Skip to main content

SioenVerscheldeRoskams_2021_Bosvitaliteitsinventaris2020.pdf

Page 1

Bosvitaliteitsinventaris 2020 Resultaten uit het bosvitaliteitsmeetnet (Level 1) Geert Sioen, Pieter Verschelde, Peter Roskams


Auteurs: Geert Sioen, Pieter Verschelde, Peter Roskams Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Reviewer: Luc De Geest Het INBO is het onafhankelijk onderzoeksinstituut van de Vlaamse overheid dat via toegepast wetenschappelijk onderzoek, data- en kennisontsluiting het biodiversiteitsbeleid en -beheer onderbouwt en evalueert. Vestiging: INBO Geraardsbergen Gaverstraat 4, 9500 Geraardsbergen www.inbo.be e-mail: geert.sioen@inbo.be pieter.verschelde@inbo.be peter.roskams@inbo.be Wijze van citeren: Sioen G., Verschelde P., Roskams P. (2021). Bosvitaliteitsinventaris 2020. Resultaten uit het bosvitaliteitsmeetnet (Level 1). Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2021 (20). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.34283136 D/2021/3241/153 Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2021 (20) ISSN: 1782-9054 Verantwoordelijke uitgever: Maurice Hoffmann Foto cover: Kwijnende beuken met ernstig bladverlies als gevolg van droogte (Pulle, september 2021) Dit onderzoek werd uitgevoerd : In samenwerking met het Agentschap voor Natuur en Bos en kadert in het ICP Forests programma van de Verenigde Naties

© 2021, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek


BOSVITALITEITSINVENTARIS 2020 Resultaten uit het bosvitaliteitsmeetnet (Level 1) Geert Sioen, Pieter Verschelde, Peter Roskams

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www. vlaanderen.be/inbo


Dankwoord Verschillende collega’s van het INBO willen we bedanken voor hun medewerking aan de inventarisatie en de rapportering:    

Luc De Geest en Arthur De Haeck voor de kroonbeoordelingen in de bosvitaliteitsproefvlakken Jo Loos en Tom De Boeck voor de aanpassingen aan de databank Nicole De Groof en Herwig Borremans voor de lay-out en de publicatie van het rapport Lieve Vriens voor de natuurindicatorenwebsite en de afspraken met de Vlaamse statistische autoriteit (website Statistiek Vlaanderen)

De bosvitaliteitsproefvlakken situeren zich in privé-bossen en openbare domeinen. Wij danken de beheerders voor de medewerking en de toelating voor het betreden van de bospercelen. Graag ook een woord van dank aan het Agentschap Natuur & Bos (ANB) voor de samenwerking, zowel aan Leen Govaere (Vlaamse bosinventaris) als aan de regiobeheerders en de boswachters.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 2 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Samenvatting Het bosvitaliteitsmeetnet is gebaseerd op een systematisch raster van 4 bij 4 kilometer en telt 73 proefvlakken met 1474 steekproefbomen. Er zitten 826 loofbomen en 648 naaldbomen in de inventaris, met als belangrijkste boomsoorten grove den (n=486), zomereik (n=390), Corsicaanse den (n=155), beuk (n=116) en Amerikaanse eik (n=93). De groep ‘overige loofboomsoorten’ bestaat onder andere uit tamme kastanje, wintereik, ruwe berk, es, zwarte els, gewone esdoorn en populier (n=227). Er zijn weinig overige naaldbomen (n=7). Het gemiddeld bladverlies bedraagt 24,1% en het aandeel beschadigde bomen 25,3%. Het aandeel beschadigde bomen is hoger bij beuk, zomereik, Corsicaanse den en de groep ‘overige loofbomen’. Het aandeel beschadigde bomen is lager bij grove den en Amerikaanse eik. Het sterftecijfer bedraagt 0,7%. In 9 proefvlakken verdwenen bomen uit de steekproef na stormschade. Er was opnieuw een neerslagtekort, met droge perioden in het voorjaar en de zomer en een langdurige hittegolf in augustus. 2020 was een zaadjaar voor beuk en inlandse eik. Het aandeel bomen met matige tot sterke zaadzetting bedroeg 20,5% bij zomereik en 14,7% bij beuk. De vaakst aangetroffen symptomen waren bladvraat, verkleuring, kroonsterfte, wonden en hars- of slijmuitvloei. In vergelijking met het voorgaande jaar was er een duidelijke afname van bladverkleuring en een beperkte afname van insectenvraat. 7,1% van de bomen vertoonde ernstige verkleuring en op 6,6% van de bomen was er opvallende vraat. Het aandeel eiken met bladvraat bleef hoog. In 2020 was er wel minder infectie door eikenmeeldauw. Er was geen ernstige vraat door eikenprocessievlinder maar de soort kwam wel in meer eikenproefvlakken voor. De kroontoestand verslechterde in vergelijking met 2019. Het bladverlies nam significant toe voor beuk (+4,6 procentpunten), de groep ‘overige loofboomsoorten’ (+2,0 procentpunten), het totaal van alle loofbomen (+1,1 procentpunten), het totaal van alle naaldbomen (+0,9 procentpunten) en het algemeen totaal (+1,0 procentpunt). Alleen voor Amerikaanse eik daalde het bladverlies beduidend (-3,6 procentpunten). Ten opzichte van het nog drogere jaar 2018, steeg het bladverlies significant voor zomereik, grove den en de groep ‘overige loofboomsoorten’. Het aandeel beschadigde bomen nam enkel bij zomereik twee jaar na elkaar toe. Tussen 1995 en 2020 is er een significant toenemende trend van het bladverlies. Dat is het geval voor het algemeen totaal, het totaal van alle loofbomen en beuk. Alleen Corsicaanse den vertoont op 25 jaar tijd een beduidende afname van het naaldverlies. De afgelopen jaren waren warm en (te) droog. Sterfte van fijnspar, den, beuk en gewone esdoorn werd vanaf 2018 opgemerkt, maar vooral buiten de proefvlakken. Veel problemen werden veroorzaakt door droogte in combinatie met andere factoren (schimmels, insecten…). Sinds 2014 wordt een afzonderlijke inventarisatie van de gezondheidstoestand van es uitgevoerd. Een deel van de steekproefbomen situeert zich in de bosvitaliteitsproefvlakken. Het vals essenvlieskelkje, Hymenoscyphus fraxineus, veroorzaakt de essenziekte of essentaksterfte. Op een totaal van 252 essen is ondertussen 60,3% beschadigd en 20,6% afgestorven. Het gemiddeld bladverlies bedroeg in 2020 49,6%, inclusief dode bomen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 3 van 109


