Skip to main content

fiscaleinstrumenteninhetvlaamsewerkgelegenheidsbeleid_samenvatting.pdf

Page 1

Mogelijkheden en beperkingen voor het gebruik van fiscale instrumenten in het Vlaams werkgelegenheidsbeleid

Synthese

Uitgevoerd door: IDEA Consult: LESSIUS Hogeschool:

Dr. Anneleen Peeters, Ann Gevers Guy Clémer

Een onderzoek in opdracht van de Vlaamse minister van Werkgelegenheid en Toerisme, in het kader van het VIONA-onderzoeksprogramma Met ondersteuning van de administratie Werkgelegenheid en het ESF ESF: de Europese bijdrage tot de ontwikkeling van de werkgelegenheid door inzetbaarheid, ondernemerschap, aanpasbaarheid en gelijke kansen te bevorderen en door te investeren in menselijke hulpbronnen.

IDEA Consult nv Congresstraat 37-41, bus 3 B –1000 Brussel

Tel: (+32) 02 282 17 10 Fax: (+32) 02 282 17 15 www.ideaconsult.be


Fiscale instrumenten in het Vlaams werkgelegenheidsbeleid

INLEIDING Deze synthese van het VIONA-onderzoek “Mogelijkheden en beperkingen voor het gebruik van fiscale instrumenten in het Vlaams werkgelegenheidsbeleid” heeft enerzijds tot doel om de belangrijkste bevindingen uit het onderzoek samen te vatten1 en anderzijds om een drietal concrete beleidspistes voor Vlaamse fiscale maatregelen ter stimulering van opleiding en arbeidsparticipatie voor te stellen. Eerst geven we een beknopt overzicht van de nieuwe fiscale bevoegheden die Vlaanderen verworven heeft via het Lambermont-akkoord. Deze bevoegdheden situeren zich op twee sporen: enerzijds de gewestbelastingen en anderzijds de personenbelasting. De fiscale beleidsruimte (onder andere de marge in de personenbelasting), de randvoorwaarden en vormvereisten worden geschetst. Vervolgens geven we een overzicht van buitenlandse en federale fiscale maatregelen die een inspiratiebron vormen voor het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid. De focus ligt op fiscale maatregelen ter stimulering van werkgelegenheid en opleiding. Tenslotte formuleren we een aantal concrete beleidsvoorstellen. De voorgestelde beleidspistes zijn gericht op het stimuleren van de werkgelegenheid en opleidingsparticipatie in Vlaanderen. Bij het formuleren van deze beleidsvoorstellen hebben we rekening gehouden met bestaande fiscale maatregelen in het buitenland en het federale niveau. De beleidspistes betreffen in de eerste plaats een korting op de personenbelasting voor werkende vijftigplussers, al dan niet gedifferentieerd naar leeftijdsgroepen. Een tweede beleidspiste betreft een aftrek in de personenbelasting voor opleidingskosten. Ten derde stellen we een aanvullend Vlaams fiscaal beleid inzake kinderopvang voor.

1

Het volledige onderzoeksrapport is beschikbaar op aanvraag.

oktober 2003

p. 2


Fiscale instrumenten in het Vlaams werkgelegenheidsbeleid

1

Fiscale instrumenten in het werkgelegenheidsbeleid: samenvatting van de onderzoeksresultaten

1.1

Fiscaal arbeidsmarktbeleid: beleidscontext

Binnen het beleid van de Europese Unie en de OESO krijgen fiscale instrumenten heel wat aandacht. Zo wordt benadrukt dat belastings- en uitkeringsstelsels werken lonend moeten maken en het zoeken naar een baan moeten stimuleren. In België wordt de fiscale problematiek nog steeds als een pijnpunt aangehaald. Niet alleen zijn de lasten op arbeid te hoog; ook de instroom in langdurige werkloosheid blijft groot. De arbeidsparticipatie onder ouderen en vrouwen is lager dan het EU-gemiddelde. Aandacht voor fiscale maatregelen ter bevordering van het werkgelegenheids- en opleidingsbeleid is dan ook zeer belangrijk. Het Federaal en Vlaams werkgelegenheidsbeleid omvat reeds een aantal maatregelen van fiscale en parafiscale aard die werkgelegenheidsbevorderend kunnen werken. Toch zijn alle mogelijkheden nog niet verkend. De uitbreiding van de bevoegdheden van Vlaanderen om een eigen fiscaal beleid te voeren kunnen bijdragen tot het realiseren van de Europese aanbevelingen inzake fiscaal beleid.

