ffL-t***.
-^LOLJ iO03 ^ tWEEMAANDELÜKS.
I
/ ^
Conal^L
&u {&>
^ë/^ïét^fö.
*£L
Vit
AÏ
wv
Kalk voor de restauratie, renovatie en decoratie van ons patrimonium! CORIDECOR
UNIUT
• CORICAL: een minerale verf op basis van vette luchthardende kalk, marmerpoeder en natuurlijke kleurstoffen
• Bindmiddelen op basis van natuurlijke hydraulische kalk om te metselen, voegen en pleisteren
• Marmerafwerkingen MARMOLUX, CORISTIL, DECORLUX, VENESTUK
• Kant en klare mortels op basis van natuurlijke hydraulische kalk
• Hecht-, grond- en afwerkmortels • Saneringsmortels tegen optrekkend vocht & vochtige muren • Thermische & akoestische isolatiemortels
HD SYSTEM
GRUPPO TASSULLO spa
Chris VOET Tel.: 052 46 02 43 Fax : 052 46 35 77
• Injectiemortels voor stabilisatie en statische verankering
Arte
GSM : 0475 26 72 89
E-mail : chris.voet^compaqnet.be
Maud BONNEVIE Tel./Fa\:081 58 35 99 GSM : 0475 26 73 25 E-mail: berfon@tiscalinet.be
Arte Constructo bvba Molenbcrglci 18 B-2627 Schelle Tel.: 00 32 3 880 73 73 Fax : 00 32 3 880 73 70 E-mail : info «arteconslructo.be Web : www.arlcconstructo.be
ISSN 077 22 jaargai ivember-decembe
1VI O M U 1VI E M T E M
EM
LANDSCHAPPEN
Redactie Monumenten en Landschappen, Phoenix-gebouw Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel. 02-553 16 13 - Fax 02-553 16 12 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be Coördinatie: LucTack Eindredactie: Marjan Buyle en Marcel Cells Redactiesecretaris: Veerle De Houwer E-mail: veerle.dehouwer@lin.vlaanderen.be Fotografie: Oswald Pauwels Vormgeving en productie: LucTack Zetwerk en secretariaat: Diane Torbeyns Coj'er; Lf oaïta ou Ie Bdzebulh: de slingeraap door F.A. Roucel. Uit: Cotiectioti de planches représenlans (sic) les animauj: quatrupïes les pias extraordinaires et plus rares. avec leur description. Stadsarchief Aalst: Inventaris van het Oud Archief: 2253
Abonnementsvoorwaarden 2003
Internet Website Monumenten en Landschappen: www.monument.vlaanderen.be
Redactiecomité
België: 32 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 6 € ) . CJP'ers betalen: 27 € Buitenland: 49,50 c Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr.091-2206040-95 van Monumenten Et Landschappen, Phoenix-gebouw, Albert ll-laan 19 (bus 3), 1210 Brussel met vermelding "MEtL-jaarabonnement 2004". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: DianeP.torbeyns@lin.vlaanderen.be Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd
Ere-voorzitter: E. Goedleven Voorzitter: L Tack Kernredactie: M. Buyle, M. Cells, V. De Houwer, Herman Van den Bossche Redactie: A. Bergmans, J. Braeken, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn, J. Gijselinck, E. Hofkens, M. Michiels, G. Plomteux, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, P. Van den Bremt, Ch. Vanthillo, L Wylleman
Advertentiewerving J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: 050-36 25 89 - Fax: 050-37 33 64 E-mail: casier.jan@tiscall.be www.jancasier.be
Druk Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.: 050-47 12 72 - Fax: 050-34 37 68
Verantwoordelijke uitgever Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Luc Tack Afdeling Monumenten en Landschappen, Phoenix-gebouw Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel.: 02-553 16 13 - Fax: 02-553 16 12 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
Inhoud 4
Brussels lof: over orchideeën, heide, bos en vergane glorie Paul Van den Bremt
3 7 De abdijtuinen van Averbode Historische continuïteit en landschappelijke franje Roger Deneef, Herman Janssens, Jo Wijnant en Chris Schroeven
4 8 Landcommanderij Alden Biesen, restauratie van het appartement van de landcommandeur Guido Jan Bral, Hugo VandenBorre en Christine Vanthillo
Ël
7 2 Summaary
Uw patrimonium,.. .onze zorg
Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde! Duivenmest is door zijn agressieve chemische bestanddelen één van de belangrijkste oorzaken van onomkeerbare beschadigingen aan gebouwen en monumenten.
Reeds meer dan 20 jaar restaureren, renoveren en beschermen wij' gebouwen en waardevolle monumenten. Reiniging, restauratie en renovatie van gevels Restauratie en conservatie van steen Traditionele zuivere kalkpleisters en kaleilagen Mineraalverven en silicaatpleisters Cement- en kunststofgebonden gevelpleisters Warmte-isolerende pleistersystemen Betonherstelling en -bescherming Duivenwering Houtworm- en zwambestrijding Polylneerchemische houtrestauratie en -versteviging Brandremming op hout, beton en metaal Injectiewerken Vochtwering en waterdichting Renovatie- en verbouwingswerken
Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het cultuurpatrimonium ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals omithose, salmonella, psittacosis, e.a.,...
Referenties op aanvraag
Onze vaklui worden begeleid door gespecialiseerde ingenieurs en kunsthistorici
Solar Tel.: 03-766.11.66 - Fax: 03-777.35.09
Nu is er echter BIRDEX (een gamma diervriendelijke afschrikkingsmiddelen dal de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen Wilt u er meer over weten, neem dan vrijhhjvend contact met ons op.
Kleine Breedstraat 3 3 - B-9100 SINT NIKLAAS Erkend aannemer cat D kl 1. o cat D l kl 3, D21 kl 3. D24 kl 4
P.E.C. International n.v.
Evenwicht tussen wetenschap en v a k m a n s c h a p
Kleine Breedstraat 37, B-9100 St.-Niklaas Tel.: 03-776 84 39 - Fax: 03-777 35 09
IMPERPLEX Onzichtbare bescherming van VLOEREN & MUREN Protection invisible
E3-Laan 49 - 9800 Deinze - Tel 09/386 07 63 p.nijs@cobonet.be
Specialiteit: Beschermde monumenten
ANTI-GRAFFITI "
0475.731215 www.lmperplex.com
Restauratie en Monumentenzorg
MOREELS
NV
Specialiteit restauratie historische gebouwen & kerken
Natuur & kunstleien - pannen & asfalt Restauratie van glasramen van kerken en partikulieren Eigen ontwerpen Schilderijen en beelden duel en niet p o l y c h r o o m ) M u u r s c h i l d e r i n g e n en stuc, Papier M e u b i l a i r (mei en niet p o l y c h r o o m ) , Leder
TEL.: 09 372 63 03 FAX : 09 372 93 59
OOSTVELDKOUTER 32 9920 LOVENDEGEM
43 Jerusalemstraat 9420 ERPE-MERE Tel. 053-84 83 70 • Fax 053-83 33 65 E-mail: moreels.nv@belgacom.net
E-mail: info@rmp.be GSM: 0475 82 56 26
ALPHA VOCHTTECHNIEK VEELZIJDIG EN AL MEER DAN 23 JAAR ERVARING de producent van kaarten, databanken en luchtfoto's , voor ruimtelijke ordening en stadsrenovatie.
Injectiewerken - constructief - waterdichtend Waterdicht maken van kelders Injekteren tegen opstijgend vocht Hygrothermische kelderisolatie Bestrijden van vochtoverlast in kruipruimten Hydrofoberen en verharden van natuur- en baksteen Betonreparatiesystemen
NATIONAAL GEOGRAFISCH INSTITUUT INSTITUT GEOGRAPHIQUE NATIONAL
Renovatie- en restauratiepleisters Kunststof-vloersystemen
ALPHA VOCHTTECHNIEK B.V.B.A. Rlyadhstraat 1 - 2321 Meer Tel. 03/315.11.13 - Fax 03/315.11.15 lphavochttechiek.com - email: info@alphavochttechniek.com
Paul Van den
Bremt
BRUSSELS LOF: OVER ORCHIDEEËN, HEIDE, BOS EM VERGANE GLORIE (uitgave Nationale
• Vogelnestje (Neottia
Plantentuin van
mdus-avis), een
België: Klopfenstein,
soort van voor-
E; S Toussaint, Ph.
namelijk bossen op
(1984) Orchidaceae
milde humus.
Belgicae, 2,
getekend door
Frankri|k, Aisne,
Elisabeth
Neuville-sur-Ailette,
Klopfenstein
mei 1983)
<-/ff>e/S&a neaéea-wea f-~£s^-S
Toen in 1810 de beroemde Zwitserse Augustin-Pyrame
de Candolle
vraag van de Franse overheid bezocht,
vaderlandse
landbouw
onze
vond hij daarentegen een eenvoudige
onder
planten,
De inheemse
voor: "...il
flora
Hij had er n'y a
ainsi)
mauvaises herbes."
(2)
plus de place pour les
15 jaar eerder had nochtans
gische onderzoeker
(1) van Brussel
maar minnetjes.
verklaring
niet
*'&*vf
(si j'ose m'exprimer
üijna
voor onze
aan exotische
hem zelfs in vervoering.
op
gewesten
en plantenteelt
De kruidtuin
met zijn rijke verzameling bracht
(1778-1841)
stak hij zijn bewondering
stoelen of banken.
plantkundige
t?.,,-W.
de loftrompet
André Rozin (ca.
aan het tijdschrift
flora. 'L'Esprit
van 1796 schetst hij een nogal
verrassend beeld van de toenmalige rijkdom
1755-1825)
gestoken over de Brusselse
In een vlotte bijdrage des journaux'
de Zweeds-Bel-
botanische
in en óm Brussel. Wie van de twee heren
had het bij het rechte
eind?
In het navolgend verhaal gaan wij in het zog van Linnaeus' natuurlijk systeem op zoek naar het landschap waarin de 18de en 19de-eeuwse Brusselse beoefenaars van de scientia amabilis of de botanie rondliepen. Afgepeigerd door het lange zoeken willen we even tot rust komen in Nederlands Zuid-Limburg en warempel: we zien bepaalde verbanden. Zijn ze werkelijk of zijn we het slachtoffer geworden van een zinsbegoocheling: zoiets als dé ultieme hallucinatie?
DE ZOEKTOCHT NAAR HET SYSTEEM ACHTER DE NATUUR De 18 c eeuw wordt wel eens de eeuw van de nieuwsgierigheid genoemd (3). De verzamelwoede bereikte er een hoogtepunt. De meest uiteenlopende verzamelingen (naast medailles, munten enz. ook opgezette vogels, levende planten, natuurlijke mineralen, fossielen, ...) werden bij elkaar gebracht. Waren het eerst nog vooral rariteitenkabinetten zoals in de voorgaande eeuwen, dan werden stilaan ook meer geordende collecties samengesteld. Die trokken de aandacht van geleerden. Zij waren immers op zoek naar een systeem in de natuur en maakten dankbaar gebruik van de bijeengebrachte stukken. Een van hen was de Zweed Carl von Linné (1707-1778), beter bekend als Linnaeus, die in 1735 zijn Systemae Naturae schreef. Het was het-
TT Franjols-Xavier de
Academie bezat
platen komen, is
Bui iin (1743-1818).
een beroemd fossie-
gewijd aan de
lijfarts van Karel
lenkabinet.
beschrijving van
van Lotharingen en
Zijn baanbrekend
fossielen uit de om-
vooraanstaand lid
werk Oryctographie
geving van Brussel
van de Keizerlijke
de Bruxelles uit
(Bibliotheek Nat.
Theresiaanse
1784, waaruit deze
Plantentuin, Hcise)
zelfde jaar dat hij in dienst trad als privé-arts bij de schatrijke George Clifford, de Brits-Nederlandse directeur van de Oost-Indische Compagnie. Clifford bezat een groot landgoed ten zuiden van Haarlem, met een botanische tuin, tropische serres, een heuse dierentuin, een uitgebreide botanische bibliotheek en herbarium (4). Linnaeus beschreef diens tuin in een prachtig geïllustreerd werk Hortus cliffbrtianus uit 1737. In 1753 verscheen Linnaeus' Species Plantarum, samen met Genera Plantarum zijn beroemdste boek. Vooral de twee laatste publicaties inspireerden tal van latere natuuronderzoekers. Beide werken vormen de grondslag van de moderne plantensystematiek.
De botanie in het voetspoor van Linnaeus tijdens de Oostenrijkse tijd Natalis-Joseph de Necker (1729-1793) was de eerste landgenoot die volgens de classificatie van Linnaeus een flora opstelde. De man, die uitgeweken was naar de Palts, schreef in 1768 zijn Deliciae Gallo-Belgicae sylvestres . Hierin wordt enkele keren bij de beschrijving van planten naar concrete vindplaatsen in België verwezen. Men kan echter moeilijk beweren dat dit werk de eerste echte flora van België is. Omdat de nood aan een overzicht van de inheemse flora zich liet voelen, formuleerde de Keizerlijke Academie voor Wetenschappen en Schone Letteren van Brussel in 1788 een prijsvraag met als thema: welke planten, die nog niet werden opgemerkt door de oude en moderne auteurs, komen spontaan voor in de Oostenrijkse Nederlanden? Een van de inzendingen was van de hand van Fran^ois-Antoine Roucel (1736-1831), een amateur-botanicus die in
1VI&L
Aalst werkte als chirurgijn en verloskundige. De prijs werd niet toegekend, vermoedelijk omdat slechts een deel van het grondgebied in de ingezonden manuscripten werd besproken. In 1792 verscheen evenwel Roucels ingezonden bijdrage in boekvorm, Traite des plantes les moins fréquentes qui croissent naturellement dans les environs de Gand, d' Alost, de Termonde et de Bruxelles (5). Dit werk mag ongetwijfeld beschouwd worden als de eerste op wetenschappelijke leest geschoeide lokale flora. Meer dan 20 jaar gedegen veldonderzoek gingen aan de publicatie van deze flota vooraf.
De Franse Republiek wil geleerden vormen: natuurlijke historie aan de centrale school van Brussel Tijdens de Franse bezetting van onze gewesten werd in de verschillende departementen een systeem van centrale scholen (secundair onderwijs) ingevoerd. Dit gebeurde bij decreet van 7 pluvióse van het jaar V (16 januari 1797) in uitvoering van de wet van 3 brumaire van het jaar IV (25 oktober 1795). De centrale scholen vervingen de colleges. Er ging grote aandacht uit naar het wetenschappelijk onderwijs. (6) Elke centrale school moest beschikken over een bibliotheek, een plantentuin, een kabinet voor natuurlijke historie en een kabinet voor experimentele natuur- en scheikunde. Aan de centrale scholen moest door degelijk opgeleide mensen les gegeven worden. Baron Jean-Fran9ois-Philippe Van der Stegen de Putte (1754-1799), amman van Brussel en leraar natuurlijke historie aan de centrale school, speelde bij de popularisatie van de linneaanse plantkunde in de hoofdstad een voortrekkersrol (7). Eigenlijk was hij autodidact: jurist van opleiding was hij bezeten door de plantkunde. In 1795 stichtte deze bekwame amateur-botanicus, samen met André Rozin de Brusselse Société d'histoire naturelle. Rozin, uit Zweden afkomstig, was eveneens een trouw aanhanger van Linnaeus. Verwonderlijk was dit niet want hij had nog les gekregen van diens zoon, Carolus Linnaeus jr.. Het was een figuur met zeer brede wetenschappelijke interesses (8). Als arts was hij een tijd lang voorzitter van de in 1795 gestichte Société de médecine, chirurgie etpharmacie de Bruxelles. Als leraar natuurlijke historie volgde hij Van der Stegen de Putte op in 1799 en onderwees mineralogie, botanie en zoölogie in de centrale school van het Dijledepartement. Voordien was hij eerst in 1798 even leraar fysica en chemie aan de centrale school van het Scheldedepartement (Gent).
In 1803, na opheffing van het systeem der centrale scholen, verliet hij België en ging hij les geven aan een college in het Franse Phalsbourg onder de naam Rosen. Hij onderwees er natuurlijke historie, experimentele fysica en ... oosterse talen.
NOS CURIEUX DF BRUXFI [ FS Over een merkwaardig man met een merkwaardig verhaal Van der Stegen de Putte en Rozin publiceerden regelmatig in l'Esprit des Journaux (9). Dit tijdschrift, in feite een soort "digest", was bestemd voor het geletterde publiek met belangstelling voor wetenschappen. In het januari-februarinummer van 1796 schreef Rozin die enkele jaren eerder zijn sporen op het vlak van plantkunde al had verdiend met een herbier portatif {\0), een ietwat curieuze bijdrage. Heel wat natuurbeschermers van vandaag zullen bij het lezen ervan even wegdromen... Brussel als botanisch eldorado! Rozin begint zijn Coup-d'oeil botanique sur les environs de Bruxelles als volgt (11): "Les étrangers se représentent la Belgique comme un pays plat & marécageux, fertilise par l'industrie de ses habitans, mais peu propre a offrir cette variété de productions spontanées qui fait l'objet de la curiosité du botaniste. Si cette idéé est vraie a certains egards, elle souffre aussi de grandes exceptions. En voyant les environs de Bruxelles, on est agréablement surpris de la richesse du tableau & de l'heureuse opposition des sites, qui produit dans Ie paysage tous ces grands effets qui n'appartienent qua la nature, & que Tart n'imite jamais que foiblement (sic). " Brussel was nog tot in zijn tijd een stad met een opvallend landelijke ligging. Een korte geografische inleiding maakt ons dit duidelijk: "D' un cóté s'offrent les bois de Forest, de la Cambre, Bochefort (Bosvoorde), Tervüre, &c.{sic); de l'autre, les bords fleuris de la Senne & du canal de Vilvorde, couronnés des sites les plus enchanteurs, tels que Laken, Troisfontaines, &c., & ouvrant du cote de Kugelbergh (Koekelberg) une immense perspective de la fertilité du Brabant. " Via een wandelcircuit, van noord naar zuid, neemt hij ons mee op een tocht doorheen het Brusselse landschap in verschillende seizoenen. Er wordt steevast vertrokken aan de Oeverpoort {parte du Rivage), van waaruit men kon wandelen naar het
-•••
PWIJ
Tekening (Chinese inkt) van P. ïltzthumb. Hel bos van Vorst met zicht op de Kapellekerk (Vrijdag
1
n
i
23 |ulil802 o H thermldor jaar X). Dit idyllische zicht, waarschijnlijk vanaf de huidige noordrand van Dudenpark (Vorst) richting Kapellekerk (Brussel)
^^^^Hj ' ; jf ; ' f
kan men zich nu
w
nog naiiweli|ks indenken (Prentenkabinet Koninklijke Bibliotheek, S II 23617 (II: 4))
mmmi toen nog verre Laken. De boorden van het kanaal van Willebroek, enkele akkers en graslanden, het park van Laken (12), het bos van de abdij van Terkameren (13), het park en de vijvers van de abdij van Vorst, de beemden langs de Zenne en enkele wegranden (meer bepaald richting Vilvoorde, Laken, Schaarbeek en Vorst), worden botanisch doorgelicht. Zijn aandacht gaat vooral uit naar de spontane plantengroei (ruim 100 soorten worden opgesomd) gedurende de opeenvolgende seizoenen maar terloops vermeldt hij ook enkele aanplantingen van exoten. Bij het beschrijven van zijn wandelroute - tussen de botanische hoogstandjes door - wordt hij enkele keren lyrisch: "... on voit Ie beau canal, bordé de superhes allies sans interruption jusqu'au pont de Laken, (...), perspective enchanteur, représentant un immense miroir dans un cadre de la plus belle verdure ..." oi elders ". ..une des promenades les plus belles de l'Europe... ". Uit die gegevens kan men opmaken dat met deze promenade de Groendreef, ook Groenen Dijck genoemd (L'AUee verte), wordt bedoeld {...belle allee de tilleuls...). Rozin was niet de enige die bij dit zicht enthousiast werd. Een Brusselse tijdgenoot schreef "L'Europe ne fournitpeut-êtrepas deux coups d'oeil semblables "(14). De botanische hoogtepunten zijn zonder twijfel de omgeving van de abdijen van Terkameren enVorst:
"Le bois de l'abbaye de la Cambre est aussi tres interessant pour Ie botaniste en ce qu'il offre une esquisse de la flore forestiere du pays ... Je pourrais ajouter ici un nombre considerable d'orchidées; mais si l'on excepte l'Ophris ovata L., & l'Ophris nidus-avis L., les autres espéces sont plus ahondantes au pare de l'abbaye de Forest, dont le terrein inégal & inftniment varié en favorise une plus grande diversité. " Orchideeënrijk Brussel? Fantasie van Rozin? Geconfronteerd met deze vragen steken we ons licht op bij enkele andere hoofdrolspelers in het Brusselse botanische landschap van toen: Roucel, Kickx en Dekin...
Een flora voor Brussel is een werk van lange asem (1796-1814) Roucel had na de publicatie van zijn Traite duidelijk de smaak te pakken. Na heel wat bijkomend onderzoek publiceerde hij in 1803 zijn tweedelige Flore du nord de la France. (15) Hierin beschrijft hij in hoofdzaak de flora van de departementen Leie, Schelde, Dijle en Twee Neten. Ook in dit werk verwijst hij meermaals naar Brussel. Dat is niet zo verwonderlijk want ook hij was lid van de al eerder besproken Brusselse Sociétéd'histoire naturelle. In zijn manuscript uit 1809 Recueil des plantes omises (16) verwijst hij meerdere malen naar "nas
OVER HET DROEVE LOT VAN HANDEKENSKRU1DEN, WIJWOUTERS EN ZOTSKULLEKENS
Orchideeën hebben voor veel mensen een symboolwaarde. Als ze ergens groeien moet het gebied wel zeer bijzonder zijn. Dit is vaak zo, maar de werkelijkheid is complexer dan dat. Voor meer uitleg hieromtrent verwijzen we naar gespecialiseerde literatuur. (1)
worden over een soort manische dwang: andere zeldzame planten worden dan vertrappeld om toch maar een foto te kunnen nemen van het fel begeerde kleinood. Gehaaide veldbotanisten kunnen zulke bedevaartsoorden zelfs van op enige afstand feilloos ontdekken.
Er werden in België ongeveer 50 soorten (2) waargenomen. Enkele zijn al uitgestorven of werden sinds geruime tijd niet meer gevonden. Meerdere soorten zijn met uitsterven bedreigd, de meeste zijn zeldzaam tot zeer zeldzaam, zeker in Vlaanderen. Slechts weinige zijn vrij algemeen tot vrij zeldzaam: voor Vlaanderen zijn dit Brede wespenorchis en Grote keverorchis, op afstand gevolgd door Bosorchis. Alle soorten zijn beschermd bij wet.
Het inzamelen van orchideeën voor herbariummateriaal gebeurt hier te lande gelukkig nog zelden. Het roven van planten, al dan niet voor commerciële doeleinden, wordt echter meer dan eens vastgesteld. Verzamelwoede en commercie halen het dan duidelijk op gezond verstand. Overplanten naar tuinen is immers geen sinecure evenals de kweek van wilde orchideeën.
De orchideeënflora houdt heel wat botanisten in de ban. Soms geeft dit aanleiding tot bizarre taferelen waarbij zonder overdrijving zelfs kan gesproken
T Ook Vogelnestje
in de latere
was Dodoens niet
uitgaven gebruikt
uiteraard naar de merkwaardig ge-
onbekend. In 1554 hij de huidige
vormde dicht ineen-
noemde hij de
naam.
gestrengelde wortels
planten nog
De naam
(Bibliotheek Nat.
Margendrehen,
Vogelnestje verwijst
Plantentuin, Heise)
• Herfstschrocforchls werd al door Dodom in 1554 beschreven: Cle/n Standel-cru/dt (1554) of Kleyn Welneckende Sandel-cruj/dt, de kleynste soorte
(1644) (Bibliotheek Nat. Plantentuin, Heise)
QantKkmeauftnumikai.
^onöefeene erupt « j , ^
Ooit waren tal van soorten ook bij ons vrij algemeen tot algemeen. Hiervan getuigen onder meer de kruidenboeken van de renaissancebotanisten, Dodoens (Dodonaeus, 1517-1585), de L'Escluse (Clusius, 1526-1609) en de L'Obel (Lobelius, 1538-1616). Het is niet altijd eenvoudig om hun soorten correct te identificeren maar dat zij de meeste al kenden staat vast. De orchideeën of standelkruiden worden er benoemd naar hun onderaardse delen: de knoldragende exemplaren worden er gewoonlijk kullekenskruiden (hondskullekens, vossekullekens, bokskullekens of hazekullekens ...) genoemd, deze met een handvormige knol handekenskruiden. Een reeks namen heeft net — zoals ook nu nog — te maken met de bloemvorm zoals de wijwouters (vijfwouters of pepels, met andere woorden: vlinders), de wespen, de vliegen, de zotskapjes of zotskullekens. Ook de groeiplaatsen worden er soms in detail beschreven. Herfstschroeforchis (Cleyn standelcruyt (3) of Kleyn Welrieckende Standel-cruydt, de kleynste soorte (4)) groeit volgens Dodoens (1554: cclviii) selden elders dan op gmsachtighe straten ende velden daer die sonne veel schijnt. Margendrehen (1554: cclx) - in de latere uitgaven ook Vogelnestje genoemd - worden op vochtige sandachtighe velden ende in die bosschen ghevonden. (5) Nog in hun tijd werd aan orchideeën ook vanuit een ander oogpunt aandacht besteed. Omdat de planten twee knolletjes hadden werd het gebruikt al aphrodisiacum (6) (conf. signatuurleer). Rembert Dodoens uit al enige twijfel hierover: latende een ieder vrij om de sake neerstelijcker te ondersoecken. (7) Van Ravelingen, bewerker van de postume Dodoensuitgave uit 1644 voegt er nog het volgende aan toe (8): Indien iemandt door tooverijen (seggen de oude schrijvers) geen vrouwen en kan bekennen: so salmen nemen het rechter kulleken I 't welck het grootste is I oft immers het stijfste I ende stooten dat met seven-en-veertigh korenen wit pepers I soo datse t'samen met de voorseyde wortel een half once wegen I ende vier oneen (andere segghen dry oneen) honigh, ende dat in seer goeden wijn ontdoen ende kloppen; ende dry daghen langh daer afnemen 't ghewichte van dry vierendeel loots; ende het sal hem helpen. De in Middelburg geboren arts Stephaan Blankaart (1650-1704) heeft het heel wat later blijkbaar zeer naarstig onderzocht. In den Nederlandschen Herbarius, verschenen in 1698(9) vermeldt hij nog steeds
dat men de wortel in suiker geconfyt en gegeten goed acht om den lust tot byslapen te verwekken maar hij bekent: ik hebbe die uitwerkselen daar nooit in konnen vinden.
NQTFN (1) O.a. BOURNERIAS, M.(dir.sc.), la orchidées de France, Mqique et Luxembourg, Paris, 1998. (2) De cijfers lopen uiteen, afhankelijk van het soortsbegrip. Voor de achteruitgang van onze inheemse orchideeën, zie VANHECKE, L, 1993- De problematische achteruitgang van onze inheemse orchideeën: is regionalizering van de wetgeving zinvol, kan herintroductie? DUMORTIERA 53-54, 1-13. (3) DODOENS, R., Cruijdeboeck, Antwerpen, 1554, p. cclvii. (4) DODOENS, R., Herbanus oft Cruydt-Boeck van Rembenus Dodonaeus, 1644, p. 377. (5) Een Brabants veld van vroeger moet et dus heel anders uitgezien hebben dan nu (veld=cultuurland, akker). Mogelijk was er in Dodoens' tijd toch nog een verwantschap (atavisme?) met de oudste betekenis van veld in West- en delen van Oost-Vlaanderen: met name veld = in oorsprong wastine of heide (vgl. Bulskampveld, Maldegemveld, Scheldeveld). De aanwezigheid van orchideeën duidt erop dat veld hier niet zomaar synoniem kan geweest zijn van een akker zoals we die vandaag kennen. Het kan natuurlijk dat de planten in de grazige kanten van de velden voorkwamen. Voor de betekenis en de betekenisevolutie van deze bouwlandterm verwijzen we naar DEVOS, M , Bouwlandtermen in de Vlaamse dialecten. Spreidings- en betekenisgeschiedenis. Werken van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie, Vlaamse Afdeling 16, Tongeren, 1991, p. 191-272. (6) Onder meer in Turkije bestaat dit gebtuik nog steeds: mond.med. Leo Van Hecke (Nat. Plantentuin) (7) DODOENS, R., Op. cit., 1644, p. 371. Vgl. DODOENS, R., ()• Stirpium Historiae Pemptades Sex. Antverpiae, 1583, p. 234. Zie hierover ook: HOMBLE, G., Bijdragen tot de Geschiedenis en Folklore der Geneeskunde. II. Dodonaeus en zijn invloed op de Volksgeneeskunde in Eigen Schoon en De Brabander, nr. 30, 1947, p. 97-105. (8) DODOENS, R., Op. at, 1644, p. 380. Ook geciteerd in TE1RLINCK, 1., Flora magica. De plant in de tooverwereld, Antwerpen, 1930, p. 357. (9) BLANKAART, S., Den Nederlandschen Herbarius, Amsterdam, 1698, p. 528.
I In het manuscript van Roucel wordt enkele keren de naam van een zekere Dekin geciteerd. Het betreft de Brusselse botanist Adrien Dekin ( t 1823), die in de Franse periode de leerstoel natuurlijke historie aan de centrale school van Antwerpen bekleedde. Deze leerstoel was trouwens eerst aan Kickx aangeboden. Deze bedankte er echter voor, hij wou afstand houden van politiek. Het was diezelfde Adrien Dekin die met zijn medewerker A.E Passy (1792-1873) een Florula Bruxellemis (19) zou samenstellen in 1814. De actieradius van deze beknopte flora is beduidend ruimer dan die van Kickx. Niet enkel in de omliggende gemeenten van Brussel werd er gebotaniseerd, ook ver daarbuiten binnen het departement van Twee Neten. Beide auteurs zijn vol lof over het werk van Kickx en Roucel maar ze hebben wel enige kritiek op de hierin gehuldigde opvatting over plantensystematiek. Die was achterhaald, vonden ze. Anderzijds beknibbelden zij zelf op de vindplaatsaanduidingen. botanistes de Bruxelles", "nos curieux de Bruxelles", " nos amateurs de Bruxelles ". Met andere woorden: er bestond in Brussel een kern van plantenfreaks. Een ervan was Jean Kickx (1775-1831). Van vorming apotheker, had hij dit diploma al op 18-jarige leeftijd behaald met de vermelding "zeer lofflyck" (17). Zijn wetenschappelijk talent was niet onopTitelbladzijde van de gemerkt gebleven. Francjois du Rondeau (1732Flora Bruxellensis 1803), beroemd natuurwetenschapper, eertijds arts van Jean Kickx sr. van Karel van Lotharingen en lid van de Brusselse Geannoteerd Keizerlijke Academie introduceerde hem bij Van exemplaar van de Rijksuniversiteit der Stegen de Putte. Het klikte tussen de drie heren Gent en gestimuleerd door hun interesse begon de jonge (Bibliotheek laboraKickx met een grondige verkenning van de plantorium Prof. Dr. P. Goetghebeur) tenwereld in en om Brussel. Vanaf 1796 tot 1812 onderzocht hij de Brusselse omgeving zeer nauwgezet. Zijn grote voorbeeld was Roucel. De man die hem uiteindelijk kon overhalen het resultaat van zijn jarenlang onderzoek te publiceren, was de illustere Belgische arts-scheikundige en pomoloog Jan-Baptist van Mens (1765-1842), in zijn tijd geroemd als "prins der tuinders". In 1812 verscheen Kickx' Flora Bruxellensis. (18) Dankzij zijn gegevens kunnen we ons n u nog een beeld vormen van de flora van diverse kleinere Brusselse bosgebieden, waarvan enkele nu compleet verdwenen zijn zoals Linthoutbos (Schaarbeek, Sint-Lambrechts-Woluwe) of de bossen van Vorst. Van een reeks andere locaties die ons nu vertrouwd in de oren klinken als plaatsnaam, zoals Vossegat, Vleurgat, Stalle, Heyzel zouden we ons - zonder zijn werk - nauwelijks de botanische waarde van vroeger kunnen voorstellen.
M&L
De kritiek op de plantensystematische indeling volgens het systeem van Linnaeus is dan weer niet zo vreemd. Zoals al geschreven is in de inleiding, was de befaamde Zwitserse plantkundige AugustinPyrame de Candolle in 1810 even langs geweest.
FLORA BRUXELLENSIS, EXHIBESS CHARACTEHES GENERUM ET SPECIERÜM PLAHTARUM CIRCOM BHPXELLAS CRESCENT1DM, SECUNDUM LINHEUM DISPÜSITA, CÜM SYNONYMIS AÜCTORÜM, CU! ADDlTL'It
LEXICON BOTANICON, IN QUO TERMINI ARTIS BREVITER EXPONÜNTUH i
CURA J. KICKX, riiMoucoi'Eomm BRUXEIXEHSIUM COLLECS;
Caeci ruimus ia m u m remolissimanim & nobis, «mplezus, palriarum et igoari el iocurü. tCUEOCUZEK, lt. alp.
'm ., v
BRUXELLIS, TYPIS M.-E. RAMPELBERGH, IX VIA LACTEA. 1012.
Hijzelf was een aanhanger van de botanische school van de Fransman Antoine-Laurent de Jussieu (1748-1836) die het classificatiesysteem van Linnaeus grondig had bijgestuurd. De Franse machthebbers vroegen zijn mening over de stand van de botanische wetenschap in onze contreien. Bovendien verwachtte men van hem dat hij orde op zaken kwam stellen en zijn eigen wetenschappelijke aanpak ingang liet vinden (20). Geordend centraliseren was de boodschap. Agronomisch en tuinbouwkundig scoorden we bijzonder goed. Maar hoe was het bijvoorbeeld gesteld met de systematische inzameling van plantengegevens van eigen bodem? Niet echt schitterend. In bepaalde regio's leek de plantengroei bovendien weinig boeiend, zo schreef de Candolle. O f onze Belgische flora nu echt zo arm was, daar kon hij zich geen definitief oordeel over vormen. Het leek er wel op, maar het kon even goed dat wij zó bezig waren met agronomie, collectiesamenstelling en plantenveredeling, dat wij ons eigen botanisch erfgoed over het hoofd zagen. Gebrek aan tijd zogezegd! Het bezoek van de Candolle, weliswaar op een drafje, liet sporen na in de vaderlandse botanie. Zijn wetenschappelijke aanpak maakte grote indruk bij de regionale en lokale onderzoekers. Onder meer in de Florula wordt aan zijn werk gerefereerd.
GEZOCHT: LANDSCHAP MET QRCHIDFFEN IN VORST C >f/i'.> '<y
"On y trouve d'ahord au printemps l'Orchis morio, L. l'Orchis mascula, l'Orchis latifolia, &c. puis l'Orchis militaris, l'Orchis conopsea, &c. & différentes espèces d'Ophris, & enfin au mois de Juin, l'Orchis maculata, l'Ophris muscaria, & l'Orchis bifolia, dont la couleur blanche mélangée d'un vert tendre est si agréable h l'aeuil, ér dont l'odeur est si délicieuse (...). Plus tard, ou vers la fin de l'été, on rencontre ici, quoique rarement, la jolie petite Ophris spiralis ..." (Rozin) (21). Met de twee soorten die we al vroeger citeerden zouden er dus volgens Rozin minstens elf soorten orchideeën groeien in de omgeving van de abdij van Vorst. Het zou gaan om: Grote keverorchis. Vogelnestje, Harlekijn, Mannetjesorchis, Brede orchis, Soldaatje, Grote muggenorchis. Gevlekte orchis s.l., Vliegenorchis, Welriekende nachtorchis en tenslotte Herfstschroeforchis. (22) Het lijstje met orchideeën dat Rozin hier aan de lezer presenteert, groeit naar zijn zeggen in het park
/«
ZfUfJrUi
'/jjy:
• Hannetjesorchls
kalkhoudende niet-
België: Klopfenstein,
(Orchis mascula).
bemeste gras- en
E; S Toussaint, Ph.
het sotskapken
weilanden, getekend
(1983) Orchidaceae
(manneken] van
door Elisabeth
Belgicae, I, België,
Dodoens, een soort
Klopfenstem
Vierves-sur-Viroin,
van voornamelijk
(uitgave Nationale
mei 1979)
lichte loofbossen en
Plantentuin van
van de abdij van Vorst. Dit geaccidenteerde en sterk gevarieerde terrein zou borg staan voor de grote diversiteit aan soorten, aldus onze 18 c -eeuwse Brusselse botanische gids. Kan dit echter? De tuinen van de abdij, gelegen vlak naast de vijvers lijken aan deze beschrijving niet te voldoen. Als we de diverse topografische kaarten mogen geloven ziet het er een nogal vlakke en weinig gevarieerde bedoening uit. Neemt Rozin de wandelaar dan bij de neus? Bestaan er gegevens van zijn tijdgenoten die ons meer uitleg kunnen verschaffen?
Een moeilijke optelsom Roucel geeft een mogelijke plaatsaanwijzing in zijn Traite {^p. 91) uit 1792, hij vond Vliegenorchis in heuvelige graasweiden "Ie long du bois montueux qui appartient a Vabbaye de Forêt, h une demie lieue de Saint-Gilles, en descendant cette montagne pour aller a Forêt". Als men de kaart van Ferraris (1771-1778) bekijkt, lijkt deze plaatsbeschrijving overeen te stemmen met de omgeving van het Kruisbos, één van de goederen die toebehoorden aan de abdij van Vorst. In de Florula van Dekin en Passy (1814) worden verscheidene orchideeën genoemd voor Vorst en niet de minste: Aapjesorchis {in silvis), Groene nachtorchis {in collibus siccis silvarum) en weerom Vliegenorchis {in pascuis sylvae). (23) Hun informatie is waarschijnlijk uit eerste hand, want ene familie Passy had een buitengoed in Vorst, net ten zuiden van het Kruisbos, nabij de restanten van het Kersbeekbos (ook al een bos dat ooit eigendom was van de abdij). (24) In Kickx' Flora Bruxellensis uit 1812 wordt er zedig gezwegen over orchideeën in Vorst. Toeval of niet, in het exemplaar dat wij konden inkijken stonden notities die van de hand zijn van de zoon van Jean Kickx sr., de in zijn tijd zeer bekende en gewaardeerde Gentse hoogleraar in de botanie Jean Kickx jr. (1803-1864). Hieruit blijkt dat er ook in de jaren 1824-1831 minstens vier orchideeën opgemerkt waren in Vorst: Groene nachtorchis {in herbosis Vorst), Mannetjesorchis {in
Tekening (Chinese inkt) van P. Vitzttiumb. Zicht op het bos van Vorst (26 juni 1806, I4:30u - of 9 Hessidor |aar XIV). Let op het nog jonge opgaande hout en op de graziger open plek met lagere begroeiing (Prentenkabinet Koninkii|l<c Bibliotheek, S II 23617 (II: 47))
M&L
sylva Vorst ab inde 1824 ad 1831), Soldaatje {ad Vorst legit Crocq 1824, ubi amico duce ipse sequenti anno legi) en tenslotte Brede wespenorchis {in sylvis Vorst). (25) Met andere woorden, de tijdgenoten van Rozin vonden slechts drie van de elf opgegeven soorten terug. Een pover resultaat op het eerste zicht! Gelukkig voor hem stammen uit de tweede helft van de 19 e eeuw nog enkele terugmeldingen, één van E. Bommer en Grun (ca. 1860) (26) voor nogmaals de Vliegenorchis {pelouses), een andere van Martinis (ca. 1860) (27) voor Harlekijn {pelouses et prairies) en tenslotte nog een gegeven van Carron en Zwendelaar voor Vogelnestje (1889) (28) {bois). Een schamele vijf op elf? Van Grote keverorchis. Brede orchis. Gevlekte orchis. Welriekende Nachtorchis, Grote Muggenorchis en Herfstschroeforchis geen nieuws ... Is onze Zweedse Belg dan toch een praatjesmaker? Ons inziens niet: de drie eerst geciteerde soorten waren in de 18 e en 19 t eeuw nog behoorlijk algemeen. Het was dus niet nodig er veel aandacht aan te besteden. Voor de laatste drie ligt het een stuk moeilijker. Maar toch is de opgegeven vindplaats niet onmogelijk. Van Welriekende nachtorchis is een hele reeks vindplaatsen in het Brusselse bekend: Zoniënwoud (1803: op diverse plekken), Dielegem
if
O- ^fhl^i'hCi^Cf ótucSCo
.
