjes van de nis en het osseoog waren helemaal gebarsten en verpulverd. Men verwijderde de baksteenvulling uit de oculus en plaatste opnieuw een raampje zodat het licht kan binnenstromen. Men metselde de sterk aangepaste puntgevel opnieuw in verband. Gezien de metsellagen pas later werden aangebracht om het kapelletje op te frissen en de kalklagen in rode en gele oker na deze restauratie-ingreep over-
bodig waren en het onderhoud zouden bemoeilijken, werd er voor gekozen om het parament niet te kaleien. Om het vocht op afstand te houden, injecteerde men een sperlaag tegen opstijgend vocht. Voor de dakbedekking gebruikte de aannemer leien, omdat het te zware pannendak de bovenkant van de gevels naar buiten duwde. Onder de pannenbedekking werden er trouwens resten van een oorspronkelijke leibedekking teruggevonden. De buitengevels werden gehydrofobeerd met een waterwerend produkt, teneinde mosvorming op korte termijn te vermijden. In de kapel herplaatste men de grafsteen, maar nu in de as van de inkom en in het vloervlak. De ontbrekende vloergedeelten werden aangevuld met kalkstenen tegels. Men hermaakte het tongewelfje zodanig dat het osseoog in de voorgevel terug vrij kwam. De altaartafel diende plaatselijk hersteld en de later bijgemaakte sokkels aan weerszijden van de centrale nis verwijderd. Door Bert Vonk van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen werd een kleuronderzoek uitgevoerd. Het altaar werd herschilderd volgens het oorspronkelijk palet. De houten wand werd ontdaan van alle latere toevoegsels in triplex. Men maakte de opengewerkte bovenzijde nog transparanter door het vervangen van de zware houten stijlen door overhoeks geplaatste metalen staafjes met kleinere diameter. Ter beveiliging en om te beletten dat de kapel door inwaaiende vuilnis binnen de kortste keren opnieuw zou verloederen, plaatste men dubbele beglazing achter de open paneeltjes en boven het inkomportaal. Om de gerestaureerde kapel ook in haar omgeving te valoriseren, vervolledigde de aannemer de kasseibestrating en werkte de achterzijde verder af met grint. De kraan rechts van de kapel werd opnieuw herschilderd. Alleen een nieuwe lindeboom ontbreekt nog...
Kleuronderzoek van het altaar (eigen foto's)
M&L
De gerestaureerde kapel en de pleinaanleg (foto's 0. Pauwels)
M&L
19
(15) STOKMAN Fr. A.. De geschiedenis van Hoogcruts. Slenaken. 1951. In 1797 werd het klooster verhuurd en op 23.3.1798 openbaar geveild. Een poging van de zusters om het klooster Edgard Goedleven is Afdelingshoofd Monumenten en Landterug te verwerven, mislukte. schappen. (16) O'KELLY R.P.. Unpeu d'histoire. la chapelle de H. Delvaux. Wij danken het aannemersbedrijf N.V. Metten uit Zonhoven m Journal d'Aubel.lM.mb. dat met hart en ziel de restauratie van het gebouwtje en de her(17) Buurtbewoners spreken van het "Apolloniakapelletje". aanleg van de omgeving op zich nam en met groot vakman(18) DUBOIS Ph.. neemt in zijn Notices historiques sur Founm-leschap tot een prachtig resultaat heeft gebracht. Speciale erkenComte. Aubel. I960, de tekst van O'KELLY over maar spreekt telijkheid ten aanzien van de Heren Leo Reynders en Gino over een Sint-Lambertusbeeld. Sint-Lambertus heeft de streek Roosen. omwille van hun deskundige uitvoering en ten aanzien van Luik gekerstend. De parochiekerk van 's Gravenvoeren is van de Heren Alfons en Jan Metters voor hun "grenzeloze aan hem gewijd. bereidwilligheid". Dank aan de Heren R. Brouwers. Guido 19) LEERSSEN J.. Transcriptie van het dagboek van pastoor Sweron en de Stichting Kruisen en Kapellen V.Z.W. die bereid Arnoldus D'Affnay. pastoor van 's Gravenvoeren (1719-1771): waren om mij hun documentatie ter beschikking te stellen om cfr. Register van den eerwaarden heer Arnoldus D'Affnay. deze bijdrage te kunnen realiseren. pastoor van 's-graeven-vouren (1719-1771). fo.O R0. 17 . BATS H.. Het Voerense landschap, in Monumenten en Land- 20 R" en 20 vo . Luik. Archives de l'état, Duché de Limbourg. schappen. 11. 1992. p. 14-33. SCHLUSMANS F.. De Voer581-582: Comptes et Finances matricules, Fouron-le-Comte gemeenten. Agrarische nedenetlingsmodellen en hun compo- ('s Graven-Vouren, 10.12,1773-1.9.1774). nenten, in Monumenten en Landschappen. 11. 1992, p. 34-50. (20) Volgens ANSAY J.. Vakantie in Voeren in 1730. In Heem. Carte de Cabinet des Pays-Bas Autrichiens. Levée a l'initiative 11.1.1967. p. 4 wilde pastoor d'Affnay niets wijzigen aan de du comte de Ferraris, 1771-1777. Heruitgave door het Gemeenparochiale gebruiken {"de costuymen en gebruicken. de welcke tekrediet van België. in desen kerck en in dese parochie syn van oudts geobseneert. SCHLUSMANS F., Bouwen door de eeuwen heen. Inventaris want die wilt syn bemint, die laet alles gelyck hij het oud. men van het cultuurbezit in België. Architectuur. Deel I4n2. Prov. mach wel iet verbeeteren maer niet verangeren" cfr. dagboek Limburg. Arrondissement Tongeren. Kanton Voeren. Brussel A. D'Affnay. fo.O R0). 1992, p. 12-14. (21) DE BEAUMONT M.. onuitgegeven nota's. VERCOULL1E J.. Beknopt etymologisch woordenboek der (22) Ibidem en BROUWERS R.. onuitgegeven nota's. Nederlandsche Taal. Gent. 1925, p, 163. In het Nederduits: (23) 's Gravenvoeren. Gemeentehuis. Verzameling uittreksels uit de "kinke": in het Engels: "kink", notulen van de gemeenteraad: openbare zitting van 25.3.1976. Gesloten, 18de-eeuwse hoeve, buitenverblijf van de graven van Aankoop van de kapel "Kinkenherg". Luxemburg. WAELBERS C. 's Gravenvoeren. Onze-LieveDe kapel werd aangekocht als "een operatie voor openbaar Vrouwkapel, in De Band. 2. 5, 1958. p, 9-10. nut". De gemeente nam meteen de verplichting op zich om de Op de nis in de zijgevel komt de datum 1727 voor en de deur in kapel te onderhouden... de tuinmuur draagt het jaartal 1745, (cfr, SCHLUSMANS F„ op. cit., p. 13-14). ANSAY J., Het Wit Kruis te 's Gravenvoeren. in Heem Joorboek.l5.W\,p.6]-n. De naam "Wit Kruis" zou ontleend zijn aan het feit dat vóór de woning een witgeschilderd. smeedijzeren kruis stond op een kalkstenen sokkel. Het kruis is thans verdwenen; de sokkel is nog aanwezig, DE BEAUMONT M.. onuitgegeven nota's. DELVAUX H., Dictionnairc géographique de la Province de Liège. Luik, 1841. Deze auteur is de zoon van de gelijknamige Henri Delvaux die in 1715 de kapel liet bouwen. Rond 1840 onderzocht hij de Romeinse villa te Steenbos ('s Gravenvoeren) en bouwde er de "Sleenboskapel". Onder de kalkwitsellagen werden sporen gevonden van rode en gele kalklagen die respectievelijk op de bak- en mergelsteenzones werden aangetroffen. Het beeld zou in 1972 nog gezien zijn door zuster M. Hereswitha, kanunnikes van het Heilig Graf te Turnhout, naar aanleiding van een studie over Heilig Grafvoorstellingen. Bij de verkoop van de kapel in 1976 aan de gemeente, was het reeds verdwenen (cfr. BROUWERS R.. onuitgegeven nota's; DE BEAUMONT M.. onuitgegeven scriptie). Jos Gyselinck is licenciaat geschiedenis, Hoogcruts is gesitueerd tussen Noorbeek en Slenaken in Nederlands Limburg. Cfr. een brief van 23.9.1976 van zuster licenciaat archeologie en inspecteur bij Lutgardis Malcorps uit de Priorij Sion Heilig Graf te Bilzen. Monumenten en Landschappen. (Provinciale Dienst voor het Kunstpatrimonium. Rijkel. Verzameling 's Gravenvoeren).
EINDNOTEN (1) (2)
(3)
(4) (5)
(6) (7) (8) (9)
(10) (11)
(12) (13)
(14)
20
M&L
DE VALLEI VAN DE KLEINE NETE EN DE AA TUSSEN GROBBENDONK EN HERENTALS LUDO MEESTERS
• De voormalige zwaaikom (Kleine Nete) te Grobbendonk (foto 0. Pauwels)
Het landschap van de vallei van de Kleine Nete en de Aa is gelegen tussen de dorpskern van Grobbendonk in het westen, de bedding van de Aa in het noorden, het Sportcentrum en de 'koekjesfabriek' in de stad Herentals in het oosten en het Albertkanaal in het zuiden. Grosso modo omvat dit landschap het alluvium van de Kleine Nete en de Aa te Grobbendonk en Vorselaar, de heu-
vel- en duinenrug tussen de Kleine Nete en de Aa met 't Heiken en 't Peertsbos te Vorselaar en Herentals en de voormalige Britse Basis te Herentals en Grobbendonk. De heuvel- en duinenrug sluit in het oosten aan bij 'de heuvelrug tussen Herentals en Kasterlee', reeds eerder besproken in Monumenten en Landschappen.
M&L
21
GEOLOGIE EN BODEM Bekijkt men de bodemkaarten van Grobbendonk en Lille (1), dan springen duidelijk twee verschillende bodemprofielen in het oog: de nattere alluviale bodems in de valleien van de Kleine Nete en de Aa en de drogere gronden van de heuvel- en duinenrug die de waterscheiding vormt tussen beide rivieren. De laatste sluit in het zuidwesten, via de duinrestanten in de voormalige Britse Basis, aan op de duinenrij te Grobbendonk (Bouwel) en, zoals reeds vermeld, in het oosten op de heuvels tussen Herentals en Kasterlee. De verhevenheid tussen de Kleine Nete en de Aa omvat enerzijds grote delen bedekt met duingronden en (pre)podzolen, anderzijds plaggenbodems die wijzen op een eeuwenoud landbouwgebruik. Hoewel er in de voormalige Britse Basis - de brede niet ingekleurde strook juist ten noorden van het Albertkanaal op de bodemkaarten - tot nu toe geen bodemkartering gebeurde, situeert L. Baeyens (2), auteur van de aangrenzende kaartbladen, hier door middel van interpolaties (zeer) natte alluviale beekdalgronden in het noordwesten en meestal niet gefixeerde stuifzanden in het grootste deel van het domein.
Vereenvoudigde bodemkaart (naar Baeyens L., 1971), schaal 1/25000
PLAGGENBODEM
OUDE BOSGROND
PODZOL
ALLUVIALE BODEM
PREPODZOL
DU1NGROND
De ondergrond van de vallei van de Kleine Nete en de Aa tussen Grobbendonk en Herentals bestaat hoofdzakelijk uit de formatie van Diest (BovenMioceen), dit zijn bleekgroene tot bruine kleihoudende fijne zanden, micahoudend en licht glauconiethoudend. Volgens Mourlon (3) ligt deze formatie in het betrokken valleigedeelte op een diepte van 0,7 tot 2,5 meter. Het oppervlak valt samen met de erosiebasis van de Nete en de Aa, waarop plaatselijk een dunne laag basisgrint (ongeveer 10 cm) werd afgezet. Dit basisgrint scheidt het Diestiaan van het Poederliaan of, dichter bij Nete en Aa, van het kwartair alluvium en de duinen. Volgens Tavemier en de Heinzelin (4) is het Poederliaan een ijzer- en fossielhoudende mariene zandafzetting van een transgressie die zich in oostelijke richting in de Kempen uitstrekte. Beide auteurs rekenen haar bij het Pleistoceen (Kwartair), terwijl ze volgens De Meuter en Laga (5) hoort bij het Plioceen (Tertiair). De afzetting wordt algemeen beschouwd als een equivalent van het Merksemiaan, waarvan de onderste laag plaatselijk rijk is aan klei- en leemlenzen. Tijdens het Pleistoceen werden de andere afzettingen bedekt met dekzand. Dit was enerzijds van niveoeolische en anderzijds van fluviatiele oorsprong.
SÜ ^
COLLUVIUM OPGEHOOGD TERREIN NIET GEKARTEERD
W*
VEENSUBSTRAAT
22
M&L
De duinrestanten in het hier voorgestelde landschap kunnen beschouwd worden als stuifzandduinen.
HYDROGRAFIE
• De Tweede en de Derde beek tussen Nete en Aa (foto L. Meesters)
•• De Tweede en de Derde beek te Vorselaar (foto L. Meesters)
Het ligt voor de hand dat een landschap dat grote delen van de vallei van de Kleine Nete en de Aa tot aan hun samenvloeiing omvat, sterk beïnvloed wordt door het hydrografisch net. Het huidige landschapsbeeld van de Nete- en Aavallei werd voornamelijk gevormd tijdens de ijstijden. Gedurende de tussenijstijden steeg het zeepeil tot 4 meter boven het huidige peil, waardoor de erosiebasis van de Nete en de Aa verhoogde en de stroomsnelheid en/of het debiet verlaagde. Aldus vormden de rivieren hun eigen alluviale vlakte. Gedurende de ijstijden zelf, wanneer het zeepeil daalde tot 130 meter onder het huidige peil, sneed de rivier zich dan dieper in haar eigen alluviale vlakte in, vooral tijdens de 'zomerperioden". Munaul en Paulissen(6) merkten op dat de vallei van de Kleine Nete ter hoogte van het Peertsbos in Herentals en 't Heiken in Vorselaar asymmetrtisch verloopt en op de rechteroever zeer smal is. Op de linkeroever is de vallei breder, hoewel onderbroken door rivierduintjes. Ze bevat ook de opgevulde laatglaciale bedding van de Kleine Nete, die tenminste tijdens de Allerödperiode ongeveer 500 meter zuidelijker liep. De belangrijkste zijriviertjes of beken zijn de Gravenweidebeek in Grobbendonk, de Tweede en de Derde beek (Oorlandse loop) in Vorselaar, de Fermerijloop in het Peertsbos te Herentals en de Vuilvoortloop ten zuiden van de Nete in Herentals. Hoewel vroegere rechttrekkingen en dijkwerken tot de mogelijkheden behoren, werd de Kleine Nete
voor het eerst grootschalig door mensenhanden aangepakt naar aanleiding van de kanalisatie van de Kempen, die startte in 1830. In een eerste fase werd de rivier gekanaliseerd tussen Lier en Herentals. Aanvankelijk gebeurde de kanalisatie slechts tot Grobbendonk, maar op aandringen van de Herentalse gemeenteraad - onder impuls van de lakenfabrikanten, de leerlooierijen, de uitvoer uit de stapelhuizen en de boeren die ijverden voor bevloeiing van hun velden - werd ook het gedeelte tot Herentals gekanaliseerd. Op 4 juli 1839 werd de gekanaliseerde Kleine Nete plechtig geopend door Leopold I; aldus ontstond de verbinding van Herentals met de Schelde via de Grote Nete en de Rupel (7). In een tweede fase werd het kanaal tussen Herentals en Bocholt, richting Luik, gegraven. Dit kanaal werd tussen 1843 en 1846 afgewerkt. In een laatste fase werd het Kempisch Kanaal in 1856 afgewerkt door een nieuwe verbinding te maken tussen de gekanaliseerde Kleine Nete in Grobbendonk (Bist Brug) en het kanaal HerentalsBocholt. Dit gedeelte werd rond 1940, na de opening van het Albertkanaal, gedempt. Op de kaart van Vandermaelen (1854) is duidelijk te zien dat het gedeelte van het Kempisch Kanaal tussen de Bist Brug in 'Grobbendonck" en den Troon reeds is aangelegd. Stroomopwaarts van de Troon wordt blijkbaar het tracé van het Kempisch Kanaal ten zuiden van de gekanaliseerde Kleine Nete aangeduid. Slechts een paar oude sluiswachterswoningen en een niet volledig gevulde bedding van het vroegere kanaal (vergezeld van de oude spoorlijn naar de voormalige Britse Basis) nabij het station van Herentals getuigen van een toch wel belangrijk stukje geschiedenis van de waterwegen tussen Grobbendonk en Herentals.
M&L
23
graafschap in handen van de familie d'Ursel (8). De watermolen dagtekent oorspronkelijk uit de vroege middeleeuwen; toen was het een banmolen, dit wil zeggen dat alle inwoners van de heerlijkheid er hun graan moesten laten malen. Hij wordt een eerste maal vermeld in 1254 en zou in 1268 al vernield zijn door brand. De huidige molen dateert van de 17de eeuw en bestaat, zoals voorheen, uit een graan- en een smoutmolen (olieslagmolen) gevestigd in twee afzonderlijke gebouwen aan weerszijden van het waterrad. Van groot belang voor de werking is de sluis tegenover de monding van de Aa. De huidige constructie in baksteen dateert van voor de Tweede Wereldoorlog en is dringend aan herstelling toe. De watermolen zelf werd op 28 mei 1962 beschermd als monument. Zijn omgeving - meer bepaald de aftakking van de Grote Nete, de voormalige zwaaikom, de sluis, de oude toegangsbrug naar de kasteelhoeve en een kapel - werd op dezelfde datum gerangschikt als landschap. Tussen de Nete en de Aa liggen de voorgebouwen en afhankelijkheden van het Hof van Grobbendonk. waarvan het kasteel in 1579 volledig werd verwoest. De nog resterende gebouwen, opgericht in 1540, werden in 1976 beschermd als monument. Achter het Hof. tot aan de monding van de Tweede Beek, ligt nog steeds het domein van de graaf of liggen de beemden, zoals de plaatselijke bevolking deze enclave nog noemt.
De watermolen en sluis te Grobbendonk (foto 0. Pauwels)
Het waterdrieblad (foto L. Meesters)
DE NETEVALLEI TUSSEN DE WATERMOLEN VAN GROBBENDONK, DE AABRUG EN DE TROONBRUG Dit gedeelte van het landschap omvat de weilanden en de bossen tussen de voormalige Britse Basis en de Kleine Nete, gelegen in de gemeente Grobbendonk. en de beemden en de bossen tussen de Nete en de Aa, grotendeels gelegen op het grondgebied Vorselaar. De watermolen en de Hoeve Het Oude Hof am de samenvloeiing van Nete en Aa vormen de historische kern van het gebied. Deze gebouwen hoorden steeds tot de heerlijkheid Ouwen - de naam van Grobbendonk tot 1715-1718die in 1637 een graafschap werd. In 1726 kwam dit
Volgens de bodemkaart liggen in het domein ook plaggenbodems, die wijzen op vroegere landbouwactiviteiten. Op de kaart van de Ferraris (1777) werden hier nog beemden met houtkanten ingetekend. Naar de Tweede beek toe was er blijkbaar loofbos aangeplant. Momenteel is het domein sterk verruigd. Het bestaat hoofdzakelijk uit Canada-aanplanten met broekbos (Zwarte els en wilg) doorsneden door grachten en
VA
•
Wl 1 Mr
Ipfm»
J00* flif
^M^^^ktfB|
wP8
iSmSw^
J
ï : /f
i
26
De Graafweide te Grobbendonk (foto 0. Pauwels)
M&L
drassige aardewegen, waarvan de vegetatie wijst op de aanwezigheid van voedselrijk water: Scherpe zegge, Holpijp, Mannagras, Grote waterweegbree, Grote Kattestaart en Bitterzoet. Een aantal bredere wegen worden jaarlijks gemaaid en kunnen daardoor beschouwd worden als natte, (licht) bemeste graslanden met onder meer Bosbies, Kale jonker. Echte valeriaan en Dotterbloem. De Beemden zijn door hun ligging tussen twee rivieren en een beek en door hun verruiging zeer moeilijk toegankelijk. Niettegenstaande het hier gaat om een jachtdomein, blijkt dat het reewild zich er vrij gerust voelt... Het alluvium ten zuiden van de Kleine Nete tot aan de voormalige Britse Basis (de zogenaamde Graafweide) wordt nagenoeg volledig ingenomen door natte, bemeste weilanden, verdeeld in kleinere percelen. De talrijke beken, grachten en greppels met begeleidende beplantingen van Canada en Zomereik geven het landschap een visueel erg aantrekkelijk karakter. De beemden en de bossen tussen de Kleine Nete en de Aa, doorkruist door de Tweede en de Derde beek, hebben op natuurwetenschappelijk vlak heel wat meer te bieden. Tussen de bemeste weilanden. Canada-aanplanten en gemengde bosjes liggen hier nog enkele drassige, licht bemeste graslanden met onder andere Tweerijige zegge, Bosbies, Veldrus, Moerasspirea, Echte koekoeksbloem, Echte valeriaan en Dotterbloem. Sommige grachten hebben, waarschijnlijk omwille van de aanwezigheid van een veensubstraat op geringe diepte, kenmerken van het zure laagveenmoeras: hier gedijen nog Moeraswalstro, Melkeppe, Wateraardbei, Egelboterbloem, Zeegroene muur en Waterdrieblad. Slechts de omgeving van de Nieuwe Hoeve nabij de Troonbrug kan beschouwd worden als een zone met moderne, grootschalige landbouw. Hier liggen drie grote bedrijven met stallen, silo's, maïsvelden en open weiland aan de Kleine Nete.
'T HEIKEN, DE OORLANDSE HEIDE EN 'T PEERTSBOS Vergelijkt men de intekening van dit landschapsgedeelte op de kaarten van de Ferraris en Vandermaelen met de huidige situatie, dan valt het op dat bijna alle heidevegetatie stelselmatig verdween, in de Oorlandse Heide vooral door omzetting tot landbouwgrond en in 't Heiken door beplanting met naaldhout. Waarschijnlijk begon deze ontginningsgolf in 1772,
toen Keizerin Maria-Theresia bevel gaf tot ontginning van de zogenaamde 'woeste' gronden in de Oostenrijkse Nederlanden. De belangrijkste natuurwaarden in dit landschapsgedeelte komen voor in het Peertsbos te Herentals, dat zich uitstrekt van de Vorselaarsebaan tot aan de Kleine Nete en van bij de grens met Vorselaar tot aan het BLOSO-sportcentrum. De geschiedenis van dit bos gaat al zeker terug tot in de middeleeuwen. Het gasthuis van Herentals, gesticht in 1253, kwam reeds vroeg door schenkingen in het bezit van tienden ten noordwesten van de stad, onder andere in 1289 van een tiende onder Herentals en Vorselaar geschonken door hertog Jan I. In de 16de eeuw stichtte het gasthuis op verworven of gekregen gronden een hoeve ten noorden van het Peertsbos: de Haenheuvelhoeve (1591). Op het einde van het Ancien Régime (ten tijde Van de Ferraris, 1777) was er ten noorden van Herentals nog slechts weinig bos over. Het grootste overgebleven aaneengesloten bosgebied was het Peertsbos. Op de hoger gelegen en drogere zandgronden is op de kaart van de Ferraris de eerste naaldhoutaanplant te zien. Het Peertsbos is het enige bos in Herentals waaraan de ontginningsgolf voorbij gegaan is. Door de ongunstige waterhuishouding kwam het bos, ondanks de vruchtbare bodem, het minst in aanmerking voor ontginning. Uiteraard speelde ook de eigendomsstructuur een rol.
M&L
Synthetische kaart van het Peertsbos te Herentals
27
= - 1 AANPLANT DENNEN x < v _-a Varens (Pteridium aquilinum) dominant in kruidlaag. b Varens (Dryopteris div sp.). bramen (Rubus div.sp.) en grassen (Deschampsia flexuosa. Molinea caerulea) codominant in kruidlaag (soms een of enkele soorten dominant). Goed ontwikkelde etage van struiken en lage bomen (I -4m) (Quercus robur. Q. rubra, Sorbus acuparia. Prunus serotina. Frangula alnus e.a.).
^
A a b c d
LOOFBOS Eiken (Quercus robur) dominant, Beuken (Fagus sylvatica dominant, Aanplant populieren (Populus xcanadensis). Hakhout elzen (Alnus glutinosa).
• pPINUS NIGRA — IJpOPULUSr, 1 TDETULA V QFAGUS SYLVATICA 1 ALNUS G L U T I N O S A O CSALIX T QUERCUS ROBURY
3 a Zompige laagte, overgroeid met russen (Juncus div.sp.). b Jonge opslag van dennen (Pinus sylvestris). berken (Betuia div.sp.) wilgen (Salix div.sp.). c Verruigd hooiland. 4 -a -b c d e f -g
LIJNVORMIGE LANDSCHAPSELEMENTEN Beek. Grachten, greppels en sloten. Oude Netearmen. Boszoom (aansluitend Netedijk). Beukendreef (Fagus sylvatica). Houtkanten (vooral eik, Quercus robur). Bospaden.
ligging van de vegetatieopnamen ®
Het Peertsbos te Herentals (foto L. Meesters)
Het Peertsbos bestaat in feite uit twee grote delen: overwegend loofbos in het zuiden en beplantingen met naaldhout (Grove en Zwarte den) in het noorden. De overgang van (natte) lemige zandgronden in het zuiden naar (matig natte tot droge) zandgronden in het noorden vormt de grens tussen beide bostypen.
De ouderdom van de dennenbossen varieert van 20 tot 80 jaar. Het uitzicht wordt ofwel bepaald door de aanwezigheid van een loofhoutetage bestaande uit jonge eiken, Lijsterbes, Spork en Amerikaanse vogelkers, ofwel door een kruidlaag met varens en/of bramen en grassen. Het zuidelijk deel van het Peertsbos is een middelhoutuitbating met dominantie van Zomereik. De dichte onderbegroeiing bestaat er uit Hazelaar, Haagbeuk, Ratelpopulier, Lijsterbes en Amerikaanse vogelkers. Op grond van de floristische samenstelling van de kruidlaag kan het bos getypeerd worden als een beuken-eikenbos. Kenmerkende soorten zijn hier o.m.: Gewone salomonszegel, Stompsporig bosviooltje. Lelietje-der-dalen, Dalkruid, Valse salie en Bosanemoon. De bossen worden afgewisseld met lintvomige en andere kleinere landschapselementen zoals elzen- en eikenkanten, een populierenaanplant, een beukendreef, bospaden, grachten en de Fermerijloop. In het Peertsbos broeden een aantal zeldzame roofvogels, de Houtsnip, spechten en zangvogels, onder andere de Fluiter en de Bonte vliegenvanger (9). Hel sen (10) was van oordeel dat de naam Peert{s} afkomstig is van het Franse woord perche en zou betekenen; paal, grenspaal.