1.2

Fiscale bevoegheden randvoorwaarden

voor

Vlaanderen:

autonomie

met

Met de bekrachtiging van de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen en van de bijzondere wet van 13 juli 2001 tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten werd de vijfde Belgische staatshervoming vorm gegeven. Twee sporen Sinds 1 januari 2002 heeft Vlaanderen daardoor een ruime fiscale autonomie verworven, waardoor het voor Vlaanderen mogelijk wordt een actief fiscaal beleid te voeren, gericht op een selectieve ondersteuning en heroriëntering van het werkgelegenheids- en opleidingsbeleid. Deze nieuwe fiscale bevoegdheden situeren zich op twee sporen: enerzijds de gewestbelastingen en anderzijds de personenbelasting. Gewestbelastingen Uit de talrijke voorbeelden die in deel 2 van dit onderzoek 2 aan bod kwamen, blijkt dat de gewestelijke fiscaliteit in volle beweging is. De gewestbevoegdheden m.b.t. de bestaande gewestelijke belastingen werden gevoelig verruimd (o.a. onroerende voorheffing) en enkele belastingen werden overgedragen naar de gewesten (o.a. schenkingsrecht). 2

Zie deel 2 in het volledige onderzoeksrapport.

oktober 2003

p. 3


Fiscale instrumenten in het Vlaams werkgelegenheidsbeleid

Voor deze gewestelijke bevoegdheden beschikken de gewesten over een volledige autonomie inzake het tarief, de vrijstellingen, de belastbare grondslag en een eigen inning. Toch is de uitoefening van de bevoegdheden over de gewestbelastingen onderworpen aan een aantal voorwaarden (o.a. informatie-uitwisseling, vermijden van dubbele belasting, etc…). Personenbelasting Binnen bepaalde marges en rekening houdend met een aantal randvoorwaarden hebben de gewesten ook meer bevoegdheden gekregen in de personenbelasting. Zij kunnen namelijk opcentiemen heffen en kortingen toestaan die worden toegepast op alle personen die personenbelasting zijn verschuldigd. Daarenboven kunnen ze tevens algemene belastingverminderingen en –vermeerderingen invoeren die verbonden zijn aan de bevoegdheden van de gewesten. De gewesten kunnen dus op basis van de lokalisatie van de personenbelasting opcentiemen heffen en kortingen toestaan, al dan niet gedifferentieerd per belastingschijf, die worden toegepast op alle personen die personenbelasting verschuldigd zijn (tariefautonomie) en, of algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen invoeren, die verbonden zijn aan hun bevoegdheden (instrumentele autonomie). Deze laatste fiscale ingreep biedt tal van mogelijkheden om een fiscaal beleid gericht naar doelgroepen te voeren. Krijtlijnen voor uitoefening fiscale bevoegheden De uitoefening van deze fiscale bevoegheid wordt evenwel begeleid door een aantal randvoorwaarden of moet gebeuren binnen bepaalde krijtlijnen. We herhalen even de belangrijkste voorwaarden. Het principe van de progressiviteit mag niet geschonden worden. Het totaal van de algemene belastingsverminderingen en –vermeerderingen, opcentiemen en kortingen mag niet hoger zijn dan 3,25% van de in elk gewest gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting (6,75% vanaf 2004). De fiscale maatregelen mogen tevens geen effect hebben op de belastbare grondslag van de personenbelasting. Het gaat hier immers om aftrekken op of verhogingen ten opzichte van de verschuldigde belasting. Doelstellingen van fiscale beleidsmaatregelen In dit onderzoek kwamen we tot de bevinding dat het grootste herverdelend effect uitgaat van een directe aftrek in de personenbelasting. Forfaitaire voordelen komen meer ten goede van lagere inkomens dan voordelen uitgedrukt in percentage van het netto-belastbaar inkomen. Fiscale maatregelen hebben echter niet enkel een herverdelende functie 3 . Zo kunnen ze ook allocatieve doelstellingen beogen, bijvoorbeeld het stimuleren van investeringen in menselijk kapitaal, hetgeen positieve externe effecten voor de maatschappij inhoudt. Op het terrein van werkgelegenheid zijn er ook heel wat mogelijkheden voor fiscale incentieven ter stimulering van de arbeidsparticipatie van bepaalde doelgroepen (stimulerende functie).

