Uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/429
Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2021/429
DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Op 16 november 2021 diende xxx (verzoeker), een verzoek in bij de provincie Vlaams-Brabant tot afschrift van een beslissing van de Deputatie van 24 juni 2021 ‘Dossierkenmerk: xxx’. Op 24 november 2021 weigerde de provincie in te gaan op dit openbaarheidsverzoek. Op 26 november 2021 diende verzoeker beroep in tegen deze weigeringsbeslissing. Het beroep werd geregistreerd op 29 november 2021. Ontvankelijkheid van het beroep Het oorspronkelijke verzoek dateert van 16 november 2021. De weigeringsbeslissing d.d. 24 november 2021 maakt melding van de beroepstermijn en -modaliteiten. Het beroep werd ingediend op 26 november 2021 en is bijgevolg tijdig ingesteld. Het beroepschrift is bijgevolg ontvankelijk. Gegrondheid van het beroep
www.vlaanderen.be
Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.
1.
Weigeringsbeslissing d.d. 24 november 2021
De provincie Vlaams-Brabant stelde dat het onmogelijk was om het openbaarheidsverzoek in te willigen op grond van artikel II.35, 4° Bestuursdecreet:
“Tenzij de aanvraag betrekking heeft op milieu-informatie, wijzen de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, een aanvraag tot openbaarmaking af als ze van oordeel zijn dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van een van de volgende belangen: (…) 4° de rechtspleging in een burgerlijk of administratief rechtsgeding en de mogelijkheid om een eerlijk proces te krijgen;” 2. Inhoud van het beroepschrift Verzoeker dient beroep in tegen deze weigering. Omdat het gaat over de plaatsing van een kunstwerk van zijn hand, wil hij kunnen kennis nemen van de gevraagde nota. 3. Toelichting door de provincie Vlaams-Brabant De beroepsinstantie nam op 29 november 2021 contact op met de provincie Vlaams-Brabant om nadere toelichting te verkrijgen. Op 6 december 2021 bezorgde de provincie de gevraagde nota aan de beroepsinstantie, met daarbij enige toelichting. Omdat er geen overeenstemming bestaat tussen de provincie en verzoeker over de plaatsing van het kunstwerk, heeft verzoeker de provincie al in gebreke gesteld en gedreigd met dagvaarding. De toezichthoudende overheid liet hem na een klacht ook weten dat hij, indien hij meent dat hij door het provinciebestuur benadeeld werd, hiervoor een schadeclaim kan indienen bij de burgerlijke rechtbank. Verder heeft de provincie recent xxx en de bronsgieter in gebreke gesteld, om zich niet te verzetten tegen de overdracht van het kunstwerk respectievelijk het kunstwerk vrijwillig over te dragen aan de provincie. Tot op heden ontving de provincie hierop nog geen afdoende reactie en beraadt zij zich over eventuele gerechtelijke stappen. De provincie stelt dat uit al deze elementen blijkt dat er een reële kans bestaat dat deze discussie zal resulteren in een gerechtelijke procedure, hetzij op initiatief van xxx, hetzij op initiatief van de provincie. De provincie wenst met gelijke wapens te kunnen strijden voor de rechtbank. Indien zij genoodzaakt is om interne documenten ter beschikking te stellen van de tegenpartij, dan is de kans reëel dat deze vroeg of laat tegen de provincie gebruikt worden in een gerechtelijke procedure.
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/429
pagina 2 van 5
De terbeschikkingstelling van dit document zou haar derhalve het recht op een eerlijk proces ontnemen, aldus de provincie.
4. Standpunt van de beroepsinstantie De beroepsinstantie stelt vast dat de provincie Vlaams-Brabant zich beroept op de uitzonderingsgrond van artikel II. 35, 4° Bestuursdecreet. Deze uitzonderingsgrond beoogt het eerlijk verloop van de rechtspleging te vrijwaren. Een essentieel onderdeel van het recht op een eerlijk proces is het beginsel van de “gelijkheid der wapens in een proces”. Dit beginsel van de wapengelijkheid houdt in dat elke partij het recht heeft haar argumenten te doen gelden in omstandigheden die haar niet benadelen ten opzichte van de tegenpartij. De bestaansreden van voormelde uitzonderingsgrond ligt vooral bij het verhinderen dat de openbaarheid van bestuur waaraan één partij onderworpen is, afbreuk zou doen aan de wapengelijkheid. Zonder deze uitzonderingsgrond zou één partij op grond van de openbaarheid van bestuur kunnen worden verplicht stukken in het gerechtelijk debat te brengen die tegen haar (of een andere aan openbaarheid onderworpen bestuursinstantie) zouden kunnen pleiten, daar waar de andere partij enkel die elementen die haar eis ondersteunen, kenbaar mag maken om het oordeel van de rechter te beïnvloeden. Deze uitzonderingsgrond is een correctief op de openbaarheid om te beletten dat een instantie zou worden verplicht in een rechtsgeding de tegenpartij informatie ter beschikking te stellen die vervolgens tegen haar (of een andere aan openbaarheid onderworpen bestuursinstantie) wordt uitgespeeld. De bedoelde uitzonderingsgrond mag evenwel niet op een abstracte manier worden ingeroepen zodat concreet moet worden aangetoond dat het gevraagde