Zes
dn aJ
VciJX.
-CC^A
-of iLO
fte-e*A*je.A<,& Gmc^u
ÖZCJCA
lf>Z4
r
^é*^
^eM-* %
A Uit: Flora
naast de nummers
van J. Kickx \r.
Bruxellensis van
25-26-27.
Geannoteerd exem-
Jean Kickx (1812).
Het handschrift kon
plaar van de
Zie aantekeningen
door ons geveri-
Rijksuniversiteit
van de hand van
fieerd worden aan
Gent
Jean Kickx jr.
de hand van andere
(Bibliotheek labora-
tegenover p. 58
geschreven teksten
torium Prof. Dr. P. Goetgtiebeur)
(1812), Bosvoorde en Laken (1861), Ganshoren, Laarbeekbos, Linthourbos en Sint-Job (1862), Groenendaal (1866), Linkebeek (1884) ... (29) De vindplaats van Vorst past dus perfect in dit rijtje. Grote muggenorchis was dan weer een stuk zeldzamer: er zijn gegevens uit de wat ruimere omgeving voor Ter Hulpen (1803), Sint-Agatha-Berchem (1812), Vilvoorde (1861), Groenendaal (1889). (30) Voor Herfstschroeforchis is de oogst in literatuur en herbarium zeer mager: zo is er de enigmatische vermelding in de Prodrome de la Fiere Beige, een compilatiewerk van de Belgische flora uitgegeven in 1900-1907 (31) waarin gesteld wordt dat er zich in het herbarium van de Nationale Plantentuin een exemplaar bevindt met de vermelding "Bois de la Cambre". De auteur ervan, Durand, voegt er fijntjes aan toe "sans doute Ie résultat d'une confusion . Gek is dit want in het geannoteerde exemplaar van de Flora Bruxellensis, schrijft J. Kickx jr.: Rozin (...) indique dans Ie bois de la Cambre Ophrys spiralis (32). Deze laatste bewering is ons inziens onjuist als men uitgaat van de bijdrage in L'Esprit des Journaux, er wordt de omgeving van de abdij van Vorst bedoeld. Uit de tekst van Rozin kan men niet afleiden dat de plant ook in de omgeving van de abdij van Terkameren groeide. Wij vonden na een flinke speurtocht dit omstreden exemplaar terug in het herbarium van Meise. Het is echter helemaal niet duidelijk of het gedroogde exemplaar dit van Ter
•4 Dit enigmatische herbariumblad met exemplaren van Herfstschroeforchis, werd reeds door Théophile Durand aangehaald in zijn Prodrome de la Flore Beige (19001907). Deerbij geschreven tekst is het handschrift van Alfred Wesmael, één van de meest ervaren Belgische botanisten (vooral geroemd als eminent kenner van houtige gewassen zoals wilgen, populieren enz.) van die periode. Het is duidelijk dat de plant erboven uit Andenne komt. (Herb. Nat. Plantentuin van België)
Kameren is, vermoedelijk niet. (33) De dichtstbijzijnde goed gedocumenteerde groeiplaatsen zijn Sint-Denijs-Westrem (Gent) en Kaggevinne (Diest). O p de eerstgenoemde site groeide de soort in een grasland rakelings langs het oefenterrein van het leger, nu Flanders Expo! (34) We kunnen dus concluderen dat Rozins orchideeën een stuk waarschijnlijker zijn geworden. Over de precieze vindplaats bestaat er echter nog enige twijfel. Een publicatie uit 1864 van Félix Muller (35) geeft hierover wat meer duiding. In zijn bijdrage wijst de auteur er ons op dat het landschap rond Brussel sterk geëvolueerd is. Braakliggende terreinen, bossen en moerassen zijn ontgonnen en omgezet in landbouwgrond of industrieterrein geworden. Dit is volgens hem de reden, waarom tal van zijn tijdgenoten-botanisten vergeefs hebben gezocht naar de groeiplaatsen van planten die Kickx, Dekin en Passy er eerder die eeuw hadden gevonden. Als voorbeeld bij uitstek voor dergelijke ontwikkelingen citeert hij het bos van Vorst, waar zich in zijn tijd het buitengoed van de heer Mosselman bevond: "especes qui ont cessé de se multiplier, quand les bouleversements operés dans cette partie des environs de Bruxelles sont venus modifier les conditions de
la vegetation". De situering van dit buitengoed levert geen enkel probleem op: het domein Mosselman stemt overeen met het Kruisbos. Dit vroegere abdijgoed van Vorst werd op 3 maart 1797 verkocht en in 1829 was het eigendom van de familie Mosselman. In 1869 werd het opgekocht door de familie Duden tot het iets later openbaar park werd en momenteel bekend is onder de naam Duden Park. (36) Als mogelijke vindplaats voor de orchideeën van Rozin komt dit gebied dus zeker in aanmerking. De diverse vondsten uit de 19 t eeuw bevestigen de vroegere waarnemingen uit de 18 ^ eeuw of maken ze alleszins zeer geloofwaardig.
FT IN ARCADIA EGO Wij waren aan het eind van den hollen weg en zagen een bekoorlijk dal met hoogopgaande boomen, waaronder hoornvee en schapen weidden. (...) Ik sloeg de handen in elkander en was niet weinig opgetogen met hetgeen mijne oogen aanschouwden. (Van der Vijver, 1823) (37) (38) Het landschap in het Brusselse op het eind van het Ancien Régime was nog ongemeen idyllisch. Dat dit landschapsbeeld zeker nog enige tijd nagenoeg
De groeiplaats nabij
De vooral in Oost-
van Herfstschroef-
Vlaanderen zeer
toen al erg zeld-
orchis in een gras-
actieve geneesheer
zame orchideetje
exemplaren van dit
land nabij het hui-
E, Vandermeersch
belandden op dit
dige Flanders Expo
botaniseerde er
herbarmmblad. Herb.
werd blijkbaar flink
duchtig op los.
Rijksuniversiteit
leeggeroofd.
Niet minder dan zes Gent
ongeschonden standhield wordt onder meer bevestigd door reisverslagen van het eind van de 18 ': en het eerste kwart van de 19 c eeuw. De getuigenis hierboven uit 1823 van een Hollandse wandelaar, op stap in Ukkel, spreekt voor zich zelf. De arcadische natuurtafereelen in het naburige Vorst moeten zeker niet ondergedaan hebben voor die van Ukkel. Als we de kaart van Ferraris van ca. 1775 bekijken, dan zien we dat het eigenlijke dorpsgebied van Vorst, met als opvallende kern de in 1096 gestichte abdij (eerst nog priorij), nauwelijks 60 ha beslaat. Aan de bebouwing ten zuiden van de abdij sluit een klein moestuinareaal aan. Aangrenzend ten noorden liggen enkele grote vijvers, die voor de nodige zoetwatervis moesten zorgen voor de abdijbewoners. Ten westen bemerkt men de beemden op de valleigronden (Zenne, Geleytsbeek). Ze waren niet alleen voor de hooiproductie belangrijk maar ze deden ook dienst als graasgebied voor het vee
s ciixi isÉ&J*^.
's-*.rf#
Het abdij- en kloosterbezit op het eind van de 18 c eeuw besloeg in Vorst meer dan 447 ha of bijna 7 5 % van de totale oppervlakte. De abdij van Vorst had het leeuwendeel van de gronden in haar bezit, meer dan 367 ha, de abdij van Ter Kameren volgde op verre afstand met zowat 76 ha. (39) In 1784 telde Vorst 740 inwoners. Net nadat Rozin zijn bevindingen over de plantengroei van Vorst gepubliceerd had, werden de abdijen afgeschaft (Vorst op 8 oktober 1796, Ter Kameren op 17 november 1796). Met de afschaffing van de abdijen zal een nieuwe landschapsdynamiek ingeleid worden.
CCLt,
Planten met een eigenzinnige voorkeur
YSBROK.CK
A Kaart van Ferraris
De huidige Brusselse
(1771-1778).
voorsteden zoals
Kaartblad Ukkel I
Vorst, waren toen
(77). Uitgave van
nog erg landelijk
het Gemeentekrediet
gelegen dorpen,
van België.
Bemerk het heldeareaal nabij Stallf
(hoornvee en schapen). Vooral het deel aansluitend bij de abdij is afgeboord met houtkanten. Ten oosten en ten zuidoosten ziet men enkele bossen en aansluitend heidegebieden, geprangd tussen de laagvlakte van de Zenne en het plateau, de zogenaamde Hoogte Honderd. Ter hoogte van de grens met Ukkel loopt de heide door richting Stalle. Deze gronden leenden zich uitstekend voor de schapenteelt die tot aan het einde van het Ancien Régime economisch zeer belangrijk was voor de gemeente. O p de akkergronden verbouwde men naast graangewassen, rapen, koolzaad en vlas, naar het eind van de 18 e eeuw ook aardappelen en klavers. Ook de groenteteelt werd stilaan belangrijker. Tot het einde van de 17 e eeuw waren er in Vorst ook nog wijngaarden geëxploiteerd, onder meer in de omgeving van het Kruisbos. Qua industrie stelde de gemeente niet veel voor ten tijde van Ferraris. Enkel de watermolens (olie- en papierproductie) hadden enige industriële betekenis.
Orchideeën zijn vaak betrouwbare indicatorsoorten voor overgangssituaties in kalk- of voedselrijkdom. Veel soorten zijn specifiek voor schrale voedselarme gronden. Hun aan- of afwezigheid kan daarom worden gebruikt om een redelijk beeld te krijgen van de heersende milieuomstandigheden. De orchideeën van Rozin wijzen terzelfder tijd op het bestaan van een voortdurend spanningsveld tussen grasland en bos. De grenzen tussen bos en grasland en ook die tussen bos en akkerland waren in de 18 e en 19 c eeuw beduidend minder scherp dan in de periode nadien. Bovendien waren er toen nog heel wat gronden die het midden hielden tussen grasland en bos. Een dergelijk terreintype noemen wij wastine. (40) Bij de opgesomde orchideesoorten zijn er die wijzen op graslandsituaties (dikwijls hooilanden) zoals Brede orchis en in mindere mate Harlekijn en Grote muggenorchis. Soorten zoals Herfstschroeforchis, Welriekende nachtorchis of de door Dekin en Kickx gevonden Groene nachtorchis en Aapjesorchis wijzen dan weer vooral op heischrale graslanden. Nog andere refereren aan zomen en bosranden of open bos zoals Vliegenorchis, Soldaatje en Mannetjesorchis. (41) Vinden we al deze terreintypen in Vorst terug aan het einde van de 18 t eeuw? Voor een goed overzicht zetten we enkele voor ons belangrijke elementen over het bodemgebruik nog even op een rij: • De bossen van Vorst en hun omgeving, het Kruisbos inbegrepen, hadden op het eind van de 18 c eeuw al een bewogen geschiedenis achter de rug. In tegenstelling tot de hoofdmoot van het nabijgele-
In het Brusselse was — net zoals in provincies Oosten West-Vlaanderen — de druk op het bos bijzonder hoog. De armoede van delen van de bevolking spoorde bovendien aan tot illegale praktijken. O f zoals Verniers in zijn Histoire de Forest het uitdrukt: "Pour les villageois, presses par Ie besoin, les bois apparaissaient comme une réserve naturelle dans laquelle il leur semblait legitime de puiser". Bosdelicten waren dus schering en inslag: heimelijk vellen van bomen, roven van strooisel, inzamelen van varens als stalstro, sprokkelen, beweiden met hoornvee, schapen en zelfs varkens... Tijdens de 17 e eeuw berokkenden bovendien oorlogskappingen grote schade aan het bos, aldus een abdijkroniek. (42) In de 18 e eeuw was de wildstand in en rond Zoniën nog van die aard dat ook wildschade aan het hakhout niet achterwege kon blijven: herten en wilde zwijnen waren er te over. In de woelige jaren 1794-1795, dus eventjes voor de visite van Rozin was er gedurende de winterperiode een groot tekort aan brandhout. Houtroof was dan ook aan de orde van de dag. Zelfs de vrijheidsboom moest er aan geloven. Het liep zelfs zo uit de hand dat men even later in de Franse tijd de boswachters het recht gaf om een geweer te dragen. Zo konden ze beter optreden tegen de talrijke bosdelicten.
Aap)csorchis (Orchis simla), een soort eigen aan schrale kalkgraslanden. getekend door Elisabeth Klopfenstem (uitgave Nationale Planteniiiin van België: Klopfenstein. E; S Toussalnt, Ph. (1983) Orchidaceae Frankrijk, Ardennes: Chooz, mei 1981)
r,r/,...
gen Zoniënwoud was het beheer ervan middelhoutbeheer: men vond er dus een mengeling van vrij ver uit elkaar geplante opgaande bomen en bomen die onder een hakhoutregime vielen met een omlooptijd van ca. 10 jaar.
Het gemene helde-
delijk als aparte
Kaarten en plannen
gebied van Stalle
entiteit herkenbaar.
In handschrift,
{ildik heyöej is op
Detail uit Csrte
deze kaart van
figuratief van de
2017. Algemeen
landmeter Everaert
Cle/ne Ihiende
Rijksarchief Brussel,
uit 1757 nog dui-
onder Uccie.
"' * t '--^mm* Vr^ W'
K
'$\
...
• Ook de voorgeschiedenis in het bodemgebruik van de 18 ^-eeuwse abdij bossen is niet zonder belang. Het Kruisbos was zeker tot een stuk in de 15 e eeuw een heidegebied {den Cruysbosch dat de Werelsheyde te hetene plach), ontstaan door bosdegradatie ten gevolge van overbegrazing en al dan niet legale houtwinning. De plaatsnaam Werelsheyde verwijst naar gemeen gebruik. Het landschapsbeeld kunnen we nog het best omschrijven als wastine. Het was een plek waar kudden schapen graasden zoals die van het schaaphof van de abdij gelegen op de Hoogte Honderd, het Hof te Slotsenberg. (43) Het aansluitende Zevenbundersbos had ook een wastineverleden. Het was pas in 1687 ingezaaid geweest met zaad van eik, hazelaar, linde en berk "ow te zien oft bequaem sal sijn van 't selve te bewercken in bosch". (44) Het nabijgelegen Kersbeekbos tenslotte sluit hier het rijtje af. De naam Heidebos die op een deel ervan sloeg, laat weinig twijfel bestaan over het gebruik: het paalde immers aan de gemene heide van Stalle. Stalle heyde, een gemeenschappelijke graasgrond van meer dan 10ha, bleef voor de schaapskudden zeker nog in gebruik tot in het eerste kwart van de 19 e eeuw. Bosdegradatie ten gevolge van
WK*-.
M&L•. •' '.^ •' .
•:?•'.• I
Z/*"
r^r^"X^
"Le terrain inégal
jaar XI of 12 okto-
bos (relatief recente
et infinement varié"
ber 1802: tekening
aanplant) zien even-
Het zicht op een
in Chinese inkt) van
wel met veel reliëf
deel van het Bos
de hand van P.
en open plekken.
van Vorst
Vitzthumb, laat ons
Op deze tekening
(20 vendémiairc.
een vrij eenvormig
bemerkt men nauwelijks hakhout.
( t*/?cfA*k*<m iv4*t*i r~Z y
(Tuuttnan
Groene nachtorchis
landen en bos-
E; & Toussamt, Ph.
(Coeloglossum viri-
randen, getekend
(1986) Orctndaceae
de), een weinig op-
door Elisabeth
Belgicae, 4, België,
vallende soort van
Klopfenstein
Hatagne-la-Petite,
vrij zure tot kalk-
(uitgave Nationale
mei 1984)
rijke, vaak schrale
Plantentuin van
en onbemeste gras-
België: Klopfenstein,
beweiding, al dan niet oogluikend toegestaan, moet in het Kersbeekbos schering en inslag geweest zijn.
Vorst-Vossegat. Heide of heischraal grasland kwam ook voor in een enclave van het Kruisbos, een gemene heide, op de kadastrale atlas van Vandermaelen (1836) aangeduid met het toponiem Tusschen Eyde de Schats. (46) Het feit dat deze strook niet als heide op de Ferrariskaart staat aangeduid, betekent niet dat hier geen heischrale vegetaties voorkwamen: een menging van planten van heiden en schrale graslanden. Zonder twijfel bestond er op het eind van het Ancien Régime nog een overvloed van vleksgewijs voorkomende heischrale vegetaties, zowel op de hellingen als op de plateauranden als we de heide- en veldtoponiemen die hier in oorsprong naar verwijzen als leidraad nemen.
• Er zijn aanwijzingen dat minstens delen van het 18 e -eeuwse bosareaal van de abdij ooit ontgonnen zijn geweest als groeve voor kalkzandsteen en/of kalk (de zogeheten scheysputten). Vermoedelijk lagen de ontginningen vooral geconcentreerd langs de heirbaan van Brussel naar Stalle, op de overgang naar het plateau van Hoogte Honderd. Delen van het Kruisbos en het Zevenbundersbos, palend aan het plateau zijn dus waarschijnlijk minstens als tijdelijke groeve gebruikt geweest vanaf het ontstaan van de abdij. (45) Grondstofwinning heeft uiteraard repercussies op bodems.
We mogen immers niet uit het oog verliezen dat vooral de schapenteelt tot op het einde van de 18 e eeuw nog uitdrukkelijk aanwezig was in het landschap van Vorst. De teelt was wel al over haar hoogtepunt heen. Door intensivering van de landbouw (met afschaffing van de braaklegging en rapen- en klaverteelt na de stoppels en de invoer van standweiden en stalvoedering) was de fok van wolbeesten minder interessant geworden. Maar de inwoners van Vorst bleven verknocht aan de schapenteelt... (47) Naast de schapen waren er uiteraard ook nog koeien, ganzen en varkens die gemeenschappelijk gehoed werden.
• In de 18 e eeuw was er dus nog heide en/of schraal grasland aanwezig op het grondgebied Vorst. Wij verwezen al naar Stalle heyde, een degebied op het aanpalende Ukkel, grenzend
Dit betekende dat dagelijks kudden dieren onder toezicht van een scheper of herder langs de wegen van Vorst trokken. Buiten het afweiden van gemeyne plaetsen, voirelen, breeklanden, stoppelen, straeten.
heivan heiaan
M&L
— gemene weidegronden: De weide-, broek- en beemdgronden in de vallei waren in oorsprong gronden die gemeenschappelijk beweid werden. O p het eind van de 18 e eeuw was wel al het grootste deel van dit weideareaal geprivatiseerd en als hooiland in gebruik. Nabeweiding kon en werd op minstens een deel van deze gronden toegelaten. Het equivalent van het weideareaal van de vallei vindt men op de helling- en plateaugronden terug als heide- en veldplaatsnamen. Ook binnen dit areaal was er eind 18 L eeuw al duchtig geprivatiseerd. Toch bleef een aantal gemeyntegmn&zn (50), zowel in de vallei als hogerop, nog tot in de 19 t c eeuw standhouden, alle pogingen tot opheffing ten spijt. — verzamelplaatsen voor vee: Langs de driftwegen deed de dries en mogelijk ook de biest dienst als verzamelplaats voor vee. Over de precieze functie en de oorsprong van driezen en biesten verwijzen we naar gespecialiseerde literatuur. (51) — omheinde ruimtes: Ook langs de driftwegen bevonden zich omheinde ruimtes, waarin men dieren liet grazen (bochten of boxen) of waarin ze werden geschut. Voorbeelden daarvan zijn het Schepersstuck langs de Hertstraat of de Schats bij het Kruisbos.
Zware erosie langs een steile helling in Dudenpark. Te wi|ten aan overdreven recreatie en aan vroegere vergravmgen? (Foto 0. Pauwels)
heyden ..., hadden de inwoners van de gemeente sinds immemoriale tyden het recht om onder meer hun schapen te laten grazen op den thommaert (het nagras of de toemaat) van de meersen of afgemaaide hooibeemden van de abdij, gelegen op de valleigronden. Ook de inwoners van het naburige Stalle konden van dit recht genieten. (48) Plaatsnamen die verwijzen naar driftwegen, gemene weidegronden, verzamelplaatsen, omheinde ruimtes voor vee zijn dan ook legio en verspreid over het volledige grondgebied (vallei, helling, plateau) bijv.: - driftwegen: Hertstraat-Rue du Cerf (in oorsprong een veedriftweg, vgl. heert, heerdgang, herder). Groenstraat (49) (nu als plaatsnaam verdwenen). Lange Vierstraat (een vervorming van het dialectwoord vie, of vee) nu terug te vinden als Vuurstraat-Rue du Feu, Koijestraat (nu als plaatsnaam verdwenen: gelegen in de buurt van de huidige Stationsstraat en de Bollinckxstraat);
M&L
Het agropastoraal systeem van Vorst tijdens de 1 8 ^ en zelfs tijdens het begin van de 19 !: eeuw (uiteraard reeds in flink afgeslankte vorm) vertoonde heel wat gelijkenissen met het heerdgang- en dorpsheidesysteem zoals dit onder meer gekend is uit Limburg. Behalve de gemeynte-gronAzn (zowel in de Zennevallei als op helling en plateau gelegen) werden ook de driesgronden, de boomgaarden, wegbermen, - plaatselijk en naar gelang van de noodzaak en de vraag ( vrij van winterteelt) - zelfs nog de stoppelvelden en middelhoutbossen periodiek beweid. (52) Hierbij moest de nodige voorzorg in acht genomen worden om schade aan gewassen en bomen te voorkomen. Maar we mogen veronderstellen dat dit niet altijd even nauwlettend gebeurde. Conclusie: er bestonden driftwegen in de vallei (Hertstraat), die trouwens doorliepen naar Anderlecht en Drogenbos. Naar onze mening liepen er ook langs de plateaurand (zoals de vroegere heirbaan van Brussel naar Stalle: de Gatti de Gamondstraat en de Domeinlaan). Beide stelsels waren onder andere met elkaar verbonden via de Kwadestraat- Koijestraat (nu onder meer Jean-Baptiste Vanpéstraat, Beukenberg). O p het eind van de
M^tJÊ^
^
•
"
:
-
r
•
.
•: •
i
-
f%*> »
*
. & ? - ' - M-
.
. ' • • •
•
'
•4 "Le terrain mégal et mfmement vané". Op sommige plekken in Dudenpark waant men zich met moeite in Brussel. Plotse reliëfverschil-
IS11' eeuw waren rondtrekkende kudden dus nog een alledaags verschijnsel. Extensieve begrazing was hiervan het gevolg. Weliswaar was het aantal dieren al behoorlijk uitgedund in vergelijking met vroegere perioden. Deze vorm van landbouw was toen al stevig op zijn retour ten gevolge van de intensivering van de agrarische bedrijvigheid.
len van meer dan twintig meter die uitgeven op een lager gelegen gazon lijken met van uitsluitend natuurlijke oorsprong (Foto 0. Pauwels)
Le terrain inégal et infiniment varié van Rozin, was volgens ons dus niet het abdijpark van Vorst, zoals hij stelt, maar waren wel de abdijbossen en de omgevende gronden op de hellingen, in eigendom van de abdij, met de nadruk op het Kruysbos en de gemene heide, én mogelijk ook de bosomgeving nabij het Vossegat. Zijn landschapswandeling zal er zeker idyllisch hebben uitgezien. Ze speelde zich alleszins afin een parkachtige omgeving, maar die lag er dan wel knap gedegradeerd bij. En vermoedelijk moet deze situatie (aanwezigheid van gedegradeerd bos en al dan niet vochtig tot nat (hei)schraal grasland) op dit zeer gradiëntrijke terrein uitermate gunstig geweest zijn voor tal van orchideeën. Rozin registreerde - zonder het te beseffen - de halfvergane glorie van een plantenwereld gebonden aan een cultuurlandschap. Dit landschap was het resultaat van een agro-pastoraal systeem dat over zijn hoogtepunt heen was. Middelhoutbeheer en extensieve begrazing droegen ongetwijfeld in sterke mate bij tot de plantenrijkdom. Dat ook bodemkundig en geologisch de omstandigheden op verre na niet ongunstig waren weten we niet alleen uit recente bodem- en geologische kartering. Niemand minder dan Charles Lyell (1797-1875), één van de grondleggers van de moderne geologie, ging er ooit op excursie "in a deep lane near the country-seat of M. Musselman . (53) Hij zag er de onderscheiden geologische lagen dagzomen langs die holle weg: leperiaanzand met kalkzandsteenachtige banden (gidsfossiel; Nummilites planulatus); deels glauconiethoudend, deels kalkrijk Brusseliaanzand en tenslotte kalkrijk en fossielrijk Lakeniaanzand (nu tot het Lediaan gerekend).
Kalkrijk en kalkarm zand - al dan niet overdekt met lössleem - wisselen elkaar af op de hellingen. Daar waar de leperiaanklei nabij de oppervlakte komt, vinden we tijdelijke of permanente bronnen. De gradiënt kalkrijk-kalkarm, gekoppeld aan weinig of geen bemesting is een prima-uitgangssituatie voor orchideeën, zeker langs de zuidzijde van hellingen. (54)
Over vergankelijkheid Rond 1830 was het bosareaal van Vorst al drastisch verminderd, een groot deel ervan was omgezet in cultuurland. Natte gronden werden er volgens nieuwe technieken ontwaterd. (55) De gemene weidegronden, heiden en wastines die eertijds aansloten op het bos kregen geleidelijk een andere bestemming om later bij het verdere verstrijken van de 19 c eeuw zo goed als compleet te verdwijnen. Verviel op de meeste plaatsen het recht van vrijgeweide op het eind van het Ancien Régime, dan bleef het in Vorst nog voortleven tot het midden van de 19 e eeuw. Het hoeden van de gemeentelijke kudde werd er nog jaarlijks verpacht, zeker tot in 1859. (56)
v'
V'%%ti;,
^ÏÏI
I v<
• >A,
'W
-^M
'V." 15 ^^ 1 ^/^^.
^w'W&K •;•:••'•
's/t
P"; s
L^KSI
^orèt~-
T WK.df
'ïKiï
i\ / toJÊë^0^y& Min
M&L
Kaart in manuscript
zijn nog uitdrukke-
gewoonlijk ook tot
ten oosten van
van de omgeving
lijk aanwezig.
het Zevenbundersbos
het Kersbeekbos
van Brussel.
Het Kruisbos staat
gerekend. Van het
(Koninklijke
gemaakt door
hier verkeerdelijk
heideareaal van een
Bibliotheek van
Guillaume de
aangeduid als Bois
halve eeuw eerder
België. Afdeling
Wautier (aanvullin-
de Forêt. het Bois
(Ferranskaart) is
Kaarten en Plannen.
gen tot 1821).
dit Cruysbosch van
nog nauwelijks een
Detail van Kaart-
De bossen van Vorst
deze kaart wordt
fractie bewaard iets
blad 4)
.• v ••i i :J.-.
Door het afschaffen van de gemeentelijke kudden werd meteen de doodsklok geluid over het eeuwenlange agro-pastorale verleden van Vorst. Toen in het begin van de 20"e eeuw de laatste particuliere scheper of schaapsherder verdween , en ook de keuters die gingen wandelen met hun éne dier aan een zeel letterlijk uitstierven , viel het doek volledig ... Eeuwenoude begrazingspatronen die rechtstreeks of onrechtstreeks verbanden hielden met driftwegen en gemene begrazing gingen voorgoed verloren en met hen de heiden, schrale graslanden, grazige bosvegetaties en boszomen. Binnen de vroegere bosgebieden van de abdij hadden enkele kapitaalkrachtige families al dan niet riante buitenverblijven gebouwd zodat de beboste oppervlakte verder afnam en het bos zelf met de loop der tijden evolueerde naar een hooghoutbos. Bos en meer bepaald hakhout was niet langer meer de eerste brandstofleverancier. Met het verdwijnen van het economisch belang van middelhout, verdween ook in versneld tempo de relatieve openheid van het bos. Door deze beheersverandering ging als het ware het licht in het bos uit met alle gevolgen van dien voor lichtminnende plantensoorten zoals het gros van de orchideeën. Buiten de orchideesoorten verdwenen in de loop van de 19de eeuw nog talrijke andere plantensoorten die hier kenmerkend waren voor de overgang tussen grasland, wastine en bos. Het waren naast soorten met een voorkeur voor schrale graslanden met kalkbijmenging zoals Driedistel (57), Aarddistel, Echte gamander, Kleine steentijm, Voorjaarsganzerik, Kleine pimpernel, Bochtige klaver (58) ... (59) ook planten uit de zure heidesfeer met als uitschieters Rozenkransje, Heidekartelblad, Stekelbrem (60) en Maanvaren . (61) Ook soorten van arme zandgronden zoals Overblijvende hardbloem en Dwergviltkruid lieten het afweten. Van de zoomplanten uit het meer kalkrijke milieu bleefHokjespeul alvast aanwezig tot in de jaren ' 50 van de 20"e eeuw. (62) Toen werden er nog tal van bos- en kapvlaktenplanten waargenomen die Kickx en enkele latere botanisten er al gevonden hadden: Eenbloemig parelgras, Heelkruid, Dalkruid, Drienerfmuur, Berghenshooi, Ruig hertshooi ... (63) Bij de bosplanten die niet meer teruggevonden werden, vermelden we Blauwe bosbes, Spatelkruiskruid en Zoete wolfsmelk. Het soortenspectrum uit de overgangszone boswastine-grasland is in die periode al zeer sterk ingeperkt, de meest kwetsbare planten verdwenen.
•Schaapsherder met kudde (20'" eeuw: Waals gedeelte van de Sint·Pietersberg bij Eben: Heyoul). Het hoeden van de
gemeentelijke schaapskudde ge· beurde in Vorst nog tot 1859 (Persoonlijk archief Martine Lejeune)
Gradiëntrijke overgangen ZIJn nu veelal scherpe grenzen geworden. Voor de aftakeling van de plantengroei gedurende de laatste honderd jaar is de vrijwel totale verstedelijking verantwoordelijk. (64) Buiten de parkzones blijven er nog nauwelijks open ruimten van enige omvang over.
Orchideeën in Vorst: uitzonderlijk voor het Brusselse? Het antwoord op deze vraag hebben we hiervoor al in beperkte mate gegeven. Opgaven van zeldzame orchideeën voor de streek rond Brussel zijn- althans in de 19de eeuw- inderdaad niet uitzonderlijk. In totaal werden meer dan twintig verschillende soorten gevonden. Wat de bosgebieden en de bosomgeving betreft, duiken steeds weer dezelfde namen op. Naast de bossen van Vorst scoren vooral Terkamerenbos en in mindere mate de sites rond Rood Klooster en Groenendaal in het Zoniënwoud hoog. Een kleine maar toch soortenrijke vindplaats was het Laarbeekbos en zijn omgeving (minstens zes soorten). Soorten zoals Vliegenorchis, Bergnachtorchis en Vogelnestje waren ruim verspreid in de nabijheid van de hoofdstad. Daarvan getuigen niet alleen de diverse publicaties van de al eerder vermelde bota-
M&L
^
r,^
«W.-/A., / * • - / « -i A.r.A. H •
• -- - J
•
Kogelorchis
de exemplaren die
gezien het hand-
(Traunstelnera
ooit "op den
schrift van Jean
globosa): gevonden
Eyssel" gevonden
Kickx |r.
door Jean Kickx sr.
werden? Dit is meer
(Herb. Rijks-
in Laken. Zijn dit
dan waarschijnlijk
universiteit Gent)
nisten maar ook de herbaria van de Plantentuin van Meise en van de Gentse Rijksuniversiteit. Opvallend is dat zowat alle vindplaatsen van orchideeën — binnen bosverband — in middelhoutbos liggen, en dit niettegenstaande het belangrijkste bosgebied van de Brusselse regio, het Zoniënwoud, in hoofdzaak bestaat uit hooghout. Ook de vindplaatsen die vernoemd worden binnen of aan de rand van het Zoniënwoud, wijken niet af van deze algemene regel. Want zowel rond Rood Klooster, de abdij van Terkameren als rond Groenendaal sloten min of meer uitgestrekte partijen middelhoutbos bij het domaniaal woud aan. Dit is natuurlijk geen toeval. Middelhoutbos bracht gewoonweg meer op dan hooghoutbos. Het hooghoutbos van Zoniën was er in hoofdzaak voor het jachtplezier van de machthebbers. Net zoals de rest van de bevolking hadden de abdijbewoners en kloosterlingen voortdurend nood aan brandhout en geriefhout. •
M&L
Maanvaren, een
de soort in de I 9 d ' anden.
klem varende (4-25
eeuw nog spaar-
( f " ' 0 h^ri
cm) is nu in België
zaam voor in enke-
Kampen, Frankrijk,
uiterst zeldzaam. In
Ie droge heiden en
me
het Brusselse kwam
heischrale grasl-
i "86)
Ook op het grondgebied van het 19 '-eeuwse Laken zou de hedendaagse orchidofiel zeker aan zijn trekken komen, ook buiten bosverband: meer dan tien soorten werden hier ooit waargenomen,
Kleine kevcrorchis,
orchis, gevonden in
waarneming van
een inheemse
nos Alpes Belgique
een raadselachtige
orchidee?
(sic) (grosso modo,
figuur (Tack e.a.
Charles Van Hoore-
de Vlaamse
1993: 236-237).
heke (1790-1821)
Ardennen-Pays des
Maakt de vondst
liet ons een herba-
Collines: Amougies,
van Kickx in Laken
rium (bewaard in
Kussignies,
de betrouwbaarheid
de R.U.Gent) na
Onkerzele, Orroir).
van dit herbarium-
met Kleine kever-
Een verdachte
materiaal groter? t'jfr/è<7s-/i,J
waaronder een aantal zeer opmerkelijke. Onder meer Kogelorchis en Kleine keverorchis worden in de flora van Jean Kickx sr. geciteerd. Net zoals Durand in de Prodrome de la Flore Beige (65), stellen wij ons vragen over de vondst van Kogelorchis niettegenstaande de opgave van een precieze vindplaats en het bestaan van herbariummateriaal. (66) Is het materiaal afkomstig van een inheemse populatie? Kogelorchis is immers een gebergtesoort. De vondst van Kleine keverorchis lijkt voor een hedendaagse botanist ook weinig aannemelijk, maar wie weet? (67) Over de andere soorten bestaat geen twijfel: Harlekijn, Groene nachtorchis, Poppenorchis, Moeraswespenorchis ... De meeste orchideeënsoorten die in en om Brussel werden aangetroffen zijn duidelijke kalkminners. Het is niet toevallig dat ze werden opgemerkt op plaatsen met een meer kalkrijke bodem, vrij vaak in de omgeving van vijvers. De meerderheid van de bodems van Zoniën zelf is extreem zuur.
/*(7M.)Afd
f^Z-
y
Gt&n/&
Moeraswespenorchis
komt de plant nu
(Epipactis palustris).
ook nog zeer zeld-
België: Klopfenstein, E: & Toussamt, Ph.
een warmtemmnen-
zaam voor.
(1983) Orchidaceae
de soort van moe-
Getekend door
Belgicae, I,
rassen en natte
Elisabeth Klopfen-
Erankrijk, Aisne:
graslanden op voor-
stein (uitgave
Bièvre. {unil98l)
al basische gronden.
Nationale
(Bibliotheek Nat.
In Vlaams-Brabant
Plantentuin van
Plantentuin, Meise)
Waren de orchideeën dan misschien de blikvangers van de botanische rijkdom van de middelhoutbossen, bijv. rond Terkameren en Rood Klooster, ze waren zeker niet de enige vermeldenswaardige planten. In Terkamerenbos, sensu Kickx (met name het bos dat eigendom was van de abdij) groeiden naast Soldaatje, Vliegenorchis, Vogelnestje en Bergnachtorchis ook nog Ruige scheefkelk. Gele anemoon en Schedegeelster. Zijn Terkamerenbos onderscheidde zich duidelijk van een bos dat hij Heder noemt (als toevoeging geeft hij een enkele keer prop e het Vleuggai). (68) Dit moet de nabij het Vleurgat gelegen Heegde geweest zijn. De Heegde
behoorde tot het eigenlijke Zoniënwoud en was het enige deel van het domeinbos dat onder middelhoutbeheer viel. De abdij van Terkameren had er weiderechten. Dit bos werd blijkbaar vooral gekenmerkt door zuurminnende bosplanten zoals Grote veldbies en Valse salie naast planten van zuur open bos, bijv. Fraai hertshooi, Waterpostelein, Bosdroogbloem en Heidekartelblad. Het huidige Terkamerenbos, waarvan de parkaanleg dateert van 1 862 (69) stemt grosso modo overeen met dat deel van de Heegde dat Kickx nog had gekend. Het restant ervan evolueerde er naar een parkbos, waarin hooghout domineert. Uit een inventarisatie van 1980 (70) blijkt dat van bovenvermelde soorten nog enkel Grote veldbies en Fraai hertshooi werden waargenomen. Het Terkamerenbos van Kickx verdween daarentegen volledig van de kaart. Het ging ten onder aan de stadsuitbreiding. In de omgeving van Rood Klooster groeiden ooit Bruine orchis, Vliegenorchis, Bergnachtorchis, Welriekende nachtorchis en Vogelnestje, naast Klein en Rond wintergroen, Vingerzegge en Slanke zegge, Driedistel e.a.. Van Vliegenorchis en Vogelnestje zijn er nog waarnemingen bekend uit de 20 sre eeuw evenals van Vingerzegge en Slanke zegge. (71) Echt recente informatie (72) over dit gebied is ons niet bekend, maar het lijdt geen twijfel dat men er dezelfde trends qua achteruitgang van soorten zal vaststellen als in de andere besproken bosgebieden.
SF NON E VERQ... De zonet apart besproken bossites, mogelijk met uitzondering van het Laarbeekbos, sloten tot in de Middeleeuwen aan bij het Zoniënwoud dat zelf een relict was van het vroegere Kolenwoud. Alle hebben ze een woelige tot zeer woelige geschiedenis gekend. Tijdens de Middeleeuwen werden ze door de machthebbers aan abdijen en kloosterorden toebedeeld die er zich in de onmiddellijke omgeving vestigden: de bossen van Vorst en Terkameren (Eisene) gingen naar de gelijknamige abdijen, Laarbeek (Jette) naar de abdij van Dielegem, Rood Klooster (Oudergem) en Groenendaal (Hoeilaart) naar priorijen. Over het uitzicht van de goederen op het tijdstip van de verwerving weten we bitter weinig: veelal kennen we niet meer dan de melding dat er bos, heide of wastine en moeras aanwezig was op het moment van de stichting.
Op dit detail ïan
ondergrondse steen-
op ondergrondse
de titelpagina van
winning in het
gangenstelsels
Oryctographie de
Brusselse (Etter-
gestoten
Bruxelles (1784)
beek). Bij grote
van F.X. de Burtin
infrastructuurwerken
bemerkt men een
in Brussel is men al
voorbeeld van een
verschillende malen
(Bibliotheek Nat. Plantentum, Meise)
Moerassen werden in de mate van het mogelijke drooggelegd of tot vijvers omgevormd, waarschijnlijk nadat ze eerst waren ontveend (turfbrandstof). In de vijvers werd er vis gekweekt. Voor hun materieel voortbestaan waren de abdijen kloosterbewoners sterk afhankelijk van vee: varkens, schapen, koeien, pluimvee ... Door overbegrazing met vee en met het jachtwild van het naburige Zoniën, degradeerden de nog aanwezige bossen verder tot zure heideachtige wastines of tot dorre schraallanden met meer kalkachtige bodems. Grote delen van de wastine werden later uit economische noodzaak omgevormd tot cultuurgrond (zoals graanakkers en wijngaarden) en middelhoutbos (hakhout: brand- en geriefhout, opgaande bomen: timmerhout) of ze bleven verder beschikbaar voor gemene begrazing. Dit laatste was een praktijk die slechts langzaam afkalfde. Het Vlaamse middelhoutbos (73) was gekenmerkt door intensief onderhoud waarbij men er niet voor terugschrok het hakhout dat niet genoeg produceerde te rooien en te vervangen via inboeten.
