Skip to main content

Mestrapport_2019_0.pdf

Page 1

Vlaanderen is open ruimte

Mestrapport 2019 VLAAMSE LAND MAATSCHAPPIJ

vlm.be


INHOUD

Woord vooraf ..................................................................................................................................................... 4 Samenvatting ...................................................................................................................................................... 5 1

Kader .................................................................................................................................................23

1.1 1.2

De Europese context ........................................................................................................................................................... 23 MAP 6 in een notendop ...................................................................................................................................................... 23

2

Feiten & Cijfers ..................................................................................................................................26

2.1 2.1.1 2.1.1.1 2.1.1.2

Meststromen in Vlaanderen ............................................................................................................................................... 26 Dierlijke mestproductie ...................................................................................................................................................... 26 Licht dalende rundvee- en varkensstapel, verder groeiende pluimveestapel 26 Dierlijke mestproductie blijft op hetzelfde niveau 29

2.1.1.3 2.1.1.4 2.1.1.5 2.1.2 2.1.2.1 2.1.2.2 2.1.2.3

Ruime marge aan beschikbare nutriëntenemissierechten 30 Nutriëntenarme voeders courante praktijk bij varkens en pluimvee 33 Aandeel varkens en pluimvee in emissiearme stallen stijgt 37 Gronden en afzetruimte op landbouwgrond ...................................................................................................................... 41 Areaal landbouwgrond blijft vrij stabiel 41 MAP 6 zet in op meer vanggewassen 43 Het derogatieareaal stabiliseert in 2018 47

2.1.2.4 2.1.3 2.1.3.1 2.1.3.2 2.1.3.3 2.1.4 2.1.4.1 2.1.4.2 2.1.4.3 2.1.4.4 2.1.5 2.1.5.1 2.1.5.2 2.1.5.3 2.1.5.4 2.1.5.5 2.1.6 2.1.6.1 2.1.6.2 2.1.6.3 2.2

Afzetruimte blijft stabiel in 2018 49 Gebruik van meststoffen .................................................................................................................................................... 54 Verbeterde opvolging van de mestsamenstelling zichtbaar in het gebruik van dierlijke mest in 2018 55 Tendensen kunstmestgebruik in 2018 59 Stijgend gebruik van andere organische meststoffen 61 Betere aanpak van de mestsamenstelling zichtbaar in de mestverhandelingen ................................................................ 62 Opvolging van de mestverhandelingen 62 Overzicht van transporten tussen verschillende types aanbieders en afnemers 63 Erkende mestvoerders staan in voor grootste deel van het mesttransport 65 de 1/3 van de mestproductie wordt via ‘eigen mest eigen grond’ afgezet 66 Mestverwerking blijft groeien, export van ruwe mest daalt licht ....................................................................................... 68 Biologieën blijven de meest toegepaste verwerkingstechniek 68 Beperkte afname van het aantal mestverwerkingscertificaten 69 Aanvoer van mest naar mestverwerkingsinstallaties in Vlaanderen blijft stijgen 71 Verschuivingen bij transporten tussen mestverwerkingsinstallaties in 2018 74 Export van verwerkte mestproducten stijgt verder, export van ruwe mest daalt licht 76 Mestgebruik is afgestemd op de afzetruimte op Vlaams niveau ........................................................................................ 82 Efficiëntere benutting van de maximale afzetruimte voor fosfaat 82 Het overschot op de balans dierlijke mest op Vlaams niveau wordt weggewerkt 83 de Het gebruik van dierlijke mest neemt 1/3 in van de afzetruimte werkzame stikstof 85 Milieukwaliteit .................................................................................................................................................................... 87

2.2.1

Water .................................................................................................................................................................................. 87

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 1 van 240


2.2.1.1 2.2.1.2 2.2.1.3 2.2.1.4 2.2.2 2.2.2.1 2.2.2.2 2.2.3

Nieuwe gebiedstype-indeling en waterkwaliteitsdoelstellingen MAP 6 87 Oppervlaktewaterkwaliteit verbetert onvoldoende snel 91 Grondwaterkwaliteit vertoont sterke regionale en lokale verschillen 111 Relatie tussen bemesting en grondwater en impact op oppervlaktewater 126 Bodem............................................................................................................................................................................... 129 Gewogen gemiddelde nitraatresidu stijgt 129 Fosfaatklassen voor versterkte aanpak van fosfaatproblematiek 135 Lucht ................................................................................................................................................................................. 137

3

Invloedsfactoren op de waterkwaliteit ...........................................................................................138

3.1 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3

Invloedsfactoren op de waterkwaliteit op basis van een statistische data-analyse ......................................................... 138 Factoren die de landbouwer kan beïnvloeden ................................................................................................................. 139 Invloedsfactoren voor stikstof .......................................................................................................................................... 139 Invloedsfactoren voor fosfor ............................................................................................................................................ 141 Factoren die de landbouwer niet kan beïnvloeden .......................................................................................................... 141

3.3.1 3.3.2

Invloedsfactoren voor stikstof .......................................................................................................................................... 141 Invloedsfactoren voor fosfor ............................................................................................................................................ 142

4

Beheerinstrumenten .......................................................................................................................143

4.1 4.1.1 4.1.2

Toezicht op naleving van de mestwetgeving .................................................................................................................... 143 Globale toezicht- en sanctioneringsstrategie van de Mestbank ....................................................................................... 143 Aanpak van aangifteverzuim noodzakelijk voor sluitende controle ................................................................................. 144

4.1.3 4.1.3.1 4.1.3.1 4.1.3.2 4.1.3.3 4.1.4 4.1.4.1 4.1.4.2 4.1.4.3 4.1.5 4.1.5.1 4.1.5.2 4.1.5.1 4.1.6 4.1.6.1 4.1.6.2 4.1.6.3 4.1.7 4.1.8 4.1.9 4.1.9.1

Bedrijfsdoorlichting o.b.v. risicoanalyse ........................................................................................................................... 145 Beschrijving van de aanpak 145 Vee-, tuinbouwbedrijven en mestverwerkingsinstallaties zijn de belangrijkste sectoren bij doorlichting 146 Bedrijfsdoorlichting heeft gevolgen in 40% van de gevallen 146 Gevolgen op maat van de vaststelling 147 Nitraatresiducontroles voor de opvolging van het nutriëntenbeheer binnen het landbouwbedrijf ................................ 151 Nieuwe aanpak MAP 6 151 Eindevaluatie nitraatresidu opvolging MAP 5 153 Controles van de nitraatresidubepaling door erkende labo’s 156 Opvolging van dierlijke mestproductie ............................................................................................................................. 157 Doorlichting van bedrijven met dierlijke mestproductie wijst op tekort aan mestafzet 157 Ondanks groot aanbod NER, toch nog NER-overschrijding 158 Administratieve opvolging van de verhandelingen van NER 159 Opvolging van de bemesting............................................................................................................................................. 162 Doorlichting van akkerbouwbedrijven wijst op verbetermogelijkheden bij de bemestingsstrategie 162 VODKA-actie controleert bemestingspraktijken in probleemgebieden 163 Verscherpt toezicht op de teeltvrije zone langs waterlopen 166 Omgevingscontroles op landbouwbedrijven focussen op mestopslag ............................................................................. 167 Controles van biologische luchtwassers ........................................................................................................................... 168 Controle van derogatiepercelen en -bedrijven ................................................................................................................. 169 Administratieve controles van de aanvraag als eerste stap 170

4.1.9.2

Weinig afkeuringen bij administratieve controles van de derogatiepercelen

170

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 2 van 240


4.1.9.3 4.1.10 4.1.10.1 4.1.10.2

4.1.11.5 4.1.12

Weinig vaststellingen bij terreincontroles van derogatiepercelen, wel bij derogatiebedrijven 170 Opvolging van tuinbouwbedrijven .................................................................................................................................... 173 Doorlichting van grondloze tuinbouwbedrijven detecteert risico’s op nutriëntenverliezen 173 Doorlichting van vollegrondstuinbouwbedrijven wijst op verbetermogelijkheden bij de bemestingsstrategie en bij de registratie van kunstmest 173 Gerichte actie op het kunstmestgebruik bij vollegrondsgroententeelt 174 Mestverwerking als beheersinstrument om het mestgebruik af te stemmen op de afzetruimte .................................... 175 Administratieve opvolging toont dat de verplichte mestverwerking vrij goed wordt nageleefd 175 Versterkte opvolging van de massastromen naar en van mestverwerkingsinstallaties 179 Opvolging van erkenningen in het kader van Verordening (EG) nr. 1069/2009 179 Doorlichting van mestverwerkingsinstallaties wijst op verbetermarges bij de opvolging van de massa- en nutriëntenstromen 180 Nog vaak calamiteiten vastgesteld tijdens omgevingscontroles van mestverwerkingsinstallaties 180 Controles van mesttransporten ........................................................................................................................................ 181

4.1.12.1 4.1.12.2 4.1.12.3 4.1.13 4.1.13.1 4.1.13.2 4.1.14

Opvolging van transportdocumenten verhoogt de controleerbaarheid 181 Geen inbreuken bij de meerderheid van de op terrein gecontroleerde mesttransporten 185 Doorlichting van mestvoerders en verzamelpunten 188 Aanpak van onrealistische mestsamenstelling ................................................................................................................. 188 Verbeterde aanpak voor opvolging van de mestsamenstelling vanaf 2018 188 Terreincontroles van de mestsamenstelling tonen grote afwijkingen voor verwerkte mestproducten 190 Controles op lozing van meststoffen ................................................................................................................................ 197

4.1.15 4.1.15.1 4.1.15.2 4.2 4.2.1 4.2.1.1 4.2.1.2 4.2.1.3 4.2.1.4 4.2.1.5 4.2.2 4.2.2.1 4.2.2.2 4.2.2.3 4.3

Financiële gevolgen .......................................................................................................................................................... 199 Administratieve en terreinboetes Mestbank 199 Terreinboetes via afdeling Handhaving van departement Omgeving 201 Begeleiding van landbouwers ........................................................................................................................................... 202 Begeleiding door het CVBB ............................................................................................................................................... 202 Waterkwaliteitsgroepen brengen landbouwers samen 202 Signaalwaarden maken kort op de bal spelen mogelijk 203 De intensieve aanpak in afstroomgebieden van rode MAP-meetpunten 203 Individuele bedrijfsbegeleiding 206 Communicatieactiviteiten 207 Ondersteuning door de Mestbank .................................................................................................................................... 208 Dienstverlening Mestbank 208 Digitale ondersteuning 208 Communicatiestrategie 209 Beheerovereenkomsten voor een betere waterkwaliteit................................................................................................. 210

4.1.10.3 4.1.11 4.1.11.1 4.1.11.2 4.1.11.3 4.1.11.4

Bijlagen .........................................................................................................................................................212

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 3 van 240


WOORD VOORAF Sinds 2001 is het Mestrapport een belangrijke bron van informatie voor zowel beleidsmakers als andere betrokken actoren in het mestgebeuren. Het rapport houdt de vinger aan de pols en geeft een actueel beeld van de impact van de landbouwsector op de waterkwaliteit. Naast de recente meetresultaten van het oppervlakte- en grondwater van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), zoomt het Mestrapport in op de drijvende krachten met cijfers over onder meer de veestapel, de mestproductie, het gebruik van dierlijke mest, kunstmest en andere meststoffen op landbouwgrond, mestverwerking en mestexport uit Vlaanderen. Dit Mestrapport 2019 presenteert resultaten van MAP 5. Nieuw is de focus op de wetenschappelijke onderbouwing van de relatie tussen bemestingspraktijken, omgevingsfactoren en waterkwaliteit. Zoals vroeger, presenteert het rapport resultaten van de controleacties door de Mestbank. Ten slotte wordt stil gestaan bij de begeleiding door het Coördinatiecentrum Voorlichting en Begeleiding duurzame Bemesting (CVBB). Via het mestbeleid wordt de diffuse verontreiniging van oppervlakte- en grondwater door de land- en tuinbouwsector aangepakt, conform de Europese Nitraatrichtlijn (91/676/EEG). De voorbije 30 jaar zijn aanzienlijke inspanningen geleverd om nutriëntenverliezen vanuit de landbouw aan te pakken en een verbetering van de waterkwaliteit te realiseren. Uit de meetgegevens van het oppervlakte- en grondwatermeetnet die gepresenteerd worden in dit rapport, blijkt echter dat de waterkwaliteit onvoldoende verbetert. De waterkwaliteitsdoelstellingen van het 5de mestactieprogramma voor de periode 2015-2018 (MAP 5) werden niet gehaald. Met het 6de mestactieprogramma voor de periode 2019-2022 (MAP 6) willen we een inhaalbeweging maken om de waterkwaliteit opnieuw in lijn te brengen met de Europese doelstellingen. Dit doen we met een doorgedreven gebiedsgerichte aanpak, met een doelgerichte inzet van maatregelen in gebieden in functie van de afstand tot de te bereiken waterkwaliteitsdoelstellingen. Ook willen we de handhaving versterken. Een performant toezicht gericht op het bevorderen van de naleving van de wetgeving gekoppeld aan een proportionele sanctionering, is immers het sluitstuk van het mestbeleid. MAP 6 legt de klemtoon op het uitvoeren van goede bemestingspraktijken volgens het 4J-principe: bemesten met de juiste dosis, de juiste mestsoort, op het juiste tijdstip en met de juiste bemestingstechniek. Goede bemestingspraktijken, volgens het principe van de 4J’s, zijn immers essentieel om lage nitraatresidu’s te realiseren en bij te dragen aan een verbetering van de waterkwaliteit. Uit de resultaten van de controleacties door de Mestbank en de begeleiding door het CVBB blijkt dat hier nog vooruitgang mogelijk is. Het behalen van een betere waterkwaliteit is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle betrokken actoren, in de eerste plaats de land- en tuinbouwsector, maar ook de verwerkers, vervoerders, veevoederleveranciers, landbouwconsulenten, …. Als iedereen zijn verantwoordelijkheid neemt, moet het mogelijk zijn opnieuw een kantelmoment te veroorzaken met een betere waterkwaliteit tot gevolg. Ik reken er op.

Zuhal Demir, Minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 4 van 240


SAMENVATTING Het Mestrapport 2019 bestaat uit 4 hoofdstukken. Na een korte schets van het actueel mestbeleid, worden in het tweede hoofdstuk feiten en cijfers gepresenteerd, over mest en milieukwaliteit. Hierna volgt een overzicht van de verschillende invloedsfactoren op de waterkwaliteit, met bevindingen vanuit de onderzoeksprojecten die uitgevoerd worden in opdracht van de VLM. Het vierde hoofdstuk gaat ten slotte in op de verschillende beheerinstrumenten, met een overzicht van de verschillende controleacties van de Mestbank en de begeleiding van landbouwers door het Coördinatiecentrum Voorlichting en Begeleiding duurzame Bemesting (CVBB).

Actueel mestbeleid Het recente Mestrapport reflecteert de resultaten van het 5de mestactieprogramma voor de periode 20152018 (MAP 5). We staan evenwel aan de start van een nieuw actieprogramma. In het eerste hoofdstuk wordt daarom ingezoomd op de hoofdlijnen van het 6de mestactieprogramma voor de periode 2019-2022 (MAP 6). In uitvoering van de Europese Nitraatrichtlijn werkte Vlaanderen een ambitieus actieprogramma uit. De klemtoon in MAP 6 ligt op goede bemestingspraktijken volgens het 4J-principe: bemesten met de juiste dosis, de juiste mestsoort, op het juiste tijdstip en met de juiste bemestingstechniek. Om beter in te spelen op de regionale en lokale verschillen in de waterkwaliteit wordt in MAP 6 de overstap gemaakt naar een nieuwe, meer verfijnde indeling van Vlaanderen in 4 gebiedstypes. In gebiedstypes met een grote afstand tot de waterkwaliteitsdoelstellingen, worden versterkte maatregelen genomen.

Feiten en cijfers Dierlijke mestproductie In 2018 telde Vlaanderen 45,0 miljoen dieren. Het aantal runderen daalt licht tot 1,31 miljoen in 2018. Bij de melkkoeien wordt een gestage toename vastgesteld sinds 2012. Bij de meeste vleesveecategorieën wordt een verdere inkrimping vastgesteld. Daarnaast telde Vlaanderen 5,97 miljoen varkens in 2018, wat een verdere afname van de varkensstapel is t.o.v. 2017 (- 0,9%). Bij pluimvee wordt dan weer een verdere toename van het aantal dieren vastgesteld tot 37,5 miljoen stuks in 2018, vnl. door de groei bij slachtkuikens tot 23,5 miljoen stuks in 2018. In 2018 werd 128,0 miljoen kg N en 60,0 miljoen kg P2O5 uit dierlijke mest geproduceerd in Vlaanderen. Globaal genomen is de mestproductie als vrij stabiel te beschouwen. De nutriëntenemissierechten (NER) zijn een beheersmaatregel voor de dierlijke productie. In 2018 was in totaal 310,0 miljoen NER beschikbaar in Vlaanderen. Op basis van de omrekeningswaarden van het Mestdecreet, bedraagt de productie uitgedrukt in NER 247,1 miljoen NER in 2018 wat impliceert dat 63 miljoen NER in Vlaanderen onbenut zijn (20%).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 5 van 240


Via nutriëntenarme voeders en verbeterde voedertechnieken, wordt gestreefd naar een verlaging van de hoeveelheid nutriënten in de geproduceerde mest. In 2018 werd hierdoor 16,7 miljoen kg N en 10,5 miljoen kg P2O5 minder dierlijke mest geproduceerd. Het grootste aandeel van de ‘minproductie’ door de voeders wordt gerealiseerd door het systeem van regressie bij varkens. Via emissiearme stallen wordt gestreefd naar een vermindering van de stikstofverliezen naar de lucht. In 2018 bedraagt het totale stikstofverlies door emissies in de stal en opslag 34,2 miljoen kg N. Waar de emissieverliezen initieel stegen door een toename van het aantal dieren, wordt sinds 2015 een stabilisering tot lichte afname van de emissieverliezen vastgesteld door de inkrimpende varkensstapel en de stabilisering van het aantal runderen. Bij pluimvee wordt weliswaar een verdere toename van de dierenaantallen vastgesteld, maar in verhouding nemen de emissieverliezen minder sterk toe, doordat ruim de helft van de pluimveestapel in emissiearme stallen gehuisvest is. Het aandeel varkens in emissiearme stallen is eveneens gestegen in 2018, met 14% van de varkens in emissiearme stalsystemen en 18% in stallen met wassers. Gronden en afzetruimte op landbouwgrond In 2018 was er 672.000 ha landbouwareaal in Vlaanderen. Grasland blijft de belangrijkste teelt (36% van het landbouwareaal), gevolgd door maïs (27%), graangewassen (12%), aardappelen (8%) en groenten (5%). Waar het areaal grasland en graangewassen vrij stabiel is gedurende de voorbije 10 jaar, is het bietenareaal gedaald. Na een periode van toename, zien we in 2018 voor het eerst terug een lichte afname van het areaal groenten en aardappelen. Daartegenover zien we in 2018 voor het eerst terug een toename van het areaal maïs, na een periode van afname. Het areaal voedergewassen blijft stijgen. De vaststellingen wijzen op lichte verschuivingen bij de akkerbouw en ruwvoederwinning. 60% van het landbouwareaal bevindt zich in gebiedstypes 1, 2 en 3 waar bijkomende maatregelen genomen worden om de waterkwaliteitsdoelstellingen te realiseren. Uit de verdeling van het areaal landbouwgrond over de vier gebiedstypes van MAP 6, blijkt duidelijk dat er een groter aandeel is van nitraatgevoelige teeltgroepen zoals aardappelen en groenten in gebiedstype 2 en 3 (gebiedstypes met een middelgrote tot grote afstand tot de waterkwaliteitsdoelen). Een van de gebiedsgerichte maatregelen van MAP 6 is de verhoogde inzet van vanggewassen. Als basismaatregel in gebiedstype 1, 2 en 3 geldt dat er na elke hoofdteelt een vanggewas moet ingezaaid worden tegen uiterlijk 15/9, tenzij er een nateelt wordt ingezaaid. De bedoeling van deze basismaatregel is om de percelen niet braak te laten liggen gedurende de winterperiode zodat verliezen van nutriënten beperkt worden. Bovenop de basismaatregel, geldt bovendien een extra maatregel in gebiedstype 2 en 3. Daar moeten landbouwers een toenemend percentage vanggewassen inzaaien tijdens MAP 6. In 2018 voldoet 93.570 ha landbouwgrond aan de vanggewasregeling in gebiedstype 2 en 3, overeenkomend met de helft van het areaal bouwland. Tegen 2022 moet dit aandeel stijgen met 10% in gebiedstype 2 en met 20% in gebiedstype 3. Derogatie laat toe dat bedrijven onder strikte voorwaarden meer dierlijke mest kunnen opbrengen dan de maximale bemestingsnorm van 170 kg N/ha. In 2018 werd aan 94.079 ha landbouwgrond derogatie toegekend (14% van het landbouwareaal), wat vergelijkbaar is met 2017. Derogatie wordt voornamelijk toegepast door rundveebedrijven, wat verklaart waarom grasland het belangrijkste derogatiegewas is (61%). Maïs is goed voor 35% van het derogatieareaal. In 2018 kon maximaal 117,6 miljoen kg N en 46,9 miljoen kg P2O5 uit dierlijke mest geplaatst worden op landbouwgrond in Vlaanderen. De afzetruimte voor N is hiermee vergelijkbaar met deze van voorgaande

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 6 van 240


jaren. Na een sterke afname van de afzetruimte voor P2O5 in 2017 door de aanscherping van de fosfaatbemestingsnormen, is de afzetruimte in 2018 terug iets hoger dan in 2017 (+ 0,8 miljoen kg P2O5 of + 1,8%). Dit is te wijten aan verschuivingen van de verdeling van de percelen over de verschillende P-klassen, waardoor in 2018 minder percelen de strengste fosfaatbemestingsnorm van klasse IV hebben dan in 2017. Van de maximale afzetruimte, werd 7,3 miljoen kg N bijkomend gecreëerd door derogatie. De afzetruimte voor werkzame N (uit dierlijke mest, kunstmest en andere meststoffen) bedroeg 128,5 miljoen kg N in 2018. Twee maatregelen van MAP 6 zullen de afzetruimte voor werkzame stikstof beïnvloeden. Ten eerste zullen de bemestingsnormen werkzame stikstof stelselmatig verstrengd worden in gebiedstypes 2 en 3. Daarnaast wordt een verhoging van de bemestingsnorm werkzame stikstof met 75 kg N/ha ingevoerd voor uitsluitend gemaaid intensief grasland. Uit onderzoek bleek immers dat de bemestingsnormen met 75 kg werkzame N kunnen verhoogd worden om zonder bijkomende milieu-impact een grotere opbrengst te realiseren. Rekening houdend met de maatregelen van MAP 6, wordt voorspeld dat de maximale afzetruimte voor werkzame stikstof zal dalen van 128,5 miljoen kg N in 2018 tot 123,1 miljoen kg N in 2022. Gebruik van meststoffen De verstrenging van de bemestingsnormen van MAP 4 en MAP 5 in respectievelijk 2011 en 2015, vertaalt zich in een duidelijke daling van het gebruik van dierlijke mest op landbouwgrond in de periode 2007-2018, tot 92,3 miljoen kg N en 40,1 miljoen kg P2O5 in 2018. Dit is een afname van 8% voor N en 17% voor P2O5 t.o.v. 2007. Het gebruik van fosfaat uit dierlijke mest is relatief sterker gedaald dan het gebruik van stikstof, wat erop wijst dat fosfaat het beperkend element is bij bemesting. Opmerkelijk is dat in 2018 een toename van het gebruik van dierlijke mest geobserveerd wordt t.o.v. 2017. Dit is te wijten aan de verbeterde aanpak voor de opvolging van de mestsamenstelling sinds 2018. Hierbij zijn de landbouwers verplicht om te kiezen voor één systeem voor de afvoer van mest van hun bedrijf, nl. op basis van forfaitaire mestsamenstellingen of op basis van mestanalyses. Dit systeem stuurt de landbouwers naar het werken met meer realistische inhoudswaarden, en pakt de afvoer met onrealistisch hoge inhoudswaarden aan. De aanpak is zichtbaar in de vervoersgegevens. De van de landbouwbedrijven afgevoerde hoeveelheden mest zijn gestegen maar door een daling van de inhoudswaarden, zijn de hoeveelheden afgevoerde stikstof en fosfaat gedaald. Dit effect is eveneens zichtbaar in de evolutie van het gebruik, waarvoor voor het eerst een zichtbare toename wordt vastgesteld in 2018. In de periode 2007-2018 is het gebruik van stikstof uit kunstmest gestegen tot 48,6 miljoen kg N en is het gebruik van fosfaat uit kunstmest gedaald tot 1,1 miljoen kg P2O5 in 2018. Deze tendens wordt beïnvloed door de stelselmatige aanscherping van de P2O5-bemestingsnormen waardoor P2O5 het limiterende element in dierlijke mest wordt. Hierdoor kan minder stikstof uit dierlijke mest aangeleverd worden en is meer stikstof uit kunstmest vereist om de gewasbehoeften in te vullen. De cijfers van het landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) van het departement Landbouw en Visserij bevestigen de vastgestelde tendens. Wel blijkt het kunstmestgebruik op basis van de aangiftegegevens van de landbouwers aanzienlijk lager te zijn dan het kunstmestgebruik volgens het landbouwmonitoringsnetwerk. Eén van de prioriteiten van MAP 6 is daarom de betere inventarisatie van de kunstmestgegevens. Het gebruik van andere organische meststoffen is beperkt t.o.v. dierlijke mest en kunstmest. In 2018 werd 3,1 miljoen kg N en 1,1 miljoen kg P2O5 uit andere meststoffen gebruikt, wat een toename is t.o.v. 2017, voornamelijk door een toename van het gebruik van spuiwater van biologische wassers, digestaat uit anaerobe (co-)vergisting en overige andere meststoffen.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 7 van 240


Mesttransporten De Mestbank volgt de meststromen vanuit, naar en binnen Vlaanderen op. Het Mestrapport geeft een overzicht van de hoeveelheden dierlijke en andere meststoffen die vervoerd worden tussen verschillende types aanbieders en afnemers. In totaal werden 19,1 miljoen ton dierlijke en andere meststoffen getransporteerd in 2018. Van de 11,2 miljoen ton die afgevoerd werd door landbouwers, ging 61% naar andere landbouwers, 33% naar mestverwerkingsinstallaties en 5% naar afnemers buiten Vlaanderen. De mestverwerkingsinstallaties voerden 5,6 miljoen ton af, waarvan 31% naar afnemers buiten Vlaanderen en 12% naar andere mestverwerkingsinstallaties. 3,0 miljoen ton wordt terug afgezet op landbouwgrond (53%), maar dit komt overeen met een beperkte hoeveelheid nutriënten van ongeveer 3,0 miljoen kg N (7% van de totale afvoer van mestverwerkingsinstallaties) en 1,3 miljoen kg P2O5 (3%). Dit wordt verklaard door het gebruik van effluenten met een groot volume maar met een lage nutriënteninhoud. Van de 1,2 miljoen ton dierlijke mest die geïmporteerd wordt in Vlaanderen, gaat de grootste fractie (85%) naar mestverwerkingsinstallaties. De betere opvolging van de mestsamenstelling leidt tot correctere inhoudswaarden op de transportdocumenten, waarvan het effect voor het eerst zichtbaar is in 2018. Waar de voorbije jaren een gestage toename van zowel de vervoerde tonnages als van de hoeveelheden nutriënten (N en P2O5) werd vastgesteld, wordt een trendbreuk vastgesteld in 2018. Waar er een verdere toename van de vervoerde tonnages wordt vastgesteld in 2018, wordt voor het eerst een afname van de vervoerde hoeveelheden N en P2O5 gedetecteerd. Dit effect is te verklaren door de aanpak voor een betere opvolging van de mestsamenstelling sinds 2018. Van de 19,1 miljoen ton dierlijke en andere meststoffen die getransporteerd werden in 2018, werd de grootste fractie vervoerd door erkende mestvoerders met mestafzetdocumenten (MAD) (69%). Deze transporten worden opgevolgd via het AGR-GPS-systeem. Daarna volgen de burenregelingen en de transporten door geregistreerde verzenders met verzenddocumenten. Landbouwers die zelf of door een loonwerker eigen mest uitrijden op eigen landbouwgrond op dezelfde exploitatie, kunnen dit zonder transportdocument. De Mestbank registreert deze hoeveelheid mest die vervoerd wordt binnen het principe “eigen mest eigen grond” niet, maar schat dit in op 50,2 miljoen kg N en 22,5 miljoen kg P205. In vergelijking met 2017 wordt een hoger gebruik van eigen mest eigen grond ingeschat, wat verklaard wordt door een lagere afvoer van nutriënten als gevolg van de betere opvolging van de mestsamenstelling. Ongeveer 40% van de mestproductie wordt via ‘eigen mest eigen grond’ afgezet, maar er zijn verschillen tussen diersoorten. De grootste fractie van de rundermestproductie wordt aangewend op het eigen bedrijf, terwijl dit voor de varkensmestproductie slechts voor een beperkte fractie het geval is. Mestverwerking Vlaanderen telt in totaal 124 operationele mestverwerkingsinstallaties, waarvan de biologie de meest toegepaste verwerkingstechniek blijft. Op 98 installaties is een biologie, voor de biologische N-verwijdering uit de dunne fractie van varkensmest, rundermest of digestaat, aanwezig. In 2018 heeft de Mestbank 40,9 miljoen mestverwerkingscertificaten (MVC) uitgereikt aan mestverwerkingsinstallaties en landbouwers voor de hoeveelheid stikstof uit Vlaamse dierlijke mest die ze hebben verwerkt en geëxporteerd. Dit is 2,9% minder dan in 2017. De afname van het aantal MVC wordt grotendeels verklaard door de betere aanpak van de mestsamenstelling sinds 2018, waardoor de

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 8 van 240


mestinhoudswaarden realistischer en doorgaans lager zijn. Dit verklaart waarom er, ondanks een toename van de tonnages die door landbouwers naar mestverwerkingsinstallaties worden afgevoerd, toch een afname van de hoeveelheid nutriënten wordt vastgesteld en bijgevolg minder MVC worden toegekend aan mestverwerkingsinstallaties. Bij de rechtstreekse export van ruwe mest wordt eveneens een beperkte afname vastgesteld van de geëxporteerde tonnages maar door een verhoudingsgewijs veel grotere afname van de hoeveelheid geëxporteerde nutriënten, is een duidelijke afname van het aantal MVC voor rechtstreekse export van ruwe mest zichtbaar. In 2018 werd een verdere toename van de aanvoer van mest naar mestverwerkingsinstallaties vastgesteld. Landbouwers voerden in hoofdzaak varkensmest af naar mestverwerkingsinstallaties (18,3 miljoen kg N, of 53% van de totale aanvoer), gevolgd door pluimveemest (12,2 miljoen kg N, of 36%). Voor de meeste mestsoorten stijgen de aangevoerde massa’s naar mestverwerkingsinstallaties. Door de betere opvolging van de mestsamenstelling wordt een duidelijke afname van de aangevoerde hoeveelheid N uit varkensmest naar mestverwerking vastgesteld in 2018. Ook vanuit het buitenland wordt er mest aangevoerd naar mestverwerkingsinstallaties in Vlaanderen. De import naar mestverwerkingsinstallaties is met 3,5% (o.b.v. tonnages) gestegen t.o.v. 2017. De aanvoer van rundermest is verder gedaald, terwijl de aanvoer van pluimvee- en varkensmest sterk gestegen is. In 2018 was 83% van de import naar mestverwerkingsinstallaties afkomstig uit Nederland. De hoeveelheid mestproducten die vervoerd wordt tussen mestverwerkingsinstallaties in 2018 is gelijkaardig aan 2017, maar er treden een aantal verschuivingen op. Er wordt een verdere afname vastgesteld van de transporten van eindproducten van vergisting. Dit laatste wijst er op dat meer vergisters zelf hun digestaat verder verwerken via een biologie of andere techniek. In 2018 werd in totaal 2,3 miljoen ton ruwe mest en verwerkte mestproducten afgevoerd uit Vlaanderen met transportdocumenten, overeenkomend met 37,1 miljoen kg N en 30,8 miljoen kg P2O5. De rechtstreekse export van ruwe mest is licht gedaald in 2018 t.o.v. 2017 (- 3% o.b.v. tonnages), terwijl de export van verwerkte mest licht gestegen is (+ 3,5% o.b.v. tonnages). Als gevolg van de betere opvolging van de mestsamenstelling wordt een afname van de geëxporteerde hoeveelheden nutriënten vastgesteld in 2018. Frankrijk en Nederland blijven de belangrijkste exportbestemmingen, goed voor respectievelijk 63% en 20% van de totale hoeveelheid geëxporteerde stikstof. Naast de opvolging van de hoeveelheid nutriënten die niet op Vlaamse landbouwgrond terecht komen door de export van dierlijke mest en andere meststoffen en de export van eindproducten uit de mestverwerkingsinstallaties, volgt de Mestbank ook de N2-gas productie bij de verwerking van mest in biologische mestverwerkingsinstallaties op. In 2018 werd 16,2 miljoen kg stikstof omgezet in de vorm van N2gas, wat een afname is t.o.v. 2017 (- 4%). Deze afname wordt beïnvloed door de verbeterde opvolging van de mestsamenstelling. Zoals eerder beschreven, wordt een verdere toename vastgesteld van de vervoerde massa dierlijke mest van landbouwers naar mestverwerkingsinstallaties, maar de hoeveelheid nutriënten die afgevoerd wordt naar mestverwerking is gedaald. Mestbalans Sinds 2007 is de mestbalans in Vlaanderen in evenwicht. Dankzij de nutriëntenaanpak aan de bron, mestverwerking, en extra afzetmogelijkheden door derogatie, kan alle dierlijke mest in theorie oordeelkundig geplaatst worden op de Vlaamse landbouwgrond. Door de aanscherping van de fosfaatbemestingsnormen in

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 9 van 240


de periode 2007-2018, is het mestgebruik gedaald. Het gebruik van P2O5 is minder sterk afgenomen dan de maximale afzetruimte voor P2O5, wat er op wijst dat landbouwers deze plaatsingsruimte efficiĂŤnter benutten. In 2018 bedroeg de globale mestproductie 128 miljoen kg N. Als de afzetmogelijkheden voor dierlijke mest op Vlaamse gronden (118 miljoen kg N) en het gebruik van dierlijke mest op eigen gronden buiten Vlaanderen (1 miljoen kg N) in mindering worden gebracht, wordt een globaal mestoverschot van 9 miljoen kg N bekomen, wat gelijkaardig is aan de situatie in voorgaande jaren. Op Vlaams niveau wordt dit mestoverschot verwerkt, door mestafvoer naar mestverwerkingsinstallaties en naar afnemers buiten Vlaanderen. Uit de balans werkzame stikstof, blijkt dat 1/3de van de afzetruimte voor werkzame stikstof ingevuld wordt door dierlijke mest.

Milieukwaliteit Naast een uitgebreid overzicht van de cijfers en tendensen m.b.t. mest, wordt in het tweede hoofdstuk stil gestaan bij de milieukwaliteit. Nieuwe gebiedstype-indeling en waterkwaliteitsdoelstellingen MAP 6 Omdat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater ongunstig evolueert, wordt een verscherpte gebiedsgerichte aanpak uitgerold in MAP 6. De afstroomzones van de Vlaamse waterlichamen worden gebruikt als geografische basiseenheid voor de nieuwe indeling in vier verschillende gebiedstypes. 272.400 ha landbouwgrond bevindt zich in gebiedstype 0, 138.100 ha in gebiedstype 1, 131.000 ha in gebiedstype 2 en 134.500 ha in gebiedstype 3. Tijdens het 5de actieprogramma was 237.400 ha afgebakend als focusgebied. Nu is 403.600 ha afgebakend als gebiedstype 1, 2 en 3. Dat is een toename van 70% van het gebied waar gebiedsspecifieke maatregelen van kracht zijn. Als lange termijn doel voor oppervlaktewater wordt een streefwaarde van 18 mg nitraat/liter als jaargemiddelde vooropgesteld per afstroomzone. Het doel op het einde van MAP 6 is dat de gemiddelde doelafstand tot deze streefwaarde daalt met 4 mg nitraat per liter tegen 2022 voor de afstroomzones die nu een doelafstand hebben voor oppervlaktewater. Voor grondwater is het doel om op het einde van MAP 6 een globale dalende trend te realiseren in alle afstroomzones met onvoldoende grondwaterkwaliteit van minstens 0,75 mg nitraat/l per jaar. Dat komt overeen met een reductie van 3 mg nitraat/l over de volledige planperiode. Recente tendensen oppervlaktewater In eerste instantie wordt stilgestaan bij de kwaliteit van het oppervlaktewater. Op basis van de recente resultaten van het MAP-meetnet blijkt dat de oppervlaktewaterkwaliteit ongunstig evolueert. Al vijf winterjaren op rij is er geen dalende evolutie te merken in het percentage meetpunten met overschrijdingen van de drempelwaarde van 50 mg NO3-/l. De laatste 2 winterjaren is het percentage meetpunten met overschrijding van de drempelwaarde van 50 mg NO3-/l opvallend gestegen van 21% in winterjaar 2016-2017 tot 28% in 2017-2018 en 38% in 2018-2019. Hierdoor wordt het doel van maximaal 5% MAP-meetpunten met een overschrijding tegen 2018 uit MAP 5, niet gerealiseerd en zijn ingrijpende maatregelen nodig ter verbetering van de waterkwaliteit. Deze maatregelen moeten ook rekening houden met de effecten van klimaatverandering op de waterkwaliteit.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 10 van 240


De droge zomers van 2017 en 2018 hebben een impact op de slechte resultaten van de winterjaren 20172018 en 2018-2019. Droge zomers leiden tot minder opname van stikstof en fosfor door de landbouwgewassen en bijgevolg tot een hogere bodemvoorraad nitraat en fosfaat. In de winterperiode spoelt de nitraatvoorraad uit, als er bij de teeltkeuze en bemesting geen rekening wordt gehouden met de geringe opname in de zomerperiode. Er zijn grote regionale verschillen. West-Vlaanderen is met 62% meetpunten met overschrijding in winterjaar 2018-2019 de slechtst scorende provincie. De toename in overschrijdingen ten opzichte van 2017-2018 is het grootst in de provincies West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen. De bekkens van de IJzer en de Leie zijn met respectievelijk 67% en 70% meetpunten met overschrijding de slechtst scorende bekkens, gevolgd door de Boven-Schelde (57%) en Maas (45%). De toename van de overschrijdingen in het winterjaar 2018-2019 manifesteert zich in alle bekkens maar is het sterkst in de bekkens van de IJzer, Leie, Boven-Schelde, Gentse Kanalen, Brugse Polders en Dender. De gemiddelde nitraatconcentratie in het MAP-meetnet bedroeg 21 mg nitraat/liter in winterjaar 2018-2019. De laatste 2 winterjaren is de gemiddelde nitraatconcentratie gestegen met 2 mg nitraat/l per jaar, onder invloed van de stijging van het overschrijdingspercentage. Er zijn grote verschillen tussen de afstroomzones. De lange termijn doelstelling voor de gemiddelde nitraatconcentratie per afstroomzone is in MAP 6 ingesteld op 18 mg nitraat/l. In het winterjaar 2018-2019 wordt dit doel in 97 van de 176 beoordeelde afstroomzones behaald. Dat is een kleine verbetering ten opzichte van de referentieperiode voor oppervlaktewater voor de gebiedstype-indeling MAP 6 (winterjaren 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018). Echter, de doelafstand in de afstroomzones met een gemiddelde concentratie van meer dan 18 mg nitraat/l wordt groter. In 34 afstroomzones ligt de gemiddelde nitraatconcentratie boven de 32 mg nitraat/l en is de doelafstand tot 18 mg nitraat/l nog zeer groot. Naast nitraat wordt ook fosfaat opgevolgd in het MAP-meetnet. 60% van de MAP-meetpunten overschreed de milieukwaliteitsnorm voor fosfaat in winterjaar 2018-2019. In 83% van de meetpunten wordt er ofwel geen trend ofwel een stijgende trend gedetecteerd. Het fosfaatprobleem is veel wijder verspreid dan het nitraatprobleem. De fosfaatproblematiek moet dan ook meer aandacht krijgen in de maatregelen ter verbetering van de waterkwaliteit in het kader van het mestbeleid. Kwaliteit grondwater Na de evolutie van de oppervlaktewaterkwaliteit, gaat het rapport dieper in op de kwaliteit van het grondwater. Het percentage grondwatermeetpunten met een overschrijding van 50 mg NO3-/l vertoont een schommelend verloop en bedroeg 32,5% tijdens de laatste meetcampagne van 2018. In Noord-Limburg is er een duidelijke cluster van meetpunten met overschrijdingen. Daarnaast komen meetpunten met overschrijdingen ook verspreid voor in het centrum en zuiden van de provincies West- en Oost-Vlaanderen, de Noorderkempen en het zuiden van Vlaanderen. Na een periode waarin de gewogen gemiddelde nitraatgehalten op filterniveau 1 van het freatisch grondwatermeetnet daalden, werd in 2014 een omkeerpunt vastgesteld, met vervolgens een lichte toename van de nitraatgehalten in het ondiepe grondwater. Sinds het najaar van 2017 stagneert de gemiddelde nitraatconcentratie op filterniveau 1 op ongeveer 35,5 mg NO3-/l. Daarmee wordt het gewenste gewogen gemiddelde nitraatconcentratieniveau van 32 mg NO3-/l op het einde van MAP 5 niet bereikt.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 11 van 240


Het is niet duidelijk wat de precieze oorzaak is van de trendbreuk. Mogelijk waren de maatregelen van MAP 5 onvoldoende om de nodige verbetering te realiseren. Daarnaast is er de laatste jaren mogelijks ook een effect van de uitzonderlijk droge weersomstandigheden. De impact van de weersomstandigheden op de meetresultaten is echter complex en niet eenduidig. Het mestbeleid is niet voldoende klimaatrobuust om hierop in te spelen. Ook voor grondwater zijn er grote regionale verschillen. Tijdens de evaluatieperiode 2015-2018 werd een daling van de gemiddelde nitraatconcentratie van meer dan 3 mg NO3-/l in de bovenste filter vastgesteld bij 12 van de 38 hydrogeologisch homogene zones (HHZ’s), overeenkomend met 27% van het landbouwareaal. Daartegenover treedt in 16 van de 38 zones een stijging op, overeenkomend met 34% van het landbouwareaal. HHZ’s met een positieve nitraattrend in het grondwater komen voor naast zones met een negatieve trend. Naast de input van nitraat vanuit de landbouw is het verspreidingspatroon gerelateerd aan de natuurlijke randvoorwaarden. Een specifieke gebiedsgerichte aanpak van probleemzones (gemiddelde > 50 mg NO3-/l), waar ook met de natuurlijke randvoorwaarden versterkt rekening wordt gehouden, is noodzakelijk. Grondwatermeetpunten waar de gemiddelde nitraatconcentratie in de bovenste filter heel hoog is (meer dan 100 mg NO3-/l komen verspreid over Vlaanderen voor. Over het algemeen zijn de maximale nitraatconcentraties in het grondwater over de jaren heen gedaald. Toch blijft de situatie op iets meer dan 9% van de putlocaties problematisch en worden nog altijd toenames van de nitraatconcentratie tot boven 100 mg NO3-/l vastgesteld. Lokale effecten liggen hierbij aan de basis. In MAP 6 wordt ook voor grondwater overgestapt naar de afstroomzones van de Vlaamse waterlichamen als evaluatie-eenheid bij de gebiedstype-indeling, om beter rekening te houden met lokale effecten. Op basis van de recentste resultaten van de grondwaterkwaliteit, blijkt dat het aantal afstroomzones met een hoge gemiddelde nitraatconcentratie van meer dan 60 mg NO3-/l en een stijgende trend merkelijk is toegenomen t.o.v. de referentieperiode voor grondwater voor de gebiedstype-indeling MAP 6. Nitraatresidu Het gewogen gemiddelde nitraatresidu van alle bemonsterde percelen bij de staalnamecampagne van de Mestbank bedroeg 89 kg NO3--N/ha in 2018. Net zoals in 2017, werden de nitraatresiduresultaten in 2018 beïnvloed door de weersomstandigheden. De uitzonderlijk warme en droge zomer van 2018 heeft geleid tot een hoger nitraatresidu voor een aantal gewassen. Ook heeft het steeds groter aandeel opvolgpercelen in de staalnamecampagne, een invloed op het nitraatresidu. Bij de staalnamecampagne voor de BO waterkwaliteit in 2018 bedroeg het gemiddelde nitraatresidu 52 kg NO3--N/ha. Ook bij de BO waterkwaliteit is het effect van de weersomstandigheden zichtbaar, maar de nitraatresidu’s blijven aanzienlijk lager dan bij de staalnamecampagne van de Mestbank. De teelt van gewassen met een laag risicoprofiel binnen de BO waterkwaliteit, vertaalt zich duidelijk in lagere nitraatresidu’s in het najaar met minder uitspoeling van stikstof naar het grond- en oppervlaktewater tijdens de winterperiode als gevolg. Fosfaattoestand Voor een versterkte aanpak van de fosfaatproblematiek, worden de landbouwbodems toegekend aan een bepaalde fosfaatklasse met een daarop afgestemde fosfaatbemestingsnorm. In 2018 kregen 14.960 landbouwers een andere P-bemestingsnorm voor één of meerdere percelen omdat ze d.m.v. een

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 12 van 240


bodemanalyse hebben aangetoond dat hun percelen in een andere P-klasse thuis horen. Op basis van deze bodemanalyses werd aan 43.711 ha landbouwgrond klasse I toegekend, aan 58.381 ha klasse II, aan 236.149 ha klasse III en aan 9.341 ha klasse IV. De fosfaatverzadigde percelen (goed voor 2.752 ha) en de percelen met een laag fosfaatbindend vermogen (189 ha) blijven behouden. Voor de overige 321.953 ha landbouwgrond, het overgrote aandeel van het landbouwareaal, werd de referentieklasse IV toegekend. Ten slotte wordt in het tweede hoofdstuk van het Mestrapport verwezen naar de meest recente rapporten van VMM m.b.t. de emissies door de land- en tuinbouwsector van luchtverontreinigende stoffen die bijdragen tot verzuring en vermesting, en de verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen.

Invloedsfactoren op de waterkwaliteit De VLM laat verschillende onderzoeken uitvoeren om de invloedsfactoren op de waterkwaliteit zo goed mogelijk in kaart te brengen. Het derde hoofdstuk geeft een overzicht van de belangrijkste bevindingen uit deze onderzoeken. Uit statistische data-analyse blijkt dat de waterkwaliteit zowel gelinkt is aan variabelen waarop men een invloed kan uitoefenen als aan variabelen waarop geen invloed kan uitgeoefend worden (zoals bv. neerslag, ondergrond). Tot de belangrijkste variabelen waarop men een invloed kan uitoefenen behoren variabelen gerelateerd aan de teeltkeuze. Zo heeft een nateelt groenten groep I (zoals bloemkool of prei) een duidelijk ongunstig effect op de nitraatgehalten in oppervlaktewater. Een hoofdteelt gras heeft daarentegen een gunstig effect. Ook is er een ongunstig effect op oppervlaktewater van variabelen gerelateerd aan de dierlijke mestproductie en aan grondloze tuinbouw. Een groot deel van de variabiliteit van de nitraatresidu’s wordt verklaard door factoren waarover geen data beschikbaar zijn bij de overheid, zoals factoren gerelateerd aan het stikstofmanagement. Uit focusgroepen met landbouwers bleek dat een maximale benutting van de toegediende nutriënten cruciaal is om lagere nitraatresidu’s te realiseren. Het belang van bemesting op het juiste tijdstip, fractionering van de bemesting in de loop van het groeiseizoen, en een snelle inzaai van vanggewassen na de oogst van de hoofdteelt, komen hierbij duidelijk naar voor. In kader van de opmaak van MAP 6, werd de impact van verschillende maatregelen op het nitraatresidu en nitraatgehalten in grond- en oppervlaktewater berekend. Hieruit bleek dat optimale bemesting de grootste impact heeft, gevolgd door de inzet van vanggewassen. MAP 6 speelt hier op in. Voor fosfor wordt de ontmijningsstrategie van het mestbeleid verder gezet, waarbij minder fosfor wordt toegediend dan afgevoerd via het gewas. Uit onderzoek bleek dat bodems met een hoge fosfaattoestand, boven de streefzone minstens een decennium lang zonder fosforbemesting kunnen. De uitdaging is om Parme meststoffen in te zetten die de aanvoer van andere nutriënten en organisch koolstof kan verzekeren. Uit onderzoek blijkt ook dat bij een lage fosfaattoestand eerst de pH geremedieerd moet worden. Er zijn ook heel wat variabelen waar we geen invloed op hebben. Deze zijn talrijker/belangrijker bij fosfaat dan bij nitraat en bij grondwater dan bij oppervlaktewater. Via onderzoek willen we hier beter zicht op krijgen, zodat er rekening mee kan gehouden worden bij toekomstig beleid.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 13 van 240


De fosfaatconcentraties in het oppervlaktewater worden sterk beïnvloed door de aanwezigheid van opgeloste zuurstof in het water en door de ijzer/fosfor-verhouding in de waterbodem. Uit onderzoek bleek zelfs dat de P-bodemtoestand een betere maat is om de effectiviteit van het mestbeleid te evalueren dan de Pconcentraties in het water die ook worden beïnvloed door historische P-belasting. Er worden verschillende studies uitgevoerd om de processen in de ondergrond, van de wortelzone tot in het water, beter in kaart te brengen. De relatie tussen bemesting, grondwater en oppervlaktewater is complex en wordt naast de aanvoer van nitraat vanuit bemesting, ook beïnvloed door de hydrogeologische kenmerken van de ondergrond. Betere kennis van deze dynamieken laat toe om hier beter rekening mee te houden in toekomstig gebiedsgericht beleid. Uit de statistische analyse van het nitraatresidu blijkt dat de neerslag in het voorjaar een belangrijke rol speelt. Aan de neerslag kan men natuurlijk niets veranderen, maar er zijn wel heel wat mogelijkheden om hierop in te spelen zoals bv. met gefractioneerde bemesting.

Toezicht Het vierde hoofdstuk van het Mestrapport behandelt de verschillende beheerinstrumenten, waarbij in eerste instantie gefocust wordt op het toezicht op de naleving van de mestwetgeving. De controleprocessen van de Mestbank omvatten administratieve controles, risicogebaseerde bedrijfsdoorlichtingen, gerichte terreincontroles en nitraatresiducontroles. Voor alle landbouwers, 30.600 aangifteplichtige landbouwers in 2018 in totaal, worden administratieve controles uitgevoerd van onder meer de dierenaantallen, de mestopslag en de landbouwpercelen. Uit deze administratieve controles kunnen waarschuwingen volgen of, in ernstige gevallen, sancties zoals boetes of schorsing. De administratieve controles hebben bovendien een belangrijke knipperlichtfunctie voor gerichtere terreincontroles en bedrijfsdoorlichtingen. In totaal werden in 2018 ruim 3.000 landbouwers gecontroleerd op terrein (ongeveer 10% van het totaal). Terreincontroles van onder meer de aanwending van meststoffen en de mestopslag gaan sinds een vijftal jaar voornamelijk door in gebieden met een onvoldoende waterkwaliteit. Niet enkel landbouwers worden gecontroleerd op terrein, maar ook andere betrokken actoren zoals mestvoerders, mestverwerkingsinstallaties, staalnemers, …. Online toepassingen waarin transporten en staalnames voorgemeld worden en de AGR-GPS-verplichting bij mesttransporten dragen ertoe bij dat terreincontroles gericht kunnen uitgevoerd worden. Met MAP 5 werd het principe van bedrijfsdoorlichtingen als totaalcontrole van landbouwbedrijven en andere betrokken actoren ingevoerd. Op basis van risico-analyse worden de nutriëntenstromen van de geselecteerde bedrijven in detail onderzocht. In 2018 werden ongeveer 600 bedrijven doorgelicht (2% van het totaal). Indien inconsistenties in de nutriëntenstromen worden vastgesteld, worden de bedrijven proportioneel gesanctioneerd. Ten slotte volgt de Mestbank het nitraatresidu op. Het nitraatresidu is een belangrijk instrument om de bemestingsstrategie op een bedrijf op te volgen. 33% van het totaal aantal landbouwers werd in 2018 geselecteerd voor een nitraatresidubepaling. Vaststellingen bij bedrijfsdoorlichtingen of bij administratieve en terreincontroles, kunnen aanleiding geven tot een nitraatresiducontrole. Omgekeerd worden de resultaten van de nitraatresidumetingen meegenomen in de risico-analyse bij bedrijfsdoorlichtingen en controleacties op terrein. Aanpak van aangifteverzuim is noodzakelijk voor een sluitende controle. Het aantal uitbaters en landbouwers die een boete krijgen voor aangifteverzuim is jaar na jaar gedaald, maar sinds 2017 merken we

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 14 van 240


een stagnatie. Voor productiejaar 2018 kregen nog 55 uitbaters een boete voor het niet of laattijdig indienen van de aangifte, waarvan 42% recidivisten. Daarnaast werden 529 boetes opgelegd voor aangifteplichtige landbouwers die hun verzamelaanvraag voor productiejaar 2019 en/of Mestbankaangifte voor productiejaar 2018 niet of laattijdig hebben ingediend. Dit komt overeen met ongeveer 2% van de aangifteplichtige landbouwers. 39% van de verzuimers kreeg vroeger al een boete opgelegd. Van de 608 doorgelichte bedrijven in 2018 werd bij 41% een gevolg opgelegd, wat vergelijkbaar is met voorgaande jaren. De gevolgen worden opgelegd op maat van de vaststelling en omvatten maatregelen, boetes, sancties of correcties van administratieve documenten. Voor 184 doorgelichte bedrijven werd een of meerdere maatregel opgelegd (30%) waarbij de meest frequente maatregel het overmaken van gegevens was, gevolgd door het bijhouden van een bemestingsregister, -plan of teeltfiche, het aanpassen van de landbouwof bemestingspraktijk (bv. inzaai van een vanggewas, bodemanalyse met bemestingsadvies), en het laten uitvoeren van mestanalyses en gebruiken van een bepaalde mestsamenstelling. 135 bedrijven kregen een boete na bedrijfsdoorlichting in 2018 (22%), vnl. voor een foutieve aangifte, een overschrijding van de mestbalans en het niet naleven van eerder opgelegde doorlichtingsmaatregelen. Voor 7 bedrijven werd een sanctie opgelegd (1%), waaronder het intrekken van MVC’s en NER-MVW’s en van derogatie. Bij 91 bedrijven (15%) werden de gegevens aangepast, vnl. m.b.t. het kunstmestgebruik en de dierlijke mestopslag. Opvolging van het nitraatresidu Ook binnen MAP 6 blijft de nitraatresidu-meting in het najaar de toetssteen om na te gaan of de bemesting oordeelkundig wordt uitgevoerd. In de aanpak van de opvolging wordt evenwel een vereenvoudiging doorgevoerd. De nitraatresidu-metingen worden prioritair ingezet in gebiedstype 1, 2 en 3. Bij 37% van de landbouwers met een perceelsevaluatie in 2018 was het resultaat negatief. Deze bedrijven moeten in 2019 verplicht het nitraatresidu laten bepalen. Bij 57% van de landbouwers met een bedrijfsevaluatie in 2018, was het resultaat negatief. Deze bedrijven moeten in 2019 opnieuw een bedrijfsevaluatie van het nitraatresidu laten uitvoeren. Onder MAP 5 werd jaarlijks een bedrijfsstatus toegekend aan elke landbouwer in Vlaanderen. Deze status werd onder meer bepaald door de ligging van de percelen in focusgebied van dat jaar en door de resultaten van de nitraatresidubepalingen van het voorgaande jaar. Binnen MAP 6 wordt deze bedrijfsstatus niet meer toegekend. Het is wel nog relevant om de bedrijfsstatus aan het einde van MAP 5, rekening houdend met de nitraatresidubepalingen van 2018, weer te geven. Voor focusbedrijven met maatregelencategorie 2 en 3 blijven de verplichtingen m.b.t. vanggewassen en reductie van de bemestingsnorm immers van kracht als overgangsmaatregel. Het gaat in totaal over 747 bedrijven. Rekening houdend met de resultaten van de staalnamecampagne 2018, zijn er in totaal 3.783 bedrijven met een geldige vrijstelling in 2019. Omwille van het belang van een correcte nitraatresidumeting, werden de terreincontroles op de staalnemers opgevoerd en werd de sanctionering versterkt. In 2018 werden opnieuw minder zware overtredingen vastgesteld t.o.v. het vorige jaar. Bij 2% van de 91 gecontroleerde staalnemers in 2018 werden zware overtredingen vastgesteld die geleid hebben tot uitsluiting voor verdere staalname. Opvolging van de mestproductie Van de 308 bedrijven met dierlijke mestproductie die doorgelicht werden in 2018, werden bij 30% maatregelen opgelegd. Net zoals vorige jaren, blijft het tekort aan mestafzet het voornaamste knelpunt. Dat wordt gecompenseerd door creatief om te gaan met de hoeveelheid mestopslag en de mestafvoer van het

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 15 van 240


bedrijf, waardoor de nutriëntenbalans wel in evenwicht is, maar er toch te veel mest op het bedrijf blijft. Naast het overmaken van gegevens en stavingsstukken aan de Mestbank, zijn het bijhouden van een bemestingsregister, -plan of teeltfiche, verplichte mestanalyses, het vooraf melden van staalnames en een verplichte mestsamenstelling gebruiken, vaak opgelegde maatregelen. Landbouwers mogen op jaarbasis gemiddeld niet meer dieren houden op hun bedrijf dan toegelaten volgens hun nutriëntenemissierechten. Maar ondanks de ruime marge aan NER in Vlaanderen, zijn er nog steeds landbouwers met NER-overschrijding. In 2017 hebben 988 landbouwers meer dieren gehouden dan toegelaten volgens hun NER, waarvan ruim de helft reeds eerder een NER-boete kreeg opgelegd. De totale NER-overschrijding bedroeg 0,88 miljoen NER. Sinds 2012 schommelt het aantal landbouwers met NERoverschrijding rond de 1.000 landbouwers. Een bedrijf kan uitbreiden door de overname van nutriëntenemissierechten, waarbij standaard 25% van de NER-D geannuleerd wordt. In 2018 werd in totaal 11,8 miljoen NER overgelaten. In totaal werden 1,1 miljoen NER-D gereduceerd in 2018 (10% van de overgelaten NER-D). In totaal is door de overnames in de periode 2007-2018 ongeveer 13,9 miljoen NER-D gereduceerd. Voornamelijk NER-DR (44%) worden verhandeld, gevolgd door NER-DV (37%). Zodra de NER-D verhandeld worden, geldt standaard dat de overgedragen NER-D enkel nog kunnen gebruikt worden om de overeenkomstige diersoort mee te houden. Bovendien worden alle NER-D van dezelfde diersoort die gehouden werd bij de overnemer vóór de overname ook vast door de overname. Van de 272 miljoen NER-D in Vlaanderen in 2018, is 43% hierdoor vast. Opvolging van de bemesting Van de 189 akkerbouwbedrijven die doorgelicht werden in 2018, werden bij 28% maatregelen opgelegd. Net zoals vorige jaren, waren de meest voorkomende vaststellingen niet-oordeelkundige bemesting en foutieve aangifte (voornamelijk kunstmestgebruik en mestopslag). Naast het overmaken van gegevens aan de Mestbank, zijn het bijhouden van een bemestingsregister, -plan of teeltfiche, het aanpassen van de bemestingspraktijk, en het verplicht gebruiken van mestanalyses, vaak opgelegde maatregelen. Via de “VODKA-actie”, staande voor Verantwoord Omgaan met Dierlijke mest, Kunstmest en Andere meststoffen, controleert de Mestbank de bemestingspraktijken op terrein, met een hogere controledruk in de probleemgebieden. In 2018 werden 3.432 terreincontroles uitgevoerd, waarvan 63% in probleemgebieden. Van de 2.820 opbrengingscontroles, werd bij 6% een of meerdere inbreuken vastgesteld. Daarnaast werden ook 612 controles van de opslag op de kopakker uitgevoerd, waarvan bij 10% minstens één inbreuk werd vastgesteld. De meest voorkomende inbreuken in 2017 zijn de niet-emissiearme aanwending van mest (33%), het niet naleven van de voorwaarden voor de kopakkeropslag (28%) en bemesting te dicht bij de waterloop (20%). In 2018 zijn er duidelijk minder inbreuken i.v.m. bemesting te dicht bij de waterloop (20% van de inbreuken) in vergelijking met voorgaande jaren (zo’n 30%). Dit kan in verband gebracht worden met de introductie van de teeltvrije zone in 2018 waardoor mogelijks extra aandacht was voor de afstandsregels tot de waterloop. In het voorjaar van 2018 werd er verscherpt toezicht uitgeoefend op de teeltvrije zone langs waterlopen. Van de 780 gecontroleerde percelen waren er 38% niet in regel met de wetgeving omtrent de teeltvrije zone. Omdat deze controle voor het eerst plaats vond, werd in eerste instantie met aanmaningen gewerkt. In de tweede jaarhelft van 2018 werden er hercontroles uitgevoerd van de betrokken percelen. Hieruit blijkt de

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 16 van 240


aanmaningen goed zijn nageleefd. Bij 4% van de betrokken landbouwers werd opnieuw een inbreuk vastgesteld waarvoor een proces-verbaal werd opgemaakt. Opvolging van de mestopslag Omdat een slechte staat van de mestopslag een belangrijk risico inhoudt op nutriëntenverliezen, ligt de focus bij omgevingscontroles bij landbouwbedrijven op de mestopslag. Van de 394 landbouwbedrijven waarbij de mestopslag gecontroleerd werd in 2018, kregen 172 bedrijven (36%) een aanmaning om de mestopslag aan te passen conform de Vlarem-regelgeving. Bij 39 bedrijven werd een PV voor lozing opgesteld (10%). Het inbreukpercentage bij controles van de mestopslag blijft hoog en vergelijkbaar met voorgaande jaren. Bij hercontroles is het inbreukpercentage gevoelig lager. Ongeveer 85% van de vaststellingen heeft betrekking op de opslag van vaste dierlijke mest. Opvolging van biologische wassers Tijdens de omgevingscontroles van landbouwbedrijven, kijken de toezichthouders van de Mestbank ook na of het spuiwater van biologische wassers correct wordt bemonsterd en afgezet. Daarnaast kijken ze ook na of de wassers correct worden gebruikt. Bij 17% van de 33 gecontroleerde biologische luchtwassers in de periode januari 2018 t.e.m. juni 2019 was de luchtwasser niet actief. Ook de afdeling Handhaving van het Departement Omgeving controleert of de wassers correct worden gebruikt. Van de 56 gecontroleerde biologische luchtwassers in 2018 door de afdeling Handhaving van het Departement Omgeving bleek de werking van de helft onvoldoende te zijn. Opvolging van derogatie De controles van derogatiebedrijven bestaan uit verschillende processen. Na de administratieve controles van de percelen werd in 2018 derogatie toegekend aan 2.769 landbouwers. Bij 136 landbouwers (5%) werd de derogatie afgekeurd. Daarnaast worden voor een selectie van bedrijven en percelen controles uitgevoerd op terrein. Hieruit blijken weinig inbreuken bij terreincontroles van derogatiepercelen, maar meer bij volledige controles van derogatiebedrijven. Van de 219 derogatiebedrijven met een volledige bedrijfscontrole in 2018, werd bij 30% één of meerdere inbreuken tegen de derogatievoorwaarden vastgesteld. Onvoldoende bodemstalen en het niet of niet correct bijhouden van een bemestingsplan, zijn veel voorkomende inbreuken. Daartegenover werden bij slechts 0,5% van de 8.454 gecontroleerde derogatiepercelen, inbreuken vastgesteld tegen de derogatievoorwaarden. Opvolging van tuinbouwbedrijven Van de 50 grondloze tuinbouwbedrijven die doorgelicht werden in 2018, werden bij 28% maatregelen opgelegd. Net zoals vorige jaren, hadden de meeste vaststellingen te maken met lekkende folies, lekken in leidingen van voedingswater en onvoldoende opslagcapaciteit voor spuistroom. De meest opgelegde maatregel had dan ook betrekking op een aanpassing aan de bedrijfsvoering om nutriëntenverliezen aan te pakken. Van de 113 bedrijven met tuinbouw in volle grond die doorgelicht werden in 2018, werden bij 36% maatregelen opgelegd. Ook hier liggen de vaststellingen in dezelfde lijn als van 2016 en 2017. Vaak werd vastgesteld dat het kunstmestgebruik niet of niet voldoende aangegeven werd of dat er niet oordeelkundig bemest werd. De meeste maatregelen hadden dan ook betrekking op het doorgeven van kunstmestgegevens of het verplicht bijhouden van een bemestingsregister, -plan of teeltfiche.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 17 van 240


Opvolging van mestverwerking Via het instrument mestverwerking wordt het mestgebruik afgestemd op de afzetruimte. In bepaalde situaties zijn landbouwer verplicht om een bepaalde hoeveelheid mest te laten verwerken. Dit is het geval als de landbouwer mestverwerkingsplichtig is of als de landbouwer uitbreidt na bewezen mestverwerking. Deze verplichte mestverwerking wordt goed nageleefd. Van de 482 landbouwers met een basismestverwerkingsplicht in 2016, beschikte 3% niet over voldoende MVC. Daarnaast voldeed 13% van de 950 landbouwers met een overname van NER met mestverwerking, niet aan de bijkomende mestverwerkingsplicht. Bij de evaluatie van de aanvragen voor NER-MVW in 2018 werd nagegaan of de betrokken bedrijven in 2016 al 25% van de aangevraagde netto-uitbreiding verwerkt hebben. Na de toekenning van de NER-MVW door de Mestbank, heeft het bedrijf 3 jaar tijd om de uitbreiding van het bedrijf te realiseren. Van de 3.739 geëvalueerde uitbreidingsdossiers voor productiejaar 2017, werd 94% positief geëvalueerd. Ook de mestverwerkingsinstallaties worden opgevolgd door de Mestbank. Sinds 1 januari 2013 moet alle dierlijke mest die aangevoerd naar of afgevoerd wordt van de mestverwerkingsinstallatie verplicht gewogen worden. Het massaprotocol is een afwijking, waarbij bepaalde stromen niet gewogen worden per vracht. 68 mestverwerkingsinstallaties (45%) maakt hier gebruik van. Uit administratieve controles van het massaprotocol blijkt dat er bijsturing nodig was van het massaprotocol bij 19% van de installaties. In 2018 werden 24 mestverwerkingsinstallaties doorgelicht, waarvan bij 50% maatregelen werden opgelegd. Net zoals de voorgaande jaren, hadden veel vaststellingen betrekking op transportdocumenten, zoals het foutief gebruik van analyses en abnormaal hoge analysewaarden, niet of niet correct voor- en namelden van burenregelingen, of onregelmatigheden als er vergeleken werd met weeggegevens. Om de massastromen beter op te volgen, werden het plaatsen van extra debietmeters en het periodiek bijhouden van debietmeterstanden enkele keren als maatregel opgelegd. In uitzonderlijke gevallen werd er een verbod opgelegd op het meststoffentransport totdat de verwerker zich in orde gesteld had. Bij 23% van de 31 mestverwerkingsinstallaties waar een omgevingscontrole werd uitgevoerd op terrein in 2017, werden knelpunten blootgelegd. Bij de meerderheid van de inbreuken, is de vaststelling ernstig en wordt een PV of geldboete opgelegd. Het gaat hier onder meer over lozing van effluent door bewuste nalatigheid van de eigenaar, scheuren in het effluentbekken of lekken. Opvolging van mesttransporten De opvolging van transportdocumenten verhoogt de controleerbaarheid. De administratieve controles van het correct gebruik van het AGR-GPS systeem hebben geleid tot een correctere aanmelding van mestafzetdocumenten (MAD’s) en een correcter gebruik van AGR-GPS. In 2018 werd voor amper 2% van de ruim 300.000 aangemelde MAD’s geen AGR-GPS-signalen ontvangen. Uitgedrukt t.o.v. het aantal mestvoerders, blijkt deze onregelmatigheid nog geregeld voor te komen. Voor 63% van de 672 erkende mestvoerders met MAD’s in 2018, was er minstens één MAD zonder AGR-GPS-signalen. Ongeveer 20% van de gevallen is toe te schrijven aan defecten aan het AGR-GPS-toestel of aan het erkend voertuig die niet onmiddellijk konden hersteld worden. In dat geval verleent de Mestbank toestemming om zonder AGR-GPS te rijden of een vervangvoertuig te gebruiken. Bij de beoordeling van de onregelmatigheden is het moeilijk om na te gaan of het gaat over een administratieve vergetelheid of een bewuste fraude. Zo krijgt de Mestbank vaak meldingen van erkende mestvoerders dat een chauffeur een fout gemaakt heeft of vergeten is op de knop te

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 18 van 240


drukken. Dergelijke fouten kunnen niet rechtgezet worden, en worden wel degelijk beschouwd als een niet correct gebruik van AGR-GPS. De controle van AGR-GPS-signalen heeft een groot potentieel, maar automatische controles geven slechts een beperkt beeld van de eigenlijke situatie. Bij een bedrijfsdoorlichting worden AGR-GPS-signalen gerichter gecontroleerd maar dit is arbeidsintensief. In 2018 werden 25 erkende mestvoerders doorgelicht, waarvan bij 40% maatregelen werden opgelegd. De vaststellingen hadden vooral te maken met niet correct ingevulde MAD’s, ontbreken van geldige analyses en het niet correct gebruiken van AGR-GPS. Vaak opgelegde maatregelen waren het overmaken van gegevens, het laten aanpassen van de erkenning of het verplicht laten wegen van transporten. Bij de 1.097 terreincontroles van mesttransporten in 2018 werden 8% onregelmatigheden vastgesteld. Dit inbreukpercentage is vergelijkbaar met vorige jaren. Het inbreukpercentage bij controles op de burenregeling (21%) is beduidend groter dan bij controles op MAD’s (6%). De meest voorkomende inbreuken tegen de vervoersreglementering zijn lichte overtredingen (zoals het niet doorkomen van het chassisnummer van het transport met de AGR-GPS gegevens of fouten op het MAD), het niet of niet correct gebruiken van AGR-GPS en het niet opmaken van een burenregeling om mest te vervoeren. Bij 65% van de inbreuken werd een administratieve geldboete opgelegd. Opvolging van mestsamenstelling Sinds 1 januari 2018 is een aangepaste wetgeving van toepassing voor het gebruik van mestsamenstellingen. Hierbij moet de landbouwer een keuze maken tussen twee systemen, nl. (1) een algemeen forfaitair systeem met forfaitaire mestsamenstellingen, en (2) een analysesysteem waarbij voor elk transport van mest een analyse beschikbaar moet zijn. Globaal wordt in 17% van de gevallen gekozen voor het analysesysteem maar er zijn grote verschillen naargelang de mestsoort. De bedrijfsspecifieke mestsamenstelling (BSM) is een vereenvoudigde manier van werken met analyses, als de variatie van de stalen binnen het bedrijf en mestsoort aanvaardbaar is. Volgens een stand van zaken medio 2019, wordt de BSM in zo’n 70 gevallen toegepast. Tijdens de terreincontroles van mesttransporten, voert de Mestbank staalnames uit van de vervoerde mest. Voor ruwe mestsoorten, worden doorgaans lagere inhoudswaarden gemeten bij de mestanalyse door de Mestbank dan volgens wat vermeld is op het mestafzetdocument (MAD). Doorheen de jaren wordt wel verbetering vastgesteld. Waar vroeger nog geregeld onrealistisch hoge inhoudswaarden werden vastgesteld op de transportdocumenten, zet de trend naar meer realistische mestsamenstellingen voor ruwe mestsoorten zich door. Dit is vooral zichtbaar bij mengmest van mestvarkens. In tegenstelling tot de ruwe mestsoorten, worden nog steeds grote verschillen vastgesteld tussen de inhoudswaarden van eindproducten van mestverwerkingsinstallaties op de transportdocumenten en wat gemeten wordt bij terreincontroles. Uit deze controles blijkt dat verwerkte mestproducten in realiteit meer nutriënten bevatten dan wat er op de transportdocumenten vermeld wordt, wat impliceert dat de totale hoeveelheid verwerkte nutriënten in Vlaanderen overschat wordt. Ook heeft dit milieu-implicaties aangezien effluenten met een lage stikstofinhoud (<0,6 kg N/ton) mogen aangewend worden in periodes waarin andere type 3 meststoffen niet mogen worden uitgereden. Wanneer de effluenten in realiteit (de analyse vermeldt gemiddeld 0,65 kg N/ton in 2018) de toegelaten hoeveelheid om te genieten van deze uitzondering overschrijdt, kan dit een negatieve impact hebben op het milieu. Het is dus van het grootste belang dat de inhoudswaarden van effluenten zo goed als mogelijk constant worden gehouden en er steeds een

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 19 van 240


representatieve analyse gebruikt wordt. Daarom heeft het VCM in oktober 2018, in samenspraak met de VLM en de mestverwerkers, een code voor goede praktijk ontwikkeld voor het verkrijgen van een betrouwbare en stabiele effluentsamenstelling. Opvolging van lozing Controles op lozing van meststoffen vinden vaak plaats na ontvangst van een melding of toevallig in het kader van andere terreincontroles. Van de 110 controles die uitgevoerd werden in 2018 met betrekking tot een potentiële lozing van meststoffen of de opvolging van een eerdere vaststelling van lozing, werd in 59% van de gevallen effectief een lozing vastgesteld of was er een reëel risico op lozing. Van de 110 controles waren er 16 hercontroles na eerdere vaststellingen van inbreuken. Bij geen enkele hercontrole werden er opnieuw inbreuken vastgesteld. De meeste lozingen worden vastgesteld bij de opslag van vaste mest (58%). Financiële gevolgen In het Mestrapport wordt een financieel overzicht gegeven van de opgelegde boetes naar aanleiding van de hierboven vermelde administratieve en terreincontroles. Van de 3,7 miljoen euro aan opgelegde boetes in 2018, nemen de boetes voor NER-overschrijding het grootste aandeel in (49%), gevolgd door de boetes voor balansoverschrijding (24%). In 2018 werden er 2.586 boetes opgelegd, waarvan 90% opgelegd werden na een administratief controleproces. Deze administratieve boetes bedroegen 2,2 miljoen euro of 60% van het totaal opgelegde boetebedrag in 2018. De boetes die opgelegd werden na een terreincontrole of een doorlichting vertegenwoordigen slechts 10% van het totale aantal boetes maar wel 40% van het totale boetebedrag. Begeleiding van landbouwers Begeleiding door het CVBB Waterkwaliteitsgroepen zijn door het CVBB georganiseerde bijeenkomsten waarin landbouwers die actief zijn binnen het afstroomgebied van slechte of minder goede MAP-meetpunten, samengebracht worden. Globaal werden 490 bijeenkomsten van waterkwaliteitsgroepen georganiseerd, waarbij 2.900 landbouwers bereikt werden. Binnen de waterkwaliteitsgroepen worden de oorzaken van en de oplossingen voor de slechte waterkwaliteit besproken. De klassieke vergaderingen ’s avonds zijn geëvolueerd naar bijeenkomsten op het terrein (de zogenaamde ‘tententochten’) met een grotere opkomst tot gevolg. Om bij onverwacht hoge meetresultaten in het MAP-meetnet, snel te kunnen ingrijpen op terrein, wordt sinds het voorjaar van 2016 gewerkt met de zogenaamde signaalwaarden. De VMM stelt hoge resultaten van nitraatmetingen doorgaans op minder dan 5 dagen na bemonstering ter beschikking van enkele stakeholders. De kans om eventuele oorzaken van de verhoogde nitraatconcentraties op te sporen vergroot hierdoor aanzienlijk. In de meeste gevallen is de oorzaak duidelijk gerelateerd aan de landbouwpraktijk, in hoofdzaak drainage. Via de intensieve aanpak volgt het CVBB de ‘probleembedrijven’ in afstroomgebieden van rode MAPmeetpunten van nabij op. Er wordt vooral toegespitst op begeleiding bij de bemestingsstrategie. In totaal werden in de periode 2014-2018 1.900 landbouwers opgevolgd. Heel wat van deze landbouwers nemen niet of nauwelijks deel aan voorlichtingsvergaderingen en waterkwaliteitsgroepen, en worden langs deze weg toch bereikt. De intensieve aanpak bestaat uit bodemstaalnames en hieraan gekoppelde bemestingsadviezen. In het najaar worden nitraatresidustalen genomen om de bemestingsstrategie te beoordelen. Bij hoge

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 20 van 240


nitraatresidu’s wordt gezocht naar de mogelijke oorzaken. De voornaamste oorzaak is duidelijk gerelateerd aan bemesting. Landbouwers met een te hoog nitraatresidu komen in aanmerking voor individuele bedrijfsbegeleiding door het CVBB. Het begeleidingspakket bestaat uit een bedrijfsbezoek en staalnames van bodem, dierlijke mest en gewas. In totaal werden in de periode 2012-2018 2.200 landbouwers begeleid. Ondersteuning door de Mestbank De Mestbank zorgt in de 5 regionale vestigingen voor eerstelijnsinformatie voor landbouwers en andere belanghebbenden. Men kan hier zowel telefonisch, via mail als op afspraak terecht. In 2018 werden 53 zitdagen georganiseerd waarbij 1.949 klanten, voornamelijk landbouwers, individueel werden ontvangen en verder geholpen. Tijdens de wintertoelichtingen voor de landbouwconsulenten in het najaar van 2018 waren er 135 aanwezigen. Door deze ‘train de trainer’ aanpak wordt een veelvoud aan landbouwers bereikt op een efficiënte manier. De Mestbank zet volop in op een verdere uitbouw van de digitale ondersteuning. Het Mestbankloket vormt hierbij de spil en stelt alle e-loketten en applicaties van de Mestbank ter beschikking. Zo is er de jaarlijkse mestbankaangifte waarvan 98% werd ingediend via het loket. In omgekeerde richting fungeert het loket als informatiekanaal van de Mestbank naar de landbouwer en de andere belanghebbenden. Op 1 januari 2018 werd de toepassing SNapp gelanceerd, de StaalName-applicatie van het Mestbankloket. Dit onlineplatform heeft als doel om bodemanalyses in het kader van het Mestdecreet gemakkelijker te beheren. Landbouwers kunnen via dit platform percelen aanduiden en een bodemanalyse aanvragen bij een erkend labo, bv. in kader van een aanvraag voor een andere fosfaatklasse of een nitraatresidubepaling. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor zowel landbouwers, de erkende laboratoria als de Mestbank. Sinds 1 januari 2019 is er een vernieuwde versie van het Mest Transport Internet Loket (MTIL) operationeel. In het vernieuwde MTIL stromen de analyseresultaten vanuit het Staalname Melding Internet Loket (SMIL) automatisch door. De analyseresultaten worden dan automatisch ingevuld op de mesttransportdocumenten. De landbouwer moet jaarlijks kiezen of hij met het forfaitsysteem of met mestanalyse wil werken voor de bepaling van de mestsamenstelling. Ook met die keuze, houdt het nieuwe MTIL rekening. Met gerichte communicatie over MAP 6 wil de VLM de land- en tuinbouwsector en andere betrokken doelgroepen informeren en activeren om de regelgeving correct na te leven. Hierbij wordt gebruik gemaakt van diverse kanalen, zoals de website van de VLM, persmededelingen voor de vakpers landbouw, doelgroepgerichte mailings (en brieven), brochures, voorlichtingsvergaderingen, deelname aan beurzen en communicatie via sociale media en PlattelandsTV. Ook organiseerde de VLM voorlichtingsvergaderingen. In eerste instantie werd een infosessie voorzien voor de consulenten (‘train de trainer’). Daarna gingen 7 infosessies door voor landbouwers in de verschillende provincies. Hierbij werden ruim 2.400 deelnemers bereikt. Naast controle en begeleiding, dragen ook bepaalde beheerovereenkomsten bij tot een betere waterkwaliteit, namelijk de beheerovereenkomst perceelsranden, de beheerovereenkomst waterkwaliteit en de beheerovereenkomst erosiebestrijding. Het areaal landbouwgrond waarop een beheerovereenkomst waterkwaliteit, erosiebestrijding en perceelsrandenbeheer wordt toegepast in 2018 bedraagt 58% van het totale areaal onder beheerovereenkomsten.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 21 van 240


De VLM besteedt onderzoeken aan om het mestbeleid wetenschappelijk te onderbouwen. Met de resultaten wordt nieuw beleid voorbereid of bestaand beleid verder uitgewerkt of verfijnd. De laatste 10 jaren heeft de VLM meer dan 35 onderzoeken aanbesteed. Het Onderzoeksplatform duurzame bemesting geeft hierbij advies aan de VLM (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°2). De onderzoeken gaan over de themaâ&#x20AC;&#x2122;s: mestproductie en samenstelling; bemestingsnormen en -praktijken; invloed van bemesting op het nitraatresidu in de bodem en de waterkwaliteit; processen in de ondergrond van de wortelzone tot in het water. Waar relevant, komen de resultaten van de belangrijkste onderzoeksthemaâ&#x20AC;&#x2122;s aan bod.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 22 van 240


1 KADER 1.1 DE EUROPESE CONTEXT De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) heeft als doel alle waterlichamen in Europa in een goede fysische, chemische en ecologische toestand te brengen. Hiertoe moeten de verschillende sectoren, waaronder de land- en tuinbouwsector, een bijdrage leveren. Via het mestbeleid en het Mestdecreet1 wordt de diffuse verontreiniging van nutriënten van het oppervlakte- en het grondwater door de land- en tuinbouwsector aangepakt, conform de Europese Nitraatrichtlijn (91/676/EEG). In uitvoering van de Europese Nitraatrichtlijn moet elke Europese lidstaat of regio om de 4 jaar een nieuwe actieprogramma opstellen met maatregelen voor de verdere reductie van nutriëntenverliezen uit de land- en tuinbouwsector naar oppervlakte- en grondwater. In Vlaanderen geeft het Mestdecreet uitvoering aan dit actieprogramma. Eind 2018 liep het 5de mestactieprogramma voor de periode 2015-2018 (MAP 5) ten einde. De doelstellingen van MAP 5 werden niet gerealiseerd. Uit de metingen van de nitraatconcentratie in waterlopen in landbouwgebied via de MAP-meetnetten voor grond- en oppervlaktewater, bleek dat de waterkwaliteit in het Vlaamse landbouwgebied stagneert. Om de stagnatie van de waterkwaliteit aan te pakken, werkte Vlaanderen een ambitieus 6de mestactieprogramma voor de periode 2019-2022 (MAP 6) uit in overleg met de bevoegde diensten van de Europese Commissie (EC).

