Skip to main content

INBO_Vogelnieuws33.pdf

Page 1

VOGELNIEUWS

INSTITUUT NATUUR- EN BOSONDERZOEK

December 2020

33

In dit nummer Eieren van kolonievogels

Watervogels tijdens de winter 2018/2019 Kiekendieven met kleurmerken en zenders Broedsucces verhogen met elektrische rasters Het nieuwe broedvogelrapport 2013-2018 Vlaams en Europees atlaswerk Een bijzondere Alk

Kuifmees - Yves Adams/Vilda

In samenwerking met


De vogelwereld trok zich niets aan van de pandemie. De voorjaarstrek, het broedseizoen, de eerste wintergasten,… ze volgden elkaar even snel en vlot op als in vorige jaren en boden ons meer dan ooit enige houvast in deze onzekere tijd. Toch dreigden de corona-crisis en een verbod op niet-essentiële verplaatsingen aanvankelijk een streep te trekken door het eerste veldseizoen van de nieuwe Vlaamse Vogelatlas. Maar met een INBO-attest op zak konden medewerkers aan het project toch met een gerust gemoed het veld in voor het nodige inventarisatiewerk. De eerste resultaten mogen er alvast zijn, zoals blijkt uit een bijdrage in deze nieuwsbrief. De komende twee jaar kunnen we echter nog heel wat extra tellers gebruiken. Aarzel daarom niet om je op te geven als medewerker aan dit ambitieuze en belangrijke project. Eén adres daarvoor: https://vogelatlas.be. Hoe belangrijk dit soort inventarisatiegegevens zijn, is nu ook te zien in de nieuwe Europese broedvogelatlas, een standaardwerk waarin ook heel wat Vlaamse data zijn verwerkt en dat in geen enkele boekenkast van een vogelaar mag ontbreken!

Editoriaal

// 2 VOGELNIEUWS 33

Op de valreep zijn we er in dit bijzondere jaar 2020 nog in geslaagd om een extra dik nummer van Vogelnieuw klaar te stomen. Het is een jaar geworden waarin ons leven behoorlijk overhoop is gehaald. Afstand houden, in ons kot blijven, mondmaskers dragen,… we kennen het ondertussen allemaal. Gelukkig bleek vogels kijken en tellen de ideale activiteit in deze corona-tijd, ook al kan er geen gezellig groepsgebeuren van gemaakt worden zoals voorheen soms het geval was.

Sinds enkele maanden is ook het nieuwe telseizoen voor de watervogels begonnen. Het verslag van de winter 2018/19 kun je wat verderop in deze nieuwsbrief lezen. En je komt in een nieuw artikel in de reeks ‘Wel en Wee in de Zeevogelkolonie’ alles te weten over nesten en eieren van zeevogels. Verder in deze nieuwsbrief o.a. ook bijdragen over kleurmerken bij Bruine Kiekendief, het gebruik van elektrische rasters om weidevogels te beschermen en de vondst van een bijzondere Alk. Voor elk wat wils dus! We wensen jullie veel leesgenot.

Kolgans - Yves Adams / Vilda


// 3 VOGELNIEUWS 33

Wel en Wee in de Zeevogelkolonie: op eieren lopen Wouter Courtens, Marc Van de walle, Nicolas Vanermen, Hilbran Verstraete & Eric W.M. Stienen [ wouter.courtens@inbo.be ]

Kolonie Zeekoeten op de Farne Islands - Yves Adams / Vilda

Wie al eens midden in een zeevogelkolonie heeft gestaan vergeet dat moment niet gauw. De honderden krijsende vogels, de geur van ammoniak, de naar het hoofd trappende meeuwen en pikkende sterns,… Een erg beklijvende ervaring! Minstens even intens is het feit dat er overal nesten met goed gecamoufleerde eieren liggen en het dus opletten geblazen is waar je stapt! De vorige ‘Wel en Wee in de Zeevogelkolonie’ bleef op het niveau van de kolonie zelf, in deze editie gaan we een trapje lager: het nest en de eieren. Wie een antwoord verwacht op de vraag wat er eerst was, de stern 1

of het ei, zullen we moeten teleurstellen. Niet alleen wordt dit soort onderzoek schijnbaar uitsluitend naar kippen gedaan, om verstoring te vermijden worden de kolonies pas bezocht nadat de eieren gelegd zijn. Ook wij moeten dus het antwoord schuldig blijven1. Wat je wel te weten komt is waar al die verschillende vormen en kleuren van eieren vandaan komen, hoe de eieren en nesten van de bij ons broedende zeevogels eruit zien en waarom dat Zeekoeten-ei nu eigenlijk níet van die rotsklif valt. We gaan er een ei op leggen.

Dat is niet helemaal waar, de conclusie is dat het ei eerst was! Hier vind je een illustratief (Engelstalig) filmpje dat op licht verteerbare wijze het bestaande wetenschappelijk onderzoek naar deze vraag op een rijtje zet.


// 4 VOGELNIEUWS 33

Start van het broedseizoen

Zeevogels en hun nesten

Aan de nestbouw en de eileg gaat een uitgebreid proces vooraf, van het selecteren van een kolonie- en nestlocatie tot het kiezen en versieren van een partner. Kleine Mantelmeeuwen Larus fuscus beginnen hier aan vanaf maart, Zilvermeeuwen Larus argentatus zelfs al vanaf januari. Zilver- en Kleine Mantelmeeuwen broeden vaak op exact dezelfde plaats als het jaar daarvoor. Ze starten meestal snel na hun terugkeer uit de overwinteringsgebieden met het vestigen en verdedigen van hun territorium. Niet elke soort is echter zo honkvast. Grote Sterns Thalasseus sandvicensis pakken het bijvoorbeeld anders aan. Die maken na hun terugkeer uit Afrika eind maart-begin april niet zelden eerst een verkenningsrondje langs een aantal geschikte kolonielocaties en vestigen zich op de plaats die hen het meest zint. In plaats van een territorium te verdedigen zijn ze in april vooral aan het baltsen. Hierbij proberen de mannetjes door het aanbrengen van vissen hun partner te bekoren. Kokmeeuwen Chroicocephalus ridibundus en Zwartkopmeeuwen Ichthyaetus melanocephalus zijn in april op hun beurt al druk in de weer met hun nest te bouwen, vaak zie je ze dan met grote takken boven de toekomstige kolonie vliegen.

Zeevogels bouwen hun nesten op allerlei plekken. De meeste soorten zijn grondbroeders die hun nest bouwen op rotskliffen (veel alkachtigen Alcidae, Drieteenmeeuwen Rissa sp. jan-van-genten Sulidae.,…), rustige stranden en eilandjes (sterns Sterninae, meeuwen Laridae, schaarbekken Rynchopinae,…) of meer artificiële locaties. Voorbeelden van deze laatste zijn braakliggende haventerreinen, nestvlotjes en daken van loodsen. In de Nederlandse wateren worden zelfs olieplatforms als broedplaats gebruikt door Drieteenmeeuwen (Camphuysen & de Vreeze 2005). Veel soorten zoals pijlstormvogels Procellariidae, stormvogeltjes Hydrobatidae en Papegaaiduikers Fratercula arctica maken hun nest in een kamer aan het eind van een tunnel die ze zelf uitgraven of restaureren. Bij Noordse Pijlstormvogels Puffinus puffinus kan die tunnel tot wel 3 m lang zijn (Lee et al. 2020)! Een aantal soorten zeevogels broedt zelfs in bomen, fregatvogels Fregatidae zijn hiervan gekende voorbeelden. Eén van de meest bijzondere soorten op vlak van nestplaatskeuze onder de zeevogels is eveneens een boombroeder: de Marmeralk Brachyramphus marmoratus. Deze komt voor aan de westkust van NoordAmerika en Canada. Hun favoriete broedhabitat zijn oude (>200 jaar) naaldbossen rijk aan epifyten die zich tot wel 60 km landinwaarts kunnen bevinden. Hier maken ze hun nest op een dikke bemoste boomtak, een beetje zoals een zangvogel zou doen. Langs onze zandige kust zijn de opties beperkt en broeden zeevogels uitsluitend op stranden, eilandjes en artificiële locaties.

Eind april-begin mei breekt dan het moment aan waarop de volgende episode start: het leggen van het eerste ei (met de stompe kant eerst!). De meeste soorten meeuwen en sterns die bij ons broeden kennen een vrij lange eileg-periode waarbij in een maand of langer steeds nieuwe nesten en legsels worden gevonden. De eerste Visdieven Sterna hirundo bijvoorbeeld beginnen rond half mei met het leggen van eieren. De meeste vogels hebben eind mei hun legsel volledig, maar evengoed zijn er koppels die eind juni of zelfs half juli nog een broedpoging wagen. Een uitzondering hierop zijn Grote Sterns, dit zijn echte gewoontedieren wat betreft de start van de eileg. Nagenoeg elk jaar verschijnen de eerste eieren begin mei, slechts af en toe zijn ze een paar dagen vroeger. Ook zijn het er dan meteen tientallen tot honderden tegelijk! Gedurende ongeveer een week groeit de kolonie aan tot enkele honderden of duizenden nesten en daarna is het gedaan. Over het algemeen worden al deze nesten van broedende sterns en meeuwen in de vierde week van mei stuk voor stuk geteld. Daarbij is het natuurlijk zaak om deze te kunnen herkennen, voorwaar niet altijd evident! In wat volgt komen jullie te weten hoe je kan zien van welke soort een nest of ei is, maar niet voordat we jullie kennis hebben laten maken met de ins-en-outs van nest en ei én de broedgewoonten van zeevogels.

Al deze verschillende locaties en ondergronden vragen om een aangepast nest zodat de eieren niet wegrollen of beschadigd geraken. Bij zeevogels valt ‘nestbouw’ echter geregeld met een flinke korrel zout te nemen. Grondbroedende soorten beperken hun nest dikwijls tot een eenvoudig kuiltje in de ondergrond, eventueel met een paar stukjes schelp of wat keitjes als bekleding. Sommige soorten leggen hun ei zelfs gewoon op de kale rots. Eén van deze is de Zeekoet Uria aalge. Deze legt één enkel ei op een vaak heel smalle (10-20 cm) en hellende (tot ruim 30°) rotsrichel. Dat ziet er zo precair uit dat er al eeuwen theorieën worden geponeerd en onderzoek wordt gedaan naar hoe het komt dat de eieren er niet afrollen. Verder meer daarover. Opaalsterns Gygis alba, een tot de verbeelding sprekende, volledig witte sternensoort die broedt in bomen op eilanden in de (sub)tropische oceanen, gaan nog een stapje verder. Die leggen hun ei simpelweg op een kale boomtak. Andere grondbroeders maken wel een ‘echt’ nest, een bouwsel van takken, vegetatie of modder. Soms leidt dit tot vrij kunstzinnige kolonies, zoals bij deze Koningsaalscholvers Leucocarbo atriceps.


// 5 VOGELNIEUWS 33

Nesten van ‘onze’ zeevogels Dwergsterns Sternula albifrons zijn echte waaghalzen als het aankomt op de keuze van hun nestplaats (Foto 1). Vaak ligt die maar nét boven de vloedlijn in het kale zand of tussen wat steentjes of aanspoelsel. Niet zelden worden nesten van deze soort weggespoeld door een iets te hoge golf of stuiven ze onder tijdens harde wind. Ze geven hun nest echter niet zomaar op, er zijn gevallen bekend waarbij Dwergsterns tijdens felle storm op hun nest bleven broeden tot alleen nog hun kopjes boven het zand uitstaken (Rooth 1956)! Het nest zelf stelt niet veel voor, een kuiltje in het zand met een spaarzame bekleding van wat schelpfragmentjes of kleine steentjes (Foto 5a). Net als Dwergsterns zijn ook Grote Sterns echte liefhebbers van kale, zanderige terreinen met hier en daar een plukje lage vegetatie (Foto 2). Ook deze soort doet niet veel moeite voor zijn ‘huisvesting’. Het kuiltje in de grond wordt in het beste geval wat opgesmukt met een paar stukjes schelp (Foto 5b). Van de drie in ons land broedende sternensoorten hebben Visdieven de hoogste tolerantie voor vegetatie rond het nest. Hoewel ze liefst in spaarzaam begroeide zones nestelen worden hun nesten evengoed tussen iets hogere (tot circa 50 cm) vegetatie gevonden (Foto 3). Het nest is vaak iets beter ‘gestoffeerd’ dan bij de andere soorten het geval is en wordt dikwijls bekleed met kleine takjes of plukjes vegetatie (Foto 5c). Een kaal kuiltje in het zand blijft echter ook bij deze soort een optie. Visdief is de enige van onze sternensoorten die regelmatig op kunstmatige plaatsen zoals vlotjes, pontons of daken broedt (Foto 4).

A

Foto 2. Broedbiotoop van Grote Stern op het Sternenschiereiland te Zeebrugge. De nesten met een geel vlaggetje bij worden opgevolgd om het broedsucces te bepalen (Wouter Courtens).

B

C Foto 3. Broedbiotoop van Visdief op de Scheelhoekeilanden bij Stellendam. De nesten met een geel vlaggetje bij worden opgevolgd om het broedsucces te bepalen (Wouter Courtens).

Foto 1. Broedbiotoop van Dwergstern op het Sternenschiereiland te Zeebrugge. De rode vlaggetjes geven de locatie van de nesten aan (Wouter Courtens).

Foto 5. Nest en legsel van Dwergstern (a), Grote Stern (b) en Visdief (c) (RSPB, Wouter Courtens, Ante Karanušić).

Foto 4. Kunstmatig broedbiotoop van Visdief in de Slufter in de haven van Rotterdam. Jaarlijks nestelen ongeveer 500 paar op dit ponton van 38 x 25 m. De aardewerken buizen werden neergelegd om schuilmogelijkheid voor de kuikens te bieden (Wouter Courtens).


// 6 VOGELNIEUWS 33

Meeuwen maken in tegenstelling tot sterns wel een ‘echt’ nest. Van alle hier besproken soorten broeden Kokmeeuwen en Zwartkopmeeuwen het liefst tussen wat hoger opgaande vegetatie. Beide soorten maken een bouwsel van takken en/of vegetatie die ze verzamelen in de buurt van de nestplaats. Zwartkopmeeuwen gebruiken gemiddeld meer takken om hun nest te construeren (Foto 6b) en Kokmeeuwen verwerken er wat meer vegetatie in (Foto 6a), maar er is veel overlap tussen beide soorten. Kleine Mantelmeeuwen en Zilvermeeuwen prefereren spaarzamer begroeide vlaktes en zijn de laatste jaren ook steeds meer op daken van loodsen en gebouwen te vinden. Op het oog zijn de nesten van beide soorten niet met zekerheid van elkaar te onderscheiden. Beide soorten gebruiken takjes en andere vegetatie om het te bouwen, Zilvermeeuwen hebben wel de neiging iets vaker grotere takken en afval te verwerken in het nest (Foto’s 6c en 6d). Een goede indicator van een Zilvermeeuw-nest is de aanwezigheid van verse braakballen met mossels rond het nest, deze worden bij Kleine Mantelmeeuwen nooit aangetroffen. Meestal is de enige manier om 100 % zeker te zijn vanop afstand kijken welke soort op het nest gaat zitten.

de uterus of schaalklier (waar de schaal wordt gevormd). Daar wordt dus ook de vorm van het ei bepaald. Allerlei theorieën over het hoe en waarom van de verschillende vormen van vogeleieren werden door de eeuwen heen geformuleerd en weer verworpen (Birkhead 2016). Niemand slaagde er in met een allesomvattende verklaring te komen. Heel recent verscheen een indrukwekkende studie die aan de hand van de karakteristieken van bijna 50.000 eieren van 1400 verschillende vogelsoorten aantoonde dat de vliegcapaciteit van een soort in belangrijke mate de vorm van het ei bepaalt (Stoddard et al. 2017). Soorten met een groot vliegvermogen (waartoe veel zeevogelsoorten behoren) maximaliseren volgens deze theorie het ei-volume door langere en meer asymmetrische eieren te leggen. En met een dergelijke uitgebreide studie is de kous af zou je dan denken. Niets bleek minder waar, nog geen twee jaar later verscheen al een studie die een alternatieve verklaring bood (Birkhead et al. 2019). Deze onderzocht voor 30 soorten

Zeevogels en hun eieren Zoals elk vogeltje zingt zoals het gebekt is, zo legt het ook het ei zoals het… welja. Vogeleieren zijn er in allerlei vormen, kleuren en groottes. Maar waar komen die verschillen vandaan? Waarom is het ene ei perfect rond en het andere asymmetrisch? En waarom het ene ongetekend azuurblauw en het andere wit en bezet met een ingewikkeld patroon van bruine sliertjes? En waaróm valt dat Zeekoeten-ei nu eigenlijk niet van die klif? Vorm Eivormig. Zo wordt iets beschreven wat de vorm van een ei heeft. Alleen, heel veel eieren zijn helemaal niet ‘eivormig’. Eieren komen in allerlei vormen en maten voor, van bijna perfect rond zoals bij uilen en trappen (hier bijvoorbeeld de eieren van een Velduil Asio otus) tot pyriform of ‘peervormig’ zoals bij Zeekoet of steltlopers (hier als voorbeeld de eieren van Goudplevier Pluvialis apricaria). Wetenschappers zijn al heel lang op zoek naar een antwoord op de vraag waarom het ei van een bepaalde soort net díe specifieke vorm heeft. Belangrijk om daarbij te weten is dat, in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, de vorm van een ei niet wordt bepaald door de schaal, maar door het vlies dat er net onder zit (Birkhead 2016). Dit vlies is ook bij bvb. een kippenei gemakkelijk te zien. Het wordt gecreëerd in de isthmus, het stuk van de eileider net voor

A

B

C

D

Foto 6. Nest en legsel van Kokmeeuw (a), Zwartkopmeeuw (b), Kleine Mantelmeeuw (c) en Zilvermeeuw (d) (Wouter Courtens, Hilbran Verstraete).


// 7 VOGELNIEUWS 33

zeevogels de link tussen de vorm van hun eieren en de legselgrootte, de afmetingen van de eieren, de kuikenontwikkeling, de nestplaats en de broedhouding van de oudervogels. Het type nestplaats bleek bij de onderzochte soorten erg bepalend voor de vorm van de eieren, evenals de broedhouding van de oudervogels. De vijf soorten alkachtigen en pinguïns die de meest pyriforme eieren produceren, broeden allemaal in een rechtopstaande houding op vlakke of hellende substraten. Soorten die een nestkuil maken hebben meer bolvormige eieren. Wordt ongetwijfeld vervolgd… In deze laatste studie speelden Zeekoeten een hoofdrol. Bij weinig soorten is de vorm van het ei zo’n voer voor speculatie geweest als bij deze soort. Zeekoet-eieren zijn zoals gezegd peervormig, met een spitse kant en een stompe kant. Hoewel tot op heden nog vaak wordt gedacht dat de eieren deze vorm hebben omdat het de kans dat de eieren van de smalle broedkliffen (vaak maar 15 tot 20 cm breed) vallen verkleint doordat ze als een tol rondspinnen of in een boog rollen, is hier nauwelijks wetenschappelijk bewijs voor gevonden (Birkhead 2016). Deze theorie werd in het begin van de jaren 1800 gelanceerd nadat de vorige hypothese, waarbij werd gesteld dat Zeekoeten hun ei aan de rotskliffen ‘plakten’, was ontkracht. Twee recente alternatieve hypothesen suggereren dat een peervormig ei een grotere mechanische sterkte verleent en het risico op vervuiling (door b.v. uitwerpselen of modder) van het stompe uiteinde verkleint (Birkhead et al. 2017). Dit laatste is belangrijk omdat het kuiken aan de stompe kant uitpikt, en vervuiling er voor kan zorgen dat de eischaal niet openbreekt en het kuiken niet uit het ei geraakt. Een derde pas gelanceerde hypothese is dat de vorm van het ei de stabiliteit van het ei vergroot op hellende broedkliffen, dus dat ze verhindert dat het ei begint te rollen (Birkhead et al. 2018). Het laatste woord is er waarschijnlijk nog niet over gezegd, ondertussen kunnen we ons optrekken aan het idee dat het grootste deel van de eieren van Zeekoeten gewoon op hun plaats blijft liggen, ongeacht de reden...

bine uit het bloed. Eieren krijgen hun kleuren pas in het laatste stadium van de vorming tijdens de passage door de uterus. Tijdens en na het vormen van de schaal worden de kleuren door speciale cellen als met een verfpistool op het ei gespoten, vaak in verschillende lagen. Hoe het ingewikkelde, onregelmatige patroon met ‘sliertjes’ op sommige eieren ontstaat blijft voorlopig een onopgelost mysterie (Birkhead 2016)… Bij eieren met een vlekkenpatroon bestaat er veel variatie in de tekening. Eieren van Grote Stern zijn daarvan een goed voorbeeld. Meestal zijn de eieren bedekt met kleine vlekjes (Foto 5b), andere zijn echter zwaar gevlekt of gemarkeerd met fijne sliertjes. Bij sommige eieren vloeien de markeringen samen in een ring aan één van beide uiteinden (Foto 7a). Soms loopt er tijdens het ‘kleuren’ van het ei iets mis en ontstaan er eieren met deels of volledig ontbrekend pigment, een voorbeeld van een afwijkend Zwartkopmeeuwen-ei is te zien in Foto 7b.

