DECREET SECTORCONVENANTS EN INTERSECTORALE CONVENANTS NAAR EEN STERKERE SECTORALE WERKING IN VLAANDEREN
Advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, Wetstraat 34-36, 1040 Brussel W www.serv.be – T +32 2 209 01 11 – E info@serv.be
Adviesvraag
Voorontwerp van decreet betreffende de sectorconvenants en de intersectorale convenants in het kader van het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid
Adviesvrager
Jo Brouns - Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale Economie en Landbouw
Ontvangst adviesvraag
25 juli 2022
Decretale opdracht
SERV-decreet 7 mei 2004 art. 20 (SAR-functie)
Goedkeuring raad
12 september 2022
Contactpersoon
An De Coen
adcoen@serv.be
De heer Jo Brouns Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale Economie en Landbouw Ellipsgebouw Koning Albert-II laan 35 1030 Schaarbeek
Decreet sectorconvenants en intersectorale convenants Mijnheer de minister De Vlaamse Regering heeft met de sectorconvenants een sterk instrument in handen om beleidsthema’s op de sectorale agenda te zetten en zo ook tot bij ondernemingen en hun (potentiële) werknemers te krijgen. Met een bereik van 73 procent van alle Vlaamse werknemers vormen de convenants een belangrijke hefboom, en dat met een beperkt budget. Het is daarom belangrijk dat de convenants mee evolueren met de sectorale realiteit. In dit advies ondersteunt de SERV de decretale wijziging en formuleert hij acht aanbevelingen voor verdere optimalisering van de convenants: •
Formuleer de doelstellingen op maat van de convenants door ze te linken aan de decretale thema’s.
•
Verbreed de thema’s om alle relevante acties te vatten door retentie toe te voegen naast (zij-)instroom en doorstroom om uitstroom te beperken, en door het thema ‘diversiteit en inclusie’ voldoende breed te interpreteren zodat sectoren die binnen hun convenant(s) willen werken rond nondiscriminatie, daar ook de nodige ruimte voor hebben.
•
Verleng de looptijd van de convenants tot een periode van vijf jaar.
•
Blijf werken met addenda om de nodige flexibiliteit in te bouwen.
•
Indexeer de toelagen van de sectorconsulenten.
•
Benut het potentieel van intersectorale convenants, rekening houdend met aandachtspunten voor de operationalisering van het instrument, zoals de afstemming met de ‘individuele’ sectorconvenants, beperking van de administratieve lasten en de budgetverdeling tussen sectoren.
•
Erken de brede intersectorale werking binnen de SERV ter ondersteuning van sociaal overleg over de decretale thema’s van de convenants.
•
Zorg voor financiering op maat van de sectorale realiteit door de risico’s van resultaatsfinanciering te evalueren en de huidige resultaatsgerichte werking verder te zetten.
De SERV is uiteraard steeds bereid dit advies verder te komen toelichten. Ook in de toekomst blijven de SERV en de sectorale sociale partners graag proactief
betrokken bij het opstellen van nieuw beleid en de concrete uitwerking ervan. Daarbij vraagt de SERV om voor adviesvragen en voorbereidend overleg een tijdskader te voorzien dat toelaat om de betrokken sectoren te consulteren. Voor deze adviesvraag, die de SERV op 25 juli ontving, was dat praktisch niet haalbaar. Hoogachtend Pieter Kerremans
Hans Maertens
administrateur-generaal
voorzitter
Inhoud Krachtlijnen
6
Advies
8
SERV vindt decretale wijziging een goede zaak
9
Acht aanbevelingen voor verdere optimalisering
9
Doelstellingen linken aan decretale thema’s
10
Thema’s nog meer verbreden om alle relevante acties te vatten 11 Mogelijkheid voor langere looptijd benutten
11
Addenda blijven gebruiken om nodige flexibiliteit in te bouwen 12 Toelagen van sectorconsulenten indexeren
13
Potentieel van intersectorale convenants benutten
13
Brede intersectorale werking binnen de SERV erkennen
14
Financiering afstemmen op sectorale realiteit
15
Bibliografie
18
5
Krachtlijnen •
SERV ondersteunt de decretale wijziging
Het huidige decreet over sectorconvenants is volgens de Vlaamse sociale partners aan herziening toe. De decretale wijziging maakt het mogelijk om in te spelen op leereffecten en feedback uit het veld. Dat is cruciaal om ervoor te zorgen dat de convenants relevant blijven. •
8 aanbevelingen voor verdere optimalisering van de convenants
De decretale wijziging biedt het uitgelezen momentum om de convenantwerking waar nodig bij te sturen en verder te versterken: •
Decretale doelstellingen linken aan de decretale thema’s. Het ontwerpdecreet koppelt doelstellingen op macroniveau aan de convenants, terwijl de werking van de consulenten gekoppeld is aan de decretale thema’s.