1.2 MAP 6 IN EEN NOTENDOP Het 6de mestactieprogramma voor de periode 2019-2022 (MAP 6) werd vertaald in Vlaamse wetgeving2. Met MAP 6 worden gerichte maatregelen genomen die cruciaal zijn om de waterkwaliteit te verbeteren. MAP 6 moet ervoor zorgen dat minder nitraten en fosfaten uit meststoffen in het water terechtkomen. Dat is nodig om de waterkwaliteit in Vlaanderen opnieuw te verbeteren en in lijn te brengen met de Europese doelstellingen. Bemesting volgens het 4J-principe Het nieuwe mestactieprogramma legt de klemtoon op het uitvoeren van goede bemestingspraktijken volgens het 4J-principe: bemesten met de juiste dosis, de juiste mestsoort, op het juiste tijdstip en met de juiste bemestingstechniek. Goede bemestingspraktijken, volgens het principe van de 4J’s, zijn essentieel om lage nitraatresidu’s te realiseren en bij te dragen aan een verbetering van de waterkwaliteit.

1

Decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (B.S., 29 december 2015). Een actueel overzicht van de mestwetgeving is terug te vinden op: https://www.vlm.be/nl/themas/regelgeving/regelgeving-mestbank. 2 Decreet van 24 mei 2019 houdende wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en van het Mestdecreet van 22 december 2006, wat de implementatie van het zesde mestactieprogramma betreft

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 23 van 240


Nieuwe gebiedstype-indeling Regionale en lokale verschillen in de waterkwaliteit vereisen verschillende maatregelen. In gebieden waar nog een grote verbetering van de waterkwaliteit moet gerealiseerd worden, zijn strengere maatregelen nodig dan in gebieden waar de waterkwaliteitsdoelstellingen bijna of al gerealiseerd zijn. Daarom wordt in MAP 6 de overstap gemaakt naar een nieuwe, meer verfijnde indeling van Vlaanderen in 4 gebiedstypes: − gebiedstype 0: waterkwaliteitsdoelstelling is gehaald − gebiedstype 1: waterkwaliteitsdoelstelling is in zicht − gebiedstype 2: middelgrote afstand tot de waterkwaliteitsdoelstelling − gebiedstype 3: grote afstand tot de waterkwaliteitsdoelstelling De afstroomzones van de Vlaamse waterlichamen worden gebruikt als geografische basiseenheid voor de indeling in de verschillende gebiedstypes. Dat zijn gebieden die afwateren naar een van de Vlaamse waterlichamen en hun lokale vertakkingen. De nieuwe indeling in gebiedstypes, vervangt de vroegere afbakening van de focusgebieden. Tijdens MAP 5 was 237.400 ha afgebakend als focusgebied. Nu is 403.600 ha afgebakend als gebiedstype 1, 2 en 3. Dat is een toename van 70% van het gebied waar gebiedsspecifieke maatregelen van kracht zijn. Gebiedsgerichte maatregelen In de gebiedstypes 1, 2 en 3 moeten waar mogelijk tegen 15 september vanggewassen worden ingezaaid na de oogst. In de gebiedstypes 2 en 3, goed voor 40% van het areaal landbouwgrond, wordt deze vanggewasmaatregel nog verder aangescherpt en worden bijkomende maatregelen opgelegd. Zo geldt daar ook een lagere bemestingsnorm voor werkzame stikstof en moet het transport gebeuren met erkende mestvoerders met AGR-GPS na 1 augustus in een aantal specifieke situaties. Om innovatie te stimuleren kunnen landbouwers in de toekomst ook kiezen voor equivalente maatregelen, als alternatief voor bovenstaande gebiedsgerichte maatregelen in gebiedstype 2 en 3. Ook landbouwers die via een positieve evaluatie van het nitraatresidu op hun bedrijf aantonen dat ze goed werken, kunnen vrijgesteld worden van bepaalde maatregelen. Versterkte handhaving De bestaande generieke maatregelen worden versterkt door een doeltreffende handhaving. Voor de Mestbank is een betere opvolging van het kunstmestgebruik prioritair. Daarom wordt een digitaal kunstmestregister ingevoerd voor landbouwers en kunstmesthandelaren. Uitbaters van mestverwerkingsinstallaties zullen debietmeters moeten installeren om hun werking te staven. Daarnaast blijft de nitraatresidubepaling de belangrijkste indicator voor een oordeelkundige bemesting. Verder zet de Mestbank in op de optimalisatie van de bestaande controleprocessen. Gerichte bedrijfsdoorlichtingen na risicoanalyse, terreincontroles en nitraatresiducontroles blijven belangrijk voor de Mestbank. Een performant toezicht op de naleving van de mestwetgeving gericht op het bevorderen van de naleving van de wetgeving gekoppeld aan een proportionele sanctionering, is immers het sluitstuk van het mestbeleid. Begeleiding blijft belangrijk Oordeelkundig bemesten is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de landbouwer. Opdat de landbouwer in staat is dat zo goed mogelijk te doen, blijven begeleiding en advisering van belang. Om de kwaliteit van de bemestingsadviezen te verbeteren en de toepassing ervan door de landbouwers te verhogen,

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 24 van 240


zal vanaf 2021 een certificering voor de bemestingsadvisering uitgerold worden. Kennisdeling over de juiste bemestings- en landbouwpraktijken is cruciaal om een verbetering van de waterkwaliteit te realiseren. Verlenging van de derogatie Met de goedkeuring van MAP 6, werd een verlenging van de derogatie goedgekeurd door Europa. Dankzij derogatie kunnen landbouwers een groter aandeel van de gewasbehoefte invullen met dierlijke mest. Hierdoor wordt het gebruik van kunstmest op derogatiebedrijven verminderd en kunnen ze op een duurzame manier een groter aandeel van de nutriĂŤnten uit dierlijke mest hergebruiken. Het verhoogd gebruik van dierlijke mest is gekoppeld aan een aantal voorwaarden, en wordt toegekend voor een periode van vier jaar, van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2022. Het Europese derogatiebesluit van 12 juli 2019 wordt geĂŻmplementeerd in Vlaamse wetgeving via de wijziging van de VLAREME. Dit is het uitvoeringsbesluit van de Vlaamse regering van het Mestdecreet.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 25 van 240


2 FEITEN & CIJFERS 2.1 MESTSTROMEN IN VLAANDEREN 2.1.1 Dierlijke mestproductie 2.1.1.1 Licht dalende rundvee- en varkensstapel, verder groeiende pluimveestapel In 2018 telde Vlaanderen ongeveer 45,0 miljoen dieren, waarvan 37,5 miljoen stuks pluimvee, 5,97 miljoen varkens, 1,31 miljoen runderen en 0,23 miljoen andere dieren. Figuur 1 geeft de evolutie weer van het aantal dieren per diersoort sinds 2007. Varkens 7,0

1,4

6,0

1,2

5,0

Miljoen dieren

Miljoen dieren

Runderen 1,6

1,0 0,8 0,6

4,0 3,0

0,4

2,0

0,2

1,0

0,0

0,0

Pluimvee

Andere dieren

40

0,25

30 25

20 15 10

0,20 Miljoen dieren

Miljoen dieren

35

0,15 0,10

0,05

5

0

0,00

Figuur 1 Evolutie van het aantal dieren per diersoort in Vlaanderen sinds 2007

Het aantal runderen schommelt rond de 1,3 miljoen dieren tijdens de periode 2007-2018. Na een lichte stijging van het aantal runderen in de periode 2012-2016, wordt terug een lichte afname van het aantal runderen vastgesteld van 1,34 miljoen in 2016 tot 1,31 miljoen in 2018 (- 2,6%) (Figuur 1).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 26 van 240


De evolutie van het aantal runderen per rundveecategorie is gevisualiseerd in Figuur 2. Bij de melkkoeien wordt een duidelijke toename vastgesteld sinds 2012. In 2018 is het aantal melkkoeien verder gestegen met 2,7% t.o.v. 2017, tot 304.000 melkkoeien in totaal. Bij het vervangingsvee werd sinds 2007 een toename vastgesteld, maar dit lijkt recent te stabiliseren. Bij de meeste vleesveecategorieĂŤn (uitgezonderd mestkalveren) wordt daarentegen een inkrimping vastgesteld in de periode 2007-2018. 350.000

melkkoeien

300.000

vervangingsvee jonger dan 1 jaar vervangingsvee van 1 tot 2 jaar zoogkoeien

Aantal dieren

250.000 200.000

mestkalveren

150.000

runderen jonger dan 1 jaar runderen van 1 tot 2 jaar andere runderen

100.000 50.000 0 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018

Figuur 2 Evolutie van het aantal runderen per rundveecategorie sinds 2007

In 2015 werd voor het eerst na een periode van uitbreiding, opnieuw een afname van het aantal varkens vastgesteld. Deze afname zet zich verder in 2018 (- 0,9% t.o.v. 2017) (Figuur 1). De afname is zichtbaar bij de verschillende varkenscategorieĂŤn, maar is meest uitgesproken bij de andere varkens van 20 tot 110 kg (Figuur 3). 4,5 4,0

Miljoen dieren

3,5 andere varkens van 20 tot 110 kg biggen van 7 tot 20 kg zeugen, incl. biggen tot 7 kg

3,0 2,5

2,0 1,5 1,0 0,5 0,0 2007

2008

2009

2010

2012

2014

2015

2016

2017

2018

Figuur 3 Evolutie van het aantal varkens per varkenscategorie sinds 2007

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 27 van 240


Bij pluimvee wordt een verdere toename van het aantal dieren vastgesteld, en dit voornamelijk bij de slachtkuikens (Figuur 4). Het aantal slachtkuikens is gestegen tot 23,5 miljoen in 2018. Sinds 2012 vertoont deze groei een duidelijk lineaire trend (R² = 0,997). Deze groei is mogelijk door de uitbreidingsmogelijkheden met mestverwerking. 25

slachtkuikens y = 1,1585x + 9,4547 R² = 0,9977

Miljoen dieren

20 15

lineaire trend slachtkuikens vanaf 2012 legkippen incl. (groot)ouderdieren opfokpoeljen van legkippen

10

slachtkuiken ouderdieren

5 0 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018

opfokpoeljen van slachtkuiken ouderdieren

Figuur 4 Evolutie van het aantal stuks pluimvee per pluimveecategorie sinds 2007

Het aantal andere dieren is licht gedaald t.o.v. 2017 tot 228.600 dieren in 2018 (Figuur 1), maar de andere dieren vertegenwoordigen slechts een beperkt aandeel van de totale veestapel. Bij paarden en pony’s, en geiten wordt een gestage toename vastgesteld sinds 2007. Bij nertsen, konijnen en schapen wordt daarentegen een schommelende trend vastgesteld (Figuur 5). 70.000 60.000

Aantal dieren

50.000

paarden

40.000

geiten

30.000

schapen konijnen

20.000

nertsen

10.000 0 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018

Figuur 5 Evolutie van het aantal andere dieren sinds 2007

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 28 van 240


2.1.1.2 Dierlijke mestproductie blijft op hetzelfde niveau De hoeveelheid nutriĂŤnten in dierlijke mest die geproduceerd wordt in Vlaanderen, wordt bepaald door het aantal dieren, de voeders waarmee de dieren gevoederd worden en het staltype waarin de dieren gehuisvest zijn. Rekening houdend met de verminderde mestproductie door nutriĂŤntenarme voeders (2.1.1.4) en met de emissieverliezen van stikstof uit stal en opslag (2.1.1.5), werd in 2018 128,0 miljoen kg N en 60,0 miljoen kg P2O5 uit dierlijke mest geproduceerd in Vlaanderen. Globaal genomen is de mestproductie als vrij stabiel te beschouwen. De evolutie van mestproductie is weergegeven in Figuur 6 voor N en in Figuur 7 voor P2O5. 140 2,4

2,5

2,6

2,6

2,5

2,6

2,7

2,8

2,9

2,9

3,0

3,1

9,6

9,5

9,8

10,9

11,4

11,4

12,1

12,6

13,3

14,0

14,4

14,8

44,1

44,6

45,1

46,3

46,0

45,8

45,8

42,0

41,0

39,6

39,8

39,5

66,6

66,3

66,7

67,5

66,5

65,9

66,9

68,0

69,1

70,4

70,7

70,7

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

120

Miljoen kg N

100 80 60 40

20 0 Runderen

Varkens

Pluimvee

Andere

Figuur 6 Evolutie van de N-productie uit dierlijke mest in Vlaanderen sinds 2007 70 60

1,3

1,3

1,3

1,3

1,4

1,4

1,4

1,5

1,5

1,6

1,6

6,3

6,5

7,0

8,0

8,1

8,4

8,7

9,0

9,4

9,3

9,4

25,5

23,8

24,0

24,7

24,1

24,0

24,0

23,0

22,4

21,4

21,2

20,8

27,6

27,5

27,6

27,8

27,4

27,1

27,4

27,9

27,7

28,2

28,3

28,2

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

1,2 6,5

Miljoen kg P2O5

50 40 30 20

10 0

Runderen

Varkens

Pluimvee

Andere

Figuur 7 Evolutie van de P2O5-productie uit dierlijke mest in Vlaanderen sinds 2007

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 29 van 240


2.1.1.3 Ruime marge aan beschikbare nutriĂŤntenemissierechten In 2018 waren in totaal 310,0 miljoen NER beschikbaar in Vlaanderen. De hoeveelheid NER is voornamelijk gestegen door de toekenning van NER-MVW in het kader van de uitbreiding na bewezen mestverwerking (Figuur 8). Van de 310,0 miljoen NER in 2018 zijn er 271,9 miljoen NER-D en 37,6 miljoen NER-MVW. Daarnaast is een beperkte hoeveelheid tijdelijke NER-D (TNER-D) toegekend in het kader van natuurbeheer, wetenschappelijk onderzoek, onderwijs of beheer van onroerende goederen. In 2018 ging het in totaal over ongeveer 528.000 TNER-D. Er werden in totaal 45,0 miljoen dieren gehouden in 2018, wat op basis van de omrekeningswaarden van het Mestdecreet, overeenkomt met 247,1 miljoen NER. Er is dus een marge van ongeveer 62,9 miljoen NER in Vlaanderen die onbenut is. De evolutie van de productie uitgedrukt in NER en van de marge aan NER is weergegeven in Figuur 9. 350

300

8

18

24

29

33

38

284

282

280

277

275

272

2008

2010

2014

2016

2018

Miljoen NER

250

200

150

100

50

0 2012 NER-D

TNER-D

NER-MVW

Figuur 8 Evolutie van de hoeveelheid NER in Vlaanderen in de periode 2008-2018 (voor de NER-MVW wordt rekening gehouden met eventuele annulaties als gevolg van de evaluatie van NER-MVW)

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 30 van 240


350

300

292

56

300

304

307

308

310

57

63

60

59

63

243

240

247

248

247

2010

2012

2016

2018

Miljoen NER

250

200

150 237

100

50

0 2008

Productie uitgedrukt in NER

2014 Marge aan NER

Beschikbare NER

Figuur 9 Evolutie van de beschikbare NER, de productie uitgedrukt in NER en van de marge aan NER in Vlaanderen in de periode 20082018

Van de 310,0 miljoen NER in 2018, is 40,9% toegekend voor rundvee, 41,6% voor varkens, 15,8% voor pluimvee en 1,7% voor andere dieren. De initieel toegekende NER-D voor een bepaalde diersoort kunnen ook gebruikt worden voor het houden van andere diersoorten. Zodra de NER-D van een bepaalde diersoort verhandeld worden, geldt dat enkel dieren van die bepaalde diersoort kunnen gehouden worden met de overgedragen NER-D (hierop zijn een aantal uitzonderingen voorzien). De toegekende NER-MVW of TNER-D voor een bepaalde diersoort mogen enkel gebruikt worden om die bepaalde diersoort te houden. De evolutie van het aandeel van de diersoort in de beschikbare hoeveelheid NER-D en NER-MVW is weergegeven in respectievelijk Figuur 10 en Figuur 11.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 31 van 240


300

5,0

4,9

4,9

4,9

4,8

4,8

31

30

30

30

30

30

116

116

115

114

114

113

132

131

129

128

126

125

2008

2010

2016

2018

250

Miljoen NER-D

200

150

100

50

0 Runderen

2012 Varkens

2014 Pluimvee

Andere

Figuur 10 Evolutie van het aandeel van de diersoort in de hoeveelheid NER-D in Vlaanderen in de periode 2008-2018 40 35

30

Miljoen NER-MVW

19,4

25

16,3

13,8 20 10,9

15

7,6

10 5

3,8

9,7

12,2

15,0

14,3

16,2

3,8 0

2008

2010 Runderen

2012 Varkens

2014 Pluimvee

2016

2018

Andere

Figuur 11 Evolutie van het aandeel van de diersoort in de hoeveelheid NER-MVW in Vlaanderen in de periode 2008-2018

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 32 van 240


2.1.1.4 Nutriëntenarme voeders courante praktijk bij varkens en pluimvee Via nutriëntenarme voeders en verbeterde voedertechnieken, wordt gestreefd naar een verlaging van de hoeveelheid nutriënten in de geproduceerde mest. Deze mogelijkheid bestaat voor varkens en pluimvee. Voor varkensbedrijven is het in de meeste gevallen bovendien verplicht om de productie met een nutriëntenbalansstelsel te berekenen. Landbouwers die opteren voor een nutriëntenbalansstelsel, werken niet met de forfaitaire uitscheidingsnormen maar met reële uitscheidingscijfers die bepaald worden op basis van een nutriëntenbalansstelsel. Er zijn drie mogelijke nutriëntenbalansstelsels: − Bij het stelsel ‘regressie’ wordt de uitscheiding van N en P2O5 berekend o.b.v. het lineaire verband (regressierechte) tussen de opname van ruw eiwit en fosfor uit het voeder en de uitscheiding van N en P2O5. − Bij het stelsel ‘convenant’ gebruikt de landbouwer voeders met een verlaagde fosfaat- of ruwe eiwitinhoud, de zogenaamde laagfosfor- en laageiwitvoeders. − Bij het stelsel ‘andere voeders en voedertechnieken’ wordt de uitscheiding van N en P2O5 berekend o.b.v. een input-outputbalans. In 2018 werd 16,7 miljoen kg N en 10,5 miljoen kg P2O5 minder nutriënten in dierlijke mest geproduceerd door de aanpak aan de bron via voeders. Het grootste aandeel hiervan wordt ingenomen door varkens, goed voor 13,3 miljoen kg N en 7,7 miljoen kg P2O5 minder nutriënten. Het gebruik van nutriëntenarme voeders en verbeterde voedertechnieken bij pluimvee zorgt voor 3,3 miljoen kg N en 2,8 miljoen kg P2O5 minder nutriënten in dierlijke mest. De bijdrage van elke varkens- en pluimveecategorie aan de nutriëntenaanpak aan de bron in 2018, is weergegeven in Figuur 12 voor N. Hieruit blijkt dat de aanpak voornamelijk gerealiseerd wordt bij andere varkens van 20 tot 110 kg en bij slachtkuikens. Voor P2O5 wordt een gelijkaardig beeld bekomen. Varkens biggen van 7 tot 20 kg -1% andere varkens van meer dan 110 kg 4%

beren 0%

Pluimvee

zeugen, incl. biggen tot 7 kg 23%

opfokpoeljen van slachtkuiken ouderdieren 5% slachtkuiken ouderdieren 14%

andere varkens van 20 tot 110 kg 72%

legkippen incl. (groot)ouderdieren 8% opfokpoeljen van legkippen 1%

slachtkuikens 72%

Figuur 12 Bijdrage van elke varkens- en pluimveecategorie aan de afname van de stikstofproductie in 2018

Zowel bij varkens als bij pluimvee, wordt 99% van de nutriëntenaanpak aan de bron gerealiseerd door het systeem van regressie.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 33 van 240


18

16 14

2,3

2,5

2,5

3,3

2,8

12 10 8 6

12,8

13,2

13,2

12,3

13,3

4

Miljoen kg P2O5

Miljoen kg N

De evolutie van de bijdrage van de nutriëntenbalansstelsels aan de afname van de stikstof- en fosfaatproductie bij varkens en pluimvee is weergegeven in Figuur 13. Globaal genomen is de gerealiseerde ‘minproductie’ door de voeders gestegen voor N en gedaald voor P2O5. Waar in 2017 15,1 miljoen kg N minder geproduceerd werd door de voeders, is dit gestegen tot 16,7 miljoen kg N in 2018 (+ 10,6%). Daartegenover wordt door de voeders in 2018 10,5 miljoen kg P2O5 minder geproduceerd, wat een afname is van 7,8% t.o.v. 2017 (11,4 miljoen kg P2O5). 12

10

2,0

2,4

1,7

1,9

8,8

9,0

9,1

9,0

2014

2015

2016

2017

2,8

8 6 4

7,7

2

2 0

0 2014

2015 Varkens

2016 Pluimvee

2017

2018

Varkens

2018

Pluimvee

Figuur 13 Evolutie van de bijdrage van de nutriëntenbalansstelsels aan de afname van de stikstof- en fosfaatproductie bij varkens en pluimvee in de periode 2014-2018

In lijn met de afname van het aantal varkens, wordt een afname van de stikstof- en fosfaatproductie bij de varkens geobserveerd, zoals gevisualiseerd in Figuur 6 en Figuur 7. Desalniettemin wordt een groter effect van de nutriëntenarme voeders op de stikstofproductie bij varkens vastgesteld in 2018 (Figuur 14). Dit effect wordt echter verklaard door de aanpassing van forfaitaire uitscheidingscijfers bij varkens in 2018. Voornamelijk de bijsturing van het forfaitair uitscheidingscijfer bij de zeugen (incl. biggen tot 7 kg), draagt bij tot een groter effect van de nutriëntenarme voeders in 2018. Dit wordt bevestigd door Tabel 1 waarin de evolutie van het gemiddeld N-regressiecijfer is weergegeven voor de verschillende varkenscategorieën. Deze variëren beperkt. In tegenstelling tot stikstof, wordt voor fosfaat een afname van het effect van de nutriëntenarme voeders vastgesteld (Figuur 14). Dit is eveneens grotendeels te verklaren door de bijsturing van de forfaitaire uitscheidingscijfers, en voornamelijk door de afname van de forfait bij andere varkens van 20 tot 110 kg (zie ook Tabel 1).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 34 van 240


Miljoen kg P2O5

Miljoen kg N

16 14 12

16 14

andere varkens van meer dan 110 kg

12

10

10

8

8

6

6

4

4

2

2

0

andere varkens van 20 tot 110 kg

zeugen, incl. biggen tot 7 kg

beren

biggen van 7 tot 20 kg

0 2014

2015

2016

2017

2018

2014

2015

2016

2017

2018

Figuur 14 Evolutie van de bijdrage van de nutriĂŤntenbalansstelsels aan de afname van de stikstof- en fosfaatproductie bij varkens in de periode 2014-2018 Tabel 1 Evolutie van het gemiddelde N- en P2O5-regressiecijfer voor de verschillende varkenscategorieĂŤn in de periode 2014-2018

kg N/dier

kg P2O5/dier

biggen van 7 tot 20 kg beren zeugen, incl. biggen tot 7 kg andere varkens van 20 tot 110 kg andere varkens van meer dan 110 kg

Forfaitair uitscheidingscijfer t.e.m. vanaf 2017 2018 2,18 2,18 24,00 29,61 24,00 29,61 13,00 12,68 24,00 29,61

Gemiddeld regressiecijfer 2014

2015

2016

2017

2018

2,29 20,72 21,26 10,16 21,29

2,27 19,62 20,60 10,11 20,53

2,25 19,60 20,46 10,06 20,44

2,26 20,04 20,96 10,19 20,95

2,26 20,50 21,03 10,20 21,09

biggen van 7 tot 20 kg

1,53

1,38

0,96

0,94

0,93

0,92

0,92

beren zeugen, incl. biggen tot 7 kg andere varkens van 20 tot 110 kg andere varkens van meer dan 110 kg

14,50 14,50 5,33 14,50

15,25 15,25 4,97 15,25

11,02 11,24 3,78 11,18

10,39 11,08 3,74 10,95

10,28 10,92 3,68 10,77

10,46 11,06 3,69 10,85

10,50 10,93 3,66 10,69

Het effect van de voeders op de stikstof- en fosfaatproductie door pluimvee neemt verder toe in 2018 (Figuur 13). Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door een toename van het aantal dieren en door een lichte afname van het gemiddeld N- en P2O5-regressiecijfer bij slachtkuikens (Tabel 2).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 35 van 240


Miljoen kg P2O5

Miljoen kg N

3,5 3,0 2,5

3,5 3,0 opfokpoeljen van slachtkuiken ouderdieren

2,5

2,0

2,0

1,5

1,5

1,0

1,0

0,5

0,5

slachtkuiken ouderdieren slachtkuikens opfokpoeljen van legkippen

0,0

legkippen incl. (groot)ouderdieren

0,0 2014

2015

2016

2017

2018

2014

2015

2016

2017

2018

Figuur 15 Evolutie van de bijdrage van de nutriëntenbalansstelsels aan de afname van de stikstof- en fosfaatproductie bij pluimvee in de periode 2014-2018 Tabel 2 Evolutie van het gemiddelde N- en P2O5-regressiecijfer voor de verschillende pluimveecategorieën in de periode 2014-2018

kg N/dier

kg P2O5/dier

2014

2015

2016

2017

2018

legkippen incl. (groot)ouderdieren opfokpoeljen van legkippen slachtkuikens

0,760 0,277 0,504

0,773 0,310 0,507

0,774 0,294 0,518

0,756 0,312 0,516

0,760 0,317 0,501

slachtkuiken ouderdieren

1,106

1,102

1,093

1,081

1,071

opfokpoeljen van slachtkuiken ouderdieren legkippen incl. (groot)ouderdieren opfokpoeljen van legkippen

0,407 0,406 0,148

0,395 0,415 0,160

0,396 0,411 0,156

0,384 0,403 0,161

0,385 0,396 0,157

slachtkuikens

0,178

0,174

0,177

0,166

0,164

slachtkuiken ouderdieren opfokpoeljen van slachtkuiken ouderdieren

0,569 0,216

0,572 0,213

0,566 0,210

0,556 0,203

0,542 0,200

Hoe robuust zijn de uitscheidingscijfers en welke efficiëntieverbetering kan nog gerealiseerd worden? Uit de studie “Mestproductie reduceren via voedermaatregelen” (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°13) blijkt dat de N- en P2O5-uitscheidingscijfers en regressierechten in het Mestdecreet een goede benadering zijn van de realiteit, met uitzondering van een onderschatting van de N/P2O5-uitscheiding bij zoogkoeien en een overschatting van de P2O5-excretie bij laagproductieve melkkoeien en van de N/P2O5-uitscheiding bij slachtkuikens. Voor rundvee kan de P2O5-uitscheiding nog heel wat verbeteren door gebruik van P-arm krachtvoer met P-arme grondstoffen. Ook kan het gras nog P-armer bemest worden en kan er nog preciezer gevoederd worden. Hier is nog een win-win mogelijk voor landbouwer en milieu. Voor varkens en pluimvee kan er nog gesensibiliseerd worden rond een verbeterde voederefficiëntie. Enkele maatregelen voor varkens zijn het gescheiden afmesten van zeugen en bargen, beren of immunocastraten houden i.p.v. bargen, gepelleteerd voeder i.p.v. meel, lager slachtgewicht, fazenvoedering, … Voor pluimvee kan er

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 36 van 240


pelletvoeder gebruikt worden aangevuld met tarwe, pro- en prebiotica en organische zuren. Ook kan het ruw eiwitgehalte in voeders nog verlaagd worden en extra synthetische aminozuren worden toegevoegd. P in het voeder kan nog verlaagd worden door minder of geen anorganische fosfaat en superdosis fytase toe te voegen. Verder kunnen hennen en hanen van slachtkuikens apart afgemest worden. Ten slotte blijkt er een groot verschil in efficiëntie tussen witte en bruine leghennen. De N- en P2O5-excretie bij een witte leghen is respectievelijk 7,8% en 5,4% lager dan bij een bruine leghen. Witte leghennen zijn ook meer geschikt voor een langere legcyclus met het behoud van een goede schaalkwaliteit en produceren meer eieren op een efficiëntere manier. Omwille van deze grotere efficiëntie zou mogelijks de leghennenstapel in Vlaanderen gereduceerd kunnen worden bij het gebruik van witte leghennen. Een witte hen is echter wel opvliegender en stressvoller en de Vlaamse consument verkiest bruinschalige tafeleieren omdat de perceptie heerst dat bruinschalige eieren gezonder zouden zijn dan witte eieren. Deze voorkeur varieert van land tot land op basis van tradities en percepties, maar heeft tot gevolg dat in Vlaanderen bruine eieren worden aangeboden in de winkelrekken.

2.1.1.5 Aandeel varkens en pluimvee in emissiearme stallen stijgt Het staltype waarin de dieren gehuisvest zijn, heeft invloed op de stikstofverliezen naar de lucht en op de mestsamenstelling. Daarom worden de stikstofverliezen in mindering gebracht bij de berekening van de stikstofproductie. De grootte van de emissieverliezen hangt af van het type stal waarin de dieren gehuisvest zijn. Via emissiearme stallen wordt gestreefd naar een vermindering van de stikstofverliezen naar de lucht. Hiertoe kunnen emissiearme stalsystemen gebruikt worden of traditionele stallen waarop een wasser is nageschakeld voor de zuivering van de stallucht. Emissiearme stalsystemen zorgen ervoor dat minder stikstof verloren gaat uit de mest, wat een hogere mestsamenstelling als gevolg heeft. In 2018 bedraagt het totale stikstofverlies door emissies in de stal en opslag, berekend o.b.v. het aantal dieren en de emissieverliescijfers per diercategorie, 34,2 miljoen kg N. Relatief gezien treden de meeste stikstofverliezen op bij pluimvee, met een verlies van 34% ten opzichte van de reële stikstofproductie voordat de emissieverliezen in mindering zijn gebracht (Figuur 16). Hierna volgen varkens (26%), andere dieren (19%) en rundvee (15%). In Figuur 16 is een overzicht gegeven van de bijdrage van elke diersoort aan het totale stikstofverlies door emissies in de stal en opslag. De varkens leveren de grootste bijdrage aan het totale emissieverlies, namelijk 40%. Hierna volgen de runderen (36%) en pluimvee (22%). De bijdrage van andere dieren aan de emissieverliezen is beperkt tot 2%.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 37 van 240


Stikstofproductie (miljoen kg N)

Andere; 0,7; 2%

90 80

-15%

Runderen; 12,3; 36%

Pluimvee; 7,5; 22%

70 60 50

-26%

40 30 20

-34%

10

Varkens; 13,7; 40%

-19%

0 Runderen

Varkens

Netto N-productie

Pluimvee

Andere

Runderen

Emissieverliezen

Varkens

Pluimvee

Andere

Figuur 16 Stikstofproductie en emissieverliezen per diersoort in 2018, samen met de bijdrage van elke diersoort aan de emissieverliezen in 2018 (in miljoen kg N, samen met procentueel aandeel)

Emissieverliezen (miljoen kg N)

De evolutie van de emissieverliezen sinds 2007 is weergegeven in Figuur 17. Waar de emissieverliezen initieel stegen door een toename van het aantal dieren, wordt sinds 2015 een stabilisering tot lichte afname van de emissieverliezen vastgesteld. 40 35 30

0,57

0,59

0,59

0,58

0,60

0,63

0,65

0,67

0,54

0,68

0,71

0,73

5,3

5,3

5,5

5,8

5,9

6,2

6,5

6,7

7,0

7,2

7,4

7,5

14,2

14,3

14,3

14,6

14,6

14,7

14,7

14,7

14,5

14,1

13,9

13,7

12,0

11,9

11,9

12,1

11,7

11,7

11,9

12,1

12,2

12,4

12,4

12,3

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

25 20 15 10 5 0 Runderen

Varkens

Pluimvee

Andere

Figuur 17 Evolutie van de emissieverliezen per diersoort in de periode 2007-2018

De evolutie van de emissieverliezen bij de verschillende diersoorten is relatief weergegeven t.o.v. 2007 in Figuur 18. In deze figuur is eveneens de evolutie van de dierenaantallen relatief weergegeven. Globaal blijkt hieruit dat de emissieverliezen de evolutie van de dierenaantallen volgen. Bij de runderen wordt sinds 2012 relatief iets meer toename van de emissieverliezen vastgesteld dan van het aantal runderen (Figuur 18). Dit wordt vnl. verklaard door een verschuiving van vleesvee naar melkvee. Sinds

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 38 van 240


2016 wordt terug een lichte afname van het aantal runderen vastgesteld maar door een verdere toename van het aantal melkkoeien in 2017 (met een hoger uitscheidingscijfer, en dus meer absolute emissieverliezen), dalen de totale emissieverliezen bij de runderen in de periode 2016-2018 slechts heel beperkt. 160% 150% 140% 130% 120% 110% 100% 90% 2007

2008

2009

2010

2011

2012

Emissieverliezen Runderen Emissieverliezen Varkens Emissieverliezen Pluimvee Emissieverliezen Andere

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Aantal dieren Runderen Aantal dieren Varkens Aantal dieren Pluimvee Aantal dieren Andere

Figuur 18 Relatieve evolutie van de emissieverliezen en dierenaantallen per diersoort in de periode 2007-2018

Bij varkens werd de voorbije jaren een minder sterke toename van de emissieverliezen vastgesteld dan van de dierenaantallen, wat wijst op het belang van emissiearme stallen (Figuur 19). Ook is bij de varkens sinds 2015 een afname van het aantal dieren merkbaar, wat zich vertaalt in een afname van de emissieverliezen. In Figuur 19 is de evolutie weergegeven van de verdeling over de staltypes voor de voornaamste varkenscategorieĂŤn. Hieruit blijkt dat het aantal varkens dat gehouden wordt in emissiearme stallen gestaag groeit. In 2018 werd 14% van de varkens gehouden in emissiearme stalsystemen, en werd 18% gehouden in stallen met een wasser. In het kader van de berekening van de mestproductie, is het emissieverlies in een stal met wasser gelijk aan deze in een traditionele stal. Daarom werden de wassers aanvankelijk niet geĂŻnventariseerd via de aangifte. Sinds productiejaar 2014 dienen de wassers evenwel aangegeven te worden via de aangifte. Varkens die reeds voor productiejaar 2014 gehouden werden in stallen met wassers, worden in Figuur 19 weergegeven onder de traditionele stallen. Pas vanaf productiejaar 2014 worden ze apart weergegeven. In productiejaar 2018 waren 1,1 miljoen varkens gehuisvest in stalsystemen met wasser, overeenkomend met een emissieverlies van 2,6 miljoen kg N. Uiteraard zorgt een wasser voor een verdere reductie van de emissies naar de atmosfeer. Rekening houdend met het wettelijk vereiste reductiepercentage van 70%, wordt een theoretisch verlies van 0,79 miljoen kg N naar de atmosfeer berekend. Uit terreincontroles van biologische wassers bleek echter dat de helft van de gecontroleerde luchtwassers onvoldoende werkt en dat in 17% van de gevallen de luchtwasser zelfs niet actief was (zie 4.1.8). Het theoretische berekende stikstofverlies naar de atmosfeer is dus een onderschatting van de realiteit.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 39 van 240


Andere varkens 20-110 kg

Biggen

100%

100%

80%

80%

60%

60%

40%

40%

20%

20%

0%

0% 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018

2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018

Stal met wasser mengmest

Stal met wasser stalmest

Stal met wasser mengmest

Stal met wasser stalmest

Emissiearme stal mengmest

Emissiearme stal stalmest

Emissiearme stal mengmest

Emissiearme stal stalmest

Traditionele stal mengmest

Traditionele stal stalmest

Traditionele stal mengmest

Traditionele stal stalmest

Figuur 19 Evolutie van de verdeling van het aantal dieren over de verschillende staltypes voor de voornaamste varkenscategorieën in de periode 2007-2018

De evolutie van de verdeling over de staltypes voor de voornaamste pluimveecategorieën is weergegeven in Figuur 20. Van deze pluimveecategorieën is het aandeel in emissiearme stalsystemen gestaag gestegen tot 54% in 2018. Sinds 2012 is de relatieve groei van de emissieverliezen lager dan de groei van het aantal stuks pluimvee (Figuur 20). Legkippen incl. (groot)ouderdieren

Slachtkuikens 100%

100%

80%

80%

60%

60%

40%

40%

20%

20% 0%

0% 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018

Geen staltype vermeld Overige staltypes Grondhuisvesting niet-emissiearme stal Grondhuisvesting emissiearme stal Batterij overige staltypes Batterij emissiearme stal

2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018

Overige staltypes Grondhuisvesting niet-emissiearme stal Grondhuisvesting emissiearme stal Batterij overige staltypes Batterij emissiearme stal

Figuur 20 Evolutie van de verdeling van het aantal dieren over de verschillende staltypes voor de voornaamste pluimveecategorieën in de periode 2007-2018

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 40 van 240


2.1.2 Gronden en afzetruimte op landbouwgrond 2.1.2.1 Areaal landbouwgrond blijft vrij stabiel In 2018 bedroeg het totale landbouwareaal in Vlaanderen ongeveer 672.000 ha. Deze cijfers verschillen van deze in publicaties van het departement Landbouw en Visserij omdat in het Mestrapport de oppervlakte van alle percelen met bemestingsrechten (op 1 januari) opgenomen zijn, terwijl in de andere bronnen uitgegaan wordt van het professionele landbouwgebruik (percelen voor activering van toeslagrechten, op 21 april). Op Vlaams niveau is het areaal in gebruik voor landbouw vrij stabiel in de periode 2011-2018. Het aandeel van de verschillende gewasgroepen in het totale landbouwareaal wordt gevisualiseerd in Figuur 21. De gewasgroepen zijn gebaseerd op de indeling van de verzamelaanvraag. Grasland blijft de belangrijkste teelt in Vlaanderen wat betreft oppervlakte met 36% van het landbouwareaal. Op ruim een kwart van de landbouwoppervlakte wordt maïs verbouwd. De derde grootste teeltgroep zijn de graangewassen, goed voor 12% van het areaal. Sierteelt; 5.924; 1% Fruit; 18.033; 3% Groenten; 33.076; 5%

Andere gewassen; 15.788; 2%

Aardappelen; 52.237; 8% Grasland; 243.191; 36%

Bieten; 23.960; 4%

Graangewassen; 81.660; 12% Voedergewassen; 17.034; 2%

Maïs; 181.573; 27%

Figuur 21 Aandeel van de verschillende gewasgroepen in het totale landbouwareaal in Vlaanderen in 2018

Figuur 22 visualiseert de evolutie t.o.v. 2007 van het areaal landbouwgrond per teeltgroep, voor de belangrijkste teeltgroepen. Op basis van de aangegeven oppervlaktes per teeltgroep kan geconcludeerd worden dat in de afgelopen 10 jaar zowel het areaal grasland als het areaal graangewassen vrij stabiel is gebleven, los van enige jaarlijkse variatie. Het areaal bieten is sterk gedaald in 2008 en vertoont een schommelende trend sindsdien. Wat betreft andere belangrijke teeltgroepen lijkt het areaal de laatste jaren wel wat in beweging. Zo wordt een verdere toename van het areaal voedergewassen vastgesteld (vnl. grasklaver). Bij aardappelen en groenten werd sinds 2012 een toename van het areaal vastgesteld, maar in 2018 neemt dit voor het eerst terug licht af. Daartegenover wordt bij maïs terug een toename van het areaal vastgesteld, na een periode van afname. Een combinatie van marktfactoren alsook veranderingen in het gemeenschappelijk landbouwbeleid lijken sturende factoren.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 41 van 240


200% 180%

160% 140% 120% 100% 80% 60% 40%

20% 0% 2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Grasland

MaĂŻs

Voedergewassen

Graangewassen

Bieten

Aardappelen

Groenten

Fruit

Figuur 22 Evolutie van het areaal landbouwgrond per teeltgroep, relatief t.o.v. 2007

Met MAP 6 wordt een nieuwe gebiedstype-indeling ingevoerd die rekening houdt met de oppervlakte- en grondwaterkwaliteit (zie de beoordelingscriteria in 2.2.1.1). De verdeling van het areaal landbouwgrond over de vier gebiedstypes is weergegeven in Figuur 23. Uit het aandeel van de verschillende teeltgroepen per gebiedstype blijkt dat er in gebiedstype 0 en 1 een groter aandeel van grasland is dan in gebiedstype 2 en 3. Omgekeerd wordt een groter aandeel van nitraatgevoelige teeltgroepen zoals aardappelen en groenten vastgesteld in gebiedstype 2 en 3 dan in gebiedstype 0 en 1 (Figuur 24). Gebiedstype 3; 133.652; 20%

Gebiedstype 0; 271.125; 40%

Gebiedstype 2; 130.754; 20%

Gebiedstype 1; 136.945; 20%

Figuur 23 Verdeling van het areaal landbouwgrond in Vlaanderen in 2018 over de vier gebiedstypes van MAP 6 (in ha, en procentueel)

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 42 van 240


100% 90% Andere gewassen

Aandeel landbouwareaal (%)

80%

Sierteelt

70%

Fruit

60%

Groenten

50%

Aardappelen Bieten

40%

Graangewassen

30%

Voedergewassen

20%

Maïs Grasland

10% 0% Gebiedstype 0

Gebiedstype 1

Gebiedstype 2

Gebiedstype 3

Figuur 24 Aandeel van de verschillende gewasgroepen in het areaal landbouwgrond per gebiedstype in 2018

2.1.2.2 MAP 6 zet in op meer vanggewassen Met MAP 6 wil Vlaanderen meer vanggewassen realiseren om de verliezen van nutriënten verder tegen te gaan. Vanggewassen zijn immers een goede praktijk om de nog aanwezige nutriënten in de bodem na de oogst van een hoofdteelt op te nemen en vast te leggen zodat deze niet uitspoelen naar het oppervlakte- en grondwater tijdens de winterperiode. Op percelen in gebiedstype 1, 2 en 3 moet er na elke hoofdteelt die uiterlijk 31/8 geoogst wordt, een vanggewas ingezaaid worden tegen uiterlijk 15/9, tenzij er een nateelt wordt ingezaaid. De bedoeling van deze basismaatregel is om de percelen niet braak te laten liggen gedurende de winterperiode zodat verliezen van nutriënten beperkt wordt. Bovenop de basismaatregel, geldt bovendien een extra maatregel voor landbouwers met percelen in gebiedstype 2 en 3. Zij moeten een toenemend percentage vanggewassen inzaaien. Voor elke landbouwer heeft de Mestbank een referentiepercentage bepaald bij de start van MAP 6. Dit referentiepercentage omvat het gemiddelde aandeel aan vanggewassen op percelen in gebiedstype 2 en 3 van de laatste drie jaar. Bij de berekening is rekening gehouden met de gegevens van de verzamelaanvraag van de jaren 2016, 2017 en 2018 en is een gemiddeld referentiepercentage bepaald. Dit percentage wordt berekend t.o.v. het areaal bouwland in gebiedstype 2 en 3, en houdt dus geen rekening met bv. teelten onder overkapping of op groeimedium, blijvende teelten of blijvend grasland. Het percentage in te zaaien vanggewassen moet gedurende de looptijd van MAP 6 gradueel verhogen (Tabel 3).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 43 van 240


Tabel 3 Toename areaal vanggewassen bovenop het referentiepercentage (gemiddelde van 2016, 2017 en 2018) in de periode 20192022

Jaar 2019 2020 2021 2022

Gebiedstype 2 +0% +5% +5% +10%

Gebiedstype 3 +5% +10% +15% +20%

Op basis van het referentiepercentage en het percentage in Tabel 3, berekent de Mestbank het doelareaal van elke landbouwer. Het doelareaal is de minimum oppervlakte bouwland in gebiedstype 2 en 3, waarop de landbouwer een vanggewas moet inzaaien. Dit zal jaarlijks geëvalueerd worden. De volgende gewascombinaties tellen mee om het referentieareaal en het gerealiseerde areaal 'vanggewassen' te bepalen: − tijdelijk grasland; − teelten waarna uiterlijk 15 september een vanggewas ingezaaid werd; − niet-vroege aardappelen en maïs waarna uiterlijk 15 oktober een vanggewas ingezaaid werd, inclusief maïs met onderzaai gras; − niet-nitraatgevoelige hoofdteelten (zoals bv. graan of bieten) gevolgd door een laag-risico nateelt (dit zijn nateelten behalve specifieke teelten zoals bv. groenten). Deze gewascombinatie omvat bv. de graan-na-graan teeltcombinatie. Deze gewascombinaties nemen veel stikstof op en zijn een goede praktijk om nutriëntenverliezen tegen te gaan. Vandaar dat deze mee worden beschouwd in de vanggewasregeling. De vanggewassen moeten aangehouden worden overeenkomstig de bepalingen volgens het GLB. Nieuw vanaf 2019 is ook dat landbouwers de inzaaiperiode van het vanggewas moeten invullen op hun verzamelaanvraag tegen eind oktober 2019. Het is te vroeg om het gerealiseerde areaal vanggewassen in 2019 te evalueren. Dit zal gerapporteerd worden in het Mestrapport 2020. Wel wordt voor 2018 een overzicht gegeven van het areaal vanggewassen dat in rekening wordt gebracht bij de bepaling van het referentiepercentage, met onderscheid tussen de verschillende gebiedstypes (Tabel 4). Voor de bepaling van het referentiepercentage per landbouwer wordt enkel rekening gehouden met de arealen in gebiedstype 2 en 3, maar ter info zijn de arealen vanggewassen in gebiedstype 0 en 1 eveneens weergegeven in Tabel 4.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 44 van 240


Tabel 4 Areaal vanggewassen 2018 per gebiedstype, met onderscheid tussen de verschillende gewascombinaties die in rekening worden gebracht in de vanggewasregeling

Areaal bouwland 2018 (ha) Areaal vanggewas 2018 (ha) Areaal tijdelijk grasland (ha) Areaal niet-nitraatgevoelige hoofdteelt gevolgd door laag-risiconateelt (ha) Areaal met vanggewas uiterlijk 15/9 (ha) Areaal met aardappelen en maïs gevolgd door vanggewas uiterlijk 15/10 (ha)* Percentage vanggewas 2018 (%)

Gebiedstype 0 183.372 101.129 38.096

Gebiedstype 1 94.418 54.239 17.511

Gebiedstype 2 93.048 44.488 11.903

Gebiedstype 3 98.388 49.084 14.722

469.226 248.940 82.232

6.031

3.741

4.254

3.014

17.039

25.598

12.419

15.681

13.530

67.228

31.405

20.568

12.650

17.819

82.442

55%

57%

48%

50%

53%

Totaal

* inclusief maïs met gras in onderzaai

De evolutie van het areaal vanggewassen in gebiedstype 2 en 3 in de periode 2016-2018 is gevisualiseerd in Figuur 25. Hieruit blijkt dat het areaal vanggewassen licht gestegen is, van 90.750 ha in 2016 tot 93.570 ha in 2018 (+ 3%), en dit vnl. door een toename van het areaal aardappelen en maïs gevolgd door een vanggewas. Rekening houdend met het toenemend percentage in te zaaien vanggewassen in gebiedstype 2 en 3 gedurende de looptijd van MAP 6 (Tabel 5), kan een prognose van het areaal vanggewassen uitgevoerd worden (Figuur 25). Op basis van deze prognose zal het percentage vanggewassen t.o.v. het areaal bouwland stijgen tot 57% in gebiedstype 2 en 69% in gebiedstype 3 tegen 2022. Dit komt overeen met een areaal vanggewassen van 120.700 ha in gebiedstype 2 en 3 tegen 2022, wat een toename van 27.100 ha is t.o.v. 2018. Bij deze prognose wordt geen rekening gehouden met de vrijstelling van landbouwers van de gebiedsgerichte maatregelen en met de wijziging van de gebiedstype-indeling vanaf 2021.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 45 van 240


140.000

120.000 Areaal met aardappelen en maĂŻs gevolgd door vanggewas*

100.000 Areaal (ha)

Areaal met vanggewas op uiterlijk 15/9 80.000

23.665

26.465

30.469

Areaal niet-nitraatgevoelige hoofdteelt gevolgd door laag-risiconateelt

60.000

Areaal tijdelijk grasland 33.321

30.793

29.211

Referentie areaal vanggewas

40.000 8.218

7.981

7.267

25.544

25.774

26.625

2016

2017

2018

Prognose areaal vanggewas

20.000 0 2019

2020

2021

2022

Figuur 25 Evolutie van het areaal vanggewassen in gebiedstype 2 en 3 in de periode 2016-2018, samen met een prognose van het areaal vanggewassen in de periode 2019-2022 (* inclusief maĂŻs met gras in onderzaai) Tabel 5 Prognose van het percentage vanggewassen per gebiedstype in de periode 2019-2022, en de toename t.o.v. het referentiepercentage (gemiddelde van 2016, 2017 en 2018)

Jaar Referentie (gemiddelde o.b.v. 2016, 2017 en 2018) 2019 2020 2021 2022

%

Gebiedstype 2 toename t.o.v. referentie

47% 47% 52% 52% 57%

%

Gebiedstype 3 toename t.o.v. referentie

49% +0% +5% +5% +10%

54% 59% 64% 69%

+5% +10% +15% +20%

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 46 van 240


Optimale inzet van vanggewassen Uit de studie “Beste landbouwpraktijken van teelten in combinatie met nateelten/vanggewassen” (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°3) en de literatuurstudie van Agneessens et al. (2014) blijkt dat de toepassing van vanggewassen in de gewasrotatie een effect kan hebben op nitraatuitspoeling in de winter. Dit effect hangt af van de weersomstandigheden, en vele andere factoren, waarvan de inzaaidatum de belangrijkste is. Het verschil tussen inzaai in de eerste of tweede helft van augustus heeft een beperkte impact, die vooral afhangt van de weersomstandigheden. Een latere inzaai vanaf begin september kan echter de stikstofuitspoeling verhogen. Waar de inzaai van een vanggewas in augustus de stikstofuitloging gemiddeld voor 50% kan terugdringen, vermindert dit tot gemiddeld 30% bij inzaai in de eerste helft van september en tot 10-15% bij de inzaai in de tweede helft van september. Inzaai in oktober kan zelfs een omgekeerd effect hebben doordat de bodem verstoord wordt tijdens het inzaaien, wat niet altijd gecompenseerd wordt door de beperkte hoeveelheid stikstof dat het vanggewas nog kan opnemen. Volgens de studie draagt de toediening van 60 kg N via mengmest (of 36 kg werkzame N) bij tot een betere groei of bovengrondse C-opbrengst van de vanggewassen. Echter, deze beperkte bemesting veroorzaakt geen dusdanig grote extra opname van minerale N dat het risico op N-verliezen kleiner werd. De niet-bemeste vanggewassen ontwikkelden zich op voldoende wijze om de N op te nemen die vrijgesteld werd na de oogst van de wintergranen. Uit de studie agronomische waarde blijkt dat de dosering van organische mest bovendien zeer moeilijk is, zelfs in onderzoeksomstandigheden. De bemesting dient dus met de nodige voorzichtigheid uitgevoerd te worden. Een hogere stikstofbemesting op vanggewassen is wetenschappelijk niet te verantwoorden en leidt tot meer stikstofverliezen.

2.1.2.3 Het derogatieareaal stabiliseert in 2018 Derogatie laat toe dat bedrijven onder strikte voorwaarden meer dierlijke mest kunnen opbrengen dan de maximale bemestingsnorm van 170 kg N/ha. Hierdoor kan, onder bepaalde voorwaarden, tot 250 kg N/ha uit dierlijke mest worden opgebracht op grasland (inclusief grasland met minder dan 50% klaver), maïs voorafgegaan door een snede gemaaid en afgevoerd gras of snijrogge, en maïs met gras als onderzaai 3, of tot 200 kg N/ha op wintertarwe of triticale gevolgd door een vanggewas, suiker- en voederbieten. In 2018 werd aan 94.079 ha landbouwgrond derogatie toegekend, overeenkomend met 14% van het totale landbouwareaal. Waar het areaal derogatie de voorbije jaren schommelde tussen 81.000 tot 87.000 ha, stabiliseert het areaal derogatie de laatste twee jaren rond 94.100 ha (Figuur 26).

3

Als de hoofdteelt maïs ondergezaaid is met gras, mag het gras niet omgeploegd of ingewerkt worden voor 15 februari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de derogatie is aangevraagd

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 47 van 240


100

Areaal derogatie (1.000 ha)

90 80 70

60 50 40 30 20

10 0 2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Figuur 26 Evolutie van het areaal derogatie in de periode 2008-2018

Een overzicht van het areaal derogatie voor de verschillende derogatiegewassen is weergegeven in Figuur 27. Van de 94.079 ha onder derogatie werd 61% ingenomen door grasland (Figuur 27). De grote toepassing van derogatie op grasland hangt samen met de typologie van de derogatiebedrijven. Derogatie wordt voornamelijk toegepast door bedrijven die rundvee houden. Maïs voorafgegaan door één snede gemaaid en afgevoerd gras of snijrogge, en maïs met gras als onderzaai, is goed voor 35% van het derogatieareaal. Wintertarwe of triticale; 1.863; 2%

Bieten; 2.117; 2%

Maïs; 32.800; 35%

Grasland; 57.299; 61%

Figuur 27 Areaal van de derogatiegewassen (in ha) samen met de relatieve bijdrage ten opzichte van het totale areaal waaraan derogatie werd toegekend in 2018

De evolutie van de arealen per derogatiegewas is weergegeven in Figuur 28. In 2018 wordt een lichte afname van het derogatieareaal gras vastgesteld, die gecompenseerd wordt door een lichte toename van het derogatieareaal maïs.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 48 van 240


60

Areaal derogatie (1.000 ha)

50 40 30 20 10 0 2008

2009 Grasland

2010 MaĂŻs

2011

2012

2013

2014

Wintertarwe of triticale

2015

2016

2017

2018

Bieten

Figuur 28 Evolutie van het areaal per derogatiegewas in de periode 2008-2018

2.1.2.4

Afzetruimte blijft stabiel in 2018

2.1.2.4.1 Maximale theoretische afzetruimte 2018 De maximale afzetruimte wordt berekend op basis van de gewasarealen en de maximale bemestingsnormen voor dierlijke mest (rekening houdend met de gewasgroep, de ligging van de percelen in kwetsbare gebieden, eventuele beheerovereenkomsten, maatregelenpakketten nitraatresidu en derogatie). Bij de berekening van de maximale theoretische afzetruimte wordt verondersteld dat elk stuk landbouwgrond bemest wordt tot aan de maximale bemestingsnormen voor N en P2O5. In de praktijk is dit uiteraard niet zo. De maximale bemestingsnormen die zijn vastgelegd in het Mestdecreet zijn geen bemestingsadviezen. Landbouwers doen er goed aan om op basis van bodemanalyses een bemestingsadvies te laten opmaken zodat de bemesting beter is afgestemd op de nutriĂŤntenvoorraad in de bodem en de behoeften van het gewas. De maximale afzetruimte is een theoretische waarde die aangeeft hoeveel mest er maximaal kan geplaatst worden op Vlaamse landbouwgrond. Tabel 6 geeft een overzicht van de arealen en de maximale afzetruimte voor stikstof en fosfaat uit dierlijke mest voor de verschillende teelten en teeltcombinaties in 2018.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 49 van 240


Tabel 6 Maximale afzetruimte voor N en P2O5 uit dierlijke mest en voor werkzame N, per teeltgroep in 2018

Teeltgroep Grasland Maïs Voedergewassen Graangewassen Bieten Aardappelen Groenten Fruit Sierteelt Andere gewassen Totaal

Oppervlakte (ha) 243.191 181.573 17.034 81.660 23.960 52.237 33.076 18.033 5.924 15.788 672.475

Maximale afzetruimte dierlijke mest (kg N) 44.659.383 33.219.339 3.329.062 13.131.201 4.119.901 8.835.245 5.241.919 2.206.434 786.997 2.107.152 117.636.634

Maximale afzetruimte dierlijke mest (kg P2O5) 19.313.441 12.770.483 1.390.761 5.356.299 1.288.475 3.352.209 1.651.500 842.631 234.993 713.525 46.914.316

Maximale afzetruimte werkzame N (kg N) 55.339.964 29.797.302 4.032.422 14.603.159 3.880.476 10.550.175 5.653.267 2.181.228 770.103 1.714.364 128.522.459

In 2018 kon maximaal 117,6 miljoen kg N en 46,9 miljoen kg P2O5 uit dierlijke mest geplaatst worden op landbouwgrond in Vlaanderen. De afzetruimte voor N is hiermee vergelijkbaar met deze van voorgaande jaren. Voor P2O5 werd een aanzienlijk afname van de afzetruimte vastgesteld in 2018 tot 46,1 miljoen kg P2O5 (- 9% t.o.v. 2017). Deze afname was te wijten aan de aanscherping van de fosfaatbemestingsnormen in 2017, waarbij als referentie de strengste bemestingsnormen van klasse IV bodems van toepassing zijn terwijl in 2016 de referentie nog de bemestingsnormen van klasse III bodems waren. In 2018 gelden dezelfde strenge bemestingsnormen van klasse IV bodems als referentie, maar de maximale afzetruimte in 2018 is terug iets hoger dan in 2017 (+ 0,8 miljoen kg P2O5 of + 1,8%). Dit is te wijten aan verschuivingen van de verdeling van de percelen over de verschillende P-klassen (terug te vinden in 2.2.2.2), waardoor in 2018 minder percelen de strengste fosfaatbemestingsnorm van klasse IV hebben dan in 2017. Naast de maximale afzetruimte voor dierlijke mest, is in Tabel 6 eveneens de maximale afzetruimte voor werkzame N weergegeven in 2018. Dit is de norm waaraan de som van werkzame N uit niet enkel dierlijke mest, maar ook kunstmest en andere meststoffen, wordt getoetst. De maximale afzetruimte voor werkzame N bedraagt 128,5 miljoen kg N in 2018, wat vergelijkbaar is met 2017. Omdat de N/P2O5-verhouding van de dierlijke mest die afgezet wordt op landbouwgrond niet gelijk is aan de N/P2O5-verhouding van de afzetruimte, kunnen de maximale bemestingsnormen voor N en P2O5 uit dierlijke mest niet allebei volledig ingevuld worden. Het globale gebruik van dierlijke mest in 2018 heeft een N/P2O5verhouding van 2,30. Dit is kleiner dan de N/P2O5-verhouding van de afzetruimte (2,51) en impliceert dat de P2O5-bemestingsnormen beperkend zijn en dat de werkelijke maximale afzetruimte voor N kleiner is dan 117,6 miljoen kg N. Op basis van de N/P2O5-verhouding van het mestgebruik (2,30) wordt een werkelijke maximale afzetruimte van 108,0 miljoen kg N berekend. Is de afzetruimte voor N en P2O5 afgestemd op een goede waterkwaliteit? Voor N coördineerde het Onderzoeksplatform duurzame bemesting verschillende onderzoeken om de bemestingsnormen te evalueren. De maximale bemestingsnormen laten toe dat optimale gewasopbrengsten kunnen gehaald worden voor de akkerbouwgewassen. Voor uitsluitend gemaaid grasland bleken de maximale bemestingsnormen vrij laag (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°5). In MAP 6 werden de normen

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 50 van 240


voor uitsluitend gemaaid grasland bijgestuurd om met een zo laag mogelijke impact op het milieu een optimalere grasopbrengst te behalen met voldoende ruw eiwit in het gras nodig voor hoogproductief vee. Voor uitsluitend gemaaid grasland werden de bemestingsnormen met 75 kg werkzame N verhoogd. Voor sommige groenten en voor aardbeien is er ruimte om de huidige bemestingsnormen te verlagen, om zo met minder milieu-impact nog steeds een optimale opbrengst en milieukwaliteit te behalen (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°18). Met het opvolgen van correcte bemestingsadviezen kunnen er lage nitraatresidu’s en goede opbrengsten behaald worden. Dit kan door het gebruik van bemestingsadviessystemen met meerdere staalnames indien deze systemen correct worden toegepast. In Vlaanderen is er nog ruimte voor een betere verspreiding en een betere toepassing van zulke systemen. MAP 6 speelt hierop in door de adviessystemen te certificeren. Voor P blijkt uit het onderzoek “milieukundig en economisch verantwoord fosforgebruik dat voor een optimale gewasopbrengst met zo weinig mogelijk fosforverliezen” (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°11), dat een streefzone van 11 tot de 16 mg P/100 g bodem aangewezen is. Ruim 85% van het landbouwareaal zit hier boven. In bodems boven deze streefzone is er de eerste decennia geen P-bemesting nodig om een optimale opbrengst te behalen. Ook startfosfor is op deze bodems overbodig. Het is dus positief dat de maximale P-bemestingsnormen sinds MAP 5 gedifferentieerd zijn volgens de P-bodemtoestand. In bodems met een hoge P-toestand mag er minder bemest worden dan dat het gewas opneemt. Hierdoor wordt er P onttrokken aan de bodem. Omdat de fosforbodemtoestand maar traag verandert is P-uitmijning een werk van jaren. Hoewel het nodig is om P te onttrekken uit de meeste van onze bodems, blijven andere nutriënten en voldoende aanvoer van organische stof belangrijk. De uitdaging is dan de zoektocht naar organische meststoffen met een gunstige N/P- en C/P-verhouding voor deze bodems. Bij een verdere verlaging van de P-bemestingsnormen uit MAP 5 bestaat het risico dat er onvoldoende N en organische stof aangeleverd wordt voor bodem en gewas.

In 2018 werd op 94.079 ha derogatie toegepast. Hierdoor werd een bijkomende maximale afzetruimte van 7,3 miljoen kg N gecreëerd in 2018 (Tabel 7). Tabel 7 Maximale bijkomende afzetruimte voor dierlijke mest door derogatie in 2018

Grasland Grasklaver Gras/snijrogge + maïs Maïs + gras in onderzaai

50.698 6.600 32.771 30

Maximale bijkomende afzetruimte (kg N) 4.055.832 528.024 2.621.646 2.372

Wintertarwe of triticale met vanggewas

Wintertarwe met vanggewas

1.605

48.164

0,7%

Bieten

Triticale met vanggewas Suikerbieten Voederbieten

257 1.110 1.008 94.079

7.722 33.289 30.230 7.327.278

0,1% 0,5% 0,4%

Areaal derogatie

Derogatiegewas Grasland Maïs

Totaal

Aandeel bijkomende afzetruimte (%) 55% 7,2% 36% 0,0%

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 51 van 240


Belang van derogatie Dankzij derogatie kunnen bedrijven onder strikte voorwaarden meer dierlijke mest opbrengen dan de maximale bemestingsnorm van 170 kg N/ha. Dat laat deze bedrijven toe om meer circulair te werken en meer dierlijke mest aan te wenden ten koste van kunstmest. Derogatie speelt een belangrijke rol in de Vlaamse mestbalans. Door derogatie kan immers maximaal 7,3 miljoen kg N uit dierlijke mest bijkomend afgezet worden op Vlaamse landbouwgrond. Uit het derogatiemonitoringsnetwerk blijkt dat de toepassing van derogatie geen negatieve impact heeft op het nitraatresidu en op de waterkwaliteit (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°6 en n°20.

2.1.2.4.2 Prognose van de afzetruimte in de periode 2019-2022 De maximale afzetruimte voor werkzame stikstof bedroeg 128,5 miljoen kg N in 2018. De verdeling van deze afzetruimte over de vier gebiedstypes van MAP 6 is weergegeven in Tabel 8. Tabel 8 Maximale afzetruimte voor werkzame stikstof in 2018, verdeeld over de vier gebiedstypes van MAP 6

Maximale afzetruimte werkzame N (kg N)

Gebiedstype 0

Gebiedstype 1

Gebiedstype 2

Gebiedstype 3

Totaal

51.921.113

25.944.005

24.838.152

25.819.189

128.522.459

Twee maatregelen van MAP 6 zullen de afzetruimte voor werkzame stikstof beïnvloeden. Ten eerste zullen de bemestingsnormen werkzame stikstof stelselmatig verstrengd worden op percelen in de gebiedstypes 2 en 3 waar de waterkwaliteit slecht tot zeer slecht is (Tabel 9). Daarnaast wordt een verhoging van de bemestingsnorm werkzame stikstof met 75 kg N/ha ingevoerd voor uitsluitend gemaaid intensief grasland. Uit onderzoek bleek immers dat de bemestingsnormen met 75 kg werkzame N kunnen verhoogd worden om zonder bijkomende milieu-impact een grotere opbrengst te realiseren (zie hierboven). Op basis van de vooropgestelde reductie van de bemestingsnormen voor werkzame stikstof en van de verhoogde bemestingsnorm voor uitsluitend gemaaid intensief grasland, kan de evolutie van de maximale afzetruimte gesimuleerd worden voor de periode 2019-2022. In eerste instantie wordt het effect van de verhoogde bemestingsnorm werkzame stikstof voor uitsluitend gemaaid intensief grasland doorgerekend, op basis van de perceelsgegevens van 2018. Hieruit blijkt dat de verhoging van 75 kg N/ha leidt tot een verhoging van de maximale afzetruimte voor werkzame N van 2,4 miljoen kg N (Tabel 9).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 52 van 240


Tabel 9 Bijkomende maximale afzetruimte voor werkzame stikstof door de verhoging van 75 kg N/ha voor uitsluitend gemaaid intensief grasland

Maximale afzetruimte werkzame N (kg N) Oppervlakte uitsluitend gemaaid grasland (ha)* Maximale bijkomende afzetruimte werkzame N (kg N) voor uitsluitend gemaaid intensief grasland Maximale afzetruimte werkzame N (kg N), rekening houdend met + 75 kg N/ha voor uitsluitend gemaaid intensief grasland

Gebiedstype 0

Gebiedstype 1

Gebiedstype 2

Gebiedstype 3

Totaal

51.921.113

25.944.005

24.838.152

25.819.189

128.522.459

14.394

7.307

4.287

5.815

31.803

1.079.576

548.050

321.490

436.142

2.385.257

53.000.689

26.492.055

25.159.641

26.255.331

130.907.716

* 98% van het gemaaid grasland is uitsluitend gemaaid intensief grasland. In deze simulatie wordt al het gemaaid grasland eenvoudigheidshalve meegerekend als uitsluitend gemaaid intensief grasland

Vervolgens wordt het effect van de reductie van de bemestingsnormen voor werkzame stikstof in gebiedstype 2 en 3 gesimuleerd (Tabel 10). In 2019 wordt een afname van 1,3 miljoen kg werkzame stikstof berekend. Deze reductie zal gradueel toenemen tot 7,8 miljoen kg werkzame stikstof in 2022. Hierbij wordt opgemerkt dat de berekende reductie een maximale inschatting is, aangezien de mogelijkheid om vrijstelling te verkrijgen van de gebiedsgerichte maatregelen en de toepassing van equivalente maatregelen hier eveneens invloed op zal hebben. Tabel 10 Voorspelde reductie van de maximale afzetruimte voor werkzame stikstof in de periode 2019-2022 door de reductie van de bemestingsnormen voor werkzame stikstof in gebiedstype 2 en 3

Reductie afzetruimte % Jaar 2019 2020 2021 2022

Gebiedstype 2

Gebiedstype 3

0% -5% -5% -10%

-5% -10% -15% -20%

Reductie afzetruimte werkzame stikstof (kg N) Totaal gebiedstype 2 Gebiedstype 2 Gebiedstype 3 &3 0 -1.312.767 -1.312.767 -1.257.982 -2.625.533 -3.883.515 -1.257.982 -3.938.300 -5.196.282 -2.515.964 -5.251.066 -7.767.030

Rekening houdend met zowel de verhoging van de maximale bemestingsnorm voor werkzame stikstof met 75 kg N/ha voor uitsluitend gemaaid intensief grasland als met de reductie van de bemestingsnormen voor werkzame stikstof in gebiedstype 2 en 3, is de evolutie van maximale afzetruimte voor werkzame stikstof in de periode 2019-2022 voorgesteld in Figuur 29. Door de reductie van bemestingsnormen voor werkzame stikstof in gebiedstype 2 en 3, wordt voorspeld dat de totale maximale afzetruimte zal dalen van 128,5 miljoen kg N in 2018 tot 123,1 miljoen kg N in 2022.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 53 van 240


140

128,5

129,6

127,0

125,7

123,1

Miljoen kg werkzame N

120

100

Afzetruimte GT 3 80

Afzetruimte GT 2

Afzetruimte GT 1 60

Afzetruimte GT 0

Totale afzetruimte 40

20

0 2018

2019

2020

2021

2022

Figuur 29 Evolutie van de maximale afzetruimte voor werkzame stikstof in de periode 2019-2022

2.1.3 Gebruik van meststoffen In Tabel 11 is het gebruik van dierlijke mest, kunstmest en andere meststoffen op Vlaamse landbouwgrond in 2018 weergegeven. Hieronder wordt dieper ingegaan op de evoluties van het mestgebruik in de periode 20072018. Tabel 11 Gebruik van dierlijke mest, kunstmest en andere meststoffen op Vlaamse landbouwgrond in 2018

Meststof Dierlijke mest Kunstmest Andere meststoffen Totaal

kg N 92.335.084 47.744.995 3.068.131 143.148.210

% t.o.v. totaal 65% 33% 2%

kg N/ha

kg P2O5

136,7 70,7 4,5 211,9

40.126.914 1.121.168 1.059.344 42.307.427

% t.o.v. totaal 95% 3% 3%

kg P2O5/ha 59,4 1,7 1,6 62,6

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 54 van 240


2.1.3.1

Verbeterde opvolging van de mestsamenstelling zichtbaar in het gebruik van dierlijke mest in 2018 De globale dierlijke mestproductie in Vlaanderen overschrijdt de plaatsingsruimte voor dierlijke mest op landbouwgrond, berekend o.b.v. de maximale bemestingsnormen. Individuele landbouwbedrijven brengen hun bedrijfsbalans in evenwicht door het overschot aan dierlijke mest af te voeren naar andere landbouwers, rechtstreeks te exporteren naar afnemers buiten Vlaanderen, of af te voeren naar mestverwerkingsinstallaties. Het gebruik van dierlijke mest op landbouwgrond in Vlaanderen wordt bepaald als de som van het mestgebruik van elk individueel bedrijf. Voor elk bedrijf wordt het gebruik van dierlijke mest afgeleid op basis van zijn mestproductie, rekening houdend met de aan- en afvoer van dierlijke mest en met de opslag van dierlijke mest. De evolutie van het gebruik van dierlijke mest in Vlaanderen in de periode 2007-2018 is weergegeven in Figuur 30. Hieruit blijkt dat het gebruik van dierlijke mest is gedaald, met een duidelijke afname door de verstrenging van de bemestingsnormen van MAP 4 en MAP 5 in respectievelijk 2011 en 2015. Het totale gebruik van dierlijke mest in Vlaanderen is gedaald van 100,6 miljoen kg N en 48,3 miljoen kg P2O5 in 2007 tot 92,3 miljoen kg N en 40,1 miljoen kg P2O5 in 2018. Dit is een afname van 8,2 miljoen kg N (- 8%) en 8,2 miljoen kg P2O5 (- 17%) t.o.v. 2007. Het gebruik van fosfaat uit dierlijke mest is relatief sterker gedaald dan het gebruik van stikstof, wat erop wijst dat fosfaat het beperkend element is bij de aanwending van dierlijke mest op landbouwgrond. Indien uitgedrukt per oppervlakte-eenheid, wordt een afname van het dierlijke mestgebruik vastgesteld van 148 kg N/ha en 71 kg P2O5/ha in 2007 tot 134 kg N/ha en 58 kg P2O5/ha in 2017 (Figuur 30). Opmerkelijk is dat in 2018 een toename van het gebruik van dierlijke mest geobserveerd wordt t.o.v. 2017 (Figuur 30). Dit is te wijten aan de nieuwe aanpak voor een verbeterde opvolging van de mestsamenstelling sinds 2018. Hierbij zijn de landbouwers verplicht om te kiezen voor ĂŠĂŠn systeem voor de afvoer van mest van hun bedrijf, nl. op basis van forfaitaire mestsamenstellingen of op basis van mestanalyses. Deze nieuwe aanpak is zichtbaar in de vervoersgegevens (zie 2.1.4). De van de landbouwbedrijven afgevoerde hoeveelheden mest zijn gestegen maar door een daling van de inhoudswaarden, zijn de hoeveelheden afgevoerde stikstof en fosfaat gedaald. Dit effect is eveneens zichtbaar in de evolutie van het gebruik, waarvoor voor het eerst een zichtbare toename wordt vastgesteld in 2018.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 55 van 240


180

80

80

140

160

70

70

60

60

50

50

40

40

30

30

20

20

80

80 60

60

40

40

Gebruik in miljoen kg P2O5

100

N uit dierlijke mest

N uit dierlijke mest per ha

P2O5 uit dierlijke mest

2018

2017

2016

2015

2014

2013

2012

2011

2010

2009

2008

2007

2018

2017

2016

2015

0

2014

0

2013

0

2012

0 2011

10

2010

10

2009

20

2008

20

2007

Gebruik in miljoen kg N

120

100

Gebruik in kg N per ha

140

120

Gebruik in kg P2O5 per ha

160

P2O5 uit dierlijke mest per ha

Figuur 30 Evolutie van het gebruik van dierlijke mest in Vlaanderen in de periode 2007-2018

Als het gebruik van dierlijke mest in kg N wordt uitgezet t.o.v. kg P2O5, kan de evolutie van de N/P2O5verhouding van het dierlijk mestgebruik in kaart worden gebracht (Figuur 31). Doorheen de jaren wordt een toename van de N/P2O5-verhouding van het dierlijk mestgebruik vastgesteld, wat erop kan wijzen dat landbouwers de afzetruimte voor dierlijke mest efficiĂŤnter benutten. Uit Figuur 31 blijkt dat, in de periode 2008-2010, de N/P2O5-verhouding van het gebruik deze van de afzetruimte volgt en dat ze allebei heel licht stijgen. Daarna volgt een sprong met de invoer van MAP 4 waardoor de N/P2O5-verhouding van de afzetruimte sterk stijgt. De N/P2O5-verhouding van het mestgebruik stijgt ook in 2011, maar verhoudingsgewijs veel minder sterk. Daarna volgt een periode van afvlakking (20112014). In deze periode dalen zowel het stikstof- en fosfaatgebruik in gelijke mate, waardoor de N/P2O5verhouding van het mestgebruik min of meer constant blijft in de periode 2011-2014. Met de invoering van MAP 5 en de verdere aanscherping van de P-bemestingsnormen, daalt het P2O5-gebruik verhoudingsgewijs sterker dan het N-gebruik, waardoor de N/P2O5-verhouding van het mestgebruik opnieuw stijgt.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 56 van 240


2,60 R² = 0,96

N/P2O5 verhouding

2,50

2,40 2,30

Afzetruimte

R² = 0,90

2,20

Gebruik Poly. (Afzetruimte)

2,10

Poly. (Gebruik)

2,00 1,90 1,80 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018

Figuur 31 Evolutie van de N/P2O5-verhouding van het gebruik van dierlijke mest in Vlaanderen in de periode 2007-2018

Het gebruik van verschillende soorten dierlijke mest in 2018 is weergegeven in Tabel 12. Er wordt voornamelijk rundermest (65 miljoen kg N en 26 miljoen kg P2O5) en varkensmest (21 miljoen kg N en 11 miljoen kg P2O5) gebruikt. De ruwe mestsoorten omvatten eveneens mestproducten die ontstaan na scheiding of droging. In 2018 werd 1,9 miljoen kg N meer gebruikt uit dierlijke mest dan in 2017 (+ 2%). Dit is te wijten aan de nieuwe aanpak voor een verbeterde opvolging van de mestsamenstelling sinds 2018. Het absolute verschil per mestsoort is weergegeven in Figuur 32. De toename van het gebruik van varkensmest, als gevolg van de nieuwe aanpak en de aanpassing van de forfaitaire inhoudswaarden van een aantal varkensmestsoorten, is duidelijk zichtbaar. Tabel 12 Gebruik per soort dierlijke mest in 2018

Gebruik per soort dierlijke mest Ruwe rundermest Ruwe varkensmest Ruwe pluimveemest Ruwe paardenmest Ruwe mest van andere dieren Mengeling dierlijke meststoffen Eindproducten van champignonkwekers & substraatbereiders Eindproducten van biologieën Eindproducten van composteringsinstallaties Eindproducten van vergisters Mengeling dierlijke en andere meststoffen Totaal

65.212.529 21.907.215 615.519 1.379.490 812.811 408.006

% t.o.v. totaal 70,6% 23,7% 0,7% 1,5% 0,9% 0,4%

25.591.000 11.104.613 736.693 631.148 796.490 163.352

% t.o.v. totaal 63,8% 27,7% 1,8% 1,6% 2,0% 0,4%

146.191

0,2%

88.150

0,2%

kg N

739.343 1.158 1.066.780 46.044 92.335.084

0,8% 0,0% 1,2% 0,0%

kg P2O5

476.908 618 516.430 21.511 40.126.914

1,2% 0,0% 1,3% 0,1%

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 57 van 240


2.750.000

Verschil in gebruik dierlijke mest tussen 2018 en 2017 (kg N)

2.500.000 2.250.000 2.000.000 1.750.000

+

1.500.000 1.250.000 1.000.000 750.000

500.000

-

250.000 0

Mengeling dierlijke en andere meststoffen Eindproducten van biologieĂŤn Ruwe mest van andere dieren Ruwe pluimveemest Ruwe varkensmest Eindproducten van omgekeerde osmose Eindproducten van vergisters Eindproducten van composteringsinstallaties Eindproducten van champignonkwekers & substraatbereiders Mengeling dierlijke meststoffen Ruwe paardenmest Ruwe rundermest

-250.000 -500.000 -750.000 -1.000.000

Figuur 32 Verschil in het gebruik van dierlijke mest tussen 2017 en 2018, en aandeel van de verschillende mestsoorten (positief betekent een toename in 2018 t.o.v. 2017, negatief betekent een afname)

In Figuur 33 is het gebruik van ruwe mest in 2018 weergegeven t.o.v. de mestproductie. De rundermestproductie wordt vrijwel volledig aangewend op Vlaamse landbouwgrond, in tegenstelling tot de pluimveemestproductie waarvan slechts een minieme fractie op grond wordt geplaatst. De pluimveemestproductie wordt haast volledig verwerkt en afgevoerd uit Vlaanderen. Ruim de helft van de varkensmestproductie wordt op Vlaamse landbouwgrond geplaatst. De overige helft wordt verwerkt en geĂŤxporteerd uit Vlaanderen (zie verder in 2.1.5.2). Gebruik t.o.v. productie, voor P 2O5

80

Miljoen kg P2O5

Miljoen kg N

Gebruik t.o.v. productie, voor N 70 60 50 40 30

30 25

20 15 91%

92%

10

20 4%

55%

10

71%

8%

53%

5

91%

0

0 Runderen

Varkens

Gebruik

Pluimvee

Productie

Andere dieren

Runderen

Varkens Gebruik

Pluimvee

Andere dieren

Productie

Figuur 33 Gebruik van ruwe mest t.o.v. productie per diersoort in 2018, in miljoen kg N en miljoen kg P2O5 (de mestsoorten omvatten ruwe mest en tevens mestproducten die ontstaan na scheiding, droging of pocketvergisting)

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 58 van 240


Naast het gebruik van ruwe dierlijke mest, worden ook eindproducten van mestverwerkingsinstallaties gebruikt op Vlaamse landbouwgrond. Eindproducten van vergisters en van biologieën vertegenwoordigen het grootste aandeel, respectievelijk 1,1 miljoen kg N en 0,7 miljoen kg N (zie Tabel 12). In 2018 werden minder eindproducten van vergisting gebruikt dan in 2017 (- 139.200 kg N, of - 12%). Het gebruik van eindproducten van biologieën is vergelijkbaar met 2017.