28
M&L
1. De Kleine Nete aan het Peertsbos (foto L Meesters) 2. Hoeve Het Oude Hof te Grobbendonk (foto O. Pauwels) 3. Het domein van graaf d'Ursel te Grobbendonk 4. De wateraardbei (foto L Meesters)
M&L
29
De voormalige Britse Basis strekt zich uit tussen het gedempt Kempisch Kanaal nabij de Kleine Nete en het Albertkanaal. De naam is onherroepelijk verbonden met de periode van Britse militaire bezetting van 1951 tot 1992. Volgens de weinige beschikbare historische gegevens kan de geschiedenis van dit gebied ingedeeld worden in 4 perioden: de middeleeuwen met de oprichting van de priorij de Troon, de periode van annexatie bij het Goorhof, de periode van de families De Vries en Micha en tenslotte de militaire bezetting. Volgens Van Dyck (11) was dit landschap in de middeleeuwen een dun bevolkt gebied met zandduinen, heide, schaarhout en goorland. De functie van het gebied was veelvuldig: vrouwen en kinderen vonden er sprokkelhout, men stak er schadden voor de afdichting van het dak, er waren leemputten voor de muren van de woningen, er groeide riet voor de daken, er lagen putten voor het roten van vlas en voor het looien van leer, er groeiden biezen om stoelzittingen te vlechten en tenen om korven, manden en wannen te maken en men maaide er strooisel voor het vee.
Zelle, prior te Corsendonk. Het godshuis werd in 1414 gesticht door ridder Aert van Crayenhem, toen onder andere heer van Ouwen (nu Grobbendonk), Bouwel en Olmen en drossaard van Brabant. De priorei werd al vlug een wetenschappelijk en literair centrum - een zogenaamd scriptorium - ter verspreiding van de geestescultuur. In die periode waren er in feite drie eigenaars in het gebied. Een derde hoorde toe aan de kerk van Ouwen en werd naar de patroonheilige Sint-Lambrechtsheide genoemd; het betreft vooral het zuidwestelijk gedeelte. Honderdvijftig ha was door de heren van Ouwen in de 15de eeuw aan de priorij de Troon geschonken; op de Netemeander die langs de gebouwen liep, hadden zij een watermolen, de Nieuwe Molen, gebouwd. De overige gronden waren nog eigendom van de heren van Ouwen. Buiten de monikken en lekebroeders van de priorij woonden er slechts enkele arme keuterboeren die er leefden van een akkertje en wat kleinvee zoals geiten, schapen en ganzen. In 1572 werd op de priorij brand gesticht door de Geuzen en in 1578 werd de kerk volledig door brand vernield. De broeders namen toen de wijk naar het Sint-Maartensdal te Leuven, een klooster van hun congregatie. Tot 1798 was de priorij een Vicariaat van Sint-Maartensdal; enkele priesters bleven er ter plaatse in dienst van de zielezorg van de parochie Grobbendonk.
Belangrijk voor het landschap was de vestiging van de priorij Onze-Lieve-Vrouw-ten-Troon op de heuvel van Hulsdonk te Ouwen, bestemd voor de broedergemeente van de Reguliere Kanunniken van Sint-Augustinus onder leiding van Hendrik van
In 1795 - het begin van de Franse tijd - werden de kloostergoederen door de Fransen geconfisceerd en bestempeld als 'nationaal domein'. AI vlug werden ze doorverkocht en kwamen ze in handen van verschillende eigenaars.
Het grootste gedeelte van het Peertsbos is eigendom van het O.C.M.W. van Herentals. Het wordt verpacht aan de Vlaamse Gemeenschap en beheerd door de Dienst Bos en Groen.
DE VOORMALIGE BRITSE BASIS TUSSEN GROBBENDONK EN HERENTALS
De Kleine Nete aan de Troonbrug (foto L. Meesters)
De Kleine Nete aan de voormalige Britse Basis (foto L, Meesters)
30
M&L
GROBBENDONK STAGING AREA
ÜROBBENDÜNK STAC.ING AREA
De Britse Basis in 1974
Op de kaart van de Ferraris (1777) vallen drie opvallende noordwest-zuidoost-lopende wegen op: een weg van het kasteel van Grobbendonck naar Meerhoeven, één van de Troon naar Meerhoeven en een verbinding tussen de Troon en Wolfste (Herenthals). Rond 1850 (Vandermaelen) bestond de voormalige Britse Basis uit uitgestrekte heidegebieden met in het westen een aantal grotere percelen naaldbos en in het oosten meer loofbos, gras- en hooiland en een groot moeras (later waarschijnlijk de Goorkens). Opvallend detail is de aanduiding van de Cabane Zwarte Vos ten westen van de Troon, daar waar nu nog uitgeschoten resten van de vroegere beukenhaag te zien zijn. In 1875 werd het grootste gedeelte van het domein door de Antwerpse scheepsreder en groothandelaar Hüger gekocht, die in het zuiden, nabij Meergoren, het kasteel Goor/jo/bouwde en er beukendreven in stervorm liet aanplanten, die toegang verleenden tot het kasteel. In 1898 brandde de kerk van de priorij - toen een schuur met riet bedekt - nog eens volledig af. Op het einde van de vorige eeuw kwam een deel van het domein in handen van Emma De Vries, dochter van gewezen notaris en burgemeester van Grobbendonk Louis De Vries (t 1889). Zij bezat vooral gronden rond de vroegere visvijver van de abdij, niet zo ver van de Zwarte Vos. In 1906 liet zij bij deze vijver een jachtpaviljoen - het Kalkhovenhof {\2) - bouwen. Dit paviljoen werd later nog vergroot en uitgebreid met onder andere een
koetshuis, zodat het meer de allures van een kasteeltje kreeg. De nakomelingen van Emma De Vries, met recenter de gebroeders Leon en Victor Micha, waren tot aan de onteigening in 1951 eigenaar van de Troon, het Kalkhovenhof en een veertigtal hectaren grond (13). Op de topografische kaart van het Militair Geografisch Instituut van 1923 (toestand 1909) doorkruisen talrijke nieuwe wegen, waarvan een groot aantal dreven, het landschap. Eén der belangrijkste is de dreef van het oud sashuis (bij brug nr 5) tot aan het kasteel van Hüger (later van de Namur). Deze monumentale beukendreef is nog steeds aanwezig in het huidige landschap, zij het met een ernstige onderbreking ter hoogte van het Albertkanaal. Op deze kaart valt ook de vijver genaamd Goorkens op in het oosten, waar tot voor de aanleg van het Albertkanaal door talrijke Herentalsenaars werd gezwommen. In 1931 kocht kannunik Floris Prims de kerk van de Troon van landbouwer J. Donckers. Bij testament werd de ruïne in 1950 geschonken aan de v.z.w. Aartsbisdom Mechelen. De resterende delen van het klooster werden ondertussen eigendom van de heer M. Dams uit Herentals. In 1934 openden koning Leopold III en koningin Astrid het nieuwe, 50 meter brede Albertkanaal. Tijdens de werken aan dit kanaal bestond een verbindings- of werkkanaaltje met het Kempisch Kanaal, waarvan nu nog de resten zichtbaar zijn tus-
M&L
Uittreksel uit de kaart van de Ferraris, kaartblad Herentals
108(01X2), schaal 1/25000
31
sen de terreinen van De Beukelaer en de oostelijke grens van het militair domein. In 1951, na onteigening van de gronden, werd het landschap ingericht als militair domein voor de Britten. Er ontstond een infrastructuur van wegen in beton en asfalt met betonnen platforms voor olietanks, diepe vierkantige blusputten. loodsen, magazijnen, stallen en beperkte huisvesting voor militairen. De meeste beroepsmilitairen kregen een huis ter beschikking in de Engelse wijk in Herentals. Het Kalkhovenhof werd gebruikt als officierenmess. Op het gedempt Kempisch Kanaal werd een spoorlijn naar Herentals aangelegd. Naarmate de jaren vorderden, kreeg het domein ook een aantal paramilitaire bestemmingen: schietoefeningen door Rijkswacht en Gerechtelijke Politie, rijden met militaire veteranenvoertuigen, Scoutskampen, jumping enz... Ondertussen verdwenen al een groot aantal gebouwen, onder andere het Kalkhovenhof; andere raakten in onbruik en bijgevolg in verval. Ongeveer driejaar geleden werd de Britse Basis overgedragen aan het Ministerie van Landsverdediging. Ze behoorde niet tot de te koop gestelde Belgische militaire domeinen.
<fs
,./:•
.
a
«MS.S-
Hoe men de Britse Basis ook benadert, steeds wordt men geconfronteerd met de aanwezigheid van bossen. Men zou het geheel van bossen zelfs kunnen beschouwen als één grote barrière tussen de vallei van de Kleine Nete en het Albertkanaal. Grosso modo overheersen de naaldbossen met Grove en Corsicaanse den, maar plaatselijk komen ook uitgestrekte loofbossen voor, zoals bijvoorbeeld in het zuiden en het oosten. Meestal gaat het dan om Eiken-berkenbos, de climaxvegetatie van de streek, soms vergezeld van Amerikaanse eik. Het is in een dergelijk bos in het oosten, op een leemsubstraat, dat de uiterst zeldzame Grote Wolfsklauw nog voorkomt. Vooral in de naaldbossen is de sterke opkomst van Amerikaanse vogelkers merkbaar. Op en aan de talrijke aardewegen, paden en (spoor)wegbermen overheersen de tredplanten en ruigten. In het westelijk deel van de Britse Basis en ten zuiden van de Troon liggen nog een aantal graslanden, gaande van voedselarme graslanden op droge grond tot matig bemeste graslanden op vochtige grond, met onder andere Gevlekte orchis. Vooral nabij de westelijke grens domineert de droge heide, tot onder de naaldbomen.
^V5 'p^ i—X^TL-
32
M&L
Binnen de boscomplexen resteren nog een aantal natte heiden en laagveenmoerassen met zeldzaamheden als Veenpluis, Moerashertshooi, Drijvende waterweegbree en Kruipende moerasweegbree. Tenslotte zijn er nog de verlandingsvegetaties en wilgenstruwelen, voornamelijk in het alluvium van het noordoosten.
Basis het grootste broedgebied voor nachtegalen uit de streek. Opvallend is de aanwezigheid van een groot aantal reeën; in 1990 werden er eventjes 35 geregistreerd. Ook de vos vindt blijkbaar een veilig onderkomen in het domein, want in 1990 werden er drie burchten waargenomen.
Een dergelijk afwisselend afgesloten gebied herbergt logischerwijze een zeer rijke fauna. Vooral de diepe, betonnen brandblusputten nabij de brandstoftankplatformen vormen een ideaal biotoop voor amfibieën.
Voor de voormalige Britse Basis werd recent door Monumenten en Landschappen een voorstel tot rangschikking als landschap uitgewerkt. Op 7 april 1995 ondertekende de heer J. Sauwens, Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming, het ministerieel besluit houdende voorstel tot rangschikking als landschap van de voormalige Britse basis te Herentals en Grobbendonk. De kerkruïne, de oostvleugel en de zuidelijke afsluitmuur van de Priorij Onze-Lieve-Vrouw-Ten-Troon te Grobbendonk werden op 3 maart 1976 als monument beschermd. Op dezelfde datum werd de Priorij met haar omgeving - meer bepaald de oostelijke zijde - beschermd als dorpsgezicht.
Volgende soorten werden hierin geïnventariseerd: Groene en Bruine kikker, Heikikker, Gewone pad, Kleine watersalamander en Alpenwatersalamander. In de voormalige Britse Basis broeden onder meer Bosuil, Ransuil, Steenuil, Boomvalk, Torenvalk, Buizerd, Kleine bonte specht, Holenduif, Zomer- en Wintertaling, Bosrietzanger en Kleine karekiet. Verder is er een grote Kauwenkolonie en is de Britse
De Tweeke beek te Vorselaar (foto 0. Pauwels)
. v
" ••• -
'"•"'
£•,.-. •1
-'• -.WA
- >••
. •'
' A-V
•"'•.:..
....<•* ^ r
.^•••.s-..>..
:
•*"•
' \
•.-••-.y-«,
-rt
%
'*d H
m€nk /
T ' 'V
•
i
% w^l i^Mw^Ê
^l^^B^' '.l--'^
^^ki-^
^im
'
•
'
'
*
•
;
;
:
_
:
'
•
'
S^HECDSI^^BK^BVIV •
, /
'
\
'
'
-•::.-
. -
:
••
ML BINNENKRANT Nr. 74 Bijlage bij M&L 14/4 juli-aug. 1995
Lucien Francois, villa Blankendellelaan, Brussel, 1927
14,
AVËMUE 01
TCHCOItKK
mtt&MMt vmnun
M&L
Beschermingen DE VALLEI VAN DE MOLENBEEK Op 29 mei 1995 heeft Vlaams minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming Johan Sauwens 'de Vallei van de Molenbeek' definitief als landschap beschermd. Het beschermde landschap is gelegen in Puurs, in het zuidoostelijk deel van de deelgemeente Liezele. Het landschap sluit aan op de als dorpsgezicht beschermde omgeving van de Schemelbertmolen. Puurs, de Vallei van de Molenbeek
houtkanten voor. Ook op de kouters komen sporadisch houtkanten voor. Aan de zuidoostelijke kant van de grens van het voorgesteld landschap staat aan een veldweg een kapel die aangeduid wordt als Open Capelleken. Het is de Kapel van Onze-LieveVrouw ter Koorts waarvan het oudste deel (in bak- en zandsteen) dateert van 1643. De bouwheerwas Jacques Uvens, ridder en heer van Berchem die van 1642 tot 1647 het Steentje bewoonde. Dit was een hof van plaisantie dat zich in het zuidoostelijk deel van de vallei bevond (ter hoogte van de knik in de veldweg). Het is kort daarna geheel verdwenen. Op de Ferrariskaart wordt op deze plaats enkel een smalle ovale ringgracht aangeduid. De gracht is momenteel dicht, op een smalle afwateringsgracht na. Hij is slechts als een glooiing in het terrein waar te nemen. De naam is nog steeds als toponiem op de kadas-
trale plannen aangeduid. Het toponiem het Steentjen is een aanwijzing voor het bestaan van stenen muurwerk in het akker- of weiland. De weg die recht op de site toeloopt staat aangeduid als Aardebergh. Dit toponiem verwijst duidelijk naar het bestaan van een kunstmatige aarden opwerping (waarschijnlijk een motte) in de onmiddellijke omgeving. Op basis van de topografische ligging (in een moerassige beekvallei), de oude kaarten en de toponymie besluit het Instituut voor Archeologisch Patrimonium dat hier een middeleeuwse motte-site (14de15de eeuw) mag verondersteld worden (samengesteld uit een opperhof en een neerhof). Zoals dit op vele plaatsen het geval is werd ze later (meestal in de 16de eeuw) omgevormd tot een klein lusthof of hof van plaisantie. De Kapel van Onze-Lieve-Vrouw ter Koorts draagt het wapen en de
Het is een landschap met een grote esthetische waarde door het voorkomen van een contrast tussen enerzijds het kleinschalige valleilandschap met zijn bomenrijen en houtkanten, zijn ruigten, struwelen en bossen en anderzijds de open kouters die tesamen een volledig gesloten gezichtsbekken vormen. De ruimtelijke structuur van dit landschap is een intact beeld van het landschap in de hele omgeving. De depressie van de Molenbeek loopt ongeveer in zuidnoordelijke richting. De beek vormt door zijn gering verval, vooral hier in de benedenloop, een belangrijke vallei die plaatselijk meer dan 200 m breed is en die niet zeer diep ingesneden is in het landschap. De overgang tussen de vallei en de kouters is plaatselijk zeer scherp door de aanwezigheid van een steilrand. De historische waarde wordt in grote mate bepaald door de eeuwenoude landschapsstructuur en -opbouw die hier in belangrijke mate behouden is geworden. Op de historische kaart van de Ferraris van circa 1777 wordt de Molenbeek als Calfortsche Beek aangeduid. Het domein van het Schemelberthof is reeds aanwezig, evenals de Schemelbertmolen. De met bomen afgelijnde beek doorstroomt een vrij open moerassige vallei. Enkel tegen de kouters aan komen een aantal
B I N N E N K R A N T
M8cL wapenspreuk van voornoemde heer. Volgens de overlevering liet hij de kapel bouwen na een ziekte bij één van zijn kinderen dat zeer te lijden had aan koorts. In de vorige eeuw werd vóór de kapel een deel aangebouwd zodat de oorspronkelijke kapel het koor vormde van een bredere en hogere nieuwe bakstenen kapel. Deze aanbouw was half deze eeuw bouwvallig geworden en werd in 1947 door pastoor August Bellemans, in naam van de inwoners van Liezele (zoals aangeduid in een tekst op tegels in de achtermuur), heropgebouwd naar plannen van architect Alfred Adriaensens uit Lippelo. Het voorkomen van het landschap is recent veranderd door de aanleg van een aantal gesloten structuren. In het zuidoostelijk deel van het landschap zijn delen van zowel de kouter als de vallei bebost. Ook de moerassige percelen in het noorden en het westen van de vallei zijn grotendeels beplant met canadapopulieren. De vallei zelf heeft door het voorkomen van de talrijke houtkanten en bomenrijen (wilg en populier) een zeer kleinschalig karakter gekregen. Aansluitend op het noorwestelijk deel van de afbakening van het voorgesteld landschap bevindt zich de watermolen van Liezele. Op de site van de huidige molen werd reeds in 1636 een watermolen gebouwd door Ferdinand Le Cocq, heer van La Motte. Deze watermolen werd door brand vernield en later heropgebouwd. In 1914 werd hij zwaar beschadigd door de Belgische Genietroepen (onmiddellijke omgeving van het Fort van Liezele). In 1922-1923 werd hij door Jules De Keersmaecker heropgericht, evenals het aansluitend bedrijfsgebouw en molenhuis. De huidige Schemelbertmolen is de enige nog bestaande watermolen in KleinBrabant. Het is een korenwatermolen met turbine en motor. De natuurwetenschappelijke waarde van het landschap wordt in belangrijke mate bepaald door de botanische waarde zowel van de graslanden als van de moerassen, de ruigten, de oevers van de beken en grachten, en de bossen en door de verscheidenheid van de verschillende begroeiingen op een vrij kleine oppervlakte ten gevolge van de sterk variërende milieuomstandigheden (vochtgradiënten, bodemtypen, beheer).
Fytogeografisch is de Vallei van de Molenbeek gelegen in het Vlaams district. In dit ongeveer 45 ha grote gebied werden 207 plantesoorten waargenomen, dit is een vijfde van de in het Vlaams district voorkomende plantesoorten. De belangrijkste socio-oecologische plantegroepen in het gebied zijn de pioniers op relatief voedselrijke plaatsen met wisselende waterstand, de matig bemeste graslanden op natte grond en de verlandingsvegetaties in voedselrijke, ondiepe wateren. Voor die deelgroepen komen 50% van de in het Vlaams district groeiende plantesoorten in het gebied voor. Ook de planten van matig bemeste graslanden op (matig) vochtige grond, van natte ruigten en van verlandingsvegetaties in matig voedselrijke ondiepe wateren zijn goed vertegenwoordigd (ongeveer 40%). Een aantal van die soorten zijn daarenboven zeldzaam tot zeer zeldzaam in het Vlaams district of behoren tot de heel zeldzame soorten in Noord-België. Vermeldenswaardig zijn Moerasbeemdgras, Waterscheerling, Gevleugeld helmkruid, Kleine watereppe, Hazezegge, Bosbies, Moesdistel. In mindere mate zijn ook de planten van jonge aanplanten en zomen op voedselrijke, matig vochtige grond en van bossen op gerijpte, matig voedselrijke tot voedselrijke, matig vochtige tot droge grond aanwezig. Van de plantesoorten die tot de minder vertegenwoordigde oecologische groepen behoren zijn er een groot aantal vermeldenswaardig omdat zij zeldzaam tot zeer zeldzaam zijn in het Vlaams district of omdat zij behoren tot de heel zeldzame soorten in Noord-België. De voornaamste zijn Kruldistel, Stinkende ballote. Kleine duizendknoop, Waterpostelein, Middelste waterranonkel. Egelboterbloem, Melkeppe, IJle zegge. Muskuskruid. Voor deze begroeiingen is het van belang dat wijzigingen van de waterhuishouding en de waterkwaliteit, omzettingen van graslanden naar een ander bodemgebruik en ontbossingen worden voorkomen.
Het landschap is tevens waardevol broed- en pleistergebied voor tal van vogelsoorten zoals Bosuil, Ransuil, Torenvalk, Sperwer, Wielewaal, Boomkruiper. Het gebied ligt op de trekroute van onder meer Wespendief, Buizerd, Ruigpootbuizerd, Rode Wouw. Ook Havik, Boomvalk, Buizerd en Koperwiek worden regelmatig waargenomen. M. De Borgher
DE OUDE SCHELDE DEEL EENDENKOOI EN GRAAFSCHAP Op 7 april 1995 heeft Vlaams minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming Johan Sauwens Het Landschap van de Oude Schelde - deel Eendenkooi en het Graafschap definitief als landschap beschermd. Het 160 ha grote landschap is gelegen tussen de dorpskernen van Temse, Bornem en Weert en sluit aan bij het reeds bij koninklijk besluit van 13 maart 1979 als monument beschermde kasteel Marnix en van het kasteel met omringend park. De rangschikking kadert in het beleid van de gemeente Bornem voor het gehele landschap van de Oude Schelde. Voor dit gebied werd in een kader van een integrale planning een structuurplan opgesteld. Dit plan werd goedgekeurd in de gemeenteraad van 28 april 1994. Het heeft als doel de instrinsieke waarden en de eigenheid van het landschap te bewaren en te beschermen. Het gewestplan is nu te algemeen: het gebied is grotendeels landschappelijk waardevol bosgebied; enkel rond Weert is het woongebied met landelijk karakter en dagrecreatiegebied, en het grootste deel van de Oude Schelde is een gebied voor vissport. Om de toekomstvisie te verwezenlijken en deze voor een deel ook juridisch hard te maken werd door de gemeenteraad beslist een aantal acties te ondernemen. Als één van die voorgestelde acties werd tot het opstarten van de procedure tot rangschikking van een aantal monumenten en landschappen besloten. Op die manier wil men de elementen met een hoge landschappelijke en cultuurhistorische waarde in het gebied beschermen. Bij de besprekingen bij voornoemd structuurplan kwam men tot de
B I N N E N K R A N T
M8d Het Land van Bornem werd reeds in 910 samen met Mechelen door de Franken aan het Bisdom van Luik geschonken. Later in 1507 kwam het bij Vlaanderen. De toren werd dan de meest noordelijk gelegen vesting aan de overzijde van de Schelde. Hij maakte deel uit van de vestingenrij die van Antwerpen via Rupelmonde, Temse naar Gent en verder liep. De vesting werd geleidelijk aan uitgebouwd door de kasteleinen van Gent. In 1586 liet Pedro Coloma hem ombouwen tot een lusthuis.
Het landschap van de Oude Schelde deel Eendenkooi en het Graafschap
conclusie dat binnen het kader van de structuurplanning het een logisch gegeven is dat het belangrijkste kerngebied van dit landschap hiervoor in aanmerking komt. Zodoende kwam de voorgestelde begrenzing tot stand. Het vormt de kern van het oude kasteeldomein van Marnix de SintAldegonde. Reeds in 1912 stelt Massart (R13) het gehele landschap van de Oude Schelde {"Site E5. - Vieil Escaut et Weelde Bornhem') voor als één van de te behouden natuurgebieden wegens zijn natuurwetenschappelijke, historische en esthetische waarden. Het nu beschermde landschap is een belangrijk deel van dit site en bestaat uit de eendenkooi, het kasteel en zijn omgeving en 't Graafschap. Het is een landschap met een zeer hoge esthetische waarde. Die wordt bepaald door duidelijke contrasten en een grote afwisseling tussen het open alluviaal landschap langs de Oude Schelde en rond het kasteel, het kleinschalig gesloten landschap ten zuiden en ten westen van het kasteel en het bos- en broekboslandschap van 't Graafschap. Hier komen ook pittoreske zichten voor gevormd door dreven, waterlopen, putten, moerassen, gras- en rietlanden.
De historische waarde van dit landschap is een gevolg van de zeer rijke geschiedenis van dit gebied. Het is een rivierenlandschap dat de 13deeeuwse structuur ongeschonden en herkenbaar weergeeft, en structureel en genetisch aansluit bij het reeds beschermde kasteel waarvan de geschiedenis teruggaat tot de 9de eeuw. In het gebied is bovendien een unieke en nog functionele eendenkooi gesitueerd. De vestiging van het kasteel zou tot de Romeinse tijd teruggaan. Dit is echter nog niet bewezen. Enkel onrechtstreekse aanwijzingen duiden op dit gegeven. Voor de eerste vestiging van het kasteel van Bornem moeten we teruggaan tot in de Frankische tijd. Op de donk aan de Schelde, een zandige opduiking die 1 tot 2 meter boven de alluviale gronden uitsteekt, werd in de 9de eeuw een versterkte toren gebouwd als verdediging tegen de Noormannen die de Schelde opvoeren om te plunderen. Het was tevens een strategische vesting omdat de Schelde de grens vormt tussen Frankrijk en Lotharingen door het verdrag van Verdun in 843. Het Land van Bornem werd een belangrijk grensgebied en het groeide uit tot een zelfstandige heerlijkheid.