A

B

C

D

Kleur Vogeleieren hebben allerlei kleuren: van groen of blauw tot beige, rood of bijna zwart. Ook de tekening ervan is erg divers. Sommige zijn volledig egaal gekleurd, andere hebben alleen een ring vlekjes over het stompe deel, nog andere zijn helemaal bezaaid met vlekken of fijne ‘sliertjes’. Net als de basiskleur kent ook deze tekening een gevarieerd kleurenpallet. Nochtans wordt deze diversiteit aan kleuren op basis van slechts twee pigmenten gevormd: biliverdine zorgt voor blauwe en groene tinten, protoporfyrine voor de rode en bruine kleuren. Beide kleurstoffen ontstaan door afbraak van hemoglo-

Foto 7. Sommige eieren zijn sterker getekend dan andere, dit ei van Grote Stern heeft een solide bruine band over de stompe kant van het ei (a). Soms worden volledig pigmentloze eieren gevonden zoals dit Zwartkopmeeuw-ei (b). Niet alleen de kleur van eieren kan afwijken, ook in de afmetingen zit veel variatie met soms extreme gevallen, zoals dit mini-eitje van Visdief met een volume dat minder dan een derde is dan van een gewoon Visdief-ei (c) Evengoed worden af en toe reuze-eieren gevonden, dit ei van een Grote Stern heeft een inhoud die 75 % groter is dan normaal (d)..


// 8 VOGELNIEUWS 33

Er bestaan drie theorieën over het waarom van de kleuren van vogeleieren (Birkhead 2016), waarvan er twee van toepassing zijn op zeevogels. De eerste is camouflage, waarbij beter gecamoufleerde eieren minder snel gepredeerd worden dan meer opvallende eieren. Zo zijn eieren van grondbroeders (zoals de sternen en meeuwen bij ons) onopvallend gekleurd en hebben ze een kleur en patroon dat erg goed lijkt op het substraat waarop ze nestelen. Dit maakt het rondlopen in bijvoorbeeld een grote sternenkolonie tot een heikele onderneming. Holenbroeders (pijlstormvogels en stormvogeltjes maar ook bijvoorbeeld papegaaiduikers) leggen dan weer meestal ongetekende, witte eieren. Weinig reden tot camouflage onder de grond! De tweede theorie, die vooral van toepassing is op koloniebroeders, is dat de variabiliteit in kleur en tekening ervoor zorgt dat vogels hun eigen ei(eren) kunnen herkennen. Onderzoek heeft uitgewezen dat met name Zeekoeten in staat zijn hun eigen eieren te herkennen. Dat is best handig als je territorium de grootte van een handpalm heeft. Hierbij speelt uitsluitend de kleur een rol (Ingold 2016). Zolang een object de juiste kleur en tekening heeft zullen ze het bebroeden, ook al is het een kubus of piramide. Er zijn gevallen bekend waar Zeekoeten hun ei naar de originele nestlocatie terugrolden over een afstand van 4 m! Sterns die in dicht kolonieverband broeden zoals Grote Sterns zijn alleen in staat om hun eigen eieren te herkennen als die een heel uitgesproken patroon hebben, hier dient de tekening dus hoofdzakelijk als camouflage (Birkhead 2016). De derde theorie stelt dat opvallend gekleurde en getekende eieren van sommige soorten het resultaat zijn van een ‘wapenwedloop’ tussen gastsoort en broedparasiet. Hierbij zorgen uitgesproken kleuren en een ingewikkeld patroon op de eieren ervoor dat eieren van broedparasieten gemakkelijker herkend kunnen worden door de gastheer. Je zou denken dat dit voor zeevogels een minder belangrijke rol speelt, maar schijn bedriegt. Het laatste woord van deze Wel en Wee is namelijk aan de broedparasieten, stay tuned! Grootte Over het algemeen leggen kleinere vogels relatief grotere eieren dan grote soorten (Birkhead 2016). Het ei van een Goudhaantje Regulus regulus bijvoorbeeld is natuurlijk erg klein, maar met een gemiddeld gewicht van 0,8 g is dat wel 16 % van het lichaamsgewicht van deze soort. Struisvogels Struthio camelus daarentegen leggen eieren die ‘amper’ 2 % van het lichaamsgewicht uitmaken en daarmee de “kleinste” eieren relatief tot het lichaamsgewicht. Leuk om te weten is dat de absolute kampioenen op dit vlak zich onder de zeevogels bevinden, namelijk in de stormvogelfamilie. Zo bedraagt het gewicht van het ei van een Stormvogeltje Hydrobates pelagicus maar liefst 24 % van hun lichaamsgewicht!

Figuur 1. Gewicht (g) van adulten en eieren van Zilvermeeuw, Kleine Mantelmeeuw, Zwartkopmeeuw, Kokmeeuw, Grote Stern, Visdief en Dwergstern.

Ook de bij ons broedende zeevogels volgen deze regel vrij goed (Figuur 1). De eieren van Dwergstern wegen ongeveer 17 % van het adulte lichaamsgewicht (de gemiddelde ei-inhoud is 8,5 ml of circa 8,8 g voor een gemiddeld lichaamsgewicht van 54 g), gevolgd door die van Visdief (16 %), Grote Stern (15 %), Kokmeeuw en Zwartkopmeeuw (14 %) en Kleine Mantel- en Zilvermeeuw (elk ongeveer 9 %). Er zit echter veel variatie op de ei-maten van eenzelfde soort. Bij alle soorten hierboven zijn lengte en breedte van het grootste ei in onze dataset 30 % groter dan van het kleinste, en het volume het dubbele. Afmetingen van eieren variëren dan ook niet alleen met de leeftijd van de oudervogels en de legdatum, ook de locatie en het jaar spelen een bepalende rol (o.a. Nisbet et al. 1984; González-Solís et al. 1999). Bovendien is binnen hetzelfde legsel het laatst gelegde ei nagenoeg altijd kleiner dan het eerste. Af en toe worden ook mini-eitjes (met een volume dat tot drie keer kleiner is dan een gemiddeld ei, Foto 7c) en reuze-eieren gevonden. Een voorbeeld van zo’n reuze-ei van Grote Stern naast een ‘normaal’ ei is te zien in Foto 7d. Het volume van dit ei is maar


// 9 VOGELNIEUWS 33

liefst 75 % groter dan dat van een gewoon ei en viel binnen de maten van de eieren van Reuzenstern Hydroprogne caspia!

Eieren van ‘onze’ zeevogels Voor het ongeoefende oog lijken de eieren van sommige zeevogelsoorten erg goed op elkaar. Subtiele verschillen in grootte, vorm, algemene kleur en tekening van de eieren in combinatie met kenmerken van het nest en de broedhabitat zorgen ervoor dat het bij de meeste nesten wel duidelijk is welke soort ze gemaakt heeft. We beginnen bij de kleinste soort, de Dwergstern. De eieren zijn klein (gemiddeld 23,3 x 31,9 mm, n = 85), hebben een wittige of beige grondkleur met (hoofdzakelijk op het stompe deel van het ei) bruine tot zwarte vlekken van sterk ongelijke grootte (Foto 5a). Ze zijn gemakkelijk te verwarren met de eieren van Strandplevier Charadrius alexandrinus. Het feit dat Strandplevieren (in tegenstelling tot nagenoeg alle andere steltlopers die 4 eieren leggen) net als Dwergsterns 3 eieren leggen maakt het herkennen er niet makkelijker op. Eieren van Strandplevieren zijn echter spitser en hebben een regelmatigere vlekkentekening. Bovendien is hun nest mooi bekleed met stukjes schelp en ligt het vaak wat verborgen. Visdief-eieren hebben meestal een beige-groene grondkleur met over het volledige ei een patroon van bruine tot zwarte vlekjes (Foto 5c). De grootte ligt tussen die van eieren van Dwerg- en Grote Stern in (gemiddelde grootte 30,3 x 41,5 mm, n = 1938). De eieren van Grote Stern zijn weinig variabel in grondkleur. Meestal is die wittig tot lichtbeige. In de meeste gevallen is het volledige ei bezet met zwartige vlekken of sliertjes (Foto 5b). Gemiddeld zijn ze 51,4 mm lang en 36,3 mm breed (n = 1058). In tegenstelling tot alle andere hier besproken ’Vlaamse’ soorten die maximaal drie eieren leggen bestaat een legsel van Grote Stern uit maximaal twee eieren. In vergelijking met de vorige drie soorten is het herkennen van eieren en nesten van onze meeuwen een vak apart. Er zijn twee notoir moeilijk duo’s: enerzijds Kokmeeuw en Zwartkopmeeuw en anderzijds Kleine Mantelmeeuw en Zilvermeeuw. Om het helemaal moeilijk te maken zit Stormmeeuw Larus canus zo’n beetje tussen deze soorten in, zowel qua nestbouw als wat betreft uitzicht en formaat van de eieren. De eieren van Kokmeeuw zijn ongeveer even groot als die van Grote Stern (51,3 x 36,4

mm, n = 1020). Daar stopt de gelijkenis evenwel. Ze zijn niet alleen enigszins anders van vorm (met een stompere ‘spitse’ kant) maar vooral anders van kleur. De grondkleur van de meeste kokmeeuw-eieren is olijfgroen tot groenbruin en ze zijn bezet met (licht) bruine vlekken op het volledige ei (Foto 6a). De broedlocatie en het nest maken de kans op verwarring tussen beide soorten klein. Kokmeeuwen en Zwartkopmeeuwen broeden in gemengde kolonies en hun nesten lijken veel op elkaar. Herkenning moet dus hoofdzakelijk op basis van de eieren gebeuren. De eieren van Zwartkopmeeuw zijn alleen met een dosis ervaring te onderscheiden van die van Kokmeeuw. Op basis van de grootte zijn ze niet te onderscheiden, Zwartkopmeeuweieren zijn gemiddeld maar iets groter dan die van Kokmeeuw (55,8 x 38,9 mm, n = 105). Zwartkokmeeuw-eieren missen evenwel meestal groenige tinten en zijn eerder grijswit (Foto 6b). Een ander subtiel verschil zit hem in het vlekkenpatroon. Bij Zwartkopmeeuwen is de tekening dikwijls donkerder dan bij Kokmeeuwen en vooral meer streperig en minder ‘blotchy’. Foto 8c laat toe de eieren van beide soorten direct te vergelijken. Het andere, nog moeilijkere duo zijn Zilver- en Kleine Mantelmeeuw. Ook deze soorten broeden in gemengde kolonies en zowel de eieren als de nesten lijken erg goed op elkaar. De eieren van beide soorten zijn olijf- tot blauwgroen en hebben een gelijkaardig patroon van bruinige tot zwarte vlekken (Foto’s 6c en 6d). Ze zijn ook ongeveer even groot, gemiddeld 67,2 x 47,2 mm (n = 7435) voor Kleine Mantelmeeuw versus 69,5 x 48,2 mm (n = 2891) voor Zilvermeeuw… Zoals eerder aangehaald zijn nesten van Kleine Mantelmeeuw en Zilvermeeuw eigenlijk niet met 100 % zekerheid van elkaar te onderscheiden.

Koekoek! Sommige vogels lijken zélf het verschil tussen de nesten van verschillende soorten niet goed te kunnen zien, of maken toch op zijn minst handig gebruik van de onderlinge gelijkenissen. Af en toe worden namelijk nesten gevonden waar eieren van 2 soorten in liggen! Zo vinden we bijvoorbeeld soms nesten van Kok- of Zwartkopmeeuwen met eieren van beide soorten (Foto 8c) of waar een ei van een Grote Stern in ligt (Foto’s 8a en 8b). Dat gemengde legsels bij zeevogels niet zo vaak voorkomen toont een studie die 65.000 zeevogelnesten onderzocht en slechts 35 gemengde legsels (of 0,05 % van het totaal) vond (Craik 2010). De jongen die uit de eieren van de ‘koekoek-soort’ komen hebben slechts een héél geringe kans op overleven. Adoptie door een andere soort is weinig waarschijnlijk, maar ook weer niet onmogelijk. Zo leert ons een geval van een koppel Dougalls Sterns Sterna dougallii dat een Grote Stern opvoedde (Cadiou & Jacob 2010)


// 10 VOGELNIEUWS 33

In de volgende aflevering... Ziezo, hiermee is ons ei gelegd… De volgende ‘Wel en Wee in de Zeevogelkolonie: wat maakt het broeden tot een succes?’, gaat over het broedsucces en welke factoren het kraken of maken. A

B

Dankwoord We danken Renaud Flamant voor het aanleveren van de eimaten en adulte gewichten van Zwartkopmeeuw en Geert Spanoghe voor de adulte gewichten van Kokmeeuw. Literatuur Birkhead, T., 2016. The most perfect thing. Inside (and outside) a bird’s egg. Bloomsbury, London.

C

D

Foto 8. Broedparasitisme bij zeevogels komt meer voor dan je op het eerste zicht zou denken. Niet alleen binnen eenzelfde soort, maar ook tussen soorten. Foto’s a & b tonen een ei van Grote Stern dat respectievelijk in een kokmeeuw- en zwartkopmeeuwnest is gelegd. Foto c toont een nest met 2 eieren van Zwartkopmeeuw (de bovenste) en 1 van Kokmeeuw. Gebaseerd op de nestbouw is deze laatste waarschijnlijk de gast-soort. Foto d laat een vierlegsel van Kokmeeuw zien. Vierlegsels van sterns en meeuwen zijn altijd verdacht omdat ze doorgaans max.3 eieren leggen. Nadere inspectie van de grondkleur en de tekening van de eieren toont dan ook dat het ei rechtsboven door een ander vrouwtje is gelegd dan de overige 3.

en van een paartje Visdieven dat zelfs een Zilvermeeuw-kuiken grootbracht (Kuhleman 1939). Wat regelmatiger voorkomt zijn vrouwtjes die eieren in een nest van een soortgenoot leggen. Vaak is dit te zien aan een licht verschil in grondkleur en/of tekening van de eieren. Een voorbeeld van een dergelijk legsel van Kokmeeuw is te zien in Foto 8d, de drie onderste eieren zijn van het ‘gast-koppel’, het bovenste, lichtere ei van het ‘koekoekvrouwtje’. Een studie die de origine van Kokmeeuw-eieren van 160 nesten onderzocht toonde aan dat dit ‘koekoek-gedrag’ alvast bij deze soort frequent voorkomt. Zo bleek niet minder dan 34 % van de nesten met meer dan één ei, eieren van minstens twee verschillende vrouwtjes te bevatten (Duda et al. 2008)! Het waarom van dit gedrag is niet zo moeilijk te verklaren. Als een vogel erin slaagt een extra kuiken groot te laten brengen door een ander ouderpaar moet er geen energie worden geïnvesteerd in het broeden noch het grootbrengen. Daarnaast kan het parasiterende paar op de ‘normale’ manier nog eigen jongen grootbrengen en wordt het eigen broedsucces dus vergroot. En dit brengt ons naadloos bij het onderwerp van de volgende Wel en Wee in de Zeevogelkolonie…

Birkhead, T.R., J.E. Thompson, D. Jackson & J.D. Biggins, 2017. The point of a Guillemot’s egg. Ibis 159: 255-265. Birkhead, T.R., J.E. Thompson & R. Montgomerie, 2018. The pyriform egg of the Common Murre (Uria aalge) is more stable on sloping surfaces. Ibis 135: 1020-1032. Birkhead, T.R., J.E. Thompson, J.D. Biggins & R. Montgomerie, 2019. The evolution of egg shape in birds: selection during the incubation period. Ibis 161: 605-618. Cadiou, B. & Y. Jacob, 2010. Roseate Terns Sterna dougallii successfully rearing a young Sandwich Tern S. sandvicensis. Seabird 23: 139–142. Camphuysen, C.J. & F. de Vreeze, 2005. De Drieteenmeeuw als broedvogel in Nederland. Limosa 78: 65-74. Craik, J.C.A., 2010. Mixed clutches at seabird colonies in west Scotland 1996-2009. Seabird, 23, 41-52. Duda, N., W. Chętnicki, P. Waldeck & M. Andersson, 2008. Multiple maternity in black-headed gull Larus ridibundus clutches as revealed by protein fingerprinting. Journal of Avian Biology 39: 116-119. Ingold, P., 2016. Brüten an Felsklippen – was Trottellummen Uria aalge aalge befähigt, auf Felssimsen und in dichten Gemeinschaften zu brüten. Der Ornithologische Beobachter 113: 85-120. Golzález-Solís, P.H. Becker, L. Jover & X. Ruiz, 1999.Intraindividual seasonal decline of egg-volume in common terns Sterna hirundo. Acta Ornithologica 34: 185-190. Kuhlemann, P., 1939. Beobachtungen an einer durch Fluss-seeschwalben aus vertauschtem Ei erbruteten und aufgezogenen Silbermöwe. Zeitschrift für Tierpsychologie 3: 75–84. Lee, D. S., J. C. Haney, C. Carboneras, F. Jutglar, and G. M. Kirwan (2020). Manx Shearwater (Puffinus puffinus), version 1.0. In: Birds of the World (S. M. Billerman, Editor). Cornell Lab of Ornithology, Ithaca, NY, USA. Nisbet, I.C.T., J.M. Winchell & A.E. Hesse, 1984. Influence of age on the breeding biology of Common Terns. Colonial Waterbirds 7: 117-126. Rooth, J., 1956. Vreemd broedgedrag. De Levende Natuur 59: 225-230. Stoddard, M.C., E.H. Yong, D. Akkaynak, C. Sheard, J.A. Tobias & L. Mahadevan, 2017. Avian egg shape: form, function and evolution. Science 356: 1249-1254.


// 11 VOGELNIEUWS 33

Watervogels in Vlaanderen tijdens de winter 2018-2019 Koen Devos, Filiep T’ Jollyn & Frederic Piesschaert [ koen.devos@inbo.be ]

Wulp - Yves Adams / Vilda

Het tellen van overwinterende watervogels heeft reeds een lange traditie in Vlaanderen. Met een eerste grootschalige telling in 1967 vormen de watervogeltellingen er immers een van de langstlopende monitoringprojecten. Het project in zijn huidige vorm – met zes maandelijkse tellingen in de periode oktober tot en met maart – bestaat sinds 1979/80. De verzamelde telgegevens geven ons belangrijke informatie over de popula-

tiegrootte, verspreiding en trends van watervogelsoorten die hier overwinteren of op doortrek zijn. Daaruit is gebleken dat Vlaanderen voor heel wat van die soorten een internationale betekenis heeft, zoals ook is vastgelegd in verschillende internationale verdragen of richtlijnen zoals de Europese Vogelrichtlijn, de Ramsar-Conventie en de African Eurasian Waterbird Agreement (AEWA).


Februari

Maart

Tijdens elke telling wordt in principe gestreefd naar een zo volledig mogelijke telbedekking van waterrijke gebieden zodat het totale aantal getelde watervogels zo dicht mogelijk de werkelijk in Vlaanderen verblijvende populatie benadert. Het aantal getelde gebieden varieerde van 752 in maart tot 789 in december en lag daarmee iets hoger dan vorige winter (Tabel 1). Nagenoeg alle belangrijke watervogelgebieden werden elke maand volledig geteld.

Januari

De teldata in 2018/19 waren 13/14 oktober, 17/18 november, 15/16 december, 12/13 januari, 16/17 februari en 16/17 maart. Hoewel de telweekends niet steeds gespaard bleven van regenzones en windstoten waren de omstandigheden niet van die aard dat de tellingen grote moeilijkheden ondervonden.