N uit kunstmest

N uit kunstmest per ha

0,0

0,0

P2O5 uit kunstmest

Gebruik in kg P2O5 per ha

0,5

2018

0,5

2017

1,0

2016

1,0

2015

1,5

2014

1,5

2013

2,0

2012

2,0

2011

0

2,5

2010

0

2,5

2009

10

3,0

2008

10

3,0

2007

20

Gebruik in miljoen kg P2O5

20

Gebruik in kg N per ha

30

2018

30

2017

40

2016

40

2015

50

2014

50

2013

60

2012

60

2011

70

2010

70

2009

80

2008

80

2007

Gebruik in miljoen kg N

2.1.3.2 Tendensen kunstmestgebruik in 2018 De Mestbank inventariseert het gebruik van kunstmest via de jaarlijkse aangifte van de landbouwers. Waar initieel een afname van het gebruik van stikstof uit kunstmest werd vastgesteld, wordt sinds 2007 opnieuw een stijgende tendens waargenomen. Het globale gebruik van stikstof uit kunstmest is in de periode 20072018 gestegen van 36,8 tot 47,7 miljoen kg N, overeenkomend met een toename van 54 tot 71 kg N/ha. Wel werd in 2018 een iets lager gebruik van stikstof uit kunstmest vastgesteld dan in 2017 (- 848.000 kg N of 1,7%) (Figuur 34). De toename van het stikstofgebruik uit kunstmest in de periode 2007-2018 wordt beïnvloed door de stelselmatige aanscherping van de P2O5-bemestingsnormen in achtereenvolgens het 3de (2007-2010), 4de (2011-2014) en 5de (2015-2018) actieprogramma. Door de aanscherping van de P2O5-bemestingsnormen wordt P2O5 het limiterende element in dierlijke mest, waardoor minder stikstof uit dierlijke mest kan aangeleverd worden en meer stikstof uit kunstmest vereist is om de gewasbehoeften in te vullen. In tegenstelling tot het gebruik van stikstof uit kunstmest, is het gebruik van fosfaat uit kunstmest in de periode 2007-2018 gedaald van 1,9 tot 1,1 miljoen kg P2O5 (overeenkomend met een afname van 2,9 tot 1,7 kg P2O5/ha). Wel werd in 2018 terug een hoger gebruik van fosfaat uit kunstmest waargenomen (+ 122.000 kg P2O5 of + 12%) (Figuur 34).

P2O5 uit kunstmest per ha

Figuur 34 Evolutie van het gebruik van kunstmest in Vlaanderen in de periode 2007-2018, o.b.v. de aangiftegegevens van de landbouwers bij de Mestbank

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 59 van 240


0,0

0,0

6,0

6,0

5,0

5,0

4,0

4,0

3,0

3,0

2,0

2,0

1,0

1,0

0,0

0,0

Gebruik in kg P2O5 per ha

20,0

7,0

2016

20,0

7,0

2015

40,0

8,0

2014

40,0

8,0

2013

60,0

9,0

2012

60,0

9,0

2011

80,0

Gebruik in miljoen kg P2O5

80,0

Gebruik in kg N per ha

100,0

2016

100,0

2015

120,0

2014

120,0

2013

140,0

2012

140,0

2011

Gebruik in miljoen kg N

Naast het kunstmestgebruik dat berekend wordt o.b.v. de aangiftegegevens van de landbouwers bij de Mestbank, wordt het kunstmestgebruik in Vlaanderen ook begroot o.b.v. de gegevens van het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN), dat beheerd wordt door de afdeling Monitoring en Studie van het Departement Landbouw en Visserij. Het LMN bestaat uit een 750-tal land- en tuinbouwbedrijven, representatief voor de Vlaamse beroepsland- en tuinbouw. Door middel van extrapolatie van de steekproefresultaten wordt een beeld gevormd van de gehele Vlaamse beroepslandbouw. Figuur 35 toont de evolutie van het kunstmestgebruik in de periode 2011-2016 o.b.v. gegevens van het LMN4. Het globale gebruik van stikstof uit kunstmest is gestegen met 24% in de periode 2011-2016, van 67,8 miljoen kg N in 2011 tot 84,2 miljoen kg N in 2016. Dit komt overeen met een toename van 101,5 kg N/ha in 2011 tot 117,2 kg N/ha in 2016. Voor fosfaat wordt een lichte daling vastgesteld van 5,4 miljoen kg N in 2011 tot 5,1 miljoen kg P2O5 in 2016, overeenkomend met een afname van 8,3 kg P2O5/ha in 2011 tot 7,4 kg P2O5/ha in 2016. De vastgestelde trends o.b.v. de gegevens van het LMN bevestigen de tendensen van het kunstmestgebruik volgens de aangiftegegevens van de landbouwers. Wel blijkt het kunstmestgebruik op basis van de aangiftegegevens van de landbouwers aanzienlijk lager te zijn dan het kunstmestgebruik volgens het landbouwmonitoringsnetwerk.

N uit kunstmest, o.b.v. LMN

P2O5 uit kunstmest, o.b.v. LMN

N uit kunstmest per ha, o.b.v. LMN

P2O5 uit kunstmest per ha, o.b.v. LMN

Figuur 35 Evolutie van het gebruik van kunstmest in Vlaanderen in de periode 2011-2016, o.b.v. de extrapolatie van de steekproefgegevens van het LMN

4

Bron: sectoroverzicht gehele land- en tuinbouw op https://lv.vlaanderen.be/nl/voorlichting-info/publicaties-cijfers/landbouwcijfers#bedrijfseconomische

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 60 van 240


2.1.3.3 Stijgend gebruik van andere organische meststoffen Naast dierlijke mest, worden ook andere organische meststoffen gebruikt op landbouwbedrijven. Het gebruik van deze andere organische meststoffen op landbouwgrond in Vlaanderen wordt bepaald als de som van het gebruik van deze meststoffen van elk individueel bedrijf. Voor elk bedrijf wordt het gebruik van andere meststoffen berekend op basis van gegevens m.b.t. de aan- en afvoer en de opslag. De evolutie van het gebruik van andere organische meststoffen in Vlaanderen in de periode 2007-2018 is weergegeven in Figuur 36. Hieruit blijkt dat het gebruik van stikstof uit andere organische meststoffen aanzienlijk is toegenomen in de periode 2007-2018, tot 3,1 miljoen kg N in 2018. Ook het gebruik van fosfaat uit andere organische meststoffen is sinds 2012 aanzienlijk gestegen, tot 1,1 miljoen kg P2O5 in 2018. 4,0

5,0

2,0

2,0

1,5

1,5

1,0

1,0

0,5

0,5

0,0

0,0

N uit andere mest

N uit andere mest per ha

P2O5 uit andere mest

Gebruik in kg P2O5 per ha

2018

2017

2016

2015

2014

2013

2012

2011

2018

2017

2016

2015

2014

2013

2012

2011

2010

2009

2008

0,0

2007

0,0

2010

1,0

2009

1,0

2007

2,0

Gebruik in miljoen kg P2O5

2,0

Gebruik in kg N per ha

Gebruik in miljoen kg N

3,0

2008

4,0 3,0

P2O5 uit andere mest per ha

Figuur 36 Evolutie van het gebruik van andere organische meststoffen in Vlaanderen in de periode 2007-2018

Het gebruik van verschillende soorten andere meststoffen in 2018 is weergegeven in Tabel 13. Tabel 13 Gebruik per soort andere mest in 2018

Gebruik per soort andere mest Groen- en GFT-compost Schuimaarde Slib uit industrie Spuistroom Spuiwater biologische wasser Eindproducten van substraatbereiders Eindproducten van biologieĂŤn Eindproducten van vergisters Mengeling andere meststoffen Overige andere meststoffen Totaal

kg N 339.681 80.288 536.423 14.624 469.649 2.807 6.688 1.350.613 645 266.712 3.068.131

% t.o.v. totaal 11,1% 2,6% 17,5% 0,5% 15,3% 0,1% 0,2% 44,0% 0,0% 8,7%

kg P2O5 150.479 170.849 273.794 595 51 1.047 7.059 427.273 477 27.722 1.059.344

% t.o.v. totaal 14,2% 16,1% 25,8% 0,1% 0,0% 0,1% 0,7% 40,3% 0,0% 2,6%

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 61 van 240


In 2018 werd 0,6 miljoen kg N meer gebruikt uit andere mest (+ 23% t.o.v. 2017). Het absolute verschil per mestsoort is weergegeven in Figuur 37. Hieruit blijkt dat het verschil voornamelijk wordt verklaard door een toename van het gebruik van spuiwater van biologische wassers (+ 165.700 kg N), overige andere meststoffen (+ 213.300 kg N) en eindproducten van vergisting (+ 62.300 kg N). 650.000

Verschil in gebruik andere meststoffen tussen 2018 en 2017 (kg N)

600.000 550.000 500.000 450.000 400.000 350.000

+

300.000 250.000 200.000 150.000 100.000

-

Groen- en GFT-compost Schuimaarde Slib uit industrie Spuiwater biologische wasser Eindproducten van biologieën Eindproducten van vergisters Overige andere meststoffen Spuistroom Eindproducten van composteringsinstallaties Mengeling andere meststoffen

50.000 0 -50.000 Figuur 37 Verschil in het gebruik van andere mest tussen 2017 en 2018, en aandeel van de verschillende mestsoorten (positief betekent een toename in 2018 t.o.v. 2017, negatief betekent een afname)

2.1.4 Betere aanpak van de mestsamenstelling zichtbaar in de mestverhandelingen 2.1.4.1 Opvolging van de mestverhandelingen De Mestbank volgt de meststromen op. Dierlijke en andere meststoffen kunnen op verschillende manieren verhandeld worden. Standaard worden transporten van dierlijke mest of andere meststoffen verricht door erkende mestvoerders met een mestafzetdocument (MAD). Deze transporten worden opgevolgd met AGRGPS. Van deze algemene vervoersregel zijn afwijkingen mogelijk, zoals de burenregeling (voor specifieke transporten op korte afstand, vnl. toegepast tussen landbouwers), het verzenddocument (vnl. gebruikt voor het transport van gehygiëniseerde eindproducten van verwerkingsinstallaties naar afnemers buiten Vlaanderen) en het grensboerdocument (voor landbouwers die gesitueerd zijn op de grens tussen Vlaanderen en Nederland of Vlaanderen en Wallonië). Landbouwers die zelf of door een loonwerker eigen mest uitrijden op eigen landbouwgrond op dezelfde exploitatie, kunnen dit zonder transportdocument. De Mestbank registreert de hoeveelheid mest die vervoerd wordt binnen het principe “eigen mest eigen grond” niet, maar kan dit inschatten (zie 2.1.4.4). Een overzicht van alle types mesttransporten en de voorwaarden die eraan verbonden zijn, is te vinden op www.vlm.be.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 62 van 240


Tijdens controles van mesttransporten voert de Mestbank regelmatig staalnames uit van de vervoerde mest. Uit deze mestanalyses bleek dat de gemeten inhoudswaarden van de mest aanzienlijk kunnen afwijken van de inhoudswaarden die vermeld zijn op de transportdocumenten. Voor ruwe mestsoorten werden doorgaans lagere inhoudswaarden opgemeten, terwijl voor verwerkte mestproducten zoals digestaat en effluent meestal een hogere inhoudswaarden werden vastgesteld. Vanuit die vaststellingen, is sinds 1 januari 2018 een aangepaste wetgeving van toepassing voor het gebruik van mestsamenstellingen. Bij deze nieuwe aanpak moet de landbouwer een keuze maken tussen twee systemen om de inhoudswaarden van de mest geproduceerd op zijn bedrijf te bepalen, nl. een algemeen forfaitair systeem met forfaitaire mestsamenstellingen of een analysesysteem, met mestanalyses voor elk transport. Cruciaal hierbij is dat landbouwers moeten kiezen voor het systeem dat de meest realistische benadering is van de mestsamenstelling per soort dierlijke mest. In bepaalde gevallen is het analysesysteem verplicht. Alle meststalen, ongeacht de bestemming, moeten aangemeld worden bij de Mestbank via een internetloket (het Staalname Meldings Internet Loket of SMIL), waarlangs ook alle analyseresultaten rechtstreeks aan de Mestbank worden overgemaakt. In 4.1.13 wordt dieper ingegaan op deze aanpak. De betere opvolging van de mestsamenstelling leidt tot correctere inhoudswaarden op de transportdocumenten, waarvan het effect voor het eerst zichtbaar is in 2018. 2.1.4.2 Overzicht van transporten tussen verschillende types aanbieders en afnemers Jaarlijks wordt een overzicht gepresenteerd van de vervoerde hoeveelheden dierlijke en andere meststoffen. Waar de voorbije jaren een gestage toename van zowel de vervoerde tonnages als van de hoeveelheden nutriĂŤnten (N en P2O5) werd vastgesteld, wordt een trendbreuk vastgesteld in 2018 (Tabel 14). Waar er een verdere toename van de vervoerde tonnages wordt vastgesteld in 2018, wordt voor het eerst een afname van de vervoerde hoeveelheden N en P2O5 gedetecteerd. Dit effect is te verklaren door de aanpak voor een betere opvolging van de mestsamenstelling sinds 2018. Hier wordt verder nog op terug gekomen. Tabel 14 Evolutie van de vervoerde hoeveelheden dierlijke en andere meststoffen

miljoen kg N miljoen kg P2O5 miljoen ton

2013 112,8 76,3 14,6

2014 120,7 82,0 15,8

2015 127,0 87,5 16,4

2016 130,8 88,1 17,1

2017 137,7 91,9 17,8

2018 134,8 88,3 19,1

Van de 134,7 miljoen kg N, 88,2 miljoen kg P2O5 ofwel 19,1 miljoen ton dierlijke en andere meststoffen die getransporteerd werd in 2018, is de grootste fractie afkomstig van landbouwers (78,5 miljoen kg N of 58%, 37,8 miljoen kg P2O5 of 43%, 11,2 miljoen ton of 59%) gevolgd door bewerkers/verwerkers (40,1 miljoen kg N of 30%, 38,5 miljoen kg P2O5 of 44%, 5,6 miljoen ton of 29%). Daarna volgen aanbieders buiten Vlaanderen (9,7 miljoen kg N of 7%, 8,2 miljoen kg P2O5 of 9%, 1,2 miljoen ton of 6%), de verzamelpunten, de producenten andere meststoffen en de erkende mestvoerders. Een overzicht van de hoeveelheden dierlijke en andere meststoffen die getransporteerd werden tussen verschillende types aanbieders en afnemers in 2018 is weergegeven in Figuur 38 (voor de N-hoeveelheid) en Figuur 39 (voor de tonnages). De vergelijking met 2017 is eveneens weergegeven in deze figuren. Erkende mestvoerders, verzamelpunten en producenten andere meststoffen kunnen eveneens optreden als aanbieder of afnemer, maar vertegenwoordigen slechts een beperkt aandeel van de totale vervoerde massa. Om het

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 63 van 240


overzicht te bewaren zijn deze daarom niet weergegeven in de figuren. Ze worden wel in rekening gebracht in de totale vervoerde massa’s. Transporten met landbouwers als aanbieder Van de 78,5 miljoen kg N, 37,8 miljoen kg P2O5 of 11,2 miljoen ton die vervoerd werd in 2018 met als aanbieder een landbouwer, werd 35,0 miljoen kg N (45%), 14,1 miljoen kg P2O5 (37%) of 6,8 miljoen ton (61%) vervoerd naar andere landbouwers en 34,4 miljoen kg N (44%), 19,0 miljoen kg P2O5 (50%) of 3,7 miljoen ton (33%) naar bewerkers/verwerkers. Een kleinere fractie van 7,7 miljoen kg N (10%), 3,9 miljoen kg P2O5 (11%) of 0,5 miljoen ton (5%) werd getransporteerd naar afnemers buiten Vlaanderen. Uit de vergelijking met 2017 blijkt dat vnl. de afgevoerde hoeveelheid N van landbouwers naar bewerkers/verwerkers en buiten Vlaanderen afgenomen is (Figuur 38), terwijl een toename zichtbaar is in de afgevoerde tonnages (vnl. naar bewerkers/verwerkers) (Figuur 39). Ook blijkt dat de afgevoerde tonnages van landbouwers naar andere landbouwers gestegen is, terwijl dit slechts beperkt zichtbaar is in de afgevoerde hoeveelheid N. Transporten met mestverwerkingsinstallaties als aanbieder Van de 40,1 miljoen kg N, 38,5 miljoen kg P2O5 of 5,6 miljoen ton die getransporteerd werd in 2018 met als aanbieder een bewerker/verwerker, werd 29,5 miljoen kg N (73%), 26,8 miljoen kg P2O5 (70%) of 1,7 miljoen ton (31%) getransporteerd naar afnemers buiten Vlaanderen en 6,7 miljoen kg N (17%), 9,8 miljoen kg P2O5 (26%) of 0,7 miljoen ton (12%) naar een andere bewerker/verwerker. Een beperkte hoeveelheid nutriënten van ongeveer 3,0 miljoen kg N (7%) en 1,3 miljoen kg P2O5 (3%) werd vervoerd naar landbouwers. In tonnage komt dit overeen met 3,0 miljoen ton (53%), een grote massa die verklaard wordt door het gebruik van effluenten met een groot volume maar met een lage nutriënteninhoud. Uit de vergelijking met 2017 blijkt dat de afgevoerde hoeveelheid N van bewerkers/verwerkers buiten Vlaanderen afgenomen is (Figuur 38), terwijl de afgevoerde tonnages vergelijkbaar zijn (Figuur 39). Transporten met een aanbieder buiten Vlaanderen (import) In 2018 werd ongeveer 9,7 miljoen kg N, 8,2 miljoen kg P2O5 of 1,2 miljoen ton getransporteerd met een aanbieder buiten Vlaanderen. De grootste fractie werd vervoerd naar bewerkers/verwerkers, goed voor 8,9 miljoen kg N (92%), 7,8 miljoen kg P2O5 (95%) of 1,0 miljoen ton (85%). Uit de vergelijking met 2017 blijkt dat de ingevoerde hoeveelheid N naar bewerkers/verwerkers gedaald is (Figuur 38), terwijl de ingevoerde tonnages vergelijkbaar zijn (Figuur 39).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 64 van 240


Overzicht vervoer 2017 (miljoen kg N)

90

80 8,9

70

Buiten Vlaanderen Landbouwers

60

Bewerkers/verwerkers

34,9

50 40 30

30,1

20

35,7

10

0,0 2,9 6,3

0 Landbouwers

Bewerkers /verwerkers Type aanbieder

9,8

Hoeveelheid vervoerde dierlijke en andere meststoffen (miljoen kg N)

Hoeveelheid vervoerde dierlijke en andere meststoffen (miljoen kg N)

90

0,7

Overzicht vervoer 2018 (miljoen kg N)

80 70

7,7

Buiten Vlaanderen Landbouwers

60 50

Bewerkers/verwerkers

35,0

40 30 20

29,5 34,4

10 0

Buiten Vlaanderen

0,0 3,0 6,7

Landbouwers

Bewerkers /verwerkers Type aanbieder

0,7

8,9

Buiten Vlaanderen

Figuur 38 Hoeveelheden dierlijke en andere meststoffen getransporteerd in 2018 naar verschillende types afnemers, voor elk type aanbieder (in miljoen kg N) Overzicht vervoer 2017 (miljoen ton)

10

0,5

12

Buiten Vlaanderen Landbouwers

8

Bewerkers/verwerkers

6,1

6

1,7

4 2

3,5

0 Landbouwers

2,7

0,0

Hoeveelheid vervoerde dierlijke en andere meststoffen (miljoen ton)

Hoeveelheid vervoerde dierlijke en andere meststoffen (miljoen ton)

12

Overzicht vervoer 2018 (miljoen ton) 0,5

10 Buiten Vlaanderen Landbouwers

8 6 1,7

4 2

3,7

0,2

0,7

1,0

Bewerkers /verwerkers Type aanbieder

Buiten Vlaanderen

Bewerkers/verwerkers

6,8

0 Landbouwers

3,0

0,0 0,1

0,7

1,0

Bewerkers /verwerkers Type aanbieder

Buiten Vlaanderen

Figuur 39 Hoeveelheden dierlijke en andere meststoffen getransporteerd in 2018 naar verschillende types afnemers, voor elk type aanbieder (in miljoen ton)

2.1.4.3 Erkende mestvoerders staan in voor grootste deel van het mesttransport Tabel 15 geeft een overzicht van de hoeveelheden dierlijke en andere meststoffen die getransporteerd werden in 2018, per type transportdocument. In totaal 134,7 miljoen kg N, 88,2 miljoen kg P2O5 ofwel 19,1 miljoen ton dierlijke en andere meststoffen vervoerd in 2018. Van de hoeveelheden dierlijke en andere meststoffen die getransporteerd werden in 2018 met geregistreerde transportdocumenten, werd de grootste fractie vervoerd door erkende mestvoerders met mestafzetdocumenten (MAD) (66% van de getransporteerde hoeveelheid N). Deze transporten worden opgevolgd via het AGR-GPS-systeem. Daarna volgen de transporten door geregistreerde verzenders met verzenddocumenten en de burenregelingen.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 65 van 240


De voorbije jaren werd een gestage toename van de getransporteerde hoeveelheden dierlijke en andere meststoffen vastgesteld, maar in 2018 wordt een trendbreuk vastgesteld (Figuur 40). De afname van de vervoerde hoeveelheid N in 2018 is meest zichtbaar bij de MAD. Tabel 15 Hoeveelheden dierlijke en andere meststoffen getransporteerd in 2018, per soort transportdocument (in kg N, kg P2O5 en ton)

N kg 88.291.630 23.467.775 16.863.266 927.206 4.157.750 1.060.494 134.768.120

Soort transportdocument Mestafzetdocument Verzenddocument Burenregeling Grensboerdocument Overdrachtsdocument Inscharingscontract Totaal

P 2 O5 kg 56.834.824 21.132.709 7.398.433 373.222 2.055.879 456.863 88.251.930

% 66% 17% 13% 1% 3% 1%

% 64% 24% 8% 0% 2% 1%

Massa ton 13.377.025 1.370.396 3.477.225 181.057 710.264

% 69% 7% 18% 1% 4% 1%

153.452* 19.269.420

100

Miljoen ton

Miljoen kg N

* Ingeschat o.b.v. de richtwaarden voor samenstelling van vaste rundermest

90 80

16 14 12

70 10

60 50

8

40

6

30 4 20

2

10

0

0 2013

2014

Mestafzetdocument

2015

2016

Verzenddocument

2017

2018

Burenregeling

2013

2014

Mestafzetdocument

2015

2016

Verzenddocument

2017

2018

Burenregeling

Figuur 40 Evolutie van de getransporteerde hoeveelheid dierlijke en andere meststoffen, per soort transportdocument (in miljoen kg N)

2.1.4.4 1/3de van de mestproductie wordt via ‘eigen mest eigen grond’ afgezet Zoals hierboven reeds aangehaald, moeten geen transportdocumenten worden opgemaakt bij transporten van het type “eigen mest eigen grond”. De hoeveelheid mest die vervoerd wordt binnen het principe “eigen mest eigen grond”, kan wel ingeschat worden op basis van de mestproductie en op basis van de hoeveelheid mest die afgevoerd wordt door landbouwers met transportdocumenten. Het verschil tussen beiden geeft een indicatie van het gebruik van eigen mest op eigen grond. In 2018 voerden landbouwers in totaal 77,8 miljoen kg N en 37,5 miljoen kg P205 ruwe dierlijke mest af met geregistreerde transportdocumenten. Indien dit in mindering wordt gebracht van de dierlijke mestproductie in 2018 (128,0 miljoen kg N en 60,0 miljoen kg P205), dan wordt het gebruik van eigen mest eigen grond ingeschat op 50,2 miljoen kg N en 22,5 miljoen kg P205. In vergelijking met 2017 wordt een hoger gebruik van eigen mest

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 66 van 240


140

Miljoen kg P205

Miljoen kg N

eigen grond ingeschat, wat verklaard wordt door een lagere afvoer van nutriĂŤnten als gevolg van de nieuwe aanpak voor een betere opvolging van de mestsamenstelling. Globaal vertegenwoordigt het gebruik van eigen mest eigen grond 39% van de stikstofproductie en 37% van de fosfaatproductie. Dit is gevisualiseerd in Figuur 41, globaal en per mestsoort. In tegenstelling tot Figuur 33 waarin per mestsoort is weergegeven hoeveel procent van de mestproductie wordt gebruikt op landbouwgrond in Vlaanderen, is in Figuur 41 het aandeel van de mestproductie voorgesteld die op het eigen landbouwbedrijf gebruikt wordt. De grootste fractie van de rundermestproductie wordt aangewend op het eigen bedrijf, terwijl dit voor de varkensmestproductie slechts voor een beperkte fractie het geval is. Dat een negatieve waarde bekomen wordt voor pluimveemest, wijst op een discrepantie tussen de productie en de afvoer van pluimveemest en werd besproken in het Mestrapport 2016. Mogelijke verklaringen voor deze discrepantie zijn een overschatting van de mestsamenstellingscijfers van pluimveemest of een onderschatting van de uitscheidingscijfers. Op zich vormt dit geen milieuprobleem aangezien pluimveemest vrijwel volledig wordt afgevoerd en haast niet gebruikt wordt op Vlaamse landbouwgrond.

120 100 80 60

64%

39%

40 17%

20

37%

0

70 60 50 40 30 20

10

69%

38% 27%

15%

0

-20

-21% Afvoer van landbouwers Eigen mest eigen grond Mestproductie

-10

-6% Afvoer van landbouwers Eigen mest eigen grond Mestproductie

Figuur 41 Productie en afvoer van dierlijke mest, en afgeleid gebruik van eigen mest op eigen grond, per mestsoort en globaal (in miljoen kg N en miljoen kg P2O5)

Vertrekkende van het berekende gebruik van eigen mest op eigen grond, van het globale mestgebruik, en van de dierlijke mestproductie, kan ingeschat worden welk aandeel van de dierlijke mestproductie afgezet wordt op eigen grond, afgezet wordt op Vlaamse landbouwgrond van andere landbouwers, en niet afgezet wordt op Vlaamse landbouwgrond (Figuur 42). Globaal wordt 39% van de dierlijke stikstofproductie afgezet op eigen landbouwgronden, 31% op Vlaamse landbouwgronden van andere landbouwers en 30% wordt niet afgezet op Vlaamse landbouwgrond. Deze laatste fractie omvat zowel de export van ruwe dierlijke mest buiten Vlaanderen als de afvoer van dierlijke mest naar mestverwerkingsinstallaties, gevolgd door export van verwerkte mestproducten buiten Vlaanderen of emissies van N2-gas naar de lucht. In deze analyse werd het

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 67 van 240


gebruik van pluimveemest op eigen grond op 0 gezet, aangezien een berekend negatief gebruik geen fysische betekenis heeft. Ten opzichte van 2017 is het aandeel van varkensmest dat op eigen landbouwgrond wordt afgezet gestegen. Dit effect is een gevolg van de verbeterde aanpak van de mestsamenstelling. miljoen kg N 140 130 120 110 100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0

miljoen kg P2O5

30% 8% 31% 28% 64% 17%

45% 38%

96%

29% 4%

34%

35% 9% 27% 22% 47% 69%

15%

92%

38%

10% 8%

63%

38%

Productie dat niet op Vlaamse landbouwgrond wordt afgezet

0% 27% Pluimvee Andere Totaal dieren Productie dat niet op Vlaamse landbouwgrond wordt afgezet

Productie dat op Vlaamse landbouwgrond van derden wordt afgezet

Productie dat op Vlaamse landbouwgrond van derden wordt afgezet

Productie dat op eigen grond wordt afgezet

Productie dat op eigen grond wordt afgezet

Runderen

0%

39%

65 60 55 50 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0

Varkens

Pluimvee

37% Andere dieren

Totaal

Runderen

Varkens

Figuur 42 Aandelen van de dierlijke mestproductie in 2018 die worden afgezet op eigen grond, op Vlaamse landbouwgrond van derden, en die niet worden afgezet op Vlaamse landbouwgrond

2.1.5 Mestverwerking blijft groeien, export van ruwe mest daalt licht 2.1.5.1 Biologieën blijven de meest toegepaste verwerkingstechniek Aan de hand van een enquête bij de mestverwerkingsinstallaties, volgt het VCM de mestverwerkingstechnieken en de verwerkingscapaciteit in Vlaanderen op. De meest recente VCM enquête is deze van 2018 (https://cdn.digisecure.be/vcm/2018911135026326_20180809-enquete-finaal.pdf). In 2017 telde Vlaanderen in totaal 124 operationele mestverwerkingsinstallaties. Informatie over de spreiding van de mestverwerkingsinstallaties in Vlaanderen is terug te vinden in het Mestrapport 2018 en de VCM enquête van 2018. De biologie, voor de biologische N-verwijdering uit de dunne fractie van varkensmest, rundermest of digestaat, is nog steeds de meest toegepaste techniek. Op 98 van de 124 installaties is een biologie aanwezig. Een andere courante techniek is biothermische droging van stalmest, dikke fracties, pluimveemest, paardenmest en champost. Dit wordt in 16 installaties toegepast. Er zijn in totaal 9 totaalverwerkers in Vlaanderen. De totaalverwerkers zijn vergistingsinstallaties die het digestaat integraal exporteren, of een scheiding toepassen en de (gedroogde) dikke fractie exporteren en de dunne fractie on-site verwerken (bv. met een biologie). Hoe kunnen we een switch maken van nutriëntenverwijdering naar nutriëntenrecuperatie? Dierlijke mest verwerken en exporteren en anderzijds kunstmest produceren en gebruiken die het gevolg is van een energieverslindend proces. Het lijkt contradictorisch. Dierlijke mest gedraagt zich echter anders dan kunstmest. De stikstof uit dierlijke mest is niet volledig benutbaar door de gewassen omdat de organische N niet opgenomen kan worden. Omdat dit risico’s inhoudt voor het milieu is het gebruik van dierlijke mest per ha beperkt in de

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 68 van 240


Nitraatrichtlijn. Bijbemesten met volledig werkzame kunstmest is het gevolg om volledig te voorzien in de gewasbehoeften. Door dierlijke mest te verwerken ontstaan er producten met gelijkaardige eigenschappen aan die van kunstmest. In het kader van de Nitraatrichtlijn worden deze verwerkte mestproducten beschouwd als dierlijke mest. Echter, indien deze producten het statuut van kunstmest zouden bekomen, zouden ze bovenop de maximale bemestingsnorm van dierlijke mest kunnen toegepast worden. Op die manier kunnen meer nutriënten gerecupereerd worden uit dierlijke mest ten koste van industrieel vervaardigde kunstmest. De Europese Commissie laat daarom wetenschappelijk onderzoek verrichten naar de voorwaarden waaronder bepaalde producten uit de mestverwerking zouden kunnen gebruikt worden bovenop de maximale bemestingsnorm van dierlijke mest zonder negatieve impact op het milieu. Het project draagt de naam “Safemanure”. Het eindrapport wordt verwacht halverwege 2020. Daarna kan de discussie starten over mogelijke aanpassingen aan de Europese regelgeving en kan de Vlaamse regelgeving hieraan verfijnd worden. Om het proces van nutriëntenrecuperatie te versnellen is bovendien een Vlaams overlegplatform Nutricycle opgericht waaraan diverse stakeholders zullen deelnemen. In Vlaanderen gebeurt er al onderzoek en ontwikkeling naar nutriëntenrecuperatie maar verdere ontwikkeling en opschaling van deze technologieën is noodzakelijk. Het platform zal diverse activiteiten ontplooien om de opstart van nieuwe projecten te versnellen.

2.1.5.2 Beperkte afname van het aantal mestverwerkingscertificaten De Mestbank reikt mestverwerkingscertificaten uit aan mestverwerkingsinstallaties voor de hoeveelheid stikstof uit Vlaamse dierlijke mest die ze hebben verwerkt. Ook landbouwers die hun dierlijke mest exporteren, krijgen hiervoor mestverwerkingscertificaten. Per kilogram stikstof die verwerkt of geëxporteerd wordt, kent de Mestbank één mestverwerkingscertificaat toe. Landbouwbedrijven met een verwerkingsplicht kunnen mestverwerkingscertificaten gebruiken om te voldoen aan de mestverwerkingsplicht. De Mestbank heeft in 2018 mestverwerkingscertificaten (MVC) uitgereikt voor in totaal 40,9 miljoen kg stikstof uit Vlaamse dierlijke mest. Dit is 2,9% minder dan in 2017 (Figuur 43). Toen werden 42,2 miljoen MVC toegekend. De afname van het totaal aantal MVC is voornamelijk toe te schrijven aan de daling van het aantal MVC voor rechtstreekse export van ruwe mest (- 1,0 miljoen MVC t.o.v. 2017), en in mindere mate aan de daling van het aantal MVC voor export van verwerkte mest (- 0,2 miljoen MVC t.o.v. 2017). De afname van het aantal MVC wordt grotendeels verklaard door de betere aanpak van de mestsamenstelling sinds 2018, waardoor de mestinhoudswaarden realistischer en doorgaans lager zijn. Dit verklaart waarom er, ondanks een toename van de tonnages die door landbouwers naar mestverwerkingsinstallaties worden afgevoerd, toch een afname van de hoeveelheid nutriënten wordt vastgesteld (zie 2.1.5.3) en bijgevolg minder MVC worden toegekend aan mestverwerkingsinstallaties. Bij de rechtstreekse export van ruwe mest wordt eveneens een beperkte afname vastgesteld van de geëxporteerde tonnages maar door een verhoudingsgewijs veel grotere afname van de hoeveelheid geëxporteerde nutriënten (zie 2.1.5.5), is een duidelijke afname van het aantal MVC voor rechtstreekse export van ruwe mest zichtbaar.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 69 van 240


Verwerking en export uit Vlaamse dierlijke mest, in miljoen kg N

45

1,8 40 35

0,6 0,6 0,1

25

0,1

2,9

20

3,7

5

6,2

5,4

6,8

6,6

22,1

21,7

6,7

5,6

5,5

4,7

0,2

10

1,5

1,9 6,5

1,6

30

15

2,3

1,9

1,8

17,0

19,8

21,2

20,7

19,6

20,8

11,8

13,5

14,6

7,1

7,2

7,4

8,2

9,7

12,3

7,1

8,8

12,0

7,9

10,6

7,1 2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

3,3 5,5

0 Verwerking Pluimvee

Verwerking Niet-pluimvee

Export Pluimvee

Export Niet-pluimvee

Figuur 43 Evolutie van het aantal mestverwerkingscertificaten (MVC) in de periode 2007-2018

De MVC voor niet-pluimveemest (d.i. in hoofdzaak varkensmest) is gedaald van 23,9 miljoen MVC in 2017 tot 23,2 miljoen MVC in 2018 (- 3,0%). Ook de MVC voor pluimveemest is gedaald, van 18,2 miljoen MVC in 2017 tot 17,7 miljoen MVC in 2018 (- 2,8%). Het grootste aandeel van de MVC wordt uitgereikt aan mestverwerkingsinstallaties, goed voor 34,0 miljoen MVC (of 83% van het totaal aantal MVC). Waar de export van verwerkte pluimveemest stijgt (+ 2,1%) t.o.v. 2017, wordt voor de export van verwerkte niet-pluimveemest een daling vastgesteld (- 2,1%). Naast de MVC voor mestverwerkingsinstallaties, wordt 7,0 miljoen MVC toegekend aan landbouwers voor rechtstreekse export van ruwe mest (of 7% van het totaal aantal MVC). Zowel de export van onbehandelde pluimveemest als niet-pluimveemest is gedaald in 2017, met respectievelijk 12% en 15%. Landbouwers verwerkten in 2018 in hun stallen zelf ongeveer 451.000 kg stikstof met behulp van een zure luchtwasser of met een biologische luchtwasser met nabehandeling. Dit is 41.000 kg N meer dan vorig jaar (+ 10%). Voor fosfaat is geen MVC-getal beschikbaar zoals voor stikstof. De hoeveelheid fosfaat uit Vlaamse dierlijke mest die verwerkt en geĂŤxporteerd wordt uit Vlaanderen, wordt berekend op basis van het MVC-getal voor N en de P2O5/N-verhouding van de hoeveelheid mest die vervoerd werd naar verwerking en naar afnemers buiten Vlaanderen o.b.v. transportdocumenten. In 2018 werd 34,4 miljoen kg N en 19,0 miljoen kg P2O5 getransporteerd van landbouwers naar mestverwerkings- en mestbewerkingsinstallaties en 7,7 miljoen kg N en 4,0 miljoen kg P2O5 van landbouwers naar afnemers buiten Vlaanderen. In totaal werd op deze manier 42,0 miljoen kg N en 23,0 miljoen kg P2O5 afgevoerd.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 70 van 240


Het verschil tussen de aanvoerstroom van Vlaamse landbouwers naar mestverwerkings- en mestbewerkingsinstallaties (34,4 miljoen kg N) en de hoeveelheid mestverwerkingscertificaten toegekend voor Vlaamse dierlijke mest die na verwerking geëxporteerd wordt uit Vlaanderen (34,0 miljoen kg N), wordt verklaard door het feit dat een bepaalde hoeveelheid eindproducten van mestverwerkingsinstallaties terug op Vlaamse landbouwgrond komt en door opslag van mest bij de verwerkingsinstallatie. De P2O5/N-verhouding van de hoeveelheid mest die vervoerd werd naar verwerking en naar afnemers buiten Vlaanderen o.b.v. transportdocumenten, bedraagt 0,56. Vertrekkende van het MVC-getal van 40,9 miljoen kg N voor verwerking en export van Vlaamse dierlijke mest, wordt berekend dat 22,3 miljoen kg P2O5 uit Vlaamse dierlijke mest werd verwerkt en geëxporteerd in 2018. 2.1.5.3

Aanvoer van mest naar mestverwerkingsinstallaties in Vlaanderen blijft stijgen

2.1.5.3.1 Aanvoer van mest door landbouwers naar mestverwerkingsinstallaties Tabel 16 geeft een overzicht van de hoeveelheid mest (in hoofdzaak afkomstig van ruwe dierlijke mest) die door Vlaamse landbouwers aangevoerd wordt naar mestverwerkingsinstallaties, in 2018. Hieruit blijkt dat in hoofdzaak varkensmest verwerkt wordt, gevolgd door pluimveemest. De runder- en varkensmest betreft in hoofdzaak ruwe mest. Een klein aandeel bestaat uit dikke fractie, 12% voor de rundermest en 0,5% voor de varkensmest. De aanvoer van mest naar mestverwerkingsinstallaties gebeurt in hoofdzaak via mestafzetdocument (MAD) (76% van de totale tonnage), en een kleinere fractie via de burenregeling en het overdrachtsdocument. Tabel 16 Hoeveelheid nutriënten aangevoerd door landbouwers in Vlaanderen naar mestverwerkingsinstallaties in 2018 (in kg N, kg P2O5 en ton, op basis van geregistreerde transportdocumenten)

Mestsoort Rundermest Varkensmest Pluimveemest Paardenmest Overig Totaal

kg N 2.313.334 18.312.803 12.211.146 965.059 637.430 34.439.772

% t.o.v. totaal 6,7% 53,2% 35,5% 2,8% 1,9%

kg P2O5 919.784 10.209.052 6.912.472 578.874 380.383 19.000.565

% t.o.v. totaal 4,8% 53,7% 36,4% 3,0% 2,0%

ton 346.756 2.631.161 392.870 193.019 87.006 3.650.812

% t.o.v. totaal 9,5% 72,1% 10,8% 5,3% 2,4%

Als de evolutie van de totale aanvoer van mest door Vlaamse landbouwers naar mestverwerkingsinstallaties nader bekeken wordt, dan wordt de reeds vermelde trendbreuk vastgesteld ten gevolge van een betere aanpak van de mestsamenstelling sinds 2018. Er tekent zich een verdere toename af tussen 2017 en 2018 van de tonnages die door landbouwers naar mestverwerkingsinstallaties worden afgevoerd (+ 5%), terwijl de hoeveelheid nutriënten afnemen (- 4% voor N en - 8% voor P2O5) (Figuur 44).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 71 van 240


4.000

35

3.500

30

3.000

25

2.500

20

2.000

15

1.500

10

1.000

5

kton

miljoen kg N of P2O5

40

500

0

0 2013

2014

2015

miljoen kg N

2016

2017

miljoen kg P2O5

2018 kton

Figuur 44 Evolutie van de aanvoer van mest door Vlaamse landbouwers naar mestverwerkingsinstallaties in de periode 2013-2018, in miljoen kg N en P2O5 en kton

Verdere analyse van de aanvoer door landbouwers naar mestverwerkingsinstallaties per mestsoort (Figuur 45), toont aan dat de aangevoerde massaâ&#x20AC;&#x2122;s voor de meeste mestsoorten verder stijgen. Daartegenover wordt duidelijk een afname van de aangevoerde hoeveelheid N uit varkensmest naar mestverwerking vastgesteld in 2018. Voor varkensmest werd sinds 2013 reeds een dalende trend van de hoeveelheid aangevoerde N naar mestverwerking vastgesteld, als gevolg van de acties die de Mestbank gevoerd heeft rond het vervoer van mest met onrealistisch hoge inhoudswaarden. De gemiddelde stikstofinhoud van varkensmest is verder gedaald in 2018 (Figuur 46). 3.000 Aanvoer van ruwe mest door landbouwers naar mestverwerking (kton)

Aanvoer van ruwe mest door landbouwers naar mestverwerking (miljoen kg N)

25

20

15

10

5

0 2013 Runderen

2014

2015

Varkens

2016 Pluimvee

2017

2.500 2.000 1.500 1.000 500

0 2013

2018 Paarden

Runderen

2014 Varkens

2015

2016 Pluimvee

2017

2018 Paarden

Figuur 45 Evolutie van de aanvoer van mest door Vlaamse landbouwers naar mestverwerkingsinstallaties per mestsoort in de periode 2013-2018, in miljoen kg N en kton

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 72 van 240


Gemiddelde samenstelling aanvoer van ruwe mest door landbouwers naar mestverwerking (kg N/ton)

40,0 35,0 30,0 25,0 20,0

15,0 10,0 5,0

0,0 2013 Runderen

2014 2015 Varkens

2016 Pluimvee

2017 2018 Paarden

Figuur 46 Evolutie van de gemiddelde samenstelling per mestsoort van de aanvoer door landbouwers naar mestverwerkingsinstallaties in de periode 2013-2018, in kg N/ton

2.1.5.3.2 Verschuivingen in de aanvoer van buitenlandse mest naar mestverwerkingsinstallaties Ook vanuit het buitenland wordt er mest aangevoerd naar mestverwerkingsinstallaties in Vlaanderen. Tabel 17 toont de evolutie van de hoeveelheid mest (in hoofdzaak afkomstig van ruwe dierlijke mest) die vanuit het buitenland wordt aangevoerd naar mestverwerkingsinstallaties. De tonnages buitenlandse mest die naar mestverwerking vervoerd worden, is verder licht gestegen in 2018 (+ 3,5% t.o.v. 2017). Net zoals vorig jaar, wordt opnieuw een afname van de hoeveelheid geĂŻmporteerde N naar mestverwerkingsinstallaties vastgesteld (- 8,5% t.o.v. 2017). Tabel 17 Evolutie van de hoeveelheid nutriĂŤnten aangevoerd vanuit het buitenland naar mestverwerkingsinstallaties in Vlaanderen in de periode 2013-2018 (in kg N, kg P2O5 en ton, op basis van geregistreerde transportdocumenten)

kg N kg P2O5 ton

2013 5.930.106 4.437.965 552.536

2014 6.672.391 4.818.999 689.341

2015 9.537.168 6.822.747 849.208

2016 10.052.344 7.053.163 924.398

2017 9.766.053 7.330.331 960.655

2018 8.933.727 7.765.065 994.344

De verder afname van de aangevoerde hoeveelheid stikstof en de lichte toename van de hoeveelheid fosfaat, verraadt een verschuiving in aangevoerde mestsoorten. Verdere analyse van de aanvoer van buitenlandse mest naar mestverwerkingsinstallaties per mestsoort (Figuur 47), toont aan dat de aanvoer van rundermest verder gedaald is in 2018, terwijl de aanvoer van pluimveemest sterk gestegen is. Voor varkensmest wordt een duidelijke toename van aangevoerde tonnages vastgesteld, maar dit is niet zichtbaar in de aangevoerde hoeveelheid N.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 73 van 240


450

Aanvoer van buitenlandse ruwe mest naar mestverwerking (kton)

Aanvoer van buitenlandse ruwe mest naar mestverwerking (miljoen kg N)

4 3 3 2 2 1 1 0 2013 Runderen

2014

2015

Varkens

2016

2017

Pluimvee

400 350 300 250 200 150 100 50 0 2013

2018

2014

Runderen

Paarden

2015

Varkens

2016

2017

Pluimvee

2018 Paarden

Figuur 47 Evolutie van de aanvoer van buitenlandse mest naar mestverwerkingsinstallaties per mestsoort in de periode 2013-2018, in miljoen kg N en kton

7,0 6,0

5,0 4,0 3,0 2,0 1,0

0,0 Frankrijk

Nederland

Duitsland

Overig

Runderen

Varkens

Pluimvee

Paarden

Aanvoer van buitenlandse ruwe mest naar mestverwerking (kton)

Aanvoer van buitenlandse ruwe mest naar mestverwerking (miljoen kg N)

Vooral vanuit Nederland wordt mest aangevoerd naar mestverwerkingsinstallaties in Vlaanderen. In 2018 was 83% van de import naar mestverwerkingsinstallaties afkomstig uit Nederland, wat gelijkaardig is aan voorgaande jaren. De toename van de aanvoer van varkens- en pluimveemest in 2018 t.o.v. 2017 is tevens afkomstig uit Nederland. Figuur 48 visualiseert de aanvoer van verschillende mestsoorten naar mestverwerkingsinstallaties, i.f.v. het land van herkomst. 700 600 500 400 300 200 100 0 Frankrijk Runderen

Nederland

Duitsland

Varkens

Pluimvee

Overig Paarden

Figuur 48 Aanvoer van buitenlandse mest naar mestverwerkingsinstallaties per mestsoort en land van herkomst in 2018, in miljoen kg N en kton

2.1.5.4 Verschuivingen bij transporten tussen mestverwerkingsinstallaties in 2018 Tabel 18 toont de evolutie van de hoeveelheid mestproducten die vervoerd worden tussen mestverwerkingsinstallaties in Vlaanderen. Eindproducten van een bepaalde mestverwerkingsinstallatie (bv. dikke fractie van biologie) worden vervoerd naar een andere installatie voor verdere verwerking (bv. biothermisch drogen). Het gaat hier vnl. over dikke fractie van varkensmest na scheiding, eindproducten van substraatbereiders en eindproducten van vergisting (Tabel 19).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 74 van 240


De hoeveelheid mestproducten die vervoerd wordt tussen mestverwerkingsinstallaties in 2018 is gelijkaardig aan 2017, maar er treden een aantal verschuivingen op (Tabel 18 en Figuur 49). Zo wordt een verdere afname vastgesteld van de transporten van eindproducten van vergisting, terwijl het vervoer van eindproducten van champignonkwekers en substraatbereiders verder is gestegen (door uitbreiding van een substraatbereider). Het vervoer van dikke fractie van varkensmest tussen mestverwerkingsinstallaties is verder gestegen in 2018. Dit laatste uit zich vooral in de vervoerde hoeveelheid stikstof. De afname van het vervoer van digestaat tussen mestverwerkingsinstallaties gaat niet gepaard met een toename van de rechtstreekse export van digestaat (zie 2.1.5.5), wat erop lijkt te wijzen dat meer vergisters zelf hun digestaat verder verwerken via een biologie of andere techniek. Tabel 18 Evolutie van de hoeveelheid nutriĂŤnten vervoerd tussen mestverwerkingsinstallaties in Vlaanderen in de periode 2013-2018 (in kg N, kg P2O5 en ton, op basis van geregistreerde transportdocumenten)

kg N kg P2O5 ton

2013 6.256.048 9.916.063 741.538

2014 7.444.382 11.641.982 865.356

2015 7.505.273 12.497.619 857.617

2016 6.444.999 10.567.046 664.149

2017 6.333.835 10.090.728 686.373

2018 6.729.700 9.820.507 698.449

Tabel 19 Hoeveelheid nutriĂŤnten vervoerd tussen mestverwerkingsinstallaties in Vlaanderen in 2018 (in kg N, kg P2O5 en ton, op basis van geregistreerde transportdocumenten), per mestsoort

Mestsoort Dierlijke mest Varkensmest (dikke fractie) Eindproducten van champignonkwekers en substraatbereiders Eindproducten van vergisters Eindproducten van biologieĂŤn Eindproducten van compostering Overige dierlijke mest Andere mest Eindproducten van vergisters Overige andere mest Totaal

kg N

kg P2O5

ton

3.411.550 1.834.296 1.229.000 34.094 48.994 105.507

7.072.381 695.930 1.746.716 22.105 41.744 197.821

262.165 272.738 87.394 43.304 4.883 7.541

60.014 6.245 6.729.700

36.868 6.941 9.820.506

10.961 9.463 698.449

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 75 van 240


Vervoer van mest tussen mestverwerkingsinstallaties (kton)

Vervoer van mest tussen mestverwerkingsinstallaties (miljoen kg N)

4,0 3,5 3,0 2,5 2,0 1,5 1,0

350,0 300,0 250,0 200,0 150,0 100,0 50,0

0,5 0,0

0,0 2013

2014

2015

2016

2017

2018

Varkensmest (dikke fractie) Eindproducten van champignonkwekers en substraatbereiders Eindproducten van vergisters*

2013 2014 2015 2016 2017 2018 Varkensmest (dikke fractie) Eindproducten van champignonkwekers en substraatbereiders Eindproducten van vergisters*

Figuur 49 Evolutie van het vervoer tussen mestverwerkingsinstallaties per mestsoort in de periode 2013-2018, in miljoen kg N en kton (*eindproducten van vergisting, incl. plantaardige vergisting)

2.1.5.5

Export van verwerkte mestproducten stijgt verder, export van ruwe mest daalt licht

2.1.5.5.1 Export van ruwe mest en verwerkte mestproducten In 2018 werd in totaal 2,3 miljoen ton ruwe mest en verwerkte mestproducten afgevoerd uit Vlaanderen met transportdocumenten, overeenkomend met 37,1 miljoen kg N en 30,8 miljoen kg P2O5. Hiervan was 7,7 miljoen kg N (21%) en 4,0 miljoen kg P2O5 (13%) afkomstig van landbouwers en was 29,4 miljoen kg N (79%) en 26,8 miljoen kg P2O5 (87%) afkomstig van bewerkers/verwerkers (Tabel 20). Transporten van landbouwers naar afnemers buiten Vlaanderen betreffen in hoofdzaak ruwe mest, terwijl transporten van bewerkers/verwerkers naar afnemers buiten Vlaanderen voornamelijk verwerkte mestproducten betreffen (Tabel 20).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 76 van 240


Tabel 20 Hoeveelheid geëxporteerde nutriënten uit Vlaanderen in 2018 (in kg N, kg P2O5 en ton, inclusief de verwerking en export van geïmporteerde dierlijke mest en andere organische materialen), al dan niet na voorafgaande verwerking, per mestsoort (op basis van geregistreerde transportdocumenten)

Mestsoort Dierlijke mest Rundermest Varkensmest Pluimveemest Paardenmest Andere dieren Eindproducten van champignonkwekers & substraatbereiders Eindproducten van composteringsinstallaties Eindproducten van vergisters Eindproducten van biologieën Andere mest Groen- en GFT-compost Eindproducten van plantaardige vergisters Eindproducten van composteringsinstallaties Totaal

Export van landbouwers kg N kg P2O5 ton

Export van be/verwerkers kg N kg P2O5 ton

916.084 1.164.259 5.437.722 137.315 2.891

375.253 667.332 2.846.943 82.389 4.231

155.473 172.077 173.080 27.463 329

0 544.802 0 134 501

0 801.804 0 80 971

0 59.487 0 27 30

347

136

50

4.404.231

1.992.300

569.307

22.202.924

21.638.263

864.880

1.127.706

1.302.899

87.834

1.195

503

338

3.065

1.342

414

941.020

783.731

131.276

215.236

282.327

18.400

29.440.814

26.804.220

1.731.993

1.446

7.660.063

2.257

3.978.540

58

528.531

2.1.5.5.2 Export door landbouwers is gedaald Als de evolutie van de export door landbouwers uit Vlaanderen nader bekeken wordt, dan blijkt dat de tonnages licht gedaald zijn in 2018 t.o.v. 2017 (- 3%). In verhouding tot de lichte afname van de afgevoerde tonnages, wordt een sterkere afname van hoeveelheden N (- 14%) en P2O5 (- 19%) vastgesteld (Figuur 50). De export van mest gebeurt in hoofdzaak via mestafzetdocument (MAD) (79% van de tonnages), en een kleinere fractie via het grensboerdocument (GBD).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 77 van 240


600

10

500

8

400

6

300

4

200

2

100

0

kton

miljoen kg N of P2O5

12

0 2013

2014

2015

miljoen kg N

2016

2017

2018

miljoen kg P2O5

kton

Figuur 50 Evolutie van de export door landbouwers in de periode 2013-2018, in miljoen kg N en P2O5 en kton

Export van ruwe mest door landbouwers (miljoen kg N)

8 7 6

5 4 3 2 1 0 2013 Runderen

2014

2015

Varkens

2016 Pluimvee

2017

2018

Paarden

Export van ruwe mest door landbouwers (kton)

Verdere analyse van de export door landbouwers per mestsoort (Figuur 51), toont aan dat de afgevoerde hoeveelheden rundermest gestegen zijn in 2018 t.o.v. 2017, terwijl voor de andere mestsoorten een verdere afname wordt vastgesteld. 250

200

150

100

50

0 2013 Runderen

2014

2015

Varkens

2016 Pluimvee

2017

2018

Paarden

Figuur 51 Evolutie van de export door landbouwers per mestsoort in de periode 2013-2018, in miljoen kg N en kton

Als gevolg van de acties die de Mestbank gevoerd heeft rond het vervoer van mest met onrealistisch hoge inhoudswaarden, werd een daling vastgesteld van de gemiddelde inhoudswaarde van de geĂŤxporteerde varkens- en pluimveemest in 2015. Daarna bleef de gemiddelde inhoudswaarde van de geĂŤxporteerde varkensmest vrij stabiel. Voor pluimveemest werd sinds 2015 zelfs terug een toename vastgesteld. In 2018

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 78 van 240


wordt een duidelijke afname van de gemiddelde inhoudswaarde van de geĂŤxporteerde varkens- en pluimveemest (Figuur 52). Gemiddelde samenstelling export van ruwe mest door landbouwers (kg N/ton)

40,0

35,0 30,0

25,0 20,0 15,0

10,0 5,0 0,0 2013 2014 2015 Runderen Varkens

2016 2017 Pluimvee

2018 Paarden

Figuur 52 Evolutie van de gemiddelde samenstelling per mestsoort van de export door landbouwers in de periode 2013-2018, in kg N/ton

2.1.5.5.3 Export door be/verwerkers groeit gestaag Als de evolutie van de export door be/verwerkers uit Vlaanderen nader bekeken wordt, dan blijkt dat de tonnages verder gestegen zijn in 2018 t.o.v. 2017 (+ 3,5%). Voor het eerst wordt deze stijgende tendens niet waargenomen voor de nutriĂŤntenhoeveelheden. Deze dalen licht, met - 2% voor N en - 2,6% voor P2O5 (Figuur 53). 35

2.000 1.800 1.600

25

1.400

20

1.200 1.000

15

800

10

600

kton

miljoen kg N of P2O5

30

400

5

200

0

0 2013

2014

2015

kg N

2016 kg P2O5

2017

2018 ton

Figuur 53 Evolutie van de export door be/verwerkers in de periode 2013-2018, in miljoen kg N en P2O5 en kton

De evolutie van de export door be/verwerkers van de belangrijkste mestproducten is gevisualiseerd in Figuur 54. Opmerkelijk is de verdere toename van de export van eindproducten van composteringsinstallaties in 2018 t.o.v. 2017 (+ 8% o.b.v. de tonnages).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 79 van 240


1.000 Export door be/verwerkers (kton)

Export door be/verwerkers (miljoen kg N)

26 24 22 20 18 16 14 12 10 8 6 4 2 0

900 800 700 600 500 400 300 200 100 0

2013

2014

2015

2016

2017

2013 2014 2015 2016 2017 2018 Eindproducten van champignonkwekers & substraatbereiders

2018

Eindproducten van champignonkwekers & substraatbereiders

Eindproducten van composteringsinstallaties

Eindproducten van composteringsinstallaties

Eindproducten van vergisters

Eindproducten van vergisters

Figuur 54 Evolutie van de export door be/verwerkers per mestsoort in de periode 2013-2018, in miljoen kg N en kton

In 2018 zijn er 11 biologieën die in het kader van de Verordening (EG) nr. 1069/2009 een erkenning hebben om hun dikke fractie rechtstreeks af te zetten in Frankrijk. Voorwaarde hierbij is wel dat de dikke fractie niet naar landbouwgrond gaat maar naar een verwerkingsinstallatie voor verdere verwerking. In 2018 werd 59.500 ton dikke fractie van varkensmest geëxporteerd, wat weliswaar een beperkte hoeveelheid is t.o.v. de hierboven vermelde mestproducten. 2.1.5.5.4 Frankrijk en Nederland zijn de belangrijkste exportbestemmingen Net zoals in voorgaande jaren blijft Frankrijk de belangrijkste exportbestemming, goed voor 23,4 miljoen kg N of 63% van de totale hoeveelheid mest die geëxporteerd wordt. Nederland is de tweede belangrijkste exportbestemming met 7,4 miljoen kg N (20%) (Figuur 55). 100%

Aandeel exportbestemming

90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% export landbouwers Frankrijk

Nederland

export be/verwerkers Duitsland

Brussel

totaal export Wallonië

Overig

Figuur 55 Aandeel van de bestemming in de totale geëxporteerde hoeveelheid stikstof in 2018

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 80 van 240


45

Export (miljoen ton)

Export (miljoen kg N)

In Figuur 56 is de evolutie van de export per bestemming weergegeven. Hieruit blijkt dat de export naar Frankrijk verder gestegen is met 5% (o.b.v. tonnages). Ook de export naar Duitsland is gestegen in 2018 t.o.v. 2017. Het relatief aandeel van de mestsoorten in de totale export in kg N, voor de voornaamste exportbestemmingen is weergegeven in Figuur 57. 40 35 30 25 20

2,5 2,0 1,5 1,0

15 10

0,5

5 0

0,0 2013 Frankrijk

2014 Nederland

2015

2016

Duitsland

Brussel

2017

2018

WalloniĂŤ

2013

Overig

Frankrijk

2014 Nederland

2015 Duitsland

2016 Brussel

2017 WalloniĂŤ

2018 Overig

Figuur 56 Evolutie van de export per bestemming (in miljoen kg N en miljoen ton) 100%

4%

Aandeel mestsoort in de export in kg N (%)

90%

Overig

12%

80%

6%

70%

Eindproducten van composteringsinstallaties

41% 60%

Eindproducten van vergisters

77%

50% 40%

53%

Eindproducten van champignonkwekers & substraatbereiders Andere ruwe mest

3%

Ruwe varkensmest

12%

30% 15% 20% 10%

14%

18%

20%

Frankrijk

Nederland

Duitsland

Ruwe pluimveemest

0%

Figuur 57 Relatief aandeel van de mestsoorten in de export (in kg N) in 2018, voor de voornaamste exportbestemmingen

Uit Figuur 56 blijkt ook dat er meer mestproducten naar andere bestemmingen werden afgevoerd sinds 2015. Deze afvoer wordt vnl. verklaard door een sterke toename van de export van eindproducten van composteringsinstallaties naar verre bestemmingen zoals Cambodja, Taiwan en sinds 2016 ook Vietnam. Het gaat hier over de export van gekorrelde compostproducten naar verre exportbestemmingen.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 81 van 240


2.1.5.5.5 Minder stikstofgasproductie door biologieën in 2018 Naast de opvolging van de hoeveelheid nutriënten die niet op Vlaamse landbouwgrond terecht komen door de export van dierlijke mest en andere meststoffen en de export van eindproducten uit de mestverwerkingsinstallaties, volgt de Mestbank ook de N2-gas productie bij de verwerking van mest in biologische mestverwerkingsinstallaties op. De mestverwerkingsinstallaties moeten daarom aangeven hoeveel N2-gas ze geproduceerd hebben in het voorbije productiejaar. In 2018 werd via het nitrificatie- en denitrificatieproces in biologieën 16,2 miljoen kg stikstof omgezet in de vorm van N2-gas, wat een afname is t.o.v. 2017 (16,9 miljoen kg stikstof). Deze afname is hoogstwaarschijnlijk toe te schrijven aan de verbeterde aanpak van de mestsamenstelling, waardoor meer realistische, doorgaans lagere, inhoudswaarden worden gebruikt, met name voor varkensmest. Zoals eerder beschreven (zie 2.1.5.3.1), wordt weliswaar een verdere toename vastgesteld van de vervoerde massa dierlijke mest van landbouwers naar mestverwerkingsinstallaties, maar de hoeveelheid nutriënten die afgevoerd wordt naar mestverwerking is gedaald.

2.1.6 Mestgebruik is afgestemd op de afzetruimte op Vlaams niveau 2.1.6.1 Efficiëntere benutting van de maximale afzetruimte voor fosfaat De maximale afzetruimte voor dierlijke mest in Vlaanderen wordt niet volledig ingevuld. Dit blijkt duidelijk wanneer de evolutie van het gebruik van dierlijke mest wordt uitgezet t.o.v. de evolutie van de maximale afzetruimte (Figuur 58 en Figuur 59). Uit de figuren blijkt dat de afzetruimte voor P2O5 aanzienlijk gedaald is, met een eerste sterke sprong in 2011, een tweede sprong in 2015 en een derde in 2017, terwijl de afzetruimte voor N niet gedaald is. Het gebruik van P2O5 en N uit dierlijke mest is afgenomen, wat een logisch gevolg is van de afname van de afzetruimte voor P2O5. Het gebruik van P2O5 volgt dezelfde trend als de maximale afzetruimte voor P2O5. Op basis van lineaire regressie in de periode 2008-2018 blijkt wel dat het gebruik van P2O5 minder sterk is afgenomen dan de maximale afzetruimte, wat er op wijst dat landbouwers deze plaatsingsruimte efficiënter benutten. N

140

P2O5

80

100

Miljoen kg P2O5

80 60 40 20

y = -1E+06x + 6E+07 R² = 0,9569

60 40

y = -797811x + 5E+07 R² = 0,925

20

Gebruik

Lineair (Afzetruimte)

2018

2017

2016

2015

2014

2013

2012

2011

2010

2018

2017

2016

2015

2014

2013

2012

2011

2010

2009

2008

Afzetruimte

2009

0

0

2008

Miljoen kg N

120

Lineair (Gebruik)

Figuur 58 Evolutie van het gebruik en de maximale afzetruimte, voor N en P2O5

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 82 van 240


P2O5

N 110%

Relatief t.o.v. 2008

Relatief t.o.v. 2008

110% 100%

90% 80% 70% 60%

100% 90% 80% 70% 60%

Afzetruimte

Gebruik

Afzetruimte

Gebruik

Figuur 59 Relatieve evolutie van het gebruik en de maximale afzetruimte, voor N en P2O5

2.1.6.2 Het overschot op de balans dierlijke mest op Vlaams niveau wordt weggewerkt De Mestbank berekent een mestbalans voor elk landbouwbedrijf in Vlaanderen. Als alle balansen van de individuele landbouwbedrijven gesommeerd worden, kan een balans op Vlaams niveau berekend worden. In onderstaande analyse wordt een onderscheid gemaakt tussen twee types bedrijven, nl. bedrijven met en zonder mestoverschot. Het mestoverschot is het verschil tussen de productie van dierlijke mest op het eigen bedrijf en de afzetmogelijkheden op het eigen bedrijf (op gronden in Vlaanderen en, in het geval van grensboeren, op eigen gronden buiten Vlaanderen). In 2018 bedroeg de globale mestproductie 128 miljoen kg N. Als de afzetmogelijkheden voor dierlijke mest op Vlaamse gronden (118 miljoen kg N) en het gebruik van dierlijke mest op eigen gronden buiten Vlaanderen (1 miljoen kg N) in mindering worden gebracht, wordt een globaal mestoverschot van 9 miljoen kg N bekomen. Dit is gelijkaardig aan de situatie in de voorgaande jaren. Het onderscheid tussen bedrijven met en zonder overschot is gevisualiseerd in Figuur 60. Bedrijven met een mestoverschot vertegenwoordigen het grootste aandeel van de mestproductie (101 miljoen kg N), terwijl ze minder afzetmogelijkheden op eigen landbouwgronden hebben (43 miljoen kg N in Vlaanderen). Bedrijven zonder mestoverschot hebben daarentegen meer afzetmogelijkheden (75 miljoen kg N in Vlaanderen) dan dat ze produceren aan dierlijke mest (27 miljoen kg N).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 83 van 240


Tekortbedrijven

0,9

250 200

118

0,4

150

50

75

101

Alle bedrijven

60 40 58 9

0

128

-20

27

0

Tekortbedrijven

80

20

0,5

43

100

Overschotbedrijven

Alle bedrijven

Miljoen kg N

Miljoen kg N

Overschotbedrijven

300

-49

-40

Gebruik dierlijke mest op eigen grond buiten Vlaanderen

-60

Afzetmogelijkheden dierlijke mest op eigen landbouwgrond

Bedrijfsmatig mestoverschot

Netto dierlijke mestproductie

Figuur 60 Mestoverschot op bedrijven met en zonder overschot in Vlaanderen in 2018

Landbouwbedrijven met een mestoverschot moeten dit overschot wegwerken door mest af te voeren naar mestverwerkingsinstallaties, naar afnemers buiten Vlaanderen, of naar andere landbouwers binnen Vlaanderen. Als landbouwers over een bepaalde opslagcapaciteit beschikken, kunnen ze tevens een bepaalde hoeveelheid mest stockeren in de mestopslag. De mestbalans wordt berekend als het verschil tussen het mestoverschot en de netto aanvoer van dierlijke mest en het opslagverschil. Het opslagverschil in 2018 is het verschil tussen de stock op 1/1/2018 en de stock op 1/1/2019. Als het opslagverschil in een bepaald productiejaar positief is, dan wordt er in dat jaar relatief meer mest uit de opslag gehaald dan dat er gestockeerd wordt, en wordt deze mest aangewend op landbouwgrond. Als het opslagverschil negatief is, dan wordt er relatief meer mest gestockeerd dan dat er gebruikt wordt uit de mestopslag. Als de balans positief is bij overschotbedrijven, betekent dit dat deze landbouwers hun mestoverschot niet voldoende wegwerken en dus meer mest aanwenden op hun gronden dan toegelaten o.b.v. de bemestingsnormen. Bedrijven zonder mestoverschot die een positieve mestbalans hebben, overbemesten doordat ze teveel mest hebben aangevoerd. Globaal wordt het mestoverschot weggewerkt in Vlaanderen (Figuur 61). Tekortbedrijven

Alle bedrijven

Overschotbedrijven

Miljoen kg N

Miljoen kg N

Overschotbedrijven

80 60 40 58

20 0

-3,1

-20

-5 -10

25 1,5

9 -1,6

-15

-49

-39

-20

-63

-40

Tekortbedrijven

Alle bedrijven

0 -9 -22 -31

-25

-60

-30

-80 Bedrijfsmatig mestoverschot

Opslagverschil

Netto aanvoer*

-35 Mestbalans

Figuur 61 Mestbalans op bedrijven met en zonder overschot in Vlaanderen in 2018

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 84 van 240


2.1.6.3 Het gebruik van dierlijke mest neemt 1/3de in van de afzetruimte werkzame stikstof Naast dierlijke mest, worden uiteraard ook andere meststoffen gebruikt. Het is daarom interessant om het totale gebruik van de verschillende mestsoorten uit te zetten t.o.v. de plaatsingsruimte. De oefening wordt uitgevoerd voor werkzame N, waarbij de mestsoorten worden ingedeeld volgens de werkingscoëfficiënt. De werkingscoëfficiënt bepaalt hoeveel procent van de stikstof in een bepaalde meststof werkzaam is t.o.v. de totale hoeveelheid N. De verschillende balansonderdelen zijn opgelijst in Tabel 21. De balansonderdelen wordt berekend o.b.v. aangifte-, vervoers- en perceelsgegevens. De dierlijke mestproductie wordt berekend o.b.v. de aangiftegegevens en onderverdeeld in 3 categorieën: vloeibare mest (WC 60%), vaste mest (WC 30%) en begrazing (WC 20%). Sinds 2016 is het systeem werkzame N verplicht voor alle landbouwers. Voor de grensboeren wordt het gebruik van dierlijke mest geproduceerd in Vlaanderen op eigen gronden buiten Vlaanderen in mindering gebracht. Omgekeerd wordt het gebruik van dierlijke mest geproduceerd op het eigen bedrijf buiten Vlaanderen, op eigen gronden in Vlaanderen meegerekend in de balansberekening. Tabel 21 Balans werkzame N in 2018 (in miljoen kg N)

Balansonderdeel Balansonderdeel in totale N + dierlijke mestproductie - gebruik van dierlijke mest geproduceerd op het eigen bedrijf in Vlaanderen op eigen landbouwgronden buiten Vlaanderen (voor grensboeren) + gebruik van kunstmest en van NH4SO4 afkomstig van de verwerking van bedrijfseigen mest via een zure wasser + productie van andere meststof uit een biologische wasser + opslagverschil (stock 1/1/2018 - stock 1/1/2019) + productie van spuistroom bij tuinbouwbedrijven + gebruik van dierlijke mest geproduceerd op het eigen bedrijf buiten Vlaanderen op eigen landbouwgronden in Vlaanderen (voor grensboeren) + aanvoer meststoffen - afvoer meststoffen Gebruik totale N Gebruik werkzame N Afzetruimte werkzame N Balansverschil

Mestsoort, o.b.v. werkingscoëfficiënt 100%(1) 60%(2) 30%(3) 20%(4) 15%(5) 72,64

36,35

19,05

0,51

0,33

0,06

0,30 -1,80

0,44

0,00

0,00

32,13 49,33 54,38 32,63

7,15 27,16 21,40 6,42

Totaal

47,74 -0,001 0,009

0,67 0,03 48,30 48,30

0,006

0,14

18,74 3,75

0,34 0,001 0,34 0,05

91,15 128,35 -37,03

(1) kunstmest, NH4SO4 en effluent uit mestverwerking (2) vloeibare mest (mengmest, dunne fractie na scheiden, vloeibare andere meststoffen) (3) vaste mest (stalmest, dikke fractie na scheiden, vaste andere meststoffen) (4) bemesting door begrazing (5) gecertificeerde groen- en GFT-compost

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 85 van 240


Uiteindelijk wordt het gebruik van werkzame N berekend op ongeveer 91 miljoen kg N in 2018. Als dit uitgezet wordt t.o.v. de afzetruimte van 128 miljoen kg N, dan blijkt dat de balans werkzame N op Vlaams niveau ruimschoots in evenwicht is in 2018. Ook blijkt dat dierlijke mest ongeveer 1/3de inneemt van de afzetruimte voor werkzame N. De afzetruimte voor werkzame N is bepaald o.b.v. de bemestingsnormen van MAP 5 die uitgaan van evenwichtsbemesting. De grote marge op de balans zou er op kunnen wijzen dat bepaalde gewassen minder intensief uitgebaat worden. Anderzijds, wordt opgemerkt dat deze balansbenadering vertrekt van de bij de Mestbank gekende aangifte-, vervoers- en perceelsgegevens. Op de balansbenadering zitten een aantal onzekerheden, bv. door onrealistische mestsamenstellingen. Daarnaast wordt het kunstmestgebruik in deze balansbenadering bepaald o.b.v. de aangiftes van de landbouwers. Volgens het Landbouwmonitoringsnetwerk bedraagt het kunstmestgebruik in Vlaanderen 84,2 miljoen kg N in 20165. Maar ook wanneer deze inschatting van het kunstmestgebruik in rekening wordt gebracht, is de balans werkzame N nog steeds in evenwicht.