In 1240 kocht de Sint-Baafsabdij "den groeten en den kleinen Weert" van een adellijke familie die zijn heerlijkheid had nabij Temse. Weert blijkt dan een nog niet ingedijkt en nog niet ontgonnen eiland tussen de Schelde en de Durme te zijn, "Scalde et Dome aqua undique interclusum". De Schelde liep dus nog in zijn oude loop, langsheen het kasteel. De Durme vloeit pas in Temse in de Schelde. Na 1240 is er meer westwaarts een nieuwe loop van de Schelde ontstaan die tussen Temse en Mariekerke via Tielrode en Driegoten liep. Deze bedding is waarschijnlijk ontstaan door regelmatige overstromingen in de streek. Na weer zo'n grote overstroming heeft de Schelde zijn huidige loop behouden. De Durme mondt erin uit ter hoogte van Tielrode. Doordat er minder stroming was in het oude deel, werd die snel "de Oude Sc/ietóe" genoemd; de schepen voeren over het nieuwe deel. Vanaf 1283, toen Weert eigendom geworden was van de Sint Baafsabdij van Gent, werd de Oude-Scheldearm waaraan het kasteel van Marnix de Sint-Aldegonde staat, afgedijkt. Omstreeks 1320 1322 werd hij door dijken van de Schelde afgesneden en was de indijking voltooid. Enkel ter hoogte van het Oude Sas stond hij met een duikelaar in verbinding met de Nieuwe Schelde. Het landschap kreeg pas een nieuwe grondige ontwikkeling nadat de OudeScheldearm toegankelijk werd gemaakt voor de scheepvaart naar Bornem. In 1592 werd hiervoor het Oude Sas gebouwd en werden de verbindingen naar de Oude Schelde verbeterd. Later (1852) werd naar Bornem (ter hoogte van de Rijkenhoek) een verbinding (vaart) met loskaden aangelegd. De gemeente was aldus opnieuw in verbinding gekomen met de handeldrijvende steden en dorpen waan/oor de Scheldestroom een
B I N N E N K R A N T
M&L
5 belangrijke verkeersader was. Dit gegeven bracht een evolutie van heel het landschap met zich mee. Zo werden drassige landen ingericht tot meersen en weilanden, mede door het feit dat er een betere afwatering mogelijk werd via het Sas. Ook de akkerbouw werd meer intensief ontwikkeld (met vlas als belangrijk produkt) en er ontstond nijverheid. Bornem werd een welvarende gemeente. Uit het werk van Sanderus (17de eeuw) weten we dat van het huidige drevencomplex de Kasteeldreef (die naar de kerk van Bornem loopt), de Oude dreef (die naar de Kloosterstraat loopt mondt uit ter hoogte van de Grootheide) en de Luipegemsedijk (het noordelijke pad rond 't Graafschap, tot het wiel), toen reeds bestonden. In het verlengde van de Oude dreef was er toen ook een bomenrij richting Temsesteenweg, De huidige dreef naar het kapelletje van Luipegem en de huidige Kruisdreef waren paden; zij werden vóór 1777 (historische kaart van de Ferraris) dreven. Zo werd geleidelijk aan het huidige drevenstelsel volledig uitgebouwd. Op de historische kaart van Vandermaelen (1854) worden in het gebied vier veenderijen aangeduid. De vormen van een aantal niet beboste (rechthoekige) structuren in het gebied wijzen erop dat er nog meer zijn geweest of werden voorbereid. Op de plaats waar nu nog steeds een veer is naar Weert, heeft toen reeds een overzetboot gelegen. Door overerving kwamen heerlijkheid en kasteel reeds in 1780 in het bezit van het geslacht de Marnix. In de periode 1887 -1893 werd het kasteel volledig omgebouwd volgens plannen en inzichten van architect Henri Beyaert. Van het kasteel bleef niets over dan enkele muurfragmenten en hoektorens die nog dezelfde steunberen en rondbogen vertonen als op de plaat van Sanderus. Er werd een nieuw monumentaal geheel gecreëerd, gebaseerd op het idee van een grote waterburcht. Het kapelletje van Luipegem (Heilige Maria, Moeder Gods) is het oudste kapelletje van Klein-Brabant. Het werd gebouwd in 1613 door toedoen van Pedro Coloma ter gelegenheid van de vondst van een Onze-Lieve-Vrouwebeeldje in de - gemetste stenen - put
die links van het kapelletje gelegen is. De bakstenen kapel die bepleisterd en witgeschilderd werd, heeft een puntgevel met schouderstukken, gemarkeerd door overhoekse steunberen van 1926, muurvlechtingen en een korfboogdeur waarboven het getal 1613. Hoewel in een tekst uit 1318 reeds sprake is van een eendenkooi, wordt de huidige eendenkooi in de 16de eeuw ingericht (ten westen van het kasteel in een bocht van de Oude Schelde). In 1534 kreeg ene Thibaut Baradot een toelating, eigenhandig ondertekend door Maria van Luxemburg, voor de inrichting van een eendenkooi. In 1620 bracht Pedro Coloma merkelijke verbeteringen aan die eendenkooi. Het denombrement (inventarisatie) van 1760 beschrijft ze als bestaande uit zes pijpen, drie langs elke oever, met 300 lokeenden. Heden ten dage is het de enige eendenkooi in Vlaanderen (en België) die nog gebruikt wordt, niet meer voor de jacht zoals oorspronkelijk de bedoeling, maar voor wetenschappelijk onderzoek (ringwerk). De uitvoeringsbesluiten in het kader van het jachtdecreet laten geen ander gebruik van eendenkooien meer toe. Een eendenkooi is een constructie om op een efficiënte manier eenden te vangen (het schieten is niet steeds zo doelmatig), dit oorspronkelijk voor consumptie. Het unieke van deze eendenkooi is dat een bestaande waterloop hiertoe werd ingericht. De Oude Schelde is als kooiplas ingericht: het is een ondiepe, relatief smalle waterplas, gelegen in een knik in de waterloop en op deze plaats omringd door de bossen van het domein van graaf de Marnix de Sint-Aldegonde. Ze is bedoeld als lokplaats voor de talrijke eenden en eendesoorten die reeds van in de zomer op trek zijn. De eenden worden dan in vangpljpen gelokt. De huidige vangpljpen zijn alle vier gelegen aan de zuidoever van de Oude Schelde; ze beginnen loodrecht op de waterloop en buigen westwaarts af. Enkel de meest oostelijke vangpijp buigt oostwaarts af. Het zijn boogvormig gegraven sloten die geleidelijk smaller en ondieper worden en tenslotte doodlopen. Ze zijn boogvormig overkoepeld met een hekwerk (hier een ijzeren) dat met kippegaas overspannen is. Deze koepel wordt eveneens geleidelijk kleiner, zodat op het
einde van de vangpijp een kleine opening overblijft waar men de eenden kan vangen. De natuurwetenschappelijke waarde van het landschap wordt bepaald door de flora en fauna die voorkomt in dit gebied. De Oude Schelde zelf is steeds zeer belangrijk geweest wat het zoö- en fytoplankton betreft. Fytogeografisch is Het Landschap van de Oude Schelde gelegen in het Vlaams district. Er zijn 244 plantesoorten waargenomen in het voorgesteld landschap, dit is een kwart van de in het Vlaams district voorkomende soorten. De graslandplanten en pioniers op vochtige plaatsen met wisselende waterstand zijn met ongeveer met de helft van de in het Vlaams district voorkomende plantesoorten vertegenwoordigd. Ook de bossen en zomen zijn belangrijk. Een groot aantal van de soorten zijn er daarenboven zeldzaam tot zeer zeldzaam of behoren tot de heel zeldzame soorten in Noord-België. Vermeldenswaardig zijn Bosveldkers, Elzenzegge, IJle zegge, Lelietje-vandalen, Donkersporige bosviooltje, Gevlekte aronskelk. Grote keverorchis. Mispel en Rode kardinaalsmuts. Daarnaast zijn vooral de planten van waters en oevers zeer waardevol. Ook hier komen zeldzaamheden voor zoals Kikkerbeet, Middelste waterranonkel, Witte waterlelie. Grote watereppe. Kleine lisdodde, Pluimzegge, Slangewortel, Pijlkruid, Slanke en witte waterkers en Zwanebloem. Ook de rijkdom aan vogelsoorten die in het gebied voorkomen, is vanzelfsprekend. Van de ongeveer zestig broedvogelsoorten zijn Klapekster, Wespendief, Ijsvogel, Boomvalk, Bosuil, Buizerd, Europese kanarie, Goudvink, Kerkuil, Putter, Slobeend, Sprinkhaanrietzanger, Waterral, Dodaars, Fuut, Kleine Bonte Specht, Wintertaling en Witgesterde Blauwborst het meest zeldzaam. Naast zijn waarde als broedgebied is het landschap tevens belangrijk voor vele doortrekkers, winter- en zomergasten. Het is een voedselplaats voor Blauwe reiger. Voor eendesoorten zoals Wilde eend. Wintertaling, Slobeend (in vrij grote aantallen) en Smient, Tafeleend, Kuif-
B I N N E N K R A N T
6
eend, Bergeend, Pijlstaart (in kleinere aantallen), maar ook voor Meerkoet, Waterhoen (massaal in eendenkooi), Roerdomp, Sperwer, Havik, Kramsvogel, Koperwiek, Keep, Sijs is het gebied een overwinterplaats. Het gebied is een waardevolle pleisterplaats voor Aalscholver, Woudaapje (in eendenkooi) Zomertaling, Krakeend, Houtsnip, Zwarte wouw, Wespendief, Bruine kiekendief. Visarend (jaarlijks in september en begin oktober met maximaal twee exemplaren) en Oeverloper, Zwarte stern, Visdiefje, Bonte Vliegenvanger (in kleine aantallen in eendenkooi). M. De Borgher
Buitenkfant BEHOUD EN BEHEER VAN BAKSTEENRUINES EN HET RECREATIEF MEDEGEBRUIK VAN WAARDEVOLLE SITES EN OMGEVENDE LANDSCHAPPEN. In het kader van geplande restauraties en/of consolidaties van baksteenruïnes zoals de Duinenabdij in Koksijde, de Sint-Laurentiustoren in Nieuwpoort en de crypte en ruïnes van de oude IJzertoren te Diksmuide werd een studiereis naar Nederland ondernomen teneinde de restauratieproblematiek aan de Nederlandse ervaring en voorbeelden te toetsen. R.J. Wielinga, bouwkundig consulent bij de Rijksdienst voor Monumentenzorg, die omtrent de problematiek van ruïnerestauratie en -beheer een algemene publicatie voorbereid, was onze begeleider. De filosofie van de Nederlandse Rijksdienst voor Monumentenzorg sluit aan bij de geest van het Charter van Venetië. Hierbij wordt een maximaal behoud van het ruïneaspect beoogd met ingrepen die tot het voorkomen en/of het begeleiden van het verval zijn afgestemd.
Het hoofdprobleem blijft de waterinsijpeling aan de bovenzijde van het muurwerk tegengaan zonder het ruïneaspect te schaden. In tegenstelling tot de oplossingen uit het verleden die bestonden uit het aanbrengen van een beschermende en uniformiserende deklaag (zie bv. de Bollewerkpoort in Hulst (prov.Zeeland) wordt nu gepleit voor zachtere methodes waarin naast afdeklagen van klei en kalkmortel ook niet diepworteldende muurvegetatie als beschermende en isolerende afdeklaag wordt aangewend. Ingrepen als injecteren en hydrofoberen worden hoe dan ook geweerd. Toch blijft in de publieke opinie een zeker afkeer van ruïnes bestaan. Een voorbeeld vormt de kerk van de gemeente Dongen (provincie Noord Brabant). Het schip van deze laatgotische kruiskerk, dat in 1928 door een storm verwoest werd, wordt momenteel als ruïne beheerd maar de plaatselijke kerkfabriek onderneemt stappen voor een reconstructie van het geheel. In de excursie vanuit Amersfoort werden achtereenvolgens de geconsolideerde 13de-eeuwse stadsmuur van Culemborg en de kasteelruïne van de Batenburg in de gemeente Wijchen (provincie Gelderland) bezocht. Dit laatste bouwwerk vormt een volmaakte synthese van alle aspecten omtrent ruïneconsolidatie. De Batenburg, strategisch ingeplant langs de Maas, werd in 1600 herbouwd op de grondvesten van een ouder slot en in 1795 door brand verwoest. Wat overblijft is de ringmuur met uitgekraagde spietorens, de resten van drie uitgebouwde ronde torens alsmede het restant van het poortgebouw. De consolidatie, een initiatief van de Stichting Geidersche Kastelen, munt uit door haar geduldige en weldoordachte aanpak waar een evenwicht gezocht wordt tussen de monumenten de natuurwaarde. Dr.J.C.Bierens de Haan leidde ons rond in dit project dat gerealiseerd werd via een omscholingsproject met onder meer gelden uit de "zure regenpot". Hierbij werden de belangrijkste opstaande delen tegen instorting versterkt terwijl de kelders gedeeltelijk gereconstrueerd en van een waterdichte afdekking werden voorzien. Voor de reconstructie van de grotendeels verweerde voet van de ringmuur werd geen contrasterend metselwerk aangewend. De kalkstenen speklagen werden evenwel door streklagen vervangen waardoor een onderscheid met de oorspronkelijke gedeelten
zichtbaar blijft. Voor de afdekking van de omheiningsmuur is geopteerd voor een grasvegetatie. De ondergrondse muurresten, onderzocht door de Universiteit van Amsterdam, en de oorspronkeljke binnenindeling zullen door middel van beplanting en bepading opnieuw worden gevisualiseerd. Niet alleen een verantwoorde toeristische ontsluiting is een noodzakelijke vereiste voor het toekomstig beheer van dergelijke ruïne maar ook voor het behoud en beheer van het omgevende landschap wordt door de Stichting Geidersche Kastelen daadwerkelijk gerealiseerd. Zo werden sinds kort de weide rond het toenmalige waterkasteel en de daarbij aansluitende eendenkooi door deze Stichting verworven en worden deze in samenwerking met plaatselijke natuurverenigingen beheerd. Een wel aparte problematiek wordt gevormd door wat onze noorderburen de "opgehaalde" funderingsresten noemen, of funderingsresten vrijgekomen bij archeologisch onderzoek. Hierbij stellen de problemen van bewaring en waterinsijpeling zich nog accuter. De in de jaren 1960-1970 en nog steeds veelvuldig toegepaste optie is het oorspronkelijk muurwerk als het ware af te dekken en in belangrijke mate aan te vullen met identieke materialen (meestal recuperatiemateriaal) waardoor een beschermende laag ontstaat, die tevens de educatieve visualisering ten goede kwam. Ook hier duiken dezelfde problemen op: de afdekkende laag van recuperatiesteen wordt meestal met een te harde mortel gevoegd waardoor de bakstenen door vorst stukspringen of barsten. Betreding door de bezoekers versnelt de definitieve aftakeling die tenslotte ook de oorspronkelijke delen aantast. Dit scenario wordt duidelijk geïllustreerd bij de in 1975 geconsolideerde plattegrond van de 14de-eeuwse Hellenburg (provincie Zeeland). De problematiek vertoont gelijkenissen met de conservatieproblemen die zich momenteel bij de ruïne van de Duinenabdij in Koksijde voordoen. Het is duidelijk dat het aspect nazorg bij deze onderzoeksprojecten onvoldoende wordt ingecalculeerd. Dit pleit nogmaals om niet bedreigde archeologische sites te laten rusten. Hoe dan ook: ruïnes vragen meer dan de 'klassieke' monumenten een permanente nazorg en baksteenruïnes blijken des te gevoeliger aan verval.
B I N N E N K R A N T
M8cL 7 Recreatief medegebruik van landschappelijk erfgoed Drenthe kent nogal wat plaatsen die zowel uit cultuurhistorisch, archeologisch als natuurwetenschappelijk oogpunt bijzonder de moeite waard zijn. De meeste daarvan zijn nog tamelijk onbekend bij een breed publiek. Hierin ligt de hoofdtaak van de zogenaamde "recreatieschappen", namelijk het stimuleren van een verantwoorde toeristisch/recreatieve ontsluiting van de waardevolle gebieden. Recreatieschappen zijn samenwerkingsverbanden van de Drentse gemeenten, welke samen het beleid ontwikkelen, projecten uitvoeren en onderhouden. Met de concrete werking van de recreatieschappen Drenthe werd nader kennis gemaakt tijdens het jaarlijks congres van 9 maart, dit jaar in het teken van de al dan niet wenselijke groei van toeristische voorzieningen in relatie tot de draagkracht van het landschap en de marktpotenties. Recreatie is voor een toeristenprovincie als Drenthe van levensbelang, want in de meeste Drentse gemeenten is de recreatiesector één van de belangrijkste economsiche activiteiten. De grootste troef van Drenthe is ongetwijfeld de bijzondere cultuurhistorische gaafheid, de archeologische rijkdom en de grote belevingswaarde van het landschap. Hete hangijzers tijdens de forumdiscussie op het congres omtrent het vraagstuk of er grenzen zijn aan de groei van toerisme en recreatie, waren dan ook de verstoring en verloedering van het landschap. Als conclusie kan worden gesteld dat zowel vanuil beleids- en bedrijfsmatig, financieel en milieukundig oogpunt gestreefd moet worden naar tijdsintensieve vormen van recreatie met de nadruk op wandel- en fietstoerisme in plaats van grondstof- en energieintensieve vormen van vermaak met de nadruk op de verblijfsrecreatie. Na het congres werd een bezoek gebracht aan het Ballooërveld, een uitgestrekt heidegebied met oude cultuurgronden waarin een 40-tal grafheuvels van de Vroege -, Midden Bronstijd en Nieuwe Steentijd, een urneveld en prehistorische akkers begrensd door lage walletjes van de Ijzertijd voorkomen. De meeste grafheuvels van het
Ballooërveld liggen op een noordwestzuidoost lopend rug, getuige van de ijstijd zo'n 150.000 jaar geleden en opgebouwd uit keileem, kleiig zand vol grote en kleine stenen, overstoven door een pakket zand. Door overbeweiding en plaggensteken ontstonden op de hoger gelegen heidevelden stuifzandgebieden.
Literatuur: Onderhoud van ruïnes, Nieuwsbrief Rijksdienst voor de Monumentenzorg, 1995,1, p. 6. LAMBERT Audrey M., The making of the Dutch Landscape, An Historical Geography of the Netherlands, Academic Press (London), 1985. Archeologische Routes in Nederland 3 (Borger) en 4 (Rolde), Provincie Drente, Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek, 1993 (Amersfoort), 1993. Nationaal Park Dwingeiderveld. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Directie Natuur, Bos, Landschap en Fauna: Nationaal Park Dwingeiderveld.
Tot slot werden wij in de gemeente Borger, prehistorische hoofdstad van Nederland, onthaald in het Nationaal Hunebedden informatiecentrum waar de fascinerende wereld van de hunebedbouwers dankzij foto's, maquettes en videopresentaties wordt uitgebeeld. Hunebedden zijn stenen grafkelders opgebouwd zo'n 5500 jaar geleden uit de enorme keien van het keileem van de glaciale getuigeheuvel, de zogenaamde Hondsrug. Het bezoek werd afgerond met een fietstochtje door het Nationaai Park Dwingeiderveld, het grootste (3500 hectare) en meest typische nat heidegebied van Nederland. In tegenstelling tot het Ballooërveld kent het Dwingeiderveld een grotere verscheidenheid in bodemgesteldheid wat zich weerspiegelt in de vegetaties: vochtige dopheidevelden met vennen, droge heideterreinen, bossen en jeneverbesstruwelen. Belangrijkste eigenaren zijn het Staatsbosbeheer en de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, welke samen in overleg met landbouwers en gemeenten het Nationaal Park beheren. Opvallend is wel dat men beschikt over een vrij uitgebreide structuur, zowel op vlak van begeleiding als op financieel vlak, om het beheer en het recreatief medegebruik in deze gebieden te kunnen verzekeren en te verbeteren. Onafgezien van het feit dat visies van natuur- en bosbeheerders en landbouwers ook hier niet steeds overeenstemmen, speelt de gemeentelijke betrokkenheid, bepaald door een andersoortige politieke structuur dan bij ons, een zeer opbouwende rol. J. Mortier - M. Strobbe - J.Termote
ENGLISH HERITAGE MASTER CLASSES Sinds 1994 organiseert English Heritage zijn practical building conservation Master Classes. Deze cursussen richten zich naar alle professionelen, die werken in de monumentenzorg. Men wil zowel eigenaars, architecten, ingenieurs, inspecteurs, archeologen, kunsthistorici, aannemers, ploegbazen als gewone werklieden bereiken. Onder begeleiding van experten van Englisch Heritage wordt hier een brug geslagen tussen de wetenschappelijke benadering, de technische benadering en het praktisch vakmanschap. De kennisoverdracht gebeurt zowel door middel van lezingen, diaprojecties, videovoorstellingen, plaatsbezoeken, als door concreet de handen uit de mouwen te steken met een bespreking achteraf van de bereikte resultaten. De cursussen hebben plaats in het goed uitgerust Trainingscentrum van Gosport (Hampshire, Zuid-Engeland). Dit is ingericht in het 19de-eeuwse fort Brockhurst. Dat blijkt hiervoor heel goed bruikbaar te zijn. Binnenin het fort werden bijvoorbeeld enkele ruïnes opgebouwd waarop de cursisten zich naar hartelust kunnen uitleven. Er worden zowel studiedagen georganiseerd over onderwerpen zoals veilig-
B I N N E N K R A N T
M&L
8
Aspecten bij herstel van historisch voegwerk volgens English Heritage
• analyse van het steenwerk: Hardheid dampweerstand • analyse en samenstelling van de bestaande voegspecie • bepaling van de ideale reparatiemortel op basis van de voorgaande analyses en afhankelijk van de toepassing (inwendig, parement, afdekking,...), steensoort, afwerking,.. . • blussen van kalk. Opgelet voor gevaar van verbranding. Contact met huid en ogen vermijden. Minimum 3 maand te bewaren (onder een beetje water, luchtdicht, bijvoorbeeld in grote plastiek emmer met deksel) • mengen van de kalkmortel in speciale mengmachines {English Heritage ontwikkelde hiervoor eigen machines) - de kalk mag niet kapot geplet worden - minimum 14 dagen op voorhand. liefst 3 maand op voorhand - bewaren onder grond (opstarten van karbonatatieproces) • de mortel droog her-kneden tot bruikbare massa • verwijderen van de slechte voegspecie - plaatselijk verwijderen, en laten zitten wat nog voldoet - geen pneumatische middelen gebruiken tenzij zeer uitzonderlijke gevallen (liefst noch slijpschijf. noch pneumatische beitel wegens risico op beschadiging van de steen) - manueel gebruik van hamer en beitelset (liefst 3 beitels van smal tot breed)
held van ruïnes, behandeling van parementsteen, (Engelse) wetgeving in verband met monumentenzorg, opmetingstechnieken,... als meer diepgaande langere cursussen (2 tot 5-dagen). De langere cursussen zijn onder andere gewijd aan: natuursteenherstel, gebruik van traditionele kalkmortel, metselwerk-beoordeling en -behandeling, herstel van timmerwerk.
- harde cementvoeg verwijderen door eerst boven en onderaan een horizontale snede te slaan waar de steenrand zou moeten zijn. Laten zitten wat er niet afspringt bij het uitbeitelen. - voegdiepte 2,5 x zo diep als de breedte van de voeg - naborstelen • heropvoegen - eerst voor-bevochtigen - diepe voegen eerst met dezelfde specie invoegen, doch drogere massa - invoegen en licht aandrukken - op overschot invoegen (mag uitsteken) • 1 nacht laten rusten (karbonatatieproces) - afdekken tegen vorst, regen en te hevige warmte (uitdroging); bijvoorbeeld door middel van vochtige doeken • afwerking naar wens, 1 dag later - liefst cfr. het te behouden voegwerk - voegspecie aandrukken - afschrappen van overtollige specie • afwerking bijvoorbeeld: - bekloppen met speciale borstel (niet afborstelen, want dit geeft strepen) - afspoelen met water, eerst onderliggend metselwerk bevloeien tegen achterblijven kalksporen. dan onder heel lichte druk (bijvoorbeeld tuinsproeier) de voegen besproeien en met kleine borstel bestempelen
laboratoriumtechnieken voor conservatie, en nog vele andere aspecten uit de conservatiesector. In de 4-daagse cursus over beoordeling en behandeling van metselwerk werd er bijvoorbeeld dieper ingegaan op de traditionele kalkmortel. Elke deelnemer werd er aangezet tot het analyseren van een oude voeg-
specie, het kiezen van een geschikte voegmortel, het blussen van kalk, het mengen van een kalkmortel, het correct manueel verwijderen van versleten voegwerk, het hervoegen, de afwerking van een voeg. Deze ervaring is uitermate leerrijk, vooral op het vlak van hoe een echte kalkmortel dient bereid en behandeld te worden. Tevens werd er uitgelegd waarom een mortel minder hard dient te zijn dan de omliggende stenen en meer dampdoorlatend. In onze restauratiepraktijk wordt hier veel te weinig bij stilgestaan. Ter informatie volgen hierbij de elementen waaraan volgens English Heritage dient aandacht besteed te worden bij het herstel van oud voegwerk. Het correct uitvoeren volgens deze werkwijze noodzaakt echter een totale ingesteldheid ten opzichte van de restauratie van onze monumenten. Karel Robijns
Wie meer informatie wenst, kan het programma 1995-1996 aanvragen bij English Heritage, 429 Oxford Street, London W1R 2HD, Groot Brittannië, of telefonisch op de Master Class Hotline 00 44171 973 38 21
VAN IJZER TOT POLDER Van IJzer tot Polder is de bestemming van de grote cultuurtoeristische zoektocht die het Davidsfonds tijdens de zomermaanden organiseert. De charme van dorpjes met een indrukwekkend verleden en de kunsthistorische troeven van drie fiere steden vormen een briljant vol verrassende facetten: weidse landschappen en vette polderweiden, rijke natuurgebieden en ontroerende monumenten van drieste oorlogswaanzin, belangwekkende historische gebouwen en levende folklore... . Zij zijn de blikvangers van dit cultuurtoeristisch initiatief gericht op het brede publiek. Verkennen en ontdekken Toen Jacque Brei het "Vlakke land" bezong, zag hij zeker het 'blote' pol-
B I N N E N K R A N T
M8d
9
Van IJzer tot Polder
heden van deze steden zien. Levende folklore, van 't Manneke uit de Mane tot de Boetprocessie, en markante historische gebeurtenissen van de Slag van de IJzer tot de blauwvoeterie, geven deze zoektocht kleur. Reisgids Alle deelnemers ontvangen er bij de de 128 bladzijden tellende cultuurtoeristische gids Van IJzer tot polder. De gids werd speciaal voor dit initiatief geschreven door journalist Willy Moons. Michel Vanneuville zorgde voor de talrijke zwart-wit illustraties. Het boek duikt in de geschiedenis, schetst achtergronden en vertelt wetenswaardigheden over de streek. Van IJzer tot polder zal in de handel 395,-fr. kosten. Wie voor de zoektocht inschrijft, krijgt dit boek echter gratis.
24 J U N I - 1 OKTOBER 1995
derlandschap met zijn azuurblauwe hemels en zijn uitgestrekte weiden in de Westhoek van Vlaanderen voor ogen. Landbouwdorpjes als Eggewaartskapelle, Oostkerke, Lampemisse... stralen nog een ongekende rust uit. Beschermde monumenten en merkwaardige ambachtelijke musea geven deze streek een cultuurhistorische rijkdom. Niet ten onrechte zingt Willem Vermandere over "de grote oorlog" die men daar overal tegenkomt. Zo zetten de oorlogssite te OudStuivekenskerke en de militaire begraafplaatsen te Steenkerke en te Ramskapelle aan tot nadenken over de zinloosheid van oorlogsgeweld. Het land van IJzer tot polder is echter een charmante streek gebleven die vele kunstenaars boeide en inpireerde: Will Tura, Guido Gezelle, Paul Delvaux, Jacques Brei, Anton van Wilderode.... Een Parcours van 45 km laat kennismaken met vele attractieve smaakmakers, waar halt kan worden gehouden voor nadere verkenningen. Drie fiere steden Parels aan de kroon van deze streek zijn zeker de Uzerstad Diksmuide, het historisch rijke Veurne en Nieuwpoort, haven- en kuststad. Wandelverkenningen van 1 km laten het kunstpatrimonium en de mooiste bezienswaardig-
Tot zondag 1 oktober 1995 De zoektocht van het Davidsfonds in het land Van IJzer tot polder loopt van zaterdag 24 juni tot zondag 1 oktober 1995. De deelnemingsprijs bedraagt 375,-fr. (300,-fr. voor Davidsfondsleden). Daarvoor krijgt men een deelnemingsbrochure met het parcours, het reglement en de vragen, plus de al vermelde cultuurtoeristische gids.
zet, dat het aantrekkelijk is voor zowel professionelen op het gebied van natuur- en milieu als voor leden van natuur en milieugroepen. In de plenaire ochtendsessies worden de thema's ingeleid door sprekers uit de verschillende regio's. Na de middag zullen deze onderwerpen in workshops verder verdiept worden. Om de communicatie te vergemakkelijken zijn de workshops drietalig. Ze worden twee keer achter elkaar gehouden, om de mogelijkheid te bieden twee verschillende workshops te bezoeken. Bovendien worden twee excursies georganiseerd over het thema Natuur in de staden over Natuurontwikkeling op steenbergen en industriële terreinen. Een aantal natuur- en milieugroepingen uit de Euregio zullen zich met hun recente werk presenteren. Voor de kennismaking met deze groepen en voor de collega's over de grenzen wordt eveneens tijd uitgetrokken.
Voor meer inlichtingen Provinciaal Natuurcentrum • Zuivelmarkt 33 te Hasselt. Tel. 011/21.02.66.
Inschrijven voor de Van IJzer tot po/der-zoektocht kan bij de Dienst voor Toerisme, Grote Markt 28, Diksmuide. Daar kan men tot zondag 1 oktober 1995 elke dag terecht van 10 tot 12 uur en van 13,15 tot 17 uur.