December

De algemene coördinatie van de watervogeltellingen gebeurt door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO). Voor een vlotte organisatie van de tellingen is een regionale structuur uitgebouwd met 24 regio’s. Elke regio heeft een projectcoördinator die verantwoordelijk is voor het organiseren van het project op regionale schaal. Dit gebeurt vaak onder de koepel van een regionale vogelwerkgroep. Voor het veldwerk wordt beroep gedaan op amateur-veldornithologen die op vrijwillige basis meewerken aan het project. Natuurpunt Studie staat in grote mate in voor de ondersteuning van dit vrijwilligersnetwerk en levert op die manier een belangrijke bijdrage aan het watervogelproject. Een aantal grote en belangrijke gebieden worden in hoofdzaak geteld door INBO-medewerkers (vooral in het Zeeschelde-estuarium en de IJzervallei). Tellingen van de Noordzee zijn niet inbegrepen in de hier gepresenteerde resultaten.

2018/19

November

Projectopzet en tellingen

Tabel 1. Aantal getelde gebieden per maand en per regio tijdens de maandelijkse watervogeltellingen in het winterhalfjaar 2018/19.

Oktober

// 12 VOGELNIEUWS 33

In dit artikel worden de telresultaten van de winter 2018/19 toegelicht. We beperken ons hierbij hoofdzakelijk tot een vermelding van de meest opvallende aantallen en pleisterplaatsen in Vlaanderen. Trends over langere termijn worden slechts summier besproken.

Regio Westkust/IJzervallei

78

84

78

80

74

76

Regio Ieper

4

4

1

3

0

4

Regio Middenkust

47

46

48

43

43

46

Regio Noord-West-Vlaanderen

135

137

134

136

136

135

Regio Zuid-West-Vlaanderen

11

11

11

11

11

11

Regio Gent en Kanaalzone

58

49

65

64

53

51

Regio Noord-Oost-Vlaanderen

7

7

7

7

7

7

Regio Schelde-Leie

49

51

49

49

49

48

Regio Scheldeland

8

8

8

8

8

8

Regio Durme-Waasland

21

26

26

27

27

19

Regio Denderland

31

34

34

35

34

34

Regio Vlaamse Ardennen

6

6

7

6

5

5

Regio Noordwest-Brabant

18

18

18

18

18

18

Regio Mechelen

12

13

13

8

7

7

Regio Lier

5

5

5

5

5

5

Regio Klein-Brabant

28

32

33

33

34

32

Regio Antwerpen

122

124

125

125

126

123

Regio Midden-Kempen

29

29

29

30

28

29

Regio Turnhoutse Kempen

19

19

19

19

19

19

Regio Leuven

12

11

12

12

12

11

Regio Noord-Limburg

12

12

12

12

12

12

Regio Midden-Limburg

21

21

21

21

16

17

Regio Maasvallei

15

15

15

15

15

15

Regio Oost-Brabant

18

20

19

20

19

20

Totaal Vlaanderen

766

782

789

787

758

752


// 13 VOGELNIEUWS 33

Weer- en telomstandigheden Net als vorig jaar vond de oktobertelling onder zomerse omstandigheden plaats dankzij een zuidelijke luchtstroming die voor temperaturen van 24 tot plaatselijk zelfs 27°C zorgde. De eerste helft van oktober was in zijn geheel trouwens opmerkelijk zacht, zonnig en droog. Daar kwam pas verandering in tijdens de laatste oktoberdagen met veel regen en temperaturen die plots terugvielen tot amper 5°C. Op 30/10 was er zelfs even sneeuwval in de Ardennen. Die koude-inval was in een groot deel van Europa merkbaar. Tijdens het telweekend van november stond er een schrale oostenwind maar was het vaak zonnig en soms ook wat mistig in het westen. Temperaturen liepen op tot 7-8°C. Ondanks de regen van eind oktober bleef het in het grootste deel van Vlaanderen zeer droog, waardoor veel vennen in de Kempen nog steeds nauwelijks of geen water bevatten. De decembertelling werd voorafgegaan door een eerste winterprik met nachtvorst en overdag hooguit 2°C. Op de eerste teldag was er in de voormiddag nog wel wat zon, maar daarna werd het bewolkt en kregen we een erg gure wind die de voorbode was van een regenzone die in de nacht doortrok. Dit resulteerde zondagmorgen plaatselijk zelfs tot wat aanvriezende regen en sneeuwval. Maar daarna werd het bij 5°C al snel mooi en rustig weer en kon overal in ideale omstandigheden geteld worden. Het weer tijdens de telling in januari was eerder wisselvallig met vooral zaterdagnamiddag ongunstige omstandigheden door een aanspannende wind en een regenzone die van west naar oost door Vlaanderen trok. Met 9 tot 10°C was het wel erg zacht voor de tijd van het jaar. Op 22 en 23/01 kregen we dan voor het eerst in deze winter sneeuwval van betekenis met vooral in westelijk Vlaanderen tijdelijk een sneeuwtapijt van 5 tot 10 cm. Maar met temperaturen tot 8°C enkele dagen later was dit al snel weer verdwenen. Op 15/02 noteerde men in Ukkel 18,1°C, een nieuw dagrecord. Nooit eerder was het zo vroeg in het jaar zo warm. En dat zachte weer zette zich dankzij een stevig hogedrukgebied door gedurende de ganse tweede helft van de maand. Met 20,2°C werd 26/02 zelfs de warmste februari-dag sinds het begin van de metingen.

In de eerste helft van maart maakte dat ongewoon vroege lenteweer plaats voor een winderige periode met af en toe passage van regenzones. Op de eerste dag van het telweekend kregen we bij 12°C hoofdzakelijk droog en bewolkt weer maar met erg veel wind. Op 17/03 was er wat minder wind. Zonnige perioden werden afgewisseld met wolkenvelden en buien, soms zelfs met wat sneeuw en hagel.

Resultaten Het hoogste aantal watervogels werd geteld in januari en bedroeg ruim 345.000, aanzienlijk minder dan vorige winter (460.000). In Tabel 2 worden de maandelijkse soorttotalen weergegeven, met ter vergelijking ook het gemiddeld wintermaximum van de vijf voorgaande winters (2013/14 – 2017/18). De vermelde cijfers betreffen effectief getelde aantallen waarbij geen correctie is gebeurd voor het verschillend aantal getelde gebieden tussen maanden en winters. De telinspanning is de laatste tien tot vijftien jaar echter behoorlijk constant gebleven zodat (opvallende) verschillen in getelde aantallen in de meeste gevallen een goede weerspiegeling zijn van de werkelijke trends. Hou er rekening mee dat de vermelde aantallen in Tabel 2 in de toekomst nog (in beperkte mate) kunnen wijzigen naarmate nog aanvullende telgegevens binnenkomen. Er werden 99 verschillende soorten en/of ondersoorten genoteerd, inclusief exoten. De vijf talrijkste -meeuwen niet meegerekend- waren Kolgans (max. 56.730), Wilde Eend (51.360), Smient (29.449), Kleine Rietgans (24.927) en Meerkoet (24.615). In het hiernavolgende overzicht bespreken we kort de belangrijkste soorten.


// 14 VOGELNIEUWS 33

Tabel 2. Soorttotalen voor Vlaanderen tijdens de midmaandelijkse watervogeltellingen in het winterhalfjaar 2018/2019. De wintermaxima zijn in blauw aangeduid en kunnen vergeleken worden met het gemiddelde maximum tijdens de vijf voorafgaande winters.

winterhalfjaar 2018/19

Okt.

Nov.

Dec.

Jan.

Feb.

Maart

Gemiddeld wintermaximum 2013/14 - 2017/18

Rotgans

Branta bernicla

1

15

5

3

1

1

37

Roodhalsgans

Branta ruficollis

1

2

3

3

0

1

2

Grote Canadese Gans

Branta canadensis

10336

9860

9100

8816

5307

3864

10513

Brandgans

Branta leucopsis

4695

5881

9417

11598

7989

1797

9470

Kleine Canadese Gans

Branta hutchinsii

3

4

4

3

1

8

8

Indische Gans

Anser indicus

13

18

15

12

6

7

27

Sneeuwgans

Anser caerulescens

1

0

1

2

0

0

3

Grauwe Gans

Anser anser

14008

16877

17921

15621

9273

4750

17992

Boeregans

Anser anser forma domesticus

448

529

545

521

400

329

663

Kleine Rietgans

Anser brachyrhynchus

1130

8387

24927

22834

2474

16

25644

Toendrarietgans

Anser serrirostris

16

3544

2531

2812

2615

4

6369

Kolgans

Anser albifrons

486

20742

48731

56730

33743

15587

60614

Zwaangans

Anser cygnoides forma domestica

0

1

3

0

1

0

4

Keizergans

Anser canagicus

0

0

0

0

1

1

1

Manengans

Chenonetta jubata

0

0

3

0

0

0

1

Zwarte Zwaan

Cygnus atratus

15

27

6

13

24

9

12

Knobbelzwaan

Cygnus olor

557

597

850

775

733

738

773

Kleine Zwaan

Cygnus columbianus bewickii

0

35

61

156

48

2

276

Wilde Zwaan

Cygnus cygnus

0

0

3

11

14

6

20

Nijlgans

Alopochen aegyptiacus

5789

3753

2516

1176

1720

1203

3912

Casarca

Tadorna ferruginea

12

36

16

15

18

3

19

Bergeend

Tadorna tadorna

1114

1475

2523

3239

3622

3225

4198

Muskuseend

Cairina moschata forma domestica

20

15

27

30

22

21

56

Carolina-eend

Aix sponsa

3

15

0

14

4

4

5

Mandarijneend

Aix galericulata

64

55

79

81

23

34

66

Ringtaling

Calonetta leucophrys

0

0

1

0

0

0

1

Zomertaling

Spatula querquedula

2

0

0

0

0

15

47


// 15 VOGELNIEUWS 33

Vervolg tabel 2.

winterhalfjaar 2018/19

Okt.

Nov.

Dec.

Jan.

Feb.

Maart

Gemiddeld wintermaximum 2013/14 - 2017/18

Slobeend

Spatula clypeata

3966

3583

3369

4024

3336

3919

4727

Krakeend

Mareca strepera

4585

7659

12038

11260

8320

5847

10677

Smient

Mareca penelope

2115

9238

20936

29449

27911

19976

56260

Wilde Eend

Anas platyrhynchus

42663

45843

51360

47954

26160

16151

63339

Soepeend

A. platyrhynchus forma domesticus

668

755

868

920

547

466

1049

Pijlstaart

Anas acuta

167

245

539

696

567

320

899

Wintertaling

Anas crecca

4831

7604

10292

11499

9958

7243

16699

Krooneend

Netta rufina

1

3

1

3

2

0

10

Tafeleend

Aythya ferina

1010

1988

2061

2834

2399

1350

3210

Witoogeend

Aythya nyroca

3

0

3

1

2

1

4

Kuifeend

Aythya fuligula

4364

7562

8876

8277

7027

5342

10434

Topper

Aythya marila

0

2

3

3

6

5

10

Grote Zee-eend

Melanitta fusca

0

0

0

1

1

0

3

Brilduiker

Bucephala clangula

0

25

114

168

122

48

189

Nonnetje

Mergullus albellus

0

2

45

64

45

3

103

Grote Zaagbek

Mergus merganser

1

11

129

156

149

34

104

Middelste Zaagbek

Mergus serrator

0

2

1

1

0

2

6

Rosse Stekelstaart

Oxyura jamaicensis

1

0

0

0

1

0

6

Waterral

Rallus aquaticus

54

53

54

49

54

37

104

Waterhoen

Gallinulla chloropus

3889

4743

5199

5068

4404

3245

5197

Meerkoet

Fulica atra

18095

21482

23528

24615

16785

11703

24647

Kraanvogel

Grus grus

0

33

0

0

0

0

27

Dodaars

Tachybaptus ruficollis

878

1031

863

741

803

614

936

Roodhalsfuut

Podiceps grisegena

3

2

3

2

2

2

3

Fuut

Podiceps cristatus

2242

2166

1730

1698

1821

1616

2173

Kuifduiker

Podiceps auritus

1

0

4

3

0

3

4

Geoorde Fuut

Podiceps nigricollis

112

37

7

12

50

135

155

Scholekster

Haematopus ostralegus

1778

1791

1884

2200

2256

2436

2586


// 16 VOGELNIEUWS 33

Vervolg tabel 2.

winterhalfjaar 2018/19

Okt.

Nov.

Dec.

Jan.

Feb.

Maart

Gemiddeld wintermaximum 2013/14 - 2017/18

137

56

60

119

151

422

534

Kluut

Recurvirostra avosetta

Kievit

Vanellus vanellus

10005

21772

16325

23818

19267

2805

44640

Goudplevier

Pluvialis apricaria

891

1587

1176

2508

404

134

5718

Zilverplevier

Pluvialis squaterola

43

87

109

172

42

61

169

Bontbekplevier

Charadrius hiaticula

137

67

80

62

31

27

130

Kleine Plevier

Charadius dubius

3

0

0

0

0

4

12

Regenwulp

Numenius phaeopus

0

1

0

1

1

0

0

Wulp

Numenius arquata

1456

2963

1989

5960

9905

6998

8133

Rosse Grutto

Limosa lapponica

22

7

7

5

6

2

25

Grutto

Limosa limosa

1

1

2

4

119

2651

2254

Steenloper

Arenaria interpres

765

615

622

843

595

748

898

Kanoet

Calidris canutus

1

2

1

9

2

1

20

Kemphaan

Calidris pugnax

65

292

226

929

244

288

761

Drieteenstrandloper

Calidris alba

17

83

106

313

299

63

469

Bonte Strandloper

Calidris alpina

235

1525

1886

1551

671

173

2282

Paarse Strandloper

Calidris maritima

6

18

23

29

19

23

42

Houtsnip

Scolopax rusticola

3

7

5

12

5

1

8

Bokje

Limnocryptes minimus

5

8

1

7

8

2

30

Watersnip

Gallinago gallinago

339

327

153

130

289

156

706

Oeverloper

Hypoleucos actitis

25

18

14

4

7

11

14

Witgat

Tringa ochropus

61

49

45

31

71

22

55

Tureluur

Tringa totanus

143

485

234

401

433

568

459

Zwarte Ruiter

Tringa erythropus

112

17

9

13

22

13

64

Groenpootruiter

Tringa nebularia

38

3

2

0

0

4

16

Kokmeeuw

Chroicocephalus ridibundus

10602

18098

20696

21020

18560

26614

22752

Dwergmeeuw

Hydrocoloeus minutus

1

0

1

0

0

2

2

Zwartkopmeeuw

Ichthyaetus melanocephalus

1

3

1

3

141

1188

336

Stormmeeuw

Larus canus

227

1325

6158

3423

1787

2283

4236


// 17 VOGELNIEUWS 33

Vervolg tabel 2.

winterhalfjaar 2018/19

Okt.

Nov.

Dec.

Jan.

Feb.

Maart

Gemiddeld wintermaximum 2013/14 - 2017/18

365

23

23

29

15

18

36

Grote Mantelmeeuw

Larus marinus

Grote Burgemeester

Lrus hyprboreus

0

0

1

0

0

1

0

Zilvermeeuw

Larus argentatus

1283

1910

2684

1681

1960

1455

1836

Pontische Meeuw

Larus cachinnans

3

5

13

16

12

3

12

Geelpootmeeuw

Larus michahellis

4

0

3

1

0

2

6

Kleine Mantelmeeuw

Larus fuscus

161

149

140

37

44

271

182

Grote Stern

Thalasseus sandvicensis

0

0

0

0

0

2

0

Parelduiker

Gavia arctica

0

0

0

0

1

0

1

IJsduiker

Gavia immer

0

0

0

1

0

0

1

Ooievaar

Ciconia ciconia

8

11

19

24

38

38

36

Aalscholver

Phalacrocorax carbo

4930

4855

4411

4335

3305

3194

4035

Lepelaar

Platalea leucorodia

40

29

1

3

13

31

40

Roerdomp

Botaurus stellaris

5

4

4

10

9

7

13

Kwak

Nycticorax nycticorax

0

0

0

1

1

0

2

Koereiger

Bubulcus ibis

9

21

23

20

3

0

16

Blauwe Reiger

Ardea cinerea

1196

1200

1073

1095

1100

969

1203

Grote Zilverreiger

Ardea alba

388

330

360

357

288

149

298

Kleine Zilverreiger

Egretta garzetta

73

40

31

22

19

20

71

163947

245721

321912

345162

240654

163547

Totaal aantal watervogels


// 18 VOGELNIEUWS 33

GANZEN Met ruim 10.300 Grote Canadese Ganzen in oktober haalde de soort een niveau dat zeer vergelijkbaar was met voorgaande jaren en dat lijkt de stabilisatie van de populatie in Vlaanderen te bevestigen. Gezien soms ook grote groepen buiten de traditionele telgebieden voorkomen, is de werkelijke populatiegrootte ongetwijfeld groter dan wat er effectief geteld wordt. De grootste groepen werden gemeld langs de Zenne tussen Zemst en Hombeek (750 in okt) en in de Verdronken Weiden te Ieper (732 in nov). Andere belangrijke gebieden waren o.a. het Groot Broek te Sint-Agatha-Rode (500 in dec), het Vinne te Zoutleeuw (449 in okt), de Netevallei te Lier-Duffel (429 in okt), de Brugse Vaart tussen Bellem en Durmen (450 in nov) en de Kleiputten te Brecht-Rijkevorsel (411 in jan). Het wintermaximum van bijna 11.600 Brandganzen is iets lager dan de winter ervoor, maar ligt wel nog volledig in de lijn van de stijgende trend tijdens de laatste 10 jaar. Met telkens ca. 6050 exemplaren was Antwerpen-Linkeroever in december en januari goed voor een groot deel van de Vlaamse populatie. De Oostkustpolders scoorden iets minder hoog dan vorige winter maar lieten vooral in februari een opvallend hoog cijfer noteren (4201). In de regio Gent viel de piek in januari (2098). Belangrijke pleisterplaatsen daar zijn de Hoge Laken te Drongen (tot 1710 in jan), de Reymeren te Merelbeke (1150 in feb) en de Bourgoyen-Ossemeersen (950 in nov). In Limburg zaten vooral veel Brandganzen in de Grensmaasvallei (561 in jan) en in het Schulensbroek (504 in dec). Het aantal getelde Grauwe Ganzen is nu al een 8-tal winters behoorlijk stabiel. Het maximum in 2018/19 bedroeg net geen 18.000 in december. Op Antwerpen-Linkeroever werden in november en december resp. 4479 en 4601 ex. genoteerd. In de Kempen was net als vorig jaar vooral de omgeving van Mol-Postel in trek, met tot 1580 ex. in november. In Limburg lag het zwaartepunt in de verspreiding in de Grensmaasvallei (resp. 3647 en 3005 in okt en dec). Voor een tegengewicht in het westen zorgden vooral de Oostkustpolders (tot 3552 in okt) en de IJzervallei (1452 in dec). We vermelden ook nog het Krekengebied in Noord-Oost-Vlaanderen (tot 2573 in jan). De piek van bijna 25.000 Kleine Rietganzen in december lag in de lijn van vorige winters (Figuur 1). Buiten de Oostkustpolders werden nooit meer dan enkele tientallen exemplaren gemeld, met uitzondering van 230 ex. te Sint-Pieterskapelle in januari.

Grote Canadese Gans - Yves Adams / Vilda

Figuur 1. Evolutie van de wintermaxima van Kleine Rietgans in Vlaanderen.