5

Platteau J., Roels K. & Van Bogaert T. (reds.) (2018) Landbouwrapport 2018, Departement Landbouw en Visserij, Brussel.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 86 van 240


2.2 MILIEUKWALITEIT 2.2.1 Water 2.2.1.1 Nieuwe gebiedstype-indeling en waterkwaliteitsdoelstellingen MAP 6 MAP 6 voert een nieuwe gebiedstype-indeling in. Die vervangt de vroegere afbakening van de focusgebieden. De nieuwe indeling bestaat uit vier gebiedstypes en daar worden verschillende gebiedsgerichte maatregelen ingezet. De afstroomzones van de Vlaamse waterlichamen worden gebruikt als geografische basiseenheid voor de indeling in de verschillende gebiedstypes. Dat zijn gebieden die afwateren naar een van de Vlaamse waterlichamen en hun lokale vertakkingen. In totaal zijn er 266 afstroomzones. De meeste afstroomzones wateren af binnen Vlaanderen (195 afstroomzones in totaal). Daarnaast wateren 71 kleinere grenszones af buiten Vlaanderen. Naargelang de beoordeling van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater, wordt elke afstroomzone ingedeeld in één van de vier gebiedstypes. Beoordeling oppervlaktewater De beoordeling van de oppervlaktewaterkwaliteit vormt de vertrekbasis. De gemiddelde nitraatconcentratie van de MAP-meetpunten is een goede indicator om de globale impact van de landbouw op de oppervlaktewaterkwaliteit in een bepaalde afstroomzone te beoordelen. Die indicator is immers robuust en minder onderhevig aan uitschieters ten gevolge van bijvoorbeeld uitzonderlijke weersomstandigheden. De gemiddelde nitraatconcentratie is een geschikte indicator om het beleid te evalueren. De streefwaarde voor de gemiddelde nitraatconcentratie bedraagt 18 mg nitraat/l. De streefwaarde voor de gemiddelde nitraatconcentratie bedraagt 18 mg nitraat/l. Die streefwaarde is afgeleid op basis van dataanalyse en is de vertaalslag van de grenswaarde voor nitraatstikstof tussen een goede en matige toestand van de oppervlaktewaterkwaliteit vanuit de Kaderrichtlijn Water. Deze grenswaarde bedraagt 10 mg nitraatstikstof/l, wat overeenkomt met 44,3 mg nitraat/l, als 90ste percentielwaarde. Dit betekent concreet dat 90% van de metingen moet voldoen aan deze grenswaarde. Als vertrekbasis voor de gebiedstype-indeling voor oppervlaktewater, is voor elke afstroomzone de gemiddelde nitraatconcentratie bepaald, op basis van de winterjaren 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018. Voor elke afstroomzone wordt de gemiddelde nitraatconcentratie vergeleken met de streefwaarde van 18 mg nitraat/l. Naargelang de doelafstand tot de streefwaarde wordt elke afstroomzone ingedeeld in één van de vier gebiedstypes oppervlaktewater:

Gemiddelde concentratie (mg nitraat/l)

Gebiedstype oppervlaktewater 0

Gebiedstype oppervlaktewater 1

Gebiedstype oppervlaktewater 2

Gebiedstype oppervlaktewater 3

≤ 18

>18 & ≤ 25

>25 & ≤ 30

>30

Doel bereikt

Kleine inspanning nodig

Aanzienlijke inspanning nodig

Grote inspanning nodig

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 87 van 240


Als lange termijn doel wordt een streefwaarde van 18 mg nitraat/liter als jaargemiddelde vooropgesteld per afstroomzone. Het doel op het einde van MAP 6 is dat de gemiddelde doelafstand daalt met 4 mg nitraat per liter tegen 2022 voor de afstroomzones die nu een doelafstand hebben voor oppervlaktewater. De gebiedstype-indeling voor oppervlaktewater is weergegeven in Figuur 62. 375.000 ha landbouwgrond bevindt zich in gebiedstype 0 voor oppervlaktewater (groene gebieden), 111.900 ha in gebiedstype 1 (gele gebieden), 75.900 ha in gebiedstype 2 (oranje gebieden) en 113.200 ha in gebiedstype 3 (rode gebieden).

Figuur 62 Gebiedstype-indeling o.b.v. het oppervlaktewatercriterium

Beoordeling grondwater De gemiddelde nitraatconcentratie in de bovenste filter van de grondwatermeetpunten is een goede indicator om de globale impact van de landbouw op de grondwaterkwaliteit te beoordelen. Bovendien komen de nitraten gemeten in de bovenste filter van het grondwatermeetnet van dichtbij (meestal tot maximum 100 m). Dat bleek duidelijk tijdens de studievoormiddag over de relatie tussen bemesting en grondwater (zie 2.2.1.4). In MAP 6 wordt er voor gekozen om niet meer met de grootschaligere HHZâ&#x20AC;&#x2122;s als evaluatie-eenheden te werken bij de gebiedsindeling, maar om de fijnmazigere afstroomzones oppervlaktewater te gebruiken, om zo versterkt met lokale effecten rekening te kunnen houden. Daarenboven zal dit de pragmatische toepassing van maatregelen in het kader van het mestbeleid vergemakkelijken door de uitkomst van de grondwaterbeoordeling te koppelen aan deze van oppervlaktewater.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 88 van 240


Omwille van de langere reistijden naar het grondwater, wordt ook rekening gehouden met de trend van de nitraatconcentraties bij de gebiedstype-indeling voor grondwater. Als vertrekbasis voor de gebiedstype-indeling voor grondwater, is voor elke afstroomzone de gemiddelde nitraatconcentratie in de bovenste filter van het grondwatermeetnet bepaald (op basis van de kalenderjaren 2015, 2016 en 2017). Daarnaast wordt voor elke afstroomzone de gemiddelde trend van de nitraatconcentratie in de bovenste filter van het grondwatermeetnet bepaald (op basis van de periode 2014 t.e.m. 2017). Het resultaat van de toestand- en trendbeoordeling van het grondwater, bepaalt of er een gebiedstypeverhoging van +1 wordt opgelegd, bovenop de gebiedstype-indeling op basis van het oppervlaktewater: Gemiddelde concentratie â&#x2030;¤ 40 mg nitraat/l

Gemiddelde concentratie 40 - 50 mg nitraat/l

Gemiddelde concentratie 50 - 60 mg nitraat/l

Gemiddelde concentratie > 60 mg nitraat/l

Dalend

0

0

+1

+1

Stabiel of geen trend Stijgend

0 0

0 +1

+1 +1*

+1 +1*

* Afstroomzones met een gemiddelde concentratie tussen 50 en 60 mg mg NO3-/l of meer dan 60 mg NO3-/l met een duidelijke lineaire stijgende trend (R² > 0,5) worden afgebakend als respectievelijk gebiedstype 2 en gebiedstype 3, ongeacht het onderliggende gebiedstype voor oppervlaktewater. Die gebieden vereisen immers voldoende maatregelen om de stijgende trend om te keren

Het doel op het einde van MAP 6 is een globale dalende trend in alle afstroomzones met onvoldoende grondwaterkwaliteit van minstens 0,75 mg nitraat/l per jaar. Dat komt overeen met een reductie van 3 mg nitraat/l over de volledige planperiode. De gebiedstype-indeling voor grondwater is weergegeven in Figuur 63. 456.400 ha landbouwgrond bevindt zich in afstroomzones met een voldoende grondwaterkwaliteit (groene gebieden). 207.000 ha landbouwgrond bevindt zich in afstroomzones met onvoldoende grondwaterkwaliteit. Die krijgen een gebiedstype-verhoging +1 ten opzichte van het gebiedstype oppervlaktewater (gele gebieden). Daarnaast bevindt zich 7.500 ha in gebiedstype 2 en 5.200 ha in gebiedstype 3, omwille van een duidelijke stijgende trend bij hoge gemiddelde nitraatconcentraties (oranje en rode gebieden). In totaal bevindt zich dus 219.700 ha landbouwgrond in afstroomzones met onvoldoende grondwaterkwaliteit.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 89 van 240


Figuur 63 Gebiedstype-indeling o.b.v. het grondwatercriterium

Gebiedstype-indeling o.b.v. oppervlakte- en grondwater Om tot een definitieve afbakening te komen, wordt de afbakening op basis van het criterium oppervlaktewater gecombineerd met het criterium grondwater. De gebiedstype-indeling op basis van het oppervlaktewater, vormt de basis en wordt naargelang het resultaat van de grondwaterbeoordeling, verhoogd met +1 (tot een maximum van 3). Afstroomzones die na de combinatie van oppervlakte- en grondwater gebiedstype 0 zijn maar waar de 90ste percentielwaarde van alle metingen in oppervlaktewatermeetpunten (op basis van de winterjaren 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018) hoger is dan 44,3 mg nitraat/l worden bijkomend aangeduid als gebiedstype 1. De definitieve gebiedstype-indeling op basis van oppervlakte- en grondwater is weergegeven in Figuur 64. 272.400 ha landbouwgrond bevindt zich in gebiedstype 0 (groene gebieden), 138.100 ha in gebiedstype 1 (gele gebieden), 131.000 ha in gebiedstype 2 (oranje gebieden) en 134.500 ha in gebiedstype 3 (rode gebieden). Tijdens het 5de actieprogramma was 237.400 ha afgebakend als focusgebied. Nu is 403.600 ha afgebakend als gebiedstype 1, 2 en 3. Dat is een toename van 70% van het gebied waar gebiedsspecifieke maatregelen van kracht zijn. De vergelijking met de oude focusgebieden is weergegeven in Figuur 64.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 90 van 240


Figuur 64 Gebiedstype-indeling o.b.v. oppervlakte- en grondwater en vergelijking met focusgebied 2018

De gebiedstype-indeling wordt geëvalueerd in 2020 op basis van de meest recente gegevens van de oppervlakte- en grondwaterkwaliteit. De herziene afbakening gaat in vanaf 1 januari 2021. 2.2.1.2

Oppervlaktewaterkwaliteit verbetert onvoldoende snel

2.2.1.2.1 Het MAP-meetnet oppervlaktewater In 1999 bouwde de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) haar oppervlaktewatermeetnet verder uit zodat het sindsdien specifieke meetpunten voor de landbouw omvat. Deze uitbreiding wordt het “MAP-meetnet” genoemd. De resultaten van dit meetnet laten een evaluatie toe van de effecten van het Vlaamse mestbeleid. Oorspronkelijk bestond dit meetnet uit ongeveer 260 meetplaatsen verspreid over het Vlaamse gewest. De Vlaamse Regering besliste in 2002, op vraag van en in overleg met de landbouwsector, om het MAP-meetnet voor oppervlaktewater uit te breiden, waardoor het momenteel uit circa 760 meetpunten bestaat. De locatie van de oorspronkelijke (1999) en de toegevoegde meetpunten (2002-2005) vind je in Figuur 65. Sindsdien is het meetnet niet meer wezenlijk veranderd.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 91 van 240


Figuur 65 Historiek van het MAP-meetnet operationeel in 2019

MAP-meetplaatsen voldoen aan volgende criteria: − Het stroomgebied is hoofdzakelijk agrarisch van karakter. − Er is geen invloed van industriële afvalwaterbronnen. − Er is geen invloed van overstorten (op riolen of collectoren) of effluentlozingen van rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI) geëxploiteerd door Aquafin. − De hoeveelheid stikstof in het geloosde huishoudelijk afvalwater6 kan berekend worden en heeft een beperkte invloed.

6

Iedere inwoner loost gemiddeld 10 g stikstof per dag.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 92 van 240


De MAP-meetpunten worden in principe maandelijks bemonsterd gedurende het winterjaar. Een winterjaar loopt van 1 juli tot 30 juni van het volgend kalenderjaar. De beoordeling per winterjaar laat toe om de uitspoeling in de wintermaanden samen te evalueren. Telkens worden nitraat en orthofosfaat geanalyseerd. We maken een uitzondering voor die MAP-meetpunten die de voorbije 3 winterjaren goed scoorden. Om de kosten van het meetnet te drukken, worden die meetpunten 3 tot 5 keer per winterjaar bemonsterd. Ze krijgen het statuut van “slapende meetpunten”7. Wanneer een “slapend meetpunt” slecht scoort, wordt het opnieuw maandelijks bemonsterd. De VMM bezorgt de meetresultaten van het MAP-meetnet oppervlaktewater aan de landbouw-, milieu- en natuurorganisaties en aan de Vlaamse Landmaatschappij. Deze organisaties kunnen ze gebruiken voor eigen analysewerk. Zo kunnen problemen, zoals onaangepast bemestingsgedrag, gelokaliseerd en aangepakt worden. Ook andere belanghebbenden en/of geïnteresseerden kunnen deze gegevens krijgen op eenvoudige aanvraag. De meetresultaten per meetpunt zijn publiek toegankelijk via het geoloket (www.vmm.be/data/waterkwaliteit) en via een overzicht voor Vlaanderen (www.vmm.be/water/kwaliteitwaterlopen/chemie/map). 2.2.1.2.2 De 11 bekkens in Vlaanderen Het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003 zet de Europese Kaderrichtlijn Water en de Overstromingsrichtlijn om in Vlaamse wetgeving. Het vormt het basisdecreet voor de organisatie, de planning en het overleg van het integraal waterbeleid in Vlaanderen. In dit decreet worden de watersystemen geografisch ingedeeld in stroomgebieden, stroomgebiedsdistricten, bekkens en deelbekkens. Op schaal Vlaanderen is het interessant om de waterkwaliteit te bekijken op het niveau van bekkens. Er zijn 11 bekkens in Vlaanderen (Figuur 66).

7

De voorgaande 3 winterjaren mag geen enkel meetresultaat hoger dan 40 mg nitraat per liter zijn.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 93 van 240


Figuur 66 Rivierbekkens in Vlaanderen

2.2.1.2.3 Evaluatie van nitraat in het MAP-meetnet In regio’s waar intensief wordt bemest met dierlijke mest komen de hoogste nitraatconcentraties in het oppervlaktewater normaal gezien in de winterperiode voor. Het is dus zinvoller om over de winter heen te evalueren dan om de evaluatie over een kalenderjaar te laten verlopen. Een ‘winterjaar’ loopt vanaf 1 juli van een bepaald kalenderjaar t.e.m. 30 juni van het daaropvolgende kalenderjaar. Dit rapport bevat cijfers van de winterjaren 2002-2003 t.e.m. 2018-2019. We kunnen de evolutie van de nitraatconcentraties in het oppervlaktewater op verschillende manieren opvolgen. Per winterjaar wordt het percentage meetplaatsen met minstens één overschrijding van de drempelwaarde van 50 mg NO3-/l bepaald en worden de gemiddelde en maximale nitraatconcentraties van het MAP-meetnet berekend8. De drempelwaarde van 50 mg NO3-/l is bedoeld ter bescherming van de volksgezondheid. De waarde is juridisch verankerd in het Mestdecreet in uitvoering van de Europese Nitraatrichtlijn.

8

Om jaarlijks een consistente evaluatie mogelijk te maken, wordt per winterjaar de maximale nitraatconcentratie van elke meetplaats getoetst aan de drempelwaarde van 50 mg nitraat per liter. De Nitraatrichtlijn stelt als criterium voor oppervlaktewater een 95-percentieltoets van deze drempelwaarde voorop, waarbij voor maximum 1 van de 20 metingen een nitraatconcentratie van maximaal 75 mg nitraat per liter mag voorkomen (maximaal 50% overschrijding van de drempelwaarde).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 94 van 240


In het winterjaar 2018-2019 zijn 746 meetpunten bemonsterd. 8 meetpunten werden niet bemonsterd omdat het waterpeil te laag stond gedurende het hele winterjaar. % meetpunten met overschrijding van 50 mg NO3-/l in Vlaanderen De laatste 2 winterjaren is het % meetpunten met overschrijding van de drempelwaarde van 50 mg NO3-/l opvallend gestegen: van 21% in 2016-2017, over 28% in 2017-2018 tot 38% in 2018-2019 (Figuur 67). Daarmee treedt een stijging op t.o.v. van de voorgaande winterjaren, die gekenmerkt werden door een status-quo rond 20%. Op basis van deze indicator is de waterkwaliteit in 2018-2019 gelijkaardig als in de jaren 2006-2007 en 2007-2008. MAP 4 stelde als doel het aandeel MAP-meetplaatsen met een overschrijding van de drempelwaarde van 50 mg NO3-/l te doen dalen tot minder dan 16% in 2014. MAP 5 stelde als doel het overschrijdingspercentage verder terug te dringen tot minder dan 5% in 2018. Met een overschrijdingspercentage van 38% behaalt Vlaanderen in 2018 de doelstellingen vooropgesteld voor 2014 en 2018 niet. De droge zomers van 2017 en 2018 zijn in de winters 2017-2018 en 2018-2019 gevolgd door meer overschrijdingen van de drempelwaarde. Droge zomers leiden tot minder opname van stikstof en fosfor door de landbouwgewassen en bijgevolg tot een hogere bodemvoorraad nitraat en fosfaat. In de winterperiode spoelt de nitraatvoorraad uit, als er met de teeltkeuze en bemesting geen rekening wordt gehouden met de geringe opname in de zomerperiode.

Figuur 67 % MAP-meetplaatsen in Vlaanderen met minstens 1 overschrijding van de drempelwaarde van 50 mg nitraat/liter

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 95 van 240


% meetpunten met overschrijding van 50 mg NO3-/l per bekken en per provincie Figuur 68 toont het percentage meetplaatsen met overschrijding per provincie en globaal voor Vlaanderen. Er is geen enkele provincie die voldoet aan de 5%-doelstelling. West-Vlaanderen is met 62% overschrijdingen de slechtst scorende provincie. De toename in overschrijdingen ten opzichte van 2017-2018 is het grootst in de provincies West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen met 15 procentpunten. % meetpunten met minstens overschrijding per provincie

70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

2002- 2007- 2008- 2009- 2010- 2011- 2012- 2013- 2014- 2015- 2016- 2017- 20182003 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019

West-Vlaanderen

55%

60%

46%

58%

45%

48%

43%

34%

32%

34%

37%

47%

62%

Antwerpen

24%

30%

19%

28%

26%

21%

17%

21%

23%

20%

20%

27%

34%

Limburg

22%

28%

20%

24%

23%

20%

26%

18%

21%

19%

15%

18%

23%

Oost-Vlaanderen

19%

21%

23%

18%

14%

13%

11%

9%

9%

11%

12%

17%

32%

Vlaams-Brabant

15%

25%

12%

16%

11%

15%

18%

8%

12%

6%

7%

16%

20%

Vlaanderen

30%

36%

27%

32%

26%

26%

25%

20%

21%

20%

21%

28%

38%

Figuur 68 % meetplaatsen met overschrijding van de drempelwaarde per provincie en globaal Vlaanderen

Figuur 69 toont het percentage meetplaatsen met overschrijding per bekken. Er is geen bekken dat de doelstelling voor 2018 (maximaal 5%) gehaald heeft. De doelstelling is voor Vlaanderen in zijn geheel geformuleerd, maar een opsplitsing per bekken toont welke gebieden het grootste probleem vormen om deze doelstelling te bereiken. De toename van overschrijdingen in het winterjaar 2018-2019 manifesteert zich in alle bekkens. De toename is het sterkst, met meer dan 10 procentpunten, in de bekkens van de IJzer, Leie, Boven-Schelde, Gentse Kanalen, Brugse Polders en Dender.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 96 van 240


Figuur 69 % meetplaatsen met overschrijding van de drempelwaarde per bekken en globaal Vlaanderen

% overschrijdingen van 50 mg NO3-/l per afstroomzone In het kader van MAP 6 worden afstroomzones van de Vlaamse waterlichamen met meer dan 5% metingen met overschrijding van de drempelwaarde van 50 mg NO3-/l, intensiever opgevolgd door de VLM. Figuur 70 toont het percentage overschrijdingen van de drempelwaarde per afstroomzone. In tegenstelling tot de analyse hierboven (% meetpunten met overschrijding in Figuur 67, Figuur 68 en Figuur 69) wordt het % metingen met overschrijding bepaald per afstroomzone.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 97 van 240


Figuur 70 % metingen met overschrijding van de drempelwaarde, per afstroomzone in de winterjaren 2017-2018 en 2018-2019

Gemiddelde nitraatconcentratie in Vlaanderen Figuur 71 toont de gemiddelde nitraatconcentraties in het MAP-meetnet, enerzijds als het gemiddelde voor Vlaanderen van de gemiddelde concentraties per meetpunt, anderzijds als gemiddelde voor Vlaanderen van de maximale gemeten concentratie per meetpunt. Het gemiddelde van de gemiddelden per meetpunt stijgt de laatste 2 winterjaren met 2 mg nitraat/l per jaar, onder invloed van de stijging van de overschrijdingen van de drempelwaarde. Dit is ook te zien in het gemiddelde van de maxima per meetpunt. Dit gemiddelde stijgt ook over de laatste 2 winterjaren. Grosso modo ligt het gemiddelde van de maxima dubbel zo hoog als het gemiddelde van de gemiddelden. Het gemiddelde van de gemiddelden in het MAP-meetnet voor het kalenderjaar 2018 ligt 4 mg nitraat/l hoger dan in het operationeel meetnet. Het operationeel meetnet is het meetnet dat gebruikt wordt voor de rapportering voor de Europese Kaderrichtlijn Water. De meetpunten van dit meetnet zijn gelegen op de Vlaamse waterlichamen. De Vlaamse waterlichamen zijn de grotere waterlopen, stroomafwaarts van de waterlopen waarin de MAP-meetpunten liggen. De nitraatconcentraties in het operationeel meetnet zijn lager, enerzijds door de menging van lozingen van verschillende sectoren, o.a. huishoudelijk en industrieel afvalwater, al of niet gezuiverd, anderzijds treedt er meer verdunning op door de hogere debieten in de grotere waterlopen.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 98 van 240


Figuur 71 Gemiddelde nitraatconcentratie in het MAP-meetnet in de periode 2002-2003 t.e.m. 2018-2019

Gemiddelde nitraatconcentratie per afstroomzone Per afstroomzone van een Vlaams waterlichaam wordt de gemiddelde nitraatconcentratie bepaald als het gemiddelde van de gemiddeldes per meetpunt in die afstroomzone, bepaald over het winterjaar. In Tabel 22 zijn de afstroomzones ingedeeld in 4 klassen, o.b.v. hun gemiddelde nitraatconcentratie. De klassegrenzen (18, 25 en 32 mg nitraat/l) komen overeen met de grenzen voor de gebiedstype-indeling voor oppervlaktewater volgens MAP 6. De resultaten voor winterjaar 2017-2018 en 2018-2019 zijn apart weergegeven, en worden vergeleken met de verdeling van de afstroomzones o.b.v. de referentieperiode voor oppervlaktewater bij de gebiedstype-indeling van MAP 6 (winterjaren 2015-2016, 2016-2017 en 2018-2019). Ten opzichte van de referentieperiode, valt op dat het aantal afstroomzones en bijhorend landbouwareaal dat kleiner is dan de streefwaarde van 18 mg nitraat/l, merkelijk gedaald is in de voorbije twee winterjaren. Daartegenover valt een duidelijke toename op van het aantal afstroomzones en landbouwareaal in de klasse van meer dan 32 mg nitraat/l. Bij een vergelijking tussen de laatste 2 winterjaren valt op dat het aantal afstroomzones en de overeenkomende landbouwoppervlakte met een gemiddelde concentratie lager dan 18 mg nitraat/l en hoger dan 32 mg nitraat/l toeneemt. De klasse tussen 18 en 25 mg nitraat/l neemt terug af in winterjaar 2018-2019, zowel in aantal afstroomzones als in landbouwoppervlakte. Voor de klasse tussen 25 en 32 mg nitraat/l neemt het aantal afstroomzones toe, maar blijft de landbouwoppervlakte vergelijkbaar. Het stijgende percentage overschrijdingen van 2017-2018 naar 2018-2019 loopt samen met een stijgend aantal afstroomzones met een

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 99 van 240


gemiddelde hoger dan 25 mg nitraat/l. De toename van afstroomzones boven de 25 mg nitraat/l is groter dan de toename van zones onder de 18 mg nitraat/l, uitgedrukt in landbouwoppervlakte. Tabel 22 Aantal afstroomzones en oppervlakte landbouwgrond (o.b.v. perceelsregistratie 2008) volgens de nitaatconcentratieklasse in winterjaren 2017-2018 en 2018-2019, en o.b.v. de referentieperiode voor oppervlaktewater bij de gebiedstype-indeling MAP 6 (winterjaren 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018)

Gemiddelde nitraatconcentratie Geen beoordeling ≤18 mg/l > 18 en ≤25 mg/l >25 en ≤32 mg/l >32 mg/l Totaal

Referentieperiode MAP 6 (winterjaren 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018)

Winterjaar 2017-2018

Winterjaar 2018-2019

Aantal ASZ's

Oppervlakte landbouwgrond (ha)

Aantal ASZ's

Oppervlakte landbouwgrond (ha)

Aantal ASZ's

Oppervlakte landbouwgrond (ha)

90 113 17 26 20 266

16.577 403.940 66.682 105.735 84.872 677.805

89 94 30 22 30 265

16.577 308.589 126.312 109.574 116.753 677.805

89 97 21 24 34 265

16.577 321.521 78.458 109.148 152.101 677.805

Een andere manier om naar deze evolutie te kijken is opgenomen in Figuur 72. Het histogram toont het aantal afstroomzones per klasse van gemiddelde nitraatconcentratie per afstroomzone. De blauwe balken tonen de indeling van de afstroomzones o.b.v. de referentieperiode die gebruikt werd bij de gebiedstype-indeling van MAP 6 (winterjaren 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018). De oranje balken tonen de verdeling voor het winterjaar 2018-2019. Uit de figuur blijkt duidelijk dat het aantal afstroomzones in het hoge concentratiebereik boven de 32 mg nitraat/l stijgt in winterjaar 2018-2019. Voor lagere concentraties is het patroon wisselend, met opvallend ook een toename van afstroomzones met concentraties lager dan 4 mg nitraat/l in winterjaar 2018-2019.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 100 van 240


18

16

16

14

14

12

12

10

10

8

8

6

6

4

4

2

2

0

0 0-2 2-4 4-6 6-8 8-10 10-12 12-14 14-16 16-18 18-20 20-22 22-24 24-26 26-28 28-30 30-32 32-34 34-36 36-40 40-44 44-48 44-52 52-56 56-60 60-70 70-80 80-90

Aantal afstroomzones 18

Gemiddelde nitraatconcentratie (mg nitraat/l) Referentieperiode (winterjaren 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018)

Winterjaar 2018-2019

Figuur 72 Aantal afstroomzones per klasse van gemiddelde nitraatconcentratie, enerzijds o.b.v. de referentieperiode voor de gebiedstype-indeling MAP 6 (winterjaren 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018) en anderzijds voor het winterjaar 2018-2019

Figuur 73 toont de gemiddelde nitraatconcentratie per afstroomzone voor het winterjaar 2017-2018, ingedeeld in 5 klassen. De klassegrenzen 18, 25 en 32 mg nitraat/l komen overeen met de grenzen voor de gebiedstype-indeling volgens MAP 6. Een extra klasse boven de 50 mg nitraat/l toont de zones waar de doelafstand tot de streefwaarde van 18 mg nitraat/l het grootst is. Figuur 74 toont de gemiddelde nitraatconcentratie per afstroomzone voor het winterjaar 2018-2019, ingedeeld in 5 klassen.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 101 van 240


Figuur 73 Gemiddelde nitraatconcentratie per afstroomzone van de Vlaamse waterlichamen voor het winterjaar 2017-2018

Figuur 74 Gemiddelde nitraatconcentratie per afstroomzone van de Vlaamse waterlichamen voor het winterjaar 2018-2019

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 102 van 240


2.2.1.2.4 Evaluatie van fosfaat in het MAP-meetnet Fosfaat is een belangrijke plantenvoedende stof en is een essentiële bouwsteen in alle levende wezens. Te veel fosfaat draagt wel bij tot de eutrofiëring of overbemesting van de waterlopen. Deze wordt o.a. zichtbaar door overmatige algengroei (o.a. blauwalgen). Op de meetplaatsen van het MAP-meetnet wordt ook orthofosfaat gemeten. Orthofosfaat is het in water opgeloste fosfaat. Dit is het fosfaat dat vlot beschikbaar is voor organismen. % overschrijdingen De gehanteerde milieukwaliteitsnormen (MKN) zijn weergegeven in Tabel 23. Het gaat hier om normen voor de jaargemiddelde concentratie. De grens tussen matig en goed is als MKN opgenomen in VLAREM II. De klassegrenzen voor de andere kwaliteitsklassen zijn opgenomen in de Stroomgebiedsbeheerplannen Schelde en Maas 2016-2021 (en bij uittreksel gepubliceerd in het BS 2/3/16). Voor de meeste MAP-meetpunten (97%) geldt de norm van 0,10 mg orthofosfaat-fosfor/liter (kleine en grote beek, zoete polderwaterloop), voor 2% van de MAP-meetpunten geldt de norm van 0,07 mg orthofosfaat-fosfor/liter (kleine en grote beek Kempen) en voor 1% van de MAP-meetpunten de norm van 0,14 mg orthofosfaat-fosfor/liter (brakke polderwaterloop). Tabel 23 Klassegrenzen orthofosfaat (mg orthofosfaat-P/liter) i.f.v. beoordeling resultaten MAP-meetnet

Type

Betekenis

Pb

Brakke Polderwaterloop

Bk BgK Pz BkK BgK

Kleine beek Grote beek Zoete Polderwaterloop Kleine beek Kempen Grote beek Kempen

Zeer goed/Goed

Goed/Matig

Matig/Ontoereikend

Ontoereikend/Slecht

0,06

0,14

0,20

0,40

0,05

0,10

0,20

0,40

0,04

0,07

0,14

0,28

Figuur 75 geeft de toestandsbeoordeling voor de laatste 9 winterjaren weer. De laatste 4 winterjaren stijgt het aantal meetpunten in de klasse zeer goed, maar blijft het aandeel meetpunten in de klasse slecht gelijk. Voor 2018-2019 ligt het percentage meetplaatsen dat de norm overschrijdt op 60%, als som van de klassen slecht, ontoereikend en matig. Sinds september 2016 is de methode van meten aangepast en spelen enkele weersomstandigheden een rol: − Voor de winterjaren 2016-2017 tot 2018-2019 toont Figuur 75 de resultaten voor uitsluitend gefilterde orthofosfaat. Dit houdt in dat elk staal is gefilterd over een filter met maaswijdte van 0,45 µm om deeltjes te verwijderen. Voor het winterjaar 2016-2017 zijn er maar 2.986 metingen verwerkt, omdat t.e.m. september 2016 in West- en Oost-Vlaanderen de stalen niet gefilterd werden9. In het winterjaar 2017-2018 is dit percentage het resultaat van 5.195 metingen over alle meetpunten, wat overeenkomt met een normaal aantal stalen voor een meetjaar. − Uit een vergelijkend onderzoek blijkt dat een gefilterd staal een gemiddeld 7% lagere orthofosfaat waarde geeft, t.o.v. een niet gefilterd staal. Deze verlaging varieert sterk van meetpunt tot meetpunt 9

Vanaf oktober 2016 wordt voorafgaand aan elke orthofosfaatanalyse eerst een filtering over een 0,45µm-filter doorgevoerd. In het verleden was dit enkel het geval bij stalen die door een extern labo werden geanalyseerd. In deze paragraaf werden voor de uniformiteit enkel de gefilterde resultaten meegenomen voor de periode juli 2016 tot en met september 2016. De resultaten van juli 2016 tot en met september 2016 die gebaseerd zijn op een niet gefilterd staal werden dus niet weerhouden in deze analyse.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 103 van 240


en is afhankelijk van de grootte-verdeling van de deeltjes in het schepstaal. Vanaf 2017 worden op de slapende meetpunten (> 50% van de meetpunten), 5 stalen per jaar genomen verspreid over het jaar in plaats van 3 stalen in het winterhalfjaar (oktober tot maart). â&#x2C6;&#x2019; Door de droogteperiode in de zomers van 2017 en 2018 zijn er ook minder stalen genomen in de zomerperiode. In de zomerperiode zijn op de meeste meetpunten de orthofosfaatconcentraties hoger, door reductieve oplossing van fosfaat uit de waterbodem. Door minder zomerstalen, wordt het jaargemiddelde dus verlaagd, wat ook kan leiden tot een gunstigere toetsing aan de milieukwaliteitsnorm. Dit alles maakt dat de meetinspanning van jaar tot jaar verschilt en de juiste oorzaak van de daling van het percentage meetpunten met overschrijding in de laatste 3 winterjaren tot nu toe niet kan bepaald worden.

Figuur 75 Klasseverdeling voor orthofosfaat in het MAP-meetnet

Figuur 76 geeft geografisch de resultaten van de orthofosfaatmetingen in het MAP-meetnet weer samen met die voor nitraat. Daaruit blijkt dat veel gebieden die wel de doelstelling voor nitraat halen, dat niet doen voor orthofosfaat. Dit is bv. het geval in de kuststreek. We concluderen dat het fosfaatprobleem veel wijder verspreid is dan het nitraatprobleem. De fosfaatproblematiek moet dan ook meer aandacht krijgen in de maatregelen ter verbetering van de waterkwaliteit in het kader van het mestbeleid.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 104 van 240


Figuur 76 Beoordeling meetresultaten MAP-meetnet voor nitraat en orthofosfaat voor winterjaar 2018-2019

Gemiddelde orthofosfaatconcentratie Figuur 77 toont de evolutie van de gemiddelde orthofosfaatconcentratie in het MAP-meetnet voor de periode 2010 tot 2019, per winterjaar. Dit gemiddelde is het gemiddelde over Vlaanderen van de gemiddelden per meetpunt. Het gemiddelde vertoont geen evolutie in de tijd, hoewel het percentage meetpunten met een overschrijding van de milieukwaliteitsnorm daalt in de laatste 4 winterjaren. Zoals hierboven beschreven, varieert de meetinspanning van jaar tot jaar en kan de juiste oorzaak van deze daling van het percentage meetpunten met overschrijding niet bepaald worden.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 105 van 240


0,9 0,8

90% 77% 70%

67%

71%

71%

80% 67%

61%

0,7

63%

60%

60%

0,6 0,5

70%

0,41

0,4

0,37

0,38

0,42

0,40

0,43

0,43

50% 0,39

0,43

40%

30%

0,3 0,2

20%

0,1

10%

0,0

0%

% MAP-meetpunten met overschrijding milieukwaliteitsnorm

Gemiddelde concentratie (mg P/liter)

1,0

Gemiddelde Vlaanderen van gemiddelden per MAP-meetpunt % MAP-meetpunten met overschrijding milieukwaliteitsnorm

Figuur 77 Gemiddelde orthofosfaatconcentratie (mg P/l) in het MAP-meetnet voor de periode 2010-2019, per winterjaar

Tabel 24 toont de gemiddelde orthofosfaatconcentratie per klasse van de toestandsbeoordeling en per winterjaar. Opvallend is dat in de klasse slecht de gemiddelde nitraatconcentratie in de laatste 3 winterjaren sterk gestegen is ten opzichte van de voorgaande winterjaren. Deze stijging bepaalt mee het meetnetgemiddelde in de laatste kolom, zodat het meetnetgemiddelde stabiel blijft over de winterjaren, terwijl het aantal meetpunten met overschrijding van de milieukwaliteitsnorm afneemt (Figuur 75). Tabel 24 Gemiddelde orthofosfaatconcentratie (mg P/l) per klasse van de toestandsbeoordeling en globaal over het meetnet voor de periode 2010-2019

Winterjaar

Zeer goed

Goed

Matig

Ontoereikend

Slecht

2010-2011 2011-2012 2012-2013 2013-2014 2014-2015 2015-2016 2016-2017 2017-2018 2018-2019

0,03 0,03 0,03 0,03 0,03 0,03 0,03 0,03 0,02

0,07 0,07 0,08 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07

0,14 0,14 0,15 0,14 0,14 0,15 0,14 0,15 0,14

0,28 0,28 0,28 0,29 0,28 0,28 0,29 0,28 0,29

1,08 0,99 0,98 0,97 0,96 0,98 1,15 1,06 1,13

Meetnet globaal 0,41 0,37 0,38 0,42 0,4 0,43 0,43 0,39 0,43

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 106 van 240


2.2.1.2.5 Trendanalyse nitraat en fosfaat In deze analyse gaan we per meetplaats na of de nitraat- en fosfaatconcentraties een trend vertonen. Daarvoor gebruiken we de software Trendanalist. Trendanalist analyseert of een meetreeks een monotone trend vertoont, m.a.w. doorgaans dezelfde richting opgaat. Dit impliceert dat mogelijke trendbreuken niet gedetecteerd worden. Afhankelijk van de kenmerken van de meetreeks (bv. normaliteit, seizoenaliteit) wordt de meest geschikte statistische test geselecteerd. De analyse gaat over de periode winterjaar 2009-2010 t.e.m. winterjaar 2018-2019. De uitspraken gelden dus alleen voor deze periode. Telkens wordt de hele meetreeks in beschouwing genomen. De uitspraken gelden dus enkel voor het geheel van de meetresultaten en niet voor bv. de maxima of de minima. Er wordt steeds getest met een betrouwbaarheid van 95%. Waarden onder de hoogste bepaalbaarheidsgrens van de meetreeks worden op de helft van die hoogste bepaalbaarheidsgrens gezet. Is er sprake van een statistisch significante trend, dan wordt ook aangegeven of die klein, matig of groot is. Er is sprake van een kleine trend als de toename of afname per jaar kleiner is dan 1 mg nitraat/l of 0,01 mg orthofosfaat-fosfor/l. Een matige trend betekent een jaarlijkse toename of afname tussen de 1 en 2 mg nitraat/l of tussen de 0,01 en 0,02 mg orthofosfaat-fosfor/l. Een grote trend doet zich voor als de jaarlijkse toename of afname groter is dan 2 mg nitraat/l of 0,02 mg orthofosfaat-fosfor/l. Voor nitraat konden 737 meetplaatsen geanalyseerd worden, voor fosfaat 743. Redenen waarom voor sommige meetplaatsen geen analyse uitgevoerd kan worden, zijn bv. te weinig meetresultaten, te korte meetreeks of te veel waarden onder de hoogste bepaalbaarheidsgrens. De meetpunten zijn ingedeeld naargelang overschrijding of niet van de drempelwaarde nitraat of de milieukwaliteitsnorm orthofosfaat (Figuur 78). Als de som van de percentages wordt genomen ongeacht overschrijding of niet, dan vertoont het merendeel van de meetplaatsen geen statistisch significante trend. Voor nitraat (77%) is dat percentage quasi gelijk als voor orthofosfaat (75%). Voor nitraat is het percentage meetplaatsen met een significante daling (20%) merkelijk groter dan het percentage meetplaatsen met een significante stijging (4%). Ook voor orthofosfaat is het percentage meetplaatsen met een significante daling (17%) groter dan het percentage meetplaatsen met een significante stijging (8%). Het aandeel meetpunten met een dalende trend voor nitraat is vergelijkbaar bij meetpunten met een overschrijding in het laatste winterjaar als bij meetpunten zonder overschrijding. Een stijgende trend komt vaker voor bij meetpunten met overschrijding, hetgeen logisch is omdat deze verzameling meetpunten omvat met recente, nieuwe overschrijdingen in winterjaar 2018-2019, wat de stijgende trend beĂŻnvloedt. Voor orthofosfaat is de dalende trend relatief sterker aanwezig bij meetpunten zonder overschrijding. De stijgende trend is daarentegen relatief sterker aanwezig bij meetpunten met overschrijding.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 107 van 240


70%

60%

% meetpunten

50% 40% 30% 20% 10% 0%

grote stijging matige stijging kleine stijging geen trend kleine daling matige daling grote daling

nitraat met overschrijding 1% 1% 1% 30% 2% 3% 2%

nitraat zonder overschrijding 0% 0% 1% 47% 7% 4% 1%

orthofosfaat met overschrijding 4% 2% 2% 45% 1% 2% 4%

orthofosfaat zonder overschrijding 0,1% 0% 0,4% 30% 6% 2% 1%

Figuur 78 Trendanalyse nitraat en fosfaat opgedeeld naar meetpunten met en zonder overschrijding in winterjaar 2018-2019 (trendanalyse o.b.v. periode winterjaar 2009-2010 t.e.m. winterjaar 2018-2019)

Figuur 79 toont waar de meetpunten met een bepaalde trend voor nitraat gelegen zijn. De meetpunten met een sterke en matige daling zijn verspreid over alle bekkens. Ook de meetpunten met een stijging komen verspreid voor, behalve in het Denderbekken. De bekkens van de Brugse Polders, Dender en Beneden-Schelde kennen geen matige of sterke stijgers. In alle andere bekkens komen minstens meetpunten met kleine stijgende trend voor. Figuur 80 toont waar de meetpunten met een bepaalde trend voor orthofosfaat gelegen zijn. In alle bekkens komen stijgers voor, ook op meetpunten die altijd goed scoren voor nitraat.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 108 van 240


Figuur 79 Trendbeoordeling per MAP-meetpunt voor nitraat o.b.v. periode winterjaar 2009-2010 t.e.m. winterjaar 2018-2019

Figuur 80 Trendbeoordeling per MAP-meetpunt voor orthofosfaat o.b.v. periode winterjaar 2009-2010 t.e.m. winterjaar 2018-2019

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 109 van 240


2.2.1.2.6 Conclusies oppervlaktewater Het aantal meetpunten met overschrijding van de drempelwaarde voor nitraat evolueert niet gunstig. Al vijf winterjaren op rij is er geen dalende evolutie te merken in het percentage meetpunten met overschrijdingen. Sinds het winterjaar 2017-2018 is er een stijging van het percentage meetpunten met overschrijdingen, tot 38% in het winterjaar 2018-2019. Daarmee wordt de doelstelling voor 2018, maximum 5% meetplaatsen die de drempelwaarde overschrijden, niet gehaald en zijn ingrijpende maatregelen nodig ter verbetering van de waterkwaliteit. Deze maatregelen moeten ook rekening houden met de effecten van klimaatverandering op de waterkwaliteit. De lange termijn doelstelling voor de gemiddelde nitraatconcentratie per afstroomzone is in MAP 6 ingesteld op 18 mg nitraat/l. In het winterjaar 2018-2019 wordt dit doel in 97 van de 176 beoordeelde afstroomzones behaald. Dat is een kleine verbetering ten opzichte van de referentieperiode MAP 6 (winterjaren 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018), maar de doelafstand in de afstroomzones boven de 18 mg nitraat/l wordt groter. In 34 afstroomzones ligt de gemiddelde nitraatconcentratie boven de 32 mg nitraat/l en is de doelafstand tot 18 mg nitraat/l nog zeer groot. Ook voor orthofosfaat zijn de resultaten ongunstig. Slechts 40% van de meetpunten voldoet aan de milieukwaliteitsnorm en in 83% van de meetpunten wordt er ofwel geen trend ofwel een stijgende trend gedetecteerd. We concluderen dat het fosfaatprobleem veel wijder verspreid is dan het nitraatprobleem. De fosfaatproblematiek moet dan ook meer aandacht krijgen in de maatregelen ter verbetering van de waterkwaliteit in het kader van het mestbeleid.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 110 van 240


2.2.1.3

Grondwaterkwaliteit vertoont sterke regionale en lokale verschillen

2.2.1.3.1 Het freatische grondwatermeetnet In 2003 werd een nieuw grondwatermeetnet geïmplementeerd om aan de doelstellingen van de Europese richtlijnen te voldoen en een beter beeld te krijgen van de grondwaterkwaliteit in Vlaanderen. Vooral de specifieke vereisten van de Nitraatrichtlijn maken het onderzoeken van de diffuse verspreiding van nutriënten in grondwater in landbouwgebied noodzakelijk. Het freatische grondwatermeetnet is voornamelijk gelokaliseerd in landbouwgebied en bestaat uit ongeveer 2.100 multilevel putten, met meestal 3 meetfilters per put. De spreiding en densiteit van de putten is gekoppeld aan de nitraatgevoeligheid van de ondiepe watervoerende systemen. Hiervoor werd Vlaanderen in 33 hydrogeologisch homogene zones (HHZ’s) ingedeeld. Dit zijn zones waarbinnen een vergelijkbare manier van transport en afbraak van nitraat in de aanwezige bovenste watervoerende lagen wordt verwacht. Voor meer informatie over het freatisch grondwatermeet wordt naar voorgaande mestrapporten verwezen. Een overzicht van het freatische grondwatermeetnet en van de HHZ’s wordt weergegeven in Figuur 81.

Figuur 81 Overzicht van de meetpunten van het freatische grondwatermeetnet en van de HHZ’s in Vlaanderen

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 111 van 240


De grondwatermeetresultaten worden na afloop van elke analysecampagne (halfjaarlijks) in digitale vorm door de VMM aan de landbouworganisaties overgemaakt. Dit gebeurt in het kader van open communicatie om de nodige transparantie over de lopende meetprogramma’s en de uitkomsten hiervan te creëren. Bovendien stelt het de landbouworganisaties in staat eigen data-analyses uit te voeren met betrekking tot mesttoepassingen en kwaliteitsevolutie van het grondwater. Het grote publiek kan kennisnemen van de meetresultaten van het freatische grondwatermeetnet via de website van de Databank Ondergrond Vlaanderen (https://dov.vlaanderen.be). 2.2.1.3.2 Evaluatie van nitraat in het freatische grondwatermeetnet Een derde van de meetpunten blijft 50 mg NO3-/l overschrijden Sinds 2004 zijn voor alle HHZ’s op halfjaarlijkse basis metingen van de grondwaterkwaliteit uitgevoerd. Figuur 82 geeft het aantal putten weer waar een overschrijding van de nitraatnorm van 50 mg NO3-/l per analysecampagne werd gemeten. Vanaf dat bij één van de aanwezige filters per put een overschrijding van de nitraatnorm van 50 mg NO3-/l wordt vastgesteld, wordt de betreffende meetlocatie als risicopunt geëvalueerd. Na een aanvankelijke duidelijke toename van het aantal putten met een overschrijding van de nitraatnorm tot bijna 40% van de putten in het voorjaar van 2005, werd een daling van het overschrijdingspercentage vastgesteld totdat plusminus een status quo werd bereikt, met lichte seizoenale schommelingen rond de 34%. Tijdens de laatste campagne van 2018 daalt het overschrijdingspercentage naar het op een na laagste percentage (32,5%) sinds de start van de metingen. Eigen aan het grondwatercompartiment is dat het gros van de locaties eerder trage veranderingen ondergaat door de sterke buffering van het nitraattransport in het grondwater, zeker indien met oppervlaktewater wordt vergeleken. Dit is onder andere te wijten aan de beperkte doorlatendheid, de algemeen trage transportsnelheden, de laterale aanvoer van grote oppervlakken, de dikte van de onverzadigde zones en/of de zeer beperkte reductiecapaciteit in het ondiepe gedeelte van de grondwatersystemen (dikkere oxidatiezone). Hierdoor kunnen de globale vertragingseffecten bij de daling van de nitraatconcentraties in het ondiepe grondwater worden verklaard, alhoewel voor het merendeel van de ondiepste putfilters kortere interactietijden bestaan.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 112 van 240


Figuur 82 Percentage meetpunten van het freatische grondwatermeetnet dat de nitraatnorm van 50 mg NO3-/l overschrijdt per meetcampagne

Het eerder vastgestelde verdelingspatroon van de nitraatconcentraties in de freatische grondwaterputten is in Vlaanderen ook in 2018 niet meteen gewijzigd (Figuur 83). De nitraten verspreiden zich vrij heterogeen, toch worden er een aantal clusters van putten met goede en minder goede kwaliteit vastgesteld. Positief blijft de situatie langs de kust (Polders), het noordelijke deel van Oost-Vlaanderen en het zuidelijke deel van de provincie Antwerpen. Het aantal overschrijdingen boven de 50 mg NO3-/l is hier vrij beperkt. Voor de cluster van putten met veel nitraatoverschrijdingen in Noord-Limburg, meer bepaald in de zone van de Hoogterrasafzettingen (HHZ 23), wordt een status quo vastgesteld. In het centrale en zuidelijke gedeelte van Oost- en West-Vlaanderen en de noordelijke provincie Antwerpen (Noorderkempen) bestaat daarentegen een zeer heterogene situatie met meetpunten die afwisselend een goede en een slechte grondwaterkwaliteit vertonen. Het aantal meetpunten zonder overschrijding overweegt hierbij. Opvallend is ook de accumulatie aan meetpunten met minder goede nitraatgehaltes ten oosten van Leuven en de zuidoostelijke rand van Vlaanderen. Voor een deel is dit waarschijnlijk te wijten aan diepe grondwaterstanden in de aanwezige heuvels met bij gevolg trage responstijden, zodat het hier waarschijnlijk over â&#x20AC;&#x2DC;oudereâ&#x20AC;&#x2122; nitraatcontaminaties gaat. Een snelle verbetering van de nitraatgehalten in het grondwater kan dan ook niet meteen worden verwacht.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 113 van 240


Figuur 83 Maximale gemiddelde nitraatconcentratie per put van het freatische grondwatermeetnet in 2018 met HHZ-grenzen op de achtergrond

De verdeling van de putten op basis van de maximaal gemiddelde nitraatconcentratie op putniveau10 in 2018 is weergegeven in Figuur 84. Op iets meer dan de helft van de putten worden nitraatconcentraties van minder dan 25 mg NO3-/l gemeten. Op 65% van de locaties is de norm van 50 mg NO3-/l niet overschreden. Zeer hoge nitraatconcentraties van meer dan 250 mg NO3-/l zijn eerder uitzonderlijk en worden op 2% van de locaties gedetecteerd.

10

Voor elke put van het freatisch grondwatermeetnet is eerst voor elke filter de gemiddelde nitraatconcentratie bepaald in 2018. Vervolgens is per put het maximum van de gemiddelde nitraatconcentraties van de filters bepaald

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 114 van 240


> 250 mg/l 2% 100 - 250 mg/l 15%

50 - 100 mg/l 18%

< 25 mg/l 53%

40 - 50 mg/l 4% 25 - 40 mg/l 8%

Figuur 84 Procentuele verdeling van de putten op basis van maximaal gemiddelde nitraatconcentraties op putniveau in 2018

Stagnatie van de gemiddelde nitraatconcentratie van de bovenste filter Een trendbepaling op basis van de gemiddelde nitraatconcentraties op niveau van de bovenste filter is de meest aangewezen analyse. De recente input van nitraat naar het grondwater heeft hoofdzakelijk impact op de zone van de bovenste filter. De precieze ouderdom van de nitraatuitspoeling kan nochtans variabel zijn. In de vlakke gebieden van noordelijk Vlaanderen is een snelle aanvoer naar de grondwatertafel mogelijk, variĂŤrend van een aantal weken of maanden tot een jaar of meer. Voor de zuidelijke heuvelstreken kan de ouderdom, bij aanwezigheid van dikke onverzadigde zones, verschillende jaren en soms tot meer dan tien jaar bedragen. De aanvoersnelheden zijn uiteraard seizoensgebonden met maximale transportsnelheden tijdens de winterperiode. Figuur 85 toont de evolutie van de gewogen gemiddelde nitraatconcentraties in het grondwater voor de 3 belangrijkste filterniveaus in de periode 2004-2018. Er is een verticaal verspreidingspatroon van nitraat zichtbaar met een duidelijke afname van de gewogen gemiddelde nitraatconcentraties met de diepte. Sinds 2005 wordt een daling van de gewogen gemiddelde nitraatgehalten op filterniveau 1 vastgesteld, met een tussentijdse stijging gedurende het voorjaar van 2007 en het najaar van 2009 (Figuur 85). In het najaar van 2014 werd de laagste gewogen gemiddelde nitraatconcentratie (31,9 mg NO3-/l) sinds het begin van de meetcampagnes vastgesteld. In de periode 2015 tot 2017 zijn de gewogen gemiddelde nitraatconcentraties terug licht gestegen. Het is echter niet uit te sluiten dat deze nitraatstijging voor een stuk met de weerssituatie te maken heeft. Droge en warme klimatologische omstandigheden zoals tijdens de najaren van 2015 en 2016 en het voorjaar 2017, leiden tot meer eerste filters die niet bemonsterd kunnen worden door droogstand of te beperkte watervoeding met mogelijk een zonespecifieke toename van de nitraatgemiddelden tot gevolg. Tijdens het najaar 2017 is opnieuw een lichte afname van de nitraatgemiddelden vastgesteld, ondanks de blijvende vermindering van het aantal bemonsterde eerste filters. In het voorjaar van 2018 werd dan weer een meer volledige monstercampagne uitgevoerd, gevolgd door uitzonderlijk droge omstandigheden tijdens het najaar 2018. De gewogen gemiddelde nitraatconcentratie op filterniveau 1 blijft desondanks sinds het najaar van

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 115 van 240


2017 stabiel op iets minder dan 36 mg NO3-/l. Effecten van een vermindering van bemonsterbare eerste filters tijdens een droogteperiode spelen hier blijkbaar in mindere mate een rol. De trend voor het tweede filterniveau verschilt van deze van het eerste filterniveau. Hier komt het pas sinds eind 2009 tot een stapsgewijze lichte daling van de gewogen gemiddelde nitraatconcentraties. Een sterkere vermindering van het nitraatgehalte met bijna 5 mg NO3-/l is voor de overgang van de campagnes van 2012 naar deze van 2013 vast te stellen. Sindsdien is het tot een duidelijke stagnatie gekomen. De nitraatconcentraties blijven tot en met het najaar van 2018 bij benadering op eenzelfde niveau, op ca. 26 mg NO3-/l, met een lichte tussentijdse daling tijdens het najaar van 2014 (tot iets minder dan 25 mg NO3-/l) en een lichte stijging op het einde van de meetperiode. Ondanks de tijdelijke afvlakking blijkt dus het gewijzigde mestbeleid eveneens effect te hebben op de diepere aquiferzones. De heterogeniteit van de ondergrond en hieraan gekoppeld de variatie op de meetdiepte op filterniveau leidt echter tot verschillende responstijden. Het is daarom niet altijd duidelijk aan welk tijdstip de opgemerkte verbetering moet worden gekoppeld. Er zijn echter indicaties dat de bijsturing van het mestbeleid vanaf 2007 (MAP 3) een rol kan spelen (eerste effecten treden 2 jaar later op dan op filterniveau 1 op de meest ondiepe putinstallaties). De tweede duidelijke shift bij de verbetering is mogelijk gelinkt aan de start van MAP 4 in 2011. De beperkte toename in 2017-2018 gaat dan weer gepaard met de trendommekeer op filterniveau 1 sinds 2015 (MAP 5). Omwille van de grotere reis- en verblijftijden van het grondwater worden de diepste bemonsterde aquiferzones minder snel bereikt. De nitraatconcentraties op filterniveau 3 blijven redelijk stabiel, alhoewel de laatste campagnes gekenmerkt zijn door gewogen gemiddelde nitraatconcentraties beneden de 10 mg NO3-/l. Vooral de laatste 8 campagnes zijn gekenmerkt door gewogen gemiddelde nitraatconcentraties die bij benadering op eenzelfde concentratieniveau liggen (9,2 - 10,2 mg NO3-/l). Navolgende campagnes moeten uitwijzen of deze stabiele situatie blijft behouden, of het tot een verdere daling van de nitraatconcentraties komt.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 116 van 240


MAP 4

45

MAP 5

40 35 30 25 20 15 10 5 0

2004-1 2004-2 2005-1 2005-2 2006-1 2006-2 2007-1 2007-2 2008-1 2008-2 2009-1 2009-2 2010-1 2010-2 2011-1 2011-2 2012-1 2012-2 2013-1 2013-2 2014-1 2014-2 2015-1 2015-2 2016-1 2016-2 2017-1 2017-2 2018-1 2018-2

Gewogen gemiddelde nitraatconcentratie (mg NO3-/l)

50

Analysecampagne filter 1

filter 2

filter 3

Figuur 85 Evolutie van de gewogen gemiddelde nitraatconcentratie ter hoogte van de drie filters in het freatische grondwatermeetnet (1 staat voor voorjaarscampagne, 2 voor najaarscampagne), met de doelstellingen van MAP 4 en MAP 5 (blauwe sterren)

Over een lange periode waren dus de positieve effecten van de recent genomen maatregelen in het kader van het Mestdecreet in het globaal eerder â&#x20AC;&#x2DC;traag reagerendeâ&#x20AC;&#x2122; grondwatersysteem zichtbaar. Er is een duidelijke verbetering van de grondwaterkwaliteit op filterniveau 1, voornamelijk sinds 2007 (Figuur 85). De evaluatie van de doelstellingen van MAP4 en MAP5 werden eerder uitgevoerd op basis van een lineaire regressie van de meetresultaten voor de periode sinds 2007, omdat initieel een monotone trendevolutie werd verwacht. Dit is echter niet meer het geval. Sinds het najaar van 2014 bestaat er echter een trendommekeer, zodat lineaire regressie in dit geval niet meer van toepassing is, want deze geeft niet de daadwerkelijke recente evolutie weer. Momenteel bestaat er een stagnatie en wordt het gewenste gewogen gemiddelde nitraatconcentratieniveau van 32 mg NO3-/l op het einde van MAP 5 niet bereikt (Figuur 85). Regionale (zonale) verschillen in de evolutie van de nitraatconcentratie in het grondwater Voor elke HHZ wordt de evolutie van de nitraatgehalten op filterniveau 1 bepaald (Figuur 86). Om met kortetermijn effecten rekening te kunnen houden, wordt met de meest recente vierjaarlijkse trend rekening gehouden, op basis van de meetgegevens van 2015-2018. Voor elke filter wordt de trend via lineaire regressie berekend. Omwille van de betrouwbaarheid wordt alleen met filters rekening gehouden indien deze minimum 5 van 8 keer tijdens de meetperiode bemonsterd zijn geweest. Vervolgens is de gemiddelde trend per zone bepaald. Trendbepaling gebeurt dus op een deeldataset. Omwille van de droge omstandigheden vooral in 2016, 2017 en 2018 konden tijdens de najaren minder bovenste filters worden bemonsterd. Daarom waren niet overal voldoende lange tijdreeksen ter beschikking, zodat de deeldataset voor de trendbepaling iets

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 117 van 240


kleiner is dan bij voorgaande evaluaties. De dataset is evenwel nog steeds op een omvangrijke steekproef van 1.546 filters gesteund, zodat een duidelijk beeld van de nitraatconcentraties in het bovenste grondwater kan worden geschetst. Daarenboven wordt opgemerkt, dat de evaluatie van de HHZ’s verder verfijnd is ten opzichte van het oorspronkelijke HHZ-model met 33 zones (zie 2.2.1.3.1). Om beter met reeds in het verleden werkzame maatregelen ter bescherming van grondwaterwingebieden tegen verontreiniging door nitraat rekening te kunnen houden, worden de al sinds 1995 geldige oude nitraatgevoelige gebieden als aparte onderdelen van HHZ’s beoordeeld. Omwille van pragmatische redenen met betrekking tot distributie en beschikbaar van meetputten, zijn deze soms opnieuw samengevoegd (bv. HHZ 73h + HHZ 73h-nit). In totaal komt men nu aan 38 aparte evaluatie-eenheden. In het kader van MAP 5 was het de bedoeling, dat zones die in 2014 nog gemiddeld hogere concentraties dan 50 mg NO3-/l hadden, tegen eind 2018 een concentratiedaling van minimum 5 mg NO3-/l moesten realiseren. Voor 9 HHZ’s komt het tot onvoldoende vermindering van de nitraatconcentraties (minder dan 5 mg NO3-/l) of stijgen de nitraatconcentraties (tot) boven 50 mg NO3-/l. In 2018 wordt in 10 HHZ’s een gemiddelde nitraatconcentratie van meer dan 50 mg NO3-/l vastgesteld (t.o.v. 8 HHZ’s in 2014). De algemene concentratie-evolutie op basis van de meest recente vierjaarlijkse trend voor alle zones wordt geëvalueerd en vergeleken met de situatie in 2018. Als drempelwaarde voor de trendbeoordeling wordt 3 mg NO3-/l gebruikt, afgestemd op de gebiedsgerichte doelstellingen van MAP 6 (Figuur 86) (zie 2.2.1.1). Uit deze trendbeoordeling blijkt: 1. Duidelijke afname van meer dan 3 mg NO3-/l bij 12 van de 38 HHZ’s, overeenkomend met 27% van het landbouwareaal (blauwe zones in Figuur 86). Het gaat hier om de HHZ’s 10, 22, 32, 51, 61, 64bol, 71, 71h, 73, 74h, 75 en 82. Positief in deze context is de verdere verbetering in sommige grote zones, zoals bijvoorbeeld HHZ 32 (Dun Quartair dek boven Ieperse klei) en HHZ 51 (Zanden van Brasschaat). Gunstig is ook de evolutie in de zone van de Duinafzettingen. Eerder was deze zone gekenmerkt door een slechte grondwaterkwaliteit en evolutie, weliswaar op basis van 2 putten. Hier is blijkbaar een duidelijke omkeer gebeurd, alleszins op filterniveau 1. 2. Kleine verbetering (tussen 1 en 3 mg NO3-/l) voor 5 zones, met name voor de HHZ’s 21, 22-nit, 33, 35 en 52 (lichtblauwe zones op Figuur 86). Onder deze categorie valt o.a. de zeer grote zone van de Vlaamse Vallei (HHZ 21), waarbinnen 20% van het Vlaams landbouwgebied ligt. In totaal bevindt zich ca. 27% landbouwgebied in deze categorie. 3. Status quo voor 3 zones, met name voor de HHZ’s 64ber, 75h en 76 en 78 (lichtgroene zones op Figuur 86). Slechts voor HHZ 76, het Landeniaan, bevindt zich de gemiddelde nitraatconcentratie reeds op een hoger niveau, zodat de vastgestelde stagnatie hier de vooruitgang kan belemmeren. Ca. 5% van het landbouwgebied ligt in deze 3 zones. 4. Lichte toename (tussen 1 en 3 mg NO3-/l) in 2 van de 38 HHZ’s (rooskleurige zones in Figuur 86), overeenkomend met 5,6% van het landbouwareaal. Het gaat hier over de zones 40 en 82nit. In het oog springt de situatie met betrekking tot de HHZ 40, het Complex van de Kempen. Voor deze relatief grote zone was eerder een duidelijke toename voorspeld, maar deze is nu iets afgezwakt. De achterliggende redenen zijn niet meteen duidelijk, ook al gaat het hier om geassocieerde watervoerende lagen met een vrij goede hydraulische doorIatendheid en - bij voldoende hydraulische gradiënt - relatief snelle transporttijden, zodat effecten van maatregelen, zoals in de Vlaamse Vallei, in principe sneller doorwerken.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 118 van 240


5. Duidelijke toename van meer dan 3 mg NO3-/l voor 16 HHZ’s (HHZ’s 00, 23, 23-nit, 34, 62kas, 62kat, 63, 63h, 64bol, 71h-nit, 72, 72-nit, 73h, 74, 76-nit en 78) (rode zones in Figuur 86). Meest opvallend is de zone van de Hoogterrasafzettingen (HHZ 23) in Limburg met regelmatig hoge nitraatconcentratieniveaus. Specifieke aandacht lijkt noodzakelijk, zodat de nitraatconcentraties hier in de toekomst de goede richting uitgaan. De Hoogterrasafzettingen is een zone van veelal ondiepe grondwaterstanden en goede doorlaatbaarheden van de sedimenten, zodat hier effecten op korte termijn zichtbaar moeten worden. De reden voor de hogere nitraatinput is niet geheel duidelijk. Naast het meststoffengebruik kunnen ook de eerder vermelde klimatologische omstandigheden een rol spelen. Niettemin evolueert de waterkwaliteit niet in de gewenste richting. Voor zones 00, 22-nit, 62kas, 62kat, 63 en 74 zijn de gemiddelde nitraatconcentraties eerder laag, zodat een toename niet meteen tot een overschrijding van de nitraatnorm leidt, toch is een verdere aanvulling niet wenselijk. De 16 zones met ongunstige evolutie bestrijken momenteel ca. 34% van het Vlaamse landbouwgebied. Detailanalyse heeft echter duidelijk gemaakt dat zowel verbeteringen als verslechteringen zich niet evenredig over de HHZ’s verspreiden, zodat met lokale variaties rekening moet worden gehouden. Dit is te wijten aan verschillende factoren, zoals de natuurlijke randvoorwaarden (bijvoorbeeld bodemtype, hydrodynamiek, hydrogeochemie) maar ook en vooral de beschikbaarheid van nitraatbronnen (input). Naast de trendevolutie van de voorbije vier jaar is in Figuur 86 ook de gemiddelde nitraatconcentratie in 2018 van de verschillende HHZ’s weergegeven, onderverdeeld in drie klassen: − zones waarvan de gemiddelde nitraatconcentratie van filterniveau 1 in 2018 hoger dan de nitraatkwaliteitsnorm van 50 mg NO3-/l was (horizontaal gearceerd); − zones waarvan de gemiddelde nitraatconcentratie van filterniveau 1 in 2018 zich tussen 40 en 50 mg NO3-/l bevond, dus hoger dan het gewogen gemiddelde voor Vlaanderen (schuin gearceerd); − zones waarvan de gemiddelde nitraatconcentratie van filterniveau 1 in 2018 lager dan 40 mg NO3-/l was (geen arcering). Specifieke aandacht moet dan ook gaan naar de HHZ’s in Figuur 86, die horizontaal gearceerd zijn en ook in 2018 algemeen hogere concentratieniveaus tonen. Ook voor de zones die zich reeds op een concentratieniveau tussen 40 en 50 mg NO3-/l bevinden, mag in de toekomst geen verslechtering worden vastgesteld om aan de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn te kunnen voldoen.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 119 van 240


Figuur 86 Evolutie van de nitraatconcentratie op filterniveau 1 van het freatische grondwatermeetnet per HHZ in de periode 2015-2018

Lokale verschillen in toestand en evolutie van de nitraatconcentratie in het grondwater In MAP 4 en MAP 5 waren er lokale doelstellingen om ook in putten met heel hoge nitraatconcentraties (meer dan 100 mg NO3-/l op filterniveau 1) een verbetering te realiseren. Zo moesten de concentraties van putten met meer dan 100 mg NO3-/l in 2014 verminderen met minimum 10% tegen 2018. Verder mocht het nergens tot een verslechtering van de nitraatconcentraties komen tot boven de drempel van 100 mg NO3-/l.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 120 van 240


Afname nitraatconcentratie <10%; 1,42% Afname nitraatconcentratie >10%; 7,31%

Toename nitraatconcentratie; 7,88%

Concentratie onder 100 mg NO3-/l in 2014 en 2018; 83,39%

Figuur 87 Evolutie van de nitraatconcentratie tegen 2018 op filterniveau 1 van de grondwatermeetpunten in verhouding tot 100 mg NO3-/l

Figuur 87 stelt de evolutie voor van de nitraatconcentratie op filterniveau 1 van de grondwatermeetputten, waarbij de gemiddelde concentratie van 2014 met deze van 2018 wordt vergeleken. Er wordt onderzocht of de putten die in 2014 meer dan 100 mg NO3-/l hadden ondertussen een belangrijke nitraatconcentratievermindering vertonen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van 1.764 geselecteerde meetlocaties, die zowel in 2014 als in 2018 werden bemeten. Figuur 87 toont dat in 90,7% van de putfilters de nitraatconcentraties na 4 jaar tijd duidelijk zijn afgenomen of dat deze beneden 100 mg NO3-/l blijven. Voor 7,9% van de putfilters zijn de nitraatconcentraties (tot) boven 100 mg NO3-/l verder gestegen. Tenslotte is het bij 1,4% van de putfilters tot een ontoereikende daling van de nitraatconcentraties gekomen. Er is geen eenduidig regionaal verspreidingspatroon vast te stellen van putten boven 100 mg NO3-/l in 2014 die in 2018 al dan niet aan het lokaal criterium voldoen (Figuur 88). In Figuur 88 zijn ook putten weergegeven waar de concentratie in de bovenste filter in 2014 lager was dan 100 mg NO3-/l maar in 2018 boven deze drempel uitkomen. Er bestaat soms een clustervorming, maar met uiteenlopende effecten. Een voorbeeld hiervoor is de sterker nitraat-gecontamineerde zone van de Hoogterrasafzettingen (HHZ23) in het noordoosten van Vlaanderen. Putten die sterk tot licht verbeteren, bevinden zich naast putten waar de nitraatconcentratie verder toeneemt. Het komt tot een zekere effectbuffering in deze zone. Desondanks wordt er een duidelijke recente toename vastgesteld (zie voorgaand onderdeel). De reden voor de uiteenlopende effecten is waarschijnlijk aan variabele nitraatinput (bemesting) en transporttijden te wijten.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 121 van 240


Figuur 88 Nitraatevolutie van filters 1 boven 100 mg NO3-/l volgens vergelijking data 2014 en 2018

Ook in West- en Oost-Vlaanderen zijn er veel locaties die een verschillende evolutie m.b.t. de nitraatgehaltes in het grondwater tonen. Meer stijgingen van nitraatconcentraties worden voor het heuvelachtig gebied van de Vlaamse Ardennen verwacht. Dit effect wordt ook voor sommige putten in het Hageland vastgesteld, wat hier mogelijk met lange termijneffecten omwille van trage responstijden te maken heeft en daardoor het verleden mestbeleid reflecteert. Evaluatie grondwater per afstroomzone Zoals aangegeven in 2.2.1.1 wordt er in MAP 6 voor gekozen om niet meer met de grootschaligere HHZâ&#x20AC;&#x2122;s als evaluatie-eenheden te werken bij de gebiedstype-indeling, maar om de fijnmazigere afstroomzones oppervlaktewater te gebruiken, om zo versterkt met lokale effecten rekening te kunnen houden. De verdeling van de afstroomzones volgens de gemiddelde nitraatconcentratie per afstroomzone in de meest recente periode 2017-2018, over 4 klassen, is weergegeven in Tabel 25. Hierbij is de vergelijking gemaakt met de verdeling over de 4 nitraatconcentratieklassen o.b.v. de referentieperiode voor grondwater voor de gebiedstype-indeling MAP 6 (2015, 2016 en 2017). Uit Tabel 25 blijkt dat op basis van de meest recente meetresultaten, het aantal afstroomzones en de overeenkomende landbouwoppervlakte met een gemiddelde

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 122 van 240


concentratie van meer dan 60 mg nitraat/l toeneemt. Daartegenover wordt een duidelijke afname vastgesteld van de klasse ≤40 mg nitraat/l en van de klasse tussen 50 en 60 mg nitraat/l. Tabel 25 Aantal afstroomzones en oppervlakte landbouwgrond (o.b.v. perceelsregistratie 2008) per klasse van gemiddelde nitraatconcentratie in de periode 2017-2018, in vergelijking met de referentieperiode voor grondwater voor de gebiedstype-indeling MAP 6 (2015, 2016 en 2017)

Gemiddelde nitraatconcentratie Geen beoordeling ≤40mg/l >40mg/l en ≤50mg/l >50mg/l en ≤60mg/l >60mg/l Totaal

Toestandsbeoordeling i.k.v. referentieperiode MAP 6 (2015, 2016 en 2017) Oppervlakte Aantal ASZ's landbouw (ha) 81 12.464 106 404.053 23 88.815 15 59.205 41 113.268 266 677.805

Toestandsbeoordeling i.k.v. periode 2017-2018 Aantal ASZ's 82 106 22 12 44 266

Oppervlakte landbouw (ha) 13.690 398.028 88.071 50.992 127.025 677.805

In Figuur 89 is de recente toestand van de grondwaterkwaliteit per afstroomzone gevisualiseerd. Hierbij is de gemiddelde nitraatconcentratie in het grondwater per ASZ op basis van de laatste twee meetjaren (20172018) weergegeven. Om met korte termijn effecten rekening te houden, wordt eveneens de meest recente vierjaarlijkse trend (2015-2018) getoond. Hierbij zijn enkel putfilters waar minstens 5 van de 8 mogelijk monsternames zijn uitgevoerd, in rekening gebracht (1.546 bovenste filters in totaal, dezelfde dataset als gebruikt bij de regionale analyse van de HHZ’s). Omwille van afwezigheid van putten of tijdelijke droogstand, kunnen niet alle ASZ’s met landbouwgebied worden geëvalueerd. Het gaat hier echter over een beperkte oppervlakte landbouwgebied (13.690 ha of 2,0% t.o.v. het totaal) Uit de beoordeling blijkt dat veel zones die bij eerdere HHZ-evaluatie overschrijdingen van de nitraatnorm hebben getoond ook hier gekenmerkt zijn door hogere gemiddelde nitraatconcentraties. Door de fijnmazigere indeling komen bijkomend een aantal zones met hogere concentraties naar voren, vooral dan in Oost- en West-Vlaanderen. Er loopt een brede strook dwars door Vlaanderen (van West-Vlaanderen via OostVlaanderen en Vlaams-Brabant naar het noordelijk gedeelte van Limburg) met deze in verhouding hogere concentraties. Het noordelijk gedeelte van heel Vlaanderen, met uitzondering van Limburg, toont dan weer in verhouding minder kwaliteitsproblemen, wat ook overeenkomt met eerdere MAP-beoordelingen. De trends zijn nogal uiteenlopend, helaas tonen veel zones met hoge gemiddelde concentraties een verdere stijging van het nitraatgehalte met meer dan 3 mg NO3-/l over 4 jaar tijd (Figuur 89).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 123 van 240


Figuur 89 Toestand en trend van nitraat in het grondwater per ASZ op basis van de data van de putfilters 1 van het freatisch grondwatermeetnet voor de periode 2015-2018

2.2.1.3.3 Evaluatie van fosfaat in het freatische grondwatermeetnet Het hoofdprobleem van fosfaat in het grondwater focust zich vooral op de mogelijke impact van deze parameter op de grondwaterafhankelijke terrestrische en aquatische ecosystemen. Er bestaat immers een kans op eutrofiĂŤring. Om dergelijke effecten te voorkomen, is een grondwaterkwaliteitsnorm vastgelegd van 1,34 mg orthofosfaat per liter (o-PO4/l). Hoge fosfaatgehalten in het grondwater zijn in hoofdzaak te wijten aan natuurlijke processen. Zo worden maximale natuurlijke concentraties tot boven de grondwaterkwaliteitsnorm gemeten in het verzilte grondwater van de watervoerende lagen van de kuststreek (Polders - HHZ 00). Ook aanpalende stukken van de noordwestelijke Vlaamse Vallei (HHZ 21) en de quartaire afzettingen in de IJzervlakte (HHZ 32) tonen soms licht verhoogde fosfaatconcentraties. De hier aanwezige lagen zijn rijk aan organisch materiaal. Buiten de kustgebieden kunnen iets hogere fosfaatconcentraties vooral in de zone van het Diestiaan (HHZ 63 met inbegrip van delen van HHZ 63h) worden verwacht. Ook hier is de oorzaak eerder aan natuurlijke processen te wijten door de aanwezigheid van fosfaatnodules in de sedimenten. Deze nodules bestaan in de eerste plaats uit het fosfaathoudende mineraal vivianiet, dat onder sterker gereduceerde condities gedeeltelijk in oplossing gaat. Bijgevolg kan het vrijgekomen fosfaat in ondiep sterker gereduceerd grondwater gemakkelijker

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 124 van 240


transportprocessen ondergaan. Omwille van de hogere achtergrondniveaus in het grondwater voor fosfaat zijn voor sommige grondwaterlichamen dan ook de milieukwaliteitsnormen gelijkgesteld aan het achtergrondniveau om zo geen slechte toestand van het grondwater te moeten constateren, terwijl dit aan natuurlijke processen te wijten is. Dit is bijvoorbeeld voor de grondwaterlichamen van het Kust- en Poldersysteem het geval. In het algemeen is er aan het verspreidingspatroon van orthofosfaat in het grondwater, omwille van de vrij trage processen in vergelijking met nitraat, niets gewijzigd. Hoge concentraties in de Polders worden ook in 2018 opnieuw bevestigd, de natuurlijke aanwezigheid in de zone van het Diestiaan komt minder tot uiting, wat vermoedelijk met de gekozen concentratieklassen/concentratieniveaus en de meetdiepte te maken heeft. Opvallend is ook dat in Oost- en West-Vlaanderen gemiddeld hogere fosfaatconcentraties in het grondwater te vinden zijn dan in de rest van Vlaanderen. Naast het voorkomen van sterkere organische afzettingen in de jonge sedimenten (bijv. veenlagen) heeft dit waarschijnlijk te maken met relatief ondiepe grondwatertafels en ondiepe reductieniveaus, zodat fosfaat hier sneller gemobiliseerd geraakt. De situatie met betrekking tot ondiepe grondwaterstanden bestaat ook voor de Noorderkempen, maar hier komt het blijkbaar niet tot een aanrijking van fosfaat in het grondwater door de massale aanwezigheid van fosfaatbindende ijzer- en aluminiumhydroxiden. Rechtstreekse baseflow met concentraties boven 0,3 mg o-PO4/l kan tot eutrofiĂŤringsverschijnsel in het oppervlaktewater leiden, onder voorwaarde dat het niet tot een verdere precipitatie van fosfaat in het oxisch milieu komt (bijv. neerslag als ijzerfosfaat). Naast het natuurlijke voorkomen is fosfaat natuurlijk ook van de landbouw afkomstig en men moet ervan uitgaan dat hierdoor een bijkomende bijdrage voor eutrofiĂŤring kan worden geleverd. Helaas laat de huidige kennis van de Vlaamse watervoerende lagen niet toe te bepalen hoe groot deze bijdrage precies is en, omwille van het trage transport (o.a. sorptieprocessen), aan welke bemestingspraktijken uit het verleden dit te wijten is. Een duidelijk verband tussen het voorkomen van fosfaat in het grondwater en fosfaat in fosfaatverzadigde bodems laat zich dan ook niet vaststellen. 2.2.1.3.4 Conclusies grondwater Ondanks de inspanningen van het mestbeleid werden de grondwaterkwaliteitsdoelstellingen van MAP 5 niet gerealiseerd. Zo werd de globale doelstelling van een gewogen gemiddelde nitraatconcentratie van minder dan 32 mg NO3-/l eind 2018 niet gehaald. Na een langere periode met een dalende nitraattrend, wordt er tijdens de termijn van MAP 5 een stagnatie tot lichte toename van de gewogen gemiddelde nitraatconcentraties ten opzichte van MAP 4 vastgesteld. Hierbij is niet duidelijk wat de precieze oorzaak is van deze trendbreuk. Het valt wel op dat de evolutie van de nitraatconcentraties in het grondwater, ondanks de tragere reactietijden, bijna parallel verloopt met de evolutie van de nitraatconcentraties in het oppervlaktewater en de nitraatresiduwaarden in de bodem. Mogelijk waren de maatregelen van MAP 5 onvoldoende om de nodige verbetering te realiseren. Daarnaast is er de laatste jaren mogelijks ook een effect van de uitzonderlijk droge weersomstandigheden. Echter, de meest recente meetcampagnes van 2018 tonen aan dat het gewijzigde aantal bemonsterde putten, omwille van de tijdelijke droogte tijdens de najaarsmeetcampagne, nauwelijks impact heeft op de verschillen in de gemiddelde nitraatconcentraties. De gemiddelde nitraatconcentratie in het najaar 2018 is vergelijkbaar met deze van het voorjaar. De impact van de weersomstandigheden op de meetresultaten is dus complex en niet eenduidig. Hoe dan ook, het mestbeleid is niet voldoende klimaatrobuust om hier op in te spelen.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 125 van 240


Op regionaal vlak zijn er uiteenlopende evoluties vast te stellen. Hydrogeologisch homogene zones met een positieve nitraattrend in het grondwater komen voor naast zones met een negatieve trend. Naast de input van nitraat vanuit de landbouw is het verspreidingspatroon gerelateerd aan de natuurlijke randvoorwaarden. Eerder vastgestelde kernzones met grondwaterkwaliteitsproblemen (gemiddelde nitraatconcentratie > 50 mg NO3-/l), worden opnieuw bevestigd. Een specifieke gebiedsgerichte aanpak van deze zones, waar ook met de natuurlijke randvoorwaarden versterkt rekening wordt gehouden, is noodzakelijk. In MAP 6 wordt ook voor grondwater overgestapt naar de afstroomzones van de Vlaamse waterlichamen als evaluatie-eenheid bij de gebiedstype-indeling, om beter rekening te houden met lokale effecten. Op basis van de recentste resultaten van de grondwaterkwaliteit, blijkt dat het aantal afstroomzones met een hoge gemiddelde nitraatconcentratie van meer dan 60 mg NO3-/l en een stijgende trend merkelijk is toegenomen t.o.v. de referentieperiode voor MAP 6. Ten slotte is er geen eenduidige trend vast te stellen bij de bovenste putfilters met heel hoge nitraatconcentraties van meer dan 100 mg NO3-/l. Er bestaat ook een diffuus verspreidingspatroon van deze putten. Over het algemeen zijn de maximale nitraatconcentraties in het grondwater over de jaren heen gedaald. Toch blijft de situatie op iets meer dan 9% van de putlocaties problematisch en worden nog altijd toenames van de nitraatconcentratie tot boven 100 mg NO3-/l vastgesteld. Lokale effecten liggen hierbij aan de basis. 2.2.1.4 Relatie tussen bemesting en grondwater en impact op oppervlaktewater In maart 2019 organiseerde de VLM en de VMM een studievoormiddag over de relatie tussen bemesting en grondwater. Hieruit bleek dat het voorkomen van nitraat in grondwater afhangt van drie belangrijke factoren: (1) de aanvoer van nitraat naar de grondwatertafel, (2) de verspreiding van nitraat door transport met het grondwater, en (3) chemische reacties waarbij nitraat wordt gereduceerd. Aanvoer van nitraat naar de grondwatertafel Nitraten in de bodem van landbouwgebied, vooral afkomstig van bemesting, infiltreren met het neerslagwater naar het ondiepe grondwater (Figuur 90). Dit gebeurt vooral in de winterperiode, wanneer akkers veelal braak liggen en de gewassen reeds geoogst zijn.