EUREGIO-DAG 'NATUUR IN DE STAD' TE LUIK In het kader van het Europees Natuurbeschermingsjaar organiseert de werkgroep Milieu van de Euregio Maas-Rijn op 7 oktober de EuregionaIe Natuurdag 1995 met als thema Natuur in de Stad. Deze dag zal plaatsvinden in Luik, de grootste stad van de Euregio. In het programma komen problemen, aan de orde, zoals stedelijk groen en ruimtelijke ordening, natuurontwikkeling op industrieterreinen, Europese initiatieven op het gebied van natuurontwikkeling in het stedelijk gebied en voorbeeldprojecten op het gebied van natuurstudie en natuur- en milieueducatie. Het programma is zo opge-
BESLUIT VAN DE VLAAMSE REGERING VAN 5 APRIL 1995 HOUDENDE VASTSTELLING VAN HET PREMIESTELSEL VOOR RESTAURATIEWERKEN AAN BESCHERMDE MONUMENTEN De beslissing van de Vlaamse regering om het stelsel van de restauratiepremie ook op beschermde onderwijsgebouwen van toepassing te maken vormde de directe aanleiding tot coördinatie en herziening van dat stelsel.
B I N N E N K R A N T
10
Een coördinatie was aangewezen omdat de besluiten die de restauratiepremie regelden herhaaldelijk waren gewijzigd, op enkele punten onderling niet meer op elkaar waren afgestemd en uiteindelijk een onoverzichtelijk stelsel van bepalingen vormden. Daarom was het zaak de bestaande besluiten in één besluit samen te voegen en opnieuw in te delen. Een tweede reden waarom het aangewezen was een aangepaste regeling in te voeren, is het feit dat door het - op zich zeer verantwoorde systeem van de toekenning van een dubbele premie aan 'monumentvriendelijke' verenigingen in de praktijk tot misbruiken aanleiding gaf. Het voorliggend besluit legt dan ook strengere criteria op. Voorts werd van de gelegenheid gebruik gemaakt om sommige bepalingen beter te formuleren en om enkele nieuwe regels in te voeren, inzonderheid ten gunste van de kleinere monumenten die geen economisch nut (kunnen) opleveren. Het ligt in de bedoeling de valorisatie van deze 'architectura minor" aan te moedigen. Deze wijzigingen zijn niet onbelangrijk, maar doen in essentie geen afbreuk aan het bestaande stelsel als zodanig, dat overigens zijn deugdelijkheid heeft bewezen. Een essentiële wijziging wordt wel ingevoerd door de toekenning van restauratiepremies voor werken aan universitaire- en schoolgebouwen. De beslissing die door de Vlaamse regering dienaangaande was genomen wordt door dit besluit geïmplementeerd op een wijze die de nodige garanties moet bieden voor een gelijke behandeling van de onderwijsnetten. Om de toepassing van de gehanteerde normen in concreto optimaal af te wegen, moet een protocol tussen de betrokken partijen (Vlaamse regering, AEGO, DIGO en VLIR) worden afgesloten.
Besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerken aan beschermde monumenten De Vlaamse Regering Gelet op het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en
stads- en dorpsgezichten, inzonderheid op artikel 11 ,§ 8. Gelet op het akkoord van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, gegeven op 5 april 1995; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wet van 4 juli 1989; Overwegende dat de besluiten die de restauratiepremie vaststellen herhaaldelijk werden gewijzigd en daardoor een volstrekt onoverzichtelijk stelsel van bepalingen vormen; dat de noodzaak van enkele aanpassingen zich opdringt om een oneigenlijke toepassing van het premiestelsel te vermijden; dat het derhalve om redenen van behoorlijk bestuur dringen noodzakelijk is deze besluiten te coördineren en aan te passen; Overwegen dat sommige beschermde monumenten bestemd voor het onderwijs door hun eigenaars niet langer kunnen worden in stand gehouden; dat deze monumenten in een erbarmelijke bouwfysische toestand verkeren; dat derhalve dringend moet worden voorzien in de mogelijkheid om de nodige instandhoudingswerken te laten uitvoeren; Op voorstel van de Vlaamse Minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming;
5° toekenning van de restauratiepremie: de vastlegging van de daartoe bestemde kredieten ten laste van de begroting van het Vlaamse Gewest; 6° regionale besturen: de provincies, bisschoppelijke seminaries en kathedrale kerkfabrieken; 7° lokale besturen: de gemeenten, verenigingen van gemeenten, openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zuivere en gemengde intercommunales, polders, wateringen, verenigingen van polders en wateringen, kerkfabrieken en elke andere rechtspersoon die voor de uitoefening van een openbare eredienst of voor verenigingen van vrijzinnigen onroerende goederen beheert; 8° universitaire- en schoolgebouwen: gebouwen van de universiteiten bedoeld in het decreet van 12 juni 1991 en gebouwen bestemd voor het Gemeenschapsonderwijs of het gesubsidieerd onderwijs, met inbegrip van de PMS-centra, de internaten en al de gebouwen met hun aanhorigheden die op grond van hun onderwijsbestemming van de onroerende voorheffing worden vrijgesteld en effectief voor educatieve doeleinden worden gebruikt. Artikel 2. - § 1. Binnen de perken van de begrotingskredieten kan de Vlaamse regering of haar gemachtigde aan de eigenaar, vruchtgebruiker of erfpachter van een beschermd monument een financiële bijdrage toekennen in de kosten die hij draagt voor restauratiewerken aan dat monument.
Na beraadslaging. Besluit: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: 1° Vlaamse regering: de Vlaamse regering of haar gemachtigde; 2° premienemer: de eigenaar, vruchtgebruiker of erfpachter die opdrachtgever is van de restauratiewerken en de kosten ervan draagt; 3° restauratiewerken: werken van instandhouding of herstel aan een beschermd monument of aan een gedeelte die nodig zijn om de artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde ervan te bewaren; 4° restauratiepremie: de financiële bijdragen van het Vlaamse Gewest, de provincie en de gemeente in de kosten voor restauratiewerken;
§ 2. Restauratiewerken aan beschermde monumenten ondernomen door de Staat, de Gemeenschappen of Gewesten, of door openbare instellingen die onder hun toezicht staan, zijn uitgesloten uit het toepassingsgebied van dit besluit, met uitzondering van de werken ondernomen door de regionale en lokale openbare besturen of voor werken aan universitaire- en schoolgebouwen. § 3. Voor werken aan als monument beschermde universitaire- en schoolgebouwen zijn uitsluitend de bepalingen van de Hoofdstukken I, II en V van dit besluit van toepassing. Hoofdstuk II. Gemeenschappelijke bepalingen. Artikel 3. - § 1. Het bedrag van de restauratiepremie wordt vastgesteld en vastgelegd op basis van de door de Vlaamse regering aanvaarde
B I N N E N K R A N T
M&L
ii
kostenraming of inschrijving verhoogd met 7 % als tussenkomst in de algemene kosten, het ene en het andere BTW inbegrepen, voor zover de premienemer die niet geheel of gedeeltelijk kan recupereren. Voor de werken in eigen beheer komt enkel de kostprijs in aanmerking voor de levering van materialen en de huur van stellingen. § 2. De Vlaamse regering kan na akkoord met de premienemer een lager dan in het in § 1 vermelde bedrag vaststellen. § 3. De betrokken gemeente of provincie kan op vrijwillige basis een verhoogde bijdrage verlenen. § 4. De restauratiepremie mag niet gecumuleerd worden met enige andere financiële bijdrage ten laste van de begroting van het Vlaamse Gewest voor dezelfde werken, noch met andere overheidstussenkomsten, inzonderheid voor oorlogs- en stormschade. Artikel 4. - Voor de toekenning van de restauratiepremie komen, met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 18,19 en 20 wat de universitaire- en schoolgebouwen betreft, de werken in aanmerking die betrekking hebben op: 1° de bevelling en stabiliteit van het monument, inzonderheid onderstuttingen, afschermingen, schoringen, verstevigingen, consolideringen, onderkappingen; 2° de beveiliging tegen brand, vandalisme en diefstal; 3° de beveiliging van het monument tegen ongunstige weersomstandigheden en natuurrampen door: het dichten van daken, sluiten van muuropeningen, aanbrengen en herstellen van voorzieningen voor afwatering, goten en aflopen, beveiliging tegen insijpelingen, bestrijding van opstijgend grondwater, beveiliging tegen blikseminslag en stormschade; 4° de behandeling van waardevolle elementen van het monument onder meer door verharding, houtworm- en zwambestrijding; 5° het herstel van nog aanwezige waardevolle elementen van het monument;
6° de vervanging van nog aanwezige elementen van het monument die niet meer hersteld kunnen worden; 7° het opnieuw aanbrengen van niet meer aanwezige waardevolle elementen, voor zover voldoende materiële gegevens of iconografisch materiaal aanwezig zijn om een wetenschappelijk verantwoorde reconstructie mogelijk te maken en voor zover de reconstructie vereist is om een storende lacune aan te vullen; 8° het verwijderen van storende elementen, wegwerken van onoordeelkundig uitgevoerde ingrepen, wegwerken of aan het zicht onttrekken van misplaatste toevoegsels; 9° de studie(s) vereist voor het opmaken van een definitief dossier, inzonderheid historisch, technisch en wetenschappelijk onderzoek en de werkzaamheden vereist om dat onderzoek uit te voeren; Artikel 5. - § 1. Om in aanmerking te komen voor de restauratiepremie moet de premienemer de volgende verbintenissen onderschrijven en ononderbroken naleven gedurende ten minste tien jaar: 1 0 de werken uitvoeren binnen een termijn van drie jaar na de toekenning van de premie, zoniet wordt de premienemer ambtshalve geacht aan de premie te verzaken; slechts in uitzonderlijke gevallen kan, na grondige motivatie en met toelating van de Vlaamse regering, een afwijking op deze regel worden toegestaan; 2° de werken laten uitvoeren volgens de regels van de kunst en onder toezicht van de Vlaamse regering door geregistreerde aannemers en onderaannemers die voldoen aan de vereisten van de wetgeving inzake de registratie en de erkenning van aannemers, tenzij de werken in eigen beheer worden uitgevoerd; 3° het monument niet vervreemden of in vruchtgebruik of erfpacht geven tijdens de periode die verloopt tussen de toekenning van de premie en de definitieve oplevering; indien deze bepaling niet kan nageleefd worden moet de premienemer deze vervreemding, vruchtgebruik of erfpacht binnen acht dagen melden aan de Vlaamse regering en moet hij de totaliteit van de premie terugbetalen aan het
Vlaamse Gewest dat ze zal uitkeren aan de rechthebbende overheden, naar rato van de door elk van hen toegekende bedragen; 4° het monument niet vervreemden of in vruchtgebruik of erfpacht geven zonder toelating van de Vlaamse regering binnen een termijn van tien jaar na de definitieve oplevering van de werken waarvoor de premie wordt toegekend; indien deze termijn niet nageleefd wordt moet de premienemer binnen acht dagen deze vervreemding, vruchtgebruik of erfpacht melden aan de Vlaamse regering en moet hij per jaar dat niet verstreken is van de vermelde termijn van tien jaar, één tiende van de totaliteit van de premie, verhoogd met de wettelijke intrestvoet terugbetalen aan het Vlaamse Gewest, dat ze zal uitkeren aan de rechthebbende overheden, naar rato van de door elk van hen toegekende bedragen; in geval van overmacht kan de Vlaamse regering beslissen hem volledig of gedeeltelijk te ontslaan van deze verplichting; 5° geen rekening houden met de meerwaarde die voortvloet uit de toegekende premie bij elke huurverhoging of vergoeding op grond van de restauratiewerken; deze verbintenis moet in de overeenkomst met de bewoner of huurder van het onroerend goed worden opgenomen; 6° onmiddellijk na de definitieve oplevering der werken en dit gedurende een termijn van tien jaar: a) een verzekering afsluiten voor de schade veroorzaakt door brand, blikseminslag, door ontploffing, door implosie, alsmede door het neerstorten van of het getroffen worden door luchtvaartuigen of door voorwerpen die ervan afvallen of eruit vallen, en door het getroffen worden door enig ander voertuig of door dieren; voor de schade veroorzaakt door storm, hagel en sneeuwdruk en veroorzaakt door het wegvloeien van water en stookolie, door een breuk of barst of het overlopen van hydraulische installaties en verwarmingsinstallaties, het binnendringen van atmosferische neerslag doorheen de dakbedekking van het monument, het binnendringen van atmosferiche neerslag door een breuk, barst of het overlopen van waterafvoerbuizen; b) binnen acht dagen bij de Vlaamse regering melding te maken van deze schade;
B I N N E N K R A N T
M8cL
12 c) de op basis van de hogervermelde verzekering uitbetaalde schadevergoeding integraal besteden aan het herstel van het monument; in geval niet tot herstel wordt overgegaan de schadevergoeding ten belope van de toegekende premie afstaan aan het Vlaamse Gewest, die ze in voorkomend geval zal uitkeren aan de rechthebbende overheden, naar rato van de door elk van hen toegekende bedragen; d) jaarlijks op zijn kosten een door de Vlaamse regering goedgekeurd nazicht laten uitvoeren naar de technische toestand van het monument; § 2. Met betrekking tot de schoolgebouwen van het Gemeenschapsonderwijs is § 1,6° niet van toepassing, met uitzondering van § 1,6°, d). Artikel 6. - § 1. Voor de uitkering van de premie mogen voorschotten worden verstrekt aan de premienemer; § 2. De voorschotten worden betaalbaar gesteld: 1° bij de aanvang van de werken zoals bepaald in het aanvangsbevel, een eerste schijf ten belope van 25 % van de bijdragen van het Vlaamse Gewest, de provincie en de gemeente; 2° bij het voorleggen van de documenten waaruit blijkt dat het gedeelte van de werken dat in aanmerking komt voor de premie is uitgevoerd voor een bedrag dat 50 % overschrijdt, een tweede schijf ten belope van 50 % van de bijdragen van het Vlaamse Gewest, de provincie en de gemeente; § 3. Het saldo van de premie wordt uitbetaald wanneer door de Vlaamse regering bij de voorlopige oplevering en van de afrekening is vastgesteld dat de werken volgens de regels van de kunst zijn uitgevoerd. De uitbetaling van het saldo van de premie wordt voor wat het Vlaamse Gewest betreft onderworpen aan het voorafgaand visum van het Rekenhof, met mededeling van de reeds verleende voorschotten. § 4. De krachtens dit besluit verleende voorschotten mogen niet aangewend worden voor enig ander oogmerk dan dit waarvoor de premie werd verleend. Bij niet naleving van deze bepaling wordt de premie vervallen verklaard door de Vlaamse regering en wordt overgegaan tot de terugvordering van
de reeds uitbetaalde voorschotten, vermeerderd met de wettelijke interest. § 5. Tijdens de uitvoering mag geen wijziging aangebracht worden aan de lijst van goedgekeurde werken tenzij na goedkeuring door de Vlaamse regering. Artikel 7. - § 1. Met de restauratiewerken mag niet worden begonnen dan nadat de restauratiepremie is toegekend.
§ 2. In geval gevaar bestaat voor verder verval van het monument mag de premienemer in afwijking van § 1 van dit artikel, op eigen risico, in afwachting van de toekenning van de premie, een gedeelte van de werken uitvoeren. De kostprijs van de vooraf uitgevoerde werken mag in dat geval niet meer bedragen dan één vijfde van het bedrag waarop de premie wordt berekend. Wanneer een premienemer, vooraleer de restauratiepremie definitief is toegekend, werken uitvoert voor meer dan een vijfde van het bedrag waarop de restauratie-premie is berekend, wordt hij ambtshalve geacht aan de premie te verzaken. Slechts in uitzonderlijke dringende gevallen kan, na grondige motivatie en met de toelating van de Vlaamse Regering, een afwijking worden verleend op deze regel.
Hoofdstuk III. Privé-sector Afdeling 1. Algemeen Artikel 9. - Indien de premienemer een natuurlijke persoon is of een privaatrechtelijke rechtspersoon zijn de bijdragen in de restauratiepremie: - van het Vlaamse Gewest 25 % - van de provincie en de gemeente elk 7,5 % van het in artikel 3, § 1 bepaalde bedrage. Artikel 10. - In afwijking van de percentages bepaald in artikel 9 van dit besluit bedraagt de bijdrage van het Vlaamse Gewest 50 % en die van de provincie en de gemeente elk 15 % indien de restauratiewerken betrekking hebben op een goed dat afzonderlijk als monument beschermd is en beantwoordt aan de volgende criteria: 1 0 het goed wordt geacht geen economisch nut te hebben, is niet verhuurd en uit de aard van de zaak niet van aard om verhuurd te kunnen worden; 2° het is zichtbaar vanop de openbare weg en/of voor het publiek opengesteld overeenkomstig artikel 13, § 4 van dit besluit. Artikel 11.- Voor de toepassing van artikel 10 kunnen inzonderheid in aanmerking komen: molen, veldkapellen en -kruisen, bomen, torens, ruïnes, straatmeubilair, fonteinen, palen, pompen, standbeelden.
Afdeling 1. Verenigingen Artikel 8. - Bij de afrekening van een toegekende restauratiepremie neemt de premienemer de meer- en bijwerken ten zijne lasten voor zover het bedrag van de eindafrekening hoger is dan dat waarop de premie is berekend en voor zover de kosten voor deze meer- en bijwerken niet zouden zijn gecompenseerd door minwerken. Indien het eindbedrag der werken lager ligt dan de toegekende premie dan wordt de premie naar verhouding verminderd.
In elk geval blijft de premie beperkt tot het oorspronkelijk vastgestelde bedrag overeenkomstig artikel 3, § 1 van dit besluit.
Artikel 12. - De artikelen 13 tot en met 15 van dit besluit zijn enkel van toepassing op de verenigingen of stichtingen die opgericht zijn als vereniging zonder winstoogmerk of als instelling van openbaar nut overeenkomstig de wet van 17 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend, en die als eigenaar dan wel als vruchtgebruiker of erfpachter monumenten beheren. Artikel 13. § 1. - In afwijking van de percentages bepaald in artikel 9 van dit besluit bedraagt de bijdrage van het Vlaamse Gewest 50 % en die van de provincie en de gemeente elk 15 % indien de premienemer een vereniging is die beantwoordt aan de volgende cirteria: 1 ° de zetel van de vereniging moet
B I N N E N K R A N T
M8d
ia gevestigd zijn in het Vlaamse of het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest; 2° de Raad van Bestuur van de vereniging moet ten minste zeven leden hebben; 3° indien de vereniging vruchtgebruiker of erfpachter is, kunnen van de Raad van Bestuur slechts twee natuurlijke personen deel uitmaken die eigenaar zijn of die echtgenoot van of verwant zijn met de eigenaar tot in de tweede graad, of slechts twee privaatrechtelijke rechtspersonen die eigenaar zijn of houder van andere zakelijke rechten dan vruchtgebruik of erfpacht; 4° op de zetel moeten te allen tijde de gegevens in verband met de werking, de leden en het financieel beheer voorhanden zijn; 5° één van de statutaire doelstellingen van de vereniging moet zijn de instandhouding en de valorisatie van het monument waarvan zij eigenaar, vruchtgebruiker of erfpachter is; 6° de ontvangen huurgelden moeten integraal worden besteed aan de instandhouding en valorisatie van het goed zelf of eventueel van andere beschermde monumenten waarvan de vereniging eigenaar of erfpachter is; 7° wanneer de ontvangen huurgelden besteed worden aan andere beschermde monumenten waarvan de vereniging vruchtgebruiker of erfpachter is, moet die bestemming worden goedgekeurd bij het besluit waarbij de restauratiepremie wordt toegekend; 80de vereniging mag het recht van erfpacht op een beschermd monument niet vervreemden binnen de termijn van tien jaar na de restauratie van het goed; 9° de vereniging moet toestaan dat een ambtenaar aangeduid door de Vlaamse regering de algemene vergaderingen en de raden van beheer, respectievelijk de vergaderingen van de beheerders bijwoont wanneer over het monument dat haar toebehoort of over daaraan uit te voeren werken wordt beslist; 10° de tenuitvoerlegging van de beslissing van de algemene vergadering of van het bevoegde orgaan omtrent het behoud of de restauratie van het monument, waarbij de aanwending van een restauratiepremie is betrokken, dient aan het akkoord van de Vlaamse regering te worden voorgelegd. § 2. De in § 1 bepaalde percentages zijn enkel van toepassing indien het monument opengesteld is voor het
publiek zoals bepaald in § 4 van dit artikel en de premienemer tegenover het Vlaamse Gewest de volgende verbintenissen onderschrijft: 1° bij de aanvang van de premie de nodige bewijsstukken in verband met de openstelling van het monument voor te leggen; 2° in geval van niet naleving van de in 1° vermelde verbintenis, de restauratiepremie voor de helft terug te betalen aan het Vlaamse Gewest, de betrokken provincie en gemeente naar rato van de door elk van hen toegekende bedragen; 3° bij ontbinding van de vereniging, de eigendom van het goed kosteloos over te dragen aan een gemeente, een provincie, het Vlaamse Gewest of een netwerk zoals bedoeld in § 4,2°, b) van dit artikel. § 3. Indien de vereniging die het goed in vruchtgebruik of erfpacht heeft ophoudt te bestaan binnen een termijn van tien jaar na de oplevering der werken moet de vereniging of erfpacht overdragen aan een netwerk zoals bedoeld in § 4,2°, b) van dit artikel of moet de eigenaar de helft van de premie tergbetalen aan het Vlaamse Gewest die ze zal uitkeren aan de rechthebbende overheden naar rato van de door elk van hen toegekende bedragen. § 4. Als opengesteld voor het publiek wordt beschouwd het monument, inzonderheid de vanop de openbare weg niet zichtbare delen ervan, 1° dat wegens het uitzonderlijk belang van zijn uitrusting, decoratieve elementen en kunstbezit, een culturele bezienswaardigheid vormt voor het publiek; 2° a) waarvan de openstelling is vastgesteld in een overeenkomst met de Vlaamse regering, waarbij de bezoektijden aan de volgende minimumvoorwaarden moeten voldoen: - vijftig dagen per jaar, waarvan vijfentwintig weekenddagen en officiële feestdagen gedurende zes uur per dag; - tussen 1 mei en 30 september b) of waarvan het beheer contractueel voor minstens tien jaar is ingeschakeld in een netwerk met rechtspersoonlijkheid: - waarvan de werking de vijf vlaamse provincies bestrijkt; - dat onder meer als doelstellingen heeft: - de sociaal-culturele ontsluiting van monumenten en hun cultuurbezit
- de kwalitatief verantwoorde ontvangst van bezoekers; - de voorlichting en sensibilisering omtrent de monumenten; - waarvan de statuten door de Vlaamse regering zijn goedgekeurd of dat door de Vlaamse regering is erkend. § 5. Voor de toepassing van dit artikel kan de Vlaamse regering het in artikel 3, § 1 vermelde bedrag verhogen met ten hoogste 10 % van de geactualiseerde raming, ingeval het bedrag waarvoor de werken worden toegewezen hoger ligt dan de raming. De actualisering betreft uitsluitend de aanpassing van de hoeveelheden en de stijging of daling van de prijzen van lonen en materialen tot op de datum van de inschrijving van de uitvoerder aan wie de werken zijn toegewezen of zullen worden toegewezen. Deze actualisering wordt opgenomen in het gunningsdossier. Artikel 14. Voor de toekenning van de restauratiepremie met betrekking tot monumenten die opengesteld zijn voor het publiek overeenkomstig artikel 13, § 4 van dit besluit komen, ter aanvulling van de in artikel 4 vermelde werken, ook de werken in aanmerking die betrekking hebben op: 1° het beschermen van een publiek toegankelijk monument tegen intens gebruik inzonderheid door versteviging van vloerplaten, bijkomende stabiliteitswerken, het aanbrengen van een detectiesysteem en het aanbrengen van isolatie ter voorkoming van condensatie; 2° de werken die noodzakelijk zijn om het monument toegankelijk te maken voor andersvaliden; 3° ingrepen die niet anders dan naar aanleiding van restauratie- en instandhoudingswerken kunnen uitgevoerd worden, die meer kosten met zich brengen omdat ze met omzichtigheid ten overstaan van het monument moeten worden uitgevoerd, mogelijke oorzaken van vernietiging, verval of abnormale slijtage wegnemen, inzonderheid het vervangen of aanbrengen van installaties voor centrale verwarming en electriciteit en het uitvoeren van schilderwerken; voor werken in verband met centrale verwarming en electriciteit kunnen enkel de bouwkundige werken en de basisinstallatie in aanmerking worden genomen voor de restauratiepremie, met uitsluiting van toestellen en armaturen. Artikel 15. - § 1. Indien de vereniging
B I N N E N K R A N T
M8cL
14
niet meer voldoet aan de in artikel 13 bepaalde criteria en verbintenissen dient zij de op basis van dit besluit verkregen premie voor de helft terug te betalen aan het Vlaamse Gewest die ze zal uitkeren aan de rechthebbende overheden naar rato van de door elk van hen toegekende bedragen. § 2. In de tussen de eigenaar en de vereniging afgesloten overeenkomst van vruchtgebruik of erfpacht dient uitdrukkelijk te worden vermeld dat de eigenaar akkoord gaat met de in artikel 13, § 3 vermelde bepaling. De erfpachthouder kan geen hypotheek nemen op het goed zonder toelating van de eigenaar. In de erfpachtovereenkomst moet deze toelating worden vermeld. De erfpacht moet geregistreerd worden. § 3. Ingeval van overmacht kan de Vlaamse regering geheel of gedeeltelijk afzien van de in artikel 12, § 3 en de in § 1 van dit artikel vermelde terugbetaling of overdracht.
Hoofdstuk IV. Regionale en lokale besturen. Artikel 16. Voor de toekenning van de restauratiepremie aan regionale en lokale besturen komen, ter aanvulling van de in artikel 4 vermelde werken, ook de in artikel 14 vermelde werken in aanmerking. Artikel 17. - § 1. De restauratiepremie van het Vlaamse Gewest bedraagt 60 % van het in artikel 3, § 1 bepaalde bedrag. § 2. De bijdragen van de regionale en lokale besturen is vastgesteld als volgt: 1° Werken aan beschermde monumenten, andere dan gebouwen bestemd voor een erkende eredienst, seminaries en pastorieën. a) De kosten voor de werken ondernomen door lokale besturen worden verdeeld als volgt: het Vlaamse Gewest 60 %, de provincie 20 %, het lokale bestuur 20 %. b) De kosten voor de werken uitgevoerd door regionale besturen worden verdeeld als volgt: het Vlaamse Gewest 60 %, het regionale bestuur 40 %. 2° Werken aan beschermde monumenten bestemd voor een erkende
eredienst, seminaries en pastorieën a) De kosten voor de werken ondernomen door lokale besturen worden verdeeld als volgt: het Vlaamse Gewest 60 %, de provincie 20 %, de gemeente(n) 10 % en de andere lokale besturen 10% b) De kosten voor de werken uitgevoerd door regionale besturen worden verdeeld als volgt: het Vlaamse Gewest 60 %, de provincie 30 % en de andere regionale besturen 10 %. § 3. Voor de toepassing van dit artikel kan de Vlaamse regering het in artikel 3, § 1 vermelde bedrag verhogen met ten hoogste 10 % van de geactualiseerde raming, ingeval het bedrag waarvoor de werken worden toegewezen hoger ligt dan de raming. De actualisering betreft uitsluitend de aanpassing van de hoeveelheden en de stijging of daling van de prijzen van lonen en materialen tot op de datum van de inschrijving van de uitvoerder aan wie de werken zijn toegewezen of zullen worden toegewezen. Deze actualisering wordt opgenomen in het gunninsdossier.
