a&v*
;«^ V IAARCIWI. <%,.•'•'•/•>'
*••..:*&&'•
•r>tf<rvS-#-,.-;, * - , .
"'^i«K 'tér'--"*'''
>;^*-
1
* :^^7:' o»
.
'S»
KASTEELHOEVE „HOF VAN WYCKHUUSE" GEMEENTEHUIS VAN ALVERINGEM EEN PARELTJE VAN REGIONALE VLAAMSE BAKSTEENRENAISSANCE
GEBOUWD OMSTREEKS 1608 DOOR JONKHEER FRANQOIS VAN WYCKHUUSE, HEER VAN FONTIGNIES, BURGEMEESTER EN LANDHOUWER VAN DE KASSELRIJ VAN VEURNE-AMBACHT
AANGEKOCHT DOOR DE GEMEENTE IN 1977 GERESTAUREERD IN 1981-1982 DOOR
RESTAURATIEWERKEN P A R C E L
RICHET-VANDEVOORDE
lEPERSTRAAT 4 8948 KEMMEL-HEUVELLAND AANNEMER IN OPENBARE EN PRIVATE RESTAURATIEWERKEN VOEG- EN CEMENTWERKEN ERKENNING KAT. D KL. 6 - ONDERKAT. D24 KL. 6 - ONDERKAT. Dl 2 KL. 5 - ONDERKAT. Dl 1 KL. 1 NAAR ONTWERP VAN ARCHITECTEN L. en P. Viérin te Brugge.
HEDENDAAGSE METHODEN BIJ DE ZACHTE RESTAURATIE VAN GEBOUWEN EN MONUMENTEN
Constructieve scheurinjectie Dichtende scheurinjectie Consolidatie van hout en steen Restauratie van steen Restauratie van beeldhouwwerk Behandeling tegen stijgend muurvocht
Restauratie van hout Constructieve restauratie van houten draagbalken Curatieve en preventieve behandeling van hout Antizwambehandeling
Met behulp van 'zachte' polymeertechnische middelen als: — epoxyharsen — polyurethanen — silicoonharsen
N.V. RESIPLAST Bistweg 80 - 2250 Broechem • Tel. 03/485.62.31
^mmmmm: Spectron herstelt, ondertioudt ^ M l l en injekteert alle soorten bouwwerken. Spectron N.V. Injekteerfoedrijf Liersesteenweg 36, B-2800 Mechelen Telefoon (015) 21.99.02
Solar nv Afd. Restauratietechnieken — Kleine Breedstraat 51 1 2700 SINT-NIKLAAS _^ 03/776.91.62-777.62.23
POLYMEERCHEMISCHE HOUTRESTAURATIE volgens het, reeds in meer dan duizend kerken, kastelen,raadhuizen,paleizen en woonhuizen toegepaste renofors - bèta - systeem (Belgisch Octrooi nr.793.103)
Officieel licentiehouder Renofors-Béta-systeem
OOkSterk In: gevelrelniging-steenverharding-vochtwering-drooglegging van muren met capillair stijgend vocht-dichtingswerken-betonrestauratie-houtbehandeling-brandremming
VOLLEDIGE RESTAURATIE (met certificaat) ZIT- en LIGMEUBELEN en MUURSTOFFERING OORSPRONKELIJKE MATERIALEN OORSPRONKELIJKE WERKWIJZE
Gamiering-Stoffering JANSTAS Nieuwstraat 20 2160 Heide-Kalmthout B. : 03/666 58 55 NI. : 09 32 3666 5855 Bezoek op afspraak onze toonzaal en ons werkhuis. Vraag gratis (vrijblijvend) prijsofferte.
lederen Chesterfield, handgebonden veren zit en rug. donzen kussens Enkele materialen die wij in 1984 nog ter beschikking hebben : zuivere zijden veloers, zijden stof, hand geborduurde stoffen op eigen tekening, paardenharen stof, mohairs eigen tekening eigen kleur, ook uitgeschoren verschillende Ieders, wolmoquette eigen kleur twee dikten, grote kollektie kwaliteitsstoffen, stoffen op ingedrukte tekening, copy's alle passement, erin, wol, dons, paardenhaar. natuurlijke watten.
•4..Emm/
hogedrukreinigers
Voor het reinigen en onderhouden van gevels, terrassen, daken, zwembaden, enz., alsook het zandstralen van betonresten, roest, oude verf, enz. • koud- warmwater en of stoom tot 150° • reinigingseffect van 1,9 tot 26,4 kW • regelbaar waterdebiet van 900 I. tot 7.000 I. per uur • vaste en mobiele reinigingsinstallaties • regelbare werkdruk van 20 tot 180 atm. • beantwoorden volledig aan de veiligheidsvoorschriften van het arbeidsreglement. VRAAG GRATIS DEMONSTRATIE J. ZAMAN pvba • Industriepark E3 9100 Lokeren - Tel. 091/48 48 53 - Telex 126.54 M. KATHAGEN - Limburg - Tel. 011/46 37 94 J. AMELOOT - W.-Vlaanderen - Tel. 057/40 00 96
Arthur VANDENDORPE -, Algemene Bouwonderneming
Groene Poortedreef 40 8200 Brugge 2 Tel. (050) 31 72 96 • 33 03 88
Restauratie en vernieuwbouw
verkoop oude dakgebinten - Gevelstenen Moefen - Balken Vloeren, enz.
Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu, Bestuur Monumenten en Landschappen
ISSN 0770-4948 3de jaargang Nr. 5 - seplember-oktober 1984
M&L INHOUD De Demervallei tussen Aarschot en Werchter. Deel 1. R. Deneef
Afgesneden meander in de Demervallei te Werchter. (foto G. Charlier) Redactie Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmillieu, Bestuur Monumenten en Landschappen. Belliardstraat 14-18, 1040 Brussel. Tel. 02/513.99.20. Eindredactie : H. Stynen. Redactiesecretariaat : M. Hoflack. Administratie : L. Tack. Zetwerk : D. Torbeyns. Produktie en vormgeving : M. Ramakers. Redactiecomité Voorzitter : E. Goedleven. Leden : A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle. M. Celis, W. Claes, H. Craeybeckx (voorzitter K.C.M.L.), A. Demey, J. De Schepper, E. De Temmerman (afgevaardigde van Gemeenschapsminister K. Poma), M. Fierlafijn, M. Hoflack, C. Lievens, H. Jult, M. Ramakers, H. Stynen, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche. De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden. Advertentiewerving : J. Casier, Philipstockstraat 39, 8000 Brugge Tel. 050/33.82.20.
Het Kwartsiet van Tienen : Petrografische kenmerken en gebruik als bouwsteen. R. Nijs & G. De Geyter
20
Het Rood Kloosterken - een archeologisch vooronderzoek. D. Van Eenhooge
30
,,In Memoriam - Patrimonium" J. Vandenbreeden
40
Summary
53
M&L Binnenkrant Literatuur B. M. L. -Activiteiten Bescherming van het Cultuurpatrimonium „Voorlichtingspakket"
[1-16] [2] [6] [10] [14]
Abonnementsvoorwaarden JAARABONNEMENT 1984 : België : 720 fr. (losse nummers verkrijgbaar voor 150 fr.) CJP'ers betalen : 600 fr. Buitenland : 840 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 0002001776-84 van het Fonds voor Monumenten- en Landschapszorg met vermelding ,,M&L-jaarabonnement 1984". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
Druk : die Keure, Brugge M&L
3
:
UI
J-i ' ' I
1-1 I '. LI ,
:
IXJLJ
>J
O E
'-} • ,'• P ',' . .. . , i .
:
,.••'', i_
I : i • ! r •
>
i •
T U i
A
'• '
i • i '
,;
f.
, '
V
'
i l :
( I i • i i i . ; i . 1
ViV
1 . : . . 1 ! i ., > • i •
iii
i i i !i i i J i • !
, '- 1 '-.•' r I
' 1 '
yixrfif^tó r n i', ••: . . , i; J'J
' ! '
U
i i i
i,.UJ
I
IJ
;
j l; ,
.
:
i
•
,1 v • , !
-
:
j • i,.,,!'. n v • -i ;, ;.) .cniiivujjc: .
• i .)
.
'
• i
,
•
<
.
•
i ij
.
: ,
, , . / ' • , . • ; - • '
' i
C u O - J J i ' J , i l l r J i Li = . ' i ! • • i. u 1 u i J J L D J J iJ i ;-. U,i-t. J.1 J j - ; - , - . > ' J . I i i iJ i.'J J UL-i i T ' 1 1 1 J i i . i ., J U I iXJ i - I J' , » i ' . ' -J J1 >' i , ' . ' . Ii J. l ilj -l iJ, -j ^, l, x- ' .X' , i ! ' i ' . i!,' i • i ii i ] i i i r p - j j . •1i ' 1Ii,!1 ,1i ,n' lj Ii •.< I1,1,1 Xi,Ü I - i l J ' l ' 1Ml1,1,1 , ; u! Ji 'Ï ; i; . 1i'.• ,11 1 !' ' ij. I .\ l 11iO ' I .:Ci-.-f.i 11 ' • ,1 i1,1,' JIiI M,J
ÏÏÖ
§
. i .
• ;
IJ
i ii
,11,-1.
• n • ! s1. u i i •, i , • j i , 1 1 1
,,i
'i : ' i '
11
^iV,',•,'. r
^ A J i J , 1 - -i 1 i i i j • i 1 I i j J i 1 I . ; 1 i • i i ; I .; i i i 1 ; 1 i 1 11 i . i l ., ij , , > i i , • i i - . I, . i . . t 1 J l i l s j j t
^
'j
WATERMOLEN VAN AARSCHOT (RILLAAR) ARCH. R. VERSPREEUWEN (ANTWERPEN)
VOOR MOIENS MINISTERIE
KLLItRDSTRUT
VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP -
14 11
1040 BRUSSEL
Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu
Bestuur voor Monumenten en Landschapszorg
BONTE JOZEF p.v.b.a.
Nationale Loterij
Algemene
Gespecialiseerd in het restaureren van gebouwen en monumenten
Helpt u ook de architectonische rijkdom van het land beschermen ? :|;:';;':| ^;.,--.>.i.:-;.-.-...-...--;.,-:•;.;.;.;.
V . ^ ^
_—
:-iv: : : : : :L-.!.".
' ;.....::....
iiiiiiiiiiii
mmmm
Speelt n Lotto of" Toto ? Of koopt u elke week een «tientje» van de Loterij ? Dan helpt u zonder het zelf te weten, mee aan de bescherming van ons historisch patrimonium.
•M^^J
Korte Vuldersstraat 6 8000 BRUGGE Tel. (050) 33 44 98
üiiiii
I:'-!:-:-:-:'::-:"':'"'!'-1'-:-:::';::--'
: : : : :
Bouwonderneming
L-
De Nationale Loterij is een instelling die ten dienste staat van de gemeenschap. Het geld dat overblijft van de verscheidene kansspelen wordt voor een groot deelj verdeeld over verschillende instellingen van openbaar nut.
RIETEN DAKEN
WILLY IBENS P.V.B.A.
Brandbeveiligde daken Rietmatten en rietplaten Restauraties Nieuw en herstellingswerk Isolatiewerken met rustieke rietplaten Gratis dokumentatie Leopoldslel 161 2130 Brasschaat Tel. 03/651 53 45
N.V. E. MENGÉ en ZONEN Aanneming van Openbare en Private werken - Restauratie Schoorsteenbouw - Ovenbouw Aannemersstraat 188 9110 Sint-Amandsberg Tel. : 091/28.15.05 - 28.49.35 Telex: 11698
Dus zelfs als u niets gewonnen hebt met de Lotto, Toto of de Nationale Loterij, is uw geld echt niet verloren. Want met dit geld kunnen we ons land steeds wat mooier, rijker en gastvrijer maken.
Opgelet! Voortaan dient alle briefwisseling in verband met M&L (redactie, abonnementen, enz.) uitsluitend naar het volgende adres gericht te worden:
Beliiardstraat 14-18 1040 Brussel tel. 02/513.99.20
De Demervallei tussen Aarschot en Werchter. Deel 1. (i)
Roger Deneef
Baeyens (1978), die zich aan een kwantitatieve "hydrografisch-landschappelijke beoordeling,, van de Demer waagt, noemt de Demervallei tussen Diest en Werchter "het meest merkwaardig rivierdal van Laag- en Midden-België,,. De Hagelandse Demervallei — d.i. de vallei tussen Diest en Werchter — scoort globaal gezien hoog (7,94 punten op 10) en wordt derhalve ingedeeld bij de waardeklasse 7,5-9, zijnde een "meanderende waterloop met grote landschappelijke belangrijkheid,,. Alleen met de vorm van het hydrografisch bekken, dat vooral stroomafwaarts van Aarschot te weinig "intens gevind,, is, kon het wat beter. Bovendien maakt Baeyens een onderscheid tussen het gedeelte stroomopwaarts van Aarschot enerzijds, en het gedeelte tussen Aarschot en Werchter, dat dank zij de talrijke meanderkronkels de bovenhand haalt (8 op 10) op het gedeelte Diest-Aarschot (7,85 op 10). In wat volgt zullen wij trachten deze "grote landschappelijke belangrijkheid,, te specificeren voor het valleigedeelte tussen Aarchot en Werchter, zonder daarom de sfeer van de schoonheidswedstrijd of het schoolrapport aan te houden.
Het confluentiegebied Dijle-Demer-Laak Stroomafwaarts van Aarschot loopt de Demer door een bijna rechtlijnige, ondiepe depressie, waarvan alleen nog de zuidrand door Diestiaanheuvels (Liedeberg, Eikelberg, Uzerenberg, Heikantberg) wordt begrensd. Op de uitstulping van Vorsdonk na, is de zuidrand van deze depressie nagenoeg rechtlijnig.
De noordrand van het dal vertoont een reeks kleine inhammen die qua grootteorde min of meer overeenkomen met de talrijke vrije meanders van de Demer. De frequentie van deze meanders is het grootst tussen Blaasbroek en Werchter. Ter hoogte van Blaasbroek splitst de alluviale vlakte zich in twee ongeveer evenwaardige armen. Door de zuidelijke arm stroomt de Demer, door de noordelijke loopt een momenteel vrij onbelangrijk riviertje, m.n. de Laak of
iipj©^
'3
Grote Laakbeek. Demer en Laak monden afzonderlijk uit in de Dijle. De eilandsituatie van Werchter-Hoogland tussen Demer, Laak en Dijle is op de Bodemkaart en op de kaart van Ferraris (fig. 2) duidelijk merkbaar in de vorm van een langgerekte, droge, zandige verhevenheid. De morfologie van de Demer- en de Laakvallei roept een aantal vragen op, die slechts een enigszins bevredigend antwoord kunnen krijgen wanneer men de gehele alluviale vlakte van de Demer-Dijle, te beschouwen als een oostelijke uitloper van de zgn. Vlaamse Vallei (Tavernier & De Moor, 1974), in de verklaring betrekt. In het confluentiegebied Dijle-Demer komen, blijkens de geologische kaart (Mourlon, 1894) en de bodemkaar-
ten (Baeyens & Scheys, 1958; Baeyens, 1960), twee belangrijke alluviale depressies voor die momenteel slechts door relatief onbelangrijke waterlopen ontwaterd worden, m.n. de depressie van de Laak en deze van de Leibeek tussen Wijgmaal en Rijmenam. De geologische kaart toont nog de eigenaardige afwezigheid van "modern alluvium,, langsheen de huidige loop van de Dijle tussen Werchter en Rijmenam. Vervolgens komen langs de Dijle, de Demer en de Laak op min of meer regelmatige afstanden bochtige stroken vochtig of venig alluvium voor, die geïnterpreteerd moeten worden als relicten van grote ingesneden meanders. Op de kaart in figuur 1 zijn onder meer duidelijke mean-
Hiernaast: Fig. 1: situering op kaartblad 24 van het NGI-schaal 1150.000. — Gereproduceerd met toelating nr. A570 van het NGl. Boven: Fig. 2: De Demervallei tussen Betekom en Werchter en het interfluvium Werchter-Hoogland op het einde van de 18de eeuw volgens de kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden van de Ferraris (1770-1778).
M&L
7
dervormen herkenbaar te Vorsdonk en Zallaken langs de Demer, de "Putten van Fonteyn,, langs de Laak te Tremelo, de Blaasberg en de Broekelei langs de Dijle. In de depressie van de Leibeek ten zuiden van Haacht is — alhoewel minder duidelijk — een tweede gordel van meanderrelicten herkenbaar. Tenslotte vertoont de Demer talrijke — nu afgesneden — vrije meanders, waarvan het aantal toeneemt bij het naderen van de monding. In de studie van De Smedt (1973) kunnen verklaringen gevonden worden voor deze feiten. Vooreerst wordt aangetoond dat de morfologische basisstructuur van het confluentiegebied Dijle-Demer-Laak op het einde van de laatste ijstijd (circa 10 000 B.C.) grotendeels was vastgelegd: de duingordel Keerbergen-Tremelo ten noorden van Dijle en Laak; de zandige verhevenheden van Werchter-Hoogland, Hellicht en Haacht; de depressies van Demer, Laak, Dijle en Leibeek. De Leibeek moet beschouwd worden als een oude Dijlearm, de Laak als een oude Demerarm. Beide vormden tijdens het laat-glaciaal de grote ingesneden meanders waarvan eerder sprake (fig. 3a). De verplaatsing van de Demer naar haar huidige bedding ten zuiden van Werchter voltrok zich vermoedelijk tijdens het Atlanticum (± 5500 - 2500 B.C.), deze van de Dijle naar haar bedding ten noorden van Haacht bij het begin van het Subatlanticum (circa 900 B.C.) (fig. 3b). In tegenstelling tot de Dijle, die vooral leem in suspensie vervoerde, vormde de Demer, die vanaf de ontbossingen tijdens het Subatlanticum hoofdzakelijk silt en klei vervoerde, geen oeverwallen. De hele Demervallei werd met kleiige sedimenten bedekt. Deze sedimentatie werd bovendien bevorderd door het feit dat de oeverwallen van de Dijle de valleimonding afsloten. De toename van het aantal vrije meanders van de Demer naar haar monding toe moet vooral worden verklaard door de alluviatie van kleisedimenten, waardoor de bochtigheid van de rivier verhoogt.
De bodems Op de bodemkaarten (Baeyens & Scheys, 1958; Baeyens, 1960) wordt het grootste gedeelte van de alluviale bodems langs de Demer en de Laak aangeduid als gronden op klei. Men vindt deze kleibodems ook in de komgronden van de Dijlevallei, maar in de toelichting bij de bodemkaart wordt gewezen op een textuurverschil: in de Dijlevallei gaat het om lemige klei, in de Demervallei om zandige klei. Dit heeft uiteraard te maken met de verschillende materiaalbron van beide rivieren, respectievelijk leem en zand. De Smedt (1973) wijst bovendien op een variatie in de korrelgrootte-samenstelling van de kleibodems langs de Demer: in de omgeving van de Demerbedding nemen de zand- en leemfracties toe. Een verklaring hiervoor moet niet alleen gezocht worden in de afstand tussen rivierbedding en sedimentatieplaats, maar volgens De Smedt (1973) ook in de verandering van het Demerregime na de subatlantische ontbossingsperiode, toen de Demer ook van haar zuidelijke bijrivieren afkomstig leem in suspensie vervoerde. Het merendeel van de alluviale kleigronden langs de Demer (en de Laak) staan als matig gleyig aangegeven, zodat ze volgens de toelichting bij de bodemkaart geschikt zijn voor veeleisende gewassen en weide, alhoewel ze in de winter en in de lente soms wateroverlast te verduren krijgen. De nog in de Demervallei aanwezige landbouwactiviteit concentreert zich bijna uitsluitend op deze gronden. Het enige aaneengesloten, min of meer homogene landbouwgebied in de Demervallei stroomafwaarts van Aarschot, ligt tussen Betekom en het DemerLaak interfluvium. De waterzieke, kleiige komgronden liggen bijna uitsluitend aan de zuidrand van de Demervallei. Hopeloos voor de akkerbouw, zijn zij volgens het bodemboekje
Fig. 3a en 3b: Evolutie van het rivierpatroon in het confluentiegebied Dijle-Demer-Laak, 1. Meander van Tremelo (Putten van Fonteyn). 2. Blaasberg te Tremelo. 3. Meander van Haacht. 4. Broekelei te Keerbergen.
8
M&L
naar De Smedt (1973).
Afgesneden Demermeander bij de "Soldatenbrug„ te Werchter (foto G. Charlier).
toch nog bruikbaar als weiland mits drainage. Deze bodems nemen grote oppervlakten in ten westen van de Wingemonding, evenals in Vorsdonk en aan de voet van de Heikantberg, waar ook nog veenbodems of zeer sterk gleyige gronden op klei met veensubstraat op geringe diepte voorkomen. Op het grootste gedeelte van deze komgronden groeit (of kwijnt) momenteel Canadapopulier. Het interfluvium Werchter-Hoogland en ook de verhevenheid van Hellicht, bestaan voor het grootste deel uit droge of matig droge zandige plaggenbodems met sporadisch enkele nattere enclaves. Deze bodems worden — voor zover zij niet door bebouwing worden ingenomen — voornamelijk gebruikt voor teelten die tegen sterk schommelende waterstanden bestand zijn.
De fossiele meanders van Vorsdonk en Zallaken
wijze bestudeerd. Baeyens (1978) spreekt van de "meander,, van Vorsdonk, zonder dit met argumenten te staven. De topografie, het microreliëf en de bodemgesteldheid laten er echter weinig twijfel over bestaan dat het inderdaad om een fossiele meander gaat, waarvan de straal merkelijk groter is dan die van de reeds besproken, meer westwaarts gelegen, ingesneden meanders. Of deze meander eveneens van laatglaciale ouderdom is, wordt in ons ter beschikking staande studies niet beantwoord. Baeyens (1978) spreekt bovendien van een tweede, moeilijker te herkennen meandervorm ten westen van Vorsdonk, tussen de Uzerenberg en de Heikantberg. Deze "meander van Zallaken,, is inderdaad herkenbaar op de bodemkaart in de vorm van een lusvormige strook natte gronden op licht zandleem, die door zandige stoppen van de eigenlijke Demervallei is afgesloten. Wij zullen deze fossiele meander daarom verder buiten beschouwing laten.
Het gebied Vorsdonk te Gelrode-Aarschot (fig. 4) werd, voor zover wij konden nagaan, nooit op een grondige
Vorsdonkbroek vormt een halfcirkelvormige uitstulping van de Demervallei. Het bestaat voor ongeveer 1/4 uit moerassig laagveen, voor de helft uit hydromorfe alluviaM&L
9
Afgesneden meander Ier hoogte van Werchter-dorp (foto G. Charlier).
Ie kleigronden en voor 1/4 uit zandige donken. Op de grootste van deze donken — voor een gedeelte op de bodemkaart aangeduid als "vergraven terrein,, — bevinden zich twee kastelen, nl. het kasteel van Rivieren, een in oorsprong middeleeuwse vestiging, en het 19de-eeuwse kasteel van Nieuwland. Een formele parkaanleg (die zekere tekenen van degradatie vertoont) kenmerkt de onmiddellijke omgeving van beide kastelen. Fig. 4: Situering van de veenachtige bodems en de Donken bij Vorsdonk en Zallaken - op fragmenten van de militaire topografische kaarten 2416 en 2417. Gereproduceerd met toelating nr. A570 van het Nationaal Geografisch Instituut.
Overstromingsproblemen Het oudste, ons bekende kaartdocument dat de Hagelandse Demervallei weergeeft, dateert van 1551 (fig. 5). Het wordt bewaard in het Universiteitsarchief Leuven (Arenbergarchief nr. 2417) en werd opgemaakt naar aanleiding van een visitatie van de waterlopen tussen Zichem en Werchter. Het gaat om een vroeg stukje thematische cartografie, opgesteld in functie van een acuut probleem, m.n. de waterbeheersing in de vallei.
Gronden op venig materiaal Zeer sterk gleyige gronden op kleiig materiaal met reductiehorizont & veensubstraat op geringe diepte Zandige donken naar Baeyens & Scheys (1958)
4P
12
M&L
en
Baeyens (1960
Gedurende de middeleeuwen zouden overstromingen in de Demervallei volgens Valvekens (1942) een eerder zeldzaam fenomeen geweest zijn. Vanaf het einde van de 15de eeuw schijnt hierin verandering te zijn gekomen. Volgens Valvekens, die hierbij op stukken uit het abdijarchief van Averbode steunt, werden de overstromingen steeds frequenter en omvangrijker, zodanig zelfs dat in 1491 te Aarschot rond dit probleem een vergadering werd belegd, waarop de voornaamste notabelen van de Demerstreek aanwezig waren. In 1492 ging — op aandringen van Willem de Croy — het centraal gezag zich met de zaken bemoeien. In dat jaar
legde (de latere keizer) Maximiliaan volgend programma van maatregelen op: 1. Een verbreding van de Demer en de Dijle tussen Zichem en Mechelen "tot heur behoorlycke wydden,, (resp. 40 en 60 voet), de kosten hiervan te dragen door de aangelanden. 2. Een grondige ruiming. 3. Een soort van "Sigma-plan,, avant-la-lettre, nl. de aanleg van 5 voet hoge dijken over de hele lengte van de Demer-Dijle. 4. Het aanbrengen van sluizen en "arken,, bij de mondingen van alle zijbeken, dit om te voorkomen dat "de
M&L
13
ft
fig. 5.- De toarf van de Demervallei lussen Zichem en Werchter in 1551.
moedere vanden Demere keuren opganck soude moghen nemen". Over de mate waarin de ordonnantie van Maximiliaan werd uitgevoerd, vond Valvekens (1942) geen aanduidingen, althans niet in het abdij archief van Averbode (2). Vast staat dat de toestand, ver van te verbeteren, in de loop van de 16de eeuw nog kritieker werd. Dit leidde tot de algemene visitatie van 1551. Op termijn gaf deze evolutie aanleiding tot de verplaatsing of verdwijning van bepaalde nederzettingen of parochies, met name Donk bij Halen, waar van het oorspronkelijk site bij de Demer rond 1700 alleen nog een eilandje met een kerk overbleef, en Weerde bij Aarschot, dat alleen nog in de hydronymie („Weerder Laak") een spoor heeft achtergelaten. Uit beschrijvingen in de Broekbos in Vorsdonk - Turfputten (foto G. Charlier).
„Analecta Bollandiana" meent Valvekens bovendien te kunnen afleiden dat tijdens de 15de eeuw de hoofdverkeersweg te Rillaar nog langs de Demer liep, wat gezien de gewijzigde hydrologische situatie na 1500, nagenoeg onmogelijk was geworden. Naar de precieze oorzaken van deze toenemende crisissituatie kunnen we slechts gissen. Valvekens (1942) zoekt een verklaring in een hypothetische „grondverzakking" in de streek van Halen-Schulen. In deze veronderstelling vinden we misschien een verre echo terug van de Jectonische theorie" van Stevens (1934), Of misschien wordt er gerefereerd aan een noodlottige ingreep die in dat gebied werd uitgevoerd, maar dat gebeurde pas in de loop van de 17de eeuw (cfr. infra). Vermoedelijk moeten de primaire oorzaken niet zo ver gezocht worden. Afgezien van de mogelijkheid dat zich tijdens de late middeleeuwen een zekere klimaatswijziging heeft voorgedaan, is de normale evolutie in een stroombekken als dat van de Demer meer voor de hand liggend. De inhoud van het door Maximiliaan voorgestelde maatregelenpakket laat er alleszins geen twijfel over bestaan dat men toen al wist waar de klepel hing, nl. de toenemende sedimentatie waardoor de Demer haar bedding geleidelijk aan opgehoogd had, zodat de waterlozing hoe langer hoe meer bemoeilijkt werd. Vandaar dat ruiming en afstopping van de zijbeken een belangrijk onderdeel van de Maximiliaanse therapie vormen. Een herlezen van het middeleeuwse archief zou eventueel klaarheid kunnen verschaffen omtrent de diepere oorzaken van dit versneld (?) sedimentatieproces en van de toename in frequentie en volume van de piekdebieten. Zo lijkt ons een meer gedetailleerde kennis van het verloop van de (laat-) middeleeuwse ontginningen van essentieel belang. De ordonnantie van Maximiliaan is ook in andere opzichten interessant, want zij kan min of meer gelden als een blauwdruk voor de hele waterbeheersingspolitiek, zoals zij achteraf gedurende bijna vijf eeuwen werd gevoerd en die hoofdzakelijk op symptoombestrijding gericht was. De enige fundamentele innovatie, nl. het aanleggen van wachtkommen, is van zeer recente datum. De politiek van rechttrekkingen die vanaf de 17de en vooral vanaf de 18de eeuw werd gevoerd (3), werd slechts gedeeltelijk geïnspireerd door de noodzaak van waterbeheersing (cfr. infra) en is ook geen fundamentele
14
M&L
wijziging: aangezien de sedimentatie vooral optreedt in de meanderkronkels (aan de binnenbocht), is het ook logisch dat men in de mate van het (technisch) mogelijke naar een rechte rivierloop zal streven. Overstromingen, waterbeheersingsproblemen en de daarmee gepaard gaande belangenconflicten tussen de voornaamste gebruikers van de Demer — molenaars, schippers, scheepstrekkers, aangelanden — hebben vanaf de 16de eeuw de geschiedenis van de Demervallei beheerst. Ondanks alle visitaties, reglementen, ordonnanties en ruimingen, werd de toestand er alleen maar slechter op. Het uitgraven van een nieuwe Demerbedding en de uitdijking van het Linkhouts Broek stroomopwaarts van Diest in 1664-1666, waren volgens Breugelmans (1980) catastrofaal voor de hele Demervallei. Hierdoor had zich tussen Lummen en Diest een watermassa opgehoopt, die grote oppervlakten akker- en weiland onbruikbaar maakte. Al de projecten die daarna op touw werden gezet, hadden vooral tot doel hiervoor een oplossing te vinden. Het duurde echter tot 1753 vóór de problemen grootscheeps konden worden aangepakt. Tussen Zichem en Mechelen werden toen 16 bochtafsnijdingen uitgevoerd. Wanneer in de lente van 1772 de inwoners van een aantal Demerdorpen (Langdorp, Testelt, Rillaar, Messelbroek en Betekom) opnieuw onder overstromingen te lijden hebben, wordt een reeks van 12 nieuwe bochtafsnijdingen geprogrammeerd en uitgevoerd (Breugelmans, 1980).