3

Zie deel 3 in het volledige onderzoeksrapport.

oktober 2003

p. 4


Fiscale instrumenten in het Vlaams werkgelegenheidsbeleid

1.3

Fiscale maatregelen ter stimulering van opleiding en werkgelegenheid: overzicht van de federale maatregelen en 6 andere EU-landen

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de belangrijkste fiscale maatregelen welke in België en zes andere EU-landen gehanteerd worden ter stimulering van werkgelegenheid en opleiding. De arbeidsvraag kan bevorderd worden door verlaging van de patronale lasten (d.w.z. via de sociale zekerheid). Het arbeidsaanbod kan gestimuleerd worden door het verlagen van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdragen of via fiscale voordelen in de personenbelasting. Voor Vlaanderen is vooral deze laatste groep van maatregelen interessant aangezien de nieuwe fiscale bevoegdheden sinds Lambermont onder andere verband houden met de personenbelasting (cfr. supra).

oktober 2003

p. 5


Fiscale instrumenten in het Vlaams werkgelegenheidsbeleid

Tabel 1: Fiscale maatregelen ter stimulering van de werkzaamheidsgraad en opleiding 4 Stimulering van werkzaamheidsgraad Stimulering van arbeidsvraag

Stimulering van opleiding

Stimulering van arbeidsaanbod

Doelgroepen

via sociale zekerheid

via sociale zekerheid

via personenbelasting

Algemeen

Verlichting van patronale bijdragen (UK, IR, B)

Algemene heffingskorting (NL)

Afdrachtvermindering onderwijs (NL)

Verlichting van patronale bijdragen arbeidsintensieve sectoren (FL)

Arbeidskorting (NL) (enkel werkenden)

Afdrachtvermindering scholing non-profit (NL)

Verlaging belastingtarieven (NL, IR, FR, D, FL) Scholingsaftrek winstsfeer (NL) Afschaffing van de hoogste aanslagtarieven (B)

Opleidingskosten aftrekbaar in personenbelasting (D, NL)

Reductie aantal belastingschalen (IR)

Opleidingskosten fiscaal aftrekbaar voor WG (UK)

Verbreding inkomensschijven voor middeninkomens (B) Verlichting sociale zekerheidsbijdragen werknemers (FL)

Verhoging belastingvrije som (IR, FR, D, FL)

Voordeel WG bij opleiding tot startkwalificatieniveau (UK)

Herindexering fiscale barema’s (B)

Belastingkrediet voor gemaakte opleidingskosten (FR)

Afschaffing aanvullende crisisbelasting (B)

4

De federale fiscale en parafiscale maatregelen zijn cursief weergegeven in de tabel.

oktober 2003

p. 6


Fiscale instrumenten in het Vlaams werkgelegenheidsbeleid

Stimulering van werkzaamheidsgraad Stimulering van arbeidsvraag Doelgroepen Lage lonen

via sociale zekerheid SPAK (NL)

Stimulering van opleiding

Stimulering van arbeidsaanbod via sociale zekerheid Verlaging werknemersbijdragen voor de sociale zekerheid voor lage lonen (B)

via personenbelasting Working tax credit (UK)

Verhoging SZ-bijdragenvrij minimum (UK)

Single, Married or Widowed Person’s Tax Credit (IR)

Verlaging patronale bijdragen lage en middeninkomens (FR)

Prime pour l’emploi (FR)

Extra vermindering sociale werkgeversbijdragen voor lage lonen (B)

Terugbetaalbaar belastingskrediet lage lonen (B) Stijging van aftrekbare beroepslasten voor lage lonen (B)