// 19 VOGELNIEUWS 33

Het hoogste aantal Toendrarietganzen werd geteld in november (3544). Bij de lagere aantallen in de periode december-februari moet evenwel rekening gehouden worden met een zekere ondertelling in bepaalde Kempense gebieden. Zo werden in het gebied van de Molse Zandputten 2300 ex. genoteerd in november, maar ontbrak de soort in de daaropvolgende telmaanden. Aanvullende tellingen in die periode wijzen echter op een vrij constante aanwezigheid van grote groepen (o.a. 1700 ex. op 26/01). Kleinere aantallen in de Kempen werden aangetroffen in o.a. de omgeving van Brecht-Rijkevorsel (tot 850 in feb) en het Turnhouts Vennengebied (tot 400 in nov). Toendrarietganzen waren in december en januari ook opvallend talrijk aanwezig in de IJzervallei, met in totaal resp. 1476 en 1829 exemplaren. Aan de andere kant van Vlaanderen -in de Maasvalleibereikte men een maximum van 845 ex. in februari. Het Krekengebied in Noord-OostVlaanderen liet een piek(je) van 393 ex. noteren in januari. Net als vorig winterhalfjaar gebeurde de aankomst van Kolganzen in Vlaanderen vrij laat, met tijdens de oktobertelling nog geen 500 exemplaren. Vanaf november zat de soort echter wel op schema en dat resulteerde in een piek van 56.730 ex. tijdens de januari-telling. De hoogste aantallen werden geteld in de IJzervallei (tot 24.479 in jan), op enige afstand gevolgd door de Oostkustpolders (ruim 17.500 in dec en jan). Het Krekengebied in Noord-Oost-Vlaanderen haalde een maximumaantal van 6977 in december. In de Antwerpse Kempen verbleven vooral in januari veel Kolganzen met in totaal 7813 ex. (waarvan bijna 5800 in de Wezelse Heide). Op Antwerpen-Linkeroever bleven de aantallen steken op maxima van 1494 in november en 1375 in december. Meer landinwaarts telde men langs de middenloop van de Zeeschelde de hoogste aantallen in februari (1140). Langs de Grensmaas schommelden de aantallen soms sterk van maand tot maand (wegens grensoverschrijdende verplaatsingen). De piek in de Vlaamse pleisterplaatsen viel in februari (5697). Met een oktoberaantal van 5789 ex. liet de Nijlgans een nieuw recordaantal optekenen. Traditioneel was er een opvallende afname in de daaropvolgende maanden, een fenomeen waar we niet onmiddellijk een verklaring voor hebben. Mogelijk speelt afschot hierin een rol of trekt een groot deel van deze vogels in de loop van het winterhalfjaar naar andere landen. Op gebiedsniveau vallen de grote maandelijkse schommelingen op. De grootste groepen werden gezien op maïsakkers nabij Merkem (515 in dec), in het GOG Kruibeke-Bazel-Rupelmonde (470 in okt), in de Netevallei te Lier-Duffel (467 in okt), in het Mechels Broek (320 in nov) en te Kessenich-Kinrooi (312 in dec).

Kolgans - Yves Adams / Vilda

ZWANEN Het aantal getelde Knobbelzwanen bereikte in december een maximum van 850 exemplaren, bijna evenveel als de recordaantallen in 2014/15 (866) en 2015/16 (865). In de IJzerbroeken tussen Diksmuide en Roesbrugge verbleven in die maand in totaal 212 zwanen. Een vogel met Franse kleurring toonde aan dat het hier niet louter om plaatselijke vogels gaat. In de regio Grensmaas werd het hoogste aantal vastgesteld in maart (209). De grootste groep werd er in januari gezien (72 op Gravelco). Andere vermeldenswaardige aantallen kwamen voor op de Kleiputten van Brecht-Rijkevorsel (34 in dec) en in de Dijlevallei, met name te Oud-Heverlee Zuid (38 in feb) en op de Grote Bron te Neerijse (36 in maart): Alleen in december en januari werden wat grotere groepen Kleine Zwanen waargenomen maar een echt hoog niveau werd nooit bereikt. Tijdens de midmaandelijkse watervogeltellingen werden voor die maanden in totaal respectievelijk 61 en 156 exemplaren doorgegeven. In tegenstelling tot vorige winter verbleven echter behoorlijk wat Kleine Zwanen buiten de traditionele telgebieden. Mits aanvulling met losse gegevens uit waarnemingen.be komen we zo voor de decembertelling aan een totaal van 183 ex. en voor januari aan 242. Het wintermaximum ligt daarmee ongeveer gelijk aan dat in 2017/18.


// 20 VOGELNIEUWS 33

Opvallend was de quasi afwezigheid in het traditioneel belangrijkste Vlaamse overwinteringsgebied in het noorden van Oost-Vlaanderen. In het Krekengebied werd alleen in de tweede decade van januari een noemenswaardig aantal van ca. 70 ex. geteld. Ook in West-Vlaanderen bleven de aantallen ondermaats. In de Maldegemse Polder te Lapscheure was de soort frequent aanwezig tussen midden november en eind januari (max. 37 op 06/01) en ook in de buurt van Oedelem waren in die periode regelmatig Kleine Zwanen aanwezig (max. 21 op 08 en 09/01). Het hoogste aantal in de IJzervallei bedroeg amper 16 ex.; mogelijk ging het om hetzelfde groepje dat zich tussen midden december en 21/01 in de buurt van Ieper en Reningelst ophield. De meeste Kleine Zwanen deze winter zaten in de Antwerpse en Limburgse Kempen, met tijdelijk vrij grote groepen in de buurt van Weelde-Arendonk (max. 73 eind december-begin januari), bij Bree (max. 53 op 01/01) en te Postel (38 op 20/01). In het Antwerpse haven- en poldergebied (linker- en rechteroever) waren van eind oktober tot in maart doorlopend Kleine Zwanen aanwezig, met Blokkersdijk, Drijdijck, Putten West en Doelpolder Noord als belangrijkste pleisterplaatsen. Op de decembertelling werden er daar in totaal 42 geteld.

Slobeend - Yves Adams / Vilda

ZWEMEENDEN Met nooit meer dan een 3600-tal Bergeenden was 2018/19 een eerder zwakke winter voor deze soort. In de Gentse Kanaalzone werden in december en januari in totaal resp. 614 en 628 ex. geteld, met het Rodenhuizedok als belangrijkste pleisterplaats (tot 365 in dec). Hoewel de IJzervallei een stuk minder nat was dan in 2017/18, hielden zich daar opnieuw veel Bergeenden op. In januari werden er 667 genoteerd tussen Diksmuide en Roesbrugge, waarvan een groep van 425 op maïsstoppels nabij Gijverinckhove. In oktober was ook de IJzermondig te Nieuwpoort belangrijk voor deze soort (271). De belangrijkste pleisterplaatsen aan de Oostkust waren het Zwin te Knokke (tot 187 in maart), de Uitkerkse Polder (179 in maart) en de Zeebrugse haven (149 in nov). Op Antwerpen-Linkeroever namen de aantallen geleidelijk toe in de loop van de winter en dat resulteerde in februari en maart in totalen van resp. 667 en 588 exemplaren, evenwel zonder opvallend grote concentraties in specifieke deelgebieden. Het aantal Slobeenden in Vlaanderen overschreed in januari nipt de kaap van 4000 en bleef daarmee onder het niveau van de laatste vijf winters. Zowel in december als januari werd in het Blankaartgebied te Woumen-Merkem de 1%-norm overschreden (resp. 799 en 774 ex.). Ook de regio Antwerpen was gewoontegetrouw belangrijk voor deze soort. In oktober zaten de meeste Slobeenden al even traditioneel op Blokkersdijk (851) en De Kuifeend (446), terwijl het haven- en poldergebied op Linkeroever vooral later in het winterhalfjaar op de voorgrond trad (resp. 714 en 739 in feb en maart). Andere gebieden met meer dan 200 ex. bleven beperkt tot de Uitkerkse Polder (528 in maart), de Spaarbekkens van Kluizen (404 in okt) en het Noordelijk Eiland te Wintam (261 in jan). Met 12.038 exemplaren in december werd het Vlaamse record van Krakeend van vorige winter net niet gebroken. Maar niettemin blijft de soort één van de best presterende eendensoorten in Vlaanderen (Figuur 2). Opmerkelijk waren de zeer hoge aantallen in de fortengordel rondom Antwerpen met in november en december totalen van ruim 1100 exemplaren, o.a. op Fort V te Edegem (536 in nov), Fort IV te Wilrijk (404 in dec) en het Fort van Merksem (336 in dec). Ook de forten in de regio Lier scoorden goed bij deze soort (in totaal tot 284 in dec), net als de Netevallei tussen Lier en Duffel (386 in nov). In het haven- en poldergebied van Antwerpen-Linkeroever werden in december en maart totalen opgetekend van resp. 629 en 680 exemplaren, met Drijdijck als belangrijkste deelgebied (365 in dec). De aantallen langs de Zeeschelde tussen Zandvliet en Gent -met een piek van 1384 ex. in januari- herstelden zich enigszins ten aanzien van het dieptepunt vorige winter. De januari-piek van 437 ex. in de Polder Kruibeke-Bazel-Rupel-


// 21 VOGELNIEUWS 33

monde viel dan weer iets lager uit dan die in 2017/18. Vermeldenswaard zijn zeker ook de 300 exemplaren in het Blaasveld-broek in december. Langs de Zenne werden tot 428 ex. geteld in februari. De Grensmaasvallei is al vele jaren een belangrijke trekpleister geworden voor Krakeenden, met deze winter een piek van 845 exemplaren in januari. Met nooit meer dan 150 exemplaren bleef het Schulensbroek in Midden-Limburg dan weer wat onder de verwachtingen (vorige winter tot 500). In de westelijke helft van Vlaanderen tekende zich traditioneel een kern af in de Gentse regio, met mooie aantallen in o.a. de Gentse Kanaalzone (tot 419 in dec), de Bourgoyen-Ossemeersen (495 in jan) en het Damvalleimeer te Destelbergen (203 in dec). In West-Vlaanderen was de soort minder talrijk vertegenwoordigd. Het hoogste aantal werd er genoteerd op De Gavers te Harelbeke (220 in dec).

Figuur 2. Evolutie van de wintermaxima van Krakeend in Vlaanderen

Na de topaantallen in 2017/18 kregen we nu een zeer zwakke winter voor Smient. Het wintermaximum van bijna 29.500 exemplaren is het laagste sinds begin de jaren 1990. Dat heeft veel te maken met het ontbreken van grote inundaties in het Blankaartgebied en de IJzerbroeken, het belangrijkste overwinteringsgebied in Vlaanderen. De aantallen bleven er steken op 9199 ex. in december en 9323 in januari, terwijl dat in de meeste winters meer dan het dubbele is. Met een piek van 10.047 exemplaren in februari hielden de aantallen in de Oostkustpolders iets beter stand. Belangrijkste gebieden hier waren de Uitkerkse Polder (tot 4270 in feb), de Polders rond Damme (2041 in jan) en de

Zeebrugse Achterhaven (1591 in dec). Het haven- en poldergebied te Antwerpen-Linkeroever liet dan weer relatief lage aantallen optekenen met in totaal nooit meer dan 3460 exemplaren. Ook dieper in het binnenland werden nergens grote concentraties gemeld. We vermelden evenwel de 610 ex. op Nieuwdonk te Berlare en 420 ex. op de Spaarbekkens van Kluizen (beide in januari). Het hoogste getelde aantal van Wilde Eend was 51.360 ex. in december, wat net als bij de vorige soort een laagterecord is voor de laatste 30 jaar. In slechts vijf gebieden werden meer dan 1000 ex. geteld: de Kleiputten te Stuivekenskerke (tot 2030 in okt), de terreinen van de voormalige suikerfabriek te Veurne (1730 in okt), de Verrebroekse Plassen (1212 in okt), de Spaarbekkens van Kluizen (1086 in okt) en de Netevallei te Lier-Duffel (1012 in dec). Pijlstaarten waren opnieuw dun gezaaid deze winter met op geen enkele telling meer dan 700 exemplaren in Vlaanderen. De sterke afname tijdens de laatste 20 jaar heeft in de eerste plaats te maken met het volledig verdwijnen van de grote groepen op de Zeeschelde. Op de Rupel tussen Boom en de Dijlemonding (resp. 142 en 182 in dec en jan) en op de Zenne (tot 65 in nov) blijft de soort voorlopig wel nog in redelijk aantal te zien. In diezelfde regio werden ook tot 73 ex. geteld in het Mechels Broek (dec). Op Antwerpen-Linkeroever bedroeg het wintermaximum 136 ex. in januari, op de Kalmthoutse Heide was dat 77 ex. in februari. De regio Gent liet in januari een totaal van 125 Pijlstaarten optekenen, waarvan 87 in de Gentbrugse Meersen. In de kustregio’s sprongen vooral de Uitkerkse Polder (70 in feb) en de IJzerbroeken (77 in maart) in het oog.

Pijlstaart - Yves Adams / Vilda


// 22 VOGELNIEUWS 33

Met nooit meer dan 11.500 exemplaren bereikte de Wintertaling zijn laagste niveau sinds de jaren 1980 (Figuur 3). De sterke terugval ten aanzien van de winter 2017/18 (20.833 ex.) kan vooral toegeschreven worden aan de lage aantallen in de IJzer- en Handzamebroeken die het gevolg waren van het uitblijven van grote overstromingen. Het maximum bedroeg amper 712 ex. in maart (tegenover ruim 6500 ex. vorige winter). Ook in de Oost- en Middenkustpolders werden zelden grotere groepen gezien. We vermelden de Uitkerkse Polder (tot 638 in feb), de Achterhaven van Zeebrugge (407 in dec) en het Pompje te Oudenburg (366 in feb). Het haven- en poldergebied te Antwerpen-Linkeroever liet een maximum van 1186 ex. in januari noteren (waarvan 331 in de Polders van Doel). Dat waren er slechts iets minder dan het aantal langs de volledige Zeeschelde tussen Zandvliet en Gent (1267 ex.). Langs de Durme viel de piek in februari (519). De nieuw ingerichte gebieden langs de Zeeschelde ter hoogte van Berlare-Wichelen-Uitbergen oefenen duidelijk een aantrekkingskracht uit op deze soort, zoals blijkt uit de aantallen in de Wijmeers (tot 453 in dec), de Paardeweide (426 in dec) en de Bergenmeersen (312 in jan). Hetzelfde geldt voor het GGG Zennegat nabij Mechelen (tot 420 in okt) en de Polder Kruibeke-Bazel-Rupelmonde (347 in dec). In de overige Vlaamse regio’s zijn vooral de 643 exemplaren te Bichterweert (januari) en 479 in het Groot Broek te Sint-Agatha-Rode (okt) het vermelden waard.

DUIKEENDEN EN ZAAGBEKKEN Het wintermaximum van 2834 Tafeleenden is nagenoeg gelijk aan dat van vorige winter. Daarmee lijkt de steile achteruitgang van de soort een beetje tot staan gebracht. Dit neemt niet weg dat men het tegenwoordig in de meeste gebieden moet stellen met groepjes van hooguit enkele tientallen exemplaren. Positieve ‘uitschieters’ waren Wijvenheide te Zonhoven (tot 434 in jan), het Spaarbekken te Merkem (251 in jan), De Gavers te Harelbeke (157 in feb), de Netevallei te Lier-Duffel (157 in nov) en de Middenvijver te Antwerpen (153 in nov). Ook de Kuifeend heeft haar beste tijd achter de rug. Een maximumaantal van 8834 ex. betekent een fors verlies ten opzichte van de situatie van 10 tot 20 jaar geleden. De laatste jaren zijn de Spaarbekkens te Kluizen het enige gebied in Vlaanderen waar nog regelmatig meer dan 1000 exemplaren worden geteld (resp. 1042 en 1490 in nov en dec). Slechts drie andere gebieden haalden nog de kaap van 300 Kuifeenden: De Gavers te Harelbeke (tot 433 in dec), de Netevallei te Lier-Duffel (387 in dec) en Wijvenheide te Zonhoven (307 in jan).

Figuur 3. Evolutie van de wintermaxima van Wintertaling in Vlaanderen.

Wintertaling - Yves Adams / Vilda


// 23 VOGELNIEUWS 33

Aantallen en verspreiding van Brilduiker waren zeer vergelijkbaar met die van vorige winter. Het wintermaximum kwam niet hoger uit dan 168 ex. in januari (Figuur 4). In slechts zes gebieden werden op minstens één van de tellingen meer dan 10 ex. geteld. Het belangrijkste overwinteringsgebied in Vlaanderen is de Grensmaasvallei, met een maximum van 61 ex. in december (waarvan 41 op Klauwenhof). Op de Verrebroekse Plassen (Antwerpen LO) werden tot 20 ex. genoteerd (jan). De belangrijkste gebieden in de kustregio waren de Spuikom te Oostende (tot 24 in dec) en de Hoge Dijken te Roksem (18 in maart). Het hoogste aantal op de Spaarbekkens van Kluizen betrof 11 ex. in januari.

ren gezien, zoals op Blokkersdijk (tot 25 in dec) en Noordkasteel (resp. 24 en 28 in dec en jan) nabij Antwerpen. In de Grensmaasvallei verbleven in januari 36 ex., waarvan 19 op Houfenhof en 14 op Hoch Ter Bampd. In Hengelhoef te Houthalen-Helchteren zaten er in februari 19 exemplaren. De zandputten van Mol lieten in totaal tot 30 ex. noteren in januari. Voor regio Lier vermelden we 24 ex. in de Fortengordel (feb) en 15 in de Netevallei te Lier-Duffel (jan). BLESHOENDERS In december en januari werden telkens tussen 5000 en 5200 Waterhoenen genoteerd, een vergelijkbaar aantal als in vorige winters. De grootste aantallen werden zoals gewoonlijk langs een aantal rivieren en kanalen vastgesteld. Langs de Dender tussen Liedekerke en de monding van de Mark werden in januari in totaal 212 ex. geteld. De Leie tussen Menen en Sint-Elooisvijve was in diezelfde maand goed voor 215 Waterhoentjes. De hoogste aantallen langs het Kanaal Kortrijk-Bossuit werden waargenomen in november en februari (resp. 122 en 119). De Schelde tussen Gent en de ringvaart liet een maximum van 116 ex. (dec) optekenen. Aan de Zandbergput te Oedelem pleisterden tot 133 ex. in november.

Figuur 4. Evolutie van de wintermaxima van Brilduiker in Vlaanderen.

Het wintermaximum van 64 Nonnetjes was het laagste sinds de eerste helft van de jaren 1990. Vrijwel alle waarnemingen kwamen uit drie gebieden: de Grensmaasvallei (tot 28 in jan waarvan 14 op Gralex), de Zandputten van Mol (12 in jan) en AntwerpenLinkeroever (17 in dec). De aanhoudende afname van Grote Zaagbek in Vlaanderen lijkt wat stilgevallen te zijn. Het wintermaximum van 156 ex. ligt iets hoger dan in de vorige winters. Vooral in het westen van Vlaanderen is de soort echter behoorlijk schaars geworden. In de oostelijke regio’s worden op een aantal locaties nog regelmatig groepjes van 10 tot 30 exempla-

Waterhoen - Yves Adams / Vilda


// 24 VOGELNIEUWS 33

Er werden tot 24.615 Meerkoeten geteld in Vlaanderen, een aantal dat volledig in de lijn ligt van de cijfers in vorige winters. Ze hebben een voorkeur voor grazige terreinen langs rivieren, kanalen en grote waterplassen, zoals blijkt uit de aantallen in de IJzerbroeken (tot 2306 in dec), in de Maasvallei (2187 in dec), de Netevallei te Lier-Duffel (697 in dec) en langs de Leie tussen Menen en Sint-Elooisvijve (521 in jan). Ook aan de Spuikom van Oostende (571 in jan) en op De Gavers te Harelbeke (610 in okt) werden veel Meerkoeten geteld.

tal. In oktober waren de spaarbekkens van Kluizen (43) en de Spuikom van Oostende (39) de belangrijkste pleisterplaatsen. In maart zaten de meeste Geoorde Futen in het Antwerpse Linkeroever-gebied, met o.a. 42 ex. op de Verrebroekse Plassen.

FUTEN Dodaarzen kwamen verspreid over geheel Vlaanderen voor, maar gebieden met enkele tientallen exemplaren waren traditioneel vrij schaars. Daar waar vroeger het zwaartepunt van de verspreiding vooral in de kuststreek lag lijkt dit tegenwoordig veel minder het geval, ondanks de mooie aantallen op de Spuikom te Oostende (tot 71 in jan) en op het Zeekanaal Brugge-Zeebrugge (44 in dec). Dat ook plassen in het binnenland goed scoren bewijzen onder meer De Gavers te Harelbeke (99 in feb), Put Rauw te Mol (38 in nov) en Het Vinne te Zoutleeuw (33 in nov). De Netevallei tussen Lier en Duffel liet een totaal 38 ex. noteren in oktober. Ook de Grensmaas is een belangrijk overwinteringsgebied geworden, met in november een totaal van 128 ex. (waarvan 50 op Bichterweert). Het aantal Futen haalde in oktober-november zijn normale niveau met gemiddeld ca. 2200 exemplaren (Figuur 5), maar viel daarna terug tot onder de 2000. Een aantal gebieden met veel grote open wateren sprongen er traditioneel uit zoals de Grensmaasvallei met zijn vele grindplassen. Daar werden in de periode november-januari in totaal steeds meer dan 300 ex. geteld, met als belangrijkste pleisterplaatsen Kessenich (189 in jan), Bichterweert (85 in nov) en Klauwenhof (51 in nov). De Molse Zandputten lieten zowel in oktober als november meer dan 200 ex. optekenen. Vooral Miramar (82 in dec) en Put Rauw (75 in okt) zijn er in trek bij deze soort. Ook op waterspaarbekkens pleisterden soms behoorlijk wat Futen, zoals te Kluizen (74 in okt), Broechem (70 in nov) en tussen Lier en Duffel (105 in okt). Op Antwerpen-Linkeroever telde men in oktober net geen 200 ex., waarvan 101 op het Kanaaldok Kallo-Doel. Het havengebied van Zeebrugge bleek iets minder grote aantallen te herbergen dan vorige winters (tot 155 in de Achterhaven in nov). Oktober (112) en maart (135) waren opnieuw de beste maanden voor Geoorde Futen, terwijl de aantallen in december-januari al een terugval kenden tot gemiddeld een 10-

Dodaars - Yves Adams / Vilda

Figuur 5. Evolutie van de wintermaxima van Fuut in Vlaanderen.


