Skip to main content

PDPO-jaarverslag 2013 def.pdf

Page 1

Jaarverslag

Programma voor Plattelandsontwikkeling Vlaanderen 2007-2013. Jaarverslag 2013 2014 Linn Dumez Afdeling Monitoring en Studie Vlaamse overheid | Beleidsdomein Landbouw en Visserij


PROGRAMMA VOOR PLATTELANDSONTWIKKELING VLAANDEREN 2007-2013 (PDPO II) JAARVERSLAG 2013

Entiteit: Departement Landbouw en Visserij Afdeling: Monitoring en Studie Auteur: Linn Dumez Datum: 30/06/2014


COLOFON Samenstelling Entiteit: Departement Landbouw en Visserij Afdeling: Monitoring en Studie Verantwoordelijke uitgever Jules Van Liefferinge, Secretaris-generaal Departement Landbouw en Visserij Depotnummer D/2014/3241/200 Druk Vlaamse overheid Voor bijkomende exemplaren neemt u contact op met Afdeling Monitoring en Studie Koning Albert II-laan 35 bus 40 1030 Brussel Tel. 02 552 78 20 | Fax 02 552 78 71 | ams@lv.vlaanderen.be Een digitale versie vindt u terug op www.vlaanderen.be/landbouw/studies

Vermenigvuldiging en/of overname van gegevens zijn toegestaan mits de bron expliciet vermeld wordt: Dumez L. (2014) Programma voor Plattelandsontwikkeling Vlaanderen 2007-2013, Jaarverslag 2013, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Graag vernemen we het als u naar dit rapport verwijst in een publicatie. Als u een exemplaar ervan opstuurt, nemen we het op in onze bibliotheek. Wij doen ons best om alle informatie, webpagina's en downloadbare documenten voor iedereen maximaal toegankelijk te maken. Indien u echter toch problemen ondervindt om bepaalde gegevens te raadplegen, willen wij u hierbij graag helpen. U kunt steeds contact met ons opnemen.


INHOUD VOORWOORD............................................................................................................................................. 1 SAMENVATTING ......................................................................................................................................... 2 INLEIDING ................................................................................................................................................. 5 1. ALGEMEEN KADER ................................................................................................................................. 6 1

WETTELIJKE BEPALING PLATTELANDSVERORDENING .......................................................................... 6

2

ALGEMEEN KADER .......................................................................................................................... 6

2. PROGRAMMAMANEGEMENT ..................................................................................................................... 7 1

WETTELIJKE BEPALINGEN PLATTELANDSVERORDENING ...................................................................... 7

2

COMMUNAUTAIRE BELEID................................................................................................................ 7

3

TOEZICHT EN EVALUATIE ................................................................................................................ 7

4

BEHEER VAN HET PROGRAMMA ........................................................................................................ 8

5

TECHNISCHE BIJSTAND ................................................................................................................... 9

6

5.1

Algemeen ............................................................................................................................ 9

5.2

Vlaams Ruraal Netwerk........................................................................................................ 11 5.2.1

Organisatie ............................................................................................................. 11

5.2.2

Communicatie ......................................................................................................... 12

5.2.3

Transnationale ondersteuning .................................................................................... 14

VOORLICHTING EN PUBLICITEIT .................................................................................................... 14

3. ONGOING EVALUATIE .......................................................................................................................... 15 1

WETTELIJKE BEPALING PLATTELANDSVERORDENING ........................................................................ 15

2

INLEIDING ................................................................................................................................... 15

3

EVALUATIEACTIVITEITEN IN 2013 .................................................................................................. 16

4

3.1

Uitbestede studies .............................................................................................................. 16

3.2

Studies uitgevoerd binnen de administratie ............................................................................ 16

NETWERKACTIVITEITEN VAN PERSONEN BETROKKEN BIJ EVALUATIE ................................................. 18

4. PDPO-INDICATOREN 2013 .................................................................................................................... 19 1

INLEIDING ................................................................................................................................... 19

2

WETTELIJKE BEPALINGEN PLATTELANDSVERORDENING .................................................................... 19

3

FINANCIËLE INDICATOREN ............................................................................................................ 19

4

3.1

Overzicht uitgaven 2013 ...................................................................................................... 19

3.2

Terugvorderingen 2013 ....................................................................................................... 32

INDICATOREN AS 1 – VERBETERING VAN HET CONCURRENTIEVERMOGEN VAN DE LAND- EN

BOSBOUWSECTOR ............................................................................................................................... 33 4.1

Opleiding in de landbouw (maatregel 111-A) .......................................................................... 33

4.2

Sensibiliseringsprojecten duurzame landbouw (maatregel 111-C) ............................................. 36

4.3

Vestiging van jonge landbouwers (maatregel 112) .................................................................. 38

4.4

Bedrijfsadviessysteem voor land- en tuinbouwers (maatregel 114) ........................................... 41

4.5

Investeringen in landbouwbedrijven (maatregel 121) .............................................................. 42


5

4.6

Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten (maatregel 123-A)......... 46

4.7

Deelname door landbouwers aan voedselkwaliteitsregelingen (maatregel 132) ........................... 48

4.8

Voorlichting en afzetbevordering van Vlaamse producten erkend als BOB/BGA/GTS (maatregel

133)

48

INDICATOREN AS 2 – VERBETERING VAN HET MILIEU EN HET PLATTELAND ........................................ 50 5.1

Vergoeding natuur binnen en buiten Natura 2000 (maatregelen 212 en 213) ............................. 50

5.2

Behoud

van

met

uitsterven

bedreigde

lokale

veerassen

en

variëteiten

van

hoogstamboomgaarden (maatregel 214-C) ...................................................................................... 53

6

5.3

Agromilieumaatregelen (maatregel 214) ................................................................................ 54

5.4

Inrichtingsmaatregelen door landbouwers in kader van kaderrichtlijn water (maatregel 216) ....... 67

5.5

Bebossing van landbouwgronden (maatregel 221) .................................................................. 68

5.6

Eerste totstandbrenging van boslandbouwsystemen op landbouwgrond (maatregel 222) ............. 70

5.7

Niet-productieve investeringen in bossen (maatregel 227) ....................................................... 71

INDICATOREN AS 3 – DE LEEFKWALITEIT OP HET PLATTELAND EN DIVERSIFICATIE VAN DE

PLATTELANDSECONOMIE ...................................................................................................................... 72

7

8

6.1

Investeringen met betrekking tot diversificatie van landbouwactiviteiten (maatregel 311)............ 72

6.2

Bevordering van toeristische activiteiten (maatregel 313) ........................................................ 76

6.3

Basisvoorzieningen voor de economie en plattelandsbevolking (maatregel 321) .......................... 77

6.4

Dorpskernvernieuwing en –ontwikkeling (maatregel 322) ........................................................ 78

6.5

Instandhouding en opwaardering van het landelijke erfgoed (maatregel 323) ............................. 79

6.6

Intermediaire dienstverlening (opleiding en vorming van ruraal ondernemerschap) (maatregel

331)

81

INDICATOREN AS 4 – LEADER ........................................................................................................ 83 7.1

Lokale ontwikkelingsstrategieën leefkwaliteit / diversificatie (maatregel 413) ............................. 83

7.2

Samenwerkingsprojecten met andere plattelandsgebieden (maatregel 421) ............................... 87

7.3

Werking Plaatselijke Groepen (maatregel 431) ....................................................................... 87

INDICATOREN HEALTH CHECK EN ECONOMISCH HERSTELPLAN ......................................................... 89 8.1

Inleiding ............................................................................................................................ 89

8.2

As 1 .................................................................................................................................. 89

8.3

8.2.1

Investeringen in landbouwbedrijven (maatregel 121) ................................................... 89

8.2.2

Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en tuinbouwproducten (maatregel 123) 91

As 2 .................................................................................................................................. 92 8.3.1

8.4

Agromilieumaatregelen (maatregel 214) ..................................................................... 92

As 3 .................................................................................................................................. 93 8.4.1

Investeringen met betrekking tot diversificatie van landbouwactiviteiten (maatregel 311) . 93

FIGUREN ................................................................................................................................................. 94 TABELLEN ................................................................................................................................................ 96 BRONNEN ................................................................................................................................................ 98 AFKORTINGEN ......................................................................................................................................... 99 CONTACTPERSONEN ............................................................................................................................... 100 BIJLAGEN .............................................................................................................................................. 102


VOORWOORD Het Jaarverslag 2013 van het Programma voor Plattelandsontwikkeling Vlaanderen 2007-2013 (PDPO II) bevat heel wat cijfermateriaal, gebaseerd op de op Europees niveau vastgelegde indicatoren. Een selectie van die indicatoren wordt in het jaarverslag beschreven en geïllustreerd aan de hand van tabellen en figuren. Dit jaarverslag en de vorige edities geven, samen met de mid term evaluatie, een goed beeld van de uitvoering van het Vlaamse programma. In dit rapport wordt daarenboven in een kaderstuk dieper ingegaan op enkele maatregelen van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds. Bovendien worden de winnende projecten van de wedstrijd Prima Plattelandsproject 2013 beschreven. Er wordt tevens gerapporteerd over de Health Check en het Economisch Herstelplan. Aan het jaarverslag ging heel wat voorbereidend werk vooraf. De beheersdiensten van de Vlaamse beleidsdomeinen Leefmilieu, Natuur en Energie en Landbouw en Visserij verzamelden en leverden het nodige cijfermateriaal. Ook de Coördinerende Cel Europees Plattelandsbeleid, afdeling Organisatie en Strategisch Beleid van het Departement Landbouw en Visserij, en het Vlaams Betaalorgaan van het Agentschap voor Landbouw en Visserij leverden bijdragen. De coördinatie van de opmaak van dit jaarverslag werd toevertrouwd aan de afdeling Monitoring en Studie van het Departement Landbouw en Visserij.

1


SAMENVATTING Het PDPO II Jaarverslag 2013 geeft een beeld van de eerste zeven uitvoeringsjaren van het tweede Vlaamse Programma voor Plattelandsontwikkeling (PDPO II, 2007-2013). Ten gevolge van de N+2-regel kunnen de uitgaven van het PDPO II-budget nog doorlopen tot eind 2015. Dit rapport schetst eerst het algemene kader waarbinnen het programma opereert en focust op de wijzigingen die aan het programma werden aangebracht. Daarna worden het programmabeheer en de evaluatieactiviteiten beschreven. De meeste aandacht gaat naar de monitoringgegevens van de verschillende maatregelen. De samenvatting beperkt zich ook tot deze monitoringdata. Financiële voortgang Tijdens de eerste zeven jaren van PDPO II werd in totaal 695,6 miljoen euro uitgegeven (inclusief Health Check en Economisch Herstelplan). Dat is 92% van de geplande uitgaven voor de ganse programmaperiode. De totale overheidsuitgaven bedroegen in 2013 51,9 miljoen euro (inclusief top-up) voor de verschillende PDPO IImaatregelen en technische bijstand. Van die overheidsuitgaven in 2013 ging circa 39% naar As 1, 34% naar As 2, 14% naar As 3 en 12% naar As 4. Budgettair gezien waren de belangrijkste maatregelen in 2013 investeringen in landbouwbedrijven (VLIF) (15%), beheerovereenkomst water (12%), LEADER lokale ontwikkelingsstrategieën (10%), vestigingssteun voor jonge landbouwers (VLIF) (10%), opleiding (9%) en diversificatiesteun (VLIF) (6%). Ook in het kader van het Health Check-programma en het Economisch Herstelplan werden uitgaven gedaan in 2013. In totaal bedroeg de overheidssteun in 2013 binnen deze programma’s 5,6 miljoen euro (inclusief topup). Sinds 2010 werd zo 39,7 miljoen euro steun verleend aan de prioriteiten van Health Check en Economisch Herstelplan, met name hernieuwbare energie, klimaat, waterbeheer, biodiversiteit en herstructurering van de zuivelsector. As 1 Binnen As ging 64% van de uitgaven naar de VLIF-maatregelen investerings- en vestigingssteun in 2013. 23% van de uitgaven ging naar opleiding, vijf procent naar verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten, vier procent naar demoprojecten en drie procent naar bedrijfsadviessystemen. In het kader van opleiding wordt een onderscheid gemaakt tussen cursussen (starters- en vormingscursussen), korte vorming, en sensibiliseringsprojecten. De cursussen draaiden in 2013 vooral rond management- en marketingvaardigheden en ICT. In totaal werden 5.625 (niet-unieke) deelnemers geregistreerd en werden 4.998 diploma’s of getuigschriften uitgereikt. In de periode 2007-2013 namen 16.592 unieke personen deel aan de cursussen en werden 34.091 diploma’s en getuigschriften uitgereikt. De korte vormingssessies trokken in 2013 117.764 (niet-unieke) geïnteresseerden. De thema’s managementen marketingvaardigheden en landschapsbehoud/milieubescherming konden op de meeste deelnemers rekenen. De demo-projecten duurzame landbouw telden in 2013 7.399 deelnemers. De meesten volgden een demoproject rond landschapsbehoud/milieubescherming of rond management- en marketingvaardigheden. Binnen de maatregel vestiging van jonge landbouwers werden in 2013 252 nieuwe dossiers goedgekeurd, goed voor een totaal investeringsvolume van 47,8 miljoen euro. De meeste dossiers hebben betrekking op gemengde en melkveebedrijven. Onder de maatregel bedrijfsadviessystemen vallen zowel de bedrijfsadviezen conform de regelgeving van PDPO I (de “milieumodule” en het “bedrijfsleidingsadvies”) als de adviezen conform de regelgeving van PDPO II (het zogenaamde “nieuwe BAS”). De betalingen in 2013 gingen naar 481 bedrijfsadviezen onder het nieuwe BAS en één dossier conform PDPO I-regelgeving.

2


In 2013 werden 2.933 nieuwe investeringsdossiers goedgekeurd, waarvan het totale investeringsvolume 340,7 miljoen euro bedraagt. De meeste dossiers hadden betrekking op gemengde, melkvee- en tuinbouwbedrijven. Eén procent van de goedgekeurde dossiers betrof een biologisch bedrijf. In 2013 werd geen nieuwe oproep voor agrovoedingsbedrijven gedaan, waardoor ook geen nieuwe projecten werden goedgekeurd. Voor investeringen die de voorgaande jaren al waren goedgekeurd, werd in 2013 ruim 1 miljoen euro steun uitbetaald. Binnen de maatregel deelname aan voedselkwaliteitsregelingen werden in 2013 218 biologische producenten uitbetaald die het jaar voordien een steunaanvraag hadden ingediend. Daarnaast kregen 28 producenten van Brussels grondwitloof (Beschermde Geografische Aanduiding, BGA) of Vlaams-Brabantse tafeldruif (Beschermde Oorsprongsbenaming, BOB) een subsidie. Onder de maatregel voorlichting en afzetbevordering van Vlaamse producten erkend als BOB/BGA/GTS werden in 2011 twee programma’s, één programma voor de Vlaams-Brabantse tafeldruif (BOB) en één voor het Brusselse grondwitloof (BGA), goedgekeurd en uitgevoerd in 2012 en 2013. Samen voerden die programma’s in 2013 zes acties uit. As 2 Binnen de tweede As was de beheerovereenkomst water goed voor 37% van de uitgaven in 2013. Daarna volgden de agromilieumaatregelen verwarringstechniek (11%), beheerovereenkomst perceelsrandenbeheer (10%), beheerovereenkomst kleine landschapselementen (7%) en vlinderbloemigen (7%). In 2013 ontvingen 788 unieke landbouwbedrijven een vergoeding natuur, samen goed voor een totale oppervlakte van 2.436 hectare, waarvan 1.041 hectare in Natura 2000-gebied. Het totale areaal agromilieumaatregelen bedroeg in 2013 47.944 hectare en er liepen 9.671 contracten. Beheerovereenkomst water was goed voor 37% van het totale areaal. Daarna volgden verwarringstechniek (17%), BO erosiebestrijding (10%), vlinderbloemigen (9%), hectaresteun bio-landbouw (9%) en mechanische onkruidbestrijding (7%). De totale uitgaven voor agromilieumaatregelen in kalenderjaar 2013 bedroegen 17 miljoen euro. 37% van die uitgaven ging naar de beheerovereenkomst water en 11% naar verwarringstechniek. In 2013 hadden in totaal 6.924 bedrijven één of meerdere agromilieumaatregelen lopen, op een totaal uniek areaal van 47.114 hectare. Van dat unieke areaal is 3.016 hectare gelegen in Natura 2000-gebied, 717 hectare in VEN-gebied en 619 hectare in LFA-gebied. In 2013 werden geen nieuwe projecten goedgekeurd in het kader van de kaderrichtlijn water. Binnen de maatregel bebossing van landbouwgronden werden in 2013 68 nieuwe dossiers goedgekeurd. Deze dossiers zijn goed voor een te bebossen landbouwoppervlakte van 93,2 hectare, waarvan 8,5 hectare in LFAgebied en bijna 7 hectare in Natura 2000-gebied is gelegen. De totale, onder PDPO II-regelgeving beboste of te bebossen oppervlakte landbouwgrond kwam in 2013 op 265 hectare. Er zijn 2013 vijf aanvragen voor boslandbouwsystemen goedgekeurd. Samen zijn deze contracten goed voor een oppervlakte van 7,64 hectare. In 2013 is er 11.752 euro steun uitbetaald aan boslandbouwsystemen. Voor de niet-productieve investeringen in bossen werden in 2013 198 aanvragen goedgekeurd, waarvan 98 voor de submaatregel “bebossing/herbebossing” en 100 voor “ecologische bosfunctie”. Samen zijn deze projecten goed voor een investeringsvolume van bijna 0,6 miljoen euro. As 3 In 2013 werden 538 nieuwe diversificatiedossiers goedgekeurd, samen goed voor een investeringsvolume van bijna 40,2 miljoen euro. De investeringen in hernieuwbare energie waren opnieuw de belangrijkste vorm van diversificatie in 2013.

3


In het kader van de gebiedsgerichte werking van As 3 werden door de provinciale managementcomités in 2013 61 nieuwe projecten goedgekeurd. 18 daarvan kaderden in de maatregel instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed. De maatregel dorpskernvernieuwing en -ontwikkeling was eveneens goed voor 18 nieuwe projecten en bevordering van toeristische activiteiten telde er negen. De overige projecten draaiden rond intermediaire dienstverlening (tien) en basisvoorzieningen voor de economie en plattelandsbevolking (zes). As 4 Met 112 nieuwe Leaderprojecten in 2013, komt het totale aantal voor de periode 2007-2013 op 599 projecten goedgekeurd door de Plaatselijke Groepen. De 599 goedgekeurde projecten hebben in totaal 978 financieel begunstigden, van wie 551 uit de privésector en 424 uit de openbare sector. In 2013 werden vier nieuwe samenwerkingsprojecten tussen LEADER-gebieden opgestart, wat het totaal op 14 projecten binnen deze maatregel brengt. In de samenwerkingsprojecten zijn in totaal 32 (niet-unieke) Plaatselijke Groepen (PG) betrokken, waarvan 19 Vlaamse PG’s. Onder de noemer “werking plaatselijke groepen” kregen in 2013 219 activiteiten steun, waarmee het totaal voor de periode 2007-2013 op 1.684 activiteiten komt. Iets meer dan de helft (52%) van de activiteiten bestond uit een informatiesessie over het Leadergebied en het bekendmaken van de lokale ontwikkelingsstrategieën. 34% van de activiteiten draaide rond het opleiden van personeel dat de lokale ontwikkelingsstrategie moet voorbereiden en uitvoeren. Acht procent van de acties focuste op het voeren van promotie.

4


INLEIDING Het voorliggende jaarverslag schetst een beeld van het zevende uitvoeringsjaar van het Programmeringsdocument voor Plattelandsontwikkeling Vlaanderen 2007-2013 (PDPO II), dat bij beschikking C(2007)5555 van 13 november 2007 door de Europese Commissie werd goedgekeurd en later werd gewijzigd bij beschikkingen C(2009)1662 van 13 maart 2009 en C(2009)10181 van 11 december 2009. Via volgende link kan het volledige programmadocument geraadpleegd worden: www.vlaanderen.be/pdpo. Welke thema’s een jaarverslag hoort te behandelen, is opgenomen in de plattelandsverordening (verordening (EG) nr 1698/2005), artikel 82, 2a) tot g) en werd meer gedetailleerd beschreven in de EU-Richtsnoeren (Europese Commissie, 2006). In feite komen de bepalingen voor het jaarverslag neer op een kwantitatieve rapportering over de uitvoering van het programma, aan de hand van door de Europese Commissie vastgelegde indicatoren en een beschrijving van de uitvoeringsomstandigheden, de werkzaamheden op vlak van monitoring en evaluatie en de maatregelen genomen door de beheersautoriteit en het toezichtcomitÊ om tot een goede programma-uitvoering te komen. Waar relevant wordt bij elk hoofdstuk van dit jaarverslag verwezen naar de betreffende wettelijke bepaling die van toepassing is. De door de Europese Commissie gevraagde indicatorentabellen (Europese Commissie, 2009) vormen een bijlage bij dit rapport. De belangrijkste kengetallen hieruit worden in de tekst nader toegelicht en geïllustreerd met figuren en tabellen.

5


1. ALGEMEEN KADER 1 WETTELIJKE BEPALING PLATTELANDSVERORDENING Verordening (EG) nr 1698/2005, artikel 82, 2a) Elke verandering van de algemene omstandigheden die een rechtstreekse invloed heeft op de voorwaarden voor de uitvoering van het programma, en elke wijziging van het communautaire kader en nationale beleid dat gevolgen heeft voor de coherentie tussen de bijstand van het ELFPO en die van de andere financieringsinstrumenten

2 ALGEMEEN KADER In 2013 werd tweemaal een wijziging aan het PDPO II ingediend bij de Europese Commissie. Het ging telkens om notificatiewijzigingen in het kader van artikel 6(1)(c) van de verordening 1974/2006: 1.

De eerste wijziging werd ingediend op 7 mei 2013 en betrof een transfer van middelen van maatregelen 123 en 125 naar maatregelen 121 en 311. Ook sommige indicatoren werden aangepast en maatregel 111 kreeg een inhoudelijke bijsturing met betrekking tot het aantal lesuren en sociale promotie. De wijziging werd op 5 september 2013 goedgekeurd.

2.

Financiële transfers binnen As 2, As 3 en As 4 om beter aan te sluiten bij de reële uitgaven, verlenging van de staatssteunregels en mogelijkheid om verbintenissen bij agromilieumaatregelen met een jaar te verlengen. De wijziging werd ingediend op 23 december 2013.

De aanhoudende economische crisis heeft ook in 2013 een impact op de uitvoering van het PDPO II gehad. Dit uitte zich vooral in de maatregel 123 (verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten), waar de uitgaven lager bleven dan voorzien. Door de crisis is er vanuit de agrovoedingssector immers minder interesse om zware investeringen te doen. In 2013 kwam meer duidelijkheid over de krijtlijnen en de concrete invulling van het GLB 2014-2020 op EUniveau, onder meer via de nieuwe verordeningen voor plattelandsontwikkeling, overgangsbepalingen,…. Dit alles heeft ook zijn invloed op het PDPO II en de mogelijkheden voor verdere uitvoering ervan tot eind 2015.

6


2. PROGRAMMAMANEGEMENT 1 WETTELIJKE BEPALINGEN PLATTELANDSVERORDENING Verordening (EG) nr 1698/2005, artikel 82, 2 f) Een verklaring over de inachtneming van het communautaire beleid in het kader van de bijstand, inclusief informatie over de ondervonden problemen en over de maatregelen die zijn genomen om deze aan te pakken Verordening (EG) nr 1698/2005, artikel 82, 2 e) De maatregelen die de beheersautoriteit en het toezichtcomité hebben genomen om de kwaliteit en de doeltreffendheid van de uitvoering van het programma te waarborgen, en met name:  

 

De activiteiten op het gebied van toezicht en evaluatie; Een samenvatting van de grote problemen die bij het beheer van het programma zijn ondervonden, en de maatregelen die eventueel, al dan niet naar aanleiding van overeenkomstig artikel 83 gemaakte opmerkingen, zijn genomen; Het gebruik van technische bijstand; De maatregelen die zijn genomen om overeenkomstig artikel 76 bekendheid aan het programma te geven.

2 COMMUNAUTAIRE BELEID Alle communautaire voorstellen op het gebied van mededinging, de plaatsing van overheidsopdrachten, milieubescherming en –verbetering, de bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen en nondiscriminatie werden in acht genomen.

3 TOEZICHT EN EVALUATIE In 2013 werd het Toezichtcomité PDPO II drie maal geraadpleegd. Een eerste maal betrof een schriftelijke procedure in april 2013 voor de PDPO II-wijzigingen omtrent inhoudelijke aanpassing van de steun van naschoolse vorming en verschuiving van financiële middelen, zodat het financieel plan beter aansluit bij de werkelijke uitgaven. De wijziging werd ingediend in SFC op 7 mei en aanvaard door de EC bij brief d.d. 5 sept 2013. Op 12 juni 2013 kwam het Toezichtcomité bijeen, waarbij volgende punten op de agenda stonden:  

Wijzigingen PDPO II: stand van zaken laatste wijziging Voorstelling jaarverslag PDPO II 2012

Tenslotte werd in december 2013 het Toezichtcomité via een schriftelijke procedure bevraagd over de volgende PDPO II-wijzigingen:   

financiële transfers binnen As 2, As 3 en As 4 om beter aan te sluiten bij de reële uitgaven (en zo de toegewezen middelen per maatregel optimaal te gebruiken) verlenging van de staatssteunregels voor de top-ups bij agromilieu en de de-minimis voor de maatregelen die buiten Annex I van het Verdrag vallen mogelijkheid om verbintenissen bij agromilieumaatregelen met een jaar te verlengen.

7


4 BEHEER VAN HET PROGRAMMA Het Uitvoeringscomité PDPO II vergadert op regelmatige basis. In het Uitvoeringscomité zijn de beheersautoriteit (Coördinerende Cel Europees Plattelandsbeleid of CCEP) en alle beheersdiensten vertegenwoordigd alsook het Betaalorgaan, de interne audit, de Inspectie van Financiën, het Vlaams Ruraal Netwerk en de afdeling Monitoring en Studie. In 2013 kwam naast de vaste PDPO II-items ook de voorbereiding van PPDO III aan bod. De vergaderingen vonden in 2013 plaats op 18 januari, 18 februari, 19 maart, 18 april, 22 mei, 20 juni, 18 juli, 18 september, 17 oktober, 19 november en 17 december. Vaste onderwerpen op de agenda zijn:     

Briefing door en afspraken met het Betaalorgaan (onder andere bespreking financiële voortgang PDPO II) Mededelingen vanuit CCEP (onder andere verslaggeving Rural Development Committee, Raadswerkgroepen, etc) Vlaams Ruraal Netwerk Monitoring en evaluatie Voorbereiding PDPO III

Deze agenda wordt aangevuld met onderwerpen die op dat moment actueel zijn of bijzondere aandacht vragen, zoals de controlestatistieken, de borgingsverklaring, etc. Het Uitvoeringscomité heeft via een gedeeld elektronisch platform toegang tot alle relevante documenten. Grote problemen met betrekking tot de uitvoering van PDPO II hebben zich in 2013 niet voorgedaan. Het jaarlijkse overleg tussen de Europese Commissie en de beheersautoriteit, zoals voorgeschreven door Verordening 1698/2005, ging door op 4 december 2013. CCEP organiseerde deze vergadering op Agribex (Brussels expo). Volgende agendapunten werden besproken:     

Financiële voortgang PDPO II Beheer en monitoring van het programma (Jaarverslag 2012, Toezichtcomité, beheer problemen, bekendheid maatregelen, controle) Wijzigingen aan het programma Vlaams Ruraal Netwerk Varia: einde programmeringsperiode, overgangsbepalingen, foutenmarge

De verslaggeving over dit overleg gebeurt door de Europese Commissie. Enkele punten uit dat verslag zijn de volgende: algemeen is het uitvoeringspercentage zeer goed. Het jaarverslag is van hoge kwaliteit, doch de Commissie wenst meer toelichting bij de financiële vooruitgang, de aanleiding van wijzigingen en de vooruitzichten naar het einde van het programma toe. Zowel de beheersautoriteit als de Europese Commissie lichtten elk hun activiteiten in het kader van de voorbereiding van de volgende programmaperiode toe. Aanpak ter vermindering van de foutenpercentages en bevordering van de controleerbaarheid In 2013 hebben het betaalorgaan, de beheerautoriteit en de beheersdiensten heel wat inspanningen geleverd om de Europese problematiek van de error rates en de controleerbaarheid van het ELFPO-fonds aan te pakken. De methodiek werd aan de Europese Commissie schriftelijk meegedeeld op 13 september 2013 en op 13 februari 2014. De aanpak was zowel op PDPO II als op PDPO III gericht. 

Huidige programmaperiode 2007-2013 (PDPO II)

In de maanden maart en april 2013 hebben de beheersdiensten belast met de uitvoering van PDPO IImaatregelen de controleerbaarheid van hun maatregelen geëvalueerd. Hiertoe organiseerden het betaalorgaan

8


en de beheerautoriteiten een infosessie op 12 maart 2013 en stelden zij een sjabloon en toelichting ter beschikking. Per steunvoorwaarde werd in kaart gebracht en beoordeeld welke administratieve controles en controles ter plaatse gebeuren, en welke moeilijkheden zich hierbij stellen. Bij controlemoeilijkheden werd onderzocht wat de onderliggende oorzaken voor ontoereikende controleerbaarheid en hoge foutenlast zijn. Vanuit deze inzichten werden bijsturingsacties bepaald voor PDPO II en voor PDPO III. De conclusies met betrekking tot de foutenlast worden verder onderbouwd vanuit een analyse van de controlestatistieken van 15 juli 2013. Alle PDPO II-maatregelen zijn tijdens de programmaperiode 2007-2013 bovendien minstens één maal door de Interne Audit van het betaalorgaan geauditeerd. Er werd tijdens de hoger genoemde evaluatie nagegaan of de beheersdiensten hun maatregelen bijsturen conform de aanbevelingen in deze auditrapporten. 

Toekomstige programmaperiode 2014-2020 (PDPO III)

In de voorbereiding van PDPO III werd aan elke betrokken beheerdienst gevraagd om elke voorwaarde voor de nieuw voorgestelde maatregelen te screenen op de controleerbaarheid. Deze ex-ante beoordeling kadert binnen art. 62 van de nieuwe plattelandsverordening 1305/2013. Tijdens de infosessie van 12 maart 2013 werd ook hiervoor een sjabloon en een toelichting ter beschikking gesteld. De zelfevaluatie bestond eruit dat de beheersdienst voor elke steunvoorwaarde moest aangeven hoe dit concreet gecontroleerd zal worden (administratief en ter plaatse) en welke controlemoeilijkheden ze verwachten. Dit werd nagekeken door het betaalorgaan en de beheerautoriteit en vervolgens bijgestuurd door de beheersdienst. Hierbij werd ook toegezien dat effectief een oplossing werd voorgesteld voor de voorwaarden waarbij de uitvoerende beheersdienst in PDPO II controlemoeilijkheden ondervonden. Voor maatregelen waarvoor de afgelopen jaren een relatief hogere error rate werd gerapporteerd, met name de agromilieumaatregelen en steun voor bedrijfsadvies, werden tijdens het uitschrijven van de maatregel pistes onderzocht om het maatregelconcept minder foutgevoelig te maken. Verder keken de beheerautoriteit en het betaalorgaan erop toe dat elke voorwaarde eenvoudig en transparant is en een link heeft met de doelstelling van de maatregel. Dit proces werd niet afgerond voordat elke maatregel als controleerbaar en verifieerbaar kon beoordeeld worden. Algemeen kan men stellen dat in vergelijking met PDPO II de maatregelvoorwaarden afgeslankt werden en scherper zijn geformuleerd en dat het principe van vereenvoudigde kosten voor meer maatregelen wordt ingevoerd.

5 TECHNISCHE BIJSTAND 5.1

Algemeen

In het PDPO II zijn binnen het onderdeel technische bijstand twee maatregelen voorzien:  

Algemene technische bijstand Ruraal netwerk

Tabel 1 geeft een overzicht van de betalingen in 2013 in het kader van technische bijstand.

