11/12/07
9:47 AM
Page 1
Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) is het Vlaamse onderzoeks- en kenniscentrum voor natuur en het duurzame beheer en gebruik ervan. Het INBO verricht onderzoek en levert kennis aan al wie het beleid voorbereidt, uitvoert of erin geĂŻnteresseerd is. Als toonaangevende wetenschappelijke instelling werkt het INBO in de eerste plaats voor de Vlaamse overheid, maar het levert ook informatie voor internationale rapporteringen en gaat in op vragen van lokale besturen. Daarnaast ondersteunt het INBO onder meer organisaties voor natuurbeheer, bosbouw, landbouw, jacht en visserij. Het INBO maakt deel uit van nationale en Europese onderzoeksnetwerken. Het maakt zijn bevindingen ook bekend bij het grote publiek. Het INBO telt ongeveer 250 medewerkers, voornamelijk onderzoekers en technici. Naast de hoofdzetel in Brussel, heeft het INBO vestigingen in Geraardsbergen, Groenendaal en Linkebeek. Het INBO stelt tweejaarlijks het Natuurrapport op. Het Natuurrapport biedt een overzicht van de biodiversiteit in Vlaanderen, van de oorzaken van veranderingen en van de inspanningen en resultaten van het beleid. De rapportering gebeurt in belangrijke mate aan de hand van indicatoren. De website Natuurindicatoren www.natuurindicatoren.be bevat voor elke indicator een handige fiche met cijfermateriaal en beknopte achtergrondinformatie. De brochure Natuurindicatoren 2007 brengt de voornaamste indicatoren samen. Die brochure is ook beschikbaar in het Engels: Biodiversity indicators 2007. Ten slotte is er Natuur@Vlaanderen, een vlot leesbare en rijkelijk geĂŻllustreerde brochure die de bevindingen samenvat en zich tot een breed publiek richt. Alle publicaties zijn beschikbaar op www.inbo.be.
Natuurindicatoren
2007 Toestand van de natuur in Vlaanderen cijfers voor het beleid
cover2007indicatoren:Opmaak 1
cover2007indicatoren:Opmaak 1
11/12/07
9:47 AM
Page 2
Colofon Auteurs: Myriam Dumortier, Luc De Bruyn, Maarten Hens, Johan Peymen, Anik Schneiders, Toon Van Daele en Wouter Van Reeth Taalnazicht: Stein Pée Vormgeving: Nicole De Groof Druk: Corelio Printing Administratie: Anja De Braekeleer Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Kliniekstraat 25, B-1070 Brussel e-mail: nara@inbo.be website: www.inbo.be tel: 02-558.18.34 - fax: 02-558.18.05 Verantwoordelijke uitgever: Jurgen Tack Wijze van citeren: Dumortier M., De Bruyn L., Hens M., Peymen J., Schneiders A., Van Daele T. en Van Reeth W. 2007. Natuurindicatoren 2007. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid. Mededeling van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek nr. 5, Brussel. ©2007, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Mits bronvermelding wordt overname van teksten toegelaten en zelfs aangemoedigd. D/2007/3241/280 INBO.M.2007.5 Gedrukt op 100% gerecycleerd papier, gemaakt uit postconsumer waste en chloorvrij gebleekt Foto’s voorpagina: staalname, Brakelbos, drijvende waterweegbree (Yves Adams / Vildaphoto), kinderen (Rollin Verlinde / Vildaphoto)
Het Natuurrapport is beschikbaar op www.inbo.be, de Natuurindicatoren op www.natuurindicatoren.be
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:53 PM
Page 1
Natuurindicatoren
Toestand van de natuur in Vlaanderen cijfers voor het beleid
2007 Myriam Dumortier, Luc De Bruyn, Maarten Hens, Johan Peymen, Anik Schneiders, Toon Van Daele en Wouter Van Reeth
Mededeling van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.M.2007.5
Overhandigd op 27 november 2007 aan Hilde Crevits, Vlaams Minister van Openbare werken, Leefmilieu, Natuur en Energie
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:53 PM
Page 2
Stuurgroep Natuurrapport Patrick Meire
Voorzitter
Carl De Schepper
Agentschap voor Natuur en Bos
Nico Verwimp
Agentschap voor Natuur en Bos
Jeroen Cockx
Departement Leefmilieu, Natuur en Energie
Dirk Van Gijseghem
Departement Landbouw en Visserij
Hilde Heyrman
Vlaamse Landmaatschappij
Koen Martens
Vlaamse Milieumaatschappij
Griet Verbeke
Dep. Leefmilieu, Natuur en Energie, afd. Internationaal Milieubeleid
Veerle Beyst
Studiedienst van de Vlaamse Regering
Bea Kayaerts
Milieu- en Natuurraad Vlaanderen
Annemie Bollen
Sociaal Economische Raad voor Vlaanderen
Jos Gysels
Natuurpunt vzw
Marleen Van Steertegem
Vlaamse Milieumaatschappij, Milieurapport
Myriam Dumortier
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Natuurrapport
Dominique Aerts
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
Jos Van Slycken
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
Janine Van Vessem
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
Jurgen Tack
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
Els Martens
Internationale rapportering
Dirk Bogaert
Onafhankelijke deskundige
An Cliquet
Onafhankelijke deskundige
Paul Quataert
Onafhankelijke deskundige
Hans Van Dyck
Onafhankelijke deskundige
Rudi Verheyen
Onafhankelijke deskundige
2
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:53 PM
Page 3
Hoofdlijnen Vlaanderen onderschreef de Europese doelstelling om tegen 2010 het verlies van biodiversiteit te stoppen. Deze brochure evalueert de stand van zaken aan de hand van 24 natuurindicatoren, die de best mogelijke invulling geven van de in 2007 voorgestelde 26 Europese biodiversiteitsindicatoren. Componenten van de biodiversiteit en integriteit van ecosystemen Zeer specifiek leefgebied degradeert tot meer algemeen, meestal voedselrijk leefgebied. Daardoor nemen heel wat aan dat specifieke leefgebied gebonden zeldzame soorten af. Dat is ondermeer het geval voor heel wat soorten uit de bijlagen van de Habitatrichtlijn. Ook met veel soorten uit het landbouwgebied blijft het slecht gaan (bv. veldleeuwerik). Anderzijds breiden een aantal algemene soorten (bv. ekster), inclusief enkele uitheemse soorten (bv. Amerikaanse vogelkers), zich verder uit. Daardoor vermindert de variatie in de natuur. Dat is de meest zichtbare dimensie van het verlies van biodiversiteit. De aan zoet water gebonden biodiversiteit, is tijdens de voorbije eeuw het meest achteruitgegaan (bv. vissen, waterplanten). Precies daar is het laatste decennium een duidelijk herstel zichtbaar (bv. vissen, libellen, watervogels). In de bossen is er een verbetering van de toestand van de vogels (bv. spechten). Beschermde gebieden en duurzaam beheer Het Vlaamse beleid zet voor de instandhouding van de biodiversiteit en het duurzaam gebruik van de natuur een hele reeks instrumenten in. Natuurreservaten, bosbeheerplannen en beheerovereenkomsten met landbouwers kennen een positief verloop, maar de oppervlaktedoelstellingen worden niet steeds gehaald. Vlaanderen bakende 7,5 % van zijn oppervlakte af als Habitatrichtlijngebied en scoort daarmee zwak in vergelijking met het Europese gemiddelde, maar goed in vergelijking met de omliggende economische topregio’s. De ontsnippering van waterlopen vordert, maar onvoldoende snel om de doelstelling inzake vrije vismigratie te halen. De afbakening van het Vlaams Ecologisch Netwerk en de natuurverwevingsgebieden loopt sterk achter op schema. Tussen 2003 en 2007 werd nauwelijks vooruitgang geboekt. Ook de opmaak van de natuurrichtplannen blijft achter. Nochtans vormen de natuurrichtplannen een belangrijke schakel in de stroomlijning en verdere uitvoering van het gebiedsgerichte natuur- en bosbeleid. Bedreigingen van de biodiversiteit De natuurgebieden zijn klein en versnipperd en de Vlaamse landbouwoppervlakte behoort tot de meest productieve, maar ook de meest natuurarme van Europa. De voortgaande verstedelijking en de verdere intensivering van de landbouw versterken de negatieve gevolgen van de versnippering van de natuur. Ook het stikstofoverschot op cultuurbodems, de atmosferische stikstofdeposities en de fosforconcentraties in rivieren behoren tot de hoogste van Europa. Dankzij de beleidsinspanningen is de vermestingsdruk in Vlaanderen aan het afnemen, hoewel die gunstige evolutie de laatste jaren weer afvlakte. Ondertussen stijgt het aantal aanwijzingen voor de actuele impact van klimaatverandering en neemt het aantal uitheemse soorten in de natuur in Vlaanderen toe met meer dan 25 nieuwe soorten
3
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:53 PM
Page 4
per jaar. Die bijkomende bedreigingen spelen zich af op een internationale schaal en zijn daar door moeilijker te beheersen. Voetafdruk en maatschappelijk draagvlak De ecologische voetafdruk van de Vlaming is groter dan wat deze planeet per persoon te bieden heeft. Steeds meer Vlamingen sluiten zich aan bij natuurverenigingen. De interesse om bos- en natuurgebieden te bezoeken lijkt lichtjes te verminderen. De 24 gerapporteerde natuurindicatoren geven aan dat het zonder bijkomende inspanningen niet mogelijk zal zijn om het verlies van biodiversiteit te stoppen. Het is van belang om enerzijds de bronnen van de verschillende verstoringen nog grondiger aan te pakken (ruimtegebruik, emissies van stikstof, fosfor en broeikasgassen, in- en uitvoer van soorten) en om anderzijds voldoende grote natuurgebieden doelgericht te beheren en daarbuiten een basisnatuurkwaliteit te garanderen. Dit laatste dient onder andere om – waar mogelijk – verschuivingen van populaties toe te laten wanneer leefgebieden ongeschikt worden.