De Demer als verkeersweg De verklaring voor de politiek van rechttrekkingen moeten gedeeltelijk — of misschien vooral — gezocht worden in de functie van de Demer als verkeersweg. Tot het midden van de 17de eeuw was de Demer één van de belangrijkste verbindingswegen tussen het Hageland, het Land van Loon en de steden Aarschot, Diest, Zoutleeuw, Tienen, Mechelen en Leuven. Een belangrijk motief bij de reeds genoemde politiek van bochtafsnijdingen was dan ook het verbeteren en verkorten van de vaarweg. De economische stagnatie die vanaf de late middeleeuwen het Hageland teisterde en die door Van Uytven (1974) vooral gecorreleerd wordt met de groei van Antwerpen, deed de belangstelling voor de Demer geenszins afnemen. Vanaf Karel V werden grootse plannen gekoesterd. Via de Demer wilde men een Schelde-Maas (-Rijn) verbinding tot stand brengen. Vooral na de scheiding tussen Noord en Zuid en de sluiting van de Schelde, werd een dergelijke verbinding van vitaal belang. Van de diverse projecten die in de loop van de 17de en 18de eeuw werden opgemaakt en die om materiële, budgettaire of politieke redenen nooit in werkelijkheid werden omgezet, was het plan van Spinola en San Angelo (1626) het meest ambitieuze en militair-strategisch geïnspireerde: door het afleiden van de Rijn in de Maas en de
Fig. 6: Werchler en de Demervallei rond 1600 (zie tekst p. 18).
r
M&L
15
De huidige gekanaliseerde Demertoop (foto G. Charlier).
Maas in de Schelde, wilde men niet alleen de Habsburgse erflanden rechtstreeks met een vaarweg verbinden, maar ook min of meer Holland droogleggen. Het uitgraven van de zgn. Fossa Eugenia in het huidige Nederlands Limburg toont aan dat het menens was, maar daar is het dan ook bij gebleven. Na de aanleg van de vaart Leuven-Rupel (1750-1763), de steenweg Leuven-Diest (1778-1781) en andere degelijke interstedelijke verbindingswegen, verloor de Demer vrij vlug zijn verkeerseconomische betekenis. De scheepstrekkerij maakte dat varen op de Demer bovendien bijzonder duur uitviel. In 1786-1787 passeerden er te Zichem in een tijdspanne van 11 maanden nog slechts 78 schepen (Vogels, 1946). Dat de droom van een Schelde-Maasverbinding via de Demer een hardnekkig leven leidde, blijkt o.a. uit de laatste uitgave van de zgn. kaart van Capitaine van 1836, waarop het tracé van een „canal projeté" de Demer volgt tot Werchter en vervolgens doorloopt in de richting van Kampenhout en Brussel, en het Demerplan van 1912, waarbij de rivier tot een breed, rechtlijnig kanaal zou worden omgewerkt. Pas met de aanleg van het Albertka16
M&L
naal (1930-1939) werd dit plan definitief opgegeven (Vanderwaeren, 1975). Er mag bij wijze van besluit gesteld worden dat overwegingen van verkeerstechnische aard — samen met het streven naar een afdoende beveiliging tegen de overstromingen — tot op zekere hoogte hebben bijgedragen tot het huidige uitzicht van de Demervallei, in het bijzonder van de Demerloop, via een eeuwenlang gevoerde politiek van rechttrekkingen en indijkingen.
De evolutie van de Demerloop tussen Aarschot en Werchter Een belangrijk historisch-landschappelijk gegeven vormen de gemeentegrenzen (uiteraard die van vóór de fusie) tussen Werchter en Rotselaar, Betekom en Rotselaar, Betekom en Gelrode en Betekom en Aarschot. De bewering van De Smedt (1973) dat deze oude gemeentegrenzen de Demerloop van vóór de rechttrekkingen volgen, lijkt voor de hand liggend, maar vereist — zoals we zullen aantonen — enige nuancering.
Men mag geredelijk aannemen dat een rivier als de Demer een belangrijk grensbepalend element was in de vroegste nederzettingsgeschiedenis en in het ontstaan van het parochiewezen in het gebied. Zo omvatte bijvoorbeeld Werchter, één van de oudste en voornaamste parochies in de confluentiezone Dijle-Demer, tijdens de vroege middeleeuwen een gebied dat zich uitstrekte over Werchter-Hoogland, Veldonk, een aantal gehuchten ten noorden van de Laak op het huidige grondgebied Tremelo (Kluis, Ninde), Wakkerzeel en, vóór de consolidatie van het parochiewezen in de 12de-13de eeuw, ook Haacht (Cools, 1982). Op het eerste gezicht merkwaardig bij deze begrenzing is dat de Demer blijkbaar grensbepalend was en de Dijle niet, aangezien Wakkerzeel en Haacht aan de overzijde van de Dijle liggen. Een aannemelijke verklaring levert de geografische of hydrologische situatie: de onberekenbare, meer diffuse Demer van vóór de indijkingen was vermoedelijk een reëler obstakel dan de in oeverwallen vastgelegde Dijle (4). Wanneer men het verloop van de oude gemeentegrenzen langsheen de Demer tussen Werchter en Aarschot in detail bekijkt, blijkt dat de uitspraak van De Smedt (1973) voor het grootste gedeelte opgaat, maar dat er ook enkele opvallende afwijkingen zijn. Op een aantal plaatsen volgt de gemeentegrens een tracé dat met geen enkel spoor van oude bedding samenvalt. De meest in het oog springende afwijking bevindt zich ter hoogte van de zgn. Soldatenbrug bij Werchter. De gemeentegrens valt hier gedeeltelijk samen met de monding van de Winge, gedeeltelijk met fragmenten van oude meanderbeddingen, en volgt gedeeltelijk ook een tracé dat aan geen enkel herkenbaar terreingegeven beantwoordt. De afwijking van de gemeentegrens RotselaarWerchter t.o.v. de Demerloop zoals hij kan worden gereconstrueerd op basis van een figuratieve kaart van 1601 uit het Arenbergarchief Heverlee (nr. 2413, fol. 37) is hier bijzonder groot. Op de reeds vermelde visitatiekaart van 1551 worden, ter hoogte van de Papeneusels en het Blaasbroek, bepaalde meanderkronkels aangeduid die toen reeds omschreven werden als „d'auden Demer". Wanneer men ten slotte alle nog bestaande en herkenbare meanderrelicten probeert samen te puzzelen tot één consistent geheel, stelt men gauw vast dat dit nagenoeg onmogelijk is en dat men met verschillende generaties van meanders te doen heeft. Vóór de laatmiddeleeuwse indijkingen ging het om „vrije", zich verplaatsende meanders; een aantal meanderrelicten zijn mogelijk ontstaan ten gevolge van natuurlijke afsnijdingen, lang vóór de grote rechttrekkingscampagne. Deze oude meanders kunnen belangrijke inzichten verschaffen omtrent de geomorfologische evolutie in de Demervallei sinds de laatste ijstijd en, in het algemeen, omtrent het gedrag van meanderende waterlopen, op voorwaarde dat ze in situ bestudeerbaar blijven. Zoals gezegd, was de eerste grootscheepse rechttrekkingscampagne (1753) bij het opmaken van de Kabinetskaart van Ferraris reeds 20 jaar achter de rug. Werchter werd toen met 6 bochtafsnijdingen bedacht, waarvan de meeste op de Kabinetskaart en ook nog op het terrein
lokaliseerbaar zijn, dit in tegenstelling tot de rechttrekkingen uit die periode in andere gedeelten van de vallei. Tijdens de tweede campagne in 1772 werd één bochtafsnijding te Rotselaar uitgevoerd. Deze operaties gingen met een soort van ruilverkaveling gepaard, waarbij de eigenaars die gebiedsverlies leden vergoed werden en zij die gebiedswinst boekten, een opleg moesten betalen (Breugelmans, 1980). De meest radicale ingrepen gebeurden echter tussen 1778 en 1850. Op de kaart van Vandermaelen heeft de Demer, op een paar details na, zijn huidige loop. Wanneer precies deze rechttrekkingen werden uitgevoerd en door welk soort van overwegingen zij werden ingegeven, is vooralsnog onduidelijk. Werden deze werken uitgevoerd bij wijze van anticipatie op de tijdens de Franse en Hollandse tijd heropflakkerende droom van de ScheldeMaas-Rijnverbinding, bijv. naar aanleiding van het zgn. plan Membrède van 1799? (Breugelmans, 1983). De laatste belangrijke bochtafsnijdingen werden uitgevoerd in 1976-1980. Deze gingen gepaard met een algemene ophoging en versterking van de Demerdijken tussen Aarschot en Werchter.
De Demer als militair-strategisch object In zijn „Mémoires historiques, chronologiques et oeconomiques" bij blad Lr van de Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden, merkt de Ferraris (1777) ten aanzien van de Demer-Dijlestreek op dat, alhoewel de terreingesteldheid zich weinig leent tot grootscheepse cavaleriemaneuvers, „cette partie du pays qui convient aux rüses et aux chicanes de la petite guerre, présente, de tous cótés des postes qui peuvent être défendus pied a pied par de ['infanterie; les armées mêmes y rencontrent différentes positions susceptibles d'une belle defense, en se couvrant des eaux qui la traversent...". Het militair-strategisch belang van de oost-westgerichte Demer-Dijlelijn kwam vooral tot uiting tijdens de Tachtigjarige Oorlog, toen de „vijand" uit het noorden kwam. Zoals reeds gezegd, was er het niet uitgevoerde plan van Spinola en San Angelo (1626), dat niet alleen door economische, maar ook door militaire motieven werd ingegeven. De militarisering van de vallei gebeurde echter op een andere manier. Op een aantal grootschalige kaarten uit die periode, o.m. in de „Theatrum Orbis Terrarum" van Willem Bleau van 1635 (fig. 7) worden tussen Halen en Mechelen een groot aantal „redoutes" of veldschansen afgebeeld. Voor het hier behandelde gebied zijn ze — ondanks het vrij schematisch karakter van de kaart — gemakkelijk te situeren. Eén schans zou zich bevonden hebben in de Dijlebeemden tegenover Werchter, een tweede in de binnenbocht van de meanders bij de „Soldatenbrug", een derde ten zuiden van de Papeneusels. Noch op de latere kaarten, noch op het terrein is van deze schansen een spoor terug te vinden. De zgn. Soldatenbrug, een demonteerbare M&L
17
De evolutie van het landschap en het landschapsbeeld
Fig. 7: Redoutes in de Demervatlei tussen Aarschot en Werchter, begin 17de eeuw, op fragment van de kaart "Prima Pars Brabantiae cuius caput Lovanium,. uit de atlas 'Theatrum Orbis Terrarum' van Willem Blaeu — 1635. De zogenaamde "Soldatenbrug,. te Werchter.
stalen brug die de enige Demerovergang vormt tussen Betekom en Werchter, werd in het begin van de jaren '50 door geniesoldaten bij wijze van vingeroefening in elkaar geknutseld en achtergelaten. 18
M&L
Het Arenbergarchief bevat een gekleurde pentekening van circa 1600 met een gezicht op Werchter, de Dijlebrug, schepen, scheepstrekkers en een lengteperspectief van de Demervallei (fig. 6, p. 15). De afbeelding is vrij schetsmatig en impressionistisch, maar ze volstaat ruimschoots om vast te stellen dat het valleilandschap tussen Werchter en Aarschot op het einde van de 16de eeuw zeer open was. De verspreide houtkanten en bomengroepen zijn te weinig talrijk om van een "coulissenlandschap„ te spreken. Uit het kaartmateriaal kan worden afgeleid dat dit open landschap tot ver in de 1ste helft van de 20ste eeuw bewaard bleef. Rond en vooral na de tweede wereldoorlog komt verandering in dit beeld door de aanplantingen van populieren, maar deze "sluiting,, van het landschap is niet zo spectaculair als in sommige valleigedeelten stroomopwaarts van Aarschot. De aanplantingen gebeuren vooral op de natte komgronden op de linkeroever. Een brede strook langs beide zijden van de Demer én het gebied tussen Betekom en Zallaken, zullen steeds grotendeels open landbouwgrond blijven. Structureel en qua bodemgebruik treden er echter belangrijke veranderingen op. Het breekpunt schijnt zowat de 2de helft van de 18de eeuw te zijn. Niet alleen de Demerloop wordt grondig onder handen genomen. Als men de kaart van de Ferraris (1770-1778) met die van Vandermaelen (± 1850) vergelijkt — in zover een vergelijking van deze documenten voor het hier behandelde aspect geoorloofd is — en, vooral, de eerstgenoemde kaart met de militaire topografische kaarten van rond de eeuwwisseling, valt het op dat er in het gebied tussen Betekom en Zallaken, opmerkelijke verschuivingen in het bodemgebied zijn opgetreden, nl. van weiland naar akkerland. Alhoewel andere feiten (bijv. verschuivingen in de vraag naar landbouwprodukten) een rol gespeeld kunnen hebben, lijkt ons de meest voor de hand liggende verklaring voor deze evolutie, dat de ontwatering van het gebied dermate is verbeterd dat een progressieve omschakeling naar akkerteelten mogelijk wordt. Misschien moet hier een verband gezocht worden met de grootscheepse herkalibreringswerken van op het einde van de 18de-begin van de 19de eeuw (cfr. supra), waardoor de algemene waterlozing van de vallei — althans bij normale neerslagomstandigheden — was verbeterd. In de eerste helft van de 19de eeuw wordt er ten oosten van Vorsdonkbos blijkbaar op grote schaal turf ontgonnen; getuige daarvan de "tourbières,, op de kaart van Vandermaelen. Een aantal van deze verlande turfputten zijn nog altijd zichtbaar op het terrein. Door de aanleg van de spoorlijn Leuven-Aarschot in 1861-1865 komt een gedeelte van de valleigronden en laagveenmoerassen tussen Vorsdonk en Aarschot onder de ballast terecht.
In de loop van de 19de eeuw worden een aantal in de vallei gelegen oude kastelen of herenhoeven omgebouwd tot moderne kasteelvilla's, die met een formeel park of parkachtig bos worden omgeven. In 1877 wordt het feodale slot van "Rivieren,, vervangen door het huidige gebouw; bij middel van een kronkelig drevenpatroon wordt ook het Vorsdonkbos in de parkaanleg betrokken. De "Regahoeve,, te Rotselaar ondergaat een gelijkaardige bewerking, landschapspark incluis. Het "Bruggenhof,, te Betekom — op de 19de-eeuwse kaarten als "chateau,, aangeduid — behoudt zijn oorspronkelijke, door een rechthoekige walgracht gekenmerkte aanleg, tot het rond 1900 verdwijnt. In de eerste helft van de 19de eeuw verschijnen er ook twee nieuwe landgoederen, m.n. het kasteeldomein "Het Elzen,, bij Aarschot en, halverwege tussen Vorsdonk en Aarschot, het kasteel van "Nieuwland,,. Ten slotte wordt rond 1900 de eilandsituatie van het interfluvium Werchter-Hoogland — zoals die nog duidelijk merkbaar is op de Kabinetskaart van de Ferraris — naar het oosten toe doorbroken. Waar vroeger de verbinding tussen Werchter en Betekom/Aarschot alleen via Veldonk en de Oude Aarschotse baan mogelijk was, verschijnt er op de militaire topografische kaart van 1908 een min of meer rechtlijnige verbindingsweg doorheen de Laakvallei naar Betekom. De eerste helft van de 20ste eeuw is voor het gebied relatief rustig. Alleen de luchtbombardementen van 1940 en 1944, waaraan de nog zichtbare bomkraters in het Vorsdonkbroek hun bestaan danken, brengen wat afwisseling. Vanaf 1960 komt er echter opnieuw beweging door de aanwijzing van een ruim 53 ha groot industriegebied ten westen van Aarschot-stad in het kader van het toenmalige plan voor regionale economische expansie, waarbij de regio Hageland-Zuiderkempen als "testgebied,, werden aangewezen. Door de geleidelijke verwezenlijking van deze bestemming en door de aanleg van een westelijke omleidingsweg, verandert de Demervallei tussen het station van Aarschot en de oude gemeentegrens met Gelrode grondig van uitzicht. Alleen het landgoed "Het Elzen,, overleeft deze transformatie.
Deel 2 van deze bijdrage wordt gebracht in het volgend nummer van M&L.
Voetnoten (1) Een uitgebreide versie van dit artikel verschijnt in RMLZ-Documentatiemap Landschapsonderzoek nr. 12. (2) Er is althans iets van uitgevoerd; in het visitatieverslag van 1551 (De Fraine, 1964) wordt van een "Arck,. in het Hellichter Broek te Rotselaar gesproken. (3) En dit tot zeer recent; de laatste rechttrekkingen van meanders werden rond 1980 uitgevoerd. (4) Hoe reëel deze grens in de tweede helft van de 18de eeuw nog was. kunnen we o.m. afleiden uit de pogingen om de van Betekom afhankelijke kapelanie Gelrode tot zelfstandige parochie te verheffen (Scheys, 1983).
Referenties — Baeyens. L. (1960). Bodemkaart van België: kaartblad 74 E Rotselaar & Verklarende teksl bij het kaartblad. Gent. Centrum voor Bodemkartering. — Baeyens, L. (1978). Vorming en hydrografische betekenis van de Demer — Hydrografisch-landschappelijke beoordeling Diest-Werchter. Het Oude Land van Aarschot 13(2): 68-77. — Baeyens, L. & Scheys. G. (1958). Bodemkaart van België: kaartblad 75 W Aarschol & Verklarende tekst bij het kaartblad. Gent, Centrum voor Bodemkartering. — Breugelmans, J. (1980) Het beheer van de Demer tijdens de 17de en 18de eeuw. Katholieke Universiteit Leuven. Faculteit Wijsbegeerte en Letteren, liccntiaatsproefschritt. — Breugelmans, J. (1983). De economische verkeerspolitiek in de Zuidelijke Nederlanden en de plannen voor een verbinding van het Schelde-, Maas-, en Rijnbekken (1500 - 1900). Het Oude Land van Aarschot 18: 8-14, 49-58, 97-106, 145-159. — Cools. J. (1982). Werchter. Eigen Schoon en De Brabander 65: 155182, 285-318, 412-429. — De Fraine, P. (1964). Enkele documenten betreffende de hydrografie van het land van Aarschot in de 16de eeuw. Eigen Schoon en De Brabander 47 (1/2): 35-48. — De Smedt, P. (1973). Paleogeografie en kwartair-geologie van het confluentiegebied Dijle-Demer. Acta Geographica Lovaniensia 11 — 141 pp. — Ferraris, comte de (1777). Mémoires historiques, chronologiques et oeconomiques sur les 25 feuilles du N 1 de la Carte de Cabinet des PaïsBas Autrichiens pour Son Altesse Royale Ie Due Charles Alexandre de Lorraine. Brussel, Pro Civitate, 1965. Facsimile-uitgave. — Mourlon. M.(1894). Carte géologique de la Belgique: carte n 74 Haecht-Rotselaer. Bruxelles, Commission Géologique de Belgique. — Scheys, F. (1983). Rivieren en zijn bewoners in de tweede helft van de 18de eeuw. Het Oude Land van Aarschot 18(4): 160-167. — Stevens, C. (1934). Le Démer transséquent. Bulletin de la Société Beige de Geologie, de Paleontologie et d'Hydrologie 44: 320-331. — Tavernier, R. & De Moor, G. (1974). L'évolution du bassin de l'Escaut. pp. 159-231 in: P. Macar (éd.), L'évolution quaternaire du bassin de l'Escaut. Soc. Geol. Belg. — Centenaire. — Valvekens, E. (1942). De overstrooming in de Demerstreek rond Averbode (1450-1570). Eigen Schoon en De Brabander 25: 321-331. — Vanderwaeren, S. (1975). Het Demerplan van 1912. Oost(-Brabant) 12(4): 99-102. — Van Uytven, R. (1974). In de schaduwen van de Antwerpse groei: het Hageland in de zestiende eeuw. Bijdragen tot de Geschiedenis 57(3/ 4): 171-188. — Vogels, J. (1946). Toponymie van Zichem. Katholieke Universiteit Leuven, Faculteit Wijsbegeerte en Letteren, Licentiaatsproefschrift. — Willems, M. & Lorent, J. (1984). Versledelijkingsinvloeden. Rapport van werkgroep VI-1, pp. 587-609 in: A. Van der Beken (ed.). Water voor groen. Vierde Vlaams Wetenschappelijk Congres over Groenvoorziening, Brussel, 29-30 juni 1984.
M&L
19
Het Kwartsiet van Tienen: Petrografische kenmerken en gebruik als bouwsteen. R. Nijs1' G. De Geyter^
"De tous les matériaux de rarchitecture, Ie quartzite est certes celui qui offre les plus admirables ressources au prodigieux et inépuisable thème de la decoration,, vrij naar W. Elsschots 'Lijmen'.
Laag- en Midden-België worden sinds eeuwen gekenmerkt door een hoge bevolkingsdichtheid, die zich uit in een sterke urbanisatie. Tegenwoordig worden de hieruit voortvloeiende behoeften aan bouwsteen gedekt door invoer uit het buitenland (vooral witte Franse kalksteensoorten) en door aanvoer uit Hoog-België. De technische, economische en politieke mogelijkheden in vroegere eeuwen echter lieten een relatief massale aanvoer slechts toe via de natuurlijk bevaarbare rivieren. Dit verklaart waarom bouwstenen uit het Bekken van Parijs toen in onze streken nagenoeg niet werden gebruikt, terwijl materialen uit nogal gemakkelijk bereikbare vindplaatsen — zoals de Doornikse kalksteen, de Balegemse steen (of Ledesteen) en de Brusseliaanse kalksteen (Gobertange, Diegem) — in heel het bevaarbare gedeelte van het Scheldebekken werden aangewend, tot diep in de westelijke provincies van Nederland (Slinger, Janse & Berends, 1982). Ze zijn aldus onze drie klassieke historische bouwstenen geworden. In de gebieden die minder goed door de toenmalige bevaarbare waterwegen ontsloten waren, werd vooral gewerkt met harde gesteenten, die ter plaatse of in de onmiddellijke omgeving in de ondergrond werden aangetroffen. De muren van historische gebouwen, opgetrokken in deze streekgebonden materialen, weerspiegelen dikwijls op een opvallende manier de plaatselijke geologische gesteldheid, ook al zijn de ontginningen en de ontsluitingen van het gesteente in situ al lang verdwenen. Voorbeelden hiervan vindt men in centraal West-Vlaanderen ("veldsteen,,), in de omgeving van Geraardsbergen (leperiaanse nummulietenkalksteen) en Edingen (kwartsiet en schiefers uit het Paleozoïcum), in de Kempen en het Hageland (Diestiaanse ijzerzandsteen), in Zuid-Limburg (krijt en silex), in de omgeving van Landen ('tuffeau' van Lincent) en Tienen (kwartsiet). In dit artikel zal het kwartsiet van Tienen nader worden toegelicht. Het kwartsiet van Tienen wordt in de vakliteratuur ook aangeduid als 'zandsteen van Tienen', 'kwartsiet van Overlaar', 'gres de Tirlemont' en 'gres mamelonné'. Al deze termen hebben betrekking op hetzelfde gesteente (en niet op variëteiten ervan) dat tot aan het begin van deze eeuw op verschillende plaatsen in Haspengouw — vooral ten zuiden van Tienen — werd uitgebaat, en dat om geografische en petrografische redenen het best als kwartsiet van Tienen wordt omschreven. In de publikaties van Gulinck & Tavernier (1947) en Gulinck (1949) wordt uitvoerig aandacht besteed aan het gebruik, de technische eigenschappen en de ontginningswij ze van deze natuursteen, maar petrografische gegevens zijn bijzonder schaars. Daarom zal hier de klemtoon worden gelegd op de petrografie, terwijl verouderde gegevens met betrekking tot het gebruik als bouwmateriaal zullen worden aangepast aan de huidige toestand. De aard van het onderwerp heeft ons er bovendien toe aangezet enkele gelijksoortige gesteenten, afkomstig van buiten Haspengouw, bij de studie te betrekken, zoals de 'zandsteen van Binche' uit Henegouwen, het Noordfranse kwartsiet, en de kwartsieten uit het Brabantse Paleozoïcum. Bovendien zullen terloops enkele prehistorische aspecten belicht worden (Avebury, Wommersom). 20
M&L
Situering en macroscopische kenmerken Alle hieronder behandelde gesteenten vertonen een grijze tot lichtgrijze basiskleur; lichtbruine schakeringen zijn echter niet zeldzaam. Ze behoren tot de Formatie van Landen (Onder-Tertiair, Paleoceen, ongeveer 50 miljoen jaar oud) en worden doorgaans aangetroffen als losse, geremanieerde, afgeronde blokken opgenomen in de basis van kwartaire sedimenten, onder het leemdek. Echte vindplaatsen in situ, waar het gesteente niet werd verplaatst door erosie van het eronder liggende losse sediment, zijn zeldzaam. De bekendste (maar nu verdwenen) was gelokaliseerd in Overlaar (fusiegemeente Tienen), waar een één meter dikke continue bank wordt vermeld onder een lignietlaag met talrijke verkiezelde houtfragmenten. De bank vertoont verticale breukvlakken met een glanzend oppervlak en sporadisch worden wortelsporen opgemerkt. Bovendien kunnen plaatselijk ook verkiezelde houtfragmenten binnenin het kiezelrijk gesteente voorkomen (fig. 1). In een recente zandgroeve te Hoegaarden, vlakbij de afrit van de E5-autoweg, kan nu nog — boven een ligniethoudende kleilaag — een doorlopend zandig niveau met kwartsietblokken in situ geobserveerd worden. Een groot blok dat mechanisch werd verplaatst, vertoont aan de bovenkant talrijke kleine, ondiepe perforaties; op de zijkant, overeenstemmend met een verticale doorsnede, is duidelijk te zien dat deze te wijten zijn aan de oorspronkelijke aanwezigheid van een dicht wortelstelsel (fig. 2). De meeste blokken worden gekenmerkt door grillig afgeronde oppervlaktestructuren ("surface mamelonnée,,), niet zelden over het gehele oppervlak (fig. 3). Deze lobvormige structuren vertonen meestal een lichte, oppervlakkige aanrijking van ijzeroxyden. Op een aantal blokken worden ook rechte breukvlakken, bedekt met een glazuurachtig, glad glanzend laagje aangetroffen; volgens Ledoux (1911) gaat het hier om een dunne opaalpel. Door Gulinck & Tavernier (1947) worden talrijke oude vindplaatsen van dergelijk materiaal — al dan niet geremanieerd — vermeld in de omgeving van Tienen (Outgaarden, Goetsenhoven, Hakendover, Oplinter, Wommersom) en in de ondergrond van het stroombekken van de Grote Gete stroomopwaarts (Huppaye). Ook meer oostwaarts werden enkele blokken gevonden. Al deze ontsluitingen zijn evenwel sinds lang verdwenen. Daar het kwartsiet van Wommersom een speciaal facies vertegenwoordigt, werden een paar van dergelijke gesteentemonsters uit de verzameling van het Geologisch Instituut te Gent onderzocht.
