Skip to main content

Milieujaarprogramma_2006.pdf

Page 1

Milieujaarprogramma 2006

www.milieubeleidsplan.be


Inleiding Algemeen Het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (verder het DABM genoemd), bepaalt dat het milieubeleid in Vlaanderen gestalte krijgt door de milieubeleidsplanning waarvan de hoekstenen het milieurapport, het milieubeleidsplan en de milieujaarprogramma’s zijn. Het milieurapport (MIRA) is de wetenschappelijke onderbouwing van het milieubeleid. De opdracht van de milieurapportering is: het beschrijven van de kwaliteit van het leefmilieu (MIRA-T), aangeven hoe die kwaliteit zich zou kunnen ontwikkelen en via welke beleidsinterventies die ontwikkeling kan worden verbeterd (MIRAS), en onderzoeken in welke mate en op welke wijze het beleid tot nu toe tot veranderingen in de milieukwaliteit heeft geleid (MIRA-BE). Het recentste MIRA-T dateert van december 2005. Specifiek voor het aspect natuur en biodiversiteit werd in mei 2005 een Natuurrapport (NARA) gepubliceerd. Het milieubeleidsplan bepaalt de hoofdlijnen van het milieubeleid dat door het Vlaamse Gewest, alsmede door de provincies en gemeenten in aangelegenheden van gewestelijk belang, dient te worden gevoerd. Het plan beoogt enerzijds de bescherming en het beheer van het milieu en anderzijds de doeltreffendheid, de efficiëntie en de interne samenhang van het milieubeleid op alle beleidsniveaus te bevorderen. Het huidige milieubeleidsplan 2003-2007 werd vastgesteld door de Vlaamse regering op 19 september 2003. De milieujaarprogramma’s dienen ter uitvoering en operationalisering van het milieubeleidsplan. Nadruk ligt hierbij op de organisatie, het tijdpad en de prioriteitenstelling van de verschillende maatregelen. Een milieujaarprogramma moet volgens het DABM minstens het volgende bevatten: - een verslag van de stand van uitvoering van het geldende milieubeleidsplan en de Europese milieuwetgeving; - een verslag van de stand van zaken aangaande de goedkeuring van internationale overeenkomsten; - een opgave van de door het Vlaamse Gewest in het komende jaar te verrichten activiteiten en te nemen maatregelen ter uitvoering van het geldende milieubeleidsplan; - een overzicht van de in het ontwerp van begroting geraamde inkomsten en uitgaven ter uitvoering van het milieubeleidsplan; - een lijst met alle geplande en lopende onderzoeken en herstelprogramma’s.

Milieujaarprogramma 2006 Het milieujaarprogramma 2006 is het derde programma in uitvoering van het Milieubeleidsplan 2003-2007. De uitvoering van heel wat maatregelen en van de meeste projecten zit op kruissnelheid. De vordering van de 41 projecten wordt specifiek opgevolgd via de voortgangsrapportering. Een samenvatting hiervan volgt verderop in deze inleiding.


Milieubeleid en langetermijnplanning Opvolging en evaluatie aan de hand van indicatoren Om het beleid te kunnen evalueren, wordt een kernset van een dertigtal indicatoren gehanteerd. Hierbij wordt gefocust op de strategisch belangrijkste domeinen en thema's, o.a. gebaseerd op de doelstellingen van het DABM en op internationale strategieën en doelstellingen. In de selectie werden ook thema's / activiteiten opgenomen die geheel of gedeeltelijk buiten de leefmilieubevoegdheid vallen (vb. energiegebruik, ruimtegebruik, transport, landbouw,…), maar een belangrijke invloed op de druk en de toestand van milieu en natuur hebben. In de onderstaande tabel zijn deze sleutelindicatoren opgenomen met vermelding van de recentste trend. Een uitgebreide rapportering van de toestand van milieu en natuur in Vlaanderen, en de evolutie ervan, is voorwerp van de MIRA- en NARA-rapporten. De meeste van de indicatoren uit onderstaande kernset komen dan ook aan bod in deze rapporten. Thema

Indicator

Duurzaam gebruik van hulpbronnen Afvalstoffen Totale hoeveelheid geproduceerde huishoudelijke afvalstoffen per inwoner

Trend

+/-

Energiegebruik

Bruto binnenlands energiegebruik

--

Watergebruik

Leidingwatergebruik

+/-

Grondstoffengebruik

Totale materialenbehoefte

+/-

Ruimtegebruik

Oppervlakte bebouwde percelen

--

Bescherming van het milieu Klimaat Emissies van broeikasgassen

Luchtkwaliteit – verzurende Uitstoot van verzurende stoffen stoffen

--

++

Tekst

De totale hoeveelheid geproduceerde huishoudelijke afvalstoffen per inwoner nam toe van 405 kg in 1991 tot 559 kg in 2001, waarna er een geleidelijke afname plaatsvond tot 536 kg/inwoner in 2003. In 2004 (561 kg/inwoner) was er evenwel opnieuw een toename tot op het niveau van 2001. Hoewel de energie-intensiteit van de Vlaamse economie sinds 1998 jaar na jaar verbeterde, nam het absolute energiegebruik de voorbije jaren geleidelijk toe. In 2004 is het bruto binnenlands energiegebruik met 34% gestegen t.o.v. 1990 (sinds 1998 schommelt dit rond 1600 PJ per jaar). Het totale drinkwaterverbruik schommelde in de periode 1995-2000 rond 380 à 390 miljoen m³. Het drinkwaterverbruik door de bevolking vertoonde de laatste jaren geen duidelijke trend. In 2003 gebruikte de bevolking ca. 222 miljoen m3 leidingwater of 101 liter per persoon en per dag. Sinds 1997 schommelt de jaarlijkse totale materialenbehoefte (TMB) rond 140 ton/inwoner. De lichte daling in de jaren 2001 en 2002 zette zich niet door in 2003 en 2004. In 2003 nam bebouwd Vlaanderen 2.291 km² in beslag. Dit komt neer op 16,9% van de totale oppervlakte. Tussen 1991 en 2003 is de bebouwde oppervlakte toegenomen met gemiddeld 38 km² per jaar. In diezelfde periode vertoont deze toename evenwel een dalende tendens. In 2004 waren de broeikasgasemissies gestegen tot 90,65 Mton CO2eq, oftewel met 3,6 t.o.v. 1990. Ten opzichte van 2003 is dat evenwel een daling van 0,6%. De totale potentieel verzurende emissie verminderde in de periode 1990-2004 met 43% tot 10.003 miljoen Zeq. De daling is vooral toe te schrijven aan een sterke afname van de SO2-emissies (-57%). Ook de NOxemissie nam geleidelijk af (-21%) en vanaf 2000 werd een aanzienlijke NH3emissiereductie gerealiseerd (-43%).


Kwaliteit van het oppervlaktewater

Percentage meetplaatsen van het oppervlaktewatermeetnet dat voldoet aan de basiskwaliteit voor biochemisch zuurstofverbruik (BZV) Percentage meetplaatsen van het oppervlaktewatermeetnet met een score op de Belgisch Biotische Index van tenminste 7

+

+/-

Kwaliteit van het grondwater

Percentage meetplaatsen van het MAP-grondwatermeetnet met overschrijding van de nitraatnorm van 50 mg/l

Kwaliteit van de bodem – nutriënten

Overschot op de stikstofbalans

++

Verspreiding van zware metalen

Emissie van zware metalen naar het oppervlaktewater

+

Verspreiding van chemicaliën

Gebruik van bestrijdingsmiddelen

++

Aantal dagen met overschrijding van de ozon drempelwaarde van 120 µg/m³

--

Stedelijke luchtkwaliteitsindex

-

Milieu en gezondheid Luchtkwaliteit – omgevingslucht

-

Gezondheidsschade

Gezondheidsimpact van zwevend stof - Disability Adjusted Life Years (DALY)

+/-

Hinder

Percentage van de bevolking dat potentieel ernstig wordt gehinderd door geluid.

+/-

Oppervlakte gebieden onder effectief natuurbeheer

++

Natuurbehoud Beschermde gebieden

De evolutie in de periode 1990-2004 wijst op een zeer geleidelijke verbetering van de situatie. In 2004 voldeden 47% van de meetplaatsen aan de basiskwaliteit voor BZV. In 2004 voldeden 29% van de meetpunten aan de basiskwaliteitsnorm. Sinds 2003 blijft de toestand onveranderd. In vergelijking met de eerste bepaling (1989) geeft aan dat de toestand op 42% van de meetplaatsen is verbeterd; op ruim de helft van de meetplaatsen bleef de toestand nagenoeg onveranderd; op 4% ging de toestand achteruit. De metingen uit 2004-2005 geven aan dat de toestand niet verbetert. In de meetcampagne (voorjaar) van 2005 blijkt dat op ca. 40% van de meetlocaties de nitraatnorm van 50 mg/l wordt overschreden. In de periode 1990-2004 is het overschot op de stikstofbalans met 48% gedaald tot 146 kg N/ha in 2004 (280 kg N/ha in 1990). Voor de prioritaire metalen werden tussen 1985 en 1998 goede reducties gerealiseerd. Van 1998 tot 2004 is de belasting van het oppervlaktewater voor de meeste zware metalen (behalve Hg) verder gedaald, tussen 11% (Pb) en 37% (Ni). Gewasbeschermingsmiddelen: In de periode 1990 – 2004 daalde het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, uitgedrukt in verspreidingsequivalenten (Seq), met 52%. Los van de belangrijke jaarfluctuaties en sterke regionale verschillen inzake ozonoverlast, blijft het aantal dagen met overschrijding van de ozon drempel voor de bescherming van de volksgezondheid hoog. In 1995, 1999 en 2003 werden meer dan veertig dagen genoteerd, in 1996, 1997, 2001 en 2004 meer dan dertig. Het glijdend 3-jaargemiddelde liep in 2004 op tot 41 dagen met overschrijding. Zowel in Antwerpen als in Gent wordt in de periode 1996-2000 een geleidelijke verbetering van de luchtkwaliteit vastgesteld. Vanaf 2001 zet deze trend zich niet meer door. In 2004 was de luchtkwaliteit in Gent middelmatig tot en met zeer slecht op gemiddeld 41% van de dagen; in Antwerpen was dit op 50% van de dagen. Het aantal verloren gezonde levensjaren (DALY's) ten gevolge van blootstelling aan zwevend stof wordt geschat op ongeveer 40 DALY's per 10.000 inwoners en per jaar. De situatie is de laatste jaren niet significant veranderd. Bij ongewijzigde concentraties zwevend stof speelt de Vlaming gemiddelde één derde van een gezond levensjaar kwijt. In 2003 was ongeveer 18% van de bevolking potentieel ernstig gehinderd door geluid. De situatie is vrijwel onveranderd sinds 1990. De oppervlakte aan gebieden onder effectief natuurbeheer nam toe van 28.698 ha begin 2002 naar 33.668 ha in 2005.


Biodiversiteit

Rode Lijst-soorten

…

In de periode 1994-2005 werden 16 Rode Lijsten opgesteld waardoor de status van 3.479 soorten bekend is. Toestand: van 984 (28%) van de soorten is bekend dat ze het gevaar lopen om op termijn te verdwijnen. Er is nog geen trend beschikbaar.

Integratie Transport

Volume personenvervoer

--

Energievoorziening

Aandeel groene stroom in de distributieleveringen van elektriciteit

+

Industrie

Eco-efficiëntie van de industrie

+

Bevolking

Aandeel selectief ingezameld huisvuil

++

Landbouw

Areaal biologische landbouwproductie

-

In de periode 1990-2004 is het personenvervoer met 24% toegenomen tot 69,07 miljard personenkilometers. Het gemotoriseerd wegvervoer (auto/moto) neemt in 2004 zo'n 90% voor zijn rekening en vertoont een stijging t.o.v. 2003. Sinds 1997 is er evenwel een toename van het gebruik van het openbaar vervoer waar te nemen. Het aandeel groene stroom in de elektriciteitsleveringen is tussen 1994 en 2004 gestegen van 0,15% tot 1,48%. Ondanks deze forse toename blijft dit aandeel zeer klein. Terwijl de productie-index van de industrie steeg tussen 1990 en 2004 (+31%), daalde de emissie van verzurende stoffen en van CZV en zware metalen in oppervlaktewater, wat op een verbetering van de eco-efficiëntie wijst. De afvalproductie steeg daarentegen sneller dan de productie-index (+43%); het energiegebruik en de CO2-semissies blijven de laatste jaren ongeveer status-quo. De selectieve fracties in het totaal van het huishoudelijk afval zijn sterk gestegen van 34% in 1995 naar 72% in 2004. Het areaal biologische landbouw is sinds 1991 (493 ha) sterk toegenomen tot 4.026 ha in 2001, waarna de trend terug dalend is. In 2004 was dit nog 3.219 ha (minder dan 1% van de totale landbouwoppervlakte in Vlaanderen).

Samenwerking en draagvlak Draagvlak - bereidheid Bereidheid tot financiële inspanningen burgers ten aanzien van het milieu

+/-

In de periode 1996 - 2005 is er nauwelijks evolutie in het percentage Vlamingen dat aangeeft minstens deels bereid te zijn een financiële bijdrage te leveren ten voordele van milieu (54% in '96 en '00 en 56% in '05). Draagvlak - gedrag burgers Feitelijk gedrag ten aanzien van het Het percentage Vlamingen dat zegt altijd of milieu dikwijls een zuinig gedrag te vertonen daalt in de periode 1996-2005 geleidelijk van 77,2 % tot 72,3%. Politiek draagvlak Aandeel uitgaven van de Vlaamse -In de periode 1999-2001 steeg het aandeel van overheid voor milieu leefmilieu in de totale Vlaamse begroting van 4,8% tot 5,5% (in beleidskredieten). Tot 2004 bleef dit niveau quasi constant. Vanaf 2005 daalt dit aandeel tot 4,0% in 2005 en 3,8% voor het jaar 2006. Samenwerking - lokaal Ondertekeningen + 250 Vlaamse gemeenten hebben de samenwerkingsovereenkomst samenwerkingsovereenkomst ondertekend gemeenten - Vlaams gewest (situatie 2005). Hiervan zijn er 157 ondertekeningen voor niveau 1 (basis), 92 voor niveau 2 en 1 voor niveau 3. Samenwerking Bekrachtiging van internationale + Ongeveer 75% van de internationale internationaal milieuverdragen milieuverdragen waarbij Vlaanderen betrokken is, werden door de Vlaamse regering bekrachtigd. Legende trendevolutie: +++: zeer gunstige trend; ++: gunstige evolutie; +: voorzichtig positieve trend; +/-: toestand nagenoeg ongewijzigd; -: licht negatieve trend; --: negatieve evolutie: ---: zeer negatieve evolutie; …: geen trend beschikbaar


De opvolging van het MINA-plan gebeurt ook met behulp van de bijhorende indicatoren in de themahoofdstukken van dit milieujaarprogramma. Om de link met het beleid op lange termijn te versterken, werd bij de keuze van die indicatoren een goede afstemming met de hoger vermelde sleutelindicatoren nagestreefd. Ruim de helft van de indicatoren uit de kernset zijn terug te vinden als indicator bij één van de plandoelstellingen uit het themabeleid. In deze gevallen wordt de sleutelindicator verder toegelicht (met focus op genomen / te nemen beleidsmaatregelen) in de respectievelijke themahoofdstukken. Per thema worden evenwel ook indicatoren opgevolgd die niet aan bod komen in de kernset. Een aantal daarvan, waarvoor het bereiken van de plandoelstelling belangrijke inspanning vereist, worden hieronder toegevoegd aan de sleutelindicatoren. Thema MINA-plan 3

Indicator

Verdunning van de ozonlaag

Emissie van ozonafbrekende stoffen

Trend

Tekst

De uitstoot van ozonafbrekende stoffen werd in 2004 (283 ton ODP) reeds met 55% teruggedrongen ten opzichte van de emissies van 1999. Blijvende inspanningen zijn nodig om deze gunstige tendens voort te zetten tijdens de planperiode. Vermesting Op landbouwgrond opgebrachte ++ De hoeveelheid dierlijk mest die opgebracht hoeveelheid dierlijk mest wordt vertoont een aanzienlijke daling in 2004 (53,5 miljoen kg P2O5) ten opzichte van voorgaande jaren. Verspreiding van Jaargemiddelde concentratie fijn stof +/- De jaargemiddelde concentratie fijn stof milieugevaarlijke stoffen (PM10) vertoont, na een gunstige evolutie in de periode 1996-1998 een eerder schommelend verloop. In 2004 vond er opnieuw een daling plaats van de jaargemiddelde concentratie tot onder 40 µg/m³, ook in industrieel en stedelijk gebied. Verontreiniging en Aantal gronden met ++ Het aantal gronden waarop de sanering aantasting van de bodem saneringsnoodzaak waarop de sanering minstens is opgestart neemt jaarlijks toe. Eind minstens is opgestart 2005 is de sanering van 20,6% (2.271 gronden) van de gronden met saneringsnoodzaak opgestart. Aantal hydraulische en ecologische ++ Het aantal sanerings-/ruimingsprojecten alsook ruimingen op onbevaarbare waterlopen de geruimde/gesaneerde volumes nam in de van 1ste categorie. periode 2001-2005 toe. Eind 2005 bedraagt de hoeveelheid geruimde specie ca. 695.000 m³. Verontreiniging door Totale hoeveelheid primair +/- De productie van primair bedrijfsafval nam toe afvalstoffen geproduceerde bedrijfsafvalstoffen van 12,7 miljoen ton in 1992 tot 18,4 miljoen ton in 1998, en bleef nadien nagenoeg stabiel tot en met 2003 (ca. 20 miljoen ton). Verontreiniging van Zuiveringsgraad van de huishoudens In de periode 1990 tot begin 2005 is de + oppervlaktewater zuiveringsgraad geleidelijk toegenomen van 30% naar 63%. Versnippering Percentage gesaneerde In totaal zijn 92 van de 807 (11%) knelpunten + vismigratieknelpunten gesaneerd. Een versnelling van de uitvoering is vereist om de doelstelling (75% knelpunten gesaneerd) te halen. Verlies van biodiversiteit Oppervlakte VEN en In 2005 is de oppervlakte VEN toegenomen + natuurverwevingsgebied dat met 10.889 ha tot 97.661 ha. De oppervlakte afgebakend is natuurverwevingsgebied bleef daarentegen onveranderd op 768 ha. Totale oppervlakte groengebied op de Tussen 1994 en 2005 is de oppervlakte + bestemmingsplannen natuurgebied (en reservaatgebied) toegenomen met 12.374 ha. De oppervlakte bosgebied is in dezelfde periode met 1.753 ha toegenomen. Legende trendevolutie: +++: zeer gunstige trend; ++: gunstige evolutie; +: voorzichtig positieve trend; +/-: toestand nagenoeg ongewijzigd; -: licht negatieve trend; --: negatieve evolutie: ---: zeer negatieve evolutie; …: geen trend beschikbaar ++

Naast de opvolging van de lange termijntrend (kernset) en de realisatie van de plandoelstellingen worden in het milieujaarprogramma de verwachte beleidsrealisaties systematisch, en waar mogelijk kwantitatief door middel van output-indicatoren, opgevolgd. Per thema of deel werd hiertoe een tabel met indicatoren opgenomen.


De uitvoering van het MINA-plan 3 Organisatie Het DABM geeft het planningsteam de opdracht om vijfjaarlijks een MINA-plan en jaarlijks een milieujaarprogramma (MJP) voor te bereiden. Het planningsteam bestaat bij besluit uit de leidend ambtenaren van AMINAL, VLM, VMM en OVAM (en APS). De uitvoering van het geldende Milieubeleidsplan wordt gecoördineerd door een projectleider en een planningsgroep, waartoe één of meerdere vertegenwoordigers van elke entiteit behoren. Voor de uitvoering en de opmaak van milieubeleidsplannen en jaarprogramma's werd een netwerk opgebouwd, dat bestaat uit de planningsgroep, de planningsverantwoordelijken, de thema/deel/hoofdstukcoördinatoren en de projectverantwoordelijken. De coördinatoren coördineren de uitvoering van het hun toegewezen thema, deel of hoofdstuk. Voor de 41 projecten van het plan werd een projectwerking opgezet. De projectverantwoordelijke zorgt voor de uitvoering van het project, hierin bijgestaan door een groep medewerkers. De projectverantwoordelijke rapporteert ook regelmatig aan de coördinator. De eindverantwoordelijkheid voor de uitvoering van de onderdelen van het MINA-plan ligt bij het afdelingshoofd van de respectievelijke thema-, deel- of hoofdstukcoördinator. De planningsgroep waakt over de inpasbaarheid in het MINA-plan, de timing en de afstemming tussen de projecten en verzorgt de rapportage voor de Beleidsraad. De planningsverantwoordelijken tenslotte verzorgen de vlotte doorstroming van informatie binnen de instellingen, in overleg met de leidend ambtenaar. Zij spelen ook een cruciale rol in de afstemming tussen algemene beleidsplannen en -programma's en instellingsspecifieke operationele plannen. Deze organisatie zal in het licht van de reorganisatie van de Vlaamse overheid (BBB) worden herbekeken in de loop van 2006.

Afstemming van de planningscycli (zie ook het project 'Planningscyclus') De Vlaamse regering hanteert een eigen planningscyclus, die start met de opmaak van een regeerakkoord. In uitvoering hiervan maakt elke minister een beleidsnota op die de regeringsperiode overspant. Deze beleidsnota wordt jaarlijks geconcretiseerd via een beleidsbrief. Deze planningscyclus en de bijhorende documenten overlappen met de milieubeleidsplanningscyclus. Bovendien loopt het MINA-plan 3 van 2003 tot en met 2007, de beleidsnota geldt voor de periode 2005-2009. Om in de toekomst een betere afstemming te bekomen, zal een volgend milieubeleidsplan opgesteld worden na de opmaak van een volgende beleidsnota. Een decreetswijziging, die een betere afstemming moet toelaten, werd in 2005 principieel goedgekeurd door de Vlaamse regering. Verwacht wordt dat deze wijziging in 2006 een feit zal zijn. De huidige Vlaamse regering werd midden 2004 gevormd. De beleidsnota van de minister van Leefmilieu legt nieuwe accenten en prioriteiten bij de uitvoering van het milieubeleidsplan. Deze nieuwe accenten worden in de eerste plaats doorvertaald in de milieujaarprogramma’s en in de verdere uitwerking van de projecten. De bindende doelstellingen van het MINA-plan 3 blijven hierbij uiteraard van kracht. Ook een afstemming op niveau van de jaarlijkse cycli (MJP, beleidsbrief en begroting) dringt zich op. In 2005 werd de aanpak voorzien in het ontwerp-MJP in grote lijnen overgenomen in de beleidsbrief. Minstens even belangrijk is de afstemming met de begroting. Idealiter biedt het ontwerp-MJP het inhoudelijk en budgettair kader voor de opmaak van de begroting, sporen de cijfers in de begroting en de tekst van het MJP samen en hanteert de toelichting bij de begroting de terminologie uit het MINA-plan. In 2005 is een bijzondere inspanning gedaan om de samenhang tussen begroting en milieujaarprogramma maximaal te herstellen. Dit gebeurde zowel op inhoudelijk vlak, door de motivering van de gevraagde middelen in de ontwerpbegroting te enten op de maatregelen van het MINA-plan 3, als vormelijk.

Begroting en financiering In de onderstaande tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de beleidskredieten (inclusief deel gefinancierd uit de eigen ontvangsten van de VOI) die in de periode 1997-2006 voorzien werden voor milieu-uitgaven. Uit deze tabel blijkt dat er in absolute cijfers in de periode 1997-2004 een duidelijke trend was om jaarlijks meer beleidskredieten te voorzien voor het beleidsdomein Leefmilieu. In 2005 werden er 782 miljoen EUR aan middelen voorzien voor milieu. Deze forse daling is voor een deel te wijten aan een vermindering van de middelen voor Aquafin. Zoals af te lezen in tabel 1 wordt er, door de hervorming van de watersector, in 2005 voor Aquafin 105 miljoen EUR minder voorzien. In 2006 daalde dit verder en werden de totale milieu-uitgaven in absolute cijfers teruggebracht tot 769 miljoen EUR.


Naast de afzonderlijke vermelding van de Aquafin-uitgaven voor de gehele periode worden sinds 2005 ook de decreetsbepalingen opgenomen in de totale uitgaven voor leefmilieu. Het gaat om beleidskredieten die overgedragen worden van vorige jaren en die nu worden voorzien voor Leefmilieu. Deze cijfers verschijnen niet in de begrotingstabellen maar dienen evenwel te worden meegenomen. De totale uitgaven van Vlaanderen worden sinds 2005 opgesteld volgens een nieuwe berekeningswijze, overgenomen van Abafim. Nieuw is ook de vergelijking van de totale uitgaven voor leefmilieu met het Vlaams BBP. Het aandeel van leefmilieu hierin bleef over de beschouwde periode quasi constant. Tabel 1: Evolutie van het aandeel van de uitgaven voor het beleidsdomein leefmilieu t.o.v. de totale Vlaamse uitgaven in de periode 1997-2006 (in beleidskredieten)

Relatief ten opzichte van de andere beleidsdomeinen nam het aandeel van leefmilieu in de totale Vlaamse uitgavenbegroting gestaag toe van 4.7% in 1997 tot 5.4% in 2004 (zie tabel 1). Nadien kwam ook hier een knik in de stijgende trend van de milieu-uitgaven, met een aandeel in de totale Vlaamse uitgaven van 4% in 2005. In 2006 daalde dit aandeel naar een niveau van 3.8%. In tabel 2 is te zien dat van die totale beleidsruimte voorzien voor leefmilieu het merendeel voorzien is voor de thema’s oppervlaktewaterverontreiniging (326 miljoen EUR of 46%) en biodiversiteit (98 miljoen EUR of 14%). Een opvallende stijger is het thema Vermesting dat van 18 miljoen EUR in 2005 toenam tot 46 miljoen EUR in 2006. De reden is de toenemende middelen die gaan naar de vergoedingen aan landbouwers in kader van de gebiedsgerichte verscherpingen (inclusief beheersovereenkomsten). Een thema dat voor de helft is teruggevallen is ‘Overheden en geïntegreerd beleid’. Binnen dit thema werden minder middelen voorzien voor de tegemoetkoming in de provinciale en gemeentelijke milieuconvenanten. Deze fluctuaties zijn inherent aan het systeem van de Samenwerkingsovereenkomsten. Tabel 2: Overzicht van de beleidskredieten per thema in de periode 2001-2005 in beleidskredieten (exclusief financiering vanuit eigen ontvangsten VOI en inclusief interdepartementale bestaansmiddelen en FFEU)


Maar bovenstaande uitgaven dienen uiteraard ook gefinancierd te worden. Binnen het domein Leefmilieu kan op meerdere financieringsbronnen teruggevallen worden (i.e. algemene middelen, milieuheffingen, FFEU, diverse andere inkomsten AMINAL en VOI). In tabel 3 wordt een beeld geschetst van de manier waarop het milieubeleid de laatste jaren gefinancierd werd. Uit tabel 3 blijkt dat de inkomsten voor het beleidsdomein Leefmilieu beduidend zijn gedaald t.o.v. 2005. Het merendeel van de eigen middelen (70%) vloeit nog steeds voort uit de milieuheffingen. Door de hervorming van de watersector gaat een deel van de afvalwaterheffing nu echter rechtstreeks naar de drinkwatermaatschappijen. Hierdoor daalden de inkomsten uit de afvalwaterheffing van 153 miljoen EUR in 2005 naar 59 miljoen EUR in 2006. Dit betekent evenwel nog steeds een aandeel van 33% in de totale inkomsten van 2006. Een andere belangrijke bron van inkomsten, die is weggevallen t.o.v. 2006, is de opbrengst uit de verkoop van de participatie in de VMW. Tabel 4: Financiering van het milieubeleid: inkomstenbronnen in de periode 2000-2005


Globale voortgang van de projecten Situering Het MINA-plan 3 bevat 41 projecten met een aantal prioritaire maatregelen. Deze projecten worden voornamelijk geformuleerd waar een belangrijke verandering of doorbraak en een thema - en/of instellingsoverschrijdende aanpak noodzakelijk is. Een aantal projecten hebben betrekking op reeds lopend beleid en bouwen verder op vroeger opgestarte strategische projecten. Andere projecten betreffen eerder nieuw beleid, dat soms nog nader moet vorm krijgen in wisselwerking met processen zoals Beter Bestuurlijk Beleid. Op basis van de beschrijving en de doelstelling van elk van deze projecten in het MINA-plan 3, werden bij aanvang projectplannen opgemaakt. In functie van de projectopvolging wordt één maal per jaar een globale voortgangsrapportering voorzien. Bij beëindiging van een project wordt een weergave van de resultaten en eventuele beoordeling en aanbevelingen opgenomen in een eindrapport. Via de rapporteringen wordt geïnformeerd over de voortgang en aanpak van de projecten. Dit kan resulteren in een aantal bijsturingen. De globale rapportering loopt procedureel en deels inhoudelijk parallel met de opmaak van het MJP. Centraal hierbij staat de toepassing van de GMO-databank. Globale resultaten


Alle projecten werden gestart in de periode 2003-2004 op basis van respectieve projectplannen. Een eerste globale rapporteringsronde vond begin 2005 plaats. De nodige acties werden ondernomen om de projecten af te stemmen op de beleidsnota. Begin 2005 liepen globaal 34 projecten op schema en werden 4 projecten (emissiereductiebeleid, integratie hinderbeleid, integratie waterbeleid, meetnetten en monitoring) als vertraagd aangeduid. Het project 'fundamentele principes en instrumentenontwikkeling' werd tijdelijk stopgezet. Voor 2 projecten (risicobeheer en geïntegreerd overheidsbeleid) kon de voortgang op dat moment niet worden ingeschat. Een tweede globale rapporteringronde voor een selectie van projecten werd eind 2005-begin 2006 uitgevoerd. Het accent lag hier op projecten die in belangrijke mate thema-overschrijdend zijn. T.o.v. de stand van zaken begin 2005 liepen op dat moment 15 projecten globaal op schema en werden er 3 projecten (doelgroepenbeleid, samenwerking met milieu- en natuurverenigingen en andere maatschappelijke organisaties, milieuvergunningen) als vertraagd aangeduid. Het resultaat van de realisaties wordt hierna per project beknopt weergegeven. Het accent ligt op 2005. De projecten 'stedelijk beleid' en 'fundamentele principes en instrumentenontwikkeling' werden/ bleven tijdelijk stopgezet in afwachting van de uitwerking van een nieuw projectplan in overleg met alle betrokken. Het project 'geïntegreerd overheidsbeleid' tenslotte werd eveneens tijdelijk stopgezet in afwachting BBB. Voor dit project wordt in afwachting teruggevallen op de maatregelen uit het hoofdstuk 'externe integratie' van het MINA-plan 3. Voor het project 'risicobeheer' werd in 2005 een aangepast projectplan opgesteld; de heropstart van de uitvoering is in 2006 voorzien. Voor het project milieu-informatie tenslotte, werden onvoldoende gegevens aangeleverd bij de voortgangsrapportering. Resultaten op projectniveau Het project 'beleid gericht op voorraden' ging pas van start in 2004. In het kader van een OESO-activiteit voor het stimuleren van het horizontale innovatiebeleid werd een analyse gemaakt van het beleid voor duurzame ontwikkeling en het innovatiebeleid in Vlaanderen. Daarnaast werd in 2005 het Milieu-innovatieplatform opgericht. In het najaar van 2005 startte het VITO, de coördinerende instelling, met de eerste activiteiten. Ook een toekomstverkenning 'platteland' werd ondertussen opgestart. Deze heeft geleid tot vier verkennende toekomstscenario's voor 2030 en een eerste inschatting van de beleidsimplicaties van deze scenario's. Het voorbereidend onderzoek m.b.t. langetermijndoelstellingen werd gelanceerd. Er wordt gezocht naar een algemene methodiek, die binnen de studie getoetst wordt aan twee cases: grondwater en geluid. M.b.t. het luik transitiemanagement werd gestart met twee cases 'transitie duurzaam materialenbeleid' en 'transitie duurzaam bouwen en wonen'. Het duurzaam materialenbeleid kadert in een verruiming en vernieuwing van het afvalstoffenbeleid; er wordt o.m. aansluiting gezocht bij het denken in voorraden en stromen. Een eerste verkenning resulteerde in een aantal aanbevelingen om tot een procesmatige sturing te komen in het traject voor de volgende jaren. De nodige systeemanalyses werden verdergezet en er werd gestart met een krachtenveld- en stakeholderananalyse en met het opzetten van een vernieuwingsnetwerk. De gewenste verruiming werd reeds ingebracht in het uitvoeringsplan 'beheer bouw- en sloopafval en milieuverantwoord materialengebruik in de bouw'. In 2005 werd een achtergrondstudie in verband met het systeem duurzaam bouwen en wonen afgewerkt en is de begeleidingsgroep en de transitiearena van start gegaan. Een gemeenschappelijke visie voor 2030 kwam tot stand. Op basis van deze visie werden deelthema's bepaald en streefbeelden geformuleerd. Het project 'beleid milieugevaarlijke stoffen' loopt grotendeels volgens schema. Voor het eerste luik ter verbetering van de kwaliteit voor water en lucht, werd grote vooruitgang geboekt. Enerzijds werd een geactualiseerd Reductieprogramma Lozing Gevaarlijke stoffen voorgelegd aan de Minister van Leefmilieu en goedgekeurd in oktober 2005. Dit programma bepaalt het kader op het gebied van milieukwaliteitsnormen water, meetnetten en vergunningen afvalwater gevaarlijke stoffen. Anderzijds werd eind 2005 eveneens het Vlaams Stofplan goedgekeurd. Wat oorspronkelijk bedoeld was als intern saneringsplan fijn stof werd uitgebreid tot een globaal stofplan Vlaanderen. Dit zal de bakens uitzetten voor een fijn stof beleid in 2006. Voor het tweede luik m.b.t. gezondheidsgerelateerde effecten, werd voor fijn stof in 2005 onderzoek opgestart naar de ontwikkeling van een eenvoudig toepasbaar stratenmodel ter ondersteuning van steden en gemeenten. De monitoring van PM10 en PM2.5 is verder uitgebreid. Inzake hormoonverstoring wordt onderbouwend onderzoek naar de ecologische relevantie gelanceerd. Voor het derde luik tenslotte m.b.t. het Vlaams stoffenbeleid, werd meegewerkt aan het opstellen van het Belgisch standpunt inzake chemicaliëndossiers, meer in het bijzonder voor REACH met de focus op inbreng inzake autorisatie en substitutie.


Via het project 'planning integraal waterbeleid' wordt het integraal waterbeleid op stroomgebied-, bekken- en deelbekkenniveau concreet ingevuld. De centrale spil hierin is de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid (CIW). Er werd volop gewerkt aan de afbakeningen van oppervlaktewater- en grondwaterlichamen, en de aanduiding van de sterk veranderde waterlichamen, als element voor de opmaak van internationale stroomgebiedbeheersplannen en maatregelenprogramma's. Een Vlaamse waterbeleidsnota, waarin de visie op het integraal waterbeleid voor het Vlaamse Gewest in zijn geheel en per stroomgebied afzonderlijk wordt vastgelegd, is goedgekeurd. Een eerste uitvoeringsbesluit bij het decreet Integraal Waterbeleid werd goedgekeurd, waardoor de overlegstructuren op de verschillende niveaus nu formeel kunnen uitgebouwd worden. De eerste ontwerp-bekkenbeheerplannen zijn afgewerkt. Wisselwerking en afstemming met de deelbekkenbeheerplannen is een permanent aandachtspunt. In het project 'instrumenten voor het buitengebied' werd in 2004 en 2005 gewerkt aan de optimalisatie van de inrichtingsinstrumenten. In de nieuwe visie op inrichting staat niet het inrichtingsinstrument centraal, maar de vraag. Hierbij worden niet alleen de inrichtingsinstrumenten in overweging genomen, maar ook instrumenten van verwerving (onteigening, lokale grondenbanken...) of instrumenten van beheer (beheerovereenkomsten, steunmaatregelen,...).. Bij deze analyse wordt bovendien afgewogen of de Vlaamse overheid op deze projecten moet inzetten, of de verantwoordelijkheid volledig door de andere bestuursniveaus dient te worden opgenomen. Meer en meer vormen inrichting, verwerving en beheer bovendien geen project meer op zichzelf, maar maken ze onderdeel uit van ruimere projecten. De Vlaamse regering heeft het Interbestuurlijk Plattelandsoverleg (IPO) opgericht. In de schoot van het IPO en de drie ondersteunende werkgroepen (rond werken, wonen, collectieve ruimte) wordt een Vlaams Plattelandsbeleidsplan voorbereid. Hiernaast worden voorstellen uitgewerkt om het geïntegreerd plattelandsbeleid vorm te geven in het Programmeringsdocument voor Plattelandsontwikkeling 2007-2013 (PDPOII). Een aangepast ontwerp van decreet Vlaamse Grondenbank werd door de Vlaamse regering principieel goedgekeurd. Een uniek loket (www.rechtvanvoorkoop) voor alle decretale rechten van voorkoop in het Vlaams Gewest werd operationeel gemaakt. Het project ‘doelgroepenbeleid’ beoogt een betere afstemming tussen de rollen van de overheid, bedrijven, huishoudens en andere groepen in de samenleving bij het realiseren van een goede milieukwaliteit. Tijdens de planperiode wordt zo goed mogelijk rekening gehouden met wijzigende organisatieomstandigheden. Ook de doelgroepen zelf hebben een inbreng bij de uitbouw van het doelgroepenbeleid. Per doelgroep wordt dus gewerkt aan: het opvolgen en afstemmen van reeds bestaan doelgroepenoverleg; het verruimen van gestructureerd doelgroepenbeleid; het verder verfijnen van het gevoerde doelgroepenbeleid. Ingevolge een beslissing van de Beleidsraad krijgt de dienstverlening aan milieu-instanties die interacties met doelgroepen willen opzetten een grotere rol. Met de doelgroepen landbouw en industrie werden actievoorstellen uitgewerkt die vanaf 2006 worden uitgevoerd. Voor consumenten is de eigenlijke start gegeven in het najaar van 2005. Algemeen liep het project enige vertraging op door personeelswissels, waardoor het team Doelgroepenbeleid niet op volle getalsterkte was. Met de uitvoering van het project ‘samenwerking met milieu- en natuurverenigingen en andere maatschappelijke organisaties’ wordt er gewerkt aan een versterking van de rol die milieu- en natuurverenigingen in het beleid kunnen spelen. Daartoe werd een grondige hertekening van het subsidielandschap voorbereid, in overleg met de sector. De besluiten die de erkenning en subsidiering regelen, werden eind 2003 goedgekeurd. Het milieuprojectenfonds is eveneens operationeel. 8 projecten worden ondersteund en 36 verenigingen worden via subsidies structureel ondersteund. De overeenkomst met BBL en VODO werd verlengd. Aandacht ging ook naar de ondersteuning van de milieuwerking van de vakbonden. De NME-werking richt zich met diverse initiatieven op de jeugd en de volwassenen. Het project 'milieu en gezondheid' loopt op kruissnelheid. Het biomonitoringsprogramma is lopend. Via een fasenplan worden de resultaten ervan doorvertaald in beleidsmaatregelen. Een strategie werd ontwikkeld om trends in aandoeningen die wijzen op een verstoorde hormonale werking bij de mens in kaart te brengen en een mogelijk verband met de aanwezigheid van hormoonverstorende stoffen op te sporen. De blootstelling aan PAK's en mogelijke gezondheidseffecten hiervan werden onderzocht. Ook rond de gezondheidseffecten van fijn stof en rond stralingsbelasting - wat niet-geïoniseerde straling betreft - werd onderzoek verricht. Bij de uitvoering van het project 'integratie waterbeleid' ging veel energie naar de uitwerking van het nieuwe instrument 'watertoets' en van het bijhorende kaartmateriaal. De Vlaamse regering keurde het uitvoeringsbesluit hierover principieel goed in januari 2006. Een geautomatiseerde internettoepassing, gekoppeld aan een geoloket, bevordert de efficiënte en gebruiksvriendelijke toepassing van dit nieuwe instrument.


Het project 'milieu en mobiliteit' integreert alle milieuaspecten met betrekking tot de mobiliteitsector. In het kader van de evaluatie van de nationale emissieplafonds, ingesteld als gevolg van de NEC-richtlijn, werden energie- en emissieprognoses gemaakt op Belgisch en Vlaams niveau. Knelpunten voor het behalen van de toekomstige luchtkwaliteitsnormen, te wijten aan het verkeer, werden in kaart gebracht. Er werden oplossingen voorgesteld voor deze knelpunten, waaronder ook een luik specifiek gericht naar lokale overheden. Er werden richtlijnen opgesteld om bij het opmaken van een plan- of project- MER de impact van de voorgestelde infrastructuur op de luchtkwaliteit beter in kaart te brengen. Ontsnipperingsprojecten, ecologisch bermbeheer en verminderd biocidengebruik maken steeds meer deel uit van wegen- en waterwerken en -onderhoud. Via een cluster 'mobiliteit' in de Samenwerkingsovereenkomst met lokale overheden wordt afstemming bereikt tussen het milieu- en mobiliteitsbeleid op lokaal vlak. Het project 'aanspreekpunt lokale overheden' behelst de stroomlijning van de samenwerking met lokale overheden (gemeenten, steden, provincies en samenwerkingsverbanden tussen lokale overheden). De eerste fase van de Samenwerkingsovereenkomst is geëvalueerd en heeft de basis gevormd voor de tweede fase die begin 2005 is ingegaan. Er is gestart met de visieontwikkeling voor een nieuwe samenwerkingsvorm vanaf 2008. Parallel aan de samenwerkingsovereenkomst met lokale overheden werden twee steunpunten opgericht die de werking van natuur- en milieuverenigingen ondersteunen. Een projectenfonds is opgericht, waarlangs duurzame lokale milieuprojecten financieel ondersteund kunnen worden (zie ook project ‘samenwerking met natuur- en milieuverenigingen en andere maatschappelijke organisaties’). Het project 'internationaal milieubeleid' verloopt globaal volgens schema. Voor de drie luiken binnen dit project is er een aanzienlijke vooruitgang geboekt. Voor wat betreft het structureel-organisatorische luik werden diverse overlegstructuren verstevigd of efficiënter gemaakt, waardoor een groter draagvlak werd gecreëerd voor het gevoerde Europese en multilaterale milieubeleid, of waardoor de betrokken ambtenaren bewust gemaakt worden van de werkwijzen binnen het Europese en multilaterale milieubeleid. Ook werden de nodige inspanningen geleverd inzake inhoudelijke opvolging van diverse Europese, multilaterale en interregionale dossiers, waarbij de Vlaamse inbreng in de meest relevante dossiers werd verzekerd. Voor het juridischadministratieve luik tenslotte, blijft Vlaanderen ernaar streven om de bron-tot-monding aanpak op een efficiënte wijze te operationaliseren. Het project 'planningscyclus' verloopt grotendeels volgens schema. Op basis van een eerste gezamenlijke projectrapportering (afgestemd met het kabinet) werden voor een aantal projecten remediëringen vooropgesteld. Het betreft voornamelijk projecten die nieuw zijn en moeilijk van de grond geraakten. Bij de afstemming van de plannen ging vooral aandacht naar ondersteuning bij het nieuwe Vlaamse Klimaatbeleidsplan en naar de Vlaamse strategie voor duurzame ontwikkeling. De inhoud van de voorstellen voor een Vlaamse strategie duurzame ontwikkeling werd sterk beïnvloed door de inhoud van het MINA-plan 3 en de verdere detaillering daarvan in de projectwerking. De afstemming met en op de toekomstige beheerovereenkomsten verliep moeilijk. In dat opzicht wordt 2006 een cruciaal jaar voor de inbedding van de meer operationele plannen in de planningscyclus. De afstemming tussen de milieubeleidsplanning en de regeringscyclus middels een wijziging van het DABM werd ondertussen goedgekeurd door de Vlaamse regering. Een belangrijke stap werd gemaakt bij de afstemming tussen het MJP en de beleidsbrief. Een prioriteitennota deed hiervoor dienst als tussenfase. Een volgende stap moet zijn dat het MJP de directe input aanlevert. Betreffende beleidsevaluatie en -indicatoren werden vorderingen gemaakt door het ontwikkelen een “beleidsinformatiekaart” en door een algemene revisie van de MINA-plan 3 indicatoren. Bij het project 'wetenschappelijk onderzoek' werd het TWOL-programma 2005 opgestart, geactualiseerd en geëvalueerd. De procedure voor de opmaak van het TWOL-programma 2006 werd onder een licht gewijzigde vorm uitgevoerd. Het Globaal Onderzoekskader duidde daarbij de onderzoeksprioriteiten aan. Het Ontwerp TWOL-programma 2006 werd door de Stuurgroep Onderzoek besproken en vastgesteld, en door de minister goedgekeurd. Door een gebrek aan financiële middelen werd geen thema-overschrijdend of themagebonden onderzoeksprogramma geïnitieerd. De Thematische Overleggroepen zijn waar nodig bijeengekomen en de programma’s van het INBO, MIRA (VMM) en OVAM werden afgestemd met het TWOL-programma. In het kader van het Europese ERA-Net SKEP wordt afgestemd met andere onderzoeksprogrammerende instanties binnen Europa. De goedkeuring van ingediende onderzoeksdossiers werd beter gecontroleerd en tevens afgewogen aan de 'Richtlijnen van de minister met betrekking tot de uitbesteding van studies/onderzoek (dd 28/2/2001)'. Er werden een belangrijk aantal onderzoeksprojecten via het internet ontsloten. Het Europees ERANET Scientific Knowledge for Environmental Protection werd opgestart. Vlaanderen participeert in dit netwerk als onderzoeksprogrammerende regio binnen Europa.


Voor het project 'meetnetten en monitoring' was 2005 het eerste volledige werkjaar na de opstartfase in de tweede helft van 2004. De projectgroep fungeerde als een overleggroep voor de uitwerking van een aantal meetnetoverschrijdende initiatieven. Op basis van een overzicht van de lopende milieu- en natuurmonitoringsinitiatieven, een informatiefiche per initiatief en afspraken met MMIS zal een monitoringsdatabank en een website "Milieu- en natuurmonitoring Vlaanderen"uitgebouwd worden. Eind 2005 zijn alle elementen bijeengebracht zodat een functionele analyse voor de bedoelde databank en website kan worden gemaakt. In het voorjaar van 2005 werd ook het TWOL onderzoek 'Afwegingskader en rekenmodel bij de bepaling van de steekproefgrootte in de beleidsgerichte monitoring' opgestart. Op basis van casussen werd gewerkt aan de methodologische en statistische onderbouwing van meetnetdimensionering. Hiervoor werd de projectgroep uitgebreid met beheerders van meetnetten die voorwerp uitmaken van de audits. Tenslotte werd het TWOL-onderzoek 'Prioriteiten uitbouw monitoring - casestudy waterkwaliteit' uitbesteed. Binnen het project ‘interne milieuzorg’ waren de jaarthema's 2005 ‘energie en mobiliteit’. Drie kwart van de entiteiten diende een actieplan milieuzorg in, een lichte daling t.o.v. 2004. De ontvangen actieplannen kregen adviezen vanuit de Coördinatiecel Milieuzorg en de entiteiten werden begeleid bij het uitvoeren van hun actieplan. Er werden enkele vormingsessies georganiseerd, waaronder ook de eerste basiscursus milieubeheer voor aanspreekpunten. Er werd een handleiding milieuzorg uitgewerkt, gebaseerd op ervaringen binnen de Vlaamse overheid. Verder liep er een communicatiecampagne rond de thema's rationeel energiegebruik en milieuvriendelijk rijgedrag. In mei 2005 werden de doelstellingen 2005 rond energie en mobiliteit bevestigd door de Vlaamse Regering. In uitvoering hiervan werden ontwerp actieplannen 2006 - 2010 energiezorg in de Vlaamse overheidsgebouwen en milieuzorg in het voertuigenpark van de Vlaamse overheid uitgewerkt. In het kader van het project 'milieuvergunningenbeleid' werd de stapsgewijze uitvoering van de GPBV-richtlijn verder gezet. Een geactualiseerde inventarisatie in 2005 leverde 1.069 GPBV-bedrijven op. De uitwerking van integrale milieuvoorwaarden voor de pilootsectoren schrijnwerkerij en garages heeft vertraging opgelopen. Wel werden in dat verband 2 voorontwerpbesluiten uitgewerkt, op 25 februari 2005 door de Vlaamse Regering principieel goedgekeurd en aangepast aan het advies van SERV en MINA-raad. Op 28 oktober 2005 werd een VLAREM-trein principieel goedgekeurd door de Vlaamse regering. De voorziene aanpassingen betreffen vnl. wijzigingen in de VLAREM indelingslijst, omzetting van de lijst van prioritaire stoffen uit de Kaderrichtlijn Water, criteria voor de aanvaarding van afvalstoffen op stortplaatsen en een nieuwe definitie van biomassa. Verder werd ook op 23 december 2005 een voorontwerp van verzameldecreet principieel goedgekeurd. In het project 'handhaving' stond de voorbereiding van een nieuwe decreet centraal. Dit moet voorzien in een éénduidig handhavingskader met een aangepast strafrechtelijk en administratiefrechtelijk handhavingsinstrumentarium voor het Vlaamse Gewest. Deze voorbereidingen resulteerden eind 2005 in een voorontwerp. Verder loopt de uitvoering van het Milieu-inspectieprogramma (MIP) 2005 volgens schema en is de opmaak van het MIP 2006 in een eindfase. Wat de uitdraging van de handhaving naar de lokale overheden betreft werd in de eerste helft van 2005 het gezamenlijke project "droogkuis" grondig geëvalueerd. Ook werden in projectverband gezamenlijke inspecties inrichtingen klasse 2 en klasse 3 uitgevoerd. Het project 'milieueconomie en financiering’ verloopt volgens de planning. Eind 2005 werd de studie over de inzetbaarheid van economische instrumenten voor het luchtbeleid afgerond. Ook werd een waarderingsstudie geurhinder met succes afgerond. Voor de inschatting van de netto-kosten van post-Kyoto doelstellingen voor Vlaanderen werd een voorstel uitgewerkt. Er werden in 2005 ook een aantal nieuwe activiteiten opgezet. De belangrijkste daarvan is in het domein van beleidsevaluatie, specifiek de evaluatie van milieusubsidies. De hiervoor uitbestede studie is afgerond en de cel beschikt nu over methodologie om zulke evaluaties zelf uit te voeren.


Algemeen kader Verantwoordelijke:Jeroen Cockx

Inleiding Dit is een wat bijzonder deel. Hierin worden in het MINA-plan 3 de krijtlijnen geschetst waarbinnen het milieubeleid zich afspeelt. Dit onderdeel wordt in de MJP's beperkt tot de rapportering over en de rapportering van de twee projecten, die mikken op de lange termijn. Voor de opvolging van de algemene aspecten wordt verwezen naar de inleiding bij dit MJP.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 De projecten 'Beleid gericht op voorraden' en 'Risicobeheer' zijn nieuw in de Vlaamse context. Beide projecten moesten begin 2004 nog volledig opgebouwd worden. Het laatste project werd in grote mate vooruit geschoven naar eind 2005. Voorbereidend werd wel reeds een studie uitgevoerd naar niet-ioniserende electromagnetische straling (NIS). Die resulteerde in een lijst van alle mogelijke NIS-bronnen, zowel binnenshuis als buitenshuis, en hun potentiële impact op de gezondheid van de mens. Het eerste project is in 2004 gestart. In het kader van een OESOactiviteit voor het stimuleren van het horizontale innovatiebeleid werd een analyse gemaakt van het beleid voor duurzame ontwikkeling en het innovatiebeleid in Vlaanderen. Daarnaast werd in 2005 het Milieu-innovatieplatform opgericht. In het najaar van 2005 startte het VITO, de coördinerende instelling, met de eerste activiteiten. M.b.t. het luik transitiemanagement werd gestart met twee casussen 'transitie duurzaam materialenbeleid' vanuit het beleidsveld afvalstoffen en 'transitie duurzaam bouwen en wonen'. De case rond duurzaam materialenbeleid kadert in een verruiming en vernieuwing van het afvalstoffenbeleid; er wordt o.m. aansluiting gezocht bij het denken in voorraden en stromen. Een eerste verkenning resulteerde in een aantal aanbevelingen om tot een procesmatige sturing te komen in het traject voor de volgende jaren. De nodige systeemanalyses werden verdergezet en er werd gestart met een krachtenveld- en stakeholderananalyse en met het opzetten van een vernieuwingsnetwerk. De gewenste verruiming werd reeds ingebracht in het uitvoeringsplan 'beheer bouw- en sloopafval en milieuverantwoord materialengebruik in de bouw'. In de tweede helft van 2004 werd gestart met de casus rond 'duurzaam bouwen en wonen’. In 2005 werd een achtergrondstudie in verband met het systeem duurzaam bouwen en wonen afgewerkt en is de begeleidingsgroep en het transitiearena van start gegaan. Een gemeenschappelijke visie voor 2030 kwam tot stand en op basis van deze visie werden deelthema's bepaald en streefbeelden geformuleerd. Tot slot werd een toekomstverkenning 'platteland' opgestart eind 2004. Deze heeft geleid tot vier verkennende toekomstscenario's voor 2030 en een eerste inschatting van de beleidsimplicaties van deze scenario's. Het voorbereidend onderzoek m.b.t. langetermijndoelstellingen werd gelanceerd. Er wordt gezocht naar een algemene methodiek, die binnen de studie getoetst wordt aan twee cases: grondwater en geluid.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke Status verwachting

De streefbeelden voor de case duurzaam bouwen en wonen zijn opgesteld

2005 EINDE

Een transitieprogramma duurzaam bouwen en wonen

2006 EINDE

gerealis eerd op

Huidige verwachtin g


werd afgewerkt schema Mogelijkheden voor de stimulering van het milieuop 2006 EINDE innovatiebeleid zijn gedefiniëerd schema Visie, strategie en instrumentenbepaling voor het op 2006 MIDDEN innovatieproject 'platteland' zijn voltooid schema Theoretische verkenning en voorstel voor verder verloop op 2006 MIDDEN zijn klaar schema

Aanpak jaar 2006 Project: Beleid gericht op voorraden Het project zal zich ook in 2006 op een geïntegreerde wijze bezig houden met toekomstverkenningen, systeeminnovatie, transitiemanagement en het bepalen van langetermijndoelstellingen. De eerste conclusies in verband met deze aanpakken en hun beleidsrelevantie zullen kunnen getrokken worden. In het kader van het transitiemanagement lopen ook in 2006 de casus 'transitie duurzaam wonen en bouwen' als de casus 'transitie duurzaam materialenbeleid' Het in 2005 opgezette transitiearena duurzaam wonen en bouwen (vernieuwingsnetwerk), bestaande uit een 20-tal betrokken organisaties en instellingen, wordt in 2006 verdergezet en uitgebreid tot een 60-tal actoren. Op basis van de visie en de geselecteerde thema's zullen in 2006 de streefbeelden verder verfijnd worden alsook transitiepaden gedefinieerd. Deze moeten uitmonden in vernieuwende experimenten in 2006 en door de actoren en de politieke overheid onderschreven beleidsintenties op het vlak van duurzaam wonen en bouwen. Voor het proces rond het 'uitbouwen van een materialenbeleid' wordt het speelveld bepaald. Met een goed inzicht in de motieven, wensen en ideeën van de relevante spelers in het vernieuwingsnetwerk, wordt in 2006 een probleemformulering en een breed gedragen visie en langetermijnstreefbeelden voor materialenbeleid afgerond. De verschillende wegen om de streefbeelden uit te werken met tussendoelen, acties, projecten en experimenten worden onderzocht. Dit zal in 2007 de richting voor de komende jaren verduidelijken. Tegelijk worden ook nu concrete resultaten geboekt door de maatregelen inzake eco-efficiënte productie en consumptie (zie ook project 11 'Afvalvoorkoming via proces- en productbeleid', thema 'Verontreiniging door afvalstoffen'). Er wordt in 2006 ook met alle betrokken partijen een basis gelegd voor het selecteren van materiaalstromen met de grootste milieu-impact door de haalbaarheid en de bruikbaarheid van de analyse- en prioriteitstellingmethoden na te gaan. Tegelijk wordt bekeken hoe, vanuit het bestaande afval- en preventiebeleid (o.m. via de aangekondigde evaluaties) en andere betrokken beleidsvelden, bijkomende elementen kunnen gevonden worden voor het uibouwen van een materialenbeleid. De internationale context en de recente ontwikkelingen bij de EU en de OESO op het vlak van duurzaam materialengebruik en duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen worden nauwlettend opgevolgd. Het innovatieproject platteland -met de toekomstverkenning platteland - wordt afgerond. Tijdens de laatste workshop met de actoren zullen de beleidsimplicaties van de vier verschillende scenario's verder uitgewerkt worden. De methodologie rond toekomstverkenningen zal intern geëvalueerd worden m.b.t. de beleidsrelevantie van de aanpak in het kader van het langetermijndenken, alsook m.b.t. innovatie. Complementair zullen in 2006 twee onderzoeken naar langetermijndoelstellingen lopende zijn. Deze onderzoeken vertrekken ofwel van normatieve kaders zoals duurzame ontwikkeling, ofwel van reeds bestaande scenario's. Deze verschillende onderzoeken maken het mogelijk om de complementariteit met de hoger vermelde transitieaanpak (normatief) en scenario-aanpak te evalueren. Het onderzoek over de al dan niet stimulerende werking van verschillende milieubeleidsinstrumenten op innovatie zal begin 2006 worden opgestart. De studie zal starten met een brede bevraging van de verschillende actoren om daarna meer in de diepte verschillende instrumenten te screenen op de belemmeringen voor een technologische innovatie. Het is de bedoeling om concrete voorstellen voor verbetering te formuleren. In 2006 zal het MIP volledig operationeel zijn en zullen de verschillende initiatieven


in het kader van de competentiepolen lopen. Twee thematische werkgroepen worden opgestart rond "innovatief aanbesteden" en "klimaat". Er zal m.b.t. het innovatiebeleid ook verdere afstemming worden gezocht tussen de beleidsdomeinen. Project: Risicobeheer Conclusies worden getrokken uit de theoretische verkenning uitgevoerd door de projectgroep; beslissingen worden genomen inzake verdere uitwerking van het project (uitbesteding?) zodat de nodige budgetten voor onderzoek kunnen ingeschreven worden op de begroting (TWOL 2006 bis).


Verdunning van de ozonlaag Verantwoordelijke:Sven Claeys

Inleiding De stratosferische ozonlaag bevindt zich op een hoogte van vijftien tot dertig kilometer Ze vormt een beschermend schild tegen de schadelijke UV(B) straling van de zon. De verdunning of de aantasting van de stratosferische ozonlaag is het gevolg van de emissies van bepaalde chloor- en broomhoudende verbindingen. De belangrijkste ozonafbrekende stoffen zijn: chloorfluorkoolstoffen (CFK's), halonen, tetrachloorkoolstof, 1,1,1-trichloorethaan, methylbromide en chloorfluorkoolwaterstoffen (HCFK's). Op mondiaal niveau zijn er afspraken vastgelegd in het protocol van Montreal. Voor Europa zijn deze afspraken in 2000 verder aangescherpt in een verordening betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen. De verordening bevat uitfaseringsdata voor de productie, het op de markt brengen en het gebruik van de verschillende ozonafbrekende stoffen. De verordening regelt tevens de invoer en de uitvoer van deze stoffen en bevat bepalingen voor gebruikers van ozonafbrekende stoffen met betrekking tot de ontmanteling van apparatuur die deze stoffen bevat, de verplichte terugwinning van deze stoffen en het nemen van emissiereducerende maatregelen. Het Vlaamse beleid rond ozonafbrekende stoffen werkt op twee sporen: het gebruik van alternatieven stimuleren en waar ozonafbrekende stoffen nog worden gebruikt, de emissies zoveel mogelijk beperken. Bij de totstandkoming van het Vlaams beleid rond ozonafbrekende stoffen wordt bovendien steeds een emissiereductie van gefluoreerde broeikasgassen beoogd (gefluoreerde broeikasgassen worden vaak als alternatief voor ozonafbrekende stoffen gebruikt).

Opvolging van de plandoelstellingen De emissies van ozonafbrekende stoffen terugdringen met ten minste 70% ten opzichte van de emissies in 1999

+ + De emissies van ozonafbrekende stoffen werden in 2004 met 55% teruggedrongen ten opzichte van de emissies van 1999. Deze emissiereductie is voornamelijk te wijten aan de gefaseerde afbouw van het gebruik van ozonafbrekende stoffen zoals deze wordt bevolen door de Europese verordening. De aanscherping van de VLAREM-reglementering rond de uitbating van koelinstallaties en de gevoerde milieu-inspecties moeten deze afbouwende tendens in de toekomst nog verder versterken. In 2007 mogen ozonafbrekende stoffen nog slechts in 11 toepassingen worden gebruikt ten + opzichte van 15 toepassingsgebieden in 2002 Het is de EU-verordening 2037/2000 met betrekking tot stoffen die de ozonlaag aantasten die bepaalt in welke toepassingsgebieden ozonafbrekende stoffen nog mogen worden gebruikt. Sinds 1 januari 2004 mogen halonen enkel nog worden aangewend om te worden gebruikt in een zeer beperkt aantal kritische toepassingen. Sinds 1 januari 2004 is ook het gebruik van ozonafbrekende stoffen in de productie van kunststofschuimen verboden, behoudens in uitzonderlijke omstandigheden. Vanaf 2004 is het aantal toepassingsgebieden principieel beperkt tot 13.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Op 14 maart 2003 zijn verscherpte voorwaarden voor de uitbating van koelinstallaties in het VLAREM II opgenomen. Op 14 mei 2004 werd een ontwerp van besluit van de Vlaamse


regering inzake de certificering van koeltechnici principieel goedgekeurd. In 2005 was bijkomende consultatie van de betrokken sectoren noodzakelijk. Op basis hiervan wordt het besluit herwerkt. Het aantal geĂŻnspecteerde koelinrichtingen bleef in 2005 constant als gevolg van de beperkt inzetbare middelen bij de Milieu-inspectie. Het gemiddelde van de ingeschatte relatieve lekverliezen der koelinstallaties blijft een veelvoud hoger dan het VLAREM-objectief van 5% per jaar. Meer toezicht, controle en bijkomende middelen moeten worden overwogen. In 2005 vond ook een consultatie plaats van alle betrokken sectoren waar nog ozonafbrekende stoffen en/of gefluoreerde broeikasgassen worden gebruikt. Dit overleg moet resulteren in concrete emissiereducerende maatregelen, op te nemen in een reductieplan.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Wettelijk kader erkenningsregeling koeltechnische bedrijven

2003 EINDE

Reductieplan ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde 2004 BEGIN broeikasgassen Wettelijk kader voor certificering van onderhoudspersoneel blusinstallaties Indicatoren Hoeveelheid vernietigde halonen (ton)

2006 MIDDEN Realisatie 84,6 (2004)

Status

Huidige verwachting

vertraa 2006 BEGIN gd vertraa 2006 BEGIN gd nieuw Doelstelling

Aanpak jaar 2006 Invoering van de erkenningsregeling voor koeltechnici In 2006 zal het besluit inzake de certificering van koeltechnici door de Vlaamse regering worden goedgekeurd. In de loop van 2006 kan met de implementatie van de certificering worden gestart als de eerste kandidaat-certificatie-instellingen een aanvraag zullen indienen om te worden geaccrediteerd. In 2006 zullen sensibiliserende initiatieven worden opgestart om de implementatie van deze certificeringsverplichting vlotter te doen verlopen en de betrokken bedrijven en personen op de gepaste manier te informeren. Controle op het gebruik van ozonafbrekende stoffen In 2006 worden koelinrichtingen verder gecontroleerd op het gebruik van verboden koelmiddel en emissiebeperking van koelgas wordt afgedwongen. Er wordt ook opgetreden tegen nietnaleving van verordening 2037/2000 in andere exploitaties dan koelinrichtingen. Toezicht wordt uitgeoefend op de ontmanteling van niet-kritische haloninstallaties en de reguliere afvoer van gerecupereerde halon. Afhankelijk van de beschikbaarheid van economisch aanvaardbare alternatieven en recuperatiemiddelen wordt opgetreden tegen begassers die methylbromide gebruiken. Reductieplan ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen In de loop van 2006 zal een definitieve tekst van het reductieplan worden opgesteld. Nadien wordt gestart met de uitvoering van de maatregelen die in dit plan zijn opgenomen. EĂŠn element van dit plan dat in overleg met de betrokken sector momenteel wordt uitgewerkt, is een certificeringsverplichting voor personen die betrokken zijn bij het onderhoud en de ontmanteling van brandblusinstallaties die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten.


Verandering van het klimaat door het broeikaseffect Verantwoordelijke:Els Van den Broeck

Inleiding De aanwezigheid van broeikasgassen in de atmosfeer zorgt voor een natuurlijk broeikaseffect: een gemiddelde temperatuur van 15°C in plaats van -18°C maakt leven op aarde mogelijk. Gedurende de laatste 100 jaar hebben menselijke activiteiten de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer verhoogd. Het broeikaseffect wordt zo versterkt, met een verhoging van de gemiddelde aardtemperatuur en een globale klimaatverandering tot gevolg. De belangrijkste broeikasgassen zijn koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4) en lachgas (N2O) met respectievelijk een aandeel van 83%, 8% en 9% in het Vlaamse emissietotaal. Met de ratificatie van het kaderverdrag inzake klimaatverandering van de Verenigde Naties (UNFCCC, 1992) verplichten de deelnemende partijen zich ertoe om hun broeikasgasemissies te stabiliseren op een niveau dat niet interfereert met het natuurlijk klimaatsysteem. Het bijhorende protocol van Kyoto zet voor de industrielanden concrete reductiedoelstellingen voorop voor de periode 2008-2012. België heeft zich volgens het Europese akkoord rond de lastenverdeling geëngageerd tot een emissiereductie van 7,5% ten opzichte van de uitstoot in 1990. Het Vlaamse Klimaatbeleidsplan 2002-2005 dat op 28 februari 2003 werd goedgekeurd door de Vlaamse regering, zette de krijtlijnen uit van een geïntegreerd Vlaams klimaatbeleid. Drie belangrijke strategielijnen werden gedefinieerd: de strategische onderbouwing van het klimaatbeleid met de Taskforce Klimaatbeleid als motor, het vastleggen van een sectorale aanpak en de inzet van flexibiliteitsmechanismen. Het tweede Vlaams klimaatbeleidsplan 2006-2012 zal hierop voortbouwen.

Opvolging van de plandoelstellingen Stabiliseren van de broeikasgasemissies in 2005 t.o.v. 1990 (beslissing van de Vlaamse -regering van 21 april 2001) Zie nieuwe doelstelling voor 2008-2012. De eindafrekening van de stabilisatiedoelstelling kan pas gebeuren in 2007 wanneer definitieve emissiecijfers voor 2005 beschikbaar zijn. Bereiken van 2% groene stroom in de leveringen van elektriciteit tegen 2004 en 6% tegen 2010, met een maximale invulling van het haalbaar potentieel aan hernieuwbare warmte + (Elektriciteitsdecreet en Vlaams Klimaatbeleidsplan) Het aandeel groene stroom in certificatenplichtige leveringen is tussen 1994 en 2004 gestegen van 0.15% tot 1.48%. Biomassa en biogas dragen het meest bij. Het regeerakkoord 2004-2009 stelt dat 25% van de geleverde elektriciteit tegen 2010 milieuvriendelijk moet opgewekt zijn uit hernieuwbare energiebronnen of WKK. Tegen 2012 het economisch potentieel aan kwalitatieve WKK realiseren (1832 MW) + (Elektriciteitsdecreet en Vlaams Klimaatbeleidsplan) Eind 2004 was een elektrisch vermogen aan WKK-installaties opgesteld van 1079 MWe. Hiervan voldoet 791 MWe aan de Vlaamse beleidsdefinitie van een kwalitatieve WKK. Reductie van de Vlaamse broeikasgasemissies in de periode 2008-2012 met gemiddeld 5,2% -ten opzichte van 1990. In 2004 bedroeg de totale uitstoot van broeikasgassen in Vlaanderen 90.651 kton CO2 equivalent. Vergeleken met de uitstoot in 1990, 87.459kton CO2 equivalent, betekent dit een toename van 3,6%. Voorzichtige prognoses stellen dat, zonder trendbreuk, deze stijging zich zal doorzetten naar 2012.


Opvolging van de richtinggevende doelstellingen Tegen 2004 het energieverbruik in de honderd meest energie-intensieve gebouwen van de Vlaamse overheid met gemiddeld 10% verminderen t.o.v. 1999-2000 (Resolutie van het n Vlaams Parlement van 23/05/01) vt In 255 gebouwen werd een energieboekhouding opgestart, waarover in december 2003 werd gerapporteerd aan het Vlaams parlement. Voor 5 gebouwsites werden audits uitgevoerd. Een cijfermatig overzicht van energiebesparingen is nog niet beschikbaar. Tegen 2005 een energiebesparing van 15% realiseren in de glastuinbouw t.o.v. 1990 (Vlaams + Klimaatbeleidsplan) Het energieverbruik van de glastuinbouw is gedaald van 22,2 PJ naar 20,4 PJ in de periode 20041990 (daling met 9%). De CO2-emissies ten gevolge van het energieverbruik in de glastuinbouw zijn tussen 1990 en 2004 gedaald van 1.689 kton naar 1.286 kton (-24%). Tegen 2010 de uitstoot van CO2 door verkeer t.o.v. het referentiejaar 1990 stabiliseren (ontwerp Mobiliteitsplan en Vlaams Klimaatbeleidsplan) De CO2-emissies in de transportsector zijn in 2004 gestegen tot 14,9 Mton, wat een stijging van 26,8% betekent t.o.v. het jaar 1990. Beperken van de stijging van de CO2-emissies van de huishoudens over de periode 1990-2005 tot 8% (Vlaams Klimaatbeleidsplan) In 2004 bedroeg de CO2-uitstoot van de huishoudelijke sector ten gevolge van brandstofgebruik 13.904 kton. In 1990 lag deze uitstoot op 11.765 kton, wat over de periode 1990-2004 resulteert in een stijging van 18,2%. In het Vlaamse regeerakkoord werd een andere doelstelling opgenomen: het verminderen van het energieverbruik van de gezinnen met 7.5% tegen 2010 ten opzichte van 1999. In 2004 lag het energieverbuik van de huishoudens op 257,6 PJ, wat 8% meer is dan in 1999. Beperking van de stijging van de CO2-emissies in de tertiaire sector in 2005 met 5% t.o.v. de + verwachte emissies (BAU = Business As Usual). De CO2-emissies voortkomend uit het brandstofgebruik in de tertiaire sector bedroegen 3.486 kton CO2 in 2004, oftewel een stijging van 64 % tov 1990. In 2003 was dit nog 3.921 kton. (BAU wordt niet meer als referentie gehanteerd, omdat het BAU-scenario in de loop der jaren gewijzigd werd).

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Het Vlaamse Klimaatbeleidsplan werd definitief goedgekeurd begin 2003. Inmiddels werd het tweede voortgangsrapport VORA04 definitief goedgekeurd op 11 juni 2004 en is de opmaak van een tweede Vlaams klimaatbeleidsplan 2006-2012 gestart, op basis van een evaluatie van het eerste plan en haar voortgangsrapporten. Voor een gedetailleerde evaluatie van het Vlaamse klimaatbeleid wordt verwezen naar dit voortgangsrapport 2004. De stabilisatiedoelstelling wordt volgens het voortgangsrapport 2004 niet gehaald. Met de bestaande maatregelen kan slechts 35% van de kloof gedicht worden. Vertraging op de implementatie van de geplande projecten, een gebrek aan nieuwe projecten met extra emissiereductiepotentieel en nieuwe inventarismethodieken verklaren ondermeer het magere resultaat. Een belangrijke randvoorwaarde voor de Vlaamse stabilisatiekloof is evenwel de uitvoering van federale emissiereducerende acties op het vlak van fiscaliteit, mobiliteit en productbeleid. De werkgroepen onder de Taskforce zijn in 2004 en 2005 veelvuldig samengekomen. De subwerkgroep Richtlijn Emissiehandel van de werkgroep flexibiliteitsmechanismen zorgde voor de implementatie van de Europese richtlijn met de opmaak van een Vlaams toewijzingsplan 2005-2007 als onderdeel van het nationaal allocatieplan, in overleg met de andere gewesten en


de federale overheid. Ondertussen werkt deze werkgroep aan de opmaak van een tweede toewijzingsplan 2008-2012. De subwerkgroep 'JI/CDM' maakte referentietermen op voor de opstart van zulke projectgebonden mechanismen met mogelijke financieringsmechanismen. De eerste oproep naar JI/CDM-projecten verscheen in september 2004. Beide werkgroepen bogen zich ook over een algemene visietekst inzake flexibiliteitsmechanismen, die in het Vlaamse toewijzingsplan werd opgenomen. In 2005 ging de werkgroep 'post 2012' van start. Specifiek voor het beleidsdomein leefmilieu werd in 2004-2005 het volgende verwezenlijkt. In 2003 werd gestart met de opvolging van de opmerkingen naar aanleiding van een audit van de Vlaamse emissie-inventaris en een doorlichting van de nationale broeikasgasrapportering door een internationaal expertteam van de VN in 2003. Het Vlaams inventarissysteem werd in kaart gebracht. Het besluit tot opname van REG-verplichtingen in Vlarem werd definitief goedgekeurd. De meetprocedures voor N2O en NH3-emissies bij mestverwerking werden opgesteld en bijkomend onderzoek naar mogelijkheden om de emissies van CH4, N2O en NH3 uit de bodem te beperken werd opgestart. De reglementering inzake onderhoud en nazicht van huishoudelijke stooktoestellen werd vastgelegd in een besluit van de Vlaamse regering. De maatregelen uit het ontwerp-mobiliteitsplan werden doorgerekend naar CO2-reductiepotentieel om de nood aan acties te onderstrepen. De mogelijkheden om bijkomende reducties te realiseren in de aardgasdistributiesector werden onderzocht, maar blijken erg beperkt. Overleg met de salpeterzuursector inzake mogelijke reducties werd heropgestart, wat leidde tot de ondertekening van een convenant op 18 november 2005. Meer interne reductiemogelijkheden voor de verschillende klimaatrelevante sectoren werden in het kader van het Vlaamse toewijzingsplan onderzocht en in oktober 2004 voorgelegd aan de Vlaamse regering. Ze worden nader bestudeerd in het kader van de opmaak van het nieuwe Klimaatbeleidsplan. De voorbereiding van dit plan gaat gepaard met een uitgebreid doelgroepenoverleg onder de noemer "Vlaamse klimaatconferentie". Het startmoment op 6 juni 2005 werd gevolgd door een intensieve werkperiode. Op 18 oktober 2005 legde het middenveld 365 aanbevelingen voor op het bilan van de klimaatconferentie. Op 1 oktober 2004 nam de VR een uitgebreide beslissing over het Vlaams toewijzingsplan inzake verhandelbare emissierechten en over de ambitieuze en volledige uitvoering van de interne klimaatprojecten uit het VKP 2002-2005. Tweemaal per jaar zal een korte stand van zaken van uitvoering van de projecten uit het VKP voorgelegd worden aan de VR. Op termijn wordt een passend financieringsmechanisme opgericht voor de financiering van projectgebonden mechanismen en bijkomende interne maatregelen. Een besluit flexibele mechanismen werd in 2005 opgemaakt. Dit besluit legt het kader vast voor de Vlaamse strategie inzake het verwerven van CER's, ERU's, emissierechten en AAU's.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke Status verwachting

Evaluatie Vlaams Klimaatbeleidsplan (VORA) en opzet 2005 EINDE tweede plan (VKP 2006 - 2012)

Huidige verwachtin g

nieuw

Vlaamse klimaatconferentie

2005 MIDDEN

gerealis eerd

Energie- en broeikasgasprognoses tot 2012 en 2030

2004 EINDE

2005 gerealis MIDDEN eerd

Opmaak Vlaams Inventarissysteem van broeikasgasemissies

2005 EINDE

2005 gerealis MIDDEN eerd


2006 vertraag BEGIN d

Eerste voorstel uitwerking sectorale doelstellingen

2004 MIDDEN

Opname aspect CO2-emissies in milieuvergunning

2004 EINDE

gerealis eerd

Opmaak reductieplan aardgasdistributiesector

2004 EINDE

gerealis eerd

Reductieplan salpeterzuurproductie (milieubeleidsovereenkomst)

2004 EINDE

2005 gerealis EINDE eerd

Studie procesemissies afgerond

2005 EINDE

2006 vertraag BEGIN d

Plan voor efficiĂŤnt onderhoud van particuliere stookinstallaties

2004 MIDDEN 2006 MIDDEN

2006 vertraag MIDDEN d nieuw

2005 EINDE

nieuw

Opname rapportering mbt bebossing, ontbossing en herbebossing in Vlaamse emissieinventaris

2005 MIDDEN

2005 gerealis EINDE eerd

Visietekst inzet flexibele mechanismen

2004 EINDE

2006 vertraag MIDDEN d

2006 MIDDEN

nieuw

2006 BEGIN

nieuw

Uitgewerkte reglementering stooktoestellen Opstellen procedures voor meten van lachgas- en ammoniakemissies bij mestverwerking

eindrapport studie klimaatfondsen - voorstel verwervingsstrategie ontwerp van toewijzingsplan 08-12 wordt voorgelegd aan Vlaamse regering

Indicatoren Aandeel leefmilieuprojecten waarvan de reductiedoelstelling bereikt is Aandeel leefmilieuprojecten waarvoor planning gerespecteerd wordt Aandeel van projecten in andere beleidsdomeinen waarvoor de planning wordt gerespecteerd Aantal uitgereikte groenestroomcertificaten (GSC) in kader van stortgasvalorisatie Aantal JI/CDM-projecten volgens Vlaamse criteria

Realisatie Doelstelli ng 100 0 (2005) (2012) 100 77 (2005) (2012) 100 72 (2005) (2012) 15432 (2004) 0 (2005) 6 (2007)

Aanpak jaar 2006 Project: Klimaatbeleid In 2006 gaat het Vlaamse Klimaatbeleidsplan 2006-2012 van start. De rol van de Taskforce als


bewaker van de uitvoering van het plan zal herbekeken worden. In ieder geval moet zij twee maal per jaar (in januari en in juli) een kort voortgangsrapport voorleggen aan de Vlaamse regering. De werkgroepen 'toewijzingsplan', 'flexibiliteitsmechanismen' en 'post kyoto' zullen in ieder geval ook actief moeten werken aan de Vlaamse uitvoering en/of voorbereiding van complexe thema's uit het klimaatbeleid. Het consultatieproces van de Vlaamse klimaatconferentie zal voor bepaalde strategielijnen uit het nieuwe plan voortgezet worden in 2006. Vanaf 2006 zal het permanent secretariaat van de Nationale klimaatcommissie instaan voor een jaarlijkse evaluatie van het nationaal klimaatplan. De Vlaamse bijdrage daaraan wordt gecoördineerd vanuit de Taskforce. Inventarisatie en prognoses van broeikasgasemissies optimaliseren Het nationaal en zodoende ook Vlaams inventarissysteem gaat in 2006 van start. De procedures en verantwoordelijkheden vastgelegd in het Vlaamse systeem - erg aansluitend bij de huidige situatie - worden zo geformaliseerd. In het kader van de post 2012 onderhandelingen, moet verder worden gewerkt aan Vlaamse scenario's voor broeikasgasemissies tegen 2030. De emissies van de internationale lucht- en scheepvaart mogen daarbij niet vergeten worden. Hiervoor worden studies opgestart. In 2006 zal het 'report on the establisment of assigned amounts units' overgemaakt moeten worden aan de EU en daarna aan het UNFCCC. Dit rapport legt het referentiejaar 1990 en de toegekende emissiequota voor de Kyotoperiode vast. Sectorale aanpak Het Vlaamse Klimaatbeleidsplan 2006-2012 zal enkele nieuwe accenten aanbrengen m.b.t. de sectorale aanpak. De aandachtspunten van de nieuwe Vlaamse regering zorgen voor een eerste heroriëntering, maar ook het uitgebreide consultatieproces onder de vorm van de klimaatconferentie heeft nieuwe acties en focussen naar voren geschoven. Vanuit het bevoegdheidsdomein leefmilieu gaat de aandacht in 2006 alvast uit naar de opmaak van het tweede toewijzingsplan, de voortzetting van de onderhandelingen met de caprolactamproducenten, de uitvoering en eventuele aanscherping van het reductieplan voor gefluoreerde broeikasgassen en de afronding en implementatie van het uitvoeringsbesluit voor huishoudelijke stookinstallaties. Op basis van de resultaten van een studie inzake industriële procesemissies zullen mogelijke nieuwe beleidsmaatregelen uitgetekend worden, en dit in overleg met betrokken sector. De voorbereiding van het post 2012 proces zal ook om voldoende aandacht vragen. Uitwerken van beleidskader flexibele mechanismen De eerste pilootprojecten inzake CDM werden in 2005 definitief beoordeeld waarna contracten zullen worden afgesloten. Door de beslissing van de Vlaamse regering van 23/09/05 inzake flexmex, zullen in Vlaanderen structuren opgezet moeten worden. Op basis van de resultaten van de studie klimaatfondsen wordt een Vlaamse verwervingstrategie inzake projectgebonden flexibele mechanismen uitgetekend. Volgens de huidige prognoses zullen er tegen eind 2012 voor ongeveer 24 Mton CO2eq emissiekredieten aangekocht worden.


Verontreiniging door fotochemische stoffen Verantwoordelijke:Tania Van Mierlo

Inleiding Fotochemische luchtverontreiniging is de verontreiniging van de omgevingslucht met chemische stoffen die een oxiderende werking hebben. Deze stoffen ontstaan in aanwezigheid van stikstofoxiden (NOx) en vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan (NMVOS), onder invloed van zonlicht op warme dagen. De belangrijkste NMVOS-bronnen zijn industrie en verkeer & vervoer met bijdragen van 40% en 29% in de NMVOS-emissies. Sommige NMVOS hebben ook een direct effect (bv. toxisch of kankerverwekkend). Het AUTO-OIL programma legt op Europees niveau grenswaarden op voor emissies van personenwagens en vrachtwagens en kwaliteitsnormen voor benzine en diesel. Onder invloed van Europese reglementering en BBT wordt het damprecuperatiesysteem voor benzinestations ingevoerd. Voor de industrie is de Europese solventrichtlijn van belang die in 2001 in VLAREM wetgeving werd geïmplementeerd. De Solventrichtlijn legt voor verschillende industriële installaties emissiegrenswaarden op voor geleide en diffuse emissies en/of totale emissies. Daarnaast legt de NEC-richtlijn nationale emissieplafonds op voor de emissies van NOx en NMVOS. Sinds 2002 is ook de nieuwe EGrichtlijn betreffende ozon in de lucht in werking getreden. Deze richtlijn legt nieuwe immissiewaarden op voor ozon in de omgevingslucht en is afgestemd op de resultaten die moeten behaald worden op Europees vlak door toepassing van de bovenvermelde NEC- en Solventrichtlijn en het AUTO-OIL programma. Vlaanderen pakt de emissies aan op drie fronten, met name door emissiereductieprogramma's voor de industrie, de beperking van huishoudelijke NMVOS-emissies en maatregelen in verkeer en vervoer. Bijkomende prioriteiten zijn een verhoogde opvolging van het internationaal beleid, het verder uitbouwen van een emissieinventaris en de integratie tussen mobiliteits- en milieubeleid.

Opvolging van de plandoelstellingen Verminderen van het aantal dagen per kalenderjaar met een hoogste 8-uurgemiddelde van meer dan 120 µg/m3 tot maximaal 25 (gemiddeld over drie jaar) Het aantal dagen, waarop het hoogste 8-uursgemiddelde van de dag de drempelwaarde van 120 µg/m³ overschrijdt, bedroeg 39 dagen in 2004. Dit is lager dan in 2003 (65), maar hoger dan in 2002 (20), waardoor het gemiddelde over drie jaar nog steeds 41 dagen bedraagt. Om de MLTD van 25 dagen te halen zullen bijgevolg bijkomende reductiemaatregelen moeten geïmplementeerd worden. De totale NOx-emissie verminderen tot maximum 100,97 kton (er wordt gestreefd naar een + verdere reductie tot 87,2 kton) De totale NOx emissie bedroeg 174 kton in 2004, een daling met 20% t.o.v. 1990, voornamelijk door een emissievermindering in de energiesector. Er is echter nog een lange weg af te leggen om tegen 2010 een daling met 54% te verkrijgen. De totale VOS-emissie verminderen tot maximum 91,86 kton (er wordt gestreefd naar een verdere reductie tot 75,35 kton) Een dalende emissietrend kan in het algemeen toegeschreven worden aan bijkomende inspanningen door de industrie. Anderzijds worden binnen bepaalde sectoren ook toenames waargenomen als gevolg van een stijgende productiecapaciteit of een toename van het aantal bedrijven binnen deze sector. In 2004 bedraagt de NMVOS emissies met 116,5 kton nog 45% van de waarde in 1990. Tegen 2010 dient de NMVOS met 57% gedaald te zijn. Vermijden van plaatselijke overschrijding van de AOT40ppb-vegetatie-waarde van 18.000

+ +


(µg/m3 uren) (gemiddeld over vijf jaar)

+ +

Gemiddeld (over vijf jaar) blijft AOT40ppb - vegetatie sinds 1991 onder de plandoelstelling, maar ligt ze nog steeds ver boven de langetermijndoelstelling van 6.000 (µg/m³).uren. In 2004 bedraagt de AOT40ppb 7.053 µg/m3. Het glijdend 5-jaargemiddelde van de seizoensoverlast voor gewassen en semi-natuurlijke vegetatie vertoont een duurzame daling sinds 1994 en daalde in 2004 tot net onder de 10.000 µg/m3.

Opvolging van de richtinggevende doelstellingen De emissies van de huishoudens verminderen tot maximaal 12 kton NOx en 10,5 kton VOS +/Zowel de VOS- emissie door het gebruik van verf als door het gebruik van andere solventhoudende producten blijft over de periode 1990-2004 zo goed als stabiel. Voor de het 'huishoudelijk' gebruik van verf is er geen noemenswaardige reductie gerealiseerd in de laatste 10 jaar. Het relatief aandeel in de totale NMVOS is hierdoor toegenomen. Door toedoen van een nieuwe productrichtlijn, die in 2004 gepubliceerd werd en in 2007 effectief van kracht zal worden, zullen de huishoudelijk emissies tegen 2010 dalen. De NOx-emissies van deze sector zijn tussen 1990 en 2004 gestegen van 11,1 kton tot 14,2 kton, ten gevolge van het stijgend energieverbruik. In 2004 werd een K.B. gepubliceerd ter beperking van (onder meer) de NOxemissies door branders met een vermogen van minder dan 400 kW. Gezien de vervanging van de bestaande branders een geleidelijk proces is, zal dit K.B. resulteren in een geleidelijke daling van de NOx-emissies door deze sector. De emissies van de industrie verminderen tot maximaal 46,3 kton NOx en 60,4 kton VOS + De procesemissies voor VOS zijn aanzienlijk gedaald, van 108,6 kton in het jaar 1990 tot 55,3 kton in het jaar 2004. Deze reducties zijn gerealiseerd door verbeterde technologieën en emissiereductiemaatregelen. De keramische sector kende bv. een halvering van haar emissies in 2004 t.o.v. 2003 als gevolg van strengere VLAREM-normen. Door toepassing van de solventrichtlijn dalen de emissies in de droogkuissector en de sector van de autoassemblage sinds 2002. De emissies van het verkeer verminderen tot maximaal 42,67 kton NOx en 20,96 kton VOS + Bij de uitwerking van het milieubeleidsplan 2003-2007 werden richtinggevende verkeersdoelstellingen gedefinieerd op basis van de emissiecijfers uit 1995. Vermits later bleek dat de drie gewesten pas vanaf 1999 dezelfde methodologie gebruikten, werden er andere cijfers voor de transportsector als doelstelling naar voor geschoven. Dankzij de steeds strengere normen van voertuigen dalen de emissies. De VOS-emissies naderen de doelstelling voor 2010 (wegverkeer, spoor, binnenvaart en nationaal aandeel luchtvaart bedroeg 21 kton in 2004, hierbij dienen nog de emissies van landbouwvoertuigen opgeteld te worden). De NOx emissies daalden ook maar liggen nog ver boven de te bereiken doelstelling (91 kton zonder emissies landbouwvoertuigen in 2004). De verdieselijking die zich verder zet alsook de werkelijke, hoger dan ingeschatte, NOx emissies van het verkeer, bemoeilijken het behalen van de doelstelling nog meer.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Voor de industriële sectoren zullen, door de introductie van solventrichtlijn (99/13/EG) en de verplichting tot damprecuperatie in benzinetankstations in 2001, de komende jaren belangrijke emissiereducties gerealiseerd worden. In het kader van het project 'Emissiereductiebeleid lucht' (zie thema 'Verzuring') werden maatregelenpakketten samengesteld op basis van de BBT-studies waardoor de BBT via VLAREM uiterlijk in 2010 verplicht worden. Voor een hele reeks sectoren was er echter onvoldoende informatie voorhanden en werden sectorstudies uitgevoerd in de


periode 2000 - 2004. Op basis van deze studies werd met die sectoren waar nog kosteneffectieve maatregelen mogelijk zijn, overleg opgestart om uiterlijk tegen 2010 maatregelen door te voeren. EĂŠn van de belangrijkste maatregelen die uitgewerkt wordt, is de aanpak van lekemissies in chemie en petrochemie door middel van een meet- en beheersprogramma. Voor de reductie van de emissie van het huishoudelijk gebruik van oplosmiddelhoudende producten is de totstandkoming van een Europese productrichtlijn (2004/42/EG) een belangrijke stap. Voor de productengroepen decoratieve verven en carrossierverven zullen hierdoor in 2007-2010 maximumgehalten voor VOS worden opgelegd. Voor de reductie van de emissie van het huishoudelijk gebruik van oplosmiddelhoudende producten is de totstandkoming van een Europese ontwerp kaderproductrichtlijn een belangrijke stap. Voor de productengroepen decoratieve verven en carrossierverven zullen in 2007-2010 maximumgehalten voor VOS worden opgelegd. Midden 2005 werd de studie "Ecoscore" afgerond. Hierbij werd een ecoscore voor alle voertuigen uitgewerkt waarmee op basis van de emissies en het brandstofverbruik bepaald wordt hoe milieuvriendelijk een voertuig is (zie www.milieuvriendelijkvoertuig.be). Daarnaast werden concrete acties uitgewerkt om het gebruik van milieuvriendelijke voertuigen te stimuleren. De resultaten zijn terug te vinden op de website www.vlaanderen.be/lucht onder de rubriek milieu en mobiliteit (documentatie, studies). De cluster mobiliteit binnen de samenwerkingsovereenkomst blijft gemeenten aanzetten hun wagenpark milieuvriendelijk uit te bouwen en de bevolking te sensibiliseren. Ook de ROB-campagne werd zowel door de gemeenten als door Vlaamse overheid verder gezet om de bevolking aan te zetten milieuvriendelijk te rijden. De principes van milieuvriendelijk en energiezuinig rijgedrag vinden bovendien steeds meer ingang in de rijopleidingen. Knelpunten als gevolg van het verkeer voor het behalen van de internationale luchtkwaliteitsdoelstellingen voor NO2 en fijn stof werden genalyseerd en een mogelijke aanpak voor het mobiliteitsbeleid en gemeenten werd uitgewerkt. In 2004 en 2005 werd de methodologie voor de emissie-inventaris NMVOS verder aangepast en geactualiseerd (1990-2002) aan de hand van de resultaten van de verschillende sectorstudies. Verdere stappen werden ondernomen in 2005 naar de informatieleveranciers toe om de inputgegevens te verfijnen en uit te breiden. De kortetermijnmodule van het SMOGSTOP ozonvoorspellingmodel die in de loop van de dag zelf preciezere voorspellingen van kansen op normoverschrijdingen oplevert, werd in 2005 geoptimaliseerd. Het model werd in 2005 eveneens uitgebreid met zes nieuwe meetstations en de bestaande databanken en parameters werden geactualiseerd met gegevens tot en met 2005. Een nieuwe techniek voor de interpolatie van ozongegevens (RIO) werd in 2005 geĂŻmplementeerd. De resultaten hiervan kunnen in real-time op de websites van de VMM (www.vmm.be) en IRCEL (www.ircel.be) geraadpleegd worden. Het belEUROS model werd in 2005 verder ontwikkeld en (o.a.) gebruikt voor de berekening van de bijdrage van het verkeer in de concentraties van ozon (en ook PM10/PM2.5) in Vlaanderen (zie MIRA-T 2005)

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Methodologie intersectorale afweging NEC voortgangsrapport 2006 Berekeningen emissieplafonds 2015-2020 uitgevoerd

Huidige Oorspronkelij Status verwachtin ke g verwachting 2005 2004 EINDE gereali MIDDEN seerd 2006 EINDE nieuw 2005 MIDDEN

2006 vertraa MIDDEN gd


Maatregelenpakket chemische industrie (vlaremwijziging fugitieve emissies) (VOS)

2006 2004 EINDE vertraa MIDDEN gd

Maatregelenpakketten raffinaderijen, grafische sector, op- en 2006 2003 EINDE vertraa overslag (Vlaremwijziging) (VOS) MIDDEN gd Maatregelenpakketten verfindustrie, automobiel, diverse

2004 MIDDEN

Omzetting productrichtlijn decoratieve en carrossierverven in 2004 nationale wetgeving MIDDEN

2006 vertraa MIDDEN gd 2006 vertraa EINDE gd

Rekenblad voor vloothouders, inclusief aanbevelingen aankoop voertuig, hernieuwd

2006 2005 EINDE vertraa BEGIN gd

Uitbouw draagvlak voor maatregelen milieuvriendelijke voertuigen

2004 MIDDEN

voorstel aanpassing verkeersbelastingen uitgewerkt Definitieve versie emissiemodule gekoppeld aan verkeersmodel TRIPS

2004 gereali EINDE seerd 2006 BEGIN nieuw 2005 2005 EINDE gereali MIDDEN seerd

Evaluatienota inzake knelpunten en maatregelen verkeer voor 2004 2004 BEGIN gereali bereiken internationale luchtkwaliteitsdoelstellingen EINDE seerd Ontwikkeling emissiemodule spoor en binnenvaart

2007 2004 EINDE vertraa EINDE gd

Beoordeling ozonvervuiling in de zomer van 2004

2005 MIDDEN

Beoordeling ozonvervuiling in de zomer van 2005

2006 MIDDEN

gereali seerd nieuw

Real time display van overschrijdingen van de drempels van 2006 BEGIN nieuw de EG-richtlijnen ivm ozon en PM10 2007 Emissie-inventaris spoor- en scheepvaart nieuw MIDDEN Beleurosmodel: sensitiviteitsstudie ivm menglaaghoogte

2006 2005 EINDE vertraa MIDDEN gd

Verruiming ozonvoorspellingstool naar andere polluenten

2005 2004 EINDE verlate MIDDEN n

Beoordeling RAINS scenario's voor EU thematische strategie 2007 BEGIN nieuw lucht Onderzoek naar ozonflux benadering voor schade aan 2007 EINDE nieuw bepaalde soorten gewassen verificatie van ozonsimulaties door bel EUROS-model 2004 2004


MIDDEN

Indicatoren VOS-emissies andere sectoren (kton) VOS-emissies chemie en raffinage (kton) VOS-emissies door sectoren uit de Solventrichtlijn (kton) Aantal gemeenten die deelnemen aan de ROB-campagne Aantal bussen uitgerust met CRT-roetfilter Aantal gemeenten ingetekend op cluster mobiliteit (totaal)

gereali EINDE seerd

Realisatie 38,00 (2005) 22,00 (2005) 24,00 (2005) 149 (2005) 470 (2005) 194 (2005)

Doelstelling 27,00 (2010) 22,00 (2010) 19,00 (2010) 130 (2005) 765 (2006) 205 (2007)

Aanpak jaar 2006 Verhoogde opvolging van het internationaal beleid In de NEC richtlijn wordt voor elke Europese lidstaat, en dus impliciet ook voor Vlaanderen, een VOS emissieplafond opgelegd. De Europese commissie zal in 2006 nieuwe emissieplafonds voorstellen voor vermoedelijk 2015 en 2020. De totstandkoming van deze plafonds zal nauw opgevolgd worden. Ter voorbereiding van dit commissievoorstel zal het Oostenrijkse instituut IIASA, in opdracht van de commissie, met behulp van het RAINS model trachten te bepalen welke reducties nodig zijn in de verschillende lidstaten om bepaalde milieudoelstellingen te kunnen realiseren. Om rekening te houden met technische en economische randvoorwaarden wordt gebruikt gemaakt van een technisch-economische databank op lidstaatniveau. Tot midden 2006 zullen de werkzaamheden van IIASA geĂŤvalueerd, en waar nodig bijgestuurd moeten worden. Vanaf dan zal de totstandkoming van het nieuwe commissievoorstel nauw opgevolgd worden. Productbeleid sturen Voor een aantal oplosmiddelhoudende huishoudelijke producten is de inzet van productnormering nog wenselijk. De bevoegdheid ligt hier bij de federale overheid en Europa, Vlaanderen speelt hier een aansporende en adviserende rol. Europees beleid opvolgen Het belangrijkste instrument om de emissies van de transportsector terug te dringen zijn de normen voor voertuigen en brandstofkwaliteit. In 2006 staan enkele belangrijke richtlijnen op de Europese agenda, zoals een nieuwe norm voor personenwagens, een nieuwe norm voor vrachtwagens en aanpassingen aan de vereiste brandstofspecificaties. Over de maatregelen die op Europees vlak nodig zijn om luchtverontreinigende emissies, de uitstoot van broeikasgassen en geluidsemissies van voertuigen te verbeteren, zullen standpunten geformuleerd moeten worden. Gebruik van milieuvriendelijke voertuigen en brandstoffen stimuleren Op basis van de resultaten van het Ecoscore project, dat in 2005 werd afgerond, zal het actieprogramma milieuvriendelijke voertuigen en brandstoffen geactualiseerd worden. Daarnaast wordt de implementatie van maatregelen uit het Ecoscore project verder gezet. Belangrijk hierbij is het politiek overleg over een aanpassing van de verkeersbelastingen i.f.v. de emissienorm van het voertuig en de CO2 uitstoot uitgebreid met een extra stimulans voor roetfilters (zie ook project 30 'milieu en mobiliteit'). Ook de vergroening van de vloten van het Vlaams ministerie, van De Lijn en andere openbare instellingen is aan de orde in 2006. Er wordt ook gestart met de opleiding van verkoopspersoneel zodat milieucriteria bij de verkoop meer in de verf worden gezet. Op basis van de resultaten van het TREATISE project worden instrumenten aangeboden aan alle gemeenten om hun vloot milieuvriendelijk uit te bouwen en de bevolking te sensibiliseren. In 2006 wordt ook de databank milieuvriendelijke voertuigen geactualiseerd zodat de ecoscore van nieuwe voertuigen hierin terug te vinden is. Tot slot gaat er 2006 ook aandacht naar de effecten van het gebruik van biobrandstoffen op andere emissies dan CO2. Emissieniveaus voertuigen huidige & nieuwe technologie opvolgen


De resultaten van het SCRT project bij De Lijn, waarbij een roetfilter en een deNOx katalysator worden gecombineerd, worden geëvalueerd. Dankzij de positieve resultaten behaald met één van de geteste systemen zal De Lijn haar bussenpark gaandeweg uitbreiden met dergelijke systemen. In 2006 wordt hiertoe voorafgaand een evaluatie gemaakt van een uitgeruste bus na één jaar werking. Ook andere technologieën zoals het gebruik van pure plantaardige olie en biodiesel als brandstof worden bestudeerd. Een milieuvriendelijk rijgedrag bewerkstelligen Om automobilisten aan te zetten energiezuinig te rijden, wordt de ROB-campagne ook in 2006 verder gezet. Daarnaast maakt energiezuinig rijden deel uit van het project interne milieuzorg binnen de Vlaamse overheid. Energiezuinig rijden zal in 2006 ook steeds meer deel uitmaken van de rijopleiding voor beginnende chauffeurs in rijscholen. De plannen en projecten van de voorbije jaren zullen worden geëvalueerd en op basis hiervan zal het actieprogramma milieuvriendelijk rijgedrag worden aangepast. Hierbij gaat aandacht naar de introductie van energiezuinig rijden voor vrachtwagenchauffeurs, het project Rij Wijs gericht naar jonge beginnende chauffeurs dat in 2005 door de BBL werd uitgewerkt, instrumenten die werden ontwikkeld voor gemeenten en de ROB-campagne. Beoordeling, bewaking en rapportering ozon optimaliseren Om de beoordeling, de bewaking en de rapportering van ozon in de omgevingslucht te optimaliseren en de bevolking nog beter te informeren, zullen in 2006 nieuwe instrumenten operationeel worden en zullen bestaande instrumenten geoptimaliseerd worden (oa. betere kartografische voorstelling van ozonverontreiniging, real-time consultatie van EG-drempel overschrijdingen). Emissie-inventaris uitbouwen In 2006 zal een emissiemodel voor spoor en scheepvaart worden ontwikkeld zodat de emissies van luchtverontreinigende stoffen en broeikasgassen vrij gedetailleerd in kaart kunnen gebracht worden. Instrumenten ozonbeleid uitbouwen op diverse schalen De optimalisatie van het belEUROS model (eind 2005) moet het mogelijk maken om beleidsscenario's te ontwerpen en verder te verfijnen. De resultaten van het model zullen vergeleken worden met andere internationaal gebruikte beleidsmodellen (bijv. EMEP-RAINS). Indicatoren schade menselijke gezondheid en vegetatie verfijnen Indicatoren die de gezondheidsimpact bij de mens inschatten (o.a. vervroegde sterfte door ozon) zullen in 2006 verder uitgewerkt worden. Zolang de EU de overlastindicator (AOT40) blijft hanteren om de impact van ozon bij gewassen in te schatten, wordt het onderzoek naar de ozonflux benadering voor schade aan gewassen uitgesteld.


Verzuring Verantwoordelijke:Steven Lauwereins

Inleiding Verzuring staat voor de gezamenlijke effecten van zwavel- en stikstofhoudende verbindingen die via de atmosfeer worden aangevoerd en waaruit zuren (zwavelzuur en salpeterzuur) gevormd kunnen worden. Hoofdoorzaak ervan is de verontreiniging van de lucht door emissies van zwaveldioxide (SO2 - vnl. van dieselverkeer en industrie), stikstofoxiden (NOX - vnl. van verkeer en verbrandingsprocessen) en ammoniak (NH3 - vnl. van landbouw). Tegen 2010 wil de EU de door kwetsbare ecosystemen bedekte oppervlakte, waar de kritische belasting voor verzuring in 1990 werd overschreden, halveren. De ozonoverlast voor de volksgezondheid moet met twee derden worden verminderd en de ozonoverlast voor vegetatie met een derde. Met het RAINS-model (Regional Air Pollution Information and Simulation model) dat beheerd wordt door het Oostenrijkse onderzoeksinstituut IIASA werd berekend welke reducties in elke lidstaat nodig zijn voor het bereiken van deze milieudoelstellingen. Dit heeft geleid tot de NEC-richtlijn (2001/81/EG) waarin voor NH3, NOx, SO2 en VOS voor alle lidstaten vanaf 2010 emissieplafonds worden opgelegd. Het beleid rond verzuring richt zich voornamelijk op het verder reduceren van de NH3-, NOX- en SO2-emissies. Andere prioriteiten zijn de ontwikkeling en operationalisering van een depositiemeetnet en het uitvoeren van de regeling rond emissiearme stallen. Ook energiebesparende maatregelen brengen een daling van de emissies met zich mee. De aanpak van de NOx-emissies afkomstig van het verkeer komt in het thema 'Verontreiniging door fotochemische stoffen' aan bod. Het beleid rond NH3 komt zowel hier als in het thema 'Vermesting' ter sprake.

Opvolging van de plandoelstellingen De totale NH3-emissie verminderen tot maximum 45 kton (er wordt gestreefd naar een + verdere reductie tot 40,7 kton) De NH3-emissie wordt voor meer dan 90 % veroorzaakt door landbouwactiviteiten en daalde van 83,3 kton in 1990 tot 47,7 kton in 2004. Deze daling is voornamelijk te wijten aan het emissiearm aanwenden van mest. Verdere inspanningen blijven nodig om de doelstelling te halen. Hiervoor werd een reductieprogramma uitgewerkt in het kader van de NEC-richtlijn. De totale NOx-emissie verminderen tot maximum 100,97 kton (er wordt gestreefd naar een + verdere reductie tot 87,2 kton) De emissies van NOx daalden geleidelijk sinds 1990, met in 2004 een emissie van 174,0 kton (waarvan 52 % door het verkeer). Weliswaar blijft de te reduceren hoeveelheid NOx nog aanzienlijk en blijven verdere inspanningen nodig. In het kader van de NEC-richtlijn werd een emissiereductieplan opgesteld waarin voor de betrokken sectoren maatregelen werden uitgewerkt. De totale SO2-emissie verminderen tot maximum 67,05 kton (er wordt gestreefd naar een verdere reductie tot 60 kton)

+ + De SO2-emissie is tussen 1990 en 2004 gedaald van resp. 252,5 kton per jaar tot 109,3 kton per jaar (waarvan 32 % door de industrie). Deze daling situeert zich zowel bij de industrie als bij het wegverkeer en de residentiĂŤle sector. Ten opzichte van 2003 is er een kleine stijging van de SO2emissie bij de elektriciteitssector en de industrie merkbaar (door reeds voorziene maatregelen zal deze stijging slechts tijdelijk zijn). Ook hier blijven nog aanzienlijke inspanningen nodig om de doelstellingen te halen. Ook hiervoor werd een reductieplan uitgewerkt.


Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Voor de voornaamste industriĂŤle sectoren werd het reductiepotentieel voor emissies naar de lucht in kaart gebracht. In 2003 en 2004 werden al maatregelen genomen voor heel wat belangrijke emissiebronnen (stookinstallaties, elektriciteitssector, raffinaderijen, keramische sector). In het kader van de NEC-richtlijn (2001/81/EG) en het emissiereductieprogramma werden met een aantal industriĂŤle sectoren (ijzer- en staalproductie, non-ferro, chemie, glasproductie) in 2005 gesprekken opgestart over bijkomende emissiereducties. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de resultaten van de studie naar een intersectorale afweging van de maatregelen uit de diverse sectorstudies. In een tweede luik van de studie over de toepasbaarheid van economische instumenten in het reductiebeleid werd in 2005 een stappenplan van een dergelijk instrument uitgewerkt. Er werd een depositiemeetnet opgestart op 10 meetplaatsen (waarvan de fractie natte depositie sinds 2001 wordt gemeten). Aanvullend werd het OPS-model dusdanig aangepast dat er berekeningen kunnen uitgevoerd worden voor heel Vlaanderen. Op basis van de meetresultaten uit het meetnet werd het OPS model gevalideerd. Uit de resultaten blijkt dat een grondige validatie zich opdringt, met voorziening van de nodige modelaanpassingen, teneinde metingen en berekeningen meer bij mekaar te doen aanleunen. Om gebiedsgerichte uitspraken te doen, zijn evenwel nog bijkomende aanpassingen aan het model noodzakelijk. Om de NH3emissie in de landbouw te beperken, worden slechts welbepaalde emissiearme aanwendingstechnieken toegestaan. Er werd een studie opgestart om de vooropgestelde NH3emissiereducties voor deze technieken te evalueren. Nieuwe varkens- en pluimveestallen moeten NH3-emissiearm gebouwd worden volgens een lijst van toegestane stalsystemen. Deze lijst wordt continu geĂŤvalueerd en aangepast op basis van nieuwe inzichten. De elektriciteitsdistributienetbeheerders zijn verplicht om jaarlijks een bepaalde hoeveelheid primaire energie te besparen. Hierover dienen zij jaarlijks een actieplan in bij de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie (ANRE). De voorbije jaren werd steeds een premie toegekend voor de vervanging van oude ketels door condensatieketels. Daarnaast wordt een belastingsvermindering toegekend voor energiebesparende maatregelen, zoals de vervanging van oude stookketels door een lage temperatuursketel of een condensatieketel. Tevens is een regeling uitgewerkt voor de erkenning van energiedeskundigen voor woningen. Particulieren die een energieaudit laten uitvoeren door een erkende energiedeskundige kunnen 40% van de kosten in rekening brengen voor een belastingvermindering. Het advies zal de mogelijke verbeteringen op energetisch vlak aangeven van de bouwschil, de stookinstallatie en het sanitair warm water.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Evaluatie NH3-emissiefactoren voor aanwending mest

2006 BEGIN

Evaluatie externe mestopslag

2006 EINDE

Uitbouwen inventarisatiesysteem emissiearme stallen Certificeringsprocedure mestverwerkingsinstallaties Maatregelenpakket voor de chemische sector (verzurende emissies)

2006 BEGIN

Status

Huidige verwachting

op schema op schema op schema

2003 BEGIN

verlaten 2005 EINDE

2005 MIDDEN

vertraag 2006 BEGIN d


Maatregelenpakket voor de ijzer- en staalsector en 2004 BEGIN de non-ferro sector Keuze van een economisch instrument - uitwerken 2004 EINDE van een stappenplan bijkomende metingen (droge, occulte en aerosolen) operationeel OPS berekeningen met betrouwbaarheidsinterval conform EG richtlijn OPS voorzien met uitgebreide(re) meteo validatie OPS afgerond

vertraag 2006 BEGIN d gerealise 2005 EINDE erd

2007 EINDE

nieuw

2008 EINDE

nieuw

2007 MIDDEN 2006 MIDDEN

nieuw nieuw

Indicatoren Aantal industriële sectoren waarvoor maatregelen werden ingevoerd

Realisatie Doelstelling 5 (2005) 9 (2010)

Aanpak jaar 2006 Project: Emissiereductiebeleid lucht De intersectorale afweging die in 2005 werd uitgewerkt zal in 2006 worden gebruikt om de gesprekken tussen de overheid en de industriële sectoren omtrent emissiereducties verder te zetten. Daarnaast zal in 2006 een nieuwe versie van het NEC-reductieprogramma worden opgesteld en overgemaakt aan de Europese Commissie; hierin zullen alle gegevens die beschikbaar werden sinds het opstellen van het oorspronkelijke reductieprogramma, zoals nog een paar sectorstudies en de intersectorale afweging, worden verwerkt. Op basis van dat nieuwe reductieprogramma dienen beslissingen over bijkomende maatregelen te worden genomen. In het NEC-reductieprogramma van 2003 wordt uiteengezet hoe Vlaanderen de NEC emissieplafonds tegen het jaar 2010 zal respecteren. Voor de Vluchtige Organische Stoffen (VOS) moet in de periode 2005-2010 nog een belangrijke reductie gerealiseerd worden. Hiervoor zullen de maatregelenpakketten zoals beschreven in het reductieprogramma verder uitgewerkt worden in de loop van 2006. Uit het overleg met de betrokken sectoren (chemische sector, de raffinaderijen en de grafische sector en bij de industriële applicatie van verf) moet blijken welke maatregelen haalbaar zijn en welk beleidsinstrument het best geschikt is om deze maatregelen effectief in te voeren. De resultaten van het overleg met de verschillende sectoren zullen worden geïntegreerd in de nieuwe versie van het emissiereductieprogramma, dat in 2006 wordt opgesteld. Het stappenplan voor een economisch instrument in Vlaanderen, uitgewerkt in 2005, zal de basis vormen voor de politieke en maatschappelijke discussie die hierrond in 2006 zal worden gevoerd. Ammoniakemissiereductie uit de landbouw Deskundigen adviseren aanvragen voor emissiearme stalsystemen a.d.h.v. de beoordelingsrichtlijn. Er zal een inventarisatiesysteem uitgebouwd worden om het aantal dieren dat (in de toekomst) in emissiearme stallen gehouden wordt op te volgen. Dit is van belang voor het opstellen van de emissie-inventaris en voor de evaluatie van de invoer van emissiearme stallen op de ammoniakemissiereductie. Gezien het belang van management op stalemissies, de onzekerheid van de huidige emissiefactoren en de evaluatie van nieuwe emissiearme stalsystemen, is het oprichten van een permanente meet- en controleploeg voor emissiearme stallen essentieel. De ammoniakemissie uit externe mestopslag zal geëvalueerd worden op basis van onderzoeksresultaten. Op basis van de statistische analyse van veldproefgegevens over emissiearme aanwending zullen de vooropgestelde emissiereducties voor verschillende aanwendingstechnieken geëvalueerd worden. Afhankelijk van de inhoud van een eventuele


milieubeleidsovereenkomst betreffende de nutriĂŤntarme voeders voor varkens- en pluimvee kunnen in 2006 informatiecampagnes opgezet worden rond het stimuleren van NH3 reductie op stalniveau door voedertechnische maatregelen. Mestverwerkingsinstallaties worden geĂŤvalueerd naar hun NH3-verliezen op basis van meetprotocols en meetrapporten ingediend in het kader van de nutriĂŤntenbalansen. Vervanging van verwarmingsinstallaties (branders en ketels) De Europese richtlijn voor energieprestaties van gebouwen verplicht de lidstaten om bij verkoop en verhuur van woningen over een energieprestatiecertificaat te beschikken. Het energieprestatiecertificaat legt op zich geen eisen op aan het gebouw, maar informeert de eigenaar en de gebruiker over de energetische kwaliteit van de woning (energielabel). Daarnaast bevat het certificaat ook een opsomming van kosteneffectieve maatregelen. Momenteel bestaat in Vlaanderen nog geen rekenmethode voor de energieprestatie van bestaande gebouwen. De invoering ervan wordt momenteel voorbereid en is voorzien vanaf 2008. De Europese richtlijn voor energieprestaties van gebouwen verplicht de lidstaten om verwarmingsinstallatie met CVketels die ouder zijn dan 15 jaar eenmalig te keuren. De keuring moet o.a. een beoordeling omvatten van het rendement van de ketel. De keuring moet eveneens een advies bevatten over de vervanging van de ketel en over andere maatregelen aan de installatie die kunnen leiden tot een verbetering van de energieprestaties. Er wordt onderzocht of Vlamek (Vlaamse Methodiek voor Ketelvervanging) als rekenmodel kan worden gebruikt voor de omzetting van de richtlijn. Verfijning OPS-model met lokale bronnen en invloed ruwheden landschap In 2005-2006 zal een mathematische en statistische validatie uitgevoerd worden van dit OPS model teneinde de foutenmarge en nauwkeurigheid van de berekeningen per polluent in kaart te kunnen brengen.


Verzuring Verantwoordelijke:Steven Lauwereins

Inleiding Verzuring staat voor de gezamenlijke effecten van zwavel- en stikstofhoudende verbindingen die via de atmosfeer worden aangevoerd en waaruit zuren (zwavelzuur en salpeterzuur) gevormd kunnen worden. Hoofdoorzaak ervan is de verontreiniging van de lucht door emissies van zwaveldioxide (SO2 - vnl. van dieselverkeer en industrie), stikstofoxiden (NOX - vnl. van verkeer en verbrandingsprocessen) en ammoniak (NH3 - vnl. van landbouw). Tegen 2010 wil de EU de door kwetsbare ecosystemen bedekte oppervlakte, waar de kritische belasting voor verzuring in 1990 werd overschreden, halveren. De ozonoverlast voor de volksgezondheid moet met twee derden worden verminderd en de ozonoverlast voor vegetatie met een derde. Met het RAINS-model (Regional Air Pollution Information and Simulation model) dat beheerd wordt door het Oostenrijkse onderzoeksinstituut IIASA werd berekend welke reducties in elke lidstaat nodig zijn voor het bereiken van deze milieudoelstellingen. Dit heeft geleid tot de NEC-richtlijn (2001/81/EG) waarin voor NH3, NOx, SO2 en VOS voor alle lidstaten vanaf 2010 emissieplafonds worden opgelegd. Het beleid rond verzuring richt zich voornamelijk op het verder reduceren van de NH3-, NOX- en SO2-emissies. Andere prioriteiten zijn de ontwikkeling en operationalisering van een depositiemeetnet en het uitvoeren van de regeling rond emissiearme stallen. Ook energiebesparende maatregelen brengen een daling van de emissies met zich mee. De aanpak van de NOx-emissies afkomstig van het verkeer komt in het thema 'Verontreiniging door fotochemische stoffen' aan bod. Het beleid rond NH3 komt zowel hier als in het thema 'Vermesting' ter sprake.

Opvolging van de plandoelstellingen De totale NH3-emissie verminderen tot maximum 45 kton (er wordt gestreefd naar een + verdere reductie tot 40,7 kton) De NH3-emissie wordt voor meer dan 90 % veroorzaakt door landbouwactiviteiten en daalde van 83,3 kton in 1990 tot 47,7 kton in 2004. Deze daling is voornamelijk te wijten aan het emissiearm aanwenden van mest. Verdere inspanningen blijven nodig om de doelstelling te halen. Hiervoor werd een reductieprogramma uitgewerkt in het kader van de NEC-richtlijn. De totale NOx-emissie verminderen tot maximum 100,97 kton (er wordt gestreefd naar een + verdere reductie tot 87,2 kton) De emissies van NOx daalden geleidelijk sinds 1990, met in 2004 een emissie van 174,0 kton (waarvan 52 % door het verkeer). Weliswaar blijft de te reduceren hoeveelheid NOx nog aanzienlijk en blijven verdere inspanningen nodig. In het kader van de NEC-richtlijn werd een emissiereductieplan opgesteld waarin voor de betrokken sectoren maatregelen werden uitgewerkt. De totale SO2-emissie verminderen tot maximum 67,05 kton (er wordt gestreefd naar een verdere reductie tot 60 kton)

+ + De SO2-emissie is tussen 1990 en 2004 gedaald van resp. 252,5 kton per jaar tot 109,3 kton per jaar (waarvan 32 % door de industrie). Deze daling situeert zich zowel bij de industrie als bij het wegverkeer en de residentiĂŤle sector. Ten opzichte van 2003 is er een kleine stijging van de SO2emissie bij de elektriciteitssector en de industrie merkbaar (door reeds voorziene maatregelen zal deze stijging slechts tijdelijk zijn). Ook hier blijven nog aanzienlijke inspanningen nodig om de doelstellingen te halen. Ook hiervoor werd een reductieplan uitgewerkt.


Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Voor de voornaamste industriĂŤle sectoren werd het reductiepotentieel voor emissies naar de lucht in kaart gebracht. In 2003 en 2004 werden al maatregelen genomen voor heel wat belangrijke emissiebronnen (stookinstallaties, elektriciteitssector, raffinaderijen, keramische sector). In het kader van de NEC-richtlijn (2001/81/EG) en het emissiereductieprogramma werden met een aantal industriĂŤle sectoren (ijzer- en staalproductie, non-ferro, chemie, glasproductie) in 2005 gesprekken opgestart over bijkomende emissiereducties. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de resultaten van de studie naar een intersectorale afweging van de maatregelen uit de diverse sectorstudies. In een tweede luik van de studie over de toepasbaarheid van economische instumenten in het reductiebeleid werd in 2005 een stappenplan van een dergelijk instrument uitgewerkt. Er werd een depositiemeetnet opgestart op 10 meetplaatsen (waarvan de fractie natte depositie sinds 2001 wordt gemeten). Aanvullend werd het OPS-model dusdanig aangepast dat er berekeningen kunnen uitgevoerd worden voor heel Vlaanderen. Op basis van de meetresultaten uit het meetnet werd het OPS model gevalideerd. Uit de resultaten blijkt dat een grondige validatie zich opdringt, met voorziening van de nodige modelaanpassingen, teneinde metingen en berekeningen meer bij mekaar te doen aanleunen. Om gebiedsgerichte uitspraken te doen, zijn evenwel nog bijkomende aanpassingen aan het model noodzakelijk. Om de NH3emissie in de landbouw te beperken, worden slechts welbepaalde emissiearme aanwendingstechnieken toegestaan. Er werd een studie opgestart om de vooropgestelde NH3emissiereducties voor deze technieken te evalueren. Nieuwe varkens- en pluimveestallen moeten NH3-emissiearm gebouwd worden volgens een lijst van toegestane stalsystemen. Deze lijst wordt continu geĂŤvalueerd en aangepast op basis van nieuwe inzichten. De elektriciteitsdistributienetbeheerders zijn verplicht om jaarlijks een bepaalde hoeveelheid primaire energie te besparen. Hierover dienen zij jaarlijks een actieplan in bij de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie (ANRE). De voorbije jaren werd steeds een premie toegekend voor de vervanging van oude ketels door condensatieketels. Daarnaast wordt een belastingsvermindering toegekend voor energiebesparende maatregelen, zoals de vervanging van oude stookketels door een lage temperatuursketel of een condensatieketel. Tevens is een regeling uitgewerkt voor de erkenning van energiedeskundigen voor woningen. Particulieren die een energieaudit laten uitvoeren door een erkende energiedeskundige kunnen 40% van de kosten in rekening brengen voor een belastingvermindering. Het advies zal de mogelijke verbeteringen op energetisch vlak aangeven van de bouwschil, de stookinstallatie en het sanitair warm water.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Evaluatie NH3-emissiefactoren voor aanwending mest

2006 BEGIN

Evaluatie externe mestopslag

2006 EINDE

Uitbouwen inventarisatiesysteem emissiearme stallen Certificeringsprocedure mestverwerkingsinstallaties Maatregelenpakket voor de chemische sector (verzurende emissies)

2006 BEGIN

Status

Huidige verwachting

op schema op schema op schema

2003 BEGIN

verlaten 2005 EINDE

2005 MIDDEN

vertraag 2006 BEGIN d


Maatregelenpakket voor de ijzer- en staalsector en 2004 BEGIN de non-ferro sector Keuze van een economisch instrument - uitwerken 2004 EINDE van een stappenplan bijkomende metingen (droge, occulte en aerosolen) operationeel OPS berekeningen met betrouwbaarheidsinterval conform EG richtlijn OPS voorzien met uitgebreide(re) meteo validatie OPS afgerond

vertraag 2006 BEGIN d gerealise 2005 EINDE erd

2007 EINDE

nieuw

2008 EINDE

nieuw

2007 MIDDEN 2006 MIDDEN

nieuw nieuw

Indicatoren Aantal industriële sectoren waarvoor maatregelen werden ingevoerd

Realisatie Doelstelling 5 (2005) 9 (2010)

Aanpak jaar 2006 Project: Emissiereductiebeleid lucht De intersectorale afweging die in 2005 werd uitgewerkt zal in 2006 worden gebruikt om de gesprekken tussen de overheid en de industriële sectoren omtrent emissiereducties verder te zetten. Daarnaast zal in 2006 een nieuwe versie van het NEC-reductieprogramma worden opgesteld en overgemaakt aan de Europese Commissie; hierin zullen alle gegevens die beschikbaar werden sinds het opstellen van het oorspronkelijke reductieprogramma, zoals nog een paar sectorstudies en de intersectorale afweging, worden verwerkt. Op basis van dat nieuwe reductieprogramma dienen beslissingen over bijkomende maatregelen te worden genomen. In het NEC-reductieprogramma van 2003 wordt uiteengezet hoe Vlaanderen de NEC emissieplafonds tegen het jaar 2010 zal respecteren. Voor de Vluchtige Organische Stoffen (VOS) moet in de periode 2005-2010 nog een belangrijke reductie gerealiseerd worden. Hiervoor zullen de maatregelenpakketten zoals beschreven in het reductieprogramma verder uitgewerkt worden in de loop van 2006. Uit het overleg met de betrokken sectoren (chemische sector, de raffinaderijen en de grafische sector en bij de industriële applicatie van verf) moet blijken welke maatregelen haalbaar zijn en welk beleidsinstrument het best geschikt is om deze maatregelen effectief in te voeren. De resultaten van het overleg met de verschillende sectoren zullen worden geïntegreerd in de nieuwe versie van het emissiereductieprogramma, dat in 2006 wordt opgesteld. Het stappenplan voor een economisch instrument in Vlaanderen, uitgewerkt in 2005, zal de basis vormen voor de politieke en maatschappelijke discussie die hierrond in 2006 zal worden gevoerd. Ammoniakemissiereductie uit de landbouw Deskundigen adviseren aanvragen voor emissiearme stalsystemen a.d.h.v. de beoordelingsrichtlijn. Er zal een inventarisatiesysteem uitgebouwd worden om het aantal dieren dat (in de toekomst) in emissiearme stallen gehouden wordt op te volgen. Dit is van belang voor het opstellen van de emissie-inventaris en voor de evaluatie van de invoer van emissiearme stallen op de ammoniakemissiereductie. Gezien het belang van management op stalemissies, de onzekerheid van de huidige emissiefactoren en de evaluatie van nieuwe emissiearme stalsystemen, is het oprichten van een permanente meet- en controleploeg voor emissiearme stallen essentieel. De ammoniakemissie uit externe mestopslag zal geëvalueerd worden op basis van onderzoeksresultaten. Op basis van de statistische analyse van veldproefgegevens over emissiearme aanwending zullen de vooropgestelde emissiereducties voor verschillende aanwendingstechnieken geëvalueerd worden. Afhankelijk van de inhoud van een eventuele


milieubeleidsovereenkomst betreffende de nutriĂŤntarme voeders voor varkens- en pluimvee kunnen in 2006 informatiecampagnes opgezet worden rond het stimuleren van NH3 reductie op stalniveau door voedertechnische maatregelen. Mestverwerkingsinstallaties worden geĂŤvalueerd naar hun NH3-verliezen op basis van meetprotocols en meetrapporten ingediend in het kader van de nutriĂŤntenbalansen. Vervanging van verwarmingsinstallaties (branders en ketels) De Europese richtlijn voor energieprestaties van gebouwen verplicht de lidstaten om bij verkoop en verhuur van woningen over een energieprestatiecertificaat te beschikken. Het energieprestatiecertificaat legt op zich geen eisen op aan het gebouw, maar informeert de eigenaar en de gebruiker over de energetische kwaliteit van de woning (energielabel). Daarnaast bevat het certificaat ook een opsomming van kosteneffectieve maatregelen. Momenteel bestaat in Vlaanderen nog geen rekenmethode voor de energieprestatie van bestaande gebouwen. De invoering ervan wordt momenteel voorbereid en is voorzien vanaf 2008. De Europese richtlijn voor energieprestaties van gebouwen verplicht de lidstaten om verwarmingsinstallatie met CVketels die ouder zijn dan 15 jaar eenmalig te keuren. De keuring moet o.a. een beoordeling omvatten van het rendement van de ketel. De keuring moet eveneens een advies bevatten over de vervanging van de ketel en over andere maatregelen aan de installatie die kunnen leiden tot een verbetering van de energieprestaties. Er wordt onderzocht of Vlamek (Vlaamse Methodiek voor Ketelvervanging) als rekenmodel kan worden gebruikt voor de omzetting van de richtlijn. Verfijning OPS-model met lokale bronnen en invloed ruwheden landschap In 2005-2006 zal een mathematische en statistische validatie uitgevoerd worden van dit OPS model teneinde de foutenmarge en nauwkeurigheid van de berekeningen per polluent in kaart te kunnen brengen.


Vermesting Verantwoordelijke:Sofie Ducheyne

Inleiding Vermesting is aanrijking van de compartimenten bodem, water (zowel oppervlaktewater als grondwater) en lucht met nutriënten. Nutriënten zijn voedingsstoffen waarvan stikstof (N), fosfor (P) en kalium (K) de belangrijkste zijn. Vermesting kan natuurlijke (water)systemen verstoren. De oorzaken zijn zowel historisch als recent van aard en worden veroorzaakt door verkeer en industrie, huishoudens en landbouw. Voor het verkeer en de industrie wordt voornamelijk gewerkt op de reductie van de uitstoot van NOx (zie thema Verzuring), voor de huishoudens worden inspanningen geleverd op het vlak van waterzuivering (zie thema Verontreiniging van oppervlaktewater) en voor de landbouw wordt vooral gefocust op het verminderen van de mestoverschotten en het oordeelkundig gebruik van meststoffen, wat in dit thema wordt behandeld. Het huidige mestbeleid tot en met 2005 (MAP 2 en tussentijdse bijsturingen) is gebaseerd op een driesporenbeleid: aanpak aan de bron (zoals stand-still vergunningen, nutriëntenhalte, nutriëntarme voeders), oordeelkundige aanwending van dierlijke mest (zoals de samenstelling van de mest aanpassen aan de gewasbehoefte door het mengen van verschillende soorten mest) en mestverwerking (dit is dierlijke mest als dusdanig bewerken dat de nutriënten N en P niet op de bodem in Vlaanderen terechtkomt). In 2005 keurde de Vlaamse regering een visienota voor een nieuw mestbeleid goed. In 2006 zal gewerkt worden aan de uitbouw van dit nieuwe mestbeleid (MAP3).

Opvolging van de plandoelstellingen De totale NH3-emissie verminderen tot maximum 45 kton tegen 2010, er wordt gestreefd naar + een verdere reductie tot 40,7 kton De NH3 emissie wordt voor meer dan 90 % veroorzaakt door landbouwactiviteiten en daalde van 83.3 kton in 1990 tot 47,7 kton in 2004. Deze daling is vnl. te wijten aan het emissiearm aanwenden van mest. Verdere inspanningen blijven nodig om de doelstelling te halen. Hiervoor werd een reductieprogramma uitgewerkt in het kader van de NEC-richtlijn. In 2007 voldoet 40% van de meetplaatsen van het oppervlaktemeetnet aan de basiskwaliteit + voor orthofosfaat (0,3 mg P/l) In 2004 voldeden 24 % van de meetpunten aan de basiskwaliteitsnorm voor orthofosfaat. Sinds 1990 (1%) is dit percentage continu gestegen. Er wordt verwacht dat deze positieve trend zich in de toekomst verder zet, gezien de mestproductie sinds 1998 daalt doordat er minder vee wordt gehouden en er volop fosforarm voeder wordt gebruikt. Geen overschrijdingen meer van de maximale nitraatnorm van 50 mg/l in grondwater Het aantal meetplaatsen uit het MAP-grondwatermeetnet met overschrijding van de nitraatnorm van 50 mg/l bedroeg in 2000 32 %. In 2004 werd de norm van 50 mg/l op 36 % van de meetlocaties overschreden. In het voorjaar van 2005 werd de norm van 50 mg/l in 40 % van de meetlocaties overschreden. Hierbij wordt opgemerkt dat de dataset uit 2000 slechts een 100-tal meetpunten omvat die bovendien slecht verspreid liggen over Vlaanderen, daar waar vanaf 2004 het nieuw MAP-meetnet grondwater bestaat uit 2100 meetpunten verdeeld over gans Vlaanderen. De vergelijking van de meetresultaten van 2004 en 2005 toont geen algemene verbetering van de grondwaterkwaliteit in de ondiepe grondwaterlichamen. Wegens de trage kwaliteitsverandering van grondwater kan een eenduidige trendevolutie pas op basis van een langere meetreeks worden bepaald.


In 2007 wordt maximaal 55 miljoen kg P2O5 uit dierlijke mest op Vlaamse landbouwgrond opgebracht

+ + Deze doelstelling dient feitelijk bijgesteld te worden tot 49 miljoen kg P2O5 rekening houdend met de acceptatiegraad van dierlijke mest, zijnde het reële gebruik van dierlijke mest door de landbouwbedrijven. Sinds 1998 is de mestproductie stelselmatig gedaald ten gevolge van afbouw van de veestapel en van de toepassing van fosforarme voeders en aangepaste voedertechnieken. In 2004 bedroeg de mestproductie 61,5 miljoen kg P2O5. In hetzelfde jaar is 8 miljoen kg P2O5 verwerkt en geëxporteerd. Dit betekent dat we nog 4,5 miljoen kg P2O5 verwijderd zijn van de bijgestelde doelstelling. In 1998 bedroeg de theoretische mestproductie 85 miljoen kg P2O5 zonder rekening te houden met de voederefficiëntie, er is met andere woorden al een hele weg afgelegd. Overschot op de bodembalans is maximaal 70 kg N/ha in 2007 ++ Het overschot op de stikstofbalans (bodembalans) bedroeg 145,6 kg N/ha in 2004. In 1998 was dit 226 kg N/ha. Hoewel de daling groot is, is er nog een ganse weg af te leggen. Aan hetzelfde tempo (gemiddeld 14,8 kg N per jaar) zal het nog tot 2009 duren vooraleer de doelstelling wordt bereikt. Actie blijft dus nodig: daling van de mestproductie (afbouw, stikstofarme voeders en voedertechnieken), verhoging van de verwerking en export en sensibilisering van de producent/gebruiker (nutriëntenbalansen, nitraatresidumetingen, afstemming op plantbehoefte). Voldoen aan de grenswaarde van 10 mg N/l (nitraat en nitriet) en geen overschrijdingen meer +/ van de maximale nitraatnorm van 50 mg /l in oppervlaktewater (11,3 mg N/l) Het aantal meetplaatsen uit het MAP-meetnet oppervlaktewater met overschrijding van de norm van 50 mg nitraat/l bedroeg 41 % in de periode 1/7/2004 tot 30/6/2005. Er zijn blijvend inspanningen nodig zijn om de doelstelling te halen: verdere vermindering van de mestproductie (afbouw, nutriëntarme voeders, voedertechnieken), sensibilisering inzake oordeelkundig bemesten (gewasbehoefte, weersomstandigheden), verwerking en/of export van dierlijke mest. Het aantal meetplaatsen uit het algemeen meetnet oppervlaktewater met overschrijding van de grenswaarde van 10 mg stikstof/l bedroeg 33 % in 2004.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 In uitvoering van het stopzettingsdecreet van 9 maart 2001, is in de periode 2001-2003 in totaal 100 miljoen euro ter beschikking gesteld voor bedrijven die vrijwillig, volledig en definitief stoppen met het houden van dieren. Pas vanaf 2005 heeft deze maatregel zijn volle effect bereikt aangezien er een aanvraag-, toekenning- en uitbolperiode is voor de opkoopregeling. Het maximale effect bedraagt 2,5 miljoen kg P2O5 en 6 miljoen kg N (2001-2003). Op 1 juli 2005 bedroeg het aantal vergunde mestverwerkingsinstallaties 287 stuks en dit voor een capaciteit van 3 miljoen ton ruwe mest. In 2004 is 365.000 ton dierlijke mest verwerkt of in ruwe vorm geëxporteerd, dit komt overeen met 7,8 miljoen kg P2O5 en 8,8 miljoen kg N. In 2005 liep het onderzoek naar de "Valorisatie van resteffluenten afkomstig van mestverwerking" af. Dit resulteerde in een code goede landbouwpraktijken voor het gebruik van resteffluenten van mestverwerking op landbouwgrond. Het onderzoek over de actualisatie van de uitscheidingscijfers voor pluimvee loopt verder in 2005 (hierbij wordt een nutriëntenbalans opgesteld op een 80-tal pluimveebedrijven). Via het gebruik van nutriëntenbalansen kunnen op het niveau van de bedrijfsvoering maatregelen genomen worden teneinde de nutriëntenverliezen te beperken. In 2004 werden op een 2000-tal bedrijven een nutriëntenbalans toegepast naar aanleiding van de steun voor bedrijfsbegeleiding. De bedrijfsbegeleidingsdiensten zorgen voor het opvolgen van de jaarlijkse evolutie en de onderlinge vergelijking van de bedrijven en geven


voorstellen tot verbetering. De bepaling van het stikstofresidu in het najaar is een instrument om oordeelkundige bemesting te stimuleren. In 2002 werd een onderzoek afgerond dat bepaalt hoe de nitraatresiduwaarde van 90 kg N/ha kan verfijnd worden. De incorporatie van deze studie is met het decreet van 22 april 2005 verdaagd van 1 januari 2003 naar 1 januari 2006. Op 22 september 2005 kwam er een arrest van het Europees Hof tegen België en Vlaanderen voor het niet correct omzetten en toepassen van de nitraatrichtlijn. Het arrest stelt dat Vlaanderen nagelaten heeft passende maatregelen te treffen voor de volledige omzetting en behoorlijke uitvoering van de aanduiding van de kwetsbare wateren en kwetsbare zones en dat er lacunes zijn in de actieprogramma's binnen de kwetsbare zones en in de rapportering aan de Europese Commissie. Naar aanleiding van het arrest had Vlaanderen de intentie vanaf 2006 140.000 ha bijkomend kwetsbaar gebied af te bakenen. Na overleg met de Europese Commissie zal Vlaanderen heel zijn landbouwareaal als kwetsbaar dienen af te bakenen. De termijn binnen dewelke een volledige afbakening zal gebeuren is op dit opvolgingsmoment nog niet duidelijk. De administratieve vereenvoudiging blijft belangrijk. De samenwerking met de VMM voor een gezamenlijke aangifte werd bestendigd in 2005, evenals de uitwisseling van diergegevens voor runderen met Sanitel. Aan de hand van het pilootproject eenmalige perceelsregistratie werden knelpunten verder opgelost met het oog op een uitbreiding van het project. Er werden stappen ondernomen om tegen 2009 een digitale inventarisatie te kunnen realiseren via het Mest-InternetLoket. De visienota "Naar een nieuw mestbeleid in Vlaanderen" van de minister voor leefmilieu werd door de Vlaamse Regering goedgekeurd op 22 juli 2005. Na het arrest van 22 september 2005 werd deze visietekst voorgesteld aan de Europese Commissie. De Europese Commissie stelt dat bij de uitwerking van het volgende MAP moet uitgegaan worden van het feit dat Vlaanderen volledig kwetsbaar gebied is. Voor de uitvoering van het ammoniakreductieplan wordt verwezen naar het thema 'verzuring'.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Bijkomende afbakening kwetsbare gebieden

2006 BEGIN

vertraag d

Vernieuwd mestbeleid

2006 BEGIN

vertraag 2007 BEGIN d

Indicatoren Oppervlakte onder beheerovereenkomst water en natuur Verminderde N productie (mio kg) t.g.v. stopzettingsdecreet Verminderde P2O5 productie (mio kg) t.g.v. stopzettingsdecreet Verwerking en export (mio kg P2O5) Verwerking en export van mest (mio kg N)

Status

Huidige verwachting

Realisatie 25324 (2004) 6,0 (2003) 2,5 (2003) 7,8 (2004) 8,8 (2004) 311885 Areaal waarop gebiedsgerichte maatregelen van toepassing zijn (ha) (2003)

Doelstelling 26000 (2008) 5,6 (2003) 3,5 (2003) 8,0 (2007) 14,2 (2007) 670000 (2007)

Aanpak jaar 2006 Mestoverschot wegwerken Ter ondersteuning van de afbouw van de veestapel wordt een oproep tot inschrijving op een opkoopregeling gelanceerd in het kader van het stopzettingsdecreet van 9 maart 2001. Om de totaal vergunde mestproductie in Vlaanderen te kennen, is het noodzakelijk om over een éénduidige vergunningsbeslissing te beschikken. Op dit moment wordt gestaag gewerkt aan


éénduidige beslissingen door de advisering bij de vergunningsverlening en bij de toekenning van de nutriëntenhalte. Een versnelling hiervan kan aangepakt worden samen met een afvlakking van vergunningsaanvragen in de komende jaren. Met name hebben in 1976 en in 1990 heel wat landbouwbedrijven akte laten nemen van het aantal standplaatsen en hun mestopslagcapaciteit. Deze aktenames vervallen respectievelijk in 2006 en 2011. Opmaak nutriëntenbalansen en aanpassingen in de bedrijfsvoering stimuleren Het convenant fosforarm voeder is een overeenkomst die wordt afgesloten met de veevoedersector met als doel de veehouders (momenteel varkens en kippen) een administratief eenvoudige manier te bieden om de fosfaatinhoud van dierlijke mest onder controle te houden. Een milieubeleidsovereenkomst past eveneens in dit kader. Voor stikstofarm voeder dient een inhaalbeweging ingezet te worden om dezelfde resultaten te behalen. Beiden (fosfaat en stikstof) kunnen niet alleen gerealiseerd worden met nutriëntenarm voeder, maar ook door het bijhouden van een uitscheidingsbalans (input en output van het dier) en nutriëntenbalans op bedrijfsniveau. De invoering van het gebruik van nutriëntenbalansen op bedrijfsniveau wordt bevorderd via subsidie van bedrijfsbegeleidingsdiensten. Het wetenschappelijk onderzoek aangaande de uitscheidingscijfers pluimvee heeft als neveneffect dat de bedrijven die deelnemen (84) aan het onderzoek, gebruik leren maken van de nutriëntenbalans. Mestverwerking realiseren De (basis)inventarisatie van gegevens wordt aangevuld met: het opvolgen van substitutie (dit is dierlijke mest van andere bedrijven exporteren in plaats van de eigen mestproductie), toewijzing van verwerkingsaandeel van een landbouwer in geval van centrale verwerking van dierlijke mest, berekening van de verwerkingsplicht (wat op zich ook kadert binnen de service van de Mestbank aan de landbouwers), toewijzing van een verwerkte hoeveelheid dierlijke mest aan een voorafgaand kalenderjaar, het adviseren van vergunningen voor mestverwerking. Aan het Vlaams Coördinatiecentrum voor Mestverwerking (VCM) wordt financiële en praktische ondersteuning gegeven. Het stimuleren van export van eindproducten van mestverwerking uit zich ook in overleg met o.a. Frankrijk. Er worden begeleidende maatregelen voorzien voor mestverwerkingsinstallaties, vergroting mestopslag, mestbewerking en opslag van drainwater in de tuinbouw. Resteffluenten van mestver(be)werking worden toegepast in praktijk volgens de code van goede landbouwpraktijk. Dit behoort tot de peiler oordeelkundige aanwending van meststoffen maar stimuleert zeker en vast ook mestverwerking. Dit wordt o.a. gepromoot door communicatie in 2006 van de resultaten van het afgelopen onderzoeks- en demonstratieproject. Handhaving versterken De controle op het vervoer en het gebruik van mest wordt verscherpt. Hierbij wordt vorm gegeven aan een GPS-systeem voor mesttransportopvolging tot op perceelsniveau (zie ook 'Sensibiliseren inzake mestproblematiek'). Bijkomende aandacht zal nodig zijn voor medewerking aan de controle in het kader van cross-compliance. Hiervoor worden bijkomende middelen vrijgemaakt aangezien het (Europees) belang van cross-compliance toeneemt. Vermindering van het meststoffengebruik in de tuinbouw Implementatie van het resultaat van de studie 'Nutriënten- en gewasbeschermingsmiddelengebruik in de Vlaamse tuinbouw: stand van zaken en reductiemogelijkheden' opgestart in 2004 in praktijk. Tevens wordt de gefinaliseerde BBT Glastuinbouw geïmplementeerd. Sensibiliseren inzake mestproblematiek Bij de sensibilisatie worden de gebiedsgerichte bemestingsvoorwaarden overgebracht naar de landbouwers (zie maatregel 'Bemestingsvoorwaarden meer gebiedsgericht maken'). MTIL, MIL en SMIL, respectievelijk MestTransportInternetLoket, MestInternetLoket en StaalnameMestInternetLoket zijn nu reeds zeer geslaagde toepassingen van e-government. Hierdoor wordt de knipperlichtfunctie versterkt. Voor verhoging van de sensibilisatie en service worden bijkomende middelen en taken vrijgemaakt voor de Mestbank. Vergoedingen en beheerovereenkomsten toepassen Er wordt geschat dat in 2006 30 % van de landbouwers hun beheerovereenkomst niet zal


verlengen maar dat zij toch na positieve ervaringen bij andere landbouwers opnieuw een beheerovereenkomst zullen afsluiten voor een termijn van 5 jaar. Op die manier zou tegen 2008 het huidige niveau van beheerovereenkomsten terug bereikt worden. Om een oordeelkundige bemesting te stimuleren wordt een financiële stimulans uitgewerkt in de vorm van een beheerovereenkomst waarbij de landbouwer aangezet wordt om optimaal gebruik te maken van dierlijke mest, om bodem- en mestanalyses uit te voeren en om bemestingsadviezen te volgen. Bemestingsvoorwaarden meer gebiedsgericht maken De Europese Commissie eist een afbakening van heel Vlaanderen als kwetsbaar gebied. De modaliteiten en termijn binnen dewelke deze volledige afbakening effectief zal doorgevoerd worden zullen afhangen van de verdere onderhandelingen met de Europese Commissie. Afwijking op de strenge bemestingsnormen water (= derogatie) wordt onderhandeld met de Europese Commissie en het nitraatcomité (comité waarin alle EU-landen zetelen). Hiertoe worden extra middelen beschikbaar gesteld voor wetenschappelijke onderbouwing en opvolging. Ondersteunend beleid Wetenschappelijk onderzoek betreffende de oordeelkundige bemesting, de relatie tussen bemesting, bodem en water en de mestverwerking wordt aangemoedigd. Het onderzoek over de evaluatie van de uitscheidingscijfers voor pluimvee wordt verder gezet. Verder wordt in 2006 een sectorstudie voor de bepaling van het bemestingsgedrag en de acceptatiegraden voor dierlijke mest opgestart alsook het opstellen van een procedure voor het opmaken van een nutriëntenbalans bij mestverwerkingstechnieken. Andere onderzoeken staan voor 2006 op reserve wegens gebrek aan financiële middelen: uitscheidingscijfers rundvee, onderbouwing derogatie (zie ook maatregel 'Bemestingsvoorwaarden meer gebiedsgericht maken'), onderzoek naar oordeelkundige bemestingsnormen, opstellen van een methodiek voor het opmaken van een bodembalans. Uitvoeringsplan Organisch biologische Afvalstoffen Een nieuwe trend van energieproductie uit organisch-biologische stromen door een verbrandings- of vergistingsproces leidt voor een aantal stromen tot een spanningsveld tussen materiaalrecyclage en energieterugwinning. Ook de Europese verordening inzake dierlijke bijproducten omvat bepaalde inputstromen voor compostering en vergisting. Dit heeft o.a. als gevolg dat er strengere hygiëne-eisen worden opgelegd. Voor bestaande installaties zijn er echter overgangsmaatregelen ingesteld teneinde aan de verordening te voldoen (ontwikkelen van alternatieve verwerkingsnormen voor mest in composteerinstallaties; ontwikkelen van alternatieve warmtebehandeling voor mest). Er wordt ook een systeem van kwaliteitslabelling uitgewerkt voor de eindproducten van de mestverwerking. Blijvende aandacht moet besteed worden aan het belang van organische stof voor de bodemkwaliteit. Daarnaast wordt een gelijke behandeling nagestreefd van de verschillende meststoffen en bodemverbeteraars vanuit het oogpunt bodembescherming. Uitwerken van een vernieuwd mestbeleid (MAP3) De visienota ' Naar een nieuw mestbeleid in Vlaanderen', op 22 juli 2005 goedgekeurd door de Vlaamse Regering, zal in 2006 verder bijgestuurd en afgetoetst worden in onderhandeling met de Europese Commissie. Dit vernieuwd mestbeleid dient resultaatgericht te zijn, zal volledig in overeenstemming zijn met de nitraatrichtlijn en komt tegemoet aan het arrest van het Europees Hof van Justitie van 22 september 2005. Technici van de Commissie zullen de opmaak van dit nieuwe MAP begeleiden. Het uitwerken van solide besluiten conform het nieuwe MAP 3, zal de nodige tijd en mankracht vergen. Het (tijdelijk) aantrekken of vrijmaken van de nodige werkkracht kan er voor zorgen dat de aangepaste besluiten binnen een redelijke termijn worden afgewerkt. Tevens worden (externe) opdrachten gelanceerd om de nodige aanpassingen aan de databank van de Mestbank door te voeren.


Verspreiding van milieugevaarlijke stoffen Verantwoordelijke:Sofie Van Volsem

Inleiding De verspreiding van milieugevaarlijke stoffen kan de ecologische kwaliteit in de compartimenten lucht, water en bodem sterk beïnvloeden. De vorige planperiode resulteerde in de onderbouwing en opmaak van maatregelenprogramma's voor de stofgroepen metalen, bestrijdingsmiddelen, POP's (PCB's, PAK's en dioxines) en asbest. De prioriteiten in de huidige planperiode zijn de verdere aanpak inzake bestrijdingsmiddelen, asbestrisico's en de diffuse verontreiniging met metalen, dioxines en PAK's. Vanuit de invalshoek milieu en gezondheid wordt over de problematiek hormoonverstoring en de problematiek fijn stof in lucht nader onderzoek gevoerd en het beleid ontwikkeld. Centraal staat de uitvoering van de kaderrichtlijnen Water en Lucht voor de aspecten gevaarlijke stoffen.

Opvolging van de plandoelstellingen Bestrijdingsmiddelen: reduceren van verspreidingsequivalenten met 50% (2005 t.o.v. 1990)

+ +

De som van de jaarlijkse verspreidingsequivalenten van de gewasbeschermingsmiddelen gebruikt in Vlaanderen daalde in de periode 1990 - 2004 met 52%. De plandoelstelling werd hiermee bereikt. Een verdere daling wordt vnl. nagestreefd via een eliminatiebeleid voor de meest risicovolle stoffen (zoals lindaan en parathion) in navolging van het Europees pesticidenen biocidenbeleid. Zwevend stof: vermijden van overschrijdingen van een PM10-concentratie van 40µg/m3 +/(jaargemiddelde) (2005) Na de scherpe daling in de periode 1996-1998 kent het jaargemiddelde PM10-concentratie een eerder schommelend verloop. In 2004 daalde deze t.o.v. 2003 onder het jaargemiddelde 40 µg/m³. Er zijn nog wel overschrijdingen op 2 van de 29 meetstations nl. te Roeselare en te Lommel. In Lommel is deze overschrijding te wijten aan bodemsaneringswerken met veel opwaaiend stof. De doelstelling ligt binnen bereik. Dioxines: reduceren van de emissies naar lucht tot maximaal 100 g TEQ/jaar (2010)

++ +

De emissie van dioxines naar lucht daalde in de periode 1990-2004 van 463 tot 45 g TEQ. Recent verbeterde emissieberekeningen, gekoppeld aan een terugrekening over de voorbije jaren, tonen aan dat de doelstelling van 100 g per jaar TEQ reeds in 2000 werd bereikt. Een verdere daling van de dioxine-emissies wordt gepland via een verderzetting van de sanering van de grootste dioxinepunten, informatiecampagnes, maatregelenpakketten voor dioxinebeladen afvalstromen en gebouwenverwarming en een juridische verankering van de richtinggevende doelstelling inzake depositie. PAK's: reduceren van de emissie naar de lucht tot maximaal 192 ton (2010) + De PAK-emissie naar lucht werd recent verfijnd en geoptimaliseerd t.o.v. vroegere rapporteringen. Over de periode 1990-1995 nam de totale PAK-concentratie af met iets meer dan 35 % om daarna min of meer constant te blijven tot 2004 (= 176 ton in 2004). De doelstelling voor 2010 werd hiermee bereikt. De PAK-emissie door de industrie is sinds 1990 gedaald met 90 %. Een sterke toename voor deze periode wordt echter gemeten voor de transportsector. Ook de huishoudens blijven een belangrijk aandeel vormen. Beleidsmaatregelen worden dan ook gefocust op deze twee doelgroepen.


Zware metalen, lucht: reduceren van emissies met 70% (2010 t.o.v. 1995) + De totale emissies van de meeste zware metalen naar lucht vertonen sinds 1995 een dalende trend, maar voor een aantal metalen is dat de laatste jaren niet meer het geval. De doelstelling voor Cd en Cr (totaal) werd eerder bereikt. Op basis van trend en waarden in 2004 lijkt voor As (59%) en Pb (56%) de doelstelling (70%) nog binnen bereik. Voor Cu (33%), Ni (26%) en zeker voor Hg (4%) en Zn (0%) is de doelafstand nog groot. Sectorstudies dienen uit te wijzen hoe en waar de meeste reducties nog mogelijk zijn. Zware metalen, water: reduceren van emissies met 50% (2010 t.o.v. 1998) + De emissie naar oppervlaktewater daalde tussen 1998 en 2004 voor de meeste zware metalen: As: 21%, Cd: 35%, Cr: 29%, Cu: 16%, Ni: 37%, Pb: 11% en Zn: 21%. Voor Hg kunnen de concentraties minder nauwkeurig worden bepaald. Voor het behalen van de doelstelling van de diverse metalen zijn bijkomende inspanningen vereist. De aanpak van specifieke puntbronnen wordt verdergezet; een specifieke aanpak van de diffuse bronnen is voorzien.

Opvolging van de richtinggevende doelstellingen Dioxines: reduceren van de depositie tot maximaal 26 µg/m2.dag (maandgemiddelde) tegen + 2005 De dioxinedepositie vertoont een dalende trend in de periode 1993 - 2004. In 1993 waren nog 70 % van de metingen verhoogd (26 µg/m².dag). In 2003-2004 is dit verminderd tot gemiddeld 5,5 % voor meer dan 70 meetpunten. Afgezien van enkele accidentele overschrijdingen is de doelstelling bereikt. Fijn stof: reduceren van de PM10-concentratie tot 20 µg/m3 (jaargemiddelde) tegen 2010 +/Uit modellering op EU-niveau blijkt dat België tegen 2010 nog steeds zal behoren tot de hotspotgebieden van Europa en dat deze doelstelling van 20 µg/m³ niet haalbaar is. In Vlaanderen wordt in 2004 nog een jaargemiddelde van 33 µg/m³ gemeten. Centraal in de aanpak van zwevend stof staat het opstellen en uitwerken van reductieplannen.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Water Op 23 oktober 2005 werd het Reductieprogramma Lozing Gevaarlijke Stoffen goedgekeurd. Het programma past in de uitvoering van Richtlijn 76/464/EEG en schept het kader voor milieukwaliteitsnormen, meetnetten en vergunningen afvalwater inzake milieugevaarlijke stoffen. In het kader van het bereiken van een goede ecologische toestand voor de oppervlaktewateren werd in 2005 een onderzoeksdossier ingediend naar de ecologische relevantie van hormoonverstoring, een effect dat veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van bepaalde stoffen en hun mengsels in het oppervlaktewater. Diffuse bronnen van zware metalen blijven een aandachtspunt naarmate de puntbronnen verder gesaneerd worden. De bijdrage van erosie werd nader onderzocht. De vergaarde kennis inzake diffuse bronnen metalen wordt benut in de analyse van druk en impact voor de Kaderrichtlijn Water en draagt bij tot een verbeterde emissie-inventaris water. Het meetnet bestrijdingsmiddelen in oppervlaktewater werd aangepast in functie van de Europese erkenningsregels. Voor de aanpak van diffuse verontreiniging werden bepaalde stoffen bekkenspecifiek gemodelleerd aan de hand van het SEPTWA-model. Verder is er kwaliteitsvolle Vlaamse betrokkenheid bij het federaal reductieprogramma en de Europese initiatieven ter zake zoals de richtlijn 91/414 en de Thematische strategie duurzaam pesticidengebruik. Jaarlijks wordt de Seq-indicator berekend die de impact op waterorganismen inschat, dit ook met het oog op de MIRA-rapportering. In 2005 werd studiewerk gedaan om een multi-risico indicator te ontwikkelen die in staat is de impact in andere milieucompartimenten dan water te tonen. Deze multi-risico indicator zal driejaarlijks berekend worden. De eerste golf evaluaties van de reductieprogramma's ingediend door de Openbare Besturen is achter de rug.


Dit toont reeds een halvering aan van potentieel risico in 2003 t.o.v. 2002. Waar nog bestrijdingsmiddelen zijn gebruikt, werd dus vooral gegrepen naar de 'veilige' producten. In dit verband werd ondersteuning geboden via het steunpunt 'zonder is gezonder' waarbij al meer dan 100 adviesvragen werden verwerkt. Verder werden voorbereidingen getroffen m.b.t. de evaluatie van het decreet i.v.m. een verminderd gebruik van bestrijdingsmiddelen. Lucht De vierde dochterrichtlijn van de Europese kaderrichtlijn luchtkwaliteit werd gepubliceerd. Ze heeft tot doel de luchtverontreiniging met arseen, cadmium, kwik, nikkel en PAK's te limiteren. De omzetting van deze richtlijn (o.a. opstellen van een RIA) werd aangevat. Er blijft aandacht gaan naar de uitbouw van een goed monitoringsnetwerk voor luchtkwaliteit in Vlaanderen. Gerichte meetcampagnes zijn in uitvoering. In 2005 worden er op een 50-tal locaties depositiemetingen van dioxines en ev. PCB126 uitgevoerd. Op 1 locatie gebeuren er maandelijkse metingen over een volledig jaar, op 5 locaties worden er om de 2 maand analyses uitgevoerd. Op basis van de Europese normen voor verwarmingstoestellen op vaste brandstoffen (en na bijkomend overleg met de sector) werd een notificatieprocedure aan Europa opgestart om te melden dat BelgiĂŤ aangescherpte normen zal uitvaardigen. Dit is verplicht alvorens het KB kan vastgesteld worden (gepland voor 2006). Dergelijk KB regelt het rendement van de toestellen en de CO-emissie maar zal ook verdere reducties van PAK, dioxines en fijn stof bewerkstelligen. Het onderzoek naar de bronnen van fijn stof loopt verder waarbij hot-spotgebieden worden onderzocht om inzicht te krijgen in de diffuse bronnen. Dit gebeurt in combinatie met meetcampagnes. Er wordt gezocht naar een eenvoudig toepasbaar straatmodel dat kan ter beschikking gesteld worden aan geĂŻnteresseerde gemeenten en steden, met als doel de luchtkwaliteit op straatniveau (en de impact van bepaalde maatregelen) door te rekenen. Stoffen en risico's De brochure 'Asbest in en om het huis' die informeert over mogelijke risico's en de veilige verwijdering van asbest werd verspreid. De resultaten van de bijzondere inspectiecampagne bij scheepsslopers en -herstellers werden bekend gemaakt. Het PCB-verwijderingsplan loopt gestaag verder.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Dioxines, PAK's, fijn stof e.a. POV: invoering KB verwarmingstoestellen op vaste brandstoffen. Bestrijdingsmiddelen: evaluatie rapportering programma's openbare diensten 2005 aangevat Bestrijdingsmiddelen: lijst met gedoogde middelen verspreid

Huidige Oorspronkel Status verwacht ijke ing verwachting op 2006 EINDE sche ma op 2006 sche MIDDEN ma op 2006 EINDE sche ma

Asbest: voorstel van luchtkwaliteitsnormen en van veilige 2004 behandelingen en verbod op agressieve bewerkingen is opgesteld BEGIN Asbest: sensibiliseringscampagne landbouwbedrijven opgestart PCB's: voorstel aanvaardingsplicht elektrische en elektronische apparaten is goedgekeurd (selektief demonteren van PCBhoudende onderdelen) Actualisering reductieprogramma i.k.v. uitvoering RL 76/464 is klaar

2007 BEGIN 2004 BEGIN 2005 MIDDEN

gereal iseerd nieuw gereal iseerd gereal iseerd


Voorstel eerste herziening milieukwaliteitsnormen water is opgesteld

2003 BEGIN

Voorstel tweede herziening milieukwaliteitsnormen water is opgesteld

2006 MIDDEN

Vierde dochterrichtlijn luchtkwaliteit is omgezet

2006 MIDDEN

Fijn stof: Extern saneringsplan (overschrijdingen 2003) overgemaakt aan EU

gereal iseerd op sche ma op sche ma

2005 EINDE gereal iseerd

Fijn stof: Vlaams stofplan goedgekeurd

2005 EINDE gereal iseerd op Fijn stof: ter beschikking stellen van stratenmodel aan steden en 2006 sche gemeenten MIDDEN ma op 2006 Ontwerp strategie hormoonverstoring is klaar sche MIDDEN ma Studiewerk hormoonverstoring opgestart

2006 2004 EINDE vertra BEGIN agd

PAK stofstroomanalyse beschikbaar

2007 2006 EINDE vertra EINDE agd

Indicatoren Aantal afgewerkte stofdossiers in voorbereiding op de uitvoering van de kaderrichtlijn water Aantal prioritaire stoffen waarvoor een substitutiebeleid is opgestart Aantal stoffen waarvoor een volledige stofstroomanalyse is uitgevoerd Aandeel vernietigde PCB-houdende apparaten

Realisat Doelstelli ie ng 3 33 (2007) (2005) 0 6 (2007) (2005) 3 4 (2006) (2005) 88 100 (2005) (2005)

Aanpak jaar 2006 Project: Beleid milieugevaarlijke stoffen Pijler 1: Kwaliteit voor water en lucht. Het goedgekeurde Reductieprogramma Lozing Gevaarlijke Stoffen gaat in uitvoering met inbegrip van de actualisering van de milieukwaliteitsnormen, aanpassingen aan het meetnet, die eind 2006 operationeel dienen te zijn en de actualisering van de sectorale voorwaarden in VLAREM. Het gefinaliseerde globaal stofplan voor Vlaanderen (= uitgebreid intern saneringsplan voor de overschrijdingen fijn stof in de lucht in 2003), wordt in uitvoering gebracht in 2006. Pijler 2: Gezondheidsgerelateerde effecten Voor fijn stof wordt de monitoring nog verder uitgebreid. Er start onderzoek naar de


bronnen van fijn stof in de haven van Antwerpen en de totstandkoming van de Europese richtlijn PM2.5 wordt opgevolgd. De ecologische relevantie van hormoonverstoring voor het oppervlaktewater wordt onderzocht en een strategienota inzake hormoonverstoring voorbereid. Pijler 3: Vlaams stoffenbeleid Vlaanderen blijft ook in 2006 meewerken aan het opstellen van het Belgisch standpunt inzake chemicaliĂŤndossiers en meer in het bijzonder, voor REACH. Ondanks de vertragingen en inhoudelijke problemen wordt verwacht dat de Europese Commissie finaal in de loop van 2006 een voorstel van dochterrichtlijn zal presenteren met normen en maatregelen en eventueel nieuwe stoffen voor de lijst Prioritaire Stoffen van de Kaderrichtlijn Water. De bespreking van het voorstel dient van nabij opgevolgd te worden om de consequenties voor het Vlaams Gewest in te schatten en te beheersen. Ook indien geen Europees akkoord bereikt wordt, zal dit voorstel immers een referentiekader vormen voor de alternatieve eigen implementatie van de lidstaten vanaf 2007. Andere uitvoeringstaken die in 2006 starten zijn de actualisatie van de basiskwaliteitsnormen voor oppervlaktewater, de verdere aanpassing van het meetnet dat eind 2006 moet operationeel zijn en de actualisatie van de sectorale milieuvoorwaarden in VLAREM. De geactualiseerde uitgangspunten voor de vergunningsverlening van puntlozingen zullen verder gecommuniceerd worden en in vergunningen geĂŻmplementeerd. Een integrale aanpak van lokale verontreinigingsproblemen zal verwoord worden via de bekkenbeheerplannen en deelbekkenbeheerplannen (zie thema 'Verstoring van watersystemen'). De omzetting van de vierde dochterrichtlijn luchtkwaliteit wordt verder gezet. In 2006 wordt de RIA gefinaliseerd en het voorstel van besluit tot wijziging van VLAREM. In 2006 wordt in het kader van het behalen van de luchtkwaliteitsnormen voor fijn stof verder gewerkt aan een actieve ondersteuning van de lokale overheden. Het beoogde stratenmodel zal vrij beschikbaar gesteld worden. Milieuvriendelijke voertuigen zullen worden gestimuleerd door het uitwerken van fiscale voordelen. Voor een verbeterd inzicht in de oorzaken en de bronnen van fijn stof wordt nu een chemische karakterisatie uitgevoerd. In 2006 wordt tevens onderzoek voorzien naar de bronnen van fijn stof in de Antwerpse haven. Er worden ook verdere inspanningen geleverd tot inventarisatie (ook van fijn stof) van de emissies veroorzaakt door scheepvaart. Groeiend belang wordt gehecht aan deze bron als relevante emittor van luchtvervuilende polluenten. De onderhandelingen op internationaal niveau in het kader van de uitbreiding van de NEC-richtlijn met fijn stof emissieplafonds en de opname van fijn stof in het LRTAP-verdrag worden actief voorbereid en opgevolgd. Er is Vlaamse deelname aan de expertengroep zware metalen en PM, opgericht onder het LRTAP verdrag. Op Europees niveau wordt ook het CAFE-proces opgevolgd en wordt er een Vlaamse insteek voorzien bij de herziening van de eerste dochterrichtlijn luchtkwaliteit. De studie 'Ecologische relevantie van hormoonverstoring' zal van start gaan in 2006 en lopen tot halfweg 2007. De Europese strategie hormoonverstoring wordt van nabij opgevolgd en een beleidsnota voorbereid in functie van de resultaten van het lopende studiewerk. Op basis van de stofboekhoudingen en de beschikbare gegevens voor de andere compartimenten (bodem, afval en biota) zal een stofstroomanalyse opgestart worden in 2006-2007. Eind 2005 werd REACH in eerste lezing door het Europees Parlement gestemd. Na politiek akkoord zijn de verwachtingen van de Europese Commissie de volgende: gemeenschappelijk standpunt in mei 2006, een tweede lezing startend oktober 2006 en een conciliatie die gefinaliseerd wordt ergens maart 2007. De inwerkingtreding zou voor midden 2007 zijn. Vlaanderen zal inzake substitutie en autorisatie de vinger aan de pols houden en mee het Belgisch standpunt voorbereiden. Metalen In 2006 wordt specifiek aandacht besteed aan de omvang van de uitloging van metalen uit bouwmaterialen. Tevens wordt de relatie tussen de emissies en de kwaliteit van waterkolom en waterbodem voor het aspect metalen te bestudeerd. Verder zal in 2006 gestart worden met het in kaart brengen van de vuilvrachtvermindering van emissiereducerende maatregelen en de


kostprijs ervan. Deze (en andere) bevindingen zullen bijdragen aan een gecombineerde aanpak van punt- en diffuse bronnen zoals vooropgesteld in artikel 10 van de kaderrichtlijn Water. Het opstellen van een maatregelenpakket voor diffuse verontreiniging zal bekeken worden bij de gefaseerde opmaak van de stroomgebiedbeheerplannen voor de KRW (zie thema 'Verstoring van watersystemen'.) Dioxines Op basis van de Europese normen voor verwarmingstoestellen op vaste brandstoffen wordt in 2006 in samenwerking met de federale overheid, de overige gewesten en de sector een KB gefinaliseerd met betrekking tot het rendement, de CO-emissie en de kwaliteit van de vaste brandstoffen. Dit KB zal ook leiden tot een verdere reductie van de emissies van o.a. PAK's, dioxines en fijn stof. De sensibilisering van de bevolking omtrent de problematiek van de particuliere afvalverbranding en verwarming met vaste brandstoffen wordt verdergezet met behulp van de bestaande brochures. Handhaving van de maatregelen voor de industrie, voor de afvalverbranding en voor de kleinere bronnen (o.a. kleine stookinstallaties, gieterijen) is op regelmatige basis voorzien. PAK's De uitvoering van de POP-nota omvat zowel een dioxine- als PAK-programma. Deze nota zal tevens fungeren als Vlaams insteek voor het nationaal actieplan PAK en dioxines dat in 2006 zal worden voorbereid in het kader van een aantal internationale POP-verplichtingen zoals de EUverordening, het UNEP-POP verdrag en het LRTAP-POP protocol. Bestrijdingsmiddelen Het Europees beleid aangaande bestrijdingsmiddelen (RL 91/414/EEG, RL 98/8/EG en de Thematische strategie rond duurzaam pesticidengebruik, prioritaire stoffen van de Kaderrichtlijn Water) wordt nauw opgevolgd. Daarnaast wordt meegewerkt aan het federale pesticidenreductieprogramma. Om het effect van beleidsmaatregelen in te schatten is er indicatorenonderzoek nodig. Jaarlijks gebeurt de opvolging van de SEQ-indicator die de impact van bestrijdingsmiddelen op waterorganismen inschat. In 2005 werd de POCER-indicator ontwikkeld om op Vlaams niveau de impact van gewasbeschermingsmiddelen op verscheidene milieucompartimenten te berekenen. In 2006 wordt een beperkte studie gepland om de evolutie van de POCER-indicator op te volgen. In 2006 zal worden bekeken hoe men op basis van de evaluatie van het decreet (2005) de openbare diensten verder kan ondersteunen. Er wordt in samenspraak met de industrie en de UGent alvast jaarlijks een lijst met gedoogde producten in het kader van het decreet samengesteld en verspreid. De krijtlijnen voor het beheer van bestaande verhardingen en groenzones worden uitgetekend. De parameterset bestrijdingsmiddelen die opgevolgd wordt in het oppervlaktewater en grondwater wordt jaarlijks geĂŤvalueerd in het kader van RL 91/414/EEG. Voor de bemonstering van het grondwater werden in het verleden een 300-tal meetpunten geselecteerd van het MAP-meetnet. Hierin zal jaarlijks naar de aanwezigheid van een 10-tal pesticiden gezocht worden. Asbest In uitvoering van de 'beleidsnota asbest' en via de eerder voorgestelde aanpassingen in een VLAREM-herziening, worden de specifieke risicosituaties aangepakt. Het betreft hier de afbraak en het reinigen van asbest, de afbraak van losgebonden toepassingen bij particulieren en de verbetering van de situatie op containerparken en bij breekinstallaties. Een brochure voor sensibilisering van de uitbaters van landbouwbedrijven en veehouderijen wordt opgemaakt. PCB's Doordat het PCB-verwijderingsplan in 2005 ten einde loopt zal er in 2006 (versterkte) handhaving plaatshebben om nog niet verwijderde toestellen op te sporen. Tot 2010 blijft het van belang om de afwijkingen die werden toegestaan op te volgen.


Verontreiniging en aantasting van de bodem Verantwoordelijke:Victor Dries

Inleiding Bodemverontreiniging heeft betrekking op situaties waarbij door menselijke activiteiten milieugevaarlijke stoffen in de bodem terechtkomen en de kwaliteit ervan nadelig beĂŻnvloeden. Het bodemsaneringsbeleid richtte zich in uitvoering van het bodemsaneringsdecreet vooral op de opvolging van de vrijwillige en verplichte bodemsaneringen en op het sturen van de grondstromen bij het gebruik van uitgegraven bodem. Het beleid wordt geprofileerd door het kaderen van bodemsanering in duurzame ontwikkeling en de integratie van bodemsanering in een ruimer maatschappelijk kader (sanering van brownfields, woonzones en complexe verontreinigingen), het uitwerken van alternatieve financieringen en het realiseren van een meer billijke saneringslast, het bijsturen van de regelgeving (bodemsaneringsdecreet en regelgeving grondverzet), het effectiever maken van bodemsanering door prioriteitsstelling en het voorrang geven aan het verwijderen van de risico's (meer aandacht voor brongerichte aanpak en risicobeheer). Waterbodemverontreiniging betreft de opname en vrijstelling van milieugevaarlijke stoffen in relatie tot de draagkracht en de kwaliteitsdoelstellingen van het aquatische milieu (in situ). Verder komt ook de problematiek van de ruimingsspecie aan de orde (ex situ). Beleidsprioriteiten zijn de afwerking van een sectoraal uitvoeringsplan Bagger- en Ruimingsspecie, het ruimen en saneren van waterlopen, slibverwerking volgens het BATNEECprincipe en het beter onderbouwen van het waterbodembeleid. Bodemaantasting heeft betrekking op het verlies aan bodemkwaliteit als gevolg van onder meer bodemerosie, verlies van organisch materiaal, bodemafdichting, bodemverdichting, verzilting en verminderde diversiteit van bodemfauna en -flora. Op Europees niveau werd de 'Soil communication' in juli 2002 goedgekeurd door de Europese Raad en werd de opmaak van een thematische strategie rond bodembescherming voorzien in het 6de MAP. In 2003 kreeg het bodembeschermingsbeleid in Vlaanderen verder gestalte met het uitvoeren van de eerste erosiebestrijdingswerken en het voorbereiden van enerzijds wetgeving rond bodembescherming en anderzijds beheerovereenkomsten voor erosiebestrijding. Prioritair is de ontwikkeling van een beleidskader voor erosiebestrijding en een beleids- en juridisch kader voor bodemaantasting.

Opvolging van de plandoelstellingen 30% (+/- 22.500 gronden) van de gronden met potentieel bodembedreigende inrichtingen of + activiteiten is onderzocht + Het aantal onderzochte gronden met potentieel bodembedreigende inrichtingen of activiteiten nam in 2005 toe met +/- 1.800 gronden. Eind 2005 was 30,8% (+/- 23.449) van de gronden onderzocht. De vooropgestelde doelstelling werd dus behaald. De onderzoeksinspanningen worden aan hetzelfde tempo verder gezet. In 2006 zal bijkomend onderzoek plaatsvinden van een aantal gronden i.k.v. woonzones en/of brownfields. De sanering van 23% (+/- 2.450 gronden) van de gronden met historische bodemverontreiniging is minstens opgestart (d.w.z. een project is conform verklaard)

+ +

Het aantal gronden met potentieel bodembedreigende inrichtingen of activiteiten waarvan de sanering minstens is opgestart, nam de voorbije jaren steeds toe (292 in 2001, 315 in 2002, 426 in 2003). In 2004 en 2005 werden er, in tegenstelling tot de voorbije jaren, voor het eerst minder bodemsaneringsprojecten (respectievelijk 369 en 367) ingediend - en bijgevolg ook conform verklaard - dan het jaar ervoor. Deze lichte daling is vermoedelijk te wijten aan de oprichting van


het fonds voor de sanering van tankstations (BOFAS). Eind 2005 is de sanering van reeds 20,6% (of 2.271 gronden) van de gronden opgestart. De doelstelling ligt binnen bereik. Voor de onbevaarbare waterlopen van eerste categorie is van de historische achterstand +/600.000 m3 aan ruimingen van hydraulische aard en +/- 1.000.000 m3 aan saneringen van + + ecologische aard weggewerkt (geactualiseerde cijfers op basis v/h SUP) De hoeveelheid specie afkomstig van hydraulische ruimingen en saneringen van de onbevaarbare waterlopen van eerste categorie voor de periode 2001 t.e.m. 2005 neemt jaarlijks toe met een gemiddelde van 139.000 m³. In deze periode werd dus in totaal 695.000 m³ geruimd wegens hydraulische en/of ecologische redenen. Voor 2006 en 2007 wordt telkens een volume van 160.000 m³ vooropgesteld zodat de doelstelling binnen bereik is. Minimaal 1.000.000 m3 van de hoeveelheid specie afkomstig van hydraulische ruimingen en ecologische saneringen is verwerkt volgens BATNEEC (geactualiseerde cijfers op basis v/h + + SUP) De hoeveelheid specie afkomstig van ruimingen en saneringen van de onbevaarbare waterlopen van eerste categorie en verwerkt volgens BATNEEC (inclusief direct toepasbare specie na ruiming) is voor de periode 2001 t.e.m. 2005 jaarlijks toegenomen tot in totaal 690.000 m³. Voor 90% van de gemeenten met erosieknelpunten zijn erosiebestrijdingsplannen opgesteld + Het aantal gemeenten met erosieknelpunten werd initieel geraamd op 100. Eind 2005 heeft hiervan 20 % een goedgekeurd erosiebestrijdingsplan. In de periode 2002-2005 werden er in totaal 90 dossiers voor de opmaak van een gemeentelijk erosiebestrijdingsplan goedgekeurd voor financiering (86 gemeenten). Bijkomend zullen 4 dossiers voor de opmaak van een gemeentelijk erosiebestrijdingsplan worden opgenomen in het investeringsprogramma voor 2006. Voor minimaal 20% van de actuele erosieknelpunten zijn erosiebestrijdingsmaatregelen op het terrein uitgevoerd en voor minimaal 5% van de potentiële erosieknelpunten is de huidige + situatie op het terrein bestendigd. Ter voorbereiding werden in de periode 2002 - 2005 47 dossiers voor het uitvoeren van kleinschalige erosiebestrijdingswerken goedgekeurd voor financiering via het erosiebesluit. Voor het investeringsprogramma 2006 werden er 83 dossiers voor het uitvoeren van kleinschalige erosiebestrijdingswerken ingediend. In het kader van het afsluiten van beheerovereenkomsten erosiebestrijding met landbouwers, werd er inmiddels reeds 580 ha akkerland erosiewerend bewerkt en werden er 115 ha grasbufferstroken en grasgangen aangelegd. Sinds de invoering (begin 2005) van de cross compliance maatregelen voor landbouwers die Europese steun ontvangen, moeten landbouwers op de 1% meest erosiegevoelige percelen verplicht erosiebestrijdende maatregelen nemen. Verder moet sinds de invoering van deze maatregelen het totale areaal meerjarig grasland op bedrijfsniveau behouden blijven, zodat de huidige situatie voor talrijke potentiële erosieknelpunten bestendigd wordt. Een kwantitatieve inschatting van het doelbereik wordt vanaf 2006 voorzien.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Bodemverontreiniging: Naast de jaarlijkse opstart van een 150-tal ambtshalve dossiers wegens onschuldig eigenaarschap, werden 10 besluiten tot ambtshalve bodemsanering opgesteld ten gevolge van een aanmaning wegens ingebrekestelling. Bij de verdere uitvoering kregen ernstige verontreinigingen met acuut risico hierbij prioriteit. Sinds de goedkeuring van de milieusamenwerkingsovereenkomst met betrekking tot brownfieldontwikkeling hebben 9 gemeenten ondersteuning gekregen. Verder is er gewerkt aan de opvolging van een 25-tal lopende projecten waarbij brownfieldontwikkeling wordt bestudeerd. OVAM biedt hierbij voornamelijk ondersteuning bij het in kaart brengen van de saneringsmogelijkheden en de opmaak van de hieraan gekoppelde kostenraming. Er bestaat ook de mogelijkheid om van


ambtswege subsidies te voorzien. In 2005 werden ook een aantal nieuwe samenwerkingsverbanden aangegaan o.a. voor de sanering en herontwikkeling van de site Hoedhaar te Lokeren, voor het opmaken van een masterplan voor de herontwikkeling en sanering van de verouderde bedrijvenzone in de regio Vilvoorde - Machelen en voor een knelpuntenanalyse en actieplan in het kader van de herinrichting van verouderde bedrijventerreinen in een aantal projectgebieden in de provincie Antwerpen. In een verkennend onderzoek werden eerder 30 woonzoneprojecten geïnventariseerd. De opstart van de woonzoneprojecten kadert in de integratie van bodemsanering in een ruimer maatschappelijk kader. In 2005 werden woonzoneprojecten opgestart of voortgezet in Gent, Turnhout, Lokeren en Essen. In juli 2005 werd door de Vlaamse Regering het ontwerpdecreet betreffende de oprichting van sectorale bodemsaneringsfondsen principieel goedgekeurd. Op basis van de ingewonnen adviezen werd eind 2005 een nieuw voorstel voor aanpassing van het bodemsaneringsdecreet opgesteld. Om de oprichting van sectorfondsen mogelijk te maken, wordt in het bodemsaneringsdecreet een nieuw hoofdstuk voorzien. Voor het bekomen van een financiële ondersteuning in het kader van het fonds voor benzinestations (Bofas) werden midden 2005 1.417 dossiers ingediend. In mei 2005 hebben de federale overheid en de gewesten een protocol ondertekend m.b.t. een 'fonds voor een tussenkomst in de financiële lasten ingevolge een bodemverontreiniging veroorzaakt door gasolietanks voor verwarming'. Een ontwerp samenwerkingsakkoord werd verder uitgewerkt, maar hierover bestaat nog geen politiek akkoord. De grondverzetsregeling werd in het voorjaar van 2004 operationeel. Sindsdien werden er reeds 4.846 technische verslagen opgesteld voor een totaal volume van ongeveer 23 miljoen m³ grond. Uit de evaluatie bleek dat de grondverzetsregeling ingrijpend dient te worden bijgestuurd. In de tweede helft van 2005 werden hiertoe voorstellen geformuleerd. Een eerste voorstel tot aanpassing van de grondverzetsregeling werd onderworpen aan een brede consultatieronde. Ook werd de één miljoenste bodemattestaanvraag inmiddels behandeld. De aanvraagprocedure voor bodemattesten werd aanzienlijk vereenvoudigd. Verder vond de implementatie plaats van de milieubeleidsovereenkomst die werd afgesloten met de Ondernemers Vereniging Bodemsaneerders met betrekking tot het zgn. Achilles-zorgsysteem. Vlaanderen heeft zich in 2005 verder actief geprofileerd binnen Europa, o.m. met betrekking tot de Europese bodemstrategie en Europese projecten, zoals EURODEMO, SNOWMAN en BeNeKempen. Het CABERNET-project liep begin 2005 af. Waterbodems: Eind 2005 zijn de eerste 3 bekkenbeheerplannen (Nete, Dender en Ijzer) en de respectievelijke waterbodemsaneringsprogramma's voltooid. Een methodiek voor de opmaak van een waterbodemsaneringsprogramma werd hierbij ontwikkeld en toegepast. Deze methodiek impliceert dat hydraulische en ecologische prioriteiten met elkaar gecombineerd worden tot een globale saneringsprioriteit. In de loop van de voorbije jaren werden inspanningen geleverd voor het wegwerken van de historische achterstand inzake ruimingen. Hierbij werd er zoveel mogelijk voor geopteerd de geruimde specie achteraf te verwerken volgens BATNEEC en een zo klein mogelijk volume ruimingsspecie rechtstreeks te storten. Het doel is om een belangrijk deel van het slib via behandelingstechnieken herbruikbaar te maken als bodem of bouwstof. Een consensustekst voor een code van goede praktijk voor bagger- en ruimingsspecie werd in september 2005 ter goedkeuring aan de minister voorgelegd. In 2005 werd eveneens verder gewerkt aan de opmaak van het (nieuw) ontwerp sectoraal uitvoeringsplan Bagger- en Ruimingsspecie (SUP). In de periode 2000-2003 werden 600 meetplaatsen van het waterbodemmeetnet eenmaal bemonsterd. Op basis van deze gegevens wordt de waterbodemkwaliteit van de Vlaamse waterlopen bepaald. Begin 2004 werd opnieuw gestart met de bemonstering van dit waterbodemmeetnet. In 2004 en in 2005 werden telkens 150 meetpunten bemonsterd. Al deze gegevens worden opgenomen in de waterbodemdatabank. In 1999 werd gestart met de uitbouw van een sedimentmeetnet. Hiervan zijn er eind 2005 21 meetposten operationeel in het zuidelijke Demerbekken. Bodemaantasting: Een voorontwerp van decreet tot aanvulling van het DABM met een titel bodembescherming werd afgewerkt. Een intensieve


opvolging van het Europese bodembeleid vond plaats met onder meer de voorbereiding van de EU-raadsconclusies (Soil policy) en deelname aan diverse bijeenkomsten van de lidstaten in aanwezigheid van de Europese Commissie. In het kader van het subsidiebesluit 'kleinschalige erosiebestrijdingsmaatregelen' vond de begeleiding van gemeenten plaats. Praktijkervaring werd opgebouwd tijdens het opvolgen van de kleinschalige erosiewerken. De opgestelde code van goede praktijk voor het opmaken van een gemeentelijk erosiebestrijdingsplan wordt actueel gehouden op basis van de opgedane ervaring. De aanpak via gemeentelijke erosiebestrijdingsplannen werd verder gezet. Verschillende informatieve producten rond erosiebestrijding werden ontwikkeld (brochures, erosiekrant,...). De eerste beheerovereenkomsten erosiebestrijding konden ingaan op 1 april 2005. Sinds begin 2005 zijn landbouwers die Europese inkomenssteun ontvangen verplicht om op hun meest erosiegevoelige percelen erosiebestrijdingsmaatregelen te nemen. Op een aantal van hun percelen moeten de landbouwers ook het koolstofgehalte en de pH laten bepalen en, indien nodig, actie ondernemen om deze bodemeigenschappen te verbeteren.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Huidige Oorspronkelijk Status verwachtin g e verwachting

Evalueren en bijsturen regeling grondverzet inclusief overleg met sectoren

2005 EINDE

Opmaak vereenvoudigde procedures bodemsanering

2007 EINDE

Uitwerken van een concept voor beheersstrategie voor grootschalige complexe verontreinigingen

2009 EINDE

Actieplan "Clusteraanpak voor bodemonderzoeken van bedrijven terreinen" is opgesteld Uitwerken scenario voor procesoptimalisatie ambtshalve bodemsanering Uitwerken en implementeren scenario integratie bodemsanering in ontwikkeling van verontreinigde brownfields.

gereali seerd op schem a op schem a

2005 MIDDEN gereali seerd op 2006 EINDE schem a op 2007 EINDE schem a

Afronding van een eerste omvangrijk woonzoneproject

2005 MIDDEN gereali seerd op Uitwerken en implementeren scenario van integrale aanpak 2007 EINDE schem woonzones a op Uitgewerkt systeem voor alternatieve financiering 2006 EINDE schem a Uitwerken systematiek voor realisatie sectorale saneringsfondsen

2005 EINDE

gereali seerd


Voorstel alternatieve financiering via Algemeen Fonds Bodemsanering is ingediend Implementatie richtlijn milieuaansprakelijkheid voor luik bodem

2004 EINDE

gereali seerd op 2007 MIDDEN schem a

Opmaak voorstel voor het creëren van een rechtsgrond voor 2005 MIDDEN gereali de snelle opheffing van de risico's. seerd Verfijnd systeem van de saneringsplicht

2005 EINDE

Start uitvoering sectoraal uitvoeringsplan bagger- en ruimingsspecie

2007 BEGIN

Code van goede praktijk voor ecologische saneringen en hydraulische ruimingen is uitgewerkt

2004 EINDE

Code van goede praktijk bagger- en ruimingsspecie goedgekeurd

2005 EINDE

Beheerovereenkomsten-erosie worden operationeel

Indicatoren

gereali seerd op schem a 2005 gereali EINDE seerd gereali seerd

2005 MIDDEN gereali seerd

Realisat Doelstell ie ing Aantal brownfieldprojecten waarvoor saneringsmogelijkheden in kaart zijn 2 25 gebracht inclusief kostenramingen (in samenwerking met OVAM) (2005) (2010) Aantal dossiers opgestart in het kader van ambtshalve bodemsanering 85 145 (aanmaning) (2005) (2010) 5 15 Aantal woonzoneprojecten waarbij onderzoek is opgestart (2005) (2007) 20 80 Aantal gemeenten met een goedgekeurd erosiebestrijdingsplan (2005) (2007) 21 21 Aantal operationele meetposten sedimentatie (2005) (2005) Aandeel hergebruikt (als bodem of bouwstof) specie bij waterlopen van eerste 558000 1000000 categorie (m³) (2005) (2007) Aandeel specie gedeponeerd op de oever bij waterlopen van eerste categorie 132500 (m³) (2005) 4500 Aandeel specie gestort bij waterlopen van eerste categorie (m³) 0 (2007) (2005) Aantal goedgekeurde dossiers voor het uitvoeren van kleinschalige 47 80 erosiebestrijdingswerken (2005) (2007) Aantal goedgekeurde dossiers voor de opmaak van een gemeentelijk 90 90 erosiebestrijdingsplan (2005) (2005)


Aantal opgestelde waterbodemsaneringsprojecten Aantal opgestelde waterbodembeheerplannen Aantal sectoren waarvoor een financiering van bodemverontreiniging is uitgewerkt.

3 (2005) 3 (2005) 1 (2005)

5 (2007) 11 (2007) 5 (2010)

Aanpak jaar 2006 Project: Bodemsanering Voor ambtshalve bodemsanering wordt een procesoptimalisatie voorzien. Dit houdt onder meer in dat er verder wordt gewerkt aan een prioriteitsstelling voor bodemsanering waarbij bodemverontreiniging met een acuut gevaar de hoogste prioriteit zal krijgen. Tevens zal in 2006 voorrang gegeven worden aan de saneringen bij vrijgestelden van saneringsplicht, de zgn. onschuldig bezitters, en aan projecten die door integratie een maatschappelijke meerwaarde betekenen bij hergebruik na de bodemsanering. Concreet worden er in 2006 een 150-tal dossiers 'onschuldige eigenaar' aangepakt en ook opnieuw ongeveer 10 besluiten ambtshalve bodemsanering uitgeschreven ten gevolge van ingebrekestelling in gevallen van bodemverontreiniging met een acuut gevaar. Het totale pakket van ambtshalve uit te voeren saneringen (bodemsaneringsprojecten en -werken) zal in 2006 ruim 100 dossiers omvatten. Deze resulteren voornamelijk uit de goedgekeurde lijsten van art.46 van het BSD, aangevuld met ingebrekestellingen en urgentiemaatregelen. Gelet op de budgettaire beperkingen wordt een prioriteitsstelling opgemaakt waarbij rekening wordt gehouden met de risico's van de bodemverontreiniging en de opportuniteiten bij terreinontwikkeling. Dit zal resulteren in het opstellen van bodemsaneringsprojecten voor een 20-tal dossiers. Uit de reeds conformverklaarde bodemsaneringsprojecten zal een risicogebaseerde keuze voor verdere ambtshalve uitvoering worden gemaakt. Op basis van de urgentie zullen in een 10-tal dossiers voorzorgs- of veiligheidsmaatregelen worden getroffen. Als kwaliteitsdoelstelling geldt dat deze maatregelen binnen 1 tot 6 maanden in uitvoering zijn. 40 % van het budget voor ambtshalve saneringen zal worden gebruikt voor brownfieldontwikkeling. OVAM zal in 2006 actief participeren aan 25 brownfieldprojecten met als specifieke rol de ondersteuning bij het in kaart brengen van de saneringsmogelijkheden en de opmaak van kostenramingen. Er wordt eveneens een integrale aanpak van potentieel verontreinigde woonzones uitgewerkt. De onderzoeksinspanning wordt opgedreven en volgende onderzoeken worden verdergezet of opgestart: Gent-Rabot, Gent-Brugse Poort, Gentbrugse Meersen, Lokeren, Turnhout en Essen. Project: Waterbodemverontreiniging In 2006 zal de bestaande methodiek voor de opmaak van een waterbodemsaneringsprogramma ook voor de niet-prioritaire bekkens toegepast worden. Verder zal in 2006 zal op de onbevaarbare waterlopen van 1ste categorie minstens een volume van 150.000 mÂł geruimd worden. De ruimings- of baggerwerken worden uitgevoerd door de waterloopbeheerder/saneringsplichtige en worden nadien gemeld aan de waterbodemdatabank. Veruit het grootste deel van de ruimingsspecie, afkomstig van de ruimingen in de onbevaarbare waterlopen van 1e categorie, wordt verwerkt. Voor specie van zeer goede kwaliteit biedt oeverdeponie in een aantal gevallen mogelijkheden. Ook de specie die in de loop van het jaar 2006 geruimd wordt, zal bijna integraal verwerkt worden. Project: Bodembescherming Verwacht wordt dat de Europese commissie met een ontwerpkaderrichtlijn bodem naar buiten zal komen. In 2006 zal in dat kader op Vlaams, Belgisch en Europees niveau voorbereiding, overleg en standpuntvorming plaatsvinden. Vlaanderen zal hierbij de Belgische standpunten blijven coĂśrdineren. Mogelijk wordt in het kader van het landbouwbeleid een onderzoek opgestart naar optimale koolstofgehalten en pH-waarden in akkers en hoe deze bereikt kunnen


worden. Voorts wordt intensief samengewerkt met het beleidsdomein landbouw voor de implementatie van de cross compliance maatregelen voor landbouwers die Europese steun ontvangen. Zo wordt jaarlijks op basis van de ABKL-perceelgegevens de nieuwe erosiekaartLand geactualiseerd. In 2006 vindt een eerste evaluatie plaats van de maatregelen in het kader van de cross compliance. Afhankelijk van de politieke prioriteiten en van de inhoud en timing van de ontwerpkaderrichtlijn bodem, zal in 2006 mogelijk herstart worden met de ontwikkeling van een juridisch instrument voor bodembescherming. In 2006 start de effectieve invulling van de gegevensbank bodemaantasting. Ook de eventuele monitoringverplichtingen vanuit Europa worden hierin geĂŻntegreerd. Externe initiatieven rond indicatoren worden verder opgevolgd en ondersteund. Ook in 2006 blijft het stimuleren van erosiebestrijding in het veld het hoofddoel. In het kader van de watertoets zal aan de gemeenten met erosiegevoelige gronden advies gegeven worden over de invloed van bepaalde ingrepen op het erosierisico van de omliggende gronden. De evaluatie van de gemeentelijke erosiebestrijdingsplannen zal in 2006 die tijdelijk een hoog extra werkvolume veroorzaken. Wegens gebrek aan mensen zullen een aantal gemeenten lang op de goedkeuring van hun plan, en de daarmee samenhangende subsidie, moeten wachten. Ook in 2006 zal prioriteit worden gegeven aan gemeenten met dossiers voor kleinschalige erosiebestrijdingswerken. Maatregelen naast het project 'Bodemsanering' Het voorstel tot aanpassing van het bodemsaneringsdecreet zal worden onderworpen aan een brede consultatieronde. Eveneens wordt een voorstel voor de aanpassing van Vlarebo opgemaakt. Bepaalde voorstellen tot vereenvoudiging van procedures zullen verder uitgewerkt worden (bv. mogelijkheid tot samenvoegen oriĂŤnterend en beschrijvend bodemonderzoek). Het verschil in saneringsdoelstelling tussen nieuwe en historische verontreiniging zal behouden blijven, maar de sanering van historische bodemverontreinigingen op een meer risicogebaseerde wijze gebeuren, terwijl bij nieuwe bodemverontreiniging eerder uitgegaan wordt van een BATNEEC-benadering. De opvolging van bodemsanering en de opmaak van bodemattesten zal vlotter verlopen via IT-optimalisatie. Verder zal gewerkt worden aan de aanpassing van de regelgeving met betrekking tot grondverzet. De regelgeving voor het gebruik van uitgegraven bodem wordt in samenhang met de bodemsanering ingebed in een consistent kader voor bodembeheer. Hierbij wordt gemikt op het uitsluiten van milieurisco's ten gevolge van de verplaatsing en het gebruik van verontreinigde uitgegraven bodem. Dit voorstel zal in 2006 aan de Vlaamse Regering voorgelegd worden. Inzake de uitwerking van sectorale saneringsfondsen kan BOFAS in 2006 herzien worden om ook tankstations die gesloten waren voor 1992 in aanmerking te laten komen voor financiĂŤle tussenkomst. Verder zal in 2006 een studie worden uitgevoerd inzake alternatieve financiering en zullen de eerste tekstvoorstellen worden uitgewerkt. Tevens zal er een systematiek worden ontwikkeld voor de realisatie van sectorale saneringsfondsen. In 2006 zal een scerario worden uitgewerkt voor een betere afstemming van bodemsaneringsprocedures op het 'beheer' van grond. Ook zullen in dat verband afspraken worden gemaakt om het gebruik van verontreinigd grondwater te stimuleren. Inzake het Europees beleid tenslotte wordt in 2006 gewerkt aan de implementatie van de recente Europese Richtlijn Milieuaansprakelijkheid, meer bepaald het luik bodemschade. Een actieve participatie aan het Europees overleg rond de kaderrichtlijn water en het bodembeleid zal plaatsvinden. Maatregelen naast het project 'Waterbodemverontreiniging' In de (deel)bekkenbeheerplannen (zie ook het thema 'Integraal waterbeleid') wordt de prioritering voor ruimingen en saneringen van waterbodems toegepast. Voor alle (deel)bekkens is dezelfde methodiek van toepassing. Hierbij worden zowel hydraulische als ecologische saneringsprioriteiten in overweging genomen. Verder wordt er nagegaan hoe een besluit over de erkenning van labo's voor de bemonstering en analyse van waterbodems uitgewerkt kan worden. De derde reeks van bemonsteringen van waterbodems op 600 meetplaatsen wordt verder gezet met opnieuw 150 meetplaatsen in 2006. Bij de keuze van de 150 monsters wordt telkens


rekening gehouden met mogelijk uitgevoerde saneringswerken zoals effectieve bagger- of ruimingswerken, afsluiten van belangrijke lozingen, etc. Dit waterbodemmeetnet wordt uitgebreid met extra parameters zoals dikte van de sliblaag, breedte van de bedding, schattingen van hoeveelheden. Bovendien wordt de mogelijkheid voorzien analyseresultaten te toetsen aan verschillende normeringskaders (bv. Triade, Uniforme gehalte toets uit de 4de NWH, VLAREA). Alle gegevens worden opgenomen in de waterbodemdatabank en voor alle waterloopbeheerders toegankelijk gemaakt. Bovendien wordt het onderzoeksproject, waarbij het ecologisch herstel van een gesaneerde waterbodem onderzocht wordt, verder uitgewerkt. Het sedimentmeetnet zal in de loop van 2006 verder geoptimaliseerd worden. Het moet aangeven waar zich de belangrijkste sedimentbronnen bevinden als uitgangspunt voor het uitwerken van erosiewerende maatregelen. In 2007 zal gestart worden met de uitvoering van het uitvoeringsplan bagger- en ruimingsspecie. In overleg met de waterloopbeheerders wordt het ontwerp van uitvoeringsplan bagger- en ruimingsspecie geactualiseerd. De doelstellingen inzake verwerking en berging van de specie worden herbekeken en geactualiseerd. Een milieuhygiĂŤnisch hoogstaande, maar ook economisch verantwoorde verwerking en maatschappelijke weerstand tegen bergingslocaties in de buurt moeten via het plan met elkaar worden verzoend en ingepast binnen de beschikbare beleidskredieten. Ook preventieve maatregelen zoals erosiebestrijding moeten in het plan opgenomen worden. Er werd reeds overeenstemming bereikt over een code voor goede praktijk die op het terrein de noodzakelijke inhaaloperatie moet mogelijk maken.


Verontreiniging door afvalstoffen Verantwoordelijke:Anne Vandeputte

Inleiding Productie van afval betekent verlies van grondstoffen, energie en ruimte. De opslag, het transport en de verwerking, of kortweg het afvalbeheer, kan diverse vormen van verontreiniging veroorzaken. Het is bovendien nauw verbonden met het energie- en grondstoffenvraagstuk. Ongeveer 90 % van de totale afvalhoeveelheid zijn bedrijfsafvalstoffen. Het aandeel gevaarlijke afvalstoffen is bovendien grotendeels van bedrijfsmatige oorsprong. De klemtoon van het Afvalstoffendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten - gebundeld in het Vlaams reglement inzake Afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA) - is door herhaalde wijzigingen verschoven van definitieve verwijdering naar het voorkomen en nuttig toepassen van afvalstoffen. Het zwaartepunt van de beleidsvoorbereiding verschuift naar het Europese niveau, waarbij wordt gestreefd naar een minimale verstoring van zowel het milieu als de interne markt. Prioritair in dit jaarprogramma blijft preventie, hergebruik en recyclage van afvalstoffen. Verder ligt de klemtoon op een maximale energieterugwinning uit hoog calorisch afval, een sterkere profilering op Europees niveau en handhaving. Om tegemoet te komen aan de bestaande ontwikkelingen inzake eco-efficiëntie, ketenbeheer, duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, beleidsintegratie, innovatie, enz... is een verruiming en vernieuwing van het afvalstoffenbeleid in voorbereiding. Met het preventiebeleid dat vanuit het afvalbeleid geïnitieerd werd, zit men steeds meer tegen de grenzen aan. Een fundamentele verandering (transitie) naar een geïntegreerd materialenbeleid is dan ook noodzakelijk en onvermijdelijk om aansluiting te vinden bij duurzame ontwikkeling.

Opvolging van de plandoelstellingen Bedrijfsafvalstoffen: de hoeveelheid afval verminderen t.o.v. 2002 De totale productie bedrijfsafval - de som van primair en secundair bedrijfsafval - vertoont een stijgende trend. De totale hoeveelheid primair geproduceerde bedrijfsafvalstoffen - primair afval ontstaat op het moment dat een product voor het eerst afval wordt - nam globaal toe van 12,7 miljoen ton in 1992 tot 18,4 miljoen ton in 1998 maar bleef sindsdien t.e.m. 2003 vrij stabiel. Voor een trendbepaling na 2002 zijn nog onvoldoende gegevens beschikbaar. Preventie van bedrijfsafval zal blijvend worden gestimuleerd vooral door maatregelen m.b.t. sensibilisering, informatieverlening en subsidiëring o.a. voorzien in het project 'Afvalvoorkoming via proces- en productbeleid'. Aandacht gaat hierbij zowel naar kwantitatieve als kwalitatieve preventie. De hoeveelheid secundair afval - afkomstig van afvalverwerkende bedrijven - blijft globaal toenemen (8,0 miljoen ton in 2002 en 8,2 in 2003). Een belangrijke oorzaak van deze stijging is dat steeds meer afval geconditioneerd wordt. Bedrijfsafvalstoffen: de productie van afval blijft meer achter op de economische groei t.o.v. 2002 De totale hoeveelheid primair geproduceerde bedrijfsafvalstoffen is tussen 1992 en 2002 sneller gestegen dan het Bruto Regionaal Product. De productie van primair bedrijfsafval is voor deze periode nog niet losgekoppeld van de economische groei. Voor een trendbepaling vanaf 2002 zijn nog onvoldoende gegevens beschikbaar. Bedrijfsafvalstoffen: de hoeveelheid definitief verwijderd afval vermindert met minstens +/ 20% t.o.v. 2000 (2010) -


De totale hoeveelheid gestorte bedrijfsafvalstoffen nam aanzienlijk af van 5,56 miljoen ton in 1992 tot 2,4 miljoen ton in 2004. De doelstelling werd hiermee reeds behaald (t.o.v. 3.1 miljoen ton in referentiejaar 2000). Hoewel verbranden de voorkeur geniet boven storten, werd in 2003 wel nog meer bedrijfsafval gestort (8,7%) dan verbrand (5,8%). Aanvullend aan de aanpak inzake hergebruik en preventie wordt een daling nagestreefd d.m.v. heffingen op storten, storten verbrandingsverboden voor recycleerbare afvalstoffen, de regelgeving inzake secundaire grondstoffen en de aanvaardingsplichten. Selectieve inzameling van afvalstromen bij bedrijven zal verder worden gestimuleerd. Via het exportverbod voor te verwijderen afval wordt ontwijkingsgedrag tegengegaan. Huishoudelijke afvalstoffen: de totale hoeveelheid afval blijft minstens gelijk of vermindert +/t.o.v. 2000 De totale hoeveelheid geproduceerde huishoudelijke afvalstoffen per inwoner nam toe van 405 kg in 1991 tot 559 kg in 2001. In 2003 was er een afname van ongeveer 24 kg per inwoner t.o.v. 2001. De trendbreuk naar een vermindering van de huishoudelijke afvalberg leek ingezet. In 2004 is er echter een toename van 25 kg per inwoner t.o.v. 2003 maar een stagnatie t.a.v. de periode 2000 - 2002, vastgesteld. Deze toename situeert zich binnen het aandeel selectief ingezameld afval dat steeg van 67,7% in 2001 naar 71,6% in 2004 (1,6% meer dan in 2003) en heeft betrekking ondermeer op groenafval waarvan de geproduceerde hoeveelheid klimaats- of weersgebonden is (droge zomers versus natte zomers) en de intensievere inzameling van afgedankte elektrische en elektronische toestellen (de zogenaamde AEEA). Het selectief ingezameld afval gaat nagenoeg volledig naar hergebruik of wordt gerecycleerd of gecomposteerd. In het uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen (2003-2007) gaat extra aandacht naar preventie, hergebruik, compostering en recyclage. Een preventieve aanpak wordt bijkomend uitgewerkt in het project 'Afvalvoorkoming via proces- en productbeleid'. Prioritaire maatregelen zijn het stimuleren van milieubewustwording, het verminderen van het aanbod aan wegwerpverpakkingen en het hergebruik ervan stimuleren, het hergebruik van producten bevorderen evenals de stimulering van thuiscompostering. Huishoudelijke afvalstoffen: de productie van afval blijft meer achter op de groei van de consumptie t.o.v. 2000

+/ De productie van huishoudelijke afvalstoffen per consumptie-eenheid in de periode 1996 - 2001 vertoonde een dalende trend. De resultaten gaven de start aan van een ontkoppeling tussen de afvalproductie en consumptie. De sinds 1999 ingezette trend van ontkoppeling tussen de toename van bevolking en consumptie enerzijds en de evolutie van de afvalberg anderzijds is niet te merken in 2004. Huishoudelijke afvalstoffen: de hoeveelheid definitief verwijderd afval vermindert tot gemiddeld 150 kg per inwoner

+ + +

De totale hoeveelheid gestorte en verbrande huishoudelijke afvalstoffen per inwoner verminderde aanzienlijk van 325 kg in 1995 tot 159 kg in 2004 of 1 kilo minder dan in 2003. Positief is ook dat het aandeel verbranden (85,5% in 2004) verder is toegenomen t.o.v. het aandeel storten (14,8% in 2004). Belangrijke gerealiseerde maatregelen in dit verband zijn de hogere heffingen voor storten van huishoudelijke afvalstoffen, het instellen van stortverboden op bepaalde afvalstoffen, een verbeterde invulling en een uitbreiding van de beschikbare capaciteiten bij verbrandingsinstallaties en het nauwgezet opvolgen van de afwijkingen op de stortverboden. Het uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen (2003-2007) blijft deze aanpak volgen. Zo wordt onder meer voorgesteld om de capaciteit voor storten verder te beperken en af te bouwen.


Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 In het kader van het project 'Prioritaire afvalstoffen' werd een diepteanalyse uitgevoerd i.f.v. actieprogramma's voor textiel - en dierlijk afval. Campagnes werden gevoerd om bedrijven aan te zetten tot een meer eco-efficiënte bedrijfsvoering. Het Presti-4 programma is verder gezet en wordt in 2005 afgerond met de uitreiking van de laatste 'gesubsidieerde' Millieucharters. Het millieucharterprogramma wordt nu deels autonoom zonder Vlaamse financiering voortgezet. Het Presti-5 programma is in zijn derde uitvoeringsjaar. Informatieverlening en sensibilisering voor intermediairs in relatie tot de burger vond plaats via STIP (Steunpunt en Informatiecentrum voor Preventie van Afval). De Factor 10- werking (Vlaams Informatiepunt voor Ecodesign) is opgenomen in een bredere werking rond eco-efficiëntie. Een project 'Eco-Efficiëntie indicatoren' met als doel sectorspecifieke handleidingen te genereren die bedrijven kunnen helpen efficiënter om te gaan met deze kengetallen is afgerond. Via een principiële goedkeuring van de Vlaamse Regering is het startschot gegeven voor de ontwikkeling van een Eco-efficiëntiescanprogramma. Eind 2005 verscheen de Eco-efficiëntiewijzer, een leidraad voor bedrijven om aan de slag te gaan met eco-efficiëntie. Stimulering van preventie van huishoudelijke afvalstoffen gebeurde onder meer via sensibiliseringscampagnes. De uitvoering van een pakket aan preventieve acties vond plaats in het kader van het SUP 'Huishoudelijke afvalstoffen'. Het gebruik van herbruikbare drinkbekers op evenementen werd in 2005 onderzocht en gepromoot. Stimulering van thuiscompostering gebeurde via het netwerk van compostmeesters, structureel ondersteund door VLACO vzw. Een proefproject 'Afvalfactuur' toonde dat sensibilisering omtrent prijs en volume via een aangepaste afvalfactuur zinvol is. Inzake selectieve inzameling passen reeds 36 gemeenten gedifferentieerde tarifering (DIFTAR) toe op basis van gewicht- of volumeregistratie. Verder lopen er diverse proefprojecten om inzamelscenario's te evalueren die afwijken van het Fost-Plusscenario. De kringloopcentra werden verder financieel ondersteund. Voor afgedankte voertuigen is in het kader van de aanvaardingsplicht een milieubeleidsovereenkomst (MBO) afgesloten. In 2005 onderhandelde de OVAM met de betrokken sectoren over het sluiten van nieuwe overeenkomsten voor afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA), afvallandbouwfolies, afgewerkte olie, gebruikte oliën en vetten, oude en vervallen geneesmiddelen en papierafval. Sommige producenten en invoerders, vooral in 'de business to business' sector, kozen voor een individueel preventie- en beheersplan. Huisgezinnen en de kleinere eindverkopers kunnen met de afgedankte goederen in de kringloopcentra en op de containerparken terecht. In dat kader hechtte de Minister van Leefmilieu zijn goedkeuring aan een rekenmodel dat de kosten van de inzameling van afvalstoffen via containerparken in kaart brengt. Het model moet de onderhandelingen vergemakkelijken tussen de lokale besturen en de beheersorganismen die instaan voor de uitvoering van de aanvaardingsplichten. Een grondige analyse van het instrument aanvaardingsplicht was in 2005 in voorbereiding, met als doel de effectiviteit en de efficiëntie ervan in 2006 via een externe evaluatie verder te onderzoeken. Er worden maatregelen voorbereid om de transparantie van de werking van de beheersorganismen te vergroten en monopolievorming bij de toewijzing van de ophalers en verwerkers te voorkomen. Via een ontwerp sectoraal uitvoeringsplan (SUP) 'Milieuverantwoord materiaal gebruik en afvalbeheer in de bouw' werd een aanpak voor een materiaalbeheer van bouwstoffen uitgewerkt. Vlaanderen slaagt er momenteel in om meer dan 85 % van het bouw- en sloopafval te herwinnen. Een verhoogde afzet van de hoeveelheden en vooral de kwaliteit moet op een duurzame wijze verzekerd blijven. Het plan zet de sporen uit om de ambitie van de afzet van de steenachtige fracties en de specifieke fracties uit bouwactiviteiten te blijven garanderen door scheiden aan de bron (verplichtingen inzake selectieve sloop), ecologische en economische verantwoorde be- en verwerking tot, waar nodig, gecertificeerde hoogwaardige producten, gekoppeld aan een milieuzorgsysteem op verschillende beheersniveaus. Een milieuhygiënische handleiding voor bouw en sloopafval wil in de eerste plaats een antwoord geven op de meest


gestelde vragen en daardoor mee bijdragen tot een milieuvriendelijker beheer van dit soort afval. Nieuwe initiatieven omtrent selectieve inzameling werden eveneens voorbereid in het kader van het SUP 'Gescheiden inzameling van bedrijfsafval van kleine ondernemingen'. Binnen de samenwerkingsovereenkomst betreffende de preventie en het beheer van verpakkingsafval werd een actieplan voor kleine ontpakkers goedgekeurd. Energierecuperatie bij verbranden werd planmatig uitgewerkt in een SUP 'Hoogcalorisch afval', dat startte in 2004. Een voorstel van VLAREM-wijziging inzake afvalverbranding werd goedgekeurd en is in werking getreden op 13 februari 2004. Sinds juli 2005 dient de Europese beschikking houdende vaststelling van de criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen (2003/33/EG) in Vlaanderen te worden toegepast. Heffingen op het verbranden werden bijgestuurd via de goedkeuring van een verzameldecreet. Hierin werd met ingang van 1 juli 2005 een milieuheffing ingevoerd voor de meeverbranding van afvalstoffen (bijvoorbeeld in cement- of kalkovens en elektriciteitscentrales). In het kader van het SUP 'Houtafval' wordt een beheersplan 'houtafval' uitgewerkt. In het kader van het SUP 'Slib' treffen een aantal sectoren voorbereidingen voor het opstellen en/of verspreiden van een code van goede praktijk om het ontstaan van slib te voorkomen en de kwaliteit van het slib te verbeteren. Ter voorbereiding van het SUP 'Bagger- en ruimingsspecie' (zie ook thema 'Verontreiniging en aantasting van de bodem') werd een analysedocument opgemaakt en een studie naar de beschikbare verwerkingstechnieken uitgevoerd. De openbare inspraakprocedure voor het ontwerpplan is achter de rug. Het is nu aan de Vlaamse Regering om het aangepaste ontwerp SUP goed te keuren. In uitvoering van het Vlarea is een code van goede praktijk voor bagger- en ruimingsspecie met de waterloopbeheerders uitgewerkt en ter goedkeuring aan de minister voorgelegd. Er werd verder gewerkt aan de optimalisatie van de afstemming tussen het regionale beleidsdomein afval en de federale beleidsdomeinen volks- en dierengezondheid en voedselveiligheid (krengenverwijdering, gebruik als diervoeding, ...). In de commissie Dierlijk Afval werd een akkoord bereikt over een gedeeltelijk vernieuwd financieringssysteem voor de ophaling en verwerking van krengen van veehouders. Dit zal toegepast worden gedurende 3 jaar, gekoppeld aan een evaluatie. Intussen werd ook de studie over de financieel-economische situatie in de sector dierlijk afval afgerond. De aan Verordening 1774/2002 aangepaste overeenkomst tussen de federale staat en de gewesten inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, werd ondertekend. In het kader van het SUP 'Organisch-Biologisch Afval' is de focus vooral gericht op de interacties met andere regionale (energie en nutriĂŤnten) en federale beleidsdomeinen (voedselveiligheid en volksgezondheid). Het voortgangsrapport 2004-2005 werd gepubliceerd. Een groot aantal controles werd uitgevoerd om toe te zien op de naleving van de verschillende aanvaardingsplichten. Vooral garages, autosloopcentra en schrootbedrijven werden gecontroleerd in het kader van de aanvaardingsplichten voor afgedankte voertuigen, afvalbanden, afgewerkte olie, afvalbatterijen en AEEA. In samenwerking met de politie gingen de inspecteurs op zoek naar illegale praktijken i.v.m. afgekeurde producten in de zuivelsector en de verbranding van afgewerkte olie. Verder vonden de klassieke steekproefcontroles op afvaltransporten plaats en werd de uitvoer via de havens aangepakt. In de containerterminals vonden op regelmatige basis controles plaats op de uitvoer van AEEA, kabelafval en andere afvalstoffen waarvoor uitvoerverboden of speciale regels gelden. In juni 2005 organiseerde OVAM een internationaal TFS-congres, waarin de bakens voor de toekomstige samenwerking in het uitgebreide Europa op het vlak van het toezicht op internationale afvaltrafieken werden uitgezet. De controles op de heffingen bleven op peil en leidden in een aantal gevallen tot navorderingen. Beleidsevaluatie vond plaats op niveau van enkele projecten en uitvoeringsplannen. Er zijn op de verschillende niveaus steeds meer ontwikkelingen in de richting van een verschuiving van afvalbeheer naar een integraal of duurzaam materialenbeheer. Een eerste verkenning in 2004 van de beleidsvraag heeft aanleiding gegeven tot een aangepast denk- en handelingsperspectief om met inhoud ĂŠn proces om te gaan. Er is ook aansluiting gezocht met de Europese thematische strategieĂŤn inzake 'afvalpreventie- en recycling' en


'duurzaam gebruik natuurlijke hulpbronnen' en met het Nederlandse Programma Toekomstig Afvalbeleid. In 2005 werd een aanvang genomen met het opzetten van een vernieuwingsnetwerk en met het beter in kaart brengen van de probleemstelling. De verruiming naar een materialenbeleid werd in 2005 reeds ingebracht in het SUP 'milieuverantwoord materialengebruik en afvalbeheer in de bouw' omdat ook hier werd aangevoeld dat preventie en innovatie niet goed mogelijk zijn binnen de context van het reguliere afvalbeheer alleen.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen Definitief actieprogramma voor 4 prioritaire bedrijfsafvalstoffen (dierlijk, textiel/ productiegebonden slib, gemengd ongedifferentieerd, zuren/basen)

Huidige Oorspronkeli Status verwacht jke ing verwachting op 2007 schem MIDDEN a

Finalisering studie en publicatie i.v.m. indicatoren eco-efficiëntie

2004 MIDDEN

Ontwikkeling eco-efficiëntiescan

2005 MIDDEN

Start eco-efficiëntiecampagne 2005 Afronding Presti 5 project: optimalisatie en verspreiding van Mambo Consensus aanpak herbruikbare en eenmalige verpakkingen via LCA en peer review industrie Subsidiebesluit kringloopcentra is goedgekeurd

gereal iseerd gereal iseerd

2005 EINDE gereal iseerd op 2006 2005 EINDE schem EINDE a 2006 EINDE nieuw 2005 EINDE gereal iseerd 2006 nieuw MIDDEN

Databank met info kwaliteitsproducten uit gerecycleerde materialen beschikbaar Aanpassingen van productnormen voor brandstoffen: gemotiveerd 2006 EINDE nieuw voorstel aan federale overheid Optimalisering beheer- en opvolgingssysteem voor vraag en 2006 EINDE nieuw aanbod van eindverwerking afval op 2005 2006 Aanpassing wetgeving inzake dierlijke bijproducten (dierlijk afval) schem MIDDEN BEGIN a op 2006 2005 Actieprogramma scheepvaartafvalstoffen is opgesteld schem MIDDE MIDDEN a N Aanduiding transitiepaden i.f.v. een geïntegreerd materialenbeleid 2006 EINDE nieuw 2007 Methodiek prioriteitsstelling van materiaalstromen beschikbaar nieuw MIDDEN


Indicatoren Aantal goedgekeurde Presti-5 projecten

Realis atie 31 (2005)

Jaarlijks aantal controles i.f.v. optimalisering handhaving in samenwerking met politiediensten e.a. (van toepassing vanaf 2006) Jaarlijkse omzet kringloopcentra (miljoen euro) Aantal thuiscomposteerders (% van de bevolking) Aantal uitgereikte milieucharters aan bedrijven i.k.v. Presti-4 Aantal gescreende bedrijven d.m.v. een eco-efficiëntiescan Afwijkingen op stortverboden op jaarbasis (som van HA en BA-cat.2 x 1000 ton)

17,1 (2005) 34 (2005) 634 (2005) 0 (2005) 540 (2005)

Doelste lling 28 (2005) 1045 (2006) 17,8 (2005) 40 (2007) 640 (2005) 1000 (2009) 200 (2007)

Aanpak jaar 2006 Project: Prioritaire bedrijfsafvalstoffen Voor textielafval zal in samenwerking met de sectorfederatie Febeltex het PRESTI 5 project 'Eco-efficiënt grondstoffenbeheer in de textielsector met focus op de afvalfase' worden afgerond. Dit project moet resulteren in twee codes van goede praktijk: één inzake de slibproblematiek en één inzake de kwaliteit en hoeveelheid bedrijfsafvalstoffen ontstaan in de textielsector. Voor dierlijk afval zal op basis van de resultaten van het analysedocument een actieprogramma worden opgemaakt in overleg met de betrokkenen i.c. de Commissie Dierlijk Afval. Voor zuren en basen zullen de bevindingen van een doorlichting van de sector van oppervlaktebehandeling processen geïntegreerd worden in het analysedocument. Voor de afvalstroom 'gemengd en ongedifferentieerd bedrijfsafval' zal begin 2006 een actieprogramma worden opgesteld in overleg met de betrokken stakeholders. Korte termijn acties zullen reeds in 2006 opstarten. Om de afzet van gerecycleerde materialen globaal te verbeteren zal een gegevensdatabank met info over kwaliteitsproducten uit gerecycleerde materialen beschikbaar zijn. Project: Hoogcalorisch afval De inhoud van actie 8 (nastreven uniformiteit inzake wetgeving in de drie gewesten) en 16 (sensibilisering van bevolking en bedrijven) van het SUP wordt nader bepaald. In het overleg met de federale overheid zal in eerste instantie de nadruk worden gelegd op productnormen voor brandstoffen. In eerste instantie wordt de nadruk gelegd op productienormen voor brandstoffen afkomstig uit de landbouw. In een volgende stap zal de vraag naar toepassing van afvalstoffen als brandstof worden gesteld. Een grotere betrokkenheid in deze federale materie wordt nagestreefd. Ook ontwikkelingen rond CEN-normering zullen belangrijk zijn. De invulling van de ontwikkeling van milieubeleidsovereenkomsten met de sectoren omtrent specifieke HCA-stromen wordt nader bepaald. De instrumenten om het storten van hoogcalorisch afval tegen te gaan zoals regulerende heffingen, exportverbod en het verbod op storten van ongesorteerd afval, worden effectiever gemaakt. Gelijktijdig worden de (economische) instrumenten operationeel voor de realisering van de meest geschikte verwerkingscapaciteit en een doeltreffende energiewinning. De problematiek inzake opname van een minimale energieprestatiemaat in VLAREM wordt onderzocht. Eventuele tegenstrijdigheid met het beleid op het vlak van investeringssteun wordt nagegaan. Inzake het stimuleren van het transport van HCA-stromen via het water- en/of spoorverkeer zal een analyse van de vastgestelde knelpunten opgemaakt en verdere conclusies


opgesteld worden. In verband met het optimaliseren van het verbod op storten en verbranden zonder energiewinning zal de nadruk worden gelegd op het analyseren van de sorteerbedrijven. Deze actie wordt in nauw verband met acties in het kader van prioritaire bedrijfsafvalstoffen (gemengd en ongedifferentieerd afval) uitgevoerd. De aanpak voor het afschaffen van verminderde heffing op het storten en in de hand houden van verwerkingsprijzen wordt nader bepaald. Project: Afvalvoorkoming Een studie over ambities voor eco-efficiëntie wordt opgestart. Het eco-efficiëntiescanprogramma wordt voorbereid (Europese aanbesteding, opleiding adviseurs, ...). 30 pilootbedrijven zullen in de eerste jaarhelft van 2006 de eco-efficiëntiescan doorlopen. In het najaar zal het ecoefficiëntiescanprogramma opengesteld worden voor alle Vlaamse KMO's. De bedoeling is om in 3 jaar tijd 1000 KMO's de eco-efficiëntiescan te laten doorlopen. Dit zal de klemtoon zijn van een nieuwe mediacampagne over eco-efficiëntie in bedrijven in 2006. Het Presti 5 programma wordt verder gezet. Het jaarprogramma 2006 is het laatste. In 2006 zullen de resultaten van 15 jaar preventiebeleid in Vlaanderen extern grondig worden onderzocht. Verder is het de bedoeling om indicatoren en een berekeningsmodel te ontwikkelen om de prestaties van de overheidsorganisaties op het vlak van "groene overheidsaankopen en milieuverantwoord productgebruik" te meten. Het eerder opgestart Presti-5-project om de Mambo-software qua functionaliteit te optimaliseren, loopt tot het voorjaar 2006. Verdere verspreiding van de software zal gebeuren op basis van de in begin 2006 te ontwikkelde verspreidingsstrategie. Uit deze strategie zal pas blijken welke financiële middelen nodig zijn om de verspreiding effectief te realiseren. Project: Uitvoeringsplan huishoudelijke afvalstoffen In 2006 zal uitvoering worden gegeven aan de goedgekeurde prioriteitenlijst 2005 en wordt een evaluatierapport opgemaakt. De prioriteitenlijst 2007 zal eind 2006 worden opgesteld en ter goedkeuring voorgelegd aan het overlegplatform huishoudelijk afval. Voor de uitvoering worden volgende accenten gelegd: de acties ter bevordering van preventie en hergebruik zijn rechtstreeks gericht naar de consument of onrechtstreeks via de producent/invoerder. Het principe 'de vervuiler betaalt' wordt na onderzoek en overleg verder ingevuld via een voorstel van gepaste financieringssystemen. Bij de bewustwording en gedragsverandering van de doelgroepen staan informatievoorziening, sensibilisering en het afsluiten van vrijwillige overeenkomsten centraal. De kwaliteit van de selectief ingezamelde fracties vormt een belangrijk aandachtspunt. Vanuit de sector waarschuwt men voor een hoge verontreinigingsgraad van bepaalde fracties (o.a. textiel). Sensibilisering en controle worden in dit verband voorzien. Het uitgewerkte toetsingskader i.v.m. het nut van bestaande of nieuwe selectieve inzamelingen zal worden geëvalueerd met gebruik van een aantal dienstverlenende, wetgevende, economische en ecologische criteria. Naast de eerder opgestarte projecten (bv. Gent, Aalst) rond zwerfvuil moet op het vlak van handhaving nog werk gemaakt worden van administratieve boetes opdat de gemeenten gemakkelijker kunnen optreden tegen kleine overtredingen. De aanpak inzake verpakkingsafval wordt vooral interregionaal (IVC) gerealiseerd door o.a. de invulling van de erkenning van Fost Plus, met bijzondere aandacht voor hervulbare verpakkingen en zwerfvuil (o.a. handhaving). Een accent inzake hergebruik ligt op herstelarbeid en de sortering van grofvuil i.f.v. herbruikbaarheid, met de kringloopcentra als spil. Door de verankering van de kringloopcentra in het Afvalstoffendecreet is de basis gelegd om hiervoor een erkennings- en subsidiebesluit uit te werken. Ook in de aanvaardingsplicht AEEA spelen de kringloopcentra een rol. Voor herstelarbeid in het kader van AEEA verloopt de inbedding van de kringloopsector in de inzamelings- en verwerkingsstructuur van Recupel echter moeizaam. De toegang tot herbruikbare toestellen is in de praktijk nog niet structureel geregeld. De mogelijkheden worden onderzocht.


VLACO vzw wordt verder uitgebouwd als een kennis- en coördinatiecentrum voor zowel professioneel als thuiscomposteren en kringlooptuinieren. De kwaliteitsopvolging en stimulering van de afzet wordt verruimd tot een bredere groep van eindproducten zoals digestaat van biologische conversie (bv. vergisting). Vanaf 2006 wordt gestreefd naar een volledig stortverbod voor huisvuil. Enkel voor het storten van bedrijfsafval zullen nog afwijkingen worden verleend. Ondanks het tekort aan verwerkingscapaciteit in Vlaanderen hebben de verbrandingsinstallaties gedurende bepaalde perioden van het jaar moeilijkheden om hun capaciteit in te vullen. Het knelpunt hierbij is dat het geproduceerde afval (voornamelijk categorie-2-bedrijfsafval) de installaties niet bereikt. In dit verband zal onder meer het zelfvoorzieningsprincipe strikter toegepast worden. In dit verband zullen de gevolgen van het stortverbod in Duitsland nader worden onderzocht. De Europese richtlijn i.v.m. storten bepaalt nieuwe voorwaarden voor de afwerking en nazorg van de stortplaatsen. Zo moet de nazorg verlengd worden tot 30 jaar en moeten de exploitanten een aanpassingsplan en financiële zekerheid voorleggen. Gericht onderzoek en kennisopbouw Het TWOL-programma zal meer gericht worden op strategisch onderzoek en het onderzoekskader waar nodig aangepast. De nadruk wordt gelegd op: - efficiëntie en effectiviteit van het gevoerde beleid via diepgaande analyses onder meer van de aanvaardingsplicht; mogelijkheden, voorwaarden en criteria om grondstoffen te vervangen door afvalstoffen; optimalisatie van de inzet van instrumenten; - innovatie rond transitie naar een materialenbeleid. Implementatie verordening dierlijke bijproducten Hoewel de verordening m.b.t. dierlijke bijproducten (waaronder afvalstoffen van dierlijke oorsprong vallen) rechtstreeks toepasbaar is, wordt een herziening voorbereid van het Afvalstoffendecreet en het VLAREM. Het besluit van de Vlaamse regering betreffende de ophaling en de verwerking van dierlijk afval wordt begin 2006 gepubliceerd. Dit kadert o.a. in de overeenkomst tussen de federale staat en de gewesten inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten. Actieprogramma scheepvaartafvalstoffen Naast de omzetting van de richtlijn 2000/59/EG betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafvalstoffen en ladingsresiduen in het VLAREA onderafdeling XII Afval van scheepsvaart, zal in 2006 een actieprogramma voor de aanpak van scheepvaartafvalstoffen worden opgemaakt. Dit zal gebeuren op basis van een analyse van de huidige afvalstoffen, het wettelijk kader en de gedetecteerde knelpunten. Dit actieprogramma zal zich richten naar de binnenvaart, pleziervaart, visserij en koopvaardij. Organisatie en planning van de beleidsvoorbereiding en - uitvoering Voor hoogcalorisch afval, huishoudelijke afvalstoffen en een aantal bedrijfsafvalstoffen (hout, organisch biologisch inclusief organisch biologisch afval van huishoudelijke oorsprong, slib, bouw - en sloopafval, bedrijfsafval van kleine ondernemingen en bagger - en ruimingsspecie) wordt de verdere programmering voorzien in het kader van sectorale uitvoeringsplannen afgerond (zie bijgevoegd schema). Aanvullend worden specifieke actieprogramma's en maatregelen voorzien. Sommige zijn gebaseerd op voortgangsrapportages en evaluatierapporten zoals voor de geïntegreerde aanpak rond biomassa. Een beschrijving van de aanpak inzake het 'uitbouwen van een materialenbeleid' is opgenomen in het algemeen kader van dit jaarprogramma. Draagvlak Vlaams afvalstoffenbeleid vergroten Het EUDIN project, een project tussen Nederland, Duitsland, Oostenrijk en Vlaanderen, heeft tot doel de vereenvoudiging van de communicatie tussen overheden en bedrijven in het kader van grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen. Na uitvoering van een pilootproject tussen Nederland en Vlaanderen zal het project een bredere toepassing krijgen. T.g.v. de Europese thematische strategie 'Afvalpreventie en afvalrecyclage' zullen bepaalde begrippen en definities van de kaderrichtlijn 'Afvalstoffen' worden verduidelijkt. Voor de thematische strategie


'Duurzaam gebruik van natuurlijk hulpbronnen' wordt er naar gestreefd deze als richtsnoer te gebruiken voor toekomstige Europese richtlijnen en verordeningen. Na goedkeuring van de wijziging van verordening inzake afvaltransport en de richtlijnen i.v.m. afval van winningsindustrieĂŤn en gebruikte batterijen, zal gestart worden met de implementatie en uitvoering ervan. Alle relevante comitologie vergaderingen worden opgevolgd. Het gaat hier onder andere over de richtlijn Afgedankte Elektrische en Elektronische Apparatuur, de richtlijn verpakkingsafval en de Stortplaatsrichtlijn. Bij de opvolging van de het Verdrag van Bazel en de OESO, zal het accent worden gelegd op preventie en de milieuvriendelijke verwerking van afvalstoffen. Toepasbaarheid van het afvalstoffenbeleid optimaliseren Via een aantal reguleringsimpactanalyses zal bestaande regelgeving (ex-post RIA) worden geĂŤvalueerd. In 2005 is begonnen met een evaluatie van de aanvaardingsplichten, andere delen van de afvalstoffenwetgeving worden op een planmatige manier in 2006 aangepakt. Inzake communicatie wordt een betere afstemming voorzien met de noden en eigenheden van de doelgroepen. Dit moet onder meer leiden tot een vermindering van ontwijkgedrag en sluikstorten. In dit verband wordt een onderzoek met pilootprojecten in verschillende gemeenten afgewerkt. De scholen vormen een speciale doelgroep, die een gerichte aanpak vragen. Ook het transparanter maken van de sorteerregels voor de consument moet het beleid effectiever maken. Een evaluatie van de scheidingsregels wordt voorzien. Een verbetering van de dienstverlening wordt in 2006 voorzien door in het kader van het reguleringsmanagement, administratieve processen voor de bedrijfswereld te vereenvoudigen en optimaal gebruik te maken van internettoepassingen (cf. EUDIN-project). De handhavingsinspanningen worden gedifferentieerd op basis van risicoanalyses en vastgelegd in inspectieprogramma's. Er wordt verder gebouwd aan een handhavingsnetwerk met andere toezichthoudende diensten met internationale vertakkingen. Het nieuwe handhavingsdecreet zal toelaten efficiĂŤnter en met meer impact overtredingen tegen de afvalstoffenwetgeving aan te pakken. Vanaf 2006 wordt het 'jaarlijks aantal controles in samenwerking met politiediensten' als indicator opgevolgd.


Integraal Waterbeleid Verantwoordelijke:Lieve De Roeck

Inleiding Integraal waterbeleid beoogt het gecoördineerd en geïntegreerd ontwikkelen, beheren en herstellen van watersystemen. Dit met het oog op het bereiken van de randvoorwaarden die nodig zijn voor het behoud van dit watersysteem als zodanig, en met het oog op het multifunctionele gebruik. Hierbij worden de behoeften van de huidige en komende generaties in rekening gebracht. Het thema 'Integraal waterbeleid' brengt de juridische, organisatorische en planmatige aspecten van het integraal waterbeleid in beeld. Hierbij wordt ook ingegaan op de milieudoelstellingen voor het watersysteem en de uitbouw en afstemming van de watersysteemkennis.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 In juli 2003 werd het decreet Integraal Waterbeleid door het Vlaams Parlement goedgekeurd. Via dit decreet wordt de Europese kaderrichtlijn Water (KRLW) omgezet in Vlaamse wetgeving. Er werd een brochure bij het decreet opgemaakt. Een eerste uitvoeringsbesluit bij het decreet integraal waterbeleid betreffende de geografische indeling van de watersystemen en de organisatie van het integraal waterbeleid werd door de Vlaamse regering definitief goedgekeurd op 9 september 2005. Op het niveau van de internationale stroomgebiedsdistricten van de Schelde en de Maas staan de Internationale Scheldecommissie (ISC) en de Internationale Maascommissie (IMC) in voor de coördinatie van het waterbeheer en van de opmaak van de internationale stroomgebiedbeheerplannen. Het verdrag van de Schelde werd geratificeerd en trad in werking op 1 december 2005. Als eerste stap in de opmaak van gecoördineerde internationale stroomgebiedbeheerplannen werd tegen eind 2004 het overkoepelend deel van de analyses voor zowel het stroomgebiedsdistrict van de Schelde als voor het stroomgebiedsdistrict van de Maas opgemaakt. De "overkoepelende delen" van de analyses beschrijven de belangrijkste coördinatie-acties en de resultaten van de transnationale analyses op stroomgebiedsdistrictniveau. Binnen de Internationale Scheldecommissie was het Scalditproject de motor voor de opmaak van deze transnationale analyses. Op Vlaams niveau staat de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid (CIW) sinds maart 2004 in voor de coördinatie van het integraal waterbeleid. Op 8 april 2005 stelde de Vlaamse regering de waterbeleidsnota vast . Deze nota legt de visie vast van de Vlaamse regering op het integraal waterbeleid voor Vlaanderen. De algemene krachtlijnen focussen onder meer op het voorkomen van watertekort, op het verder verbeteren van de kwaliteit van het water, de multifunctionaliteit van water (economisch, sociaal en ecologisch), het duurzaam omgaan met water en het voeren van een meer geïntegreerd waterbeleid. Deze krachtlijnen vormen het uitgangspunt voor de maatregelen en acties die in de bekken- en stroomgebiedbeheerplannen worden uitgewerkt. Midden 2005 werd vanuit de CIW een toelichtende brochure bij de waterbeleidsnota verspreid. Binnen de CIW werden tegen eind 2004 de analyses voor het Vlaamse deel van de internationale stroomgebiedsdistricten van de Schelde en de Maas opgemaakt. Een samenvatting van deze analyses werd begin 2005 bezorgd aan de Europese Commissie in uitvoering van de verplichte rapportering in het kader van de KRLW. Bij de opmaak van de analyses werd een aanzet gegeven voor de afbakening van de oppervlaktewaterlichamen en de aanduiding van de sterk veranderde waterlichamen. Op basis van de kartering van de watervoerende lagen gebeurde de afbakening van de grondwatterlichamen. Er werd eveneens een beoordeling gemaakt van de kans dat bepaalde waterlichamen de goede toestand tegen eind 2015 niet zullen bereiken. De


kaderrichtlijn Water bepaalt dat de milieudoelstellingen in overeenstemming moeten zijn met "de goede toestand" van oppervlaktewater en grondwater. Op Europees niveau werd in dit kader een interkalibratie-oefening opgestart. Een uitvoeringsbesluit met richtlijnen voor de vergunningverleners in het kader van de toepassing van het instrument watertoets werd voorbereid (zie ook project "Integratie waterbeleid" bij het deel "Externe integratie"). De verdere operationalisering van de bekkenwerking werd voorbereid binnen de CIW. Na de definitieve goedkeuring van het eerste uitvoeringsbesluit is gestart met de formele oprichting van deze structuren, in eerste instantie door aanduiding van de bekkencoördinatoren. Binnen de CIW werd een voorstel van verdere aanpak voor de opmaak van de bekkenbeheerplannen besproken. Eind 2005 was het voorontwerp-bekkenbeheerplan van de Nete en de Dender afgewerkt. De einddatum voor de vaststelling van de bekken- en deelbekkenbeheerplannen is met een jaar opgeschoven, van 22 december 2006 naar 22 december 2007. De nodige bepalingen hiervoor zijn opgenomen in het ontwerp van decreet houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en energie, dat voor de tweede maal principieel werd goedgekeurd door de Vlaamse regering op 23 december 2005. In 2005 werden door de lokale besturen in het kader van de samenwerkingsovereenkomst doelstellingennota's voor de verschillende deelbekkens opgemaakt. Eind 2005 werd binnen de CIW een ontwerpovereenkomst voor de oprichting van de waterschappen goedgekeurd. Daarnaast werd een voorstel tot afbakening van de waterschappen en een voorstel tot vertegenwoordiging van het Vlaamse Gewest binnen de waterschappen opgemaakt. Met betrekking tot het verbeteren van de uitwisseling van watersysteemkennis werd in het voorjaar van 2005 door de CIW een vierde Waterforum georganiseerd rond de kennisbehoeften van het beleid met betrekking tot het watersysteem. De resultaten van het Waterforum vormen een insteek voor het congres Watersysteemkennis (2007) en de voorafgaande thematische studiedagen in 2006. Het grondwatermeetnet wordt permanent geëvalueerd en werd in 2005 verder uitgebouwd naar kwantiteit en kwaliteit zodat het meetnet kan voldoen aan de bepalingen van de KRLW. De uitbreiding van het primair meetnet met 130 nieuwe peilputten startte midden 2005. Ook het freatisch meetnet is uitgebreid met 33 meetpunten in natuurgebied. In het kader van de overstromingen werd de uitbouw van een tweede operationeel bekkenmodel opgestart (zie ook 'Verdroging'). Inzake sensibilisatie zette het Waterloket haar dienstverlening verder. In 2005 werden 5600 vragen behandeld. Via de aanstelling van een gemeentelijke coördinator waterbeleid werd ingespeeld op de specifieke informatiebehoefte van de gemeenten. In april 2005 organiseerde het Waterloket de infodag "Wat doe je met regenwater en waarheen met je afvalwater?'.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Huidige Oorspronkelij Status verwachti ke ng verwachting

Operationele structuren voor integraal waterbeleid op Vlaams 2004 EINDE gereali (CIW) niveau seerd CIW formeel geïnstalleerd Bekkenstructuren formeel geïnstalleerd (cfr. uitvoeringsbesluit IWB) Klassegrenzen tussen hoge, goede en matige ecologische toestand van oppervlaktewater liggen vast.

2006 2005 EINDE vertraa MIDDEN gd 2006 2005 EINDE vertraa MIDDEN gd op 2006 EINDE schem


Afbakening van waterlichamen en aanduiding van sterk veranderde en kunstmatige waterlichamen

a op 2006 EINDE schem a

Afgewerkte analyses op stroomgebiedniveau

2004 EINDE gereali seerd

goedgekeurde waterbeleidsnota

2004 EINDE gereali seerd

ontwerp bekkenbeheerplan Dender

2005 2004 EINDE gereali EINDE seerd

ontwerp bekkenbeheerplan Ijzer afgewerkt

2006 2004 EINDE vertraa MIDDEN gd

ontwerp bekkenbeheerplan Nete afgewerkt

2005 2004 EINDE gereali EINDE seerd

openbaar onderzoek van alle deelbekkenbeheerplannen loopt 2005 samen met het openbaar onderzoek van de MIDDEN bekkenbeheerplannen Indicatoren aantal afgewerkte ontwerp-bekkenbeheerplannen aantal vragen beantwoord door steunpunt duurzaam water aantal opgestarte operationele bekkenmodellen aantal bezoekers van website waterloket

2006 vertraa EINDE gd

Realisatie Doelstelling 2 (2005) 11 (2006) 5600 (2005) 2 (2005) 11 (2006) 12743 (2005)

Aanpak jaar 2006 Project: Planning integraal waterbeleid zie afzonderlijke projectmaatregelen De Vlaamse bijdrage aan de stroomgebiedbeheerplannen moet eind 2009, als onderdeel van de internationale stroomgebiedbeheerplannen, vastgesteld en bekendgemaakt worden. Bovendien verplicht de KRLW de lidstaten om een aantal tussentijdse documenten van het stroomgebiedbeheerplan aan het publiek voor te leggen: - minstens drie jaar voor het begin van de periode waarop het plan betrekking heeft: een tijdschema en een werkprogramma voor de opstelling van het stroomgebiedbeheerplan; - minstens twee jaar voor het begin van de periode waarop het plan betrekking heeft: een tussentijds overzicht van de belangrijkste waterbeheerkwesties die zijn vastgesteld in het stroomgebied; - minstens een jaar voor het begin van de periode waarop het plan betrekking heeft: het ontwerp van stroomgebiedbeheerplan. Omwille van de beslissing om de einddatum voor de vaststelling van de bekken- en deelbekkenbeheerplannen te verschuiven naar eind 2007, is het wenselijk de eerste twee stappen van het openbaar onderzoek voor de stroomgebiedbeheerplannen gelijktijdig te voeren met het openbaar onderzoek voor de bekkenbeheerplannen (incl. de deelbekkenbeheerplannen). De krachtlijnen uit de goedgekeurde waterbeleidsnota vormen het uitgangspunt voor de acties en maatregelen die in de bekken- en stroomgebiedbeheerplannen worden uitgewerkt. Het actie- en maatregelenprogramma van de niet-prioritaire bekkens wordt opgemaakt in het voorjaar 2006 zodat alle voorontwerp-bekkenbeheerplannen afgewerkt zijn in 2006. In


aansluiting op de oprichting van de bekkenstructuren kunnen vanaf eind 2006 de bekkenbeheerplannen in openbaar onderzoek gaan. In april 2006 worden de actie- en maatregelprogramma's ingediend van verschillende DuLowaterplannen binnen het kader van de samenwerkingsovereenkomst 2005-2007. De verschillende deelbekkenbeheerplannen worden in het voorjaar voor advies voorgelegd aan de gemeentelijke en provinciale MiNa-raden. De deelbekkenbeheerplannen gaan samen met de bekkenbeheerplannen in openbaar onderzoek en zullen tegen eind 2007 vastgesteld worden. Juridische en organisatorische basis voor integraal waterbeleid Het Scaldit-project is verlengd tot eind 2006, waarbij de focus zal liggen op de uitbouw van de monitoringprogramma's, de belangrijkste waterbeheerkwesties in het Scheldestroomgebied en de voorbereiding van het stroomgebiedbeheerplan voor de Schelde. In navolging van het uitvoeringsbesluit bij het decreet Integraal Waterbeleid zullen de overlegstructuren op de verschillende niveaus verder uitgebouwd worden..Prioritair zullen 11 bekkencoördinatoren aangeduid worden, waarvan 6 voor het beleidsdomein Leefmilieu en 5 voor het beleidsdomein Openbare Werken. De 17 beschikbare planningsverantwoordelijken zullen herverdeeld worden over de verschillende bekkens. Voor de oprichting van de bekkenbesturen zal overlegd worden met de provinciegouverneurs die optreden als voorzitter van deze bekkenstructuren. Aan de organisatie van de waterschappen op deelbekkenniveau wordt vanuit het Vlaamse Gewest verder actief geparticipeerd. De globale opvolging gebeurt vanuit de CIW. Voor het uitvoeren van de watertoets zal de CIW in 2006 praktische richtlijnen ten behoeve van adviesverleners uitwerken, naar analogie van de richtlijnen voor vergunningverlenende overheden, die in 2005 werden voorbereid. Daarnaast zal de CIW de vergunning- en adviesverlenende instanties ondersteunen bij het uitvoeren van de watertoets door informatie en opleidingen te voorzien en een gebruiksvriendelijke geautomatiseerde internet-instrument ter beschikking te stellen. Binnen de schoot van de CIW wordt de haalbaarheid en de relevantie van een vervolgdecreet op het decreet Integraal Waterbeleid nagegaan. Dit vervolgdecreet zou onder meer de bundeling realiseren van de verschillende watergerelateerde decreten. Geïntegreerde milieudoelstellingen vastleggen voor watersystemen De verschillende ecologische beoordelingssystemen voor oppervlaktewateren zullen op een selectie van meetplaatsen toegepast worden en de resultaten zullen in een internationale context vergeleken worden. Er zal ook een evaluatiesysteem voor de hydromorfologische structuur uitgewerkt zijn. Tegen eind 2006 zullen de verschillende ecologische milieudoelstellingen voor oppervlaktewater vastgelegd worden, waarbij de grens zal gedefinieerd worden tussen hoge, goede en matige ecologische toestand. Ook de milieudoelstellingen voor grondwater zullen tegen eind 2006 vastgelegd zijn. Geïntegreerde analyses voor watersystemen opmaken De opmaak van de analyses is een continu proces, waarbij in 2006 aandacht zal gaan naar de opvulling van de kennisleemtes die bij de opmaak van de analyses op stroomgebiedniveau werden gedetecteerd. Op die manier zullen voldoende gegevens beschikbaar zijn voor de opmaak van de stroomgebiedbeheerplannen tegen eind 2009. Watersysteemkennis verder uitbouwen De voorbereiding van de monitoringprogramma's, die in uitvoering van de KRLW tegen eind 2006 dienen operationeel te zijn, loopt verder. Oppervlaktewater De methodologische studies worden afgewerkt. Er wordt deelgenomen aan de Europese interkalibratieoefening en in overleg met de CIW-partners zullen relevante meetplaatsen worden gekozen per (cluster van) waterlichamen, en dit voor elk van de 'kwaliteitselementen'. Een analoge oefening m.b.t. de waterlichamen die lokaal van belang zijn (stroomgebied <50 km²), zal starten zodra deze afgebakend zijn. Grondwater Het grondwatermeetnet wordt permanent geëvalueerd en verder uitgebouwd, zowel kwantitatief als kwalitatief. Naast nitraat worden ook andere parameters gemeten, zoals bestrijdingsmiddelen, ionenbalans en zware metalen, zodat het meetnet kan voldoen aan de bepalingen van de KRLW. In 2006 breidt het freatisch meetnet uit in


natuurgebieden gelegen in de provincies Antwerpen, Vlaams-Brabant en Limburg. Andere maatregelen De CIW wil de verspreiding en het verzamelen van watersysteemkennis stimuleren door een informatiesysteem Watersysteemkennis uit te bouwen. Dit informatiesysteem zal bestaan uit: 1. Een on-line expertennetwerk; 2. De ontsluiting van beschikbare meetgegevens en de bijhorende metadata; 3. De ontsluiting van metadata over literatuur, publicaties, studies. Daarnaast voorziet de CIW in 2007 een grootschalig congres rond watersysteemkennis, dat in 2006 wordt voorafgegaan door thematische studiedagen. De resultaten van het congres en de thematische studiedagen zullen een belangrijke inbreng vormen voor toekomstig wetenschappelijk onderzoek. In 2006 zal een grondwatersymposium worden georganiseerd dat een stand van zaken geeft van de huidige kennis en toont hoe het grondwaterbeleid verder zal evolueren. Wat betreft de waterkwaliteitsmodellering wordt verwezen naar het thema 'Verontreiniging oppervlaktewater'. Wetenschappelijk onderzoek gebeurt voornamelijk in het kader van TWOL. In 2005 werden de onderzoeksprioriteiten voor integraal waterbeleid voor 2006 vastgelegd in een onderzoekskader. Sensibiliseren rond duurzaam waterbeheer en -gebruik In 2006 zal het Waterloket haar dienstverlening verder zetten. Er wordt onderzocht hoe de communicatiekanalen van de CIW en het Waterloket naar het ruime publiek kunnen worden afgestemd. Publieke participatie gecoรถrdineerd aanpakken Zie hiervoor ook het project 'Planning integraal waterbeleid'. De Vlaamse bijdrage aan de stroomgebiedbeheerplannen moet eind 2009 vastgesteld en bekendgemaakt worden. Voorafgaand aan het openbaar onderzoek over de stroomgebiedbeheerplannen moeten een reeks tussentijdse documenten aan het publiek worden voorgelegd. Naast de inspraakmogelijkheid gedurende het openbaar onderzoek, is er participatie en inspraak voor de opmaak van de bekkenen deelbekkenbeheerplannen voorzien in de methodologie ervan. De einddatum voor de vaststelling van de bekken- en deelbekkenbeheerplannen is met een jaar uitgesteld.


Verontreiniging van oppervlaktewater Verantwoordelijke:Kathy Haustraete

Inleiding De verontreiniging van het oppervlaktewater wordt veroorzaakt door emissies van huishoudens, industrie, landbouw en van diffuse bronnen. Het naleven van de Europese richtlijn Stedelijk Afvalwater en de implementatie van de Europese kaderrichtlijn Water zijn de belangrijkste randvoorwaarden voor de verdere bijsturing van het waterzuiveringsbeleid. Daarnaast wordt werk gemaakt van de hervorming van de organisatie en de financiering van het waterzuiveringsbeleid, met inbegrip van de hernegotiatie van de overeenkomst met Aquafin NV. De nieuwe Vlaamse omzendbrief afvalwater en het uitvoeringsbesluit inzake afsluiten van contracten voor bedrijfsafvalwater met Aquafin NV, vormen het kader voor het bijstellen van het afkoppelingsbeleid voor bedrijfsafvalwater. De sanering van de diffuse bronnen zal met het systematisch wegwerken van de puntbronnen steeds meer aandacht krijgen. Voor de sanering van de verontreiniging door de landbouw wordt verwezen naar het thema 'Vermesting' en voor de problematiek van de bestrijdingsmiddelen naar het thema 'Verspreiding van milieugevaarlijke stoffen'.

Opvolging van de plandoelstellingen Biologische oppervlaktewaterkwaliteit: het aantal meetplaatsen dat voldoet aan de biologische kwaliteitsnorm verhogen tot 40%

+/ -

In 2004 voldeden 29% van de meetplaatsen aan de biologische kwaliteitsnorm (BBI-score van tenminste 7). Dit is hetzelfde percentage als in 2002 en 2003. Een vergelijking van de BBI voor 2004 met de eerste bepaling sinds 1989 toont aan dat de biologische waterkwaliteit op 42% van de meetplaatsen is verbeterd. Op ruim de helft van de meetplaatsen is de kwaliteit niet of niet noemenswaardig gewijzigd, terwijl in 4% de kwaliteit achteruitging. De biologische kwaliteit wordt niet alleen bepaald door de waterkwaliteit, maar ook door de structuurkenmerken van de waterloop en de chemische kwaliteit van het sediment. Om tegen 2015 in alle watersystemen een goede toestand te kunnen halen, zijn naast de sanering van de verontreinigende oppervlaktewateren en de waterbodems, ook de herinrichting van het waterlopenstelsel en andere maatregelen in het kader van integraal waterbeleid noodzakelijk. Biologische oppervlaktewaterkwaliteit: op maximaal 25% van de meetplaatsen met een goede of zeer goede biologische kwaliteit (situatie 2001) is de toestand verslechterd in 2007 In 2001 behoorde 25% van de meetplaatsen tot de kwaliteitsklasse goed of zeer goed en voldeed hiermee aan de basiskwaliteitsnorm voor biologische waterkwaliteit (een BBI van tenminste 7). Op de helft van de meetplaatsen die eerder wel een goede score haalden, werd de basiskwaliteitsnorm in 2001 echter niet meer gehaald. De bescherming van de waterlopen met een goede biologische kwaliteit blijft een belangrijk aandachtspunt. In 2004 werd de BBI op 109 meetplaatsen die in 2001 goed of zeer goed scoorden, opnieuw bepaald. Op 9% van deze meetplaatsen ging de kwaliteit met minstens twee indexpunten achteruit. Chemische oppervlaktewaterkwaliteit: het aantal meetplaatsen dat voldoet aan de + basiskwaliteit voor biochemisch zuurstofverbruik (BZV) verhogen tot 66% Het aantal meetplaatsen dat in 2004 voldeed aan de basiskwaliteit voor BZV bedroeg 47%. In totaal werden 1097 plaatsen bemonsterd voor BZV. De evolutie van de laatste 10 jaar wijst op een aanzienlijke verbetering. In 2004 werd hetzelfde percentage bereikt als in 2002. De waarde voor 2004 ligt wel 10% hoger dan in 2003, waar een droge, warme zomer aan de basis lag van de achteruitgang.


Zuivering afvalwater: verhogen van de zuiveringsgraad van de huishoudens tot 80% + De zuiveringsgraad van de huishoudens neemt gestaag toe. Begin 2005 bedroeg de zuiveringsgraad ruim 63%. In het kader van de veroordeling door Europa voor het niet naleven van de richtlijn Stedelijk Afvalwater, meer specifiek de einddatum voor de collectering en de zuivering van agglomeraties groter dan 10.000 IE, werd begin 2004 door het Vlaamse Gewest een inhaaloperatie op touw gezet. Deze actie is gericht op de agglomeraties waar de RWZI nog ontbreekt (7 RWZI's) en/of waar de zuiveringsgraad lager ligt dan 90%. Omdat op 31 december 2005 ook de termijn voor de verplichtingen met betrekking tot de agglomeraties tussen 2.000 en 10.000 IE verviel, werd in augustus 2005 een gelijkaardige actie gestart voor de agglomeraties tussen 2.000 en 10.000 IE.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 De investeringen die nodig zijn om te voldoen aan de richtlijn Stedelijk Afvalwater zijn opgenomen in de goedgekeurde investeringsprogramma's (IP's). Via het IP 2005 werden de laatste investeringsprojecten in agglomeraties van meer dan 2.000 IE opgedragen aan Aquafin NV. Vanaf 2004 werd overgegaan tot de opmaak van optimalisatieprogramma's (OP's) voor de verbetering van de bestaande zuiveringsinfrastructuur in agglomeraties van meer dan 2.000 IE en voor de verdere sanering van een aantal landelijke gebieden. De OP's 2006-2010 en 2007-2011 werden in de loop van 2005 goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Via het programmadecreet van 24 december 2004 (Programmadecreet 2005) en een aantal begeleidende maatregelen zijn enkele belangrijke initiatieven genomen met betrekking tot de reorganisatie van de watersector. De VMM is sinds 1 januari 2005 belast met het ecologisch en economisch toezicht op de uitbouw en het beheer van de saneringsinfrastructuur. Op bovengemeentelijk niveau waakt de VMM over de behaalde ecologische resultaten van Aquafin NV en over de economische efficiĂŤntie van de wijze waarop die resultaten behaald worden. De bestaande overeenkomst tussen Aquafin NV en het Vlaamse Gewest werd via een addendum zo aangepast dat de vergoeding voor Aquafin NV functie is van de gerealiseerde zuiveringsresultaten. Op die manier is de beheersovereenkomst resultaatgerichter geworden en wordt het risico bij de onderneming gelegd. Om de beheersovereenkomst met Aquafin NV te kunnen omvormen tot een volwaardige resultaatsverbintenis is een ecologisch evaluatiesysteem per zuiveringsgebied in ontwikkeling. Hiertoe werd een indicatorenkader uitgewerkt om de kwaliteit van de werking van rioleringsstelsels en van de RWZI's te kunnen beoordelen. Momenteel wordt de praktische toepasbaarheid van de uitgewerkte methodologie nagegaan in een aantal proefgebieden. De drinkwatermaatschappijen staan sinds 1 januari 2005 in voor de sanering van het door hen geleverde water. Om aan de saneringsplicht te voldoen, kunnen de drinkwatermaatschappijen een contract afsluiten met derden. Voor de uitvoering van de bovengemeentelijke sanering werd een overeenkomst afgesloten tussen Aquafin NV, de drinkwatermaatschappijen en de VMM. Voor de uitvoering van de gemeentelijke saneringsverplichting kunnen de drinkwatermaatschappijen overeenkomsten afsluiten met de gemeenten (of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, intercommunales of een entiteit aangesteld na publieke marktbevraging). De onderhandelingen hieromtrent zijn gaande. De heffing op de verontreiniging van het oppervlaktewater is omgevormd tot enerzijds een aanrekening van de dienstverlening voor het collecteren en zuiveren van het afvalwater van bedrijven en particulieren en anderzijds een regulerende heffing voor de zelfzuiverende oppervlaktewaterlozers. Alle bedrijven (grootverbruikers) blijven heffingsplichtig. Rioollozende bedrijven die water afnemen van een drinkwatermaatschappij, kunnen de bijdrage aan de drinkwatermaatschappij in mindering brengen van de heffing op de waterverontreiniging. Bedrijven die geheel of gedeeltelijk in hun eigen waterwinning voorzien en lozen op RWZI, kunnen voor de sanering van hun bedrijfsafvalwater een contract afsluiten met Aquafin NV.


Aquafin NV kan de kosten hiervoor rechtstreeks aanrekenen in de vorm van een vergoeding. Ook deze vergoeding kan in mindering gebracht worden van de heffing op de waterverontreiniging. De modaliteiten voor deze contracten en nadere regels - in het bijzonder inzake de verwerkbaarheid - voor het water dat geloosd wordt in een openbare riolering die is aangesloten op een RWZI, zijn vastgelegd in het uitvoeringsbesluit van 21 oktober 2005. Voor oppervlaktewaterlozende bedrijven blijft de regulerende heffing bestaan. In het kader van de ontwikkeling van een zoneringsmethodiek is in 2005 gestart met de toelichting van de voorontwerp van zoneringsplannen aan de gemeenten, met de vraag deze te corrigeren en te verfijnen. In samenhang met de totstandkoming van de definitieve afbakening van de zuiveringszones, wordt voorzien in een duidelijke scheiding tussen enerzijds de gewestelijke opdracht van collectering en zuivering van het afvalwater (opdracht toevertrouwd aan Aquafin NV) en de gemeentelijke opdracht om in te staan voor de inzameling van het afvalwater via de rioleringen. Op 21 oktober 2005 hechtte de Vlaamse Regering haar principiële goedkeuring aan een besluit dat de regels vastlegt met betrekking tot de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsplicht en het vaststellen van de zoneringsplannen. Ingevolge opmerkingen van de Raad van State werd in het Programmadecreet 2006 de juridische basis voor de zoneringsplannen verder onderbouwd. Hierna zal een aangepast zoneringsbesluit worden uitgewerkt. In het kader van het subsidiebesluit voor de aanleg van gemeentelijke rioleringen en kleinschalige waterzuiveringsinstallaties werden in 2005 kwartaalprogramma's goedgekeurd. Het besluit werd ook gewijzigd op 29 april 2004, waardoor niet alleen aan gemeentebesturen, maar ook aan gemeentebedrijven, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en intercommunales subsidies kunnen uitgekeerd worden. De gemeentelijke zuiveringsinfrastructuur wordt verder doorgelicht. Knelpunten worden opgespoord en de inventarisaties verfijnd zodat op basis hiervan de geplande investeringen eventueel kunnen bijgestuurd worden. Inzake de inventaris van de riolerings- en lozingssituatie op het openbaar domein verloopt de concrete uitwerking en realisatie van een geschematiseerde rioleringsdatabank minder vlot dan verwacht, enerzijds omwille van diverse inhoudelijke bemerkingen en tekortkomingen, anderzijds omwille van technische problemen. In overleg met Aquafin NV gebeurt de omzetting gefaseerd. Op 23 september 2005 keurde de Vlaamse regering een nieuwe omzendbrief 'Afvalwater' goed. Deze omzendbrief vervangt de omzendbrief van 21 november 2001 in verband met de verwerkbaarheid van afvalwater op de RWZI's en de hieruit voortvloeiende afkoppeling van bedrijfsafvalwater. De nieuwe omzendbrief zoekt naar een evenwicht tussen de afkoppelingskosten voor bedrijven en de te realiseren verbetering van de waterkwaliteit zonder dat de lozing van bedrijfsafvalwater de werking van de zuiveringsinfrastructuur hypothekeert. Gelet op de toezichtstaken die in het Programmadecreet 2005 aan de VMM werden toegewezen inzake ecologisch en economisch toezicht en het gegeven dat de verwerkbaarheidscriteria en de contractregels in het uitvoeringsbesluit van 21 oktober 2005 zijn verankerd, is besloten om ADOPA als overlegplatform niet te handhaven. Het ambtelijk overleg wordt doorverwezen naar het overleg in de Provinciale en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. In het kader van de heffingen grootverbruikers werd de huidige sectorindeling kritisch geëvalueerd en werd een methodologie opgemaakt voor het herbepalen van de omzettingscoëfficiënten van de grootverbruikers die hun heffing laten berekenen via de vereenvoudigde berekeningswijze. In 2004 werden de bestaande omzettingscoëfficiënten van de heffingssectoren slachterijen en vleesverwerking onder de loep genomen. Op basis hiervan zullen voor beide sectoren nieuwe omzettingscoëfficiënten voorgesteld worden. Een kwantificering van de diffuse bronnen is beschikbaar voor nutriënten, bestrijdingsmiddelen en zware metalen. Voor nutriënten zijn met behulp van het SENTWA-model (model voor de diffuse verontreiniging van stikstof en fosfor door de landbouw) zowel een consistente tijdreeks tot 2004 als beleidsrelevante scenario's doorgerekend. Bijkomend onderzoek om de resultaten van het SENTWA-model beter te kunnen vergelijken met de metingen van het MAP-meetnet en een betere koppeling met de waterkwaliteitsmodellen (SIMCAT en Pegase) te kunnen verwezenlijken is afgelopen. Bij


gebrek aan betrouwbare gebruikscijfers voor bestrijdingsmiddelen wordt het SEPTWA-model (model voor een bekkengerichte inschatting van de diffuse verontreiniging met bestrijdingsmiddelen) voorlopig niet opnieuw gebruikt. Eind 2005 liep een studieopdracht af waarin de bijdrage van metalen in erosie aan de belasting van oppervlaktewater grondiger gekwantificeerd wordt. De emissie-inventaris water wordt continu verfijnd en aangevuld met gevaarlijke stoffen. Zo liep begin 2005 een studie af m.b.t. de ontwikkeling van een methodologie en de toepassing ervan in een stofboekhouding voor zware metalen. Het PEGASEmodel voor het stroomgebied van de Schelde werd gereviseerd en simulatieresultaten zijn beschikbaar voor de huidige toestand en een toekomstscenario (2015). De verschillende onderbouwende databanken voor het meetnet afvalwater, waterbodem, overstorten en de emissie registratie water zijn in opbouw.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Huidige Oorspronkelij Status verwachtin ke g verwachting

Zoneringsmethodiek is verankerd in de wetgeving

2005 MIDDEN

Agglomeraties groter dan 2000 IE beschikken over een opvang- en behandelingssysteem

2007 2005 EINDE vertraa EINDE gd

2006 vertraa BEGIN gd

2005 2004 EINDE gereali EINDE seerd op Uitwerking nadere regels saneringsverplichtingen en openbare 2006 EINDE schem dienstverplichtingen naar de drinkwatermaatschappijen. a op Toezicht over correcte aanrekening van bijdragen door 2006 EINDE schem drinkwatermaatschappijen aan partikulieren startklaar a op Toezicht over een correcte aanrekening van vergoeding door 2006 EINDE schem Aquafin aan drinkwatermaatschappijen startklaar a Methodiek ecologische regulering Aquafin is klaar

Toezicht op berekening van vergoedingsregeling door Aquafin startklaar

2006 2005 EINDE vertraa BEGIN gd

Inschatting gevolgen van nieuw mestdecreet (MAP3)

2006 EINDE vertraa gd

Coherente beleidsvisie inzake septisch materiaal is klaar

Indicatoren Aantal gesubsidieerde projecten gemeentelijke rioleringen

2004 MIDDEN

2006 vertraa EINDE gd

Realisati Doelstellin e g 256


Emissie-inventaris Water: Aantal geĂŻnventariseerde stoffen Percentage gemeentelijke infrastructuur doorgelicht (t.o.v. straatlengte riolering) Aantal gemeenten waarvoor voorontwerp van zoneringsplan werd aangeleverd Aantal meetpunten overstortmeetnet

(2005) 8 (2005) 33 100 (2007) (2005) 120 308 (2006) (2005) 172 600 (2006) (2005)

Aanpak jaar 2006 Project: Zuivering huishoudelijk afvalwater Opstellen zoneringsplannen gemeenten In het eerste kwartaal van 2006 zal de voorstelling van het voorontwerp van zoneringsplannen aan de gemeenten worden afgerond. Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de zoneringsplannen (verwacht in het eerste kwartaal van 2006) kan de procedure worden opgestart. De volledige procedure neemt een 15-tal maanden in beslag. Op basis van het voorontwerp van zoneringsplan kan de gemeente een keuze maken tussen een collectieve zuivering of een individuele zuivering en dit op het niveau van de individuele woongelegenheid en binnen de haar toegekende vrijheidsgraden. Op basis van deze keuzes zal de VMM het ontwerp van zoneringsplan opmaken. Na het openbaar onderzoek wordt het aangepast ontwerp van zoneringsplan goedgekeurd door de gemeenteraad, waarna het voor goedkeuring wordt voorgelegd aan de Vlaamse minister voor leefmilieu. Optimalisatieprogramma bovengemeentelijke waterzuiveringsinfrastructuur In 2006 zal overgegaan worden tot de opmaak van het Optimalisatieprogramma (OP) 2008-2012. Op basis van nieuwe projectvoorstellen van Aquafin NV, gemeenten of provincies, en van de projecten van de indicatieve programmajaren 2008-2011 van het OP 2007-2011 zal per (deel)bekken een (her)evaluatie van de projectvoorstellen gebeuren. Een gedeelte van het beschikbare budget wordt aangewend om het opgelopen tekort van de voorbijgaande jaren te compenseren. Bij de uitvoering van het Optimalisatieprogramma wordt prioritair gewaakt over de versnelde uitvoering van de knelpuntenprojecten waarvoor de uitvoering essentieel is om te voldoen aan de richtlijn Stedelijk Afvalwater. Verdere omvorming beheersovereenkomst met Aquafin Bij een verder te onderhandelen omvorming van de beheersovereenkomst tot een volledige resultaatsverbintenis zal tevens de beoordeling van de investeringsopdracht (economisch en ecologisch), naast een ruimere beoordeling van het beheer van de volledige bovengemeentelijke zuiveringsinfrastructuur (RWZI's, pompstations, overstorten) op basis van het uitgeteste indicatorenkader (resultaten testgebieden beschikbaar in de loop van 2006), meegenomen worden bij het vaststellen van de vergoeding van Aquafin. De ecologische regulering van Aquafin zal gebeuren aan de hand van een beoordeling van de exploitatie- en de investeringsopdracht. Voor wat de sturing en beoordeling van de investeringsopdracht betreft, zal er verder gewerkt worden aan de implementatie van een nieuwe beheersovereenkomst met Aquafin. Bij de beoordeling van de exploitatieopdracht zal aandacht gaan naar de effluentresultaten in functie van het influent en in relatie tot de kwaliteit van de ontvangende waterloop. De werking van de RWZI's, de overstorten en pompstations, het gebruik van de RWA-lijn (riolering voor de afvoer van regenwater), de slibverwerking en de opgetreden calamiteiten worden hierbij in rekening gebracht. De meet- en bemonsteringsstrategie moet op dit evaluatiesysteem afgestemd worden en zal een uitbreiding van de meetnetten vereisen. In deze optiek zal al zeker het aantal overstortbemetingen dienen uitgebreid te worden. Tot begin 2006 zal er een test op middenschalig niveau lopen (15 Ă 20 zuiveringsgebieden). Simultaan met deze testfase zullen de informatiestromen opgezet worden. Het is de bedoeling om reeds in 2006 over de werking van alle zuiveringgebieden een eerste oordeel te vellen. In de volgende jaren zal


dit oordeel verfijnd worden. Subsidiëring gemeentelijke rioleringen De gemeenten, de gemeentebedrijven, intercommunales en de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden worden aangespoord om de ingediende projecten binnen een zo kort mogelijke tijd uit te voeren. Vanuit het gewest wordt de garantie geboden om de dossierlooptijd en de uitbetalingstermijn in te korten. Alle lopende aanvragen, ongeveer een 1000-tal, worden in beschouwing genomen bij elke actualisatie van het programma. Naast de toepassing van een objectief beoordelingskader wordt absolute voorrang gegeven aan de gemeentelijke projecten die in een gecombineerd dossier met een bovengemeentelijk project dienen uitgevoerd te worden. Om de achterstand in de uitbouw van de gemeentelijke rioleringen in te halen, wordt in 2006 een substantieel budget voorzien op de begroting. De opvolging van de geprogrammeerde projecten omvat een aanzienlijke opdracht voor 2006. Er zijn reeds ongeveer 1.700 projecten geprogrammeerd in de loop van de subsidiëringsprogramma's (van 1996 tot 2004). In de loop van 2006 zullen de meeste projecten van het subsidiëringsprogramma 2005 en 2006 (om en bij de 250 projecten) worden behandeld door de ambtelijke commissie. Opmaak schematisch niveau RIOINV De ontwikkeling van de aanmaak van de geaggregeerde rioleringsdatabank (schematisch niveau) is vertraagd en zal verder lopen in 2006. De omzetting zal, in overleg met Aquafin, in fasen gebeuren. Doorlichting kwaliteit gemeentelijk rioleringsnet Er wordt overwogen om de tijd, besteed aan, en het aantal teams dat op terrein gaat om de zuiveringsinfrastructuur verder door te lichten naar knelpunten en voor de verfijning van de bestaande inventarisaties, op te drijven. Saneringsplicht drinkwatermaatschappijen Elke drinkwatermaatschappij dient maximaal aandacht te besteden aan rationeel gebruik van drinkwater en aan de afkoppeling, het hergebruik en de infiltratie van regenwater. Waar nu de bijdrage en/of heffing enkel bepaald wordt door het (drink)waterverbruik, zou ook kunnen gedifferentieerd worden naargelang afvalwater en regenwater gescheiden worden en het regenwater wordt geïnfiltreerd of hergebruikt. Dit vereist uiteraard een uitgebreide inventaris van de particuliere lozingssituatie. Ook de controle van deze lozingssituaties kan deel uitmaken van de openbaredienstverplichting. De uitwerking van de aanpassing van het Vlarem naar aanleiding van de invoering van de nieuwe zoneringsplannen zal zijn repercussies vinden in de bepalingen voor het particulier domein en overgangsbepalingen noodzakelijk maken. Deze bepalingen zullen vooral betrekking hebben op de aansluitingsplicht op riool, de afkoppeling van hemelwater, de aanleg van septische putten of IBA's, ... Naast handhaving van deze (deels nieuwe) bepalingen zal ook communicatie naar de burger een belangrijk aspect zijn. Heffingen waterverontreiniging kleinverbruikers De heffing wordt vanaf het heffingsjaar 2006 afgeschaft voor zover er een bijdrage wordt betaald aan de drinkwatermaatschappij. Gezinnen met een eigenwaterwinning blijven wel heffingsplichtig. Zo worden de heffingen van het lopende heffingsjaar voor de eigenwaterwinners (particulieren) gevestigd en (deels) geïnd. Tevens worden voor de vorige heffingsjaren de tegoeden nog verder geïnd en ingevorderd. In 2006 zal de uitgewerkte reorganisatie verder worden uitgebouwd en geoperationaliseerd. De uitgewerkte structuren voor de operationalisering van de reorganisatie van de watersector, o.m. voor de gegevensuitwisselingen tussen de drinkwatermaatschappijen en de VMM, worden bestendigd en verder uitgebouwd. Een systematische controle over een juiste uitvoering van de kostentoerekening zal worden verzekerd door de Economisch Toezichthouder. Project: Emissiereductiebeleid bedrijfsafvalwater Vergunningen lozing bedrijfsafvalwater Op basis van de nieuwe omzendbrief afvalwater en het besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 2005 houdende vaststelling van de regels inzake contractuele sanering van bedrijfsafvalwater op RWZI, zal een actualisatie gebeuren van de eerder in ADOPA vooropgestelde saneringsaanpak van P-bedrijven op het niveau van de zuiveringsgebieden. De besluiten ervan zullen systematisch in de vergunningen worden omgezet. In afstemming met het hoger vermeldde uitvoeringsbesluit zullen er nieuwe lijsten van bedrijven


worden opgemaakt. In afstemming op de nieuwe taken inzake ecologisch en economisch toezicht op de saneringsplicht van afvalwater zal er in een gestructureerd overlegplatform creatief gezocht worden naar win-win samenwerking inzake sanering van het afvalwater, op basis van een correcte kostenaanrekening. Vragen van bedrijven inzake contractuele sanering zullen geadviseerd worden inzake de verenigbaarheid met de door de Vlaamse Regering vastgestelde regels. Naast de algemene herziening/actualisatie van de sectorale normen op basis van BBTstudies en beschikbare meetgegevens, zal gewaakt worden over een gestructureerde actualisatie van de bedrijfsvergunningen van de betrokken sectoren. Saneringsingrepen zullen op basis van realistische overgangstermijnen worden geformuleerd. In Vlarem zal een juridische regeling worden opgenomen om als alternatief voor het absoluut karakter van effluentnormen een regeling van duidelijk omschreven overschrijdingen mogelijk te maken op basis van - zoals voor RWZI's reeds van toepassing is - een strikt opvolgingsprogramma. Hierdoor kan de normering beter rekening houden met de normale bedrijfsvoering waarbij pieken worden uitgevlakt en zelfcontrole zinvoller wordt voor de betrokken bedrijven. Bij de herziening van de vergunningen zullen de uitgangspunten van het in 2005 geactualiseerde reductieprogramma Gevaarlijke Stoffen worden geĂŻmplementeerd, zowel voor de lozing van bedrijfsafvalwater als bij bodemsanering. Om de lozing van de steeds meer niet-klassieke stoffen in afvalwater te normeren zal een ecotox-normering uitgewerkt worden in concrete vergunningsvoorwaarden ter vervanging van de te extensieve lozingsvoorwaarden. Daarnaast zal de effluentnormering verder worden afgestemd op de doelstellingen van het uitvoeringsplan slib en met oog voor het hydraulisch effect op de RWZI's. Het vooropgestelde calamiteitenbeleid dient verder te worden uitgewerkt. Optimalisatie werking RWZI's Op basis van het overleg VMM/Aquafin en de bereikte consensus inzake de implementatie van de minimale verwijderingspercentages van de zogenaamde kleine Vlaremtrein zullen de noodzakelijke herstelprogramma's opgevolgd worden en waar nodig in de vergunningen van RWZI's en bedrijven geĂŻmplementeerd worden. Overleg wordt georganiseerd met de betrokken actoren -in het bijzonder met de beheerders van de waterlopen en industrieterreinen- om te zoeken naar uitvoerbare saneringsscenario's inzake afkoppeling van hemelwater en/of gezuiverd afvalwater van de openbare riolering teneinde zoveel mogelijk bestaande infrastructuur in te schakelen (grachten, gemeenschappelijke buffering, enz..). Uitvoeringsplan slib Een maatregel die een belangrijk effect sorteert op het niveau van de slibproductie en de slibkwaliteit (reductie organische micropolluenten en zware metalen) blijft de afkoppeling van hemelwater en van prioritaire bedrijven die niet aan bepaalde criteria ( waaronder lozing van gevaarlijke stoffen) voldoen. Vandaar de sterke link met project "Emissiereductiebeleid bedrijfsafvalwater". Voor het aspect milieugevaarlijke stoffen in slib zijn volgende initiatieven voorzien : 1) de herziening/ actualisatie van de sectorale normen op basis van BBT-studies; 2) nodige acties naar aanleiding van het in 2005 geactualiseerde reductieprogramma Gevaarlijke stoffen; 3) voorstel tot aanpassen van de milieukwaliteitsnormen voor zware metalen. Binnen het uitvoeringsplan slib zal gepoogd worden om de effecten van bovenstaande maatregelen te kwantificeren, o.a. via gedetailleerde inventarisatie van de metalen. Tenslotte zal onderzocht worden hoe een aantal slibs die in aanmerking komen voor aanwending in de landbouw kwalitatief kunnen verbeterd worden. Wat betreft de kwalitatieve preventie voor Cu en Zn in slib worden de Belgische standpunten in de materie van productenbeleid en EU risico-analyses deskundig onderbouwd. Overige maatregelen 'Bedrijfsafvalwater' Heffingen waterverontreiniging grootverbruikers In 2006 worden de heffingen, heffingsjaar 2005/2006, voor de grootverbruikers gevestigd. Daarnaast zullen ook de tegoeden voor de vorige heffingsjaren nog geĂŻnd en ingevorderd worden. Alle bedrijven (grootverbruikers) blijven heffingsplichtig. Vele bedrijven zijn voor hun waterverbruik immers niet alleen afhankelijk van de drinkwatermaatschappijen, maar kennen ook andere watergebruiken zoals grondwater, hemelwater, oppervlaktewater. Bovendien is de verontreinigingsgraad van het geloosde


afvalwater zeer divers. Rioollozende bedrijven die aangesloten zijn op een openbaar waterdistributienetwerk betalen een bijdrage aan de exploitanten van dit net. Bedrijven die geheel of gedeeltelijk in hun eigen waterwinning voorzien en lozen op RWZI, kunnen voor de sanering van hun bedrijfsafvalwater een contract afsluiten met Aquafin NV. De kosten verbonden aan de sanering van dit afvalwater zullen na het afsluiten van zo'n contract rechtstreeks doorgerekend worden aan de betrokken bedrijven via een vergoeding. Zij kunnen deze vergoeding in mindering brengen van hun heffing. De economische toezichthouder zal in 2006 toezien op de correcte kostentoerekening door de Aquafin NV. In 2006 zullen verdere stappen worden ondernomen naar een verdere differentiëring van de financierende bijdrage- en vergoedingsregeling voor rioollozers en de regulerende heffing voor oppervlaktewaterlozers. Overleg met de industrie organiseren Zoals opgedragen in de nieuwe omzendbrief zal een gestructureerd overlegforum worden gecreëerd om het draagvlak voor het emissiereductiebeleid te verbreden en te komen tot een realistische en effectgerichte uitvoering ervan. Aanpak diffuse bronnen Analyses, in uitvoering van de kaderrichtlijn Water, geven aan dat voor heel wat verontreinigde stoffen (nutriënten, metalen, bestrijdingsmiddelen) diffuse bronnen een omvangrijke bron van verontreiniging vormen. Verder volgt uit de analyses dat gedetailleerde kwantificeringen van diffuse bronnen maar beperkt beschikbaar zijn. Voor wat betreft de nutriënten zal in 2006 verder aandacht besteed worden aan het opvolgen van de impact van het huidige en toekomstige mestgebruik/mestbeleid. In die context wordt ook de kennis met betrekking tot eutrofiëring en de activiteiten op Europees vlak van nabij opgevolgd. De consistentie van de kennis van de diffuse bronnen en het gebruik ervan in de waterkwaliteitsmodellering wordt verfijnd. In 2006 zal gestart worden met het in kaart brengen van de vuilvrachtvermindering van emissiereducerende maatregelen en de kostprijs ervan. Voor een aantal andere aspecten wordt verwezen naar het thema 'Verspreiding van milieugevaarlijke stoffen'. Efficiënt ondersteunend beleid uitbouwen Emissie-inventaris water De rapportering en evaluatie van de studie 'Emissie-inventaris water zware metalen - methodologie en model' sluit de voorbereidende fase af. In 2006 wordt gestart met uitbouw van de structuur om een cyclische rapportering van emissies in water op lange termijn te garanderen. a) De bestaande jaarlijkse gegevensverwerving van de bronnen industrie (VMM-meetnet en IMJV), huishoudens (VMM-Rioleringsdatabank) en landbouw (Sentwamodel) wordt uitgebreid met de bronnen atmosferische depositie, infrastructuur en verkeer. b) In 2006 wordt het Stradiff model aangepast voor de rapportering van de emissies CZV, stikstof en fosfor. Onderzoek wordt gestart naar het best geschikte model waarin transportprocessen zijn uitgewerkt, met een GIS component voor digitale informatie en met een statistische component. c) Het gebruik van het model laat toe om de verzamelde gegevens op een geïntegreerde manier te rapporteren van bron tot belasting van het oppervlaktewater, rekening houdend met transportroutes. Dit geeft een juist beeld van het aandeel van elke doelgroep op de verontreiniging van het oppervlaktewater. In 2006 wordt een geïntegreerde rapportering van de stoffen CZV, stikstof en fosfor voorzien. Waterkwaliteitsmodellering en databanken Het SIMCAT-model voor het bekken van de IJzer wordt gereviseerd. Voor wat het PEGASE-model voor het Scheldestroomgebied betreft: de inputgegevens van lozingen worden beter afgestemd op de vereisten van het model; een intensieve meetcampagne van het oppervlaktewater moet een kalibratie in 2007 mogelijk maken; de pre- en postprocessing tools zullen verder geoptimaliseerd worden; de extractie van modelresultaten en de integratie ervan in andere toepassingen zal verder uitgebouwd en operationeel gemaakt worden; tenslotte worden er simulaties (in de vorm van risico-analyses) met het PEGASE-model doorgevoerd. Er zullen ook stappen ondernomen worden om het SENTWA-model te optimaliseren en te koppelen met waterkwaliteitsmodellen. De waterbodemdatabank wordt beter toegankelijk gemaakt voor de waterloopbeheerders in de vorm van performantere rapporten van de waterbodemkwaliteit aan verschillende toetsingskaders. De opbouw van de nieuwe AWIS-databank (Afvalwater InformatieSysteem) en


de uitbouw van de AVOS-databank (Advisering Vergunningen OpvolgingsSysteem) worden verdergezet. De integratie van de vermelde databanken met het in uitbouw zijnde datawarehouse van de VMM is van cruciaal belang. In het kader van het integraal Milieujaarverslag (IMJV) zullen de back office systemen en achterliggende databanken voor de verwerking en rapportering van de gegevens mbt water aangepast worden en zal voorzien worden in een communicatie mechanisme met de IMJV databank. Een communicatiemodule wordt uitgewerkt voor de uitwisseling van gemeenschappelijke bedrijfsgegevens tussen het Centraal BedrijvenBestand (CBB) en de VMM bedrijvenkoepel.


Verdroging Verantwoordelijke:Adelheid Vanhille

Inleiding Onder verdroging wordt hier verstaan: de verstoring van de waterinhoud en -cyclus van grondwaterlagen, waterlopenstelsel en bodem door menselijke beïnvloeding. Het waterbeheer evolueert steeds meer naar een geïntegreerde benadering. Die sluit zo dicht mogelijk aan bij het natuurlijk watersysteem. Ook het grondwater maakt deel uit van die waterkringloop. Er is een aanzet tot het erkennen van watersystemen als één van de ordenende principes in de ruimtelijke planning, o.a. in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV), het MINA-plan 2 en 3 en in het decreet Integraal Waterbeleid. Op die manier kan de overstromingsproblematiek efficiënt aangepakt worden. Het decreet van 8 mei 2001 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending beoogt een duurzame watervoorziening en een duurzaam watergebruik.

Opvolging van de plandoelstellingen Duurzaam watergebruik: afname van drinkwatergebruik bij de bevolking tot 215 miljoen m3 +/ (ca. 98 liter per persoon per dag) In 2003 gebruikte de bevolking ca. 222 miljoen m³ leidingwater (101 liter/inw.dag). Het drinkwaterverbruik vertoonde in de periode 2000-2003 geen duidelijke trend. Duurzaam watergebruik: afname industrieel watergebruik exclusief koelwater +/Het industrieel watergebruik exclusief koelwater bedroeg in 1997 452 miljoen m3. De waarde stabiliseert zich sinds 2000 rond de 350 miljoen m³. Duurzaam watergebruik: afname van het totaal watergebruik voor de landbouw (varkens-, rundvee-, pluimvee- en glastuinbouwsector) tot 43 miljoen m3 In 1999 gebruikte de landbouwsector 50,5 miljoen m³ water. Een recenter cijfer wordt nog berekend. Bijkomend beschermen van 200 ha oeverzones waarvan minstens 50% wordt gerealiseerd + door verwerving In 2004 bedraagt de oppervlakte oeverzone via aankoop (getekende onteigeningsbesluiten) 44 ha. Tussen 2000 en 2002 zijn voor 172 ha aan beheersovereenkomsten perceelranden langs waterlopen afgesloten. Voor 2003 en 2004 komt dit al op 149 ha. Duurzaam watergebruik: stijging van het hemelwatergebruik bij de bevolking tot 30 miljoen + m3 Het hemelwatergebruik steeg tussen 1991 en 1999 van 2,8 miljoen m3 tot ca. 19,3 miljoen m³. Voor 2003 werd een waarde van 26 miljoen m3 geschat. Verbeteren van de structuurkwaliteit van de waterlopen (verhogen van het percentage waardevolle trajecten, verminderen van de slechte)

+/ Vanaf augustus 2005 zijn er gegevens voor 30 waterlopen van eerste categorie. De gegevens zijn op een andere wijze geïnventariseerd en daarom moeilijk te vergelijken met de resultaten van 1994. Toch kunnen we stellen dat er een status quo van de toestand is ten opzichte van 1994. Watervoorraden: het waterpeil in de watervoerende lagen blijft minstens status-quo Voor alle watervoerende lagen wordt een indicator ontwikkeld op basis van de stijghoogte (waterpeil) in de peilputten. De gegevens van het huidige meetnet wijzen nog steeds op een daling van het waterpeil van de Sokkel. Voor de Kolenkalk is er nu een stabilisatie.


Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Het Project "Strategische visie watervoorziening en watergebruik" heeft tot doel een visie te ontwikkelen rond het duurzaam beheer van de watervoorraden in Vlaanderen. In 2004 startte de afdeling Water met het verzamelen van de nodige informatie. Een eerste discussienota was afgewerkt eind 2004. Hieruit bleek dat er nog een bijkomende inventarisatie nodig is. Een aangepaste visietekst werd uitgewerkt voor de aspecten grondwater en oppervlaktewater. Deze ontwerp-visieteksten werden besproken door de werkgroep Rationeel Watergebruik van de CIW en waar nodig bijgestuurd. Eind 2005 was een discussiedocument over de Strategische visie ter beschikking. Sedert 2005 ontvangen de abonnees een geĂŻntegreerde waterfactuur van hun drinkwatermaatschappij, waarin ook de vergoeding voor de waterzuivering is opgenomen. Naast het project werd de verdrogingsproblematiek aangepakt op de drie hierna besproken terreinen. Wat de natuurlijke werking en hydromorfologische structuur van watersystemen betreft, krijgen de waterlopen meer ruimte door aankoop van oeverzones, aanleg overstromingsgebieden en herstel van de natuurlijke vallei. Hydrologische en hydraulische modellering is daarbij een belangrijk instrument. In de projecten wordt waterberging gekoppeld aan ecologisch herstel. Langs de Oude Kale (Caele), Zwalm, Mandel, Poperingevaart en Noordzuidverbinding zijn aankoopprojecten opgestart. Ecologische herstelprogramma's waren er o.a. voor de Jeker, Zwalm, Mark, Kleine Nete en Aabeek. Afbakening en inrichten van overstromingsgebieden werd voorbereid langs o.a. de Voer, Jeker, Maarkebeek, IJse, Herk, Winge, Mark en Vliet. De alternatieve kruidruiming in blok werd uitgebreid. In een vernieuwd standaardbestek 250 staan de bestekbepalingen omschreven voor ecologisch oeverherstel en ruimingsmethodes. De noodzakelijke infrastructuur om wateroverlast te voorkomen werd verder geoptimaliseerd. De eerste stappen werden gezet om een website rond ecologisch herstel en inrichting van watersystemen op te starten. De beschrijving van de toestand per grondwaterlichaam, beschikbaar vanaf eind 2004, vormt de basis voor het uitwerken van de visie voor de watervoerende lagen. Voor de verschillende grondwatersystemen is de ontwerpvisie en de bijhorende maatregelen afgewerkt. Het Sokkelsysteem komt eerst aan de beurt voor het opmaken van een herstelprogramma. Gelijktijdig wordt het sturend vergunningen- en heffingenbeleid uitgewerkt met een concrete invulling van de factoren voor het bepalen van de grootte van de grondwaterheffing (per regio/laag waar uit opgepompt wordt) en van de quota van de grondwatervergunning. In het Sokkelsysteem worden twee watervoerende lagen bekeken: de Sokkel en het Landeniaan. De kaarten van de afbakening van de infiltratiegebieden en kwelzones werden in 2005 afgewerkt. Om een beter inzicht te krijgen in de mogelijkheden tot duurzaam watergebruik door industrie en landbouw, werden een aantal wateraudits doorgevoerd. De resultaten van deze studies werden voorgesteld op specifieke studiedagen.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke Status verwachting

Basis strategische visie klaar

2005 EINDE

Kaarten met overstromingsgevoelige gebieden (vroegere risicokaarten overstromingen)

2004 EINDE

Lancering website ecologisch herstel en inrichting van 2004 EINDE watersystemen - eerste fase

Huidige verwachting

2006 vertraag MIDDEN d gerealis 2005 EINDE eerd 2006 vertraag MIDDEN d


EĂŠngemaakte drinkwaterfactuur

2005 BEGIN

Indicatoren aantal waterlopen met afgebakende en of ingerichte overstromingsgebieden aantal uitgewerkte herstelprogramma's voor watervoerende lagen regionale grondwatermodellen (grondwatermodellen voor de grondwatersystemen)

gerealis eerd

Realisatie Doelstellin g 60 (2005) 80 (2007) 2 (2005) 10 (2007) 5 (2005) 5 (2005)

Aanpak jaar 2006 Project: Strategische visie watervoorziening en watergebruik In de loop van 2006 wordt de strategische visie voorgelegd voor beslissing. Deze zal aangeven hoe de watervoorziening in Vlaanderen verder verzekerd kan worden. Het tekort aan leidingwater in juni 2005 in het Hageland wordt meegenomen in de uitwerking. Natuurlijke werking en structuur van watersystemen Bij de aanpak van wateroverlast wordt het concept 'vasthouden - bergen - afvoeren' toegepast. Dit zorgt ervoor dat de wateroverlast niet afgewenteld wordt op stroomafwaarts gelegen gebieden. Afstemming wordt hierbij gezocht met de verschillende functies van het valleigebied en het ecologische herstel van watersystemen. Dit ecologische herstel omvat o.a. hermeandering, structuurherstel van de waterloop en de sanering van vismigratieknelpunten (zie ook thema Versnippering). In 2006 worden overloopgebieden en vispassages gerealiseerd in de vallei van de Zwalm. Ecologische projecten worden opgestart in de Mangelbeek, de Kleine Nete te Retie, de Abeek, de Zwinnevaart en de Laan. Een vernieuwend project voor rivierherstel en bescherming tegen wateroverlast in de Demervallei wordt opgestart. Het ontwikkelde streefbeeld omvat een reeks ingrijpende maatregelen zoals dijkverleggingen en hermeandering. In overleg met alle betrokkenen wordt dit streefbeeld verfijnd en zullen vervolgens de precieze effecten op waterbeheersing, natuurbehoud, bosbouw, landbouw en recreatie berekend worden. In 2006 moet de realisatie van dit project op het terrein in de startblokken staan. De noodzakelijke infrastructuur om wateroverlast te voorkomen wordt verder geoptimaliseerd. Zo staat voor 2006 de bouw van een nieuw centraal besturingsgebouw voor het Dijlebekken op het programma. Eind 2006 zullen alle inwoners van Vlaanderen tijdig gewaarschuwd kunnen worden voor nakende overstromingen. Naast het waarschuwings- en voorspellingssysteem dat nu reeds operationeel is voor het Demerbekken zijn in 2006 ook gelijkaardige systemen voor de Dijle en de Dender operationeel. Voor de andere bekkens van Vlaanderen zal tegen eind 2006 een iets vereenvoudigd systeem operationeel zijn. De informatie die het waarschuwingssysteem genereert, zal toegankelijk zijn voor de hulpdiensten en het brede publiek o.a. via een op maat gemaakte website. Er wordt gezorgd voor een afstemming tussen dit waarschuwingssysteem, dat zich concentreert op de onbevaarbare waterlopen, en het waarschuwingsysteem van de waterwegbeheerders dat hierop aansluit. De website ecologisch herstel en inrichting van watersystemen wordt op punt gesteld. De lokale waterbeheerders zullen er ook terecht kunnen met concrete vragen. De beheers- en onderhoudsbestekken worden verder geactualiseerd. Hierbij wordt een geĂŻntegreerde en gebiedsgerichte aanpak toegepast waarbij de beheersvisie en maatregelen kan verschillen naargelang de functie (landbouw, natuur, bewoning,...). Bescherming en herstel van watervoorraden In 2006 zal een grondwatersymposium worden georganiseerd (zie ook thema Integraal Waterbeleid) waarop onder meer het grondwatermeetnet, de grondwaterlichamen, de


karakterisering van de grondwatersystemen, het Vlaamse grondwatermodel en de stand van zaken van de sokkel- en landeniaanproblematiek aan bod zullen komen. Voor de 5 grondwatersystemen is de grondwatermodellering afgewerkt. Dit vormt de basis voor het bepalen van de maximale hoeveelheden die uit de grondwatersystemen / grondwaterlichamen kunnen gepompt worden. Het vergunningen- en heffingenbeleid wordt hierop afgestemd. De kaart van de infiltratiegebieden en kwelzones zal gebruikt worden bij de watertoets. In uitvoering van de Beneluxbeschikking omtrent schade als gevolg van grondwaterwinningen wordt een vergoedingsregeling uitgewerkt. Duurzaam watergebruik Sensibilisatie en informatieverstrekking over duurzaam watergebruik zijn ook in 2006, net zoals de vorige jaren, voorzien. Alternatieve waterbevoorradingssystemen zullen voldoende aandacht krijgen. Dat kan zowel gaan over de uitbouw van grijswatercircuits als over de recuperatie en hergebruik van tweedecircuitwater.


Hinder Verantwoordelijke:Gisela Vindevogel

Inleiding Hinder omvat de verstoring door geluid, geur en licht. De bronnen van geluids- en geurhinder zijn in eerste instantie verkeer, buren en industrie. Kenmerkend voor verstoring is het lokale karakter ervan. Het hinderfenomeen speelt zich meestal af binnen een afstand van enkele honderden meter van de bron en hoe verder men er zich van verwijdert, hoe kleiner het effect. Door de historisch gegroeide ruimtelijke ordening in Vlaanderen is er meestal geen scheiding tussen potentiĂŤle hinderbronnen en gevoelige zones. Op een ogenblik waarop het RSV invulling krijgt via de ruimtelijke uitvoeringsplannen dient vermeden te worden dat nieuwe hindersituaties ontstaan. Om integratie van het hinderbeleid in de ruimtelijke ordening te bewerkstelligen werd een project opgestart.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 In 2005 werd de studie 'Doorlichting van de juridische en organisatorische mogelijkheden voor een verhoogde integratie van het hinderbeleid in het ruimtelijke ordeningsbeleid, het woonbeleid, energiebeleid en het mobiliteitsbeleid' uitgevoerd. De situatie in de ons omringende landen en gewesten is in kaart gebracht. Via twee workshops met vertegenwoordigers van diverse overheden en actoren werd de integratie van hinderbeleid in andere beleidsdomeinen, zowel wat betreft de actuele toestand als wat betreft de mogelijkheden voor de toekomst, uitgediept. Voor wat betreft geur werd een nieuwe versie van het visiedocument, tot stand gekomen na de adviesronde van midden 2004, aan de verschillende betrokken instanties voorgelegd begin 2005. Midden 2005 volgde een bilaterale overlegronde.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Huidige Oorspronkelij Status verwachti ke ng verwachting

eindrapport studie over juridische en organisatorische mogelijkheden van integratie hinderbeleid in RO en in woonbeleid klaar

2005 MIDDEN

informatie i.v.m. geluidsisolatie is verspreid via brochure en studiedag

2006 2004 EINDE vertra MIDDEN agd

overzichtsrapport buitenlandse luchthavens klaar

2006 2004 EINDE vertra MIDDEN agd

visiedocument geurbeleid klaar

2005 2004 EINDE gereal EINDE iseerd

2005 gereal EINDE iseerd

Aanpak jaar 2006 Project: Integratie hinderbeleid Op basis van de uitgevoerde studie wordt bepaald welke pistes verder kunnen worden


ontwikkeld, zo mogelijk via samenwerking met de administraties ruimtelijke ordening en huisvesting. Een eerdere studie over geluidsisolatie wordt vertaald naar een informatiebrochure voor administraties en geĂŻnteresseerden. Voor wat de luchthavens betreft, wordt een vergelijkend overzicht gemaakt van de geluidsmaatregelen en maatregelen inzake ruimtelijke ordening rond de andere Europese luchthavens. Het visiedocument 'de weg naar een duurzaam geurbeleid' wordt voorgelegd aan de Vlaamse adviesraden. De reguleringsimpactanalyse voor de beleidsmaatregelen en regelgeving inzake de beheersing van geurhinder (o.a. geurnormen, afstandsregels), zal ook een toetsing inhouden van de impact op het beleidsdomein ruimtelijke ordening. De resultaten van hogervermelde studie zullen hiervoor de nodige input moeten leveren. Op basis van overleg met een vertegenwoordiging uit het beleidsdomein ruimtelijke ordening wordt beslist of een richtlijn of code van goede praktijk voor milieuzonering zal worden opgesteld.


Verstoring door geluid Verantwoordelijke:Gisela Vindevogel

Inleiding Het verkeer is de belangrijkste bron van geluidshinder: zowel weg- als trein- en luchtverkeer dragen bij tot het probleem. Ook economische activiteiten (industrie, handel en diensten) en luidruchtige recreatie kunnen veel geluid produceren. Het feit dat een grote groep mensen op een relatief kleine oppervlakte samenwoont, zorgt op zich al voor een belangrijke hinder door burengeluid. Op federaal niveau en in de verschillende gewesten heeft de lawaaihinder van luchthavens tot diverse beleidsinitiatieven geleid. Geluidshinder van industrie en van sommige recreatieve activiteiten wordt in Vlaanderen bestreden aan de hand van de bepalingen in VLAREM II. Ook internationaal zijn een aantal zaken in beweging: de geluidsemissie van buitenshuis gebruikt materieel (2000/14/EG), het bandengeluid (2001/43/EG) en de geluidsemissie van vliegtuigen (92/14/EEG, na 01.04.2002) werden recent Europees geregeld. Over de milieubijdrage van richtlijn 2002/30/EG (regels en procedures i.v.m. geluidgerelateerde exploitatiebeperkingen op luchthavens) zijn de meningen verdeeld. De richtlijn omgevingslawaai (2002/49/EG) is de eerste in de reeks die de bescherming van de mens en het milieu als uitgangspunt heeft.

Opvolging van de plandoelstellingen Afspraken maken over een totale oppervlakte aan stiltegebieden van minstens 300 km2 +/Het gebied Dender-Mark heeft als stiltegebied een oppervlakte van 28 km² en fungeert als pilootproject om beleidsmaatregelen rond stiltebehoud uit te werken. In 2007 ligt het aantal potentieel ernstig gehinderden door geluid niet hoger dan 15% van de +/bevolking Het percentage van de bevolking dat potentieel ernstig gehinderd wordt door geluid bedraagt ongeveer 18% en is de laatste jaren niet significant gewijzigd (laatste berekening gebeurde in 2002). De sector transport levert veruit de belangrijkste bijdrage. Ruimtelijk gezien situeren de knelpunten voor lawaai zich voornamelijk ter hoogte van de stadskernen en in het gebied van de Vlaamse ruit.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 De EU-richtlijn omgevingslawaai (2002/49/EG) is omgezet via een wijziging van VLAREM (deel 2: Milieukwaliteitsnormen en beleidstaken ter zake; hoofdstuk 5.57: Vliegvelden). In samenwerking met de Mobiliteitscel en AWV loopt een studie ter actualisering van ArcNoise, een instrument dat het moet mogelijk maken om de strategische geluidskaarten voor wegen te produceren. Het politiek overleg rond de luchthaven van Zaventem werd ondersteund door het deelnemen aan IKW's i.v.m.het geluidskadaster, aan de werkzaamheden van de Adviescommissie en de Gemeenschappelijke Expertencommissie en door het uitvoeren van meetactiviteiten. Nieuwe apparatuur werd aangekocht en bijkomende meetplaatsen werden ingericht. Via maandelijkse geluidsfiches worden de meetgegevens van 10 meeteenheden rond de luchthaven Zaventem op de website bekend gemaakt. In uitvoering van het technisch samenwerkingsprotocol over Bierset is gezorgd voor gegevensuitwisseling en de meetopstelling in Zuid-Limburg werd vernieuwd. In het kader van het pilootproject Dender-Mark werden meerdere communicatie-initiatieven ten behoeve van inwoners en lokale verantwoordelijken uitgevoerd (nieuwsbrief, informatievergadering, ronde tafel gesprek). De studie die voor


stiltegebieden een beleidsvisie moest uitwerken waarin ruimtelijke ordening, mobiliteit en akoestiek geïntegreerd worden bekeken, is afgerond.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Juridische omzetting richtlijn Omgevingslawaai is gebeurd

2004 MIDDEN

Rapport RO luchthavens is klaar Brochure geluidsisolatie is klaar Handleiding stiltegebieden is klaar

2004 EINDE 2004 EINDE 2005 EINDE

Indicatoren aantal opgestelde geluidrapporten aantal rapporten adviescommissie zaventem aantal samenwerkingsprotocols stiltegebieden

Status

Huidige verwachting

gerealisee 2005 EINDE rd vertraagd 2006 MIDDEN vertraagd 2006 MIDDEN vertraagd 2006 MIDDEN Realisatie 22 (2005) 3 (2005) 1 (2005)

Doelstelling 29 (2007) 4 (2007) 9 (2007)

Aanpak jaar 2006 EU-richtlijn Omgevingslawaai invoeren en uitvoering voorbereiden Krachtlijnen van deze richtlijn zijn het opmaken van strategische geluidskaarten, het informeren van het publiek en het opstellen van actieprogramma's. De strategische geluidskaarten voor wegen worden opgesteld. De methodologie voor het opstellen van geluidskaarten voor spoorwegen, agglomeraties en industrie wordt ontwikkeld. In 2006 wordt ook aandacht besteed aan het inventariseren van ontbrekende basisgegevens. Tegen midden 2007 moeten de geluidskaarten voor de drukste wegen en spoorwegen en voor de agglomeratie Antwerpen klaar zijn. De uitvoering van de EU-richtlijn gebeurt in nauwe samenwerking met AWV, Mobiliteitscel, NMBS, stad Antwerpen, ... Geluidshinderbeleid m.b.t. luchthavens uitwerken en implementeren Naast de werkzaamheden binnen het kader van de Adviescommissie / Gemeenschappelijke Expertencommissie en de opvolging van de akkoorden rond Bierset, zal verder ondersteunend werk nodig zijn i.v.m. geluidsnormen, isolatieprogramma, enz. Geluidsisolatienormen uitwerken en toepassen Medewerking wordt verleend aan de activiteiten van de BIN-Commissie voor de herwerking van geluidsisolatienormen. Teneinde de resultaten van een eerder uitgevoerde studie over gevelisolatie bekendheid te geven, wordt een studiedag georganiseerd waarop andere overheidsdiensten, gemeenten en professioneel geïnteresseerden worden uitgenodigd. Samenwerking tussen betrokken actoren structureren De uitgevoerde studie naar gevelisolatie wordt vertaald naar een informatiebrochure voor administraties en geïnteresseerden. Het overleg rond de implementatie van de EU-richtlijn omgevingslawaai wordt gestructureerd. Beleid stiltegebieden ontwikkelen en uitvoeren Via de Werkgroep Dender-Mark worden nieuwe initiatieven in het proefgebied begeleid. In overleg met de Vlaamse provincies wordt een handboek voor gemeentebesturen en/of een visietekst over stiltegebieden opgesteld. Door verschillende gemeenten is reeds de wens geuit om verder te werken rond het stiltegebied op hun grondgebied. Concrete afspraken met de provincieen gemeentebesturen kunnen leiden tot nieuwe stiltegebieden. De afbakening blijft een lokale bevoegdheid. Beleidsondersteuning Het geluidsmeetnet en de geluidsdatabank worden verder uitgebouwd. De meetgegevens in


verband met de luchthavenproblematiek worden openbaar gemaakt via een maandelijkse publicatie op de website.


Verstoring door geur Verantwoordelijke:Gunther Van Broeck

Inleiding Geurhinder treedt op als mensen een geur, die ze in hun leefomgeving waarnemen, als onaangenaam en/of schadelijk voor hun welzijn beoordelen. Vanuit beleidsstandpunt wordt over geurhinder gesproken van zodra de hinder een gevolg is van een herhaalde blootstelling aan een hinderlijke geur. Ruim 15 % van de bevolking in Vlaanderen is anno 2004 op ĂŠĂŠn op andere manier gehinderd door geurtjes afkomstig van allerlei activiteiten, waarbij de belangrijkste in volgorde van afnemend belang zijn: straatverkeer, uitspreiden van mest, verbranding van afval door particulieren, schoorsteenafvoer, huisdieren, riolering, chemische industrie, varkenshouderijen, waterlopen, luchtverkeer, slachterijen, composteringsinstallaties, horeca, de opslag van afval door particulieren en de voedings- en drankenindustrie. Met het eerste decretale milieubeleidsplan werd een belangrijke aanzet gegeven tot de onderbouwing van het beleid inzake geurhinder. In het MINA-plan 3 worden voor het eerst ook instrumenten geĂŻntroduceerd en kwantitatieve doelstellingen voor het Vlaamse Gewest vooropgesteld.

Opvolging van de plandoelstellingen Minimaal het aantal gehinderden gelijkhouden ten opzichte van 2001

+ + Uit het schriftelijk leefomgevingsonderzoek (SLO-1), dat werd uitgevoerd begin 2004, bleek een daling van het aantal gehinderden in 2004 t.o.v. 2001. Verminderen van het aantal ernstig gehinderden ten opzichte van 2001

+ + In 2004 was nog 5,2 % van de Vlamingen ernstig tot extreem gehinderd door geur, dit was een daling t.o.v. 2001 met bijna 2 %. Verminderen van het aantal geurbronnen boven het aanvaardbaarheidsniveau Het aantal bronnen van geurklachten gelinkt aan vergunningsplichtige inrichtingen zal pas ingeschat kunnen worden van zodra het milieuklachten registratie- en opvolgingsysteem MKROS volledig operationeel is.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Centraal stond de voorbereiding van de implementatie van beleidsinstrumenten en analyse van onderzoeksresultaten in beleid en regelgeving. In dit licht werd verder gewerkt met het visiedocument 'de weg naar een duurzaam geurbeleid'. Er ging vooral veel aandacht uit naar het administratief overleg over dit document. Het onderzoek naar de waardedaling van woningen t.g.v. geurhinder en de bereidheid tot betalen om geurhinder te beperken werd afgerond eind 2005. Tijdens de eerste helft van 2004 werd een schriftelijk leefomgevingsonderzoek uitgevoerd bij ruim 5000 respondenten. De resultaten ervan tonen een lichte daling aan van het aantal gehinderden door geur in Vlaanderen. Het volgende leefomgevingsonderzoek zal moeten uitwijzen of deze tendens zich verderzet. Een definitieve versie van MKROS werd ontwikkeld. Hiermee kunnen gemeenten en provincies aan de slag in het kader van de


Samenwerkingsovereenkomst 'Milieu als opstap naar een duurzame ontwikkeling'.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Studieresultaten sectorale geurnormering omgezet 2004 EINDE in ontwerp regelgeving Visiedocument 'De weg naar een duurzaam geurbeleid' afgewerkt introductie geurnormen in Vlaamse milieuregelgeving juridische verankering geuraudit en geurbeheersplan consultatie omtrent code van goede praktijk afgerond

2004 MIDDEN 2006 EINDE 2006 EINDE 2006 EINDE

deelaspect snuffelmethodiek afgerond

2006 EINDE

ontwerp code van goede praktijk geurmetingen opgemaakt

2005 MIDDEN

SLO-2 afgerond

2007 BEGIN

Indicatoren % gemeenten die MKROS als operationele databank gebruiken aantal gemeenten die ingetekend hebben op cluster hinder uit SO

Status

Huidige verwachting

vertraag 2006 EINDE d gerealise 2005 EINDE erd op schema op schema op schema op schema vertraag 2006 BEGIN d op schema Realisatie Doelstelling 12 (2005) 80 (2006) 196 (2005) 190 (2005)

Aanpak jaar 2006 Introduceren van regelgeving inzake geurhinder Het administratief overlegde visiedocument 'De weg naar een duurzaam geurbeleid' geeft een samenvatting van de beleidssituatie, beleidshiaten en voorstellen voor verbetering. In de loop van 2006 wordt het maatschappelijk debat rond de problematiek van geurhinder geĂŻnitieerd, met het doel draagvlak te creĂŤren voor de introductie van specifieke regelgeving met betrekking tot geurhinder. Eind 2006 zullen ook de repercussies ingeschat zijn van de implementatie van nieuwe regelgeving voor de pilootsectoren. De onderzoeksopdracht hiervoor werd aangevat eind 2005. Concreet zal o.a. werk gemaakt worden van - de juridische verankering van de geuraudit en het geurbeheersplan (zie ook maatregel nr 231), - de invoering van geurnormen als grens- of richtwaarden in de sectorale milieuvoorwaarden van Vlarem II. De implementatie ervan zal stapsgewijs gebeuren (in eerste instantie voor enkele pilootsectoren). De methodiek om geurconcentratienormen op te stellen is sterk onderbouwd via verschillende onderzoeksopdrachten die sedert 1995 zijn uitgevoerd. Codes van goede praktijk inzake geurmetingen opstellen De code van goede praktijk moet het product worden van een intens overleg tussen de verschillende milieuoverheden in Vlaanderen. In 2006 zal een ontwerp worden voorgelegd aan de afdelingen Milieu-inspectie en Milieuvergunningen van AMINAL, aan de VMM, VVP en VVSG. Er zal ook een consultatieperiode worden ingesteld waarbinnen iedereen commentaren op het document en voorstellen voor verbetering zal kunnen meedelen. Wat betreft de


snuffelmethodiek, zijn volgende taken voorzien in 2006: - organisatie van resterende snuffelcampagnes voor toetsing en vergelijking van methoden - werkgroep en schrijven van code van goede praktijk Ondersteunen van het beleid De uitvoering van SLO-2, voorzien begin 2007, wordt administratief voorbereid (toewijzing opdrachtnemer). MKROS wordt operationeel volgens de bepalingen van de samenwerkingsovereenkomst.


Verstoring door licht Verantwoordelijke:Gilke PĂŠe

Inleiding Overmatig gebruik van kunstlicht 's nachts leidt tot lichtvervuiling. Allerlei bronnen kunnen aanleiding geven tot lichtvervuiling en lichthinder: straatverlichting, verlichting van openbare ruimten, parkeerruimten, sport- en recreatieterreinen en industrieterreinen, klemtoonverlichting bij monumenten en gebouwen, sky-tracers bij bioscopen e.d., lichtreclame en verlichte uitstalramen, serreverlichting in de glastuinbouw, verlichting van tuinen en opritten. Lichthinder is een nieuw thema in het MINA-plan 3. Wel werd in 1997 het Vlaams urgentieplan betreffende maatregelen om de lichtvervuiling te beperken goedgekeurd. Het aantal concrete maatregelen is echter beperkt gebleven. VLAREM II geeft slechts algemene voorschriften ter beperking van lichthinder, zowel voor ingedeelde als niet-ingedeelde inrichtingen. Er bestaan geen internationale afspraken of richtlijnen in verband met lichthinder.

Opvolging van de plandoelstellingen Nieuwe lichtvervuiling voorkomen en bestaande lichtvervuiling verminderen Er bestaat momenteel geen goede indicator voor het opvolgen van lichthinder. Onderzoek hiernaar is wenselijk.

Opvolging van de richtinggevende doelstellingen In 2007 komen geen gebieden meer voor met een kunstmatige hemelluminantie groter dan negen keer de natuurlijke hemelluminantie (tussen 0u30 en 5 uur): dit is de categorie gebieden waar de kunstmatige hemelgloed nu het grootst is Er zijn geen nieuwe gegevens beschikbaar.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 De BBT-studie glastuinbouw waarin lichthinder veroorzaakt door assimilatieverlichting in serres is opgenomen, werd afgerond. Er kan geconcludeerd worden dat maatregelen tegen lichthinder in bepaalde gevallen BBT zijn. In samenwerking met VITO werd een databank opgestart die voor diverse toepassingen onderzoekt hoe lichthinder door buitenverlichting kan beperkt worden. Dit loopt samen met de coĂśrdinatie van het Dulomi-project rond sensibilisering van lokale overheden. Meer informatie over lichthinder is raadpleegbaar op de website van de cel Geluid, Trillingen en Niet ioniserende stralingen (www.milieuhinder.be). In de toekomst worden verder onderzoek en verdere sensibilisatie voorzien.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

Databank verlichtingstoestellen is actief

2005 EINDE

gerealiseerd

Aanpak jaar 2006 Samenwerking met andere overheden organiseren

Huidige verwachting


Via BBT-studies, projecten voor lokale overheden, overleg REG, Klimaatbeleidsplan, enz. wordt de problematiek van lichthinder verder onder de aandacht gebracht. De stuurgroep die voor de studies werd opgericht, zal verder fungeren als klankbordgroep. Nieuwe contacten worden gelegd via het lidmaatschap van het Belgisch Instituut voor de Verlichtingskunde. Er wordt nagegaan of er nauwer kan samengewerkt worden met AOSO, AWV en ANRE. Sensibiliseren Op basis van de BBT-studie glastuinbouw, de uitgewerkte databank verlichtingstoestellen en andere lokale projecten worden de lokale overheden en de andere actoren verder gesensibiliseerd. Beleidsondersteuning licht Om de kennis over lichthinder te vergroten is het nuttig om verder beleidsonderbouwend onderzoek uit te voeren. Mogelijke studieonderwerpen zijn: mogelijkheid van donkertegebieden onderzoeken, relatie verlichting, criminaliteit en veiligheid, uitwerken methode voor opvolgen lichthinder ... In 2006 wordt bekeken welke onderwerpen prioriteit hebben.


Versnippering Verantwoordelijke:Egbert Asselman

Inleiding Versnippering vormt in Vlaanderen ĂŠĂŠn van de belangrijkste oorzaken voor de achteruitgang van de natuurwaarden. Het wordt gedefinieerd als een proces waarbij ruimtelijke en functionele entiteiten (bv. biotopen, landschappen, grondwaterstromen) worden verbrokkeld of verstoord. Het vormt een milieuprobleem wanneer de samenhang tussen deze entiteiten zodanig wordt verstoord dat het functioneren ervan gevoelig verslechtert. Versnippering is in onze contreien vooral een probleem voor soorten met een gering kolonisatievermogen. Het beleid heeft hierop vooral ingespeeld door bestaande versnipperingsknelpunten weg te werken en nieuwe te voorkomen. Bovendien zal in de toekomst enerzijds veel aandacht besteed worden aan het wegwerken van de vismigratieknelpunten om te kunnen voldoen aan de Benelux-beschikking en het decreet Integraal Waterbeleid, en anderzijds aan de afbakening en inrichting van de natuurverbindingsgebieden door de provincies.

Opvolging van de plandoelstellingen Saneren van 75% van de bestaande vismigratieknelpunten op het netwerk van prioritaire + waterlopen voor vismigratie en het zoveel mogelijk voorkomen van nieuwe knelpunten In totaal zijn 92 van de 807 (11%) knelpunten gesaneerd (op 1 januari 2005). Een versnelling van de uitvoering is vereist om tegen 2010 een vrije vismigratie te kunnen realiseren. Bevorderen van de mogelijkheden van migratie tussen en binnen leefgebieden voor bepaalde (land)doelsoorten Het % versnipperingspunten dat weggewerkt moet worden, kan nog niet met juistheid bepaald worden. Er zal in de loop van de planperiode werk gemaakt worden om deze doelstelling opvolgbaar te maken. Er zullen, in het kader van de natuurtechnische milieu bouw, een aantal strategische en vernieuwende ontsnipperingsingrepen worden uitgevoerd. Ook in het kader van de methodologische studie voor afbakening en inrichting van de natuurverbindingsgebieden zullen prioriteiten van te ontsnipperen locaties worden aangeduid.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Natuurtechnische milieubouw Natuurtechnische milieubouw Onder NTMB wordt verstaan de aanleg van bouwtechnische ontsnipperingsmatregelen zoals ecoducten, brembruggen, ecotunnels en ecokokers, boombruggen, wildkerende rasters/ecorasters, passages onder bruggen, vooroevers en drasbermen, fauna-uitstapplaatsen in kanaaloevers, vismigratiehulpmiddelen, ecoduikers, doorgetrokken oevers alsook een aangepast beheer van bermen en oevers. Er werden diverse studies afgewerkt om bermen van wegen en waterlopen samen met restgronden, in beheer bij overheden, aangepast in te richten en te beheren voor de fauna en flora: o.m. voor de ring rond Brussel, de E40, de E17 in Oost-Vlaanderen, de A12 en de E19 ten noorden van Antwerpen en voor de A7, A8, A4 ten zuiden van Brussel. Voor een aantal gewestwegen zijn bermbeheersadviezen opgesteld. Twee studies werden afgewerkt i.v.m. certificering van natuurvriendelijke oeverbeschermingsmaterialen en rond duurzaam houtgebruik bij infrastructuurprojecten. De omvangrijke strategische en vernieuwende dossiers (E19, E314, E34, N25, E313) zijn verder uitgewerkt: de eerste ecoducten werden geopend: "de Warande" over de N25 in Bierbeek (Meerdaalwoud) en "de Kikbeek" in Maasmechelen (E314, Mechelse heide).


Een deel van de N730 is definitief afgesloten voor gemotoriseerd verkeer. De brug van de N730 over de E314 is ingericht als ecoveloduct. In de provincie Limburg zijn 3 bestaande doorgangen onder de N78 en de E314 omgevormd tot droge faunapassages. Om deze projecten in de toekomst te kunnen evalueren, is een inventarisatie van de nulsituatie gemaakt in de omgeving van beide ecoducten. In Voeren, Tongeren en Hoeselt zijn in totaal 5 dassentunnels geperst onder gewestwegen. Het bestaande ecoraster langs de E314 werd verlengd tot afrit 29 (HouthalenHelchteren). In het kader van de verbredingswerken langs het Albertkanaal tussen Oelegem en Wijnegem zijn een aantal natuurtechnische oevers en fauna-uitstapplaatsen aangelegd. Ook langs het Kanaal Dessel-Schoten werden enkele fauna-uitstapplaatsen uitgevoerd in het kader van bestaande oeverherstelwerken. Er werd een aanbesteding afgerond om bijkomend nog 45 faunauitstapplaatsen aan te leggen tussen Schoten en Dessel. Ook bij de aanleg van natuurvriendelijke oevers langs de Moervaart (Lokeren) is een bijkomende fase uitgevoerd. Voor de kanalen in beheer bij NV De Scheepvaart in de provincies Antwerpen en Limburg werden ontsnipperingsstudies uitgewerkt. Binnen het natuurinrichtingsproject Bergerven is de aanbesteding van het herstel van een vispaaiplaats en van een natuurvriendelijke oever afgerond. De monitoringsstudie voor de hermeandering van de Voorste Nete loopt en er werd een gelijkaardige studie opgestart rond de Witte Nete. Twee studies werden opgestart: een connectiviteitsstudie voor de das in Vlaams-Brabant en een literatuurstudie rond NTMB, toegespitst op bermbeheer, vergroening en ontsnippering. Deze laatste zal toelaten om keuzen te kunnen maken voor monitoringsstudies rond natuurtechnische projecten. Vrije vismigratie Het handboek vismigratie werd definitief afgewerkt, gepubliceerd en voorgesteld. De projecten op de Zwalm en de Mangelbeek werden uitgevoerd. Heel wat projecten werden verder voorbereid (Velpe, Voer, IJse, Laan, Grote Nete, ...). Nieuwe ontwerpstudies werden opgestart aan de Poperingevaart, de Aa en de Dijle. De evaluatie van visdoorgangen loopt verder en een nieuw monitoringsproject werd opgestart voor de visdoorgangen op de Weerijs en Mark. Heel wat ecologische visiestudies waarin vismigratie in het ruimer kader van ecologisch herstel wordt onderzocht, werden afgerond. De waterbeleidsnotabevestigt de doelstelling van het decreet dat er tegen 2010 vrije vismigratie moet zijn voor alle vissoorten in alle hydrografische stroomgebieden en dat nieuwe migratieknelpunten vermeden moeten worden. Binnen het natuurinrichtingsproject Bergerven is de aanbesteding van het herstel van een vispaaiplaats en van een natuurvriendelijke oever afgerond. De monitoringsstudie voor de hermeandering van de Voorste Nete loopt en er werd een gelijkaardige studie opgestart rond de Witte Nete. Twee studies werden opgestart: een connectiviteitsstudie voor de das in Vlaams-Brabant en een literatuurstudie rond NTMB (toegespitst op bermbeheer, vergroening en ontsnippering). Deze laatste zal toelaten om op een gefundeerde wijze in de toekomst keuzen te kunnen maken voor de noodzakelijke monitoringsstudies rond natuurtechnische projecten. Vrije vismigratie Het handboek vismigratie werd definitief afgewerkt, gepubliceerd en voorgesteld. De projecten op de Zwalm en de Mangelbeek werden uitgevoerd. Heel wat projecten werden verder voorbereid (Velpe, Voer, IJse, Laan, Grote Nete, ...). Een nieuwe ontwerpstudies werden opgestart aan de Poperingevaart, de Aa en de Dijle. De evaluatie van visdoorgangen loopt verder en een nieuw monitoringsproject werd opgestart voor de visdoorgangen op de Weerijs en Mark. Heel wat ecologische visiestudies waarin vismigratie in het ruimer kader van ecologisch herstel wordt onderzocht, werden afgerond. De waterbeleidsnota, goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 8 april 2005, bevestigt de doelstelling van het decreet dat er tegen 2010 vrije vismigratie moet zijn voor alle vissoorten in alle hydrografische stroomgebieden en dat nieuwe migratieknelpunten vermeden moeten worden.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Huidige Oorspronkelijke Status verwachtin verwachting g


Methodologische studie voor afbakening en inrichting van 2004 BEGIN de natuurverbindingsgebieden is afgewerkt

gereali seerd

Overleg tussen beleidsdomeinen en beleidsniveaus en andere sectoren is opgestart

2004 BEGIN

Proefproject autovrij maken Mechelse heide voltooid

2004 EINDE

Goedkeuring uitvoeringsbesluit vismigratie

2004 EINDE

2006 vertraa MIDDEN gd

Handleiding voor de sanering van vismigratieknelpunten is gepubliceerd

2004 EINDE

2005 gereali MIDDEN seerd

Indicatoren Aantal uitgewerkte ecologische visiestudies voor waterlopen en valleigebieden Aantal natuurverbindingsgebieden waarvoor een natuurrichtplan is opgemaakt

gereali seerd op 2007 schem EINDE a

Realisatie Doelstellin g 20 (2004) 42 (2007)

Aanpak jaar 2006 Project: Prioriteiten ontsnippering Natuurtechnische milieubouw Het NTMB-ideeëngoed zal frequenter worden toegepast bij de inrichting en het beheer van wegen en bevaarbare waterlopen door het nog verder te integreren in de werking van AWZ en AWV. Zo zullen o.a. onthardingsprojecten nieuwe kansen creëren voor fauna en flora langs bestaande wegen (AWV), wordt gewerkt aan de ecologische infrastructuur binnen de Vlaamse zeehavengebieden (AWZ en AROHM) en worden natuurvriendelijke wachtbekkens en afwateringsgrachten langsheen de wegen (AWV) aangelegd. Om zo efficiënt mogelijk te werken zal gestreefd worden naar de opmaak van doelmatigheidsanalyses van natuurtechnische ingrepen. Voor wat betreft bermbeheer moet er extra aandacht worden besteed aan: - het uitwerken van een langetermijnvisie voor bermbeheer - het uitwerken van een langetermijnvisie voor toekomstige aanplantingen langs wegen en waterlopen - het beter afstemmen van het bermbeheer langs gewest-, gemeente- en provinciale wegen, waterlopen en spoorwegen. Deze voorstellen worden afgestemd op de maatregelen en acties die zijn opgenomen in het ontwerp-Mobiliteitsplan. Volgende 'strategische' projecten worden verder voorbereid en gerealiseerd: - de ecoducten over de E314 tussen de afrit Maasmechelen en de afrit Genk; - het ecoduct over de E19 en de HSL ten noorden van Antwerpen (aanbesteding voorzien in 2006); - de ontsnippering van het Albertkanaal tussen Bilzen en Riemst; - de ecoducten over de E34 ten oosten van Antwerpen; - de ontsnippering van de E19 ten zuiden van Antwerpen; - de ontsnippering van de Ring rond Brussel (R0) op basis van een nog uit te voeren ontsnipperingsstudie - de ontsnippering van alle kanalen onder beheer van NV De Scheepvaart in de provincies Antwerpen en Limburg - de ontsnippering van alle kanalen in de provincies Vlaams-Brabant, Oost- en West-Vlaanderen. Ook het ontsnipperingsproject, dat kadert in het natuurinrichtingsproject Buitengoor - Meergoor, wordt verder gezet. Vernieuwend voor 2006 is de uitvoering van de zogenaamde 'natte ' ontsnipperingmaatregelen op grotere schaal. Zo zal een belangrijk aantal fauna-uitstapplaatsen aangebracht worden langs het Albertkanaal tussen


Wommelgem en Oelegem en langs de andere kanalen in de Antwerpse en Limburgse Kempen. Deze projecten kaderen binnen de grensoverschrijdende samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland rond de ontsnippering van het gebied van Turnhout-Breda tot Tongeren-Maastricht. De aanleg van een aantal fauna-uitstapplaatsen langs Kempense kanalen zal worden aanbesteed in 2006. De volgende monitoringsprogramma's voor ontsnippering- en vismigratieherstelprojecten worden opgevolgd: - de omlegging van de Witte Nete bij een zandgroeve in Dessel; - de natuurvriendelijke oevers langs het Zeekanaal in Grimbergen; - het ecoduct "de Warande" in Bierbeek - de natuurvriendelijke oevers langs de IJzer - het ecoduct Kikbeek in Maasmechelen. Uitbouwen en formaliseren overleg Voor het federale luik zal rond ontsnippering in eerste instantie worden samengewerkt met de NMBS. Volgende activiteiten worden voort opgevolgd: - actualiseren van het vademecum Natuurtechniek: inrichting en beheer van Waterlopen - uitwerken van een nieuw vademecum MilieuhygiĂŤne: beperking en verwerking van bermmaaisel en baggerspecie - opvolgen van het certificeringsproces van natuurvriendelijke oeverbeschermingsmaterialen samen met de betrokken sector - implementeren van de goedgekeurde ontsnipperingsstrategie van AWV - verder implementeren van het reductieplan voor bestrijdingsmiddelen bij AWV - concreet implementeren van de watertoets en de passende beoordeling bij AWV - concretiseren van het bestaande overleg tussen de beleidsafdelingen van AWZ en AMINAL (via de oprichting van een werkgroep rond NTMB bij AWZ met als eerste aandachtspunten ontsnippering en bermbeheer) - concretiseren van de bepalingen uit de beleidsconclusies van het ontwerp-Mobiliteitsplan Vlaanderen en uit de beleidsvoornemens van dat ontwerpplan - uitbouwen van een gestructureerde samenwerking tussen de cel NTMB en TUC-Rail en NMBS. Proefproject tijdelijk autoluw maken Het autoluw maken van de Mechelse Heide zal in 2006 een belangrijk stimulans krijgen. De bestaande brug 24 over de E314 zal, analoog aan brug 23, worden omgevormd tot een ecoveloduct. De omvorming van een gemeentelijke weg dwars door de Mechelse Heide tot een fiets- en wandelpad zal begin 2006 worden uitgevoerd. Begin volgend jaar zal ook de gemeentelijke weg dwars door de Mechelse Heide over een afstand van ruim 1 km worden omgebouwd tot een fietspad. Op die manier wordt het centrale, meer kwetsbare deel van de Mechelse Heide veel rustiger. Sanering prioritaire vismigratieknelpunten In 2006 wordt een uitvoeringsbesluit voor de vismigratie voorgelegd aan de Vlaamse Regering. Nieuwe herstelprojecten worden gekoppeld aan andere projecten zoals de structuurherstel van de waterloop of de aanpak van wateroverlast (zie ook thema 'Verdroging'). Ecologische visiestudies voor waterlopen en bijhorende valleigebieden zorgen voor de nodige onderbouwing van de projecten. Deze zullen eveneens worden meegenomen bij de opmaak van bekken- en deelbekkenbeheerplannen. In 2006 staan volgende projecten op stapel: Mangelbeek, Abeek, Kleine Nete, Zwinnevaart en Laan. Tegengaan bouwzones met potentieel sterk versnipperend effect Binnen het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend erfgoed zal dit jaar een geo-loket worden uitgebouwd voor data uit gemeentelijke inventarissen van nietgerealiseerde onbebouwde percelen. Met het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek zal worden bekeken of hieruit een inventaris van nog niet-gerealiseerde bouwpercelen met een sterk potentieel versnipperend effect kan worden opgesteld.


Verlies aan biodiversiteit Verantwoordelijke:Els Martens

Inleiding Het verlies aan biodiversiteit blijft verdergaan. De belangrijkste pijlers voor het behoud en herstel van biodiversiteit zijn het gebiedsgericht beleid, het soortenbeleid en de integratie van biodiversiteit in andere sectoren. De afbakening van een ecologisch netwerk en een doelgerichte en efficiënte gebiedsspecifieke planning en uitvoering op terrein geven nieuwe perspectieven. Het natuur- en bosbeleid boekt wel positieve resultaten voor de uitbreiding van reservaten en de instandhouding van bepaalde habitattypen en kwetsbare soorten, maar is onvoldoende om de achteruitgaande trends te keren, vooral omdat niet aan de randvoorwaarden inzake ruimte en milieukwaliteit is voldaan. Om er in te slagen het verlies aan biodiversiteit tegen 2010 stop te zetten zoals nogmaals bevestigd door de Europese Raad op de Lentetop in 2005, dient de integratie van biodiversiteit in de andere beleidsdomeinen, de ontwikkeling van een coherent ecologisch netwerk, de uitvoeringen op terrein voor verbetering van milieukwaliteit, en de samenwerking met doelgroepen voor een natuurgericht landgebruik enorme versterking te krijgen.

Opvolging van de plandoelstellingen Het afbakenen van 125.000 ha VEN en 150.000 ha natuurverwevingsgebieden + De oppervlakte VEN is in 2005 toegenomen met 10.889 ha, de oppervlakte natuurverwevingsgebied is sinds eind 2004 blijven staan op 768 ha. De totale oppervlakte groengebied doen stijgen met 38.000 ha natuur en 10.000 ha bosgebied + en bosuitbreidingsgebied ten opzichte van begin 1994 De oppervlakte natuurgebied (en reservaatgebied) is sinds 1994 netto toegenomen met 12.374 ha; de oppervlakte bosgebied met 1.753 ha. De oppervlakte park- en groengebied is toegenomen met 76 ha, buffergebieden met 671 ha afgenomen. In het kader van de buitengebied-RUP's worden ook extra bestemmingswijzigingen naar natuur- en reservaatgebied doorgevoerd. 50.000 ha onder effectief natuurbeheer (erkend, Vlaams en/of bosreservaat en/of natuurgebieden met een goedgekeurd beheersplan)

+ +

Van midden 2004 tot december 2005 werd 869 ha nieuw natuurreservaat en 171 ha nieuw bosreservaat erkend en 2 ha uitbreiding van bestaand Vlaams natuurreservaat aangewezen. Deze beperkte toename bij de Vlaamse natuurreservaten is het gevolg van een nieuwe interne richtlijnen voor de opmaak van het aanwijzingsdossier dat sinds begin 2005 nu ook het beheerplan dient te bevatten. Eind 2005 komt het totaal aantal aangewezen Vlaamse natuurreservaten op 78 met een gezamenlijke oppervlakte van 5.369 ha. Het aantal erkende natuurreservaten bedraagt nu 300 met een totale oppervlakte van 10.408 ha. De totale oppervlakte bosreservaat bedraagt nu 2.273 ha; de samenwerking met Defensie voor de beheerplanning en -uitvoering van natuur- en bosgebied op de militaire domeinen 9.416 ha, en de natuurontwikkeling in het havengebied van Antwerpen (550 ha) en in het gebied KruibekeBasel-Rupelmonde (650 ha). De oppervlakte van de gebieden met effectief natuurbeheer bedraagt nu ca 33.668 ha. Daarnaast bestaan ook beheerplannen voor openbare en private bossen. Eind 2005 beschikt 7130,2 ha openbaar bos over een uitgebreid beheerplan en 28.730 ha privébos over een beheerplan. In 2005 werd er voor 1140,2 ha openbaar bos en voor 30,5 ha privébos een uitgebreid beheerplan (volgens het vernieuwd besluit) opgesteld en voor 589,5 ha privébos een beperkt beheerplan. Het jaarlijkse aankoopritme van natuur- en bosgebied doen stijgen tot 3.000 ha +


In 2005 is door de verenigingen XXX ha natuurgebied gekocht. Voor het Vlaamse Gewest steeg in 2005 de oppervlakte in eigendom met ca 815 ha natuurgebied (206 ha van dossiers van 2004, ca 120 ha recht van voorkoop, 489 ha waarvan aankoopdossiers eind 2005 afgerond werden) en 561 ha bos en te bebossen gronden . Het totale aankoopritme lag lager dan het voorgaande jaar. Het vrijwillige aanbod van gronden kon omwille van budgettaire beperkingen niet gevalideerd worden. Inrichten van 20.000 ha natuur via natuurinrichting, bosuitbreiding en natuurontwikkeling + Tot nu toe werden 5 natuurinrichtingsprojecten afgerond voor een totale oppervlakte van 693 ha: Bospolder (2002), Oosthoekduinen (2004), en Vinne, Smeetshof en Buitengoor-Meergoor (2005). Daarnaast waren in 2005 nog 18 andere natuurinrichtingsprojecten lopende voor een totale oppervlakte van 8.553 ha. 14 hiervan zijn in uitvoeringsfase, voor de 4 andere werd projectrapport voorgelegd voor goedkeuring. Voor 3 andere gebieden loopt een haalbaarheidsonderzoek. Sinds 1994 werd 2190 ha gronden bebost of aangekocht voor bosuitbreiding. Milieukwaliteit afstemmen op de ecologische vereiste van de kwetsbare soorten en habitats in gebieden in het VEN, de groen-, park-, buffer- en bosgebieden en in de speciale beschermingszones De relatie van de milieukwaliteit, randvoorwaarden en natuurdoeltypen werden in kaart gebracht en getoetst met gegevens van monitoring om geschikte indicatoren te kunnen selecteren. Het soortenbeleid versterken: stopzetten van het verlies aan biodiversiteit De Rode Lijsten worden voor de meeste soortengroepen slechts om de 5 Ă 10 jaar geĂŤvalueerd zodat het moeilijk is om op kortere termijn trends te kunnen aantonen. Tot nu toe werden 16 Rode Lijsten opgesteld, waarvan deze van de zoogdieren en van de broedvogels herzien zijn. De natuurrapport geeft nog steeds een dalende trend aan voor biodiversiteit. De oppervlakte met beheerovereenkomsten voor natuurgerichte maatregelen doen toenemen +/tot 16.500 ha Door de aanpassing van de wetgeving rond beheerovereenkomsten gericht op administratieve vereenvoudiging, en het optrekken van vergoedingen en aantal pakketten nam ook de interesse voor het afsluiten van overeenkomsten toe. In 2005 werd voor 2090 ha natuurgerichte overeenkomsten afgesloten, voor de aanplanting van 55 km heg en 17 ha houtkanten en voor het onderhoud van ca 180 km heg en ca 44 ha houtkanten en bermen. Er werd ca 0,94 ha poelen (her)aangelegd en 6,7 ha poelen in onderhoud opgenomen. Voor 1201 ha werden beheerovereenkomsten afgesloten voor de aanleg, specifiek beweiden of maaien van grasland of beheer voor weidevogels. Een 558 ha grasland werd aangelegd en/of onderhouden op perceelsranden of langs waterlopen. In 2005 werden voor een totaal van 3.918 ha oppervlakte beheerovereenkomsten afgesloten. Instellen van een gebiedsdekkend systeem van wildbeheerseenheden (200) en bosgroepen (19) + Eind 2005 zijn 171 WBE's erkend, voor 1 WBE is de 5-jaar termijn van de erkenning verlopen en verlenging in procedure. Voor 4 nieuwe WBE's is de erkenningsprocedure lopende. Er werden tot nu toe 16 pilootprojecten bosgroepen opgestart, waarvan er 7 erkend zijn. Er zijn 2 nieuwe projecten in voorbereiding en 5 nieuwe aanvragen voorgelegd. Verbeteren van de ondersteuning van lokale besturen In het kader van de Samenwerkingsovereenkomst, cluster natuurlijke entiteiten, zijn momenteel 160 projecten in uitvoering. De laatste reeks GNOP-projecten worden afgerond. Het aantal groenprojecten stijgt de laatste jaren. De methodologie voor de afbakening van verbindingsgebieden werd eind 2004 afgerond. .


Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Ruimte voor natuur + Afbakening van gebieden: In de eerste helft van 2005 werd verder gewerkt aan een visie op de gewenste structuur van het buitengebied van de regio's Kust-PoldersWesthoek, Haspengouw-Voeren, Veldgebied Brugge-Meetjesland, Neteland en Hageland. Voor Haspengouw-Voeren werd de visie goedgekeurd en de opmaak van het operationeel uitvoeringsprogramma opgestart. Tevens werden de planningsprocessen voor de regio's Maasland-Limburgse Kempen, Leiestreek en Schelde-Dender opgestart. + Gebiedsgerichte Instrumenten: Er werden afspraken gemaakt over de afstemming van de procedures van de inrichtingsinstrumenten en de verscherpte natuurtoets, alsook over de procedure van de afwijking van het verbod op onvermijdbare en onherstelbare schade in het geval van een milieuvergunning. Voor de SBZ werden matrices uitgewerkt voor de evaluatie van de staat van instandhouding van de betrokken soorten en habitats. Op basis daarvan is begonnen aan de voorbereiding van de instandhoudingsdoelstellingen zelf. Deze vormen het kader voor gebiedsspecifieke plannen en voor het vergunningen- en ruimtelijk beleid. Hiervoor wordt prioriteit gegeven aan de SBZ in de natuurrichtplanprojectgebieden en de SBZ Schelde-estuarium. Er is overleg opgestart over een concept voor beheerplanning van landgoederen. In 2003 werd het besluit betreffende de natuurrichtplannen en tevens het ondersteunende besluit houdende de maatregelen ter uitvoering van het gebiedsgericht natuurbeleid goedgekeurd. Op basis van deze besluiten werd het proces en de methodiek voor de opmaak van een natuurrichtplan voorbereid. Voor de vijf opgestarte natuurrichtplannen werd een gebiedsvisie voorbereid. De communicatiestrategie werd verfijnd en overlegrondes werden gehouden. Richtlijnen werden uitgewerkt voor de opmaak van een achtergronddocument, kaartenbundel en gebiedsvisie van natuurrichtplannen. Een zesde natuurrichtplanproject werd opgestart voor de 'Duinen van de Middenkust tussen Oostende en Blankenberge'. + 15.000 ha natuur- en bosgebied verwerven tegen 2008: Het niet volledig vrijgeven van de kredieten voor de subsidie van aankopen door de terreinbeherende verenigingen schiep problemen bij de tijdige goedkeuring van een ministerieel besluit dat de verdeling regelt en bij de vastlegging van deze subsidies. + Reservaten erkennen en het beheer van reservaten subsidiĂŤren: Eind 2005 lagen echter nog een 32 dossiers voor ongeveer 546 ha nieuwe reservaten op een finale goedkeuring te wachten. Na de informatiecampagne voor het indienen van subsidiedossiers voor ĂŠĂŠnmalige inrichtingswerken in erkende natuurreservaten (het Vlaams Natuurherstelprogramma 2004) werden meer dan 50 nieuwe projectvoorstellen ingediend. Het hiervoor beloofde budget werd echter niet gevalideerd. Van deze nieuwe projectvoorstellen werden er 7 in 2004 goedgekeurd. In 2005 werden 5 projectvoorstellen ingetrokken door de aanvrager, zijn er 2 projecten goedgekeurd en nog 15 andere in procedure. De overige 23 projecten zullen in 2006 afgehandeld worden. + Duurzaam natuurbeheer uitvoeren in de gebieden in eigendom of in beheer: Het normaal onderhoud van de Vlaamse natuurreservaten en domeinen van het Vlaamse gewest die in beheer zijn van de Afdeling Natuur liep tot begin juni een lichte vertraging op waarvan de oorzaak in belangrijke mate boekhoudkundig is. Tegen eind 2005 werd deze achterstand wel grotendeels ingehaald. Ook de investeringsuitgaven liepen grote administratieve vertraging op in de eerste jaarhelft. Hoofdzakelijk omwille van de zware controleprocedure is de realisatiegraad lager dan andere jaren. Enkele grotere investeringsuitgaven werden uitgesteld omwille van besparingsmaatregelen ten gevolge van de eerste begrotingscontrole. Verschillende LIFE-projecten, INTERREG-projecten en andere internationale samenwerkingsverbanden lopen. In het kader van het Grensoverschrijdend Ecologisch Basisplan GEB Vlaanderen-Nederland werd een plan van aanpak afgewerkt voor 6 gebieden. Op basis hiervan wordt op projectmatige wijze de uitvoering op terrein voorbereid. + Bijkomende impuls voor beheerwerk: Op basis van recente besluiten werden in de loop van 2004 twee indieningsrondes georganiseerd voor natuurverenigingen, bosgroepen, reservaten, gemeenten, OCMW's, regionale landschappen enz. om aanvragen in te dienen voor de


toekenning van subsidies tot inkoop van werkuren bij sociale werkplaatsen, invoegbedrijven en invoegafdelingen, voor een totaal van 120 voltijdse eenheden. Een eerder opgesteld spreidingsplan had de hoofdmoot van dit contingent verdeeld over de verschillende provincies, soorten actoren en koepels van uitvoerende partner, en een kleinere buffer voorbehouden aan autonome initiatieven. + Inrichting van de Natuurlijke Structuur: In de eerste helft van 2005 werden de grote werken afgerond in 3 natuurinrichtingsprojecten: Het Vinne (126 ha), Smeetshof (187 ha) en Buitengoor-Meergoor (75 ha).Van het project Osbroek-Gerstjens werd een voorstel van besluit 'maatregelen en modaliteiten' opgemaakt. De haalbaarheid van 3 andere natuurinrichtingsprojecten, Torfbroek, Bos 't Ename en Kolisbos worden onderzocht. De instelling van het project Zoerselbos werd ter goedkeuring voorgelegd. De procedure van het project de Blankaert werd tijdelijk stilgelegd. + Belangrijke leefgebieden van zoetwatervissen inrichten en beheren: Er werd onderzocht of een aantal geselecteerde waterlopen in de bekkens van de Nete, Dijle, Maas, Boven-Schelde en Demer geschikt zijn om de kwabaal of de kopvoorn te herintroduceren. Een gelijkaardig onderzoek is lopend voor de serpeling. + Park- en groenbeheer: Het pilootonderzoek voor het stedelijk gebied Kortrijk en Mechelen om stedelijk groen te classificeren op basis van IKONOS-beelden is afgerond. Het onderzoek naar de huidige functie van gebieden met een parkbestemming is lopende, evenals een opdracht om een overzicht te maken van indicatoren die betrekking hebben op groen. Het technisch vademecum grasland is in opmaak. De beheerplannen voor Paelsteenveld, Groenenberg, Vordenstein, de Balokken en Opgevuld kanaal te Zelzate zijn in opmaak. Soortendiversiteit Voor de uitwerking van het beverplan vond een eerste overleg plaats met de betrokken instanties. De hoofdmoot van het beverplan zou moeten bestaan uit gebiedsgedifferentieerde visieontwikkeling. De geschikte leefgebieden en probleemgebieden worden in kaart gebracht. Een kleinschalig actieplan voor het edelhert werd begin 2005 uitgewerkt. De uitvoering van de reeds opgestarte soortenbeschermingsplannen (vleermuizen, das, hamster, gentiaanblauwtje, nachtzwaluw) wordt verdergezet. Voor de das gaat speciale aandacht naar de herkolonisatie van Vlaams-Brabant. Voor de hamster werden, in afwachting van de beheersovereenkomsten voor hamster, graanstroken opgekocht in het leefgebied van de hamster. Tegelijkertijd wordt een Life-project voorbereid om de bescherming van de hamster internationaal aan te pakken. Om de uitvoering van het soortenbeschermingsplan voor de vleermuis op een meer gecoรถrdineerde manier aan te pakken werd een Life-Natuur projectvoorstel ingediend. Voor de nachtzwaluw werden de aanbevolen maatregelen toegepast bij het beheer in een aantal Vlaamse reservaten (het VNR Hoge Kempen., Houterenberg-Pinnekenswijer en Oudsberg). De ontwerptekst voor het uitvoeringsbesluit inzake soortenbescherming werd verder aangepast aan de nieuwe aanbevelingen vanuit Europa. In 2005 werd gestart met de bestrijding van de grote waternavel in de Vlaamse waterlopen. De Rode Lijst zoogdieren in Vlaanderen werd herzien op basis van de nieuwe zoogdierenatlas. Zorg voor natuur In 2004 werden regelmatig overlegmomenten georganiseerd in verband met ruimtelijke uitvoeringsplannen en ruimtelijke ordening in het algemeen. Het aantal gemeenten dat de cluster 'natuurlijke entiteiten' ondertekende is gestegen tot 225 en het aantal goedgekeurde projecten tot 155. Ca 30% hiervan betreft wel projecten voor groendaken. Het aantal groenprojecten stijgt de laatste jaren. Niet alleen de aandacht voor groen neemt toe maar ook de kwaliteit en de vraag naar ondersteuning (financieel en inhoudelijk) inzake Harmonisch Park- en Groenbeheer. De nieuwe contracttekst 2005-2007 is van kracht geworden. Hiervoor is een handleiding beschikbaar gesteld. Begin juni 2004 startten de provincies met ecologische verkenningen en met de opmaak van visies voor een selectie van verbindingsgebieden. Ten behoeve van de wetenschappelijke ondersteuning en onderlinge afstemming werd hiertoe een overlegplatform opgericht. In Limburg, Antwerpen en OostVlaanderen werden voorstudies uitgewerkt of opgestart voor in totaal negen natuurverbindingsgebieden. West-Vlaanderen gebruikt de aangeduide verbindingsgebieden als kader voor gebiedsgerichte acties met een eigen gevarieerd instrumentarium. Tot dusver werden in Vlaams-Brabant geen specifieke initiatieven rond natuurverbindingen genomen. Tenslotte


werd er in 2005 op vraag van de VVP een initiatief opgestart voor de vereenvoudiging van de procedurele aspecten van de afbakening en opmaak van natuurrichtplannen voor de natuurverbindingsgebieden. Voor elk van de Life-projecten, Interreg-projecten en andere internationale programma's loopt een projecteigen communicatieplan met brochures, folders, persconferenties en website-ontwikkelingen. Voor Life FEYDRA en voor Life Militaire Domeinen heeft een internationale conferentie plaatsgevonden Samen met de formele start van de opmaak van de eerste 6 natuurrichtplannen, is ook het communicatieplan dat hiermee samenhangt, in uitvoering gebracht. Rond het nieuw besluit inzake beheersovereenkomsten werd een communicatieplan uitgewerkt dat door de plattelandanimators bij de Regionale Landschappen werd uitgevoerd. Eind 2005 werden de pakketten onder de beheersovereenkomsten herzien in het kader van de voorbereiding van de nieuwe verordening plattelandsontwikkeling. Het uitvoeringsbesluit voor de erkenning van bosgroepen werd definitief goedgekeurd en kan op basis van de 16 lopende pilootprojecten meteen in uitvoering gebracht worden. Bosbeleid + 10.000 bosuitbreiding realiseren: Aandachtsgebieden voor bosuitbreiding werden geselecteerd op basis van de 'gewenste bosstructuur'. Naast de 10.000 ha netto bosuitbreiding moeten er nog 3.900 ha compensatiebossen worden gerealiseerd (totaal 13.900 ha). Ter realisatie hiervan is reeds een oppervlakte van 5.205 ha, voor stadsbossen en compensatiebossen, in kaart gebracht. Daarnaast zijn er nog andere projecten zoals de regionale bossen, historische bosgebieden met een totaal van 8.695 ha (inclusief compensatiebossen) gepland of in uitvoering. Momenteel wordt actief gewerkt aan de integratie van deze projecten binnen het proces 'afbakening van het buitengebied' alsook binnen de afbakening van een aantal stedelijke gebieden. In de periode 1994-midden 2005 heeft het Vlaams Gewest in totaal 2190 ha gronden bebost of aangekocht met het oog op bosuitbreiding. De geplande subsidieregeling voor verwerving van te bebossen terreinen voor openbare besturen is nog in voorbereiding. +Duurzaam bosbeheer uitvoeren in de gebieden in eigendom of in beheer: Recente wetgeving in uitvoering van het Bosdecreet (inzake de nieuwe subsidieregelingen voor openbare en privébossen, bosgroepen, de herwerkte regeling inzake beheerplannen en het besluit inzake de criteria duurzaam bosbeheer) wordt volop geïmplementeerd bij openbare en privé-bosbeheerders. Vooral ook de bosgroepen spelen een cruciale rol in de toepassing van de criteria duurzaam bosbeheer. De beheervisie voor de openbare bossen wordt verder verfijnd en op punt gesteld. Tevens wordt het proces 'opstellen van beheerplannen' zowel voor de eigen domeinbossen als voor derden intens begeleid (o.a. aanbieden formats basisinventarisatie). + Bestaande bossen vrijwaren en beschermen tegen vernietiging: In een eerste fase werd een methodiek voor de semiautomatische opmaak van de boskaart ontwikkeld. Inzake de ontwikkeling van de bosdatabank werd reeds een bedrijfsanalyse en een behoeftendefinitie uitgevoerd. De dienstnota toepassing 'ontbossingsregeling' werd gefinaliseerd. Er werd gestart met de ontwikkeling van een documentbeheerssysteem, dat in een eerste fase zal aangewend worden voor de raadpleging van juridische adviezen. Dit systeem kan op termijn onder meer gebruikt worden voor de standaardisering van de procedures inzake handhaving. + Verhogen van de verweving met andere functies (bos): Voor het luik bosgroepen wordt verwezen naar de projectmaatregel: 'Duurzaam bosbeheer uitvoeren'. Het erkenningssecretariaat voor bosexploitanten ging van start op 18 april 2005. De laatste administratieve aspecten voor het in werking treden van het erkenningscomité en het comité van beroep zijn lopende. Natuur- en bosgebieden toegankelijker maken Op basis van een eerste ontwerp van besluit werden interne overlegrondes gehouden. Bij herziening van de tekst dient ook nog met verenigingen teruggekoppeld. Internationaal beleid Rapporteringen in uitvoering van de diverse internationale conventies en overeenkomsten die tot dit jaar werden opgesteld zijn: Ramsar, Bonn, Biodiversiteit, OESO, AEWA en de Vogelrichtlijn. Het Vlaams impulsprogramma tropisch bos werd officieel opgestart in 2002. Eind 2002 werden acht dossiers door NGO's en instituten in kader van een duurzaam bosbeheer in de tropen, ter subsidie goedgekeurd Eind 2003 werden opnieuw 11 dossiers ter subsidie goedgekeurd. De projectstructuur ter opvolging van de projecten is uitbesteed aan een


consortium bestaande uit 3 ngo's (WWF-Belgium, VBV en Groenhart vzw). In 2005 werden 117 projectvoorstellen ontvangen uit 5 landen. De eerste helft hiervan werd beoordeeld en er werden 6 projecten geselecteerd. De tweede helft van de ontvangen projectvoorstellen wordt voor beoordeling doorgeschoven naar 2006.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Goedkeuring van VEN eerste fase

Huidige Oorspronkelijk Status verwachtin e verwachting g

eerste natuurrichtplan definitief goedgekeurd

2003 MIDDEN gereali seerd 2006 EINDE

Informatiesets van Natuurgebiedendatabank uitgebreid

2004 EINDE

Technische vademeca principes harmonisch park- en groenbeheer klaar

2007 EINDE

Uitvoeringsbesluit soortenbescherming goedgekeurd

2004 EINDE

2006 vertraa MIDDEN gd

Gebiedsdekkende inventarisatie inheemse boom- en struiksoorten Vlaanderen

2005 EINDE

2006 vertraa BEGIN gd

Uitvoeringsbesluit (decreet) soorten

2005 EINDE

2006 vertraa MIDDEN gd

Uitvoeringsbesluit schaderegeling

2005 EINDE

2006 vertraa MIDDEN gd

opstellen "bestrijdingsbesluit(en)"

2005 EINDE

Erkenningsregeling bosexploitanten is volledig operationeel 2004 EINDE Ondertekenen samenwerkingsovereenkomst organisaties landelijk Vlaanderen

2006 vertraa EINDE gd op schem a

gereali seerd 2005 gereali MIDDEN seerd

2006 MIDDEN vertraa gd

Ontwerpbesluit 'toegankelijkheidsregeling' is uitgewerkt

2006 2004 MIDDEN vertraa MIDDEN gd

Code goede natuurpraktijk herzien en goedgekeurd

2004 EINDE

Operationeel set indicatoren inzake draagvlak voor natuurbeleid

2004 EINDE

2005 vertraa EINDE gd gereali seerd


Leidraad monitoring beheer natuurgebieden voltooid Startinventarisatie van de acht belangrijkste Vlaamse bostypes (in het kader van bosreservaten) uitgevoerd Uitgebreide monitoring van 12 Vlaamse Natuurreservaten

2005 gereali BEGIN seerd op 2010 BEGIN schem a op 2006 2006 MIDDEN schem MIDDEN a 2005 BEGIN

Ontwerp Subsidieregeling 'aankopen van te bebossen gronden door lokale besturen' is klaar

2004 EINDE

2005 gereali MIDDEN seerd

Groepscertificeringssysteem domeinbossen operationeel

2005 BEGIN

2006 vertraa BEGIN gd

Lange Termijn Plan Bosbouw en actieplan Bosbouw zijn goedgekeurd

2006 2004 MIDDEN vertraa MIDDEN gd

Erkenningsregeling bosexploitanten is operationeel

2005 2005 MIDDEN gereali MIDDEN seerd

Indicatoren Aantal erkende bosexploitanten Aantal erkende bosgroepen Aantal gemeenten met een project 'Harmonisch park en groenbeheer' Aantal gemeenten die de cluster 'natuurlijke entiteiten' van de samenwerkingsovereenkomst ondertekenen Aantal ha landbouwgrond met goedgekeurd dossier voor bebossing sinds 1997 Aantal herziene Rode Lijsten Aantal nieuw gecreĂŤerde groenjobs voor verenigingen Aantal nieuw opgestelde rode lijsten Aantal nieuwe minawerkers bij gemeenten Aantal soortenbeschermingsplannen in opmaak Aantal soortenbeschermingsplannen waarvan de uitvoering is opgestart Aantal subsidiedossiers 'toegankelijkheid'

Realisat Doelstell ie ing 0 350 (2005) (2007) 7 15 (2005) (2008) 47 150 (2005) (2007) 225 308 (2005) (2007) 1005 1664 (2005) (2008) 1 (2005) 120 120 (2005) (2007) 1 2 (2006) (2005) 182 162 (2004) (2004) 2 3 (2004) (2005) 5 7 (2007) (2005) 33


Aantal beheersplannen voor eigen parkdomeinen Aantal goedgekeurde natuurrichtplannen

(2005) 0 3 (2006) (2005) 0 5 (2004) (2005)

Aanpak jaar 2006 Project: Ruimte voor natuur Het planningsproces voor het natuurbeleid in het grensoverschrijdend gebied Grensmaas en Schelde-estuarium wordt verdergezet. De plannen voor Kalmthout-De Zoom worden uitgevoerd. In samenwerking met Nederland wordt het "Grensoverschrijdend Ecologisch Basisplan" projectmatig uitgevoerd. Ruimelijk veilig stellen van gebieden In 2006 worden de ruimtelijke visies op de buitengebiedregio's afgewerkt. Binnen deze buitengebiedregio's wordt voor de onderdelen van de natuurlijke structuur (GEN, GENO en NVWG) een visie vanuit het Natuurbehoud uitgewerkt. Deze visies worden als basis gebruikt voor de concrete invulling van de GRUP en natuurrichtplannen. De actieprogramma's voor Kust-Polders-Westhoek en Haspengouw-Voeren voorzien in de opmaak van RUP's in 2006. Het finaliseren van de ruimtelijke visie en de opmaak van het actieprogramma voor een tweede reeks regio's Veldgebied Brugge-Meetjesland, Neteland en Hageland zijn voorzien voor het voorjaar 2006. Nadien wordt gestart met de voorbereiding van de nodige RUP's. Voor de derde reeks regio's, Maasland-Limburgse Kempen, Leiestreek, Noorderkempen en Schelde-Dender, zal vanaf begin 2006 gestart worden met het overlegproces over de gewenste ruimtelijke structuur en het programma voor uitvoering. Daarna wordt gestart met de opmaak van de ruimtelijke uitvoeringsplannen. Voor de vierde reeks regio's, Zenne-Dijle/Pajottenland, Vlaamse Ardennen, Krekengebied-Waasland en KleinBrabant/Antwerpse gordel zal het planningsproces opgestart worden in het voorjaar 2006 en wordt het eindvoorstel verwacht tegen midden 2007. + Natuurrichtplannen ontwikkelen De processen voor de opmaak van de vijf pilootprojecten voor natuurrichtplannen en het bijkomende project voor de Middenkust zijn volop aan de gang. De instandhoudingsdoelstellingen voor de betrokken Europese Speciale Beschermingszones worden voorbereid zodat de gepaste prioriteit kan gelegd worden in elk van deze gebieden. Na een evaluatie zal het proces en eventueel het instrument zelf bijgestuurd worden. Daarna wordt in elke provincie een nieuw natuurrichtplan opgestart; indien praktisch haalbaar nog een tweede. + Juridisch instrumentarium gebiedsgericht natuurbeleid optimaliseren De 'Code voor Goede Natuurpraktijk' wordt geëvalueerd en wordt aangepast aan de huidige beleidscontext. Er zal aandacht worden besteed aan de invullingen van concepten voor het geïntegreerd beheer van de open ruimte (natuur, bos, landschap, water, cultuurgeschiedenis, landgoederen,...). Concreet maakt men werk van het "geïntegreerde beheersplan" en het concept van het "landgoed". Er wordt gewerkt aan een helderder en transparantere systematiek inzake speciale beschermingszones en de instandhoudingsdoelstellingen. De afstemming met het duurzaam bosbeheer is daarbij één van de aandachtspunten. De huidige regelgeving inzake natuurverbindingsgebieden zal in overleg met de provincies worden geëvalueerd en waar nodig bijgestuurd. Op basis van het rapport van de MINA-Raad over financiële instrumenten, NARA 2005, MIRA-BE 2005 wordt een objectieve evaluatie van de instrumentenmix uitgevoerd. Daarbij dienen zowel ecologische, economische als maatschappelijke criteria te worden betrokken. + Reservaten erkennen en het beheer van reservaten subsidiëren De erkenning van natuurreservaten volgt dezelfde trend als de aankoop van gebieden. Aangezien er voor aankopen de laatste jaren extra stimulansen werden gegeven, neemt ook de erkende oppervlakte elk jaar evenredig toe. Het geraamde subsidiebedrag voor 2006 bedraagt ongeveer 4.814.000 euro. Voor de jaren 2006 tot 2008 gaat men telkens uit van een aangroei van de erkende oppervlakte met


ongeveer 750ha per jaar. De subsidies zullen bijgevolg jaarlijks toenemen. Voor deze erkende natuurreservaten, uitgezonderd deze in beheer bij provincies en gemeenten, kan een subsidie toegekend worden voor uitzonderlijke éénmalige inrichtingen die natuurherstel, natuurontwikkeling of verbeterde openstelling tot doel hebben. De maximale subsidie bedraagt 80% van de projectkostenraming en wordt toegekend na voorlegging van een aanvraagdossier met raming van de kosten. Uitzonderlijke éénmalige inrichtingswerken voert men vooral uit bij grotere aaneengesloten gebieden. Aangezien elk jaar nieuwe natuurterreinen worden aangekocht (ongeveer 1.000ha/jaar) bekomt men grotere aaneengesloten oppervlaktes en stijgt bijgevolg het aantal aangevraagde uitzonderlijke inrichtingswerken. + Duurzaam natuurbeheer uitvoeren in de gebieden in eigendom of in beheer In 2006 wordt verder gewerkt aan het inhalen van de achterstand met betrekking tot de opmaak van de beheersplannen van de aan te wijzen Vlaamse reservaten. Hiertoe werd in 2003 een nieuwe richtlijn uitgevaardigd. Deze richtlijn schakelt de inhoud van de beheersplannen van erkende en Vlaamse natuurreservaten gelijk waardoor versneld beheersplannen kunnen worden opgemaakt. Er gaat bijzondere aandacht naar de kwetsbare en/of zeldzame Europese en Vlaamse habitats en soorten. In de haven van Antwerpen (Linkeroever) gaan verscheidene activiteiten door voor het behoud en herstel van natuurwaarden. Beheersmaatregelen en natuurontwikkeling op Linkeroever worden verder gezet. In het kader van de duurzame instandhouding van de rugstreeppad (Bufo Calamites) binnen de zeehaven worden inrichtingswerken voorzien. Het integraal plan (inrichtingsplan en beheersvisie) voor KBR (Kruibeke-Basel-Rupelmonde) gaat in MER-procedure en wordt waar nodig aangepast. + Inrichting van de Natuurlijke Structuur Er zijn een 7-tal nieuwe projectgebieden waarbinnen nagegaan wordt of natuurinrichting kan toegepast worden. Men geeft prioriteit aan de verdere afwerking van natuurinrichtingsprojecten die zich in de uitvoeringsfase bevinden. Waar mogelijk koppelt men dan ook inrichtingswerken met andere lopende initiatieven (waterbeheer, natuurcompensatie). Daarnaast geeft men aandacht aan het achterstallig beheer van grote aaneengesloten gebieden in SBZ zoals het gebied Averbodebos en -heide - de vroegere Merodebossen. Inrichtings- en herstelmaatregelen door internationale projecten In het LIFEproject 'FEYDRA' loopt in 2006 de monitoringsstudie (tot 2008) nog voort en zal er opvolgbeheer van de grootschalige werkzaamheden gebeuren (maaibeheer, begrazing). Het project "Herstel van fossiele duinen aan de Vlaamse Kust" start op 1 januari 2006 en loopt tot 1 januari 2010. In 2006 worden de eerste natuurherstelwerken uitgevoerd en voorbereidende studies opgestart. Het projectvoorstel werd eind 2005 voor cofinanciering bij de Europese Commissie ingediend. Ook het LIFE-project ZENO werd eind 2005 ingediend bij de Europese Commissie. Het project zou na goedkeuring starten in juni 2007. In de haven van Zeebrugge wordt verder meegewerkt aan de uitbreiding van het Sternenschiereiland. + Park- en groenbeheer Op basis van IKONOS-beelden wordt stedelijk groen over heel Vlaanderen gedetecteerd. Het resultaat van het onderzoek naar de huidige functie van gebieden met een parkbestemming wordt in 2006 uitgebracht. Deze informatie wordt aangeboden aan lokale besturen omdat ze bruikbaar is voor het plannen en beheren van groen. Een pilot voor een parkenwebsite en geoloket wordt uitgevoerd. Dit laat toe dat ook burgers informatie over parken kunnen opzoeken. Een onderzoek moet een overzicht van de bestaande groenindicatoren geven en moet toelaten de bestaande indicatoren te optimaliseren. De onderzoeksresultaten moeten tevens informatie aanbieden in functie van het RSV II. Een plan van aanpak voor het uitwerken van doelstellingen groen in relatie tot ruimtelijke planning wordt uitgewerkt. In 2006 wordt rond het openbare park- en groenbeleid en -beheer een actieplan ontwikkeld, op basis van het beheerconcept "Harmonisch Park- en Groenbeheer". Men zal analyseren hoe men initiatieven op vrijwillige basis kan ondersteunen. Voor gemeenten wordt onder meer ook gekeken naar de samenwerkingsovereenkomst. Voor particulieren wordt het systeem van de groenbons geëvalueerd. De opmaak van beheerplannen voor de parkdomeinen in eigen beheer loopt verder. Pilootprojecten voor de opmaak van beheerplannen van andere eigenaars en andere type domeinen worden opgestart: campings, recreatiedomeinen en private eigendommen.


In 2006 wordt rond het openbare park- en groenbeleid en -beheer een actieplan ontwikkeld, op basis van het beheerconcept "Harmonisch Park- en Groenbeheer". Men zal analyseren hoe men initiatieven op vrijwillige basis kan ondersteunen. Voor gemeenten wordt onder meer ook gekeken naar de samenwerkingsovereenkomst. Voor particulieren wordt het systeem van de groenbons geëvalueerd. Tegen 2007 wordt gemikt op 150 gemeenten met een project "Harmonisch parkbeheer". De opmaak van beheerplannen voor de parkdomeinen in beheer van de afdeling Bos & Groen is lopende. Pilootprojecten voor de opmaak van beheerplannen van andere eigenaars en andere type domeinen worden opgestart: campings, recreatiedomeinen en private eigendommen. Project: Soortendiversiteit Herintroductie dat een wezenlijk deel uitmaakt van de visie rond soortenbeleid wordt verder uitgewerkt, in overleg met alle mogelijke betrokkenen. In 2006 worden 2 soortenbeschermingsplannen. Één voor de hazelmuis en één voor de visarend. Voor 2006 worden 2 Life-projecten voorbereid, met name voor de hamster en voor vleermuizen, als uitvoering van de desbetreffende soortenbeschermingsplannen. Ook de uitvoering van de soortenbeschermingsplannen das, gentiaanblauwtje, ooievaar en nachtzwaluw worden verder gezet in 2006. Ook aan de bescherming van de bever wordt nog de nodige aandacht besteed. De ontwerptekst voor het uitvoeringsbesluit wordt verfijnd waar nodig. Na de goedkeuring in 2006, kan gestart worden met vorming en sensibilisering. De uitwerking van pilootprojecten voor bestrijding van exoten wordt verder gezet. Het voornemen is om in 2006 te kunnen starten met terreinacties voor de bestrijding van de rosse stekelstaart. In samenwerking met het Platform voor Biodiversiteit en het KBIN wordt een internationale conferentie over exoten georganiseerd. De ontwerptekst voor het uitvoeringsbesluit wordt verfijnd waar nodig. We streven ernaar de publicatie die oorspronkelijk voorzien was in 2005, in 2006 rond te hebben. Daarna kan gestart worden met de vorming en sensibilisering. De uitwerking van pilootprojecten voor bestrijding van exoten wordt verder gezet. Het voornemen is om in 2006 te kunnen starten met terreinacties voor de bestrijding van de rosse stekelstaart. Ook zet men de bestrijding van de grote waternavel verder. In samenwerking met het Platform voor Biodiversiteit en het KBIN wordt een internationale conferentie over exoten georganiseerd. In 2006 worden de opvangcentra voor vogels en wilde dieren verder gesubsidieerd conform het Besluit van de Vlaamse regering van 4 juni 2004, houdende vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van Vlaamse opvangcentra voor vogels en wilde dieren en houdende toekenning van subsidies. Voor 2006 is er geen opmaak gepland. Project: Bosbeleid 10.000 ha bosuitbreiding realiseren Een aankoopprogramma 2006 voor bosuitbreiding wordt voorbereid. De te realiseren doelstellingen rond verwerving zijn uiteraard afhankelijk van de beschikbare middelen) Geplande projecten de projecten waar reeds een lokalisatiestudie voor werd uitgevoerd en de reeds deels gerealiseerde projecten (zowel stadsbos als overige) worden verdergezet. Indien opportuun en gesteund door een lokaal draagvlak zullen nieuwe projecten worden opgestart. De integratie van deze projecten in het proces 'afbakening van het buitengebied' wordt verdergezet. 'Instrumenten voor bosuitbreiding' en de ontwikkeling van een bos-o-meter (een permanente barometer inzake bosuitbreiding) worden uitgewerkt. Het Vlaamse bosbeleid bereidt tevens een studie voor die de beleidsvisie m.b.t. o.a. bosuitbreiding en compensatie verder wetenschappelijk onderbouwt als input voor het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen 2. De studie is een onderdeel van een grondigere studie naar de rol van het bos en de bosbouw in Vlaanderen (naar analogie met een gelijkaardige studie, verricht in 1991). Duurzaam bosbeheer uitvoeren in de gebieden in eigendom of in beheer De communicatie in kader van de nieuwe uitvoeringsbesluiten op het Bosdecreet , de uitvoering en de begeleiding hierbij van openbare en privé-bosbeheerders worden verdergezet. Erkende bosgroepen kunnen


beroep doen op een aantal subsidies. In combinatie met het besluit van de 'groenjobs' zullen een deel van deze subsidies aangewend worden voor onrendabele boswerkzaamheden uitgevoerd via sociale tewerkstellingsprojecten. Er wordt verdergewerkt aan de opbouw van een systeem van groepscertificering in Vlaanderen. In de provincie Limburg wordt een case opgezet met als kernpunt het Pijnven en omliggende andere openbare bossen. De doelstellingen voor de bosreservaten in 2006 zijn drieledig: de uitbouw van het bosreservatennetwerk, de beheerplanning en de monitoring. Men streeft naar een toename van de oppervlakte aan bosreservaat tot 2500 ha. Hieraan wordt tevens een kwalitatieve doelstelling gekoppeld om diverse bostypes die momenteel ondervertegenwoordigd zijn in het bosreservatennetwerk, het statuut bosreservaat toe te kennen. Men beoogt in 2006 tien beheerplannen af te ronden en de beheerplanning van de in 2005 erkende en aangewezen reservaten op te starten. Zeer goed ontwikkelde voorbeelden van de natuurlijke bostypes in Vlaanderen worden aan een langlopend monitoringonderzoek onderworpen, in dit kader zal de monitoring van 3 nieuwe bosreservaten worden opgestart in 2006. Project: Zorg voor natuur Er worden concrete maatregelen uitgewerkt om in de as 'landbeheer van PDPO II (Programmadocument Plattelandsontwikkeling 2007-2013) te brengen. Deze maatregelen moeten de werking met betrekking tot beheerovereenkomsten verder optimaliseren (eenvoudig voor de gebruiker, resultaatgericht, structurele monitoring,...) en de inhoudelijke mogelijkheden verder uitbreiden volgens de Europese accenten. Tot slot wordt verder werk gemaakt van een gezamenlijke informatiedoorstroming op maat van de landbouwer: gezamenlijke publicatie van 'Horizon' en de verdere uitbouw van een geĂŻntegreerd en interactief e-loket rond beheerovereenkomsten. Bosgroepen, WBE's, Regionale landschappen, ... zijn reeds vormen van samenwerking die de verweving van natuur- en bosbehoud met andere functies ondersteunen. Door middel van LIFEprojecten krijgt dergelijke samenwerking een bijkomende stimulans. Het LIFE-project DANAH (Defensie en Natuurherstel) brengt de samenwerking tot stand voor de planning en de uitvoer van het beheer van ca. 9500 ha natuur- en bosgebied op militaire domeinen. In het kader van het LIFE-project FEYDRA voor het herstel van duinen en het rivierestuarium IJzer worden natuurbehoud en recreatie op elkaar afgestemd. Met de sectoren toerisme en recreatie en landeigenaars wordt een samenwerkingskader ontwikkeld. Tegen midden 2006 wordt een samenwerkingsovereenkomst met Landelijk Vlaanderen ondertekend. Het ontwikkelen van een visie rond landgoederen kan hieraan bijdragen De specifieke communicatieacties voor de natuurrichtplannen worden verder gezet. Er wordt verder gewerkt aan de uitbouw van een gebruiksvriendelijk en informatief digitaal platform waardoor de dienstverlening naar de verschillende doelgroepen nog beter kan worden verzekerd. De toegankelijkheid van de natuurgebieden wordt geoptimaliseerd d.m.v. nieuwe borden, gebiedsfolders en extra aandacht binnen de nieuwsbrief. Eind 2006 wordt het draagvlakonderzoek afgerond en worden de resultaten ervan voorgesteld tijdens een symposium. Dit symposium 'samenwerken voor natuur' wordt ingepast binnen het ruimere overlegkader De integratie van de natuurzorgplicht in andere beleidsdomeinen wordt verder uitgebouwd in overleg met de betrokken actoren, onder meer door actualisering van de Codes goede praktijken. In 2006 zullen de provincies verder ondersteund worden om de visievorming rond en inrichting van de natuurverbindingsgebieden in een stroomversnelling te krijgen. Het initiatief tot de opmaak van een flexibeler, snellere en afgeslankte procedure voor de afbakening van natuurverbindingsgebieden en voor de opmaak van de natuurrichtplannen wordt verdergezet, resulterend in aanpassingen van de decretale bepaling en van de besluiten van de Vlaamse Regering ter zake. Bijkomend worden de provincies verder begeleid bij de bepaling van de prioritering van de natuurverbindingsgebieden. Dit zal gebeuren via de overlegstructuur 'overlegplatform NVBG', gezamenlijke terreinbezoeken en wetenschappelijk advies op maat. Actieplannen milieukwaliteit


In 2006 wordt gewerkt aan een overzicht van de andere maatregelen met betrekking tot natuurgerichte milieukwaliteit. De bedoeling is tegen 2007 voor de prioritaire gebieden van de natuurlijke structuur bijzondere milieukwaliteitsnormen in te stellen en maatregelen in te voeren om een milieukwaliteit te behalen die het mogelijk maakt de beoogde natuurdoelen te realiseren. De wetenschappelijke basis voor de uitwerking van gebiedsgerichte verscherping van de milieukwaliteitsnormen binnen de natuurlijke structuur is tevens essentieel voor de opmaak van natuurrichtplannen. Ecologische inpassing van de binnenvisserij Samen met de vertegenwoordigers van verschillende hengeldisciplines wordt gewerkt aan codes van goede praktijk.. Er wordt eveneens gewerkt aan een vereenvoudiging van de regelgeving om te komen tot een betere handhaving. Via overleg onder meer bij de opmaak van bekkenbeheerplannen wordt een afstemming nagestreefd met andere natuurgebruikers en natuurfuncties. Onder begeleiding van de visserijcommissies worden hengeltechnische infrastructuren en maatregelen op terrein gerealiseerd zoals herstel van paaizones, aanleg van hengelsteigers, afbakening hengelzones. Organisatie van de jagerij in wildbeheerseenheden (WBE) bevorderen In de loop van 2006 wordt de reglementering inzake de wildbeheereenheden aangepast. Zo wordt onder meer het totaal voorziene subsidiebedrag verhoogd, omdat erkende wildbeheereenheden niet langer het door de actuele reglementering bepaalde bedrag aan basis- en oppervlaktesubsidies voor de volle 100% ontvangen. Natuur- en bosgebieden toegankelijker maken In 2006 wordt een nieuw toegankelijkheidsbesluit verwacht met als voornaamste doelstelling een identieke regelgeving inzake toegankelijkheid aan te bieden voor de Vlaamse bossen en natuurreservaten (o.a. door een uniforme bebording). Voor de uitbouw van de toegankelijkheid van natuurreservaten gebeurt de subsidiĂŤring reeds onder de beheersubsidies, luik 'openstelling'. Voor bosgebieden dienen hiervoor specifieke subsidieaanvragen te gebeuren. Organisatie en planning natuurbeleid In het kader van de gebiedsspecifieke planningsprocessen en op basis van de communicatiestrategie wordt een grotere actieve betrokkenheid van doelgroepen nagestreefd door een participatorische aanpak te versterken. . Het kennissysteem over natuur wordt verder geoperationaliseerd. De monitoringsprogramma's worden verder toegespitst op de vereisten voor internationale rapporteringen, meer in bijzonder de speciale beschermingszones en de soorten van internationaal belang. Informatiesystemen worden gebiedsspecifiek aangevuld in functie van het uitwerken van de instandhoudingsdoelstellingen en natuurrichtplannen en/of beheerplannen. Op basis van een objectieve evaluatie van de instrumentenmix worden de middelen en inzet voor het natuur- en bosbeleid verder geoptimaliseerd en gebiedsgericht ingezet. Versterking deelname internationaal natuur- en bosbeleid Waar mogelijk wordt een actieve participatie in de besprekingen van de programma's van de conventies en overeenkomsten versterkt. Er wordt verder actief bijgedragen aan het proces voor harmonisering en stroomlijning van rapportering inzake biodiversiteit op internationaal en nationaal niveau. In het kader van het Vlaams Fonds Tropisch Bos wordt de tweede helft van de ontvangen projectvoorstellen (projectoproep gelanceerd in 2005) beoordeeld in 2006.


Gebiedsgericht beleid Verantwoordelijke:Egbert Asselman

Inleiding Het deel gebiedsgericht beleid behandelt enerzijds het beleid waarbij men de milieuproblemen aanpakt op het niveau van specifieke gebieden om er tot de specifiek vereiste milieukwaliteit te komen, en anderzijds het beleid met als doel een verbeterde afstemming tussen de (conflicterende) functies van het gebied te bewerkstelligen. Hierbij staat de inbreng en afweging in het kader van de ruimtelijke ordening tussen de diverse functies en doelstellingen van een gebied (leven, wonen, werken, vervoer, industrie, natuur...) en de milieudoelstellingen centraal. Wat betreft het buitengebied zal het inrichtingsinstrumentarium (landinrichting, ruilverkaveling en natuurinrichting) verder worden geoptimaliseerd en samen met de grondenbank en de beheerinstrumenten vraaggestuurd ingezet worden, vaak als onderdeel van ruimere projecten. Het stedelijk milieubeleid is enigszins nieuw. Vooral visievorming en pilootwerking staan centraal.

Opvolging van de plandoelstellingen Versterken en verbeteren van de milieukwaliteit en ruimtelijke kwaliteit in de beoogde gebieden door een gedifferentieerde aanpak van milieuproblemen en maatwerk op niveau van gebied

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Optimaliseren en afstemmen van het inrichtingsinstrumentarium voor het buitengebied. In 2005 werd gewerkt aan de optimalisatie van de inrichtingsinstrumenten. In de nieuwe visie op inrichting staat niet het inrichtingsinstrument centraal, maar de vraag. Elke vraag naar actie op het terrein wordt geanalyseerd en er wordt afgewogen welke instrumenten het meest efficiĂŤnt kunnen worden ingezet. Hierbij worden niet alleen de inrichtingsinstrumenten in overweging genomen, maar ook instrumenten van verwerving (onteigening, lokale grondenbanken...) of instrumenten van beheer (beheerovereenkomsten, steunmaatregelen,...). Bij deze analyse wordt bovendien afgewogen welk bestuursniveau best de verantwoordelijkheid opneemt. Op het einde wordt beslist of ĂŠĂŠn of meerdere instrumenten al dan niet worden ingezet. Meer en meer vormen inrichting, verwerving en beheer bovendien geen project meer op zichzelf, maar maken ze onderdeel uit van ruimere projecten. Voorbeelden hiervan zijn het flankerend beleid in het kader van het Schelde-estuarium en actualisatie Sigma-plan, Gentse Kanaalzone, Zeebrugge, Linkerscheldeoever (LSO) en RSO Antwerpen, Oosterweelverbinding, Parkbos, Blankaart,... De instrumenten zijn ook zo aangepast dat ze minder accent leggen op planvorming en voortraject, maar ook toelaten om uitvoering te geven aan elders ontwikkelde plannen. Bovendien worden ook meer en meer inrichtingsinstrumenten ingezet buiten de procedures natuurinrichting, ruilverkaveling en landinrichting, op basis van overeenkomsten (vb. Oosterweelverbinding). Ruilverkaveling werd geprofileerd als een vraaggestuurd en uitvoeringsgericht instrument voor plattelandsontwikkeling. Het wordt ook meer en meer ingezet om het flankerend beleid voor landbouw te ondersteunen. Dit flankerend beleid is erop gericht om de impact van overheidsinitiatieven (bv. havenuitbreiding, overstromingsgebieden, aanleg infrastructuur) op open-ruimtegebruikers te beperken. Landinrichting is vereenvoudigd en meer flexibel gemaakt (Besluit van de Vlaamse regering van 28 mei 2004). Zo wordt vooraf een planprogramma gemaakt voor een aantal inrichtingsprojecten. Het planprogramma voor de Gentse kanaalzone is als eerste in procedure gesteld. Ook voor natuurinrichting werd onderzocht hoe het instrument


snel uitvoering kan geven aan elders ontwikkelde visies. Vlaamse grondenbank en grondmobiliteit Een aangepast ontwerp van decreet Vlaamse Grondenbank werd door de Vlaamse regering principieel goedgekeurd. Dit decreet maakt het mogelijk dat alle overheden die ressorteren onder het beleidsdomein milieu vrijwillig beroep kunnen doen op de Vlaamse Grondenbank. Er werden verscheidene lokale grondenbanken opgericht: deze zorgen ervoor dat overheidsinitiatieven kunnen doorgaan met een beperking van de impact op openruimtegebruikers. Zo is vb. via een combinatie van een lokale grondenbank (om een aanbod van compenserende gronden te voorzien) en mogelijkheden die de ruilverkaveling biedt (o.m. gebruiksruil) een 'herstructurerings'-aanbod voor landbouw mogelijk. Een uniek loket (www.rechtvanvoorkoop) voor alle decretale rechten van voorkoop in het Vlaams Gewest werd operationeel gemaakt. Verdere uitbouw van het geintegreerd plattelandsbeleid : De Vlaamse regering heeft het Interbestuurlijk Plattelandsoverleg opgericht. In de schoot van het IPO en de drie ondersteunende werkgroepen (rond werken, wonen, collectieve ruimte) wordt een Vlaams Plattelandsbeleidsplan voorbereid. Voorstellen werden uitgewerkt om het geïntegreerd plattelandsbeleid vorm te geven in het Programmeringsdocument voor Plattelandsontwikkeling 2007-2013 (PDPOII). Hierdoor wordt niet alleen een belangrijk Europees accent concreet omgezet in Vlaanderen, maar wordt het ook mogelijk om voor de uitbouw van het plattelandsbeleid in Vlaanderen Europese middelen in te zetten. In 2005 werden in het kader van het PDPO I 80 projecten goedgekeurd. Vlaanderen voorziet hiervoor 10% medefinanciering. Bij de VLM werd een afdeling Platteland opgericht. Zij zorgden voor de tijdige goedkeuring van de provinciale plattelandsprojecten, zodat projectpromotoren snel duidelijkheid kregen over de toekenning van Europese subsidies. Daarenboven werd, door de creatie van een nieuw begrotingsartikel duidelijkheid geschapen over het budget aan Vlaamse subsidiëring van die projecten. Bovendien werden inrichtingsmaatregelen in het kader van landinrichting, ruilverkaveling en natuurinrichting mee gefinancierd. Stedelijk milieubeleid De ervaring heeft geleerd dat in het debat over de milieu- kwaliteit van onze steden een voorname plaats inneemt. Er ging veel aandacht naar de Europese initiatieven inzake stedelijk beleid, waar door de Vlaamse overheid werd gepleit voor een meer gebiedsgerichte aanpak. De cel Stedenbeleid organiseerde in 2005 een masterclass rond stedelijke voorbeeldprojecten. Diverse stedelijke ontwikkelingsprojecten werden bestudeerd. Het beleidsdomein Leefmilieu was actief betrokken bij de organisatie van deze reeks bijeenkomsten. De ontwikkeling van stadsbossen en het uitwerken van stedelijke projecten i.k.v. Harmonisch Park- en Groenbeheer werden positief onthaald. Concentratiegebieden van economische activiteiten In economische gebieden worden planprocessen met aandacht voor leefmilieuthema's doorlopen om lange termijnvisies en actieprogramma's op te maken. In 2005 voornamelijk in de poorten van Vlaanderen: de verschillende zeehavens en de luchthaven van Zaventem. Door middel van effectrapporten (milieu, veiligheid) of toetsen (natuurkwaliteit, watersysteem,...) werd inzicht opgebouwd in de milieu- en natuureffecten van een voorgesteld project. Daarnaast werden ook stappen gezet m.b.t. uitvoeringsmaatregelen. Zo werden in het ruimtelijk uitvoeringsplan dat de haven van Gent afbakent zones voorzien voor een efficiënte buffering. De bescherming van de aanwezige natuurkwaliteiten is een ander aandachtspunt Zo werd voor de locatiekeuze van nieuwe economische activiteiten in het Economisch Netwerk Albertkanaal rekening gehouden met de aanwezige natuurlijke structuren, zoals riviervalleien die het Albertkanaal kruisen. Er lopen tevens verschillende initiatieven m.b.t. individuele bedrijventerreinen. De administratie Economie heeft een handleiding voor het beheer van bedrijvenzones opgemaakt. Andere actoren, zoals de GOM West-Vlaanderen, trachten via voorbeeldprojecten aspecten van zuinig ruimtegebruik, kwalitatief groenbeheer,... te promoten. Onder meer via de planmilieueffectrapportage werd de relatie onderzocht tussen nieuwe economische ontwikkelingen en de luchtkwaliteit. Ondersteuning van gebiedsgericht werken van lokale overheden Begin 2005 zijn de eerste niveau-3 projecten van de Samenwerkingsovereenkomst met Provincies en Gemeenten goedgekeurd. Het betreft een project van de provincie West-Vlaanderen, waarbij in


de Oudlandpolder de aanwezige natuur en landbouw beter op mekaar worden afgestemd. Ook de gemeente De Panne heeft in de achterliggende polders een gebiedsgericht project opgestart waar een reeks van natuur- en mobiliteitsacties de kwaliteit van het gebied dient te versterken.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Huidige verwachtin g

Mijlpalen

Oorspronkelijke Status verwachting

Decreet inrichting in werking

2007 MIDDEN nieuw

Opstellen nieuw programmeringsdocument plattelandsontwikkeling

2006 2005 MIDDEN vertraag BEGIN d

Opstellen visie op het platteland en Vlaams plattelandsbeleidsplan

2005 EINDE

2006 vertraag BEGIN d

Uitbouw van indicatoren voor opvolging van kwaliteit en 2005 EINDE leefbaarheid van plattelandsgebieden

2006 vertraag MIDDEN d

Grondenbank is operationeel

2004 BEGIN

2006 vertraag EINDE d

Loket recht van voorkoop wordt uitgebouwd

2004 EINDE

2005 gerealis BEGIN eerd

Uitbouw consulteerbare databank (LMIS, landmanagementinformatiesysteem)

2006 2005 MIDDEN vertraag MIDDEN d

Goedkeuring samenwerkings - en afsprakennota tussen VLM en RL door beide partijen

2006 2005 MIDDEN vertraag EINDE d

Indicatoren

Realisati e 80 Aantal gefinancierde plattelandsprojecten per jaar (2005) Aandeel goedgekeurde plattelandsprojecten dat rechtstreeks bijdraagt tot het 20 milieubeleid (2005) 130 Aantal ha verworven via lokale grondenbanken (2005)

Doelstelli ng 70 (2006) 15 (2006) 260 (2006)

Aanpak jaar 2006 Project: Instrumenten voor het buitengebied Meer en meer maken de inrichtingsprojecten onderdeel uit van ruimere projecten. Zo biedt het instrument ruilverkaveling vb. ondersteuning voor de grove groententeelt in NO-Limburg in het kader van het Limburgplan. Ook voor natuurinrichting wordt onderzocht hoe het instrument snel uitvoering kan geven aan elders ontwikkelde visies: vb. het poject 'Averbode en heide' in het kader van De Merode. Het instrument wordt tevens vereenvoudigd. Landinrichting zal ook mee uitvoering geven aan de aanleg van Parkbos. De mogelijkheden van de vernieuwde procedure


landinrichting worden verkend: onder meer de planprogramma's Gentse Kanaalzone, De Merode, Brugs Ommeland, Plateau van Moorsel. Dit geldt ook voor het werken op basis van overeenkomsten. In het kader van het geactualiseerd Sigmaplan zijn belangrijke inspanningen nodig op het vlak van inrichting en van het flankerend beleid voor landbouw en plattelandsrecreatie. De werkzaamheden in het kader van de Gentse Kanaalzone, Zeebrugge , LSO en RSO Antwerpen en Oosterweelverbinding worden verder gezet. De inbreng in de uitbouw van de Seine-Schelde - verbinding wordt onderzocht. Op gemeentelijk niveau wordt onder meer gezorgd voor recreatieve ontsluiting van het overgangsgebied tussen het landelijke en het stedelijke gebied. Ook achterstallige beheermaatregelen of herstel van gebieden worden op projectmatige wijze aangepakt met het oog op een duurzaam natuurbeheer. Er wordt maximaal externe financiering gezocht en inrichtingsinstrumenten worden ingebracht in het Programmadocument Plattelandsontwikkeling 2007 - 2013 (PDPO II). Ook de mogelijkheden van PubliekPrivate Samenwerking worden onderzocht. Tot slot wordt de behoefte aan een decreet inrichting onderzocht. In het kader van PDPO I (Programmadocument voor Plattelandsontwikkeling) wordt in 2006 een status quo van de middelen nagestreefd voor Vlaamse co-financiering van de provinciale plattelandsprojecten en van de natuur- en bosmaatregelen. Bovendien is bijkomend â&#x201A;Ź750.00voorzien voor de financiering van de eerste Vlaamse plattelandsprojecten. De concrete maatregelen i.v.m. beheersovereenkomsten worden afgestemd met maatregelen bij het uitwerken van compenserende betalingen in Natura 2000gebieden. Tevens gebeurt een volledige afstemming op de voorwaarden van de cross compliance. Ook de maatregelen m.b.t. geĂŻntegreerd plattelandsbeleid van de Plattelandsverordening worden ingeschoven in PDPO II zodat ook daar een Europese cofinanciering gegarandeerd wordt. De maatregelen naar boseigenaars of private initiatieven inzake bosuitbreiding en -beheer zullen in 2006 een stevige groei kennen. Uitgewerkte maatregelen voor As3 van de Plattelandsverordening worden ingeschoven in PDPO II. Ook de financieringsmogelijkheden voor de beheerplanning en -uitvoering, herstelmaatregelen en opzetten van partnerschappen in het kader van het behoud van Natura 2000-gebieden en bosbehoud worden ingeschoven. Voor wat het leefmilieuluik betreft, zal ook het toekomstige hoofdstuk 'Landbouwmaatregelen' op de ingeslagen weg verdergaan. Ook bv. de diversificatie voor hoevetoerisme en zorgboerderijen zal blijven bestaan en wordt verder uitgewerkt. Om te kunnen overgaan in de nieuwe programmeringsperiode dienen in de loop van 2006 verschillende stappen te worden doorlopen. Allereerst dient werk te worden gemaakt van het uitschrijven van het Vlaams strategisch plan voor de periode 2007-2013. Hiervoor zal Vlaanderen zich inspireren op de Communautaire prioriteiten voor plattelandsontwikkeling van de Europese Landbouwraad. Volgende drie assen vormen de kapstok waaraan alle concrete prioriteiten en maatregelen moeten kunnen aan worden opgehangen: 1. Verbetering van de concurrentiekracht van de landtuin- en bosbouwsector; 2. Milieu en natuurverbetering 3. Diversificatie en leefkwaliteit. In 2006 neemt het Interbestuurlijk Plattelandsoverleg (IPO) zijn rol ten volle op in het plattelandsdebat. Daarom worden in de loop van 2006 een aantal pilootprojecten op touw gezet rond buurtwinkels, nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden voor de mensen en de organisaties binnen de Merode en een project rond hopteelt waarbij zowel de cultuurhistorische, economische als toeristische troeven worden uitgespeeld. Het IPO en de werkgroepen zullen het nieuwe Vlaamse plattelandsbeleidsplan mee voorbereiden. Het ontwerpdecreet Vlaamse grondenbank wordt voor goedkeuring in het parlement neergelegd. Voor de operationalisering wordt een Landmanagement-informatiesysteem uitgebouwd dat toegang geeft tot alle perceelsgebonden informatie. In het kader van PDPO I (Programmadocument voor Plattelandsontwikkeling) wordt in 2006 een status quo van de middelen nagestreefd voor Vlaamse co-financiering van de provinciale plattelandsprojecten en van de natuur- en bosmaatregelen. Bovendien is bijkomend â&#x201A;Ź750.000 voorzien voor de financiering van de eerste Vlaamse plattelandsprojecten. De concrete maatregelen i.v.m. beheersovereenkomsten worden afgestemd met maatregelen bij het uitwerken


van compenserende betalingen in Natura 2000-gebieden. Tevens gebeurt een volledige afstemming op de voorwaarden van de cross compliance. Ook de maatregelen m.b.t. geĂŻntegreerd plattelandsbeleid van de Plattelandsverordening worden ingeschoven in PDPO II zodat ook daar een Europese cofinanciering gegarandeerd wordt. De maatregelen naar boseigenaars of private initiatieven inzake bosuitbreiding en -beheer komen nu pas goed op gang en zullen in 2006 een stevige groei kennen. Uitgewerkte maatregelen voor As3 van de Plattelandsverordening worden ingeschoven in PDPOII (Programmadocument Plattelandsontwikkeling 2007-2013) zodat een Europese cofinanciering voor maatregelen van plattelandsbeleid in Vlaanderen gegarandeerd wordt in die periode. Ter voorbereiding van het PDPO II (2007-2013) wordt vanuit leefmilieu een gecoĂśrdineerde insteek voorbereid. Financieringsmogelijkheden voor de beheerplanning en -uitvoering, herstelmaatregelen en opzetten van partnerschappen in het kader van het behoud van Natura 2000-gebieden en bosbehoud worden ingeschoven. Voor wat het leefmilieuluik betreft zal ook het toekomstige hoofdstuk 'Landbouwmaatregelen' op de ingeslagen weg verdergaan. Via het aanbod van verschillende combinaties van beheerspakketten zal ook in de toekomst de landbouwer gestimuleerd worden om een extra inspanning te leveren waardoor een hogere kwaliteit voor milieu en natuur bereikt wordt dan de basismilieukwaliteit voor natuur en milieu. Het Programma voor plattelandsontwikkeling moet echter ook voldoende alternatieven blijven bieden voor de land- en tuinbouwers die hun basisinkomen willen uitbreiden en nieuwe horizonten willen opzoeken. Zo zal vb. diversificatie voor hoevetoerisme en zorgboerderijen blijven bestaan en verder worden uitgewerkt. Om op 1 januari naadloos te kunnen overgaan in de nieuwe programmeringsperiode dienen in de loop van 2006 verschillende stappen te worden doorlopen. Allereerst dient werk te worden gemaakt van het uitschrijven van het Vlaams strategisch plan voor de periode 2007-2013. Hiervoor zal Vlaanderen zich inspireren op de Communautaire prioriteiten voor plattelandsontwikkeling die voor de Europese Landbouwraad in november 2005 principieel werden aangenomen. Het Vlaams strategisch plan zal het referentiekader vormen bij de opstelling van het Vlaams programma voor plattelandsontwikkeling. Volgende drie assen vormen de kapstok waaraan alle concrete prioriteiten en maatregelen moeten kunnen aan worden opgehangen: 1. Verbetering van de concurrentiekracht van de land- tuin- en bosbouwsector; 2. Milieu en natuurverbetering 3. Diversificatie en leefkwaliteit In 2006 neemt het Interbestuurlijk Plattelandsoverleg (IPO) zijn rol ten volle op in het plattelandsdebat. Daarom worden in de loop van 2006 een aantal pilootprojecten op touw gezet rond buurtwinkels, nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden voor de mensen en de organisaties binnen de Merode en een project rond hopteelt waarbij zowel de cultuurhistorische, economische als toeristische troeven worden uitgespeeld. Het IPO en de werkgroepen zullen ook het nieuwe Vlaamse plattelandsbeleidsplan mee voorbereiden. Het ontwerpdecreet Vlaamse grondenbank wordt voor goedkeuring in het parlement neergelegd en, na goedkeuring, verder operationeel gemaakt. Hiervoor wordt een Landmanagementinformatiesysteem uitgebouwd dat toegang geeft tot alle perceelsgebonden informatie. Op vraag worden lokale grondenbanken ingesteld om de impact van (overheids)initiatieven (havenuitbreiding, aanleg infrastructuren, bosuitbreiding, natuurontwikkeling,...) op grondgebruikers (meestal landbouwers) te beperken. Project: Stedelijk milieubeleid Het project stedelijk milieubeleid wordt geherdefinieerd. De aanpassing van de scope van het project wordt intern besproken en getoetst met andere beleidsdomeinen, beleidsverantwoordelijken en de steden zelf. Basis voor deze heroriĂŤntering kan de studie 'Stimuleren van duurzaamheid in het ruimtelijke instrumentarium' zijn. Doelstelling van de studie is om, specifiek voor de stedelijke gebieden, na te gaan welke milieuaspecten kunnen ingepast worden in stedenbouwkundige voorschriften of verordeningen,... Aanvullend wordt ook de relatie stedelijk groen en ruimtelijke planning onderzocht. Deze studies zullen tevens een evaluatie van het stedelijk beleid in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen inhouden en een


inputdocument stedelijk milieubeleid aanleveren voor een nieuw RSV II. Het project heeft vooral als doel om algemene milieuaspecten te vertalen naar de typische stedelijke context. Het stedelijk ontwikkelingsproject Spoor Noord in Antwerpen kan als voorbeeldproject voor stedelijke ontwikkelingen gepromoot worden. Andere voorbeeldprojecten van duurzame stedelijke ontwikkeling zijn Gent FNO-park, Aalst Parktuin Schelfthout en Eeklo De Melkweg. De denktank stedelijk beleid wordt (intern) geëvalueerd De denktank stedelijk beleid wordt (intern) geëvalueerd, zowel inzake samenstelling als in scope. Er wordt gezocht naar een duidelijke meerwaarde voor de diverse betrokkenen uit het leefmilieudomein. Regionale Landschappen afstemmen op gebiedsgerichte instrumenten Naast de herziening van de procedure voor de hererkenning van de Regionale Landschappen, wordt de toekomst van de Regionale Landschappen geherdefinieerd. De focus van deze projecten zal worden vastgelegd. In elk geval moet de opdracht van een regionaal landschap vanuit het natuurbeleid duidelijker worden zodat de projecten opgevolgd en geëvalueerd kunnen worden. Het uitvoeringsbesluit op de Regionale Landschappen zal in die zin worden gewijzigd. Concentratiegebieden van economische activiteiten In 2006 zal gewerkt worden rond visievorming en uitvoeringsacties in de verschillende Vlaamse zeehavens, het Economisch Netwerk Albertkanaal,... Voor de coördinatie van prioritaire en complexe werkzaamheden werden afzonderlijke gebiedsorganisaties opgericht: Proses voor het Schelde-estuarium en BAM voor de uitvoering van het masterplan mobiliteit in Antwerpen. Het is zaak om ook hier het milieubelang actief te bewaken. In 2006 zal extra aandacht besteed worden aan de thematiek van het veiligheidsbeleid inzake transport en van een efficiënt hinderbeleid (geluid, geur, licht). Met name de ruimtelijke gevolgen ervan dienen in kaart gebracht te worden. Ondersteuning van gebiedsgericht werken van lokale overheden In de loop van 2005 werden onderhandelingen gevoerd met de provincie West-Vlaanderen en de stad Antwerpen om nieuwe niveau-3 projecten van de samenwerkingsovereenkomst met de steden en gemeenten op te starten. Het valt te verwachten dat begin 2006 deze nieuwe niveau-3 projecten kunnen opgestart worden. Het betreft de Leievallei (Kortrijk, Wervik, Menen, Wevelgem), waar de verweving tussen economische activiteiten en de open ruimte (landbouw, parken, landschap,...) centraal staat. De provincie West-Vlaanderen wil in het Interfluviumgebied tussen Schelde en Leie acties uitvoeren m.b.t. landschappen, landbouw en natuur. In Antwerpen worden een aantal acties van het stadsontwikkelingsproject Spoor Noord ondersteund. De creatie van een 18 ha. groot parkgebied zal een structurele versterking betekenen voor de aanpalende dicht bevolkte woongebieden. De principes van het Harmonisch Park- en Groenbeheer vormen het toetsingskader. In de loop van 2006 zullen onderhandelingen lopen met andere niveau-3 kandidaten zoals o.m. de stad Gent en de Intercommunale IGEMO.


Actoren: doelgroepen Verantwoordelijke:Johan Bogaert

Inleiding Het Vlaamse natuur- en milieubeleid stelt nieuwe uitdagingen voor vele doelgroepen. Hoewel het beleidsdomein leefmilieu en natuur reeds op vele terreinen intensief interageert met de doelgroepen blijft de behoefte om dit op een sterker gecoördineerde en meer consistente wijze te doen zodat de betrokkenheid meer bevredigende resultaten oplevert, zowel voor de doelgroep als voor de milieuoverheid, en dit bij de voorbereiding en uitvoering van het beleid. Het nieuwe Milieubeleidsplan bouwt in deze verder op 'Het uitbouwen van een organisatiestructuur voor het doelgroepenbeleid' (actie uit het MINA-plan 2). Het project 'Beter Bestuurlijk Beleid' heeft deze actie in 2002-2003 versterkt door de grondslag te leggen voor een structurele verankering van een gecoördineerd doelgroepenbeleid.

Opvolging van de plandoelstellingen Via een optimale betrokkenheid van doelgroepen en andere maatschappelijke actoren het draagvlak voor het beleid en de inhoudelijke kwaliteit van de beleidsinstrumenten verhogen

Een grotere responsabilisering en verinnerlijking van de milieuverantwoordelijkheden door de doelgroepen bereiken De milieubelasting van de sectoren waarvoor in de planperiode een actief doelgroepenbeleid werd verder gezet op opgezet, verminderen en daarmee bijdragen tot de thematisch vastgelegde milieudoelstellingen (doeltreffendheid beleid verhoogt)

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Het accent van de uitvoering van dit project van het Milieubeleidsplan lag in de eerste fase volledig op de doelgroepen industrie, landbouw en consumenten. Binnen de Vlaamse milieuoverheid werkten werkgroepen voorstellen uit ter concretisatie van het doelgroepenbeleid voor de industrie en voor de landbouw. Deze voorstellen werden overlegd met de vertegenwoordigers van deze doelgroepen. Het resultaat ervan werd ingediend bij de adviesraden SERV, Mina en VLTR. Voor het verruimen van een gestructureerd doelgroepenbeleid naar de consumenten werden na een omgevingsanalyse, verkennende gesprekken gevoerd bij zowel doelgroeporganisaties als de betrokken overheidsdiensten om naar hun verwachtingen/mogelijkheden in dit kader te peilen. Dit resulteerde in een eerste overlegvergadering waarop een plan van aanpak verder geconcretiseerd werd. Ook andere actoren zoals vakbonden en leefmilieu- en natuurverenigingen werden geïnformeerd en geconsulteerd over het doelgroepenbeleid en andere aspecten van participatie. De ervaring met 2 industriële pilootsectoren leidde tot concrete aanbevelingen voor de ontwikkeling van het doelgroepenbeleid industrie. Met de pilootsector voedingsnijverheid werd via intensief overleg een doelgroepprogramma ontwikkeld als instrument voor een geïntegreerd milieubeleid op maat van de doelgroep. Voorafgaand werden zowel de milieudruk als de milieubeleidsdoelstellingen op niveau van de sector in kaart gebracht. De invoering van BBB zal voor een nieuwe uitdaging zorgen door wijzigingen in de overlegstructuren. Zo zal het beleidsveld energie eveneens


betrokken worden bij het doelgroepenbeleid. Recenter gaat er ook meer aandacht uit naar de dienstverlenende rol van de cel doelgroepenbeleid om medewerkers van het beleidsdomein te assisteren bij het in praktijk brengen van doelgroepenbeleid. (www.mina.be/doelgroepenbeleid.html)

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke Status verwachting

Goedkeuring leidinggevenden beleids- en implementatieplan 'industrie' en 'landbouw'

2004 EINDE

Huidige verwachtin g

2006 vertraag BEGIN d

Prioritaire doelgroepen voor verruimen van gestructureerd 2006 2004 MIDDEN vertraag doelgroepenbeleid geïdentificeerd EINDE d Start uitvoering door beleidsraad goedgekeurde acties 2006 EINDE nieuw consumenten Start uitvoering door beleidsraad goedgekeurde acties 2006 MIDDEN nieuw industrie Start uitvoering door beleidsraad goedgekeurde acties 2006 MIDDEN nieuw landbouw Communicatiestrategie goedgekeurd voor één 2004 EINDE verlaten operationele doelgroep Doelgroepprogramma ondertekend door doelgroep 2006 BEGIN nieuw industrie-voedingsnijverheid Formulering aanbeveling op basis van de evaluatie van het 2006 MIDDEN nieuw pilootproject voedingsnijverheid IMA versie 2 voedingsnijverheid goedgekeurd 2006 EINDE nieuw Pilootproject afgerond en geëvalueerd door betrokkenen

2004 EINDE

2005 gerealis EINDE eerd

Verdiepingsfase pilootproject (toetsing model IMA-IMT2004 EINDE DGP) uitgevoerd

2005 gerealis EINDE eerd 2006 MIDDEN nieuw 2006 MIDDEN nieuw 2006 MIDDEN nieuw

Aanstelling doelgroepcoördinator consumenten Aanstelling doelgroepcoördinator industrie Aanstelling doelgroepcoördinator landbouw Interne nota als basis voor beheersovereenkomsten is 2006 MIDDEN nieuw opgesteld Ontwerp van afsprakennota i.v.m. aanpak beleidsinteractie 2006 MIDDEN nieuw met doelgroep landbouw Betrokkenheid van de doelgroep "verkeer en vervoer" is geanalyseerd Document overzicht inspraakkanalen voor het brede publiek is opgesteld Intern informatiebestand is omgezet in een gebruiksvriendelijk en toegankelijk bestand

2004 EINDE

gerealis eerd

2004 EINDE

verlaten

2007 EINDE

nieuw


Interne communicatie m.b.t. portfolio opgebouwde kennis 2006 EINDE en dienstverlening heeft plaatsgevonden Toelichting/vorming m.b.t. de handleiding "betrekken van 2007 EINDE doelgroepen" Indicatoren Aantal vragen voor assistentie bij doelgroepeninteractie

nieuw

Realisatie

Doelstelling 12 (2006)

Aanpak jaar 2006 Project: Doelgroepenbeleid Dienstverlenende activiteiten naar interactieprocessen met doelgroepen vanuit de verschillende milieu-instanties krijgen een ruimere plaats in het gamma activiteiten van het team. 2006 wordt ook het eerste jaar voor de uitvoering van de acties 'doelgroepenbeleid industrie' en 'doelgroepenbeleid landbouw' na de eindevaluatie van het pilootproject met de voedingsnijverheid en de staalindustrie. Wat de doelgroep consumenten betreft, zal werk gemaakt worden van de afspraken die gemaakt werden op een overlegforum in het najaar 2005. Hiervoor wordt de definitieve goedkeuring door de Beleidsraad afgewacht. Op 1 januari 2006 start de transitie van het beleidsdomein in het kader van BBB. Verruimen van gestructureerd doelgroepenbeleid Op basis van het gegeven uit de beleidsnota van de minister dat '' …in de toekomst zal worden nagegaan hoe het doelgroepenbeleid moet worden verankerd en of moet worden overgegaan tot een verruimde en veralgemeende werking naar een aantal doelgroepen …" zal in 2006 een nieuwe strategie worden ontwikkeld. Industrie en Landbouw De bestaande voorstellen van concrete acties (rond drie basisprocessen, nl.:overheidsinterne samenwerking en overleg t.a.v. die doelgroep, kennisopbouw, en organisatie van de betrokkenheid van de doelgroep bij het beleid) worden, na omzetting in een implementatieplan voor het beleidsdomein, uitgevoerd. Met de goedkeuring van het implementatieplan wordt gewacht op de invoering van BBB. In de definitieve tekst wordt rekening gehouden met de adviezen van de betrokken adviesraden. Voor de doelgroep landbouw wordt samenwerking gezocht met het beleidsdomein Landbouw en Visserij. Deze samenwerking moet resulteren in een afsprakennota. Vanuit doelgroepenbeleid wordt ook aandacht besteed aan de relatie tussen het adviesstelsel en het overlegstelsel. Consumenten De resultaten van de vergaderingen van 2005 zullen in 2006 basis vormen van een reeks acties. Deze worden tegen het einde van 2006 voorgelegd aan de beleidsraad. Na een het gemeenschappelijk info- en overlegmoment voor de middenveldsorganisaties (2005) wordt bepaald waar de focus ligt bij het optimaliseren van de betrokkenheid van de doelgroep bij het Vlaamse milieubeleid. Er wordt ook gewerkt aan de verbetering van de beleidscommunicatie naar de respectieve doelgroepen. Verdere verfijning doelgroepenbeleid Voedingsnijverheid Indien het test 'doelgroepprogramma' positief wordt beoordeeld, zal het Doelgroepprogramma voedingsnijverheid begin 2006 onder de vorm van een intentieverklaring worden ondertekend door de minister en de sectorvertegenwoordigers van de voedingsnijverheid (FEVIA-Vlaanderen en UNIZO). De uitvoering van de afspraken is gepland in de periode 2006 tot 2010 (o.a. de goedkeuring van IMA versie 2). Zodra het doelgroepprogramma afgewerkt is, wordt gestart met de eindevaluatie van het pilootproject voeding. Staalindustrie De in 2005 goedgekeurde aanbevelingen van de eindevaluatie worden uitgevoerd. De uitwerking van de maatregel 'efficiënter maatwerk door specifieke doelgroepkennis uit te breiden' wordt vooral gericht op prioritaire sectoren. De ontwikkeling van een geïntegreerde communicatiestrategie voor een prioritaire doelgroep zal gebeuren voor de landbouw. Organisatorische voorwaarden doelgroepenbeleid vervullen. Binnen het nieuwe departement zal een doelgroepcoördinator worden aangesteld voor elk van de hoofddoelgroepen industrie, landbouw en consumenten. De doelgroeporganisaties zullen worden geïnformeerd over acties


relevant voor hun doelgroep en kunnen bij de doelgroepcoรถrdinatoren terecht voor informatie over de wijze waarop ze bij de beleidsontwikkelingen worden betrokken. Deze personen zorgen ook voor de organisatie van het nodige intern en extern overleg. In het departement staat een centrale entiteit 'informatie, milieu-integratie, subsidies', met aanspreekpunten of doelgroepverantwoordelijken in voor de coรถrdinatie van communicatie en interactie. Verder zal de reorganisatie de drijfveer vormen voor de realisatie van een coherent advies- en overlegstelsel met complementaire rollen voor de strategische adviesraad, de andere adviesorganen en de overlegfora. Er zal ook een insteek gegeven worden voor de beheersovereenkomsten van de agentschappen. De onderzoeksresultaten zullen in het laatste jaar van het Steunpunt Milieubeleidswetenschappen (2006) worden samengebracht in een vorm die door de overheid verder kan gevaloriseerd worden. Opvolgen en afstemmen van reeds bestaand doelgroepenoverleg De manier en mate van uitvoering van de dienstverlenende activiteiten (o.a. vragen voor assistentie bij doelgroepinteractie) is in sterke mate afhankelijk van de vorm die de cel Doelgroepenbeleid vanaf 1 januari 2006 zal aannemen. De stuurgroep (STUDOE) zal op het geschikte moment betrokken worden bij de keuzes die als gevolg hiervan zullen gemaakt worden. In 2006 wordt werk gemaakt van de actualisatie van het intern informatiebestand, een communicatie over de portfolio van de opgebouwde kennis en dienstverlening, een handleiding "betrekken van doelgroepen" en een toelichting/vorming over de handleiding "betrekken van doelgroepen"


Actoren: burgers Verantwoordelijke:Marc De Decker

Inleiding Via de parlementaire representatie heeft de burger een stem in het beleid. Toch is dit maar een heel beperkte manier om de burger te betrekken bij het beleid en het te legitimeren. Daarom doet de overheid extra inspanningen, ze vraagt de mening van de burger en stimuleert zijn betrokkenheid en participatie door bijkomende instrumenten in te zetten: inspraakprocedures voor bepaalde plannen en instrumenten, adviesraden op gemeentelijk vlak, enquĂŞtes, referenda, comitĂŠs met omwonenden voor bepaalde gebiedsgerichte instrumenten (ruilverkaveling, landinrichting), informatie (openbaarheid van beleid), medewerking op basis van vrijwilligheid, partnerschap, enzovoort. De voorbije planperiode stond vooral in het teken van de omzetting van het verdrag van Aarhus. Naar de toekomst toe zal dit verdrag verder getoetst worden aan de verschillende inspraakmogelijkheden bij het Vlaamse milieubeleid. Naast deze juridische vorm van participatie zal er ook gezocht worden naar meer interactieve vormen van beleidsvorming. Verschillende experimenten zullen worden opgezet of verdergezet.

Opvolging van de plandoelstellingen Het draagvlak voor het milieubeleid en de kwaliteit van het beleid verhogen

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Na de goedkeuring van het Milieubeleidsplan 2003-2007, werd een communicatiecampagne opgestart. Weliswaar is deze niet zo grootschalig als bij het openbaar onderzoek. Er werd gekozen voor een beperkt aantal gerichte producten, zoals een synthese van het plan en een aantal doelgroepgerichte brochures. De brochure voor de doelgroep consumenten werd eind 2004-begin 2005 gepubliceerd en verspreid. De brochure voor de doelgroep landbouw werd voorbereid, maar de afwerking ervan liep vertraging op. Inmiddels werd gestart met de voorbereiding van de brochure voor de doelgroep industrie op basis van een uitvoerige bevraging van 48 organisaties (federaties en koepels). In het kader van het verdrag van Aarhus werd de inventaris van procedures met een openbaar onderzoek/inspraak geactualiseerd. Een TWOLstudie onderzocht de juridische aspecten van het participatieluik van het verdrag van Aarhus voor programma's en plannen. De omzetting van de eerste pijler van het Verdrag van Aarhus (toegang tot informatie, inspraak en toegang tot de rechter) en de richtlijn m.b.t. toegang van het publiek tot milieu-informatie, werden geregeld in het decreet van 26 maart 2004 betreffende openbaarheid van bestuur. Een uitvoeringsbesluit focust op het verspreiden van milieuinformatie via elektronische wijze. Een workshop "interactief beleid" werd voorbereid en vond plaats in april 2005. In workshops werd een selectie Vlaamse initiatieven voorgesteld en interactief besproken. De deelnemers kregen hierbij een duidelijk beeld van de lopende initiatieven en de gebruikte methoden. In parallelle werkgroepen, en plenair, konden de deelnemers mee nadenken over het beleid rond participatie. De workshop vormde ook de start van de vorming van een netwerk van experten rond participatief beleid.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke

Status

Huidige


verwachting

verwachting

Interne evaluatie openbaar onderzoek Milieubeleidsplan 2003-2005 opgemaakt

2005 MIDDEN

2006 vertraag MIDDEN d

Inventaris van beleidsprocessen met inspraakprocedure is afgewerkt

2004 BEGIN

gerealis eerd

Lijst met te ontsluiten info i.k.v. toepassing van het verdrag van Aarhus klaar

2006 MIDDEN

nieuw

TWOL-studie juridische aspecten participatieluik Aarhus afgerond

2005 EINDE

gerealis eerd

Uitvoeringsbesluit openbaarheidsdecreet gepubliceerd

2006 BEGIN

gerealis eerd

Brochure over Milieubeleidsplan voor doelgroep industrie gepubliceerd

2005 MIDDEN

2006 vertraag MIDDEN d

Brochure over het Milieubeleidsplan voor doelgroep 2005 BEGIN landbouw gepubliceerd

2006 vertraag BEGIN d

Website 'www.milieubeleidsplan.be' vernieuwd en geactualiseerd

2006 MIDDEN

nieuw

Afwerken internationale/ nationale case interactief beleid

2004 EINDE

2006 vertraag BEGIN d

2006 MIDDEN

nieuw

2006 BEGIN

nieuw

Beleidstekst interactieve beleidsvorming is goedgekeurd Draaiboek interactieve besluitvorming is afgewerkt

Aanpak jaar 2006 Openbaar onderzoek en inspraakprocedures gewestelijk MBP In het kader van de TWOL-studie betreffende de juridische aspecten van het pariticipatieluik van het Verdrag van Aarhus, wordt ook onderzocht of pariticipatie in een eerder stadium kan georganiseerd worden dan momenteel het geval is en onder welke voorwaarden dat kan gebeuren. Deze studie werd eind 2005 afgerond worden, zodat de conclusies in de loop van 2006 kunnen worden onderzocht. De studie bevat ook een luik rond het Milieubeleidsplan. Inspraakprocedures bij andere beleidsinstrumenten De TWOL-studie naar de juridische aspecten van de implementatie van de participatiepijler van het Verdrag van Aarhus voor programma's en plannen werd eind 2005 afgerond. Gelijklopend en aansluitend hieraan wordt verder gewerkt aan de implementatie van het Verdrag. De bedoeling is dat hieruit aanbevelingen worden geformuleerd voor diverse plannen en programma's. De inventaris van beleidsprocessen waarbij inspraak vereist is wordt permanent geactualiseerd. Mogelijk volgen ook aanpassingen aan bestaande procedures, ten gevolge van het Verdrag van Aarhus. Het uitvoeringsbesluit over de verspreiding van milieu-informatie bevat nog enkele knelpunten die begin 2006 worden uitgeklaard, maar de voorbereidingen om de websites aan de te passen zijn gestart. De milieu-informatie moet geleidelijk beschikbaar gesteld worden in elektronische gegevensbanken die voor de bevolking makkelijk toegankelijk zijn via openbare telecommunicatienetwerken.


Informatieverstrekking rond voortgang beleid De voorbije 2 jaren werd voornamelijk gecommuniceerd rond het nieuwe milieubeleidsplan. De brochure voor landbouw wordt begin 2006 gepubliceerd. Voor de verspreiding ervan zal overleg plaatsvinden met de vertegenwoordigende organisaties van de doelgroep. Voor de (voornamelijk overheids-interne) communicatie rond de uitvoering, wordt de mogelijkheid van een (elektronische) nieuwsbrief onderzocht. Ook andere communicatiemiddelen zullen worden aangesproken De website www.milieubeleidsplan.be zal continu worden geactualiseerd, en verder worden uitgebouwd. Experimenten met interactieve beleidsvorming opzetten De bevindingen van de workshop "interactief beleid" worden in een beleidstekst verwerkt. De case rond natuurrichtplannen zal verder worden opgevolgd door het Steunpunt Milieubeleidswetenschappen. Twee provincies met een verschillende procesbegeleiding worden vergeleken.


Actoren: maatschappelijke organisaties Verantwoordelijke:Katleen De Paepe

Inleiding Maatschappelijke organisaties vervullen een belangrijke scharnierfunctie tussen de overheid en de burger. In dit hoofdstuk komen vooral de milieu- en natuurverenigingen aan bod. Ook de thematische verenigingen die zich bezig houden met ruimere en aanverwante thema's zoals duurzame ontwikkeling of duurzaam bouwen worden behandeld. Dergelijke verenigingen spelen een actieve rol in het beleid. De overheid ondersteunt hun werking met subsidies.

Opvolging van de plandoelstellingen De actieve rol van de milieu- en natuurverenigingen versterken binnen het natuur- en milieubeleid Maatschappelijke organisaties bij het beleid betrekken

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 De tweede fase van de samenwerkingsovereenkomsten 2005-2007 werd op 28 mei door de Vlaamse regering goedgekeurd. Verder werd uitvoering gegeven aan het besluit inzake de erkenning en subsidiĂŤring van verenigingen en aan het besluit inzake projectmatige ondersteuning. Aandacht ging ook naar het betrekken van socio-economische verenigingen bij het beleid, in de eerste plaats door ondersteuning van de milieuwerking van de vakbonden. Voor volwassenen werd een cursisten- en documentenmap ontwikkeld voor NME-aspecten in basiseducatie. Daarnaast werd ook het jeugdwerk gestimuleerd en ondersteund om milieusparender aan de slag te gaan. De publicatie 'Groenvoer voor jeugd' (Jerom) en 'de nacht van de energievreters' (Ecospot) kaderen hierbinnen. Tot slot werd ook de NME-inventaris werd verder bekend gemaakt naar volwassenen, socio-culturele en andere organisaties.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

overeenkomst BBL/VODO verlengd door Vlaamse Regering

2004 MIDDEN

Inventaris subsidies socio-culturele organisaties 2004 EINDE afgewerkt Inventaris relevante actoren

2006 MIDDEN

Status

Huidige verwachting

gerealisee rd gerealisee 2005 MIDDEN rd nieuw

Aanpak jaar 2006 Project: Samenwerking met maatschappelijke organisaties De in het kader van het milieuprojectenfonds ingediende projecten zullen beoordeeld worden. De eerste projecten starten op 1 september 2006 Het jaarplan 2006 van de samenwerkingsovereenkomst met BBL en VODO 2002-2004/20052007 wordt besproken en opgevolgd in een interne werkgroep


Jeugdbewegingen krijgen instrumenten en stimulansen aangereikt om milieuvriendelijk op kamp te gaan. De website met contactgegevens van lokale boeren waar jeugdgroepen verse hoeveproducten kunnen kopen, wordt gelanceerd. In 2006 worden minimaal 10 jeugdhuizen begeleid bij de opstart van een milieuzorgproject (ecoscans), in kader van het project 'Ecospot, milieuzorg in het jeugdhuis'. Na afloop (midden 2006) komt er een evaluatie van het gehele project. In het kader van het Gemeenschappelijk Jaarthema Duurzame Ontwikkeling bij het jeugdwerk wordt een instrument ontwikkeld om de milieu-impact van een meerdaagse uitstap of een activiteit van een jeugdgroep te meten. Tevens wordt de samenwerking tussen NME-sector en sociaal-cultureel volwassenwerk aangemoedigd door concrete projecten. Na aftoetsing van de noden en mogelijkheden m.b.t. lesgevers NME wordt de ontwikkeling verkend van een online databank met beschikbare ĂŠn professionele lesgevers. Er komt een actievere bevraging van de verschillende instanties m.b.t. de samenwerking met verenigingen met oog op de opmaak van een inventaris. Het uitwisselen van informatie tussen deze verschillende aanspreekpunten zal worden gestimuleerd. De projectorganisatie zal op basis hiervan - indien nodig - ook worden bijgestuurd.


Interne en externe integratie binnen de Vlaamse overheid: organisatie Inleiding Hier wordt de klemtoon gelegd op de organisatorische en structurele aspecten van integratie. In dit licht is ook de nakende hervorming van de Vlaamse administratie belangrijk.

Opvolging van de plandoelstellingen Verbeteren van de samenwerking tussen de administratieve entiteiten in het beleidsdomein Leefmilieu en Natuur Verhogen van de samenwerking met de andere beleidsdomeinen binnen de Vlaamse bevoegdheid

+

+/-

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Het uitvoeringsnetwerk voor het MINA-plan 3 functioneerde goed. Dit punt komt verder aan bod in het project 'Planningscyclus' in het deel 'Instrumenten'. Er werd gewerkt aan de interdepartementale integratie via de overlegfora over gezondheid, economie, ruimtelijke ordening, interne milieuzorg en sinds 2005 ook over duurzame ontwikkeling. Bij de vorming van de nieuwe regering in 2004 werd de bevoegdheid voor 'duurzame ontwikkeling' immers bij de minister-president gelegd. Verdere informatie is te vinden in het hoofdstuk 'Externe integratie: voorbeelden' en voor wat interne milieuzorg betreft, bij het deel 'Instrumenten'. Veel energie ging naar het uittekenen en detailleren van een nieuwe structuur van de milieuadministratie, en van de wijze van samenwerking en de taakafbakening binnen deze nieuwe structuur. In principe zou deze nieuwe structuur, waarin ook ruimte gemaakt is voor integratie-initiatieven in de loop van 2006 van start moeten gaan. Wat duurzame ontwikkeling betreft werd in 2005 een formeel ambtelijk overleg opgestart, voornamelijk om tot een Vlaamse strategie duurzame ontwikkeling te komen. De Vlaamse regering keurde de eerste fase van deze Vlaamse strategie goed in het najaar van 2005. Zie ook bij het hoofdstuk 'Samenwerking met de andere gewesten en de federale overheid'.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Vlaamse strategie voor duurzame ontwikkeling

2004 EINDE

vertraag 2006 BEGIN d

In voege treden van de hervormingen in het beleidsdomein Leefmilieu en Natuur

2006 BEGIN

gerealise erd

Status

Huidige verwachting

Aanpak jaar 2006 Werking GMO en uitvoeringsstructuur uitdiepen De opvolging en rapportering over doelstellingen en over projectuitvoering zal op een eenvormige wijze verdergezet worden via de GMO-databank. Nagegaan wordt op welke wijze


ook extern gerapporteerd kan worden over de voortgang (bv. via de website van het Milieubeleidsplan). Circa tweemaal per jaar zal de nodige informatie worden gevraagd aan de coördinatoren en de projectverantwoordelijken. Bij doorvoering van de reorganisatie in 2006 zal de uitvoeringsstructuur en de rol van het GMO herbekeken worden. Werken aan duurzame ontwikkeling De integratie van leefmilieubeleid in andere domeinen is één van de elementen van een beleid voor duurzame ontwikkeling. Na overleg met het maatschappelijk middenveld en de lokale overheden wordt de Vlaamse strategie voor Duurzame Ontwikkeling gefinaliseerd. Deze strategie zal in 2006 in uitvoering gaan. Vanaf 2006 zal er binnen de Vlaamse administratie ook een coördinerende cel duurzame ontwikkeling operationeel zijn. Een eigen overlegorgaan voor Duurzame Ontwikkeling in de milieuoverheid zal nodig zijn. Dit overlegorgaan, dat voortbouwt op de oorspronkelijk door AMINAL opgerichte werkgroep Duurzame Ontwikkeling, zal ook nadien een positieve bijdrage kunnen leveren bij de opvolging van deze strategie.


Externe integratie binnen de Vlaamse overheid: voorbeelden Verantwoordelijke:David Stevens

Inleiding Omdat de ervaringen met externe integratie op Vlaams niveau tot nu toe eerder beperkt gebleven zijn, werden vijf beleidsdomeinen uitgekozen waarvoor integratie met het milieubeleid belangrijk is. De gezondheid van de mens is in belangrijke mate afhankelijk van de milieukwaliteit van zijn leefomgeving. Ruimtelijke aspecten zijn onlosmakelijk verbonden met de milieuthema's. Ook de beleidsdomeinen economie en energie, landbouw en mobiliteit hebben belangrijke raakvlakken met het milieubeleid. Het belang van externe integratie kan niet onderschat worden. Door het afstemmen van milieu- en natuurdoelstellingen met de doelstellingen van andere beleidsdomeinen kan een veel efficiĂŤnter beleid gevoerd worden.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Gezondheid Op Vlaams niveau werken de administratie Gezondheidszorg en de administratie Milieu- Natuur-, Land- en Waterbeheer (AMINAL) nauw samen bij de opvolging van het milieu- en gezondheidsbeleid. Zij maken deel uit van de stuurgroep van het Steunpunt Milieu en Gezondheid en benadrukken daar de beleidsondersteunende taken, zij doen beleidsvoorbereidend werk, behandelen vragen over milieu en gezondheid, en dragen bij tot meer integratie tussen de beleidsdomeinen. Het Vlaamse Steunpunt Milieu en Gezondheid voert sinds 2002 een biomonitoringprogramma uit en het doet ook daaraan gerelateerd onderzoek. Meer informatie over het Steunpunt is te vinden op de website: http://www.milieu-en-gezondheid.be. In juni 2005 werden de groepsresultaten voor pasgeborenen bekendgemaakt via de pers en via lokale informatiecampagnes. Voor een deel van het biomonitoringprogramma (Antwerpse agglomeratie en landelijk gebied) worden inspanningen gedaan om de biomerkergegevens te linken aan blootstellings- en aan milieugegevens uit metingen en uit modelleringen. Milieumeetnetten worden ook afgestemd en ruimtelijk in relatie gebracht met gezondheidsgegevens. Om de resultaten van het lopende biomonitoringprogramma te kunnen vertalen naar beleidsantwoorden werd een fasenplan voor actie uitgewerkt. Een planstuurgroep begeleidt het proces: bij aanvang van elke fase tekent die uit welke stappen nodig zijn en wie betrokken wordt. Naast de onderzoekers werd ook een panel van experten uit verschillende vakgebieden en een jury met onder meer vertegenwoordigers van maatschappelijke groepen ingeschakeld. De mogelijkheden werden nagegaan van effectgerichte testen, waarbij op een geĂŻntegreerde manier de impact van schadelijke factoren op de gezondheid wordt gemeten. Om op een doorzichtige en uniforme manier informatie te verzamelen over aandoeningen die op een verstoorde hormonale werking bij de mens kunnen wijzen, werd een strategie voorbereid. Entiteiten die over ziektegegevens beschikken werden in kaart gebracht en er werd onderzocht hoe de bestaande gegevens in Vlaanderen op elkaar kunnen worden afgestemd. Deze strategie moet toelaten om na te gaan of er trends zijn in deze aandoeningen (in de tijd of regionaal) en of er een verband is met de aanwezigheid van hormoonverstorende stoffen. Een inventaris en analyse werd gemaakt van de aard en de omvang van de blootstelling aan poly-aromatische koolwaterstoffen (PAK's) in Vlaanderen, met de bedoeling om een zo correct mogelijke inschatting van de (evolutie in de) blootstelling en van het risico voor de gezondheid te bekomen. De beschikbare Vlaamse gegevens over (zeer) fijn stof werden geanalyseerd. Ook werd nagegaan of deze gegevens gelijklopen met buitenlandse gegevens. Bovendien werd onderzoek gedaan naar de


langetermijneffecten en werd getracht de maatschappelijke kosten van de gezondheidseffecten in te schatten. De invloed van de aanwezigheid van schadelijke stoffen in de buitenlucht op het binnenmilieu wordt verder onderzocht voor gevoelige subgroepen van kinderen. De gecumuleerde stralingsbelasting van de Vlaamse burger wordt in kaart gebracht door metingen, met specifieke aandacht voor bronnen van NIS waarover weinig of geen meetgegevens in Vlaanderen beschikbaar zijn of welke een potentieel gevaar voor de gezondheid van de burger kunnen inhouden. De doorwerking van emissieplafonds inzake milieukwaliteitsnormen op de bronnencontrole voor de compartimenten lucht en bodem werd in kaart gebracht. Geldende milieunormen werden geëvalueerd naar hun doelstelling van bescherming van de bevolking, met inbegrip van gevoelige subpopulaties. Voornaamste doel is een grotere transparantie bij normstelling. Een communicatiestrategie milieu en gezondheid werd uitgewerkt. Dertien Medisch Milieukundigen (MMK's) bij de LOGO's (regionale overlegplatforms) vingen klachten op, deden aan risicocommunicatie, signaleerden medisch milieukundige problemen aan de Vlaamse overheid en zorgden voor platformontwikkeling op het vlak van milieu en gezondheid (zie www.MMK.be). In het kader van het samenwerkingsakkoord Milieu en Gezondheid tussen de federale overheid, de gewesten en de gemeenschappen werd onder meer uitvoering gegeven aan het nationaal plan voor Milieu en Gezondheid (NEHAP - zie www.nehap.be). De Cel Milieu en Gezondheid coördineert mee de Europese 'Implementation Group' in het kader van Actie 3 van de Europese Strategie voor Milieu en Gezondheid, en coördineert eveneens initiatieven voor cofinanciering van deze actie. Project Waterbeleid Vanuit de CIW werden in 2005 nadere richtlijnen en een uitvoeringsbesluit voor de Watertoets voorbereid en voorgelegd aan de minister. Voor het uitvoeren van de watertoets werden 7 kaarten uitgewerkt: erosiegevoelige gebieden, grondwaterstromingsgevoelige gebieden, hellingenkaart, infiltratiegevoelige bodems, Vlaamse Hydrografische Atlas, winterbedkaart, overstromingsgevoelige gebieden. Via een gebruiksvriendelijke internettoepassing wordt de werklast voor het uitvoeren van de watertoets beperkter. Ruimtelijke ordening In diverse processen en acties wordt nauw samengewerkt tussen deskundigen van de beleidsvelden Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening, zowel op formele (via adviezen inzake ruimtelijke uitvoeringsplannen bv.) als op informele manier (samenzitten van experten om gezamenlijke oplossingen uit te werken). Diverse initiatieven (externe studies, werkgroepbesprekingen,...), opgestart in 2005, trachten afstemming tussen de verschillende wetgevingen te bewerkstelligen. Voorbeelden hiervan zijn de studies 'Ruimtelijke Ordening en Sectorwetgeving' en 'Mogelijkheden voor een verhoogde integratie van het hinderbeleid in het ruimtelijk ordeningsbeleid, het woonbeleid, het energiebeleid en het mobiliteitsbeleid'. De Leefmilieuadministratie wordt betrokken in allerlei infrastructuurprojecten. Voorbeelden hiervan zijn de opmaak van de strategische plannen van de zeehavens, de implementatie van de beslissing van de Vlaamse regering over het Economisch Netwerk Albertkanaal, nieuwe infrastructuren zoals de Scheldebrug in Temse, de Liefkenshoekspoortunnel of de Oosterweelverbinding. AROHM kon de inspanningen om te komen tot een Vlaams grondbeleidsplan en tot een brede evaluatie van het huidige RSV niet afronden in 2005. Een externe evaluatiestudie van het RSV gaf alvast een aantal belangrijke evoluties aan: - het vervagen van de grens tussen stedelijk en landelijk gebied - het toenemende belang van bereikbaarheid - impact van de poorten (havens, Zaventem) reikt steeds dieper het achterland in nood aan een aangepast plattelandsbeleid om de economische dynamiek op het platteland te geleiden - water moet sterker sturend zijn voor de ruimtelijke ontwikkelingen De basisdoelstellingen en ruimtelijke concepten van het huidige RSV worden niet in vraag gesteld. Landbouw In 2005 zijn voorstellen voor betere afstemming en betere structuren van overleg en coördinatie vanuit de Werkgroep Doelgroepenbeleid Landbouw intern met vertegenwoordigers van de beleidsdomeinen leefmilieu en landbouw besproken. Specifieke aandacht was er voor een verhoogde samenwerking rond betrokkenheid van de landbouwsector bij het beleid. Het Uitvoeringsplan Doelgroepenbeleid Landbouw waar de praktische organisatie en noodzakelijke afspraken voor een gestructureerd overleg beschreven worden, werd in dit verband afgewerkt.


De mid-term evaluatiestudie van het PDPO leverde nuttige input voor de lopende grote wijzigingen van het programma en voor de opmaak van het PDPO 2007-2013. Een e-loket agromilieumaatregelen werd eind 2005 voltooid. De concrete toepassing van de cross compliance maatregel met o.a. controle van parameters, beroepsprocedures e.d. werd operationeel in 2005. Een samenwerkingsprotocol tussen de controleautoriteiten van het beleidsdomein leefmilieu en het beleidsdomein landbouw legt de verantwoordelijkheden voor de controle van deze maatregel vast. De (organisatie van) de uitbetaling is een verantwoordelijkheid van de landbouwadministraties. In 2005 rondde het BBT-kenniscentrum van Vito een studie af over de Beste Beschikbare Technieken (BBT) voor de glastuinbouwsector. Deze milieuvriendelijke technieken hebben hoofdzakelijk betrekking op 3 themaâ&#x20AC;&#x2122;s: energiebesparende maatregelen, (lucht)emissiebeperkende maatregelen en beperking van lichthinder. In 2005 werden verschillende stappen ondernomen om de productie en het gebruik van biomassa voor bio(transport)brandstoffen te promoten. Naar aanleiding van een Rondetafelconferentie Biobrandstoffen werd door de Vlaamse overheid (beleidsdomeinen landbouw en leefmilieu) en de betrokken sectoren een intentieverklaring â&#x20AC;&#x2DC;Biobrandstoffen in Vlaanderenâ&#x20AC;&#x2122; ondertekend. Conform een Europese richtlijn werkte de Belgische overheid fiscale maatregelen uit die het verbruik van biobrandstoffen moeten stimuleren (randvoorwaarde). Mobiliteit In het kader van de evaluatie van de nationale emissieplafonds (NEC richtlijn) werden in 2005 energie- en emissieprognoses uitgevoerd op Belgisch en op Vlaams niveau. Hierbij gebeurde er een afstemming van de gehanteerde modellen van Vito op Belgisch en Vlaams niveau (TEMAT en MIMOSA) en van de internationaal gebruikte modellen (RAINS en TREMOVE). In 2005 werden ook de mobiele bronnen niet voor de weg bestemd, zoals landbouwtractoren, machines gebruikt tijdens de bouw, grasmachines e.d., van naderbij bekeken. Niet alleen inzake emissies speelt transport een rol, ook voor het behalen van de luchtkwaliteitsdoelstellingen zijn er knelpunten als gevolg van het verkeer te verwachten. Op basis van de resultaten van de studie 'Immissieproblematiek ten gevolge van het verkeer: knelpunten en maatregelen' werden de knelpunten waar de toekomstige luchtkwaliteitsnormen zullen worden overschreden langs gewestwegen in kaart gebracht en werden oplossingen voorgesteld. Voor de uitvoering van projectmer's en planmer's werden richtlijnen meegegeven om de impact van de voorgestelde infrastuctuur op de luchtkwaliteit beter in kaart te brengen en ook de bijdrage tot het behalen van de nationale emissieplafonds in rekening te brengen. In uitvoering van de EU-richtlijn omgevingslawaai loopt een studie die tot doel heeft een prototype voor een berekeningsmodule in GIS-omgeving te ontwikkelen voor het aanmaken van de geluidskaarten voor wegen. In de studie 'Ecoscore' werd een voorstel voor aanpassing van de belastingbasis in functie van de CO2uitstoot van het voertuig, de ouderdom en het voldoen aan een bepaalde emissienorm geformuleerd. Dit voorstel werd, naar Nederlands voorbeeld, uitgebreid met een extra stimulans voor roetfilters (op basis van fijn stof-reductie). Economie en Energie Op het vlak van het energiebeleid waren er geregeld contact tussen beide beleidsdomeinen. Zo zijn er de Taskforce Klimaatbeleid en nog een aantal andere stuurgroepen m.b.t. energiegerelateerde dossiers (bv. ter ontwikkeling van energie- en broeikasgasscenario's of post2012-klimaatanalyses) waarin (o.a.) vertegenwoordigers van beide beleidsdomeinen zetelen. In de loop van 2005 werden zowel de studie over de energie- en broeikasgasscenario's, als de studie over de opmaak van een kosteneffectiviteitsmodel voor prioritering van de maatregelen uit het Vlaams Klimaatbeleidsplan, afgerond.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen Evaluatie van de geldende milieunormen naar hun doelstelling

Huidige Oorspronkel Status verwacht ijke ing verwachting 2005 EINDE


van bescherming van de bevolking klaar

gereal iseerd op Maatschappelijke onderbouwing van het beheer van milieu- en 2007 EINDE sche gezondheidsrisico's ma Meetstrategie + modellering en metingen van op 2006 blootstellingsniveaus van niet-ioniserende electromagnetische sche BEGIN straling voor de bevolking in Vlaanderen ma op Uitwerken en uitvoeren van een pilootproject voor effectgerichte 2008 sche metingen om de luchtkwaliteit in Vlaanderen te kunnen evalueren BEGIN ma Voorstellen inzake de invloed van het voorkomen van op 2007 milieugevaarlijke stoffen in de buitenlucht op de kwaliteit van de sche BEGIN binnenomgeving ma voorbereiden van nadere regels en richtlijnen met betrekking tot de watertoets Evaluatie uitvoering Mobiliteitsplan Vlaanderen

Plan MER Lange termijnvisie Vlaamse Zeehavens Uitgewerkt maatregelenpakket klaar voor het mobiliteitsbeleid voor het behalen van de luchtkwaliteitsnormen voor PM10 en NO2 Visie over de inpassing van milieumaatregelen in ruimtelijke uitvoeringsplannen is beschikbaar Cross compliance maatregel (milieu) uitgewerkt en operationeel

E-loket agro-milieumaatregelen operationeel

Indicatoren aantal biologische landbouwbedrijven aantal acties jaarlijks opgestart in uitvoering van NEHAP beheersovereenkomsten milieumaatregelen plattelandsbeleid

2004 MIDDEN

2005 gereal EINDE iseerd op 2006 EINDE sche ma 2005 EINDE gereal iseerd op 2006 2004 sche MIDDE MIDDEN ma N 2007 nieuw BEGIN 2005 BEGIN

gereal iseerd

2005 EINDE gereal iseerd Realisatie 231 (2004) 1 (2005) 6227 (2005)

Doelstelling 4000 (2010) 1 (2006) 5800 (2005)

Aanpak jaar 2006 Project: Milieu en gezondheid De evaluatie van de blootstelling aan PAK's in Vlaanderen wordt afgerond, mogelijke indicatoren voor impact op de gezondheid ten gevolge van blootstelling aan PAK's in de omgeving worden onderzocht. Een voorstel voor het implementeren van de strategie voor het verzamelen van incidentiegegevens i.v.m. aandoeningen die mogelijks wijzen op endocriene verstoring bij de mens wordt vanaf begin 2006 uitgewerkt. Het op punt stellen van een meetstrategie, van modellering en metingen voor blootstellingsniveaus van niet-ioniserende


elektromagnetische straling voor de bevolking in Vlaanderen loopt verder. De meetcampagne wordt uitgebreid met emissiemetingen van nieuwe technologieĂŤn en toepassingen zoals WiMAX, ASTRID, UMTS en WLAN. Zo zal een volledig beeld verkregen worden van de aard en de omvang van de blootstelling van de bevolking aan niet-ioniserende stralingsbronnen. Op basis van opgedane kennis over de impact van de blootstelling aan PM2.5 op de gezondheid wordt een voorstel tot een coherent en domeinoverschrijdend beleid uitgewerkt dat tevens zijn kosteneffectiviteit aantoont. Het pilootproject voor effectgerichte metingen om de luchtkwaliteit in Vlaanderen te kunnen evalueren start begin 2006. De invloed van milieugevaarlijke stoffen in de buitenlucht op het binnenmilieu wordt verder nagegaan, met specifieke aandacht voor kinderen. De evaluatie van de geldende milieunormen naar hun doelstelling van bescherming van de bevolking zal een aanzet geven voor mogelijkheden van herformulering van normen op basis van het uitgewerkte draaiboek. Dit omwille van hun te lage impact op de bescherming van de bevolking in het algemeen en/of van gevoelige subgroepen. De nodige structuren om deze methodologie te gaan toepassen worden uitgewerkt. De uitgewerkte communicatiestrategie op vlak van milieu en gezondheid wordt geĂŻmplementeerd. De resultaten van de uitgevoerde onderzoeken zullen op deze manier gevaloriseerd worden. Het project voor de onderbouwing van de selectie van geschikte milieu- en gezondheidsindicatoren voor gebromeerde vlamvertragers en perfluorverbindingen wordt eind 2006 opgestart. De nodige voorbereidingen worden getroffen voor het praktisch toepassen van een conceptueel kader voor de optimale integratie van ecotoxicologische data in het kader van humane milieustudies. Het medisch milieukundig netwerk in Vlaanderen, met de Medisch Milieukundigen bij de LOGO's als eerste trap, de Cel Milieu & Gezondheid en de Vlaamse Gezondheidsinspectie als tweede trap en het Steunpunt Milieu en Gezondheid als derde trap, loopt op kruissnelheid. De activiteiten van het Steunpunt Milieu en Gezondheid worden nauw opgevolgd. De beheersovereenkomst tussen de overheid en het steunpunt loopt tot eind 2006. Ondertussen wordt het programma voor het volgend steunpunt Milieu & Gezondheid uitgewerkt. Vanuit de cel Milieu & Gezondheid wordt flankerend onderzoek uitgevoerd, o.a. een uitbreiding van de opvolgstudie naar ontwikkeling van astma en allergie bij opgroeiende kinderen. Ook wordt gewerkt aan het afstemmen van milieumeetgegevens op humane biomonitoring in de aandachtsgebieden van de lopende meetcampagne. StrategieĂŤn voor toekomstig onderzoek en dataverzameling worden uitgewerkt. Concrete projecten worden uitgevoerd ter implementatie van de aanbevelingen van het NEHAP. Vlaanderen speelt ook in 2006 een voortrekkersrol in humane biomonitoring. Dit wordt ondermeer vertaald in het voorzittersschap van de expertengroep, die de uitvoering van actie 3 begeleidt. Project: Integratie waterbeleid Deelproject 1 Voor de eerste twee regio's, (Haspengouw-Voer en Kustpolder-Westhoek, werden een aantal ruimtelijke uitvoeringsplannen (RUP's) opgemaakt. Dit gebeurde o.a. voor een aantal valleigebieden. Voor de tweede reeks regio's worden eind april 2006 de eindvoorstellen verwacht. De werkzaamheden voor de vier laatste regio's worden opgestart. Deelproject 2 Er wordt binnen het beleidsdomein verder nagedacht over de methodologie die bij de opmaak van het volgende RSV zal gehanteerd worden. Deelproject 3 Voor het uitvoeren van de watertoets zal de CIW in 2006 praktische richtlijnen voor de adviesverleners uitwerken. Dit naar analogie van de richtlijnen voor vergunningverlenende overheden, die in 2005 werden opgemaakt. Daarnaast zal de CIW de vergunning- en adviesverlenende instanties ondersteunen bij het uitvoeren van de watertoets door informatie en opleidingen te voorzien en de uitbouw van een geoloket te verzekeren. Deelproject 4 In 2006 worden overloopgebieden en vispassages gerealiseerd in de vallei van de Zwalm. Ecologische projecten worden opgestart in de Mangelbeek, de Kleine Nete te Retie, de Abeek, de Zwinnevaart en de Laan. Een vernieuwend project voor rivierherstel en bescherming tegen wateroverlast in de Demervallei wordt opgestart. Het ontwikkelde streefbeeld omvat een reeks ingrijpende maatregelen zoals dijkverleggingen en hermeandering. In overleg met alle betrokkenen wordt dit streefbeeld verfijnd en zullen


vervolgens de precieze effecten op waterbeheersing, natuurbehoud, bosbouw, landbouw en recreatie berekend worden. In 2006 moet de realisatie van dit project op het terrein in de startblokken staan. De noodzakelijke infrastructuur om wateroverlast te voorkomen wordt verder geoptimaliseerd. Zo staat voor 2006 de bouw van een nieuw centraal besturingsgebouw voor het Dijlebekken op het programma. Eind 2006 zullen alle inwoners van Vlaanderen tijdig gewaarschuwd kunnen worden voor nakende overstromingen. Naast het waarschuwings- en voorspellingssysteem dat nu reeds operationeel is voor het Demerbekken zijn in 2006 ook gelijkaardige systemen voor de Dijle en de Dender operationeel. Voor de andere bekkens van Vlaanderen zal tegen eind 2006 een iets vereenvoudigd systeem operationeel zijn. De informatie die het waarschuwingssysteem genereert, zal toegankelijk zijn voor de hulpdiensten en het brede publiek o.a. via een op maat gemaakte website. Er wordt gezorgd voor een afstemming tussen dit waarschuwingssysteem, dat zich concentreert op de onbevaarbare waterlopen, en het waarschuwingsysteem van de waterwegbeheerders dat hierop aansluit. De website ecologisch herstel en inrichting van watersystemen wordt op punt gesteld. De lokale waterbeheerders zullen er ook terechtkunnen met concrete vragen. Project: Milieu en mobiliteit Op basis van de energie- en emissieprognoses die in 2004 en 2005 werden uitgevoerd, worden NOx, PM10, VOS en SO2 emissies berekend voor de jaren 2015-2020. Dit proces kadert in de herziening van de nationale emissieplafonds binnen het Europese CAFE programma (Clean Air for Europe). Een voortgangsrapport waarin de emissieplafonds voor de transportsector worden geĂŤvalueerd, zal worden opgesteld begin 2006 (zie ook project 4 luchtverontreiniging'). Wat geluidshinder betreft blijft de uitvoering van de EU-richtlijn omgevingslawaai centraal staan.(zie ook thema 'Geluidshinder'). Een verdere uitwerking van de voorgestelde maatregelen wat betreft de NO2 en PM10-knelpunten op gewestwegen, dient te gebeuren binnen het beleid inzake mobiliteit en openbare werken. In 2006 zal een concreet actieplan worden overlegd. Ook langs binnenstedelijke wegen zijn knelpunten ten aanzien van de luchtkwaliteit te verwachten. Een model dat toelaat de knelpunten in kaart te brengen en oplossingen te evalueren zal in 2006 worden ontwikkeld en aan de gemeenten ter beschikking worden gesteld. Er worden voorstellen gelanceerd voor de aanpassing van de verkeersbelastingen, zoals onderzocht in de studie 'Ecoscore'. Diverse scenario's (met specifiek reductiepotentieel en kosten) worden overlegd. De aanpassing kan ook niet los worden gezien van de eventuele invoering van het wegenvignet. Ruimtelijke ordening Een betere afstemming tussen de doelstellingen van beide beleidsdomeinen is de voornaamste betrachting, onder meer inzake de veiligheidsrapportage, de milieueffectbeoordeling, de hinderproblematiek, de stedenbouwkundige vergunning voor ontbossing en de linken tussen de verschillende natuurtoetsen en de ruimtelijke plannen. Een studie over de inpassing van duurzaamheidsaspecten in het ruimtelijke instrumentarium wordt opgestart. Deze legislatuur komt er tevens een algemene wijziging van het decreet Ruimtelijke Ordening. Doelstelling is te komen tot een integratie van de bestaande wetteksten en een vereenvoudiging van procedures. De afstemming tussen ruimtelijke ordening en water is een ander belangrijk aandachtspunt voor 2006. De inbreng van milieu- en natuurdoelstellingen in het infrastructuurbeleid is een ander aandachtspunt. Om onze logistieke poorten bereikbaar te houden, zal er extra geĂŻnvesteerd worden in een aantal nieuwe infrastructuren. Via publiek-private samenwerking worden middelen gezocht om een aantal missing links te realiseren. Voor de uitvoering van het RSV wordt een nieuwe timing uitgewerkt voor de planningsprocessen die nog niet afgerond zijn. Voor het netwerk van de kust wordt een specifiek proces opgestart. In 2006 wordt gewerkt aan een nieuw RSV. Het werken aan een fundamentele herziening gebeurt in 2006 via het uitschrijven van een onderzoeksprogramma, een kwantitatieve evaluatie van het RSV en het project 'Ruimtemonitor Vlaanderen'. In dit project wordt een set van cartografische en sectorale data met een situering van het ruimtegebruik samengesteld. De ruimtemonitor moet ook toelaten om evoluties en ontwikkelingen in de tijd vast te stellen.


Landbouw In de loop van 2006 worden de verschillende acties van het Uitvoeringsplan Doelgroepenbeleid Landbouw geïnitieerd. Voor de verdere uitvoering, opvolging en evaluatie ervan zal een overlegstructuur worden opgezet. Daarbij wordt afgestemd met de reeds bestaande overlegstructuren op dit vlak. Binnen de bestaande overlegstructuren van het PDPO (Managementcomité en Comité van Toezicht) zal aandacht besteed worden aan afstemming tussen landbouwmaatregelen met impact op milieu en milieumaatregelen met impact op de landbouw. Het e-loket beheerovereenkomsten rond natuur en milieu (agro-milieumaatregelen) wordt verder geoptimaliseerd en zal eveneens een beperkt aantal taken uitvoeren voor de kruiscontroles. Het volgende PDPO 2007-2013 dient te worden voorbereid. Nieuw is dat dit PDPO allesomvattend is en ook Leader en de structuurfondsen integreert. In 2006 wordt het cross compliance systeem aangevuld met richtlijnen over volksgezondheid, diergezondheid en de gezondheid van planten. In 2007 volgen de richtlijnen rond dierenwelzijn. Een decreet en haar uitvoeringsbesluiten i.v.m. coëxistentiemaatregelen m.b.t. het telen van GGO-maïs worden in 2006 goedgekeurd. De toelating van ggo-gewassen en de screening op het vlak van volksgezondheid en milieu wordt geregeld op federaal niveau. Verdere concrete uitwerking van een visietekst over een nieuw mestbeleid moet begin 2007 resulteren in een nieuw, resultaatgericht en vereenvoudigd mestdecreet. Op basis van de VITO-studie over Beste Beschikbare Technieken (BBT) voor de glastuinbouwsector wordt de wetgeving geconcretiseerd. Hetzelfde geldt voor een begin 2006 af te ronden BBT-studie voor de veeteeltsector. Deze behandelt specifiek de thema's watergebruik, afvalwaterzuivering en nutriënt-, geur- en stofemsisies. In 2006 worden de actiepunten uit de Intentieverklaring 'Biobrandstoffen in Vlaanderen' in de praktijk gebracht. Economie en energie De bilaterale overleggroep Leefmilieu/Economie zal samenkomen in functie van de vraag. De behoefte voor deze overleggroep is momenteel niet erg groot aangezien beide administraties geregeld contact hebben in functie van concrete dossiers. De Taskforce Klimaatbeleid en een aantal andere stuurgroepen zullen in 2006 werk maken van een aantal belangrijke energiegerelateerde dossiers, bv. ter ontwikkeling van actualisaties van energie- en broeikasgasscenario's of post 2012-klimaatanalyses.


Samenwerking met de andere gewesten en gemeenschappen en de federale overheid Verantwoordelijke:Rik De Baere

Inleiding Het overgrote deel van de milieu- en natuurbevoegdheden ligt bij de gewestelijke overheden. De federale overheid is evenwel onder meer bevoegd voor zaken als productnormering, ioniserende stralingen en radioactief afval, de Noordzee, de doorvoer van afvalstoffen en de in- en doorvoer van niet-inlandse planten en dieren. Gelet op de samenhang met de gewestelijke milieubevoegdheden is afstemming wenselijk. Recent kwam hierbij ook de nood tot een veel ruimere nationale afstemming in het kader van het beleid rond duurzame ontwikkeling. Daarnaast werd door de Interministeriële Conferentie voor Buitenlands Beleid beslist dat de gewestelijke milieuministers sinds juli 2003 de lidstaat België vertegenwoordigen in de Europese Leefmilieuraad. Dit impliceert een optimalisatie van de overlegstructuren met de federale overheid en de andere gewesten ter voorbereiding van de standpunten van België op Europees en internationaal niveau. Ook voor de coördinatie van de uitvoering van internationale verplichtingen zijn slagkrachtiger coördinatiestructuren nodig.

Opvolging van de plandoelstellingen Streven naar een grotere rol voor het Vlaams Gewest in internationale netwerken en regimes

Streven naar toegevoegde waarde bij de uitvoering van het Vlaamse Milieubeleidsplan en het federaal plan voor Duurzame Ontwikkeling

Uitbouwen van een continue intergewestelijke samenwerking voor een geïntegreerde aanpak van intergewestelijke vraagstukken

Werken aan een betere inzet van federale instrumenten om de Vlaamse milieudoelstellingen te behalen

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Begin 2004 werd op Vlaams niveau een ambtelijke werkgroep voor duurzame ontwikkeling opgericht. Deze werkgroep bewaakt de bovengewestelijke (federale en internationale) tendensen inzake duurzame ontwikkeling en coördineert de inbreng van de Vlaamse standpunten in deze bovengewestelijke discussies. De werkgroep bereidde zo het Vlaams advies voor over het tweede federaal plan Duurzame Ontwikkeling en gaf ook input naar de twee Vlaamse vertegenwoordigers in de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling (ICDO). De Vlaamse milieuadministratie werkte actief mee in de ICDO in de aanloop naar dit tweede federaal plan. De Vlaamse regering bracht haar advies over dit plan uit op 15 mei 2004. De Vlaamse milieuadministratie neemt actief deel aan de algemene vergadering van de federale


Raad Duurzame Ontwikkeling (FRDO) en aan de werkgroep duurzaamheidstrategieën. Op basis van het Vademecum (zie hoofdstuk Internationaal beleid) werd de nodige Belgische cöordinatie verzekerd ter voorbereiding van het Belgisch woordvoerderschap van de Vlaams minister voor Leefmilieu in de tweede helft van 2005. Voor de meest prioritaire dossiers wordt getracht om de inhoudelijke coördinatie ('pilootfunctie') in Vlaamse handen te krijgen. De CCIM-lijsten zijn uitgebreid met 'integratie' dossiers van andere departementen (Mobiliteit, Energie...) die voor het milieubeleid belangrijk zijn. De CCIM heeft ook een lijst opgemaakt van de Comitologiecomités en heeft daar de nodige taakverdeling rond gedaan op basis van een apart Vademecum. De inventarisatie en structurele opvolging van de meer informele expertenconsultaties van de EU Commissie verloopt moeizaam. Er wordt constructief verder gewerkt aan de optimalisatie van de werking (informatisering) van de CCIM. De bestaande CCIM- werkgroepen fungeren in de praktijk soms als nationaal overlegforum, ook voor dossiers die strikt genomen niet onder de bevoegdheid van de CCIM vallen omdat ze geen direct verband hebben met internationaal of EU milieubeleid. De ICL-werkgroepen zijn zeer divers van aard en missen een centrale, permanente aansturing om efficiënt resultaat te boeken. Beide soorten werkgroepen worden in de praktijk via voorzitterschap en secretariaat vaak getrokken door de gewesten. Dit betekent dat er op dit moment geen algemeen structureel en formeel forum bestaat om efficiënt te overleggen tussen de gewesten en/of de federale overheid. Toch is dit nodig voor de aanpak van milieuthema's die een geïntegreerde 'nationale' aanpak vereisen door de diverse bevoegdheidsniveau's vb: ozonbeleid, pesticiden, gevaarlijke stoffen e.d. Er is dus ook nog geen structureel kader om in de inzet van federale beleidsinstrumenten te bepleiten. Er is echter wel vooruitgang op specifieke terreinen: De CCIM-Stuurgroep 'Duurzame productie- en consumptiepatronen' voorziet nu in tijdig en constructief overleg over 'productgerelateerde initiatieven' (bv. over ontwerp-productnormen). De Nationale Klimaatcommissie (NKC) is actief maar het secretariaat (met gedetacheerde Vlaamse medewerkers) is nog niet operationeel. Ter uitvoering van het federaal pesticidenbeleid en bijhorend actieprogramma zijn eerste afspraken gemaakt over samenwerking met de gewesten. Een nieuw Samenwerkingsakkoord heeft gezorgd voor aparte samenwerkingsstructuren inzake Milieu en Gezondheid. Het intergewestelijk overleg loopt verder op informele basis. Naar aanleiding van de Marly-brand eind 2003, heeft het Overlegcomité op vraag van het Vlaams Gewest beslist dat er een intergewestelijk samenwerkingsakkoord moet komen, o.a. om in crisissituaties de vlotte communicatie te verzekeren tussen de gewesten. Er is herhaald overlegd met de andere gewesten op basis van een ontwerptekst die echter geen instemming kon vinden bij het Waals gewest.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Huidige Oorspronkelij Status verwachti ke ng verwachting

2006 goedgekeurde nationale strategie voor Duurzame Ontwikkeling 2005 EINDE vertra EINDE agd Overzicht doelstellingen en maatregelen waar een goede op 2006 samenwerking met de federale overheid kritisch is voor de sche MIDDEN realisatie ervan ma op 2006 CIRCA-databank CCIM is uitgebouwd sche MIDDEN ma 2003 gereal Overheveling van leefmilieu van raadscategorie II naar III MIDDEN iseerd


Vademecum voor Belgische coördinatie van EU- en multilateraal beleid

2004 MIDDEN

gereal iseerd

Aanpak jaar 2006 Deelname aan de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling De Vlaamse vertegenwoordigers in de ICDO zullen voor de transversale dossiers terugkoppelen naar en input vragen van de ambtelijke werkgroep voor duurzame ontwikkeling, in het bijzonder inzake de uitvoering van het tweede federaal plan voor Duurzame Ontwikkeling (FPDO). De discussie inzake dit FPDO vergt een niet aflatende inzet binnen de ICDO. Vooral in het licht van de te ontwikkelen nationale strategie is actieve deelname van de ICDO van groot belang. Een betere voeding van deze participatie zou kunnen gebeuren vanuit een Vlaams structureel overleg voor Duurzame Ontwikkeling. Actieve deelname aan de Federale Raad Duurzame Ontwikkeling De actieve opvolging van de algemene vergadering en de werkgroepen Duurzaamheidstrategieën en Internationale Betrekkingen van de FRDO zal worden verder gezet. In de toekomst zal meer aandacht moeten besteed worden aan de werking rond productnormen, sensibilisatie en klimaat. Overleg over uitvoeringsaspecten van het milieubeleidsplan opstarten De doelstellingen en maatregelen uit het MINA-plan 3 die verwijzen naar samenwerking met de federale overheid en/of andere gewesten worden opgelijst. Na prioritering worden deze overlopen met de betrokken verantwoordelijken uit de Vlaamse milieudiensten. Er wordt zonodig nader overleg georganiseerd met de bevoegde federale overheden. Samenwerking met federale overheid en andere gewesten Het Vlaams gewest zal er binnen de CCIM en de ICL blijven op aandringen dat aansluitend op de wetgeving op de staatshervorming en op de bestaande algemene samenwerkingsakkoorden, een nieuw nationaal samenwerkingsakkoord nodig is voor de coördinatie van het 'Nationaal Milieubeleid'. Omwille van de eenvoud kan voortgebouwd worden op het samenwerkingsakkoord inzake de CCIM. Het CCIM zou daarbij worden omgevormd tot een Nationaal Coördinatie Comité Milieubeleid (NCCM) met als opdracht: - de coördinatie van Belgische posities binnen EU en internationaal milieubeleid - de coördinatie van de uitvoering van EU en internationaal milieubeleid - de voorbereiding van en de uitvoering van de beslissingen van de ICL - overleg en coördinatie van het milieubeleid van de federale overheid en de drie gewesten. De NCCM zou voornamelijk blijven bestaan uit vertegenwoordigers van de ministers bevoegd voor leefmilieu en buitenlandse zaken van de federale overheid en de gewesten. Er kan nader onderzocht worden in hoeverre de bestaande nationale, sectorale coördinatiestructuren inzake milieubeleid (bijvoorbeeld inzake MER, VR, verpakkingen,…) in de NCCM kunnen geïntegreerd worden. Het is nodig om (cf. IRCEL en de Nationale Klimaat Commissie) over te gaan tot de oprichting van een secretariaat bestaande uit gedetacheerden van de diverse overheden. Het voorzitterschap zou kunnen roteren tussen de diverse overheden. De NCCM zou verder kunnen blijven werken met thematische werkgroepen en stuurgroepen. De vraag vanuit het Vlaams gewest op het Overlegcomité tot aanpassing van het Samenwerkingsakkoord over Europees beleid is een mogelijk aanknopingspunt om aansluitend ook in het samenwerkingsakkoord inzake de CCIM tot een gelijkwaardiger rol voor de Gewesten te komen. In 2006 zal bijzondere aandacht besteed worden aan de praktische toepassing van het CCIM- CIRCA systeem door de betrokken Vlaamse ambtenaren, teneinde de informatiestromen te optimaliseren.


Samenwerking met lokale overheden Verantwoordelijke:Katleen De Paepe

Inleiding Lokale overheden spelen een belangrijke rol in de uitvoering van het milieubeleid. Ze kunnen hierbij eigen accenten leggen. De Vlaamse overheid tracht, door een gerichte samenwerking met de lokale overheden, specifieke stimulansen te geven om een duurzaam lokaal milieubeleid mogelijk te maken. Een belangrijk aandachtspunt hierbij is de horizontale-integratiegedachte. Om dit mogelijk te maken worden de lokale besturen ondersteund en worden milieu- en natuurverenigingen of verenigingen die zich bezig houden met milieurelevante beleidsdomeinen aangemoedigd hun expertise in te brengen in het lokale beleid. In dit kader is een belangrijke rol toebedeeld aan de Samenwerkingsovereenkomst 'Milieu als opstap naar duurzame ontwikkeling', die tot doel heeft lokale overheden te ondersteunen bij het voeren van een lokaal milieubeleid.

Opvolging van de plandoelstellingen Een algemene verbetering van het stedelijk milieu en het milieu in het buitengebied

Het lokale milieu- en natuurbeleid versterken zodat de lokale overheden in staat worden gesteld een coherent en duurzaam milieubeleid te voeren

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Bij de opvolging van het algemene lokale milieubeleid ging bijzondere aandacht naar de Samenwerkingsovereenkomst 'Milieu als opstap naar duurzame ontwikkeling' en naar de communicatie tussen Vlaams gewest en lokale overheden. Daartoe werd op Vlaams niveau een Aanspreekpunt Lokale Overheden opgericht. Dit aanspreekpunt bestaat uit een centrale cel die instaat voor de coรถrdinatie van de samenwerking, met antennes naar de verschillende betrokkenen. Op 1 januari 2002 ging de Samenwerkingsovereenkomst 'Milieu als opstap naar duurzame ontwikkeling' van start. Naast de klassieke milieuthema's (zoals water en afval, hinder en natuur, bos en groen) maken ook thema's als tewerkstelling, ruimtelijke ordening, mobiliteit en energie deel uit van deze overeenkomst. Via gebiedsgerichte en/of doelgroepgerichte werking wordt de samenhang tussen al deze thema's en beleidsdomeinen bevorderd. De integrale beleidsplanning wordt via deze weg gestimuleerd. Alle gemeenten dienden op basis van het uitvoeringsbesluit op het DABM in de loop van 2005 een milieubeleidsplan te hebben. In 2003 en 2004 werd ter ondersteuning van de beleidsplanning het Kader Gemeentelijk Milieubeleidsplan geactualiseerd en toegelicht bij de lokale overheden. Via de overeenkomst worden lokale overheden ook gestimuleerd en ondersteund om te werken met indicatoren. Eind 2005 zijn al meer dan 1 op 3 gemeenten die de overeenkomst ondertekenden bezig met het gebruik van indicatoren voor de opvolging van hun milieubeleid. De website (www.samenwerkingsovereenkomst.be) werd verder onderhouden en er werden specifieke adhoc communicaties gedaan (mailing, HOE|SO?-nieuwsbrief, Milieuprijs 'Creatief met milieu', vormingsmomenten bijv ivm milieubeleidsplanning, visitatiecommissie). De werking van het bestaande Milieuoverleg Lokale Overheden (MILO) werd verder uitgebouwd met specifieke thematische werkgroepen voor elk onderdeel van de Samenwerkingsovereenkomst. De


Samenwerkingsovereenkomst werd in het najaar van 2003 geĂŤvalueerd in voorbereiding van de tweede fase (2005-2007). De Samenwerkingsovereenkomst 2005-2007 werd op 28 mei 2004 door de Vlaamse regering goedgekeurd en ging op 1 januari 2005 van start. Ter ondersteuning van de overeenkomsten met lokale overheden werden ook samenwerkingsovereenkomsten met de lokale overheden en de NGO's (BBL en VODO) uitgeschreven (zie deel 'Samenwerking met maatschappelijke organisaties'). De VVSG werd ondersteund voor de opmaak van een inventaris van de milieutaken van lokale overheden. In dit kader werd onder meer een publicatie rond het lokale afvalbeleid opgemaakt en verspreid.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Oorspronkelijke Huidige Status verwachting verwachting nieuwe Samenwerkingsovereenkomst lokale overheden op 2007 MIDDEN klaar schema Mijlpalen

Nieuwe samenwerkingsovereenkomst (fase 2) lokale overheden en NGO's ter beschikking.

2004 EINDE

gerealis eerd

Operationeel projectenfonds (projecten van verenigingen)

2004 BEGIN

digitaal loket is beschikbaar - eerste fase

2006 MIDDEN

gerealis eerd op schema

Website voor opvolging algemeen lokaal milieubeleid 2004 EINDE verder uitgebouwd Indicatoren aantal jaarlijks georganiseerde overlegmomenten aantal jaarlijks georganiseerde vormingsmomenten % gemeenten die Samenwerkingsovereenkomst ondertekend hebben % provincies die Samenwerkingsovereenkomst ondertekend hebben

gerealis eerd Realisatie Doelstelling 20 (2005) 20 (2006) 15 (2005) 15 (2006) 81 (2005) 81 (2006) 100 (2005) 100 (2006)

Aanpak jaar 2006 Project: Aanspreekpunt lokale overheden De Samenwerkingsovereenkomst wordt verder opgevolgd en (intern) geĂŤvalueerd met oog op een nieuwe samenwerking vanaf 2008. In 2006 zal de concrete uitwerking van deze nieuwe samenwerkingsvorm van start gaan. De modellijsten voor indicatoren die opgemaakt werden, worden verder aangevuld en geactualiseerd. Hierbij is de afstemming met de Vlaamse indicatoren een belangrijk aandachtspunt. De afstemming van de milieubeleidsplanning van de lokale overheden op de Samenwerkingsovereenkomst en het MINA-plan 3 wordt verzekerd. Aandacht zal er ook gaan naar de werking van de gemeentelijke diensten. In functie van de vraag naar bijkomende ondersteuning worden de website, de handleiding en de databank verder geactualiseerd en uitgewerkt. Zo komt er op de website een checklist voor indiening van een dossier voor de Samenwerkingsovereenkomst. Specifieke aandacht zal gaan naar de uitbouw van een digitaal loket voor lokale overheden. Via dit loket zullen op termijn alle lokale overheden hun dossier voor de Samenwerkingsovereenkomst kunnen indienen. Het bestaande overleg zal worden uitgebouwd met oog op het uitwerken van een nieuwe samenwerkingsvorm vanaf 2008. .


Internationaal beleid Verantwoordelijke:Joris Van Mierloo

Inleiding Het grensoverschrijdende of mondiale karakter van milieudruk en de globalisering van de economie maken het voor het Vlaamse milieubeleid cruciaal om internationaal een hoog beschermingsniveau na te streven en voor tal van thema's een internationale norm af te spreken. Een duurzame ontwikkeling staat hierbij centraal. Prioritaire maatregelen zijn het integreren van milieu, ontwikkelingssamenwerking en armoedebestrijding, de structurele uitbouw van de participatie aan het multilaterale, het Europese en interregionale niveau en de interne Vlaamse afstemming.

Opvolging van de plandoelstellingen Bereiken van een zo hoog mogelijk milieubeschermingsniveau op mondiaal, Europees, federaal en Vlaams niveau, rekening houdend met het streefdoel van duurzame ontwikkeling

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Een belangrijke basis voor het internationale milieubeleid voor de komende jaren werd gelegd tijdens de Wereldtop over duurzame ontwikkeling in Johannesburg (augustus 2002). In opvolging van deze top werd in 2003 beslist dat de opvolgingscommissie 'Commission on Sustainable Development' telkens gedurende twee jaar bepaalde thema's inzake duurzame ontwikkeling centraal zal stellen. Het eerste jaar is bestemd voor evaluatie, uitwisseling van ervaring en reflectie en het tweede jaar voor onderhandelingen op basis van de bevindingen uit het eerste jaar. In het beleidsdomein leefmilieu gaat het ondermeer over de thema's water en sanitatie (2004-2005), klimaatverandering (2006-2007), landdegradatie (2008-2009), duurzame consumptie- en productiepatronen (2010-2011), bossen, biodiversiteit en biotechnologie (20122013), en oceanen en zeeën (2014-2015). Het staat vast dat de agendasetting van de CSD doorwerkt in de agenda's en begrotingen van andere VN-organen, financiële instellingen en van overheden op verschillende niveaus. Het is dus aangewezen dat Vlaanderen deze internationale kalender mee in rekening brengt, ook budgettair. De afspraken op de Wereldtop duurzame ontwikkeling hebben ertoe geleid dat het implementatie-niveau meer op de voorgrond treedt in multilaterale processen. Om op Vlaams niveau uitvoering te geven aan de internationale engagementen inzake duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding werd het Vlaams Partnerschap Water voor Ontwikkeling opgericht. Dit forum streeft naar versterkte samenwerking tussen alle betrokkenen bij de watersector en de internationale samenwerking. In 2005 werden drie waterprojecten in het Zuiden mee gefinancierd, evenals verdere investering in draagvlakverbreding en bekendmaking. In de rand van de hoger genoemde Wereldtop in Johannesburg werd het interregionaal netwerk voor duurzame ontwikkeling (NRG4SD) opgericht. In maart 2005 hield NRG4SD in Sumatra zijn eerste Algemene Vergadering. Na de meeting van het Environmental Policy Committee (EPOC) van de OESO (april 2005) startte het proces voor de opmaak van een strategische visie voor EPOC en voor de opmaak van een geïntegreerde en proactieve strategie voor outreach, waarbij elk comité een eigen strategie moet ontwikkelen om niet-leden te engageren in hun werking. In de Working Party on Environmental Performance, een werkgroep onder de EPOC, wordt de doorlichting van het Belgische milieubeleid voorbereid. Een werkgroep op Vlaams niveau werd belast met het beantwoorden van een uitgebreide vragenlijst van de OESO. Nadien kwam een OESO-delegatie naar België om


bijkomende vragen te stellen. In september 2006 worden de bevindingen van dit evaluatiebezoek in Parijs besproken met de andere OESO-lidstaten. Ook de milieuoverwegingen binnen de Wereldhandelsorganisatie en de Wereldgezondheidsorganisatie worden bewaakt. In dit kader is de Millenniumevaluatietop van september 2005 vermeldenswaardig. Tijdens die Top werd de vooruitgang in het bereiken van de Millenniumontwikkelingsdoelstellingen, evenals de engagementen die tijdens andere grote VN-conferenties werden genomen, geëvalueerd. Tegengaan van milieudegradatie werd tijdens deze evaluatie aangeduid als een voorwaarde voor een duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding. De voorbereidingen voor deze Top werden ter harte genomen op Vlaams, Belgisch en Europees niveau. Wat het Europese milieubeleid betreft, nam het Vlaams Gewest in de tweede helft van 2005 het Belgisch woordvoerderschap waar in de Europese ministerraden Milieu. Naast de opvolging van het Europese milieubeleid op zich, worden een aantal departementoverschrijdende Europese dossiers (zoals het Lissabonproces, de dienstenrichtlijn en de financiële perspectieven) vanuit milieuoogpunt nauw opgevolgd. Anderzijds streeft de milieuadministratie ernaar om bij de expertenteams rond milieudossiers ook experten van andere departementen te betrekken. Met het Vlaams Parlement werd afgesproken dat de lopende Europese milieudossiers voortaan twee maal per jaar zullen worden toegelicht tijdens een zitting van de Commissie Leefmilieu. Een eerste bespreking vond plaats in april 2005. Tevens is de Leefmilieucommissie van het Vlaams Parlement ook gestart met de bespreking van individuele Europese dossiers in het kader van de "subsidiariteitstoets". Tenslotte worden naast de lopende bilaterale samenwerking met Chili, Zuid-Afrika en diverse Centraal- en Oost-Europese landen, tevens position papers uitgewisseld tussen het Vlaams Gewest en het Milieudepartement van Maryland (VS) omtrent thema's die interessant zijn voor beide regio's. Op basis daarvan zou een nieuwe bilaterale samenwerking uitgebouwd kunnen worden. In het kader van de versterking van de participatie van Vlaanderen aan multilaterale instellingen subsidieert Vlaanderen twee projecten van het UNEP-actieprogramma ter bescherming van het mariene milieu als gevolg van activiteiten op het vasteland.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Opstart dossieropvolgingssysteem

Huidige Oorspronkelijke Status verwachtin verwachting g op 2006 2005 BEGIN sche BEGIN ma

Deelname aan en input in de ENCORE conferentie in 2006 MIDDEN nieuw Jamtland (Zweden) Aanpak van de omzetting van Europese Richtlijnen volgens 2006 EINDE nieuw vernieuwde werkwijze op Verdediging in Parijs van het Belgisch milieubeleid t.a.v. 2006 MIDDEN sche OESO-lidstaten ma Visie leefmilieu versus handel uitgewerkt in dialoog met 2007 BEGIN nieuw belangengroepen Derde internationale expertenvergadering in het kader van 2007 MIDDEN nieuw het Marrakech proces (Marrakech+4) Hernieuwing Samenwerkingsakkoorden met Letland, 2006 EINDE nieuw Litouwen, Tsjechië, Hongarije, Slowakije en Slovenië Indicatoren

Realis Doelst atie elling


20 (2005 ) 1,5 Vlaamse achterstand (%) in aantal om te zetten Europese Interne marktrichtlijnen 1,0 (2005 tussen 0 en 1 jaar oud (2007) ) Aantal milieuprojecten of samenwerkingsprogramma's dat Vl. (mee) opstart in andere regio's in het kader van ontwikkelingssamenwerking (cumulatief).

Aanpak jaar 2006 Project: Internationaal milieubeleid In 2006 zal via het Vlaams Partnerschap Water voor Ontwikkeling verder worden geïnvesteerd in water- en sanitatieprojecten ter bestrijding van de armoede en ter bevordering van het leefmilieu en de ontwikkeling. De bilaterale samenwerking inzake expertise-uitwisseling met Chili en Zuid-Afrika wordt in 2006 voortgezet zoals bepaald in het samenwerkingsprogramma. In het kader van de afgesloten Memorandum of Understanding inzake leefmilieu tussen België en China zal Vlaanderen via UNEP samenwerken met China op het gebied van water en sanitatie. In 2006 vindt de UNEP GC/GMEF plaats in Dubai. Op de agenda staat o.m. "Leefmilieu & duurzaam toerisme" en "leefmilieu & energie". Op pan-Europees niveau (UN/ECE) nemen de voorbereidingen van de Conferentie "Environment for Europe" die in 2007 te Belgrado zal plaatsvinden, een aanvang. Afhankelijk van de beslissingen op de WTO-Conferentie (december 2005, Hongkong) zullen de werkzaamheden in het WTO/CTE geïntensifieerd worden. Er zal verder intensief worden meegewerkt aan de Belgische en EU- standpuntbepaling inzake de versterking van de multilaterale Milieustructuren en het opzetten van een UNEO (UN Environment Organisation). Europese dossiers die door Vlaanderen prioritair worden opgevolgd in 2006 zijn REACH (de ontwerpverordening inzake registratie, evaluatie en vergunning van chemische stoffen), het Lissabon-proces, de bijdrage van het milieubeleid hierin (milieutechnologie) en de link met de Europese Strategie Duurzame Ontwikkeling, de post-Kyoto besprekingen op Europees niveau, de Dienstenrichtlijn, de zeven thematische strategieën rond afval, natuurlijke bronnen, lucht, bodem, marien milieu, pesticiden en stedelijk leefmilieu. Ook prioritair op te volgen in 2006 zijn enkele wetgevende initiatieven die passen in het kader van de thematische strategieën zoals de herziening van de NEC-richtlijn en het voorstel voor een euro-V norm in het kader van de thematische strategie lucht of de vereenvoudiging van de Europese regulering rond afval in het kader van de thematische strategie afval. In 2006 wordt nagegaan hoe de betrokkenheid van Vlaamse ambtenaren in de "comitologie" van de Europese Unie - het geheel van processen waarbij Europese regelgeving verder uitgewerkt wordt met het oog op implementatie - kan worden gesystematiseerd. Overleg van het Stuurcomité van het interregionale netwerk NRG4SD zal begin april 2006 (te Brussel) plaatsvinden. In 2006 wordt in hoofdzaak gefocust op de bijdrage van het netwerk, via de daarvoor opgerichte taskforce, aan de lange termijn wederopbouw in Noord-Sumatra (één van de leden), het klimaatdossier, de review-sessie van CSD14 (energie en atmosfeer) en de versterking van de bilaterale samenwerking tussen de leden van het netwerk. Vlaanderen trekt de voorbereiding van de NRG4SD activiteiten op CSD 14. Vlaanderen zal in 2006 deelnemen aan relevante conferenties van het netwerk van regio's van Europa in overleg met het Waalse Gewest dat deel uitmaakt van de Stuurgroep (o.m. de 2-jaarlijkse conferentie die in 2006 in Jamtland (Zweden) zal georganiseerd worden). De Conference des Regions Maritime et Perifere (CRMP) speelt in milieu aangelegenheden ook een steeds grotere rol. Vlaanderen behoudt zijn rol als waarnemer en zal ook de conferentie op de Azoren inzake de rol van regio's in zake globalisering van 23 juni 2006 inhoudelijk mee ondersteunen. Van zodra de structuur van het nieuwe beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie in het kader van BBB is vastgelegd, moeten het VOIM en het VLIMI zich herorganiseren zodat de nieuwe


agentschappen kunnen worden opgenomen in hun werking. De recente werkafspraken met de adviesraden en de Vlaamse Parlementairen zullen verder toegepast en op punt gezet worden. Vooral de optimalisering van de informatiedoorstroming naar de deze instellingen en doelgroepen (informatisering) blijft een prioriteit voor 2006. In het kader van de pro-actieve aanpak inzake de omzetting van EU-regelgeving wordt een versnelde aanpak ingevoerd. Dit betekent o.a. dat het omzettingsproject van start gaat vanaf het gemeenschappelijk standpunt van de Raad; een Vlaamse 'reguleringsimpactanalyse' (RIA) wordt partieel opgemaakt aan de hand van de kennis die dan gesprokkeld kan worden uit de voorafgaande fase; het gebruik van 'levende' concordantietabellen; zesmaandelijkse rapportering aan de Beleidsraad over de werkzaamheden met inbegrip van remediëringsvoorstellen; bij een eerste principiële goedkeuring: indiening van een specifieke zgn. volledige RIA. Deze aanpak vereist twee vernieuwde instrumenten: (1) een afgesproken format over de rapportering van het omzettingsproject; (2) afspraken over de inhoud van een partiële en een volledige RIA in geval van regelgevingsprojecten waarin het omzettingstraject is opgenomen. De instemmingsprocedure in het kader van de ratificatie door België van de individuele milieuverdragen zal ook tijdens 2006 voortgezet worden, met bijzondere aandacht voor deze dossiers waar het Vlaamse Gewest een achterstand op de andere Belgische actoren had ontwikkeld. Wat de implementatie van de milieuverdragen betreft, zal verder werk gemaakt worden van de uiteenlopende aanbevelingen van het Limburgs Universitair Centrum. Er kan overwogen worden om althans een aantal van deze bevindingen te agenderen op de CCIM-werkgroep "Environmental Law". In elk geval wordt gestreefd naar een contact met de Raad van State, i.v.m. met een aantal problemen van juridische aard rond het opstellen van de (voor-)ontwerpen van instemmingsdecreet. Op 25 september 2006 wordt België door de OESO uitgenodigd om haar milieubeleid te verdedigen ten aanzien van de andere OESO-lidstaten. Vermits het milieubeleid in België zeer sterk geregionaliseerd is, is Vlaanderen zeer actief betrokken bij deze doorlichting. Ondersteunen van internationaal institutioneel kader voor leefmilieu De verdere uitwerking van het zogenaamde 'Cartagena pakket' inzake de versterking van UNEP wordt van nabij opgevolgd, waarbij concreet gewerkt wordt aan o.a. de versterking van de wetenschappelijke basis van UNEP, de implementatie van de Bali-strategie inzake capacitybuilding en technologie overdracht, de financiering van UNEP, het universeel lidmaatschap van UNEP, de verhouding met de multilaterale milieuverdragen, en de rol van de EMG (Environment Management Group) waarvan UNEP het secretariaat waarneemt. Anderzijds zal binnen de VN in 2006 een overlegproces starten over de versterking van milieustructuren. Vlaanderen werkt actief mee aan de totstandkoming van het EU-standpunt hierover. Relatie milieu - handel - investeringen uitklaren Afhankelijk van de resultaten van de zesde WTO Ministeriële Conferentie (13 - 18 december 2005) en op basis van hun maatschappelijk relevantie zullen de prioriteiten in de discussie aangaande de handel - leefmilieu thematiek nader bepaald worden. Initiatieven voor duurzame consumptie - en productiepatronen De expertise inzake duurzame productie en consumptie zal verder worden uitgebouwd door de actieve deelname aan de verschillende initiatieven hieromtrent op alle niveaus. Voorbeelden hiervan zijn: het Marrakech-proces (Costa Rica, september 2005) en de pan-europese stakeholdersmeeting (Oostende, november 2004). Ook worden de internationale strategie inzake beheer van chemische stoffen (SAICM), het "life cycle-initiatief" van UNEP, de thematische strategie inzake natuurlijke hulpbronnen, de thematische afvalstrategie (hergebruik en recyclage) van de Europese Commissie en het streven van de EU naar de verdere toepassing van een geïntegreerd productbeleid opgevolgd. Belangrijk is nog dat op EU-vlak in het kader van het geïntegreerd productbeleid (uitgaand van de levenscyclusbenadering) er een paar pilootprojecten lopen (GSM's en houten tuinmeubilair) en dat de selectie van de producten met het grootste potentieel voor verbetering inzake leefmilieu tegen 2007 een feit zou moeten zijn. In het kader van het Federaal Plan Duurzame Ontwikkeling 2004-2008 is voorzien in een actie "strategie voor


duurzame producten". Deze strategie zal in samenwerking met de gewesten en de betrokken actoren (de sectoren, NGO's, consumentenorganisaties, enz.) uitgewerkt worden. Realiseren van samenwerkingsakkoorden met Centraal- en Oost-Europa Tot nog toe is het niet duidelijk of de samenwerking met de toegetreden landen uit Centraal en Oost Europa zal verder gezet worden, of dit uiteindelijk zal uitdraaien op een soort "culturele akkoorden" waarin milieuprojecten niet meer passen. Zeker is dat de huidige samenwerking met Roemenië, Bulgarije, Kroatië en Sint-Petersburg zal blijven. Minder duidelijkheid bestaat er over de nieuwe Oostgordel (Oekraine, Moldavië,...) en over de Balkanlanden. Het is dus onzeker of er binnen het Vlaams Fonds voor Centraal en Oost Europa nog milieuprojecten gefinancierd zullen worden en of hiervoor binnen het Mina-fonds budgetten moeten worden voorzien.


Beleidsvoorbereiding, -evaluatie en opvolging Verantwoordelijke:Jeroen Cockx

Inleiding De basis voor een gecoĂśrdineerde planningscyclus wordt gelegd met het decreet algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM, 1995). De drie pijlers van de planning (plan, rapport, programma) werden sindsdien verder uitgebouwd. Vrij onafhankelijk daarvan evolueerde de wijze waarop begrotingen en beleidsbrieven worden opgesteld en de wijze waarop het beleid in grote lijnen wordt geĂŤvalueerd. Het decreet op het Natuurbehoud voegde nog de opmaak van een natuurrapport toe. Op vraag van de beleidsraad werden de mogelijkheden onderzocht om de planningscyclus en de begrotingscyclus beter op mekaar af te stemmen, en dit vanaf de opmaak van de begroting 2004 en het MJP 2004. Het beleid concentreert zich op de uitvoering van MINA-plan 3, de afstemming van MJP en begroting en de toepassing van beleidsevaluaties en indicatoren in de planningscyclus.

Opvolging van de plandoelstellingen Afstemmen en uitbouwen van de gehanteerde kaders in de beleidscyclus en verbeteren van de + doorwerking ervan De voorbije jaren werd bijkomende vooruitgang geboekt m.b.t. de afstemming binnen de beleidscyclus. De koppeling met indicatorensets werd sterk verbeterd, alsook de afstemming met de begroting. Bovendien werden afspraken gemaakt over de toekomstige samenhang tussen de regeer- en de planningscyclus. De afstemming met beleidsnota en beleidsbrieven en met de meer operationele plannen is zeker nog geen feit. De beleidsbrief 2006 werd wel in grote mate gebaseerd op een prioriteitennota, opgesteld door de planningsgroep op basis van het ontwerp MJP.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Het MINA-plan 3 werd op 19 september 2003 goedgekeurd door de Vlaamse regering. Voor de eerste maal werd het volledige milieubeleid opgenomen en bijgevolg de volledige leefmilieubegroting. Het plan werd zo opgebouwd dat het vlot kan dienen als kader voor de jaarlijks weerkerende rapporteringen en programmeringen. In het MINA-plan 3 wordt voor het eerst een set van 30 sleutelindicatoren opgenomen, voorzien van een stand van zaken. Voor de themahoofdstukken werden plandoelstellingen beter opvolgbaar gemaakt door er operationele indicatoren aan te koppelen. Een overlegforum rond beleidsindicatoren werd opgestart. Per thema werden discussiegroepen georganiseerd om tot afgestemde indicatorensets te komen. De resultaten hiervan zijn terug te vinden in de opeenvolgende MJP's. In 2004 werd een nieuwe Vlaamse regering gevormd. Een goede afstemming tussen het MINA-plan en het regeerakkoord en de beleidsnota van de minister is een belangrijke voorwaarde voor het halen van de doelstelling uit dit hoofdstuk. De planningsgroep nam hiertoe een aantal initiatieven. Om de afstemming in de toekomst te vereenvoudigen werden ook aanpassingen aan het DABM voorgesteld. De opbouw en opmaak van het milieujaarprogramma werd in de loop van 2003 gewijzigd om een kort en duidelijk milieujaarprogramma te krijgen. De nieuwe stijl is gekenmerkt door de opname van de plandoelstellingen en indicatoren om de plandoelstelling te evalueren. De structuur maakt een betere afstemming mogelijk tussen MJP/beleidsbrief/begroting. In 2005 werd voor het eerst een echte koppeling gerealiseerd tussen


de begrotingscijfers en -teksten en de maatregelen van het MJP. Als afgeleide van het ontwerp MJP werd in 2005 door de planningsgroep een prioriteitennota opgesteld, die de basis vormde voor de beleidsbrief 2006. Begin 2004 werden de uitgangspunten voor de organisatie van de uitvoering van het MINA-plan 3 goedgekeurd. Bovendien werden projectleiders en themacoördinatoren aangeduid. Een eenvormige aansturing en uitvoering van de 41 projecten uit het Milieubeleidsplan is hierbij een belangrijk element. Projectplannen (midden 2004) werden opgesteld en projectgroepen samengesteld. Een gestandaardiseerd rapporteringssysteem werd in de loop van 2004 op punt gesteld, gevolgd door een eerste projectrapportering (begin 2005). Het systeem wordt vanonderuit met gegevens gevoed en is intern ruim toegankelijk. Op het vlak van beleidsevaluatie werden een aantal projecten opgestart vanuit het Steunpunt Milieubeleidswetenschappen. Er wordt recent ook gewerkt rond een algemene methodologie. Een deel van de bekomen informatie werkt door in het tweede MIRA-BE (midden 2005). Daarnaast werd een verkennende oefening gemaakt en een voorafgaand onderzoek uitbesteed om tot een meer in de planningscyclus geïntegreerde evaluatie te komen voor het volledige beleidsdomein. De opdracht heeft geleid tot een methodiek om met beleidsinformatiekaarten (BIK) te werken. Hierin wordt de cruciale beleidsinformatie voor een thema op een overzichtelijke wijze bijeengebracht.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen Beheerovereenkomsten en sectorale plannen zijn afgestemd op het MINA-plan 3 Overgangsdoelstellingen voor de periode 2007-2010 zijn volledig uitgewerkt

Oorspronkelijke Huidige Status verwachting verwachting op 2007 EINDE schema op 2007 MIDDEN schema

Voorstel voor afstemming van de timing MINA-plan versus regeerperiode is bekrachtigd

2005 EINDE

gerealis eerd

Ontwerp MJP 2006 is klaar

2005 EINDE

gerealis eerd

Volledige afstemming MJP/beleidsbrief

2004 EINDE

vertraag 2006 EINDE d

Taakverdeling m.b.t. beleidsevaluatie en -opvolging ligt vast

2006 MIDDEN

Indicatoren Percentage thema's/delen met volwaardige set outputindicatoren in het MJP Percentage leefmilieukredieten via een geïntegreerde planningscyclus

2007 vertraag BEGIN d

Realisatie Doelstellin g 65 (2005) 100 (2005) 50 (2005) 100 (2006)

Aanpak jaar 2006 Project: Planningscyclus Het project wordt volledig gerealiseerd d.m.v. de vermelde maatregelen. In de nabije toekomst zullen er alleszins voor water, natuur, afval en klimaat beleidsplannen worden uitgewerkt. Het blijft de bedoeling om deze, althans voor wat het aspect leefmilieu


betreft, te kaderen in het MINA-plan 3. 2006 is vooral een cruciaal jaar voor wat het inbedden van de meer operationele plannen in een geĂŻntegreerde planningscyclus betreft. Dit principe werd ingeschreven in de voorbereidingen van het project 'Beter Bestuurlijk Beleid' (BBB) voor het beleidsdomein leefmilieu. Het zal echter nog moeten blijken hoe alle diverse onderdelen op een goede manier in elkaar geschoven kunnen worden. Het gaat hier dan niet alleen meer over de globale planningscycli, maar ook over de beheersovereenkomsten en de daaraan gebonden indicatoren en de diverse operationele plannen van de onderscheiden entiteiten. Bij de doorvoering van de reorganisatie begin 2006 zal hieraan de nodige aandacht moeten worden besteed. Voor de afstemming met de beleidsnota blijft het hoe dan ook belangrijk om op zoek te gaan naar mechanismen om de uitvoering van de beleidsnota zo goed mogelijk te laten samenlopen met de uitvoering van het MINA-plan 3. Dit wordt verder verkend, o.m. bij de verkennende pogingen om met beleidsinformatiekaarten te werken. De wijzigingen aan het DABM zullen in 2006 in het parlement worden goedgekeurd. Er kan van start gegaan worden met het bekijken van de wijze waarop de nodige bijsturingen aan het MINA-plan 3 voorzien kunnen worden. Zeer waarschijnlijk wordt dit voorafgegaan door een evaluatie van de uitvoering van het MINA-plan 3 op hoofdlijnen. In functie van een aangepast en een volgend milieubeleidsplan wordt in 2006 verder gezocht naar manieren om langetermijndoelstellingen te bepalen. Eind 2006 zouden de cases 'Grondwater' en 'Geluid' zo goed als afgerond moeten zijn. In tussentijd wordt een nieuwe bijkomende case opgestart. Met de vooropgestelde wijziging van het DABM wordt het MJP niet meer als een op zich staand document gezien, maar volledig gekoppeld met de begroting. Idealiter biedt het ontwerp-MJP het inhoudelijk en budgettair kader voor de opmaak van de begroting, biedt de tekst van het MJP toelichting bij de cijfers in de begroting en wordt het geheel voorafgegaan door de algemene tekstdelen van het MJP (opvolging doelstellingen, voortgang, ...). Om dit te bereiken zal de koppeling tussen budgetten en maatregelen uit het MINA-plan, die in 2005 gerealiseerd werd, verder geperfectioneerd worden. De informatie over de koppelingen, opgenomen in een databestand, zal opnieuw gehanteerd worden bij de opmaak van de begroting. De ingezette afstemming tussen MJP en beleidsbrief moet in 2006 worden afgerond. Het ontwerp MJP 2007 moet op zich (zonder tussenstap met een prioriteitennota) kunnen dienen als basis voor de beleidsbrief 2007. Hiertoe zal de inhoud van het MJP zo concreet mogelijk moeten zijn (zonder tekstballast) en dienen er prioriteiten te worden gelegd. De teksten van het definitieve MJP en de beleidsbrief zullen bijkomend in wederzijds overleg met het kabinet moeten tot stand komen. Tot het in werking treden van BBB zullen de huidige inspanningen rond beleidsevaluatie op een gelijkaardige wijze verder worden gezet. Ter voorbereiding van een meer in de planningscyclus geĂŻntegreerde evaluatie zal in 2006 verder gebouwd worden op de verkennende oefeningen uit 2005, waarin gezocht wordt naar een algemeen toepasbare methodologie en naar de mogelijkheden van het veralgemeend gebruik van beleidsinformatiekaarten. Een globale coĂśrdinatie van alle evaluatie-initiatieven en de eerste aanzetten voor beleidseffectenrapporten kunnen maar hun ingang vinden na een eventuele reorganisatie. Teneinde de afstemming inzake beleidsindicatoren (MINA-plan, beleidsnota, MJP, begrotingsdocument, beheersovereenkomsten) te optimaliseren, wordt de basisset van beleidsindicatoren voor het domein leefmilieu verder uitgewerkt. Ook in 2006 zal de aandacht in het bijzonder gaan naar de langetermijndoelstellingen en naar de outputindicatoren en de indicatoren bij de "deelhoofdstukken" van het MINA-plan 3. Deze zullen ook gebruikt worden om over de voortgang van het MINA-plan op regelmatige basis te rapporteren. Parallel wordt verder onderzocht hoe op basis van de beleidsindicatoren kan gerapporteerd worden over de beleidsuitvoering en hoe de rapportering en analyse van de indicatoren een volwaardig onderdeel van de jaarcyclus kunnen worden. Aan de hand van de uitgewerkte methodiek voor beleidsinformatiekaarten wordt nagegaan wat de mogelijkheden zijn van de inbedding van een dergelijk brede inhoudelijke rapportering in de beleidscyclus. Aanvullend onderzoek naar


moeilijk meetbare processen en naar kadering en doorwerking van het geheel van prestatiemeting en beleidsopvolging wordt opgestart.


Beleidsonderbouwing: kennisverwerving Verantwoordelijke:Ludo Vanongeval

Inleiding In dit deel wordt ingegaan op de kennisverwerving binnen het beleidsdomein ter onderbouwing van de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het beleid. Hierbij beschouwen we in eerste instantie het beleidsrelevant onderzoek dat wordt uitbesteed, maar daarnaast ook de kennisopbouw binnen de administratie door eigen onderzoek, modelleringen en de gegevensverzameling (monitoring en meetnetten). Om het geplande wetenschappelijk onderzoek binnen het domein leefmilieu op een systematische wijze bijeen te brengen, wordt sinds 1994 een globaal onderzoeksprogramma opgemaakt (TWOL). Hierbij wordt ernaar gestreefd om alle door AMINAL, VMM, OVAM, VLM, IN en IBW uit te besteden studies op te nemen in één onderzoeksprogramma. Vanaf 1999 wordt stapsgewijs gewerkt aan de verdere stroomlijning van het wetenschappelijk onderzoek in het domein leefmilieu. Het toen opgestarte project heeft drie doelstellingen: een meer planmatige aansturing van het wetenschappelijk onderzoek (1), een verbetering van de coördinatie en de procedures (2) en een toename van de bruikbaarheid van de onderzoeksresultaten (3). Voorts is er aandacht voor de kwaliteit van het eigen onderzoek en de gegevensverzameling. Ook hier is er nood tot stroomlijning. Daartoe worden binnen deze planperiode de eerste stappen gezet.

Opvolging van de plandoelstellingen Kennis ontwikkelen die zo goed mogelijk beleidsonderbouwend kan werken en in die zin ook + wordt gebruikt + De afgelopen jaren werd een vernieuwde overlegstructuur rond Onderzoek opgericht waarbij onderzoeksvoorstellen op hun beleidsrelevantie en -prioriteit worden beoordeeld. Dit resulteert jaarlijks in een inhoudelijk afgelijnd Onderzoeksprogramma waarbij zowel strategische als meer operationele onderzoeksvragen aan bod komen. Daarnaast bevat een uitgebreid databeheersysteem al de beleidsrelevante onderzoeksprojecten die door de milieu-overheid de afgelopen werden geprogrammeerd. De kloof verkleinen tussen de producenten en de gebruikers van wetenschappelijke kennis, + zodat op termijn de vraag accurater kan worden gesteld en het aanbod daar beter kan op inspelen Intern worden de geplande onderzoeksvoorstellen en de onderzoeksresultaten van afgeronde studies via het daarvoor ontworpen databeheersysteem voor alle beleidsmedewerkers beschikbaar gemaakt. Extern worden de belangrijkste onderzoeksgegevens (o.m. doel en resultaten van het onderzoek) via het internet ontsloten. Voor sommige instellingen is er een probleem omtrent de actualisatie van de onderzoeksgegevens.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Sinds enkele jaren verloopt de stroomlijning van het wetenschappelijk onderzoek via een duidelijk omschreven coördinatie- en overlegprocedure. Door middel van acht thematische/compartimentele en themaoverschrijdende overlegorganen worden de ingediende onderzoeksvoorstellen ex ante geëvalueerd en wordt gezocht naar synergieën. Het geheel wordt overkoepeld door een stuurgroep Onderzoek. Ook de MiNa-Raad wordt als adviesorgaan ingeschakeld in het nieuwe overlegproces. Er wordt eveneens afgestemd met andere


beleidsdomeinen waar milieugerelateerd onderzoek wordt geprogrammeerd (o.m. landbouw, mobiliteit, etc.). Het vernieuwde overlegproces loopt sinds de opmaak van TWOL 2003. Vertegenwoordigers van andere Vlaamse en federale onderzoeksprogrammerende instanties zijn met het oog op afstemming in de stuurgroep Onderzoek opgenomen. De procedure voor de uitbesteding vanuit MIRA en OVAM ( Bodem) werd geĂŻntegreerd in de TWOL-cyclus. Er wordt nog verder gewerkt aan de integratie van de werkprogramma's van de wetenschappelijke instellingen IN en IBW in de TWOL-cyclus. De opmaak van het Ontwerp TWOL-programma 2006 heeft vertraging opgelopen doordat het overleg met het kabinet langer heeft geduurd dan voorzien. In de voorbije jaren werden enkele voorbereidende studies afgerond die voor een aantal 'thema's' (natuur, bodem en milieugevaarlijke stoffen) de leemten in de kennis blootleggen en een voorstel doen voor de inhoudelijke krijtlijnen waarbinnen het toekomstig onderzoek zich zou moeten situeren. Ook worden organisatorische aanbevelingen gedaan, die moeten bijdragen tot een optimale programmering en uitvoering van het onderzoek. De inhoudelijke gegevens worden meegenomen bij de opmaak van het jaarlijkse Onderzoekskader dat de onderzoeksprioriteiten voor het komende jaar bevat. Een uitgebreid databeheersysteem (GMOdatabank) bevat alle uitgevoerde en geplande onderzoeksprojecten. De informatie opgenomen in de databank heeft zowel betrekking op gegevens nodig voor de onderzoeksprogrammering als voor de ontsluiting van de onderzoeksresultaten. De databank werd regelmatig geactualiseerd en gebruiksvriendelijker gemaakt. Bovendien werd de ontsluiting van een steeds groter wordend deel van deze gegevens (afgeronde onderzoeksprojecten) via het internet gerealiseerd. In 2005 werd een Europees ERA-NET rond wetenschappelijk onderzoek opgestart. Het 'Scientific Knowledge for Environmental Protection (SKEP) - Network of Funding Agencies' ERA-NET heeft als doel de onderzoeksprogrammerende en -financierende instanties binnen Europa samen te brengen, een coĂśrdinatie te bewerkstelligen en de binding met de beleidsmakers op hoog niveau te verbeteren. Vlaanderen is als regio partner in dit ERA-NET en neemt actief deel aan de zes werkpakketten die zijn opgenomen in het 4-jaar durende werkprogramma. In het najaar van 2004 is het project Meetnetten en Monitoring van start gegaan. Een projectgroep werd samengesteld uit vertegenwoordigers van de milieumeetnetten en de biologische monitoring (VMM, AMINAL-Water, AMINAL-Natuur, AMINAL-Bos&Groen, VLM, IBW, IN), de beleidsplanning (AMINAL, Planningsgroep) en de milieu- en natuurrapportering (MIRA, NARA). Deze projectgroep fungeert als overlegorgaan voor de uitvoering van een aantal meetnetoverschreidende initiatieven. Meer concreet werd gewerkt aan een inventaris van bestaande meetnet- en monitoringsinitiatieven, de analyse van vraag en aanbod van monitoringsinformatie en de uitwerking van een methodiek voor evaluatie van bestaande en de uitbouw van nieuwe monitoringsinitiatieven. Deze laatste twee taken worden ondersteund door TWOL-studies die in de loop van 2005 werden opgestart.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

(ontwerp)inventaris meetnetten en monitoring 2005 BEGIN Inventaris en website meetnetten en monitoring Programma van aanpak meetnetten en monitoring Opmaak Ontwerp TWOL-programma 2006 Opmaak Ontwerp TWOL-programma 2007 Opmaak en actualisatie Onderzoekskaders

2006 MIDDEN

Status

Huidige verwachting

gerealisee 2005 MIDDEN rd op schema

2005 MIDDEN

vertraagd 2006 EINDE

2005 EINDE 2006 EINDE 2005 MIDDEN

vertraagd 2006 BEGIN nieuw op


Initiëren Onderzoeksprogramma 2005 EINDE Afstemming met onderzoeksprogramma IN en 2004 MIDDEN IBW gerealiseerd Indicatoren Uitvoeringspercentage van het TWOL-programma Aantal ontsloten afgeronde onderzoeksprojecten Aantal opgestarte strategische onderzoeksprogramma's

schema vertraagd 2006 EINDE vertraagd 2006 EINDE Realisatie 60 (2004) 250 (2005) 0 (2004)

Doelstelling 85 (2007) 350 (2007) 2 (2007)

Aanpak jaar 2006 Project: Wetenschappelijk onderzoek Net als de voorbije jaren zal de noodzakelijke tijd besteed worden aan de opmaak van het jaarlijkse TWOL-programma. Er wordt verder onderzocht op welke wijze afstemming kan plaatsvinden tussen de (strategische) onderzoeksprogrammering van VITO en de jaarlijkse TWOL-programmatie. Ook wordt bekeken hoe de Europese onderzoeksprogrammering (kaderprogramma's), die doorgaans een meer strategisch karakter heeft, de TWOLprogrammering kan beïnvloeden. De directe opvolging van de uitvoering zal versterkt worden. Het Globaal Onderzoekskader, dat de grote onderzoekslijnen bevat die inhoudelijk richting geven aan het onderzoek de komende vijf jaar, wordt geactualiseerd. In 2006 worden diverse themaoverschrijdende en strategische, langetermijn onderzoeksprojecten gepland. Deze moeten de kennisleemte opvullen die bestaat rond o.m. vroeg in de beleidscyclus gesitueerde problemen en vraagstukken omtrent beleidsvoorbereiding en -formulering. Daarnaast gaat ook bijzondere aandacht naar beleidsevaluatief onderzoek. Extra aandacht wordt ook besteed aan de integratie van de werkprogramma's van het toekomstige INBO in het TWOL-programma, waarbij wordt afgestemd met de onderzoeksvoorstellen van onder meer de Afdeling Natuur en Bos & Groen van AMINAL. Er zal worden nagegaan op welke wijze, rekening houdend met de nieuwe beheerovereenkomst in het kader van BBB, de afstemming zowel in de tijd als naar vorm en inhoud kan worden gerealiseerd. Het Steunpunt Milieubeleidswetenschappen loop af eind 2006. In de loop van 2006 zal de werking van de huidige Steunpunten worden geëvalueerd. Begin 2006 worden twee milieuthema's (Waterbodems en Natuurmonitoring), waarrond nieuwe Steunpunten kunnen worden opgericht, voorgesteld aan de Vlaamse regering. Om een gerichte ontsluiting van de kennis naar een groter publiek toe te realiseren, worden thematische/technische rapporten opgemaakt. In deze rapporten wordt beschreven welke noden door onderzoek werden opgevuld en waartoe de onderzoeksresultaten beleidsmatig hebben geleid. Binnen het Europees SKEP ERA-NET wordt de komende jaren door de verschillende deelnemende partners gewerkt aan een gemeenschappelijk strategisch overzicht van de onderzoeksnoden inzake milieubeleid en -reglementering. Hierdoor zal het SKEP ERA-NET in staat zijn om onderzoeksgelden in Europa op een zo efficiënt mogelijke manier in te zetten om innovatief onderzoek te ontwikkelen en tegemoet te komen aan de Europese milieu-uitdagingen. Binnen het ERA-NET worden diverse werkpakketten uitgewerkt. Werkpakket 3 "Best practice in research management" werkt aan het opmaken van goede praktijken omtrent onderzoeksplanning, -beheer en -evaluatie. Binnen werkpakket 4 "Verspreiding en implementatie van onderzoek" wordt op basis van de huidige activiteiten rond de disseminatie en implementatie en het gebruik van onderzoek voor speciale doelgroepen, zoals de milieubeleidsmakers en de regulerende agentschappen/instanties in Europa, gezocht naar goede richtlijnen. Project: Meetnetten en monitoring In 2006 zal, in samenwerking met MMIS, gestart worden met de uitbouw van een databank en


website ten behoeve van de inventarisatie van monitoringsinitiatieven. Gelijktijdig zullen meetnetbeheerders worden bevraagd met het oog op de actualisering en verdere invulling van de databank. De verzamelde informatie zal via de website monitoring worden ontsloten. In 2006 wordt een eerste analyse van vraag en aanbod van monitoringsinformatie gemaakt. Deze zal gericht zijn op de monitoring van de waterkwaliteit in relatie tot de natuurmonitoring en wordt ondersteund door een TWOL-studie. Uit deze analyse zullen conclusies worden getrokken voor het optimaliseren, bijkomend opzetten of afslanken van bestudeerde monitoringssytemen. Tevens wordt een aanzet gegeven naar inventarisatie van de monitoringsbehoeften die er bestaan in andere thema's of compartimenten, en dit alles met het oog op de aanduiding van prioriteiten inzake uitbouw van de milieu- en natuurmonitoring. Begin 2006 wordt het auditverslag m.b.t. de meetnetten verzurende deposities en intensieve bosmonitoring voorgelegd aan de meetnetbeheerders en zullen er aanbevelingen worden geformuleerd. Hierbij zal een eerste afwegingskader voor de verschillende scenario's worden gepresenteerd. Naast de steekproefberekeningen en foutenbronnenanalyse zal ook aandacht gaan naar een inschatting van de hiermee gepaard gaande kosten. Vervolgens wordt de audit van de meetnetten waterbodem en het palingmeetnet uitgevoerd. Rol van de interne kennisopbouw verduidelijken Er wordt gewerkt aan de valorisatie van de onderzoeksoutput voor gebruik in de fasen van beleidsvoorbereiding, -uitvoering en -evaluatie. Hiervoor wordt in eerste instantie cruciale beleidsrelevante informatie, zoals beleidsaanbevelingen, opgevraagd en in de GMO-databank ingebracht. Dit geldt ook voor wat betreft de onderzoeksresultaten van het aflopende Steunpunt Milieubeleidswetenschappen. Ook met betrekking tot de gegevensverzameling wordt ernaar gestreefd om de beleidsonderbouwde capaciteit van de verzamelde gegevens te verhogen. Voor concrete activiteiten in 2006 wordt ook verwezen naar de toelichting onder project "Meetnetten en monitoring".


Beleidsonderbouwing: informatiebeheer Verantwoordelijke:Ludo Vanongeval

Inleiding Milieukennis en milieu-informatie zijn elementaire bouwstenen voor de voorbereiding, de uitvoering, de evaluatie en de onderbouwing van het milieubeleid. Het proces om tot bruikbare en geïntegreerde milieu-informatie te komen, vergt afstemming en koppeling van alle mogelijke informatielagen. Naast informatie uit de milieumeetnetten of de monitoring van het milieu in het algemeen komt er ook geschikte informatie uit instrumentengebonden dossieropvolging. Tevens is een belangrijk deel van de milieu-informatie en daaruit voortvloeiende beleidsmaatregelen lokatiegebonden en kan gesitueerd worden op een kaart en via een geoloket beschikbaar worden gesteld. Dergelijke geoloketten kunnen tevens milieu-informatie integreren en combineren, wat ze zeer geschikt maakt als beleidsonderbouwend instrument.

Opvolging van de plandoelstellingen Geïntegreerde milieu-informatie ontsluiten voor specifiek afgelijnde doelgroepen, instellingen en bestuursniveaus

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Het project "Milieu Management InformatieSysteem" (MMIS) is sinds maart 2000 operationeel. Dit project wordt opgevolgd door de Milieuinfostuurgroep. Momenteel wordt het merendeel van het voorziene budget van de Milieuinfostuurgroep besteed aan MMIS-projecten. De MMISprojecten kunnen naargelang hun karakteristieken opgedeeld worden in: - het opzetten van referentiedatabanken om milieu-informatie die aanwezig is bij de milieu-instanties aan elkaar te koppelen; - projecten die werken aan de "basis-databanken" als onderdeel van één logische milieudatabank en het koppelen en/of raadpleegbaar maken van milieu-informatie tussen de milieu-instanties; - het ontsluiten van al deze milieu-informatie naar burgers en ondernemingen en het opzetten van internetloketten voor dossieropvolging en de uitwisseling van milieuinformatie. Het opzetten van het Centraal Bedrijvenbestand (CBB) heeft al een heel traject achter de rug. De bedrijfsgegevens werden gevalideerd en afgestemd op de gegevens van de koepeldatabanken van OVAM en VMM en op de gegevens uit de milieuvergunningendatabank van AMINAL. In samenwerking met het OC GIS Vlaanderen werden generieke geografische databanken zoals het kadaster (KADVEC), het Centraal Referentie Adressenbestand (CRAB), het gewestplan beschikbaar gesteld aan alle gewestelijke milieu-instanties. Via het milieuextranet, dat operationeel werd in 2001, worden bestaande dossieropvolgingssystemen en specifieke (interne) applicaties toegankelijk gemaakt voor andere milieu-instanties. In 2005 werd AVOS (dossieropvolging vergunningsadviezen VMM) ontsloten naar AMINAL (afdelingen milieuvergunning en milieu-inspectie). Teneinde de milieu-informatie te ontsluiten naar burgers en ondernemingen werd de internetwegwijzer www.milieuinfo.be verder inhoudelijk uitgewerkt en beheerd. Tevens werden bestaande websites binnen het beleidsdomein beter geïntegreerd en werd inhoudelijk en technisch afgestemd met de portaal www.vlaanderen.be. Intussen werd gewerkt aan de uitbouw van interactieve internetloketten. Hierbij is zowel de ontwikkeling van de 'front-end' (het loket zelf) als van de 'back-end' (de achterliggende processen, koppeling van databanken) essentieel. Het Natuurvergunningenloket, opgezet in 2002, werd intussen geoptimaliseerd en uitgebreid met een aantal extra functionaliteiten. In 2004 en 2005 werd ging


veel aandacht naar de voorbereiding van de invoering van het Integraal Milieujaarverslag (IMJV). Binnen dit project wordt tevens een nieuw internetloket opgezet. Ook ter realisatie van het Milieuvergunningenloket (eMIL) werd gestart met de uitwerking van verschillende onderdelen (o.a. vergunningendatabank, bevragingstool, back-end).

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Huidige Oorspronkel Status verwacht ijke ing verwachting

Operationeel CBB met conversie

2005 2004 EINDE gereal EINDE iseerd

Opzetten van de nieuwe milieuvergunningendatabank

2005 MIDDEN

Prototype CAB (ten behoeve van loket 'Integraal Milieujaarverslag')

2005 MIDDEN

Geoloket milieuvergunningen

2006 2004 EINDE vertra MIDDE agd N

vertra agd gereal iseerd

Oplevering definitieve versie van het Vis Informatie Systeem met alle noodzakelijke functionaliteit

2005 2004 EINDE vertra EINDE agd Integreren bestaande informatieverplichtingen bedrijven in IMJV 2006 2007 MIDDEN 2005 2004 internettoepassing begeleiding milieuvergunningen gereal MIDDE MIDDEN iseerd N koppeling milieuvergunningenloket (backoffice) met de op 2006 EINDE sche bestaande digitale dossieropvolgingssystemen (provincies, gemeenten, VMM (AVOS), etc. ma op koppeling register digitale IMJV's aan het 2006 EINDE sche milieuvergunningendatabank ma operationeel IMJV-loket scenario 2006 (zowel organisatie, communicatie als ICT-luik) opzetten van het milieuvergunningenloket (incl. koppeling met CBB en CAB) fase 1 opzetten van het milieuvergunningenloket (incl. koppeling met CBB en CAB): fase 2 Indicatoren Geoloketten Leefmilieu en Natuur

2006 2005 EINDE vertra EINDE agd 2005 EINDE gereal iseerd op 2006 EINDE sche ma Realisatie Doelstelling 4 (2003)


Aandeel gemeenten die het digitale loket Natuurvergunningen gebruiken

10 (2004) 75 (2005)

Aanpak jaar 2006 Project: Milieu-informatie In 2006 zullen de centrale referentiedatabanken volledig operationeel zijn en beschikbaar worden gesteld voor alle betrokken milieu-instanties. Hiertoe dient de communicatie (technisch) tussen het Centraal Bedrijvenbestand (CBB) en de koepeldatabanken van AMINAL, VMM, OVAM en VLM te worden gerealiseerd. Tevens worden de tools voor het on-line raadplegen van gegevens uit het CBB door gemeenten en provincies geoperationaliseerd. Via een koppeling met de Vlaamse Kruispuntbank Ondernemingen (VKBO) zal het CBB eind 2006 kunnen gevoed worden met gegevens uit deze referentiedatabank met Vlaamse bedrijfsgegeven. De nieuwe Milieuvergunningendatabank zal in de loop van 2006 verder worden opgeschoond en aangevuld, en dit in samenwerking met de afdeling Milieuvergunningen, provincies en gemeenten. Tegelijkertijd wordt gestart met de aanpassing (technisch en inhoudelijk) van de databanken van de entiteiten i.f.v. de opgezette referentiedatabanken (CBB, geografische databanken,...) zodat op termijn de milieu-informatie aanwezig bij verschillende instanties aan elkaar kan worden gekoppeld. De natuurgebiedendatabank wordt in 2006 geoptimaliseerd waarbij aandacht zal gaan naar een integratie met het nog op te zetten bosinformatiesysteem. De projecten die eerder werden opgestart ten behoeve van het beschikbaar stellen van milieuinformatie via geïntegreerde informatiesystemen en geoloketten worden in 2006 verder opgevolgd. Specifieke aandacht zal echter gaan naar: - de realisatie van geïntegreerde informatiesystemen ten behoeve van het Integraal Waterbeleid en algemene milieubeleid, vb. door technische en financiële ondersteuning te bieden. Meer specifiek wordt in 2006 gewerkt aan volgende projecten: oppervlaktewaterinformatiesysteem, afvalwaterinformatiesysteem, monitoringsdatabank, watersysteemkennisdatabank, milieu- en natuurindicatoren). - het opzetten van het geoloket met exploitatiegegevens van bedrijven, mede op basis van een analyse voor een geïntegreerde bevraging op niveau van exploitant/exploitatie. - de verdere integratie van alle bestaande websites van het beleidsdomein naar één kennis- en informatiesysteem via www.milieuinfo.be In 2006 worden verder gewerkt aan volgende deelloketten van het geïntegreerd milieuinformatieloketsysteem: - IMJV-loket: inhoudelijk wordt het IMJV verder uitgebreid met bestaande, dikwijls sectorale informatieverplichtingen (bv. registratie- en informatieverplichtingen van stortplaatsen, verbrandingsovens, bijzondere voorwaarden in de vergunning, e.a.). Ook wordt de opportuniteit geëvalueerd voor een integratie van de waterheffingen (grond- en afvalwater). In functie hiervan worden achterliggende informatiesystemen (VMM, emissiedatabank water en lucht; Databank Ondergrond Vlaanderen; AMINAL, sectie Lucht) verder geoptimaliseerd. - eMIL Milieuvergunningenloket: het prototype van het loket (aanvraag, milieuvergunningenwijzer en raadplegen milieuvergunningendatabank) zal in 2006 geoperationaliseerd worden. Om de opvolgbaarheid van een milieuvergunningdossier via het loket mogelijk te maken wordt een geïntegreerde back-end opgezet. Natuurvergunningenloket: in 2006 zal de back-end operationeel zijn voor de advisering inzake kapvergunningen door de afdelingen Natuur en Bos&Groen. - Digitaal loket Samenwerkingsovereenkomst: een eerste prototype voor het opladen van documenten m.b.t. de Samenwerkingsovereenkomst wordt opgezet. - MKROS Milieuklachtenopvolgingssysteem: implementatie van het systeem dat de afgelopen jaren werd opgezet met de gemeentelijke diensten. Specifieke aandacht gaat naar de integratie in het DOS systeem van Milieu-inspectie. Integratie van de Energieprestatiedatabank in de informatiesystemen van Leefmilieu- en Natuur.


Beleidsonderbouwing: rapportering Verantwoordelijke:Ludo Vanongeval

Inleiding In dit deel bespreken we de maatregelen met betrekking tot de ontwikkeling en verbetering van de rapporteringssystemen MIRA (milieurapport) en NARA (natuurrapport). De rapportering van milieu en natuur is een cruciaal instrument om zowel het gevoerde als geplande beleid (wetenschappelijk) te onderbouwen en te evalueren. Een verdere afstemming met de beleidsplanning is hiertoe noodzakelijk. Bovendien vervult de rapportering ook een belangrijke rol in de informatieverstrekking naar de geĂŻnteresseerde burger. Voor een goede rapportering moet de kennis continu uitgebreid en aangescherpt worden. Ook is een vlotte doorstroming en harmonisatie van de databestanden van de verschillende Vlaamse instellingen en instituten noodzakelijk. De stroomlijning van het wetenschappelijk onderzoek (zie Kennisverwerving) en de uitbouw van de milieudatabank (zie Informatiebeheer) moeten hiertoe bijdragen. Anderzijds worden vanuit de rapportering ook behoeften geformuleerd, bijv. naar beschikbaarheid van (meet)gegevens, de kwaliteit van de gegevens, doelstellingen en normering. Bij de uitwerking van het project "Meetnetten en monitoring" kunnen deze behoeften meegenomen worden.

Opvolging van de plandoelstellingen De rapportering optimaliseren en integreren als beleidsondersteunend instrument voor de + verschillende bestuursniveaus Naast de interne optimalisatie wordt meer en meer overleg gepleegd teneinde de rapporteringen beter af te stemmen op elkaar en deze beter te laten aansluiten bij de beleidsplanning, -opvolging en -evaluatie.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Het eerste milieurapport verscheen in 1994. In 1998 werd beslist om drie soorten rapporten uit te werken om een betere afstemming met de milieubeleidsplanning te bewerkstelligen: - jaarlijkse themarapporten (MIRA-T) ter onderbouwing van het milieujaarprogramma; - tweejaarlijkse evaluatierapporten (MIRA-BE) voor de evaluatie van het gevoerde beleid; - vijfjaarlijkse scenariorapporten (MIRA-S) ter voorbereiding van het milieubeleidsplan; De jaarlijkse MIRA-T rapportering bestaat uit 4 producten: syntheserapport (gedrukt), zakboekje (gedrukt), achtergronddocumenten (digitaal) en indicatorenwebsite. Eind 2005 werd het MIRA-T 2005 gepubliceerd, waarin meer focus wordt gelegd op de actualiteit en bijzondere aandacht wordt gegeven aan de huidige knelpunten en succesverhalen van het milieubeleid. Eind 2005 is tevens het tweede MIRA-BE rapport voorgesteld. Hierin wordt een overzicht gegeven van de evaluatiestudies uitgevoerd sinds de publicatie van het eerste BE-rapport en worden 5 diepgaande beleidsevaluaties uitvoerig beschreven. Het eerste S-rapport werd opgemaakt in 2000 ter onderbouwing van het lopende milieubeleidsplan. Sinds het Natuurdecreet van 1997, brengt het Natuurrapport (NARA) tweejaarlijks informatie over de toestand van de natuur in Vlaanderen en het beleid terzake (1999, 2001, 2003). In het voorjaar van 2005 werd het vierde NARA rapport voorgesteld. Naast het rapport werd tevens een website Natuurindicatoren geoperationaliseerd. Met betrekking tot de afstemming tussen de verschillende rapporteringen op Vlaams niveau, vindt er overleg tussen MIRA en NARA plaats. Tevens werd ook specifiek overleg georganiseerd (werkgroep indicatoren) naar aanleiding van de opmaak van het VRINDrapport dat gepubliceerd werd midden 2005. MIRA en NARA worden tevens betrokken bij de initiatieven inzake de uitbouw van een domeindekkend systeem van beleidsopvolging die door


de planningsgroep zijn opgestart. Op het niveau van de EU (DG-ENV) loopt een proces tot herziening van de huidige rapportering en hieraan gekoppelde monitoring. Ook bij andere internationale instellingen (EMA, OESO) zijn initiatieven lopende ter verbering en harmonisering van de rapportering. De VOIM-werkgroep milieugegevens (VLIMI) volgt deze initiatieven op zodat, waar relevant, er een doorvertaling naar de Vlaamse milieu- en natuurrapportering kan geschieden.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

Blauwdruk MIRA-BE 2007 en start evaluatiestudies

2006 MIDDEN

nieuw

Publicatie jaarlijks milieurapport MIRA-T 2005

2005 EINDE

Publicatie jaarlijks milieurapport MIRA-T 2006

2006 EINDE

gerealise erd nieuw

Publicatie tweejaarlijks milieubeleidsevaluatierapport MIRA-BE 2005

2005 EINDE

Realisatie scenariorapport Landbouw

2006 MIDDEN

Publicatie tweejaarlijks natuurrapport NARA 2005 2005 MIDDEN Publicatie tweejaarlijks natuurrapport NARA 2007 2007 MIDDEN

Huidige verwachting

gerealise erd nieuw gerealise erd nieuw

Aanpak jaar 2006 Aftstemmen tussen rapporteringssystemen Naar aanleiding van de opmaak van de blauwdruk voor MIRA-BE 2007, wordt de selectie van de uit te voeren beleidsevaluatieve studies afgestemd op de behoeften die voortkomen uit de milieubeleidsplanning. Het nieuwe VRIND rapport, dat midden 2006 zal worden voorgesteld, wordt inhoudelijk afgestemd met respectievelijk MIRA en NARA. In de loop van 2006 wordt door de planningsgroep een opdracht uitbesteed als volgende stap in de uitbouw van een domeindekkend prestatiemeetsysteem. In kader van de implementatie van de Kaderrichtlijn Water, is de herziening van internationale rapportering van watergebonden materie in een stroomversnelling gekomen. Teneinde tijdig in te spelen op deze ontwikkelingen en de Vlaamse rapportering hierop af te stemmen, zal in 2006 binnen VLIMI een werkgroep waterrapportering worden opgericht. MIRA verder ontwikkelen en verbeteren Op basis van de evaluatie van MIRA-BE 2005 zal de blauwdruk voor MIRA-BE 2007 opgesteld worden. MIRA-BE 2007 zal bestaan uit een inventarisatie van bestaande evaluatiestudies en een aantal diepgaande beleidsevaluatieve studies. In 2006 worden de vier producten van de jaarlijkse MIRA-T-rapportering geactualiseerd. Specifieke aandacht gaat naar de verfijning en ontwikkeling van beleidsrelevante indicatoren. Ter voorbereiding van het volgende MIRA-S rapport (2009) wordt onderzocht welke modellen en beleidsrelevante scenario's kunnen worden gehanteerd. In 2006 zal een scenariorapport voor de landbouwsector als testcase worden opgemaakt. NARA verder ontwikkelen en verbeteren In 2006 zullen de gegevens voor het Natuurrapport 2007 worden verzameld en verwerkt en zullen de teksten worden opgemaakt en nagezien door de lectoren; in tussentijd wordt de website Natuurindicatoren permanent geactualiseerd. In NARA 2007 vormt de evaluatie van de


effectiviteit van het natuurbeleid een belangrijk aandachtspunt. Er wordt veel zorg besteed aan de verdere verspreiding van de informatie uit het Natuurrapport 2005 en de website Natuurindicatoren. De betrokkenen bij de open ruimte (vb. landbouwers, bosbeheerders, waterbeheerders) vormen een belangrijke doelgroep. In 2006 zal bijzondere aandacht gaan naar de eenduidige kartering van de data-flow van monitoring naar de website Natuurindicatoren en het Natuurrapport, en dit in samenhang met de gegevensstroom voor de internationale rapportering. Uit de website Natuurindicatoren worden - in overleg met andere betrokkenen - de meest prioritaire leemten inzake monitoring, meetnetten en databanken afgeleid; hieromtrent wordt een discussienota opgesteld.


Beleidsuitvoering: sociale instrumenten Verantwoordelijke:David Van Der Velde

Inleiding Sociale instrumenten kenmerken zich doordat hun werking gebaseerd is op informatieverspreiding, educatie en communicatie en doordat ze uitgaan van vrijwilligheid en overreding. De overheid zet sociale instrumenten in het leefmilieubeleid in om het milieubewustzijn van individuen of groepen te vergroten met het oog op de vermindering van de milieubelasting van hun activiteiten. Sinds de Vlaamse overheid pleit voor milieuvriendelijk gedrag en maatregelen bij de doelgroepen (bv. het stimuleren van de invoering van milieuzorgsystemen bij bedrijven) kan ze zelf niet achterblijven en moet ze minstens de ambitie hebben om het even goed te doen. Prioritair in het Vlaamse beleid is het verbeteren van de coördinatie en de planning van het communicatiebeleid en van de interne milieuzorg binnen de overheid. In het regeerakkoord van de huidige Vlaamse regering wordt de noodzaak tot milieuzorg binnen de Vlaamse overheid en haar overheidsinstellingen onderschreven.

Opvolging van de plandoelstellingen De transparantie, de efficïentie en de effectiviteit van milieucommunicatie verhogen

+/-

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Sinds een aantal jaren coördineert het Communicatie-overleg Leefmilieu Vlaanderen (COLEV) de jaarlijkse opmaak van een communicatieplan voor het beleidsdomein Leefmilieu en Natuur. Dit plan is een gecoördineerde lijst van externe communicatieacties van AMINAL, VMM, VLM, OVAM en de wetenschappelijke instituten. In 2005 werd een communicatieplan op hoofdlijnen opgemaakt met strategische doelstellingen, getoetst aan de beleidsnota van de minister. Naast het communicatieplan werd in 2004 een eerste ontwerpnota communicatiestrategie voor de Vlaamse milieuoverheid opgesteld. In het kader van deze ontwerpstrategie werd een onderzoek naar de digitale communicatiebehoeften van de doelgroep consumenten verricht in 2005. De Vlaamse milieuoverheid participeerde aan de beurzen VLOD, Agriflanders, de Internationale Werktuigdagen en Agribex. De wegwijzersite www.milieuinfo.be ontsluit sinds 2003 de informatie op de websites van de verschillende entiteiten van het beleidsdomein. De NMEaanbieders werden geraadpleegd over de UNECE-strategie (UN Economic Commission for Europe) voor 'Educatie voor duurzame ontwikkeling' (EDO). De NME-inventaris Vlaanderen werd operationeel op internet. De werking van de NME-centra werd verbreed naar de hogescholen, buitenschoolse jeugd en socio-culturele organisaties en naar de vorming van lesgevers voor de diverse NME en milieuzorgpakketten. In het NME centrum De Helix ging het meerjarenproject 'Geluid en Stilte' van start. De laatste twee themabundels 'Natuur op school' en 'Energie in het kader van Milieuzorg op School (MOS) voor het basisonderwijs werden afgewerkt. Er werd gestart met de thematische herwerking van de aandachtsvelden voor het secundair onderwijs. In de werking 'Milieuzorg op de hogescholen' werd een handleiding geproduceerd m.b.t. milieuzorg in het opleidingsgebied 'Gezondheidszorg'. Voor de buitenschoolse jeugd werd er gewerkt aan de introductie van milieuzorg op kamp en in jeugdhuizen. Voor de sociaal-culturele verenigingen werden de vormingspakketten rond voeding, energie en milieuvriendelijk huishouden gepromoot. De Milieukoopwijzer, een aankoopgids op het internet met tips voor een milieuvriendelijk consumptiegedrag, werd uitgebreid met de gegevens m.b.t. 'water' en 'verlichting'. Drie vierde van de administraties en VOI dienden een actieplan milieuzorg in. Dit is een lichte daling t.o.v. 2004. De Coördinatiecel


Milieuzorg begeleidde deze entiteiten bij de uitvoering ervan. Ter ondersteuning werden vormingsessies georganiseerd, waaronder de eerste basiscursus milieubeheer voor aanspreekpunten. Er werd een handleiding milieuzorg uitgewerkt, gebaseerd op ervaringen binnen de Vlaamse overheid. Er liep een communicatiecampagne rond de thema's rationeel energiegebruik en milieuvriendelijk rijgedrag. In mei 2005 werden de doelstellingen m.b.t. energie en mobiliteit bevestigd door de Vlaamse Regering. In uitvoering hiervan werden ontwerp actieplannen 2006 - 2010 energiezorg in de Vlaamse overheidsgebouwen en milieuzorg in het voertuigenpark van de Vlaamse overheid uitgewerkt. Eind 2005 werd de Coรถrdinatiecel Milieuzorg (CCM) omgevormd tot een kenniscel met een adviesverlenende taak. Dit heeft tot gevolg dat het behalen van resultaten op vlak van milieuzorg binnen de entiteiten en de rapportering erover in het gedrang kan komen indien in het kader van de reorganisatie van de Vlaamse administratie (beter bestuurlijk beleid) geen geschikte aansturing en opvolging van de entiteiten wordt voorzien.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen Milieucommunicatieplan 2007 is goedgekeurd Milieucommunicatiestrategie in hoofdlijnen is goedgekeurd Herpositionering van de portaalsite www.milieuinfo.be is afgerond Handleiding milieuzorgsysteem hoger onderwijs is klaar Lesgeversdatabank tbv sociaal-culturele verenigingen operationeel Milieukoopwijzer uitbreiden naar nieuwe doelgroepen NME-inventaris Vlaanderen volledig operationeel Opmaak implementatieplan Educatie voor Duurzame Ontwikkeling Uitbouw concreter thematisch materiaal voor secundaire MOS-scholen Basisset indicatoren milieuzorg binnen de Vlaamse overheid is uitgewerkt Beslissing van de Vlaamse regering interne milieuzorg doelstellingen 2005

Huidige Oorspronkelijke Status verwachtin verwachting g 2006 EINDE nieuw 2006 MIDDEN nieuw 2006 EINDE

2007 MIDDEN nieuw 2006 EINDE

nieuw

2006 EINDE 2006 BEGIN

nieuw nieuw

2007 MIDDEN nieuw 2009 EINDE

nieuw

2006 EINDE

nieuw

2004 EINDE

2005 gereali BEGIN seerd

Beslissing van de Vlaamse regering interne milieuzorg na 2005 BEGIN 2005 Evaluatie rond interne milieuzorg in de entiteiten

nieuw

2004 EINDE

Goedkeuring Vl. Reg. actieplan 2006-2010 Energiezorg in 2006 BEGIN de Vlaamse overheidsgebouwen Goedkeuring Vl. Reg. actieplan 2006-2010 milieuzorg in 2006 BEGIN het voertuigenpark van de Vlaamse overheid

verlate n gereali seerd nieuw nieuw


Indicatoren

Realisati e Aandeel basisscholen die deelnemen aan het educatieve project 'Milieuzorg 46 op school' (2005) Aandeel hogescholen die deelnemen aan het educatieve project 'Milieuzorg 40 op school' (2005) Aandeel secundaire scholen die deelnemen aan het educatieve project 59 'Milieuzorg op school' (2005) 10 Aantal (sub)entiteiten met actieplan milieuzorg: milieuzorgniveau 1 (2005) 46 Aantal (sub)entiteiten met actieplan milieuzorg: millieuzorgniveau 2 (2005)

Doelstelli ng 40 (2005)

65 (2005) 11 (2005) 62 (2005)

Aanpak jaar 2006 Project: Interne milieuzorg In het kader van de reorganisatie van de Vlaamse overheid zullen in de eerste helft van 2006 beheersovereenkomsten opgesteld worden voor alle agentschappen. Milieuzorg zal opgenomen worden in de algemene standaarden en richtlijnen die alle agentschappen moeten naleven. Om de toepassing ervan te kunnen opvolgen zal tegelijkertijd een set indicatoren ontwikkeld worden. Onder meer Green Public Procurement (groene overheidsaankopen) moet op deze manier verder gerealiseerd worden. In het kader van haar taak als kenniscel zal de CCM de nodige input geven voor het opstellen van de algemene standaarden en richtlijnen op vlak van milieuzorg. Daarnaast zal ze de handleiding milieuzorg binnen de overheid uitbreiden met nieuwe actiefiches, waarbij nu ook materiaal zal verzameld worden bij lokale overheden en zal ondersteuning gegeven worden aan de individuele entiteiten. Speciale aandacht gaat naar de 'sleutel'entiteiten, zoals de centrale aankoopdienst, afdeling Gebouwen, Interne Dienst voor Preventie, Bescherming en Welzijn op het werk. Verder blijft de cel de nodige vormingen voorzien (o.a. rond duurzame overheidsaankopen). De milieuzorgwerkgroepen in de grote gebouwen worden omgevormd naar werkgroepen die alle gebouwgebonden aspecten zullen behandelen. De CCM treedt op als trekker en mede-uitvoerder van de actieplannen 2006-2010 energiezorg in de Vlaamse overheidsgebouwen en milieuzorg in het voertuigenpark van de Vlaamse overheid. Coรถrdinatie en planning van het communicatiebeleid verbeteren Begin 2006 wordt de ontwerpnota communicatiestrategie van 2004 herwerkt. Bij goedkeuring van de ontwerpnota door de beleidsraad wordt door het Communicatie-overleg Leefmilieu Vlaanderen (COLEV) gestart met de opmaak van een communicatiestrategie op hoofdlijnen. Deze strategie zal ook de basis vormen voor samenwerkingsinitiatieven met NGO's op het vlak van communicatie. De communicatiestrategie wordt aangevuld met aanbevelingen die voortvloeien uit het overleg van de cel Doelgroepenbeleid met de sectoren industrie en landbouw. In de tweede helft van 2006 wordt gestart met het opstellen van het communicatieplan voor het jaar 2007. Als gevolg van Beter Bestuurlijk Beleid zal de samenstelling van het COLEV worden herzien. Informatieverstrekking afstemmen De inspanningen van het beleidsdomein Leefmilieu op het vlak van digitale communicatie worden gestroomlijnd. Het informatieaanbod wordt grondiger ontsloten en beter afgestemd op de gebruikers. De herpositionering van de portaalsite van het beleidsdomein 'www.milieuinfo.be' vormt daarin een eerste, cruciale stap. Voltooiing is gepland eind 2006. Dit wordt het startpunt van een progressieve afstemming van het online aanbod. Het geheel kadert in een doelgroepgerichte integratie van de milieu-informatie en -communicatie. Tevens zal gezorgd worden voor de implementatie van het besluit van de Vlaamse Regering inzake de verspreiding


van milieu-informatie vanaf 1 januari 2006. Het doel van dit besluit is milieu-informatie beter toegankelijk te maken ten aanzien van de bevolking via internet. De milieu-informatie bestaat uit onder meer internationale verdragen, wetgeving, beleidsplannen, milieurapporten, enz die van toepassing zijn op Vlaanderen. Natuur- en milieueducatie uitbreiden naar nieuwe doelgroepen In het kader van het decennium voor educatie voor duurzame ontwikkeling (2005-2014) van de Verenigde Naties en ter uitvoering van de Strategie voor educatie voor duurzame ontwikkeling (UNECE 2005) wordt tegen midden 2007 een Vlaams Implementatieplan uitgeschreven. Dit plan spoort samen met de Vlaamse Strategie duurzame ontwikkeling. In 2006 worden o.a. de EDOprojecten in Vlaanderen geĂŻnventariseerd. Voor de socio-culturele verenigingen worden NMEactiviteitenfiches uitgewerkt. Voor het project vergroening van de schoolomgeving wordt in 2006 gefocust op het opzetten van pilootprojecten en het uitschrijven en verspreiden van werkboeken. In het kader van de themawerking 'Landbouw en milieu' komt het educatief pakket voor natuurgidsen ter beschikking, Het MOS-project werd bij besluit van de Vlaamse Regering verder gezet voor een periode van 5 jaar. Voor het secundair onderwijs worden de themabundels energie en afval opgesteld en komen extra accenten te liggen op lokale verweving, contacten tussen scholen en inschakeling in een internationaal netwerk. Voor de hogescholen wordt gestart met de introductie van het milieuzorgsysteem voor het volledige hoger onderwijs. Voor de buitenschoolse jeugd worden tips aangeboden om de milieu-impact van hun werking te meten en te verkleinen en wordt het netwerk lokale aankoop van duurzame landbouwproducten operationeel. Tevens wordt gestart met de activering van milieuzorg in vormingscentra en lokale sociaal-culturele werkingen. Eind 2005 werd beslist door de Vlaamse Regering om de milieukoopwijzer uit te breiden naar toerisme, de socio-culturele sector, verzorgingsinstellingen en het jeugdwerk.


Beleidsuitvoering: economische instrumenten Verantwoordelijke:David Van Der Velde

Inleiding Economische instrumenten kunnen door de overheid worden ingezet om via financiële prikkels het gedrag van de doelgroepen zodanig te sturen dat voldaan kan worden aan bepaalde (milieu)kwaliteitsdoelstellingen. Het Vlaamse economische instrumentarium is op te delen in financiële instrumenten (i.e. milieuheffingen en subsidies) en marktcreërende instrumenten (i.e. verhandelbare emissierechten, verhandelbare plichten). Momenteel is het gebruik van economische instrumenten, in het Vlaamse milieubeleid aan een sterke opmars bezig. Voor de aanpak wordt verwezen naar het hoofdstuk 'Kosten en financiering'.

Opvolging van de plandoelstellingen De kosteneffectiviteit van het gebruik van economische instrumenten binnen het milieubeleid maximaliseren

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 In 2005 is de OECD-EEA 'database of environmental taxes and subsidies' voor Vlaanderen geactualiseerd met een volledig overzicht van het economisch instrumentarium voor milieubeleid (inclusief vrijwillige overeenkomsten). Ook is in het kader van de OECD Environmental Performance Review (chapter 4a Environment-Economy interface) gedetailleerde informatie verstrekt over de inzet van economische instrumenten in Vlaanderen. Met de goedkeuring van het programmadecreet van 24 december 2004 moeten de drinkwatergebruikers vanaf 1 januari 2005 nog slechts één waterfactuur betalen en dit rechtstreeks aan de drinkwatermaatschappijen (DWM), die een saneringsplicht opgelegd hebben gekregen. Deze bijdrage aan de DWM is fiscaal aftrekbaar voor bedrijven, aangezien het gaat om een vergoeding voor een dienst. Met deze hervorming van de watersector kwam er ook een oplossing voor het BTW-probleem voor de diensten van Aquafin. Door het invoeren van de bijdrage bedraagt het BTW-tarief op de afvalwaterzuivering sinds de hervorming 6% (voor zover het afvalwater afkomstig is van het door de DWM geleverde water). Sinds 1 januari 2005 is het EU Emissiehandelssysteem voor CO2 is werking getreden. In 2005 is gewerkt aan de voorbereiding van het nieuwe klimaatbeleidsplan, via o.m. de organisatie van een Vlaamse klimaatconferentie. Hierin ging ook veel aandacht naar de inzet van economische instrumenten en naar de netto kosten van postKyoto doelstellingen voor de Vlaamse economie. In 2005 werd de studie inzetbaarheid van economische instrumenten voor het luchtbeleid afgewerkt met stappenplannen voor meest interessante beleidsopties (o.a. een NOx emissieheffing waarvan de inkomsten gebruikt worden voor de subsidiëring van milieuinvesteringen). In 2005 werd een evaluatiekader ontwikkeld voor de evaluatie van milieusubsidies, vanuit een vnl. economisch perspectief, op o.a. de criteria effectiviteit, efficiëntie en billijkheid. Tijdens de studieopdracht werd de case subsidies aan gemeenten in het kader van de cluster vaste stoffen (afval) van de samenwerkingsovereenkomst in detail geanalyseerd.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijk Huidige Status verwachtin e verwachting


g Opmaak en toepassing van een evaluatiekader voor financiële tegemoetkomingen vanwege leefmilieu

2005 EINDE

gereali seerd

Afronding studie Intersectorale afweging emissiereductielasten tussen de Vlaamse industriële sectoren

2005 EINDE

gereali seerd

Eindrapport verkennende studie Inzet economische instrumenten in het luchtbeleid (NOx, SO2, VOS)

2004 EINDE

2005 gereali EINDE seerd

Implementatie EU-richtlijn Verhandelbare Emissierechten 2004 BEGIN

2005 gereali BEGIN seerd

Indicatoren Aantal leefmilieusubsidies die economisch geëvalueerd werden

Realisatie 1 (2005)

Doelstelling


Beleidsuitvoering: juridische instrumenten Verantwoordelijke:David Van Der Velde

Inleiding Het overheidsoptreden is haast altijd juridisch verankerd en het milieubeleid vormt daarop geen uitzondering. In het huidige milieubeleid vervullen de milieuvergunning en de -inspectie een centrale rol. Analoog met andere rechtstakken is het Vlaamse milieurecht het voorbije decennium sterk toegenomen. Veel nieuwe milieuregelgeving ontstaat op hogere beleidsniveaus en moet een plaats krijgen in het Vlaamse milieurecht. Daarnaast dient de VLAREM wetgeving worden bijgeschaafd om te voldoen aan de steeds evoluerende Europese wetgeving. De Vlaamse prioriteiten worden gelegd bij de bijsturing van het milieuvergunningenbeleid en het handhavingsbeleid.

Opvolging van de plandoelstellingen De kwaliteit van het milieurecht verbeteren door meer interne samenhang, onderlinge afstemming en doeltreffendheid, vereenvoudiging en door de verhoging van de technische uitvoerbaarheid, de rechtszekerheid en de handhaafbaarheid

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2005 Het project 'Fundamentele principes en instrumentenontwikkeling' kon tot op heden niet worden heropgestart. In de eerste helft van 2005 werd het actieplan reguleringsmanagement 2005 voor het beleidsdomein leefmilieu goedgekeurd. Het actieplan bevat naast acht structurele initiatieven, ook nog een twintigtal concrete projecten die getrokken worden door de administratie. De acht structurele initiatieven zijn 1) uitbouw van ĂŠĂŠn Vlaams milieuwetboek, 2) Nieuw ontwerp handhavingsdecreet, 3) Implementatie Richtlijn Milieuschade, 4) Herziening Bodemsaneringsdecreet, 5) Harmonisatie en vereenvoudiging regelgeving bos- en natuurbeleid, 6) Opmaak van een nieuw Mestdecreet, 7) Koppeling milieu- en bouwvergunning en 8) Koppeling milieubeleidsplanningscyclus, beleidsbrief en milieujaarprogramma. Vanaf 1 januari 2005 moet alle nieuwe regelgeving onderworpen worden aan een zogenaamde lichte RIA. Dit is een kort document waarin de effecten van de voorgenomen regelgeving onderzocht worden. Wat het project 'Milieuvergunningenbeleid' betreft, werd de stapsgewijze uitvoering van de GPBVrichtlijn verder gezet. Een geactualiseerde nominatieve inventarisatie in 2005 leverde 1069 GPBV-bedrijven (inclusief de veehouderijen) op. Voor de 542 veehouderijen is een actualisatie van de sectorale voorwaarden reeds gebeurd door de regelgeving inzake emissiearme stallen. Met betrekking tot de uitwerking van integrale milieuvoorwaarden voor de pilootsectoren schrijnwerkerij en garages werden 2 voorontwerpbesluiten uitgewerkt op het decreet algemene bepalingen inzake milieubeleid. Deze voorontwerpen werden op 25 februari 2005 door de Vlaamse Regering principieel goedgekeurd. Naar aanleiding van het advies van SERV en MINA-raad werd een alternatief voorontwerpbesluit uitgewerkt. Op 28 oktober 2005 werd een VLAREM-trein principieel goedgekeurd door de Vlaamse regering. De vvorziene aanpassingen betreffen o.a. wijzigingen in de VLAREM indelingslijst, omzetting van de lijst van prioritaire stoffen uit de Kaderrichtlijn Water, criteria voor de aanvaarding van afvalstoffen op stortplaatsen en een nieuwe definitie van biomassa. Op 23 december 2005 werd ook een voorontwerp van verzameldecreet principieel goedgekeurd, waarin zich o.a. een aanpassing van het milieuvergunningendecreet bevindt. Hierdoor wordt oa. tijdelijk de periode verlengd waarbinnen nieuwe vergunning kan worden aangevraagd bij het verstrijken van de oude. Dit moet de verwachte pieken van de aanvragen tot hernieuwing van milieuvergunningen afvlakken. Wat het


project 'Handhaving' betreft, werd in april 2005 een beperkte ambtelijke expertenwerkgroep aangesteld om de studies van de Universiteiten van Gent (inzake bestuurlijke handhaving van de milieuwetgeving) en Maastricht/Leuven (inzake strafrechtelijke handhaving van de milieuwetgeving) te evalueren en de evoluties en nieuwe inzichten sindsdien in kaart te brengen. Een rondetafel over handhaving werd georganiseerd en een voorontwerp van decreet uitgewerkt. Het nieuwe decreet zal voorzien in een eenduidig handhavingskader met verruimde mogelijkheden om administratief te handhaven. Jaarlijks wordt een Milieu-inspectieprogramma (MIP) opgesteld. De uitvoering van het Milieu-inspectieprogramma 2005 zit op schema. De opmaak van het MIP 2006 zit in zijn eindfase. In het kader van de uitdraging van de handhaving naar de lokale overheden werd in de eerste helft van 2005 het gezamenlijke project "droogkuis" grondig geĂŤvalueerd. Inmiddels is een nieuw project rond gezamenlijke inspecties inrichtingen klasse 2 en klasse 3 uitgevoerd. Het decreet Milieueffect- en Veiligheidsrapportage van 18 december 2002 heeft het bestaande MER/VR instrumentarium gereorganiseerd. Voor het VRgedeelte wordt naast het omgevingsveiligheidsrapport, het ruimtelijk veiligheidsrapport ingevoerd, dat de koppeling maakt tussen industriĂŤle veiligheid en ruimtelijk ordening. Om dit deel in uitvoering te kunnen brengen dient het decreet Ruimtelijk Ordening van 1999 te worden aangepast. Naast de project-mer werd een nieuw type milieueffectrapportage ingevoerd sinds 21 juli 2004: de plan-mer, die geldt bij de opmaak van plannen en programma's. In 2005 werd gestart met jaarlijkse fora voor initiatiefnemers en werd de informatieve site 'www.mer.vlaanderen.be' vernieuwd zodat ook informatie over uitgevoerde milieueffectrapportages eenvoudiger kan worden geraadpleegd. Op 10 december 2004 werd een uitvoeringsbesluit goedgekeurd dat het toepassingsgebied voor projectmilieueffectrapportage vastlegt en de vroegere lijsten van de besluiten van 23 maart 1989 vervangt. Voor het VR gedeelte werden in het kader van de opmaak van strategische plannen voor de zeehavens ruimtelijke veiligheidsrapporten op strategisch planniveau beoordeeld. Naast onderzoeken betreffende methodieken voor milieurisicoanalyse, de te rapporteren toxiciteitsgegevens voor de mens en methodieken voor ruimtelijke veiligheidsrapportage, werd het richtlijnenboek voor veiligheidsrapportages in 2005 gepubliceerd. Het richtlijnenboek is een leidraad bij het opstellen van omgevingsveiligheidsrapporten voor de milieuvergunningsaanvraag, ruimtelijke veiligheidsrapporten voor de opmaak van nieuwe ruimtelijke plannen en veiligheidsrapporten in het kader van het Samenwerkingsakkoord tussen de federale staat en de gewesten. In 2004 werd een TWOL-studie opgestart naar de Impact van de Richtlijn Aansprakelijkheid Milieuschade ('project I.R.A.M.'). In deze studie wordt onderzocht wat de gevolgen zijn van de EG-richtlijn betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade op het Vlaamse milieurecht. In het najaar werd met alle belanghebbenden (vertegenwoordigers van de industrie, milieugroeperingen, de administratie, banken en verzekeraars) een infosessie over deze richtlijn georganiseerd.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Onderzoek naar de basiselementen voor een concept van milieureguleringseffectenrapportage in Vlaanderen Voorwaardenpakketten inzake milieuvergunningen voor twee pilootsectoren (schrijnwerkerij en garages) Maximale uitvoering MIP2006 en opmaak MIP2007

Huidige Oorspronkel Status verwacht ijke ing verwachting 2005 2004 verlat MIDDE MIDDEN en N 2006 2004 EINDE vertra EINDE agd 2006 EINDE nieuw


Milieuhandhavingsdecreet definitief goedgekeurd door het Vlaams parlement Opvolging en evaluatie van de inspectiecampagnes 'gezamenlijke inspecties inrichtingen klasse 2 en 3' met lokale overheden in 2005 is uitgevoerd

2006 MIDDEN

nieuw

2006 MIDDEN

nieuw

De richtlijn milieuschade is volledig omgezet

2007 BEGIN

nieuw

Herziening risicocriteria voor de aanvaardbaarheid van externe risico's van Sevesobedrijven

2006 EINDE nieuw

MER: bestaande richtlijnenboeken actualiseren en publiceren

2006 2004 EINDE vertra BEGIN agd

Rapport strategisch wetgevingsbeleid

2004 MIDDEN

Uitvoeringsbesluiten Milieueffect en Veiligheidsrapportage ter omzetting van de Europese richtlijnen

2006 2003 EINDE vertra EINDE agd

VR: richtlijnenboeken opstellen en publiceren

2005 2004 EINDE gereal EINDE iseerd

gereal iseerd

Aanpak jaar 2006 Project: Milieuvergunningenbeleid Voor de GPBV-bedrijven zal voor oktober 2007 een evaluatie moeten gebeuren van de milieuvergunningen. Daar waar nodig, worden de vergunningsvoorwaarden aangepast, hetzij door de wijziging van de sectorale voorwaarden in VLAREM II, hetzij door aanpassing van de bijzondere vergunningsvoorwaarden in de individuele vergunning. De vergunningen worden getoetst aan nieuwe BBT- of BREF-studies (waaronder een horizontale BREF voor rationeel energiegebruik), aan de resultaten van de sectorstudies inzake emissiereductieprogramma's (zie o.m. thema "Verontreiniging door fotochemische stoffen"), reductieprogramma's milieugevaarlijke stoffen en sectorstudies geurnormering. Uit eerste onderzoeken bleek het opstellen van sectorale milieuvoorwaarden voor zeehandelshavens, aanvullend aan de algemene milieuvoorwaarden, gelet op de grote diversiteit in situaties, milieutechnisch niet mogelijk. Er wordt verder onderzocht in welke mate minimale milieuvoorwaarden toch zinvol kunnen worden uitgewerkt. Met betrekking tot de uitwerking van integrale milieuvoorwaarden voor de pilootsectoren schrijnwerkerij en garages wordt de externe onderzoeksopdracht voor de uitwerking van 2 voorontwerpbesluiten gefinaliseerd rekening houdend met het vernieuwde voorontwerpbesluit. Project: Handhaving In 2006 komt het nieuwe Milieuhandhavingsdecreet tot stand. Het MIP 2007 wordt opgesteld en afgestemd met belangrijke handhavingsactoren zoals de lokale overheden, de rechtsopvolgers van de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie en van de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg (Gezondheidsinspectie), de OVAM, de VLM, het Voedselagentschap en de minister van Leefmilieu. Tevens wordt het MIP 2007 maximaal afgestemd op het MINA-plan 3. In de mate van het haalbare en voor zover het een meerwaarde betekent, zal getracht worden om inspecties, gezamenlijk met andere actoren uit te voeren. De bestaande handhavingsexpertise binnen de afdeling Milieu-inspectie zal worden uitgedragen naar de toezichthoudende ambtenaren van de lokale overheden. In 2006 zal het in 2005 uitgevoerde samenwerkingsproject tussen de lokale overheden en de afdeling Milieu-inspectie grondig worden geĂŤvalueerd.


Bovendien zal samen met de lokale overheden het thema van een nieuwe inspectiecampagne voor het werkjaar 2007 worden bepaald. Evaluatie en bijsturing thematisch en horizontaal regelgevend kader Voorstellen zullen worden geformuleerd ter verfijning van een RIA wanneer het gaat om omzetting van Europese en internationale milieuregelgeving. Ter omzetting van de Europese richtlijn 'plan-mer' zal na de lijsten, die de mer-plicht voor activiteiten vastleggen, ook het toepassingsgebied voor plannen en programma's worden afgebakend en het decreet worden aangepast. De verdere uitvoeringsreglementering volgt na een evaluatie van het decreet. Voor de richtlijnenboeken MER worden eerste de bestaande richtlijnenboeken voor de disciplines water, bodem, fauna en flora, lucht en monumenten en landschappen geactualiseerd. Vervolgens zal worden gewerkt aan de actualisatie van de richtlijnen per activiteit en de richtlijnen voor de discipline geluid. De focus zal ook worden gelegd op de plan-m.e.r. De noodzakelijke uitvoeringsbesluiten op het decreet ruimtelijke ordening worden voorgesteld om de ruimtelijke veiligheidsrapportage in werking te doen treden. Tevens worden nadere uitvoeringsbesluiten opgesteld op het DABM omtrent de erkenningen van deskundigen voor het opstellen van veiligheidsrapporten en omtrent bepaling van de bedrijven waarvoor omgevingsveiligheidsrapporten. Het Samenwerkingsakkoord tussen de federale staat en de gewesten, met betrekking tot preventie van zware ongevallen bij Sevesobedrijven, zal worden aangepast onder meer op het vlak van drempelwaarden en toepassingsgebied. Deze aanpassing is dringend nodig in het kader van de omzetting van de nieuwe Europese Seveso 2-regelgeving. In het kader van het Samenwerkingsakkoord wordt bekeken welke herverdeling van Sevesoheffingen kan plaatsvinden tussen de federale en de gewestelijke overheden. De huidige risicocriteria, op basis waarvan de aanvaardbaarheid van externe risico's van Sevesobedrijven worden beoordeeld, worden geactualiseerd en getoetst met de sector. De aanbevelingen van twee onderzoeken betreffende actieve openbaarheid van veiligheidsrapporten en de niet-technische samenvattingen van veiligheidsrapporten worden vanaf midden 2006 vertaald in o.a. richtlijnen aan opstellers en initiatiefnemers en aanpassing van veiligheidsrapportages. Tevens zullen onderzoeken opgestart worden aangaande de risicoanalyse van magazijnbranden, aangaande het gebruik van geactualiseerde kanscijfers in de risicoberekeningen in veiligheidsrapporten en aangaande de veiligheid van transport van gevaarlijke stoffen. M.b.t. de omzetting van de EGrichtlijn betreffende milieuaansprakelijkheid wordt medio 2006 een derde stakeholdersmeeting georganiseerd en de formele besluitvorming aangevat. Die zal resulteren een aanvulling van het decreet algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM) met een titel "Milieuschade" en een wijziging van het decreet betreffende de bodemsanering en het Natuurbehoudsdecreet. Het objectief is een tijdige en correcte omzetting van de Europese Richtlijn tegen begin 2007.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Milieujaarprogramma_2006.pdf by Vlaanderen-be - Issuu