Skip to main content

het eindrapport.pdf

Page 1

RUILVERKAVELINGSPROJECT WEELDE

Uitvoering Monitoringprogramma Module Avifauna, jaar ‘+2’ (2006)

Vlaamse Landmaatschappij, Provinciale afdeling Antwerpen Stijn Leestmans & Tom Vermeulen (2007)


Inhoudstafel Inhoudstafel ___________________________________________________________ - 2 Inleiding_______________________________________________________________ - 3 Hoofdstuk I. Resultaten Monitoring 2006 (t=2) _______________________________ - 4 I.1 Territoriumkartering __________________________________________________ - 4 I.2 Territoriumgegevens _________________________________________________ - 4 I.2 Overzicht maatregelen binnen Maatregelen tot Landinrichting _________________ - 5 I.3 Beheermaatregelen__________________________________________________ - 5 Hoofdstuk II. Vergelijking resultaten 2001 (t= -1) en 2006 (t= 2) _________________ - 8 II.1

Bespreking per soort _____________________________________________ - 8 -

II.2

Bespreking per ecologische soortengroep ____________________________ - 10 -

III. Referenties_________________________________________________________ - 12 IV Kaartmateriaal ______________________________________________________ - 13 V Leeswijzer __________________________________________________________ - 13 -

-2-


Inleiding Dit rapport behandelt de situatie van de avifauna binnen het ruilverkavelingsproject Weelde 2 jaar (T = 2) na de uitvoering van de werken op basis van gegevens verzameld in 2006. De monitoring van de avifauna, met de nadruk op weidevogels, kadert binnen een algeheel monitoringsprogramma, waar naast vogels ook de herpetofauna en vegetatie worden opgevolgd. Dit conform de ministeriële richtlijn van 14 maart 2000 betreffende de implementatie van de methodiek voor het optimaliseren en meetbaar maken van de ecologische inbreng in de ruilverkaveling, in toepassing van de studie van het Instituut voor Natuurbehoud en van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Het monitoringsprogramma werd goedgekeurd door de minister op 22 februari 2002. Voor informatie omtrent de monitoring van overige modules wordt naar dat rapport verwezen (zie III. Referenties). Voor een uitvoerige beschrijving van het projectgebied wordt verwezen naar rapport ‘Ruilverkavelingsproject Weelde. Uitvoering monitoringsprogramma Avifauna, jaar -1 (2001)’. De uitvoering van de ruilverkavelingswerken besloeg de jaren 2002, 2003 en 2004 en startte in het voorjaar van 2002. De avifauna werd voor het eerst beschreven bij het vastleggen van de uitgangssituatie in 2001 (T=-1) door Stijn Leestmans, ambtenaar bij de Vlaamse Landmaatschappij, Afdeling Provincie Antwerpen. Voor de algemene informatie over monitoring avifauna, definities en gebruikte methodes wordt dan ook naar bovenvermeld rapport verwezen. Het rapport is opgebouwd als volgt: Hoofdstuk I: beschrijving van de monitoringsresultaten, zoals opgenomen in 2006. Ook het gevoerde beheer over de verschillende jaren wordt kort beschreven. Hoofdstuk II: omvat een summiere vergelijking van de resultaten van T= -1 en T= 2.

-3-


Hoofdstuk I. Resultaten Monitoring 2006 (t=2) I.1 Territoriumkartering De inventarisatie werd uitgevoerd door middel van een uitgebreide territoriumkartering, gebaseerd op de methode van Hustings et al., 1989. In totaal werden er 5 inventarisatierondes afgewerkt. Voor de gedetailleerde werkwijze wordt verwezen naar ‘Ruilverkavelingsproject Weelde. Uitvoering monitoringsprogramma Avifauna, jaar -1 (2001)’. Inventarisatieronde 1 2 3 4 5

Datum 07.04.2006 25.04.2006 05.05.2006 27.05.2006 08.06.2006

Weer Licht bewolkt, droog, normale temperatuur Helder, zonnig, warm Licht bewolkt, buien, normale temperatuur Licht bewolkt, buien, normale temperatuur Droog, licht bewolkt, normale temperatuur

