Skip to main content

kinderopvang_jaarverslag_2006.pdf

Page 1

Doelgroepbereik, testresultaten en resultaten van de verwijzingen

jaarverslag kinderopvang 2006 Hallepoortlaan 27 1060 Brussel Kind en Gezin-Lijn: 078 150 100 info@kindengezin.be http://www.kindengezin.be


INHOUD

Voorwoord

5

Deel 1: Cijfers en feiten

6

Hoofdstuk 1. Schets van het opvanglandschap

6

1.

Informele kinderopvang

6

2.

Formele kinderopvang

6

2.1. Kinderdagverblijven

6

2.2. Diensten voor onthaalouders

7

2.3. Mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven

8

2.4. Zelfstandige onthaalouders

9

2.5. Initiatieven voor buitenschoolse opvang

9

2.6. Buurt- en nabijheidsdiensten

10

Hoofdstuk 2. Kinderopvang in cijfers

12

1.

Aantal opvangvoorzieningen

12

2.

Aantal opvangplaatsen

16

3.

Evolutie in het aantal aangesloten onthaalouders

24

4.

Aanwezige kinderen

25

5.

Aantal verblijfsdagen

31

Hoofdstuk 3. Financiering van de kinderopvang vanuit de Vlaamse overheid

34

1.

Kinderdagverblijven

34

1.1. Overzicht van de verschillende subsidievormen vanuit Kind en Gezin

34

1.2. Inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen

37

1.3. Wat betalen ouders gemiddeld?

37

Diensten voor onthaalouders

38

2.1. Overzicht van de verschillende subsidievormen vanuit Kind en Gezin

38

2.2. Inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen

40

2.3. Wat betalen ouders gemiddeld?

41

Initiatieven voor buitenschoolse opvang

42

3.1. Overzicht van de verschillende subsidievormen vanuit Kind en Gezin

42

3.2. Inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen

43

3.3. Wat betalen ouders?

43

Zelfstandige sector

44

4.1. Overzicht van de verschillende financiële ondersteuningen vanuit Kind en Gezin

44

4.2. Inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen

45

4.3. Wat betalen ouders?

45

2.

3.

4.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

3


5.

Buurt- en nabijheidsdiensten

45

5.1. Subsidie voor de opvangwerking vanuit Kind en Gezin

45

5.2. Inkomsten uit de financiĂŤle bijdragen van de gezinnen

45

5.3. Wat betalen ouders?

46

Hoofdstuk 4. Personeel in de kinderopvang

47

1.

Begeleiding en management

47

2.

Diplomavereisten

49

3.

Aantal personeelsleden

49

Deel 2: Beleid

50

Hoofdstuk 1. Het Lokaal Overleg Kinderopvang

50

1.

Situering

50

2.

Naar een lokaal beleid kinderopvang

50

3.

Ondersteuning van lokale besturen

50

4.

Stand van zaken

51

Hoofdstuk 2. Kwaliteitszorg

53

1.

Competentiebevordering en professionalisering

53

2.

ZiKo, zelfevaluatie-instrument voor welbevinden en betrokkenheid

53

3.

Medische preventie

54

4.

Rondetafelgesprek over Integrated Services en centra voor Kinderopvang

55

5.

Klachten over kinderopvang

55

Hoofdstuk 3. Andere accenten in de werking

58

1.

Uitbreidingsronde 2006-2007

58

2.

Nieuwe erkennings- en subsidiĂŤringsregels voor de diensten voor onthaalouders

58

3.

Vernieuwingsconcept Vlaamse kinderopvang

58

4.

Actieplan flexibele en occasionele kinderopvang

59

5.

Partnerschap met het Vormingscentrum voor de Begeleiding van het Jonge Kind (VBJK)

59

6.

OESO Starting Strong Network for Early Childhood Education and Care

60

Bijlage: Regelgeving

61

1.

Specifieke regelgeving

61

2.

Andere regelgeving met impact op kinderopvang

68

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

4


VOORWOORD

Het Jaarverslag Kinderopvang geeft een overzicht van het belangrijkste cijfermateriaal en de belangrijkste evoluties van het betreffende jaar. Het is opgebouwd uit 2 delen. In een eerste deel worden de cijfers en de feiten weergegeven. Na een algemene voorstelling van de structuur van het huidige Vlaamse kinderopvanglandschap, worden cijfers gepresenteerd over het aanbod en het gebruik, over de financiering van kinderopvang en over het personeel in de kinderopvang. In een tweede deel worden de beleidsmatige aspecten besproken, gaande van het Lokaal Overleg Kinderopvang, de kwaliteitszorg tot enkele andere accenten in de werking van de afdeling Kinderopvang van Kind en Gezin. Tot slot wordt als bijlage bij het jaarverslag een opsomming gegeven van de regelgeving die op dit moment van toepassing is op kinderopvang en van de regelgeving uit andere sectoren die een impact heeft op de kinderopvangsector.

Sinds 1 april 2006 is Kind en Gezin een Intern Verzelfstandigd Agentschap. Dit bracht een aantal veranderingen met zich mee. Een ervan is dat de dienst Inspectie niet langer deel uitmaakt van Kind en Gezin, maar ondergebracht is in een apart Agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Dit betekent dat een overzicht van het aantal gebrachte inspectiebezoeken en de belangrijkste vaststellingen niet langer in dit jaarverslag vervat zijn.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

5


DEEL 1: CIJFERS EN FEITEN

Hoofdstuk 1. Schets van het opvanglandschap

Ouders die hun kinderen buitenshuis laten opvangen, kunnen een beroep doen op een waaier van opvangmogelijkheden 1 . Hierbij bestaat een onderscheid tussen informele en formele kinderopvang.

1. Informele kinderopvang Informele opvang is de opvang door grootouders, familie, vrienden of kennissen, en de opvang die plaatsvindt in het thuismilieu van het kind (huispersoneel, au pair, babysit, …). Hier treedt de Vlaamse overheid niet regulerend op.

2. Formele kinderopvang In de formele opvang worden er zes types van opvangvoorzieningen onderscheiden die erkend zijn door of onder toezicht staan van Kind en Gezin.

2.1. Kinderdagverblijven Het gaat om opvang in groepsverband waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen enerzijds de crèches, die voorzien in de opvang van kinderen die nog niet naar school gaan en van kinderen die deeltijds naar de kleuterschool gaan, en anderzijds een beperkt aantal peutertuinen voor kinderen vanaf 18 maanden tot ze naar de kleuterschool gaan. Crèches hebben een minimumcapaciteit van 23 plaatsen, terwijl peutertuinen een minimumcapaciteit van 20 plaatsen hebben.

Kinderdagverblijven moeten minstens 220 dagen per jaar open zijn en moeten dagelijks minstens 11 uur opvang aanbieden tussen 6.30 uur en 18.30 uur. Kinderdagverblijven kunnen ook ruimere opvang aanbieden, bijv. vóór 6.30 uur, na 18.30 uur, tijdens het weekend, ’s nachts, occasionele opvang, urgentieopvang en opvang van kinderen met een specifieke

zorgbehoefte.

Sommige

kinderdagverblijven

hebben

een

bijkomend

aanbod

van

buitenschoolse kinderopvang, ofwel in dezelfde lokalen (kinderen uit de kleuterschool), ofwel in aparte lokalen (kinderen uit de kleuter- en lagere school).

Kinderdagverblijven worden erkend door Kind en Gezin.

De erkenning houdt in dat de voorziening

regelmatig geïnspecteerd wordt. Sinds de reorganisatie van de Vlaamse overheid worden deze inspecties niet meer verricht door Kind en Gezin, maar door het agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

1

Iedereen die op bestendige wijze en al dan niet tegen betaling kinderen onder de 12 jaar opvangt, moet deze

opvangactiviteit melden aan Kind en Gezin. Ouders en verwanten tot en met de vierde graad en opvang die georganiseerd wordt in het thuismilieu van het kind zijn vrijgesteld van deze plicht tot melding. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

6


Kinderdagverblijven moeten voldoen aan een aantal kwaliteitsvoorwaarden op het vlak van opvoeding, begeleiding, ouderparticipatie, personeel, veiligheid, enz. Daarnaast moeten deze voorzieningen ook beschikken over een systeem om aan kwaliteitszorg te doen. Het gaat hier over de wijze waarop een voorziening zich organiseert om een bepaald kwaliteitsniveau te garanderen. Dit betekent concreet dat de voorziening haar missie, visie en waarden formuleert en gaat nadenken over de wijze waarop ze dit gaat realiseren en over de middelen die ingezet zullen worden. Een kinderdagverblijf moet zijn werking ook evalueren en nadenken over mogelijkheden om verbeteringen aan te brengen. Een tevredenheidsonderzoek bij de ouders maakt daarvan deel uit.

De ouders betalen een bijdrage naar verhouding van hun inkomen.

In uitzonderlijke financiële

situaties is een verlaagd tarief en zelfs een gratis opvang mogelijk. De kinderopvangkosten zijn tot op zekere hoogte voor de ouders fiscaal aftrekbaar voor kinderen tot de leeftijd van 12 jaar.

De werking van de kinderdagverblijven wordt gesubsidieerd door Kind en Gezin. De inkomsten die de kinderdagverblijven hebben uit de financiële bijdrage van de gezinnen wordt hierin verrekend.

De

regeling is zodanig dat het opvangen van kinderen uit gezinnen met een laag inkomen, geen nadelige financiële gevolgen heeft op het werkingsbudget van de voorziening.

2.2. Diensten voor onthaalouders Het gaat om opvang in gezinsverband, georganiseerd vanuit een dienst, voornamelijk van kinderen die nog niet naar school gaan en van kinderen die deeltijds naar de kleuterschool gaan. Een dienst groepeert een aantal onthaalouders en heeft een minimumcapaciteit van 50 plaatsen. Onthaalouders moeten voldoen aan een aantal minimale voorwaarden om zich te mogen aansluiten bij een dienst.

Diensten voor onthaalouders moeten minstens 220 dagen per jaar open zijn en moeten opvang garanderen van minstens 11 opeenvolgende uren tussen 6.30 uur en 18.30 uur. Onthaalouders aangesloten bij een dienst kunnen ook ruimere opvang aanbieden, bijv. vóór 6.30 uur, na 18.30 uur, tijdens het weekend, ’s nachts, occasionele opvang, urgentieopvang en opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte.

Sommige onthaalouders hebben ook een aanbod van

buitenschoolse kinderopvang voor kinderen uit de basisschool.

Diensten voor onthaalouders worden erkend door Kind en Gezin.

De erkenning houdt in dat de

voorziening regelmatig geïnspecteerd wordt. Sinds de reorganisatie van de Vlaamse overheid worden deze inspecties niet meer verricht door Kind en Gezin, maar door het agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Diensten voor onthaalouders moeten voldoen aan een aantal kwaliteitsvoorwaarden op het vlak van opvoeding, begeleiding, ouderparticipatie, personeel, veiligheid, enz. Daarnaast moeten deze voorzieningen ook beschikken over een systeem om aan kwaliteitszorg te doen. Het gaat hier over de wijze waarop een voorziening zich organiseert om een bepaald kwaliteitsniveau te garanderen. Dit betekent concreet dat de voorziening haar missie, visie en waarden formuleert en gaat nadenken over Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

7


de wijze waarop ze dit gaat realiseren en over de middelen die ingezet zullen worden. Een dienst voor onthaalouders moet zijn werking ook evalueren en nadenken over mogelijkheden om verbeteringen aan te brengen. Een tevredenheidsonderzoek bij de ouders maakt daarvan deel uit.

De ouders betalen een bijdrage die gerelateerd is aan hun inkomen.

In uitzonderlijke financiële

situaties is een verlaagd tarief en zelfs een gratis opvang mogelijk. De kinderopvangkosten zijn tot op zekere hoogte voor de ouders fiscaal aftrekbaar voor kinderen tot de leeftijd van 12 jaar.

De werking van de diensten voor onthaalouders wordt gesubsidieerd door Kind en Gezin.

De

inkomsten die de diensten hebben uit de financiële bijdrage van de gezinnen wordt hierin verrekend. Dit betekent dat het opvangen van kinderen uit gezinnen met een laag inkomen, geen nadelige financiële gevolgen heeft op het werkingsbudget van de voorziening. De aangesloten onthaalouders krijgen een belastingsvrije kostenvergoeding voor de geleverde opvangprestaties en genieten beperkte sociale rechten.

2.3. Mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven Het gaat om opvang in groepsverband, waarbij het onderscheid tussen beide wordt gemaakt op basis van de capaciteit: mini-crèches hebben een capaciteit van 8 tot 22 plaatsen; zelfstandige kinderdagverblijven hebben een capaciteit van minstens 23 plaatsen.

Mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven bepalen zelf hun openingsuren en –momenten. Regelgevend is ter zake niets vastgelegd.

Deze voorzieningen vangen voornamelijk niet-schoolgaande kinderen op, maar ook een ruimer aanbod is mogelijk, bijv. van heel vroeg ‘s morgens, tot laat ‘s avonds, tijdens het weekend, ’s nachts, occasionele opvang, urgentieopvang en opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte. Sommige voorzieningen hebben ook een aanbod van buitenschoolse kinderopvang voor kinderen uit de basisschool.

Wettelijk gezien moeten deze zelfstandige voorzieningen hun opvangactiviteit enkel melden aan Kind en Gezin, maar de meeste kiezen ervoor om een attest van toezicht van Kind en Gezin te verkrijgen. Dit betekent dat ze moeten voldoen aan een aantal voorwaarden inzake omgang met kinderen en ouders, veiligheid en gezondheid, en inrichting van de ruimten.

Het attest van toezicht houdt ook in dat de voorziening regelmatig geïnspecteerd wordt. Sinds de reorganisatie van de Vlaamse overheid worden deze inspecties niet meer door Kind en Gezin verricht, maar door het agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Het is de opvangvoorziening zelf die bepaalt hoeveel de ouders moeten betalen. Als de voorziening een attest van toezicht heeft, zijn de opvangkosten voor de ouders tot op zekere hoogte fiscaal aftrekbaar voor kinderen tot de leeftijd van 12 jaar.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

8


De belangrijkste bron van inkomsten wordt gevormd door de financiële bijdragen van de gezinnen. Sinds 2001 kunnen mini-crèches een financiële ondersteuning van Kind en Gezin krijgen als ze voldoen

aan

een

aantal

voorwaarden.

Ook

zelfstandige

kinderdagverblijven

die

uitsluitend

buitenschoolse opvang aanbieden, kunnen zo’n financiële ondersteuning krijgen.

2.4. Zelfstandige onthaalouders Het gaat om opvang in gezinsverband. Zelfstandige onthaalouders bepalen zelf op welke uren en momenten ze open zijn. Regelgevend is ter zake niets vastgelegd.

Zelfstandige onthaalouders vangen voornamelijk niet-schoolgaande kinderen op, maar ook een ruimer aanbod is mogelijk, bijv. van heel vroeg ‘s morgens, tot laat ‘s avonds, tijdens het weekend, ’s nachts, occasionele opvang, urgentieopvang en opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte. Sommige zelfstandige onthaalouders hebben ook een aanbod van buitenschoolse kinderopvang voor kinderen uit de basisschool.

Wettelijk gezien moeten deze onthaalouders hun opvangactiviteit enkel melden aan Kind en Gezin, maar de meeste kiezen ervoor om een attest van toezicht van Kind en Gezin te verkrijgen. Dit betekent dat ze moeten voldoen aan een aantal voorwaarden inzake omgang met kinderen en ouders, veiligheid en gezondheid, en inrichting van de ruimten.

Het attest van toezicht houdt ook in dat de voorziening regelmatig geïnspecteerd wordt. Sinds de reorganisatie van de Vlaamse overheid worden deze inspecties niet meer door Kind en Gezin verricht, maar door het agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Het is de onthaalouder zelf die bepaalt hoeveel de ouders moeten betalen. Als de onthaalouder een attest van toezicht heeft, zijn de opvangkosten voor de ouders tot op zekere hoogte fiscaal aftrekbaar voor kinderen tot de leeftijd van 12 jaar.

De belangrijkste bron van inkomsten wordt gevormd door de financiële bijdragen van de gezinnen. Zelfstandige onthaalouders worden niet gesubsidieerd door Kind en Gezin. Alleen enkele vormen van beperkte financiële ondersteuning zijn mogelijk, bijvoorbeeld een startvergoeding.

2.5. Initiatieven voor buitenschoolse opvang Het gaat om opvang in groepsverband, specifiek en exclusief gericht op de buitenschoolse opvang van kinderen

uit

de

basisschool.

Ze

kunnen

opvang

aanbieden

voor

en

na

schooltijd,

op

woensdagnamiddag, op schoolvrije dagen en gedurende de schoolvakanties. Ze hebben een minimumcapaciteit van 21 plaatsen en kunnen hun werking op verschillende vestigingsplaatsen organiseren. Deze vestigingsplaatsen hebben een minimumcapaciteit van 8 plaatsen.

Een initiatief voor buitenschoolse opvang is ’s ochtends uiterlijk om 7 uur open en ’s avonds tot minstens 18 uur.

Op woensdagmiddag opent het initiatief aan het einde van de schooltijd.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

De

9


regelgeving legt geen minimumaantal openingsdagen per jaar vast. Initiatieven voor buitenschoolse opvang kunnen ook ruimere opvang aanbieden, bijv. vóór 6.30 uur, na 18.30 uur, tijdens het weekend, ’s nachts, occasionele opvang, urgentieopvang en opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte.

Initiatieven voor buitenschoolse opvang worden erkend door Kind en Gezin. Om door Kind en Gezin erkend te kunnen worden is er een gunstig advies nodig van het Lokaal Overleg Kinderopvang. De erkenning houdt ook in dat het initiatief regelmatig geïnspecteerd wordt. Sinds de reorganisatie van de Vlaamse overheid worden deze inspecties niet meer door Kind en Gezin verricht, maar door het agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Initiatieven voor buitenschoolse opvang moeten voldoen aan een aantal kwaliteitsvoorwaarden op het vlak van opvoeding, begeleiding, ouderparticipatie, personeel, veiligheid, enz. Daarnaast moeten ze ook beschikken over een systeem om aan kwaliteitszorg te doen. Het gaat hier over de wijze waarop een voorziening zich organiseert om een bepaald kwaliteitsniveau te garanderen. Dit betekent concreet dat het initiatief zijn missie, visie en waarden formuleert en gaat nadenken over de wijze waarop het dit gaat realiseren en over de middelen die ingezet zullen worden. Een initiatief moet zijn werking ook evalueren en nadenken over mogelijkheden om verbeteringen aan te brengen. Een tevredenheidsonderzoek bij de ouders maakt daarvan deel uit.

De financiële bijdrage van de gezinnen is niet gerelateerd aan het inkomen, maar de minimum- en de maximumbijdragen zijn wel in de regelgeving vastgelegd. De kinderopvangkosten zijn tot op zekere hoogte voor de ouders fiscaal aftrekbaar voor kinderen tot de leeftijd van 12 jaar.

Initiatieven voor buitenschoolse opvang worden door verschillende instanties gesubsidieerd en kunnen daarnaast vrij beschikken over de inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen.

2.6. Buurt- en nabijheidsdiensten In 2004 werd het experiment van de zogenaamde buurt- en nabijheidsdiensten opgestart.

Deze

diensten bieden kleinschalige, buurtgerichte kinderopvang, met een laagdrempelige werking. Ze vangen vooral kinderen op die vaak, om allerlei redenen, niet in de reguliere opvang worden opgevangen. Kenmerkend is ook de tewerkstelling van doelgroepmedewerkers. Dat zijn personen die moeilijk hun plaats vinden in de reguliere arbeidsmarkt. De buurt- en nabijheidsdiensten voorzien ook in een opleidingstraject voor deze ongeschoolde begeleiders.

