Uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/150
Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2022/150
DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur
Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Op 1 april 2022 diende xxx (hierna: verzoeker) een verzoek in bij de stad Herentals tot het verkrijgen van een afschrift van de dagvaarding ingediend door xxx bij de rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout betreffende een “schadeclaim m.b.t. de onmogelijkheid tot ontwikkeling van een grond gelegen tussen xxx (dagvaarding van maart 2012).” Op 21 april 2022 nam de stad Herentals een weigeringsbeslissing betreffende dit verzoek. Op 4 mei 2022 stelde verzoeker beroep in bij de beroepsinstantie openbaarheid van bestuur tegen vermelde weigeringsbeslissing van de stad Herentals. Op 5 mei 2022 werd dit beroep geregistreerd door de beroepsinstantie. Ontvankelijkheid van het beroep Het oorspronkelijke verzoek dateert van 1 april 2022.
www.vlaanderen.be
De weigeringsbeslissing van de stad Herentals dateert van 21 april 2022. Deze beslissing maakt melding van de beroepsmogelijkheden en -modaliteiten, zoals voorgeschreven in artikel II.43, §1, derde lid van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 (verder ‘Bestuursdecreet’). Op 4 mei 2022 diende verzoeker beroep in tegen vermelde weigeringsbeslissing. Het ingediende beroep is bijgevolg tijdig ingediend en is ontvankelijk. Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.
1.
Oorspronkelijk verzoekschrift
In het oorspronkelijke verzoekschrift van 1 april 2022 vroeg verzoeker aan de stad Herentals een afschrift van de dagvaarding ingediend door xxx bij de rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout betreffende een “schadeclaim m.b.t. de onmogelijkheid tot ontwikkeling van een grond gelegen tussen xxx (dagvaarding van maart 2012).”
2. Bestreden antwoord In haar antwoord van 21 april 2022 weigert de stad Herentals om in te gaan op vermeld verzoek. Deze weigering werd gesteund op de uitzondering in het Bestuursdecreet over de burgerlijke rechtspleging (artikel II.35, 4° van het Bestuursdecreet). De stad Herentals argumenteert dat de burgerlijke procedure die uit deze dagvaarding gevolgd is, nog niet beëindigd is: “De procedure ligt al lange tijd stil doordat het
vonnis in deze procedure niet betekend werd. Dit gebrek aan betekening was bedoeld om de partijen aan tafel te krijgen om een oplossing uit te werken voor het geschil. Deze oplossing is na jaren overleg met de grondeigenaars tot stand gekomen en houdt grosso modo in dat de realisatie in verschillende fases en volgens bepaalde modaliteiten gebeurt. Op dit ogenblik bevinden we ons in de eerste fase van de bebouwing. Er wordt gewerkt aan de tweede fase via realisatie van een RUP voor de ontwikkeling. Deze overlegde oplossing kan echter nog altijd mislukken door interne en externe factoren waardoor de grondeigenaars de juridische procedure in beroep kunnen activeren. Door de openbaarmaking van de dagvaarding of andere stukken van de procedure kan de strategie van de stad in deze procedure openbaar bekend geraken en zouden de kansen op slagen van de stad in beroep en dus de kans op een eerlijk proces geschaad kunnen worden. Daarom wordt de dagvaarding niet vrij gegeven.” 3. Voorwerp van het beroepschrift Via het indienen van het beroepschrift van 4 mei 2022 wenst verzoeker alsnog een de gevraagde dagvaarding te verkrijgen. Dit vormt het voorwerp van het voorliggende beroep.