9


Tabel 1 Overzicht betalingen technische bijstand 2013

ELFPO (euro)

Vlaams (euro)

Gewest

Totale overheidssteun (euro)

Algemene technische bijstand 1.1 voorbereiding

0

0

0

1.2 beheer

0

0

0

1.3 toezicht

0

0

0

146.146

146.146

292.291

1.5 voorlichting

0

0

0

1.6 controle mbt verleende bijstand

0

0

0

93.507

93.507

187.014

239.653

239.653

479.305

0

0

0

2.2 uitvoering actieplan

73.644

73.643

147.287

Totaal ruraal netwerk

73.644

73.643

147.287

313.296

313.296

626.592

1.4 evaluatie

1.7 provincies Totaal algemene technische bijstand

Ruraal netwerk 2.1 beheer

ALGEMEEN TOTAAL

Algemene technische bijstand Binnen deze maatregel kaderen centrale uitgaven op het gebied van voorbereiding, beheer, toezicht, evaluatie en voorlichting door de beheersautoriteit. Evaluatie De uitgaven hebben betrekking op de loonkosten voor de beleidsondersteuner plattelandsontwikkeling die instaat voor de monitoring en evaluatie van PDPO II. Daarnaast waren er in 2013 ook uitgaven in het kader van een studie rond de impact van beheerovereenkomsten op de biodiversiteit in Vlaanderen en de ex ante evaluatie van het PDPO III. Provincies De provincies staan in voor de uitvoering en begeleiding van de gebiedsgerichte werking en ontvangen hiervoor een financiĂŤle bijdrage.

10


Vlaams Ruraal Netwerk Deze maatregel bestaat uit enerzijds het beheer van het netwerk en anderzijds de uitvoering van het actieplan. Actieplan Vlaams Ruraal Netwerk De betalingen in 2013 hadden voornamelijk betrekking op:      

5.2

Personeelskosten (volledige loonkost van ondersteuner en medewerkers) Onderhoud van de website www.ruraalnetwerk.be Kosten verbonden aan studiedagen en excursies Publicaties: nieuwsbrief, fotoboek, brochure Communicatie- en promotiemateriaal Netwerking (onder meer meetings in het buitenland).

Vlaams Ruraal Netwerk

Op basis van de interne evaluatie van het werkjaar 2012 schoof het Vlaams Ruraal Netwerk begin 2013 volgende speerpunten naar voren: “Op basis van de evaluatie van 2012 en de brainstormdag voor 2013 werd beslist om ook in 2013 verder te werken op de asoverschrijdende benadering van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling. Hierbij behouden we de drie grote pijlers (organisatie, communicatie en transnationale ondersteuning) en laten we die steeds meer in elkaar doorlopen. Aansluitend krijgt de voorbereiding van het volgende GLB en PDPO (in de mate van het mogelijke) steeds meer aandacht in onze werking en in onze communicatie.” Deze doelstellingen werden in en met behulp van drie grote pijlers uitgewerkt: organisatie, communicatie en ondersteuning. De belangrijkste krachtlijnen, gebaseerd op de evaluatie van het werkjaar 2013, zijn hieronder beschreven. Voor verslagen en foto-impressies kan de website (www.ruraalnetwerk.be) geraadpleegd worden. 5.2.1 Organisatie Studiedagen en infomomenten In 2013 werden acht studie- en informatiedagen voor het grote publiek georganiseerd. Hierbij werd de asoverschrijdende benadering van PDPO II-problematieken zo ver mogelijk doorgetrokken. Een eerste activiteit werd georganiseerd op 11 januari 2013 tijdens Agriflanders en behandelde de relatie stadplatteland onder de titel ‘Voedsel bindt stad en platteland’. Vier sprekers hadden het over voedselstrategieën, hoe het voedsel van het platteland naar de stad komt, welke denkoefeningen hieromtrent worden gemaakt, welke samenwerkingsvormen er bestaan, … Met de themareeks ‘Grasduinen in het gras’ ging het Vlaams Ruraal Netwerk in 2013 op zoek naar de vele aspecten van gras. Tijdens de eerste themadag ‘Grasduinen in het gras’ op 25 april werd dieper ingegaan op de gebruikswaarde van gras voor de ‘klant’ (landbouw en natuur). De derde activiteit van 2013 was meteen de tweede themadag ‘Grasduinen in het gras’ op 25 juni in Beernem. Het onderwerp van deze themadag was (collectief) beheer van gras voor milieu- en natuurdoeleinden. Na de middag stonden er verschillende terreinbezoeken op het programma om te tonen wat dit beheer betekent voor milieu en natuur. De volgende activiteit was de derde themadag ‘Grasduinen in het gras’ op 24 september, met als onderwerp de optimalisatie van grasbeheer met respect voor natuur en milieu. Tijdens deze themadag werden verschillende proeven van Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) besproken en op het veld bezocht. Als vijfde informatiemoment bood het Vlaams Ruraal Netwerk de coördinatoren van Assen 3 en 4 een meerdaagse opleiding ‘Opleiding als facilitator in proces voor duurzame gebiedsontwikkeling’ aan. Er waren vier lesdagen, aangevuld met voorbereidingen en huiswerk. Hiermee werd een lang voorbereidingsproces rond een dergelijke opleiding, reeds gestart in 2012, afgerond.

11


De zesde studiedag over ‘Agroforestry’ vond plaats op 30 augustus in Ittre. Tijdens een overleg tussen de Vlaamse en Waalse partners werd kennis en ervaring uitgewisseld. In de loop van 2013 werd de wedstrijd ‘Prima Plattelandsproject’ editie 2013 gelanceerd. Men kon PDPO IIprojecten indienen in drie categorieën rond duurzaamheid. Daarna volgden een aantal selectierondes. De vijf beste projecten per categorie werden behouden. Het grote publiek kon vervolgens online stemmen op zijn favoriete projecten. Op 7 november volgde de bekendmaking van de winnaars tijdens de prijsuitreiking van de wedstrijd ‘Prima Plattelandsproject’ editie 2013, gekoppeld aan de lancering van het PDPO II-fotoboek van het Vlaams Ruraal Netwerk. De drie winnende projecten worden verder in dit jaarverslag voorgesteld. De achtste en laatste studiedag van het werkjaar 2013 werd georganiseerd op 6 december tijdens Agribex onder de titel ‘Honger en dorst tijdens WO I en daarna’. Er werd onder andere ingegaan op volgende vragen: hoe overleefden onze voorouders de hongersnood? Was het GLB echt zo cruciaal? En welke waarde hechten we vandaag nog aan onze voeding? Excursies en uitwisselingen Voor de excursie ‘Erosie: niet-kerende bodembewerking’ trokken we op 27 augustus naar Horebeke in de Vlaamse Ardennen. Zowel theorie als praktijk kwamen aanbod. Een extra excursie voor en door jonge landbouwers werd uiteindelijk niet georganiseerd. Het programma van het Vlaams Ruraal Netwerk was al goed gevuld, en door de niet-voorziene studiedag rond agroforestry was er geen mogelijkheid meer om deze excursie te organiseren. Interne evenementen Uit de evaluatie van de werking in 2012 bleek dat de nood aan interne informatiemomenten, de zogenaamde ervaringsplatformen, op dit moment niet groot is. Daarom heeft het Vlaams Ruraal Netwerk besloten om in 2013 geen dergelijke activiteiten te organiseren. Andere Net als in 2012 heeft het Vlaams Ruraal Netwerk zijn medewerking verleend aan de wedstrijd Vrouwelijk Talent op het Platteland, van KVLV. De prijsuitreiking vond eind maart 2014 plaats (meer info op www.talentophetplatteland.be). Daarnaast heeft het Vlaams Ruraal Netwerk waar mogelijk en waar nodig mee gewerkt aan de voorbereiding van het nieuwe PDPO-programma en het overkoepelde partnerschapsakkoord. 5.2.2 Communicatie Website Vlaams Ruraal Netwerk In 2011 werd de nieuwe website van het Vlaams Ruraal Netwerk gelanceerd, op het gekende adres www.ruraalnetwerk.be. In 2013 werd de website minstens wekelijks inhoudelijk aangepast en aangevuld met verslagen van bezoeken en deelnames aan studiedagen, verslagen van vergaderingen en informatie over de voorbereiding van het GLB na 2013. Ook werden de aankondigingen geüpdatet, oproepen (voor bijvoorbeeld het indienen van plattelandsprojecten) vermeld, etc. Alle info omtrent studiedagen, belangrijke deadlines e.d. kon teruggevonden worden in de agenda. We hebben ook werk gemaakt van een directe link tussen de nieuwsbrief en de artikelen op de website, waarbij we de website regelmatig hebben aangevuld met informatie die past binnen het driemaandelijkse thema. Ook de projectendatabank is in 2013 aangevuld. Eind 2013 was deze projectendatabank volledig aangevuld en compleet: meer dan 800 As 3- en Leaderprojecten én acht samenwerkingsprojecten zijn te raadplegen op onze webstek. In 2013 telde onze website 36.948 individuele bezoekers. Dit is minder in vergelijking met voorgaande jaren, maar dit komt omdat we vanaf 2012 een nieuwe website hebben gecreëerd. De cijfers over de vorige website

12


(gemaakt in iPublish) waren gebaseerd op het aantal pageviews (aantal keer dat een pagina wordt aangeklikt) het cijfer over de nieuwe website (gebaseerd op Drupal) vermeldt het aantal unieke bezoekers. Eind 2013 werd een enquête gelanceerd op de website met een aantal vragen over de werking van het Vlaams Ruraal Netwerk in verleden en toekomst. Uit deze enquête is gebleken dat men over het algemeen tevreden is over de werking van het Vlaams Ruraal Netwerk. De respondenten gaven aan dat ze in de toekomst algemene PDPO III-communicatie verwachten van het Vlaams Ruraal Netwerk, alsook bepaalde onderwerpen diepgaander willen toegelicht zien. Dit is iets wat zeker wordt meegenomen in de planningen voor de komende jaren. Nieuwsbrief De vier nieuwsbrieven van 2013 werden opgehangen aan het thema ‘Duurzaamheid’. Per nieuwsbrief werd een andere EU-lidstaat of regio in de schijnwerpers geplaatst:    

maartnummer: Nederland juninummer: Ierland (voorzitter EU) septembernummer: Wallonië decembernummer: Litouwen (voorzitter EU)

In de nieuwsbrieven werden ook de komende activiteiten van het Vlaams Ruraal Netwerk aangekondigd. In 2013 hebben we werk gemaakt van een directe link tussen de nieuwsbrief en de artikelen op de website, waarbij getracht werd om de website regelmatig aan te vullen met informatie die past binnen het jaarthema. Het aantal abonnementen op deze nieuwsbrieven kende ook in 2013 een stijging met 83 extra geïnteresseerden (met een voorkeur voor de digitale versie van de nieuwsbrief). Dit komt vooral doordat we de bezoekers van onze website sinds 2012 de mogelijkheid hebben aangeboden om online in te schrijven. Andere publicaties In 2013 publiceerde het Vlaams Ruraal Netwerk een fotoboek, waarin alle maatregelen van PDPO II in beeld werden gebracht. Het boek werd voorgesteld op 7 november 2013, tijdens de prijsuitreiking van de wedstrijd ‘Prima Plattelandsproject’ editie 2013. Naar aanleiding van de wedstrijd ‘Prima Plattelandsproject’ editie 2013, heeft het Vlaams Ruraal Netwerk een Nederlandstalige brochure met de genomineerden verspreid. Er werd ook gewerkt aan een Engelstalige brochure met de winnaars en genomineerden (gepubliceerd in 2014). Er werd eveneens een publicatie/lessenpakket gemaakt rond de Goed Geboerd-toer. De informatieborden werden aangevuld met extra uitleg, en in een online brochure gegoten. Om de scholen in te lichten werd een bericht over deze brochure opgenomen in de nieuwsbrief basisonderwijs van de lerarenkaart die in oktober werd verzonden. Communicatie- en promotiemateriaal In 2013 werd geen nieuw communicatie- en/of promotiemateriaal aangekocht. Andere communicatie Het Vlaams Ruraal Netwerk verspreidde persberichten bij de organisatie van elk extern evenement. Deze werden meestal opgenomen door de vakpers. Daarnaast was het Vlaams Ruraal Netwerk ook aanwezig op diverse studiedagen georganiseerd door derden. Hiervan werd in de mate van het mogelijke verslag uitgebracht op de website.

13


5.2.3 Transnationale ondersteuning Het Vlaams Ruraal Netwerk ondersteunt de transnationale werking van de maatregelen van het PDPO II op verschillende manieren en niveaus (als actief lid, als co-organisator of als deelnemer) en daarnaast beantwoordt het Vlaams Ruraal Netwerk ad hoc-vragen. In 2013 werden geen aanvragen voor ontvangst van buitenlandse delegaties ontvangen. Wat Europese vergaderingen betreft, nam het Vlaams Ruraal Netwerk eerst en vooral in eigen naam en als Belgisch aanspreekpunt deel aan de bijeenkomsten van het Leader Subcommittee (17 april, 11-12 november) van het European Network for Rural Development. In 2013 kwam het Coordination Committee niet bijeen. In het verlengde hiervan werkte het Vlaams Ruraal Netwerk actief mee aan verschillende workshops. We namen deel aan volgende workshops: “Youth initiative” (7 februari, 19 juni, 12 december), “Community-led Local Development” (6 februari), “Building bridges for the future: selection of LAGs/partnerships” (17-18 april), “Telling the story: EU-funds communication event” (9-10 december). Daarnaast werkte het Vlaams Ruraal Netwerk actief mee aan de bijeenkomsten van de Nationale Rurale Netwerken (NRN). In 2013 werd drie maal op verplaatsing vergaderd (juni (Portugal), september (Polen), november (Frankrijk)). De actieve aanwezigheid van Vlaanderen op internationaal vlak is niet onopgemerkt voorbij gegaan, zo bleek uit de vraag van DG Enlargement om de werking van het Vlaams Ruraal Netwerk en de toekomstplannen te komen presenteren op een meeting met kandidaat-lidstaten (22 november) in Parijs. Het Vlaams Ruraal Netwerk heeft ook in 2013 diverse malen overlegd met de Waalse collega’s. Naast het afstemmen van de activiteiten werd eveneens een gezamenlijke studiedag rond agroforestry georganiseerd (zie hoger). Aansluitend zocht het Vlaams Ruraal Netwerk in 2013 naar een actievere samenwerking met de communicatiediensten van EFRO en ESF, in het kader van het toekomstige partnerschap vanaf 2014. Tenslotte was het Vlaams Ruraal Netwerk aanwezig op diverse binnen- en buitenlandse overlegmomenten en conferenties. In 2013 nam het Vlaams Ruraal Netwerk ook deel aan alle overlegmomenten (zowel op Europees, federaal als Vlaams en provinciaal niveau) rond het nieuwe GLB en de toepassingen binnen de provincies en Plaatselijke Groepen/regio’s. Hierbij werden presentaties gegeven en werden de plannen uiteen gezet op vraag van de stakeholders.

6 VOORLICHTING EN PUBLICITEIT De algemene communicatie over het programma gebeurt door de CCEP in samenwerking met het Vlaams Ruraal Netwerk. De specifieke communicatie over de voorwaarden en toepassing van de verschillende maatregelen naar de potentiële begunstigden toe gebeurt door de beheersdienst die voor de betrokken maatregel bevoegd is. De CCEP heeft het communicatieplan in 2013 niet geactualiseerd. De webpagina PDPO II binnen de website van het Beleidsdomein Landbouw en Visserij (www.vlaanderen.be/pdpo) werd verder onderhouden. Via deze webpagina kan het volledige programmadocument en het nationaal strategieplan geraadpleegd worden. Op de webpagina kan men doorklikken naar de webpagina’s van de afzonderlijke maatregelen, evaluatie, en communicatieverplichtingen voor begunstigden. Er zijn ook links naar de website van de Europese Commissie, naar het Vlaams Ruraal Netwerk, … Daar waar het Vlaams Ruraal Netwerk ook in 2013 verder communiceerde en informeerde over PDPO II, concentreerden de CCEP-werkzaamheden op gebied van communicatie zich voornamelijk rond de nieuwe programmaperiode. De nieuwe voorstellen voor de toekomstige plattelandsverordening werden verschillende keren toegelicht aan diverse actoren (interne entiteiten, stakeholders, andere fondsen …). Tegelijkertijd werd er intern verder gewerkt aan het PDPO III-programma, dat op 24 januari 2014 door de Vlaams Regering werd goedgekeurd.

14


3. ONGOING EVALUATIE 1 WETTELIJKE BEPALING PLATTELANDSVERORDENING Verordening (EG) nr 1698/2005, artikel 82, 2 d) Een beknopt overzicht van de werkzaamheden op het gebied van de evaluatie tijdens de uitvoering overeenkomstig artikel 86, lid 3 Verordening (EG) nr 1698/2005, artikel 13 1. Voor het eerst in 2010 en uiterlijk op 1 oktober van elk tweede jaar dient elke lidstaat bij de Commissie een samenvattend verslag in dat betrekking heeft op de bij de uitvoering van zijn nationale strategie en doelstellingen geboekte vooruitgang en op de bijdrage van die strategie en doelstellingen aan de verwezenlijking van de communautaire strategische richtsnoeren. Het laatste samenvattende verslag wordt uiterlijk op 1 oktober 2014 ingediend. 2. In dat verslag worden de in artikel 82 bedoelde jaarverslagen van de vorige jaren over de uitvoering samengevat en worden met name beschreven: a) de output en de resultaten van de programma’s voor plattelandsontwikkeling op basis van de in het nationale strategische plan gedefinieerde indicatoren; b) voor elk programma, de resultaten van de evaluatietijdens de uitvoering.

2 INLEIDING De evaluatie tijdens de programmaperiode of “ongoing evaluation” omvat alle evaluatiewerkzaamheden uitgevoerd in de loop van het programma. Daarbij gaat het zowel om ex ante, mid term en ex post evaluatie als om alle andere evaluatieactiviteiten die nuttig zijn voor het verbeteren van het programmabeheer. Hieronder vallen eveneens de interactie tussen evaluatieactiviteiten, het ontwikkelen en verfijnen van indicatoren en de gegevensverzameling. Voor een uitgebreidere inleiding wordt verwezen naar het Jaarverslag 2007 en naar de richtsnoeren van de Europese Commissie (Europese Commissie, 2006). De coördinatie van de monitoring- en evaluatieactiviteiten gebeurt door de afdeling Monitoring en Studie van het Departement Landbouw en Visserij en wordt gedeeltelijk gefinancierd via technische bijstand. Deze opdracht wordt omschreven in het hoofdstuk “monitoring van het PDPO” van het Programmadocument voor Plattelandsontwikkeling Vlaanderen 2007-2013. Vanaf het begin van de programmaperiode werd een systeem opgezet voor de permanente evaluatie van PDPO II. Op basis van onder andere informatie uit het European Evaluation Network for Rural Development (EENRD), aanbevelingen uit de ex post evaluatie van PDPO I en de ex ante evaluatie van PDPO II werd een evaluatieplanning opgemaakt. De afdeling Monitoring en Studie organiseerde op regelmatige basis intern overleg met alle betrokkenen bij PDPO II om de planning op te volgen en zo nodig bij te sturen. Over de stand van zaken van de evaluatiestudies tijdens de uitvoering werd gerapporteerd tijdens de vergaderingen van het uitvoeringscomité.

15


3 EVALUATIEACTIVITEITEN IN 2013 3.1

Uitbestede studies

Ex ante evaluatie PDPO III Eind 2012 werd een offerteaanvraag uitgeschreven voor de ex ante evaluatie van PDPO III. De opdracht werd gegund aan het onderzoeksconsortium rond IDEA Consult, Anteagroup en UGent. De uitvoering van de ex ante evaluatie, inclusief de strategische milieubeoordeling, startte op 1 januari 2013, gelijktijdig met de opmaak van het programma. Op die manier kwam een wisselwerking tussen het programmasecretariaat en de ex ante evaluator tot stand. Eind november 2013 werd de ex ante evaluatie definitief opgeleverd. De ex ante evaluator beoordeelde de omgevingsanalyse, SWOT en nodenanalyse, de relevantie van de maatregelen, de interne en externe coherentie, het indicatorenkader, de implementatiesystemen en de te verwachten milieu-impact. Het ontwerpprogramma speelt in op de noden van het Vlaamse platteland, zo oordelen de evaluatoren. Er is aandacht voor de positie van de landbouwproducent, via onder meer steun voor jonge landbouwers, voor pioniers, voor producentengroeperingen en risicobeheer. Bovendien wordt er ingezet op samenwerking tussen landbouwers en op de band tussen stad en platteland. De hervorming van bepaalde agromilieuklimaatmaatregelen gericht op onder andere soortenbescherming en waterkwaliteit beoogt een groter effect op het terrein. De sterkere focus van de lokale ontwikkelingsstrategieën van de LEADER-gebieden zorgt voor minder versnippering van middelen. Het ontwerp-PDPO III is coherent met de thematische doelstellingen van het Europese Gemeenschappelijk Strategisch Kader en met de EU2020-strategie. PDPO III zal een duidelijke bijdrage leveren aan doelstellingen op vlak van concurrentievermogen, milieu en klimaat, efficiënt gebruik van hulpbronnen en innovatie. Ook op Vlaams niveau ziet de evaluator een synergetisch samenspel tussen het PDPO III en ander beleid zoals het Milieubeleidsplan, het Groenboek Beleidsplan Ruimte en het Plattelandsbeleidsplan 2013-2015. http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=3390 http://www.lne.be/merdatabank/uploads/merntech3563.pdf Impact van PDPO II-maatregelen op biodiversiteit In 2013 werd een vervolgstudie uitgevoerd op het onderzoek van Strubbe et al (2010), waarin de impact van PDPO II-maatregelen op biodiversiteit nagegaan werd. In 2010 werd een meetmethode ontwikkeld om het effect van verschillende agromilieumaatregelen op akker- en weidevogels te kwantificeren. Dat leverde een eerste reeks monitoringgegevens op. Deze meetmethode werd in 2012 en 2013 opnieuw uitgetest, verfijnd en geoptimaliseerd. Op die manier zijn gedurende drie opeenvolgende jaren monitoringgegevens verzameld op basis waarvan conclusies geformuleerd kunnen worden over de meetbare impact van het PDPO II op akker- en weidevogels. Duurzame fruitbedrijven. Bepalende factoren – indicatoren – hot issues In deze onderzoeksopdracht, uitgevoerd door een consortium bestaande uit ILVO, het Proefcentrum Fruitteelt en het Fruitteeltcentrum van de KU Leuven, werd gewerkt rond de thema’s die de duurzaamheid van een Vlaams fruitbedrijf bepalen. De studie reikt een transparant en communiceerbaar duurzaamheidskader aan en ontwikkelt een meetinstrumentarium, een “toolbox” van indicatoren, die het mogelijk moet maken om te starten met duurzaamheidsevaluatie op Vlaamse fruitbedrijven. http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=3292

3.2

Studies uitgevoerd binnen de administratie

De biologische landbouw in 2012 Het biorapport 2012 geeft een actueel overzicht van de biolandbouw in Vlaanderen. Het presenteert de belangrijkste kengetallen van de biologische landbouw, plaatst de Vlaamse situatie in een Europese context, analyseert de overheidsuitgaven en schat de omvang van de sector in. Ook de PDPO-hectaresteun biologische

16


landbouw wordt geanalyseerd. Het rapport is http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=3129.

na

te

lezen

via

volgende

link:

Het Vlaams agrovoedingscomplex Een focusrapport geeft een actueel overzicht van de laatst beschikbare financieel-economische cijfers over het agrovoedingscomplex. In dit rapport worden onder andere de investeringen in land- en tuinbouwbedrijven en bij agrovoedingsbedrijven bestudeerd, alsook de verleende PDPO-investeringssteun. Het focusrapport kan hier geraadpleegd worden: http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=3143. Milieucertificering in het kader van het GLB. IdeeĂŤn voor equivalentiemaatregelen uit enkele buurlanden Het nieuwe GLB bevat vergroeningseisen op het vlak van permanent grasland, gewasdiversiteit en ecologisch focusgebied. Ter voorbereiding van de nieuwe programmaperiode werd onderzocht welke mogelijkheden er bestaan voor equivalentie in de vorm van milieucertificeringssystemen. Er worden lessen getrokken uit bestaande initiatieven in Nederland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Het rapport kan hier geraadpleegd worden: http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=3204. Gebruik van energie, gewasbescherming, water en kunstmest in de Vlaamse landbouw Het Vlaamse Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) bestaat uit een 750-tal land- en tuinbouwbedrijven. Naast de klassieke bedrijfseconomische gegevens worden via het LMN ook gegevens in verband met het gebruik van energie, gewasbeschermingsmiddelen, water en kunstmest verzameld. Extrapolatie van deze gegevens geeft een beeld van de gehele Vlaamse beroepslandbouw. Het rapport geeft weer hoe het gebruik van de vier milieuindicatoren tijdens de periode 2005-2011 evolueert en tracht deze trend zo goed mogelijk te verklaren. http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=3405 Ex ante evaluatie van de hervorming van de rechtstreekse steun Ook de eerste pijler van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid wordt hervormd. Dit rapport vertrekt van grote lijnen van de hervorming zoals die ten tijde van de opmaak van het rapport bekend waren. De te verwachten impact in 2019 voor de Vlaamse landen tuinbouwer wordt berekend. http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=3373 Relatieve sectorale duurzaamheidsvergelijkingen van Vlaamse landbouwbedrijven Zowel in de landbouw als daarbuiten dringt duurzame ontwikkeling steeds meer door in het management van bedrijven en in beleidsdocumenten. Dit methodologische rapport is een aanvulling bij het Landbouwrapport 2012 dat kadert in het thema duurzaamheid. De studie geeft inzicht in de zoektocht naar een geschikt instrument om de economische, ecologische, sociale en innovatieve dimensies van duurzaamheid met elkaar in verband te brengen. Het ontwikkelde instrument bestaat uit relatieve duurzaamheidsvergelijkingen waarvan de methodologische opbouw gebaseerd is op bestaande tools. http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=3352 Economische resultaten van de Vlaamse land- en tuinbouw 2001-2012 Dit rapport kadert in de jaarlijkse rapportage over de inkomensontwikkeling van de land- en tuinbouw. Het nieuwe rapport heeft tot doel een analyse te maken van verschillende sectoren van de land- en tuinbouw tot het jaar 2011. Daarnaast is er getracht om de actuele economische ontwikkeling in 2012 in kaart te brengen voor de belangrijkste bedrijfstakken. Tot slot wordt aan de hand van de productierekening tot 2012 een beeld geschetst van het economische resultaat van de gehele Vlaamse landen tuinbouw. http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=3161 Innovatie in de land- en tuinbouw in Vlaanderen Voor dit rapport werd voor de tweede maal een enquĂŞte afgenomen bij de land- en tuinbouwbedrijven die deelnemen aan het Landbouwmonitoringsnetwerk. Er werd daarbij gekozen voor een brede invulling van het begrip innovatie. Het gaat om allerhande nieuwe producten, technieken, organisatievormen, manieren van vermarkten en andere innovaties. Zowel innovaties die volledig nieuw zijn voor een sector als vernieuwingen

17


voor het bedrijf zelf werden meegenomen. Uit de enquête blijkt dat meer dan de helft van de bedrijven de voorbije jaren minstens één innoverende investering doorvoerde. De frequentie van innovatie en de aard van de innovaties verschillen naargelang van de kenmerken van het bedrijf en de bedrijfsleider. http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=3329 Boer(in) in hoofd, hart en nieren Dit rapport gaat bij de deelnemers van het Landbouwmonitoringnetwerk op zoek naar indicaties voor sociale duurzaamheid anno 2012 via een bevraging over verscheidene aspecten van hun beroeps– en leefsituatie. Sociale duurzaamheid is een ruim begrip met verschillende invullingen. Het rapport focust op een aantal interessante aspecten uit de vier dimensies van sociale duurzaamheid: (1) sociale rechtvaardigheid, (2) sociaaleconomisch, (3) sociaal-cultureel en (4) psychosociaal/gezondheid. http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=3324 Bestemming en gebruik van landbouwgrond Hoeveel areaal is in de ruimtelijke plannen bestemd voor landbouw? Hoeveel ervan is er herbevestigd? En hoeveel ervan wordt effectief gebruikt door de landbouw? Een nieuw rapport levert voor deze vragen cijfermateriaal aan op basis van de ruimteboekhoudingen van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed en het geïntegreerd controle- en beheersysteem van Agentschap voor Landbouw en Visserij. http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=3013 Voortgangsrapport beheerovereenkomsten De Vlaamse Landmaatschappij (VLM) publiceerde een voortgangsrapport over de beheerovereenkomsten tijdens PDPO II. Daaruit blijkt dat een vrijwillige, gebiedsgerichte en integrale benadering uitermate belangrijk zijn. Dat wordt in het rapport geïllustreerd aan de hand van een aantal praktijkvoorbeelden, zoals het akkervogelproject in Zuid-Hageland, het weidevogelgebied in de vallei van de Zwarte Beek en de agrobeheergroep Dijleland. Voorts worden de resultaten toegelicht van een bevraging van landbouwers over beheerovereenkomsten uit 2010. http://www.vlm.be/SiteCollectionDocuments/Beheerovereenkomsten/voortgangsrapport%20BO%20%20lres.pdf

4 NETWERKACTIVITEITEN VAN PERSONEN BETROKKEN BIJ EVALUATIE Vlaanderen nam deel aan de bijeenkomsten van het “Expert Committee on Evaluation of Rural Development Programmes” op 20 maart, 30 april, 19 juni, 18 september en 20 november 2013 in Brussel. Op de vergaderingen werd zowel de huidige programmaperiode besproken als de volgende programmaperiode voorbereid. Ook schriftelijk reageerde Vlaanderen op de aangeleverde documenten. Ter voorbereiding van de monitoring en evaluatie van zowel pijler I als pijler II na 2013, werd een nieuwe “Expert Group Monitoring and Evaluating CAP” opgericht. Vlaanderen nam deel aan de bijeenkomst op 27 februari 2013 waar de voorstellen van de Europese Commissie werden besproken. Op 6 en 7 maart organiseerde de Evaluatie Helpdesk een Good Practice Workshop “Specific challenges in using common RD indicators at regional level” in Rome. Vlaanderen participeerde aan de workshop aangezien ook in het PDPO III met regionale waarden van de contextindicatoren moet gewerkt worden. De presentaties en een verslag van de workshop zijn te lezen via volgende link: http://enrd.ec.europa.eu/evaluation/good-practicesworkshops/common-rural-development-indicators-at-regional-level/en/common-rural-development-indicatorsat-regional-level_home.cfm. Op 12 november was Vlaanderen gastheer voor de focusgroep van de Evaluatie Helpdesk. De focusgroep werd in Beneluxverband georganiseerd en ging dieper in op het nieuwe instrument van het evaluatieplan.

18


4. PDPO-INDICATOREN 2013 1 INLEIDING De monitoring van de uitvoering van het PDPO II creëerde ook in 2013 heel wat cijfermateriaal. In de indicatorentabellen, bijgevoegd in bijlage 3 van dit rapport, zijn die cijfers samengebracht. De indicatoren zijn alle input-, output- en resultaatindicatoren die volgens de plattelandsverordening deel moeten uitmaken van het jaarverslag. In de hierna volgende hoofdstukken wordt, naast de financiële indicatoren, per maatregel ook een selectie van de andere indicatoren besproken. Voor de interpretatie van de belangrijkste indicatoren wordt verwezen naar PDPO II Jaarverslag 2007 en naar de Richtsnoeren van de Europese Commissie (Europese Commissie, 2006).

2 WETTELIJKE BEPALINGEN PLATTELANDSVERORDENING Verordening (EG) nr 1698/2005, artikel 82, 2 c) De financiële uitvoering van het programma, waarbij per maatregel een overzicht van de uitgaven voor betalingen aan begunstigden wordt gegeven; indien het programma geldt voor regio’s die onder de convergentiedoelstelling vallen, moeten de uitgaven voor die regio’s afzonderlijk worden vermeld Verordening (EG) nr 1698/2005, artikel 82, 2 g) In voorkomend geval, het hergebruik van steun die overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EG) nr 1290/2005 is teruggevorderd Verordening (EG) nr 1698/2005, artikel 82, 2 b) De aan de hand van output- en resultaatindicatoren aangegeven vorderingen met het programma in het licht van de vastgestelde doelstellingen

3 FINANCIËLE INDICATOREN 3.1

Overzicht uitgaven 2013

In totaal werd in 2013 51.884.702 euro uitgegeven binnen het PDPO II (inclusief top-up en uitgaven in het kader van de Health Check en het Economisch Herstelplan). Daarvan ging 626.592 euro naar technische bijstand. Daarmee zijn de totale uitgaven in 2013 meer dan 46 miljoen euro lager dan in 2012. Voornamelijk bij de maatregelen investeringssteun, vestigingssteun en steun voor diversificatie van landbouwactiviteiten lagen de totale uitgaven lager dan het jaar voordien (cfr. infra). Cumulatief werd tot en met 2013 695.620.835 euro aan subsidies uitbetaald, wat neerkomt op bijna 92% van de geplande uitgaven voor de ganse programmaperiode. Tabel 2 toont de uitgaven in de periode 2007-2013 en zet deze uit ten opzichte van het geplande budget voor de gehele programmaperiode van PDPO II.