Langdurig Werklozen

VLW (NL) Gehele of gedeeltelijke vrijstelling van werkgeversbijdragen bij aanwerving van langdurig werkloze ACTIVA (B)

oktober 2003

p. 7


Fiscale instrumenten in het Vlaams werkgelegenheidsbeleid

Stimulering van werkzaamheidsgraad Stimulering van arbeidsvraag Doelgroepen Ouderen

via sociale zekerheid

Stimulering van opleiding

Stimulering van arbeidsaanbod via sociale zekerheid

via personenbelasting

Forfaitaire premiekorting (NL)

Verhoogde arbeidskorting (NL)

Gehele of gedeeltelijke vrijstelling van werkgeversbijdragen bij aanwerving van oudere werkloze ACTIVA (B)

Stopzetting fiscale faciliëring VUT-regelingen (NL)

Extra working tax credit (UK) (bij herintrede) Age tax credit (IR) Ouders

Afdrachtsvermindering kinderopvang en ouderschapsverlof (NL)

Verlaging inkomensgrens fiscale aftrek kinderopvang (NL) Hogere aftrek kinderopvangkosten (B) Combinatiekorting (NL) Extra working tax credit (UK, IR) Incapacitated Child Tax Credit (IR) Familienleistungsausgleich (D) Bijkomende toeslag op belastingvrije som (+ terugbetaalbaar krediet) (B)

Alleenstaande ouders

Alleenstaande ouderkorting (NL) Aanvullende alleenstaande ouderkorting (NL) (enkel werkenden) Extra tax credit (UK, IR)

oktober 2003

p. 8


Fiscale instrumenten in het Vlaams werkgelegenheidsbeleid

Stimulering van werkzaamheidsgraad Stimulering van arbeidsvraag Doelgroepen Gehandicapten

via sociale zekerheid Forfaitaire premiekorting (NL)

Stimulering van opleiding

Stimulering van arbeidsaanbod via sociale zekerheid

via personenbelasting Extra working tax credit (UK) Blind Person’s Tax Credit (IR)

Deeltijders

Vermindering van werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid bij overgang naar 4dagen week of bij collectieve arbeidsduurvermindering (B)

(Laaggeschoolde) jongeren

Vermindering van werkgeversbijdrage bij aanwerving laaggeschoolde jongeren in startbaan (B)

Overige

Vermindering werkgeversbijdragen voor gelegenheidswerkers in arbeidsintensieve sectoren, wetenschappelijk onderzoekers, eerste/tweede/derde medewerker van zelfstandigen (B)

Verhoging prime pour l’emploi (FR)

ACTIVA-plus in gemeenten met hoge werkloosheids- of armoedegraad (B)

oktober 2003

p. 9


Fiscale instrumenten in het Vlaams werkgelegenheidsbeleid

2

Vlaamse fiscale maatregelen ter stimulering van opleiding en werkgelegenheid: enkele beleidspistes verkend

2.1

Keuze van de beleidsopties en randvoorwaarden

Op de arbeidsmarkt worden we geconfronteerd met een aantal belangrijke uitdagingen die ongetwijfeld het toekomstig beleid van de Vlaamse overheid, en in het bijzonder het werkgelegenheidsbeleid, mee zullen bepalen. In dit onderzoek verkennen we een aantal pistes om via een fiscaal instrumentarium in te spelen op de volgende drie uitdagingen: -

ouderen stimuleren om langer aan het werk te blijven stimuleren van levenslang leren verbeteren van de combinatie werk en persoonlijk leven

De Vlaamse overheid heeft heel wat mogelijkheden om deze beleidspistes concreet vorm te geven. Hierbij is het evenwel belangrijk rekening te houden met een aantal inhoudelijke en technische randvoorwaarden. -

Eerst en vooral dient men rekening te houden met de maximale marge voor het geheel van Vlaamse belastingsverminderingen en –vermeerderingen, opcentiemen en kortingen. De netto-marge waarbinnen het Vlaamse gewest haar fiscale autonomie in de personenbelasting kan uitoefenen bedraagt maximaal 6,75% van de Vlaamse opbrengsten van de personenbelasting (vanaf 1 januari 2004). In Vlaanderen zou deze marge 1,26 miljard EUR bedragen voor 2004. In de praktijk is de beleidsruimte echter nog veel groter (ongeveer 4,56 miljard EUR) op voorwaarde dat de kortingen gedeeltelijk gecompenseerd worden door selectieve vermeerderingen in de personenbelasting 5 .