bestuursdocument verband houdt met een bestaand rechtsgeding en tegen een bestuursinstantie kan worden aangewend. De beroepsinstantie stelt echter vast dat er momenteel geen sprake is van een bestaand rechtsgeding tussen verzoeker en de provincie. De omstandigheid dat dit er eventueel in de toekomst wel kan komen, is niet afdoende om nu de openbaarmaking van de gevraagde nota op grond van deze uitzonderingsgrond te weigeren. De beroepsinstantie ziet ook geen andere uitzonderingsgrond van toepassing die zich tegen de openbaarmaking van de gevraagde nota zou verzetten, met uitzondering voor de naam en contactgegevens van de dossierbehandelaar die vermeld staan in de nota. De beroepsinstantie is van oordeel dat de naam en voornaam, en contactgegevens van deze medewerker persoonsgegevens zijn die vallen onder artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet Voormelde decreetbepaling bevat de verplichting om, behoudens toestemming van de betrokkene, een aanvraag af te wijzen als de openbaarmaking afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Deze bepaling laat niet toe dat gegevens worden verstrekt die de identificatie van derden mogelijk maken, in de mate dat daarmee afbreuk zou worden gedaan aan de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Hoewel het hier om een absolute uitzonderingsgrond gaat waardoor er geen belangenafweging moet plaatsvinden tussen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang met het belang van de openbaarheid, vertoont de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet voorziene uitzonderingsgrond niettemin een relatief aspect. De decreetgever was weliswaar van oordeel dat er geen afweging vereist is met het openbaar belang dat met de openbaarheid is gediend, maar wijst er desondanks op dat telkens en in concreto geoordeeld moet worden of er al dan niet een inbreuk is gepleegd op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (Vlaams Parlement, Parl. St. 2017-2018, nr. 1656/1, blz. 58). Artikel 22 van de Grondwet
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/429
pagina 3 van 5
waarborgt uitdrukkelijk het recht op eerbiediging van het privéleven, net zoals artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dit doet. De bedoeling en het fundamentele uitgangspunt van de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet bedoelde uitzonderingsgrond bestaat er precies in om het aan iedereen toegekende grondwettelijke recht op de eerbiediging van zijn privéleven te beschermen. De beroepsinstantie merkt op dat bij het onderzoek naar de uitzonderingsgrond met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van informatie in een bestuursdocument die op de persoonlijke levenssfeer betrekking heeft. In casu stelt de beroepsinstantie vast dat het gaat om de naam en voornaam en contactgegevens van een natuurlijke persoon. Dergelijke gegevens behoren ontegensprekelijk tot de persoonlijke levenssfeer en het privéleven van de betrokkene. Het vrijgeven van al deze gegevens zou wel degelijk een inbreuk uitmaken op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van die persoon. Het privéleven vormt de kern van de persoonlijke levenssfeer (F. SCHRAM, Het decreet openbaarheid van bestuur. Een juridische analyse in historisch perspectief, Brugge, Vanden Broele, 247; Concl. Adv.Gen. bij HvJ 8 april 2014, nr. C-293/12, Digital Rights Ireland Ltd, nr. 61). Het openbaar maken van deze gegevens heeft aldus betrekking op de kern van een belang – het door artikel 22 van de Grondwet en het door artikel 8 EVRM aan eenieder toegekende recht op eerbiediging van zijn privéleven – dat de uitzonderingsgrond uit artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet wenst te beschermen tegen de openbaarheid van bestuur (RvS, nr. 234.609 dd. 2 mei 2016). Artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet laat echter wel de mogelijkheid dat dergelijke gegevens toch openbaar worden gemaakt, mits toestemming van de betrokken persoon. De beroepsinstantie heeft de betrokken persoon gecontacteerd, en zij gaf effectief haar toestemming om deze gegevens toch openbaar te maken. Bijgevolg is de beroepsinstantie van oordeel dat het beroep gegrond is. Na beraadslaging,
BESLUIT: Het beroepschrift van xxx d.d. 26 november 2021 tegen de weigeringsbeslissing van de provincie VlaamsBrabant op zijn openbaarheidsverzoek d.d. 16 november 2021 is ontvankelijk en gegrond. Bijgevolg dient de provincie Vlaams-Brabant de gevraagde nota openbaar te maken door er een afschrift van te bezorgen.
Geen toestemming tot hergebruik van bestuursdocumenten In zoverre dit beroep geheel of gedeeltelijk gegrond werd verklaard, geldt dat deze inwilliging van de aanvraag tot openbaarmaking GEEN toestemming inhoudt om het/de gevraagde bestuursdocument(en) te hergebruiken, als vermeld in titel II, hoofdstuk 4 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/429
pagina 4 van 5
Brussel, 8 december 2021 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur, Bruno ASSCHERICKX Voorzitter
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/429
pagina 5 van 5