19


Tabel 2 Publieke (Europese + Vlaamse) uitgaven 2007-2013 per As tegenover de geplande uitgaven PDPO II, inclusief topup, Health Check en Economisch Herstelplan

Totale uitgaven 20072013 (euro)

Geprogrammeerd budget PDPO II (euro)

Realisatie (%)

As 1

449.005.881

466.042.927

96,3

As 2

151.844.711

171.218.571

88,7

As 3

63.741.832

74.321.043

85,8

As 4

27.957.761

41.277.197

67,7

692.550.185

752.859.738

92,0

3.070.651

4.486.828

68,4

695.620.835

757.346.566

91,8

Totaal zonder technische bijstand Technische bijstand Totaal bijstand

inclusief

technische

Figuur 1 geeft een overzicht van de totale publieke uitgaven in 2013 aan de verschillende assen (inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) en de technische bijstand. 39% van de uitgaven werd besteed in As 1, 34% in As 2, 14% in As 3 en 12% in As 4. Figuur 2 geeft een overzicht van de totale publieke uitgaven in de periode 2007-2013 aan de verschillende assen (inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) en de technische bijstand. 65% van dat bedrag is uitgegeven binnen As 1, 22% binnen As 2, 9% binnen As 3 en 4% binnen As 4. Figuur 3 geeft de Europese uitgaven in 2013 weer (inclusief Health Check en Economisch Herstelplan). Figuur 4 toont de Europese uitgaven in de periode 2007-2013 (eveneens inclusief Health Check en Economisch Herstelplan). Figuur 5 toont de Europese uitgaven in de periode 2007-2013, zonder Health Check en Economisch Herstelplan. 63% van die uitgaven werd besteed binnen As 1, 25% binnen As 2, 7% binnen As 3 en 4% binnen As 4.

20


As 4; 6.020.568; 12%

technische bijstand; 626.592; 1%

As 3; 7.455.793; 14%

As 1; 20.054.536; 39%

As 2; 17.727.213; 34% Figuur 1 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de totale publieke uitgaven (inclusief top-up en inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in kalenderjaar 2013 over de vier assen en de technische bijstand van PDPO II

As 4; 27.957.761; 4%

As 3; 63.741.832; 9%

technische bijstand; 3.070.651; 0%

As 2; 151.844.711; 22%

As 1; 449.005.881; 65%

Figuur 2 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de totale publieke uitgaven (inclusief top-up en inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in kalenderjaren 2007-2013 over de vier assen en de technische bijstand van PDPO II

21


As 4; 1.806.171; 9%

technische bijstand; 313.296; 2%

As 3; 3.201.521; 16%

As 1; 7.341.326; 37%

As 2; 7.097.182; 36%

Figuur 3 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de Europese uitgaven (inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in 2013 over de vier assen en de technische bijstand van PDPO II

As 3; 25.181.486; 11%

As 4; technische bijstand; 8.387.329; 3% 1.535.326; 1%

As 2; 58.886.912; 25% As 1; 139.603.102; 60%

Figuur 4 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de Europese uitgaven (inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in kalenderjaren 2007-2013 over de vier assen en de technische bijstand van PDPO II

22


As 4; 8.387.329; 4%

technische bijstand; 1.535.326; 1%

As 3; 15.083.264; 7%

As 2; 52.417.898; 25%

As 1; 131.434.286; 63%

Figuur 5 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de Europese uitgaven (exclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in kalenderjaren 2007-2013 over de vier assen en de technische bijstand van PDPO II

Figuur 6 geeft een overzicht van de totale uitgaven in 2013, verdeeld over de verschillende PDPO IImaatregelen, waarbij de agromilieumaatregelen (AMM) op submaatregelniveau worden beschouwd (technische bijstand is niet in de figuur opgenomen). Budgettair gezien was de maatregel investeringen in landbouwbedrijven met 15% van de totale uitgaven de grootste maatregel in 2013, gevolgd door beheerovereenkomst water (12%), LEADER lokale ontwikkelingsstrategieën (10%), vestigingssteun jonge landbouwers (10%), opleiding (9%) en diversificatiesteun (6%). De maatregelen die elk minder dan 3% van de totale uitgaven vertegenwoordigen, staan gegroepeerd in het rechtergedeelte van de figuur en zijn samen goed voor zo’n 31% van de totale uitgaven. Alle maatregelen die elk minder dan 1% van het totale bestede budget uitmaken, werden verzameld in de categorie “maatregelen < 1%”. Deze budgettair kleine maatregelen vertegenwoordigen samen 4% van de totale uitgaven in 2013.

23


Figuur 6 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de totale publieke uitgaven (inclusief top-up en inclusief Health Check en Economische Herstelplan, exclusief technische bijstand) in kalenderjaar 2013 over de maatregelen van PDPO II (Uitgaven lager dan 1% van het totaal werden samengebracht in de categorie “maatregelen < 1%”) (AMM = agromilieumaatregel, VLIF = Vlaams Landbouwinvesteringsfonds, BO = beheerovereenkomst)

Hierna volgt een bespreking van de uitgaven per As. Figuur 7 geeft een overzicht van de totale overheidsuitgaven in As 1 in 2013. De twee VLIF-maatregelen (vestigings- en investeringssteun) waren samen goed voor 64% van de uitgaven binnen As 1. Aan opleidingen in de landbouw werd 23% van het jaarbudget gespendeerd. In figuur 8 staan de totale overheidsuitgaven binnen As 2 weergegeven. In deze figuur zijn de uitdovende agromilieumaatregelen niet opgenomen. Het grootste deel (37%) van de As 2-uitgaven ging ook in 2013 naar de beheerovereenkomst water. Daarna volgen de agromilieumaatregelen verwarringstechniek, BO perceelsrandenbeheer, BO kleine landschapselementen, vlinderbloemigen, BO erosiebestrijding, BO soortenbescherming en hectaresteun bio-landbouw. Figuur 9 geeft een overzicht van de uitgaven binnen Assen 3 en 4 in 2013. 37% van die uitgaven zijn toe te schrijven aan de LEADER-maatregel uitvoering van lokale ontwikkelingsstrategieën en 21% aan de VLIFmaatregel diversificatiesteun.

24


132; 121.588; 1%

133; 14.457; 0%

123; 1.047.705; 5% 111A; 4.549.080; 23%

121; 7.850.881; 39%

111C; 897.368; 4%

112; 4.984.957; 25%

114; 588.500; 3%

111A opleiding (cursussen, stages, korte vorming) 111C sensibiliseringsprojecten duurzame landbouw 112 vestiging van jonge landbouwers (VLIF) 114 bedrijfsadviessysteem voor land- en tuinbouwers 121 investeringen in landbouwbedrijven (VLIF) 123 verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten 132 deelname door landbouwers een voedselkwaliteitsregelingen 133 voorlichting en afzetbevordering van Vlaamse producten erkend als BOB/BGA/GTS Figuur 7 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de totale publieke uitgaven (inclusief top-up en inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in kalenderjaar 2013 over de maatregelen van As 1 (VLIF = Vlaams Landbouwinvesteringsfonds, BOB = Beschermde Oorsprongsbenaming, BGA = Beschermde Geografische Aanduiding, GTS = Gegarandeerde Traditionele Specialiteit)

214J; 6.373.206; 37%

214K; 1.277.881; 7%

214I; 1.146.493; 6%

216; 0; 0% 221; 165.892; 1% 222; 11.752; 0%

Overig; 1.815.413; 10%

227; 146.483; 1%

214H; 988.595; 6% 214G; 1.751.109; 10%

214C; 578.100; 3%

214E; 262.747; 1%

214B; 1.884.212; 11% 214F; 986.462; 6%

214D; 1.156.926; 7%

214A+N AMM: mechanische onkruidbestrijding 214C AMM: genetische diversiteit 214E AMM: sierteelt 214G AMM: BO perceelsrandenbeheer 214I AMM: BO erosiebestrijding 214K AMM: BO KLE 221 bebossing van landbouwgronden 227 niet-productieve investeringen in bossen

214A+N; 650.437; 4% 214B AMM: verwarringstechniek 214D AMM: vlinderbloemigen 214F AMM: hectaresteun biolandbouw 214H AMM: BO soortenbescherming 214J AMM: BO water 216 inrichtingsmaatregelen door landbouwers ihkv KRW 222 boslandbouwsystemen

Figuur 8 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de totale publieke uitgaven (inclusief top-up en inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in kalenderjaar 2013 over de maatregelen van As 2. De uitdovende maatregelen zijn niet in de figuur opgenomen (AMM = agromilieumaatregel, BO = beheerovereenkomst, KLE = kleine landschapselementen)

25


431; 764.593; 6%

421; 257.693; 2%

311; 2.898.247; 21% 313; 379.696; 3%

413; 4.998.282; 37%

321; 535.335; 4% 322; 2.101.656; 15%

331; 356.955; 3%

323; 1.183.904; 9%

311 diversificatiesteun (VLIF) 313 bevordering toeristische activiteiten 321 basisvoorzieningen voor de economie en plattelandsbevolking 322 dorpskernvernieuwing en -ontwikkeling 323 instandhouding en opwaardering landelijk erfgoed 331 intermediaire dienstverlening 413 lokale ontwikkelingsstrategieën 421 samenwerkingsprojecten met andere plattelandsgebieden 431 werking plaatselijke groepen

Figuur 9 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de totale publieke uitgaven (inclusief top-up en inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in kalenderjaar 2013 over de maatregelen van As 3 en As 4 (VLIF = Vlaams Landbouwinvesteringsfonds)

In tabel 3 worden voor elke maatregel de overheidsuitgaven ten opzichte van de geplande overheidsuitgaven voor de gehele programmaperiode PDPO II weergegeven. In deze tabel is de top-up niet meegenomen. De extra budgetten van de Health Check en het Economisch Herstelplan zijn wel opgenomen, zowel in de reeds bestede als in de geprogrammeerde overheidsuitgaven.

Tabel 3 Overzicht van de uitgaven (euro) in de periode 2007-2013 in verhouding tot de vooropgestelde uitgaven voor de programmaperiode PDPO II. Top-up is niet opgenomen. De bestede en geplande overheidsuitgaven zijn inclusief Health Check en Economisch Herstelplan ELFPO OverheidsMaatregelnummer en maatregel

uitgaven

Overheidsuitgaven cumulatief 2007-2013 (euro)

Geprogrammeerde overheidsuitgaven PDPO II

Realisatie

(euro)

totaal (%)

2013

111

–

Beroepsopleiding,

voorlichting en sensibilisering 112

–

Vestiging

van

jonge

landbouwers Waarvan

(euro)

ELFPO

Totaal

ELFPO

Totaal

1.633.934

10.637.500

35.458.333

11.306.603

37.688.677

94,1

1.495.487

17.280.185

57.600.612

18.196.644

60.655.480

95,0

-10.954

8.272.988

27.576.631

overgangsuitgaven

overeenkomstig

verordening

(EG) nr 1320/2006

26


114

–

Bedrijfsadviessysteem

voor land- en tuinbouwers Waarvan

176.550

3.256.771

10.855.901

5.692.962

18.976.540

57,2

68

1.886.048

6.286.820

3.327.069

105.720.874

337.922.542

106.015.882

338.371.413

99,9

-82.806

50.233.430

167.446.456

667.472

2.601.952

6.815.758

4.405.547

9.540.421

71,4

0

208.209

694.029

0

23.547

78.490

23.547

78.490

100,0

0

23.547

78.490

36.476

74.993

249.976

127.951

426.503

58,6

4.337

7.280

24.268

91.621

305.403

7,9

7.341.326

139.603.102

449.005.881

145.860.757

466.042.927

96,3

-93.693

60.624.222

202.082.426

102.197

503.543

1.078.090

636.808

1.273.616

84,6

72.399

716.125

1.491.206

816.931

1.633.862

91,3

0

335.423

672.201

overgangsuitgaven

overeenkomstig

verordening

(EG) nr 1320/2006 121

–

Investeringen

in

landbouwbedrijven Waarvan

overgangsuitgaven

overeenkomstig

verordening

(EG) nr 1320/2006 123

–

Verhoging

van

de

toegevoegde waarde van landen bosbouwproducten Waarvan

overgangsuitgaven

overeenkomstig

verordening

(EG) nr 1320/2006 125

–

Infrastructuur-

ontwikkeling Waarvan

overgangsuitgaven

overeenkomstig

verordening

(EG) nr 1320/2006 132

–

Deelname

landbouwers

door aan

voedselkwaliteitsregelingen 133

–

Voorlichting

en

afzetbevordering van Vlaamse producten

erkend

als

BOB/BGA/GTS Totaal As 1 Waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig verordening (EG) nr 1320/2006 212

–

Betalingen

aan

landbouwers in andere gebieden met

handicaps

dan

berggebieden 213 – Natura 2000-betalingen en betalingen in verband met Richtlijn

2000/60/EC

(Kaderrichtlijn Water) Waarvan

overgangsuitgaven

overeenkomstig

verordening

27


(EG) nr 1320/2006 214 − Agromilieumaatregelen Waarvan

6.760.522

55.874.034

121.243.997

60.954.319

121.908.638

99,5

-4.824

36.690.540

82.125.998

0

0

0

206.032

412.064

0,0

82.946

822.279

1.720.171

1.357.104

2.714.208

63,8

23.153

644.009

1.365.623

5.876

5.876

11.752

50.000

100.000

11,8

73.242

965.055

1.968.903

1.156.403

2.312.806

85,1

9.500

256.338

521.463

7.097.182

58.886.912

127.514.119

65.177.597

130.355.194

97,8

27.829

37.926.310

84.685.285

1.834.257

17.199.273

37.134.457

17.790.576

38.446.656

96,6

-11.429

1.931.890

6.439.636

113.909

1.752.454

5.841.515

2.105.143

7.017.143

83,2

0

591.227

1.970.760

160.601

1.106.522

3.688.403

1.363.310

4.544.367

81,2

630.497

2.371.350

7.904.501

3.072.493

10.241.643

77,2

overgangsuitgaven

overeenkomstig

verordening

(EG) nr 1320/2006 216

–

Inrichtingsmaatregelen

door landbouwers in kader van Kaderrichtlijn Water 221

–

Bebossing

van

landbouwgronden Waarvan

overgangsuitgaven

overeenkomstig

verordening

(EG) nr 1320/2006 222 − Boslandbouwsystemen 227

–

Niet-productieve

investeringen in bossen Waarvan

overgangsuitgaven

overeenkomstig

verordening

(EG) nr 1320/2006 Totaal As 2 Waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig verordening (EG) nr 1320/2006 311

–

Investeringen

met

betrekking tot diversificatie van landbouwactiviteiten Waarvan

overgangsuitgaven

overeenkomstig

verordening

(EG) nr 1320/2006 313

–

Bevordering

van

toeristische activiteiten Waarvan

overgangsuitgaven

overeenkomstig

verordening

(EG) nr 1320/2006 321 – Basisvoorzieningen voor de

economie

en

plattelandsbevolking 322 – Dorpskernvernieuwing en -ontwikkeling

28


323

–

Instandhouding

en

opwaardering van het landelijke

355.171

1.541.937

5.139.789

2.712.291

9.040.970

56,8

0

95.625

318.749

107.086

1.209.950

4.033.167

1.509.079

5.030.263

80,2

3.201.521

25.181.486

63.741.832

28.552.892

74.321.043

85,8

-11.429

2.618.742

8.729.145

1.499.485

7.020.231

23.400.769

10.430.948

34.769.827

67,3

77.308

139.065

463.548

375.000

1.250.000

37,1

229.378

1.228.033

4.093.444

1.577.211

5.257.370

77,9

Totaal As 4

1.806.171

8.387.329

27.957.761

12.383.159

41.277.197

67,7

Technische bijstand

313.296

1.535.326

3.070.651

2.243.414

4.486.828

68,4

0

165.740

331.480

19.759.496

233.594.156

668.229.973

254.217.819

716.483.189

93,3

-77.293

101.335.013

295.828.336

erfgoed Waarvan

overgangsuitgaven

overeenkomstig

verordening

(EG) nr 1320/2006 331

–

Intermediaire

dienstverlening vorming

(opleiding van

en

ruraal

ondernemerschap) Totaal As 3 Waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig verordening (EG) nr 1320/2006 413

–

Lokale

ontwikkelingsstrategieën leefkwaliteit / diversificatie 421 – Samenwerkingsprojecten met andere plattelandsgebieden 431

–

Werking

plaatselijke

groepen

Waarvan

overgangsuitgaven

overeenkomstig

verordening

(EG) nr 1320/2006 TOTAAL Waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig verordening (EG) nr 1320/2006

Voor het relatief lage uitgavepercentage van maatregel 114 is een aantal verklaringen te vinden. Ten eerste krijgt een landbouwer na indienen van het aanmeldingsformulier twee jaar de tijd om een advies te vragen en een betalingsaanvraag in te dienen, zodat een BAS-subsidie gemiddeld twee jaar na aanmelding uitbetaald wordt. Er moeten dus nog heel wat dossiers, aangemeld in 2012 en 2013, uitbetaald worden in 2014 en 2015. Ten tweede werd in 2010 een wetswijziging doorgevoerd met als doel landbouwers te stimuleren een eerste advies in te winnen. De wetswijziging bepaalde dat landbouwers niet langer om de twee maar om de drie jaar een advies konden aanvragen, en dat de subsidie voor een opvolgadvies werd verlaagd van 1.500 euro naar 750 euro. Als gevolg daarvan is het aantal aanvragen alsook het gebruikte budget aanvankelijk gedaald. In 2012 en 2013 lag het aandeel opvolgadviezen significant hoger dan de jaren voordien. De opvolgadviezen

29


worden maar aan 40% betoelaagd, waardoor er voor de uitbetalingen in 2014 en 2015 minder budget nodig zal zijn. De onderbenutting van het voor maatregel 123 geprogrammeerde budget is het gevolg van verschillende factoren. Ten eerste werd de maatregel van bij aanvang erg gefocust: er werd steeds gericht opgeroepen tot milieu-, energie- en innovatieve investeringen. Ten tweede nam de crisis, zowel financieel als economisch, een aanvang in 2008 en loopt die tot op vandaag verder, met moeilijke en beperkte kredietmogelijkheden voor de bedrijven tot gevolg. Hierdoor geven bedrijven voorrang aan de noodzakelijke productiegerichte investeringen en worden de zuivere milieu-, energie- en innovatieve investeringen on hold gezet of geschrapt. Bovendien bedroeg het maximale steunpercentage 10%, wat in crisissituatie te laag bleek voor de bedrijven om alsnog de investeringen uit te voeren. Deze ervaringen worden in rekening gebracht bij de uitwerking van de maatregel in PDPO III. Ook bij maatregel 221 ligt een combinatie van factoren aan de basis van de onderbenutting van de voorziene middelen. Ten eerste zijn eind 2013 nog niet alle uitbetalingen gedaan. Er volgen nog betalingen in de komende jaren. Bovendien zijn er minder aanvragen geweest dan vooraf ingeschat. Daar zijn meerdere redenen voor te vinden. Er zijn slechts zeer weinig landbouwers die instappen, voornamelijk omwille van de hoge gronddruk en de daarmee gepaard gaande mestafzetproblemen. Voor niet-landbouwers speelt de administratieve last een rol. Bovendien kreeg in de periode 2008-2011 slechts 57% van de vergunningsaanvragen in landbouwgebied een positief advies (bindend) vanuit de landbouwadministratie. Ten slotte werd de zeer intensieve zoektocht naar potentiële bebossers en hun begeleiding sterk afgebouwd ten opzichte van PDPO I. Leader heeft een tragere opstart gekend dan de meeste andere maatregelen. In het begin van de programmaperiode werden de lokale ontwikkelingsstrategieën opgemaakt. Halverwege 2008 werden dan de secretariaten van de goedgekeurde PG’s opgericht, die vanaf dan kosten konden maken in het kader van maatregel 431. De eerste projectoproepen werden in het najaar van 2008 georganiseerd, waarvoor de projecten startten in 2009 en uitbetalingen pas daarna volgden. Bovendien hebben de promotoren na goedkeuring twee jaar tijd om de projecten uit te voeren en betalingsaanvragen in te dienen. Maatregel 421 ging één jaar na goedkeuring van de PG’s van start (april 2009). De indiening van projecten verliep aanvankelijk niet zo vlot, omdat de Leadergroepen voorrang gaven aan de reguliere projecten (maatregel 413) en de dynamisering van het gebied (maatregel 431). Toch werd het budget van maatregel 421 tegen eind 2013 ingevuld door verschillende projecten, waarvoor de uitbetalingen nog lopen tot en met 2015. Een aantal maatregelen is nog maar enkele jaren in voege. Daaronder vallen maatregelen 132, 133, 216 en 222. Als gevolg daarvan zijn er nog geen of slechts beperkte uitgaven gedaan. Wat de vooruitzichten naar het einde van de programmaperiode toe betreft, zullen voor verschillende maatregelen nog uitgaven gebeuren tot eind 2015. Nog tot 31 augustus 2015 zullen de noodzakelijke financiële transfers tussen de maatregelen gebeuren, opdat de totale ELFPO-enveloppe optimaal gebruikt zou worden. Dit zal telkens gebeuren door middel van een programmawijziging type artikel 6, lid 1, c) van verordening 1974/2006 (met een maximale transfer van 3% tussen de assen). Tabel 4 geeft een overzicht van de top-up uitgaven in 2013 en in de periode 2007-2013. Tabel 4 Overzicht van de top-up overheidsuitgaven, inclusief de maatregelen binnen Health Check en Economisch Herstelplan

Maatregelnummer

Maatregel

Top-up overheidsuitgaven 2013 (euro)

Top-up overheidsuitgaven cumulatief 2007-2013 (euro)

214

Agromilieumaatregelen

3.543.840

24.320.212

221

Bebossing van landbouwgronden

0

10.380

3.543.840

24.330.592

Totaal

30


In tabel 5 worden de uitgaven binnen het Health Check-programma en het Economisch Herstelplan weergegeven. Tabel 6 geeft de top-up uitgaven weer van maatregelen die genomen zijn binnen de Health Check en het Economisch Herstelplan. In totaal werd er in 2013 binnen het Health Check-programma en het Economisch Herstelplan 5.582.636 euro uitgegeven (inclusief top-up). Daarvan ging 53% naar As 1, 9% naar As 2 en 38% naar As 3. Tabel 5 Overzicht van de uitgaven (euro) binnen het Health Check-programma en het Economisch Herstelplan in de periode 2010-2013 in verhouding tot de vooropgestelde uitgaven. Top-up is niet meegenomen. Maatregel-

Maatregel

nummer

ELFPO

Overheidsuitgaven

Geprogrammeerde

Reali

Overheids-

cumulatief

overheidsuitgaven PDPO II

-satie

uitgaven

(euro)

(euro)

totaa

2010-2013

2013 (euro)

As 1: 121

Investeringen

in

l (%) ELFPO

Totaal

ELFPO

Totaal

1.619.711

7.240.108

9.653.475

7.507.430

10.009.907

96,4

588.601

928.708

1.238.278

2.572.368

3.429.824

36,1

271.210

6.469.015

12.937.756

9.000.000

18.000.000

71,8

1.607.972

10.098.222

13.464.295

10.427.632

13.903.509

96,8

4.087.495

24.736.053

37.293.803

29.507.430

45.343.240

82,2

landbouwbedrijve n As 1: 123

Verhoging van de toegevoegde waarde van landen bosbouwproducte n

As 2: 214

Agromilieumaatregelen

As 3: 311

Investeringen mbt diversificatie van

landbouw-

activiteiten Totaal

Totaal assen 1, 2 en 3

Tabel 6 Overzicht van de top-up uitgaven binnen het Health Check-programma en het Economisch Herstelplan in 2010-2013

Maatregelnummer

Maatregel

Top-up (euro)

214

Agromilieumaatregelen

-48.165

uitgaven

2013

Top-up cumulatief (euro)

uitgaven 2010-2013

2.388.586

Opmerking: Het verschil tussen de bedragen van de tabel G5 (bijlage 3) en de bedragen in de tabellen per maatregel in het vervolg van dit rapport bedraagt gemiddeld maximaal 1 tot 3 euro. Deze afwijkingen zijn te verklaren door afrondingsverschillen. De afronding door de Europese Commissie (in de Excel-tabellen in bijlage) gebeurt immers niet op dezelfde manier als de afronding door de beheersdiensten bij het indelen van de uitgaven in de gevraagde categorieĂŤn voor de monitoring.

31


Voor de opvolging van de betalingen in het kader van de PDPO-monitoring wordt gebruik gemaakt van de “jaarrekening” en niet van het Structural Funds Common System (SFC). De reden hiervoor is dat de jaarrekening gebaseerd is op de correcte detailinformatie, waarop ook de beheersdiensten zich baseren. Het Betaalorgaan verklaart de verschillen tussen de jaarrekening en het SFC als volgt: “Het betreft afrondingsverschillen door de eenmalige berekening van het Europees deel van uitgevoerde betalingen in de SFC-declaratie per maatregel, terwijl dit bij het Betaalorgaan per individuele betaling aan de landbouwer wordt berekend.” Concreet voorbeeld: als een landbouwer 50,55 euro overheidssteun krijgt aan een cofinancieringspercentage van 50%, dan is het Europees aandeel in de boekhouding van het Betaalorgaan gelijk aan 50,55 * 0,5 = 25,275 euro of afgerond op twee decimalen 25,28 euro. Het Vlaams aandeel is bijgevolg 25,27 euro (namelijk de totale overheidssteun min het Europese deel). Een dergelijke afronding gebeurt in SFC maar één keer voor alle uitgaven van een maatregel, waar die door het Betaalorgaan bij elke individuele betaling op de maatregel gebeurt. Gecumuleerd verklaren deze afrondingen dan ook het verschil tussen de boekhouding van het Betaalorgaan en de SFC-declaratie.

3.2

Terugvorderingen 2013

In 2013 werd in totaal 1.153.209 euro (waarvan 462.423 euro uit het ELFPO) teruggevorderd voor de volgende maatregelen:        

62.625 euro (waarvan 18.788 euro uit het ELFPO) voor maatregel 121 “Vestiging van jonge landbouwers” 492.355 euro (waarvan 154.381 euro uit het ELFPO) voor maatregel 121 “Investeringen in landbouwbedrijven” 323 euro (waarvan 97 euro uit het ELFPO) voor maatregel 123 “Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten” 3.628 euro (waarvan 1.814 euro uit het ELFPO) voor maatregel 212 “Vergoeding natuur buiten Natura 2000” 5.387 euro (waarvan 2.663 euro uit het ELFPO) voor maatregel 213 “Vergoeding natuur binnen Natura 2000” 516.559 euro (waarvan 252.833 euro uit het ELFPO) voor maatregel 214 “Agromilieumaatregelen” 30 euro (waarvan 15 euro uit het ELFPO) voor maatregel 221 “Bebossing van landbouwgronden” 72.302 euro (waarvan 31.833 euro uit het ELFPO) voor maatregel 311 “Investeringen met betrekking tot diversificatie van landbouwactiviteiten”

De teruggevorderde bedragen werden in mindering gebracht op de uitgaven, zodat de betrokken beheersdienst deze bedragen opnieuw kan gebruiken voor de betreffende maatregel.

32


4 INDICATOREN AS 1 – VERBETERING VAN HET CONCURRENTIEVERMOGEN VAN DE LAND- EN BOSBOUWSECTOR 4.1

Opleiding in de landbouw (maatregel 111-A)

Outputindicatoren Onder deze maatregel vallen cursussen (starters- en vormingscursussen), stages en korte vorming. Onder “korte vorming” worden bijeenkomsten verstaan waarbij gedurende één tot drie uur een bepaald aspect van de landbouwsector onder leiding van een lesgever wordt uitgediept. Cursussen en stages Tabel 7 geeft een overzicht van het aantal deelnemers, het aantal vormingsdagen en de uitgaven per cursusthema in 2013. Stages maken deel uit van de startersopleidingen en werden daarom bij de managementsopleidingen gerekend. De categorie “vaardigheden op management-, administratief en marketinggebied” was vorig jaar goed voor 42% van het totale aantal deelnemers, 63% van de vormingsdagen en 48% van de totale uitgaven. Aan de ICT-cursussen nam 21% van de cursisten deel en werd 13% van de vormingsdagen en 16% van de totale uitgaven besteed. De categorie “andere”, waarin zowel de cursussen aangaande sectorspecifieke technische thema’s als het aanleren van praktische vaardigheden zijn ingedeeld, was goed voor 35% van het aantal deelnemers, 22% van de vormingsdagen en 34% van de totale uitgaven. Tabel 7 Aantal deelnemers, aantal vormingsdagen en overheidsuitgaven voor cursussen en stages in 2013

Thema

Aantal deelnemers

Aantal vormingsdagen

Totale (euro)

uitgaven

Vaardigheden op management-, administratief en marketinggebied

2.343

19.934

1.507.280

ICT-opleiding

1.196

3.974

505.336

0

0

0

Nieuwe normen

17

43

2.704

Productkwaliteit

17

47

3.159

91

568

45.370

Andere (waaronder de uitgaven voor “sociale promotie”)

1.961

6.965

1.082.431

Totaal

5.625

31.531

3.146.280

Nieuwe technologische processen machines / innovatieve benaderingen

Landschapsbehoud milieubescherming

en

–verbetering

en

en

Zowel het aantal deelnemers als het aantal vormingsdagen in de categorie “vaardigheden op management-, administratief en marketinggebied” steeg sterk ten opzichte van het jaar voordien. Dat is het gevolg van het grote aantal starterscursussen dat in 2013 gevolgd werd. In augustus 2013 werd immers het aantal uren van de startersopleidingen verhoogd. Veel starters hebben daarom het volgen van de starterscursussen vervroegd. Daarnaast werd ook de vergoeding voor sociale promotie afgeschaft. Deze vergoeding werd uitbetaald aan deelnemers die in de voorbije vijf jaar minstens 75 lesuren of stagedagen gevolgd hebben. De premie kon nog

33


aangevraagd worden tot 31 oktober 2013. Als gevolg daarvan zijn er in 2013 extra uren les gevolgd door deelnemers die net niet aan 75 lesuren kwamen. De starters hebben ook het volgen van de stages vervroegd om nog recht te hebben op de premie. Er waren in 2013 bijgevolg extra veel aanvragen voor de vergoeding, wat zich weerspiegelt in verhoogde uitgaven voor sociale promotie. De geslachts- en leeftijdsverdeling van de deelnemers wordt weergegeven in tabel 8. In totaal werden vorig jaar 5.625 niet-unieke deelnemers aan cursussen en stages geregistreerd. 36% van deze deelnemers was een vrouw en 54% was jonger dan 40 jaar. De 5.625 deelnemers bestonden uit 4.178 unieke deelnemers. Van die unieke personen was 35% een vrouw en 50% jonger dan 40 jaar. De voorbije zeven jaren (2007-2013) namen 16.592 unieke personen deel aan de cursussen en stages. In de periode 2007-2012 waren dat er 14.211, wat betekent dat 2.381 personen in 2013 voor het eerst sinds de start van PDPO II een cursus gevolgd hebben. Van de 16.592 unieke deelnemers was 35% een vrouw en 52% jonger dan 40 jaar. Tabel 8 Leeftijd en geslacht van (unieke) deelnemers aan cursussen en stages 2007-2013

Aantal mannen < 40 jaar

≥ 40 jaar

Niet-uniek 2013

2.138

1.453

Uniek 2013

1.481

Uniek 20072013

5.925

Aantal vrouwen Totaal

Totaal

< 40 jaar

≥ 40 jaar

Totaal

3.591

920

1.114

2.034

5.625

1.252

2.733

593

852

1.445

4.178

4.865

10.790

2.650

3.152

5.802

16.592

Korte vorming Tabel 9 geeft een overzicht van het aantal deelnemers, het aantal vormingsdagen en de uitgaven per thema voor de korte vorming in 2013. Met 73% van de deelnemers, 73% van de vormingsdagen en 70% van de totale uitgaven is de categorie “andere” de belangrijkste in 2013. In deze categorie worden korte vormingen over allerhande technische thema’s voor de verschillende landbouwsectoren ondergebracht. Aan de categorieën “vaardigheden op management-, administratief en marketinggebied” en “landschapsbehoud en –verbetering en milieubescherming” kunnen respectievelijk 10% en 11% van het aantal deelnemers toegewezen worden. Het aantal vormingsdagen en de totale uitgaven volgen min of meer dezelfde verdeling. Een aantal thema’s die behandeld werden tijdens de korte vormingen in 2013 worden hieronder bij wijze van voorbeeld opgelijst. -

-

-

-

Landschapsbehoud en –verbetering en milieubescherming: o Bemesting/map/waterkwaliteit o Evolutie regelgeving Fytolicentie o Energiebesparing ICT-opleiding: o Sociale media o Multimedia o Gebruik e-loket Vaardigheden op management-, administratief en marketinggebied: o Bedrijfseconomie/boekhouding/kostprijsberekening (veruit grootste groep) o Risicomanagement o Tewerkstelling/personeelsmanagement Nieuwe normen:

34


-

-

o Merendeel opleidingen EHBO die in bepaalde sectoren verplicht zijn (voornamelijk fruitteelt) Productkwaliteit: o Thuisverkoop o Autocontrole Nieuwe technologische processen en machines / innovatieve benadering: o GPS en precisielandbouw Andere: o Verwerven van vaardigheden o Technische thema’s o Actuele thema’s (regelgeving, economische aspecten,…)

Tabel 9 Aantal deelnemers, aantal vormingsdagen en overheidsuitgaven voor korte vorming in 2013

Thema

Aantal deelnemers

Vaardigheden op management-, administratief en marketinggebied

Aantal vormingsdagen

Totale (euro)

uitgaven

12.243

2.994

155.687

1.931

534

57.238

401

82

5.632

Nieuwe normen

2.902

949

55.149

Productkwaliteit

667

160

8.605

13.116

2.876

145.883

Andere

86.504

20.576

974.607

Totaal

117.764

28.171

1.402.800

ICT-opleiding Nieuwe technologische processen machines / innovatieve benaderingen

Landschapsbehoud milieubescherming

en

–verbetering

en

en

Bij de korte vormingssessies registreert men enkel het aantal deelnemers, zonder verdere persoonsgegevens. De man/vrouw-verhouding van de deelnemers wordt bepaald aan de hand van steekproeven. Daaruit leiden we af dat 34% van de deelnemers aan korte vorming een vrouw was. De statistieken over de leeftijd van de deelnemers aan korte vorming zijn gebaseerd op de landbouwtelling van de FOD Economie en wijzen erop dat zo’n 7% van de deelnemers jonger was dan 40 jaar. Resultaatindicatoren Cursussen en stages In totaal werden in 2013 4.998 diploma’s en getuigschriften uitgereikt aan die unieke deelnemers was een vrouw en 49% jonger dan 40 jaar.