Hoofdstuk V. Universitaire- en schoolgebouwen Artikel 18 - § 1. Indien de premienemer een universiteit, een Gemeenschapsschool of een gesubsidieerde vrije school is, zijn de bijdragen in de restauratiepremie: - van het Vlaamse Gewest 50 % - van de provincie en de gemeente elke 15% van het in artikel 3, § 1 , bepaalde bedrag. § 2. Indien de premienemer een gemeentelijke of provinciale gesubsideerde officiële school is, gelden de percentages bepaald in artikel 17, § 1 en 2,1° van dit besluit. § 3. Artikel 17, § 3 is van toepassing voor de gebouwen zoals vermeld in § 1 en § 2 van dit artikel. Artikel 19. - § 1. De werken aan universitaire- en schoolgebouwen die voor de toekenning van de restauatiepremie in aanmerking komen zijn de werken vermeld in artikel 4,4°, 5°, 6°, 7° en 80 van dit besluit en de werken vermeld in 2° indien het gaat om beveiligingswerken aan het kunstbezit en de decoratieve elementen die integrerend deel uitmaken van het monuent.
§ 2. De studie(s) vermeld in artikel 4, 9° komen eveneens in aanmerking voor zover deze studies betrekking hebben op de werken vermeld in § 1 van dit artikel. Artikel 20. - Tussen de Vlaamse regering, de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs, de Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs en de Vlaamse Interuniversitaire Raad wordt een protocol afgesloten waarin de praktische modaliteiten en de overlegprocedure worden geregeld met betrekking tot de interpretatie voor de toepassing van artikel 1,8° en artikel 19 van dit besluit.
Hoofdstuk VI. Overgans- en opheffingsbepalingen Artikel 21. - Het besluit van de Vlaamse regering van 16 september 1992 tot vaststelling van een restauratiepremie en het besluit van de Vlaamse regering van 3 februari 1993 tot vaststelling van een restauratiepremie voor werken ondernomen door of op initiatief van regionale of lokale besturen, worden opgeheven. Het besluit van de Vlaamse regering van 21 december 1994 tot wijziging voor wat betreft de beschermde monumenten bestemd voor onderwijs van het besluit van de Vlaamse regering van 16 september 1992 tot vaststelling van een restuaratiepremie en van het besluit van de Vlaamse regering van 3 februari 1993 tot vaststelling van een restauratiepremie voor werken ondernomen door of op initiatief van regionale of lokale besturen, wordt ingetrokken. Artikel 22. - Met betrekking tot de restauratiepremies die werden vastgelegd vóór de inwerkingtreding van dit besluit, blijven de bepalingen van de in artikel 21 vermdlde besluiten van kracht. Artikel 23. - Dit besluit treedt in werking op 1 april 1995 Artikel 24. - De Vlaamse minister bevoegd voor monumenten en landschappen is belast met de uitvoering van dit besluit. Minister-President van de Vlaamse Regering Luc Van den Brande
M8cL Theo Clement, villa voor de tuinwijk van Vésinet bij Parijs, 1931
15
De Vlaamse Minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervoriming Johan Sauwens
Literatuur HET HUIS IN WOORDEN Traditiegetrouw organiseert de Fondation pour ['Architecture een zomertentoonstelling met documenten uit de eigen collecties van de Archives dArchitecture Moderne. Met als thema Het huis in woorden, richt de tentoonstelling zich dit jaar in de eerste plaats tot het kind. Aanleiding daartoe is het verschijnen van een gelijknamig boek, eerste telg in een nieuwe reeks AAM Junior, Collectie Architectuur in woorden. Eerst een prentenboek. Al 'spelende' met de verzamelingen van de Archives d'Architecture Moderne ontstond het idee om boeken te maken die bestemd zijn voor kinderen en waarin ze de rijkdom van de architectuur en haar woordenschat kunnen ontdekken. Als vanzelfsprekend werd het 'huis' als eerste thema voor deze reeks weerhouden. In het eerste deeltje komt het exterieur aan bod, een tweede deeltje zal het interieur behandelen. Deeltjes over 'De Stad', 'Het Appartement', 'Bioscopen en Theaters' worden voorbereid. Het opzet is even simpel als doeltreffend. Fraaie plaatjes laten kinderen toe de schoonheid van kleuren en vormen te ontdekken; woorden prikkelen de verbeelding. Het 'huis', tenminste de uitwendige verschijning ervan, wordt in al zijn onderdelen en soorten ontleed om te komen tot een soort basiswoordenschat. Bij elk 'woord' van het 'huis' hoort een passende architectuurtekening, die het betroffen onderdeel of de huissoort evident illustreert. De keuze ging hierbij uit naar aantrekkelijke.
kleurrijke en duidelijk leesbare documenten, vaak perspectieftekeningen die het huis in zijn omgeving situeren, met niet zelden een link naar de striptekening. Deze relatie tekening-woord wordt aangevuld met een korte definitie die bestemd is voor klein en groot, en een meer tot de verbeelding sprekend citaat uit de literatuur waarin het betroffen onderdeel een hoofdrol speelt. Zo wordt het 'venster' voorgesteld aan de hand van een ontwerp van Victor Bourgeois en een citaat van Gustave Flaubert. Het vijftigtal overige architectuurtermen, zoals het 'hek', de 'loggia' of de 'schoorsteen', duikt op in combinatie met werk van Renaat Braem, Hugo Claus, Lucien Frangois, Thomas Mann, Antoine Pompe en Leo Tolstoj om er enkele te noemen. Een contourschets tenslotte legt het accent op wat werd gedefinieerd, om zo verwarring te vermijden.
men en contourschetsen leren de kinderen al spelend Hef huis in woorden te reconstrueren. Het 'huis' heeft echter niet enkel zijn eigen taal. In talrijke verhalen en legendes die deel uitmaken van de wereld van de kinderen, wordt het 'huis' in al zijn vormen en verschijningen opgevoerd of speelt het een centrale rol. Akteurs Josse de Pauw en Frangois Beuckelaers zullen er op gezette tijden hun mooiste verhalen vertellen, en het 'huis' zo de wereld van de verbeelding binnenvoeren. Jo Braeken
Daarna een tentoonstelling. Originele documenten, maquettes, spellen, poppenhuizen en teksten werden door de kunstenaar Philippe De Gobert speels geënsceneerd, in een opstelling die nog het meest weg heeft van een levensgrote blokkendoos. De fraaie architectuurdocumenten die alleen al een bezoek overwaard maken bestrijken de periode van de late 19de eeuw tot en met het interbellum. Een twintigtal poppenhuizen uit de 18de, 19de en 20ste eeuw werden uit verschillende openbare en privé-verzamelingen geselecteerd. Zij laten toe de banden die er bestaan tussen de fictie van het spel en de ernst van het onderwerp te benadrukken. 'Balkjes' en 'bakstenen' met ter-
N N E N K R A N T
Het huis in woorden Boek Ontwerp, realisatie en uitgave: Archives d'Architecture Moderne • 128 p., 60 ill.ISBN 2-87143-085-3
Tentoonstelling Fondation pour l'Architecture Kluisstraat 55,1050 Brussel Van 20 juni tot 24 september, dinsdag tot vrijdag van 12.30 tot 19 uur, zaterdag en zondag van 11 tot 19 uur Vertellers dinsdag van 14 tot 18 uur op afspraak tel. 649.02.59
M&L CITAAT
ITALOCALVINO "De onzichtbare steden" Turijn 1972, Amsterdam 1981 "In Maurilia wordt de reiziger uitgenodigd de stad te bekijken en tegelijkertijd bepaalde oude ansichtkaarten te bestuderen die laten zien hoe de stad vroeger was: precies hetzelfde plein met een kip op de plaats van het busstation, een muziektent op de plaats van het viaduct, twee jongedames met een witte parasol waar nu de dynamietfabriek staat. Om de bewoners niet teleur te stellen moet de reiziger vol lof zijn over de stad op de kaarten en haar verkiezen boven de stad van nu, maar tegelijkertijd moet hij er zich bewust van zijn dat de kritiek die hij uit op de veranderingen binnen precies gestelde grenzen moet vallen: hij moet erkennen dat, als je de grootsheid en de welvaart van het tot wereldstad uitgegroeide Maurilia vergelijkt met de oude provinciestad Maurilia er een zekere gratie verloren is gegaan, waarvan je echter nu pas kunt genieten nu je haar op oude kaarten ziet, terwijl eerst, toen Maurilia nog echt een provinciestad was, er werkelijk niets gracieus'aan te zien was, en vandaag de dag nog veel minder, als Maurilia helemaal niet veranderd was; maar hij moet ook erkennen dat hoe dan ook de wereldstad één aantrekkelijke eigenschap meer heeft, namelijk datje via wat zij geworden is met heimwee kunt terugdenken aan wat zij was".
M&L
De Kleine Nete met de Graafweide te Grobbendonk (foto 0. Pauwels)
33
M&L
DE TOEKOMST... BESCHERMING EN BEHEER De vallei van de Kleine Nete en de Aa tussen Grobbendonk en Herentals behoort ongetwijfeld tot de minst verstoorde grotere landschapsentiteiten in de Antwerpse Kempen. De invloed van de mens kan er naar de huidige maatstaven als vrij gering beschouwd worden. Slechts drie menselijke activiteiten kwamen en komen er voor: landbouw, recreatie en militaire activiteiten. De landbouw heeft er gelukkig nog geen te grote vlucht genomen. Hij concentreert zich in de omgeving van 't Heike(n) en in de Goorlandse Heide, waar zich een groter serrebedrijf bevindt De militaire activiteiten bleven beperkt tot stockage van olie en kleinere oefeningen. Slechts nabij Grobbendonk, in de Natobasis, werd het landschap volledig ontbost en ingenomen door grote metalen loodsen en betonwegen. Tenslotte zijn er de recreatieve activiteiten, waarvan de repercussies sinds de oprichting van het BLOSOsportcentrum in de jaren '60 enorm zijn toegenomen, zeker in het zomerseizoen. De bestaande infrastructuur van asfaltwegen is grotendeels verboden voor alle gemotoriseerd verkeer en is daardoor uitermate geschikt voor fietstoerisme en wielersport. Mede door de opkomst van de mountain-bike heeft deze recreatievorm de laatste jaren een enorme opgang gekend, met helaas ook negatieve neveneffecten, zoals het gebruik van nieuwe routes via de bossen (Peertsbos) en de Netedijken (van het sportcentrum tot aan de Troonbrug). Het wandelen en joggen kan zeker niet als storend beschouwd worden; de meest kwetsbare gebieden bleven tot nu toe gespaard van indringers. Op de Kleine Nete wordt ook gevaren met kayaks, kano's en vlotten, vooral - zoals in de Ardennen in het zomerseizoen . Indien de intensiteit van deze ontspanningsvorm toeneemt, zullen maatregelen getroffen moeten worden. Nu reeds blijkt dat afval wordt achtergelaten op de oevers en dat bij de jaarlijkse ruiming van het kruid meer en meer afval uit de bedding van de Nete wordt bovengehaald. Jaarlijks wordt in het militair domein nabij de Troon een internationale jumpingwedstrijd georganiseerd. De organisatie is alleszins in goede handen, want na de manifestatie wordt zelfs geen papiersnippertje achtergelaten.
De rangschikking als landschap van de voormalige Britse Basis is een eerste stap in de veiligstelling van de gehele vallei. Dit landschap is misschien niet direct bedreigd, maar toch wel het meest direct. Toen enkele jaren geleden een aantal militaire domeinen in Vlaanderen te koop werden gesteld, deed het gerucht de ronde dat de firma De Beukelaer (Lu) dacht aan een eventuele uitbreiding op een deel van het domein. Nochtans zijn er nog heel wat uitbreidingsmogelijkheden in de op het Gewestplan Herentals-Mol voorziene industriezone, die begrensd wordt door het militair domein in het westen en Vuilvoort. Het is zonder meer duidelijk dat de ligging aan het Albertkanaal aanlokkelijk is voor de uitbreiding van bestaande of de vestiging van nieuwe bedrijven... In een tweede fase zou het gebied van de monding van de Aa in de Kleine Nete tot aan 't Heike beschermd moeten worden omwille van zijn zeer hoge natuurwetenschappelijke en esthetische waarde. In een derde fase zou het Peertsbos te Herentals aan bod kunnen komen, te meer omdat er plannen bestaan om verharde fietspaden aan te leggen voor de plaatselijke wielerschool. Geheel de vallei tussen Grobbendonk en Herentals zou voorbehouden moeten blijven voor twee opties: natuurbehoud en zachte recreatie. Het ligt voor de hand dat het natuurbehoud moet geconcentreerd worden op de meest waardevolle gebieden: de voormalige Britse Basis en de beemden tussen Nete en Aa met de Tweede en de Derde beek. Daarom ook stelt Monumenten en Landschappen voor het militair domein over te dragen of te verkopen aan de Vlaamse Gemeenschap, Dienst Natuurbehoud. De kwetsbare delen, meer bepaald de loofbossen, de (laagveen)moerassen, de heiden en de broekbossen zouden volledig afgesloten moeten worden, terwijl het aanwezige wegennet perfect kan omgebouwd worden tot een wandel- en fietscircuit. Zowel voor de bewaking en het beheer als voor de educatieve uitbouw (natuurwandelingen, educatieve wandelpaden, bosklassen...) biedt het domein mogelijkheden tot de uitbouw van een natuureducatief centrum, best aan de ingang te Herentals (Vuilvoort). De beemden en bossen tussen Nete en Aa met de Tweede en de Derde beek zouden absoluut afgesloten moeten blijven voor het publiek. Dit nog natuurlijke overstromingsgebied leent zich slechts tot graasbeheer en beperkte jacht, zoals nu. In de toekomst zou een subsidieregeling voor de landbouwers misschien soelaas kunnen brengen tegen mogelijke schaalvergroting en ontwatering. Wat de Kleine Nete en de Aa betreft, lopen de opvattingen van de Lande-
M&L
•
35
..'••Vtl'. r
J'S
1
i V " ' S'.'.'V' Vorselaar »XSv,
<^.:-.}^^L
'^^W.'/
«:<*: • HEREKIJALS
(3) H H Woongebieden f
n Agrarische
^
' gebieden
W&A Natuurgebieden t o S j J Natuurresen'aten K - ^ - - Landschappelijk ^ ^ waardevolle gebieden II N II Recreatiegebieden TJV<XH Gebieden voor "Mgg verblijfsrecreatie I
M
1 Militaire domeinen
r » ^ ^ Zones voor ** * ' openbaar nut
O Agrarische gebieden met ecologisch belang
Overzicht van de bestemmingen volgens het Gewestplan Herentals-Mol op de topografische kaart van 1/10000
lijke Waterdienst (AMINAL) gelijk met de opvattingen van Monumenten en Landschappen. Ook zij beschouwt dit landschap als een overstromingsgebied en vindt het onverantwoord om nog geld te investeren in dijkverhogingen- en verstevigingen; de weinige boerderijen die last hebben van overstromingen kunnen beter apart beveiligd worden met een omwalling. Het Peertsbos, dat reeds langer als wandelgebied bekend staat in Herentals, zou - samen met de aangrenzende Netedijk - gevrijwaard moeten worden van mountain-bikerijders. Zoals op de heuvelrug in Kasterlee zou een degelijk afgebakend mountain-bikepad in het minst kwetsbare gedeelte de druk van deze recreatievorm kunnen opvangen. Tenslotte moet erop gewezen worden dat alle wegen voor plaatselijk verkeer in het landschap, moeten gevrijwaard blijven van meer autoverkeer. Hiertoe moeten consequent alle bestemmingen die auto's kunnen aantrekken, bijvoorbeeld horecabedrijven in bestaande gebouwen, absoluut verboden worden door alle betrokken instanties.
EINDNOTEN (1)
(2)
Baeyens L.. Bodemkaarl van België: kaartbladen Grobbendonk 29E en Lille 30W en verklarende tekst bij de kaartbladen, Gent, Centrum voor Bodemkartering, 1971. Baeyens L., Summier landschappelijk verslag van de Britse Basis te Grobbendonk, Niet-gepubliceerde tekst. Tielt-Winge, 1992.
(4)
(5)
(6)
(7) (8)
(9)
(10)
(11)
(12)
(13)
Mourlon M. Carte Géologique de la Belgique: carte n0 29 (Schilde-Grobbendonck), n0 (Lille-Casterie), n0 44 (LierreBerlaer) en n0 45 (Hérentbals-Gheel), Bruxelles, Commission géologique de la Belgique, 1986. Tavernier R. en de Heinzelin J., Introduction au Néogène de la Belgique in Mémoires de la Société Beige de Geologie, de Paléonthologie et d'Hydrologie, Série in 8°-N0, Symposium sur la Stratigraphie du Néogène nordique (Gent, 1961), Brussel. 1962, pp. 7-28. De Meuter F.J. en Laga P.G., Lithostratigraphy and biostraligraphy based on Benthonic formanifera of the Neogene deposits of Northern Belgium, in Buil. Ver. Geologie, V 85, deel 4. Brussel, 1976, p. 133-154. Munaut A. en Paulissen J.. Evolution et paléo-écologie de la vallée de la Petite Nèthe au cours du Post-Würm (Belgique), Annates de la Société Géologique de Belgique, T. 96. 1973. Van Den Bosche J., De industrialisatie te Herentals (17501914}, Historisch Jaarboek van Herentals 1, 1986. Hasquin H., Gemeenten van België - geschiedkundig en administratief-geografisch woordenboek (I. Vlaanderen). La renaissance du livre (Gemeentekrediet van België). 1980. Milieudienst Stad Herentals, Documentatie bij de aanvraag tot bescherming van het landschap 'Peertsbos' (Herentals, provincie Antwerpen), Stad Herentals, 7/1987. Helsen J., Plaatsnamen der Antwerpsche Kempen, Vla. Top. Vereniging Leuven, N.V. Standaard Boekhandel, Brussel, 1938. Van Dyck G,, Enkele losse historische gegevens over het Militair Domein te Grobbendonk, Niet-gepubliceerde korte beschrijving, Grobbendonk. 1992. Kalkenhovenhof: de naam is volgens J. De Cannière (1992) afkomstig van de in die periode nog aanwezige kalkovens; dit waren bakken waarin kalk door middel van steenkool werd verhit en verpulverd tot metselspecie. De Cannière J., mondelinge gegevens. 1992.
Ludo Meesters is landschapsdeskundige bij Monumenten en Landschappen.
36
M&L
DE IJZERTOREN: KRACHTPATSERIJ OF BEDEVAARTSOORD JAN MORTIER
De huidige IJzertoren, hier In de steigers naar aanleiding van de eerste fase van de restauratiewerken: een blikvanger In de IJzervlakte (foto 0. Pauwels)
Vlamingen zijn een volk van toren-
Diksmuide bij decreet uitgeroepen tot
bouwers. Over onze lage vlakte rijzen
Memoriaal van de Vlaamse
aan alle kanten torens op. Al die monu-
ding.
menten hebben een geestelijke lading
Op 10 november 1992 werden de drie
omdat wij er de grootsheid en de
IJzermonumenten - de Uzertoren, de
schaal, niet de afmetingen, maar de
Crypte en de Paxpoort - beschermd als
verhevenheid en de bezieling die ervan
monument en de bedevaartweide als
uitgaat in aanvoelen.
dorpsgezicht (1). Eind augustus 1993
De massieve, plastische vorm van onze
werd een eerste restauratiepremie
belforten symboliseert de burgerlijke
goedgekeurd voor herstellingswerken
macht van het bolwerk.
aan de Paxpoort en de Toren (2).
Kathedralenbouwers bedekten hun
Naar aanleiding van deze werken,
torens met een weefsel van kant om ze
die momenteel in uitvoering zijn, is het
lichter en transcendenter te maken.
interessant om even kritisch terug te
Ontvoog-
blikken op de vrij recente doch bewoOp 14 februari 1987 werden de IJzer-
gen ontstaansgeschiedenis van de drie
toren en het omringende domein in
IJzermonumenten.
M&L
37
X e r nagedachtenis van de Vlaamse soldaten die tijdens de Eerste Wereldoorlog aan het front gesneuveld waren werd op 15 augustus 1916 het "Heldenhulde"-covoité gesticht. De eerste voorzitter was priester Cyriel Verschaeve. Op de graven van de gesneuvelde Vlamingen werden zerkjes opgericht, ontworpen door de Vlaamse kunstenaar aan het front Joe English, naar model van het Keltisch kruis. In 1923 besliste de regering de veelheid aan kruisen en gedenktekens die op de graven van de Uzersoldaten stonden, te vervangen door een uniform zerkje ten einde de militaire kerkhoven een uniforme aanblik te geven. In 1924 besloot het Heldenhuldecomité de Vlaamse zerkjes te recupereren en ze bijeen te brengen op een zinnebeeldig kerkhof, op een daartoe aangekochte grond te Kaaskerke Diksmuide. Om de band tussen levenden en doden te bestendigen zou elk jaar op deze plaats een bedevaart naar de graven van de IJzer worden georganiseerd. Eind mei 1925 echter werden, op bevel van de militaire overheid, honderden Heldenhulde-zerkjes verbrijzeld om er betonwegen mee aan te leggen. De verontwaardiging aan Vlaamse zijde was groot (3).
Na de Eerste Wereldoorlog werden op de graven van de Vlaamse gesneuvelde frontsoldaten zogenaamde Heldenhuldezerkjes geplaatst, ontworpen naar model van het Keltisch kruis door de Vlaamse kunstenaar aan het front Joe English (foto IJzerbedevaartcomité, Diksmuide)
EEN TOREN AAN DE IJZER Vermits de plannen van het Uzerbedevaartcomitée ten dele doorkruist waren, werd nu hoofdzakelijk gedacht aan de oprichting van een Ijzergedenkteken. In de formule van een open ideeën wedstrijd werd een oproep gericht aan alle Vlaamse architecten en beeldhouwers met de vraag om een gedenkteken in de vorm van het Uzerkruis te ontwerpen. Het wedstrijdreglement van 25 mei 1925 stipuleerde ondermeer dat de hoogte van het kruis in zijn geheel minstens 15 a 20 meter moest bedragen (4). Het was bovendien wenselijk dat de ontwerpers zich zouden inspireren op en een gestileerde variante maken van het Uzerkruis en de Heldenhuldezerk van de hand van Joe English (4). Het ontwerp diende uitvoerbaar te zijn voor 80.000,-frank (5). In een nota van 15 juli 1925 lichtte de toenmalige secretaris van het Uzerbedevaartcomitée, Clement De Landtsheer het reglement toe: "Wij drukken er vooral op dat het de wens van het Komiteit is, een streng, grootsch en eenvoudig ontwerp te zien tot stand komen, een werk dat vooral in de eerste plaats ook vanwege de kunstenaars-ontwerpers een hulde weze aan onze gevallen broeders " (6). Er werden niet minder dan 39 verschillende voorstellen van 30 verschillende ontwerpers ingezonden in de vorm van schetsen, plannen en maquettes. Deze ontwerpen werden in een lokaal in de Woumenstraat in Diksmuide tentoongesteld naar aanleiding van de zesde IJzerbedevaart (7). Het merendeel van de ingediende ontwerpen was vormelijk uitgewerkt in de geest van het interbellum en het opkomende modemisme. Het door de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog ontstane machtsvacuüm had immers zijn repercussie op de mentaliteit van de intellectuele en artistieke kringen waar het ideeëngoed van de communistische revolutie centraal stond (8). Denken wij maar aan de Stijlgroep, een invloedrijke beweging, gegroepeerd rond de schilders Theo Van Doesburg en Piet Mondriaan die sterk beïnvloed waren door het werk van Russische constructivisten als Malevitch en Tatlin (9). Deze beweging had zich tot doel gesteld het hele culturele en maatschappelijke leven vorm en gestalte te geven. De Stijlgroep was echter op de eerste plaats artistiek actief. Hun neo-plastische vormgeving was gebaseerd op wiskundige verhoudingen, een absolute en universele benadering van de beeldende kunst (10). Reeds in 1917 maakte Theo Van Doesburg een ontwerp in gips voor een monument voor de stad
38
M&L
f* s
f
fjb Tm
'"
De inzendingen van Mark Meerman (1) en Albert De Bondt (2) deelden de tweede prijs. Volgens het oordeel van de jury waren de kruiskoppen van beide inzendingen te weinig geprofileerd en gedimensioneerd ten aanzien van het winnend ontwerp van de gebroeders Van Averbeke (foto's Carl De Coster)
!i
n
tt BSSHRPrvin.
IJL HB
/
1/1 I
'I
3. Het ontwerp van derde-prijswinnaar Valere Lievens (100,-fr.) uit Tielt week enigszins af van het wedstrijdreglement: hij bedacht een poortgebouw met twee ongelijke torens over de Kaaskerksesteenweg. vlakbij de brug over de IJzer. De historiserende vormgeving, die afwijkt van de voorstellen van Van Averbeke. Meerman en De Bondt. illustreert de in die dagen levendige discussie tussen traditionalisten en modernisten (foto 0. Pauwels) 4-5. Twee van de vele anonieme ontwerpen zoals ze tijdens een tentoonstelling op 30 augustus 1925 aan het publiek werden voorgesteld. Beide voorstellen illustreren de voorkeur van sommige ontwerpers voor ontwerpen van een eenvoudig gedenkteken. Het is merkwaardig dat de jury in dit opzicht enkel architectonische torenconstructies selecteerde (foto 0. Pauwels)
^ I C H T W A M ' u l T i - D l ^ i v i J i l 3&t<ObAElMDe
Van de 39 ingediende voorstellen voor het bouwen van een IJzermonument is weinig beeldmateriaal overgebleven. Aan de inzenders werd gevraagd om hun ontwerp in te dienen onder anonieme kenspreuk ten einde beïnvloeding van de jury te vermijden, wat de identificatie van de overgebleven documenten bemoeilijkt.