-

Ten tweede mogen de Vlaamse fiscale maatregelen geen effect hebben op de belastbare grondslag. De belastingsverminderingen moeten daarom de vorm aannemen van een aftrek op de verschuldigde personenbelasting6 . Dit neemt echter niet weg dat het nog steeds mogelijk is de aftrek te relateren tot het inkomen.

-

De voorgestelde fiscale maatregelen zijn enkel bestemd voor de inwoners van het Vlaamse gewest. Op het vlak van de bevoegdheden stelt er zich geen probleem aangezien Vlaanderen bevoegd is voor het tewerkstellings- en opleidingsbeleid.

5

Zie deel 2 in het volledige onderzoeksrapport. Anders dan bij een gewone aftrek gaat het dus niet om een rechtstreekse vermindering uitgevoerd op het niveau van de heffingsgrondslag in de personenbelasting, maar om een rechtstreekse vermindering van de personenbelasting zelf.

6

oktober 2003

p. 10


Fiscale instrumenten in het Vlaams werkgelegenheidsbeleid

2.2

Vlaamse ouderenkorting in personenbelasting

De lage arbeidsparticipatie van ouderen is in bijna alle lidstaten een structureel probleem. Naast de noodzaak aan vraagstimulerende maatregelen, dient tevens voldoende aandacht besteed te worden aan de aanbodzijde in de ouderenproblematiek. Heel wat ouderen zijn immers niet langer bereid om tot hun pensioengerechtigde leeftijd te blijven werken. Oudere werknemers hebben bepaalde stimulansen nodig die hen ertoe aanzetten langer te blijven werken. Verschillende studies 7 tonen aan dat financiële prikkels van groot belang zijn bij de uittredebeslissing. Deze studies tonen ook aan dat financiële prikkels effectief zijn. Stoppen met werken voor je zestigste wordt minder vanzelfsprekend indien er incentieven zijn die langer werken belonen. De nieuwe Vlaamse bevoegdheden in de personenbelasting kunnen hiervoor ingezet worden. Wij zullen in wat volgt een fiscale beleidsmaatregel voorstellen om de arbeidsparticipatie van ouderen te verhogen. Beleidsoptie: Een werkende oudere van 50 jaar en meer (eventueel 55 jaar en meer) kan genieten van een aftrek in de personenbelasting. We vermelden een drietal varianten / aanvullingen die de voorgestelde Vlaamse ouderenkorting budgettair haalbaar én aantrekkelijk kan maken. Ø Leeftijdsafhankelijke ouderenkorting De omvang van de ouderenkorting kan toenemen met de leeftijd (of leeftijdsklasse) en dit onafhankelijk van welke techniek toegepast wordt om de ouderenkorting concreet vorm te geven (forfaitair of in % van inkomen of belastingen). Dit is gelijkaardig aan het Nederlandse systeem van de aanvullende arbeidskorting. Naarmate men in een hogere leeftijdsklasse zit (en uiteraard nog aan het werk is) krijgt men een hogere aftrek in de personenbelasting. Ø Aftrek beperkt tot bepaald maximum Om de budgettaire impact van de Vlaamse ouderenkorting onder controle te houden zal wellicht bij een aftrek in functie van het inkomen of de verschuldigde personenbelasting een maximum dienen bepaald te worden. Dit maximum kan dan wel variëren in functie van de leeftijd. Ø Doorrekening in de bedrijfsvoorheffing De voorgestelde Vlaamse ouderenkorting wordt voor de betrokken werknemers nog aantrekkelijker indien het voordeel doorgerekend wordt in de bedrijfsvoorheffing. In dat geval wordt het financieel voordeel onmiddellijk gevoeld door de betrokkene: bij de maandelijkse loonberekening zal een werkende 50-plusser merken dat hij of zij netto meer overhoudt van een zelfde brutoloon.