•UK "tit?*?***-*, j, ^--aV .".7 ^ H f c . i ,v>" ^ ^»»*
s
*si
.r\,l-
Kaart in manuscript
Laken (omgeving
van de groeven.
groeven vaak moei-
van de omgeving
Ossegem). De vaak
Het is bekend dat
lijk opspoorbaar
van Brussel,
vrij grillige ontgin-
grachtsystemen
(Koninklijke
gemaakt door
ningssporen van de
werden ontworpen
Bibliotheek van
Guillaume de
groeven zijn op
om het water te
België. Afdeling
Wautier (aanvullin-
deze kaart duidelijk
kunnen evacueren
Kaarten en Plannen.
gen tot 1821).
merkbaar: poelen,
uit de open ontgin-
Detail van
Detail van het
bossen, moerassen
ningen. Op de
Kaartbladen 3 en 4)
grondgebied van
liggen op de plaats
Ferrariskaarten zijn
Opgaande bomen werden doorgaans niet geveld maar gerooid. Hierdoor werd de bodem steeds opnieuw vergraven. De mengeling van kalkachtige en zure grond was als het ware een panacee voor tal van zeldzame plantensoorten zoals orchideeën. Het hele gebeuren speelde zich af in een tijdvak waarin meststoffen kostbaar waren. Van overbemesting was geen sprake. Eerder was er een tekort aan mest, met bodemuitputting tot gevolg. Is dit het verhaal? Niet helemaal. Rond Brussel net als op tal van andere plaatsen, waren er tal van winningen van allerhande bodemmaterialen: veenwinningen voor turfbrandstof in de valleien (74), winningen van gronden voor baksteen (vgl. toponiem Careelweijde
te Vorst)... Maar waar de streek helemaal in uitblonk waren de exploitaties van (kalk)zandsteen, zand en kalk voor de bouwnijverheid Ze gebeurden in tertiaire afzettingen, zogenaamde Brusseliaanafzettingen die onder meer dagzomen ten oosten van de Zenne. Die bestaan nagenoeg uitsluitend uit zanden, al dan niet kalkhoudend of glauconiethoudend, sommige bevatten concreties met kiezelcement (grottensteen). De samenstelling van de afzettingen en de erin voorkomende fossielen werden al uitvoerig beschreven op het eind van de 18 e en vooral in de 19 e eeuw. Onder meer de al eerder genoemde Charles Lyell wijdt hier ettelijke bladzijden aan. (75) Heel de omgeving van Brussel is bezaaid met terreinen waar dergelijke winningen plaatsvonden. Probleem is dat deze winningen vaak moeilijk herkenbaar zijn en dat documenten erover — als ze al bestonden — vaak verloren zijn gegaan. Wij wezen al op het bestaan van mogelijk zeer oude groeven op het grondgebied van Vorst. Maar evenzeer bevonden er zich bij Terkameren, Rood Klooster en Groenendaal (76).
M&L
ALS TO E MAAT Gluren bij de buren: de bossen van Nederlands Zuid-Limburg Zeker is het dat een pleizierreisje de aangenaamste uitspanning en verpoozing is voor hem, die gewoon is het leven als arbeidende te slijten. (...) Ondervinding doet mij aldus spreken. Ik, die gewoon ben aan dagelijksche bezigheden, welke meer het hoofd dan wel het ligchaam vermoeijen, vind geene aangenamer, nuttiger en leerzamer verpoozing tevens, dan het bezoeken van deze en gene eenigszins afgelegene oorden van de plaats onzer woning. Onze 19 c eeuwse Hollandse bezoeker aan Brussel indachtig lieten wij ons gewillig verleiden tot een "uitstapje" naar het Nederlandse Zuid-Limburg. We probeerden er net als hij vreemde gewoonten en zeden te bespeuren. Hiervan volgend relaas.
• Kaart van Vandermaelen
ca 1845). Ook op deze kaart bemerkt men nog steeds de duidelijke littekens van de voormalige groeven van de abdijen van Dielegem (|ette en Laken) en Affllgem (omgeving gehucht Ossegem)
Voor Laarbeekbos zijn we goed gedocumenteerd. Het bos werd in de 16 e eeuw aangelegd op de 'littekens' van een voormalige groeve van de abdij van Dielegem. (77) En ook van Laken zijn we zeker. Als we de kaart van Vandermaelen van ca. 1845 aandachtig bekijken zien we dat de gemeente bezaaid was met groeven, vooral nabij de grens met Jette en Wemmei (78). En van Jean Kickx sr. die er enkele merkwaardige orchideeën vond, is bekend dat hij ook sterk geïnteresseerd was in fossielen en geologie: in 1822 schreef hij nog een verhandeling over les traps stratiformes en een jaar later samen met Quetelet Relation d'un voyage fait h la grotte de Han, een studie in opdracht van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen en Schone Kunsten. Zijn orchideeën vond hij onder meer op den Eyssel (Hondskruid) en aan de Hoogen Leest (Kogelorchis?), zonder twijfel in de onmiddellijke omgeving van de ontginningen. Mogelijk ging hij tegelijkertijd op geologisch onderzoek of op fossielenjacht. Zijn planten groeiden er op gronden die al een grote vergravingsdynamiek achter de rug hadden en waarvan we vermoedens hebben dat ze nog in zijn tijd gemeen beweid werden. Orchideeën op vergraven gronden: voor een soort als Hondskruid is dit niet verrassend. (79) Laken wijkt dus niet van het algemene beeld af. Het dorp had toevallig geen abdij op zijn grondgebied liggen. Hoewel ..., de abdij van Affligem exploiteerde er verschillende sites: de relicten ervan vindt men terug op de gewezen site van de Expo van 1958 en in het Koninklijk domein. Laken: ooit een geliefkoosd oord voor steen- en zandwinning en voor... orchideeën.
1V1&L
De hellingbossen van Nederlands Zuid-Limburg staan bekend om hun rijke flora. Het meest tot de verbeelding sprekende aspect ervan is de relatieve rijkdom aan orchideeën. In de jaren '80 en '90 van de twintigste eeuw constateerde men er zelfs binnen de natuurgebieden (80) een opvallende achteruitgang van een aantal bosplanten, waaronder de diverse soorten orchideeën. De factoren die volgens Nederlandse onderzoekers aan de basis liggen van deze floristische verschraling zijn de volgende: • negatieve eutrofiërende en nivellerende invloeden die uitgaan van de veelal sterk door intensief agrarisch gebruik gekenmerkte omgeving; • hoge stikstof- en zuurlasten die neerslaan vanuit de atmosfeer en afkomstig zijn van verderweg gelegen bronnen; • veranderingen in het bosbeheer: achteruitgang van de hakhoutexploitatie (gevolg: minder lichtrijke plekken), ophoping van strooisel. Ook werd vastgesteld dat langs bospaden waar over het algemeen meer licht toetreedt weinig bedreigde bosplanten groeien. De biotoop is er nu immers doorgaans te voedselrijk en wordt er gedomineerd door hoogopschietende, concurrentiekrachtige soorten zoals Grote brandnetel en Bramen. Tegen dusdanige concurrenten moet het merendeel van bosplanten het afleggen. Hoewel: sommige schaduw- en stikstoftolerante bossoorten zoals Gele dovenetel en Bosbingelkruid ondervinden hiervan weinig hinder en op hun beurt overwoekeren ze gevoeliger soorten. Mantel- en zoomvegetaties blijken er eveneens sterk achteruit te zijn gegaan.
Hendrik Jacques
specifieke wandel-
gewoonten en
(1829-1910).
attributen zoals de
zeden?
Ook m Nederland
wandelstok en
Ook in België was
werd e r i n de 1 8 f beenbeschermers of
een dergelijke
en I9 d ' eeuw duch-
slobkousen.
uitrusting niet
tig gebotaniseerd.
De Nederlandse
ongewoon!
Onmisbare Instru-
apotheker-botanist
(Gemeente Archief
menten waren de
poseert hier n
Maastricht Collectie
botanlseertrommel.
veldtenue: moet
Minis - van de
het plantenschopje,
men dit rekenen
Ge/n)
de plantengids en
tot de vreemde
Vooral inzake bosbeheer bewandelde men er de laatste twintig jaar een aantal nieuwe paden. Waar gedurende enkele decennia daarvoor niet of vrijwel niet werd ingegrepen in de hellingbossen, groeide er een in de jaren '80 van de vorige eeuw een consensus dat enig ingrijpen absolute noodzaak was. In het Oombos dat eigendom is van Natuurmonumenten, werden kapexperimenten opgezet die toen geleid hebben tot terugkeer, handhaving of uitbreiding van een groot aantal bedreigde bosplanten. De vroegere middelhoutbossen in en rond Zoniën waren op meer dan één vlak vergelijkbaar met de hellingbossen van Nederlands Zuid-Limburg. Net zoals in Nederland trof men er op de hellingen een gradiënt kalkrijk-kalkarm aan. Vegetatiekundig ging het om nagenoeg dezelfde bosgemeenschappen:
bossen van de Eikenklasse of eerder zuurminnende bossen en bossen van de Eiken-Beukenklasse, waartoe onder meer de orchideerijke en kalklievende variant van het Eiken-Haagbeukenbos behoort. En wat het soortenspectrum aanging was er ook al een opvallende gelijkenis tussen de Zuid-Limburgse bossen en de 18 c en 19 'r eeuwse Brusselse middelhoutbossen. O p enkele soorten na zoals Rood peperboompje, Bleek bosvogeltje, Prachtklokje en Christoffelkruid zag men er zowat dezelfde floristische hoogstandjes. Een gedetailleerde kwantitatieve benadering van de achteruitgang van een aantal bosplanten zoals die in Nederland gebeurde voor het Zuid-Limburgse hellingbos (81) is echter onmogelijk voor het Brusselse bos bij gebrek aan voornamelijk 20 sa -eeuwse gegevens. Toch is het mogelijk een aantal parallellen te trekken. Van de orchideeën, typisch voor de orchideerijke variant van het Eiken-Haagbeukenbos, rest er in de Brusselse context nog enkel Vogelnestje. Zoals hierboven al werd betoogd zijn de andere kenmerkende orchideesoorten in de genoemde bossen al lang verdwenen. Soorten waarvoor de vergelijking ook opgaat zijn Berghertshooi, Vingerzegge, Glad parelzaad en Knollathyrus. Al deze planten zijn ofwel van hun groeiplaats verdwenen ofwel er uiterst zeldzaam geworden. Voor de meeste andere soorten bestaat er te weinig vergelijkingsmateriaal.
Als we de conclusies van de Nederlandse onderzoekers beschouwen die betrekking hebben op de floristische verschraling vinden we ook weer een aantal gemeenschappelijke factoren. • De negatieve eutrofiërende en nivellerende invloeden vanuit de agrarische omgeving spelen ook mee in en rond Zoniën. Dit is onder andere het geval voor het Laarbeekbos. In de 18 e en in de eerste helft van de 19 c eeuw werd bovendien een groot deel van de Heegde, het grote middelhoutbos dat deel uitmaakte van Zoniën, ontgonnen en omgezet in cultuurland, zodat kleinere bossen zoals die van Vorst steeds meer door cultuurland werden omsloten. Was de bemestingsgraad die toen gehanteerd werd in de landbouw van een totaal andere grootteorde dan de huidige, toch moet dit de aanleiding hebben gegeven tot het scherper worden van de grenzen tussen bos en cultuurland. De ontginningsbeweging van de wastines zal deze trend - in het geval van Vorst - nog versneld hebben. Daarbij komt nog dat in het specifieke geval van Brussel het verstedelijkingseffect in hoge mate moet bijgedragen hebben tot de terugval van de soorten. Dit hangt enerzijds samen met de inkrim-
Het tot park omgevormde Kruisbos met de villa Duden (Foto 0. Pauwels)
ping van de bosoppervlakte maar anderzijds ook met de kwaliteit van het bos. Want de steeds toenemende recreatiedruk op het bos heeft hier letterlijk en figuurlijk zware sporen nagelaten. Het Kruisbos en de omgeving van Terkameren werden tot parken omgevormd. Evenals de bossen nabij Rood Klooster en Groenendaal staan zij nu onder zware recreatieve druk. Net zoals bij de bossen rond Zoniën verdween ook in Zuid-Limburg de integratie van bos, annex wastine, in een breder agro-pastoraal systeem. Het systeem van rondtrekkende kudden en heerdgang bleef daarentegen in Zuid-Limburg plaatselijk nog doorgaan tot aan de Tweede Wereldoorlog. Pas de laatste jaren begint men te beseffen dat voor het be-
M&L
houd van de flora van de Zuid-Limburgse hellingbossen een integrale aanpak noodzakelijk is, met andere woorden herstelbeheer, geïnspireerd op het traditioneel beweidingssysteem. (82) • De hoge stikstof- en zuurlasten kunnen in het geval van het Brusselse bos slechts een secundaire rol hebben gespeeld. O p het vermoedelijke hoogtep u n t van de florlstische verscheidenheid binnen deze bosgebieden was de industriële bedrijvigheid zo goed als nihil. Maar de aftakeling van het soortenspectrum was toch al een feit voor de industriële revolutie zich goed en wel inzette: de ineenstorting van de flora was al ver gevorderd rond 1860, herinneren we ons maar de eerder geciteerde tekst
A
•A
A
Grazend vee in bos-
natuurwaarde? Heel
Schapen in het bos.
Koeien in het bos.
sen werd vanaf de
wat hedendaagse
Omgeving Waals
Oostenrijk: Karinthié
opkomst van de
natuurbeschermers
deel van de Smt-
(1991)
wetenschappeli|ke
zullen hierop beves-
Pietersberg (1992)
(Foto Paul Van den
bosbouw steeds
tigend antwoorden.
(Foto Hartine
Bremt)
meer uit het bos
Historisch-ecologisch
Lejeune)
geweerd. Verhoogt
onderzoek kan ook
extensief grazend
hierover meer
vee in bos de
duiding geven
van Muller. We kunnen ons dan ook de vraag srellen of het effect van de stikstof- en zuurlasten op het bos in de Zuid-Limburgse situatie wel zo doorslaggevend is, als wordt gedacht. • Blijft dan nog het bosbeheer. We hebben hiervoor al geargumenteerd dat de verandering in het bosbeheer, namelijk van middelhoutbeheer naar hooghoutbeheer grote gevolgen moet hebben gehad voor de plantenwereld, onder meer wat de soorten van open bos aangaat. Uit het Nederlandse hakhoutbeheer in het Oombos blijkt inderdaad de positieve invloed van deze beheersvorm op soorten zoals orchideeën. Maar zeker even belangrijk moeten andere gebruikspraktijken in het bos zijn geweest: wat waren de ecologische gevolgen van snijden van gras, verwijderen van strooisel, sprokkelen van hout, verwijderen van planten die hinderlijk waren voor het normale hakhoutbeheer zoals bramen {afkuysschen alle de doorens ende bremen (83)) en lianen, strontrapen of in ecologische termen uitgedrukt nutriëntenafvoer? Voegen we aan dit lijstje nog beweiding en een te grote wildbezetting toe, dan moet het duidelijk zijn dat de Brusselse middelhoutbossen net zoals het nabij gelegen Zoniënwoud hiervan ernstige schade hebben opgelopen, althans wat de houtopbrengst betrof. Maar had dit sowieso ook negatieve gevolgen voor flora en fauna? In het begin van de discussie in 1983 stelden de Nederlandse onderzoekers Veelenturf en Zoetelief (84) nog dat alleen al hakhoutbeheer aanleiding zou moeten geven tot een sterke verzuring van de bovengrond, tot "aanslagen op de nutriëntenkring-
loop". Hierdoor zou zelfs op lange duur het milieu ongeschikt kunnen worden voor de aan basische bodems gebonden orchideeënrijke kalkflora! Gelukkig bleek deze stelling onjuist. Uit het Brusselse verhaal kan overduidelijk afgeleid worden dat het stopzetten van het hakhoutbeheer in combinatie met het verval van de weidegang of heerdgang nefast moet zijn geweest voor onder meer de kalkflora. En wat strooiselroof aangaat, dat een dergelijke activiteit niet steevast negatief hoeft te zijn, mag dan weer blijken uit het volgende relaas van de befaamde Nederlandse botanist De Wever (85) over Vogelnestje op de Sint-Pietetsberg: "Het leeft hier in vergaan loof van verschillende loofboomen, beuken, hazelaars, eiken, berken, olmen enz. Als evenwel de bovenlaag niet ieder jaar deels weggehaald wordt en zich te sterk ophoopt, kan deze orchidee er niet meer boven uitkomen; vandaar dat men haar na een paar jaar op een andere groeiplaats kan aantreffen, terwijl ze op de vroegere groeiplaats alleen ondergronds kan blijven doorleven. "Activiteiten zoals snijden van gras, strontrapen en sprokkelen zullen zich het meest hebben laten gevoelen langs de bospaden en bosranden. Het lijkt aannemelijk dat door het wegvallen van deze activiteiten weerom in combinatie met het verval van het beweidingsysteem, stikstof- en schaduwtolerante plantensoorten op termijn bevoordeeld worden. Dit gebeurt ten koste van warmteminnende en stikstofmijdende planten. Geldt ook hier niet de stelling: van groene armoede naar grijze overvloed? (86)
VERGRAVEN GRONDEN EN ORCHIDEEËN: KRONIEK VAN EEN BIJZONDERE RELATIE
In en om Brussel werden ook nog in de 20 stc eeuw op "verstoorde terreinen" bijzondere waarnemingen van orchideeën gedaan. Zonder aanspraak te maken op volledigheid geven we een kort overzicht: In 1978 werden te Strombeek-Bever op een braakliggend terrein enkele merkwaardige graslandvegetaties gevonden met daarin onder meer Bijenorchis, Blauwe bremraap en Hondskruid door Devriese en Dewyspelaere. Devriese (1984) (1) meldt dat verscheidene pogingen om het gebied te vrijwaren op niets uitliepen. De groeiplaats werd vernietigd door werken aan de nieuwe verkeerswisselaar van Strombeek-Bever. Ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling van 1958 was het terrein ingesloten geraakt tussen de autoweg A 12, de Ring rond Brussel en de Meiselaan. Het ingesloten gebied dat voorheen als landbouwgrond in gebruik was (akkers en weiden) kreeg een vage bestemming (sic).
Bijenorchis: kalkmmnende soort en één van de fraaiste Inheemse orchideeën. Hier voorkomend in een stedelijk milieu op een "verstoorde bodem" te Aalst (2003) (foto Chris Bombeeck)
M&L
Het terrein was gedeeltelijk vergraven. (2) In 1979 werden Bosorchis, Brede wespenorchis en Bergnachtorchis waargenomen aan de westrand van de Brusselse agglomeratie, op de grens van SintAgatha-Berchem en Dilbeek, in een bosachtig gebied van ca. 5 ha. Tavernier e.a. (1980) (3) merken op: Naast de veelvuldige betreding heeft dit gebied te lijden van motorrijders, sluikstorters, kleine brandstichtingen, en illegale houthakkerij. Ondanks dit alles is er sommige plaatsen een gunstige evolutie in de vegetatie waar te nemen. De orchideeën gaan helemaal niet achteruit. Het ecosysteem kwam er tot stand in ± 30 jaar. Zure en kalkrijke stukken kwamen in het gebiedje samen voor. In 1980 beleeft Vlaanderen een primeur. Het Rond Punt van Groot-Bijgaarden wordt voor bescherming als landschap voorgesteld door Roger Deneef (4),
Nabij alle net vermelde Brusselse vindplaatsen werden in de 19 e eeuw ook orchideeën opgemerkt. Toeval?
Hondskruid (Anacamptis pyramidalis), een kalk- en warmtemlnnende soort van droge
Uiteraard gebeuren niet alleen in het Brusselse dergelijke waarnemingen. Bijenorchis, Hondskruid en in mindere mate Vleeskleurige orchis en Rietorchis naast gewonere soorten zoals Brede wespenorchis. Grote keverorchis en Bosorchis werden al herhaalde malen door ons en vele andere botaniserende lieden op zwaar vergraven terreinen opgemerkt in diverse Vlaamse provincies. Dit wil niet zeggen dat deze planten niet veeleisend zijn, wat hun milieu betreft. Dit lijkt alleen maar zo! Veelal zou men kunnen stellen dat de mens op een aantal plekken onbewust een gunstig milieu schiep voor planten met bijzondere voorkeuren inzake waterhuishouding, bodemsamenstelling en bodemchemie, expositie enz. Een bijkomende vraag is: wat is het optimale beheer van zulke terreinen?
inspecteur bij de Rijksdienst voor Monumentenen Landschapszorg. Het voorgesteld advies luidt: Het gebied 'Rond Punt' moet worden gerangschikt omwille van zijn wetenschappelijke waarde, aangezien het gaat om een alkalisch moeras, een milieutype dat in ons land nog slechts zeer uitzonderlijk voorkomt, en waarin, wat het Rond Punt betreft, een aantal zeer zeldzame plantesoorten vookomen, inzonderheid: Moeraswespenorchis, Breedbladige orchis en ofVleeskleurige orchis ... Verbeke die deze vindplaats beschreef, vermeldt nog dat reeds voor 1976 er erg veel Breedbladige orchis. Kruipwilg en zeggesoorten stonden. Andere orchideeën en zeldzame planten waren toen nog afwezig. O p het terrein was behoorlijk gerommeld. In 1980 vonden Tyteca en Rommes er naast de genoemde orchideeën ook nog Grote keverorchis. Bosorchis wordt niet door hen vermeld. (5) Het gebied werd uiteindelijk niet beschermd. Het bleek niet haalbaar, zoals elke automobilist ondertussen al ervaren heeft!
graslanden, getekend door Elisabeth Klopfenstein (uitgave Nationale Plantentuin van België: in Klopfenstein, E; & Toussaint, Ph. (1986) Orchidaceae Belgicae, 4, Frankrijk, Aisne, Bourg-et-Comin en Chamomile, juli I98S)
Dit relaas is ook absoluut niet nieuw. Een boeiende bijdrage over orchideeën en kolonisatie verscheen in 1914 van de hand van éne Houzeau de Lehaie, gelukkige bezitter van een landgoed in Spiennes en St. Symphorien. (7)
EINDNOTEN (1) DEVRIESE, H., Orohanche purpurea, Ophrys apifera en Anacamptis pyramidalis te Strombeek-Bever (Grimbergen), in Dumortierali, 1984, p. 7-8. (2) Recent werd Bijenorchis nog rerugggevonden op diverse plekken langs de A 12. (3) TAVERN1ER, W., VAN DEN BEGIN, D. & VERBEKE, W., Platanthera chlorantha (Cust.) Reichenh. binnen de Brusselse agglomeratie, in Dumortiera 14-15, 1980, p. 50-52. (4) DENEEF, R., Dilbeek (Groot-Bijgaarden): 'Het Rond Punt'. Voorstel tot rangschikking als landschap, KCML-rapporr d.d. 13.10.1980, 9p. (5) SAINTENOY-SIMON, J., op. at, 1995 p. 17. (6) SAINTENOY-SIMON, J. ibid. (7) HOUZEAU DE LEHAIE, J., Notes sur l'evolutwn de lajlore spontanée de nospropriétes de Spiennes et St. Symphorien au cours des trente dernières années, in Buil. Soc. Roy. Bot. Belg. 53, 1914, p. 119-187.
In 1992 vond Joukoff (6) Hondskruid in UkkelVerrewinkel op een al lang vergraven terrein bij een begraafplaats.
M&L
• Zicht vanuit Dudenpark op Brussel. Op de voorgrond: het park van Vorst, op de achtergrond, onder meer het Justitiepaleis (Foto 0 . Pauwels)
En dan is er tenslotte nog een andere mogelijke oorzaak van de achteruitgang van de kalkflora; het wegvallen van elke vorm van bodembewerking. Het doorsnee middelhoutbos onderging althans in onze streken een op geregelde tijdstippen terugkerende bodembewerking. Stobben van opgaande bomen en hakhoutstoven die niet meer rendeerden, werden uitgegraven. Hierbij kwam uiteraard heel wat grondverzet te pas, zodat het niet uitgesloten is dat er plaatselijk ook kalkhoudend materiaal naar boven gebracht werd. In ons klimaat grijpt er echter ontkalking plaats. Wanneer men het traditioneel bosbeheer vaarwel zegde zal ook de kalkaanvoer door bodembewerking zijn stilgevallen.
aan de beschrijving van Rozin op het grondgebied van Vorst. Of toch niet? Een enkele keer zie je nog in de buurt van het kanaal van Willebroek een schaapskudde rondtrekken op een gazon van het industrieterrein. Het lijkt wat onwezenlijk. Een hersenschim? Nee, je droomt niet! Voor zover wij weten, groeien daar geen orchideeën meer... Heimwee?
EINDNOTEN Dit artikel is een uitgebreide bewerking van materiaal dat al deels gepubliceerd werd als stagerapport, conf. VAN DEN BREMT, P., Historisch-hotanisch onderzoek van het boslandschap, Brussel, 1992, p. 22-30. Conf. TACK, G„ VAN DEN BREMT, P. & HERMY,
NAWOORD
M., Bossen van Vlaanderen: een historische ecologie, Leuven, 1993, p. 231-233.
Wanneer men met de trein de Noord-Zuidverbinding doorgekomen is en men het Zuidstation net voorbij is gereden richting Gent, ziet men langs de kant van de Kapellekerk en het vormingsstation van de NMBS in de verte het Dudenpark. Het wordt geflankeerd door het park van Vorst en torent boven de stad uit, met er achter op de Hoogte Honderd de Sint-Augustinuskerk. De parkzone is zowat het enige dat nog herinnert
Piet Stoffelen en Ivan Hoste van de Nationale Plantentuin van België (Meise) worden bedankt voor hun medewerking bij het consulteren en het fotograferen van het herbarium. Prof. Dr. Paul Goerghebeur wordt bedankt voor de toelating tot consulteren en fotograferen van het herbarium van de Gentse Rijksuniversiteit evenals Prof. Dr. Jan Rammeloo en Dr. Leo Vanhecke van de Nationale Plantentuin voor het gebruik van de platenreeks Orchidaceae Belgicae (getekend door E. Klopfenstein) als illustratiemateriaal. Martine Lejeune (Afdeling Natuur) bezorgde ons eveneens illustratiemateriaal en bemiddelde
voor het gebruik van een foto uit het archief van het Natuurhistorisch
nade al tot de vergane glorie, vgl. Le Promeneur dans Bruxelles et
Genootschap in Limburg. Wouter Van Landuyt van het Instituut voor
ses environs (\&5A):"Plantée de quatre rangs de vieux et hauts til-
Natuurbehoud tenslotte stelde gegevens van Florabank ter beschik-
leuls, ornée d'une belle grille enfer, et longeant le canal qui rafiaichit
king, wat de controle van onze eigen gegevens vergemakkelijkte.
Tatmosphère d'une agréable et bienfaisante humidité, pendant la
(1)
De kruidtuin maakte toen deel uit van het Oude Hof van
richesse. du luxe et de la mode: un Longs-Champs perpétuel embel-
Brussel, het zogenaamde oude Nassaupaleis (tussen de huidige
lissait ses allées, quand le public inconstant et frivole s 'est engoué des
belle saison, elle était, surtout le dimanche, le rendez-vous de la
Ruisbroekstraat en de Museumstraat). De ktuidtuin werd in
boulevards et a délaissé la verdure et la fraicheur de TAllée-Verte.
1826 ontruimd. Zie: ANDRE-FELIX, A., 1979, p. 360-361, in:
Maintenant négligée, elle ressemble a une veuve qui ne trouve plus
STENGERS, J.
de consolation que dans la presence de quelques vieux amis"
(red.). Brussel. Groei van een hoofdstad.
Mercatorfonds, Antwerpen. (2)
(15) ROUCEL, F.A., Floredu nord de la Trance ou description des plan-
DE CANDOLLE, A.P., Rapport sur un voyage botanique et agronomique dans les dépanements du nord-est. Mémoires d' agriculture du département de la Seine, 1811,14, 213-287.
(3)
la Trance, 1809, manuscript, bewaard in de Nationale planten-
HALLEUX, R., OPSOMER, C. EN VANDERSMISSEN, J. (redj. Geschiedenis van de wetenschappen in België van de Oudheid tot 1815, 1998, Gemeentekrediet - Groep Dexia.
(4)
(5)
(6)
(9)
(18) KICKX, J. st., Tiara Bruxellensis, 1812, Brussel, Van Rampel-
De tuinen van Eden 7: 117-122.
bergh. Wij konden beschikken over een door de auteur en door
ROUCEL, F.A., Traite des plantes les mains fréquentes qui crois-
zijn zoon geannoteetd exemplaar dat zich bevindt in de biblio-
sent naturellement dans les environs de Gand, d'Alost, de Termonde
theek van het laboratorium Plantkunde van prof. Goetghebeur,
et de Bruxelles, 1792, Bossange-Lemaire, Paris-Bruxelles.
Universiteit Gent.
Dat de belangstelling voor wetenschappen tijdens de Franse over-
De aanvullende notities met al dan niet gedetailleerde vind-
heersing groot is, blijkt ook uit officiële rapporten zoals
plaatsgegevens van Kickx sr. slaan onder meer op planten die
FAIPOULT, G.C., Mémoire statistique du département de
voorkomen in een lijst gepubliceerd door VANDER LINDEN,
l'Escaut, 1805-1806, An XIII, Paris, Imprimerie impériale. Zie
P.L., 1826, Compte rendu des travaux de la Société des Sciences
ook: D'HERBOUVILLE, J.F., Statistique du département des
Médicales et Naturelles de Bruxelles, p. 94-100. Bruxelles, Voglet.
Deux-Nèthes, 1802-1803, An X. In het laatste rapport is de plan-
(19) DEKIN, A. & PASSY, A.F., Tlarula Bruxellensis seu Catalogus plantarum circa Bruxellas spante nascentium, 1814, Bruxellis,
CREPIN, F., Guide du hotaniste en Belgique, 1878, p. 225. Bruxelles-Paris, Mayolez-Baillière.
(8)
tuin van Meise. (17) MORREN, E., Prologue consacré a la mémoire de Jean Kickx, 1856, in: La Belgique Horticole, 6, V-XVI.
GEERTS, P., Linnaeus, meer dan een laaggroeiendplantje, 1997,
tenlijst van de hand van Dekin. (7)
tes indigenes, 1803, Paris, Veuve Richard. (16) ROUCEL, FA., Recueil des plantes omises dans la Flore du nord de
Weissenbruch. (20) Hij was immers belast met de herziening van de Franse flora van
WELLENS-DE DONDER, L , in: La Belgique sous Ie consulat et
Lamarck en de gegevens van de regionale onderzoekers van bij
Tempire (catalogue n° 20: exposition orgamsée a l'occasion du cent
ons, moesten passen in het grote herzieningsproject. Zijn monu-
cinquantième anniversaire de la bataille de Waterloo), 1965, p. 30,
mentaal werk Prodromus systematts naturalis regni vegetabilis be-
Bruxelles, Bibliorhèque Albert Ier.
schreef en classificeerde alle rot dan toe gekende plantensoorten.
Rozin was één van de leden van het redacriecomité van het tijd-
Gestart in 1824, werd het pas afgerond in 1874. Augustin-
schrift.
Pyrame gaf zelf de eerste zeven volumes uit, zijn zoon Alphonse
(10) ROZIN, A., Herbier portatif des plantes qut se trouvent dans les environs de Liége avec leur description et classification selon Ie système de Linné, 1791 Xiège.
(1806-1893) de tien andere. Ze werden in hun werk bijgestaan door ral van andere specialisten inzake botanie. (21) ROZIN, op. cit. p. 295-296.
(11) ROZIN, A., Coup d'oeuil botanique sur les environs de Bruxelles.
(22) Ophris ovata L.= Listera ovata (L.) R. Brown: Grote keverorchis;
1796, L'Esprit desjournaux (janvier & février), 291-300.
Ophris nidus avis L. = Neottia nidus-avis (L.) L.C.M. Rich.:
(12) VAN YPERSELE DE STRIHOU A. & P., Laken, een kasteel in
Vogelnestje; Orchis morio L.: Harlekijn; Orchis mascula =
het Verlichte Europa, 1991, Lannoo. Het park van Schoonenberg,
Orchis mascula (L.) L.: Mannetjesorchis; Orchis latifolia =
het huidige koninklijk domein, was nog maar een goede 10 jaar
Dactylorhiza fistulosa (Moench) H. Baumann et Künkele: Brede
eerder ingewijd.
orchis; Orchis militaris = Orchis militaris L.: Soldaatje; Orchis
(13) Niet te verwarren met het huidige Tetkamerenbos dat aangelegd
conopsea = Gymnadenia conopsea (L.) R. Brown: Grote mug-
werd in een deel van Zoniën, met name de Heegde. Zie DE
genorchis; Orchis maculata = Dactylorhiza maculata (L.) Soó:
RYCKMAN DE BETZ, THIBAUT DE MAISIERES & DAN-
Gevlekte orchis of eventueel Dactylorhiza fuchsii (Druce) Soó:
SAERT,
G.,
L'abbaye cistercienne de la Cambre,
1948,
p. 272-273, De Nedcrlandsche Boekhandel, Antwerpen. (14) CHATEIGNER, ]., Tableau de Bruxelles, 1803. Zie hiervoor:
Bosorchis, een soort die vroeger tot de Gevlekte orchis werd gerekend; Ophris muscaria = Ophrys insectifera L.: Vliegenorchis; Orchis bifolia = Platanthera bifolia (L.) L.C.M. Rich.: Wel-
COSYN, A., Laeken, ancien et moderne, 1904, p. 110-112,
riekende nachtorchis; Ophris spiralis L. = Spiranrhes spiralis (L.)
Bruxelles, Imp. Sc. Charles Bulens. In 1834 behoorde de prome-
Chevall.: Herfstschroeforchis.
Nomenclatuur volgens LAMBINON, J., DE LANGHE, J.-E., DELVOSALLE, L. & DUV1GNEAUD, ]., Flora van België, het
(35) MULLER, F., Spicil'ege de laflorebruxelloise, fascicule 2, 1864, Bull. Soc. Roy. Bot. Belg. 3: 385-412. Zie p. 385-386.
Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende (36) VANDER GOTEN, H. & VOKAER, J.P., Le Pare Duden, a gebieden (Pteridojyten en Spermatojyten), 1998, derde druk. Nationale Plantentuin van België, Domein van Bouchout,
Forest. Guide du Promeneur (Geologie, Histoire, Faune, Flore), 1953. (37) We refereren hier aan het schilderij van de Italiaan Schidone
Meise.
(t 1615) dat een bloeiend landschap voorstelt, te midden waar-
De orchideeënsystematiek is verre van eenvoudig: de naamgeving
van twee jonge herders getroffen op een op de grond liggend
en de soortafbakening zijn nu nog steeds niet zonneklaar, dit was
doodshoofd neerkijken. Hierop staat: Et in Arcadia ego: ook ik
c
dus zeker niet het geval op het einde van de 18 eeuw. Origineel
(leefde eens) in Arcadië. Zie ook: VAN DALE. Groot woorden-
herbariummateriaal van deze vondsten is ons niet bekend.
boek der Nederlandse taal, 1999, p. 4171, dertiende uitgave. De
(23) Zie nr. 718: Orchis simia Lam. of Aapjesorchis; 722: Satyrium
inspiratie gingen we halen bij SCHAMA, S., Landschap en herin-
viride = Coeloglossum viride (L) Hartm. of Groene nachtorchis;
nering, 1995, Contact, Amsterdam-Antwerpen. Zie p. 549 e.v.
727: Ophrys myodes = Ophrys insectifera of Vliegenorchis. In
(38) VAN DER VIJVER, Wandelingen in en om Brussel benevens een
silvis: in de bossen; in collibis siccis silvarum: op droge beboste
uitstapje naar Gent en Brugge in denjare 1823, 1823, Amsterdam,
hellingen; in pascuis silvae: in de bosweiden.
Van Kesteren.
(24) VERNIERS, L, Histoire de Forest lez Bmxelles, 1949, Bruxelles, (39) JANSSENS,L. & DANCKAERT, L, De evolutie van het grootDe Boeck. Zie p. 106, kaart van 1810 in manuscript (G. De Wautier). (25) KICKX, J. sr., 1812, op. cit.: geannoteetd exemplaar, zie aantekeningen naast de nummers 26, 30 en 34, Orchis mascula.
grondbezit, 1989, in: Smolart-Meynart, A. & Stengers, J. (red.). Het Gewest Brussel. Van de oude dorpen tot de stad van nu,p. 196211. Gemeentekrediet. (40) Wastine: oorspronkelijk onstond een dergelijke terreintype door
Orchis militaris, Satyrium viride, Serapias latifolia = Epipactis
bosdegradatie ten gevolge van menselijke invloed (bijv. bewei-
helleborine (L.) Ctantz of Brede wespenorchis. In herbosis: op
ding): in die zin is het dus onlosmakelijk vetbonden met het bos.
grazige plekken; in sylva Vorst ab inde 1824 ad 1831: in het bos
We hanteren dit begrip ook omgekeerd wanneer bos zich spon-
van Vorst vanaf 1824 tot 1831; ad Vorst legit Ctocq 1824, ubi
taan uitzaait in niet-bos (grasland maar ook akker) en het terrein
amico duce ipse sequenti anno legi = in vrije vertaling in Vorst
in die vorm blijft voortbestaan (bijv. door beweiding of door
door Crocq waargenomen (ingezameld) in 1824. Met mijn
selectief maaibeheer). In bodemgebruikstatistieken wordt een
vriend als gids kon ik zelf ze er het volgende jaar waarnemen
dergelijke terreinvorm veelal aangeduid als woeste grond. Zie ook
(inzamelen).
TACK e.a., 1993, op.cit. Vooral vanaf de tweede helft van de
(26) VAN HEURCK, H. & WESMAEL, A., Prodrome de la Flore du
18 ' eeuw werd het verval van de wastines algemeen. De combi-
Brabant, 1861, p. 79, Louvain,
natie bevolkingsdruk en intensivering van landbouw is hiervoor
Fonteyn. Deze vondst wordt bevestigd door herbariummateriaal
verantwoordelijk. In de provincies Oost- en West-Vlaandeten en
dat gedeponeerd werd in het herbarium van de Nationale plan-
in aansluitende delen van Brabant en Antwerpen verliep dit pro-
tentuin te Meise.
ces sneller dan in een gebied zoals de Kempen.
(27) VAN HEURCK, H.& WESMAEL, A, 1861, op. cit. p. 78. Zie
(41) Voor meer informatie, zie o.m. KREUTZ, C.A.J. & DEKKER,
ook: MULLER, F., Spieilège de la flore bruxelloise, 1862, fascicu-
H , De orchideeën van Nederland. Ecologie - verspreiding - bedrei-
le 1. Bull. Soc. Roy. Bot. Belg. 1: p.192.
ging- beheer, 2000, B.J. Seckel en C.A.J. Kreutz.
(28) CARRON, G. & ZWENDELAAR, H., Florule des environs de (42) VERNIERS, L, Histoire de Forest lez Bruxelles. 1949, De Boeck, Bruxelles, 1889, p. 120, Bruxelles, Monnom. (29) 1803, ROUCEL op.cit.; 1812, KICKX, op. cit.; 1861, VAN HEURCK & WESMAEL, op. cit.; 1866, P1RE, L. & MULLER,
Bruxelles. Zie p. 129. (43) HERDIES, H , Pages forestoises d'histoire et de folklore, 1960, p. 20-21.
F., Flore analytique du Centre de la Belqique. Bruxelles, Devaux et (44) VERNIERS, L, 1949, op. cit., p.97. Cie; 1888, CARRON & ZWENDELAAR, op. cit. (30) 1803, ROUCEL op.cit.; 1812, KICKX, op. cit.; 1861, VAN
(45) HERDIES, H , De voormalige scheysputten van kalkzandsteen te Vorst-Brussel, 1961, Eigen Schoon en De Brabander 44, 140-
HEURCK & WESMAEL, op. cit. en 1888, CARRON &
152. Zie ook: CABUY, Y., DEMETER. S. & LEUXE, F. (red.).
ZWENDELAAR, op. cit.
Atlas van de archeologische ondergrond van het Gewest Brussel, 4:
(31) DE WILDEMAN, E. & DURAND, TH., Prodrome de la Flore
Vorst, 1993, vgl. vooral p. 24 en kaart 1.
Beige, tome 111, Phanérogames, 1900-1907. Bruxelles, Castaigne, (46) HERDIES, H., 1960, op.cit.. p. 17. Schats zou een vervorming ziep. 190. (32) Op. cit. t.o. p. 60
van schat of schot zijn en vermoedelijk verwijzen naar een omheinde ruimte, waarin de preter de dieren opsloot.
(33) Bij diverse oude 19 ceeuwse exemplaren van het herbarium van
(47) Precieze cijfers over de verhouding hoornbeesten/wolbeesten zijn
Meise wordt een aantal vindplaatsen vermeld. Het is vaak ondui-
ons niet bekend. Op het einde van de 18 ' eeuw waren er vrij veel
delijk of er van elke geciteerde vindplaats materiaal werd ingeza-
problemen met het hoornvee (ziekten). Het terrein bij uitstek
meld. Welk materiaal hoort bij welke vindplaats?
voor het hoornvee was het beemdareaal langs de Zenne. Maar de
(34) Herbarium Meise, herbarium RUGent.
aanwezigheid van schapenbochten (boxbeemden) op verschillen-
LECLERC, M.. Résultats de Tassainissement du sol par Ie drainage,
de gemeenten zoals Drogenbos en Vorst duidt op het belang van het beemdareaal voor de schapenteelt. Het tetrein bij uitstek voor
1852, Journal dAgricultute pratique 5: 230-243. Voor Vorst, zie
schapen was het wastine- en heidegebied op de helling- en pla-
p. 232-233.
teaugtonden.
(56) HERDIES, H., 1957, op. cit. p. 250; VERNIERS, L, 1949, op.
(48) HERDIES, H., Schapenteelt en Weiderechten te Vorst-Brussel in het Verleden, 1957, Eigen Schoon en De Brabander 40, 241-251.
cit. p. 179.
(57) DEKIN, A. &PASSY,A. F.,1814, op. cit. ar. 584 vermeldt voor deze soort onder nr. 670 in pascuis siccis, in silva Forêt net zoals
(49) HILLEGERS, H.P.M., Heerdgang in Zuidelijk Limburg. Een vorm van extensieve beweiding in verleden, heden en toekomst,
voor de Aarddistel nr. 666. Dit betekent: in droge (graas)weiden,
1993, Natuurhistotisch Genootschap in Limburg. Zie vooral
in het hos van Votst.
p. 32-39.
(58) DEKIN, A. & PASSY, A. F.,1814, op. cit. nr. 611 geeft als stand-
De auteur kiest voor de verklaring van een aantal toponiemen
plaatsgegeven in pascuis silvarum Forêt, vrij vertaald: in de bos-
zoals dries, bies(t) voor een historisch-ecologische invalshoek en
weiden van Vorst.
associeerr ze op een meer dan aannemelijke manier met heerd-
(59) Herbarium Meise: van al deze soorten bestaat herbariummateri-
gang (veedrift).
aal uit Vorst.
(50) Zo onder meer: beemden in eigendom van de gemeente in de
(60) DEKIN, A. & PASSY, A. F.,1814, op. cit. nr. 584 vermeldt uit-
Zennevallei; heiden, eigendom van de gemeente op het plateau
drukkelijk locis arenosis sylvarum Forêr, op zandige plaatsen in
nabij de grens met Ukkel. Gemeynte is niet noodzakelijk syno-
de bossen van Vorst
niem van gemeente in het huidige taalgebruik. Het woord slaat
(61) Herbarium Meise: met uitzondering van Heidekartelblad dat
op gemeen gebruik, niet op het eigendomsstatuut. Het gemeen
enkel vermeld is in Kickx' Flora Bruxellensis.
gebruik was ook niet per definitie beperkr tot inwoners van de ge-
(62) VANDER GOTEN, H. & VOKAER, J.P., 1953, op.cir..
meente Vorst. In het geval van Vorsr konden (groepen) inwoners
(63) Deze soorten komen nog steeds in het Dudenpark voor, met uit-
van Sralle (Ukkel), Drogenbos en Anderlecht ook - al dan niet
zondeting van Ruig hertshooi. Inventarisarie: en eigen nog vrij
onder bepaalde voorwaarden - gebruik maken van de gemeynte-
beperkt gehouden inventarisatie in de periode 2002-2003 lever-
gronden. Disputen en gerechtszaken over gemeen gebruik zijn
de nog meer dan 200 plantensoorten op. Vooral het vootkomen
legio. Er was een voortdurende strijd tussen privé-eigenaars en
van Betgherrshooi. een soort die zeer srerk bedreigd is, wijst nog
andere lieden die zich beriepen op gemeen gebruik. De strijd
op de botanisch-ecologische potenties van het huidige Duden-
werd in de 18'le en 19 e eeuw steeds intenser. Zie ook: ERRERA,
patk. Wij vonden ook enkele groeiplaarsen van Zeegroene zegge P., Les Masuirs, recherches historiques etjuridiques sur quelques ves- terug, een zeggensoort die hier in de jaren 1829-1831 door Kickx tiges des formes anciennes de la propnéte en Belgique, 1891, jr. werd gevonden, zie KICKX jr.,op. cit.: geannoteerd exemWeissenbruch, Brussel.
plaar, aanrekeningen naast p. 74 onder Carex glauca.
(51) Zie o.m. DE VOS, M., Microtoponiemen en agrarische geschie-(64) Ter info enkele inwonersaantallen: 1784: 740; 1800: 502; 1831: denis, 2000, Naamkunde 32 (1-2), 69-87. VAN DURME,
993; 1846: 1324: 1866: 2184: 1900: 9509; 1910: 24228; 1947:
L. Dries, vooral in Centraal- en Zuid-Oost-Vlaanderen. 1998,
47330; 1970: 55055. Nadien daalde het inwonetsaantal licht.
Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Nederlandse
(65) Op. cit. p. 947: Orchis globosa L., huidige benaming Traun-
Taal- en Letterkunde 70: 63-117. HILLEGERS, H.P.M., 1993, op. cit. geeft een ecologische interpretatie voot Zuid-Limburg.
steinera globosa (L.) Rchb. (66) Deze bewering doet niets af aan de waarde van defloravan Kickx. Hij kende nog niet de luxe van gespecialiseerde referentiewerken.
(52) Vgl. HILLEGERS, H., Herstelbeheer van kalkgrasland op de
Bovendien was een plantengeografische benadering in zijn tijd
Bemelerberg (2), 1997, Natuurhisrorisch maandblad 86(8): 194-
nog uitgesloten. Of... was er een Oostenrijkse connecrie met het
200.
Park van Schoonenberg, het huidige koninklijk domein? De
(53) LYELL, C., On the Tertiary Strata of Belgium and French Flanders. Part II. The Lower Tertiaries of Belgium, 1852,
kogelorchissen van Kickx zijn vermoedelijk dezelfde exemplaren
Quarterly Journal of the Geologic Society of London, 8: 277-
waarvan herbariummateriaal bewaard is gebleven in het herba-
370.
rium van de RUGent. De vondsten blijven raadselachtig.
(54) Volgens nieuwe geologische kaarten: leperiaan zand = Formatie
(67) Van Kleine keverorchis zijn nog waarnemingen uit deze periode
van Kortrijk:Lid van Moen; Brusseliaanzand = Formatie van
gekend uit de Vlaamse Ardennen_Pays des Collines en de West-
Brussel; Lakeniaanzand = Formatie van Lede; lepetiaanklei =
Vlaamse heuvelzone. Traditioneel worden deze vondsten afge-
Formatie van Korrrijk, lid van St.-Maur. Naamgeving: conf.
daan als verdacht. Vgl. Van Hoorebeke, geciteetd in TACK E.A.,
MARECHAL, R. & LAGA, P. (eds.). Voorstellithografische inde-
1993, op. cit. p. 237, 239. In Nederland wordt de soorr als neo-
ling van het Paleogeen. Nationale Commissies voor Stratigrafie,
fiet beschouwd en treedr ze op in dennenbossen van voldoende
1988, Brussel, Commissie Tertiair. Belg. Geol. Dienst.
ouderdom in het Wadden- en Drentse plantendistrict.
(55) LECLERC, M., Rapport sur les operations de drainage entreprises (68) Op. cit. p. 229 bij Vingerhoedskruid. Nabij (prope) het Vleuggat. en Belqique, 1851, Journal dAgricultute pratique 4: 62-88.
(69) DUQUENNE, X., Leboisdela Cambre. 1989, Bruxelles.
Second rapport 97-120. Voor Vorst, zie p. 101 en 112. De drai-
(70) IFBL-archief: kilometerhok E4 36 33, geïnventariseerd door
nage gebeurde i.o.v. Wyns de Raucour.
Dekeyser.
(71) Laatste vondsten volgens herbaria: Vliegenorchis, E. Michel,
(80) BOSSENBROEK, PH., Floristische verarming in het Zuidlim-
1914; Vogelnestje, E. Michiels, 1953; Vingerzegge, W. Fasseaux,
burgse hellingbos - een analyse, 1989, Natuurhistorisch Maand-
1946; Slanke zegge, A. Lawalrée, 1965. Van alle laatste vondsten
blad 78(4), 48-55.
werd materiaal gedeponeerd te Meise. Voor Vogelnestje is er ten-
CORTENRAAD, J. & MULDER, T., De achteruitgang van een
slotte nog een literatuurvermelding van SAINTENOY-SIMON,
aantal Zuidlimburgse bosplanten nader beschouwd, 1989,
J., Orchidées dans la ville, 1995, Adoxa, 6-7: 17-20. De vondst is
Natuurhistorisch Maandblad 78 (5), 80-85.
van eind van de jaren '80 van de 20s,c eeuw en van de hand van
DE BEAUFORT, W.H.J. & BOSSENBROEK, PH., Helling-
Yvette Van Hove.
bossen in Zuid-Limburg. Het beheersbeleid van Staatsbosbeheer, 1991, Natuurhistorisch Maandblad 80 (2): 24-29.
(72) Net op de valreep kregen wij de volgende publicatie doorgestuurd: WEYEMBERGH, G., GODEFROID, S., VERROKEN,
DE KROON, H., De vegetaties van Zuidlimburgse hellingbossen
J. & KOEDAM, N., Een evaluatie van de rijkdom aan planten-
'm relatie tot het hakhoutbeheer. Een rijke wildefloramet een onze-
soorten in het Brusselse gedeelte van het Zoniè'nwoud, gebaseerd op kere toekomst, 1986, Natuurhistorisch Maandblad 75(10), 167192. dertien jaarflora-inventarisatie,2003, Dumortiera 81: 57-75. De resultaten van deze studie konden nog niet echt verwerkt worden
DE KROON, H. & WILLEMS, T., Het beheer van hellingbossen
in onze publicatie.
in Zuid-Limburg: het één doen, het ander niet laten, 1987, Natuurhistorisch Maandblad 76 (2): 44.
(73) Met Vlaams middelhoutbos bedoelen wij - binnen de grenzen
HILLEGERS, H., Beweiding van bossen en struwelen in Zuid-
van het huidige Vlaanderen - Oost- en West-Vlaanderen, met aansluitende delen van Vlaams-Brabant + het Brussels hoofdste-
Limburg, 1989, Natuurhistorisch Maandblad 78 (6): 95-101.
delijk gewest (oostelijk tot Zoniën en Hallerbos), Antwerpen
KELDERMAN, P.H., Hakhoutbeheer'Gewoonzol, 1990, Natuur-
(Klein-Brabant). Voor een gedetailleerde afbakening verwijzen
historisch Maandblad 79 (9): 228-231.
we naar TACK e.a., 1993, op. cit. p. 7.
ODE, B., Hakhoutbeheer, bodem en vegetatie, 1990, Natuurhistorisch Maandblad 79 (7-8): 208-212.
(74) STOCKMANS, F., Cisements de tourhes de la province de
VAN WESTREENEN, F.S., De Zuidlimburgse bossen; jong bos of
Brabant. Leur exploitation, 1948, Bull. Mus. Roy. Hist. Nat.
oude stobben. Een boshistonsch overzicht vanaf 1800, 1989,
Belg. 24 (35), 1-34.
Natuurhistorisch Maandblad 78(3), 48-54.
(75) LYELL, C , op. cit., p. 332-357. Voor oudere gegevens: DE BURTIN, F.X., Oryetographiede Bruxelles ou description desfossi-
VAN WESTREENEN, F.S. & BOSSENBROEK, PH., Nog-
les tants naturels qu'accidentels, 1784, Bruxelles; D'OMALIUS
maals hakhout, nogmaals een reactie, 1987a, Natuurhistorisch
D'HALLOY, J.J., Coup d'ceuil sur kgeologie de la Belgique, 1842,
Maandblad 76 (2): 41-43.
Bruxelles, Hayez.
VAN WESTREENEN, F.S. & BOSSENBROEK, PH., Zuidlimburgs bosbeheer: "Roomser dan de paus" of "met de Franse slag",
(76) Prof. Dr. Roger Langohr vermeldt steengroeven van kalkhoudende zandsteen of "witte steen" voor Groenendaal en Rood
1987b, Natuurhistorisch Maandblad 76 (8): 139.
Klooster. In: CABUY, Y., DEMETER, S. & LEUXE, F., Atlas
VEELENTURF, P.W.M. & ZOETELIEF, ]., Landschapseco-
van de archeologische ondergrond van het Gewest Brussel, 3, Ukkel, logtsch onderzoek in Zuid-Limburg: onmisbaar voor het beheer van de Zuidlimburgse hellingbossen, 1983, Natuurhistorisch Maand-
1993, p. 129.
blad 72(6/7), 110-115.
(77) VAN DEN HAUTE, R., Le Laerbeekbos et autres bois Jettois, 1969, Comte/Graafschap de Jette 6(1): 5-28. Het staat vast dat
(81) BOSSENBROEK, PH., 1989, op. cit.
er al grondstofwinning was in de omgeving van Jette en Laken in
(82) HILLEGERS, H., 1997, op. cit.. Zie ook VAN DEN BERG, K.G.S., Weidegang op de Beegderheide van 1800 tot 1930, 2003,
de Romeinse tijd. Vgl. VAN DURME, L., Steenontginning in de Zuidelijke Nederlanden, Een lexicologische verkenning, 1997.
Natuurhistorisch Maandblad 92: 153-157.
Handelingen van het Zottegems Genootschap voor Geschiedenis
(83) VAN DEN HAUTE, R., 1969, op. cit., p. 14.
en Oudheidkunde VIII: 13-33.
(84) VEELENTURF, P.W.M. & ZOETELIEF, J., 1983, op. cit. p. 113.
(78) O.m. VERBESSELT, J., Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13^' eeuw, deelIV, 1965, p. 103-158. Veys, Pittem.
(85) DE WEVER, A., Planten van de Sint-Pietersberg, in: D.C. VAN
VAN DEN HAUTE, R., in: L'industne de la pierre en Belgique.
SCHAIK (red.), 1938, de Sint-Pietersberg, 187-257.
Anciennes carrières au nordde Bruxelles, 1979, p. 99-108, Etudes (86) VANHECKE, L, CHARLIER, G. & VERELST, L, Landet documents du Cercle royal d'histoire et d'archéologie d'Ath et
schappen in Vlaanderen vroeger en nu: van groene armoede naar
de la region. Colloque du 20 novembre 1976. VAN DEN
grijze overvloed, 1981, Nationale Plantentuin van Meise.
HAUTE, R., Anciennes carrières jettoises, 1984, Comte/Graafschap de Jette 14(1-4): 13-23. Ook BURTIN F.X., 1784, op. cit. vernoemt de talrijke Lakense groeven. (79) LETEN, M., Distribution dynamics of orchid species in Belgium: past and present distribution of thirteen species, 1989, Mémoire de la Société Royale de Botanique de Belqique 11: 133-155. Zie vooral p. 136.
Paul Van den Bremt is thematisch onderzoeker bij de Afdeling Monumenten en Landschappen.
Nr. 124 Bijlage bij MftL 22/6 nov.-dec. 2003
• Internationale wereldtentoonstelling van Brussel in 1935. paviljoen van de generaakommissaris. Coll. Archives d'Architecture Moderne
B 1 N N E N K R A N T
De keuze van MetL Anna
Bergmans
HET N F D F R I A N D S F I N T F R I F I I R IN RFFI D De titel van dit boek draagt een mooie dubbelzinnigheid in zich: 'in beeld' verwijst enerzijds naar het beeld, met name het overzicht van het Nederlandse interieur dat hier wordt geschetst; anderzijds refereert 'in beeld' aan de beeldvoorstelling, die in hoge mate werd gebruikt als bron voor het uitgevoerde onderzoek. Het gebruik van eigentijdse afbeeldingen is naast het geschreven bronnenmateriaal namelijk hét belangrijkste uitgangspunt voor de studie. Deze methode werd ons voorgedaan door Peter Thornton, Authentic Decor: The Domestic Interior 1620-1920 fLonden 1984). Thornton vond op zijn beurt zeker inspiratie bij Mario Praz, La Filosofla dell'Arredamento (Milaan 1964). Het overzicht van drie eeuwen dat hier geschreven werd is nieuw voor Nederland, zowel in de toegepaste methode als in de synthese. De realisatie van het boek moet gesitueerd worden in de schoot van de Landelijke Onderzoeksschool Kunstgeschiedenis, opgericht in 1995. Als eén van de acht aandachtspunten werd hier de sectie 'Historische Binnenruimten' opgenomen. De coördinatie daarvan ligt bij het Kunsthistorisch Instituut van de Rijksuniversiteit Leiden en bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. De werking van deze sectie is bij gespecialiseerde onderzoekers ondermeer bekend van de jaarlijkse studiedag die door C. Willemijn Fock aan de Leidse Universiteit georganiseerd wordt. Dat het project van dit monumentale boek pas startte in 1998 en in amper drie jaar tijd gerealiseerd werd, maakt duidelijk hoeveel kennis er bij de auteurs aanwezig was toen zij hiermee begonnen. Als begindatum werd 1600 gekozen,
A/I&L
omdat er vóór die datum weinig bruikbare interieurafbeeldingen beschikbaar zijn. Ook in de eerste helft van de zeventiende eeuw zijn ze nog schaars, maar hun aantal neemt toe naarmate de tijd vordert. Vooral in de negentiende eeuw maken wij kennis met een ongekende hoeveelheid beeldmateriaal. De einddatum 1900 werd niet alleen bepaald vanwege het feit dat de twintigste eeuw recent werd bestudeerd in Van Neorenaissance tot Postmodernisme. Honderdvijfentwintig jaar Nederlandse interieurs 7870-7995 (onder redactie van Ellinoor Bergvelt, Frans van Burkom en Karin Gaillard, Rotterdam 1996), maar ook omdat rond die eeuwwisseling een geheel nieuwe richting ontstond in de interieuropvattingen en vormgeving, namelijk 'de Nieuwe Kunst'. Door een intensieve speurtocht in musea, archieven, prentenkabinetten en bij particulieren werden zoveel mogelijk bekende en onbekende afbeeldingen bijeengebracht en onderzocht. 462 kwaliteitsvolle afbeeldingen, met een overvloed aan kleur, bieden dan ook uitstekend illustratiemateriaal bij de overzichten en verduidelijken de theoretische beschouwingen. De uitgebreide toelichting bij iedere plaat vestigt de aandacht van de lezer op de belangrijkste aspecten van het interieur die telkens te zien zijn en bovendien brengt ze de teksten van de overzichten in herinnering. De afgebeelde iconografische bronnen zijn schilderijen, aquarellen, tekeningen, prenten uit eigentijdse publicaties enzovoort. In de zeventiende en achttiende eeuw neemt het Hollandse pronkpoppenhuis een belangrijke plaats in. Vanaf de negentiende eeuw verschijnt ook de foto. In het beeldmateriaal is er duidelijk voor geopteerd om geen actuele foto-opnamen in situ te tonen, hoewel in de teksten uiteraard wel naar bestaande interieurs en recente onderzoeken daarvan verwezen wordt. Voor actuele opnamen in situ kan de lezer overigens terecht bij Leven in toen. Vier eeuwen Nederlands interieur In beeld [red. Frans van Burkom, Karin Gaillard, Eloy Koldeweij, Ton Schulte en Joost Willinck, Zwolle 2001).
De bestudering van historische interieurs heeft zich lange tijd beperkt tot een stijlstudie van de verschillende componenten. Dit boek stelt een integrale benadering voor waarbij de nadruk ligt op het wonen zelf, op het gebruik van het interieur dus. Hiervoor is het beeldmateriaal een belangrijke bron. De eigentijdse beeldvoorstelling toont hoe het interieur werd ingericht, hoe er werd geleefd. Aspecten als wandafwerking, vloerbedekking, de plaats van de meubels, verwarming, verlichting, de onvangst- en eetgewoonten enzovoort laten zich bestuderen op honderden tijdsdocumenten. Een belangrijk onderscheid wordt gemaakt tussen contemporaine voorstellingen van het interieur (aangeduid als 'authentieke' afbeeldingen) en interieurontwerpen, die een ideaalbeeld schetsen. Het spreekt vanzelf dat werd nagegaan of deze beeldvoorstellingen waarheidsgetrouw zijn. De methode om het realiteitsgehalte van de beeldvoorstelling te toetsen, illustreerde C. Willemijn Fock enkele jaren geleden al op overtuigende wijze met een onderzoek naar het interieur in de Hollandse genreschilderkunst van de zeventiende eeuw ('Werkelijkheid of Schijn. Het beeld van het Hollandse interieur in de zeventiendeeeuwse genreschilderkunst'. Oud Ho/Zond, 112(1998), 187-246).
Zij nuanceerde hier de vroegere opvatting dat het om reële interieurs ging door met een veelheid aan andere bronnen aan te tonen dat meerdere componenten van die specifieke binnenhuisinrichting zeer onrealistisch zijn. Niet alleen werden hierbij de verschillende soorten bronnen aangegeven maar ook werd aangetoond hoe hiermee moet worden omgegaan om tot een correcte interpretatie te komen. De eigentijdse beeldvoorstelling confronteren met zoveel mogelijk andere bronnen, is ook de ruggengraat van dit monumentale boek. leder gegeven immers vult aan, nuanceert, corrigeert of bevestigt. Die andere bronnen zijn divers. Het gaat om archivalia (boedelinventarissen, bouwbestekken, rekeningen, veilingcondities), literaire bronnen (observaties van ooggetuigen), eigentijdse publicaties (advertenties.
B I N ^ E N K R A I M T
literatuur), archeologische opgravingen en onderzoek in situ. De tijdsperiode 1600-1900 is in zes hoofdstukken van telkens een halve eeuw opgedeeld. Door het vaste schema weten de verschillende auteurs een eenheid aan het boek te geven, niettegenstaande hun eigen specialiteiten en invalshoeken. Voor het bereiken van die eenheid is beslist ook een stevige eindredactie gebeurd, die uiterst zelden inconsequenties over het hoofd zag. Aan elk tijdsonderdeel gaat de historische context vooraf. Per halve eeuw komen eerst de algemene ontwikkelingen van het interieur aan bod en vervolgens de planning, de indeling en het gebruik. Daarna volgt de vaste interieurafwerking en tenslotte de losse inrichting. Een dominante Franse invloed tot en met de eeuw van het stijlpluralisme loopt als een rode draad door het overzicht heen. De lange ontwikkeling van het leven volgens strakke voorschriften tot informeel wonen wordt duidelijk. Differentiatie, diversiteit, eenheid, variatie, eenvoud, luxe, soberheid, comfort, representatie, privacy en raffinement zijn sleutelwoorden in de boeiende teksten.
Een moeilijkheid bij de beschrijving van het historisch interieur is steevast de terminologie. Tussen Noord en Zuid blijken ook op dat vlak verschillen te bestaan. Het boek biedt houvast aan de Nederlandstalige kunsthistoricus die in de toekomst met de interieurbeschrijving zal worden belast. De interieurtermen zullen alle opgenomen worden in de Art Et Architecture Thesaurus Nederlandstalig. Een verklarende woordenlijst was echter - naast het nuttige register een welkome aanvulling geweest. Of wordt dit een volgend project? Hef Nederlands interieur in beeld heeft op symbolische wijze, door de verschijningsdatum in het najaar, de Manifestatie Historische interieurs 2001 in Nederland afgerond, maar heeft dit naar mijn mening ook bekroond. Lang aangekondigd en verwacht als "de Nederlandse Thornton", behoeft dit magnum opus nu een Engelse vertaling zodat de kennis die hier verzameld werd, wereldwijd kan
worden verspreid. Vanuit de "Zuidelijke Nederlanden" kunnen wij slechts hopen om op korte termijn een vergelijkbaar werk voor onze streken te realiseren.
C. Willemijn Fock (red.). Hef Nederlandse interieur in beeld 1600-1900, Zwolle 2001. 512 pp. ISBN 90 400 9588 4. EUR 55,01
Paul Van den Bremt
DE QERQS: HET SPOOR TFRUG Bij het beheer van natuurterreinen doen de terreinbeherende verenigingen steeds vaker beroep op "grote grazers" (vooral runderen en paarden) die dan gewoonlijk op een "extensieve manier" (bijv. 1 grootvee-eenheid per 3 ha) in het terreinbeheer worden ingeschakeld. Dergelijke begrazingsdichtheden worden nogal eens gedefinieerd als "natuurlijke begrazing". Maar klopt dit eigenlijk wel? Wat is de rol van grote grazers? Kunnen dieren zoals runderen in onze streken de verbossing van terreinen blijvend tegen houden zonder bijkomende menselijke ingreep? De bij natuurbeheerders inmiddels roemruchte Nederlandse onderzoeker Dr. Frans Vera beweerde alvast in zijn proef-
JX De Oeros Het spoor
«fte fidriB
Een Europese grote grazer met nagenoeg mythische proporties is de oeros (niet te verwarren met de Europese bizon of wisent). Het is de stamouder van onze huisrunderen. Het laatste dier, van vrouwelijke kunne, stierf naar alle waarschijnlijkheid uit in 1627 in het bos van Jaktorów (Polen). Een uitgestorven Europese diersoort van dergelijk formaat (een stuk groter dan de meeste van onze hedendaagse huisrunderen) leent zich makkelijk tot mythevorming. In de 20ste eeuw (jaren '20 en '30) waagden de Duitse gebroeders Heinz en Lutz Heek zich aan kruisingsexperimenten met huisrunderen met als doel de oeros terug te fokken. Zelfvoldaan beweerden ze in hun experimenten zo goed als gelukt te zijn: Der Ur lebt wieder (de oeros leeft weer) beweerde Heinz Heek enthousiast, een echt wonder. Het Heckrund was ontstaan, als het ware voorbestemd om in het beheer van natuurterreinen te worden ingeschakeld. En zo geschiede in de Lage Landen...
terug
HSBÉ^r
W»'-^" y ^
^3 Cis van Vuure
schrift Metaforen voorde wildernis eik, hazelaar, rund en paard, gepubliceerd in 1997, dat dit meer dan waarschijnlijk is. Het gesloten boslandschap zou volgens hem in onze contreien nooit bestaan hebben sinds de laatste ijstijd. Grote grazers zorgden immers voor een open-bos-landschap. Het beste bewijs hiervoor is het massaal voorkomen in de pollendiagrammen van lichtminnende soorten zoals eik en hazelaar. Palynologen (stuifmeelonderzoekers) zouden door een foute interpretatie ons opgezadeld hebben met dit idee van een gesloten boslandschap, een waanidee volgens Vera. Maar is zijn stelling juist?
Rapport I8«
Want een foto van een teruggefokte oeros (een Heckrund) in de dierentuin van Munchen wekte in 1980 belangstelling bij alweer een andere Nederlandse onderzoeker. Cis van Vuure. Hij kwam in 1982 in contact met de stichting Kritisch Bosbeheer en de daar levende ideeën omtrent natuurlijke processen in bossen en de oorspronkelijke fauna daarin. Er kwam stilaan een beweging op gang die een nieuwe wind liet waaien in het
B I N ^ E N K R A N T
Nederlandse natuurbeheer. Zelfs Sfoofsöosöeheer waagde zich aan experimenten. Er werden Heekrunderen uitgezet in het (nieuw ontstane) natuurgebied "deOostvaardersplassen". Hun opdracht was het landschap open te houden ten behoeve van de ganzen. En de eerste resultaten van het experiment waren hoopgevend. Daarmee was het hek van de dam: onderzoek naar de invloed van begrazing in natuurgebieden kwam van dan af op kruissnelheid. Steeds meer runderrassen (naast het Heckrund vooral Noord-Europese rassen zoals Galloway, Schots Hooglandrund of een enkele keer Hereford ...) en paarden (Konik, pony) gingen onze natuurreservaten en landschappen bevolken, vaak tot grote tevredenheid van de natuurbeheerders. Het leidmotief was natuurlijke processen te bevorderen en af te stappen van het agrarisch natuurbeheer met zijn onnatuurlijke landschapstypen (lees cultuurlandschappen). Uiteindelijk zou de mens geen beheerder meer hoeven te zijn maar toeschouwer. Een mooie optie dus, maar schuilt hierachter niet een vleugje romantiek, een hunkeren naar een verloren gegane paradijselijke natuur? Op zich hoeft dit geen bezwaar te zijn: hunkeren is best toegelaten! Maar zijn de natuurbeheerders niet goed op weg hun eigen cultuurlandschappen te maken, landschappen met een natuur die voldoet aan hun menselijke voorstelling?
Cis van Vuure is zich hiervan duidelijk bewust. Ruim twintig jaar geleden startte hij met een zoektocht naar de feiten achter de uitgestorven oeros en naar zijn vermeende effecten op het landschap. De legpuzzel bleek uit veel meer stukjes te bestaan dan hij oorspronkelijk dacht, er was zeer veel tijd voor nodig om ze bij elkaar en passend te krijgen. Oerosonderzoek bestond tot nog toe uit vele versnipperde deelonderzoeken en een veel omvattend onderzoek was er nog niet. Hij zet in het boek de Oeros; Het spoor terugzijn bevindingen op een zeer heldere manier op een rij. Het resultaat stelt zeker niet teleur: het is gewoonweg een schitterend boek geworden!
We vernemen hoe de oeros eruit zag en wat zijn levenswijze was. De informatie die bijeengebracht is, is afkomstig van verschillende vakgebieden zoals stuifmeelonderzoek, archeologie, dierecologie en taalwetenschappen. Voor het uiterlijk van de oeros worden zowel geschreven bronnen uit de 16de eeuw als archeozoölogisch onderzoek naar de stoffelijke resten van het dier geraadpleegd. Modern genetisch onderzoek van primitieve runderrassen en verwante rundersoorten (b.v. banteng) komt ook aan bod net zoals de voorstelling van de oeros in grotten zoals die van Lascaux. Om inzicht te krijgen in de levenswijze van het dier wordt eveneens beroep gedaan op geschreven bronnen uit de 16de eeuw, maar tezelfdertijd komt modern ecologisch onderzoek van runderen en andere zoogdieren ter sprake (b.v. uit Nederland, Polen, Noord-Amerika). Aan de beschrijving van het oorspronkelijke natuurlijke landschap van Europa, waarin de oeros voorkwam , wordt eveneens veel aandacht besteed. Cis van Vuure grijpt hiervoor terug naar stuifmeelonderzoek, insectenonderzoek, teksten van Romeinse schrijvers en beschrijvingen van de laatste wildernis van Europa. Die laatste wildernis De Grote Wildernis, gelegen in het voormalige Oost-Pruisen, was in feite een enorm grensbos, een soort niemandsland van 50.000 a 60.000 km2 groot. Aan de éne kant leefden de Duitsers, aan de andere kant de Polen aan de Litouwers. Tot ca. 1500, wanneer het gebied ophield te bestaan, kwam ook de oeros er nog voor. Met de beschrijving van het oorspronkelijke natuurlandschap aan de hand van voornamelijk literatuurgegevens belanden we meteen bij de reconstructie van de biotoop van de oeros en bij zijn voedselvoorkeur. Predatie, sociale structuur en voortplanting worden ook vrij uitvoerig behandeld. Een zeer boeiend hoofdstuk gaat over de invloed van grote planteneters op de bosgroei. Het vroeg 19de-eeuwse boslandschap bij Bialowie_a (gelegen in Oost-Polen en bekend om zijn populatie wisenten) dat Frans Vera inspireerde tot een gewaagde inter-
pretatie van een historische kaart (openheid van het bos - parklandschap), komt hier ook aan bod maar dan wel mét de beschrijving erbij zoals ze op dat ogenblik werd opgetekend. Hieruit blijkt dat het bos helemaal geen parkachtig karakter had. Van Vuure constateert terecht: Kennelijk werd het aan de tekenaar zelf overgelaten om het bos op zijn eigen manier a f te beelden en werd het zodoende meer een artistieke dan een realistische weergave van de aanwezige bosvegetatie (p.233). Hier wordt ook gerefereerd aan klimatologisch vergelijkbare gebieden buiten Europa: het oosten van de Verenigde Staten en het zuidoosten van Siberië. Populatiedichtheden (voor de oeros geschat op 0,2 ind. /km 2 voor de bossen bij Jaktorów) en mogelijke effecten van vraat worden vervolgens besproken. Van Wood Buffalo National Park (noordoosten van de Canadese staat Alberta) wordt een casestudie gepresenteerd. Van Vuure besluit dit hoofdstuk met de misschien wat verrassende stelling dat geen enkele grote planteneter de bosontwikkeling in natuurlijke omstandigheden stoort: de wisent in Europa niet maar ook de bosolifant in Afrika niet. Enkel de bever is in staat lokaal qrote invloed uit te oefenen op de bosgroei (p.264). Aan de hand van het praktijkvoorbeeld Wood Buffalo National Park wordt gesteld dat grote planteneters zoals bizons, herten en bevers er niet in slagen grote invloed uit te oefenen op de bosvorming. Het waterregiem van de grote rivieren en in geringe mate natuurlijke bosbranden hebben daarentegen wel grote invloed. Het megaherbivorendebat rond bosvorming krijgt in dit hoofdstuk dus nieuwe stof voor discussie.
Er wordt ook een hoofdstuk gewijd aan het terugfokexperiment van de gebroeders Heek. Cis van Vuure oordeelt streng: De criteria, aan de hand waarvan geselecteerd werd, waren vaag en ruim gesteld en een goede administratie van de kruisingen is niet bijgehouden, zodat we niet goed weten welke rassen in welke mate hebben bijgedragen aan het eindproduct. Het terugfokexperiment van de gebroeders
B 1 N N E 1 \ K R A ^ T
•
Heck wordt zodoende gekenmerkt door een ondeskundige en ondoorzichtige wijze van werken. Vergelijking van de uiterlijke kenmerken van het Heckrund met die van de oeros laat zien dat er weinig overeenkomst tussen de twee bestaat. In het laatste hoofdstuk geeft de auteur een slotbeschouwing, conclusies en aanbevelingen. Ze zijn van belang voor elke landschapsbeheerder die gebruikt maakt van grote grazers. Wij geven ze kort weer (p.313-314): • Het Heckrund lijkt qua uiterlijke kenmerken nauwelijks op de oeros. Wil men in natuurgebieden de effecten van vraat van de oeros nabootsen, dan kan dit goed gebeuren met behulp van het huisrund. Vele rassen komen in aanmerking. • Wil men de oeros terugfokken, dan kan dit beter gebeuren met meer op de oeros gelijkende runderen.
soort op basis van voornamelijk literatuuronderzoek. Iedereen die begaan is met het beheer van natuurgebieden of met landschapsbeheer kunnen wij dit boek warm aanbevelen.
interessante iconografische documenten zoals historische prenten en gravures opgenomen. Vrij onbegrijpelijk en vervelend is wel het gebrek aan identificatie en bijschriften van de grote foto's: soms is na enig zoekwerk een plaatsnaam te vinden, soms (meestal) niet. Een volledige lijst van de belforten die als Werelderfgoed erkend zijn (en dus ook de Waalse), was hier toch ook wel op zijn plaats geweest, want als men op het kaartje op p. 224 kijkt, staan daar 23 belforten aangeduid...Het was een kleine moeite om ook de belforten in Wallonië en Frans-Vlaanderen even op dit kaartje te situeren.
Cis (T.) van Vuure, De Oeros. Het spoor terug, Wageningen 2003, Sectie Natuurbeheer. /SeA/90-6754-678-xwww.wur.nl/wewi
Michiel Heirman, Vlaamse belforten Werelderfgoed, Leuven, 2003, uitgeverij Davidsfonds Leuven, 62.50 € . Er is ook een Engelstalige uitgave.
toestand (bossen en moerassen) in het overgrote deel van Europa niet meer voorkomt, kan men dit nog alleen maar trachten te benaderen. Wil het rund onder die omstandigheden goed overleven, dan moet het qua uiterlijk en fysiologie zo veel mogelijk lijken de oeros. In feite is dit boek een prachtig voorbeeld van historisch-ecologisch onderzoek naar een uitgestorven dier-
• Op voor bossen gunstige standplaatsen kon een grote planteneter als de oeros de bosgroei niet tegengaan, hoogstens vertragen. • Voor het handhaven van een open parklandschap (vgl. New Forest in Engeland) is een onnatuurlijk hoge populatiedichtheid aan grote planteneters nodig. De mens moet bovendien steeds bijspringen in het beheer. • Het natuurlijke landschap (bedoeld wordt: zonder de mens) van het overgrote deel van West- en MiddenEuropa zal, onder de huidige klimatologische omstandigheden, vrijwel volledig met bos bedekt zijn met uitzondering van die gebieden (kwelders langs de kust, hoogvenen en laagvenen langs rivieren) waar geen bosgroei mogelijk is. • Bij natuurbeheer in een cultuurlijke situatie worden cultuurbossen en (halfjopen cultuurlandschappen geconserveerd met het oog op de zich daarin bevindende vegetaties en planten- en diersoorten. De rol van de hierbij ingezette runderen (niet noodzakelijk van het oerostype) is die van goedkope maaiers en snoeiers. Lukt dit niet alleen met grazers, dan moet de mens ingrijpen. • In een natuurlijke situatie grijpt de mens niet meer in. Aangezien deze
BOERDERIJEN Marjan
Buyle
^^^^^^^^•——-————• V I A A M S F RELFORTFN De 25 Vlaamse belforten als unieke symbolen van de gemeentelijke vrijheid werden in 1999 door de UNESCO als Werelderfgoed erkend, tezamen met 6 Waalse voorbeelden. De samenstelling van een sensibiliserend kunstboek over dit onderwerp zal niet alleen de aandachtvan het publiek vestigen op dit erfgoed, maar ook de bevoegde overheid aanzetten tot bescherming, onderhoud en restauratie van deze opvallende torengebouwen. De wettelijke bescherming is gelukkig al gerealiseerd. Positief is dat er uitgebreid aandacht wordt besteed aan niet zo gekende belforten als die van Menen, Eeklo, Calais, Rijsel, Belle en Lucheux. De teksten van Michiel Heirman zijn duidelijk en steunen op gedegen documentatie, zoals het omstandige dossier ter ondersteuning van de aanvraag opgemaakt door Suzanne van Aerschot-van Haeverbeeck. De foto's zijn zeer mooi en er zijn ook talrijke
Het rijke ruraal patrimonium van ons land is nog altijd te weinig gekend. Dit boek over boerderijen in Vlaanderen en Wallonië stelt een keuze voor van interessante hoevegebouwen. Uit de verschillende provincies. Het aanbod is heel gevarieerd: versterkte vierkanthoeves, kasteelhoeves, watermolens, commanderijen landgoederen en meer bescheiden pachthoven, elk met hun eigen typologie. Meer nog dan andere monumenten zijn de her en der verspreid liggende hoevegebouwen bepalend voor het uitzicht van het rurale landschap en het gebruik van de gronden. Het is vooral een kijkboek geworden, met korte teksten van Rosine De Dijn en lange bijschriften bij de overigens schitterende foto's van Siegfried Himmer, een uitgave die een zeer breed publiek zal interesseren.
Rosine De Dijn en Siegfried Himmer, De mooiste boerderijen in Vlaanderen en Wallonië, Leuven, 2003, uitgeverij Davidsfonds Leuven, 44 €
1VI&L
B 1 N N E N K R A M T
HFT ROMFINSF I FfiFR
MFNS EN DIFR IN DF M I D D F I F F I I W F N
Een vulgariserend werk voor de liefhebbers van de beschaving van de Oudheid en de Romeinse archeologie: alle facetten van organisatie en inrichting van dit legendarische succesvolle leger, de architectuur van de legerkampen, de badhuizen, de soldatenbarakken en het woonhuis van de prefect. Daarnaast alle mogelijke wetenswaardigheden over dagindeling, voedsel, kledij, wapenrusting en bewapening, geschreven door Bernard Van Daele, medewerker aan de archeologische opgravingen in het Turkse Sagalassos. Heel boeiende geschreven, overzichtelijk ingedeeld en met talrijke tekeningen en foto's geïllustreerd. Bernard van Daele, Het Romeinse leger, Leuven, 2003, uitgeverij Davidsfonds Leuven, 24.95 €
De pape-gaai zou zijn naam te danken hebben aan zijn statuut van onafscheidelijke huisgenoot van de pausen. Voor een middeleeuws handschrift in perkament was het fijne vel van niet minder dan 170 kalveren nodig. Mens en dier in de Middeleeuwen leefden veel dichter op elkaar dan nu het geval is. Ze leverden niet alleen voeding en kleding, maar waren onmisbaar bij de veldtochten het vervoer en de landbouw. In middeleeuwse bestiaria, de zogenaamde beestenboeken, worden alle dan gekende rassen gedetailleerd beschreven, en vermengd met tal van monsterrassen in wier bestaan men stellig geloofde: de zeemeermin, de eenhoorn, de centaur. Dieren duiken op als versiering van de architectuur, in handschriften, op schilderijen en in de heraldiek. De auteur Raymond van Uytven staat garant voor degelijke documentatie en een vlotte schrijfstijl. Talrijke illustraties.
TRAPPISTFNABDIJEN Westmalle, Chimay, Rochefort, Westvleteren, Orval en Achel zijn niet alleen de namen van gekende trappistenbieren, maar eerst en vooral eerbiedwaardige kloostergemeenschappen. Om 'ledigheid' te voorkomen, hielden de monniken zich ook bezig met handenarbeid, waaronder het brouwen van bier en het vervaardigen van kazen. Als voorbeeldige monumentenzorgers houden de trappisten door dit dagelijks gebruik een indrukwekkend industrieel patrimonium in stand, naast uiteraard de andere gebouwen van het kloostercomplex. Van elke abdij wordt een historiek geschetst, de gebouwen beschreven en de bierbouwerij voorgesteld. Jef van den Steen, expert terzake, verbleef dagenlang in de diverse kloosters en beschrijft het reilen en zeilen dus van binnenuit. Jef van den Steen, Trappist. Het bier en de monniken, Leuven, 2003, uitgeverij Davidsfonds Leuven, 34.50 €
M&L
Raymond van Uytven, De pape-gaai van de paus. Mens en dier in de Middeleeuwen, Leuven, 2003, uitgeverij Davidsfonds Leuven, 29.50 €
Marnix
Fitters
mnnn IAAR VARFN. FFN WFRFLDfiFSrHIFDFNIS Dit vlot geschreven en uitstekend geïllustreerd boek brengt in vier hoofdstukken een stand van zaken omtrent de geschiedenis van de scheepvaart en alles wat daar onmiddellijk mee samenhangt. De auteur doet dit - en dit is ongewoon - vanuit een cultuurneutraal perspectief. Dit is niet altijd even gemakkelijk gezien het lacunair karaktervan het beschikbare bronnenbestand vooral bij de nietwesterse culturen. Het zijn immers vooral westerse culturen die uitblinken in de productie en het bewaren van geschreven en iconografisch bronnenmateriaal over de eigen verwezenlijkingen. Via de archeologie
zou men deze lacune wel degelijk gedeeltelijk kunnen invullen, maar scheeps- en onderwaterarcheologie is niet overal even goed ontwikkeld. Dat er wel degelijk materiële bronnen beschikbaar zijn hoeft geen betoog en regelmatig worden dan ook op dit vlak spectaculaire ontdekkingen gedaan. Er is hierbij echter slechts uitzonderlijk sprake van een gerichte aanpak. Dit houdt in dat vele in dit boek geuite hypotheses ook nog lange tijd hypotheses dreigen te blijven. Om die reden blijven ook de vaartuigen zelf van grofweg de eerste helft van de in het boek behandelde periode grotendeels buiten beeld. De vier hoofdstukken behandelen achtereenvolgens de bijdrage aan de maritieme geschiedenis van de Polynesische, de Arabische, de Chinese en de Westerse beschaving. De Polynesische en Chinese bijdragen spreken het meest tot de verbeelding, waarbij de Polynesiërs ongetwijfeld de kroon spannen. Het bevolken van Rapa Nul of Paaseiland tegen de 7dc eeuw na Christus bijvoorbeeld blijft in de geschiedenis van de menselijke verplaatsing over water nog steeds één van de meest verbazingwekkende prestaties: nl. het vinden en bevolken van een klein vulkanisch eiland dat meer dan 1500 km verwijderd is van het dichtst bijzijnde bewoonde eiland. Het naast mekaar plaatsen van deze vier nogal verschillende maritieme tradities illustreert ook treffend hoe voor een gelijkaardig probleem soms totaal verschillende, maar evenwaardige oplossingen worden bedacht. Bepaalde oplossingen geraakten zeer snel vespreid, andere daarentegen vergden enorm veel tijd om van de éne traditie naar de andere over te gaan. Dit boek is een aanrader, al was het maar omdat het de prestatie van de Westerse beschaving in een correcter daglicht plaats, en verdient zeker zijn plaats in de bibliotheek van in maritieme thema's geïnteresseerde lezers.
Luc Cuyvers Leuven, Luc Cuyvers en het Davidsfonds, 2003, 159 p., ISBN: 90-77363-01-7
B l N ^ E M K R A l ^ T
Tentoonstellingen
Marjan
Buy Ie
Ginirn FN DF KUNST IN PADUA IN DE 14DF EFUW. LAPAPELIA DEGII SCROVEGNI In het ING Cultuurcentrum (de vroegere BBL) aan het Koningsplein in Brussel wordt in het kader van Europalia een kleine, maar prachtige tentoonstelling georganiseerd over de fresco's van Giotto voor de Scrovegnikapel in Padua. Deze kapel werd in de vorige jaren gewetensvol en deskun-
dig gerestaureerd en is nu opnieuw opengesteld, weliswaar op reservatie en voor zeer korte bezoeken. Een kapel met muurschilderingen overbrengen naar Brussel is natuurlijk onmogelijk en daarom werd geopteerd voor het tonen van een verkleinde kopie op 1:4 met fotografische reproducties en voor het opentrekken van het thema naar de kunst in Padua in de 14de eeuw. Zo worden een aantal afgenomen frescofragmenten van Giotto en zijn tijdgenoten getoond, in een prima belichting en op ooghoogte, zodat men alle finesses van deze unieke schildertechniek kan bewonderen. Mooie muziek zorgt bovendien voor een aangepaste sfeer. Zeer mooi zijn ook de schilderijen op paneel, waaronder een ronduit schit-
terende voorstelling van de aartsengelen in slagorde: perfect van bewaringstoestand en met een uitzonderlijk bewaarde frisheid van de kleuren. Ook echt de moeite waard is het 14deeeuwse marmeren beeld van de opdrachtgever voor de Capella degli Scrovegni, de rijke bankier Enrico Scrovegni. Prachtig gesculpteerd en gelukkig met nog restanten van de originele polychromie, zoals de ogen en de carnatie van het gezicht. Het geheel wordt gesitueerd binnen de stad Padua in de 14dc eeuw, geëvoceerd door prenten en tekeningen. Zeer merkwaardig zijn ook de getekende opmetingsplannen en opstanden van de kapel, getekend door de 19de-eeuwse "monumentenzorgers", met een verbluffende precisie, detaillering en bruikbaarheid. Daar kan geen enkele digitale opname of fotogrammetrische opname aan tippen! Bovendien zijn deze tekeningen van een poëtische schoonheid, waardoor ze bijna zelf kunstwerken geworden zijn. Blikvanger in de tentoonstelling is de originele schildering van de zogenaamde Eterno, de eeuwige, door Giotto geschilderd op een paneel in eitempera, maar toch met het effect van een mat fresco om niet te storen of op te vallen binnen het gemuurschilderd ensemble. Het paneel en vooral de schildering zijn zwaar aangetast en gedegradeerd, maar Giotto's genie houdt onveranderd stand. De zwaarste beschadigingen aan de in onbruik geraakte kapel en haar beschildering zijn te wijten aan het goedbedoelde verwijderen van de buitenbepleistering in 1885. Op die manier kreeg het vocht vrij spel en tastte de bepleistering aan. Ook de afbraak van het aanpalende Palazzo eerder in de 19de eeuw had aan de kapel geen goed gedaan. De restauratie, uitgevoerd door de Istituto Centrale per il Restaura van Rome, gaf aanleiding tot grootschalig wetenschappelijk onderzoek, waarbij een aantal tot nu toe ongekende technieken van Giotto werden ontdekt. Zo plaatste hij bijvoorbeeld in de nimbus van de oordelende Christus drie spiegeltjes, die het licht op be-
1V1&L
B 1 N N E M K R A M T
paalde dagen in een felle lichtbundel moeten geprojecteerd hebben op de bezoekers en zo het tafereel van het Laatste Oordeel nog indrukwekkender maakten. Ook ontdekte men dat Giotto gebruik maakte van de techniek van het stucco lustro, waarmee men het effect bereikt van glanzend gepolijst marmer. In de 19de eeuw had men de bepleistering gefixeerd aan de drager met duizenden spijkers! Ook werden de zouten geëxtraheerd en een de-restot/rat/e uitgevoerd van de gedeeltes die met kunstharsen behandeld waren in de late vijftiger jaren. De tentoonstellingscatalogus is een voorbeeldig werkstuk, dat het historisch en artistiek klimaat van de 14de eeuw in Padua voorbeeldig oproept. Zo wordt de ontstaansgeschiedenis van de kapel en haar schilderingen in de juiste context geplaatst. Er wordt ingegaan op de instandhouding en de restauratie van de fresco's in de 19^ en de 20ste eeuw. De huidige restauratie startte met een aantal studies en met dringende instandhoudingwerken aan het gebouw zelf en aan de schilderingen. Uiteraard wordt ook de recente restauratie beschreven. De catalogus is geïllustreerd met schitterende foto's, die het talent van Giotto alle eer aandoen. Voor het eerst in de westerse kunstgeschiedenis worden echte mensen ten tonele gevoerd, met alle mogelijke menselijke emoties. Zonder afbreuk te willen doen aan de kwaliteit van de tentoonstelling en het gepresteerde werk, moeten we toch toegeven dat het bezoek aan de kopie ietwat teleurstellend was. Foto's doen de prachtig materialiteit van deze muurschilderingen toch echt geen eer aan en deze verkleinde maquette kan misschien wel documentair waardevol zijn, maar voor de echte emotie zijn zelfs de kleine frescofragmenten veel beter geschikt. Het ervaren van de tactiliteit van deze muurschilderkunst is uniek. Men kan op deze afstand elk detail en elke korrel van de bepleistering zien. Ook de overigens mooi uitgevoerde retouches worden zichtbaar voor het geoefend oog, en voor de bezoekers-restaura-
M&L
teurs zal het wellicht opvallen dat de zo populaire tratteggio-methode soms niet de meest aangewezen retoucheertechniek is, zeker niet in het fijn geschilderd krullenhaar van het Jezuskind, waar de fijne streepjes een storend element vormen. Voor het houten paneel gelden zware voorschriften zoals de 50 lux-norm. Dit stoort echter geenszins de perceptie van dit machtige kunstwerk. Een kleine suggestie aan de tentoonstellingsmakers: het lettertype van de tekstplaatjes mag iets groter (zelfde opmerking voor de catalogus) en de lange teksten zouden misschien minder esthetisch, maar wel beter leesbaar zijn in donkere letters op een lichte (witte) achtergrond. Voor de rest weer een schitterende realisatie in de reeks kleine, maar goed uitgewerkte tentoonstellingen in dit cultuurcentrum.
De tentoonstelling loopt nog tot 11 januari 2004 in het ING-Cultuurcentrum op de Kunstberg, Koningsplein 6 in Brussel. Dagelijks van 10 tot 18u, ook op weekends e feestdagen. Woensdag tot 21u. Uitzonderlijk gesloten op 25 december en 1 januari. Catalogus 19 € . Kan besteld worden door overschrijving van 19 € + 3 € verzendkosten voor België, op rekeningnummer 301-9156561-36 van de dienst Kunstzaken ING met als mededeling "catalogus Giotto". Mogelijkheid tot rondleidingen, creatief kinderatelier en fresco-atelier voor tieners en volwassenen. Reservaties 02/547 22 92. Er is een mediashow over het werk van Giotto in Padua en een andere diavoorstelling in de kelder, naast het atelier, over de restauratie van het ensemble.
B 1 N 1 M E 1 M K R A N T
V I A A M S F LANDSCHAPPEN IN HET KUNSTHISTORISCH M I I S F I I M IN WENEN Niet te missen voor wie deze periode in Wenen komt: een tentoonstelling gewijd aan de ontwikkeling van de landschapsschilderkunst in de 16de en 17de eeuw. Ook het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten werkt mee aan dit initiatief. De tentoonstelling behandelt de periode van 1520 tot 1700. De landschapsschilderkunst, oorpsronkelijk afkomstig uit de Noordelijke Nederlanden, kreeg meer en meer vorm in de Zuidelijke Nederlanden vanaf 1600. Grote namen als Brueghel en Rubens kregen er bekendheid door. Allerlei soorten landschapsschilderkunst komen aan bod: berg- en rotslandschappen, woud-, dorps- en rivierlandschappen, jaargetijden, het paradijs en het fantastische landschap. Met Rubens begint een nieuw tijdperk, dat vanhet barokke landschap. Op deze tentoonstelling kan je dan ook acht van zijn meesterwerken ontdekken. De opmerkelijke expositie sluit af met werk van zijn navolgers zoals Jan Wildens, Daniel van Heil en Cornelius Huysmans. De tentoonstelling loopt van 23 december tot en met 12 april in het Kunsthistorisch Museum in Wenen, Maria-Theresienplatz 1, dagelijks van 10 tot 18u, donderdag tot 21 u.
HENRY LACQSTE EEN FANTASIERIJK ART PECO De Fondation pour l'Architecture en de Archives d'Architecture Moderne stellen de eerste overzichtstentoonstelling voor gewijd aan Henry Lacoste, markante figuur die een heel eigen plaats inneemt binnen de Belgische architectuur van het Art Deco tijdperk. Opgeleid in de traditie van de Ecole des beaux-arts in Parijs en gepassioneerd door architectuurgeschiedenis, archeologie en oude beschavingen, maakt hij het verleden
Interieur van de privé-woning van Henry Lacoste in Ouderghem (Brussel), 1927. ®Ph.DeGobert,AAM,2003
tot een levendige inspiratiebron voor een creatieve praktijk en dito onderwijs. Twee Belgische kunstenaars, Emilio Lopez-Menchero en Hans Op de Beeck, zijn uitgenodigd door de Fondation pour l'Architecture om creaties te verwezenlijken die met het overvloedige oeuvre van Henry Lacoste verwantschap houden.
LACOSTt UN IMAGINAIRE EEN FANTASIERIJK
^ K ART DECO
Tentoonstellingsruimten: Fondation pour l'Architecture Et Museum voor Architectuur - De Loge Kluisstraat 55 (CIVA) Et 86, 1050 Brussel. Openingstijden: Dinsdag tot zondag van 12u. tot 18u., woensdag van 12u. tot21u.
05.ii03 - 2i o :
Gesloten op maan- en feestdagen.
1VI&L
B 1 1 M N E N K R A N T
Buitenkrant NIFMWF BROCHllRFS VAN DE AFDELING: •VERGUNNINGEN VOOR WFRKFN AAN BFSCHFRMDF M n N U M E N T E N ' EN 'BESCHERMINGEN 7ao?• Recent verschenen twee nieuwe brochures van de Afdeling Monumenten en Landschappen. 'Vergunningen voor werken aan beschermde monumenten' licht toe wat de verplichtingen zijn van een eigenaar van een beschermd monument. De brochure gaat terug op het 'Besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten, stads- en dorpsgezichten' en geeft aan welke werken aan een beschermd monument vergunningsplichtig zijn en hoe een vergunning kan worden aangevraagd. De brochure is gratis verkrijgbaar (bestellen via 02 553 16 13 of via aml@lin.vlaanderen.be). 'Beschermingen 2002'bundelt alle nieuwe beschermingen van dat jaar, monumenten, landschappen en stadsen dorpsgezichten. De beschermingen werden vroeger in de Binnenkrant opgenomen, maar zullen vanaf nu elk jaar gebundeld verschijnen.
TERUG FISCALE ATTESTEN VOOR WFRK7AAMHFDFN AAN BESCHERMDE MONUMENTEN UITGEVOERD DOOR VERENIGINGEN inleiding Het regeerprogramma van de toenmalige Vlaamse regering van december 1985 bepaalde ondermeer dat: de mogelijkheden voor de vervanging van de directe subsidies door verminderingen, geboden door nationale
1VI&L
maatregelen, maximaal zullen benut worden". De afdeling Monumenten en Landschappen speelde hierop in met de ruimverspreide uitgave van het boekje "De Fiscus en het Cultureel Erfgoed' en de organisatie hierover van voorlichtingsavonden. In het boekje werden al deze fiscale maatregelen vermeld met een toelichting over de wijze waarop ze in de sector Monumenten en Landschappen optimaal konden worden benut. Deze promotie kende veel succes. Een van de meest succesrijke activiteiten waren de aftrekbare culturele giften: een gift in geld aan een erkende culturele instelling mag onder bepaalde voorwaarden door de schenker van zijn gezamenlijke netto-inkomsten of van de belastbare basis van de vennootschapsbelasting van de schenker worden afgetrokken. Tientallen bescheiden maar toch relevante restauratie werden door verenigingen uitgevoerd. Deze belangrijke activiteit viel stil toen enkele jaren na het Sint-Michielsakkoord toen de erkenning van de monumenten verenigingen vervielen. Door het SintMichielsakkoord werd het beleidsveld Monumenten en Landschappen een Gewestmaterie terwijl de culturele aftrekbare giften een Gemeenschapsmaterie zijn. Verenigingen voor Monumenten en Landschappen konden dus geen erkenning meer krijgen of hun verkregen erkenningen (meestal voor twee of drie jaar) konden niet meer verlengd worden. Het is pas na een aantal wijzigingen aan het Wetboek van de Inkomstenbelastingen dat uiteindelijk het Koninklijk Besluit tot wijziging het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvrijstelling van sommige giften van 4 maart 2001 (Belgisch Staatsblad 14 03 2001) heeft bepaald dat (onder strikte voorwaarden) : "kunnen worden erkend de instellingen die het behoud of de zorg voor monumenten en landschappen tot doel hebben" (ari\ke\ 1). Na een onderbreking van zowat tien jaar kan dus eindelijk terug werk gemaakt worden van een succesrijke monumenten- en landschapsactiviteit. In de succesperiode van de aftrekbare
giften in de monumenten- en landschapszorg werd deze activiteit georganiseerd en gecoördineerd door de Stichting Monumenten- en Landschapszorg. In de toekomst wordt deze rol overgenomen doorVCM. VCM VCM-Contactforum voor Erfgoedverenigingen vzw is een netwerk van bijna 200 erfgoedverenigingen in Vlaanderen en Brussel. Ten behoeve van deze verenigingen organiseert VCM informatie- en ervaringsuitwisseling en ontwikkelt ze concrete ondersteunende initiatieven. Tegelijkertijd fungeert VCM als spreekbuis van het verenigingsleven naar de overheid en omgekeerd. In het kader van haar ondersteunende werking werd VCM erkend als organisatie die voor giften aan erfgoedprojecten fiscale attesten mag uitreiken. Alle bij VCM aangesloten erfgoedverenigingen kunnen van deze dienstverlening genieten. Praktische afspraken. In de praktijk wordt samen met een aangesloten vereniging een gezamenlijk project opgezet. De projectvoorstellen gebeuren aan de hand van een speciaal daartoe opgesteld aanvraagformulier en worden beoordeeld door een commissie met vertegenwoordigers uit de erfgoedsector. Als uw project wordt goedgekeurd, opent VCM voor uw project een rekening waarop sponsors, particulieren,... kunnen overschrijven. Iedereen die gedurende een kalenderjaar minstens 30 euro stort krijgt in de loop van de maand februari van het daaropvolgende jaar een fiscaal attest. Deze dienstverlening wordt zo voordelig aangeboden: 9 % van alle giften wordt gebruikt voor de administratieve afhandeling. Eerste verwezenlijkingen Momenteel kunnen reeds giften worden gegeven voor volgende erfgoedprojecten: • De middelen voor de Basiliek van Scherpenheuvel worden aangewend voor het uitvoeren van dringende onderhoudswerken aan de basiliek en het omliggende park. Giften voor de
B1N1VJENKRANT
Basiliek van Scherpenheuvel kunnen gebeuren op KBC-rekening 745-0082314-30. • De Norbertijnenabdij van Tongerlo gebruikt de middelen voor de verdere restauratie van de abdij. Hiervoor werd een stappenplan opgesteld dat de werken voor de komende 15 jaar faseert. Giften voor de Norbertijnenabdij van Tongerlo kunnen gebeuren op KBC-rekening 745-0082307-23 • Voor de Abdij van Grimbergen willen de vrienden zorgen voor middelen om de restauratie van waardevolle boeken uit de bijzonder rijke bibliotheek te financieren. Giften voor de abdij van Grimbergen kunnen gestort worden op KBC-rekening 745-0082306-22 • Het Stoomcentrum van Maldegem wil haar museumspoor verder ontsluiten. Het onderhoud van dit spoor en van de locomotieven en rijtuigen vergt een zware financiële inbreng. U kan het project steunen door een gift op KBC-rekening 745-0082309-25 • Is uw nieuwsgierigheid ook gewekt als u financieel kan bijdragen tot de restauratie van de twee hengsten Pegasus en D'n Bruinen. Door het storten van een bijdrage op KBC-rekening 745-0082312-28 kan u de herinnering aan het rijke maritiem verleden van Vlaanderen mee helpen vrijwaren. Deze hengsten zijn immers platbodems en zijn de laatste overgebleven exemplaren van dit scheepstype. • De Ommegang in Brussel is wereldvermaard. Toch vraagt ook het onderhoud van de historische kledij zware financiële inspanningen. U kan de Ommegang hierbij steunen door giften op KBC-rekening 745-0082315-31. • De Belgische Vrienden van de Stoomlocomotief baten in Baasrode een museumspoor uit en zetten zich in voor de restauratie van enkele locomotieven en rijtuigen. U kan hun project steunen door een gift over te maken op KBC-rekening 745-0082311-27. • De Kapucijnenkerk van Oostende is een kerk met een rijk historisch verleden. De kerk koestert dit verleden, maar wil ook voor een actuele invulling zorgen door het plaatsen van nieuwe glasramen gebaseerd op het Zonnelied van Sint-Franciscus en naar een ontwerp van Joost Caen. U kan
het project steunen via KBC-rekening 745-0082313-29. • Het Scheepvaartmuseum van Baasrode is volop in ontwikkeling. De ontsluiting van één van de industrieelarcheologische pareltjes van ons land vraagt echter ook bijzondere financiële inspanningen. U kan het museum hierbij helpen door een gift over te maken op KBC-rekening 745-0082308-24. Voor giften vanaf 30 euro ontvangt u een fiscaal attest, dat recht geeft op aftrek van uw personenbelasting.
Verdere Informatie: Voor alle verdere informatie, ook wanneer u zelf een erfgoedproject wil opstarten, kan u terecht bij: VCM-Contactforum voor Erfgoedverenigingen vzw Erfgoedhuis Den Wolsack Oude Beurs 27 - 2000 Antwerpen Tel.: 03/212.29.60 - Fax: 03/212.29.61 E-mail: info@vcmcontactforum.be www.monument.vlaanderen.be
Anouk
Stulens
MDNlIMFNTFNWArHT
VLAANDEREN BREIDT HAAR DIENSTVERIFNINn UIT. INTERIFURINSPECTIES NU OOK IN ELKE PROVINCIE Sinds kort beschikt elke Vlaamse provincie over een eigen Interieurwacht. Eind 1996 werd Monumentenwachtinterieur in Limburg en OostVlaanderen opgericht. Intussen inspecteerden twee teams van elk twee specialisten er meer dan 530 gebouwen en begeleidden de abonnees bij het onderhoud en de conservering van waardevolle interieurs met inbegrip van het roerend patrimonium. De provincie Antwerpen ging in 2001 van start met één interieurspecialist. Vlaams-Brabant en West-Vlaanderen vullen dit rijtje nu aan. Dit maakt dat er momenteel 7 interieurwachters aan het werk zijn, naast de 32 bouwkundige monumentenwachters.
Integrale aanpak Vanaf haar oprichting ijvert Monumentenwacht voor preventie en onderhoud om het natuurlijke proces van aftakeling van een gebouw af te remmen en te beperken. Tijdig ingrijpen voorkomt immers schade en dus zware ingrepen aan het gebouw. Restauraties, die ook altijd duurder zijn worden uitgesteld of zelfs vermeden. Deze stelregels gelden niet enkel voor het gebouw op zich, maar ook voor het interieur. De inspectie van een waardevol interieur gebeurt best gelijktijdig met een bouwkundige inspectie. Schade aan interieurelementen is immers vaak het resultaat van bouwkundige 'mankementen'. Denk maar aan de gevolgen van een lekke dakgoot voor wandafwerking, muurschilderingen en lambriseringen. Het gebouw en zijn interieur vormen één geheel, vandaar dat Monumentenwacht ook een pleitbezorger is van deze integrale erfgoedzorg. Werk voor specialisten Een grondige interieurinspectie is echter geen eenvoudige opgave. Het interieur omvat niet enkel de afwerking van de binnenkant van het gebouw zelf - wandafwerking, plafonddecoratie, vloerbekleding maar ook het roerend patrimonium: schilderijen, beeldhouwwerken, textiel, meubilair, koper- en zilverwerk,...Voor al deze aspecten dient nagegaan te worden of de klimaatsomstandigheden gunstig zijn, het onderhoud goed uitgevoerd werd, welke gebreken het object vertoont en wat hiervan de oorzaken zijn. Bovendien dienen er voldoende veiligheidsmaatregelen getroffen te worden om brand- en waterschade en diefstal te voorkomen. Dit alles vereist zeer specifieke vaardigheden. De monumentenwachters-interieur zijn o.m. gespecialiseerd in het beheer en conservering van roerend erfgoed en hebben een vorming als kunsthistoricus en/of restaurator. Hun kennis wordt bovendien voortdurend uitgediept tijdens de aanvullende opleidingen ingericht door Monumentenwacht Vlaanderen.
M&L
B 1 1 S J N E N K R A N T
Net zoals monumentenwachters stellen de interieurwachters bij elke inspectie een toestandsrapport op. Dit rapport vormt de basis van aanbevelingen voor het onderhoud en het beheer. De inspectie maakt duidelijk welke ingrepen dringend zijn en welke werken beter overgelaten worden aan een deskundig restaurator. Maar de beheerders kunnen ook alvast zelf aan de slag dankzij de duidelijke stapsgewijze voorschriften voor o.a. het dagdagelijks onderhoud. Raad en daad Voortaan krijgen abonnees nog enkele andere diensten bovenop het inspectieverslag. Monumentenwachtersinterieur staan ze nu ook met raad en daad bij. Raadkan bestaan in advies over regelmatig onderhoud, over de juiste producten, over de verwarmingsinstallatie, over het opbergen van textiel. Daad betekent dat de monumentenwachters-interieur kleine ingrepen kunnen uitvoeren om verdere schade te vermijden én bij wijze van voorbeeld. Dit gebeurt dus liefst in het bijzijn van de onderhoudsverantwoordelijken. Het gaat hier om ingrepen zoals het correct ophangen van een schilderij, het inpakken van waardevol textiel of het veilig ontstoffen van de waardevolle interieurelementen. Met concreet advies en kleine exemplarische ingrepen wil Monumentenwacht-interieur aantonen dat er met weinig middelen maar met de juiste kennis, veel goed werk geleverd kan worden. De abonnee kan verder in de plaats van een 'traditionele' herhaalinspectie, waarbij opnieuw een rapport wordt opgesteld, enkele kleine hoogdringende conserveringswerken (noodingrepen) laten uitvoeren tegen het gewone uurtarief. We denken bijvoorbeeld aan het fixeren van losgekomen verflagen van een polychroom beeld of het herbevestigen van losse onderdeeltjes van een houten lambrisering. Gespecialiseerde ingrepen gebeuren overigens enkel door de monumentenwachters-interieur die de juiste vooropleiding gevolgd hebben. Wanneer het gaat om een beschermd monument zullen de noodingrepen bovendien enkel uitgevoerd worden na
overleg met de Afdeling Monumenten en Landschappen. De interieurinspectie wordt in principe gelijktijdig met een bouwkundige inspectie uitgevoerd, en dit tegen hetzelfde uurtarief, namelijk 19 euro per manuur exclusief BTW. Enkel de gepresteerde uren ter plaatse en de eventueel gebruikte materialen worden aangerekend. De transportkosten, de reistijd en de administratieve verwerking nadien worden volledig gratis aangeboden. Op die manier ligt de vergoeding die men betaalt 6,5 maal lager dan de reële inspectiekost. Dat is enkel mogelijk dankzij de steun van de vijf Vlaamse provincies en van de Vlaamse overheid.
Meer informatie: Monumentenwacht Vlaanderen vzw Erfgoedhuis Den Wolsack Oude Beurs 27 2000 Antwerpen Tel: 03/212.29.50 - Fax: 03/212.29.51 E-mail: secretariaat.vlaanderen(@ monumentenwacht.be url: www.monument.vlaanderen.be
Mare
Dewilde
HFT INSTITMIJT VOOR HET ARPHEQLOfilSCH PATRIMONIUM (I.A.P.) ONDFRZOFKT NU OOK WO l-RFSTFN Op 10 november II. hield minister Paul Van Grembergen in het leperse stadhuis de onderzoekscel "Archeologie van WO I" boven het doopvont. Met dit initiatief wil het I.A.P. het archeologisch onderzoek van WO Iresten structureren en op een hoger niveau tillen. Aanleiding was het veldwerk dat het I.A.P. momenteel uitvoert op het tracé van de mogelijke verlenging van de Al 9 tussen Sint Jan (leper) en Bikschote (Langemark) en dit op verzoek van de minister. Het opzet was te peilen naar de archeologische potentie van het WO I-erfgoed.
Resten van twee op elkaar gevallen soldaten. Heel wat van de uitrusting bleef bewaard: schoenen, gordel, bajonet, kogeltas,...
Eigenlijk zijn archeologen niet vertrouwd met dit soort van onderzoek. Noch met slagveldarcheologie als discipline, noch met de eigenlijke structuren en vondsten uit WO I. Er diende dan ook een uitgebreid netwerk van contacten met binnen- en buitenlandse experten uitgebouwd te worden. Bij een door het I.A.P.-team vakkundig uitgevoerde opgraving kunnen zij helpen met de historische duiding en het herkennen en interpreteren van de vondsten. Tot dusver gingen de medewerkers van I.A.P. ten rade bij vorsers van het Imperial War Museum (Londen), het National Army Museum (Londen) en de University College London, alsook de University of Greenwich. DOVO (Dienst voor de Opruiming en Vernietiging van Ontploffingstuigen) leerde hoe met allerlei oorlogsmunitie moet omgesprongen worden. Ook bij plaatselijke amateurverenigingen is heel wat expertise aanwezig. Samenwerking in het veldwerk opent meteen ook nieuwe mogelijkheden om de kloof met de amateurs te dichten. Aangezien het strijdtoneel beperkt bleef tot een klein stukje West-Vlaanderen lijkt ook voor de provincie West-Vlaanderen en de betrokken steden en gemeenten een belangrijke rol weggelegd. Het lijstje is niet volledig. Er zal nog contact gezocht worden met het Koninklijk Legermuseum, het Centrum voor Militaire Geschiedenis,... Ook de buitenlandse inbreng kan nog uitgebreid worden. Zowel Franse, als Duitse specialisten passen in dit plaatje. Van meet af aan ligt het ook in de bedoeling de Vlaamse universiteiten te betrekken bij dit initiatief. Aangezien
B l l S J N E N K R A ^ T
specifiek onderricht in deze materie niet aangeboden wordt, kunnen zij hier zeker hun voordeel mee doen. Licentiaatsthesissen kunnen dan weer bijdragen tot een gedetailleerde uitwerking van verschillende vondstcategorieën. Het takenpakket van de nieuwe cel steunt op verschillende pijlers. Wetenschappelijk onderzoek is er één van. Veldwerk vanuit een wetenschappelijke vraagstelling, werfcontroles en noodopgravingen zullen hierbij aan bod komen. Ook is er een methodologische uitdaging. Hoe onderzoek je een slagveld, een frontlijn? Wanneer pasje metaaldetectie of geofysisch onderzoek toe? Wanneer combineer je dit met een open-area opgraving? Inventarisatie is ook een zeer belangrijk uitgangspunt. De Centraal Archeologische Inventaris krijgt er voor West-Vlaanderen ineens een heel pak sites bij! Toch moet de aanpak (een GIS-gelinkte gegevensbank) dezelfde blijven. Op onderzoek en inventarisatie kunnen immers het beheer en de mogelijke beschermingen van dat WO I-erfgoed gefundeerd worden. Hoe de exponentiële toename van het inventarisatie- en veldwerk in West-Vlaanderen ondervangen wordt, is een vraag die in het kader van de uitgroei van de nieuwe cel moeten bekeken worden. Vergeet daarnaast ook niet dat het draagvlak van allerlei cultuur-toeristische (ontsluiting) initiatieven versterkt kan worden vanuit het inventarisatie- en/of onderzoeksuitgangpunt. Het in kaart brengen van de expertise van binnen- en buitenlandse specialisten, een lijn krijgen in het disparate privé-initiatief, het aanleggen van een databank die al de informatie beheersbaar maakt, vormen een supplementaire taak van de cel. Misschien kan dit de aanzet zijn voor één groot kenniscentrum voor WO I, waarbij het In Flanders Fields documentatiecentrum in leper als ankerpunt zou kunnen aangegrepen worden? De oprichting van deze nieuwe onderzoekscel binnen het I.A.P. heeft internationaal (commonwealthgewijs) grote weerklank gekregen. Vooral de vondsten van menselijke resten waren
hierin bepalend. Als het algemeen archeologisch perspectief bewaard blijft, lijkt deze cel dan ook een succesvolle toekomst tegemoet te gaan. Op vraag van minister Paul Van Grembergen voert het I.A.P. momenteel archeologisch onderzoek uit op het mogelijk door te trekken tracé van de A19 tussen Sint Jan (leper) en Bikschote (Langemark). In april 2002 werd het vooronderzoek opgestart. In eerste instantie werden militaire kaarten en luchtfoto's geanalyseerd. Daarna werd het terrein volledig afgewandeld en geprospecteerd. Zo konden vondstenconcentraties in kaart gebracht worden. Ook de contacten met de "natives" waren betekenisvol. De boer ploegde voort en vond al eens iets! Op basis van dit vooronderzoek en de historische studie uitgevoerd door buitenlandse experten in opdracht van A.M.L werden negen op te graven zones afgelijnd. Tot op heden zijn drie ervan in min of meerdere mate archeologisch onderzocht. In november 2002 startte het veldwerk op 'Turco Farm' en 'High Command Redoubt' (De Engelse naamgeving, die tijdens de oorlog werd toegepast wordt gehanteerd). Er werden 5 proefsleuven (75 x 4m) gegraven, op verschillende onderlinge afstanden. Deze brachten naast 'shelters' (onderkomens) en geschutsstellingen een intens loopgravennetwerk aan het licht. De opbouw van de loopgraven vertoonde heel wat verschillen. De Duitse waren solide (beton, hout), de Engelse eerder summier. Naarmate de oorlog langer bleef duren verbeterden de Engelsen evenwel hun "accommodatie". Sinds mei 2003 wordt op de site 'Cross Roods Farm' intensief opgegraven. Ditmaal worden grote vlakken onderzocht. Hierbij werd een belangrijk loopgravensysteem verkend. De linies van 1915 en 1917 oversnijden elkaar. Zowel structureel, technisch als krijgskundig is er een duidelijke evolutie merkbaar. Op de 3 sites zijn tot dusver 7 skeletten van gesneuvelden geborgen. Bij twee ervan was de uitrusting (met
Luchtfoto van de site Cross Roads Farm. De rechte lijn is een loopgraaf uit 1915, de geknikte lijnen loopgraven uit 1917.
Zicht op een verbindingsloopgraaf: plaatselijk uitgegraven tot op de loopplanken.
uitzondering van het textiel) bewaard. Eén ervan kon met 95% zekerheid geïdentificeerd worden. Uiteraard worden bij dit veldwerk heel wat voorwerpen teruggevonden die toelaten het leven in de loopgraven (tussen twee aanvallen in) voor de geest te halen. Een pijp, een mondharmonica, een scheermes, rumkruiken, flessen, een potlood, picklespotjes, een borstkuras, een 'sniper shield,... Er wordt ook nauw samengewerkt met DOVO (Dienst voor opruiming en vernietiging van ontploffingstuigen) om de veiligheid van het gravend personeel zoveel mogelijk te garanderen. Niet-ontplofte obussen, handgranaten, ontstekingsmechanismen,... zijn nu eenmaal dagelijkse kost. Daarnaast wordt er ook veel secundair springtuig geborgen. Doordeweekse recipiënten die door allerlei ingenieuze ingrepen tot bommen werden omgebouwd, niet als dusdanig herkend worden en nog altijd een potentieel gevaar vormen. Het wordt in elk geval duidelijk dat dit archeologisch onderzoek de moeite loont en een meerwaarde betekent voor het historisch onderzoek.
•SCHOOL MAKEN IN ARCHITFCTULIR1 LESSFNPAKKFT ROND ARCHITECTiJUR VOOR HPT SEPUNDAIR ONDFRWNS Het VAi produceerde samen met Terenja van Dijk een lessenpakket architectuur voor de derde graad
@
B 1 1 M N E N X R A N T
secundair onderwijs. 'School maken in architectuur' bestaat uit een video, een handleiding voor leerkrachten en een website. Waarom architectuur in het onderwijs? Jongeren prikkelen om bewust te leren omgaan met hun omgeving is noodzakelijk. Niet alleen is het belangrijk in het proces van volwassen worden. Architectuur is een complex en boeiend werkterrein waarin het project van onze maatschappij vervat zit. Mondige, bewuste burgers zijn goed voor de architectuur, de stedelijkheid en de democratische samenleving waar cultuur en kunst een vanzelfsprekende plaats innemen. Architectuur en onze ruimtelijke omgeving maken deel uit van ons dagelijks leven. Door er bewust mee om te gaan - en niet louter het esthetische aspect te beschouwen - kunnen we ons niet alleen verrijken, maar ook meer betrokken voelen bij de opbouw en de veranderingen van onze omgeving: school, huis, straat en stad. Architectuur kan een middel zijn om een ontwikkeling bij leerlingen op gang te brengen door hen te leren kijken, documenteren, en analyseren van de ruimtelijke omgeving, creatief te reageren op nieuwe informatie. Uniek aan architectuur is dat techniek, creatie, cultuur, geschiedenis en sociologie bij elkaar komen. Architectuur leren begrijpen en er over leren spreken is dé opdracht van het Vlaams Architectuurinstituut. Dit lessenpakket is voor het VAi een eerste testcase rond architectuureducatie.
Het lessenpakket Het pakket 'School maken in architectuur' wil leerkrachten en jongeren aansporen om op zoek te gaan naar de veelzijdigheid van architectuur. Het pakket bestaat uit een video waarin acteur Dimitri Leue het Koninklijk Atheneum van Deurne én architectuur ontdekt, een handleiding voor leerkrachten met toelichtingen en opdrachten en een website waar allerlei teksten, achtergrondinformatie, tekeningen en foto's te vinden zijn. In het lessenpakket is gezocht naar
M&L
diverse mogelijke invalshoeken om architectuur in de bestaande lessen van de middelbare school op te nemen. Anderzijds ligt de nadruk op het verwerven van inzicht in de veelzijdigheid van architectuur. De concrete leefwereld van de jongere met name het schoolgebouw is vertrekpunt en zet aan tot observaties, discussies, inzicht en kennis.
website www.vai.be van het Vlaams Architectuurinstituut (VAi). Op deze site vinden leerlingen en leerkrachten ook de lijst van geraadpleegde literatuur, van een aantal standaardwerken over architectuur en ook extra beelden tekstmateriaal. Deze website zal on-line zijn vanaf 26 november.
1. Video 'Als een school monument wordt' Vertrekpunt van het pakket is de video 'Als een school monument wordt'. Deze video is oorspronkelijk gemaakt op vraag van het Koninklijk Atheneum Deurne (KADeurne). Vanuit de vaststelling dat men leefde en werkte in een school die een monument is en dat men de leerlingen en het personeel hier bewuster van wilde maken, ontstond een educatief project rond de architectuur van de school. Acteur Dimitri Leue gaat in de video op zoek naar de verschillende verhalen van het KADeurne en ontmoet er een architect, een archivaris, een professor en een restaurateur. Zo worden in vier hoofdstukken het modernisme, de architect, het monument en de restauratie belicht.
Het pakket 'School maken in architectuur' wordt op de studiedag 'Architectuur in het onderwijs' voorgesteld op 26 november 2003. Organisatoren zijn CANON, de cultuurcel van het Ministerie van Onderwijs en de Vlaams Bouwmeester. Op deze dag wordt door middel van lezingen en een aantal workshops aandacht besteed aan scholenbouw én aan architectuur in het onderwijs. De Vlaams Bouwmeester neemt het gedeelte over scholenbouw onder zijn hoede en richt zich vooral tot architecten en opdrachtgevers. Het VAi, Wisper en ABC stellen de verschillende lessenpakketten tijdens een workshop voor aan geïnteresseerde leerkrachten van het primair en secundair onderwijs. In de workshop wordt het drieledige lessenpakket 'School maken in architectuur' voorgesteld. De achterliggende ideeën, hoe het geheel is opgebouwd, welke soort oefeningen aan bod komen, worden toegelicht. Tot slot wordt één oefening aan de hand van video, handleiding en website volledig uitgewerkt. Een gedetailleerd programma van de studiedag vindt u in bijlage.
2. Handleiding voor de leerkracht De handleiding sluit aan op de thema's die in de video worden aangebracht. Elk thema wordt toegelicht aan de hand van een algemene tekst en gekoppeld aan een opdracht. Per opdracht worden leerdoel, het nodige didactisch materiaal, het uitgangspunt en de vermeende tijdsduur vermeld. De opdrachten zijn ook uitgebreid gedocumenteerd met tekst- en beeldmateriaal op de website. In de lessen is er aandacht voor de gevoelsmatige benadering van de ruimte en voor de ontdekking van kwaliteiten en eigenschappen van een gebouw, maar ook voor een meer rationele, kennisgerichte benadering van architectuur. De twee polen van ervaring en kennis versterken elkaar.
3. De website Een aantal inleidende teksten en begrippen, maar ook alle teksten, documenten en tekeningen, die nodig zijn voor de opdrachten, vindt u op de
Studiedag
Inlichtingen Voor informatie over het lessenpakket, of voor bestellen van een recensieexemplaar kunt u contact opnemen met het Vlaams Architectuurinstituut (VAi), Jan Van Rijswijcklaan 155, 2018 Antwerpen, T + 32 (3) 242 89 72, info(S)vai.be. www.vai.be.
Beeld Als persbeeld vindt u hierbij de cover van de handleiding 'School maken in architectuur' (design Tom Hautekiet ism Print-International).
B1NNE1NKRAN
STliniFDAn lOKAAI
ERFGQEDBELEID INVFNTARISATIE, AANZFTTOT EEN I OKAAI FRFnOFDRFIFID Studiedag voor lokale besturen 20 februari 2004 Cultureel Centrum Lokeren Een initiatief van de Vereniging van Vlaamse steden en gemeenten in samenwerking met de Afdeling Monumenten en Landschappen, de Afdeling Beeldende Kunst en Musea, CultuurLokaal, Culturele Biografie Vlaanderen, VCM-Contactforum voor Erfgoedverenigingen en het Vlaams Centrum voor Volkscultuur. Op vrijdag 20 februari 2004 organiseert WSG een tweede studiedag "Lokaal erfgoed beleid". Voor deze studiedag wordt het thema inventarisatie als noodzakelijke voorwaarde van aanzet tot praktijkkennis naar voor geschoven. Lokale besturen krijgen hoe langer hoe meer aanmoedigingen om 'iets' te doen met het cultuurhistorisch erfgoed op hun grondgebied. Het decreet op het lokaal cultuurbeleid, de erfgoedconvenants en de subsidieregelgeving rond het erfgoed versterken uitdrukkelijk de nieuwsgierigheid en het enthousiasme bij lokale besturen om die kans te grijpen. Maar hoe je erfgoedbeleid (verder) uitbouwen? Wat is er allemaal van roerend, onroerend en immaterieel erfgoed in je gemeente. Waar vind je de inventarissen met de gegevens van jouw gemeente? Wat is er al geïnventariseerd en wat niet? Wat als je gemeente nog niet op de officiële inventarisatielijsten is opgenomen? Kan een gemeente dit zelf doen en hoe? Deze studiedag wil de veelheid van bestaande inventarissen van onroerend, roerend en immaterieel erfgoed toelichten maar ook de mogelijkheden en moeilijkheden van het uitbouwen van een eigen instrumentarium. Er wordt ook even stil gestaan bij de situatie van de gemeentearchieven in Vlaanderen, een cruciale speler in het lokale erfgoedbeleid. In de namiddag kunnen de deelnemers kiezen uit twee
praktijkverhalen van gemeenten die creatief omgaan met hun lokale erfgoed.
Programma • 9.00 Onthaal Inleiding Sabine Van Cauwenberge stafmedewerker erfgoed en jeugd WSG Inventarisatie van onroerend erfgoed (monumenten, landschappen en archeologie] Paul Van Lindt, diensthoofd, Kenniscentrum Onroerend Erfgoed Et Inge Appermont, erfgoedconsulent afdeling Monumenten en Landschappen • 10.45 Museale collectieregistratie als beleidsinstrument Steven Leman, consulent ICT Culturele Biografie Vlaanderen • Koffiepauze • 11.30 Archiefnoden in Vlaanderen Prof. dr. Frank Scheelings,VUB • 12.15 'Mondelinge geschiedenis of het tastbaar maken van immaterieel erfgoed' Björn Rzoska, stafmedewerker Vlaams Centrum voor Volkscultuur
CultuurLokaal ^•Werkwinkel 2: Inventarisatie van het kerkelijk erfgoed in Tongeren en deelgemeenten Met Steven Van de Wal, coördinator erfgoedbeleid, erfgoedcel Tongeren o.l.v. Steven Leman, ICT consulent Culturele Biografie Vlaanderen >-Werkwinkel3: Gemeentearchieven - Het gemeentearchief, bron van erfgoed - De Regionale Beeldbank: vier archiefinstellingen, een digitaal beeldarchief Met Mare Bastijns, gemeentearchivaris Beersel Met Annelies Lieten, Erfgoedcel Mechelen o.l.v. Els Michielsen, archiefconsulent Culturele Biografie Vlaanderen >-Werkwinkel 4: Immaterieel erfgoed Het verzamelen van verhalen: "www.verhalenbankbrugge.be" Met Dries Van den Broucke, coördinator erfgoedbeleid Brugge o.l.v. Björn Rzoska, stafmedewerker Vlaams Centrum voor Volkscultuur ^•Werkwinkel5: Archeologie - Waasland maakt integemeentelijk archeologiebeleid -Archeowebdoor http:// Archeoweb.Vlaanderen.be Met Jean-Pierre Van Roeyen, archeoloog Archeologische Dienst Waasland Frank Herman, coördinator erfgoedbeleid, Erfgoedcel Antwerpen o.l.v. Ingo Luypaert Coördinator VCMContactforum voor Erfgoedverenigingen ^•Werkwinkel 6: Heuvelland. Hoe een kleine gemeente aan een integraal erfgoedbeleid werkt. Met Stef Decrock, cultuurbeleidscoördinator Heuvelland o.l.v. Annemie Rossenbacker, consulent erfgoedcellen Culturele Biografie Vlaanderen
• Middagpauze 13.00 tot 13.45
• 16.00 Slotwoord
• Werkwinkels 13.45-16.00 Twee sessies: van 13.45 tot 14.45 Et van 15.00 tot 16.00 ^•Werkwinkel 1: Inventarisatie als onderdeel van het cultuurbeleidsplan in Torhout Met Michiel Mestdagh, cultuurbeleidscoördinator Torhout o.l.v. Sandra Denis, stafmedewerker
Voor meer informatie kan u terecht bij: WSG Aarlenstraat 53, bus 4 1040 Brussel tel.02-233 20 02 fax 02-233 31 52 e-mail: vvsg@vvsg.be
Voor Wie? schepenen voor cultuur, monumentenzorg en toerisme gemeente- en ocmw-raadsleden gemeente- en ocmw-secretarissen gemeente- en ocmw-archivarissen gemeentelijke ambtenaren voor cultuur en vrije tijd: in het bijzonder cultuurbeleidscoördinatoren, conservators, bibliothecarissen, cultuurfunctionarissen, jeugdconsulenten, toerismeambtenaren gemeentelijke ambtenaren voor monumenten-, landschapszorg en archeologie heemkundige kringen, erfgoedverenigingen, kerkfabrieken
M&L
citaat
"These places weave space with time, nature with culture, people with people". Roger Pol-Droit in: L'Unesco a Napoli, Napoli, s.d.
Roger Deneef, Jo Wijnant
Herman
en Chris
Janssens, Schroeven
DE ABÜ1JTU1NE1M VAM AVERBODE HISTORISCHE CONTINUÏTEIT EN LANDSCHAPPELIJKE ERANJE
'Tclooster van Everboede' In 15961597 op een figuratieïe kaart van Pierre de Bersacques in het archief van de Croy (archief K.U. Leuven)
>
!
De besloten tuin van de norbertijnenabdij
van
Averbode, ongeveer 3,5 hectare, is onderdeel van een groter geheei van boomgaarden,
nutstuinen,
vijvers en bossen dat gedeeltelijk nog bestaat. De 'landschappelijke' heraanleg in 1860-1870 was hoogstens cosmetisch: diverse elementen (vijvers, talud) die minstens tot 1650 teruggaan zijn nog herkenbaar. Dit artikel is een voorproef van het deel van de inventaris van historische tuinen en parken met betrekking tot het noordoosten van Vlaams-Brabant (momenteel persklaar).
SITUERING EN OUDST GEKENDE AFBEELDINGEN De premonstratenzer- of norbertijnenabdij van Averbode, op de grens van het graafschap Loon en het hertogdom Brabant, werd gesticht omstreeks 1135, waarschijnlijk door kanunniken van de SintMichielsabdij te Antwerpen op initiatief van de graaf van Loon. Als inplantingsplaats werd de heuvelrug tussen Langdorp en Tessenderlo gekozen, die de bekkens van de Grote Nete en de Demer scheidt en gevormd wordt door tertiaire massieven en landduinen. De onvruchtbaarheid van de overwegend zandige bodems werd echter gecompen-
• De abdij van Averbode ir de |aren I960, luchtopname vanuit het zuidwesten; de boomkruinen op de voorgrond maken deel uit van het Mariapark (foto 1966-1967. copyright KIK)
seerd door de nabijheid van een uitgestrekt beemdgebied: het huidige Vierkensbroek, in een uitstulping van de Demervallei ten zuiden van de abdij (1). In de loop van de eeuwen groeide de abdij van Averbode uit tot een belangrijk religieus en intellectueel centrum en tot een van de grote grondbezitters in de Zuidelijke Nederlanden. Het tegenwoordige uitzicht van het abdijcomplex is vooral te danken aan verbouwingen in de 17 e en 18 c eeuw (2), maar oudere delen, onder meer de ijzerzandstenen, 14 c -eeuwse 'breem' of'eerste poort', bleven bewaard. De toren van de barokke abdijkerk vormt een visuele baken voor de wijde omgeving.
De abdij van Averbode vanuit het zuidwesten rond 1660. vóór de sloping van de oude abdijkerk, in het grote kaartboek door C. Lowis
Dankzij Arnold van Tuldel, abt van 1368 tot 1394, is er een voor die tijd gedetailleerd overzicht van de abdijbezittingen, hun uitgestrektheid, hun beheer en opbrengst voorhanden (3). Deze documenten bevatten een groot aantal raadgevingen in verband met land-, bos- en tuinbouw, vee- en visteelt en alles wat met voedselproductie te maken heeft, en ook in verband met houtbewerking en turfontginning. Interessant zijn een contract uit 1379 voor het onderhoud van de moestuin en onderhoudscontracten uit 1385-1389 met betrekking tot de vijvers naast de abdij. De oudste gekende afbeeldingen van de abdij in het archief van hertog Karel van Croy dateren uit 1596-1597 (4), tijdens een periode van leegstand en niet lang na de brand van 1594. Het gaat om een figuratieve kaart en een vergezicht, de eerste van de hand van Pierre de Bersacques. Het zicht is moeilijk te interpreteren en geeft bovendien geen details over de abdijtuinen. O p de kaart daarentegen is de domeinindeling zichtbaar die op de latere afbeeldingen hernomen wordt. Herkenbaar zijn - wat de tuinbouw betreft de 'conventsboomgaard' met twee langwerpige vijvertjes en, ten noorden van het complex, de in dambordpatroon aangelegde tuin die later als de "hoffachter de brauwerije" zal worden aangeduid.
DF ABDMTIIINFN IN DF 17DE EEUW Een door Sanderus in zijn 'Chorographia sacra Brabantiae' (1648) gepubliceerde ets van Lucas Vorstermans Jr. geeft een beeld van de abdij dat nog grotendeels overeenstemt met dat van de Bersacques, maar het aantal geometrische tuinen is toegenomen. Bovendien worden er binnen deze tuinen ook zoiets als parterres met meetkundige figuren, orthogonale en symmetrische motieven gesuggereerd. Het door Vorstermans geëtste beeld doet rijkelijker en meer gesofisticeerd aan dan de iets later opgestelde kaart van Lowis laat vermoeden en is misschien ook wel iets te flatteus (niet voor niets heette een van de edities van de 'Flandria illustrata' van Sanderus "Verheerlijkt Vlaandre").
(Algemeen Rijksarchief Brussel)
M&L
Het door schrijnwerker-landmeter-architect Cornelis Lowis tussen 1650 en 1680 opstelde kaartboek van de abdijbezittingen en de goederen van 26 pastorieën die door Averbode werden bediend, bevat een figuratieve kaart (5) van de abdij zoals ze eruitzag vóór de ingrijpende verbouwingen die door abt Servatius Vaes werden op gang gebracht, meer bepaald vóór de gedeeltelijke sloping van de oude abdijkerk in 1664 (6). De door Lowis afgebeelde
De abdij van Averbodc in vogelvlucht vanuit het zuiden (links) en vanuit het westen (rechts) rond 1675, met de nieuwe barokkerk, toren incluis (Averbode, Abdijarchief, I, reg. 106, fol. IV r 0 en Vv")
toestand is nog vrij recent, het resultaat van de herstelling na de brand van 1594 en een lange periode van leegstand (1578-1604). Het nieuwe blijkt onder meer uit de benaming van het perceel 78: "den nieuwen hojf, een tuin buiten de omheiningsmuur van de abdij en binnen het omgrachte blok dat tot 1870 nog als apart kadastraal perceel (nr. 16) zal herkenbaar zijn. Deze tuin extra muros beslaat een vierkant van circa 170 m op 170 m en is onderverdeeld volgens de traditionele kruisvorm in vier parterres, die op hun beurt door smallere paden eveneens kruisvormig worden onderverdeeld. O p het kruispunt van de twee hoofdassen wordt een prieel afgebeeld met koepel en lantaarn, mogelijk in latwerk. Twee monumentale, met voluten bekroonde poorten geven de uiteinden aan van de naar de abdij gerichte as. De met bolspitsen bekroonde constructies in de vier hoeken zijn paviljoens. De perken en ook de perimeter van de tuin lijken afgebakend met gesnoeide boompjes, mogelijk buxus; een meer substantiële omheining is niet zichtbaar. Deze 'nieuwe hof' was in de eerste plaats een groentetuin maar met een hoog siergehalte, met talrijke vormboompjes, een niet ongebruikelijke combinatie van 'nut en sier'. De weergave van het tuinwezen intra muros blijft vrij vaag.
maar de hoogstammige beplantingen (vermoedelijk vooral fruitbomen), de bekkens voor viskweek in de conventstuin en de met rood omlijnde baan voor kaatsspel in de zuidoostelijke hoek, zijn duidelijk uitgetekend. Buiten de muren, in de Honingdries ten zuiden van de weg naar Veerle (de huidige Abdijstraat), ligt perceel 89, in het register omschreven als *hop-hoff, waarvan de functie evident is. O p de grote vijver en de vijf of zes kleinere kuilen in de conventstuin werd vis uitgezet, die op de talrijke buitenvijvers werd afgevangen en die bestemd was voor de tafel van de geestelijken. De abdij had een vaste visser in dienst die deze plassen beheerde en ze op tijd en stond met jonge karpers en palingen bevolkte (7). In 1678 werd door Lowis een verkleinde versie gemaakt van de goederenkaarten uit het grote kaartboek (8), waarin de abdij tweemaal wordt afgebeeld, vanuit het zuiden èn vanuit het westen. De barokkerk naar ontwerp van de Antwerpse architect Jan II van den Eynde wordt als voltooid weergegeven, zelfs mèt de toren die pas in 1700 werd afgewerkt! Het is dus niet duidelijk of het gaat om afbeeldingen van de bestaande toestand dan wel van de geplande. Details in verband met tuinaanleg zijn overvloedig aanwezig. De tuin extra muros-, nu
s»
• De abdij van Averbode op 14 juni 1675: de grote vi|vcr in de 'convents boomgaard' en de aanpalende gebouwen, op een pentekening van Constanten Huygens jr.
Su K-t
"degroote hojf geheten (perceel 32), komt voor op beide afbeeldingen, maar het prieel op de kruising is verdwenen en van de hoekpaviljoens is er maar één overgebleven.
T De abdij van Averbode met broderieparterres, op een gravure van Lucas Vorstermans Jr. aangepast door J.S. van Loybos en Hendrik Causé, gepubliceerd in 1699
M&L
De tuinen en tuintjes binnen de muren worden in een latere versie, het zogenaamde kleine kaartboek, min of meer gedetailleerd afgebeeld en, zoals de andere onderdelen van het abdijcomplex, individueel voorzien van namen die min of meer voor zichzelf spreken: de "biscope hoff" {m. 12), de "pant hoff" (nr. 16), de "boomgaerdt"{nr. 27), de "hoffachter de gastereij" (m. 29), de "de hoppegaerde" (nr. 31), "de
C*7 f-
groote hoff" {nr. 32), de "blijckplaen" (nr. 34, waar het linnen gebleekt werd), de "hoff achter de brauwerije"{nr. 36), "t'convents boomgaerde"{nr. 39) met de karpervijvers in een andere configuratie dan deze in het grote kaartboek, de "prior hoff" bij de infirmerie (nr. 41), de "heeren hove" (nr. 42), waarin elke kanunnik zijn eigen lapje grond beheerde, en ten slotte, in de ludieke sfeer: het "caetspell" (nr. 43) en het "clasbaenspell"{nr. 44), in feite klos, kolf- of beugelbaan, voorouder van de minigolf. Van loofwerken of andere, meer complexe structuren of Le Nótre-toestanden valt op de gezichten en kaarten van Lowis weinig te bespeuren. Het geheel komt erg sober over. Rustieke eenvoud blijkt ook uit een pentekening uit 1675 van Constantijn Huygens jr., waarbij een blik geboden wordt op de grote vijver in de 'convents boomgaard' en de aanpalende gebouwen (9). In tegenspraak hiermee zijn de heruitgaven en 'updatings' van de ets van Vorstermans, die tijdens de tweede helft van de 17 ': eeuw worden gepubliceerd. O p een in 1699 door Le Roy in zijn 'Castella et praetoria' gepubliceerde versie worden de "biscope hoff" en de "hoffachter de gastereij" weergegeven met barokke 'parterres de broderie' (10). In hoever het hier gaat om een weergave van de werkelijkheid dan wel een creatieve invulling door de kunstenaars (J.S. van Loybos en Hendrik Causé) valt niet meteen uit te maken.
AVERBQDE IN DE 18DE EEUW Voor grootgrondbezitters en dus ook voor de meeste abdijen in de Lage Landen was de 18 c eeuw een periode van grote welvaart. Dit kwam tot uiting in een ongeziene bouw- en verfraaiingsactiviteit. Naast vernieuwingen aan de talrijke pastorieën die door de abdij van Averbode werden bediend, werd vanaf 1712 ook in de abdij zelf op grote schaal afgebroken en ge- of herbouwd. O p de plaats van het huis van de provisor werd een majestueus kamerlingkwartier opgetrokken, een vroeg-classicistisch gebouw van drie bouwlagen en zeventien traveeën, onder een wolfsdak met dakkapellen en met een driehoekig fronton boven het middenrisaliet. De "voorste plaetse" werd omgetoverd tot een echte 'cour d'honneur', waarover op een door Remacle Leloup gemaakte pentekening, gepubliceerd in 1744 (11), evenwel weinig details worden getoond. De monumentale keermuur die het terras van het ereplein aan de zuidwestkant afsluit werd gebouwd in 1732 (12); de rij van vijf knoestige, gekandelaarde linden (Tilia x europaea) langsheen de keermuur - de dikste met een stamomtrek van 368 cm - zouden zoals beweerd wordt tot de oorspronkelijke 18 e -eeuwse beplanting kunnen behoren, maar zeker is dat niet. Opmerkelijk is de gedaanteverandering van de oude "convents boomgaerdt" met de vijvers en het ganse noordoostelijke gedeelte: een longitudinale, noord-zuid lopende as werd door drie secundaire assen gekruist, ogenschijnlijk gevormd door laantjes afgezoomd met groene palissaden. In de compartimenten naast de kerk, ter plekke van de vroegere 'herenhofjes' en de kaats- en klosbanen, verschenen twee parterretuinen.
^jr=aiws-»is«w.-?«~-**»i*- üwi. J ^ " - a ^
ötySTJftS^-, »k/-«,v. ^ . ^
Tt*'
I r'-
*Jjll* ik. fa&ji,^
(PVUJL.
fö/h&tiX.
A. Jtunt .HWfarr
De abdij van Averbode in vogelperspectief vanuit
tw
'
ït £rt4*/it-t+dt.
.'•'1
*£**' "'
, '
'
Cfiitaa.
het zuiden door Remacle Leloup, 1744
antwoordde ten volle aan het klassieke verlangen naar orde en overzicht en was ook erg doeltreffend binnen het (drijf)jachtritueel: van op één centrale plaats kon men het opgejaagde wild neerleggen zonder één voet te verzetten. In Duitsland spreekt men dan ook vaak van een 'Jagdstern' (14). De hertracering van boswegen en perceelscontouren is vanaf de tweede helft van de 18 e eeuw een algemeen verschijnsel in de Zuidelijke Nederlanden en duidt niet alleen op een stijlverandering, maar is in de eerste plaats uitdrukking van een toenemende
Het Averbodes Bos ten westen van de abdij op de kaart van de baronie Aarschot door J.B.
De ruime omgeving van de abdij onderging een meer diepgaande verandering. Het uitgestrekte, gedeeltelijk beboste heide- en vennengebied rond de abdij werd in de loop van de 18 e eeuw van een klassieke, rechtlijnige structuur voorzien, waarvan de abdij het middelpunt vormde en die grotendeels bewaard is gebleven. O p de kaart van de baronie Aarschot door J.B. Joris (1775) wordt op ongeveer een kilometer ten westen van de abdij, in een gebied dat op de kaarten van Lowis nog grotendeels heide en hooiland was, een 'sterrenbos' van circa 9 hectare afgebeeld, (nog) niet zichtbaar op de Ferrariskaart (1771-1775). Stervormen en ganzenvoeten waren veelgebruikte patronen, niet alleen in de Franse baroktuinen, maar tijdens de ganse 18 c eeuw ook in de bosbouw, bij de herstructurering van bosgebieden (13). Het panopticum-effect be-
Joris, 1775
M&L
figuratieve kaart
naar aanleiding van
van de abdij van
de verkoop van de
Kortenberg, met een
abdi|
'jardin anglois'
(met dank aan
(links onderaan),
mevrouw Angelroth.
opgesteld in 1798
Kortenberg)
rationalisatie en intensivering van het bosbeheer, het begin van de moderne ontginningsbeweging (15). Het nieuwe bosareaal bestond op de marginale Kempische zandgronden vooral uit grove den (Pinus sylvestris). Twee schilderijen door Hendrik de Cort (16) geven een poëtisch beeld van de abdij vanuit het noorden in de beproefde stijl van de landschapsschilders uit de 17 en 18 eeuw (de getormenteerde eik op de voorgrond incluis), dat echter moeilijk te rijmen valt met de gelijktijdig opgestelde kaartbeelden (Ferraris, Joris) en dat weinig of geen informatie geeft over de toenmalige abdijtuinen. Een notoir bezoeker als Abbé de Feller (17) in 1788 had grote bewondering voor de bossen rond de abdij, niet in het minst voor de talrijke oude, dikke eiken, die soms 100 voet of meer hoog waren. In de abdijbibliotheek konden vloerplanken van die lengte bewonderd worden, resultaat van een beleid van uitgesteld genot dat volgens de Feller - polemisch maar niet helemaal onterecht — alleen voor kloostergemeenschappen was weggelegd, "qui puissent ainsi reculer la jouissance, et laisser Ie tem[p]s nécessaire aux grandes productions", niet voor families waar de zoon bijna steeds het werk van de vader ongedaan maakt en niets tot rijping laat komen...
M&L
O p de vlucht voor de Revolutie reisde de Franse norbertijn Hervé-Julien Le Sage tussen 1791 en 1800 een groot deel van Europa af en verbleef ook geruime tijd in de abdij van Averbode. In het verslag van zijn verblijf (18), dat hij hoofdzakelijk al lezend en eenzaam wandelend doorbracht, beschrijft hij het uitzicht dat de norbertijnen genoten vanuit de ramen langs de oostkant van het complex: "Ils avoient la vue d'un beau parterre, d'un petit jardin anglois, celui du couvent, et du bois". Van deze tuin bestaat geen enkele afbeelding en misschien gaat het om een ironische toespeling op de staat van verwaarlozing die een gevolg was van de oorlogsomstandigheden, maar waarschijnlijk was er inderdaad zoiets als een 'Engelse hof' aanwezig. De revolutie in de tuinarchitectuur die zich tijdens het tweede kwart van de 18 e eeuw in Engeland had aangekondigd bereikte rond 1770 ook het Europese continent, maar ook vroeger werden al tuinen ontworpen met onregelmatige of 'verwilderde' compartimenten, eerder bedoeld als contrast - symbool voor chaos - binnen een formele, barokke of rococo aanleg, niet zozeer als natuurnabootsing of—verrijking op zich (19). Later werden deze 'chaotische' compartimenten vaak met de term 'jardin anglois' bedacht. Het ging om eerder kleinschalige, gesloten, welomlijnde tuincompartimenten met een woelige topografie en een overdaad aan artefacten en 'fabriekjes', dikwijls 'chinoiserie': pagodes, boogbrugjes, paviljoen... De doorbraak van de 'Engelse' tuin op het Europese continent wordt meestal niet met klerikale middens verbonden, maar de 'jardin anglois' als onderdeel van een strak geordend geheel komt tijdens de late 18 c eeuw niet alleen voor in de omgeving van de meer mondain ingestelde kerkelijke gezagdragers zoals bij de landcommanderij Alden Biezen of de bisschoppelijke tuinen van Rooselaer te Lochrisri (20), maar ook in sommige klooster- of abdijtuinen. De 'jardin anglois' van Le Sage moeten we ons misschien voorstellen zoals deze die wordt afgebeeld op een figuratieve kaart van de benedictinessenabdij van Kortenberg, opgesteld in 1798 naar aanleiding van de verkoop van de abdij.
HISTORISCHE CONTINUÏTEIT
MET LANDSCHAPPELIJKE FRANJE O p 14 februari 1797 werd de kloostergemeenschap door de Franse overheid uitgedreven. Het merendeel van de 92 religieuzen vond onderdak in de diverse pastorieën die van Averbode afhankelijk waren (21). Het abdijcomplex werd in vier loten
verkocht en tijdens de daaropvolgende jaren liep het heel wat schade op. De bak- en natuurstenen van de abdijgebouwen werden te koop aangeboden en de siertuinen zullen er ongetwijfeld verwaarloosd bij hebben gelegen. Bij de opstelling van het Primitief kadaster in de jaren 1820 stond het voormalige abdijbezit, nagenoeg 15 hectare, op naam van "pastor Jan Carleer", in feite Ignace Carl eer, één van de drie regenten die de laatste abt hadden opgevolgd en erin geslaagd waren het abdijcomplex te recupereren. Afgezien van een aantal dienstgebouwen waren alleen de kerk en het kwartier van de kamerling overeind gebleven. O p het nippertje ontkwam de abdij aan het lot dat diverse andere abdijen (bijv. Vrouwenpark te Rotselaar) beschoren was: de omvorming tot profaan kasteeldomein met de prelaatswoning of het abts- of abdiskwartier als kasteel, omgeven door een landschappelijk park. De eerste kadastrale legger (22) toont een erg sober beeld: vier vijverpercelen, drie percelen boomgaard - waaronder de oude conventsboomgaard (perceel nr. 22) met de vijvers. D e oppervlakte van de drie percelen die als 'tuin' worden omschreven bedraagt nauwelijks 20 are. Het perceel achter de kerk, waarop Le Loup bijna 100 jaar eerder een complex patroon van laantjes en parterres uittekende, wordt gewoon als 'land' getaxeerd. De voormalige 'grooten hoff' ten noorden van de abdij is eveneens gedegradeerd tot ordinair bouwland. Twee schilderijen door Charles Van der Eyken brengen de ruïneuze toestand van de abdij enkele jaren voor de heroprichting in 1834 in beeld. De grote horticulturele belangstelling in de eerste jaren na de heroprichting van de abdij in 1834 schemert door in de notities van confrater Lambertz uit 1835, waarin hij de belabberde toestand van de oude boomgaarden beschrijft en ver-
meldt dat de pandhof, die bezaaid was met ruïnes, werd omgespit en aan de novicen gegeven om er bloemen te planten. In de rekeningen van de provisor komen herhaaldelijk uitgaven voor tot aankoop van bloemen, voornamelijk tulpen (23). Later werden hof- en landbouw ook een decoratief onderdeel van de juridische spitstechnologie die in die jaren door kloosters en abdijen werd ontwikkeld om rechtspersoonlijkheid te verwerven (24). In het geval van Averbode leidde dit tot de oprichting in 1857 van de 'Burgerlijke Maetschappij van Akkerbouw', waarin tot 1887 - toen de abdij (andermaal om fiscale redenen) aan de familie de Merode werd verkocht — alle onroerende goederen werden ingebracht. Een bezoeker in de jaren 1840 was getroffen door het uitzicht van de tuinen: "Ce qui nous frappa le plus, ce sont les jardins. Ne croyonspas en effet qu'ici.
T De voormalige
leifruit en tuin-
conventsboomgaard
pavdjoen
bij de abdij van
(collectie Blockx-
Averbode rond
Meulemans,
1900: monumentale
Lubbeek)
tummuur met
A v e r b o d e f'ot/t if/t
*/iifr1i/t
TV/IP.l
De abdij van
tuin, vooraan rechts
Averbode geschil-
het zaagdak van de
derd door Andreas
drukken]
Patteet en Helchior
(bezit Abdi|
do Prado; links de
Averbode)
landschappelijke
malgré les malheurs du temps, tout soit sacrifié a l'utile: non, tout ce qui est possible d'imaginer pour Ie plaisir des yeux, tout ce que l'art peut offrir de ressources h la culture, tout est la avecprofusion"{25). Welke visuele geneugten hier ook bezongen worden, vermoedelijk gaat het niet meer om de netjes afgelijnde, in compartimenten en parterres verdeelde tuinen van weleer, maar om een kerkelijke variant op de landschappelijke stijl, die vanaf 1840 op bescheiden schaal, maar onmiskenbaar ook tot talrijke pastorietuinen van de regio doordringt. In vele gevallen wordt het 'pastoorsbosje' of de 'warande van de pastoor' van slingerpaden en sierbeplanting (vooral bruine beuk) voorzien. O p de
T De grote vi|ver,
de abdij van
de tuinmuur en het Averbode rond 1900 hoekpaviljoen in de
(collectie Block»
voormalige con-
Heulemans,
ventsboomgaard bij
Lubbeek)
eerste uitgave van de stafkaart in 1871 wordt de voormalige conventsboomgaard met de vijvers getoond in de hybride 'landschappelijke' vorm die hij nu nog heeft: geen afgelijnde perken of andere rechtlijnige structuren, maar onregelmatig verspreide groepjes van bomen. De rechthoekvorm van de twee vijvers bleef echter behouden en er werd ook geen poging ondernomen om het reliëf een meer natuurlijk uitzicht te geven; het hoge talud tussen de twee helften van de nieuwe 'lusttuin' (percelen 22 en 23) bleef bestaan. Deze aanleg dateert mogelijk uit de jaren 1860, want in 1865 werd de vereniging van de percelen 22 (boomgaard) en 23 (land) geregistreerd en ontstond het nieuwe perceel 22a, dat samen met de vijvers en een gedeelte op Tessenderlo een oppervlakte van ongeveer 3,5 hectare besloeg (26). Een ets in 'La Belgique illustrée' van Emile Bruylant (27) geeft een beeld van de abdij uit de jaren 1870, ongeveer vanaf de 'Pikkelpoort', de achterpoort ten noordwesten van de abdij. O p de voorgrond: een viskweekvijvertje met daarachter het brouwerijgebouwtje dat rond 1850 ongeveer op de plaats van de 'brauwerije' op de kaarten van Lowis was opgetrokken. O p de achtergrond: de tuinzijde van het abdijcomplex met, rechts, de noordgevel van het voormalige kamerlingkwartier, nu prelaatskwartier, en een monumentale trap naar wat ooit de " biscope hojf was. Uiterst rechts in beeld: de boomgaard op de plaats van het oude boomgaardperceel nr. 27 in het kleine kaartboek van Lowis. Uiterst links in beeld: een glimp van de hierboven vermelde landschappelijke tuin met een skyline van zuilvormige boomkruinen, waarschijnlijk Italiaanse populieren (Populus nigra 'Italica'j. De door Abbé de Feller geprezen historische continuïteit, zowel in de perceelsvormen als in gebruik, is verbazend, ondanks de landschappelijke facelift van de 'conventsboomgaard' en, op het einde van de jaren 1890 (28), de installatie van de "stoomdrukkerif, het begin van de drukkerij en uitgeverij, die zich gedeeltelijk extra murosheeft uitgebreid. Tuinhistorisch gezien is de hybride landschapstuin op de plek van de oude 'conventsboomgaard' — met het bewaarde talud naar de voormalige 'herenhoven' annex kaats- en klosbaan - het interessantst. De grote langwerpige vijver langs de omheiningsmuur, bekend van de oudste afbeeldingen en kaarten, is in bijna ongewijzigde vorm bewaard gebleven, samen met het hoekpaviljoen in de uiterste noordelijke hoek van het domein. Zelfs de combinatie van 'nut en sier', eigen aan de traditionele
•^r • De grote vijver, de tuinmuur en het
klooster- en pastorietuinen is tot op zekere hoogte blijven doorleven, getuige de kruidenborder tegen de noordwestelijke tuinmuur; het leifruit, nog zichtbaar op oude ansichtkaarten, is echter verdwenen. De grote vijver is haaks verbonden met een smalle, kanaalachtige vijver die eveneens historisch is. Het brugje met rustieke leuningen van in cement geïmiteerd takhout is een toevoeging uit de jaren 1940, maar typisch voor 'pittoreske' tuinen uit het interbellum. Een door twee norbertijnen in 1916 geschilderd vogelperspectief, ditmaal vanuit het noorden, geeft een beeld van het abdijdomein met de landschappelijk tuin, dat de realiteit waarschijnlijk sterk benadert. De grote en de kleine vijver met hun oude contouren, een in grote lobben uitwaaierend gazon en, vooral in het zuidelijk gedeelte (achter het talud) een overdaad aan Italiaanse populieren (Populus nigra 'ItalicaV, ook als 'clump' in het
Van de 18 e -eeuwse of vroeg 19 e -eeuwse beplantingen is er weinig overgebleven, misschien alleen een monumentale haagbeuk (Carpinus betulus) —
hoogstam met 281 cm omtrek, enkele bruine beuken (Fagus sylvatica 'Atropunicea'J met stamomtrekken tot bijna 450 cm op het talud tussen de twee tuingedeelten, een monumentale, een veelstammige Spaanse aak (Acer campestre) en de reeds vermelde rij knotlinden langs het hek aan de westzijde van het ereplein (in 1977-1978 volledig heraangelegd). Bij de laat 19 c -eeuwse aanplantingen trekt een ruwe iep met opgaande twijgen (Ulmus glabra 'ExoniensisV de aandacht. Onder de recentere beplantingen werd nabij de kerkhofmuur een beuk genoteerd met bizar kronkelende gesteltakken, ongetwijfeld een (Fagus sylvatica 'TortuosaV, een uit Verzy bij Reims afkomstige variëteit, in 1845 in cultuur gebracht en soms als treurbeuk gebruikt, hier op een 3 m hoge onderstam.
hoekpaviljoen in de voormalige conventsboomgaard bij de abdij van Averbode (foto K. Vandevorst, 2003)
BESLUIT De meeste klooster- en abdijtuinen die we tot nog toe in het kader van de tuineninventaris van Vlaams-Brabant hebben kunnen bestuderen vertoonden door de eeuwen (zelfs over de Franse
M&L
EINDNOTEN (1) BAEYENS L, Bodemkaan van België: kaartblad Westerlo 60 E, Centrum voor Bodemkartering, 1960. (2) Beschreven in: Bouwen door de Eeuwen heen - arrondissement Leuven, 1971, p. 26-32, en vooral in; JANSEN J, & JANSSENS H., Beeldhouwkunst in de Premomtratenzembdij van Averbode, Brussel/ Averbode, KIK/Abdij der Norbertijnen van Averbode, 1999. (3) LEFEVRE P., Documents relatifs a la gestion d'Arnould de Tuldel, abbé d'Averbode de 1368 a 1394, in: Analecta Praemonstratensiai\, 1955, p. 292-343. (4) Archief K.U.Leuven, Arenbergarchief, 2413, fol. 46 r" en 2432, gereproduceerd in: MINNEN B., Het hertogdom Aarschot onder Karel van Croy (1595-1612), kadasters en gezichten, Brussel, Gemeentekrediet van België, 1993, platen 24 en 25. (5) REG1STRUM
OMNIUM
BONORUM
MONASTERII
AVERBODENSIS; lussu Adm. Rever: Domini Servatli Vaes Abatis Anno 1650 [...] (Leuven, Rijksarchief, Kerkelijk Archief Brabant, nr. 5009), gereproduceerd in: VAN ERMEN E., Het kaanhoek van Averbode, 1650-1680, Brussel, Gemeentekredier, 1997, p, 26-31. (6) Datering volgens JANSEN & JANSSENS, op. at., p. 73. (7) VALVEKENS E., De huishouding van een grote abdij, in: Treurbeuk met
£/fW^2(39), 1936, p. 7.
kronkelige gestel-
(8) DESCRIPTIO LIBR1 SVB Reverendissimo Admodum ac
takken in de tuin van de Abdij van
Amplissimo Domino Servatio Vaes Abbata Domino Ambrosio
Averbode
Arnikio Aert Nijs Prouisore et Magistro Cornelio Lowis
(foto R. Vandevorst,
Geometra iurato Anno 1678 (Averbode, Abdii'archief, I, reg.
2003)
106, fol. II r0). (9) HEIJBROEK J.F., Met Huygens op reis. Tekeningen en dagboeknotities van Constantijn Huygens jr. (1628-1697), secretaris van
Revolutie) heen een grote continuïteit. Dit heeft niet zozeer te maken met een of ander stijlconservatisme dan wel met een beleid van soberheid en
stadhouder-koning Willem 111 (tentoonstellingscatalogus), Amsterdam / Gent, 1982-1983, p. 38. (10) Gepubliceerd in: LE ROY ]., Castella et praetoria nobilium
uitgesteld genot, kenschetsend voor dergelijke in-
Brabantiae, coenobiaque celehrwra..., 1699; gereproduceerd in:
stellingen. Daardoor zijn ze ook moeilijk te verge-
WOLTERS J., Notice historique sur l'ancienne abbaye
lijken met andere typen van tuinen en parken. De breuken zijn het grootst in die klooster- en abdijdomeinen die in de loop van de 19
e
eeuw in privé-
dAverboden, Gand, F. & E. Gyselinck, 1849. (11) LELOUP R., Vue de l'abbaye d'Everbode, in: HELB1G J., Les délices du pays de Liège. Facsimile des dessins complémentaires et
handen zijn gebleven. Een mooi voorbeeld hiervan
restés inédits de Remade Le Loup, Liège, Cormaux, 1903.
is de abdij van Vrouwenpark te Rotselaar, waar het
(12) LEFEVRE P., Textes concernant l'histoire artisrique de l'abbaye
'abdissenhuis' werd gespaard als 'kasteel' en een
d'Averbode aux XVIIe et XVIIIe siècles, in: Revue beige
gotisch keldergewelf als romantische 'krocht' in een
d'Archéologie et d'Histoire de lArt, 7, 1937, p. 57-59.
'Engelse hof', maar waar de rest van de abdij werd afgebroken. Dankzij allerlei juridische en
financië-
le spitsvondigheden is de abdij van Averbode in de handen van de norbertijnen gebleven. De enige ingrijpende aantasting van het 17 e -eeuwse beeld van het domein was de inplanting van een drukkerij en
(13) Zie bijv. her Gravenbos te Humbeek, het Zoniënwoud, de hertogelijke warande van Tervuren, de bossen van de abdij van Tongerlo en de Sint-Michielsabdij te Antwerpen. (14) VON BUTTLAR A. & MEYER M.M., Historische Garten in Schleswig-Holstetn, Heide, Boyens & Co, 1996, p. 682. (15) TACK G., VAN DEN BREMT P. & HERMY M., Bossen in
uitgeverij in het zuidwestelijk gedeelte op het einde
Vlaanderen - een historische ecologie, Leuven, Davidsfonds, 1993,
van de l ^
p. 49 e.v.
eeuw. De 'verlandschappelijking' van
de voormalige 'conventsboomgaard' door middel
(16) Bewaard in de abdij, maar geroond op de website [www.kikir-
van informele beplantingen was hoogstens een cos-
pa.be] van her Koninklijk Instituut voor her Kunstpatrimonium
metische operatie.
(K.I.K.): de clichés B34815 en B34816.
(17) DE FELLER F.-X., Itinéraire, ou Voyages de Mr. l'abbé de Feller
(24) STEVENS F., Kloostergemeenschappen en het recht. De juridi-
en diverses parties de l'Europe: en Hongrie, en Transylvanie, en
sche positie van kloosters in de 19 ' eeuw (1796-1921), in:
Eslavonie, en Bohème, en Pologne, en Italië, en Suisse, en Allemagne,
Lotgevallen van de Kempische religieuze instellingen tussen 1780 en
en France, en Hollande, aux Pays-Bas, au Pays de Liege etc., Chez
1850 (Studiedag Abdij Tongerlo, 28 september 1996), Turnhout,
Fr. Lemarié A Liège, chez Auguste Delalain Et ii Paris, 1820,
1997, dl. III, in het bijzonder p. 29-30 en 33-34.
tome II, p, 559-360.
(25) ANON., Tongerloo et Evetboden, in: Nouvelle Revue de
(18) LAVAGNE D'ORTIGUE X. (éd.), De la Bretagne a k Silésie.
Bruxelles, 1845, p. 38.
Mémoires d'exil de Hervé-Julien Le Sage (1791 a 1800)(YexKs
(26) Kadastrale opmetingsschets Testelt 1865, nr. 1.
Dossiers Documents 7), Paris, Beauchesne, 1983, p. 139.
(27) BRUYLANT E., La Belgique illustrée (I), Bruxelles, Bruylant-
(19) De introductie van de landschappelijke, Engelse tuinstijl in de toemaiige Oostenrijkse Nederlanden wordt uitvoerig behandeld door DUQUENNE X., Het park van Wespelaar. De Engelse tuin in België in de la
Christophe, 1880, p. 165. (28) Geregistreerd in 1899, cfr. kadastrale legger Testelt, art. 915, nr. 104.
eeuw. Wespelaar, uitg. Ph. De Spoelbetch,
2001, p. 31-42. (20) VAN DEN BOSSCHE H., De tuinen van Alden Biesen, een nieuwe hof naat oud model. Monumenten
en Landschappen
Roger Deneefis
consulent
10(3), 1991, p. 25-40; VAN DEN BOSSCHE H , Een encyclo-
de afdeling Monumenten
pedische tuin aan het einde van het Ancien Régime. De prinsbis-
Herman
schoppelijke tuinen van Rooselaer te Lochristi. Monumenten en
de abdij van
Landschappen 13(1), 1994, p. 31-46.
Jo Wijnant
(21) KOYEN M., Abbaye dAverbode, p. 673-675 in: Monasticon helgeWii),
Liège, Centre national de Recherches d'Histoire reli-
gieuse, 1969. (22) Oudste kadastrale legger Testelt, artikel 34. (23) Averbode, Abdijarchief, I, nieuw archief, C.2.: Expensa Carleer.
bij de Faculteit Leuven
en archivaris
in
Averbode
is consulent
Chris Schroeven
erfgoed bij
Landschappen
Janssens is norbertijn
afdeling Monumenten
K. U.
onroerend en
onroerend en
is historica en Sociale
erfgoed bij de
Landschappen bibliothecaresse
Wetenschappen,
T De abdij van Averbode geschilderd door Charles Van der Eyken omstreeks 1835 (bezit Abdij Averbode)
Guido Jan Bral, Hugo VandenBorre en Christine Vanthillo
LANDCOMMANÜERU ALÜEN B1ESEN, RESTAURATIE VAN HET APPARTEMENT VAN DE LANDCOMMANDEUR • Uitvoering van de reconstructie van het gemodelleerd stucplafond in het salon (foto 0. Pauwels)
J
^ ^^^^
'JU V H l
-^flBi yo :
: tii
BI** 1 De landcommanderij grootste
Alden Biesen is één van de
kasteelcomplexen
In maart
van ons
waterkasteel
grotendeels
In 2003 werd de binnenrestauratie historisch
appartement
bestaande
van de
uit een kabinet,
bibliotheek
beëindigd.
restauratie
stonden
uit die het
bijna
landcommandeur,
Bij het begin van de opties ter dis-
een archeologisch-museale
sentatie
de uit de brand
omgeving,
anderzijds
een reconstructie de historische
van het
cussie: enerzijds waarbij
voltooid.
een salon en een
twee mogelijke
werden geconserveerd
pre-
gerecupereerde
en op een
in een
materie,
restaura-
aangevuld
van de ontbrekende
interieurinrichting.
doende origineel
hedendaagse
een nauwgezette
tie van de oorspronkelijke
verwoestte.
Dertig jaar later is de restauratie
1
museale wijze geïntegreerd
land.
1971 brak een fatale brand
elementen
^«B^
delen van
Daar er vol-
en iconografisch
materiaal
aan-
wezig was voor een restauratie
én
lijk verantwoorde
werd voor de
reconstructie
tweede optie gekozen.
wetenschappe-
Het gerestaureerde
tement geeft nu een beeld van de leefwereld de Duitse ridderorde
met
in de 18de eeuw.
apparvan
De landcommanderij Alden Biesen was een stichting van de Duitse Orde, een militair-religieuze ridderorde die opgericht werd tijdens de kruistochten, met als doel de Duitse kruisvaarders in Palestina te herbergen en te verzorgen. De landcommanderij van het Duitse rijk groeide snel uit tot een machtige en rijke instelling. Dank zij schenkingen door adel en burgerij beschikte zij over talrijke bezittingen en onroerende goederen. In de 13 e eeuw was de landcommanderij van het Duitse zo omvangrijk geworden dat beslist werd om haar op te splitsen in zelfstandige landcommanderijen. Zo ontstond omstreeks 1227 in het noordwesten van het Duitse rijk de landcommanderij of balije van de Nederlanden met bezittingen in het Maas-Rijngebied en het prinsbisdom Luik. De aangroei van eigendommen leidde in het begin van de 14 c eeuw tot de opsplitsing van de landcommanderij van de Nederlanden in de balijen Biesen en Utrecht. Na de kruistochten kwam er een einde aan de kerntaak van de Duitse Orde. Vanaf toen concentreerde zij zich op de instandhouding van haar territoriale belangen en groeide uit tot één van de steunpilaren van het Heilige Roomse Rijk van de Duitse Natie. Omstreeks 1220 verwierf de Duitse Orde een kapel en gronden in Alden Biesen, waarop zij een tehuis liet bouwen. Van dit middeleeuwse gebouwenbestand is weinig overgebleven. In 1543 gaf landcommandeur Winand van Brijel (1536-1554) opdracht een nieuwe ridderburcht op te trekken. De nieuwbouw is een stoere burcht in laatgotische stijl met vier vleugels en vier ronde hoektorens, geschikt rondom een binnenplaats en omgeven met slotgrachten. Het twee verdiepingen hoge gebouw is opgetrokken in roodbruine baksteen met grijsblauwe Naamse kalksteen voor de plinten, de zuilen, de venster- en deuromlijstingen en met sporadisch enkele accenten in mergel. De nieuwe constructie diende als huisvesting voor de ridders van de Duitse Orde maar ook om de machtssfeer van Alden Biesen als meest noordelijk gelegen landcommanderij te verstevigen en uit te breiden. Zij was niet alleen residentie maar ook administratief centrum met kanselarij, archief en secretariaat voor de twaalf onderhorige commanderijen.
Loterij-affiche uit de op papier door prospectus van de
]obart. Brussel 1819
loteri|verkoop van
(Bilzen, landcom-
Alden Biesen,
manderij Alden
georganiseerd door
Biesen)
G. Claes. Steendruk
Dank zij gunstige economische omstandigheden beleefde het prinsbisdom Luik in het begin van de 18 e eeuw een grote bouwactiviteit. Over heel het grondgebied werden kastelen, residenties en herenhuizen opgetrokken. Ook Alden Biesen profiteerde van de gunstige conjunctuut, hetgeen blijkt uit een grondige aanpassing. De versterkte middeleeuwse burcht werd omgevormd tot een luxueuze plattelandsresidentie voor de Duitse Orde: een stijlvolle en representatieve buitenplaats, omringd met formele barokke tuinen met oranjerie. Uitwendig heeft de burcht met haar dikke muren, ronde hoektorens, schietgaten en slotgracht haar middeleeuws karakter grotendeels bewaard. De belangrijkste ingreep was de vervanging van de laatgotische vensteromlijstingen door grote ramen naar Frans model, waardoor overvloedig licht binnenvalt. De 18 c -eeuwse verbouwing betrof vooral de inrichting van de noordoostelijke vleugel tot appartement van
Appartement van de landcommandeur. Plattegrond van de geometrische parketvloer (BOA)
O p het einde van de 16 c en in de 17 c eeuw werd de waterburcht uitgebreid met een voorburcht en een neerhof met hoevegebouwen. De oude kapel werd gesloopt en vervangen door de huidige zaalkerk met in het verlengde een ziekenzaal, waardoor de caritatieve pijler van de Duitse Orde, namelijk de ziekenverzorging, in stand werd gehouden.
M&L
Alden Biesen tijdens de brand (Bilzen, landcommanderij Alden Biesen)
Kabinet. Toestand
instandhoudings-
van de schouw na
werken
de brand en tijdens
(Foto Hilde
de voorlopige
Vandekerckhove)
de landcommandeur en de inplanting van een staatsietrap met aan weerszijden het corps de logis, bestaande uit representatie- en ontvangstvertrekken, symmetrisch geordend op één as. De interieurs van het appartement werden gestoffeerd tijdens de ambtstermijn van Hendrik van Wassenaer (1690-1709), Damian Hugo van Schönborn (1709-1743) en Ferdinand Damian Hendrik van Sikkingen van Ebernberg (1743-1749). De belangrijkste transformaties werden uitgevoerd door van Schönborn, een zelfbewuste en op macht gestelde man met een indrukwekkende carrière. Hij was kardinaal, prinsbisschop van Spiers en Konstanz en landcommandeur van de balijen Hessen en Alden Biesen. Voor zijn bouwkundige ambities liet hij zich adviseren door de Weense hofarchitect Johann Lucas von Hildebrandt. Deze landcommandeurs gedroegen zich als absolutistische vorsten. Met de inrichting van het appartement gaven zij vorm en inhoud aan hun standbewustzijn. De vertrekken werden luxueus afgewerkt, bemeubeld en versierd met hun staatsieportretten. Onder hun bewind kreeg Alden Biesen de functie van adellijke zomerresidentie met een representatieve functie. De afhandeling van de administratieve en praktische zaken werd overgeplaatst naar Nieuwen Biesen, het Duitse ordehuis in Maastricht. Gelegen binnen de stadswallen en op 10 km afstand was Nieuwen Biesen oorspronkelijk bestemd als refugiehuis voor de ridders van Alden Biesen maar groeide al snel uit tot administratief hoofdkwartier van de Duitse orde in het MaasRijngebied.
Meer dan dertig jaar hebben drie opeenvolgende landcommandeurs gewerkt aan de uitbouw van Alden Biesen tot een adellijke residentie met een groots opgevatte levensstijl. Omstreeks 1750 beschikte de residentie van deze commandeurs over de noodzakelijke representativiteit passend bij hun macht en stand. Alden Biesen was een symbool van de feodale macht en de almachtige kerk. Met de Franse revolutie kwam een einde aan het Ancien Régime. De revolutionairen kenden geen genade voor de kerken en de kloosters en inzonderheid niet voor de adellijke religieuze orden. Alden Biesen werd als nationaal goed aangeslagen door de Franse bezetter en in 1797 openbaar verkocht. De nieuwe eigenaar was Willem Claes, burgemeester van Hasselt, die ook reeds de abdij van Herkenrode verworven had. Gedurende bijna twee eeuwen zou het goed in het bezit blijven van de familie Claes. Alden Biesen had zijn politieke, religieuze en economische functie en zijn eeuwenoude band met het
M&L
Heilige Roomse rijk verloren en was nu gedegradeerd tot een burgerlijke familieresidentie. In 1942 werd het complex als monument beschermd, maar desondanks geraakte het in verval. Na lang aandringen was de laatste eigenaar jonkheer Roelants du Vivier bereid Alden Biesen te verkopen aan de Belgische staat. Toen de onderhandelingen in een eindfase zaten, brandde het waterslot op 8 maart 1971 uit. De daken en de binneninrichting werden verwoest. Het appartement van de landcommandeur was behalve het stucplafond, nog grotendeels bewaard. De restauratie kon beginnen
HET RESTAIJRATIFCQNCEPT VAN HET APPARTEMENT De interieurrestauratie van het appartement van de landcommandeur, bestaande uit een kabinet, een salon en een bibliotheek, was een zeer tijdsintensieve en gespecialiseerde onderneming zowel op het vlak van voorbereiding als uitvoering. Het duurde precies 22 jaar om de onderneming tot een goed einde te brengen. Het begon allemaal in 1981, elf jaar na de brand van het kasteel, met de vraag van J. Goffart van de Regie der Gebouwen Hasselt en de restauratiecommissie Alden Biesen aan het Restaurateurscollectief uit Gent om de nog in situ bewaarde zwaar beschadigde fragmenten van het kabinet te bestuderen in functie van een mogelijke demontage en een restauratie. Na de brand werden onmiddellijk ruimings- en instandhoudingswerken uitgevoerd en een voorlopig dak geplaatst. Tijdens de uitvoering van de buitenrestauratie (1971-1983) bleef de toestand van het uitgebrande kabinet al die jaren onaangeroerd. Dank zij belangrijke restanten van vroegere interieurdecoraties, overwegend bepleisterde plafondafwerkingen van de periode 1543-1706, bleef relatief veel bewaard van de beschilderde 17de-eeuwse plafond- en wandlambriseringen van het kabinet. De opeenvolgende pleisterlagen die op de 16deeeuwse balkenroostering waren aangebracht fungeerden als een efficiënte bufferzone. De bibliotheek, ingericht in de noordoostelijke torenkamer, kwam relatief gaaf uit de brand. Erger was het gesteld met het salon dat nagenoeg volledig werd verwoest op enkele schaarse elementen van de interieurdecoratie na. Na de uitvoering van het vooronderzoek werd een gedetailleerde staat van bevinding opgemaakt van alle elementen die in situ bewaard bleven en van
Gravure van Jean
Romaine',
Ie Pautre met
17de eeuw
'Grotesques et
(Privé-collectie)
Moresques a la
deze die na de opruimingswerken werden gestockeerd. Een lijst werd opgesteld van de elementen die door de brand vernietigd waren. O p basis van gedetailleerde opmetingen en een fotoreportage konden een chronologie van de interieurs en een demonteringsplan in fasen uitgewerkt worden. In 1982 werd opdracht gegeven alle interieurelementen van het kabinet zorgvuldig te demonteren en te stockeren in afwachting van de uitvoering van de ruwbouwwerken aan het interieur. De resultaten van deze studie en het voorstel van restauratie met maximale integratie van alle oorspronkelijke elementen werden voorgesteld op de 9de Interlimburgse Monumentendag die plaatsvond in Alden Biesen op 8 juni 1983 met als thema Historisch Monument en Interieur.
1VI&L
In afwachting van een wetenschappelijke interieurrestautatie besliste de Regie det Gebouwen om na de uitvoering van de ingrijpende ruwbouwwerken de interieurs op de gelijkvloerse verdieping voorlopig af te werken. Na de overdracht van het kasteel aan de Vlaamse Gemeenschap kwam in 1994 opnieuw schot in de zaak. O p initiatief van Minister Sauwens werd opdracht werd gegeven aan het architectenbureau B.O.A. om een algemeen concept van historisch verantwoorde interieurinrichting voor de gelijkvloerse verdieping uit te werken. Bedoeling was om de uit de brand gerecupereerde intetieurelementen maximaal te integreren.
Het was niet evident de geschoolde ambachtslieden te vinden om de uit de brand geredde interieurfragmenten conserverend te behandelen, de ontbrekende elementen aan te vullen en de reconstructies uit te voeren. Dezelfde artisdek-ambachtelijke vervaardigingstechnieken, als deze waarmee de oorspronkelijke decoratie was vervaardigd in de loop van de 18 c eeuw onder de knie krijgen, was niet vanzelfsprekend daar er voor dergelijke restauratiewerken geen normenbladen, voorlichtingsbladen of andere wettelijke referenties bestaan.
HET KABINET De restauratie van het appartement werd als de aanzet van de globale interieurrestauratie van het waterslot beschouwd. Ontbrekende interieurelementen zouden op basis van de gerecupereerde fragmenten gereconstrueerd worden, waarbij de wetenschappelijke en interieurtechnische uitgangspunten gehanteetd werden van de Bayerische Schlossverwaltung in de Duitse deelstaat Beieren en van de National Trust in het Verenigd Koninkrijk. De grotendeels door brand vernielde historische interieurs als het kasteel Uppark (UK), het theater La Fenice in Venetië en de gouden zaal van het stadhuis van Augsburg werden op wetenschappelijke basis gereconstrueerd.
T Kabinet. Panelen spiegelboogplafond na voorlopige fixatie en demontage (foto Profiel)
De opdracht was om de drie historische ruimtes van het voormalig appartement als één historisch samenhangend geheel te restaureren. De bibliotheek in de torenkamer was reeds in een vorige fase gerestaureerd. Van het kabinet kon zo'n 7 0 % van de oorspronkelijke lambriseringen en beschilderde inteiruerdecoratie uit 1705 gerecupereerd worden. De oorspronkelijke interieurdecoratie van het salon ging voor minstens 9 0 % verloren.
Het interieur van het kabinet vormt een samenhangend geheel in overgangsstijl van laatbarok naar rococo en werd gerealiseerd in opdracht van Hendrik van Wassenaer in de jaren 1706-1709. Het intetieur is gedecoreerd met een geschilderde houten spiegelboog, beschilderde lambriseringen, deur- en vensterbetimmering en schilderijen op doek, ingewerkt in het plafond en in de schouwboezem. Tijdens de opruimingswerken na de brand kwamen onder het huidige plafond twee oudere afwerkingsfasen te voorschijn. De oudste fase toont een 16 eeeuwse balkenconstructie met moer- en kinderbalken. Achter de huidige barokke schouwboezem zit een gotische ribbenconstructie verborgen, rustend op kraagstenen waarop twee elkaar omhelzende figuren met een slaapmuts op het hoofd te zien zijn. Hieruit zou men kunnen afleiden dat deze ruimte oorspronkelijk als slaapvertrek gediend heeft. In de volgende fase, tijdens de ambtstermijn van landcommandeur Edmond Godfried van Bocholtz (1657-1690), werd de gotische balkenconstructie gewijzigd; de roostering werd geëgaliseerd met een dikke pleisterlaag en de vlakken werden ingevuld met stucmedaillons, versierd met het commandeurskruis en heraldische en genealogische motieven die naar de familie van Bocholtz verwijzen. Hij was een standbewust man die erg trots was op de vele hoge functies die hij tijdens zijn leven bekleedde. Het huidig plafond verdeelt de zoldering in vier rechthoekige compattimenten gescheiden door een plafondkruis dat beschilderd is met een bladmotief krullend rondom een staf. Dit plafond en de spiegelboog waren oorspronkelijk opgehangen aan de 16 c -eeuwse balkenconstructie. O p de kruising is het pronkerige wapenschild van Hendrik van Wassenaer aangebracht, geflankeerd door een leeuw en een griffioen. De compartimenten zijn ingevuld
1V1&L
) 01
sp 02
sp 03
A Kabinet. Panelen van de lambriscring na de herplaatsing
2232^^^ A Kabinet.
medaillons waarin vazen en borstbeelden van Romeinse goden en godinnen staan, onder andere Diana en de gehelmde Minerva. De objecten zijn goudkleurig en hebben een schaduwschildering waardoor een illusionistisch effect wordt bereikt alsof het echte voorwerpen zijn. Het belangrijkste decoratieve element is de schouw in het midden van de kamerwand. De haardopening is omlijst met een marmeren schouwmantel in accoladevorm met in het midden een sierlijke rocaille. De wangen zijn met pilasters en palmetten afgewerkt. De schouw is gevat in een barokke houten betimmering met overvloedig eikenloof, laurier- en acanthusbladeren, linten en festoenen en dat alles geschilderd in een blauwe marmerimitatie. Blikvanger is het ovale medaillon met een geschilderd portret van de landcommandeur in een
en voor de retouche (foto Profiel)
• Kabinet. Panelen spiegelboogplafond na herplaatsing en voor retouche (foto Profiel)
I9de eeuwse verbouwingen aan de oostwand (Profiel)
met laat 17 e -eeuwse schilderijen op doek die de vier kardinale deugden voorstellen. De deugden zijn omcirkeld met een medaillon, waarrond een verfijnde decoratie van acanthus-, schelp- en bloemmotieven in trompe l'oeil geschilderd is. De overgang van de zoldering naar de muren is uitgevoerd met een kwarttongewelf in de vorm van een spiegelboog. Tussen de gebogen ribben zijn kwartronde panelen bevestigd. De ribben zijn gesculpteerd met fijn snijwerk van vrucht- en bloemmotieven. De panelen zijn beschilderd met blauwe
1VI&L
ICONOGRAFIE VAN HET KABINET TIJDENS DE 3 d e INTERIEDRFASE (1706-1709) ONDER LANDCOMMANDEUR HENDRIK, BARON VAN WASSENAER TOT WARMOND (1690-1709)
Het interieur werd voorzien van beschilderde plafond- en wandlambriseringen, schouw-, venster- en deurbetimmeringen. De nu nog bestaande panelen en doeken verbeelden een iconografie die betrekking heeft op de landcommandeur zelf, de vier kardinale deugden, mogelijke prefiguraties ervan in de Grieks-Romeinse Oudheid en een verwijzing naar een positieve levensbeschouwing via symbolen die verband houden met eendracht, vrede, liefde en overvloed.
en plafondvullende schilderingen. In de kamer moest men het gevoel hebben geheel in een schilderij te staan. Toen dit gebruik in het begin van de 18de eeuw uit de mode raakte verdwenen heel wat kamerbeschilderingen. Mogelijks waren de wanden van het kabinet, volledig in de traditie van de tweede helft van de 17de eeuw, versierd met schilderingen op doek met weergaven van stichtende verhalen uit de Grieks-Romeinse traditie.
In de tweede helft van de 17de eeuw was namelijk het gebruik om een mooi en belangrijk vertrek zoals het kabinet er een was te voorzien van wand-
Centraal in het spiegelboogplafond zijn de vier kardinale deugden verwerkt: Prudentia of Voorzichtigheid met een spiegel, Fortitudo of Kracht met een gebroken zuil, lustitia of Rechtvaardigheid met een weegschaal en Temperantia of Matigheid met een lege kruik. Centraal op de kruisverdeling van het plafond bevindt zich het commandeurswapen van
T Kabinet.
werd op basis van
Het ontbrekende
iconografische docu-
centrale motief van
menten nauwkeurig
de decoratieve fries
gereconstrueerd
van de schouw
(foto Profiel)
de initiatiefnemer van dit kabinet, landcommandeur Hendrik, geflankeerd door een griffioen en een leeuw. De griffioen, fabelachtig dier half adelaar, half leeuw, symboliseert Christus in één persoon met twee naturen. De dubbele macht van de kerk wordt hiermee gesymboliseerd. O p een gelijkaardige wijze verenigt een landcommandeur in zich zowel geestelijke als wereldlijke macht. Die dubbelzinnigheid uit zich verder in de decoratie. De schitterende groteske decoratieve composities met bloemmotieven rond de personificatie van de deugden zijn niet toevallig gekozen, maar staan in iconologisch verband met de deugden die zij symboliseren. Deze globale compositie van deze schilderingen vertoont verwantschap met een aantal gravures die door Jean Le Pautre (1618-1682) gerealiseerd werden in de reeks Grotesques et Moresques a la Romaine. Een aantal rijkversierde en decoratieve antycke vazen, die in het spiegelboogplafond en op de vensterluiken zijn verwerkt gaan eveneens mogelijks terug op de voorbeeldgravures van J. Le Pautre en tijdgenoten. Een vergelijkbare toepassing van het beschilderen van een spiegelboogplafond met rijkversierde vazen in een omkadering van groteske schilderingen is terug te vinden in het volledig beschilderd gelambriseerd kabinet met spiegelboogplafond dat voor het Hotel Colbert de Villacerf werd vervaardigd ca. 1650 in de Rue de Turenne te Parijs. Dit uitzonderlijk 17de-eeuwse rariteitenkabinet bevindt zich momenteel in het Musée Carnavalet.
In de spiegelboogvormige omkadering, bebordingspanelen en ribben is een Grieks-Romeinse iconografie verwerkt die vermoedelijk in relatie staat tot de vier hoofdpanelen. De godin Athena of Minerva, godin van de wijsheid en van de overwogen oorlogsvoering, beschermster van Kunsten en Wetenschappen, in wapenuitrusting, staat oog in oog met het portret van de landcommandeur, eveneens in wapenuitrusting, dat verwerkt is in de schoorsteenboezem. De buste van de godin Artemis of Diana, godin van de jacht tweelingszuster van Apollo en beschermster van kuisheid en maagdelijkheid, staat in direct verband met de deugd van Dapperheid en Kracht. Naast louter decoratieve citaten, zoals de uitbundig versierde Grieks-Romeinse dekoratieve vazen, heb-
ben de in het spiegelboogplafond verwerkte bloemen vruchtmotieven een duiding. Eikenbladeren, papavers, varens, acanthusbladeren, en palmvruchten zijn doelbewust in de ribben en sluitstukken gebeeldhouwd. Volgens Cesare Ripa staat het vervlechten van eikenen laurierbladeren bijvoorbeeld symbool voor de Virtu insuperctbile — de onoverwinnelijke kracht en dapperheid - De noodzakelijke Eendracht of Concordia wordt gesymboliseerd door Overvloets Horen, Granaetappels, een krans van granaetappelen-mette blaederen en vruchten tesaemen gevlochten. Olijfkrans een teycken van Vrede, die een werkinge is van d'Eendracht. In de lage lambrisering zijn duidelijk de symbolen van de Liefde Carita en de Overvloed Fecondita verwerkt. Symbolen als schelpen, vrijende putti, vruchtenslingers, laurieren, granaatappels wijzen duidelijk in die richting (4). De beschilderde doeken die ingewerkt zijn in het plafond van het kabinet vertonen een mogelijke invloed van de Noord-Nederlandse schilder Hermannus Collenius (1650-1723). Collenius was vooral werkzaam in Groningen. Hij was zeer bedreven in allegorische schilderingen, een genre dat in zijn tijd zeer gewaardeerd was.
Guido Jan Bral, kunsthistoricus.
en houtworm, verharding van de drager, behandeling van de verbrande onderdelen — aanlassingen en partiële reconstructie van de houten drager — reinigen, retoucheren en partiële reconstructie polychromie). De zwaar beschadigde Versaillesparketvloer werd maximaal behandeld en de ontbrekende delen werden aangelast en partieel gereconstrueerd.
Kabinet. Ontbrekende
elementen van het bebloemde lijst waarachter een gebeeldhouwd eredccoratieve snijwerk doek is gedrapeerd. De stookplaats heeft een haardvan de schouw
, ,.., werden gedeelteli|k gereconstrueerd (foto Profiel)
•
L
i
i
i •
i
vloer met op leien volgens een r hun kant 0geplaatste r . . . . geometrisch patroon, zoals gebruikelijk in het ld. Luike Langs de wanden loopt een houten lambrisering beschilderd met voorstellingen van stoeiende putti, schelpmotieven en putti in een decor van acanthusbladeren. Aan de vensterzijde is de betimmering, afgewerkt met een donkere marmerimitatie, doorgetrokken tot aan het plafond en omvat ook de vensternissen en -luiken. De overige muren waren oorspronkelijk bekleed met goudieder. Een hoogwaardige parketvloer in eik en beuk werd geplaatst boven de eenvoudige 16 c -eeuwse plankenvloer. De compositie volgt een geometrisch motief bestaande uit een rechthoek in het midden, omringd door afwisselend ruiten en vierkanten. De deuren zijn geschilderd in een zachtblauwe marmerimitatie zoals de betimmering van de schouw. Basis voor de reconstructie van het kabinet waren de vrij gedetailleerde fotografische documenten, die in 1942 in functie van een door de Duitse bezetter geplande restauratie enerzijds en anderzijds de documenten die voor en onmiddellijk na de fatale brand van 1971 werden gerealiseerd. O p die wijze was het onder meer mogelijk om de talrijke, in 1981 preventief gedemonteerde, fragmenten van de diverse wand- en plafondlambriseringen, de geometrische Versailles-parketvloer van het kabinet, na behandeling, voorzichtige reiniging en fixatie, te retoucheren en het geheel te hermonteren op een nieuwe draagstructuur. De gepolychromeerde houten lambrisering van het plafond, wanden en schouwomkassing werden gerestaureerd en opnieuw gemonteerd (fixatie polychromie - ontstoffen, behandeling tegen schimmel
M&L
Tijdens de restauratie werd vastgesteld dat het vermoedelijk in 1706 geplaatste interieur talrijke hiaten en/of wijzigingen op stijlkenmerkend en iconografisch vlak vertoonde. Herwerkingen, toevoegingen in de zone van de lage wandlambrisering aan de westwand, het aanpassen aan de ruimte van de schouwlambrisering vormen duidelijke aanwijzingen tot deze stellingname. Ook bleek bij na bestudering van vergelijkbare interieurs in Frankrijk en Nederland uit de tweede helft van de 17de eeuw, gemaakt onder invloed van gravures van Jean Le Pautre (1618-1682), bouwmeesteren graveur en de bouwmeesters Jean Marot (1619-1679) en Daniël Marot (1661-1752), dat het interieur ouder moet zijn dan 1706. Mogelijk zijn de interieurelementen van elders afkomstig of werden zij overgebracht door landcommandeur Van Wassenaer tot Warmond uit één van de kastelen in Nederland die de familie toebehoorden (1). Ondanks het feit dat materiële aanwijzingen aantoonden dat er in de loop van de 18de eeuw een wandbekleding in goudieder was, beschikten we over onvoldoende gegevens om dit goudieder te reconstrueren. Er werd daarom geopteerd voor een hedendaagse integratie: een wandbespanning met edelhertenperkament, en dit niet alleen om esthetische redenen maar ook in functie van een geïntegreerde verlichting op basis van glasvezel.
Restauratie van het kabinet In 1982-1983 werd een inventaris van de door de brand vernielde stukken opgemaakt; ondanks de verwoesting die de brand had veroorzaakt, bleef de schade aan de constructie relatief beperkt De westzijde van het spiegelplafond, twee panelen van de lambrizering en een zijpaneel van de schouw waren in rook opgegaan. Eén arm van het plafondkruis was gedeeltelijk verdwenen terwijl de rest van de constructie zwaar vervormd was. Opstijgend vocht, schimmel en houtworm hadden een desastreuze invloed op alle houtsoorten. Vooral de populieren panelen hadden sterk geleden en op sommige plaatsen was het hout gereduceerd tot een laagje fineer.
Kabinet na restauratie van de parketvloer, de schouw en de betimmering (foto 0. Pauwels)
M&L
Een deel van de oorzaak van het verval moet ook gezocht worden in het gebruik van de materialen. Voor de constructie van de lambrisering werden drie houtsoorten gebruikt, populier, dennenhout en eikenhout. Door het gebruik van harde en zachte houtsoorten door elkaar ontstaan er reeds van nature spanningen in het hout die kunnen leiden tot scheuren en barsten en het loskomen van voegen. Bovendien was de constructie, vertrekkend van een lange reeks populieren planken die met deuvels en verlijming aan elkaar verbonden waren, helemaal niet voorzien op de werking van het hout. De bewaringstoestand van de polychromie op de houten panelen van de lambrisering en op het plafond was ondanks de brand en herhaaldelijke verhuis behoorlijk gunstig. De goede bewaring is zeker te danken aan het feit dat er een uiterst dunne preparatielaag was aangebracht op al deze onderdelen. O p de schouw daarentegen zat een dikke preparatielaag, beschilderd met een zeer matte lijmverf. Het bindmiddel van de preparatie was volledig gedegradeerd met enorme lacunes tot gevolg.
• Kabinet: na de
derde venstcrluiken
restauratie komen
opnieuw tot hun
de met romeinse
recht
grotesken beschil-
(foto 0. Pauwels)
Materiaaltechnisch onderzoek Bij het beschrijven van het schadebeeld kwamen eigenaardige details aan het licht die vragen oproepen over de tot standkoming van het kabinet. Talrijke profielen werden verzaagd, stukken verplaatst en een decoratief paneel werd gewoonweg midden in het motief vier centimeter ingekort. De luiken zijn duidelijk te kort om het raamoppervlak te dekken. De kroonlijst van de lambrisering waarop de luiken draaien zit ten opzichte van de ramen veel te hoog en laat een normale werking van de luiken niet toe. De sporen van verbouwingen en de inbreng van vreemde materialen en constructies rond de ramen van de oostwand maken duidelijk dat er in de 19 e eeuw een verbouwing werd opgedrongen door het verlagen van de ramen. Tijdens dezelfde verbouwing werd de westwand heringedeeld en werden twee nieuwe deuren geplaatst. De verbouwing van de twee tegenover elkaar liggende wanden had ook invloed op de zuidwand. Ook de deurlijsten werden aangepast. Andere sporen van verbouwingen wijzen meer in de richting van de vroege 18 t c eeuw. Zij hebben waarschijnlijk te maken met het overbrengen van de lambrisering, plafond en schouw uit een andere locatie. Sporen van een verbouwing werden ook gevonden op de constructieve kaders van het plafond. In de zuidwand werden een aantal verbindingen verplaatst en in de oude gaten bevonden zich nog de oude pennen. Bij een groot aantal ribben werden de pennen afgezaagd en vervangen door
Kabinet na restaura- een omkadering van
IVI&L
tie ïan de lambrise-
17de eeuwse
ring. Detail met
marmerimitatie
stoeiende putti in
(foto 0. Pauwels)
Kabinet met plafondschilderingen op doek met voorstellingen van de vier kardinale deugden (foto 0. Pauwcis)
De uitvoering van de restauratie
zwaluwstaartverbindingen. De datering van deze verbouwing wordt bepaald door de vier vroeg-18 e eeuwse schilderijen met de voorstelling van de vier kardinale deugden, die gemaakt zijn voor de huidige vorm van het plafond. De verbouwing aan de schouw dateert wellicht ook uit deze periode. De schouw werd aangepast in de hoogte en in de breedte. De verbouwing is af te lezen aan de onvakkundige details van de structurele opbouw van de schouw die in scherp contrast staan met de verfijnde 18de eeuwse detaillering. De constructieve chaos valt eveneens af te lezen van de decoratieve afwerking. Bepaalde panelen zijn overschilderd, jongere panelen zijn herkenbaar doordat ze niet de schilderkundige finesse van hun voorgangers hebben.
Bij de behandeling deden zich verschillende problemen voor. De ruimte waaruit de lambrisering afkomstig was en waar ze moest worden teruggeplaatst, werd tijdens de ruwbouwrestauratie bijna overgerestaureerd. Vloer, wanden en plafond waren er rigoureus rechtgetrokken.
De bouwgeschiedenis blijft zeer vaag over de 19 e eeuwse ingrepen aan het appartement van de commandeur. Het is duidelijk dat de lambrisering verschillende keren verbouwd werd. De laatste ingreep dateert uit de negentiende eeuw. O p dat moment waren er blijkbaar constructieve problemen aan het gebouw, onder andere door vervormde moer- en kinderbalken en verzakte vloeren. Het herplaatsen van de lambrisering na deze 19 c -eeuwse verbouwing werd heel slordig uitgevoerd.
Er moest bovendien rekening worden gehouden met de plaatsing van perkament panelen die in een streng geometrisch patroon zouden worden opgesteld. De lengte van de lambriseringsonderdelen en de plafondonderdelen kwamen niet uit. O m het probleem op te lossen moest in het ooit verzaagde paneel van de zuidwand een stuk van 8 cm breedte over de totale hoogte van de lambrisering worden ingevoegd. O p de andere wanden konden de problemen voldoende worden opgelost in zones met nieuw materiaal of was de invloed van de perka-
De gedemonteerde stukken werden ondergebracht in een geklimatiseerd atelier op de kasteelsite, zodat de ruwbouwwerken in het kabinet zelf en de restauratie van het stucplafond in het salon ongestoord konden worden uitgevoerd. Voor hun overbrenging werden de onderdelen gefixeerd met fixeerwas en Japans papier en ontsmet.
mentinbreng minder groot. O m d a t de lambrisering na de brand onmogelijk correct kon worden opgemeten moest dit nu op de gedemonteerde en vervormde stukken gebeuren. Deze meting moest geprojecteerd worden in de vernieuwde ruimte waarin elk spoor van de vroegere plaatsing grondig was uitgewist. Vooral de precieze plaatsing van het centrale raamwerk van het plafond die heel juist moest zijn ten opzichte van de muurbalken en de situatie rond de ramen waren moeilijk te bepalen. Slecht één element bood houvast. De draagstoel waarop de schouwbekleding moest worden gemonteerd, is nooit verplaatst geweest. Vanuit deze plaats werd alles opgebouwd. Na restauratie van elk houten onderdeel van de lambrisering stonden de restaurateurs voor de keuze hoe de panelen opnieuw zouden worden opgesteld. In de originele opstelling waren alle vertikale planken, die de panelen van de lambrisering vormen, over de verschillende panelen heen aan elkaar gelijmd en vernageld aan een draagconstructie. Een populieren paneel van enkele meters breed vertimmerd op een raamwerk zal werken en noodgedwongen scheuren of loskomen - zodat deze werkwijze niet hernomen kon worden. In overleg met het bestuur werd besloten tot een opdeling van elk paneel op zich. Elk paneel zou zo in een raamwerk worden gemonteerd dat het na montage toch vrij kon blijven werken. O p deze wijze werden ook de spanningen, veroorzaakt door de verschillende werking van de verschillende houtsoorten, omzeild. Alle panelen konden nu verlijmd worden. Alle onderdelen die verbrand waren, werden vervangen door materiaal dat identiek was aan het originele. In geval van twijfel werd eikenhout gebruikt. In totaal werden 9 ribben, drie hoekpanden en 5 gewone panelen van het plafond vernieuwd. In de lambrisering zitten nu twee nieuwe panelen en lijstwerk. Heel wat snijwerk van de schouw was verdwenen. De ontbrekende vormen werden eerst uitgewerkt in klei en na goedkeuring volledig met de Staat van het salon hand uitgesneden. D e ontbrekende ribben werden voor de brand gekopieerd en nadien met de hand afgewerkt. (foto Hinisterie van
Alle onderdelen van lambrisering en plafond waren _
o-
i-
i ••
de Vlaamse gevernist. De vernis had als buffer gediend tijdens Gemeenschap) de brand en was volledig gedegradeerd. Het grootste deel van de vernis kon worden verwijderd met een mengsel van isopropanol en tolueen. O p sommige plaatsen waren de eigenschappen van de vernis gewijzigd of had hij een andere samenstelling. Deze vernis kon slechts met dimethylformamide en xyleen worden opgelost. O p sommige plaatsen bleef echter nog steeds een zware sluier achter. Er werd verder gereinigd met een mengsel van ethylal-
cohol en ossegal en EDTA tetra natriumzout. Na het verwijderen van de vernislaag werden de lacunes behandeld. Alle lacunes werden eerst geprepareerd met een krijtlijmmengsel dat reeds enigzins op kleur was gebracht. Meestal werd het zeer dun aangebracht met penseel maar op de schouw en de deuren werd het dikker aangebracht, zoals ook oorspronkelijk het geval was. De lacunes werden vervolgens geretoucheerd. O p de lambrisering en het plafond werd geretoucheerd met paraloid B72 wanneer de lacunes relatief beperkt bleven. Grotere lacunes en reconstructies kregen een onderschildering met geëmulgeerde acrylverf waarop verder werd gewerkt met lijnolieverf. De schouw en de deuren werden geretoucheerd met aquarel en gereconstrueerd met lijmverf. Bij de figuratieve panelen werd de retouche beperkt gehouden. Een sterk uitgeretoucheerde ondertoon moest de aandacht opnieuw op de figuratieve voorstelling richten. Onbekende gegevens binnen de figuratie werden niet ingevuld. Bij de marmerschilderingen werd veel verder uitgeretoucheerd en op het nieuwe schrijnwerk werd zonder meer een totale reconstructie nagestreefd. Dit is ook het geval voor de twee nieuwe panelen in de lambrisering en de in totaal 8 nieuwe panelen van het plafond. Binnen de geschilderde omlijstingen werd op plafond geen figuratieve voorstellingen aangebracht bij gebrek aan gegevens. De vier schilderijen op doek met voorstellingen van de kardinale deugden werden al in 1995 gerestaureerd door de restaurateurs van het atelier "Stichting tot behoud van het roerend kunst- en oudheidkundig patrimonium "van de provincie Limburg. Eén van de schilderijen was ernstig door het vuur aangetast. Bij de montage dienden zij aangepast aan de asymmetrische constructie van het plafond.
Salon.
Detail van het ori-
Centrale cartouche
ginele stucplafond.
met voorstelling van
Opname van 1943
de oorlogsgod Mars.
(Brussel, KIK)
HET SALON Het kabinet en het salon zijn met elkaar verbonden met twee vleugeldeuren aan weerszijden van de schouw. Terwijl het kabinet met zijn donkere lambrisering en zware spiegelboogdecoratie nog de barokke sfeer weergeeft, is de stoffering van het salon licht en elegant. Het pronkstuk in deze ruimte is het stucplafond in rococostijl. Het plafond heeft een brede kooflijst in het midden onderbroken door vlakke cartouches omringd met rocailleen bloemmotieven. De vier hoeken zijn ingevuld met stucreliëfs van oorlogstrofeeën en gespierde putti. De cartouche midden in het plafond toont de helmboswuivende oorlogsgod Mars, zittend op een kussentje van wolken en geassisteerd door enkele putti. Zij wordt omsloten door een asymmetrische rocaillecompositie. Dergelijke rocailles, C- en S-vormige krullen, vloeiende en golvende lijnen zijn de geliefde ornamenten van de rococo, die zich vanaf circa 1725 vanuit Frankrijk over Europa verspreidde. Het is niet bekend wanneer en door wie dit uitzonderlijk rijk stucplafond werd uitgevoerd. Stilistisch hoort het stucwerk thuis in het tweede kwart van de 18 e eeuw onder de ambtstermijn van landcommandeur Damian Hugo van Schönborn. Stucdecoratie was tijdens de 18 c eeuw zeer geliefd in het prinsbisdom Luik en in de Zuidelijke Nederlanden, zij het in iets mindere mate. De meeste stucwerkers waren ambulante kunstenaars, afkomstig van het Noord-Italiaanse Lombardije. Het beroep was een familietraditie waardoor onder dezelfde naam vaak verschillende handen schuilgaan. Deze stukadoors werkten niet afzonderlijk maar in familieverband. Bekende familienamen zijn Vasalli, Moretti, Gagini en andere. De realisa-
tie van een omvangrijk stucplafond zoals Alden Biesen was groepswerk en bij nauwkeurig toezien kan men de verschillende handen onderscheiden. O p de sierlijke schouwmantel met rocaille en golvende lijnen rust een slanke schouwboezem, waar een spiegel en een portret van Anna-Margareta van Bocholtz, een nicht van Edmond Godfried van Bocholtz, zijn ingewerkt. Het portret wordt toegeschreven aan Walthère Daméry (1614-1678) en is met een chronogram gedateerd 1672 (2). De lage lambrisering bestaat uit afwisselend lange en smalle rechthoekige panelen met een geprofileerde omlijsting en is geschilderd in een zachte pasteltint die men ook op de deuren terug vindt. Het rechthoekige middenveld is op de vier hoeken versierd met zeer fijn uitgewerkte vergulde bloemblaadjes, twijgjes en zogenaamde vleermuiskuiven. De oorspronkelijke wandbekleding is onbekend. Het eiken parket volgt een strak rasterpatroon van vierkante vlakken en is getint in een lichte en een donkere kleur, die de vloer een decoratief effect geeft. De restauratie van het salon stelde een probleem van een geheel andere aard. Deze ruimte is het scharnierstuk in het appartement en verbindt het kabinet met de bibliotheek. De ontwerpers hebben hier doelbewust gekozen voor een verregaande reconstructie om de esthetische, historische en iconologische interieurintegriteit van het appartement te waarborgen, waarbij ook de toevoeging van hedendaagse elementen niet geschuwd werd. Wat gereconstrueerd werd, is subtiel aangegeven door het verschil in patina van de Versaillesparketvloeren en de nieuwe afwerkingslagen. Algemeen uitgangspunt voor de reconstructie van het salon was een zo getrouw mogelijke weergave van de sfeer van het 18 c -eeuwse interieurconcept. Het was in deze periode gebruikelijk om de kleuren van de wandbekleding en de afwerkingen in één vertrek op elkaar af te stemmen, zowel op het houtsnijwerk als op het stucwerk en de wandbekleding. O p basis van de talrijke beschikbare iconografische documenten en de bewaard gebleven fragmenten kon afgeleid worden dat het oorspronkelijk interieur op stilistisch vlak vrij homogeen was. Voor alle elementen beschikten we over vrij nauwkeurige gegevens zodat een reconstructie van het plafond, de deurgehelen, de lambriseringen en de Versaillesparketvloer mogelijk werd gemaakt. Daarom werd voorgesteld om tot een maximale reconstructie van het quasi totaal vernietigde interieur over te gaan evenwel met integratie van alle
gerecupereerde elemenren in gemodelleerd stuc, van fragmenten van de lambrisering en van de parketvloer. Het huzarenstuk van deze restauratie, de wetenschappelijke reconstructie van het rijkversierd decoratief en figuratief gemodelleerd stucplafond, mag op dat vlak als een uitzonderlijke primeur voor ons land beschouwd worden. Er werden in het bestek zeer hoge eisen gesteld aan de uitvoerdersbeeldhouwers. Voorafgaandelijk aan de uitvoering werden schaalmodellen van de cartouches en putti in gips gekeurd en werd in het atelier een hoekelement van het plafond op ware grootte gemodelleerd. Na goedkeuring van de modellen werd dit plafond integraal in situ gemodeleerd op basis van plastische kalkmortelspecie. Wat de wandbekleding betreft werd op basis van materiële aanwijzingen en een fotografisch document de optie weerhouden ze te bespannen met een vrij correct historiserende stofbekleding waarbij de aandacht vooral ging naar een, met het interieur, stijlcorrect motief en kleurharmonie bordeauxrood en strogeel (overgang van het kabinet naar de bibliotheek). Daar het om een recent vervaardigde wandbekleding gaat werd de stof geweven in banen van 130 cm breed, met een tweekleurig centraal
• Salon. Stucplafond
van de opnames
met visualisering
van 1943
van de plafond-
(BOA)
motieven op basis
motief van 65 cm. Deze stof werd aangebracht op een onderbespanning van ruw linnen op eikenhouten bespanningskaders. Voor de afwerking van de lambriseringen, schoorsteenboezem, deuromlijstingen en deurvlakken, binnenomkassingen en vensterluiken werd, op basis van een gerecupereerd fragment, gekozen voor een met krijtverf geschilderde afwerking en een plaatselijke vergulding van de hoekmotieven van de lambrisering en van de schelpmotieven van de schoorsteenboezem.
Restauratie van het stucplafond In tegenstelling tot de 18 L-eeuwse uitvoerders zijn de restaurateurs bij de restauratie gebonden aan een tot het uiterste omschreven vormgeving. Het doel van de reconstructie- restauratie was immers een zo getrouw mogelijke weergave van het originele plafond. De ontwerper, architectenbureau B.O.A. onder leiding van Johan van Dessel, bijgestaan door Guido Bral, kunsthistoricus, was er zich terdege van bewust dat het vervaardigen van een replica slechts mogelijk was binnen de grenzen van het inlevingsvermogen van de restaurateurs; daarom werden in de opdracht verschillende fasen voorzien. Parallel met het materiaal-technisch onderzoek zou van de belangrijkste ornamenten een schaalmodel op 10% van de ware grootte worden vervaardigd. O p voorstel van de uitvoerders werd de schaal vergroot tot 1/3 van de ware grootte. Er werd gebruik gemaakt van de technisch hoogstaande foto's die in 1942 in opdracht van de Duitse bezetter waren gemaakt en op het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium bewaard worden. Zij waren telkens opgenomen vanuit het midden van een motief en werden nu omgezet in een lijntekening. Het vervaardigen van een lijntekening houdt reeds een interpretatie van de foto's in. In de beginfase was het nog ongewenst dergelijke interpretaties te maken. O m deze foutmarge in de interpretatie te vermijden werd beslist enkel te werken met uitvergrote foto's.
Materieeltechnisch onderzoek Naast het louter opmeten en op volgorde plaatsen van de bewaarde stukken, zodat een duidelijk zicht kon worden verkregen van wat nog van het oorspronkelijk materiaal restte, werden de stukken onderzocht om na te gaan in hoeverre zij informa-
M&L
afwerkingslagen. De raaplagen hebben een verge- A lijkbare hoeveelheid vulmiddel ten opzichte van het Salon' b i n d m i d d e l (ongeveer 3/1) terwijl de afwerkings-
Stllc la,on(|
P
.
.
. .
lagen een aanzienlijk kleinere h o e v e e l h e i d v u l m i d - tieve motieven
(B0*)
del ten opzichte van het bindmiddel bezit (3/2).
tie konden geven omtrent de opbouw en dimensies van het verdwenen materiaal. De oorspronkelijke stukken zijn allen afkomstig uit de kooflijst van het plafond; tastbare informatie over het plafondveld ontbrak volledig. Wat het materiaal van de raaplaag betreft mag men besluiten dat de twee lagen die werden onderzocht optisch weinig van elkaar verschillen. De ene is wat witter, de andere wat grauwer. Ze bestaan uit een fijnkorrelige dichte massa die elk na uitdroging van de vorige werd aangebracht. In samenstelling onderscheiden deze lagen zich duidelijk van de
Het is duidelijk dat de makers van het originele stucwerk tijdens het uitvoeren zelf nog op zoek waren naar de ideale samenstellingen van de kalkmortel van de opeenvolgende lagen. Daarnaast werden de componenten van de onderste lagen waarschijnlijk onnauwkeurig gemeten zodat telkens wanneer er mortel werd aangemaakt de samenstelling ervan verschilde. Naast een beperkte toeslag van gips, haar, houtskool en baksteenpoeder werd met zekerheid ook organisch bindmiddel, vermoedelijk beendermeel of caseïne, toegevoegd. Het onderscheid kan bij onderzoek niet worden gemaakt omdat de proteïnenketens onmiddellijk worden afgebroken door de kalk. O p de breukvlakken van de bewaarde stukken zijn de lagen van de verschillende soorten mortels duidelijk zichtbaar; de opbouw is nergens dezelfde. Bij het uit elkaar vallen van een aantal stukken werden tekenlijnen terug gevonden. De opbouw en de tekeningen op de tussenliggende lagen tonen aan dat het ontwerp tijdens de uitvoering zowel qua tekening als in volume verder moest worden uitgewerkt.
O p het uitgetimmerd plafond werd een raaplaag aangebracht die, zeker in de kooflijsten, veel te dun was. O p de nog ruwe raaplaag werd een eerste schets van de algemene volumes geplaatst. Een 4 nieuwe laag met een iets meer uitgewerkt volumes Salon- Schaalmodel • j . 1 1 1 1 - . 1 il»' de reconstrucwerd op de vorige laag aaneebracnt. De raaplaag . r
b
b
&
f
b He
ïan
het stuc-
werd glad afgewerkt en diende als werkvlak. Vanuit plafond het onderste van de kooflijst werden de decoratieve (f»10 K™ lijsten geconstrueerd. Elke lijst werd uit verschil- an e,orst' lende lagen opgebouwd. Een lager gedeelte van een lijst werd getrokken, de kooflijst werd verder opgevuld en de aangebrachte bepleistering werd glad gezet. O p de gladde laag werd het vervolg van de lijst getrokken. O p sommige plaatsen was het eerste gedeelte van de lijst reeds voorzien van een toplaag. De gebogen lijsten van de ornamentiek zijn duidelijk met de vrije hand getrokken; ze lopen dus niet parallel aan een geleider maar draaien er op een gegeven moment van weg. De lijsten werden niet steeds vanuit dezelfde richting getrokken, soms werd het mes van onderuit verplaatst en soms van bovenuit. Twee of meerdere messen samen vormden een profiel. Door het gebruik van meerdere messen en het manipuleren van de messen met de
1VI&L
van bloemen en bladeren is een andere hand merkbaar. Het verschil in vormgeving dat zichtbaar is tussen de verschillende ornamenten kan veroorzaakt zijn door het stijlverschil tussen de verschillende individuen of kan te maken hebben met een soort groeiproces in de ontwikkeling van het ontwerp (3).
De uitvoering: reconstructie volgens historische werkwijze Binnen een dergelijke complexe opdracht deden zich twee problemen voor. Vooreerst moest een technisch probleem worden opgelost. Conservatie van de oude stukken pleister, montage ervan en de technische problemen voor een naadloze aansluiting van het te reconstrueren deel met het otigineel. Dat alles moest gebeuren binnen nieuwe duidelijk omschreven randvoorwaarden zoals de reeds aanwezige nieuwe betonconstructies of de nog te realiseren verlichting.
Salon. Schaalmodel voor de reconstructie van het stucplafond (foto Kus Vandevorst)
vrije hand konden bij gebogen lijnen gemakkelijk vervormingen in de lijsten aangebracht worden. De vervormingen in de lijsten hielpen de spanning in de gebogen lijnen opbouwen en verhoogde het gevoel van organisch gegroeide volumes.
Al deze problemen verzinken in het niets ten opzichte van de menselijke factor die hier aan banden en binnen regels moest worden geleid. De hedendaagse uitvoerder is een individualist die steeds de grenzen aftast tot waar hij of zij kan gaan binnen de nochthans vrij rigide opgestelde regels van de res-
Salon. Schaalmodel voor de reconstructie van het stuc-
Wanneer het werk voldoende was gevorderd, werd de algemene omvang en detaillering van de afwerking met vrij dikke lijnen uitgetekend. Vooral bij complexe vormen is duidelijk aan de doorsneden te merken dat de uitvoerder destijds niet uitging van een strak getekend ontwerp. Integendeel, de gevonden ondertekening is zeer rudimentair en het stucwerk zelf volgt slechts bij benadering de tekening. Het is duidelijk dat er telkens progressief materiaal werd toegevoegd teneinde een bevredigend resultaat te bekomen. Vooral in de hoeken van de kooflijst werd op deze wijze een indrukwekkend dik pakket opgebouwd. O m grotere volumes beter met de vorige lagen te verankeren werden gesmede nagels met grote kop door de volledige vorige opbouw gedreven. Bij het tafereel boven de deur naar de bibliotheek zijn de ornamenten in de kooflijst iets robuuster van vorm dan de andere stukken. Ook in de vorm
M&L
plafond (foto Kris Vandevorst)
Uitvoering van de reconstructie van het gemodelleerd stucplafond in het salon (foto 0. Pauwels)
tauratie. Het strijdtoneel speelde zich vooral af op het vlak van de kreatieve invulling van de omzetting van het bestaande fotografische beeldmateriaal naar een reële driedimensionele vormgeving. Naarmate het vormgevingsproces vorderde werd de uiteindelijke vorm steeds duidelijk en werd omgekeerd evenredig de invulling kleiner. Men kan dit proces als iets negatief beschouwen. Maar het is uiteindelijk de motor geweest voor een gemotiveerde inbreng tot de realisatie van wat nu, na voltooiing uiteindelijk te zien is. Het is een getrouwe weergave geworden. Maar het is niet helemaal een reconstructie van het door de brand vernietigde plafond. Een exacte replica van een product vervaardigd door acht handen, in een evolutief proces van het scheppen van een kader en het zoeken naar een creatieve invuling, is niet echt mogelijk. O m enigszins vertrouwd te raken met de barokke vormgeving alsook met het lezen van de uitvergrote foto's, werden schaalmodellen op 1/3 in klei gemaakt. De interpreterende factor van elke individuele uitvoerder moesr zo klein mogelijk gehouden
worden. Daarom waren de uitvoerders reeds bij het vervaardigen van de schaalmodellen overeengekomen elke vorm door verschillende handen te laten vervaardigen. In de praktijk gebeurde dat door de uitvoerders op te delen in twee ploegen die op eikaars werk verder bouwden. Aldus werden een volledig hoekelement (B), het centrale deel van het middelste motief met een deel van de omringende ornamentiek, zes engelen en de drie overige centrale motieven van de hoekelementen in klei geboetseerd en ter goedkeuring voorgelegd. Mits aanpassing van het volume van een van de engelen en een rocaille werden alle stukken goedgekeurd. Na goedkeuring van de kleimodellen werden een hoekmotief en een motief gelegen in het midden van een muur op ware grootte als proefmodel vervaardigd. Tijdens dit proces werden de resultaten van de mortelanalyses omgezet in een bruikbaar recept. Daarom werd aan de hand van testen nagegaan hoe verschillende mortelsamenstellingen die de originele het dichtst benaderen, reageren bij her trekken van de lijsten en bij het boetseren.
M&L
vormen en het verfijnen van de recepten. De uiteindelijk gebruikte mortels weken enigszins af van de oorspronkelijk vooropgestelde. Het gebruik van gips werd volledig uitgesloten. Tenslotte werd het plafond beschilderd met een mengsel van kalkwitsel en krijt, waarbij het krijt als kleurmiddel diende.
DE BIBLIOTHEEK
Salon. Reconstructie van het stucplafond. De decoratieve motieven worden gemodelleerd op basis van een ondertekening (foto Profiel)
De reconstructie gebeurde aan de hand van uitvergrote foto's van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium en de gerecupereerde stukken ornamentiek. De juiste schaal van de foto's kon worden afgeleid van één bepaalde foto waar de afmeting (85 cm) vanaf een hoek tot een rocaille met eiermotief was aangeduid en door deze afstand te transponeren naar de reële afmetingen van de gerecupereerde stukken konden de restaurateurs bepalen hoeveel percent de foto's dienden vergroot te worden. Eerst en vooral werden de plaatsen van de lijsten op het plafond zelf aangeduid; dit waren immers vaste oriëntatiepunten om de rest van de ornamentiek aan te brengen. Deze lijsten werden in de opeenvolgende mortels getrokken.
De grote binnen- en buitencontouren van de te boetseren elementen werden van de uitvergrote kopies op kalkpapier doorgetekend, uitgesneden en op de overeenkomstige plaatsen op het plafond binnen het lijstwerk bevestigd. Hierdoor verkregen zij de contouren waarbinnen de verdere ornamentiek moest worden uitgewerkt. Naarmate het werk vorderde, werden de kalken gedetailleerder uitgesneden en opnieuw bevestigd zodat steeds binnen de juiste afmetingen werd gebleven. Ook de foto's en de originele stukken gaven dikwijls een oplosSalon met portret sing over de manier waarop bepaalde onderdelen er van Anna-Margareta van Bocholtz, nicht werkelijk uitgezien hadden. van landcomman- De ganse ornamentiek werd opgebouwd in de drie deur Edmond van opeenvolgende mortels. Naarmate het werk vorderBocholtz, na restauratie de, werden de vormen vloeiender, het was een (foto 0. Pauwels) kwestie van leren omgaan met het materiaal en de
M&L
Het salon staat via een dubbele deur in verbinding met de bibliotheek, die is ondergebracht in de noordoostelijke torenkamer. Het is een intiem vertrek met een overvloedige lichtinval en uitzicht op de barokke tuin en op het voorhof. De ruimte werd ingericht tijdens de korte ambtstermijn van landcommandeur Ferdinand Damian Hendrik van Sikkingen (1743-1749). De boekenkasten zijn opgenomen in een wandhoge betimmering, geschilderd in een matte blauwgrijze pastelkleur. Deze wordt geritmeerd door pilasters en verdiepte panelen omlijst met vergulde moulures. Eveneens met bladgoud bekleed zijn de kapitelen, de bloemornamenten op de schachten en de rocailles in de zwikken van de panelen. Onder het plafond loopt een portrettengalerij van vier mannelijke en vier vrouwelijke familieleden van de landcommandeur. Een pastoraal landschap met stoeiende jonge edellieden en een waakzame herder siert de sopraporta. Boven de marmeren rococoschouw hangt het zelfbewuste staatsieportret van de landcommandeur in vol ornaat en in gezelschap van zijn hond. Het plafond is volledig ingevuld met schilderijen; het centrale doek, gevat in een drukke vergulde rococolijst verbeeldt de apotheose van de landcommandeur: zwevende putti met bloemenslingers vormen een krans rondom het gekroonde wapenschild van de landcommandeur, dat door een zwaan ten hemel wordt gedragen. Dit doek wordt omringd met acht 17 e -eeuwse panelen met allegorische voorstellingen. De vier seizoenen worden verpersoonlijkt door Romeinse goden en godinnen met de voor elk seizoen typische attributen. De vier overige panelen tonen allegorieën op het water, de lucht, de aarde en het vuur, gesymboliseerd door putti die door hun handelingen en attributen deze vier elementen in beeld brengen. De panelen worden toegeschreven aan Walthère Daméry en dateren waarschijnlijk uit de jaren 1660-1665. Het is niet zeker of zij in oorsprong bestemd waren voor dit plafond. Zij werden wellicht besteld door landcommandeur Edmond Godfried van Bocholtz, die zich door Daméry meermaals heeft laten portretteren. Het
M&L
O m het museale interieur te beschermen tegen de negatieve effecten van dag- en kunstlicht moest rekening gehouden worden met drie soorten straling. De onzichtbare ultraviolette straling (UV) moest geëlimineerd worden, de onzichtbare infrarode straling (IR) moest geminimaliseerd worden en de zichtbare straling moest beperkt worden. O p alle ramen werd een ultraviolettewerende film aangebracht. Het warmte-effect als gevolg van de infraroodstraling op de gevoelige interieurelementen kon gevoelig verminderd worden door het kiezen van een speciaal verlichtingssysteem. Ook om storende verlichtingsapparatuur in de historische lokalen te vermijden werd gekozen voor een systeem van glasvezelverlichting dat op verschillende wijzen is ingewerkt in de wandbekleding. Dit systeem is via generatoren verbonden met lichtsensoren die aangesloten zijn op een digitaal programmeerbaar controlesysteem.
Bibliotheek. Plafondschildering met apotheose van de landcommandeur, omringd door allegorische voor-
, i,
j.
p ^ ^
bestaat uit vierkante panelen
ingevuld
met
ruitmotieven.
stellingen van de
vier seizoenen (foto 0. Pauwels)
De bibliotheek werd in 1994-1995 gerestaureerd maar beschikte nog niet over een aangepaste lichttechnische infrastructuur.
KLIMATISATIE EN VERLICHTING
Salon na restauratie van het stucplafond en de parketvloer en het aanhrengen van een nieuwe historiserende stofbekledmg (foto 0. Pauwels)
1VI&L
Voor de technische infrastructuur werd naast de klimatisatie veel aandacht besteed aan de verlichting. Klimatiseren van deze historische ruimtes is nodig om de vochtgevoelige beschilderde houten lambriseringen en bekledingen in perkament in optimale omstandigheden te conserveren. Elementen vervaardigd uit organische stoffen als hout met een afwerklaag, perkament, weefsels, schilderijen op doek, schilderijen op hout zijn hygroscopisch. Dit wil zeggen dat zij vocht uit de omringende lucht kunnen absorberen wanneer de relatieve vochtigheid hoger wordt en vocht kunnen afgeven wanneer deze lager wordt. Daar deze onderling verschillende materialen te extreme temperatuur- en vochtschommelingen niet kunnen opvangen dient de kamer een vrij constante relatieve vochtigheid te bewaren. O m de relatie temperatuur en relatieve vochtigheid niet te verstoren werd gekozen voor een koud verlichtingssysteem waardoor de lucht niet opgewarmd wordt en daardoor uitdroging verhinderd wordt. De klimatisadekanalen werden ingewerkt rondom de gerestaureerde Versaillesparketvloer van het kabinet en in de verwarmingskokers van de drie lokalen.
In het kabinet werd gekozen om de glasvezelkabels te verwerken in een hedendaagse wandbekleding vervaardigd in perkament van edelherten. Deze lichtdoorlatende wandbekleding geeft een amberkleurig lichteffect dat kaarslicht suggereert. Afzonderlijke lichtpunten zorgen voor een ruimtelijke verlichting van de plafondschilderingen en de monumentale gebeeldhouwde schoorsteenboezem.
In het salon is de verlichtingsinstallatie bevestigd op een rail in wit gelakt aluminium Deze rail dient voor de plaatsing van twee rijen alternerend geplaatste optische vezelkabels achter een lineaire lens. De verlichtingsrail is bevestigd op een profiel in aluminium dat op zijn beurt ingewerkt is tussen de wandbekleding en de onderste geprofileerde lijst van het plafond. O p die wijze wordt het reliëf van het stucplafond van de vier zijden opgelicht en wordt de ruimte onrechtstreeks zacht belicht. Het uitzondetlijke plafond van de bibliotheek wordt verlicht vanuit de draagstructuur van het plafond zelf en vanaf de brede geprofileerde deurlijst naar het salon. Zorgvuldig ingebouwde lichtarmaturen staan hier in voor een globale zachte en sfeervolle verlichting. O p die wijze is de samenhang op het vlak van histotische en geïntegreerde interieurdecoratie enerzijds en met betrekking tot de beeldtijke en verhalende verheerlijking van de wereldse en geestelijke symboliek van de rol van de landcommandeur integraal hersteld, de unieke site van Alden Biesen waardig.
T Salon na restauratie
che met oorlogs-
van het stucplafond.
trofeeën
Detail van een
(foto 0. Pauwels)
nieuwe hoekcartou-
Opdrachtgever: Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Gebouwen: Staf Briers Ontwerp: Brussels office for Architectuer B.O.A.: Johan van Dessel, Mare Vanderauwera, Guido Jan Bral Toezicht: Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Gebouwen: Jaak S meets Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Monumenten en Landschappen: Christine Vanthillo Provincie Limburg, Provinciaal Centrum voor cultureel Ergfoed: Clemens Guido De Dijn Uitvoering: Algemene aunnnemer: Monument VDK: Willy van Noten, Stefan Van der Stadt Gespecialiseerde onderaannememers: Restauratie plafond en wandlambrisering kabinet: Hugo VandenBorre met een team van medewerkers: Michelle Durbin, Anna Lauwers, Lieve van de Biest, Pieter Noppe, Ruth Deneef, Tim Nijs, Moniek Kontzen, Christa De langhe, Christine De Wilde, Veerle Stinckens, Hilde Weissenborn, Brian Richardson. Wandbespanning in perkament kabinet: firma De Groot, Rotterdam Wandbespanning textiel salon: Servio, Johan Raes Verlichting: PFO (Swarovski), Patrick Servais Aannemer reconstructie stucplafond salon: Hugo VandenBorre met een team van medewerkers: Els Malyster, Marleen Degezelle, Johan Van den Ede, Genevieve Hardy, Sarah Desmedt, Gabi Pocbmarski, Kurt Geraerts, en Kim Raymackers. De kostprijs van het geheel bedroeg: ca 1.500.000 € BTW inbegrepen.
Bibliotheek van Ferdinand Daman Hendrik van Sikkingen met staatsieportret van de landcommanI
deur. Inkijk vanuit het salon naar de bibliotheek (foto 0. Pauwels)
FINDNQTEN
verblijf in Londen, waar op dat ogenblik ook Antoon van Dijck aan het werk was.
Momenteel loopt in samenwerking met Dr. E. Koldewey van de
Uit de briefwisseling van Giovanni Antonio en Guiseppe Moretti,
Rijksdienst voor Monumentenzorg in Nederland een verkennend
makers van één van de plafonds in Alden Biesen kon worden opge-
onderzoek.
maakt dat een plafond van dergelijke omvang door acht man vervaardigd werd.
Walthère Daméry is aflLomstig uit Luik en volgde een opleiding in
Enkele symbolen en attributen: granaatappel: Aphrodite en de drie
Rome bij Pierre da Cortona. Nadat hij een tijd werkzaam is geweest in
Gratiën; hoorn des overvloeds: Fortuna en Demeter; klimop en win-
Parijs, keerde hij naar zijn geboortestad terug, waar hij zich speciali-
gerd: Dionysius en de Onsterfelijkheid: laurier: Apollo. Daphne en de
seerde in barokke altaarstukken en portretten van rijke privé-op-
overwinningskrans; de olijftak Athena en de vrede; de schelp:
drachtgevers. De portretschilderkunst heeft hij aangeleerd tijdens een
Aphrodire en Poseidon.
BIBLIQGRAFIF PER QNDFRWERP
STUCWERK - JAHN W., Stukkaturen des Rokokos, Sigmaringen, 1990
BOUWGESCHIEDENIS
- LADE K. en WINKLER A., Putz, Stuck und Rabttz.
- A R N O L D U., DE DIJN C.G. e.a., De balije Biesen in hetMaasRijngehied, Gent, 1993
- PUTERS A., Vasallt en Gagini, stucateurs italiens au pays de Li'ege,
- Landcommanderij AMen Biesen. Acht eeuwen Europese geschiedenis in het land van Maas en Rijn, Tielt, 1988 -DANIELS
CHUBRECHTS
Handbuchftir
das Gewerbe, Stuttgart, 1952
Luik, I960 -SCHULTE-VAN WERSCH C.J.M., Het stucwerk van Petrus
H., De landcommanderij
Alden
Biesen. Historische en eigentijdse gids, s.l., 1999
Nicolaas Gagini en het Huis Eyll te Heer-Maastricht, in Publications de la Sociëté histonque et archéologique dans Ie Limbourg, deel CXVI-
- De DIJN C.G, Advies van de Bestuurscommissie inzake de bestemming en de cultuurhistorische revalorisatie van het Rijkscultureel Centrum Alden Biesen, voormalige landcommanderij van de Duitse Orde te Bilzen (provincie Limburg), Kunst en Oudheden in Limbutg, 23,
CXV11, 1980-1981, Maastricht 1981, p.285-350 - VIERL P., Putz und Stuck, Herstellen Restaurieren, Miinchen, 1984 FREEING W. V.J., Stucwerk in het Nederlandse woonhuis uit de 17° en 18° eeuw, Leeuwarden-Mechelen,1996
Sint-Truiden, 1980. - Walth'ere Daméry
1614-1678,
tentoonstellingscatalogus, Alden
LAMBRISERINGEN/ PARKETVLOEREN - Plafonds en bois - Regions diverses, uitgegeven door het Centre de
Biesen, 1987
Recherches sur les Monuments Historiques, Parijs, 1981
RECONSTRUCTIE
- Lambns de chateaux du r'egne de Louis Kill au troisiime quart du
- ASISIY., Berlin 2005 - Architekturpanoramen, Reconstructie van het voormalig koninklijk paleis op de Schlossplatz. Berlijn, 1995. - Augsburg. Die Samerung des Rathauses und des Perlachturmes. Die Rekonstruktion des Goldenes Saales, Augsburg, 1985.
XVLI° siècle, uitgegeven door het Centre de Recherches sur les Monuments Historiques, Parijs, 1994. - Parquets du XVIl° au XIX° siècle, uitgegeven door het Centre de Recherches sur les Monuments Historiques, Parijs, 1993
- Bayerische Venvaltung der staatlichen Schlösser, Garten und Seen,
ICONOGRAFIE
WS-/95tf, München, 1993. - N I C H O L S O N A., The Fire at Uppark, The National Trust, Londen, 1990.
- DROULERS E., Dictionnaire des attributs, allegories et symboles. Turnhout, s.d.
- ROMANELLI G.,PUGLIESI G., SASPORTES J.en VEROLI P., Gran Teatro "La Fenice", Padua, 1997
- PRADIE-OTTINGER B., LArt et la Chasse. Histoire culturelle et artistique de la chasse, Doornik, 2002 - RIPA C , Iconologia ofuytbeeldinghedes verstands, waer in verscheiden
HISTORISCH INTERIEUR
beeldnissen van Deughden, Ondeughden, Menschltjke Hertztochten,
- LAAN B., De poëzie van de Nederlandse binnenruimte, in F. van
Konsten, Leeringhen: etc. en andere ontallijke stoffen, geleerdelijck wer-
Burkom, K. Gaillard, E. Koldewey e.a. (red.), Leven in toen. Vier eeuwen Nederlands interieur in beeld
Stichting
Manifestatie
Historisch Interieur, Amsterdam - Zwolle, 2001, p. 13-19 - GUILMARD D., Les maitres-ornemanistes. Paris, 1881 -JESSEN P., Das Ornamentwerk des Daniël Marot, Berlijn, 1892 - MAURIES P., Cabinets de curiosités, Parijs, 2002 - PHILIPPE J., Meubles, Styles et Decors entre Meuse et Rhin, Luik, 1977 -THORNTON
den verhandelt, Amsterdam, 1644. - SCHENK P., De schatkamer der vrije konsten ofVerzameling van verscheidene Printen, gegraveerd na eenige Zolderstukken, in welke deze Konsten vertoond worden, Amsterdam, 1693. - La Marais mythe et réalité, tentoonstellingscatalogus Hotel de Sully, Parijs, 1987. - VAN DER PLOEG K. en VELDMAN F.J., Hermannus Collenius en het "huis met de dertien tempels", in Bulletin Vereniging van de
P., Seventeenth Century Interior Decoration in
England, France and Holland, New Haven en Londen, 1978
Vrienden van het Groninger Museum, 47, mei 1997, p.1-5
- VELDMAN F.J., Hermannus collenius (1650-1723), Zwolle, 1997
- VAN DER KLOOSTER L.J., Ontwerpen van Daniël Marot voor het huis Rosenburg te Voorschoten, in Bulletin KNOB, 1962, 272
Guido Jan Bral is kunsthistoricus WANDBEKLEDING/ PERKAMENT
het restauratieconcept
- L'Art de la soie Prelle - 1752-2002 - des ateliers lyonnais auxpalais
Hugo VandenBorre
van het is zelfstandig
parisiens, tentoonstellingscatalogus, Musée Carnavalet, Parijs, 2002-
en beschreef de uitvoering
2003
Christine
- ROTHSTEIN N., Silk designs of the eighteenth century in the collection of the Victoria and Albert Museum, Londen, 1990. - RUCK P., Pergament Geschichte.Struktur.Restaurierung.Herstellung, Sigmaringen, 1991
Vanthillo
en beschreef appartement. restaurateur
van de
is consulente
onroerend
erfgoed bij de afdeling Monumenten Landschappen. gedeelte.
Zij schreef het
restauratie en
historisch
SUMMARY The abbey gardens at Averbode - Historical continuity within landscaped frillery The Norberdne abbey of Averbode, founded in the 12th century, quickly developed into a major landowner in the southern parts of the Low Countries, and into one of its foremost religious and intellectual centres. Unlike what happened to other abbeys, monasteries or convents, the French Revolution was but an intermezzo, hardly affecting its existence and vitality. The walled abbey-garden, about 3,5 hectares, was part of a large entity of orchards, ponds, woodland, vegetable and amenity gardens, that shaped up in the early 17th centuty (after the Wars of Religion) and still survives partly. Singular is the mention of an 'English gatden' ('jardin anglais') on the eve of the Revolution - quite uncommon in a clerical context, but not entirely improbable, as we know from other instances such as the Benedictine nuns' abbey at Kortenberg. Unfortunately no image of this eatly landscape garden could be found. In the 1860s, a new
The splendours of Brussels: a story about orchids, heathland, woodland and past glories
layout in the prevailing landscape style of that period was barely a face-lift: several elements (ponds, tali) dating back to at least 1650 remained identifiable up till now. The article gives a foretaste of a next volume of the inventary of historic gardens and parks of Flanders concerning the northeastern part of the province of Flemish Brabant.
•
In 1810 the famous Swiss botanist Augustin Pyrame de Candolle (1778-1841) visited Belgium under French occupation (1795-1815). He was astonished at the high level of the Belgian agriculture and horticulture. He also was impressed by the high quality of the Brussels' botanical garden. But the native flora highly disappointed him. On the other hand - fifteen years before - the Swedish-Belgian scientist Andre Rozin (1755-1825), a disciple of Carolus
The Land Commandery of | Alden Biesenjjj Restoration of the Land Commander's appartment
Linnaeus jr., published a contribution in the magazine 'Esprit des Journaux'. In his article he was singing the praises of the
The land commandery of Alden Biesen is one of our country's
native flora in and around the Belgian capital. Brussels was a
largest castle properties. In March 1971 a fierce fire broke out,
floristic 'eldorado' with many native orchids.
destroying the larger part of the water castle. Thirty years after-
Is there any historical evidence for their statements?
wards, the restoration is nearly completed. In 2003, the interior
In this historical-ecological contribution we had to make an
consists of an office bureau, a drawing room and a library. As
attempt to recreate eightteenth and nineteenth century rural
there was sufficient otiginal and iconographical material, the
landscapes by combining a lot of small pieces of information.
choice was made to meticulously restore this in its original state,
Therefore we used data of contemporary botanists such as
completed with a reconstruction of the historical interior's
Roucel (1735-1831), Kickx sr. (1775-1831) and Dekin
missing parts. The consistency of the historical and integrated
(t 1823)... We also consulted historical maps, place-names,
interior decoration was completely restoted as well as the glorifi-
archives, specific historical literature.
cation of the land commander's worldly and spiritual role, rich
The present paper provides details about historical land use
in both imagery and narration, worthy of Alden Biesen's unique
(meadowiand and pastureland, heathland, woodland, sheep and
site.
restoration of the land commander's appartment was finished; it
cattle tracks) and the decline of the agro-pastoral economy of places such as Vorst and Ukkel-Stalle, about the role of abbeys in the rural economy (e.g. stone quarrying) and of course about the native flora (e.g. orchid flora) of Brussels' arcadian rural landscapes.
IVI&L