3.606 unieke personen. 36% van

Tijdens de eerste zeven jaren van PDPO II werden in totaal 34.091 diploma’s en getuigschriften uitgereikt aan 14.399 unieke personen. Van die unieke personen was 36% een vrouw en 51% jonger dan 40 jaar. Korte vorming Bij korte vorming wordt enkel het aantal deelnemers geregistreerd zonder verdere persoonsgegevens. Er wordt verondersteld dat de helft van de Vlaamse landbouwers (31.255 personen) minstens één maal in de volledige PDPO II-periode een korte vormingssessie volgt. Daar de onderwerpen van korte vorming dicht bij de praktijk staan, wordt aangenomen dat 100% van de deelnemers het geleerde ook in de praktijk brengt. Dat cijfer stelt

35


dan meteen het unieke aantal “succesvolle” deelnemers voor. De absolute cijfers van geslacht en leeftijd worden verkregen door dezelfde procentuele verdeling te gebruiken als bij de outputindicator. De man/vrouwverhouding wordt dus bepaald aan de hand van steekproeven. Zo’n 34% van de deelnemers in 2013 was een vrouw. De statistieken over leeftijd van de deelnemers zijn gebaseerd op de landbouwtelling van de FOD Economie. Zo’n 7% van de deelnemers was jonger dan 40 jaar. Doelbereik Tabel 10 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 10 Monitoring output- en resultaatindicatoren maatregel 111-A Opleiding

Type indicator

Indicator

Output

Aantal unieke opleidingen

Resultaat

4.2

Doel PDPO II

deelnemers

aan

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

35.000

47.8471

137%

Aantal deelnemers aan opleidingen

1.200.000

1.106.438

92 %

Totaal aantal dagen opleiding voor alle deelnemers

519.750

440.428

85%

Aantal unieke deelnemers die succesvol een opleiding hebben gevolgd

34.000

45.6542

134%

Sensibiliseringsprojecten duurzame landbouw (maatregel 111-C)

Outputindicatoren In totaal namen 7.399 personen deel aan de zeven demonstratie- of sensibiliseringsprojecten die in 2013 beëindigd werden en waarvoor de derde schijf werd uitbetaald. 57% van die deelnemers woonde een demoproject bij onder de categorie “landschapsbehoud en –verbetering en milieubehoud” en 43% van de deelnemers volgde een demo-project rond “vaardigheden op management-, administratief en marketinggebied”. Naar schatting 10% van alle deelnemers was een vrouw en 43% was jonger dan 40 jaar. Bij de meeste projecten werd naast het de organisatie van demoactiviteiten, studiedagen en voordrachten ook schriftelijk gecommuniceerd, via brochures, artikelen in de vakpers, enzovoort. Op die manier kon men naast de hier weergegeven participanten nog meer land- en tuinbouwers bereiken. In totaal werd in 2013 897.368 euro uitgegeven aan demoprojecten. De uitbetalingen van de demoprojecten, die maximaal twee jaar duren, gebeuren in drie schijven. De schijven uitbetaald in 2013 zijn onderverdeeld in de verschillende democategorieën zoals weergegeven in figuur 10. Het betreft betalingen voor projecten van oproepen gelanceerd tussen 2007 en 2009.

1

16.592 unieke deelnemers aan cursussen en stages + 31.255 unieke deelnemers aan korte vorming = 47.847 unieke deelnemers in 2007-2013

2

14.399 unieke geslaagden cursussen en stages + 31.255 unieke geslaagden korte vorming = 45.654 unieke geslaagden in 2007-2013

36


Vaardigheden op management-, administratief en marketinggebied; 26.196 €

Nieuwe technologische processen en machines / innovatieve praktijken; 40.000 €

Productkwaliteit; 219.920 €

Landschapsbehoud en -verbetering en milieubescherming; 611.252 €

Figuur 10 Absolute (euro) verdeling van de overheidsuitgaven in 2013 voor demo-projecten

In 2013 werd een nieuwe oproep voor demonstratieprojecten gedaan. De projecten moesten kaderen in één van volgende thema’s: -

Rendabiliteit in de varkenshouderij Klimaatregeling van stallen op dierniveau in functie van energiebesparing, emissiereductie en de gezondheid en productieresultaten van de dieren Bescherming van het oppervlaktewater tegen puntvervuiling en diffuse verontreiniging Arbeidsveiligheid Instandhoudingsdoelstellingen realiseren op het landbouwbedrijf / binnen de agrarische bedrijfsvoering.

Eind 2013 kregen negen projecten binnen deze thema’s goedkeuring. Elk project wordt uitgevoerd door de promotor in samenwerking met partners. De Vlaamse overheid stimuleert dergelijke samenwerkingen met het oog op een efficiëntere uitvoering van het project, kennisdeling en een betere verspreiding van de kennis. Een overzicht van de goedgekeurde projecten is te vinden op de website van het Beleidsdomein Landbouw en Visserij (http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?fid=89). Resultaatindicatoren De resultaatindicator peilt naar het aantal deelnemers die het geleerde toepassen in de praktijk. Hiervoor kunnen nog geen resultaten doorgegeven worden. Deze informatie kan enkel verkregen worden via enquêtes een aantal jaren na afloop van het demoproject. Doelbereik Tabel 11 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen.

37


Tabel 11 Monitoring output- en resultaatindicatoren maatregel 111-C Sensibiliseringsprojecten duurzame landbouw

Type indicator

Indicator

Output

Aantal unieke deelnemers

4.3

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

12.600

11.5003,4

91%

106.000

98.460

93%

Totaal aantal dagen opleiding voor alle deelnemers

37.800

33.374

88%

Aantal unieke deelnemers die succesvol een project hebben gevolgd

7.560

NA4

NA

Aantal deelnemers

Resultaat

Doel PDPO II

Vestiging van jonge landbouwers (maatregel 112)

Outputindicatoren In 2013 werden 252 nieuwe vestigingsdossiers goedgekeurd. Dat zijn er 135 meer dan in 2012. De voornaamste reden is dat er in 2013 een administratieve inhaalbeweging gemaakt is in de behandeling van de vestigingsdossiers. Van de 252 goedgekeurde dossiers bedraagt het totale investeringsvolume (de som van de overheidssubsidie en de privĂŠbijdrage) 47,8 miljoen euro. Bijna 14% van de nieuwe vestigingen gebeurden in het kader van vervroegde pensionering, wat betekent dat de voorgaande bedrijfsleider tussen 55 en 64 jaar oud was. 20% van alle dossiers werd ingediend door een vrouw. Deze percentages zijn gelijkaardig aan die van de voorgaande jaren. In figuur 11 worden de in 2013 goedgekeurde vestigingsdossiers onderverdeeld per landbouwactiviteit. Figuur 12 toont hetzelfde voor het investeringsvolume van de goedgekeurde vestigingsdossiers. Uit deze figuren blijkt dat de meeste dossiers, net zoals vorig jaar, betrekking hebben op gemengde en melkveebedrijven. De totale uitbetalingen met EU-cofinanciering voor vestigingssteun bedroegen in 2013 bijna 5 miljoen euro. 90% hiervan werd uitbetaald als een kapitaalpremie. De overige 10% gebeurde onder de vorm van rentesubsidies. De totale uitgaven zijn lager dan de voorgaande jaren. Omdat PDPO II op zijn einde loopt, is het budget voor deze maatregel bijna uitgeput, en werd voor de uitbetaling (vooral voor rentesubsidies) overgeschakeld op staatssteun, zoals aangemeld bij de Europese Commissie. Met behulp van een GIS-applicatie werden de dossiers binnen Natura 2000-gebied enerzijds en binnen kwetsbaar gebied natuur anderzijds geografisch gelokaliseerd5. Een bedrijf wordt beschouwd als gelegen in Natura 2000-gebied respectievelijk LFA-gebied als meer dan 50% van de percelen in het desbetreffende gebied ligt. Van de dossiers goedgekeurd in 2013 zijn er twee bedrijven gelegen in Natura 2000-gebied en ĂŠĂŠn in LFAgebied. Van de totale overheidsuitgaven in 2013 ging 0,6% naar eerder goedgekeurde dossiers in Natura 2000gebied.

3

De deelnemers aan demoprojecten worden niet individueel geregistreerd, er worden geen deelnemerslijsten bijgehouden. Het aantal unieke deelnemers is daarom een schatting gebaseerd op verslagen en de ervaring van verantwoordelijken bij de administratie. 4

Opmerking: er wordt verondersteld dat alle unieke deelnemers aan demoprojecten eveneens deelgenomen hebben aan de cursussen, stages en korte vormingen. Daarom wordt er in de monitoringtabellen (bijlage 3) enkel het cijfer van maatregel 111A vermeld. 5

In Vlaanderen komt LFA-gebied (Less Favoured Area) overeen met landbouwgrond gelegen in kwetsbaar gebied natuur waarop nulbemesting van toepassing is. Landbouwgrond in kwetsbaar gebied natuur waarop ontheffing van nulbemesting geldt, wordt dus niet meegerekend.

38


Andere; 6; 2%

Akkerbouwgewassen; 5; 2%

Tuinbouw; 17; 7% Fruitteelt; 11; 4%

Gemengd (akkerbouw/ veeteelt); 111; 44%

Melkvee; 60; 24%

Pluimvee; 5; 2%

Varkens; 20; 8%

Graasdieren (excl. melkvee); 17; 7%

Figuur 11 Absolute en procentuele verdeling per landbouwsector van de in 2013 goedgekeurde vestigingsdossiers

Andere; 1.139.704; 2%

Akkerbouwgewassen; 693.827 ; 1%

Tuinbouw; 2.339.534; 5% Fruitteelt; 2.194.638; 5%

Melkvee; 10.938.798; 23%

Gemengd (akkerbouw/ veeteelt); 23.025.692; 48%

Graasdieren (excl. melkvee); 3.285.396; 7%

Varkens; Pluimvee; 3.662.560; 8% 511.517; 1%

Figuur 12 Absolute (euro) en procentuele verdeling per landbouwsector van het investeringsvolume van de in 2013 goedgekeurde vestigingsdossiers

39


Resultaatindicatoren Op basis van het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN), dat gegevens aanlevert aan het Europese Farm Accountancy Data Network (FADN), kan de gezamenlijke bruto toegevoegde waarde (BrTW) van de gesteunde bedrijven berekend worden. Van de dossiers die in 2007 goedgekeurd werden (zowel PDPO I- als PDPO IIdossiers) zijn er zeven bedrijven opgenomen in het LMN in zowel boekjaar 2007 als boekjaren 2008, 2009, 2010, 2011 en 2012. Na een daling in 2011 wordt de stijgende trend van de gezamenlijke BrTW van deze zeven landbouwbedrijven in 2012 weer verder gezet, zoals weergegeven is in figuur 13.

Gezamenlijke Bruto Toegevoegde Waarde (euro)

1.400.000

1.200.000

1.000.000

800.000

600.000

400.000

200.000

0 2007

2008

2009

2010

2011

2012

Figuur 13 Evolutie van de gezamenlijke bruto toegevoegde waarde van LMN-landbouwbedrijven met een in 2007 goedgekeurd vestigingsdossier (AMS op basis van LMN)

Doelbereik Tabel 12 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 12 Monitoring output- en resultaatindicatoren maatregel 112 Vestigingssteun

Type indicator

Indicator

Output

Aantal gesteunde landbouwers Totaal investeringsvolume (euro)

Resultaat

Bruto toegevoegde waarde van de landbouwbedrijven (euro)

Doel PDPO II

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

1.400

1.020

73%

280.000.000

181.657.608

65%

Status quo

NA

NA

De relatief lage realisatiegraad van de doelstellingen van de outputindicatoren in 2007-2013 is te verklaren doordat enkel dossiers ingediend en goedgekeurd onder PDPO II-regelgeving in beschouwing worden genomen en dat in de beginjaren van PDPO II nog heel wat dossiers ingediend onder PDPO I-regelgeving zijn goedgekeurd.

40


Daar slechts voor een beperkt aantal bedrijven de bruto toegevoegde waarde gekend is en het complexe gegeven van BrTW niet in één jaarlijks te actualiseren cijfer te vatten is, wordt in de indicatorentabellen (bijlage 3) geen cijfer doorgegeven.

4.4

Bedrijfsadviessysteem voor land- en tuinbouwers (maatregel 114)

Outputindicatoren Onder deze maatregel vallen zowel de bedrijfsadviezen conform de regelgeving van PDPO I (meer bepaald de “milieumodule” en het “bedrijfsleidingsadvies”) als de adviezen conform de regelgeving van PDPO II (wat verder het “nieuwe BAS” zal worden genoemd). In 2013 werden 596 adviesaanvragen onder PDPO IIregelgeving voorlopig goedgekeurd. Het aandeel aanvragen voor tweede adviezen lag iets lager dan in 2012, dus er werden in 2013 relatief gezien iets meer nieuwe landbouwers bereikt. In de periode 2007-2013 kregen in totaal 3.760 unieke aanvragen een voorlopige goedkeuring. Voor 481 eerder goedgekeurde BAS-adviezen (nieuwe BAS) werd er in 2013 in totaal 588.275 euro uitbetaald. Ieder advies behandelde elk van volgende thema’s: milieu, arbeidsveiligheid, bedrijfsbeheer, volksgezondheid en gezondheid van planten en dieren, en dierenwelzijn. Het aantal uitbetaalde adviezen lag in 2013 lager dan de jaren daarvoor. Dat komt doordat in 2013 voornamelijk dossiers werden uitbetaald van aanvragen die ingediend waren in 2011. Omdat er in 2010 en vooral in 2011 ten gevolge van een wetswijziging minder dossiers werden ingediend dan in 2009, werden in 2013 minder adviezen uitbetaald (cfr. supra). In 2013 werd nog 1 dossier uit de eerste programmaperiode (PDPO I) behandeld. Het betrof een dossier uit de milieumodule waar in totaal 225 euro aan werd uitbetaald. Resultaatindicatoren Omdat er in het LMN geen landbouwbedrijven zijn opgenomen die deelnemen aan het BAS, werden er in het kader van de ongoing evaluatie in 2009 gegevens over de bruto toegevoegde waarde verkregen van commerciële boekhoudkantoren. In de mid term evaluatie werden deze data geanalyseerd. De evaluatoren moesten echter besluiten dat, op basis van de beschikbare gegevens, moeilijk een conclusie over de invloed van de verstrekte adviezen kan worden getrokken (IDEA Consult, 2010). Doelbereik Tabel 13 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 13 Monitoring output- en resultaatindicator maatregel 114 Bedrijfsadviessysteem

Type indicator

Indicator

Output

Aantal gesteunde landbouwers6

Resultaat

Bruto toegevoegde waarde van de landbouwbedrijven (euro)

Doel PDPO II

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

18.6347

7.098

38%

Status quo

NA

NA

6

Het aantal gesteunde landbouwers wordt geïnterpreteerd als het aantal unieke landbouwers die in 2007-2013 een uitbetaling ontvingen voor milieumodule/bedrijfsleidingsadvies of die een aanvraag in eerste fase hebben ingediend voor het nieuwe BAS. 7

Deze doelstelling omvat zowel dossiers van PDPO I- als dossiers van PDPO II-regelgeving, goedgekeurd en uitbetaald in de periode 2007-2013. In de monitoringtabellen in bijlage 3 zijn enkel de uitbetaalde dossiers van het nieuwe BAS vervat. De doelstelling voor die nieuwe BAS-dossiers bedraagt 11.900 gesteunde landbouwers in de periode 2007-2013.

41


4.5

Investeringen in landbouwbedrijven (maatregel 121)

Outputindicatoren In 2013 werden 2.933 nieuwe dossiers goedgekeurd. Dat zijn er ruim 900 meer dan vorig jaar. Die toename is te wijten aan de verlaging van de steunpercentages (van 40 naar 38%, van 30 naar 28%, enzovoort), waardoor er binnen eenzelfde budget meer dossiers konden worden goedgekeurd. Figuur 14 toont de verdeling van de dossiers over de verschillende bedrijfstypen. 35% van de goedgekeurde investeringsdossiers werd ingediend door een gemengd bedrijf, 20% door een melkveebedrijf en 19% door een tuinbouwbedrijf. Die verdeling is gelijkaardig aan vorige jaren. Zoâ&#x20AC;&#x2122;n 21% van de dossiers werd ingediend door een rechtspersoon en 79% door een natuurlijk persoon. Van de dossiers ingediend door een natuurlijk persoon was de aanvrager in 6% van de gevallen een vrouw en in 32% van de gevallen jonger dan 40 jaar.

Andere; 137 ; 5%

Akkerbouw; 97 ; 3% Tuinbouw; 546 ; 19%

Gemengde bedrijven; 1.039 ; 35% Fruitteelt; 239 ; 8%

Pluimvee; 42 ; 2% Varkens; 100 ; 3%

Graasdieren (excl. melkvee); 158 ; 5%

Melkvee; 575 ; 20%

Figuur 14 Absolute en procentuele verdeling van het aantal goedgekeurde investeringsdossiers over de verschillende bedrijfstypes, 2013

Het totale investeringsvolume, dat de som is van de overheidssubsidie en de privĂŠbijdrage, van deze 2.933 dossiers, bedraagt 340,7 miljoen euro. Figuur 15 geeft een overzicht van het investeringsvolume per bedrijfstype. Het grootste investeringsvolume (31%) kwam van gemengde bedrijven, gevolgd door de tuinbouwbedrijven (18%) en de melkveebedrijven (17%). Wat de types investeringen betreft, was 76% van het totale investeringsvolume bestemd voor investeringen in gebouwen en 20% voor de aankoop van machines. 1% van de 2.933 goedgekeurde dossiers betrof een biologisch landbouwbedrijf. Dat is iets minder dan in 2010 (1,1%), 2011 (1,7%) en 2012 (1,3%) en meer dan in 2009 (0,6%). 1,2% van de goedgekeurde investeringsdossiers betrof een investering voor het produceren van een nieuw product. Bijna 10% van de dossiers kon gezien worden als een investering voor een nieuwe techniek. De lijst met nieuwe producten en technieken werd geactualiseerd en is weergegeven in tabel 14.

42


Andere; 25.801.874; 8%

Akkerbouw; 10.266.303; 3% Tuinbouw; 61.834.938; 18%

Gemengde bedrijven; 106.549.295; 31%

Fruitteelt; 20.977.791; 6%

Melkvee; 58.560.591; 17%

Pluimvee; 14.905.787; 4% Varkens; 29.820.609; 9%

Graasdieren (excl. melkvee); 12.042.841; 4%

Figuur 15 Absolute (euro) en procentuele verdeling van het investeringsvolume van de in 2013 goedgekeurde investeringsdossiers over de verschillende bedrijfstypes

In 2013 werd 7,85 miljoen euro uitbetaald (met EU-cofinanciering) aan investeringen die in 2013 of vorige jaren werden goedgekeurd. Van die uitgaven gebeurde 95% onder de vorm van een kapitaalpremie. De rest waren rentesubsidies. De totale overheidsuitgaven zijn veel lager dan de voorgaande jaren. Omdat PDPO II op zijn einde loopt, is het budget voor deze maatregel nagenoeg volledig uitgeput, en werd voor de uitbetalingen (voor bijna alle rentesubsidies en een groot deel van de kapitaalpremies) overgeschakeld op staatssteun, zoals aangemeld bij de Europese Commissie. Met behulp van een GIS-applicatie werden de dossiers binnen Natura 2000-gebied enerzijds en binnen kwetsbaar gebied natuur anderzijds geografisch gelokaliseerd8. Een bedrijf wordt beschouwd gelegen te zijn in Natura 2000-gebied respectievelijk LFA-gebied als meer dan 50% van de percelen in het desbetreffende gebied ligt. Van de investeringsdossiers goedgekeurd in 2013 zijn er 122 bedrijven gelegen in Natura 2000-gebied en geen in LFA-gebied. Van de totale overheidsuitgaven in 2013 ging 3,4% naar eerder goedgekeurde dossiers in Natura 2000-gebied en 0,06% naar eerder goedgekeurde dossiers in LFA-gebied.

8

In Vlaanderen komt LFA-gebied (Less Favoured Area) overeen met landbouwgrond gelegen in kwetsbaar gebied natuur waarop nulbemesting van toepassing is. Landbouwgrond in kwetsbaar gebied natuur waarop ontheffing van nulbemesting geldt, wordt dus niet meegerekend.

43


Tabel 14 Lijst van investeringen die beschouwd worden als nieuwe techniek of nieuw product Nieuwe techniek (T) of VLIF-investering nieuw product (P) AEA-biggenstal

T

AEA-fokvarkensstal (alle categorieën)

T

AEA-kraamstal

T

AEA-legkippenstal met verrijkte kooien

T

AEA-legkippenstal met volière- of grondhuisvesting

T

AEA-moederdierenstal

T

AEA-opfokpoeljenstal met grond- of volièrehuisvesting

T

AEA-opfokstal voor slachtkuiken(groot)ouderdieren

T

AEA-poeljenstal

T

AEA-Vleeskuikenstal

T

AEA-vleesvarkensstal

T

AEA-zeugenstal

T

Ammoniakemissiearme varkensstal grondgebonden

T

Biomassaproductie

T

Bouwen/verbouwen ammoniakreductiestallen drachtige zeugen

T

Bouwen/verbouwen ammoniakreductiestallen kraamhokken

T

Bouwen/verbouwen ammoniakreductiestallen melkvee en jongvee

T

Bouwen/verbouwen ammoniakreductiestallen mestkuikens

T

Bouwen/verbouwen ammoniakreductiestallen reductiestallen vleesvee

T

Energiebesparing: warmtepomp bij gesloten kas

T

Erosieploeg

T

Fytobak

T

Geautomatiseerde champignonplukmachine

T

Geavanceerde spuitmachines

T

Herinrichten legkippenstal met verrijkte kooien

T

Herinrichten legkippenstal met volière- of grondhuisvesting

T

Herinrichten zeugenstallen met groepshuisvesting

T

Hoeveproducten andere (gebouwen)

P

Hoeveproducten andere (materieel)

P

Hoevevlees (gebouwen)

P

Hoevevlees (materieel)

P

Hoevezuivel (gebouwen)

P

Hoevezuivel (materieel)

P

Installatie GPS-sturing

T

Installatie lagedrukbandensysteem

T

Installaties voor compostering

T

Luchtwasser bij nieuwe AEA-stal

T

Machines landschapsbeheer

T

Machines voor directe inzaai

T

Materieel voor mechanische afdekking silo's

T

Mechanische onkruidbestrijding

T

Mestbewerking-/verwerkingssystemen

T

Micro WKK

T

Nieuwe fruitvariëteiten

P

Oogstprotectie fruit

T

Opvang/hergebruik beregeningswater

T

Rationeel afvalbeheer

T

Tafelreiniger

T

Verwarming op biobrandstoffen

T

Vogelschrikapparatuur

T

Waterbehandeling

T

Waterdampstoomspoeling

T

Waterreservoir

T

WKK-installatie op gas of biobrandstof

T

44


Resultaatindicatoren Op basis van het LMN, dat gegevens aanlevert aan het FADN, kan een uitspraak gedaan worden over de bruto toegevoegde waarde van de gesteunde bedrijven. Van de dossiers (zowel PDPO I- als PDPO II-dossiers) die in 2007 werden goedgekeurd, zijn 145 landbouwbedrijven opgenomen in zowel boekjaar 2007 als boekjaren 2008, 2009, 2010, 2011 en 2012. De gezamenlijke bruto toegevoegde waarde van deze 151 bedrijven steeg in 2012 opnieuw, na een daling in 2011 (zie figuur 16 ).

Gezamenlijke Bruto Toevegoegde Waarde (euro)

40.000.000 35.000.000 30.000.000 25.000.000 20.000.000 15.000.000 10.000.000 5.000.000 0 2007

2008

2009

2010

2011

2012

Figuur 16 Evolutie van de gezamenlijke bruto toegevoegde waarde van LMN-landbouwbedrijven met een in 2007 goedgekeurd investeringsdossier (AMS op basis van LMN)

Doelbereik Tabel 15 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tussen 2007 en 2013 werden 13.355 dossiers goedgekeurd die waren ingediend onder PDPO II. Samen zijn deze dossiers goed voor een investeringsvolume van bijna 1.636 miljoen euro. Tabel 15 Monitoring output- en resultaatindicatoren maatregel 121 Investeringen in landbouwbedrijven

Type indicator

Indicator

Output

Aantal gesteunde landbouwers

Doel PDPO II

Totaal investeringsvolume (euro) Resultaat

Bruto toegevoegde waarde landbouwbedrijven (euro)

van

de

Aantal landbouwbedrijven dat nieuwe techniek of product introduceert

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

24.500

13.355

55%

1.500.000.000

1.635.928.459

109%

10% stijging

NA

NA

4.900

1.505

31%

45


In bovenstaande cijfers worden enkel de dossiers in beschouwing genomen die zijn ingediend en goedgekeurd onder PDPO II-regelgeving. De relatief lage realisatie van de doelstelling voor aantal gesteunde landbouwers in 2007-2013 staat in contrast met de goede realisatiegraad van de doelstelling voor totaal investeringsvolume. Dat wijst erop dat er meer steun per dossier (ten gevolge van hogere investeringsvolumes per dossier) wordt verleend dan aanvankelijk ingeschat. Dat heeft onder andere te maken met het optrekken van het plafond in 2007 tot 1 miljoen euro per bedrijfsleider in plaats van 1 miljoen euro per bedrijf (IDEA Consult, 2010). Daar slechts voor een beperkt aantal bedrijven de bruto toegevoegde waarde gekend is en het complexe gegeven van BrTW niet in één jaarlijks te actualiseren cijfer te vatten is, wordt in de indicatorentabellen (bijlage 3) geen cijfer doorgegeven.

4.6 Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten (maatregel 123-A) Outputindicatoren In 2013 werd geen nieuwe oproep gedaan voor projecten van agrovoedingsbedrijven. Er konden dus ook geen nieuwe projecten worden goedgekeurd. Voor investeringen die de vorige jaren zijn goedgekeurd, werd 1.047.705 euro steun uitbetaald. Resultaatindicatoren De bruto toegevoegde waarde (BrTW) van de agrovoedingsbedrijven werd bepaald op basis van de jaarrekeningen neergelegd bij de Nationale Bank van België. In samenspraak met de mid term evaluator werd, rekening houdende met de nieuwe Europese definitie van BrTW, de Vlaamse berekening op basis van de jaarrekeningen van de Nationale Bank aangepast. Van 14 bedrijven waarvan het dossier in 2008 is goedgekeurd, kan de BrTW berekend worden voor de jaren 2007 tot en met 2012. Van de overige bedrijven ontbreken cruciale gegevens van de resultaatrekening om de berekening te kunnen uitvoeren. De evolutie van de gezamenlijke BrTW van de 14 bedrijven is weergegeven in figuur 17. Na een daling tussen 2008 en 2010 zien we in 2011 en 2012 opnieuw een stijgende trend.

46


Gezamenlijke bruto toegevoegde waarde (1000 euro)

180.000 160.000 140.000 120.000 100.000 80.000 60.000 40.000 20.000 0 2007

2008

2009

2010

2011

2012

Figuur 17 Evolutie van de gezamenlijke bruto toegevoegde waarde van agrovoedingsbedrijven gesteund door middel van maatregel 123 (Bron: AMS op basis van BelFirst)

Doelbereik Tabel 16 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 16 Monitoring maatregel 123 Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten

Type indicator

Indicator

Doel PDPO II

Output

Uniek aantal gesubsidieerde bedrijven Totaal investeringsvolume (euro)

Resultaat

Bruto toegevoegde waarde agrovoedingsbedrijven (euro)

van

de

Aantal agrovoedingsbedrijven die nieuwe producten of technieken introduceren

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

200

69

35%

95.000.000

73.214.840

77%

Stijging van 155.000.000 euro

NA

NA

75

55

73%

Daar slechts van een beperkt aantal bedrijven de BrTW gekend is en deze complexe indicator moeilijk in ĂŠĂŠn jaarlijks cijfer te vatten is, wordt via de indicatorentabellen (bijlage 3) geen cijfer doorgegeven.

47


4.7

Deelname door landbouwers aan voedselkwaliteitsregelingen (maatregel 132)

Outputindicatoren In 2013 werden 218 biologische producenten uitbetaald die het jaar voordien een steunaanvraag hadden ingediend. Daarnaast kregen 28 producenten van Brussels Grondwitloof (Beschermde Geografische Aanduiding, BGA) of Vlaams-Brabantse Tafeldruif (Beschermde Oorsprongsbenaming, BOB) een subsidie. Sinds de start van de maatregel kregen 264 unieke biologische bedrijven een subsidie, net als 43 producenten van Brussels Grondwitloof of Vlaams-Brabantse Tafeldruif. In totaal werd in 2013 121.588 euro uitbetaald op deze maatregel. Resultaatindicatoren De resultaatindicator peilt naar de waarde van de landbouwproductie onder de erkende voedselkwaliteitsregeling. Noch van het Brussels grondwitloof, noch van de Vlaams-Brabantse tafeldruif zijn echter omzet- of productiecijfers gekend. Ook van de productie van de gesteunde bio-landbouwers kan geen precieze waarde berekend worden. Daardoor kan de waarde van de landbouwproductie onder de labels niet weergegeven worden (“NA” in tabel 17). Doelbereik Tabel 17 zet van de output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 17 Monitoring maatregel 132 Deelname door landbouwers aan voedselkwaliteitsregelingen

Type indicator

Indicator

Output

Aantal gesteunde bedrijven

Resultaat

Waarde van de landbouwproductie onder een erkend kwaliteitslabel

Doel PDPO II

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

300

307

102%

344.000.000

NA

NA

4.8 Voorlichting en afzetbevordering van Vlaamse producten erkend als BOB/BGA/GTS (maatregel 133) Outputindicatoren Deze maatregel werd opgestart in 2011. Twee programma’s, één programma voor de Vlaams-Brabantse tafeldruif (BOB) en één voor het Brusselse grondwitloof (BGA), werden ondersteund in 2012-2013. Samen voerden die programma’s vorig jaar zes acties uit. Voor beide programma’s samen werd in 2013 14.457 euro uitbetaald. Resultaatindicatoren De resultaatindicator peilt naar de waarde van de landbouwproductie onder de erkende kwaliteitslabels. Noch van het Brussels grondwitloof, noch van de Vlaams-Brabantse tafeldruif zijn echter omzet- of productiecijfers gekend. Daardoor kan de waarde van de landbouwproductie van producten met een EU-label niet berekend worden (“NA” (not available) in tabel 18). Doelbereik Tabel 18 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. De relatief lage realisatiegraad van de outputindicator heeft te maken met het feit dat men er bij opmaak van de maatregel nog van uit ging dat er meer BOB/BGA/GTS-producten in aanmerking zouden komen voor de subsidie. Bovendien is de maatregel pas later in de programmaperiode geactiveerd.