4
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:53 PM
Page 5
Leeswijzer In 2001 engageerde de Europese Unie zich om op haar grondgebied het verlies van biodiversiteit tegen 2010 te stoppen. In 2003 werd de doelstelling op pan-Europees niveau aanvaard. In mei 2006 herbevestigde de Europese Unie het engagement (European Commission, 2006). Vlaanderen nam in het MINA-plan 3 de doelstelling over als de langetermijndoelstelling inzake biodiversiteit. Op de wereldmilieutop van de Verenigde Naties in Johannesburg in 2002 (Rio +10) spraken de deelnemende landen af om het verlies van biodiversiteit wereldwijd tegen 2010 significant te verminderen. In 2004 startte SEBI 2010 (‘Streamlining European Biodiversity Indicators’). SEBI 2010 ontwikkelt en volgt 16 kernindicatoren (‘headline indicators’), in functie van de focusgebieden van de Biodiversiteitsconventie, om de voortgang ten opzichte van de 2010-doelstelling bekend te maken. In 2007 werd een voorlopige set van 26 concreet uitgewerkte 2010-indicatoren voorgesteld (European Environment Agency, 2007). Deze brochure bespreekt 24 Vlaamse natuurindicatoren die de best mogelijke invulling geven aan de voorgestelde 26 Europese 2010-indicatoren. Met die set van 24 natuurindicatoren wordt de Vlaamse voortgang ten opzichte van de 2010-doelstelling geëvalueerd. De bespreking van de indicatoren bevat eerst een situering van de indicator en de relevante beleidsdoelen, vervolgens een bespreking van de voortgang en ten slotte – waar cijfers voorhanden zijn – een internationale vergelijking. De 24 Vlaamse natuurindicatoren zijn grotendeels afkomstig uit het Natuurrapport 2007 (www.nara.be). Enkele zijn afkomstig van de website Natuurindicatoren (INBO, www.natuurindicatoren.be) en van de website Milieuindicatoren (VMM, www.milieurapport.be). De originele databronnen worden achteraan in de brochure vermeld. Daar wordt ook de databeschikbaarheid voor de volledige Vlaamse invulling van de voorgestelde 26 Europese 2010-indicatoren besproken.
5
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:53 PM
Page 6
Focusgebieden Europese kernindicatoren Status en trends van de componenten van de biodiversiteit
1. Aantaltrends en verspreiding van een selectie van soorten
Vlaamse natuurindicatoren 1. Europese algemene broedvogelindex in Vlaanderen (*) 2. Europese vlinderindex (grasland) in Vlaanderen (*)
Bron
Blz.
NARA 2007 # 1
8
NARA 2007 # 1
9
NARA 2007 # 1
10
3. Overwinterendewatervogelindex
2. Verandering in status van bedreigde en/of beschermde soorten
4. Status van soorten
NARA 2007 # 1
11
5. Staat van instandhouding van de soorten van Europees belang (*)
NARA 2007 # 2
12
3. Trend in de oppervlakte van een selectie ecosystemen en habitats
6. Staat van instandhouding van de habitats van Europees belang (*)
NARA 2007 # 3
13
7. Oppervlakte met effectief natuurbeheer
NARA 2007 # 7
14
8. Oppervlakte Vlaams Ecologisch Netwerk en natuurverwevingsgebieden
NARA 2007 # 10 15
9. Oppervlakte Natura 2000 (*)
NARA 2007 # 9
16
10. Bijdrage van het Vlaamse natuur- en bosbeleid aan de uitvoering van de Habitatrichtlijn
NARA 2007 # 9
18
11. Oppervlakte natuurrichtplannen
NARA 2007 # 10 19
6. Stikstofdepositie
12. Overschrijding kritische last vermesting door stikstofdepositie (*)
NARA 2007 # 4
20
7. Aantal en kosten van invasieve exoten
13. Aantal uitheemse soorten (*)
NARA 2007 # 6
21
8. Impact van klimaatverandering op de biodiversiteit
14. Vliegactiviteit libellen
NARA 2007 # 5
22
4. Trend in genetische diversiteit van gecultiveerde en gedomesticeerde soorten
5. Oppervlakte beschermde gebieden
Bedreigingen van de biodiversiteit
Ecosysteemintegriteit en -functies
6
9. Mariene trofische index 10. Connectiviteit/fragmentatie van ecosystemen
In ontwikkeling
In ontwikkeling 15. Gesaneerde vismigratieknelpunten (*) Connectiviteit/fragmentatie van terrestrische ecosystemen in ontwikkeling
www.natuurindi- 23 catoren.be
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:53 PM
Page 7
Focusgebieden Europese kernindicatoren
Duurzaam beheer
Vlaamse natuurindicatoren
Bron
Blz.
11. Waterkwaliteit in oppervlaktewateren
16 Fosforconcentraties in rivieren (*)
NARA 2007 # 4
12. Oppervlakte bos- landbouw-, visserij- en aquacultuurecosysteem met duurzaam beheer
17. Oppervlakte bosbeheerplan
NARA 2007 # 12 25
18. Stikstofoverschot op landbouwbodems (*)
NARA 2007 # 4, www.milieurapport.be
24
26
19. Oppervlakte in landbouwgebruik met NARA 2007 # 13 27 hoge natuurwaarden (*) 20. Oppervlakte beheerovereenkomsten met natuurdoelen (*)
NARA 2007 # 13 28
21. Oppervlakte biologische landbouw (*) www.natuurindi- 29 catoren.be 13. Ecologische voetafdruk van Europese landen Status van toegang tot en verdeling van de baten van genetische diversiteit
14. Patenten (in ontwikkeling)
Status van mid- 15. Fondsen voor biodelentransfers en diversiteit -uitgaven Maatschappelijk 16. Maatschappelijke houding en participatie draagvlak (in ontwikkeling)
22. Ecologische voetafdruk van hernieuwbare materialen (*)
www.milieurapport.be
30
-
In ontwikkeling
www.natuurindicatoren.be
23. Bezoeken aan natuur- en bosgebieden
www.natuurindi- 31 catoren.be
24. Ledenaantallen van natuurverenigingen
www.natuurindi- 32 catoren.be
(*) Vlaamse natuurindicator is afgestemd op voorgestelde Europese indicator.
7
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:53 PM
Page 8
Aantaltrends en verspreiding van een selectie van soorten
1 Europese algemene broedvogelindex De Europese algemene broedvogelindex beschrijft een selectie van op Europees niveau algemene vogelsoorten, op basis van de broedvogelinventarissen in de verschillende landen. De indicator wordt hier met Vlaamse gegevens ingevuld. Er zijn drie subcategorieën: de vogels van landbouwgebied, de vogels van het bosgebied en de vogels die in meerdere leefgebieden voorkomen, meestal generalisten. De vogels van het landbouwgebied gingen het voorbije decennium nog steeds sterk achteruit (bv. veldleeuwerik, boerenzwaluw). Die achteruitgang houdt verband met de intensivering en schaalvergroting in de landbouw. De toestand van de bosvogels ging er op vooruit (bv. diverse spechten). Dat heeft te maken met de bosuitbreiding en met het streven naar een meer natuurlijke boom- en struiksoortensamenstelling en -structuur en het ouder laten worden van bomen. Ook de vogels van meerdere leefgebieden deden het meestal goed (bv. ekster, zwarte kraai). De vogels van het landbouwgebied gingen sterker achteruit in Vlaanderen dan in de omgevende landen. Bosvogels gingen in Vlaanderen niet zo sterk vooruit als in Nederland en het Verenigd Koninkrijk, maar de trend was wel veel gunstiger dan in Wallonië, waar die soorten achteruitgingen. De vogels van meerdere leefgebieden deden het in Vlaanderen en het Verenigd Koninkrijk beter dan in Nederland en Wallonië.
Trend van de aantallen broedvogels van bosgebieden, van landbouwgebieden en van diverse leefgebieden, in Vlaanderen (1990 - 2000-2002), Wallonië (1994 2005), Nederland (1990 - 2004) en het Verenigd Koninkrijk (1994 2005).
130
Broedvogelindex (%)
120
110
*
100
90
Vlaanderen Wallonië Nederland Verenigd Koninkrijk
80
70
* gegevens van een aantal sleutelsoorten ontbreken
60 Bosgebieden
8
Landbouwgebieden
Andere
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 9
Aantaltrends en verspreiding van een selectie van soorten
2 Europese vlinderindex (grasland) De Europese vlinderindex beschrijft een aantal vlinderpopulaties in diverse Europese landen volgens een gestandaardiseerde methode. De indicator wordt hier met Vlaamse gegevens over graslandvlinders ingevuld. De Vlaamse gegevens geven een schommelend beeld. In 2004 bereikte de index opnieuw het niveau van het startjaar 1992. Enkele soorten vertoonden sterke schommelingen, zoals hooibeestje en kleine vuurvlinder. Kleine vuurvlinder en oranjetip volgden een eerder stijgende trend. Hooibeestje en bruin zandoogje bleven min of meer op hetzelfde niveau. Groot dikkopje, icarusblauwtje en argusvlinder ten slotte gingen achteruit. Dat was vooral (-70 %) tussen 1992 en 1999 het geval, daarna was er
Graslandvlinderindex (1992 = 100 %)
een stabilisering (lichte verbetering voor icarusblauwtje).
Trend van de aantallen graslandvlinders, geaggregeerd (links) en voor de individuele soorten (rechts).
300
Oranjetipje Hooibeestje Argusvlinder Kleine vuurvlinder Bruin zandoogje Groot dikkopje Icarusblauwtje
250
200
150
150
100
100
50
50
0
0 1992
1994
1996
1998
2000
2002
2004
1992
1994
1996
1998
2000
2002
2004
9
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 10
Aantaltrends en verspreiding van een selectie van soorten
3 Overwinterendewatervogelindex De overwinterendewatervogelindex beschrijft de aantallen van overwinterende watervogels op basis van zes midmaandelijkse tellingen. De aantallen watervogels zijn tussen de winter van 1991-1992 en de winter van 2002-2003 vervijfvoudigd in Vlaanderen. Die spectaculaire toename vond plaats op Noordwest-Europees niveau. Ze heeft te maken met de betere bescherming van de soorten en hun gebieden (jachtbeperkingen en bescherming van waterrijke gebieden) en de toenemende voedselbeschikbaarheid (vermeste matige waterkwaliteit), alsook met een noordwestwaartse verschuiving van de Zuidoost-Europese populaties. Ook libellen en vissen die aan een matige waterkwaliteit gebonden zijn volgen momenteel een positieve trend. De toename is groter in Vlaanderen dan in Noordwest-Europa. Ook soorten die in Europa stabiel bleven of afnamen (bv. pijlstaart), gingen er in Vlaanderen op vooruit. In het kleine Vlaanderen is de oppervlakte waterrijk gebied evenwel beperkt, waardoor veranderingen op relatief kleine schaal veel impact hebben op de volledige populatie (bv. verbetering van de waterkwaliteit in Rupel en Zeeschelde of beheermaatregelen in de Bourgoyen-Ossemeersen en de Uitkerkse polder).
700
Watervogelindex (1991-1992 = 100 %)
Trend van de aantallen overwinterende watervogels, geaggregeerd voor eenden en ganzen in Vlaanderen, Nederland en NoordwestEuropa.
600 500 400 300
Vlaanderen - eenden Nederland - eenden Noordwest Europa eenden Vlaanderen - ganzen Nederland - ganzen Vlaanderen - index
200 100 91-92
93-94
95-96
97-98
99-00
Winterhalfjaar
10
01-02
03-04
05-06
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 11
Verandering in status van bedreigde en/of beschermde soorten
4 Status van soorten De status van soorten wordt bepaald aan de hand van de categorieën van de ‘International Union for the Conservation of Nature’ (IUCN). De Rode Lijstsoorten zijn deze die ‘met verdwijnen bedreigd’, ‘bedreigd’ of ‘kwetsbaar’ zijn. De kennis over de status in Vlaanderen is sterk gedomineerd door gewervelde dieren en planten, waar respectievelijk voor 100 % en voor 58-70 % van de soorten de status bekend is. Paddenstoelen (10 %) en ongewervelden (5-6 %) zijn weinig gedocumenteerd. De huidige indicator is gebaseerd op de Rode Lijsten van zoogdieren, broedvogels, reptielen, amfibieën, vissen, spinnen, dagvlinders, libellen, loopkevers, rechtvleugeligen, water- en oppervlaktewantsen, mieren, dansvliegen, slankpootvliegen, vaatplanten en paddenstoelen (macrofungi). Van de 3479 gedocumenteerde soorten blijken er 228 in de loop van de voorbije eeuw uit Vlaanderen verdwenen. 981 soorten (28 %) staan op de Rode Lijst en lopen het gevaar op termijn te verdwijnen indien niet de nodige maatregelen getroffen worden. Het gaat meestal om soorten die aan zeer specifiek, dikwijls voedselarm leefgebied zijn gebonden. Ook soorten uit het landbouwgebied komen steeds meer op de Rode Lijst terecht.
Status van alle in Vlaanderen onderzochte soortengroepen (2007).
250
Aantal verdwenen soorten
Rode Lijstsoorten 200
150
Met verdwijnen bedreigd (291) Bedreigd (351) Kwetsbaar (339)
Overige soorten 100
50
Achteruitgaand (94) Zeldzaam (717) Momenteel niet bedreigd (1459) Onvoldoende gekend (213)
0
11
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 12
Verandering in status van bedreigde en/of beschermde soorten
5 Staat van instandhouding van de soorten van Europees belang De Habitatrichtlijn beoogt een gunstige staat van instandhouding van een aantal soorten die mondiaal bedreigd zijn en waarvoor Europa een belangrijke rol vervult. Het gaat dikwijls om soorten van specifieke leefgebieden. De staat van instandhouding van die soorten wordt geëvalueerd op basis van vier door Europa vastgelegde criteria, namelijk de populaties van de soort, het areaal, de habitat en de toekomstverwachtingen. Iets meer dan een kwart van de soorten (16 soorten, 27 %) bevindt zich in een gunstige staat van instandhouding. Voor 12 soorten (20 %) is de staat van instandhouding matig ongunstig en voor 22 soorten (37 %) is die zeer ongunstig. Voor negen soorten waren er onvoldoende gegevens om tot een evaluatie te komen. De beoordeling is relatief gezien het slechtst voor aquatische soorten waar slechts één van de 10 soorten gunstig scoort. Waterverontreiniging en vermesting zijn de factoren die voor de meeste soorten als een bedreiging vermeld worden.
Beoordeling van de soorten van de Habitatrichtlijn per staat van instandhouding, geaggregeerd (links) en per soortengroep (rechts) (2007).
Alle soorten
Per soortengroep
9 16
Terrestrische
Semi-aquatische
Aquatische 0 21
20
Aantal soorten 13
12
10
Gunstig Matig ongunstig
Zeer ongunstig Onbekend
30
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 13
Aantaltrends en verspreiding van een selectie van soorten
6 Staat van instandhouding van de habitats van Europees belang De Habitatrichtlijn beoogt een gunstige staat van instandhouding van een aantal habitats die mondiaal bedreigd zijn en waarvoor Europa een belangrijke rol vervult. Het gaat hier meestal om zeer specifieke leefgebieden. De staat van instandhouding van die habitats wordt geĂŤvalueerd op basis van vier door Europa vastgelegde criteria: de oppervlakte van de habitat, het areaal, de kwaliteit en de toekomstverwachtingen. Drie kwart van de habitats (37 habitats) bevindt zich in een zeer ongunstige staat van instandhouding. Daarnaast bevindt 15 % (7 habitats) zich in een matig ongunstige staat: twee veenen moerashabitats, een heidehabitat, twee graslandhabitats en twee boshabitats. Dat betekent dat er slechts twee habitats zijn die zich in een gunstige staat van instandhouding bevinden: een zilte habitat (bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten) en een kustduinhabitat (duinen met duindoorn). Alle watergebonden habitats krijgen een zeer ongunstige beoordeling. Water- en luchtverontreiniging zijn de factoren die voor de meeste habitats als een bedreiging vermeld worden.
Alle habitats 1
Beoordeling van de habitats van de Habitatrichtlijn per staat van instandhouding, geaggregeerd (links) en per biotoop (rechts) (2007).
Per habitatgroep
2 Zilte habitats 7 Venen en moerassen Water Kustduinen Heide Graslanden Bossen 0
37
2
4
6
8
Aantal habitats Gunstig Matig ongunstig
Zeer ongunstig Onbekend
13
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 14
Oppervlakte beschermde gebieden
7 Oppervlakte met effectief natuurbeheer Het MINA-plan 3 plande de realisatie van 50.000 ha ‘gebieden met effectief natuurbeheer’ tegen 2007. Het gaat om de erkende en de Vlaamse natuur- en bosreservaten, alsook om andere natuurgebieden beheerd door het Agentschap voor Natuur en Bos en militaire domeinen met een natuurprotocol. De opvolging van de effectiviteit van die gebieden voor de instandhouding van de biodiversiteit is nog in ontwikkeling. Het is wel duidelijk dat de biodiversiteit binnen die gebieden veel groter is dan erbuiten. Bij het begin van de planperiode (eind 2002) bedroeg de oppervlakte ‘gebieden met effectief natuurbeheer’ 29.480 ha of 59 % van de plandoelstelling. Eind 2006 was er 37.348 ha of 74 % gerealiseerd. Met de huidige trend wordt die oppervlaktedoelstelling niet gehaald. De oppervlakte natuurgebied (‘oppervlakte met effectief natuurbeheer’ aangevuld met niet als reservaat erkende gebieden van natuurverenigingen) bestond eind 2006 uit ongeveer 44.400 ha of 3,3 % van de Vlaamse landoppervlakte. De natuurgebieden in Vlaanderen zijn meestal klein en versnipperd. Hoe scoren de verschillende componenten? Eind 2006 was 5491 ha bij ministerieel besluit aangewezen als Vlaams natuurreservaat en in beheer door het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB). 11.378 ha had het statuut van ‘erkend natuurreservaat’ en was in beheer van natuurverenigingen. Verder was er 2423 ha bosreservaat, waarvan 2174 ha in eigendom van ANB (aangewezen bosreservaat) en 249 ha in eigendom van lokale overheden of particulieren (erkend bosreservaat). ANB voert eveneens een natuurgericht beheer in ongeveer 10.000 ha militair domein, waarvoor een natuurprotocol werd afgesloten met de federale overheid. Zowel ANB als de verenigingen hebben ten slotte nog andere natuurgebieden in eigendom of beheer die niet formeel als reservaat werden aangewezen of erkend, maar op een gelijkaardige manier worden beheerd.
Oppervlakte met effectief natuurbeheer 50000
Oppervlakte (ha)
40000
30000
Plandoelstelling MINA-plan 3 Militair domein met natuurprotocol
20000
Natuurgebied beheerd door ANB Aangewezen en erkend bosreservaat
10000
Erkend natuurreservaat 0
Vlaams natuurreservaat 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007
14
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 15
Oppervlakte beschermde gebieden
8 Oppervlakte Vlaams Ecologisch Netwerk Om de versnippering van natuurgebieden tegen te gaan en tot grotere en beter verbonden leefgebieden voor planten en dieren te komen, voorzien het Natuurdecreet, de opeenvolgende MINA-plannen en het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen 125.000 ha (9,2 % van de Vlaamse landoppervlakte) Vlaams Ecologisch Netwerk, met daarnaast 150.000 ha natuurverwevingsgebieden en een onbepaalde oppervlakte natuurverbindingsgebieden. Meer dan drie jaar na het streefjaar in het Natuurdecreet en het MINA-plan 2 (2003) en enkele maanden voor het einde van het streefjaar in het MINA-plan 3 en het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (2007) zijn 70 % van het Vlaams Ecologisch Netwerk en slechts 0,7 % van het natuurverwevingsgebied afgebakend. De afbakening loopt achter op schema en tussen 2003 en 2007 is er nauwelijks nog vooruitgang geboekt. Het uitblijven van een ontsnippering van de natuur vormt een ernstig knelpunt voor het stoppen van het verlies van biodiversiteit.
