Skip to main content

Maes_etal_2020_DagvlindermonitoringInVlaanderen.pdf

Page 1

Dagvlindermonitoring in Vlaanderen 1991-2019 Dirk Maes, Frederic Piesschaert, Filiep T’jollyn & Hans Van Dyck


Auteurs: Dirk Maes, Frederic Piesschaert, Filiep T’jollyn (INBO) & Hans Van Dyck (UCL) Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Reviewers: Hannes Ledegen (Coördinator Meetnetten.be) Sam Van De Poel (Coördinator Meetnetten.be) Lander Baeten (Hoofdredacteur Natuur.focus & UGent) Pieter Vangansbeke (UGent) Het INBO is het onafhankelijk onderzoeksinstituut van de Vlaamse overheid dat via toegepast wetenschappelijk onderzoek, data- en kennisontsluiting het biodiversiteitsbeleid en -beheer onderbouwt en evalueert. Vestiging: Herman Teirlinckgebouw INBO Brussel Havenlaan 88 bus 73, 1000 Brussel www.inbo.be e-mail: dirk.maes@inbo.be Wijze van citeren: Maes D, Piesschaert, F, T’jollyn F & Van Dyck H (2020). Dagvlindermonitoring in Vlaanderen 1991-2019. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (25). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.18344476 D/2020/3241/170 Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (25) ISSN: 1782-9054 Verantwoordelijke uitgever: Maurice Hoffmann Foto cover: Zwartspriedikkopje (Thymelicus lineola) Jeroen Mentens / Vilda

© 2020, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek


DAGVLINDERMONITORING IN VLAANDEREN 1991-2019 Dirk Maes, Frederic Piesschaert, Filiep T’jollyn & Hans Van Dyck

doi.org/10.21436/inbor.18344476 Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (25)

www.inbo.be


Dankwoord In de eerste plaats willen we alle mensen die al lang of minder lang een vlinderroute wandelen bijzonder bedanken voor hun volgehouden inspanningen! Zonder hen was deze analyse onmogelijk geweest. Jo Loos en Pieter Vandenbroucke (INBO) bedanken we van harte voor de technische hulp bij het invoeren en compileren van de data. Hannes Ledegen bezorgde ons constructieve commentaar op een vorige versie, waarvoor dank. Reto Schmucki en Emily Dennis ontwikkelden het R-package rBMS waarmee de analyses gedaan konden worden, waarvoor dank. Cristina Sevilleja bedanken we voor het bezorgen van de kaart met Europese landen waar momenteel aan vlindermonitoring wordt gedaan. Hans Van Calster en Damiano Oldoni bedanken we voor de hulp bij het schrijven van enkele R-scripts voor de statistische analyse.

Voorwoord Dagvlindermonitoring is het op een gestandaardiseerde manier tellen van vlinders, waarmee we trends van de verschillende soorten kunnen bepalen over langere perioden. In Vlaanderen startte het dagvlindermonitoringproject bescheiden in 1991 en dat is het, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Nederland, eigenlijk altijd gebleven. Met een tiental vlinderroutes die jaarlijks gewandeld worden zijn we, mede dankzij nieuwe statistische technieken, toch in staat om voor de algemene vlindersoorten een trend te bepalen. In dit rapport brengen we verslag uit van bijna 30 jaar dagvlindermonitoring in Vlaanderen en vergelijken we de resultaten met de trends in de ons omringende landen. We geven ook aan wat we kunnen verbeteren en hoe de resultaten gebruikt kunnen worden in het natuurbeleid.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 2 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


Samenvatting Sinds 1991 wordt er aan dagvlindermonitoring gedaan in Vlaanderen. Het aantal vlinderroutes is altijd vrij bescheiden geweest en haalde nooit de aantallen van Groot-Brittannië of Nederland. Dankzij nieuwe statistische technieken kunnen we nu echter ook in Vlaanderen trends bereken, zij het alleen voor de meer algemene soorten. In totaal werden in Vlaanderen 105 vlinderroutes gewandeld, maar slechts enkele routes bestrijken de hele periode van 19912019. Twintig routes leverden gegevens van hoge tot zeer hoge kwaliteit (d.i. werden vele jaren en gedurende het jaar ook tijdens vele weken gewandeld). Een derde van de vlinderroutes ligt in een landbouwomgeving, een kwart in open en vrij natuurlijke omgeving, een kwart in een bosrijke omgeving en de rest ligt in een stedelijke omgeving. In de periode van 1991-2019 werden in totaal 46 soorten dagvlinders waargenomen met Bruin zandoogje, Oranje zandoogje, Klein koolwitje, Klein geaderd witje en Zwartsprietdikkopje als meest getelde soorten. Zes soorten nemen beduidend toe op de vlinderroutes in Vlaanderen: Atalanta, Bont zandoogje, Citroenvlinder, Gehakkelde aurelia, Boomblauwtje en Oranjetipje, terwijl vijf soorten beduidend afnemen: Bruin zandoogje, Groot dikkopje, Kleine vos, Oranje zandoogje en Zwartsprietdikkopje. Over het algemeen gaan min of meer bosgerelateerde soorten met 19% vooruit, vermoedelijk omwille van een warmer microklimaat in en het ouder worden van de Vlaamse bossen. Graslandsoorten daarentegen gaan met gemiddeld 12% achteruit, wat mogelijk te wijten is aan de teloorgang van schrale, bloemrijke graslanden, voornamelijk door bemesting. Een uitbreiding van het aantal vlinderroutes in Vlaanderen is nodig om zo ook over Rode Lijstsoorten een uitspraak te kunnen doen. Hierdoor zouden we beter in staat zijn om de vinger aan de pols te houden van de dagvlinders en zouden we het natuurbeleid in Vlaanderen sneller kunnen bijsturen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 3 van 115


English abstract Since 1991, a butterfly monitoring scheme is up and running in the northern part of Belgium. The number of butterfly transects remained much smaller than in the UK or in the Netherlands, but thanks to novel statistic techniques, trends can now be calculated for more common species, even with a relatively low number of butterfly transects. In total, 105 transects have been counted with different intensities. Twenty of these transects yielded data of high to very high quality (i.e., are counted a large number of years and regularly throughout the year). One third of the transects is located in an agricultural environment, a quarter in open semi-natural areas, another quarter in woodland and the remaining transects are in urban areas. Over the 29 years of butterfly monitoring, 46 species have been observed of which Meadow Brown (Maniola jurtina), Gatekeeper (Pyronia tithonus), Small White (Pieris rapae), Green-veined White (Pieris napi) and Essex Skipper (Thymelicus lineola) were the most counted ones. Six species are increasing significantly between 1991-2019: Red Admiral (Vanessa atalanta), Speckled Wood (Pararge aegeria), Brimstone (Gonepteryx rhamni), Comma (Polygonia c-album), Holly blue (Celastrina argiolus) and Orange-tip (Anthocharis cardamines) while five others are decreasing significantly: Meadow Brown (Maniola jurtina), Large Skipper (Ochlodes sylvanus), Small Tortoiseshell (Aglais urticae), Gatekeeper (Pyronia tithonus) and Essex Skipper (Thymelicus lineola). Woodland-related species show an average increase in abundance of 19%, probably due to a warmer microclimate and the aging of woodlands. Grassland species, on the other hand, show a decline of on average almost 12%, most probably due to nitrogen deposition. An extension of the number of butterfly transects in Flanders would increase their impact in Flemish nature policy making and new volunteers are more than welcome.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 4 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


Inhoudstafel Dankwoord .................................................................................................................................... 2 Voorwoord .................................................................................................................................... 2 Samenvatting ................................................................................................................................ 3 English abstract ............................................................................................................................. 4 Lijst van figuren ........................................................................................................................... 11 Lijst van tabellen ......................................................................................................................... 20 1 Inleiding ............................................................................................................................... 21 2 Materiaal en methode ........................................................................................................ 22 2.1 Het uitzetten van een dagvlindertransect .................................................................. 22 2.1.1 Het uitvoeren van de transecttellingen .............................................................. 22 2.1.2 Telperiode ........................................................................................................... 23 2.1.3 Gegevensinvoer ................................................................................................... 23 2.2 Analyse ........................................................................................................................ 25 2.2.1 Algemene trend ................................................................................................... 25 2.2.2 Trend per vlinderroute ........................................................................................ 26 2.2.3 Vergelijking met de ons omringende landen ...................................................... 27 2.2.4 Fenologie ............................................................................................................. 27 2.3 Andere monitoringmethoden ..................................................................................... 27 2.4 Het weer in de periode 1991-2009 ............................................................................. 27 2.4.1 Maximum temperatuur ....................................................................................... 28 2.4.2 Neerslag............................................................................................................... 28 2.4.3 Uren zonneschijn ................................................................................................. 30 2.4.4 Correlatie tussen weer en de jaarlijkse indexen ................................................. 30 3 Resultaten ........................................................................................................................... 31 3.1 De vlinderroutes .......................................................................................................... 31 3.2 De vlinders ................................................................................................................... 32 3.3 Trends .......................................................................................................................... 33 3.3.1 Algemene trend ................................................................................................... 33 3.3.2 Trend per soort.................................................................................................... 33 3.3.3 Trends per biotoop .............................................................................................. 35 3.3.3.1 Bossen ............................................................................................................. 35 3.3.3.2 Graslanden ...................................................................................................... 35 3.3.4 Vergelijking met de ons omringende landen ...................................................... 36 3.3.5 Correlatie tussen weer en de jaarlijkse indexen ................................................. 36 3.4 Soortbesprekingen ...................................................................................................... 37 3.4.1 Atalanta ............................................................................................................... 37 3.4.1.1 Locatie van de routes ...................................................................................... 37 3.4.1.2 Trend ............................................................................................................... 38 3.4.1.2.1 Vlaanderen ................................................................................................ 38 3.4.1.2.2 Vergelijking met de buurlanden ................................................................ 38 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 5 van 115


3.4.1.2.3

Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes 38 3.4.1.3 Fenologie ......................................................................................................... 39 3.4.2 Bont zandoogje ................................................................................................... 40 3.4.2.1 Locatie van de routes ...................................................................................... 40 3.4.2.2 Trend ............................................................................................................... 41 3.4.2.2.1 Vlaanderen ................................................................................................ 41 3.4.2.2.2 Vergelijking met de buurlanden ................................................................ 41 3.4.2.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes 41 3.4.2.3 Fenologie ......................................................................................................... 42 3.4.3 Boomblauwtje ..................................................................................................... 43 3.4.3.1 Locatie van de routes ...................................................................................... 43 3.4.3.2 Trend ............................................................................................................... 44 3.4.3.2.1 Vlaanderen ................................................................................................ 44 3.4.3.2.2 Vergelijking met de buurlanden ................................................................ 44 3.4.3.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes 45 3.4.3.3 Fenologie ......................................................................................................... 45 3.4.4 Bruin zandoogje................................................................................................... 46 3.4.4.1 Locatie van de routes ...................................................................................... 46 3.4.4.2 Trend ............................................................................................................... 47 3.4.4.2.1 Vlaanderen ................................................................................................ 47 3.4.4.2.2 Vergelijking met de buurlanden ................................................................ 47 3.4.4.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes 48 3.4.4.3 Fenologie ......................................................................................................... 48 3.4.5 Citroenvlinder ...................................................................................................... 49 3.4.5.1 Locatie van de routes ...................................................................................... 49 3.4.5.2 Trend ............................................................................................................... 50 3.4.5.2.1 Vlaanderen ................................................................................................ 50 3.4.5.2.2 Vergelijking met de buurlanden ................................................................ 50 3.4.5.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes 51 3.4.5.3 Fenologie ......................................................................................................... 51 3.4.6 Dagpauwoog........................................................................................................ 52 3.4.6.1 Locatie van de routes ...................................................................................... 52 3.4.6.2 Trend ............................................................................................................... 53 3.4.6.2.1 Vlaanderen ................................................................................................ 53 3.4.6.2.2 Vergelijking met de buurlanden ................................................................ 53 3.4.6.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes 53 3.4.6.3 Fenologie ......................................................................................................... 54 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 6 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.7 Distelvlinder ........................................................................................................ 55 3.4.7.1 Locatie van de routes ...................................................................................... 55 3.4.7.2 Trend ............................................................................................................... 56 3.4.7.2.1 Vlaanderen ................................................................................................ 56 3.4.7.2.2 Vergelijking met de buurlanden ................................................................ 56 3.4.7.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes 56 3.4.7.3 Fenologie ......................................................................................................... 57 3.4.8 Gehakkelde aurelia .............................................................................................. 58 3.4.8.1 Locatie van de routes ...................................................................................... 58 3.4.8.2 Trend ............................................................................................................... 59 3.4.8.2.1 Vlaanderen ................................................................................................ 59 3.4.8.2.2 Vergelijking met de buurlanden ................................................................ 59 3.4.8.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes 59 3.4.8.3 Fenologie ......................................................................................................... 60 3.4.9 Groot dikkopje ..................................................................................................... 61 3.4.9.1 Locatie van de routes ...................................................................................... 61 3.4.9.2 Trend ............................................................................................................... 62 3.4.9.2.1 Vlaanderen ................................................................................................ 62 3.4.9.2.2 Vergelijking met de buurlanden ................................................................ 62 3.4.9.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes 63 3.4.9.3 Fenologie ......................................................................................................... 63 3.4.10 Groot koolwitje ................................................................................................... 64 3.4.10.1 Locatie van de routes .................................................................................. 64 3.4.10.2 Trend ........................................................................................................... 65 3.4.10.2.1 Vlaanderen .............................................................................................. 65 3.4.10.2.2 Vergelijking met de buurlanden .............................................................. 65 3.4.10.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes 65 3.4.10.3 Fenologie ..................................................................................................... 66 3.4.11 Hooibeestje ......................................................................................................... 67 3.4.11.1 Locatie van de routes .................................................................................. 67 3.4.11.2 Trend ........................................................................................................... 68 3.4.11.2.1 Vlaanderen .............................................................................................. 68 3.4.11.2.2 Vergelijking met de buurlanden .............................................................. 68 3.4.11.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes 69 3.4.11.3 Fenologie ..................................................................................................... 69 3.4.12 Icarusblauwtje ..................................................................................................... 70 3.4.12.1 Locatie van de routes .................................................................................. 70 3.4.12.2 Trend ........................................................................................................... 71 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 7 van 115


3.4.12.2.1 3.4.12.2.2 3.4.12.2.3

Vlaanderen .............................................................................................. 71 Vergelijking met de buurlanden .............................................................. 71 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes 72 3.4.12.3 Fenologie ..................................................................................................... 72 3.4.13 Klein geaderd witje .............................................................................................. 73 3.4.13.1 Locatie van de routes .................................................................................. 73 3.4.13.2 Trend ........................................................................................................... 74 3.4.13.2.1 Vlaanderen .............................................................................................. 74 3.4.13.2.2 Vergelijking met de buurlanden .............................................................. 74 3.4.13.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes 75 3.4.13.3 Fenologie ..................................................................................................... 75 3.4.14 Klein koolwitje ..................................................................................................... 76 3.4.14.1 Locatie van de routes .................................................................................. 76 3.4.14.2 Trend ........................................................................................................... 77 3.4.14.2.1 Vlaanderen .............................................................................................. 77 3.4.14.2.2 Vergelijking met de buurlanden .............................................................. 77 3.4.14.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes 77 3.4.14.3 Fenologie ..................................................................................................... 78 3.4.15 Kleine vos ............................................................................................................ 79 3.4.15.1 Locatie van de routes .................................................................................. 79 3.4.15.2 Trend ........................................................................................................... 80 3.4.15.2.1 Vlaanderen .............................................................................................. 80 3.4.15.2.2 Vergelijking met de buurlanden .............................................................. 80 3.4.15.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes 81 3.4.15.3 Fenologie ..................................................................................................... 81 3.4.16 Kleine vuurvlinder ............................................................................................... 82 3.4.16.1 Locatie van de routes .................................................................................. 82 3.4.16.2 Trend ........................................................................................................... 83 3.4.16.2.1 Vlaanderen .............................................................................................. 83 3.4.16.2.2 Vergelijking met de buurlanden .............................................................. 83 3.4.16.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes 84 3.4.16.3 Fenologie ..................................................................................................... 84 3.4.17 Koevinkje ............................................................................................................. 85 3.4.17.1 Locatie van de routes .................................................................................. 85 3.4.17.2 Trend ........................................................................................................... 86 3.4.17.2.1 Trend in Vlaanderen ................................................................................ 86 3.4.17.2.2 Vergelijking met de buurlanden .............................................................. 86

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 8 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.17.2.3

Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes 87 3.4.17.3 Fenologie ..................................................................................................... 87 3.4.18 Landkaartje .......................................................................................................... 88 3.4.18.1 Locatie van de routes .................................................................................. 88 3.4.18.2 Trend ........................................................................................................... 89 3.4.18.2.1 Vlaanderen .............................................................................................. 89 3.4.18.2.2 Vergelijking met de buurlanden .............................................................. 89 3.4.18.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes 89 3.4.18.3 Fenologie ..................................................................................................... 90 3.4.19 Oranjetipje........................................................................................................... 91 3.4.19.1 Locatie van de routes .................................................................................. 91 3.4.19.2 Trend ........................................................................................................... 92 3.4.19.2.1 Vlaanderen .............................................................................................. 92 3.4.19.2.2 Vergelijking met de buurlanden .............................................................. 92 3.4.19.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes 93 3.4.19.3 Fenologie ..................................................................................................... 93 3.4.20 Oranje zandoogje ................................................................................................ 94 3.4.20.1 Locatie van de routes .................................................................................. 94 3.4.20.2 Trend ........................................................................................................... 95 3.4.20.2.1 Trend in Vlaanderen ................................................................................ 95 3.4.20.2.2 Vergelijking met de buurlanden .............................................................. 95 3.4.20.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes 96 3.4.20.3 Fenologie ..................................................................................................... 96 3.4.21 Zwartsprietdikkopje ............................................................................................ 97 3.4.21.1 Locatie van de routes .................................................................................. 97 3.4.21.2 Trend ........................................................................................................... 98 3.4.21.2.1 Vlaanderen .............................................................................................. 98 3.4.21.2.2 Vergelijking met de buurlanden .............................................................. 98 3.4.21.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes 99 3.4.21.3 Fenologie ..................................................................................................... 99 4 Discussie ............................................................................................................................ 100 4.1 Verklaringen voor de waargenomen trends ............................................................. 100 4.1.1 Bossoorten ........................................................................................................ 100 4.1.2 Graslandsoorten ................................................................................................ 100 4.2 Een kritische blik op de Vlaamse trends ................................................................... 101 4.3 Fenologie ................................................................................................................... 102 4.4 Toepassingen in het beleid, het beheer en het onderzoek ...................................... 102 4.5 Verbeterpunten ......................................................................................................... 103 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 9 van 115


4.6 Meetnetten.be .......................................................................................................... 104 4.7 Vlaanderen in Europa ................................................................................................ 105 5 Referenties ........................................................................................................................ 106

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 10 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


Lijst van figuren Figuur 1 Figuur 2 Figuur 3 Figuur 4

Figuur 5

Figuur 6

Figuur 7 Figuur 8

Figuur 9 Figuur 10

Figuur 11

Figuur 12

Figuur 13

Landen in Europa (in het paars) waar aan dagvlindermonitoring gedaan wordt (bron: ABLE-project, Butterfly Conservation Europe). .............................................. 21 Denkbeeldige telkooi waarbinnen vlinders tijdens een transecttelling worden geteld (Bron: van Swaay et al. 2018). ................................................................................... 23 Printscreen van de startpagina van het project “Algemene vlindermonitoring” op de website www.meetnetten.be. .................................................................................. 24 Gemiddelde maximum temperatuur in de periode 1991-2019. De punten zijn de gemiddelde waarden per seizoen, de zone errond is het 95% betrouwbaarheidsinterval, de volle lijn is de gemodelleerde waarde en de zwarte stippellijn is de gemiddelde waarde over de periode 1991-2019. ............................ 28 Gemiddelde neerslag in de periode 1991-2019. De punten zijn de gemiddelde waarden per seizoen, de zone errond is het 95% betrouwbaarheidsinterval, de volle lijn is de gemodelleerde waarde en de zwarte stippellijn is de gemiddelde waarde over de periode 1991-2019. ...................................................................................... 29 Gemiddeld aantal uren zonneschijn in de periode 1991-2019. De punten zijn de gemiddelde waarden per seizoen, de zone errond is het 95% betrouwbaarheidsinterval, de volle lijn is de gemodelleerde waarde en de zwarte stippellijn is de gemiddelde waarde over de periode 1991-2019. ............................ 30 Aantal getelde vlinderroutes per jaar in Vlaanderen. ............................................... 31 Ligging van de vlinderroutes in Vlaanderen. De kleur van de bol geeft de kwaliteit van de telgegevens aan: donkergroen = hoog tot zeer hoog, lichtgroen = vrij hoog tot redelijk, oranje = vrij laag, grijs = laag. ................................................................ 31 Totaal aantal individuen per soort dat op de Vlaamse vlinderroutes werd geteld in de periode 1991-2019. .............................................................................................. 32 Gemiddelde trend voor alle voldoende talrijke soorten op de vlinderroutes in Vlaanderen. De bollen geven de berekende jaarindex weer (gemiddeld aantal individuen per jaar per vlinderroute), de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ............................................................................................................ 33 Trend van de bossoorten op de Vlaamse vlinderroutes in de periode 1991-2019. De bollen geven de berekende jaarindex weer (gemiddeld aantal individuen per jaar per vlinderroute), de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ................... 35 Trend van de graslandsoorten op de Vlaamse vlinderroutes in de periode 19912019. De bollen geven de berekende jaarindex weer (gemiddeld aantal individuen per jaar per vlinderroute), de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ............................................................................................................ 35 Vergelijking van de trend van de verschillende soorten op de Vlaamse vlinderroutes in de periode 1991-2019 met die op de vlinderroutes in Nederland (periode 1991-

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 11 van 115


Figuur 14

Figuur 15

Figuur 16

Figuur 17 Figuur 18

Figuur 19

Figuur 20

Figuur 21

Figuur 22

Figuur 23

Figuur 24

2019 – van Swaay et al. 2020), Engeland (periode 1976-2018 – Brereton et al. 2019) en Duitsland (periode 2005-2018 – Kühn et al. 2019). ............................................. 36 Ligging van de vlinderroutes waarop Atalanta werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol. .................. 37 Trend van Atalanta op de Vlaamse vlinderroutes tussen 1991 en 2019. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ............................................................................................................ 38 Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Atalanta tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts). .......................................................................................................... 39 Gemiddelde vliegperiode van Atalanta op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts). ...... 39 Ligging van de vlinderroutes waarop Bont zandoogje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol. ................................................................................................................... 40 Trend van Bont zandoogje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ............................................................................................................ 41 Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Bont zandoogje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts). .......................................................................................................... 42 Gemiddelde vliegperiode van Bont zandoogje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts). ..................................................................................................................... 42 Ligging van de vlinderroutes waarop Boomblauwtje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol. ................................................................................................................... 43 Trend van Boomblauwtje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ............................................................................................................ 44 Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Boomblauwtje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts). .......................................................................................................... 45

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 12 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


Figuur 25 Gemiddelde vliegperiode van Boomblauwtje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts). ..................................................................................................................... 45 Figuur 26 Ligging van de vlinderroutes waarop Bruin zandoogje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol. ................................................................................................................... 46 Figuur 27 Trend van Bruin zandoogje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ............................................................................................................ 47 Figuur 28 Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Bruin zandoogje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts). .......................................................................................................... 48 Figuur 29 Gemiddelde vliegperiode van Bruin zandoogje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts). ..................................................................................................................... 48 Figuur 30 Ligging van de vlinderroutes waarop Citroenvlinder werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol. ............. 49 Figuur 31 Trend van Citroenvlinder op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ............................................................................................................ 50 Figuur 32 Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Citroenvlinder tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts). .......................................................................................................... 51 Figuur 33 Gemiddelde vliegperiode van Citroenvlinder op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts). ..................................................................................................................... 51 Figuur 34 Ligging van de vlinderroutes waarop Dagpauwoog werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol. ............. 52 Figuur 35 Trend van Dagpauwoog op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ............................................................................................................ 53 Figuur 36 Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Dagpauwoog tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts). .......................................................................................................... 54 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 13 van 115


Figuur 37 Gemiddelde vliegperiode van Dagpauwoog op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts). ..................................................................................................................... 54 Figuur 38 Ligging van de vlinderroutes waarop Distelvlinder werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol. ............. 55 Figuur 39 Trend van Distelvlinder op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ................... 56 Figuur 40 Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Distelvlinder tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts). .......................................................................................................... 57 Figuur 41 Gemiddelde vliegperiode van Distelvlinder op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts). ..................................................................................................................... 57 Figuur 42 Ligging van de vlinderroutes waarop Gehakkelde aurelia werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol. ................................................................................................................... 58 Figuur 43 Trend van Gehakkelde aurelia op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ............................................................................................................ 59 Figuur 44 Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Gehakkelde aurelia tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts). .......................................................................................................... 60 Figuur 45 Gemiddelde vliegperiode van Gehakkelde aurelia op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts). ..................................................................................................................... 60 Figuur 46 Ligging van de vlinderroutes waarop Groot dikkopje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol. ................................................................................................................... 61 Figuur 47 Trend van Groot dikkopje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ............................................................................................................ 62 Figuur 48 Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Groot dikkopje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts). .......................................................................................................... 63 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 14 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


Figuur 49 Gemiddelde vliegperiode van Groot dikkopje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts). ..................................................................................................................... 63 Figuur 50 Ligging van de vlinderroutes waarop Groot koolwitje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol. ................................................................................................................... 64 Figuur 51 Trend van Groot koolwitje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ............................................................................................................ 65 Figuur 52 Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Groot koolwitje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts). .......................................................................................................... 66 Figuur 53 Gemiddelde vliegperiode van Groot koolwitje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts). ..................................................................................................................... 66 Figuur 54 Ligging van de vlinderroutes waarop Hooibeestje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol. ............. 67 Figuur 55 Trend van Hooibeestje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ................... 68 Figuur 56 Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Hooibeestje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts). .......................................................................................................... 69 Figuur 57 Gemiddelde vliegperiode van Hooibeestje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts). ..................................................................................................................... 69 Figuur 58 Ligging van de vlinderroutes waarop Icarusblauwtje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol. ................................................................................................................... 70 Figuur 59 Trend van Icarusblauwtje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ............................................................................................................ 71 Figuur 60 Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Icarusblauwtje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts). .......................................................................................................... 72 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 15 van 115


Figuur 61 Gemiddelde vliegperiode van Icarusblauwtje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts). ..................................................................................................................... 72 Figuur 62 Ligging van de vlinderroutes waarop Klein geaderd witje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol. ................................................................................................................... 73 Figuur 63 Trend van Klein geaderd witje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ............................................................................................................ 74 Figuur 64 Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Klein geaderd witje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts). .......................................................................................................... 75 Figuur 65 Gemiddelde vliegperiode van Klein geaderd witje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts). ..................................................................................................................... 75 Figuur 66 Ligging van de vlinderroutes waarop Klein koolwitje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol. ................................................................................................................... 76 Figuur 67 Trend van Klein koolwitje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ............................................................................................................ 77 Figuur 68 Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Klein koolwitje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts). .......................................................................................................... 78 Figuur 69 Gemiddelde vliegperiode van Klein koolwitje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts). ..................................................................................................................... 78 Figuur 70 Ligging van de vlinderroutes waarop Kleine vos werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol. .................. 79 Figuur 71 Trend van Kleine vos op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ................... 80 Figuur 72 Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Kleine vos tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts). .......................................................................................................... 81 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 16 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


Figuur 73 Gemiddelde vliegperiode van Kleine vos op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts). ..................................................................................................................... 81 Figuur 74 Ligging van de vlinderroutes waarop Kleine vuurvlinder werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol. ................................................................................................................... 82 Figuur 75 Trend van Kleine vuurvlinder op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ............................................................................................................ 83 Figuur 76 Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Kleine vuurvlinder tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts). .......................................................................................................... 84 Figuur 77 Gemiddelde vliegperiode van Kleine vuurvlinder op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts). ..................................................................................................................... 84 Figuur 78 Ligging van de vlinderroutes waarop Koevinkje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol. .................. 85 Figuur 79 Trend van Koevinkje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ................... 86 Figuur 80 Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Koevinkje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts). .......................................................................................................... 87 Figuur 81 Gemiddelde vliegperiode van Koevinkje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts). ...... 87 Figuur 82 Ligging van de vlinderroutes waarop Landkaartje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol. ............. 88 Figuur 83 Trend van Landkaartje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ................... 89 Figuur 84 Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Landkaartje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts). .......................................................................................................... 90 Figuur 85 Gemiddelde vliegperiode van Landkaartje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts). ..................................................................................................................... 90 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 17 van 115


Figuur 86 Ligging van de vlinderroutes waarop Oranjetipje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol. ............. 91 Figuur 87 Trend van Oranjetipje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ................... 92 Figuur 88 Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Oranjetipje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts). .......................................................................................................... 93 Figuur 89 Gemiddelde vliegperiode van Oranjetipje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts). ..................................................................................................................... 93 Figuur 90 Ligging van de vlinderroutes waarop Oranje zandoogje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol. ................................................................................................................... 94 Figuur 91 Trend van Oranje zandoogje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ............................................................................................................ 95 Figuur 92 Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Oranje zandoogje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts). .......................................................................................................... 96 Figuur 93 Gemiddelde vliegperiode van Oranje zandoogje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts). ..................................................................................................................... 96 Figuur 94 Ligging van de vlinderroutes waarop Zwartsprietdikkopje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol. ................................................................................................................... 97 Figuur 95 Trend van Zwartsprietdikkopje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019. ............................................................................................................ 98 Figuur 96 Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Zwartsprietdikkopje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts). .......................................................................................................... 99 Figuur 97 Gemiddelde vliegperiode van Zwartsprietdikkopje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts). ..................................................................................................................... 99 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 18 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


Figuur 98 De Europese graslandvlinderindex vertoont een achteruitgang van 39% sinds 1990. De volle lijn geeft de trend van de jaarindex weer, de stippellijn is de gemodelleerde trend over de periode 1990-2017 en de grijze zone rond de stippellijn is het 95% betrouwbaarheidsinterval rond de gemodelleerde trend. Bron: van Swaay et al. (2019a). ................................................................................................................... 101

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 19 van 115


Lijst van tabellen Tabel 1 In te voeren gegevens voor een transecttelling. ......................................................... 24 Tabel 2 Lijst van Vlaamse vlinderroutes die minstens 10 jaar geteld werden in dalende volgorde van het aantal getelde jaren. ........................................................................ 26 Tabel 3 Trend van 21 soorten in Vlaanderen. .......................................................................... 34

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 20 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


1

INLEIDING

Dagvlindermonitoring ontstond in 1976 in Groot-Brittannië en had als doel om op basis van een in de praktijk eenvoudige telwijze toch op een wetenschappelijke manier trends in het aantal dagvlinders op te volgen (Pollard et al. 1975). Nederland en Vlaanderen volgden pas 15 jaar later (1991), maar behoren daarmee toch tot de oudste vlindermonitoringnetwerken van Europa (van Swaay et al. 1997). Anders dan in Groot-Brittannië en Nederland bleef het aantal vlinderroutes in Vlaanderen erg bescheiden, mede door het ontbreken van de mogelijkheden om vrijwilligers professioneel te begeleiden. In Groot-Brittannië en Nederland werd het monitoringnetwerk vanaf het begin ondersteund door bestaande, goed georganiseerde vlinderorganisaties (British Butterfly Conservation en de Nederlandse Vlinderstichting), die konden instaan voor de dagdagelijkse professionele begeleiding van de vlindertellers. Deze organisaties werkten nauw samen met overheidsinstellingen zoals het Centre for Ecology and Hydrology (CEH) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), die instaan voor het analyseren van de gegevens. Ook elders in Europa groeide het aantal vlinderroutes gestaag en momenteel wordt er in 14 landen aan vlindermonitoring gedaan (Zweden, Finland, Ierland, Groot-Brittannië, Nederland, België, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk, Spanje, Portugal, Italië, Slovenië en Hongarije – Figuur 1). In landen waar momenteel nog geen vlindermonitoring gebeurt (vooral Oost-Europa), wordt aan de uitbouw van een meetnet gewerkt met de ondersteuning van de koepelorganisatie Butterfly Conservation Europe (https://www.vlinderstichting.nl/butterfly-conservation-europe/projects/able-project). De gegevens van alle dagvlindermonitoringsprojecten over heel Europa worden onder de vlag van Butterfly Conservation Europe samengebracht in een grote databank (eBMS – European Butterfly Monitoring Scheme; https://butterfly-monitoring.net/), waarmee allerlei beleids- en beheerrelevante analyses gedaan kunnen worden. Ook voor fundamenteel ecologisch onderzoek zijn de gegevens erg nuttig (bv. onderzoek naar veranderingen in vliegperioden, zie verder).

Figuur 1

Landen in Europa (in het paars) waar aan dagvlindermonitoring gedaan wordt (bron: ABLEproject, Butterfly Conservation Europe).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 21 van 115


2

MATERIAAL EN METHODE

Een uitgebreide handleiding voor het uitzetten en wandelen van een vlinderroute is te vinden in Maes et al. (2019). Hierin wordt vooral besproken hoe soortgerichte monitoring moet gebeuren, maar op de telfrequentie en -lengte na is de werkwijze dezelfde als voor een algemene vlindermonitoring.

2.1 HET UITZETTEN VAN EEN DAGVLINDERTRANSECT Vlindertransecten zijn in principe maximaal 1 km lang en worden onderverdeeld in secties van 50 m (cf. Pollard & Yates 1993; van Swaay et al. 2008; van Swaay et al. 2011; Sevilleja et al. 2019). De lengte van 1000 m met maximaal 20 secties is een streefcijfer dat afhangt van de grootte van het gebied. De route wordt ingetekend op kaart of ingelezen met een gps-toestel, door bijvoorbeeld gebruik te maken van de “route” optie van de mobiele applicaties van www.waarnemingen.be (iObs en ObsMapp) of via de Track-Kit applicatie. Door gebruik te maken van markeringen of opvallende punten op het transect kunnen de verschillende secties worden afgebakend, zodat het transect gemakkelijk door anderen kan worden overgenomen. Indien er om een of andere reden een sectie wegvalt uit het transect (niet meer toegankelijk, volledig ongeschikt geworden ...), dan kan deze sectie ofwel vervangen worden door een nieuwe sectie ofwel niet meer geteld worden (Onkelinx et al. 2017). In beide gevallen moet dit worden gedocumenteerd en gerapporteerd aan de meetnetcoördinator, zodat er rekening mee gehouden kan worden bij de analyses van de data. Desbetreffende secties worden op het invoerportaal op inactief gezet, maar de data en de ligging blijven beschikbaar voor interpretatie van historische gegevens. De oorspronkelijke nummering van deze inactieve secties wordt echter niet opnieuw gebruikt voor de nieuwe secties zodat er geen verwarring kan ontstaan bij de interpretatie van de gegevens. De ligging van de verschillende gebieden is op 5 x 5 km²-hok niveau voor iedereen zichtbaar op www.meetnetten.be. Details van de locaties zijn enkel zichtbaar voor mensen die aangemeld en aanvaard zijn bij het meetnet.