Fig. 1: Kwartsietfragment met ingesloten verkiezeld hout. Tienen. Lengte van het fragment: 40 cm.
Vindplaats
Fig. 2: Kwartsietblok met geperforeerd oppervlak. Vindplaats Hoegaarden. Lengte van de houten lat: 80 cm.
Gebruik ais lokale natuurlijke bouwsteen Al heeft er in vroegere eeuwen een primitieve vorm van 'scheepvaart' bestaan op de Grote Gete, toch kan men
Fig. 3: Kwartsietfragment met zeer grillig, lobvormig oppervlak. Vindplaats Hoegaarden. Breedte van het fragment: 60 cm.
M&L
21
doende andere gebouwen die, ondanks herhaalde restauraties en talrijke verbouwingen, het belang van het kwartsiet blijven benadrukken; dat zijn onder meer: — de romaanse westbouw van de Sint-Germanuskerk, waarin ook kalksteen van Gobertange werd verwerkt. Hierdoor werd een homogeen grijs oppervlak vermeden en ontstond er een wisselwerking van witte en grijze structuren die de architectuur beter doen uitkomen (fig. 4); — de vroeggotische begijnhofkerk, tot ruïne vervallen sinds de brand van 1976; — het romaanse kerkje van Onze-Lieve-Vrouw-TerSteen van Grimde, waarvan de muren verlevendigd worden door een horizontale ritmische afwisseling van witte Gobertangebanden en grijze kwartsietlagen (fig. 5). De kenmerkende wortelsporen en versteende houtfragmenten zijn er duidelijk zichtbaar, ook in een massief, onbewerkt kwartsietblok tegen de buitenmuur. — het romaanse kerkje van Overlaar, vlakbij de verdwenen historische groeven (fig. 6). De gedrongen stijl wordt hier beklemtoond door het integraal gebruik van het grijze kwartsiet (met talrijke verkiezelde houtfragmenten).
Fig. 5: De buitenmuur van O.-L.-V.-Ter-Steen
Ie Grimde.
i' Fig. 4: De Sint-Germanuskerk
Ie Tienen.
het hele rivierbekken beschouwen als een gebied dat nooit door een bruikbare waterweg ontsloten werd. Vandaar dat noch de Doornikse, noch de Balegemse steen er zijn doorgedrongen. Het is bekend dat de Doornikse kalksteen in het bevaarbare Scheldebekken het bouwmateriaal bij uitstek was tijdens de romaanse en de vroeggotische tijden (Nijs, 1981); sinds de hooggotiek werd hij verdrongen door de lichtere Balegemse steen, die beter aangepast bleek aan de technische eisen van de nieuwe bouwstijl (Nijs, 1980 a & b). Uitgezonderd in het bekken van de Kleine Gete, waar vele romaanse gebouwen ook werden opgetrokken in 'tuffeau' van Lincent (De Geyter & Nijs, 1980), heeft het kwartsiet van Tienen in het Getebekken dezelfde historische rol gespeeld in de architectuur als de Doornikse kalksteen meer westwaarts. Tijdens de hooggotiek werd het echter niet overvleugeld door de Balegemse steen, maar door de kalksteen van het nabijgelegen en gemakkelijk over land bereikbare Gobertange. Het zwaartepunt van het kwartsietgebruik ligt in Tienen zelf. De versterkte stadspoorten waren daar een indrukwekkende illustratie van, tot ze in de 19de eeuw volledig werden afgebroken; hun stenen kregen een meer bescheiden rol als straatstenen. Er bestaan echter nog vol22
M&L
Ook in de omliggende dorpen werd veel kwartsiet aangewend. Vermeldenswaardig zijn hier: — de romaanse kerk van Goetsenhoven, waarin weer Gobertangesteen is verwerkt. Het koor bestaat uit baksteen en 'tuffeau' van Lincent; — de romaans-gotische kerk van Racour, zuidoostwaarts even over de taalgrens. De toren vertoont een afwisseling van banden grijs kwartsiet en witte kalksteen; het koor bestaat uit 'tuffeau' van Lincent (Nijs & De Geyter, 1984). Als voorbeelden van systematisch kwartsietgebruik rond Tienen, vermelden Gulinck & Tavernier (1947) ook nog de kerken van Oplinter, Hakendover en Hoksem. In de eerstgenoemde twee kerken is het kwartsiet echter duidelijk ondergeschikt aan de kalksteen van Gobertange; de buitenmuren van de kerk van Hoksem werden zelfs volledig in deze steen opgetrokken. Verder van Tienen neemt het belang van het kwartsiet vlug af. Interessant zijn hier nog wel de Sint-Leonarduskerk te Zoutleeuw, en de abdijtoren en de begijnhofkerk te Sint-Truiden.
Fig. 6: Het romaanse kerkje van Overlaar.
Bij al deze gebouwen wordt het kwartsiet echter overheerst door de kalksteen van Gobertange. Tenslotte moet er uitdrukkelijk gewezen worden op de uitzonderlijke kwaliteit van het kwartsiet van Tienen als bouwmateriaal. Het gesteente blijkt praktisch onverweerbaar, ook in industrieel bezoedelde lucht. Bij de restauraties en de talrijke verbouwingen van de hiervoor genoemde gebouwen heeft men steeds het oorspronkelijke materiaal (gekapt in vierkante blokken met de afmetingen van een flinke kasseisteen) weer integraal kunnen aanwenden. In dit opzicht mag het beschouwd worden als een van de meest stabiele materialen uit de ondergrond van Laag- en Midden-België. Zoals reeds vermeld, zijn de kwartsieten uit het Landeniaan van Henegouwen nauw verwant met die van Tienen. Ze worden er alleen aangetroffen als geïsoleerde blokken, namelijk te Bray en te Péronnes (gemeente Binche), te Carnières (Morlanwelz) en te Thirimont (Beaumont). Ook dit materiaal speelt er de rol van lokale, natuurlijke bouwsteen, zij het dan op een veel kleinere schaal. De volgende gebouwen trekken hier de aandacht: — het stadhuis van Binche, evenals de stadswallen (hierin overwegen echter de schalies en kwartsieten uit het paleozoïsch substraat); M&L
23
— de kerken van Saint-Vaast en Péronnes, even ten noorden van Binche. Het kwartsiet, soms geassocieerd met blauwe hardsteen, bevat zeer weinig wortelsporen en is doorgaans minder compact dan dat van Tienen; overgangen naar zandsteen komen veel voor. Eveneens sterk verwant met het kwartsiet van Tienen is het kwartsiet uit het Sparnaciaan van Noord-Frankrijk (Amiens, Douai). Dit gesteente vertoont ook lobvormige oppervlaktestructuren en bevat talrijke plantewortels. De door De Pape (1925) bestudeerde monsters uit dit gebied bevatten een flora die grote overeenkomsten vertoont met die van Huppaye, beschreven door Gilkinet (1925). Al valt die streek buiten het kader van deze studie, toch is ze belangrijk omdat ze van oudsher via het Scheldebekken bouwmateriaal aan Vlaanderen geleverd heeft, en dat tot een relatief recent verleden. Zo bestaan te leper de hallen volledig, en de Sint-Maartenskerk grotendeels uit Noordfrans kwartsiet. Ook te Kortrijk komt dit gesteente sporadisch voor in de Onze-Lieve-Vrouwekerk; in strijd met de bewering van Gulinck (1949) wordt het echter niet aangetroffen in de uit kalksteen van Gobertange opgetrokken Broeltorens. Ook in Gent werd Noordfrans kwartsiet gebruikt : hiervan getuigen de gevel van de barokke Karmelietenkerk in de Burgstraat en
vooral het Gravensteen, dat rond 1900 grondig werd gerestaureerd: naast de Doornikse kalksteen is het kwartsiet er het belangrijkste bouwmateriaal (fig. 7). Een laatste bemerking betreft het kwartsiet van het LaatPaleoceen (Thanetiaan) van Zuid-Engeland. Het lijkt opvallend op dat van Tienen; zelfs de talrijke versteende houtfragmenten ontbreken niet. In het wereldberoemde, prehistorische Stonehenge werd veel plaatselijk tertiair kwartsiet (Sarsen stone) gebruikt - naast helemaal uit Wales aangevoerd paleozoïsch materiaal (Bluestones). De monumenten van Avebury bestaan zelfs volledig uit lokaal kwartsiet (Newall, 1977; Vatcher, 1980). Het voorkomen van nagenoeg identieke kwartsietgesteenten in Haspengouw, Henegouwen, Noord-Frankrijk en Zuid-Engeland biedt een merkwaardige illustratie van een verkiezelingsproces van het silcrete-type aan het eind van het Paleoceen en bij het begin van het Eoceen. Dit laat vermoeden dat die gebieden in die tijd klimatologisch en geomorfologisch een grote verwantschap vertoonden. Voor een uitvoeriger behandeling van de hierbij optredende processen verwijzen we naar de Mededelingen van de Koninklijke Akademie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België (De Geyter, 1981).
Fig. 7: Het Gravensteen te Gent. De grens tussen het Noordfrans kwartsiet (K) en de Doornikse kalksteen is met een stippellijn aangegeven.
24
M&L
*
. - - •
••,. - • / * ' » «
" - . (,: '
'
•
*
*
•
;
*'*• L"
•w
i
F/g. 8: Kwarlsiet van Tienen met equigranulaire kwarlslettextuur. Microfoto, gekruiste polarisatoren. De donkere vlakken stemmen niet met poriën, maar met korrels in uitdovingsstand overeen.
Petrografie Het kwartsiet van Tienen De polarisatiemicroscoop is een onmisbaar instrument bij het onderzoek van kristallijn materiaal. De preparatietechniek, die op de geselecteerde monsters wordt toegepast, zal in dit artikel niet nader besproken worden. Het kan hier volstaan te vermelden dat de gesteenten worden herleid tot een dun (30 |Jm) doorzichtig filmpje, gevat tussen een draagglas en een dekglaasje; deze slijpplaatjes worden vervolgens onder de microscoop in gepolariseerd licht bestudeerd. Uiteraard domineert de kwartsiettextuur: de oorspronkelijke, sedimentaire kwartskorrels (met een wisselende korrelgrootteverdeling) zijn door secundaire aangroei tegen en in elkaar gegroeid; dit verklaart de geringe porositeit en de sterke cohesie van deze harde en taaie gesteenten. Het meest voorkomende type is samengesteld uit relatief grote kwartskorrels met ongeveer dezelfde afmetingen (equigranulair) en met goed ontwikkelde secundaire aureolen. Door het ineengroeien van deze aureolen ontstaan zowel rechte als gebogen en getande korrelcontacten (fig. 8). Aan deze contacten worden ook
Fig. 9: Kwartsiet van Wommersom. Kwartskorrels komen verspreid voor in een grondmassa van fijnkorrelig kwarts. Microfoto, gekruiste polarisatoren. Zwarte oppervlakken stemmen overeen met macro- of micro-kwarts in uitdovingsstand.
kleinere, nieuw gevormde kwartskristalletjes met goed ontwikkelde kristalvlakjes aangetroffen. De gemiddelde korrelafmeting van de kwartsieten van dit type, bemonsterd te Hoegaarden, varieert tussen 150 |Jm en 175 (jm. Deze kwartsieten bestaan nagenoeg uitsluitend uit kwarts (98-99% SiC^); de onzuiverheden van het oorspronkelijk zandig sediment werden tijdens de uitkristallisatie steeds samengedrongen in enkele zeldzame regelmatige ruimten tussen uitgegroeide kristal vlakken. De kwartsieten van Wommersom vertonen inderdaad een sterk verschillende textuur: porfierisch in plaats van equigranulair. Van de twee onderzochte fragmenten vertoont het eerste een beperkt aantal grote, hoekige kwartskorrels, die elkaar niet raken en die ingebed zijn in een fijnkorrelig kwartscement (fig. 9). De gemiddelde korrelafmeting van de grotere korrels bedraagt ongeveer 125 |Jm; de korreldiameter van het fijne kwartscement bedraagt doorgaans minder dan 30 |Jm. Het fijnkorrelig cement bevat talrijke donkere, zeer fijne onzuiverheden, die soms in banden geconcentreerd zijn en lokaal ook aangerijkt lijken aan de rand van de grotere kwartskorrels. Dit suggereert dat de grotere korrels zijn uitgegroeid ten koste van het fijne kwarts, waarvan de onzuiverheden tijdens de kristallisatie vóór de groeiende korrels werden uitgedreven. In het andere onderzochte fragM&L 25
ment uit de verzameling komen eveneens talrijke donkere onzuiverheden voor; de grotere kwartskorrels zijn echter zeldzamer en iets fijnkorreliger, zodat het gesteente gelijkenis gaat vertonen met silex. Deze silexachtige kwartsietvariëteit, waarin het uiterst fijne kwartscement de hele textuur beheerst (microkwartsiet), heeft veelvuldig gediend als grondstof voor prehistorische werktuigen: vindplaatsen met artefacten in materiaal van Wommersom worden vermeld van Spy tot in Zuid-Nederland (Hamal-Nandrin & Servais, 1913; Gendel, 1982). De kwartsieten met wortelstructuren die alle in Hoegaarden werden aangetroffen, worden gekenmerkt door de tegenstelling tussen de typische, hoofdzakelijk equigranulaire kwartsiettextuur, en de wortelzones met overwegend fijnkorrelig kwartscement en veel donkere onzuiverheden, vooral langs de wortelranden. De verkiezeling werd duidelijk beïnvloed door de celstructuren, die in doorsnede meestal goed zichtbaar gebleven zijn. Ook in verkiezelde boomstamfragmenten, die lokaal in het sediment worden aangetroffen, kunnen de celstructuren goed onderscheiden worden (fig. 10). De celinhoud werd er volledig door kwarts vervangen, terwijl de celwand zelf grotendeels bewaard bleef (verkoling van deze celwandresten treedt op bij verhitting, zodat de versteende houtfragmenten boven een vlam een zwarte kleur aannemen). Er werd ook aandacht besteed aan het glad, enigszins doorschijnend laagje dat sommige breukvlakken bedekt. Dergelijke breukvlakken vertonen in doorsnede een opvallend effen patroon, waarbij zowel de grotere kwartskorrels als de ertussen liggende fijne kristallen rechtlijnig afgesneden zijn. Ondanks alle voorzorgen bij de preparatie van de slijpplaatjes kon het glazuurachtige laagje met behulp van de polarisatiemicroscoop nooit op het oppervlak worden opgemerkt. X-stralendiffractieonderzoek uitgevoerd op het gladde oppervlak leverde alleen duidelijke kwartsreflecties op. Het betreft dus een uiterst dunne film van kiezelrijk materiaal waarvan de precieze aard vooralsnog onzeker blijft. In dit verband weze vermeld, dat een paar onderzochte kwartsietfragmenten uit Hoegaarden uiterst geringe hoeveelheden chalcedoon en opaalachtig materiaal bleken te bevatten (De Geyter & Nijs, 1983). Een ander kenmerk dat steeds met de randzone van het gesteente is verbonden, is de dikwijls optredende roestkleuring. Volgens Ledoux (1911) kan het ijzergehalte van deze oppervlakkige aanrijking een maximum van 9% bereiken. Tenslotte werd de zware mineraleninhoud van een typisch kiezelgesteente uit Hoegaarden onderzocht. Hiertoe werd het monster vermalen en met bromoform (d = 2,87) in een lichte en een zware fractie gescheiden. Al vertegenwoordigt deze laatste fractie slechts een uiterst gering percentage van het gewicht en het volume van het totale monster, toch kunnen nuttige inlichtingen bekomen worden uit de mineralogische samenstelling ervan. Bij het microscopisch onderzoek van de afgescheiden zware mineralen werd de volgende associatie waargenomen: zirkoon (60%), rutiel (17%), toermalijn (9%) en anataas (4%); de overige mineralen waren kyaniet (7%), 26
M&L
stauroliet (2%) en epidoot (1%). De eerste vier behoren tot de doorlopersgroep (moeilijk verweerbare mineralen); de sterke dominantie van deze groep is een algemeen kenmerk van de zanden van de top van de Formatie van Landen. Het kwartsiet van Binche De harde kiezelgesteenten, bemonsterd in Henegouwen, behoren alle tot het equigranulair kwartsiettype, evenwel met wisselende korrelgrootte. Sommige zachtere variëteiten zijn wat poreus en vormen de overgang naar een zandsteentextuur. Plantewortels zijn veel zeldzamer in het kwartsiet van Binche dan in het kwartsiet van Tienen: in de overgrote meerderheid van de gevallen kunnen geen duidelijke wortelsporen worden opgemerkt. Het Noordfranse kwartsiet Een kwartsietfragment van Bavay, beschreven door Ledoux (1911), vertoont een fijnere korrelgrootte dan het kwartsiet van Overlaar, maar verder zijn alle petrografische kenmerken identiek. Ook zirkoon, rutiel en toermalijn zijn aanwezig. In een kwartsietfragment van Amiens zijn de kwartskorrels in het algemeen groter, maar in bepaalde zones komt veel fijner kwarts voor tussen de korrels. De textuur vertoont dus gelijkenis met die van wortelhoudende gesteenten van Tienen; duidelijke wortelstructuren zijn echter afwezig. Ook hier ontbreekt glauconiet en zijn veldspaatkorrels zeer schaars, evenals de (zeer fijne) zware mineralen (zirkoon, toermalijn,...). Opvallend zijn hier wel de ijzerrijke onzuiverheden die vooral in zones met veel zeer fijnkorrelig kwartscement geconcentreerd zijn en die aan het gesteente een lichtroze tint verlenen. De petrografische kenmerken van kwartsieten bemonsterd te Cantin (nabij Douai) blijken identiek te zijn met die van het kwartsiet van Overlaar (equigranulair met een ondergeschikt aandeel van fijnkorrelig kwartscement). Het kwartsiet van Avebury Een gesteentefragment bemonsterd in de prehistorische site van Avebury is ook zeer kwartsrijk maar de korrelgrootteverdeling van het kwarts is duidelijk verschillend van de Belgische en Noordfranse kwartsieten. Naast grotere kwartskorrels (200-300 |im) en zeer fijnkorrelig kwartscement (een tiental pm) komen ook talrijke korrels voor met intermediaire afmeting. Zoals in Hoegaarden zijn de celstructuren van de plantewortels duidelijk onderscheidbaar. In de celholten is uitsluitend zeer fijne kwarts uitgekristalliseerd en concentraties van ijzerrijke onzuiverheden worden ook hier vooral aan de buitenranden van deze structuren opgemerkt. Kwartsieten van het Paieozoïcum Langs de bovenloop van de Gete en de Dijle werden tot voor kort lokaal ook cambrische kwartsieten uitgebaat. Het materiaal werd aangewend als straatstenen (Dongelberg) of vermalen tot ballastgrint (Opprebais). Het ge-
Doorsnede van een verkiezeld houtfragment. Microfoto, gekruiste polarisatoren.
bruik als bouwsteen is te verwaarlozen; alleen in de onmiddellijke omgeving van de groeven wordt het hier en daar in oude muren aangetroffen. Deze harde kiezelrijke gesteenten vertonen op zicht enige gelijkenis met de kwartsieten van Tienen maar bij een petrografisch onderzoek komen duidelijke verschillen tot uiting. De korrelgrootte van het kwarts varieert aanzienlijk en de sortering is minder goed dan in de tertiaire kwartsieten. Chloriet is steeds aanwezig en meestal zijn ook de micamineralen biotiet en muscoviet-sericiet goed vertegenwoordigd. Kwartsaders worden frequent aangetroffen en wortelstructuren ontbreken volledig. Tenslotte worden de kwartsieten van de sokkel gekenmerkt door een aanzienlijk veldspaatgehalte (overwegend Narijk plagioklaas) terwijl in de kwartsieten van de Formatie van Landen slechts uitzonderlijk veldspaten worden aangetroffen. Criteria voor petrografische identificatie De kwartsieten van de Formatie van Landen onderscheiden zich van de andere natuurlijke bouwstenen uit Belgische tertiaire formaties door hun grote hardheid, hoog SiCVgehalte en overwegend kwartsietische textuur. Ook de afwezigheid van glauconiet is een belangrijk criterium. Het kwartsiet van Tienen bevat zeer dikwijls duidelijk herkenbare plantewortels en soms verkiezeld hout. In het kwartsiet van Binche en ook in het Noordfranse
kwartsiet zijn plantesporen eerder zeldzaam. De laatstgenoemde kiezelgesteenten vertonen dikwijls een rozige tint door de aanwezigheid van ijzerrijk materiaal. Het als bouwsteen gebruikte kwartsiet van Tienen is meestal zeer hard; bij de gesteenten ontgonnen in Henegouwen en Noord-Frankrijk komen niet zelden zachtere variëteiten voor die de overgang vormen naar een kwartszandsteen. In tegenstelling met de kwartsieten van het Paleozoïcum bevatten de tertiaire kwartsieten geen chloriet en zeer weinig veldspaat.
Nawoord De laatste tijd blijkt er, vooral in verband met restauratiewerken, een groeiende behoefte te bestaan aan een geologische benadering van natuurlijke bouwsteen. Deze geldt uiteraard in de eerste plaats voor onze drie 'klassieke' natuurstenen: de Doornikse kalksteen, de Balegemse steen of Ledesteen, en de Brusseliaanse kalksteen (Gobertange, Diegem). De meer 'lokale' gesteenten eisen echter evenveel aandacht, omwille van hun dikwijls doorslaggevende rol in het plaatselijk kunstpatrimonium. Deze toenemende belangstelling is een verheugend feit: maar al te dikwijls werd in het verleden — en het heden — onvoldoende rekening gehouden met de M&L
27
oorspronkelijke bouwsteen, die bij herstellingen of verbouwingen zonder meer vervangen werd door 'vreemd' materiaal. Het resultaat hiervan blijkt, om diverse redenen, niet altijd even geslaagd. Daarom is een grondige kennis van de betrokken natuursteen van essentieel belang voor het bouwbedrijf. Deze kennis mag niet louter technisch blijven. Porositeitsmetingen en drukweerstandsbepalingen zijn zeer zeker belangrijk, maar uiteindelijk is het de mineralogisch-petrografische opbouw die de uitwendige, macroscopische kenmerken van het gesteente bepaalt. Bovendien is een betrouwbare identificatie van onbekend, sterk verweerd materiaal slechts mogelijk via een sedimentologische en petrografische benadering; enkele concrete voorbeelden hiervan staan in de bibliografie vermeld. Met deze beknopte studie hopen we een nuttige bijdrage geleverd te hebben tot de kennis van één van onze lokale gesteenten. Tevens hopen we hiermee nogmaals de noodzaak te hebben aangetoond van een petrografische aanpak van een onderwerp, dat niet alleen geologen, kunsthistorici en architecten, maar tenslotte iedereen aanbelangt. Bibliografie — De Geyter, G. (1981). Contribution to the lithostratigraphy and the sedimentary petrology of the Landen Formation in Belgium, Meded. K. Acad. Wet. Lett. Schone Kunsten Belg., KI. Wet. 43, 111-153. — De Geyter, G. & Nijs, R. (1980). Petrografisch onderzoek van natuurlijke bouwstenen uit Belgische tertiaire formaties. 1. De 'tuffeau' van Lincent (Formatie van Landen), in Natuurwet. Tijdschrift 62, 4256. — De Geyter, G. & Nijs, R. (1982). Petrografisch onderzoek van natuurlijke bouwstenen uit Belgische tertiaire formaties. 2. Het kwartsiet van Tienen (Formatie van Landen), in Natuurwet. Tijdschrift 64, 4159.
— Depape, G. (1925). La flore des gres landéniens du Nerd de la France, in Ann. Soc. géol. Nord 50, 10-48. — Gendel, P. (1982). TTie distribution and utilisation of Wommersom quartzite during the Mesolithic, in Gob, A & Spier, F. (ed.), Le Mésolithique entre Rhin et Meuse. Soc. Préhistorique Luxembourgeoise; Luxembourg : 21-50. — Gilkinet, A. (1925). Flore fossile du Landénien de Huppaye, Eocene inférieur, in Mem. Soc. géol. Belg. 4, 1-28. — Gulinck, M. (1949). Oude natuurlijke bouwmaterialen in Laag- en Midden-België, in Techn. Wet. Tijdschrift 18, 25-32. — Gulinck, M. & Tavernier, R. (1947). Les ^rés exploités en Basse et Moyenne Belgique, in Centenaire de TAssociation des Ingénieurs sortis de l'Ecole de Liège, Congres 1947, p. 179-185. — Hamal-Nandrin, J. & Servais, J. (1913). Etude sur Ie Limbourg beige préhistorique (Age de la Pierre), in Federation Archéol. Hist. Belg. - Ann. 23e Congr,. Gand, 1913, 2, 125-150. — Ledoux, A. (1911). Etude sur les roches cohérentes du Tertiaire beige, in Ann. Soc. géol. Belg. 38, M. 143-191. — Newall, R.S. (1977). Stonehenge. Department of the Environment — Ancient Monuments and Historie Buildings — Official Handbook. 33 pp. — London. — Nijs, R. (1980a). Identificatie van Balegemse steen door middel van de korrelgrootteverdeling van de zandfractie, in Vlaanderens Erfgoed 55, 8-13. — Nijs, R. (1980b). Identification de la pierre de Balegem au moyen de la distribution granulométrique de la fraction sableuse, in Buil. de la Commission roy. des Monuments et des Sites 9, 33-37. — Nijs, R. (1981). Petrografische kenmerken der belangrijkste natuurlijke bouwstenen aangewend in Laag- en Midden-België. Laboratorium voor Mineralogie, Petrografie en Micropedologie, Geologisch Instituut, R.U.G., 18 pp. — Gent. — Nijs, R. & De Geyter, G (1984), De l'usage architectural et des caractères pétrographiques du Tuffeau de Lincent, in Bulletin de la Commission roy. des Monuments et des Sites, Bruxelles (in druk). — Slinger, A., Janse, H. & Berends, G. (1982). Natuursteen in Monumenten, Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist. 120 pp. Uitg. Bosch & Keuning n.v. Baarn. — Vatcher & Vatcher (1980). The Avebury Monuments. Department of the Environment — Ancient Monuments and Historie Buildings — Official Handbook. 44 pp. — London.
Geologische Tijdsschaal (Chronostratigrafische indeling) ERA
PERIODE
Ouderdom in miljoenen jaren
Kwartair Cenozoicum Tertiair
Ncogeen
Plioceen Mioceen
Krijt 140 Mesozoicum
Jura 2(10 Trias 24(1 Perm 280
37 23
65 Paleogeen
Oligoceen Eoceen Paleoceen
Eoceen
65
Bartoon Lediaan (*) Brusseliaan (*) Paniseliaan (*) leperiaan 52
Paleoceen
Landeniaan Montiaan
65
Karboon 360 Devoon 400
Paleozoicum Siluur
430 Ordovicium Cambrium Precambrium
28
M&L
500 570
(*) Paniseliaan, Brusseliaan en Lediaan worden internationaal niet erkend als chronostratigrafische termen. Ook over de indeling van het Paleoceen is er geen algemene consensus. Deze Belgische benamingen worden hier gebruikt omdat ze algemeen bekend zijn. ook bij nictgeologen, en bovendien voorkomen op de geologische kaart van België. Thanetiaan : chronostratigrafische term gebruikt in Engeland. Synoniem met het Belgische Landeniaan. Sparnaciaan : chronostratigrafische term gebruikt in Frankrijk. Komt volgens recent onderzoek overeen met het topgedeelte van het Landeniaan en de basis van het leperiaan.
M&L BINNENKRANT
EEN JOURNAAL MET RECENTE MONUMENTEN
^m§r
INFORMATIE OVER DE EN LANDSCHAPSZORG
M&L BINNENKRANT
LITERATUUR Frans Lox, Verantwoorde verpakking, Antwerpen, Amsterdam, 1983
Het verschijnsel 'verpakking' — van grondstof tot afvalobject — op een nuchtere en kritische wijze analyseren om zo te kunnen komen tot een goede, veilige en milieuvriendelijke keuze, vormde het uitgangspunt van de monografie "Verantwoorde verpakking', een nieuwe publikatie van de Stichting Leefmilieu v.z.w., werkend onder de auspiciën van de Kredietbank, van Dr. Frans Lox.
oordeelkundig gebruik van verpakkingen te ordenen en kritisch te bespreken. 1. Na een overzicht van de geschiedenis, wordt ingegaan op alle functies die ze nu te vervullen hebben, namelijk him beschermende en hun verkoopsfunctie. De laatste functie slaat op de emotionele elementen van d e verpakkingen. 2. In het tweede hoofdstuk wordt door middel van een model van de 'levenscyclus' van de verpakkingen — van grondstof tot afvalobject — nagegaan in welke mate en gedurende welk stadium zij met het milieu interfereren. Hieruit kan worden afgeleid welke behandelingen en voorzorgsmaatregelen noodzakelijk zijn in het kader van de wetgeving op de bescherming van het leefmilieu. 3. Het grondstoffenaspect samen met de pollutieproblemen worden per materiaalsoort in het derde hoofdstuk behandeld. 4. Vervolgens wordt het energieverbruik in de diverse fasen van grondstoffenwinning, fabricage, verpakken en transport per materiaalsoort besproken. Hieruit blijkt dat, bij het transport van goederen, de invloed van het gewicht van de verpakkingen meestal van ondergeschikt belang is; de snelheid en het gekozen transportmiddel zijn daarentegen doorslaggevend. 5. De problemen rondom de verpakkingsafval en zijn verwerking worden in hoofdstuk 5 behandeld. Hoe spitsvondig de verpakkingstechnologie ook is, des te moeilijker blijken de adequate methoden van de afvalbehandeling te zijn. 6. In het laatste hoofdstuk wordt uitvoerig ingegaan op de veiligheidsaspecten van de verpakkingen van voedingsmiddelen: als gebruiksvoorwerp en als beschermer tegen d e indringing van micro-organismen.
Verpakkingen zijn steeds de voornaamste elementen van handelsgoederen geweest om ze te beschermen tijdens bewaring, transport en verhandeling. In het moderne marktsysteem zijn verpakkingen bovendien meer dan ooit d e onmisbare gidsen geworden bij onze dagelijkse aankopen. De ontwikkelingen inzake verpakkingen uit de laatste decennia zijn wel merkwaardig te noemen door het grootschalig gebruik ervan, de stelselmatige introductie van nieuwe materialen en de algehele tendens om alle verpakkingsmaterialen als wegwerpartikel te bestemmen. De maatstaven die nu voor de beoordeling van verpakkingen worden gehanteerd, lijken sterk afhankelijk te zijn van de diverse belangengroepen die met de verpakkingen tijdens him bestaanscyclus te maken hebben. Met dit boek wordt nu getracht alle elementen die keuzebepalend zijn voor een
Tenslotte worden de parameters bij de uitwisselingsverschijnselen tussen verpakkingswand en het verpakte goed uitvoerig besproken. Een verkeerde aanwending van materiaal kan gevaarlijk zijn, daar zij een ongewenste besmeuring van de goederen tot gevolg kan hebben. Uit de bespreking van de migratieverschijnselen en de wetgeving terzake blijkt dat verder onderzoek noodzakelijk is om de compatibiliteit van de wettelijk voorgeschreven evaluatiemethoden aan te tonen en/of aan te passen. Een in alle opzichten ideale verpakking bestaat niet, maar met dit boek worden nochtans die elementen samengebracht die zowel fabrikant, verbruiker als overheidsinstanties kunnen helpen bij het maken van een meer doelbewuste en verantwoorde keuze. "Verantwoorde verpakking': een boek met heel wat nuttige informatie voor milieubewuste mensen enerzijds en ander-
[2]
zijds stof tot studie of nadere overdenking voor hen die op bepaalde aspecten verder willen ingaan. M. Strobbe.
Cultuurbeleid in crisistijd Onder het motto 'meer doen met minder' stelde Gemeenschapsminister van Cultuur, K. Poma, de brochure Cultuurbeleid in crisistijd voor aan de pers op 3 julijl. Hij geeft hierin een exhaustief overzicht van zijn werkzaamheden van de afgelopen twee en een half jaar. Hoe in een periode van crisis de brede waaier van de Vlaamse culturele activiteiten blijven steunen met beperktere financiële middelen? Door subsidies niet langer als een doel, doch als een hulpmiddel te beschouwen. Het enige criterium, door Cultuur erkend, zou de prestatie moeten zijn. Een prestatie-subsidiëring werkt een verhoogde motivatie in de hand. De Gemeenschapsminister haalt als voorbeeld de sportsector aan, die de minst gesubsidieerde cultuursector is maar waar 200.000 niet vergoede personen tewerkgesteld zijn. De brochure geeft vervolgens de verschillende factoren aan die Cultuur omvat, en duidt daarbij opties, realisaties, nieuwe initiatieven en vooruitzichten aan.
CULTUURBELEID IN CRISISTIJD
Het Toreken te Gent, Gentse Vereniging voor Stadsarcheologie 1984. Voor d e prestigieuze restauratie van het 'Toreken' op de Vrijdagmarkt te Gent, waarmee deze stad terecht mag pron-
M&L BINNENKRANT
ken, werd heel wat wetenschappelijk onderzoek verricht, zowel vóór als tijdens de werken. Dit het niet alleen toe dat dit voormalige gildehuis van de huidenvetters op de meest verantwoorde wijze werd gerestaureerd, maar leverde ook heel wat nieuwe gegevens op over de geschiedenis van dit pand en zijn omgeving. Deze resultaten werden nu, één jaar na de voltooiing van de werken, te boek gesteld door de Gentse vereniging voor Stadsarcheologie. Deze goed verzorgde publikatie — rijk gestoffeerd met fotomateriaal, opmetings- en restauratieplannen en tekeningen van de gevonden archeologica — geeft het verhaal van het 'Toreken' weer in 9 hoofdstukken, waarvoor een 13-tal auteurs verantwoordelijk zijn die in min of meerdere mate betrokken waren bij de totstandkoming van het restauratieproject. Een eerste hoofdstuk behandelt, steunend op een grondig archiefonderzoek van zowel geschreven als iconografische bronnen, de geschiedenis van dit hoekpand vanaf zijn ontstaan in 1360 tot de aankoop door de stad, nu ongeveer honderd jaar geleden. Het tweede, derde, vierde en zesde hoofdstuk werden geschreven door Gentse stadsarcheologen en handelen over het uitgebreide bodemonderzoek dat verricht werd vóór en tijdens de werken als onontbeerlijke complementaire discipline bij deze restauratie. In het vierde hoofdstuk wordt vooral aandacht besteed aan het bouwtechnisch vooronderzoek, zowel onder- als bovengronds. De funderingen, de talrijke verbouwingen, de originele ruimtéindelingen, de bouwmaterialen en de decoratieve elementen worden stap voor stap ontleed en beschreven.
Naast het onderzoek naar de oorspronkelijke constructie van het gebouw wordt in het zesde hoofdstuk een vrij uitgebreide bijdrage verzorgd over de gevonden ceramiek. Hoewel een dergelijke studie niet onmiddellijk van belang is geweest voor de uiteindelijke restauratie van het complex, moeten de gevonden resultaten in de bredere context van de handel en bewoning in dit stadsdeel gesitueerd worden. Hoofdstuk zeven vormt zowat de hoofdbrok van deze publikatie. Hierin wordt het restauratieproject in al zijn complexiteit toegelicht vanaf de opdrachtaanvaarding in 1970 tot de oplevering in 1983: de polemiek rond de integratiearchitectuur van een nieuw, in eigentijdse vormgeving opgetrokken 'functiepand' naast het 'Toreken', de experimenten met de meest gesofistikeerde hedendaagse restauratietechnieken, de inventiviteit van de verplaatsbare interieursbestanddelen, de samenwerking met de verschillende diensten, instellingen en commissies, betrokken bij adviezen, besluitvorming, uitvoering en financiering. In de hoofdstukken vijf, acht en negen wordt de evaluatie van het 'Toreken' en zijn restauratie gemaakt. Er wordt gewag gemaakt van een keerpunt in de Gentse monumentenzorg. En inderdaad, deze restauratie is een keerpunt en tegelijkertijd een typevoorbeeld. Mits de interdisciplinaire samenwerking van historici, kunsthistorici, archeologen, architecten en ingenieurs is men tot een resultaat gekomen dat het gemiddeld niveau van de meeste restauraties totaal overstijgt. Hopelijk kent deze werkmethode in de nabije toekomst navolging. Navolging verdient eveneens dit initiatief van de Gentse Vereniging voor Stadsarcheologie die dit werkelijk uitstekend verslag over deze bijzondere restauratie voor een breed publiek vertaalbaar maakte. Eén schaduw overdekt echter de uitstraling van dit gerestaureerde monument: één jaar na de voltooiing van de werken is het gebouw nog steeds niet opengesteld voor het publiek!
en restauratie van twee 17de-eeuwse kunstenaarswoningen te Antwerpen. Antwerpen, Stichting Mercator Plantijn v.z.w., 1983.
Het belang van de 17de-eeuwse Antwerpse Schildersschool blijft immer onderschat. De uitstraling die er van uitging, blijft tot vandaag Antwerpens roem over de wereld uitdragen. Vandaar dat nu nog steeds inspanningen worden geleverd om de voeling met die glorierijke tijd te bestendigen. Naast het plaatsen van standbeelden van de grootmeesters, blijkt de poging om hun woon- en werkplaats in hun vroegere luister te herstellen, een nog grotere verdienste te zijn. Door de meer dan universele geest die van deze 'huizingen' uitgaat, zijn zij immers niet alleen voor museumliefhebbers of monumentenzorgers interessant, maar kunnen zij op actieve wijze ingeschakeld worden in het hedendaagse culturele gebeuren.
Nagenoeg een halve eeuw ging voorbij, alvorens Max Rooses'droom, met name Rubens' persoonlijk verblijf te verwerven en te reconstrueren, door het stadsbestuur verwezenlijkt kon worden. Woonhuis en werkplaats van Jordaens zijn gaver bewaard dan de prinselijke woning van Rubens. Na enig herstel werd de Stedeüjke Dienst voor Monumentenzorg er in ondergebracht. Te'Het Toreken te Cent' monografie van de vens fungeert het huis als tentoonstelGentse Vereniging voor Stadsarcheolo- lingsruimte voor jonge kunstenaars en gie, 98 p, 51 afb., 350fr.(25 fr. port) door als centrum voor andere kunstmanifestaoverschrijving op postrekening 068— ties. 0643520—49 van de Vereniging. Ook te De auteur heeft op voortreffelijke wijze koop op de Dienst Monumentenzorg en de geschiedenis van woon- en werkomstadsarcheologie, Sint-Pietersplein 11 en geving van de twee meesters te boek het Museum voor Volkskunde, Kraanlei gesteld en dit aan de hand van talloze 67 te Gent. schilderingen, tekeningen, gravures, etDirk Laporte. sen, akten, overeenkomsten, contracten, foto's ontwerpschetsen, bouwplans, gevelzichten, constructietekeningen en detailplans. Niet alleen werpt hij uit architecturaal en kunsthistorisch oogpunt een RJ.Tijs, P.P. Rubens en J. Jordaens. Ba- nieuw licht op de persoonlijkheid en het rok in eigen huis. Een architectuurhis- oeuvre van Rubens en Jordaens; ook uit torische studie over groei, verval het oogpunt van de monumentenzorg
[3]
M&L BINNENKRANT één van de wellicht merkwaardigste restauratieprojecten die ooit in ons land voltrokken werden. Het boek wordt verkregen door overschrijving van 2.550 fr; op rekeningnummer 551-2826100-75 van de Stichting Mercator-Plantijn, Desguinlei 100, 2018 Antwerpen
A. Denaux, E. Vanden Berghe, De Duinenabdij (1627-1796) en het Grootseminarie (1833-1983) te Brugge. Bewoners / Gebouwen / Kunstpatrimonium. Tielt, Lannoo, 1984.
theologische cultuur, met een levendige interesse voor de literaire produktie, van eigen of van vreemde hand. Een belangrijke verzameling handschriften en gedrukte werken vormt de neerslag hiervan. Het tweede en belangrijkste deel van deze uitgave handelt over het archief en de bibhotheek van het Brugse Grootseminarie. In dit deel wordt ook een — prachtig geillustreerd — overzicht geboden van vier eeuwen miniatuurkunst in d e handschriften uit het Grootseminarie. Het derde deel brengt de lezer oog in oog met het omvangrijke schilderijenbezit van het Grootseminarie. Naast portretten, landschappen en religieuze taferelen worden ook de grisaille-panelen uitgebreid behandeld. Te bestellen bij uitgeverij Lannoo in Tielt. Prijs 1980,-fr.
"Bruxelles, jardins retronvés — Tuinen uit het Brussels verleden,,. Bank Brussel Lambert — Koningsplein 5, 1000 Brussel. Tentoonstelling ingericht in samenwerking met de International Council on Monuments and Sites (ICOMOS) . 11 september — 30 oktober.
In dit omvangrijk werk brengen een tiental specialisten studies van een hoog wetenschappelijk gehalte omtrent de Brugse Duinenabdij en het Groot-Seminarie. Op 1 oktober 1833, na een onderbreking van meer dan 30 jaar, heropende het seminarie van Brugge zijn deuren, enkele maanden vóór de heroprichting van het bisdom Brugge op 27 mei 1834. Dank zij de gastvrijheid van de stad Brugge en de materiële bijstand van de provincie West-Vlaanderen, namen op die dag 122 Westvlaamse seminaristen him intrek in het mooie gebouwencomplex van de voormalige Duinenabdij. De abdij was tijdens de Franse Revolutie van haar oorspronkelijke bestemming beroofd en naderhand eigendom geworden van de stad Brugge. Sinds 1833 bleef het Brugse Grootseminarie nagenoeg ononderbroken in de vroegere Duinenabdij. Om dit jubileum van 150 jaar te vieren, besloot de seminariegemeenschap o.m. tot de uitgave van onderhavig boek. De bedoeling van het werk bepaalde de opbouw. In een eerste deel maakt de lezer kennis met de bewoners van het huis en met de bouwgeschiedenis. In de loop der eeuwen herbergde de Duinenabdij veel geestelijken met een open oog voor het intellectuele leven en de
[4]
De tentoonstelling "Bruxelles, jardins retrouvés — Tuinen uit het Brussels verleden,, is de vierde van een reeks door ICOMOS georganiseerde of gepatroneerde exposities (voorheen in Brugge, Kortrijk en Gent) over historische tuinen en parken in en om onze steden en gemeenten. Het is de verdienste van de jonge architect H. Chesnot als eerste het Brussels luik van dit nauwelijks ontgonnen studieterrein uit ons cultuurpatrimonium aan de hand van oorspronkelijk iconografisch materiaal te hebben samengebracht, beschreven en in de kijker te hebben geplaatst.
Deze tentoonstelling is prestigieus van opzet, nostalgisch van ondertoon en anekdotisch van uitwerking. Prestigieus van opzet omdat het geëxposeerde materiaal grotendeels bestaat uit waardevolle originele kaarten, prenten, tekeningen, schilderijen en boeken. Nostalgisch van ondertoon omdat de auteur zich louter beperkt tot een terugblik op dat rijke verleden waarbij de nadruk eerder ligt bij de voorstelling dan wel bij het voorgestelde en waarbij de voor de monumentenzorg zo belangrijke aanknopingspunten met verwijzingen naar de realiteit van vandaag, nagenoeg niet worden belicht. Anekdotisch van uitwerking omdat geen enkel van de getoonde documenten gedateerd is en omdat ze alle te summier beschreven zijn. Het materiaal is in niet steeds duidelijk te volgen chronologische volgorde gepresenteerd, en opgedeeld in vijf niet strikt te scheiden maar voor de overzichtelijkheid aangebrachte stijlperioden: de middeleeuwse, de renaissance, de klassieke, d e pittoreke en de landschapstuin. De doorsnee-bezoeker zal er tussen twee regenvlagen door en/of na een bankverrichting al gauw een uurtje over doen; de beter geïnformeerde vakman/ vrouw zal zich vooral gëinspireerd weten door de hoogst interessante prenten, plannen en zichten van het laat-18deeeuwse 'pittoreske' Park van Scoonenberghe (nu de Paleistuin van Laken), waarbij de nog fel onderschatte invloed van de Duitse filosoof en tuinfanaticus Hirschfeld op de ontwikkeling van onze laat-18de-eeuwse tuinen, nog wordt benadrukt. De tweetalige catalogus kost 400,-fr, is fraai uitgegeven, maar vertoont in de Nederlandse tekst heel wat storende vertalingen en taal- en drukfouten. H. Van den Bossche.
Ben Rebel, Het Nieuwe Bouwen. Het funktionalisme in Nederland 19181945 .Assen, Van Gorcum, 1983. Tot dusver omvatte de term "Het Nieuwe Bouwen,, globaal de Rotterdamse vereniging Opbouw, de Amsterdamse vereniging De 8 en meer in het algemeen de CIAM-groep (Congres d'Architecture Moderne). De periode waarin deze stroming zich manifesteerde loopt ruwweg van 1918, het jaar toen er op de puinhopen van het oude Europa een nieuwe maatschappij en cultuur moesten worden opgebouwd, tot in de Tweede Wereldoorlog waarin de idealen van de architecten van Het Nieuwe Bouwen definitief op de achtergrond raakten. Als gevolg van de enorme bouwstromen die na de oorlog door de woningnood op gang komen, wint de kwantiteit het van de
M&L BINNENKRANT situering en duiding van de historische evolutie in de bouwtradities door de millennia heen.
kwaliteit. De marges voor vernieuwing zijn te smal geworden. In dit boek beantwoordt Ben Rebel belangrijke vragen zoals: In hoeverre was er in Nederland sprake van homogene stroming onder de benaming Het Nieuwe Bouwen? Welke maatschappelijke rol was daarin weggelegd voor de architect? Welke coherentie bestond er tussen de ideeën en de praktijk van het bouwen ? In hoeverre is de naoorlogse kritiek op het functionalisme bij nader inzien van toepassing op het toenmalige werkelijke Nieuwe Bouwen binnen Nederland ? De auteur maakt gebruik van de beschrijving van uitgevoerde bouwwerken (o.m. gesteund door een groot aantal illustraties), (schets-)ontwerpen, manifesten, tijdschriftpublikaties, boeken, rapporten, notulen, brieven, dagboeken en interviews. Zo is hij er in geslaagd een genuanceerd beeld te scheppen van de theorie en praktijk van Het Nieuwe Bouwen in Nederland. Het werk verscheen op een tijdstip waarop de reeks tentoonstellingen over Het Nieuwe Bouwen in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Otterlo werden gehouden en raakte daardoor ietwat in de verdrukking. Binnen het actuele kwantitatief grote aanbod van publikaties over deze periode is het nochtans kwalitatief verdienstelijk. Formaat: 17 x 24 cm; omvang 418 blz.; met 234 zwart-wit-illustraites; prijs paperback : f 59,50.
Met aandacht voor de techniciteit, de creativiteit en het inventieve binnen het bouwgebeuren, werden de opeenvolgende periodes afgetast en dit zowel vanuit archeologisch als vanuit historisch en kunsthistorisch standpunt. Elke periode wordt belicht vanuit haar specifieke kunstrichting en haar meest relevante bouwcreaties. Omwille van de overzichtelijkheid beperkt het boek zich tot de provincie Limburg en tot de meest karakteristieke bouwwerken in deze provincie voor elke stijlrichting. Voor de prehistorie en de Romeinse periode werd een beroep gedaan op Dr. G. De Boe, werkleider bij de Nationale Dienst van Opgravingen. Hij is als archeoloog veel werkzaam in Limburg en heeft reeds verscheidene publikaties aan het verleden van deze provincie gewijd. Het boek is rijkelijk geïllustreerd met verklarende afbeeldingen, die sprekender zijn dan een opsomming van technische en vormgevende details. Het aantal afbeeldingen is zeer uitgebreid, namelijk 293. Dit werk, dat als bekroning van 65 jaar Syndicale Kamer in Limburg wordt uitgegeven, biedt een panoramisch overzicht van de historische problemen en mogelijkheden waarmee onze aannemers door de eeuwen heen werden geconfronteerd. Allen die van dichtbij en van verre met de historische "uitbouw van Limburg,, in al zijn facetten te maken hebben, zullen in dit historisch overzicht hun gading vinden. Het boek, ruim 240 blz., kan besteld worden door overschrijving van 750,-fr. (50,-fr. verzendingskosten) op één der volgende bankrekeningen: 235-000630007, 458-6516831-65 of 335-0430690-56 of op P.C.R. nummer 000-0453701-32 van de Syndicale Kamer der Bouwnijverheid van Limburg v.z.w., Kunstlaan 20 — 1ste verdieping te 3500 Hasselt, met vermelding "7500 jaar bouwkunst Limburg — Jos Bleus,,. De uitgave is eveneens te bekomen op het secretariaat van de Syndicale Kamer der Bouwnijverheid van Limburg v.z.w.. Kunstlaan 20 — 1ste Verdieping, 3500 Hasselt — telefoon: 011/22.29.37—38.
Jos Bleus, 7500 jaax Bouwkunst in Limburg, Syndicale Kamer der Bouwnijverheid van Limburg v.z.w., Hasselt.
L. Alters, Landgoederen van ZnidKennemerland, Haarlem, Stichting Nationale Contactcommissie Monvunentenbescherming, 1984.
De titel "7500 jaar Bouwkunst in Limburg,, spreekt voor zichzelf. Dit boek poogt een overzicht te brengen van de verschillende bouwrealisaties vanaf de prehistorie tot op heden. Het geeft een
Dit rapport bevat een inventarisatie en beknopte beschrijving van de geschiedenis van de landgoederen in Zuid-Kennemerland en een schets van de ontwikkeling van tuin en parkaanleg.
De aanleiding ertoe was de bedreiging van vele buitenplaatsen en landgoederen door de zorgwekkende toestand waarin ze verkeerden. Er bleek een grote behoefte te bestaan aan meer inzicht in hun cultuurhistorische waarde, wat moest helpen de zorgwekkende toestand te keren. Zuid-Kennemerland neemt te midden van de Nederlandse landgoederen een toonaangevende plaats in vanwege het overzicht dat daar te vinden is van de ontwikkeling van de tuinarchitectuur en het werk van een aantal vooraanstaande tuinarchitecten. Veel hiervan is nog steeds herkenbaar aanwezig. In de binnenduinrand liggen behalve een aantal dorpen vele landgoederen met hun historische tuinen en parken. Het merendeel van deze landgoederen bestaat uit buitenplaatsen uit de 17de, 18de en 19de eeuw. Zij zijn een belangrijk onderdeel van het historisch gegroeide landschap. Van de diverse stijlen is vooral de landschappelijke aanleg goed herkenbaar. De totale inventarisatie omvat 58 landgoederen in de gemeente Velsen, Bloemendaal, Heemstede en Bermebroek en een enkel landgoed in Haarlem en Zandvoort. De landgoederen in de duingebieden van de jonge zeeduinen zijn buiten beschouwing gebleven. Gebleken is dat op 29 landgoederen een hoofdgebouw aanwezig is, dat harmonieert met de aanleg van het park. Het hoofdgebouw heeft een functie als woonhuis, verzorgingstehuis, inrichting, kantoor of een andere functie. Bij het bepalen van een nieuwe functie voor het landgoed moet goed overwogen worden wat de gevolgen daarvan zullen zijn voor het gebied. Dit is één van de aanbevelingen uit het rapport. Landgoederen staan aan allerlei bedreigingen bloot, onder andere
[5]
M&L BINNENKRANT versnippering over diverse eigenaren, ontbreken van beleid ten aanzien van het beheer, niet passende functie, verwaarlozing of recreatiedruk. In het rapport wordt geconstateerd dat bescherming door middel van het streek- of bestemmingsplan niet primair gericht is op cultuurbehoud, maar meestal op natuuren landschapsbehoud. In het rapport
wordt aanbevolen ook de cultuurhistorische aspecten meer te betrekken bij het beheer van de landgoederen. De NCM wil, als landelijk contactorgaan voor de particuliere monumentenbescherming, met dit rapport de belangstelling voor landgoederen stimuleren en een bijdrage leveren tot de discussie over het behoud van landgoederen. De
opzet van het rapport en de gevolgde methode ziet de NCM als voorbeeld voor het inventariseren van landgoederen in andere delen van het land. Het rapport kost f 29,50 en is te bestellen op volgend adres: Bureau N.C.M., Huis de Pinto, Sint-Antoniesbreestraat 69, 1011 HB Amsterdam. Tel.: 020/277706.
B.M.L.-ACTIVITEITEN Opening tentoonstelling "De Historiek van de Leuvense Kmidtnin en zijn gebouwen,,. Zoals vermeld in de vorige M & L , liep van 15 september tot en met 14 oktober in de Oranjerie van de Kruidtuin te Leuven een tentoonstelling waarover M & L een uitgebreid artikel als begeleidende commentaar opnam. Op 14 september werd de tentoonstelling plechtig geopend. De Heer Anciaux, schepen van Stadsbedrijven en Economische Expansie, verwelkomde de Heer K. Poma, Gemeenschapsminister van Cultuur en Vice-Voorzitter van de Vlaamse Executieve. In zijn toespraak belichtte de Minister de historiek van de Kruidtuin en loofde de gezamenlijke inspanning van stad, universiteit en Bestuur Monumenten en Landschappen om rond het thema tuinen — kruiden — boeken — beelden vier afzonderlijke en toch samenhangende tentoonstellingen op te bouwen, zodat de publieke opinie met meer kennis kan inpikken op dit culturele erfgoed. Wat de restauratie van de Oranjerie betreft, besloot de Minister zijn toespraak met volgende wens: "ik druk de hoop en de wens uit dat deze tentoonstelling zou bijdragen tot een betere kennis van de Leuvense Kruidtuin en tot de waardering van het hier gepresteerde werk dat zo duidelijk bewijst dat oude gebouwen op passende wijze kunnen beantwoorden aan nieuwe bestemmingen voor onze hedendaagse, ook cultuurgerichte maatschappij.
>ffl*^
«weWP*^
'SE
V T •*''-
Gemeenschapsminister K. Poma tijdens zijn toespraak.
I 1 ,1
C. De Maegd geeft uitleg over de historiek.
Ruime belangstelling vanwege de omstaanders.
Mevrouw S. Van Aerschot in volle betoog.
De Gemeenschapsminister K Poma en Schepen Anciaux van de stad Leu ven tijdens hun bezoek aan de tentoonstelling
Gezien de Oranjerie in de zomermaanden zou worden gebruikt voor educatieve en socio-culturele doeleinden, wou het Bestuur Monumenten en Landschappen op deze plechtigheid een voorsmaakje geven van de muzikale toekomst van de Oranjerie. De Heer Joris Verdin speelde er op harmonium werk van César Franck en Léon Boëllmarm en dit op een voor d e geschiedenis van de Oranjerie aangepast instrument, nl. een Kasriel uit 1874. Dit mini-recital werd op warm applaus onthaald.
[6]
M&L BINNENKRANT De Heer J. Verdin speelde tijdens de openingsplechtigheid L. Boëllmann.
werken van C. Franck en
De stad Leuven bood vervolgens de genodigden een receptie aan. Tijdens deze receptie konden de geïnteresseerde bezoekers een rondleiding meepikken onder leiding van C. De Maegd, die instond voor de samenstelling, het iconografisch onderzoek en de catalogus van deze tentoonstelling en S. Van Aerschot, verantwoordelijke voor het inventaristeam. De Minister, vergezeld van zijn persattaché, de Heer De Temmerman, kon deze Oranjerie met een gerust geweten verlaten: in deze restauratie werd gemeenschapsgeld goed besteed! Een bezoek aan dit gebouw en omliggende Kruidtuin is dan ook een suggestie die we graag aan alle M & L-lezers overmaken. M. Ramakers.
Inhuldiging van het gerestaureerde Oud Stadhuis van Blankenberge. Op 1 september 11. had de officiële inhuldiging plaats van het gerestaureerde Oud Stadhuis van Blankenberge. Het ontwerp is van architect Jean Lauwereyns (1977) en de uitvoering werd toevertrouwd aan de firma Woudenberg van Brugge (1982-1984). Tijdens de openingsplechtigheid in aanwezigheid van Burgemeester en Schepenen van de Stad en heel wat genodigden, werd (na een muzikale inleiding) het woord gevoerd door Mevr. Goossens, inspecteur bij het Bestuur Monumenten en Landschappen, Provinciale Directie West-Vlaanderen. Naar aanleiding van deze openstelling werd door het Bestuur een kleine tentoonstelling uitgebouwd rond de histo-
riek en de restauratie van het gebouw. Voorafgegaan door een overzicht van het wedervaren van dit gebouw in de loop der geschiedenis aan de hand van enige oude documenten, werd een beeld gebracht van de voorbije restauratie aan de hand van werffoto's. Terzelfder tijd opende burgemeester Content een tentoonstelling gewijd aan werken van Blankenbergse meesters, nl. Frans Masereel, Frans Regoudt, Willem van Hecke en Jules van Pamel. Beide tentoonstellingen in het Oud Stadhuis bleven toegankelijk voor het publiek van 1 tot en met 16 september.