•
Thema’s verbreden om alle relevante acties te vatten. De SERV apprecieert de inhoudelijke verbreding, maar vraagt om ‘retentie’ toe te voegen aan het nieuwe thema ‘instroom, zij-instroom, doorstroom’. Daarnaast dringt de SERV erop aan om het thema ‘inclusie en diversiteit’ voldoende breed te interpreteren zodat sectoren die binnen hun convenant(s) willen werken rond non-discriminatie, daar ook de nodige ruimte voor hebben .
•
Mogelijkheid voor langere looptijd benutten. De SERV is tevreden dat het decreet de mogelijkheid voorziet om de looptijd van de convenants te verlengen. Het is belangrijk dat dit geen dode letter blijft zodat ook effectief tegemoet gekomen wordt aan het eerdere pleidooi van de Vlaamse sociale partners voor een langere looptijd van de convenants.
•
Addenda blijven gebruiken om flexibiliteit in te bouwen. De addenda maken het mogelijk om kort op de bal spelen. Vanuit een eigen focus en met een eigen budget laten ze toe om nieuwe of aanvullende accenten te leggen, die op het moment van de onderhandelingen van de convenants nog niet in het vizier waren.
•
Toelagen van sectorconsulenten indexeren. De SERV apprecieert dat de mogelijkheid tot indexering is ingeschreven in het ontwerpdecreet. De Vlaamse sociale partners pleiten al langer voor een billijke en competitieve vergoeding van de sectorconsulenten.
6
•
Potentieel van intersectorale convenants benutten. De SERV ziet potentieel in de intersectorale convenants om de intersectorale werking te versterken. Aangezien nog niet ingegaan wordt op de operationalisering van het instrument, denken de Vlaamse sociale partners graag mee over de concrete uitwerking en identificeren ze alvast enkele aandachtspunten hieromtrent.
•
Brede intersectorale werking binnen de SERV erkennen. De SERV vraagt de omschrijving van de geboden ondersteuning te updaten in het decreet en verder te verduidelijken in de memorie van toelichting om een correct beeld te geven van de ondersteunende werking binnen de SERV.
•
Financiering afstemmen op de sectorale realiteit. De SERV vraagt om de risico’s van het werken met resultaatsfinanciering te evalueren en om de indicatoren op maat van en in overleg met de sectoren te blijven bepalen, zoals dat reeds gebeurt binnen de resultaatgerichte werking van de huidige generatie sectorconvenants.
7
Advies Sinds 2001 worden sectorconvenants afgesloten als overeenkomst tussen de Vlaamse Regering en de sectorale sociale partners ter ondersteuning van het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid, en dit op initiatief van de sectorale sociale partners. In 2009 werd het instrument decretaal verankerd1. In het kader van het decreet engageren de sectorale sociale partners zich om acties te ondernemen gericht op een betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, het stimuleren van competentieontwikkeling en het verhogen van diversiteit op de arbeidsmarkt. Met de sectorconvenants heeft de Vlaamse Regering een sterk instrument in handen, zowel qua bereik als qua slagkracht: •
Groot bereik met beperkt budget: voor de periode 2021-2022 werden 38 sectorconvenants afgesloten. De Vlaamse Regering investeert ongeveer 20 miljoen euro, gespreid over een periode van twee jaar. Van dat budget wordt 12,6 miljoen euro gebruikt voor de tewerkstelling van 129 sectorconsulenten, die 73 procent van alle Vlaamse werknemers bereiken 2.
•
Ingebed in de bredere werking van de sectorfondsen: via de tewerkstelling van de sectorconsulenten binnen de sectorfondsen, vormen de sectorconvenants een doeltreffende hefboom om Vlaamse beleidsthema’s op de sectorale agenda te zetten en zo ook tot bij ondernemingen en hun (potentiële) werknemers te krijgen.