2.1.1

Het uitvoeren van de transecttellingen

Transecttellingen worden uitgevoerd tussen 10-17u en bij geschikt weer voor dagvlinders: temperatuur ≥ 17°C zonder bewolking of temperatuur ≥ 20°C indien er bewolking is, windkracht ≤ 4 Beaufort, geen neerslag. Het tellen zelf gebeurt door het transect op een tempo te wandelen dat toelaat om de soorten in principe op zicht te determineren en het ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 22 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


aantal individuen ervan te noteren per sectie van 50 meter. Soms kan het handig zijn om met een netje enkele minder gemakkelijk van elkaar te onderscheiden (bv. de koolwitjes of de dikkopjes) te vangen en op het einde elke sectie op naam te brengen. Enkel vlinders die in een denkbeeldige kooi van 2,5 m links, 2,5 m rechts, 5 m boven en 5 m voor je vliegen, worden geteld (Figuur 2).

Figuur 2

2.1.2

Denkbeeldige telkooi waarbinnen vlinders tijdens een transecttelling worden geteld (Bron: van Swaay et al. 2018).

Telperiode

Bij de algemene dagvlindermonitoring wordt er, indien het weer het toelaat, wekelijks geteld tussen 1 april en 30 september. In totaal zijn dat dus 26 weken.

2.1.3 Gegevensinvoer De gegevens van de Algemene dagvlindermonitoring worden opgeslagen in www.meetnetten.be, waar een apart telproject voorzien is onder de groep Dagvlinders. Invoer kan via de webapplicatie www.meetnetten.be, maar de voorkeur gaat uit naar het gebruik van de mobiele applicatie omdat dan ook het gewandelde traject en de exacte locatie van de waarnemingen worden opgeslagen. De applicatie is terug te vinden in Google Play Store (voorlopig alleen voor het Android-platform). Een handleiding voor het invoeren van de gegevens en voor het gebruik van de mobiele applicatie is eveneens beschikbaar op deze website. Bij een transecttelling worden de datum, het uur van begin en einde van de telling en de weersomstandigheden genoteerd (temperatuur in °C, bewolking in achtsten en windkracht in Beaufort). Verder wordt aangegeven of het veldwerk al dan niet probleemloos verlopen is. Zo niet, wordt dit verder gespecifieerd (bv. locatie is ontoegankelijk). Tijdens de transecttelling wordt per sectie van 50 m het aantal individuen van alle waargenomen dagvlindersoorten genoteerd. Als een sectie niet werd geteld, moet dit worden aangevinkt. Dit om verwarring ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 23 van 115


met een nulwaarneming te vermijden. Een voorbeeld van wat er voor een vlindertransect genoteerd moet worden, is te vinden in Tabel 1.

Tabel 1

Overzicht van de in te voeren gegevens voor een transecttelling.

Locatie: Vlinderpark Waarnemer: Janine Vlindermans Datum: 18/07/2019 Tijd: 13.45u – 14.30u Medetellers: Het veldwerk is vlot en probleemloos verlopen: Ja Notities: Bewolking: 1 tot 2/8 Temperatuur (°C): 21° Windkracht (bft): 3 Sectie

1

2

3

4

5

…

Oranje zandoogje Bruin zandoogje Koninginnenpage

3 4 0

0 2 1

2 1 0

1 0 0

1 2 1

… … …

Tellers die een nieuwe route willen opstarten kunnen dat melden aan de meetnetcoördinator van Natuurpunt via www.meetnetten.be. De locatie wordt dan toegevoegd aan het portaal (Figuur 3).

Figuur 3

Printscreen van de startpagina van het project “Algemene vlindermonitoring” op de website www.meetnetten.be.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 24 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


2.2 ANALYSE 2.2.1 Algemene trend Omwille van het voortdurend veranderen van het aantal getelde routes per jaar is het niet eenvoudig om de gegevens op een statistisch correcte manier te analyseren. Je hebt in de eerste plaats voldoende routes nodig en je hebt van elke soort voldoende aantallen nodig om met enige betrouwbaarheid een Vlaamse trend per soort te kunnen berekenen. Sinds kort bestaat er een manier om jaarlijkse soortindexen te berekenen met vrij weinig vlinderroutes waarbij de routes niet wekelijks geteld moeten worden (Schmucki et al. 2016). De analyse gebeurt met het R-package rbms waarmee per soort en per route een jaarindex wordt berekend. Deze index is een maat voor de relatieve abundantie van elke soort op de route dat jaar. Per jaar kunnen de soortindexen vervolgens worden samengevoegd tot een algemene (gemiddelde) index voor heel Vlaanderen (Schmucki & Harrower 2019). Het is deze Vlaamse jaarindex die per soort op de figuren wordt weergegeven. Voor een meer gedetailleerde uitleg en het gebruik van het R-package rbms verwijzen we naar https://retoschmucki.github.io/rbms/index.html. De analyse gebeurt in verschillende stappen waarin verschillende parameters ingesteld kunnen worden: 

per jaar wordt nagegaan hoeveel tellingen er per route gedaan werden (wij gebruikten vier tellingen als minimum om gebruikt te worden voor verdere analyse);

vervolgens wordt berekend op hoeveel routes een soort in een bepaald jaar gezien werd en tijdens hoeveel tellingen elke soort gezien werd op de verschillende routes;

voor alle soorten waarvan minstens twee waarnemingen gedaan werden op minstens twee routes per jaar wordt een jaarindex berekend (Dennis et al. 2016; Schmucki et al. 2016).

Met behulp van deze nieuwe analysetechniek kunnen we voor 21 soorten een trend voor Vlaanderen berekenen (

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 25 van 115


Tabel 3). We berekenen hier een zogenaamde jaarindex, die het gemodelleerde aantal individuen per jaar per vlinderroute voorstelt. Wanneer jaar uit het Generalised Linear Model (GLM) naar voor komt als significant dan duiden we dat in de besprekingen aan met de term beduidende of significante toe- of afname. Omwille van het lage aantal vlinderroutes in Vlaanderen gebruiken we niet de klassieke 0.05 als p-waarde om een trend beduidend of significant te noemen, maar p ≤ 0.10. Alle analyses werden gedaan in R (R Core Team 2019).

2.2.2 Trend per vlinderroute Naast de algemene trend kan je met het R package rbms ook voor elke soort een trend per route berekenen, die vervolgens vergeleken kan worden met de trend van die soort voor heel Vlaanderen. Voor 15 routes die meer dan 10 jaar lang geteld werden (Tabel 2), geven we de trend van elke soort en vergelijken we die met de trend van de soort in heel Vlaanderen. Een vergelijking met de Vlaamse trend over de hele periode 1991-2019 is enkel mogelijk voor de drie routes die al het langst worden geteld: Neerhelst (in Geel), Keignaert-NO en Groene 62 (beide in Oostende) en die bespreken we dan ook afzonderlijk. Voor de vijf routes die momenteel nog steeds worden gewandeld (E17-Kuilstraat, Oosterlo, Veerle-Heide, AverbodeOost en Averbode-West), geven we ook de trend sinds 2007. De vlinderroute E17-Kuilstraat wordt al sinds 1992 geteld, maar de tellingen werden onderbroken tussen 1995 en 2007 waardoor de vergelijking met de Vlaamse trend minder duidelijk te maken is. Voor de oudere routes die na 2010 niet meer werden geteld, geven we de trendfiguren als Bijlage 4.

Tabel 2

Lijst van Vlaamse vlinderroutes die minstens 10 jaar geteld werden in dalende volgorde van het aantal getelde jaren.

Routenummer en -naam

Startjaar Eindjaar

15760 – Neerhelst 1992 15791 – Keignaert-NO 1992 15787 – Groene 62 1993 15753 – Oude Bleken 1 1993 15754 – Oude Bleken 2 1994 15702 – E17-Kuilstraat 1992 15782 – Zammelsbroek 1 1993 15781 – Zammelsbroek 2 1994 15779 – Demerbroeken 1995 15798 – Doode Bemde 1 1991 15799 – Doode Bemde 2 1991 15771 – Averbode Oost 2008 15770 – Averbode West 2008 15769 – Veerle-Heide 2008 15704 – Oosterlo 2009 a onderbroken tussen 1995 en 2007.

Aantal getelde jaren

2019 2019 2019 2010 2010 2019 2007 2007 2010 2004 2004 2019 2019 2019 2019

28 28 27 18 17 17a 15 14 14 14 14 12 12 12 11

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 26 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


2.2.3 Vergelijking met de ons omringende landen Aangezien er in de ons omringende landen ook aan vlindermonitoring wordt gedaan, kunnen we de Vlaamse trends op de vlinderroutes vergelijken met de veel talrijkere buitenlandse vlinderroutes in Nederland (van Swaay et al. 2020), Engeland (het zuidelijke deel van GrootBrittannië – Brereton et al. 2019) en Duitsland (Kühn et al. 2019).

2.2.4 Fenologie Voor de 21 soorten waarvoor we een Vlaamse trend kunnen berekenen, geven we ook de fenologie (vliegperiode), maar omwille van de leesbaarheid van de figuur, doen we dat enkel voor de laatste vier jaar (2016-2019). Deze curve werd gegenereerd door het R-package rbms waarmee de indexen per route en voor heel Vlaanderen worden berekend (Schmucki & Harrower 2019). Om eventuele veranderingen in de fenologie op iets langere termijn te kunnen detecteren, geven we ook de gemiddelde vliegperiode van de soorten per decennium (1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019).

2.3 ANDERE MONITORINGMETHODEN Naast algemene vlinderroutes zijn er ook soortgerichte vlinderroutes voor Vlaams prioritaire soorten (Maes et al. 2019). Hierin staan ook andere manieren van monitoring beschreven voor soorten die met de klassieke transecttelling moeilijk te tellen zijn. Dit zijn onder andere gebiedstellingen voor Bruine eikenpage en Grote weerschijnvlinder (gedurende een bepaalde tijd een vooraf geselecteerde locatie afzoeken en het aantal individuen noteren) en eitellingen voor Gentiaanblauwtje (op geschikte locaties het aantal eitjes op Klokjesgentianen tellen in plots van 10 x 10 m). De gegevens van deze monitoring, die nog maar sinds 2016 loopt, worden hier niet behandeld, maar zullen in latere rapporten apart geanalyseerd worden.

2.4 HET WEER IN DE PERIODE 1991-2009 De maandelijkse weergegevens werden opgehaald op de website van het KMI en geven de gegevens uit Ukkel weer (https://www.meteobelgie.be/klimatologie/grafischegegevens/ukkel-vanaf-1833). De seizoenen worden ingedeeld volgens de klimatologische ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 27 van 115


seizoensindeling: winter (december-januari-februari), lente (maart-april-mei), zomer (juni-juliaugustus) en herfst (september-oktober-november).

2.4.1 Maximum temperatuur De maximum temperatuur neemt vooral in de winter en de zomer toe naar het einde van de periode 1991-2019, maar in de lente en herfst schommelt de trend rond het langjarig gemiddelde van de hele periode (Figuur 4).

Figuur 4

Gemiddelde maximum temperatuur in de periode 1991-2019. De punten zijn de gemiddelde waarden per seizoen, de zone errond is het 95% betrouwbaarheidsinterval, de volle lijn is de gemodelleerde waarde en de zwarte stippellijn is de gemiddelde waarde over de periode 1991-2019.

2.4.2 Neerslag De hoeveelheid neerslag neemt vooral in de zomer af naar het einde van de periode 19912019 met erg droge zomers in 2018 en 2019, maar in de overige seizoenen schommelt de trend rond het langjarig gemiddelde van de hele periode (Figuur 5).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 28 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


Figuur 5

Gemiddelde neerslag in de periode 1991-2019. De punten zijn de gemiddelde waarden per seizoen, de zone errond is het 95% betrouwbaarheidsinterval, de volle lijn is de gemodelleerde waarde en de zwarte stippellijn is de gemiddelde waarde over de periode 1991-2019.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 29 van 115


2.4.3 Uren zonneschijn Het aantal uren zonneschijn neemt vooral in de winter en de zomer toe naar het einde van de periode 1991-2019, maar in de lente en herfst schommelt de trend rond het langjarig gemiddelde van de hele periode (Figuur 6).

Figuur 6

Gemiddeld aantal uren zonneschijn in de periode 1991-2019. De punten zijn de gemiddelde waarden per seizoen, de zone errond is het 95% betrouwbaarheidsinterval, de volle lijn is de gemodelleerde waarde en de zwarte stippellijn is de gemiddelde waarde over de periode 1991-2019.

2.4.4 Correlatie tussen weer en de jaarlijkse indexen Om na te gaan of het weer over de periode 1991-2019 een bepalende rol heeft gespeeld op de jaarlijkse indexen, correleren we de weervariabelen met de jaarlijkse indexen van de verschillende soorten (cf. Roy et al. 2001).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 30 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3

RESULTATEN

3.1 DE VLINDERROUTES In totaal werden er sinds 1991 verspreid over Vlaanderen 105 verschillende routes geteld (Bijlage 1). In de beginperiode werden jaarlijks tussen de 35-40 routes geteld, maar dat aantal is ondertussen gedaald tot een 10-tal (Figuur 7). Ook het aantal getelde routes en het aantal tellingen per jaar en per route variëren sterk tussen jaren en tussen routes. Door na te gaan hoeveel jaren de route werd geteld enerzijds en hoeveel tellingen er gemiddeld per jaar per route gedaan werden anderzijds, kunnen we een kwaliteitslabel toekennen aan de verzamelde gegevens op elke route. Van de 105 vlinderroutes in Vlaanderen zijn er 20 van hoge tot zeer hoge gegevenskwaliteit (meer dan 10 jaar geteld en elk jaar minstens 13 keer geteld), 18 van een vrij hoge tot redelijke kwaliteit, 52 van een matige tot vrij lage kwaliteit en 15 van lage kwaliteit (Figuur 8).

Figuur 7

Aantal getelde vlinderroutes per jaar in Vlaanderen.

Figuur 8

Ligging van de vlinderroutes in Vlaanderen. De kleur van de bol geeft de kwaliteit van de telgegevens aan: donkergroen = hoog tot zeer hoog, lichtgroen = vrij hoog tot redelijk, oranje = vrij laag, grijs = laag.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 31 van 115


De nabije omgeving (± 500m) van de vlinderroutes wordt voor ongeveer een derde van de routes getypeerd als een landbouwomgeving (cultuurgraslanden en/of akkers), 24% als (half-) open natuurlijke biotopen (soortenrijke graslanden, heide, struwelen, duinen of moerassen), 23% als bossen (14% loofbos en 9% naaldbos) en de resterende 19% als urbaan gebied.

3.2 DE VLINDERS In totaal werden in de 29 jaar dat de vlinderroutes werden geteld 46 soorten gezien, verspreid over 289.887 individuen. De top vijf van meest getelde soorten over alle routes en jaren heen bestaat uit Bruin zandoogje (37.254 individuen), Oranje zandoogje (35.842), Klein koolwitje (30.832), Klein geaderd witje (25.750) en Zwartsprietdikkopje (21.043 – Figuur 9). De vijf minst getelde dagvlinders zijn Keizersmantel (3 individuen), Sleedoornpage (4), Rouwmantel (4), Iepenpage (6) en Boswitje (6). De huidige gegevens zijn vooral geschikt om de trends van meer verspreide soorten te analyseren, maar zijn ontoereikend voor Rode Lijstsoorten.

Figuur 9

Totaal aantal individuen per soort dat op de Vlaamse vlinderroutes werd geteld in de periode 1991-2019.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 32 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.3 TRENDS 3.3.1 Algemene trend Over alle soorten heen blijft het relatief aantal individuen over de periode 1991-2019 min of meer stabiel (Figuur 10).

Figuur 10

Gemiddelde trend voor alle voldoende talrijke soorten op de vlinderroutes in Vlaanderen. De bollen geven de berekende jaarindex weer (gemiddeld aantal individuen per jaar per vlinderroute), de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

3.3.2 Trend per soort De relatieve aantallen van zes soorten nemen in de periode 1991-2019 beduidend toe op de vlinderroutes: Atalanta, Bont zandoogje, Boomblauwtje, Citroenvlinder, Gehakkelde aurelia en Oranjetipje). Vijf soorten gaan echter beduidend achteruit: Bruin zandoogje, Groot dikkopje, Kleine vos, Oranje zandoogje en Zwartsprietdikkopje. De aantallen van tien soorten fluctueren of vertonen geen duidelijke trend (Tabel 3).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 33 van 115


Tabel 3

Trend in het relatieve aantal van 21 soorten in Vlaanderen op basis van transecttellingen in de periode 1991-2019.