48


Tabel 18 Monitoring maatregel 133 Voorlichting en afzetbevordering van Vlaamse producten erkend als BOB/BGA/GTS

Type indicator

Indicator

Doel PDPO II

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

Output

Aantal gesteunde acties

57

15

26%

Resultaat

Waarde van de landbouwproductie onder een erkend kwaliteitslabel

NA

NA

NA

49


5 INDICATOREN AS 2 – VERBETERING VAN HET MILIEU EN HET PLATTELAND 5.1

Vergoeding natuur binnen en buiten Natura 2000 (maatregelen 212 en 213)

Outputindicatoren In 2013 ontvingen 788 unieke landbouwbedrijven een vergoeding natuur, samen goed voor een totale oppervlakte van 2.436 hectare. Na enkele jaren van toename in uitbetaald areaal en aantal landbouwers, nam in 2012 en 2013 de uitbetaalde oppervlakte en het aantal vergoede landbouwers licht af (zie figuur 18). In 2013 werden op budgetpost 212 (vergoeding natuur buiten Natura 2000-gebied) 496 landbouwers uitbetaald voor 1.395 ha. Op budgetpost 213 werden 383 landbouwers uitbetaald voor 1.041 ha. Van deze landbouwers zijn er 788 unieke landbouwers, wat betekent dat een aantal landbouwers zowel percelen binnen als buiten Natura 2000-gebied hebben en dus op beide budgetposten werden uitbetaald. De totale uitgaven voor eerder goedgekeurde dossiers van deze maatregelen bedroegen in 2013 349.131 euro. Alle uitgaven in 2013 betroffen dossiers van 2012. In de periode 2007-2013 werden op budgetpost 212 1.123 unieke landbouwers uitbetaald voor 1.464 ha. Op budgetpost 213 werden 1.791 landbouwers uitbetaald voor 3.114 ha9. Sinds de start van PDPO II werd voor 2.362 unieke landbouwbedrijven een vergoeding natuur uitbetaald. (opmerking: Voor betalingen van PDPO I-dossiers werd steeds budgetpost 213 gebruikt. Vanaf PDPO II werd de maatregel “vergoeding natuur” opgesplitst in “vergoeding natuur buiten Natura 2000 (212)” en “vergoeding natuur binnen Natura 2000 (213)”.)

9

Het cumulatieve aantal landbouwers is het aantal unieke landbouwers dat in de periode 2007-2013 is uitbetaald geweest op de budgetpost. Voor het cumulatieve areaal is het maximale areaal genomen dat in een bepaald jaar in de periode 2007-2013 op het terrein aanwezig was.

50


3500 3000

Areaal (ha)

2500 2000

1.464 1.080

3.114

1500

978

1.396

1.395

1.096

1.041

1.140

1000 1.172

500

833

835

2009

2010

1.145

0 2007

2008

areaal uitbetaald onder maatregelcode 213

2011

2012

2013

areaal uitbetaald onder maatregelcode 212

Figuur 18 Evolutie van het uitbetaalde areaal (ha) van maatregelen 212 en 213 (Vergoeding Natuur) tussen 2007 en 2013

Resultaatindicatoren Voor de betekenis van de resultaatindicator wordt verwezen naar het Jaarverslag 2007. Tabel 20 en tabel 21 geven de realisaties van de resultaatindicatoren weer. Doelbereik Tabel 19, tabel 20 en tabel 21 zetten per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 19 Monitoring outputindicatoren maatregel 212/213 Vergoeding Natuur (PDPO I en PDPO II samen, gebaseerd op uitbetaling volgens budgetposten)

Type indicator

Indicator

Doel PDPO II

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

Output

Aantal gesteunde bedrijven binnen Natura 2000-gebied (budgetpost 213)

1.241

1.791

144%

Gesteunde landbouwgrond binnen Natura 2000-gebied (ha)

3.462

3.114

90%

Aantal gesteunde bedrijven buiten Natura 2000-gebied (budgetpost 212)

1.000

1.123

112%

Gesteunde landbouwgrond buiten Natura 2000-gebied (ha)

1.500

1.464

98%

51


Tabel 20 Monitoring resultaatindicatoren maatregel 212 Vergoeding Natuur buiten Natura 2000 (PDPO I en PDPO II samen, gebaseerd op GIS-analyse)

Type indicator

Indicator

Doel PDPO II

Resultaat

Landbouwgrond (ha) die succesvol bijdraagt tot biodiversiteit en HNVF

2.445

802

33%

Landbouwgrond (ha) die bijdraagt tot waterkwaliteit

succesvol

4.891

1.603

33%

Landbouwgrond (ha) die bijdraagt in strijd klimaatverandering

succesvol tegen

NP

NP

NP

Landbouwgrond (ha) die bijdraagt tot bodemkwaliteit

succesvol

2.445

802

33%

NP

NP

NP

Landbouwgrond (ha) die succesvol bijdraagt tot het vermijden van landmarginalisatie en van het verlaten van land

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

Tabel 21 Monitoring resultaatindicatoren maatregel 213 Vergoeding Natuur binnen Natura 2000 (PDPO I en PDPO II samen, gebaseerd op GIS-analyse)

Type indicator

Indicator

Doel PDPO II

Resultaat

Landbouwgrond (ha) die succesvol bijdraagt tot biodiversiteit en HNVF

1.644

756

46%

Landbouwgrond (ha) die bijdraagt tot waterkwaliteit

succesvol

3.289

1.511

46%

Landbouwgrond (ha) die bijdraagt in strijd klimaatverandering

succesvol tegen

NP

NP

NP

Landbouwgrond (ha) die bijdraagt tot bodemkwaliteit

succesvol

1.644

756

46%

NP

NP

NP

Landbouwgrond (ha) die succesvol bijdraagt tot het vermijden van landmarginalisatie en van het verlaten van land

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

52


5.2 Behoud van met uitsterven bedreigde lokale veerassen en variĂŤteiten van hoogstamboomgaarden (maatregel 214-C) Opmerking: De oppervlakteberekening van de contracten voor hoogstamboomgaarden wijzigde in 2011. Sinds dat jaar wordt de oppervlakte gerekend van het perceel waarop de hoogstambomen zijn aangeplant. Voordien werd de oppervlakte geraamd op basis van het aantal bomen waarvoor een contract werd aangegaan. De rekenregel van gemiddeld 100 bomen per hectare werd toen toegepast. Outputindicatoren In 2013 werden 203 nieuwe contracten voor hoogstamboomgaarden aangegaan voor een totale oppervlakte van 220 hectare. Dat is vergelijkbaar met het aantal nieuwe contracten in 2012. Voor lokale veerassen werden 53 nieuwe contracten getekend in 2013, voor in totaal 744 runderen en 626 schapen, of samen 707 grootvee-eenheden (GVE). Naast de nieuwe contracten liepen er in 2013 nog contracten die de jaren voordien waren gestart. In 2013 waren er 1.350 hoogstamcontracten lopende op een totaal areaal van 1.068 hectare. Voor lokale veerassen liepen er 267 contracten op het terrein, voor 4.040 GVE. 1.259 unieke bedrijven hadden in 2013 een contract hoogstamboomgaarden en 227 unieke bedrijven een contract voor lokale veerassen. 1.457 unieke bedrijven hadden in 2013 een contract hoogstamboomgaarden of lokale veerassen, wat betekent dat 29 unieke bedrijven beide contracten samen hadden. In totaal werd in 2013 binnen deze agromilieumaatregel 578.100 euro steun uitbetaald. Daarvan ging een ongeveer 20% naar hoogstamboomgaarden, 68% naar lokale runderrassen en 12% naar lokale schapenrassen. Resultaatindicatoren Het doelbereik van de resultaatindicatoren wordt besproken samen met de andere agromilieumaatregelen (zie 5.3). Doelbereik Tabel 22 zet per outputindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 22 Monitoring outputindicatoren maatregel 214-C Behoud van met uitsterven bedreigde lokale veerassen en variĂŤteiten van hoogstamboomgaarden

Type indicator

Indicator

Output

Totaal areaal onder maatregel 214-C dat agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal aantal contracten

Doel PDPO II

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

NA

NA

NA

3.239

3.654

113

Wegens de wijziging in berekeningswijze van de oppervlakte van de contracten hoogstamboomgaarden, kan geen cumulatieve oppervlakte worden weergegeven. Het totale areaal hoogstamboomgaarden in de periode 2007-2010 bedroeg 934 hectare. Het areaal van de nieuwe contracten in de periode 2011-2013 bedroeg 803 hectare.

53


5.3

Agromilieumaatregelen (maatregel 214)

Outputindicatoren Monitoring 2013 In 2013 bedroeg het totale areaal agromilieumaatregelen 47.944 hectare en waren er 9.671 contracten. Al deze contracten waren PDPO II-contracten. De totale uitgaven in kalenderjaar 2013 bedroegen 17 miljoen euro. Een overzicht van het areaal, het aantal contracten en de totale overheidsuitgaven doorheen de voorbije jaren is te vinden in bijlage 2. Figuur 19, figuur 20 en figuur 21 geven een overzicht van het areaal, het aantal contracten en de overheidsuitgaven voor alle agromilieumaatregelen in 2013. De kleinere maatregelen (wat betreft respectievelijk areaal, aantal contracten en budget) worden telkens samengenomen onder de noemer â&#x20AC;&#x153;overigâ&#x20AC;? en verder uitgesplitst in de balk aan de rechterkant. Met betrekking tot het areaal vormde BO water met zoâ&#x20AC;&#x2122;n 37% van het totale areaal de belangrijkste maatregel in 2013. Daarna volgden verwarringstechniek (17%), BO erosiebestrijding (10%), vlinderbloemigen (9%), hectaresteun bio-landbouw (9%) en mechanische onkruidbestrijding (7%). Deze zes agromilieumaatregelen waren samen goed voor 89% van het totale areaal in 2013. De overige vijf agromilieumaatregelen droegen in beperkter mate bij tot het totale areaal (figuur 19). Wat het aantal contracten betreft waren volgende maatregelen de grootste in 2013: BO kleine landschapselementen (20%), hoogstamboomgaarden (14%), BO perceelsrandenbeheer (13%), BO erosiebestrijding (10%), BO water (10%) en vlinderbloemigen (9%). De overige agromilieumaatregelen waren samen goed voor 24% van het totale aantal contracten (figuur 20). Wat de overheidsuitgaven in 2013 betreft ging het grootste budget naar BO water (37%). Daarna volgden verwarringstechniek (11%), BO perceelsrandenbeheer (10%), BO kleine landschapselementen (7%), vlinderbloemigen (7%) en BO erosiebestrijding (7%). De overige maatregelen zijn: BO soortenbescherming (6%), hectaresteun bio-landbouw (6%), mechanische onkruidbestrijding (4%), genetische diversiteit (3%) en milieuvriendelijke sierteelt (2%) (figuur 21). (Opmerking: Het totale areaal en het aantal contracten komen overeen met de aangegeven arealen en contracten in verzamelaanvraag 2013. De uitbetalingen hebben betrekking op de aanvragen uit verzamelaanvraag 2012. De cijfers in dit jaarverslag over uitbetalingen zijn dus niet zomaar rechtstreeks te koppelen aan de cijfers over arealen en contracten.)

54


BO water; 17.900; 37% Hoogstamboomgaarden; 1.068; 2%

BO erosiebestrijding; 5.051; 10%

Milieuvriendelijke sierteelt; 1.331; 3% Overig; 5.117; 11% BO perceelsrandenbeheer; 1.245; 3%

Hectaresteun biolandbouw; 4.099; 9% Vlinderbloemigen; 4.462; 9%

Verwarringstechniek; 8.145; 17%

Mechanische onkruidbestrijding; 3.170 ; 7%

BO soortenbescherming; 1.293; 3% BO kleine landschapselementen ; 180; 0%

Figuur 19 Absolute (ha) en procentuele verdeling van de oppervlakte onder de verschillende agromilieumaatregelen (2013)

BO water; 949 ; 10%

BO kleine landschapselementen; 1.894; 20% Mechanische onkruidbestrijding; 634 ; 6%

BO erosiebestrijding; 959 ; 10%

Verwarringstechniek; 589 ; 6% Overig; 2.396 ; 24%

BO perceelsrandenbeheer; 1.248 ; 13%

Vlinderbloemigen; 875 ; 9%

Lokale veerassen; 267 ; 3% Milieuvriendelijke sierteelt; 138 ; 1% Hectaresteun biolandbouw; 283 ; 3% BO soortenbescherming; 485 ; 5%

Hoogstamboomgaarden; 1.350 ; 14%

Figuur 20 Absolute en procentuele verdeling van het aantal contracten voor de verschillende agromilieumaatregelen (2013)

55


BO Kleine landschapselementen; 1.277.881; 7%

BO water; 6.373.206 ; 37%

Mechanische onkruidbestrijding; 650.437; 4%

Hoogstamboomgaarde n/lokale veerassen; 578.100 ; 3% Milieuvriendelijke Overig; 3.466.342 ; 21%

BO erosiebestrijding; 1.146.493; 7%

BO perceelsrandenbeheer; 1.751.109; 10%

sierteelt; 262.747; 2% Hectaresteun biolandbouw; 986.462 ; 6% BO soortenbescherming; 988.595; 6%

Verwarringstechniek; 1.884.212; 11% Vlinderbloemigen; 1.156.926; 7%

Figuur 21 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de overheidsuitgaven voor agromilieumaatregelen (2013)

Evolutie Figuur 22 tot figuur 27 geven de evolutie van het areaal, het aantal contracten en de uitgaven per kalenderjaar voor de agromilieumaatregelen weer in de periode 2007-2013. De tabellen in bijlage 2 geven de jaarlijkse cijfers voor aantal contracten, arealen en uitgaven voor de verschillende agromilieumaatregelen in de periode 2000-2013. In de tijdsreeks voor het areaal (figuur 22 en figuur 23) werd de BO kleine landschapselementen niet opgenomen, omdat de areaalbepaling in 2008 gewijzigd is. Voordien werd de oppervlakte van de percelen aangeduid, terwijl sinds 2008 enkel nog de oppervlakte van de kleine landschapselementen zelf wordt bijgehouden. Voor de lijnvormige kleine landschapselementen (zoals heggen en hagen) wordt een proxy van VLM gebruikt. Voor heggen wordt de lengte vermenigvuldigd met 1 m breedte, voor de hagen wordt de lengte vermenigvuldigd met 0,5 m breedte. Een vergelijking gaat bijgevolg niet meer op. De arealen van BO kleine landschapselementen zijn wel weergegeven in de tabel in bijlage 2. Ook de areaalbepaling van de maatregel BO soortenbescherming is in PDPO II gewijzigd ten opzichte van PDPO I. In de eerste programmaperiode werd het beheerpakket “weidevogelbeheer nestbescherming” toegepast op vaste percelen waarvan de oppervlakte werd doorgegeven. Sinds PDPO II kan de landbouwer dit pakket toepassen op alle percelen binnen het voor weidevogelbeheer afgebakende gebied. De oppervlakte kan dus jaarlijks wijzigen op basis van de percelen die de landbouwer aangeeft in de verzamelaanvraag. Daarom worden er voor dit pakket geen arealen meer bijgehouden in PDPO II. In onderstaande grafieken zijn de arealen vanaf 2008 dus exclusief het pakket “weidevogelbeheer nestbescherming”. De areaalbepaling van de maatregel hoogstamboomgaarden is in 2011 eveneens gewijzigd. Voortaan wordt de oppervlakte gerekend van het perceel waarop de hoogstambomen geplant zijn. Daarvoor werd de oppervlakte geraamd op basis van het aantal bomen waarvoor een contract werd aangevraagd. Men rekende met een gemiddelde van 100 bomen per hectare. De wijziging in oppervlaktebepaling heeft als gevolg dat de oppervlakten van de contracten niet vergelijkbaar zijn met die van de jaren voordien. Deze maatregel is

56


daarom niet weergegeven in de tijdsreeks in figuur 22 en figuur 23. De arealen zijn wel weergegeven in de tabellen in bijlage 2. Areaal In vergelijking met 2012 was het totale areaal in 2013 1.068 hectare groter (zie figuur 22 en figuur 23). Vooral voor BO water steeg het totale areaal (+1.025 ha of +6%), terwijl er zich in 2012 nog een daling voordeed. De daling van de oppervlakte onder BO water in 2012 was grotendeels te wijten aan de verstrenging van de voorwaarden in 2012, ten gevolge van de herziening van het Mest Actie Plan. Nieuwe landbouwers namen een meer afwachtende houding aan in 2012. In 2013 waren de landbouwers meer vertrouwd met de nieuwe voorwaarden en werden opnieuw meer nieuwe overeenkomsten aangegaan. Ook voor BO erosiebestrijding (+254 ha), BO soortenbescherming (+80 ha), BO perceelsrandenbeheer (+53 ha) en BO kleine landschapselementen (+17 ha) is het areaal toegenomen. Er worden voor deze beheerovereenkomsten nog steeds nieuwe contracten afgesloten. Zowel voor hectaresteun bio-landbouw (+156 ha) als voor verwarringstechniek (+139 ha) en milieuvriendelijke sierteelt (+67 ha) nam het areaal in 2013 toe ten opzichte van 2012. Het areaal van de maatregel hectaresteun bio-landbouw vertoonde gedurende de hele programmaperiode een stijging en kent nu met 4.099 ha het grootste areaal sinds 2007. Deze stijging gaat samen met de toename van het totale areaal biologische landbouw en het aantal biolandbouwers in Vlaanderen in de voorbije periode. Ook het areaal verwarringstechniek steeg voortdurend sinds de invoering van de maatregel in 2010. Vorig jaar heeft een aantal landbouwers hun bestaande verbintenis uitgebreid, waardoor het areaal verwarringstechniek in 2013 toenam ten opzichte van 2012. Milieuvriendelijke sierteelt zit eveneens op het hoogste areaal sinds de start van de programmaperiode in 2007. Het areaal van de maatregelen mechanische onkruidbestrijding (-315 ha), hoogstamboomgaarden (-210 ha) en vlinderbloemigen (-198 ha) nam af ten opzichte van 2012. Het areaal mechanische onkruidbestrijding daalt al sinds het begin van de programmaperiode. Dit is geen eenvoudige maatregel en de verbintenisoppervlakte met beperkte variabiliteit is niet gemakkelijk na te leven. In PDPO III wordt met deze ervaringen rekening gehouden. Ook het areaal vlinderbloemigen daalt al enkele jaren. Mogelijks kan het beperkt aantal teelten dat voor deze maatregel in aanmerking komt, aan de basis liggen van deze areaalafname. Er is namelijk een sterke evolutie in het aanbod aan vlinderbloemige teelten en mengsel dat op de markt komt. Ook deze maatregel wordt in PDPO III afgestemd op de huidige ervaringen. De daling in het areaal hoogstamboomgaarden heeft wellicht nog te maken met de integratie van de maatregel in de verzamelaanvraag, sinds 2011. Dat heeft mogelijks een aantal potentiĂŤle begunstigden afgeschrikt.

57


140.000

Steun biovarkens

120.000

BO natuur BO botanisch beheer

100.000

Hectaresteun geĂŻntegreerd pitfruit Groenbedekking

80.000

BO water BO erosiebestrijding BO soortenbescherming

60.000

BO perceelsrandenbeheer Hectaresteun bio-landbouw

40.000

Milieuvriendelijke sierteelt Vlinderbloemigen

20.000

Verwarringstechniek Mechanische onkruidbestrijding

0 2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Figuur 22 Oppervlakte (ha) van de verschillende agromilieumaatregelen in kalenderjaren 2007-2013 (exclusief kleine landschapselementen en hoogstamboomgaarden; verklaring zie tekst)

60.000

50.000 BO water BO erosiebestrijding

40.000

BO soortenbescherming BO perceelsrandenbeheer

30.000

Hectaresteun bio-landbouw Milieuvriendelijke sierteelt Vlinderbloemigen

20.000

Verwarringstechniek Mechanische onkruidbestrijding

10.000

0 2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Figuur 23 Oppervlakte (ha) van de verschillende agromilieumaatregelen in kalenderjaren 2007-2013, zonder de uitdovende maatregelen (exclusief kleine landschapselementen en hoogstamboomgaarden; verklaring zie tekst)

58


Aantal contracten Het totaal aantal contracten van alle agromilieumaatregelen samen nam in 2013 toe met 193 stuks ten opzichte van 2012, tot 9.671 contracten (zie figuur 24 en figuur 25). Voor volgende agromilieumaatregelen steeg het aantal contracten in 2013 ten opzichte van het jaar voordien: hectaresteun bio-landbouw (+5), lokale veerassen (+7), BO perceelsrandenbeheer (+31), BO water (+38), BO soortenbescherming (+40), BO erosiebestrijding (+54) en BO kleine landschapselementen (+161). De verklaringen van de toename van het aantal contracten van deze maatregelen zijn dezelfde als degene die zijn weergeven bij de beschrijving van de areaalevolutie (cf. supra). Andere agromilieumaatregelen kenden dan weer een daling in het aantal contracten: milieuvriendelijke sierteelt (-2), hoogstamboomgaarden (-13), verwarringstechniek (-21), vlinderbloemigen (-49) en mechanische onkruidbestrijding (-58). De lichte daling van het aantal contracten verwarringstechniek is waarschijnlijk te wijten aan een soort van verzadiging in de sector, waardoor er geen nieuwe verbintenissen bij komen terwijl er natuurlijk altijd enkele contracten afvallen wegens stopzetting of niet-naleving van ver verbintenisvoorwaarden. De verklaring van de daling van het aantal contracten mechanische onkruidbestrijding en vlinderbloemigen is gelijkaardig aan de verklaring van de areaalafname (cf. supra).

20.000 Steun biovarkens

18.000

BO natuur BO botanisch beheer

16.000

Hectaresteun geĂŻntegreerd pitfruit Groenbedekking

14.000

BO kleine landschapselementen

12.000

BO water BO erosiebestrijding

10.000

BO soortenbescherming BO perceelsrandenbeheer

8.000

Hectaresteun biolandbouw

6.000

Milieuvriendelijke sierteelt Vlinderbloemigen

4.000

Lokale veerassen Hoogstamboomgaarden

2.000

Verwarringstechniek

0

Mechanische onkruidbestrijding

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Figuur 24 Aantal lopende contracten voor agromilieumaatregelen in kalenderjaren 2007-2013

59


12.000

BO kleine landschapselementen

10.000

BO water BO erosiebestrijding 8.000

BO soortenbescherming BO perceelsrandenbeheer Hectaresteun biolandbouw

6.000

Milieuvriendelijke sierteelt Vlinderbloemigen

4.000

Lokale veerassen Hoogstamboomgaarden

2.000

Verwarringstechniek Mechanische onkruidbestrijding

0 2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Figuur 25 Aantal lopende contracten voor agromilieumaatregelen in kalenderjaren 2007-2013, zonder de uitdovende maatregelen

Uitgaven In vergelijking met 2012 stegen de totale overheidsuitgaven in 2013 met 402.979 euro, tot 17.053.954 euro (figuur 26 en figuur 27). Voor de volgende agromilieumaatregelen namen de uitgaven toe in 2013 ten opzichte van 2012: -

BO perceelsrandenbeheer: +774.414 euro of +79% BO soortenbescherming: +231.898 euro of +31% BO kleine landschapselementen: +259.185 euro of +25% BO erosiebestrijding: +186.542 euro of +19% Milieuvriendelijke sierteelt: +26.378 euro of +11% Hectaresteun bio-landbouw: +29.601 euro of +3% Verwarringstechniek: +37.480 euro of +2% Hoogstamboomgaarden/lokale veerassen: +338 euro of +0,06%

De toename in de uitgaven voor bovenstaande maatregelen is te wijten aan de toename van het areaal onder deze maatregelen in 2012. Voor andere agromilieumaatregelen namen de overheidsuitgaven in 2013 af ten opzichte van 2012, zoals hieronder opgelijst. De uitdovende maatregelen zijn niet vermeld aangezien een daling van de uitgaven hier vanzelfsprekend is. -

Mechanische onkruidbestrijding: -203.912 euro of -24% BO water: -809.261 euro of -11% Vlinderbloemigen: -132.284 euro of -10%

60


De daling van de uitgaven voor bovenstaande maatregel is te verklaren door de daling in areaal onder deze maatregelen in 2012. In bijlage 2 zijn de uitgaven voor de verschillende agromilieumaatregelen per kalenderjaar weergegeven.

30.000.000 Steun biovarkens

25.000.000

BO botanisch beheer incl BO natuur Hectaresteun geĂŻntegreerd pitfruit Groenbedekking

20.000.000

BO Kleine landschapselementen BO water

15.000.000

BO erosiebestrijding BO soortenbescherming BO perceelsrandenbeheer

10.000.000

Hectaresteun biolandbouw Milieuvriendelijke sierteelt

5.000.000

Vlinderbloemigen Hoogstamboomgaarden/lokale veerassen Verwarringstechniek

0 2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Mechanische onkruidbestrijding

-5.000.000 Figuur 26 Overheidsuitgaven per kalenderjaar voor de verschillende agromilieumaatregelen (2007-2013)

61


25.000.000

20.000.000

BO Kleine landschapselementen BO water BO erosiebestrijding

15.000.000

BO soortenbescherming BO perceelsrandenbeheer Hectaresteun biolandbouw Milieuvriendelijke sierteelt

10.000.000

Vlinderbloemigen Hoogstamboomgaarden/lokale veerassen Verwarringstechniek

5.000.000

Mechanische onkruidbestrijding

0 2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Figuur 27 Overheidsuitgaven per kalenderjaar voor de verschillende agromilieumaatregelen, exclusief de uitdovende agromilieumaatregelen (2007-2013)

GIS-verwerking In tabel 23 en tabel 24 wordt de overlap van de arealen met agromilieumaatregelen met respectievelijk Natura 2000- en VEN (Vlaams Ecologisch Netwerk)-gebieden aangegeven voor kalenderjaar 2013. Het areaal waarop in 2013 één of meerdere agromilieumaatregelen werden uitgevoerd (het unieke areaal) bedroeg 47.114 ha. Als we uitgaan van de voorlopige resultaten van de Landbouwtelling mei 2013, dan was er in 2013 625.700 hectare cultuurgrond in Vlaanderen (FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie). Dat maakt dat in heel Vlaanderen in 2013 op 7,5 % van de cultuurgrond één of meerdere agromilieumaatregelen werden uitgevoerd. Uit tabel 25 blijkt dat 3.016 hectare van het unieke areaal agromilieumaatregelen gelegen is in Natura 2000gebied, 717 hectare in VEN-gebied en 619 hectare in LFA-gebied (kwetsbaar gebied natuur met nulbemesting). In Vlaanderen ligt 53.866 hectare landbouwgrond in Natura 2000-gebied (NARA, 2007). Dat betekent dat op 5,6% van de landbouwgrond gelegen in Natura 2000-gebied in 2013 agromilieumaatregelen werden toegepast. Er werd in 2013 85.014 euro steun uitbetaald voor agromilieumaatregelen in LFA-gebied. In 2013 hadden in totaal 6.924 bedrijven één of meerdere agromilieumaatregelen lopen, op een totaal uniek areaal van 47.114 hectare. 1.604 begunstigden hebben in 2013 één of meerdere nieuwe agromilieucontracten afgesloten, op een totale unieke oppervlakte van 7.273 hectare.

62


Tabel 23 Overlap van agromilieumaatregelen met Natura 2000-gebied (2013)

Agromilieumaatregel

Areaal in Natura 2000-gebied (ha)

Totaal areaal van de agromilieumaatregel (ha)

74

3.170

2,3

196

8.145

2,4

98

1.068

9,2

533

4.462

11,9

29

1.331

2,2

Hectaresteun bio-landbouw

614

4.099

15,0

BO perceelsrandenbeheer

176

1.245

14,1

BO soortenbescherming

474

1.293

36,7

63

5.051

1,2

737

17.900

4,1

23

180

12,8

Totaal areaal van de agromilieumaatregel (ha)

Percentage areaal in VEN-gebied (%)

Mechanische onkruidbestrijding Verwarringstechniek Hoogstamboomgaarden Vlinderbloemigen Milieuvriendelijke sierteelt

Bo erosiebestrijding BO water BO kleine landschapselementen

Percentage in Natura gebied (%)

areaal 2000-

Tabel 24 Overlap van agromilieumaatregelen met VEN-gebied (2013)

Agromilieumaatregel

Areaal in gebied (ha)

VEN-

Mechanische onkruidbestrijding

16

3.170

0,5

Verwarringstechniek

25

8.145

0,3

Hoogstamboomgaarden

36

1.068

3,4

120

4.462

2,7

18

1.331

1,4

323

4.099

7,9

BO perceelsrandenbeheer

40

1.245

3,2

BO soortenbescherming

17

1.293

1,3

Bo erosiebestrijding

17

5.051

0,3

124

17.900

0,7

Vlinderbloemigen Milieuvriendelijke sierteelt Hectaresteun bio-landbouw

BO water

63


BO kleine landschapselementen

3

180

1,7

Tabel 25 Unieke oppervlakte agromilieumaatregelen in Natura 2000- en VEN-gebied (2013)

Areaal overlap (ha)

Totale unieke oppervlakte agromilieumaatregelen (ha)

Percentage overlap (%)

Overlap agromilieumaatregel met Natura 2000-gebied

3.016

47.114

6,4

Overlap agromilieumaatregel met VEN-gebied

717

47.114

1,5

Overlap agromilieumaatregel met LFA-gebied

619

47.114

1,3

Resultaatindicatoren Voor de betekenis van de resultaatindicatoren van de agromilieumaatregelen wordt verwezen naar het Jaarverslag 2007. De cumulatieve waarde van het areaal dat bijdraagt tot de verschillende milieudoeleinden wordt weergegeven in tabel 27. Voor die cumulatieve waarden wordt gerekend met het maximale areaal dat voor een bepaald contract in uitvoering is geweest in de periode 2007-2013. Het betekent dus niet noodzakelijk dat dat cumulatieve areaal gelijktijdig in uitvoering is geweest. Een areaal van 127.476 ha agromilieumaatregelen (20% van de landbouwoppervlakte in 2013) draagt bij tot de verbetering van de waterkwaliteit in Vlaanderen. Dat is vooral te danken aan de maatregelen groenbedekking en BO water. Ook de maatregel verwarringstechniek levert hier een bijdrage. Zoâ&#x20AC;&#x2122;n 106.966 ha agromilieumaatregelen (17% van de landbouwoppervlakte in 2013) draagt bij tot de verbetering van de bodemkwaliteit. Ook hiervoor zijn op de eerste plaats de maatregelen groenbedekking en BO water verantwoordelijk. 47.290 ha agromilieumaatregelen (8% van de landbouwoppervlakte in 2013) draagt bij tot het voorkomen van de marginalisering van gronden. Dat is vooral te danken aan de maatregelen groenbedekking (onrechtstreeks effect) en BO kleine landschapselementen (rechtstreeks effect). 14.570 ha agromilieumaatregelen (2% van de landbouwoppervlakte) draagt bij tot de verhoging van de biodiversiteit. Daarbij dient wel rekening gehouden te worden met de bepaling van de oppervlaktes. In de totale landbouwoppervlakte zijn ook gronden in natuur- en bosreservaat opgenomen die beheerd worden door landbouwers. In Vlaanderen werd echter bepaald dat voor die percelen geen beheerovereenkomsten kunnen aangevraagd worden. Evenmin kunnen beheerovereenkomsten afgesloten worden op percelen in de afgebakende uitbreidingszones voor natuurgebieden. Op deze percelen (in of in de uitbreidingszone van natuuren bosreservaten) die onder strikte voorwaarden beheerd worden, worden echter ook maatregelen genomen die de biodiversiteit ten goede komen, los van de PDPOâ&#x20AC;&#x201C;beheerovereenkomsten. De bijdrage tot het tegengaan van de klimaatverandering (3.188 ha of 0,5% van de landbouwoppervlakte) is volledig te danken aan een indirect effect van de maatregel vlinderbloemigen. Voor het cumulatieve areaal in de periode 2007-2013 wordt het jaar genomen waarin het areaal van een bepaalde agromilieumaatregel het hoogst was. Veelal komt dat neer op het areaal van 2007 of 2008. Daarom zijn de cumulatieve cijfers dit jaar niet gewijzigd ten opzichte van 2011, omdat de oppervlakte van de agromilieumaatregelen die hebben bijgedragen tot de verschillende milieudoeleinden niet gestegen is in 2013.

64


Uitzondering daarop vormt het areaal dat bijdraagt tot waterkwaliteit en tot biodiversiteit, die wel zijn gestegen dankzij de maatregel verwarringstechniek. Voor de volledigheid worden ook de arealen weergegeven die in 2013 hebben bijgedragen tot de verschillende milieudoeleinden. -

Biodiversiteit: Waterkwaliteit: Klimaat: Bodemkwaliteit: Landmarginalisatie:

12.049 ha 40.647 ha 2.231 ha 26.398 ha 4.303 ha

Doelbereik Tabel 26 geeft voor elke agromilieumaatregel het totale areaal en het totale aantal contracten weer in de programmaperiode tot en met 2013. Voor de areaalindicator betekent de aangegeven gerealiseerde oppervlakte niet dat die in de periode 2007-2013 effectief op ĂŠĂŠn moment aanwezig was op het terrein. Er wordt namelijk per contract het maximale areaal bijgehouden dat in een bepaald jaar in uitvoering was. Voor sommige agromilieumaatregelen is immers het jaarlijkse areaal dat in uitvoering is variabel. Bovendien wordt de maximale oppervlakte die in uitvoering is geweest voor een bepaalde agromilieumaatregel waarvan het contract afgelopen is (bv. Omdat de periode van vijf jaar verstreken is of het contract stopgezet werd) meegenomen tot 2013. Ook de waarde van de contractindicator betekent niet dat dat aantal contracten gelijktijdig op het terrein lopende waren. Het cumulatieve areaal dat bijdraagt tot de verschillende milieudoeleinden is weergegeven in tabel 27. Tabel 26 Monitoring outputindicatoren maatregel 214 Agromilieumaatregelen

Maatregel

Indicator

214-A en N Mechanische onkruidbestrijding

Totaal areaal agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal contracten

214-B Verwarringstechniek

Totaal areaal agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal contracten

214-C Lokale veerassen en hoogstamboomgaarden

Totaal areaal agromilieusteun ontvangt (ha)

Totaal contracten 214-D Vlinderbloemigen

Totaal areaal agromilieusteun ontvangt (ha)

Doel PDPO II

Realisatie 2013

2007-

Realisatiepercentage

dat

8.500

10.674

126%

aantal

2.000

2.217

111%

dat

1.000

8.145

815%

500

634

127%

NA (geen doelstelling inclusief lokale veerassen opgesteld)

1.737 (enkel hoogstamboomgaarden)

NA

aantal

3.239

3.654

113%

dat

7.500

12.114

162%

aantal

dat

65


Totaal contracten 214-E Milieuvriendelijke sierteelt

Totaal areaal agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal contracten

214-F Hectaresteun bio-landbouw

Totaal areaal agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal contracten

214-G BO perceelsrandenbeheer

Totaal areaal agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal contracten

214-H BO soortenbescherming

Totaal areaal agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal contracten

214-I BO erosiebestrijding

Totaal areaal agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal contracten

214-J BO water

Totaal areaal agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal contracten

214-K BO kleine landschapselementen

Totaal areaal agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal contracten

214-M Groenbedekking

Totaal areaal agromilieusteun ontvangt (ha)

aantal

2.300

3.050

133%

dat

1.500

2.654

177%

300

325

108%

4.000

9.318

233%

375

690

184%

dat

2.143

2.568

120%

aantal

2.567

2.697

105%

dat

2.499

2.164

87%

568

744

131%

dat

4.171

7.255

174%

aantal

1.720

1.936

113%

32.300

54.103

168%

3.615

3.072

85%

243

300

123%

2.392

3.317

139%

80.000

75.958

94,9%

aantal

dat

aantal

aantal

dat

aantal

dat

aantal

dat

66


Totaal contracten 214-O GeĂŻntegreerde pitfruitteelt

aantal

Totaal areaal agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal contracten

214-P BO botanisch beheer

aantal

Totaal areaal agromilieusteun ontvangt (ha) Totaal contracten

dat

dat

aantal

8.500

8.211

96,6%

323

396

122,6%

71

46

64,8%

1.600

1.604

100,3%

664

594

89,5%

Tabel 27 Monitoring resultaatindicatoren maatregel 214 Agromilieumaatregelen

Milieudoelstelling

Biodiversiteit en HNVF Waterkwaliteit Klimaatverandering Bodemkwaliteit Landmarginalisatie

Doel PDPO II (ha)

Realisatie (ha)

2007-2013

Realisatie-percentage

12.133

14.570

120%

124.871

127.476

102%

3.712

3.188

86%

111.524

106.966

96%

43.966

47.290

108%

5.4 Inrichtingsmaatregelen door landbouwers in kader van kaderrichtlijn water (maatregel 216) Outputindicatoren In 2013 werden geen nieuwe projecten meer goedgekeurd op deze maatregel. Voor de zeven projecten goedgekeurd in 2011 en 2012 kon een eerste betalingsaanvraag worden ingediend uiterlijk op 1 november 2013. De uitbetalingen gebeurden begin 2014. Resultaatindicatoren De resultaatindicator kijkt naar het areaal waarop de projecten correct zijn uitgevoerd. Dat areaal is nog niet doorgegeven gezien er nog geen uitbetalingen zijn geweest van de projecten. Doelbereik Tabel 28 en tabel 29 zetten per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen.

67


Tabel 28 Monitoring outputindicatoren maatregel 216 Inrichtingsmaatregelen door landbouwers in het kader van kaderrichtlijn water

Type indicator

Indicator

Doel PDPO II

Output

Aantal bedrijven dat steun ontvangt Totaal investeringsvolume (euro)

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

7

0

0%

411.970

411.97010

100%

Tabel 29 Monitoring resultaatindicatoren maatregel 216 Inrichtingsmaatregelen door landbouwers in het kader van kaderrichtlijn water

Milieudoelstelling

Biodiversiteit en HNVF

Doel PDPO II (ha)

Realisatie (ha)

2007-2013

Realisatiepercentage

NP

NP

NP

4.750

NA

NA

Klimaatverandering

NP

NP

NP

Bodemkwaliteit

NP

NP

NP

Landmarginalisatie

NP

NP

NP

Waterkwaliteit

5.5

Bebossing van landbouwgronden (maatregel 221)

Outputindicatoren In 2013 werden er 68 nieuwe dossiers goedgekeurd, voor 54 unieke begunstigden, onder wie 47 privéeigenaars en zeven publieke autoriteiten. Het aantal nieuwe dossiers is sterk gestegen ten opzichte van 2012. Dat heeft onder meer te maken met heersende onzekerheid door het initieel ontbreken van een overgangsregeling naar PDPO III, waardoor aanplantingen voorzien voor 2014 al in 2013 werden aangevraagd. Bovendien is het bindend advies van ADLO (afdeling duurzame landbouwontwikkeling) van het Departement Landbouw en Visserij weggevallen. Daardoor zijn er méér aanvragen goedgekeurd en konden ook een aantal eerder afgewezen dossiers alsnog doorgaan. De 68 goedgekeurde dossiers zijn goed voor een te bebossen landbouwoppervlakte van 93,2 hectare, waarvan bijna 8,5 hectare in LFA-gebied en bijna 7 hectare in Natura 2000-gebied is gelegen. De totale, onder PDPO IIregelgeving beboste of te bebossen oppervlakte landbouwgrond komt daarmee op 265 hectare, voor 208 goedgekeurde dossiers. Op 30 van deze 93,2 hectare zal een loofboomsoort als enige hoofdboomsoort worden geplant. Op de overige 63,15 hectare is een gemengde aanplant voorzien. 92,7 hectare van deze landbouwgrond zal bebost worden ten voordele van biodiversiteit, terwijl 0,5 hectare eerder wordt ingezet in de strijd tegen de klimaatopwarming. (Deze indeling volgens doelstelling gebeurt op basis van de aangeplante boomsoorten.) In 2013 werd voor de dossiers die eerder onder PDPO II-regelgeving werden goedgekeurd 119.587 euro subsidie uitbetaald. Dat is 100.000 euro meer dan het jaar voordien, waarvoor een aantal verklaringen te

10

Dit bedrag is een raming van de totale investeringskost. Het precieze bedrag zal pas gekend zijn na ontvangst van de facturen.

68


vinden zijn. Ten eerste werden de inkomens- en onderhoudssubsidies van 2013 pas begin 2013 uitbetaald. Ten tweede werden er in 2013 ook voor het eerst tweede schijven uitbetaald. Bij de eerste schijven zit bovendien ook 1 grote bebossing. En ten slotte zijn een aantal betalingsaanvragen ingediend in het najaar van 2012 pas uitbetaald in 2013. Voor dossiers van PDPO I, goed voor een totale oppervlakte van 523 hectare, werd in 2013 nog 46.306 euro onderhouds- en aanplantsubsidie en inkomenscompensatie uitbetaald. Het totale areaal landbouwgrond dat onder PDPO I- of PDPO II-regelgeving bebost of te bebossen is, bedroeg in 2013 788,09 hectare. Daarvoor waren er 474 unieke begunstigden. Op 56,3% van die totale oppervlakte werd één loofboomsoort als hoofdboomsoort aangeplant. 43,6% betreft een gemengde aanplant van verschillende boomsoorten, terwijl 0,1% bestaat uit uitsluitend één naaldboomsoort. Van het totale areaal had 85% het bevorderen van de biodiversiteit als hoofddoelstelling en 15% het tegenaan van de klimaatverandering. Resultaatindicatoren Het bebossen van landbouwgrond draagt bij tot de strijd tegen de klimaatverandering, tot het behoud van de biodiversiteit en tot de verbetering van de waterkwaliteit. Voor die bijdrage wordt de volledige oppervlakte gerekend waarop de maatregel correct werd uitgevoerd, gebaseerd op de controlegegevens. Deze oppervlakte wordt doorgegeven bij betaling van de tweede schijf van de PDPO II-contracten. Het is pas bij de betaling van de tweede schijf dat voldoende controlegegevens beschikbaar zijn. In 2013 werd voor 27,74 hectare de tweede schijf uitbetaald (zie tabel 31). Doelbereik Tabel 30 geeft voor de outputindicatoren de realisaties weer in de periode 2007-2013. Tabel 31 geeft de voortgang van de resultaatindicatoren weer. Tabel 30 Monitoring outputindicatoren maatregel 221 Bebossing van landbouwgrond

Type indicator

Indicator

Doel PDPO II

Output

Aantal begunstigden Aantal hectaren bebost werden

landbouwgrond

die

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

700

171

24%

840

265

32%

Bovenstaande doelstellingen gelden enkel voor de aanvragen goedgekeurd tijdens de tweede programmaperiode (PDPO II). In de mid term evaluatie worden enkele redenen opgesomd voor de relatief lage participatie aan deze maatregel (IDEA Consult, 2010). Tabel 31 Monitoring resultaatindicatoren maatregel 221 Bebossing van landbouwgrond

Milieudoelstelling

Doel PDPO II (ha)

Realisatie (ha)

2007-2013

Realisatiepercentage

Biodiversiteit en HNVF

832

27,74

3,3%

Waterkwaliteit

832

27,74

3,3%

Klimaatverandering

832

27,74

3,3%

Bodemkwaliteit

NP

NP

NP

Landmarginalisatie

NP

NP

NP

69


Voor de methodologie voor de bepaling van de verschillende bijdragen tot de milieudoeleinden wordt verwezen naar Jaarverslag 2007.

5.6 Eerste totstandbrenging van boslandbouwsystemen op landbouwgrond (maatregel 222) Outputindicatoren In 2013 zijn vijf aanvragen voor boslandbouwsystemen goedgekeurd. Samen zijn deze contracten goed voor een oppervlakte van 7,64 hectare, gelegen buiten Natura 2000-gebied en buiten kwetsbaar gebied natuur. Sinds de start van de maatregel in 2012 zijn er daarmee 12 projecten goedgekeurd, aangevraagd door 12 unieke begunstigden en samen goed voor 15,19 ha (tabel 32). In 2013 werd er 11.752 euro steun uitbetaald aan boslandbouwsystemen. Resultaatindicatoren De boslandbouwsystemen dragen bij tot de strijd tegen de klimaatverandering en bevorderen biodiversiteit en bodemkwaliteit. Tabel 33 geeft de realisatie van de resultaatindicatoren weer. Doelbereik Tabel 32 en tabel 33 geven de realisaties van respectievelijk de output- en de resultaatindicatoren weer in de periode 2007-2013. Tabel 32 Monitoring outputindicatoren maatregel 222 Eerste totstandbrenging van boslandbouwsystemen op landbouwgrond

Type indicator

Indicator

Doel PDPO II

Realisatie 2013

2007-

Realisatiepercentage

Output

Totaal areaal dat steun ontvangt (ha)

35

15,19

43%

Totaal aantal goedgekeurde aanvragen

20

12

60%

Tabel 33 Monitoring resultaatindicatoren maatregel 222 Eerste totstandbrenging van boslandbouwsystemen

Milieudoelstelling

Doel PDPO II (ha)

Realisatie (ha)

2007-2013

Realisatiepercentage

Biodiversiteit en HNVF

119

7,6

6,4%

Waterkwaliteit

NP

NP

NP

Klimaatverandering

238

15,2

6,4%

Bodemkwaliteit

119

7,6

6,4%

Landmarginalisatie

NP

NP

NP

70


5.7

Niet-productieve investeringen in bossen (maatregel 227)

Outputindicatoren In 2013 werden 198 aanvragen goedgekeurd, waarvan 98 voor de submaatregel “bebossing/herbebossing” en 100 voor “ecologische bosfunctie”. Samen zijn deze projecten goed voor een investeringsvolume van meer dan 592.873 euro. Voor dossiers die eerder waren goedgekeurd werd in 2013 146.483 euro steun uitbetaald. 95 unieke bosbeheerders werden gesteund voor de submaatregel “bebossing/herbebossing” en 389 voor “ecologische bosfunctie”. Voor de periode 2007-2013 komt dat neer op 501 unieke bosbeheerders die steun ontvingen voor “bebossing/herbebossing” en 395 unieke bosbeheerders voor “ecologische bosfunctie”. Voor beide submaatregelen samen zijn 854 unieke bosbeheerders vergoed in de periode 2007-2013. Resultaatindicatoren Van de submaatregel “ecologische bosfunctie” werd in 2013 3.946 hectare succesvol uitgevoerd. Dat betekent dat voldaan werd aan de subsidievoorwaarden en alles conform het uitgebreide bosbeheerplan verloopt. Deze submaatregel draagt bij tot de verbetering van de biodiversiteit in het bos. Van de submaatregel “bebossing/herbebossing” werd in 2013 37 hectare succesvol uitgevoerd. Deze submaatregel draagt bij tot de biodiversiteit in het bos, de waterkwaliteit en de bestrijding van de klimaatverandering. De cumulatieve oppervlaktes zijn weergegeven in tabel 35. Doelbereik Tabel 34 en tabel 35 de realisaties van de doelstellingen voor de output- en resultaatindicatoren weer. Tabel 34 Monitoring outputindicatoren maatregel 227 Niet-productieve investeringen in bossen

Type indicator

Indicator

Doel PDPO II

Output

Unieke aantal bosbeheerders

gesteunde

Totale investeringsvolume (euro)

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

1.050

854

81%

5.490.625

3.286.621

60%

Tabel 35 Monitoring resultaatindicatoren maatregel 227 Niet-productieve investeringen in bossen

Milieudoelstelling

Biodiversiteit en HNVF

Doel PDPO II (ha)

Realisatie (ha)

2007-2013

Realisatiepercentage

3.039

4.249

140%

Waterkwaliteit

35

303

866%

Klimaatverandering

35

303

866%

Bodemkwaliteit

NP

NP

NP

Landmarginalisatie

NP

NP

NP

71


6 INDICATOREN AS 3 – DE LEEFKWALITEIT OP HET PLATTELAND EN DIVERSIFICATIE VAN DE PLATTELANDSECONOMIE Diversificatie van landbouwactiviteiten naar niet-agrarische activiteiten

6.1 Investeringen met betrekking tot diversificatie van landbouwactiviteiten (maatregel 311) Outputindicatoren In 2013 werden 538 nieuwe diversificatiedossiers goedgekeurd. Samen zijn deze dossiers goed voor een investeringsvolume van 40,2 miljoen euro. Figuur 28 en figuur 29 geven een overzicht van respectievelijk het aantal goedgekeurde dossiers en het subsidiabele investeringsbedrag verdeeld over de verschillende categorieën van diversificatie. Die categorieën zijn hernieuwbare energie, detailhandel, toerisme en andere (bijvoorbeeld zorg). Uit beide figuren blijkt dat de investeringen in hernieuwbare energie, net zoals de vorige jaren, met voorsprong de belangrijkste vorm van diversificatie waren. Het investeringsvolume in hernieuwbare energieprojecten vertoont tussen 2008 en 2013 een stijgende trend, met een uitzondering in 2012: van 7,0 miljoen euro in 2008, over 17,6 miljoen euro in 2009, naar bijna 25 miljoen euro in 2010 en meer dan 33 miljoen euro in 2011, 29 miljoen euro in 2012 en 38 miljoen euro in 2013. 26% van de 538 goedgekeurde dossiers werd ingediend door een rechtspersoon en 74% door een natuurlijk persoon. Van de dossiers ingediend door een natuurlijk persoon werd 5% ingediend door een vrouw en 0,5% door een persoon jonger dan 25 jaar. In 2013 werd 2.898.247 euro steun uitbetaald met EU-cofinanciering voor diversificatie-investeringen die in 2013 of vorige jaren werden goedgekeurd. 99% daarvan werd uitbetaald onder de vorm van kapitaalpremies, minder dan 1% gebeurde onder de vorm van rentesubsidies. De totale uitgaven liggen aanzienlijk lager dan de vorige jaren. Omdat PDPO II op zijn einde loopt, is het budget voor deze maatregel bijna uitgeput, en werd (voor nagenoeg alle rentesubsidies) overgeschakeld op staatssteun, zoals aangemeld bij de Europese Commissie.

Andere ; 3; 0%

Toerisme; 9; 2%

Detailhandel; 21; 4%

Hernieuwbare energie; 505; 94% Figuur 28 Absolute en procentuele verdeling van het aantal in 2013 goedgekeurde dossiers over de verschillende categorieën van diversificatie

72


Andere ; 37.100; 0%

Toerisme; 878.306; 2%

Detailhandel; 664.464; 2%

Hernieuwbare energie; 38.631.804; 96% Figuur 29 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de subsidiabele investeringskost van de in 2013 goedgekeurde dossiers over de verschillende categorieĂŤn van diversificatie

Resultaatindicatoren Op basis van de gegevens van het LMN kan een uitspraak gedaan worden over de bruto toegevoegde waarde (BrTW) van de gesteunde bedrijven. Op dit moment wordt in de LMN-boekhouding echter geen onderscheid gemaakt tussen landbouw- en niet-landbouwactiviteiten, zodat de niet-landbouw BrTW niet berekend kan worden. Als de BrTW van het gehele landbouwbedrijf geanalyseerd wordt, zijn er 13 landbouwbedrijven waarvan het diversificatiedossier in 2007 werd goedgekeurd en waarvan gegevens terug te vinden zijn in de boekjaren 2007 tot en met 2012. Ten opzichte van 2011 steeg de gezamenlijke bruto toegevoegde waarde van deze bedrijven opnieuw in 2012 (figuur 30).

73


Gezamenlijke Bruto Toegevoegde Waarde (euro)

2.500.000

2.000.000

1.500.000

1.000.000

500.000

0 2007

2008

2009

2010

2011

2012

Figuur 30 Evolutie van de gezamenlijke bruto toegevoegde waarde van LMN-landbouwbedrijven met een in 2007 goedgekeurd diversificatiedossier (AMS op basis van LMN)

Wat het bruto aantal gecreëerde banen betreft wordt een voorlopig cijfer opgegeven. Dat aantal wordt berekend op basis van het aantal dossiers per type investering. Aan elk type investering werd door experten van het VLIF een bruto aantal banen per investering gekoppeld. In 2013 kwamen er zo 33 bruto banen bij. Daar dit slechts een eerste inschatting is van het aantal gecreëerde banen werd in de monitoringtabellen in bijlage 3 de waarde op ‘NA’ (not available) gezet. Doelbereik Tabel 36 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 36 Monitoring maatregel 311 Investeringen met betrekking tot diversificatie van landbouwactiviteiten

Type indicator

Indicator

Output

Aantal begunstigden

Resultaat

Doel PDPO II

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

2.500

1.876

75%

Totaal investeringsvolume (euro)

140.000.000

159.360.615

114%

Niet-landbouw bruto toegevoegde waarde van de landbouwbedrijven (euro)

10% stijging

NA

NA

500

(236)

(47%)

Bruto aantal banen gecreëerd

Wat het totale investeringsvolume betreft, blijkt de uitvoering van maatregel 311 de vooropgestelde doelstelling al bereikt te hebben, terwijl voor het aantal begunstigden de realisatiegraad van de outputindicator

74


lager is. In de mid term evaluatie (IDEA Consult, 2010) worden daarvoor enkele verklaringen aangehaald, waaronder: -

Door de afhandeling van het grote aantal dossiers in 2006 liepen ook de dossiers ingediend onder PDPO II in 2007 enige vertraging op; Het plafond werd in 2007 opgetrokken tot 1 miljoen euro per bedrijfsleider in plaats van 1 miljoen euro per bedrijf. Dat verklaart dat het gemiddelde steunvolume per bedrijf hoger is dan oorspronkelijk ingeschat.

75


Gebiedsgerichte werking Binnen de gebiedsgerichte werking van As 3 kaderen vijf maatregelen en twee submaatregelen. In totaal werden er voor deze maatregelen in 2013 61 nieuwe projecten goedgekeurd. Daarmee komt het totale aantal goedgekeurde projecten in de periode 2007-2013 op 344. Figuur 31 geeft een overzicht van het aantal goedgekeurde projecten per jaar en per maatregel in de periode 2007-2013. In 2007 ligt het aantal goedgekeurde projecten het hoogst, omdat er in dat jaar nog geen LEADER-gebieden waren goedgekeurd en de promotoren nog geen LEADER-projecten konden indienen. Bovendien was in 2007 het budget voor As 3 groter. In 2013 werden alle middelen hergebruikt die niet waren opgebruikt door de promotoren en vond er een kleine budgetverhoging plaats. In 2007 en 2013 was er dus een groter budget ter beschikking waardoor meer projecten konden worden goedgekeurd. In 2008 werden verschillende “grote” projecten goedgekeurd die over meerdere jaren liepen, met als gevolg dat er in 2009 en 2010 minder budget ter beschikking was voor nieuwe projecten. Vandaar het lagere aantal goedgekeurde projecten in die jaren. In 2011 zijn er meer grote projecten goedgekeurd dan in andere jaren, zodat ook daar het totale aantal goedgekeurde projecten iets lager ligt. De bespreking van de projecten per maatregel volgt in onderstaande tekst.

80 70

Intermediaire dienstverlening (opleiding en vorming van ruraal ondernemerschap) (maatregelnummer 331)

19 60 10 50

7

17 10

40

5 30 20

16 11 11

Instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed (maatregelnummer 323)

18

5

Ontwikkeling van de paardenhouderij als economische drager op het platteland (maatregelnummer 321B)

24

7 15

9

8

6

3 6

10

10

10

3

7

18 9 5

1 5

13

12

10

9

5 3

8

9

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

0

Dorpskernvernieuwing en –ontwikkeling (maatregelnummer 322)

Basisvoorzieningen voor de economie en plattelandsbevolking (maatregelnummer 321) Bevordering toeristische activiteiten (maatregelnummer 313)

Figuur 31 Aantal goedgekeurde projecten in 2007-2013 binnen de maatregelen van de gebiedsgerichte werking van As 3

6.2

Bevordering van toeristische activiteiten (maatregel 313)

Outputindicatoren Deze maatregel wordt uitgevoerd door drie beheersdiensten: de afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke rijkdommen (ALBON) voor landinrichtingsprojecten, het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) voor de natuurinrichtingsprojecten en de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) voor gebiedsgerichte projecten die worden goedgekeurd via de Provinciale Management Comités (PMC’s). In 2013 werden enkel projecten goedgekeurd of subsidies uitbetaald voor projecten waarvan VLM beheersdienst is. De PMC’s keurden in 2013 negen nieuwe projecten goed, voor een totale projectkost van 1.160.060 euro. Drie van die projecten hadden betrekking op de voorziening van kleinschalige infrastructuur (bijvoorbeeld

76


informatiepunten, informatieborden, een informatiecentrum). Vier projecten waren gericht op de ontwikkeling en marketing van diensten op het gebied van plattelandstoerisme. En nog eens twee projecten verbeterden de recreatie-infrastructuur. Meer informatie over de door de PMC’s goedgekeurde projecten is te vinden in de projectdatabank van het Vlaams Ruraal Netwerk op www.ruraalnetwerk.be. Projecten die al eerder waren goedgekeurd ontvingen in 2013 samen 379.696 euro. Resultaatindicatoren Van de in 2013 afgelopen projecten werden de resultaatsindicatoren bepaald. De projecten trokken in totaal 15.793 nieuwe bezoekers aan. Er werden acht nieuwe banen gecreëerd. Doelbereik Tabel 37 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 37 Monitoring maatregel 313 Bevordering van toeristische activiteiten

Type indicator

Indicator

Doel PDPO II

Output

Aantal gesteunde nieuwe toeristische acties11

Realisatiepercentage

60

64

107%

11.000.000

11.885.455

108%

Stijging van de niet-landbouw bruto toegevoegde waarde van de bedrijven

NA

NA

NA

Bruto aantal banen gecreëerd

182

103

57%

181.000

222.709

123%

Totaal investeringsvolume (euro)12 Resultaat

Realisatie 2007-2013

Bijkomend bezoeken

aantal

toeristische

Het resultaat van de As 3-projecten is pas gekend na afloop van het project. De realisaties van de resultaatindicatoren hebben dus enkel betrekking op de PDPO II-projecten die in 2013 of vroeger beëindigd werden. Dat zijn met andere woorden de projecten die in de periode 2007-2011 werden goedgekeurd. Deze werkwijze kan verklaren waarom het realisatiepercentage van de resultaatindicator betreffende jobcreatie (2007-2011) relatief laag ligt en lager dan de realisatiepercentages van de outputindicatoren (2007-2013).

6.3

Basisvoorzieningen voor de economie en plattelandsbevolking (maatregel 321)

Outputindicatoren In 2013 werden binnen deze maatregel vijf nieuwe projecten goedgekeurd door de PMC’s. Deze projecten zijn samen goed voor een projectkost van 914.850 euro. Meer informatie over de door de PMC’s goedgekeurde projecten is te vinden in de projectdatabank van het Vlaams Ruraal Netwerk op www.ruraalnetwerk.be. De totale uitbetaling voor projecten die eerder al waren goedgekeurd bedroeg in 2013 535.335 euro.

11

Voor deze toeristische acties worden de ‘lasten uit het verleden’ (projecten van ANB en ALBON) niet geteld, daar er gevraagd wordt naar ‘nieuwe acties’. 12

Voor deze indicator worden zowel de huidige projecten (gebiedsgerichte werking via PMCs) als de ‘lasten uit het verleden’ geteld.

77


Resultaatindicatoren De in 2013 afgelopen projecten hebben niet tot bijkomende internetontsluiting geleid. Dankzij de in 2013 afgelopen projecten kunnen in totaal 7.260 personen van de basisvoorzieningen genieten. Het aantal bijkomende personen dat per project kan genieten van de basisvoorzieningen verschilt sterk naargelang het project. Zo varieerde dat aantal personen voor de projecten die afliepen in 2013 tussen 18 en 7.242. Doelbereik Tabel 38 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 38 Monitoring maatregel 321 Basisvoorzieningen voor de economie en plattelandsontwikkeling (exclusief submaatregel 321B)

Type indicator

Indicator

Aantal gesteunde acties

Doel PDPO II

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

46

48

104%

9.000.000

8.736.308

97%

Toename van het internetgebruik in ruraal gebied (aantal personen)

10.400

10.015

96%

Aantal inwoners ruraal gebied dat van de basisvoorziening kan genieten

1.340.000

1.092.725

82%

Output Totaal investeringsvolume (euro)

Resultaat

Submaatregel Ontwikkeling van de paardenhouderij als economische drager op het platteland (maatregel 321-B) Deze submaatregel werd in 2010 goedgekeurd. In 2013 werd één project goedgekeurd, goed voor een investeringsvolume van 28.388 euro (tabel 39). De resultaatindicator wordt berekend bij afloop van de projecten. Tabel 39 Monitoring maatregel 321B Ontwikkeling van de paardenhouderij als economische drager op het platteland

Type indicator

Indicator

Aantal gesteunde acties

Doel PDPO II

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

1

1

100%

30.000

28.388

95%

1.365.925

0

0%

Output Totaal investeringsvolume (euro)

Resultaat

6.4

Aantal inwoners ruraal gebied dat van de basisvoorziening kan genieten

Dorpskernvernieuwing en –ontwikkeling (maatregel 322)

Outputindicatoren In 2013 keurden de PMC’s 18 nieuwe projecten goed, voor een totaal investeringsvolume van 4,6 miljoen euro. Elf projecten werden opgezet ter stimulering van de sociale activiteiten in de dorpen, waarmee vooral wordt ingezet op het bevorderen van de functie van het dorp als ontmoetingsplaats en locatie voor sociaal overleg. Het opfleuren van dorpspleinen en het aanleggen van groenvoorzieningen om zo meer dorpelingen samen te brengen, zijn daar voorbeelden van. De zeven andere projecten zetten eerder in op fysieke wijzigingen, om het dorp visueel aantrekkelijker te maken door restauratie, herinrichting of onderhoud van openbare voorzieningen

78


en restauratie van dorpshuizen. Meer informatie over de door de PMC’s goedgekeurde projecten is te vinden in de projectdatabank van het Vlaams Ruraal Netwerk op www.ruraalnetwerk.be. In de periode tussen 2007 en 2013 waren er in totaal 69 unieke deelgemeenten betrokken bij de uitvoering van de dorpskernvernieuwingsprojecten. De totale uitbetaling voor de reeds eerder goedgekeurde projecten bedroeg in 2013 2.101.656 euro. Resultaatindicatoren Dankzij de in 2013 afgelopen projecten kunnen in totaal 48.470 personen genieten van de verbeterde voorzieningen. Dat aantal personen verschilt sterk van project tot project. Voor de projecten afgesloten in 2013 varieerde het aantal inwoners dat van de verbeterde voorzieningen kan genieten tussen 360 en 10.000 personen. Doelbereik Tabel 40 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 40 Monitoring maatregel 322 Dorpskernvernieuwing en -ontwikkeling

Type indicator

Indicator

Uniek aantal (deel)gemeenten waar acties plaatsvonden

Output

Totaal investeringsvolume (euro)

Resultaat

Aantal inwoners rurale gebieden die profiteren van verbeterde voorzieningen

Doel II

PDPO

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

60

69

115%

17.500.000

21.588.729

123%

1.365.925

308.361

23%

Het resultaat van de As 3-projecten is pas gekend na afloop van het project. De realisaties van de resultaatindicatoren hebben dus enkel betrekking op de PDPO II-projecten die in 2013 of vroeger beëindigd werden. Dat zijn met andere woorden de projecten die in de periode 2007-2011 werden goedgekeurd. Deze werkwijze kan verklaren waarom het realisatiepercentage van de resultaatindicator (2007-2011) eerder laag ligt en lager dan de realisatiepercentages van de outputindicatoren (2007-2013).

6.5

Instandhouding en opwaardering van het landelijke erfgoed (maatregel 323)

Outputindicatoren Deze maatregel wordt uitgevoerd door drie beheersdiensten: ALBON voor de landinrichtingsprojecten, ANB voor de natuurinrichtingsprojecten en VLM voor de gebiedsgerichte projecten goedgekeurd via de PMC’s. In 2013 werden enkel projecten goedgekeurd of subsidies uitbetaald voor projecten waarvan VLM beheersdienst is. De PMC’s keurden in 2013 18 nieuwe erfgoedprojecten goed, voor een totale projectkost van bijna 2 miljoen euro. Van deze projecten hebben er acht betrekking op cultureel erfgoed en tien op natuurlijk erfgoed. (Voor de indeling in cultureel en natuurlijk erfgoed werd de afspraak gemaakt dat natuurlijke elementen die bij cultureel erfgoed horen ook als cultureel erfgoed beschouwd dienen te worden (bijvoorbeeld kasteelvijvers, groengebied rond kloosters, etc). Natuurlijk erfgoed staat volledig los van het culturele voorwerp (bijvoorbeeld natuur- of bosgebied).) Meer informatie over de door de PMC’s goedgekeurde projecten is te vinden in de projectdatabank van het Vlaams Ruraal Netwerk op www.ruraalnetwerk.be. ANB noch ALBON keurde in 2013 nieuwe projecten over landelijk erfgoed goed. Er werd in 2013 1.183.904 euro steun uitbetaald aan eerder goedgekeurde projecten.

79


Resultaatindicatoren Dankzij de in 2013 afgelopen projecten kunnen 451.375 personen genieten van de verbeterde voorzieningen. Doelbereik Tabel 41 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 41 Monitoring maatregel 323 Instandhouding en opwaardering landelijk erfgoed

Type indicator

Doel II

Indicator

Aantal gesteunde acties

PDPO

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

93

9613

103%

12.668.840

14.198.84914

112%

2.353.828

1.646.203

70%

Output Totaal investeringsvolume (euro)

Resultaat

Aantal inwoners rurale gebieden genieten van verbeterde voorzieningen

die

Het resultaat van de As 3-projecten is pas gekend na afloop van het project. De realisaties van de resultaatindicatoren hebben dus enkel betrekking op de PDPO II-projecten die in 2013 of vroeger beĂŤindigd werden. Dat zijn met andere woorden de projecten die in de periode 2007-2011 werden goedgekeurd. Deze werkwijze kan verklaren waarom het realisatiepercentage van de resultaatindicator relatief laag ligt.

13

Dit zijn 79 VLM-projecten, 13 nieuwe ANB-projecten, 3 ALBON-projecten gestart onder PDPO I en 1 ANB-project gestart onder PDPO I.

14

Dat bestaat uit 11.255.711 euro voor VLM-projecten, 2.580.227 euro voor nieuwe ANB-projecten, 225.813 euro voor ALBON-projecten gestart onder PDPO I en 137.098 euro voor ANB-projecten gestart onder PDPO I.

80


Voorbeeld van een As 3-project Landelijk erfgoed PDPO II

PLANT VAN HIER, PLATTELAND VAN HIER Binnen het eerste thema van de wedstrijd Prima Plattelandsproject 2013 “Duurzame ontwikkeling op bedrijfs- of streekniveau” won het As 3-project “Plant van Hier, Platteland van Hier”. Het label “Plant van hier” werd uitgewerkt als kwaliteitskenmerk voor autochtoon plantmateriaal met als doel het aanbod op de reguliere markt te verhogen. Het begrip “autochtoon” duidt individuele planten(populaties) aan, met name bomen en struiken die afstammen van planten die zich na de laatste ijstijd in onze contreien hebben gevestigd. Een plant is dus autochtoon in een bepaald gebied als zijn voorouders altijd al in dat gebied voorkwamen sinds de laatste ijstijd. Zo is een individuele Zomereik uit de Balkan niet autochtoon in de Vlaamse Kempen, hoewel de soort Zomereik zelf wel inheems is in gans Vlaanderen. Autochtonen planten zijn vermoedelijk evolutionair het best aangepast aan onze lokale groeiomstandigheden zoals klimaat, bodem, ziekten en plagen. Ze bevorderen de streekidentiteit en betekenen soms een exclusieve voedselbron voor bepaalde organismen. Het label “Plant van hier” garandeert dat de zaden worden geoogst op geselecteerde bomen en struiken die hier al generaties lang staan. Het opgekweekte plantgoed wordt ingezet bij aanplantingen in het juiste herkomstgebied. Dit project is een samenwerkingsverband tussen de Regionale Landschappen en enkele partners uit de private sector die zoveel mogelijk uit de lokale economie komen, zoals lokale boomkwekerijen en verdeelcentra. Er wordt ook samengewerkt met enkele sociale-economiebedrijven bij bijvoorbeeld de oogstacties op het terrein. Meer info op www.plantvanhier.be en www.rlkgn.be

6.6 Intermediaire dienstverlening (opleiding en vorming van ruraal ondernemerschap) (maatregel 331) Outputindicatoren In 2013 werden tien nieuwe projecten rond opleiding en vorming van ruraal ondernemerschap goedgekeurd. Meer informatie over de door de PMC’s goedgekeurde projecten is te vinden in de projectdatabank van het Vlaams Ruraal Netwerk op www.ruraalnetwerk.be. Aan projecten die eerder goedkeuring kregen werd vorig jaar 356.955 euro uitbetaald. Van de projecten die in 2013 afliepen, werd een aantal bijkomende gegevens verzameld. Zo weten we dat aan de beëindigde projecten die kaderden in ‘management, administratie (boekhouding) en marketingvaardigheden’ 637 personen hebben deelgenomen en dat daaraan 285 opleidingsdagen werden besteed. Aan de beëindigde projecten binnen de categorie ‘behoud en verbetering van landschap en milieubescherming’ namen 881 personen deel en werden 693 opleidingsdagen besteed. Binnen de categorieën ‘ICT’ werden er geen projecten beëindigd in 2013. In figuur 32 wordt het unieke aantal gesteunde economische actoren van de projecten beëindigd tussen 2009 en 2013 uitgesplitst naar de verschillende types actoren. Er werden 13.709 landbouwbedrijven gesteund, 1.010 overheidsorganisaties, 308 organisaties zonder winstoogmerk en 933 bedrijven. De overige deelnemers (56.893) kunnen niet tot een van de eerder genoemde actoren gerekend worden - hun deelname wordt op zelfstandige basis verondersteld. Van de deelnemende landbouwers was 4,3% jonger dan 25 jaar en was bijna 40% een vrouw. Van de niet-landbouwers was 5,5% jonger dan 25 jaar en was 82,1% een vrouw. Deze cijfers zijn zeer vergelijkbaar met de vorige jaren.

81


Andere zelfstandigen; 56.893; 78% Micro-ondernemingen; 933; 1%

Organisaties zonder winstoogmerk; 308; 1%

Overig; 2.251; 3%

Overheidsorganisaties; 1.010; 1% Individuele landbouwbedrijven; 13.709; 19%

Figuur 32 Absolute en procentuele verdeling van de unieke deelnemers aan alle beëindigde projecten van intermediaire dienstverlening volgens type actor (2007-2013)

Resultaatindicatoren In totaal hebben 75.531 unieke personen de voorbije vijf jaren met succes deelgenomen aan een project binnen deze maatregel. Hierbij worden niet alleen de landbouwers en de “zelfstandige” niet-landbouwers geteld, maar ook de personen die behoren tot vzw’s, overheidsorganisaties en KMO’s. Van deze personen was 5,6% jonger dan 25 jaar en 70,5% een vrouw. Doelbereik Tabel 42 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 42 Monitoring maatregel 331 Intermediaire dienstverlening

Type indicator

Indicator

Output

Aantal deelnemende economische actoren aan gesteunde activiteiten (niet-uniek)

78.800

75.372

96%

Aantal dagen deelnemers

opleiding

64.000

62.169

97%

Aantal unieke vrucht de beëindigden

deelnemers die met opleidingsactiviteit

81.500

75.531

93%

Resultaat

Doel PDPO II

voor

alle

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

Submaatregel intermediaire dienstverlening: paardenhouderij (331B) Op deze submaatregel zijn geen projecten ingediend.

82


7 INDICATOREN AS 4 – LEADER 7.1

Lokale ontwikkelingsstrategieën leefkwaliteit / diversificatie (maatregel 413)

Outputindicatoren In 2013 werden 112 nieuwe Leaderprojecten goedgekeurd door de Plaatselijke Groepen (PG’s). Voor de periode 2007-2013 komt dat neer op een totaal van 599 goedgekeurde projecten. Een overzicht daarvan is te vinden op de website van het Vlaams Ruraal Netwerk (www.ruraalnetwerk.be). In figuur 33 worden de 599 goedgekeurde Leaderprojecten in de periode 2007-2013 onderverdeeld in de verschillende types maatregelen van As 3. Figuur 34 doet hetzelfde voor 2013. Deze onderverdeling is enkel bedoeld om een onderscheid te kunnen maken in de types projecten (bijvoorbeeld toeristische activiteiten of landelijk erfgoed), maar betekent niet dat de financiering gebeurt via de reguliere werking van As 315. Uit de analyse blijkt dat de meeste PDPO II-projecten kaderen in de “bevordering van toeristische activiteiten” (28%), “instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed” (24%) en “basisvoorzieningen voor economie en plattelandsbevolking” (22%). De meeste in 2013 goedgekeurde projecten kaderden in de “bevordering van toeristische activiteiten” (30%). De 599 goedgekeurde projecten hebben in totaal 978 financieel begunstigden, van wie 551 uit de privésector en 424 uit de openbare sector. In 2013 werd er in totaal 4.998.282 euro uitbetaald aan goedgekeurde Leaderprojecten.

15

In Vlaanderen kunnen de Leadergroepen enkel projecten indienen die passen binnen de doelstellingen van de gebiedsgerichte werkingen van As 3. Daarenboven kunnen subsidies voor As 3-maatregelen binnen een Leadergebied enkel gegeven worden bij toepassing van de Leadermethodologie, dus via de PG’s. Reguliere subsidiëring via de gebiedsgerichte werking van As 3 (toegekend door de PMC’s) is niet mogelijk in Leadergebied.

83


Intermediaire dienstverlening; 70; 12%

Bevordering van toeristische activiteiten; 168; 28%

Instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed; 146; 24%

Dorpskernvernieuw ing en ontwikkeling; 83; 14%

Basisvoorzieningen voor economie en plattelandsbevolking; 132; 22%

Figuur 33 Absolute en procentuele verdeling van het aantal goedgekeurde Leaderprojecten over de verschillende maatregelen van de gebiedsgerichte werking van As 3 (2007-2013)

Intermediaire dienstverlening; 9; 8% Instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed; 25; 22%

Dorpskernvernieuwing en ontwikkeling; 20; 18%

Bevordering van toeristische activiteiten; 34; 30%

Basisvoorzieningen voor economie en plattelandsbevolking; 24; 22%

Figuur 34 Absolute en procentuele verdeling van het aantal goedgekeurde Leaderprojecten over de verschillende maatregelen van de gebiedsgerichte werking van As 3 (2013)

84


Resultaatindicatoren Met de 376 projecten die reeds beëindigd zijn, werden in totaal 141,4 bijkomende banen (VTE) gecreëerd. Daarvan werden er 58% ingevuld door een vrouw en 18% door een persoon jonger dan 25 jaar. Doelbereik Tabel 43 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 43 Monitoring maatregel 413 Lokale ontwikkelingsstrategieën leefkwaliteit / diversificatie

Type indicator

Indicator

Output

Aantal (PG’s)

Resultaat

gesteunde

Doel PDPO II

Plaatselijke

Groepen

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

10

10

100%

Totale oppervlakte PG-gebied (km²)

3.500

5.821

166%

Totaal aantal inwoners in PG-gebied

900.000

1.191.884

132%

Aantal projecten goedgekeurd door PG’s

550

599

109%

Aantal gesteunde begunstigden

850

978

115%

Geen doelstelling

141,4

NA

Aantal banen gecreëerd

Voorbeeld van een Leaderproject PDPO II Landbouw en landschapszorg hand in hand in de Kolonies In het tweede thema van de wedstrijd Prima Plattelandsproject 2013 “Duurzaam beheer van de open ruimte” liep het Leaderproject “Landbouw en landschapszorg hand in hand in de Kolonies” met de prijs weg. Met dit project wil de vzw Kempens Landschap bijdragen aan de uitwerking van het inrichtingsplan voor de unieke compartimenteringslandschappen van Wortel- en MerksplasKolonie. Uitgangspunten waren het maximale behoud van de veldkavels voor landbouw en het behoud en herstel van het historische drevenpatroon. Kempische heideschapen werden ingezet bij het beheer van de open ruimten in de dreven. Zowel op ecologisch als op toeristisch-recreatief vlak is de schapenbegrazing een groot succes. Daarnaast worden landbouwers aangemoedigd om, in het kader van de versterking van het compartimentenlandschap en verbeterde landschapsbeleving, landschappelijk onaantrekkelijke hoge teelten zoals maïs te vervangen door lagere gewassen. Ze krijgen hiervoor een aanmoedigingspremie. 28 landbouwers deden mee, goed voor meer dan 36 hectare. Samen met het bermenbeheer door schapenbegrazing heeft dit een enorme impact op de landschapsbeleving in de Kolonies gehad. Meer info op www.kempenslandschap.be

85


De Brechtse heide de moeite waard! Het derde winnende project was “De Brechtse heide de moeite waard!”. De Brechtse Heide is een 1.700 ha groot beschermd landschap in het zuiden van de gemeente Brecht. Het gebied strekt zich uit tot in de aangrenzende gemeenten Schilde, Malle en Zoersel. De Brechtse Heide werd in 1977 gerangschikt als landschap omwille van zijn wetenschappelijke en esthetische waarde (afwisseling weidecomplexen, akkerland, KLE, heiderestanten, vennen, poelen, bosrelicten, archeologisch en historisch erfgoed, netwerk van onverharde wegen, …). De kern van het landschap is een uitgestrekt, open landbouwgebied, langs verschillende zijden omzoomd door grote boscomplexen. Dankzij het Leaderproject “De Brechtse Heide de moeite waard!” konden Regionaal Landschap de Voorkempen en diverse lokale actoren een sterke impuls geven aan het beheer en behoud van dit unieke landschap. Het project richt zich op het ondersteunen van overleg en kennisuitwisseling tussen de verschillende beheerders van de Brechtse Heide. Landbouwers, natuurliefhebbers, jagers, bos- en landeigenaars, gemeente, omwonenden en recreanten zetelen samen in de beheercommissie Brechtse Heide waar in overleg wordt afgesproken hoe men de Brechtse Heide leefbaar en waardevol platteland kan houden. Het laten uitvoeren van voorbeeldprojecten rond landschapszorg door lokale beheerders en het organiseren en ondersteunen van verschillende publieksactiviteiten voor omwonenden zijn enkele concrete realisaties van het project. Ook schoolkinderen werden betrokken bij de aanplant van nieuwe heggen en houtkanten. Naast activiteiten voor specifieke doelgroepen promootte, stimuleerde en/of organiseerde Regionaal Landschap de Voorkempen talrijke acties voor het brede publiek, zoals sterrenkijk en landschapswandeling, zomerpicknick op de Brechtse Heide, huifkartocht, fietstocht en terreinbezoeken. Meer info op www.rldevoorkempen.be

86


7.2

Samenwerkingsprojecten met andere plattelandsgebieden (maatregel 421)

Outputindicatoren In 2013 werden vier nieuwe projecten goedgekeurd, waarvan één interterritoriaal en drie transnationale projecten. Twee projecten kaderen in de doelstelling “bevordering van toeristische activiteiten”, de andere twee hebben betrekking op “intermediaire dienstverlening”. In de periode 2010-2013 werden daarmee in totaal 14 projecten goedgekeurd. 32 (niet-unieke) PG’s werken samen aan deze projecten, waarvan 19 Vlaamse. Op deze maatregel werd in 2013 257.693 euro uitbetaald. Resultaatindicatoren Gegevens over gecreëerde banen worden verzameld bij het afsluiten van projecten. Binnen deze maatregel werden tot nog toe vier projecten afgesloten. Die hebben één baan opgeleverd. Doelbereik Tabel 44 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 44 Monitoring maatregel 421 Samenwerkingsprojecten met andere plattelandsgebieden

Type indicator

Indicator

Output

Aantal projecten

20

14

70%

Aantal gesteunde Plaatselijke Groepen (PG’s)

10

10

100%

Geen doelstelling

1

NA

Resultaat

Aantal banen gecreëerd

Doel PDPO II

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

In bovenstaande tabel is voor het aantal gesteunde PG’s het unieke aantal gesteunde Vlaamse PG’s opgegeven.

7.3

Werking Plaatselijke Groepen (maatregel 431)

Outputindicatoren Met deze maatregel wordt steun verleend voor het beheer van de Plaatselijke Groepen, de verwerving van vakkundigheid en het dynamiseren van het gebied. Het gaat voornamelijk om kortlopende vormingsactiviteiten. In 2013 werden 219 activiteiten gesteund. Voor de periode 2007-2013 komt dat neer op 1.684 activiteiten. In 2013 werd aan die activiteiten 764.593 euro uitbetaald. In figuur 35 wordt een overzicht gegeven van de in 2013 gesteunde activiteiten per type activiteit. Iets meer dan de helft (52%) van de activiteiten bestond uit een informatiesessie over het Leadergebied en het bekendmaken van de lokale ontwikkelingsstrategieën. Dat bestaat uit het uitgeven van folders en publiceren van artikelen, het verspreiden van persberichten en het organiseren van studiedagen en infomomenten. 34% van de activiteiten draaide rond het opleiden van personeel dat de lokale ontwikkelingsstrategie moet voorbereiden en uitvoeren. 8% van de acties focuste op het voeren van promotie. Een beperkt aantal acties is onder te brengen in de categorie “studies over het betrokken gebied”. Onder de categorie “andere” worden de secretariaats- en personeelskosten verstaan van de PG-coördinatoren en administratieve krachten van de tien Vlaamse PG’s. Hiervoor werden tien “activiteiten” gerekend overeenkomende met de tien Leadergebieden.

87


Andere; 10; 5% Dynamiseringsacties (promotie); 18; 8%

Studies over het betrokken gebied; 2; 1%

Acties om voorlichting te geven over het gebied en over de plaatselijke ontwikkelingsstrategie; 115; 52%

Opleiding van personeel dat wordt betrokken bij de opstelling en de uitvoering van de plaatselijke ontwikkelingsstrategie; 74; 34%

Figuur 35 Absolute en procentuele verdeling van de activiteiten rond Werking Plaatselijke Groepen per categorie in 2013

Resultaatindicatoren In de periode 2007-2013 hebben 2.578 unieke personen succesvol deelgenomen aan één of meerdere opleidingsactiviteiten. 38% van de deelnemers waren vrouwen en 8% was jonger dan 25 jaar. Alle deelnemers die aanwezig waren op de opleiding worden als “geslaagd” beschouwd in de zin dat ze het geleerde zullen toepassen in de praktijk. Doelbereik Tabel 45 zet per output- en resultaatindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 45 Monitoring maatregel 431 Werking Plaatselijke Groepen

Type indicator

Indicator

Doel PDPO II

Output

Aantal gesteunde acties

Resultaat

Aantal deelnemers opleiding volbracht

dat

met

succes

de

Realisatie 2007-2013

Realisatiepercentage

1.700

1.684

99%

Geen doelstelling

2.578

NA

88


8 INDICATOREN HEALTH CHECK EN ECONOMISCH HERSTELPLAN 8.1

Inleiding

2010 was het eerste jaar van uitvoering van het Health Check-programma of de tussentijdse bijsturing van het landbouwbeleid. Europa voorzag met de Health Check-verordening (Verordening (EG) Nr 74/2009) extra financiële middelen voor de volgende prioriteiten: hernieuwbare energie, klimaatverandering, waterbeheer, biodiversiteit en de herstructurering van de zuivelsector. Ook vanuit het Economisch Herstelplan kwamen vanaf 2010 extra middelen ter beschikking van het landbouw- en plattelandsbeleid, voor dezelfde doelstellingen als die van de Health Check aangevuld met breedband. Zoals in onderstaande tekst wordt toegelicht, heeft Vlaanderen op al deze prioriteiten ingezet, behalve op breedband omdat Vlaanderen reeds een volledige bedekkingsgraad heeft.

8.2

As 1

Vlaanderen koos er binnen As 1 voor om in te zetten op de Health Check-prioriteiten via de bestaande maatregelen “investeringssteun in landbouwbedrijven” en “verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten”. 8.2.1 Investeringen in landbouwbedrijven (maatregel 121) Outputindicatoren In 2013 werden 15 aanvragen voor investeringen in het kader van de Health Check goedgekeurd. Dat zijn er veel minder dan in 2012, aangezien het Health Check-budget voorzien voor deze maatregel bijna uitgeput was. Samen vertegenwoordigen deze 15 dossiers een investeringsvolume van 880.000 euro. In 2013 werd 2.159.614 euro steun uitbetaald voor in 2013 en eerder goedgekeurde investeringsdossiers. Verschillende VLIF-investeringen worden toegewezen aan specifieke acties die kaderen in de door Europa vooropgestelde prioriteiten. Zo bestaat de prioriteit waterbeheer uit de acties “waterbesparende technologieën”, “wateropslag” en “installaties voor de behandeling van afvalwater op landbouwbedrijven”. Voor de prioriteit klimaat werd ingezet op de acties “verbetering van mestgebruik en –opslag”, “verbetering van de energieefficiëntie” en “andere”. De investeringstypes die ondergebracht werden bij “verbetering van de energie-efficiëntie” zijn vooral investeringen die toepasbaar zijn binnen de glastuinbouw, namelijk energieschermen, warmtebuffer, rookgascondensor, energiebesparende kasomhulling, warmtepomp, micro-WKK, maar ook energiezuinige ventilatiesystemen voor de veeteeltsector. Binnen de actie “verbetering van mestgebruik en –opslag” zitten investeringen in mestopslag en mestdroging. Onder “hernieuwbare energie: andere” hoort het VLIFinvesteringstype “verwarming op hernieuwbare energie”. Onder “klimaatverandering: andere” horen de VLIFinvesteringstypes rookgasreiniging en luchtwassers. Het VLIF-investeringstype “opslag van regenwater” werd ondergebracht bij “waterbeheer: wateropslag”. Onder “waterbeheer: installaties voor behandeling van afvalwater” werden de VLIF-investeringstypes waterzuiveringsinstallaties, phytobak en opslag van verontreinigd water/vetafscheider ingedeeld. Ten slotte kunnen de VLIF-investeringstypes “investeringen in hergebruik van beregenings- en regenwater”, “waterbehandeling (ontsmetting, ontzilting)” en “waterdampstoomspoeling tot de actie “waterbeheer: waterbesparende technologieën” gerekend worden. Elf van de 15 in 2013 goedgekeurde dossiers kaderden in de actie “wateropslag”, twee dossiers betroffen investeringen in de “verbetering van de energie-efficiëntie”, 1 dossier kaderde in de “verbetering van mestgebruik en –opslag” en een laatste in “hernieuwbare energie: andere”. In figuur 36 en figuur 37 worden respectievelijk de goedgekeurde aanvragen en het totale investeringsvolume van alle aanvragen in de periode 2010-2013 weergegeven, ingedeeld in de prioriteiten en acties van het Health Check-programma. Het aantal goedgekeurde aanvragen voor investeringstypes in het kader van de actie “wateropslag” (prioriteit waterbeheer) is het hoogst (59%), gevolgd door “verbetering van de energie-

89


efficiëntie” (prioriteit klimaatverandering) (17%). Wat betreft het totale investeringsvolume van de goedgekeurde dossiers is “verbetering van de energie-efficiëntie” veruit de belangrijkste actie (48%), gevolgd door “wateropslag” (21%). Doelbereik Tabel 46 zet per outputindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 46 Monitoring maatregel 121 Investeringen in landbouwbedrijven onder Health Check

Indicator

Doel PDPO II

Aantal gesteunde bedrijven Totale investeringsvolume (euro)

WATERBEHEER: installaties voor de behandeling van afvalwater op landbouwbedrijven; 59; 6%

Realisatie 20092013

Realisatiepercentage

1.172

1.021

87%

45.400.000

35.723.212

79%

KLIMAATVERANDERING: verbetering van mestgebruik en -opslag; 36; 3% KLIMAATVERANDERING: verbetering van de energie-efficiëntie ; 169; 17%

KLIMAATVERANDERING: andere; 97; 9%

HERNIEUWBARE ENERGIE: andere; 29; 3% WATERBEHEER: wateropslag ; 602; 59% WATERBEHEER: waterbesparende technologieën; 29; 3%

Figuur 36 Aantal goedgekeurde aanvragen (absoluut en procentueel) voor investeringen die onder de Health Checkprioriteiten vallen, onderverdeeld per prioriteit (hoofdletters) en actie (kleine letters) (2010-2013)

90


WATERBEHEER: installaties voor de behandeling van afvalwater op landbouwbedrijven ; 1.626.616 ; 5%

KLIMAATVERANDERING: verbetering van mestgebruik en -opslag; 1.429.438 ; 4%

WATERBEHEER: wateropslag ; 7.633.664 ; 21%

WATERBEHEER: waterbesparende technologieën; 930.745 ; 3%

KLIMAATVERANDERING: verbetering van de energie-efficiëntie ; 17.275.856 ; 48%

HERNIEUWBARE ENERGIE: andere; 2.158.618 ; 6%

KLIMAATVERANDERING: andere; 4.668.274 ; 13%

Figuur 37 Absolute (euro) en procentuele verdeling van het totale investeringsvolume van de goedgekeurde aanvragen voor investeringen onder de Health Check-prioriteiten, onderverdeeld per prioriteit (hoofdletters) en actie (kleine letters) (20102013)

8.2.2 Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en tuinbouwproducten (maatregel 123) Outputindicatoren In 2013 werd 784.802 euro uitbetaald aan acht eerder goedgekeurde dossiers. Vijf dossiers kaderden in de prioriteit klimaatverandering (onder andere verbetering van energie-efficiëntie),één project zette in op de verwerking van biomassa voor de productie van hernieuwbare energie, en twee dossiers beoogden een beter waterbeheer. Samen waren deze dossiers goed voor een investeringsvolume van 7,8 miljoen euro. Doelbereik Tabel 47 zet per outputindicator de realisaties uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 47 Monitoring maatregel 123 Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en tuinbouwproducten onder Health Check

Indicator

Aantal gesteunde bedrijven Totale investeringsvolume (euro)

Doel PDPO II

Realisatie 20092013

Realisatiepercentage

42

13

31%

32.150.000

12.382.776

39%

91


8.3

As 2

Vlaanderen koos er binnen As 2 voor om op de Health Check-prioriteiten in te zetten door middel van een aantal bestaande agromilieumaatregelen en de toen nieuwe maatregel “verwarringstechniek in de pitfruitteelt”. In 2013 werden contracten en arealen uitbetaald die in 2012 of vroeger via de verzamelaanvraag werden aangevraagd. 8.3.1 Agromilieumaatregelen (maatregel 214) Outputindicatoren Vlaanderen zet door middel van een aantal agromilieumaatregelen in op de Europese prioriteiten klimaatverandering, waterbeheer en biodiversiteit. Aan de prioriteit klimaatverandering werden door Vlaanderen de agromilieumaatregelen vlinderbloemigen, BO water en BO erosiebestrijding toegewezen. De maatregelen BO kleine landschapselementen (poelen), en mechanische onkruidbestrijding worden verondersteld bij te dragen tot de prioriteit waterbeheer. Aan de prioriteit biodiversiteit wordt gewerkt via de maatregelen verwarringstechniek, BO perceelsrandenbeheer, BO soortenbescherming en BO kleine landschapselementen (niet-poelen). Er zijn in 2013 enkel contracten mechanische onkruidbestrijding uitbetaald, waarmee zoals hierboven beschreven werd ingezet op waterbeheer. In totaal werden in 2013 op het budget van het Health Checkprogramma 688 agromilieucontracten uitbetaald, voor een oppervlakte van 3.485 hectare. Er werd in 2013 494.258 euro steun gegeven. Het unieke areaal waarop in 2013 agromilieumaatregelen onder Health Check werden uitbetaald bedroeg 3.485 hectare. 688 unieke bedrijven hadden één of meerdere contracten lopen die in 2013 op Health Check budget werden uitbetaald. Doelbereik Tabel 48 zet de realisaties van de outputindicatoren uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 48 Monitoring maatregel 214 Agromilieumaatregelen onder Health Check-programma

Indicator

Aantal unieke gesteunde bedrijven

Doel PDPO II

Realisatie 2013

2009-

Realisatiepercentage

2.084

4.627

222%

Totaal areaal (ha)

18.283

22.066

121%

Uniek areaal (ha)

16.820

14.951

89%

Aantal contracten

3.920

6.419

164%

De doelstellingen voor aantal gesteunde bedrijven, totale areaal en aantal contracten blijken niet goed ingeschat te zijn. Toch zullen deze niet aa ngepast worden, omdat een passende inschatting niet mogelijk is gezien de uitvoeringswijze van deze maatregel. De contracten die met Health Check-budget worden uitbetaald, kunnen immers jaarlijks variëren. Aangezien het Health Check-budget ontoereikend is om alle betrokken agromilieumaatregelen te financieren, wordt pas bij de uitbetaling van de contracten beslist of hiervoor al dan niet Health Check-middelen worden gebruikt. Daarom is het niet mogelijk hiervan voordien al een adequate inschatting te maken.

92


8.4

As 3

Vlaanderen koos er binnen As 3 voor om in te zetten op de Health Check-prioriteiten via de bestaande maatregel “investeringen met betrekking tot diversificatie van landbouwactiviteiten”. 8.4.1 Investeringen met betrekking tot diversificatie van landbouwactiviteiten (maatregel 311) Outputindicatoren In 2013 werden 57 diversificatiedossiers goedgekeurd binnen het Health Check-programma. Alle dossiers vallen onder de actie “installaties/infrastructuur voor hernieuwbare energie op basis van biomassa en andere hernieuwbare energiebronnen (zonne- en windenergie, geothermische energie)”, ingedeeld onder de Europese prioriteit “hernieuwbare energie”. De 57 dossiers waren samen goed voor een investeringsvolume van bijna 5,4 miljoen euro. In 2013 werd 2.143.963 euro van het Health Check-budget uitbetaald aan investeringen die in 2013 en de vorige jaren op deze maatregel werden goedgekeurd. Doelbereik Tabel 49 zet de realisaties van de outputindicatoren uit ten opzichte van de doelstellingen. Tabel 49 Monitoring maatregel 311 Investeringen met betrekking tot diversificatie van landbouwactiviteiten onder Health Check-programma

Indicator

Aantal begunstigden Totale investeringsvolume (euro)

Doel PDPO II

Realisatie 20092013

Realisatiepercentage

1.000

422

42%

62.000.000

45.005.947

73%

93


FIGUREN Figuur 1 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de totale publieke uitgaven (inclusief top-up en inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in kalenderjaar 2013 over de vier assen en de technische bijstand van PDPO II ........................................................................................................................................ 21 Figuur 2 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de totale publieke uitgaven (inclusief top-up en inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in kalenderjaren 2007-2013 over de vier assen en de technische bijstand van PDPO II ............................................................................................................................ 21 Figuur 3 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de Europese uitgaven (inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in 2013 over de vier assen en de technische bijstand van PDPO II.......................... 22 Figuur 4 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de Europese uitgaven (inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in kalenderjaren 2007-2013 over de vier assen en de technische bijstand van PDPO II ......................................................................................................................................................... 22 Figuur 5 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de Europese uitgaven (exclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in kalenderjaren 2007-2013 over de vier assen en de technische bijstand van PDPO II ......................................................................................................................................................... 23 Figuur 6 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de totale publieke uitgaven (inclusief top-up en inclusief Health Check en Economische Herstelplan, exclusief technische bijstand) in kalenderjaar 2013 over de maatregelen van PDPO II (Uitgaven lager dan 1% van het totaal werden samengebracht in de categorie â&#x20AC;&#x153;maatregelen < 1%â&#x20AC;?) (AMM = agromilieumaatregel, VLIF = Vlaams Landbouwinvesteringsfonds, BO = beheerovereenkomst) .......................................................................................................................... 24 Figuur 7 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de totale publieke uitgaven (inclusief top-up en inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in kalenderjaar 2013 over de maatregelen van As 1 (VLIF = Vlaams Landbouwinvesteringsfonds, BOB = Beschermde Oorsprongsbenaming, BGA = Beschermde Geografische Aanduiding, GTS = Gegarandeerde Traditionele Specialiteit) ..................................................................... 25 Figuur 8 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de totale publieke uitgaven (inclusief top-up en inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in kalenderjaar 2013 over de maatregelen van As 2. De uitdovende maatregelen zijn niet in de figuur opgenomen (AMM = agromilieumaatregel, BO = beheerovereenkomst, KLE = kleine landschapselementen) ................................................................................................................ 25 Figuur 9 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de totale publieke uitgaven (inclusief top-up en inclusief Health Check en Economisch Herstelplan) in kalenderjaar 2013 over de maatregelen van As 3 en As 4 (VLIF = Vlaams Landbouwinvesteringsfonds) ...................................................................................................... 26 Figuur 10 Absolute (euro) verdeling van de overheidsuitgaven in 2013 voor demo-projecten ........................ 37 Figuur 11 Absolute en procentuele verdeling per landbouwsector van de in 2013 goedgekeurde vestigingsdossiers................................................................................................................................ 39 Figuur 12 Absolute (euro) en procentuele verdeling per landbouwsector van het investeringsvolume van de in 2013 goedgekeurde vestigingsdossiers ................................................................................................... 39 Figuur 13 Evolutie van de gezamenlijke bruto toegevoegde waarde van LMN-landbouwbedrijven met een in 2007 goedgekeurd vestigingsdossier (AMS op basis van LMN) ................................................................... 40 Figuur 14 Absolute en procentuele verdeling van het aantal goedgekeurde investeringsdossiers over de verschillende bedrijfstypes, 2013 ........................................................................................................... 42 Figuur 15 Absolute (euro) en procentuele verdeling van het investeringsvolume van de in 2013 goedgekeurde investeringsdossiers over de verschillende bedrijfstypes ........................................................................... 43 Figuur 16 Evolutie van de gezamenlijke bruto toegevoegde waarde van LMN-landbouwbedrijven met een in 2007 goedgekeurd investeringsdossier (AMS op basis van LMN) ................................................................ 45 Figuur 17 Evolutie van de gezamenlijke bruto toegevoegde waarde van agrovoedingsbedrijven gesteund door middel van maatregel 123 (Bron: AMS op basis van BelFirst) .................................................................... 47 Figuur 18 Evolutie van het uitbetaalde areaal (ha) van maatregelen 212 en 213 (Vergoeding Natuur) tussen 2007 en 2013 ..................................................................................................................................... 51 Figuur 19 Absolute (ha) en procentuele verdeling van de oppervlakte onder de verschillende agromilieumaatregelen (2013) .............................................................................................................. 55