Tabel I.1: Overzicht inventarisatieronden

Ten opzichte van de inventarisatie in het uitgangsjaar 2001 werd er dit jaar 1 ronde minder afgewerkt. Wel werd er nu met een zekere regelmaat geïnventariseerd (om de 14 dagen), waardoor de gegevens over een langere termijn gespreid werden. I.2 Territoriumgegevens Alle individuele waarnemingen werden geïnterpreteerd (volgens methode van Hustings et al., 1989) door S. Leestmans. Dit resulteerde in een overzicht van de waargenomen territoria per soort (zie tabel I.2). De gegevens worden ruimtelijk weergegeven in de bijgevoegde kaarten (van 2 t/m 8). Soort

Aantal territoria

Rode Lijst-status bedreigd bedreigd

Momenteel niet blauwborst 4 Momenteel niet bergeend 1 Kwetsbaar boomleeuwerik 2 Momenteel niet boompieper 8 Momenteel niet fitis 2 Momenteel niet gele kwik 4 Momenteel niet grasmus 8 Bedreigd graspieper 11 Momenteel niet grutto 6 Momenteel niet heggenmus 4 Momenteel niet kievit 78 Momenteel niet kneu 3 Momenteel niet kwartel 1 Kwetsbaar patrijs 4 Momenteel niet roodborsttapuit 4 Bedreigd rietgors 4 Momenteel niet wulp 6 Momenteel niet scholekster 4 Kwetsbaar veldleeuwerik 10 Momenteel niet wilde eend 3 Momenteel niet zwarte roodstaart 1 Tabel I.2: Overzicht territoria broedvogels binnen ruilverkaveling Weelde

bedreigd bedreigd bedreigd bedreigd bedreigd bedreigd bedreigd bedreigd bedreigd bedreigd bedreigd bedreigd bedreigd bedreigd

-4-


Volgende soorten werden eveneens waargenomen: bosruiter, dodaars, kemphaan, kleine plevier, kuifeend, morinelplevier, regenwulp, slobeend, smient, tapuit, tureluur, watersnip, wintertaling en witgatje. Er werd echter geen broed- en/of territoriaal gedrag vastgesteld. Ten opzichte van de monitoring in 2001 werden 2 nieuwe doelsoorten waargenomen, nl. boomleeuwerik en grasmus. Hieronder wordt een korte soortbespreking gegeven. Boomleeuwerik Inventarisatie: Geldige waarneming: Opmerkingen: Ecologische vogelgroep: Rode lijst-categorie: Grasmus Inventarisatie: Geldige waarneming: Opmerkingen: Ecologische vogelgroep: Rode lijst-categorie:

Territoriumkartering Zang Geelgors-groep Kwetsbaar Territoriumkartering zang en alarmerende vogels Roodborsttapuit-groep Momenteel niet bedreigd

Voor een beschrijving van de overige soorten wordt verwezen naar het rapport ‘Ruiverkaveling Weelde: Uitvoering Monitoringprogramma, Avifauna jaar -1, 2001. I.2 Overzicht maatregelen binnen Maatregelen tot Landinrichting Op kaart 1 worden de maatregelen tot landinrichting weergegeven waar werken werden uitgevoerd in het kader van natuur. In totaal werden er 3 grote natuurbouwzones gerealiseerd. De zone ‘Vlasroot-Flaasheide’ (zo’n 38 ha), waarvan een 22 ha bestaat uit natte graslanden en lokale depressies, aansluitend op arme drogere zandgronden (ten dele bebost). Binnen deze zone werden maatregelen getroffen ten behoeve van weidevogels. Een bestaande depressie (slenk) werd uitgediept en er werd een nieuwe gegraven. Op de hogere zandrug werd een dennenbos gerooid en de strooisellaag werd afgeplagd. De combinatie van natte graslanden, heischrale vegetatie en bosranden zorgen voor een gevarieerd open biotoop. In de zone ’Litse hei’ (7 ha) werd de nadruk vooral gelegd op het vegetatiekundig aspect. Het perceel, gelegen in de vallei van de Ossevenloop, heeft nog een uitgesproken gradiënt van droog naar zeer nat. De laatste grote zone ‘Eindegoor-Bloksgoor’ vormt een grensoverschrijdend natuurgebied aan de Nederlandse kant (landinrichtingsproject Baarle-Nassau). Ook hier werden maatregelen getroffen die de weidevogels een permanent refugium moeten bieden. Bestaande depressies werden verdiept, diepe sloten kregen zeer zwakhellende oevers. In de natte, veengronden werden de opschietende wilgen en berken gekapt (met behoud van een aantal grotere wilgen ten behoeve van o.a. blauwborst). I.3 Beheermaatregelen In tabel I.3 wordt een overzicht gegeven van de door het Agentschap voor Natuur en Bos genomen beheermaatregelen sinds 2001 op de percelen die werden ingericht voor natuur. De beheerszones worden weergegeven op kaart 1 in bijlage.

-5-


Tabel I.3: Overzicht beheermaatregelen sinds 2001 Perceelsnummer A-1

Beheer tot en Beheer in met 2003 2003 akker Afgegraven akker, braak

Beheer in 2004 Beweiding, bekalking

Beheer in 2005 Beweiding, bekalking

A-2

Al enkele jaren Braak braakliggend grasland

Beweiding, bekalking

Beweiding, bekalking

A-3

Akker

Braakliggende akker

Beweiding, bemesting na 1 juli

A-4

Akker

Braakliggende akker

A-5

Akker

B-1

Akker

Braakliggende akker Afgegraven akker, braakliggend

Bemest en bekalkt, ingezaaid met grasmengsel; beweiding Bemest en bekalkt, ingezaaid met grasmengsel; beweiding Eén maaibeurt in september Ingezaaid met grasmengsel (mislukt)

B-2

Grasland

B-3

Akker

B-4

Moerassige depressie

B-5

Akker

B-6

Al enkele jaren Braakliggend braakliggend grasland grasland

1 maaibeurt in juli

C-1

Grasland

Beweiding

C-2

Akker

Braakliggend grasland Afgegraven akker, braakliggend Moerassige depressie Afgegraven akker, braakliggend

Braakliggend grasland Afgegraven akker, 1 maaibeurt in september

1 maaibeurt in juli Geen beheer Moerassige depressie, geen verder beheer Geen beheer

Beweiding

Beheer in 2006 Beweiding, bekalking; scheuren, inzaaien met grasmengsel en bemesten na 1 juli Beweiding, bekalking; scheuren, inzaaien met grasmengsel en bemesten na 1 juli Beweiding, bemesting na 1 juli, bekalking

Beweiding, bemesting na 1 juli

Beweiding, bemesting na 1 juli, bekalking

Beweiding

Beweiding,

Bemest en ingezaaid met grasmengsel; beweiding Beweiding

Beweiding, bekalking

Beweiding

Beweiding

Moerassige depressie, geen verder beheer Beweiding, gescheurd na 1 juli, bemest en bekalkt, ingezaaid met grasmengsel Beweiding, gescheurd na 1 juli, bemest en bekalkt, ingezaaid met grasmengsel Beweiding

Moerassige depressie, geen verder beheer Beweiding, bekalking

Beweiding

Beweiding, bekalking

Beweiding

Onderste helft Beweiding, gescheurd na 1 bekalking juli, bemest en bekalkt, ingezaaid met

-6-


C-3

Akker

Afgegraven akker, 1 maaibeurt in september Braakliggende akker

D-1

Akker

D-2

Grasland

D-3

Grasland

D-4

Dennenbos

Dennenbos

E-1

Akker

E-2

Akker

Afgegraven akker, 1 maaibeurt in september Braakliggende akker, 1 maaibeurt in september

E-3

Naaldbos

Naaldbos

E-4

Grasland

F-1

Grasland

Grasland, 1 maaibeurt in juni Grasland, 1 maaibeurt in juni

Beweiding

grasmengsel; beweiding Beweiding

Beweiding, bekalking

Ingezaaid met grasmengsel en bemest, beweiding Beweiding

Beweiding, bekalking

Beweiding, bemesting en bekalking

Beweiding, bekalking

Ingezaaid met grasmengsel en bemest, beweiding Gekapt

Beweiding, bekalking

Beweiding, bemesting en bekalking Beweiding, bemesting en bekalking

Geplagd in januari, sindsdien geen beheer 1 maaibeurt in september

Uitspreiden heidemaaisel, verwijderen opslag bramen 1 maaibeurt in september

Ingezaaid met Italiaans raaigras; 2 maaibeurten (half juni en augustus) Gekapt, geplagd

1 maaibeurt (half juni), nadien nabeweiding

1 maaibeurt (half juni), nadien nabeweiding

Verwijderen opslag bramen

Uitspreiden heidemaaisel

Grasland

2 maaibeurten (half juni en augustus)

Grasland

1 maaibeurt (september)

1 maaibeurt (half juni), nadien nabeweiding Beweiding

1 maaibeurt (half juni), nadien nabeweiding Beweiding

1 maaibeurt in september

Opmerkingen • Perceel F-1 is het graslandperceeltje (met poel) ten noorden van de percelen E-2; E-4 en D-2. • Bekalking houdt steeds een maximum van 2 ton/ha/jaar in. • De startbemesting (bij inzaaien van grasland) is vrij (wettelijke limiet voor graslanden). De 'onderhoudsbemesting' is vastgesteld op 200 kg N/ha per jaar. • Beweiding (met runderen) vanaf 15 mei. Tussen 15 mei en 1 juni mag de graasdruk niet hoger zijn dan 1 GVE/ha, vanaf 1 juni zijn 3 GVE/ha toegelaten. Van 15 mei tot 15 juni mogen enkel runderen van meer dan 2 jaar oud ingeschaard worden. De dieren mogen niet bijgevoederd worden. • Het gebruik van kunstmest of biociden is niet toegestaan

-7-


Hoofdstuk II. Vergelijking resultaten 2001 (t= -1) en 2006 (t= 2) Ecologische soortengroep

Soortnaam

Aantal territoria T = -1

geelgorsgroep

Wulpgroep

Veldleeuwerikgroep

Roodborsttapuit groep

Gruttogroep

rietgorsgroep Zwarte roodstaartgroep

boomleeuwerik boompieper geelgors heggenmus grasmus fitis kneu roodborsttapuit patrijs kievit scholekster graspieper kwartel veldleeuwerik wulp gele kwikstaart grutto wilde eend blauwborst rietgors zwarte roodstaart bergeend

Trend in rvk

totaal per groep 2001

Totaal per groep 2006

evolutie

12

14

S

20

17

A

123

114

A

40

14

A

15

9

A

T A

0

8

T

T

0

1

(T)

T=2

T 2 T 8 A 0 T 4 T 8 A 2 A 3 A 4 T 4 S 78 A 4 A 11 A 1 A 10 S 6 A 4 A 6 T 3 Overige broedvogels T 0 4 T 0 4

0 7 3 2 0 9 6 5 2 78 8 14 2 13 6 5 15 0

0

Trend in Vl*

1

T

T A A S S S A T A S T A S A T S T T

T T 0 1 (T) 0 1 TOTAAL 175 120 Tabel II.1: aantal territoria per soort en per ecologische soortengroep voor de doelsoorten en overige broedvogels op t = -1 en t = 2 (A: achteruitgaand T:Toename S:Stabiel)

II.1 •

Bespreking per soort De oorspronkelijk aan natte heide, veengebieden en natte zeggenmoerassen gebonden grutto (zie kaart 2) broedt nu hoofdzakelijk op matig tot intensief gebruikte, laaggelegen graslanden. De sterke achteruitgang van de soort binnen het ruilverkavelingsgebied ligt volledig in de tendens van de Noorderkempen1. De achteruitgang van het grutto-bestand kan verklaard worden door de toenemende oppervlakte aan de maïsakkers en de opgang van ééntonige raaigraslanden. Ook het te vroeg maaien van graslanden zorgt voor een hoog sterftecijfer bij de kuikens. Vanuit Nederland, waar onderzoek naar de achteruitgang van de gruttopopulaties reeds volop aan de gang is, komen de eerste berichten van de invloed van predatie en eierroof, welke een mogelijke rol kunnen spelen. Daarnaast blijkt uit de literatuur

1

Dit in tegenstelling tot de tendens in Vlaanderen, waar er, mede dankzij een sterke toename in broedparen in de Kust- en Scheldepolders, een positieve evolutie aan de gang is.

-8-


dat de grutto broedplaatsen verkiest die op een afstand liggen van 50 à 100 m van bossen, houtkanten en hoog opgaan bomen. Wulpen, welke grotere territoria hebben, worden hierdoor minder gehinderd, zoals uit kaart 2 valt af te leiden. •

•

•

•

•

•

Het aantal kievit-territoria (zie kaart 3.1) , zo blijkt uit de monitoringgegevens, is ten opzichte van 2001 stabiel gebleven binnen het ruilverkavelingsgebied, net als in de rest van Vlaanderen. Doch met een dergelijke conclusie moet omzichtig omgesprongen worden daar er in het buitenland reeds een voorzichtige achteruitgang bezig is van het aantal kieviten. De voornaamste redenen zouden de veranderingen in landbouwvoering zijn. De vogels die broeden op graslanden krijgen vooral te kampen met verdroging en het steeds vroeger maaien van percelen. Opvallend is dat het aantal territoria tijdens de eerste inventarisatieronden schommelt rond 78, maar dat er vanaf 17 mei een duidelijke terugval te merken is, tot slechts 31 territoria op 8 juni (zie hiervoor de basisgegevens op Cd-rom). De verklaring hiervoor is, dat veel kuikens van het 1ste legsel worden uitgemaaid of omgeploegd. Een beperkt aantal vogels proberen daardoor nog tot een 2de legsel te komen, maar het aantal jongen dat volwassen wordt is eerder beperkt. De achteruitgang van veldleeuwerik (zie kaart 3) is een algemene trend die zich afspeelt in heel Vlaanderen en werd reeds uitvoerig besproken in tal van artikels. Voornaamste redenen zijn de algemene schaalvergroting van de moderne landbouw (met opkomst van de monocultuur). Dit ten koste van een meer gediversifieerd mozaïeklandschap. Daarmee gepaard gaan blijkt ook dat het gebruik van meer pesticiden, het verdwijnen van wintervoedsel (zoals graanresten) en de uitbreiding van maïsteelt ten koste van graanteelten een nefaste invloed hebben. de grasmus-populatie (zie kaart 4), lijkt het, zoals in de rest van de ons omringende landen, goed te doen. Na een spectaculaire daling in de jaren ’60 ten gevolge van slechte weersomstandigheden in hun overwinteringgebied, zien we een trage maar zekere toename van de aantallen in het landbouwgebied. Ondanks dat zij een voorkeur vertonen voor kleinschaligere landschappen, kunnen zij goed gedijen in open landschappen met kleine ruigere hoekjes en hier en daar een houtkant. Daarnaast ziet men een sterke afname (2 territoria tov 9 in 2001) van het fitisbestand (zie kaart 4). Uit Vlaamse Broedvogelatlas blijkt dat deze trend niet representatief is voor heel Vlaanderen. Wel wordt er gesproken over lokale afname binnen landbouwgebieden door het verdwijnen van houtkanten en schaalvergroting van de landbouwvoering. In andere Europese landen zoals Nederland en GrootBrittannië vertonen de populaties lokaal ook grote schommelingen. Om van een neerwaartse trend te spreken is het echter nog te vroeg. Hiervoor dient er bijkomend onderzoek te gebeuren. Bij de rietgorsgroep is een duidelijke positieve trend binnen het ruilverkavelingsgebied te zien. De rietgors (zie kaart 6) kwam voor 2001 niet tot broeden binnen het ruilverkavelingsgebied. Door de natuurinrichtingsmaatregelen uit te voeren in het gebied Eindegoor-Bloksgoor tegen de Nederlandse grens werd een ideaal biotoop gecreëerd. Door het graven van ondiepe plassen, het aanleggen van natuurtechnische oevers en het lokaal afgraven van de toplaag werd een moeraszone/natte graslanden aangevuld met open waterpartijen met opgaande oeverbegroeiing. Naast de rietgors (welke zich vnl. richt op de pitrus- en biezenvegetatie) kon ook de blauwborst (zie kaart 6) profiteren van deze nieuwe situatie. Ten zuiden van Flaasheide vindt men een zandige rug terug die in het verleden werd opgeplant met grove den. In het ruilverkavelingsplan werden maatregelen voorzien om deze monotone aanplant om te vormen naar een droge heidevegetatie, met overgang naar het bestaande dennenbos. Circa 4 ha werd gekapt en de kapvlakte werd nadien afgeplagd (enkel verwijderen van de strooisellaag). Deze nieuwe situatie werd snel gekoloniseerd door de boomleeuwerik (zie kaart 5), daar zijn

-9-


•

voorkeur uitgaat naar dergelijke biotopen (zandige, open vlakten met opgaande dennen). Alhoewel de meeste soorten van de Geelgors-groep (zie kaart 5) een positieve evolutie hebben ten opzicht van 2001, blijkt dat de geelgors niet meer voorkomt binnen het projectgebied. De achteruitgang van 4 territoria naar 0 heeft waarschijnlijk oa te maken met het verdwijnen van de kleine landschapselementen door de autonome evolutie in het gebied. Ook het verhoogd gebruik van pesticiden blijkt een nefaste invloed te hebben op de geelgors-populaties. Tijdens de opmaak van het ruilverkavelingsplan werd er veel aandacht besteed aan de aanplanting van brede houtkanten, bomenrijen en ruigere bermen. Door dergelijke maatregelen te treffen kan de achteruitgang van de soort tegengegaan worden, zoals blijkt uit enkele initiatieven in Limburg en Vlaams-Brabant. Desondanks blijft de geelgors sterk achteruit te gaan in heel de Kempen en zal het niet evident zijn om deze soort terug te krijgen als broedvogel.

II.2 Bespreking per ecologische soortengroep In het monitoringsprogramma werd de nadruk gelegd op 2 doelgemeenschappen, waaraan telkens een aantal ecologische soortengroepen werden gekoppeld nl. Æ Weidevogels en aandachtssoorten van het open gebied en half open gebied - Veldleeuwerik-groep - Wulp-groep - Grutto-groep - Roodborsttapuit-groep Æ Aandachtssoorten van open bos, bosranden en boomgroepen met kale en zandige bodem - Geelgorsgroep Kaart 9 geeft een verspreidingskaart weer van de 2 verschillende doelgemeenschappen. II.2.1

Weidevogels en aandachtssoorten van het open gebied en half open gebied

Het succes van de genomen maatregelen om deze doelsoortengroep te beschermen bleven tot hier toe beperkt. Alle 4 de ecologische doelgroepen van dit type gaan achteruit. De verklaring hiervoor is niet éénduidig. Bvb de massale opkomst van pitrus in Eindegoor kan een effect hebben op het broedsucces van de graslandgebonden broedvogels. De enige die blijkt te profiteren van de biezenvegetatie is de rietgorsgroep, zoals te zien op kaart 6. Een oplossing zou kunnen zijn om door een doorgedreven beheer (bekalking, maaien) het aandeel pitrus in Eindegoor te verkleinen en een groter areaal aan grasland te creëren. Dit lijkt noodzakelijk om soorten als grutto, kievit en graspieper meer kansen te geven. De zone voor maatregelen aan de Litse heide schieten duidelijk hun doel voorbij zoals valt af te lezen uit kaarten 2 en 3 in bijlage. De totale afwezigheid van soorten als grutto, wulp, veldleeuwerik, graspieper en in mindere mate zelfs kievit is hier een duidelijke aanduiding van. Er wordt dan ook voorgesteld om het beheer vooral toe te spitsen naar vegetatie toe. Het gebied Vlasroot is veel natter geworden wat ook blijkt uit de waarnemingen van eendensoorten en enkele steltlopers. Men moet echter zien dat het waterpeil in de slenken vanaf half maart voldoende laag staat om voldoende droge oppervlakte te verkrijgen wanneer de weidevogels hun nestplaatsen kiezen. Anders zijn ze genoodzaakt hun toevlucht te zoeken in de naastgelegen landbouwpercelen.

- 10 -


II.2.2

Aandachtssoorten van open bos, bosranden en boomgroepen met kale en zandige bodem

Deze doelgemeenschap reageert goed en relatief snel op de door de ruilverkaveling uitgevoerde maatregelen en doet het eveneens goed in de rest van Vlaanderen. De geelgors zelf daarentegen doet het dan weer zeer slecht, net zoals overal in Vlaanderen. Vlak na een ruilverkaveling komt het landschap vrij monotoon over, daar de nieuw aangeplante bomenrijen en houtkanten nog in een te jong stadium zijn om van betekenis te kunnen zijn. Permanente monitoring van deze doelgemeenschap is daarom aangewezen. Samenvattend moet men vaststellen dat de soorten die gebonden zijn aan structuurrijke graslanden in het open gebied dramatisch achteruit gaan. De voornaamste reden lijkt hier het habitatverlies te zijn. Daarom dient er in de eerste plaats aandacht uit te gaan naar bescherming en het goede beheer van de biotopen. Momenteel heeft het Agentschap voor Natuur en Bos zo’n 69 ha in beheer. Voornamelijk de zone rond Vlasroot/Flaasheide wordt beheerd met het oog op het behoud en uitbreiding van de weidevogelstand. Daarnaast dient men per soort (of indien mogelijk ecologische soortengroep) een soortbeschermingsplan op te stellen welke alle knelpunten vermelden die verantwoordelijk zijn voor de achteruitgang en een hieraan gekoppeld voorstel tot herstelmaatregelen. Vanuit de Vlaamse Broedvogelatlas wordt ook gepleit om een doorgedreven monitoring op te starten. De vrees bestaat dat, wanneer populaties onder een bepaald niveau zakken en niet meer zelfonderhoudend zijn, het veel moeilijker is om tot herstel te komen. Door een continue opvolging kan men echter op tijd aan de alarmbel trekken en gerichte maatregelen nemen.

- 11 -


III. Referenties ●

Vermeersch G., Anselin A., Devos K., Herremans M., Stevens J., Gabriëls J. & Van Der Krieken B. (2004). Atlas van de Vlaamse Broedvogels 20002002.Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 23, Brussel.

●

Vlaamse Landmaatschappij (2001): Monitoringprogramma Weelde. Vlaamse Landmaatschappij, Provinciale Afdeling Antwerpen. Herentals

●

Vlaamse Landmaatschappij (2003): Ruilverkavelingsproject Weelde. Uitvoering monitoringsprogramma Avifauna, jaar -1 (2001). Vlaamse Landmaatschappij, Provinciale Afdeling Antwerpen. Herentals

- 12 -


IV Kaartmateriaal

I. II. III. III.1 IV. V. VI. VII. VIII IX.

Beheermaatregelen Territoria per ecologische soortengroep: Wulp- en Grutto-groep Territoria per ecologische soortengroep: Veldleeuwerik-groep (excl kievit) Territoria per ecologische soortengroep: Veldleeuwerik-groep (kievit) Territoria per ecologische soortengroep: Roodborsttapuit-groep Territoria per ecologische soortengroep: Geelgors-groep Territoria per ecologische soortengroep: Rietgors-groep Territoria per ecologische soortengroep: Zwarte roodstaart-groep Territoria per ecologische soortengroep: Watervogels Territoria opgesplitst per doelgemeenschap

V Leeswijzer De bijgevoegde Cdrom bevat de volgende digitale bestanden: Rapport -

Het eindrapport ‘Ruilverkaveling Weelde : Uitvoering Monitoringprogramma Module Avifauna, jaar ‘+2’ (2006) (.pdf en .doc)

-

Kaart I t/m IX (.pdf)

GIS - Algemene shape-files, ruwe data, territoria per soort,…. - Leeswijzer GIS

- 13 -


Weelde

Monitoring Avifauna T= +2

Vlasroot - Flaasheide

1. Beheermaatregelen

Maaibeheer voor weidevogels E-4

Litse Hei C-1 C-3

E-2 D-1

Te begrazen ruigte E-3

botanisch te beheren grasland

D-2 E-1

graasbeheer voor weidevogels

D-3 D-4

occasioneel te beheren ruigte

C-2

verschralingsbeheer in het kader van heideontwikkeling opm: de perceelsnummers verwijzen naar tabel I.3 in het rapport B-6 B-5 B-4 B-3 B-2 B-1 A-5 A-4 A-3 A-2 A-1

ruilverkaveling Weelde

Eindegoor - Bloksgoor Bron: -Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

´ 0

185 370

740

1.110

1.480 m

VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ UW PARTNER IN DE OPEN RUIMTE


Weelde

Monitoring Avifauna T= +2 2. Wulp- en Grutto-groep

gele kwikstaart graspieper grutto kwartel veldleeuwerik

wilde eend wulp

bos ruilverkaveling Weelde

Bron: -Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

´ 0

200 400

800

1.200

1.600 m

VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ UW PARTNER IN DE OPEN RUIMTE


Weelde

Monitoring Avifauna T= +2 3. Veldleeuwerik-groep

graspieper kwartel patrijs scholekster veldleeuwerik wulp bos ruilverkaveling Weelde

Bron: -Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

´ 0

200

400

800

1.200

1.600 m

VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ UW PARTNER IN DE OPEN RUIMTE


Weelde

Monitoring Avifauna T= +2

!

!

! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! ! ! ! ! ! ! !! ! !! ! ! !! !! !! !!! ! ! ! ! ! ! ! !! !! ! ! ! ! ! ! !

!

! ! ! !!

!

!

kievit bos

!

ruilverkaveling Weelde

! ! ! !!

! !

! ! !

3.1 Veldleeuwerik-groep (kievit)

!! !! ! Bron: -Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

´ 0

200 400

800

1.200

1.600 m

VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ UW PARTNER IN DE OPEN RUIMTE


Weelde

Monitoring Avifauna T= +2 4. Roodborsttapuit-groep

fitis grasmus kneu roodborsttapuit bos ruilverkaveling Weelde

Bron: -Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

´ 0

200 400

800

1.200

1.600 m

VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ UW PARTNER IN DE OPEN RUIMTE


Weelde

Monitoring Avifauna T= +2 5. Geelgors-groep

boomleeuwerik boompieper heggenmus

bos ruilverkaveling Weelde

Bron: -Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

´ 0

200 400

800

1.200

1.600 m

VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ UW PARTNER IN DE OPEN RUIMTE


Weelde

Monitoring Avifauna T= +2 6. Rietgors-groep

blauwborst rietgors

bos ruilverkaveling Weelde

Bron: -Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

´ 0

200 400

800

1.200

1.600 m

VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ UW PARTNER IN DE OPEN RUIMTE


Weelde

Monitoring Avifauna T= +2 7. Zwarte Roodstaart-groep

zwarte roodstaart

bos ruilverkaveling Weelde

Bron: -Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

´ 0

200 400

800

1.200

1.600 m

VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ UW PARTNER IN DE OPEN RUIMTE


Weelde

Monitoring Avifauna T= +2 8. Watervogels

bergeend

bos ruilverkaveling Weelde

Bron: -Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

´ 0

200 400

800

1.200

1.600 m

VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ UW PARTNER IN DE OPEN RUIMTE


Weelde

Monitoring Avifauna T= +2 9. Territoria per doelgemeenschap Aandachtssoorten van open bos, bosranden en boomgroepen met kale en zandige bodem Weidevogels en aandachtssoorten van het open gebied en half open gebied

ruilverkaveling Weelde

Bron: -Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

´ 0 187,5 375

750

1.125

1.500 m

VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ UW PARTNER IN DE OPEN RUIMTE


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
het eindrapport.pdf by Vlaanderen-be - Issuu