Soort Soorten die beduidend toenemen in Vlaanderen Atalanta (Vanessa atalanta) +16% Bont zandoogje (Pararge aegeria) +22% Boomblauwtje (Celastrina argiolus) +16%

Citroenvlinder (Gonepteryx rhamni) +17% Gehakkelde aurelia (Polygonia c-album) +20% Oranjetipje (Anthocharis cardamines) +8%

Soorten die geen duidelijke trend vertonen in Vlaanderen Dagpauwoog (Aglais io) +3% Distelvlinder (Vanessa cardui) +28% Groot koolwitje (Pieris brassicae) -1% Hooibeestje (Coenonympha pamphilus) +9% Icarusblauwtje (Polyommatus icarus) -2%

Klein geaderd witje (Pieris napi) -7% Klein koolwitje (Pieris rapae) -3% Kleine vuurvlinder (Lycaena phlaeas) +7% Koevinkje (Aphantopus hyperantus) +5% Landkaartje (Araschnia levana) -13%

Soorten die beduidend afnemen in Vlaanderen Bruin zandoogje (Maniola jurtina) -17% Groot dikkopje (Ochlodes sylvanus) -31% Kleine vos (Aglais urticae) -85%

Oranje zandoogje (Pyronia tithonus) -33% Zwartsprietdikkopje (Thymelicus lineola) -53%

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 34 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.3.3 Trends per biotoop 3.3.3.1

Bossen

De gemiddelde trend van de bosgerelateerde soorten (Bont zandoogje, Boomblauwtje, Citroenvlinder en Gehakkelde aurelia - Maes et al. 2013) gaat in de periode 1991-2019 met 19% vooruit (Figuur 11).

Figuur 11

3.3.3.2

Trend van de “bossoorten” op de Vlaamse vlinderroutes in de periode 1991-2019. De bollen geven de berekende jaarindex weer (gemiddeld aantal individuen per jaar per vlinderroute), de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

Graslanden

De gemiddelde trend van de graslandsoorten (Bruin zandoogje, Groot dikkopje, Hooibeestje, Icarusblauwtje, Kleine vuurvlinder, Oranjetipje, Oranje zandoogje, Zwartsprietdikkopje – Maes et al. 2013) gaat in de periode 1991-2019 met 12% achteruit (Figuur 12).

Figuur 12

Trend van de graslandsoorten op de Vlaamse vlinderroutes in de periode 1991-2019. De bollen geven de berekende jaarindex weer (gemiddeld aantal individuen per jaar per vlinderroute), de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 35 van 115


3.3.4 Vergelijking met de ons omringende landen Door het lagere aantal vlinderroutes in Vlaanderen zijn de foutenmarges rond de berekende trends groter dan die in de buurlanden. Desalniettemin is het interessant om vast te stellen dat de Vlaamse trends sterk overeenkomen met die in onze buurlanden, ook al zijn de vergeleken perioden niet altijd dezelfde (Figuur 13). Soorten die in Nederland (met jaarlijks ongeveer 1000 vlinderroutes – van Swaay et al. 2020), Engeland (het zuidelijke deel van Groot-Brittannië – met in totaal bijna 3.000 vlinderroutes – Brereton et al. 2019) en Duitsland (met jaarlijks ongeveer 450 vlinderroutes – Kühn et al. 2019) voor- of achteruitgaan, doen dat over het algemeen in Vlaanderen ook.

Figuur 13

Vergelijking van de trend van de verschillende soorten op de Vlaamse vlinderroutes in de periode 1991-2019 met die op de vlinderroutes in Nederland (periode 1991-2019 – van Swaay et al. 2020), Engeland (periode 1976-2018 – Brereton et al. 2019) en Duitsland (periode 2005-2018 – Kühn et al. 2019). / = geen trend berekend.

3.3.5 Correlatie tussen weer en de jaarlijkse indexen Er werden geen beduidende correlaties gevonden tussen de verschillende weervariabelen en de jaarlijkse indexen van de verschillende soorten. In Groot-Brittannië, waar veel meer vlinderroutes geteld worden en meer lokale weergegevens voorhanden zijn, werden voor sommige soorten wel duidelijke correlaties tussen de vlinderaantallen en het weer gevonden (Pollard 1988; Pollard et al. 1997; Roy et al. 2001). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 36 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4 SOORTBESPREKINGEN 3.4.1 Atalanta

3.4.1.1

Locatie van de routes

In totaal werden 7866 Atalanta’s waargenomen op 94 vlinderroutes (90% van de routes). De ligging van de vlinderroutes waarop Atalanta werd waargenomen, wordt weergegeven op Figuur 14.

Figuur 14

Ligging van de vlinderroutes waarop Atalanta werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 37 van 115


3.4.1.2 3.4.1.2.1

Trend Vlaanderen

De Atalanta vertoont grote schommelingen, maar neemt over de periode 1991- 2019 beduidend toe in Vlaanderen (Figuur 15).

Figuur 15

3.4.1.2.2

Trend van Atalanta op de Vlaamse vlinderroutes tussen 1991 en 2019. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

Vergelijking met de buurlanden

De Atalanta vertoont in Nederland en Duitsland grote schommelingen zonder duidelijk trend, maar in Engeland neemt de soort, net als in Vlaanderen, toe (Figuur 13).

3.4.1.2.3

Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes

De Atalanta vertoont op de meeste routes grote fluctuaties (Figuur 16). Op de drie routes die al het langst worden geteld, loopt de trend van Atalanta zeer gelijk aan de Vlaamse trend in Neerhelst en Keignaert-NO, maar lijkt de toename sterker op de Groene 62.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 38 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


Figuur 16

3.4.1.3

Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Atalanta tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts).

Fenologie

De fenologie van Atalanta is in vergelijking met de periode 1991-2000 sterk veranderd (Figuur 17). In het eerste decennium lag de gemiddelde piek van de vliegtijd nog in begin september, maar in de laatste twee decennia is die verschoven naar eind juli. Dit zou er op kunnen wijzen dat er steeds meer vlinders overwinteren in Vlaanderen en dus sneller een generatie kunnen produceren dan voorheen, toen er eerst individuen vanuit het zuiden tot in Vlaanderen moesten migreren. Ook in de laatste vier jaar zijn er grote verschillen in de fenologie van Atalanta (Figuur 17). In 2016 was er een kleine voorjaarspiek begin juni, gevolgd door een zomerpiek eind juli en een najaarspiek midden september. In 2017 viel de voorjaarspiek eind mei – begin juni, de zomerpiek midden juli en de veel kleinere najaarspiek midden september. In 2018 was er maar een grote duidelijke piek eind juli. In 2019 was er een voorjaarspiek midden juni en een zomerpiek begin augustus.

Figuur 17

Gemiddelde vliegperiode van Atalanta op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 19912000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 39 van 115


3.4.2 Bont zandoogje

3.4.2.1

Locatie van de routes

In totaal werden 18.928 Bont zandoogjes waargenomen op 94 vlinderroutes (90% van de routes) De ligging van de vlinderroutes waarop Bont zandoogje werd waargenomen, wordt weergegeven op Figuur 18.

Figuur 18

Ligging van de vlinderroutes waarop Bont zandoogje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 40 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.2.2

Trend

3.4.2.2.1

Vlaanderen

Het Bont zandoogje neemt over de periode 1991-2019 beduidend toe in Vlaanderen (Figuur 19).

Figuur 19

3.4.2.2.2

Trend van Bont zandoogje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

Vergelijking met de buurlanden

Het Bont zandoogje neemt in alle ons omringende landen toe (Figuur 13).

3.4.2.2.3

Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes

Het Bont zandoogje neemt op vele vlinderroutes in Vlaanderen toe (Figuur 20). Op de drie routes die al het langst worden geteld, loopt de trend van Bont zandoogje zeer gelijk aan de Vlaamse trend op de route in Neerhelst. Op de beide andere routes (Keignaert-NO en Groene 62) was de soort aanvankelijk nauwelijks aanwezig, maar neemt dan, vooral op Groene 62 sterk toe. Op de Keignaert-NO lijkt de soort recent echter weer wat af te nemen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 41 van 115


Figuur 20

3.4.2.3

Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Bont zandoogje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts).

Fenologie

De fenologie van Bont zandoogje is vrij constant gebleven gedurende de laatste drie decennia (Figuur 21). Er is een voorjaarspiek begin mei en een dubbele piek in de zomer begin augustus en midden september. De fenologie van Bont zandoogje verschilt echter wel sterk tussen individuele jaren (Figuur 21). In 2016 zien we drie steeds groter wordende pieken in de vliegperiode: een eerste piek is er eind mei in het voorjaar, vervolgens begin augustus in de zomer en een zeer hoge piek midden september in het najaar. In 2017 zien we vier pieken: twee voorjaarspieken midden april en eind mei in het voorjaar, een grote piek begin augustus in de zomer en een laatste midden september in het najaar. In 2018 zijn er drie pieken: een eerste begin mei in het voorjaar, een tweede begin juli in de zomer en een derde begin september in het najaar. In 2019 zijn er drie vrij onduidelijke pieken, die in elkaar lijken over te vloeien: eind april in het voorjaar, midden juli in de zomer en begin september in het najaar. Het bont zandoogje kent als rups een erg variabele groeisnelheid en kan bovendien zowel als jonge larve als pop overwinteren. Die levensstijlkenmerken maken de soort erg flexibel (Wiklund et al. 1983).

Figuur 21

Gemiddelde vliegperiode van Bont zandoogje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 42 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.3 Boomblauwtje

3.4.3.1

Locatie van de routes

In totaal werden 2945 Boomblauwtjes waargenomen op 79 vlinderroutes (75% van de routes). De ligging van de vlinderroutes waarop Boomblauwtje werd waargenomen, wordt weergegeven op Figuur 22.

Figuur 22

Ligging van de vlinderroutes waarop Boomblauwtje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 43 van 115


3.4.3.2 3.4.3.2.1

Trend Vlaanderen

Het Boomblauwtje vertoont sterke schommelingen over de periode 1991-2019, maar neemt niet beduidend toe of af in Vlaanderen (Figuur 23).

Figuur 23

3.4.3.2.2

Trend van Boomblauwtje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

Vergelijking met de buurlanden

Het Boomblauwtje gaat ook in Nederland vooruit, maar vertoont geen duidelijke trend in Engeland en Duitsland (Figuur 13).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 44 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.3.2.3

Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes

Op de drie routes die al het langst worden geteld, neemt het aantal Boomblauwtjes, net als in heel Vlaanderen toe (Figuur 24).

Figuur 24

3.4.3.3

Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Boomblauwtje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts).

Fenologie

De fenologie van Boomblauwtje vertoont in de periode 1991-2019 twee generaties (Figuur 25). De eerste generatie viel in de periode 1991-2000 midden mei, maar is met ongeveer twee weken naar voor geschoven in de periode 2011-2019 en valt nu eind april – begin mei. De zomerpiek is vrij stabiel en valt eind juli. De laatste vier jaar is de fenologie vrij variabel. In 2016 was er een kleine voorjaarspiek begin mei en een zeer grote zomerpiek eind juli. In 2017 was er een grote en vrij vroege voorjaarspiek midden april en een kleinere zomerpiek midden juli. In 2018 was er geen duidelijke voorjaarspiek en viel de zomerpiek vrij vroeg in eind juni – begin juli. In 2019 was er een vroege voorjaarspiek midden april en een zomerpiek eind juli.

Figuur 25

Gemiddelde vliegperiode van Boomblauwtje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 45 van 115


3.4.4 Bruin zandoogje

3.4.4.1

Locatie van de routes

In totaal werden 37.254 Bruin zandoogjes waargenomen op 88 vlinderroutes (84% van de routes). De ligging van de vlinderroutes waarop Bruin zandoogje werd waargenomen, wordt weergegeven op Figuur 26.

Figuur 26

Ligging van de vlinderroutes waarop Bruin zandoogje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 46 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.4.2

Trend

3.4.4.2.1

Vlaanderen

Het Bruin zandoogje neemt over de periode 1991-2019 beduidend af in Vlaanderen, al lijkt de soort het sinds 2013 opnieuw beter te doen na een uitgesproken dip in 2012 (Figuur 27).

Figuur 27

3.4.4.2.2

Trend van Bruin zandoogje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

Vergelijking met de buurlanden

Het Bruin zandoogje vertoont ook in Nederland een dalende trend. In Engeland is er geen duidelijke trend en in Duitsland neemt de soort toe (Figuur 13).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 47 van 115


3.4.4.2.3

Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes

Op de drie routes die al het langst worden geteld, verschilt de trend van Bruin zandoogje met de Vlaamse trend. In Neerhelst en de Keignaert-NO is er aanvankelijk een (sterke) daling maar lijkt de soort zich de laatste jaren vooral in de Keignaert-NO te herstellen. Op de Groene 62 is er een gestage toename (Figuur 28).

Figuur 28

3.4.4.3

Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Bruin zandoogje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts).

Fenologie

Het Bruin zandoogje heeft een generatie per jaar (Figuur 29). Per decennium schuift de piek van de vliegtijd een beetje naar voor: midden juli in de periode 1991-2000 en begin juli in de periode 2011-2019. De laatste vier jaar varieert de piek in de vliegtijd van eind juni in 2018 en 2017 tot midden juli in 2016. In 2019 lag de piek van de vliegtijd in begin juli.

Figuur 29

Gemiddelde vliegperiode van Bruin zandoogje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 48 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.5 Citroenvlinder

3.4.5.1

Locatie van de routes

In totaal werden 9662 Citroenvlinders werd waargenomen op 83 vlinderroutes (79% van de routes). De ligging van de vlinderroutes waarop Citroenvlinder werd waargenomen, wordt weergegeven op Figuur 30.

Figuur 30

Ligging van de vlinderroutes waarop Citroenvlinder werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 49 van 115


3.4.5.2 3.4.5.2.1

Trend Vlaanderen

De Citroenvlinder neemt over de periode 1991-2019 beduidend toe in Vlaanderen (Figuur 31). Tussen 1991 en 2007 is er een geleidelijke daling waar te nemen, maar sindsdien stijgt de soort opnieuw tot in 2014 om vanaf dan vrij stabiel te blijven.

Figuur 31

3.4.5.2.2

Trend van Citroenvlinder op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

Vergelijking met de buurlanden

De Citroenvlinder neemt toe in Nederland en Duitsland, maar in Engeland is er geen duidelijke trend (Figuur 13).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 50 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.5.2.3

Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes

Op de drie routes die al het langst worden geteld, neemt Citroenvlinder na een aanvankelijke afname sinds 2007 opnieuw toe (Figuur 32).

Figuur 32

3.4.5.3

Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Citroenvlinder tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts).

Fenologie

De fenologie van Citroenvlinder is vrij stabiel gedurende de periode 1991-2019 (Figuur 33): er is een voorjaarspiek van overwinterende vlinders eind april, gevolgd door een piek van de nakomelingen van deze overwinteraars begin augustus. De laatste vier jaar varieert de fenologie sterk tussen de jaren: de voorjaarspiek viel in 2018 midden april en in 2016 pas begin mei, met de andere jaren daar ergens tussenin. De daaropvolgende generatie vertoont echter grote verschillen in de pieken. In 2016 viel de tweede piek pas eind juli, in 2017 was er langgerekte “piek” tot begin 2-8 september, in 2018 viel de zomerpiek al eind juni – begin juli en in 2019 was dat midden juli.

Figuur 33

Gemiddelde vliegperiode van Citroenvlinder op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 51 van 115


3.4.6 Dagpauwoog

3.4.6.1

Locatie van de routes

In totaal werden 13.286 Dagpauwogen waargenomen op 93 vlinderroutes (89% van de routes). De ligging van de vlinderroutes waarop Dagpauwoog werd waargenomen, wordt weergegeven op Figuur 34.

Figuur 34

Ligging van de vlinderroutes waarop Dagpauwoog werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 52 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.6.2

Trend

3.4.6.2.1

Vlaanderen

De Dagpauwoog neemt in de periode 1991-2008 geleidelijk af, maar herstelt lichtjes richting 2017 om daarna opnieuw af te nemenin 2018 en 2019. Over de hele periode 1991-2019 is er echter geen beduidende toe- of afname in Vlaanderen (Figuur 35).

Figuur 35

3.4.6.2.2

Trend van Dagpauwoog op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

Vergelijking met de buurlanden

De Dagpauwoog gaat in Nederland achteruit, in Engeland is er geen duidelijke trend en in Duitsland gaat de soort vooruit (Figuur 13).

3.4.6.2.3

Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes

Op de drie routes die al het langst worden geteld, loopt de trend van Dagpauwoog in Neerhelst gelijk aan de Vlaamse trend, maar in Keignaert-NO en Groene 62 nam de soort aanvankelijk toe om vanaf 2008 af te vlakken (Figuur 36).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 53 van 115


Figuur 36

3.4.6.3

Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Dagpauwoog tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts).

Fenologie

De fenologie van Dagpauwoog vertoont meestal twee pieken (Figuur 37). Er is een voorjaarspiek eind april, gevolgd door een zomerpiek die per decennium een week naar voor lijkt te schuiven: begin augustus in de periode 1991-2000, eind juli in de periode 2001-2010 en midden juli in de periode 2011-2019. Ook bij de Dagpauwoog zien we duidelijke verschillen in de fenologie tijdens de laatste 4 jaar. Er is een vrij constante piek in het voorjaar midden april die veroorzaakt wordt door de overwinterende vlinders. In 2018 en 2019 zien we de daaropvolgende generatie een piek vertonen midden juli in de zomer, maar in 2016 (zeer groot) en 2017 (duidelijk kleiner) is er een duidelijke tweede generatie in het najaar met een piek midden september (https://www.natuurpunt.be/nieuws/klimaatverandering-bezorgt-dagpauwoog-extrageneratie-20160916).