7

Henkens (1998), Heyma (2001), Theeuwes & Zijl (2001), Heyma & Zijl (2003).

oktober 2003

p. 11


Fiscale instrumenten in het Vlaams werkgelegenheidsbeleid

2.3

Vlaamse aftrek in personenbelasting voor opleidingskosten

Uit eerdere analyses (Gelderblom et al. (2001)) is gebleken dat de aftrekbaarheid van opleidingskosten door de werkgever op zich geen voldoende maatregel is om de opleidingsparticipatie te verhogen. Het individu dient eveneens gestimuleerd te worden om aan opleiding deel te nemen. In Vlaanderen kent het systeem van de opleidingscheques voor werknemers, dat sinds september 2003 zijn ingang vond, relatief veel succes. De vraag is echter of deze maatregel voldoende is om er voor te zorgen dat de opleidingsparticipatie onder de bevolking van 25 tot 64 jaar in 2010 12,5% zal bedragen. Verder kan ook de vraag gesteld worden of dit subsidiesysteem het meest efficiënte en effectieve instrument is om de opleidingsparticipatie te stimuleren. Een fiscaal instrument ter stimulering van opleidingen past in een beleidsvisie gericht op het verhogen van de inzetbaarheid van ALLE personen (ook de niet-werkenden) en het opnemen van een individuele verantwoordelijkheid terzake. In het licht van het toenemend belang van levenslang leren en blijvende inzetbaarheid op de arbeidsmarkt is het belangrijk dat de Vlaamse overheid elk individu een financiële prikkel geeft om zelf te investeren in zijn eigen menselijk kapitaal. Beleidsoptie: Iedere inwoner van het Vlaams gewest kan genieten van een aftrek in de personenbelasting voor opleidingskosten. Deze beleidsmaatregel kan bovendien gemodelleerd worden in functie van de beleidsprioriteiten en budgettaire mogelijkheden van de Vlaamse overheid. We vermelden enkele mogelijkheden: Ø Verhoogde aftrek voor opleidingen die toeleiden naar knelpuntberoepen De Vlaamse overheid zou de aftrek voor opleidingskosten kunnen verhogen voor individuen die een opleiding volgen die gericht is op bepaalde knelpuntfuncties. De lijst met opleidingen (alsook de erkende opleidingsinstellingen) die in aanmerking komen voor een verhoogde aftrek kan jaarlijks variëren en aangepast worden aan de economische behoeften en beleidsprioriteiten. Ø Verhoogde aftrek bij behalen diploma of certificaat De Vlaamse aftrek voor opleidingskosten kan gekoppeld zijn aan de inschrijving in een opleidingsinstituut (het volgen van een opleiding), dan wel aan het behalen van een diploma of certificaat. Een interessante piste is een fiscale aftrek te voorzien voor iedereen die een opleiding start, maar een verhoogde aftrek toe te kennen na het behalen van een diploma of certificaat. Ø Verhoogde aftrek voor bepaalde kansengroepen Voor groepen die spontaan minder participeren aan opleiding kan een verhoogde aftrek voor opleidingskosten voorzien worden. We denken bijvoorbeeld aan laaggeschoolden (diploma lager onderwijs of lager secundair onderwijs), (langdurig) werklozen, inactieven en ouderen.

oktober 2003

p. 12


Fiscale instrumenten in het Vlaams werkgelegenheidsbeleid

Ø Aftrek beperkt tot bepaald maximum Om de budgettaire impact van de Vlaamse opleidingsaftrek onder controle te houden is het aan te bevelen een maximale aftrek vast te leggen. Dit maximum kan eventueel variëren in functie van het gezinsinkomen, de soort opleiding of een ander objectief criterium. De maximumgrenzen kunnen opgelegd worden per opleiding of voor het totaal van alle gevolgde opleidingen gedurende een jaar. Voor personen met een laag arbeidsinkomen kan de voorgestelde korting niet stimulerend werken indien zij geen belastingen moeten betalen. Het invoeren van een terugbetaalbaar belastingkrediet kan dit probleem oplossen8 . Tot slot nog een aantal bemerkingen over de voorgestelde aftrek voor opleidingskosten. Ø Geen doorrekening in de bedrijfsvoorheffing In tegenstelling tot de andere beleidsvoorstellen in dit onderzoek stellen we voor om een aftrek voor opleidingskosten (indien deze forfaitair zou zijn) niet te laten doorrekenen in de bedrijfsvoorheffing. Een doorrekening in de bedrijfsvoorheffing heeft het voordeel dat de fiscale stimulans onmiddellijk voelbaar is, maar het nadeel dat dit enkel mogelijk is voor werkenden én bovendien door de werkgever aangegeven moet worden. In bepaalde gevallen kan dit laatste een hinderpaal vormen omdat een individu een opleiding (bijscholing of omscholing) volgt met het doel nadien van werkgever te veranderen. Ø Fiscaal attest door erkende opleidingsinstituten Het voordeel van een fiscale maatregel ter stimulering van opleiding is dat deze objectief en tegenstelbaar is. Om misbruiken te vermijden is het echter noodzakelijk de fiscale maatregel te beperken tot erkende opleidingen gevolgd bij erkende opleidingsinstellingen. Naar analogie met bijvoorbeeld de wettelijk erkende kinderopvangdiensten is het mogelijk dat de erkende opleidingsverstrekkers jaarlijks een fiscaal attest aan de deelnemers opsturen9 . De Vlaamse overheid zal jaarlijks een lijst moeten opmaken van erkende opleidingen en opleidingsinstellingen waarvoor een opleidingsaftrek in de personenbelasting aangevraagd kan worden (naar analogie met de opleidingscheques).