39
Leeuwarden. Bij de definitieve uitwerking zou de voorkeur uitgaan naar gewapend beton (11). De verspreiding van het ideeëngoed van de Stijlgroep in Vlaanderen gebeurde hoofdzakelijk via de schilder Jozef Peeters en de architect Huib Hoste, beiden figuren die diep bekommerd waren om de emancipatie van het Vlaamse volk. Er was trouwens een hele linkervleugel van de Vlaamse Beweging die Vlaanderen de moderne tijden wenste binnen te loodsen en eerder vijandig stond tegen alles wat een agrarisch Vlaanderen of een historisch geïnspireerde romantiek benadrukte (12). Toch trokken de modernisten in de meeste gevallen aan het kortste eind. Bij de wederopbouw na de Eerste Wereldoorlog werden de vernielde steden leper, Diksmuide en Nieuwpoort in historiserende stijl gereconstrueerd. Voor de heropbouw van de sterk gehavende burgerlijke monumenten werd de regionale Vlaamse Renaissancestijl als voorbeeld gehanteerd. Een uitzondering op de algemene tendens vormde de modernistische kerk van Zonnebeke naar een ontwerp van Huib Hoste (13). In dit opzicht is het niet verwonderlijk dat de jury van de wedstrijd het moeilijk had met de ingediende ontwerpen, die eerder door hogervermelde artistieke aspiraties waren geïnspireerd dan door de idee om het Vlaams kruis hoog, sterk en fier vorm te geven (14). Uiteindelijk koos de jury het ontwerp van de gebroeders Robert en Frederik Van Averbeke uit Antwerpen als winnend project. Aan het ontwerp werd een prijs toegekend van 500 frank. Aan de inzendingen van de architecten Mare Neerman en Albert De Bondt. beiden uit Gent, werd een gezamenlijke tweede prijs van 200 frank toegekend. De kritiek van de jury op het ontwerp van De Bondt luidde dat het bovengedeelte niet genoeg gesloten was, dat de geledingen in de kruisen te zwak waren en de halfronde nis onderaan te gevat was (15). De derde prijs werd toegekend aan de architecten Karel Schaessens uit Veume en Valere Elevens uit Tielt. Vierde was architect Raf Ghellynck uit Wervik (16). Uit recenter onderzoek blijkt dat het winnend ontwerp van de gebroeders Van Averbeke volledig op naam van de jongste van de twee broers, Frederik Van Averbeke (Antwerpen 1905-1970) zou kunnen worden geschreven. Een brief van Robert Van Averbeke (Antwerpen O1903) aan Clement De Landtsheer uit 1925 vermeldt "vermits het toch maar over een monument gaat, laat ik het ontwerpen over aan de jongste Van Averbeke " waarmee hij alleen maar Frederik Van Averbeke kan hebben bedoeld.
De zoon van Frederik Van Averbeke beweert overigens in een gesprek met Carl De Coster dat het ontwerp van de eerste toren exclusief op naam van zijn vader kan worden geschreven (17). Op 1 november 1925 trad het comitee het besluit van de jury bij. Na aanbesteding werden de werken toegewezen aan de gebroeders De Tandt, aannemers uit Nederbrakel. De oorspronkelijke inschrijvingsprijs van 709.308,13 frank werd na prijsherziening gereduceerd tot 665.308,13 frank. De werken werden in mei 1928 aangevat. Het Uzerbedevaartcomitee, gekweld door ergernis om het vernielen van de Heldenhuldezerkjes, stimuleerde de uitvoerende ingenieur Jan De Bondt tot het verhogen van het oorspronkelijk ontwerp van 32 meter tot 52 meter (18). 85 zware betonnen pijlers werden ingeheid. Op deze palen werd een grote betonnen plaat gegoten van 1 meter dik en 20 meter doorsnede. Begin september was het blokkenstelsel voltooid en gingen de kruislijnen, gesteund door vier zware drummers, de hoogte in. Het blokkenstelsel en de kruislijnen werden in gele kustbaksteen opgetrokken, de drummers aan de vier hoeken in Belvédèrebaksteen. Een 120 geredde Heldenhulde-zerkjes werden in de 7 verdiepingen ingemetseld. Op het gelijkvloers werd een museum ingericht. Aan de muren waren uitvergrote, verlichte diapositieven aangebracht met epische taferelen die het Vlaams verzet door de eeuwen heen visualiseerden. Ondergronds bevond zich de Crypte. Bovenaan de toren prijkte een reusachtig kruis, met daarin de letters AVV-VVK verwerkt: "Alles Voor Vlaanderen, Vlaanderen Voor Christus", leuze van de Vlaamse studenten uit de 19de eeuw (19). Omdat de schaal van het oorspronkelijke ontwerp van de gebroeders Van Averbeke zich niet straffeloos liet vergroten werden in een latere fase op de vier flanken van de toren beelden van de hand van de Temse beeldhouwer Karel Aubroeck aangebracht. Deze bas-reliëfs werden onthuld tijdens de IJzerbedevaarten van 1931 tot 1934 en waren geïnspireerd op de gesneuvelde frontsoldaten Renaat De Rudder, Joe English, de gebroeders Van Raemdonck, Lode Boninge en Frans Van der Linden. De beelden hadden niet enkel een decoratieve functie. Ze werden door de beeldhouwer gedimensioneerd vanuit de bekommernis dat alles wat aan de tekentafel ontworpen was zich anders manifesteerde in de werkelijkheid. Een toren die uit de vlakte oprijst wordt van onder waargenomen. Dit fenomeen was reeds gekend door de oude Grieken en had zijn invloed op de vormelijke uitwerking van hun zuilen. Door het aanbrengen van een negen meter hoge, menselijke figuratie poogde men een overgang te
40
M&L
DQifJKAHD YOOD. EEN iftfiQKQUii: OP TE OICMTCN OP EEN OQOND TE DlKIHUiDE.
5E? 4 F^ L : T C B D C i N : £ O O M i
so'CMcn nonuneitr
1
\ •
1
1
m 1. Onder de kenspreuk "Raemdonck" dienden de gebroeders Van Averbeke uit Borgerhout twee kartons met tekeningen in (foto 0. Pauwels) 2. Een kleimaquette van Frederik Van Averbeke: zoals Malevitch die middels het boetseren van diverse plaastermodellen (de zogenaamde "plunites" en "architectons") de ontwikkeling van de kubus in de ruimte onderzocht, maakte Frederik Van Averbeke verschillende studies In kiel van zijn geselecteerd, neoplastlsch ontwerp (foto O. Pauwels) 3. De plastische uitwerking van de kruiskop van het winnend ontwerp van Van Averbeke kon de jury blijkbaar niet overtuigen: artikel 10 van het wedstrijdreglement bepaalde Immers dat"... de tekeningen van de bijzonderheden aan de jury moeten voorgelegd worden: deze is vrij er de noodlg geachte wijzigingen aan te brengen, in overeenkomst met den ontwerper. Deze "alternatieve kruiskop"werd gesuggereerd door de leperse bouwkundige en jurylid Rat Speybrouck In een brief aan Clement De Landstheer van 18 september 1925 (foto 0. Pauwels) 4. Presentatietekening van de gebroeders Van Averbeke
M&L
De "naakte" IJzertoren bij de bewogen inhuldiging van 24 augustus 1930: de strak stijgende lijn van het "uitgerokken" ontwerp van Van Averbeke kwam storend over. Het comité poogde de schaal van de toren te breken middels het aanbrengen van enkele beelden op de flanken (foto Uzerbedevaartcomité, Diksmuide)
Karel Aubroeck in zijn atelier bij één van de vier beelden die tussen 1931 en 1934 op de flanken van de Uzertoren werden aangebracht (foto Uzerbedevaartcomité, Diksmuide)
41
maken tussen het voetstuk en de overweldigende, strak stijgende lijn van de toren. Aldus waren de beelden zonder meer als een esthetische verrijking voor de toren te beschouwen (20). De expressionistische beelden van Karel Van Aubroeck werden verkozen ten nadele van het intimistisch voorstel van Oscar Jespers (21). Aubroeck (1894-1986) zou in 1936 het Ruiterstandbeeld van Koning Albert en de begeleidende basreliëfs in Nieuwpoort ontwerpen en uitwerken. Deze kunstenaar zou in zijn verdere loopbaan evolueren van abstract realisme naar constructivisme (22). Op 12 oktober 1929 werd de 52 meter hoge toren voltooid. Tijdens de 11de IJzerbedevaart van 24 augustus 1930 werd de Uzertoren plechtig ingehuldigd voor honderdduizend bedevaarders. Deze plechtigheid werd echter verstoord door de vliegeraanval van een unitarist, Georges Labrique, die tricolore papiertjes en strooibiljetten over de bedevaartweide uitstrooide. In het pamflet werd gesproken over, "verraders en deserteurs", die 't recht niet hadden in naam van het Vlaamse Volk te spreken (23). Dit werd als een provocatie ervaren en leidde op de Grote Markt van Diksmuide tot ernstige incidenten met chargerende gendarmerie te paard, waarbij tachtig bedevaartgangers werden gewond, waarvan een aantal later werden veroordeeld. De bedevaart had aanvankelijk geen anti-Belgisch karakter: inwoners van Diksmuide vlagden met de driekleur. Na de incidenten van 1930 kwam hieraan een einde (24). Dit alles maakte in het Vlaamse land een grote indruk, wat eenjaar later tot uiting kwam in het nog groeiende aantal deelnemers. Deze gebeurtenissen zouden eveneens een keerpunt betekenen: waar de IJzerbedevaarten tot 1930 bijeenkomsten waren van oud-soldaten die hun gevallen kameraden kwamen herdenken, groeiden deze bijeenkomsten uit tot massamanifestaties, mede door het feit dat de Vlaamse Oudstrijders (VOS) de steun kregen van studenten, georganiseerd in het Algemeen Kristelijk Vlaams Studentenverbond en het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (25). In 1936 werd onder impuls van Armand Suis (26), die een grote rol speelde in de VOS, op de toren de leuze "Nooit Meer Oorlog" aangebracht (27). In hetzelfde jaar werd de Crypte in de toren toegankelijk gemaakt voor het publiek. In 1935 werd het secretariaat van de Uzebedevaart van Temse overgebracht naar een gebouw aan de Hoge brug (Uzerdijk) te Diksmuide. In de loop van 1938 werden door architect Torfs plannen opge-
maakt om palend aan het nieuwe .secretariaatsgebouw een Uzermuseum te bouwen. Deze plannen werden door de nieuwe oorlogsdreiging nooit uitgevoerd. Op 30 mei 1940 sloeg een Engelse vliegtuigbom een 5 meter groot gat in de flank van de toren. Tijdens de oorlogsjaren vonden in de Crypte van de toren de zogenaamde oorlogsbedevaarten plaats. Hierbij speelde het toenmalige comité de politieke opportuniteit van die jaren mee (28). Na de Tweede Wereldoorlog ontketende zich een blinde haat tegen alles wat Vlaamsgezind was. Vlaamsgezindheid werd immers geassocieerd met collaboratie. Na een eerste, mislukte aanslag op 16 juni 1945, werd tijdens de nacht van 15 op 16 maart 1946 de Uzertoren gedynamiteerd en ten gronde vernield. De vernietiging van het stenen symbool van de Vlaamse strijd veroorzaakte echter het tegenovergestelde effect van wat de daders er blijkbaar van verwachtten. In plaats van het definitieve einde betekende deze aanslag de stimulans tot het heroprichten van een nieuwe toren die "hoger, mooier en machtiger" moest zijn dan de vorige (29).
M&L
43
DE WEDEROPBOUW De Uzertoren vanaf 1934 (foto Uzerbedevaartcomité, Diksmuide)
4 De Uzertoren na de aanslag van 16 juni 1945: vermits de dynamiteurs te weinig springstof hadden gebruikt werd slechts een flard metselwerk van twintig vierkante meter van tussen de betonnen pijlers weggeblazen. De toren was structureel met beschadigd. De lift en de traphal hadden evenwel zware schade geleden (foto Uzerbedevaartcomité, Diksmuide)
De Uzertoren na de anonieme dynamitering van maart 1946: de daders werden nooit gevonden. Sommige bronnen vermelden een operatie van de plaatselijke Witte brigade. In weerstanderskringen ontkende men dit echter en verwees men naar 'een paar liberale heethoofden" ui\ Diksmuide (foto Uzerbedevaartcomité, Diksmuide)
•• De huidige Paxpoort "gerecupereerd" uit de brokstukken, de metalen collagedeuren van de eerste Uzertoren en de opgelapte beelden van Karel Aubroeck (foto 0. Pauwels)
De Tweede Wereldoorlog ligt achter de rug, de euforie van de bevrijding is groot, de mogelijkheden van de techniek zoniet groter en de vernedering van de dynamitering van de Uzertoren knaagt. Het puin van de Uzertoren wordt gerecupereerd en met de brokstukken wordt de Pax-poort opgericht, een zwaar, lijvig en hybried bolwerk ontworpen door kunstschilder De Bondt en uitgevoerd door zijn broer, ingenieur Jan De Bondt, bouwleider van de voormalige Uzertoren. Uit een massief blok wordt, verwijzend naar de oudchristelijke traditie, een gotische boog uitgespaard. Op beide flanken wordt het volume geschraagd door een - te zwaar geprofileerd - kruis in baksteen dat op zijn beurt geflankeerd wordt door de van onder het puin gehaalde beelden van Karel Aubroeck. Aubroeck puzzelde zijn beelden terug in elkaar, vulde de ontbrekende stukken aan met metselwerk en camoufleerde het geheel met een laag silexmortel. Toch tonen ze niet meer dezelfde monumentaliteit die ze hadden op het moment dat ze opgesteld waren tegen de eerste toren.
ledereen blijkt eensgezind de mening toegedaan dat het puin van de gedynamiteerde toren in zijn huidige toestand moet behouden worden als durende prikkel tot weerbaarheid. Over de ondergrondse crypte wordt evenwel een karakterloos betonnen platform geconstrueerd. In de zomermaanden van 1948 wordt tussen de bovengrondse ruïneuze resten een groot, wit geschilderd kruis gemetseld met de AVV-VVKleuze. Op dit kruis staat ook het door Verschaeve in de Eerste Wereldoorlog voor Heldenhulde geschreven vers dat reeds in de crypte van de vernield toren was aangebracht: "Hier liggen hun lijken als zaden in 't zand/Hoop op de oogst, o Vlaanderenland" (30). De crypte zelf wordt opgelapt en gekantrecht, waardoor van het ruïne-aspect weinig overblijft. De vraag stelde zich echter of dit als repliek op de aanslag zou volstaan. Zou men niet de indruk wekken dat Vlaanderen eens te meer berustte in wat gebeurde? Professor V. Celen repliceerde echter op kernachtige wijze: "De Uzertoren moet herrijzen in een ontembaar gebaar van rechtseis! "(31) Deze reactie kadert in dezelfde traditie als de reflex die aan de grondslag lag van de wederopbouw van
44
M&L
•
VK V
• "^ i
Hmmi'L T 4
'tiil.'/llüi
1f
l!
1 11! ' 1^
iwiiimjnijHwiiiiiifiit i
jnn
De gekantrechte crypte met tussen de peilers het wit geschilderde kruis met de klapwiekende blauwvoet (foto 0. Pauwels)
.UiLLj
het door de Eerste Wereldoorlog vernietigde leper. De wederopbouw, het bouwen van een kopie, vervult dezelfde functie. De wederopbouw moet de overwinning symboliseren. Hier raken we een constante in de geschiedenis van de oorlogsvoering: plundering en/of vernieling van de symbolen van een cultuur moeten de overmacht demonstreren. Door de wederopbouw wordt aangetoond wie gewonnen heeft. Het recente verleden (hier de puinen van de gedynamiteerde toren) wordt ondergeschikt aan het ideaal verleden (een nieuwe toren). In die zin is de wederopbouw gedateerd, tijdsgebonden (32). Vanaf 1948 werden er nieuwe ideeën geponeerd inzake het bouwen van een nieuwe toren, maar nu veel grootser en ambitieuzer dan 23 jaar geleden. Anderzijds zat het IJzerbedevaartcomitée geenszins verlegen met een teveel aan concrete projecten. Een van de meest ambitieuze projecten was het ontwerp van de Leuvense hoogleraar Clement Van Himbeeck. Het betrof het voorstel voor een betonnen toren van 350 meter hoog. Deze toren diende volgens de ontwerper een symbool voor de Vlaamse fierheid en een lichtende fakkel van het Vlaams leven te zijn. Daartoe zou in de top het AVV-VVK kenteken in glazen tegels uitgewerkt worden ten einde in het duister het licht ver uit te stralen: een idee die reeds eerder naar voor gebracht was door ingenieur Eifel naar aanleiding van de bouw van zijn toren in Parijs. Even utopisch als fantastisch was de idee om de top
van de toren toegankelijk te maken door een wentelweg, die én door voetgangers én door fietsers én door auto's en autobussen zou kunnen gebruikt worden. Deze wentelweg zou een totale breedte hebben van 8 meter waarvan de buitenste helft diende voor het opgaand verkeer met een helling van 6,4 % en de binnenste helft voor het dalend verkeer met een helling van 8,6 %. De straal en de helling van deze wentelweg zouden constant blijven van onder tot boven. Bij elke 5 omwentelingen was er een rustvlak in de open middenruimte van de toren voorzien waar auto's en zelfs autobussen gemakkelijk zouden kunnen keren om de terugtocht aan te vatten. Bij elke toer was de wentelweg bovendien aangesloten op vier logiavloeren die zich in de steunberen bevonden. In de kruiskop zou er plaats zijn voor 4 a 5 verdiepingen voor musea, studie-instituten, vergaderzalen en zo meer. Gans het torengebouw zou alleen bestaan uit getrild, gewapend beton, dat aan de buitenzijde zou gebouchardeerd worden. De uitvoering van het gewapend beton zou geschieden volgens een speciale bouwtechniek waarbij gebruik gemaakt zou worden van glijdende bekisting in plaatijzer waartussen het beton wordt gegoten. Deze bekistingen zijn bevestigd op een werkvloer die steunt op verschillende hengelstangen (cremaillères) door middel van tandwielen die in voortdurende beweging gehouden worden, waardoor de werkvloer constant doch met een zeer trage beweging (20 cm per dag) stijgt. Op een gelijkaardige manier - doch volgens een meer ingewikkelde methode - zou ook de wentelweg uitgevoerd worden (33).
MAUSOLEUM OF VLAAMSE KERMIS? De reacties op het bouwen van een hogere toren in het algemeen en op het plan Van Himbeeck in het bijzonder waren zeer uiteenlopend, variërend van wild enthoesiasme tot scheldpartijen. De discussie spitste zich voornamelijk toe op de vraag of de site in de eerste plaats een serene bedevaartweide - waar hulde aan de doden wordt gebracht - moest zijn dan wel of hier een machtiger symbool van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd diende te verrijzen als antwoord op de anonieme dynamitering. Twee tegenstanders: "Ik vrees voor een breuk tussen de doden die er liggen en de nieuwe grafsteen boven hen. Zullen de doden zich helemaal thuis voelen in hun nieuwe graf? De toren is gegroeid uit een technische gedachte. De waardering dient te liggen in het
M&L
Presentatietekening van de 350 meter hoge toren van Prof. Van Himbeeck uit 1951 (foto KVHV)
Principeplan van het voorstei van Prof. Van Himbeeck (illustratie KVHV)
Principedoorsnede van het voorstel van Prof. Van Himbeeck (illustratie KVHV)
beantwoorden van de epiek van de vlakte!" (Bert Peleman) (34). "Nu we geamerikaniseerd zijn wil men ons ook nog een Amerikaanse 'Tower Building' opsolferen. Welke zin heeft zo een Toren van Babel in de IJzervlakte?" (Robert van Averbeke)(35). Een voorstander: "De bedevaarten naar de IJzer in Augustus zijn méér geworden dan een bedevaart voor de gesneuvelden; zij zijn dagen geworden dat het levende Vlaanderen eendrachtig samenkomt voor een gewetensonderzoek... Dat dit gebeurt in de schaduw van een reuzenmonument, waaraan het ganse Vlaanderen heeft meegewerkt en meegespaard zal die dagen een nieuwe wijding geven" (Fl. Sterekens) (36). De meeste gevatte en opbouwende kritiek was echter van de hand van Karel Aubroeck, beeldhouwer van de beelden op de eerste toren: "... Is het noodzakelijk de Uzertoren hoger te bouwen? Het destijds geklasseerde ontwerp was 32 meter hoog voorzien. Ingenieur De Bondt stuwde hem op tot 52 meter. Te hoog bouwen kan veel van de architectonische waarde doen verloren gaan, het vliedende perspectief zou vanaf die reuzebasis zo diep verlopen, dat de kruiskop er zijn schoonheid zou zien bij teloor gaan. Laat ons liever het landschap zien. Is het nu mooier van 350 meter hoogte dan van 52 meter? Grootsheid, schoonheid en monumentaliteit berusten niet op afmetingen: deze kunnen schaden en schoonheid derven: alles berust op het evenwicht in de verhoudingen" (37). En verder in verband met de studie-instituten en vergaderzalen: "Voor wie? In godsnaam, wie gaat er vergaderen naar Diksmuide? Stad die buiten de dag van de bedevaart, het kerkhof van West-Vlaanderen wordt genoemd, op 150 km van de grote steden gelegen is, met enkele duizend inwoners, een dorpje!" "Maar er is meer. De ijzervlakte is een kerkhof. Daar liggen hun lijken. Geen sprake dus van een uitkijktoren voor toeristen. Geen sprake dus van een foor. Het landschap zelfverzet er zich tegen". "Een dodenmonument moet aan één gemeenschappelijke inhoud beantwoorden: eerbied. Zonder die aanwezigheid is de toren slechts een bouwkundig gestalte, een lichaam zonder geest, wat ook zijn afmetingen zijn. Als wij niet bij machte zijn de geschiedenis van ons volk doorheen de tijden, uit te beelden dan is dit een bewijs van zwakheid, onkunde en verval en hebben wij aan het nageslacht niets over te dragen. Ik dacht dat Vlaanderen, dat zo rijk is aan een groots verleden zich zou openbaren met iets als de vermaardheid van de Sixtijnse kapel, vol afschuw van oorlog en onrecht en niet met een betonnen gevaarte, dat in wetenschap en techniek
46
•
M&L
BEKNOPTE B E S C H R I J V I N G V A N DE RESTAURATIEWERKEN Rudy Vereecke
Met het oog op het uitvoeren van een periodiek, efficiënt en betaalbaar onderhoud van de gevels van de Uzertoren, worden vaste voorzieningen aangebracht op de boventerrassen voor de bevestiging van hangsteigers.
De restauratiewerken aan de IJzermonumenten vormen een eerste
De tweede fase van de werken omvat de geschiktmaking en de
stap in de uitwerking van een coherente visie van het opdracht-
verdere binnenrestauratie van de Uzertoren. Deze werken voor-
gevend bestuur, tot de herinrichting en verdere uitbouw van de
zien in de verdere afwerking van het interieur om in een latere
site als Vlaams IJzermonument en Europees Vredesmemoriaal.
fase te kunnen overgaan ot tot de eigenlijke museale inrichting van het monument als Europees Vredesmuseum.
Uit het vooronderzoek is gebleken dat de monumenten diverse sporen van aftakeling vertonen zodat een verdere uitbouw en
De werken van de tweede fase omvatten het verbouwen van de
herinrichting van het interieur onmogelijk werd. Restauratie-
inkomhal op het gelijkvloers in de Uzertoren tot een ruime, vlot-
werken aan de Pax-poort en de Uzertoren werden dan ook nood-
ter toegankelijke en polyvalente ruimte. Aansluitend worden ook
zakelijk geacht.
de sanitaire voorzieningen op het gelijkvloers aangepast. De vloeren, de wanden en de plafonds worden op alle verdiepin-
De eerste fase van de werken is momenteel in uitvoering en
gen afgewerkt en de nodige isolatiewerken ter voorkoming van
omvat de restauratie van de Uzertoren en de Pax-poort.
condensatie zijn gepland.
Deze werken hebben overwegend belrekking op externe reini-
De centrale traphal zal verder worden afgewerkt in functie van de
gings- en herstellingswerken en omvatten onder andere het ver-
veiligheid en de publieke toegankelijkheid. De trappen worden
nieuwen van de afdichtingen van alle platte daken en terrassen.
voorzien van een bekleding en de borstweringen langs de trappen
Deze onderdelen veroorzaken momenteel nog ernstige water-
worden verder opgetrokken en voorzien van handgrepen.
insijpeling in het interieur, zodat deze werken bij hoogdringend-
De nodige technische installatie met betrekking tot brandveilig-
heid moeten worden uitgevoerd. Sommige terrassen die voor het
heid, bliksembeveiliging, sanitaire- en verwarmingsinstallaties
publiek toegankelijk zijn worden voorzien van tegels op steunen.
zijn eveneens voorzien.
Verder worden nog de nodige herstellingswerken uitgevoerd, met name het herinbinden van barsten en fijne scheuren in het gevelmetselwerk, die voornamelijk het gevolg zijn van differentiële zettingen van het monument. Ook de dragende betonstructuur is plaatselijk dringend aan herstelling toe. Uit het vooronderzoek is gelukkig gebleken dat er zich geen stabiliteitsproblemen voordoen. Het bestaand voegwerk vertoonde bijzonder veel microscheuren die het gevolg zijn van een te harde voegspecie. Het gevelmetselwerk van de Uzertoren wordt bijgevolg uitgeslepen en platvol heropgevoegd met een watervaste prefabmortel in een kleur conform aan de kleur van het bestaand voegwerk. De werken omvatten een zachte reiniging van alle gevelvlakken door een verstuiving van water en verzadigde stoom en het opzetten van een gepaste hydrofobering. Bepaalde delen van het buitenschrijnwerk, waaronder de ramen in de kruiskop en de dakramen, werden vervangen door schrijnwerk in gemoffeld aluminium met een tweelaags coating van minimum 112 micron. De bestaande letters VVK-AVV zijn vervangen door letters in geperforeerd en gemoffeld aluminium. Verder worden in de eerste fase van de restauratiewerken met betrekking tot de Uzertoren nog maatregelen genomen ter bescherming van de lager gelegen platte daken en dakramen tegen schade door vallende objecten en zal een efficiënte duivenwering worden aangebracht.
De Uzertoren in de steigers naar aanleiding van de buitenrestauratie (foto 0. Pauwels)
M&L
47
voor de Amerikanen toch maar kinderspel zou blijken en voor ons ledig van inhoud en geest zou Zijn " (38). Op 9 februari 1952 besliste het Uzerbedevaartcomité dat de nieuwe toren in dezelfde vorm als de oude zou worden opgebouwd, maar wel veel hoger, namelijk 84 meter. De toren zou een honderdvijftig meter ten zuidwesten van de puinen van de oude toren worden ingeplant. De werkzaamheden werden toevertrouwd aan ingenieur A. Monthaye en architect Robert Van Averbeke, de oudere broer van de ontwerper van de eerste toren, Frederik Van Averbeke, die ondertussen in vast dienstverband was benoemd bij de CO.O. van de stad Antwerpen. De werken werden aanbesteed op 16 juni 1952 en toegewezen aan bouwfirma Lode Van der Kinderen uit Bazel-Waas (39). Er werden 231 palen ingeheid die de stabiliteit van de toren moesten garanderen in de modderige bovengrond, de zand- en kleiachtige ondergrond en de grote windsterkte in de Uzervlakte. Op 21 augustus waren de 14 meter hoge wachtijzers van de drummers reeds zichtbaar. De structuur van de toren is opgevat als een skelet in gewapend beton. Alle zichtbare gedeelten van de toren boven de basis zijn uitgevoerd in handvormbaksteen. De wanden van de basis zijn afgewerkt in breuksteen. De omringende buitentrappen werden uitgevoerd in geprefabriceerd, fijnkorrelig afgewerkt beton met per trede afwisselend gebruik van wit en grijs cement. Op 23 augustus 1964 was de kruiskop voltooid. Het bouwwerk koste 30 miljoen frank en had een gewicht van 8.500 ton. Op de 38e IJzerbedevaart van 22 augustus 1965 werd de nieuwe Uzertoren ingewijd. De Uzertoren telt 24 verdiepingen die bovenaan uitgeven op een panoramazaal. Enkel de twee onderste verdiepingen, de panoramazaal en het dakterras zijn momenteel toegankelijk voor het publiek. De toren bevat een lift. een kapel, een beiaard, een souvenierswinkel en een aantal grotere en kleinere zalen waarin een museum en een auditorium werden ondergebracht. Jaarlijks bestijgen ongeveer 50.000 toeristen de toren. De huidige geschiktmakingswerken beogen een bredere ontsluiting van de 24 verdiepingen voor het publiek.
en architecturale profilering van de huidige IJzerbedevaartsite het gevolg is geweest van een brede, voorafgaandelijke discussie. Dat daarbij de optie van dominant symbool van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd het steeds gehaald heeft op de optie van serene bedevaartweide is merkwaardig. Of de relatief nieuwe optie tot heroriëntering van de site tot internationaal en pluralistisch vredesmonument het haalt op hogervermelde, christelijk geïnspireerde opties en hoe zich dat vormelijk zal vertalen, zal de toekomst uitwijzen. Belangrijk voor de monumentenzorg in deze aangelegenheid is dat de desiderata van de contemporaire kunsten en wetenschappen en de politiek zelden overeenkomsten vertonen. Ze zetten elk op hun eigen wijze de bouwkunst in voor eigen doeleinden. Waar voor wetenschap en kunst een objectieve kennis van de realiteit een basis is voor het scheppen van autenticiteit, liggen de prioriteiten in de politiek duidelijk op een ander vlak. Afgezien van dit politiek aspect kan men echter stellen dat de eerste Uzertoren voor de Belgische kunst misschien meer richtinggevend geweest is, dan men op het eerste zicht zou vermoeden. De Uzertoren is misschien niet bepaald het meest architecturaal verantwoorde voorbeeld van jonge Belgische bouwkunst. Misschien is het zelfs geen bouwwerk maar eerder een skulptuur, wat zou kunnen verklaren dat men het, door de jaren heen, steeds moeilijk heeft gehad om er een aangepaste bestemming voor te vinden. Anderzijds zou de Uzertoren wel eens de enige skulptuur in Vlaanderen kunnen zijn die als neoplastische architectuur werd uitgevoerd.