Figuur 37

Gemiddelde vliegperiode van Dagpauwoog op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 54 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.7 Distelvlinder

3.4.7.1

Locatie van de routes

In totaal werden 5682 Distelvlinders waargenomen op 79 vlinderroutes (75% van de routes). De ligging van de vlinderroutes waarop Distelvlinder werd waargenomen, wordt weergegeven op Figuur 38.

Figuur 38

Ligging van de vlinderroutes waarop Distelvlinder werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 55 van 115


3.4.7.2 3.4.7.2.1

Trend Vlaanderen

De Distelvlinder schommelt sterk in aantal tussen jaren, maar er is geen beduidende trend in de periode 1991-2019 in Vlaanderen (Figuur 39). Jaren met een grote instroom vanuit het zuiden (zie Fenologie) waren 1996, 2003 en 2019, maar vooral in 2009 waren de aantallen bijzonder groot.

Figuur 39

3.4.7.2.2

Trend van Distelvlinder op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

Vergelijking met de buurlanden

De Distelvlinder vertoont geen duidelijke trend in Engeland. In Nederland en Duitsland werd er voor deze trekvlinder geen trend berekend (Figuur 13).

3.4.7.2.3

Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes

Op de drie routes die al het langst worden geteld, loopt de trend van Distelvlinder in Neerhelst min of meer gelijk aan de Vlaamse trend. Op Groene 62 neemt de soort aanvankelijk toe, maar vlakt af sinds 2008. In Keignaert-NO is er geen duidelijke trend (Figuur 40).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 56 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


Figuur 40

3.4.7.3

Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Distelvlinder tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts).

Fenologie

De fenologie van Distelvlinder hangt sterk af van de influx van individuen uit meer zuidelijk gelegen gebieden (Noord-Afrika, Zuid-Spanje … - Stefanescu et al. 2011). In de periode 19912000 was er slechts 1 piek in de zomer midden augustus. In het tweede decennium is er een kleine influx midden juni gevolgd door een zomerpiek begin augustus. In het derde decennium is er een duidelijkere voorjaarspiek midden juni en een zomerpiek begin augustus – Figuur 41). De laatste vier jaar is er een grote variatie in de vliegtijd. In 2016 was er een voorjaarspiek begin juni, gevolgd door een zomerpiek midden augustus. In 2017 was de voorjaarspiek veel groter en viel die ook vroeger in midden mei, maar was de zomerpiek dan weer vrij onopvallend. In 2018 was er zelfs maar een piek midden juli. In 2019 daarentegen kenden we een zeer grote voorjaarspiek midden juni en een eveneens vrij grote zomerpiek midden augustus.

Figuur 41

Gemiddelde vliegperiode van Distelvlinder op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 57 van 115


3.4.8 Gehakkelde aurelia

3.4.8.1

Locatie van de routes

In totaal werden 3557 Gehakkelde aurelia’s waargenomen op 81 vlinderroutes (77% van de routes). De ligging van de vlinderroutes waarop Gehakkelde aurelia werd waargenomen, wordt weergegeven op Figuur 42.

Figuur 42

Ligging van de vlinderroutes waarop Gehakkelde aurelia werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 58 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.8.2

Trend

3.4.8.2.1

Vlaanderen

De Gehakkelde aurelia bleef vrij stabiel tussen 1991 en 2008, maar nam vooral vanaf 2009 toe. Over de hele periode 1991-2019 is er een beduidende toename in Vlaanderen (Figuur 43).

Figuur 43

3.4.8.2.2

Trend van Gehakkelde aurelia op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

Vergelijking met de buurlanden

De Gehakkelde aurelia neemt eveneens sterk toe in Nederland en Engeland, maar vertoont geen duidelijke trend in Duitsland (Figuur 13).

3.4.8.2.3

Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes

Op de drie routes die al het langst worden geteld, loopt de trend van Gehakkelde aurelia in Neerhelst vrij gelijk aan de Vlaamse trend. In Keignaert-NO is er aanvankelijk een zeer lichte toename maar vlakt de trend af sinds 2005. Op Groene 62 is er dan weer een zeer sterke toename (Figuur 44).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 59 van 115


Figuur 44

3.4.8.3

Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Gehakkelde aurelia tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts).

Fenologie

De fenologie van Gehakkelde aurelia vertoont over het algemeen twee pieken (Figuur 45): een voorjaarspiek midden april en een zomerpiek midden juli, maar in de periode 1991-2000 was er nog een najaarspiek midden september, die in de latere decennia niet of nauwelijks meer aanwezig was. De laatste vier jaar is de voorjaarspiek van de vliegperiode vrij constant in midden april, maar de zomer- en eventuele najaarspieken verschillen sterk tussen de jaren. In 2016 was er een zomerpiek midden juli en een najaarspiek begin september. In 2017 lag de zomerpiek al eind juni en was er een kleine najaarspiek midden september. In 2018 was er een lang uitgesponnen zomerpiek van midden juni tot eind juli en ontbrak de najaarspiek. In 2019 was er eveneens een lange zomerpiek van midden juli tot midden augustus en was er geen najaarspiek (althans niet op de monitoringroutes, die maar tot eind september lopen).

Figuur 45

Gemiddelde vliegperiode van Gehakkelde aurelia op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 60 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.9 Groot dikkopje

3.4.9.1

Locatie van de routes

In totaal werden 8197 Grote dikkopjes werd waargenomen op 80 vlinderroutes (76% van de routes). De ligging van de vlinderroutes waarop Groot dikkopje werd waargenomen, wordt weergegeven op Figuur 46.

Figuur 46

Ligging van de vlinderroutes waarop Groot dikkopje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 61 van 115


3.4.9.2 3.4.9.2.1

Trend Vlaanderen

Het Groot dikkopje neemt over de periode 1991-2019 beduidend af in Vlaanderen (Figuur 47).

Figuur 47

3.4.9.2.2

Trend van Groot dikkopje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

Vergelijking met de buurlanden

Het Groot dikkopje neemt af in Nederland en Duitsland, maar vertoont geen duidelijke trend in Engeland (Figuur 13).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 62 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.9.2.3

Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes

Op de drie routes die al het langst worden geteld, loopt de trend van Groot dikkopje zeer gelijk aan de Vlaamse trend op de route in Neerhelst en Keignaert-NO met een aanvankelijke daling gevolgd door een stagnering of zelfs toename terwijl op Groene 62 de soort aanvankelijk toeneemt, maar sinds 2007 lijkt af te nemen (Figuur 48).

Figuur 48

3.4.9.3

Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Groot dikkopje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts).

Fenologie

Het Groot dikkopje heeft een generatie per jaar (Figuur 49). In de periode 1991-2000 lag de piek ervan begin juli, maar in de perioden 2001-2010 en 2011-2019 valt die piek een week vroeger, namelijk eind juni. De laatste vier jaar is er maximaal twee weken verschil tussen de piek van de vliegtijd. In 2016 viel de piek begin juli en in 2018 was dat al midden juni. Zowel in 2017 als in 2019 viel de piek van de vliegtijd eind juni.

Figuur 49

Gemiddelde vliegperiode van Groot dikkopje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 63 van 115


3.4.10 Groot koolwitje

3.4.10.1 Locatie van de routes In totaal werden 5849 Grote koolwitjes waargenomen op 94 vlinderroutes (90% van de routes). De ligging van de vlinderroutes waarop Groot koolwitje werd waargenomen, wordt weergegeven op Figuur 50.

Figuur 50

Ligging van de vlinderroutes waarop Groot koolwitje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 64 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.10.2 Trend 3.4.10.2.1 Vlaanderen Groot koolwitje vertoont grote schommelingen tussen jaren, maar over de periode 1991-2019 er is geen beduidende toe- of afname in Vlaanderen (Figuur 51).

Figuur 51

Trend van Groot koolwitje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

3.4.10.2.2 Vergelijking met de buurlanden Het Groot koolwitje neemt af in Nederland en Duitsland, maar vertoont geen duidelijke trend in Engeland (Figuur 13).

3.4.10.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes Op de drie routes die al het langst worden geteld, loopt de trend van Groot koolwitje zeer gelijk aan de Vlaamse trend op de route in Neerhelst en Keignaert-NO, maar neemt de soort gestaag toe op Groene 62 (Figuur 52).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 65 van 115


Figuur 52

Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Groot koolwitje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts).

3.4.10.3 Fenologie Het Groot koolwitje heeft 2-3 generaties per jaar. De piek van de voorjaarsgeneratie lag in de periode 1991-2000 in eind mei, maar verschoof geleidelijk naar midden mei in de periode 2001-2010 en begin mei in het meest recente decennium (Figuur 53). De zomerpiek verschoof van eind juli in de periode 1991-2000 naar midden juli in de perioden 2001-2010 en 20112019. De laatste vier jaar zijn er duidelijke verschillen in de fenologie. In 2016 waren er drie pieken met een voorjaarspiek midden mei, een zomerpiek midden juli en een najaarspiek begin september. In 2017 was er geen duidelijk piek te zien in de fenologie. In 2018 was er een kleine voorjaarspiek begin mei en een zomerpiek midden juli, die overging in een derde piekje midden augustus. In 2019 viel de voorjaarspiek eind april – begin mei, de zomerpiek midden juli en de daaropvolgende piek van de elkaar overlappende tweede en derde generatie eind augustus.

Figuur 53

Gemiddelde vliegperiode van Groot koolwitje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 66 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.11 Hooibeestje

3.4.11.1 Locatie van de routes In totaal werden 5890 Hooibeestjes waargenomen op 55 vlinderroutes (52% van de routes). De ligging van de vlinderroutes waarop Hooibeestje werd waargenomen, wordt weergegeven op Figuur 54.

Figuur 54

Ligging van de vlinderroutes waarop Hooibeestje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 67 van 115


3.4.11.2 Trend 3.4.11.2.1 Vlaanderen Hooibeestje vertoont vrij grote schommelingen met dieptepunten in de jaren 1998 en 1999, maar over de periode 1991-2019 is er geen beduidende toe- of afname in Vlaanderen (Figuur 55).

Figuur 55

Trend van Hooibeestje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

3.4.11.2.2 Vergelijking met de buurlanden Het Hooibeestje vertoont geen duidelijke trend in Nederland, gaat achteruit in Engeland en vooruit in Duitsland (Figuur 13).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 68 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.11.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes Op de drie routes die al het langst worden geteld, is de trend van Hooibeestje sterk verschillend. In Neerhelst is er aanvankelijk een lichte afname, gevolgd door een toename sinds 2008. Op de Keignaert-NO is er een gestage toename en op Groene 62 nam de soort aanvankelijk toe, maar sinds 2007 neemt de soort opnieuw af (Figuur 56).

Figuur 56

Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Hooibeestje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts).

3.4.11.3 Fenologie Het Hooibeestje heeft twee generaties per jaar en die zijn over de verschillende decennia stabiel gebleven (Figuur 57). De voorjaarspiek valt eind mei – begin juni en de zomerpiek midden augustus. De laatste vier jaar is de fenologie vrij constant gebleven. De voorjaarspiek valt steeds eind mei – begin juni, terwijl de zomerpiek iets meer variatie vertoont. In 2016 lag die eind augustus, in 2017 en 2019 midden augustus, in 2018 begin augustus.

Figuur 57

Gemiddelde vliegperiode van Hooibeestje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 69 van 115


3.4.12 Icarusblauwtje

3.4.12.1 Locatie van de routes In totaal werden 11.416 Icarusblauwtjes waargenomen op 76 vlinderroutes (72% van de routes). De ligging van de vlinderroutes waarop Icarusblauwtje werd waargenomen, wordt weergegeven op Figuur 58.

Figuur 58

Ligging van de vlinderroutes waarop Icarusblauwtje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 70 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.12.2 Trend 3.4.12.2.1 Vlaanderen Icarusblauwtje vertoont over de periode 1991-2019 geen beduidende toe- of afname in Vlaanderen (Figuur 59).

Figuur 59

Trend van Icarusblauwtje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

3.4.12.2.2 Vergelijking met de buurlanden Het Icarusblauwtje gaat sterk vooruit in Nederland, maar vertoont geen duidelijke trend in Engeland en Duitsland (Figuur 13).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 71 van 115


3.4.12.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes Op de drie routes die al het langst worden geteld, loopt de trend van Icarusblauwtje vrij gelijk aan de Vlaamse trend op de route in Groene 62, in Neerhelst neemt de soort geleidelijk af en op Keignaert-NO neemt de soort langzaam toe (Figuur 60).

Figuur 60

Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Icarusblauwtje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts).

3.4.12.3 Fenologie Het Icarusblauwtje heeft twee generaties per jaar (Figuur 61). De piek van de voorjaarsgeneratie viel in de perioden 1991-2000 en 2001-2010 in begin juni en in eind mei in de periode 2011-2019. De piek van de zomergeneratie viel in de perioden 1991-2000 en 20012010 in midden augustus en begin augustus in de periode 2011-2019. Dit stramien was over het algemeen ook het geval voor de jaren 2016, 2017 en 2019, maar in 2018 viel de piek van de voorjaars- en vooral de zomergeneratie vroeger (midden juli) en was er een grote derde generatie in het najaar met een piek midden september – Figuur 61).

Figuur 61

Gemiddelde vliegperiode van Icarusblauwtje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 72 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.13 Klein geaderd witje

3.4.13.1 Locatie van de routes In totaal werden 25.750 Klein geaderde witjes waargenomen op 94 vlinderroutes (90% van de routes). De ligging van de vlinderroutes waarop Klein geaderd witje werd waargenomen, wordt weergegeven op Figuur 62.

Figuur 62

Ligging van de vlinderroutes waarop Klein geaderd witje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 73 van 115


3.4.13.2 Trend 3.4.13.2.1 Vlaanderen Het Klein geaderd witje vertoont over de periode 1991-2019 geen beduidende toe- of afname in Vlaanderen (Figuur 63).

Figuur 63

Trend van Klein geaderd witje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

3.4.13.2.2 Vergelijking met de buurlanden Het Klein geaderd witje vertoont geen duidelijke trend in Nederland en Engeland, maar neemt toe in Duitsland (Figuur 13).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 74 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.13.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes Op de drie routes die al het langst worden geteld, loopt de trend van Klein geaderd witje vrij gelijk aan de Vlaamse trend (Figuur 64).

Figuur 64

Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Klein geaderd witje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts).

3.4.13.3 Fenologie Het Klein geaderd witje heeft drie generaties per jaar waarvan de tweede en derde elkaar overlappen (Figuur 65). De voorjaarsgeneratie heeft een piek midden mei in de perioden 19912000 en 2001-2010 en begin mei in de periode 2011-2019. De twee zomerpieken vallen midden juli en eind augustus. De laatste vier jaar varieert de voorjaarspiek tussen midden april en begin mei. De zomerpieken vertonen echter meer variatie. In 2016 en 2017 was er een eerste zomerpiek midden juli en een tweede eind augustus – begin september). In 2018 was er een grote eerste zomerpiek begin juli en een kleiner piek in de nazomer midden september. In 2019 waren er zomerpieken in midden juli en midden augustus.

Figuur 65

Gemiddelde vliegperiode van Klein geaderd witje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 75 van 115


3.4.14 Klein koolwitje

3.4.14.1 Locatie van de routes In totaal werden 30.832 Kleine koolwitjes waargenomen op 100 vlinderroutes (95% van de routes). De ligging van de vlinderroutes waarop Klein koolwitje werd waargenomen, wordt weergegeven op Figuur 66.

Figuur 66

Ligging van de vlinderroutes waarop Klein koolwitje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 76 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.14.2 Trend 3.4.14.2.1 Vlaanderen Het Klein koolwitje vertoont over de periode 1991-2019 geen beduidende toe- of afname in Vlaanderen (Figuur 67).

Figuur 67

Trend van Klein koolwitje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

3.4.14.2.2 Vergelijking met de buurlanden Het Klein koolwitje vertoont in de ons omringende geen duidelijke trend (Figuur 13).

3.4.14.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes Op de drie routes die al het langst worden geteld, loopt de trend van Klein koolwitje vrij gelijk aan de Vlaamse trend op de route in Neerhelst en Groene 62, maar op Keignaert-NO neemt de soort sterk af (Figuur 68).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 77 van 115


Figuur 68

Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Klein koolwitje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts).

3.4.14.3 Fenologie Het Klein koolwitje heeft drie generaties per jaar waarvan de tweede en derde generatie elkaar gedeeltelijk overlappen (Figuur 69). De piek van de voorjaarsgeneratie is per decennium met een week naar voor geschoven: midden mei in periode 1991-2000, begin mei in de periode 2001-2010 en eind april – begin mei in het meest recente decennium. De beide pieken in de zomer zijn vrij gelijk gebleven over de drie decennia heen: een eerste piek eind juli en een tweede piek eind augustus. De laatste vier jaar varieerde de fenologie van het Klein koolwitje vrij sterk. In 2016 viel de voorjaarspiek vrij laat in begin mei en waren er twee duidelijke pieken in de zomer in midden juli en in de nazomer in begin september. In 2017 viel de voorjaarspiek midden april en waren er twee in elkaar overgaande zomerpieken eind juli en eind augustus. In 2018 lag de voorjaarspiek eind april en was er een zomerpiek eind juni, die geleidelijk overging in een kleiner nazomerpiekje begin augustus. In 2019 was er een voorjaarspiek eind april en een lang uitgesmeerde zomerpiek van midden juli tot eind augustus.