2.4

Aanvullende Vlaamse aftrek voor kinderopvang

Voor alleenstaande ouders evenals voor gezinnen (of een van de echtgenoten van een echtpaar) met jonge kinderen is de toegang tot de arbeidsmarkt vaak afhankelijk van de beschikbaarheid van opvangstructuren tegen betaalbare prijzen. Zowel de kwaliteit van het opvangaanbod als de kosten ervan kunnen een invloed hebben op de tewerkstellingsgraad en het aantal gewerkte uren van ouders. Momenteel combineert het Federaal beleid inzake kinderopvang in België twee instrumenten, met name 8

Voor meer uitleg over een terugbetaalbaar belastingkrediet verwijzen we naar deel 4 van het volledige onderzoeksrapport.

9

Indien de Vlaamse opleidingsaftrek gemodelleerd wordt in functie van bepaalde niet-fiscale criteria (zoals het soort opleiding, het al dan niet behalen van een certificaat, scholingsgraad of werkloosheidsduur), dient de opleidingsinstantie zelf op het attest aan te geven tot welke categorie de betrokkene behoort. Voor elk soort aftrek kan een andere fiche (fiscaal attest) opgemaakt worden. De fiscale administratie kan een aftrek wel zelf modelleren en berekenen in functie van fiscale criteria zoals leeftijd of gezinssituatie.