4. Standpunt van de stad Herentals
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/150
pagina 2 van 7
Om met kennis van zaken over het beroep te kunnen oordelen, heeft de beroepsinstantie op 5 mei 2022 contact opgenomen met de stad Herentals teneinde de betrokken dagvaarding alsook wat meer duiding betreffende dit dossier te verkrijgen. Op 18 mei 2022 heeft de stad Herentals geantwoord aan de beroepsinstantie. Daarbij motiveert de stad haar weigering nagenoeg op dezelfde wijze als in haar antwoord d.d. 21 april 2022 aan verzoeker:
“De stad heeft de vraag van xxx voor een afschrift van de dagvaarding geweigerd omdat de dagvaarding betrekking heeft op een procedure voor de rechtbank van eerste aanleg over een vordering tot schadevergoeding. De procedure is ingesteld door de eigenaars van de site waarop momenteel een aanvraag tot verkaveling is ingediend. In de procedure is een vonnis geveld. Dit vonnis is nooit betekend, zodat een beroep tegen dit vonnis nog altijd mogelijk is. In een beroepsprocedure oordeelt de rechter opnieuw volledig ten gronde over de vordering. Nadat het vonnis geveld werd, is tussen de procespartijen, namelijk de stad en de grondeigenaars, overleg gepleegd om tot een oplossing voor het betrokken geschil te komen. De grondeigenaars hebben het vonnis niet betekend om tot een minnelijke oplossing te komen. Als er geen oplossing komt, kunnen de grondeigenaars betekenen en wordt de procedure verder gezet. Na jaren overleg met de grondeigenaars is afgesproken dat de ontwikkeling van de site in verschillende fases en volgens bepaalde modaliteiten zal verlopen. Op dit ogenblik bevinden we ons in de eerste fase van de verkavelingsaanvraag. Er wordt gewerkt aan de tweede fase via realisatie van een RUP voor de ontwikkeling. Deze overlegde oplossing kan echter nog altijd mislukken door interne en externe factoren waardoor de grondeigenaars de juridische procedure in beroep kunnen activeren. De stad en de grondeigenaars van de site waarop nu een verkavelingsaanvraag loopt zijn de procespartijen. De aanvrager van de openbaarheid is niet betrokken in de procedure. De stad wil zijn kansen op een eerlijk verloop van het proces vrijwaren. Het beginsel van de wapengelijkheid is inherent aan het verloop op een eerlijk proces. Dit kan enkel als de stukken en argumenten die in de burgerlijke procedure tussen de stad en de grondeigenaars uitgewisseld worden, de ene partij niet tegen de andere partij benadeelt. Door de openbaarmaking van de dagvaarding of andere stukken van het proces, worden de argumenten van de stad openbaar en wordt het proces in de openbaarheid gevoerd en niet tussen de partijen. De stad is als lokaal bestuur actief als behoeder van het algemeen en gemeentelijk belang. In die hoedanigheid is haar handelen onderhevig aan het publiek debat en heeft dit debat invloed op haar handelen. Doordat de intenties, argumenten en handelingen van de stad in de burgerlijke procedure openbaar worden en openbaar gevoerd worden, kunnen de grondeigenaars als tegenpartij de strategie en intenties van de stad in het openbaar debat volgen. Hierdoor zijn ze bevoorrecht als procespartij en heeft de stad een ongelijke kans om haar argumenten te uiten en de procedure te winnen. Daarom weegt de openbaarheid van het gevraagde bestuursdocument niet op tegen de uitzondering van het voeren van een eerlijk proces door de stad.” Het komt thans aan de beroepsinstantie toe om te oordelen over het beroep.