De ouders betalen een bijdrage die overeenstemt met hun financiële draagkracht.

Buurt- en nabijheidsdiensten kinderopvang worden door verschillende instanties gefinancierd en kunnen beschikken over de - weliswaar beperkte - inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

10


Er lopen 14 projecten met een totaal van 218 plaatsen (136 voorschoolse plaatsen en 82 buitenschoolse plaatsen).

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

11


Hoofdstuk 2. Kinderopvang in cijfers

1. Aantal opvangvoorzieningen Eind 2006 functioneerden er 336 kinderdagverblijven en 194 diensten voor onthaalouders. Daarvan waren er 34 kinderdagverblijven die buitenschoolse opvang in aparte lokalen organiseerden. Eind 2006 waren er 238 initiatieven voor buitenschoolse opvang. Het aantal voorzieningen erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin is in 2006 lichtjes toegenomen, met uitzondering van de diensten voor onthaalouders. Deze laatste bleven status quo.

Eind 2006 waren er 853 mini-crèches, 164 zelfstandige kinderdagverblijven en 1188 zelfstandige onthaalouders onder toezicht van Kind en Gezin. Ook in 2006 zet de trend van de voorbije jaren zich voort: het aantal mini-crèches en het aantal zelfstandige kinderdagverblijven blijven verder stijgen, terwijl het aantal zelfstandige onthaalouders verder daalt.

Opvangvoorzieningen 2005

2006

Kinderdagverblijven

334

336

Diensten voor onthaalouders

194

194

33

34

234

238

Mini-crèches

796 (1)

853

Zelfstandige kinderdagverblijven

148 (1)

164

1 201

1 188

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven Initiatieven voor buitenschoolse opvang Met attest van toezicht van Kind en Gezin

Zelfstandige onthaalouders

1. Aantal erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en aantal opvangvoorzieningen met attest van toezicht (1) Naar aanleiding van de verruiming van de fiscale aftrekbaarheid van de kinderopvangkosten tot de leeftijd van 12 jaar, hebben een aantal schoolse voorzieningen, louter om te voldoen aan de voorwaarden voor fiscale aftrek, een attest van toezicht aangevraagd. Een aantal van deze voorzieningen hebben in 2006 al afgezien van dit attest van toezicht. Met deze voorzieningen werd hier geen rekening gehouden.

Volledig nieuwe opvangvoorzieningen Hieronder verstaan we die kinderdagverblijven, diensten voor onthaalouders en initiatieven voor buitenschoolse opvang waarvan de erkenning aanvangt in 2006. Voor de initiatieven voor buitenschoolse opvang gaat het om nieuwe voorzieningen en niet om nieuwe vestigingsplaatsen. Wijzigingen in voorzieningstype, bijvoorbeeld een peutertuin die crèche wordt, worden niet als nieuwe voorziening geregistreerd. In de zelfstandige opvang onder toezicht wordt een nieuwe voorziening gedefinieerd als een voorziening die in 2006 voor het eerst een attest van toezicht aanvroeg.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

12


Wijzigingen in het type van voorziening, overnames door een nieuwe verantwoordelijke en verhuizingen worden niet als nieuwe voorziening gedefinieerd.

In de erkende sector zijn er 8 nieuwe voorzieningen. Dit zijn er meer dan in 2005. Er zijn nieuwe voorzieningen bij elk voorzieningstype, met uitzondering van de diensten voor onthaalouders. In de zelfstandige sector ligt het aantal nieuwe voorzieningen duidelijk veel hoger dan in de erkende sector. Het aantal nieuwe voorzieningen met attest van toezicht is wel lager dan in 2005. In vergelijking met 2005 is het totale aantal nieuwe voorzieningen lichtjes afgenomen.

Volledig nieuwe opvangvoorzieningen 2005

2006

Kinderdagverblijven (1)

0

2

Diensten voor onthaalouders (1)

0

0

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven (2)

0

1

Initiatieven voor buitenschoolse opvang (1)

2

5

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

2

8

117

118

22

15

Zelfstandige onthaalouders

131

123

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

270

256

Algemeen totaal

272

264

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

Met attest van toezicht van Kind en Gezin (3) Mini-crèches Zelfstandige kinderdagverblijven

2. Aantal volledig nieuwe erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en aantal volledig nieuwe opvangvoorzieningen met attest van toezicht (1) Rekening houdend met de ingangsdatum van de erkenning (2) Rekening houdend met de effectieve startdatum (3) Rekening houdend met de datum van aanvraag van het attest van toezicht

Stoppende opvangvoorzieningen Het gaat hier om de ‘echte’ stopzettingen. Dit betekent dat een wijziging van voorzieningstype, bijvoorbeeld een zelfstandige onthaalouder die zich aansluit bij een dienst of een fusie van twee voorzieningen, niet als stopzetting wordt geregistreerd. Specifiek voor de zelfstandige sector worden verhuizingen en overnames door een nieuwe verantwoordelijke niet als stopzetting geregistreerd.

In de erkende sector zijn er geen stopzettingen. In de zelfstandige sector is het aantal stopzettingen afgenomen in vergelijking met vorig jaar. Dit geldt voor elk voorzieningstype.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

13


Stoppende opvangvoorzieningen 2005

2006

Kinderdagverblijven

0

0

Diensten voor onthaalouders

1

0

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven

0

0

Initiatieven voor buitenschoolse opvang

0

0

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

1

0

61

40

7

4

Zelfstandige onthaalouders

159

125

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

227

169

Algemeen totaal

228

169

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

Met attest van toezicht van Kind en Gezin Mini-crèches Zelfstandige kinderdagverblijven

3.

Aantal stoppende erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en aantal stoppende

opvangvoorzieningen met attest van toezicht

Aantal intrekkingen van de erkenning of het attest van toezicht In de erkende sector werd geen enkele erkenning ingetrokken. Het aantal zelfstandige opvangvoorzieningen waarvan het attest van toezicht werd ingetrokken, kent in 2006 een daling tegenover 2005. De redenen om een attest van toezicht in te trekken hebben in het merendeel van de gevallen te maken met de veiligheid van de accommodatie, de begeleiding van het kind, de bezetting en de personeelsomkadering, de functionaliteit van de accommodatie en de hygiëne en gezondheid. Intrekkingen 2005

2006

Kinderdagverblijven

0

0

Diensten voor onthaalouders

2

0

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven

0

0

Initiatieven voor buitenschoolse opvang

0

0

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

2

0

Mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven

19

14

Zelfstandige onthaalouders

13

8

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

32

22

Algemeen totaal

34

22

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

Met attest van toezicht van Kind en Gezin

4. Aantal erkende opvangvoorzieningen waarvan de erkenning werd ingetrokken en aantal opvangvoorzieningen met attest van toezicht waarvan het attest van toezicht werd ingetrokken Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

14


Aantal beroepsdossiers Erkende opvangvoorzieningen kunnen tegen een aantal beslissingen beroep aantekenen bij de minister, die hierover een advies vraagt aan de adviserende beroepscommissie van de Vlaamse Gezins- en Welzijnsraad. Het gaat hierbij om een gehele of gedeeltelijke weigering van een principieel akkoord, een erkenning of subsidiĂŤring, een intrekking van een erkenning of een weigering van de verlenging van de erkenning. Het aantal beroepsdossiers in de erkende sector ligt heel wat hoger dan in 2005. Geen enkel beroep werd ingewilligd.

Zelfstandige opvangvoorzieningen kunnen bij Kind en Gezin beroep aantekenen tegen het niettoekennen van een attest van toezicht of een verlenging ervan, het niet-toekennen van een capaciteitsuitbreiding en het intrekken van een attest van toezicht. Het aantal in 2006 ingediende beroepsdossiers ligt lager dan in 2005. Een derde van de beroepsdossiers werd ingewilligd.

Beroepsdossiers 2005

2006

Kinderdagverblijven

4 (0)

16(0)

Diensten voor onthaalouders

3 (0)

1(0)

0

0

0

5(0)

7 (0)

22(0)

Mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven

8 (1)

6(1)

Zelfstandige onthaalouders

7 (1)

3(2)

15 (2)

9(3)

22 (2)

31(3)

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

Buitenschoolse

opvang

in

aparte

lokalen

van

kinderdagverblijven Initiatieven voor buitenschoolse opvang Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Met attest van toezicht van Kind en Gezin

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin Algemeen totaal 5. Aantal ingediende beroepsdossiers (en aantal ingewilligde dossiers)

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

15


2. Aantal opvangplaatsen Het totale aantal plaatsen dat erkend is door of onder toezicht staat van Kind en Gezin, bedraagt eind 2006 99 546 plaatsen. Dit is een toename met 4008 plaatsen (+4,2%) tegenover 2005.

De stijging van het aantal plaatsen in erkende diensten voor onthaalouders is tamelijk beperkt en bedraagt 0,8%. Het aantal plaatsen in erkende kinderdagverblijven is toegenomen met 2,4%. Voor het eerst sedert jaren is ook het aantal plaatsen voor buitenschoolse opvang in aparte lokalen van een kinderdagverblijf gestegen (+2,9%). De toename van het aantal plaatsen is het grootst bij de initiatieven voor buitenschoolse opvang, nl. +4,3%. In totaal neemt het aantal plaatsen in de erkende opvang toe met 1639 (+2,3%).

Het aantal plaatsen bij de zelfstandige onthaalouders stijgt voor het eerst sedert jaren. Eind 2006 waren er 7014 plaatsen bij zelfstandige onthaalouders onder toezicht. Ook bij de mini-crèches en de zelfstandige kinderdagverblijven blijft het aantal plaatsen verder toenemen. Eind 2006 waren er 13

612

plaatsen

in

mini-crèches

onder

toezicht

en

7305

plaatsen

in

de

zelfstandige

kinderdagverblijven onder toezicht. Het totale aantal plaatsen in de zelfstandige opvang - opvang met attest van toezicht - neemt toe met 2369 (+9,3%).

Voor het aantal opvangplaatsen per provincie verwijzen we naar tabel 8.

Opvangplaatsen 2005

2006

Kinderdagverblijven

14 815

15 164

Diensten voor onthaalouders (1)

30 560

30 812

1 009

1 038

Initiatieven voor buitenschoolse opvang

23 592

24 601

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

69 976

71 615

12 466 (2)

13 612

6 243 (2)

7 305

6 853

7 014

25 562

27 931

95 538

99 546

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven

Met attest van toezicht van Kind en Gezin Mini-crèches Zelfstandige kinderdagverblijven Zelfstandige onthaalouders (1) Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin Algemeen totaal

6. Aantal plaatsen in erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en in opvangvoorzieningen met attest van toezicht (1) Eigen kinderen onder de 6 jaar inbegrepen (2) Naar aanleiding van de verruiming van de fiscale aftrekbaarheid van de kinderopvangkosten tot de leeftijd van 12 jaar, hebben een aantal schoolse voorzieningen, louter om te voldoen aan de

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

16


voorwaarden voor fiscale aftrek, een attest van toezicht aangevraagd. Een aantal van deze voorzieningen hebben in 2006 al afgezien van dit attest van toezicht. Met deze plaatsen werd hier geen rekening gehouden. 7014

15164

Kinderdagverblijven

7305

Diensten voor onthaalouders Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven

13612

Initiatieven voor buitenschoolse opvang

30812

Mini-crèches Zelfstandige kinderdagverblijven

24601

Zelfstandige onthaalouders 1038

7. Aantal plaatsen in erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en in opvangvoorzieningen met attest van toezicht - 2006

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

17


Opvangplaatsen per provincie Antwerpen

Vlaams-Brabant

Brussels Gewest

West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen

Limburg

2005

2006

2005

2006

2005

2006

2005

2006

2005

2006

2005

2006

Kinderdagverblijven

3 555

3 618

3 368

3 408

1 929

1 987

1 805

1 849

2 924

2 996

1 234

1 306

Diensten voor onthaalouders (1)

8 904

8 932

4 284

4 312

40

40

5 432

5 488

7 196

7 336

4 704

4 704

Buitenschoolse opvang in aparte

53

53

146

151

0

0

277

279

250

272

283

283

5 707

6 045

3 694

3 725

249

319

4 235

4 464

5 193

5 472

4 514

4576

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en 18 219 18 648 11 492 11 596

2 218

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

lokalen van kinderdagverblijven Initiatieven voor buitenschoolse opvang

2 346 11 749 12 080 15 563 16 076 10 735 10 869

Gezin Met attest van toezicht van Kind en Gezin Mini-crèches (2)

2 752

3 021

2 034

2 415

1 469

1 527

2 910

3 117

2 809

3 038

492

494

Zelfstandige kinderdagverblijven (2)

874

939

1 279

1 831

2 866

3 157

369

389

637

766

218

223

Zelfstandige onthaalouders (1)

822

891

1 235

1222

184

187

2 854

2 858

1 579

1 639

179

217

4 448

4 851

4 548

5 468

4 519

4 871

6 133

6 364

5 025

5 443

889

934

22 667 23 499 16 040 17 064

6 737

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin Algemeen totaal

7217 17 882 18 444 20 588 21 519 11 624 11 803

8. Aantal plaatsen in erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en in opvangvoorzieningen met attest van toezicht per provincie (1) Eigen kinderen onder de 6 jaar inbegrepen (2) Enkel voor 2005: naar aanleiding van de verruiming van de fiscale aftrekbaarheid van de kinderopvangkosten tot de leeftijd van 12 jaar, hebben een aantal schoolse voorzieningen, louter om te voldoen aan de voorwaarden voor fiscale aftrek, een attest van toezicht aangevraagd. Een aantal van deze voorzieningen hebben in 2006 al afgezien van dit attest van toezicht. Met deze plaatsen werd hier geen rekening gehouden.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

18


Aantal opvangplaatsen in nieuwe voorzieningen Het gaat hier over plaatsen in volledig nieuwe voorzieningen, zijnde kinderdagverblijven, diensten voor onthaalouders en initiatieven voor buitenschoolse opvang, waarvan de erkenning aanvangt in 2006. Voor de initiatieven voor buitenschoolse opvang gaat het om plaatsen in nieuwe voorzieningen en niet om nieuwe vestigingsplaatsen. Wijzigingen in voorzieningstype, bijvoorbeeld een peutertuin die een crèche wordt, worden niet als nieuwe voorziening geregistreerd.

In de zelfstandige opvang onder toezicht gaat het om plaatsen in een

voorziening die in 2006 voor het eerst een attest van toezicht aanvroeg. Wijzigingen in het type van voorziening, overnames door een nieuwe verantwoordelijke en verhuizingen worden niet als nieuwe voorziening gedefinieerd.

In de erkende sector komen er 223 plaatsen bij door nieuwe voorzieningen. Dit aantal ligt hoger dan in 2005. In de zelfstandige sector zorgden nieuwe mini-crèches in 2005 voor het grootste aantal nieuwe plaatsen. Enkel nieuwe zelfstandige kinderdagverblijven zorgen voor meer plaatsen dan vorig jaar.

Opvangplaatsen in nieuwe voorzieningen 2005

2006

Kinderdagverblijven (1)

0

70

Diensten voor onthaalouders (1)

0

0

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven (2)

0

14

Initiatieven voor buitenschoolse opvang (1)

92

139

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

92

223

Mini-crèches

1 759

1 749

Zelfstandige kinderdagverblijven

1 058

1 133

796

764

3 613

3 646

3 705

3 869

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

Met attest van toezicht van Kind en Gezin (3)

Zelfstandige onthaalouders Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin Algemeen totaal

9. Aantal plaatsen bij volledig nieuwe erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en aantal plaatsen bij volledig nieuwe opvangvoorzieningen met attest van toezicht (1) Rekening houdend met de ingangsdatum van de erkenning (2) Rekening houdend met de effectieve startdatum (3) Rekening houdend met de datum van aanvraag van het attest van toezicht

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

19


Weggevallen plaatsen in stoppende voorzieningen Het gaat hier om plaatsen die wegvallen als gevolg van ‘echte’ stopzettingen. Dit betekent dat een wijziging van voorzieningstype, bijvoorbeeld een zelfstandige onthaalouder die zich aansluit bij een dienst of een fusie van twee voorzieningen, niet als stopzetting wordt geregistreerd. Specifiek voor de zelfstandige sector worden verhuizingen en overnames door een nieuwe verantwoordelijke niet als stopzetting geregistreerd.

In de erkende sector zijn geen plaatsen weggevallen wegens stopzettingen. In de zelfstandige sector zijn er 1454 plaatsen weggevallen. Het aantal weggevallen plaatsen is kleiner dan vorig jaar. Dit geldt voor elk voorzieningstype.

Weggevallen plaatsen in stoppende voorzieningen 2005

2006

0

0

56

0

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven

0

0

Initiatieven voor buitenschoolse opvang

0

0

56

0

Mini-crèches

850

563

Zelfstandige kinderdagverblijven

265

230

Zelfstandige onthaalouders

756

661

1 871

1 454

1 927

1 454

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Kinderdagverblijven Diensten voor onthaalouders

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Met attest van toezicht van Kind en Gezin

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin Algemeen totaal 10.

Aantal

weggevallen

plaatsen

bij

stoppende

erkende

(en

gesubsidieerde)

opvangvoorzieningen en aantal weggevallen plaatsen bij stoppende opvangvoorzieningen met attest van toezicht

Aantal opvangplaatsen per 1000 kinderen Algemeen genomen zijn er per 1000 kinderen onder de 3 jaar 342,4 plaatsen beschikbaar in het Vlaamse Gewest. Het aantal plaatsen per 1000 kinderen is wel gedaald tegenover 2005. Dit kan verklaard worden door het gegeven dat het aantal kinderen jonger dan 3 jaar sneller stijgt dan het aantal plaatsen, respectievelijk 2,62% tegenover 2,17%.

Ruim 2/3 van deze plaatsen is gesitueerd in de erkende sector, 1/3 wordt gerealiseerd in de zelfstandige sector.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

20


Opvangplaatsen per duizend kinderen (1) 2005

2006

70,0

69,7

Diensten voor onthaalouders (2)

165,7

162,8

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

235,7

232,5

Mini-crèches

57,6

61,2

Zelfstandige kinderdagverblijven

14,9

13,1

Zelfstandige onthaalouders (2)

35,7

35,6

108,3

109,9

344,0

342,4

Erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin Kinderdagverblijven

Met attest van toezicht van Kind en Gezin

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin Algemeen totaal 11. Aantal plaatsen per 1000 kinderen onder de 3 jaar in het Vlaamse Gewest

(1) Deze cijfers zijn enigszins overschat, omdat ook kinderen boven de 3 jaar worden opgevangen in de vermelde voorzieningen. Het is evenwel niet mogelijk om het aantal plaatsen dat gebruikt wordt voor buitenschoolse opvang te ramen. Het aantal plaatsen in voorzieningen die enkel buitenschoolse opvang aanbieden, werd wel in mindering gebracht. (2) Eigen kinderen onder de 6 jaar inbegrepen

400 350 300 Zelfstandige onthaalouders

250

Zelfstandige kinderdagverblijven

200

Mini-crèches

150

Diensten voor onthaalouders

100

Kinderdagverblijven

50 0 2005

2006

12. Aantal plaatsen per 1000 kinderen onder de 3 jaar in het Vlaamse Gewest

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

21


Sinds 2000 is het aantal plaatsen per 1000 kinderen in stijgende lijn. De voorbije jaren had dit niet alleen te maken met het toegenomen aantal plaatsen, maar ook met de daling van het aantal 0- tot 3-jarigen. In 2005 en in 2006 is het aantal 0- tot 3-jarigen opnieuw stijgende, wat in 2006 aanleiding gaf tot een daling van het aantal plaatsen per 1000 kinderen.