Tentoonstelling 'Bouwkundig Erfgoed van Nienwpoort en omstreken'. Van 2 tot en met 13 augustus 1984 liep in het Stadspaviljoen te Nieuwpoort een tentoonstelling over het "Bouwkundig Erfgoed van Nieuwpoort & omstreken,,. De documentaire tentoonstelling werd verzorgd door het Bestuur Monumenten en Landschappen in samenwerking met de Stad Nieuwpoort. Vanuit de documentatie van de tentoonstelling aangaande het arrondissement Veume — dit ter gelegenheid van de publikatie van het inventarisdeel Veume in de reeks Bouwen door de Eeuwen heen — heeft de inventarisploeg WestVlaanderen een nauwgezette selectie doorgevoerd naar het thema van deze tentoonstelling toe, nl. Nieuwpoort zelf en omstreken. De Heer Mommerency, Burgemeester van Nieuwpoort, verwelkomde tijdens de opening de Heer Goedleven, Adviseur-Hoofd van Dienst, die in zijn toespraak de bouwkundige geschiedenis van de stad belichtte:
Zicht op de ingangspartij van het Oud Stadhuis te Blankenberge.
"Nieuwpoort zelf heeft altijd een aparte plaats bekleed in deze streek: als middeleeuwse „Novum Oppidum-Novus
Portus" — nieuwe vesting-nieuwe haven — met bewuste strakke aanleg en vroege stadskeure van 1163, evolueerde het via de voorvallen van oorlog en geschiedenis tot het huidige, vrij rustige stadje met verzorgd karakter. De eerste wereldoorlog heeft zoals alomgeweten de stad volledig vernield en heel wat theoretische en praktische problemen met zich meegebracht in het vlak van de wederopbouw, die hier nochtans snel verliep in de periode van 1920 tot 1925. Naast deze „oude vesting" groeide vanaf 1860 langzamerhand de geplande uitbouw van Nieuwpoort-Bad... met dijk en strak aangelegde omgeving, die voor lange tijd een specifiek beeld vormen in de ontwikkeling van kustarchitectuur en toerisme. Deze twee zo onderscheiden attractiepolen als historische stad en badplaats vragen om onderscheiden benaderingen wanneer het gaat om monumentenzorg in zijn ruimste zin, te begrijpen als zorg voor de gebouwde omgeving en voor het leefmilieu. Discussies rond de wederopbouw in het algemeen, en omtrent Nieuwpoort in het bijzonder, hebben hier geleid tot een genuanceerde oplossing die ook dicht bij de bevolking en de dagelijkse realiteit stond. In samenspraak met alle betrokkenen kwam de Brugse Architect J. Viérin tot een specifiek project waarbij de middeleeuwse aanleg met dambordschema — één van de uitzonderingen in Vlaanderen — werd behouden. De „grote", „beeldbepalende" monumenten werden integraal gereconstrueerd met behulp van de bestaande documentatie en opmetingen om aldus het vertrouwde stadsbeeld en de algemene sfeer opnieuw op te roepen. Voor de doorsneebebouwing werd geopteerd voor een rijke suite variërend op citaten en referenties aan de traditionele architectuur, vermengd met meer eigentijdse vormen
m
M&L BINNENKRANT
De Heer Goedteven in gezelschap van de Burgemeester en de Schepen van de stad Nieuwpoort.
en materialen aanknopend bij de toen heersende „stijlen" en „neostijlen", zoals uitvoerig aangetoond en geïllustreerd in onze inventaris. Voor de Nieuwe Theo Goedhuyswijk van 1920 n.o.v. architect A. Van huffel en ingeplant ten zuiden van de stadskern, werd resoluut aangeknoopt bij het toen zeer actuele tuinwijkconcept, dat hier jammer genoeg slechts gedeeltelijk werd uitgevoerd. Het resultaat werd het Nieuwpoort dat wij kennen, d e leefbare stad met voldoende afwisseling en historisch te situeren herkenningspunten, en met emotionele aanknopingspunten die maar al te duidelijk de rol van monumenten en hun noodzakelijke vervlechting met de omgeving illustreren. Het is ook daarom dat bij de „vroege" wettelijke beschermingen na de wet van 1931, gebouwen als hal en belfort meteen werden voorgesteld en opgenomen omwille van de historische dimensie en van gevoelige symboolwaarden. Op 28 juni 11. werd aan deze beschermingen, op aanvraag van het gemeentebestuur, een voorontwerp van lijst voor drie monumenten toegevoegd met name voor het huidige stadhuis aan het marktplein, en het zogenaamde „kasteeltje" en vredegerecht, beide aan de Langestraat, wat ons al iets verder van de markt brengt. Optimistische cijferinterpretaties zouden hieruit onmiddellijk halen dat het aantal monumenten te Nieuwpoort-Stad nu meer dan verdubbeld is... Maar Nieuwpoort met zijn middeleeuwse structuur en zijn wederopbouwarchitectuur vraagt werkelijk om een genuanceerde zorg binnen een globale aanpak... en betekent in feite een „nieuw" probleem voor geïntegreerde conservatie die geenszins algemene bevriezing
[8]
beoogt. Het is aanmoedigend te horen dat werk wordt gemaakt van hal en beiaard, dat een restauratiedossier wordt opgemaakt; het is interessant te merken dat aan de omgeving van markt en hoofdstraten zorg wordt besteed voor nieuwe bouw en verbouwingen. Wel zouden we graag aanstippen dat we met enige bezorgdheid kijken naar de torenruïne van de voormalige St.-Laureinskerk. Als historisch document is deze toch bijzonder belangrijk, vermits zij getuigt van de belegering van de Engelsen in 1383 die o.m. de rest van de kerk vernielde... en als dusdanig het oudste bouwwerk van Nieuwpoort vertegenwoordigt. Ruïnes dienen ook verzorgd... en af en toe geconsolideerd... en „onderhouden" te worden om hun verder bestaan te verzekeren en om grote kosten te vermijden. Maar dit is slechts een randbemerking waarover best nog verder overleg kan worden gepleegd. We zijn er ons van bewust dat het gemeentebestuur van Nieuwpoort voor een
De eclectische gevelwand van de Vrouwstraat te Nieuwpoort.
O.-L.-
moeilijke taak staat. Te meer daar het als ander zorgenkind Nieuwpoort-Bad heeft. Op de gehele problematiek hoeven we hier niet terug te komen; wel kan worden aangestipt dat de beschermingen in 1981 van het vroegere „Grand Hotel" n.o.v. architect A. Lagache en het ensemble van de z.g. „Villa Crombez" van 1923 , in zekere mate borg zullen staan voor het eigen karakter van NieuwpoortBad. Beschermde gebouwen staan er niet om hedendaagse architectuur af te remmen of te ontmoedigen maar wel om ze aan te sporen tot d e realisatie van kwaliteit als basisvereiste. In tijden die meer en meer de eigen aard van plaatsen en gebouwen weten te appreciëren, wordt dit een troef die kan meespelen in de evenwichtige uitbouw van een toeristische trekpleister. Nieuwpoorts eigen karakter als stad en badplaats komt in deze tentoonstelling ook aan zijn trekken en tekent zich af tegen de achtergrond van de rijkdom van de hele omgeving,,.
Na de officiële toespraken bood de Stad Nieuwpoort een kleine receptie aan.
Nieuwpoort : Zeedijk, de ,,White Residence". Beschermd
Monument.
M&L BINNENKRANT Documentatiecentrum voor Landschapsecologie en Milieuplanning. Met de oprichting van het centrum werd de optie genomen het documentatiemateriaal dat door de inspecteurs van de sectie Landschapszorg (A.R.O.L. — B.M.L.) vergaard werd, te centraliseren. Het materiaal bestaat hoofdzakelijk uit publikaties verschenen in tijdschriften of boeken. Volledige boekuitgaven of tijdschriftenreeksen worden niet opgenomen omdat dit specifiek tot de functie van de bibliotheek behoort. Hierdoor werd een waarneembare scheidingslijn tussen beide "informatiebronnen,, getrokken, zodat ze naast elkaar kunnen bestaan en elkaar aanvullen.
De onderliggende bedoeling van deze tentoonstelling was de nodige aandacht te vragen voor het regionaal patrimonium en zowel de streekinwoners als de toeristen d e nodige informatie te bezorgen via het geselecteerde beeld- en tekstmateriaal. In die zin gaf ze een overzicht van de karakteriserende architectuur van de streek, haar evolutie en haar verscheidenheid. Bewust van deze moeilijke opdracht, heeft de inventarisploeg West-Vlaanderen, met name de dames Lion, Delepierre en Huys onder leiding van Suzanne Van Aerschot, haar beste krachten verenigd om in deze tentoonstelling de specificiteit van dit regionaal patrimonium aan bewoner en toerist te laten kennen. M. Ramakers.
Land-, Tuin- en Milieutentoonstelling Aalst. Van 22 tot en met 26 september 1984 nam het Bestuur Monumenten en Landschappen deel aan de Land-, Tuin-, en Milieutentoonstelling, die door het stadsbestuur was georganiseerd en die plaatsgreep in de Keizershallen. De bezoeker kon er kennis maken met de verschillende publikaties van het Bestuur. Speciaal voor deze gelegenheid werd tevens een paneel opgezet over de Landschapszorg in Aalst: als voorbeeld werd het Stadspark van Aalst uitgekozen. Aan de hand van een sterk gevisualiseerde plattegrond met gecommentarieerde kleurenplaten, ervoer de bezoeker dit beschermde landschap op "een andere wijze,,. In verband met dit paneel kon Pers & Voorlichting rekenen op de gewaardeerde medewerking van Arthur De Haeck. M. Ramakers.
De bruikbaarheid van het aanwezige materiaal kan grotendeels in de omschrijvingen "beleidsondersteunend,, en "praktisch onderzoek van landschappen,, gevonden worden. Er kan gesteld worden dat het beleidsondersteunend materiaal vooral verkregen wordt via het referentietijdschrift Current Contents (Strekkingen "Social & Behavioral Sciences,, en "Agriculture, Biology and Environmental Sciences,,). In dit tijdschrift wordt de inhoudstafel van een groot aantal wetenschappelijke tijdschriften geëxcerpeerd. Naargelang van de interesse kunnen de inspecteurs bepalen welke publikaties er besteld worden. Aangezien hun basis (universitaire of niet-universitaire studies) en hun interessesfeer zeer divers zijn, worden heel wat vakgebieden bestreken, rü. geschiedenis, geografie, geologie, ecologie, biologie, hydrobiologie, hydrologie, sociologie, psychologie, economie, landschapsarchitectuur.... Elk van deze vakgebieden bezit een bepaald raakvlak met het begrip "landschap,,. Uit de bovenvermelde opsomming van vakgebieden blijkt de bruikbaarheid voor andere geïnteresseerden (ambtenaren, studenten, milieuverenigingen...) die op de een of andere manier met de landschapsmaterie in contact komen. Naast het "beleidsondersteunend, aspect komt ook "het praktisch onderzoek van landschappen,, aan bod. In functie van een beschermingsprocedure of adviesaanvraag komen de inspecteurs in het bezit van interessante gegevens over een bepaald gebied of landschap. Deze
gegevens in de vorm van publikaties of documenten, worden tevens ter beschikking van het Documentatiecentrum gesteld. Reeds vrij vlug bereikte het Documentatiecentrum een grote hoeveelheid publikaties (op dit ogenblik negen- a tienduizend). Om de toegankelijkheid tot het materiaal mogelijk te maken worden lijsten van de publikaties uitgegeven, die in een bepaalde periode ontvangen werden ( aanwinstenlijsten). Met behulp van deze aanwinstenlijsten, waarin de referenties van de publikaties alfabetisch gerangschikt op de auteursnaam opgenomen zijn, heeft men een overzicht van de inhoud van het Documentatiecentrum. Er werd ingezien dat deze aanwinstenlijsten alleen onvoldoende waren om op een doeltreffende wijze publikaties rond een bepaald thema terug te vinden zoals: zure neerslag, milieu-effectrapportering, waterverontreiniging, landschapsperceptie, ruimtelijke ordening, hondsdolheid, boomverzorging... Deze bedenking resulteerde in de uitgave van een trefwoordencatalogus. Als gevolg van de ingebruikname van een klein computersysteem, werd de uitgave van deze trefwoordencatalogus voorlopig stopgezet. De draad zou opgenomen worden nadat een catalogus van alle beschikbare publikaties uitgegeven zou zijn. De planning voorziet deze uitgave in juli 1985. Op dit ogenblik staan 10 aanwinstenlijsten waarin een trefwoordencatalogus werd verwerkt, ter beschikking van iedere geïnteresseerde. Dit blijft voorlopig de enige mogelijkheid om zich op de hoogte te brengen van de inhoud van de meer dan negenduizend publikaties die in het Documentatiecentrum aanwezig zijn. Men kan deze lijsten bestellen door een briefje te zenden naar het Documentatiecentrum op onderstaand adres. Er wordt wel een bedrag van 60,-fr. in postzegels gevraagd voor verzendingskosten. Wenst men het Documentatiecentrum te bezoeken, dan kan dit na telefonische afspraak (tel.: 02/513.99.20, toestel 330). Documentatiecentrum voor Landschapsecologie en Milieuplanning (A.R.O.L. — B.M.L.) BeUiardstraat 14/18, 1040 Brussel.
[9]
M&L BINNENKRANT BESCHERMING VAN HET CULTUÜRPATRIMONIUM Bescherming van monumenten, stadsen dorpsgezichten (decreet 3 maart 1976). — Aaitselaar: het hoofdgebouw en de ronde torens van het kasteel Solhof, gelegen Baron van Ertbomstraat (monument) met zijn omgeving (dorpsgezicht) (B.V.E. 11.4.1984). — Antwerpen (Berchem): de huizen, gelegen Cogels-Osylei 1, 3, 5, 7, 9, 11, 1921, 23, 25, 27, 29, 33, 35, 37, 39, 41, 43, 45, 47, 49, 51, 55, 61, 67, 69, 71, 73, 2, 6, 8, 10, 12, 18, 20, 22, 24, 30, 32, 34, 36, 38, 40, 42, 44, 46, 48, 50, 52, 54, 56, 58, 62, 68, 70, 72, 80 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Antwerpen (Berchem): de huizen, gelegen Generaal Capiaumontstraat 1, 15, 17, 2, 4, 6 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Antwerpen (Berchem): de huizen, gelegen Generaal Van Merlenstraat 31, 37, 39, 41, 43, 45, 34, 38, 46 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Antwerpen (Berchem): de huizen, gelegen Gulden Vliesstraat 40, 42 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Antwerpen (Berchem): de huizen, gelegen Pretoriastraat 64, 66, 68, 70 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Antwerpen (Berchem): de huizen, gelegen Transvaalstraat 13, 15, 17, 23, 25, 27, 29, 33, 35, 45, 47, 59, 61, 65, 22, 28, 30, 32, 52, 54, 59 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Antwerpen (Berchem): het huis, gelegen Velodroomstraat 17 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Antwerpen (Berchem): de huizen, gelegen Waterloostraat 1, 3, 5, 7, 9, 11, 27, 31, 37, 39, 61, 63, 2, 10, 12, 14, 16, 18, 26 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Antwerpen (Berchem): de huizen, gelegen Cogels Osylei 13, 15, 17, 53, 57, 59, 63, 65, 4, 14, 16, 26, 28, 60, 66, 82, 84 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Antwerpen (Berchem): het huis, gelegen Generaal Capiaumontstraat 19 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Antwerpen (Berchem): de huizen, gelegen Generaal Van Merlenstraat 33, 35, 47, 26, 36, 40, 42 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Antwerpen (Berchem): de huizen, gelegen Transvaalstraat 31, 41, 43, 49, 51, 63, 67, 69, 71, 73, 75, 20, 50 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Antwerpen (Berchem): het huis, gelegen Velodroomstraat 19 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Antwerpen (Berchem): de huizen, gelegen Waterloostraat 55, 57, 59, 8, 28, 30 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Antwerpen (Berchem): de huizen, gelegen Cogels-Osylei 64, 75, 77, 79, 81 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Antwerpen (Berchem): het huis, gelegen Transvaalstraat 53 (monument) (B.V.E. 11.4.1984).
[10]
— Antwerpen: de Sint-Michielskerk, gelegen Amerikalei (monument) (B.V.E. 7.12.1983). — Ardooie: het kasteel de Jonghe d'Ardooie, gelegen Kasteelstraat 1 (monument) (B.V.E. 21.6.1984). — Brugge: het interieur van de kerk en het klooster van de Ongeschoeide Karmelieten, met de tuinmuren, de kluis en het pesthuisje, gelegen Ezelstraat 28 (monument) (B.V.E. 21.6.1984). — Brugge: het gebouwengeheel, gelegen Beenhouwersstraat 2 (monument) (B.V.E. 7.12.1983). — Deinze: de Sint-Blasiuskapel, gelegen Gentpoort (monument) met de omgeving (stadsgezicht) (B.V.E. 7.12.1983). — Dendermonde: De Mechelse Poort, namelijk de voormalige binnenpoort, de brugpijlers tussen binnen- en buitenforten, de restanten van de buitenpoort, de keermuur ter hoogte der wallen voor de eerste spoorlijn, de restanten der brugpijlers langs de buitenwallen, de voormalige kazemat (monument) (B.V.E. 7.12.1983). — Eeklo: de Minderbroederskerk (exterieur en interieur), gelegen Markt 27 (monument) (B.V.E. 7.12.1983). — Eeklo: de woning (exterieur en interieur), gelegen Stationsstraat 4-6 (monument) (B.V.E. 7.12.1983). — Eeklo: de kapel der Zusters van Liefde (exterieur en interieur), gelegen Zuidmoerstraat 127 (monument) (B.V.E. 7.12.1983). — Eeklo: de Sint-Vincentiuskerk (exterieur en interieur) (monument) met zijn omgeving (stadsgezicht) (B.V.E. 7.12.1983). — Gent: de herenwoning (gevels en bedaking van het hoofdgebouw met inwendig trappenhuis met rotonde en salons op de eerste verdieping), gelegen Recollettenlei 16 (monument) (B.V.E. 20.6.1984). — Hamme: het Posthoomplein en de omgeving van de windmolen "De Grote Napoleon,, (dorpsgezicht) (B.V.E. 20.6.1984). — Hasselt: het pand "Het Leerske,,, gelegen Havermarkt 4 (monument) (B.V.E. 22.6.1984). — Ichtegem (Bekegem): de Sint-Amanduskerk, gelegen Kerkweg, met de onmiddellijke omgeving (dorpsgezicht) (B.V.E. 11.4.1984). — Koksijde: de Sint-Pieterskerk (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Kruishoutem: de dorpskom van Wannegem-Lede (dorpsgezicht) (B.V.E. 11.4.1984). — Lebbeke: de gevels en bedaking van de pastorie, gelegen Grote Plaats 15 (monument) (B.V.E. 20.6.1984). — Lebbeke: de gevels en bedaking van het gemeentehuis, gelegen Grote Plaats 1 (monument) (B.V.E. 20.6.1984).
— Lovendegem (Vinderhoute): de omgeving van de Vlaanderensmolen (dorpsgezicht) (B.V.E. 21.5.1984). — Lierde (Sint-Martens-Lierde): de pastorie, gelegen Kloosterstraat (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Lierde (Sint-Martens-Lierde): de schuur palend aan de pastorie, gelegen Dorpsstraat 11 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Lierde (Sint-Martens-Lierde): het kostershuis, gelegen Dorpsstraat 7-9 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Lierde (Sint-Martens-Lierde): de ingangspoort en het poortgebouw, gelegen Dorpsstraat 15-16 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Lierde (Sint-Martens-Lierde): de dorpskom met pastorie en aanpalende schuur, het kostershuis, de poort en het poortgebouw (dorpsgezicht) (B.V.E. 11.4.1984). — Mechelen: de kaaimuren van de Volmolen, gelegen Raghenoplein (monument) (B.V.E. 22.6.1984). — Mortsel: de gevels en bedaking van het Jezuïetenhof, gelegen Deumestraat 281 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Mortsel: het Fort IV, met uitzondering van de recent opgerichte loodsen en installaties, gelegen Krijgslaan (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Mortsel: de duiventoren van de hoeve, gelegen Consciencelaan 107 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Mortsel: het kasteel Ten Dorpe met inbegrip van de toegangsbrugpoort, gelegen Theofiel Reynlaan 3 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Mortsel: de houten huizen, gelegen Lindenlei 6-8 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Mortsel: het kasteel Ter Varent met inbegrip van de toegangsbrug gelegen Berthoutstraat 20-22 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Mortsel: het kasteel Canteroy: de vierkante omwalling met bastions, het toegangsgebouw, de kapel en de boerderij op de ringmuur, gelegen Canteroylaan 30 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Mortsel: de omgeving van de huizen Lindenlei 6-8 (dorpsgezicht) (B.V.E. 11.4.1984). — Mortsel: de villa's. Wouwstraat 30-3234 en de brouwerij op de Quinten Metsijslei (dorpsgezicht) (B.V.E. 11.4.1984). — Mortsel: de omgeving van het kasteel Canteroy, Canteroylaan 30 (dorpsgezicht) (B.V.E. 11.4.1984). — Mortsel: de omgeving van het kasteel Ter Varent, Berthoutstraat 20-22 (dorpsgezicht) (B.V.E. 11.4.1984). — Mortsel: de omgeving van het Jezuïetenhof, gelegen Deumestraat 281 (dorpsgezicht) (B.V.E. 11.4.1984). — Mortsel: de hoeve, gelegen Heideland 2A (dorpsgezicht) (B.V.E. 11.4.1984).
M&L BINNENKRANT — Mortsel: de omgeving van de duiventoren van de hoeve, gelegen Consciencelaan 107 (dorpsgezicht) (B.V.E. 11.4.1984). — Mortsel: de omgeving van het kasteel Ten Dorpe, gelegen Theofiel Reynlaan 3 (dorpsgezicht) (B.V.E. 11.4.1984). — Oostende: het Onze-Lieve-Vrouwcollege (voorgevel en bedaking), gelegen Vindictievelaan 9 (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Putte (Beerzel): de pastorie, met inbegrip van de afsluitmuur met inkompoort (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Putte (Beerzel): de binnenkoer en de resterende tuin van de pastorie (dorpsgezicht) (B.V.E. 11.4.1984). — Riemst (Kanne): de toren van de SintHubertuskerk (monument) (B.V.E. 22.6.1984). — Sint-Truiden (Velm): het kasteel, gelegen Halleweg 32 (monument) (B.V.E. 20.6.1984). — Sint-Truiden (Velm): de hoeve met merkwaardige inrijpoort, gelegen Halleweg 30 (dorpsgezicht) (B.V.E. 20.6.1984).
— Sint-Truiden (Velm): het kasteel en de hoeve met onmiddellijke omgeving, gelegen Halleweg 32 en 30 (dorpsgezicht) (B.V.E. 20.6.1984). — Tongeren (Neerrepen): het kasteel Rooi, gelegen Rooierweg 1 (monument) met onmiddellijke omgeving (dorpsgezicht) (B.V.E. 18.1.1984). — Tongeren (Rutten): de Ruttermolen, met inbegrip van het molengebouw, het sluiswerk, het waterrad, de oeverdammen, het roerend werk en de stallingen, gelegen Ruttermolenstraat (monument) met de omgeving (dorpsgezicht) (B.V.E. 11.4.1984). — Voeren (Sint-Martens-Voeren): de Sint-Martinuskerk (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Voeren (Sint-Martens-Voeren): de kerkhofmuur van de Sint-Martinuskerk, gelegen Kerkstraat (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Voeren (Sint-Martens-Voeren): de Sint-Martinuskerk met kerkhofmuur en onmiddellijke omgeving (dorpsgezicht) (B.V.E. 11.4.1984).
— Vorselaar: het kasteel de Borrekens met inbegrip van de brug (monument) (B.V.E. 21.6.1984). — Vorselaar: de pastorie (monument) (B.V.E. 21.6.1984). — Vorselaar: het kasteel de Borrekens en de pastorie met hun onmiddellijke omgeving (dorpsgezicht) (B.V.E. 21.6.1984). — Zuienikerke (Meetkerke): de OnzeLieve-Vrouw-Hemelvaartkerk (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Zuienkerke (Meetkerke): de pastorie (monument) (B.V.E. 11.4.1984). — Zottegem (Strijpen): de Sint-Andrieskapel, gelegen Sint-Andriesstraat (monument) met de onmiddellijke omgeving (dorpsgezicht) (B.V.E. 7.12.1983). — Zottegem (Velzeke-Ruddershove): de watermolen met inbegrip van sluiswerk, bakgoot, roerend werk en de aandrijvingsmiddelen, de motor uit 1934 en het molengebouw, gelegen Beugelstraat 44 (monument) met zijn omgeving (dorpsgezicht) (B.V.E. 7.12.1983).
De winkelpui van architect P. Hankar in de Koningsstraat te Brussel (Illustratie uit W. Rehme, Architektur der neuen freien Schule).
[11J
M&L BINNENKRANT Rangschikking als landschap (wet van 7 augustus 1931, gewijzigd bij decreet van 13 juli 1972). — Bonheiden: het Mechels Broek (3e fase) (B.V.E. 28.6.1984). — Gent: het Citadelpark (B.V.E. 30.5.1984). — Hamme (Moerzeke): de Scheldeschorren nabij Moerzeke-Kastel (B.V.E. 11.4.1984). — Heusden-Zolder: de Galgenberg (B.V.E. 22.6.1984). — Mechelen (Heffen): het Zermegat-Battenbroek (2e fase) (B.V.E. 30.5.1984). — Londerzeel (Malderen) en SintAmands (Lippelo): het Hof ter Melis (Ie fase: Lippelobos) (B.V.E. 28.6.1984). — Zonhoven: De Ballewijers en de Slangenbeekbronnen (B.V.E. 30.5.1984). Bescherming van het kunstpatrimonium. Rangschikking als landschap. Vernietiging door de Raad van State. Wordt vernietigd door de Raad van State, arrest nr. 24354 van 18 mei 1984: het Koninklijk Besluit van 17 november 1978, houdende rangschikking als landschap van Meigemheide, deel "De Gluts,, in zoverre het de percelen betreft kadastraal bekend sectie B, nrs. 54 d, 54 e, 54 f, 54 g, 54 h, 54 i, 54 k, 58 c, 58 d, 58 e, 58 g en 58 h, te Beersel (Alsemberg). Rangschikking als monument van 7 augustus 1931).
(wet
— Anderlecht: de Zuidersluis, Poincarrélaan 77 (K.B. 22.2.1984). — Brussel: de koetspoort. Brandhoutkaai 33 (K.B. 15.3.1983). — Brussel: de koetspoort van de woning op de hoek van de Brandhoutkaai 23 en de Popuherenstraat 2-2a (K.B. 15.3.1983). — Bruösel: de "Concert Noble,,, Aarlenstraat 82-84 (K.B. 27.10.1983). — Brussel: de gevels en bedakingen van de hoekgebouwen gelegen Congresstraat l/Koningsstraat 75 en Congresstraat 2/Koningsstraat 77 (K.B. 29.11.1983). — Brussel: de voor- en achtergevels, zijgevels inbegrepen, het dak en het voorportaal over zijn hele diepte, van het gebouw gelegen Warmoesberg 11 (K.B. 8.12.1983). — Brussel: de gevels en bedakingen, de binnenkoer en de omheiningsmuur van het herenhuis Errera, Koningsstraat 14 (K.B. 8.12.1983). — Brussel: de winkelpui Koningsstraat 13 (K.B. 22.2.1984). — Brussel: de grote lokettenzaal, de kleine lokettenzaal, de traphal, de gang die leidt van de straat naar de grote lokettenzaal, en de bijhorende bedakingen van het pand gelegen Warmoesb e r g S7 (K.B. 29.2.1984).
[12]
De Sint-Jan-de-Doperskerk
van architect J. Diongre te Sint-Jans-Molenbeek.
— Brussel: het herenhuis Otlet gelegen op de hoek van de Florencestraat 13 en de Livomostraat 48 (K.B. 6.5.1984). — Brussel: de voorgevels en het aansluitende dakvlak van de gebouwen Wolstraat 4 tot 56 (K.B. 29.6.1984). — Brussel: de centrale arcaden en de beide flankerende colonnades van het Jubelpark (K.B. 29.6.1984). — Brussel: alle ondergrondse overblijfselen van het hertogelijk hof van de Coudenberg, onder de voormalige Lloyds Bank, op de hoek van het Koningsplein 10 en de Koningsstraat 2-4 (K.B. 4.7.1984). — Brussel: de loodtoren, Fabrieksstraat 54/Slachthuisstraat 24-26 (K.B. 27.7.1984). — Eisene: de woning Vilain XTV-straat 9 in zijn geheel (K.B. 15.3.1983).