English abstract The Level I survey was performed on 73 plots and 1474 sample trees (4x4 km-grid). 826 broadleaves and 648 conifers were assessed. The main tree species are Pinus sylvestris (n=486), Quercus robur (n=390), Pinus nigra subsp. Laricio (n=155), Fagus sylvatica (n=116) and Quercus rubra (n=93). Other broadleaved species, like Castanea sativa, Quercus petraea, Betula pendula, Fraxinus excelsior, Alnus glutinosa, Acer pseudoplatanus and Populus sp., are gathered in the subset ‘other broadleaves’ (n=227). There are almost no other conifer species in the sample (n=7). In Level I, mean defoliation was 24.1% and 25.3% of the trees were considered as being damaged. The mortality rate was 0.7%. The share of trees showing more than 25% defoliation was high in Fagus sylvatica (33.7%), Quercus robur (30.1%), Pinus nigra (30.3%) and ‘other broadleaves’ (32.2%). The share of trees in defoliation classes 2-4 was lower in Pinus sylvestris (16.2%) and Quercus rubra (16.1%). In 9 plots trees were removed from the sample after storm (n=20). Weather circumstances were warm and dry during spring and summer, with a long lasting heat wave in August. Seed production was successful in Quercus robur and Fagus sylvatica. The proportion of trees with moderate to high fructification was 20.5% in Quercus robur and 14.7% in Fagus sylvatica. On 7.1% of the trees, more than 10% of the crown showed discoloration. Damage due to defoliators was observed on 6.6 % of the sample trees, most frequent on Quercus robur. Defoliators caused more than 10% defoliation on 22.8% of the Q. robur trees. The number of plots with caterpillar nests of Thaumetopoea processionea on Q. robur increased. Crown condition deteriorated compared to previous year. Mean defoliation increased significantly in Fagus sylvatica (+4.6 percentage points) and ‘other broadleaves’ (+2.0 percentage points). Significant changes were also detected for the total of broadleaves (+1.1 percentage points), conifers (+0.9 percentage points) and the overall total (+1.0 percentage points). Quercus rubra was the only species with a significant improvement of the crown condition (-3.6 percentage points). A precipitation deficit during the vegetation period in 2018, 2019 and 2020 caused drought symptoms. Crown deterioration and tree death was observed, often in combination with symptoms of insect damage or fungal infection, but mostly in forest stands outside the Level I survey. Damage was observed both in conifers (Picea sp., Pinus sp.) and broadleaved species (Fagus sylvatica, Acer pseudoplatanus). Compared to the very dry year 2018, defoliation was significantly higher in Quercus robur, Pinus sylvestris and the ‘other broadleaves’. The share of trees with more than 25% defoliation increased yearly in Quercus robur. In 2014 a survey on the condition of Fraxinus excelsior was started, partly on Level I plots. A high proportion of trees is affected by Hymenoscyphus fraxineus. The share of trees with signs of Armillaria sp. or other wood rotting fungi increased every year. On a sample of 252 ash trees, 60.3% were classified as damaged, including 20.6% dead trees. Mean defoliation was 49.6%, dead trees included.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 4 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Inhoudstafel Dankwoord .................................................................................................................................... 2 Samenvatting ................................................................................................................................ 3 English abstract ............................................................................................................................. 4 Lijst van figuren ............................................................................................................................. 7 Lijst van foto’s ............................................................................................................................... 7 Lijst van tabellen ........................................................................................................................... 8 1

Inleiding ............................................................................................................................... 10

2

Gegevens over meetnet, proefvlakken en steekproefbomen ............................................ 12

3

2.1

Meetnet en steekproefbomen .................................................................................... 12

2.2

Afgestorven bomen ..................................................................................................... 17

2.3

Uit de steekproef verwijderde bomen ........................................................................ 19

2.4

Nieuwe steekproefbomen........................................................................................... 21

2.5

Gemeenschappelijke steekproefbomen ..................................................................... 23

2.6

Leeftijd van de steekproefbomen ............................................................................... 24

Methodiek ........................................................................................................................... 25 3.1

3.1.1

Blad-/naaldverlies ............................................................................................... 25

3.1.2

Symptomen van aantasting, infectie… ................................................................ 25

3.1.3

Zaadzetting en waterscheutvorming .................................................................. 29

3.2

4

Jaarlijkse beoordeling .................................................................................................. 25

Verwerking van de gegevens ...................................................................................... 30

3.2.1

Algemeen ............................................................................................................ 30

3.2.2

Statistische verwerking ....................................................................................... 31

Resultaten ........................................................................................................................... 32 4.1

Kroontoestand 2020.................................................................................................... 32

4.1.1

Blad-/naaldverlies ............................................................................................... 32

4.1.1.1

Totale steekproef ............................................................................................ 32

4.1.1.2

Loofbomen ...................................................................................................... 32

4.1.1.3

Naaldbomen .................................................................................................... 34

4.1.1.4

Gegevens per proefvlak .................................................................................. 36

4.1.1.5

Bespreking per proefvlak voor de hoofdboomsoorten (min. 5 ex. per soort) 39

4.1.2

Symptomen en oorzaken .................................................................................... 43

4.1.2.1

Algemeen ........................................................................................................ 43

4.1.2.2

Verkleuring ...................................................................................................... 47

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 5 van 109


4.1.2.3

Insecten ........................................................................................................... 49

4.1.2.4

Schimmels ....................................................................................................... 53

4.1.2.5

Kroonsterfte .................................................................................................... 56

4.1.2.6

Stamwonden ................................................................................................... 58

4.1.2.7

Hars- of slijmuitvloei........................................................................................ 60

4.1.2.8

Blad- en knopvervorming ................................................................................ 61

4.1.2.9

Vervorming van de stam ................................................................................. 62

4.1.2.10

Takbreuk ...................................................................................................... 63

4.1.3

Zaadzetting .......................................................................................................... 65

4.1.4

Waterscheutvorming........................................................................................... 67

4.1.5

Weersomstandigheden (bron: website KMI) ...................................................... 69

4.2

Evolutie van het bladverlies in vergelijking met 2019 ................................................ 72

4.2.1

Algemeen ............................................................................................................ 72

4.2.2

Loofbomen .......................................................................................................... 73

4.2.3

Naaldbomen ........................................................................................................ 75

4.2.4

Verandering van blad- of naaldverliesklasse bij individuele bomen ................... 76

4.2.5

Evolutie per proefvlak ......................................................................................... 79

4.3

Evolutie van het bladverlies sinds 2018 ...................................................................... 81

4.4

Evolutie van het bladverlies sinds 1995 ...................................................................... 87

4.4.1

Evolutie van het gemiddeld bladverlies .............................................................. 87

4.4.2

Evolutie van het percentage beschadigde bomen .............................................. 97

5

Inventarisatie gezondheidstoestand es ............................................................................ 104

6

Besluit ................................................................................................................................ 106

Referenties ................................................................................................................................ 107 Bijlage: bladverlies gemeenschappelijke bomen 2019-2020 .................................................... 109

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 6 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Lijst van figuren Figuur 1 Figuur 2 Figuur 3

Figuur 4 Figuur 5

Figuur 6

Figuur 7

Figuur 8 Figuur 9 Figuur 10 Figuur 11 Figuur 12 Figuur 13 Figuur 14 Figuur 15 Figuur 16 Figuur 17 Figuur 18 Figuur 19 Figuur 20 Figuur 21

Bosvitaliteitsinventaris 2020 - Vlaamse Gewest: situering van de proefvlakken (INBO) Bosvitaliteitsinventaris 2020 - gemiddeld blad-/naaldverlies per proefvlak (INBO) Overzicht van het aandeel proefvlakken met een gemiddeld blad/naaldverlies van de hoofdboomsoort in de categorieën 0-10%, >10-25%, >25-40% en >40% (minimumaantal bomen van de soort per proefvlak = 5) Percentage beschadigde gemeenschappelijke bomen in de periode 20192020 Percentage bomen in de verschillende bladverliesklassen in de periode 2018-2020 (beschadigd vanaf schadeklasse 26-60% bladverlies) - totaal van alle bomen Percentage bomen in de verschillende bladverliesklassen in de periode 2018-2020 (beschadigd vanaf schadeklasse 26-60% bladverlies) loofbomen, naaldbomen, beuk, zomereik Percentage bomen in de verschillende bladverliesklassen in de periode 2018-2020 (beschadigd vanaf schadeklasse 26-60% bladverlies) Amerikaanse eik, overige loofboomsoorten, grove den, Corsicaanse den Gemiddeld blad-/naaldverlies in de bosvitaliteitsinventaris van 1995 tot en met 2020 Gemiddeld bladverlies van alle loofbomen in de periode 1995-2020 Gemiddeld naaldverlies van alle naaldbomen in de periode 1995-2020 Gemiddeld bladverlies van beuk in de periode 1995-2020 Gemiddeld bladverlies van zomereik in de periode 1995-2020 Gemiddeld bladverlies van Amerikaanse eik in de periode 1995-2020 Gemiddeld naaldverlies van grove den in de periode 1995-2020 Gemiddeld naaldverlies van Corsicaanse den in de periode 1995-2020 Percentage beschadigde bomen in de periode 1995-2020 (totaal, loofbomen, naaldbomen) Percentage beschadigde beuken in de periode 1995-2020 Percentage beschadigde zomereiken in de periode 1995-2020 Percentage beschadigde Amerikaanse eiken in de periode 1995-2020 Percentage beschadigde grove dennen in de periode 1995-2020 Percentage beschadigde Corsicaanse dennen in de periode 1995-2020