94


Figuur 20 Absolute en procentuele verdeling van het aantal contracten voor de verschillende agromilieumaatregelen (2013) .............................................................................................................. 55 Figuur 21 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de overheidsuitgaven voor agromilieumaatregelen (2013) ............................................................................................................................................... 56 Figuur 22 Oppervlakte (ha) van de verschillende agromilieumaatregelen in kalenderjaren 2007-2013 (exclusief kleine landschapselementen en hoogstamboomgaarden; verklaring zie tekst) ............................................. 58 Figuur 23 Oppervlakte (ha) van de verschillende agromilieumaatregelen in kalenderjaren 2007-2013, zonder de uitdovende maatregelen (exclusief kleine landschapselementen en hoogstamboomgaarden; verklaring zie tekst) ......................................................................................................................................................... 58 Figuur 24 Aantal lopende contracten voor agromilieumaatregelen in kalenderjaren 2007-2013...................... 59 Figuur 25 Aantal lopende contracten voor agromilieumaatregelen in kalenderjaren 2007-2013, zonder de uitdovende maatregelen ....................................................................................................................... 60 Figuur 26 Overheidsuitgaven per kalenderjaar voor de verschillende agromilieumaatregelen (2007-2013) ...... 61 Figuur 27 Overheidsuitgaven per kalenderjaar voor de verschillende agromilieumaatregelen, exclusief de uitdovende agromilieumaatregelen (2007-2013) ..................................................................................... 62 Figuur 28 Absolute en procentuele verdeling van het aantal in 2013 goedgekeurde dossiers over de verschillende categorieĂŤn van diversificatie ............................................................................................. 72 Figuur 29 Absolute (euro) en procentuele verdeling van de subsidiabele investeringskost van de in 2013 goedgekeurde dossiers over de verschillende categorieĂŤn van diversificatie ................................................ 73 Figuur 30 Evolutie van de gezamenlijke bruto toegevoegde waarde van LMN-landbouwbedrijven met een in 2007 goedgekeurd diversificatiedossier (AMS op basis van LMN) ............................................................... 74 Figuur 31 Aantal goedgekeurde projecten in 2007-2013 binnen de maatregelen van de gebiedsgerichte werking van As 3 ............................................................................................................................................. 76 Figuur 32 Absolute en procentuele verdeling van de unieke deelnemers aan alle beĂŤindigde projecten van intermediaire dienstverlening volgens type actor (2007-2013) .................................................................. 82 Figuur 33 Absolute en procentuele verdeling van het aantal goedgekeurde Leaderprojecten over de verschillende maatregelen van de gebiedsgerichte werking van As 3 (2007-2013) ....................................... 84 Figuur 34 Absolute en procentuele verdeling van het aantal goedgekeurde Leaderprojecten over de verschillende maatregelen van de gebiedsgerichte werking van As 3 (2013) ............................................... 84 Figuur 35 Absolute en procentuele verdeling van de activiteiten rond Werking Plaatselijke Groepen per categorie in 2013 .............................................................................................................................................. 88 Figuur 36 Aantal goedgekeurde aanvragen (absoluut en procentueel) voor investeringen die onder de Health Check-prioriteiten vallen, onderverdeeld per prioriteit (hoofdletters) en actie (kleine letters) (2010-2013) ..... 90 Figuur 37 Absolute (euro) en procentuele verdeling van het totale investeringsvolume van de goedgekeurde aanvragen voor investeringen onder de Health Check-prioriteiten, onderverdeeld per prioriteit (hoofdletters) en actie (kleine letters) (2010-2013) .......................................................................................................... 91

95


TABELLEN Tabel 1 Overzicht betalingen technische bijstand 2013 ............................................................................. 10 Tabel 2 Publieke (Europese + Vlaamse) uitgaven 2007-2013 per As tegenover de geplande uitgaven PDPO II, inclusief top-up, Health Check en Economisch Herstelplan ........................................................................ 20 Tabel 3 Overzicht van de uitgaven (euro) in de periode 2007-2013 in verhouding tot de vooropgestelde uitgaven voor de programmaperiode PDPO II. Top-up is niet opgenomen. De bestede en geplande overheidsuitgaven zijn inclusief Health Check en Economisch Herstelplan ................................................... 26 Tabel 4 Overzicht van de top-up overheidsuitgaven, inclusief de maatregelen binnen Health Check en Economisch Herstelplan ........................................................................................................................ 30 Tabel 5 Overzicht van de uitgaven (euro) binnen het Health Check-programma en het Economisch Herstelplan in de periode 2010-2013 in verhouding tot de vooropgestelde uitgaven. Top-up is niet meegenomen. ........... 31 Tabel 6 Overzicht van de top-up uitgaven binnen het Health Check-programma en het Economisch Herstelplan in 2010-2013 ...................................................................................................................................... 31 Tabel 7 Aantal deelnemers, aantal vormingsdagen en overheidsuitgaven voor cursussen en stages in 2013.... 33 Tabel 8 Leeftijd en geslacht van (unieke) deelnemers aan cursussen en stages 2007-2013 ........................... 34 Tabel 9 Aantal deelnemers, aantal vormingsdagen en overheidsuitgaven voor korte vorming in 2013 ............ 35 Tabel 10 Monitoring output- en resultaatindicatoren maatregel 111-A Opleiding .......................................... 36 Tabel 11 Monitoring output- en resultaatindicatoren maatregel 111-C Sensibiliseringsprojecten duurzame landbouw............................................................................................................................................ 38 Tabel 12 Monitoring output- en resultaatindicatoren maatregel 112 Vestigingssteun .................................... 40 Tabel 13 Monitoring output- en resultaatindicator maatregel 114 Bedrijfsadviessysteem .............................. 41 Tabel 14 Lijst van investeringen die beschouwd worden als nieuwe techniek of nieuw product ...................... 44 Tabel 15 Monitoring output- en resultaatindicatoren maatregel 121 Investeringen in landbouwbedrijven ........ 45 Tabel 16 Monitoring maatregel 123 Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten .. 47 Tabel 17 Monitoring maatregel 132 Deelname door landbouwers aan voedselkwaliteitsregelingen ................. 48 Tabel 18 Monitoring maatregel 133 Voorlichting en afzetbevordering van Vlaamse producten erkend als BOB/BGA/GTS ..................................................................................................................................... 49 Tabel 19 Monitoring outputindicatoren maatregel 212/213 Vergoeding Natuur (PDPO I en PDPO II samen, gebaseerd op uitbetaling volgens budgetposten) ..................................................................................... 51 Tabel 20 Monitoring resultaatindicatoren maatregel 212 Vergoeding Natuur buiten Natura 2000 (PDPO I en PDPO II samen, gebaseerd op GIS-analyse)............................................................................................ 52 Tabel 21 Monitoring resultaatindicatoren maatregel 213 Vergoeding Natuur binnen Natura 2000 (PDPO I en PDPO II samen, gebaseerd op GIS-analyse)............................................................................................ 52 Tabel 22 Monitoring outputindicatoren maatregel 214-C Behoud van met uitsterven bedreigde lokale veerassen en variĂŤteiten van hoogstamboomgaarden.............................................................................................. 53 Tabel 23 Overlap van agromilieumaatregelen met Natura 2000-gebied (2013) ............................................ 63 Tabel 24 Overlap van agromilieumaatregelen met VEN-gebied (2013)........................................................ 63 Tabel 25 Unieke oppervlakte agromilieumaatregelen in Natura 2000- en VEN-gebied (2013) ........................ 64 Tabel 26 Monitoring outputindicatoren maatregel 214 Agromilieumaatregelen ............................................. 65 Tabel 27 Monitoring resultaatindicatoren maatregel 214 Agromilieumaatregelen.......................................... 67 Tabel 28 Monitoring outputindicatoren maatregel 216 Inrichtingsmaatregelen door landbouwers in het kader van kaderrichtlijn water ........................................................................................................................ 68 Tabel 29 Monitoring resultaatindicatoren maatregel 216 Inrichtingsmaatregelen door landbouwers in het kader van kaderrichtlijn water ........................................................................................................................ 68 Tabel 30 Monitoring outputindicatoren maatregel 221 Bebossing van landbouwgrond................................... 69 Tabel 31 Monitoring resultaatindicatoren maatregel 221 Bebossing van landbouwgrond ............................... 69 Tabel 32 Monitoring outputindicatoren maatregel 222 Eerste totstandbrenging van boslandbouwsystemen op landbouwgrond ................................................................................................................................... 70 Tabel 33 Monitoring resultaatindicatoren maatregel 222 Eerste totstandbrenging van boslandbouwsystemen .. 70 Tabel 34 Monitoring outputindicatoren maatregel 227 Niet-productieve investeringen in bossen .................... 71 Tabel 35 Monitoring resultaatindicatoren maatregel 227 Niet-productieve investeringen in bossen ................. 71

96


Tabel 36 Monitoring maatregel 311 Investeringen met betrekking tot diversificatie van landbouwactiviteiten .. 74 Tabel 37 Monitoring maatregel 313 Bevordering van toeristische activiteiten .............................................. 77 Tabel 38 Monitoring maatregel 321 Basisvoorzieningen voor de economie en plattelandsontwikkeling (exclusief submaatregel 321B) ............................................................................................................................ 78 Tabel 39 Monitoring maatregel 321B Ontwikkeling van de paardenhouderij als economische drager op het platteland ........................................................................................................................................... 78 Tabel 40 Monitoring maatregel 322 Dorpskernvernieuwing en -ontwikkeling ............................................... 79 Tabel 41 Monitoring maatregel 323 Instandhouding en opwaardering landelijk erfgoed ................................ 80 Tabel 42 Monitoring maatregel 331 Intermediaire dienstverlening ............................................................. 82 Tabel 43 Monitoring maatregel 413 Lokale ontwikkelingsstrategieĂŤn leefkwaliteit / diversificatie .................... 85 Tabel 44 Monitoring maatregel 421 Samenwerkingsprojecten met andere plattelandsgebieden ..................... 87 Tabel 45 Monitoring maatregel 431 Werking Plaatselijke Groepen .............................................................. 88 Tabel 46 Monitoring maatregel 121 Investeringen in landbouwbedrijven onder Health Check ........................ 90 Tabel 47 Monitoring maatregel 123 Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en tuinbouwproducten onder Health Check ............................................................................................................................. 91 Tabel 48 Monitoring maatregel 214 Agromilieumaatregelen onder Health Check-programma ........................ 92 Tabel 49 Monitoring maatregel 311 Investeringen met betrekking tot diversificatie van landbouwactiviteiten onder Health Check-programma ............................................................................................................ 93

97


BRONNEN Departement Landbouw en Visserij (2008) Programma voor Plattelandsontwikkeling in Vlaanderen (PDPO), 2007-2013 http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?fid=72 . Dumez L. & Van Zeebroeck M. (2011) Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling 2007-2013, Jaarverslag 2010, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Dumez L. & Van Zeebroeck M. (2012) Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling 2007-2013, Jaarverslag 2011, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. European Commission (2009) Common indicators for monitoring and evaluation of rural development programmes 2007-2013. Part I: Explanatory guidelines; Part II: Common indicator tables. Europese Commissie (2006) Handboek voor een gemeenschappelijk toezicht- en evaluatiekader. Richtsnoer en bijlagen http://ec.europa.eu/agriculture/rurdev/eval/index_en.htm. IDEA Consult, UGent, Soresma & VUB (2010) Mid term evaluatie van het Vlaams Programadocument voor Plattelandsontwikkeling 2007-2013, Brussel http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=2046. Strategisch Monitoringsrapport voor BelgiĂŤ, http://lv.vlaanderen.be/nlapps/data/docattachments/20121008_strategisch_monitoringsverslag.pdf.

2012

Strubbe D., Verschelde P., Hens M., Wils C., Bauwens D., Dermout M. & De Bruyn L. (2010) Impact van PDPO II-maatregelen op de biodiversiteit. Studie uitgevoerd door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) in opdracht van het Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Van Zeebroeck M., Carels K. & Samborski V. (2008) Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling 20072013, Jaarverslag 2007, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Van Zeebroeck M., Carels K. & Samborski V. (2009) Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling 20072013, Jaarverslag 2008, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Van Zeebroeck M. & Maertens E. (2010) Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling 2007-2013, Jaarverslag 2009, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel.

98


AFKORTINGEN ADLO AEA ALBON ALV AMM AMS ANB AOSB BAS BGA BO BOB BrTW CCEP EENRD ELFPO EU FADN FOD GIS GLB GPS GTEK GTS GVE Ha HNVF ICT INBO IPM KMO LAG Leader LFA LMN MAP MIB NA NP PDPO PG PMC SFC SI UGent VEN VLIF VLM VMM WKK

afdeling duurzame landbouwontwikkeling ammoniakemissiearm afdeling land- en bodembescherming, ondergrond, natuurlijke rijkdommen agentschap voor landbouw en visserij agromilieumaatregel afdeling monitoring en studie agentschap natuur en bos afdeling organisatie en strategisch beleid bedrijfsadviessysteem beschermde geografische oorsprong beheerovereenkomst beschermde oorsprongsbenaming bruto toegevoegde waarde coördinerende cel Europees plattelandsbeleid European evaluation network for rural development Europees landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling Europese Unie farm accountancy data network federale overheidsdienst geografisch informatiesysteem gemeenschappelijk landbouwbeleid global positioning system gemeenschappelijk toezichts- en evaluatiekader gegarandeerde traditionele specialiteit grootvee-eenheid hectare high nature value farming information and communications technology instituut voor natuur- en bosonderzoek geïntegreerde productiemethode kleine en middelgrote ondernemingen lokale actiegroep liaisons entre actions de développement de l’Economie Rurale less favoured areas landbouwmonitoringsnetwerk mestactieplan afdeling markt- en inkomensbeheer not available not applicable programmeringsdocument voor plattelandsontwikkeling plaatselijke groep provinciaal management comité structural funds common system afdeling structuur en investeringen Universiteit Gent Vlaams ecologisch netwerk Vlaams landbouwinvesteringsfonds Vlaamse landmaatschappij Vlaamse milieumaatschappij warmtekrachtkoppeling

99


CONTACTPERSONEN Coördinerende Cel Europees Plattelandsbeleid (CCEP) Patricia De Clercq Els Soenen Belinda Cloet Nele Vanslembrouck Vlaams Betaalorgaan Kris Heyse Leden van het Uitvoeringscomité PDPO II Stemgerechtigde effectieve leden Jules Van Liefferinghe (voorzitter) Patricia De Clercq (secretariaat) Els Soenen Johan Verstrynge Koen Wellemans Jos De Smedt Lieven Van Waes Luc Uytdewilligen Daniël De Laender Bert Van Wambeke Nadine Vantomme Martine Swerts Tom Neels Stemgerechtigde plaatsvervangende leden Belinda Cloet (secretariaat) Jean Steenberghen Hilde Villé Anja Bockstal Katleen Butaye Johan De Schrijver Rudy Geerts Anneleen Vandenberghe Davy De Dobbeleer Petra Deproost Carl De Schepper Bijkomende effectieve leden Linn Dumez Stéphane Desmet Nele Vanslembrouck Daniël Ketels Hendrik De Vriese Bijkomende plaatsvervangende leden Dirk Van Gijseghem Kris Heyse Anita Dumon

100


Afdeling Monitoring en Studie Dirk Van Gijseghem Linn Dumez Michael Van Zeebroeck

101


BIJLAGEN BIJLAGE 1: LIJST AANGEPASTE STREEFDOELEN Hieronder volgt de lijst met streefdoelen die in de loop van de programmaperiode werden aangepast. In het Jaarverslag van een bepaald jaar wordt telkens bij de maatregel zelf het probleem met het streefdoel omschreven en wordt een nieuw streefdoel voorgesteld. Het nieuwe streefdoel vervangt in het Jaarverslag van het volgende jaar automatisch het oude. De aanpassingen van de streefdoelen worden ook telkens gemeld aan de Europese Commissie via de procedures voor wijziging van het programmadocument en de nationale strategie. Monitoringjaar vaststelling probleem streefdoel

Maatregelnummer

Oorspronkelijke waarden

2007

111A

1) Totaal aantal opleiding: 32.669

dagen

Nieuwe waarden

Verantwoording

1) 519.750

1) Er werd bij opmaak target niet vermenigvuldigd met het aantal deelnemers.

2) 34.000

2) Slaagpercentage voor korte vorming 100% (geleerde vaardigheden in praktijk brengen) i.p.v 80%.

1) 14

Targets moeten aangepast worden daar maatregel in uiteindelijk programmadocument een uitdovend karakter heeft gekregen.

2) Aantal unieke deelnemers die succesvol een opleiding gevolgd hebben: 28.000 2007

111D

1) Aantal deelnemers: 490

unieke

2) Totaal aantal opleiding voor deelnemers: 420

dagen alle

2) 14 3) 14

3) Aantal unieke deelnemers die succesvol

102


een opleiding hebben= 3

gevolgd

2007

114

Aantal gesteunde landbouwers: 11.900

18.634

De beheersdienst heeft vastgesteld dat de target van 11.900 gesteunde landbouwers enkel slaat op de bedrijfsadviessystemen conform EG 1782/2003 en niet op de landbouwers die uitbetaald worden voor de milieumodule en bedrijfsleidingadvies. Om deze reden werd een nieuwe target voor het â&#x20AC;&#x153;aantal gesteunde landbouwersâ&#x20AC;? voorgesteld, die bestaat uit de som van de target voor bedrijfsadviessystemen (11.900), bedrijfsleidingadvies (2.367) en milieumodule (4.367): 18.634.

2008

111A

Aantal deelnemers uniek): NA

(niet-

1.200.000

Doelstelling werd bepaald op basis gegevens 2007-2008.

2008

111C

Aantal deelnemers uniek): NA

(niet-

106.000

Doelstelling werd bepaald op basis gegevens 2007-2008.

2008

111D

Aantal deelnemers uniek): NA

(niet-

17

Doelstelling werd bepaald op basis gegevens 2007-2008.

2008

121

Stijging bruto toegevoegde waarde: 0%

10%

Deze nieuwe inschatting is gebaseerd op FADN data van de periode 2000-2006.

2008

123A

Stijging van de bruto toegevoegde waarde: 20 %

155.000.000 euro

Deze doelstelling is tot stand gekomen op basis van informatie aangaande BrTW van agrovoedingsbedrijven die steun gekregen hebben tijdens PDPO 2000-2006 (zie ex post evaluatie PDPO 2000-2006) te koppelen aan de outputindicatoren voor maatregel 123 voor PDPO 2007-2013.

2008

123A

Totale investeringsvolume: 1.015.000.000

414.000.000 euro

Oorspronkelijke target werd opgemaakt op basis van een onrealistisch ingeschat budget.

2008

132

Waarde van landbouwproductie kwaliteitslabel: stijging per jaar

344.000.000 euro

Omzet bio-sector (zonder producenten en import): 289,3 miljoen euro in 2006. Stijging van 2,5% per jaar, dus omzet eind 2013: 344 miljoen euro.

de onder 2,5%

103


2008

214K

Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt: 13.977 ha

243 ha

Vanaf M2008 is het niet meer mogelijk het areaal kleine landschapselementen te koppelen aan de percelen. De nieuwe doelstelling geeft enkel de oppervlakte van de kleine landschapselementen op zich aan.

2008

214P

1) Totale areaal dat agromilieusteun ontvangt: 203 ha

1) 1.600 ha

De doelstellingen van subpakket “beweiding zonder beperking van weidedatum” (BO Natuur) werden toegevoegd

2) 664

2) Aantal contracten: 74 2008

311

Stijging niet-landbouw bruto toegevoegde waarde: 0%

10%

Deze nieuwe inschatting is gebaseerd op FADN data van de periode 2000-2006.

2008

321

1) Bevolking die voordeel haalt uit een verbeterde dienstverlening: NA

1) 60.000

Schatting op basis van preliminaire gegevens M2007 en M2008.

2) 2000

2) Bevolking toegang tot internet: NA 2008

331

Aantal deelnemers die succesvol een trainingssessie beëindigd hebben: NA

500

Schatting op basis van preliminaire gegevens M2007 en M2008.

2008

413

Aantal 200.000

700

Verkeerde interpretatie van begunstigden bij opstelling target

2008

431

Aantal 250

1.700

Te enge interpretatie van het aantal acties bij het opstellen van de target

2011

212

Area under successful land management contributing to bio diversity and high nature value

2.445,3 ha

Oorspronkelijk stond er verkeerdelijk “0” als streefwaarde. Nu bijgesteld op basis van de streefwaarde voor de outputindicator.

begunstigden:

gesteunde

acties:

104


farming/forestry: 0 ha 2011

313

1) Aantal gesteunde nieuwe toeristische acties: 182

1) 55

Geen goede inschatting (gebaseerd op cijfers uit monitoringjaar 2007)

2) 181.000

2) Bijkomend aantal toeristische bezoeken: 16.000 2011

321

1) Aantal gesteunde acties: 147

1) 46

Geen goede inschatting (gebaseerd op cijfers uit monitoringjaar 2007)

2) 10.400 2) Toename internetgebruik gebied: 2.000

van het in ruraal

3) 1.340.000

3) Aantal inwoners in ruraal gebied die van de basisvoorziening genieten: 60.000 2011

331

1) Aantal deelnemende economische actoren aan gesteunde activiteiten (niet-uniek): 70

1) 78.800

Verkeerde interpretatie van de indicatoren bij het opstellen van de targets

2) 64.000 3) 81.500

2) Aantal dagen opleiding voor alle deelnemers: 210 3) Aantal unieke deelnemers die met vrucht de opleidingsactiviteit volbrachten: 500 2012

121

Investeringsvolume:

1.500.000.000 euro

Wijziging van het financieel plan + gemiddeld hoger investeringsvolume per dossier

105


1.295.000.000 euro 2012

123-A

Investeringsvolume: 335.000.000 euro

dan aanvankelijk ingeschat 225.000.000 euro

Wijziging financieel plan omdat voorziene budget te hoog was ingeschat, onder andere als gevolg van de financieel-economische crisis

200 Aantal begunstigden: 250 2012

311

Investeringsvolume: 100.000.000 euro

110.000.000 euro

Wijziging van het financieel plan + gemiddeld hoger investeringsvolume per dossier dan aanvankelijk ingeschat

2013

212

1)

Totaal aantal begunstigden: 2.482 ha Totaal areaal dat steun ontvangt: 5.148 ha

1) 2)

1.000 ha 1.500 ha

Bijstelling streefwaarden in functie van de werkelijke realisaties van de maatregel

Totaal aantal begunstigden: 1.200 Totaal investeringsvolume: 560.064 euro

1) 2)

7 411.970 euro

De streefwaarden zijn bijgesteld in functie van de werkelijke realisaties. De begunstigden zijn waterbeheerders of lokale/regionale landbouworganisaties. Bij de oorspronkelijke inschatting van het aantal begunstigden werden ook individuele landbouwers meegeteld. Individuele landbouwers zijn wel betrokken, maar worden nu niet meegeteld als begunstigde.

Totaal aantal begunstigden: 75 Totaal areaal dat steun ontvangt: 250 ha

1) 2)

20 35 ha

Bijstelling streefwaarden in functie van de werkelijke realisaties van de maatregel

Aantal gesteunde nieuwe toeristische acties: 55 Totaal investeringsvolume: 8.190.000 euro

1) 2)

60 11.000.000 euro

Bij opmaak van het programma kon niet voorzien worden welke maatregelen van As 3 gebiedsgerichte werking de meeste, kwaliteitsvolle projecten zouden opleveren. Nu worden de streefwaarden bijgesteld op basis van de opgedane ervaring.

9.000.000 euro

Bij opmaak van het programma kon niet voorzien worden welke maatregelen van As 3 gebiedsgerichte werking de meeste, kwaliteitsvolle projecten zouden opleveren. Nu worden de streefwaarden bijgesteld op basis van de opgedane ervaring.

2)

2013

216

1) 2)

2013

222

1) 2)

2013

313

1)

2)

2013

321A

Totaal investeringsvolume: 14.700.000 euro

Het investeringsvolume voor maatregel 321 is bij het begin overschat, omdat er initieel

106


is van uitgegaan dat heel wat projecten met een verlaagd cofinancieringspercentage zouden worden uitgevoerd. Bijvoorbeeld 30% ipv 65% subsidie. Tijdens de looptijd is gebleken dat iedere provincie voor deze maatregel een cofinancieringspercentage van 65 % heeft toegepast en daardoor is het investeringsvolume te hoog ingeschat geweest bij deze maatregel. 2013

321B

1) 2)

2013

322

1)

2)

2013

323A

1) 2)

2013

331B

1) 2)

2013

413

1)

2)

Aantal gesteunde acties: 10 Totaal investeringsvolume: 1.410.000 euro

1) 2)

10 30.000 euro

Bij opmaak van het programma kon niet voorzien worden welke maatregelen van As 3 gebiedsgerichte werking de meeste, kwaliteitsvolle projecten zouden opleveren. Nu worden de streefwaarden bijgesteld op basis van de opgedane ervaring.

Aantal dorpen waar acties plaatsvinden: 112 Totaal investeringsvolume: 15.225.000 euro

1) 2)

60 17.500.000 euro

Bij opmaak van het programma kon niet voorzien worden welke maatregelen van As 3 gebiedsgerichte werking de meeste, kwaliteitsvolle projecten zouden opleveren. Nu worden de streefwaarden bijgesteld op basis van de opgedane ervaring.

Aantal gesteunde acties: 182 Totaal investeringsvolume: 5.460.000 euro

1) 2)

82 12.000.000 euro

Bij opmaak van het programma kon niet voorzien worden welke maatregelen van As 3 gebiedsgerichte werking de meeste, kwaliteitsvolle projecten zouden opleveren. Nu worden de streefwaarden bijgesteld op basis van de opgedane ervaring.

Aantal gesteunde acties: 30 Totaal investeringsvolume: 90.000 euro

1) 2)

1 30.000 euro

Bij opmaak van het programma kon niet voorzien worden welke maatregelen van As 3 gebiedsgerichte werking de meeste, kwaliteitsvolle projecten zouden opleveren. Nu worden de streefwaarden bijgesteld op basis van de opgedane ervaring.

Aantal projecten gesteund door de PGâ&#x20AC;&#x2122;s: 500 Aantal gesteunde begunstigden: 700

1) 2)

550 850

Het budget voor deze maatregel wordt verhoogd.

Bij deze maatregel zijn er heel wat grote projecten ingediend, die maar voor een klein onderdeel cofinanciering hebben aangevraagd. Daardoor is de initiĂŤle inschatting van het investeringsvolume bij de opmaak van PDPO II te laag geweest.

107


BIJLAGE 2: TIJDSREEKSEN AGROMILIEUMAATREGELEN Tabel A: Overzicht van de oppervlakte (ha) van de verschillende agromilieumaatregelen (kalenderjaren 2000-2013)

AREAAL (ha) Mechanische onkruidbestrijding

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

151

1.298

2.033

2.627

4.966

5.973

6.207

6.191

5.969

4.616

3.931

3.877

3.485

3.170

Verwarringstechniek

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

7.485

7.866

8.006

8.145

Hoogstamboomgaarden

0

0

0

0

0

232

388

482

567

649

646

677

1.278

1.068

Vlinderbloemigen

0

0

0

0

1.057

3.018

4.766

5.751

6.472

5.902

5.364

5.057

4.660

4.462

375

344

668

767

748

748

1.102

920

965

1.133

1.232

1.192

1.264

1.331

1.350

1.584

1.839

2.861

2.735

2.689

2.645

2.704

2.674

2.795

3.270

3.569

3.943

4.099

35

89

210

308

370

530

1.222

1.204

1.280

1.395

1.266

653

1.192

1.245

165

251

443

499

620

816

961

732

728

774

601

953

1.213

1.293

0

0

0

0

0

920

1.736

2.091

2.469

3.241

3.427

3.455

4.797

5.051

17.526

29.665

32.019

30.709

27.210

27.800

29.300

29.384

28.385

28.135

28.013

22.847

16.875

17.900

426

1.183

4.437

5.602

6.486

7.158

7.392

4.634

118

129

124

120

163

180

Groenbedekking

5.655

27.132

34.330

39.582

68.275

72.103

78.031

75.958

71.339

16.096

5.323

0

0

0

Hectaresteun geĂŻntegreerd pitfruit

5.157

8.478

9.408

10.058

6.749

4.941

888

396

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

17

81

203

201

197

197

156

0

0

0

1.372

1.597

1.726

1.934

2.130

2.628

1.397

1.403

1.216

987

869

0

0

0

Milieuvriendelijke sierteelt Hectaresteun bio-landbouw BO perceelsrandenbeheer BO soortenbescherming BO erosiebestrijding BO water BO kleine landschapselementen

BO botanisch beheer BO natuur Steun biovarkens

0

0

6

6

6

6

6

6

0

0

0

0

0

0

TOTAAL AREAAL

32.212

71.621

87.119

94.953

121.369

129.643

136.244

132.057

122.379

66.049

61.707

50.266

46.876

47.944

RAMING UNIEK AREAAL

29.554

65.711

79.930

87.117

111.354

118.945

125.001

121.513

119.555

64.898

60.085

50.066

46.968

47.114

108


Tabel B: Overzicht van het aantal lopende contracten van de verschillende agromilieumaatregelen (kalenderjaren 2000-2013)

AANTAL LOPENDE CONTRACTEN 2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

22

177

298

424

892

989

1.068

1.365

1.422

980

862

807

692

634

Verwarringstechniek

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

586

611

610

589

Hoogstamboomgaarden

0

0

0

0

0

515

854

1.133

1.385

1.641

1.694

1.494

1.363

1.350

321

443

533

550

332

390

267

285

266

276

292

292

260

267

0

0

0

0

379

1.005

1.594

1.894

2.053

1.780

1.378

1.007

924

875

Milieuvriendelijke sierteelt

90

71

109

131

107

107

134

127

144

139

150

139

140

138

Hectaresteun biolandbouw

88

100

101

175

173

173

174

205

201

208

223

239

278

283

BO perceelsrandenbeheer

51

141

280

446

430

715

1.130

871

1.068

1.153

1.162

863

1.217

1.248

BO soortenbescherming

28

46

94

114

123

190

163

128

128

171

228

349

445

485

0

0

0

0

0

127

579

486

608

788

855

710

905

959

1.551

3.077

3.385

3.429

3.260

3.760

2.048

1.707

1.609

1.726

1.522

1.204

911

949

71

186

415

607

664

916

914

713

946

1.171

1.303

1.410

1.733

1.894

Groenbedekking

971

3.310

4.238

3.906

7.534

7.910

8.378

8.211

7.929

1.995

731

0

0

0

Hectaresteun geĂŻntegreerd pitfruit

336

599

656

715

473

344

87

46

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

10

33

76

73

71

71

50

0

0

0

590

731

789

874

929

1.150

588

521

449

400

355

0

0

0

0

0

2

2

2

2

2

2

0

0

0

0

0

0

4.119

8.881

10.900

11.373

15.308

18.326

18.056

17.767

18.279

12.499

11.391

9.125

9.478

9.671

Mechanische onkruidbestrijding

Lokale veerassen Vlinderbloemigen

BO erosiebestrijding BO water BO kleine landschapselementen

BO botanisch beheer BO natuur Steun biovarkens TOTAAL AANTAL CONTRACTEN

109


Tabel C: Overzicht van de uitgaven voor de verschillende agromilieumaatregelen in kalenderjaren 2007-2013

TOTALE UITGAVEN (euro) Mechanische onkruidbestrijding Verwarringstechniek Hoogstamboomgaarden/lokale veerassen Vlinderbloemigen Milieuvriendelijke sierteelt Hectaresteun bio-landbouw BO perceelsrandenbeheer

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

640.001

868.509

891.320

844.631

842.121

854.349

650.437

0

0

0

0

1.843.797

1.846.731

1.884.212

447.204

475.925

475.324

573.694

527.938

577.763

578.100

2.676.688

2.869.552

2.920.275

2.415.314

1.755.572

1.289.210

1.156.926

0

502.253

248.796

278.323

250.662

236.369

262.747

737.049

700.457

656.181

702.601

907.367

956.861

986.462

1.135.059

1.788.610

2.428.095

1.865.143

2.092.491

976.696

1.751.109

BO soortenbescherming

188.506

170.941

168.786

192.333

295.680

756.697

988.595

BO erosiebestrijding

592.251

755.311

1.013.522

1.064.526

1.054.064

959.951

1.146.493

9.080.486

11.280.901

13.408.873

11.159.394

9.767.822

7.182.466

6.373.206

204.183

209.573

401.153

507.498

791.978

1.018.697

1.277.881

3.770.582

3.676.221

3.444.518

778.750

232.441

-3.827

-1.026

Hectaresteun geĂŻntegreerd pitfruit

84.596

27.514

0

0

0

0

0

BO botanisch beheer incl BO natuur

364.879

545.240

665.790

398.179

196.861

-987

-1.190

4.974

0

0

0

0

0

0

19.926.458

23.871.007

26.722.634

20.780.385

20.558.795

16.650.976

17.053.954

BO water BO Kleine landschapselementen Groenbedekking

Steun biovarkens TOTALE UITGAVEN

110


BIJLAGE 3: INDICATORENTABELLEN Europese tabellen met gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren voor het toezicht op en de evaluatie van de programmaâ&#x20AC;&#x2122;s voor plattelandsontwikkeling.

111


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
PDPO-jaarverslag 2013 def.pdf by Vlaanderen-be - Issuu