— Eisene: de woning Wolfers, Alphonse Renardstraat 60 (K.B. 4.10.1983). — Ganshoren: het herenkasteel de Rivieren (K.B. 4.10.1983). — Schaarbeek: de Sint-Jan-en-Nikolaaskerk, Brabantstraat 78a/Aarschotstraat 58-60 (K.B. 22.2.1984). — Sint-Giüis: de voorgevel en de bedaking van de woning "Les Hiboux,,, Brugmarmlaan 55 (K.B. 27.10.1983). — Sint-Gillis: het gehele interieur van het herenhuis Hannon, Verbindingslaan 1 (KB. 29.11.1983). — Sint-Jans-Molenbeek: de Sint-Jan-deDoperkerk (K.B. 29.2.1984). — Ukkel: de villa "Bloemenwerf,,, Vanderaeylaan 102 (K.B. 3.8.1983). — Ukkel: de Russische orthodoxe kerk. De Frélaan 19 (K.B. 24.7.1984).
M&L BINNENKRANT Rangschikking als landschap (wet van 7 augustus 1931).
— Brussel: het geheel gevormd door het Vrijheidsplein, de gevels en bedakingen van de omliggende gebouwen inbegrepen (K.B. 4.10.1983).
Bankinterieur Warmoesberg ar. 57 te Brussel. Het gebouw behoorde oorspronkelijk toe aan de Société de ÏUnion du Crédit, en werd ontworpen door architect D. De Keyser in 1872. Bij KB. van 29 februari 1984 werden de belangrijkste delen van het interieur, te weten de gang, de trapzaal, de grote en kleine lokettenzaal met bedaking, omwille van hun belangrijke kunsthistorische en typologische waarde en hun uitstekende bouwfysische toestand, beschermd.
— Ganshoren: het geheel gevormd door het herenkasteel de Rivieren en de omliggende gronden (K.B. 4.10.1983. — Schaarbeek: het geheel gevormd door de Koninklijke Sint-Mariakerk en haar omgeving (K.B. 3.10.1983). — Sint-Lambrechts-Wohiwe: het domein gelegen op de hoek van het Sint-Lambertusplein en de Vootstraat (KB. 24.1.1984).
— Ukkel: het geheel gevormd door de villa „Bloemenwerf, Vanderaeylaan 102, en het omringende park (KB. 3.8.1983). — Ukkel: het geheel gevormd door de Russische orthodoxe kerk en haar omgeving (KB. 24.7.1984). — Watermaal-Bosvoorde: het kasseigedeelte van de Willeriekendreef en de Opperjachtmeesterstraat (KB. 24.1.1984).
Het betreft hier een voor de Brusselse agglomeratie uniek voorbeeld van een monumentaal eclectisch bankinterieur uit die periode, en één der weinige bewaarde realisaties van architect D. De Keyser. Opmerkelijk is de rationele indeling die volkomen beantwoordt aan het bankprogramma, met duidelijke scheiding van publieke en kantoorruimten. Van bij de ingang leidt een lange gang naar de hal met trapzaal en dwars hierop de grote lokettenzaal, in haar middenas verlengd met de kleine lokettenzaal. Beide lokettenzalen zijn duplexruimten verlicht door glaskoepels met
zichtbare gietijzeren structuur, waardoor boeiende doorkijk- en ruimte-effecten ontstaan. De decoratie is hoofdzakelijk gotisch geïnspireerd en plantaardig, een typisch stijlkenmerk van De Keyser, eveneens terug te vinden in de Synagoog aan de Regentschapsstraat (1874) en het gesloopte café Sesino aan de Anspachlaan (1876). Het beschermde interieur maakt deel uit van het project "Uitbreiding Hoofdzetel,, van de Nationale Bank van België, en zal worden ingericht tot "Museum voor Geld en Geschiedenis,,. J. Braeken.
Zichl op het trapgedeelte van het bankinterieur in de Warmoesberg te Brussel.
[13]
VOORLICHTINGS^KKET Wetgeving
MP.KK.n
'
Bestuur voor Monumenten en Landschapszorg
.vlminLsiriHie MXJT Ruimere OöerÉng en UfiniiiKii
VOORLICHTINGSPAKKET
Monumental- e n Landschapszorg
WETGEVING
— Vragen zond
Landschapszorg
/clministrcïie voor Kuimlcli^jc Oniaiing a i Lxxjftnilicu Monumenten- e n Landschapszorg
VRAGEN ROND LANDSCHAPSZORG
m A.iX^Jr} s i i
MiniskTK' v";»! <.ic Vlaamse Gemecnsctep
Vanaf september 1984 is het Voorlichtingspakket '84-'85' beschikbaar. Dit pakket omvat 5 brochures, die hiernaast worden voorgesteld: Hoewel de verschillende brochures afzonderlijk te verkrijgen zijn, werden ze in een speciale map verzameld onder de benaming 'Voorlichtingspakket '84-'85'. Het volledig pakket kan verkregen worden door overschrijving van 250 fr. op rekeningnummer 000-2001776-84 van het Fonds voor Monumenten- en Landschapszorg met vermelding "Voorlichtingspakket'. Het pakket zal nog aangevuld worden met een brochure over Brussel: de beschermde Monumenten en Landschappen, de wetgeving, de procedure...
M e wetteksten met betrekking tot de Monumenten- en Landschapszorg worden in deze brochure opgenomen en dit vanaf 1931 tot nu. Vooraan wordt een schema weergegeven van de toepassingsgebieden van deze wetten en decreten, achteraan kan men een chronologische lijst terugvinden. Te verkrijgen mits overschrijving van 80 fr. op rekeningnummer 000-200177684 van het Fonds voor Monumenten- en Landschapszorg met vermelding 'Wetgeving'.
^ ' - ^ .1 ,
''
MinLsierie van (Ie Vlaamse Gemeensctiap
Gestructureerd zoals de volgende brochure, poogt 'Vragen rond Landschapszorg' een antwoord te geven op vragen als hoe, waarom en wie? In het hoofdstuk 'Wettelijke schikkingen omtrent Landschapszorg, wordt dieper ingegaan op de procedure. (Deze brochure werd als Binnenkrant gepubliceerd in M&L 3/2). Te verkrijgen mits overschrijving van 40 fr. op rekeningnummer 000-200177684 van het Fonds voor Monumenten- en Landschapszorg met vermelding 'Vragen rond Landschapszorg'.
— Vragen rond monumentenzorg
—Restauratie
— 50 jaar beschermingen in Vlaanderen
RESTAURATIE
beginselfn.i lii^ai igs| )ui it< -i i richtlijnen voor het samenstellen van het restauratiedossier
Een fundamentele voorlichtingsbrochure over het hoe, waarom, wie en wat van de Monumentenzorg. Een eerste inzicht aangaande de gehanteerde filosofie, de bescherming, de wetgeving, de restauratie en de subsidiëring. Door het onverwachte succes van deze brochure, is de 1ste uitgave volledig uitgeput. Een tweede herziene druk kan nu verkregen worden; ze telt 16 blz. en is opgeluisterd met didactische tekeningen. (De eerste druk verscheen als Birmenkrant in M&L 1/4). Te bestellen door overschrijving van 40 fr. op rekeningnummer 000-2001776-84 van het Fonds voor Monumenten- en Landschapszorg met vermelding 'Vragen rond Monumentenzorg'.
Naast een algemene inleiding over de Monumentenzorg en de restauratie, wordt aandacht besteed aan de 'richtlijnen bij de voorbereiding en samenstelling van een restauratiedossier van Beschermde Historische Gebouwen'. Achteraan werd een hoofdstuk 'Terminologie' ingelast. In bijlagen kan men terugvingen: 1. het Charter van Venetië; 2. dringende instandhoudingswerken; 3. subsidiepercentages; 4. werken die voor betoelaging in aanmerking komen. (Deze brochure verscheen als birmenkrant in M&L 2/6). Te bestellen door overschrijving van 40 fr. op rekeningnummer 000-200177684 van het Fonds voor Monumenten- en Landschapszorg met vermelding 'Brochure Restauratie'.
Geïllustreerd met talrijke kleurenfoto's geeft deze 16 bladzijden tellende brochure een globaal overzicht van 50 jaar beschermingspolitiek in Vlaanderen. Het verhaal begint met de eerste Monumentenwet (K.B. van 7 augustus 1931: wet op het behoud van de Monumenten en Landschappen) en eindigt in december 1981 ter gelegenheid van de beschermingslijst, die in het najaar '82 werd gepubliceerd. Het is een boeiend verhaal geworden, waarin achtereenvolgens de vooroorlogse periode, de oorlogsjaren, de periode '72 en tenslotte de periode '72-'82 (oprichting van de Rijksdienst) worden aangepakt. De tekst verscheen (dezelfde versie) in M & L, 2de jaargang, nr. 2, p.13 tot 24. In de brochure werd er echter een chronologische, numerieke en typologische overzichtstabel aan toegevoegd. Te verkrijgen mits overschrijving van 50 fr. op rekeningnummer 000-200177684 van het Fonds voor Monumenten- en Landschapszorg met vermelding 'Brochure Beschermingen'.
Leuven, Naamsestraat : het Van 't Sestichcomplex (Tek. : M. Dierickx).
Overlaar, detail van de buitenmuur: kwartsiet met verkiezelde houtfragmenten en wortelsporen. Toelichting bij enkele mineralogische en petrografische termen — textuur: (microscopisch) patroon dat ontstaat uit de combinatie van de vorm en schikking van de samenstellende mineralen van een gesteente. porfierische textuur: grote kristallen liggen ingebed in een fijnkristallijne grondmassa. equigranulaire textuur: alle kristallen hebben min of meer dezelfde afmetingen. — aureool: door vernieuwde groei, waarbij de aangevoerde ionen zich volgens het rooster van een reeds bestaande kristalkorrel rangschikken, ontstaat een groter kristal waarvan de buitenrand of aureool met het nieuw aangegroeide gedeelte overeenstemt (en de kern met de oorspronkelijke korrel). — mica: verzamelnaam van schilferige tot plaatvormige silikaatmineralen. Synoniem: glimmer. Zeer belangrijk gesteentevormend mineraal (hoofdbestanddeel van leisteen en klei). muscoviet: witte glimmer. Het kristalrooster bestaat uit een regelmatige afwisseling van twee laagjes silicium-zuurstof met tussenin een laagje met aluminium omringd door zuurstof en hydroxylgroepen (OH ). De eenheden, bestaande uit drie laagjes, worden onderling aaneengebonden door kalium, sericiet: zeer fijn verdeeld muscoviet. biotiet: zwarte glimmer, bevat meer ijzer en magnesium en minder aluminium dan muscoviet. glauconiet: groen ijzerrijk glimmermineraal, dat meestal voorkomt als kleine afgeronde korrels. Algemeen verbreid in Tertiaire sedimenten en in het Krijt. — chloriet: verzamelnaam voor groene silicaatmineralen met een op mica lijkende gelaagde kristalstructuur. In plaats van kalium wordt een hydroxydelaagje (met als metaalionen magnesium, ijzer en aluminium) aangetroffen tussen de drie-lagige eenheden. Belangrijk bestanddeel van metamorfe gesteenten. — kwarts: gekristalliseerd siliciumdioxyde. Hoofdbestanddeel van zand en zandsteen (cfr. kwartszand gebruikt in de glasindustrie).
— chalcedoon: kwartsvariëteit met uiterst kleine, dikwijls vezelige kristalletjes. — opaal: waterhoudende verbinding van silicium en zuurstof. — veldspaat: verzamelnaam voor silicaten met een aan kwarts verwante structuur, waarin silicium gedeeltelijk door aluminium is vervangen en waarin ook kalium of natrium en calcium voorkomen. Een van de belangrijkste gesteentevormende mineralen. plagioklaas: calcium- en natriumrijke veldspaat. — rutiel*: titaandioxyde; anataas is eveneens een titaandioxyde, doch het vertoont een andere structuur. — kyaniet*: lichtblauw aluminiumsilicaat. Synoniem: distheen. — stauroliet*: bruin ijzer-aluminiumsilicaat. — epidoot*: groen calcium-aluminium-ijzer-silicaat. — toermalijn*: silicaat met ingewikkelde samenstelling en zuilvormige kristallen. — zirkoon*: zirconiumsilicaat. * Deze mineralen worden meestal slechts in zeer geringe hoeveelheden aangetroffen in sedimenten. — silex: uit chalcedoon en opaal bestaand gesteente met grillige knolvormen en glasachtige schelpbreuk. Synoniem: vuursteen. Dikwijls aangetroffen in krijtafzettingen. — silcrete: siliciumrijk gesteente ontstaan door verkiezeling van een sediment dicht bij het aardoppervlak. Bij de andere kiezelgesteenten is de verkitting of vervanging door siliciumdioxyde op grotere diepte gebeurd. — ligniet: overgangsvorm van turf naar steenkool. Synoniem: bruinkool.
* R. Nijs, dr. s e , werkleider bij het laboratorium voor Mineralogie, Petrografie en Micropedologie (dir.: Prof. dr. G. Stoops), Rijksuniversiteit - Gent, Krijgslaan 281 S8, B-9000 Gent. ** G. De Geyter, dr. s e , assistent bij het laboratorium voor Mineralogie, Petrografie en Micropedologie (dir.: Prof. dr. G. Stoops), Ibidem.
M&L
29
Het Rood Kloosterken — een archeologisch vooronderzoek. Dirk Van Eenhooge.
afh. I: Het Rood Kloosterken, vanuit het Zuiden.
Het 'Rood Kloosterken, ligt op de Wortelenberg te Dworp (Beersel) te midden een historisch landschap dat — voorlopig — enkel hier en daar door fermette- en villabouw wordt ontsierd. De bewoningsgeschiedenis van de streek gaat terug tot de prehistorie : enkele losse vondsten wijzen op een bewoning in het Neolithicum, waarschijnlijk op één van de omringende hoogten. Er zijn tevens aanwijzingen dat de huidige dorpskern reeds in de Romeinse periode was bewoond. De vroegste vermelding van de dorpsnaam (Tornepia, Tornepe) vinden we vanaf de 11de-12de eeuw (1). In de tweede helft van de 14de eeuw behoorde de heerlijkheid van Dworp toe aan Jan Van Wittham, drossaart van Brabant; zijn familie bleef aan het hoofd van de heerlijkheid tot in het midden van de 16de eeuw. Van de hierop volgende en regelmatig wisselende eigenaars is enkel Ignatius LeRoy vermeldenswaard, die op het eind van de 17de eeuw het kasteel van Dworp oprichtte. Het Rood Kloosterken is een lemen hoeve in vakwerk, en behoort tot het type van de Brabantse langgevel. De hoeve werd beschermd bij Koninklijk Besluit van 10.11.1975 en is eigendom van 30
M&L
het O.C.M.W.-Brussel. In 1977 werden voorlopige dringende instandhoudingswerken uitgevoerd, naar ontwerp van de Afdeling Architectuur van Monumenten- en Landschapszorg. Het was diezelfde afdeling die, in samenspraak met de eigenaar en met het fel geïnteresseerde gemeentebestuur, het initiatief nam tot een studie met als einddoel de rehabilitatie en restauratie van dit nu verlaten en verwaarloosde monument. Tijdens de opmetingen werd algauw duidelijk dat de hoeve oorspronkelijk een grotere omvang had, en dat enkel een archeologisch onderzoek hier de nodige gegevens kon aanbrengen. Het onderzoek omvatte : archiefonderzoek, een studie van het bestaande gebouw, en de eigenlijke opgraving mét de studie van het opgegraven materiaal.
Archiefonderzoek Het 'Rood Kloosterken' was oorspronkelijk eigendom van het Brusselse Sint-Jansgasthuis, en was als dusdanig één van de talrijke kerkelijke bezittingen in Dworp (2). Tegenwoordig is de hoeve eigendom van het O.C.M.W. van Brussel, waar ook de archieven bewaard worden van de vroegere bezittingen van het gasthuis. Nazicht van dat archief leverde echter geen inlichtingen op aangaande de geschiedenis van het gebouw : het archief omvat enkel een paar huurcontracten voor de gronden nabij de hoeve. Wel bleven vermeldingen van de hoeve bewaard in de archieven van de Schepengriffie van het arrondissement Brussel, en in het archief van de familie d'Anethon-Cornet de Grez. De oudste vermelding - "...bij den Cloisterken, aen die beke commende uit den Oesbroeck...,, (3) dateert uit 1588; latere vermeldingen zijn gedateerd 1608, 1612, 1646, 1665 en 1783. Naar de oorsprong van de naam kunnen we enkel gissen. C. Theys (1948 : p. 55) vermeldt de mogelijkheid dat de hoeve een tijdlang bewoond werd door nonnen van het Sint-Jansgasthuis, zonder hiervoor echter bewijzen aan te brengen. Hij verwijst ook naar een nabijgelegen landerij, het Kloosterveld geheten, en voor het eerst vermeld in 1613. Opmerkelijk is wel dat in al deze documenten de hoeve slechts als 'het kloosterken' wordt aangeduid. Op een kaart, getekend door Theodore de Bry (1528-1598), troffen we echter de plaatsnaam "Royen Clooster,, aan, gelegen ten oosten van 'Beersele' en 'Halsenberg' (Bossu, 1982 : p. 15). Deze plaats wordt in latere kaarten van o.a. Nicolaes Visscher II (1684) (Ibid., p. 17), Carel Allard (1705) (Ibid., p. 135), Johann Baptist Homann (1731) (Ibid., p. 141) en Matthaeus Seutter (eerste helft 18de eeuw) (Ibid., p. 143) als 'Roo' aangeduid, en is te identificeren met het huidige (St.-Genesius-) Rode. Een uitgebreid onderzoek naar de geschiedenis van dit 'Royen Clooster' en de eventuele banden met het 'Rood Kloosterken' in het nabijgelegen Dworp, viel echter buiten de doelstellingen van dit onderzoek. De vroegste afbeelding van de hoeve vonden we terug in de Chaerte figurative van de Goederen geleghen onder
afb. 2: de "Chaerte figurative van de Goederen geleghen onder de prochie van Dworpe,,, 1713.
de prochie van Dworpe, opgemaakt in 1713 (4). De hoeve is er schetsmatig afgebeeld als een langwerpig gebouw onder zadeldak. Gedetailleerde inlichtingen over bouwwijze of aard van het gebouw zijn er echter niet uit op te maken (afb. 2). Een latere grafische bron zijn de kadastrale kaarten, in 1846 gepubliceerd door Ph. Vander Maelen. Uit deze opmetingen blijkt dat het gebouw toen ca. 40 meter lang en 8 meter breed was (5). Het huidige gebouw meet 22,5 bij 8,5 meter. Van groot belang bleken eveneens een aantal tekeningen, plannen en schetsen die R. Lemaire in 1949 van de hoeve maakte.
Onderzoek van het bestaande gebouw Het oude Dworp vertoont een verspreid nederzettingspatroon: de kern en tevens de oudste agglomeratie, is de huidige dorpskom, terwijl meer afgezonderde grote hoeven mettertijd groeipolen werden van secundaire M&L
31
agglomeraties. Tot deze gehuchten behoorden vooral kleinere hoeven, gewoonlijk van het Brabantse langgeveltype. Eén van deze gehuchten is Kitsem, waar het 'Rood Kloosterken' is gelegen. De hoeve vertoont de voor de Brabantse (en Oostlimburgse) langgevel typische scheiding tussen woongedeelte en stalling: een tussengang waarop zowel buitendeuren als de deuren vanuit de beide gedeelten uitgeven, is tegelijk scheiding én verbinding, waardoor de Brabantse langgevel als een overgangsvorm tussen de Kempische en de Westvlaamse langgevels kan worden beschouwd (6). De hoeve is een vakwerkconstructie, staand op een voetmuur van losse veldstenen. De vakken zijn ingevuld met een vlechtwerk, dat met leem is bestreken. Op een paar plaatsen is het onderste gedeelte van de wand versteend. De gebintstijlen (7) van de huisstoel of benedenverdieping (afb. 3) staan op een voetplaat en zijn onderling verbonden door ankerbalken met geprofileerde penuiteinden. Bij enkele gebinten overspant de ankerbalk de hele breedte van de constructie, doch bij het merendeel bestaat de balk uit twee delen, die bevestigd zijn in een gebinttussenstijl, die in dit geval doorloopt tot in de dakstoel. Een tweede gebinttussenstijl ondersteunt dan de ankerbalk. De knopen tussen ankerbalk en stijlen zijn soms verstijfd door korbelen.
De jukken (of kapgebinten) van de dakstoel hebben de vorm van een in verdiepingen uitgevoerd dekbalkjuk (8). De dekbalk die de eerste verdieping overspant, steunt op twee gebogen jukbenen, soms bovendien op tussenstijlen. Op de dekbalk staan opnieuw twee — al dan niet — gebogen jukbenen, die een tweede dekbalk dragen; deze balk is halfhouts verbonden met de nokstijl die door twee schoren wordt verstevigd. Bij enkele gebinten wordt de knoop tussen dekbalk en jukbeen verstijfd door een korbeel. Op het niveau van de eerste verdieping zijn de regels halfhouts verbonden met jukbenen én dakspar; het nokstijlblokkeel is met nokstijlschoren én dakspar verbonden. Het geheel is een vrij hybride compositie, en zoals bij dergelijke bescheiden constructies dikwijls het geval is, een eerder willekeurige combinatie van technieken en vormen die in de loop der eeuwen ontwikkeld werden. In de zijgevels wordt de knoop tussen de stijlen en de gebintplaat meestal verstijfd door korbelen, soms ook door schoren, halfhouts verbonden met de wandregels. De afzonderlijke elementen van dergelijke houtconstructies werden in het atelier van de timmerman klaargemaakt; ten einde bij de opbouw alle onderdelen op de juiste plaats te kunnen monteren, werden de stukken genummerd. Zoals gewoonlijk zijn ook in het 'Rood Kloosterken' de merktekens afgeleid van het Romeinse getallensvsteem. afb. 3: Ihvorp - Itmid k l o o s t e r k e n lliii(li()(' Z.O.(j('V(»l
Miiiumniv.. VOKSn.ll '
\»KS1I.II.S(III«1U_ yilKSII.II.IIUIKhl II jiui'i.A/vr JIIKDIiKIIAIiKii iiiii:i:\ ,njimissi:\sTi.ii,_ I.IIUVM'LAAT I.ICII I M A M i l :il IIAI.K
i.i:iiiviAM<i:iniAMiS(iiiiiiii_ üRBIKTTIISSKNSTML GliBlimTUI i)i:i USTI.IL ii(ivi:M)(tnri;i. XIIKTPLAAT
voriMi ni i;i:vici.iii:(ii:i.s_ TliK I4M> KAPGRHINTl—>DAKfmnth. .(;rBiM—
32
M&L
—>
HIIISSKH:!..
Bij de gebinten (afb. 3) wordt elk element gemerkt met het nummer van het gebint zelf: stijlen, anker- en dekbalken, jukbenen, schoren en korbelen zijn enkel van dit nummer voorzien. Enkel de regels zijn preciezer geïdentificeerd; van links naar rechts dragen zij volgende nummers: 1) nummer van de regel zelf (de nummering begint bij de eerste regel boven de voetplaat en loopt door tot onder de nok); 2) nummer van het gebint, en 3) nummer van het vak (de vakken zijn van links naar rechts genummerd); dit laatste nummer komt enkel voor op de regels van de beneden- en de eerste verdieping. Bovendien worden de elementen die deel uitmaken van de rechterkant van de gebinten nog verder aangeduid door een onderscheidingsteken, nl. een schuine streep toegevoegd aan het nummer van het gebint of vak (9). Soms werden diverse onderscheidingstekens gebruikt om de verschillende wanden en gevels van elkaar te onderscheiden (10), maar hier wordt op alle gebinten hetzelfde teken toegepast. Alle merktekens werden in de balken ingekerfd (afb. 4). De lemen bepleistering van de zijgevels liet niet toe te onderzoeken of ook hier een soortgelijk systeem werd toegepast. Op enkele niet-bepleisterde regels werd een merkteken aangetroffen, uitgevoerd in rood krijt. Deze tekens waren echter nog nauwelijks leesbaar, en te weinig in aantal om een aanduiding te geven van het gebruikte systeem.
Archeologisch onderzoek Aanleiding tot de opgraving Uit het archiefonderzoek was reeds gebleken dat de hoeve, tenminste vanaf de 19de eeuw, groter was dan het huidige bouwvolume; uit de tekeningen van R. Lemaire bleek duidelijk dat in 1949 nog een deel van de noordwestelijke helft van het oorspronkelijke gebouw aanwezig was. Bovendien was het vermoeden dat er ten noordwesten van de hoeve aanpalende constructies hadden gestaan, reeds gerezen tijdens de voorafgaande studie van het gebouw en het omliggende terrein: in de stijlen van de noordwestelijke gevel bevinden zich open pengaten, die overeenkomen met het timmerwerk van de door R. Lemaire opgetekende, nu verdwenen constructie (11); op een kleine afstand van en in het verlengde van het gebouw, bevond zich een stapel ijzerzandsteen, die geïnterpreteerd werd als resten van een constructie. Op grond van al deze elkaar aanvullende aanwijzingen, werd besloten tot een opgraving over te gaan, ten einde te pogen het volledige grondplan van de hoeve te reconstrueren, de bouwgeschiedenis en de datering van het gebouw vast te stellen, en indien mogelijk gegevens of elementen aan te brengen die de restauratie ten goede konden komen.
afb. 4: Ruimte I, ZO-hoek. De hier (en in afb. 6) gebruikte matrix werd besproken in Harris, 1975. Deze laat toe zowel de ruimtelijke als chronologische relaties van alle elementen in de opgraving binnen één getallenschema weer Ie geven: de verbindingslijnen tussen de getallen duiden de ruimtelijke relaties aan, terwijl elk element chronologisch langs de verticale as is geplaatst.
Verloop van de opgraving Gestart werd met het onderzoek van het meest opvallende element, nl. de ijzerzandsteen-stapel ten noordwesten van de hoeve. Van zodra de begroeiing en de aarde waren verwijderd, bleek dat er inderdaad muren aanwezig waren; het interieur van de constructie was volledig met puin gevuld. Na het vrijleggen van de noordwestelijke en noordoostelijke muren, werd in het verlengde van de noordoostelijke muur een proefsleuf geopend, tot dicht tegen de noordoostelijke hoek van het bestaande gebouw. Hier bleek dat de hoeve en de 'ijzerzandsteenconstructie' inderdaad onderling verbonden waren, en dat er dwarsmuren aan weerszijden van deze muur aanwezig waren. Het graven van de proefsleuf werd echter sterk gehinderd door de aanwezigheid van grondwater. Bijgevolg werd besloten het voortzetten van de opgraving te beperken tot het volgen en vrijleggen van de muren, te meer daar in de proefsleuf gebleken was dat ze vlak onder het maaiveld lagen, en dat er tussen de natuurlijke bodem waarop de funderingen staan en het maaiveld, slechts één puinlaag aanwezig was. Toen echter tijdens de zomermaanden het niveau van het grondwater voldoende daalde, werd een grotere oppervlakte volledig vrijgelegd. Dit liet toe de reeds gedane observatie te controleren, en leverde bovendien waardevolle gegevens voor de datering van de opeenvolgende bouwfasen. Beschrijving (zie grondplan, afb. 5). Gezien het verband tussen de bestaande hoeve en de opgegraven muren, is het duidelijk dat deze laatste in feite dwergmuren zijn, die de stoel vormden voor een vakwerkconstructie, identiek aan die van het bestaande gebouw. Al wat overblijft van deze houten structuur zijn de resten van twee voetplaten, aangetroffen waar de opgegraven muren aansluiten bij de huidige noordwestelijke gevel. In totaal werden 6 verschillende ruimtes aangetroffen, waarvan slechts één volledig kon worden vrijgelegd. M&L
33
I) W O It I*
HOOD
KIOOSTI
IIMA
(•I'inidplnii ()|i(jr:iviii<J
limit
1 vuklshi
• •
•11
lialtsh- 'ii arduin
!
IMMIIII ill/of inn •IBIS
,»
l?o
..
!=
mu
afh.