15 41

42 75

84

85

86 89 90 91 92 93 94 95 96 98 99 100 101 102 103

Lijst van foto’s Foto 1 Foto 2 Foto 3 Foto 4 Foto 5

Proefvlak met zomereik in Beerse (domein Luisterborg, proefvlak 611, juli 2020) Corsicaanse den in het Pijnven (proefvlak 903, juli 2020) Oude zomereiken naast jonge esdoorns en essen in het Walenbos (TieltWinge, proefvlak 415, augustus 2020) Zwarte els met bladverkleuring en -vervorming in Mol-Rauw (proefvlak 604, juli 2020) Beschadigde zomereik in Beerse (Luisterborg, proefvlak 611, juli 2020)

13 23 31 39 42

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 7 van 109


Foto 6 Foto 7 Foto 8 Foto 9 Foto 10 Foto 11 Foto 12 Foto 13

Ruwe berken en zomereiken in Maldegem (Krayeloo, proefvlak 213, augustus 2020) Bladeren en vruchten van wintereik op afgebroken twijg (Hallerbos, september 2020) Spork met bladverkleuring door droogte (Pijnven, proefvlak 910, augustus 2020) Grove dennen in Oelegem (Ranst, proefvlak 507, juli 2020) In Kluisbergen nam het gemiddeld bladverlies toe in vergelijking met 2019 (Feelbos, proefvlak 212, juli 2020) Beschadigde grove den (r.) in Zerkegem (proefvlak 102, augustus 2020) Tamme kastanje met bladvervorming, bladverkleuring en bladverlies door droogte (Ravels, proefvlak 613, augustus 2020) De gezondheidstoestand van es lijdt onder de essenziekte (Pulle, proefvlak 508, september 2020)

54 66 71 78 80 88 97 105

Lijst van tabellen Tabel 1 Tabel 2 Tabel 3 Tabel 4 Tabel 5 Tabel 6 Tabel 7 Tabel 8 Tabel 9 Tabel 10 Tabel 11 Tabel 12 Tabel 13 Tabel 14 Tabel 15 Tabel 16 Tabel 17 Tabel 18 Tabel 19 Tabel 20 Tabel 21 Tabel 22 Tabel 23 Tabel 24 Tabel 25 Tabel 26

De proefvlakken in het bosvitaliteitsmeetnet (vet: internationaal meetnet) Absolute en procentuele samenstelling van de steekproef Afgestorven bomen in de steekproef Uit de steekproef verwijderde bomen Aan de steekproef toegevoegde bomen Gemiddelde leeftijd van de steekproefbomen Klassenindeling voor blad-/naaldverlies Categorieën van mogelijk aangetaste delen van een boom Symptomen en omvangklassen Hoofdgroepen van schadeorganismen en schadefactoren Schadeklassen en respectievelijke code Leeftijd van een symptoom Klassenindeling voor zaadzetting Klassenindeling voor waterscheutvorming Procentuele verdeling van de steekproefbomen per blad-/naaldverliesklasse Gemiddeld blad-/naaldverlies (%), standaardafwijking (s.a.) en mediaan, uitgesplitst naar type en soort Procentuele verdeling van de steekproefbomen in 10%-klassen (volgens blad-/naaldverlies) ‘Beschadigde’ proefvlakken met gemiddeld bladverlies > 25% Percentage bomen met symptomen (totaal: 1474 bomen) Belangrijkste groepen van oorzaken (totaal: 1474 bomen) Belangrijkste symptomen per boomsoort (totaal aantal bomen per soort tussen haakjes) Percentage bomen met meer dan 10% van de kroon verkleurd (ernstige verkleuring) Procentuele verdeling van de steekproefbomen volgens insectenaantasting Percentage bomen met (sporen van) insecten op de stam Percentage bomen met verkleuring door schimmelinfectie Percentage bomen met kroonsterfte (licht = omvang sterfte 1-10%, ernstig = omvang sterfte > 10%)

14 16 18 20 21 24 25 26 27 28 28 29 29 29 35 35 35 37 44 45 46 48 51 52 55 58

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 8 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Tabel 27 Tabel 28 Tabel 29 Tabel 30 Tabel 31 Tabel 32 Tabel 33

Tabel 34 Tabel 35 Tabel 36

Tabel 37

Percentage bomen met stamwonden Percentage bomen met hars of slijm Aandeel bomen met vervorming van stam, stamvoet of geëxposeerde wortels Aandeel bomen met takbreuk (scheuten/twijgen/takken) Procentuele verdeling van de steekproefbomen volgens zaadzetting Aandeel bomen met waterscheuten Evolutie van het percentage blad-/naaldverlies in de periode 2019-2020 (gemeenschappelijke bomen, Wilcoxon rang test, α=0.05, *=p<0.05, **=p<0.01, ***=p<0.001) Evolutie van het aandeel beschadigde bomen in de periode 2019-2020 (gemeenschappelijke bomen) Procentuele verdeling van de klassensprongen tussen 2019 en 2020 Evolutie van het gemiddeld bladverlies in de periode 2018-2020 (gemeenschappelijke bomen, Wilcoxon rang test, α=0.05, *=p<0.05, **=p<0.01, ***=p<0.001) Proefvlakken van het bosvitaliteitsmeetnet met geselecteerde essen voor het essenonderzoek in 2020

59 61 63 64 67 68

72 73 78

83 105

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 9 van 109


1 INLEIDING De bosuitbreidingsplannen van de Vlaamse regering en de Europese Green Deal hebben het bos bij ons en in het buitenland in een sterk positief licht gezet. De huidige gezondheidscrisis heeft de belangstelling voor het bos ook sterk aangewakkerd. De bossen zijn echte trekpleisters geworden, met enorme bezoekersaantallen tot gevolg. Bossen worden geprezen voor hun breed gamma aan ecosysteemdiensten. Door de coronamaatregelen kwam de recreatieve functie van de bossen het meest naar voor. Het bos helpt echter ook in de strijd tegen klimaatverandering: bossen slaan koolstof op en produceren de duurzame grondstof hout. Ze zijn bovendien een belangrijk habitat voor planten en dieren. Bomen en bossen hebben ook een bufferend vermogen, ze filteren de lucht en beschermen hun omgeving tegen wind en erosie. Ondanks die positieve aandacht zijn bossen nog steeds bedreigd. Veel bosgebieden zijn zonevreemd en daardoor onvoldoende beschermd. De gezondheidstoestand van bomen en bossen staat ook onder druk, vaak ten gevolge van menselijke activiteit, rechtstreeks of onrechtstreeks. Luchtverontreiniging, met name depositie van verzurende en vermestende stoffen, verstoort al decennia het evenwicht in bos- en natuurgebieden. De gevolgen van klimaatverandering komen daar bovenop, met droogte en hittegolven, overstroming, storm en bos- of natuurbrand. Verstoring door die zogenaamde abiotische factoren brengt andere, secundaire schade met zich mee. In de extreme gevallen leidt dit tot boomsterfte. Dat werd in de zomer van 2018 duidelijk toen droogte gepaard ging met massale schorskeveraantastingen op fijnspar. In Vlaanderen werd het bosvitaliteitsmeetnet in 1987 opgericht (Level 1, uitvoering EC Verordening 3528/87). De jaarlijkse inventarisatie gebeurt zowel in Vlaanderen als in de rest van Europa. Het aandeel beschadigde bomen is een indicator voor de boskwaliteit (www.natuurindicatoren.be). Deze indicator wordt ook de bosvitaliteitsindex genoemd en is een van de statistieken van de Vlaamse statistische autoriteit (Vlaamse Statistieken, www.statistiekvlaanderen.be). De indicator wordt ook in het meest recente natuurrapport van het INBO besproken (Schneiders et al., 2020). De resultaten worden aan het ICP Forests gerapporteerd (www.icp-forests.net). Het ICP Forests, of International Co-operative Programme on Assessment and Monitoring of Air Pollution Effects on Forests, werd in 1985 opgericht. Het programma ontstond onder de VN Conventie over grensoverschrijdende luchtverontreiniging, bekend als ‘Air Convention’. Eind de jaren 1970 was er nog geen sprake van de impact van klimaatverandering op het bos. De bosvitaliteitsmeetnetten werden opgericht om de gevolgen van luchtverontreiniging te monitoren. Zure neerslag veroorzaakte grootschalige bossterfte, vooral in Centraal- en OostEuropa. Door talrijke maatregelen is de zwaveldepositie nu sterk verminderd maar hoge stikstofdeposities veroorzaken nog steeds bodemverzuring en vermesting. De kritische last voor vermesting wordt in Vlaanderen in 2017 in alle bosgebieden overschreden (Schneiders et al., 2020).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 10 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