Figuur 69

Gemiddelde vliegperiode van Klein koolwitje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 78 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.15 Kleine vos

3.4.15.1 Locatie van de routes In totaal werden 5734 Kleine vossen waargenomen op 78 vlinderroutes. De ligging van de vlinderroutes waarop Kleine vos werd waargenomen, wordt weergegeven op Figuur 70.

Figuur 70

Ligging van de vlinderroutes waarop Kleine vos werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 79 van 115


3.4.15.2 Trend 3.4.15.2.1 Vlaanderen De Kleine vos neemt over de periode 1991-2019 beduidend af in Vlaanderen (Figuur 71).

Figuur 71

Trend van Kleine vos op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

3.4.15.2.2 Vergelijking met de buurlanden De Kleine vos neemt ook in alle ons omringende landen sterk af (Figuur 13).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 80 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.15.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes Op de drie routes die al het langst worden geteld, loopt de trend van Kleine vos vrij gelijk aan de Vlaamse trend op de route (Figuur 72).

Figuur 72

Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Kleine vos tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts).

3.4.15.3 Fenologie De Kleine vos wordt de laatste jaren nog maar weinig gezien op de Vlaamse vlinderroutes waardoor eventuele veranderingen in de fenologie gedurende de laatste drie decennia moeilijk betrouwbaar te interpreteren zijn (Figuur 73). Er zijn te weinig gegevens van Kleine vos om de fenologie in de laatste vier jaar te kunnen bespreken.

Figuur 73

Gemiddelde vliegperiode van Kleine vos op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 19912000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 81 van 115


3.4.16 Kleine vuurvlinder

3.4.16.1 Locatie van de routes In totaal werden 2582 Kleine vuurvlinders waargenomen op 83 vlinderroutes (79% van de routes). De ligging van de vlinderroutes waarop Kleine vuurvlinder werd waargenomen, wordt weergegeven op Figuur 74.

Figuur 74

Ligging van de vlinderroutes waarop Kleine vuurvlinder werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 82 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.16.2 Trend 3.4.16.2.1 Vlaanderen De Kleine vuurvlinder vertoont over de periode 1991-2019 geen beduidende toe- of afname in Vlaanderen (Figuur 75).

Figuur 75

Trend van Kleine vuurvlinder op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

3.4.16.2.2 Vergelijking met de buurlanden De Kleine vuurvlinder neemt toe in Nederland, neemt af in Engeland, maar gaat erop vooruit in Duitsland (Figuur 13).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 83 van 115


3.4.16.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes Op de drie routes die al het langst worden geteld, loopt de trend van Kleine vuurvlinder vrij gelijk aan de Vlaamse trend, al is er op Keignaert-NO sinds 2007 een toename (Figuur 76).

Figuur 76

Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Kleine vuurvlinder tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts).

3.4.16.3 Fenologie De Kleine vuurvlinder heeft drie generaties per jaar (Figuur 77). De piek van de eerste generatie valt midden mei, die van de zomergeneratie eind juli in de perioden 1991-2000 en 2001-2010 en midden juli in de periode 2011-2019 en de piek van de najaarsgeneratie valt midden september. De laatste vier jaar is de fenologie van de Kleine vuurvlinder vrij constant gebleven. De voorjaarspiek viel telkens midden mei en de zomer- en nazomerpieken vielen telkens in midden juli en begin september. In 2016 en 2017 waren de nazomerpieken groter dan de zomerpieken, terwijl die in 2019 maar even groot was als de zomerpiek. In 2018 waren er onvoldoende gegevens om een duidelijke fenologie op te stellen.

Figuur 77

Gemiddelde vliegperiode van Kleine vuurvlinder op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 84 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.17 Koevinkje

3.4.17.1 Locatie van de routes In totaal werden 8925 Koevinkjes waargenomen op 41 vlinderroutes (39% van de routes). De ligging van de vlinderroutes waarop Koevinkje werd waargenomen, wordt weergegeven op Figuur 78.

Figuur 78

Ligging van de vlinderroutes waarop Koevinkje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 85 van 115


3.4.17.2 Trend 3.4.17.2.1 Trend in Vlaanderen Het Koevinkje vertoont over de periode 1991-2019 geen beduidende toe- of afname in Vlaanderen (Figuur 79).

Figuur 79

Trend van Koevinkje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

3.4.17.2.2 Vergelijking met de buurlanden Het Koevinkje neemt af in Nederland, gaat erop vooruit in Engeland, maar vertoont geen duidelijke trend in Duitsland (Figuur 13).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 86 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.17.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes Op de drie routes die al het langst worden geteld, zijn nauwelijks Koevinkjes aanwezig waardoor een vergelijking met de langst getelde routes niet mogelijk is (Figuur 80).

Figuur 80

Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Koevinkje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts).

3.4.17.3 Fenologie Het Koevinkje heeft een generatie per jaar (Figuur 81). In de perioden 1991-2000 en 20012010 viel de piek van de vliegperiode midden juli, maar in de periode 2011-2019 is die verschoven naar begin juli. De laatste vier jaar varieerde de piek van de vliegtijd maximaal twee weken. In 2016 viel de piek midden juli, in 2017 en 2018 eind juni en in 2019 begin juli.

Figuur 81

Gemiddelde vliegperiode van Koevinkje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 19912000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 87 van 115


3.4.18 Landkaartje

3.4.18.1 Locatie van de routes In totaal werden 11.257 Landkaartjes waargenomen op 77 vlinderroutes (73% van de routes). De ligging van de vlinderroutes waarop Landkaartje werd waargenomen, wordt weergegeven op Figuur 82.

Figuur 82

Ligging van de vlinderroutes waarop Landkaartje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 88 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.18.2 Trend 3.4.18.2.1 Vlaanderen Het Landkaartje vertoont over de periode 1991-2019 geen beduidende toe- of afname in Vlaanderen (Figuur 83). 2019 was het slechtste jaar voor het Landkaartje sinds 1991.

Figuur 83

Trend van Landkaartje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

3.4.18.2.2 Vergelijking met de buurlanden Het Landkaartje neemt af in Nederland, maar vertoont geen duidelijke trend in Duitsland. De soort komt niet voor in Engeland (Figuur 13).

3.4.18.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes Op de drie routes die al het langst worden geteld, loopt de trend van Landkaartje zeer gelijk aan de Vlaamse trend op de route in Neerhelst. Op Keignaert-NO neemt de soort aanvankelijk toe om sinds 2005 af te vlakken, terwijl ze op Groene 62 sterk blijft toenemen (Figuur 84).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 89 van 115


Figuur 84

Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Landkaartje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts).

3.4.18.3 Fenologie Het Landkaartje heeft twee tot drie generaties per jaar (Figuur 85). De pieken van de verschillende generaties zijn nauwelijks verschoven sinds 1991: een voorjaarspiek midden mei en een zomerpiek eind juli. In het meest recente decennium lijkt er vaker een derde generatie voor te komen met een piek eind augustus – begin september). De laatste vier jaar varieerde de fenologie van het Landkaartje vrij sterk. In 2016 was er een kleine voorjaarspiek midden mei, gevolgd door een zomerpiek eind juli en een nazomerpiek begin september. In 2017, 2018 en 2019 was de voorjaarspiek duidelijk groter en viel die respectievelijk eind mei, begin mei en midden mei. In 2017 was er een zomerpiek midden juli en een kleine nazomerpiek begin september). In 2018 viel de zomerpiek begin juli en was er een zeer kleine najaarspiek eind augustus. In 2019 was er een kleine zomerpiek eind juni – begin juli en een even grote nazomerpiek begin september.

Figuur 85

Gemiddelde vliegperiode van Landkaartje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 90 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.19 Oranjetipje

3.4.19.1 Locatie van de routes In totaal werden 3756 Oranjetipjes waargenomen op 77 vlinderroutes (73% van de routes). De ligging van de vlinderroutes waarop Oranjetipje werd waargenomen, wordt weergegeven op Figuur 86.

Figuur 86

Ligging van de vlinderroutes waarop Oranjetipje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 91 van 115


3.4.19.2 Trend 3.4.19.2.1 Vlaanderen Het Oranjetipje neemt over de periode 1991-2019 beduidend toe in Vlaanderen (Figuur 87).

Figuur 87

Trend van Oranjetipje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

3.4.19.2.2 Vergelijking met de buurlanden Het Oranjetipje neemt in Nederland toe, maar vertoont geen duidelijke trend in Engeland en Duitsland (Figuur 13).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 92 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.19.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes Op de drie routes die al het langst worden geteld, loopt de trend van Oranjetipje zeer gelijk aan de Vlaamse trend op de route in Neerhelst en neemt de soort langzaam toe op Groene 62. Op Keignaert-NO wordt de soort nauwelijks waargenomen (Figuur 88).

Figuur 88

Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Oranjetipje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts).

3.4.19.3 Fenologie Het Oranjetipje heeft een generatie per jaar en is een typische voorjaarsvlinder (Figuur 89). De piek van de vliegtijd in de perioden 1991-2000 en 2001-2010 viel eind april – begin mei en in het meest recente decennium lag de piek van de vliegperiode eind april. De laatste vier jaar was er een maximaal verschil in de piek van de vliegtijd van maar liefst vier weken. In 2016 was er een piek begin mei. In 2017 viel die al begin april en werd die gevolgd door een kleine tweede piek midden mei, vermoedelijk het gevolg van een periode van slecht weer tussen beide pieken. In 2018 en 2019 viel de piek van de vliegtijd telkens eind april.

Figuur 89

Gemiddelde vliegperiode van Oranjetipje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 93 van 115


3.4.20 Oranje zandoogje

3.4.20.1 Locatie van de routes In totaal werden 35.762 Oranje zandoogjes waargenomen op 72 vlinderroutes (69% van de routes). De ligging van de vlinderroutes waarop Oranje zandoogje werd waargenomen, wordt weergegeven op Figuur 90.

Figuur 90

Ligging van de vlinderroutes waarop Oranje zandoogje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 94 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.20.2 Trend 3.4.20.2.1 Trend in Vlaanderen Het Oranje zandoogje neemt over de periode 1991-2019 beduidend af in Vlaanderen (Figuur 91).

Figuur 91

Trend van Oranje zandoogje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

3.4.20.2.2 Vergelijking met de buurlanden Het Oranje zandoogje neemt eveneens af in de drie ons omringende landen (Figuur 13).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 95 van 115


3.4.20.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes Op de drie routes die al het langst worden geteld, loopt de trend van Oranje zandoogje zeer gelijk aan de Vlaamse trend op de route in Neerhelst en op Groene 62, terwijl op Keignaert-NO de soort aanvankelijk toeneemt om sinds 2007 af te vlakken (Figuur 92).

Figuur 92

Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Oranje zandoogje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts).

3.4.20.3 Fenologie Het Oranje zandoogje heeft een generatie per jaar (Figuur 93). De piek van de vliegtijd lag in de periode 1991-2000 begin augustus, in de periode 2001-2010 en in het meest recente decennium was dat eind juli. De laatste vier jaar viel de piek van de vliegtijd van het Oranje zandoogje eind juli, behalve in 2018 toen dat midden juli was.

Figuur 93

Gemiddelde vliegperiode van Oranje zandoogje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 96 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.21 Zwartsprietdikkopje

3.4.21.1 Locatie van de routes In totaal werden 21.043 Zwartsprietdikkopjes waargenomen op 68 vlinderroutes (65% van de routes). De ligging van de vlinderroutes waarop Zwartsprietdikkopje werd waargenomen, wordt weergegeven op Figuur 94.

Figuur 94

Ligging van de vlinderroutes waarop Zwartsprietdikkopje werd waargenomen. Hoe groter het symbool, hoe meer exemplaren op de route geteld werden. Vlinderroutes waar de soort niet werd waargenomen, worden aangeduid met een grijze bol.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 97 van 115


3.4.21.2 Trend 3.4.21.2.1 Vlaanderen Het Zwartsprietdikkopje neemt over de periode 1991-2019 beduidend af in Vlaanderen, met dalende aantallen vanaf 2004 (Figuur 95).

Figuur 95

Trend van Zwartsprietdikkopje op de Vlaamse vlinderroutes. De bollen geven de berekende jaarindex weer, de grijze zone rond de bollen geeft het betrouwbaarheidsinterval weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend tussen 1991 en 2019.

3.4.21.2.2 Vergelijking met de buurlanden Het Zwartsprietdikkopje neemt af in de Atlantische regio (Nederland en Engeland), maar vertoont geen duidelijke trend in het meer continentale Duitsland (Figuur 13).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 98 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


3.4.21.2.3 Vergelijking van de trend in Vlaanderen met de individuele vlinderroutes Op de drie routes die al het langst worden geteld, loopt de trend van Zwartsprietdikkopje zeer gelijk aan de Vlaamse trend (Figuur 96).

Figuur 96

Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van Zwartsprietdikkopje tussen Vlaanderen en de routes die sinds begin jaren 1990 worden geteld (links) en de vijf bijkomende routes die later begonnen zijn en momenteel nog steeds worden geteld (rechts).

3.4.21.3 Fenologie Het Zwartsprietdikkopje heeft een generatie per jaar (Figuur 97). De piek van de vliegtijd lag in de perioden 1991-2000 en 2001-2010 eind juli en in recente decennium in begin augustus. In de laatste vier jaar kon er enkel voor 2017 een fenologie opgemaakt worden en viel de piek van de vliegtijd eind juli.

Figuur 97

Gemiddelde vliegperiode van Zwartsprietdikkopje op de Vlaamse vlinderroutes in de perioden 1991-2000, 2001-2010 en 2011-2019 (links) en in de laatste vier jaar (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 99 van 115


4

DISCUSSIE

Vlaanderen heeft slechts een beperkt aantal vlinderroutes waardoor de resultaten met enige voorzichtigheid bekeken moeten worden. Algemene dagvlindermonitoring is in de eerste plaats opgestart om trends van dagvlinders op Vlaamse schaal te achterhalen, maar is niet meteen geschikt om de mechanismen achter die trends ook te verklaren. Daar is ander en vooral meer experimenteel onderzoek voor nodig. We bespreken hier eerst enkele mogelijke verklaringen voor de waargenomen resultaten en gaan vervolgens in op hoe de Vlaamse dagvlindermonitoring beter zou kunnen.

4.1 VERKLARINGEN VOOR DE WAARGENOMEN TRENDS 4.1.1 Bossoorten De toenemende trend van de bosgerelateerde soorten is meer dan waarschijnlijk te danken aan het feit dat de Vlaamse bossen stilaan wat ouder en gevarieerder zijn geworden (Govaere 2020). Vermoedelijk zijn de Vlaamse bossen ook warmer geworden, waardoor sommige bossoorten in steeds meer bossen een geschikt microklimaat vinden (Zellweger et al. 2020). Een warmer en droger microklimaat betekent vaak ook dat er mogelijk minder stikstof vanuit de bodem in de waardplanten komt en daardoor minder negatieve impact heeft op de overleving van dagvlinders (Kurze et al. 2018). Ook in de verspreidingsgegevens op Waarnemingen.be zien we dat verschillende typische bosvlinders, zoals de Grote weerschijnvlinder, de Kleine ijsvogelvlinder en de Keizersmantel, sterk aan het uitbreieden zijn in Vlaanderen.

4.1.2 Graslandsoorten De achteruitgang van nogal wat graslandvlinders is vermoedelijk te wijten aan de overmatige stikstofdepositie die de graslanden, maar ook andere open biotopen zoals heiden, te veel aanrijkt (De Keersmaeker et al. 2018). Hierdoor groeit de vegetatie sneller en hoger wat het onverwachte effect heeft dat het microklimaat op de bodem net koeler wordt in plaats van warmer (WallisDeVries & van Swaay 2006). Daarnaast is een gebrek aan voldoende nectarbronnen ook een mogelijke oorzaak van deze achteruitgang (WallisDeVries et al. 2012). De Europese graslandvlinderindicator (een maat voor de kwaliteit van de graslanden in Europa, die wordt berekend aan de hand van 17 graslandvlinders en gebaseerd is op dagvlindermonitoringgegevens in 16 Europese landen) toont zelfs een nog sterkere ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 100 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


achteruitgang (39%) dan die in Vlaanderen (Figuur 98; van Swaay et al. 2019a). Dit is meer dan waarschijnlijk te verklaren doordat Vlaanderen al veel eerder heel wat soorten (en aantallen) graslandvlinders is kwijtgespeeld (Maes & Van Dyck 2001) dan Oost- en Zuid-Europese landen waar de intensivering van de landbouw veel recenter is en duidelijk wordt weerspiegeld in de afname in typische graslandvlinders.

Figuur 98

De Europese graslandvlinderindex vertoont een achteruitgang van 39% sinds 1990. De volle lijn geeft de trend van de jaarindex weer, de stippellijn is de gemodelleerde trend over de periode 1990-2017 en de grijze zone rond de stippellijn is het 95% betrouwbaarheidsinterval rond de gemodelleerde trend. Bron: van Swaay et al. (2019a).