EINDNOTEN (1)
(2)
(3) (4) (5)
BESLUIT
(6)
Een belangrijke conclusie die we uit hogervermelde beschouwingen kunnen trekken is dat de vormelijke
(7)
De motivering van de minister was dat het Ijzertorencomplex een gedenkteken is van "hulde en eerherstel aan de Vlaamse gesneuvelden 1914-18. een symbool van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. een gedenkteken van de Eerste Wereldoorlog met een inherente, internationale vredesboodschap". In een eerste fase werden de buitenrestauratie van de Paxpoort en de Toren goedgekeurd. Een tweede fase omvat het geschikt maken van de toren voor ontsluiting voor het publiek. In een derde fase wordt het herbouwen van de Crypte aangepakt. Tegelijkertijd wordt de bedevaartweide heraangelegd. B.Y.. Een brokje geschiedenis over het ontstaan van de Uzertoren, ADVN (Archief en Documentatiecentrum van het Vlaams Nationalisme). Antwerpen, 2 pp. Wedstrijdreglement "Prijskamp voor Uzennonument - Voorwaarden - Reglement", art. 4, ADVN, Antwerpen. Wedstrijdreglement "Prijskamp voor IJzermonument - Voorwaarden - Reglement", art. 5. nota van Clement De Landtsheer, dd. 15/07/1925 ,1 p., ADVN, Antwerpen. art. 7 van het reglement bepaalde dat "... de niet bekroonde ontwerpen, welke niet voor 1 september 1925. bij aanbevolen brief worden teruggeëischt, blijven den eigendom van het
yvK
is_
M&L
De beschermde Uzerbedevaardsite gezien vanop de Paxpoort met op de voorgrond de crypte en de Ijzertoren in de steigers (foto 0. Pauwels)
49
(8)
(9)
(10)
(11) (12) (13) (14)
(15) (16)
(17)
Komiteü." Waarschijnlijk zijn verschillende inzendingen door de ontwerpers teruggevorderd. Anderzijds is het archief van het Uzerbedevaartcomité door de jaren heen uitgebreid 'geraardpleegd'. In ieder geval blijkt dat van de 39 ontwerpen weinig beeldmateriaal overgebleven is. DE COSTER C . De Uzertoren een levend kunstwerk, onuitgegeven eindverhandeling, Hoger Architectuur-instituut Sint-Lucas Gent. (1987-1988). Kazimir Malevitch wordt algemeen beschouwd als de grondlegger van het Suprematisme in de schilderkunst. In een latere fase zal hij de schilderkunst als uitdrukkingsmiddel verwerpen om de derde dimensie te exploreren. Met de groep Gunovis ontwikkelt hij een nieuw experiment: het creeëren van driedimensionele, suprematistische constructies in plaaster, de zogenaamde architeclons. Deze architectons vertonen opvallend veel gelijkenis met de kleimakettes die Frederik Van Averbeke maakte naar aanleiding van het ontwerp van de eerste Ijzertoren. Denken we maar aan het werk van Bart Van der Leek en Victor Huszar die de nadrukkelijke geometrie van De Stijl toepasten op het gebied van de typografie en de grafische vormgeving. HAMPTON K., Neoplasticisme en architectuur: formatie en transformatie". essay. MELDERS R., Jozef Peeters (1895-1960), De Nederlandse boekhandel, Antwerpen. BECUWE F. en DE LENTDECKER F.. Van Uzeifront tot Zelfbestuur, De Klaproos, Veurne, 1993, p. 23. De jury bestond uit dr. Jozef Goossenaers, dr. Oscar Dambre. mevrouw Joe English, de beeldhouwer J. Lagae, de architecten Groenewegen en Verbruggen en Raf Speybrouck. Deze jury werd geadviseerd door Cyriel Verschaeve en August Vermeylen. Brief van architect Verbruggen aan Clement De Landtsheer uit 1925, ADVN, Antwerpen. Andere, niet geselecteerde deelnemers waren in chronologische volgorde van indienen: Michel De Cneudt (Apeldoorn), Jules Reynaert (Evere), Michel De Baere (Overmere), P. Peeters (Wilrijk), F. Lannoy (Wervik), Georges Vandemoortele (Wielsbeke), Daan Gevaert (Brugge). Edmond Rotsaert (Koekelberg), E. Engelen (Antwerpen-Zuid), Leo Verstraete (Adinkerke). Alf. De Rijdt (Deurne), Alfons De Cuyper (Antwerpen), Bremersch (St.-Gillis-Brussel), Alfons Van Riet (Sint-Niklaas), Rob. Deldaele (Roeselare), Leon Coraelis (Dendermonde), Oscar Vermeersch (De Panne), Ant. Van Parijs (Deinze), Prosper De Roover (Temse). Richard Acke (Kortrijk), Alois Bulté (Alveringem), Han Groenenweghe (Den Haag), De Vische (-) en Poeton (Gent). Latere realisaties van Frederik Van Averbeke zijn de woningen Van Notenstraat 1 in Deurne-Zuid, de villa op de hoek van de Prins Karel- en de Fochlaan in Knokke-Zoute en het woningcomplex aan de Van Peborghlei in Mortsel, alle gerealiseerd in 1931. Merkwaardig is de realisatie van een oorlogsgedenkteken te Duffel dat vormelijk veel gelijkenissen vertoont met het concept van de eerste Uzertoren. Vanaf 1934 is Frederik Van Averbeke in vast dienstverband bij het toenmalige COO van Antwerpen waarvoor hij een wooncomplex in de Korte Batterijstraat en de Halvemaanstraat en de Pensylvania-Foundation (met speelzaal en solarium) in de Lange Lozanastraat realiseert. Van 1955 tot 1968 legt hij zich toe op restauratieprojecten waaronder de Sint-Julianuskapel in de Hoogstraat en de SintNiklaasplaats.
(18) art. 10 van het wedstrijdreglement bepaalde dat de jury "... is vrij er de noodig geachte wijzigingen aan te brengen, in overeenkomst met den ontwerper". (19) Moors E., De Uzertoren, zijn ware betekenis, 'mL'Union-Eendracht,]a\'i 1950. (20) DE COSTER C , o.c. (21) Voor het ontwerp van de 4 beelden werd eveneens een wedstrijd uitgeschreven. De jury verkoos de beelden van Karel Aubroeck met 8 stemmen tegen 1. De tweede prijs was voor Oscar Jespers (5 tegen 4). De gedeelde derde, vierde en vijfde prijzen waren voor Albert Poels, Van de Voorde en Lode Vleeshouwers (ieder 0 tegen 9). (22) DE COSTER C, o.c. (23) BECUWE F. en DE LENTEDECKER L. o.c, p. 60. (24) IDEM, p. 56. (25) Citaat van Carlos Van Lauwe in een gesprek met Carl De Coster (1986). (26) Armand Suis zou later van het VOS overgaan naar de Internationale Anti-Militaristische Liga. (27) De leuze "Nooit Meer Oorlog" was ontleend aan de gelijknamige brochure die in 1930 in Amsterdam, door het internationaal verbond van vakverenigingen, in zes talen werd uitgegeven. (28) DE COSTER C, o.c. (29) VAN PASSEL J. (red.). De heropbouw van de Uzertoren Het plan Van Himbeeck. Uitgave Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond, Leuven, 1952,32 blz., p. 26. (30) BECUWE F. en DE LENTDECKER L, o.c, p. 92. (31) VAN PASSEL J., o.c. (32) STUNEN H.. CHARLIER G. en BEULENS A., Het verwoeste gewest 15/18 - Mission Dhuique, uitg. Mark Van de Wiele pvba, Brugge, 1985. (33) VAN PASSEL J., o.c, p. 5,6,7,8. (34) Idem.p. 15. (35) Idem, p. 12. (36) Idem.p. 12. (37) Idem, p. 24,26. (38) AUBROECK K., Baksteen of Beton, Temse, 1952, 8 p. (39) Archief ADVN, Antwerpen.
Jan Mortier is architect en inspecteur bij Monumenten en Landschappen,
50
M&L
DE WESTHOEK EN "DE GROOTE OORLOG": RESTANTEN, TOERISTEN EN DE OFFICIËLE ERKENNING ANNE-MARIE DELEPIERE en MARTINE HUYS
Diksmuide (Kaaskerke), Uzerdijk nr. 65. De Duitse bunker "Muizeval" op nauwelijks 50 m van de Belgische "Dodengang': een uitgesproken voorbeeld van de stellmgoorlog 1914-1918 (foto 0. Pauwels)
Tijdens de Eerste Wereldoorlog behoor-
ting van deze overwegend agrarische
de een groot gedeelte van de West-
streek nagenoeg totaal; ook de steden
hoek tot de frontstreek.
Nieuwpoort, Diksmuide en leper lagen
Het Duitse offensief strandde op een
in puin.
noordzuld-frontlljn die tot 1917 nauwe-
Kort na de wapenstilstand kwamen
lijks nog veranderde. Deze liep in grote
vluchtelingen, zich doorgaans niet
trekken van Nieuwpoort tot Armentières.
bewust van de verregaande graad van
Halverwege, ter hoogte van leper
vernieling, naar de streek terug.
vormde ze een deels om de stad
Velen waren met verstomming geslagen
lopende oostelijke bocht, de zoge-
bij het zien van de ravage.
naamde "Ypres Salient", die samen
Intussen echter gebeurde het mirakel,
met het Uzerfront het kernstuk vormde
waarin niemand nog geloofde:
van de stellingoorlog. Dit front werd ver-
het verwoeste gewest verrees uit het
dedigd door Belgische, Franse en Britse
puin. De wederopbouw herstelde in gro-
troepen. Na de oorlog was de verwoes-
te lijnen het oude vertrouwde uitzicht.
M&L
51
a
Let 'wederopgebouwde landschap' bewaart tot op vandaag nog duidelijke sporen van het oorlogsgeweld. In de eerste plaats herinneren de vele soldatenkerkhoven - naargelang van de nationaliteit van de gesneuvelden op een verschillende manier - aan de tragiek van de Eerste Wereldoorlog. Deze goed onderhouden parken met 'vreemde' benamingen vormen een component van het huidige landschap. Zij worden aangevuld door talrijke gedenktekens: indrukwekkende monumenten zoals de Uzertoren, de leperse Menenpoort, het Koning Albert I-monument, afgewisseld met meer bescheiden gedenktekens in nagenoeg ieder dorp. Jubileums van de wapenstilstand en van de onafhankelijkheid van België gaven aanleiding tot het oprichten van menig monument. Voornamelijk in 1938, twintig jaar na het einde van de oorlog, werden er veel ingehuldigd, waaronder het Koning Albert I-monument nabij het sluizencomplex te Nieuwpoort. Voorts zijn er de overblijfselen van het slagveld dat na de wapenstilstand het uitzicht bood van een nagenoeg leeg kraterlandschap tengevolge de voortdurende obusinslagen.
De Grote Markt te leper in september 1919 (Foto Antony, Oostende
150919/2)
De ondergrond gaf tot op heden nog niet al zijn geheimen prijs. Oorlogstuig van allerlei slag en soort duikt nog regelmatig op. Niet ontplofte obussen kunnen een ploegende boer nog steeds verrassen. Het verwoeste gewest werd druk bezocht. De nabestaanden van de talrijke gesneuvelden kwamen en komen er nog om hun doden eer te betuigen. In het leperse, de Engelse sector tijdens de oorlog, betreft het uiteraard voornamelijk Britten. Een doordachte aanpak van de dodencultus door de overheid en het niet repatriëren van de gesneuvelden stimuleren de kanaalovertocht. De rituele avond-punctuerende Last Post ceremonie onder de Menenpoort vormt steeds een hoogtepunt in de 'bedevaart' naar de Ypres Salient. Het Britse fronttoerisme werd geleid door de British Legion en de Ypres League, respectievelijk een oudstrijdersvereniging en een organisatie van Engelse ingezetenen te leper, veelal werkzaam in de Commonwealth War Graves Commission belast met het onderhoud van de soldatenkerkhoven. Jaarlijks organiseerden zij een Battlefields Pilgrimage. In een bijhorende gids werden concrete tips aangeven: reisprogramma, routes, teksten van soldaten- tot
52
M&L
• De Stellingoorlog 1914-1918 in de Westhoek naar L. Schepens (foto 0. Pauwels)
J^^• • • ^ ^ ^ • « ' m . * ^ . nqjxwr
. ^ ^ Label van de aanbevolen hotels uit de frontgids van Woodrich (Archief R. Verbeke)
H " ••
^Q
^ \
#
9k— \ C\
*
\ \
•*«>«•-
N.
^ t [ ^»^a
f
^
N^HTIi,
s
^ ^ ^ k - - ™ ^ J ^ - ^ « » B C I I J !
•"•"•••'
JUH
'
-ef"
J \
V
" ^B3-'£!^^^^' -viEüss^^gr0
-\\ \
y.iisMlyS^^^ji
WOLVÏBf
v - ^~\
ONOICHCOTI
\
y
J^ST-P"""
^11
•<""-^-^/ \
-oooW
^^^^^54."^|^-'.% iigB-' ..„..•„.^
s sr ^\
\
V -
/ ^ ^ \
% ^ C ' ••_ -VlSTBOKO»™ !.«,". - ^ ^ " ' ^ ^ T ^ ^ ^ L K * ^ A « # J ^
^ ^
/ '\^^^S\'"'^V ^ ^ ^ \ ïi\^C /V^i^V^ * -
\
_ y'
J ™
w
j
\
S
xA^r'^fe^-..-/
.1—..TiSï—^gjjj-ijj. J t .•^..^.. ^ J ~ ^^\1?
~
^^
P.^AM'XJff!^
i 28 4 191B
•*
;• ••
^^sj^.
,•ƒ
,• -. j
BAIL^EUL
wui-viooew,
1 "
•
| *
H"""
h^K-" Ê \
\ 1 * ' ' " • \ •"" ARMENTlERE^fl
Belgische frontlijn op 31 juli 1917 Belgische frontlijn op 6 november 1917 Duitse frontlijn op 1 november 1914 Verste Duitse opmars
volksliederen, prijzen van At poppie-kxamtn,... Ook de internationale, christelijk geïnspireerde Toe //.-beweging, ontstaan te Poperinge achter het front als club voor Engelse soldaten, begeleidde na de oorlog bedevaarten. Naast ingetogen pelgrims stroomden ook toeristen toe. Voor een prijsje kreeg men alles, de oorlog in al zijn aspecten met eten en drinken. Brugge en Oostende werden dikwijls gezien als ideale uitvalsbasissen voor een bezoek aan de frontstreek. Voornamelijk door Britten gerunde reisbureau's organiseerden trips naar de Battlefields. De 'cultuurtoeristen' streken neer in het verwoeste gewest om het verminkte patrimonium te aanschouwen. Reeds vóór de oorlog genoot leper immers nationale en internationale belangstelling. De stad was als het ware "een caleidoscoop van vier eeuwen bouwkundige geschiedenis, die alleen wachtte op de kunstenaars of architecten om het op papier te
zetten " (O. Mus). Reisverslagen en schetsboeken bevatten tal van getuigenissen die de bewondering voor leper uitdrukken. Uit deze belangstelling voor de "martelaarsstad" ontstonden er hevige wederopbouwpolemieken waarin de Hal, het Belfort en in mindere mate de Sint-Maartenskerk centraal stonden. Voornamelijk 'buitenstaanders' vonden dat dit hart van de stad als een "ïlot sacré" midden in een groenzone diende te worden bewaard. Alleen de aan het oog onttrokken kloosterruïne nabij de Sint-Maartenskerk geeft nog een passend en treffend beeld van vernieling en puin. Een aantal firma's en privé-instellingen speelden handig in op de steeds maar toenemende belangstelling voor de slagvelden en de oorlogsrestanten; financiële belangen waren hieraan niet vreemd. Ook de Belgische regering bleef niet onbetuigd.
53
M&L
Frontpagina van de gids Girault Gilbert (Archief R. Verbeke)
Menig frontgids werd uitgegeven, al naargelang de maker met verschillende accenten en soms ook niet ontdaan van een zeker patriottistisch taalgebruik. Dooreengenomen bevatten deze gidsen, ook soms beperkt tot brochures, een korte 'historische' inleiding en een opsomming van bezienswaardigheden. De gegevens zijn dikwijls verwerkt tot een reisroute met bijhorende kaart. Dat sommige van die bezienswaardigheden reeds verdwenen waren bij het verschijnen van de betreffende gids viel moeilijk te vermijden. Tenslotte krijgt de toerist allerlei raadgevingen mee, afhankelijk van een bezoek te voet, met de fiets, auto of autobus of per trein. De bandenfabrikant Goodrich, evenals de concurrent Michelin, zag er brood in om dergelijke gidsen te publiceren. De Franse firma Michelin, start reeds vanaf 1917 met de uitgave van een indrukwekkende reeks zeer goed gedocumenteerde reisgidsen voor de slagvelden. De eerste uitgave betreft de slag aan de Marne (september 1914). Deze zone lag in 1917 reeds ver achter het front en kon dus zonder gevaar worden bezocht. In 1921 telde de volledige reeks reeds 29 volumes. Rond Kerstmis 1919 wordt onder andere Ypres et les batailles d'Ypres uitgebracht. Het jaar erop verschijnt een nieuwe herwerkte versie, samen met de gids L'Yser et la cóte Beige. Michelin speelt tevens in op de Britse toeristenstroom en geeft een aantal gidsen uit in een Engelse versie. Uiteraard betreft het voornamelijk de slagvelden
Uit de frontgids van Goodrich (Archief R. Verbeke)
a I'hotel
0m ,
M
JP
^
TH**?'»
un b o n r e p a s
un bon ÏH
sur la r o u t e lis |m®m&
i-u
erld
Les sites de
.
guerre re
YPRES Courtrai, Fumes
La Flandre frangaise
X:
RAULT GILBER T
waar de Britten streden. De uitgeverij G.H Smith & Son uit York vindt thans baat bij de heruitgave van enkele toen zeer populaire gidsen. In 1929, tien jaar na het Verdrag van Versailles, verschijnt ook een Duitstalige Michelingids over Verdun en Argonne. Het fronttoerisme komt van Duitse zijde slechts schoorvoetend op gang. Vanaf het begin van de jaren 1930 bezoeken de Duitse toeristen, meestal in groep het vroegere front. Veelal met 'Der Westfront-Führer' - eerste editie 1932 - op zak gaat de aandacht voornamelijk naar de begraafplaatsen. Voornamelijk in de Ypres Salient getuigen meerdere initiatieven nog van de blijvende belangstelling voor het oorlogsverleden en zijn materiële restanten. Het in 1932 opgerichte Oorlogsmuseum van de leperschen Uitsprong van de Brit Murphy was de voorloper van het huidige stedelijke Herinneringsmuseum Ypres Salient 1914-1918 te leper, waaraan sinds het einde van de jaren 1980 ook het Documentatiecentrum Ypres Salient is toegevoegd. Dit is opgebouwd rondom de collectie van de leperse veearts A. Caenepeel, het legaat van de Londense Rose Coombs en het fonds Yserbyt. Met een jaarlijks
54
• Programmaboek voor een bedevaart naar 'The Battlefields" (Archief R, Verbeke)
•"• •••"' "ffl
<m^^^^^^^^mm
FISH LEGION LITISH EMPIRE^ HVICE LEAGUE
Affiche ter bevordering van het fronttoensme (Documentatiecentrum Ypres Salient)
BEZOEKT OOSTENDE en het wonderbare
IJZERPANORAMA DOOR DEN GROOTEN KUNSTSCHILDER A L F R E D
leper (Zillebeke). Canadalaan nr. 26. Herbergmuseum "Sanctuary Wood" in aansluiting bij de in de tuin bewaarde loopgraven (foto 0. Pauwels)
bezoekersaantal van circa 70.000 is dit in de Lakenhal ondergebrachte museum na het Brugse Belfort dé toeristische topper in West-Vlaanderen. Voornamelijk bezoekers uit de Commonwealth, waaronder zeker meer dan de helft in groep, doen het museum aan. Vermeldenswaardig in dit kader is
^ s \\^a^^™ .
• É-
J 1
BASTIEN
het feit dat een bezoek aan de Salient opgenomen is in het leerprogramma van de Britse schoolkinderen. Te Zonnebeke herbergt het Streekmuseum een interessante tentoonstelling over de Eerste Wereldoorlog. Ook in het Geschiedkundig museum in het stadhuis te Mesen neemt de Groote Oorlog, hoe kan het anders, een belangrijke plaats in. Een vleugje 'ouderwets' fronttoerisme valt er nog te bekennen in etablissementen als het Queen Victoria Rifles Museum, het vrij recente Hooge-Crater Museum in de vroegere kapel met schooltje van het gehucht 't Hoge, en Sanctuary Wood, alle te Zillebeke. Blijkbaar pikten ook enkele Britse ingezetenen te leper recentelijk in op het fronttoerisme: een privébusje Salient Tours neemt kandidaten mee voor een toer van de leperse slagvelden om 10 a.m. en 3 p.m., een winkeltje biedt allerlei 'oorlogssnuisterijen' en militaria te koop aan.
1
De Provinciale Overheid heeft steeds het belang onderkend van de studie van de Eerste Wereldoorlog. Dit werd reeds in 1959 geconcretiseerd in de wedstrijd voor Historische Monografieën over de Verwoeste Gewesten en in 1964 in de tentoonstelling Stille Getuigen. In 1984 werd het initiatief genomen om 25 gedenkstenen op te richten ter herinnering aan de Eerste Wereldoorlog: Naamstenen 1914-1918.
M&L
55
Daarbij aansluitend werd vanaf eind 1988 een rondreizende tentoonstelling georganiseerd. In het spoor van 14-'18, een grensoverschrijdende autoroute, vormt het voorlopige sluitstuk van de provinciale initiatieven dienaangaande.
BESCHERMING, OF DE OFFICIËLE ERKENNING Ondanks een ruime belangstelling voor dit oorlogspatrimonium kwam de bescherming ervan slechts traag op gang. Het eerste initiatief ging uit van de Duitse bezetter; in 1943 werd het Studentenkerkhof te Langemark beschermd als landschap. Dit Duitse militair erekerkhof werd echter "gedeclasseerd" in 1945. Bij Koninklijk Besluit van 5 mei 1959 werd het ensemble Onze-Lieve-Vrouwhoekje te Stuivekenskerke bij Diksmuide omwille van zijn historische waarde als landschap gerangschikt; in 1993 werd dit dossier herwerkt tot een bescherming als dorpsgezicht met een monument.
Langemark, Klerkenstraat. 'Deutsche! Soldatenlriedhot 1914-1918 Langemark'
Van een meer doordachte aanpak getuigt het beschermingsdossier met betrekking tot de oorlogsrelicten, dat in 1984 opgestart werd op aanvraag van de Stad Diksmuide en van het Provinciebestuur. Een lijst werd toen opgesteld in samenwerking met onder meer wijlen L. Schepens, wetenschappelijk medewerker van de Provincie, die verscheidene publicaties over de Eerste Wereldoorlog op zijn naam heeft staan. Van de tien voorgestelde relicten zijn er uiteindelijk acht definitief beschermd in 1992. De ontdekking in de jaren 1980 van een aantal ondergrondse schuilplaatsen leidde in 1992 tot de bescherming van twee ervan. Kraters Onder meer twee kraters zijn in 1992 als monument beschermd: de Pool of peace te Wijtschate en de mijntrechters nabij het kasteel 't Hoge in Zillebeke. De grootste kraters tekenen zich af daar waar de spingstoflading ondergronds, meer bepaald onder vijandelijke linie, werd aangebracht. Het plaatsen vergde veel omzichtigheid en gebeurde via het graven van onderaardse tunnels. De eerste mijn-
56
M&L
• Heuvelland (Wljtschate). Een mijntrechter met bucolische allures (foto 0. Pauwels)
Wljtschate (Heuvelland), Spanbroekmolenstraat, De 'Spanbroekmolentrechter' of de 'Pool of Peace' (foto O, Pauwels)
••• Diksmuide (Kaaskerke), Uzerdijk nr. 65. De "Dodengang", een treffende benaming voor de reconstructie van het Belgische loopgravenstelsel aan de IJzer (foto 0. Pauwels)
trechters ontstonden in 1915. Op 7 juni 1917 ontplofte een reeks van 19 dieptemijnen; de 20ste explodeerde pas in 1955 door blikseminslag. Laatst genoemden lieten grotere kraters na. Op de hoogtelijn Zillebeke-Wijtschate-Mesen bleven een 30 mijntrechters bewaard. De meeste zijn gedeeltelijk of helemaal ondergelopen en hebben thans het uitzicht van een kleine vijver. Doorgaans gelegen op privé-gronden, maken zij deel uit van een weide, veld, bos of park. Het meest bekend is wellicht de Pool of peace te Wljtschate. Als grootste krater uit 1917 heeft hij een diepte en een diameter van respectievelijk 27 en 129 meter; het ter plaatse brengen van de springstof gebeurde via een tunnel van 513 m. Deze krater werd in 1930 eigendom van de Toe //.-beweging met de bedoeling hem voor het nageslacht te bewaren. Oudere mijntrechters (1915) als de huidige vijvers in het park van het zogenaamde Kasteel 't Hoge te Zillebeke hebben een kleinere omvang. Loopgrachten Loopgrachten worden nog sporadisch aangetroffen, meer bepaald te Diksmuide aan de IJzer, de zogenaamde Dodengang, en te Zillebeke op de top van Hill 60 en aan de voet van Hill 62. De Dodengang is grotendeels een reconstructie van een gedeelte van het Belgisch loopgravenstelsel aan de linkeroever van de IJzer. Oorspronkelijk dichter bij de IJzer gelegen, werd deze loopgraaf omwille van het jaagpad wat verderop nieuw aangelegd; hij ligt in zigzagvorm parallel met de stroom. De loopgraafwanden zijn versterkt en op sommige plaatsen ook verhoogd door middel van opgestapelde cementzakjes die versteenden. Laatstgenoemde vervangen de oorspronkelijke "vaderlandertjes" of de kleine zakken gevuld met zand en aarde, die in dit waterrijke gebied waar loopgraven niet of minder diep konden uitgegraven worden, een belangrijk 'bouw-
materiaal' van de stelling vormden. Tevens boden zij wat bescherming tegen waterinsijpeling. De bodem van de loopgraaf is verhard; in werkelijkheid was de grond, vooral in de winterperiode, doorzopen van het water. De benaming Dodengang is ontleend aan het feit dat het één der gevaarlijkste stellingen betrof van het Belgische leger in de Eerste Wereldoorlog. De loopgracht werd vanuit drie kanten onder vuur genomen. De vijand die zich op de rechteroever bevond had
M&L
•
57
De Dodengang werd als toeristische attractie uitgebaat door de Touring Club van België. Het Belgische leger staat thans opnieuw in voor het onderhoud en verzorgt nu ook de uitbating. De Duitse bunker is niet opgenomen in de exploitatie. Achter de herberg Sanctuary Wood aan de voet van HUI 62 te Zillebeke bleef een bebost terrein bewaard zoals het achterbleef na de krijgsverrichtingen. Samen met de loopgrachten op de top van HUI 60 zou het de enige nog authentieke loopgraven uit de Eerste Wereldoorlog op Belgisch grondgebied betreffen. Het terrein met loopgraven van Sanctuary Wood is beschermd als monument. Het loopgravenstelsel. meer bepaald een restant ervan, behoort hier tot het Vince Street - Jam Row-
n^ 1
• •
'^v
.
