Uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/131
Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2021/131
DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Op 25 februari 2021 diende xxx (hierna: verzoeker) een verzoek in bij de stad Landen om een afschrift te verkrijgen van een aantal documenten die verband houden met het openbaar domein (Alkazaar-site) waaromtrent op de gemeenteraad van de stad Landen op de zitting van 23 februari 2021 een samenwerkingsovereenkomst zou goedgekeurd geweest zijn. Op 22 maart 2021 stelde verzoeker beroep in bij de beroepsinstantie openbaarheid van bestuur tegen het uitblijven van een tijdige beslissing van de stad Landen. Op 23 maart 2021 werd dit beroep geregistreerd door de beroepsinstantie. Op 20 april 2021 werd, in toepassing van artikel II.50, §1, tweede lid van het Bestuursdecreet, de beslissingstermijn door de beroepsinstantie verlengd van dertig kalenderdagen tot een termijn van vijfenveertig kalenderdagen. Ontvankelijkheid van het beroep Op 25 februari 2021 werd het oorspronkelijk verzoekschrift ingediend. Op 22 maart 2021 diende verzoeker beroep in bij de beroepsinstantie openbaarheid van bestuur, tegen het uitblijven van een antwoord van de stad Landen.
www.vlaanderen.be
Aangezien de stad Landen niet tijdig gereageerd heeft op het oorspronkelijke openbaarheidsverzoek, heeft de termijn om beroep in te dienen conform artikel II.48 van het Bestuursdecreet geen aanvang genomen. Het beroepschrift van verzoeker d.d. 22 maart 2021 is bijgevolg tijdig ingediend en wordt als ontvankelijk beschouwd. Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.
1.
Oorspronkelijk verzoekschrift
In het oorspronkelijke verzoekschrift van 25 februari 2021 werd een afschrift gevraagd van een aantal documenten die verband houden met het openbaar domein (Alkazaar-site) waaromtrent op de gemeenteraad van de stad Landen op de zitting van 23 februari 2021 een samenwerkingsovereenkomst zou goedgekeurd geweest zijn. Het verzoek heeft specifiek betrekking op de volgende stukken:
“1. Afschrift van het Besluit van het College van Burgemeester & Schepenen van 02 februari 2021 ( Punt 14 zie beknopte publicatie DLB ) waarin een doorverwijzing zou beslist zijn naar de Gemeenteraad betreffende een nieuwe samenwerkingsovereenkomst voor de site van de Alkazaar met de bijhorende bijlagen. 2. Afschrift van de nieuwe samenwerkingsovereenkomst voor de site van de Alkazaar met de bijhorende bijlagen zoals goedgekeurd door het College. 3. Afschrift van de notulen en/of van het Besluit van de Gemeenteraad van de Stad LANDEN van 23 februari 2021 houdende de goedkeuring van de nieuwe samenwerkingsovereenkomst voor de site van de Alkazaar met de bijhorende bijlagen. 4. Afschrift van het Besluit van het bevoegd Orgaan in de schoot van de Stad Landen en/of van het Autonoom Gemeentebedrijf LANDEN houdende de voorwaarden & modaliteiten + het bestek voor de organisatie van de publieke overheidsopdracht en/of van de mededingingsopdracht met het oog het vinden van een contractpartner voor het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst. 5. Afschrift van het Besluit van de geselecteerde kandidaten , de uitnodiging tot deelneming aan de overheidsopdracht en/of mededinging. 6. Afschrift van het verslag van het nazicht van de kandidaten welke een offerte deden tot het bekomen van een samenwerkingsovereenkomst. 7. Afschrift van het gunningsbesluit ( door het Bevoegde Orgaan in de schoot van de Stad LANDEN en/of het AOB) aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon, zijnde de uitverkorene van de wedstrijd en geroepen zijnde tot het afsluiten van een samenwerkingsovereenkomst. 8. Afschrift van het meest recente financieel schattingsverslag en/of de haalbaarheidsstudie dewelke werden opgesteld met het oog op het afsluiten ( en mogelijk verkopen) op 23 februari 2021 van het openbaar domein waartoe de site van de Alkazaar - openbaar domein - behoort. 9. Afschrift van de actuele ( 25 februari 2021 ) toepasselijke overeenkomst tussen de Stad LANDEN en het Autonoom Gemeentebedrijf van LANDEN betreffende de site van de Alkazaar te Walshoutem. 10. Afschrift van een uittreksel uit het gemeentelijk wegenregister betreffende het statuut, de ligging en configuratie ( o.a. lengte & breedte ) van de gemeentewegen welke de site van de Alkazaar te Walshoutem
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/131
pagina 2 van 5
doorkruisen en als behorende tot het openbaar domein dienen aanzien te worden (het tracé zou liggen binnen de kadastraal bekende perceelnummers 577 T en 585 N).” 2.
Inhoud van het beroepschrift
Gelet op de ontstentenis van antwoord van de stad Landen wenst verzoeker via het indienen van het beroepschrift op 22 maart 2021 alsnog een afschrift van alle gevraagde documenten te verkrijgen.
3.
Standpunt van de beroepsinstantie
Om met kennis van zaken over het beroep te kunnen oordelen, heeft de beroepsinstantie op 23 maart en 19 april 2021 contact opgenomen met de stad Landen, om de gevraagde documenten te krijgen en de stad Landen in de gelegenheid te stellen om wat meer duiding te verstrekken betreffende dit dossier. Op 17 mei 2021 heeft de stad Landen geantwoord aan de beroepsinstantie. Dit antwoord werd tegelijk ook verstuurd aan verzoeker. De beroepsinstantie beschikt thans over voldoende gegevens om het beroep ten gronde te beoordelen.
Betreffende de punten 4, 5, 6, 7, 9 en 10 van het oorspronkelijke verzoekschrift De beroepsinstantie heeft kunnen vaststellen dat de stad Landen in haar bericht van 17 mei 2021 duidelijk en gemotiveerd heeft uiteengezet dat de bovenvermelde documenten niet bestaan. De beroepsinstantie is van oordeel dat de stad Landen aldus duidelijk heeft gemaakt, zowel ten aanzien van de beroepsinstantie als ten aanzien van verzoeker, dat deze door verzoeker geviseerde documenten als dusdanig onbestaande zijn, zodat er ook geen afschrift van kan verstrekt worden. Nu een openbaarheidsverzoek enkel maar betrekking kan hebben op bestaande informatie die in het bezit is van een overheidsinstantie, zoals omschreven in artikel I.4, 3° van het Bestuursdecreet, dient het beroep voor wat betreft deze documenten dan ook als ongegrond te worden beschouwd.
Betreffende de punten 1, 2, 3 en 8 van het oorspronkelijke verzoekschrift In haar bovenvermeld bericht van 17 mei 2021 heeft de stad Landen de bovenvermelde documenten aan verzoeker bezorgd, met dien verstande dat een deel van de teksten werd geanonimiseerd op grond van twee uitzonderingsgronden inzake openbaarheid van bestuur, te weten de persoonsgegevens van natuurlijke personen (“absolute uitzondering: afbreuk aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer”) en de geschatte grondwaarden (“relatieve uitzondering: de geschatte grondwaarden zijn geanonimiseerd omdat dit een afbreuk doet aan het economisch en financieel belang van de stad Landen”). De beroepsinstantie is van oordeel dat de door de stad Landen op 17 mei 2021 aan verzoeker bezorgde documenten overeenkomen met de documenten die door verzoeker gevraagd werden onder de punten 1, 2, 3 en 8 van het oorspronkelijk verzoekschrift. Het beroep is, wat deze informatie betreft, dan ook zonder voorwerp. In zoverre het beroep betrekking zou hebben op de geanonimiseerde tekstdelen, is de beroepsinstantie van oordeel dat het ongegrond is, aangezien beide uitzonderingsgronden in casu terecht werden ingeroepen door de stad Landen.
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/131
pagina 3 van 5
Vooreerst bevatten de betrokken bestuursdocumenten inderdaad de namen van natuurlijke personen en grondwaarden (netto-bedragen) die bepaalde natuurlijke personen zouden ontvangen voor hun bouwgronden. De beroepsinstantie is van oordeel dat deze persoonsgegevens onleesbaar moesten worden gemaakt in toepassing van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet. Voormelde decreetbepaling bevat de verplichting om, behoudens toestemming van de betrokkene, een aanvraag af te wijzen als de openbaarmaking afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Deze bepaling laat niet toe dat gegevens worden verstrekt die de identificatie van derden mogelijk maken, in de mate dat daarmee afbreuk zou worden gedaan aan de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Hoewel het hier om een absolute uitzonderingsgrond gaat waardoor er geen belangenafweging moet plaatsvinden tussen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang met het belang van de openbaarheid, vertoont de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet voorziene uitzonderingsgrond niettemin een relatief aspect. De decreetgever was weliswaar van oordeel dat er geen afweging vereist is met het openbaar belang dat met de openbaarheid is gediend, maar wijst er desondanks op dat telkens en in concreto geoordeeld moet worden of er al dan niet een inbreuk is gepleegd op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (Vlaams Parlement, Parl. St. 2017-2018, nr. 1656/1, blz. 58). Artikel 22 van de Grondwet waarborgt uitdrukkelijk het recht op eerbiediging van het privéleven, net zoals artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dit doet. De bedoeling en het fundamentele uitgangspunt van de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet bedoelde uitzonderingsgrond bestaat er precies in om het aan iedereen toegekende grondwettelijke recht op de eerbiediging van zijn privéleven te beschermen. De beroepsinstantie merkt op dat bij het onderzoek naar de uitzonderingsgrond met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van informatie in een bestuursdocument die op de persoonlijke levenssfeer betrekking heeft. In casu stelt de beroepsinstantie vast dat de betrokken bestuursdocumenten de namen van natuurlijke personen bevatten. Dergelijke gegevens behoren ontegensprekelijk tot de persoonlijke levenssfeer en het privéleven van de betrokkene. Het vrijgeven van al deze voornoemde gegevens zou wel degelijk een inbreuk uitmaken op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van die personen. Het privéleven vormt de kern van de persoonlijke levenssfeer (F. SCHRAM, Het decreet openbaarheid van bestuur. Een juridische analyse in historisch perspectief, Brugge, Vanden Broele, 247; Concl. Adv.Gen. bij HvJ 8 april 2014, nr. C-293/12, Digital Rights Ireland Ltd, nr. 61). Het openbaar maken van deze gegevens heeft aldus betrekking op de kern van een belang – het door artikel 22 van de Grondwet en het door artikel 8 EVRM aan eenieder toegekende recht op eerbiediging van zijn privéleven – dat de uitzonderingsgrond uit artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet wenst te beschermen tegen de openbaarheid van bestuur (RvS, nr. 234.609 dd. 2 mei 2016). De beroepsinstantie is bijgevolg van oordeel dat de openbaarmaking van voormelde gegevens afbreuk zou doen aan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene en dat deze gegevens dan ook moeten worden afgeschermd in toepassing van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet. Het beroep is op dit punt dan ook ongegrond. Artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet laat echter wel de mogelijkheid dat dergelijke gegevens toch openbaar worden gemaakt, mits toestemming van de betrokken persoon. Het Bestuursdecreet voorziet weliswaar dat, indien de bestuursinstantie dit nalaat, de beroepsinstantie deze instemming aan de betrokkene(n) vraagt, maar gezien de beroepsinstantie niet over de contactgegevens beschikt, wordt hiervan afgezien. Verder bevatten de betrokken bestuursdocumenten ook de geschatte grondwaarden van de kwestieuze gronden. Het gaat daarbij om de nettobedragen die de grondeigenaars zullen ontvangen bij de verkoop van hun bouwgronden in het kader van een woningbouwproject voor de bouw voor van kwalitatieve en
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/131
pagina 4 van 5
betaalbare koopwoningen aan de Walshoutemstraat nr. 46 te Landen, waarvoor de stad Landen een samenwerkingsovereenkomst heeft getekend met andere contractpartijen. Artikel II.35, 1° van het Bestuursdecreet voorziet dat een instantie een aanvraag tot openbaarmaking, voor zover die geen betrekking heeft op milieu-informatie, zoals in casu het geval is, afwijst indien ze van oordeel is dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van het economisch, financieel of commercieel belang van de instantie. Deze uitzonderingsgrond heeft tot doel het beleid of de beleidsintenties van de instanties (algemeen belang) en de economische, financiële en commerciële belangen van alle instanties die onder de bevoegdheid van de gehele Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest vallen te beschermen tegen het risico van speculatieve daden die voorkennis van informatie kan meebrengen. In de memorie van toelichting wordt ook aangegeven dat de decreetgever een verdere beperking van deze uitzonderingsgrond niet nodig achtte, gelet op de belangenafweging die voor het inroepen van deze uitzonderingsgrond verplicht is. Door deze belangenafweging zijn het immers alleen maar fundamentele belangen van de overheid die kunnen opwegen tegen de openbaarmaking en bijgevolg beschermd kunnen worden (Parl.St. Vl.Parl. 2017-18, nr. 1656/1, 61). Na het onderzoek van het dossier is de beroepsinstantie van oordeel dat de vrijgave van de grondwaarden, de financiële belangen van de stad Landen kan schaden, aangezien het gaat om schattingen van de waarde bouwgronden binnen het kader van een woningbouwproject voor betaalbare woningen, zoals die zich in de toekomst nog kunnen voordoen. Teneinde de onderhandelingspositie van de stad in toekomstige soortgelijke projecten niet in het gedrang te brengen, weegt het belang van de uitzonderingsgrond van artikel II.35, 1° van het Bestuursdecreet hier zwaarder dan het belang van de openbaarheid. Het beroep is op dit punt dan eveneens ongegrond. Na beraadslaging,
BESLUIT: Het beroepschrift d.d. 22 maart 2021 van xxx, gericht tegen het uitblijven van een beslissing van de stad Landen inzake zijn oorspronkelijk verzoekschrift van 25 februari 2021, is ontvankelijk doch deels zonder voorwerp en deels ongegrond. Brussel, 21 mei 2021 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur, Bruno ASSCHERICKX Voorzitter
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/131
pagina 5 van 5