4.2 EEN KRITISCHE BLIK OP DE VLAAMSE TRENDS Het aantal vlinderroutes in Vlaanderen is niet te vergelijken met het grote aantal routes in Groot-Brittannië (3000 – Brereton et al. 2019) en Nederland (1000 – van Swaay et al. 2020) en recent ook Duitsland (450 – Kühn et al. 2019). Hierdoor krijgen we bij het analyseren van de gegevens, vrij grote foutenvlaggen rond de gemiddelden en zijn weinige trends statistisch significant. Bovendien liggen de vlinderroutes niet willekeurig verspreid over Vlaanderen en is er zelfs een voorkeur om vlinderroutes in vrij natuurlijke gebieden te leggen (natuurgebieden, bloemrijke bermen …). Hierdoor kunnen de trens mogelijks een rooskleuriger beeld geven dan in werkelijkheid het geval is.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 101 van 115


4.3 FENOLOGIE De fenologiefiguren kunnen voor soorten die als adult overwinteren een onvolledig beeld geven. Vlinderroutes worden immers enkel geteld tussen begin april en eind september, terwijl sommige soorten vroeger en/of later vliegen dan deze maanden. Om de fenologie van een volledig jaar te bekijken, kunnen gegevens uit Waarnemingen.be worden gebruikt, al moet er voorzichtig worden omgesprongen met de gemelde aantallen bij losse waarnemingen. Vaak worden bij opportunistische waarnemingen enkel de soorten genoteerd, zonder het aantal waargenomen individuen mee te geven als bijkomende informatie. Dagvlindermonitoring geeft daarom een beter beeld, omdat er op een gestandaardiseerde manier wordt geteld.

4.4 TOEPASSINGEN IN HET BELEID, HET BEHEER EN HET ONDERZOEK Door de grote hoeveelheid gegevens die verzameld worden in Waarnemingen.be en de analyses die daarmee mogelijk zijn, wordt het vrij arbeidsintensief monitoren van dagvlinders wel eens in vraag gesteld. Dat is echter onterecht. Doordat bij dagvlindermonitoring systematisch aantallen worden geteld, zijn deze gegevens gevoeliger voor het detecteren van veranderingen dan gegevens op basis van losse waarnemingen (waarmee eigenlijk enkel aanof afwezigheid van een soort wordt bekeken). Ze laten toe om sneller een achteruitgang van populaties en soorten te detecteren dan wanneer dat enkel gebeurt met veranderingen in verspreidingsgegevens (van Strien et al. 2011). Vandaar het belang om voldoende vlinderroutes te blijven tellen zodat er jaarlijks over kan worden gerapporteerd. Om met verspreidingsgegevens een achteruitgang te detecteren moet een soort immers volledig verdwijnen uit een kilometerhok, terwijl je bij een dalende trend in het jaarlijks getelde aantal individuen in een vroeger stadium een achteruitgang kan detecteren. Een dergelijk earlywarning-systeem geniet in het natuurbehoud vaak de voorkeur. De achteruitgang van vrij algemene soorten buiten de klassieke natuur- en bosgebieden (Van Dyck et al. 2009) toont aan dat het ook in landbouwgebieden en stedelijke milieus nodig is om te zorgen voor een geschikter beheer van soorten en leefgebieden en een gedegen milieubeleid. Waar we aan de hand van de vlindermonitoring in Vlaanderen nog nauwelijks uitspraken over kunnen doen, zijn trends van Rode Lijstsoorten (cf. Nederland – van Swaay et al. 2020). Hiervoor kunnen we momenteel enkel gebruik maken van de gegevens uit Waarnemingen.be om een trend in de verspreiding te berekenen. Zoals eerder aangegeven, is die echter minder ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 102 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


gevoelig dan een trend in aantallen en onderschat dus vaak een achteruitgang van een soort. Met behulp van de zogenaamde soortenmeetnetten (zie 4.6) wordt echter getracht om enkele Vlaams en Europees prioritaire soorten waaronder 12 dagvlinders op te volgen met soortgerichte monitoringroutes. Door de trend van een bepaalde soort op een lokale vlinderroute te vergelijken met de Vlaamse trend kunnen lokale beheerders nagaan of de trend te wijten is aan algemene variabelen zoals het weer of te verklaren is door eerder lokale factoren. Wanneer een gebied in de loop der jaren verbost of verruigt, dan zal dat meer dan waarschijnlijk een invloed hebben op de aantallen die van verschillende soorten dagvlinders worden waargenomen: bossoorten zullen toenemen in aantal, terwijl typische graslandsoorten in aantal zullen afnemen. Door een gericht beheer kan lokaal ingegrepen worden om bepaalde soorten meer kansen te geven, bijvoorbeeld door verruiging of verbossing tegen te gaan wanneer de voorkeur gegeven wordt aan graslandsoorten. Maar ook hier moet voorzichtig omgesprongen worden met de vergelijking, want eigenlijk is de algemene dagvlindermonitoring opgezet om trends op Vlaamse schaal te bepalen.

4.5 VERBETERPUNTEN Door de bestaande vlinderroutes ook in de toekomst te blijven tellen, zal de betrouwbaarheid van de analyses voortdurend verbeteren. Ook het opnieuw tellen van vlinderroutes die al een tijdje niet meer geteld werden, kan een grote meerwaarde opleveren. Nieuwe routes zijn uiteraard ook altijd welkom en geïnteresseerden kunnen zich altijd aanmelden via www.meetnetten.be en doorklikken op “Algemene vlindermonitoring”. Hoewel elke telling op een relatief korte tijd kan gebeuren, zorgt het aantal tellingen dat per jaar moet gebeuren ervoor dat het monitoren van dagvlinders op een algemene vlinderroute behoorlijk arbeidsintensief is. Dat leidde ertoe, naast het ontbreken van een professionele ondersteuning, dat het aantal vlinderroutes in Vlaanderen altijd laag gebleven is. De vlinderroutes die nu nog worden gewandeld, gebeuren door bijzonder gemotiveerde mensen of door telteams. Zonder hen zouden analyses zoals deze of een Vlaamse bijdrage aan de Europese graslandvlinderindex niet mogelijk zijn. Door met een team tellers een vlinderroute te wandelen, zorg je ervoor dat je bijvoorbeeld maar een keer per jaar moet gaan tellen. Door de nieuwe methode van het analyseren van de vlindertelgegevens (Dennis et al. 2016) is het bovendien niet absoluut een noodzaak om wekelijks te gaan tellen, al blijft dat wel de “gouden standaard”. Zolang er een goed beeld is van de vliegperiode van elke soort (bv. een 4-tal ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 103 van 115


tellingen in de piek(en) van de vliegtijd) in de loop van het jaar, is de nieuwe statistische methode in staat om betrouwbare resultaten te bekomen. Ook wanneer er geen meetlocaties in je buurt liggen en je niet meteen een nieuwe vlinderroute kan opstarten, kan je bijdragen aan vlinderonderzoek. In de mobiele applicaties van Waarnemingen.be kan je inmiddels met een druk op de knop de routeregistratie inschakelen om zo je zoekinspanning te registreren en van je losse waarnemingen gegevens te maken die ook voor trendanalyses bruikbaar zijn. Het loont ook de moeite om de coaching van de tellers beter op punt te stellen. Sneller en vaker terugkoppelen met tellers door per route en per soort resultaten te bezorgen, werkt erg motiverend voor vrijwillige tellers om hun inspanningen vol te houden. We hopen dat deze analyse en balans bijdragen om een nieuwe dynamiek teweeg te brengen in de dagvlindermonitoring in Vlaanderen.

4.6 MEETNETTEN.BE In tegenstelling tot de algemene vlindermonitoring, waar wekelijks vlinders geteld worden, ligt de telfrequentie bij Meetnetten.be lager. Voor vlinders met 1 generatie worden 3 tellingen in de piek van de vliegtijd uitgevoerd met ongeveer een week tussen elke telling, bij vlinders met 2 generaties worden er 6 tellingen uitgevoerd (3 tellingen in de piek van elke generatie). Volgens de gangbare analysemethode voor dagvlindertransecten (Pannekoek & van Strien 2003; Dennis et al. 2013) volstaan 3 tellingen in de piek van de vliegperiode om jaarlijkse indexen te berekenen (Roy et al. 2007; Roy et al. 2015). De piek van de vliegtijd kan jaarlijks variëren afhankelijk van de weersomstandigheden waardoor er in sommige jaren vroeger en in andere jaren later gestart zal moeten worden met de tellingen. Op de lijst van Vlaams prioritaire soorten staan 12 dagvlinders (Westra et al. 2016). Meetnetten.be volgt de meeste dagvlinders uit de categorieën Ernstig bedreigd, Bedreigd en Kwetsbaar van de Rode Lijst op (Maes et al. 2013). Rode Lijstsoorten die ontbreken zijn Grote vos, Rouwmantel, Bruine vuurvlinder, Geelsprietdikkopje, Zwartsprietdikkopje, Groentje en Iepenpage. Grote vos en Rouwmantel zijn zeer moeilijk te monitoren omwille van de lage dichtheden en het ontbreken van locaties met permanente populaties (ze planten zich elk jaar wel in Vlaanderen voort, maar daarom niet steeds op dezelfde locatie – Maes et al. 2013). Geel- en Zwartsprietdikkopje zijn vrij moeilijk van elkaar te onderscheiden (Vantieghem et al. 2017). Iepenpage is moeilijk te monitoren omdat de soort zich meestal hoog in Iepen ophoudt en niet al te vaak wordt gezien. Om de meeste Rode Lijstsoorten op te volgen zou de te monitoren soortenlijst in Meetnetten.be daarom uitgebreid kunnen worden met Bruine vuurvlinder en Groentje. De Moerasparelmoervlinder, die zich sinds 2016 in Vlaanderen ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 104 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


voortplant na een herintroductie in een natuurgebied in Vlaams-Brabant, wordt sinds 2020 opgevolgd in de soortenmeetnetten.

4.7 VLAANDEREN IN EUROPA Het aantal Vlaamse dagvlinderroutes mag dan wel klein lijken in vergelijking met landen als Groot-Brittannië of Nederland, ze worden wel degelijk gebruikt bij het berekenen van Europese trends. Het beste voorbeeld hiervan is de Europese graslandvlinderindex (van Swaay et al. 2019b), die om de twee jaar wordt geactualiseerd. In het zogenaamde ABLE-project wordt aan de uitbouw van een dagvlindermeetnet over heel Europa gewerkt met de ondersteuning van de koepelorganisatie Butterfly Conservation Europe (https://www.vlinderstichting.nl/butterfly-conservation-europe/projects/able-project). Naast een graslandvlinderindex wordt er momenteel gewerkt aan het maken van een Europese bosvlinderindex en aan een klimaatindex gebaseerd op dagvlinders.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 105 van 115


5

REFERENTIES

Brereton TM, Botham MS, Middlebrook I, Randle Z, D. N, Harris S, Dennis EB, Robinson AE, Peck K & Roy DB (2019) United Kingdom Butterfly Monitoring Scheme report for 2018. Centre for Ecology & Hydrology, Butterfly Conservation, British Trust for Ornithology and Joint Nature Conservation Committee, Wareham. De Keersmaeker L, Adriaens D, Anselin A, De Becker P, Belpaire C, De Blust G, Decleer K, De Knijf G, Demolder H, Denys L, Devos K, Gyselings R, Leyssen A, Lommaert L, Maes D, Oosterlynck P, Packet J, Paelinckx D, Provoost S, Speybroeck J, Stienen E, Thomaes A, Vandekerkhove K, Van Den Berge K, Vanderhaeghe F, Van Landuyt W, Van Thuyne G, Van Uytvanck J, Vermeersch G, Wouters J & Hoffmann M (2018) Herstelstrategieën tegen de effecten van atmosferische depositie van stikstof op Natura2000 habitat in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2018 (13). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. https://doi.org/10.21436/inbor.14113664. Dennis EB, Freeman SN, Brereton T & Roy DB (2013) Indexing butterfly abundance whilst accounting for missing counts and variability in seasonal pattern. Methods in Ecology and Evolution 4 (7): 637-645. https://doi.org/10.1111/2041-210x.12053 Dennis EB, Morgan BJT, Freeman SN, Brereton TM & Roy DB (2016) A Generalized Abundance Index for Seasonal Invertebrates. Biometrics 72 (4): 1305-1314. https://doi.org/10.1111/biom.12506 Govaere L (2020) Een blik op de kenmerken van bos in Vlaanderen – eerste resultaten van twee opeenvolgende Vlaamse bosinventarisaties. Bosrevue 83 (a): 1-14. Kühn E, Musche M, Harpke A, Feldmann R, Ulbrich K, Wiemers M & Settele J (2019) TagfalterMonitoring Deutschland: Jahresauswertung 2018. Oedippus 36: 6-38. Kurze S, Heinken T & Fartmann T (2018) Nitrogen enrichment in host plants increases the mortality of common Lepidoptera species. Oecologia 188 (4): 1227-1237. https://doi.org/10.1007/s00442-0184266-4 Maes D, Ledegen H, Van de Poel S & Westra T. (2019). Monitoringsprotocol dagvlinders. Versie 2.0. Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek,. 27 p. http://doi.org/10.21436/inbor.16744530 Maes D & Van Dyck H (2001) Butterfly diversity loss in Flanders (north Belgium): Europe's worst case scenario? Biological Conservation 99 (3): 263-276. https://doi.org/10.1016/S0006-3207(00)00182-8 Maes D, Vanreusel W & Van Dyck H (2013) Dagvlinders in Vlaanderen: nieuwe kennis voor betere actie. Uitgeverij Lannoo nv, Tielt. Onkelinx T, De Knijf G, Maes D, De Bruyn L, Westra T, Pollet M & Quataert P (2017) Hoe bij het veldwerk omgaan met afwijkingen op een monitoringsprotocol van een soortenmeetnet Natura 2000? Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2017 (13). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. https://doi.org/10.21436/inbor.12304086. Pannekoek J & van Strien A (2003) TRIM 3 Manual. Trends and indices for monitoring data. Research paper. Centraal Bureau voor de Statistiek, Voorburg. Pollard E (1988) Temperature, rainfall and butterfly numbers. Journal of Applied Ecology 25: 819-828. Pollard E, Ellias D, Skelton M & Thomas JA (1975) A method of assessing the abundance of butterflies in Monks Wood national nature reserve in 1973. Entomologist's Gazette 26: 79-88. Pollard E, Greatorex-Davies JN & Thomas JA (1997) Drought reduces breeding success of the butterfly Aglais urticae. Ecological Entomology 22 (3): 315-318. Pollard E & Yates TJ (1993) Monitoring butterflies for ecology and conservation. The British Butterfly Monitoring Scheme. Chapman & Hall, London. R Core Team (2019) R: A language and environment for statistical computing. R Foundation for Statistical Computing, Vienna, Austria. http://www.R-project.org/ Roy DB, Ploquin EF, Randle Z, Risely K, Botham MS, Middlebrook I, Noble D, Cruickshanks K, Freeman SN & Brereton TM (2015) Comparison of trends in butterfly populations between monitoring schemes. Journal of Insect Conservation 19 (2): 313-324. https://doi.org/10.1007/s10841-014-9739-0 Roy DB, Rothery P & Brereton T (2007) Reduced-effort schemes for monitoring butterfly populations. Journal of Applied Ecology 44 (5): 993-1000. https://doi.org/10.1111/j.1365-2664.2007.01340.x Roy DB, Rothery P, Moss D, Pollard E & Thomas JA (2001) Butterfly numbers and weather: predicting historical trends in abundance and the future effects of climate change. Journal of Animal Ecology 70: 201-217. Schmucki R & Harrower CA. (2019). rbms: Compute abundance index Butterfly Monitoring Schemes and flight curves, using the Generalize Abundance Index, using the spline approach. Version 1.0.0. https://retoschmucki.github.io/rbms/ ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 106 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