Figuur 90 Nitraatuitspoeling naar het grondwater (N staat voor nitraat)

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 126 van 240


Reductie van nitraat in de diepere grondwaterlagen In de oxidatiezone van het grondwater (lichtblauwe laag in Figuur 91) is er nog voldoende zuurstof aanwezig, dat ervoor zorgt dat nitraat niet wordt afgebroken. Pas in de onderliggende reductiezone (donkerblauwe laag in Figuur 91) wordt nitraat op een natuurlijke manier bijna volledig verwijderd en omgezet naar lachgas en stikstofgas. Dit gebeurt bijna uitsluitend door microbiologisch gekatalyseerde nitraatreductie. Microorganismen gebruiken nitraat als zuurstofbron en hebben hierbij organisch materiaal of ijzerhoudende mineralen (vooral sulfiden zoals pyriet) als voedingsstoffen nodig, die meestal in het sediment aanwezig zijn (Figuur 91). Het nitraatprobleem concentreert zich dus in het ondiepe gedeelte van de eerste watervoerende laag, de waterverzadigde oxidatiezone. Helaas kan de dikte van dit gedeelte sterk variĂŤren van minder dan 1 m tot ca. 40 m. In het kader van de kwetsbaarheidsbeoordeling op basis van de hydrogeologisch homogene zones werd getracht hiermee rekening te houden. De bovenste putfilters van het freatisch grondwatermeetnet bevinden zich allemaal in de oxidatiezone, indien deze voldoende aanwezig is.

Figuur 91 Nitraatafbraak in de reductiezone met behulp van micro-organismen

Transport van nitraat naar oppervlaktewater Uiteindelijk wordt het nitraat uit de oxidatiezone met de grondwaterstroming naar het oppervlaktewater getransporteerd (Figuur 92) en kan hier voor ongewenste effecten zorgen, zodat de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water en de Nitraatrichtlijn ook voor het oppervlaktewater mogelijk niet worden gehaald. Bovendien is sterk nitraat-gecontamineerd grondwater niet geschikt voor menselijke of zelfs dierlijke consumptie en worden de natuurlijke voorraden aangetast.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 127 van 240


Figuur 92 Nitraattransport in het grondwater naar het oppervlaktewater

De relatie tussen bemesting en grondwater is complex. De verspreiding van nitraat door transport met het grondwater en microbiologisch-gekatalyseerde chemische reacties waarbij nitraat wordt gereduceerd, worden immers beïnvloed door de hydrogeologische kenmerken van de ondergrond. Deze factoren zorgen ervoor dat er niet altijd een 1 op 1 relatie is tussen bemesting en grondwater. Dit laatste blijkt eveneens uit het onderzoek “Statische analyse waterkwaliteit” waar, o.b.v. een statistische analyse van de beschikbare data, oorzaken werden onderzocht van de goede en slechte waterkwaliteit in bepaalde gebieden. De statistische modellen die opgesteld werden in kader van dit onderzoek konden de concentraties in grondwater minder goed voorspellen dan in oppervlaktewater. Het is echter duidelijk dat de aanvoer van nitraat, voornamelijk wordt beïnvloed door de uitspoeling van meststoffen vanuit de wortelzone van landbouwgrond. Bovendien is het zo dat de nitraten die gemeten worden in de bovenste filter van het grondwatermeetnet van dichtbij komen. De presentaties van de studiedag zijn terug te vinden op https://www.vlm.be/nl/nieuws/Pages/Studievoormiddag-over-de-relatie-tussen-bemesting-en-nitraat-ingrondwater.aspx

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 128 van 240


2.2.2 Bodem 2.2.2.1

Gewogen gemiddelde nitraatresidu stijgt

2.2.2.1.1 De nitraatresidumeting Gewassen nemen stikstof op in de vorm van nitraat om te groeien. De nitraten die niet opgenomen worden door de gewassen, blijven op het einde van het groeiseizoen achter in de bodem als residu, vandaar de term ‘nitraatresidu’. Om uitspoeling naar het grond- en oppervlaktewater zoveel mogelijk te vermijden, moet het nitraatresidu zo laag mogelijk zijn. Om te kunnen inschatten of er te veel nitraat in de bodem is achtergebleven, wordt daarom bij bepaalde bedrijven op één of meerdere percelen het nitraatresidu gemeten in de periode van 1 oktober tot 15 november. Meer informatie over de gevolgen van de nitraatresidumetingen in opdracht van de Mestbank is te vinden in 4.1.4. Ook binnen MAP 6 blijft het nitraatresidu een belangrijk instrument. Naast de nitraatresidumetingen in opdracht van de Mestbank, worden ook nitraatresidubepalingen uitgevoerd in het kader van de beheerovereenkomst waterkwaliteit (BO waterkwaliteit). Landbouwers die dergelijke overeenkomst gesloten hebben met de VLM, krijgen gedurende 5 jaar een jaarlijkse vergoeding op voorwaarde dat de landbouwers een hoog aandeel gewassen met een laag risicoprofiel telen (zie 4.3 voor meer informatie). De BO waterkwaliteit is de opvolger van de vroegere beheerovereenkomst water (BO water). De laatste beheercontracten onder BO water liepen ten einde in 2017. Eén van de voorwaarden binnen de BO waterkwaliteit is dat alle percelen van het bedrijf jaarlijks bemonsterd worden voor een nitraatresidubepaling. 2.2.2.1.2 Nitraatresidumetingen 2018 Het gemiddelde nitraatresidu van alle bemonsterde percelen bij de staalnamecampagne van de Mestbank in 2018 bedroeg 90 kg NO3--N/ha. Bij de staalnamecampagne voor de BO waterkwaliteit in 2018 bedroeg het gemiddelde nitraatresidu 52 kg NO3--N/ha. Bij zowel de staalnamecampagne van de Mestbank als voor de BO waterkwaliteit, werden verschillen in nitraatresidu’s vastgesteld tussen de verschillende gewassen, door onder meer verschillen in bemesting en gewasspecifieke eigenschappen. In Figuur 93 is voor elke teeltgroep het cumulatief percentage percelen dat voldoet aan een bepaald nitraatresidu voorgesteld, bij de staalnamecampagne van de Mestbank in 2018. De indeling in teeltgroepen gebeurt op basis van de hoofdteelt, tenzij de nateelt een groente, aardbeien of sierteelt en boomkweek is. De laagste nitraatresidu’s worden opgetekend bij bieten en grasland, gevolgd door fruit en graangewassen. De hoogste nitraatresidu’s komen voor bij aardappelen, groenten, sierteelt en boomkweek, en maïs.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 129 van 240


100%

Cumulatief percentage percelen per nitraatresidu

90% 80%

70% 60%

Grasland

50%

Bieten Fruit

40%

Graangewassen

30%

MaĂŻs

20%

Groenten Sierteelt en boomkweek

10%

Aardappelen

0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100 110 120 130 140 150 160 170 180 190 200 210 220 230 240 250 260 270 280 290 300 >300

0%

Nitraatresidu (kg NO3--N/ha)

Figuur 93 Cumulatief percentage percelen dat voldoet aan een bepaald nitraatresidu per gewas, bij de staalnamecampagne van de Mestbank in 2018

Voor de meeste teeltgroepen (gras, fruit, graangewassen, maĂŻs en aardappelen) worden hogere nitraatresiduâ&#x20AC;&#x2122;s vastgesteld in 2018 dan in 2017. Dit is gevisualiseerd in Figuur 94. Bij bieten, groenten en sierteelt zijn de resultaten in 2018 vergelijkbaar met deze in 2017.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 130 van 240


100%

90%

80%

70%

60%

50%

40%

30%

20%

10%

0%

Aardappelen_2018

Fruit_2018

Graangewassen_2018

Grasland_2018

Maïs_2018

Aardappelen_2017

Fruit_2017

Graangewassen_2017

Grasland_2017

Maïs_2017

Figuur 94 Cumulatief percentage percelen dat voldoet aan een bepaald nitraatresidu per gewas, bij de staalnamecampagne van de Mestbank in 2017 en 2018

Bij de staalnamecampagne voor de BO waterkwaliteit in 2018 werden lage nitraatresidu’s opgetekend voor de verschillende teeltgroepen (Figuur 95).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 131 van 240


100%

Cumulatief percentage percelen per nitraatresidu

90% 80%

70% 60% 50% 40%

30%

Grasland Bieten

20%

Graangewassen

10%

MaĂŻs 0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100 110 120 130 140 150 160 170 180 190 200 210 220 230 240 250 260 270 280 290 300 >300

0%

Nitraatresidu (kg NO3--N/ha)

Figuur 95 Cumulatief percentage percelen dat voldoet aan een bepaald nitraatresidu per gewas, bij de nitraatresidumetingen voor de BO waterkwaliteit in 2018

2.2.2.1.3 Evolutie van het nitraatresidu Naast de evolutie van het gemiddelde nitraatresidu, de mediaan, de 10de en 90ste percentielwaarde in Figuur 96, is eveneens de evolutie van het gewogen gemiddelde nitraatresidu weergegeven, waarbij wordt gewogen naar de arealen van de gewassen in Vlaanderen. Omdat het nitraatresidu onder meer beĂŻnvloed wordt door de teeltgroep, is een weging naar de arealen van de gewassen in Vlaanderen een interessante oefening. Vooral bij de vroegere staalnamecampagnes was er een groter verschil tussen de verdeling van de teeltgroepen bij de geselecteerde percelen en de verdeling op Vlaams niveau. Sinds 2011 worden slechts beperkte verschillen vastgesteld tussen het gemiddelde nitraatresidu en het gewogen gemiddelde nitraatresidu, wat bevestigt dat de verdeling van de teeltgroepen in de staalnamecampagnes van de Mestbank een goede weergave is van de verdeling van de teeltgroepen op Vlaams niveau. Uit Figuur 96 blijkt een stagnatie van het nitraatresidu in de periode 2013-2016, gevolgd door een duidelijke toename in 2017 en 2018.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 132 van 240


200 180 160

kg NO3--N/ha

140 10de percentiel

120

90ste percentiel

100

Gemiddelde

80

Mediaan

60

Gewogen gemiddelde

40 20 0 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018

Figuur 96 Evolutie van het gemiddelde nitraatresidu en het gewogen gemiddelde nitraatresidu, samen met de mediaan, de 10de en 90ste percentielwaarde(in kg NO3--N/ha), bij de staalnamecampagne van de Mestbank tijdens de periode 2007-2018

De nitraatresiduresultaten worden beïnvloed door de weersomstandigheden. Net zoals de hogere nitraatresidu’s in 2009, 2011 en 2017 deels verklaard werden door atypische weersomstandigheden11, werd ook 2018 gekarakteriseerd door uitzonderlijke weersomstandigheden. De zomer van 2018 was uitzonderlijk warm en droog, wat op een aantal percelen geleid heeft tot teeltschade of oogstmislukking. Landbouwers kregen tot eind september de tijd om deze percelen te melden aan de Mestbank zodat vervangpercelen konden aangeduid worden. Maar het is zeer waarschijnlijk dat de nitraatresidu’s van 2018 beïnvloed werden door de droogteschade in de zomer. In Figuur 97 is een vergelijking weergegeven tussen de evolutie van het nitraatresidu van percelen die bemonsterd werden bij de staalnamecampagne van de Mestbank en van percelen met een BO water of BO waterkwaliteit. Hieruit blijkt duidelijk dat de nitraatresidu’s bij de staalnamecampagne van de Mestbank systematisch hoger zijn dan bij de percelen met een BO water of BO waterkwaliteit. De verminderde bemesting binnen de vroegere BO water en de teelt van gewassen met een laag risicoprofiel binnen de BO waterkwaliteit, vertaalt zich duidelijk in lagere nitraatresidu’s in het najaar met minder uitspoeling van stikstof naar het grond- en oppervlaktewater tijdens de winterperiode als gevolg. Ook bij de BO water en BO

11

2009 was gekarakteriseerd door een uitzonderlijk droger zomer, wat voor bepaalde gewassen die nog zouden groeien in de periode augustus-september (zoals gras) heeft geleid tot hogere nitraatresidu’s. De abnormale weersomstandigheden tijdens het groeiseizoen van 2011 (uitzonderlijk droge lente, gevolgd door een natte zomer en een warme herfst) droegen bij tot hogere nitraatresidu’s in 2011. Deze zeer abnormale droge en warme omstandigheden van de lente van 2017 hebben op een aantal percelen geleid tot teeltschade of oogstmislukking. Landbouwers kregen tot eind september de tijd om deze percelen te melden aan de Mestbank zodat vervangpercelen konden aangeduid worden. Maar het is zeer waarschijnlijk dat de nitraatresidu’s van 2017 beïnvloed werden door de droogteschade in het voorjaar.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 133 van 240


waterkwaliteit is het effect van de weersomstandigheden zichtbaar, maar de gemiddelde nitraatresidu’s en de mediaan blijven aanzienlijk lager dan bij de staalnamecampagne van de Mestbank. 100 90 80

kg NO3--N/ha

70 Gemiddelde Mestbank

60

Mediaan Mestbank

50

Gemiddelde BO water

40

Gemiddelde BO waterkwaliteit

30

Mediaan BO water Mediaan BO waterkwaliteit

20 10 0 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018

Figuur 97 Evolutie van het gemiddelde nitraatresidu en de mediaan, bij de staalnamecampagne van de Mestbank en bij de staalnamecampagne in kader van de BO water en BO waterkwaliteit, tijdens de periode 2007-2018

De aanpak van de staalnamecampagnes sinds 2011, waarbij controle-, derogatie- en opvolgstalen genomen worden, heeft een invloed op het globale gewogen gemiddelde nitraatresidu. Het opvolgingssysteem van MAP 5, met bedrijfsevaluaties van het nitraatresidu, heeft er toe geleid dat het aandeel opvolgpercelen aanzienlijk is toegenomen sinds 2015 (Figuur 98)12. Het gewogen gemiddelde nitraatresidu van de opvolgpercelen is hoger dan van de controlepercelen, en weegt de laatste drie jaren ook zwaarder door in het globale gewogen gemiddelde. De uitgesproken toename van het gewogen gemiddelde nitraatresidu van de controlepercelen wijst op het effect van de atypische weersomstandigheden in 2018. Tot de percelen die geselecteerd worden omwille van een derogatiestaal, behoren enkel de teeltgroepen gras, maïs, wintertarwe & triticale, en bieten. Aangezien de teeltgroepen waar doorgaans hogere nitraatresidu’s voorkomen, zoals aardappelen, groenten en sierteelt, niet voorkomen in deze selectie, is het gewogen gemiddelde nitraatresidu van de percelen geselecteerd omwille van een derogatiestaal dan ook lager dan van de controle- en opvolgpercelen (Figuur 98).

12

In 2012 was het aandeel opvolgpercelen uitzonderlijk hoger, door de hogere nitraatresidu’s in 2011 ten gevolge van de abnormale weersomstandigheden.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 134 van 240


Aandeel per staalnametype (%)

Gewogen gemiddelde nitraatresidu (kg NO3--N/ha)

100 80 60 40 20 0 2010

2012

2014

2016

Alle stalen Controlestalen Opvolgstalen

2018

2020

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

17% 18%

11%

41%

66% 49%

18%

17%

25%

23%

56%

12%

14%

14%

11%

54%

47%

50%

56%

34%

39%

35%

33%

60%

2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 Controlestalen

Opvolgstalen

Derogatiestalen

Figuur 98 Evolutie van het gewogen gemiddelde nitraatresidu i.f.v. staalnametype, samen met het aandeel per staalnametype in de staalnamecampagnes sinds 2011

2.2.2.2 Fosfaatklassen voor versterkte aanpak van fosfaatproblematiek In 2015 werden de fosfaatbemestingsnormen bijgestuurd, zodat deze niet alleen rekening houden met de gewasexport maar ook met de fosfaatbeschikbaarheid in de bodem. Hiertoe werden 4 bodemklassen ingevoerd, met verschillende, teeltspecifieke, fosfaatbemestingsnormen. De bemestingsnormen voor bodems in de streefzone (Klasse II) liggen op het niveau van de gewasexport. De P-beschikbaarheid in bodems met een lage P-beschikbaarheid (Klasse I) ligt onder de streefzone, wat wordt gecompenseerd met bemestingsnormen boven de gewasexport. De P-beschikbaarheid in bodems met een matige en hoge P-beschikbaarheid (Klasse III en IV) ligt boven de streefzone, met een groter risico op P-verliezen, wat wordt aangepast met bemestingsnormen die meer en meer gericht zijn op een netto P-uitmijning van de bodem. Daarnaast blijft voor percelen die reeds als fosfaatverzadigd werden aangeduid de P-bemestingsnorm van 40 kg P2O5/ha behouden. Voor percelen met een laag fosfaatbindend vermogen gelden de bemestingsnormen van klasse IV. Voor de jaren 2015-2016 werd een referentietoestand ingevoerd waarin alle percelen als Klasse III werden beschouwd, bij wijze van vertrekpunt voor MAP 5. De landbouwers konden door middel van een bodemanalyse aantonen dat de P-beschikbaarheid van hun percelen tot een andere klasse behoort. Vanaf 2017 worden alle percelen waarvoor geen P-analyse beschikbaar is als Klasse IV beschouwd. In 2018 hadden 14.960 landbouwers een andere P-bemestingsnorm voor ĂŠĂŠn of meerdere percelen omdat ze d.m.v. een bodemanalyse hebben aangetoond dat hun percelen in een andere P-klasse thuis horen. Een overzicht van het areaal landbouwgrond in 2018 per fosfaatklasse en de bijhorende afzetruimte is weergegeven in Tabel 26.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 135 van 240


Tabel 26 Areaal landbouwgrond en bijhorende afzetruimte voor dierlijke mest in 2018, o.b.v. de ontvangen bodemanalyses

Maximale afzetruimte dierlijke mest (kg P2O5) 107.337 11.280 4.700.860 4.839.699 17.622.745 555.108 19.077.288 46.914.317

Areaal (ha) Fosfaatverzadigd Laag P-bindend vermogen P-klasse I P-klasse II P-klasse III P-klasse IV met bodemanalyse zonder bodemanalyse Totaal

2.752 189 43.711 58.381 236.149 9.341 321.953 672.475

In 2015 gold voor alle percelen de referentieklasse III (uitgezonderd voor de fosfaatverzadigde percelen). Sindsdien is de verdeling over de verschillende P-klassen aanzienlijk gewijzigd onder invloed van de ontvangen P-analyses en de invoer van klasse IV als referentietoestand vanaf 2017. Dit is gevisualiseerd in Figuur 99.

Areaal landbouwgrond (ha)

800.000 700.000 600.000 500.000 400.000 300.000 200.000

100.000 0 2016 Fosfaatverzadigd

2017 P-klasse I

P-klasse II

2018 P-klasse III

P-klasse IV

Figuur 99 Evolutie van de verdeling van het areaal landbouwgrond over de verschillende P-klassen in de periode 2016-2018 (percelen met een laag fosfaatbindend vermogen zijn meegerekend bij P-klasse IV omdat voor deze percelen de bemestingsnormen van klasse IV van toepassing zijn)

Omdat de percelen van klasse I en II niet bijdragen tot de diffuse verontreiniging van het oppervlakte- en grondwater door uitspoeling van fosfor, worden voor percelen waarvoor aangetoond wordt dat de Pbeschikbaarheid Klasse I of Klasse II is, een tegemoetkoming in de analysekosten voorzien door de Vlaamse Overheid. Er werd 203.200 euro terugbetaald voor de dossiers die ingediend werden in 2018. Dit bedrag is vergelijkbaar met datgene wat werd terugbetaald voor de dossiers ingediend in 2017.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 136 van 240


2.2.3 Lucht De Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) rapporteert de emissies, luchtconcentraties en deposities van verzurende stoffen en stikstof. Het jaarrapport “Uitstoot 2000-2017 en luchtkwaliteit 2018 in Vlaanderen” is beschikbaar op de VMM-website (https://www.vmm.be/lucht/publicaties-lucht). Informatie over de uitstoot en luchtconcentraties is te vinden in het deelrapport “Polluenten”. De depositie komt aan bod in het deelrapport “Effecten van luchtvervuiling”. Stikstof heeft een verzurend en vermestend effect, zwavel werkt enkel verzurend Verzuring is het gevolg van de uitstoot van stikstofoxiden (NOx), ammoniak (NH3) en zwaveldioxide (SO2). Vermesting via de lucht komt door de uitstoot van stikstof (NOx en NH3). Deze stoffen verspreiden zich via de lucht en komen terecht op de bodem, planten en wateroppervlakken. Dit noemen we de depositie. Verzuring en vermesting zijn nadelig voor de milieukwaliteit en verminderen de biodiversiteit Verzuring is de toename van de zuurconcentratie. Dit vermindert de bodem- en waterkwaliteit en bemoeilijkt de opname van voedingsstoffen door planten. Vermesting ontstaat door een teveel aan voedingsstoffen, meer bepaald stikstof in het geval van luchtverontreiniging. Verzuring en vermesting hebben negatieve effecten op ecosystemen en doen planten- en dierensoorten verdwijnen. De land- en tuinbouwsector was in 2017 de voornaamste emissiebron van verzurende stoffen (42%) en stikstof (49%) Daarna komen de sectoren verkeer en industrie. Vooral de uitstoot van NOx (45%) droeg bij aan de verzurende emissie, gevolgd door NH3 (40%) en SO2 (15%). De stikstofemissie bestond voor 52% uit NOx en 48% uit NH3. De land- en tuinbouw was verantwoordelijk voor 95% van de NH3-emissie. Veeteelt was de belangrijkste bron van NH3 (85%), gevolgd door kunstmest (7%) en mestverwerking (3%). De Vlaamse verzurende emissie is gehalveerd tussen 2000 en 2017. Dit gebeurde vooral door een lagere SO2-uitstoot. De stikstofemissie daalde in 200-2017 met 37%. De NH3-emissie door de land- en tuinbouw nam af van 2000 tot 2007, maar bleef daarna stabiel. Ook de gemeten NH3-concentraties in de omgevingslucht bleven gelijkaardig in 2008-2018. De uitstoot van ammoniak droeg in 2018 sterk bij aan de depositie van verzurende stoffen (48%) en stikstof (59%) in Vlaanderen Metingen en modelberekeningen tonen de hoogste depositie van verzurende stoffen en stikstof in regio’s met intensieve veeteelt, zoals het centrum van West-Vlaanderen en het noorden van Antwerpen. De stikstofdepositie was ook verhoogd in het noordoosten van Limburg. De gemiddelde verzurende depositie in Vlaanderen daalde met 40% tussen 2000 en 2018. De stikstofdepositie daalde met 26%. Vanaf 2013 was de depositie vrij gelijkaardig. Doordat NH3 relatief snel uit de atmosfeer verdwijnt, draagt dit meer bij aan de lokale en regionale depositie dan NOx en SO2.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 137 van 240


3 INVLOEDSFACTOREN OP DE WATERKWALITEIT Verschillende factoren hebben een invloed op de waterkwaliteit. Op bepaalde factoren kan de landbouwer inspelen. We denken hierbij aan factoren zoals de bemestingsstrategie of het inzaaien van een vanggewas. Op bepaalde factoren heeft de landbouwer dan weer geen vat, denken we maar aan de weersomstandigheden of de ondergrond. De VLM laat verschillende onderzoeken uitvoeren om de invloed van deze verschillende factoren zo goed mogelijk in kaart te brengen. In dit hoofdstuk geven we een overzicht van de belangrijkste bevindingen uit deze onderzoeken.

3.1 INVLOEDSFACTOREN OP DE WATERKWALITEIT OP BASIS VAN EEN STATISTISCHE DATA-ANALYSE Om meer inzicht te verwerven in de oorzaken van de goede of slechte waterkwaliteit in bepaalde gebieden, liet de VLM de studie “Statistische analyse waterkwaliteit” uitvoeren (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°9). Er werden data gebruikt van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), Vlaamse Landmaatschappij (VLM) alsook uit openbaar beschikbare databanken waaronder waterinfo.be en Geopunt Vlaanderen. Er werd gekeken of landbouw- en mestgegevens, zoals geregistreerd bij de Mestbank (bv. de netto productie van dierlijke mest, de hoofdteelt, de aanvoer van dierlijke mest, …), neerslag- en afvoergegevens, de diepte van de grondwatertafel en de stikstofdepositie een invloed hebben op de nitraat- en fosfaatgehalten in oppervlakte- en grondwater en het nitraatresidu. Er werden statistische modellen opgesteld om de nitraat- en fosfaatconcentraties in oppervlakte- en grondwater en het nitraatresidu te voorspellen. Hieruit bleek dat de concentraties in het oppervlaktewater beter kunnen voorspeld worden dan deze in het grondwater, en dat de concentraties van nitraat beter kunnen voorspeld worden dan die van fosfaat. De waterkwaliteit blijkt zowel gelinkt aan variabelen waarop men invloed kan uitoefenen en variabelen waarop geen invloed kan uitgeoefend worden (zoals bv. neerslag, ondergrond). De belangrijkste variabelen waarop men een invloed kan uitoefenen en die een duidelijke invloed hebben op de waterkwaliteit zijn: − Een hoofdteelt gras heeft een positief effect op de waterkwaliteit (nitraat in grond- en oppervlaktewater) en op het nitraatresidu. − Een nateelt groenten groep 1 heeft een ongunstig effect op nitraat in het oppervlaktewater. Groenten groep 1 is een verzamelterm van meerdere soorten groenten. De belangrijkste hiervan zijn bloemkool en prei. − Emissieverlies, als representatieve variabele voor dierlijke mestproductie, is de belangrijkste voorspellende variabele van het nitraatresidu en is van belang voor nitraat in het oppervlaktewater. In beide gevallen is er een ongunstig effect op de gemeten concentraties. Verder was er onverwacht een grotere correlatie van de nitraatconcentraties in het water met de dierlijke productie dan met het mestgebruik. − Serres met teelt op groeimedium, als representatieve factor voor grondloze tuinbouw, heeft een ongunstig effect op nitraat en fosfaat in het oppervlaktewater en een gunstig effect op nitraat in het grondwater. Het ongunstige effect in het oppervlaktewater wijst erop dat het voornamelijk directe

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 138 van 240


−

−

lozingen zijn, die een invloed uitoefenen op de waterkwaliteit. Dit betekent dat er blijvende aandacht nodig is voor de bedrijfsvoering op deze bedrijven zoals vb. voldoende opslagcapaciteit voor spuistroom of recirculatiemogelijkheden. De afzetmogelijkheid voor stikstof uit dierlijke mest heeft een ongunstig effect op nitraat in het grondwater en op nitraatresidu. De maximale bemestingsnorm fosfaat heeft dan weer een gunstig effect op fosfaat in het oppervlaktewater. Dit is te verklaren door het feit dat percelen met een lage P inhoud en bijgevolg een lagere uitspoeling, de hoogste maximale P bemestingsnormen hebben. Uit het derogatiemonitoringsnetwerk (2008-2018), blijkt echter dat er noch voor nitraat, noch voor fosfaat, statistische relevante verschillen zijn tussen percelen onder derogatie en percelen zonder derogatie. Voor het nitraatresidu blijkt de gekozen hoofdteelt een zeer belangrijke variabele.

Er zijn ook heel wat variabelen waar we geen invloed op hebben. Deze zijn talrijker/belangrijker bij P en bij grondwater dan bij oppervlaktewater. Zo is er duidelijk verband tussen de jaarlijkse maximale nitraatconcentratie in oppervlaktewater en andere variabelen gerelateerd aan de waterkwaliteit zoals zuurstof, zuurtegraad (pH) en temperatuur. Het verband tussen de zuurtegraad en de fosfaatconcentratie in oppervlaktewater is minder sterk dan verwacht. Uit de statistische analyse van het nitraatresidu (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°10) blijkt dat de neerslag in het voorjaar een belangrijke rol speelt. Aan de neerslag kan men natuurlijk niets veranderen, maar er zijn wel heel wat mogelijkheden om hierop in te spelen (zoals bv. met gefractioneerde bemesting). Hieronder volgt een bespreking van de resultaten van onderzoek over variabelen die men kan beïnvloeden. Voor de variabelen die men niet kan beïnvloeden wordt een overzicht gegeven van het onderzoek om inzicht te krijgen in deze processen zodat hiermee rekening kan worden gehouden in toekomstig gebiedsgericht beleid.

3.2 FACTOREN DIE DE LANDBOUWER KAN BEÏNVLOEDEN 3.2.1 Invloedsfactoren voor stikstof Uit de studies “Statistische analyse van de waterkwaliteit” en “Statistische analyse van het nitraatresidu” bleek dat een groot deel van de variabiliteit van de nitraatresidu’s verklaard wordt door factoren waarover geen data beschikbaar zijn bij de overheid (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°9 en 10). Hierbij denken we bv. aan het breder stikstofmanagement op het landbouwbedrijf. Uit focusgroepen met landbouwers bleek dat ze de belangrijkste goede praktijken om nitraaatresidu’s te beheersen, toepassen en dat ze volop experimenteren met hun bemesting om tot lagere nitraatresidu’s te komen. De landbouwers gaven aan dat een maximale benutting van de toegediende nutriënten hierbij cruciaal is en gaven hiervoor volgende tips: − Bemesten op het juiste tijdstip. Vanaf half juli is geen bemesting meer nodig van grasland op melkveebedrijven. Ook wordt de toediening van mest in het voorjaar best zo kort mogelijk voor de inzaai van het gewas uitgevoerd.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 139 van 240


−

Zoveel mogelijk bemesting fractioneren door in de loop van het groeiseizoen stikstofstalen te nemen en in te spelen op de stikstofbeschikbaarheid in de bodem. Dit is bij aardappelen en groenten een courante praktijk en helpt inspelen op de weersomstandigheden. − Vanggewassen inzaaien zo snel mogelijk na de oogst van de hoofdteelt. − Na scheuren van grasland de eerste jaren niet of verminderd bemesten en de volgteelt kiezen in functie van de verhoogde N-vrijstelling van het gescheurde grasland. In dat geval wordt best gekozen voor een volgteelt die veel N kan opnemen, zoals bv. bieten. De landbouwers gaven aan dat het klimaat een uitdaging is. Naar aanleiding van deze aanbeveling start de VLM in 2020 onderzoek naar klimaatadaptatieve praktijken voor het terugdringen van nutriëntenverliezen. In kader van de opmaak van MAP 6, onderzocht het Onderzoeksplatform duurzame bemesting de impact van verschillende maatregelen op het nitraatresidu in de bodem en op de waterkwaliteit (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°19 en n°14). Hieruit bleek eerst en vooral dat optimale bemesting de grootste impact heeft. MAP 6 speelt hierop in door de nadruk te leggen op bemesting volgens het 4J-principe: bemesting met de juiste dosis, op het juiste tijdstip, met de juiste mestsoort en met de juiste techniek. Verder zet MAP 6 in op de certificering van bemestingsadviezen en op de reductie van bemestingsnormen in gebieden waar er nog veel inspanning nodig is om de waterkwaliteitsdoelstellingen te behalen. De inzet van vanggewassen is de tweede belangrijkste maatregel. MAP 6 speelt hierop in door een versterkte vanggewasregeling in gebieden waar de waterkwaliteitsdoelstellingen nog niet gehaald worden. Hierbij is het tijdstip van inzaaien belangrijk is. Om het vanggewas ten volle zijn rol te laten spelen, is een vroege inzaai na de oogst van de hoofdteelt aangewezen. Een andere maatregel die onderzocht werd door het Onderzoeksplatform duurzame bemesting is het vervangen van risicoteelten door grasland. De impact van deze maatregel bleek van dezelfde grootteorde als de verhoogde inzet van vanggewassen en werd omwille van die reden en de grote economische impact, niet weerhouden in MAP 6. Tenslotte bleek het management van oogstresten een kleinere impact te hebben. Omdat deze maatregel slechts op een beperkt deel van het areaal toepasbaar is, is het effect ervan op Vlaams niveau beperkt. Deze maatregel kan op afstroomzoneniveau echter wel een grotere impact hebben. Uit het onderzoek naar het omgaan met oogstresten blijkt dat er verschillende manieren zijn om op een goede manier met oogstresten om te gaan (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°4). De technieken zijn echter vaak nog niet helemaal praktijkrijp en moeten nog verder ontwikkeld worden. Daarnaast gaf de studie “Invloed van pH en bekalking op stikstofbemesting, nitraatresidu en uitspoelingsverliezen” (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°17) aan dat een optimale pH van de landbouwbodem leidt tot zowel een financieel rendement als een verbetering van de waterkwaliteit. Indien de pH niet optimaal is dan resulteert dit in een lagere N-opname door het gewas. De huidige opbrengstderving in Vlaanderen door een te lage pH, wordt geraamd op 107 miljoen euro per jaar terwijl de “eenmalige” investering om alle percelen in een optimale pH te brengen via bekalking 73 miljoen bedraagt. De studie geeft aan dat bij een optimale pH het nitraatresidu zou dalen met 2,5 tot 14% en dat de overeenkomstige Nuitspoeling zou dalen met 1,5 tot 14%. Bekalking verhoogt wel tijdelijk de N-mineralisatie zodat bij aanwending op het einde van de zomer of in het najaar best een groenbedekker kan ingezaaid worden. Andere invloedsfactoren zoals bemestingsvrije stroken langs de waterloop en de opslag van stalmest op de kopakker worden elders in het rapport besproken (zie 4.1.6.2).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 140 van 240


3.2.2 Invloedsfactoren voor fosfor Uit de studie “Milieukundig en economisch verantwoord fosforgebruik” (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°11) blijkt dat bodems met een hoge fosfaattoestand, boven de streefzone minstens een decennium lang zonder fosforbemesting kunnen. Vandaar dat het mestbeleid een uitmijningsstrategie hanteert voor fosfaatrijke bodems, waarbij minder fosfor wordt toegediend dan afgevoerd via het gewas. Naast fosfor heeft een gewas natuurlijk wel andere nutriënten nodig en dient het organische koolstofgehalte van de bodem op peil gehouden te worden. De uitdaging hier is dus om P-arme meststoffen in te zetten die de aanvoer van deze andere nutriënten en organisch koolstof kan verzekeren. Uit de studie blijkt ook dat bij een lage fosfaattoestand eerst de pH geremedieerd moet worden. Omdat het uitmijnen van P zo traag gaat ontwikkelde het VLAIO-project “A-propeau”13 ook een benadering om fosfaat aan drainagebuizen op te vangen. Deze benadering kan uitmijning niet vervangen, maar kan ervoor zorgen dat een gedeelte van de P die nu al in de bodem vast zit niet in het oppervlaktewater terecht komt.

3.3 FACTOREN DIE DE LANDBOUWER NIET KAN BEÏNVLOEDEN Er zijn factoren die de waterkwaliteit mee beïnvloeden waarop de landbouwer geen impact heeft. Door deze factoren te begrijpen en hier op in te spelen kan de waterkwaliteit echter wel positief beïnvloed worden. Daarom worden verschillende studies uitgevoerd om de processen in de ondergrond, van de wortelzone tot in het water, beter in kaart te brengen.

3.3.1 Invloedsfactoren voor stikstof In de studie “Bepalen van procesfactoren voor oppervlaktewater en grondwater ter evaluatie van de nitraatstikstofresidu-norm” (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°1) werd berekend hoeveel nitraat er wordt afgebroken vooraleer het gemeten wordt in het grondwater en oppervlaktewater. De nitraatconcentratie onderaan de wortelzone is op basis van de mediaan 2,1 keer groter dan de gemeten waarden in het grondwater, en 3,4 keer groter dan de waarden gemeten in het MAP-meetnet voor oppervlaktewater. Deze verhoudingen, ook wel de procesfactoren of attenuatiefactoren genoemd, kunnen lokaal echter sterk verschillen. Ze hangen ook samen met de hydrogeologie, die voor Vlaanderen wordt gevat door de HHZ-zones. De lokale verschillen van de procesfactoren worden meebepaald door een verschillende invloed van het grondwater op het oppervlaktewater. Zoals reeds aangegeven in 2.2.1.4, is de relatie tussen bemesting en grondwater complex en worden ze naast de aanvoer van nitraat vanuit bemesting, ook beïnvloed door de hydrogeologische kenmerken van de ondergrond. Wanneer nitraten de wortelzone verlaten, komen ze eerst in de meest ondiepe grondwaterlaag terecht. Deze laag bevat nog veel zuurstof, zodat het nitraat tijdens het transport niet afgebroken wordt. Als grondwater vanuit deze laag naar het oppervlaktewater gaat, bevat het nog alle nitraten die er via de landbouwinput zijn ingekomen. Op een bepaalde diepte bevat het grondwater geen zuurstof meer, waardoor het nitraat wordt afgebroken. De diepte waarop zich dit voordoet, hangt onder meer af van de hydrogeologie van een bepaald gebied. Grondwater dat uit deze diepere lagen naar het 13

Vandermoere S. et al (2018) Actief beheer en uitmijning van fosfaat voor optimale P-efficiëntie en terugdringen van fosfaatverliezen op perceelsniveau – APROPEAU. VLAIO Landbouw (LA) Traject 135080 . Eindrapport

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 141 van 240


oppervlaktewater gaat, bevat dus weinig tot geen nitraten. De hoeveelheid nitraat die via het grondwater in het oppervlaktewater terecht komt, hangt dus af van de input vanuit de landbouw, en de hoeveelheid grondwater dat uit zuurstofrijke en zuurstofarme grondwaterlagen komt. In een reeks lopende studies worden deze processen verder doorgrond: −

−

−

De studie “Nitraatrijke bronnen” (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°21) bekijkt het fenomeen van gebieden waar veel instroom is van nitraten uit ondiepe zuurstofrijke lagen van het grondwater in het oppervlaktewater. Meestal is de nitraatconcentratie in de MAP-meetpunten van deze gebieden continu hoog. Dit onderzoek heeft als doel om inzicht te verwerven in de manier waarop het grondwater de kwaliteit van het oppervlaktewater kan beïnvloeden. Dit onderzoek loopt nog tot eind maart 2021. Het nutriëntenemissiemodel NEMO van de Vlaamse Milieumaatschappij berekent de stikstof- en fosforverliezen door mestgebruik naar oppervlaktewater (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°8). Met behulp van dit model kunnen voor een aantal scenario’s de effecten op de stikstofen fosforverliezen begroot worden. NEMO wordt gebruikt voor de onderbouwing van het waterkwaliteitsbeleid en zal gebruikt worden voor de evaluatie van het mestbeleid. De studie “gebiedsgerichte monitoring en regionale attenuatiefactor” (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°22) zorgt voor een verfijning van de kennis rond de procesfactor of attenuatiefactor. De regionale attenuatiefactor zal berekend worden in twee geselecteerde gebieden a.d.h.v. een uitgebreide monitoring. Naarnaast wordt het concept attenuatiefactor verdiept en wordt een methode opgesteld om de attenuatiefactor ook elders te kunnen berekenen op regionaal niveau. De metingen zullen gebruikt worden om het model NEMO verder te valideren/kalibreren. Hiertoe worden metingen uitgevoerd van het volledige transportproces van landbouwactiviteit tot waterkwaliteit. Ook zal de VMM hier een continumonitoring opzetten om nitraatconcentraties in het oppervlaktewater te meten. Dit onderzoek loopt nog tot 2023.

Betere kennis van deze attenuatiefactoren en dynamieken tussen de wortelzone en het grond- en oppervlaktewater laat toe om hier rekening mee te houden in toekomstig gebiedsgericht beleid.

3.3.2 Invloedsfactoren voor fosfor De fosfaatconcentraties in het oppervlaktewater worden sterk beïnvloed door de aanwezigheid van opgeloste zuurstof in het water en door de ijzer/fosfor-verhouding in de waterbodem. Uit het onderzoek “Implicaties van fosfordynamieken in de waterloop voor de mestwetgeving” (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°18) bleek dat de P-bodemtoestand een betere maat is om de effectiviteit van het mestbeleid te evalueren dan de P-concentraties in het water. Deze laatste worden immers ook beïnvloed door historische P-verliezen die zich in de waterbodem hebben vastgezet en worden vrijgesteld onder zuurstofarme omstandigheden. Wat betreft de huidige P-uitspoeling van het grondwater naar het oppervlaktewater, moet er ook rekening gehouden worden met de historische achtergrondconcentraties van fosfaten in de ondergrond. Hier wordt momenteel verder onderzoek naar gevoerd.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 142 van 240


4 BEHEERINSTRUMENTEN 4.1 TOEZICHT OP NALEVING VAN DE MESTWETGEVING 4.1.1 Globale toezicht- en sanctioneringsstrategie van de Mestbank De controleprocessen van de Mestbank omvatten administratieve controles, risicogebaseerde bedrijfsdoorlichtingen, gerichte terreincontroles (van bemestingspraktijken, vervoer, …) en nitraatresiducontroles (Figuur 100). Voor elke landbouwer inventariseert de Mestbank gegevens over onder meer de dierenaantallen, het gebruik van meststoffen, de mestopslag, … via de jaarlijkse aangifte. Daarnaast inventariseert de Mestbank gegevens over mesttransporten in Vlaanderen en heeft ze via de jaarlijkse Verzamelaanvraag bij het Departement Landbouw en Visserij zicht op het grondgebruik. Op basis van de geïnventariseerde gegevens worden een aantal administratieve controles uitgevoerd voor alle landbouwers in Vlaanderen. Uit deze administratieve controles kunnen waarschuwingen volgen of, in ernstige gevallen, sancties zoals boetes of schorsing. De administratieve controles zijn een belangrijk onderdeel van de globale toezichtstrategie. Ze detecteren immers potentiële risico’s op nutriëntenverliezen naar het milieu en hebben een knipperlichtfunctie voor gerichtere terreincontroles en bedrijfsdoorlichtingen. De terreincontroles worden gebiedsgericht ingezet. Zo gebeuren de terreincontroles op de aanwending van meststoffen, op de mestopslag, … sinds een vijftal jaar voornamelijk in gebieden met een onvoldoende waterkwaliteit. Ook gebeuren de terreincontroles in grote mate risicogebaseerd. Niet enkel landbouwers worden gecontroleerd op terrein, maar ook andere betrokken actoren zoals mestvoerders, mestverwerkingsinstallaties, staalnemers, …. Internettoepassingen zoals bv. het Mest Transport Internet Loket (MTIL) waarin transporten voorgemeld worden, in combinatie met de AGR-GPS-verplichting bij de erkende mestvoerders, dragen ertoe bij dat terreincontroles gericht kunnen uitgevoerd worden. Met MAP 5 werd het principe van de bedrijfsdoorlichtingen als totaalcontrole van land- en tuinbouwbedrijven en andere betrokken actoren ingevoerd. Op basis van risicoanalyse van de gegevens die de overheid ter beschikking heeft, worden de nutriëntenstromen van de geselecteerde land- en tuinbouwbedrijven in detail onderzocht. Indien inconsistenties in deze nutriëntenstromen worden vastgesteld, worden de bedrijven proportioneel gesanctioneerd. Door de bedrijfsdoorlichting worden netwerken blootgelegd door niet enkel het doorgelichte bedrijf te bekijken, maar ook de bedrijven die aanvoeren naar of afnemen van het betrokken bedrijf. Dit laat een geïntegreerde aanpak toe. Ten slotte volgt de Mestbank het nitraatresidu op. Het nitraatresidu is een belangrijk instrument om de bemestingsstrategie op een bedrijf op te volgen. Hiertoe selecteert de Mestbank jaarlijks percelen voor de algemene opvolging van het nitraatresidu (controlestalen), naast onder meer percelen die opgevolgd worden naar aanleiding van een te hoog nitraatresidu in het voorgaande jaar en in het kader van derogatie. Ook kan een perceels- of bedrijfsevaluatie

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 143 van 240


opgelegd worden na een bedrijfsdoorlichting. Ook bij vermoedens van fraude, naar aanleiding van administratieve controles of een terreincontrole, kan een perceel geselecteerd worden voor een nitraatresiducontrole. Omgekeerd worden de resultaten van de nitraatresidumetingen meegenomen in de risicoanalyse bij bedrijfsdoorlichtingen en controleacties op terrein.

Bedrijfsdoorlichtingen (± 550) Terreincontroles (± 3.000)

Nitraatres iducontroles (± 10.200)

Administratieve controles (± 30.600)

Figuur 100 Controleprocessen Mestbank (het aantal gecontroleerde, aangifteplichtige landbouwers per controleproces in 2018 is weergegeven tussen haakjes)

Via deze uitgebreide set aan controleprocessen streeft de Mestbank een sluitende opvolging na van de landen tuinbouwbedrijven en andere betrokken sectoren (mestverwerkingsinstallaties, mestvoerders, …). Hierbij zet de Mestbank in op verhoogde aanwezigheid op het terrein, met oog op het bevorderen van de naleving van de wetgeving en de aanpak van milieurelevante overtredingen. Een belangrijk element in de sanctionering is het principe van proportionaliteit, waarbij het opgelegde gevolg in functie staat van de vaststelling, de zwaarte van de inbreuk en eventuele recidive.

4.1.2 Aanpak van aangifteverzuim noodzakelijk voor sluitende controle Landbouwers en uitbaters die hun aangifte niet tijdig indienden, werden aangeschreven om hen eraan te herinneren de aangifte alsnog in te dienen. Landbouwers en uitbaters die hun aangifte te laat of niet indienden, krijgen een administratieve geldboete van 250 euro. Bij herhaling van de overtreding binnen de 5 jaar na oplegging, bedraagt de geldboete 500 euro. In april 2019 kregen 55 uitbaters een boete opgelegd voor het niet of laattijdig indienen van de aangifte, waarvan 42% recidivisten. In juni 2019 werden 529 boetes opgelegd voor aangifteplichtige landbouwers die hun verzamelaanvraag voor productiejaar 2019 en/of Mestbankaangifte voor productiejaar 2018 niet of te laat hebben ingediend. 39% van de verzuimers kreeg vroeger al een boete opgelegd. De Mestbank legde iets minder boetes op dan vorig jaar: 1,7% van de actieve en aangifteplichtige landbouwers krijgen er een, ten opzichte van 1,8% vorig jaar (Figuur 101).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 144 van 240


Aantal boetes voor aangifteverzuim

1.600 1.400

1.334 1.126

1.200 1.000

888

867 743

800

678

600

531

557

529

2017

2018

2019

400 200 0 2011

2012

2013

2014

2015

2016

Figuur 101 Evolutie van aantal boetes voor aangifteverzuim

4.1.3 Bedrijfsdoorlichting o.b.v. risicoanalyse 4.1.3.1 Beschrijving van de aanpak Het doel van bedrijfsdoorlichting is het opsporen van nutriëntenverliezen naar het milieu en het bekomen van een gedragsverandering in de toekomst. De medewerkers van de Mestbank trachten bij een bedrijfsdoorlichting inzicht te krijgen in de bedrijfssituatie. Het accent wordt verschoven van administratieve controles naar bedrijfscontroles. Hierbij worden door tellingen en metingen momentopnames vastgelegd om van daaruit de nutriëntenverliezen zichtbaar te maken en te bespreken. Bij een bedrijfsdoorlichting wordt in regel het hele bedrijf doorgelicht. De bedrijven worden geselecteerd via een risicoanalyse. Er worden risicolijsten opgesteld waarin verschillende factoren meegenomen worden. De criteria voor de risicolijst variëren per thema. Een bedrijfsdoorlichting start altijd met een uitgebreide administratieve evaluatie, op basis waarvan wordt beslist om het bedrijf al dan niet verder door te lichten. Hierna wordt een bedrijfsbezoek ingepland. Tijdens het bedrijfsbezoek worden er vaststellingen gedaan, wordt een gesprek gevoerd met de landbouwer of uitbater, worden er al aanbevelingen gedaan en wordt de landbouwer ook al gewezen op de mogelijke maatregelen of sancties. De landbouwer krijgt hiervan een verslag en krijgt ook de mogelijkheid om een wederwoord te formuleren. Maatregelen worden nooit opgelegd zonder dat de landbouwer of uitbater de kans gehad heeft om hierop te reageren, hetzij mondeling tijdens het gesprek op het bedrijf, hetzij schriftelijk als reactie op het vaststellingsverslag. Een volledige doorlichting is een intensief proces. De helft van de bedrijfsdoorlichtingen is op minder dan een half jaar afgerond. De gemiddelde doorlooptijd bedraagt 8,5 maand. Ongeveer 40% van de bedrijven moet nog langere tijd opgevolgd worden. Bij 25% van de bedrijven vraagt dit meer dan een jaar tijd, bij 7% zelfs meer dan 2 jaar. Bij bijna een vijfde van de bedrijven worden er verschillende doorlichtingscycli uitgevoerd, eventueel over verschillende jaren heen.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 145 van 240


4.1.3.1

Vee-, tuinbouwbedrijven en mestverwerkingsinstallaties zijn de belangrijkste sectoren bij doorlichting De doorlichtingsthema’s of bedrijfstypes die in 2018 en de eerste helft van 2019 behandeld werden, waren mestproductie (rundvee, varkens, pluimvee, paarden), akkerbouw, tuinbouw (grondloos, serre volle grond, openlucht), grensboeren, mestverwerkers, mestvoerders, mestverzamelpunten en producenten van andere meststoffen. Tabel 27 geeft het aantal bedrijven weer die per thema doorgelicht werden. Een bedrijf kan in meerdere thema’s voorkomen. Tabel 27 Overzicht van het aantal bedrijven per doorlichtingsthema, bij bedrijfsdoorlichtingen in 2018 en de eerste helft van 2019

Bedrijf/bedrijfstak Runderen Varkens Pluimvee Paarden Akkerbouw Tuinbouw grondloos Tuinbouw serre volle grond Tuinbouw volle grond Grensboer Be- verwerkers Erkend mestvoerders/verzenders Verzamelpunten Andere uitbatingen

2018 181 133 21 9 189 50 22 101 17 24 25 14 2

2019* 86 66 13 6 60 42 9 28 4 2 11 7 0

Totaal aantal bedrijven

608

269

* Stand van zaken 30/6/2019

> Er wordt dieper ingegaan op de vaststellingen bij de doorlichtingen van de verschillende sectoren in de bijhorende hoofdstukken verder in het rapport. In dit hoofdstuk wordt een globaal overzicht gegeven van de bevindingen bij bedrijfsdoorlichtingen. 4.1.3.2 Bedrijfsdoorlichting heeft gevolgen in 40% van de gevallen In 2018 werden ruim 650 bedrijfsdoorlichtingen uitgevoerd bij 608 bedrijven. Bij sommige bedrijven werd er meerdere keren een bedrijfsdoorlichting uitgevoerd en werden er eventueel opnieuw maatregelen opgelegd. Bij 255 van deze 608 bedrijven (41%) werden er maatregelen, boetes of sancties opgelegd of werden er correcties doorgevoerd in administratieve documenten. In de eerste helft van 2019 werden al 297 doorlichtingen uitgevoerd bij 269 bedrijven. Tabel 28 geeft een overzicht over het aantal maatregelen, boetes of correcties dat werd opgelegd in 2018 en de eerste helft van 2019 en het aantal bedrijven met één of meerdere gevolgen. Het percentage bedrijven met gevolgen blijft quasi gelijk doorheen de jaren (43% in de periode 2016 tot juni 2017; 40% in 2017; 41% in 2018).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 146 van 240


Tabel 28 Aantal gevolgen en het aantal bedrijven met één of meerdere gevolgen naar aanleiding van bedrijfsdoorlichtingen in 2018 en de eerste helft van 2019

2018 Soort gevolg Correcties documenten Boete Sancties Maatregelen Totaal

Aantal gevolgen 129 210 10 534 883

Aantal bedrijven met gevolg 91 135 7 184 255

2019* Aantal bedrijven Aantal gevolgen met gevolg 43 33 69 44 3 3 213 64 328 105

* Stand van zaken 30/6/2019

4.1.3.3 Gevolgen op maat van de vaststelling Aanpassing gegevens Als tijdens een bedrijfsdoorlichting blijkt dat er gegevens ontbreken in de aangifte of dat er foutieve gegevens vermeld werden op de aangifte, worden de gegevens aangepast. Ook vervoersdocumenten worden gecontroleerd en indien nodig aangepast. De meest voorkomende aanpassingen die ambtshalve gedaan werden, zijn aanvullingen van het kunstmestgebruik en aanpassingen van de dierlijke mestopslag op 1 januari (bv. hoeveelheid, type mest). Ook dierbezettingen, staltypes en maximale opslagcapaciteit werden meermaals aangepast na een bedrijfsdoorlichting. Sancties In 2018 werden minder sancties opgelegd dan de voorgaande jaren. Er werden MVC’s en NER-MVW’s ingetrokken bij 2 mestverwerkingsbedrijven. Verder werd de derogatie ingetrokken bij 5 landbouwbedrijven. In de eerste helft van 2019 werd een erkend mestvoerder geschorst en werd bij één landbouwer de derogatie ingetrokken. Boetes De meest voorkomende inbreuken die in 2018 vastgesteld werden waarvoor een administratieve geldboete werd opgelegd, waren een foute aangifte (42%), overschrijding van de mestbalans en het niet naleven van doorlichtingsmaatregelen (22%). In Tabel 29 wordt een overzicht gegeven van de inbreuken die vastgesteld werden tijdens doorlichtingen uitgevoerd in 2018 en de eerste jaarhelft van 2019 en waarvoor een administratieve geldboete werd opgelegd.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 147 van 240


Tabel 29 Overzicht van vastgestelde inbreuken waarvoor een administratieve geldboete werd opgelegd bij bedrijfsdoorlichtingen in 2018 en de eerste helft van 2019

Inbreuk Overschrijding mestbalans landbouwer Niet naleven focusmaatregel Niet naleven doorlichtingsmaatregel Niet of niet correct gebruik AGR-GPS Niet geldige analyse op transportdocument door aanbieder/afnemer Rijden met niet erkend voertuig Niet of niet correct namelden transport Vervoer mest zonder vereiste documenten of zonder voormelding Andere transportovertreding (lichte overtreding) Meer dieren dan toegekende NER Foute aangifte Niet of niet correct bijhouden dierregister Niet kunnen voorleggen nutriĂŤntenbalans en stavingstukken Totaal

2018 aantal % 42 20,0% 6 2,9% 47 22,4% 2 1,0% 5 2,4% 1 6 2 6 88 1 4 210

0,5% 2,9% 1,0% 2,9% 41,9% 0,5% 1,9%

2019* aantal % 15 21,7% 3 4,3% 22 31,9% 4 5,8% 1 1,4% 1 1,4% 1 1,4% 1 1,4% 1 1,4% 1 1,4% 0,0% 19 27,5% 69

* Stand van zaken 30/6/2019

Maatregelen In Tabel 30 wordt weergegeven hoeveel bedrijven er waren met 1 of meerdere maatregelen. Bij ruim de helft van de bedrijven met maatregelen in 2018 en de eerste helft van 2019 werden er 1 of 2 maatregelen opgelegd (56%). In de eerste jaarhelft van 2019, had 56% van de bedrijven met maatregelen 1 of 2 maatregelen. Tabel 30 Aantal bedrijven met maatregelen i.f.v. het aantal maatregelen per bedrijf, bij bedrijfsdoorlichtingen in 2018 en de eerste helft van 2019

Aantal maatregelen per bedrijf 1 2 3 4 5 6 7 >7 Totaal

Doorgelichte bedrijven 2018 Aantal % t.o.v. totaal 61 33,2% 43 23,4% 30 16,3% 15 8,2% 18 9,8% 6 3,3% 3 1,6% 8 4,3% 184

Doorgelichte bedrijven 2019 Aantal % t.o.v. totaal 24 37,5% 12 18,8% 10 15,6% 4 6,3% 2 3,1% 1 1,6% 4 6,3% 7 10,9% 64

* Stand van zaken 30/6/2019

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 148 van 240


De maatregel die het frequentst opgelegd werd, was het overmaken van gegevens (29% in 2018 en 22% in de eerste helft van 2019). De gevraagde gegevens kunnen o.a. facturen, andere stavingstukken, registers, … zijn. Ook het bijhouden van een bemestingsplan, bemestingsregister of teeltfiche werd in 2018 vaak opgelegd (12,5%), dit om landbouwers bewuster te doen omgaan met hun bemesting. Aansluitend hierbij werd ook aan verschillende landbouwers de maatregel opgelegd om hun landbouw- en bemestingspraktijk aan te passen (11% in 2018). Deze maatregel kan inhouden dat er een vanggewas ingezaaid moet worden, een bodemanalyse met bemestingsadvies uitgevoerd moet worden, de teelt ingezaaid of aangeplant moet worden kort na het bemesten, een bepaalde mestsoort niet meer gebruikt mag worden op een bepaald perceel (bv. digestaat), fosfaatkunstmeststoffen verboden zijn, of geen bemesting meer mag uitgevoerd worden na 31 mei, … Daarnaast werd het aanpassen van de bedrijfsvoering om nutriëntenverliezen te stoppen of te voorkomen geregeld opgelegd (7,7% in 2018). Dit kan gaan over het aanpassen van een opslag aan de constructievoorwaarden, het leggen van een nieuwe folie in serres, het opvangen van drainwater, … Een andere veel opgelegde maatregel is het verplicht vooraf melden van een staalname van bodem of mest zodat er iemand van de Mestbank aanwezig kan zijn bij het nemen van een staal (6,6% in 2018). Verplichte mestanalyses om de landbouwer een beter inzicht te geven in de samenstelling van de op het bedrijf geproduceerde mest, hangt hiermee samen (12% in 2017). Tabel 31 geeft een overzicht van het aantal maatregelen dat opgelegd werd in 2018 en de eerste helft van 2019. Het aandeel van de verschillende maatregelen is gelijkaardig als in 2016 en 2017. Evolutie van de gevolgen Het percentage bedrijven met gevolgen blijft quasi gelijk doorheen de jaren (ongeveer 40%). Van de bedrijven met gevolgen, zijn er meer bedrijven met maatregelen en boetes in 2018 t.o.v. 2017. Van de bedrijven met gevolgen, stijgt het aandeel bedrijven met maatregelen van 60% in 2017 tot 72% in 2018. Ook het aandeel bedrijven die een boete opgelegd kregen steeg, van 20% in 2017 tot 52% in 2018. In de beginjaren werden er meer waarschuwingen opgelegd en documenten gecorrigeerd zonder er een boete of maatregel aan te koppelen waar er vanaf 2017 en zeker vanaf 2018 strenger opgetreden werd. Doorlichting van netwerken Ook netwerken van bedrijven kunnen worden doorgelicht. Een doorlichting van een netwerk kan opgestart worden naar aanleiding van de doorlichting van een bedrijf waarna de aanverwante bedrijven ook worden doorgelicht of vanuit vaststellingen van fraude op terrein. In 2018 werden een aantal bedrijven geselecteerd die dikke fractie van runder- en varkensmest afvoerden met onrealistisch hoge inhoudswaarden. Waarden tot meer dan het dubbele van wat verwacht kan worden, werden gebruikt. Bij doorlichting van 16 bedrijven werd vastgesteld dat het scheiden van runder- en varkensmest in dikke en dunne fractie gebruikt werd om op een relatief goedkope manier schijnbaar veel nutriënten af te voeren van het bedrijf. Dit werd gedaan door het afvoeren van de dikke fractie aan onrealistisch hoge waarden naar een bepaalde verwerkingsinstallatie. Zo werden vele nutriënten op papier van het bedrijf afgevoerd en kon de overige mest worden afgezet op het bedrijf of via een zwart circuit (zonder de verplichte documenten). De staalnames van de mest werden uitgevoerd door eenzelfde staalnemer. De dikke fractie werd vervoerd naar de mestverwerkingsinstallatie door steeds hetzelfde vervoersbedrijf. Deze praktijk werd ook gebruikt om de fictief opgebouwde mestopslag uit het verleden op papier te laten verdwijnen.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 149 van 240


Na verder onderzoek werd vastgesteld dat de afgevoerde hoeveelheid dikke fractie volgens de transportdocumenten vaak niet kon aanwezig zijn omdat de mestproductie op het bedrijf niet voldoende hoog was. Toch werden er documenten opgemaakt voor deze volumes gescheiden mest. Deze dikke fractie werd niet alleen afgezet aan onrealistisch hoge waarden, maar ook door de opmaak van fictieve mestafzetdocumenten en er werden fictieve AGR-GPS signalen gecreëerd. Op terrein werd er met lege transporten gereden, werd met dezelfde vracht meermaals heen en weer gereden of werd het AGR-toestel in een personenwagen geplaatst om de AGR-signalen te creëren. Binnen het geheel van doorgelichte bedrijven die het scheiden van runder- en varkensmest toepasten zien we een georganiseerd systeem van mestscheiding, meststaalname en afvoer van de dikke fractie waarbij op meerdere stappen werd gefraudeerd in een georganiseerd systeem. Niet aanwezige mest werd op papier toch gescheiden, stalen met hoge inhoudswaarden werden gecreëerd, mestafzetdocumenten en ARG-GPS signalen werden aangemaakt voor fictieve transporten. Bezwaren tegen de opgelegde gevolgen Indien het bedrijf niet akkoord is met de gevolgen van de bedrijfsdoorlichting kan het binnen een termijn van 30 dagen een bezwaarschrift indienen. In totaal ontving de Mestbank 112 bezwaren tegen de gevolgen van een bedrijfsdoorlichting uitgevoerd in 2018 en de eerste helft van 2019. Slechts 21 bezwaren zijn na beoordeling deels of volledig ingewilligd.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 150 van 240


Tabel 31 Overzicht van het aantal maatregelen dat opgelegd werd bij bedrijfsdoorlichtingen in 2018 en de eerste helft van 2019

Inbreuk Aan- of afvoerverbod van een bepaalde meststof Aanpassen landbouw- en bemestingspraktijk Nitraatresidu laten bepalen op meerdere percelen (bedrijfsevaluatie) Bedrijfsvoering aanpassen i.v.m. (mogelijke) nutriëntenverliezen Bijhouden bemestingsregister en/of -plan Correctie van gegevens op documenten (bv. aangifte, mestafzetdocumenten, verzamelaanvraag, …) Gevolgen na aanpassingen doorvoeren (bv. wijzigen systeem mestinhoud, afvoer beperken tot wat werkelijk aanwezig is) Zich in orde stellen met erkenning of vergunning (bv. schrappen voertuig, correcte nummerplaat doorgeven, voorwaarden Verordening (EG) 1069/2009 respecteren) Uitvoeren van een specifieke actie en dit melden aan de Mestbank (bv. melden als iets aangepast is) Overmaken gegevens en stavingsstukken aan de Mestbank Registreren van bedrijfsspecifieke gegevens (bv. debietmeters plaatsen en de meterstand bijhouden voor spuiwater, register N en P bijhouden voor aanmaak voedingswater, transporten laten wegen en bijhouden, register mestscheiding, …) Verbod op alle meststoffentransport Verplichte mestanalyses laten uitvoeren en verplicht bepaalde mestsamenstelling gebruiken Alle mesttransporten laten uitvoeren door een erkend mestvoerder Vooraf melden staalname van mest of bodem Totaal

2018

2019* aantal % 2 0,9% 17 8,0% 12 5,6%

aantal 8 59 12

% 1,5% 11,0% 2,2%

41 67

7,7% 12,5%

17 26

8,0% 12,2%

12

2,2%

6

2,8%

4

0,7%

2

0,9%

8

1,5%

5

2,3%

45

8,4%

19

8,9%

153

28,7%

48

22,5%

11

2,1%

6

2,8%

1

0,2%

65

12,2%

26

12,2%

13 35 534

2,4% 6,6%

12 15 213

5,6% 7,0%

0,0%

* Stand van zaken 30/6/2019

4.1.4 Nitraatresiducontroles voor de opvolging van het nutriëntenbeheer binnen het landbouwbedrijf 4.1.4.1 Nieuwe aanpak MAP 6 Ook binnen MAP 6 blijft de nitraatresidu-meting in het najaar de toetssteen om na te gaan of de bemesting oordeelkundig wordt uitgevoerd. In de aanpak van de opvolging wordt evenwel een wijziging doorgevoerd. Waar binnen MAP 5 nitraatresidu’s werden gemeten op perceels- en bedrijfsniveau, zowel binnen als buiten focusgebied, en waar een negatieve beoordeling een gevolg kon hebben op de bedrijfsstatus, wordt een vereenvoudiging van dit als complex ervaren opvolgsysteem doorgevoerd in MAP 6. De nitraatresidumetingen worden prioritair ingezet in gebiedstype 1, 2 en 3. Bepaalde principes blijven behouden. Landbouwers kunnen een vrijstelling bekomen van de gebiedsgerichte maatregelen in gebiedstype 2 en 3 d.m.v. een positieve evaluatie van het nitraatresidu op bedrijfsniveau.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 151 van 240


Landbouwers die reeds over een geldige vrijstelling beschikten van de bijkomende maatregelen voor focusbedrijven onder MAP 5, behouden deze vrijstelling in MAP 6. Nieuw is wel dat deze bedrijven jaarlijks een perceelsevaluatie moeten laten uitvoeren als auto-controle. Net zoals bij MAP 5, blijven bedrijven met een negatieve beoordeling van het nitraatresidu op perceels- of bedrijfsniveau in opvolging totdat het nitraatresidu positief geëvalueerd wordt. Het principe van verscherpte maatregelen, opgelegd als de bedrijfsevaluatie van het nitraatresidu ruim tot zeer onvoldoende is of als er geen verbetering wordt aangetoond over de jaren heen, wat leidde tot de zogenaamde focusbedrijven met maatregelencategorieën 1, 2 of 3, vervalt binnen MAP 6. Wel blijven als overgangsmaatregel bepaalde maatregelen van kracht voor de focusbedrijven met maatregelencategorieën 2 en 3. Zo blijft de verplichting om extra vanggewassen in te zaaien en de korting op de bemestingsnorm van kracht voor deze bedrijven totdat de overeenkomstige gebiedsgerichte maatregelen van MAP 6 strenger worden. Types staalnames Net zoals vroeger, selecteert de Mestbank voor de algemene opvolging van het nitraatresidu in Vlaanderen jaarlijks percelen waarvan ze het nitraatresidu laat bepalen (controlestalen). Deze controlestalen worden prioritair ingezet in gebiedstype 1, 2 en 3. Daarnaast moeten landbouwers in bepaalde gevallen op eigen kosten het nitraatresidu laten bepalen. Dat is zo bij: − Landbouwers bij wie het voorgaande jaar, bij een perceels- of bedrijfsevaluatie van het nitraatresidu, een overschrijding werd vastgesteld; − Landbouwers met een vrijstelling of met een aanvraag voor vrijstelling; − Landbouwers met derogatie; − Landbouwers bij wie er een perceels- of bedrijfsevaluatie werd opgelegd na een bedrijfsdoorlichting; − Landbouwers met een BO Waterkwaliteit. Beoordeling van het nitraatresidu De beoordeling van het nitraatresidu op perceels- of bedrijfsniveau blijft ongewijzigd binnen MAP 6. Bij een perceelsevaluatie wordt nagegaan of er een overschrijding is boven de eerste of tweede drempelwaarde. Bij een bedrijfsevaluatie wordt het gewogen gemiddelde nitraatresidu geëvalueerd. De drempelwaarden van een perceel zijn afhankelijk van de teelt, het bodemtype en het gebiedstype waarin het perceel ligt. De drempelwaarden zijn lager voor percelen in gebiedstype 2 en 3 dan voor percelen gelegen in gebiedstype 0 en 1. Dit stimuleert landbouwers met percelen in gebiedstype 2 en 3 om doordachter te bemesten met het oog op een lager nitraatresidu in het najaar en volgt de logica van MAP 5 waar eveneens strengere drempelwaarden van toepassing waren binnen focusgebied. De hoogte van de drempelwaarden is voor de meeste teelten naar beneden bijgesteld. Een bedrijfsevaluatie die uitgevoerd wordt in het kader van een vrijstelling, wordt altijd beoordeeld ten opzichte van de strengste drempelwaarden. Hiermee wordt hetzelfde principe uit MAP 5 verder gezet. Voor alle percelen, ongeacht in welk gebiedstype ze liggen, worden dus de drempelwaarden van gebiedstype 2 of 3 gebruikt voor het bepalen van de gewogen gemiddelde eerste drempelwaarde. Als bij de bedrijfsevaluatie die gewogen gemiddelde eerste drempelwaarde wordt overschreden, krijgt de landbouwer geen vrijstelling of wordt een bestaande vrijstelling ingetrokken.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 152 van 240


Gevolgen Een negatieve perceelsevaluatie leidt op zich niet direct tot maatregelen. Om te evalueren of de overschrijding op dat ene perceel wijst op een verhoogd risico op nitraatuitspoeling op het bedrijf, moet de landbouwer het jaar nadien op eigen kosten het nitraatresidu laten bepalen, door een perceelsevaluatie of bedrijfsevaluatie. Een bedrijfsevaluatie is negatief, zodra het gewogen gemiddelde nitraatresidu de eerste gewogen gemiddelde drempelwaarde overschrijdt. Bij een negatieve bedrijfsevaluatie, moet de landbouwer het jaar nadien sowieso opnieuw een bedrijfsevaluatie uitvoeren. Daarnaast zijn er ook andere maatregelen verbonden aan een negatieve bedrijfsevaluatie. Als het nitraatresidu onder de tweede drempelwaarde blijft, moet de landbouwer het jaar nadien ook een bemestingsplan en teeltfiches bijhouden. Als het nitraatresidu de tweede drempelwaarde overschrijdt of als er geen verbetering wordt vastgesteld, dan moet de landbouwer bovenop het bemestingsplan en teeltfiches, zich het volgende jaar laten begeleiden door een gecertificeerde adviesinstantie en verliest hij de mogelijkheid om derogatie toe te passen. 4.1.4.2

Eindevaluatie nitraatresidu opvolging MAP 5

4.1.4.2.1 Resultaten van de perceelsevaluaties 2018 Bij 4.832 landbouwers (62%) was het resultaat van de perceelsevaluatie in 2018 gunstig (Tabel 32). Dit is minder dan bij de voorgaande staalnamecampagnes en wordt verklaard door de gemiddeld hogere nitraatresidu’s in 2018 onder invloed van de droge weersomstandigheden. Deze bedrijven hoeven geen opvolgstalen te nemen in 2019. Bij 37% van de landbouwers werd de perceelsevaluatie in 2018 negatief beoordeeld (overschrijding van drempelwaarde 1 (DW1)). Deze bedrijven moeten in 2019 verplicht het nitraatresidu laten bepalen. Of dit een perceelsevaluatie of bedrijfsevaluatie wordt, wordt bepaald door de status van het bedrijf in 2018 en de hoogte van de overschrijding. Voor de cursief aangeduide percelen in Tabel 32 is dit een bedrijfsevaluatie, voor de onderlijnde percelen een perceelsevaluatie. Daarnaast lieten in totaal 137 landbouwers hun verplichte perceelsevaluatie van het nitraatresidu in 2018 niet uitvoeren (2%) (Tabel 32). Ook deze bedrijven moeten in 2019 een bedrijfsevaluatie van het nitraatresidu laten uitvoeren. Tabel 32 Resultaten van de perceelsevaluaties bij de staalnamecampagne 2018

Beoordeling perceelsevaluatie 2018 ≤ DW1 > DW1 en ≤ DW2 > DW2 Perceelsevaluatie niet uitgevoerd Totaal

Aantal bedrijven 4.832 2.077 764 137 7.810

Bedrijfsstatus in 2018 Focusbedrijf door ligging Niet-focusbedrijf 1.739 3.093 754 1.323 336 428 27 110 2.856 4.954

4.1.4.2.2 Resultaten van de bedrijfsevaluaties 2018 Bij 958 landbouwers (43%) was het resultaat van de bedrijfsevaluatie in 2018 gunstig (Tabel 33). Bij 1.034 landbouwers (57%) werd de bedrijfsevaluatie in 2018 negatief beoordeeld. Afhankelijk van de ernst van de overschrijdingen worden deze bedrijven aangeduid als focusbedrijf met maatregelencategorie 1, 2 of 3.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 153 van 240


Als er geen verbetering is van de nitraatresiducategorie in 2018 t.o.v. 2017, verhoogt de status van het bedrijf met 1 categorie. Daarnaast lieten in totaal 211 landbouwers (10%) hun verplichte bedrijfsevaluatie van het nitraatresidu niet of niet volledig uitvoeren in 2018 (Tabel 33). Voor deze bedrijven wordt de status van het bedrijf met 1 maatregelencategorie verhoogd. Voor alle cursief aangeduide bedrijven in Tabel 33 moet opnieuw een bedrijfsevaluatie uitgevoerd worden in 2019. Tabel 33 Resultaten van de bedrijfsevaluaties bij de staalnamecampagne 2018 (MC staat voor maatregelencategorie)

Beoordeling bedrijfsevaluatie 2018 Aantal bedrijven

categorie 0

categorie 1

categorie 2

categorie 3

958

733

128

173

Bedrijfsevaluatie niet of niet volledig uitgevoerd 211

Totaal 2.203

4.1.4.2.3 Bedrijfsstatus aan het einde van MAP 5 Onder MAP 5 werd jaarlijks een bedrijfsstatus toegekend aan elke landbouwer in Vlaanderen. Deze status werd onder meer bepaald door de ligging van de percelen in focusgebied van dat jaar en door de resultaten van de nitraatresidubepalingen van het voorgaande jaar. Binnen MAP 6 wordt deze bedrijfsstatus niet meer toegekend. Het is wel nog relevant om de bedrijfsstatus aan het einde van MAP 5, rekening houdend met de nitraatresidubepalingen van 2018, weer te geven (Tabel 34). Voor focusbedrijven met maatregelencategorie 2 en 3 blijven de verplichtingen m.b.t. vanggewassen en reductie van de bemestingsnorm immers van kracht als overgangsmaatregel. Het gaat in totaal over 747 bedrijven. Tabel 34 Bedrijfsstatus aan het einde van MAP 5 (MC staat voor maatregelencategorie)

Bedrijfsstatus aan het einde van MAP 5 Totaal aantal bedrijven

Nietfocusbedrijf

Focusbedrijf door ligging

Focusbedrijf MC 1

Focusbedrijf MC 2

Focusbedrijf MC 3

Totaal

22.512

6.388

745

460

287

30.392

4.1.4.2.4 Vrijstellingen De vrijstelling wordt verleend bij een gunstige bedrijfsevaluatie van het nitraatresidu in 2018 en op voorwaarde dat alle maatregelen verbonden aan de bedrijfsstatus van 2018 nageleefd werden ĂŠn er in de voorgaande jaren geen overtredingen vastgesteld werden of boetes of maatregelen na doorlichting opgelegd werden. Rekening houdend met de resultaten van de staalnamecampagne 2018, zijn er in totaal 3.783 bedrijven met een geldige vrijstelling in 2019.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 154 van 240


4.1.4.2.5 Gevolgen niet uitvoeren van de nitraatresidubepaling en niet naleven van de maatregelen in 2018 Sancties voor het niet uitvoeren van een verplichte nitraatresidubepaling Wanneer verplichte nitraatresidustalen niet worden genomen, had dit volgens MAP 5 een statusverhoging en boete tot gevolg. De boete bedroeg 150 euro per nitraatresidubepaling die niet gebeurde en het dubbele bij recidive. In april 2019 kregen 338 landbouwers een boete voor ĂŠĂŠn of meer niet-uitgevoerde nitraatresidubepalingen, waarvan 54 recidivisten. Het totale bedrag van de boetes was 191.850 euro. 93,9% van de landbouwers hebben hun verplichte stalen laten nemen. Dit is iets minder dan in 2017 (95,2%). Sancties voor het niet naleven van de focusmaatregelen Focusbedrijven die hun maatregelen niet naleefden, kregen volgens MAP 5, naast een statusverhoging ook een boete. Die bedroeg 250 euro. Wanneer een vanggewas moest ingezaaid worden en dit niet of onvoldoende gebeurde, was het boetebedrag 250 euro per ontbrekende ha vanggewas. Bij recidive verdubbelde de boete. In april 2019 werden 119 boetes opgelegd aan 112 landbouwers die niet voldeden aan de focusverplichtingen in 2018, waarvan 4 recidivisten. Het totale bedrag van de boetes was 47.033 euro. Een overzicht van de verschillende boetes staat in Tabel 35. Bezwaren tegen de status, opgelegde maatregelen en boetes Landbouwers konden een bezwaar indienen tegen hun status of tegen maatregelen die opgelegd werden als gevolg van de evaluatie van het nitraatresidu. Wie ook een boete had, kon daar gelijktijdig bezwaar tegen indienen. De Mestbank ontving 306 bezwaren van 297 landbouwers. Hiervan waren er 44 bezwaren (14%) gegrond. Droogteschade werd vaak aangehaald als oorzaak van het te hoge nitraatresidu in 2018. Deze bezwaren werden niet aanvaard omdat enkel wanneer die schade onmiddellijk na de selectie van de percelen gemeld werd, de Mestbank de melding kon onderzoeken en zo mogelijk een ander perceel kon selecteren. Een overzicht van de bezwaren staat in Tabel 35. Tabel 35 Een overzicht van het aantal bezwaren i.f.v. de status of sanctie waartegen bezwaar werd ingediend

status of sancties (statusverhoging + boete) waartegen bezwaar werd ingediend Status ligging in focusgebied 2019 Gevolgen van bedrijfsevaluatie van nitraatresidu 2018 Gevolgen van perceelsevaluatie van nitraatresidu 2018 Sancties voor niet nemen van stalen Sancties voor niet voor- en namelden van burenregelingen Sancties voor niet vervoeren van mest met erkend mestvoerder Sancties voor te weinig inzaaien van vanggewassen Sancties voor niet opmaken van bemestingsplan Sancties voor niet naleven uitrijregeling in focusgebied Statusverhoging na hinderen van controlestaal Totaal

aantal opgelegde boetes Geen boete Geen boete Geen boete 338 66 15 31 2 5 Geen boete

aantal bezwaren 5 90 75 90 17 9 16 1 2 1 306

aantal gegronde bezwaren 0 8 12 10 3 4 6 0 0 1 44

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 155 van 240


4.1.4.3 Controles van de nitraatresidubepaling door erkende labo’s De Mestbank voert elk jaar controles uit op de staalnames van het nitraatresidu door de erkende laboratoria. De Mestbank beschikt hierbij over twee instrumenten die een gerichte opvolging van de staalnemers mogelijk maken: − In de eerste plaats is er het “Staalname Melding Internet Loket” of SMIL (https://www.vlm.be/nl/doelgroepen/laboratoria-en-staalnemers/SMIL), waarin de laboratoria alle staalnames in het kader van het Mestdecreet moeten voormelden waardoor de toezichthouders de voorgemelde percelen in kaart kunnen brengen en controleren. − Daarnaast laat het verplicht gebruik van de “GPS-data-logger” bij de staalname toe om het precieze traject van de bemonstering op het perceel op te volgen. Dit systeem laat geen real-time opvolging door toezichthouders op terrein toe, maar maakt het wel mogelijk om het bemonsteringstraject te visualiseren en te screenen. Terreincontroles van staalnemers Tussen 1 oktober en 16 november 2018 werden in totaal op een of meerdere percelen, behorend tot 173 verschillende landbouwers, controles van staalnemers uitgevoerd. Er werden in totaal 91 verschillende staalnemers minstens één maal gecontroleerd, wat een controledruk van 59% op staalnemerniveau vertegenwoordigt. De inspecteurs oefenden toezicht uit terwijl de staalnemers de bodemstalen aan het nemen waren, hetzij door samen met de staalnemer het perceel af te lopen, hetzij door de staalnemer te observeren naast het te bemonsteren perceel. Tijdens de terreincontrole van de staalnemers wordt onder meer gecontroleerd of er voldoende boringen zijn uitgevoerd, of de boringen gebeurden tot een diepte van 90 cm, of de spreiding van de deelstalen correct gebeurt, of de verschillende bodemlagen apart bewaard worden, …. Wanneer vastgesteld wordt dat de criteria niet nageleefd worden door de staalnemers, dan onderneemt de Mestbank actie. Sinds 2016 is het sanctioneringstraject aangescherpt om zo beter aan te sluiten bij het belang van het correct nemen van deze bodemstalen. Vaststellingen met betrekking tot het nemen van bodemstalen door staalnemers leiden tot verschillende sancties, naargelang de inbreuk. Als de Mestbank een inbreuk vaststelt bij herhaling, dan kan de sanctie zwaarder zijn dan bij de eerste vaststelling. Zeer lichte inbreuken of wanneer toezichthouders van mening zijn dat een staalname beter kan verlopen wanneer enkele kleine zaken aangepast worden, wordt dit op het terrein aan de staalnemer meegedeeld als mondelinge raadgeving (of mondelinge aanmaning). Bij zware overtredingen kan de Mestbank aan het erkende laboratorium vragen om een staalnemer (tijdelijk) uit te sluiten voor het vervolg van de staalnamecampagne. Dit gebeurde in 2018 bij 2 staalnemers, voor het onvoldoende diep boren en het creëren van een vals logpatroon. In 2018 bedroeg het inbreukpercentage voor zware overtredingen 2% op staalnemerniveau. Bij de controles in 2018 werden 8 schriftelijke aanmaningen gegeven. Deze aanmaningen werden opgelegd voor onder meer een foutief bemonsteringspatroon, het niet correct overbrengen van het bodemmonster in het desbetreffende recipiënt, en het onvoldoende diep boren. In 2018 werden opnieuw minder zware overtredingen vastgesteld t.o.v. het vorige jaar. In 2016, bij de start van de striktere controle op staalnemers, werden nog bij 9% van de staalnemers zware inbreuken vastgesteld. In 2017 was dit 3% en in 2018 nog slechts 2%. Vanaf volgend jaar treedt er aanvullende wetgeving in voege waardoor er nog effectiever zal gehandhaafd kunnen worden bij de controle op staalnemers.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 156 van 240


Administratieve opvolging van de GPS-signalen Bij de staalnamecampagne van 2018 moesten de staalnemers gebruik maken van een GPS-data-logger die om de 10 seconden een GPS-signaal genereert. Wekelijks worden de data van de GPS-data-loggers overgemaakt aan de VLM. Dit laat enerzijds toe om op een snelle manier vragen van landbouwers over het tijdstip en de plaats van de staalname te verifiĂŤren. Daarnaast worden de GPS-signalen ook at random gescreend om na te gaan of ze binnen het geselecteerd perceel vallen en of het bemonsteringspatroon in orde is. In de meeste gevallen werden geen onregelmatigheden vastgesteld. Indien er twijfels waren (bijvoorbeeld een afwijkend bemonsteringspatroon), werd feedback gevraagd aan de betrokken laboratoria. Als er vastgesteld werd dat een staalname werd uitgevoerd op een ander (niet geselecteerd) perceel of wanneer het perceel niet op de juiste manier bemonsterd werd, werd de opdracht gegeven om een herstaalname uit te voeren.