-
JK j
-
^
•
__ *
.
.
•
*»»y .,
, 1 ^ 1 ^ jps*«** -• • '
• leper (Zillebeke), Canadalaan nr. 26. Herbergmuseum "Sanctuary Wood" in aansluiting bij de in de tuin bewaarde loopgraven (foto O. Pauwels)
zich hier op de linkeroever een bruggehoofd verworven. Daar nestelden zij zich in een bunker op nauwelijks 50 m voor de Dodengang. De bevoorrading gebeurde door middel van een vlot dat 's nachts overgetrokken werd. Deze Duitse bunker bleef in vervallen toestand bewaard. De laag bij de grond uitgebouwde betonconstructie en de nabijgelegen Dodengang illustreren op een didactische wijze de stellingoorlog van 1914-1918. Beiden zijn sinds 1992 beschermd als monument.
> «K
\
:
58
M&L
systeem van voor- en achterlinies uit 1916. In tegenstelling tot de Dodengang in Diksmuide, zijn de wanden van de loopgraven hier niet gestut door middel van zandzakken; op sommige plaatsen zijn zij echter wel versterkt met golfplaten. Hoewel het bebossingsproces na de oorlog op een natuurlijke wijze hernam, bleven er toch nog enkele stukgeschoten bomen als stronken bewaard. Observatieposten Ook enkele observatieposten resten nog. Gelegen op strategische plaatsen die een goed overzicht boden over het gevechtsterrein, waren zij dikwijls verdekt opgesteld in bestaande bouwsels of ruïnes. Hiervan vormen de schoorsteen van de vervallen steenbakkerij te Ramskapelle (Nieuwpoort), het vroegere station van dezelfde gemeente en de torenruïne van Oud-Stuivekenskerke (Diksmuide) goede illustraties. Alle fungeerden als versterkte Belgische observatieposten. Zij zijn beschermd als monument.
Nieuwpoorl (Ramskapelle), Hemmestraat nr. 30. Versterkte stationsruïne aan de voormalige spoorweg NieuwpoortDiksmuide (foto 0. Pauwels)
De ronde fabrieksschoorsteen van de vervallen steenbakkerij te Ramskapelle ligt geïsoleerd te midden van het weiland. Opgetrokken uit baksteen werd hij tijdens de Eerste Wereldoorlog versterkt met beton en voorzien van kijkgaten ten behoeve van zijn nieuwe functie als observatiepost over het hele noordelijke deel van de Belgische sector. De vrij logge constructie geeft een bouwvallige indruk tengevolge de afbrokkelende betonnering. Het station van Ramskapelle speelde een belangrijke rol tijdens de Uzerslag toen de Duitsers doorgebroken waren over de IJzer tot voorbij Ramskapelle.
Zij werden vanuit weerstandsnesten, onder meer aan het station, door de Belgen en de Fransen teruggedreven op 31 oktober 1914. Hierna fungeerde het station als Belgische observatiepost aan de rand van het overstroomde gebied. De ruïne van het vooroorlogse station is aan de binnenkant over twee bouwlagen versterkt met een rechthoekige betonconstructie voorzien van kijk- en schietgaten, die thans deels opgestopt zijn. Oud Stuivekenskerke werd in 1992 eveneens beschermd: de bakstenen torenruïne, id est de vierzijdige basis van de laat-gotische westtoren, als monument en de omgeving als dorpsgezicht. Het polderdorp Stuivekenskerke kende vóór de Eerste Wereldoorlog drie wijken. Vicogne was het administratieve gedeelte van de gemeente, waar in de jaren 1866-1870 een parochiekerk werd gebouwd, waarrond zich de nieuwe dorpskom ontwikkelde. Dit gebeurde ten nadele van het kerkgehucht OnzeLieve-Vrouwhoekje, waar enkel de westtoren van de in 1870 gesloopte Onze-Lieve-Vrouwekerk bewaard bleef. De derde wijk, Tervate, is gelegen aan de gelijknamige Uzerbocht. Tijdens de Eerste Wereldoorlog liep het front dwars door de gemeente die volledig in overstroomd gebied lag. Bij de Slag aan de IJzer in oktober 1914 bleef gans de omgeving in Duitse handen. Oud Stuivekenskerke of Onze-Lieve-Vrouwhoekje fungeerde daarentegen als vooruitgeschoven Belgische observatiepost, de zogenaamde Zuidelijke Grote Wacht; de laat-gotische kerktoren bood een goed overzicht over het gevechtsterrein. Samen met de andere vooruitgeschoven stelling één kilometer verder aan het Reigersvliet - de Noordelijke Grote Wacht maakte Onze-Lieve-Vrouwhoekje deel uit van de voorposten die op hoger gelegen delen middenin het overstroomde gebied lagen. Beiden hielden stand in de sector Pervijze en konden zelfs de Duitsers naar eigen stellingen terugdrijven. In 1922 voorzag de regering een krediet van 300.000 fr. voor het behoud van 24 oorlogsgedenkoorden waaronder de torenruïne op het Onze-LieveVrouwhoekje. Inmiddels groeide deze plaats verder uit tot een herinneringsoord aan de Eerste Wereldoorlog. De uitkijktoren te Pervijze bestaat uit een rechthoekige met beton versterkte baksteenconstructie, voorzien van kijkgaten. Hij werd gebouwd tegen de voormalige pastorie en fungeerde als Belgische observatiepost vanaf 1914. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij door de Duitsers met een mitrailleursnest verhoogd.
M&L
Nieuwpoort (Ramskapelle). Ramskapellestraat. Versterkte fabrieksschoorsteen van de voormalige steenbakkerij: de observatiepost over het noordelijke deel van de Belgische sector tijdens de Eerste Wereldoorlog (foto 0. Pauwels)
59
Deze observatiepost werd van de voorontwerplijst geschrapt naar aanleiding van de bezwaren geformuleerd door het gemeentebestuur en de omwonenden, met betrekking tot de vervallen toestand van de toren en het daarmee verbonden gevaar voor ongevallen. De observatietoren te Klerken werd in 1914 op het hoogste punt van het dorp door de Duitsers opgetrokken; het nabijgelegen bos van Houthulst werd inmiddels als kern van de Duitse verdediging uitgebouwd. De hoge rechthoekige betonconstructie onder dito zadeldak, was voorzien van rechthoekige kijk- en schietgaten, die een goed overzicht boden over het frontgebeuren tussen Diksmuide en Fort Knokke. Deze observatietoren, oorspronkelijk voorgesteld als monument maar intussen gesloopt, behoorde tot hetzelfde type als de Duitse observatietoren in het Noordfranse Frelinghien en hier als "Monument historique" beschermd in 1922. Boven- en ondergrondse schuilplaatsen Hoewel de nog vrij regelmatig aangetroffen bunkers moeilijk de vergelijking kunnen doorstaan met de latere monoliete betonconstructies van bijvoorbeeld de Atlantische Muur, mogen zij toch beschouwd worden als voorlopers van de bunkerarchitectuur uit de Tweede Wereldoorlog. Het betreft bomvrije schuilplaatsen (reserves, hulppost) en gevechtsbunkers. De nog resterende bunkers of fragmenten ervan, laten vermoeden dat zij tot een heel eenvoudig en klein type behoren. De Duitse bunkers zijn lage, rechthoekige constructies met een effen textuur; de Britse zijn meestal halfrond en hebben een geribd oppervlak. Het verschillend uitzicht vloeit voort uit het materiaal voor de bekisting waarin het beton gegoten werd; de Duitsers gebruikten hout, de Engelsen golfplaten. Aan het Uzerfront zijn de schuilplaatsen dikwijls deels uit baksteen opgetrokken. De kleine bunkers, deels ingegraven in de spoorwegberm NieuwpoortDiksmuide te Ramskapelle aan de rand van het overstroomde gebied, werden gebouwd met de voorraden baksteen afkomstig uit de nabijgelegen steenbakkerij. De beschermde kazematten te Zillebeke zijn van Britse makelij. Het betreft een cirkelvormige groepering van zeven betonnen bunkertjes op de omwalde en met populieren afgezette terp van het vroegere kasteel Langhof. Dit werd verwoest tijdens de eerste oorlogsjaren; de omgrachte site was de uitgelezen plaats voor het bouwen van de bomvrije schuilplaatsen die onderkomen verschaften aan de Britse generale staf.
PMK
Ét
AN^-
.«—:..^v...
. L ^ " ^
5^
M&L
61
Zillebeke (leper). Rijselseweg nr. 101. Britse kazematten ter hoogte van de vroegere buitenplaats Langhof (foto 0. Pauwels)
De eveneens als monument beschermde Britse kazematten te Boezinge zijn in de buitenoever van het leperleekanaal gegraven. Deze langwerpige betonconstructie bestaat uit een aaneenschakeling van vijf kamers met een afzonderlijke opening naar het westen. Gedurende de Tweede Slag van leper (april-mei 1915) was geneesheer-luitenant-kolonel J. McCrae er opgesteld met het medisch detachement van de 1ste Canadese Artilleriebrigade. Hier schreef hij zijn welbekend gedicht.
4 Boezinge (leper), nabi| Diksmuidseweg nr. 148. Britse schuilplaatsen waar McCrae zyn welbekende verzen schreef (foto 0. Pauwels)
De beschermde dugouts te Zonnebeke werden respectievelijk ontdekt in 1983 en 1989. Het betreft vrij grote onderaardse constructies met gangen en kamers die van buitenuit toegankelijk zijn via trappen. Historisch onderzoek maakte uit dat zij eind 1917-begin 1918 uitgegraven werden door Tunnelling Companies van de geallieerde genietroepen. De Zonnebeke Church Dugout is momenteel niet toegankelijk tengevolge wateroverlast. De Bremen redoubt is wel te bezoeken en geeft een goed beeld van deze onderaardse constructies.
Beschermingsmotivatie Deze overblijfselen uit de "Groote Oorlog" zijn beschermd als monument omwille van hun historische en sociaal-culturele waarde. In feite maken deze restanten deel uit van het internationale patrimonium, die de nationale aandacht ruim overstijgt. Zij zijn van belang voor de internationale geschiedenis die in 1914 resulteerde in het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Naast de soldatenkerkhoven als aangrijpende herinneringen aan de oorlogstragiek, behoren zij tot de materiële restanten van de krijgsverrichtingen in de Westvlaamse frontstreek 1914-1918, en zijn aldus belangrijk voor de militaire geschiedenis. Als gedenktekens voor de belangrijke gebeurtenis van de Eerste Wereldoorlog hebben zij ook een sociaal-culturele waarde. Dat er aan deze oorlogsrelicten ook een emotionele waarde verbonden is, hoeft weinig betoog. Een plaats als de First Aid Post aan Essex -Farm-Cemetery bijvoorbeeld, spreekt de ganse Anglo-Saksische wereld aan omwille van het gedicht In Flanders Fields the Poppies Grow.
62
Boezinge (leper). Opmetingsplan dugout, inmiddels opnieuw ondergelopen (tekening J. Termote)
M&L
Het uitgangspunt bij de bescherming van deze restanten uit de Eerste Wereldoorlog is steeds geweest behoud en consolidatie. Het ligt niet in de bedoeling deze relicten te restaureren naar hun oorspronkelijke toestand. De herstellingswerken aan de kazematten nabij Essex-Fam-Cemetery te Boezinge (leper) beantwoorden aan deze gedachte. Op initiatief van de VZW Heilige Familie leper Toerisme, in samenwerking met de leerlingen van het Vrij Technisch Instituut en het gemeentepersoneel kwam het met behulp van de onderhoudspremie tot een grondige consolidatie. De werken beperkten zich in hoofdzaak tot het opstutten en ontwateren van de schuilplaatsen en het aanbrengen en herstellen van de aardebekleding. Op 3 mei 1995, tachtig jaar nadat McCrae er zijn historische versregels schreef, werden de herstelde bunkers voor het publiek geopend. De ruime, ook
internationale belangstelling voor dit gebeuren wijst op de betrokkenheid met het pijnlijke oorlogsverleden over de generaties heen. In deze optiek is het bewaren en ontsluiten van dit erfgoed zinvol en actueel.
De beschermde oorlogsrelicten in West-Vlaanderen. DIKSMUIDE (KAASKERKE): Uzerdijk 65, loopgraaf zogenaamd "Dodengang" en nabijgelegen bunker. Beschermd als monument bij ministerieel besluit van 2 juni 1992. DIKSMUIDE (STUIVEKENSKERKE): Oud Stuivekens, oorlogsoord Onze-Lieve-Vrouwhoekje. Beschermd als landschap bij Koninklijk Besluit van 05 mei 1959.
63
Bescherming van de torenruïne als monument en de omgeving als dorpsgezicht bij ministerieel besluit van 16 juli 1993.
HEUVELLAND (WUTSCHATE): Spanbroekmolenstraat, de Spanbroekmolentrechter. Beschermd als monument bij ministerieel besluit van 2 juni 1992. IEPER (BOEZINGE): kazematten nabij het soldatenkerkhof Essex - Farm Cemetery aan het leperleekanaal ter hoogte van de woning Diksmuidseweg 148. Beschermd als monument bij ministerieel besluit van 2 juni 1992. IEPER (ZILLEBEKE): Meenseweg 481, twee mij utrechters in het park van het zogenaamde Kasteel 't Hooghe. Beschermd als monument bij ministerieel besluit van 2 juni 1992. IEPER (ZILLEBEKE): Canadalaan 26, de loopgraven achter de herberg, zogenaamd Sanctuary Wood. Beschermd als monument bij ministerieel besluit van 2 juni 1992. IEPER (ZILLEBEKE): kazematten op de omwalde terp nabij de hoeve gelegen Rijselseweg 101. Beschermd als monument bij ministerieel besluit van 2 juni 1992. NIEUWPOORT (RAMSKAPELLE): Ramskapellestraat, fabrieksschoorsteen van de voormalige steenbakkerij. Beschermd als monument bij ministerieel besluit van 2 juni 1992. NIEUWPOORT (RAMSKAPELLE): Hemmestraat 30, versterkte stationsruïne. Beschermd als monument bij ministerieel besluit van 2 juni 1992 ZONNEBEKE: twee ondergrondse schuilplaatsen of "dugouts" uit Wereldoorlog I - de zogenaamde Bremen Redoubt, leperstraat 186. - de z.g. Zonnebeke Church Dugout, leperstraat nabij de kerk. Beschermd als monument bij ministerieel besluit van 14 januari 1994.
BIBLIOGRAFIE - Balüefields Pilgrimage, British Legion in cooperation with the British service league. - Beschermingsdossiers BML, nrs. 0044/W; 0020/W; 0005/W. - BIDOU H., La Terre héroïque. Les étapes de la vicloire d travers les regions envahies et les ctés dévastées. Visites préparées pour guider Ie touriste sur les champs de bataille, Parijs, 1919. - Bouwen door de eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur. Deel 11 n 1, Provincie West-Vlaanderen. Arrondissement leper. Kanton leper, Turnhout 1987. - BRICE B. en PULTENEY W.. The immortal salient. An historical record and complete guide for pelgrims to Ypres, London, 1925 - CONSTANDT M., Het aandeel van Oostende en Brugge in het 'oorlogstoerisme' tijdens het interbellum, in Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis, 1985, 1-2, p.107 -116. - COOMBS R., Before endeavours fade. A guide to the battlefields of the First World War. London, 1979 (3de editie). - DE GRAEVE A., line visite a I' Yser, Brussel, s.d. - DESEYNE A., Fronrroemmcin S/!rap«e/11/2, 1990. - DESEYNE A., Guides illustrés Michelin des Champs de Bataille, 'm Shrapnel III/l, 1991. - DEVLIEGHER L.en SCHEPENS L, Front 14/18, Tielt-Den Haag, 1968. - HAmOEKARDEL,DerWestfront-FUhrer, Berlin, 1ste uitgave 1932, tweede uitgave 1935. - In het spoor van '14-'18, Cultuurtoeristische brochures, uitgegeven door de Provincie West-Vlaanderen, 1994. - La Flandre Franfawe,uitgegeven doorG. Girault, s.l., s.d. - Les regions de guerre. Itinéraires pratiques, visites intéressantes, descriptions pittoresques. uitgegeven door Goodrich, s.l., s.d. - MARCOVIC1 M, Le touriste a l'Yser, Brussel, s.d. - Naamstenen 1914-1918, Tentoonstellingscatalogus, Brugge, 1988. - SCHEPENS L, 14/18 Een oorlog in Vlaanderen, Tielt-Weesp, 1984. - THURLOW E., The pill-boxes of Flanders, London, 1933. - Ypres et les batailles d' Ypres - Ypres and the battles for Ypres, uitgeven door Michelin, Clermont-Ferrand, 1919. - Ypres et les Batailles d'Ypres, uitgegeven door Michelin, Clermont-Ferrand, 1920 - L' Yser et la cote Beige - The Yser and the Belgian coast, uitgegeven door Michelin, Clermont-Ferrand, 1920 - VAN ISACKER K.. Mijn land in de kering 1830-1980. Deel 2. De enge ruimte 1914-1980, Antwerpen- Amsterdam, 1983 - VERLEYEN H., In Flanders Fields, Veume, 1992. - VERON de DEYNE M.. Ypres avant et après la guerre mondiale. Monographic illustrée de 122 photographies, Luik, 1919. - Week-end a l'Yser. Les sites de guerre Ypres, Courtrai, Fumes, La Flandre fran^aise, uitgegeven door Girault G., s.l.,s.d.
Met dank aan het Documentatiecentrum Ypres Salient te leper en in het bijzonder aan de heer Roger Verbeke.
Anne-Marie Delepiere en Martine Huys maken deel uit van de inventarisploeg West-Vlaanderen, Afdeling Monumenten en Landschappen.
M&L
64
SUMMARY
THE VALLEY OF THE KLEINE NETE-RIVER BETWEEN GROBBENDONK AND HERENTALS The landscape Ireated in this article includes the alltn lum of the Kleine Nete and the Aa in Grobbendonk. Herentals and Vorselaar. the range of hills and dunes which makes up the water parting between these two rivers, and the former British base of Grobbendonk and Herentals. A major factor in the history of this landscape is the canalization of the Kleine Nele around 1()W and the digging ol Ihe Kempisch Kanaal (Canal ol theCampines) between the Bist bridge in Grobbendonk and the Canal Herentals-Bocholt, and more recently the Albert Canal. The valley of the Kleine Nete and the Aa is mainly divided into subareas on the basis of clear physical boundaries. The valley of the Nete between the water mill of Grobbendonk. the Aa-bndge and the Troon-bridge. includes the domains of the Count d'Ursel - with the historical site of the water mill and the farm "Het Oude Hof' (The Ancient Court) - and the Graaf-pasture. and on the other hand the meadows and woods and the so-called Second and Third brook. The "Oorlandse" Heath in Vorselaar and Herentals has almost entireh been planted with pinetrees The wood called Peertsbos. near the sports centre in Herentals. not only has ecological but also recreational value: it is indeed quite popular for walks. Nature around the former British base of Grobbendonk and Herentals. nowadays property of the Belgian armed forces, is extremely valuable. This landscape has now been protected provisionally and mainly consists of forest, alternating with marshy woodland, dry and wet heath, pasture, marshes and meres. It is the habitat of a rich population of deer and foxes. Finally the future protection and management of these subareas is treated, with mainly two options: nature preservation and soft recreation.
ff
Rewpwers Bouwchemie B.V.
Uw partner voor totale bouwbescherming Onze produkten vinden hun toepassing bij: restauratie, monumentenzorg, renovatie, onderhoud, nieuwbouw, ... • Funcosi! Gevelrenovatie - zachte reiniging d.m.v. micronevelreinigen - steenverstevigers- en hydrofoberingsprodukten - anti-grafittisystemen - siliconenemulsie en silicaatverven • Funcosil natuursteen- en restauratiemortels • Aida Kiesol injectie optrekkend vocht • Aidol houtbewerking en polymeerchemische balkkoprestauratie • Viscacid kunststofvloeren • Funcosil betonreparatie • Aida kelderafdichting
THE YSER-TOWER: SHOW OF FORCE OR PLACE OF PILGRIMAGE On November I0. I992 the three monuments al the Yser-river. being the Ysertower. the Crypt and the Pax-gate, have been protected as monuments and the pilgrimage field as landscape. In remembrance of the Flemish soldiers lallen in the first World War. tombstones were designed by the Flemish artist Joe English, modelled after the Celtic cross. In May 1925 however, the military command decided to destroy hundreds of these tombstones to use them as raw material for concrete roads. There was great indignation on the Flemish side. An appeal was made to all Flemish architects and sculptors to participate in an open competition for a memorial in the shape of the Yser-cross. Some 39 different proposals from 30 designers were sent in. In the end. the jury opted for the design by the brothers Robert and Frederik Van Averbeke from Antwerp. The works started in May 1928. Later on. some statues by a sculptor from Terase. Karel Aubroeck. were added on the four sides of the Tower. During the I Ith Yser-pilgrimage of August 24. 1930. the Yser-tower was inaugurated before hundred thousand pilgrims. This festivity was disturbed by an unitarian and serious incidents on the market of Diksmuide were the result. Originally, the pilgrimage was not anti-Belgian. This changed after the incidents of 1930. In the night of 15-16 March. 1946. the Yser-tower was dynamited and completely destroyed. The rubble was recycled and the debris was used to construct the Paxgate. The question was raised if this would suffice as answer to this attack. As of 1948 some new ideas were introduced for the building of a new tower, this time bigger and more ambitious than 23 years earlier. On February 9. 1952. the Yser-pilgrimage committee decided to give the new tower the shape of the previous one. only a lot higher, being 84 meter. On August 22. 1965. the new Yser tower was inaugurated. The construction had cost about 30 million francs and weighed about 8.500 ton.
THE WESTHOEK* AND THE "GREAT WAR": REMNANTS, TOURISTS AND THE OFFICIAL RECOGNITION During the first World War most of the Westhoek was part of the front. The German offensive stranded on a North-South front-line, which hardly ever changed position until 1917. It ran roughly from Nieuwpoort to Armentières. Halfway, around Ypres. it made a 0-shaped turn, partly around the city, the socalled "Ypres salient". Together with the front at the Yser. this was the centre of the trench warfare. After the war. the destruction of this zone was practically complete. Nevertheless, this area has risen out of its ashes and the reconstruction gave the region back its former outlook. The "reconstructed landscape" still bears the marks of the w ar. Apart from the war cemeteries and the numerous memorials, there are still some remnants of the battle-field with craters, some trenches, watch posts, hiding places, both above and underground. This heritage from the war attracts quiet pilgrims as well as the "real" front tourists. A number of firms, like the tire manufacturers Michelin and Goodrich and some private as well as public institutions, have seen the occasion w ith a number of front-guides as result. Especially in the "Ypres Salient" a lot of initiatives show that there still is a lot of interest for the history of war and its remnants. There are some museums, like the more scientific "Memorial museum Ypres Salient 1914-1918" with a documentation centre in Ypres and the more or less casual private collections. The provincial government has always stressed the importance of the study of the First World War. Despite the interest in this war heritage, the protection thereof has been rather reluctant. With the exception of two older, solitary cases, the protection of some ten war remnants in the Westhoek, dates from 1992. With the protection an option was taken for the conservation and consolidation based on the historical and sociocultural value.
Brugsesteenweg 11 8520 KUURNE tel. (056)35 90 30 fax (056)35 94 55 Documentatie of gratis advies op aanvraag! • most Weslern pari of Flanders
LANGS VLAAMSE WEGEN
WANDELEN EN FIETSEN LANGS MONUMENTEN een initiatief van
C2 Stichting Monumentenen Landschapszorg v.z.w. en H i t jaar is "Langs Vlaamse Wegen" te gast in Roeselare, Keerbergen, Sint-Niklaas, Bornem en Beringen.
VTS VAB
VTB -VAB v.z.w.
•ussen 9 en 10 uur kan je aansluiten bij de landschapswandeling van een vijftiental km.
i.s.m. de diverse gemeentebesturen en
Bussen 14 en 15 uur starten de monumentenwandeling en -fietstocht. Bij de start ontvangen de deelnemers gratis de begeleidende brochures met de routebeschrijving en historische informatie.
en met de steun van @
KREDIETBANK en
Knack Voor de uitgebreide informatiefolder tel.
••. '14/05/95 .; i,
04/06/95
;
• K gastgemeenten voorzien gidsen en animatie. Enkele monumenten langs de route zijn voor de gelegenheid voor het publiek toegankelijk.
18/06/95
02/512 40 97 of
03/220 32 22 • o o r de tweede maal kijkt "Langs Vlaamse Wegen" over de landsgrenzen heen, in de richting van Nederland. De monumentenwandeling speurt naar wat er nog overblijft van de Vlaamse aanwezigheid in Haarlem. Radio 3 verzorgt er concerten die rechtstreeks uitgezonden worden.
15/Ï0/95
Het standaardwerk over industriële archeologie in Vlaanderen!
VAN INDUSTRIE TOT ERFGOED
Technische gegevens : • • • • • • •
fotografie : G. Charlier vormgeving : A. Beullens produktie : L. Jack formaat: 33 cm x 25 cm 168 blz. met 100 illustraties in kleur en blchromie druk : Die Keure N.V. co-editie : Bestuur voor Monumenten en Landschappen en Stichting Monumenten- en Landschapszorg v.z.w.
PAUL BERCRMANS c,l-(m(,lS CHARLIER )AELS It ANTOON VLRHOEVE JO DE SCHEPPER
Inhoud: essay's door L. Daels & A. Verhoeve, R Berckmans en J. De Schepper • fotoreeks door G. Charlier • tijdstabellen • bibliografie Kostprijs: 1.750 fr. (verzendingskosten inbegrepen) storten op rekeningnummer: 470-0278201-29 Verkrijgbaar bij: Bestuur Monumenten en Landschappen Zandstraat 3 1000 Brussel Tel. (02) 209 27 37
Bij aankoop : gratis stel prentkaarten over industriële archeologie!