•
Stimulans voor strategisch denken bij sectoren en sectorfondsen: dankzij het voorbereidend werk voor de totstandkoming van de sectorconvenants, verhoogt de aandacht voor het ontwikkelen van een langetermijnvisie binnen de sector. De sectorale sociale partners worden via de sectorconvenants ook gestimuleerd om de sectorale prioriteiten op een onderbouwde manier te identificeren, en dit binnen de inhoudelijke contouren van het regeerakkoord, beleidsnota’s, werkgelegenheidsakkoorden en andere beleidsplannen.
Sinds hun introductie kenden de sectorconvenants een positieve evolutie. De SERV acht het belangrijk deze evolutie door te zetten via verdere optimalisering van het instrument. De voorliggende decretale wijziging is daarvoor de eerste stap om beter in te spelen op de noden en werking van sectoren en sectorfondsen, en om beter aan te sluiten bij de Vlaamse beleidsthema’s. In dit advies: •
Beargumenteert de SERV zijn appreciatie van de decretale wijziging.
•
Formuleert de SERV acht aanbevelingen voor de optimalisering van de convenants.
1
Decreet van 13 maart 2009 betreffende de sectorconvenants in het raam van het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid
2
Verslag van de hoorzitting en gedachtewisseling over de nieuwe generatie sectorconvenanten van 18 juni 2021 namens de Commissie voor Economie, Werk, Sociale Economie, Wetenschap en Innovatie (859 (2020-2021) – Nr. 1)
8
SERV vindt decretale wijziging een goede zaak De SERV ondersteunt de decretale wijziging. Het is belangrijk dat het instrument mee evolueert met de veranderende omgeving en dat waar nodig bijgestuurd wordt op basis van de beschikbare informatie. De volgende argumenten geven aan waarom de SERV achter de decretale wijziging staat: •
Het zorgt ervoor dat de convenants3 relevant blijven en voldoende aansluiten bij de realiteit van de sectorale werking.
•
Er is geleerd uit de ervaring met de vorige generaties sectorconvenants en er werd ingespeeld op feedback uit het veld.
•
Het is gebaseerd op een uitgebreid voorbereidend proces dat tijdig werd opgestart om een brede consultatie te voeren. Dat maakte het mogelijk om via dialoog en overleg tot onderbouwde wijzigingen te komen, wat de SERV sterk apprecieert, net als de constructieve werking van de ambtelijke werkgroep. De SERV hoopt dan ook dat deze lijn doorgetrokken wordt naar de voorbereiding van de nieuwe generatie convenants en naar de concrete uitwerking van de intersectorale convenants. Daarbij vestigen ze de aandacht op twee cruciale operationele punten: •
Het is essentieel om voor adviesvragen en voorbereidend overleg een tijdskader te voorzien dat toelaat om de betrokken sectoren te consulteren. Voor deze adviesvraag, die de SERV op 25 juli ontving, was dat praktisch niet haalbaar.
•
De Vlaamse sociale partners willen het inhoudelijk kader en het inspiratiemenu voor de sectorconvenants graag mee vorm geven binnen de VESOC-werkgroep, zoals in het verleden gangbaar was. De thema’s kunnen zo optimaal worden afgestemd op de voorstellen uit recent afgesloten en eerdere VESOC-akkoorden.
Acht aanbevelingen voor verdere optimalisering Het huidige decreet betreffende de sectorconvenants4 is volgens de Vlaamse sociale partners toe aan herziening. De SERV ondersteunt de voorliggende decretale wijziging, maar wil het momentum aangrijpen om de convenantwerking verder te optimaliseren. Daartoe formuleert de SERV de volgende aanbevelingen: •
Doelstellingen linken aan de decretale thema’s
3
‘De convenants’ omvatten in dit advies zowel de sectorconvenants als de intersectorale convenants.