6: Ruimle
doorsnede
Ihvorj) - K(MMI Kloostcrkcii
en
I. ZO-hoek. matrix-analyse.
Uiiiiiitt1 1 - ZiiirtooslrliJUc lutck
lMaii,fl(MH'KiUHlHl en inatrix-aiialjsc doorsiKMlt' \w
_(D HIMISLAU; _®^Mrai.niinni: t _®__iio((i'si.i:ijr _Cl_11ll\T-A,Vi _® Ii BMKWiBE A SLA Ali -©_V7-iviuimii)i:\'i) Z \ \ I I - I . I : I : M _ _©^i)»Mii:iiiiiiij|\i: SMiiLAAi; _® l l l l l l l l i \ ' PAI.iiiN' _@_MIIIIII,IIIIIMTI: '<
.(gLMIIIIt.ltlllMli: 5 _®_n<Hiri:iV n i \ i) in
SAMENVArrGNilli MAIIIIX
ivmii'iiumii: ll<l\li\LAAIi
J)
(loorsiiwlc ab
:ui .>II
MKT IIIKIFSM:I r
,/, •
•
lllilil; VAX WHSVK viiimiiusi iiooii I I I I A M I
(-)
J)
in inn. iniiwpiitiionii IIIIII: 1:1:1»
TWEKlHi Muwnaunnii III:I.I\ in in; Kiaiw I:I<:IISII:
mil «ITJIUMII
lil\'l) IIJIIU lilillW i:
34 M&L
NA'IIIIIRLUKB IIIIIIDM
plan,
Met uitzondering van één binnenmuur (tussen ruimtes 3 en 4), en een late restauratie van de zuidoostelijke muur van ruimte 3, zijn alle muren opgebouwd uit losse veldstenen. De basis ervan ligt op 20 a 30 cm onder het maaiveld, en rust op ijzerhoudende zandleemgrond. Het mag volstaan hier enkel de belangrijkste elementen te beschrijven. Ruimte 1: de noordwestelijke muur wordt in de westhoek onderbroken door een deuropening met arduinen dorpel; een binnenvloer werd op dit niveau niet aangetroffen. Toen ruimte 5 volledig werd vrijgelegd, kon eveneens de zuidoosthoek van ruimte 1 worden onderzocht. Op die plaats werd een put aangetroffen, die ca 40 cm diep in de zandleemgrond was ingegraven (afb. 6). Resten van houten palen langs de putwanden doen vermoeden dat de put met een houten beschoeiing was afgewerkt. Op de bodem van de put bevindt zich een ondiepe geul die uitmondt in een opening onderaan de noordoostelijke muur. Deze geul en de bodem van de put waren bedekt met een dunne donkerbruine sliblaag, die ook buiten ruimte 1 en in ruimte 5 werd aangetroffen. Het lijkt aannemelijk dat we hier staan voor een draineringssysteem waarmee ruimte 1, waarschijnlijk een stal, werd drooggehouden. De put was volledig gevuld met een gemengde aslaag, met een laag puin er bovenop. Het is dus waarschijnlijk dat althans dit deel van de hoeve door brand werd verwoest. Ruimte 2: zowel de afmetingen van deze ruimte als de afwezigheid van een funderingsmuur in de zuidwestelijke zijde, doen vermoeden dat deze ruimte oorspronkelijk als een wagenkot werd gebouwd. De aanwezigheid van een afsluiting en van bomen langs de zuidwestelijke zijde maakten het onmogelijk met zekerheid vast te stellen of deze zijde tijdens een latere bouwfase al dan niet werd dichtgemaakt. Ruimtes 3 & 4: vormden oorspronkelijk misschien één ruimte; de scheidingsmuur tussen beide bestaat uit veldstenen én handgevormde baksteen (27 bij 12 cm / 13 bij 6 cm). De zuidoostelijke muur van ruimte 3 is een late herstelling, uitgevoerd in machinale baksteen (19 bij 9 bij 6 cm), die eveneens terug te vinden is in de versteende gedeelten van de bestaande gevels.
afb. 7: scheidingsmuur tussen ruimte 3 en 4.
Ceramiek Het hier beschreven ceramisch materiaal werd aangetroffen in ruimtes 5 en 6, in de puinlaag die boven het vloerniveau was gelegen. Steengoed Twee bodemfragmenten werden gevonden, één op standvoet (afb. 10, nr. 2), één op een inwaarts gewelfd standvlak (Ibid., nr. 1); daarnaast vond men een grijze scherf, met de buitenzijde bedekt met grijs zoutglazuur. De afwezigheid van een uitgeknepen standring of voet kan op een late datering wijzen. Belangrijker zijn twee kleine fragmenten met grijze scherf, beschilderd met kobaltblauw onder een grijs zoutglazuur, dus in een licht reducerende atmosfeer gebakken. Deze kenmerken wijzen in de richting van het Westerwald (12) als oorsprong van deze ceramiek. Eén van de fragmenten draagt bovendien een versiering in "Knibis„-techniek, dit is een versiering met zigzaglijnen
Ruimte 5: zoals reeds vermeld, werd deze ruimte volledig opgegraven. Langs de zuidoostelijke muur werden enkele vloerstenen (ijzerzandsteen) 'in situ' aangetroffen. In de noordwesthoek werd het onderste gedeelte van een houten ton of emmer blootgelegd; bij het leeghalen van de ton werden enkele aardewerkscherven aangetroffen, evenals een zwaar door roest aangetast ijzeren voorwerp, dat geïdentificeerd werd als een scharnier, zoals nu nog aanwezig op de vensterluiken van de hoeve (afb. 8). De aanwezigheid in deze ruimte van de sliblaag uit de put in ruimte 1 wijst erop dat ruimte 5 reeds in onbruik afb. 8: Resten van houten Ion in Ruimte 5.
M&L
35
afb. IJ: Ceramiek: rood aardewerk mei slihversiering. afb. 10: Ceramiek: steengoed (I en 2) en grijs aardewerk (3).
5 ^L.
\
t
s ^-^-!-; - • • "
n i ï ;i i
V
—
-. •-'«v1'-"!--'^
f
^z
?
v_
i
5 (M
afb. 13: Ceramiek: rood (1) en wil aardewerk (2-5) onder bichroom glazuur.
afb. 12: Ceramiek: rood aardewerk onder monochroom
die met een houten stokje werd aangebracht wanneer de klei na het drogen reeds lederhard is geworden. Deze versieringstechniek werd in het Westerwald hoofdzakelijk in de 18de eeuw toegepast op niet-beschilderd steengoed (13). Zoals op het fragment uit Dworp echter, werd deze techniek soms ook toegepast op steengoed dat wel beschilderd was, en bovendien versierd in de "Red„-
techniek, die erin bestaat zowel omtrekken als tekening van geschilderde figuren in de klei te kerven (14). Deze laatste techniek werd tijdens de 2de helft van de 17de eeuw in het Westerwald ontwikkeld, maar kende in de 18de eeuw reeds een grote verspreiding en werd toen ook door pottenbakkers in Hessen, Sachsen en Schlesien toegepast (15).
36
M&L
glazuur.
Het tweede fragment uit Dworp onderscheidt zich enkel door de "Red„-techniek en de kobaltblauwe beschildering. Beide fragmenten kunnen aan het Westerwald worden toegeschreven en worden gedateerd in de 18de eeuw. Grijs aardewerk In ruimte 5, o.a. in de ton in de noordwesthoek, werden verschillende fragmenten aangetroffen van een pot met (waarschijnlijk) twee verticale handvatten, die heel sterk op steengoed uit het Westerwald lijkt. De doorsnede door de scherf gaat echter van bruingrijs tot zwart, en is bovendien niet verglaasd zoals bij steengoed het geval is, zodat we kunnen aannemen dat de pot een waarschijnlijk lokaal vervaardigde imitatie is van het dure steengoed (16). De pot is versierd met horizontale ribben op de schouder, en horizontale lijnen in kobaltblauw onder een kleurloos loodglazuur, en kan in de 17de-18de eeuw gedateerd worden (afb. 10, nr. 3). Rood aardewerk Een grote schotel op een inwaarts gewelfd standvlak, werd aangetroffen (afb. 11). De versiering, uitgevoerd in een 'gele' slibverf onder een kleurloze loodglazuur, omvat concentrische lijnen op spiegel en zijwand, en een slingervormig motief langs de rand. Een dergelijke slibversiering komt reeds voor vanaf de 14de-15de eeuw, maar deze schotel, eveneens een lokale produktie, dateren we in de 17de-18de eeuw. Fragmenten van een zestal schalen van verschillende afmetingen (afb. 12) behoren tot gewoon gebruiksaardewerk, lokaal vervaardigd in een vormentaal die algemeen verspreid was, en weinig of niet veranderde van de 17de tot de 19de eeuw. Eén van de schalen was voorzien van een korte giettuit die in de rand was uitgeknepen (afb. 12, nr. 3). De schalen zijn enkel aan de binnenzijde bedekt met een loodglazuur : roodbruin (Ibid., nr. 5), donkerbruin (Ibid., nr. 1,4 en 6) of lichtgroen (Ibid., nr. 3). De scherf van deze schalen is licht- tot baksteenrood van kleur. Verder werd nog een fragment van een steelpan gevonden, met de binnenzijde bedekt met een geel, de buitenzijde én de steel met een donkergroen gevlekt loodglazuur. Een roze-rode scherf met grove verschraling verwijst naar een lokale produktie uit de tweede helft van de 18de-eerste helft van de 19de eeuw. Wit aardewerk Van twee fragmenten van een diepe kom met horizontale handvatten, vlak onder de rand geplaatst, draagt de buitenzijde een bruin gevlekt en de binnenzijde een lichtgeel loodglazuur (afb. 13, nr. 4). Een bodemfragment op standring heeft binnenin geelbruin en aan de buitenzijde een lichtgroen loodglazuur (Ibid., nr. 2) Twee fragmenten van een kom met giettuit, in de rand uitgeknepen hebben binnenin een lichtgeel, en aan de buitenzijde een lichtgroen gevlekt loodglazuur (Ibid., nr. 3).
Dit witte aardewerk is waarschijnlijk eveneens een lokale produktie en kan niet vroeger dan in de 2de helft van de 18de eeuw gedateerd worden.
Chronologie De opgegraven constructies vertonen een hoofdzakelijk horizontale stratigrafie: de opeenvolgende fasen liggen gedeeltelijk naast i.p.v. boven elkaar. Bijgevolg waren het voornamelijk de opgegraven voorwerpen (aardewerk, faience, munten,...) die zowel de relatieve als de absolute chronologie hebben bepaald, en die de studie van de onderlinge verhoudingen tussen de opgegraven muren in belangrijke mate hebben aangevuld. Er konden aldus drie bouwperioden worden onderscheiden (afb. 9). Bouwperiode 1 De resultaten van de eerste bouwfase bevinden zich gedeeltelijk onder het bestaande gebouw, en zijn in de opgraving vertegenwoordigd door ruimtes 2, 3 en 4. Van deze laatste twee ruimtes ontbreekt de zuidoostelijke muur, daar de funderingsmuur van de noordwestelijke gevel van het bestaande gebouw tot een latere fase behoort: de muren van de eerste fase werden in lokale zandsteen uitgevoerd, terwijl de funderingsmuur van de huidige noordwestelijke gevel, zoals alle latere muren, uit — eveneens lokale — ijzerzandsteen bestaat. In deze eerste fase was ruimte 2 een wagenkot, terwijl het de noordelijke grens van het gebouw vormde. De muur tussen ruimtes 3 en 4 kan later ingevoegd zijn geweest. Zoals reeds aangeduid, wordt de hoeve voor de eerste maal vermeld in 1588, en beschikken we ook over verschillende vermeldingen in 17de-eeuwse teksten. Bij gebrek aan archeologica die met deze bouwfase kunnen worden geassocieerd, kunnen we echter niet met zekerheid deze eerste fase identificeren met het "Cloisterken,, uit de tweede helft van de 16de eeuw. Wat we wel met meer zekerheid kunnen situeren is de overgang van periode 1 naar periode 2 (die we — cfr infra — in het eerste kwart van de 18de eeuw dateren). Uit het onderlinge stratigrafische verband tussen de funderingen van beide perioden blijkt dat slechts een korte tijdsspanne tussen de verwoesting of afbraak, en de heropbouw van de hoeve kan hebben gelegen. Nu weten we uit historische bronnen dat Dworp op het eind van de 17de eeuw erg te lijden had onder de oorlogen van Louis XIV; vooral tusen 1689 en 1692 werd het dorp meermaals geteisterd door verwoestingen aangericht door de legers van beide kampen (17). Het lijkt dus aannemelijk dat ook het Kloosterken in deze periode verwoest of zwaar beschadigd, maar korte tijd nadien wederopgebouwd werd. M&L
37
Bouwperiode
c) aantal fragmenten van faience en porselein, 2de helft van de 19de tot eerste helft van de 20ste eeuw; d) twee pijpekoppen in witte aarde, 1ste helft van de 19de eeuw.
2
Tijdens deze tweede fase werd het bestaande gebouw opgetrokken, waarschijnlijk grotendeels op de funderingen van de eerste bouwfase. Ruimtes 2, 3 en 4 maakten ook van dit nieuwe gebouw deel uit, en ruimtes 5 en 6 werden aan het grondplan toegevoegd. Deze periode wordt voornamelijk gedateerd door de ceramiek die in ruimtes 5 en 6 werd opgegraven, en aan de 18de-eeuwse produktiecentra kon worden toegeschreven. Relevant is eveneens de aanwezigheid in de constructie van schoren, die volgens J. J. Voskuil (1979: p. 61) hoofdzakelijk van de tweede helft van de 17de tot de 19de eeuw werden aangewend (18). Vermelden we eveneens dat R. Lemaire (1949: blad 1) bij zijn tekening van de hoeve noteerde dat het jaartal "1768 op de haardroei,, was aangeduid. Hiervan werden geen sporen meer aangetroffen. De hoeve zoals afgebeeld op de Chaerte Figurative van 1713, is waarschijnlijk een afspiegeling van deze bouwperiode. Bouwperiode
Samenvatting — Chronologie. Bouwperiode 1: opgericht in de 2de helft van de 16de of de 1ste helft van de 17de eeuw. Bouwperiode 2: heropgebouwd in het laatste kwart van de 17de of het eerste kwart van de 18de eeuw. Bouwperiode 3: uitgebreid in de eerste helft van de 19de eeuw, gedeeltelijk verwoest in het 2de en 3de kwart van de 20ste eeuw.
Conclusies
3
In deze laatste bouwperiode bereikte de hoeve met de toevoeging van ruimte 1 zijn maximale uitbreiding. De totale bebouwde oppervlakte komt overeen met die weergegeven in de atlas Vander Maelen, zodat we kunnen stellen dat reeds in 1846, de datum van publikatie van de atlas, deze laatste uitbreiding plaats had gevonden. Dat we deze bouwperiode inderdaad in de 19de eeuw kunnen dateren, werd bevestigd door een aantal vondsten in de zuidoosthoek van ruimte 1: a) koperen muntstuk met beeltenis en titel van keizer Napoleon III, gedateerd 1855; b) koperen muntstuk met monogram en titel van koning Leopold I. datum onleesbaar:
De resultaten, bekomen dankzij de combinatie van archiefonderzoek, archeologische opgraving en studie van de archeologica, betreffen niet enkel het zuiver archeologische vlak, maar hebben ook rechtstreeks betrekking op de latere restauratie en rehabilitatie van het gebouw. De bevinding dat het gebouw vroeger inderdaad een grotere omvang had, is van groot belang voor het opmaken van de restauratieplannen, daar zij de beschikbare opties aanzienlijk uitbreidt. Vooral het onderscheid dat kon worden gemaakt tussen de verschillende bouwfasen zal toelaten een verantwoorde beslissing te nemen omtrent het te restaureren en/of te reconstrueren bouwvolume. In latere publikaties in M & L zal verder worden ingegaan op het restauratie-ontwerp, waarvoor zoals vermeld niet alleen de eigenaar, maar ook het gemeentebestuur een grote belangstelling aan de dag leggen. 1111 All) \ l I limiMIMM.II
VIISOU I I
I IIIIOMIUH.II:
m-:itsTi:i.i.iM. v \ \
Ihvorp - Hood Klooslcrkcn
i'l \I»| : ;III\I,SMIII H
<s>
IScstaaiul (jclioiiw .v opgruvhuj
Ó
OlltinillVi ItlllMTK i
ui inn HOI urniiuin: mm: I;I:I u
OPHNSrnNG iiKsiAwn (;I;IK>™
nvi:i:iii<: HUI wnjtmiii: IIII.IX mm KKim
VKHIIKIJMi IIIIUI'K
Plan mei nialrix-aiialysc
SA
iHiiisnuiMii IJ.IK u : i m i «
i x i i s i i IHH wmtHim: RIMI Kim: BBini
z. iO ' ^ • t ' t ' -
r 38
9: Bestaand
M&L
gebouw
en opgravingen:
:
:
• ^
j
l
" " ! : ' ' : ^
•©
•
/ afh.
1
plan en
matrix.
'
:
•
• ' ' •
-
•
" '
Voetnoten (1) Een overzicht van de geschiedenis van de plaatsnaam, en de etymologie vindt men in Theys, 194X: pp. 27-8. (2) Vóór al de goederen van geestelijke instellingen door Jozef II. en door de Franse Revolutie, verbeurd werden verklaard, was het SintJansgasthuis slechts één van de vele kerkelijke instellingen die bezittingen hadden in Dworp. Toen een deel van de verbeurd verklaarde bezittingen later terugging naar liefdadige instellingen, bedroegen de bezittingen van het Sint-J^inshospitaal in Dworp nog meer dan 40 ha (Theys, 194S: p. 177). (3) De "Oesbrocck.. is een dal gelegen ten zuidoosten van de hoeve, waar tot vandaag een beek voorbijstroomt. (4) Deze kaart maakt deel uit van de "Charten figurative van de Metinghe der Landen... Competerende den Gasthuyse van St.-Jans in Brussel,.. O.C.M.W.-Brussel, fonds St.-Jan. 50(1), f' 32. (5) Vander Maclen, 1846: p. 367, plan n" 9, perceel 431. (6) Zie Trefois, 1980 voor een bespreking van de verschillende types. (7) De gebruikte terminologie werd overgenomen uit: Stichting, 1973. (8) Trefois C V . (1978: p. 78) ziet hierin een herinnering aan het oude krukgebint, en beschrijft deze vorm als een "gotisch dakgebint,,. (9) Voorbeelden van dit "onderscheidingsteken., zijn vermeld bij Janse-Devlicgher (1963: p. 309-10). (10) Een goed voorbeeld hiervan in Gerner. 1979: p. 58. (11) Lemaire, 1949: blad 3 (afbeelding van zuidwestelijke gevel) en blad 20 (nu verdwenen vak van de noordoostelijke gevel). (12) De benaming "Westerwald., omvat in de 18de eeuw niet enkel de produkties van het Westerwald (nabij Koblenz) zelf, maar eveneens wat vervaardigd werd door pottenbakkers die uit de streek wegtrokken en zich vestigden in soms ver afgelegen plaatsen, waar zij dezelfde technieken verderzetten. Bij de huidige stand van het onderzoek is het vooralsnog moeilijk de produkties uit de verschillende eentra te identificeren. (13) Enkele voorbeelden hiervan in Reiniking-Von Bock, 1976: nrs. 63.3-6, 657. 668-72 en 736-8. (14) Voorbeelden van het samengaan van "Knibis,.-en "Red^technieken. Ibid., nrs. 653. 658-9 en 662-3. (15) Deze techniek had immers het grote voordeel dat het verlopen van
de verfstof tijdens het bakken grotendeels werd tegengegaan door de ingekerfde lijnen rond de figuren. (16) Een vergelijkbare pot, in grijs steengoed met kobaltblauwe beschildering, werd door de auteur aangetroffen tijdens het archeologisch onderzoek van de Hanswijckhoeve te Muizen. (17) Wouters. 1974: p. 469. (18) Deze opmerking slaat op vakwerk in Nederlands Zuid-Limburg, maar Voskuil wijst erop dat de evolutie van deze techniek "...geïnspireerd werd door eenzelfde traditie in een uitgestrekt gebied in Duitsland en België waarmee het in cultureel opzicht één geheel vormde,, (1979: p. 61).
Literatuur Bossu J., Vlaanderen in oude kaarten. Tielt, 1982. Everaert L. & Bouchery J.. Geschiedenis der gemeente Dworp, Antwerpen, 1877. Gèrner M., Fachwerk. Stuttgart, 1979. Harris E.C., The Stratlgraphlc Sequence: a question of time, in World Archeology, 1975, Vol. 7, nr. 1, June, pp. 109-21. Janse H. & Devlieghcr L., Middeleeuwse bekappingen in bet vroegere graafschap Vlaanderen, Brugge, 1963. Lemaire R., schetshladen van "'t Klein Kloosterken,,. MS, gedateerd 8-10-1949. Reineking-Von Bock G., Steinzeug, Köln, 1976. Stichting. De benaming van houtverbindingen en constructieve houten elementen bij oude boerderijen. Publikaties van de Stichting historisch boerderij-onderzoek. Arnhem, 1973. Theys C Geschiedenis van Dworp. Brussel, 1948. Trefois C.V.. Ontwikkelingsgeschiedenis van onze landelijke architectuur. Sint-Niklaas, 1978. Trefois C V . , De plattegrondsvormen van de zg. Frankische boerderijtypen en hun geografische spreiding in ons land. Sint-Niklaas, 1980. Vander Maelen Ph.. Cadastreparcellaire de la Belgique. Brussel, 1846. Voskuil J.J., Van vlechtwerk tot baksteen. Arnhem, 1979. Wouters A., Histoire des environs de Bruxelles. Heruitgave van de editie van 1855, Brussel, 1974.
M&L 39
"In Memoriam - Patrimonium" Jos Vandenbreeden. Voor het Sint-Lukasarchief.
Naar aanleiding van "In Memoriam - Patrimonium,, vroeg de redactie aan het Sint-Lukasarchief om de opzet en de werkwijze van haar twee acties toe te lichten en ze te situeren in de context van de bredere werkwijze van het archief. De hiernavolgende bijdrage geschreven door Jos Vandenbreeden voor het Sint-Lukasarchief, is hiervan de neerslag. Dat deze acties niet zonder gevolg zijn gebleven, blijkt uit de volgende gegevens. Een van de gebouwen, het herenhuis Otlet, is beschermd bij K.B. van 6.5.1984. Het Art-Decogebouw aan de Brugmannlaan is betekend. Voor de woning de Saint-Cyr en het Barricadenplein verleenden de Ministers van Onderwijs hun akkoord tot het inzetten van de beschermingsprocedure; ze worden een dezer dagen betekend. Het gebouw van de "Prévoyance Sociale,, kreeg gunstig advies van de autonome Nederlands- en Franstalige secties van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Voor de overige drie, het kasteel Charle Albert, het hoofdkantoor van "Le Peuple,, en het kasteel Beaulieu, is echter nog zo goed als geen verandering in de situatie gekomen.
40
M&L
De Brusselse Hofberg is opgeruimd. Daarmee verdween voorgoed het laatste deel van dat stuk historisch Brussel waarover men ruim 125 jaar polemieken heeft gevoerd en waarvoor bekende burgemeesters (lees: Charles Buis) zelfs hun mandaat neerlegden (1). Zomaar vanzelf zakte de Hofberg dan toch eindelijk ineen. De huizen erachter (zijde Museumstraat) werden nu van hun ankers, spijkers, stut- en trekbalken ontdaan en hangen reeds veilig op aan de betonskeletten. Hun gevels in herbruikte Spaanse baksteen zullen dat skelet weldra voor altijd verbergen, zodat men over enkele jaren weer ten volle over "authenticiteit., kan praten. Neem nu de Leopoldswijk, ze voerde nog een langere strijd. Ze is toch ook opgeruimd. De fraaiste klassieke herenhuizen werden van de kaart geveegd, soms zelfs na postuum te zijn bekroond (2). Wat overblijft is gewoon bij toeval overeind blijven staan. Het zijn alleenstaande "monumenten,, die dan nog niet eens beschermd zijn (3). Men kan eveneens gaan kijken naar de Grote Zavel, waar de voormalige stapelhuizen van de bekende porseleinfabriek Boch in puin zijn blijven liggen. Honderd jaar geleden citeerde Buis dit pand reeds als te bewaren. Alleen al het monumentale Lodewijk XVl-portaal, dat vandaag nog de "schijn., probeert te redden, is uniek genoeg om samen met de St.-Jacobsgang overeind te blijven en zelfs als monument beschermd te worden. De Brusselse Noordoostwijk (4) is dan weer haar dieptepunt voorbij. Nog net niet opgeruimd. Nochtans ijvert men er reeds 20 jaar om het wereldvermaarde de St.Cyrhuis (5) uit de Art-Nouveau als monument te beschermen. Bijna staat (en vervalt) het alleen tussen de promotorenbouw. Is de plantsoenenaanleg dan geen te beschermen landschap ? (6). De Louizalaan is haast hopeloos verloren. De bekende Horta-herenhuizen (Solvay, Max Hallet) (7) worden ingekaderd door zielige kantoor- en appartementsgebouwen. Men twijfelt aan het behoud van de enige, nog overblijvende hoektoren (hoek Stefaniaplein) (8) die de monumentale Louizalaan haar stedebouwkundig karakter geeft. Sommigen (9) praten over een herstelling van de verbroken symmetrie en halen er dan zelfs beelden bij van de ideale stad van Francesco di Giorgio, alsof een "Palladio,, vandaag nog zijn zegen moet geven over de Louizalaan. Feit is dat er veel te laat aan bescherming werd gedacht, en dat een totaal voorbijgestreefd Bijzonder Plan van Aanleg nog steeds dictaat is.
De woning van kunstschilder de Saint-Cyr, Ambiorixplantsoen 1903 gebouwd in samenwerking met arch. Custave Strauven (foto P. De Prins, Sint-Lukasarchief).
11, in
De woning van Paul Otlet, Livornostraat 48/Florencestraal 13, te Brussel, in 1894 gebouwd door Octave Van Rysselberghe en ingericht door Henry Van De Velde (foto P. De Prins, Sint-Lukasarchief).
Het gezicht van de stad is grondig aangetast tot in haar stedebouwkundige structuur. Nabij de St.-Michielskathedraal werd de laatste overblijvende trapgevel (10) aan het wankelen gebracht en hij stortte in. De beschermingsprocedure was pas ingezet. Uit "veiligheidsoverwegingen,, besliste de Brusselse gemeenteraad ook de rest van het bouwblok te slopen. Zo wiste men de laatste schaalaanduiding uit van de authentieke bebouwing rondom de kathedraal. De Brusselse agglomeratie kent een achterstand (11) op het vlak van monumentenzorg. Zo is het haast niet te M&L
41
geloven dat o.a. het Justitiepaleis, de Koninklijke St.Hubertusgalerijen. het Parlement, de beide Koninklijke Paleizen, de Koninklijke Serres, het Beursgebouw, de Hallepoort, het Kruidtuingebouw enz. enz... nog niet bij Koninklijk Besluit als monument werden beschermd. Voor de overgrote meerderheid werd nog niet eens een beschermingsproeedure ingeleid. Nu lopen deze gebouwen wel geen onmiddellijk gevaar om gesloopt te worden, maar dat neemt niet weg dat zij het statuut van "beschermd monument,, verdienen. Erger is het gesteld met grotere stedebouwkundige gehelen: de "Steenweg.. (12), de O.-L.-V.-ter-Sneeuwwijk, de Koningsstraat, de Vandersehrickstraat enz... Alle Brusselse tuinwijken (Floréal en Le Logis. Kapelleveld. de Moderne Wijk) zijn evenmin als landschap, noch als monument beschermd. Stadsgezichten of stadslandschappen kent men niet in de wetgeving die van toepassing is op Brussel (13). Bekijkt men dan de situatie zuiver stilistisch, dan bekomt men voor wat het 19de- en 2()ste-eeuws patrimonium betreft volgend overzicht:
Merkwaardige en te behouden gebouwen en/of gehelen (14) :
Bij K.B. beschermd als monument of landschap (tot 6/6/84)
Hel Charle Albertkasteel in Watermaal-Bosvoorde (arch. Alben Charle, - neoklassiek patrimonium : 1869), vóór de brand (foto P. De Prins. Sint-Lukasarchief). - neogotiek :
149 11 138 I 11 eclecticisme : 1.982 Hel drukkerijgebouw van het Socialistisch dagblad "Le Peuple,, (arch. - Neo-Vlaamse Renaissance : 364 1 Maxime & Fernand Brunfaut, 1932, kort na de sluiting - Art-Nouveau : 432 24 (foto P. De Prins, Sint-Lukasarchief). - modernisme : 343 7 3.408 55 eenheden
Men zou toch minstens moeten aanvaarden dat voor elk van die representatieve stijlbewegingen uit de 19de en 2()ste eeuw een relatief hoog aantal gebouwen beschermd moet worden in verhouding tot het totaalpakket. Dit is een minimale vereiste. Wij stellen echter vast dat dat vandaag slechts voor een goede 1,5 % (!) van dat patrimonium gebeurd is. Anderzijds werden er in de urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed in 1979 een 35-tal gebouwen en/of gehelen aangeduid als dringend te beschermen omwille van hun unieke waarde, 130 entiteiten werden geciteerd als zeer gedenkwaardig. Uit deze selectie werden respectievelijk een 20-tal en een 60tal entiteiten als monument en/of landschap beschermd. Ook hier is er dus een (grote) achterstand in te lopen. Wanneer men op overheidsniveau nog twijfelt aan de waarde van de in de inventaris opgenomen gebouwen (15). waarvan het beschermingsdossier reeds meerdere jaren in behandeling is, dan wordt het de hoogste tijd om de alarmklok te luiden. O p 6 juni 1983 startte het Sint-Lukasarchief met een jaarlijkse actie i.v.m. de monumentenzorg: "In M e m o riam - Patrimonium, Part I„. 42
M&L
Achtergevel van het Charle Albertkasteel in Watermaal-Bosvoorde, huidige toestand (foto P. De Prins, Sint-Lukasarchief).