4.1.5 Opvolging van dierlijke mestproductie 4.1.5.1 Doorlichting van bedrijven met dierlijke mestproductie wijst op tekort aan mestafzet Als we het aandeel van de doorgelichte productiebedrijven met dierlijke mest berekenen ten opzichte van de totale productie in Vlaanderen, blijkt dat 3,59% van de Vlaamse landbouwbedrijven met mestproductie al doorgelicht zijn (Tabel 36). Dit komt overeen met ruim 8% van de N-productie in Vlaanderen en ruim 9% van de P2O5-productie in Vlaanderen. Vooral wat pluimveemestproductie betreft, loopt dit aandeel op tot bijna 12% van de N- en P2O5-productie. Bij varkensbedrijven was dit ruim 11%. Tabel 36 Aandeel doorgelichte productiebedrijven en doorgelichte N- en P2O5-productie, bij bedrijfsdoorlichtingen in tot en met 2018

Aard dierlijke productie Runderen Varkens Pluimvee Paarden Totaal

% doorgelichte bedrijven t.o.v. totaal aantal bedrijven in Vlaanderen 3,53% 7,89% 5,86% 1,80% 3,59%

Aandeel N-productie doorgelicht in %

Aandeel P2O5-productie doorgelicht in %

6,82% 11,37% 11,77% 1,23% 8,38%

6,71% 11,48% 13,68% 1,21% 9,03%

In 2018 werden er 308 productiebedrijven doorgelicht. Bij 95 bedrijven, of 30%, werden er maatregelen opgelegd. Net zoals in 2017, is de algemene vaststelling bij productiebedrijven een tekort aan mestafzet in volume. Bij veel bedrijven werd vastgesteld dat er mest afgevoerd werd met een niet-representatieve samenstelling, wat concreet betekent dat ze minder volume afvoeren met hoge inhoudswaarden zodat de nutriĂŤntenbalans wel in evenwicht is maar er toch te veel mest op het bedrijf blijft. Andere bedrijven compenseren het tekort aan mestafzet door het aangeven van een hoeveelheid mest in opslag die hoger is dan in werkelijkheid. Bij bedrijven met een wasser, wordt regelmatig vastgesteld dat de wasser niet aanstaat of dat het spuiwater te lang hergebruikt wordt. Ook wordt vaak vastgesteld dat er onzorgvuldig omgegaan wordt met transportdocumenten, en dan specifiek met de inhoudswaarden van de mest en de mestsoorten. Zeker bij bedrijven met meerdere diersoorten, bijvoorbeeld varkens of runderen, is het moeilijk om na te gaan welke mest effectief vervoerd is naar andere bedrijven en welke op het landbouwbedrijf zelf gebleven is.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 157 van 240


De maatregelen die bij productiebedrijven het vaakst opgelegd werden, worden weergegeven in Tabel 37. Tabel 37 Overzicht van de opgelegde maatregelen voor productiebedrijven, bij bedrijfsdoorlichtingen in 2018

Opgelegde maatregel Aan- of afvoerverbod van een bepaalde meststof Aanpassen bemestingspraktijk Nitraatresidu laten bepalen op meerdere percelen (bedrijfsevaluatie) Bedrijfsvoering aanpassen ivm (mogelijke) nutriĂŤntenverliezen Bijhouden bemestingsregister en/of -plan of teeltfiche Correctie van gegevens Gevolgen na aanpassingen doorvoeren (bv. wijzigen systeem mestinhoud, afvoer beperken tot wat werkelijk aanwezig is) Uitvoeren van een specifieke actie en dit melden aan de Mestbank Overmaken gegevens en stavingsstukken aan de Mestbank Registreren van bedrijfsspecifieke gegevens Verplichte mestanalyses Verplichte mestsamenstelling gebruiken Alle mesttransporten door een erkend mestvoerder laten uitvoeren Vooraf melden staalname Totaal

Aantal 3 25 6 13 38 6

% 1,1% 9,2% 2,2% 4,8% 14,0% 2,2%

2

0,7%

13 70 2 35 19 9 30 271

4,8% 25,8% 0,7% 12,9% 7,0% 3,3% 11,1%

4.1.5.2 Ondanks groot aanbod NER, toch nog NER-overschrijding Landbouwers mogen op jaarbasis gemiddeld niet meer dieren houden op hun bedrijf dan toegelaten volgens hun nutriĂŤntenemissierechten. Hiertoe berekent de Mestbank voor elke landbouwer, op basis van het aantal dieren en de omrekeningswaarden in het Mestdecreet, de gehouden dieren uitgedrukt in NER. Aan de landbouwers met een overschrijding van meer dan 25 NER, wordt een administratieve geldboete van 1 euro per overschreden NER opgelegd. Bij herhaling van de overtreding binnen de 5 jaar na oplegging wordt de boete verdubbeld. In 2018 werd aan 1.292 landbouwers een boete opgelegd voor een totaal bedrag van 1,99 miljoen euro, voor NER-overschrijding in productiejaar 2017. Rekening houdend met de resultaten van de bezwaarbehandeling (stand van zaken 10/9/2019), hebben 988 landbouwers in 2017 meer dieren gehouden dan toegelaten volgens hun NER. De totale NER-overschrijding bedroeg 0,88 miljoen NER. Van deze landbouwers met een NERoverschrijding waren er 590 waarvoor recidive werd vastgesteld in 2017. Deze recidive landbouwers vertegenwoordigen samen een totale NER-overschrijding van 0,25 miljoen NER. 271 landbouwers hebben hun NER-overschrijding van 2017 gecompenseerd door minder dieren te houden in 2018. Door de compensatie van deze overschrijding, vervalt hun boete voor productiejaar 2017. Ook voor productiejaar 2018 werd gecontroleerd of de landbouwers niet meer dieren gehouden hebben dan toegelaten op basis van hun NER. Er is aan 1.070 landbouwers een boete opgelegd voor een totaal bedrag van ongeveer 1,46 miljoen euro. Omdat de bezwaarbehandeling voor productiejaar 2018 nog lopend is, wordt in het huidige Mestrapport niet verder stil gestaan bij de NER-overschrijding in 2018. De evolutie van de NER-overschrijding en het aantal landbouwers met NER-overschrijding is weergegeven in Figuur 102.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 158 van 240


3.500

Miljoen NER-overschrijding

4,5

3.000

4,0 2.500

3,5 3,0

2.000

2,5 1.500

2,0 1,5

1.000

1,0 500

0,5 0,0

0

Aantal landbouwers met NER-overschrijding

5,0

2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 NER-overschrijding

Aantal landbouwers met NER-overschrijding

Figuur 102 Evolutie van de NER-overschrijding en het aantal landbouwers met NER-overschrijding

4.1.5.1 Administratieve opvolging van de verhandelingen van NER Een bedrijf kan uitbreiden door de overname van nutriĂŤntenemissierechten. Bij zoâ&#x20AC;&#x2122;n overname wordt standaard 25% van de NER-D geannuleerd. De overnemer kan er ook voor opteren om 25% van de NER-D te verwerken, in plaats van ze te laten annuleren. Daarnaast zijn er een aantal uitzonderingen op de standaardregel van 25% reductie, zoals bv. een overname door naaste familie. Ook NER-MVW kunnen overgenomen worden, maar dit enkel en alleen als het ganse bedrijf overgenomen wordt. Op de overnames van NER-MVW zijn er geen reducties van toepassing. In 2018 werd in totaal 11,8 miljoen NER overgelaten waarvan 10,9 miljoen NER-D en 0,8 miljoen NER-MVW (Figuur 103). In totaal werden 1,1 miljoen NER-D gereduceerd in 2018 (10% van de overgelaten NER-D), wat de totale hoeveelheid overgenomen NER-D op 9,8 miljoen NER-D brengt. In totaal is door de overnames in de periode 2007-2018 ongeveer 13,9 miljoen NER-D gereduceerd. Van de overgelaten 10,9 miljoen NER-D, werd 40% overgedragen via een overname door naaste familie, gevolgd door 31% via een overdracht met 25% reductie. Doorheen de jaren treden verschuivingen op in type overname (Figuur 104).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 159 van 240


20 18

Miljoen verhandelde NER

1,1 16

1,4

0,9

14 0,6

12

1,3

10 14,9 8 6

1,1

13,6

13,7

11,5

9,2

9,8

4 2 0

0,2 2008

1,5

1,5

1,5

0,9

0,8

2010

2012

2014

2016

2018

NER-D*

NER-D reductie

NER-MVW

Figuur 103 Evolutie van de hoeveelheid NER die verhandeld werd in de periode 2008-2018, met onderscheid tussen de hoeveelheid NER-MVW, de hoeveelheid NER-D (* overgelaten hoeveelheid, na reducties), en de gereduceerde hoeveelheid NER-D 100%

2%

6%

7%

3%

34%

40%

90%

80%

28%

25%

7% 0% 28%

2% 0%

40%

70% 10%

60% 30% 50%

40%

24% 6%

30% 20% 10%

31%

19%

10%

7%

9%

10%

13%

11%

8%

7%

38% 19%

19%

2008

2010

2012

11% 7%

9%

27%

15%

9%

31%

0%

Gedwongen verkoop Overname door naaste familie Eerste installatie Overname met 25 % reductie

2014

2016

2018

Overname ikv melkquotum Overname door een rechtspersoon met familieverwantschap Overname ikv mestverwerking

Figuur 104 Evolutie van het aandeel van de verschillende types overnames in de overgelaten hoeveelheid NER-D in de periode 20082018

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 160 van 240


Van de 11,8 miljoen overgelaten NER in 2018 zijn 44% NER-DR, 37% NER-DV, 11% NER-DP, 1% NER-DA en 7% NER-MVW (Figuur 105). Van de 0,8 miljoen overgelaten NER-MVW in het kader van een volledige bedrijfsovername zijn 56% NER-MVWV en 42% NER-MVWP. NER-DV; 4,39; 37%

NER-DP; 1,24; 11% NER-DA; 0,17; 1%

NER-MVWR; 0,01; 0%

NER-MVWV; 0,46; 4% NER-MVW; 0,82; 7% NER-MVWP; 0,34; 3%

NER-DR; 5,15; 44%

Figuur 105 Hoeveelheid overgelaten NER (in miljoen NER) per soort NER in 2018, samen met het aandeel van de soort NER

Initieel kunnen de toegekende NER-D gebruikt worden voor alle diersoorten. Zodra de NER-D verhandeld worden, geldt echter als standaardregel dat de overgedragen NER-D vast worden en enkel de overeenkomstige diersoort ermee kan gehouden worden en de diersoort “andere dieren”. Bovendien worden de NER-D van dezelfde diersoort die gehouden werd bij de overnemer vóór de overname ook vast door de overname. Op deze standaardregel zijn een aantal uitzonderingen voorzien. Van de 9,8 miljoen overgenomen NER-D in 2018, zit 6,0 miljoen NER-D (61%) vast door het tussenschot tussen de diersoorten. Bovenop de 6,0 miljoen overgenomen NER-D die vast zijn door overnames in 2018, worden ook de NER-D van dezelfde diersoort die gehouden werden bij de overnemer vóór de overname vast bij bepaalde types overnames (overnames met annulatie van 25% of met mestverwerking). De evolutie van de hoeveelheid vaste NER-D is weergegeven in Figuur 106, samen met het percentage t.o.v. de beschikbare hoeveelheid NER-D. De hoeveelheid NER-D is gedaald met ongeveer 13,3 miljoen NER-D tussen 2007 en 2018, voornamelijk als gevolg van reducties bij overnames in de periode 2007-2018.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 161 van 240


Miljoen beschikbare NER-D

300 250 200 150 100 50 18% 0

32%

37%

39%

41%

43%

26% 2011

2013

2015

2016

2017

2018

6% 2007

2009

Vast

Vrij invulbaar

Figuur 106 Evolutie van de hoeveelheid vaste NER-D, samen met het relatief aandeel ten opzichte van de totale hoeveelheid beschikbare NER-D in de periode 2007-2018

4.1.6 Opvolging van de bemesting 4.1.6.1

Doorlichting van akkerbouwbedrijven wijst op verbetermogelijkheden bij de bemestingsstrategie In 2018 werden 189 doorlichtingen uitgevoerd bij bedrijven met akkerbouw. Bij 53 bedrijven werden er maatregelen opgelegd (28% van de doorgelichte bedrijven). Net zoals in 2017 waren de meest voorkomende vaststellingen niet-oordeelkundige bemesting en foutieve aangifte (voornamelijk kunstmest werd niet of te weinig aangegeven of de hoeveelheid mest in opslag op 1 januari was niet correct). Een overzicht van de opgelegde maatregelen wordt weergegeven in Tabel 38. Tabel 38 Overzicht van de opgelegde maatregelen voor akkerbouwbedrijven, bij bedrijfsdoorlichtingen in 2018

Opgelegde maatregel Aanpassen bemestingspraktijk Bedrijfsevaluatie Bedrijfsvoering aanpassen ivm (mogelijke) nutriĂŤntenverliezen Bijhouden bemestingsregister en/of -plan of teeltfiche Correctie van gegevens Gevolgen na aanpassingen doorvoeren (bv. wijzigen systeem mestinhoud, afvoer beperken tot wat werkelijk aanwezig is) Meldingsspecifieke actie Overmaken gegevens Registreren van bedrijfsspecifieke gegevens Verplichte mestanalyses Verplichte mestsamenstelling gebruiken Alle mesttransporten laten uitvoeren door een erkend mestvoerder Vooraf melden staalname Totaal

Aantal 20 8 3 29 2

% 14,0% 5,6% 2,1% 20,3% 1,4%

1

0,7%

2 41 1 15 8 4 9 143

1,4% 28,7% 0,7% 10,5% 5,6% 2,8% 6,3%

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 162 van 240


4.1.6.2 VODKA-actie controleert bemestingspraktijken in probleemgebieden De Mestbank voert terreincontroles uit van de bemestingspraktijken waarbij er wordt gecontroleerd of er geen overbemesting plaatsvindt, of de mest emissiearm aangewend wordt, of de uitrijregeling en de afstandsregels tot de waterloop gerespecteerd worden, of er geen mest opgebracht wordt op ondergelopen of bevroren grond, en of de opslag op de kopakker correct gebeurt. Sinds 2014 worden deze terreincontroles gebiedsgerichter ingezet in gebieden rond MAP-meetpunten waar nog een overschrijding van de drempelwaarde van 50 mg nitraat per liter wordt vastgesteld. Deze terreincontroles staan gekend onder de noemer “VODKA-actie”, staande voor Verantwoord Omgaan met Dierlijke mest, Kunstmest en Andere meststoffen. Naast de controles in VODKA-gebied, blijft de Mestbank uiteraard ook toezicht houden op de bemestingspraktijken buiten VODKA-gebied. Gelijktijdig met de terreincontroles van de bemestingspraktijken binnen VODKA-gebied, werden via omgevingscontroles op landbouwbedrijven ook risico’s op nutriëntenverliezen uit de mestopslag aangepakt. Vanaf 2018 werd er in het VODKA-gebied ook voor de eerste maal sterk ingezet op de controle van de 1 meter brede teeltvrije strook. Naast het uitvoeren van terreincontroles zijn de toezichthouders ook een aanspreekpunt voor de landbouwers. In 2017 werd er een VODKA-gebied afgebakend dat zijn uitvoering vindt over meerdere jaren (tot 2020). Er zullen in dit gebied extra controles uitgevoerd worden gedurende de winterjaren ’17-‘18, ’18-‘19 en ’19-‘20 om zo de waterkwaliteit gebiedsgericht te verbeteren. Het gebied werd afgebakend rond de MAPmeetpunten, waar de drempelwaarde van 50 mg nitraat per liter sterk of regelmatig wordt overschreden en in aanvulling hierop in de gebieden met een negatieve grondwaterkwaliteit. Er wordt naar gestreefd om minimaal één dag per week een controleploeg van de Mestbank aanwezig te hebben in elke gemeente behorende tot het VODKA-gebied. Er wordt tevens gestreefd naar een zichtbare aanwezigheid van een controleploeg van de Mestbank in de VODKA-gemeenten van minstens 2 dagen per week gedurende het bemestingsseizoen (maart-april). In 2018 werden 3.432 terreincontroles van de bemestingspraktijken uitgevoerd, waarvan 2.820 opbrengingscontroles en 612 kopakkercontroles. Hierbij werd er telkens minstens één perceel of een cluster van percelen gecontroleerd. Van de 3.432 terreincontroles gingen er 2.172 door in VODKA-gebied (63%), waarvan 1.869 opbrengingscontroles en 303 kopakkercontroles. In 2019 werden er volgens een stand van zaken op 30 juni 2019 al 2.658 terreincontroles van de bemestingspraktijken uitgevoerd, waarvan 2.354 opbrengingscontroles en 304 kopakkercontroles. 64% van de controles gingen door in VODKA-gebied, 1.712 in totaal waarvan 1.541 opbrengingscontroles en 171 kopakkercontroles.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 163 van 240


Figuur 107 VODKA-gebied 2018-2019

In 2018 werden bij 224 controles (6,5%) één of meerdere inbreuken vastgesteld. Dit is een verdere verbetering t.o.v. voorgaande jaren. In 2015 werden nog 11% controles met inbreuken vastgesteld. Van de 2.820 opbrengingscontroles in 2018 werd bij 160 minstens één inbreuk vastgesteld (5,7%), van de 612 kopakkercontroles werd bij 64 minstens één inbreuk vastgesteld (10%). Volgens een stand van zaken op 30 juni 2019 werden er in de eerste helft van 2019 bij 134 controles (5%) één of meerdere inbreuken vastgesteld. Van de 2.354 opbrengingscontroles in 2019 werd bij 108 minstens één inbreuk vastgesteld (4,6%), van de 304 kopakkercontroles werd bij 26 minstens één inbreuk vastgesteld (8,6%). De verhoogde aanwezigheid in VODKA-gebied resulteert in een lager inbreukpercentage binnen VODKAgebied. In 2018 werd bij 5,3% van de controles binnen VODKA-gebied inbreuken vastgesteld, tegenover 8,7% buiten VODKA-gebied. Ook in 2019 kan men dezelfde trend vaststellen, met een inbreukpercentage van 3,3% binnen VODKA-gebied en 8,1% buiten VODKA-gebied. De aankondiging van de actie via mailing aan alle landbouwers van het VODKA-gebied kan zijn effect hebben op een betere nalevingsgraad. Ook de frequente, zichtbare aanwezigheid in deze gemeenten kan leiden tot grotere voorzichtigheid bij de landbouwers. Door de grotere aanwezigheid en uitgevoerde controles in VODKA-gebied, wordt een beter beeld verkregen van de nalevingsgraad dan buiten VODKA-gebied. De vaststellingen buiten VODKA-gebied gebeuren immers meer naar aanleiding van meldingen of ad hoc op weg naar andere controleplaatsen. Hierdoor worden relatief meer inbreuken geregistreerd, en zijn de controles minder representatief voor de algemene nalevingsgraad buiten het VODKA-gebied. Tabel 39 geeft een overzicht van het aantal inbreuken vastgesteld bij de controles van de bemestingspraktijken in 2018. Bij één controle kunnen meerdere inbreuken weerhouden worden. Voor 49% van de vastgestelde inbreuken werd een aanmaning of raadgeving gegeven. De meest voorkomende inbreuken zijn: de niet-emissiearme aanwending van mest (33%), het niet naleven van de voorwaarden voor

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 164 van 240


de kopakkeropslag (28%) en bemesting te dicht bij de waterloop (20%). In 2019 blijven dit de drie meest voorkomende inbreuken (Tabel 40). In 2018 zijn er duidelijk minder inbreuken i.v.m. bemesting te dicht bij de waterloop (20% van de inbreuken) in vergelijking met voorgaande jaren (zo’n 30%). Dit kan in verband gebracht worden met de introductie van de teeltvrije zone in 2018 (zie 4.1.6.3) waardoor mogelijks extra aandacht was voor de afstandsregels tot de waterloop. Tabel 39 Aantal inbreuken vastgesteld bij terreincontroles van de bemestingspraktijken in 2018, per soort inbreuk, samen met het aantal aanmaningen of raadgevingen en processen-verbaal (PV’s) of geldboetes

Type inbreuk Bemesting te dicht bij waterlopen* Geen emissiearme aanwending Voorwaarden kopakkeropslag niet nageleefd Niet naleven uitrijregeling Verbod op bemesting (uitgez. 2GVE) niet nageleefd Niet naleven focusmaatregelen Lozing n.a.v. het opbrengen van meststoffen Lozing n.a.v. de kopakkeropslag Bemesting op bevroren of ondergelopen land Totaal

Aantal inbreuken

% t.o.v. totaal aantal inbreuken

Aanmaning of raadgeving

52 84 70 10

20% 33% 28% 4,0%

24 28 63 4

PV of geldboete 28 56 7 6

9

3,5%

0

9

5 12 4 8 254

2,0% 4,7%

1 1 2 1 124

4 11 2 7 130

3,1%

* Niet alle percelen liggen langsheen een waterloop. Van het totaal aantal opbrengingscontroles werden er ongeveer 700 uitgevoerd op percelen gelegen langs een waterloop. Dit leidt tot een inbreukpercentage van 7,4% op perceelsniveau Tabel 40 Aantal inbreuken vastgesteld bij terreincontroles van de bemestingspraktijken in 2019 (stand van zaken op 30 juni 2019), per soort inbreuk, samen met het aantal aanmaningen of raadgevingen en processen-verbaal (PV’s) of geldboetes

Type inbreuk Geen emissiearme aanwending Voorwaarden kopakkeropslag niet nageleefd Bemesting te dicht bij waterlopen* Bemesting op bevroren of ondergelopen land Lozing n.a.v. het opbrengen van meststoffen Verbod op bemesting (uitgez. 2GVE) niet nageleefd Niet naleven uitrijregeling Lozing n.a.v. de kopakkeropslag Totaal

Aantal inbreuken

% t.o.v. totaal aantal inbreuken

Aanmaning of raadgeving

61 25 40 3 6 10 4 2 151

40% 17% 26% 2,0% 4,0% 6,6% 2,6% 1,3%

16 24 16 1 0 0 1 1 59

PV of geldboete 45 1 24 2 6 10 3 1 92

*Er werden controles uitgevoerd op ongeveer 640 percelen die gelegen zijn langsheen een waterloop

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 165 van 240


Sensibilisering naar de bemesting langs waterlopen kan milieuverliezen verminderen Bemestingsvrije stroken zijn moeilijk te controleren maar hebben een effect op de waterkwaliteit. De studie “bemestingsvrije stroken langs waterlopen” (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°12) bevat pistes om het direct meemesten van de waterlopen verder terug te dringen zonder veel bijkomende economische verliezen voor de landbouwers. Het direct meemesten zou volledig kunnen wegvallen door overal een optimale bemestingsvrije strookbreedte in functie van de gebruikte bemestingstechniek toe te passen: voor precisiebemestingstechnieken zoals rijenbemesting, injectie, enz. valt de optimale strookbreedte immers terug te dringen tot veel minder dan 5 meter. Bij een te kleine strook wordt de kans wel groter dat de mest afstroomt. Anderzijds zou de strookbreedte bij sommige breedwerpige technieken sterk verbreed moeten worden om milieuverliezen te vermijden, wat opbrengstverliezen met zich zou meebrengen. Door steeds de best beschikbare bemestingstechnieken te gebruiken kan dat voorkomen worden, maar dat gaat wel gepaard met investeringen in nieuwe machines. Het systematisch toepassen van kantstrooien bij opbrengen van kunstmestkorrels langs waterlopen zou een kleinere extra machinekost met zich meebrengen, maar kan meemesthoeveelheden met bijna de helft terugdringen zonder invloed op de gewasopbrengst. Verdere sensibilisering voor het gebruik van best beschikbare technieken en kantstrooien is dus noodzakelijk. Opslag van stalmest op de kopakker In MAP 6 wordt de opslag van stalmest op de kopakker wettelijk terug ruimer mogelijk gemaakt, maar controle is wel noodzakelijk. Uit literatuuronderzoek door het onderzoeksplatform (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°7), bleek immers dat de N-uitspoelingsverliezen door de opslag op de kopakker beperkt zijn ten opzicht van de totaal hoeveelheid N die wordt opgeslagen. Deze opslag kan best volgende goede praktijken in acht nemen: niet langs de waterloop, niet op te natte akkers, stro toevoegen, de mestopslag afdekken etc. De invloed op de gasvormige N-verliezen, die in kader van PAS en het klimaatbeleid een aandachtspunt zijn, is minder goed bekend.

4.1.6.3 Verscherpt toezicht op de teeltvrije zone langs waterlopen Door een uitbreiding van de toezichtsbevoegdheden van de Mestbank, kunnen de toezichthouders vanaf 2018 ook controle uitoefenen op de teeltvrije zone langs waterlopen. De teeltvrije zone is de zone van minstens 1 meter tot de waterloop waar geen bodembewerkingen mogen plaatsvinden en geen meststoffen of pesticiden mogen gebruikt worden. Op deze manier ontstaat een strook van minstens 1 meter die geen oogstbare teelt kan voortbrengen. Vanaf 2018 wordt er door de toezichthouders van de Mestbank, in samenwerking met de toezichthouders van de VMM en de provincies, actief gecontroleerd op het aanhouden van de teeltvrije zone. Ook de controleagenten van het Departement Landbouw en Visserij hebben aandacht voor de teeltvrije zone bij controles van de rand- en vergroeningsvoorwaarden. In het voorjaar van 2018 werden er door de toezichthouders van de Mestbank 14 waterlopen, verspreid over volledig Vlaanderen, afgestapt in het kader van een controle op de teeltvrije zone. De selectie vond plaats in die gebieden waar de waterkwaliteit nog ondermaats is en waar extra aandacht voor de bemesting langs waterlopen kan helpen om de waterkwaliteit te verbeteren. De waterlopen zijn dan ook gelegen in focusgebied én in het VODKA-gebied. Sporadisch werden ook nog ad-hoc controles uitgevoerd, voornamelijk dan na het ontvangen van een melding van een overtreding. Tijdens de afstapping van de waterloop inspecteren de toezichthouders de percelen langs de waterloop op sporen van grondbewerking. Vinden zij deze sporen dan wordt de landbouwer aangesproken en aangemaand om in de toekomst, bij de volgende bewerking van het perceel, de teeltvrije zone wel aan te houden. Doet hij

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 166 van 240


dit niet, dan zal er een proces verbaal opgemaakt worden. In 2018 werden een 780-tal percelen gecontroleerd, waarbij op 293 percelen (38%) grondbewerkingen teruggevonden werden in de 1-meter teeltvrije zone. Deze 293 percelen behoorden toe aan 169 verschillende landbouwbedrijven. Zij ontvingen elk een aanmaning of raadgeving om hen in te lichten over de teeltvrije zone en werden ook persoonlijk gecontacteerd. Van de 780-tal percelen die gecontroleerd werden, was 38% niet in regel met de wetgeving omtrent de teeltvrije zone. Indien enkel gekeken wordt naar akkerland (grasland is meestal conform de wettelijke bepaling) dan stijgt dit percentage naar 49%. Bij 1/3de van de gecontroleerde percelen was er helemaal geen of slechts een uiterst smalle rand tussen de talud van de waterloop en het bewerkte perceel. Het risico op afspoeling van meststoffen en erosie op deze percelen is dan ook groot. In de tweede jaarhelft van 2018 werden er hercontroles van de betrokken percelen, waarop de aanmaningen en raadgevingen betrekking hadden, uitgevoerd. Uit de resultaten blijkt dat de aanmaningen en raadgevingen goed zijn nageleefd. Er werd maar bij 5 landbouwers opnieuw een inbreuk vastgesteld (4%), waarbij door de landbouwer opnieuw een teelt werd ingezaaid tot in de teeltvrije zone of de teeltvrije zone bewerkt werd. Er werden dan ook 5 processen verbaal opgemaakt. De actie werd opnieuw uitgevoerd in 2019 langs 16 andere waterlopen. In totaal werden 639 percelen gecontroleerd, waarbij op 167 percelen (26%) grondbewerkingen werden teruggevonden in de teeltvrije zone. In totaal werden er 128 landbouwers aangeschreven om de wetgeving in het vervolg na te leven. Volgens eerste resultaten van hercontroles werd bij 1 landbouwer opnieuw een inbreuk vastgesteld waardoor hij een pv ontving. Waar in 2018 nog een inbreukpercentage werd vastgesteld van 49% o.b.v. de gecontroleerde akkerlanden, is dit percentage gedaald tot 39% in 2019. Dit is positieve tendens, maar er is nog aanzienlijke verbetering nodig. Vanaf volgend jaar zal er dan ook strenger opgetreden worden tegen inbreuken.

4.1.7 Omgevingscontroles op landbouwbedrijven focussen op mestopslag Omgevingscontroles bestaan uit een afstapping op het landbouwbedrijf, het mestverwerkingsbedrijf of het verzamelpunt door toezichthouders met als doel (potentiële) nutriëntenverliezen op te sporen. Een slechte staat van de mestopslag vormt een belangrijk risico op nutriëntenverliezen. Vandaar de focus op de constructie en het oordeelkundig gebruik van de mestopslag. Ook bij be-verwerkingseenheden worden de mestopslagen gecontroleerd op hun constructievoorwaarden en potentiele nutriëntenverliezen (zie 4.1.11.5). Aan welke voorwaarden een mestopslag moet voldoen, wordt geregeld via de Vlarem-reglementering. De controle van de constructie van de mestopslag behoort tot de toezichtsbevoegdheden van de Mestbank. In 2018 werden er bij 394 landbouwbedrijven omgevingscontroles uitgevoerd met betrekking tot een controle van de mestopslag(en). Deze bedrijven werden bezocht naar aanleiding van een melding of in functie van de VODKA-actie waar alle landbouwbedrijven in een afgebakende zone een toezichthouder op bezoek kregen. Bij 84 van deze bedrijven is één of meerdere hercontrole(s) uitgevoerd om de opvolging van afspraken na te gaan (waarvan er 28 hercontroles volgen uit een controle in het voorgaande jaar). In 2018 werden er bij 172 bedrijven overtredingen vastgesteld en werd er waar nodig aangemaand om de mestopslag conform de Vlarem-regelgeving aan te passen (44% van de 394 gecontroleerde bedrijven). Het inbreukpercentage bij controles van de mestopslag blijft hoog en vergelijkbaar met voorgaande jaren. Bij 10 hercontroles werden er opnieuw overtredingen vastgesteld en werden de gevraagde werken niet correct of volledig uitgevoerd. Deze bedrijven worden verder opgevolgd. In de meest ernstige gevallen, waar vaak ook al

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 167 van 240


sprake was van lozing van nutriënten naar het oppervlaktewater, werd een proces-verbaal (PV) opgesteld. Dit was in 2018 het geval bij 39 controles (10% van de 394 gecontroleerde bedrijven). Bij 1 hercontrole werd er ook pv opgemaakt omdat de gevraagde aanpassingen niet werden uitgevoerd. In 2019 werden er 237 landbouwbedrijven gecontroleerd (stand van zaken 30 juni 2019) en waren er 97 niet in orde met hun opslag van dierlijke mest. Op 33 bedrijven vond reeds een hercontrole plaats. Er werden 28 processen-verbaal uitgeschreven tegen 27 bedrijven. De overige bedrijven waar er inbreuken werden vastgesteld werden aangemaand om zich binnen een afgesproken periode terug in regel te stellen. Bij ongeveer 85% van alle vaststellingen in 2019 en 2018, hadden de inbreuken betrekking op de permanente opslag van vaste dierlijke mest. Deze vaststellingen hadden vooral betrekking op het ontbreken of niet mestdicht zijn van de 3 muren rond de vaste mestopslag, de afvloei van mestsappen uit de mestopslag of de opvangciterne en het helemaal ontbreken van een citerne voor het opvangen van deze mestsappen. Bij mestkelders en -silo’s voor de opslag van vloeibare mest waren de meest voorkomende vaststellingen de mestdichtheid die te wensen over liet of opslagen die niet volledig afgedekt waren. Hierbij dient er wel opgemerkt te worden dat het veel eenvoudiger is om duidelijke vaststellingen te doen bij een bovengrondse opslagplaats (meestal voor vaste mest) dan bij een ondergrondse opslagplaats (meestal voor mengmest). Het vermoeden heerst dan ook dat bij veel (oude) ondergrondse opslagplaatsen, de mestkelder niet meer volledig mestdicht is. Ondertussen werd hiervoor een nieuwe studie opgestart om de constructievoorwaarden, opgenomen in het Vlarem, voor ondergrondse mestopslagplaatsen te herbekijken en ook te bekijken hoe een betere opvolging van de mestdichtheid te verwezenlijken is14.

4.1.8 Controles van biologische luchtwassers Bij een biologische luchtwasser zorgen bacteriën voor de verwijdering van ammoniak uit de stallucht. Hierbij ontstaat spuiwater, een restproduct dat nitraat en nitriet bevat. Spuiwater uit biologische luchtwassers wordt beschouwd als een andere meststof. Voor de correct afzet van spuiwater uit biologische wassers op landbouwgrond is onder meer een jaarlijkse analyse van het spuiwater nodig. Tijdens de omgevingscontroles van landbouwbedrijven, kijken de toezichthouders van de Mestbank na of het spuiwater van biologische wassers correct wordt bemonsterd en afgezet. Daarnaast kijken ze ook na of de wassers correct worden gebruikt. Ook de afdeling Handhaving van het Departement Omgeving controleert of de wassers correct worden gebruikt. Controles van de afdeling Handhaving spitsen zich vooral toe op de constructie van de wasser. Er wordt gecontroleerd of de lucht die via een luchtwasser de stal verlaat een ammoniakreductie van minstens 70% behaalt. Soms voeren toezichthouders van de Mestbank samen een controle uit met de collega’s van de afdeling Handhaving. Zowel de toezichthouders van de Mestbank als de afdeling Handhaving stellen vast dat de biologische wassers onvoldoende correct worden gebruikt. Hieronder is een overzicht gegeven van de vaststellingen van beide inspectiediensten in 2018.

14

Studie naar optimalisatiemogelijkheden voor de huidige constructievoorschriften van mestopslagplaatsen. De studie wordt uitgevoerd in opdracht van de afdeling Handhaving van het Departement Omgeving. De termijn is 6 maanden (tot maart-april 2020).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 168 van 240


Vaststellingen bij de 56 gecontroleerde biologische luchtwassers in 2018 door de afdeling Handhaving van het Departement Omgeving: − Bij de helft van de biologische luchtwassers was de werking onvoldoende. − Bij nagenoeg de helft van de biologische luchtwassers werd geen of slechts een onvolledig logboek bijgehouden. Daardoor kan de exploitant niet aantonen dat hij de werking van zijn luchtwasser controleert en tijdig ingrijpt als zich problemen voordoen. − Bij 27% van de biologische luchtwassers ontbrak een constructieattest, dat aantoont dat de luchtwasser ammoniakemissiearm is gebouwd, in overeenstemming met de regelgeving. − 1 op 6 biologische luchtwassers was niet geconstrueerd conform de regelgeving (bypasses, geen veilige toegang tot de luchtwasser, …). − De administratie die bij een biologische luchtwasser hoort, vertoonde in de helft van de gevallen tekortkomingen (ontbreken van technische fiche, …). − Slechts een heel klein percentage van de biologische luchtwassers voldeed niet aan het ammoniakemissiearm stalsysteem zoals het was opgenomen in de omgevingsvergunning. Vaststellingen bij de 33 gecontroleerde biologische luchtwassers in de periode januari 2018 t.e.m. juni 2019 door de dienst Handhaving van de Mestbank: − Bij 17% van de controles waren de luchtwassers niet actief. − Bij 17% van de controles, was er een risico op vervuiling van het oppervlaktewater doordat het spuiwater niet correct werd bijgehouden. − In 24% van de gevallen was er geen of een defecte debietmeter aanwezig voor het spuiwater. Daardoor weet de Mestbank niet hoeveel spui in Vlaanderen wordt geproduceerd. − In 75% van de gevallen, is er een probleem met de twee verplichte analyses van het spuiwater. Daardoor is de Mestbank niet op de hoogte van de correcte samenstelling van het spuiwater. − Slechts in de helft van de gevallen, was het onderhoud in orde. − 92% van de grotere klasse 1-bedrijven (bedrijven die bepaald zijn volgens de Europese Richtlijn Industriële Emissies ) waren in orde. Op die grotere bedrijven voert de afdeling Handhaving van het Departement Omgeving minstens om de 3 jaar toezicht uit op de werking van de wassers. Omwille van het belang van een goed functionerende wasser voor de aanpak van de uitstoot van ammoniak, wordt streng gesanctioneerd bij inbreuken. Vaststellingen kunnen leiden tot een PV of bestuurlijke geldboete. De hoogte van de geldboete houdt rekening met de ernst, frequentie en omstandigheden van de inbreuk.

4.1.9 Controle van derogatiepercelen en -bedrijven De controles van derogatiebedrijven bestaan uit verschillende processen. In een eerste stap wordt de aanvraag administratief gecontroleerd op ontvankelijkheid. In een volgende stap worden voor alle bedrijven met een ontvankelijke aanvraag, administratieve controles uitgevoerd van de percelen. Daarnaast worden voor een selectie van bedrijven en percelen controles uitgevoerd op terrein om na te gaan of de derogatievoorwaarden gerespecteerd worden.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 169 van 240


4.1.9.1 Administratieve controles van de aanvraag als eerste stap Een geldige aanvraag voor derogatie vereist twee stappen, eerst via een aanvraag bij de Mestbank op het Mestbankloket en vervolgens via de verzamelaanvraag bij het Departement Landbouw en Visserij op het eloket. De aanvraag bij de Mestbank moet ingediend worden tegen uiterlijk 15 februari en de verzamelaanvraag moet ingediend worden tegen uiterlijk 21 april. Als de verzamelaanvraag tijdig ingediend is, kon de landbouwer nog aanpassingen doen aan de derogatiepercelen op zijn verzamelaanvraag tot en met 31 mei. Landbouwers die ten gevolge van een terreincontrole in 2017 een verbod opgelegd kregen voor derogatie op het volledige bedrijf in 2018, kunnen geen derogatie meer aanvragen voor 2018. De betrokken landbouwers werden hiervan op de hoogte gesteld bij de kennisgeving van de resultaten van de terreincontroles van 2017. De Mestbank inventariseert de aanvragen voor derogatie en gaat na of de aanvragen ontvankelijk zijn. Zo wordt gecontroleerd of de aanvraag volledig en tijdig gebeurde en wordt nagegaan of er geen verbod is opgelegd voor derogatie voor het volledige bedrijf als gevolg van een terreincontrole in het voorgaande jaar. In 2018 dienden 3.225 landbouwers een aanvraag voor derogatie in bij de Mestbank. 2.831 landbouwers vroegen derogatie aan via de verzamelaanvraag op het e-loket van het Departement Landbouw en Visserij, voor een totale oppervlakte van 95.247 ha. Voor 2.778 landbouwers was de aanvraag ontvankelijk in 2018, overeenkomend met 94.443 ha. 4.1.9.2 Weinig afkeuringen bij administratieve controles van de derogatiepercelen In een volgende stap voert de Mestbank administratieve controles uit van de percelen. Tijdens deze administratieve controles wordt voor de percelen waarvoor derogatie wordt aangevraagd, onder meer nagegaan of de landbouwer beschikt over de bemestingsrechten voor het perceel, de teelt in aanmerking komt voor derogatie, en of er geen verbod is opgelegd voor derogatie voor een bepaalde teeltgroep als gevolg van een terreincontrole in het voorgaande jaar. Bij het indienen van de verzamelaanvraag via het e-loket wordt door het Departement Landbouw en Visserij een aantal checks uitgevoerd waardoor minder fouten voorkomen bij de aanvraag. Daarnaast voert het Departement Landbouw en Visserij een aantal incoherentiecontroles uit eens de uiterlijke indieningsdatum van de verzamelaanvraag verstreken is. Na deze administratieve controle van de aanvragen, werd in 2018 derogatie toegekend aan 2.769 landbouwers, goed voor een totaal derogatieareaal van 94.079 ha. Na de administratieve controle van de percelen werd bij 136 landbouwers derogatie afgekeurd in 2018 op ĂŠĂŠn of meerdere percelen. In totaal werd op basis van de administratieve controles, derogatie geweigerd voor een areaal van 364 ha in 2018. De landbouwer die voor een bepaald jaar derogatie heeft aangevraagd, zorgt dat hij tijdig zijn Mestbankaangifte bij de Mestbank heeft ingediend. Wanneer dat niet het geval is, verliest hij voor alle percelen van het bedrijf het recht op een aanvraag voor een nieuwe derogatie voor het volgende kalenderjaar. Voor 2019 kunnen hierdoor 11 landbouwers geen derogatie aanvragen. 4.1.9.3 Weinig vaststellingen bij terreincontroles van derogatiepercelen, wel bij derogatiebedrijven De terreincontroles in het kader van derogatie omvatten enerzijds volledige controles van derogatiebedrijven op de naleving van de derogatievoorwaarden en anderzijds gerichte teeltcontroles van derogatiepercelen. Sinds 2012 worden zowel de controles van de derogatiepercelen als van de derogatiebedrijven uitgevoerd door het Departement Landbouw en Visserij. De resultaten van de terreincontroles worden doorgegeven aan de Mestbank.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 170 van 240


Bij de controle van derogatiebedrijven wordt de naleving van de derogatievoorwaarden opgevolgd. Er wordt onder meer nagegaan of de voorwaarden m.b.t. bemesting, verbodsperiode voor bemesting, scheuren van grasland, bemestingsplan en -register, bodemanalyses en mestopslag gerespecteerd worden. In overeenstemming met het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie van 3 september 2015, wordt gestreefd naar een controle van minstens 7% van de derogatiebedrijven. De bedrijven worden geselecteerd op basis van een risicoanalyse. In 2018 werden 219 derogatiebedrijven gecontroleerd bij de bedrijfscontroles. Bij 66 bedrijven (30%) werden echter één of meerdere inbreuken, in totaal 91, tegen de derogatievoorwaarden vastgesteld. Tabel 41 geeft een overzicht van het aantal landbouwers per type vastgestelde inbreuk tegen de derogatievoorwaarden. Tegen het nemen van voldoende bodemstalen werden veel overtredingen vastgesteld. Daarnaast blijft het niet of niet correct bijhouden van een bemestingsplan een veel voorkomende inbreuk. Hierbij wordt opgemerkt dat de gecontroleerde bedrijven met een onvolledig bemestingsplan, 7 dagen tijd hadden om hun bemestingsplan aan te vullen. Tabel 41 Overzicht van de vaststellingen bij de terreincontroles van derogatiebedrijven in 2018, uitgedrukt in aantal bedrijven samen met het relatief aandeel

Vaststelling Onvoldoende fosfaatanalyses Onvoldoende stikstofanalyses Geen bemestingsplan aanwezig Niet-derogatiemest gebruikt Overbemesting Bemesting uitgevoerd op gescheurde graslanden (uitgezonderd beweiding) Totaal aantal overtredingen derogatievoorwaarden

Aantal derogatiebedrijven 19 57 12 1 1

% t.o.v. totaal aantal overtredingen 21% 63% 13% 1% 1%

1

1%

91

De teeltcontroles van derogatiepercelen omvatten drie deelacties waarbij op het terrein een aantal aspecten gecontroleerd worden: − In het voorjaar (maart) wordt een selectie van derogatiepercelen met als hoofdteelt maïs gecontroleerd om na te gaan of een voorteelt gras of snijrogge ingezaaid of aanwezig is. − In de periode mei-september wordt de hoofdteelt van een selectie van derogatiepercelen gecontroleerd om na te gaan of de vastgestelde hoofdteelt overeenkomt met de aangegeven hoofdteelt en een derogatiegewas is. − In het najaar (oktober) wordt een selectie van derogatiepercelen met als hoofdteelt wintertarwe of triticale gecontroleerd om na te gaan of een vanggewas als nateelt aanwezig is. In overeenstemming met het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie van 3 september 2015, wordt gestreefd naar een controle van de derogatiepercelen bij minstens 7% van de derogatiebedrijven. Er werden derogatiepercelen gecontroleerd in het kader van de algemene teeltcontroles die uitgevoerd worden door het Departement Landbouw en Visserij. In totaal werden in 2018 8.454 derogatiepercelen van 1.050 derogatiebedrijven gecontroleerd. Tabel 42 geeft een overzicht van de vaststellingen bij de terreincontroles van derogatiepercelen in 2018.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 171 van 240


−

Bij 15 (0,3%) van 5.722 op de voorteelt gecontroleerde derogatiepercelen, werd op terrein vastgesteld dat de voorjaarsteelt gras of snijrogge, voorafgaand aan de hoofdteelt maïs, te vroeg werd gemaaid en afgevoerd. Op 6 percelen werd een andere voorteelt dan gras of snijrogge vastgesteld. − Van de 2.917 op de hoofdteelt gecontroleerde derogatiepercelen, waren er 9 (0,31%) waarbij op het terrein werd vastgesteld dat de hoofdteelt geen derogatiegewas was. In 2018 konden landbouwers naar aanleiding van teeltmislukking omwille van de droge klimaatomstandigheden nog teeltwijzigingen doorvoeren na 30/5. Voor derogatieteelten werd dit maar in bepaalde gevallen aanvaard. De teeltcombinatie gras-maïs kon bijvoorbeeld wel nog veranderd worden naar gras, wanneer de maïs niet ingezaaid kon worden. In 4 gevallen werd vastgesteld dat de oorspronkelijk aangegeven derogatiehoofdteelt na 31/5 (te laat) nog vervangen werd door een niet-derogatieteelt. In 2 gevallen werd de oorspronkelijk aangegeven derogatiehoofdteelt na 31/5 vervangen door een derogatieteelt met een lagere norm. − Bij 8 (8,6%) van de 94 op de nateelt gecontroleerde derogatiepercelen, werd op terrein vastgesteld dat het vanggewas na wintertarwe of triticale te laat is ingezaaid of te vroeg is ingewerkt. In totaal werden bij 44 gecontroleerde derogatiepercelen (0,5% van de in totaal 8.454 gecontroleerde derogatiepercelen) van 34 derogatiebedrijven (3,2% van de in totaal 1.050 gecontroleerde derogatiebedrijven) inbreuken vastgesteld tegen de derogatievoorwaarden die geleid hebben tot een sanctie voor 2019. Tabel 42 Overzicht van de vaststellingen bij de terreincontroles van derogatiepercelen in 2018, uitgedrukt in aantal percelen samen met het relatief aandeel

Vaststelling Controles voorteelt Voorjaarsteelt te vroeg gemaaid en afgevoerd Vastgestelde voorteelt voor maïs is geen gras of snijrogge Controles hoofdteelt Geen derogatiehoofdteelt De oorspronkelijk aangegeven derogatiehoofdteelt werd na 31/5 (te laat) nog vervangen door een niet-derogatieteelt De oorspronkelijk aangegeven derogatiehoofdteelt werd na 31/5 (te laat) nog vervangen door een derogatieteelt met een lagere norm Controles nateelt Vanggewas te laat ingezaaid Som

Aantal derogatiepercelen met vaststelling 21 15

Totaal aantal controles van derogatie-percelen 5.722

% t.o.v. totaal aantal controles derogatie-percelen 0,37%

2.917

0,51%

94

8,51%

8.733

0,50%

6 15 9 4

2 8 8 44

Ten gevolge van de bedrijfs- en perceelscontroles in 2018, zijn er in totaal 97 bedrijven met sancties voor 2019. 73 bedrijven verliezen het recht om derogatie aan te vragen voor het ganse bedrijf in 2019. 26 bedrijven kunnen geen derogatie meer aanvragen in 2019 voor één of meerdere teeltgroepen.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 172 van 240


Naast deze 97 bedrijven met sancties voor 2019 ten gevolge van de bedrijfs- en perceelscontroles in 2018, zijn er ook 11 bedrijven die in 2019 geen derogatie kunnen aanvragen omdat ze hun Mestbankaangifte niet tijdig hebben ingediend.

4.1.10 Opvolging van tuinbouwbedrijven 4.1.10.1 Doorlichting van grondloze tuinbouwbedrijven detecteert risico’s op nutriëntenverliezen In 2018 werden 143 tuinbouwbedrijven doorgelicht. Hiervan waren er 50 bedrijven met grondloze tuinbouw. Dit komt neer op ongeveer 7% van de bedrijven met grondloze tuinbouw in Vlaanderen. Bij 14 bedrijven zijn maatregelen opgelegd (28% van de doorgelichte bedrijven). Net zoals in 2016 en 2017, hadden de meest voorkomende inbreuken betrekking op nutriëntenverliezen of een risico op nutriëntenverliezen. Dit werd niet alleen rechtstreeks vastgesteld via lekkende folies of lekken in leidingen van voedingswater maar vaak werd het drainwater of de spuistroom niet of niet voldoende opgevangen. Een tekort aan de wettelijk voorziene opvangcapaciteit voor spuistroom was hierbij een veelvoorkomende vaststelling. Verder ontbrak er vaak een overzicht van de gebruikte kunstmeststoffen voor de aanmaak van voedingswater of was de op de aangifte vermelde geproduceerde hoeveelheid spuistroom niet in overeenstemming met wat verwacht wordt op basis van de teelt of teelttechniek en werden er meer gegevens opgevraagd. De maatregelen om de bemestingspraktijk aan te passen, hadden vooral betrekking op de afzet van spuistroom of waren maatregelen voor de opslag of het opbrengen van oogstresten. Een overzicht van de opgelegde maatregelen wordt weergegeven in Tabel 43. Tabel 43 Overzicht van de opgelegde maatregelen voor grondloze tuinbouwbedrijven, bij bedrijfsdoorlichtingen in 2018

Opgelegde maatregel Aan- of afvoerverbod van een bepaalde meststof Aanpassen bemestingspraktijk Bedrijfsvoering aanpassen ivm (mogelijke) nutriëntenverliezen Bijhouden bemestingsregister en/of -plan of teeltfiche Meldingsspecifieke actie Overmaken gegevens Verplichte mestanalyses Verplichte mestsamenstelling gebruiken Vooraf melden staalname Totaal

Aantal 1 6 27 4 3 9 2 1 1 54

% 1,9% 11,1% 50,0% 7,4% 5,6% 16,7% 3,7% 1,9% 1,9%

4.1.10.2 Doorlichting van vollegrondstuinbouwbedrijven wijst op verbetermogelijkheden bij de bemestingsstrategie en bij de registratie van kunstmest In 2018 werden 113 bedrijven met tuinbouw in volle grond, al dan niet in serres, uitgevoerd, zo’n 2% van het totaal aantal bedrijven met vollegrondstuinbouw. Bij 41 bedrijven met vollegrondstuinbouw, werden er maatregelen opgelegd (36% van de doorgelichte bedrijven). Ook hier liggen de vaststellingen in dezelfde lijn als van 2016 en 2017. Vaak werd vastgesteld dat het kunstmestgebruik niet of niet voldoende aangegeven werd of dat er niet oordeelkundig bemest werd. De meeste maatregelen hadden dan ook betrekking op het doorgeven van kunstmestgegevens of het verplicht bijhouden van een bemestingsplan of bemestingsregister. Het aanpassen van de bemestingspraktijk en de verplichting om extra stikstofanalyses voor bemestingsadvies

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 173 van 240


te nemen of om de stalen op relevantere tijdstippen te laten nemen, werd bij vollegrondstuinbouwbedrijven ook een aantal keren opgelegd. Een overzicht van de opgelegde maatregelen wordt weergegeven in Tabel 44. Tabel 44 Overzicht van de opgelegde maatregelen voor vollegrondstuinbouwbedrijven, bij bedrijfsdoorlichtingen in 2018

Opgelegde maatregel Aan- of afvoerverbod van een bepaalde meststof Aanpassen bemestingspraktijk Nitraatresidu laten bepalen op meerdere perceen (perceelsevaluatie) Bedrijfsvoering aanpassen ivm (mogelijke) nutriĂŤntenverliezen Bijhouden bemestingsregister en/of -plan of teeltfiche Correctie van gegevens Meldingsspecifieke actie Overmaken gegevens Registreren van bedrijfsspecifieke gegevens Verplichte mestanalyses Verplichte mestsamenstelling gebruiken Totaal

Aantal 1 31 1 12 23 1 4 35 2 6 3 124

% 0,8% 25,0% 0,8% 9,7% 18,5% 0,8% 3,2% 28,2% 1,6% 4,8% 2,4%

4.1.10.3 Gerichte actie op het kunstmestgebruik bij vollegrondsgroententeelt In het kader van de VODKA-actie (zie 4.1.5), wordt er extra toezicht gehouden op het gebruik van kunstmest en dan vooral bij tuinbouwbedrijven met vollegrondgroenten. Deze bedrijven kunnen nog tot laat in het jaar kunstmest toedienen waardoor de kans op milieuproblemen kan toenemen. Op het bedrijf wordt nagegaan hoe er omgesprongen wordt met de opslag van groenteresten en met het bijhorende kuiswater van deze groenten. Tevens worden de door de tuinbouwer verplicht te nemen bodemstalen op groentepercelen geverifieerd. De bemestingstechniek en -praktijk worden overlopen. Bovenstaande punten worden veelal informatief opgevraagd en bij minder goede praktijken wordt de tuinbouwer raad gegeven om het op een betere manier aan te pakken. Bij bijbemestingen in het najaar met kunstmeststoffen worden de verplichte bodemstalen naar aanleiding van de bijbemesting opgevraagd. Indien de tuinbouwer niet beschikt over een geldige bodemanalyse kan er een proces-verbaal opgemaakt worden. Tevens wordt er op het perceel extra aandacht besteed aan de afstandsregels tot waterlopen. Ook bij het toedienen van kunstmeststoffen moet er minimaal 5 meter afstand gehouden worden bij het toedienen van de meststoffen. De hoeveelheid kunstmeststoffen, toegediend aan de verschillende teelten, moet ook steeds correct worden aangegeven bij de Mestbank. In 2018 werden er 16 omgevingscontroles uitgevoerd bij 11 verschillende tuinbouwbedrijven met vollegrondsgroenten. Tevens werden er 21 opbrengingscontroles van kunstmest (niet enkel op groentepercelen) uitgevoerd. Tijdens 2 controles werd vastgesteld dat er kunstmest werd aangewend te dicht bij een waterloop. In het najaar van 2018 werden geen vaststellingen meer gedaan op het gebruik van kunstmest op groentenpercelen. Dit was het directe gevolg van de extreem droge zomer van 2018 waardoor extra toediening van kunstmest in het najaar (bijna) niet meer heeft plaatsgevonden. In 2019 werden er (stand van zaken op 30 juni 2019) 5 omgevingscontroles uitgevoerd. Er werden 31 opbrengingscontroles uitgevoerd op bemestingspraktijken met kunstmest tijdens de eerste helft van 2019. Bij 5 controles werd een overtreding vastgesteld op de afstandsregels tot waterlopen of op het bemesten in natuurgebied.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 174 van 240


4.1.11 Mestverwerking als beheersinstrument om het mestgebruik af te stemmen op de afzetruimte 4.1.11.1 Administratieve opvolging toont dat de verplichte mestverwerking vrij goed wordt nageleefd Landbouwers die meer mest produceren dan ze kunnen plaatsen op de percelen van hun bedrijf, dienen dit mestoverschot oordeelkundig af te zetten. Dit kan via afvoer naar andere landbouwers, naar regio’s buiten Vlaanderen of naar mestverwerking. In bepaalde situaties is de landbouwer verplicht om een bepaalde hoeveelheid mest te laten verwerken. Dit is het geval als de landbouwer mestverwerkingsplichtig is of als de landbouwer uitbreidt na bewezen mestverwerking. De transportgegevens over rechtstreekse export van ruwe mest en over de aanvoer- en afvoerstromen naar en van mestverwerking, en de aangiftegegevens van de mestverwerkingsinstallaties, worden opgevolgd door de Mestbank. Deze gegevens worden gebruikt om te berekenen hoeveel stikstof uit Vlaamse, dierlijke mest verwerkt en geëxporteerd wordt uit Vlaanderen. De Mestbank reikt op regelmatige tijdstippen de mestverwerkingscertificaten (MVC) uit en plaatst deze op de 'certificatenrekening' van de verwerkingsinstallaties of van landbouwers of verzamelpunten die rechtstreeks exporteren. Landbouwers die mest aanvoeren naar een mestverwerkingsinstallatie of een verzamelpunt dat exporteert, maken afspraken met de betrokken installatie en kunnen MVC overnemen. Voor de bedrijven die mestverwerkingsplichtig zijn of die uitbreiden na bewezen mestverwerking, gaat de Mestbank na of er voldoende mest verwerkt wordt via een evaluatie van het aantal MVC en de transportgegevens. Mestverwerkingsplicht De mestverwerkingsplicht omvat de basismestverwerkingsplicht en de bijkomende verwerkingsplicht door overnames van NER-D met 25% mestverwerking: − de basismestverwerkingsplicht is de hoeveelheid mest (uitgedrukt in kg N) die een bedrijfsgroep in een bepaald productiejaar moet verwerken en wordt berekend in functie van het netto stikstofoverschot van de bedrijfsgroep en de gemeentelijke productiedruk van dierlijke mest (uitgedrukt in kg N/ha). − landbouwers die NER-D overnemen mits mestverwerking, moeten bovenop de eventuele basismestverwerkingsplicht jaarlijks 25% van de overgelaten NER-D verwerken. De verwerkingsplicht wordt berekend, rekening houdend met de overgelaten NER-D, een bepaalde omrekeningsfactor per diersoort (die de NER-D omzet in kg N), en de overnamedatum. Begin juli meldt de Mestbank de mestverwerkingsplicht aan de betrokken bedrijven, waarna de bedrijven tot 30 september hebben om te zorgen dat ze over voldoende MVC beschikken. Vervolgens controleert de Mestbank de certificatenrekening van de betrokken bedrijven. In 2016 waren 482 landbouwers onderhevig aan de basismestverwerkingsplicht. De totale te verwerken hoeveelheid stikstof bedroeg ongeveer 5,73 miljoen kg N. Daarnaast moest in 2016 ongeveer 1,81 miljoen kg N bijkomend verwerkt worden door 950 landbouwers, in kader van de bijkomende mestverwerkingsplicht door overnames met mestverwerking. Om te voldoen aan de verwerkingsplicht van 2016 moesten de bedrijven ten laatste op 30 september 2018 over de nodige MVC beschikken. Na evaluatie bleek dat 16 bedrijven (3%) niet voldeden aan de basismestverwerkingsplicht en 120 bedrijven (13%) niet voldeden aan de mestverwerkingsplicht n.a.v. de overname van NER. Deze bedrijven kregen een

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 175 van 240


geldboete van 2 euro per kg niet verwerkte N. In totaal kregen 136 landbouwers een boete voor het totale bedrag van 378.833 euro. Er waren 37 landbouwers waarvoor recidive werd vastgesteld. Voor deze landbouwers werd de boete verdubbeld tot 4 euro per kg niet verwerkte stikstof. Na bezwaarbehandeling bedroeg het totale bedrag 129.409 euro. In 2017 waren 488 landbouwers onderhevig aan de basismestverwerkingsplicht. De totale te verwerken hoeveelheid stikstof bedroeg ongeveer 5,48 miljoen kg N. Daarnaast moest in 2017 ongeveer 1,88 miljoen kg N bijkomend verwerkt worden door 952 landbouwers, in kader van de bijkomende mestverwerkingsplicht door overnames met mestverwerking. Uitbreiding na bewezen mestverwerking Eén van de mogelijkheden om uit te breiden, is de zogenaamde uitbreiding na bewezen mestverwerking. Een bedrijf dat op deze manier wil uitbreiden, moet eerst voldoen aan een aantal voorwaarden vooraleer nutriëntenemissierechten-mestverwerking (NER-MVW) toegekend worden. Zo wordt onder meer gecontroleerd of de bedrijfsgroep waartoe het bedrijf behoort, voldaan heeft aan zijn mestverwerkingsplicht in het kalenderjaar vóór de aanvraag tot uitbreiding en of het bedrijf in het kalenderjaar vóór de aanvraag al 25% van de aangevraagde netto-uitbreiding verwerkt heeft door bedrijfseigen mest te verwerken. De mogelijkheid om uit te breiden na bewezen mestverwerking bestaat sinds 2008. Een overzicht van de evolutie van de hoeveelheid NER-MVW dat toegekend werd is weergegeven in Tabel 45, samen met het aantal landbouwers. Bij de evaluatie van de aanvragen voor NER-MVW in 2018 werd nagegaan of de betrokken bedrijven in 2017 al 25% van de aangevraagde netto-uitbreiding verwerkt hebben. In 2017 moest in totaal 466.400 kg N bijkomend verwerkt worden door 383 landbouwers ten gevolge van de toekenning van NERMVW in het kader van een uitbreiding na bewezen mestverwerking voor 2018. Tabel 45 Evolutie van de toegekende NER-MVW (in miljoen NER-MVW) en het aantal landbouwers dat NER-MVW toegekend kreeg

Jaar

NER-MVWV

NER-MVWP

NER-MVWR

NER-MVWA

3,84 4,06 2,58 2,16 1,37 1,66 1,90 1,59 1,08 1,30 1,44 22,97

3,84 1,91 2,16 2,01 1,72 1,41 2,19 1,18 2,02 1,82 2,36 22,62

0,04 0,14 0,09 0,14 0,09 0,12 0,20 0,29 0,33 0,39 0,52 2,34

0,02 0,02 0,03 0,02 0,01 0,05 0,04 0,03 0,02 0,03 0,05 0,33

2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 Totaal

NER-MVW totaal 7,73 6,13 4,86 4,32 3,19 3,24 4,33 3,09 3,45 3,55 4,37 48,27

Aantal landbouwers 541 473 397 333 287 358 379 315 362 337 383 2.744

* Aantal unieke landbouwers dat NER-MVW toegekend kreeg in de periode 2008-2018. Er zijn 1.421 landbouwers die een aanvraag voor uitbreiding hebben aangevraagd en toegekend kregen, gespreid over meerdere jaren.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 176 van 240


Miljoen kg N

Voor 2018 werd een uitbreiding toegekend voor in totaal 2,4 miljoen dieren. Deze uitbreiding vertegenwoordigt een bijkomende netto stikstofproductie van in totaal 2,1 miljoen kg N, indien de uitbreiding volledig gerealiseerd wordt. Een vergelijking met de toegekende uitbreiding voor de voorgaande jaren is weergegeven in Figuur 108. In de periode 2008-2018 werd een totale uitbreiding toegekend die een bijkomende mestproductie van 23,9 miljoen kg N zou vertegenwoordigen indien deze uitbreiding volledig gerealiseerd zou worden. Hierbij is geen rekening gehouden met de annulaties van uitbreidingen ten gevolge van een negatieve evaluatie (bij onvoldoende verwerking). 3,6 3,4 3,2 3,0 2,8 2,6 2,4 2,2 2,0 1,8 1,6 1,4 1,2 1,0 0,8 0,6 0,4 0,2 0,0 2008

2009

2010

2011 Varkens

2012 Pluimvee

2013

2014

Runderen

2015

2016

2017

2018

Andere

Figuur 108 Evolutie van de toegekende uitbreiding na bewezen mestverwerking (in miljoen kg N)

Na de toekenning van de NER-MVW door de Mestbank, heeft het bedrijf 3 jaar tijd om de uitbreiding van het bedrijf te realiseren. De NER-MVW zijn geldig vanaf 1 januari van het jaar van de aanvraag. Elk jaar beoordeelt de Mestbank of het betrokken bedrijf voldoet aan alle voorwaarden om de uitbreiding te behouden: − Belangrijk hierbij is dat in het jaar van de aanvraag en het daaropvolgende jaar, 25% van de aangevraagde netto-uitbreiding verwerkt moet worden met bedrijfseigen mest én dat de bijkomende mestproductie die afkomstig is van de gerealiseerde uitbreiding verwerkt moet worden met bedrijfseigen mest van de aangevraagde diersoort. De gerealiseerde uitbreiding wordt bij deze evaluatie beschouwd als de uitbreiding bovenop wat geproduceerd mag worden op basis van de beschikbare NER-D. Als niet voldaan wordt aan alle voorwaarden, annuleert de Mestbank alle toegekende NER-MVW vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarbij niet voldaan wordt aan de voorwaarden. − Vanaf het tweede jaar na het jaar van de aanvraag moet 125% van de aangevraagde netto-uitbreiding verwerkt worden met bedrijfseigen mest, waarvan minstens 100% afkomstig is van de aangevraagde diersoort. Indien het bedrijf vanaf dan deze vereiste mestverwerking niet realiseert, kan de Mestbank de NER-MVW proportioneel annuleren.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 177 van 240


Voor productiejaar 2017 werden in totaal 3.739 uitbreidingsdossiers van 2.136 landbouwers geëvalueerd. Bij 53 dossiers van 4 landbouwers vond er een overname van de NER-MVW plaats. Bij de evaluatie werd gecontroleerd of zowel de overlater als de overnemer voldoende verwerkt hebben, waarbij rekening werd gehouden met de datum van overname. De meeste landbouwers dienden hun dossier(s) in, in één bepaald aanvraagjaar (1.488 landbouwers of 70% van alle geëvalueerde landbouwers). Daarnaast waren er ook 648 landbouwers die dossiers ingediend hebben verspreid over meerdere aanvraagjaren (30% van alle geëvalueerde landbouwers). Tabel 46 geeft een overzicht van het aantal landbouwers en dossiers bij de evaluatie van de uitbreiding na bewezen mestverwerking in 2017 in functie van het aanvraagjaar, samen met de aangevraagde uitbreiding en de te verwerken hoeveelheid N. Samen hadden de 2.136 geëvalueerde landbouwers een aangevraagde uitbreiding toegekend gekregen van 17,5 miljoen kg N. Landbouwers die hun uitbreiding toegekend kregen in de periode 2008-2015, moeten 125% van de aangevraagde netto-uitbreiding verwerken in 2017. Bij de dossiers die toegekend werden in 2016 en 2017 wordt gecontroleerd of in 2017 25% van de aangevraagde uitbreiding en de gerealiseerde uitbreiding verwerkt werden. In totaal moesten de 2.136 geëvalueerde landbouwers ongeveer 19,8 miljoen kg N extra verwerken in 2017. Tabel 46 Aantal landbouwers en dossiers, samen met de aangevraagde uitbreiding en de te verwerken hoeveelheid N bij de evaluatie van de uitbreiding na bewezen mestverwerking in 2017

Aanvraagjaar 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 Totaal

Aantal landbouwers

Aantal dossiers

Aangevraagde uitbreiding (kg N)

401 322 302 256 231 301 305 270 331 333 2.136

419 330 309 259 237 320 356 367 530 612 3.739

2.591.108 2.332.838 1.811.634 1.584.150 1.367.788 1.326.253 1.749.141 1.255.881 1.634.360 1.810.342 17.463.495

door 25% aangevraagde uitbreiding 647.777 583.209 452.909 396.038 341.947 331.563 437.285 313.970 408.590 452.586 4.365.874

Te verwerken hoeveelheid N (kg N) door door 100% gerealiseerde aangevraagde uitbreiding uitbreiding 2.591.108 2.332.838 1.811.634 1.584.150 1.367.788 1.326.253 1.749.141 1.255.881 849.172 610.879 1.460.051 14.018.793

totaal 3.238.885 2.916.047 2.264.543 1.980.188 1.709.734 1.657.817 2.186.426 1.569.852 1.257.761 1.063.465 19.844.717