// 25 VOGELNIEUWS 33

Steltlopers De winterpopulatie van Scholekster bedroeg maximaal ongeveer 2200 exemplaren in januari en februari. Door de aankomst van broedvogels die elders overwinteren liep dit aantal op tot ruim 2400 in maart. Het hoogste aantal op de hoogwatervluchtplaats in Nieuwpoort was 1355 in januari. Aan de Middenkust tussen Westende en De Haan werden geregeld 400 tot 430 exemplaren geteld. De belangrijkste pleisterplaats aan de Oostkust was traditioneel de haven van Zeebrugge met als hoogste aantallen 805 in november en 706 in februari. In het Zwin te Knokke werden tot 165 ex. geteld in februari. Langs de Beneden-Zeeschelde (en aanpalende binnendijkse gebieden) zagen we hetzelfde patroon als vorig winterhalfjaar: lage aantallen in de eerste winterhelft (max. 81 in jan) maar vervolgens oplopend tot 449 ex. in maart. In maart verschenen opnieuw ook groepjes dieper in het binnenland zoals in het Turnhouts Vennengebied (109), de E10-plas te Minderhout (71) en op Houbenhof te Ophoven-Kinrooi (67). Vooral in november (56) en december (60) werden erg weinig Kluten in Vlaanderen geteld. In maart was dat door de aankomst van broedvogels en/of doortrekkers al opgelopen tot 422. Belangrijkste pleisterplaatsen toen waren Antwerpen-Linkeroever (171), het Zwin te Knokke (72), de Zeebrugse Achterhaven (89) en de Uitkerkse Polder (25). Het kan verkeren. In 2017/18 werd nog het hoogste aantal Kieviten in Vlaanderen sinds 2000 genoteerd, deze winter het laagste (nooit meer dan de 24.000 in januari). De aantallen in de IJzerbroeken tussen Diksmuide en Roesbrugge bleven steken op maximaal 3515 ex. in januari en 3550 in februari (tegenover een piek van meer dan 15.000 in 2017/18), een gevolg van het uitblijven van grote winteroverstromingen in het gebied. Ook elders in de kuststreek waren grotere concentraties eerder zeldzaam. De belangrijkste gebieden waren de Achterhaven van Zeebrugge (3296 in jan), de Uitkerkse Polder (2832 in jan) en het Pompje te Oudenburg (2250 in jan). Op Antwerpen-Linkeroever werd een maximum bereikt in november (3727). Geprefereerde pleisterplaatsen daar waren vooral de Verrebroekse Plassen (2500 in jan) en de Putten West (1699 in nov). Het aantal Goudplevieren bereikte alleen in januari een redelijk hoog niveau (2508). In februari (404) en maart (134) werden nauwelijks nog groepen waargenomen. Vooral in de IJzerbroeken -waar vorige winters regelmatig vele duizenden exemplaren pleisterden- bleven de aantallen ondermaats door het gebrek aan plasdras op de graslanden. Alleen in januari werden er kortstondig wat grotere cijfers gehaald (1995). Ook in andere gebieden in de kuststreek werden weinig Goudplevieren geteld. We vermelden het Pompje te Oudenburg (447 in jan), de Zelte te Nieuwpoort (300 in nov) en de Uitkerkse

Polder (266 in nov). Het maximum te Antwerpen-Linkeroever kwam niet hoger uit dan 186 in november. De kaap van 200 exemplaren halen is tegenwoordig moeilijk geworden voor de Zilverplevier. Ook deze winter lukte het niet (max. 187 in jan). De belangrijkste pleisterplaatsen aan de kust waren zoals gewoonlijk de IJzermonding te Nieuwpoort (tot 81 in jan), het Zwin te Knokke (72 in jan) en de Baai van Heist (16 in nov). Opvallend waren de lage aantallen Wulpen in de eerste helft van het winterhalfjaar (< 2000). Maar dat werd daarna ruimschoots goedgemaakt en de piek van 9905 exemplaren in februari is één van de hoogste aantallen ooit geteld in Vlaanderen (Figuur 6). Dat kan in belangrijke mate toegeschreven worden aan de grote groep aan de Kluizendokken in de Gentse Kanaalzone (2642). Het zwaartepunt in de verspreiding blijft echter vooral in de kuststreek liggen. De Kustpolders en de IJzervallei lieten in februari en maart samen een totaal van resp. 4750 en 4815 ex. optekenen, met de grootste concentraties in de Uitkerkse Polders (tot 1136 in feb), de IJzerbroeken (749 in maart) en de omgeving van de Waleweiden tussen Schore en Keiem (725 in maart). Ook de verschillende natuurterreinen op Antwerpen-Linkeroever herbergden tijdens een aantal tellingen veel Wulpen, met in totaal resp. 1521 en 1291 ex. in januari en februari. De belangrijkste pleisterplaats hier was Drijdijck (tot 570 in jan). De graslanden in de Kempen trekken ook regelmatig een groot aantal Wulpen aan, zoals blijkt uit de aantallen in de omgeving van Kalmthout (tot 488 in feb) en Minderhout (642 in maart).

Figuur 6. Evolutie van de wintermaxima van Wulp in Vlaanderen.


// 26 VOGELNIEUWS 33

De enkele Grutto’s die in de wintermaanden in de IJzermonding en Het Zwin werden gezien betreffen wellicht IJslandse vogels. Vanaf februari (119 ex.) kwam de voorjaarstrek van vogels die zuidelijker overwinteren op gang. Vaak gaat het daarbij om een mix van de nominaatvorm en de IJslandse ondersoort. Het telweekend in maart leverde een totaal van 2651 Grutto’s op. De grootste aantallen kwamen gewoontegetrouw uit de kuststreek met o.a. 930 ex. in de IJzerbroeken (waarvan 655 in het Westbroek te Reninge), 508 in de Uitkerkse Polders en 380 in het Pompje te Oudenburg. Dieper in het binnenland vielen vooral de 169 Grutto’s in het Turnhouts Vennengebied op. Het hoogste aantal getelde Steenlopers op de hoogwatervluchtplaatsen aan de kust was 843 in januari. Gezien een aantal telhiaten ligt het werkelijke aantal ongetwijfeld iets hoger. In de verschillende regio’s wisselden de aantallen nogal van maand tot maand. Aan de Middenkust werden in december en februari resp. 291 en 278 ex. geteld, tegenover een merkelijk hogere piek van 558 in januari. Aan de Westkust (HVP IJzermonding) werden de hoogste aantallen in oktober (445) en maart (465) geteld. In de regio Oostkust waren de aantallen veel kleiner, met als maxima 38 ex. in het Zwin (nov) en 25 te Zeebrugge (nov). Van de haven van Blankenberge ontbreken representatieve telgegevens.

De aantallen van Kemphaan haalden een piek van 992 in januari, waarvan twee derde in de IJzerbroeken tussen Diksmuide en Reninge (669). Ook in regio Middenkust werd soms een mooie groep waargenomen, zoals in het Pompje te Oudenburg (resp. 135 en 130 in jan en feb) en in de weiden te Bredene (120 in nov). Aan de Oostkust was de soort duidelijk schaarser, met als beste gebied de Uitkerkse Polders (tot 73 in maart). Op Antwerpen-Linkeroever werden regelmatig een 50-tal exemplaren geteld, oplopend tot 92 tijdens de novembertelling. Hoogwatertellingen langs de Belgische kust leverden in januari en februari resp. 313 en 299 Drieteenstrandlopers op, waarvan de meeste aanwezig waren tussen Oostende en De Haan (resp. 290 en 222). De vogels die bij laagtij tussen Nieuwpoort en De Panne foerageren (tot 318 in jan) worden bij deze tellingen wellicht gemist omdat de hoogwatervluchtplaatsen zich over de grens in Frankrijk bevinden. Als we die mee in rekening brengen, dan komen we voor januari aan een totaal van ca. 630 Drieteentjes. Met nooit meer dan 1886 exemplaren (dec) haalde Bonte Strandloper niet het niveau van de voorafgaande drie winters. Die afname was merkbaar in alle gebieden. Op de hoogwatervluchtplaats aan de IJzermonding te Nieuwpoort werden in december en januari resp. 1620 en 1450 ex. geteld. De hoogste aantallen aan de Oostkust betroffen 137 ex. in het Zwin (dec) en een 100-tal te Zeebrugge-Heist (nov en dec). Aan de Middenkust werden nooit meer dan een 15-tal exemplaren gemeld. Langs de BenedenZeeschelde werd slechts op één telling een vermeldenswaardig aantal Bonte Strandlopers geteld (214 in het Schor Ouden Doel in dec). In maart werden in Vlaanderen net geen 570 Tureluurs geteld, het hoogste aantal van het winterhalfjaar. Wellicht was er toen ook al enige doortrek. De echte winteraantallen lagen iets lager. Langs de kust liep het aantal Tureluurs op tot ongeveer 270 in februari en bijna 300 in maart, met de IJzermonding te Nieuwpoort (tot 219 in maart), het Zwin te Knokke-Heist (69 in feb) en het havengebied te Zeebrugge (regelmatig 5055 ex.) als belangrijkste overwinteringsgebieden. Langs de Beneden-Zeeschelde werd het hoogste aantal in november genoteerd (203).

Steenloper - Yves Adams / Vilda


// 27 VOGELNIEUWS 33

MEEUWEN In heel wat telgebieden worden meeuwen niet meegeteld. Dit gebeurt immers slechts facultatief. De Vlaamse maandtotalen zijn voor de meeuwensoorten bijgevolg sterk onvolledig. In totaal werden nooit meer dan een 30.000-tal meeuwen geteld, terwijl we uit slaapplaatstellingen kunnen afleiden dat dit aantal kan oplopen tot boven de 300.000. Voor de volledigheid geven we voor de algemeenste soorten de wintermaxima die tijdens de midmaandelijkse tellingen werden genoteerd: 26.614 Kokmeeuwen (maart), 6158 Stormmeeuwen (dec), 2684 Zilvermeeuwen (dec), 271 Kleine Mantelmeeuwen (maart) en 365 Grote Mantelmeeuwen (okt). AALSCHOLVER EN REIGERS Vooral in oktober zaten grote aantallen Aalscholvers langs de kust, met o.a. 595 ex. in de IJzermonding te Nieuwpoort en 472 in de Zeebrugse Voorhaven. Nog in WestVlaanderen zaten toen 212 ex. in de Verdronken Weiden te Ieper. Vermeldenswaard zijn verder 248 ex. op het Donkmeer te Berlare (jan) en 276 ex. op Bichterweert langs de Grensmaas (maart), twee gebieden die zowel als slaapplaats en als broedgebied fungeren. Het aantal getelde Blauwe Reigers lag meestal tussen 1000 en 1200 exemplaren, maar dit betreft ongetwijfeld een onderschatting van de werkelijk aanwezige winterpopulatie. In maart worden ook al de broedkolonies bezet maar die worden vaak niet meegeteld tijdens de watervogeltellingen. De hoogste aantallen werden waargenomen op de Wijvenheide te Zonhoven (tot 82 in feb) en op De Gavers te Harelbeke (87 in maart). De 388 Grote Zilverreigers in oktober betekenen een nieuw record voor de watervogeltellingen en bevestigen de nog steeds stijgende trend van deze soort. De verspreiding strekt zich inmiddels uit over geheel Vlaanderen, van regio Westkust (91 in okt) tot helemaal aan de Grensmaas (61 in okt) in het oosten. Vooral de vijvers en plassen in Midden-Limburg trekken veel Grote Zilverreigers aan, zoals Wijvenheide (82 in feb), de Platweijers (27 in okt) en het Schulensbroek (27 in jan). Tijdens de decembertelling werden in een drietal gebieden in Beerse in totaal 58 ex. geteld.

Blauwe Reiger - Yves Adams / Vilda

Dankwoord In de eerste plaats een hartelijk woord van dank aan alle tellers die maandelijks door weer en wind op stap gingen om de watervogels in ‘hun’ gebieden te tellen! Voor de organisatie en coördinatie van de tellingen is vooral het werk van de regionale coördinatoren onmisbaar om het watervogelproject in goede banen te leiden. Daarom onze bijzondere dank aan Wim Duran, Dirk Vanhoecke, Marc De Ceuninck, Frank De Scheemaeker, Geert Spanoghe, Walter De Smet, Walter Hamelinck, Luc Vandeghinste, Dimitri Van de Populiere, Joris Everaert, Luc Favijts, René De Boom, Bjorn Tytgat, Jean Kiebooms, Filip Christiaens, Gerald Driessens, Joost Reyniers, Ludo Benoy, Jef Sas, Jef Mangelschots, François Bartholomeeusen, Luc Hendrickx, Pieter Cox, Sophie Philtjens, Jan Gabriëls en Marcel Jonckers. Helaas hebben we veel te vroeg afscheid moeten nemen van Hans Van Brabandt die nog maar recent de taak van regiocoördinator voor Noordwest-Brabant op zich had genomen. Zijn enthousiasme en gedrevenheid zullen gemist worden. Eckhart Kuijken en Christine Verscheure zorgen al decennialang voor de coördinatie van de gebiedsdekkende ganzentellingen in de volledige Oostkustpolders.


// 28 VOGELNIEUWS 33

Nieuws van het dispersieonderzoek bij Bruine Kiekendief door middel van vleugelkleurmerken Anny Anselin, Henk Castelijns, Wim Bovens, Kris Degraeve & Christian Boutrouille [ annanselin@gmail.com ]

Arno Beidts

Om kennis te verkrijgen over plaatstrouw bij de Bruine Kiekendief is het belangrijk om te weten in hoeverre er een uitwisseling is van vogels tussen verschillende broedpopulaties en of er een relatie is met hun broedsucces. Zijn er source en sink populaties en waar moeten we eventueel prioriteiten voor bescherming leggen? Daarnaast is het volgen van habitattrouw bij de soort belangrijk om te weten in hoeverre de recente toename van broedende vogels in cultuurgewassen (vooral graan) een gevolg is van een overschakeling van het traditionele riethabitat naar graan als nieuw broedhabitat. Dit kan consequenties hebben naar beschermingsinspanningen voor vogels die broeden in cultuurgewassen waar de kans groot is dat nesten met

eieren en jongen vernield worden tijdens het oogsten (Anselin & Degraeve 2018). Bij het dispersieonderzoek proberen we een antwoord te vinden op volgende vragen: 1. Waar en hoe ver van hun geboorteplaats vestigen jongen zich als adulte broedende vogels? 2. Blijven ze als adult in volgende broedseizoenen in dezelfde omgeving? 3. Zullen jongen geboren in riet of graan of andere cultuurgewassen als volwassen vogel ditzelfde habitat verkiezen om in te broeden?


// 29 VOGELNIEUWS 33

Om de individuele vogels tijdens hun dispersie te kunnen herkennen, moeten ze als jong gemerkt worden op hun geboorteplaats. We maakten hierbij gebruik van unieke vleugelkleurmerken (wingtags) omdat die een vrij goedkope oplossing zijn als je een groot aantal vogels wil merken. Eind 2010 namen we contact op met de onderzoekers van de Werkgroep Grauwe Kiekendief (nu Stichting Grauwe Kiekendief-Kenniscentrum Akkervogels) uit Groningen, die al heel wat ervaring hadden met het gebruik van vleugelkleurmerken. Daarna volgden contacten met het Centre d’Etudes Biologiques te Chizé (Frankrijk), de Belgische en Nederlandse ringdiensten en personen actief binnen ringwerk bij Bruine Kiekendieven. Het was de start van een netwerk dat vanaf 2011 resulteerde in samenwerking van het INBO met de Werkgroep Roofvogels Zeeland, de Natuurwerkgroep De Kerkuil, en sinds 2016 ook de Groupe ornithologique et naturaliste Nord-Pas de Calais, GON. Daarnaast waren enkele Vogelwerkgroepen van Natuurpunt.Studie en natuurfotografen bij dit onderzoek betrokken. Als werkgebied voor het kleurmerken werd beslist ons te beperken tot de Vlaamse polders, Zeeland en aanliggende gebieden in Frankrijk. De Belgische en Franse Ringdiensten en de Nederlandse Ringcentrale verleenden toelating voor het gebruik van vleugelkleurmerken. De wingtags worden aangebracht bij jongen (pulli) op het nest. Ondertussen zijn we al vele jaren verder, maar bij langlevende vogels en niet zo algemene soorten zoals de Bruine Kiekendief, is het belangrijk dat we voldoende gegevens kunnen verzamelen om betrouwbare statistische testen te kunnen uitvoeren. Een lange-termijn project dus. Bij het aflezen van kleurringen van meeuwen lopen de aantallen al snel op, bij Bruine Kiekendieven gaat het minder snel, maar het begint toch mooie resultaten op te leveren. 2020 was het tiende jaar dat er gekleurmerkt werd; 2021 wordt het jaar dat we 10 jaar terugmeldingen zullen hebben. Het is de bedoeling om dan een meer grondige analyse te maken van een aantal aspecten van dit onderzoek.

Aantal terugmeldingen Tot en met 2020 werden er in totaal 1345 waarnemingen van gekleurmerkte Bruine Kiekendieven gemeld. Dit zijn alle vogels waarbij de wingtagcodes konden gedetermineerd worden. Daarnaast zijn er nog een 150 meldingen waarbij het niet mogelijk was het kleurmerk eenvormig te bepalen. Het correct waarnemen van de wingtagcodes is niet altijd zo gemakkelijk, zeker niet als de vogels veraf zijn. Terugmeldingen omvatten zowel waarnemingen van volwassen overvliegende vogels buiten het broedseizoen (losse waarnemingen, op slaapplaats, op trek, ...) als observaties tijdens het broedseizoen in een broedterritorium. Het is dit aspect dat belangrijk is voor ons dispersieonderzoek. Adulte broedende gekleurmerkte vogels blijven zo’n 3 maanden ter plaatse en hun wingtags kunnen dan ook bijna altijd gedetermineerd worden. De 1345 terugmeldingen zijn afkomstig van 349 verschillende vogels. Bijna de helft ervan betreft observaties van jonge vogels die nog een tijd in de nabijheid van het nest vertoeven, of -een klein aantal- op najaarstrek werden gezien. Interessanter is echter weten hoeveel unieke adulte vogels er in het jaar na hun geboorte als volwassen worden teruggezien. Dit is dan als “tweede kalenderjaar” of ouder. Van deze adulte vogels zijn er momenteel 176 teruggemeld (goed voor 880 terugmeldingen). Die hebben al een of meerdere winters meegemaakt en deze gegevens kunnen gebruikt worden om de overlevingskans van de soort te bepalen. Op een totaal van tot nu toe 1051 getagde vogels (2020 mag niet meegeteld worden!) werden er dus 176 ooit als tweede kalenderjaars of ouder teruggezien, grofweg is dat bijna 1 op 6.