Schmucki R, Pe'er G, Roy DB, Stefanescu C, van Swaay CAM, Oliver TH, Kuussaari M, Van Strien AJ, Ries L, Settele J, Musche M, Carnicer J, Schweiger O, Brereton TM, Harpke A, Heliola J, Kuhn E & Julliard R (2016) A regionally informed abundance index for supporting integrative analyses across butterfly monitoring schemes. Journal of Applied Ecology 53 (2): 501-510. https://doi.org/10.1111/13652664.12561 Sevilleja CG, van Swaay CAM, Bourn N, Collins S, Settele J, Warren MS, Wynhoff I & Roy DB (2019) Butterfly Transect Counts: Manual to monitor butterflies. Report VS 2019.016. Butterfly Conservation Europe & De Vlinderstichting/Dutch Butterfly Conservation, Wageningen. https://butterfly-monitoring.net/sites/default/files/Pdf/Butterfly%20Transect%20CountsManual%20v1.pdf?fbclid=IwAR1UEnMFI4jNiZvjBYllHfRqe7sfiLpII1nPUCFRYjkyxfJvr9TCXGoZSgM Stefanescu C, Alarcón M, Izquierdo R, Páramo F & Ávila A (2011) Moroccan source areas of the Painted Lady butterfly Vanessa cardui (Nymphalidae: Nymphalinae) migrating into Europe in spring. Journal of the Lepidopterists Society 65 (1): 15-26. Van Dyck H, van Strien AJ, Maes D & van Swaay CAM (2009) Declines in common, widespread butterflies in a landscape under intense human use. Conservation Biology 23 (4): 957-965. https://doi.org/10.1111/j.1523-1739.2009.01175.x van Strien AJ, van Swaay CAM & Kéry M (2011) Metapopulation dynamics in the butterfly Hipparchia semele changed decades before occupancy declined in the Netherlands. Ecological Applications 21 (7): 2510-2520. https://doi.org/10.2307/41416675 van Swaay CAM, Bos-Groenendijk GI, van Deijk JR, van Grunsven RHA, Kok JM, Huskens K & Poot M (2018) Handleiding landelijke meetnetten vlinders, libellen en nachtvlinders. Rapport VS 2018.011. De Vlinderstichting, Wageningen. https://assets.vlinderstichting.nl/docs/ea7db2aa-73d3-4687-acb7f1f1bb150381.pdf van Swaay CAM, Bos‐Groenendijk GI, Van Grunsven R, Van Deijk JR, Stip A, De Vries HH, Kok J, Huskens K, Veling K, Slikboer L & Poot MJM (2020) Vlinders, libellen en hommels geteld. Jaarverslag 2019. Rapport VS VS 2020.006. De Vlinderstichting, Wageningen. van Swaay CAM, Dennis EB, Schmucki R, Sevilleja CG, Balalaikins M, Botham M, Bourn NAD, Brereton T, Cancela JP, Carlisle B, Chambers P, Collins S, Dopagne C, Escobés R, Feldmann R, Fernández-García JM, Fontaine B, Gracianteparaluceta A, Harrower C, Harpke A, Heliölä J, Komac B, Kühn E, Lang A, Maes D, Mestdagh X, Middlebrook I, Monasterio Y, Munguira ML, Murray T, Musche M, Õunap E, Paramo F, Pettersson LB, Piqueray J, Settele J, Stefanescu C, Švitra G, Tiitsaar A, Verovnik R, Warren MS, Wynhoff I & Roy DB (2019a) The EU Butterfly Indicator for Grassland species: 1990-2017. Technical Report. Butterfly Conservation Europe, Wageningen. https://butterflymonitoring.net/sites/default/files/Publications/Technical%20report%20EU%20Grassland%20indicato r%201990-2017%20June%202019%20v4%20(3).pdf van Swaay CAM, Dennis EB, Schmucki R, Sevilleja CG, Balalaikins M, Botham M, Bourn NAD, Brereton T, Cancela JP, Carlisle B, Chambers P, Collins S, Dopagne C, Escobés R, Feldmann R, Fernández-García JM, Fontaine B, Gracianteparaluceta A, Harrower C, Harpke A, Heliölä J, Komac B, Kühn E, Lang A, Maes D, Mestdagh X, Middlebrook I, Monasterio Y, Munguira ML, Murray T, Musche M, Õunap E, Paramo F, Pettersson LB, Piqueray J, Settele J, Stefanescu C, Švitra G, Tiitsaar A, Verovnik R, Warren MS, Wynhoff I & Roy DB. (2019b). The EU Butterfly Indicator for Grassland species: 1990-2017. Wageningen: Butterfly Conservation Europe. 23 p. van Swaay CAM, Maes D & Plate C (1997) Monitoring butterflies in The Netherlands and Flanders: the first results. Journal of Insect Conservation 1 (1): 81-88. https://doi.org/10.1023/A:1018491228082 van Swaay CAM, Nowicki P, Settele J & van Strien AJ (2008) Butterfly monitoring in Europe: methods, applications and perspectives. Biodiversity and Conservation 17 (14): 3455-3469. https://doi.org/10.1007/s10531-008-9491-4 van Swaay CAM, Termaat T & Plate CL (2011) Handleiding Landelijke Meetnetten Vlinders en Libellen. Rapport VS2011.001. De Vlinderstichting & Centraal Bureau voor de Statistiek, Wageningen/Den Haag. Vantieghem P, Maes D, Kaiser A & Merckx T (2017) Quality of citizen science data and its consequences for the conservation of skipper butterflies (Hesperiidae) in Flanders (northern Belgium). Journal of Insect Conservation 21 (3): 451-463. https://doi.org/10.1007/s10841-016-9924-4 WallisDeVries MF & van Swaay CAM (2006) Global warming and excess nitrogen may induce butterfly decline by microclimatic cooling. Global Change Biology 12 (9): 1620-1626. https://doi.org/10.1111/j.1365-2486.2006.01202.x ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 107 van 115


WallisDeVries MF, van Swaay CAM & Plate CL (2012) Changes in nectar supply: A possible cause of widespread butterfly decline. Current Zoology 58 (3): 384-391. https://doi.org/10.1093/czoolo/58.3.384 Westra T, De Knijf G, Ledegen H, De Bruyn L, Maes D, Onkelinx T, Piesschaert F, Vanreusel W, Van Elegem B, Pollet M & Quataert P (2016) Monitoring van prioritaire dier- en plantensoorten in Vlaanderen. Opstart van nieuwe meetnetten. Natuurfocus 15 (4): 156-165. Wiklund C, Persson A & Wickman PO (1983) Larval aestivation and direct development as alternative strategies in the speckled wood butterfly, Pararge aegeria , in Sweden. Ecological Entomology 8: 233-238. Zellweger F, De Frenne P, Lenoir J, Vangansbeke P, Verheyen K, Bernhardt-Römermann M, Baeten L, Hédl R, Berki I, Brunet J, Van Calster H, Chudomelová M, Decocq G, Dirnböck T, Durak T, Heinken T, Jaroszewicz B, Kopecký M, Máliš F, Macek M, Malicki M, Naaf T, Nagel TA, Ortmann-Ajkai A, Petřík P, Pielech R, Reczyoska K, Schmidt W, Standovár T, Świerkosz K, Teleki B, Vild O, Wulf M & Coomes D (2020) Forest microclimate dynamics drive plant responses to warming. Science 368 (6492): 772-775. https://doi.org/10.1126/science.aba6880

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 108 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


Bijlage 1

Routenaam

Lijst van de 105 vlinderroutes die sinds 1991 werden geteld in Vlaanderen, samen met de gemeente waarin ze gelegen zijn, het start- en eindjaar en het aantal geteld jaren. De routes zijn gerangschikt in dalend aantal getelde jaren en vervolgens op startjaar. Gemeente

Keignaert-NO Oostende Neerhelst Geel Groene 62 Oostende Oude Bleken 1 Mol E17-Kuilstraat Waasmunster Oude Bleken 2 Mol Demerbroeken Scherpenheuvel-Zichem Zammelsbroek 1 Geel Doode Bemde 1 Oud-Heverlee Doode Bemde 2 Oud-Heverlee Zammelsbroek 2 Geel Averbode Oost Scherpenheuvel-Zichem Averbode West Scherpenheuvel-Zichem Veerle-Heide Laakdal Oosterlo Geel Kanaalberm Aalter Warandeduinen Middelkerke De Most Balen Paelepelbos Wetteren Vallei van de Serskampse Beek Lede Krakeelduinen De Panne De Maat Mol Tessenderlo Tessenderlo Mandelhoek Ingelmunster Biezenhuiskes Aarschot Drongengoedweg Maldegem Grote Horendonk Essen Akkers Maldegem Bulldozerweg Kalmthout Kalmthoutse Heide-Keetheuvel Kalmthout Oasis Kalmthout Steertse Heide 1 Kalmthout Steertse Heide 2 Kalmthout Steertse Heide 3 Kalmthout Steertse Heide 4 Kalmthout Steertse Heide 5 Kalmthout Wilgenduinen/Hazeduinen Kalmthout Withoefse Heide Kalmthout Kindernouw Lille Walenbos Tielt-Winge Poekepark 1 Aalter Bloemendaal Brugge Putse Moer Kalmthout Klein Schietveld Kapellen De Noen Mol Kalmthoutse Heide Kalmthout Zonien-West Sint-Genesius-Rode Daknamse Meersen Lokeren Teerlinkput Merelbeke De Oude Vesting Maldegem Tessenderlo Oost Tessenderlo

Startjaar

Eindjaar

#Jaren

1992 1992 1993 1993 1992 1994 1995 1993 1991 1991 1994 2008 2008 2008 2009 1992 1994 1994 2010 2010 2011 1991 2012 1991 1992 1992 1993 2003 2005 2005 2005 2005 2005 2005 2005 2005 2005 2005 1991 1991 1992 1993 2005 2012 1992 1992 1992 1993 1993 2003 2008

2019 2019 2019 2010 2019 2010 2010 2007 2004 2004 2007 2019 2019 2019 2019 2000 2002 2001 2017 2017 2018 1997 2018 1996 1997 1997 1998 2008 2010 2010 2010 2010 2010 2010 2010 2010 2010 2010 1995 1995 1996 1997 2009 2016 1995 1995 1995 1996 1996 2006 2011

28 28 27 18 17 17 16 15 14 14 14 12 12 12 11 9 9 8 8 8 8 7 7 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 5 5 5 5 5 5 4 4 4 4 4 4 4

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 109 van 115


Tessenderlo West Tessenderlo De Grote Kreek Antwerpen Warandepark Essenbeek Halle Dumonsheide Hechtel-Eksel Grasland-Koersel Beringen Helleketelbos Poperinge Klokjesgentiaan Beringen Ruigte-Hemelbrug Beringen Duinkerken Retie Gaverbeek Zulte Onderdale Aalter Bruin Blauwtje Zwijndrecht Poekepark 2 Aalter Roest-Peertsbos Herentals Aaltervelden Aalter Voortberg Scherpenheuvel-Zichem Olensbroek Olen Doornpanne Koksijde Zwin-Duinen Knokke-Heist Mijnterril-Winterslag Genk Vlietbos Antwerpen Berlare Broek Berlare Bos-Stiemerbeek Genk Gasthuis Geel Gavers Harelbeke Vordensteyn Schoten Zavelstraat Lubbeek Halsche Beemden Hoogstraten Heiloop Balen Houwaartse Veld Tielt-Winge Parelmoer Balen Vallei Doode Bemde Oud-Heverlee Wijgmaalbroek Leuven Oude Kleiput Beerse Asselsekerkweg Gent Boterstraat Harelbeke Kotjes Hoogte Maldegem Moeraszandgroeve Lubbeek Varenberg Lubbeek Zavelput Waregem Albertroute Geel Maldegemveld Maldegem Wijnegempark 1 Wijnegem Wijnegempark 2 Wijnegem Groot Broek Tielt-Winge SCK-Cartpala-Route Geel Koude Delle Hoeilaart Vriesput Lommel Zandvoordebos Zonnebeke Zuidflank Kemmelberg Heuvelland Nol Essen Citrique Belge (afgedekt gipsstort) Tienen Snoekengracht Boutersem Tiens Broek Tienen

2008 2013 2016 1991 1991 1991 1991 1991 1992 1992 1992 1993 1993 1993 1995 2008 2009 2011 2013 1991 1991 1992 1992 1992 1992 1992 1992 1993 1994 1994 1994 1994 2014 1991 1992 1992 1992 1992 1992 1992 1994 1994 1994 1994 1995 1995 1999 2004 2004 2004 2005 2006 2006 2006

2011 2016 2019 1993 1993 1993 1993 1993 1994 1994 1994 1995 1995 1995 1997 2010 2011 2013 2015 1992 1992 1993 1993 1993 1993 1993 1993 1994 1995 1995 1995 1995 2015 1991 1992 1992 1992 1992 1992 1992 1994 1994 1994 1994 1995 1995 1999 2004 2004 2004 2005 2006 2006 2006

4 4 4 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 110 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


Bijlage 2

Lijst van alle vlindertellers die sinds 1991 vlinderroutes gewandeld hebben in Vlaanderen.

Magda Aerden Johan Andries Tim Bastiaens Peter Bax Guy Bellens Koen Berwaerts René Billiau Tonny Binnemans Theo Bollen Julien Bouwen Johan Broidioi Patriek Casier Paula Corthout Joren Daems Ronny Daems Wim Daems Piet De Becker Steven De Bruycker Johan De Buck Leo De Cooman Eddy De Hond Karin De Laet Ria De Nève Remi De Spiegeleire Simonne De Vos An De Wilde Paul Decoene Jean Demeyer Tosca Dens Peter Depodt Dieter Devolder Hilde Devos Mieke D'Hondt Marc Dhont Paul Dierckx Leon Dille Eddy Dockx Gitte Douwen Koen Dries Kris Dries Rika Driessens Jan Drykoningen Joris Elst Frans Emmerechts Frederik Emmerechts Lieve Geens Roger Geudens Leen Gillis Erik Gintelenberg Valérie Goethals Dries Gorissen Elza Govaerts Robin Guelinckx Jan Hassewer Ortwin Hoffmann Ilf Jacobs Maarten Jacobs Heidi Jacquemyn Roel Jans Paul Janse Eddy Janssens

Koen Janssens Koen Kauwenberghs Goedele Kayens Darline Kempeneer Frits Kuitenbrouwer Max Laeremans Hedwig Lauriks Boni Lemmens Hans Limet Jean-Pierre Lucas Dirk Maes Hans Matheve Paul Mertens Filip Meyermans Ludo Michiels Kerstine Michielsen Tine Miet Van Maele Karel Molenberghs Marc Mostien Andrea Nietvelt René Oyen Kris Peeters Dieter Plu Herman Puls Dirk Raes Sofie Regniers Jef Sas Jeannine Simonis Rita S'Jegers Hugo Smets Serge Smets Stef Spruytte Jos Sterckx David Swinnen Yvette Symons Koen Thibau Eve Torfs Paul Tuerlinckx Luc Van Assche Peter Van De Kerckhove Philippe van de Pitte Philippe Van De Velde Geert Van den Heuvel Ilse Van Den Heuvel Niels Van Doninck Hans Van Dyck Gino Van Hoorebeke Paula Van Horenbeeck Anne Van Houtte Jos Van Kerckhoven Mia Van Nerum Marc Van Opstaele Karel Van Roey Carine Van Steenwinkel Gerd Van Thienen Fons Van Vlerken Etienne Vanaelst Tom Vandevenne André Vanormelingen Pieter Vanormelingen Yves Vanroten

Wilfried Vanuytsel Marc Verachtert Bart Vercoutere Jan Verdonck Frank Verhoeven Hugo Verschelden Koen Verschoore Wim Verschraegen Gommaire Verstrepen Pieterjan Vervecken Jef Verwimp Ilse Warnier Eef Weetjens Gerd Wellens Jos Winters Daniël Wouters Hugo Wouters Johan Wouters

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 111 van 115


Bijlage 3

Overzicht van de waargenomen soorten op de vlinderroutes in Vlaanderen in de periode 1991-2019, met het totaal aantal waargenomen individuen (#Ind), het aantal routes waarop ze gezien werden (#Routes) en het percentage van het totale aantal routes (%Routes).

Soort

Wetenschappelijke naam

Aardbeivlinder Argusvlinder Atalanta Bont dikkopje Bont zandoogje Boomblauwtje Boswitje Bruin blauwtje Bruin zandoogje Bruine eikenpage Citroenvlinder Dagpauwoog Distelvlinder Eikenpage Geelsprietdikkopje Gehakkelde aurelia Gele luzernevlinder Gentiaanblauwtje Groentje Groot dikkopje Groot koolwitje Grote vos Grote weerschijnvlinder Heideblauwtje Heivlinder Hooibeestje Icarusblauwtje Iepenpage Keizersmantel Klein geaderd witje Klein koolwitje Kleine ijsvogelvlinder Kleine parelmoervlinder Kleine vos Kleine vuurvlinder Koevinkje Kommavlinder Koninginnenpage Landkaartje Oranje luzernevlinder Oranje zandoogje Oranjetipje Rouwmantel Sleedoornpage Veldparelmoervlinder Zwartsprietdikkopje

Pyrgus malvae Lasiommata megera Vanessa atalanta Carterocephalus palaemon Pararge aegeria Celastrina argiolus Leptidea sinapis Aricia agestis Maniola jurtina Satyrium ilicis Gonepteryx rhamni Aglais io Vanessa cardui Favonius quercus Thymelicus sylvestris Polygonia c-album Colias hyale Phengaris alcon Callophrys rubi Ochlodes venata Pieris brassicae Nymphalis polychloros Apatura iris Plebeius argus Hipparchia semele Coenonympha pamphilus Polyommatus icarus Satyrium w-album Argynnis paphia Pieris napi Pieris rapae Limenitis camilla Issoria lathonia Aglais urticae Lycaena phlaeas Aphantopus hyperantus Hesperia comma Papilio machaon Araschnia levana Colias croceus Pyronia tithonus Anthocharis cardamines Nymphalis antiopa Thecla betulae Melitaea cinxia Thymelicus lineola

#Ind

#Routes

430 842 7866 227 18928 2945 6 1883 37254 20 9662 13286 5682 562 219 3557 35 48 1962 8197 5849 8 9 2155 282 5890 11416 6 3 25750 30832 172 267 5734 2582 8925 7 301 11257 350 35.762 3756 4 4 161 21043

2 39 94 18 94 79 2 29 88 5 83 93 79 28 25 81 10 1 15 80 94 3 2 13 18 55 76 2 3 94 100 7 10 78 83 41 5 42 77 35 72 77 2 4 2 68

%Routes 2 37 90 17 90 75 2 28 84 5 79 89 75 27 24 77 10 1 14 76 90 3 2 12 17 52 72 2 3 90 95 7 10 74 79 39 5 40 73 33 69 73 2 4 2 65

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 112 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


Bijlage 4

Vergelijking van de jaarindexen (bollen) en trend (volle lijn) van de soorten tussen Vlaanderen (blauw) en de vlinderroutes die tot en met 2010 werden geteld.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 113 van 115


///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 114 van 115

doi.org/10.21436/inbor.18344476

www.inbo.be


///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18344476

Pagina 115 van 115


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Maes_etal_2020_DagvlindermonitoringInVlaanderen.pdf by Vlaanderen-be - Issuu