oktober 2003

p. 13


Fiscale instrumenten in het Vlaams werkgelegenheidsbeleid

subsidies en fiscale aftrekbaarheid. De aftrekbaarheid van kinderopvangkosten is echter voornamelijk een voordeel voor gezinnen met een hoger inkomen, aangezien het voordeel wordt afgetrokken van het netto-inkomen en niet van de verschuldigde belasting 10 . Vlaanderen heeft via de nieuwe fiscale bevoegdheden de mogelijkheid om bovenop de bestaande federale maatregelen inzake kinderopvang eigen (complementaire) fiscale maatregelen voor te stellen. Momenteel laat de federale maatregel toe om kosten van kinderopvang in mindering te brengen tot het kind drie jaar oud is. De belastingplichtigen kunnen kiezen tussen een forfaitaire aftrek of een aftrek van de effectieve kosten (tot een bepaald maximum). Beleidsoptie: Een verhoogde aftrek voor kinderopvangkosten in de personenbelasting voor bepaalde doelgroepen (bv. laag gezinsinkomens, werkende alleenstaande ouders), aangevuld met een algemene korting voor opvangkosten voor kinderen van 3 tot 12 jaar. Een aanvullende Vlaamse aftrek voor kinderopvang kan naar analogie met de bestaande federale fiscale regeling best als volgt vorm gegeven worden: 1) Aanvullende Vlaamse aftrek voor opvang van jonge kinderen voor bepaalde groepen Ø Voor belastingplichtigen die geen opvangkosten inbrengen: een verhoging van de bestaande forfaitaire aftrek voor kinderen jonger dan 3 jaar voor welbepaalde doelgroepen (vb. laag gezinsinkomens en alleenstaande werkende ouders). Deze korting bestaat uit een aftrek op de verschuldigde personenbelasting. Ø Voor belastingplichtigen die wel opvangkosten inbrengen: een verhoging van het maximum aftrekbaar bedrag voor opvangkosten voor kinderen jonger dan 3 jaar voor welbepaalde doelgroepen (vb. laag gezinsinkomen en alleenstaande werkende ouders). Dit kan concreet geïmplementeerd worden door bijvoorbeeld een bepaald percentage (bv. 25%) van de werkelijke kinderopvangkosten in mindering te brengen van de verschuldigde personenbelasting (eventueel begrensd tot een bepaald maximumbedrag). 2) Algemene Vlaamse aftrek voor opvang van oudere kinderen (3 tot 12 jaar) Vlaanderen zou complementair aan de federale maatregelen een aftrek voor de opvang van kinderen tussen 3 en 12 jaar kunnen introduceren voor alle belastingplichtigen woonachtig in Vlaanderen. Dit kan zowel onder de vorm van een forfaitair bedrag als een aftrek van de werkelijke opvangkosten (bv. van erkende opvanginstellingen). Alle bovenstaande voorstellen voor aanvullende Vlaamse kortingen voor kinderopvang kunnen eveneens gekoppeld worden met de hoogte van het gezinsinkomen. Zo zou men kunnen bepalen dat het af te trekken bedrag in verhouding tot de oorspronkelijk verschuldigde belasting afneemt naarmate het inkomen toeneemt. Het voordeel evolueert dan degressief naarmate het inkomen stijgt (tot het uiteindelijk volledig uitdooft). 10

Zie deel 6 in het volledige onderzoeksrapport.

oktober 2003

p. 14


Fiscale instrumenten in het Vlaams werkgelegenheidsbeleid

Daarnaast is het mogelijk om forfaitaire aftrekken voor kinderopvang door te rekenen in de bedrijfsvoorheffing. Dit heeft het voordeel dat de financiële stimulans onmiddellijk voelbaar is voor de betrokken werknemers, met name een hoger nettoloon op het einde van elke maand. Het doorrekenen van de kinderopvangkorting in de bedrijfsvoorheffing vereist geen bijkomende formaliteiten. De werkgever dient bij de maandelijkse loonberekening enkel het aantal kinderen (en de leeftijd) door te geven. Deze gegevens worden in principe reeds door de werkgever verzameld omdat ze aan het kinderbijslagfonds doorgegeven moeten worden.

2.5

Overzicht van de beleidsopties

In onderstaande tabel vatten we de drie beleidsopties kort samen. We schetsen de doelgroep, het doel van de maatregel en de plus- en minpunten ervan. Tabel 2: Drie fiscale instrumenten voor het werkgelegenheidsbeleid Doelgroep

Doel van de maatregel

Ouderenkorting

Werkende ouderen (50+)

Verhogen arbeidsparticipatie ouderen

+

Voordeel direct voelbaar in netto-loon indien doorrekening in bedrijfsvoorheffing

Fiscale aftrek opleidingskosten

Alle belastingplichtigen

Verhogen opleidingsparticipatie

+

Stimuleren van groepen met lage opleidingsparticipatie (o.a. inactieven, werklozen)

+

Systeem van terugbetaalbaar belastingkrediet geeft financieel voordeel aan personen met laag tot geen arbeidsinkomen

-

Voordeel pas voelbaar bij afrekening belasting

+

Voordeel direct voelbaar in netto-loon indien forfaitaire aftrek doorgerekend wordt in bedrijfsvoorheffing

Fiscale aftrek kosten kinderopvang

11

Ouders of alleenstaanden met jonge kinderen (enkel werkenden indien doorrekening in bedrijfsvoorheffing11 )

Verhogen arbeidsparticipatie

Pluspunten/Minpunten

De aanvullende Vlaamse aftrek voor kinderopvang zou eveneens aan de niet-werkenden toegekend kunnen worden. In dit geval is doorrekening in de bedrijfsvoorheffing niet mogelijk.

oktober 2003

p. 15


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
fiscaleinstrumenteninhetvlaamsewerkgelegenheidsbeleid_samenvatting.pdf by Vlaanderen-be - Issuu