175.000
Doelen Natuurdecreet
Doelen RSV
Mina-plan2
Mina-plan3
Oppervlakte afgebakend Vlaams ecologisch Netwerk en natuurverwevingsgebied.
Oppervlakte (ha)
150.000 125.000 100.000 75.000 50.000 25.000 0 2002
2003
2004
2005
2006
2007
Afgebakend Vlaamse Ecologisch Netwerk Afgebakend natuurverwevingsgebied
15
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 16
Oppervlakte beschermde gebieden
9 Oppervlakte Natura 2000 De Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn hebben tot doel een aantal soorten en habitats die mondiaal bedreigd zijn, en waarvoor Europa een belangrijke rol vervult, te beschermen. Om dat te helpen realiseren werd het Europese Natura 2000-netwerk afgebakend. Het bestaat uit Speciale Beschermingszones aangewezen in uitvoering van de Vogelrichtlijn (Vogelrichtlijngebied) en van de Habitatrichtlijn (Habitatrichtlijngebied). In Vlaanderen werden 24 Vogelrichtlijngebieden aangewezen met een gezamenlijke oppervlakte van 98.423 ha of 7,3 % van de landoppervlakte. Er werden 38 Habitatrichtlijngebieden vastgesteld en door de Europese Commissie op de lijst van gebieden van communautair belang geplaatst. De Habitatrichtlijngebieden hebben een gezamenlijke oppervlakte van 101.891 ha of 7,5 % van de Vlaamse landoppervlakte. De totale oppervlakte Natura 2000 bedraagt daarmee 163.499 ha (12,1 % van de Vlaamse landoppervlakte). De mariene gebieden zijn daar niet bij inbegrepen. Zij behoren tot de bevoegdheid van de Belgische federale overheid.
180.000
13 12
160.000
11
Oppervlakte (ha)
140.000
10 9
120.000
8 100.000
7 6
80.000
5 60.000
4 3
40.000
2
20.000
1
0
0 1988 1990
16
Aandeel van de terrestrische oppervlakte (%)
Oppervlakte Vogelrichtlijngebied, Habitatrichtlijngebied en Natura 2000 in Vlaanderen.
1992 1994
1996
1998 2000
2002
2004 2006
Natura 2000 Habitatrichtlijngebied Vogelrichtlijngebied
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 17
Oppervlakte beschermde gebieden
Oppervlakte Habitatrichtlijngebied – internationale vergelijking In vergelijking met het EU 25-gemiddelde (12,2 %) hebben Vlaanderen (7,5 %) en België (10 %) een eerder bescheiden oppervlakte als Habitatrichtlijngebied vastgesteld. Ten opzichte van de WestEuropese buurlanden scoort België relatief hoog qua aandeel terrestrisch Habitatrichtlijngebied. Enkel Luxemburg, met zijn hogere welvaartspeil (215) en lagere bevolkingsdichtheid (175 inwoners/km²), haalt een hoger percentage (14,8 %, niet op figuur). Duitsland (9,9 %), met zijn beperktere bevolkingsdichtheid, heeft nagenoeg hetzelfde percentage als België. De hoge relatieve oppervlakte Habitatrichtlijngebied in België wordt in belangrijke mate verklaard door de hoge percentages die Wallonië (11,9 %) en het Brussels Gewest (14,7 %) hebben vastgesteld. In vergelijking met dichtbevolkte economische topregio’s en buurlanden scoren zowel Vlaanderen als België hoog wat betreft de relatieve oppervlakte Habitatrichtlijngebied. Vlaanderen scoort hoger dan andere dichtbevolkte en economisch sterke regio’s in Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland. Enkel Nederland (8,4 %) doet het nog beter.
Aandeel terrestrische oppervlakte (%)
Duitsland (110) 10
Relatieve oppervlakte Habitatrichtlijngebied in Vlaanderen, België en naburige economische topregio’s en EUlanden (eind 2006).
België (117)
Frankrijk (114)
Nederland (122)
8 Denemarken (125)
Vlaanderen (115)
Verenigd Koninkrijk (116)
6
West-Nederland (136) Zuid-Nederland (117) EU-lidstaten Economische topregio's
Nordrhein-Westfalen (111) 4 lle-de-France (179)
South East England (125)
De cijfers tussen haakjes vermelden het bruto binnenlands/ regionaal product van het land of de regio, ten opzichte van het EU 25-gemiddelde (index = 100).
2 Nord-Pas-de-Calais (90) 0 0
200
400
600
800
1000
2
Bevolkingsdichtheid (inwoners/km )
17
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 18
Oppervlakte beschermde gebieden
10 Bijdrage van Vlaamse natuur- en bosbeleid aan uitvoering Habitatrichtlijn Binnen de Habitatrichtlijngebieden dienen de EU-lidstaten maatregelen te treffen om de instandhouding van de soorten en habitats uit de richtlijn te realiseren. Deze indicator toont in welke mate een aantal Vlaamse gebiedsgerichte beleidsinstrumenten overlappen met de Habitatrichtlijngbieden. Eind 2006 bestonden de Habitatrichtlijngebieden voor 55 % uit afgebakend Vlaams Ecologisch Netwerk en natuurverwevingsgebieden. Tevens bestonden ze voor 25 % uit ‘gebieden met effectief natuurbeheer’ en voor 28 % uit natuurgebied, voor minder dan 0,5 % uit beheerovereenkomsten met landbouwers en voor naar schatting 10 % uit bos met uitgebreid beheerplan. In totaal zou daarmee ongeveer een derde van de Habitatrichtlijngebieden van een vorm van door de overheid gefinancierd beheer genieten. Ongeveer 12 % van de Habitatrichtlijngebieden was in eigendom van de Vlaamse overheid en de terreinbeherende natuurverenigingen. Van de ongeveer 20.000 ha Habitatrichtlijngebied in landbouwgebruik genoot slechts een kleine 3300 ha van een regime van nulbemesting. Voor 9 van de 36 Bijlage IV-soorten die in Vlaanderen werden waargenomen, waren er soortbeschermingsmaatregelen in uitvoering. Ter vergelijking: in Nederland ontvangt ongeveer twee derde van de oppervlakte Natura 2000 een vorm van door de overheid gefinancierd natuurbeheer. De overheid (excl. Rijkswaterstaat en Defensie) en de terreinbeherende organisaties hebben er samen ruim de helft van de oppervlakte van Habitatrichtlijngebied op het land in eigendom.
Mogelijke bijdrage van Vlaamse beleidsinstrumenten aan het beheer van de Habitatrichtlijngebieden en de bescherming van Bijlage IV-soorten (eind 2006).
Vlaams Ecologisch Netwerk Effectief natuurbeheer beheerovereenkomsten en uitgebreide bosbeheerplannen Verworven door Vlaamse overheid en terreinbeherende natuurverenigingen Natuurinrichting, bosuitbreiding en natuurontwikkeling
onbekend
Bemesting niet van toepassing of nulbemesting
0
10
20
30
40
50
60
70
80
90
100
80
90
100
Oppervlakte Habitatrichtlijngebied (%)
Soortbeschermingsplan in uitvoering
0
10
20
30
40
50
60
70
Aantal Bijlage IV-soorten (%)
18
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 19
Oppervlakte beschermde gebieden
11 Oppervlakte natuurrichtplannen Het Natuurdecreet voorziet Natuurrichtplannen voor het volledige Vlaams Ecologisch Netwerk, de natuurverwevings- en de natuurverbindingsgebieden, de Vogelrichtlijn- en de Habitatrichtlijngebieden en de overige groene bestemmingen op het gewestplan. Dat is een totale oppervlakte van ongeveer 285.000 ha of een vijfde van Vlaanderen. Voor het Vlaams Ecologisch Netwerk en de natuurverwevingsgebieden is er een deadline aan verbonden (20 januari 2008). In 2004 werd per provincie een pilootplangebied ingesteld voor de opmaak van een natuurrichtplan. Het lag in de bedoeling om vanaf 2005 elk jaar twee nieuwe natuurrichtplannen per provincie op te starten. Na de pilootgebieden is er evenwel alleen in 2005 nog een nieuw natuurrichtplan opgestart. Geen van die natuurrichtplannen zijn goedgekeurd. De opmaak van de natuurrichtplannen loopt sterk achter op schema. Nochtans zijn die plannen van groot belang om (1) de verschillende instrumenten optimaal in te zetten, (2) ook andere beleidsdomeinen meer natuurgerichte inspanningen te laten leveren, (3) multifunctioneel gebruik van die gebieden te optimaliseren en (4) meer duidelijkheid en zekerheid te geven aan alle betrokkenen in en om die gebieden.
Oppervlakte opgestarte en goedgekeurde natuurrichtplannen.
Oppervlakte natuurrichtplan (ha)
Doel Natuurdecreet 300.000
Goedgekeurd
200.000
100.000
Opgestart 0 2003
2004
2005
2006
2007
2008
19
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 20
Stikstofdepositie
12 Overschrijding kritische last vermesting door stikstofdepositie Vermesting is een van de belangrijkste factoren die de biodiversiteit gedurende de voorbije eeuw hebben beïnvloed. De overschrijding van de kritische last vermesting door stikstofdepositie is een maat voor de potentiële verstoring door de atmosferische stikstofdepositie. De kritische last is het maximale depositieniveau waarbij er op lange termijn – volgens de huidige kennis – geen verstoring van de biodiversiteit optreedt. Vermestingsgevoelige ecosystemen als bossen, heiden en soortenrijke graslanden kenmerken zich door een lage kritische last. Het MINA-plan 3 streeft op lange termijn (2030) naar het terugdringen van de stikstofdeposities tot onder de kritische last, een nodige voorwaarde voor de duurzame instandhouding van de vermestingsgevoelige biodiversiteit. De atmosferische depositie van stikstof bedroeg in 2004 in Vlaanderen gemiddeld 39,8 kg/ha, een daling met 19 % vergeleken met 1990. Ze bestond voor 55 % uit ammoniakale stikstof. In 2004 was in respectievelijk 100, 100 en 72 % van de oppervlakte bos, heide en soortenrijk grasland in Vlaanderen de depositie hoger dan de bijhorende kritische last, samen 92 % van de oppervlakte vermestingsgevoelige terrestrische natuur. De geleidelijke afname sinds 2001 van de oppervlakte grasland waar de kritische last overschreden wordt, zette zich in 2004 niet door. Ook voor de overschrijding van de kritische last valt die trendbreuk op. Gemiddeld was er in 2004 een overschrijding van 16,0 kg N/ha. De gemiddelde overschrijding is het hoogst voor bossen (+27,9 kg N/ha in 2004), gevolgd door heiden en soortenrijke graslanden (resp. +14,5 en +5,8 kg N/ha in 2004). De realisatie van de kortetermijnemissiereductiedoelstellingen tegen 2010 zou de gemiddelde overschrijding van de kritische last vermesting gevoelig verminderen tot 17,1, 8,4 en 2,4 kg N/ha/jaar voor respectievelijk de oppervlakte bos, heide en graslanden in Vlaanderen. De overschrijding van de kritische last behoort in Vlaanderen tot de hoogste van Europa.
Gemiddelde overschrijding van de kritische last voor vermesting.
Gemiddelde overschrijding (kg N/ha/jaar)
50
40
30
20
10
Bos Heide Grasland Totaal
0 1990
20
1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 21
Aantal en kosten van invasieve exoten
13 Aantal uitheemse soorten Door de toenemende mobiliteit van mensen en goederen worden – al dan niet bewust – steeds meer soorten planten en dieren in- en uitgevoerd. Uitheemse soorten vormen een toenemende bedreiging voor de inheemse biodiversiteit. Sommige uitheemse soorten worden na verloop van tijd invasief en verstoren daarmee de inheemse biodiversiteit. Het aantal uitheemse soorten vormt een maat voor het risico op invasieve uitheemse soorten. Daarnaast dient een indicator te worden ontwikkeld die de invasieve soorten en hun schade opvolgt. Tussen 1900 en 2007 kwamen er ongeveer 900 uitheemse plantensoorten in de natuur in Vlaanderen terecht. Bijna 400 van die soorten vormden blijvende populaties. De toename van het aantal uitheemse plantensoorten verliep exponentieel. Welke van die soorten weer zullen verdwijnen en welke zich ver buiten hun introductieplaats zullen verspreiden is nu nog niet geweten. Tussen 1900 en 2007 vormden ook ongeveer 80 uitheemse diersoorten blijvende populaties in de natuur in Vlaanderen. De laatste vijf jaar nam het aantal uitheemse planten- en diersoorten in de natuur in Vlaanderen toe met meer dan 25 per jaar. Daardoor vergroot de kans op bijkomende problemen met invasieve soorten. De kosten om sommige invasieve soorten te bestrijden lopen nu al hoog op (bv. Amerikaanse vogelkers, Canadese gans, diverse waterplanten).
Cumulatief aantal uitheemse soorten vaatplanten (links) en gewervelde en ongewervelde dieren (rechts).
21
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 22
Impact van klimaatverandering op de biodiversiteit
14 Vliegactiviteit libellen In de natuur in Vlaanderen worden steeds meer aanwijzingen voor de actuele impact van klimaatverandering vastgesteld. De lente-index volgt de eerste waarneming van een soort. Cijfers daarover zijn beschikbaar voor libellen, vlinders en trekvogels. Ook de gevolgen van de verschillen in de verschuivingen in ruimte en tijd ten gevolge van klimaatwijziging moeten worden opgevolgd. De gemiddelde eerste waarneming van libellen is tussen 1984 en 2006 geleidelijk vervroegd. Die vervroeging varieert naargelang de soort. Van de 26 onderzochte soorten waren er acht waarvan de eerste waarneming significant vervroegde en 18 waarbij dat niet het geval was. Voor sommige soorten was er ook een verlating van de laatste waarneming. Tijdens de voorbije 20 jaar is de vliegperiode van vlinders en libellen gemiddeld met twee weken verlengd. Daarbij blijkt er een positief verband tussen de verlenging van het vliegseizoen en de uitbreiding van het areaal van een soort. Soorten die hun vliegperiode en areaal uitbreiden reageren positief op de klimaatwijziging. Het risico schuilt er evenwel in dat sommige soorten zich meer en andere zich minder aanpassen, waardoor er wijzigingen dreigen in de voedselketen en een verlies van ecologische samenhang. Dat is bijvoorbeeld gedocumenteerd voor de bonte vliegenvanger, een trekvogel waarvan de aankomstdatum minder vervroegt dan het uitkomen van rupsen, die de voornaamste voedselbron voor zijn jongen vormen.
Zwarte heidelibel Watersnuffel Bloedrode heidelibel Blauwe glazenmaker
Lente index (1984 = 100)
Bruinrode heidelibel Platbuik Grote roodoogjuffer Paardenbijter
100 120
110 105
100 100 95
80
90
Jaarlijks Vijfjaarlijks gemiddelde
85
60 1985
22
140
andeel gesaneerde knelpunten (%)
Eerste waarneming (lenteindex) van libellen, geaggregeerd (links) en voor enkele individuele soorten (rechts).
1990
1995
2000
2005
1985
80
60
40
20
1990
1995
2000
2005
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 23
Connectiviteit/fragmentatie van ecosystemen
15 Gesaneerde vismigratieknelpunten De fragmentatie van waterlopen door stuwen en sluizen vormt, samen met de verstoring van water- en habitatkwaliteit, een ernstig knelpunt voor de instandhouding van vooral vispopulaties. Reeds in 1996 stelde de Benelux zich tot doel tegen 1 januari 2010 vismigratie te verzekeren in alle hydrografische bekkens. Die doelstelling werd in 2003 opgenomen in het Vlaamse Decreet betreffende het Integraal Waterbeleid. Het MINA-plan 3 voegde daar een tussenstap aan toe: tegen 2007 moet 75 % van de knelpunten op prioritaire waterlopen gesaneerd zijn en bovendien mogen er geen nieuwe knelpunten bijkomen. De afgelopen jaren werd gewerkt aan de realisatie van een vrije vismigratie in een prioritair netwerk van ongeveer 3000 km. Eind 2006 waren in totaal 110 van de 796 (14 %) knelpunten gesaneerd. Het totale aantal knelpunten is veranderlijk aangezien een knelpunt soms van nature verdwijnt of bij verder onderzoek geen knelpunt blijkt te zijn. De doelafstand (100 % in 2010) blijft evenwel zeer groot. Indien het huidige saneringstempo wordt aangehouden zal tegen 2010 slechts 20 % van de geĂŻnventariseerde vismigratieknelpunten gesaneerd zijn. Ondertussen vertonen de migrerende vissoorten een beperkt herstel, dat wellicht vooral te maken heeft met de verbetering van de waterkwaliteit.
Aandeel gesaneerde vismigratieknelpunten op de prioritaire waterlopen in Vlaanderen.
Aandeel gesaneerde knelpunten (%)
100
80
60
40
20
Doelstelling Benelux Doelstelling MINA-plan 3 Gesaneerde knelpunten
0 2001
2002 2003
2004 2005
2006 2007
2008
2009 2010
23
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 24
Waterkwaliteit in oppervlaktewateren
16 Fosforconcentraties in rivieren De Europese Kaderrichtlijn Water en het Decreet Integraal Waterbeleid stellen dat elke EU-lidstaat ernaar moet streven om tegen 2015 minimaal de goede ecologische toestand te bereiken in alle natuurlijke oppervlaktewateren. Voldoende lage fosforconcentraties zijn een belangrijke randvoorwaarde om de goede of zeer goede ecologische toestand in rivieren te halen. Voor de Vlaamse riviertypen zijn – conform de Kaderrichtlijn Water – twee richtwaarden opgesteld voor een gemiddelde orthofosfaatconcentratie: een voor het bereiken van de zeer goede en een voor het bereiken van de goede ecologische toestand. De richtwaarden voor fosfor vormen een noodzakelijke voorwaarde voor het herstellen van de aquatische levensgemeenschappen. Deze indicator volgt het aantal meetplaatsen dat aan die richtwaarden voldoet. Dankzij de inspanningen rond waterzuivering en de afbouw van fosfaathoudende wasmiddelen nam in de jaren 90 het aantal meetpunten dat voor fosfor de zeer goede of goede ecologische toestand bereikte geleidelijk toe. Na 1998 vonden vooral jaarschommelingen plaats, die samengingen met neerslagschommelingen. Ondertussen reageerden in Vlaanderen een aantal soorten van matige waterkwaliteit positief op de verbeterde waterkwaliteit (bv. libellen, watervogels, vissen). De locaties met een zeer goede waterkwaliteit blijven evenwel moeilijk te beschermen of uit te breiden (door bv. fosfordruk op voedselarme beken). Het risico op verdere achteruitgang van de meest kwetsbare waterhabitats en -soorten blijft daardoor groot (bv. drijvende waterweegbree). In 2005 bereikte 25 % van de meetplaatsen de zeer goede of goede ecologische toestand. De doelafstand (100 % in 2015) blijft zeer groot. Om een inhaalbeweging op gang te brengen tegen 2015 is een modelmatige afweging van instrumenten zoals aanleg van bufferzones, beheerovereenkomsten, bijkomende zuivering, erosiebeperkingen en mestbeperkingen aangewezen. De fosforconcentraties in Vlaamse rivieren behoren tot de hoogste in Europa. Ecologische kwaliteit in rivieren inzake fosforconcentratie.
100
Aandeel meetplaatsen (%)
80
60
40
20 Matig-slecht Goed Zeer goed
0 '90 '91 '92 '93 '94 '95 '96 '97 '98 '99 '00 '01 '02 '03 '04 '05
24
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 25
Oppervlakte bos-, landbouw-, visserij- en aquacultuurecosysteem met duurzaam beheer
17 Oppervlakte bosbeheerplan Het bosbeheerplan vormt een belangrijke schakel voor het duurzame beheer van bossen. Om aan de criteria duurzaam bosbeheer of aan het basisniveau te voldoen is respectievelijk een uitgebreid of een beperkt bosbeheerplan nodig. Alle bossen groter dan vijf hectare dienen over een bosbeheerplan te beschikken. Bij de openbare bossen en binnen het Vlaams Ecologisch Netwerk moet dat een uitgebreid bosbeheerplan zijn. Deze indicator toont de oppervlakte met beperkt of uitgebreid goedgekeurd bosbeheerplan. Er zijn momenteel geen gegevens beschikbaar over de effectiviteit van het bosbeheer voor de verschillende doelstellingen uit de bosbeheerplannen. Een analyse in NARA 2007 toont dat ook de beperkte bosbeheerplannen toenemende aandacht besteden aan de ecologische functie van het bos. Tussen 1990 en 2006 werd 13.958 ha uitgebreid en 28.232 ha beperkt bosbeheerplan goedgekeurd, wat het totaal op 42.190 ha bracht. Dat betekent dat ongeveer 29 % van de bosoppervlakte een goedgekeurd beheerplan bezit. Het totaal is mogelijk overschat omdat sommige bossen ondertussen van eigenaar veranderden. Alleen al omdat de bosoppervlakte (150.000 ha) veel groter is dan de oppervlakte natuurgebied (zie natuurindicator 7), vormen de bosbeheerplannen een belangrijk instrument voor de instandhouding van de biodiversiteit.
Oppervlakte beperkt en uitgebreid bosbeheerplan. De uitgebreide bosbeheerplannen voldoen aan de criteria duurzaam bosbeheer.
Cumulatieve oppervlakte (ha)
40.000
30.000
20.000
10.000
Uitgebreide beheerplannen Beperkte beheerplannen
0 1990
1992
1994
1996
1998
2000
2002
2004
2006
25
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 26
Oppervlakte bos-, landbouw-, visserij- en aquacultuurecosysteem met duurzaam beheer
18 Stikstofoverschot op landbouwbodems De stikstofbalans van een landbouwbodem bestaat aan de inputzijde uit de hoeveelheid stikstof die de landbouwbodem binnenkomt (mest, atmosferische depositie, biologische stikstoffixatie, zaaigoed). De outputzijde bestaat uit de hoeveelheden stikstof die de landbouwbodem verlaten: nutriënten opgenomen door planten, de ammoniakemissie uit bodem en mest, en de overige emissies naar het milieu die via de landbouwbodem passeren. Deze laatste stroom is het stikstofoverschot op de bodembalans en is een indicator voor het verlies van nutriënten uit de landbouwbodem naar het milieu. Hoe groter het stikstofoverschot, des te groter het risico op uitspoeling naar grond- en oppervlaktewater, en des te voedselrijker de landbouwbodem als leefgebied voor planten en dieren. De doelstelling voor 2007, zoals bepaald in het MINA-plan 3, bedraagt 70 kg N/ha. Tussen 1990 en 2006 daalde het stikstofoverschot met 57 %. Dat is te danken aan de afname van de veestapel, het verminderde kunstmestgebruik, de toenemende mestverwerking, de verhoogde voederefficiëntie en de toename van de gewasafvoer door productiviteitsstijgingen. In 2006 bedroeg het overschot 54 miljoen kg N of 87 kg N/ha, exclusief ammoniakemissie. De afstand tot de doelstelling bedraagt dus 11 miljoen kg N of 17 kg N/ha. De lichte stijging in 2006 is het gevolg van de minder goede oogst in dat jaar. Zowel het huidige stikstofoverschot op de bodembalans als de ammoniakemmissie door de landbouw in Vlaanderen (57 kg N/ha cultuurgrond) behoren tot de hoogste van Europa.
Jaarlijks stikstofoverschot op de bodembalans van cultuurgronden in Vlaanderen.
Stikstofoverschot (kg N/ha)
250
200
150
100
50 Stikstofoverschot op bodembalans Doelstelling MINA-plan 3
0 1990
26
1992
1994
1996
1998
2000
2002
2004
2006
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 27
Oppervlakte bos-, landbouw-, visserij- en aquacultuurecosysteem met duurzaam beheer
19 Oppervlakte in landbouwgebruik met hoge natuurwaarden Het extensieve landbouwkundige gebruik van gronden vormt de grondslag voor heel wat karakteristieke, zeldzame of Europees belangrijke leefgebieden voor planten en dieren. Door toenemende schaalvergroting, specialisatie en intensivering heeft de landbouw veel van die gebieden hetzij verlaten, hetzij ingrijpend gewijzigd. In 2006 omvatte het Vlaamse landbouwgebruiksgebied (675.757 ha geregistreerde landbouwgebruikpercelen) 3.200 ha biologisch zeer waardevolle percelen (0,47 %), 12.000 ha met een complex van biologisch waardevolle en zeer waardevolle elementen (1,8 %) en 34.300 ha biologisch waardevolle percelen (5,1 %). Dat landbouwgebruiksgebied met hoge natuurwaarden komt verspreid en sterk versnipperd over Vlaanderen voor, met lokaal hoge dichtheden in de kustpolders en de IJzervallei. Het areaal biologisch zeer waardevolle percelen bestaat grotendeels uit kleine landschapselementen (30 %), graslanden (30 %) en bossen (26 %). Samen vormen die drie bodemgebruiken de bouwstenen voor gevarieerde, soortenrijke, cultuurhistorisch gegroeide landbouwlandschappen. Het Europees Milieuagentschap klasseert op basis van de CORINE-geodataset met landbedekking en -gebruik ongeveer 1 % van de Belgische cultuurgronden als ‘high nature value farmland’, waarmee België het meest natuurarme landbouwgebied in de EU-15 herbergt. De vaststelling dat 0,47 % van de Vlaamse landbouwpercelen biologisch zeer waardevol zijn, stemt goed overeen met dat beeld. g
Landbouwgebruikpercelen met hoge natuurwaarden in Vlaanderen.
Biologisch waardevol Biologisch waardevol met zeer waardevolle elementen Biologisch zeer waardevol
A
B
27
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 28
Oppervlakte bos-, landbouw-, visserij- en aquacultuurecosysteem met duurzaam beheer
20 Oppervlakte beheerovereenkomsten met natuurdoelen In het kader van het eerste Vlaamse Programma voor Plattelandsontwikkeling (2000–2006) konden landbouwers vijf jaar durende beheerovereenkomsten sluiten met de Vlaamse overheid waarbij ze zich verbinden om meer voor milieu, natuur en landschap te doen dan de wettelijke randvoorwaarden en verplichtingen. De beheerovereenkomsten perceelrandenbeheer en herstel, ontwikkeling en onderhoud van kleine landschapselementen, die beide de versterking van de natuurlijke infrastructuur in het landbouwgebied nastreven, kenden een groot opnamesucces. Op het einde van de programmaperiode telde het Vlaamse landbouwgebied 1313 ha perceelranden (5,3 keer het vooropgestelde doel) en liepen er overeenkomsten voor 98,01 ha houtkant/-wal, 237 km heg en 456 poelen (1,6 keer het vooropgestelde doel). Van de beheerovereenkomsten die zich richten op ontwikkeling, behoud en herstel van agrarische soorten en levensgemeenschappen in daartoe afgebakende gebieden, realiseerde er geen enkele de oppervlaktedoelen voor de periode 2000-2006. Van de beoogde 1500 ha weidevogelbeheer en 6000 ha botanisch beheer + natuur werden respectievelijk 48 en 29 % gerealiseerd. De eerste beheerovereenkomsten hamsterbescherming gingen in 2006 van start (6,2 ha - niet in figuur). Kwantitatieve informatie over de mate waarin de beheerovereenkomsten hun natuurdoelen realiseren is niet voorhanden.
Oppervlakte cultuurgrond met natuurgerichte beheerovereenkomsten.
10000
Oppervlakte (ha)
8000
6000
Doelstelling 2006 Percelen waarop kleine landschapselementen aangeplant werden en/of onderhouden worden
4000
Perceelranden Percelen onder botanisch beheer (incl. beheerovereenkomst natuur)
2000
0 2000
28
2001
2002
2003
2004
2005
2006
Percelen onder weidevogelbeheer
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 29
Oppervlakte bos-, landbouw-, visserij- en aquacultuurecosysteem met duurzaam beheer
21 Oppervlakte biologische landbouw Biologische landbouw is een bedrijfsvoering die maximaal gebruik maakt van hernieuwbare hulpbronnen en van de eigen systemen van de natuur om aantasting en ziekten van gewassen en vee te bestrijden. Synthetische bestrijdingsmiddelen, chemische meststoffen, antibiotica en genetische manipulatie worden niet gebruikt. Biologische bedrijfsvoering draagt meer bij tot de instandhouding van ecosystemen, huisvest doorgaans een hogere biodiversiteit en is minder belastend voor het milieu dan de gangbare bedrijfsvoering. De oppervlakte in biologisch landbouwgebruik steeg van 1994 tot 2001 van 640 ha tot 4.026 ha. Tussen 2002 en 2005 daalden de oppervlakte en het aantal bedrijven merkbaar. In 2006 werd deze trend gekeerd en bedroeg het areaal biologische landbouw 3.267 ha, wat overeenkomt met 0,5 % van de totale oppervlakte landbouwgebruikpercelen. Verschillende socio-economische factoren liggen aan de basis van de stagnatie sinds 2000. Ten eerste is het voor de biologische landbouwer moeilijker om zijn product vermarkt te krijgen. Verder wordt het (verkeerde) idee bij de gangbare landbouwers gehandhaafd dat biologische landbouw technisch en bedrijfseconomisch moeilijk haalbaar zou zijn voor de bedrijfsleider. Vanaf 2008 beoogt de Vlaamse overheid met een vernieuwd actieplan biologische landbouw extra impulsen geven aan de biologische bedrijfsvoering en de komende jaren een zichtbare groei realiseren. De stagnatie in Vlaanderen staat in schril contrast tot de sterke toename van het biologisch bewerkte areaal in de EU-15, dat in 2002 reeds zo’n 4 % van de gezamenlijke teeltoppervlakte
Aandeel oppervlakte cultuurgrond (%)
van de EU-15 bedroeg.
Aandeel van de oppervlakte in landbouwgebruik met biologische bedrijfsvoering in Vlaanderen en EU-15.
4
3
2
1
Vlaanderen EU-15
0 1985
1990
1995
2000
2005
29
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 30
Ecologische voetafdruk van Europese landen
22 Ecologische voetafdruk van hernieuwbare materialen Voor de productie van hernieuwbare materialen is er biologisch productief land nodig: landbouwgrond voor gewassen en vee, bosgrond voor hout en visgrond voor vis. De ecologische voetafdruk voor hernieuwbare materialen van een regio omvat de oppervlakte biologisch productief land die nodig is om te voorzien in de consumptie van hernieuwbare materialen van die regio. De ecologische voetafdruk voor hernieuwbare materialen wordt uitgedrukt in globale hectare: een globale hectare vertegenwoordigt een gebied van 1 hectare met een wereldgemiddelde biologische productiviteit. In 1999 was er op wereldschaal 1,80 globale hectare biologisch productief gebied per persoon beschikbaar. Die oppervlakte moet niet alleen de consumptie van hernieuwbare materialen maar ook de energieconsumptie ondersteunen. In 2002 bedroeg de ecologische voetafdruk voor hernieuwbare materialen in Vlaanderen gemiddeld 1,94 globale hectare per inwoner. De energieconsumptie is daar niet inbegrepen. Aangezien er maar 1,80 globale hectare biologisch productief gebied per persoon beschikbaar is, is het duidelijk dat de Vlaming meer verbruikt dan wat deze planeet per inwoner te bieden heeft. In die omstandigheden is het niet mogelijk om het verlies van biodiversiteit te stoppen. Momenteel bevindt 59 % van de door de Vlamingen gebruikte oppervlakte zich in het buitenland, voornamelijk landbouwgrond waarop energierijke voedergewassen geteeld worden voor de Vlaamse veeteelt. Daarbij wordt de milieudruk deels afgewenteld op andere landen. De enige verandering tussen 1993 en 2002 is dat dankzij de verhoogde inzet van gerecycleerde papiervezels de druk op bossen verminderde.
3,0
Ecologische voetafdruk (globale ha/inwoner)
Ecologische voetafdruk voor hernieuwbare materialen (energieconsumptie niet inbegrepen) in globale hectare.
2,5
2,0
1,5
1,0
Vlaanderen WalloniĂŤ Nederland Verenigd Koninkrijk
0,5
0,0 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002
30
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 31
Maatschappelijke houding en participatie
23 Bezoeken aan natuur- en bosgebieden De uitbreiding van de toegankelijkheid van natuur- en bosgebieden wordt in het Vlaams natuurbeleid gezien als een stimulerende maatregel die het maatschappelijk draagvlak vergroot. Ook het Vlaamse regeerakkoord en de Beleidsnota Leefmilieu en Natuur pleiten voor een grotere toegankelijkheid van natuur en bos voor iedereen. De jaarlijkse survey van de studiedienst van de Vlaamse Regering peilt hoe dikwijls Vlamingen bos- en natuurgebieden bezoeken (Beyst & Pickery, 2006). Van 1500 ondervraagde Vlamingen zegt 63 % minstens enkele keren per jaar een bos of natuurgebied te bezoeken. De frequentie van de bezoeken vertoont een licht dalende trend, vooral bij de meer frequente bezoekers. Het aandeel Vlamingen dat zegt nooit een bos- of natuurgebied te bezoeken neemt toe. Er is een nieuw besluit van de Vlaamse Regering in voorbereiding dat de regelgeving inzake toegankelijkheid van Vlaamse bossen en natuurreservaten moet harmoniseren. De organisatie van de openstelling van natuur- en bosgiebeden dient uit te gaan van de maatschappelijke behoeften en de draagkracht van de natuur.
Percentage van de respondenten (%)
100
Nooit Hoogstens één keer per jaar Meerdere keren per jaar Eén keer per maand Meerdere keren per maand
80
60
40
20
0 1997
1998 1999
2000
2001 2002
2003 2004
2005 2006
31
Frequentie van bezoeken aan bos- en natuurgebieden.
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 32
Maatschappelijke houding en participatie
24 Ledenaantallen van natuurverenigingen Het aantal leden van natuurverenigingen geeft een indicatie van de interesse en het sociale draagvlak in Vlaanderen voor natuur en natuurbeleving. De indicator wordt evenwel ook beĂŻnvloed door het beleid van de betrokken organisaties. In 2006 werd Natuurpunt met meer dan 65.000 leden (2,5 % van de Vlaamse huishoudens) de grootste natuurvereniging in Vlaanderen. De vereniging ontstond in 2002 uit de fusie van Natuurreservaten en De Wielewaal en kende sindsdien een stijgend ledenaantal (+11 % in 2006). De meeste andere natuurverenigingen die in gans Vlaanderen actief zijn, zagen de voorbije jaren hun ledenaantallen licht toenemen. Enkel Greenpeace kende in 2006 een terugval.
Ledenaantallen van natuurverenigingen. 70.000 60.000
Ledenaantal
50.000 40.000 30.000 20.000 10.000 0 1994
32
1996
1998
2000
2002
2004
2006
Natuurreservaten vzw Wielewaal vzw Natuurpunt vzw Greenpeace Wereldnatuurfonds Vogelbescherming Jeugdbond voor Natuur en Milieu
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 33
Databronnen Onderstaande tabel geeft de bronnen van de in deze brochure gerapporteerde 24 natuurindicatoren. Europese kernindicatoren
24 Vlaamse natuurindicatoren
Brongegevens
1. Aantaltrends en verspreiding van een selectie van soorten
1. Europese algemene broedvogelindex (*)
INBO, SOVON, BTO, Vansteenwegen (2006), Vermeersch et al. (2004)
2. Europese vlinderindex (grasland) (*)
INBO, Vlinderwerkgroep
3. Overwinterendewatervogelindex
INBO, Wetlands International, van Roomen et al. (2006)
4. Status van soorten
Beschikbare Rode Lijsten in Vlaanderen
5. Staat van instandhouding van de soorten van Europees belang (*)
Paelinckx et al. (2007)
6. Staat van instandhouding van de habitats 3. Trend in de oppervlakte van Europees belang (*) van een selectie ecosystemen en habitats
Paelinckx et al. (2007)
2. Verandering in status van bedreigde en/of beschermde soorten
5. Oppervlakte beschermde gebieden
7. Oppervlakte met effectief natuurbeheer
INBO, ANB, verenigingen
8. Oppervlakte Vlaams Ecologisch Netwerk en natuurverwevingsgebieden
Departement RWO, afdeling Ruimtelijke Planning.
9. Oppervlakte Natura 2000 (*)
INBO, EEA
10. Bijdrage van het Vlaamse natuur- en bosbe- INBO, ANB, VLM leid aan de uitvoering van de Habitatrichtlijn 11. Oppervlakte natuurrichtplannen
INBO
6. Stikstofdepositie
12. Overschrijding kritische last vermesting door stikstofdepositie (*)
VMM-MIRA
7. Aantal en kosten van nvasieve exoten
13. Aantal uitheemse soorten (*)
Nationale Plantentuin Meise , Verloove (2002), INBO
8. Impact van klimaatveran- 14. Vliegactiviteit libellen dering op de biodiversiteit
Libellenwerkgroep
10. Connectiviteit/fragmentatie van ecosystemen
15. Gesaneerde vismigratieknelpunten (*)
VMM, afdeling Water
11. Waterkwaliteit in oppervlaktewateren
16. Fosforconcentraties in rivieren (*)
VMM
33
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:54 PM
Page 34
Europese kernindicatoren
24 Vlaamse natuurindicatoren
Brongegevens
12. Oppervlakte bos- landbouw-, visserij- en aquacultuurecosysteem met duurzaam beheer
17. Oppervlakte bosbeheerplan
ANB
18. Stikstofoverschot op cultuurbodems (*)
VMM-MIRA
19. Oppervlakte in landbouwgebruik met hoge natuurwaarden (*)
INBO
20. Oppervlakte beheerovereenkomsten met natuurdoelen (*)
VLM
21. Oppervlakte biologische landbouw (*)
Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie
22. Ecologische voetafdruk van hernieuwbare materialen (*)
VMM-MIRA
13. Ecologische voetafdruk
16. Maatschappelijke houding 23. Bezoeken aan natuur- en bosgebieden en participatie (nog in ontwikkeling) 24. Ledenaantallen van natuurverenigingen
(*) Vlaamse natuurindicator is afgestemd op voorgestelde Europese indicator.
34
Studiedienst van de Vlaamse Regering INBO, verenigingen
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:55 PM
Page 35
Databeschikbaarheid voor de volledige Vlaamse invulling van de voorgestelde Europese 2010-indicatoren Onderstaande tabel geeft de databeschikbaarheid aan voor de volledige Vlaamse invulling van de 26 voorgestelde Europese 2010-indicatoren (EEA 2007).
Europese kernindicatoren
26 Voorgestelde Europese indicatoren
Databeschikbaarheid in Vlaanderen
1. Aantaltrends en verspreiding van een selectie van soorten
1. Europese algemene broedvogelindex (*)
Jaarlijkse monitoring sinds 2006, INBO, Natuurpunt
1. Europese vlinderindex (grasland) (*)
Jaarlijkse monitoring, Vlinderwerkgroep Natuurpunt
2. Verandering in status van bedreigde en/of beschermde soorten
2. Rode Lijstindex
Geen monitoring
3. Staat van instandhouding van de soorten van Europees belang (*)
Monitoring in voorbereiding, INBO
3. Trend in de oppervlakte van een selectie ecosystemen en habitats
4. Oppervlakte ecosystemen
Geen monitoring, inventarisatie beschikbaar uit biologische waarderingskaart, INBO
5. Staat van instandhouding van de habitats van Europees belang (*)
Monitoring in voorbereiding, INBO
4. Trend in genetische diver- 6. Genetische diversiteit veestapel siteit van gecultiveerde en gedomesticeerde soorten met socio-economisch belang 7. Nationaal erkende/aangewezen beschermde gebieden
Jaarlijkse monitoring, verdere afstemming met internationale categorieĂŤn nodig, INBO, ANB, VLM
8. Oppervlakte Natura 2000 (*)
Jaarlijkse monitoring, INBO
6. Stikstofdepositie
9. Overschrijding kritische last vermesting door stikstofdepositie (*)
Jaarlijkse monitoring en modellering, VMM, VITO
7. Aantal en kosten van invasieve exoten
10. Aantal uitheemse soorten (*)
Geen monitoring
10. Meest bedreigende uitheemse invasieve soorten
Geen monitoring
5. Oppervlakte beschermde gebieden
8. Impact van klimaatveran- 11. Verspreiding van temperatuurgevoelige soorten (in ontwikkeling) dering op de biodiversiteit 9. Mariene trofische index
12. Mariene trofische index
35
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:55 PM
Page 36
Europese kernindicatoren
26 Voorgestelde Europese indicatoren
Databeschikbaarheid in Vlaanderen
10. Connectiviteit/fragmentatie van ecosystemen
13. Fragmentatie van natuurlijke en halfnatuurlijke gebieden
In ontwikkeling op basis van de biologische waarderingskaart, INBO
14. Fragmentatie van riviersystemen (*)
Jaarlijkse monitoring, VMM
11. Waterkwaliteit in oppervlaktewateren
12. Oppervlakte bos- landbouw-, visserij- en aquacultuurecosysteem met duurzaam beheer
15. NutriĂŤnten in brak, kust- en zeewater 16. Kwaliteit zoet water (*)
Jaarlijkse monitoring, VMM
17. Bos: voorraad, aanwas en kap
In voorbereiding, bosinventaris, ANB
18. Bos: dood hout
In voorbereiding, bosinventaris, ANB
19. Stikstofoverschot op landbouwbodems (*) Jaarlijkse monitoring, VMM 20. Oppervlakte in landbouwgebruik met hoge natuurwaarden (*)
Jaarlijkse monitoring, INBO
20. Oppervlakte beheerovereenkomst met natuurdoel (*)
Jaarlijkse monitoring, VLM
20. Oppervlakte biologische landbouw (*)
Jaarlijkse monitoring, L&V
21. Visserij: Europese commerciĂŤle visstocks 22. Aquacultuur: waterkwaliteit afvoer 13. Ecologische voetafdruk
23. Ecologische voetafdruk van hernieuwbare materialen (*)
14. Patenten (in ontwikkeling)
24. Patentaanvragen op basis van genetische hulpbronnen (in ontwikkeling)
15. Fondsen voor biodiversiteit 25. Financiering natuurbeheer
16. Maatschappelijke houding en participatie (in ontwikkeling)
26. Publiek bewustzijn (in ontwikkeling)
(*) Vlaamse natuurindicator is afgestemd op voorgestelde Europese indicator.
36
Gedeeltelijke monitoring, VMM
In ontwikkeling, INBO en Departement LNE
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:55 PM
Page 37
Literatuur Beyst V. & Pickery J. (2006). Bezoek aan natuur- en bosgebieden. Nota van de Studiedienst van de Vlaamse Regering. Studiedienst van de Vlaamse Regering, Brussel. European Commission (2006). Communication from the Commission. Halting the loss of biodiversity by 2010 - and beyond. Sustaining ecosystem services for human well-being. COM (2006) 216 final. European Commission, Brussels. European Environment Agency (2007). Streamlining European Biodiversity Indicators (SEBI): Draft EEA technical report. European Environment Agency, Copenhagen. Paelinckx D., Van Landuyt W. & De Bruyn L. (2007). Conservation status of the Natura 2000 habitats and species. Report of the Research Institute for Nature and Forest. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2007(30). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. van Roomen M., van Winden E., Koffijberg K., Ens B., Hustings F., Kleefstra R., Schoppers J., van Turnhout C., SOVON ganzen- en zwanenwerkgroep & Soldaat L. (2006). Watervogels in Nederland in 2004/2005. RIZA-rapport BM06.14, SOVON-monitoringsrapport 2006/02. SOVON Vogelonderzoek, Beek-Ubbergen. Vansteenwegen Ch. (2006). La surveillance de l'avifaune commune par "points d'ĂŠcoute" en Wallonie. Analyse 1990-2005. Aves 43: 201-250. Verloove F. (2002). Ingeburgerde plantensoorten in Vlaanderen. Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 2002(20). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel. Vermeersch G., Anselin A., Devos K., Herremans M., Stevens J., GabriĂŤls J. & Van Der Krieken B. (2004). Atlas van de Vlaamse broedvogels 2000-2002. Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 2004(23). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.
37
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:55 PM
Page 38
Afkortingen ANB
Agentschap voor Natuur en Bos
BTO
British Trust for Ornithology
EEA
European Environment Agency (Europees Milieuagentschap)
LNE
Leefmilieu, Natuur en Energie
L&V
Landbouw en Visserij
MIRA
Milieurapport
RSV
Ruimteljk structuurplan Vlaanderen
RWO
Ruimtelijke Ordening, Wonen en Onroerend Erfgoed
SEBI
Streamlining European 2010 Biodiversity Indicators
SOVON
Vogelonderzoek Nederland
VITO
Vlaams Instituut voor Technologische Onderzoek
VLM
Vlaamse Landmaatschappij
VMM
Vlaamse Milieumaatschappij
38
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:55 PM
Page 39
Natuurrapport 2007 Volgende producten zijn digitaal beschikbaar of gratis verkrijgbaar via www.inbo.be
Natuurrapport 2007 Wetenschappelijke analyse van de toestand van de natuur in 16 hoofdstukken (360 p.)
www.natuurindicatoren.be Overzicht van de toestand van de natuur in meer dan 100 natuurindicatoren, steeds up to date
Natuurindicatoren 2007 Beknopte beschrijving van 24 natuurindicatoren, als Vlaamse invulling van de Europese biodiversiteitsindicatoren (40 p.) Biodiversity Indicators 2007 Description of 22 biodiversity indicators, Flemish reporting on the European headline indicators (40 p.)
Natuur@Vlaanderen Vlot leesbare en rijkelijk geĂŻllustreerde brochure over de toestand van de natuur in Vlaanderen (16 p.)
39
indicatoren:Layout 1
11/12/07
4:55 PM
Page 40
Andere producten van het INBO Europees beschermde natuur in Vlaanderen Rijkelijk geïllustreerd naslagwerk over de gebieden en soorten die bij ons beschermd zijn in uitvoering van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Verkrijgbaar in de boekhandel (34,5 €, 584 p., ISBN 978-90-4030267-1)
Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussels gewest Standaardwerk over de verspreiding van planten in Vlaanderen en Brussel, als resultaat van 33 jaar florakartering door vrijwilligers en professionelen. Het resultaat van een samenwerking tussen Nationale Plantentuin, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek en Flo.Wer vzw.
Verkrijgbaar in de boekhandel (59 €, 1008 p., ISBN 978-90-7261968-4)
Atlas van de Vlaamse broedvogels 2000-2002 Rijkelijk geïllustreerd naslagwerk met de meest recente informatie over het voorkomen van alle broedvogelsoorten in Vlaanderen. Verkrijgbaar bij Natuurpunt vzw, Graatakker 11, 2300 Turnhout, www.natuurpunt.be (40€, 496 pp., ISBN 978-90-403-0215-4)
11/12/07
9:47 AM
Page 1
Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) is het Vlaamse onderzoeks- en kenniscentrum voor natuur en het duurzame beheer en gebruik ervan. Het INBO verricht onderzoek en levert kennis aan al wie het beleid voorbereidt, uitvoert of erin geĂŻnteresseerd is. Als toonaangevende wetenschappelijke instelling werkt het INBO in de eerste plaats voor de Vlaamse overheid, maar het levert ook informatie voor internationale rapporteringen en gaat in op vragen van lokale besturen. Daarnaast ondersteunt het INBO onder meer organisaties voor natuurbeheer, bosbouw, landbouw, jacht en visserij. Het INBO maakt deel uit van nationale en Europese onderzoeksnetwerken. Het maakt zijn bevindingen ook bekend bij het grote publiek. Het INBO telt ongeveer 250 medewerkers, voornamelijk onderzoekers en technici. Naast de hoofdzetel in Brussel, heeft het INBO vestigingen in Geraardsbergen, Groenendaal en Linkebeek. Het INBO stelt tweejaarlijks het Natuurrapport op. Het Natuurrapport biedt een overzicht van de biodiversiteit in Vlaanderen, van de oorzaken van veranderingen en van de inspanningen en resultaten van het beleid. De rapportering gebeurt in belangrijke mate aan de hand van indicatoren. De website Natuurindicatoren www.natuurindicatoren.be bevat voor elke indicator een handige fiche met cijfermateriaal en beknopte achtergrondinformatie. De brochure Natuurindicatoren 2007 brengt de voornaamste indicatoren samen. Die brochure is ook beschikbaar in het Engels: Biodiversity indicators 2007. Ten slotte is er Natuur@Vlaanderen, een vlot leesbare en rijkelijk geĂŻllustreerde brochure die de bevindingen samenvat en zich tot een breed publiek richt. Alle publicaties zijn beschikbaar op www.inbo.be.
Natuurindicatoren
2007 Toestand van de natuur in Vlaanderen cijfers voor het beleid
cover2007indicatoren:Opmaak 1