In dit artikel geven we een korte update van het aantal terugmeldingen, resultaten van het dispersieonderzoek -meer bepaald de plaatstrouw-, en een kort overzicht van het tagseizoen 2020. Anny Anselin

Colin Peryer


// 30 VOGELNIEUWS 33

Het overgrote deel van de waarnemingen gebeurde in het gebied waar ook intensief werd gekleurmerkt en waar de waarnemingsintensiteit hoger is dan elders. Maar er zijn ook losse waarnemingen uit Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Frankrijk, Duitsland, Spanje, Portugal en Afrika. Dit zijn vooral doortrekkers en overwinteraars (o.a. in Zuid-Frankrijk, Spanje en Afrika), maar in enkele gevallen ook mogelijke broedgevallen buiten het kleurmerkengebied. In de overwinteringsgebieden in Afrika werden 4 vogels teruggemeld in Senegal en 1 in Sierra Leone. Vanaf 2012, toen de eerste gekleurmerkte vogels terugkwamen (getagd in 2011) komen er ieder jaar nieuwe vogels terug. In Figuur 1 zien we hoeveel van die 176 unieke tweedejaars-en oudere vogels gezien werden van 2012 tot en met 2020. De hoogte van iedere balk geeft telkens het aantal nieuwe teruggemelde vogels weer. 2011 was het eerste jaar dat we kleurmerken aanbrachten. Deze jongen waren toen eerste kalenderjaars (1 KJ). In 2012 konden er dus, het jaar erna, enkel tweede kalenderjaarvogels (2 KJ) teruggezien worden. Vermits we ieder jaar getagd hebben, verwachtten we in 2013 zowel tweedeals derde kalenderjaar vogels, en in 2014 tweede, derde en vierde kalenderjaars, enz…

Niet elk jaar werden er vogels gezien van alle verwachtte leeftijdsklassen en het aantal per jaar schommelt sterk. Een verklaring hiervoor is voorlopig moeilijk te achterhalen. Vooral de tweede en derde kalenderjaarvogels zijn goed vertegenwoordigd.

Afstanden van geboorteplaats tot eerst waargenomen broedplaats Aan de hand van terugmeldingen van broedende vogels met kleurmerken komen we te weten hoe ver ze van hun geboorteplaats gaan broeden, dus al dan niet plaatstrouw zijn, en wat ze de volgende jaren doen. Ondertussen hebben we al gegevens van 80 teruggemelde vogels die tweedejaars-of ouder zijn (39 mannetjes en 41 vrouwtjes) en werden waargenomen tijdens het broedseizoen, zowel broedend als broedverdacht. Dit zijn gegevens zonder het broedseizoen 2020 meegerekend. Dit jaar zijn er wel een tiental gegevens bijgekomen, maar hiervan is nog niet alle informatie gekend. In Figuren 2 en 3 zien we dat afstanden van de geboorteplaats tot de eerste waargenomen broedplaats gaan van nauwelijks 2 km tot 206 km. De dispersieafstanden van de wijfjes bedragen 2 tot 206 km, bij de mannetjes 1 tot 130 km. In beide geslachten worden

M 220 200 180 160 140 120 100 80 60 40 20 0 1

3

5

7

9

11 13 15 17 19 21 23 25 27 29 31 33 35 37 39

Figuur 2. Dispersieafstanden in kilometers bij 39 mannetjes van geboorteplaats tot eerste waargenomen broedplaats als volwassen vogel.

W 220 200 180 160 140 120 100 80 60

Figuur 1. Per jaar aantal en leeftijdsklasse van de 176 unieke tweedejaars-en oudere unieke vogels teruggemeld vanaf 2012 tot en met 2020. De hoogte van iedere balk geeft telkens het aantal nieuwe teruggemelde vogels weer

40 20 0 1

3

5

7

9 11 13 15 17 19 21 23 25 27 29 31 33 35 37 39 41

Figuur 3. Dispersieafstanden in kilometers bij 41 wijfjes van geboorteplaats tot eerste waargenomen broedplaats als volwassen vogel.


// 31 VOGELNIEUWS 33

zowel lange als korte afstanden afgelegd maar ook binnen de verschillende leeftijdsklassen zijn er korte en lange afstanden. Daarom keken we na of dispersieafstanden afhangen van het geslacht of van de leeftijdsklasse van de vogel. Toepassing van een Generalized Linear Model toont aan dat er geen verschil in afstand is tussen de leeftijdsklassen en dat de afstand bij vrouwtjes significant groter is dan bij mannetjes (Figuur 4).

Figuur 5 geeft een beeld van de dispersieafstand en de richting waar die 80 jonge vogels voor het eerst broedend werden waargenomen. Naast afstanden van de nestplaats tot de eerste broedplaats is er van een aantal vogels ook informatie over verplaatsingen die ze in opeenvolgende jaren als broedend adult maken. Dit moet nog verder uitgewerkt worden maar het is nu al duidelijk dat er verschillende dispersiepatronen zijn, zowel bij jongen uit hetzelfde nest of binnen hetzelfde broedgebied, als binnen adulte mannetjes of wijfjes.

Het tagseizoen 2020 Tenslotte nog even kort de tagresultaten van het seizoen 2020. Deze waren zonder meer uitstekend! In 62 nesten werden niet minder dan 180 vogels van kleurmerken voorzien, waarvan 100 mannetjes, 79 vrouwtjes en 1 onbepaald, zie onderstaande tabel. Het hoogste aantal sinds 2011, dit in grote mate dankzij de grote inzet van ringers, taggers en andere vrijwilligers. Figuur 4. Dispersieafstand hangt niet af van de leeftijdsklasse en afstanden van wijfjes (rood) zijn significant hoger dan van mannetjes (blauwgroen). Generalized Linear model, Y as: log afstand, X as leeftijdsklassen (2=tweede kalenderjaar tot 4=vierde kalenderjaar, 5+: leeftijden van vijfde kalenderjaar en hoger (samengenomen).

Regio

M

W

Nord-Pas-de-Calais

17

Oostkust

O

Totaal vogels

Totaal nesten

15

32

11

14

3

17

6

Zeeland

29

35

64

20

Westkust

34

23

58

21

NO Vlaanderen

5

2

7

3

Waasland

1

1

2

1

180

62

1

Hoe loopt het verder

Figuur 5. Dispersieafstand- en richting van 39 mannetjes en 41 vrouwtjes van geboorteplaats (cirkel) tot eerste waargenomen broedplaats als volwassen vogel.

Het is de bedoeling om zeker nog volgend jaar het kleurmerken verder te zetten en dan de resultaten van 10 jaar terugmeldingen en 11 jaar kleurmerken op verschillende niveaus uit te werken. Hierbij willen we nog eens speciaal alle medewerkers hartelijk danken voor hun blijvende inzet! Bij dit project geldt: iedere waarneming telt!

Anny Anselin


// 32 VOGELNIEUWS 33

Zenderonderzoek naar kiekendieven Geert Spanoghe, Kjell Janssens & Nico De Regge [geert.spanoghe@inbo.be]

Grauwe Kiekendief - Koen Devos

In 2020 werden naast Bruine Kiekendief ook Buizerd, Velduil, Grauwe en Blauwe Kiekendief gezenderd in Vlaanderen. Dit kadert binnen het onderzoek naar de optimalisatie van foerageergebied voor deze soorten. Dit wordt de komende jaren een heel belangrijk actiepunt op Antwerpen-Linkeroever om de populatie van Bruine Kiekendief er weer boven op te krijgen. Maar net zoals dat Bruine Kiekendieven buiten Linkeroever ons daar iets over kunnen leren, kunnen ook de andere soorten met een vergelijkbaar

prooi-assortiment onze kennis hierover vergroten. Deze soorten hebben bovendien ook doelstellingen in Vlaanderen die vertaald worden in het meer natuurlijk inrichten en beheren van gebieden én het toewerken naar een mozaiek van beheermaatregelen in daarvoor aangeduide en dus kansrijke akkergebieden. Of de kiekendieven zelf ook op die lijn zitten, lees je hieronder.


// 33 VOGELNIEUWS 33

Bruine Kiekendieven In het vorige nummer van Vogelnieuws werd reeds bericht over het zenderen van twee Bruine Kiekendieven in 2019 op Antwerpen-Linkeroever. Het ging om een mannetje en een vrouwtje die respectievelijk de naam Lillo en Lilla kregen toebedeeld. In het voorjaar van 2020 konden we beide zendervogels volledig uitlezen op het Galgenschoor. Daarmee hadden we voor meer dan een jaar gegevens met een locatie om de 10 minuten. Met het kiekendieven-onderzoek zijn we vooral geïnteresseerd in wat ze hier bij ons doen. Maar die trektocht geeft toch wel de spannendste resultaten. Zowel Lillo als Lilla hielden er een klassieke trekperiode, trekroute en overwinteringsgebied op na voor Bruine Kiekendieven uit de Lage Landen. Beide vogels trokken door Frankrijk, passeerden net oostelijk van Madrid om dan over de Straat van Gibraltar naar hun overwinteringsgebied in West-Afrika door te vliegen. Vergeleken met de voorgaande

gezenderde vogels uit de Lage Landen overwinterde Lillo eerst iets oostelijker, in Mali en later ook iets zuidelijker, in het veel groenere Guinée. De meeste van onze Bruine Kiekendieven kennen niet veel anders dan de onmiddellijke omgeving van Senegal. Lillo vertrok op 24 augustus rond 14:25 u op het Galgenschoor richting Frankrijk. Op 3 september rond de middag stak hij ten westen van Tarifa de Straat van Gibraltar over. Hij koos daarna een eerder meer binnenlandse route. Op 12 september rond 14:00 u kwam hij aan in zijn eerste overwinteringsgebied langs de Senegal-rivier, net in Mali. Hij verbleef hier ruim 2 maanden in een gebied van 4 op 4 km waar hij nauwelijks uitkwam. Op 16 november, na de middag stak hij de Senegal-rivier over en vloog ongeveer 500 km verder naar het zuidwesten. Op 18 november kwam hij aan, dicht bij de kust van het veel groenere Guinée. Hij verbleef daar in een gebied van 10 op 20 km tot 2 maart. Rond 13 u vertrok hij daar noordwaarts. De terugtocht leek moeizaam te verlopen. In Marokko verbleef hij nog 6 dagen op dezelfde plaats. Mogelijks waren de weersomstandigheden niet gunstig om noordwaarts te trekken. Pas op 4 april passeerde hij Bordeaux om op 8 april, ‘s morgens aan te komen op het Galgenschoor waar Lilla al twee dagen in het territorium van 2019 zat maar wel al met een ander mannetje! Het is evenwel uitzonderlijk dat paartjes Bruine Kiekendief jaar na jaar samen een koppel vormen. Lillo maakte vlakbij een nest, maar dus met een ander wijfje … . Lilla vertrok op 20 augustus van het Galgenschoor om ’s avonds al te landen op haar stop-over waar ze tot 8 september zou verblijven, net ten oosten van Arras in NoordFrankrijk. Op 11 september ging het hard! Van de Ebro in Noord-Spanje tot in Marok-

De trektocht van Lillo en Lilla na het broedseizoen van 2019. Lillo: heen rood tot zijn eerste winterverblijf in Mali, terug oranje vanaf zijn tweede winterverblijf in Guinée. Lilla: heen blauw naar Dakar en terug lichtblauw vanaf Dakar.

ko. Ten noordoosten van Madrid zat ze al op een rechte lijn met Gibraltar. Om 20:32 u stak ze bij Tarifa de straat van Gibraltar over om Afrika binnen te vliegen. Ze vloog door tot een bosachtig berglandschap ten zuiden van Rabat om pas tegen middernacht een slaapplaats in te nemen. Lilla overwinterde net ten oosten van Dakar (Senegal) van 20 september tot 2 maart. Ze verbleef daar in een gebied van 60 op 15 km. In het najaar zat ze lang in het oostelijk deel, de weken voor de terugtrek zat ze in het westelijk deel. Ze keerde terug op 2 maart rond 14 u om een meer kust-gebonden vliegroute in Afrika aan te houden. Op 20 maart om 9:13 u stak ze over aan de meest noordwestelijke punt van Marokko om 45 km over zee te vliegen, richting Cadiz. In de streek van


// 34 VOGELNIEUWS 33

Donãna bleef ze 14 dagen hangen, zoals heel wat Vlamingen in het voorjaar. Op 3 april trok ze rond 9:00 u weer noordwaarts om op 6 april om 17:22 u op het Galgenschoor te landen. Ze vloog pal over Brussel en zo verder over Antwerpen Linkeroever om dan de Schelde te volgen tot het Galgenschoor. Daar vond ze een ander mannetje, want Lillo was daar nog niet! Sinds 1 mei zat ze daar op een nest op 80 meter van dit van 2019. Voor de terugkeer waren ze dus merkwaardig goed op elkaar afgestemd: beiden vertrokken ze op 2 maart, kort na de middag (puur toeval natuurlijk). Eens bij ons aangekomen gaven beide vogels de voorkeur aan dezelfde gebieden als in 2019. Lillo ging vooral weer op muizen jagen in Prosperpolder Zuid maar bezocht ook regelmatig de grotere schorgebieden, Doelpolder Noord en de zone van het Doeldok tot Putten West. Lilla frequenteerde net zoals vorig jaar eveneens die laatste zone, waarbij zij regelmatig het zuidelijk deel van Putten West bezocht. In het verloop van het broedseizoen bezocht zij, in tegenstelling tot 2019, ook meer de schorgebieden en Propserpolder Zuid. We kregen van haar veel meer locaties omdat zij vroegtijdig haar nest met jongen verliet, wellicht omdat haar nieuwe man Tonio niet genoeg voedsel aanbracht. Dit gedrag is bekend bij kiekendieven in muizenarme jaren. We waren dan ook aangenaam verrast toen we Tonio later in het broedseizoen twee uitgevlogen jongen zagen voederen in de buurt van het nest van Lilla. Zichtwaarnemingen van op de dijk deden ons veronderstellen dat zijn ander wijfje het nest al meer dan een maand verlaten had na predatie door een Buizerd. Hij behaalde dus toch nog enig succes, zonder hulp van Lilla.

Tonio werd de nieuwe man van Lilla die bovendien 2 jongen van haar nest opvoedde zonder haar hulp. Wat foerageergewoonten betreft, leek hij vooral boven akkerland te jagen, iets wat we bij Lillo en Lilla niet vaststelden.

De voorkeur van Tonio, onze nieuwe zendervogel, ging uit naar de opgespoten terreinen en het aangrenzende poldergebied (zuidelijke Doelpolder en zuidoostelijke deel van de Nieuwe Arenbergpolder). Hij bezocht ongeveer evenveel de polders (bijna uitsluitend akkerland) en natuurgebieden op Antwerpen Rechteroever wat doet veronderstellen dat hij daar als broedvogel of als uitgevlogen jong een verleden heeft. Zijn gebruik van de gebieden op Linkeroever, hoewel in dezelfde regio, verschilt dus significant met dat van Lillo. Het toont aan dat je best beschikt over heel wat data, van verschillende vogels, eer je uitspraken doet over het succes van bepaalde maatregelen in het foerageergebied voor deze en andere soorten. De datapunten van de 3 Bruine Kiekendieven van het Galgenschoor in het broedseizoen van 2020. Elke vogel heeft zijn specifieke voorkeur waardoor het lijkt alsof ze het gebied mooi verdelen.


// 35 VOGELNIEUWS 33

Grauwe Kiekendieven In 2020 waren een er twee succesvolle broedgevallen van Grauwe Kiekendief nabij en op een perceel van de abdij van Westvleteren. De positieve afloop van deze unieke broedgevallen was het resultaat van een goede samenwerking tussen Natuurwerkgroep De Kerkuil vzw en andere partners. In samenwerking met hen en ANB werd door ons gepoogd één of meerdere vogels te zenderen om hun foerageergebied en eventuele nieuwe vestigingen dit en de volgende jaren in kaart te brengen. Het vangen ging vlotter dan dit van Bruine Kiekendieven in hun territorium. De eerste vogel, een mannetje dat we Arnold doopten, was trouwens een bijvangst! Tijdens het zenderen bleek dat er nog altijd twee mannetjes boven het perceel vlogen. Verspreid over enkele dagen werden ook deze twee mannetjes en één van de vrouwtjes gezenderd. Zoals verwacht werden de zenders vlot ‘aanvaard’ door deze vogels en beletten ze hen niet succesvol jongen groot te brengen. De broedlocatie deed menig roofvogelkenner de wenkbrauwen fronsen. Ook hier in het westen van West-Vlaanderen waren er gebieden waar de vestiging van Grauwe Kiekendieven veel aannemelijker leek. Het was dan ook uitkijken naar wat de eerste zendergegevens opleverden. Maar eerst was er Arnold, die dus geen deel uitmaakte van de twee broedparen. Hij droeg wel een kleurring die aangaf dat hij een jong was van het geslaagde broedgeval te Diksmuide in 2018, een local dus. Wellicht had hij net een mislukt broedgeval gehad, bijvoorbeeld door maaiwerkzaamheden. Er was immers sprake van een onbevestigd, uitgemaaid broedsel in de onmiddellijke omgeving én het feit dat er een ook derde wijfje in de buurt rondhing. Anderzijds gaven de eerste zendergegevens aan dat hij een duidelijke binding had met een akkergebied in Dranouter, toch een heel eind verder het binnenland in. Hij verraste ook door tweemaal van daar naar Zeeuws-Vlaanderen te vliegen om daar een tijd door te brengen. Hij werd daar ook gespot met een (of was het zijn ?) gekleurringd wijfje uit Groningen. Eén van de twee lokale mannetjes in Westvleteren, Monnik, bleek eveneens een gekleurringde vogel uit Groningen te zijn. De mannetjes van de twee broedparen leken wel een zekere binding met het nabijgelegen deel van de IJzervallei nabij Fintele en Elzendamme te hebben, maar gingen toch een beetje naar alle windstreken om te jagen. Zeker de eerste weken na het zenderen was dit regelmatig naar de vroegst geoogste gerst-akkers. Eén van de twee wijfjes zagen we ook al enkele dagen boven

zo’n akker jagen op ongeveer een kilometer van de broedplaats. Het mannetje Wim had een grotere actieradius dan Monnik, waarbij hij geregeld de Frans-Belgische grens overstak. Arnold deed dit ook maar die zat toen al zonder nest.

De gezenderde mannetjes gebruikten een groot gebied rond hun nestplaats. Wim en Arnold deden regelmatig Frankrijk aan (buiten de grijze zone op de kaart). Rechtsboven op de kaart zie je de IJzerboeken en het spaarbekken van Woumen.


// 36 VOGELNIEUWS 33

De trektocht naar Afrika werd niet aangevat voor een eerste stop-over in Noord-Frankrijk waar ze een belangrijk deel van de handpenrui ondergingen. Monnik vertrok het eerst, op 28 augustus, en vloog vrij strak door. Op 4 september stak hij over vanaf Zuidoost-Spanje om op 22 september aan te komen in zijn overwinteringsgebied in Mauretanië, bij de grens met Mali, ter hoogte van Bamako. Wim vertrok een dag later, in de namiddag van 29 augustus, om pas in de voormiddag van 13 september de Straat van Gibraltar over te steken. Na de Atlas trok hij vrij dicht bij de Atlantische Oceaan om in Zuid-Mauretanië helemaal het binnenland in te vliegen en zich te settelen, eveneens bij de grens van Mali. Hier kwam hij uiteindelijk pas aan op 2 oktober. Ook Arnold belandde daar en wel het vroegst van alle drie, op 18 september. Net zoals Wim vertrok hij in Noord-Frankrijk op 29 augustus, stak over in Zuidoost-Spanje op 2 september om op 18 september aan te komen. Het wijfje, Eveline, vertrok op 1 september in NoordFrankrijk om al op 8 september over te steken naar Afrika. Zij deed dit veel oostelijker, wat toch een goede 200 kilometer trekken over zee inhield. In Algerije aangekomen hield ze weer oostelijk aan en belandde in het kustgebied ten westen van Algiers waar ze bijna 3 weken pleisterde. Op 18 september trok ze de Sahara in om ook weer een 500 kilometer oostelijker dan de mannetjes te overwinteren in Mali. In de lente van 2021 zullen deze vogels ons leren of de geslaagde broedgevallen van Westvleteren een vervolg krijgen. De kans is quasi onbestaande dat dit op dezelfde plaats zal zijn. Het zou bijvoorbeeld evengoed in Noord-Frankrijk kunnen zijn. Of zouden ze toch aangetrokken worden door de gebieden in westelijk West-Vlaanderen met veel beheerovereenkomsten en graslanden in natuurbeheer? Het voordeel van de zenders is dat we het sowieso zullen weten en indien nodig ook beschermingsmaatregelen kunnen nemen, al tijdens de vestiging. Samen met de vrijwilligers van Natuurwerkgroep De Kerkuil, die deze taak maar al te graag weer zullen behartigen, houden we de doorgezonden data-punten voortdurend in de gaten. Wijzelf hopen op een vestiging in een gebied met veel beheerovereenkomsten zodat we het gebruik daarvan beter in kaart kunnen brengen.