4
Decreet van 13 maart 2009 betreffende de sectorconvenants in het raam van het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid
9
•
Thema’s verbreden om relevante acties te vatten
•
Mogelijkheid voor langere looptijd benutten
•
Blijven werken met addenda om nodige flexibiliteit in te bouwen
•
Toelagen van sectorconsulenten indexeren
•
Potentieel van intersectorale convenants benutten
•
Brede intersectorale werking binnen de SERV erkennen
•
Zorgen voor financiering op maat van de sectorale realiteit
Doelstellingen linken aan decretale thema’s Formuleer de doelstellingen op maat van de sectorconvenants door ze te verbinden met de decretale thema’s. Sectoren en sectorale fondsen dragen via hun werking bij aan de algemene beleidsdoelstellingen, zoals de beoogde werkzaamheidsgraad van 80%, maar zetten hun doelen op sectorniveau in plaats van op macroniveau. De verwachtingen ten aanzien van de convenants dienen voldoende dicht bij de (inter)sectorale werking te staan, in het bijzonder wanneer wordt gewerkt met resultaatsfinanciering. De SERV vraagt daarom twee aanpassingen m.b.t. de doelstellingen: •
In het decreet de formulering van de memorie overnemen. De doelstelling in art. 3 van het ontwerpdecreet leest alsof de convenants in eerste instantie transities op de arbeidsmarkt willen faciliteren. De memorie geeft duidelijker aan dat de convenants gericht zijn op “het ondersteunen van duurzame loopbanen van individuen en het ondersteunen van organisaties met oog op veerkracht bij transities en het verhogen van de werkzaamheidsgraad tot 80%.” Deze formulering sluit beter aan bij de ambitie van de convenants en de verwachtingen ten aanzien van de sectorconsulenten.
•
In de memorie de decretale doelstellingen doorvertalen naar doelstellingen op het niveau van de convenants. Aangezien de acties van de convenants binnen de decretale thema’s worden gedefinieerd, wordt in de memorie best verduidelijkt hoe doelstellingen gekoppeld aan deze thema’s bijdragen aan de algemene beleidsdoelstellingen. Concreet betreft het doelstellingen zoals een hogere opleidingsdeelname 5, een inclusieve arbeidsmarkt en duurzame loopbanen. Dit kan sectoren met beperkte aandacht voor bepaalde thema’s mobiliseren om rond die thema’s te werken.
Tot slot vragen de sociale partners om de volgende zin in de memorie te herzien: “Als overheid realiseren we via de convenants een hefboomeffect door de eigen middelen van de paritaire sectorfondsen mee te responsabiliseren en in te zetten op Vlaamse werkgelegenheidsthema’s.” Het is cruciaal dat de autonomie van de sectoren m.b.t. de inzet van de eigen middelen gerespecteerd blijft. Vandaar ook de suggestie om de formulering als volgt aan te passen: “Als overheid realiseren we via de convenants een hefboomeffect door binnen de werking van de paritaire sectorfondsen extra aandacht te hebben voor de Vlaamse werkgelegenheidsthema’s.”
5
Afgestemd op de doelstellingen van het actieplan Levenslang Leren, dat onder meer tegen 2030 tot een opleidingsdeelname van 60% nastreeft.
10
Thema’s nog meer verbreden om alle relevante acties te vatten De SERV apprecieert de inhoudelijke verbreding, maar vraagt om nog verder te gaan in de thematische werking van de convenants om de relevante processen binnen sectoren en ondernemingen te vatten. Concreet missen de Vlaamse sociale partners retentie als thema in het decreet om uitstroom te beperken, en dit om de volgende redenen: •
Het is belangrijk om de volledige ‘levenscyclus’ van werknemers te vatten, van instroom tot het vermijden van uitstroom om de ambitie van een hogere werkzaamheidsgraad te realiseren.
•
Investeren in werkbaar werk draagt bij tot retentie, maar het is niet de enige actie die sectorconsulenten kunnen stimuleren om personeelsverloop te beperken. Denk bijvoorbeeld ook aan re-integratiebeleid na ziekte of personeelsplanning om iemand een andere rol/functie in de organisatie te geven.
Het is aangewezen om dit thema te integreren in de vijf thema’s waarop de maatregelen uit de sectorconvenants en de intersectorale convenants betrekking kunnen hebben. De sociale partners vragen daarom om het thema 2° in het decreet (art. 3°) te verbreden tot ‘instroom, zij-instroom, doorstroom, retentie’. Daarnaast pleiten ze ervoor om het decretale thema 5° ‘diversiteit, inclusie’ in de memorie voldoende breed te interpreteren zodat sectoren die binnen hun convenant(s) willen werken rond non-discriminatie, daar ook de nodige ruimte voor hebben. Op die manier kunnen ze o.a. voortbouwen op de resultaten van de sensibiliserende nulmeting die werd uitgevoerd binnen het ‘Addendum non-discriminatie en inclusie’. Aangezien het een grote investering vroeg om die nulmeting te laten uitvoeren, is het belangrijk om sectoren te stimuleren die er effectief mee aan de slag willen gaan, en dit volgens de principes van het addendum, nl. sensibilisering, zelfregulering en autonomie van sectoren.