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/150
pagina 3 van 7
5. Beoordeling door de beroepsinstantie De stad Herentals beroept zich op artikel II.35, 4° van het Bestuursdecreet om de openbaarheid te weigeren. Aangezien de dagvaarding betrekking heeft op een verkavelingsproject van meerdere hectaren groot, is de beroepsinstantie van oordeel dat het in casu gaat over milieu-informatie, temeer daar informatie inzake ruimtelijke ordening in beginsel als milieu-informatie dient te worden beschouwd. Aldus dient de weigeringsgrond van artikel II.36, §1, tweede lid, 8° van het Bestuursdecreet te worden onderzocht, die gelijkluidend is als de weigeringsgrond van artikel II. 35, 4° van het Bestuursdecreet. Beide uitzonderingen op het principe van openbaarheid van bestuur zijn overigens relatieve uitzonderingsgronden, dit wil zeggen dat zij enkel van toepassing kunnen zijn indien een belangenafweging heeft plaatsgevonden tussen het belang van de openbaarheid van bestuur en het belang dat wordt beschermd met de betrokken uitzonderingsgrond. De betrokken uitzonderingsgrond van artikel II.36, §1, tweede lid, 8° van het Bestuursdecreet wil het eerlijk verloop van de rechtspleging vrijwaren. Een essentieel onderdeel van het recht op een eerlijk proces is het beginsel van de ‘gelijkheid der wapens in een proces’; dit beginsel van de wapengelijkheid houdt in dat elke partij het recht heeft haar argumenten te doen gelden in omstandigheden die haar niet benadelen ten opzichte van de tegenpartij. De bestaansreden van de voormelde uitzonderingsgrond is vooral daarin gelegen, te verhinderen dat de openbaarheid van bestuur waaraan één partij onderworpen is, afbreuk doet aan de wapengelijkheid. Zonder deze uitzonderingsgrond zou één partij op grond van de openbaarheid van bestuur zou kunnen verplicht worden stukken in het gerechtelijk debat te brengen die tegen haar (of een andere aan openbaarheid onderworpen bestuursinstantie) zouden kunnen pleiten, daar waar de andere partij enkel die elementen die haar eis ondersteunen, kenbaar mag maken om het oordeel van de rechter te beïnvloeden. Deze uitzonderingsgrond is dus een correctief op de openbaarheid om te beletten dat een instantie zou worden verplicht in een rechtsgeding de tegenpartij informatie ter beschikking te stellen die vervolgens tegen haar (of een andere aan openbaarheid onderworpen bestuursinstantie) wordt uitgespeeld. De bedoelde uitzonderingsgrond mag echter niet op een abstracte manier worden ingeroepen, maar er moet concreet worden aangetoond dat het gevraagde bestuursdocument verband houdt met een bestaand rechtsgeding én tegen een bestuursinstantie kan worden aangewend. Nu het opgevraagde document betrekking heeft op een dagvaarding van een burgerlijk rechtsgeding is het duidelijk dat er een verband is tussen het voorwerp van het rechtsgeding en het voorwerp van het voorliggende beroep inzake openbaarheid van bestuur. Bovendien blijkt dit rechtsgeding nog niet te zijn afgesloten aangezien het betrokken vonnis nog niet werd betekend. Het gaat bijgevolg om een hangend rechtsgeding. De beroepsinstantie is echter verplicht om bovendien ook nog na te gaan of de openbaarmaking van de betrokken dagvaarding, rekening houdend met de concrete en specifieke omstandigheden die voorliggen, al dan niet afbreuk zou doen aan de wapengelijkheid, in die zin dat een partij op grond van de openbaarheid van bestuur zou kunnen worden verplicht om stukken in het gerechtelijk debat te brengen die tegen haar zaak pleiten, daar waar de andere partij enkel die zaken die haar goed uitkomen, kenbaar mag maken om het oordeel van de rechter te beïnvloeden en de rest mag achterhouden. De premisse is aldus dat een partij die aan de openbaarheid van bestuur is onderworpen kan worden verplicht om zich ‘bloot te geven’, terwijl een partij die niet aan de openbaarheid is onderworpen daartoe niet verplicht is. De uitzonderingsgrond van artikel II.36, §1, tweede lid, 8° van het Bestuursdecreet (alsook de gelijkluidende uitzonderingsgrond van artikel II. 35, 4° van het Bestuursdecreet) is er om die ongelijkheid te corrigeren.