Na enkele weken in de Champagne trokken de Grauwe Kiekendieven rond 1 september naar Afrika. Na 3 à 4 weken kwamen ze aan op hun eerste overwinteringsplaats. Die lag voor de drie mannetjes ongeveer in hetzelfde gebied in Mauretanië, net boven de grens met Mali. Van het wijfje Eveline krijgen we maar af en toe een sms-datapunt door. Na haar stop-over nabij Algiers zit ze in Centraal-Mali, ongeveer 500 kilometer oostelijker dan de mannetjes (aangeduid met speld).


// 37 VOGELNIEUWS 33

Broedvogelrapport 2013-2018 beschikbaar Glenn Vermeersch, Koen Devos, Gerald Driessens, Joris Everaert, Simon Feys, Marc Herremans, Thierry Onkelinx, Eric Stienen & Filiep T'Jollyn [ glenn.vermeersch@inbo.be]

Blauwborst Glenn Vermeersch

Begin september verscheen het langverwachte broedvogelrapport waarin alle gegevens uit de periode 2013-2018 uit het ABV- en BBV-project, alsook uit databronnen als www.avimap.be en www.waarnemingen.be werden gebundeld. Het rapport toont heel duidelijk waar onze kennis-lacunes zich momenteel bevinden en waarom de behoefte aan de nieuwe Vogelatlas erg groot is. Hoewel we een behoorlijk goed beeld hebben

van de korte- en lange termijntrends van bijna alle Vlaamse broedvogelsoorten, ontbreken voor een aantal soorten toch betrouwbare, jaarlijkse aantalschattingen. Ook de precieze verspreiding en de regionale zwaartepunten in die aantallen en verspreiding zijn soms minder goed gekend.


// 38 VOGELNIEUWS 33

In totaal worden in het rapport 182 soorten besproken. Dit zijn nagenoeg alle in Vlaanderen broedende vogels met uitzondering van enkele weinig verspreid voorkomende exoten. De gekende korte en lange termijn trends voor broedvogelsoorten (resp. 20072018 en 1980-2018) lopen grotendeels gelijk. Op de korte termijn is er een wat hoger aandeel afnemende soorten terwijl op de lange termijn meer soorten als ‘fluctuerend’ worden omschreven. In het algemeen kunnen we stellen dat aan landbouwgebied gebonden vogelsoorten blijvend (fors) afnemen. Ook lange afstandstrekkers (sub-Sahara migranten) vertonen een gemiddeld duidelijk negatieve trend. Bosvogels vertonen als groep een meer gematigd beeld, maar nemen gemiddeld toch ook af, vooral onder invloed van de individuele trends van lange afstandstrekkers onder die bosvogelsoorten. Tenslotte blijken soorten gebonden aan moerasvegetaties eveneens sterk onder druk te staan. Je kan het rapport met alle individuele soortteksten integraal downloaden via deze link.

Oehoe - Rollin Verlinde / Vilda

Winnaars en verliezers…

Oehoe Cetti's Zanger

In wat volgt overlopen we kort enkele opvallende ‘winnaars en verliezers’ binnen de groep van respectievelijk BBV- en ABV-soorten (Figuur 1 en Figuur 2).

Zwartkopmeeuw Rode Wouw Grauwe Klauwier

Opvallende toenames zijn er van echte nieuwkomers als Raaf en Oehoe. Terwijl de (her)kolonisatie door Raaf van bosrijke regio’s in Vlaanderen erg langzaam gaat, lijkt het erop dat Oehoe, sinds het eerste broedgeval in 2005, aan een bijzonder snelle opmars bezig is. Verheugend is ook dat een Europees sterk bedreigde soort als Rode Wouw stilaan een weliswaar kleine populatie opbouwt in de Voerstreek. Ook Zwarte Wouw lijkt overigens aan een voorzichtige toename bezig te zijn. In diezelfde Voerstreek bevindt zich de kernpopulatie van Grauwe Klauwier in Vlaanderen en ook die soort lijkt de voorbije jaren steeds meer uit te breiden. Andere soorten met een overwegend zuidelijk areaal in Europa zijn eveneens goed vertegenwoordigd aan de positieve zijde van Figuur 1: Cetti’s Zanger, Orpheusspotvogel, Baardmannetje, Steltkluut en Graszanger profiteren wellicht van het geleidelijk opwarmende klimaat en de ermee gepaard gaande zachtere winters. Wellicht niet toevallig werd in 2017 ook voor het eerst sinds lang weer een broedgeval van Hop genoteerd in Vlaanderen (Verdonck & Driessens 2018). Toch zijn er ook zuidelijke soorten die een (tijdelijke) terugval kenden. Bijeneter breekt nog steeds niet echt door in Vlaanderen en blijft voorlopig een erg onregelmatige broedvogel. Ook Kleine Zilverreigers blijven voorlopig een zeldzaamheid, hoewel

Middelste Bonte Specht Raaf Orpheusspotvogel Baardmannetje Steltkluut Woudaapje Snor Roerdomp Geoorde Fuut Graszanger Roek Bijeneter Kleine Zilverreiger Kleine Barmsijs Bontbekplevier Dwergstern Kramsvogel Kuifleeuwerik Europese Kanarie Tapuit Strandplevier

Figuur 1. Opvallende trends (procentuele toe- of afnames op basis van aantalsschattingen voor Vlaanderen) van BBV-soorten in de periode 2007-2018.

Grote Stern -200

-100

0

100

200

300

400

500

600


// 39 VOGELNIEUWS 33

ze erg recent toch weer wat uitbreiden. De afname van Europese Kanarie is enorm en toch enigszins onverwacht. Het aandeel soorten gebonden aan stranden, duinen, slikken en schorren valt eveneens op: Grote Stern, Dwergstern, Tapuit, Kuifleeuwerik en Strandplevier broeden nog slechts in marginale aantallen in Vlaanderen. Grauwe Gors ten slotte is een symboolsoort voor de teloorgang van de diversiteit in ons landbouwgebied en de kans lijkt groot dat deze eveneens zal verdwijnen als broedvogel in Vlaanderen. De eerste twee telcycli van het ABV-project (periode 2007-2012) resulteerden in een tamelijk duidelijk beeld: landbouwsoorten namen flink af als groep, terwijl de situatie in de bossen (status quo tot lichte toename) en vooral bij de generalisten (soms forse toename bij tuinvogels en andere soorten die zich wisten aan te passen aan toenemende verstedelijking) leek mee te vallen. Twee extra telcycli (2013-2018) resulteerden in een eerder negatief beeld bij alle hierboven vermelde groepen. Zoals bij alle samengestelde trends is het steeds raadzaam er de individuele soort-trends op na te slaan om op die manier eventueel andere patronen te ontrafelen. In het verliezende kamp zitten veel soorten die typisch zijn voor het landbouwgebied. Kievit, Patrijs, Zomertortel, Graspieper, Gele Kwikstaart, Spreeuw, Veldleeuwerik en Ringmus nemen allemaal flink af. Daartegenover staan weinig winnaars in datzelfde landbouwgebied: enkel Geelgors en Roodborsttapuit zitten in de lift. Roodborsttapuit is bovendien een soort waarvan een groot deel van de Vlaamse populatie in onze resterende heidegebieden broedt en het ook daar erg goed doet. Dat zien we overigens ook bij Veldleeuwerik: forse afname in het landbouwgebied, maar toenemend in heidegebied mits er een voor die soort gepast maaibeheer wordt gevoerd. Positieve trends in landbouwgebied lijken enkel nog voorbehouden voor enkele soorten die eerder aan de perceelsranden zijn gebonden dan aan de teelten zelf. Ook de toename van Putter, Grasmus en lokaal in de polders ook Rietzanger speelt zich vooral af in de perceelsranden. Ook andere soortgroeperingen resulteren in een gemiddeld negatief beeld zoals voor standvogels en lange afstandstrekvogels.

Kauw Putter Boomklever Buizerd Bonte Vliegenvanger Boomleeuwerik Sperwer Roodborsttapuit Appelvink Rietzanger Zwarte Kraai Tjif tjaf Grote Bonte Specht Grasmus Geelgors Goudhaan Ringmus Kuifmees Merel Kleine Karekiet Veldleeuwerik Spreeuw Zanglijster Huismus Gele Kwikstaart Matkop Staartmees Koekoek Graspieper Fitis Tuinfluiter Grote Lijster Patrijs Zomertortel Kievit Zwarte Mees -100

-50

0

Figuur 2. Opvallende trends (procentuele toe- of afnames op basis van getelde ABVsteekproefhokken) van ABV-soorten in de periode 2007-2018. 50

100

150

200

Gemiddeld een somber beeld… Samengevat kunnen we stellen dat de in het broedvogelrapport verzamelde cijfers een eerder negatief beeld schetsen. Nagenoeg 50% van het landoppervlak in Vlaanderen bestaat uit landbouwgebied en daar zijn de trends overwegend erg negatief, vooral dan bij soorten die aan de teelten zelf gebonden zijn. Hoewel in andere leefgebie-

Boomleeuwerik profiteert volop van het in grote heidegebieden gevoerd natuurbeheer waar vaak wordt ingezet op heideherstel in verboste delen van het terrein. De ontstane open plekken worden meestal snel door deze soort gekoloniseerd. In een later stadium profiteert ook Nachtzwaluw van dat beheer. - Glenn Vermeersch


// 40 VOGELNIEUWS 33

den een meer wisselend beeld naar voren komt, is ook daar gemiddeld genomen heel wat reden tot bezorgdheid. Een opsteker voor natuurbeherende instanties als ANB en Natuurpunt is dat sommige soorten blijken te profiteren van lokaal gevoerd natuurbeheer in beschermde gebieden (bv. Boomleeuwerik, Roerdomp, Woudaapje, Kluut). Positief is ook dat heel wat standvogelsoorten in onze bossen het relatief goed doen. Die bosgebieden blijken lokaal ook kwalitatief voldoende rust en voedsel te bieden aan nieuwkomers als Raaf en Oehoe. Rekening houdend met de voor Vlaanderen gestelde IHD-doelen is er vooral nog veel werk voor soorten van moerassen en kustbroedvogels.

Vlaanderen in Europa De in het rapport gepresenteerde cijfers sluiten grotendeels aan bij wat onze buurlanden rapporteren en bij wat men verspreid doorheen Europa vaststelt (www.ebcc.info). Dat is ook niet verwonderlijk gezien o.a. de landbouwpraktijken in toenemende mate vanuit Europa gestuurd worden. Bovendien zijn alle vogelsoorten erg mobiel in vergelijking met andere soortengroepen waardoor we niet kunnen spreken van exclusief ‘Vlaamse’ of ‘Belgische’ populaties. Dat soorten als Tapuit, Paapje en Kuifleeuwerik op het punt staan om als broedvogel te verdwijnen, heeft ook te maken met de sterk negatieve Europese trend en het feit dat onze regio zich op de rand van het Europese areaal bevindt waardoor een inkrimping van dat areaal hier meteen tastbaar wordt. Hoewel (een deel van) de oorzaak van de negatieve trends dus ongetwijfeld buiten onze regio valt (bv. ook jacht tijdens de trek en verslechterde omstandigheden in de overwinteringsgebieden), kan het Vlaamse natuurbeleid, al dan niet met Europese steun, voor heel wat soorten alsnog hulp bieden. Lokaal slaagt me daar in door strikte bescherming en handhaving in (Natura 2000-) natuurgebieden en door het ontwikkelen van nieuwe natuur zoals in havengebieden of langs grote rivieren in het kader van het Sigma-plan. Of regionale soortbeschermingsplannen zoals bv. voor Grauwe Kiekendief en Porseleinhoen zullen slagen in hun opzet moet nog blijken. In agrarisch gebied wordt, mits subsidiëring in het kader van het Europese programma voor plattelandsontwikkeling, getracht tenminste lokaal het tij te keren. Erg lokaal lijken dergelijke initiatieven goed uit te pakken, maar de schaal waarop dit gebeurt, is vooralsnog te beperkt om de hier gerapporteerde, negatieve trends te keren. De recente aanzet tot het nieuwe Europese landbouwbeleid voor de komende jaren is alvast geen stap in de goede richting!

Porseleinhoen kan in de toekomst hopelijk profiteren van de uitvoer van het specifieke soortbeschermingsplan. Door de nog deels uit te voeren Sigma-natuurinrichting zullen ongetwijfeld nieuwe, voor de soort geschikte locaties in onze riviervalleien ontstaan - Glenn Vermeersch

Kenmerkend voor de malaise in de open landbouwgebieden is de fors dalende trend (-59%) van Kievit Glenn Vermeersch


// 41 VOGELNIEUWS 33

De Vogelatlas in het Corona-startjaar

De in de periode 2013-2018 gemelde toename van Grauwe Klauwier zet zich (versterkt) door bij de start van het terreinwerk voor de nieuwe Vogelatlas Glenn Vermeersch

Het jaar 2020 wordt er eentje om nooit te vergeten, zoveel is wel duidelijk! En neen, niet enkel omwille van de ondertussen welbekende pandemie, maar ook omdat de uitbraak van die laatste precies samenviel met de eerste broedvogel-tellingen voor de Vogelatlas. De opstart van de eerste broed- én wintervogelatlas is een ornithologische mijlpaal voor Vlaanderen. Ondanks de Covid-19 uitbraak en de lockdown tijdens het voorjaar

woonden 220 atlastellers gelukkig dicht genoeg bij of zelfs midden in hun atlasblok, zodat het telwerk in toch meer dan 200 atlasblokken zoals gepland kon plaatsvinden. Meer nog, bij gebrek aan andere manieren van ontspanning tijdens die lockdown lijkt het erop dat er zelfs meer tijd in het telwerk werd geïnvesteerd dan oorspronkelijk voorzien!


// 42 VOGELNIEUWS 33

Net voor de start van de eerste wintertellingen, blikken we hier al eens kort terug op het gepresteerde telwerk in het voorjaar en de zomer. De hier gepresenteerde cijfers zijn uiteraard voorlopig en wijzigen voortdurend wanneer nieuwe gegevens worden ingevoerd. In totaal voerden de atlastellers samen 10.762 tellingen uit en verzamelden ze 264.831 gegevens. Ze waren het afgelopen broedseizoen meer dan 9864 uur in het veld. Dat de verzamelde resultaten erg waardevol zijn, hoeven we jullie wellicht niet te verduidelijken. In 223 atlasblokken, 1194 kilometerhokken en 2365 telpunten werden data ingevoerd. Er werden (voorlopig) 1652 5-minutentellingen en 712 2x5-minutentellingen uitgevoerd. Alles samen werden van 178 soorten data verzameld met een geldige broedcode. De soorten die het meest werden ingevoerd zijn Winterkoning, Vink, Tjiftjaf en Houtduif. Soorten die in het hoogste aantal atlasblokken werden vastgesteld zijn Merel (203), Winterkoning (201), Tjiftjaf en Koolmees (200). De trends (zowel positief als negatief) van het elders in dit nummer besproken broedvogelrapport worden voorzichtig reeds bevestigd door de fonkelnieuwe atlas-cijfers. We noteren voorlopig 1 blok met Kortsnavelboomkruiper, 3 blokken met Raaf, 7 blokken met Orpheusspotvogel, 11 met Grauwe Klauwier en 12 blokken met Oehoe. Allen soorten die duidelijk in de lift zitten. Voor andere soorten werd de gerapporteerde afname nogmaals pijnlijk duidelijk: slechts 1 blok met Kuifleeuwerik, 4 blokken met Grauwe Gors en voorlopig slechts 12 blokken met Zomertortel. Wie had vroeger ooit gedacht dat die laatste de hete adem van de Grauwe Klauwier nog in de nek zou voelen?

Voor het broedseizoen 2020 werden 224 blokken gereserveerd, voor 2021 zijn dat er voorlopig 148 en voor 2022 voorlopig 55. Nog 216 blokken wachten dus op een teller voor broedvogels. Voor het winterseizoen staan er 254 blokken gereserveerd voor het winterhalfjaar 2020/2021, 115 voor 2021/2022, en 52 voor 2022/2023. Er wachten dus nog 222 blokken op een teller voor het winterseizoen. We wensen alle tellers en reco’s te bedanken voor hun inzet. We betreuren het overlijden van Hans Van Brabandt, mede-reco van regio Mechels Rivierengebied, en willen onze steun betuigen aan zijn familie en vrienden. Het Vogelatlas-team vogelatlas@natuurpunt.be

Wil jij meetellen en reserveerde je nog geen atlasblok? Neem dan snel een kijkje op www.vogelatlas.be/Meedoen

Tot nu toe werden van 21 atlasblokken de totaalschattingen (broedvogels) ingestuurd. We willen alle tellers verzoeken om nu snel de jaarschatting van het afgelopen broedseizoen in te dienen, graag voor de start van de winter-tellingen in december. De blokverantwoordelijken kunnen overigens gedurende de volledige looptijd van het project die totalen nog aanpassen. Uiteraard zal het ook steeds mogelijk blijven om nieuwe soorten broedvogels de komende twee jaren toe te voegen. Omgekeerd kunnen ook nagekomen gegevens met terugwerkende kracht worden toegevoegd aan reeds eerder ingestuurde schattingen. Zien we de Grauwe Gors, ondanks alle geleverde inspanningen om de soort te behouden, verdwijnen als Vlaamse broedvogel in de loop van deze Vogelatlas-periode? - Glenn Vermeersch.


// 43 VOGELNIEUWS 33

Elektrische rasters maken het verschil op Antwerpen Linkeroever ! Geert Spanoghe [ geert.spanoghe@inbo.be ]

Jonge Lepelaar strekt zijn vleugels - Yves Adams / Vilda

In 2012 werd in de Waaslandhaven op Antwerpen-Linkeroever het eerste gebied elektrisch omrasterd om grondbroedende vogelsoorten bescherming te bieden tegen predatoren (in eerste instantie Vos). Het eerste jaar zagen wij daar al positieve resultaten van. Deze rasters zijn ondertussen zowel in aantal als in effectiviteit toegenomen. Een dure, tijdrovende aangelegenheid met bovendien wel wat ‘trial and error’-gehalte. Niet zelden bleek er toch nog een Vos in het raster te vertoeven, die er maar met de grootste moeite uit verdreven kon worden. Maar na nog geen tien jaar is de conclusie duidelijk:

het is niet alleen succesvol, het is ook nodig! Zonder heb je mooie gebieden met heel weinig broedvogels, mét krijg je de broedvogels erbij, een optie waar de beheerders nu steevast voor kiezen, ook in de toekomstige natuurgebieden. En landschappelijk vallen ze best wel mee … zodat ook aan de bezorgdheid van bepaalde stakeholders wordt tegemoet gekomen. Op sommige plaatsen zijn ze, verborgen achter het riet van de randsloten, heel goed landschappelijk ingebed.


// 44 VOGELNIEUWS 33

Het broedseizoen van 2020 werd in ongeveer heel West-Europa gelabeld als één van de slechtste voor weidevogels. In onze atypisch weidevogelgebieden op Linkeroever, viel dat nochtans best mee. De vele uitgegraven waterpartijen compenseren daar een beetje de te lage waterstand. Wanneer plasdras daar snel verdwijnt door droge voorjaren, wordt dat enigszins opgevangen door de vele contactzones met open, ondiep water. Voor Grutto en Tureluur konden we wel niet van stijgende aantallen spreken maar wel dat ze op verschillende plaatsen jongen grootbrachten binnen de elektrische rasters. Een goede kijk op het broedsucces hebben we niet maar het was zeker niet dramatisch. Bij meer zichtbare soorten als Kievit en Scholekster konden we wel over een succesvol broedseizoen binnen de rasters spreken. Zo werden van de 23 vastgestelde broedparen van Kievit op de Vlakte van Zwijndrecht 30 à 35 uitgevlogen jongen geteld wat neerkomt op het dubbele van wat nodig is om een stabiele populatie te hebben. Na enkele jaren met een vrij eenvoudige omheining van 2 gladde draden aan de waterrand, installeerde ANB hier een volle omheining in het water. Hier geraakte de Vos niet meer lachend door zoals we dat in 2019 wel vaststelden. In Doelpolder Noord ging het aantal territoria van Kievit van 33 naar 58. Hier was het volledige raster net klaar voor de aanvang van het broedseizoen. Hoewel het hoge aantal

Op de Vlakte van Zwijndrecht werd een stevig raster in de ringsloot gemonteerd rond het broedgebied. Vrijwel alle broedvogels zitten nu binnen het raster. Op de veel grotere vlakte er rond broeden enkel wat Veldleeuweriken en 1 à 2 Kieviten. Dat lijken paartjes die op het dichtbevolkte eiland er niet meer in slagen een territorium in te nemen.