Mogelijkheid voor langere looptijd benutten De SERV is tevreden dat het decreet de mogelijkheid voorziet om de looptijd van de convenants te verlengen, maar benadrukt dat het geen dode letter mag blijven. De Vlaamse sociale partners zijn al langer vragende partij om de looptijd te verlengen. De volgende argumenten staven het pleidooi voor een langere looptijd van de convenants: •
De sectoren moeten op lange termijn denken, maar op korte termijn handelen.
•
De onderhandelingen van nieuwe convenants vragen tijd, net als het implementeren van nieuwe initiatieven, waardoor de feitelijke werkingsperiode korter dan twee jaar is.
•
Het is aangewezen te vermijden dat de onderhandelingen over een sectorconvenant in het vaarwater komen van onderhandelingen over een CAO: beide processen zijn bijzonder tijdsintensief en verdienen een eigen (gescheiden) discussie. Uiteraard kunnen de CAO’s de sectorconvenants voeden en vice versa. 11
•
Een langere looptijd biedt sectorconsulenten meer perspectief, wat belangrijk is om continuïteit te garanderen en kennisretentie en expertiseontwikkeling binnen de sectorfondsen te stimuleren. Dit werd ook aangehaald in de evaluatie van de sectorconvenants die in 2015 door IDEA Consult gebeurde: “Het is belangrijk om sectorconsulenten een langetermijnperspectief te bieden, zodat ze de sector niet verlaten omwille van jobonzekerheid. Hoog verloop wil je immers vermijden om de opgebouwde, sectorspecifieke expertise te behouden.”
Vanuit de nood aan een langere looptijd, formuleerde SERV in zijn advies van 20 december 2021 het volgende voorstel: “De sociale partners stellen een duurtijd van de legislatuur plus één jaar voor. De looptijd van een sectorconvenant wordt dan vijf jaar. Zo kan er met het vizier op de middellange termijn worden gewerkt en heeft elke nieuwe minister de kans om doordachte prioriteiten uit te werken en hierover op voet van gelijkheid met de sectorale sociale partners in overleg over te gaan.” Dit voorstel speelt in op de volgende aanbeveling uit de evaluatie van de vorige generatie sectorconvenants (IDEA, 2015): “Om de invulling van de convenants optimaal af te stemmen op de implementatie van het beleid, zouden de sectorconvenants kunnen worden benaderd als legislatuurconvenant. Net als in de huidige aanpak kunnen het regeerakkoord en de beleidsnota de basis vormen voor het brede inhoudelijk kader. De convenants zouden één jaar na de indiensttreding van de nieuwe regering van start kunnen gaan zodat ze via een looptijd van 5 jaar een doorstart maken tot na het eerste jaar van de volgende legislatuur. De nieuwe regering krijgt zo voldoende tijd voor de ontwikkeling van een nieuw kader. Om zo weinig mogelijk tijd te verliezen, zouden de inhoudelijke discussies al van start kunnen gaan in het eerste jaar van de legislatuur. […] Na 2 of 3 jaar kan er een update plaatsvinden zodat er kan bijgestuurd worden waar nodig.”
Addenda blijven gebruiken om nodige flexibiliteit in te bouwen Het voorliggende ontwerpdecreet voorziet de mogelijkheid om een addendum toe te voegen bij het sectorconvenant of intersectorale convenant. De voorbije jaren is gebleken dat de addenda nog zorgen voor een versterking van het instrument sectorconvenanten. De SERV pleit er dan ook voor om de addenda te blijven gebruiken als flexibel instrument om kort op de bal te kunnen spelen en inhoudelijke accenten te leggen, die op het moment van de onderhandelingen nog niet in het vizier komen. In het advies van 20 december 2021 merkten de Vlaamse sociale partners op dat het niet de bedoeling is dat er tijdens de (langere) looptijd van het convenant, bijvoorbeeld naar aanleiding van een voortgangsevaluatie, nieuwe opdrachten aan de sectorconvenant worden toegevoegd. Dat kan wel gebeuren via addenda: zij kunnen ingaan op specifieke thema’s en zouden een kortere looptijd kunnen hebben (van bijvoorbeeld twee jaar als de convenants een looptijd van vijf jaar
12
hebben). Met een eigen focus en een eigen budget kunnen zij een complementair instrument vormen dat de convenantwerking versterkt. Voor de huidige addenda gaan de Vlaamse sociale partners ervan uit dat ze samen met hun financiering maximaal in de sectorconvenants worden geïntegreerd om het beleid te continueren.