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/150
pagina 4 van 7
In casu argumenteert de stad Herentals dat het belang van de weigeringsgrond erin is gelegen dat in dit dossier naar een overlegde oplossing wordt gestreefd, welke nog altijd zou kunnen mislukken “door interne
en externe factoren waardoor de grondeigenaars de juridische procedure in beroep kunnen activeren. Door de openbaarmaking van de dagvaarding of andere stukken van de procedure kan de strategie van de stad in deze procedure openbaar bekend geraken en zouden de kansen op slagen van de stad in beroep en dus de kans op een eerlijk proces geschaad kunnen worden.” Verder stelt de stad Herentals dat de stad “zijn kansen op een eerlijk verloop van het proces [wil] vrijwaren. Het beginsel van de wapengelijkheid is inherent aan het verloop op een eerlijk proces. Dit kan enkel als de stukken en argumenten die in de burgerlijke procedure tussen de stad en de grondeigenaars uitgewisseld worden, de ene partij niet tegen de andere partij benadeelt. Door de openbaarmaking van de dagvaarding of andere stukken van het proces, worden de argumenten van de stad openbaar en wordt het proces in de openbaarheid gevoerd en niet tussen de partijen. De stad is als lokaal bestuur actief als behoeder van het algemeen en gemeentelijk belang. In die hoedanigheid is haar handelen onderhevig aan het publiek debat en heeft dit debat invloed op haar handelen. Doordat de intenties, argumenten en handelingen van de stad in de burgerlijke procedure openbaar worden en openbaar gevoerd worden, kunnen de grondeigenaars als tegenpartij de strategie en intenties van de stad in het openbaar debat volgen. Hierdoor zijn ze bevoorrecht als procespartij en heeft de stad een ongelijke kans om haar argumenten te uiten en de procedure te winnen. Daarom weegt de openbaarheid van het gevraagde bestuursdocument niet op tegen de uitzondering van het voeren van een eerlijk proces door de stad.” Deze algemene argumentatie kan niet overtuigen. Vooreerst is het evident dat de betrokken dagvaarding een stuk is dat in de burgerlijke procedure tussen de stad en de grondeigenaars uitgewisseld wordt: het is het startpunt van de gerechtelijke procedure, en de daarmee parallel lopende verkavelingsaanvraag voor de betrokken site. Verder dient vastgesteld te worden dat, nu de aanvrager tot openbaarmaking van de dagvaarding niet betrokken is in de vermelde gerechtelijke procedure, de stad Herentals niet voldoende duidelijk maakt hoe en in welke mate de vrijgave van de dagvaarding aan een derde het eerlijk procesverloop zou kunnen verstoren. Zelfs aangenomen dat een toepassing van de uitzonderingsgrond van artikel II.36, §1, tweede lid, 8° van het Bestuursdecreet (alsook de gelijkluidende uitzonderingsgrond van artikel II. 35, 4° van het Bestuursdecreet) niet a priori uitgesloten is ten aanzien van een aanvrager die geen procespartij is, behoeft zeker in dat geval een beroep op deze restrictief toe te passen uitzonderingsgrond een voldoende concrete onderbouwing aangaande het risico op een oneerlijk procesverloop. De overweging van de stad Herentals dat, doordat de intenties, argumenten en handelingen van de stad in de burgerlijke procedure openbaar worden en openbaar gevoerd worden, de grondeigenaars als tegenpartij de strategie en intenties van de stad in het openbaar debat kunnen volgen en hierdoor bevoorrecht zijn als procespartij, kan daartoe niet volstaan. Het staaft onvoldoende de stelling van de stad Herentals dat de vrijgave van de gevraagde gegevens aan de verzoekende partij een eerlijk procesverloop in het gedrang zou brengen. Men mag bij dit alles uiteraard niet vergeten dat openbaarheid de regel is, en de uitzonderingsgronden beperkend te interpreteren en toe te passen zijn. De finaliteit van de aldus beperkend uitgelegde uitzonderingsgrond bestaat erin te vermijden dat een overheidsinstantie gegevens ter beschikking moet stellen die in een rechtsgeding, waarbij deze instantie partij is, tegen haar kunnen worden gebruikt. De vrijgave van de dagvaarding aan een derde is echter van een andere orde, en past niet binnen de finaliteit van de ingeroepen uitzonderingsgrond.
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/150
pagina 5 van 7
Uit wat voorafgaat, besluit de beroepsinstantie dat de uitzonderingsgrond van artikel II.36, §1, tweede lid, 8° van het Bestuursdecreet in dit concrete geval niet van toepassing is, zodat er ook geen afweging dient plaats te vinden tussen het belang dat vermeld artikel beschermd en het openbaar belang dat gediend is met de openbaarheid. Tot slot stelt de beroepsinstantie vast dat de betrokken dagvaarding een aantal persoonsgegevens (namen en adressen) van natuurlijke personen bevat, zodat de vraag rijst of hier al dan niet toepassing dient gemaakt te worden van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet. Voormelde decreetbepaling bevat de verplichting om, behoudens toestemming van de betrokkene, een aanvraag (geheel of gedeeltelijk) af te wijzen als de openbaarmaking afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Deze bepaling laat niet toe dat gegevens worden verstrekt die de identificatie van derden mogelijk maken, in de mate dat daarmee afbreuk zou worden gedaan aan de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Hoewel het hier om een absolute uitzonderingsgrond gaat waardoor er geen belangenafweging moet plaatsvinden tussen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang met het belang van de openbaarheid, vertoont de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet voorziene uitzonderingsgrond niettemin een relatief aspect. De decreetgever was weliswaar van oordeel dat er geen afweging vereist is met het openbaar belang dat met de openbaarheid is gediend, maar wijst er desondanks op dat telkens en in concreto geoordeeld moet worden of er al dan niet een inbreuk is gepleegd op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (Vlaams Parlement, Parl. St. 2017-2018, nr. 1656/1, blz. 58). Artikel 22 van de Grondwet waarborgt uitdrukkelijk het recht op eerbiediging van het privéleven, net zoals artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dit doet. De bedoeling en het fundamentele uitgangspunt van de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet bedoelde uitzonderingsgrond bestaat er precies in om het aan iedereen toegekende grondwettelijke recht op de eerbiediging van zijn privéleven te beschermen. De beroepsinstantie merkt op dat bij onderzoek naar de uitzonderingsgrond met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van informatie in een bestuursdocument die op de persoonlijke levenssfeer betrekking heeft. Namen en adressen van natuurlijke personen behoren ontegensprekelijk tot het privéleven van de betrokkenen en het privéleven vormt de kern van de persoonlijke levenssfeer (F. SCHRAM, Het decreet openbaarheid van bestuur. Een juridische analyse in historisch perspectief, Brugge, Vanden Broele, 247; Concl. Adv.Gen. bij HvJ 8 april 2014, nr. C-293/12, Digital Rights Ireland Ltd, nr. 61). Het openbaar maken van deze gegevens heeft aldus betrekking op de kern van een belang – het door artikel 22 van de Grondwet en het door artikel 8 EVRM aan eenieder toegekende recht op eerbiediging van zijn privéleven – dat de uitzonderingsgrond uit artikel II.34, 2°, van het Bestuursdecreet wenst te beschermen tegen de openbaarheid van bestuur (RvS, nr. 234.609 dd. 2 mei 2016). De beroepsinstantie is in casu echter van oordeel dat de openbaarmaking van de betrokken namen en adressen van de natuurlijke personen in casu geen afbreuk zou doen aan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen, aangezien in de vermelde procedure reeds een vonnis werd uitgesproken in openbare zitting, en de namen en adressen aldus reeds publiek bekend zijn gemaakt. De desbetreffende namen, waarvan verzoeker er overigens reeds één vermeldt, moeten dan ook niet worden afgeschermd in toepassing van voormeld artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet. Het ingestelde beroep wordt bijgevolg als gegrond beschouwd.
Na beraadslaging,
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/150
pagina 6 van 7
BESLUIT: Het beroep d.d. 4 mei 2022 van xxx, gericht tegen de weigeringsbeslissing d.d. 21 april 2022 van de stad Herentals is ontvankelijk en gegrond. Bijgevolg dient de stad Herentals aan verzoeker een afschrift te bezorgen van de dagvaarding ingediend door xxx bij de rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout betreffende een “schadeclaim m.b.t. de
onmogelijkheid tot ontwikkeling van een grond gelegen tussen xxx (dagvaarding van 26 maart 2012)”. Geen toestemming tot hergebruik van bestuursdocumenten
In zoverre dit beroep geheel of gedeeltelijk gegrond werd verklaard, geldt dat deze inwilliging van de aanvraag tot openbaarmaking GEEN toestemming inhoudt om de gevraagde bestuursdocumenten te hergebruiken, als vermeld in titel II, hoofdstuk 4 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Brussel, 25 mei 2022 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur, Bruno ASSCHERICKX Voorzitter
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/150
pagina 7 van 7