350 340 330 320 310 300 290 2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

13. Evolutie van het aantal opvangplaatsen per 1000 kinderen onder de 3 jaar in het Vlaams Gewest

Het totale aantal opvangplaatsen per 1000 kinderen verschilt van provincie tot provincie. WestVlaanderen telt relatief gezien het grootste aantal, Limburg het kleinste.

Het aantal erkende opvangplaatsen per 1000 kinderen verschilt eveneens naargelang van de provincie, hoewel de verschillen kleiner zijn. Limburg telt verhoudingsgewijs het grootste aantal erkende plaatsen per 1000 kinderen. West-Vlaanderen telt het kleinste aantal erkende plaatsen per 1000 kinderen.

Wat het aantal plaatsen per 1000 kinderen in de zelfstandige sector betreft, telt WestVlaanderen veruit het grootste aantal. Het gaat bijna uitsluitend om plaatsen bij zelfstandige onthaalouders en mini-crèches. Limburg telt relatief gezien het kleinste aantal plaatsen in de zelfstandige sector. De verschillen tussen de provincies zijn groter in de zelfstandige sector dan in de erkende sector.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

22


Opvangplaatsen per 1000 kinderen per provincie (1) Antwerpen

Vlaams-Brabant

West-Vlaanderen

Oost-Vlaanderen

Limburg

2005

2006

2005

2006

2005

2006

2005

2006

2005

2006

66,8

65,9

103,3

102,2

56,3

56,7

68,7

67,9

52,2

54,5

Diensten voor onthaalouders (2)

167,3

162,7

131,4

129,3

169,4

168,2

169,0

166,2

198,9

196,3

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en

234,0

228,6

234,7

231,5

225,7

224,8

237,6

234,1

251,1

250,8

Mini-crèches

51,4

54,4

60,9

68,6

84,0

87,9

64,7

67,6

18,6

18,6

Zelfstandige kinderdagverblijven

15,3

10,9

35,7

29,6

5,1

4,4

13,0

15,5

2,4

2,8

Zelfstandige onthaalouders (2)

15,4

16,2

37,3

36,3

87,8

86,1

36,5

36,4

7,4

9,1

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

82,2

81,6

133,9

134,4

176,9

178,3

114,1

119,4

28,3

30,3

316,2

310,1

368,5

366,0

402,6

403,2

351,7

353,5

279,4

281,1

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Kinderdagverblijven

Gezin Met attest van toezicht van Kind en Gezin

Algemeen totaal

14. Aantal plaatsen per 1000 kinderen onder de 3 jaar per provincie (1) Deze cijfers zijn enigszins overschat, omdat ook kinderen boven de 3 jaar worden opgevangen in de vermelde voorzieningen. Het is evenwel niet mogelijk om het aantal plaatsen dat gebruikt wordt voor buitenschoolse opvang te ramen. Het aantal plaatsen in voorzieningen die enkel buitenschoolse opvang aanbieden, werd wel in mindering gebracht. (2) Eigen kinderen onder de 6 jaar inbegrepen

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

23


3. Evolutie in het aantal aangesloten onthaalouders Het aantal onthaalouders dat aangesloten is bij een dienst, is opnieuw licht gedaald: eind 2006 zijn er in Vlaanderen 7507 onthaalouders aangesloten bij een dienst. Deze lichte daling doet zich in elke provincie voor, met uitzondering van West-Vlaanderen en Limburg, waar het aantal lichtjes stijgt.

Aangesloten onthaalouders per provincie 2005

2006

Antwerpen

2 119

2 114

Vlaams-Brabant

1 023

997

Brussels Gewest

9

9

West-Vlaanderen

1 413

1 419

Oost-Vlaanderen

1 780

1 777

Limburg

1 187

1 191

Totaal

7 531

7 507

15. Aantal onthaalouders aangesloten bij een dienst voor onthaalouders per provincie

7700

7600

7500

7400

7300

7200

7100 2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

16. Evolutie van het aantal aangesloten onthaalouders

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

24


4. Aanwezige kinderen

Aantal Het cijfer van de aanwezige kinderen toont aan hoeveel verschillende kinderen er kunnen worden opgevangen binnen de beschikbare capaciteit. Sinds 2004 worden de aanwezige kinderen geteld tijdens de week van 1 februari, naar analogie met de telling van de onderwijspopulatie. Een beperkt aantal voorzieningen stuurde het registratieformulier niet terug, zodat het aantal ontbrekende kinderen werd geraamd. Daartoe werd berekend wat de ratio was van het aantal aanwezige kinderen per plaats van de voorzieningen die de gegevens wel doorstuurden en werd deze ratio toegepast op de ontbrekende capaciteit.

In de week van 1 februari 2006 waren in totaal 144 404 kinderen aanwezig in de opvang. Dat is 6,5 % meer dan het jaar voordien.

Het aantal kinderen dat voorschools wordt opgevangen

stijgt met 5,2 %, het aantal kinderen dat buitenschools wordt opgevangen stijgt met 8,0%. De stijging van het aantal aanwezige kinderen doet zich in elk voorzieningstype voor, maar de relatieve stijging is het grootst bij de zelfstandige kinderdagverblijven.

Ruim driekwart van de kinderen wordt opgevangen in een erkende voorziening en voor ruim de helft van de kinderen gaat het om voorschoolse opvang.

Deze verhoudingen zijn vrijwel

ongewijzigd tegenover 2005.

Zelfstandige onthaalouders

160000 140000

Zelfstandige kinderdagverblijven

120000

Mini-crèches 100000

Initiatieven voor buitenschoolse opvang

80000 60000

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven Diensten voor onthaalouders

40000 20000 0 2005

2006

Kinderdagverblijven

17. Aantal aanwezige kinderen volgens soort opvang in de week van 1 februari 2005 en in de week van 1 februari 2006

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

25


Aanwezige kinderen Voorschools (1)

Buitenschools

Totaal

2005

2006

2005

2006

2005

2006

Kinderdagverblijven

18 543

18 867

236

152

18 779

19 019

Diensten voor onthaalouders

30 281

32 364

6 708

7 328

36 989

39 692

43 (2)

23 (2)

2 275

2 463

2 318

2 486

52 (2)

52 (2)

47 984

50 295

48 036

50 347

48 919

51 306

57 203

60 238

106 122

111 544

14 003

15 316

1 745

1 968

15 748

17 284

Zelfstandige kinderdagverblijven

4 757

5 022

787

2 260

5 544

7 282

Zelfstandige onthaalouders

7 083

7 028

1 152

1 266

8 235

8 294

25 843

27 366

3 684

5 494

29 527

32 860

74 762

78 672

60 887

65 732

135 649

144 404

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven Initiatieven voor buitenschoolse opvang Totaal erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin Met attest van toezicht van Kind en Gezin Mini-crèches

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin Algemeen totaal

18. Aantal aanwezige kinderen volgens soort opvang in de week van 1 februari 2005 en in de week van 1 februari 2006 (1) Kinderen die nog niet naar school gaan of kinderen in de overgangsperiode tussen opvang en basisschool (2) Het gaat hier om kinderen die slechts deeltijds naar school gaan en gedurende een bepaald dagdeel tijdens de schooluren in de opvangvoorziening worden opgevangen

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

26


Gebruik van formele kinderopvang binnen Kind en Gezin 1 De cijfers over het gebruik van formele kinderopvang kunnen worden afgeleid uit de registratie van de aanwezige kinderen in de week van 1 februari in alle formele kinderopvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin. Het aantal aanwezige kinderen wordt afgezet tegen het aantal kinderen in het Vlaamse Gewest en een deel van de kinderen in Brussel (30%, conform een politiek vastgelegde norm). Het aantal kinderen uit de officiële bevolkingsstatistieken werd verhoogd met een bepaalde fractie, bepaald op basis van de Ikaros-registratie, zodat ook de kinderen buiten de ‘de jure-bevolking’ worden meegeteld.

Het gebruik van formele kinderopvang ligt het hoogst bij kinderen van 1 tot 2 jaar: 50,5% van deze kinderen maakt gebruik van formele opvang. Bijna 42% van de kinderen van 2 maanden tot 12 maanden maakt gebruik van formele opvang. Tussen 2 en 3 jaar loopt het gebruik terug tot 34,7%; deels gaat het hier al om opvang in een buitenschools opvanginitiatief. Vanaf de leeftijd van 3 jaar maakt hoogstens nog ongeveer 13% van de kinderen gebruik van formele opvang binnen Kind en Gezin. Voor de leeftijdsgroep 2,5 jaar tot 3 jaar kan er zowel gebruik gemaakt worden van voorschoolse kinderopvang als van het schoolsysteem. Van de kinderen van 2 tot 3 jaar was er in de week van 1 februari 2006 51,9% ingeschreven in een kleuterschool. Nemen we dit samen met het cijfer van de formele opvang binnen Kind en Gezin, dan blijkt dat bijna 87% van de kinderen van 2 tot 3 jaar van een van beide systemen gebruikmaakt 2 .

100 80 51,9

60

Kleuterschool

0

40

0

20

41,8

Formele opvang binnen Kind en Gezin 50,5 34,7

0 2 maanden tot 1 jaar (1)

1 tot 2 jaar

2 tot 3 jaar

19. Kinderen tussen 2 maanden en 3 jaar in formele opvang in opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin en in kleuterscholen in Vlaanderen volgens leeftijdsjaar (percentage) (1) Voor kinderen jonger dan 1 jaar werd gerekend met 10/12den van de totale groep

1

Formele opvang binnen Kind en Gezin: erkende en/of gesubsidieerde kinderdagverblijven, diensten voor onthaalouders, buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven, zelfstandige onthaalouders, minicrèches, zelfstandige kinderdagverblijven en initiatieven voor buitenschoolse opvang 2 Kinderen in de overgangsfase tussen kinderopvang en kleuteronderwijs werden maar eenmaal geteld. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

27


100 80 60 40 20 13,5

12,9

13,5

12

10,7

9,4

7,8

5,7

3,8

3 tot 4 jaar

4 tot 5 jaar

5 tot 6 jaar

6 tot 7 jaar

7 tot 8 jaar

8 tot 9 jaar

9 tot 10 jaar

10 tot 11 jaar

11 tot 12 jaar

0

20. Kinderen van 3 tot 12 jaar in formele opvang in opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin naar leeftijd (percentage)

Het gebruik van formele opvang bij kinderen tussen 2 maanden en 3 jaar ligt het hoogst in WestVlaanderen (49,7%). In de provincies Limburg (35,9%) en Antwerpen (36,8%) ligt het heel wat lager. De provincies Vlaams-Brabant (44,6%) en Oost-Vlaanderen (43,9%) situeren zich hiertussen.

In de leeftijdsgroep 3 tot 6 jaar ligt het gebruik van formele opvang in opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin eveneens het hoogst in West-Vlaanderen (18,8%). Limburg kent het op ĂŠĂŠn na hoogste gebruik (17,2%). De provincie Oost-Vlaanderen (13,7%) neemt een middenpositie in. De provincies Antwerpen en Vlaams-Brabant kennen het laagste gebruik van formele opvang in opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin (respectievelijk 10,8% en 11,1%).

Bij kinderen van 6 tot 12 jaar ligt het gebruik het hoogst in de provincie Limburg (12,3%). De andere provincies schommelen tussen bijna 7% en bijna 10%.

Het gebruik van de kleuterschool binnen de groep kinderen tussen 2 maanden en 3 jaar ligt het hoogst in Limburg (19,1%) en het laagst in Vlaams-Brabant (17,0%).

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

28


100

80

60

18,6

17 40

20

Kleuterschool Formele opvang

18,4

18,4

19,1

49,7

44,6

36,8

43,9

35,9

0 Antwerpen

VlaamsBrabant

WestVlaanderen

OostVlaanderen

Limburg

21. Kinderen van 2 maanden tot 3 jaar in formele opvang in opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin en in kleuterscholen naar provincie (percentage)

100

80

60 Kinderen van 3 jaar tot 6 jaar Kinderen van 6 jaar tot 12 jaar 40

20

18,8 10,8

11,1 6,9

7,6

9,7

17,2

13,7

12,3 7,7

0 Antwerpen

VlaamsBrabant

WestVlaanderen

OostVlaanderen

Limburg

22. Kinderen van 3 tot 12 jaar in formele opvang in opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin naar provincie en leeftijdsklasse (percentage)

Voor de kinderen tussen 2 maanden en 3 jaar is de onthaalouder aangesloten bij een dienst het meest gebruikte type van opvangvoorziening: ruim 17% van alle kinderen tussen 2 maanden en 3 jaar wordt opgevangen bij een onthaalouder aangesloten bij een dienst. De zelfstandige kinderdagverblijven en mini-crèches vangen iets meer dan 10% van de kinderen op.

Erkende kinderdagverblijven vangen

9,8% van de kinderen op. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

29


De kinderen tussen 3 en 12 jaar worden vooral opgevangen in initiatieven voor buitenschoolse opvang of in specifieke buitenschoolse opvang in kinderdagverblijven.

Kinderen onder de 3 jaar naar type opvangvoorziening of kleuterschool (1) Onthaalouder aangesloten bij een dienst Kinderdagverblijf Mini-crèche of zelfstandig kinderdagverblijf

17,3 9,8 10,5

Zelfstandig onthaalouder

3,6

IBO of buitenschoolse opvang in kinderdagverblijf

1,1

Onderwijs

18,1

Totaal in formele opvang of kleuterschool

60,4

23. Kinderen van 2 maanden tot 3 jaar naar type formele opvangvoorziening binnen Kind en Gezin of kleuterschool (percentage) (1) Voor de kinderen jonger dan 1 jaar werd gerekend met 10/12den van de totale groep

Kinderen van 3 tot 12 jaar in formele opvang naar type opvangvoorziening Kinderen van 3 tot 6 jaar IBO of buitenschoolse opvang in kinderdagverblijf

9,5

Kinderdagverblijf of onthaalouder aangesloten bij een dienst

2,2

Zelfstandige sector

1,6

Totaal

13,3

Kinderen van 6 tot 12 jaar IBO of buitenschoolse opvang in kinderdagverblijf

7,2

Onthaalouder aangesloten bij een dienst

0,5

Zelfstandige sector

0,5

Totaal

8,2

24. Kinderen in formele opvang in opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin naar leeftijdscategorie en type opvangvoorziening in Vlaanderen - 2006 (percentage)

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

30


5. Aantal verblijfsdagen In de kinderdagverblijven werden in 2006 meer dan 3 miljoen prestaties geleverd. Het totale aantal verblijfsdagen is hiermee met 2,4% gestegen tegenover vorig jaar. Dit heeft uitsluitend te maken met de stijging van het aantal verblijfsdagen in de voorschoolse opvang. Het aantal verblijfsdagen in de buitenschoolse opvang is immers opnieuw gedaald.

In de diensten voor onthaalouders werden in 2006 in totaal ruim 5,5 miljoen prestaties geleverd. Dit is een toename met 5,4% tegenover 2005. In de diensten voor onthaalouders is er een stijging van zowel het aantal verblijfsdagen in voorschoolse opvang als het aantal verblijfsdagen in buitenschoolse opvang.

Voorschoolse

opvang

gebeurt

nog

altijd

overwegend

gedurende

volle

dagen,

zowel

in

kinderdagverblijven (87%) als in diensten voor onthaalouders (83%). In de kinderdagverblijven is het aandeel van halve dagen opnieuw gedaald, terwijl het aandeel van 1/3-verblijfsdagen verder blijft toenemen. In de diensten voor onthaalouders neemt het aandeel van zowel halve dagen als 1/3verblijfsdagen verder toe.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

31


Verblijfsdagen Kinderdagverblijven

Diensten voor onthaalouders

2005

2006

2005

2006

2 516 118

2 589 621

3 582 467

3 814 112

352 586

348 198

709 520

726 092

45 955

49 744

53 247

60 499

2 914 659

2 987 563

4 345 234

4 600 703

(100,0)

(102,5)

(100,0)

(105,9)

2 707 729

2 780 301

3 954 976

4 197 324

(100,0)

(102,7)

(100,0)

(106,1)

14 810

13 918

353 826

369 885

6 033

4 517

231 010

226 774

1/3-verblijfsdagen (2)

10 943

10 289

326 418

344 117

Aantal prestaties (3)

31 786

28 724

911 254

940 776

(100,0)

(90,4)

(100,0)

(103,2)

21 474

19 606

578 137

597 978

(100,0)

(91,3)

(100,0)

(103,4)

2 946 445

3 016 287

5 256 488

5 541 479

(100,0)

(102,4)

(100,0)

(105,4)

2 729 203

2 799 907

4 533 113

4 795 302

(100,0)

(102,6)

(100,0)

(105,8)

Voorschoolse opvang Volle verblijfsdagen Halve verblijfsdagen (1) 1/3-verblijfsdagen (2) Aantal prestaties (3)

Aantal herleide prestaties (4)

Buitenschoolse opvang (5) Volle verblijfsdagen Halve verblijfsdagen (1)

Aantal herleide prestaties (4)

Algemeen totaal aantal prestaties (3) Algemeen totaal aantal herleide prestaties (4)

25. Aantal verblijfsdagen in kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders (1) Verblijf tussen 3 en 5 uur (2) Verblijf van minder dan 3 uur (3) Totaal van volle, halve en 1/3-verblijfsdagen, niet gewogen naargelang van de duur (4) Totaal van volle, halve en 1/3-verblijfsdagen, gewogen naargelang van de duur (5) Voor kinderdagverblijven: buitenschoolse opvang in eigen lokalen

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

32


In de initiatieven voor buitenschoolse opvang werden in 2006 ruim 5,3 miljoen prestaties geleverd. Het aantal prestaties is hiermee gestegen met 6,2% tegenover vorig jaar. Bij de buitenschoolse opvang in aparte lokalen van een kinderdagverblijf werden zo’n 263 000 prestaties geleverd, wat eveneens iets meer is dan in 2005 (+5,4%).

Verblijfsdagen 2005

2006

Meer dan 6 uur

578 156

632 398

Tussen 3 en 6 uur

637 825

656 207

3 832 108

4 073 090

5 048 089

5 361 695

(100,0)

(106,2)

41 579

48 273

207 925

214 733

249 504

263 006

(100,0)

(105,4)

Initiatieven voor buitenschoolse opvang

Minder dan 3 uur Totaal initiatieven voor buitenschoolse opvang

Aparte lokalen van kinderdagverblijven Meer dan 6 uur Minder dan 6 uur Totaal aparte lokalen van kinderdagverblijven

26. Buitenschoolse opvang: aantal verblijfsdagen in initiatieven voor buitenschoolse opvang en in aparte lokalen van kinderdagverblijven

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

33


Hoofdstuk 3. Financiering van de kinderopvang vanuit de Vlaamse overheid

1. Kinderdagverblijven De werking van de kinderdagverblijven wordt deels gefinancierd vanuit de dotatie van de Vlaamse overheid en deels vanuit de inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen. De subsidie die een kinderdagverblijf ontvangt van Kind en Gezin is samengesteld uit verschillende onderdelen. Sommige onderdelen zijn afhankelijk van een specifiek aanbod of specifieke voorwaarden.