Toelagen van sectorconsulenten indexeren De Vlaamse sociale partners appreciëren dat de mogelijkheid tot indexering van de toelagen van sectorconsulenten is ingeschreven in het ontwerpdecreet. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan een prangende vraag van de sectoren met een convenant6. Het is echter essentieel dat deze mogelijkheid ook effectief benut wordt om de volgende redenen: •
Vanaf de generatie 2016-2017 werd het bedrag per VTE, verminderd van €51.000 naar €49.000 en sindsdien is dat bedrag hetzelfde gebleven7.
•
De vergoeding van sectorconsulenten moet billijk en competitief zijn om hen aan de sector te binden: verloop zou een groot verlies aan expertise en netwerk impliceren.
In deze context vestigen de sociale partners ook graag de aandacht op de verwachtingen ten aanzien van de sectorconsulenten: deze moeten realistisch zijn t.o.v. de middelen die ertegenover staan. De toename van het aantal decretale thema’s gaat vooralsnog niet gepaard met een stijging van de vergoeding van de consulenten.
Potentieel van intersectorale convenants benutten De SERV adviseert om de intersectorale werking verder te versterken via intersectorale convenants, rekening houdend met aandachtspunten voor de operationalisering van het instrument. •
Verdere versterking van de intersectorale samenwerking creëert meer ruimte om belangrijke uitdagingen samen aan te pakken, over de grenzen van sectoren en fondsen heen. Dit werd ook aangehaald in het recent afgesloten VESOC-werkgelegenheidsakkoord8: “Meer intersectorale werking is cruciaal om o.a. de omscholing en mobiliteit naar knelpuntberoepen, alsook intersectorale mobiliteit te vergemakkelijken. We willen daarom inzetten op een versterkte intersectorale samenwerking o.a. via de sectorconvenanten, de intersectorale werking bij de SERV en de manier waarop intersectoraal opleidingen kunnen worden georganiseerd.”
6
Advies Sectorconvenants van 20 december 2021: https://www.serv.be/node/14781
7
Antwoord op parlementaire vraag nr. 327 van 4 februari 2020
8
VESOC-werkgelegenheidsakkoord ‘Iedereen nodig, iedereen mee’: https://www.serv.be/node/15014
13
•
De sociale partners zijn ervan overtuigd dat dit de werking van de intersectorale adviseurs 9 zal versterken en de intersectorale samenwerking verder zal doen toenemen.
Het instrument van de intersectorale convenants heeft potentieel, maar is nog niet geoperationaliseerd. Te bekijken punten voor de concrete uitwerking van intersectorale convenants zijn alvast: •
Wat zetten sectoren in hun ‘eigen’ convenant en wat komt terecht in een intersectoraal convenant? In welke mate is er overlap mogelijk? (Dat zal onder meer belangrijk zijn voor de resultaatsfinanciering)
•
Hoe kunnen de administratieve lasten beperkt worden?
•
Hoe worden consulenten toegewezen aan de sectorale en intersectorale convenants?
•
Kan een sector meerdere intersectorale convenants afsluiten?
•
Op welk niveau kan een intersectorale convenant afgesloten worden (thema, actie,…)? Hoe onderscheidt een convenant zich van projectfinanciering wanneer er rond één actie samengewerkt wordt?
•
Hoe zal worden omgegaan met het verschil tussen ervaren en minder ervaren fondsen (die bijvoorbeeld pas met een convenant gestart zijn of weinig ervaring hebben met intersectorale samenwerking)?
•
…
De intersectorale convenants kunnen volgens de SERV uitgroeien tot een krachtig instrument wanneer bottom-upwerking centraal staat: het is aangewezen dat sectoren en fondsen zelf kunnen verkennen welke opportuniteiten tot samenwerking er zijn en welke opportuniteiten ze willen benutten. Ze worden daar sinds 2021 in ondersteund door de werking van intersectorale adviseurs binnen de SERV.