Van de 3.739 geëvalueerde uitbreidingsdossiers voor productiejaar 2017, werden 3.511 dossiers positief geëvalueerd (94%). Bij 230 dossiers van 195 landbouwers werd daarentegen niet aan alle voorwaarden voldaan om de uitbreiding te behouden (6% van de geëvalueerde dossiers). Samen hadden deze landbouwers een uitbreiding van 0,9 miljoen kg N toegekend gekregen maar voor deze 195 landbouwers worden de NERMVW volledig of proportioneel (afhankelijk van het jaar van aanvraag) geannuleerd vanaf 1 januari 2018. Bij een negatieve evaluatie van de NER-MVW van een bepaald productiejaar wordt de hoeveelheid NER-MVW steeds geannuleerd vanaf 1 januari van het daaropvolgende productiejaar. In totaal werd 7,5 miljoen NERMVW geannuleerd, overeenkomend met ongeveer 4,2 miljoen kg N. De evaluatie van productiejaar 2018 wordt uitgevoerd in het najaar van 2019 en is niet opgenomen in het huidige Mestrapport.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 178 van 240


4.1.11.2 Versterkte opvolging van de massastromen naar en van mestverwerkingsinstallaties Op een mestverwerkingsbedrijf worden standaard alle vrachten gewogen bij aankomst en vertrek. Het massaprotocol is een afwijking, waarbij de stromen niet gewogen worden per vracht, maar door middel van interne debietmeters in de installatie. Het massaprotocol kan opgesteld worden volgens de handleiding van de Mestbank en het VCM en de massastromen worden jaarlijks gerapporteerd bij de Mestbankaangifte. Deze massa’s worden vergeleken met de aangevoerde en afgevoerde hoeveelheden op de vervoersdocumenten. De afwijking tussen beide getallen moeten binnen een aanvaardbare marge liggen. In 2018 maakten 68 mestverwerkingsinstallaties gebruik van het massaprotocol. Dit komt overeen met 45% van de verwerkers (152 installaties in totaal). De Mestbank voert jaarlijks administratieve controles uit van de aangifte en het massaprotocol. Bij dergelijke controle wordt de volledigheid van de aangifte, de verplichte analyses als bijlage, en het massaopvolgingssysteem nagegaan. Alle massaprotocols werden administratief gecontroleerd. Uit de controle van de aangifte van 2018 bleek dat 13 installaties (19%) een grotere afwijking vertoonden tussen de ingeschatte hoeveelheden en de geregistreerde massa’s. Deze 13 installaties werden voor het eerst aangeschreven met de vraag om de grotere afwijking te verduidelijken. Alle uitbatingen hebben dit gedaan. Bij twee uitbatingen zorgden dit voor een aanpassing aan het massaprotocol. Bij andere uitbatingen lag het aan een administratieve fout zoals het vergeten van een overdracht, het gebruik van een foutieve mestanalyse of verdamping door het warme weer. Vijf bedrijven werden meegenomen in de risicoanalyse voor verder onderzoek door de dienst Bedrijfsdoorlichting. 4.1.11.3 Opvolging van erkenningen in het kader van Verordening (EG) nr. 1069/2009 De Europese Verordening 'dierlijke bijproducten', Verordening (EC) nr. 1069/2009 (+ uitvoeringsverordening nr. 142/2011), stelt de gezondheidsvoorschriften vast inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten. De Verordening legt onder andere voorschriften op voor het verzamelen, vervoeren, opslaan, verwerken en gebruiken of verwijderen van dierlijke bijproducten. Dierlijke bijproducten worden ingedeeld in 3 categorieën, naargelang de gezondheidsrisico's die verbonden zijn aan het dierlijke bijproduct. Mest is ingedeeld als categorie 2 materiaal. De Verordening omvat zowel vereisten voor de mestverwerkingsinstallatie als voor de eindproducten. Die eisen omvatten onder meer een verplichte hygiënisatie van de producten (bv. door middel van een warmtebehandeling van tenminste 1 uur bij een temperatuur van 70° C). Verwerkte mest en verwerkte producten uit mest mogen enkel worden verhandeld of geëxporteerd als ze afkomstig zijn van een erkende installatie. In Vlaanderen is de Mestbank bevoegd voor het afleveren van deze erkenningen in het kader van Verordening (EG) nr. 1069/2009. De Mestbank mag het gebruik van alternatieve parameters die afwijken van de standaardomzettings-parameters toestaan, mits de aanvrager bewijst dat die parameters de biologische risico’s afdoende beperken. In 2018 werden er 27 erkenningsdossiers behandeld.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 179 van 240


4.1.11.4 Doorlichting van mestverwerkingsinstallaties wijst op verbetermarges bij de opvolging van de massa- en nutriĂŤntenstromen In 2018 werden 24 mestverwerkingsinstallaties doorgelicht, bij 12 hiervan werden er maatregelen opgelegd (50% van de doorgelichte installaties). Bedrijfsdoorlichters moesten vaak vaststellen dat het massaprotocol of de vergunning niet helemaal correct nageleefd werden. In uitzonderlijke gevallen werd er een verbod opgelegd op het meststoffentransport totdat de verwerker zich in orde gesteld had. De maatregel die het vaakst opgelegd werd, was het overmaken van bepaalde gegevens. Net zoals de voorgaande jaren, hadden veel vaststellingen betrekking op transportdocumenten, zoals het foutief gebruik van analyses, voor- en namelden van burenregelingen, het ontbreken van overdrachten met het bijhorende landbouwbedrijf, onregelmatigheden als er vergeleken werd met weeggegevens, ... Abnormaal hoge analysewaarden werden meermaals vastgesteld. Om de massastromen beter op te volgen, werden het plaatsen van extra debietmeters en het periodiek bijhouden van debietmeterstanden enkele keren als maatregel opgelegd. Verder werd er enkele keren gevraagd om zich in orde te stellen met de vergunning (voorzien van labels aan opslagplaatsen). Een overzicht van de opgelegde maatregelen wordt weergegeven in Tabel 47. Tabel 47 Overzicht van de opgelegde maatregelen voor mestverwerkingsinstallaties, bij bedrijfsdoorlichtingen in 2018

Opgelegde maatregelen Gevolgen na aanpassingen doorvoeren (bv. wijzigen systeem mestinhoud, afvoer beperken tot wat werkelijk aanwezig is) Praktische aanpassingen aan installaties (bv. om meststromen te kunnen volgen) Meldingsspecifieke actie Overmaken gegevens Registreren van bedrijfsspecifieke gegevens Verbod op alle meststoffentransport Vooraf melden staalname Totaal

Aantal

%

1

1,8%

2 28 19 3 1 2 56

3,6% 50,0% 33,9% 5,4% 1,8% 3,6%

4.1.11.5 Nog vaak calamiteiten vastgesteld tijdens omgevingscontroles van mestverwerkingsinstallaties De toezichthouders van de Mestbank hebben in 2018 en 2019 opnieuw omgevingscontroles uitgevoerd op de sites van mestverwerkingsinstallaties, ter detectie en preventie van mogelijke nutriĂŤntenverliezen naar het milieu. Verschillende factoren kunnen leiden tot een omgevingscontrole bij een mestverwerkingsinstallatie, zoals een melding van derden, een vraag van de politie of het toevallig ontdekken van calamiteiten door de toezichthouders. In 2018 werden 31 omgevingscontroles uitgevoerd op mestverwerkingsinstallaties. Volgens een stand van zaken op 30 juni 2019 werden 20 controles uitgevoerd bij verwerkingsinstallaties in 2019. Tijdens de omgevingscontroles van mestverwerkingsinstallaties wordt nagegaan of de opslagbekkens geplaatst zijn conform de vergunning van het bedrijf, wordt de staat van de opvangbekkens nagegaan en wordt het risico op overlopen, scheuren of verzakken van de verschillende opslagen beoordeeld. Daarnaast wordt ook nagegaan of er voldoende voorzorgmaatregelen op het bedrijf aanwezig zijn om het overlopen van de opslagbekkens te voorkomen. Er wordt gecontroleerd of er geen effluent gelekt wordt via drainagebuizen. Ook worden er, indien er transporten plaatsvinden, stalen genomen van het effluent om na te gaan of het effluent voldoet aan de voorwaarden van het attest voor een uitzondering op de uitrijverbodsperiode gedurende de

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 180 van 240


winter of voor een uitzondering op de bepalingen in verband met het emissiearm aanwenden van meststoffen. Bij 7 van de 31 gecontroleerde mestverwerkingsinstallaties in 2018 (23%) werden inbreuken vastgesteld, waaronder ernstige inbreuken zoals lozing van effluent door bewuste nalatigheid van de eigenaar, scheuren in het effluentbekken of lekken. Hier werd streng gesanctioneerd via een PV. Volgens een stand van zaken op 30 juni 2019 werden inbreuken vastgesteld bij 8 van de 20 gecontroleerde installaties in 2019 (40%). De vaststellingen zijn weergegeven in Tabel 48. Er kunnen verschillende inbreuken voorkomen bij een vaststelling. Tabel 48 Vaststellingen bij terreincontroles van mestverwerkingsinstallaties in 2018 en de eerste helft van 2019

Type inbreuk Lozing effluent uit lagune Veiligheidsmarge van 50 cm bij effluentbekken niet nageleefd Scheuren in effluentlagune met doorsijpeling naar de talud en/of drainagebuizen Morsen van mest rond bekkens of vulopeningen Lozing van dikke fractie door inmenging met (regen)water Lekkage of breuk overpompdarm/koppeling Lozing door overlopen tank van dunne fractie Lozing mestsappen uit opslag van paardenmest Totaal

Aantal inbreuken

2018 Aanmaning of raadgeving

3 2

1

1 2

PV

Aantal inbreuken

3

1

1

4

2

1

1

2

1

PV 1 2

1 1

1

9

2019 Aanmaning of raadgeving

1

1

1

2

7

2

2

1

1

11

4

7

4.1.12 Controles van mesttransporten 4.1.12.1 Opvolging van transportdocumenten verhoogt de controleerbaarheid 4.1.12.1.1 Registratie van mesttransporten De basisregel bij het transport van mest is dat de mest vervoerd moet worden door een erkende mestvoerder met een mestafzetdocument (MAD) en met AGR-GPS. Een aantal mesttransporten hoeft niet door een erkende mestvoerder uitgevoerd te worden. Meer informatie over verschillende types mesttransporten is terug te vinden op: https://www.vlm.be/nl/themas/Mestbank/bemesting/transport. Elk transport door een erkende mestvoerder, een erkend verzender of een grensboer moet vooraf gemeld worden bij de Mestbank via het Mest Transport Internet Loket (MTIL). Daarnaast moeten de transporten vergezeld zijn van een (digitaal) transportdocument, waarop onder meer vermeld wordt wie de aanbieder en de afnemer van de mest is en hoeveel mest er vervoerd wordt.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 181 van 240


Een burenregeling is een overeenkomst tussen een aanbieder en een afnemer dat een bepaalde hoeveelheid mest in een bepaalde periode vervoerd zal worden zonder erkende mestvoerder. De Mestbank registreert de burenregeling, en het registratiebewijs moet aanwezig zijn tijdens het transport (al dan niet digitaal). Transporten met een burenregeling van en naar mestverwerking, moeten uiterlijk de dag voor het vervoer door de aanbieder of de afnemer aan de Mestbank gemeld worden via het Mestbankloket. Een overzicht van het aantal transporten per type mesttransport en het aantal mestvoerders dat opgevolgd wordt door de Mestbank in de periode 2015-2018, is weergegeven in Tabel 49 en Tabel 50. Tabel 49 Aantal transporten per type transportdocument in de periode 2015-2018

Type transportdocument Mestafzetdocument Verzenddocument Burenregeling Grensboerdocument

2015 229.894 45.167 25.267 1.818

2016 233.229 46.426 25.672 1.694

2017 243.852 49.105 25.556 2.024

2018 266.279 54.503 25.179 1.968

2017 661 58

2018 699 61

Tabel 50 Aantal erkende mestvoerders en erkende verzenders met in de periode 2015-2018

Type mestvoerder Erkende mestvoerders Erkende verzenders

2015 640 54

2016 656 59

4.1.12.1.2 Vernieuwde Mest Transport Internet Loket (MTIL) en doorstroming analyseresultaten Sinds 1 januari 2019 is er een nieuwe versie van het Mest Transport Internet Loket (MTIL). Die nieuwe versie van MTIL maakt integraal deel uit van het Mestbankloket. Het aanmelden moet niet meer met een login en paswoord, maar via Fedict (eID, token, itsme). Een belangrijke nieuwigheid is dat bij het aanmaken van de transportdocumenten rekening gehouden wordt met de keuze die de landbouwer heeft gemaakt om zijn mest af te zetten met het forfaitsysteem of met analyses. Zo kan voor een landbouwer die voor analyse heeft gekozen, geen forfaitaire inhoudswaarde opgegeven worden op het transportdocument. De analyseresultaten vanuit het Staalname Melding Internet Loket (SMIL) stromen automatisch door naar MTIL. Als de landbouwer gekozen heeft om te werken met analyses, maar er geen geldig analyseresultaat ontvangen wordt, blijft de mestsamenstelling op het transportdocument op nul staan. 4.1.12.1.3 Evaluatie van het AGR-GPS-systeem Sinds 2010 werden administratieve controles van het correct gebruik van het AGR-GPS systeem uitgevoerd. Deze administratieve controles hebben geleid tot een correctere aanmelding van mestafzetdocumenten (MADâ&#x20AC;&#x2122;s) en een correcter gebruik van AGR-GPS, waardoor de basisgegevens van de transporten accurater zijn en de controleerbaarheid op terrein vergroot wordt. Sinds 2016 wordt de administratieve evaluatie van het AGR-GPS systeem anders aangepakt en wordt er meer ingezet op een gerichte doorlichting van erkende mestvoerders op basis van risicoanalyse. Concreet betekent dit dat de administratieve controles in bulk niet meteen meer leiden tot het opleggen van boetes. De administratieve controle van het AGR-GPS gebruik is ingebed binnen de risicoanalyse voor doorlichting van erkende mestvoerders. Waarschuwingen voor het

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 182 van 240


foutief gebruik van het AGR-GPS systeem worden wel nog verstuurd naar aanleiding van administratieve controles in bulk. In 2018 werd nog een extra administratieve controle uitgevoerd. We kiezen bewust voor boete-acties in een korte periode, met als doel dat die effect hebben op een betere naleving van alle verplichtingen, ook buiten de controleperiodes. Er werd 1 dag uitgepikt en alle mestdocumenten van die dag zonder AGR-GPS-signalen of afgelaste mestafzetdocumenten met AGR-GPS-signalen werden beboet. De boete bedraagt 100 euro per vracht, met een maximum van 400 euro per document. Zo werd in oktober 2018 aan 11 erkende mestvoerders een boete opgelegd als resultaat van de prikactie op 5/10/2018. Dit is 6% van het totaal aantal van 158 mestvoerders met transporten op die datum. De opgelegde boetebedragen variëren van 100 euro tot 1.200 euro. Na bezwaarbehandeling werd één boete kwijtgescholden en één boete verminderd. Er werden boetes opgelegd voor een totaalbedrag van 5.700 euro, na bezwaarbehandeling werd dit verminderd naar 4.300 euro. In 2018 werden 304.993 mestafzetdocumenten aangemeld door 672 erkende mestvoerders, waarvan 38.714 mestafzetdocumenten werden afgelast. Van 6.561 mestafzetdocumenten (2% van het totaal aantal MAD) werden geen AGR-GPS-signalen ontvangen, voor 1.307 van deze mestafzetdocumenten was er een toestemming om zonder AGR-GPS te rijden (20% van de mestafzetdocumenten zonder AGR-GPS-signalen). Van de 672 erkende mestvoerders met mestafzetdocumenten in 2018 zijn er 423 (63% van alle mestvoerders met mestafzetdocumenten) met minstens één mestafzetdocument zonder AGR-GPS-signalen. Van deze 423 erkende mestvoerders zijn er 132 (20% van alle mestvoerders met mestafzetdocumenten) die een toestemming kregen om zonder AGR-GPS te rijden, maar slechts 31 van deze mestvoerders kregen deze toestemming voor alle documenten die ze reden zonder AGR-GPS-signalen. De toestemming om zonder AGR-GPS te rijden wordt verleend door de Mestbank als er een defect optreedt aan het AGR-GPS-toestel dat niet onmiddellijk hersteld kan worden. De erkende mestvoerder moet hiervoor een aanvraag indienen. De dienstverlener moet een verklaring toevoegen en het formulier ondertekenen als bewijs van het defect. Daarnaast is er ook een procedure wanneer er een defect optreedt aan een erkend voertuig. De Mestbank kan de toestemming verlenen om een ander voertuig te gebruiken ter vervanging van het defecte voertuig. Het vervangingstoestel moet in de vervangperiode niet voorzien zijn van AGR-GPS-apparatuur. In 2018 werden 168 toestemmingen verleend om zonder AGR-GPS te rijden aan 110 erkende mestvoerders en 140 toestemmingen om een vervangvoertuig te gebruiken aan 85 erkende mestvoerders. Van de 38.714 afgelaste mestafzetdocumenten zijn er 849 (2%) waarvan we toch signalen hebben ontvangen. Van de 633 erkende mestvoerders met afgelaste mestafzetdocumenten in 2018 zijn er 175 (27,7% van alle mestvoerders met afgelaste mestafzetdocumenten) met minstens één afgelast mestafzetdocument met AGRGPS-signalen. De controle van AGR-GPS-signalen heeft een groot potentieel, maar een gerichte controle is arbeidsintensief. Automatische controles geven slechts een beperkt beeld van de eigenlijke situatie. Bij een bedrijfsdoorlichting worden AGR-GPS-signalen tot in de puntjes uitgepluisd. Bij de beoordeling is het moeilijk om na te gaan of het gaat over een administratieve vergetelheid of een bewuste fraude. Zo krijgt de Mestbank vaak meldingen van erkende mestvoerders dat een chauffeur een fout gemaakt heeft of vergeten is

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 183 van 240


op de knop te drukken. Dergelijke fouten kunnen niet rechtgezet worden, maar zijn wel degelijk een niet correct gebruik van AGR-GPS. 4.1.12.1.4 Evaluatie van nameldingen op MTIL Elk transport van dierlijke mest en andere meststoffen dat gereden wordt door een erkende mestvoerder of erkende verzender moet eerst aangemeld worden in het Mest Transport Internet Loket (MTIL). Elk uitgevoerd transport moet ook uiterlijk binnen de zeven dagen nagemeld worden in MTIL. Een tijdige bevestiging zorgt er voor dat de aanbieder en afnemer van de meststoffen accurate transportgegevens kunnen raadplegen op het Mestbankloket. Mestvoerders krijgen een melding op MTIL als er nog openstaande nameldingen zijn. Op die manier worden de mestvoerders continu gesensibiliseerd. Daarnaast voert de Mestbank jaarlijks administratieve controles uit van de tijdigheid van de nameldingen op MTIL. Bij erkende mestvoerders die na afloop van een jaar en na een waarschuwing nog steeds mestafzetdocumenten niet hebben nagemeld of afgelast, wordt de procedure tot schorsing opgestart. In 2019 werden 3 erkende mestvoerders geschorst omdat de mesttafzetdocumenten van 2018 niet werden nagemeld (0,4% van de 672 erkende mestvoerders met transporten in 2018). Er werden geen erkende verzenders geschorst. Ook voor laattijdige nameldingen werden in 2018 extra administratieve boete-acties uitgevoerd. Er werd telkens één datum uitgepikt en alle mestafzetdocumenten en verzenddocumenten op die datum werden gecontroleerd op het tijdig na- of afmelden. De boete bedraagt 50 euro per vracht, met een maximum van 200 euro per document. De eerste actie in mei werd aangekondigd via een mailing aan alle erkende mestvoerders en erkende verzenders. Daarin werd ook gecommuniceerd dat gelijkaardige acties konden volgen. In mei 2018 werd aan 37 erkende mestvoerders en 5 erkende verzenders een boete opgelegd als resultaat van de prikactie op 17/05/2018. Dit is 10,4% van het totaal aantal van 356 mestvoerders en 15,6% van het totaal aantal van 32 verzenders met transporten op die datum. De boetebedragen variëren van 50 euro tot 3.350 euro. Er werden boetes opgelegd voor een totaalbedrag van 10.150 euro, er werden geen boetes verminderd na bezwaarbehandeling. In augustus 2018 werd aan 46 erkende mestvoerders en 8 erkende verzenders een boete opgelegd voor documenten op datum van 09/08/2018. Dit is 14,3% van het totaal aantal van 321 mestvoerders en 22,2% van het totaal aantal van 36 verzenders met transporten op die datum. De boetebedragen variëren van 50 euro tot 2.200 euro. Er werden boetes opgelegd voor een totaalbedrag van 14.100 euro, er werden geen boetes verminderd na bezwaarbehandeling. 4.1.12.1.5 Controle losplaats burenregeling Voor alle burenregelingen die afgesloten werden voor vervoerjaar 2018, werd gecontroleerd of de afnemer ook percelen met bemestingsrechten heeft in de gemeente die opgegeven werd als losplaats. Als dat niet het geval was, werd een boete opgelegd aan de afnemer voor het foutief indienen van de burenregeling. Deze boete bedraagt 50 euro per burenregeling. Er werden 168 boetes opgelegd voor een totaal bedrag van 9.100 euro. 60 landbouwers dienden een bezwaar in (35%), waarvan 41 bezwaren (gedeeltelijk) gegrond waren. De voornaamste reden voor kwijtschelding heeft te maken met percelen die op of vlakbij de grens van een gemeente liggen. Na bezwaarbehandeling is het totale boetebedrag verminderd tot 7.000 euro.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 184 van 240


4.1.12.2 Geen inbreuken bij de meerderheid van de op terrein gecontroleerde mesttransporten De terreincontroles kunnen gericht worden uitgevoerd dankzij de AGR-GPS-verplichting bij de erkende mestvoerders en de verplichte voormelding in MTIL. Niet enkel de transporten door erkende mestvoerders worden gecontroleerd, maar ook andere transporten zoals het transport via burenregeling of het transport van de eigen inrichting naar de eigen gronden. Met het Agentschap Wegen & Verkeer is er sinds eind 2018 een overeenkomst dat er een uitwisseling van gegevens kan plaatvinden in het kader van transportcontroles. Het Agentschap Wegen & Verkeer kan vrachten met mest wegen en deze info doorgeven aan de VLM. Op deze manier kan er gecontroleerd worden of het transport met geldige documenten uitgevoerd werd en met een correcte mesthoeveelheid. In 2018 vonden er 1.097 controles van mesttransporten plaats waarvan 1.051 op het terrein. De andere transportcontroles werden administratief uitgevoerd naar aanleiding van een andere terreincontrole of een controle door de politie. In totaal werden er 762 mestafzetdocumenten (MAD) gecontroleerd, daarnaast werden ook 120 controles op burenregelingen uitgevoerd. Volgens een stand van zaken op 30 juni 2019 vonden er reeds 705 controles van mesttransporten plaats in 2019, waarvan 698 op terrein. Hierbij werden 475 MAD gecontroleerd en 71 burenregelingen. Bij 83 transportcontroles in 2018 werden onregelmatigheden vastgesteld i.v.m. de vervoersreglementering (7,6%). In 2019 (stand van zaken op 30 juni 2019) werden bij 49 transportcontroles onregelmatigheden vastgesteld (7,0%). Dit inbreukpercentage is vergelijkbaar met de vorige jaren. Omdat er meer dan één inbreuk kan vastgesteld worden bij één transportcontrole, is het totaal aantal inbreuken groter dan het totaal aantal transportcontroles waarbij inbreuken werden vastgesteld. Bij een soort inbreuk kunnen meerdere betrokkenen als ten laste worden weerhouden (aanbieder, afnemer of transporteur van de mest). In 2018 werden er 100 inbreuken vastgesteld. Volgens een stand van zaken op 30 juni 2019 werden er 60 inbreuken vastgesteld in 2019. In Tabel 51 en Tabel 52 is een overzicht gegeven van de verschillende types inbreuken die vastgesteld werden bij de transportcontroles in 2018 en 2019 (volgens een stand van zaken op 30 juni 2019). De meest voorkomende inbreuken tegen de vervoersreglementering zijn lichte overtredingen op de transportregelgeving (bijvoorbeeld het niet doorkomen van het chassisnummer van het transport met de AGRGPS gegevens of fouten op het MAD, het burenregelingsdocument niet kunnen voorleggen), het niet of niet correct gebruiken van AGR-GPS en het niet opmaken van een burenregeling om mest te vervoeren. Bij ernstige onregelmatigheden en herhalingen wordt een administratieve geldboete opgelegd. Bij de overige onregelmatigheden wordt in de meeste gevallen een aanmaning gegeven. In 2018 en 2019 werd bij respectievelijk, ongeveer 35% en 28% van de inbreuken een aanmaning gegeven en bij het overige aandeel een administratieve geldboete opgelegd. Uit het aantal inbreuken en het aantal uitgevoerde controles blijkt duidelijk dat er vooral overtredingen worden vastgesteld bij het transport via burenregeling en veel minder bij het transport via mestafzetdocument. Het inbreukpercentage bij controles op de burenregeling bedraagt in 2018 21% en in 2019 voorlopig 18%. Voor controles op MAD’s is dit slechts 6% (hierbij houden we geen rekening met de lichte overtredingen).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 185 van 240


Tabel 51 Aantal inbreuken vastgesteld bij terreincontroles van mesttransporten in 2018, samen met het aantal aanmaningen of raadgevingen, en administratieve geldboetes

Inbreuk Zware overtredingen tegen de vervoersregelgeving Burenregeling is niet opgemaakt Erkend mestvoerder gebruikt het AGR-GPS systeem niet correct bij elke rit Erkende mestvoerder gebruikt het AGR-GPS systeem niet bij elke rit Erkend mestvoerder die mest vervoert zonder de vereiste documenten op te maken of zonder dat het transport voorafgaandelijk gemeld is Erkend mestvoerder heeft het transport foutief of na 60 dagen nog niet na- of afgemeld Aanbieder of afnemer die meststoffen aanbiedt of ontvangt zonder dat de vereiste documenten opgemaakt zijn en zonder dat het transport gemeld is Mestvoerder vervoert mest met een transportdocument met mestsamenstelling gebaseerd op een niet geldige analyse De erkende mestvoerder die meststoffen transporteert met niet erkende voertuigen Erkend verzender die mest aanbiedt zonder de vereiste documenten op te maken of zonder dat het transport voorafgaandelijk gemeld is Aanbieder of afnemer vermeldt op het transportdocument een mestsamenstelling gebaseerd op een niet geldige analyse Burenregeling trekkend voertuig geen eigendom van aanbieder of afnemer De mestvoerder beschikt niet over een erkenning als erkend mestvoerder Inbreuken op verstrengde transportregeling focusbedrijven Lichte overtredingen tegen de vervoersregelgeving Burenregeling is niet aanwezig bij transport Burenregeling is niet vooraf gemeld aan Mestbank (uitgez. vervoer van spuistroom) Erkend mestvoeder heeft het transport te laat, tussen de 7de en 60ste dag na transport, nagemeld Verzenddocument is niet aanwezig bij transport Het MAD, met vermelding van inhoud, vorm en gebruik is niet volgens de geldende regels opgemaakt Overige overtredingen i.v.m. het transport van meststoffen die vallen onder de categorie van de lichte overtredingen (VLAREME) Totaal

Aantal inbreuken

% t.o.v. totaal aantal inbreuken

Aanmaning of raadgeving

Geldboete

24

24%

3

21

11

11%

6

5

12

12%

1

11

9

9%

2

7

5

5%

2

3

3

3%

2

2%

1

1

2

2%

1

1

2

2%

1

1

1

1%

1

1%

1

1%

1

1

1%

1

1

1%

1

1

1%

1

3

3%

2

1

1%

1

10

10%

3

7

10

10%

9

1

34

66

100

3

1 1

1

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 186 van 240


Tabel 52 Aantal inbreuken vastgesteld bij terreincontroles van mesttransporten in 2019 (stand van zaken op 30 juni 2019), samen met het aantal aanmaningen of raadgevingen, en administratieve geldboetes

Type inbreuk Zware overtredingen tegen de vervoersregelgeving Burenregeling is niet opgemaakt Erkende mestvoerder gebruikt het AGR-GPS systeem niet bij elke rit Erkend mestvoerder die mest vervoert zonder de vereiste documenten op te maken of zonder dat het transport voorafgaandelijk gemeld is Aanbieder of afnemer die meststoffen aanbiedt of ontvangt zonder dat de vereiste documenten opgemaakt zijn en zonder dat het transport gemeld is Erkend mestvoerder gebruikt het AGR-GPS systeem niet correct bij elke rit De mestvoerder beschikt niet over een erkenning als erkend mestvoerder Erkend mestvoerder heeft het transport foutief of na 60 dagen nog niet na- of afgemeld Bij een burenregeling werd het transport foutief of na 60 dagen nog niet na- of afgemeld Mestvoerder vervoert mest met een transportdocument met mestsamenstelling gebaseerd op een niet geldige analyse De erkende mestvoerder die meststoffen transporteert met niet erkende voertuigen Erkend verzender die mest aanbiedt zonder de vereiste documenten op te maken of zonder dat het transport voorafgaandelijk gemeld is Burenregeling trekkend voertuig geen eigendom van aanbieder of afnemer Inbreuken op verstrengde transportregeling focusbedrijven Lichte overtredingen tegen de vervoersregelgeving Burenregeling is niet aanwezig bij transport Erkend mestvoeder heeft het transport te laat, tussen de 7de en 60ste dag na transport, nagemeld Het MAD, met vermelding van inhoud, vorm en gebruik is niet volgens de geldende regels opgemaakt Overige overtredingen i.v.m. het transport van meststoffen die vallen onder de categorie van de lichte overtredingen (VLAREME) Totaal

Aantal inbreuken

% t.o.v. totaal aantal inbreuken

Aanmaning of raadgeving

Geldboete

12

20%

1

11

7

12%

0

7

6

10%

0

6

4

7%

1

3

3

5%

1

2

2

3%

0

2

2

3%

1

1

1

2%

0

1

1

2%

0

1

1

2%

0

1

1

2%

0

1

1

2%

0

1

1

2%

1

0

6

10%

2

4

2

3%

1

1

4

7%

3

1

6

10%

4

2

15

45

60

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 187 van 240


4.1.12.3 Doorlichting van mestvoerders en verzamelpunten Er werden in 2018 25 erkende mestvoerders en 14 uitbaters van een verzamelpunt doorgelicht. De vaststellingen bij de verzamelpunten waren vooral de afvoer met foute mestcode, aan- of afvoer met niet correcte samenstelling, het niet correct bijhouden van het register en het fout aangeven van de opslag. Bij 6 bedrijven (43%) werden er maatregelen opgelegd, zoals het verplicht wegen van transporten en het periodiek overmaken van het register. De vaststellingen die gedaan werden bij erkende mestvoerders, waren, zoals de voorgaande jaren, het vervoeren van mest zonder correct ingevulde mestafzetdocumenten (bv. verkeerd aantal vrachten, andere losplaats, …) en zonder geldige analyses. Ook het niet-correct gebruik van AGR-GPS werd bij meerdere erkende mestvoerders vastgesteld, dit omvat bv. het ontbreken van signalen bij bevestigde vrachten, lossignalen op een andere plaats dan vermeld op het mestafzetdocument, … De meeste erkende mestvoeders kregen hiervoor waarschuwingen en moesten eventueel hun documenten laten aanpassen. Bij 10 erkende mestvoeders (40%) werden er maatregelen opgelegd. Dit was vooral het overmaken van gegevens maar ook het laten aanpassen van de erkenning of het verplicht laten wegen van transporten.

4.1.13 Aanpak van onrealistische mestsamenstelling 4.1.13.1 Verbeterde aanpak voor opvolging van de mestsamenstelling vanaf 2018 4.1.13.1.1 Beschrijving van de aanpak Sinds 1 januari 2018 is een aangepaste wetgeving van toepassing voor het gebruik van mestsamenstellingen. Vanaf 2018 heeft de landbouwer de keuze tussen twee systemen om de inhoudswaarden van de mest geproduceerd op zijn bedrijf te bepalen: 1. Algemeen forfaitair systeem met forfaitaire mestsamenstellingen 2. Analysesysteem, met als vereenvoudiging de bedrijfsspecifieke mestsamenstelling Landbouwers maken elk jaar, per exploitatie en per mestsoort, een keuze tussen beide systemen en geven dit door via het Mestbankloket. Hierbij moet men kiezen voor het systeem dat de meest realistische benadering is van de mestsamenstelling per soort dierlijke mest. In bepaalde gevallen is het analysesysteem bovendien verplicht. Landbouwers die kiezen voor het forfaitair systeem, gebruiken de forfaitaire mestsamenstellingen. De forfaitaire inhoudswaarden zijn terug te vinden in de brochure ‘Normen en richtwaarden 2019’ op www.vlm.be en werden wettelijk vastgelegd in de VLAREME. Landbouwers die kiezen voor het analysesysteem moeten voor elk transport van mest een analyse ter beschikking hebben. De algemene geldigheidstermijn voor een meststaal is 3 maand. Alle meststalen, ongeacht de bestemming, moeten aangemeld worden in het Staalname Meldings Internet Loket (SMIL). Alle analyseresultaten van de aangemelde meststalen worden via SMIL rechtstreeks aan de Mestbank overgemaakt. Varkenshouders die gebruikmaken van analyses om hun mestsamenstelling te bepalen, kunnen gebruikmaken van een bedrijfsspecifieke mestsamenstelling (BSM), op voorwaarde dat de variatie van de stalen binnen het

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 188 van 240


bedrijf en per mestsoort aanvaardbaar is. Om de BSM te bepalen zijn minstens 4 vrachtanalyses nodig (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°23). De landbouwers moeten jaarlijks een opvolgstaal laten nemen om na te gaan of de bedrijfsspecifieke mestsamenstelling initieel goed is bepaald en om eventuele aanpassingen in bedrijfsvoering op langere termijn te borgen. De VLM kan controlestalen nemen van mesttransporten die worden gevoerd op basis van het algemene forfait, de analyse of BSM, om na te gaan of de samenstelling van de mest aanvaardbaar is. Als te grote afwijkingen tussen het controlestaal en de gebruikte samenstelling worden vastgesteld, kan dat leiden tot verschillende maatregelen, zoals een verplicht nutriëntenopvolgsysteem via analyses, verplichting tot meer opvolgstalen, inkorting van de geldigheidstermijn van mestanalyses, en een voormeldingsplicht van de staalname. 4.1.13.1.2 Bevindingen in 2019 Sinds 2019 is de koppeling gelegd tussen de transportdocumenten op het Mest Transport Internet Loket (MTIL), de keuze voor het systeem voor de mestinhoudswaarden die de landbouwer heeft gemaakt (forfaitair of analysesysteem), en de mestanalyseresultaten die de Mestbank binnen krijgt via het Staalname Melding Internet Loket (SMIL). Dit betekent concreet dat de mestvoerders de mestinhoudswaarden op de transportdocumenten niet meer zelf invullen, maar dat deze reeds ingevuld zijn op basis van de gegevens waarover de Mestbank beschikt. Indien bv. een landbouwer voor een bepaalde mestsoort voor het analysesysteem kiest en er is geen geldige staal bekend bij de Mestbank via het SMIL, dan is de samenstelling van de mest op het transportdocument nul en wordt ervan uitgegaan dat er nog een analyseresultaat volgt. Volgens een stand van zaken eind augustus 2019, kozen 3.002 landbouwers in 2019 (in 2018 waren dat er nog 3.165) ervoor om van minstens één mestsoort de mestsamenstelling te bepalen op basis van regelmatige mestanalyses tegenover 12.217 landbouwers die alle mestsoorten afzetten op forfait. In de eerste helft van 2019 werd 86% van de transporten uitgevoerd met een geldige analyse. Voor 14% van de transportdocumenten was geen geldige analyse beschikbaar, en voor deze documenten staat de inhoudswaarde op nul. Omdat de Mestbank dit percentage transportdocumenten zonder geldige analyse verder omlaag wil krijgen, werden de landbouwers die mest hebben afgezet in 2019 zonder geldige analyse aangeschreven met de melding dat ze ervoor moeten zorgen dat men steeds over een geldige analyse moet beschikken. Globaal wordt in 17% van de gevallen gekozen voor het analysesysteem maar er zijn grote verschillen naargelang de mestsoort. In Tabel 53 is voor de meest voorkomende mestsoorten weergegeven op hoeveel exploitaties deze worden geproduceerd en welke keuze gemaakt is voor de nutriëntenafzet.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 189 van 240


Tabel 53 Keuze voor het analysesysteem of forfaitaire systeem voor de meest voorkomende mestsoorten in 2019 (stand van zaken 29/8/2019)

Mestsoort Rundermest Runderen vaste mest Runderen mengmest Runderen gier Varkensmest Vleesvarkens mengmest Zeugen en biggen mengmest Biggen mengmest Pluimveemest Slachtkuikens vaste mest Slachtkuikenouderdieren vaste gedroogde mest Leghen scharrel of volière vaste mest

Totaal aantal exploitaties

Analyse Aantal % t.o.v. exploitaties totaal

Forfait Aantal exploitaties

% t.o.v. totaal

9.905 7.614 3.228

181 584 15

2% 8% 0%

9.724 7.030 3.213

98% 92% 100%

5.341 2.378 1.433

1.685 354 285

32% 15% 20%

3.656 2.024 1.148

68% 85% 80%

728

449

62%

279

38%

156

133

85%

23

15%

82

42

51%

40

49%

Varkenshouders die gebruikmaken van analyses om hun mestsamenstelling te bepalen, kunnen gebruikmaken van een bedrijfsspecifieke mestsamenstelling (BSM), op voorwaarde dat uit de analyses van hetzelfde soort varkensmest blijkt, dat de mestsamenstelling vrij stabiel is. Volgens een stand van zaken op 31/8/2019 zijn er 378 mogelijke BSM’s in Vlaanderen. Er zijn in totaal 68 aanvaarde BSM’s in Vlaanderen (t.o.v. 25 in 2018). 310 mogelijke BSM’s in Vlaanderen worden nog niet toegepast omdat de landbouwers er niet voor kiezen ook al kan het op hun bedrijf. Redenen hiervoor kunnen zijn dat men eerst een gans jaar stalen wil genomen hebben alvorens deze te gaan gebruiken of omdat men liever wil blijven werken op basis van regelmatige analyses. 4.1.13.2 Terreincontroles van de mestsamenstelling tonen grote afwijkingen voor verwerkte mestproducten Tijdens de terreincontroles van mesttransporten, voert de Mestbank staalnames uit van de vervoerde mest (bij het laden en lossen van een vracht). De meststaalnames worden niet enkel onaangekondigd en steekproefsgewijs uitgevoerd, maar ook gericht in het kader van de controle op het gebruik van mestanalyses met hoge waarden, digestaten, het opvolgen van bedrijven na een bedrijfsdoorlichting, … De analyseresultaten worden overgemaakt aan de aanbieder en de afnemer van de mest en aan de mestvoerder. De resultaten van de mestanalyses worden gebruikt voor de berekening van de mestbalans van de aanbieder en de afnemer als de afwijking tussen de analyseresultaten en de samenstelling van de mest zoals doorgegeven op het mestafzetdocument groter is dan 20%. De analyseresultaten worden enkel in rekening gebracht voor de bemonsterde vracht. De samenstelling van één vracht is immers geen afspiegeling van de samenstelling van de kelder of van het verzamelpunt van waar de mest afkomstig is.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 190 van 240


Als de afwijking tussen de analyseresultaten en de samenstelling van het effluent zoals doorgegeven op het mestafzetdocument groter is dan 20%, dan is de verwerker verplicht om deze resultaten te gebruiken voor volgende transporten tot dat hij door een erkend laboratorium een tegenstaal heeft laten nemen. Het aantal meststaalnames van de voornaamste mestsoorten in de periode 2014 t.e.m. 2018 is weergegeven in Tabel 54. Tabel 54 Aantal meststaalnames van de voornaamste mestsoorten in 2014 t.e.m. 2018

Mestsoort Rundermengmest Stalmest (runderen vaste mest) Mestvarkens(brijbakken) mengmest Zeugen en biggen mengmest Digestaat Effluent Andere meststoffen (slib/schuimaarde)

2014 71 17 268 46 41 100 46

2015 26 1 232 50 19 67 7

2016 59 4 239 50 57 121 42

2017 80 122 259 92 63 127 12

2018 46 134 153 98 29 44 25

Een vergelijking tussen de gemiddelde mestsamenstelling die vermeld is op het mestafzetdocument (MAD) en die gemeten wordt in het meststaal is weergegeven in onderstaande figuren. 4.1.13.2.1 Ruwe mestsoorten Bij rundermengmest (Figuur 109) wordt gemiddeld een verschil van 18% vastgesteld tussen de N-inhoud op het vervoersdocument en het meststaal, wat gelijkaardig is met voorgaande jaren. Voor fosfaat is het verschil kleiner (5% in 2018), tevens in dezelfde trend als voorgaande jaren. In 2017 en 2018 werden een grotere hoeveelheid staalnames uitgevoerd op vaste rundermest (stalmest). Het gemiddelde verschil tussen het meststaal en de waarde op het transportdocument of de forfaitwaarde, dat zo goed als altijd gebruikt wordt bij deze mestsoort, bedraagt in 2018 3,7% voor N en 8,9% voor P2O5. Het is dus duidelijk dat de forfaitaire mestsamenstelling zeer goed de actuele mestsamenstelling benadert voor vaste rundermest. Voor mengmest van mestvarkens(brijbakken) (Figuur 110) is het gemiddelde verschil tussen de inhoud op het vervoersdocument en het meststaal in 2018 8,8% voor N en 0,8% voor P2O5, wat nogmaals een sterke verbetering is t.o.v. voorgaande jaren. De trend naar een meer realistische mestsamenstelling van mestvarkensmest zet zich dus door. Voor mengmest van zeugen(en biggen) (Figuur 111) bedraagt het verschil tussen de inhoud op het vervoersdocument en het meststaal 16% voor N en 4,5% voor P2O5 in 2018. De afwijking schommelt en vertoont geen duidelijke trend. De laatste 3 jaar is er wel opnieuw een verbetering te merken.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 191 van 240


Gemiddelde samenstelling (kg N of P 2 O 5 /ton)

6

5

4

-16% -24%

-19%

-24%

-23%

-18%

-26%

3

2 -9%

-18%

-2%

-8%

-5%

5%

-23%

1

0

2012

2013

2014

kg N/ton MAD

2015

kg N/ton analyse

2016

kg P2O5/ton MAD

2017

2018

kg P2O5/ton analyse

Figuur 109 Gemiddelde samenstelling op MAD en volgens analyse, voor N en P2O5, voor rundermengmest

Gemiddelde samenstelling (kg N of P 2 O 5 /ton)

12

10

8 -31% 6

-20%

4

-32%

-25%

-30%

-31%

-39%

-23%

-35%

-23%

-24%

-9%

-1%

-19%

2

0

2012

2013 kg N/ton MAD

2014 kg N/ton analyse

2015 kg P2O5/ton MAD

2016

2017

2018

kg P2O5/ton analyse

Figuur 110 Gemiddelde samenstelling op MAD en volgens analyse, voor N en P2O5, voor mestvarkens(brijbakken)mengmest

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 192 van 240


Gemiddelde samenstelling (kg N of P 2 O 5 /ton)

6

5

4

-20% -13%

-27%

-17%

-24%

3

-20%

-16%

-10% -16%

-22%

-20%

-32%

4%

-35%

2

1

0

2012

2013 kg N/ton MAD

2014 kg N/ton analyse

2015

2016

kg P2O5/ton MAD

2017

2018

kg P2O5/ton analyse

Figuur 111 Gemiddelde samenstelling op MAD en volgens analyse, voor N en P2O5, voor zeugen(en biggen)mengmest

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 193 van 240


4.1.13.2.2 Effluent en digestaat In tegenstelling tot de ruwe mestsoorten, wordt bij de eindproducten van mestverwerkingsinstallaties zoals digestaat en effluent, doorgaans een hogere inhoudswaarde gemeten bij de mestanalyse dan volgens wat vermeld is op het mestafzetdocument (MAD). De afwijkingen zijn bovendien groot. Dit is gevisualiseerd voor digestaat en effluent in Figuur 106 en Figuur 107. Voor digestaten wordt een gemiddelde afwijking vastgesteld van 47% voor de N-inhoud en 62% voor de P2O5-inhoud in 2018. Voor effluenten wordt een gemiddelde afwijking vastgesteld van 110% voor N en 137% voor P2O5 in 2018. Gemiddelde samenstelling (kg N of P 2 O 5 /ton)

8 7

35%

16%

54%

13% 28%

47%

40%

6 5

25%

4

48%

20%

86%

66%

50%

62%

3 2 1 0

2012

2013 kg N/ton MAD

2014 kg N/ton analyse

2015

2016

kg P2O5/ton MAD

2017

2018

kg P2O5/ton analyse

Figuur 112 De evolutie van de gemiddelde samenstelling op MAD en volgens analyse, voor N en P2O5, voor digestaat

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 194 van 240


Gemiddelde samenstelling (kg N of P 2 O 5 /ton)

1

171%

80% 0,9

190%

89%

0,8

181%

46%

213% 136%

0,7 0,6

110% 165%

57%

65% 133%

0,5

137%

0,4 0,3 0,2 0,1 0

2012

2013 kg N/ton MAD

2014 kg N/ton analyse

2015 kg P2O5/ton MAD

2016

2017

2018

kg P2O5/ton analyse

Figuur 113 De evolutie van de gemiddelde samenstelling op MAD en volgens analyse, voor N en P2O5, voor effluent

4.1.13.2.3 Andere meststoffen Een beperkter aantal staalnames wordt ook jaarlijks genomen van andere meststoffen zoals slibs ontstaan uit industriĂŤle processen en schuimaarde. Deze staalnames tonen eenzelfde fenomeen als waargenomen bij producten van mestbe- of verwerkingsinstallaties, ze hebben doorgaans een grotere inhoud bij een analyse uitgevoerd na een controle dan dat er vermeld wordt op het transportdocument. In 2018 wordt er een gemiddelde afwijking teruggevonden van 45% voor de N-inhoud en 77% voor de P2O5-inhoud.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 195 van 240


Gemiddelde samenstelling (kg N of P 2 O 5 /ton)

12 38%

10

63%

58%

45% 38%

8

51%

101% 77%

73%

31%

6

4

2

0

2014 kg N/ton MAD

2015 kg N/ton analyse

2016 kg P2O5/ton MAD

2017

2018

kg P2O5/ton analyse

Figuur 114 De evolutie van de gemiddelde samenstelling op MAD en volgens analyse, voor N en P2O5, voor slibs

4.1.13.2.4 Evaluatie van de afwijkende mestsamenstellingen Sinds de start van de terreincontroles van de mestsamenstelling, werden systematisch lagere inhoudswaarden vastgesteld bij de controles van ruwe mest dan wat vermeld was op de transportdocumenten. De laatste jaren wordt een verbetering vastgesteld. De sensibiliserende acties van de Mestbank en de verbeterde aanpak voor de opvolging van de mestsamenstelling sinds 2018, hebben geleid tot realistischere inhoudswaarden op de transportdocumenten voor varkensmest. Daartegenover worden nog steeds grote verschillen vastgesteld tussen de inhoudswaarden van eindproducten van mestverwerkingsinstallaties op de transportdocumenten en wat gemeten wordt bij terreincontroles. Uit deze controles blijkt dat verwerkte mestproducten in realiteit meer nutriĂŤnten bevatten dan wat er op de transportdocumenten vermeld wordt, wat impliceert dat de totale hoeveelheid verwerkte nutriĂŤnten in Vlaanderen overschat wordt. Ook heeft dit milieu-implicaties aangezien effluenten met een lage stikstofinhoud (<0,6 kg N/ton) mogen aangewend worden in periodes waarin type 3 meststoffen niet mogen worden uitgereden. Wanneer de effluenten in realiteit (de analyse vermeldt gemiddeld 0,65 kg N/ton in 2018) de toegelaten hoeveelheid om te genieten van deze uitzondering overschrijdt, kan dit een negatieve impact hebben op het milieu. Het is dus van het grootste belang dat de inhoudswaarden van effluenten zo goed als mogelijk constant worden gehouden en er steeds een representatieve analyse gebruikt wordt. De grote afwijkingen bij de inhoudswaarden van verwerkte mestproducten zijn merkwaardig, omdat ook de waarde op het transportdocument steeds gebaseerd moet zijn op een recente analyse. Waarom worden dan dergelijke grote afwijkingen vastgesteld tussen de inhoudswaarden op het transportdocument en volgens de analyse uitgevoerd bij een terreincontrole?

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 196 van 240


Enerzijds kan dit wijzen op mogelijke fraude waarbij de verwerkte mestproducten aan lagere inhoudswaarden gemakkelijker kunnen worden afgezet naar landbouwers en meer mestverwerkingscertificaten bekomen worden. Anderzijds speelt er mogelijks een effect van de staalnamemethodiek. Om de samenstelling van het effluent te bepalen, doet de mestverwerker immers beroep op een staalname van het effluentbekken terwijl bij een terreincontrole de dienst Handhaving van de VLM een staal neemt met een zijbuisapparaat. De bemonstering van een effluentbekken is niet gemakkelijk. In de praktijk wordt dit op 3 verschillende manieren uitgelegd in het compendium voor monsterneming en analyse. De grote verschillen tussen de inhoudswaarden op de vervoersdocumenten en deze bepaald tijdens een terreincontrole zouden het gevolg kunnen zijn van meegezogen slib in het afgevoerde effluent. Het effluent bemonsterd op basis van een oppervlaktestaal genomen in het voorjaar heeft lage inhoudswaarden. Deze analyse geeft slechts een goede representatie van de samenstelling van het afgevoerde effluent, als er geen slib mee aangezogen wordt. Wanneer er slib wordt meegezogen bij de eerste vrachten na lange stilstand of als er al veel transporten uit het bekken vertrokken zijn kunnen de inhoudswaarden van het afgevoerde effluent hoger liggen dan het in de winter bemonsterde effluent, dit door aanwezigheid van slib, maar ook door verdamping. Omdat het van belang is om op elk moment met een representatieve analyse effluent af te voeren, heeft het VCM in oktober 2018, in samenspraak met de VLM en de mestverwerkers, een code voor goede praktijk ontwikkeld voor het verkrijgen van een betrouwbare en stabiele effluentsamenstelling. Het tijdig herkennen van het omslagpunt van helder effluent naar een mengsel met slib, door de bedrijfsvoerder in samenspraak met de loonwerker, is minstens even belangrijk als de opvolging van de installatie en de efficiëntie van de biologie. De bedrijfsvoerder van de mestverwerkingsinstallatie kan hierbij tevens beroep doen op zijn kennis en ervaring van het biologisch systeem. Hierdoor kan er onder de juiste mestcode afgevoerd worden. Nood aan verdere aandacht voor de mestsamenstelling Uit het project “agronomische waarde van bewerkte dierlijke mest valoriseren optimaliseren” (zie overzicht van onderzoeksprojecten in bijlage: n°16) leren we dat de kennis van de mestsamenstelling heel belangrijk is. Zelfs in veldproeven in onderzoeksomstandigheden blijkt het een uitdaging om de correcte dosis op het veld toe te passen. Dit onderzoek toont aan dat er nood is aan homogene bemestingsproducten, waarvan de samenstelling gekend is. Verdere ontwikkeling van in situ staalnametechnieken is dan ook erg belangrijk. Verder toont het onderzoek ook aan dat er nood is aan een correcte tracering van welke type mestverwerkingsproduct er precies gebruikt wordt omdat de samenstelling van de verschillende type producten sterk kan verschillen.

4.1.14 Controles op lozing van meststoffen Controles op lozing van meststoffen vinden vaak plaats na ontvangst van een melding. Deze melding kan zowel van particulieren komen als van andere inspectiediensten of via de politie. Daarnaast kunnen lozingen toevallig vastgesteld worden tijdens andere terreincontroles, zoals bij controles op tuinbouwbedrijven, mestopslagen of bij opbrengingscontroles. Na de vaststelling van een lozing wordt er ook steeds een hercontrole ingepland om afspraken verder op te volgen of potentiële toekomstige lozingen te vermijden of sneller te detecteren. De afhandeling van bepaalde dossiers m.b.t. lozingen kan gebeuren in samenwerking met andere inspectiediensten, wat resulteert in een geïntegreerde aanpak.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 197 van 240


In 2018 werden er in totaal 110 controles uitgevoerd met betrekking tot een potentiĂŤle lozing van meststoffen of de opvolging van een eerdere vaststelling van lozing. Van deze 110 controles vonden er 16 plaats ten gevolge van een ingeplande hercontrole na eerdere vaststellingen van inbreuken. Bij geen enkele hercontrole werden er opnieuw inbreuken vastgesteld. In ongeveer 59% van de gevallen in 2018, 65 dossiers, werd er effectief een lozing vastgesteld of was er een reĂŤle mogelijkheid tot het plaatsvinden van een lozing in de nabije toekomst. Deze 65 dossiers worden gelinkt aan 62 verschillende bedrijven. Voor deze overtredingen werden er 50 processen-verbaal opgesteld. Er werden tevens 10 bestuurlijke maatregelen uitgeschreven in 2018. Volgens een stand van zaken op 30 juni 2019, werden er 92 controles op lozingen uitgevoerd in 2019, waarvan er 11 plaats vonden ten gevolge van een ingeplande hercontrole na eerdere vaststellingen van inbreuken. Bij deze 11 hercontroles werd er opnieuw een inbreuk vastgesteld tijdens 1 bedrijfsbezoek. In ongeveer 58%, of 53 dossiers, werd er effectief lozing vastgesteld of was er een reĂŤle mogelijkheid tot het plaatsvinden van een lozing in de nabije toekomst. Deze 53 dossiers werden opgemaakt ten laste van 50 verschillende bedrijven. Er werden voor deze overtredingen 38 processen-verbaal opgemaakt. Reeds 3 bestuurlijke maatregelen werden opgemaakt in 2019 ten gevolge van een lozing. Bestuurlijke maatregelen moeten ervoor zorgen dat de lozing direct een halt wordt toegeroepen en dat het risico op een nieuwe lozing voorkomen wordt, meestal na het opleggen van aanpassingen aan constructie op het bedrijf. Na het opleggen van een bestuurlijke maatregel wordt een bedrijf altijd opnieuw gecontroleerd om na te gaan of er al dan niet gevolg werd gegeven aan de opgelegde maatregelen en of er opnieuw lozingen worden vastgesteld. Indien de maatregelen werden opgevolgd, wordt ook de bestuurlijke maatregel opgeheven. Indien alle opgelegde maatregelen uit een bestuurlijke maatregel niet werden opgevolgd, kan een nieuw proces verbaal opgemaakt worden. Lozingen kunnen betrekking hebben op verschillende soorten bedrijven (tuinbouw-, veeteelt- of beverwerkingsbedrijf) of kunnen diverse oorsprongen hebben (lekkages uit mestopslagen, opbrenging van meststoffen op het perceel). In Tabel 55 kun je een onderverdeling terugvinden van de diverse oorsprongen van een inbreuk die valt in de categorie van lozing van meststoffen voor de jaren 2018 en de eerste helft van 2019, op een bedrijf kunnen er tijdens een controle meerdere lozingssituaties zich voordoen. Vanaf 2018 werd er extra aandacht gegeven aan de controle van de opslag van het spuiwater bij biologische luchtwassystemen. Hier werden dan ook onmiddellijk heel wat overtredingen vastgesteld, weliswaar niet steeds met betrekking tot een lozing van het spuiwater. Tabel 55 Oorsprong van de lozing bij de terreincontroles op lozing in 2018 en 2019 (stand van zaken 30/6/2019)

Oorsprong lozing Mestopslag vaste mest Opbrenging van meststoffen Mestopslag be-verwerking Mestopslag mengmest Spuistroom (grondloze tuinbouw) Mestopslag op de kopakker Opslag van erfsappen Opslag spuiwater Totaal

Vaststellingen 2018 22 12 7 14 3 4 2 1 64

Vaststellingen 2019 24 6 8 9 0 1 0 5 53

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 198 van 240


4.1.15 Financiële gevolgen 4.1.15.1 Administratieve en terreinboetes Mestbank In Tabel 56 wordt een overzicht gegeven van het initieel aantal opgelegde boetes in 2018, samen met de ontvangsten van de boetes en het openstaand bedrag (stand van zaken op 30 juni 2019). In totaal werd 3,7 miljoen euro aan boetes opgelegd in 2018 (rekening houdend met kwijtscheldingen en verminderingen), waarvan 1,4 miljoen euro (38%) geïnd werd (stand van zaken op 30 juni 2019). De boetes voor NER-overschrijding (49% van opgelegd bedrag) nemen het grootste aandeel van het opgelegd boetebedrag in, gevolgd door de boetes voor balansoverschrijding (24% van opgelegd bedrag). De boetes voor het niet voldoen aan de mestverwerkingsplicht werden uitzonderlijk opgelegd in januari 2019 in plaats van in december 2018. Deze boetes worden opgenomen in het Mestrapport 2020. Het gaat om 136 boetes met een initieel opgelegd bedrag van 378.833 euro (overige cijfers nog onvolledig op ogenblik van rapportering.) In Tabel 56 is aangeduid of de boete voortkomt uit een administratief controleproces (‘A’), of opgelegd werd naar aanleiding van een terreincontrole of doorlichting (‘T’). In 2018 werden er 2.586 boetes opgelegd, waarvan 2.319 of 90% opgelegd werden na een administratief controleproces. Deze administratieve boetes bedroegen 2,2 miljoen euro of 60% van het totaal opgelegde boetebedrag in 2018. De boetes die opgelegd werden na een terreincontrole of een doorlichting vertegenwoordigen dus slechts 10% van het totale aantal boetes, maar 40% van het totaal opgelegde boetebedrag. Tabel 56 Overzicht van het initieel aantal opgelegde boetes voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018, samen met de opgelegde, ontvangen en openstaande bedragen op 30 juni 2019 (* inclusief kwijtscheldingen en verminderingen voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 juni 2019)

600 555 3 9 12 6 15 241 35 1.299 411 79 1

Opgelegd bedrag (euro)* 175.975 163.175 750 2.825 3.575 2.250 3.400 164.850 889.831 1.839.653 703.999 20.000 250

Ontvangen bedrag (euro) 152.800 141.825 750 2.250 3.075 1.750 3.150 152.330 108.415 904.068 140.985 18.500 250

T

35

13.000

12.750

250

A/T

79

17.500

16.500

1.000

A T

64 15

14.250 3.250

13.250 3.250

1.000 0

Boete

A/T

Aantal dossiers

Verzuim aangifte Verzuim aangifteplicht landbouwers Verzuim aangifteplicht erkend mestvoerder Verzuim aangifteplicht bewerkers/verwerkers Verzuim aangifteplicht andere meststoffen Verzuim aangifteplicht verzamelpunten Verzuim aangifteplicht diervoederproducenten Niet uitvoeren van een verplichte nitraatresidubepaling Balansoverschrijding stikstof en fosfaat Overschrijden nutriëntenemissierechten Overige boetes Foutieve aangifte Niet bijhouden register Niet (correct) naleven van de maatregelen opgelegd bij uitvoering van een bedrijfsdoorlichting Niet (correct) naleven van de verstrenging van de uitrijregeling of vervoerregeling Administratieve oplegging Oplegging na terreincontrole of doorlichting

A A A A A A A A T A A/T T T

Openstaand bedrag (euro) 23.175 21.350 0 575 500 500 250 12.520 781.416 935.585 563.014 1.500 0

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 199 van 240


Boete Niet naleven focusmaatregel niet inzaaien van vanggewas Niet naleven focusmaatregelen bijhouden bemestingsplan en verplichte bodembalans Niet voorleggen nutriĂŤntenbalans en stavingstukken Te veel mest opgebracht of laten opbrengen op perceel gelegen in natuurgebied Lichte overtreding rond vervoer of gebruik van meststoffen Administratieve oplegging Oplegging na terreincontrole of doorlichting Inscharing zonder inscharingscontract Niet (af)melden van mesttransport door erkende mestvoerders Transport meststoffen door erkend mestvoerder zonder vereiste documenten of zonder het transport vooraf te melden Vervoer van dierlijke of andere meststoffen zonder sluiten of melden burenregeling Aanbieden of afnemen van meststoffen zonder vereiste documenten of zonder melding transport Administratieve oplegging Oplegging na terreincontrole of doorlichting Niet gebruiken van AGR-GPS Vermelden niet geldige analyse op transportdocument door aanbieder en/of afnemer Transport door mestvoerder zonder erkenning van erkend mestvoerder Vervoer van meststoffen door erkend mestvoerder in een voertuig dat niet opgenomen is in zijn erkenning

17

Opgelegd bedrag (euro)* 5.095

Ontvangen bedrag (euro) 5.040

T

13

3.000

3.000

0

T

5

77.110

21.010

56.100

T

6

2.235

2.235

0

A/T A T T T

107 96 11 1 2

28.750 24.150 4.600 100 900

28.750 24.150 4.600 100 100

0 0 0 0 800

T

8

241.200

2.400

238.800

T

17

6.800

6.450

350

A/T

8

3.600

3.600

0

A T T

2 6 25

800 2.800 8.600

800 2.800 7.200

0 0 1.400

T

6

272.559

9.800

262.759

T

1

2.500

2.500

0

T

1

800

800

0

A/T

Aantal dossiers

A

Openstaand bedrag (euro) 55

Als de landbouwer zijn boete niet spontaan betaalt, onderneemt de Mestbank stappen om de boete in te vorderen. De Mestbank verstuurt altijd eerst een betalingsherinnering en geeft de mogelijkheid tot spreiding of uitstel van de betaling. Zo werden in 2018 741 betalingsherinneringen verstuurd. Voor 78 landbouwers werd een afbetalingsplan toegekend. Betaalt de landbouwer hierna nog niet, dan geeft de Mestbank opdracht aan de gerechtsdeurwaarder om tot invordering van de schuld over te gaan. In 2018 werden 246 dwangbevelen opgelegd. Dit kan leiden tot beslag op roerend goed en eventueel de openbare verkoping van dit goed. Er zijn boetes die, zelfs na bovenstaande stappen, nog altijd niet betaald zijn. In die dossiers onderzoekt de Mestbank of zij de verschuldigde boetes kan invorderen via de wettelijke hypotheek (en openbare verkoop van onroerend goed), het beslag op landbouwpremies, het beslag op de bankrekening en het beslag op de nutriĂŤntenemissierechten.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 200 van 240


4.1.15.2 Terreinboetes via afdeling Handhaving van departement Omgeving Naast de terreinboetes die door de Mestbank worden opgelegd, kunnen er ook boetes opgelegd worden door de afdeling Handhaving van het departement Omgeving. Dit zijn boetes die volgen uit een PV. Bij vaststelling van inbreuken wordt een PV opgemaakt dat vervolgens naar het parket wordt gestuurd. In 99% van de gevallen beslist het parket om het dossier niet strafrechtelijk te behandelen en door te sturen naar de afdeling Handhaving van het departement Omgeving voor verdere behandeling. In eerste instantie verwittigt de afdeling Handhaving de betrokken landbouwer en doet ze een voorstel tot betaling van een minnelijke schikking (i.f.v. de aard van de vaststelling). Indien de landbouwer deze minnelijke schikking niet aanvaardt, start de afdeling Handhaving de verdere procedure. Er wordt een boetebedrag berekend (i.f.v. de inbreuk, en hoger dan de minnelijke schikking) en opgelegd aan de landbouwer. Bij recidive is het boetebedrag hoger. De landbouwer kan een bezwaar indienen, gevolgd door een arrest. In de meeste gevallen wordt het boetebedrag behouden bij uitspraak van het arrest. Een overzicht van de opgelegde boetebeslissingen en minnelijke schikkingen door de afdeling Handhaving van het departement Omgeving in 2018, is te vinden in Tabel 57. Tabel 57 Opgelegde boetebeslissingen en minnelijke schikkingen door de afdeling Handhaving van het departement Omgeving in 2018

Lozing Opbrenging

Uitrijregeling

Algemeen Tuinbouw Nietemissiearm Afstandsregels Opslag Bemestingsverbod Bemesting op bevroren ondergrond Uitrijregeling Erkenningen

Teeltvrije Zone Weigering uitoefenen controle

Boetebeslissingen Gem. Bedrag Aantal bedrag 20.825 18 1.157 1.164 3 388

Minnelijke Schikkingen Gem. Bedrag Aantal bedrag 20.050 18 1.114

Totaal opgelegde boetes Gem. Bedrag Aantal bedrag 40.875 36 1.135 1.164 3 388

8.476

15

565

22.120

41

540

30.596

56

546

14.134 4.317

13 4

1.087 1.079

23.295 1.375

34 2

685 688

37.429 5.692

47 6

796 949

576

2

288

850

1

850

1.426

3

475

1.210

4

303

1.210

4

303

660 216 550 8.044

1 1 1 3

660 216 550 2.681

660 216

1 1

660 216

8.044

3

2.681

550

1

550

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 201 van 240


4.2 BEGELEIDING VAN LANDBOUWERS 4.2.1 Begeleiding door het CVBB 4.2.1.1 Waterkwaliteitsgroepen brengen landbouwers samen Situering van de waterkwaliteitsgroepen Waterkwaliteitsgroepen zijn door het ‘Coördinatiecentrum voorlichting en begeleiding duurzame bemesting’ (CVBB) georganiseerde, vrijwillige discussiegroepen van landbouwers die actief zijn binnen het afstroomgebied van één of enkele slechte of minder goede MAP-meetpunt(en). Globaal werden 490 bijeenkomsten van waterkwaliteitsgroepen georganiseerd, waarbij 461 MAP-meetpunten betrokken zijn. Afhankelijk van de densiteit van de rode MAP-meetpunten worden in sommige regio’s meerdere rode MAP-meetpunten betrokken bij eenzelfde waterkwaliteitsgroep. Het aantal landbouwers die minstens eenmaal hebben deelgenomen aan een waterkwaliteitsgroep per gemeente, is gevisualiseerd in Figuur 115. In totaal werden 2.900 landbouwers bereikt.

Figuur 115 Aantal landbouwers die minstens eenmaal hebben deelgenomen aan een waterkwaliteitsgroep per gemeente (periode 2012-2018)

Werking binnen de waterkwaliteitsgroepen De waterkwaliteitsgroep (WKG) blijft het forum waarbij CVBB-medewerkers plaatsspecifieke situaties aankaarten en doorpraten met de betrokken land- en tuinbouwers. Tijdens de samenkomsten van de WKG wordt actuele info i.v.m. de evolutie van de waterkwaliteit en de resultaten van de staalnames bij de intensieve aanpak besproken. De evolutie van klassieke WKG-vergaderingen in een vergaderzaal naar

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 202 van 240


bijeenkomsten te velde, de zogenaamde ‘tententochten’, zet zich verder. De opkomst bij de ‘tententochten’ ligt dan ook beduidend hoger. Voordelen zijn dat de bijeenkomst minder lang duurt en dat men in het veld interessante zaken kan tonen. De nabijheid zorgt er bovendien voor dat landbouwers andere landbouwers meebrengen. 4.2.1.2 Signaalwaarden maken kort op de bal spelen mogelijk De signaalwaarden zijn meetresultaten van de MAP-meetpunten, die door VMM snel (binnen de 7 werkdagen na staalneming) ter beschikking gesteld worden van enkele stakeholders (o.a. CVBB, VLM en landbouworganisaties). Het gaat om hoge meetwaarden, vanaf 9 mg N/l (overeenkomend met 40 mg NO3-/l). Deze signaalwaarden zijn een belangrijke meerwaarde voor de CVBB-werking. Ze maken het mogelijk sneller actie te ondernemen en gerichter oorzaken van de verhoogde nitraatconcentraties op te sporen. Vooral bij groene meetpunten is het cruciaal tijdig de oorzaak van de onverwachte hoge nitraatconcentratie te achterhalen. Enkele vaststellingen bij de werking met signaalwaarden tijdens het winterjaar 2017-2018: − Globaal werden 911 signaalwaarden verstuurd, waarvan de helft i.v.m. MAP-meetpunten in WestVlaanderen (49%). Provincie Limburg ontving er 150, Oost-Vlaanderen 134, Antwerpen 90 en VlaamsBrabant 87. − 74% van de signaalwaarden hadden betrekking op rode MAP-meetpunten, 26% op groene meetpunten. Bij 66% was er een overschrijding van de norm (50 mg nitraat/l) en 17% was hoger dan 75 mg nitraat/l. − Er werd kort op de bal gespeeld want de tijdsspanne tussen de meting en het ontvangen van de signaalwaarde was in 95% van de gevallen kleiner dan 5 dagen. 59% van de signaalwaarden werden zelfs binnen de 2 dagen na staalneming doorgestuurd. − 60% van de signaalwaarden leidde tot actie op het terrein, vooral bij de groene MAP-meetpunten. Dit betekent concreet dat CVBB-medewerkers ter plaatse gaan en bijkomende metingen uitvoeren aan het MAP-meetpunt en bijkomende meetpunten stroomopwaarts van het MAP-meetpunt, om de oorzaak te achterhalen. In de meeste gevallen is de oorzaak duidelijk gerelateerd aan de landbouwpraktijk, in hoofdzaak drainage. Bij de rode MAP-meetpunten is de gekoppelde actie in grote mate afhankelijk van de trend van het betreffende meetpunt en het aantal overschrijdingen. MAPmeetpunten met meerdere overschrijdingen of frequente CVBB-metingen hoger dan de binnengekomen signaalwaarde verantwoorden vaak geen bijkomende actie. 4.2.1.3 De intensieve aanpak in afstroomgebieden van rode MAP-meetpunten De terreinkennis, die de CVBB-medewerkers sinds 2012 hebben opgedaan bij de monitoring van de waterkwaliteit aan en stroomopwaarts van de MAP-meetpunten, heeft geleid tot een indeling van de rode MAP-meetpunten volgens de vastgestelde of vermoedelijke oorzaak van de overschrijdingen. Bij de MAPmeetpunten met ‘invloed van land- en tuinbouw’, de voornaamste oorzaak van de overschrijdingen bij het merendeel van de meetpunten, werd in 2014 gestart met en vanaf 2015 volop ingezet op de ‘intensieve aanpak’. Intensieve aanpak staat voor sensibilisering, opvolging en vooral begeleiding van de bemestingsstrategie op de percelen in de afstroomgebieden van de MAP-meetpunten.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 203 van 240


De opvolging wordt volledig gestuurd vanuit het CVBB: − Op basis van de terreinkennis en verkennende nitraatresidustalen wordt het gebied voor de intensieve aanpak beperkt tot het deel van het afstroomgebied waar percelen met kans op een verhoogd nitraatresidu (o.b.v. teelten, perceelsspecifieke eigenschappen of voorgeschiedenis) en probleembedrijven zijn gelegen. − De begeleiding start met profielstalen met nitraatbepaling in het voorjaar of verder in het seizoen voor teelten die later worden ingezaaid/uitgeplant. De daaraan gekoppelde bemestingsadviezen worden besproken met de betrokken land- en tuinbouwers. In de loop van het teeltseizoen houden begeleider en landbouwer regelmatig contact omtrent bijbemestingen. − Tijdens de nitraatresiducampagne (1 oktober - 15 november) wordt op ieder perceel een nitraatresidustaal genomen (0-90 cm), waardoor het mogelijk wordt de bemestingsstrategie van het voorbije jaar te beoordelen (Haalt de landbouwer de gewenste resultaten? Moet de bemesting nog verder bijgeschaafd worden?). In bepaalde gevallen zijn ze ook een hulpmiddel om na te gaan of de landbouwer wel open kaart speelt (Kloppen de opgegeven bemestingsgegevens wel?). − Bij hoge nitraatresidu’s wordt gezocht naar de mogelijke oorzaken ervan. Dit is tevens nuttige info voor aanpassing van de bemestings- en teelttechniek het jaar nadien. Tabel 58 geeft een overzicht van de via intensieve aanpak opgevolgde afstroomgebieden, betrokken land- en tuinbouwers, percelen en bodemstalen. In totaal werden in de periode 2014-2018 1.900 landbouwers opgevolgd via de intensieve aanpak. Tabel 58 Aantal afstroomgebieden en betrokken landbouwers bij de intensieve aanpak

2014 2015 2016 2017 2018

Aantal geselecteerde afstroomgebieden 34 98 107 126 131

Aantal betrokken landbouwers 205 762 936 1.198 1.105

Aantal percelen

Aantal bodemstalen

2.081 2.644 3.095 3.149

3.185 3.928 4.818 5.026

Een belangrijke meerwaarde van deze intensieve aanpak is dat er veelvuldig individueel contact is met de betrokken landbouwers. Zo kan er een vertrouwensrelatie groeien. Bovendien bereikt het CVBB heel wat landen tuinbouwers die nauwelijks of niet deelnemen aan voorlichtingsvergaderingen en samenkomsten van de WKG.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 204 van 240


Evaluatie van de intensieve aanpak 2018 De evolutie van het gemiddelde nitraatresidu van de percelen die opgevolgd worden in het kader van de intensieve aanpak van het CVBB is weergegeven in Figuur 116, samen met het gemiddelde nitraatresidu van de percelen in de staalnamecampagne van de Mestbank. Zoals reeds aangehaald, droegen de atypische weersomstandigheden bij tot hogere nitraatresiduâ&#x20AC;&#x2122;s in 2018, zoals blijkt uit zowel de staalnames in het kader van de intensieve aanpak als uit de staalnamecampagne van de VLM. De hogere resultaten bij de percelen die opgevolgd worden via de intensieve aanpak, worden verklaard door de focus op risicosituaties: risicoteelten, risicopercelen en risicobedrijven in de probleemdeelgebieden van afstroomgebieden van rode MAPmeetpunten. Bovendien is er bij de CVBB-nitraatresidustaalname geen mogelijkheid tot een tegenstaalname.