Via een persconferentie en een tentoonstelling werd aandacht gevraagd voor vier uitzonderlijk waardevolle gebouwen (16) uit het Brusselse architecturaal patrimonium, die door totaal onverstaanbare overheidsbeslissingen of door een onzekere en al te trage beschermingsprocedure verloren dreigden te gaan (17). Van het wereldvermaarde Art-Nouveaupand aan het Ambiorixplantsoen, ontworpen door architect G. Strauven, werd de beschermingsprocedure voorgesteld in 1964. In 1983 kwam men tot de bevinding dat de hele procedure in feite opnieuw begonnen moest worden, ledereen was ervan overtuigd dat dit pand reeds lang "monument., was. Ondertussen had bouwfysische aftakeling er gedurende die 19 jaar grondig haar werk gedaan. Het Otlet-herenhuis van de architecten Octave Van Rijsselberghe en Henry Van de Velde, is een zeer gaaf bewaard Art-Nouveaupand. De woning werd gebouwd door Mundaneumstichter Paul Otlet; alleen om dit historisch feit reeds zou het gebouw beschermd moeten zijn. Negen jaar lang werd de eindbeslissing uitgesteld, omdat de eigenaars aan sloping dachten. Zeer onlangs verscheen
dan toch uiteindelijk het Koninklijk Besluit voor de bescherming. De tweede fase kan ingeleid worden: welke bestemming kent men toe aan dit pand? Het kasteeltje Charle Albert te Watermaal-Bosvoorde (M&L, 1,2) is het eerste en voor de Brusselse agglomeratie het meest uniek neo-Vlaamse-renaissancegebouw, daterend uit 1869. Reeds in 1880 beschreef de bekende Duitse architect-stedebouwkundige Joseph Stübben dit gebouw als een unicum in de architectuur. Aarzeling tot het aanzetten van de beschermingsprocedure — 5 jaar geleden werd een bescherming voorgesteld — 7 jaar leegstand zonder onderhoud, en verder inbraak, vandalisme en tenslotte brandstichting, hebben voor gevolg dat men vandaag zelfs niet meer geneigd is een Koninklijk Besluit uit te vaardigen. Tevens is de bestemming "residentiële zone,, op het Gewestplan van de Brusselse agglomeratie voldoende aanlokkelijk om dit stuk patrimonium toch nog van de kaart te vegen. Wonen in "riante flats,, aan de rand van het Zoniënwoud is blijkbaar financieel interessanter dan de bewaring van het cultureel erfgoed van de gemeenschap. M&L
43
Het Barricadenplein, te Brussel, in 1824 aangelegd naar het ontwerp van ingenieur J.B. Vifquain (foto P. De Prins, Sint-Lukasarchief). Art-Decoherenhuis Brugmannlaan 384, te Ukkel, in 1928-1930 gebouwd naar het ontwerp van architect Antoine Courtens (foto P. De Prins, Sint-Lukasarchief).
44
M&L
Het Art-Decogebouw aan de Brugmannlaan, ontworpen door architect Antoine Courtens, is op architecturaalhistorisch en documentair vlak zeer belangrijk. Vormentaal en decoratie staan rechtstreeks onder invloed van de architectuur van F.L. Wright (18). Amper één jaar na de publikatie van diens werken in het bekende Nederlandse tijdschrift Wendingen, vertaalde architect Courtens die moderne boodschap in zijn eigen werk.
De bewaring van het patrimonium moet in de toekomst mede verzekerd worden door stedebouwkundige reglementeringen op regionaal en op gemeentelijk vlak. Aan de op te stellen Bijzondere Plannen van Aanleg moeten "Bijzondere Beschermingsplannen,, toegevoegd worden, die garanties zouden moeten kunnen bieden voor de herwaardering van het bouwkundig erfgoed in het kader van een globaal stadsweefsel.
Van 1979, het uitgavejaar van de urgentie-inventaris, tot medio 1983, werden er amper 11 gebouwen of delen van gebouwen ais monument beschermd in de hele Brusselse agglomeratie. In juni 1983 telde ze 148 bij Koninklijk Besluit beschermde monumenten en landschappen. Voor Antwerpen zijn dat er 499, waaronder 8 stadsgezichten; voor Gent 237. waaronder 23 stadsgezichten: voor Brugge 164, waaronder 8 stadsgezichten; en voor Mechelen 105, waaronder 2 stadsgezichten. De toestand was zonder meer dramatisch. Talloze dossiers o.m. opgemaakt door het Sint-Lukasarchief, wachten nog steeds op afhandeling op het hoogste niveau. Na de eerste "In Memoriam„-actie, die in beleidskringen voor de nodige opschudding zorgde, werden er toch pogingen ondernomen om de bescherming van monumenten in Brussel wat te activeren. Sinds januari 1983 werden er 23 monumenten en 8 landschappen bij Koninklijk Besluit beschermd; tevens werd het onderzoek geopend betreffende 16 monumenten en 1 landschap. Tegelijk levert men een bijzondere inspanning op het niveau van de restauratie en valorisatie van het beschermde patrimonium. Het beschermde Martelaarsplein herleeft langzaam, het Concert-Noblegebouw (M&L 2,2) werd gered en zal gerevaloriseerd worden in een nieuwbouw, de befaamde woning Cauchie (M&L 2,6) te Etterbeek wordt gerestaureerd en heringericht, vooral dank zij het enthousiasme van de eigenaar voor dit unieke Art-Nouveauwerk. Het lijdt geen twijfel dat de wettelijke bescherming van monumenten niet de enige en afdoende oplossing biedt voor de vrijwaring van het patrimonium. Nochtans is en blijft het een minimumvoorwaarde voor de merkwaardigste gebouwen en gehelen. Het is echter ook niet steeds voldoende om een monument te bewaren door er nieuw leven in te blazen via een nieuwe bestemming of functie. Sommige gebouwen hebben historisch en documentair een zo grote waarde dat zij — ook indien men ze in de onmiddellijke toekomst geen gepaste bestemming kan geven — toch kost wat kost bewaard moeten blijven voor het nageslacht. Het kasteel Charle Albert te Watermaal-Bosvoorde is daar een voorbeeld van. Zoals de Art-Nouveau ontstaan is te Brussel, zo heeft ook de neo-Vlaamse Renaissance vanuit ons land een zeer grote uitstraling gekend in het buitenland, met name in Groot-Brittannië, in Nederland, in Duitsland en in de Verenigde Staten van Amerika. Alleen documentair gezien is dit reeds interessant. De beschermde en deels functieloze Koninklijke St.-Mariakerk is nog zo een voorbeeld.
Hel kasteel Beaulieu, in Machelen (architect Lucas Faid'herbe, 1654) (Foto P. De Prins, Sint-Lukasarchief). Boven: Detail van een plafond in het kasteel Beaulieu (foto P. De Prins, Sint-Lukasarchief).
M&L
45
%I:^ÊL
Nochtans blijft het Sint-Lukasarchief ijveren voor de bescherming van afzonderlijke gebouwen zolang de achterstand die Brussel op dat vlak heeft opgelopen, niet is ingehaald. Terwijl men dat niveau stilaan zal bereiken, moeten tegelijk pogingen ondernomen worden om het globale stedebouwkundige weefsel van de hoofstad voor verdere aftakeling te behoeden. Het ligt in de bedoeling van het Sint-Lukasarchief om een nieuwe urgentie-inventaris op te stellen van de belangrijke stedebouwkundige gehelen en homogene entiteiten in de Brusselse agglomeratie. Zo zal men tegelijk punctueel en globaal een overzicht hebben van het bouwkundig erfgoed, zodat men het beleid op het vlak van monumentenzorg en stedebouw in het algemeen ook daarop kan afstemmen. De beschermde monumenten zullen altijd de pilootpanden blijven in deze zones. Op 6 juni 1984 stelde het Sint-Lukasarchief opnieuw 4 merkwaardige patrimoniumelementen aan de publieke opinie voor: Het gebouw van de "Prévoyance Sociale,, aan het Luchtvaartplantsoen in Anderlecht was tot na de voltooiing in 1957 van de P.S.-hoogbouw aan de Kruidtuin in gebruik. Het gelijkvloerse interieur en een deel van de kantoren op de verdieping werden in 1930-1932 door de architecten Fernand en Maxime Brunfaut heringericht. Het is één van de merkwaardigste modernistische kantoorinterieurs uit heel de Brusselse agglomeratie. Zelden zal men nog zo een gaaf bewaard geheel aantreffen. Tot en met de authentieke buismeubelcn zijn er nog intact aanwezig. Het voormalig hoofdkantoor van "Le Peuple,, in de St.Laureinsstraat te Brussel, (M&L 1,5) is een ontwerp van dezelfde architecten uit de periode 1931-1932. Het gebouw is zwaar verwaarloosd. Toch zou het omwille van zijn exemplarische waarde bewaard moeten blijven. Het is verbazingwekkend om na te gaan hoe de socialistische beweging in het verleden — van het Volkshuis en de coöperatieve gebouwen ontworpen door Horta, via de gebouwen van "Vooruit,, in Gent, "Le Peuple,, en de "Prévoyance Sociale,, van de architectenfamilie Brunfaut in Brussel tot de coöperatieve "S.E.O.,, van Gaston Eysselinck in Oostende - steeds een modern en modernistisch imago in haar architectuur heeft hooggehouden. Het is des te spijtiger om t^.' zien hoe, zelfs na de miserabele strijd om het behoud van het Volkshuis, de erfgenamen van diezelfde socialistische beweging hun modernistisch patrimonium thans blijven negeren, laten aftakelen en afzweren ten gunste van nietszeggende rentabiliteitsarchitectuur. Het derde element dat het Sint-Lukasarchief voorstelde was het Barricadenplein, ontworpen door ir. J.B. Vifquain in 1824. Als plein aangrenzend aan de nieuwe ringlaan rond de stad, is dit een vrij gaaf gebleven voorbeeld van uitermate versoberd neoclassicisme. Niet de architectuur op zich staat hier centraal, maar het dienende karakter van die architectuur in een stedebouwkundig to taaiconcept. Hier is de bescherming van dit geheel niet voldoende, maar zouden de stedebouwkundige reglementeringen die ooit werden opgesteld voor de realisatie
van dit plein, opnieuw in voege moeten worden gesteld. De uniformiteit van het geheel van afzonderlijke gevels is totaal doorbroken. Als men enkel nog maar de egale kleurbehandeling zou herstellen, dan zou men in het geheel van de O.-L.-V.-ter-Sneeuwwijk een zeer mooi rustpunt kunnen creëren. Het 17de-eeuwse kasteel Beaulieu te Machelen, toegeschreven aan architect Lucas Faid'Herbe, loopt in zijn actuele lijdensweg grotendeels gelijk met het I9de-eeuwse kasteel Charle Albert. Recente pogingen tot brandstichting, diefstallen, vandalisme, verregaande aftakeling, worden niet gestuit door het feit dat het gebouw reeds van 1950 af een bij Koninklijk Besluit beschermd monument is. De monumentale toegangspoort is gestolen, het interieur werd leeggehaald, lambrizeringen, schouwen, parketvloeren zijn vernield, en als het voor ons land unieke Herculesplafond (19) nog bestaat, is het enkel omdat het te hoog hangt om het uit te breken, maar net niet hoog genoeg om met stenen bestookt te worden. Zelfs als men respect heeft voor een I7de-eeuws schilderij, en industrieel vervaardigde produkten zoals stalen buismeubilair, auto's en gebruiksvoorwerpen naar hun waarde weet te schatten, biedt dit nog geen garantie dat
(boven en links) Art-Decoherenhuis Brugmannlaan 384, le Ukkel (arch. Anloine Courtens, 1928-1930) (foto P. De Prins, Sint-Lukasarchief).
M&L
47
E'
1 1
JU sM'
s 1; BI J u• I •Mtai
Lokettenzaal van de "Prévoyance Sociale,,, architecten Maxime & Fernand Brunfaut, 1930 (foto P. De Prins, Sint-Lukasarchief).
de historische gebouwen, en zeker de gebouwen uit de modernistische periode, met dezelfde gevoelens bejegend worden. Acht "monumenten-in-wording„ werden door het SintLukasarchief aan het publiek voorgesteld. Eén ervan, het herenhuis Otlet, is nu pas wettelijk beschermd. Er moet nog zeer hard gewerkt worden op het vlak van de bescherming in Brussel. Maar dat alleen kan niet volstaan. Tegelijk moet de revalorisatie van het stedebouwkundig weefsel op gang gebracht worden; tegelijk moet de theorie over de rehabilitatie van oude gebouwen effectief in de praktijk worden omgezet. Hen stad als Brussel heeft haar eigen geschiedenis. Die moet zichtbaar en verstaanbaar blijven doorheen de hedendaagse ingrepen. Moderne architectuurbewegingen zijn voldoende ruim om ook de oude architectuur onder de arm te nemen. Zij zouden er samen bij winnen.
LE PEUPLE EN
19 3 2
LA NOUVELLE FACADE DU " PEUPLE " Farnand at Mulma BRUNFAUT MM.MarquabraucqalDurbMq
Hel drukkerijgebouw van hel dagblad "Le Peuple,, bij de openslelling in 1932. Voelnolen. ( I ) " A l s het waar is dat het schilderachtige resulteert uil bepaalde contrasteffecten, uit het accentueren van bepaalde vormen die statigheid oproepen, uit het perfecte inspelen op plaatselijke situaties, uit het onverwachte dat onze nieuwsgierigheid oproept en onze indrukken verrijkt, dan kan men zeggen dat deze lange, kronkelende weg. met al zijn sporen van de generaties die hier eeuwenlang door zijn gelopen. voor onze stad een element van schoonheid is en een vitale ader die dodelijk gekwetst zal worden als men hem zou ombouwen... Buis. C h . . Eslhélique des villes. Esleliek der sleden. City aesthetics. St.Lukasdossicr 3-1981, uitgave St.-Lukasstiehting, Brussel. 1981. p. 21.
50 M & L
(2) Frijs " D e Gulden Slopershamer., uitgereikt door het "Brussels Centrum voor Hedendaagse Archeologie., op 29 september 1982 voor het herenhuis A l l a r d . Guimardstraat 8. (3) Enkele merkwaardige afgebroken herenhuizen in de Leopoldswijk: — Brussel. Guimardstraat. hoek Kunstlaan. herenhuis Blommaert. 1850. architect J.P. Cluysenaar. — Brussel. Kunstlaan, herenhuis Goethals. 1846. architect J.P. Cluysenaar. — Brussel. Guimardstraat 6-8. hoek Handelsstraat. 1851. Nog bestaande merkwaardige gebouwen in de Leopoldswijk: — Brussel. Wetenschapsstraat 33, voormalig palcis van de markies d'Asschc (nu Raad van State). 1858. architect A . Balat. — Brussel. Guimardstraat 18. hoek Nijverheidsstraat. 1851. architect F. Derre. (4) Aanlegplan van de Noordoostwijk. 1875. architect Gédéon Bordiau. (5) Voormalige woning de Saint-Cyr. Brussel. Ambiorixplantsoen 11, 1903. architect Gustave Strauven. (6) In 1975 introduceerde het Sint-Lukasarchief een dossier voor bescherming van de Noordoostwijk met afbakening van het landschap en aanduiding van de te beschermen panden. (7) Herenhuis Max Hallct. beschermd bij K.B. 16.10.1975. Herenhuis Solvay. beschermd bij K.B. 7.4.1977. (8) Hoekgebouw Stcfaniaplein, 1873. architect Henri Maquet. afgebroken in 1978-79. Het nieuwe hoekgebouw werd in 1979 ontworpen door architect André Jacqmain (Atelier d'Architecture et d'Urbanisme de Genval) (9) Witboek. Losse bedenkingen ter attentie van ... (onuitgegeven) 1984. pp. 17-18. (10) Brussel. Farochiaanstraat 33. (11) "Overigens bevestig ik dat het mijn doelstelling is de achterstand inzake bescherming van monumenten, die te Brussel is opgelopen, zo spoedig mogelijk ongedaan te maken... Brief Minister D. Coens aan het Sint-Lukasarchief op 22.6.1983 i.v.m. de actie " I n Memoriam-Fatrimonium. Fart I,.. (12) "Bruxelles possède quelqucs artères anciennes d'un tracé tres artistique et que je considère comme des Monuments; une des plus remarquables est le Marché aux-Foulets(...). La destruction du earactère ancien des rues doit etre considL;rce comme un acte de vandalisme cxactement au même titre que la demolition des monuments du moyen age et leur remplacement par des constructions cubiques qui nous déplaisent lant aujourd'hui... Bcyaert. f t . . Le tracé des votes publiques, in I'Emulation, nr. 2. 1877, kol. 7-11. (13) Wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen. (14) Stilistische telling op basis van de urgentie-inventaris uitgevoerd door R. Verhelpen, Brussel, 1984. (15) Kasteel Charle A l b e r t , 1869. architect Albert Charle: " E r hat sieh hier eine zugleich launige und luxuriösc Villa errichtct. die an malerischer Gruppierung. an dem vielerlei der Materialien und Motive, an Individualitat und Originalitat ein Unicum sein dürlte... Stübben, J.. Architectonische Reise in Belgiën, Aachen. 1880, p. 75-76. (16) Huis de St.-Cyr. kasteel Charle A l b e r t , herenhuis Otlet, A r t Decowoning Brugmannlaan te U k k e l . (17) Andere voorbeelden met vermelding van het tijdsverloop tussen het indienen van het voorstel en de definitieve bescherming zijn o.m.: — Warenhuis Old England, Hotberg 2, Brussel. architect Faul Saintenoy, 1899: 13 jaar, nog steeds niet beschermd als monument. — Fontainashof. St.-Gillis, architect Trappeniers, 1867: 13 jaar. — Voormalige kliniek D r . Van Neek. Walelaertsstraat 53, St.-Gillis, architect A . Fompe, 1910: 12 jaar. — huis Ciambcrlani, Defacqzstraat 48, Eisene, architect F. Hankar, 1897 : 12 jaar. — Juwelierszaak Woliers. Arenbergstraat 11/13, Brussel, architect V . H o r l a . 1909: 8 jaar. — Villa Bloemenwerf. Vanderaeylaan 102, U k k e l . architect H . Van deVelde. 1895: 8 jaar. (18) — Illinois. Unity Church. 1906 — Barnsdall house. Hollywood. California. 1920. (19) Herculesplafond, ontwerp van Jan-Christian Hansche naar tekeningen van Karel Kort en volgens schilderijen van Frans Floris.
7 ?
Inkomdeur van het "Prévoyance Sociale „-gebouw op het Luchtvaartplantsoen in Anderlecht (arch. Maxime & Fernand Brunfaut, 1930) (foto P. De Prins, Sint-Lukasarchief).
Summary The summary of the entire contribution will be inserted in the next issue of our periodical, where the sequel to this first part will be published. The Quartzite of Tienen. Petrographic Characteristics and Use as Building Stone. Due to the technical, economical and political circumstances of former centuries, Belgium had to obtain most of its building stones from nearby deposits in order to meet the increasing urbanization of its densely populated grounds. Those areas which were hardly opened up by waterways, had to do with the hard natural stones found on the spot or in the immediate surroundings. One of those, the quartzite of Tienen, is one of the most important natural building stones of the Gete-river basin. Authentic deposits of this stone in situ have become scarce. In Romanesque and early Gothic times it played a historical role in the architecture of the Gete-river. Tienen was the absolute centre of its occurrence. Outside Tienen it was rarely used or predominated by other, more widely spread buiding stones. It is a stone of an exceptional quality, almost untouched even by industrially polluted air. The petrographic study reveals that the quartzite of Tienen can be distinguished from other Belgian natural building stones by its great hardness, its high Si02 content, its predominant quartzitic texture and by the absence of glauconite and chlorite minerals. In contrast to the quartzites of the Belgian Hainaut province and of Northern France, the quartzite of Tienen often contains plant roots and sometimes fragments of silicified wood. Finally, the petrographic characteristics of the quartzite of Tienen are closely related to those of the quartzites of Wommersom and Avebury (South England), which were used in prehistoric times. Lately the geographical approach of natural building stones has gained importance in view of the successful and justifiable restoration of old monuments. The technical aspects, like porosity measurements and piezo-resistance definitions, are important. But the minerological-petrographic structure of the stone accounting for its exterior macroscopic characteristics, is equally indispensable, the more as a thrustworthy identification of unknown and weathered material is possible only by way of a sedimentological and petrographic approach. The "Rood Kloosterken,, (red monastery) — A Archaeological Inquiry.
Preliminary
The "Rood Kloosterken,, at Dworp (Province of Brabant) is situated in a historic site, the occupation history of which dates back to prehistoric times. This farmstead has been protected by the 10.11.1975 Royal Enactment. In 1977 urgent works of upkeep have been carried out in order to prevent further dilapidation. A thorough archaeological inquiry has been organized by the section Architecture of our Administration, the Municipal Authorities and the proprietor, in view of a justifiable rehabilitation and restoration. The "Rood Kloosterken,, belonged to the church properties of Dworp. It is a typical Brabantine farmstead in wattle and daub, of an oblong type with a division between the farmhouse and the stables. The wooden roof construction (fig. 3) is a hybrid composition combining several techniques and forms out of different centuries. As suchlike constructions were often made in the carpenter's workshop, the separate constituents were marked in order to facilitate the construction in situ. Several marks can still be found on the beams (fig. 3,4). The many indications that referred to alterations in the building history of the "Rood Kloosterken,, led to the excavation plans. One started with a heap of ferrous sandstone at the northeast of the farm. The construction found here was once connected with the farm (fig. 5). The entire farm must have had six rooms: the first one was a stable with in its southeastern corner a pit of 40 cm deep (fig. 6). The second one was the cart-shed. Rooms 3 and 4 might have constituted one space; room 5 was the only one to be completely 52 M&L
excavated. The lower part of a wooden barrel was found here (fig. 8). Ceramics were found in rooms 5 and 6, in the layer of rubble above the floor-level. One can distinguish earthenware (fig. 10, no 1 and 2), grey pottery (fig. 10, no 3), red pottery (fig. 11, 12) and white pottery (fig. 13 no 2, 3, 4, 5). On the basis of these founds, one arrived at an approximate chronology of the building history of the "Rood Kloosterken,.. The buildings of the first period, dated in the 2nd half of the 16th - 1st half of the 17th century, must have been situated partly under the existing construction (rooms 2, 3 and 4). In the second period — dated in the last quarter of the 17th - first quarter of the 18th century — the existing buildings were erected, mostly on the foundations out of the first period. Rooms 5 and 6 were added to the ground-plan. In a third stage the farm reached its utmost size. The extension is situated in the first half of the 19th century, the partial destructions in the 2nd and 3rd quarter of our century. The results of the archival inquiries, the archaeological excavations and the study of the finds, bear importance to the rehabilitation and restoration plans of this unique farmstead. Especially the building periods may influence the options for either restoring or reconstructing parts of the complex. The further evolution of the "Rood Kloosterken,, will be dealt with in one of our next issues. "In Memoriam - Patrimonium,, The procedure in Brussels for protecting monuments and sites seems to encounter more difficulties than in Flanders. Only 148 monuments and sites were legally protected in 1983, which is a rather low number compared to 499 in Antwerp and 237 in Ghent. Numerous unique buildings like the Royal Palaces, the Royal Greenhouses, the Palace of Justice, the Houses of Parliament... have not yet been protected. But neither have the typical garden suburbs and urban ensembles. As the protection of a building or site is a first condition for its saveguarding, Brussels has been confronted with the disappearance or irrevocable mutilation of many typical buildings and urban sites. The "Sint-Lukasarchief,, of Brussels tries hard to run counter to this general tendency by means of specific actions called "In Memoriam - Patrimonium,,. On 6 June 1983 there was a press conference and an exhibition organized with regard to 4 buildings: the Art Nouveau house de Saint-Cyr on the Ambiorixplantsoen, designed by G. Strauven; the Otlet house by Octave Van Rysselberghe and Henry Van de Velde; the castle at Watermaal-Bosvoorde by Charle Albert; the Art Deco house in the Brugmannlaan by A. Courtens. This first campaign turned out to be successful already: the Otlet house has been protected by now; 23 other monuments and 8 sites have been protected since January 1983; the inquiry procedure has been started for still 16 other monuments and 1 site. These encouraging results led to a second campaign one year later, on 6 June 1984. The action was now concentrated on 4 other buildings: the "Prévoyance Sociale,, on the Luchtvaartplantsoen at Anderlecht and the head-office of "Le Peuple,, in the SintLaureinsstraat, both buildings by F. and M. Brunfaut; the Barricadenplein designed by J.B. Vifquain and finally Beaulieu castle at Machelen by L. Faid'Herbe. The balance of the actions at present is thus: the Otlet house has been protected by the 6 May 1984 Enactment; the Art Deco building on the Brugmannlaan has been notified and its protection is to follow real soon; the protection procedure will be started for the house de Saint-Cyr and the Barricadenplein; the "Prévoyance Sociale,, has got a favorable advice by the autonomous Dutch and French-speaking section of the Royal Committee for Monuments and Sites. The situation of Charle Albert Castle, Beaulieu Castle and the head-office of "Le Peuple,, has not yet ameliorated. The "Sint-Lukasarchief,, considers an adequate urban regulation indispensible for saveguarding the architectural heritage in Brussels. Notwithstanding this conviction its immediate efforts remain as yet focused on the individual monuments in the first place.
Bent u er zeker van dat er in uw familie- of vriendenkring geen mensen zijn, die graag zouden willen kennismaken met M&L ? Indien u negatief op deze vraag dient te antwoorden, gelieve ons dan de adressen van deze familieleden of vrienden door te geven. Dit kan door een gewoon briefkaartje of door het invullen van onderstaande bon. Wij sturen hen een gratis proefnummer op. Mochten zij zich abonneren - een stille, gekoesterde hoop - dan ontvangt u voor de bewezen dienst een set van 6 M&L-postkaarten, waarvan u er vier op volgende bladzijden kan bewonderen.
Naam: Adres: wenst dat volgende personen een gratis proefnummer ontvangen : Naam; Adres: Naam: Adres: Naam: Adres: Indien vernoemde personen zich zouden abonneren, verplichten we er ons toe u een set van 6 M&L-postkaarten te laten geworden. Terug te sturen naar L. Tack, M&L-redactie (7e verd), Belhardstraat 14-18, 1040 Brussel
M&L
53
Interieur van de O.-L.-Vrouwekerk
te Mechelen (foto G. Charlier)
ijH /
fe
ü
\
i
k
1 ëCto.' -
^^^^^^ ^ >
^^ï&,
H
1^iM HZ -.V..
>[Ti.
4'] ISlilfisi 'flSB
i^?
1 -T-
Ir i
Boerenhuis te Adinkerke (foto P. Somers).
j
ff
^ii^m^^ -A
Afgesneden Demermeander (foto G. Charlier).
Keukeninterieur van het Karmelietessenklooster te Antwerpen (foto P. Somers).
Doe een M&L-jaarabonnement cadeau
Bovendien houdt M&L voor de milde schenker een present in petto : U betaalt 720 fr. en ontvangt van ons een 50 x 70 kleurenposter van de St. Karelsmolen te Houtem.
Naam: Adres:
D wenst een abonnement te schenken aan : Naam: Adres: Ik stort 720 fr. op rek. nr. 000-2001776-84 van het Fonds voor Monumenten- en Landschapszorg. Na storting ontvang ik de kleurenposter. Datum: Terug te sturen naar M&L-redactie, Belliardstraat 14-18, 1040 Brussel.
Handtekening:
OUDE KERK DOOR EN DOOR GESCHEURD. SCHADE GENOEG OM HET GEHELE KUNSTWERK VOLLEDIG TE SLOPEN EN TERUG OP TE BOUWEN.
foto: O.L V. Kathedraal van Antwerpen
Slopen hoeft niet: N.V. E.C.C, restaureert oude metselwerken, houten balken, natuursteen, beton, enz... Lost extreme problemen probleemloos op. En brengt tevens het herstelde op zijn oorspronkelijke sterkte terug. Zonder hak- en breekwerk. Snel en zeker.
NEEM LIEVER DE TELEFOON EN BEL N.V. E.C.C. 03-828.94.95 (5 L.) N.V. E.C.C. Terbekehofdreef 50-52 - 2610 Wilrijk Tel. 03/828.94.95 (5 I.) - Telex 73332 ECC