Brede intersectorale werking binnen de SERV erkennen Bevestig de brede intersectorale werking binnen de SERV om continuïteit in de werking te voorzien. De SERV vraagt om de omschrijving van de geboden ondersteuning te updaten: •
Het ontwerpdecreet en de memorie beperken de intersectorale werking tot “het organiseren van thematische, intersectorale netwerken vanuit de SERV”. De formulering in artikel 3 stemt overeen met de formulering in het huidige decreet van 2009, hoewel de intersectorale werking binnen de SERV intussen aanzienlijk werd uitgebreid.
•
Om de samenwerking tussen sectoren te faciliteren, is er meer nodig dan hen samen te brengen binnen thematische, intersectorale netwerken. Er is nood aan initiatieven die inspelen op de noden van sectoren en die vanuit een bottom-upwerking de onderlinge samenwerking ondersteunen en versterken.
9
In lijn met het VESOC-akkoord ‘Alle hens aan dek’ worden er 3 intersectoraal adviseurs ingezet die de sectoren, gezamenlijk, begeleiden, informeren, en ondersteunen bij de vele uitdagingen en gaan de intersectorale samenwerking maximaal mogelijk maken. (https://www.serv.be/node/14067)
14
Binnen de SERV zijn onder andere drie intersectorale adviseurs actief om samen met de sectoren de onderlinge samenwerking te ondersteunen en te versterken. De intersectorale adviseurs hebben o.a. als taak om lerende netwerken op te zetten en te ondersteunen, leerrijke praktijken te verzamelen, intersectorale projecten te faciliteren en communicatie op te zetten naar en tussen de sectoren. Ze vormen ook een schakel tussen beleid en praktijk, waardoor ze bijdragen aan de (inter)sectorale werking in het kader van de (inter)sectorconvenants.Aangezien de formulering in art. 3 van het ontwerpdecreet geen accuraat beeld geeft van de intersectorale werking binnen de SERV, vraagt de SERV om de formulering aan te passen: •
In het decreet, door te verwijzen naar de intersectorale werking: “De Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen ondersteunt de uitvoering van de sectorconvenants en intersectorale convenants vanuit zijn intersectorale werking.”
•
In de memorie, door het te hebben over “de intersectorale werking binnen de SERV” i.p.v. “thematische, intersectorale netwerken” en de invulling van de intersectorale werking te verduidelijken: “De uitvoering van de sectorconvenants en intersectorale convenants wordt ondersteund door de intersectorale werking georganiseerd vanuit de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen. Deze werking is erop gericht om samen met de sectoren de onderlinge samenwerking te ondersteunen en versterken. Sinds 2021 ondernemen de intersectorale adviseurs binnen de SERV bijvoorbeeld diverse initiatieven om o.a. lerende netwerken op te zetten en te ondersteunen, leerrijke praktijken te verzamelen, intersectorale projecten te faciliteren en communicatie op te zetten naar en tussen de sectoren. Ze vormen ook een schakel tussen beleid en praktijk.”
Financiering afstemmen op sectorale realiteit Zorg voor financiering op maat van de sectorale realiteit door de risico’s van resultaatsfinanciering te evalueren en zorg voor financiering op maat van de sectorale realiteit. De meerwaarde van resultaatsfinanciering moet duidelijk zijn. In het advies van 20 december 2021 waarschuwden de sociale partners voor resultaatsfinanciering, die gepaard gaat met een aantal risico’s, zoals: •
Het temperen van ambitie en beknotten van innovatie (i.p.v. bevorderen). Het risico om inkomensverlies te lijden wanneer de vooropgestelde resultaten te ambitieus bleken, zorgt ervoor dat sectoren op veilig zullen spelen en de lat eerder te laag dan te hoog leggen.