Figuur 116 Evolutie van het gemiddelde nitraatresidu van de percelen die opgevolgd worden in het kader van de intensieve aanpak van het CVBB en de percelen in de staalnamecampagne van de Mestbank (VLM)

Op 77% van alle bemonsterde percelen werd een te hoog nitraatresidu gemeten en werd gezocht naar de meest voor de hand liggende oorzaak voor de overschrijding. De voornaamste oorzaak blijft duidelijk gerelateerd aan bemesting : ofwel is de dosis kunstmest en/of organische mest niet in overeenstemming met het advies, ofwel is er onvoldoende kennis over de N-inhoud en -vrijstelling van de dierlijke mest of werd de bemesting op een verkeerd moment toegediend. Daarnaast worden de mogelijkheden van bijbemestingsstalen en -adviezen nog te weinig benut. Dit veronderstelt een basisbemesting, lager dan de behoefte, zodat effectief een bijbemesting kan gegeven worden. Niet juist inschatten van de oogstresten komt ook nog veel voor. In 2018 werden er opvallend meer hoge nitraatresiduâ&#x20AC;&#x2122;s toegewezen aan teeltmislukking. De droogte liet geen normale gewasgroei toe wat zich in sommige teelten vertaalde tot minder of zelfs geen opbrengst met een hoog nitraatresidu tot gevolg. Tabel 59 geeft per teeltgroep de voornaamste oorzaken voor het te hoog nitraatresidu.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 205 van 240


Tabel 59 Voornaamste oorzaken voor het te hoog nitraatresidu per teeltgroep, met telkens vermelding van het % betrokken percelen

Teeltgroep Aardappelen Bloemkool Prei Vlinderbloemige groenten Andere groenten Pit- en steenfruit Sierteelt en boomkwekerij Graangewassen Grasland Maïs Overige teelten

Hoofdoorzaak Strategie bemesting kunstmest 55% Strategie bemesting kunstmest 51% Strategie bemesting kunstmest 68%

Tweede oorzaak Mineralisatie 20% Nog opname verwacht 16% Mineralisatie 11%

Strategie bemesting organische mest 31%

Teeltmislukking 31%

Strategie bemesting kunstmest 67% Strategie bemesting kunstmest 58%

Mineralisatie 11% Strategie bemesting organische mest 25%

Strategie bemesting kunstmest 50%

Strategie bemesting organische mest 25%

Vanggewas te laat of niet ingezaaid 23% Strategie bemesting kunstmest 37% Strategie bemesting organische mest 32% Strategie bemesting kunstmest 34%

Mineralisatie 23% Strategie bemesting organische mest 27% Teeltmislukking 20% Strategie bemesting organische mest 17%

4.2.1.4 Individuele bedrijfsbegeleiding Vanaf 2016 is de bedrijfsbegeleiding gericht op bedrijven die problemen hebben met een te hoog nitraatresidu. Bedrijven die zich voor de eerst de eerste maal inschrijven voor de CVBB-begeleiding zijn vrijgesteld van deze voorwaarde. Het begeleidingspakket heeft een waarde van 350 euro (excl. BTW) waarvan maximaal 300 euro wordt betaald vanuit het CVBB-budget. De teler betaalt steeds minimaal 50 euro (of meer bij uitgebreide pakketten) en de BTW op de totaalfactuur. De voorbije jaren werd gemiddeld per bedrijf 250 à 270 euro vanuit het CVBB-budget uitbetaald. De eigen bijdrage van de land- en tuinbouwers varieerde van 74 tot 105 euro/bedrijf/jaar. De begeleiding wordt ingevuld met 1 uur of 2 uur begeleiding, verdeeld over verschillende momenten in het seizoen. Bij 1 uur begeleiding wordt wel op één perceel een analyse van de bodemvoorraad aan stikstof bij het einde van de teelt of tijdens de nitraatresiducampagne voorzien. De rest van het pakket kan aangevuld worden met relevante staalnames van bodem, dierlijke mest en gewas of extra bedrijfsbezoeken voor begeleiding. Er wordt over gewaakt dat verplichte staalnames in het kader van het mestbeleid niet in aanmerking komen voor het CVBB-begeleidingspakket. De bedrijfsbegeleiding wordt uitgevoerd door de CVBB-medewerkers of collega’s binnen de praktijkcentra en medewerkende instanties. Deze begeleiding kadert dan ook in de ruimere dienstverlening en advisering die vanuit de praktijkcentra land- en tuinbouw wordt gegeven aan de landbouwers: adviezen i.v.m. teelttechniek in de ruime zin, kwaliteit en bewaring, mechanisatie, water (irrigatie en fertigatie) en klimaatregeling bij beschermde teelten. De evolutie van het aantal aanvragen voor individuele bedrijfsbegeleiding is weergegeven in Tabel 60. In totaal werden in de periode 2012-2018 2.200 landbouwers begeleid. De spreiding van de individuele bedrijfsbegeleidingen in Vlaanderen is gevisualiseerd in Figuur 117. Tabel 60 Evolutie van het aantal aanvragen voor bedrijfsbegeleiding

Aantal aanvragen

2012 135

2013 852

2014 1023

2015 1023

2016 490

2017 510

2018 590

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 206 van 240


Figuur 117 Spreiding van de individuele bedrijfsbegeleidingen door het CVBB (% begeleide bedrijven t.o.v. het totaal aantal bedrijven per gemeente)

Bij het inschrijven vermeldt de landbouwer het bedrijfstype (akkerbouw, veeteelt, groenten, fruit, bio en/of sierteelt). Meerdere sectoren per bedrijf zijn mogelijk. Het percentage akkerbouwers stijgt jaarlijks en bepaalde in 2018 meer dan 80% van het deelnemersveld. Het voorbije jaar hadden meer dan 60% van de deelnemers eigen dieren en ongeveer 40% teelt groenten. Het percentage deelnemers werkzaam in de biologische sector is klein maar neemt wel jaarlijks toe. Dit in tegenstelling tot de fruit- en siertelers. Bij 1 op 8 bedrijven zijn er extra maatregelen opgelegd door de VLM ten gevolge van hoge nitraatresidu’s. 4.2.1.5 Communicatieactiviteiten Aan communicatie wordt veel aandacht besteed en hierbij wordt gebruik gemaakt van alle mogelijke communicatiekanalen: studievergaderingen, artikels in de vakpers, nieuwsbrieven, berichten aan de telers, rondgangen, opendeurdagen, brochures, websites, blogs, … Regelmatig worden publicaties gemaakt m.b.t. de stand van zaken en de werking van het CVBB. Zo verschenen artikels over de intensieve aanpak, de waterkwaliteitsgroepen, en het nut van bedrijfsbegeleiding. De meeste teksten, rapporten en andere relevante info i.v.m. bemesting en waterkwaliteit wordt ook opgenomen op de CVBB-website. In 2018 verscheen het uitgebreid meerjarig rapport ‘Het verhaal achter de cijfers’ (2015-2017). Deze rapportering werd omgezet naar meerdere kortere artikels die in grote mate werden opgenomen door de landbouwpers. Daarnaast is er al werk gemaakt van jaarrapporten per thema (IA, IBB, WKG). Het is de bedoeling die jaarlijks te updaten. Op vraag wordt ook meegewerkt aan reportages van televisiezenders. Met PlattelandsTV werd een tweede filmpje i.v.m. de ecologische inspanningen van landbouwers gerealiseerd. Tijdens het vergaderseizoen worden door de CVBB-medewerkers tal van voordrachten gegeven bij initiatieven van derden, zoals de land- en

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 207 van 240


tuinbouworganisaties, het Departement Landbouw en Visserij, starterscursussen voor jonge land- en tuinbouwers, Provinciale landbouwdiensten, Landbouwcomicen, Gemeentelijke landbouwraden, Polders, … Het pijnpunt bij voorlichtingsactiviteiten blijft het feit dat de land- en tuinbouwers die info en advies het meest nodig hebben, nauwelijks of niet deelnemen aan de bijeenkomsten. Bij de intensieve aanpak van CVBB wordt dit opgevangen door de individuele benadering van de land- en tuinbouwers in de afstroomgebieden van de moeilijke MAP-meetpunten.

4.2.2 Ondersteuning door de Mestbank 4.2.2.1 Dienstverlening Mestbank De Mestbank zorgt in de 5 regionale vestigingen voor eerstelijnsinformatie voor landbouwers en andere belanghebbenden. Men kan zowel telefonisch, via mail als op afspraak terecht bij de Mestbankmedewerkers met vragen over het mestbeleid. In totaal werden in 2018 53 zitdagen georganiseerd waarbij 1.949 klanten, voornamelijk landbouwers individueel werden ontvangen en individueel verder geholpen. Naar jaarlijkse traditie werden in december wintertoelichtingen georganiseerd voor de landbouwconsulenten. In totaal werden hierop 135 geïnteresseerden ontvangen. Door deze ‘train de trainer’ aanpak wordt een veelvoud aan landbouwers bereikt op een efficiënte manier. Zo is de Mestbank tijdens de nitraatresiducampagne druk bevraagd. De uitzonderlijke weersomstandigheden liggen zeker aan de basis. Maximaal werd geanticipeerd op oogstmislukking. In totaal werden 3.980 percelen geannuleerd waarvan er 1.710 herselecties zijn gebeurd. Ook de goedkeuring en uitrol van MAP 6 zorgde voor een piek in de ontvangen vragen en mails. 4.2.2.2 Digitale ondersteuning De Mestbank zet resoluut in op een verdere uitbouw van de digitale ondersteuning. Zo moedigen we de landbouwers aan om de communicatie via e-mail te laten verlopen. In 2018 gebeurt dit al voor 81% van de aangifteplichtige landbouwers. Het Mestbankloket vormt de spil in deze aanpak en speelt een cruciale rol in de communicatie van de landbouwer naar de Mestbank en omgekeerd. Alle e-loketten en applicaties van de Mestbank zijn beschikbaar via het Mestbankloket. Zo is er de jaarlijkse mestbankaangifte waarvan 98% werd ingediend via het loket in 2018. In omgekeerde richting fungeert het loket als informatiekanaal van de Mestbank naar de landbouwer en de andere belanghebbenden. Op 1 januari 2018 werd de StaalName-applicatie van het Mestbankloket (SNapp) succesvol gelanceerd. Het onlineplatform SNapp heeft als doel om bodemanalyses in het kader van het Mestdecreet makkelijker te beheren. Het volstaat om de juiste percelen aan te duiden en een bodemanalyse aan te vragen bij een erkend labo via SNapp. De landbouwer heeft zo minder werk en de Mestbank verzamelt meteen de juiste informatie om de juiste rechten toe te wijzen. Het belangrijkste voordeel van SNapp is de administratieve vereenvoudiging. De eerste concrete toepassing van SNapp is de behandeling van een aanvraag van een nieuwe fosfaatklasse voor een bepaald perceel. Tot 2017 was dit een ingewikkeld en omslachtig proces. De landbouwer moest een aanvraagformulier invullen bij de Mestbank, een bodemanalyse aanvragen bij een labo, de resultaten naar de Mestbank sturen, luchtfoto’s van de juiste percelen meesturen. Dankzij SNapp verloopt dit proces automatisch.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 208 van 240


In 2019 wordt het toepassingsgebied van SNapp uitgebreid door ook de nitraatresidu stalen via deze toepassing te laten verlopen. Dit betekent zowel voor de betrokken landbouwers als de erkende laboratoria die instaan voor de staalnames en analyses een verdere administratieve vereenvoudiging. Sinds 1 januari 2019 is er een vernieuwde versie van het Mest Transport Internet Loket (MTIL) operationeel. MTIL maakt integraal deel uit van het Mestbankloket. Erkend voerders dienen op MTIL de mestafzetdocumenten op te maken, de transporten na te melden of af te melden bij annulatie van het transport. In het vernieuwde MTIL stromen de analyseresultaten vanuit het Staalname Melding Internet Loket (SMIL) automatisch door. De analyseresultaten worden dan automatisch ingevuld op de mesttransportdocumenten. De landbouwer moet jaarlijks kiezen of hij met het forfaitsysteem of met mestanalyse wil werken voor de bepaling van de mestsamenstelling. Ook met die keuze, houdt het nieuwe MTIL rekening. 4.2.2.3 Communicatiestrategie Met gerichte communicatie over MAP 6 wil de VLM de land- en tuinbouwsector en andere betrokken doelgroepen informeren en activeren om de regelgeving correct na te leven. De sector moet weten waarom de maatregelen belangrijk zijn en moet de gevolgen kennen als de maatregelen niet correct worden toegepast. In de communicatiestrategie kozen we ervoor om communicatie over MAP 6 maximaal in eigen handen te nemen en de website van de VLM te laten fungeren als uniek en betrouwbaar informatieplatform over MAP 6. Voor kennisoverdracht over de specifieke maatregelen maken we gebruik van de vertrouwde kanalen. We verstuurden persmededelingen voor de vakpers landbouw, doelgroepgerichte mailings (en brieven), pasten infofiches op de website aan, verspreidden brochures, organiseerden voorlichtingsvergaderingen & beurzen en we communiceerden via sociale media (Twitter en Facebook) en PlattelandsTV. De vakpers nam onze persmededelingen goed over en was sterk vragende partij naar informatie over MAP 6. Openbaar onderzoek MAP 6 In december 2018, startte het openbaar onderzoek over MAP 6. Er werd een krantenadvertentie gepubliceerd in Het Laatste Nieuws en in De Standaard en een mailing gedaan naar alle Vlaamse gemeenten, het OMAP en het landbouwoverleg. Die informatie was ook op onze website beschikbaar, met een link naar het formulier om opmerkingen door te geven. Op 13 december in Hasselt en 17 december in Brugge, kregen de consulenten een toelichting over actuele onderwerpen, waaronder het openbaar onderzoek. Daarnaast hebben we voor alle belanghebbenden specifieke infosessies georganiseerd over het ontwerpprogramma en het bijhorende ontwerp van het plan-MER, op 25 januari in Gent en 1 februari in Leuven. In januari 2019 gaven we extra uitleg over het openbaar onderzoek, tijdens Agriflanders en het Salon voor land- en tuinbouw in Roeselare. De resultaten van het openbaar onderzoek hebben we op onze website gepubliceerd op 3 juni 2019. Studievoormiddag â&#x20AC;&#x2DC;de relatie tussen bemesting en nitraat in grondwater In aanloop van de goedkeuring van MAP 6, organiseerden de VLM en de VMM op 29 maart 2019 de studievoormiddag â&#x20AC;&#x2DC;de relatie tussen bemesting en nitraat in grondwaterâ&#x20AC;&#x2122;, voor 80 landbouwadviseurs en andere belanghebbenden. Om eenvoudig uit te leggen hoe nitraat de bodem indringt, in het grondwater terechtkomt en uiteindelijk de beken en rivieren vervuilt, maakte de VMM een animatiefilmpje. Dat werd getoond tijdens de studiedag. De VLM maakte in het najaar van 2019 een vervolg op dat filmpje over het 4Jprincipe.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 209 van 240


Goedkeuring MAP 6 Op 22 mei werd MAP 6, voor de periode 2019-2022, goedgekeurd door het Vlaams Parlement. Over de hoofdlijnen berichtten we via een persbericht, waarin ook stond dat door de goedkeuring van MAP 6, de weg openligt voor een verlenging van de derogatie voor de periode 2019-2022 door Europa. Na de goedkeuring van MAP 6, hebben we alles op alles gezet om de landbouwers en de consulenten zo snel mogelijk te informeren. In eerste instantie hebben we op 6 juni een infosessie voorzien voor de consulenten (‘train de trainer’). Het was een huzarenstukje om de website aan te passen aan de nieuwe regelgeving. We beantwoordden veel gestelde vragen in een rubriek op de website (FAQ’s). De startpagina van de FAQ’s is sinds de lancering op 1 juni 2019 door 4.113 unieke bezoekers bekeken, goed voor in totaal 9.498 paginaweergaven. Daarnaast publiceerden we nog heel wat andere pagina’s over MAP 6. Alle landbouwers werden persoonlijk verwittigd over de hoofdlijnen van het nieuwe MAP met focus op 2019, de op de website beschikbare informatie en over de geplande infosessies. De landbouwers met een emailadres kregen op 14 juni een e-mail, de anderen een brief. De infosessies voor de land- en tuinbouwers startten eind juni. In elke provincie hadden we initieel één toelichting voorzien. Uiteindelijk vonden er 7 infosessies plaats met in totaal 2.432 deelnemers. Ook op een aantal andere evenementen werd MAP 6 nader toegelicht De collega’s van de Vlaamse overheid hebben een aparte toelichting gekregen over MAP 6. Daarnaast hebben we een communicatieoverleg georganiseerd met het Departement Landbouw en Visserij over MAP 6. Omdat er bijkomende nood was aan praktische informatie over de vanggewasregeling, hebben we drie praktische artikels over vanggewassen aan de vakpers bezorgd. Die werden geschreven in samenwerking met verschillende entiteiten van de Vlaamse overheid, het CVBB, Inagro en andere praktijkcentra. Op die manier hebben heel wat betrokken actoren gezamenlijk het belang van de vanggewassen onderstreept.

4.3 BEHEEROVEREENKOMSTEN VOOR EEN BETERE WATERKWALITEIT Binnen het derde Programma voor Plattelandsontwikkeling (PDPOIII), kunnen landbouwers vijfjarige overeenkomsten sluiten met de VLM om op vrijwillige basis mee te werken aan de realisatie van de natuur- en milieudoelstellingen in Vlaanderen. In ruil voor de extra inspanningen ontvangen de landbouwers jaarlijks een vergoeding. Een aantal beheerovereenkomsten hebben een positieve bijdrage aan de waterkwaliteit, zoals de beheerovereenkomst perceelsranden, de beheerovereenkomst waterkwaliteit en de beheerovereenkomst erosiebestrijding. − Onder de beheerovereenkomst perceelsranden valt de aanleg en het onderhoud van gras(kruiden)stroken aan de randen van landbouwpercelen langs kwetsbare landschapselementen zoals waterlopen. Dergelijke stroken hebben een bufferende functie doordat ze de waterlopen beschermen tegen vervuiling door meststoffen en bestrijdingsmiddelen en tegen beschadiging door grondbewerkingen. De toepassing van een aangepast maaibeheer op de stroken draagt bovendien bij aan de ontwikkeling van een waardevolle vegetatie of de overleving van allerlei diersoorten. − Onder de beheerovereenkomst waterkwaliteit valt het verbouwen van een hoog aandeel gewassen met een laag risicoprofiel (zoals onder meer grasland en graangewassen). Teelten met een laag risicoprofiel hebben een laag nitraatresidu, waardoor er minder uitspoeling optreedt van stikstof naar het grond- en oppervlaktewater. Daarnaast voeren laag risicoteelten veel organische stof aan waardoor het koolstofgehalte in de bodem verhoogt en de bodemstructuur en de bodembiodiversiteit

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 210 van 240


â&#x2C6;&#x2019;

verbetert. Ten slotte worden teelten met een laag risicoprofiel gekenmerkt door een lage erosiegevoeligheid. Hierdoor is het risico op afspoeling van bodemdeeltjes, nutriĂŤnten en bestrijdingsmiddelen naar het oppervlaktewater minder groot. Onder de beheerovereenkomst erosiebestrijding valt de aanleg en het onderhoud van een grasstrook of strategisch grasland, wat het wegspoelen van bodemdeeltjes tegenhoudt. Daarnaast kan er ook een beheerovereenkomst gesloten worden voor de aanleg en het onderhoud van een erosiedam uit strobalen. Voor de dam wordt het afstromend water tijdelijk gebufferd en worden de meegevoerde bodemdeeltjes afgezet.

Een overzicht van het aantal dossiers per type beheerovereenkomst en van het areaal landbouwgrond is weergegeven in Figuur 118. Het areaal landbouwgrond waarop een beheerovereenkomst waterkwaliteit, erosiebestrijding en perceelsrandenbeheer wordt toegepast in 2018 bedraagt 58% van het totale areaal onder beheerovereenkomsten. Areaal

Aantal dossiers Waterkwaliteit; 95; 2% Soortenbescherming; 1.017; 21%

Botanisch beheer; 458; 5%

Botanisch beheer; 195; 4% Erosiebestrijding Waterkwaliteit; ; 781; 16% 3.234; 33%

Erosiebestrijding; 639; 7% Kleine landschapselementen; 33; 0% Perceelsrandenbeheer; 1.724; 18%

Perceelsrandenbeheer; 1.537; 32%

Kleine landschapselementen; 1.231; 25%

Soortenbescherming; 3.602; 37%

Figuur 118 Aantal dossiers en areaal landbouwgrond (in ha) per type beheerovereenkomst in 2018

Meer informatie over de beheerovereenkomsten is terug te vinden op: https://www.vlm.be/nl/themas/beheerovereenkomsten

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 211 van 240


BIJLAGEN Tabel 61 Evolutie van het aantal dieren per diercategorie Diersoort Runderen

Totaal Runderen Varkens

Totaal Varkens Pluimvee

Totaal Pluimvee Andere

Diercategorie vervangingsvee jonger dan 1 jaar vervangingsvee van 1 tot 2 jaar melkkoeien zoogkoeien mestkalveren runderen jonger dan 1 jaar runderen van 1 tot 2 jaar andere runderen biggen van 7 tot 20 kg beren zeugen, incl. biggen tot 7 kg Andere varkens van 20 tot 110 kg andere varkens van meer dan 110 kg legkippen incl. (groot)ouderdieren opfokpoeljen van legkippen slachtkuikens slachtkuiken ouderdieren opfokpoeljen van slachtkuiken ouderdieren struisvogels fokdieren struisvogels slachtdieren struisvogels van 0 tot 3 maanden kalkoenen slachtdieren kalkoenen ouderdieren ander pluimvee paarden van meer dan 600 kg paarden en pony's van 200 tot 600 kg paarden en pony's van minder dan 200 kg geiten jonger dan 1 jaar

2008 94.279 87.927 252.661 173.707 170.912 175.415 174.372 195.951 1.325.224 1.549.599 6.486 445.184 3.920.598 75.582 5.997.449 6.590.467 2.143.239 13.786.152 1.313.219 657.604 531 417 435 188.607 71 124.206 24.804.948 5.544 30.556 7.594 5.383

2010 103.672 100.191 253.388 169.460 175.951 171.277 164.802 199.894 1.338.635 1.629.182 6.071 438.905 4.085.084 74.751 6.233.993 6.824.152 2.199.877 15.781.259 1.475.699 874.905 361 333 233 188.885 58 81.056 27.426.818 4.489 33.726 8.778 5.514

2012 104.082 98.779 253.052 161.126 164.730 165.960 159.085 183.005 1.289.819 1.653.082 5.760 419.342 4.118.629 73.799 6.270.612 6.680.303 2.267.906 16.605.768 1.675.731 1.027.281 273 274 253 229.023 48 72.174 28.559.034 4.039 35.707 8.930 7.132

2014 116.444 107.095 273.180 158.259 164.403 160.152 157.024 178.975 1.315.532 1.676.757 5.176 408.466 4.155.719 74.074 6.320.192 7.458.025 2.234.384 18.608.987 1.782.266 1.098.676 200 274 273 255.342 46 78.071 31.516.544 3.660 38.327 9.220 8.386

2016 122.992 114.314 292.611 162.486 170.280 157.814 151.214 169.876 1.341.587 1.587.080 4.688 370.405 4.049.124 70.717 6.082.014 7.661.179 2.507.756 21.031.965 1.938.906 1.220.490 299 170 199 290.370 40 75.250 34.726.624 3.321 39.952 9.743 13.334

2018 120.165 112.961 303.975 147.497 170.627 142.387 142.410 167.118 1.307.140 1.578.257 4.421 364.673 3.947.659 70.869 5.965.879 7.872.118 2.427.781 23.448.049 2.085.313 1.280.769 281 143 145 329.498 65 80.259 37.524.421 3.248 41.335 10.003 13.734

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 212 van 240


Diersoort

Totaal Andere Totaal

Diercategorie geiten ouder dan 1 jaar schapen jonger dan 1 jaar schapen ouder dan 1 jaar konijnen vrouwelijk op gesloten bedrijf konijnen volwassen kwekerij konijnen vetmesterij nertsen moederdier op gesloten bedrijf nertsen volwassen kwekerij nertsen vetmesterij

2008 13.725 25.303 35.835 12.382 923 8.407 33.223 1.200 6.840 186.915 32.314.536

2010 15.464 22.183 34.913 10.403 2.332 10.399 37.166 0 4.200 189.567 35.189.013

2012 17.881 22.013 35.008 8.988 1.937 9.675 43.197 0 2 194.509 36.313.974

2014 22.488 23.436 38.586 7.426 3.279 12.274 48.297 0 1.010 216.389 39.368.657

2016 31.245 23.547 40.410 8.262 696 16.401 36.347 54 5.627 228.939 42.379.164

2018 39.941 23.155 40.604 8.534 1.342 1.285 45.389 2 0 228.572 45.026.012

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 213 van 240


Tabel 62 Evolutie van de netto N-productie per diercategorie Diersoort Runderen

Totaal Runderen Varkens

Totaal Varkens Pluimvee

Totaal Pluimvee Andere

Diercategorie vervangingsvee jonger dan 1 jaar vervangingsvee van 1 tot 2 jaar melkkoeien zoogkoeien mestkalveren runderen jonger dan 1 jaar runderen van 1 tot 2 jaar andere runderen biggen van 7 tot 20 kg beren zeugen, incl. biggen tot 7 kg andere varkens van 20 tot 110 kg andere varkens van meer dan 110 kg legkippen incl. (groot)ouderdieren opfokpoeljen van legkippen slachtkuikens slachtkuiken ouderdieren opfokpoeljen van slachtkuiken ouderdieren struisvogels fokdieren struisvogels slachtdieren struisvogels van 0 tot 3 maanden kalkoenen slachtdieren kalkoenen ouderdieren ander pluimvee paarden van meer dan 600 kg paarden en pony's van 200 tot 600 kg paarden en pony's van minder dan 200 kg geiten jonger dan 1 jaar geiten ouder dan 1 jaar schapen jonger dan 1 jaar schapen ouder dan 1 jaar konijnen vrouwelijk op gesloten bedrijf konijnen volwassen kwekerij konijnen vetmesterij

2008 2.601.466 4.466.279 24.511.138 9.311.114 1.403.188 3.174.688 8.276.754 12.580.123 66.324.748 2.750.761 95.426 7.512.295 8.258.172 1.305.066 19.921.720 2.941.285 490.078 5.239.051 520.484 96.927 7.127 2.466 1.202 167.062 88 29.809 9.495.578 302.370 1.299.547 231.085 15.988 98.683 83.500 313.556 54.481 1.597 3.346

2010 2.854.528 5.089.789 25.276.400 9.063.224 1.444.558 3.095.454 7.804.018 12.831.549 67.459.520 2.940.291 91.408 7.676.725 9.359.193 1.335.776 21.403.392 3.197.193 482.142 6.262.713 625.295 126.140 4.845 1.969 644 170.374 72 19.453 10.890.840 244.830 1.434.367 267.115 16.377 111.186 73.204 305.489 45.773 4.034 4.139

2012 2.864.265 5.014.141 25.778.295 8.615.747 1.352.433 3.000.891 7.530.500 11.744.233 65.900.503 2.999.454 83.457 7.285.348 34.103.179 1.312.920 45.784.358 3.747.123 442.456 6.027.386 840.526 149.513 3.664 1.620 699 206.579 59 17.322 11.436.947 220.287 1.518.619 271.740 21.182 128.564 72.643 306.320 39.547 3.351 3.851

2014 3.201.234 5.435.342 27.863.184 8.423.997 1.349.749 2.886.818 7.409.346 11.425.811 67.995.481 3.042.964 71.510 7.048.891 30.481.294 1.308.226 41.952.885 4.145.822 387.090 6.649.300 936.549 153.198 2.684 1.620 754 230.319 57 18.737 12.526.131 199.616 1.630.047 280.565 24.906 161.689 77.339 337.628 32.674 5.673 4.885

2016 3.381.299 5.807.041 30.313.004 8.638.656 1.398.056 2.841.987 7.128.313 10.852.869 70.361.225 2.848.907 59.319 6.120.362 29.344.556 1.191.764 39.564.908 4.335.221 442.357 7.676.806 997.188 147.240 4.013 1.005 550 261.914 49 18.060 13.884.403 181.127 1.699.159 296.479 39.602 224.652 77.705 353.588 36.353 1.204 6.528

2018 3.303.658 5.743.566 32.456.592 7.837.294 1.400.921 2.564.056 6.710.487 10.667.434 70.684.008 2.849.067 59.359 6.222.043 29.102.499 1.239.148 39.472.115 4.326.404 446.635 8.382.236 1.068.031 153.230 3.771 846 401 297.207 80 19.262 14.698.102 177.146 1.757.978 304.391 40.790 287.176 76.412 355.285 35.843 2.187 464

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 214 van 240


Diersoort

Totaal Andere Totaal

Diercategorie nertsen moederdier op gesloten bedrijf nertsen volwassen kwekerij nertsen vetmesterij

2008 42.858 576 2.873 2.450.458 98.192.504

2010 47.944 0 1.764 2.556.221 102.309.974

2012 34.558 0 0 2.620.662 125.742.470

2014 38.638 0 202 2.793.861 125.268.358

2016 29.078 16 1.125 2.946.615 126.757.150

2018 36.311 1 0 3.073.983 127.928.208

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 215 van 240


Tabel 63 Evolutie van de reĂŤle P2O5-productie per diercategorie Diersoort Runderen

Totaal Runderen Varkens

Totaal Varkens Pluimvee

Totaal Pluimvee Andere

Diercategorie vervangingsvee jonger dan 1 jaar vervangingsvee van 1 tot 2 jaar melkkoeien zoogkoeien mestkalveren runderen jonger dan 1 jaar runderen van 1 tot 2 jaar andere runderen biggen van 7 tot 20 kg beren zeugen, incl. biggen tot 7 kg andere varkens van 20 tot 110 kg andere varkens van meer dan 110 kg legkippen incl. (groot)ouderdieren opfokpoeljen van legkippen slachtkuikens slachtkuiken ouderdieren opfokpoeljen van slachtkuiken ouderdieren struisvogels fokdieren struisvogels slachtdieren struisvogels van 0 tot 3 maanden kalkoenen slachtdieren kalkoenen ouderdieren ander pluimvee paarden van meer dan 600 kg paarden en pony's van 200 tot 600 kg paarden en pony's van minder dan 200 kg geiten jonger dan 1 jaar geiten ouder dan 1 jaar schapen jonger dan 1 jaar schapen ouder dan 1 jaar konijnen vrouwelijk op gesloten bedrijf konijnen volwassen kwekerij konijnen vetmesterij

2008 942.790 1.688.198 9.015.317 4.863.796 615.283 1.227.905 3.347.942 5.780.555 27.481.786 1.704.694 71.970 5.047.688 3.897.686 844.873 11.566.911 2.317.289 382.641 2.413.053 786.556 156.652 5.204 1.877 740 191.560 104 23.599 6.279.274 166.320 641.676 91.128 9.259 56.822 43.521 148.357 58.938 1.726 3.775

2010 1.036.720 1.923.667 9.246.654 4.744.880 633.424 1.198.939 3.164.198 5.896.873 27.845.356 1.738.495 67.802 5.040.988 4.539.685 849.459 12.236.429 2.404.007 391.306 2.896.205 868.638 208.713 3.538 1.499 396 198.329 85 15.401 6.988.116 134.670 708.246 105.336 9.484 64.021 38.155 144.540 49.518 4.361 4.669

2012 1.040.820 1.896.557 9.437.566 4.511.528 593.028 1.161.720 3.054.432 5.398.648 27.094.298 1.658.449 63.380 4.764.625 16.656.357 829.938 23.972.748 2.918.904 400.813 3.320.136 998.951 233.442 2.675 1.233 430 240.474 71 13.713 8.130.841 121.170 749.847 107.160 12.267 74.027 37.862 144.933 42.783 3.622 4.344

2014 1.164.440 2.056.224 10.192.518 4.431.252 591.851 1.121.064 3.014.861 5.279.763 27.851.972 1.642.370 57.472 4.606.704 15.883.498 830.291 23.020.336 3.175.464 372.913 3.562.410 1.049.052 246.195 1.960 1.233 464 268.109 68 14.833 8.692.701 109.800 804.867 110.640 14.424 93.100 40.310 159.746 35.348 6.132 5.511

2016 1.229.920 2.194.829 11.067.860 4.062.150 613.008 1.104.698 2.903.309 5.011.342 28.187.116 1.488.650 48.752 4.065.487 15.002.919 764.909 21.370.717 3.271.030 417.827 3.884.382 1.122.703 372.100 2.930 765 338 304.889 59 14.298 9.391.320 99.630 838.992 116.916 22.934 129.354 40.501 167.297 39.327 1.302 7.364

2018 1.201.650 2.168.851 11.907.062 3.687.425 614.257 996.709 2.734.272 4.929.981 28.240.207 1.465.649 46.761 3.998.205 14.525.969 759.505 20.796.090 3.264.087 405.607 3.975.351 1.137.245 260.504 2.754 644 247 345.973 96 15.249 9.407.754 97.440 868.035 120.036 23.622 165.356 39.827 168.101 33.368 2.173 473

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 216 van 240


Diersoort

Totaal Andere Totaal

Diercategorie nertsen moederdier op gesloten bedrijf nertsen volwassen kwekerij nertsen vetmesterij

2008 60.466 804 4.036 1.286.827 46.614.798

2010 67.642 0 2.478 1.333.120 48.403.020

2012 56.156 0 1 1.354.173 60.552.060

2014 62.786 0 404 1.443.068 61.008.076

2016 47.251 27 2.251 1.513.147 60.462.299

2018 59.006 1 0 1.577.436 60.021.487

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 217 van 240


Tabel 64 Dierlijke mestproductie in Vlaanderen per diercategorie en type uitscheidingsbalans in 2018

Aantal dieren

Bruto productie (kg N)

Reële productie (kg N)

Productie per dier (kg N/dier)

Verschil bruto en reële productie (kg N)

vervangingsvee jonger dan 1 jaar

119.359

3.938.847

3.938.847

33,00

0

1.193.590

1.193.590

10,00

Verschil bruto en reële productie (productie (kg P2O5) 0

vervangingsvee van 1 tot 2 jaar

117.110

6.792.380

6.792.380

58,00

0

2.248.512

2.248.512

19,20

0

melkkoeien

296.068

35.262.582

35.308.056

119,26

-45.474

11.403.668

11.416.070

38,56

-12.402

zoogkoeien

155.025

10.076.625

10.076.625

65,00

0

3.875.625

3.875.625

25,00

0

mestkalveren

168.863

1.773.062

1.773.062

10,50

0

607.907

607.907

3,60

0

runderen jonger dan 1 jaar

150.220

3.349.906

3.349.906

22,30

0

1.051.540

1.051.540

7,00

0

149.244

8.656.152

8.656.152

58,00

0

2.865.485

2.865.485

19,20

0

171.473

13.203.421

13.203.421

77,00

0

5.058.454

5.058.454

29,50

0

1.327.362

83.052.975

83.098.449

-45.474

28.304.780

28.317.182

5.281

11.513

11.513

2,18

0

8.080

8.080

1,53

Diersoort

Diercategorie

Runderen

Balanstype

runderen van 1 tot 2 jaar andere runderen Totaal Runderen biggen van 7 Varkens Forfaitair tot 20 kg Conv. enkel P

-12.402 0

30.971

67.517

67.517

2,18

0

47.386

37.785

1,22

9.601

3.366.716

3.481.729

2,25

-115.013

2.362.878

1.421.174

0,92

941.705

3.462

7.547

9.636

2,78

-2.089

5.297

4.581

1,32

716

1.584.079

3.453.292

3.570.394

2,25

-117.102

2.423.641

1.471.619

0,93

952.021

Forfaitair

41

984

984

24,00

0

595

595

14,50

0

Conv. enkel P

4

96

96

24,00

0

58

53

13,26

5

Conv. N en P

353

8.472

9.090

25,75

-618

5.119

4.681

13,26

438

4.579

109.896

91.778

20,04

18.118

66.396

47.898

10,46

18.498

5

120

104

20,76

16

73

52

10,39

21

4.982

119.568

102.051

20,48

17.517

72.239

53.278

10,69

18.961

1.208

28.992

28.992

24,00

0

17.516

17.516

14,50

0

Regressierechte Andere voeders en voedertechnieken Totaal beren zeugen, incl. biggen tot 7 kg

Productie per dier (productie (kg P2O5/dier)

1.544.365

Regressierechte Andere voeders en voedertechnieken Totaal biggen van 7 tot 20 kg beren

Bruto productie (kg P2O5)

Reële productie (productie (kg P2O5)

Forfaitair

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 218 van 240


Diersoort

Diercategorie

Conv. enkel P

586

14.064

14.064

24,00

0

8.497

7.770

13,26

Verschil bruto en reële productie (productie (kg P2O5) 727

Conv. N en P

5.822

139.728

149.917

25,75

-10.189

84.419

77.200

13,26

7.219

357.939

8.590.536

7.502.320

20,96

1.088.216

5.190.116

3.958.746

11,06

1.231.370

670

16.080

12.548

18,73

3.532

9.715

7.839

11,70

1.876

366.225

8.789.400

7.707.841

21,05

1.081.559

5.310.263

4.069.070

11,11

1.241.192

3.213

41.769

41.769

13,00

0

17.125

17.125

5,33

0

Balanstype

Regressierechte Andere voeders en voedertechnieken Totaal zeugen, incl. biggen tot 7 kg andere varkens van Forfaitair 20 tot 110 kg Conv. enkel P Conv. N en P Regressierechte Andere voeders en voedertechnieken Totaal andere varkens van 20 tot 110 kg andere varkens van Forfaitair meer dan 110 kg Conv. enkel N Conv. enkel P Conv. N en P Regressierechte Andere voeders en voedertechnieken Totaal andere varkens van meer dan 110 kg Totaal Varkens

Aantal dieren

Bruto productie (kg N)

Reële productie (kg N)

Productie per dier (kg N/dier)

Verschil bruto en reële productie (kg N)

Bruto productie (kg P2O5)

Reële productie (productie (kg P2O5)

Productie per dier (productie (kg P2O5/dier)

1.062

13.806

13.806

13,00

0

5.660

4.588

4,32

1.073

99.297

1.290.861

1.095.246

11,03

195.615

529.253

428.963

4,32

100.290

3.874.082

50.363.066

39.482.958

10,19

10.880.108

20.648.857

14.281.488

3,69

6.367.370

14.421

187.473

149.962

10,40

37.511

76.864

57.668

4,00

19.196

3.992.075

51.896.975

40.783.741

10,22

11.113.234

21.277.760

14.789.831

3,70

6.487.928

159

3.816

3.816

24,00

0

2.306

2.306

14,50

0

24

576

618

25,75

-42

348

348

14,50

0

143

3.432

3.432

24,00

0

2.074

1.896

13,26

177

972

23.328

25.029

25,75

-1.701

14.094

12.889

13,26

1.205

71.355

1.712.520

1.495.201

20,95

217.319

1.034.648

774.362

10,85

260.285

91

2.184

1.679

18,45

505

1.320

783

8,60

537

72.744

1.745.856

1.529.775

21,03

216.081

1.054.788

792.584

10,90

262.204

6.020.105

66.005.091

53.693.803

12.311.288

30.138.690

21.176.383

8.962.307

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 219 van 240


Aantal dieren

Bruto productie (kg N)

Reële productie (kg N)

Productie per dier (kg N/dier)

Verschil bruto en reële productie (kg N)

Forfaitair

2.937.744

2.379.573

2.379.573

0,81

0

1.321.985

1.321.985

0,45

Verschil bruto en reële productie (productie (kg P2O5) 0

Regressierechte Andere voeders en voedertechnieken

4.365.544

3.536.091

3.287.515

0,75

248.576

1.964.495

1.755.425

0,40

209.070

50

41

42

0,85

-2

23

21

0,41

2

7.303.338

5.915.704

5.667.130

0,78

248.574

3.286.502

3.077.430

0,42

209.072

Forfaitair

63.417

51.368

51.368

0,81

0

28.538

28.538

0,45

0

Regressierechte

133.070

Diersoort

Diercategorie

Balanstype

Pluimvee

legkippen

Totaal legkippen legkippen (groot)ouderdieren

Bruto productie (kg P2O5)

Reële productie (productie (kg P2O5)

Productie per dier (productie (kg P2O5/dier)

107.787

113.505

0,85

-5.718

59.882

62.824

0,47

-2.943

Totaal legkippen (groot)ouderdieren opfokpoeljen Forfaitair van legkippen Regressierechte

196.487

159.154

164.872

0,84

-5.718

88.419

91.362

0,46

-2.943

1.072.700

364.718

364.718

0,34

0

193.086

193.086

0,18

0

1.542.359

524.402

480.703

0,31

43.699

277.625

247.804

0,16

29.821

Totaal opfokpoeljen van legkippen

2.615.059

889.120

845.421

0,32

43.699

470.711

440.890

0,17

29.821

slachtkuikens

1.915.622

1.168.529

1.168.529

0,61

0

498.062

498.062

0,26

0

498.115

303.850

273.963

0,55

29.887

129.510

99.623

0,20

29.887

Regressierechte Andere voeders en voedertechnieken Totaal slachtkuikens slachtkuiken Forfaitair ouderdieren Regressierechte

19.806.193

12.081.778

10.498.724

0,53

1.583.053

5.149.610

3.296.301

0,17

1.853.309

50

31

31

0,61

0

13

13

0,26

0

22.219.980

13.554.188

11.941.247

0,54

1.612.940

5.777.195

3.893.999

0,18

1.883.196

168.430

220.643

220.643

1,31

0

116.217

116.217

0,69

0

1.828.159

2.394.888

1.988.183

1,09

406.705

1.261.430

1.021.482

0,56

239.947

Totaal slachtkuiken ouderdieren opfokpoeljen van Forfaitair slachtkuiken ouderdieren Regressierechte

1.996.589

2.615.532

2.208.826

1,11

406.705

1.377.646

1.137.699

0,57

239.947

149.236

77.603

77.603

0,52

0

38.801

38.801

0,26

0

1.119.535

582.158

432.378

0,39

149.781

291.079

227.876

0,20

63.203

Forfaitair Conv. N en P

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 220 van 240


Diersoort

Productie per dier (productie (kg P2O5/dier)

Verschil bruto en reële productie (productie (kg P2O5)

Aantal dieren

Bruto productie (kg N)

Reële productie (kg N)

Productie per dier (kg N/dier)

1.268.771

659.761

509.980

0,40

149.781

329.880

266.678

0,21

63.203

298

5.364

5.364

18,00

0

2.920

2.920

9,80

0

153

1.316

1.316

8,60

0

689

689

4,50

0

222

777

777

3,50

0

377

377

1,70

0

337.182

573.209

573.209

1,70

0

354.041

354.041

1,05

0

34

68

68

2,00

0

50

50

1,47

0

76.697

18.407

18.407

0,24

0

14.572

14.572

0,19

0

36.014.810

24.392.600

21.936.619

2.455.982

11.703.003

9.280.708

3.215

208.975

208.975

65,00

0

96.450

96.450

30,00

0

40.250

2.012.500

2.012.500

50,00

0

845.250

845.250

21,00

0

9.788

342.580

342.580

35,00

0

117.456

117.456

12,00

0

13.251

57.774

57.774

4,36

0

22.792

22.792

1,72

0

geiten ouder dan 1 jaar

37.383

392.522

392.522

10,50

0

154.766

154.766

4,14

0

schapen jonger dan 1 jaar

23.412

102.076

102.076

4,36

0

40.269

40.269

1,72

0

schapen ouder dan 1 jaar konijnen vrouwelijk op gesloten bedrijf konijnen volwassen kwekerij

40.626

426.573

426.573

10,50

0

168.192

168.192

4,14

0

8.368

62.091

62.091

7,42

0

39.832

39.832

4,76

0

729

2.304

2.304

3,16

0

1.363

1.363

1,87

0

konijnen vetmesterij nertsen moederdier op gesloten bedrijf

16.779

11.041

11.041

0,66

0

7.534

7.534

0,45

0

41.570

95.611

95.611

2,30

0

54.041

54.041

1,30

0

Diercategorie

Balanstype

Totaal opfokpoeljen van slachtkuiken ouderdieren struisvogels Forfaitair fokdieren struisvogels Forfaitair slachtdieren struisvogels van 0 tot 3 Forfaitair maanden kalkoenen Forfaitair slachtdieren kalkoenen Forfaitair ouderdieren ander Forfaitair pluimvee Totaal Pluimvee Andere

Bruto productie (kg P2O5)

Reële productie (productie (kg P2O5)

Verschil bruto en reële productie (kg N)

paarden van meer dan 600 kg paarden en pony's van 200 tot 600 kg paarden en pony's van minder dan 200 kg geiten jonger dan 1 jaar

2.422.296

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 221 van 240


Diersoort

Diercategorie

Balanstype

nertsen volwassen kwekerij nertsen vetmesterij Totaal Andere Totaal

Bruto productie (kg P2O5)

Reële productie (productie (kg P2O5)

Productie per dier (productie (kg P2O5/dier) 0,50

Verschil bruto en reële productie (productie (kg P2O5) 0

Aantal dieren

Bruto productie (kg N)

Reële productie (kg N)

Productie per dier (kg N/dier)

Verschil bruto en reële productie (kg N)

529

476

476

0,90

0

265

265

0

0

0

0

0

0

0

235.900

3.714.522

3.714.522

0

1.548.208

1.548.208

0

43.598.177

177.165.188

162.443.392

14.721.796

71.694.681

60.322.480

11.372.201

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 222 van 240


Tabel 65 Aantal dieren, mestproductie en emissieverliezen per diercategorie, per staltype in 2018 Diersoort

Diercategorie

Staltype

Aantal

ReĂŤle productie (kg N)

Emissieverliezen (kg N)

Netto productie (kg N)

Runderen

vervangingsvee jonger dan 1 jaar

Stal waar amper stalmest geproduceerd wordt

6.340

209.220

20.922

188.298

Stal waar deels stalmest geproduceerd wordt

66.645

2.199.285

329.893

1.869.392

Stal waar uitsluitend stalmest geproduceerd wordt

47.117

1.554.861

310.972

1.243.889

63

2.079

0

2.079

120.165

3.965.445

661.787

3.303.658

Stal waar amper stalmest geproduceerd wordt

76.265

4.423.370

442.337

3.981.033

Stal waar deels stalmest geproduceerd wordt

20.254

1.174.732

176.210

998.522

Stal waar uitsluitend stalmest geproduceerd wordt

16.347

948.126

189.625

758.501

95

5.510

0

5.510

112.961

6.551.738

808.172

5.743.566

Stal waar amper stalmest geproduceerd wordt

215.381

26.181.441

2.618.144

23.563.297

Stal waar deels stalmest geproduceerd wordt

72.078

8.737.464

1.310.620

7.426.844

Stal waar uitsluitend stalmest geproduceerd wordt

16.399

1.817.735

363.547

1.454.188

117

12.263

0

12.263

303.975

36.748.903

4.292.311

32.456.592

Geen staltype vermeld Totaal vervangingsvee jonger dan 1 jaar vervangingsvee van 1 tot 2 jaar

Geen staltype vermeld Totaal vervangingsvee van 1 tot 2 jaar melkkoeien

Geen staltype vermeld Totaal melkkoeien zoogkoeien

Stal waar amper stalmest geproduceerd wordt

11.074

719.810

71.981

647.829

Stal waar deels stalmest geproduceerd wordt

28.795

1.871.675

280.751

1.590.924

Stal waar uitsluitend stalmest geproduceerd wordt

107.483

6.986.395

1.397.279

5.589.116

145

9.425

0

9.425

147.497

9.587.305

1.750.011

7.837.294

Stal waar amper stalmest geproduceerd wordt

164.561

1.727.891

376.845

1.351.046

Stal waar deels stalmest geproduceerd wordt

930

9.765

2.130

7.635

5.104

53.592

11.688

41.904

32

336

0

336

170.627

1.791.584

390.663

1.400.921

Geen staltype vermeld Totaal zoogkoeien mestkalveren

Stal waar uitsluitend stalmest geproduceerd wordt Geen staltype vermeld Totaal mestkalveren

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 223 van 240


Diersoort

Diercategorie

Staltype

Aantal

ReĂŤle productie (kg N)

Emissieverliezen (kg N)

Netto productie (kg N)

runderen jonger dan 1 jaar

Stal waar amper stalmest geproduceerd wordt

3.180

70.914

7.091

63.823

Stal waar deels stalmest geproduceerd wordt

14.558

324.643

48.692

275.951

Stal waar uitsluitend stalmest geproduceerd wordt

124.527

2.776.952

555.390

2.221.562

122

2.721

0

2.721

142.387

3.175.230

611.174

2.564.056

9.195

533.310

53.331

479.979

Geen staltype vermeld Totaal runderen jonger dan 1 jaar runderen van 1 tot 2 jaar

Stal waar amper stalmest geproduceerd wordt Stal waar deels stalmest geproduceerd wordt

16.475

955.550

143.333

812.218

Stal waar uitsluitend stalmest geproduceerd wordt

116.606

6.763.148

1.352.630

5.410.518

134

7.772

0

7.772

142.410

8.259.780

1.549.293

6.710.487

31.655

2.437.435

243.744

2.193.692

Stal waar deels stalmest geproduceerd wordt

32.416

2.496.032

374.405

2.121.627

Stal waar uitsluitend stalmest geproduceerd wordt

102.760

7.912.520

1.582.504

6.330.016

Geen staltype vermeld Totaal runderen van 1 tot 2 jaar andere runderen

Stal waar amper stalmest geproduceerd wordt

Geen staltype vermeld

287

22.099

0

22.099

167.118

12.868.086

2.200.652

10.667.434

1.307.140

82.948.071

12.264.063

70.684.008

6.621

14.820

3.443

11.377

0

0

0

0

Stal met biologische wasser S 1 mengmest

160.231

361.772

83.320

278.452

Stal met chemische wasser S 2 mengmest

92.093

211.385

47.888

163.497

Staltype emissiearme mengmest V 1.2 (biggen)

96.389

211.887

25.061

186.826

Staltype emissiearme mengmest V 1.3 (biggen)

4.820

10.359

1.253

9.106

Staltype emissiearme mengmest V 1.4 (biggen)

623

1.867

162

1.705

Staltype emissiearme mengmest V 1.5 (biggen)

265.484

601.185

69.026

532.159

Staltype emissiearme mengmest V 1.6 (biggen)

41.016

91.213

10.664

80.548

Staltype traditionele mengmest

898.091

2.033.433

467.007

1.566.426

8.182

18.359

8.264

10.095

Totaal andere runderen Totaal Runderen Varkens

biggen van 7 tot 20 kg

Stal met biobed S 3 mengmest Stal met biobed S 3 stalmest

Staltype traditionele stalmest

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 224 van 240


Diersoort

Diercategorie

Staltype Geen staltype vermeld stal met comb v biol luchtwassyst gevolgd dr chem luchtwassyst mengmest stal met comb v chem luchtwassyst gevolgd dr biol luchtwassyst mengmest

Totaal biggen van 7 tot 20 kg beren

Stal met biobed S 3 mengmest Stal met biologische wasser S 1 mengmest

Emissieverliezen (kg N) 0

Netto productie (kg N) 0

3.402

8.153

1.769

6.384

1.305

3.171

679

2.493

1.578.257

3.567.603

718.537

2.849.067

6

131

29

102

183

3.832

889

2.943

Stal met biologische wasser S 1 stalmest

2

46

21

26

Stal met chemische wasser S 2 mengmest

72

1.509

350

1.159

Staltype emissiearme mengmest

77

1.640

374

1.265

Staltype emissiearme stalmest

9

235

93

143

Staltype traditionele mengmest

2.171

45.655

10.551

35.104

Staltype traditionele stalmest

1.899

38.158

19.579

18.580

0

0

0

0

2

48

10

38

4.421

91.254

31.896

59.359

Stal met biobed S 3 mengmest

1.251

26.901

5.442

21.459

Stal met biologische wasser S 1 mengmest

55.353

1.160.582

240.786

919.797

Stal met chemische wasser S 2 mengmest Staltype emissiearme mengmest V 2.1 (zeugen, incl. biggen tot spenen,in kraamstallen) Staltype emissiearme mengmest V 2.2 (zeugen, incl. biggen tot spenen,in kraamstallen) Staltype emissiearme mengmest V 2.3 (zeugen, incl. biggen tot spenen, in kraamstallen) Staltype emissiearme mengmest V 2.4 (zeugen, incl. biggen tot spenen, in kraamstallen) Staltype emissiearme mengmest V 2.5 (zeugen, incl. biggen tot spenen, in kraamstallen)

18.861

395.395

82.045

313.349

5.741

121.183

16.362

104.821

11.158

237.111

31.800

205.311

262

5.473

747

4.727

141

2.676

402

2.274

1.890

43.068

5.387

37.681

Geen staltype vermeld stal met comb v biol luchtwassyst gevolgd dr chem luchtwassyst mengmest Totaal beren zeugen, incl. biggen tot 7 kg

0

ReĂŤle productie (kg N) 0

Aantal

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 225 van 240


Diersoort

Diercategorie

Staltype Staltype emissiearme mengmest V 2.6 (zeugen, incl. biggen tot spenen, in kraamstallen) Staltype emissiearme mengmest V 3.1 (zeugen en andere varkens > 110 kg in dek- en drachtstallen) Staltype emissiearme mengmest V 3.2 (zeugen en andere varkens > 110 kg in dek- en drachtstallen) Staltype emissiearme mengmest V 3.5 (zeugen en andere varkens > 110 kg in dek- en drachtstallen) Staltype emissiearme mengmest V 3.8 (zeugen en andere varkens > 110 kg in dek- en drachtstallen) Staltype emissiearme stalmest V 3.6 (zeugen en andere varkens > 110 kg in dek- en drachtstallen) Staltype emissiearme stalmest V 3.7 (zeugen en andere varkens > 110 kg in dek- en drachtstallen) Staltype traditionele mengmest Staltype traditionele stalmest Geen staltype vermeld stal met comb v biol luchtwassyst gevolgd dr chem luchtwassyst mengmest stal met comb v chem luchtwassyst gevolgd dr biol luchtwassyst mengmest

Totaal zeugen, incl. biggen tot 7 kg andere varkens van 20 tot 110 kg

Stal met biobed S 3 mengmest Stal met biobed S 3 stalmest Stal met biologische wasser S 1 mengmest Stal met biologische wasser S 1 stalmest Stal met chemische wasser S 2 mengmest Staltype emissiearme mengmest V 1.2 (biggen)

Aantal

ReĂŤle productie (kg N)

Emissieverliezen (kg N)

Netto productie (kg N)

8.953

187.983

25.516

162.467

8.459

179.555

24.108

155.446

190

3.680

542

3.139

39.337

834.126

112.110

722.016

1.213

22.984

3.457

19.527

4.133

88.479

17.896

70.583

2.418

50.178

10.470

39.708

202.738

4.276.882

881.910

3.394.972

1.718

39.910

9.982

29.929

0

0

0

0

555

12.537

2.414

10.123

302

6.028

1.314

4.714

364.673

7.694.732

1.472.689

6.222.043

36.023

375.145

106.268

268.877

276

2.769

1.617

1.152

453.360

4.686.036

1.337.412

3.348.624

196

2.029

1.149

880

221.050

2.222.937

652.098

1.570.839

186

2.418

48

2.370

Staltype emissiearme mengmest V 1.5 (biggen)

2.346

8.812

610

8.202

Staltype emissiearme mengmest V 4.1 (mestvarkens)

21.416

212.336

33.837

178.499

Staltype emissiearme mengmest V 4.2 (mestvarkens)

533

4.804

842

3.962

Staltype emissiearme mengmest V 4.3 (mestvarkens)

270

2.849

427

2.423

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 226 van 240


Diersoort

Diercategorie

Staltype emissiearme mengmest V 4.5 (mestvarkens)

248

ReĂŤle productie (kg N) 2.083

Staltype emissiearme mengmest V 4.6 (mestvarkens)

19.324

201.795

30.532

171.263

Staltype emissiearme mengmest V 4.7 (mestvarkens)

258.651

2.647.591

408.669

2.238.922

Staltype emissiearme mengmest V 4.8 (mestvarkens)

23.536

235.458

37.187

198.271

2.886.746

29.471.433

8.515.901

20.955.532

12.408

139.374

72.711

66.663

0

0

0

0

7.081

72.477

20.889

51.588

4.009

44.567

11.827

32.741

3.947.659

40.334.913

11.232.414

29.102.499

262

5.829

993

4.836

Stal met biologische wasser S 1 mengmest

7.055

146.445

26.738

119.707

Stal met chemische wasser S 2 mengmest Staltype emissiearme mengmest V 3.1 (zeugen en andere varkens > 110 kg in dek- en drachtstallen) Staltype emissiearme mengmest V 3.2 (zeugen en andere varkens > 110 kg in dek- en drachtstallen) Staltype emissiearme mengmest V 3.4 (zeugen en andere varkens > 110 kg in dek- en drachtstallen) Staltype emissiearme mengmest V 3.5 (zeugen en andere varkens > 110 kg in dek- en drachtstallen) Staltype emissiearme mengmest V 3.8 (zeugen en andere varkens > 110 kg in dek- en drachtstallen) Staltype emissiearme mengmest V 4.6 (mestvarkens)

2.723

58.611

10.320

48.290

2.061

43.704

5.503

38.201

201

3.459

537

2.923

9

207

24

183

4.484

95.662

11.972

83.690

341

6.399

910

5.489

63

1.424

168

1.256

Staltype emissiearme mengmest V 4.7 (mestvarkens) Staltype emissiearme stalmest V 3.6 (zeugen en andere varkens > 110 kg in dek- en drachtstallen) Staltype emissiearme stalmest V 3.7 (zeugen en andere varkens > 110 kg in dek- en drachtstallen) Staltype traditionele mengmest

2.582

57.370

6.894

50.476

134

2.656

556

2.100

172

3.684

714

2.970

50.193

1.059.751

190.231

869.519

Staltype

Staltype traditionele mengmest Staltype traditionele stalmest Geen staltype vermeld stal met comb v biol luchtwassyst gevolgd dr chem luchtwassyst mengmest stal met comb v chem luchtwassyst gevolgd dr biol luchtwassyst mengmest Totaal andere varkens van 20 tot 110 kg andere varkens van meer dan 110 kg

Stal met biobed S 3 mengmest

Aantal

Emissieverliezen (kg N) 392

Netto productie (kg N) 1.691

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 227 van 240


Diersoort

Diercategorie

511

ReĂŤle productie (kg N) 10.883

Emissieverliezen (kg N) 2.698

Netto productie (kg N) 8.185

0

0

0

0

38

820

144

676

40

798

152

647

70.869

1.497.703

258.555

1.239.148

5.965.879

53.186.205

13.714.090

39.472.115

Batterij emissiearm systeem P 3.1 (legkippen)

819.280

566.786

129.446

437.340

Batterij emissiearm systeem P 3.3 (legkippen)

568.814

441.054

112.625

328.429

Batterij emissiearm systeem P 3.4 (legkippen)

316.481

254.680

56.650

198.030

Batterij emissiearm systeem P 3.5 (legkippen)

1.154.412

912.784

211.257

701.526

160.490

123.483

31.777

91.706

Staltype Staltype traditionele stalmest Geen staltype vermeld stal met comb v biol luchtwassyst gevolgd dr chem luchtwassyst mengmest stal met comb v chem luchtwassyst gevolgd dr biol luchtwassyst mengmest

Totaal andere varkens van meer dan 110 kg Totaal Varkens Pluimvee

Legkippen (incl. grootouderdieren)

Batterij overige staltypes leghennen (legkippen) Grondhuisvest. em.arm syst. P 4.1 (legkippen)

12.480

10.109

2.970

7.139

Grondhuisvest. em.arm syst. P 4.2 (legkippen)

198.691

161.980

47.288

114.692

Grondhuisvest. em.arm syst. P 4.3 (legkippen)

3.186.442

2.494.023

758.373

1.735.650

Grondhuisvest. em.arm syst. P 4.4 (legkippen)

182.871

135.198

43.523

91.675

Grondhuisvest. em.arm syst. P 4.5 (legkippen)

344.675

279.512

82.033

197.479

Grondhuisvest. em.arm syst. P 4.6 (legkippen)

114.335

92.952

27.212

65.740

Grondhuisvest. em.arm syst. P 4.7 (legkippen)

92.743

73.099

22.073

51.026

Geen staltype vermeld

0

0

0

0

Grondhuisvesting overige staltypes (legkippen)

671.430

530.567

257.829

272.738

Batterij emissiearm systeem P 3.6 (legkippen)

48.905

42.939

9.732

33.207

69

56

26

29

7.872.118

6.119.219

1.792.815

4.326.404

45.174

15.359

3.298

12.061

232.652

78.882

22.800

56.083

Stal met biobed S 3 overige staltypes Totaal Legkippen (incl. grootouderdieren) opfokpoeljen van legkippen

Aantal

Batterij emissiearm systeem P 1.1 (opfokpoeljen van legkippen) Batterij emissiearm systeem P 1.3 (opfokpoeljen van legkippen)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 228 van 240


Diersoort

Diercategorie

Aantal

ReĂŤle productie (kg N)

Emissieverliezen (kg N)

Netto productie (kg N)

148.448

52.292

12.767

39.525

187.400

57.206

18.178

39.028

977.160

314.598

128.008

186.590

183.105

60.640

23.987

36.653

2.985

769

391

378

650.857

214.297

137.982

76.316

0

0

0

0

2.427.781

794.043

347.409

446.635

Grondhuisvest. em.arm syst. P 6.1

513.002

251.804

69.255

182.548

Grondhuisvest. em.arm syst. P 6.2

283.714

157.123

38.301

118.821

Grondhuisvest. em.arm syst. P 6.3

2.629.420

1.308.933

354.972

953.961

Grondhuisvest. em.arm syst. P 6.4

5.805.087

2.934.024

626.949

2.307.075

Grondhuisvest. em.arm syst. P 6.5

142.996

74.035

15.301

58.735

Grondhuisvest. em.arm syst. P 6.6 gevolgd door P 6.2

53.550

29.453

7.229

22.223

Grondhuisvest. em.arm syst. P 6.6 gevolgd door P.6.3

107.466

46.103

14.508

31.595

Grondhuisvest. em.arm syst. P 6.7 gevolgd door P 6.4

99.813

47.957

13.475

34.482

Grondhuisvest. em.arm syst. P 6.7 gevolgd door P.6.3

10.380

5.294

1.401

3.893

Grondhuisvest. em.arm syst. P 6.8

78.503

35.421

10.598

24.823

13.724.118

7.018.349

2.374.271

4.644.079

0

0

0

0

23.448.049

11.908.495

3.526.259

8.382.236

1.031.243

1.100.202

754.870

345.332

27.428

33.088

10.971

22.117

890.594

964.279

356.238

608.041

Staltype Batterij emissiearm systeem P 1.4 (opfokpoeljen van legkippen) Batterij niet-em.arme staltypes (opfokpoeljen van legkippen) Grondhuisvest. em.arm syst. P 2.1 (opfokpoeljen van legkippen) Grondhuisvest. em.arm syst. P 2.2 (opfokpoeljen van legkippen) Grondhuisvest. em.arm syst. P 2.3 (opfokpoeljen van legkippen) Grondhuisvest. niet-em.arme staltypes (opfokpoeljen van legkippen) Geen staltype vermeld

Totaal opfokpoeljen van legkippen slachtkuikens

Overige staltypes slachtkuikens Geen staltype vermeld Totaal slachtkuikens slachtkuiken ouderdieren

Overige staltypes (slachtkuiken ouderdieren) P5.1: emissiearm groepskooi P5.4: emissiearm grondhuisvesting mestbeluchting buizen onder roosters

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 229 van 240


Diersoort

Diercategorie

Aantal

ReĂŤle productie (kg N)

Emissieverliezen (kg N)

Netto productie (kg N)

24.977

27.874

9.991

17.883

0

0

0

0

111.071

119.086

44.428

74.657

2.085.313

2.244.528

1.176.498

1.068.031

Emissiearm systeem P 7.2

190.203

74.649

42.415

32.234

Emissiearm systeem P 7.1

141.427

57.748

31.538

26.210

Emissiearm systeem P 7.3

176.957

67.585

39.461

28.123

Emissiearm systeem P 7.4

44.944

16.104

10.023

6.082

Staltype P5.5: emissiearm grondhuisvesting beluchting gedeeltelijk verhoogde rooster Geen staltype vermeld Systeem P-5.6. Grondhuisvesting met dagelijkse mestverwijdering d.m.v. mestschuif

Totaal slachtkuiken ouderdieren opfokpoeljen van slachtkuiken ouderdieren

Emissiearm systeem P 7.5

24.412

7.055

5.444

1.611

Overige staltypes opfokpoeljen slachtkuikenouderdieren

702.826

280.360

221.390

58.970

1.280.769

503.501

350.271

153.230

281

5.058

1.287

3.771

143

1.230

384

846

145

508

107

401

329.498

560.147

262.939

297.207

Totaal opfokpoeljen van slachtkuiken ouderdieren struisvogels fokdieren struisvogels slachtdieren struisvogels van 0 tot 3 maanden kalkoenen slachtdieren kalkoenen ouderdieren ander pluimvee Totaal Pluimvee Andere

paarden van meer dan 600 kg paarden en pony's van 200 tot 600 kg paarden en pony's van minder dan 200 kg geiten jonger dan 1 jaar geiten ouder dan 1 jaar

65

130

50

80

80.259

19.262

0

19.262

37.524.421

22.156.121

7.458.019

14.698.102

3.248

211.120

33.974

177.146

41.335

2.066.750

308.772

1.757.978

10.003

350.105

45.714

304.391

13.734

59.880

19.090

40.790

39.941

419.381

132.205

287.176

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 230 van 240


Diersoort

Diercategorie schapen jonger dan 1 jaar schapen ouder dan 1 jaar konijnen vrouwelijk op gesloten bedrijf konijnen volwassen kwekerij konijnen vetmesterij nertsen moederdier op gesloten bedrijf nertsen volwassen kwekerij nertsen vetmesterij

Totaal Andere Totaal

Staltype

Aantal

ReĂŤle productie (kg N)

Emissieverliezen (kg N)

Netto productie (kg N)

23.155

100.956

24.544

76.412

40.604

426.342

71.057

355.285

8.534

61.615

25.773

35.843

1.342

4.107

1.919

2.187

1.285

798

334

464

45.389

104.395

68.084

36.311

2

2

1

1

0

0

0

0

228.572

3.805.450

731.467

3.073.983

45.026.012

162.095.847

34.167.639

127.928.208

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 231 van 240


Tabel 66 Arealen per teelt in 2018 (indeling o.b.v. hoofdteelt volgens de verzamelaanvraag) Teelt Aardappelen

Oppervlakte (ha) 52.237

Aardappelen (niet-vroege)

43.102

Aardappelen (pootgoed)

1.505

Aardappelen (primeur, rooi voor 20/6) Aardappelen (vroege, rooi na 19/6) Bieten

166 7.463 23.960

Suikerbieten

20.514

Voederbieten

3.446

Braak

1.092

Braakliggend land met minimale activiteit met EAG

455

Braakliggend land met minimale activiteit zonder EAG

361

Braakliggend land zonder minimale activiteit Fruit Aardbeien

276 18.033 1.284

Andere bessen

20

Andere eenjarige fruitteelten

1

Andere meerjarige fruitteelten

192

Blauwe bessen

105

Braambessen

31

Druiven

33

Frambozen

118

Hazelnoten

6

Kiwibes

27

Meerjarige fruitteelten (appel)

5.354

Meerjarige fruitteelten (peer)

9.412

Meerjarige fruitteelten (perzik)

6

Meerjarige fruitteelten (pruim)

22

Meerjarige fruitteelten (zoete kers, hoogstam)

38

Meerjarige fruitteelten (zoete kers, laagstam)

793

Meerjarige fruitteelten (zure kers)

228

Meerjarige fruitteelten hoogstam (appel)

66

Meerjarige fruitteelten hoogstam (peer)

2

Rode bessen

66

Stekelbessen

11

Walnoten

34

Wijnstokken

184

Zwarte bessen

1

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 232 van 240


Teelt

Oppervlakte (ha)

Geen

3.613

Blanco gewascode Niet nader omschreven gewas - kleine landbouwer Graangewassen Andere granen (bv. Mengkoren)

21 3.593 81.660 111

Boekweit

8

Brouwgerst

32

Faunamengsel

1.164

Gierst

1

Quinoa

45

Sorghum

46

Spelt

1.063

Triticale

1.966

Wintergerst

14.314

Winterhaver

146

Winterrogge

273

Wintertarwe

60.787

Zomergerst

872

Zomerhaver

322

Zomerrogge

23

Zomertarwe

485

Grasland Graskruiden mengsel Grasland Graszoden Natuurlijk grasland met minimumactiviteit

243.191 627 234.045 516 6.232

Natuurlijk grasland zonder minimumactiviteit

991

Weiland met niet-oogstbare bomen (> 100 bomen per ha)

660

Weiland met oogstbare hoogstam bomen (> 100 bomen/ha)

119

Houtachtige gewassen

3.091

Andere bebossing

170

Bebossing (korte omlooptijd)

54

Bebossing loofbomen-ecologisch

236

Bebossing loofbomen-economisch

34

Bebossing naaldbomen

0

Bebossing populieren

27

Bomen in groep

48

Heide in natuurbeheer

2.498

Wijmenaanplantingen

23

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 233 van 240


Teelt Kruiden

Oppervlakte (ha) 681

Andere kruiden - industrie

132

Andere kruiden - vers

172

Basilicum - industrie

54

Bieslook - industrie

55

Bieslook - vers verbruik

2

Engelwortel - industrie

10

Engelwortel - vers

3

Geneeskrachtige en aromatische planten en kruiden

51

Kervel - industrie

20

Kervel - vers

5

Peterselie - industrie

120

Peterselie - vers

56

Wortelpeterselie - vers verbruik

2

Maïs

181.573

Korrelmaïs

50.803

Silomaïs

130.770

Oliehoudende zaden Andere oliehoudende zaden

662 6

Sojabonen

45

Winterkoolzaad

576

Zomerkoolzaad

29

Zomerraapzaad

1

Zonnebloempitten

4

Overige gewassen

2.195

Andere bedekking

138

Bloemenmengsel

128

Bloemenmengsel voor EAG Braak

57

Champignons (loods)

4

Cichorei (inuline)

1.551

Cichorei (koffiesurrogaat)

23

Hop

169

Miscanthus

66

Niet-eetbare tuinbouwgewassen

17

Tabak Overige groenbedekkers Andere niet-vlinderbloemige groenbedekker

42 231 31

Andere vlinderbloemige groenbedekker

6

Bladrammenas

21

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 234 van 240


Teelt

Oppervlakte (ha)

Gele mosterd

41

Lupinen

1

Phacelia

19

Snijrogge

24

Soedangras

2

Tagetes (Afrikaantje)

87

Sierplanten (bloemisterij en boomkwekerij)

5.924

Andere niet-houtachtige sierplanten

277

Azalea

267

Begonia's voor de knol

44

Bloeiende kamerplanten (kalanchoĂŤ, ...)

16

Bloembollen en -knollen, andere dan begonia

73

Boomkweek - andere

594

Boomkweek - bosplanten

495

Boomkweek - fruitplanten

238

Boomkweek - sierplanten

2.232

Chrysanten

280

Groene kamerplanten (ficus, ...)

17

Kerstbomen

186

Perk- en balkonplanten

97

Rozelaars

72

Sierbomen en -struiken

732

Snijbloemen - rozen

17

Snijbloemen andere dan rozen < 5 jaar

44

Snijbloemen andere dan rozen >= 5 jaar

2

Snijplanten < 5 jaar

8

Snijplanten >= 5 jaar

5

Vaste planten

58

Winterbloeiende halfheesters

1

Winterharde sierplanten

165

Verse en industrie groenten

33.076

(Knol)venkel - industrie

12

(Knol)venkel - vers

89

Ajuinen (niet vroege) - vers

611

Ajuinen (niet-vroege) - industrie

1.870

Ajuinen (vroege) - industrie

355

Ajuinen (vroege) - vers

154

Andere alternatieve slasoorten - industrie

34

Andere alternatieve slasoorten - vers

214

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 235 van 240


Teelt

Oppervlakte (ha)

Andere groenten - industrie

165

Andere groenten - vers

395

Andere kolen - industrie

43

Andere kolen - vers

73

Andijvie - industrie

15

Andijvie - vers

61

Asperge - industrie

101

Asperges - vers

454

Aubergines - vers

23

Bladselder - vers

4

Bleekselder - industrie

97

Bleekselder - vers

25

Bloemkool - industrie

3.171

Bloemkool - vers

414

Boerenkool - industrie

51

Boerenkool - vers

5

Broccoli - industrie

36

Broccoli - vers

180

Butternutpompoenen - industrie

3

Butternutpompoenen - vers

37

Chinese kool - industrie

3

Chinese kool - vers

25

Courgettes - industrie

405

Courgettes - vers

308

Erwten (andere dan droog geoogst) - industrie

2.248

Erwten (andere dan droog geoogst) - vers

134

Flageolets (voor de boon) - industrie

80

Flageolets (voor de boon) - vers

8

Groene selder - industrie

101

Groene selder - vers

104

Ijsbergsla - industrie

11

Ijsbergsla - vers

26

Knolselder - industrie

648

Knolselder - vers

201

Komkommers - vers

35

Koolraap - industrie

49

Koolraap - vers

9

Koolrabi - industrie Koolrabi - vers

104 2

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 236 van 240


Teelt

Oppervlakte (ha)

Kropsla - industrie

24

Kropsla - vers

175

Paprika - industrie

5

Paprika - vers

94

Pastinaak - industrie

136

Pastinaak - vers

58

Pompoenen - industrie

191

Pompoenen - vers

180

Prei - industrie

1.138

Prei - vers

1.693

Raap - industrie

26

Raap - vers

67

Rabarber - industrie

62

Rabarber - vers

32

Radijs - vers

3

Raketsla - Rucola - vers

9

Rammenas - industrie

1

Rammenas - vers

14

Rode biet - industrie

5

Rode biet - vers

27

Rode kool - industrie

83

Rode kool - vers

73

Savooikool - industrie

115

Savooikool - vers

123

Schorseneer - industrie

501

Schorseneer - vers

33

Sjalotten - industrie

1

Sjalotten - vers

10

Snijbonen - industrie

308

Snijbonen - vers Spinazie - industrie Spinazie - vers Spruitkolen - vers

14 1.901 48 346

Spruitkool - industrie

1.972

Stamslabonen - industrie

2.138

Stamslabonen - vers

156

Tomaten - industrie

10

Tomaten - vers Tuin- en veldbonen (Vicia faba) - industrie

538 2.308

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 237 van 240


Teelt

Oppervlakte (ha)

Tuin- en veldbonen (Vicia faba) - vers

92

Veldsla - industrie

5

Veldsla - vers

38

Witloof (voor het loof) - industrie

14

Witloof (voor het loof) - vers

366

Witloofwortel

795

Witte kool - industrie

113

Witte kool - vers Wortel (niet-vroege) (consumptie) - industrie

200 2.835

Wortel (niet-vroege) (consumptie) - vers

398

Wortel (vroege) (consumptie) - industrie

292

Wortel (vroege) (consumptie) - vers

124

Vlas en hennep Andere hennep dan vezelhennep

3.914 67

Olievlas (geen vezelvlas)

0

Vezelhennep (bestemd voor vezelproductie)

28

Vezelvlas (bestemd voor vezelproductie) Voedergewassen

3.819 17.034

Andere voedergewassen

55

Eenjarige klaver

31

Eenjarige luzerne

76

Grasklaver

14.896

Grasluzerne

109

Meerjarige klaver

154

Meerjarige luzerne

766

Mengsel van gras en vlinderbloemigen (andere dan grasklaver)

152

Mengsel van vlinderbloemigen

41

Rode klaver

57

Tuin- en veldbonen (niet voor menselijke consumptie)

489

Voedererwten (niet voor menselijke consumptie)

169

Voederkool (bladkool)

7

Voederrapen

3

Voederwortelen

26

Wikke

3

Zaad- en plantgoed

308

Aardbeiplanten

190

Jongplanten voor de sierteelt

20

Plantgoed van niet-vlinderbloemige groenten

91

Zaden voor de sierteelt

8

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 238 van 240


Teelt Eindtotaal

Oppervlakte (ha) 672.475

Overzicht onderzoeksprojecten 1. Bepalen van procesfactoren voor oppervlaktewater en grondwater ter evaluatie van de nitraatstikstofresidu-norm. 2011. https://www.vlm.be/nl/themas/Mestbank/Achtergrond/cijfersen-studies/studies/procesfacor/Paginas/default.aspx 2. Onderzoeksplatform duurzame bemesting. 2012-… . www.onderzoeksplatformduurzamebemesting.be 3. Beste landbouwpraktijken van teelten in combinatie met nateelten / vanggewassen. 2014. https://www.vlm.be/nl/themas/Mestbank/Achtergrond/cijfers-enstudies/studies/Beste_landbouwpraktijken_van_teelten_in_combinatie_met_nateelten_of_vangge wassen/Paginas/default.aspx 4. Onderzoek naar het beheer van oogstresten bij vollegrondsgroenten en mogelijkheden van vanggewassen en teeltrotaties met het oog op de waterkwaliteitsdoelstellingen van het Actieprogramma 2011-2014 (MAP 4). 2014. https://www.vlm.be/nl/themas/Mestbank/Achtergrond/cijfers-enstudies/studies/Onderzoek_oogstresten_groenten/Paginas/default.aspx 5. Stikstofbemestingsnormen in de akkerbouwteelt (Environmental performance of nitrogen fertiliser limits imposed by the EU nitrates directive. D’Haene et al. 2014. https://www.sciencedirect.com/science/article/abs/pii/S0167880914001972 6. Opvolging van het krachtens Beschikking 2008/64/EG opgezette monitoringnetwerk van landbouwbedrijven ter evaluatie van de waterkwaliteit ten gevolge van derogatie. 2015. https://www.vlm.be/nl/themas/Mestbank/Achtergrond/cijfers-enstudies/studies/Monitoringsnetwerk_Derogatie/Paginas/default.aspx 7. Goede landbouwpraktijken voor de opslag van stalmest op de kopakker. 2016. https://www.onderzoeksplatformduurzamebemesting.be/NL/Relevantepublicaties/Opslagvanstalm estopdekopakker/tabid/11131/language/nl-NL/Default.aspx 8. NEMO: een nutriëntenemissiemodel voor de landbouw. (2011-…) https://www.vlm.be/nl/themas/Mestbank/Achtergrond/cijfers-enstudies/studies/NEMO/Paginas/default.aspx 9. Statistische analyse waterkwaliteit. 2017. https://www.vlm.be/nl/themas/Mestbank/Achtergrond/cijfers-enstudies/studies/statistische%20analyse/Paginas/default.aspx 10. Statistische analyse nitraatresidu. 2018. https://www.vlm.be/nl/themas/Mestbank/Achtergrond/cijfers-en-studies/studies/statistischeanalyse-nitraatresidu/Paginas/default.aspx.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 239 van 240


11. Milieukundig en economisch verantwoord fosforgebruik. 2018. https://www.vlm.be/nl/themas/Mestbank/Achtergrond/cijfers-en-studies/studies/Milieukundigen-economisch-verantwoord-fosforgebruik/Paginas/default.aspx 12. Bemestingsvrije stroken langs de waterlopen 2018. https://www.vlm.be/nl/themas/Mestbank/Achtergrond/cijfers-en-studies/studies/bemestingsvrijestroken-langs-waterlopen/Paginas/default.aspx 13. Mestproductie reduceren via voedermaatregelen. 2018. https://www.vlm.be/nl/themas/Mestbank/Achtergrond/cijfers-enstudies/studies/mestreductie/Paginas/default.aspx 14. Winteruitspoeling van N uit landbouwbodems. (Simulating the environmental performance of postharvest management measures to comply with the EU Nitrates Directive. Dewaele et al.). 2017. https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0301479716308386 15. Bemestingsnormen in de groententeelt (Can optimum yield and quality of vegetables be reconciled with low residual soil mineral nitrogen at harvest?. D’Haene et al.). 2018. https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0304423818300414 16. Agronomische waarde van bewerkte dierlijke mest valoriseren en optimaliseren. 2018. 17. Invloed van pH en bekalking op stikstofbemesing, - nitraatresidu en -uitspoeling.2019. https://www.vlm.be/nl/themas/Mestbank/Achtergrond/cijfers-en-studies/studies/invloed_pH-enbekalking/Paginas/default.aspx 18. Implicaties van fosfordynamieken in de waterloop voor de mestwetgeving. 2019. 19. Nitraatstikstofresidu’s en waterkwaliteit: de potentiële rol van beheersmaatregelen en regionale attenuatiefactoren. 2019. 20. Derogatiemonitoringsnetwerk MAP 5. 2020. 21. Nitraatrijke bronnen: De invloed van grondwater op de oppervlaktewaterkwaliteit. 2021. 22. Gebiedsgerichte monitoring en regionale attenuatiefactor. 2023. 23. Bedrijfsforfait: Onderzoek naar een bedrijfsspecifieke samenstelling van varkensmest. 2016. https://www.vlm.be/nl/themas/Mestbank/Achtergrond/cijfers-enstudies/studies/bedrijfsspecifieke%20samenstelling%20varkensmest/Paginas/default.aspx

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Mestrapport 2019

pagina 240 van 240


Vlaamse Landmaatschappij Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15 1210 Brussel vlm.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook