Skip to main content

lara_2008_hoofdstuk_7_grondgebonden_veeteelt.pdf

Page 1

Grondgebonden veeteelt De rundveehouderij kan ingedeeld worden in twee specialisaties: de vleesvee- en de melkveehouderij. In dit hoofdstuk worden, na een globale analyse van de sectorstructuur, beide productierichtingen meer in detail toegelicht. Aangezien de rundveesector de bedrijfstak is die in Vlaanderen het grootste gedeelte van het landbouwareaal in beslag neemt in de vorm van voederteelten, wordt op het einde van dit hoofdstuk aandacht besteed aan deze gewassen. Belangrijke actuele thema’s in de rundveehouderij hebben betrekking op de prijsvorming (dalende verkoopprijzen en stijgende kosten en weinig transparante margevorming binnen de keten), de dierengezondheid (o.a. blauwtong), het landbouwbeleid (o.a. de zachte landing van de melkquota en de Health Check) en het milieubeleid (mestproblematiek).

1 Structuur 1.1 Veestapel Het aantal runderen in Vlaanderen is de laatste 10 jaar gevoelig gedaald (-19,5 %). Zowel het totale aantal koeien (-5,5 %) als het aantal vleeskalveren (-10,1 %) verminderde. Tegelijk treedt er een duidelijke verschuiving op van runderen voor de melkproductie naar vleesveerunderen (tabel 7.1). De instelling van de melkquota (in 1984) en de toename van de melkgift per koe enerzijds en het bestaan van een premiestelsel voor zoogkoeien anderzijds hebben bijgedragen tot een daling van het aantal melkkoeien (-15,4 %) en een toename van het aantal zoogkoeien (+13,3 %). Tabel 7.1: Evolutie van de rundveestapel, 1997-2007

Vlaanderen 1997

Wallonië en Brussel

2007

1997

2007

zoogkoeien

185.370

209.954

316.387

334.562

melkkoeien

348.097

294.319

285.120

229.380

vleeskalveren

167.787

150.908

2.557

5.977

totaal runderen

1.638.249

1.318.654

1.518.846

1.330.738

Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

156


Vlaanderen telt in 2007 iets minder runderen dan Wallonië. Er is echter een duidelijk verschil in de samenstelling. De Waalse rundveehouderij is meer gericht op zoogkoeien, terwijl in Vlaanderen de melkveestapel omvangrijker is dan de zoogkoeienstapel. Verder is de kalverhouderij een zuiver Vlaamse aangelegenheid. Per provincie beschouwd, beschikt West-Vlaanderen over het grootste aantal runderen (figuur 7.1). Figuur 7.1: Verdeling van de rundveestapel over de gewesten en provincies, 2007

Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

1.2 Productie-eenheden 1.2.1 Aantal bedrijven Iets meer dan 31 % van de Vlaamse bedrijven (10.035 in 2007) zijn gespecialiseerd in rundveehouderij: 3.905 in de productierichting melkvee, 4.684 in vleesvee en 1.446 gemengde bedrijven. Het aantal bedrijven dat runderen houdt, is echter groter (16.792 in 2007). Dit is iets meer dan de helft van alle landbouwexploitaties (figuur 7.2). Dit percentage is het hoogst in OostVlaanderen en het laagst in Vlaams-Brabant. Figuur 7.2: Aandeel van bedrijven met runderen in het totale aantal landbouwbedrijven per provincie, %, 2007

Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

157


De Vlaamse bedrijven met runderen vertegenwoordigen 59 % van het nationale aantal. Het aantal bedrijven met runderen kent een dalende tendens. T.o.v. 1997 is het aantal exploitaties met runderen gedaald met 35 % (figuur 7.3).

1.2.2 Bedrijfsgrootte Het gemiddelde aantal runderen per bedrijf steeg ten opzichte van 1997 met 24 % tot 79 dieren in 2007. In Wallonië is dit kengetal duidelijk hoger (114 dieren). Figuur 7.3: Evolutie van het aantal bedrijven met runderen en het gemiddelde aantal runderen per bedrijf, 1997-2007

Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

Uit een indeling per grootteklasse (tabel 7.2) blijkt dat 64 % van de runderen gehouden wordt op bedrijven met minstens 100 dieren. De bedrijfsgrootte is echter afhankelijk van het type bedrijf. Zo is de kalverhouderij een aparte bedrijfstak, die een hoge veebezetting heeft: 39 % van de vleeskalveren wordt gehouden op bedrijven met 700 dieren en meer. Tabel 7.2: Indeling van de rundveebedrijven per grootteklasse, 2007 1. totaal runderen aantal runderen per bedrijf

% bedrijven

% runderen

1 tot 9

14,9

0,9

10 tot 24

16,3

3,3

25 tot 49

16,3

7,6

50 tot 74

13,8

10,8

75 tot 99

12,1

13,4

100 tot 149

14,1

21,5

150 en meer

12,5

42,5

geheel van de bedrijven

100

100

158


2. melkkoeien aantal melkkoeien per bedrijf

% bedrijven

% melkkoeien

1 tot 14

16,9

2,8

15 tot 29

25,8

15,1

30 tot 44

23,4

22,3

45 tot 59

16,3

21,7

60 en meer

17,6

38,1

geheel van de bedrijven

100

100

3. zoogkoeien aantal zoogkoeien per bedrijf

% bedrijven

% zoogkoeien

1 tot 4

21,4

2,8

5 tot 9

20,0

6,8

10 tot 19

24,4

16,7

20 tot 39

20,7

28,5

40 en meer

13,5

45,2

geheel van de bedrijven

100

100

4. vleeskalveren aantal mestkalveren per bedrijf

% bedrijven

1 tot 99

% mestkalveren 65,5

2,6

100 tot 299

3,6

3,2

300 tot 500

9,6

18,7

500 tot 700

13,5

36,6

700 en meer

7,8

38,9

100

100

geheel van de bedrijven

Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

159


2 Melkproductie De melkveehouderij is sterk ontwikkeld binnen de Vlaamse landbouw. De gemeenten waar deze sector een belangrijke economische plaats inneemt, bevinden zich vooral in de provincie Antwerpen en het noordelijk deel van Limburg (figuur 7.4). Figuur 7.4: Economisch belang van de melkveesector per gemeente, 2007 Legende geen melkvee < 10 % 10 - 25 % 25 - 50 % > 50 % (max 97%)

N W

0

O

25

50 Km

Z

Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

Actuele ontwikkelingen in de zuivelsector Melkquota zijn in 1984 in het leven geroepen om het evenwicht tussen vraag en aanbod op de markt voor melk en zuivelproducten en de daaruit voortvloeiende structurele overschotten te verminderen. De Europese landbouwcommissaris, Mariann Fischer Boel, heeft in 2008 verklaard dat er vanuit de Europese Commissie geen voorstel tot verlenging van het melkquotastelsel na 2015 zal komen. De marktsituatie is immers sterk veranderd: er is geen sprake van nood aan productiebeperking maar eerder van een tekort. Op de wereldmarkt is er een enorme vraag naar melk door een aanhoudende droogte in Australië en een toenemende vraag naar melkproducten in China en Zuidoost-Azië. Een andere belangrijke reden voor een afschaffing is de afnemende bescherming van de zuivelsector binnen de EU. Onder druk van de wereldhandelpartners moet de EU allerlei subsidies voor de zuivelsector afbouwen en moeten andere zuivelproducerende landen toegang krijgen tot Europa. 160


2.1 Productie 2.1.1 Productievolume Uit de statistieken van het beleidsdomein Landbouw en Visserij, opgesteld in het kader van de melkquotaregeling, blijkt dat er in Vlaanderen in de melkcampagne 2007/08 (lopend van 1 april 2007 tot en met 31 maart 2008) 1.842 miljoen liter geleverd werd. Dit maakt 61 % uit van de nationale verkopen in deze categorie. Deze melkaanvoer is voor het grootste deel afkomstig van bedrijven uit West- en Oost-Vlaanderen en Antwerpen (figuur 7.5). Ten opzichte van 1997/98 wordt er 2,5 % meer melk geleverd. Door het quotastelsel variëren de melkleveringen relatief weinig van jaar tot jaar. Vanaf 2006 is er wel een quotaverruiming. In het kader van MTR wordt vanaf 1 april 2006 het quotum gedurende drie opeenvolgende tijdvakken met 0,5 % verhoogd. Vanaf 1 april 2008 is er een bijkomende verhoging van 2 %. Daarnaast wordt ook een deel van de nationale reserve definitief verdeeld over de landbouwers met quotum waardoor het quotum leveringen bijkomend verhoogd wordt met 0,4 %. Figuur 7.5: Verdeling van melkleveringen over de gewesten en provincies, melkjaar 2007/2008

Bron: Departement Landbouw en Visserij

In samenspraak met de landbouworganisaties en de zuivelsector werd een Vlaams stappenplan opgesteld dat de melkveehouders voorbereidt op deze nieuwe marktsituatie. In dit plan wordt voor de periode 2008-2011 aangegeven welke maatregelen worden genomen om tot een afschaffing van de melkquotaregeling te komen. Zo is er een verhoging van de quotumplafonds voor melkveehouders, vanaf 1 april 2008 wordt het plafond aan het begin van elk tijdvak verhoogd met 100.000 liter. De prijs van quotum verhandeld via het quotumfonds zal in vier gelijke stappen dalen tot 0,12 euro per liter melk in 2011. Om samenwerking in de melkveesector te bevorderen werd de melkquotaring in het leven geroepen. Door de oprichting van een dergelijke melkquotaring krijgen melkveehouders die niet in de echt verbonden zijn of niet in de eerste graad verwant zijn, dezelfde mogelijkheden om hun melkquotum samen vol te melken als hun collega’s die wel samenwerken met echtgenoten of familieleden die in de eerste graad verwant zijn. 161


De melkleveringen hebben betrekking op 6.914 producenten of een gemiddelde van 266.443 liter per producent. Als gevolg van een dalend aantal producenten (-38 % ten opzichte van 1997/98) en een stijging van de melkleveringen is de gemiddeld geleverde hoeveelheid per producent gevoelig gestegen (+66,5 %). De gemiddelde melklevering per producent is groter in Vlaanderen dan in Wallonië (231.485 liter), maar het verschil wordt kleiner. De provincie met het grootste aantal geleverde liters per producent is Antwerpen, gevolgd door Limburg (figuur 7.6). Figuur 7.6: Evolutie van de gemiddelde melkleveringen per producent, liter, 1997/98-2007/08

Bron: Departement Landbouw en Visserij

Er is een groot structuurverschil tussen de provincies, maar ook tussen de bedrijven onderling, wat blijkt uit de verdeling van de toegekende melkquota voor leveringen. Ongeveer 47 % van de melkaanvoer is afkomstig van bedrijven met meer dan 400.000 liter (tabel 7.3). Hoewel er nog relatief veel producenten over een quotum beschikken van minder dan 100.000 liter, vertegenwoordigt deze groep een aandeel van slechts 3,4 % in de melkleveringen. De meeste producenten (28 %) hebben een quotum tussen 100.000 en 200.000 liter.

162


Tabel 7.3: Verdeling van de producenten en de melkleveringen per quotumklasse, 2007/08 quotumklasse (1.000 liter)

producenten aantal

melkleveringen %

1.000 liter

%

< 50

423

6,1

13.802

0,7

50 -100

712

10,3

50.070

2,7

100-200

1.907

27,6

267.361

14,5

200-300

1.262

18,3

297.302

16,1

300-400

1.030

14,9

340.419

18,5

400-500

673

9,7

289.012

15,7

≥ 500

907

13,1

584.220

31,8

totaal

6.914

100

1.842.186

100

Bron: Departement Landbouw en Visserij

2.1.2 Productiewaarde Met een productiewaarde van 658 miljoen euro in 2007 is de zuivelsector goed voor 13 % van de waarde van de Vlaamse land- en tuinbouwproductie. De zuivelproducten vormen het tweede belangrijkste product binnen de veeteeltsector na varkensvlees. Ook indien men alle producten in beschouwing neemt, komt de zuivelsector op de tweede plaats in 2007. Vlaanderen heeft een aandeel van ongeveer 61 % in de nationale waarde van de zuivelproducten. Figuur 7.7 geeft de evolutie weer van de productiewaarde. Aangezien de hoeveelheden weinig variëren door het quotumstelsel, zijn de evoluties in de productiewaarde vooral toe te schrijven aan de prijsevoluties. Zoals blijkt uit de figuur is 2007 een uitstekend jaar qua omzetcijfer (+27,8 %). De zuivelsector wordt immers gekenmerkt door sterke prijsstijgingen. Figuur 7.7: Evolutie van de productiewaarde van melk en melkderivaten, miljoen euro, 1997-2007

Bron: Departement Landbouw en Visserij

163


2.2 Aanwending van de productie 2.2.1 Consumptie Uit de gegevens inzake gezinsaankopen van zuivelproducten per jaar (als indicator voor het zuivelverbruik) blijkt dat de totale aankopen van zuivelproducten in de beschouwde periode gedaald zijn (tabel 7.4). Dit is volledig toe te schrijven aan de verminderde aankopen per inwoner van melk en van boter. Tabel 7.4: Evolutie van de aankopen van enkele zuivelproducten, kg per inwoner per jaar, 2000-2007 consumptiemelk

2000

2005

2007

nb

54,5

53,7

boter en margarine

10,8

9,3

9,0

yoghurt

10,4

11,3

11,5

kaas

9,8

10,7

10,8

andere zuivelproducten

nb

17,6

17,6

totaal zuivelproducten

110,4

103,3

102,5 Bron: GfK Panel Services Benelux, VLAM

In geldwaarde uitgedrukt wordt er 243,3 euro per jaar en per inwoner besteed aan zuivelproducten, waarvan 37 % aan kaas en 19 % aan consumptiemelk.

2.2.2 Zelfvoorzieningsgraad De zelfvoorzieningsgraad is voor de belangrijkste zuivelproducten, met uitzondering voor kaas en condensmelk, groter dan 100 (tabel 7.5). Dit wil zeggen dat de nationale productie groter is dan het nationale verbruik. Tabel 7.5: Zelfvoorzieningsgraad voor enkele belangrijke zuivelproducten, België, %, 2007

zelfvoorzieningsgraad

verse vloeibare melkproducten

150

verbruikersroom

124

condensmelk

92

poeder van volle melk/room

149

poeder van afgeroomde melk

162

boter

102

kaas (exclusief smeltkaas)

32

smeltkaas

270 Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

164


2.2.3 Buitenlandse handel De handelsbalans voor enkele belangrijke zuivelproducten wordt weergegeven in tabel 7.6. Met uitzondering van kaas en room, hebben alle zuivelproducten een positieve handelsbalans. Globaal beschouwd resulteert dit in een licht positieve handelsbalans voor de zuivelproducten. Wat de handel met landen binnen de Europese Unie betreft, is de invoer van zuivelproducten groter dan de uitvoer. Het grote positieve saldo van de handel met derde landen (waarbij melkpoeder het grootste aandeel levert) compenseert dit meer dan voldoende. Tabel 7.6: Buitenlandse handel in zuivelproducten per productcategorie, België, miljoen euro, 2007

invoer

uitvoer

saldo

volle en magere melk

251,3

281,5

30,3

kaas

924,0

522,3

-401,7

melkpoeder

416,1

491,7

75,6

boter

377,1

469,6

92,4

room

261,5

107,6

-153,9

yoghurt en melkdranken

119,9

158,1

38,2

andere zuivelproducten

254,1

641,4

387,3

totaal

2.604,0

2.672,2

68,2

waarvan: intra-EU-25

2.580,9

2.250,2

-330,7

Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van Eurostat

De meeste handel gebeurt met landen binnen de Europese Unie. Onze belangrijkste handelspartners zijn Nederland, Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, wat blijkt uit figuur 7.8. Figuur 7.8: Buitenlandse handel in zuivelproducten per handelspartner, België, 2007 1. invoer

165


2. uitvoer

Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van Eurostat

2.3 Rentabiliteit 2.3.1 Prijsevolutie De prijzen betaald aan de melkproducenten variëren van jaar tot jaar (figuur 7.9). Volgens gegevens van de BCZ (Belgische Confederatie van de Zuivelindustrie) werd, na een aantal jaren van dalende prijzen, een sterk positieve prijsevolutie opgetekend in 2007. Aan de basis lag de uitzonderlijke sterke stijging van de wereldmarktprijzen op de zuivelmarkt. De krappe bevoorrading vanuit de EU en Oceanië en de gestegen internationale vraag onder meer uit Azië, beïnvloedden de prijs van zuivelproducten positief en de prijs aan landbouwer volgde. In 2008 heeft de zuivelmarkt te maken met een toenemende prijsdruk door een ruimer aanbod en een achterblijvende vraag. Een remmende factor op de afzet voor de Europese zuivel is o.a. de ongunstige concurrentiepositie als gevolg van het relatief hoge EU-prijsniveau en de hoge eurokoers ten opzichte van de dollar. Ook de economische groeivertraging die zich geleidelijk aan wereldwijd aftekent, is nadelig voor de zuivelafzet. De melkprijs vóór 2007 was als gevolg van de verdere afbouw van de prijsondersteuning gezakt. De interventieprijzen van de zuivelproducten werden immers verder neerwaarts bijgesteld in het kader van de MTR. De verlagingen van de ondersteuningsprijzen worden voor de melkproducenten gecompenseerd via directe inkomenssteun. Dit gebeurt in de vorm van een melkpremie en extra betalingen uit een budgettaire enveloppe die de EU jaarlijks ter beschikking stelt van de lidstaten. Vanaf 2006 is deze inkomenssteun ontkoppeld en opgenomen in de bedrijfstoeslag.

166


Figuur 7.9: Evolutie van de melkprijs, 38 g vet per liter, 33,5 g eiwit, nabetalingen inbegrepen, exclusief melkpremie, euro per 100 liter, 1997-2007

Bron: BCZ

Voor de analyse van de rentabiliteit is het nuttig om de verkoopprijzen van de melk te vergelijken met de veevoederprijzen. De veevoederkost is immers de belangrijkste variabele kost op de melkveebedrijven. Wat de veevoeders betreft, zijn de prijzen in 2007 afhankelijk van de categorie gestegen met 11 à 14 % (figuur 7.10). De krappe graanmarkt ligt aan de basis hiervan. Ook in 2008 gaat de prijsstijging verder. De gemiddelde veevoederprijs gedurende de eerste zeven maanden van 2008 lag 23 à 26 % hoger dan tijdens dezelfde periode in 2007. Figuur 7.10: Evolutie van de veevoederprijzen, euro per ton, 2000-2007

Bron: BEMEFA

167


2.3.2 Technische en financiële resultaten Voor de analyse worden enkel de sterk gespecialiseerde melkveebedrijven (productierichting 411) uit het Landbouwmonitoringsnetwerk in beschouwing genomen om de invloed van andere bedrijfstakken zoveel mogelijk uit te schakelen. Het betreft de resultaten van 91 bedrijven, met een gemiddelde melkproductie van 343.016 liter melk, 78 grootvee-eenheden rundvee (GVER) en 36,0 hectare cultuurgrond.

Bedrijfstak rundvee en voedergewassen De financiële opbrengst per ha van de bedrijfstak rundvee en voedergewassen is in 2006 verbeterd ten opzichte van 2005 (+1,8 %). De opbrengsten bestaan voor 83 % uit de opbreng­sten van melkproducten (tabel 7.7). Dit laatste kengetal is gestegen door een volumevermeerdering. Gemiddeld werd er op de bedrijven meer melk geproduceerd in 2006, wat deels toe te schrijven is aan de quotumverhoging in het kader van de MTR. 96 % van de geproduceerde melk was bestemd voor de zuivelfabriek. De melkprijs was in 2006 gezakt. De inkomenssteun is niet opgenomen in de opbrengsten rundvee en voedergewassen. Technisch scoren de bedrijven ook beter: de gemiddelde melkgift per koe neemt voortdurend toe. Tabel 7.7: Evolutie van de rentabiliteitscijfers melk, 2001-2006

2001

melkgift per koe (liter per koe)

2003

2005

2006

6.091

6.056

6.496

6.612

6.744

43,7

43,3

43,8

43,4

43,5

nb

nb

nb

34,7

34,7

vetgehalte (gram per liter) eiwitgehalte (gram per liter) melkproductie (liter per bedrijf)

2002

308.895 297.327 293.715 318.872 343.016

waarvan: - bestemd voor de melkerij (%)

94,2

93,8

94,5

94,3

96

3,1

3,6

2,8

2,9

2,5

prijs per liter aan melkerij (euro per 100 liter)

33,91

30,83

30,74

29,02

28,45

opbrengst rundvee en voedergewassen per ha (euro)

3.496

3.327

3.138

3.209

3.266

opbrengst rundvee en voedergewassen per GVER (euro)

nb

nb

nb

1.491

1.508

waarvan: - opbrengst melkproducten

nb

nb

nb

1.223

1.264

nb

nb

nb

268

244

variabele kosten rundvee en voedergewassen per GVER (euro)

nb

nb

nb

568

593

bruto saldo rundvee en voedergewassen per GVER (euro)

nb

nb

nb

923

914

opbrengst per 1.000 euro bijkomende voederkosten (euro)

nb

nb

nb

6.539

6.211

gemiddelde krachtvoederkost voor melkvee (euro per kg)

nb

nb

nb

0,188

0,187

- gevoederd aan vee (%)

- overige opbrengst rundvee en voedergew­assen

Bron: Departement Landbouw en Visserij

168


Aan kostenzijde bereikten de variabele kosten 593 euro per GVER of 0,135 euro per geproduceerde liter. De voederkosten maken hiervan al 40 % uit (figuur 7.11). Ten opzichte van 2005 is de kostprijs gestegen met 4,5 %, wat vooral te wijten is aan een stijging van de energiekosten en van de voederkosten. Figuur 7.11: Verdeling van de variabele kosten per GVER, 2006

Bron: Departement Landbouw en Visserij

Bedrijfsresultaten Tabel 7.8 toont de bedrijfsresultaten van sterk gespecialiseerde melkveebedrijven. Het inkomen van de gespecialiseerde melkveebedrijven is in 2006 gunstig geëvolueerd en bereikt het hoogste niveau van de beschouwde periode. De opbrengstenstijging is groter dan de kostenstijging. De totale opbrengsten blijven echter ontoereikend om de totale kosten (inclusief de vergoeding voor eigen arbeid) te dekken, zodat het netto bedrijfsresultaat negatief is en de opbrengsten per 1.000 euro kosten kleiner zijn dan 1.000. Het familiale arbeidsinkomen, uitgedrukt per familiale arbeidseenheid, bereikt 26.366 euro of een stijging met 7,4 %.

169


Tabel 7.8: Bedrijfsresultaten van de sterk gespecialiseerde melkveebedrijven, 2001-2006

2001

2002

2003

2005

2006

oppervlakte cultuurgrond (ha)

33,3

32

32,5

35,3

36

aantal ha grasland en voedergewassen

30,3

28,8

28,9

30,5

31,8

aantal melkkoeien

50,7

49,1

45,2

48,2

50,9

aantal VAK

1,47

1,4

1,45

1,51

1,48

aantal FAK

nb

nb

nb

1,5

1,48

rentabiliteit (euro)

totale opbrengsten per ha cultuurgrond

3.932

3.696

3.787

3.920

4.096

kosten per ha cultuurgrond

4.463

4.508

4.747

4.484

4.604

netto bedrijfsresultaat per ha cultuurgrond

-532

-811

-959

-564

-508

opbrengst per 1.000 euro kosten

881

820

798

874

890

familiaal arbeidsinkomen per ha cultuurgrond

1.037

836

766

1.047

1.083

familiaal arbeidsinkomen per FAK

nb

nb

nb

24.551

26.366

Bron: Departement Landbouw en Visserij

In figuur 7.12 wordt de structuur van de opbrengsten weergegeven. De opbrengsten uit rundvee en voedergewassen nemen 80 % voor hun rekening. Figuur 7.12: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde melkveebedrijven, 2006

Bron: Departement Landbouw en Visserij

170


Opvallend in 2006 zijn de betere resultaten van de bedrijfstak rundvee en voedergewassen en van de overige opbrengsten. Daarmee bereiken de totale opbrengsten de hoogste waarde van de beschouwde periode. In de overige opbrengsten zijn de melkpremie en de overige premies in het kader van het GLB opgenomen. De melkpremie per liter bedraagt in 2006 0,0366 euro per liter ten opzichte van 0,0244 in 2005. Deze stijging, in combinatie met een hogere melkproductie, verklaart de positieve evolutie bij de overige opbrengsten. De melkveesector had in 2006 te maken met stijgende kosten. Opmerkelijk ten opzichte van 2005 waren de toenemende kosten voor veevoeders, energie en grond- en gebouwenkapitaal. De kosten voor de berekende lonen, grond- en gebouwenkapitaal en de veevoeders zijn de drie voornaamste kostenrubrieken en nemen samen 67 % van de kosten voor hun rekening (figuur 7.13). Figuur 7.13: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde melkveebedrijven, 2006

Bron: Departement Landbouw en Visserij

Voor 2007 kan een stijging van het inkomen verwacht worden. De opbrengsten zullen duidelijk hoger zijn door de gunstige prijsontwikkeling. Ook de kosten (o.a. de veevoeders en energie) zullen toegenomen zijn, maar de opbrengstenstijging zal deze kostenstijging gemiddeld wellicht meer dan compenseren.

171


3 Rundvleesproductie Sinds de invoering van de melkquota en mede door het instellen van premies ter ondersteuning van de rundvleesproductie, is het houden van vleesvee in Vlaanderen uitgegroeid tot een volwaardige bedrijfstak. De sector is verspreid over heel Vlaanderen, maar de gemeentes waar hij een belangrijke economische plaats inneemt, zijn eerder beperkt en vooral in de provincie Antwerpen gelegen (figuur 7.14). Figuur 7.14: Belang van de rundvleessector per gemeente, 2007 Legende geen rundvee <5% 5 - 15 % 15 - 30 % > 30 % (max 99%)

N W

0

O

25

50 Km

Z

Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

3.1 Productie 3.1.1 Productievolume In 2007 werden er in België 500.169 volwassen runderen geslacht en 315.124 kalveren. Dit komt overeen met een geslacht gewicht van respectievelijk 220.256 en 52.608 ton. Figuur 7.15 geeft de evolutie van het geslacht gewicht en het aantal geslachte dieren weer. Hieruit blijkt dat de slachtingen van de volwassen dieren gedaald zijn, terwijl die van de kalveren sinds 1999 een stijgende tendens vertonen. Om de werkelijke productie van rundvlees te kennen, moeten deze slachtingen vermeerderd worden met de uitvoer van levende dieren en verminderd met de invoer ervan. In 2005 (laatst beschikbaar cijfer) bedroeg de bruto Belgische rundvleesproductie 293.179 ton karkasgewicht.

172


Figuur 7.15: Evolutie van het geslacht gewicht (1.000 ton) en het aantal geslachte runderen (1.000 stuks), België, 1997-2007 1. volwassen dieren

2. kalveren

Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

173


3.1.2 Productiewaarde De productiewaarde voor rundvlees bedraagt in 2007 576 miljoen euro (voorlopig cijfer), wat 12 % van de totale Vlaamse eindproductie uitmaakt en 57 % van de nationale waarde voor rundvlees. Na varkensvlees en zuivel, is rundvlees het derde belangrijkste veeteeltproduct en het komt op nummer vier op de ranglijst van alle land- en tuinbouwproducten. Na het crisisjaar 2001 (als gevolg van BSE) is de productiewaarde hersteld (figuur 7.16). Er dient wel opgemerkt te worden dat de rundveepremies niet opgenomen worden in de productiewaarde. In 2007 wordt bij de rundvleessector gemiddeld een lichte waardestijging genoteerd ten opzichte van 2006 (+1,8 %). Dit is het resultaat van een vermindering bij de volwassen runderen en een toename bij de kalveren. De prijs van vleeskalveren kende een positieve evolutie, terwijl die van de volwassen runderen daalde na de sterke prijsstijgingen in 2006. Figuur 7.16: Evolutie van de productiewaarde van rundvlees, miljoen euro, 19972007

Bron: Departement Landbouw en Visserij

3.2 Aanwending van de productie 3.2.1 Consumptie Uit de gegevens inzake gezinsaankopen van rundvleesproducten blijkt dat de Vlaming in 2007 gemiddeld 9,2 kg vers rund- en kalfsvlees (excl. mengsels) per persoon aankoopt, wat overeenkomt met een besteding van 97,9 euro. Hiervan is 16 % kalfsvlees wat het aankoopvolume betreft en 17 % wat besteding betreft (tabel 7.9). Tabel 7.9: Thuisverbruik van rund- en kalfsvlees per inwoner, 2000-2007

kg per inwoner 2000

2005

euro per inwoner 2007

2000

2005

2007

rundvlees

nb

8,1

7,7

nb

82,2

81,3

kalfsvlees

1,7

1,4

1,5

14,3

14,4

16,6

Bron: GfK Panel Services Benelux, VLAM

174


3.2.2 Zelfvoorzieningsgraad De Belgische zelfvoorzieningsgraad voor rund- en kalfsvlees bedraagt 142 in 2005 (laatst beschikbaar cijfer). Aangezien dit kengetal groter is dan 100, wil dit zeggen dat de nationale productie groter is dan het nationale verbruik.

3.2.3 Buitenlandse handel De handelsbalans voor de belangrijkste producten wordt weergegeven in tabel 7.10. De export overschrijdt de import voor alle productcategorieën. De meeste handel gebeurt met landen binnen de EU. Tabel 7.10: Buitenlandse handel per productcategorie, miljoen euro, België, 2007

invoer

uitvoer

levende runderen

saldo

61,3

105,1

43,8

193,2

483,1

289,8

3,7

5,4

1,7

32,0

58,1

26,1

totaal:

290,3

651,7

361,4

waarvan intra-EU-25

269,5

649,3

379,8

vers rundvlees gedroogd en gerookt vlees bereidingen

Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van Eurostat

Onze belangrijkste handelspartners in afnemende volgorde zijn Nederland, Duitsland, Frankrijk en Ierland voor de invoer en Nederland, Frankrijk, Italië en Duitsland voor de uitvoer (figuur 7.17). Figuur 7.17: Buitenlandse handel per handelspartner, België, 2007 1. invoer

175


2. uitvoer

Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van Eurostat

3.3 Rentabiliteit 3.3.1 Prijsevolutie De vleeskalverhouderij is zeer geïntegreerd. Meer dan 90 % van de kalverproductie gebeurt onder contract. Bij het volwassen rundvee speelt overwegend het vrijemarktmechanisme. Figuur 7.18 geeft de evolutie weer van de rundveeprijzen (prijs levend gewicht) voor een aantal kwaliteitscategorieën van runderen. De rundveesector werd in de beschouwde periode enkele malen geconfronteerd met een crisis: BSE in 2000/2001, MKZ in 2001. Na het crisisjaar 2001 liggen de prijzen van de beschouwde categorieën de laatste jaren opnieuw op een hoger niveau. De prijsevolutie is afhankelijk van de kwaliteit. In 2007 was er een prijsdaling bij alle categorieën van volwassen runderen, na de sterke stijging in 2006. Enkel de kalverprijs noteerde nog een prijsverhoging in 2007. Na de uitbraken van vogelgriep in 2006 in diverse Europese landen was de consumptie van pluimveevlees in Europa gevoelig gedaald. Veel consumenten stapten over op het eten van varkens- of rundvlees, wat een positief effect had op de prijsvorming van rundvlees in 2006.

176


Figuur 7.18: Prijsevolutie van de levende dieren, euro per 100 kg, 1997-2007

Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

Voor de rentabiliteitsanalyse is het nuttig om de verkoopprijzen van de runderen te vergelijken met de veevoederprijzen. De kosten voor veevoeders vormen een belangrijke uitgavenpost. De veevoederprijzen zijn in 2007 afhankelijk van de categorie gestegen met 11 à 14 % (figuur 7.19). De krappe graan- en zuivelmarkt liggen aan de basis hiervan. Met uitzondering van de kunstmelk, gaat de prijsstijging in 2008 verder. De gemiddelde krachtvoederprijs gedurende de eerste 7 maanden van 2008 lag 23 à 26 % hoger dan tijdens dezelfde periode in 2007. De kunstmelkprijs is met 4,2 % gedaald in deze periode door een toenemende prijsdruk op de zuivelmarkt. Figuur 7.19: Evolutie van de veevoederprijzen, euro, 2000-2007

Bron: BEMEFA

177


3.3.2 Financiële resultaten De analyse is gebaseerd op de resultaten van 25 gespecialiseerde vleesveebedrijven uit het LMN, met gemiddeld 115 GVER, 55 zoogkoeien en 45,6 hectare cultuurgrond. Het betreft voornamelijk gesloten zoogkoeienbedrijven, waarbij de stieren van eigen bedrijf afgemest worden.

Bedrijfstak rundvee en voedergewassen Het jaar 2006 wordt gekenmerkt door hogere financiële opbrengsten door een betere prijsvorming (tabel 7.11). Tabel 7.11: Evolutie van de opbrengstcijfers vlees, 2005-2006

2005

2006

opbrengst rundvee en voedergewassen (euro per ha)

1.648

1.869

opbrengst rundvee en voedergewassen (euro per GVER)

711

738

variabele kosten rundveehouderij en voedergewassen (euro per GVER)

423

449

bruto saldo rundveehouderij en voedergewassen (euro per GVER)

289

289

opbrengst per 1.000 euro bijkomende voederkosten

3.555

3.214

gemiddelde krachtvoederkost voor vleesvee (euro per kg)

0,192

0,218

Bron: Departement Landbouw en Visserij

Aan kostenzijde bedroegen de variabele kosten 449 euro per GVER of een stijging van 6,1 % ten opzichte van 2005. De voederkosten maken hiervan reeds 50 % uit (figuur 7.20). Ten opzichte van 2005 zijn de voornaamste evoluties: een daling van de kosten voor meststoffen en bestrijdingsmiddelen en een stijging voor zaad en pootgoed, veevoeders, diergeneeskundige zorgen en energie. Figuur 7.20: Structuur van de variabele kosten per GVER, 2006

Bron: Departement Landbouw en Visserij

178


De stijging van de opbrengsten voor rundvee en voedergewassen heeft de stijging van de variabele kosten gecompenseerd, zodat het bruto saldo gelijk gebleven is. De opbrengst per 1.000 euro voederkosten is door de sterk gestegen krachtvoederkost echter gedaald met 9,6 %.

Bedrijfsresultaten Het arbeidsinkomen per ha is gestegen met 13 % ten opzichte van 2005 (tabel 7.12). Door een toename van de oppervlakte bewerkt per FAK van de bedrijven in de steekproef, is de verbetering van het inkomen per FAK nog groter. De totale opbrengsten zijn echter blijvend ontoereikend om de totale kosten (inclusief de vergoeding voor eigen arbeid) te dekken, zodat het netto bedrijfsresultaat negatief is en de opbrengsten per 1.000 euro kosten kleiner zijn dan 1.000. Het inkomen is weliswaar gestegen in 2006, maar blijft laag in vergelijking met andere landbouwsectoren en ten opzichte van de gemiddelde loontrekkende. Het arbeidsinkomen per FAK bereikt slechts 46 % van het vergelijkbare inkomen. Tabel 7.12: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde rundvleesbedrijven, 2001-2006

2001

2002

2003

2005

2006

beteelde oppervlakte

37,5

38,4

34,1

43,9

45,6

aantal ha grasland en voedergewassen

31,6

31,8

29

34

34,6

nb

nb

nb

102

115

aantal VAK

1,45

1,37

1,35

1,41

1,34

aantal FAK

nb

nb

nb

1,41

1,34

aantal dieren in GVER

rentabiliteit (euro)

totale opbrengsten per ha cultuurgrond

3.034

2.987

2.874

2.596

2.936

totale kosten per ha cultuurgrond

3.769

3.783

3.589

3.313

3.561

netto bedrijfsresultaat per ha cultuurgrond

-735

-797

-715

-717

-625

opbrengst per 1.000 euro kosten

805

789

801

783

825

familiaal arbeidsinkomen per ha cultuurgrond

544

479

721

442

501

familiaal arbeidsinkomen per FAK

nb

nb

nb 13.737 17.038

Bron: Departement Landbouw en Visserij

In figuur 7.21 wordt de structuur van de opbrengsten weergegeven. De opbrengsten uit rundvee en voedergewassen nemen 64 % voor hun rekening. Er dient wel opgemerkt te worden dat de premies (zoogkoeienpremies, enz.) in de overige opbrengsten opgenomen zijn. De opbrengsten uit rundvee en voedergewassen zijn gestegen. De bedrijven hebben vaak een gemengd karakter. In de steekproef zijn dit vooral bedrijven met marktbare gewassen. De prijsstijging van een aantal akkerbouwproducten (o.a. granen en aardappelen) zorgden voor een positieve evolutie van de opbrengsten uit marktbare gewassen.

179


Figuur 7.21: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde rundvleesvee­ bedrijven, 2006

Bron: Departement Landbouw en Visserij

De totale kosten per ha zijn eveneens gestegen in 2006. De diergeneeskundige zorgen en de veevoeders zijn relatief het sterkst gestegen. De berekende lonen, de veevoeders en de kosten voor het grond- en gebouwenkapitaal zijn de drie voornaamste kostenrubrieken en nemen samen 62 % van de kosten voor hun rekening (figuur 7.22). Figuur 7.22: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde rundvleesbedrijven, 2006

Bron: Departement Landbouw en Visserij

180


4 Voedergewassen De voedergewassen nemen 58 % in van de totale oppervlakte cultuurgrond in Vlaanderen (figuur 7.23) en hebben hoofdzakelijk betrekking op weiden en maïs. Figuur 7.23: Indeling van de oppervlakte cultuurgrond, 2007

Bron Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

De voederteelten zijn vooral terug te vinden op de rundveebedrijven, zodat de verdeling per provincie te vergelijken is met die van de runderen (figuur 7.24). Figuur 7.24: Verdeling van het areaal voedergewassen over de gewesten en provincies, 2007

Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

181


Als gevolg van de inkrimping van de veestapel is ook het Vlaamse areaal voedergewassen gedaald. De daling is groter bij grasland dan bij de maïsteelt (tabel 7.13). Tabel 7.13: Evolutie van het areaal voedergewassen, ha, 1997-2007

1997

2007

% verandering

voedermaïs (excl. droog geoogste korrelmaïs)

144.552

136.532

-6

grasland

244.087

218.210

-11

- tijdelijk grasland

56.059

52.683

-6

- blijvend grasland

188.028

165.527

-12

396.506

361.092

-9

totaal voedergewassen

Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

De voedermaïs wordt voor ruim 78 % gehakseld, bestemd als ruwvoeder voor het vee. De resterende 22 % wordt gedorst (vochtig geoogste korrelmaïs, enz.) om als krachtvoederbron te dienen. Vooral deze laatste vorm zit in de lift. Door een ruwvoederoverschot op de veebedrijven is er een groeiende aandacht voor het zelf telen van krachtvoeder, zowel in de varkens- als in de rundveehouderij. Wat het grasland betreft, moet de landbouwer vanaf 2005 in het kader van de MTR voldoen aan een aantal specifieke premievoorwaarden om Europese steun te krijgen. Een van de vereisten is het behoud van het permanent grasland op het niveau van 2003. Als indicator voor het behoud van het areaal wordt een ratio berekend tussen blijvend grasland en totaal landbouwareaal. Elke lidstaat moet erover waken dat deze verhouding per regio constant blijft in vergelijking met de verhouding uit het referentiejaar 2003. In 2007 werd in Vlaanderen door alle aanvragers van rechtstreekse steunbetalingen 149.865 ha als blijvend grasland aangegeven, op een totaal van 617.046 ha landbouwgrond. Dit betekent dat in 2007 de ratio blijvend grasland/landbouwoppervlakte 24,3 % bedroeg, wat een lichte daling inhoudt ten opzichte van de referentieratio van 24,8 %.

182


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
lara_2008_hoofdstuk_7_grondgebonden_veeteelt.pdf by Vlaanderen-be - Issuu