Kieviten wellicht ook werd bereikt door een verschuiving van territoria uit de te droge Doelpolder, was dit niet mogelijk geweest zonder het nieuwe raster. Bovendien bleek het broedsucces hier van dezelfde grootteorde als op de Vlakte, wat werd bevestigd door heel wat paartjes die met 2 en 3 vliegvlugge jongen rondliepen. Voor het eerst sinds jaren kregen we hier ook nog eens een omvangrijke kolonie van Kokmeeuwen, Zwartkopmeeuwen en Kluten in het grasland te zien, mét broedsucces. Dit allemaal het eerste jaar na een kostelijke investering. Het maakt er de terugverdientijd alleen maar korter op zou je kunnen zeggen. Alle nesten van Kluten werden dit jaar binnen de elektrische rasters vastgesteld. Op 6 mei waren dat er 88 op het nieuw aangelegde eiland in Prosperpolder Noord. Het gebied was door de jaren heen te verruigd om zelfs met een degelijk raster, zonder een bijkomende inrichting, een kans op een belangrijke vestiging te krijgen. Het resultaat was dan ook een opsteker voor de beheerder: de nieuwe inrichting kreeg broedende Kluten, Visdieven en Kleine Plevieren. Over het uiteindelijke broedsucces in dit gebied durven we geen uitspraak doen. Het viel op dat de familietjes heel snel het gebied verlieten, richting de Schelde, maar wellicht ook door de Hedwigepolder naar Saeftinghe. Iets wat we voorgaande jaren met zekerheid vaststelden. Het leidde ook tot gekke situaties

Voor het eerst in vele jaren kregen we een omvangrijke kolonie, met broedsucces, in de graslanden tussen de kreken. Het ging om Kokmeeuwen met hier en daar een Kluut of een Zwartkopmeeuw. Deze evolutie kwam er dus al na het eerste broedseizoen zonder aanwezigheid van Vos.


// 45 VOGELNIEUWS 33

aan de Sigmadijk boven Doelpolder Noord. Daar zaten pulli in de grasberm die door hun ouders naar binnen werden geleid, terwijl hetzelfde gebeurde in de omgekeerde richting door sommige broedvogels van Doelpolder Noord. Uit voorgaande jaren weten we dat zowel Putten West als Doelpolder Noord goede opgroeigebieden zijn voor tientallen Kluten-families. We kozen dan ook om de poorten van de rasters aan de Scheldekant gesloten te houden. Nog kleine pulli konden misschien net tussen de spleten van de poorten, iets wat we dachten dat wel eens gebeurde. Het broedsucces in deze twee gebieden, samen goed voor 57 broedparen, was trouwens wel hoog genoeg: een 30-tal vliegvlugge jongen in beide gebieden. Er konden heel wat jongen gekleurringd worden, waarvan er eentje al in het uiterste zuiden van Portugal werd teruggemeld. We gaan ervan uit dat de hierboven beschreven familie-uitstapjes naar de Zeeschelde steevast tot verlies van pulli leiden. In grote mate omdat er geen echt geschikte opgroeigebieden in de onmiddellijke omgeving te vinden zijn. Om daaraan tegemoet te komen, wordt er gedacht om een deel van het Schor Ouden Doel weer intensiever te laten begrazen met korte graslanden als doelstelling, geschikt voor jonge Kluutjes. Nu verzeilen kleine pulli met hoogwater in immense rietvelden wat ons zorgen baart omtrent hun overleving. De Lepelaars kenden 3 jaar van overmatige predatie met als dieptepunt een broedsucces van 0 in 2019 op Drijdijck. In 2020 aanvaardden ze gelukkig weer hun oude broedplaats op de Verrebroekse Plassen, ondertussen hermetisch afgesloten voor Vossen en andere zoogdieren. Er kwamen weer 18 broedparen in de kolonie die samen 27 jongen grootbrachten. Deze broedplaats zal nog een flink aantal jaren meegaan waardoor het concept ‘tijdelijke haven-natuur’ hier toch garant staat voor op termijn 500 of meer vliegvlugge lepelaars. Met 464 op de teller in 2020 zouden we die kaap volgend jaar al kunnen ronden … .

In 2019 week de Lepelaarkolonie uit naar Drijdijck. Dit was volgens ons eerder door luidruchtige havenactiviteiten op het naburige Verrebroekdok dan dat het door de nieuwe omheining rond hun broedplaats kwam. In 2020 werd deze immers snel aanvaard en kregen we eindelijk weer een florerende kolonie, vergezeld door een vijftigtal Kokmeeuwen. Futen en Geoorde Futen doken onder de draad door en broedden aan de randen.

Elektrische omrastering blijkt ook significante effecten te hebben op de populatie broedende eenden. Tot een decennium terug vond je nesten van Kuif- en Krakeend in de weidevogelgebieden zowel in de percelen, langs de waterpartijen als op de eilanden. Enkele jaren later werd dit een exclusief verhaal van de eilanden. Op sommige eilanden ging het soms om tientallen nesten tussen de Kokmeeuwen. Een mooi voorbeeld van predatiemijding. Maar ook daar namen de aantallen nesten stelselmatig af en was het uitkomstsucHet zuidelijk deel van Putten West wordt nog ces van de volharders zichtbaar laag. We steeds beschermd door het allereerst geplaatsvermoeden dat op sommige eilanden met te raster, in 2012. Ondertussen zitten we al een paar versies verder en worden bestekken meeuwenkolonies nacht na nacht gepregeschreven om dit ook te moderniseren. Dit paartje Tureluur, hevig alarmerend o.w.v. hun 2 deerd werd. Totdat ze door afrasteringen grote jongen vlakbij het raster, zal nog vele jaweer veilig werden. Dan keerde de trend ren jongen kunnen grootbrengen in het gebied. onmiddellijk om. Een telling op 3 juli 2020 toont de verschillen tussen beveiligde en onbeveiligde gebieden goed aan. In Doelpolder Noord, pas enkele maanden elektrisch omheind, werden 28 wijfjes met tomen van 7 soorten eenden geteld. In het ongeveer even grote en waterrijke Prosperpolder Noord waren dit er slechts 4. Drie daarvan zwommen bovendien rond nabij het enige omheinde eiland, tegen de Sigmadijk. Dit maakt het verschil wellicht nog groter. Van de tomen in Doelpolder Noord komen er wellicht ook een aantal uit nesten in de graslanden. Het eerste broedseizoen na omrastering stelden we in alle gebieden weer nesten van zowel Slob, Kuif- en Krakeend vast in de graslanden tijdens het onderzoek naar weidevogels. Dit verhaal is wellicht herkenbaar bij heel wat beheerders in Vlaanderen? Succesvol broedende Kuif-, Tafel-, Slob- en Krakeenden in vrijwel alle waterrijke gebieden zoals enkele decennia terug is niet meer van deze tijd. Tenzij je de predatiedruk kan milderen, bv. door elektrische rasters. Een dure maar gelukkig ook duurzame methode. Wie er niet voor kiest, ziet zijn aantallen broedvogels gedecimeerd worden met lokale extinctie als gevolg. Het zal ongetwijfeld in meer en meer gebieden toegepast worden. Onderzoek naar en milderen van overmatige predatie is een volwaardige beheermaatregel geworden in ons weidevogelbeheer. Naast prioritaire maatregelen zoals graslandbeheer, waterpeilbeheer én de ontwikkeling van een weidevogellandschap.


// 46 VOGELNIEUWS 33

EBBA2, de tweede Europese broedvogelatlas, pas verschenen! Anny Anselin annanselin@gmail.com

Laten we eerst even een stapje doen in de vorige eeuw. De eerste Europese Broedvogelatlas, “The EBCC Atlas of European Breeding Birds”, was een mijlpaal in de geschiedenis van de Europese ornithologie (Hagemeijer & Blair, 1997). Voor de eerste keer werden van zoveel Europese broedvogelsoorten gedetailleerde verspreidingskaarten -binnen een grid van 50x 50 km- geproduceerd. De gegevens waren hoofdzakelijk verzameld in de periode 1985-1988. Per hok werd informatie gepresenteerd van populatieschattingen en broedzekerheden. Daarnaast was er ook bij iedere soort een uitgebreide tekst. Al met al toch een hele prestatie. In een tijdperk van weinig robuuste computers, schaarse laptops en zonder email of andere digitale communicatiemiddelen zeker niet evident. Het was een titanenwerk om de enorme papierstapel aan informatie in een degelijk standaardwerk te gieten. Heel veel werd toen immers nog met de hand ingevuld op formulieren. Het boek werd gepubliceerd door de EBCC, de European Bird Census Council, een

samenwerkingsverband van vogelorganisaties van een groot aantal Europese landen. Nu terug naar 2020. Bijna een kwart eeuw later, deed de EBCC het weer eens over. Nu met een uitgebreider netwerk van deelnemende landen, en een professionelere organisatie met het gebruik van de nieuwste digitale middelen en technieken. Na twee jaren voorbereiding was in 2013 de tijd rijp om tijdens de driejaarlijkse conferentie van de EBCC in Cluj, Roemenië, de eerste resultaten van het project van de nieuwe Europese Broedvogelatlas te presenteren. Veldwerk wordt uitgevoerd in de periode 2013-2017. Vanaf dan spraken we van EBBA2 (European Breeding Bird Atlas 2). Onder de auspiciën van de EBCC was een speciale Atlasstuurgroep opgericht onder voorzitterschap van Verena Keller. Die groep zou specifiek de aspecten van de verdere ontwikkeling van het atlasproject be-


// 47 VOGELNIEUWS 33

www.ebba2.info/support-ebba2/ebba2-speciessponsorship. Inmiddels is de nieuwe broedvogelatlas klaar. Het boek telt een 1000-tal pagina's, werd begin december officieel voorgesteld en is inmiddels verschenen. Het is een samenwerkingsverband tussen de EBCC en Lynx Edicions. De referentie is de volgende: Keller, V., Herrando, S., Voříšek, P., Franch, M., Kipson, M., Milanesi, P., Martí, D., Anton, M., Klvaňová, A., Kalyakin, M.V., Bauer, H.G. & Foppen, R.P.B. (2020). European Breeding Bird Atlas 2: Distribution, Abundance and Change. European Bird Census Council & Lynx Edicions, Barcelona.

Verena Keller, hoofdcoördinator van het EBBA2 project, reviseert de laatste teksten

Dit boek is de recentste informatiebron van verspreiding, aantallen en veranderingen in de vogel-

Voorbeeld van het soortensponsorproject

handelen, in samenspraak met het bestuur van de EBCC en drie projectgroepen, respectievelijk werkzaam aan het Zwitsers Ornithologisch Instituut (Sempach), het Catalaanse Ornithologisch Instituut (Barcelona) en de Tjechische Ornithologische Vereniging (Praag). Er waren standaardmethodes voor veldwerk en uitwerking vastgelegd, een databank en online-modules ontworpen, veldopleidingen en expedities naar weinig bezochte gebieden georganiseerd, een vlot communicatiesysteem opgezet, en last but not least, moesten er fondsen gezocht worden! In een later stadium kwam het zoeken naar artiesten die de soortteksten zouden illustreren, het contacteren van soortauteurs, het opstellen van de richtlijnen, het zoeken naar een uitgever, en ultiem, het nalezingswerk van de drukproeven. In de loop van het project moest wel regelmatig naar bijkomende fondsen gezocht worden. Dit lukte aardig, maar was niet genoeg. Om wat meer geld in het laadje te krijgen, werden enkele sponsorprojecten opgestart. Bij het eerste “Sponsor a Species”, kon men via een online module op de EBBA2 website een (of meerdere) soorten sponsoren. Een tweede project was gericht op de artiesten die de vignettes van de vogelsoorten zouden produceren. Hun kunstwerken verschenen op de website, met prijs en contact. Zowel originelen als prints konden besteld worden en de artiesten schonken een percentage van de som aan het atlasproject. Beide projecten brachten behoorlijk wat op. Kijk maar eens op de EBBA2 website,

populaties van Europa. De gegevens werden verzameld door niet minder dan 120.000 veldwerkers uit vogelorganisaties van 48 landen, het netwerk van EBCC en BirdLife. Dit is waarschijnlijk het grootste ‘citizen science’ project in relatie met biodiversiteit dat ooit werd uitgevoerd in Europa. Het omvat nu ook de gebieden tot de Oeral en de Kaspische Zee die niet goed onderzocht werden tijdens de eerste Europese broedvogelatlas. Deze gegevens werden grotendeels verzameld tussen 2013 en 2017. In het boek worden 556 soorten behandeld, met kaarten, tekst en illustratie. Hierbij worden aantalskaarten (50x50 km), gemodelleerde verspreiding (10x10 km resolutie) - dit voor 224 soorten -, en veranderingskaarten (vergelijking met de situatie 30 jaar geleden) gepresenteerd. Naast veel nieuwe informatie brengt de atlas ook veel nieuwe vragen naar voren. Er wordt onder andere stilgestaan bij de effecten van klimaatverandering en van de enorme veranderingen in het Europese landbouwland en de invloed hiervan op veel Europese broedvogels. Het hele project nam 10 jaar in beslag, maar het resultaat is zonder meer fantastisch. Uiteraard droeg ook België een steentje bij aan het nieuwe atlasproject (zie o.a. Vogelnieuws 2016/25 en Vogelnieuws 2017/28). Heel wat veldornithologen die meehielpen bij het verzamelen van de gegevens kijken zeker al uit naar de resultaten. De samenwerking tussen de respectievelijke verenigingen en instituten verliep vlot. Binnen het EBBA2 project waren de nationale coördinatoren Glenn Vermeersch, Anny Anselin (INBO) en Jean-Yves Paquet (Aves-Natagora), naast de medewerkers Antoine Derouaux en Alain Paquet (Aves-Natagora), Koen Devos en Filiep T’Jollyn (INBO), en Gerald Driessens, Simon Feys en Karen Gielen (Natuurpunt). Door het INBO werden twee soortteksten voor de Atlas geschreven. Anny Anselin schreef samen met Ben Koks de tekst voor de Bruine Kiekendief en Eric Stienen schreef de Grote Stern. Aan alle veldornithologen, EBBA2 coördinatoren en medewerkers, hartelijk dank!


// 48 VOGELNIEUWS 33

Stranding van een bijzondere Alk op de Vlaamse kust Eric Stienen & Nathalie Colpaert [eric.stienen@inbo.be]

Foto: Nathalie Colpaert

Op 7 oktober 2020 deed Nathalie Colpaert tijdens een telling van gestrande zeevogels wel een heel bijzondere ontdekking. Op het strand van Raversijde vond ze een aangespoelde Alk Alca torda, die op het eerste gezicht een normale volwassen vogel leek maar bij nader inzien erg bijzonder was. Bij Alken kan de leeftijd geschat worden aan de hand van kenmerken van de snavel (Camphuysen 1995). Jonge vogels hebben na het uitvliegen een kleine, zwarte snavel zonder groeven (Figuur 1). Na een jaar is de snavel al wat hoger, heeft de driehoekige knobbel (de gonys) aan de onderkant

zich al meer ontwikkeld en heeft zich ongeveer halverwege de snavel een witte groef gevormd. In de jaren daarna wordt de snavel hoger en vormen zich een aantal extra groeven (tot maximaal drie) tussen de witte groef en de snavelpunt. In tegenstelling tot de eerste groef, kleuren deze niet wit maar hebben ze dezelfde zwarte kleur als de rest van de snavel. De ontwikkeling van de zwarte groeven volgt niet langer de leeftijd van de vogel. Er zijn redelijk oude vogels zelfs van negen jaar oud die nog altijd maar één zwarte groef, terwijl andere vogels van die leeftijd er drie hebben (De Wijs 1985).


// 49 VOGELNIEUWS 33

In heel uitzonderlijk gevallen, wordt er bij volwassen vogels een tweede witte groef aangetroffen. Lavers et al. (2005) schatten op basis van museummateriaal en waarnemingen dat dit bij 1 a 2 % van de volwassen vogels uit Europese kolonies het geval is. Van 29 vogels die door Lavers et al. (2005) werden verzameld in Newfoundland aan Atlantische kust van Canada, hadden maar liefst 10 exemplaren een dubbele witte groef wat doet vermoeden dat dit fenomeen daar vaker voorkomt. Dezelfde auteurs suggereren dat het voorkomen van dubbele witte groeven een vorm van ativisme kan zijn, een terugval naar kenmerken van een gemeenschappelijke voorouder. Alken zijn namelijk nauw verwant aan de uitgestorven Reuzenalk Penguinus impennis waarvan de volwassen exemplaren een heel aantal witte, verticale groeven hadden. INBO beheert een grote database waarin strandingen van zeevogels worden bijgehouden die teruggaan tot 1962. In deze database bevinden zich 1722 Alken. Helaas werden zeker in de beginjaren de snavelkenmerken vaak niet genoteerd. Van de 556 exemplaren waar dat wel het geval is, had 41% juveniele kenmerken (dus geen enkele groef) en 14% had alleen maar een witte groef maar nog geen zwarte groeven. 61 exemplaren hadden volwassen kenmerken, dus één witte groef en één of meerdere zwarte groeven in de snavel. Alleen het exemplaar dat Nathalie heeft gevonden had meer dan één witte groef, wat dus minder dan 1% van alle adulte exemplaren is. De tweede witte groef is feitelijk maar een halve, want hij zit alleen op de bovensnavel. Zulke halve groeven (wit of zwart) worden ook in de literatuur beschreven maar zijn al een uitzondering op zich. Een heel bijzondere vondst dus. De bijzondere vogel werd verzameld en zal worden geschonken aan het Koninklijk Museum voor Natuurwetenschappen zodat hij niet verloren gaat voor de wetenschap.

Figuur 1. Van boven naar beneden zien we de ontwikkeling van de snavel bij Alk die verandert van een geheel zwarte snavel bij jonge vogels naar een hoge snavel met een witte groef en twee zwarte groeven (W + 2) bij volwassen vogels. Tekening werd met permissie overgenomen uit Camphuysen (1995).

Literatuur Camphuysen K. (1995). Leeftijdsbepaling van zeekoet Uria aalge en alk Alca torda in de hand. Sula 9: 1-22. Lavers J.L., Muzaffar S.B. & Jones I.L. (2005). Double white lines on the bill of the Razorbill Alca torda: remnants of an association with the extinct Great Auk Penguinus impennis? Atlantic Seabirds 7: 127132. Wijs W.J.R. de (1985). Reliability of ageing Razorbills. Seabird 8:58. Op 7 oktober 2020 vond Nathalie Colpaert deze bijzondere Alk met anderhalve witte groef op de snavel op het strand van Raversijde. Foto Nathalie Colpaert.


Vogelnieuws wil alle vrijwillige medewerkers en geïnteresseerden regelmatig informeren over lopende ornithologische projecten op het INBO.

Colofon

// 50 VOGELNIEUWS 33

Vogelnieuws is de ornithologische nieuwsbrief van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO). Het INBO is een wetenschappelijk instelling van de Vlaamse Gemeenschap, opgestart op 01/04/06 als fusie van het Instituut voor Natuurbehoud (IN) en het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer (IBW).

Verantwoordelijk uitgever: Prof. Dr. Maurice Hoffmann, administrateur-generaal Instituut voor Natuur en Bosonderzoek Havenlaan 88, bus 73 1070 Brussel Redactie: Koen Devos & Glenn Vermeersch Werkten mee aan dit nummer: Koen Devos, Anny Anselin, Glenn Vermeersch, Geert Spanoghe, Eric Stienen, Filiep T’Jollyn, Frederic Piesschaert, Wouter Courtens, Marc Van de Walle, Nicolas Vanermen, Hilbran Verstraete, Thierry Onkelinx, Gerald Driessens, Simon Feys, Kjell Janssens, Henk Castelijns, Wim Bovens, Kris Degraeve, Christian Boutrouille, Nathalie Colpaert, Nico De Regge, Gerald Driessens, Marc Herremans, Joris Everaert Vormgeving: Nicole De Groof Algemene informatie Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) Havenlaan 88, bus 73 1000 Brussel info@inbo.be www.inbo.be Portret van Grote Lijster - Rollin Verlinde / Vilda


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook