Skip to main content

M&L_14_2.pdf

Page 1

"T^i."1

•

lirii il

II II II

E


OVENGRONDS EN ONDERGRONDS MILIEUBEWUST AKTIEF

• • • • • • • •

Pijpleidingen, waterleidingen en collectoren Industriële leidingen en electromechanische uitrustingen Pompstations en waterzuiveringsinstallaties Renovatiewerken en speciale technieken Grondwerken en burgerlijke bouwkunde Tunnels, buisdoorpersingen en boringen Spoorwegconstructies Restauratiewerken. Industrieweg 1 24 - 9032 GENT (WONDELGEM) Tel. (09) 25401 11 - Fax (09) 226 7771 -Telex 11 515 Denys B


Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening en Huisvesting Afdeling Monumenten en Landschappen ISSN 0770-4948

MONUMENTEN

•

14 jaargang Nr. 2

•

maart-april 1995

Afgiftekantoor: Brussel X

EN

LANDSCHAPPEN Redactie Bestuur Monumenten en Landschappen, Afdeling Pers & Voorlichting. Zandstraal 3, 1000 Brussel. Tel.: (02) 209 27 37 - Fax; (02) 209 27 05. Eindredactie: M.M. Celis. Productie en promotie: L. Tack. Zetwerk en secretariaat: D. Torbeyns. Vormgeving: L. Tack.

Redactiecomité Voorzitter: E. Goedleven. Leden: A. Bergmans, J. Bracken, M. Buyle, M.M. Celis, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn, J. Gyselinck, A. Malliet, G. Plomteux, H. Stynen, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt, Ch. Vanthillo, L. Wylleman.

Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Maalsesteenweg 73,8310 Sint-Kruis Tel.: (050) 36 25 89 - Fax: (050) 37 33 64.

Inhoud Generiek De conservatie van de Codex Eyckensis Jan Wouters

12

Het huis de Halleux Jan Esther en Benoit Delaey

2!

Geoconservatie Patric Jacobs

45

De grindgroeve Hermans te As. Een beschermd landschap Hubert Bats. Etienne Paulissen en Patric Jacobs

56

Summary

64

M&L Binnenkrant Druk Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.: (050) 33 12 35 - Fax: (050) 34 37 I

Verantwoordelijke uitgever Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening en Huisvesting Luc Tack Zandstraal 3, KKK) Brussel De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of henverken zijn voorbehouden.

Abonnementsvoorwaarden 1995 België: 1150 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 220 fr.). CJP'ers betalen: 950 fr. Buitenland: 1300fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 091-2206040-95 van Monumenten & Landschappen, Zandstraal 3, 1000 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 1995". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

Cover: De luingevels van het huis de Halleux, na restauratie (foto: 0. Pauwels)

MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP


ZONDER RENOFORS-BETA ZAG U DIE MOLENS NIET MEER... Heeft U zich al eens afgevraagd hoe het komt dat eeuwenoude houten molens nog steeds de wind trotseren? Of hoe de Middeleeuwse klokkestoel van de prachtige SintRomboutskathedraal zijn tonnenzware beiaard torst? Solar nv vernieuwt en versterkt rottend hout met het Renofors-Bèta systeem. Voor jaaaren. Renofors-Bèta is een (kostenbesparend) alternatief voor dure en moeilijke vervangingswerken. Renofors-Bèta is een gewapend kunstharssysteem dat snel, doeltreffend en esthetisch eeuwenoude constructies restaureert. Vraag nu vrijblijvend documentatie. Bel 03/776.91.62

U HEEFT GEEN MONUMENT TE VERLIEZEN...

Solar

n.v.

Kleine Breedstraat 33 - 9100 St.-Niklaas

Ook sterk in: gevelreiniging - steenverharding vochtwering - drooglegging van muren met capillair stijgend vocht - dichtingswerken - betonrestauratie houtbehandeling - brandremming.

SUPPORT - SURFACE •RESTAURATIE + CONSERVATIE.

Bennesteeg 3, 9000 Gent, (09) 223 87 03 Wapenstraat 12B, 2000 Antwerpen, Tel. & Fax (03) 248 12 97


Evangeliaria Goedbedoelde maar nefaste restauratieve ingrepen uit de vijftiger jaren leidden vanaf 1986 tot de hoogdringende conserverende behandeling van de 9de-eeuwse Codex Eyckensis, genoemd naar de oorspronkelijke bewaarplaats Aldeneik. Geruggesteund door een commissie ad hoc leidde Jan Wouters voor het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium de zorgvuldige analyse, de totstandkoming van een nauwkeurige diagnose en de behoedzame therapie. Christine Vanthillo weet dan weer het evangelieboek kunsthistorisch te duiden, ter verklaring van de huidige opsplitsing in een Codex Ia en Ib.

Soo veel embelissementen Het gegeven is klassiek: een naar hedendaagse normen tè ruim pand met laat-middeleeuwse kern, 18de-eeuwse gevel met binnenaankleding en diepgaande 19de-eeuwse herfatsoenering. De opdracht tot herbestemming en restauratie van dit Brugse Huis de Halleux kon voor Groep Planning dan ook niet anders dan begeleid worden door de Stedelijke Dienst voor Monumentenzorg. Architect Benoït Delaey en kunsthistoricus Jan Esther commentariëren de bevindingen, opties en resultaten bij een stapsgewijze verkenning van het monument.

The Limit to Growth

Slechts moeizaam groeit het besef dat de Aarde als systeem haar perken kent en wijzigingen aan haar samenstelling of ingrepen in haar evolutie onomkeerbaar blijven. Gerichte initiatieven tot behoud van landschapsvormen, ontsluitingen van gesteenten dan wel actieve geologische processen horen tot de Geoconservade, een voor Patric Jacobs essentiële discipline.

Grint

De nog recente bescherming als landschap van de grintgroeve Hermans te As, om uitsluitend geologische redenen, vormde voor Vlaanderen een primeur. Een praktische toepassing van geoconservatie waar Hubert Bats de nodige toelichting bij geeft.

->

. '


Restauratie Toren Postgebouw Gent

ETN. FLOR BRUXELMAN & ZOON N.V. Restauratie - Nieuwbouw - Steenkapperij Reigerstraat 8, 9000 Gent Tel. (09) 222 22 39 - 222 20 48 / Fax (09) 220 27 75


HYDRO-GOMMAGE

/farmasp cfoftif

De zachtste techniek om elke gevel te reinigen.

ft

Quintelier Tmdo G B V E L R B 1 N I G I N G

Trekken, gieten en plaatsen van lijeten. Restauratie van oude lijsten (staff- en stucwerk). Mouleeren boetseerwerk. S c u l p t u r e n

Hoogstraat 129-9000 Gent tel 09/224 34 05-fax 225 93 77

Wielstraat 57A 9220 Hamme Tel. & Fax : 052/ 47 21 38

TAEYMANS MEESTERSCHILDERS BVB A SfjifL 1880

EUROPA NOSTRA AWARD

1994

en

cMuliaertrfmat Iff - 2000 &énlwerfi4m C%/. 232 18 3-/ - dAix 22ff 44 38 Volkshuis "Hulp ii Zelve" Antwerpen


Oud Huis Deltombe Maurits Opvolger

CROMBEZ ROLAND

IMPERPLEX LEUBLQQSIc

aannemer van dak-, zink- en torenwerken

-MndëTsÜiconcn

De ideale anti-grafitibescherming voor blauwe steen (petit granit)

Jules Van Praetstraat 20 8000 Brugge Tel. (050)34 30 90 - Fax (050)34 54 33

Kunstatelier

Inlichtingen : Mechelsestraat 125, 3000 Leuven Tel. 016/23.98.25

België's enigste, oudste en wereldbefaamde goudslager

Gerard Thienpont

bvba

Konservatie e n Restauratie v a n Kunstwerken Hout - Steen - Stucwerk • Schilderijen B e e l d h o u w w e r k e n • hout e n steen Decoratieve schilderwerken P o l y c r o m e e r w e r k e n • Bladgoud Kerkmeubilair Onderzoek en behandeling Rozenstraat 6 - 9 8 1 0 NAZARETH (Eke)

Tel. (09) 385 54 32 - Fax (09) 385 45 52

AL. BUGGENHOUT BVBA

4000

BLADGOUD en accessoires voor het vergulden (mixtion, rode bolus, messen, borstels...) ARTIST OIL COLOURS SCHEVENINGEN Olieverven en pigmenten speciaal voor kunstschilders en restauraties Uitsluitend Groothandel. Voor informatie voor het adres van uw dichtstbijgelegen verkooppunt:

VAN ARTEVELDESTRAAT139 - 1000 BRUSSEL Tel. 02/512 71 19 - Fax 02/502 14 55

Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde! Mwnmest is naast luchtpoUutie ééa van de bdangrijkste oorzaken van beschadigingen aan gebouwen en laonumeflten. Agressieve chemische verbindingen in de uitwerpselen dringen diep door in de bouwmaterialen en tasten deze onomkeerbaar aan. Dit geeft aanleiding totregelmatigeschoonraaakbetirten en dure restauraties. Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast tiet katomipatrunonium ook onze gewondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals otaShose, sakioneüa, ea....

RESTAURATIE & MONUMENTENZORG Oostveldkouter 26 • 9920 Lovendegem

Meubilair (wel en niet gepolychromeerd) Sculptuur (steen en hout) • Leder Bodemvondsten (hout en leder) Schilderijen (paneel en doek)

ONDERZOEK & BEHANDELING Lauwers M.

09/372 63 03

Van Der Biest L

03/771 44 66

Vandenborre H.

09/372 63 03

FAX

09/372 63 03

Nu is er echter Birdex®, een diervriendelijk afschrikkingsmiddel dat de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Wilt u er meer over weten ? Neem dan vrijblijvend kontakl met ons op.

Solar

Kleine Breedstraat 33. B-91(X) St.-Niklaas (03)776 91 62

MRïïfr


ff

Bouwchemie B.V.

Uw partner voor totale bouwbescherming

REEDS MEER DAN 45 JAAR PRODUCENT VAN BOUWCHEMISCHE PRODUKTEN, MILIEUVRIENDELIJK EN OPLOSMIDDELVRIJ

* Onze produkten vinden hun toepassing bij: restauratie, monumentenzorg, renovatie, onderhoud, nieuwbouw, ...

• Wij leveren speciale produkten voor het oplossen van bouwproblemen, zoals: • FUNCOSIL STEENVERSTEVIGERS EN CONSERVERINGSMIDDELEN • FUNCOSIL WATERAFSTOTENDE GEVELIMPREGNEERMIDDELEN • FUNCOSIL NATUURSTEENREPARATIEMORTELS • FUNCOSIL SILICONEN REPRODUKTIEMASSA'S • ALKUTEX NATUURSTEENREINIGINGSPRODUKTEN • FUNCOSIL SILICONENEMULSIE EN SILICAATVERVEN • AIDA KIESOL OPTREKKEND VOCHTBESTRIJDING • AIDOL EPOXY-BALKKOPVERNIEUWINGEN • AIDOL HOUTREPARATIEMASSA'S EN VERSTEVIGINGSIMPREGNERINGEN • AIDA SPECIALE ZOUTBESTENDIGE MORTELS

Documentatie of gratis advies op aanvraag! Brugsesteenweg 11 - 8520 Kuurne/Kortrijk tel. (056) 35 90 30 - fax (056) 35 94 55

R E S T A U R A T I E A T E L I E R

CASTOR RESTAURATIE EN CONSERVATIE VAN SCHILDERIJEN • Onderzoek van drager, preparatie en picturale laag • Verwijderen van oppervlaktevuil • Oplossen van oude vemislagen en hervemissen • Impregneren van broze doeken • Fixeren van losliggende schilfers • Bedoeken van zwaar beschadigde werken • Incrusteren van lacunes • Nivelleren van oneffenheden • Retoucheren • Bijwerken van nagedonkerde retouches • Vervangen van oude spieramen

Restauratie van 18de-eeuws genretafereel in Hof Lanchals - Brugge

BEELDEN • Fixeren van losliggende delen • Impregnatie van de polychromie • Bijwerken van beschadigingen en barsten • Houtwormdodende behandeling • Vrijmaken van de originele polychromie • Aanbrengen van retouches • • • • • •

PRENTEN Reinigen Ontzuren Desinfekteren Maroufleren Bleken Behandelen van waterschade

Kammerstraat 47 - 9000 Gent - S (09)233 34 20 (09)233 64 21


o o • • • • • •

^

^

Bouw- en alle dakwerken Renovatie en restauratie Onderhoud en herstellingen Dakterassen Roofingwerken Lood, zink en koper

^-

It

&&m?™-

i

m N

,'

K. Steverlyncklaan 11 - 8900 leper Tel. 057/ 20.12.93 - Fax 057/20.59.71


NIEUW IN DE REEKS

JU

Middeleeuwse muurschilderingen IN VLAANDEREN Technische gegevens Formaat: 21 x 29,7 cm Aantal pagina's: 208 Kleurillustraties: 350 Papier: Kunstdruk Galerie Art Silk 135 g/rrr Afwerking: garengenaaid gebrocheerd Prijs: 1.200,-tr. Auteurs: Anna Bergmans en Marjan Buyle Foto's: Oswald Pauvvels Concept en vormgeving: Luc Tack ISBN 90-403-0032-1

m.

NA HET EERSTE M&L-CAHIER OVER GLAS IN LOOD, ZETTEN WE DE ONTDEKKINGSTOCHT VERDER NAAR MINDER BEKENDE ASPECTEN VAN ONS KUNSTBEZIT. DITMAAL RICHTEN WE ONZE AANDACHT

Samen met de gebeeldhouwde retabels. de sculpturen en schilderijen, en in de rijkere kerken de wandtapijten en de gebrandschilderde ramen waren dit de kunstwerken die in de middeleeuwen voor iedereen waren. Deze oude kunstvorm. die U meeneemt naar het fascinerende Vlaanderen van de 14de, 15de en 16de eeuw, stellen we U voor in het tweede M&L-cahier: Middeleeuwse muurschilderingen in Vlaanderen.

Besteladres Bestuur Monumenten en Landschappen

Pers & Voorlichting Zandstraat 3 1000 Brussel Tel. (02) 209 27 37 Fax (02) 209 27 05

OP WAT IN DE MIDDELEEUWEN

Rekeningnummer:

OP MUREN EN GEWELVEN

470-0278201-29

GESCHILDERD WERD.


gebouwen. N.V. Destecker werkt nauw samen met de verffabrikant Caparol, die telkens weer goede adviezen verleent. Dit is zeer belangrijk in de wereld van de restauratie. Er wordt dan ook meestal uitsluitend met minerale verven gewerkt.

destecker SCHILDERWERKEN

•

De realisatie van Huize De Halleux hebben wij dan ook aanzien als ons visitekaartje. Er waren enorm veel herstellingen uit te voeren. Dit heeft het achteraf gezien, heel boeiend en mooi gemaakt. Wij bedanken dan ook de Bouwheer VZW Volkswelzijn o.l.v. S. De Groote en groep Planning o.l.v. Werner De Simpelaere, Philip Cardinael en Benoit Delaey. Dankzij de goede samenwerking zijn we tot dit prachtig resultaat gekomen.

N V

De N.V. Schilderwerken Destecker is opgericht in januari 1989 in opvolging van net schildersbedrijf Willy Destecker, dat sedert 1957 actief was. Willy Destecker die nog steeds de grote steunpilaar is, werkt samen met zijn zoon Dominiek en dochter Patricia. De firma is zowel actief in de binnendecoratie als in de geveldecoratie, pleisterrenovatie en gevelisolatie. De klanten vindt men zowel in de privé sector als onder openbare besturen. Men voert zowel grote restauratieprojekten uit als werken aan moderne kantoor-

D. Destecker Gemene Weideweg-Zuid 20 8310 Brugge 4 tel. 050/35.53.02-35.36.94 fax 050/36.26.15

5 maal wandelen en fietsen langs monumenten

"LANGS VLAAMSE WEGEN" R o e s e l a r e - 23 a p r i l 1995 K e e r b e r g e n - 14 m e i 1995 *

S i n t - N i k l a a s - 18 j u n i 1995 B o r n e m - 24 s e p t e m b e r 1995 *

B e r i n g e n - 15 o k t o b e r 1995 Start natuurwandeling : tussen 9 u en 10 u Start monumentenwandeling en -fietstocht: tussen 14 en 15 u. Begeleidende brochures met route-aanduiding en inhoudelijke info worden gratis verspreid. Op zondag 4 juni speurt "Langs Vlaamse Wegen" naar de Vlaamse aanwezigheid in Haarlem. Deze stad viert ook haar 750-jarig bestaan en is het hele jaar door in feeststemming.

Voor alle inlichtingen en infofolder (02)512 40 97 of (03)220 32 22 Langs Vlaamse Wegen is een initiatief van Stichting Monumenten- en Landschapszorg en VTB-VAB, i.s.m. de betrokken gemeentebesturen, en met de steun van Kredietbank en KNACK.


Het huis De Halleux in Brugge (foto O. Pauwels)

N.V. VANDEKERCKHOVE Herstelling monumenten en openbare werken OOSTROZEBEKESTRAAT 54 8770 INGELMUNSTER Tel. (051) 30 22 41 Fax (051)30 22 37

GROUP Ti

f

MONllENT


12

M&L

DE CONSERVATIE VAN DE CODEX EYCKENSIS JAN WOUTERS

Canontafel van de Codex Eyckensis A, na herstelling (foto 0. Bollaert en K. Moortgat • Koning Boudewijnstichting)

De Codex Eyckensis is het enige verluchte handschrift van de insulaire groep in België. De naam is afgeleid van Aldeneik, waar de codex in een klooster werd bewaard tot hij, samen met het kapitel, in 1571 naar de SintCatharinakerk te Maaseik verhuisde. Het manuscript dat tot vóór de huidige ingreep Codex Eyckensis werd genoemd, bestaat eigenlijk uit twee fragmenten, waarvan men niet weet waarom, waar en wanneer ze werden samengevoegd.

Foor het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium begon de geschiedenis van het onderzoek en de conservatie van de Codex Eyckensis op 28 januari 1986. Op die dag werd in een brief van het Bestuur Monumenten en Landschappen, melding gemaakt van de deplorabele toestand waarin de evangeliaria van Maaseik zich bevonden en werd de tussenkomst van het Instituut gevraagd. De vraagstelling behelsde zowel de evaluatie van een op dat ogenblik bestaand maar uiterst dubieus conservatieproject, als de opstelling van een verantwoorde nieuwe behandelingsmethode en de begeleiding van de toekomstige conservatie. In het kader van het nieuwe conservatieproject werd een waaier aan activiteiten ontplooid op zeer uiteenlopende gebieden zoals financiering, textuele en codicologische studie (I),


M&L

• De Codex Eyckensis na de ingreep van 1957. waarbij de perkamenten vellen werden ingebed in een synthetische polyvinylchlorldefolie (foto, Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium)

•• Verwijdering van de polyvlnylchloridefolie van het perkament door het plaatselijk aanbrengen van kleine hoeveelheden zwelmiddel (foto, Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium)

13

microbiologisch onderzoek, onderzoek naar materialen en methoden, de uiteindelijke conservatie, discussies over esthetische problemen (2), het aanleggen van een uitgebreide fotografische documentatie en het ontwerp van een nieuwe presentatiewijze. Het was van in het begin duidelijk dat dit conservatieproject het werk van velen moest worden. Inderdaad, de complexiteit van het uit te voeren wetenschappelijk onderzoek en de opportuniteit van een nauwe interactie tussen onderzoekers en restaurateurs, maakten de mening van velen en een regelmatig confrontatie van deze meningen noodzakelijk. Er werd een begeleidingscommissie opgericht, die over een periode van 4,5 jaar zeventien maal vergaderde. Daarbuiten waren er nog een vijftal bijeenkomsten in beperkte groep om technische kwesties uit te praten en om onderzoeksresultaten snel te beoordelen. Naast deze reguliere begeleidingscommissie moest er ook occasioneel beroep gedaan worden op anderen, voor overleg of voor de uitvoering van specifieke taken (2).

WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK EN CONSERVATIE Het natuurwetenschappelijk onderzoek werd uitgevoerd op het laboratorium van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium. Het behelsde een grondige chemische analyse van het perkament en van de in 1957 aangebrachte materialen, en een studie van materialen en methoden die bij voorkeur bij een nieuwe conservatiebehandeling zouden moeten aangewend worden. Tijdens de restauratie, uitgevoerd in 1957, werd op de perkamenten vellen van de Codex Eyckensis een transparante synthetische folie aangebracht, die niet alleen het uitzicht van het object schaadde, maar die ook een bedrei-

ging vormde voor de verdere conservering van dit object. De folie werd op het laboratorium geïdentificeerd als een polyvinylchloride (PVC), uitwendig weekgemaakt met 30 % bis-2-ethylhexylftalaat. Deze samenstelling kan op termijn leiden tot verzuring, verharding en verhoogde transparantheid van het perkament. Daarom werd besloten tot verwijdering van de folie. Deze verwijdering verliep soms zeer moeizaam, vooral op de verluchtingen, omdat de folie onder toepassing van warmte en druk in het poreuze perkament ingesmolten zat (3). Voor de uitvoering van een nieuwe conserveringsbehandeling werd onderzoek verricht naar produkten en technieken, die een zo klein mogelijke ingreep op het oude perkament impliceerden en die geen nadelige reacties vertoonden als ze onderworpen werden aan kunstmatig versnelde veroudering. Zo werd de aantasting door schimmels en bacteriën nagegaan zonder ook maar het kleinste deel van het oorspronkelijk perkament weg te nemen. Het bleek dat een activeerbare vorm van contaminatie door micro-organismen vrijwel onbestaande was. Gezien de gevaren die elke desinfecteringsmethode met zich brengt voor een proteïnehoudend materiaal, zoals ook perkament er één is, werd besloten om geen actieve desinfectering toe te passen. Het nieuw geconserveerde handschrift zal echter moeten bewaard worden onder streng gecontroleerde omstandigheden qua temperatuur en relatieve vochtigheid, om elke toekomstige aantasting door microben te vermijden. Verder werd een breed vergelijkend onderzoek gewijd aan lijmen - natuurlijke en synthetische, commerciële en zélf bereide - die voor de consolidatie van het soms fragiele perkament zouden moeten gebruikt worden. Deze lijmen werden onderzocht op hun kleefkracht, op de wijze waarop zij de water-


14

M&L

C O D E X EYCKENSIS Christine Vanthillo

De Codex Eyckensis of het Evangelieboek van Maaseik, nu in

lende evangeliën kan opzoeken. Deze tabellen, die sinds Eusebius

het bezit van de Sint-Catharinakerk van Maaseik, is afkomstig

van Caesarea (circa 300) in alle vroege evangelieboeken voor-

van Aldeneik. 3 km ten noordoosten van de Maasstad. Op deze

kwamen, werden meestal in een zuilenarcade geplaatst. In dit

plaats stichtten in de eerste helft van de 8ste eeuw Adelhard en

handschrift worden de cijferkolommen gescheiden door vijf kleu-

zijn vrouw Grinuara, die tot de landadel van de Pippiniden

rig beschilderde zuilen, overspannen door drie niveaus van

behoorden, een abdij om er hun godsvruchtige dochters Hariindis

bogen. De bovenste boog is onderbroken door een apostelmedail-

en Relindis een waardig onderkomen te geven. In de vita of

lon; de onderste hoogvelden zijn opgevuld met menselijke en

levensbeschrijving van de beide nonnen, daterend uit de 9de

dierlijke figuren.

eeuw. wordt gezegd dat zij zelfde Codex hebben geschreven.

De reeks canontafels is onvolledig en bij slechts twee van de vier

Het is echter weinig waarschijnlijk dat het handschrift in Limburg

tafels zijn de Romeinse cijfers van de evangeliepassages inge-

is ontstaan. Specialisten vermoeden eerder een insulaire oor-

vuld.

sprong, verwijzend naar de Britse eilanden. Een andere mogelijkheid is dat het handschrift op het continent werd vervaardigd

Codex IB omvat een volledige reeks canontafels en een bijna

- wellicht in de abdij van Echtemach - door Engelse of Ierse

volledige Latijnse versie van de vier evangeliën, geschreven in

monniken in hun eigen insulaire stijl. Het is bekend dat Angel-

een insulair semi-unciaal. een zeer kalligrafisch, rond schrift.

saksische monniken zeer bedreven waren in het copiëren en

Deze canontafels zijn eenvoudiger versierd: slechts drie zuilen,

verluchten van handschriften en van de 7de tot de 9de eeuw in

waartussen cijferkolommen, worden overspannen door twee

Europa rondreisden om er in kloosters te werken als copiïsten.

niveaus van bogen. Het vlechtwerk en de geometrische motieven

De Codex Eyckensis bevatte vóór de ingreep twee verschillende

op de zuilen, kapitelen en bogen sluiten aan bij de insulaire

handschriften, samengevoegd in één boek. Bij de huidige restau-

traditie. De medaillons met de apostelfiguren en evangelisten-

ratie werden zij gescheiden en afzonderlijk ingebonden als Codex

symbolen in de bovenste boog, tonen aan dat hier een begaafd

IA en Codex IB.

miniaturist aan het werk is geweest.

Codex IA bestaat uit 5 verluchte bladen, die de aanzet van een

De Codex Eyckensis, meer dan duizend jaar geleden gebruikt als

handschrift vormden, dat wellicht nooit werd voltooid. Er is geen

evangelieboek tijdens de liturgie in een vroom vrouwenklooster

tekst. Het handschrift bestaat enkel uit een bladvullende minia-

in Aldeneik, is nu een kostbaar museumobject geworden.

tuur met de prachtige voorstelling van een schrijvende evangelist, geïnspireerd door laat-antieke voorbeelden, een hoogtepunt in de vroeg-middeleeuwse miniatuurkunst. De figuur is omkaderd door een architectonische opbouw van zuilen en een rondboog, omlijst met een boord van vlechtwerk.

Bronnen: DEROLEZ A., in Codex Eyckensis. An insular gospel

De overige vier bladen omvatten canontafels: dit zijn overzicht-

book from the abbey of Aldeneik, Maaseik, 1994, p. 45-48: Codex

stabellen, waarmee men parallelle tekstpassages in de verschil-

Eykensis (8ste eeuw). Koning Boudewijnstichting, 1993.

damppermeabiliteit van het oorspronkelijk perkament beïnvloedden en op hun reversibiliteit (4). In de loop van het conserveringsproject werd dikwijls van gedachten gewisseld over de nieuwe presentatiewijze van de codex: opnieuw ingebonden of niet. Uiteindelijk leidde dit tot een voorstel waarbij herinbinden in een losse band werd geprefereerd, op voorwaarde dat een oplossing kon gevonden worden voor de herstelling van losse bladen, die oorspronkelijk van hetzelfde bifolium deel uitmaakten

en die dikwijls erg beschadigd waren, vooral in die zones waarop bij herbinden de meeste spanning zou uitgeoefend worden. Wegens de zeer zwakke toestand van de meeste bladranken kon de klassieke methode, waarbij nieuw perkament in het oude wordt ingezet via verlijming met de beschadigde oude perkamentranden, niet gebruikt worden; elke mechanische ingreep zou immers onherstelbaar - en dus onaanvaardbaar - verlies van oorspronkelijk perkament veroorzaakt hebben.


M&L

15

4

"•MVaMttf

"-x

• Illustratie van de beschadigde bladranden en de ontbrekende rugplooi van folio 5v (foto, Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium)

Detailopname van een herstelling met perkamentpulp in de nabijheid van tekst en illustraties. De overlapping met oud perkament gebeurde in dit geval met transparante pulp (foto, Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium)

mSmïmStU

Om die reden werd gewerkt aan de ontwikkeling van een methode om in water gesuspendeerde collageenvezels, afkomstig van dierlijke huid en in samenstelling gelijk aan perkament, in de op te vullen lacunes aan te brengen; min of meer in analogie met het aanvezelen van papier, behalve dat bij de werkwijze voor perkament onderdompeling in water volkomen uitgesloten moest worden. Teneinde de eventuele toepassing van deze nieuwe techniek te kunnen overwegen, moesten tal van problemen opgelost worden. De belangrijkste waren: de reproduceerbaarheid van de bereiding van de huidpulpsuspensie; het streven naar een samenstelling die zo dicht mogelijk die van echt perkament moest benaderen; beperking van de transparantheid van de aangebrachte en gedroogde suspensie; de combinatie van een relatief hoge mechanische sterkte van het gereconstitueerd perkament (zodat onder andere het terug samennaaien van bifolia in katernen mogelijk werd) met een eerder zwakke aanhechting aan het oude perkament (opdat bij de minste mechanische spanning de verbinding tussen oud en nieuw

materiaal zou breken); het ontwerpen van een wijze van aanbrengen die elke bevochtiging van of spanning op het oorspronkelijk perkament zo veel mogelijk moest beperken; en tenslotte moest het eindresultaat uiteraard ook esthetisch verantwoord zijn. Uiteindelijk werd een bereidingswijze ontworpen waarbij huidpoeder, afkomstig van onthaarde, gedroogde en fijn gemalen kalfshuiden, wordt gesuspendeerd in water en partieel wordt voorgelooid met formaldehyde. De opaciteit van het gereconstitueerd perkamentpreparaat wordt verhoogd door toevoeging van de vulstof calciumcarbonaat. Door steeds dezelfde ingrediënten nauwkeurig af te meten en op dezelfde wijze met mekaar te laten reageren werd niet alleen een hoge graad van reproduceerbaarheid bekomen, maar was het ook mogelijk om door gecontroleerde wijziging van één of meerdere parameters de transparantheid van het gereconstitueerd perkament bij te sturen. Ook dit aspect was van belang aangezien kleine overlappingen van oud perkament door nieuw aangebrachte huidpulpsuspensie nodig zijn voor de hechting, maar storend werken op


16

M&L

Volblad miniatuur van de Codex Eyckensis A evangelist en portret (foto 0. Bollaert en K. Moortgat • Koning Boudewijnstichting)


M&L

17

Canontafel van de Codex Eyckensis A na herstelling met perkamentpulp (foto 0. Bollaert en K, Moortgat - Koning Boudewijnstichting)


18

De herbonden Codex Eyckensis Ib, rustend op de speciaal ontworpen steun (foto. Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium)

M&L

De naaibasis van het boekblok (foto, Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium)

tekst of illustratie, indien niet voldoende transparant (5). Om het herbinden mogelijk te maken moesten de nieuw gevormde rugdelen versterkt worden tegen inscheuren van het naaigaren. Hiervoor werd eveneens een natuurlijk materiaal gebruikt, afkomstig van de blindedarm van runderen, beter bekend onder de naam goudslagersvlies. Om elke ongewenste toevoeging van vreemde materialen in commerciële preparaten te vermijden, werd verkozen om ook dit materiaal zelf te bereiden. Voor de borden van de band werd eikehout verkozen, omwille van de mechanische bescherming die het aan het blok kan bieden en om historische redenen. Vermits eikehout echter corrosief kan inwerken op contactmakende materialen, door de vrijstelling van schadelijke organische zuren, werd een specimen geselecteerd waarvoor een zure corrosietest negatief uitviel. Voor de eigenlijke binding werd een band gekozen die het geheel de nodige steun en bescherming kon geven en die ook mogelijk moest maken dat het boek makkelijk zou openvallen, zonder de bladen al te veel te belasten. De gekozen werkwijze was geïnspireerd op de Karolingische band. Het boekblok werd vrij los genaaid op drie naaibasissen met vlastouw. De naaiïng is doorlopend, met inrijging van de naaibasis in de borden. De binding in twee afzonderlijke banden werd uitgevoerd in overeenkomst met de in het kader van dit project uitgevoerde codicologische en tekstuele studie (1).

De naallng van het omslag van de borden uit ollegeloold herteleer (foto, Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium)

Voor de bekleding van de borden werd de voorkeur gegeven aan een oliegelooid herteleer met afgeschoren nerflaag, opnieuw een afgewogen tegemoetkoming aan historische overwegingen. De praktische implicaties voor deze keuze waren echter niet gering: na lang zoeken werd gezouten hertehuid aan-

•

gekocht in Duitsland, getransporteerd naar Engeland en daar experimenteel oliegelooid in de looierijschool van Northampton. Ook hier werd er nauwlettend op toegezien dat het speciaal voor deze toepassing gelooide leder geen ingrediënten bevatte, die om conservatorische redenen niet aanvaardbaar waren.

HUIDIGE BEWARING Op dit ogenblik bevindt de Codex Eyckenis zich opnieuw in de crypte van de Sint-Catharinakerk te Maaseik. Voor de tentoonstelling werden een speciale vitrinekast en steun ontworpen, die niet alleen tegemoet komen aan de dimensies van de herbonden codexvolumes, maar ook aan de strenge normen die voor de bewaring van zulke objecten moeten in acht genomen worden. De relatieve vochtigheid werd ingesteld op 55 % en werd, samen met de temperatuur, gecontroleerd over een periode van zes maanden.


19

M&L

Canontafel van de Codex Eyckensis B, na herstelling met perkamentpulp (foto 0. Bollaert en K. Moortgat - Koning Boudewijnstichting)

Il

£

-jq

vu:

^•um f

.VA'Ï:

1

< j

i

i "

•

i '">

Hl

A

\ti

:U

it

uit

CIA' C t,V

Hieruit is gebleken dat de bewaaromstandigheden voldoen aan de vooropgestelde normen, zelfs als de vochtigheid in de crypte zelf oploopt tot 90 %. Belangrijke overschrijdingen van de klimaatparameters en andere gebeurtenissen zoals wateroverlast en kortsluiting, worden onmiddellijk gemeld aan een permanente alarmcentrale, die de melding aan de plaatselijke verantwoordelijke doorgeeft, op elk uur van de dag of de nacht. Voor de verdere controle van de Codex en van zijn bewaaromstandigheden werd een nieuwe begeleidingscommissie gevormd, die elk jaar een controlebezoek zal uitoefenen en haar bevindingen aan de plaatselijke verantwoordelijken en aan de vertegenwoordiger van de minister van cultuur zal melden.

EPILOOG Na dit overzicht van onderzoeken en andere activiteiten, is het wellicht ook gepast om er zich rekenschap van te geven dat een project als dit niet vrij kan zijn van compromissen; een dergelijk compromis kan natuurlijk slechts een gedeeltelijke tegemoetkoming zijn aan elk van de stellingen waaruit het is ontstaan. Dit betekent dat meerdere opties voor kritiek vatbaar kunnen zijn, afhankelijk van de hoek van waaruit een specifiek probleem wordt bekeken. Het meest markante voorbeeld in dit verband, en wellicht ook het meest bediscussieerde, is de beslissing tot herbinden. Vanuit puur conservatorisch oogpunt ware wellicht een bewaring van de


M&L

Samenstelling van de begeleidingscommissie voor de studie en conservatie van de Codex Eyckensis C. Ceulemans

eerstaanwezend assistent, K.I.K

Dr. C. Coppens

conservator handschriften en kostbare werken, Katholieke Universiteit Leuven

Prof. Dr. A. Derolez

gewoon hoogleraar, V.U.B

Dr. E. De Witte

departementshoofd laboratorium

H. Heymans

conservator. Stad Maaseik

K.I.K. J. Raedschelders

voorzitter Kerkfabriek Maaseik

H. Stynen

projectverantwoordelijke Koning

het verlies van het visuele aspect van het object "codex". Uiteindelijk werd de optie tot herbinden vooropgesteld mits de ontwikkeling van een veilige methode voor de herstelling van erg gedegradeerd perkament. Dit onderzoek alleen al heeft driejaar in beslag genomen, maar deze lange periode van onzekerheid heeft er wellicht toe bijgedragen dat belangrijke opties voortdurend in vraag werden gesteld en dat beslissingen konden genomen worden na rustig werk en grondig overleg. Het mag gehoopt worden dat al het uitgevoerde werk heeft geleid tot een conservering die qua intensiteit van de ingrepen en hun reversibiliteit volkomen aanvaardbaar is en dat zij een vorm van presentatie heeft opgeleverd, die het object ook genietbaar maakt en houdt voor het grote publiek.

Boudewijnstichting A. De Breuck

Projectverantwoordelijke Koning Boudewijnstichting

Dr. L. Masschelein

directeur K.I.K.

A. Peckstadt

restauratrice. Duodecimo

C. Vanthillo

inspecteur, Bestuur Monumenten en Landschappen

L. Watteeuw

restauratrice. Duodecimo

Dr. J. Wouters

werkleider, K.I.K.

Personen en diensten die occasioneel hun medewerking verlenen Prof. Dr. G. Bannik, Staatliche Akademie der bildenden Künste, Stuttgart, Duitsland C. Calnan, Leather Conservation, Northampton, Engeland Prof. Dr. L. Hennebert. Laboratoire de Mycologie Systéma-

LITERATUUR DEROLEZ A.. The manuscript mul its history, in Codex Eyckensis, an insular gospel hook from the ahbes ofAUleneik. 1994. Maaseik, p. 17-37. COPPENS C . Conserving the Codex Eyckenis: physical actions, ethical implications, in Codex Eyckensis. an insular gospel book from the abbey ofAldeneik. 1994. Maaseik, p. 39-48. WOUTERS IL GANCEDO G. PECKSTADT A. en WATTEEUW L., The Codex Eyckenis. an illuminated manuscript on parchment from the Sth century AD. Laboratory investigation and removal of a 30 rear old PVC lamination. ICOM Committee for Conservation. Dresden. 1990. p. 495-499. WOUTERS J.. GANCEDO G. PECKSTADT A. en WATTEEUW L.. The conservation of the Codex Eyckensis: the evolution of the project and the assessement of materials and adheslves for the repair of parchment, in The Paper Conservator. 16. 1992, p. 67-77. WOUTERS J.. GANCEDO G. PECKSTADT A. en WATTEEUW L., Development of a new method for the repair offragile parchment by leafcasting with dermal tissue preparations. Application of the method to the conservation of the Codex Eyckensis. in The Paper Conservator. 19, 1995. aanvaard voor publikatie.

tique et Appliquée, Université Catholique de Louvain Prof. Dr. K. Kersters en Dr. D. Janssens, Laboratorium voor Microbiologie. Universiteit Gent W. Smit, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, Nederland Prof. Dr. J. Szirmai, onafhankelijk boekbanddeskundige, Oosterbeek, Nederland Prof. O. Wachter, (Esterreichische Nationalbibliothek, Wenen, Oostenrijk

vellen in zuurvrij papieren mappen in een goed geconditioneerd en bewaakt archief te verkiezen geweest. Daartegenover stonden echter overwegingen zoals gevaren voor verlies of beschadiging bij behandeling van afzonderlijke elementen, ontoegankelijkheid van het object voor het grote publiek en

Jan Wouters is werkleider bij het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium.


M&L

21

HET HUIS DE HALLEUX JAN ESTHER en BENOIT DELAEY

Het groot salon na restauratie 1995 (foto 0. Pauwels)

f en monument is geen statisch gegeven,

staat is opgestapelde

maar het produkt van een

kenissen uit het verleden over te dragen

dynamisch

lagen van bete-

gebeuren, door de eeuwen heen.

naar steeds nieuwe gebruikers en dus

En daarin ligt overigens juist de onver-

ook In staat is in de toekomst, zoals in

minderde kracht van het monument,

het verleden, telkens nieuwe betekenis-

vandaag nog en ongetwijfeld - als we

lagen op te nemen.

er tenminste enige zorg aan besteden -

Verpoest L, Monumenten: om na te

ook in de toekomst: het houdt ook van-

denken, in Monumenten

daag en morgen nog de

Toerisme herdenken (brochure Koning

mogelijkheid

herdenken-

In nieuwe betekenissen op te nemen,

Boudewijnstichting, 1995). Een citaat

die er vanuit de hedendaagse

of toe-

dat bijzonder goed de bedachtzame

omgeving

en creatieve herbestemming van het

komstige maatschappelijke aan toegevoegd

kunnen worden.

historische huis de Haileux en het aan-

Slechts op die manier Is een monument

palende pand Devadder aan de Oude

werkelijk een monument: als het in

Burg te Brugge omschrijft.


M&L

HET HUIS DE HALLEUX Bij het overlijden in 1991 van Mevrouw Paul de Halleux, geboren Marie-Louise Morel de Westgaver, leek de toekomst van het herenhuis precair. Generaties lang was het de woonstede van adellijke families, die er een rijke wooncultuur onderhielden. Eerbied voor het verleden en het patrimonium hadden ervoor gezorgd dat het huis een bijzondere sfeer uitstraalde. In onze tijd is het geen evidentie dat dergelijke grote woonhuizen nog door één familie worden bewoond. Toenemende kosten voor onderhoud, verwarming en huispersoneel liggen aan de basis van onafwendbare bestemmingswijzigingen. Dit was ook hier het geval. Geen van de erfgenamen wenste het huis te bewonen en het goed werd te koop gesteld. Een passende herbestemming lag niet voor de hand, zeker in een periode dat in Brugge de vastgoedprijzen de pan uitrijzen en de toeristische industrie een forse expansie kent. Vastgoedmakelaars en architecten informeerden bij de Stedelijke Dienst voor Monumentenzorg naar de mogelijkheden om het huis om te bouwen tot hotel met bijhorend restaurant. Het opdelen van de grote bovenkamers en de ruime zolders, de nood aan uitgebreide nutsvoorzieningen en de vraag naar parkeerfaciliteiten deden hen die begaan zijn met het unieke erfgoed toch even huiveren. De vraag werd zelfs geopperd om het geheel te slopen - met uitzondering van de statige straatgevel en het tuinpaviljoen en te vervangen door een woon- of hotelcomplex, wat de vernietiging van dit patrimonium zou hebben betekend. Een prospectie door de Dienst voor Monumentenzorg met een beschrijvende evaluatie van exterieur en interieurs leidde tot het opleggen van een aantal beperkingen in functie van een waardige herbestemming en restauratie (1). Het tuinpaviljoen was reeds beschermd als monument bij Koninklijk Besluit van 21 maart 1951. Bij Ministerieel Besluit van 16 december 1991 werden de overige gebouwen van het huis de Halleux op de monumentenlijst geplaatst. In de nazomer 1991 werd het huis door de erfgenamen de Halleux ontruimd. Het tuinpaviljoen werd voor het publiek opengesteld op de Open Monumentendag op 15 september 1991. Het huis werd, samen met het pand Oude Burg 23, in november 1991 aangekocht door de vzw. Volkswelzijn van de Christelijke Mutualiteiten, die het restaureerde met het oog op de uitbreiding van haar

dienstverleningsfaciliteiten. In aansluiting hiermee werd het pand Oude Burg 25 aangekocht en samen met nummer 23 verbouwd. In die gebouwen werden diverse functies ondergebracht die moeilijk in het huis de Halleux te integreren waren, waaronder de thuiszorgwinkel en de daarvoor noodzakelijke stapelruimten. De opmaak van plannen en restauratiedossiers werd door de vzw Volkswelzijn, onder leiding van voorzitter Gilbert Van Damme en secretaris-schatbewaarder Sylvain De Groote, toevertrouwd aan Groep Planning (2). Het tuinontwerp werd opgemaakt door landschapsarchitect Paul Deroose uit Jabbeke. Namens de v.z.w. Volkswelzijn verliep de coördinatie van de werken onder leiding van de heer Sylvain De Groote. De omvangrijke en intensieve restauratiewerkzaamheden, opgedeeld in meerdere fasen, duurden van juni 1992 tot januari 1995. Voor een deel van de herstellingswerken werd een restauratiepremie toegekend. Het oogstrelende resultaat mag de monumentenzorgers verheugen. De behoedzame restauratie, waarbij grote aandacht werd besteed aan de waardevolle interieurs, kreeg een eigentijdse dimensie door de creatieve uitstraling van de aanpalende nieuwbouw. Een monumentale stadswoning is voor de toekomst gevrijwaard.

De vroegere eigenaars en bewoners Het herenhuis wordt sinds de recente renovatie en herbestemming het Hof Lanchals genoemd, verwijzend naar Pieter Lanchals (ca 1430/40 -1488), raadsheer en vertrouwensman van Karel de Stoute en Maximiliaan van Oostenrijk (3). Deze naamgeving stoelt op een veronderstelling dat Lanchals dit huis bezat en bewoonde. Enkele historici opperden deze veronderstelling, steunend op archivalische bronnen (4). Recent bouwhistorisch onderzoek deed hieromtrent twijfels rijzen. De woonstede van deze Brugse parvenu, door de Bruggelingen ongeliefd door de kant te kiezen van keizer Maximiliaan van Oostenrijk ten nadele van de autonomie van de steden, bevond zich niet op deze plaats, maar wel in de onmiddellijke omgeving (5). Op het bouwperceel van straat tot reioever, begrensd door het Winterstraatje en het Raamstraatje, stonden aanvankelijk meerdere huizen die aan verscheidene eigenaars behoorden. Ze werden later samengevoegd en vormden wellicht vanaf de 15de eeuw één eigendom. Vermoedelijk was het huis met schermgevel, waarvan belangrijke delen nog steeds de oude kern vormen van het huidige herenhuis, in de 15de eeuw


M&L

De straatgevels, toestand eerste helft van de 18de eeuw, nagetekend door Charles Custis in zijn handschrift Mémoires pour servir a la description generale de la ville de Bruges,... (Gent, Rijksuniversiteit, Handschriftenkabinet, HS461,fol. 123).

Detail van de stadsplattegrond van Marcus Gerards (1562), met aanduiding van het laatmiddeleeuwse huis met schermgevel, gelegen tussen het Winter- en het Raamstraatje, die het diepe bouwperceel tot aan de Reie begrenzen

23

gebouwd door de familie de Bul, evenals Lanchals nauw verbonden met het Bourgondische hof (6). Het kwam, van de 15de tot in de 18de eeuw, in bezit van meerdere eigenaars (7). In 1746 verkreeg Charles-Franfois Custis (17041752) (8). gehuwd met Thérèse Angeline de Cridts (1708-1757), toelating van zijn schoonmoeder Catharina Wouters, weduwe van Ignace de Cridts, om het huis te verbouwen en "te maeken soo veel nieuwigheden, veranderingen ende embellissementen ende de melioratien als sij sullen gheraedigh vynden mits die doende thunnen coste" (9). Deze clausule laat vermoeden dat Charles Custis het initiatief nam om het huis uit te breiden en te verfraaien. De modernisering van de voorgevel en de bouw van de tuinvleugel kwamen wellicht op zijn initiatief tot stand. Het is bekend dat hij een uitgebreide bibliotheek en een rariteitenkabinet bezat, die mogelijk op de verdieping van de nieuwe tuinvleugel waren ondergebracht. In 1757 kwam het in het bezit van Jan-Joseph Veranneman, heer van Watervliet, die het in 1768 verkocht aan Jonkheer Charles-Albert de Schietere (1724-1801), heer van Caprijke, door zijn huwelijk verwant met de familie de Cridts (10). Hij was wellicht de bouwheer van het charmante tuinpaviljoen. De familie de Schietere-de Cridts bleef er wonen tot in het begin van de 19de eeuw. Douairière de Schietere stierfin 1813, haar inwonende zoon Charles, priester en stichter van de zondagsschool, in 1815. Het huis kwam nadien in het bezit van de familie van Borsele. Vanaf 1820 werd het huis bewoond door een vijftiental Zusters van Liefde, en van 1829 tot 1842 door zes Broeders van Liefde.

Ji BUS

mini |j Rond 1840 verkocht de familie van Borsele het huis aan Louis-Antoine Ryelandt (1787-1867) (11). Als gewezen directeur van het Sint-Juliaansgesticht kwam hij er rentenieren met zijn uit Sint-Niklaas afkomstige tweede vrouw Rosalie van Naemen (1803-1871), hun drie kinderen, Louisa, Venuntius en Louis, en vier dienstboden. Kort na aankoop liet hij de vleugel langs de straatzijde verbouwen met een statige classicistische lijstgevel en gaf hij aan de interieurs een aristocratische grandeur. Zijn dochter Louisa (1835-1916) huwde in 1858 met Emile-Godefroid (de) Halleux (1830-1913), afkomstig uit Luik (12). Zij hadden vier zonen: Louis, Emile, Alphonse en Jean, die het huis erfde en bewoonde. Het huis bleef in bezit van de familie de Halleux tot in 1991. Vermelden we nog dat tijdens de Eerste Wereldoorlog de reliek van het Heilig Bloed in dit huis werd verborgen.

Beschrijving en restauratie Op het panoramische plan van Marcus Gerards (1562) presenteert dit complex zich als een diephuis met schermgevel van drie bouwlagen en drie traveeën. De laat-middeleeuwse bakstenen schermgevel bestond nog in het midden van de 18de eeuw en werd nagetekend door Charles Custis, deze maal als een vier traveeën brede gevel. Later, in de 18de eeuw, werd de gevel aan de heersende architectuurmode aangepast, met een natuurstenen deuromlijsting en een driehoekig fronton als bekroning van de verlaagde schermgevel, een situatie die tot vóór de grondige verbouwing van 1842 gehandhaafd bleef. Links van de schermgevel bevond zich een lager dwarshuis met puntgevel, het Roosekin genaamd, en een smalle aanbouw boven het Winterstraatje, dat vanaf 1597 werd afgesloten met een poortje. De overbouwde toegang tot het Winterstraatje is nog steeds bewaard.


24

M&L

7^7^~

f

T

*'

i

/&M.4,yiét*fMt

De straatgevels, toestand vóór de verbouwing in 1842 (Brugge.Stadsarchief, Bouwaanvragen 1842, nr. 28)

De straatgevels vóór de restauratie, 1989 (Stad Brugge. Fotografische Dienst)

flLui~*"~*i'~l'

In de straatgevel van het huis aan de rechterzijde stak een poorttoegang, op de plaats waar zich nu de koetspoort en -doorrit bevindt. Het hoofdgebouw bestaat uit meerdere vleugels. De oudste bouwfase klimt op tot de 15de eeuw - het gedeelte dat overeenstemde met de hoge schermgevel. Belangrijke constructiedelen, van kelder tot nok, bleven bewaard. Exterieur De straatgevel In maart 1842 diende Louis Ryelandt van Naemen bij het stadsbestuur een bouwaanvraag in voor de verbouwing van de straatgevels. De tekeningen met weergave van de bestaande toestand en het ontwerp bleven bewaard (13). Het concept zou van de hand zijn van de Gentse architect Louis Minard (14). De gevels die samen tien traveeën telden werden omgebouwd tot een imposante gepleisterde lijstgevel van drie bouwlagen en zeven traveeën met een totale gevelbreedte van 22,60 m. Het centrale gedeelte wordt benadrukt door een licht uitspringend risaliet en door de rijker uitgewerkte kroonlijsten van de bovenvensters met driehoekig fronton op volutevormige consoles. De benedenbouw is versierd met imitatievoegen, de vensters zijn er van buitenluiken voorzien. Een zware doorlopende arduinen lijst scheidt beneden- en bovenbouw, een horizontale geleding die wordt herhaald bij de doorlopende dorpels van de bovenvensters. Óp de eerste verdieping hebben de vensters geprofileerde omlijstingen en afzonderlijke kroonlijsten. Alle borstweringen van de vensters op de hoge eerste verdieping - merkwaardig is dat deze verdieping even hoog is als de

gelijkvloerse verdieping - zijn doorbroken met nissen gevuld met balusters, in tegenstelling tot het ontwerp dat ijzeren hekwerk voorzag (15). De vierkante vensters op de tweede verdieping hebben rondom doorlopende geprofileerde omlijstingen. De horizontaliteit wordt op de tweede verdieping herhaald door lijstwerk en kent haar climax bij de sterk versierde kroonlijst volgens de Corinthische


M&L

25

orde, met een ritmische afwisseling van consoles en rozetten. De ramen met grote roedenverdeling, oorspronkelijk schuiframen, werden later verbouwd tot vleugelramen. De smalle overbouwde toegang tot het Winterstraatje bleef bij de verbouwing in 1842 grotendeels behouden en werd niet geïntegreerd in de hoofdvleugel. De traptop werd gesloopt en horizontaal afgewerkt, wat volgens het ontwerp niet was voorzien.

Ontwerptekening van de straatgevels, 1992, Oude Burg 21 en 23-25 (tekening Groep Planning)

De restauratie van deze classicistische lijstgevel kon zich beperken tot plaatselijk herstel van ramen en pleisterwerk. De houten kroonlijst bleek echter in slechte staat te verkeren en diende volledig vervangen, waarbij de gipsen versieringselementen nauwgezet werden gekopieerd door middel van afgietsels (16). Vóór de restauratie had de gevel een koele kleurafwerking: lichtgrijs voor het pleisterwerk, blauwgrijs voor de vensteromlijstingen en de doorlopende lijsten en wit voor de ramen en kroonlijst. De koetspoort was donkergroen geschilderd. Bij de herstelling kon worden vastgesteld dat in de loop van anderhalve eeuw de kleurstelling van deze gevel quasi onveranderd bleef. Om de herbestemming in de verf te zetten werd gekozen voor een nieuwe kleurafwerking in lichte pastelgroene tonaliteiten voor het pleisterwerk;

een subtiel palet dat ook bij het koetshuis op de binnenkoer en de reigevel van het tuinpaviljoen werd aangewend. De ramen, luiken en kroonlijst bleven wit en de poort donkergroen. Tijdens de restauratiewerkzaamheden kon de kwaliteit van de oorspronkelijke gevelafwerking ten volle naar waarde worden geschat. Om een perfect gladde oppervlakte te verkrijgen was deze na het bepleisteren in een oranjerode loodmenielaag gezet en daarna opgeschuurd. Het bijkomend voordeel van de menie was dat er een scheidingslaag tussen de kalkbezetting en de verfafwerking ontstond. De gevels op de binnenplaats Via de koetsendoorrit komt men op de gekasseide binnenplaats, waar we eerst de achtergevels van het hoofdgebouw bekijken. De achtergevel van het deel met de doomt (1842) is bepleisterd, terwijl de overige gevels, die ouder zijn, een andere textuur bezitten van okergeel gekaleid baksteenmetselwerk. De achtergevel van het middengebouw, dat deel uitmaakt van de 15de-eeuwse kern, werd in de 18de eeuw gewijzigd tot een drie traveeën tellende gevel. De 18de-eeuwse kruiskozijnen hebben rondstaafprofielen op middenstijl en kalf, met op het snijpunt een 'kussen'-versiering; typologisch een zeldzaamheid bij Brugse ramen (17). Ze hadden aanvankelijk


26

M&L

De straatgevels na de restauratie en renovatie, 1995 (foto 0. Pauwels)

glas-in-loodvullingen, die later werden vervangen door grote ruiten (18). De binnengevel van de 18de-eeuwse tuinvleugel sluit hierbij aan en telt acht traveeën; de twee laatste zijn als later dichtgemuurde venstemissen gemarkeerd met in trompe-l'oeil geschilderde ramen. De achtergevel van deze tuinvleugel was verstoord door een banale aanbouw en een verbreed benedenvenster. De aanbouw werd gesloopt en de drie traveeën werden opnieuw in harmonie gebracht. Deze tuingevels waren vóór de restauratie weelderig begroeid met wingerd. Dit gaf deze stadswoning een landelijk karakter, wisselend volgens de seizoenen, in contrast met de statigheid van de straatgevel. Om de architectuur beter te laten spreken en aantasting van metselwerk en ramen door de plantengroei

te vermijden werd de begroeiing volledig verwijderd. Nu is het ook duidelijker dat de 18de-eeuwse vleugel onder de kroonlijst is afgewerkt met een natuurstenen kwartronde lijst, die met het parement is meegeschilderd. Het parement werd opnieuw gekaleid in warm okergeel, op basis van teruggevonden vroegere kalklagen. De beneden vensters van de westgevel zijn beluikt, de bovenvensters hebben laat-19de-eeuwse persiennes met houten latwerk en geajoureerde zinken afdekplaat. Deze vensters waren oorspronkelijk eveneens gevuld met glas-in-loodramen en ooit voorzien van binnenluiken. Grote inspanningen werden geleverd om de ramen te behouden. Het herstelwerk aan de ramen kon zich beperken tot het vernieuwen van de onderregels en het nazicht van het sluitwerk. Ook het bestaande glas bleef behouden. De buiten-


M&L

27

De tuingevels van het huis de Halleux vóór restauratie, 1991 (stad Brugge, Fotografische Dienst)

Interieur Het hotel de maitre, in hoofdzaak het resultaat van 18de- en 19de-eeuwse verbouwingen, bezit een klare opbouw en een fraaie aankleding, kenmerkend voor de aristocratische en burgerlijke wooncultuur van die periode. Zoals algemeen gebruikelijk in de Oostenrijkse Nederlanden vóór de Franse Revolutie en tijdens de daaropvolgende decennia onder de verschillende regimes, was deze wooncultuur van de maatschappelijke bovenklasse in hoofdzaak Frans geïnspireerd. Ook in dit herenhuis - naar de heersende smaak aangepast door Charles Custis, Charles de Schietere en vooral Louis Ryelandt - is de strikte hiërarchie van de onvolprezen artfrangais de la distribution op schitterende wijze herkenbaar(19) Planconcept en aankleding zijn bijzonder goed bewaard gebleven en bij de recente herbestemming en restauratie voorbeeldig behouden en geherwaardeerd, het gemis aan de authentieke meubilering ten spijt. De verschillende vertrekken op de gelijkvloerse en eerste verdieping omvatten samen een twintigtal ruimten met een totale oppervlakte van niet minder dan ca. 1.200 m2, de kelders en ruime zolders niet meegerekend.

luiken werden vernieuwd, het latwerk en het optreksysteem van de persiennes werden op orde gesteld. Voor de thermische isolatie werden nieuwe binnenramen geplaatst; een voorbeeldige oplossing om de waardevolle buitenramen met het oude glas maximaal te behouden, zelfs al zijn die niet altijd perfect winddicht.

De tuingevels van het huis de Halleux na restauratie, 1995 (foto 0. Pauwels)

De koetsendoorrit Men betreedt het herenhuis langs de brede koetspoort, om functionele redenen lateraal van het woonhuis gesitueerd. De entree a sec is uiterst sober met de nog authentieke bakstenen bevloering in visgraatmotief en met een wandverdeling met vlakke pilasters. De centrale portiek in de linkerwand, geflankeerd door twee Dorische zuilen, leidt via een


28

M&L

Plan van de gelijkvloerse verdieping van het gehele complex, nieuwe toestand (tekening Groep Planning)

T Plan van de eerste verdieping van de slraatvleugels, nieuwe toestand (tekening Groep Planning)

Winterstraatje Raamstraatje huis de Halleux D ISde-eeuwsdiephuis 3 18de-eeuwsetuinvleugel gelijkvloerse verdieping J koetsendoorrit 2 vestibule 3 eerste ontvangstsalon 4 tweede ontvangstsalon 5 groot salon 6 keuken 7 schotelhuis '8 dienstinkom 9 kleine vestibule 10 dienstgang 11-13 salons tuinvleugel

30

eerste verdieping 14 boudoir 15-17 slaapkamers (16 totin 1993 slaapkamer en garderobe) 18 hal 19 groene slaapkamer 20 kabinet 21 garderobe 22 kleine vestibule 23 dienstgang 24-25 slaapkamers (24 tot in 1993 twee slaapkamers en garderobe) 26 huiskapel

II

eerste verdieping 31 32

woonkamer hooizolder

lil

tuinpaviljoen

33 34 35

ingangsgebouw groot salon (oorspronkelijk twee salons) klein salon

IV

huis Devadder

36 37

achterhuis gewelfde kamer

koetshuis

gelijkvloerse 27 28 29

traphal met alkoof

verdieping

koetsenberging wasplaats paardestal

beglaasde dubbele deur naar de middengang, die als een vestibule met het trappenhuis de centrale ruimte vormt waarop de verscheidene salons en kamers uitgeven. Vóór men de vestibule betreedt vindt men

aan beide zijden van de portiek dienstvertrekken. Bij de recente restauratie werden hier de lift en sanitaire voorzieningen ondergebracht, zonder de karakteristieke aanleg wezenlijk te storen.


M&L

29

Doorsnede van de 15de-eeuwse en de aanpalende vleugels, gezien naar de straatzijde, met aanduiding van de kelder, op de begane grond het groot salon en de keuken, op de eerste verdieping de groene slaapkamer en de middeleeuwse dakconstructie (tekening Groep Planning)

ru

O

1

2

De vestibule Net als in de koetsendoorrit zijn de wanden er geleed door vlakke pilasters, hier met kapitelen volgens de Ionische orde, die een doorlopend entablement en een plafondlijst op klosjes dragen. De bevloering bestaat uit vierkante witmarmeren tegels met een afboording met zwartmarmeren tegels. Wie goed toekijkt kan vaststellen dat de vestibule naar de trap toe een weinig versmalt om het ruimtelijk effect iets te vergroten. De licht trapeziumvormige versnijding van de vloertegels getuigt van deze perfect vakkundige afwerking. Alle wanden van de vestibule, de zijgang die naar de tuinvleugel leidt, het trappenhuis, alsook van de bovengangen zijn gemarmerd. Grote blokken witte marmer met grijze adering, gedeeltelijk in open-

boek-compositie, zorgen voor een meesterlijke trompe-roeil. Volgens een teruggevonden opschrift dateert deze wandbeschildering uit 1899. Bij de restauratiewerken werden de vuile vemislagen afgepuimd en weggeschuurd, de witte delen met de daskwast geglaceerd en de grijze adertekeningen waar nodig opgehoogd. De oppervlakte werd tenslotte met een olielaag verzadigd. De bewaring van de oorspronkelijke marmering was mogelijk door een gelukkig toeval. Oorspronkelijk werd de glans van de marmeringen met boenwas onderhouden. Later werden de oppervlakten gevernist, echter zonder grondige wegname van deze waslagen. Dit liet de restaurateurs toe om de vernislagen met een geoliede puimsteen af te schuren, zonder de onderliggende beschilderingen, nog steeds beschermd door de waslagen, te beschadigen.


30

Plafondrozetten, toestand vóór restauratie 1991 (Stad Brugge, Fotografische Dienst) 1. groot salon, midden 18de eeuw 2. Groot ontvangstsalon, 1842 3. klein ontvangstsalon, 1842 of later 4. groot benedensalon tuinvleugel, midden 18de eeuw

M&L

Deze trompe-roeilschilderingen vinden hun pendant in de afwerking van de deuren die naar de benedensalons leiden, afgewerkt met omlijstingen in een marmerimitatie en met deurvleugels met een eikehoutimitatie. Ook deze beschilderingen werden zoveel als mogelijk behouden, gereinigd en geretoucheerd. Er mag worden beklemtoond dat de bouwheer belangrijke financiële inspanningen deed voor deze zeer vakkundig uitgevoerde en arbeidsintensieve restauratie. De eikehouten draaitrap die naar de verdieping leidt is gevat in een halfronde trapruimte, waarvan de ronde koepel op versierde lijst en met een centrale lichtopening, voor de nodige ruimtewerking zorgt. De trappaal, versierd met acanthusbladeren en de leuning zijn van mahoniehout, de metalen trapstijlen zijn met kleine koperen ringen versierd. Een zijgang leidt naar de tuinvleugel. Deze gang heeft een gepleisterd tongewelf, een zeldzaamheid bij Brugse huizen. De vloer bestaat uit witmarmeren tegels, omzoomd met een zwartmarmeren afboording. De wanden zijn eveneens gemarmerd. De deur naar de keuken en drie muurkasten, telkens met omlijsting en kroonlijst, zorgen voor een rigoureus doorgevoerde symmetrie.

De vestibule met de gemarmerde wanden en de monumentale trap, 1995 (foto 0 . Pauwels)

De ontvangstsalons Aan de straatzijde zijn twee ruime ontvangstsalons gesitueerd. Ze vormen het appartement de parade: het grootste traditioneel in blanc et or, het tweede met een groene wandbekleding. Ze staan in verbinding met de middengang met dubbele vleugeldeuren, twee voor het grote en één voor het kleinere salon. Beide salons zijn onderling verbonden met een even brede dubbele vleugeldeur. De koelwitte aankleding van het eerste salon is opvallend: pleisterplafonds opgehoogd met verguld lijstwerk, witgeschilderde paneeldeuren en behangsels en rode gordijnen. Het tweede salon heeft een minder plechtstatige aankleding, waarin vóór de restauratie groene en bruine tinten de boventoon voerden. Het binnenvallend noorderlicht - door drie hoge vensters in het eerste salon en twee in het volgende salon - versterkt nog deze strengheid. De beide marmeren voluteschouwen die tegenover elkaar zijn opgesteld, oorspronkelijk afgewerkt met hoge schouwspiegels, dragen bij tot de symmetrie en de ruimtewerking. De centrale lichtpunten worden benadrukt door fraaie stucrozetten. Kristallen luchters en de weerspiegeling in de schouwspiegels, zorgden vroeger voor de nodige luister. Een uitgelezen decor voor formele ontvangsten. Voor een discrete bediening kon gebruik worden gemaakt van een doorgeefluik vanuit de bijkeuken, verborgen in een servieskast achter een identieke dubbele vleugeldeur; een vondst om de symmetrische aanleg niet te verstoren. De vloeren van deze salons bestaan uit evenwijdig met de straatgevel geplaatste brede grenehouten vloerplanken op een draagstructuur van evenwijdige houten balken, gebouwd boven een kleine kruipruimte. Beide salons werden met zorg hersteld. Plafondlijstwerk diende plaatselijk vernieuwd en geconsolideerd. Het grootste probleem hierbij was dat de plafonddecoratie - in het pleisterwerk gekleefde geprefabriceerde lijsten - systematisch herbevestigd moest worden. Wat vroeger verguld was, werd opnieuw met bladgoud verguld. De wandbehangsels werden vervangen door sobere textielbespanningen; wit in het eerste salon, groen in het tweede salon.


M&L

31

Het groot salon Aan de overzijde van de gang is wel het meest luxueuze salon gesitueerd, bereikbaar langs twee eikehouten dubbele vleugeldeuren. Het heeft een intiemer karakter dan de ontvangstsalons aan de straatzijde en werd gebruikt als salie a manger of salie de compagnie. Twee hoge vensters en een centrale vensterdeur zijn zuid georiënteerd en geven uitzicht op de binnenplaats, de tuin en het tuinpaviljoen. Het is het enige salon in het huis met een kamerhoge eikehouten betimmering, gedeeld in panelen en afgewerkt met een gedamasseerde wandbespanning.

Ook de deuren en de schouw in rocaillestijl zijn in geboend eikehout, waarvan de biesjes en de ornamentiek opgehoogd zijn met bladgoud. Alle deursloten en vensterspanjoletten zijn op het schrijnwerk opgelegd en vertind. De schouwboezem bevat een schilderij op doek met voorstelling van een landelijk tafereel, in het genre van David Teniers. Het is omlijst met rococosnijwerk, dat ook boven de penantspiegels aan de tuinzijde is herhaald. Stucwerk in rococostijl versiert de drie vakken van het plafond en benadrukt de symmetrische aanleg. Centraal is de plaats van de luchter nog eens benadrukt door een rijker ornament. De vloer bestaat uit evenwijdig met de tuingevel geplaatste grenehouten vloerplanken op een eikehouten balklaag die op de keldergewelven rust. Geboend eikehout geeft opnieuw de toon aan. De totaal verkleurde en versleten wandbekleding werd op passende wijze vervangen en aangevuld met bijbehorende gordijnen. De imitatie-eikbeschildering op de bepleisterde moerbalken en keellijsten werd gerestaureerd, de stucornamenten verguld en de plafondvlakken opnieuw in een lichtblauwe kleur geschilderd, overeenkomstig de toestand vóór de restauratie. Het bladgoud van lambrizeringen, deuren en schouwstuk diende vernieuwd te worden; na jarenlang onderhoud van het hout met boenwas, waren ze vervaagd en herhaaldelijk met goudverf bijgewerkt, wat de ietwat sombere aanblik van deze ruimte vóór de werken verklaarde. Ook het schilderij werd gerestaureerd: vervanging van de vergeelde vernislagen en herstelling van enkele beschadigingen in het doek. Na het uitnemen van een reeds vroeger herplaatste vloerplank, kon de toestand van de onderliggende balklaag worden onderzocht. Omwille van de vrij goede staat van deze balklaag werd er beslist om geen herstellingswerken aan de vloer uit te voeren. Gezien de delicate vochthuishouding van deze ruimte, primordiaal voor de optimale bewaring van de kamerdecoratie en van het schilderij, werd geopteerd om het buitenschrijnwerk niet te voorzien van binnenramen.


32

M&L

üiütig^ -•^1*

1^^

rcn

4

Het groot salon na restauratie, 1995 (foto 0. Pauwels)

< Fragmenten van laat-middeleeuwse baksteenimitatiebeschildering op de binnenmuur van de 15de-eeuwse vleugel, ontdekt achter de wandbespanning van het groot salon, 1994 (Stad Brugge, Fotografische Dienst)

.,

S£

Bij het wegnemen van de versleten textielbekleding kwamen enkele interessante sporen aan het licht. Het muurwerk behoort tot de 15de-eeuwse vleugel. Op enkele plaatsen is de binnenwand nog beschilderd met een rode kalklaag en met een borstel aangebrachte witte lijnen om baksteenmetselwerk en keurig voegwerk te imiteren. De nagebootste bakstenen waren van groot formaat (30/31 x 16 x 8 cm) en het voegwerk volgt het staand metselverband

Het opnieuw vergulden van de rococoversleringen In het groot salon, 1994 (Stad Brugge, Fotografische Dienst)

(20). Uit bouwnaden in het metselwerk is de oorspronkelijke plaats van de schouw in deze ruimte af te leiden. Ze bevond zich eertijds centraal in de noordelijke muur (tussen de twee huidige toegangsdeuren). De keuken De keuken is bereikbaar langs de zijgang van de vestibule. De bakstenen haard, de comfoortjes, de


ML BINNENKRANT Nr. 72 Bijlage bij M&L 14/2 maa.-apr. 1995


2

Literatuuf JAARBOEK MONUMENTENZORG 1994 Onder de titel Monumenten van een nieuwe tijd, Architectuur en stedebouw 1850-1940 presenteert de Nederlandse Rijksdienst voor de Monumentenzorg zijn vijfde Jaarboek Monumentenzorg. Anders dan de gebruikelijke bundeling van losse wetenschappelijke artikels, waarmee de Rijksdienst zich totnogtoe als kennisinstituut positioneerde, werd ter gelegenheid van het eerste lustrum geopteerd voor een bijzondere uitgave. Het voorliggende Jaarboek is namelijk volledig gewijd aan de architectuur en stedebouw uit de periode 1850-1940. De directe aanleiding hiervoor is de voltooiing van het landelijke Monumenten Inventarisatie Project, het inmiddels als letterwoord bekende MIP. Door middel van dit ambitieuze project, waarmee begonnen werd in 1987, is in kaart gebracht welke waardevolle objecten, complexen en gebieden uit de periode 1850-1940 Nederland rijk is. Marieke Kuipers en landelijk MIPprojectleider Peter Nijhof blikken in twee inleidende artikels terug op de achtergrond, de werkwijze en de resultaten, de organisatie, de methodiek en het verloop van het MIP, dat zowat 165.000 objecten en 650 ensembles en gebieden opleverde. Na voorbereidende test-case studies in de gebieden Amsterdam binnen de Singelgracht, Twente en Zuid-Limburg, ging het MIP in 1987 van start als een gedecentraliseerd inventarisatieproject waarin de twaalf provincies en de vier grote steden participeerden, onder de centrale coördinatie en de inhoudelijke begeleiding van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Het project schiep een geheel eigen kader, met grote nadruk op samenwerking en kennis-uitwisseling. Met inventief gebruik van allerlei sociale regelingen werd in tijdelijk verband een groot aantal externe medewerkers gerecruteerd. De traditioneel gescheiden werkwijze per vakdiscipline maakte plaats voor een gezamenlijke inzet van historisch-

geografen, stedebouwkundigen en architectuurhistorici voor een integrale inventarisatie van regio's, buitengebieden, buurten en gebouwen. De in de test-cases beproefde methodologie leidde met behulp van een vooruitstrevend data-systeem, tot een consequente en systematische verkenning en ontsluiting van de Nederlandse jongere bouwkunst. Nederland werd hierbij verdeeld in 59 regio's die in de periode 1850-1940 een eigen ontwikkeling hadden doorgemaakt, en die in hun bodemkundige en landschappelijke karakteristieken, de infrastructuur en de ontwikkeling van dorpen, gehuchten en verspreide bebouwing werden beschreven. Naast meer gedetailleerde gemeentebeschrijvingen vormden zij de basis waaruit de inventarisatoren konden putten voor de selectie van gebouwen en gebieden te velde. Ondanks de voor een project van dergelijke omvang onvermijdelijke problemen, van financiële, methodologische en praktische aard, werden aan het einde van de lange rit de oorspronkelijke doelstellingen gehaald. Het beoogde landelijke overzicht van de bouwkundige en stedebouwkundige waarden uit de periode 1850-1940 in Nederland werd verkregen, tot gemeentelijke, provinciale en landelijke databanken geassembleerd, en in rapporten vastgelegd. Geen gelegenheid werd hierbij onbenut gelaten om de jongere bouwkunst en stedebouw in de publieke belangstelling te plaatsen en de waardering voor dit 'nieuwe' onderdeel van het patrimonium te bevorderen. De MlP-resultaten die in de toekomst het basismateriaal zullen vormen voor aanvullend onderzoek, werden voor een breed publiek ontslo-

Monumenten van een nieuwe tijd

ten door de publikatie van de zestiendelige reeks Architectuuren stedebouw 1850-1940. Deze kreeg nog voor haar voleinding een vervolg in een reeks gewijd aan belangrijke MIPgemeenten. De toekomst zal uitwijzen in hoeverre de MlP-resultaten zullen doorwegen bij de niet-sectorale besluitvorming inzake stads- en dorpsvernieuwing, welstandszorg, landinrichting, ruimtelijke ordening, volkshuisvesting of bij het verlenen van sloopvergunningen. Inmiddels is in 1994 het Monumenten Selectie Project (MSP) van start gegaan, dat tot doel heeft uit het totale aanbod een verantwoorde selectie te maken van objecten, complexen en gebieden die van nationaal belang zijn. Deze zullen via de Monumenten Registratie Procedure (MRP) als rijksmonument worden geregistreerd. Verwacht wordt dat het MSP tegen 1998 zal worden afgerond, met een selectie beperkt tot minder dan 10% van de MlP-objecten. Bij deze rijksmonumenten dienen dan de bijkomend door provincies en gemeenten beschermde objecten en gebieden te worden opgeteld. De vijftien overige bijdragen bieden een veelzijdige bloemlezing van het nu geïnventariseerde erfgoed uit deze periode, waarin het uitzicht van Nederland zoals dat van de omringende landen ingrijpend werd gewijzigd. Achtereenvolgens komen aan bod: aspecten van de wateleidingarchitectuur in Groningen, vroege betonbouw in Friesland, de heide-ontginning in Drenthe, de kanalisatie in Twente, de bouw van Emmeloord in Flevoland, de electriciteitsvoorziening in Gelderland, sanatoria in Utrecht, de architectuur van de bloembollencultuur in Noorden Zuid-Holland, de kustarchitectuur in Zeeland, het fabrieksdorp BudelDorplein in Noord-Brabant, de villabouw in het Limburgse Valkenburg, dagbladvestigingen aan de Nieuwe Zijds Voorburgwal in Amsterdam, het Noordereiland in Rotterdam, het Villapark Zorgvlied in Den Haag, en tenslotte de rol van de Spoorwegen in Utrecht. De verschillende auteurs waren of zijn betrokken bij het MIP en/of het MSP. Uit de koppeling van architectuur en stedebouw met historisch-geografische en sociaal-economische factoren in de bijdragen, blijkt eens te meer de geïntegreerde aanpak die het MIP van meetafaan kenmerkte. Jo Braeken

B I N N E N K R A N T


M8cL i

Jaarboek Monumentenzorg 1994, Monumenten van een nieuwe tijd, Architectuur en stedebouw 18501940 Auteurs: Blijdenstijn R.K.M., Bruggenkam J.W.C., Goor N.C., Hoeven E.P., van der Horst-Voorn A., Kamphuis M l , Knoop W.H., Kruiger J.B.T., Kuipers M.C., Nizet L, Nijhof P., Panman M., van de Poll F.M., Possel J., van Santen E.G., Sens B.I., Smook C R , Theunissen R.J, Wessel E. en Wiellnga R.J. Waanders Uitgevers, Zwolle 208 p, ca. 200 illustraties ISBN 90 400 9701 1 Prijs: 695,-Bfr.

'ii'i.

.i'

i

—

Architectuur en stedebouw in Limburg 1850-1940

hitectuur en ëtedebouwg in Den Haag fcj,^ 1850-1940

m

ARCHITECTUUR EN STEDEBOUW 1850-1940 In de reeks Architectuur en stedebouw 1850-1940, die reeds eerder in deze kolommen werd besproken (M&L, 1993,12/2 Binnenkrant p. 2-3), verschenen in de loop van 1994 de delen 11,12 en 13, respectievelijk gewijd aan Limburg, Den Haag en Friesland. Geheel volgens hetzelfde opzet verscheen ook het eerste deel, gewijd aan de gemeente Groningen, van de vervolgreeks die de grote en middelgrote steden behandelt. Delen gewijd aan de gemeenten Middelburg en Tilburg zijn in voorbereiding. Architectuuren stedebouw 1850-1940 werd opgezet met de bedoeling de schat aan informatie die het Monumenten Inventarisatie Project had opgeleverd, in gereduceerde vorm en voor een breder publiek te ontsluiten. Elk boek omvat twee delen. Een eerste luik brengt een globaal beeld van de ruimtelijke en sociaal economische ontwikelingen met de nadruk op de periode 1850-1940. In het deel gewijd aan Friesland wordt hierbij bijzondere aandacht besteed aan de voortdurende strijd tegen het water, het grondgebruik, de ontwikkeling van de infrastructuur, de bestaansmiddelen en de ontwikkeling van de nederzettingen. In het deel gewijd aan Limburg komen de bijzondere geologische structuur van de provincie met zijn rijkdom aan delfstoffen aan bod, de evolutie van het cultuurlandschap en van de samenleving onder invloed van de verstedelijking en industrialisering. In de delen gewijd aan de gemeenten

teiten op stedebouwkundig gebied, met een zeldzaamheidswaarde, een bepaalde functie of historische betekenis, of een gave bewaringstoestand. Afzonderlijke gebouwen en complexen worden vervolgens volgens typologische kategorieën gegroepeerd, met varianten naargelang het betroffen gebied. Zo komen ondermeer diverse vormen van woningbouw aan bod, naast boerderijen, bedrijfs- en handelspanden, nutsgebouwen, religieuze gebouwen, overheidsgebouwen, gebouwen voor cultuur, ontspanning en onderwijs, bruggen, begraafplaatsen, straatmeubilair enz. Hoewel slechts een fractie van het Ml P-aanbod, betreft het hier een weloverwogen keuze onderworpen aan een aantal criteria zoals representativiteit, historische of functionele waarde, of verbondenheid met de lokale ontwikkeling. Elke categorie omvat een bondige inleiding en een aantal illustraties vergezeld van uitgebreide onderschriften. Het boekdeel wordt afgesloten door een beknopte literatuuropgave, een lijst van termen en een register. Jo Braeken

Architectuur en stedebouw in Limburg 1850-1940 Auteur: J.G.G.M. Jansen 144p., ca. 200 illustraties ISBN 90 6630 422 7 Prijs: 600,-Bfr. Architectuur en stedebouw in Den Haag 1850-1940 Auteur: B. Koopmans 160p., ca. 200 illustraties ISBN 90 6630 476 6 Prijs: 695,-Bfr. Architectuur en stedebouw in Friesland 1850-1940 Auteurs: G.J.M. Derks, M.F. Fermo, F.R. van Weezel Errens 168p., ca. 200 illustraties ISBN 90 6630 475 8 Prijs: 695,-Bfr. Den Haag en Groningen staat in het eerste luik de stedebouwkundige ontwikkeling van de stad als geheel en van de verschillende stadswijken centraal. Het tweede luik geeft een overzicht van de geïnventariseerde objecten. Hierbij worden in eerste instantie een aantal gebieden met bijzondere waarden besproken, met bijzondere kwali-

B I N N E N K R A N T

Architectuur en stedebouw in de gemeente Groningen 1850-1940 Auteurs: L.T. Hacquebord, R.M.H. Overbeek 112P, ca. 200 illustraties ISBN 90 6630 461 8 Prijs: 600,-Bfr. Waanders Uitgevers, Zwolle


4

100 JAAR WONEN IN TURNHOUT Het boek 100 jaar wonen in Turnhout, Architectuur van 1895 tot 1995 werd uitgebracht naar aanleiding van een gelijknamig tentoonstellingsproject van de culturele vereniging Anastasis, die opereert vanuit het Heilig Grafinstituut te Turnhout. Ter voorbereiding van het project werden door architect en leraar Yves De Bont belangrijke woningen geselecteerd, bouwheren, architecten en data opgezocht. Hiervoor werd contact gelegd met bewoners, met architecten of hun nazaten, en werden privé- en openbare archieven, met name het archief van de bouwaanvragen van Turnhout, geraadpleegd. Dit resulteerde in een selectie van 27 woningen, een staalkaart van typerend of kwalitetisvol bouwen, die zichtbaar maken hoe de grote architectuur zijn

lOOJ/WR VNONCN IN TURNHOUT

daar waar Jozef Schellekens, Jos Eelens en Eduard Van Steenbergen een rationeler modernisme beoefenden. Vanaf de jaren '60 brachten Paul Neefs, Lou Jansen en het Atelier Vanhout en Schellekens Turnhout op de architectuurkaarten. Deze fraai vormgegeven en voortreffelijk gedocumenteerde publikatie wordt ingeleid door een bondige samenvatting van de stedebouwkundige evolutie van Turnhout. Een tweede artikel relateert het Turnhoutse patrimonium aan de nationale en internationale architectuurstromingen. Vervolgens worden de 27 geselecteerde woningen in chronolgische volgorde voorgesteld aan de hand van foto's of ontwerpen, hertekende inplantingen, plattegronden en doorsneden, en in hun architecturale betekenis en eigenheid becommentarieerd. Biografieën en oeuvrelijsten van de betroffen architecten, een bibliografie en overzichtskaarten maken het geheel tot een bevattelijke gids voor een eeuw stedebouw en architectuur te Turnhout, die slechts nieuwsgierig maakt naar een bezoek in situ. Jo Braeken

ARCMITtCTUUB V,

100 jaar wonen in Turnhout, Architectuur van 1895 tot 1995 Auteur: Yves De Bont Roularta Books, Zellik 128p., ca. 220 illustraties ISBN 90 5466 158 5 Prijs: 595,-Bfr.

weerklank vond in een provinciestad. Door de ontsluiting en de inplanting van papierverwerkende industrie kende Turnhout in de loop van de 19de eeuw een verstedelijking. Terwijl de arbeiders gedrongen zaten in huurhuizen of achterbuurten, richtten de industriëlen en de magistraten herenhuizen op in de hoofstraten en zomerresidenties aan de rand van de stad. De burgerlijke smaak evolueerde van classicisme naar eclectisme, naast neogotiek en neo-Vlaamse renaissance. Pieter Taeymans stond vooraan in deze evolutie, opgevolgd door zoon Jules. Tijdens het interbellum kenmerkten de realisaties van Ernest Wauters en Stan Leurs zich door een expressionistische signatuur.

drongen in het taal- en denkpatroon. Ook in de Middeleeuwen kende men wel degelijk de belangrijke auteurs en kunstwerken van de oudheid en verschillende kleinere Renaissances hebben elkaar opgevolgd: de Karolingische Renaissance, de Ottoonse Renaissance en de Renaissance van de 12de eeuw. De dwergen op de schouders van reuzen verwijzen naar een glasramencyclus in de kathedraal van Chartres, waar de evangelisten uit het Nieuwe Testament gezeten zijn op de schouders van de profeten uit het Oude Testament. In bredere zin verwijst de titel van de tentoonstelling ook naar een uitspraak van Bernardus van Chartres uit de 12de eeuw waarin hij zichzelf, de moderne mens, geplaatst ziet op de reuzen, die de antieken waren. Rond dit boeiend gegeven en om een aantal vastgeroeste clichés te weerleggen, werd een didaktische tentoonstelling opgezet, die samengaat met de publicatie van een wetenschappelijk en vlot leesbaar boek van Jozef Janssens en Constant Matheeusen onder de titel Renaissance in meervoud. Bij de tentoonstelling hoort een handige, goed gestoffeerde tentoonstellingsgids waarmee de rondgang kan worden gemaakt. De verschillende Renaissances zijn chronologisch aangepakt en verduidelijkt met afbeeldingen, (facsimiles van) handschriften en (kopies van) kunstwerken.

ALS DWERGEN OP DE SCHOUDERS VAN REUZEN? RENAISSANCE IN MEERVOUD (8STE-16DEEEUW)

Dat deze eerbied voor de 'ouden' niet in alle periodes doorleefde, bewijst het zwaar gehavend handschrift van SintLutgardis uit het einde van de 13de eeuw, waarin haar Vita is beschreven. In de 19de eeuw kwam het in het bezit van de toen Franse zusters in Mariënlof te Kolen (waar het originele Odiliaschrijn te bewonderen is, waarvan op de tentoonstelling een kopie te zien is). Het eerbiedwaardig handschrift was voorbestemd om verknipt te worden tot bladwijzers en verkookt tot lijm. Het werd op het nippertje gered door de schilder die in 1840 werken in het klooster uitvoerde. Het bevindt zich thans in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam.

De wedergeboorte van de oudheid uitsluitend toeschrijven aan de Italiaanse Renaissance is een taai cliché dat in de literatuur al enkele malen weerlegd is, maar nog niet helemaal doorge-

Ook een groot aantal andere misvattingen worden met bewijsmateriaal ontkracht, onder andere als zouden de humanisten de eersten zijn geweest om hun namen in het Latijn te vertalen

entoonsteiingen

B I N N E N K R A N T


M8d Handschrift met "uitvindingen" van Francesco di Giorgio Martini (1439-1501) (Rome, Bibliotheek van het Vatikaan)

of dat Vesalius de eerste was om het menselijk lichaam "aan den lijve" \e onderzoeken of dat de Italiaanse Renaissance als eerste de antieke architectuur als voorbeeld nam of dat Da Vinci de eerste was om een groot aantal uitvindingen uit te tekenen en zo verder. De tentoonstelling zowel als het boek hebben de grote verdienste een aantal stellingen op wetenschappelijke wijze te nuanceren. De continuïteit in het denken is een veel grotere realiteit dan de graag gebruikte breuklijnen in de geschiedenis, aldus de auteurs. Het Is wel spijtig dat het onderschrift op pagina 117 bij de pas ontdekte muurschilderingen in de Sint-Laurentiuskerk te Ename volledig fout zit: de Pantokrator en de engelen met passie-instrumenten behoren tot twee boven elkaar liggende composities, waarvan de eerste inderdaad tot de Ottoonse periode kan gerekend worden (onlangs nog bevestigd door het C 14 - onderzoek van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium dat de Pantokrator in 1010-1020 situeerde), maar de engelen tot een latere romaanse schildering behoren. Bovendien behoort de Pantokrator niet tot de oudste bouwfase van de kerk. Eronder zit nog een gekleurde monochrome afwerkingslaag en daarop een eerste, nog oudere, decoratieve schildering. Marjan Buyle

Fiamminghi A Roma 1508-1608, Brussel, Paleis voor Schone Kunsten 24/2-21/5/1995 Mathijs Bril, Gastel Sant'Angelo, bruine inkt, pen 22 x 42,5 cm Parijs, Musée du Louvre, Cabinet des Dessins

De tent( cfe schouders van reuzen? loopt nog tot 29 april In de Katholieke Universiteit van Brussel, Vrijheidslaan 17,1080 Brussel (vlakbij de Basiliek van Koekelberg, metro Simonis). Geopend van maandag tot vrijdag van 9 tot 19 u en zaterdag van 10 tot 17 u. Gesloten op zondag en van 13 tot 18 april. Het boek Renaissance in meervoud, door Jozef Janssens en Constant Matheeusen, is een uitgave van het Davidsfonds en kost 700,-fr. Tentoonstellingsgids verkrijgbaar voor100,-fr.

FIAMMINGHI A ROMA 1508-1608. KUNSTENAARS UIT DE NEDERLANDEN EN HET PRINSBISDOM LUIK TE ROME TIJDENS DE RENAISSANCE Alhoewel de wederzijdse beïnvloeding tussen de twee grote artistieke centra, Italië en Vlaanderen, al in de Middeleeuwen bestond, concretiseerde deze uitwisseling zich in de talrijke studiereizen die de schilders uit het Noorden (de beide Nederlanden en het prinsbisdom Luik) in de 16de eeuw ondernamen naar Italië. In 1508, de begindatum voor de tentoonstelling, werd de toon gezet door Jan Gossart van Mabuse, die als eerste naar het Zuiden trekt. In 1608, honderd jaar later, komt grootmeester Pieter Paul Rubens terug van zijn omzwervingen tussen de overblijfselen van de antieke wereld. Op de tentoonstelling zijn werken samengebracht, door de kunstenaars gemaakt tijdens of na hun verblijf in Italië. Veel kunstvormen zijn op de

tentoonstelling vertegenwoordigd: schilderijen, tekeningen, gravures, wandtapijten en sculpturen. Vooral de tekeningen, meestal ter plaatse gemaakt, vertolken de fascinatie van de noorderlingen voor de talrijke overblijfselen van de kunst van de oude romeinen en grieken en leveren tevens prachtige getuigen van hoe steden en landschappen er uitzagen tijdens de Italiaanse Renaissance van de 16de eeuw. Uit de schilderijen blijken de soms nog onhandige pogingen, zeker in de beginperiode, om de nieuwe vormentaal in de composities te verwerken. Ook ten onrechte minder bekende namen zoals Bartholomeus Spranger en Hans Speckaert, zijn hier vertegenwoordigd met beheerste werken, waarin de Italiaanse invloeden al heel persoonlijk tot een eigen stijl verwerkt zijn. Een combinatie van het beste uit Noord en Zuid als het ware... De tentoonstelling is chronologisch opgevat. Zoals vaak in het Paleis voor Schone Kunsten is de uitleg voor bezoekers zonder catalogus vrij summier. Misschien moet men toch eens

B I N N E N K R A N T


M8cL

6 Derhalve beschikt het Vlaamse Gewest over circa 1.5 miljard voor de restauratie van beschermde monumenten. Tevens dient vastgelegd dat door de invoering van het premiestelsel, waarbij meerwerken, bijkomende werken en contractuele herzieningen worden uitgesloten van financiële tussenkomst vanwege het Gewest, en door de vermindering van de percentages van tussenkomst voor wat betreft de privésector, een betere budget-beheersing zich voordoet.

Fiamminghi A Roma 1508-1608, Brussel, Paleis voor Schone Kunsten

24/2-21/5/1995 Pieter Coecke, Adam en Eva, Amsterdam, Rijksmuseum

overwegen om naast de lijvige catalogus een kleine, toegankelijke tentoonstellingsgids op te stellen. De catalogus is het resultaat van enkele jaren wetenschappelijk onderzoek. Alle tentoongestelde werken zijn er afgebeeld in kleur.

voelen dossiers in te dienen die beter bestudeerd en completer zijn, daar alle meerkosten ten eigen laste vallen. Het betekent ook dat de ontwerpers dossiers via vooronderzoeken accuraat dienen in te schatten. Aan de hand van een programma dat in het begin van het jaar met de Minister wordt besproken probeert het Bestuur Monumenten en Landschappen de doelstellingen te realiseren. Voor wat betreft 1994 gaf dit volgend beeld.

Daar waar in het verleden een groot gedeelte van het beschikbare budget werd opgebruikt voor allerhande bijkomende uitgaven is dit thans uitgesloten.

Privé sektor Openbare sektor Sektor Eredienst Totaal

Dit betekent in de praktijk dat meer dossiers worden goedgekeurd en dat de opdrachtgevers zich verplicht

1.437.233.034

Patrick Lagaisse

Marjan Buyle SEKTOR EREDIENST 700000000 J

De tentoonstelling Fiamminghi a Roma loopt nog tot 21 mei in het Paleis voor Schone Kunsten, Koningsstraat 10,1000 Brussel (ingang voor groepen Ravensteinsstraat 23). De toegang voor individuele bezoekers bedraagt 250,-bfr. Korting voor groepen, studenten en families. Gecombineerd treinen toegangsticket van de Belgische en Nederlandse Spoorwegen. Alle inlichtingen 02/507.84.80. De catalogus kost 1480,-bfr.

600000000 500000000 400000000 300000000 200000000 100000000 o

^ ^

_l

0

p

L

Z<

Z§

os oca

Os S o OCIJ =3

_

1 I

h J

>'•

" J . S J "

> >O o Z z >iiJZ Ooo <o < o o g <

*

'

3 E 3

>

>

SEKTOR EREDIENST 700.000.000 -600.000.000 -500.000.000 --

Restauratie

400.000.000-300.000.000

VASTLEGGINGSKREDIETEN 1994

200.000.000 100.000.000--

Onder impuls van Vlaams Minister Johan Sauwens werden de kredieten voor restauratiewerken verdubbeld. Een eerste verhoging zette zich door in 1993. In 1994 werd deze trend gehandhaafd.

o

B I N N E N K R A N T

lil

347.047.783 443.589.805 646.595.446

9S


M8d 7 •

SEKTOR EREDIENST PROVINCIE OOST-VLAANDEREN

PROVINCIE ANTWERPEN Aartselaar Antwerpen Beerse Bonheiden (Riimenam) Boom Borsbeek Brugge Geel Geel (Zammel) Heist o/d berg Kapellen Laakdal Lille Mechelen Mechelen Mechelen Puurs Ranst (Broechem) Ravels Turnhout Zwijndrecht

Sint-Leonarduskerk Sint-Pauluskerk Pastorie Sint-Martinuskerk Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Rochus Sint-Jacobuskerk Sint-Jacobskerk Sint-Lambertus: toren Pastorie Sint-Lambertuskerk Sint-Jozef Hoogboom Pastorie Sint-Ambelbergakerk Sint-Romboutskathedraal Sint-Rom boutskathedraal Sint-Romboutskathedraal Sint-Pieterskerk: orgel Onze-Lieve-Vrouwkerk Sint-Servatiuskerk Sint-Pieterskerk Heilige Kruiskerk

71.968 34.397.599 5.339.685 14.079.041 3.064.809 15.103.210 39.130 788.708 2.989.951 34.321.751 1.176.602 3.712.185 4.018.993 21.792.501 1.560.834 8.598.381 916.739 164.483 2.665.619 67.262 810.898

Aalst Aalst (Hofstede) Beveren Beveren Beveren (Melsele) Beveren Brakel Brakel Deinze Dendermonde (Mespelare) Erpe-Mere Erpe-Mere Gavere Gent Gent Gent Geraardsbergen (Onkerzele) Geraardsbergen Hamme Herzele (Steenhuize)

PROVINCIE BRABANT Aarschot (Langdorp) Asse Diest Huldenberg Kampenhout (Nederokkerzeel) Lennik (Sint-Martens-Lennik) Leuven Leuven Machelen (Diegem) Merchtem Scherpenheuvel (Testelt) Scherpenheuvel Ternat Ten/uren Tervuren (Vossem) Tervuren Wezembeek-Oppem

Sint-Pieterskerk Sint-Martinuskerk Sint-Catharinakerk Onze-Lieve-Vrouwkerk Sint-Stefanuskerk Sint-Martinuskerk

8.703 3.995.387 964.842 31.242.157 17.396.867 8.262.150

Sint-Gertrudiskerk 3.121.025 Sint-Michielskerk 10.448.900 Sint-Catharinakerk 28.942.273 Onze-Lieve-Vrouw Ter Noodkerk 9.000 Sint-Pieterskerk 1.079.960 Sint-Eustachiuskerk Sint-Gertrudiskerk Sint-Jan Baptistkerk Sint-Pauluskerk Sint-Jan Evangelistkerk Sint-Pieterskerk

87.459 9.058.325 354.860 454.054 4.543.023 310.073

PROVINCIE LIMBURG Alken Beringen Beringen Bilzen Borgloon Diepenbeek

Ham Hasselt Hasselt (Godsheide) Hasselt Heers Herk de stad Herk de stad Herk de stad (Donk) Lanaken (Vorst) Maaseik Sint-Truiden (Kortenbos) Tongeren Tongeren Wellen Zutendaal

1.775.904 Sint-Aldegondiskerk Sint-Pietersbandenkerk 979.669 Sint-Theodarduskerk 9.885.709 Sint-Mauhtiuskerk 1.651.066 Kapel van Helshoven 103.389 Sint-Servatiuskerk 19.234.808 1.637.847 Pastorie 44.357 Onze-Lieve-Vrouwkerk Onze-Lieve-Vrouw Bezoeking- 4.959.498 kerk 19.934.902 Sint-Quintinuskathedraal 3.762.153 Sint-Martinuskerk Sint-Martinuskerk 333.685 Sint-Martinuskerk 619.550 Onze-Lieve-Vrouwkerk 1.910.389 25.544 Pastorie Sint-Lambertuskerk 14.076.296 Onze-Lieve-Vrouwkerk 3.528.918 Onze-Lieve-Vrouwbasiliek Sint-Jan Baptistkerk: orgel Sint-Jan de Doperkerk Onze-Lieve-Vrouwkerk

Herzele (Sint-Lievens-Esse) Knesselare Laarne (Kalken) Lebbeke (Denderbelle) Nevele Ninove (Meerbeke) Ninove Oudenaarde Ronse Sint-Niklaas Stekene Temse Zingem Zottegem

Sint-Martinuskerk Onze-Lieve-Vrouwkerk Onze-Lieve-Vrouwkerk Sint-Laurentiuskerk Onze-Lieve-Vrouwkerk Sint-Laurentiuskerk Sint-Pietersbandenkerk Heilige Mariakerk Sint-Jan de Doperkerk Sint-Aldegondiskerk

79.373 1.685.882 33.059.860 3.737.161 79.678 275.117 11.054.756 8.106.067 27.130 798.736

Pastorie Sint-Bavo 220.970 Sint-Niklaaskerk 1.624.517 Sint-Martinuskerk 1.244.688 Sint-Annakerk: fase 1 21.180.518 Sint-Elisabethkerk 387.687 Onze-Lieve-Vrouw Sint-Pieters 1.539.727 kerk Sint-Martinuskerk: orgel 464.161 Onze-Lieve-Vrouwkerk 159.824 Sint-Annakerk: orgel 324.220 Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaart 10.376.108 kerk Sint-Martinuskerk 5.017.401 Smt-Medarduskerk 99.437 9.223.541 Sint-Denijskerk Sint-Martinuskerk 717.203 Heilige Petrus en 1.497.055 Heilige Pauluskerk Sint-Pieterskerk 10.687.829 Onze-Lieve-Vrouwkerk 834.818 Sint-Walburgakerk 5.010.404 Sint-Hermeskerk 190.842 1.881.584 Pastorie Heilige Kruiskerk 24.814.119 Onze-Lieve-Vrouwkerk 4.105.645 Sint-Bavokerk 2.090.122 Onze-Lieve-Vrouw hemelvaart371,016 kerk

PROVINCIE WEST-VLAANDEREN Brugge Brugge Brugge Brugge

Sint-Salvatorkathedraal Onze-Lieve-Vrouwkerk Sint-Jacobkerk Onze-Lieve-Vrouw Bezoekingkerk Brugge (Assebroek) Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Gistel Onze-Lieve-Vrouwkerk leper (Vlamertinge) Sint-Vedastuskerk Jabbeke (Stalhille) Sint-Jan de Doperkerk Kortrijk Sint-Maartenskerk Kortrijk Onze-Lieve-Vrouwkerk Menen Sint-Franciscuskerk Middelkerke (Leffinge) Onze-Lieve-Vrouwkerk Oostende (Zandvoorde) Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaartkerk Oostende Onze-Lieve-Vrouw Ter Duinenkerk Oostkamp Sint-Pieterskerk Wervik Sint-Medarduskerk TOTAAL

18.553.649 2.578.700 2.243.245 22.633.964 4.967.272 160.158 4.447.028 64.805 227.791 2.293.055 4.924.466 16.458.553 491.537 30.178 54.058 14.807.441 546.595.446

24.011.705 7.062.480 58.787 136.287

\

• • • J

B 1 N N E N K R A N T

BH


M8cL 8 • OPENBARE SEKTOR PROVINCIE ANTWERPEN Antwerpen Antwerpen Antwerpen Antwerpen Essen Herentals Lier Lier Malle Mechelen Meerhout Mol Ravels (Weelde) Retie Stabroek (Hoevenen) Turnhout Turnhout

Godshuis Vander Biest Kasteel Veltwijck Kalvarie Bourlaschouwburg Oude pastorie Lakenhalle Begijnhof Huis De Son Kapel van Salphen Groot Seminarie Prinskensmolen Heilige Willibrorduskapel Molen Pastorie Onze-Lieve-Vrouwkerk Begijnhof Huis Metten Thoren

PROVINCIE LIMBURG 386.804 2.492.949 1.719.549 35.000.000 12.688.602 8.475.324 845.062 6.344.930 3.606.287 51.378.404 626.005 3.926.475 434.392 4.905.663 142.846 787.666 3.954.871

Borgloon Bree Hamont-Achel Hasselt Hasselt Herk-de-Stad Hoeselt Lanaken(Rekem) Lanaken Maaseik Maaseik Maasmechelen Peer Sint-Truiden Sint-Truiden Sint-Truiden Sint-Truiden Tongeren Tongeren Wellen Zonhoven

Graethemkapel 1.315.940 Sint-Michielscollege 49.769.483 Napoleonmolen 1.216.436 Klooster der Grauwzusters 311.111 Begijnhof 2.526.632 Voormalige Rijkswachtkazerne 11.475.057 Lindekapel 2.837.150 Sint-Pieterskerk 22.963 Pretonellakapel 3.470.746 Minderbroedersklooster 764.792 Kleeskensmolen 555.110 Molen Nieuw Leven 4.190.840 Oud Stadhuis 272.911 Academiezaal 8.513.306 Sint-Trudoabdij 812.056 Speelhof Orangerie 140.237 Stadhuis 33.766.939 Munthuis 6.045.735 1.467.738 Romeinse Muren ? non nnn Neogotische Kapel L. .\J\J\J .\J\J\J Oud Gemeentehuis 4.825.584

OPENBARE SEKTOR PROVINCIE OOST-VLAANDEREN

••

450.000.000-

" 350.000.000- 300.000.000- 250.000.000200.000.000- 400.000.000 -

1

rtrt/\

150.000.000 -

• H ,1bÜLÜ• •r ^ • •r;C3I IUJ 1, Hl, m UJ m ^

0

u -

'

Ui

z?

'

UJ

'

zS

^

'

^

ZOC

—m

— ^

^t—LU

Ü .oc

ö • 't

PROV WE VLAAN

1

PROV 00 VLAAN

nu-

-

PRO LIM

50.000.000 -

^ H

PRO BR/

100.000.000-

^ _

PR0\ ANTW

4 cn f\s\n

'

^1—LU

•

_l

|1 i—

Aalst Gent Gent Gent Gent Gent Gent Gent Gent Geraardsbergen Kruibeke Ninove (Pollare) Ninove Oudenaarde Oudenaarde Sint-Martens-Latem Zwalm

Schepenhuis Wijnschroedershuis Caermersklooster Sint-Baafsabdij: Reftervleugel Bijloke: Poort Lakenhalle Bijloke: Glasramen Sint-Michielsbrug Minardschouwburg Sint-Adriaansabdij Oud Hospitaal Voetgangersbrug Wildermolen Stadhuis Vleeshuis Molen Kapel Wijlegem

6.422.955 201.731 550.388 6.699.653 4.434.159 5.951.458 3.155.434 841.195 2.977 18.043 1.350.928 185.346 864.879 30.835.306 2.204.326 2.813.019 5.150.600

PROVINCIE WEST-VLAANDEREN PROVINCIE BRABANT Boortmeerbeek (Hever) Pastorie Diest Infirmerie Dilbeek (Pede) Molen Dilbeek Kasteel La Motte Gooik Kapel Onze Lieve Vrouw van de Woestijne Holsbeek Kasteel Leuven Augustinessenklooster Leuven Klein Begijnhof Tienen Paterskerk Zoutleeuw Lakenhalle

1.182.951 1.563.829 738.625 818.500 3.246.138 12.680.207 12.320.923 1.069.838 1.943.140 272.913

Alveringem Anzegem (Vichte) Brugge Brugge Brugge Brugge Brugge Brugge Deerlijk Koksijde Menen Torhout Veurne Veurne Veurne Veurne Wevelgem Wevelgem

Stalijzermolen Sint-Stefanuskerk Godshuizen La Fontaine ^" Orangerie Walburgakerk Museum Sint-Jan Godshuis Blindekens Brugse Vrije Begijnhof 12 Museum Declercq Abdij Ten Bogaerde Schippershof Stadhuis Landhuis Spaans Paviljoen Belfort Stadhuis Van Butselesmolen Schuur Peperstraat 2

TOTAAL

B 1 N N E N K R A N T

1.306.627 474.266 3.048.136 873.364 271.064 5.587.551 23.423.524 89.337 340.069 926.326 11.018.562 5.683.185 761.580 1.024.829 624.381 1.580.934 4.147.040 872.974 443.589.805

^

"


M8d 9 \ .

PRIVÉ SEKTOR PROVINCIE ANTWERPEN Antwerpen Antwerpen Antwerpen Antwerpen Antwerpen Antwerpen Antwerpen Antwerpen Antwerpen Antwerpen Antwerpen Antwerpen Antwerpen Antwerpen Antwerpen Antwerpen Bornem Heist-op-den-Berg Hoogstraten Hoogstraten Mechelen Mechelen Mechelen Mechelen Mechelen Mechelen Mechelen Mechelen Mechelen Mechelen Sint-Katelijne-Waver Slnt-Kateliine-Waver Westerlo

Plantijnkaai 5 Cogels Osylei 81 Natiênhuis Cogels Osylei 67 Cogels Osylei 7 De Boerentoren Cogels Osylei 64 Generaal van Merlenstraat 44

3.746.40E 539.45( 3.872.60J 413.27'! 359.28E 6.377.81 E 253.49-: 213.23C

n | • i n DieUKMIddl C

A een par H.3Q0.D01.

Hoomstraat13 Tabakvest 8 Sint-Paulusstraat 23 Cogels Osylei 70 Cogels Osylei 14 Cogels Osylei 1 Waterloostraat 31 Kasteel Marnix Hof van Riemen Begijnhof 3 Begijnhof: muur Schepenhuis F. de Merodestraat 21 de Cellekens Befferstraat 29 de Clippel Maelslot Steenweg 32 Kerk van Leliendael Onze-Lieve-Vrouwstraat 115 Onze-Lieve-Vrouwstraat 119 Abdij van Roosendael Sandhoeve Norbertijnenabdij

1.542.952 927.62C 241.01 £ 416.77e 268.161 203.166 123.152 1.320.196 13.596.131 1.109.804 6.703.542 1.269.652 3.190.02-1 5.864.431 71.942 1.306.806 1.825.35C 471.124 4.292.499 555.503 425.326 5.164.824 1.495.428 33.954.139

SEKTOR PRIVÉ 350.000.000-t-

-

250.000.000-

-

200.000.000-

-

150.000.000-

M

100.000.000-

n-

u-

l- •

K

•

l 1 ^

1 ^

' ^

' ^

PROVING iNTWERP

50.000.000-

•••

^

PROVINi BRABAI

300.000.000-

1'

'

m -a ^CL S n

'

yj

M

i IU

z '

H z ' LIJ "J o < cc ^KLU

P i§l P i _J >

Q.

i

>J

PROVINCIE BRABANT Aarschot Asse Bertem Bierbeek Gooik

Londerzeel Rotselaar Tienen Vilvoorde

Hoeve Malavisee 499.643 Klein Overlaar 1.402.829 Onze-Lieve-Vrouwpredikheren 11.335.830 kerk Hof Diepensteyn 6.124.936 Molens Van Dooren 3.184.694 Huis Nazareth 9.438.732 Onze-Lieve-Vrouw van Troost 14.782.904

i ! j j 1 j j

PROVINCIE LIMBURG Beringen Mijnsite: Toegangsgebouw Hasselt Hotel van Straelen Hasselt Abdij van Herkenrode Heers (Heks) Kasteel Maaseik Pand genaamd Soeten Jesus Maaseik De Nootstal Maaseik Hepperstraat 4 Maasmechelen Kasteel Vilain Xllll Maasmechelen (Eisden) Schachtbok Riemst Hoeve Henrotte Sint-Truiden Grevensmolen Sint-Truiden Wit Kasteel Tongeren Onderde linde 14 Tongeren Sint-Ursulastraat15 Tongeren Onder de linde 3 Tongeren Hof van Tongeren

717.059 498.920 356.724 2.479.576 779.326 1.429.723 2.198.438 16.663.618 24.767.644 2.163.118 1.731.994 833.472 661.776 598.736 1.173.805 1.523.003

1 | i j ! i ! i i i i i 1 i i j

8.426.848 675.768 6.403.040 5.083.007 455.192 812.635 2.770.995 11.050.254 917.646 25.793.962 8.776.149 1.481.104 4.837.568 1.904.671 482.448 3.902.044 1.677.733 6.246.965 1.006.027

j i 1 j i 1 i i i : i 1 1 j 1 i ï : i

1.127.538 5.838.295 916.567 9.383.552 523.550 2.250.881 4.446.697 201.605 736.519 7.069.812 424.125 777.503 126.572 680.139

i 1 1 ! i i ! : j i i j 1 j

347.047.783

|

PROVINCIE OOST-VLAANDEREN Erpe-Mere Gent Gent Gent Gent Gent Gent Gent Gent Gent Gent Gent Geraardsbergen Herzele Nevele Oosterzele Oudenaarde Sint-Niklaas Zottegem

Cottemmolen PredikherenleilO Spijker Vooruit Hertogstraat 21 Lindelei 15 Hertogstraat 13 Hotel van der Meersche Hoek Geldmunt/Zeugsteeg De Spiegel Het Licht Hertogstraat 11 Kasteel Boelare Kloosterberg Kerkakker17 Stokerij Betsberg Markt 7 Kasteel Moeland Hospitaalstraat 12 PROVINCIE WEST-VLAANDEREN

( j i CC ^1—LU

Q,

Malle Hoegaarden Leuven

Hof Speelhoven de Hoge Kamer Hof van Bertie Blauwschuurhoeve Kasteel Oetingen

2.173.199 1.883.677 1.728.225 907.388 1.122.572

Brugge Brugge Brugge Brugge Brugge Brugge Brugge Brugge Gistel Harelbeke Ichtegem Roeselare Torhout Veurne

Kasteel Witte Zusters Kapel Spermalie Oosterlingenhuis Karmelietenkerk Sint-Amandsstraat 7 Huis Bouckhoute Frere Fonteinstraat 1 Korte Vulderstraat Moerdijk 16 Muizelmolen Torenhof Seminarie Kasteel van Wijnendale Huis Rutsaert

TOTAAL

B 1N N E N K R A N T

•••••


M&L

10

Globaal overzicht

TOTAAL DER VASTLEGGINGEN 1994

Provincie Antwerpen Provincie Brabant Provincie Limburg Provincie Oost-Vlaanderen Provincie West-Vlaanderen

1.600.000.000 1.400.000.000 1.200.000.000 1.000.000.000--

Totaal

800.000.000

400.074.989,210.700.751,307.610.641,327.353.649,191.493.004,1.437.233.034,-

600.000.000 400.000.000 -200.000.000--

De bedoeling van het decreet Is enerzijds de procedure te vereenvoudigen - twee procedurestappen in plaats van drie - en anderzijds de rechtszekerheid te verhogen zonder het voor bescherming vatbare goed in gevaar te brengen. Een overzicht van de voornaamste wijzigingen.

HET DECREET VAN 22 FEBRUARI 1995 TOT WIJZIGING VAN HET DECREET VAN 3 MAART 1976 TOT BESCHERMING VAN MONUMENTEN EN STADS- EN DORPSGEZICHTEN Op 8 februari werd nagenoeg unaniem door de Vlaamse Raad het ontwerp van decreet tot wijziging van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten goedgekeurd (142 stemmen voor, geen tegen en drie onthoudingen). De Vlaamse regering bekrachtigde dit decreet op 22 februari. a een evaluatie van de beschermingsprocedures voor landschappen, wat resulteerde in het decreet van 14 juli 1993, bleek ook de procedure van het decreet tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, dat reeds uit 1976 dateert, aan een herziening toe. De beschermingsprocedures zijn immers zeer ingewikkeld en duren veelal onnodig lang. Termijnen van 5 jaar en langer waren in het verleden geen uitzondering.

Het begrip 'dorpsgezicht' Zowel door de Raad van State als in sommige rechtsliteratuur werd het begrip 'dorspgezicht' eng geïnterpreteerd zodat enkel dorpskernen in aanmerking kwamen voor een bescherming als dorpsgezicht. Nochtans liet de definitie van het begrip in Van Dale een ruimere interpretatie toe, die in de praktijk overigens vaak noodzakelijk bleek. De molinotoop van een watermolen, bijvoorbeeld, is vaak historisch verbonden met het monument en duidelijk méér dan een louter 'buffergebied' rond het monument. Ook het begrip 'landschap' zoals het nu gebruikt wordt, is niet aangewezen. Daarom heeft de decreetgever beslist de omschrijving van het begrip 'dorpsgezicht' aan te passen. De beschermingsprocedure De belangrijkste wijziging van het decreet is natuurlijk de beschermingsprocedure zelf. Deze wordt herleid van drie stappen (voorontwerp van lijst, ontwerp van lijst, definitieve bescherming) tot twee (ontwerp van lijst, definitieve bescherming). De gevolgde procedure is - op enkele details na identiek met deze voor de landschap-

pen zoals bepaald in het decreet van 14 juli 1993. Aan het voorontwerp van lijst waren verschillende nadelen verbonden: er waren geen rechtsgevolgen, tenzij een bijkomende ingewikkelde procedure werd gevolgd waarbij de rechtsgevolgen voor korte tijd van kracht werden. Hierdoor had het Gewest geen enkel verweermiddel om verminking van voor bescherming vatbare goederen te voorkomen. Anderzijds was er evenmin een tijdslimiet waarbinnen het ontwerp van lijst diende genomen te worden zodat een gebouw meerdere jaren op een voorontwerp van lijst kon staan vooraleer er een beslissing werd genomen om de procedure al dan niet verder te zetten. Overigens moesten eigenaars van onroerende goederen gelegen binnen stads- of dorpsgezichten niet persoonlijk betekend worden; dit gebeurde slechts na het ontwerp van lijst. Wel belangrijk was het openbaar onderzoek en de verschillende adviezen die na het voorontwerp van lijst werden ingewonnen. Door het nieuwe decreet zal de bevoegde minister onmiddellijk de voor bescherming vatbare onroerende goederen op een ontwerp van lijst plaatsen waarbij de rechtsgevolgen voor één jaar, mogelijk te verlengen met zes maanden, van kracht zullen zijn. Op deze wijze weet de eigenaar dat de overheid binnen de gestelde termijn een definitieve beslissing moet nemen, zoniet vervalt de beschermingsprocedure van rechtswege. Tevens is het onroerend goed voorlopig beschermd. Alle eigenaars worden nu

N N E N K R A N T


M&L

ii betekend en kunnen hun opmerkingen en bezwaren bij de administratie indienen. Bovendien organiseert de gemeente een openbaar onderzoek waarbij ook de omwonenden en huurders hun opmerkingen kunnen geven. In het vroegere decreet had de overheid weinig verweer wanneer een gemeente weigerde om een openbaar onderzoek te organiseren. Daarom is nu de mogelijkheid ingebouwd dat de provincie eventueel het openbaar onderzoek in de plaats van de gemeente kan organiseren. Verder wordt het advies ingewonnen van de gemeente, de provincie en bestuurlijke entiteit bevoegd voor de ruimtelijke ordening en de stedebouw. Het ontwerp van lijst wordt nog steeds bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Aangezien de publikatie van de voorontwerpen van lijst in de kranten geen enkele invloed op de procedure had en bovendien erg duur was, wordt dit afgeschaft. Nieuw in de procedure is eveneens de meldingsplicht bij een wijziging in de eigendomstoestand. De administratie beschikt slechts over de wettelijke middelen om de eigendomstoestand van een onroerend goed te kennen, namelijk door de verificatie bij het kadaster, de registratie der domeinen en het rijksregister. Deze instanties kunnen echter slechts een momentopname verschaffen van een toestand die permanent wijzigt. Zo telt het dorpsgezicht van de concessie te De Haan ongeveer 2000 eigenaars, vruchtgebruikers en erfpachthouders Daarom is het belangrijk dat ook de voormalige eigenaars en de instrumenterende ambtenaren de opdracht krijgen om gewijzigde informatie mee te delen zodat elkeen dezelfde rechten en plichten heeft. Nadat alle adviezen, opmerkingen en bezwaren zijn verzameld, zal de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, een adviesraad van deskundigen, haar advies over het ontwerp van lijst uitbrengen. Zoals voorheen wordt het definitieve beschermingsbesluit betekend en bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Ook bij definitief beschermde goederen zal de instrumenterende ambtenaar de gewijzigde eigendomstoestand aan de administratie meedelen. Politionele bevoegdheid Door de bijzondere wet van 8 augustus 1980, gewijzigd bij de bijzondere wet

van 16 juli 1993 kan aan ambtenaren van het Vlaamse Gewest politionele bevoegdheid toegekend worden. Deze mogelijkheid wordt nu voorzien door de toekenning van hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie zodat in de toekomst de procesverbalen van de bevoegde inspecteurs kracht van bewijs krijgen. Hierdoor zal in de toekomst efficiënter kunnen opgetreden worden tegen overtredingen. Overige aanpassingen Door het verdwijnen van het voorontwerp van lijst konden enkele bepalingen uit het decreet geschrapt worden. De registers van beschermde goederen bij het kadaster en de bewaarder der hypotheken, die overigens in onbruik zijn, worden afgeschaft. Inzage blijft mogelijk bij de administratie en de gemeenten. Sinds de inwerkingtreding van het decreet van 3 maart 1976 werd geen enkel monument onder de rechtstreekse bescherming van het Rijk geplaatst. Overigens werd op de begroting nooit een bedrag voor de instandhoudings-, onderhouds- en restauratiekosten van deze monumenten voorzien. Vandaar werd deze mogelijkheid geschrapt. Tenslotte werd een correctie aangebracht aan de strafbepalingen. Paul Van Lindt

DECREET VAN 22 FEBRUARI 1995 TOT WIJZIGING VAN HET DECREET VAN 3 MAART 1976 TOT BESCHERMING VAN MONUMENTEN EN STADSEN DORPSGEZICHTEN. Artikel 1 - Dit decreet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 39 van de Grondwet. Artikel 2 - Artikel 2,3°, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten wordt vervangen door de volgende tekst: "3° stads- of dorpsgezicht: - een groepering van één of meer monumenten en/of onroerende goederen met omgevende bestanddelen, zoals onder meer beplantingen, omheiningen, waterlopen, bruggen.

wegen, straten en pleinen, die vanwege haar artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieelarcheologische of andere sociaal-culturele waarde van algemeen belang is; - de directe, er onmiddellijk mee verbonden visuele omgeving van een monument, bepaald in 2° van dit artikel, die door haar beeldbepalend karakter de intrisieke waarde van het monument tot zijn recht doet komen dan wel door haar fysische eigenschappen de instandhouding en het onderhoud van het monument kan waarborgen"; Artikel 3 - Het opschrift van afdeling 1 van hoofdstuk IV van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten wordt vervangen door de volgende tekst: "AFDELING I. De ontwerpen van lijst van de voor bescherming vatbare monumenten en stads- en dorpsgezichten." Artikel 4 - Artikel 5 van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt: "Art. 5. § 1. De regering stelt de ontwerpen van lijst van voor bescherming vatbare monumenten en stads- en dorpsgezichten vast. Deze ontwerpen van lijst vermelden de erfdienstbaarheden die met het oog op de bescherming worden opgelegd. § 2. De ontwerpen van lijst worden: 1° bij ter post aangetekende brief ter advies voorgelegd aan de bestuurlijke entiteit bevoegd voor ruimtelijke ordening en stedebouw en aan de betrokken gemeente(n) en provincie(s). Deze adviezen worden binnen zestig dagen te rekenen vanaf de datum van de afgifte ter post uitgebracht, zoniet worden ze geacht gunstig te zijn; 2° bij de betrokken gemeentebesturen neergelegd voor het openen van een openbaar onderzoek en het opstellen van een proces-verbaal waarin de opmerkingen en bezwaren worden opgenomen. Bij voor bescherming vatbare stads- of dorpsgezichten wordt een bericht omtrent het openbaar onderzoek aangeplakt zoals aangeduid op het plan bij het ontwerp van lijst. Het openbaar onderzoek gaat in uiterlijk veertien dagen te rekenen vanaf de datum van de afgifte ter post van de betekening en duurt dertig dagen. Tijdens het

N N E N K R A N T


M&L

12 openbaar onderzoek ligt het ontwerp van lijst en het dossier dat een inhoudelijke beschrijving en evaluatie bevat, ter inzage bij de betrokken gemeente(n). Bij het verstrijken van de termijn wordt het openbaar onderzoek door de gemeente(n) afgesloten. Binnen vijftien dagen na het afsluiten zenden zij hun proces-verbaal over aan de betrokken buitendienst van de administratie. Bij ontstentenis van een binnen de voorgeschreven termijn geopend openbaar onderzoek kan de gouverneur van de betrokken provincie dit onderzoek organiseren. In dit geval gaat de termijn van het openbaar onderzoek in uiterlijk vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van afgifte ter post van het bericht dienaangaande vanwege de administratie en duurt dertig dagen. 3° bij ter post aangetekende brief betekend aan de eigenaars, erfpachthouders, opstalhouders en vruchtgebruikers zoals bekend bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen op de datum van het ontwerp van lijst. Zij kunnen hun opmerkingen en bezwaren indienen bij de respectieve buitendiensten van het Bestuur Monumenten en Landschappen binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van de afgifte ter post van de betekening. Gedurende deze termijn ligt het dossier ter inzage op de betrokken buitendienst van het Bestuur Monumenten en Landschappen. 4° bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. § 3. De personen die overeenkomstig § 2,3° in kennis werden gesteld van het ontwerp van lijst, geven bij ter post aangetekende brief kennis aan de huurders of de bewoners van het ontwerp van lijst dat hun betekend werd, binnen tien dagen te rekenen vanaf de datum van de afgifte ter post van de betekening op straffe van hoofdelijke aansprakelijkheid voor het herstel en de schadeloosstelling zoals bepaald in artikel 15 van dit decreet. In de betekening aan de in § 2, 3° bedoelde personen wordt deze verplichting vermeld.

§ 4. De personen die overeenkomstig § 2,3° in kennis werden gesteld van het ontwerp van lijst, geven bij ter post aangetekende brief kennis van de eventuele gewijzigde eigendomstoestand aan de bevoegde buitendienst van het Bestuur Monumenten en Landschappen, binnen tien dagen te rekenen vanaf de datum van de afgifte ter post van de betekening, op straffe van hoofdelijke aansprakelijkheid voor het herstel en de schadeloosstelling zoals bepaald in artikel 15 van dit decreet. In de betekening aan de in § 2,3° bedoelde personen wordt deze verplichting vermeld. De nieuwe eigenaars, erfpachthouders, opstalhouders en vruchtgebruikers worden op hun beurt betekend overeenkomstig § 2. § 5. De vergunningverlenende instanties en de gemachtigde ambtenaar van stedebouw zijn ertoe gehouden, binnen dertig dagen na ontvangst van de vergunningsaanvraag, advies in te winnen bij de regering of haar gemachtigde voor alle vergunningen die verleend worden overeenkomstig de wet- en decreetgeving inzake ruimtelijke ordening en stedebouw. Zij zijn daartoe gehouden, onverminderd de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud die door een besluit van de Vlaamse regering bepaald werden. De regering of haar gemachtigde brengt binnen dertig dagen advies uit. Dit advies is bindend voor zover het negatief is of voorwaarden oplegt. Bij ontstentenis van een binnen de voorgeschreven termijn overgezonden advies, wordt dit als gunstig beschouwd. § 6. Bij overdracht van een zakelijk recht van een op een ontwerp van lijst opgenomen monument, of van een in een stads- of dorpsgezicht gelegen onroerend goed, moet de instrumenterende ambtenaar verplicht vooraf een stedebouwkundig attest aanvragen en in de overdrachtsakte vermelden dat bedoeld onroerend goed opgenomen is op een ontwerp van lijst en deze overdracht meedelen aan de betrokken buitendienst van het Bestuur Monumenten en Landschappen. Bij het afgeven van bedoeld stedebouwkundig attest moet de in § 5 bedoelde procedure nageleefd worden. § 7. Vanaf de betekening van het ontwerp van lijst zijn op de in het besluit vermelde onroerende goederen gedurende een termijn van maximaal twaalf maanden al de uitwerkselen van de bescherming voorlopig van

toepassing. De termijn gaat in te rekenen vanaf de datum van de afgifte ter post van de in § 2,1° vermelde voorlegging. Voor de personen bedoeld in art. § 2, 3° zijn al de uitwerkselen van de bescherming voorlopig van toepassing vanaf hun betekening tot de datum waarop de eerder vermelde termijn afloopt. De rechtsgevolgen gelden voor elke andere natuurlijke of rechtspersoon vanaf de publikatie in het Belgisch Staatsblad tot de datum waarop de eerder vermelde termijn afloopt. Die termijn kan, bij gemotiveerde beslissing van de regering, éénmaal met ten hoogste zes maanden worden verlengd. § 8. De Regering kan, de Koninklijke Commissie gehoord, monumenten en stads- en dorpsgezichten van de ontwerpen van lijst schrappen." Artikel 5 - Artikel 6 van hetzelfde decreet wordt opgeheven. Artikel 6 - Artikel 7 van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt: "Art. 7. De regering, de Koninklijke Commissie gehoord, stelt het besluit tot definitieve bescherming van de op de ontwerp van lijst voorkomende monumenten en stads- en dorpsgezichten vast. Het besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het besluit vermeldt de algemene en eventueel specifieke voorschriften inzake instandhouding en onderhoud. De inschrijving op de ontwerpen van lijst vervalt van rechtswege indien de besluiten niet zijn genomen binnen de in artikel 5, § 7 bepaalde termijn." Artikel 7 - Artikel 8 van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt: "Art. 8. § 1. Het besluit houdende bescherming als monument en/of stads- of dorpsgezicht wordt betekend aan de eigenaars, erfpachthouders, opstalhouders en vruchtgebruikers zoals bekend bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen op de datum van het besluit. § 2. Het besluit tot bescherming van een stads- of dorpsgezicht bevat als bijlage een plan met de nauwkeurige aflijning van het beschermde gebied. Het vermeldt de bijzondere beperkingen die met het oog op de vrijwaring van de wezenlijke kenmerken van het beschermde monument, stads- of dorpsgezicht aan het eigendomsrecht worden gesteld.

B I N N E N K R A N T


13

§ 3. De personen die conform § 1 van dit artikel in kennis werden gesteld van het besluit, geven bij ter post aangetekende brief kennis aan de huurders of de bewoners van het besluit dat hun betekend werd, binnen tien dagen te rekenen vanaf de datum van de afgifte ter post van de betekening op straffe van hoofdelijke aansprakelijkheid voor het herstel en de schadeloosstelling zoals bepaald in artikel 15.

2° er wordt een 10bis ingevoegd, luidend als volgt: T b i s . De eigenaars, erfpachthouders, opstalhouders en vruchtgebruikers die verzuimen de overeenkomstig artikel 11, §1 bepaalde voorschriften na te leven;" 3° in 3° worden de woorden "overeenkomstig artikel 5, § 5" vervangen door "overeenkomstig artikel 5, §6";

§ 4. De personen die conform § 1 van dit artikel in kennis werden gesteld van het besluit, geven bij ter post aangetekende brief kennis van de eventuele gewijzigde eigendomstoestand aan de betrokken buitendienst van het Bestuur Monumenten en Landschappen, binnen tien dagen te rekenen vanaf de datum van de afgifte ter post van de betekening, op straffe van hoofdelijke aansprakelijkheid voor het herstel en de schadeloosstelling zoals bepaald in artikel 15."

Artikel 11 - De onder het stelsel van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten begonnen procedures tot bescherming als monument, stads- of dorpsgezicht worden voortgezet overeenkomstig bedoeld decreet. Artikel 12 - Dit decreet treedt in werking de dag dat het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Artikel 8 - In artikel 10, § 2 van hetzelfde decreet worden de woorden "het kadaster en de bewaarder der hypotheken" geschrapt. Artikel 9- In artikel 11 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht; 1° In § 2 eerste lid van hetzelfde decreet worden de woorden "het koninklijk besluit" vervangen door de woorden "een besluit van de Vlaamse Regering". 2° In § 5 worden tussen de woorden "voor bescherming vatbare" en "onroerende goederen" de woorden "en beschermde" ingevoegd en § 5 wordt aangevuld als volgt: De Vlaamse Regering wijst de gemachtigden aan die voor de toepassing van dit decreet de hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie hebben als haar bedigde ambtenaren. 3° § 6 wordt aangevuld als volgt: "De instrumenterende ambtenaar deelt deze overdracht mee aan de betrokken buitendienst van het Bestuur Monumenten en Landschappen. 4° § 7 wordt opgeheven. Artikel 10 - In Artikel 13 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in 1° worden de woorden "overeenkomstig artikel 5, § 4" vervangen door "overeenkomstig artikel 5, §5";

Buitenkfant TUINDAGEN VAN BEERVELDE 12, 13, 14 MEI 1995 Al zes jaar worden in het Park van Beervelde op het tweede weekend van mei en van oktober Tuindagen" georganiseerd. In een oogstrelende omgeving en in een hartelijke en ontspannen sfeer brengen 120 gespecialiseerde plantenkwekers, decorateurs en speciaalzaken het beste van wat zij te bieden hebben. Bij de laatste edities brachten zij meer dan 16.000 tuinliefhebbers op de been. Het park van Beervelde is met zijn 20 ha een juweel van parkarchitectuur en staat terecht op de monumentenlijst. Het werd in 1873 ontworpen door de vermaarde - uit Duitsland afkomstige - Belgische landschapsarchitect Louis Fuchs voor de graven de Kerchove de Denterghem, wier naam onverbrekelijk met de Gentse Floraliën verbonden is. In het ontwerp combineerde Fuchs de landschappelijke stijl met de klassiek geometrische stijl.

De bijgebouwen herbergen rondom een binnenkeer de voormalige modelboerderij. Een belangrijk facet van de tuindagen van Beervelde is de aandacht die de organisatoren schenken aan de presentatie van interessante, veelal door veranderende modes bedreigde, cultuurvariëteiten met historisch en horticultureel belang. Alleen al de permanente collectie historische harde Gentse azalea's in de woodland garden is een bezoek aan de tuindagen overwaard. Men moet geen chauvinist zijn om het tere kleurenpalet van deze kleinbloemige rassen te verkiezen boven de modernere, grootbloemige en felgekleurde Exbury- en Knaphill-hybriden. Enkel hier treft men alle cultuurvariëteiten aan: in de bloeitijd een buitenkans! Ik wil ook de aandacht vestigen op de stand van Janet & Derek James van de befaamde Vernon Geranium Nursery uW. Surrey (U.K.) met Regal Pelargoniums en tweekleurige Gold Leaf Pelargoniums. Hopelijk pakken zij ook uit met de fraaie driekleurige Ornamental Pelargoniums. Wie zou niet bezwijken voor de fraaie bladkleuren van 'Skies of Haly', lady Cullum' of 'Mrs H. Cox'? Naast andere stands verdienen ook Peter Bauwens van De nieuwe tuin en Guy Dirix van Be//e époque met niet minder dan 24 Basilicum-soorten en -variëteiten voor tuin en keuken een bijzondere vermelding. Neem ook de tijd voor een bezoek aan de kelders van het voormalig kasteel. De muurschilderingen van Roger Raveel en consoorten zullen er een totaal andere maar niet minder boeiende wereld voor u ontvouwen. De Tuindagen van Beervelde maken de actieve instandhouding van het

B I N N E N K R A N T


M8d Ezelpoort, Brugge

i4 park van Beervelde mogelijk. Zes jaar ervaring heeft geleerd dat het park niet noemenswaardig lijdt onder de toeloop. Een initiatief dus dat ook de steun en medewerking van de Afdeling Monumenten en Landschappen verdient. Herman Van den Bossche

Volksstraat 40 te Antwerpen, voorgevel voormalig liberaal volkshuis "Help U Zelve", nu Steinerschool na restauratie (5/1994) (foto W. Van Nueten)

Plaats: Park van Beervelde, afrit 11 op de autosnelweg Antwerpen-Gent. Data en openingsuren: vrijdag 12 mei van 13 tot 18 uur zaterdag 13 mei van 10 tot 18 uur zondag 14 mei van 10 tot 18 uur. Toegangsprijzen: 200,-fr. (gratis voor kinderen tot 14 jaar). Mogelijkheid tot middagmaal ter plaatse. inlichtingen: 09/355.55.40, Park van Beervelde, 9080 Beervelde.

EUROPA NOSTRA PRIJZEN Op 6 februari jongstleden maakte Europa Nostra/IBI de winaars bekend van de jaarlijkse Europa Nostra Awards voor restauratie en conservatie 1994, gesponserd door American Express Foundation. Drie Belgische projecten kregen diploma's toegekend: - Help U Zelve in Antwerpen, voor de nauwgezette en wetenschappelijk verantwoorde restauratie van de gevel van dit voormalig Liberale gemeenschapshuis, één van Antwerpens belangrijkste Art Nouveau-gebouwen; - de Ezelpoort in Brugge, voor de zorgvuldige restauratie en herstelling van dit middeleeuwse poortgebouw en de 17de-eeuwse toevoegingen, en de reconstructie van de ernaast gelegen bruggen. - HotelJanssens in Brussel voor 6e opmerkelijke renovatie van dit herenhuls, één van de meesterwerken van architect Paul Hankar, waarbij het oorspronkelijke opzet zoveel mogelijk In acht genomen Is. Help U Zelve, gebouwd In 1901 door de architecten Jan van Asperen en Emiel van Averbeke, omvatte een café, een feestzaal met foyer en een theater, een pakhuis met meelzolders en een industriële bakkerij. Na de

Tweede Wereldoorlog waren achtereenvolgens Bell Telephone en EBES In het pand gevestigd en momenteel de Rudolf Steiner school. De bestemmingswijzigingen brachten vanzelfsprekend verbouwingen met zich mee.

Desondanks bleef de gevel volkomen intact. Onderzoek, voorafgaand aan de restauratie, leverde genoeg onweerlegbare Informatie op om de gevel tot In de details In de oorspronkelijke staat terug te kunnen brengen.

B I N N E N K R A N T


M&L

15

De smeedijzeren elementen werden hersteld en weer in de oorspronkelijke kleur geschilderd, de glasmozaieken werden vervolledigd en het houtwerk, van tropisch Belinga, werd niet geschilderd maar met olie behandeld zoals dat aan het begin van de eeuw ook gebeurd was. De Eze/poort gebouw in 1369-1370 door Jan Slabbaerd, is een overblijfsel van de middeleeuwse vestingwerken van de stad Brugge. Aan het begin van de 17de eeuw verloor de poort haar functie als defensief bolwerk. Het bovenste gedeelte van de beide torens werd gesloopt en vervangen door achthoekige daken. Op de doorgang werd een verdieping gezet met een klokketorentje en aan de stadszijde werd een portiershuisje aangebouwd. Tussen 1897 en 1902 maakte stadsarchitect Charles de Wulf ambitieuze plannen om de toren in zijn oude vorm te herstellen. Er ontstonden hevige controversies tussen voor- en tegenstanders van zijn plan, dat in 1902 uiteindelijk door het stadsbestuur verworpen werd. Sindsdien werd de Ezelpoort aan haar lot overgelaten.

MONUMENTENWACHT EN HEMELWATER Naast toestandsrapporten van individuele gebouwen, wil Monumentenwacht ook ruimere informatie omtrent de instandhouding en het onderhoud van het bouwkundig erfgoed verspreiden. Hierbij richt de vereniging zich in eerste instantie tot de eigenaars of andere personen die bij het beheer van de gebouwen betrokken zijn, maar die niet noodzakelijk over een (bouw-)technische achtergrond beschikken. Voor hen heeft Monumentenwacht Vlaanderen eind 1994 drie studienamiddagen georganiseerd rond de thematiek vergaring en afvoer van hemelwater aan historische waardevolle gebouwen. Tegelijk werd hierover een informatieve brochure gepubliceerd. Vertrekkend van een terreinverkenning te Gent, schetst de brochure een kort overzicht van de verschillende goot- en afvoertypes in hun historische

evolutie. De eenvoudigste oplossing was de "vrije val' van de dakrand, in de stad al dan niet opgevangen in smalle steegjes tussen de woningen ("oosendrojf)! Een dakoverstek moest de gevels droog houden. Naast natuursteen en hout duikt reeds in de middeleeuwen lood op als (bekledings-)materiaal voor goten. Toch was het pas vanaf de 16de eeuw dat de goot een vast onderdeel van het (stedelijk) gebouw werd. Ook de afvoersystemen evolueerden: van spuwers bovenaan de goot naar afvoerbuizen die het water tot het maaiveld konden leiden. Vanaf de 17de eeuw werden ook sporen van koperen goten teruggevonden, maar tot het einde van de 18de eeuw was vooral blik gegeerd als - goedkoop maar werkelijk minder duurzaam alternatief voor het lood. Naast gietijzer deed vanaf de 19de eeuw vooral zink zijn intrede, tesamen met een toenemende industrialisering van de produktie en standaardisering van de produkten. Het tweede deel staat kort stil bij een aantal principes voor een goed ontwerp en gedegen uitvoering van goten en afvoeren, plus de onvermijdelijke problemen wanneer zij niet nageleefd worden. Het water wordt aan de dakrand verzameld en louter met behulp van de zwaartekracht afgevoerd. Dit betekent dat kanalen met voldoende afmetingen en de correcte helling voorzien moeten worden. Zij dienen ook een logisch circuit te vormen dat ergens naartoe afwatert. Verder wordt best steeds rekening gehouden met de mogelijkheid van een gecontroleerde overloop (bijvoorbeeld na een stortbui of bij verstopping...).

MONUMENTEN trerdienen onze ZORG

Hemelwaterafvoer

tie of verwerking. Ook zware vervuiling - een resultaat van gebrekkig onderhoud - speelt hierbij een niet te verwaarlozen rol. In het laatste deel van de tekst wordt teruggekoppeld naar de specifieke situatie van de monumenten en wordt het belang van regelmatig onderhoud - met als conditio sine qua non een veilige bereikbaarheid - nogmaals onderstreept.

Goten en afvoeren hebben vaak grote lengtes. Bovendien worden zij in het buitenklimaat blootgesteld aan grote (en soms plotse!) temperatuurverschillen. Zij zullen dan ook aanzienlijk uitzetten en krimpen. Het ganse systeem moet daarom zó ontworpen en uitgevoerd worden dat een vrije beweging mogelijk blijft, zoniet zullen scheuren ontstaan.

De brochure Monumenten verdienen onze Zorg - Hemelwaterafvoe (24 blz., kleurenillustratie) is verkrijgbaar bij; Monumentenwacht Vlaanderen Brederodestraat 21 -1000 Brusse Tel. 02/549.02.79 Fax. 02/512.00.35 Kostprijs: 50,-fr. (leden Monumentenwacht) respectievelijk 100,-fr. (niet-leden), exclusief verzendings kosten.

Het technische luik wordt afgerond met een beknopt overzicht van het belang van een correcte materiaalkeuze. Zo zijn alle metalen min of meer aan corrosie onderhevig. Dit proces kan evenwel sterk versneld worden door een verkeerde combina-

B I N N E N K R A N T

HHHHHI


M&L CITAAT

"Movable cultural heritage are movable things that become cultural heritage from the moment they are stolen". Roerend cultureel erfgoed zijn roerende dingen die cultureel erfgoed worden van zodra ze worden gestolen.

John Butler, Detective Chief Inspector, Art and Antique Unit, Metropolitan Police, New Scotland Yard (Door de redactie opgetekend tijdens de International Working Meeting on the Situation of Movable Heritage in Central and Eastern European Countries, Raad van Europa, Praag, 10 november 1993)


M&L

Groot Salon, 19cle-eeuws opgelegd vertind deursluitwerk (Stad Brugge. Fotografische Dienst)

33

vloer in natuursteentegels en de paneeldeuren zijn nog authentiek 18de-eeuws. De wanden zijn tot op borstweringshoogte bekleed met witte faïencetegels, met een plint met zogenaamde schildpadtegels. Na wegname van het valse plafond kwam een mooie eikehouten zoldering met moer- en kinderbalken aan het licht. Deze balklaag werd gerestaureerd en zichtbaar gelaten. De brede haard met geprofileerde houten schouwbalk was bij het installeren van de centrale verwarming in het begin van de jaren 1960 dichtgemetseld om er de nieuwe schoorsteenpijp in te verbergen. Aangezien het niet nodig was om deze pijp te vervangen en er ook geen redelijk alternatief was voor de verplaatsing ervan, werd de haard dicht gelaten. Om dit grote vlak minder opvallend te maken werd de nieuwe keukeninstallatie centraal tegen de haard aangebouwd als een hedendaagse variant op de 'Leuvense stoof'. Naast de keuken, in de restruimte achter de ronding van de achterwand van het trappenhuis, bevindt zich een schotelhuis, van waaruit men het reeds vermelde doorgeefluik van het tweede ontvangstsalon in de straatvleugel kon bedienen. Voedingswaren konden discreet worden aangebracht langs de dienstingang in het Winterstraatje en vonden langs hier hun weg naar de ruime kelders. De benedensalons in de tuinvleugel De vertrekken van de tuinvleugel zijn op beide verdiepingen van de straatvleugel gescheiden door een kleine vestibule met de diensttrap, een toilet en in- en uitgangen naar het Winterstraatje en de binnenplaats. Deze vestibule is eveneens in witmarmeren tegels met zwarte afboording bevloerd (21). Zowel beneden als boven is een lange dienstgang langs de zijde van het Winterstraatje gesitueerd, met telkens toegangen tot de verschillende vertrekken. Deze circulatieruimten lieten het huispersoneel toe zijn taken te vervullen zonder heer noch vrouw des huizes te storen - een nieuwigheid bij de 18deeeuwse woonsteden - wellicht ontstaan tijdens de bouwcampagne van Charles Custis. Op de benedenverdieping van deze tuinvleugel vormen een groot salon en twee kleinere vertrekken een enfilade, aan de koerzijde verbonden door dubbele paneeldeuren. Oorspronkelijk waren er eveneens dubbele deuropeningen aan de gangzijde. Deze werden later met planken gedicht en zijn als dusdanig achter de wandbekleding bewaard. Zonlicht valt er weelderig binnen. Hier waren bij voorkeur de dagverblijven van de bewoners: het appartement de société. De aankleding is deels 18de-eeuws (fraai plafondlijstwerk in het eerste

salon), deels 19de-eeuws (marmeren schouwen in Empire- en Louis Philippestijl). Alle wanden hebben een geschilderde houten plintlambrizering met paneelwerk. De eerste twee salons zijn daarenboven afgewerkt met textielbespanningen boven de lambrizering. Eén van deze salons, tot op heden is niet te achterhalen het welke, was aanvankelijk bekleed met corduaans leder, dat Louis Ryelandt liet vervangen door Oudenaards tapijtwerk uit het einde van de 17de eeuw. De vijf wandtapijten werden in 1919 verkocht en verscheept naar de Verenigde Staten (22). De vloeren bestaan uit brede grenehouten vloerplanken gebouwd op een evenwijdige balklaag boven een kleine kruipruimte. De vloerplanken van het derde salon zijn met zichtbare pennen op de balken getapt, mogelijks nog een authentieke ISde-eeuwse vloerconstructie. De restauratie in deze vleugel beperkte zich tot het herschilderen van het houtwerk en het vernieuwen van de wandbespanningen. Langs de muren werden


34

Detailopmeting van de plattegrond van het boudoir, met intekening van de verhoudingen volgens de gulden snede (tekening Groep Planning)

IV1&L

0 0-1

X

O

enkele vloerplanken uitgehaald om de onderliggende balkconstructie na te zien, en waar nodig te verstevigen en/of te vervangen. De bovenverdieping Zoals gebruikelijk bij herenhuizen zijn de kamers hier minder rijk aangekleed: si Ie rez-de-chaussée a sa beauté, I 'étage a ses commodités. Enkele vertrekken bieden nog een gaaf beeld van de 18de- en 19de-eeuwse wooncultuur. Groene slaapkamer, 18de-eeuwse geelkoperen deurknop

•• Het boudoir na restauratie, 1995 (toto 0. Pauwels)

Aan de straatzijde, één verdieping boven de diensttoegang naar het Winterstraatje gesitueerd, bevindt zich een ovaalvormig boudoir in Lodewijk XV-stijl, met een kamerhoge geschilderde lambrizering, waarin echte en illusoire muurkasten en een kleine haard met paddestoelvormige opening passen (23). De vensteropening, uitgevend op de Oude Burg, is nog ingevuld met een authentiek 18de-eeuws dubbel opendraaiend vleugelraam met vaste middenstijl. Beide raamvleugels, afgehangen aan knieren, worden gesloten door middel van centraal op de stijl geplaatste ijzeren wervels. Het venster is aan de binnenzijde beluikt. De vloer bestaat uit brede grene-

0,5

lm

houten planken, rechtstreeks gebouwd op de onderliggende moer- en kinderbalklaag. Het plafond is vlak gepleisterd en afgewerkt met een eenvoudige, uit de hand getrokken randprofilering. Na opmeting bleek dat de kleine badkamer ten zuiden van het boudoir letterlijk op te vatten is als een restruimte: de lengte van het boudoir is immers bepaald als de gulden snedeverhouding van haar breedte. Het herstelwerk in deze ruimte beperkte zich tot het invoegen van houten veren in enkele gekrompen


I


36

Trompe-rceilschildering in de achterste verdiepingskamer van de tuinvleugel, na restauratie, 1995 (foto 0 . Pauwels)

•• In de achterste verdiepingskamer van de tuinvleugel werd de beschildering van de schouwboezem vrijgemaakt. De deur naar de voormalige kapel heeft een trompel'oeilschildering met afbeelding van Sint-Pieter, 1995 (foto 0. Pauwels)

M&L

panelen van de wandbetimmering en de lokale herstelling van een door vocht aangetast plafondgedeelte rechts van de schouw. Zoals in het groot salon werd hier eveneens geopteerd om geen voorzetraam achter het buitenschrijnwerk te plaatsen. De lambrizering kreeg opnieuw een grijsblauwe afwerking, gereconstrueerd op basis van de onderliggende verflagen. In de straatvleugel die Louis Ryelandt in 1842 liet verbouwen, bevinden zich op de verdieping drie ruime slaapkamers met een sobere aankleding. Deze die in verbinding staat met het kleine boudoir heeft een alkoof. De twee overige kamers, met tussenin een smalle garderobe, vormden in enfilade een afzonderlijk appartement. Bij de recente aanpassingswerken werden de middelste kamer en de garderobe samengevoegd. De groene slaapkamer bevindt zich aan de tuinzijde, net boven het groot salon. Deze ruime kamer, waar drie ramen zicht geven op tuin en tuinpaviljoen, is volledig bekleed met een groen geschilderde houten wandbetimmering, waarin drie deuren, de alkoof, de gemarmerde houten schouw en bergkasten zijn ingepast; alles sober 18de-eeuws met enkele rococotoetsen bij de schouwmantel en de alkoofomlijsting. De alkoof is geflankeerd door twee met deuren afgesloten kamertjes; het ene was bestemd als cabinet d'aisance, het andere als garderobe. Het plafond bestaat uit een bepleisterde moer- en kinderbalklaag, versierd met sober uit de hand getrokken lijstwerk. In de kastruimte aan de westzijde is nog een 15deeeuwse figuratieve kalkzandstenen console onder een moerbalk. Met uitzondering van de stabiliteitsverbetering van de balklagen (die we verder bespreken), bleven de ingrepen beperkt tot het plaatselijk herstellen van de betimmering en van het schrijnwerk. De vrij brede IBde-eeuwse deurbladen, gemiddeld 1,24 m breed, waren onder hun eigen gewicht volledig uitgezakt. De restauratie ervan bestond uit het uitslaan van de toognagels, het herstellen en consolideren van de vergaringen na demontage, en het hersamenstellen van de deuren met nieuwe toognagels. In functie van de bruikbaarheid van de ruimte werden de twee kamertjes naast de alkoof omgebouwd tot toegangen vanuit de centrale gang. De alkoof heeft haar oorspronkelijke bestemming verloren, maar bleef toch bewaard. De binnenwanden ervan kregen een trompe-l'cEilbeschildering, geïnspireerd op het paneelwerk van de kamer. Op de bovenverdieping van de tuinvleugel waren vier slaapkamers ingericht. Doorlopend plafondlijstwerk toonde aan dat de drie eerste kamers aanvanke-

lijk één groot vertrek vormden. Vermoedelijk heeft Charles Custis in 1746 of kort erna hier zijn bibliotheek en rariteitenkabinet ondergebracht. De hoge en brede wanden boden hiertoe voldoende mogelijkheden. Wellicht in 1842 werd de voormalige bibliotheek opgedeeld in een appartement, met net als in de straatvleugel twee kamers met tussenliggende garderobe in enfilade. De tussenwanden werden verwijderd en het plafondlijstwerk in Lodewijk XIV-stijl hersteld. De evenwijdige balklaag waarop de vloeren gebouwd waren, werd verstevigd door tussenplaatsing van stalen liggers, die nieuwe vloerplaten in multiplex dragen. Dit liet toe om deze vloeren aan de huidige belastingsnormen aan te passen zonder de plafonds van de onderliggende salons te beschadigen.


De groene slaapkamer na restauratie, 1995 (foto 0. Pauwels)

De laatste kamer aan de tuinzijde zorgde tijdens de restauratiewerken voor enkele verrassingen. Op de penantmuur tussen de vensters werd een trompe-Foeilschildering ontdekt: een in vrij donkere tonaliteiten uitgevoerde gemarmerde rondboognis, getooid met een festoen. Sporen laten vermoeden dat onderaan de geschilderde nis een console was aangebracht om een (religieus?) beeld te dragen. Stilistisch lijkt het geheel, verwant met de Lodewijk XVI-stijl, geschilderd op het einde van de 18de eeuw of in het begin van de 19de eeuw. De muurschildering werd zorgzaam vrijgemaakt, de lacunes werden bijgewerkt. De beschildering van de schouwboezem met sober stuclijstwerk werd eveneens met geduld vrijgemaakt. Een verrassend kleurenspel kwam tevoorschijn.


38

Detail van de 15de-eeuwse sporenkap, 1992 (Stad Brugge, Fotografische Dienst)

M&L

De oorspronkelijke kleurstelling bestond uit een blauwgrijze vlakbeschildering met rode lijsten, onderling gescheiden door witte randen. Op een later tijdstip werd de schouwboezem olijfgroen herschilderd, waarbij het lijstwerk een roodbruine kleur kreeg. Deze laatste beschildering werd geretoucheerd, waarbij werd toegezien dat de doorheen de bovenste beschildering zichtbare onderliggende blauw/ rood/ witte kleuren niet zouden worden verborgen. De houten schouwmantel werd in een passende steunkleur gezet. Bij het wegnemen van de bekleding van een deur die naar het aanpalende vertrek leidt kwam aan de zijde van dit laatste een andere trompe-l'oeilschildering vrij: een beeld van Sint-Pieter in grisaille, geplaatst op een voetstuk vóór een met gemarmerde blokken versierde nis. De betekenis van deze beschilderingen wordt duidelijker als men dit aanpalende vertrek betreedt: een smalle rechthoekige ruimte verlicht door drie spitsboogvensters in de zijmuur aan het Winterstraatje. De vensters, verborgen achter een jutebespanning, werden bij het vooronderzoek in 1991 vrijgemaakt. Het zijn zeldzame vroege specimens van het 'neogotisme'. Ze hebben zeer kleurige glas-in-loodvullingen, elk met centraal een geschilderd medaillon met alliantiewapens van de families RyelandtCobrysse -1552 (noordelijk venster), de BrouckereCanneel - 1589 (middenvenster), en de BrouckereKerchof - 1659 (zuidelijk venster). Hier bevond zich kennelijk de huiskapel. Het is niet duidelijk wanneer deze ruimte werd ingericht; door kanunnik Charles de Schietere of door de Zusters van Liefde die er in de jaren 1820-1830 woonden? Hoogstwaarschijnlijk was het Louis Ryelandt, die het huis na 1842 bewoonde, die de medaillons met wapenschilden liet aanbrengen. Kelders en zolders Ondanks de grondige verbouwingen in 1842 van het gedeelte palend aan de Oude Burg en de vroegere uitbreidingen en transformaties in de 18de eeuw, is de kern van het laat-middeleeuwse gebouw in de kelders en op de zolders nog goed afleesbaar. Het gebouw was een diephuis, door een evenwijdig met de straat lopende dwarsmuur in twee vleugels gedeeld. Deze muur liep buitendaks door, en was afgewerkt met onregelmatig gebouwde geveltrappen. Tegen deze dwarsmuur was de monumentale haard van het achterste huisgedeelte gebouwd. De schouw ervan bestaat nog gedeeltelijk op de zolderverdieping. Enkel het tweede gedeelte is nog onderkelderd: vermoedelijk werd de kelder in het voorhuis

gedempt bij de verbouwing in 1842. De kelder van dit achterste huisgedeelte is ingedeeld door twee tongewelven die centraal ondersteund worden door een middenmuur, opengewerkt door segmentbogen op zuilen, heden slechts aan één zijde zichtbaar wegens de latere invulling van de boogopeningen. De schachten van deze zuilen bestaan uit een combinatie van witte steen met (hergebruikte?) Doomikse steen. Aan de onnatuurlijke aanzet van de gewelven en aan het baksteenmetselwerk is duidelijk af te lezen dat de gewelven later ingebouwd werden; de oorspronkelijke overspanning van deze kelder bestond hoogstwaarschijnlijk uit een balklaag. Het voorhuis werd ook op de begane grond en de verdieping danig getransformeerd. Enkel bij het wegnemen van de wandbespanning in het grote ontvangstsalon aan de straatzijde kwamen sporen vrij van de straatgevel en de zijmuren van het laatmiddeleeuwse diephuis: baksteenmetselwerk met grote moefen, enkele gemuurde lampnissen en fragmentaire beschilderingen in baksteenimitatie. De oorspronkelijke indeling in vier traveeën van de straatgevel is verborgen achter de wandbespanningen aan de binnenzijde. De draagvloeren van het achterhuis zijn bewaard: balklagen van telkens drie vakken, eikehouten moer- en kinderbalken, op de begane grond afgewerkt met spreidsel. Om de pleisterplafonds van het


M&L

39

Het koetshuis vóór restauratie, 1991 (Stad Brugge, Fotografische Dienst)

huis met de schermgevel in minstens twee bouwcampagnes tot stand kwam. Bij de restauratiewerken werden de dakgebinten maximaal behouden en hersteld. Dit gebeurde eveneens in de 18de-eeuwse tuinvleugel en de andere vleugels. Vermelden we nog dat alle daken werden geïsoleerd en gedekt met hergebruikte golfpannen (24), wat aan het dakenspel een bijzondere charme geeft.

groot salon en de daarboven gesitueerde groene slaapkamer te kunnen behouden, dienden beide vloerconstructies langs de bovenzijde vrijgemaakt en versterkt. Deze versterking gebeurde, zowel in de groene kamer als op de erboven gelegen zolder, door het polymeerchemisch verlijmen van staalplaten op de bovenzijde van de moerbalken, een methode die toeliet om de vloeren te consolideren zonder wijziging van de vloeropbouwhoogte. De eikehouten dakkap van het laat-middeleeuwse huis bleef grotendeels bewaard: dubbele schaargebinten dragen de gordingen die de door hanebalken verbonden keperparen schoren. De hanebalken zijn voorzien van telmerken. De kap van het achterste huisgedeelte lijkt een oudere constructie te zijn dan deze van aan de straatzijde: in het achterste huisgedeelte werden de windschoren op een later ogenblik tussen de schaargebinten en de gordingen ingebouwd, terwijl deze aan de straatvleugel van meetaf aan in spanten en gordingen ingekaveld werden. Hieruit zou men kunnen afleiden dat het voormalige

Het tuinpaviljoen gezien vanuit de tuinvleugel van het hoofdgebouw, toestand voor de werken (foto 0. Pauwels)

Bijgebouwen Het koetshuis Tegenover de tuinvleugel, aan de westzijde van de gekasseide binnenplaats, bevindt zich het koetshuis, palend aan het vroegere Raamstraatje; twee bouwlagen hoog onder een schilddak. Met de sobere classicistische pleistergevels oogt het 19de-eeuws, wellicht het resultaat van de verbouwing in 1842, maar bezit echter een oudere kern. In de kopgevel steekt de koetspoort precies in de as van de doorrit. Ze is geflankeerd door twee kleine deurtjes die toegang geven tot een kleine bergruimte voor koetsgerei en een toilet voor de koetsier. De langsgevel telt zes traveeën. Net als bij de straatgevel is de benedenbouw voorzien van imitatievoegen. De dorpels en de geprofileerde omlijstingen van de rondboogvormige bovenvensters worden over de gevel doorgetrokken. Het interieur is uitzonderlijk goed bewaard. Op de gelijkvloerse verdieping zit aan de noordzijde de koetsberging, in het midden een wasplaats en aan de zuidzijde de paardestal met twee boxen, inclusief de wand- en vloerbekleding, alsook de ruiven. De eerste verdieping bevat een beperkte woongelegenheid met alkoof, waarnaast een hooizolder. De kwartronde uitbouw aan de tuinzijde, onder een leien mansardedak, is 18de-eeuws. In deze uitbouw zit de spiltrap naar de verdieping, waaronder de alkoof van de koetsier. Onder de gelijkvloerse verdieping is de overwelfde mestvaalt bewaard. Via een opklappende traptrede kon de paardemest in de vaalt geschoven worden. Deze vaalt kon op haar beurt via een met houten hek afgesloten opening in de brandstraat leeggemaakt worden. Het tuinpaviljoen Op het einde van de tuin staat de zogenaamde orangerie de Halleux, gebouwd op de reioever. De naamgeving is onjuist: het is geen tuingebouw waar 's winters oranjebomen en andere uitheemse gewassen werden verzorgd, maar een lusthuis met verfijnde salonversieringen, waar ontvangsten werden gehouden. Het bakstenen eenlaagsgebouw is afgedekt met een leien mansardekap. De gepleisterde lijstgevel aan de waterkant, zichtbaar vanaf de Dijver en een markant


40

De tuin gezien vanuit de groene slaapkamer, 1995 (foto 0. Pauwels)

M&L

element in het stadsbeeld, is opengewerkt door zeven rondboogvensters. Deze zijn gescheiden door vlakke pilasters, voorzien van spiegels die een subtiel licht- en schaduwspel creëren. Acht arduinen vazen bekronen de kroonlijst en versterken het ritme van de klassieke gevelordonnantie. De tuingevel van het paviljoen biedt een totaal ander architectuurbeeld. Een uitspringend ingangsgebouwtje onder koepelvormig leiendak heeft een pleisterwerkgevel met stucversieringen in Lodewijk XVI-stijl: een ode aan de tuinkunst (25). Wie goed toekijkt, merkt dat dit gebouwtje schuin is ingeplant tegen het hoofdgebouw. Dit is opzettelijk gedaan om vanuit het groot salon in het woonhuis een optisch perfect symmetrisch beeld te verkrijgen. De overige gevels aan de tuinzijde zijn in eenvoudig geschilderd metselwerk. Vermoedelijk waren ze voorzien om te laten begroeien of om hoge potplanten tegen te plaatsen, om zodoende een groen scherm te creëren waaruit het wit ingangsgebouwtje als het ware naar voren springt. Het interieur is bijzonder smaakvol: een hal met stucwerk in rococostijl en twee salons in Lodewijk

XVI-stijl. Aan de decoratie is goed zichtbaar dat het grote salon oorspronkelijk uit twee ruimten bestond. De twee oostelijke traveeën hebben streng lijstwerk, in bijna perfecte symmetrie met het lijstwerk van het kleine salon aan de westzijde; de drie volgende traveeën hebben meer versierd lijstwerk in vakken met halfrondlopende bovenzijde. Het bouwjaar van dit tuinpaviljoen is niet gekend. Het is niet uitgesloten dat het in twee bouwfasen tot stand kwam, te situeren in de tweede helft van de 18de eeuw. Vermoedelijk was de bouwheer CharlesAlbert de Schietere, heer van Caprijke, schepen en burgemeester van Brugge. Hij verwierf in 1768 dit eigendom, net in een periode dat in Brugge de architectuur evolueerde van een gematigde rococo naar een strenger classicisme. De buitenaanleg De binnenplaats, gelegen tussen de achtergevel van de doorrit, het koetshuis en de tuinvleugel, is verhard met onregelmatige kasseien. Natuurlijke veroudering en slijtage van de stenen - een amalgaam van porfierkasseien en natuursteen afkomstig van afbraakmateriaal - bezorgen dit plein een unieke uitstraling. Tijdens de werken werd deze verharding zorgvuldig beschermd door een zandlaag en bekleed met waterbestendige multiplexplaten. Daarnaast werd er angstvallig op gewaakt dat doorgangen voor technische uitrustingen onder de verharding tot een minimum beperkt zouden blijven. Na het beëindigen van de werken werd de bescherming weggenomen en de verharding waar nodig hersteld. Dit bleef beperkt tot het wegwerken van een tweetal storende verzakkingen en het dichten van één rioleringssleuf. De tuin, gelegen tussen de gekasseide binnenplaats en het tuinpaviljoen, was het restant van een 19deeeuwse romantische aanleg, opgevat als een centraal grasperk, omzoomd door een ovaal rondlopend pad, waarrond middelhoge en hoge begroeiing. Door veroudering van de aanplantingen was ze volledig uit proportie gegroeid, waardoor de zo belangrijke schakel tussen herenhuis en tuinpaviljoen was verloren gegaan. Er werd geopteerd voor een formele tuinaanleg in 18de-eeuwse stijl, met op de as tussen het groot salon en het inkomgebouw van het tuinpaviljoen een centrale parterre in rococostijl. Het rechthoekige perk, bedekt met dolomietsteenslag, heeft een fraai geometrisch patroon van traaggroeiende haagjes (Buxus sempervirens suffruticosa), geflankeerd door twee loofgangen van hagebeuk {Carpinus betulus), die het perspectief benadrukken. Het uitzicht op het


M&L

41

inkomgebouw van het tuinpaviljoen wordt bijkomend beklemtoond door het aanplanten van klimhortensia's {Hydrangia petiolaris) tegen de zijgevels van dit paviljoen. De symmetrie van de tuinaanleg blijft bewust verstoord door het behoud van een oude esdoora {Acer platanoïdes), die het storende volume van een belendend gebouw aan het zicht onttrekt. De oude brandstraatmuren, die de tuin een apart cachet geven, werden zo beperkt mogelijk hersteld. Speciale aandacht werd geschonken aan het zo gaaf mogelijk bewaren van de specifieke muurflora. De brandstraten aan beide zijden van het perceel waren nog hoofdzakelijk voorzien van hun oude, onregelmatige kasseiverhardingen. Waar nodig werden deze aangevuld en hersteld met identieke kasseien. Na plaatselijke herstelling van de zijmuren en revalorisatie van de toegangspoortjes hebben ze opnieuw hun oorspronkelijke uitstraling, een zeldzame ingreep die dit over het algemeen stiefmoederlijk behandeld patrimonium toch wel verdient.

HET HUIS DEVADDER De panden Oude Burg 23 en 25 waren ooit één eigendom, behorend tot het Hof van Watervliet (26). Het huis werd in een latere periode afzonderlijk verkocht en tijdens de 19de eeuw in twee afzonderlijke woonhuizen opgedeeld. Tijdens de verbouwingswerken van het totale complex werden deze panden gemakshalve huis Devadder genoemd, naar de laatste bewoner van het huis Oude Burg 23. Na een vooronderzoek, uitgevoerd door de Stedelijke Dienst voor Monumentenzorg, bleek dat dit eerder banale complex meer historische bouwelementen bevatte dan werd vermoed (27).

Tuingevel van het 15de-eeuwse achterhuis Oude Burg 23-25,1995 (foto 0. Pauwels)

Beschrijving Het geheel bestaat uit verschillende gebouwen. Aan de straat ligt het voorhuis, een drie bouwlagen tellend breedhuis met een vijf traveeën brede straatgevel. Daarachter, gescheiden door een stelselmatig dichtgebouwde tussenzone, ligt een tweede breedhuis, twee bouwlagen onder een zadeldak. De oudst gekende afbeelding van dit huis is een gevelopstand, gedateerd uit 1772, bewaard in het Brugse Stadsarchief (28). Het huis wordt afgebeeld als. een vier traveeën brede gevel, twee bouwlagen hoog, onder een half schilddak. De brandstraat ten oosten van het huis is afgesloten door een rechthoekige poortopening in een één verdieping hoge muur. In vergelijking met dit plan omvatten later uitgevoerde verbouwingen het verhogen van de gevel met één bouwlaag en het uitbreiden van het gebouw boven de brandstraat.

Het voorhuis Het merkwaardigste element van de straatgevel is de kroonlijst. Deze is opgebouwd boven een geprofileerde gevelbeëindiging, samengesteld uit natuursteenblokken. Op de zolderverdieping is deze lijst aan de binnenzijde zichtbaar. Ze lijkt gemetseld met zeer onregelmatige blokken kalkzandsteen, ongetwijfeld hergebruikmateriaal van oudere constructies, waaronder een stenen spiltrap. Deze lijst loopt door over de gevel van het Hof van Watervliet (29). Enkele vensters van de gevels uitgevend op de gedeeltelijk dichtgebouwde binnenkoer hebben smeedijzeren traliewerk, alle bestaand uit hergebruikte staven. Eén van deze tralies is een merkwaardig geheel, bestaande uit acht spijlen met basementen, op halve hoogte geleed door een dubbel vlechtwerk. In het vlechtwerk zitten tussen de spijlen negen spitsboogjes die aan de bovenzijde afgewerkt zijn als klavermotieven (30). Het voorhuis bevatte inwendig geen noemenswaardige historische architectuurelementen. Alle onderdelen waren door de stelselmatige verbouwingen verplaatst en/of aangepast. Bij de afbraak kon wel vermoed worden dat het huis ooit een rijke afwerking had gekend: de moerbalksleutels op de gelijkvloerse verdieping waren versierd met mooie renaissanceprofileringen. Het achterhuis De best bewaarde gevel van het achterhuis is de zijgevel in de brandstraat. Ter hoogte van de zolderverdieping, onder het bovendakse rookkanaal, steekt een restant van een rondboogfries. Eén volledige rondboog en twee boogfragmenten bleven bewaard, alsook een kraagsteen met gebeeldhouwd kopje. Na het aftikken van de cementering op de tuingevel kwamen sporen van de 15de-eeuwse gevel aan het licht. De oorspronkelijke vensteropeningen hadden


42

Binnenzicht met de museaal opgestelde middeleeuwse tralie, 1995 (foto 0. Pauwels)

M&L

kalkzandstenen monelen, dorpels en lateien. De vensters van de gelijkvloerse verdieping waren bovenaan afgewerkt met halfronde, verdiepte blindnissen. Het achterhuis is volledig onderkelderd. Deze half ondergronds gelegen kelder is overkluisd met een bakstenen tongewelf met kruin in langse richting. De eerste verdieping en de zolderverdieping worden gedragen door moer- en kinderbalklagen die het huis in vier vakken van onregelmatige breedte indelen. Het dakgebint bestaat uit een sporenkap zonder nokbalk, waaronder in een latere fase twee schaargebinten ingebouwd werden. Elk sporenpaar heeft onder de nok een met telmerken voorziene hanebalk. Op halve hoogte van de sporen wijzen kavelingen op een verdwenen tweede hanebalk. De vierentwintig sporenparen zijn van oost naar west getelmerkt tot 28, wijzend op een latere verbouwing van de dakstructuur. De twee schaarspanten werden later ingebracht. Hun spantbenen staan onbevestigd op de ondergelegen moerbalk, en zijn op hoogte gebracht door tussenplaatsing van bakstenen. Aan elke dakzijde werd één gording ingebouwd, met de uiteinden vrij opgelegd op in de bakstenen topgevels gemetselde consoles. In de aanbouw tegen de binnengevel van het achterhuis werd een 17de-eeuws gewelf ontdekt. Van dit gewelf bleef anderhalf vak bewaard. Elk vak bestaat uit een kruisgraatgewelf, gebouwd op gordelbogen. De graten zijn geaccentueerd en versierd met gepleisterde lusvormige motieven. Beide vakken zijn van elkaar gescheiden door een onversierde gordelboog, waarvan de consoles uitgehakt waren. Boven dit gewelf werd onder de latere vloerafwerking een vloer in rood geglazuurde baksteentegels teruggevonden. De nieuwbouwvleugel Het was de bedoeling van de bouwheer om hier een aantal functies zoals de thuiszorgwinkel en haar aanverwante dienst- en stapelplaatsen onder te brengen. Het inpassen van deze diensten kon immers niet binnen de muren van het huis de Halleux gebeuren, zonder dit patrimonium onherroepelijk aan te tasten. In deze nieuwbouwvleugel kon ook worden voorzien in een supplementaire vertikale circulatiezone voor het volledige complex. Essentieel bleef het bestaande gabariet ongewijzigd, het huis Devadder werd in haar drieledigheid gerespecteerd. De straatvleugel werd heropgebouwd, waarbij het volume van het oorspronkelijke gebouw werd hernomen. De kroonlijst werd op haar initiële hoogte gereconstrueerd met de oorspronkelijke kalkzandsteenblokken.

Om haar te behoeden voor verdere verwering werd de middeleeuwse tralie - toch wel het meest waardevolle bouwelement van het voorhuis - museaal opgesteld in de nieuwe traphal. De tussenzone wordt nu als centrale circulatiezone, afgesloten door koepeldaken, waarvan de grote lichtkoepel boven de centrale traphal de meest monumentale is. De tuinvleugel en de 17de-eeuwse gewelven werden nauwgezet gerestaureerd. Het overbouwde gedeelte van de brandstraat werd zowel in plan als in opstand in de architectuur geprononceerd. De aansluiting met het huis de Halleux werd op de eerste verdieping verwezenlijkt, boven de koetsendoorrit. Het achterste gedeelte ervan, voorbij de 19de-eeuwse straatvleugel, was slechts overbouwd met een tweetal lage lessenaarsdaken, waarin geen voor het gebouw dienstige ruimten gelegen waren. Op deze plaats werd de grote hal met de centrale lift gebouwd, de meest rechtstreekse verbindingsschakel tussen het huis Devadder en het huis de Halleux. De lift zorgt voor een bijkomende vertikale verbinding van alle niveaus van het huis de Halleux, van kelder tot zolder. Waar deze op de gelijkvloerse ver-


M&L

43

(2)

(3)

(4)

(5)

(6) Perspectieftekening in de centrale trapruimte van de meuwbouwvleugel Oude Burg 23-25 (tekening Groep Planning)

dieping zo subtiel mogelijk diende ingepast te worden in een dienstvertrek langs de koetsendoorrit, kreeg ze vanaf de eerste verdieping vrij spel in de architectuur van de nieuwgebouwde vleugel. Haar inplanting buiten het volume van het huis de Halleux maakte het zolderniveau toegankelijk zonder noemenswaardige aantasting van de 15de-eeuwse dakstructuur - slechts enkele dakkepers werden ingekort ten behoeve van de lifttoegang. Daarenboven kon de bovendakse liftschacht creatief ingepast worden met een hedendaags rond torenvolume in zwarte klompjes; de enige langs buiten zichtbare getuige van de ingrijpende verbouwingen aan het huis de Halleux.

EINDNOTEN (1)

Stadsbestuur Brugge, Dienst voor Monumentenzorg en Stadsvernieuwing, rapport Een huis in de rij - een kasteel in de stad, 1991, opgesteld door Brigitte Beemaert en Jan Esther.

Groep Planning is een vennootschap van stedebouwkundigen, verkeerskundigen, architecten en ingenieurs te Brugge en Brussel, o.l.v. W. Desimpelaere, arch.; B. Deconinck, arch.; P. Lievevrouw, arch, en J. Hoste, b.b.ir. Medewerkers aan deze studie waren Ph. Cardinael. arch.-vennoot; B. Delaey, arch.; P. De Buyere, arch.; P. Garmijn, arch.; D. Van Schuylenbergh; R. Declercq; W. Cuyle; F. De Buyere en J. Francois. Over Pieter Lanchals zie BOONE M.. Lanchals, Pieter, in Nationaal Biografisch Woordenboek, dl. 13. Brussel. 1990, kol. 471-480.' De eerste auteur die dit neerschreef was Charles-Francois Custis, die in het midden van de 18de eeuw het huis bewoonde. Hij schreef in zijn in handschrift bewaard werk Mémoires pour servir a la description generale de la ville de Bruges, tome premier contenant la description des edifices publics et autres... (Gent. Rijksuniversiteit. Handschriftenkabinet, HS 461 fol. 123); "La maison de Lanchals, il est apparent que cette maison située dans la ruë nominee oudenbourg, a coté de la maison de wateniiet, alt eté autrefois une maison nationale: mais a quelle maison elle alt appartenüe c 'est ce que je ne saurois ajfinner. je trouve cependant qu 'autrefois elle fut habitée par I 'ecoutet lanchals, lorsqu'ilfut decapité". Naast deze notitie tekende hij de straatgevels. Historicus Daniël Lievois ondernam eind 1991 in verscheidene archieffondsen een onderzoek naar het huizenbezit van Pieter Lanchals (inzonderheid het Stadsarchief Gent, Fonds Lanchals, de Ladeuse, de Kerckhove en aanverwante families, nrs. 1428, 1441, 1446; Rijksarchief Gent, Fonds Piers de Raveschoot, nrs. 219-220). Een uitvoerige beschrijving komt voor in de stukken betreffende een betwisting tussen zijn erfgenamen in 1491. Het groot stenen huis met de "ghecalsydeplaetse ligghende worde poorte {..) daer wylen twee huusen up stonden" was echter gelegen aan de sHeer Gillis Dorpstraat, wellicht op de plaats waar later, op het einde van de 16de eeuw, een deel van het kartuizerinnenklooster tot stand kwam. Het paalde aan de Merseniersstraat, het huidige oosterlijke deel van de Kartuizerinnenstraat, dat uitkomt in de Oude Burg. Steeds wordt "mijns heeren shofmeestes Imuse ende wuenste gesitueerd in sheergillisdobslraele", nooit aan de Oude Burg. Met bijzondere dank aan Daniël Lievois voor deze mededelingen. Pieter de Bul de Oude. hoofdman van Brugge in 1415 en 1419, overleed in 1449. Zijn zoon Jan was eveneens hoofdman in 1420, 1424, 1429 en werd in 1448 hosteller van de hertog van Bourgondië. Diens zoon Jan, eveneens hosteller van de hertog, was gehuwd met Claire de Baenst, dochter van de kamerheer van de Bourgondische hertog Jan de Baenst en van Margareta de Fevere, die in het herenhuis ernaast, het Hof van Sint-Joris woonden. Over de familie de Bul zie onder meer DE BEHAULT DE DORNON A.. Bruges séjourd'exil des mis d'Angleterre Eduard IV (1471) et Charles II (1656-1658), Brugge, 1931,

p. 18e.v. (7)

Achtereenvolgens de familie de Baenst, de Heer van Maldeghem, Alvijn van Viven. Joos van Hecke, Willem van Rokeghem, Jakob van Rokeghem, Alexander Roelandts, de familie van Peenen, de familie Boddens, o.a. Coenraad Boddens. heer van Strazeele en burgemeester en schepen van het Brugse Vrije, Maximiliaan Spanooghe en de familie de Cridts. Stadsarchief Brugge, register der Zestendelen, O.-L.-Vrouwzestendeel, dl. 8, fol. 1662 e.v. Deze verwijzing hebben we vriendelijk te danken aan de werkgroep huizengeschiedenis, actief binnen de vzw Levend Archief van het Brugse Stadsarchief, die momenteel de geschiedenis van dit pand verder onderzoekt. (8) Charles-Francois Custis, heer van Calvoorde en Everghem. studeerde rechten aan de Leuvense universiteit, was advokaat bij de Raad van Vlaanderen (1725), redenaar van het Proostse (1726). gouverneur van de Bogardenschool (1728). raadsman van Brugge (1731-1744), schepen (1735-1751?), commissaris van de fortificatiewerken (1741) en proost van de Edele Confrerie van het Heilig Bloed (1745). Als historiograaf publiceerde hij de Jaer-hoecken der Stad Brugge, 1738(1), 1765(2), en schreef meerdere historische werken die in handschrift bewaard bleven. Zie: GA1LLIARD J.. Bruges et Ie Franc, dl. 4, Brussel, 1873, kol. 592-596.


44

M&L

(9)

Brugge. Stadsarchief, O.-L.-Vrouwzestendeel. dl. 10. fol. 2191. Ook vermeld in BEERNAERT B. en ESTHER J.-P.. Stad Brugge. I8de-eeuwse architectuur in de binnenstad, brochure Open Monumentendag 15 september 1991. nr. 11. (10) Charles-Albert de Schietere de Caprijke de Maelstaeple. in 1753 gehuwd met Marie-Jeanne de Cridts (1736-1813). was raadsheer (1743). schepen (1749) en burgemeester (1789. 1790) van Brugge, proost van de Edele Confrerie van het Heilig Bloed (1779). gouverneur van de Potterie (1790). voogd van het Sint-Janshospitaal (1790-1798). voorzitter van de Burgerlijke Godshuizen (1797) en voorzitter van de Jointe van de Academie voor Schone Kunsten. Volgens de Contributie van 1794 en de Lijst van gedwongen lening van het jaar IV (1796) behoorde hij tot de meest gefortuneerde inwoners van de stad. Het echtpaar had vijf kinderen: Philippe. Ange-Albert gehuwd met Marie-Elise Veranneman. Marie gehuwd met Jean-Baptiste Coppieters. Colette gehuwd met Louis van den Bogaerde. en Kannunnik Charles. Zie o.m.: GAILLIARD J.. a.w.. dl. 3. 1859. p. 327-333: BOUSSY W.. De gegoede stand te Brugge op het einde van de XVIIldc eeuw (1793-1804). Rijksuniversiteit Gent. Letteren en Wijsbegeerte. Groep Geschiedenis, onuitgegeven licentiaatsverhandeling. 1962-1963. dl. 3. nr. 978. (11) Louis Antoine Ryelandt. zoon van Jacques Ryelandt. deken van het ambacht van de tingieters, huwde Isabella Canned, dochter van Sebastiaen Canneel. directeur van het krankzinnigengesticht Sint-Juliaan aan de Boe\ eriestraat. Na het overlijden van zijn schoonvader in 1821 volgde hij hem op als directeur, nadat hij reeds vijfjaar aan deze instelling was verbonden. Hij behield deze functie tot in 1841. Zie COPPIETERS DE TER ZAELE E.. Histoire professionnelle el sociale de la familie Coppieters 1550-1965. in Tahlettes des Flandres. Receuil 8. Brugge. 1968. dl. II. p. 384-385; GELDHOF. J.. Pelgrims, dulle lieden en vondelingen ie Brugge. 1275-1975. Zeven eeuwen geschiedenis van hel Sint-Jtiliaansgcislhuis en van de Psychiatrische Kliniek O.-L-Vrouw Ie Brugge-Sinl-Michiels. Brugge, 1975. p. 224-227 (met afbeelding van zijn geschilderd portret). (12) COPPIETERS DE TER ZAELE E., a.w.. p. 382-383. Hij was lid van proost van de Edele Confrerie van het Heilig Bloed en lid van de kerkfabriek van de Sint-Salvatorskathedraal. Bisschop Pieter de Brabandere werd op 31 maart 1895 ten huize de Halleux uitgenodigd om te tafelen, werd er onwel en overleed er schielijk. (13) Brugge. Stadsarchief, bouwaanvragen 1842, nr. 28. Bestaande toestand: pen op papier, schaal 1/100, 28 x 32 cm; ontwerp: potlood op papier, schaal 1/100. 24 x 28.5 cm. (14) Louis Minard (1801-1875) dong in 1827 in Amsterdam mee aan de Prijs van Rome. Daarna werd hij leraar bouwkunde aan de Koninklijke Academie in Den Haag. Hij vestigde zich na 1830 als architect in Gent, waar hij een bijzonder vruchtbare loopbaan uitbouwde. Voor zover bekend heeft hij geen andere ontwerpen gemaakt voor Brugge. Mogelijk heeft de uit SintNiklaas afkomstige echtgenote \an Louis Ryelandt of haar familie een rol gespeeld bij zijn mogelijke aanstelling tot architect van deze verbouwing. Ons medegedeeld door drs. Jean van Cleven. Het ontwerp sluit volledig aan bij het internationaal (neoclassicisme, dat ook in Brugge in de eerste helft van de 19de eeuw algemeen werd toegepast. Het is ook niet uitgesloten dat JeanBrunon Rudd (1792-1870). die als stadsarchitect het architectuurgebeuren in de stad sterk heeft beïnvloed, de auteur is van het ontwerp. (15) DEVLIEGHER L.. De huizen te Brugge. Kunstpatrimonium van West-VIaanderen, dl. 2-3, Tielt-Amsterdam. 1968(1). p. 246-247, afb. 485, ibid. 1975(2). p. 266-267. fig. 387, afb. 635. (16) Deze restauratie, die als een eerste fase in 1992-1993 werd uitgevoerd, wordt besproken in Behoedzaam omgaan. Monumentenzorg in Brugge 1988/1993. Brugge, 1994, p. 85-88. (17) Kruisramen met rondstaafprofielen zijn in Gent kenmerkend voor de eerste helft van de 18de eeuw. De eenvoudige kubus op het snijpunt komt er nog voor in het derde kwart van de eeuw. Zie Vensiers. Zeven eeuwen techniek en esthetiek. Gent. Dienst Monumentenzorg en Stadsvernieuwing. 1993. p. 73 e.v.

(18) Op de benedenverdieping waren de opendraaiende raamvleugels telkens onderverdeeld in 10 x 5 rechthoekige ruiten, de bovenlichten waren onderverdeeld in 7 x 5 rechthoekige ruiten. Elke horizontale loodvatting kwam overeen met een aan de binnenzijde van het schrijnwerk geplaatste bindroede. Vermeldenswaard is dat tijdens de werken de ruitjes werden teruggevonden in een houten kist in het koetshuis. (19) Over de 18de-eeuwse wooncultuur zie o.m. VAN CLEVEN J.. Lejusle milieu: L'arl de la distribution, in Een remarquahel amhellissement. Gentse woonculluur in Mozarls lijd. Gent. 1991, p. 50-57. (20) Het is bekend dat enkele rijke stadswoningen uit de late middeleeuwen een dergelijke interieurafwerking hadden. In Brugge is baksteenimitatie op binnenmuren aangetroffen in het huis Casselbergh, Hoogstraat 6 (gedateerd einde 14de eeuw) en in het huis de Patience. Spinolarei 2 (einde 14de of 15de eeuw). Zie BUYLE M. en BERGMANS A.. Middeleeuwse muurschilderingen in Vlaanderen. Bestuur Monumenten en Landschappen. Cahier 2. Brussel, p. 39-40,60. (21) Bij de werken aan de sanitaire installatie werd de vloer in het toilet tijdelijk uitgehaald. De achterzijde van een witte tegel was in potlood gedateerd 1842 en gesigneerd Heyndrickx. De tegel werd na de werken op zijn plaats herlegd na bijkomende ondertekening en datering door de vloerder. (22) COPPIETERS DE TER ZAELE. E., a.w.. p. 334. Foto's van deze wandtapijten worden bewaard in het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium te Brussel onder de inventarisnummers 187955 t.e.m. 187959. De negatieven werden door professor Em. Coppieters vóór 1920 aan deze instelling geschonken. (23) Het werd pas voor het eerst vermeld door STROOBANTS J.. Brugse I8de-eeuwse wandbetimmeringen en lamhrizeringen in miniatuur, in Monumenten en Landschappen, jg. 10 extra nummer Open Monumentendag 1991. p. 31. (24) In totaal werd voor het ganse gebouwenbestand een dakoppervlakte van 1.107 nr herlegd in hergebruikdakpannen. (25) Zie DEVLIEGHER L. a.w. (zie voetnoot 15); HUYS M., DELEPIERE A.-M.. Speelse luister in Brugse tuinen, in Monumenten en Landschappen, jg. 10. extra nummer Open Monumentendag 1991, p. 29,en BEERNAERT B. en ESTHER J.-P.. a.w., 1991. nr. 11. (26) Over het Hof van Watervliet zie VANDENBERGHE St.. red.. Hel hof van Watervliet in de Oude Burg Ie Brugge. Brugge. 1983. (27) Zie voetnoot I. (28) Brugge. Stadsarchief. Oude plannen van huizen, nr. 189. Het huis is niet afgebeeld op de stadsplattegrond van Marcus Gerards uit 1562. Aldaar is onmiddellijk ten westen van het Hof van Watervliet de brandstraat met het huis Oude Burg 21 getekend. (29) Het is waarschijnlijk onder andere deze lijst die aanleiding gaf tot het maken van de bewaarde geveltekening uit 1772: Op de tekening staat volgende vermelding: "... Versoekende Zijn beraedl om de gotlike werken op dese goesle Ie vollrecken of de selve leennemael te weiren". Stadsarchief Brugge, aangehaald plan. Zie ook BEERNAERT B., Architectuur en architectuurtekeningen te Brugge, van bouwvoorschrift lol opgelegd bouwplan, in Architectuurtekeningen uil de historische sleden van België, s i . s.d.. p. 56. 59. (30) Over deze tralie, zie DEVLIEGHER L. a.w,, 1975(2). p. 267; DEVLIEGHER L. en GOOSSENS M.. Vensters in WestVlaanderen. Tielt-Bussum. 1980. afb. 42; DELAEY B.. De I5de-eeuwse tralie uit het huis Oude Burg 25 Ie Brugge, ter perse.

Jan Esther is kunsthistoricus bij de Stedelijke Dienst voor Monumentenzorg en Stadsvernieuwing te Brugge Benoït Delaey is architect, medewerker bij Groep Planning


M&L

45

GEOCONSERVATIE PATRIC JACOBS

Pingo (fossiele ijslens) in de afzettingen van de Nygaard gletsjer (Centraal Noorwegen)

Regelmatig worden professionele en

en de bescherming van onze belang-

amateur-geologen of natuurliefhebbers

rijkste reden van bestaan zo weinig

geconfronteerd met groeven opgevuld

hebben gedaan: zonder de Aarde en

met afbraakmateriaal, typesecties

de kennis van haar samenstelling en

bedekt met beton, geomorfologisch

evolutie, zullen we het raadsel van het

belangrijke landschappen verdronken

ontstaan van het leven en van het

onder waterreservoirs ten gevolge van

heelal niet oplossen. Meer nog: onze

afdamming, of grotten verwoest door

menselijke activiteiten groeiden uit tot

mineraal- of fossieljagers. Dit leidt tot

een bedreiging voor onze toekomst en

onbegrip of ergernis, maar ook tot het

deze van de planeet waarop wij leven.

besef dat we eigenlijk voor het behoud


46

M&L

D

'e publikatie in 1972 van The limits to Growth A Report for the Club of Rome Project on The Predicament of Mankind (1) het Rapport van de Club van Rome over de grenzen aan de groei) was een eerste waarschuwing dat het 'Systeem Aarde' eindig is en zijn wijzigingen irreversibel zijn. Het onderstreept dat het verschijnen van de Mens hier minder succesvol is en waarschijnlijk van voorbijgaande aard. Maar tezamen met de bewustwording rond globale klimaatsveranderingen, woestijnvorming, het ozongat en de bescherming van Antarctica, groeide het idee dat uiteindelijk ook iets moest gedaan worden om deze planeet zelf te redden, door het probleem "ten gronde" aan te pakken: de bescherming van haar samenstelling, opbouw en evolutie.

DEFINITIE Geoconservatie houdt zich bezig met het behoud van landschapsvormen, van natuurlijke en kunstmatige ontsluitingen van gesteenten, en van plaatsen waar actieve geologische processen kunnen bestudeerd worden. Het landschap en zijn geologische onderbouw verschaffen het essentieel kader waarop alle conservatiethema's zijn gebaseerd, en houdt rekening met kritische verschijnselen zoals topografie, microklimaat, waterhuishouding en bodemtype. Natuurlijke verschijnselen zijn een vitaal onderdeel van de werelderfenis, en conservatie van de meest waardevolle geo-verschijnselen binnen die erfenis verzekert dat toekomstige generaties door opvoeding en onderzoek kunnen blijven leren over de geologische geschiedenis van de planeet en over hun onmiddellijke omgeving, en dat het grote publiek van de schoonheid van natuurlijke fysische verschijnselen kan blijven genieten. Zeebodem uit het Jura (185 miljoen jaar oud) met talrijke ammonieten en informatiebord te Isnards nabij Digne in de 'Réserve Géologique de Haute-Provence' (Frankrijk)

Geoconservatie toont waarom en hoe sites dienen beschermd te worden. Het verschaft basisinformatie over mineralen, fossielen, gesteenten, veldwerk, geologische processen en geologische geschiedenis, de noodzaak aan conservatie, de belangrijkste types van sites, bedreigingen die erop rusten en hoe deze kunnen ondervangen worden, conservatiemethodes, netwerken van sites en voorziet hoe de publieke belangstelling kan vergroot worden. Een breder, meer fundamenteel zicht op geoconservatie houdt rekening met duurzame ontwikkeling, landschaps- en sitebescherming, plaatselijke initiatieven, publieke belangstelling, internationale bescherming. Het onderstreept de plicht om zorg te dragen voor de geologische bronnen, bij te dragen

tot de bescherming van het leefmilieu en de verbetering van de kwaliteit van het leven. In dit opzicht richt geoconservatie zich op geologen, geografen, natuurbeschermers, plannenmakers en beheerders van landgebruik, en leden van de minerale grondstoffen-, groeven- en afvalstoffenindustrie.

BELANG Stilaan is geoconservatie aan het uitgroeien tot een aparte discipline in geologie en fysische geografie. Het redden van de basisgegevens voor het terreinwerk zoals groeven, weg- en spoorweginsnijdingen en ontsluitingen, zal in de toekomst van essentieel belang worden. Aan amateur-geologen en natuurbeschermers toont het de middelen om de geschiedenis van onze planeet te verstaan en de manier waarop geologen haar bestuderen. Geoconservatie verschaft geologen de mogelijkheid om aan de buitenwereld hun 'fragmentaire' stukjes primaire informatie (hardware) te tonen, hun studie-methoden (software) en hun resultaten. In deze zin speelt geoconservatie een belangrijke rol in de opvoeding, omdat het geologie zal promoten als een volwaardige wetenschap. In tegenstelling tot het middelbaar onderwijs in het Verenigd Koninkrijk (2), wordt geologie in de meeste landen jammer genoeg nog steeds beschouwd als een subdiscipline van (fysische) geografie. Meer algemeen gesteld zal geoconservatie de maatschappij confronteren met de geschiedenis van haar fysisch milieu, wat misschien kan leiden tot publieke bewustwording. Uiteindelijk zou het kunnen uitmon-


M&L

47

Ondoordachte kunstbescherming met steenslag (Zuid-Engeland) veroorzaakt op nabijgelegen stranden, ongewenste zandafzetting of verhoogde kustafslag.

ties met hoge kostprijs en laag rendement om het inkomen uit toerisme van lokale gemeenschappen te beschermen. Zandopspuitingen op het strand brengen niet noodzakelijk het natuurlijke proces van kusterosie tot stilstand; zij kunnen echter wel onverwachte neveneffecten creëren door een versnelling van de verzanding op andere plaatsen.

den in een gevoel van trots - zoals het voorbeeld van de 'Ammonietenlaag' van Isnards nabij Digne in het geologisch park van de Haute-Provence (Frankrijk) aantoont - waarbij het beschermde voorwerp beschouwd wordt als een onderdeel van het natuurlijk patrimonium, als tegenhanger van het artistiek of cultureel patrimonium (3). Mensen aktief op het vlak van de ruimtelijke inrichting in de meest brede zin van het woord zouden moeten bewust zijn van de geologische en geomorfologische waarde van de landschappen waarmee zij te maken hebben. Ondanks de schoonheid van een landschap en het daaruit volgend toeristisch en economisch belang, dient bijvoorbeeld het inplanten van campings en recreatie-mogelijkheden in de overstromingsvlakte van rivieren verboden te worden. Het landschap met zijn actieve processen dient beheerd te worden in overeenstemming met zijn natuurlijke evolutie op lange termijn. Kust- en strandbescherming en bouwingrepen kunnen een nog groter spanningsveld (of zelfs conflictsituaties) veroorzaken met geoconservatie. Lokale toeristische infrastructuur met de daaruit volgende economische en politieke belangen dwingt autoriteiten en hun administraties soms tot interven-

Zonder twijfel hebben de activiteiten van de grondstoffenindustrie een onmiddellijke repercussie op de geoconservatie. Zo verschaft de extractie-industrie basisinformatie voor de studie van de aardkorst, maar is de (zelfs internationale) wetenschappelijke waarde van (delen van) een groeve, meestal van geen belang voor de aandeelhouders van de vennootschappen, in het licht van de eventuele financiële gevolgen van een bescherming. De sector is overtuigd dat zelfs minimalistische conservatie haar toekomstige ontwikkeling zou belemmeren en financiële verliezen zou veroorzaken. In de Engelse benadering van dit probleem wordt bij conservatie van vitale delen van een groeve technische hulp geboden, tezamen met financiële compensatie voor de eventuele verliezen (4). In Zwitserland dient de extractie-industrie haar grondstoffenreserves voor de volgende tien jaren te bewijzen in verhouding tot haar produktieritme, een milieueffectenrapport op te stellen en een gedetailleerd ontwikkelingsplan voor de groeve met inbegrip van de herinrichting van de site neer te leggen alvorens zij een vergunning bekomt. Tevens is bepaald dat een taks per ton ontgonnen ruwe grondstof dient betaald te worden aan een 'Stichting voor Grondstoffen en Landschap' met het doel belangrijke sites te bewaren, cursussen van voortdurende vorming te organiseren, voorlichtingsdiensten aan te bieden, onderzoek in de geologie van het Kwartair te ondersteunen en bijvoorbeeld een 'Documentatie- en Ontmoetingscentrum voor Kwartaire Aardwetenschappen' op te richten in het dorp Jaberg (5). Beide voorbeelden tonen aan dat geoconservatie onderdeel is geworden van een economisch en financieel debat, in het bijzonder in het domein van de grondstoffenpolitiek, waar vragen rond duurzame ontwikkeling worden gesteld. In het spoor van het toenemend belang van de natuurbescherming, mag verwacht worden dat de extractie-industrie met de bedoeling om te overleven, in de toekomst vrijwillig zal kiezen voor een meer welwillende houding ten opzichte van geoconservatie. Enkel een overlegmodel (en niet een conflictmodel) kan haar de voortzetting van haar activiteiten garanderen, zij het in licht gewijzigde en meer milieuvriendelijke vorm.


48

M&L

Chesil Beach (Zuid -Engeland) is een uit keien bestaande landtong die een klein eiland verbindt met het Engelse Vasteland' en tengevolge van extensieve ontginning herhaaldelijk dreigde door te breken

Natuurbeschermers zijn natuurlijke bondgenoten in geoconservatie. Sommige amateur-geologen zijn betere mineralogen of paleontologen dan universitair getrainde academici. Maar enkele van de minder scrupuleuse verzamelaars ontwikkelden zich tot echte fossiel- en mineraaljagers die goed hun brood verdienen met de handel van exotische en dure geologische voorwerpen en er niet voor terugschrikken

gevaarlijke en goed uitgeruste expedities te organiseren. In een kalksteengrot in Spanje werden uit de zolder en de vloer met pneumatische hamers waardevolle stalagmieten en stalactieten verwijderd over een oppervlakte van meer dan 100 nr in één nacht tijd. Midden 1991 werd in Zuid-Australië met een speciale vrachtwagen een gesteentefragment van meer dan 1 ton met een Charniodiscus arboreus


M&L

49

(een kwalachtig 600 miljoen jaar oud fossiel) verwijderd uit een afgelegen openluchtmuseum in de woestijn van het Flinders Range National Park. Rekening houdend met het sinds de Franse Revolutie zorgvuldig gecultiveerd begrip van 'nationaal patrimonium', is het gemakkelijk te verstaan dat Franse collega's pleiten voor een totaal verbod op fossielen mineraalverzamelen, omdat zij dit beschouwen als een openlijk vergrijp of een schending van de wet die het nationaal patrimonium beschermt, dat gerechtelijk dient vervolgd en zwaar gestraft te worden (6).

STRATEGIE In de praktijk zijn er op dit ogenblik twee complementaire benaderingen van geoconservatie. De meer statische 'bescherming' beschouwt ontsluitingen of belangrijke landschapsvormen als monumenten, waarvan de intrinsieke waarde en het karakter onveranderd moeten bewaard blijven. Toegepast in zijn meest extreme vorm, houdt dit principe in dat zelfs het gebruik van een hamer voor wetenschappelijke doeleinden in een beschermde site zou dienen verboden te worden.

Gedenkplaat te Ludford Corner (Wales) waar tijdens vorige eeuw door Murchison de grens werd gelegd van twee grote geologische tijdvakken die thans nog worden gebruikt.

Gedurende de laatste jaren heeft deze initiële benadering zich ontwikkeld tot een dynamische visie die bescherming combineert met beheer. Op deze manier is het mogelijk om actieve geologische processen en de natuurlijke evolutie van landschapsvormen in rekening te brengen. Welke benadering de beste is, is moeilijk te zeggen en hangt grotendeels af van lokale voorwaarden zoals wetten, administatieve structuren, begrip bij het groot publiek, financiële en politieke ondersteuning. Beide zijn waardevol en hebben hun voordelen en nadelen, maar in elk geval is conservatie een uitdrukking van een holistische benadering, die meer in overeenstemming is met de huidige manier van denken in de geologie in het bijzonder en in de wetenschap in het algemeen.

MIDDELEN De meeste landen voorzien wettelijke bescherming van hun cultureel en archeologisch patrimonium en van belangrijke monumenten en sites, waaronder gebouwen en bijzondere landschappen worden gerekend. De laatste 20 jaar leidde het leefmilieubewustzijn tot de bescherming van fauna en flora, en tot de oprichting van natuurreservaten of parken. De spectaculaire Grand Canyon in Arizona is hiervan misschien het best gekende voorbeeld. Maar ook

in dit gebied kon een verschuiving van het vroegere statische beschermings-idee naar het meer dynamische conservatie-idee worden opgemerkt. Tot op vandaag werd voor geoconservatie geen systematisch gebruik gemaakt van de wettelijk voorziene mogelijkheden. In Vlaanderen werd recent voor het eerst een site - een verlaten grindgroeve in het kwartair terras van de rivier Maas (dit volume) beschermd om uitsluitend geologische redenen. Het is de enige verlaten groeve op openbaar domein waar de wand de opbouw en de vormingsgeschiedenis van het terras toont, permanent voor wetenschappelijke studie en educatie toegankelijk is, en internationaal gekend is. Een interessant aanknopingspunt hierbij lijkt de Franse benadering. De creatie van 8 geologische parken met een totale oppervlakte van ongeveer 200.000 ha beslaat ongeveer alle belangrijke stratigrafische intervals van de geologische schaal en omvat sites, gesteenteformaties en fossielen van uitzonderlijke waarde (7). De betrokkenheid van de politieke autoriteiten en administraties op verschillende niveaus is hiervoor een noodzakelijke voorwaarde. Officiële ondersteuning door het ter beschikking stellen van personeel en geld is essentieel, maar geen automatisch gevolg van de bescherming of van de beheermogelijkheden voorzien in de wet.


M&L

Administraties kunnen een belangrijke rol spelen in de promotie van geoconservatie door het stimuleren van private initiatieven, waardoor een solide en wijdverspreide basis voor geoconservatie wordt gelegd. In het Verenigd Koninkrijk werden nationale belangrijke aardwetenschappelijke 'Sites van Uitzonderlijk Wetenschappelijk Belang (SSSI)- opgericht door English Nature (het regeringsorgaan voor natuurconservatie), ondersteund door een netwerk van 'Regionaal Belangrijke Geologische en Geomorfologische Sites (RIGS)', die tegemoetkomen aan de lokale noden en steunen op de betrokkenheid van de lokale bevolking op basis van de graafschappen (8). Deze RIGS-groepen kunnen eigenaars en beleidsmakers wijzen op het belang van lokale sites en gegevens verstrekken om bescherming mogelijk te maken. Zij kunnen contact opnemen met landeigenaars om aangepast beheer van de site aan te moedigen en (met de toelating van de eigenaar) verbeteringen aan de sites aanbrengen om hun opvoedingswaarde te ontwikkelen. Tenslotte kan de RIGS-groep de lokale betrokkenheid in geoconservatie aanmoedigen, en bezoekers van de site begrippen van goed gebruik bijbrengen. Het wekt verwondering dat niet alle Europese Geologische Diensten geoconservatie als één van hun essentiële taken hebben weerhouden, alhoewel ze kunnen beschouwd worden als diensten bij uitstek hiervoor. Regelmatig geconfronteerd met conservatieproblemen, beschikken zij over getraind personeel en het noodzakelijke budget om structurele antwoorden te verschaffen op de gestelde vragen. Om een aangepast antwoord op de problemen van sites onder bedreiging te verschaffen, is een wetenschappelijk verantwoorde oplossing te verkiezen boven een emotionele reactie. Dit houdt een coherente strategie voor geoconservatie in, die liefst de instemming van alle betrokken partijen geniet. In 1990 publiceerde Nature Conservancy Council hierover een opmerkelijk werkstuk: Earth science conservation in Great Britain - A Strategyc (9), waarin de rationele grondbeginselen en strategie werden uiteengezet. Fundamenten voor geoconservatie, verantwoording voor de bescherming van sites, conservatie-organisaties, selectie van sites en daaropvolgende conservatie werden besproken, tezamen met SSSI, RIGS, conservatietechnieken, documentatie over sites, en het stimuleren van publieke belangstelling en internationale bindingen. Wetenschappelijk denken is van uitzonderlijk belang in geoconservatie omdat enkel rationele argumenten overtuigend klinken. Publikaties over geoconservatie dienen aangemoedigd te worden: voorbeelden zoals

de uitstekend gedocumenteerde Earth Heritage (10) reeks uitgegeven door English Nature, of het wat meer populaire Franse Strates (II) verspreiden de ideeën van geoconservatie en verhogen de publieke betrokkenheid. Daarbij vertonen discussies over de selectiecriteria van sites opvallende gelijkenissen: Britse criteria komen overeen met de criteria van Jacobs en Geys (1992) voor fossiel- en mineraalverzameling in Belgische sites (12). De uitgebreidheid van de problematiek vraagt om internationaal overleg. Contact met de 'Internationale Unie van Geologische Wetenschappen (IUGS)' en andere wetenschappelijke organisaties is dringend nodig om de ideeën van geoconservatie te verspreiden. Andere officiële en semi-officiële organismen mogen niet verwaarloosd worden: de UNESCO kan zeker heel wat invloed uitoefenen, in het bijzonder in de ontwikkelingslanden, door middel van zijn World Heritage List waarover nu sinds meer dan 20 jaar wordt gedebatteerd (13). Het objectief van de Convention concerning the protection of the World Cultural and Natural Heritage aangenomen door de Algemene Vergadering van de UNESCO in overleg met ICOMOS in 1972, is het bewaren van de onvervangbare getuigenissen van vergane beschavingen en natuurlijke landschappen. Maar de activiteiten van de werkgroepen die de lijst moeten opstellen vorderen moeizaam, hun samenstelling wordt niet representatief geacht en hun aanbevelingen voor de Global Indicative List of Geological Sites (GILGES), worden constant bekritiseerd. Het vertrekpunt mag dan al uitstekend zijn, bureaucratische beslommeringen en inmenging hypothekeren toekomstige resultaten. Dit alles maakt constant lobbywerk voor geoconservatie noodzakelijk. Regeringsadministraties en politieke organisaties dienen gecontacteerd te worden, waarbij in het begin een negatieve of een afwijzende reactie mag verwacht worden. Daarom dient de wetenschappelijke achtergrond zo solide en gezond mogelijk te zijn teneinde geoconservatie uit het emotionele debat te houden. Een constante dialoog met het groot publiek dient opgezet te worden door middel van contacten met de pers en de media, waarbij elk soort wetenschappelijk taalgebruik of polemiek dient vermeden te worden. Spectaculaire maar goed voorbereide mediagebeurtenissen hebben soms meer resultaat dan jaren van stil en ernstig bureelwerk.

NIVEAUS Zoals bij bescherming van monumenten en landschappen, bestaan er verschillende niveaus van


M&L

51

geoconservatie. Toegankelijkheid en uitzonderlijke geologische en geomorfologische waarde staan voorop bij internationale conservatie, te weten: • de betekenis om geologische evolutie en mechanismen van geologische processen te verstaan; • de volledigheid van de fenomenen (worden alle relevante verschijnselen aangetoond ?); • hoe goed is het object bestudeerd of zijn sleutelparameters gekend; • de uitzonderlijkheid van het object in tijd en ruimte; • de kwaliteit van het materiaal van de site (voornamelijk voor fossielen).

factoren zoals mogelijkheden voorzien in de wet, geologische voorwaarden, prioriteiten, studie-onderwerpen. Als vuistregel kan echter gelden dat internationale vereisten voor sites in het achterhoofd zouden gehouden worden als nationale richtlijnen. Nationale oplossingen voor hetzelfde type van problemen kunnen echter verschillen van land tot land, maar kunnen beschouwd worden als gelijkwaardig in het geval zij een passend antwoord verschaffen op het gestelde conservatieprobleem.

GESCHIEDENIS Messel, Solnhofen. Ediacara, de Grand Canyon, het Popigai astrobleem (een meteorietinslagkrater in Rusland) beantwoorden aan deze criteria en hebben een aangepaste lange-termijn wettelijke, regulerende of institutionele bescherming of bezitten een beheersplan dat voorziet in opvoeding, recreatie, opleiding en onderzoek.

Vondst van een fossiele vis in de bitumineuze schalies van het Mesozoicum te Messel (Duitsland)

Een 'Internationale Geoconservatie Conventie' (Geological and Landscape Conservation, 1994) (14) vergelijkbaar met Ramsar of Antarctica, in een eerste fase binnen het meer algemene kader van de Convention concerning the protection of the World Cultural and Natural Heritage, zou een belangrijke stap voorwaarts betekenen, en geologische en geomorfologische conservatie optillen tot het niveau van biologische conservatie. Tenslotte zijn biologen objectieve en natuurlijke bondgenoten in materies van conservatie. Het karakter van het nationaal niveau is veel moeilijker te omschrijven omdat het afhangt van lokale

pr%-. •'- ^v.- 1 ^>is^

'f* mn

*w^ -

..<«—--.

\

^^^^

^fef*

'

In veel Europese landen bestaan schuchtere pogingen tot geoconservatie sinds ongeveer 100 jaar. Ondanks vele moeilijkheden - dikwijls wegens het gebrek aan begrip van regeringen om het belang te begrijpen van het bewaren van landschapsvormen en gesteente-ontsluitingen die weinig publieke aandacht trekken - is toch vooruitgang geboekt. In Engeland dateren de eerste pogingen tot geoconservatie van vóór 1875, wanneer in Sheffield een groep Lepidodendron stronken, blootgelegd tijdens de constructie van een gekkenhuis, werd beschermd (15). Geoconservatie bekwam geen erkenning door de Engelse regering tot in de jaren 1940. De Nederlandse Vereniging voor de Promotie van de Natuurreservaten in de Nederlanden daarentegen werd opgericht in 1905, 7 jaar vóór zijn Engelse homoloog. Europese samenwerking start in 1987 wanneer een ruime bevraging een wijdverspreide wil tot samenwerking aantoont tussen geoconservatie-beoefenaars die tot dan actief waren in relatieve afzondering. Dit leidde in 1988 tot de eerste internationale werkvergadering in Leersum (Nederland) waar de European Working Group on Earth Science Conservation (16) werd opgericht op basis van persoonlijke contacten. Zijn doelstellingen, geherformuleerd tijdens de Lom-vergadering (Noorwegen) in 1990 (Earth Science Conservation in Europe, 1992) (17), beogen de verbetering van de status van geoconservatie en de bescherming van geologische sites en landschappen in Europa door: • de voorbereiding van een gecoördineerde internationale politiek voor geoconservatie; • het houden van vergaderingen om de uitwisseling van ideeën te bevorderen en het verstrekken van informatie en advies op alle gebieden verwant met geoconservatie; • het stimuleren van het belang van de rol van geoconservatie bij het groot publiek; • het verzamelen van documentatie over Europese sites in een eenvormig systeem;


52

M&L

• het verzorgen van publikaties in verband met geoconservatie.

VOORBEELDEN

In januari 1991 werd in Brussel een internationaal georiënteerd symposium over geoconservatie georganiseerd ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van de Belgisch-Luxemburgse Unie van Geologen (BLUG), waar de toestand in België werd besproken en vergeleken met aangrenzende landen. De verslagen werden gepubliceerd in een volume van het Bulletin van de Belgische Vereniging voor Geologie (Symposium on Earth Science Conservation, 1991) (18). In juni 1991 werd het First International Symposium on the Consen'ation of our Geological Heritage gehouden in Digne (Frankrijk) (Actes du Premier Symposium International sur la Protection du Patrimoine Géologique, 1994) (19). Meer dan 200 afgevaardigden uit vijf continenten brachten verslag uit over de toestand van geoconservatie in meer dan 30 landen. Op het einde van het congres werd de International declaration of the rights of the memory of the Earth (de zogenaamde Digne declaration, 1994) (20) unaniem aangenomen als filosofisch geïnspireerde richtlijn voor geoconservatie.

De opsomming van de initiatieven in geoconservatie in de meeste Europese landen toont een brede schakering van conservatie-, wettelijke, en economische-toeristische aspecten.

Digne werd gevolgd in juli 1993 door de Malvern International Conference on Geological and Landscape Conservation (Verenigd Koninkrijk). Meer dan 200 afgevaardigden uit 40 landen bespraken in werkgroepen en plenaire vergaderingen duurzaamheid, landschapsbescherming, lokale bescherming en gemeenschapsinitiatieven, sitebescherming en publieke belangstelling, en internationale conventies {Geological and Landscape Conservation, 1994) (21). De unaniem aangenomen resolutie ter gelegenheid van de slotceremonie van het congres (1994) (22) onderstreepte de nood aan een internationale conventie over geoconservatie, en ondersteunde de oprichting van een internationale werkgroep, die de mogelijkheid voor een dergelijke conventie moet aftasten, en die de organisatie van een nieuwe conferentie moet voorbereiden. Ondertussen zijn nagenoeg overal in Europa nationale initiatieven voor geoconservatie genomen door het organiseren van conferenties, symposia, werkvergaderingen. Sommige gebruikten als drijvende kracht grote tentoonstellingen (zoals de Geo-technica Messe in Keulen, Duitsland), andere werden georganiseerd in het kader van de samenwerking tussen landen die dezelfde taal gebruiken (zoals de Mitwitz Werkvergadering) (Geotopschutz, 1993) (23), waar het begrip Geotop werd verspreid in de Duitstalige landen van West- en Midden-Europa (24).

In Duitsland verspreidt het Geotopschutz-'\dee zich snel onder milieubewuste geologen. Een geologisch wandelpad is gepland in het 'Vulkanisch Park' van het Eifelgebied, en de kaliumzoutmijn 'Merkers' met zijn metergrote zoutkristallen trekt toeristen aan als onderdeel van een economisch reconversieprogramma voor de teruglopende zoutmijnindustrie. In het kleine maar zeer didactische museum van het Maison de la Geologie in de Boulonnais, leren leerlingen uit Franse middelbare scholen over de lokale geologische gesteldheid en de economische aspecten van de kalksteenuitbating in de grote groeven die niet langer toegankelijk zijn voor niet-professionelen. Digne in de Alpes de Haute-Provence (met de reeds hoger vermelde ammonietlaag) groeide uit tot hét geoconservatie-centrum bij uitstek door zijn sleutelpositie in het netwerk van de Réserves Géologiques, terwijl het dispuut voor het gerecht over de eigendomsrechten van het geraamte van een plesiosaurus (marien reptiel uit het Mesozoïcum), ontdekt door een leerling in de buurt van Millau (Aveyron, ZuidFrankrijk) een levendig debat ontketende over het openbaar of privaat recht op het geologisch patrimonium (25). In Nederland werd een lijst gemaakt van alle waardevolle geologische en geomorfologische 'objecten' (26) en werd een aantal glacigene verschijnselen beschermd. Ook in Denemarken {Geologisk set: Det nordlige Jylland, 1992) (27) en in Italië (/ Beni Culturali a Caratere Geologico nella Media Volle del Tevere, 1992) (28) zal een geologische inventaris uiteindelijk het hele land bestrijken. In het Verenigd Koninkrijk zijn de inspanningen in geoconservatie hoofdzakelijk geconcentreerd in het Joint Nature Conservation Committee, die English Nature, Scottish Heritage en de Countryside Council for Wales groepeert. Aanzienlijke personeels- en budgetmogelijkheden ondersteunen een brede waaier van initiatieven zoals SSSI en RIGS (zie hoger) met opvoedingsprogramma's van diverse aard voor groot publiek en onderwijs (zoals geologische wandelpaden, codes voor goed gebruik, cursussen van de 'Open Universiteit') (29) als onderdeel van een wetenschappelijk onderbouwde strategie.


M&L

Het Totenmaar in de nabijheid van Maria Laach (Eifel, Duitsland) vormt een onderdeel van het geplande geologische wandelpad in het 'Vulkanisch Park'

53

België is een typisch voorbeeld van een land met een ingewikkelde structuur en een tijdrovend proces van beleidsvoorbereiding, beslissing en uitvoering. Als gevolg van grondwetswijzigingen is conservatie thans een bevoegdheid van het Vlaams en Waals Gewest, maar nog steeds een zaak van 'federaal' overleg voor het Brusselse Gewest. Toch werd inzake geoconservatie vooruitgang geboekt door middel van bescherming van sites zowel in Wallonië als recent in Vlaanderen, sinds de beide gewestadministraties de mogelijkheden hiertoe ontdekten in de wetten en decreten met betrekking tot de bescherming van monumenten en landschappen en de natuurreservaten en parken. Kwartairgeologie en geomorfologie vormen in Noorwegen de ruggegraat voor geoconservatie en hebben altijd integraal deel uitgemaakt van de wetgeving met betrekking tot de natuurbescherming. In het kader van gebiedsgerichte beschermingsplannen, werden tijdens de laatste 15 jaar 957 gebieden bestudeerd in functie van hun kwartaire beschermings-

waarde in een registratieprogramma gebaseerd op gletsjergrenzen, fluvio-glaciale, fluvio-lacustriene en mariene afzettingen en landschappen (30). Bovenstaand overzicht toont duidelijk aan dat een brede waaier van evenwaardige geoconservatiemogelijkheden antwoorden en oplossingen verschaft op lokale beschermingsproblemen.

BESLUIT Geoconservatie is een taak en een verantwoordelijkheid voor iedereen die met landschappen, hun vorming en hun ondergrond is begaan. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van alle beschikbare middelen en technieken, volgens eigen natuur en culturele geplogenheden. Er is geen nood aan een eenvormige techniek, enkel aan een overkoepelende reeks algemene principes, die uiteinde-


M&L

lijk leiden naar goed beheer in overeenstemming met de natuurlijke evoluties op lange termijn en waarin de (aan)gepaste lokale technieken en procedures passen. 'Geoconservationisten' dienen uit te kijken naar bondgenoten en te leren van collega's-natuurbeschermers hoe het grote publiek en de beleidsmakers dienen beïnvloed te worden via de media, lobbywerk of andere methodes. De algemene zorg voor het milieu verschaft ons een uitstekende gelegenheid om een holistische benadering te verspreiden van de 'Planeet Aarde' als één enkel dynamisch en samenhangend systeem, waarvan de mensheid enkel de tijdelijke beheerder en de accidentele gebruiker is.

EINDNOTEN (1) (2)

(3)

(4)

(5)

(6)

(7)

The Limits to Growth - A Report for the Club of Rome Project on The Predicament of Mankind, Universe Books, New York. 1972. FISHER J.A., The changing nature of Earth science fieldwork within the UK school curriculum and the implications for conservation policy and site development, in O'HALLORAN D.. GREEN C, HARLEY M.. STANLEY M. and KNILL J., eds. Geological and Landscape Conservation, The Geological Society and Joint Nature Conservation Committee. 1994, pp. 477-481. MARTINI G.. The protection of geological heritage and economic development: the saga of the Digne ammonite slab in Japan, in O'HALLORAN D., GREEN C, HARLEY M, STANLEY M. and KNILL J., eds, Geological and Landscape Conservation, The Geological Society and Joint Nature Conservation Committee, 1994, pp. 383-386. Earth science conservation in Great Britain - A strategy (Appendices: A handbook of earth science conservation techniques). Nature Conservancy Council. 1990, pp. 84. SCHLÜCHTER G.. A model of consensus in aggregate mining and landscape restoration: science-industn-consenation, in O'HALLORAN D., GREEN C, HARLEY M., STANLEY M. and KNILL J., eds. Geological and Landscape Conservation, The Geological Society and Joint Nature Conservation Committee, 1994, pp. 39-42. BILLET P., L'émergence d'un droit du patrimoine géologique en France in Actes du Premier Symposium International sur la Protection du Patrimoine Géologique, Mémoires de la Société Géologique de France, n.s., 165, i994, pp. 17-19. MARTINI G., Bilan general de la protection du patrimoine géologique en France in Actes du Premier Symposium International sur la Protection du Patrimoine Géologique, Mémoires de la Société Géologique de France, n.s., 165, pp. 111-118.

(8) Earth Science conservation... (9) Idem. (10) Earth Heritage - Conserving our geology and landscapes. English Nature, Northminster House, Peterborough PE1 1UA, United Kingdom. (11) Strates. Association Géocom. Centre de Geologie, Quartier St.Benoït. 04000 Digne, France. (12) JACOBS P. en GEYS J.F., Theory and Practice of Earth Science Conservation in Belgium in ERIKSTAD L.. ed., Earth Science Conservation in Europe - Proceedings from the Third Meeting of the European Working Group on Earth Science Consenution, Norsk Institutt for Naturforsknings Utredning, 41, 1992, pp. 2331. (13) COWIE J.W. en WIMBLEDON W.A.W., The World Heritage List and its relevance to geology, in O'HALLORAN D., GREEN C, HARLEY M., STANLEY M. and KNILL J., eds. Geological and Landscape Consenadon, The Geological Society and Joint Nature Conservation Committee, 1994, pp. 71 73. (14) O'HALLORAN D.. GREEN C, HARLEY M., STANLEY M. and KNILL J., eds, Geological and Landscape Conservation, The Geological Society and Joint Nature Conservation Committee, 1994, pp. 530. (15) BLACK G. P., The European Group on Earth Science Conservation in JACOBS P., ed., Symposium on Earth Science Conservation - Mise en valeur du Patrimoine Géologique - Een nieuwe toekomst voor het Geo-Patrimonium, Bulletin van de Belgische Vereniging voor Geologie, 100 (3-4), 1991, pp. 249-251. (16) Idem. (17) ERIKSTAD L., ed.. Earth Science Conservation in Europe Proceedings from the third Meeting of the European Working Group on Earth Science Conservation. Norsk Institutt for Naturforsknings Utredning, 41, 1992, pp. 1-72. (18) JACOBS P., ed., Symposium on Earth Science Conservation Mise en valeur du Patrimoine Géologique - Een nieuwe toekomst voor het Geo-Patrimonium. Bulletin van de Belgische Vereniging voor Geologie, 100 (3-4), 1991, pp. 247-338. (19) Actes du Premier Symposium International sur la Protection du Patrimoine Géologique, Mémoires de la Société Géologique de France, n.s., 165, 1994, pp. 1-276. (20) International declaration of the rights of the memory of the Earth - Declaration internationale des droits de la mémoire de la Terre in Actes du Premier Symposium international sur la Protection du Patrimoine Géologique, Mémoires de la Société Géologique de France, n.s.. 165. 1994, pp. 272-273. (21) JACOBS P en GEYS J.F., o.c. (22) Malvern Conference on Geological and Landscape Conservation 1993: Resolution endorsed b\ closing session of conference in O'HALLORAN D., GREEN C, HARLEY M.. STANLEY M. and KNILL J., eds. Geological and Landscape Conservation, The Geological Society and Joint Nature Conservation Committee, 1994, p. 523. (23) ÖKOLOGISCHE BILDUNGSSTATTE OBERFRANKEN NATURSCHUTZZENTRUM WASSERSCHLOSS MITWITZ e.V., Geotopschutz, Materialien, I, 1993. pp. 1-200. (24) STURM B., Geotop - Grundziige der Begriffsentwicklung und Definition in ÖKOLOGISCHE BILDUNGSSTATTE OBERFRANKEN - NATURSCHUTZZENTRUM WASSERSCHLOSS MITWITZ e.V., ed., Geotopschutz, Materialien, I, 1993, pp. 13-14. (25) De rechtbank velt een Salomons-oordeel en kent het bezit van de eerste veertien ribben toe aan de leerling-vinder, en de rest van het skelet aan de gemeente die de opgravingen heeft georganiseerd. Zij beschouwt het fossiel als een 'res nullius'. CROCHET J.-Y.. Un plésiosaure devant Ie tribunal de Millau (Aveyron. France) in Actes du Premier Symposium International sur Ia Protection du Patrimoine Géologique. Mémoires de la Société Géologique de France, n.s., 165. 1994. pp. 45-46. (26) GONGGRIJP G.P., Nederland in vorm - Aardkundige waarden in het Nederlandse landschap. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 1989, pp. 141. (27) ANDERSEN S., og SJ0RRING S., eds, Geologisk set: Det nordlige Jylland. Geografforlaget, 1992, pp. 208.


M&L

55

(28) REGIONE LAZIO e ENEA. eds, / Bern Culturali o Carattere Geologico nella Media Valk del Tevere {Provincie di Roma e R/erij, ENEA, 1992, pp. 165. (29) WILSON C, ed., Earth Heritage Conservation, The Geological Society and The Open University, 1994, pp. 272. (30) ERIKSTAD L, Kvartargeologisk vemeverdige omrdder i Norge - Evaluering av el landsomfaltende registreringsmateriate, Norsk Institutt for Natursforsknings Utredning, 57, 1993, pp. 1-49.

Patric Jacobs is lid van de Koninklijke Commissie Monumenten en Landschappen - 3d afdeling en docent Vakgroep Geologie en Bodemkunde / Universiteit Gent.


56

M&L

DE GRINDGROEVE HERMANS TE AS. EEN BESCHERMD LANDSCHAP HUBERT BATS, ETIENNE PAULISSEN en PATRIC JACOBS

Algemeen zicht op de groeve Hermans te As (foto 0. Pauwels)

Op 5 mei 1994 werd de grindgroeve

Tevens is het een case study in verband

Hermans te As wettelijk als landschap

met de Geoconservatie, zoals uiteen-

gerangschikt (1). Deze ministeriële

gezet door Prof. Dr. P. Jacobs elders in

beslissing was een primeur voor Vlaan-

dit nummer.

deren aangezien voor het eerst een

Het toont ook aan dat de wetgeving inzake de bescherming van landschappen eveneens het geschikte instrument is om belangrijke geologische ontsluitingen voor de toekomst te vrijwaren.

landschap louter omwille van het nationale - ja zelfs internationale - geologische belang beschermd werd. In dit artikel worden de wetenschappelijke gegevens die aan de basis liggen van deze beschermingsmaatregelen besproken.


M&L

Uittreksel uit de stafkaart WaterscheiOpoeteren (26/1-2), schaal 1/25000

57

De"e nu verlaten grindgroeve Hermans te As ligt op een hoogte van 85-90 m, in de natuurlijke steile noordrand van een droge zij vallei van de Bosbeek. Op het terrein achter de groeve bevindt zich een denaanplanting. De immense groevewand, met een hoogte van 15 tot 20 m en een lengte van zowat 700 m, ontsluit een dik pakket van roodbruine grinden van kwartaire ouderdom (2), rustend op tertiaire zanden in de ondergrond (3).

GEOLOGISCHE BESCHRIJVING De plaatselijk vertikale groevewand vormt geen uniforme afzetting, maar is samengesteld uit een afwisseling van grind-, zand- en kleilagen. Deze lagen zijn beperkt in omvang en vormen meestal afzettingen in kleine ondiepe geulen. Lateraal wisselen in de groevewand grind-en zandlagen en zelfs kleilagen elkaar af. Vertikaal is er daarentegen steeds een duidelijke opeenvolging waar te nemen en kan de afzetting onderverdeeld worden in verschillende pakketten. Elk pakket is samengesteld uit een laag grof grind aan de basis, dat naar boven toe fijner wordt, overgaat in een zandlaag en in sommige gevallen zelfs in een kleilaag. Boven op de kleilaag begint een nieuw pakket met aan de basis terug een grove grindlaag. Afbakening van de definitieve bescherming, schaal 1/2500

Het grindpakket werd dus niet afgezet als een homogeen geheel in één en dezelfde fase.

De sedimentatie gebeurde in talrijke kleine ondiepe beddingen, soms minder dan 20 m breed. In eenzelfde horizontaal vlak in een bedding werd grind afgezet, in een andere geul zand en elders klei. Dit stroomsysteem werd soms onderbroken door een belangrijke afzetting van grof materiaal. Daarna begon de hoger geciteerde cyclus opnieuw. Uit het voorgaande kan afgeleid worden dat het grindpakket gevormd werd door een verwilderde rivier met talrijke armen die in functie van plaats en tijd verschillende soorten materiaal sedimenteerde. Deze rivierafzettingen met een groot puintransport reflecteren in onze klimaatsomstandigheden een belangrijke hellingsactiviteit in het rivierbekken; hierbij kwam veel afbraakmateriaal van de hellingen in de dalbodems terecht. Dit deed de rivierlading sterk toenemen en veroorzaakte belangrijke opvullingen in de valleibodems. Op verschillende plaatsen in het profiel komen zeer grote grindblokken voor, soms van meer den lm3. De meest waarschijnlijke verklaring voor de aanwezigheid van deze enorme blokken in deze afzetting is dat zij op ijsschotsen werden vervoerd en afgezet wanneer deze te klein werden om zulke zware lasten te dragen. Dit zou veronderstellen dat de afzetting gebeurde tijdens een koude periode.


58

De oude exploitatiewand van de verlaten groeve Hermans te As is deels overgroeid, deels bedekt met hellingpuin, maar nog steeds goed toegankelijk en bruikbaar voor waarneming (foto 0. Pauwels)

M&L

Aan de bovenkant van het grindpakket is de horizontale gelaagdheid van de originele afzetting verdwenen. Het grindoppervlak is sterk golvend over een hoogte van ongeveer 2m en bestaat uit een regelmatige afwisseling van zakken en bulten. De bulten worden gevormd door grinden die omhoog gestuwd werden en wier lengteas een vertikale richting vertonen, terwijl de zakken opgevuld zijn met lemige dekzanden, die aangebracht werden door de wind. Opvallend is eveneens dat de onderkanten van de zakken concaaf tot vlak zijn en nagenoeg steeds op dezelfde diepte voorkomen. De zandzakken worden onderaan als het ware begrensd door een horizontaal vlak dat door de groeve heen loopt. Bij afgraving van het bovenvlak blijkt dat de zichtbare grindkoepels met elkaar aaneensluiten tot polygonen. Deze grindpolygonen omringen een centrale kern van fijn materiaal. Het geheel vormt een polygonale bodem, die thans enkel nog gevormd wordt in arctische gebieden. Over de vormingswijze van polygonale bodems lopen de meningen uiteen.

De vorming van een polygonale bodem van het type te As is nog het best te verklaren door een theorie van convectiestromen die zich ontwikkelden boven de permafrosttafel, de bovenkant van de volledig bevroren ondergrond. Op het einde van de arctische zomer bevriest de ontdooide bodemlaag of actieve laag telkens opnieuw vanaf de oppervlakte en breidt zich uit naar beneden toe. De aktieve laag wordt gekenmerkt door materiaal met een grote vochtigheidsgraad waarin zich plastische vervormingen kunnen voordoen. Uiteindelijk ontstaan in de actieve laag - tussen de bodem bevroren vanaf het oppervlak en de permafrost - convecties door de inwendige druk. Hierdoor verplaatsen de onderste lagen van het nog niet bevroren gedeelte zich naar boven toe: de grinden worden omhooggestuwd en vormen geleidelijk aan bulten. De laagten tussen de omhooggestuwde bulten worden met dekzanden opgevuld. De basis van de zandzakken komt overeen met de bovenkant van de toenmalige permafrost. Hierbij komt de lengteas van de keien loodrecht te staan (minste weerstand). Deze polygonale bodem werd gevormd tijdens een belangrijke koude periode na de grindafzetting. De plateaugrinden worden gekenmerkt door een dominerende roodbruine kleur die intenser wordt naar de grindtop toe. Lokaal wordt dit soort grind "bosgrind" genoemd om het te onderscheiden van het zuivere grijze "Maasgrind". De roodbruine kleur ten gevolge van ijzeraanrijking onder de vorm van verwijderbare pelletjes omheen de grindkei, is een secundair kenmerk, dit wil zeggen een verschijnsel dat zich na de afzetting in het grindpakket heeft voorgedaan. Lokaal doen zich ook zwarte mangaanaanrijkingen (4) voor. Verweerbare mineralen zijn uit de afzetting verdwenen. Onder andere de roodbruine kleur van de grinden, de zwarte mangaanaanrijkingen en de afwezigheid van verweerbare mineralen wijzen op een sterke verwering na de grindafzettingen. Het was de Fransman F. Bourdier die tijdens een internationale excursie onder leiding van A. Hacquaert en R. Tavernier op 23 september 1946 deze bodem voor de eerste maal herkende in de groeve Hermans. In het verslag door Tavernier (1947) van deze excursie lezen we op bladzijde 458 volgende bemerking van F. Bourdier: "Les graviers a caractères périglaciaires d'Asch, par leur alteration et la presence, a leur surface, d'un sol rouge, ressemblent beaucoup plus aux graviers mindéliens des Alpes frangaise qu'aux graviers rissiens". In de moderne literatuur wordt de rode verwering aan de top van deze grinden dan ook de "Bodem van As " genoemd. Hij is ontstaan na de grindafzetting, doch vóór de afzetting


M&L

59

van de gele dekzanden en de vorming van de polygonale bodem. Deze fossiele bodem werd zeer waarschijnlijk gevormd tijdens één of meerdere warme perioden van het Midden-Pleistoceen, waaronder zeer waarschijnlijk ook het Holstein Interglaciaal (5). In het grindpakket zelf komen op wisselende diepte eveneens vervormingen van de oorspronkelijke gelaagdheden voor. In het westelijk deel van de groeve (circa 100 m van het einde, een 15 m onder de top) is een kleilaag samen met de omliggende grinden sterk door vorstwerking vervormd, terwijl de bovenliggende sedimenten terug horizontaal gelaagd zijn. Deze vervormingen zijn ontstaan tijdens de grindafzetting zelf. Dergelijke syngenetische cryoturbaties zijn uiterst zeldzaam, zodat men zich de vraag kan stellen of het cryoturbaties (6) zijn, dan wel "load cast" (7) fenomenen.

DE GRINDAFZETTINGEN VAN HET HOOFDTERRAS Het Kempisch Plateau is opgebouwd uit continue fluviatiele (8) zand- en grindafzettingen.

Areaalsgewijs bedekken de zanden een grotere oppervlakte dan de grinden. De afzettingen van het Kempisch Plateau zijn hoofdzakelijk afkomstig van de Maas, maar in het zandfacies zitten ook Rijnafzettingen. De Groeve Hermans is gesitueerd in het grindfacies, de jongste afzetting die op het Kempisch Plateau voorkomt, en werd integraal opgebouwd door de Maas. Zowel de mineralogische(9) als de petrografische (10) studie tonen aan dat deze grindafzettingen grotendeels afkomstig zijn uit de Ardennen. De hoekige vuurstenen (11) zijn afkomstig van de krijtrotsen, ontsloten bij Visé en Maastricht. Zeer zelden kan tussen de fijne grinden ook verweerd graniet teruggevonden worden. Deze granieten zijn afkomstig uit de Vogezen en werden aangevoerd langs de Moezel, toen nog een bijrivier van de Maas.

De meest voorkomende grinden zijn: - kwarts (12), vooral gangkwarts; - zeer talrijke kwartsieten (13), vooral reviniaankwartsiet (14) (grote blokken, gekenmerkt door pyrietafdrukken (15) en dikwijls met secundaire kwartsgangen);

In het bovenste deel van het profiel is de oorspronkelijke gelaagdheid sterk verstoord door vofstwerking. Tijdens een koude fase van de Ustijden (glaciaal) was de ondergrond permanent bevroren (permafrost). Tijdens het warm seizoen ontdooit het bovenste deel waardoor zich een met water verzadigd sedimentpakket van ongeveer 1 tot 1,5 meter dikte vormt (mollisol), omdat het dooiwater door het voorkomen van de permafrost niet in de ondergrond kan afvloeien. Tijdens het daaropvolgend koud seizoen begint de in de grond doordringende vorst vanaf het oppervlak spanningen op te bouwen ten gevolge van votumevergrotingen door de omzetting van water in ijs. Daardoor wordt het sediment, gevangen tussen de permaforst en het naar beneden voortschrijdend ijsfront, plastisch vervormd. Deze periglaciale verschijnselen zijn kenmerkend voor de gebieden die zich voor het gletsjerfront bevinden. Onder het oppervlak komt de actuele bodem (podsol) voor, gekenmerkt door een (zwarte) humusaanrijkingshorizont en een (wittte) uitlog! ngshorizont. (foto 0. Pauwels) • - «•sis* . 7


60

De ritmische opeenvolging van decimeter dikke pakketten grof (keien) en fijn (zand) materiaal die elkaar soms aansnijden, is kenmerkend voor de opbouw van afzettingen van verwilderde rivieren (foto 0. Pauwels)

M&L

- mooi afgeronde kwartsen en kwartsieten, afkomstig uit de bonte zandsteenlagen(16) in de Vogezen; - zandstenen, onder andere rode Devoonzandsteen (17) en fijne spirifer-zandsteen (18); - conglomeraten, (19) (met grote blokken rood conglomeraat van Bumot); - Vuursteen, meestal zeer hoekig. De afgeronde vuurstenen zijn afkomstig uit de basisgrinden van de tertiaire lagen. De grindstudie bewijst dat naast een beperkte lokale aanvoer, de grinden vooral afkomstig zijn van de Ardennen. Mede door de morfologie, is de Maas de enige stroom die deze grinden heeft kunnen aanvoeren. Het Hoofdterras van de Maas werd gevormd tijdens het Midden-Pleistoceen (20). De bodem van As en de vorming van de huidige Maasvallei dateren eveneens uit het Midden-Pleistoceen, terwijl de polygonale bodem en de dekzanden gevormd werden tijdens de twee laatste glaciale perioden (21). De Maasterrassen worden als klimatologische terrasaccumulaties beschouwd: de terrasopbouw gebeurde onder periglaciaire omstandigheden (22). De insnijdingsfasen hebben zich voorgedaan onder een gematigd klimaat als de sedimentaanvoer vanuit het bovenbekken geringer was. Het grindpakket wordt slechts lokaal afgedekt met dek- of duinzanden waarin zich de huidige podzolbodem (23) ontwikkeld heeft. Op verschillende plaatsen komen deze zogenaamde grove grinden aan de oppervlakte, of worden afgedekt door een dun zandlaagje. De afzetting is goed doorlaatbaar voor water en bevat geen voedende bestanddelen. De watertafel is diep gelegen tegen de oostelijke plateaurand. Meer naar het westen toe bevindt de watertafel zich hoger.

:/

BESLUIT De grindgroeve Hermans te As is als het ware een logboek voor de stratigrafische, sedimentologische, petrografische, mineralogische en geomorfologische studie van één van de belangrijkste afzettingen op het Kempisch Plateau. Deze grindafzettingen behoren tot het Hoofdterras van de Maas. In de groevewand zijn geologische verschijnselen als grindaccumulaties door een verwilderde rivier in koude omstandigheden, polygonale bodemvorming, kryoturbaties en fossiele bodems (Bodem van As) duidelijk waarneembaar.

Ingevolge het Gewestplan Hasselt-Genk heeft de groeve een bestemming als gebied voor dagrecreatie. Met de unieke geologische waarde van de groevewand werd echter geen rekening gehouden bij het vastleggen van deze bestemming. Het beschermingsbesluit verzoent de bestemming van het terrein volgens het Gewestplan met het unieke en specifieke geologische belang van de groeve in


ütel

(ij!

'f&rj:

M

y

BTj?^.-

die mate dat bij de verdere uitbouw van het gebied voor dagrecreatie terdege rekening zal gehouden worden met het concrete internationale wetenschappelijke belang van de wand. Natuurlijke bovengrondse of ondergrondse sites zouden eveneens kunnen worden beschermd, op grond van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.

Artikel 1 van deze wet bepaalt dat "De wet beoogt het behoud van de eigen aard... en het ongeschonden karakter van het natuurlijk milieu door middel van maatregelen tot bescherming van... de grond, de ondergrond...". Daar de wet van 12 juli 1973 op grond van haar diverse bepalingen, vooral op het behoud van het biotisch leefmilieu gericht is, kan men zich terecht


M&L

Overzicht van de groeve Hermans te As: onderaan komen de afzettingen van verwilderde rivieren voor die aanleiding hebben gegeven tot de vorming van de gnndafzettingen van het Hoofdterras van de Maas; bovenaan ontsluiten de dekzanden waarin zich cryoturbate verstoringen hebben ontwikkeld, met pedzolbodemvorming aan de top (foto 0. Pauwels)

'-•n\

' '- V.\,

afvragen of het wel aangewezen is die wet te gebruiken als basis voor de bescherming van geologisch waardevolle sites. In zijn Milieubeleidsplan en Natuurontwikkelingsplan (1990-1995) schrijft de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuurbehoud en Landinrichting dat het overheidsbeleid ten opzichte van specifiek aardkundige waarden vooral gericht moet zijn op het voorkomen van grootschalige ingrepen in het reliëf en in de bodemstructuur, en het zo weinig mogelijk storen van nog actieve aardkundige processen.

ren van specifieke onderhoudswerkzaamheden, die noodzakelijk zijn voor het behoud van de instrinsieke waarde van het patrimonium (24).

EINDNOTEN

(2) (3)

De wetgeving inzake de iandschapszorg zal echter in de toekomst de mogelijkheid bieden om - naast de beperkingen die, omwille van het algemeen belang, aan de uitoefening van het privaat eigendomsrecht gesteld zijn - de eigenaars van beschermde landschappen financieel aan te moedigen tot het uitvoe-

(4) (5)

(6)

In toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, gewijzigd bij decreet van 13 juli 1972. Kwartair: jongste geologische periode die een aanvang nam 2,5 miljoen jaar geleden. Tertiair: geologische periode die duurde van 65 - tot 2,5 miljoen jaar geleden. Mangaan: chemisch element. Holstein Interglaciaal: een warme periode of interglaciaal binnen het Midden-Pleistoceen, net voor de voorlaatste Ijstijd, zo'n 300.000 jaar geleden. Cryoturbatie: alle bodemverschijnselen die ontstaan ten gevolge van vorstwerking. Sommige Cryoturbaties zijn gebonden aan een permanent bevroren ondergrond.


63

(7) load cast fenomeen: in- en uitstulpingsstructuren ontstaan door het binnendringen van zwaardere elementen in een met water verzadigde laag. (8) Fluviatiel; door stromend water gevormd. (9) Mineralogie: delfstofkunde. bestudeert de natuurlijk voorkomende chemische verbindingen die men mineralen noemt. (10) Petrografie: de studie van de gesteenten, hun beschrijving, groepering, oorsprong en evolutie. (11) Vuursteen: benaming voor concreties van amorf kwarts in krijtgesteenten van Mesozoïsche ouderdom. Vormen meestal onregelmatige concreties in krijt- of kalksteen doordat kiezelzuur (Si02) de kalk (CaC03) verdrong. De voorhistorische mens gebruikte dit harde en na splijting vlijmscherpe materiaal zonder enige kristalstruktuur voor het maken van werktuigen en het slaan van vuur. (12) Kwarts: het meest in de natuur voorkomende mineraal, volledig bestaande uit siliciumdioxide Si02. Meestal wit of waterhelder. (13) Kwartsiet: metamorfe zandsteen. Kan verschillende grofheden en kleuren hebben, maar heeft een schelpachtige breuk. (14) Reviniaankwartsiet: kwartsiet afkomstig uit de formaties van Reviniaan-Ouderdom, zoals het Massief van Stavelot en het Massief van Rocroi. (15) Pyriet: mineraal bestaande uit ijzerbisulfide (FeS2). Vaak in kubusvorm met gestreepte vlakken. Metaalglans. Bleek gele kleur. (16) Bontzandsteen: bont gekleurde zandsteen afkomstig uit formaties van Trias ouderdom (ongeveer 220 miljoen jaar geleden). (17) Devoonzandsteen: aaneengekit zand daterend uit het Devoon (350 tot 310 miljoen jaar geleden). (18) Spiriferzandsteen: aaneengekit zand daterend uit de Devoonperiode (345 tot 395 miljoen jaar geleden). Deze zandstenen bevatten het Spirifer-fossiel. (19) Conglomeraat: aaneengekit grind. (20) Midden-Pleistoceen: onderverdeling van het Pleistoceen, een tijdvak binnen het Kwartair van 700.000 tot 150.000 jaar geleden. (21) Glaciale periode: IJstijd. (22) Periglaciale omstandigheden: in omstandigheden met een koud klimaat al dan niet met permafrost. Onze streken kenden tijdens de Ijstijden meermaals zulk klimaat. (23) Podzolbodem: komt voor in gebieden met grote gelijkmatig verdeelde neerslag, relatief lage temperatuur en een plantendek. Het doorsijpelende water is rijk aan humuszuren, gaat een groot deel van de ijzer - aluminiumverbindingen ontbinden (deels tot ijzer en aluminium, en deels in colloidale vorm) en de bovenste zone uitlogen. Aldus wordt de topzone gebleekt en ontwikkelt deze humusverwering de podzolbodem, waarbij op geringe diepte de uitgewassen stoffen neer slaan. (24) Besluit van de Vlaamse regering tot het instellen van een onderhoudspremie voor beschermde landschappen.

LITERATUUR - DE MOOR G. & PISSART A., Het reliëf, in Geografie van België, Gemeentekrediet, 1992, p. 186-189. - GULLENTOPS F., PAULISSEN E. & VANDENBERGHE J., Excursions in the Kempen on 26 and 27 september 1978, Co-Ordinating Committee for periglacial Research, Working Group of the International Geographical Union, Symposium 1728 september 1978, p. II3-1- II 3-18.

PAULISSEN E., Excursiegids. De geomorfologie van de Limburgse Kempen, p.26-32. PAULISSEN E., De Morfologie en de Kwartairstratigrafie van de Maasvallei in Belgisch Limburg, in Verhandelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Jaargang XXXV, 1973, nr. 127, p.243-246. PAULISSEN E., Les nappes alluviales et les failles quaternaires du Plateau de Campine, in Roaszynski F. et Dupuis C., Guides Géologiques Régionaux: Belgique, 167-170, Masson, Paris, 1983. TAVERNIER R., Excursions géologiques en Campine sous la direction des Professeurs A. Hacquaert et R. Tavemier. in La Geologie des terrains récents dans VOuest de l'Europe, Session extraordinaire des Societés Belges de Geologie (19-26 septembre 1946), 1947, p. 452-478. TYS S., Bescherming van geologische objecten in het Vlaamse Gewest, in Bulletin van de Belgische Vereniging voor Geologie, Bulletin de la Société beige de Geologie. T. 100 (3-4), 1991, p. 299-301. Bulletin van de Belgische Vereniging voor Geologie.

Prof. Dr. E. Paulissen: K.U. Leuven Laboratorium voor Fysische en Regionale Geografie. Mer-deskundige betreffende Monumenten en Landschappen en materiële goederen in het algemeen. Mer-deskundige bodem. Prof. Dr. P. Jacobs, lid KCML - 3de afdeling, docent Vakgroep Geologie en Bodemkunde, Universiteit Gent. H. Bats is inspecteur Landschappen bij de Afdeling Monumenten en Landschappen.


M&L

64

SUMMARY

RESTORATION OF THE HOUSES AT OUDE BURG 21 AND 23-25 IN BRUGGE The historic city of Brugge has a varied architectural heritage. Albeit less rich than in other large Flemish cities, the numerous 18th and 19th century's mansions make up a specific heritage with a sometimes uncertain future. For generations these were inhabited by noble families, who maintained a rich living culture. These days it is no longer obvious that such residences are inhabited by just one family. Finding a fitting adaptation is not always easy. Together with the neighbouring house, the former de Halleux residence at the Oude Burg in Brugge, has been acquired by an association of the Christian Mutuality (health service). They have restored it and rearranged it as reception rooms and offices for their social organisation. During these extensive works (1992-1995) a lot of attention was paid, not only to the exterior architecture, but also to the valuable interiors. The idea behind it was mainly the preservation of the authenticity. Thanks to the creative approach for the neighbouring new building, this exemplary project got a modem dimension. The classicistic facade of the hotel de matlre dates from 1842. Behind it is a much older construction, the earliest building phase going back as far as the 15th century. The lay-out and decorating of the interiors are the result of modifications carried out in the 18th and 19th century. There is clearly an influence of French aristocracy and bourgeois living culture. The vestibule can be reached through the carriage porch, its marbled walls and doors in oak-imitation have been restored professionally. The two large drawing rooms on the streetside were reinstalled as appartement de parade, the largest one in hlanc et or, the second one with green wall decoration. Because of the wall decoration, the waxed oak. the gilded rococo decoration and the mantelpiece, the former salle a manger or salie de compagnie is by far the most abundant room. On the first floor the sleeping room with alcove and a charming boudoir has wainscoting up to the ceiling, repainted following traces of the original colours. In a back-room a charming trompe I'ceil painting in Louis XVI style was uncovered. Behind the house is a paved inner court, next to the classicistic coach house, leading to the walled city garden, where the 18th century pavillion, close to the famous city's canals, is the eye-catcher. The protruding entrance building of this house of delight has a facade in Louis XVI style, with stucco decoration as an ode to garden art. On the axis between the large saloon of the house and this entrance building, is a formal garden in 18th century style. A narrow alley runs between the house and the neighbouring property, where the 15th century back building was restored. On the streetside a new wing has been constructed, which is connected to the older constructions on both floors. An attempt is made to let the facade fit in tastefully in the street, dominated by historic buildings, by means of adequate material and rhythm. The elevator shaft was subtly fit into a service room next to the carriage entrance. It has a round crowning on top, a reference to medieval stair towers.

GEOCONSERVATION Following a rather hidden existence of several years, geoconservation now comes into the open. While in the beginning geoconservation was only supported by personal contacts and efforts, nowadays it consolidates itself by developping a sound professional basis and official acknowledgement, in the wake of a general awareness of the environment. The different approaches of geoconservation in several countries offer a large scale of initiatives. On the one hand there is the pragmatic, decentralised approach in the UK, mainly based on private support, and on the other hand the French policy, which is more centralised and focused on the public sector. This article gives a definition of geoconservation, stresses the importance, shows a number of examples for policy and resources and points out geoconservational ideas by means of history and some examples.

THE GRAVEL PIT IN AS A PROTECTED LANDSCAPE On May 5, 1994 the Hermans gravel pit was officially protected as a landscape. This ministerial decision is unique in Flanders because for the first time a landscape has been protected strictly because of its national, even international, geological value. The article treats the scientific data whereupon the procedure for protection was based. It is also a case study regarding geo-conservation, as explained earlier in this edition. The now abandoned Hermans pit is located at a height of 85-90 m, in the natural, steep north face of a dry side valley of the brook called Bosbeek. The pit's wall is 15-20 m high and about 700 m long. It is not a uniform deposit, but consists of alternating layers of gravel, sand and clay. These rather small layers are usually sediments in shallow gullis. In the pit's wall we can see laterally alternating layers of gravel, sand and even clay. On the other hand there is a clear vertical sequence of layers of gravel, sand and clay. These sediments can be divided into different groups. In the pit's wall we can clearly distinguish accumulations of gravel by a wild river in a cold climate, polygonal pedogenesis, cryoturbation and fossile soil (soil from As). The Hermans pit is practically a log book for stratigraphic, sedimentological, petrographic, mineralogical and geomorphological study of one the major sediments of the Campines plateau. The sedimentary gravel is part of the main Meuse terrace. This article also points out that the legislation with regard to the protection of landscapes is the right tool for safeguarding important geological outcrops for the future. The regional planning for Hasselt-Genk determines this as an area for recreation. The unique geological value of the pit was not taken into consideration when determining its destination. The decree for protection reconciliates the area's destination according to the regional planning with the unique and specific geological importance of the pit. This implies that for the further development of this recreation area, the actual international scientific value of this pit will be taken into consideration.


•

Inkomhal huis Osterrieth. ZETEL PARIBAS BANK BELGIË TE ANTWERPEN geïnterpreteerd door Robert Helsmoortel.

•

EEN PARTIKULIER VERMOGEN VERGT EEN PROFESSIONELE AANPAK. eer effektenportefeuille Patrimoniale strukturen Onroerend vermogen Kunstpatrimonium

c

Tl PARIBAS BANK BELGIË Emile Jacqmainlaan 162 b2 -1210 Brussel - Tel. 02/204.41.11 - Fax 02/203.20.14


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
M&L_14_2.pdf by Vlaanderen-be - Issuu