•
Resultaten zijn niet altijd zuiver te meten, wat ook werd benadrukt in voorgaand onderzoek van IDEA Consult (2015). Het kan niet de bedoeling zijn om een stap terug te zetten: “De impact van de consulentenwerking kan vaak niet zuiver gemeten worden (i.e. los van de werking van andere personen binnen het fonds). […] Bovendien zijn het de ondernemingen die finaal beslissen wat er op de werkvloer gebeurt; zij kunnen enkel gestimuleerd worden om bepaalde acties te ondernemen. […] Verschillende stakeholders gaven aan dat het werken via inspanningsverbintenissen beter werkt dan het vroegere systeem waarin veel kwantitatieve objectieven
15
waren opgenomen. De huidige manier van werken [met inspanningsverbintenissen] wordt door verschillende actoren als de enige werkbare manier en als correct ervaren.” De selectie van de juiste indicatoren vormt een belangrijk aandachtspunt bij resultaatsfinanciering en dient te blijven gebeuren in onderling overleg. Daarnaast vormen ook de sectorale eigenheid en de beschikbaarheid van kwaliteitsvolle data aanzienlijke uitdagingen: •
Wanneer er wordt gewerkt met resultaatsfinanciering, is de keuze van de gehanteerde indicatoren cruciaal. Zij moeten SMART10 geformuleerd zijn en een doorvertaling zijn van de doelstellingen op macroniveau naar resultaten op sectorniveau, die de consulenten kunnen beïnvloeden. De werking van sectorconvenants kan daarom niet beoordeeld worden op basis van de macro-doelstellingen die in het ontwerpdecreet opgenomen zijn, namelijk het ondersteunen van individuen en ondernemingen in functie van veerkracht en het verhogen van de werkzaamheidsgraad. Er zijn immers tal van factoren buiten de controle van de consulenten die mee bepalen in welke mate deze doelstellingen gerealiseerd worden en de nodige vooruitgang geboekt wordt.
•
Sectoren dienen gelijk behandeld te worden over convenants heen, maar zoals Minister Crevits zelf stelde in haar antwoord op een parlementaire vraag11: “de engagementen die sectoren opnemen in hun sectorconvenant en de manier waarop ze zich hiervoor organiseren zijn erg verschillend en bijgevolg moeilijk vergelijkbaar.” Bovendien is er ook een grote diversiteit tussen sectoren op het vlak van grootte, middelen en mandaten (zoals werd aangehaald tijdens de hoorzitting en gedachtewisseling over de nieuwe generatie sectorconvenanten op 18 juni 2021). Dat maakt het bijzonder uitdagend om voor elke sector indicatoren op maat te voorzien. Voor intersectorale convenants is de uitdaging zo mogelijk nog groter omdat de indicatoren voor alle betroken sectoren relevant moeten zijn.
•
De sociale partners herhalen de nood aan kwalitatieve, accurate en actuele sectorale arbeidsmarktgegevens (zoals bv. leeftijdssamenstelling, instroom en uitstroom) om de inhoud van de convenants te onderbouwen en ze op te volgen. Daarom vragen ze dat de sectoren vaker een groepssectorfoto krijgen. Een vlotte wisselwerking tussen het beleidsdomein WSE en de sectoren is bijgevolg noodzakelijk.
De SERV is tevreden over de resultaatsgerichte werking binnen de huidige generatie convenants en vraagt om dit voort te zetten in de nieuwe generatie convenants. In de huidige convenants wordt al gewerkt met 20% resultaatsfinanciering en 80% financiering gekoppeld aan inspanningsverbintenissen. In overleg met de sectoren wordt bepaald welke indicatoren een goed beeld geven van de mate waarin de aangegane engagementen worden gerealiseerd, rekening houdend met de sectorale eigenheid. Het Departement Werk en Sociale Economie volgt reeds actief op in welke mate het actieplan effectief gerealiseerd wordt: via hun jaarlijkse rapportering tonen sectoren welke inspanningen ze leverden om hun engagementen na te komen. De resultaatsverbintenissen worden steeds samen met de inspanningsverbintenissen bekeken om
10
SMART staat voor specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden
11
Parlementaire vraag nr. 327 van 4 februari 2020
16
de werking in het kader van de convenants te evalueren. Dit is noodzakelijk om een representatief beeld te hebben van wat er binnen de sector rond de decretale thema’s gebeurt.
17
Bibliografie De Coen A., Van der Beken, W., Sels, L. (2015). ‘Naar een vernieuwde sectorale insteek voor het Vlaams werkgelegenheidsbeleid’. Een onderzoek van IDEA Consult in opdracht van de Vlaamse minister bevoegd voor Werk, in het kader van het VIONA-onderzoeksprogramma. Brussel: IDEA Consult. Online beschikbaar via https://www.vlaanderen.be/publicaties/naareen-vernieuwde-sectorale-insteek-voor-het-vlaams-werkgelegenheidsbeleid SERV (20 december 2021). Advies Sectorconvenants: https://www.serv.be/node/14781 VESOC (24 maart 2022). Werkgelegenheidsakkoord ‘Iedereen nodig, iedereen mee’: https://www.serv.be/node/15014 VESOC (14 december 2020). Akkoord ‘Alle hens aan dek’: https://www.serv.be/node/14067
18