1.1. Overzicht van de verschillende subsidievormen vanuit Kind en Gezin

Subsidie voor het realiseren van het basisaanbod Kinderdagverblijven worden voor hun personeels- en werkingskosten gesubsidieerd via een systeem van forfaitaire subsidiëring (enveloppensubsidiëring). De forfaitaire subsidie voor kinderdagverblijven wordt berekend op basis van 2 componenten. De eerste component is gekoppeld aan de gemiddelde leeftijd van het personeel. Elk kinderdagverblijf ontvangt per subsidiabele plaats het basisbedrag dat geldt bij een gemiddelde leeftijd van het personeel van 20 jaar. Per jaar, met een maximum van 40 jaar, dat de gemiddelde leeftijd hoger ligt, ontvangt het kinderdagverblijf een aanvullend bedrag. De tweede component is gekoppeld aan de bezetting. Elk kinderdagverblijf ontvangt per erkende plaats het basisbedrag dat geldt bij een bezetting van 75%. Per percent dat de bezetting hoger is, wordt het basisbedrag verhoogd met 0,75%. Per percent dat de bezetting lager ligt, wordt het basisbedrag verminderd met 1%. Daarnaast krijgen crèches sinds 1 januari 2004 een bijkomend forfaitair bedrag per plaats, gebaseerd op hun subsidiabele capaciteit. Voor 2006 kwam de subsidie voor het realiseren van het basisaanbod neer op een uitgave van 140,230 miljoen euro.

Subsidie voor logistieke en directiefunctie Kinderdagverblijven ontvangen naast deze forfaitaire subsidie ook een subsidie voor een logistieke functie en een directiefunctie. Deze laatste is alleen toegankelijk voor organiserende besturen met een capaciteit van minstens 50 plaatsen. In 2006 bedroeg de logistieke subsidie 5,293 miljoen euro en de directiesubsidie 4,059 miljoen euro.

Subsidie voor buitenschoolse opvang in aparte lokalen Kinderdagverblijven met een toestemming tot het organiseren van buitenschoolse opvang in aparte lokalen, ontvangen hiervoor een bijkomende forfaitaire subsidie. In 2006 bedroeg deze subsidie 23 142,36 euro voor 14 plaatsen. Het totale budget dat voor 2006 besteed werd aan dit type van opvang, bedroeg 1,644 miljoen euro.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

34


Subsidie voor flexibele opvang Kinderdagverblijven gelegen in een centrumstad 1 kunnen vanaf 2004 een subsidie krijgen voor het organiseren van flexibele opvang. Hieronder wordt verstaan: opvang vóór 7 uur en/of opvang na 18 uur op dagen die vallen binnen het minimumaantal openingsdagen dat door de regelgeving wordt vereist. Ook opvang op feestdagen en/of weekenddagen en opvang op werkdagen boven het minimumaantal openingsdagen vallen onder flexibele opvang. De subsidie wordt toegekend in schijven van 22 527,57 euro, wat overeenkomt met de inzet van een halftijds personeelslid. In 2006 ontvingen 17 kinderdagverblijven een dergelijke subsidie, wat overeenkomt met een uitgave van 1,266 miljoen euro.

Subsidie voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte Kinderdagverblijven kunnen ook een bijkomende vergoeding krijgen voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte. Voor kinderdagverblijven wordt er een onderscheid gemaakt tussen kinderdagverblijven met een structureel

aanbod

en

kinderdagverblijven

die

eerder

ingaan

op

individuele

vragen.

Voor

kinderdagverblijven met een structureel aanbod is de financiële ondersteuning tweeledig opgebouwd: enerzijds een bijkomend bedrag per plaats, dat in 2006 2858,89 euro bedroeg, anderzijds een bedrag per prestatie, dat in 2006 5,49 euro bedroeg per dag per opgevangen kind. Voor 2006 werd een totaal budget van 0,303 miljoen euro besteed. Voor kinderdagverblijven die eerder ingaan op individuele vragen bestaat de financiële ondersteuning in een bedrag van 8,24 euro per dag per opgevangen kind. In 2006 kwam dit neer op een hiervoor besteed budget van 0,063 miljoen euro.

Subsidie voor de organisatie van medisch-sociaal toezicht Kinderdagverblijven kunnen voor de organisatie van medisch-sociale zittingen een tegemoetkoming krijgen voor het honorarium en de reiskosten van de arts. Deze subsidies bedroegen 2,50 euro per onderzoek door een omnipracticus en 3,02 euro per onderzoek door een pediater. In 2006 werd beslist om de subsidie van het medisch-sociaal toezicht in kinderdagverblijven per 1 januari 2007 stop te zetten (zie deel 2, hoofdstuk 2).

Subsidie voor gewezen DAC-personeelsleden Op 1 januari 2001 werden de DAC-personeelsleden geregulariseerd. Dit had tot gevolg dat de subsidiëring van deze personeelsleden werd overgenomen door Kind en Gezin. Kind en Gezin kende voor de jaren 2001 tot en met 2004 aan de kinderdagverblijven en tot en met 2005 aan de overige initiatiefnemers een forfaitaire subsidie toe per voltijds equivalent tewerkgesteld personeelslid in gewezen DAC-statuut als tegemoetkoming in de loonkosten voor dit personeelslid. Deze maatregel werd verlengd tot invoeging van het personeelslid in het gesubsidieerde kader of tot uitdiensttreding van het personeelslid. Voor 2006 gaat het om een subsidiestroom van 3,391 miljoen euro voor 96,25 voltijdse equivalenten.

1

Antwerpen, Gent, Brugge, Leuven, Aalst, Mechelen, Kortrijk, Sint-Niklaas, Oostende, Genk, Hasselt, Roeselare en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

35


Subsidie voor de uitvoering van het Vlaams Intersectoraal Akkoord In 2006 werd de regelgeving aangepast om de maatregelen van het Vlaams Intersectoraal Akkoord voor het gesubsidieerde personeel te subsidiëren. De bijkomende middelen voor de eindejaarspremie en de managementondersteuning werden opgenomen in de subsidie voor het realiseren van het basisaanbod (enveloppensubsidiëring). De middelen voor de werkdrukvermindering werden op verschillende manieren verdeeld: voor de lokale besturen over alle voltijdse door Kind en Gezin gesubsidieerde equivalenten en voor de private initiatieven over de personeelsleden die ouder zijn dan 45 jaar én die door Kind en Gezin worden gesubsidieerd. De middelen zijn opgenomen in de bedragen die in de respectieve subsidievormen hierboven zijn vermeld.

VIPA-investeringssubsidies Kinderdagverblijven die worden georganiseerd door een vzw, een ondergeschikt bestuur of een instelling van openbaar nut, kunnen een beroep doen op investeringssubsidies voor nieuwbouw of verbouwing. De procedure met betrekking tot de investeringssubsidies verloopt in vier stappen: 1.

Een aanvraag bij Kind en Gezin

2.

Een subsidiebelofte met een vastlegging van het subsidiebedrag In de loop van 2006 werden 6 nieuwe subsidiebeloften toegekend. Dit brengt het aantal lopende dossiers eind 2006 op 54. Deze dossiers verkeren in de fase van subsidiebeslissing, aanbesteding of uitvoering van de werken. Kind en Gezin beschikte in 2006 over een machtiging om voor 6,005 miljoen euro vastleggingen uit te voeren. Dit bedrag werd toegekend, gespreid over 21 voorzieningen, waaronder de al vermelde 6 subsidiebeloften. De overige 15 vastleggingen zijn bijkomende vastleggingen voor vroegere subsidiebeloften.

3.

Een subsidiebeslissing met vervolgens een aanbesteding In de loop van 2006 werden 15 subsidiebeslissingen toegekend (tweede procedurestap).

4.

De effectieve uitbetaling van de investeringssubsidie In 2006 werden er voor een totaal van 5,146 miljoen euro betalingskredieten betaald aan voorzieningen. Deze betalingskredieten zijn de effectieve omzetting van de vastleggingen in uitbetalingen. Deze omzetting verloopt gespreid over meerdere jaren, afhankelijk van de uitvoeringstermijn van de bouwwerken.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

36


Kinderdagverblijven - Subsidies Kind en Gezin in miljoen euro 2005

2006

134,404

140,230

Subsidie logistieke functie

5,130

5,293

Subsidie directiefunctie

3,875

4,059

Subsidie buitenschoolse opvang in aparte lokalen

1,582

1,644

Subsidie flexibele opvang

0,950

1,266

Subsidie gewezen DAC-personeel

3,745

3,391

Subsidie medisch-sociaal toezicht

0,214

0,154

Subsidie specifieke zorgbehoefte

0,360

0,367

150,260

156,404

(100,0)

(104,1)

Forfaitaire subsidie basisaanbod

Totaal

27. Overzicht van de subsidies aan kinderdagverblijven in miljoen euro

1.2. Inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen Kinderdagverblijven innen de financiële bijdragen van de gezinnen, die variëren naar verhouding van het inkomen van de ouders. De inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen die de kinderdagverblijven hebben, worden beschouwd als inkomsten van Kind en Gezin en aldus verrekend met het geheel van de subsidies. Wat de buitenschoolse opvang in aparte lokalen betreft, blijft het volledige bedrag van de geïnde financiële bijdragen van de gezinnen in de kinderdagverblijven.

Kinderdagverblijven – Verhouding subsidies Kind en Gezin en geïnde financiële bijdragen van de gezinnen in miljoen euro (1)

Subsidie Kind en Gezin na verrekening

Geïnde financiële bijdragen van de gezinnen

Totaal

2005

2006

115,711

120,324

(77,0)

(76,9)

34,549

36,080

(23,0)

(23,1)

150,260

156,404

(100,0)

(100,0)

28. Kinderdagverblijven: verhouding subsidies van Kind en Gezin en geïnde financiële bijdragen van de gezinnen in miljoen euro (1) Niet inbegrepen: financiële bijdragen van de gezinnen buitenschoolse opvang in aparte lokalen

1.3. Wat betalen ouders gemiddeld? In de kinderdagverblijven betalen de ouders een bijdrage die is vastgelegd bij ministerieel besluit en die afhangt van het belastbare gezinsinkomen.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

37


In 2006 betaalden ouders voor een volle verblijfsdag gemiddeld 13,05 euro in een crèche (+1,9%) en 7,74 euro in een peutertuin (-1,1%). Voor de evolutie van de gemiddelde financiële bijdrage van de gezinnen verwijzen we naar grafiek 33.

Gemiddelde financiële bijdrage van de gezinnen

Crèches

2005

2006

12,81

13,05

7,83

7,73

12,26

12,39

Peutertuinen Erkende kinderopvang

29. Gemiddeld betaalde financiële bijdrage van de gezinnen in de kinderdagverblijven in euro voor een volle verblijfsdag

2. Diensten voor onthaalouders De werking van de diensten wordt deels gefinancierd vanuit de dotatie van de Vlaamse overheid en deels vanuit de inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen. De subsidie die een dienst ontvangt van Kind en Gezin is samengesteld uit verschillende onderdelen. Sommige onderdelen zijn afhankelijk van een specifiek aanbod of specifieke voorwaarden.

2.1. Overzicht van de verschillende subsidievormen vanuit Kind en Gezin

Subsidie voor het realiseren van het basisaanbod Diensten voor onthaalouders worden voor hun personeels- en werkingskosten gesubsidieerd via een systeem van forfaitaire subsidiëring (enveloppensubsidiëring). Voor de diensten voor onthaalouders is de eerste component identiek aan de eerste component voor de kinderdagverblijven, m.a.w. gekoppeld aan de gemiddelde leeftijd van het personeel. Elke dienst ontvangt per subsidiabele schijf van 7 onthaalouders het basisbedrag dat geldt bij een gemiddelde leeftijd van 23 jaar. Per jaar, met een maximum van 37 jaar, dat de gemiddelde leeftijd hoger ligt dan 23 jaar, ontvangt de dienst een aanvullend bedrag. De tweede component is gekoppeld aan de gepresteerde plaatsingsdagen. Elke dienst ontvangt per erkende schijf van 7 onthaalouders het basisbedrag dat geldt bij het realiseren van minimaal 2800 plaatsingsdagen. Als het aantal plaatsingsdagen minstens 20%, minstens 35%, minstens 75% of minstens 100% hoger ligt dan het minimumaantal, wordt het basisbedrag verhoogd met respectievelijk 15%, 30%, 45% of 50%. Wanneer het aantal gerealiseerde plaatsingsdagen lager ligt dan het minimumaantal, wordt het basisbedrag

verhoudingsgewijs

verlaagd.

Naar

aanleiding

van

de

invoering

van

een

eigen

sociaalrechtelijk statuut voor aangesloten onthaalouders, werd dit basisbedrag opgetrokken om de administratieve meerinspanningen die de diensten moeten leveren voor de invoering en het beheer van het sociaal statuut, te compenseren. Voor 2006 kwam de subsidie voor het realiseren van het basisaanbod neer op 18,222 miljoen euro.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

38


Subsidie voor de uitvoering van het Vlaams Intersectoraal Akkoord In 2006 werd de regelgeving aangepast om de maatregelen van het Vlaams Intersectoraal Akkoord voor het gesubsidieerde personeel te subsidiëren. De bijkomende middelen voor de eindejaarspremie en de managementondersteuning werden opgenomen in de subsidie voor het realiseren van het basisaanbod (enveloppensubsidiëring). De middelen voor de werkdrukvermindering werden op verschillende manieren verdeeld: voor de lokale besturen over alle voltijdse door Kind en Gezin gesubsidieerde equivalenten en voor de private initiatieven over de personeelsleden die ouder zijn dan 45 jaar én die door Kind en Gezin worden gesubsidieerd. De middelen zijn opgenomen in de bedragen die in de subsidievorm hierboven zijn vermeld.

Subsidie voor het vergoeden van de opvangprestaties van de aangesloten onthaalouders Ook de diensten voor onthaalouders ontvangen naast deze forfaitaire subsidie nog een aantal andere subsidies. Zo is er de subsidie voor het vergoeden van de opvangprestaties van de aangesloten onthaalouders.

In

2006

bedroeg

de

kostenvergoeding

14,84

euro

per

dag

per

kind.

Deze

kostenvergoeding staat in verhouding tot de opvangduur, zijnde 40% voor een verblijf van minder dan 3 uur, 60% voor een verblijf van 3 tot minder dan 5 uur en 100% voor een verblijf vanaf 5 uur. Voor 2006 kwam dit neer op een totale uitgave van 72,946 miljoen euro.

Subsidie in het kader van het sociaalrechtelijk statuut van de aangesloten onthaalouders Daarnaast is er de subsidie in het kader van het eigen sociaalrechtelijk statuut dat aangesloten onthaalouders

sinds

1

april

2003

hebben.

Hierdoor

zijn

de

onthaalouders

verzekerd

tegen

arbeidsongevallen. Deze arbeidsongevallenverzekering komt in 2006 voor Kind en Gezin neer op een totale uitgave van 0,634 miljoen euro (84,87 euro per onthaalouder). Het sociaal statuut impliceerde eveneens dat Kind en Gezin een kostendekkende subsidiëring verleent voor de werkgevers- en de werknemersbijdragen. In 2006 bedroeg die 8,908 miljoen euro.

Subsidie voor informatisering van de diensten Als eenmalige en bijzondere tegemoetkoming in de verdere informatisering van de diensten ontving elke dienst voor onthaalouders in 2006 een bedrag van 2500 euro. Voor de hele sector van de diensten kwam dit neer op een investering van 0,485 miljoen euro.

Subsidie voor samenwerking met andere diensten voor onthaalouders In 2006 werd een nieuwe subsidievorm geïntroduceerd bij de diensten voor onthaalouders. Diensten voor onthaalouders die samenwerken met andere diensten in een zogenoemde samenwerkingspool, kunnen hiervoor een subsidie krijgen. Voorwaarden zijn dat het samenwerkingsverband een minimale grootte heeft van 30 erkende schijven van minstens 7 onthaalouders en dat het samenwerkingsverband beschikt over een medewerker die minstens halftijds uitsluitend werkt voor dit samenwerkingsverband. De samenwerkende diensten bepalen zelf welke opdrachten de samenwerking op zich neemt. De subsidie bedroeg in 2006 641 euro per erkende schijf van 7 onthaalouders. In 2006 werd hiervoor een totaal budget van 0,699 miljoen euro vrijgemaakt.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

39


Subsidie voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte Aangesloten onthaalouders kunnen ook een bijkomende vergoeding krijgen voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte. Het bedrag dat ze bijkomend kunnen ontvangen, is een bedrag per dag per opgevangen kind. In 2006 was dit vastgelegd op 8,24 euro. Het totale budget dat in 2006 hiervoor besteed werd, bedroeg 0,222 miljoen euro.

Subsidie voor het toekennen van een eenmalige vergoeding voor installatiekosten Onthaalouders die zich voor het eerst aansluiten bij een dienst, kunnen rekenen op een eenmalige vergoeding voor installatiekosten. Deze vergoeding bedroeg 395,62 euro in 2006. 817 onthaalouders die in 2006 van start gingen, kregen de vergoeding toegekend. Budgettair komt dit overeen met een bedrag van 0,323 miljoen euro.

Diensten voor onthaalouders - Subsidies Kind en Gezin in miljoen euro 2005

2006

Forfaitaire subsidie basisaanbod

17,394

18,222

Subsidie vergoeding onthaalouders

67,848

72,946

Arbeidsongevallenverzekering (1)

0,632

0,634

Werkgevers- en werknemersbijdrage

8,758

8,908

Informatisering

-

0,485

Samenwerking in pool

-

0,699

Subsidie specifieke zorgbehoefte

0,212

0,222

Vergoeding installatiekosten

0,330

0,323

95,174

102,439

(100,0)

(107,6)

Totaal

30. Overzicht van de subsidies aan diensten voor onthaalouders in 2005 en 2006 in miljoen euro (1) In het kader van het sociaal statuut van aangesloten onthaalouders

2.2. Inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen Diensten voor onthaalouders innen de financiële bijdragen van de gezinnen, die variëren naar verhouding van het inkomen van de ouders. De inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen die de diensten hebben, worden beschouwd als inkomsten van Kind en Gezin en worden daarom verrekend met het geheel van de subsidies.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

40


Diensten voor onthaalouders – Verhouding subsidies Kind en Gezin en geïnde financiële bijdragen van de gezinnen in miljoen euro (1) 2005

2006

40,687

44,408

(42,7)

(43,4)

54,487

58,031

(57,3)

(56,6)

95,174

102,439

(100,0)

(100,0)

Subsidie Kind en Gezin na verrekening

Geïnde financiële bijdragen van de gezinnen

Totaal

31. Diensten voor onthaalouders: verhouding subsidies van Kind en Gezin en geïnde financiële bijdragen van de gezinnen in miljoen euro

2.3. Wat betalen ouders gemiddeld? In de diensten voor onthaalouders betalen de ouders een bijdrage die is vastgelegd bij ministerieel besluit en die afhangt van het belastbare gezinsinkomen. In 2006 betaalden ouders voor een volle verblijfsdag gemiddeld 12,10 euro in een dienst (+0,6%). Voor de evolutie van de gemiddelde financiële bijdrage van de gezinnen verwijzen we naar grafiek 33.

Gemiddelde financiële bijdrage van de gezinnen 2005

2006

Diensten voor onthaalouders

12,02

12,10

Erkende kinderopvang

12,26

12,39

32. Gemiddeld betaalde financiële bijdrage van de gezinnen in de kinderdagverblijven in euro voor een volle verblijfsdag

Evolutie financiële bijdrage van de gezinnen 14

13

12

11

10 2000

2001

2002

Kinderdagverblijven

2003

2004

2005

2006

Diensten voor opvanggezinnen

33. Evolutie van de gemiddeld betaalde financiële bijdrage van de gezinnen in de kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders in euro voor een volle verblijfsdag

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

41


3. Initiatieven voor buitenschoolse opvang De werking van de initiatieven voor buitenschoolse opvang wordt vanuit verschillende instanties gefinancierd. De personeelskosten voor de begeleiders worden voor een deel gesubsidieerd door het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie. Voor de personeelskosten van de coördinator, de opleg van de personeelskosten van de begeleiders en de werkingskosten wordt er in een subsidie voorzien door het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten (FCUD) of door Kind en Gezin. Sommige initiatieven worden zowel door Kind en Gezin als door het FCUD 1 gesubsidieerd. De subsidie die een initiatief voor buitenschoolse opvang ontvangt van Kind en Gezin, is samengesteld uit verschillende onderdelen. Sommige onderdelen zijn afhankelijk van een specifiek aanbod of van specifieke voorwaarden.

3.1. Overzicht van de verschillende subsidievormen vanuit Kind en Gezin

Subsidie voor het realiseren van het basisaanbod De subsidie van Kind en Gezin is een forfaitair bedrag per erkende plaats. Voor de berekening ervan wordt uitgegaan van de gemiddelde kosten van 3 componenten: de werkingskosten, de opleg voor de Weerwerk-gesco’s en de loonkosten voor de coördinator. Zo komt de subsidie voor 2006 neer op 2077,77 euro per plaats voor de eerste 21 plaatsen, 1369,86 euro per extra plaats vanaf 22 plaatsen en 1206,49 euro per extra plaats vanaf 23 plaatsen. In 2006 werden 144 voorzieningen gesubsidieerd door Kind en Gezin, wat overeenkomt met een uitgave van 7,741 miljoen euro.

Subsidie voor flexibele opvang Initiatieven voor buitenschoolse opvang gelegen in een centrumstad 2 kunnen vanaf 2004 een subsidie krijgen voor het organiseren van flexibele opvang. Hieronder wordt verstaan: opvang vóór 7 uur en/of opvang na 18 uur op dagen die vallen binnen het minimumaantal openingsdagen dat door de regelgeving wordt opgelegd. Ook opvang op feestdagen en/of weekenddagen en opvang op werkdagen boven het minimumaantal openingsdagen vallen onder flexibele opvang. De subsidie wordt toegekend in schijven van 22 527,57 euro, wat overeenkomt met de inzet van een halftijds personeelslid. In 2006 ontvingen 5 initiatieven een dergelijke subsidie, wat overeenkomt met een uitgave van 0,163 miljoen euro.

Subsidie voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte Initiatieven voor buitenschoolse opvang kunnen ook een bijkomende vergoeding krijgen voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte. Bij de initiatieven voor buitenschoolse opvang wordt er een onderscheid gemaakt tussen initiatieven met een structureel aanbod en initiatieven die eerder ingaan op individuele vragen. 1 Sinds midden 2000 subsidieert het FCUD geen nieuwe erkenningen meer. Vanaf 2001 kunnen initiatieven voor buitenschoolse opvang die niet meer door het FCUD kunnen worden gefinancierd, in aanmerking komen voor subsidiëring door Kind en Gezin. Voorzieningen die na 2000 een uitbreiding kregen, worden dus deels door het FCUD en deels door Kind en Gezin gesubsidieerd. 2 Antwerpen, Gent, Brugge, Leuven, Aalst, Mechelen, Kortrijk, Sint-Niklaas, Oostende, Genk, Hasselt, Roeselare en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

42


Voor initiatieven met een structureel aanbod is de financiële ondersteuning tweeledig opgebouwd: enerzijds een bijkomend bedrag per plaats, dat 2858,89 euro bedroeg in 2006, anderzijds een bedrag per prestatie, dat in 2006 5,49 euro bedroeg per dag per opgevangen kind. In 2006 kwam dit neer op een besteed budget van 0,182 miljoen euro. Voor initiatieven die eerder ingaan op individuele vragen bestaat de financiële ondersteuning in een bedrag van 8,24 euro per dag per opgevangen kind. Voor 2006 werd een totaal budget van 0,049 miljoen euro besteed.

Subsidie voor opvang van kinderen uit achtergestelde gebieden Als minstens 33% van de ingeschreven kinderen afkomstig is uit een achtergesteld gebied in Vlaanderen of in het tweetalige Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, kunnen de initiatieven een bijkomende vergoeding ontvangen per erkende plaats in de betreffende vestigingsplaatsen. Deze vergoeding bedroeg in 2006 78,09 euro per erkende plaats op jaarbasis. Dit kwam neer op een totale uitgave van 0,018 miljoen euro.

Subsidie voor de uitvoering van het Vlaams Intersectoraal Akkoord In 2006 werd de regelgeving aangepast om de maatregelen van het Vlaams Intersectoraal Akkoord voor het gesubsidieerde personeel te subsidiëren. De bijkomende middelen voor de eindejaarspremie en de managementondersteuning werden opgenomen in de subsidie voor het realiseren van het basisaanbod. De middelen voor de werkdrukvermindering werden op verschillende manieren verdeeld: voor de openbare initiatieven: 1 plaats krijgt 0,04 fractie van het per VTE voorziene subsidiebedrag voor werkdrukvermindering; voor private initiatieven: voor elke kindbegeleider en coördinator die aan de leeftijdsvoorwaarden voldoet, wordt een bepaald subsidiebedrag toegekend. De middelen zijn opgenomen in de bedragen die in de respectieve subsidievormen hierboven zijn vermeld.

3.2. Inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen Initiatieven voor buitenschoolse opvang innen de financiële bijdragen van de gezinnen en kunnen er vrij over beschikken. Kind en Gezin heeft geen zicht op de omvang van deze inkomsten.

3.3. Wat betalen ouders? De financiële bijdrage van de gezinnen is niet gerelateerd aan het inkomen van het gezin. In de regelgeving zijn bepaalde minima en maxima vastgelegd. Eind 2006 waren de volgende bedragen van kracht: -

bij voor- en naschoolse opvang bedraagt de ouderbijdrage minstens 0,68 euro per begonnen halfuur;

-

op schoolvrije dagen en vakantiedagen geldt een bijdrage van minimaal 7,51 euro en maximaal 12,28 euro voor een verblijf van een volle dag (vanaf 6 uur), van minimaal 3,78 euro en maximaal 6,15 euro voor een verblijf van een halve dag (van 3 tot 6 uur) en van minimaal 2,51 euro en maximaal 4,08 euro voor een verblijf van minder dan 3 uur;

-

op woensdagnamiddag hebben de initiatieven de keuze tussen een van de twee bovenvermelde systemen.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

43


4. Zelfstandige sector De belangrijkste inkomstenbron van de zelfstandige voorzieningen bestaat in de geïnde financiële bijdragen van de gezinnen. Sinds 2001 werden een aantal financieringsstromen vanuit Kind en Gezin geïnitieerd.

4.1. Overzicht van de verschillende financiële tegemoetkomingen vanuit Kind en Gezin

Financiële ondersteuning van de werking (alleen voor mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven die enkel buitenschoolse opvang aanbieden) In 2006 kregen mini-crèches een financiële ondersteuning van 500 euro per plaats op jaarbasis als ze voldeden aan een aantal voorwaarden. De voorwaarden hebben betrekking op het personeelsbestand, het diploma van de verantwoordelijke, de minimaal te behalen score op het Kwaliteitsinstrument voor Particuliere Opvanginstellingen (KWAPOI) en het minimaal te verstrekken opvangaanbod. In 2006 werden 484 mini-crèches financieel ondersteund door Kind en Gezin. Dit kwam neer op een besteed budget van 3,713 miljoen euro. Zelfstandige kinderdagverblijven die uitsluitend buitenschoolse opvang aanbieden, kregen eenzelfde financiële ondersteuning als de mini-crèches. In 2006 werden 17 zelfstandige kinderdagverblijven financieel ondersteund door Kind en Gezin. Dit kwam neer op een besteed budget van 0,128 miljoen euro.

Eenmalige vergoeding voor installatiekosten (alleen voor zelfstandige onthaalouders) Onthaalouders die voor het eerst starten met een zelfstandige opvangactiviteit onder toezicht van Kind en Gezin, kunnen rekenen op een eenmalige vergoeding voor installatiekosten. In 2006 bedroeg deze vergoeding 395,62 euro. 74 onthaalouders kregen deze vergoeding toegekend, wat overeenkomt met een bedrag van 0,029 miljoen euro.

Subsidie voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte Zelfstandige onthaalouders, mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven kunnen een vergoeding krijgen voor de opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte. Het bedrag dat ze bijkomend kunnen ontvangen, is een bedrag per dag per opgevangen kind. In 2006 was dit vastgelegd op 8,24 euro. Het totale budget dat hiervoor in 2006 besteed werd, bedroeg 0,088 miljoen euro.

Verzekering tegen persoonlijke ongevallen (alleen voor zelfstandige onthaalouders) Daarnaast verzekert Kind en Gezin sinds 1 januari 2002 de zelfstandige onthaalouders met een attest van toezicht tegen persoonlijke ongevallen. In 2006 betekende dit voor Kind en Gezin een uitgave van 0,040 miljoen euro.

Terugbetaling inschrijvingsgeld bepaalde opleidingen Voor de hele zelfstandige sector wordt het inschrijvingsgeld aan de cursisten terugbetaald voor de volgende opleidingen: ‘Verantwoordelijke Kinderopvang’, georganiseerd door Syntra, een 8-daagse cursus ‘Verantwoordelijke van particuliere kinderdagverblijven’, georganiseerd door het centrum voor Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

44


volwassenenonderwijs, Vormingsleergangen voor Sociaal en Pedagogisch Werk in Kortrijk en een 8daagse

cursus

'Dagopvang

jonge

kinderen',

georganiseerd

door

het

centrum

voor

volwassenenonderwijs TNA, afdeling VLOD in Antwerpen. De maximale terugbetaling bedraagt 161,13 euro per cursist per cursusjaar. In 2006 werd 6122,94 euro terugbetaald aan inschrijvingsgeld voor de VSPW-cursus en 1611,30 euro voor de Syntraopleiding.

4.2. Inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen De financiële bijdragen van de gezinnen vormen de belangrijkste bron van inkomsten voor de zelfstandige voorzieningen. Kind en Gezin heeft geen zicht op de omvang van deze inkomsten.

4.3. Wat betalen ouders? De zelfstandige opvangvoorziening bepaalt zelf hoeveel de ouders moeten betalen. Kind en Gezin heeft geen zicht op de hoogte van de financiële bijdragen van de gezinnen in de zelfstandige sector.

5. Buurt- en nabijheidsdiensten Het experiment van de buurt- en nabijheidsdiensten wordt gefinancierd volgens het zogenoemde klaverbladmodel.

Voor

de

loonkosten

van

de

doelgroepmedewerkers

kunnen

de

buurt-

en

nabijheidsdiensten een beroep doen op Vlaamse en federale middelen van Werk en Sociale Economie. Kind en Gezin voorziet in een aanvullende subsidie voor de concrete kinderopvangwerking.

5.1. Subsidie voor de opvangwerking vanuit Kind en Gezin De aanvullende subsidie voor de opvangwerking is beperkt tot een welbepaald plafond per opvangplaats. Voor de berekening ervan gaat Kind en Gezin uit van forfaits voor het geschoolde personeel, de coördinator en de werkingskosten. Deze subsidie bedroeg in 2006 7901,61 euro per plaats op jaarbasis voor voorschoolse opvang en 5822,24 euro per plaats op jaarbasis voor buitenschoolse opvang. De bijkomende middelen binnen het Vlaams Intersectoraal Akkoord voor de eindejaarspremie en de managementondersteuning werden hierin verrekend. De bijkomende middelen voor werkdrukvermindering worden apart gesubsidieerd: voor de openbare buurt- en nabijheidsdiensten: 1 plaats in een dienst met voorschoolse opvang, krijgt 0,175 fractie van het per VTE voorziene subsidiebedrag voor werkdrukvermindering. In een dienst met buitenschoolse opvang, komt dit neer op 0,125 van het per VTE voorziene subsidiebedrag. Voor de private buurt- en nabijheidsdiensten wordt voor elk door Kind en Gezin gesubsidieerd personeelslid die aan de leeftijdsvoorwaarden voldoet, een bijkomend bedrag toegekend. Voor 2006 kwam dit overeen met een besteed bedrag van 1,468 miljoen euro.

5.2. Inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen Buurt- en nabijheidsdiensten innen de financiële bijdragen van de gezinnen en kunnen er vrij over beschikken. Kind en Gezin heeft geen zicht op de omvang van deze inkomsten.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

45


5.3. Wat betalen ouders? De buurt- en nabijheidsdienst bepaalt zelf hoeveel de ouders moeten betalen. Wel is er bepaald dat de bijdrage

afgestemd

nabijheidsdiensten

moet

zijn

hanteren

de

op

de

financiĂŤle

draagkracht

ouderbijdrageregeling

die

van

het

regelgevend

gezin. is

Vijf

buurt-

vastgelegd

en

voor

kinderdagverblijven en initiatieven voor buitenschoolse opvang. Negen buurt- en nabijheidsdiensten werken met vaste tarieven voor een volle en een halve dag, waarbij de bijdrage varieert van 1 euro tot 5 euro voor een halve dag.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

46


Hoofdstuk 4. Personeel in de kinderopvang

1. Begeleiding en management Regelgevend

gezien

moeten

erkende

kinderdagverblijven

beschikken

over

het

volgende

personeelskader voor de opvang van baby’s en peuters: -

Per 6,5 plaatsen is er minstens een voltijdse begeleider. Voor peutertuinen is dat een halftijdse begeleider per 5 plaatsen.

-

Per 12 plaatsen is er ¼ sociaal-pedagogische en paramedische functie. Per 24 plaatsen is er een extra ¼-prestatie. Er is altijd minstens een halftijdse verpleegkundige (niet voor peutertuinen).

-

Per kinderdagverblijf is er minstens een halftijdse logistieke functie. Vanaf 100 plaatsen is dat een voltijdse functie.

-

Op het niveau van het organiserend bestuur – die meerdere kinderdagverblijven kan hebben – is er een halftijdse directiefunctie tussen 50 en 99 plaatsen. Vanaf 100 plaatsen is dat een voltijdse functie.

Voor de opvang van schoolgaande kinderen is er per 14 schoolgaande kinderen minimaal een begeleider. Een aparte leidinggevende is niet nodig, maar de buitenschoolse opvang mag niet ten koste gaan van de tijd die besteed wordt aan baby’s en peuters.

Regelgevend gezien moet elke dienst voor onthaalouders beschikken over ¼ dienstverantwoordelijke per 28 plaatsen. Wanneer een dienst minder dan 56 plaatsen heeft, moet hij toch altijd beschikken over een halftijdse dienstverantwoordelijke. De aangesloten onthaalouders zijn noch werknemers, noch zelfstandigen. Ze genieten een specifieke sociale bescherming en ontvangen een belastingvrije kostenvergoeding per dag per kind. De sociale bescherming houdt in dat ze verzekerd zijn tegen arbeidsongeschiktheid, ziekte, beroepsziekten en arbeidsongevallen. Ze hebben recht op kinderbijslag en kunnen een eigen pensioen opbouwen. Bovendien is er voorzien in een vergoeding wanneer kinderen afwezig zijn buiten de wil van de onthaalouder. Elke onthaalouder kan maximaal 8 kindjes gelijktijdig opvangen en gemiddeld 4 voltijds.

Volgens de regelgeving moeten erkende initiatieven voor buitenschoolse opvang beschikken over het volgende personeelskader: -

per 14 aanwezige kinderen is er minstens één begeleider;

-

er is minstens een halftijdse leidinggevende en er zijn voldoende leidinggevenden naar verhouding van het aantal opvangplaatsen en het aantal vestigingsplaatsen van het initiatief.

Regelgevend gezien moeten zelfstandige kinderdagverblijven en mini-crèches beschikken over het volgende personeelskader: -

minstens één begeleider per 7 aanwezige kinderen tot 18 maanden, per 10 aanwezige kinderen boven de 18 maanden en per 14 aanwezige schoolgaande kinderen;

-

een verantwoordelijke.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

47


De zelfstandige onthaalouders werken autonoom. Ze kunnen een sociaal statuut als zelfstandige hebben. Een zelfstandige onthaalouder mag tot 7 kinderen gelijktijdig opvangen.

2. Diplomavereisten Voor

begeleiders

die

tewerkgesteld

zijn

in

een

erkend

kinderdagverblijf

zijn

er

minimale

kwalificatievereisten vastgelegd. Hierna volgt een overzicht: -

een diploma of certificaat van het beroepssecundair onderwijs: de opleiding ‘Kinderzorg’ (nieuwe benaming: de opleiding ‘Begeleider kinderopvang’); de opleiding ‘Verpleegkunde’;

-

een diploma of certificaat van het technisch secundair onderwijs: de opleiding ‘Jeugd- en Gehandicaptenzorg’; de opleiding ‘Gezondheids- en Welzijnswetenschappen’; de opleiding ‘Leefgroepenwerking’; de opleiding ‘Internaatswerking’;

-

een bachelor- of een masterdiploma, of een eindcertificaat van het hoger onderwijs voor sociale promotie;

-

een attest van de cursus ‘Verantwoordelijke kinderopvang’, georganiseerd door het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen in Syntra-centra.

Voor de sociaal-pedagogische en paramedische functie is een bachelor- of een masterdiploma, of een eindcertificaat van het hoger onderwijs voor sociale promotie vereist. Voor de verpleegkundige functie is een diploma van het beroepssecundair of een bachelordiploma ‘Verpleegkunde’ vereist. Voor de directiefunctie en de logistieke functie zijn er geen kwalificatiebewijzen vereist.

Voor de dienstverantwoordelijke van een dienst voor onthaalouders is een bachelor- of een masterdiploma, of een eindcertificaat van het hoger onderwijs voor sociale promotie vereist. Aangesloten onthaalouders moeten voldoen aan een aantal voorwaarden om te mogen aansluiten bij een dienst, maar er zijn geen kwalificatiebewijzen vereist.

Voor begeleiders die tewerkgesteld zijn in een erkend initiatief voor buitenschoolse opvang zijn er minimale kwalificatievereisten vastgelegd. Het betreft: -

een diploma of certificaat van het beroepssecundair onderwijs: de opleiding ‘Kinderzorg’ (nieuwe benaming: de opleiding ‘Begeleider kinderopvang’); de opleiding ‘Verpleegkunde’;

-

een diploma of certificaat van het technisch secundair onderwijs: de opleiding ‘Jeugd- en Gehandicaptenzorg’; de opleiding ‘Gezondheids- en Welzijnswetenschappen’; de opleiding ‘Leefgroepenwerking’; de opleiding ‘Internaatswerking’;

-

een bachelor- of een masterdiploma, of een eindcertificaat van het hoger onderwijs voor sociale promotie;

-

een attest van de cursus ‘Verantwoordelijke kinderopvang’, georganiseerd door het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen in Syntra-centra;

-

een attest van de opleiding ‘Begeleider buitenschoolse kinderopvang’, gefinancierd door de VDAB, gegeven in een door Kind en Gezin erkende opleidingsorganisatie (VCOK/VDKO).

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

48


Tegen 2010 mag het aantal begeleiders dat enkel beschikt over een attest ‘begeleider buitenschoolse opvang’, gegeven door een door Kind en Gezin erkende opleidingsorganisatie, niet meer dan 50% van het totale aantal begeleiders bedragen. Voor de leidinggevende is een bachelor- of een masterdiploma, of een eindcertificaat van het hoger onderwijs voor sociale promotie vereist.

Voor begeleiders en verantwoordelijken in een zelfstandig kinderdagverblijf of mini-crèche zijn er geen minimale kwalificatievereisten vastgelegd.

Ook voor zelfstandige onthaalouders zijn er geen minimale kwalificatievereisten vastgelegd.

3. Aantal personeelsleden 1 2 In de erkende kinderdagverblijven zijn 3788,28 voltijdse equivalenten (VTE) aan de slag. Ze zijn als volgt verdeeld over de verschillende functies: 2749,41 VTE (3595 personen) in begeleidende functie, 550,16

VTE

(870

personen)

in

logistieke

functie,

466,34

VTE

(705

personen)

in

sociaal-

pedagogische/paramedische functie, 67,83 VTE (128 personen) in directiefunctie en 21,88 VTE (40 personen) in administratieve functie.

In de diensten voor onthaalouders zijn 312,85 VTE aan het werk. Hiervan zijn 283,10 VTE (427 personen) tewerkgesteld als verantwoordelijke. Daarnaast zijn er nog 26,77 VTE (53 personen) werkzaam in een administratieve functie en 2,89 VTE (10 personen) in een logistieke functie. Bij deze diensten voor onthaalouders zijn 7507 onthaalouders aangesloten.

In de erkende initiatieven voor buitenschoolse opvang zijn 1887,03 VTE tewerkgesteld. 1516,38 VTE (2754 personen) hiervan zijn tewerkgesteld als begeleider. Daarnaast zijn er nog 258,71 VTE (312 personen) werkzaam als coördinator en 111,93 VTE (227 personen) in een logistieke functie.

Voor de zelfstandige kinderdagverblijven en mini-crèches is het aantal personeelsleden niet bekend.

Zoals eerder al vermeld, zijn in Vlaanderen 1188 zelfstandige onthaalouders actief.

1 2

Toestand op 1 januari 2006. Personen die in twee functies zijn tewerkgesteld, werden in de beide functies meegeteld. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

49


DEEL 2: BELEID

Hoofdstuk 1. Het Lokaal Overleg Kinderopvang

1. Situering Het Lokaal Overleg Kinderopvang vindt zijn ontstaan in de regelgeving van 1997 in verband met de organisatie van de buitenschoolse opvang. Sedertdien is het Lokaal Overleg Kinderopvang uitgegroeid tot een volwaardig instrument dat het mogelijk maakt de (buitenschoolse) kinderopvang in de gemeenten te optimaliseren.

Het Lokaal Overleg Kinderopvang brengt iedereen samen die bezig is met kinderen. De voornaamste partners zijn alle erkende en zelfstandige opvangvoorzieningen, scholen, ouders, jeugdwerk, lokale besturen, enz.

Sinds zijn ontstaan heeft het Lokaal Overleg Kinderopvang een hele dynamiek op gang gebracht. Voor veel

gemeenten

was

het

Lokaal

Overleg

Kinderopvang

een

aanzet

om

plaatselijk

het

kinderopvangbeleid te ondersteunen en verder uit te bouwen. Naast buitenschoolse opvang en voorschoolse opvang worden ook ruimere thema’s aangekaart, zoals flexibele opvang, urgente opvang, opvang van zieke kinderen, opvang van kinderen met een handicap, kinder- en ouderparticipatie.

2. Naar een lokaal beleid kinderopvang Op aangeven van Kind en Gezin hechtte het Vlaams Parlement op 22 december 2006 zijn goedkeuring aan een wijziging in het oprichtingsdecreet van Kind en Gezin. Deze wijziging legt vast dat Kind en Gezin zijn taak betreffende de regie van de kinderopvang uitoefent in samenspraak met de lokale besturen, die een lokaal beleid kinderopvang uitwerken in overeenstemming met de regels die de Vlaamse Regering bepaalt. Dit moet de nodige decretale basis geven aan het ontwerp van Besluit van de Vlaamse Regering houdende het lokaal beleid kinderopvang, dat op 9 december 2005 principieel werd goedgekeurd door de Vlaamse Regering.

3. Ondersteuning van lokale besturen In 2006 publiceerde Kind en Gezin voor het eerst zijn gemeentelijke kindrapporten. Hiermee wil Kind en Gezin de gegevens die het verzamelt, via een aantal interne databanken, beschikbaar stellen voor de lokale besturen en andere geïnteresseerden. De gemeentelijke kindrapporten bevatten gegevens over de kinderen, over de moeders van deze kinderen, over de voorzieningen met betrekking tot kinderopvang en preventieve zorg en over het gebruik van preventieve zorg. De gegevens worden beschikbaar gesteld op niveau van het gewest, de provincie, het arrondissement en de gemeente. De cijfers voor de gemeente worden bovendien opgesplitst naar deelgemeente, waardoor de gemeentelijke kindrapporten zinvolle informatie verschaffen voor de opmaak van het lokaal sociaal beleidsplan en van het lokaal beleidsplan kinderopvang. De gemeentelijke kindrapporten worden jaarlijks geactualiseerd. In de toekomst zullen de gegevens per kwartaal worden bijgewerkt. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

50


4. Stand van zaken Bijkomend hebben 3 Vlaamse gemeenten een Lokaal Overleg Kinderopvang opgestart. Dit brengt het totale aantal gemeenten waar een Lokaal Overleg Kinderopvang werd opgestart op 288, zijnde 93% van het totale aantal gemeenten in Vlaanderen (inclusief het Brussels Hoofdstedelijk Gewest). De stijging van het aantal gemeenten met een Lokaal Overleg Kinderopvang komt volledig voor rekening van de provincie Vlaams-Brabant. Het aantal gemeenten waar een Lokaal Overleg Kinderopvang werd opgestart stijgt in Vlaams-Brabant voor het eerst boven de 80%. 10 van de 19 gemeenten in de Vlaamse rand rond Brussel 1 hebben inmiddels een Lokaal Overleg Kinderopvang opgestart. Tot de 9 gemeenten waar het Lokaal Overleg Kinderopvang nog niet werd opgestart behoren de 6 gemeenten met taalfaciliteiten. 90% van de gemeenten met een Lokaal Overleg Kinderopvang heeft een geldig beleidsplan. Dit is een beleidsplan waarvan de geldigheidstermijn van 3 jaar nog niet verstreken is.

1 Onder Vlaamse rand wordt verstaan: Asse, Beersel, Dilbeek, Drogenbos, Grimbergen, Hoeilaart, Kraainem, Linkebeek, Machelen, Meise, Merchtem, Overijse, Sint-Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw, Tervuren, Vilvoorde, Wemmel, Wezenbeek-Oppem, Zaventem

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

51


Lokaal Overleg Kinderopvang Antwerpen

Vlaams-Brabant (1)

Oost-Vlaanderen

West-Vlaanderen

Limburg

Totaal

2005

2006

2005

2006

2005

2006

2005

2006

2005

2006

2005

2006

Totaal aantal gemeenten

70

70

66

66

65

65

64

64

44

44

309 (1)

309

Lokaal Overleg opgestart

70

70

51

54

60

60

61

61

43

43

285 (1)

288

Geldig beleidsplan

55

57

37

44

43

57

56

60

41

41

232 (1)

259

(1) Inclusief Brussels Hoofdstedelijk Gewest 34. Stand van zaken omtrent het Lokaal Overleg in de verschillende provincies

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

52


Hoofdstuk 2. Kwaliteitszorg

1. Competentiebevordering en professionalisering Kind en Gezin timmert op verschillende manieren aan de weg om in kinderopvang de competenties van de personen werkzaam in de kinderopvang te verbeteren.

De onderwijsconferentie werd voor de

tweede maal georganiseerd. Deze conferentie richt zich tot leerkrachten uit de opleiding kinderzorg en heeft als doel de opleiding beter af te stemmen op de behoeften op het werkveld. Het thema in 2006 was ‘Kinderopvang, een job voor de toekomst’ en de opkomst was zeer groot.

Sinds 2003 werkt Kind en Gezin mee aan een proefproject over het ‘erkennen van verworven competenties’ (EVC), dat in 2005 resulteerde in een volledig uitgewerkte methodiek. De doelstelling is om via deze methode het grote aantal niet-opgeleide of minder-opgeleide medewerkers in de kinderopvang de kans te bieden om door een verkort leertraject hun competenties te versterken en een officieel studiecertificaat te behalen. Het beleidsaccent is inmiddels opgeschoven van de methodiek

naar een ‘Titel van beroepsbekwaamheid’ (ook ‘ervaringsbewijs’ genoemd) waar

wordt naar aanwezige competenties.

EVCgepeild

Het beleid hieromtrent is in volle ontwikkeling. Kind en Gezin

volgt de evolutie actief op.

In 2005 heeft

Kind en Gezin een competentieprofiel voor onthaalouders opgesteld en goedgekeurd.

Een onderzoek van de Universiteit Gent bij onthaalouders en ouders bevestigt in 2006 dat dit profiel inderdaad beschrijft wat een onthaalouder moet kennen en kunnen. Dit profiel was de inhoudelijke basis voor het uitwerken van een selectie-instrument en een opleidingscurriculum voor onthaalouders binnen het Europese Equal project. Het opleidingsinstrument is - omwille van de combinatie van elearning, groepsleren en begeleiding - innovatief en sluit perfect aan bij de praktische mogelijkheden van onthaalouders om zich bij te scholen. Het uitwerken en uittesten van de methode wordt wetenschappelijk begeleid door de Universiteit Gent.

Kind en Gezin verzorgt een lestijd binnen het postgraduaat ‘Leidinggevende in kinderopvang’, een samenwerkingsverband van twee hogescholen en het Vormingscentrum Opvoeding & Kinderopvang (VCOK).

De

opleiding

krijgt

in

2007

een

opleidingsbehoeften van leidinggevenden.

modulaire

vorm

om

beter

in

te

spelen

op

de

Daarnaast verzorgt Kind en Gezin een lespakket over het

‘Kinderopvangbeleid in Vlaanderen’ in het schakelprogramma tot master in sociaal werk.

2. ZiKo, zelfevaluatie-instrument voor welbevinden en betrokkenheid De ZiKo-begeleidingstrajecten door ECEGO, het Expertisecentrum ErvaringsGericht Onderwijs van de K.U. Leuven, werden in 2006 voortgezet. Zo waren er begeleidingstrajecten in kinderdagverblijven, centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning, diensten voor onthaalouders, mini-crèches, zelfstandige kinderdagverblijven,

initiatieven

voor

buitenschoolse

opvangen

en

gemelde

initiatieven

voor

buitenschoolse opvang.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

53


Sinds de invoering van ZiKo in het najaar van 2004 kregen meer dan 600 voorzieningen een training in het gebruik ervan. In al deze voorzieningen deed ECEGO een nulmeting van het welbevinden en de betrokkenheid van de kinderen in de opvang. De observaties en de gesprekken leveren gegevens op die betrekking hebben op meer dan 8000 kinderen. Hieruit blijkt dat kinderen het in het algemeen redelijk goed doen op vlak van welbevinden, maar de betrokkenheid bereikt niet het minimaal aanvaardbare niveau van 3.5 op een schaal van 5. Gelet op de grote verschillen tussen de voorzieningen, zijn er nog inspanningen nodig om door middel van opleiding en nascholing de deskundigheid van begeleiders en verantwoordelijken te verhogen en zo de minder goede voorzieningen op een beter niveau te brengen.

3. Medische preventie In 2006 werd de vernieuwde aanpak van veiligheid en medische preventie in de kinderopvang verder ingevuld. Kind en Gezin beoogt hiermee de medisch-preventieve begeleiding van alle kinderen in alle opvangvormen te versterken. Dit resulteerde in een aantal concrete acties:

Alle

kinderen hebben recht op een evenwaardige preventie. De medische zittingen in de

kinderdagverblijven bieden slechts een gedeelte van de kinderen een vrij beperkte medisch-preventieve opvolging aan, meestal zonder vaccinaties. Deze medische zittingen werden afgebouwd en de kinderen worden voortaan toegeleid naar het medisch-preventieve aanbod van Kind en Gezin in de consultatiebureaus of naar een privéarts.

De Infectieziekteklapper werd aangepast aan de nieuwste medische ontwikkelingen en herschreven op maat van de opvangvoorzieningen. Deze klapper biedt een overzicht van de meest voorkomende infectieziekten met hun kenmerken en beschrijft hoe een opvangvoorziening ermee kan omgaan, wanneer verwijdering uit de opvang of weigering zinvol is en welke maatregelen een opvangvoorziening kan of moet nemen. De nieuwe versie werd bezorgd aan alle opvangvoorzieningen. Het plan werd opgevat om een sectorspecifieke gids over voedingshygiëne uit te werken. In nauw overleg met het Federaal Agentschap voor Voedselveiligheid en de ‘Office de la Naissance et de l’Enfance’ (ONE) wordt een leidraad opgemaakt die de federale wetgeving ter zake vertaalt en verduidelijkt op maat van de kinderopvang. Het is de bedoeling deze gids in de loop van 2007 te verspreiden.

Het project basisopleiding “Levensreddend handelen bij baby’s en peuters” voor begeleid(st)ers van 0tot 3-jarigen dat in 2005 van start ging, werd voortgezet. De 5 erkende medische opleidings- en expertisecentra

organiseerden

samen

221

basisopleidingen

in

Vlaanderen

en

het

Brussels

Hoofdstedelijk Gewest. 2 013 begeleid(st)ers volgden de opleiding en kregen van Kind en Gezin een financiële tegemoetkoming van 20 euro per persoon. Na 2 jaar werking betekent dit concreet dat 44,8%

van de begeleid(st)ers in kinderdagverblijven werd opgeleid. De onthaalouders blijven

achterop: respectievelijk werden 11,6 % van de aangesloten onthaalouders en 6,9 % van de zelfstandige onthaalouders bereikt. Tevens werd 56 % van het totale aantal mini-crèches bereikt. De affiche met de basishandelingen – die gratis gegeven wordt aan al wie de basisopleiding volgt– werd in

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

54


nauw overleg met de European Resuscitation Council (ERC) geactualiseerd en herdrukt naar aanleiding van de nieuwe Europese richtlijnen inzake reanimatie. In 2006 werd een voorstel uitgewerkt voor de start van een gelijkaardig project voor begeleid(st)ers van 2,5- tot 12-jarigen. Dit project zal in 2007 van start gaan en lopen tot en met 2009.

4. Rondetafelgesprek over Integrated Services en Centra voor Kinderopvang In het vernieuwingsproces van de kinderopvang is de lokale en/of regionale samenwerking tussen opvangvoorzieningen een van de belangrijkste pijlers. De CKO’s of Centra voor Kinderopvang zullen hierin een belangrijke rol spelen. Dat verband, nodigde Kind en Gezin, samen met het VBJK, het expertisecentrum voor opvoeding en kinderopvang, een aantal internationale experts uit. Verschillende Europese landen kennen immers sinds kort geïntegreerde en klantgerichte diensten voor gezinnen. Deze studiedag richtte zich tot een aantal sleutelfiguren uit de Vlaamse kinderopvang, met als doel te leren uit de ervaringen in andere landen.

De ervaringen van de Integrated Centres uit de UK, de

Maisons Relais uit Luxemburg, de Judy’s Centres uit de USA en de Familien Zentrum uit Duitsland werden voorgesteld. Dit rondetafelgesprek kreeg de steun van de Vlaamse Gemeenschap en van het Europees Sociaal Fonds en werd georganiseerd in overleg met ‘Improving Childcare’, een transnationaal samenwerkingsverband binnen het Equal-programma van het Europees Sociaal Fonds.

5. Klachten over kinderopvang De Klachtendienst ontving in 2006 in totaal 1236 oproepen die betrekking hadden op kinderopvang. Het ging om 204 informatieve oproepen, 24 meldingen en 1008 oproepen waarbij een klacht werd ingediend. Het aantal klachten steeg met 18,0% tegenover 2005. Van deze klachten waren er 156 onontvankelijk en 852 ontvankelijk. Het aantal ontvankelijke klachten over kinderopvang steeg met 17,0% tegenover 2005.

Aantal oproepen over kinderopvang 2005

2006

162

204

29

24

Klacht

777

1008

Totaal

968

1236

Informatieve oproep Melding

32. Aantal oproepen over kinderopvang op de Klachtendienst

Informatieve oproepen bij de Klachtendienst over kinderopvang Louter informatieve vragen over kinderopvang werden doorgeschakeld naar de Kinderopvanglijn en werden niet opgenomen in de cijfers over de werking van de Klachtendienst. De informatieve oproepen die wel door de Klachtendienst werden behandeld, betroffen een concreet ongenoegen waarbij advies werd gevraagd over hoe het probleem kon worden aangepakt. In 2006 behandelde de Klachtendienst 204 dergelijke infodossiers over een concreet probleem in een

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

55


kinderopvangvoorziening.

Meldingen bij de Klachtendienst over kinderopvang De Klachtendienst hanteert de term ‘melding’ wanneer een voorziening zelf contact opneemt om een incident of een probleem te melden. De voorzieningen bellen voor zulke meldingen normaal gezien naar hun dossierbeheerder bij Kind en Gezin. De Klachtendienst noteerde in 2006 24 meldingen als nuttige informatie voor het geval er nadien nog een klacht over zou binnenkomen. Meldingen van ernstige incidenten worden door de afdeling Kinderopvang opgevolgd en niet door de Klachtendienst.

Onontvankelijke klachten over kinderopvang Voor een aantal klachten over kinderopvang moet de Klachtendienst besluiten dat de klacht onontvankelijk is, bijvoorbeeld omdat het onderwerp van de klacht buiten de bevoegdheid van Kind en Gezin valt of omdat de klacht gaat over het algemeen beleid of de regelgeving. In 2006 waren er in totaal 156 onontvankelijke klachten, waarvan een groot deel onontvankelijk was omdat het ging om een betwisting van de te betalen sommen en/of omdat het onderwerp van de klacht buiten het gereglementeerde kader viel en/of eerder in de privésfeer lag (buiten de bevoegdheid van de Klachtendienst van Kind en Gezin). Voor onontvankelijke klachten werd er geen onderzoek gestart, maar de persoon die de klacht indiende werd wel zo goed mogelijk geholpen met informatie of advies. Eventueel werden de opmerkingen genoteerd als nuttige informatie voor Kind en Gezin, zodat de instelling daarmee rekening kan houden bij haar beleidsvoorbereidende werkzaamheden.

Ontvankelijke klachten over kinderopvang De Klachtendienst van Kind en Gezin noteerde in 2006 736 ontvankelijke klachten over kinderopvang. Het ging om 279 klachten over erkende of gesubsidieerde kinderopvangvoorzieningen, zoals een kinderdagverblijf, een dienst voor onthaalouders of een daarbij aangesloten onthaalouder. Verder handelden 407 klachten over een mini-crèche, zelfstandige onthaalouder of zelfstandig kinderdagverblijf en 50 klachten over enkel gemelde of niet-gemelde kinderopvang. Het totale aantal ontvankelijke klachten over een kinderopvangvoorziening is met 17% toegenomen. Het percentage klachten over de gesubsidieerde opvang bleef ongeveer even groot als vorig jaar, terwijl het percentage klachten over de zelfstandige opvangvoorzieningen steeg met ongeveer 24%.

Aantal ontvankelijke klachten over kinderopvang 2005

2006

Over een erkende (en gesubsidieerde) voorziening

278

279

Over een voorziening met attest van toezicht

329

407

22

50

629

736

Over een enkel gemelde of niet-gemelde voorziening Totaal 33. Aantal ontvankelijke klachten over kinderopvang

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

56


Wanneer we de inhoud van de klachten nader bekijken, kunnen we verschillende thema’s onderscheiden: -

In ongeveer 23% van de klachtendossiers werd het thema veiligheid van de kinderen aangebracht. Het gaat om dynamische en statische veiligheid zoals bijvoorbeeld kinderen die alleen werden gelaten of bij wie het toezicht ernstige lacunes vertoonde, kinderen die een ongeval overkwam dat volgens de persoon die de klacht indiende te vermijden was, kinderen die andere kinderen een letsel toebrachten of onveilige accommodatie.

-

In 18,6% van de dossiers ging de klacht (mede) over de hygiëne en/of de verzorging van de kinderen, zoals bijvoorbeeld het onderhoud van de lokalen, de hygiëne bij de bereiding of bewaring van de voeding, het verluieren, het gebruik van de vuilnisbakjes voor de luiers of een onhygiënisch aspect zoals de aanwezigheid van dieren in de opvang.

-

Op de derde plaats (18,1%) kwamen de dossiers waarin men ontevreden was over de communicatiestijl in de opvang, onvriendelijkheid of zich onheus opstellen. Dit thema werd vaak samen gescoord met een ander thema.

-

Een volgende belangrijke categorie zijn de klachten over het pedagogisch functioneren (bijna 17%). Voorbeelden hiervan zijn het omgaan met een huilend kind, het onaangepast straffen van kinderen, het te kleine of niet aangepaste pedagogisch aanbod, enz.

-

In ongeveer 14% van de dossiers was de oproeper van mening dat er te weinig personeel aanwezig was in de opvang in verhouding tot het aantal aanwezige kinderen.

-

Meer dan 1 op de 10 oproepers vond dat men onjuiste of te weinig informatie verschafte en ongeveer eenzelfde hoeveelheid had ernstige bedenkingen bij de wijze waarop de inschrijvingen gebeuren, de opname werd geregeld of werd besloten tot de stopzetting van de opvang.

-

Verder had meer dan 1 op de 10 oproepers problemen met de voeding in de opvang. Het ging bijvoorbeeld om de hoeveelheid voeding, de wijze van toedienen, de ingrediënten of het tijdstip waarop de voeding werd aangeboden.

-

Andere klachten betreffen het overstijgen van de toegekende capaciteit, de te betalen sommen of gewijzigde sommen, de accommodatie, wijzigingen in het contract, naleving van het eigen huishoudelijk reglement,

de niet

een medisch aspect, problemen met het

fiscaal attest, de wijze waarop de voorziening de klachten behandelt, het niet voldoende bereikbaar zijn, het onvoldoende discreet zijn, het roken in de opvang of nog andere problemen.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

57


Hoofdstuk 3. Andere accenten in de werking

1. Uitbreidingsronde 2006-2007 De Vlaamse regering maakte voor 2006-2007 een budget van ruim 6 miljoen euro vrij voor 3 000 nieuwe plaatsen in de erkende en in de zelfstandige opvang. Met het verhogen van de kostenvergoeding per plaats per jaar voor mini-crèches wordt gemikt op 1750 bijkomende plaatsen in de zelfstandige opvang. Deze maatregel sorteerde alvast het beoogde effect: in 2006 werden 1449 meer plaatsen financieel ondersteund. Voor de erkende kinderopvang werden op basis van specifieke inhoudelijke en programmatorische criteria principiële akkoorden verleend voor 472 nieuwe plaatsen in erkende kinderdagverblijven, 168 plaatsen bij diensten voor onthaalouders, 446 plaatsen in initiatieven voor buitenschoolse opvang en 80 plaatsen in de buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven.

2. Nieuwe erkennings- en subsidiëringsregels voor de diensten voor onthaalouders Ook werd werk gemaakt van de aanpassing van de subsidiëring van de diensten voor onthaalouders. In overleg met de sector werden een aantal maatregelen voorgesteld om de erkennings- en subsidiëringsregels voor deze sector aan te passen. Deze voorgestelde hervorming heeft enkele belangrijke gevolgen. Diensten voor onthaalouders worden voortaan erkend en gesubsidieerd voor een aantal plaatsen op basis van effectief verrichte opvangdagen, niet meer volgens een aantal schijven van onthaalouders. Het vereiste minimum aan aangesloten onthaalouders is niet meer van toepassing: de regels die bij een tekort aan onthaalouders de subsidies kunnen verminderen of schorsen, worden vervangen door een bezettingsevaluatie op basis van effectief verrichte opvangdagen. Naast de subsidie op plaatsbasis, wordt voortaan ook een beperkte subsidie verleend voor het aantal aangesloten onthaalouders en het aantal opgevangen kinderen.

De omzetting naar plaatsencapaciteit betekent voor sommige diensten een vooruitgang; andere diensten moeten dan weer inleveren in verhouding tot hun werkelijke opvangprestaties in een voorgaande referteperiode. Het totale aantal te erkennen en te subsidiëren plaatsen bij de diensten voor onthaalouders bedraagt daarmee evenwel 1300 plaatsen meer dan voorheen, aangezien er wordt uitgegaan van effectief verrichte opvang.

Het ontwerp van nieuwe regelgeving werd einde 2006 voorgelegd aan de Vlaamse Regering, met het voorstel deze regelgeving te laten ingaan op 1 januari 2007.

3. Vernieuwingsconcept voor de Vlaamse kinderopvang De voorstellen met betrekking tot de vernieuwing van de kinderopvang die van 2005 dateren, werden begin 2006 gecommuniceerd. In elke provincie werd een informatiedag gehouden. De consulenten Lokaal Beleid Kinderopvang lichtten op het Lokaal Overleg de inhoud van de vernieuwing toe.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

58


De bedenkingen die werden geformuleerd in de Commissie Welzijn van het Vlaamse Parlement en door de kinderopvang sector hebben ertoe geleid dat de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin het initiatief nam tot bijkomend overleg met de sector en Kind en Gezin om het vernieuwingsconcept bij te sturen. Dit leidde tot een aangepaste basistekst, waarin onder meer de doelstellingen van de vernieuwing en de knelpunten duidelijker werden afgelijnd. De kern van de vernieuwing, namelijk het ontwikkelen van een eenvormig vergunningskader en het lokaal en/of regionaal samenwerken van opvangvoorzieningen aan opvang die voor alle gezinnen toegankelijk is en die de drie maatschappelijke functies van de opvang waarmaakt (CKO), bleef duidelijk behouden.

In het najaar van 2006 werden de voorbereidingen getroffen voor een proefperiode waarin enkele proefprojecten het CKO-concept zullen uitproberen. De projectoproep, gelanceerd in december 2006, zal in 2007 leiden tot de keuze en opstart van 16 proefprojecten. Kind en Gezin zal deze projecten van dichtbij opvolgen en begeleiden. De proefperiode loopt tot eind september 2008.

4. Actieplan flexibele en occasionele kinderopvang Midden 2006 keurde de Vlaamse regering een actieplan voor flexibele en occasionele kinderopvang goed.

Hierbij werd ruim 18 miljoen euro vrijgemaakt om het aanbod aan flexibele en occasionele

opvang te versterken en uit te breiden.

Het actieplan behelst een aantal maatregelen voor de

verschillende opvangsectoren en introduceert de dienstencheques voor alleenstaande ouders.

De

maatregelen worden in 2007 verder uitgewerkt.

5. Partnerschap met het Vormingscentrum voor de Begeleiding van het Jonge Kind (VBJK) Het Vormingscentrum voor de Begeleiding van het Jonge Kind is sinds 2003 partner van Kind en Gezin. Het VBJK onderschrijft de missie van Kind en Gezin en verbindt zich ertoe om op een resultaatgerichte manier mee inhoud te geven aan de uitvoering van het beleid inzake het jonge kind, van de missie van Kind en Gezin en van het hieraan gekoppelde beleidsplan. Het partnerschap bestaat uit: -

het verstrekken van advies aan Kind en Gezin over het beleid inzake het jonge kind;

-

het op een wetenschappelijk onderbouwde wijze opzetten van projecten en het aanleveren van didactisch materiaal m.b.t. de kinderopvang, m.b.t. vernieuwde concepten over opvoeden, m.b.t. diversiteit in de opvoeding en m.b.t. het begeleiden en opleiden van medewerkers in de kinderopvang;

-

het uitgeven van een kwaliteitsvol tijdschrift voor de kinderopvang.

Jaarlijks stelt het VBJK een werkingsplan op met daarin de doelstellingen en acties voor het komende jaar. Het werkingsplan en werkingsverslag 2006 zijn te vinden op de website van het VBJK (http://www.vbjk.be/nederlands.htm).

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

59


Er

werd

nauw

samengewerkt

met

Kind

en

Gezin

voor

o.a.

het

Europese

EQUAL-

project

(http://www.vbjk.be/ecce_ama.htm), dat in 2005 van start ging. Dit laatste ambitieuze project heeft vier doelstellingen: -

Het integreren van de sociale functie van kinderopvang in het vormings-, opleidings- en bijscholingsaanbod inzake kinderopvang door het ontwikkelen van opleidingsmodules en het realiseren van een handboek voor leidinggevenden.

-

Het verankeren en verspreiden van de bestaande expertise van buurtgerichte kinderopvang en van de buurt- en nabijheidsdiensten naar de hele kinderopvangsector.

-

Het ontwikkelen van een dvd die intermediairen (welzijnswerkers, lokale actoren, werkwinkels, enz.) kan ondersteunen bij het toeleiden van maatschappelijk kwetsbare gezinnen naar de kinderopvang. Deze dvd, die in 2006 werd ontwikkeld en verspreid, moet duidelijk maken hoe kinderopvang als hefboom kan dienen voor zowel het vinden van werk, het volgen van een opleiding als voor de ondersteuning in het opvoedingsproces.

-

Het ontwikkelen van een selectieinstrument voor onthaalouders en een opleidingcurriculum voor onthaalouders met een nieuwe leervorm.

6. OESO Starting Strong Network for Early Childhood Education and Care Binnen de OESO liep er sedert 1998 een programma omtrent ‘Early Childhood Education and Care’ (ECEC).

Het ging in hoofdzaak om doorlichtingen van de ECEC in de deelnemende landen, o.a. in

Vlaanderen, aangevuld met thematische conferenties. Dit programma werd een eerste maal afgerond met de publicatie van ‘Starting Strong’ over de doorlichtingen in een aantal OESO-landen. Er kwam een verlenging van het ECEC-programma met een reeks nieuwe doorlichtingen en de publicatie van ‘Starting Strong II’.

Hiermee rondde de OESO het programma formeel af.

komende jaren nam de OESO geen nieuw programma rond ECEC meer op.

Voor de

Om de inhoudelijke

uitwisseling tussen verschillende landen niet verloren te laten gaan, stelde de OESO aan de deelnemende landen de vraag wie bereid zou zijn om het ECEC-netwerk te ‘hosten’ en te runnen. Kind en Gezin heeft zich kandidaat gesteld en de kandidatuur werd in het najaar van 2006 door het Education Committe van de OESO aanvaard.

Kind en Gezin zal dus in 2007 en 2008 de gastheer/-

vrouw zijn van dit netwerk.

Het voorstel van werkprogramma ziet er als volgt uit: -

het updaten van de landenprofielen van de deelnemende landen, voornamelijk het deel over beleidsontwikkelingen;

-

het jaarlijks organiseren van een meeting voor de nationale afgevaardigden van de OESOlanden die deelnemen in het netwerk;

-

het centraliseren van nieuw onderzoek op vlak van kinderopvangbeleid en detecteren van domeinen waarin verder onderzoek belangrijk is;

-

het identificeren van de gegevens die noodzakelijk zijn in het domein van ECEC;

-

het organiseren van workshops over bepaalde beleidsthema’s en het verlenen van bijstand aan de landen in het verspreiden van good practices.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

60


Bijlage: Regelgeving

In deze bijlage wordt het regelgevende kader beschreven. overlopen die enkel geldt voor de kinderopvang.

Eerst wordt de specifieke regelgeving

In een tweede punt wordt ingegaan op de meer

algemene regelgeving die ook van belang is voor de kinderopvangvoorzieningen. (toestand september 2007)

1. Specifieke regelgeving

Kinderrechten Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind van 20 november 1989 omvat alle fundamentele rechten van kinderen. Volgens dit verdrag zijn kinderen volwaardige burgers en hebben ze zowel recht op bescherming als recht op inspraak. Het verdrag vormt het referentiekader voor elke voorziening voor kinderen, dus ook voor de kinderopvang. Dit betekent dat elke regelgeving de basisrechten van kinderen moet respecteren.

Oprichtingsdecreet van Kind en Gezin en Inspectie Het decreet van 30 april 2004 (BS 7 juni 2004), gewijzigd door de decreten van 2 juni 2006 (BS 24 augustus 2006) en 22 december 2006 (BS 6 maart 2007), richt het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin op, bepaalt de taken, bevoegdheden en middelen, alsook de organisatie en het beheer van het agentschap.

Inspectie behoort tot een autonoom agentschap, het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, en wordt geregeld door het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 (BS 6 mei 2004), gewijzigd door het besluit van 3 juni 2005 (BS 22 september 2005).

Het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 (BS 31 mei 2006) betreffende het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, regelt enerzijds de inwerkingtreding van regelgeving tot oprichting van agentschappen in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en anderzijds de wijziging van regelgeving met betrekking tot dat beleidsdomein. Het decreet van 30 april 2004 treedt, behalve voor VIPA, in werking op 1 april 2006. Het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 treedt eveneens in werking op 1 april 2006.

Het besluit van 16 mei 2006 (BS 31 mei 2006) van de administrateur-generaal regelt de delegatie van sommige bevoegdheden aan de afdelingshoofden en andere personeelsleden van Kind en Gezin.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 (BS 28 juni 2007) regelt de werking van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

61


Het ministerieel besluit van 5 maart 2007 (BS 23 maart 2007) regelt de toekenning van een aanvullende

delegatie

aan

het

hoofd

van

het

intern

verzelfstandigd

agentschap

met

rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin.

Regelgeving per opvangvorm Hierna wordt per type van voorziening de van kracht zijnde regelgeving opgegeven.

Mini-crèches, zelfstandige kinderdagverblijven en zelfstandige onthaalouders

Het decreet van 30 april 2004 (artikel 14 van het oprichtingsdecreet ) legt de meldingsplicht en de voornaamste gevolgen ervan vast.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 1997 (BS 9 september 1997), gewijzigd door de besluiten van 22 november 2002 (BS 31 december 2002) en 2 september 2005 (BS 27 september 2005), regelt de concrete uitvoering van de meldingsplicht, wie vrijgesteld is, wat de consequenties zijn van melding en niet-melding, alsook de mogelijkheid om een attest van toezicht bij Kind en Gezin aan te vragen.

Het ministerieel besluit van 19 februari 2003 (BS 7 maart 2003) regelt de algemene voorwaarden om het attest van toezicht van Kind en Gezin te kunnen verkrijgen.

Het ministerieel besluit van 26 februari 2003 (BS 31 maart 2003) bepaalt de wijze waarop het attest van toezicht wordt toegekend, verlengd of ingetrokken.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 2007 (BS 18 juni 2007) bepaalt dat zelfstandige opvangvoorzieningen met een capaciteit van 8 tot en met 22 plaatsen een financiële ondersteuning kunnen krijgen en legt de voorwaarden vast waaraan deze voorzieningen moeten voldoen.

Het ministerieel besluit van 23 april 2007 (BS 16 mei 2007) regelt het bepalen van de minimale kwaliteitsnorm

en

van

het

diploma

of

getuigschrift

opdat

een

mini-crèche

of

zelfstandig

kinderdagverblijf in aanmerking kan komen voor de financiële ondersteuning.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 (BS 30 januari 2002) bepaalt dat startende onthaalouders een vergoeding kunnen krijgen voor installatiekosten.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 (BS 30 januari 2002), gewijzigd door het besluit van 23 maart 2003 (BS 11 april 2003) regelt de toekenning van een verzekering voor persoonlijke ongevallen aan onthaalouders.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

62


Het ministerieel besluit van 9 juli 2001 (BS 28 augustus 2001), gewijzigd door de besluiten van 28 maart 2002 (BS 18 mei 2002) en 13 april 2005 (BS 29 april 2005), legt de voorwaarden vast waaraan de voorzieningen moeten voldoen indien ze in aanmerking willen komen voor een bijkomende vergoeding voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte, alsook de aanvraag- en uitbetalingsprocedure.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 1 oktober 2004 (BS 10 november 2004) houdende de normen voor de preventie van brand in de mini-crèches.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2007 (BS 19 juni 2007) regelt het lokaal beleid kinderopvang. Het besluit gaat over de rol van het lokaal bestuur, het lokaal beleidsplan kinderopvang en het Lokaal Overleg Kinderopvang.

Kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders

Het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 (BS 19 april 2001) regelt de erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden voor kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders.

Dit besluit werd

gewijzigd door besluiten van 10 juli 2001 (BS 19 september 2001), 14 december 2001 (BS 24 januari 2002), 1 februari 2002 (BS 9 maart 2002), 13 december 2002 (BS 6 februari 2003), 28 maart 2003 (BS 11 april 2003), 21 november 2003 (BS 19 januari 2004), 12 december 2003 (BS 20 januari 2004), 20 mei 2005 (BS 1 december 2005) ,27 mei 2005 (BS 28 juni 2005), 30 juni 2006 (BS 15 september 2006), 29 september 2006 (BS 7 december 2006) en 30 maart 2007 (BS 19 juni 2007).

Het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2001 (BS 10 oktober 2001), gewijzigd door de besluiten van 26 maart 2004 (BS 6 mei 2004) en 8 september 2006 (BS 30 november 2006), regelt de toekenning van subsidies aan de initiatiefnemers die personeelsleden tewerkstellen in een gewezen DAC- statuut.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2001 (BS 9 januari 2002), gewijzigd bij besluiten van 15 juli 2002 (BS 13 augustus 2002), 13 juni 2003 (BS 24 juli 2003) en 1 oktober 2004 (BS 10 november 2004), legt de normen vast waaraan kinderdagverblijven moeten voldoen ter preventie van brand en ontploffing.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 (BS 30 januari 2002) bepaalt dat startende onthaalouders een vergoeding kunnen krijgen voor installatiekosten.

Het ministerieel besluit van 12 juni 2001 (BS 27 juli 2001), gewijzigd door het besluit van 13 april 2005 (BS 20 april 2005) regelt de vaststelling van de procedure tot het verlenen, verlengen, weigeren of intrekken

van

een

principieel

akkoord

voor

en

een

erkenning

van

een

voorziening

voor

kinderdagopvang.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

63


Het ministerieel besluit van 16 mei 2007 (BS 8 juni 2007), gewijzigd door het besluit van 26 juli 2007 (BS

7

september

2007)

bepaalt

de

forfaitaire

subsidiebedragen

voor

het

basisaanbod

van

kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 (16 mei 2006) regelt de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Het ministerieel besluit van 17 mei 2006 (BS 15 juni 2006) voert dit besluit uit voor de kinderdagverblijven, de diensten voor onthaalouders, de initiatieven voor buitenschoolse opvang en de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning.

Het ministerieel besluit van 28 maart 2002 (BS 23 mei 2002), gewijzigd door het besluit van 18 juni 2003 (BS 4 juli 2003), regelt de wijze waarop de financiële bijdrage van het gezin in de verblijfkosten van de kinderen opgevangen in kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders berekend moet worden.

Het ministerieel besluit van 9 juli 2001 (BS 28 augustus 2001), gewijzigd door besluiten van 28 maart 2002 (BS 18 mei 2002) en 13 april 2005 (BS 29 april 2005), legt de voorwaarden vast waaraan de voorzieningen moeten voldoen indien ze in aanmerking willen komen voor een bijkomende vergoeding voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte, alsook de aanvraag- en uitbetalingsprocedure.

Het ministerieel besluit van 30 november 2001 (BS 17 januari 2002) regelt de voorwaarden waaraan onthaalouders moeten voldoen om aanvaard te worden door een dienst voor onthaalouders. Dit besluit werd gewijzigd door besluiten van 1 april 2003 (BS 7 mei 2003) en 13 april 2005 (BS 20 april 2005).

Het ministerieel besluit van 9 juli 2001 (BS 29 augustus 2001) legt de kostenvergoeding vast die de onthaalouders aangesloten bij een dienst, ontvangen. Dit besluit werd gewijzigd door besluiten van 28 maart 2003 (BS 11 april 2003) en 1 december 2003 (BS 16 december 2003).

Het ministerieel besluit van 9 juli 2001 (BS 29 augustus 2001), gewijzigd door de besluiten van 22 september 2006 (BS 12 oktober 2006), 13 juli 2007 (BS 1 augustus 2007) en 26 juli 2007 (BS 7 september 2007) bepaalt de voorwaarden voor het organiseren van buitenschoolse opvang in aparte lokalen van een kinderdagverblijf en legt de subsidiëringsbepalingen vast.

Het ministerieel besluit van 23 juli 2007 (nog niet gepubliceerd in BS) bepaalt uitzonderingen op de kwalificatiebewijzen voor vakantieopvang.

Onthaalouders aangesloten bij een dienst voor onthaalouders hebben sinds 1 april 2003 een eigen sociaal-rechtelijk statuut.

Dit statuut is juridisch verankerd via de volgende besluiten: de

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

64


programmawet van 24 december 2002 betreffende het sociaal statuut van onthaalouders aangesloten bij een dienst (BS 31 december 2002), het koninklijk besluit van 18 maart 2003 tot aanvulling van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en tot vaststelling van de bijzondere bepalingen betreffende de schadeloosstelling van de arbeidsongevallen en de beroepsziekten ten gunste van de onthaalouders (BS 27 maart 2003), het koninklijk besluit van 26 maart 2003 tot uitvoering van artikel 7,§1, derde lid, q, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de onthaalouders (BS 8 april 2003), het koninklijk besluit van 25 april 2004 (BS 18 mei 2004) tot wijziging, wat de onthaalouders betreft, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, het koninklijk besluit van 3 juni 2007 (BS 14 juni 2007) tot wijziging van artikel 65 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en tot wijziging van artikel 2, §3, van het koninklijk besluit van 26 maart 2003 tot uitvoering van artikel 7, §1, derde lid, q, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de onthaalouders, het ministerieel besluit van 1 april 2003 houdende de vaststelling van het bedrag, toegekend aan de diensten voor onthaalouders, in het kader van de verzekering voor arbeidsongevallen voor aangesloten onthaalouders (BS 7 mei 2003) en het ministerieel besluit van 1 april 2003 tot vastlegging van de modaliteiten betreffende de betaling van de sociale-zekerheidsbijdragen ten behoeve van diensten voor onthaalouders en aangesloten onthaalouders (BS 6 mei 2003), gewijzigd door een besluit van 1 december 2003 (BS 16 december 2003).

Kinderdagverblijven kunnen onder bepaalde voorwaarden een investeringssubsidie voor gebouwen genieten. Deze mogelijkheid wordt vastgelegd in het decreet van 2 juni 2006 (BS 24 augustus 2006) tot omvorming van het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden tot een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid, en tot wijziging van het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden (BS 24 augustus 2006). Het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 (BS 15 september 1999), gewijzigd door het besluit van 1 juni 2001 (BS 25 juli 2001) stelt de totale investeringssubsidie en de bouwtechnische normen voor de kinderopvangsector vast. De procedureregels worden vastgelegd in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 (BS 10 september 1999), gewijzigd door het besluit van 23 april 2004 (BS 5 augustus 2004).

Het ministerieel besluit van 9 mei 2007 (BS 29 mei 2007) houdende de voorwaarden tot toestemming en een bijbehorende financiële ondersteuning voor het realiseren van een verruimd aanbod in de vorm van flexibele en/of occasionele opvang in kinderdagverblijven en initiatieven voor buitenschoolse opvang die door Kind en Gezin worden erkend, gewijzigd door de besluiten van 19 juli 2007 (BS 8 augustus 2007) en 26 juli 2007 (BS 7 september 2007).

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

65


Het ministerieel besluit van 22 september 2006 (BS 12 oktober 2006), gewijzigd door het besluit van 26 juli 2007 (BS 7 september 2007) bepaalt de forfaitaire subsidiebedragen van het aanbod van buurten nabijheidsdiensten die vastgelegd zijn door de Raad van Bestuur van Kind en Gezin op basis van het experimentele kader dat goedgekeurd is door Raad van Bestuur van Kind en Gezin op 26 mei 2004.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2007 (BS 20 juni 2007), gewijzigd door het besluit van 19 juli 2007 (BS 14 augustus 2007) regelt de voorwaarden voor toestemming en subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte kinderopvang.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2007 (BS 24 juli 2007), gewijzigd door het besluit van 19 juli 2007 (BS 14 augustus 2007) regelt de voorwaarden voor erkenning en subsidiëring als gemandateerde voorziening.

Initiatieven voor buitenschoolse opvang

Het decreet van 30 april 2004 (artikel 14 van het oprichtingsdecreet ) legt de meldingsplicht en de voornaamste gevolgen ervan vast.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 1997 (BS 9 september 1997), gewijzigd door besluiten van 22 november 2002 (BS 31 november 2002) en 2 september 2005 (BS 27 september 2005) regelt de concrete uitvoering van de meldingsplicht, bepaalt wie vrijgesteld is en wat de consequenties zijn van melding en niet-melding.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 1997 (BS 9 september 1997), gewijzigd door het besluit van 4 mei 2007 (BS 19 juni 2007) bepaalt de algemene voorwaarden inzake het organiseren van buitenschoolse opvang.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 (BS 27 april 2001) bepaalt de erkenningsen subsidiëringsvoorwaarden voor initiatieven voor buitenschoolse opvang. Dit besluit werd gewijzigd door besluiten van 25 januari 2002 (BS 27 februari 2002), 10 oktober 2003 (BS 14 november 2003) en 29 juni 2007 (BS 31 juli 2007)..

Het besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2007 (BS 19 juni 2007) regelt het lokaal beleid kinderopvang. Het besluit legt de inhoud en de rol vast van het lokaal beleidsplan, het lokaal bestuur en het Lokaal Overleg Kinderopvang voor buitenschoolse opvang vast.

Het ministerieel besluit van 12 juni 2001 (BS 23 augustus 2001), gewijzigd door een besluit van 13 april 2005 (BS 29 april 2005) regelt de procedure tot het verlenen, verlengen, weigeren of intrekken van een principieel akkoord, een erkenning en subsidiëring van een initiatief voor buitenschoolse opvang.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

66


Het ministerieel besluit van 9 juli 2001 (BS 6 september 2001), gewijzigd door besluiten van 18 januari 2002 (BS 19 februari 2002), 14 februari 2006 (BS 3 maart 2006), 22 september 2006 (BS 12 oktober 2006) en 26 juli 2007 (BS 7 september 2007) legt de voorwaarden vast waaraan initiatieven voor buitenschoolse opvang moeten voldoen indien ze in aanmerking willen komen voor subsidiëring vanuit Kind en Gezin.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 (16 mei 2006) regelt de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Het ministerieel besluit van 17 mei 2006 (BS 15 juni 2006) voert dit besluit uit voor de kinderdagverblijven, de diensten voor onthaalouders, de initiatieven voor buitenschoolse opvang en de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning.

Het ministerieel besluit van 9 juli 2001 (BS 28 augustus 2001), gewijzigd door besluiten van 28 maart 2002 (BS 18 mei 2002) en 13 april 2005 (BS 29 april 2005), legt de voorwaarden vast waaraan de voorzieningen moeten voldoen indien ze in aanmerking willen komen voor een bijkomende vergoeding voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte, alsook de aanvraag- en uitbetalingsprocedure.

Het ministerieel besluit van 9 mei 2007 (BS 29 mei 2007) houdende de voorwaarden tot toestemming en een bijbehorende financiële ondersteuning voor het realiseren van een verruimd aanbod in de vorm van flexibele en/of occasionele opvang in kinderdagverblijven en initiatieven voor buitenschoolse opvang ie door Kind en Gezin worden erkend, gewijzigd door de besluiten van 19 juli 2007 (BS 8 augustus 2007) en 26 juli 2007 (BS 7 september 2007).

Het ministerieel besluit van 13 juli 2007 (nog niet gepubliceerd in BS) bepaalt de kwalificatiebewijzen voor begeleiders en leidinggevenden in initiatieven voor buitenschoolse opvang.

Het ministerieel besluit van 23 juli 2007 (nog niet gepubliceerd in BS) bepaalt de kwalificatiebewijzen voor vakantieopvang.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2003 houdende de normen voor de preventie van brand in de erkende initiatieven voor buitenschoolse opvang (BS 10 december 2003), gewijzigd door het besluit van de Vlaamse Regering van 1 oktober 2004 (BS 10 november 2004).

Het besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2007 (BS 20 juni 2007), gewijzigd door het besluit van 19 juli 2007 (BS 14 augustus 2007) regelt de voorwaarden voor toestemming en subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte kinderopvang.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

67


Het besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2007 (BS 24 juli 2007), gewijzigd door het besluit van 19 juli 2007 (BS 14 augustus 2007) regelt de voorwaarden voor erkenning en subsidiëring als gemandateerde voorziening.

Regelgeving in verband met kwaliteit Het decreet van 17 oktober 2003 (BS 10 november 2003) betreffende de kwaliteit van de gezondheidsen

welzijnsvoorzieningen

welzijnsvoorzieningen

heft

het

decreet

van

29

april

1997

inzake

kwaliteitszorg

in

(BS 11 juni 1997 en 4 juli 1997) op. Dit decreet bepaalt de verschillende

elementen die de kwaliteitszorg in een welzijnsvoorziening gestalte (kunnen) geven. Het decreet legt ook de verplichtingen van een erkende voorziening vast op het vlak van het kwaliteitsbeleid. Dit beleid moet in elke sector geïmplementeerd worden via een aangepaste regelgeving. Drie ministeriële besluiten van 12 juni 2001 leggen voor respectievelijk de kinderdagverblijven (BS 25 augustus 2001), de diensten voor onthaalouders (BS 27 juli 2001) en de initiatieven voor buitenschoolse opvang (BS 28 augustus 2001), gewijzigd door besluiten van 13 april 2005 (29 april 2005), de bepalingen vast aangaande kwaliteitsbeleid, -planning, -systeem en -handboek.

2. Andere regelgeving met impact op kinderopvang Basisopleiding levensreddend handelen Het ministerieel besluit van 12 februari 2007 (BS 2 maart 2007) regelt de financiële tegemoetkoming voor kinderopvangvoorzieningen die een basisopleiding levensreddend handelen volgen.

Dienstencheques Het decreet van 7 mei 2004 (BS 18 augustus 2004), gewijzigd door het decreet van 22 december 2006 (BS 6 februari 2007) regelt de toekenning van dienstencheques voor kinderopvang. Het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2007 (BS 5 juli 2007), gewijzigd door het besluit van 19 juli 2007 (BS 14 augustus 2007) regelt de dienstencheques voor kinderopvang in Vlaanderen.

Legionella Het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 (BS 4 mei 2007) betreffende de preventie van de veteranenziekte op publiek toegankelijke plaatsen heft het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 en het ministerieel besluit van 11 juni 2004 op.

Sociaal statuut Regelgeving in verband met het sociaal statuut is een federale materie. Kinderverzorgsters in dienst bij een kinderdagverblijf hebben een bediendestatuut, en vallen onder de Arbeidswet van 16 maart 1971. Onthaalouders aangesloten bij een dienst voor onthaalouders hebben sinds 1 april 2003 een eigen sociaal statuut als ‘fictieve werknemer’. Voor elk opgevangen kind ontvangen zij een kostenvergoeding, en zij zijn verzekerd tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid, beroepsziekten en arbeidsongevallen, hebben

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

68


recht op kinderbijslag en kunnen een eigen pensioen opbouwen.

Bovendien is er een vergoeding

ingeval kinderen afwezig zijn buiten de wil van de onthaalouder. Zelfstandige onthaalouders en uitbaters van een mini-crèche of zelfstandig kinderdagverblijf zijn onderworpen aan het statuut van de zelfstandigen.

Fiscaal statuut Ook regelgeving in verband met het fiscaal statuut is een federale materie. Vooral de aftrek van kosten voor kinderopvang is van belang voor de sector kinderopvang.

Aftrek kinderopvangkosten voor de ouders Het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (artikel 104, 7° en artikel 113, § 1), gewijzigd door de wet van 6 juli 2004 (BS 5 augustus 2004) en de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen (BS 30 december 2005) regelt de fiscale aftrek van kinderopvangkosten. Belastingplichtigen kunnen de kosten voor kinderopvang betaald aan welbepaalde inrichtingen of personen (onder meer de opvangvoorzieningen met een attest van toezicht of een erkenning door Kind en Gezin) aftrekken. Deze aftrekbaarheid geldt voor kinderen tot de leeftijd van 12 jaar en is geplafonneerd op 11,20 euro per dag en per kind (aanslagjaar 2007/inkomsten 2006).

Aftrek uit hoofde van de uitoefening van het beroep van opvangouder Voor onthaalouders aangesloten bij een dienst wordt het bedrag van de financiële tegemoetkoming beschouwd als een niet-belastbare terugbetaling voor de gemaakte kosten. De door de zelfstandige opvangvoorzieningen

-

vrij

bepaalde

-

geïnde

inkomsten

worden

beschouwd

als

belastbare

beroepsinkomsten, zodat er beroepskosten kunnen worden afgetrokken. Dit kan door aftrek van de werkelijke beroepskosten, gestaafd met de nodige bewijsstukken, door aftrek van het wettelijke forfait, ofwel door aftrek van een forfaitair bedrag van maximaal 12,15 euro per dag en per kind (dit laatste bedrag beperkt tot het ontvangen bedrag).

Er is geen BTW verschuldigd op de inkomsten van kinderopvangvoorzieningen, op voorwaarde dat het gaat om permanente opvang van kinderen jonger dan 12 jaar, door een erkende voorziening. In de praktijk wordt deze BTW-vrijstelling evenwel ook toegekend aan zelfstandige voorzieningen.

Fiscale aftrek van kinderopvangkosten door bedrijven De programmawet van 8 april 2003 (BS 17 april 2003) voert een maatregel in om uitgaven van bedrijven voor nieuwe kinderopvangplaatsen fiscaal aftrekbaar te maken (beperkt tot een maximaal bedrag).

Bevoegd paritair comité Het

bevoegde

paritair

comité

is

bepalend

voor

de

van

toepassing

zijnde

collectieve

arbeidsovereenkomsten die aangelegenheden regelen als loonschalen, arbeidsduur, vakbondsregeling,

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

69


loopbaanonderbreking, brugpensioen, enz. Welk paritair comité van toepassing is, hangt af van twee zaken. Een eerste punt is of de CAO-wet van 5 december 1968 van toepassing is. Indien dit niet het geval is (bijvoorbeeld als er geen relatie werkgever-werknemer is), dan valt men onder geen enkel paritair comité. Een tweede punt betreft de hoofdactiviteit van een voorziening. In principe gebeurt de toewijzing van een paritair comité volgens het principe ‘bijzaak volgt hoofdzaak’ en ressorteert al het personeel onder het paritair comité waaronder de hoofdactiviteit ressorteert. Als men onder de CAO-wet valt en als de hoofdactiviteit kinderopvang is, dan gelden de volgende principes: -

PC 331 is bevoegd voor de kinderkribben, peutertuinen, diensten voor onthaalouders, diensten voor thuisopvang van zieke kinderen, buitenschoolse opvang die door de Vlaamse gemeenschap of de Vlaamse Gemeenschapscommissie worden erkend en/of gesubsidieerd;

-

PC

330,

als

residuair

paritair

comité

voor

de

gezondheidszorgen,

is

bevoegd

kinderopvangvoorzieningen die niet erkend en/of gesubsidieerd worden door de

voor

Vlaamse

gemeenschap. Hoewel deze paritaire comités reeds bestaan, zijn ze nog niet in werking. Nieuwe initiatieven krijgen wel al het nummer van PC 330 of PC 331 toebedeeld, maar volgen in afwachting van inwerkingtreding nog steeds de bepalingen van de vroeger geldende paritaire comités, zijnde PC 200, PC 218 of PC 305.02.

Veiligheid van speelterreinen en van speelgoed De wet van 9 februari 1994 betreffende de veiligheid van de consumenten is een algemene wet die de consument beschermt tegen onveilige producten of onveilige dienstverlening, en die de producent verplicht om te voldoen aan een algemene veiligheidsnorm. Deze wet wordt gespecificeerd door een koninklijk besluit van 28 maart 2001 (BS 9 mei 2001), gewijzigd door het koninklijk besluit van 28 september 2003 (BS 2 december 2003), meer bepaald in verband met de uitbating van speelterreinen (ook van toepassing op de sector kinderopvang) om zo, conform de wet en de richtlijnen van de Europese Commissie, een praktijk te ontwikkelen die leidt tot verhoogde aandacht voor de veiligheid van speeltoestellen.

Voedingsmiddelenhygiëne Hygiëne-eisen Het koninklijk besluit van 7 februari 1997 inzake de algemene voedingsmiddelenhygiëne (BS 25 april 1997) is in principe van toepassing op alle instellingen waar voedingsmiddelen bereid, verdeeld of verhandeld worden. Dit geldt dus ook voor kinderopvangvoorzieningen. Zo moeten o.a. bepaalde hygiëne-eisen worden nageleefd (bijvoorbeeld toiletten mogen niet rechtstreeks in de lokalen uitkomen waar voedingsmiddelen worden bereid). Ook dienen veiligheidsprocedures te worden uitgewerkt om besmetting te voorkomen. Vergunningsplicht Bij koninklijk besluit van 4 december 1995 (BS 23 februari 1996), gewijzigd bij koninklijke besluiten van 4 augustus 1996 (BS 13 augustus 1996), 3 maart 1999 (BS 31 maart 1999), 20 juli 2000 (BS 30

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

70


augustus 2000) en 9 juni 2003 (BS 26 juni 2003), werd een vergunningsplicht ingevoerd voor plaatsen waar voedingsmiddelen gefabriceerd of in de handel gebracht worden. Deze plicht is van toepassing op erkende kinderdagverblijven en op zelfstandige kinderdagverblijven.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2006

71


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
kinderopvang_jaarverslag_2006.pdf by Vlaanderen-be - Issuu