De gezondheidstoestand van de steekproefbomen wordt op een internationaal geharmoniseerde wijze beoordeeld. Het Expert Panel on Crown Condition van het ICP Forests werkte de handleiding met de inventarisatiemethode uit (Manual, zie referentielijst). In de toekomststrategie van het ICP Forests werd het belang van monitoring in het kader van een veranderend klimaat benadrukt. In Vlaanderen werd op het bossymposium ‘Kennis voor het bos van de toekomst’ ook verwezen naar het belang van lange termijnmonitoring (Quataert et al., 2018). Het ICP Forests werkte mee aan het recente rapport over de toestand van de bossen in Europa ‘Forest Europe 2020: State of Europe’s Forests’. Dit rapport is een uitgave van de Ministeriële Conferentie over de bescherming van de bossen in Europa (www.foresteurope.org). De indicatoren over bosvitaliteit vallen onder rubriek C.2 Maintenance of Forest Ecosystem Health and Vitality (Potočid N, Ferretti et al., 2020). De internationale rapporten wijzen op een achteruitgang van de gezondheidstoestand. Er is een significant toenemende trend van het blad- en naaldverlies in Europa (Michel et al., 2019 & 2020). De landen die aan het programma deelnemen melden de laatste jaren opvallende gezondheidsproblemen en sterfte, zeker na de droge zomer van 2018. De belangrijkste meldingen komen pas in het ICP Forests rapport van 2020 naar voor (Michel et al., 2020). De gevolgen zijn enorm. Duitsland meldt dat naar schatting 245000 hectare herbebost moet worden na droogte, storm en schorskeveraantasting. Noodkappingen van ongeveer 160 miljoen kubieke meter hout worden vermeld. Het verder monitoren van de boomsoorten blijft in elk geval noodzakelijk om te zien of er kansen zijn voor klimaatadaptatie. De verontrustende berichten doen bij terreinbeheerders vragen rijzen, niet in het minst de vraag welke boomsoorten opgewassen zijn tegen het veranderende klimaat. Over de positie van de beuk werd door INBO-collega’s een artikel in Bosrevue gepubliceerd (De Keersmaeker & Vandekerkhove, 2020). In 2020 werd ook het advies over Klimaatslim bosbeheer door het INBO uitgebracht (Vandekerkhove et al., 2020). De belangrijkste raadgevingen zijn dat bovenop de boomsoortenkeuze vooral andere maatregelen een rol spelen. Bodemeigenschappen kunnen verbeterd worden maar vooral de beheeringrepen kunnen bijgestuurd worden: meer menging van boomsoorten, meer structuur in het bos, geen grootschalige kappingen maar kleine ingrepen… Zeker voor gevoelige boomsoorten als beuk wordt aanbevolen om sterke ingrepen te beperken. Er wordt ook aangeraden om niet overhaast te werk te gaan. In het verleden is nog gebleken dat bomen weerbaarder zijn dan gedacht. Zo ontstond er na het extreem droge jaar 1976 ook beukensterfte, maar dat betekende niet het einde van de soort (Bomennieuws, 1977).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 11 van 109


2 GEGEVENS OVER MEETNET, PROEFVLAKKEN EN STEEKPROEFBOMEN 2.1

MEETNET EN STEEKPROEFBOMEN

Het bosvitaliteitsmeetnet werd in Vlaanderen in 1987 opgericht. Alle Europese lidstaten werden toen verplicht om de gezondheidstoestand van de bossen op te volgen, aan de hand van een internationaal vastgelegd meetnet (Level 1). Dat meetnet was gebaseerd op een systematisch raster van 16 bij 16 km. Overal waar hoekpunten van dit raster in bos vielen, werd een proefvlak ingericht. In Vlaanderen leverde dit vanwege de kleine bosoppervlakte en de versnippering van de bossen, weinig proefvlakken op. Daarom werd het meetnet meteen verdicht tot 8 bij 8 km. Dit leverde in Vlaanderen 42 meetpunten op. Van de 10 internationale proefvlakken die daar toen deel van uitmaakten, worden er nog 8 jaarlijks bezocht (tabel 1). Het meetnet werd in 1995 opnieuw verdicht. Aan de hand van een raster van 4 bij 4 km werden 30 loofboomproefvlakken aan het meetnet toegevoegd. Jarenlang bleef het aantal proefvlakken stabiel, met 42 oude en 30 recentere proefvlakken. De 8 internationale meetpunten worden ook bij het regionale meetnet gerekend. In de loop der jaren verdwenen een aantal proefvlakken. Ondertussen startte het Agentschap voor Natuur en Bos met de Vlaamse bosinventaris, gebaseerd op een dicht meetnet van 1 x 0,5 km. Vanaf 2019 werd gestart met het toevoegen van nieuwe bosvitaliteitsproefvlakken uit dit meetnet, om de terugval van het aantal steekproefbomen te compenseren. In 2019 werden twee bosinventarisatieproefvlakken toegevoegd, in Ravels en in Wachtebeke. In 2020 werden opnieuw twee bosinventarisatieproefvlakken toegevoegd, ditmaal in Brecht (provincie Antwerpen) en in Zuurbemde (Glabbeek, Vlaams-Brabant). De bosvitaliteitsinventaris is nog steeds een internationaal gebeuren. Het ICP Forests rapporteert over de cijfers in het internationale meetnet. Bovendien worden jaarlijks bijdragen uit de deelnemende landen gepubliceerd, met resultaten van de regionale inventarissen. Aan het ICP Forests programma nemen 42 landen deel. In 2020 werden door 27 Europese landen gegevens van bosvitaliteitsinventarissen uit 2019 verleend. In 5798 internationale proefvlakken werden in totaal 103831 kroonbeoordelingen uitgevoerd (Michel, Prescher & Schwärzel, 2020). Er is een variabel aantal steekproefbomen per proefvlak. In 2012 werd in elk proefvlak een steekproefcirkel met een straal van 18 meter aangeduid (Sioen et al., 2012). Binnen de cirkel werden alle overheersende en medeheersende bomen geselecteerd. De steekproefbomen situeren zich enkel binnen deze cirkel. Voor 2012 was er geen steekproefcirkel. Er werden in elk proefvlak 4 groepjes van 6 steekproefbomen aangeduid. Per proefvlak lag het aantal steekproefbomen vast maar er was geen vastgelegde oppervlakte van het proefvlak (Sioen & Roskams, 2007). Het aantal bomen is het kleinst in het internationaal proefvlak in Maldegem (3 ex.) en het grootst in het Pijnven (proefvlak 910, 54 exemplaren). In jonge bossen is de dichtheid van de

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 12 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


bomen het grootst. In verschillende naaldboomproefvlakken groeien tientallen steekproefbomen in de steekproefcirkel. In totaal zijn er 73 proefvlakken met 1474 steekproefbomen (tabel 1, figuur 1, tabel 2). Meer dan de helft van de steekproefbomen zijn loofbomen (826 ex. of 56,0%). Naaldbomen maken een kleinere groep uit en er zitten ook minder naaldboomsoorten in de steekproef (648 ex. of 44,0%). Binnen de groep loofboomsoorten is zomereik veruit het best vertegenwoordigd (26,4%). Daarna volgen beuk en Amerikaanse eik (7,9% en 6,3%). De groep ‘overige loofboomsoorten’ telt 227 bomen die tot 14 verschillende boomsoorten behoren (15,4%). Daarvan vertegenwoordigen 7 soorten elk meer dan 1% van de steekproef: tamme kastanje (3,1%), wintereik (2,9%), ruwe berk (2,1%), es (2,0%), zwarte els (1,6%), gewone esdoorn (1,3%) en populier (1,2%). Grove den is de belangrijkste naaldboomsoort in de inventaris (33,0%), gevolgd door Corsicaanse den (10,5%). De groep ‘overige naaldboomsoorten’ telt te weinig bomen om de resultaten van de kroonbeoordelingen afzonderlijk te behandelen (0,5%). Er zitten 6 Japanse lorken en 1 Douglasspar in de steekproef. Andere naaldboomsoorten, zoals fijnspar, komen niet in de inventaris voor. De jaarlijkse kroonbeoordelingen werden in 2020 op 6 juli gestart. De inventarisatie werd op 11 september afgerond.

Foto 1

Proefvlak met zomereik in Beerse (domein Luisterborg, proefvlak 611, juli 2020)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 13 van 109


Tabel 1

De proefvlakken in het bosvitaliteitsmeetnet (vet: internationaal meetnet)

nr. proefvlak 101 102 103 104 111 112 201 202 203 205 206 207 211 212 213 214 215 147067 302 303 311 312 402 403 406 411 412 413 414 415 416 324071 501 502 504 505 506 507 508 511 512 513 514 515 516 85069 601 602 603 604 611 612 613 95001 701 702 703 711 712 713 714 802 803 804 805 811 812 901 902 903 904 906 910

plaats Wijtschate Zerkegem Hertsberge Zwevezele Ieper Torhout Maldegem Sint-Laureins Oosteeklo Gontrode Moerbeke Serskamp Wortegem-Petegem Kluisbergen Maldegem Maarkedal Ronse Wachtebeke Halle Tervuren Meise Hoeilaart Perk Averbode Deurne Herent Leuven Lubbeek Aarschot Tielt-Winge Zoutleeuw Zuurbemde Kapellen Brasschaat Brecht Schilde Oostmalle Oelegem Pulle Putte Schilde Wuustwezel Zandhoven Zoersel Herentals Brecht Merksplas Beerse Arendonk Mol-Rauw Beerse Herselt Ravels Ravels Houthalen Kinrooi Opglabbeek Houthalen-Helchteren Meeuwen-Gruitrode Bocholt Bocholt Zutendaal Gellik Dilsen Dilsen Genk Lanaken Eksel Leopoldsburg Eksel Lommel Eksel Overpelt

naam/toponiem Diependaal De Os en den Ezel Hendriksberg Jobeekbosje Galgebossen Wijnendalebos Paddepoelebos Kommer Heide Aelmoeseneiebos Heidebos De Zandputten Oud Moregembos Feelbos Krayeloo Koppenbergbos St.-Pietersbos Puyenbroeck Hallerbos Zoniënwoud Leefdaalbos Zoniënwoud Hellebos Haeckbos Kenisberg Kareelbos Egenhovenbos Collegebos ‘s Hertogenheide Walenbos Tienbunders Zuurbeemden Kapellenbos Peerdsbos Groot Schietveld Het Kamp Wolfschot Loddershoek Krabbels Moretusbos Hof ter Linden Pastoorsbos Bosloop Zoerselbos Peertsbos Merelbos Kolonie Smalbroek Lusthoven Verkallerbos Luisterborg Kaaibeekbos Krombusseltjes bos Domeinbos Ravels Kelchterhoef Grootbroek Heiderbos Tenhout Masy Lozerheide Stamprooiersbroek Grote Heide De Hoefaart Kalerheide Dilserbos Bokrijk Molenberg Pijnven Kamp van Beverlo Pijnven Pijnven Pijnven Pijnven

eigendom privé privé privé privé openbaar openbaar privé privé privé openbaar privé privé privé privé privé openbaar privé openbaar openbaar openbaar privé openbaar openbaar privé openbaar openbaar openbaar privé privé openbaar privé openbaar privé openbaar openbaar privé openbaar openbaar privé openbaar privé openbaar privé privé openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar privé privé openbaar openbaar openbaar openbaar privé openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar

boomsoort(n ≥ 3) tamme kastanje, zomereik grove den, zomereik grove den populier zomereik zomereik zomereik grove den grove den zomereik, Japanse lork, es grove den zomereik zomereik beuk ruwe berk, zomereik es beuk zomereik, ruwe berk wintereik, zomereik beuk zomereik beuk zomereik, es grove den grove den Amerikaanse eik, beuk zomereik zomereik, Amerikaanse eik Amerikaanse eik gewone esdoorn, zomereik es, zomereik, tamme kastanje zomereik, es zomereik, Amerikaanse eik, tamme kastanje grove den zomereik grove den grove den grove den zomereik, es beuk beuk beuk zomereik zomereik zomereik zomereik, ruwe berk zomereik grove den grove den, Corsicaanse den zwarte els zomereik zomereik, beuk tamme kastanje, zomereik beuk grove den zomereik grove den zomereik zomereik, robinia, Amerikaanse eik zomereik zwarte els grove den, Amerikaanse eik grove den grove den Amerikaanse eik zomereik wintereik, grove den Corsicaanse den grove den Corsicaanse den Corsicaanse den Amerikaanse eik Corsicaanse den

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 14 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 1

Bosvitaliteitsinventaris 2020 - Vlaamse Gewest: situering van de proefvlakken (INBO)


Tabel 2 Absolute en procentuele samenstelling van de steekproef aantal

percentage

zomereik

soort

390

26,4

beuk

116

7,9

93

6,3

tamme kastanje

47

3,1

wintereik

43

2,9

ruwe berk

31

2,1

es

29

2,0

zwarte els

24

1,6

gewone esdoorn

19

1,3

populier

17

1,2

valse acacia

6

0,4

grauwe abeel

4

0,3

haagbeuk

2

0,1

witte els

2

0,1

zoete kers

1

0,1

zachte berk

1

0,1

gladde iep

1

0,1

totaal overige loofbomen

227

15,4

loofbomen

826

56,0

grove den

486

33,0

Corsicaanse den

155

10,5

Japanse lork

6

0,4

douglas

1

0,1

7

0,5

Amerikaanse eik overige loofbomen

overige naaldbomen

totaal overige naaldbomen naaldbomen

648

44,0

totaal

1474

100,0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 16 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


2.2

AFGESTORVEN BOMEN

In 8 bosvitaliteitsproefvlakken werd sterfte vastgesteld (tabel 3). In totaal gaat het om 10 steekproefbomen of 0,7% van de steekproef. Er zijn 4 grove dennen, 3 zomereiken, 2 zwarte elzen en 1 Japanse lork afgestorven. Het mortaliteitscijfer is iets lager dan de vorige jaren (1,1% in 2018; 1,2% in 2017 en 2019). De afgestorven bomen worden vanaf 2021 niet meer in de inventaris opgenomen. In 2020 worden ze een laatste keer meegeteld, allen met 100% blad-/naaldverlies. In Gontrode (proefvlak 205) is de volledige kroon van een Japanse lork door storm uitgebroken. De boom vertoonde tot en met 2019 een goede kroontoestand. Het toegekende naaldverlies bedroeg nooit meer dan 20%. In 2018 was er ook een afgestorven lork in dit proefvlak. Bij die boom was een kleiner stuk van de kroontop al jaren voordien afgebroken. De sterfte van zwarte els in het proefvlak in Bocholt (proefvlak 714) komt jaarlijks terug. De proefvlakcirkel werd in 2012 ingericht en het aantal steekproefbomen daalde jaar na jaar door sterfte en stormschade. Er werd in het gebied van de Aa-beek een vernattingsproject opgestart en sindsdien staat het perceel voor een groot deel onder water. Een klein deel van de steekproefbomen overleeft maar de schade is heel groot. In 2006 werd Phytophthora alni op de bomen ontdekt. Deze schimmel infecteert de bomen en versnelt het aftakelingsproces. De schimmelsporen worden via het water verspreid. In 2020 stierven opnieuw twee elzen. Beide bomen waren in 2014 nog niet beschadigd maar vertoonden vanaf 2017 sterk bladverlies (beiden 70% in 2017). In 2018 en 2019 volgde de verdere aftakeling. Een van de bomen behield in 2019 alleen nog wat levende waterscheuten aan de stamvoet. Ook in Sint-Laureins (proefvlak 202), Oosteeklo (proefvlak 203), Moerbeke (proefvlak 206) en Averbode (proefvlak 403) werden eerder al afgestorven bomen opgemerkt. In deze vier proefvlakken stierf het laatste jaar telkens één grove den. Het proefvlak in Moerbeke maakt deel uit van het natuurreservaat Heidebos, de andere proefvlakken liggen in privé-bos. Alle steekproefbomen in deze proefvlakken zijn grove dennen. In Averbode werd sinds de start van het meetnet in 1987 nog nooit een dunning uitgevoerd. In Oosteeklo dateert de laatste dunning van 15 jaar geleden. In Moerbeke zijn nu voor het eerst een aantal te kappen bomen aangeduid. In Sint-Laureins was er jarenlang een fazantenkwekerij gevestigd. Daar werden in het verleden enkel afgestorven bomen weggenomen. De dichtheid is in alle proefvlakken hoog, met 38 tot 49 steekproefbomen binnen de steekproefcirkel. De kans bestaat dat de afgestorven bomen in deze proefvlakken in het verleden concurrentie van omringende bomen ondervonden. De afgestorven dennen takelden snel af. De afgelopen droge jaren kunnen dit proces nog versneld hebben. De grove den in Sint-Laureins vertoonde vanaf 2017 tot en met 2019 telkens 30% à 35% naaldverlies. In Moerbeke was dat van 2017 tot en met 2019 telkens 30% naaldverlies. Ook in Averbode bleef het naaldverlies beperkt tot en met 2019 (30% naaldverlies vanaf 2015, in 2019 25%). Alleen in Oosteeklo was er in 2019 al duidelijk een ernstige achteruitgang. De grove den in dit proefvlak vertoonde in 2018 nog 15% naaldverlies maar dat werd in 2019 plots 60%. De boom was in 2019 al duidelijk aan het wegkwijnen, met naaldverkleuring, kroonsterfte en losgekomen boomschors. Op de stam werden boorgangen en boorgaten van dennenscheerder (Tomicus piniperda) waargenomen. Op de andere dennen werd in 2019 nog geen biotische schade vastgesteld. Tot slot stierven er drie zomereiken, twee in het Hallerbos en één in Merksplas. In Halle bestaat het proefvlak hoofdzakelijk uit een menging van zomereik en wintereik. Het perceel ligt in bosreservaat en er worden geen dunningen uitgevoerd. De dichtheid van het bestand is ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 17 van 109


groot, met 37 steekproefbomen in de cirkel. Opnieuw bestaat de kans dat de bomen elkaar beconcurreren voor licht, water en voedingsstoffen. Eén boom in Halle was sinds 2018 beschadigd, met 35% bladverlies in 2018 en 2019. De andere boom was pas in 2019 voor het eerst beschadigd (30%). De aftakeling ging dus snel. Er werden geen opvallende symptomen van schimmels of insecten waargenomen. De eik in Merksplas is ouder en al veel langer aan het aftakelen. In dit proefvlak zijn al eerder oude zomereiken afgestorven. De afgestorven boom werd sinds 2012 jaarlijks als beschadigd beschouwd. Vanaf 2015 werd jaarlijks een bladverlies van 50% of meer toegekend. In 2018 bedroeg het bladverlies 55% en in 2019 75%. De kwijnende boom vertoonde al jaren symptomen zoals scheuren, vervormingen (ribbels), slijmuitvloei en spechtenholten in en op de stam, twijg- en taksterfte, bladverkleuring… De oorzaak van eikensterfte wordt bij ons vaak als onbekend beschouwd. De kans bestaat dat verschillende factoren een rol spelen (droogte, luchtverontreiniging, insecten, schimmels, standplaats, beheer…).

Tabel 3

Afgestorven bomen in de steekproef

proefvlak

plaats

afgestorven boom

nr.

202

Sint-Laureins

grove den

137

203

Oosteeklo

grove den

8

205

Gontrode

Japanse lork

140

206

Moerbeke

grove den

147

302

Halle

zomereik

106

302

Halle

zomereik

127

403

Averbode

grove den

120

601

Merksplas

zomereik

28

714

Bocholt

zwarte els

209

714

Bocholt

zwarte els

214

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 18 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


2.3

UIT DE STEEKPROEF VERWIJDERDE BOMEN

34 bomen verdwenen uit de steekproef na kapping of stormschade (tabel 4). In vier proefvlakken werden tijdens dunningen bomen in de steekproefcirkels gekapt. In drie van de vier proefvlakken ging het om beuken. In Tervuren werden 4 beuken gekapt en in Kluisbergen 3 exemplaren. In Wuustwezel werd een beuk geveld die bij een vorige dunning (winter 20172018) gemerkt was maar toen niet gekapt werd. In een proefvlak met oude Corsicaanse dennen in het Pijnven werden 6 bomen geveld (proefvlak 903). Er verdwenen ook bomen door niet-reguliere kappingen. Het betreft kappingen die niet voorzien waren maar door de stormen van de afgelopen jaren uitgevoerd werden. Soms wordt stormschade (windval, windbreuk) opgeruimd maar moeten er extra bomen gekapt worden om door het bestand te kunnen passeren. Ook schuin gewaaide bomen worden soms gekapt. Dit gebeurde in proefvlakken in het Pijnven (proefvlak 904), Schilde (proefvlak 512) en Herselt (proefvlak 612). In totaal werden 18 bomen gekapt en afgevoerd, al dan niet na stormschade. In 9 proefvlakken werden de gevolgen van storm opgemerkt. Het betreft één proefvlak met een afgestorven boom (zie 2.2) en 8 proefvlakken met stambreuk of kroonbreuk. In 3 proefvlakken werden door storm beschadigde bomen gekapt en afgevoerd. 21 bomen werden na stormschade uit de steekproef gehaald, al dan niet na kapping (1,4%). Dat is minder dan in 2019, toen 24 bomen uit de steekproef verdwenen na storm. In 2018 werden 6 bomen na storm uit de steekproef gehaald. In 2020 was er vooral stormschade na hevige stormen in februari (zie 4.1.5 Weersomstandigheden). Er werd in alle Vlaamse provincies stormschade waargenomen. In een proefvlak in Bocholt (proefvlak 714) werd het meest stormschade vastgesteld. Van 9 kwijnende zwarte elzen brak de stam. Veel bomen hadden al afgestorven kroontoppen en vertoonden alleen nog wat levende waterscheuten op de stam. Het bosperceel ligt in een moerasherstelproject en de elzen zijn door elzenphytophthora geïnfecteerd. In de andere proefvlakken verdwenen minder steekproefbomen door stormschade. In Moerbeke (proefvlak 206) was meer dan 50% van een grove dennenkroon afgebroken. Ook deze boom werd niet meer beoordeeld. De andere proefvlakken waar naaldbomen stormschade opliepen, werden eerder al besproken (proefvlak 205 en proefvlak 904). Naast zwarte els, werden nog verschillende boomsoorten door storm getroffen. Er was ook schade bij beuk, populier, es, valse acacia en ruwe berk. De door storm getroffen beuken werden gekapt en afgevoerd (proefvlak 512, proefvlak 612). Van de andere boomsoorten bleven de omgewaaide of afgebroken stammen in het bos. Dat was het geval in Zwevezele (proefvlak 104 - 3 populieren), Aarschot (proefvlak 414 - 1 valse acacia), Pulle (proefvlak 508 - 1 es) en Dilsen (proefvlak 805 - 1 ruwe berk). Het is het derde opeenvolgende jaar dat er veel bomen uit de steekproef verdwijnen. In 2018 werden 50 bomen uit de steekproef gehaald (kappingen en stormschade) en in 2019 nog eens 30 exemplaren. Op drie jaar tijd verdwenen zo 114 steekproefbomen, zonder rekening te houden met de sterfte.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 19 van 109


Tabel 4

Uit de steekproef verwijderde bomen

proefvlak

plaats

boomsoort

nr.

reden

104

Zwevezele

populier

106

stambreuk

104

Zwevezele

populier

108

stambreuk

104

Zwevezele

populier

116

windval

206

Moerbeke

grove den

109

kroonbreuk

212

Kluisbergen

beuk

16

dunning

212

Kluisbergen

beuk

20

dunning

212

Kluisbergen

beuk

102

dunning

303

Tervuren

beuk

7

dunning

303

Tervuren

beuk

105

dunning

303

Tervuren

beuk

107

dunning dunning

303

Tervuren

beuk

111

414

Aarschot

valse acacia

101

windval

508

Pulle

es

103

stambreuk

512

Schilde

beuk

36

gekapt

513

Wuustwezel

beuk

110

dunning

612

Herselt

beuk

102

gekapt

714

Bocholt

zwarte els

112

stambreuk

714

Bocholt

zwarte els

122

stambreuk

714

Bocholt

zwarte els

151

stambreuk

714

Bocholt

zwarte els

158

stambreuk

714

Bocholt

zwarte els

160

stambreuk

714

Bocholt

zwarte els

162

stambreuk

714

Bocholt

zwarte els

180

stambreuk

714

Bocholt

zwarte els

183

stambreuk

714

Bocholt

zwarte els

199

stambreuk

805

Dilsen

ruwe berk

102

stambreuk

903

Eksel

Corsicaanse den

21

dunning

903

Eksel

Corsicaanse den

101

dunning

903

Eksel

Corsicaanse den

103

dunning

903

Eksel

Corsicaanse den

105

dunning

903

Eksel

Corsicaanse den

109

dunning

903

Eksel

Corsicaanse den

112

dunning

904

Lommel

Corsicaanse den

39

windval

904

Lommel

Corsicaanse den

129

gekapt

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 20 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


2.4

NIEUWE STEEKPROEFBOMEN

In 2020 werden twee nieuwe proefvlakken aan het meetnet toegevoegd. Beide proefvlakken behoren tot het meetnet van de Vlaamse bosinventaris (ANB). Het proefvlak in Zuurbemde (Glabbeek, nr. 324071) werd in 2014 geselecteerd voor de inventarisatie van de gezondheidstoestand van de essen in Vlaanderen (Sioen et al., 2020). Het proefvlak in Brecht situeert zich in het Merelbos in Brecht (nr. 85069). Omdat er de laatste jaren tientallen bomen wegvielen door storm, kapping of sterfte, werd er voor gekozen om de steekproef aan te vullen met proefvlakken uit de bosinventaris. In 2019 werden er al proefvlakken in Ravels en Wachtebeke geselecteerd en daar werden opnieuw twee proefvlakken uit het bosinventarisatiemeetnet aan toegevoegd. De geselecteerde bomen in de proefvlakken worden in tabel 5 opgesomd. In Brecht werden 22 bomen geselecteerd (13 zomereiken, 8 ruwe berken en 1 grove den) en in Zuurbemde 19 bomen (14 zomereiken, 3 essen en 2 populieren). Verder werden in de bestaande proefvlakken nog 11 nieuwe steekproefbomen aangeduid. Deze bomen werden nu pas geselecteerd omdat ze vroeger onderdrukt waren en onvoldoende groeiruimte hadden. Door kapping, windval of sterfte van naburige bomen hebben deze bomen meer ruimte gekregen. Ze worden ondertussen als medeheersende bomen in de kroonetage beschouwd. Deze 11 bomen werden in 8 verschillende proefvlakken geselecteerd (tabel 5).

Tabel 5

Aan de steekproef toegevoegde bomen

proefvlak

plaats

boomsoort

nr.

324071

Zuurbemde

es

2

324071

Zuurbemde

es

3

324071

Zuurbemde

es

4

324071

Zuurbemde

zomereik

101

324071

Zuurbemde

zomereik

102

324071

Zuurbemde

zomereik

103

324071

Zuurbemde

zomereik

104

324071

Zuurbemde

zomereik

105

324071

Zuurbemde

zomereik

106

324071

Zuurbemde

populier

107

324071

Zuurbemde

zomereik

108

324071

Zuurbemde

zomereik

109

324071

Zuurbemde

zomereik

110

324071

Zuurbemde

populier

111

324071

Zuurbemde

zomereik

112

324071

Zuurbemde

zomereik

113

324071

Zuurbemde

zomereik

114

324071

Zuurbemde

zomereik

115

324071

Zuurbemde

zomereik

116

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 21 van 109


Tabel 5

Aan de steekproef toegevoegde bomen (vervolg)

proefvlak

plaats

boomsoort

nr.

104

Zwevezele

zwarte els

117

212

Kluisbergen

beuk

105

303

Tervuren

beuk

113

303

Tervuren

beuk

114

403

Averbode

grove den

146

604

Mol-Rauw

zwarte els

116

604

Mol-Rauw

witte els

117

714

Bocholt

zwarte els

231

714

Bocholt

zwarte els

232

803

Gellik

grove den

117

906

Eksel

Amerikaanse eik

12

85069

Brecht

zomereik

1

85069

Brecht

zomereik

2

85069

Brecht

grove den

3

85069

Brecht

zomereik

4

85069

Brecht

ruwe berk

5

85069

Brecht

ruwe berk

6

85069

Brecht

zomereik

7

85069

Brecht

ruwe berk

8

85069

Brecht

ruwe berk

9

85069

Brecht

zomereik

10

85069

Brecht

ruwe berk

11

85069

Brecht

zomereik

12

85069

Brecht

zomereik

13

85069

Brecht

zomereik

14

85069

Brecht

ruwe berk

15

85069

Brecht

ruwe berk

16

85069

Brecht

ruwe berk

17

85069

Brecht

zomereik

18

85069

Brecht

zomereik

19

85069

Brecht

zomereik

20

85069

Brecht

zomereik

21

85069

Brecht

zomereik

22

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 22 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


2.5

GEMEENSCHAPPELIJKE STEEKPROEFBOMEN

Gemeenschappelijke steekproefbomen zijn bomen die meerdere jaren na elkaar beoordeeld worden. Het aantal gemeenschappelijke bomen daalt omdat er bomen uit de steekproef verdwijnen door kappingen of (ernstige) stormschade. Ook verdrongen bomen worden niet meer in de steekproef opgenomen. Er is de laatste jaren veel stormschade in de proefvlakken (2018, 2019, 2020). Jaarlijks zijn tientallen bomen uit de steekproef verdwenen. Er waren 17 afgestorven bomen in 2018 en 18 dode bomen in 2019. Een jaar na afsterven worden die niet meer meegerekend. Zowel in 2019 als in 2020 werd de gezondheidstoestand van 1474 bomen beoordeeld. Dat waren niet allemaal dezelfde bomen. De 18 afgestorven bomen uit 2019 werden in 2020 niet meer in de steekproef opgenomen. In 2020 werden nog eens 34 bomen uit de steekproef verwijderd na kapping of stormschade. De gemeenschappelijke steekproef voor 2019 en 2020 telt 1422 bomen (1474-52). In 2020 werd de steekproef weer aangevuld met nieuwe bomen, waardoor het totaal op 1474 kwam. In 2018 werden 1481 bomen beoordeeld. Daarbij waren 17 afgestorven bomen. Ook deze werden de jaren erna niet meer in de steekproef opgenomen. In 2019 werden nog eens 30 bomen uit de steekproef gehaald na kapping of stormschade. De gemeenschappelijke steekproef voor 2018 en 2019 telt 1434 bomen (1481-47). Voor de periode 2018-2020 blijven er nog minder gemeenschappelijke bomen over. De gemeenschappelijke steekproef bevat de gemeenschappelijke bomen van 2019-2020 (1422 ex.) zonder de toegevoegde bomen in 2020 (52 ex.). Voor deze periode telt de gemeenschappelijke steekproef 1382 bomen.

Foto 2

Corsicaanse den in het Pijnven (proefvlak 903, juli 2020)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 23 van 109


2.6

LEEFTIJD VAN DE STEEKPROEFBOMEN

De exacte leeftijd van de steekproefbomen is onbekend. Er worden geen leeftijdsbepalingen uitgevoerd met behulp van aanwasboren of aan de hand van stamschijvenonderzoek (jaarringanalyse/dendrochronologie). Normaal gezien wordt de leeftijd van een boom op het terrein geschat. In een aantal gevallen kan informatie uit de bosbeheerplannen gehaald worden. Daarin kan bijvoorbeeld het jaar van aanplanten vermeld staan. De gemiddelde leeftijd van alle steekproefbomen bedraagt naar schatting 77 jaar (tabel 6). De loofbomen zijn gemiddeld ouder dan de naaldbomen. De leeftijd van loofbomen bedraagt gemiddeld 83 jaar, bij naaldbomen is dat 70 jaar. De beuken in de steekproef zijn het oudst. Hun leeftijd wordt gemiddeld op 111 jaar geschat. Daarna volgen Amerikaanse eik en zomereik. De gemiddelde leeftijd van de eiken bedraagt respectievelijk 85 jaar en 83 jaar. Tot slot is er de groep ‘overige loofboomsoorten’. In die groep zitten meer jonge bomen. De gemiddelde leeftijd van alle overige loofbomen bedraagt 67 jaar. De grove dennen zijn gemiddeld ouder dan de Corsicaanse dennen. De geschatte leeftijd bedraagt gemiddeld 72 jaar bij grove den en 64 jaar bij Corsicaanse den. De leeftijd van de weinige overige naaldbomen wordt gemiddeld op 88 jaar geschat. Het ICP Forests maakt een onderscheid tussen jonge en oude steekproefbomen. Jonge steekproefbomen hebben een leeftijd van maximum 59 jaar. Oude steekproefbomen zijn bomen waarvan de leeftijd minstens 60 jaar bedraagt. Het gemiddeld blad- of naaldverlies en het percentage beschadigde bomen kan afzonderlijk voor jonge en oude steekproefbomen berekend worden. Momenteel is ongeveer 20% van de steekproefbomen jonger dan 60 jaar maar voor sommige substeekproeven is dat nog minder. Zo bedraagt het aandeel jonge beuken, grove dennen en Amerikaanse eiken zelfs minder dan 10%. Naast de onbetrouwbaarheid van de leeftijdsbepaling is ook de onevenwichtige leeftijdsverdeling een aanleiding om in Vlaanderen geen uitspraken over de gezondheidstoestand per leeftijdscategorie meer te doen.

Tabel 6

Gemiddelde leeftijd van de steekproefbomen soort

leeftijd (gem.)

totaal

77

loofbomen

83

naaldbomen

70

beuk

111

zomereik

83

Amerikaanse eik

85

overige loofbomen

67

Corsicaanse den

64

grove den

72

overige naaldbomen

88

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 24 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


3 METHODIEK 3.1

JAARLIJKSE BEOORDELING

3.1.1

Blad-/naaldverlies

De kroontoestand van de steekproefbomen wordt met een verrekijker beoordeeld. Het schatten van het bladverlies (of de bladbezetting) is het belangrijkste onderdeel van de kroonbeoordeling. Het bladverlies wordt in trappen van 5% geschat en de bomen worden in bladverliesklassen ondergebracht (tabel 7). Bij het bepalen van het naaldverlies van grove dennen wordt rekening gehouden met het bloei-effect. Naargelang het kroongedeelte dat bloei vertoont, wordt er een compensatie voor het schijnbaar naaldverlies uitgevoerd. Bij de verwerking van de gegevens wordt enkel met het netto-naaldverlies gewerkt. Het schijnbaar naaldverlies (bruto-naaldverlies) en het bloei-effect worden verder niet behandeld.

Tabel 7 Klasse

Klassenindeling voor blad-/naaldverlies blad-/naaldverlies (%)

mate van blad-/naaldverlies

0

0-10

geen

gezond

1

11-25

licht

risicoboom

2

26-60

matig

licht beschadigd

3

61-99

sterk

ernstig beschadigd

4

100

dood

dood

2-4

26-100

matig-dood

beschadigd

3.1.2

toestand

Symptomen van aantasting, infectie…

De symptomen van aantasting of schade door biotische of abiotische factoren worden genoteerd en ingedeeld naargelang de plaats van voorkomen: naalden of bladeren, twijgen of takken, stam of wortelaanloop. Deze categorieën worden nog verder opgesplitst (tabel 8). Dode bomen en bomen zonder symptomen worden in een aparte categorie ondergebracht.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 25 van 109


Tabel 8

Categorieën van mogelijk aangetaste delen van een boom aangetast deel

bladeren/naalden

specificatie van aangetast deel lopende naaldjaargang oudere naalden alle naaldjaargangen loofbomen (bladeren)

takken, scheuten, knoppen, vruchten

nieuwe jaarscheuten twijgen (diameter < 2 cm) takken (diameter 2 - < 10 cm) zware takken (diameter ≥ 10 cm) eindscheut knoppen vruchten

kroontop, stam, stambasis, wortelaanloop

top van de kroon / stam stamdeel in de kroon stam (deel tussen de stambasis en de kroon) wortelaanloop en stambasis (≤ 25 cm hoogte) volledige stam

dode boom geen symptomen (op geen enkel deel)

Per categorie van aangetaste boomdelen zijn er verschillende symptomen die met een afzonderlijke code genoteerd worden (tabel 9). Bij de meeste symptomen wordt een omvang geschat. Voor de inschatting van verkleuring, insectenaantasting, schimmelinfectie… wordt telkens met dezelfde omvangklassen gewerkt. Ook de aanwezigheid van kroonsterfte (afgestorven twijgen, takken) en verwondingen (scheuren, exploitatieschade… ) wordt op deze wijze genoteerd. Alleen voor het bladverlies worden andere klassen gehanteerd (zie 3.1.1).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 26 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Tabel 9

Symptomen en omvangklassen aangetast deel

lopende naaldjaargang oudere naalden alle naaldjaargangen bladeren (loofbomen)

code 11 12 13 14

lopende jaarscheuten diameter < 2 cm (twijgen) diameter 2 - < 10 cm (takken) diameter >= 10 cm (zware takken)

21 22 23 24

eindscheut knoppen vruchten

26 27 28

top van de kroon / stam stam in kroongedeelte stamdeel onder de kroon stamvoet en geëxposeerde wortels volledige stam

30 31 32 33 34

symptoom/teken

code

gedeeltelijk of totaal aangevreten/ontbrekend (gaatjes, gedeeltelijk aangevreten, inkerving, insnijding, totaal aangevreten, geskeletteerd, gemineerd, vroegtijdige bladval)

01

licht groene tot gele verkleuring rood tot bruine verkleuring (incl. necrose) bronskleurige verkleuring ander kleur

02 03 04 05

kleinbladerigheid

06

vervorming (gekruld, gedraaid, golvend, kronkelende bladsteel, dichtgevouwen, gallen, verwelking, andere vervorming)

08

ander symptoom teken van aanwezigheid insecten (zwarte bepoedering, eitjes, poppen, larven, nymfen, adulten) teken van aanwezigheid schimmels (witte bepoedering, vruchtlichamen) ander teken aangevreten/ontbrekend gebroken dood/afstervend afgestoten/afgesneden necrose (necrotische plekken) wonden (ontschorsing, scheuren…)

09 10

harsuitvloei (naaldbomen) slijmuitvloei (loofbomen)

18 19

vervorming (verwelking, gedraaid, kanker, tumor, heksenbezem, andere vervorming)

08

ander symptoom teken van aanwezigheid insecten (nest, boorgaten, boormeel, witte bedekking, eiafzetting, adulten, larven, nymfen, poppen)

09 10

teken van aanwezigheid schimmels (vruchtlichamen...) ander teken necrose (necrotische plekken) wonden (ontschorsing, scheuren…)

11 12 16 17

harsuitvloei (naaldbomen) slijmuitvloei (loofbomen) rottend vervorming

18 19 20 08

gekanteld (scheef) gevallen (met wortels) gebroken ander symptoom teken van aanwezigheid insecten (nest, boorgaten, boormeel, witte bedekking, eiafzetting, adulten, larven, nymfen, poppen)

21 22 13 09 10

teken van aanwezigheid schimmels (mycelium, vruchtlichamen, gele/oranje blazen) ander teken

11

specificatie symptoom/teken

code

omvang

code

0% 1 - 10% 11 - 20% 21 - 40% 41 - 60% 61 - 80% 81 - 99% 100%

0 1 2 3 4 5 6 7

geen omvang

11 12 01 13 14 15 16 17

ontschorsing scheuren andere wonden

58 59 60

0% 1 - 10% 11 - 20% 21 - 40% 41 - 60% 61 - 80% 81 - 99% 100%

geen omvang

ontschorsing scheuren (vorstscheuren…) andere wonden

58 59 60

kanker tumor longitudinale ribbels (vorstlijsten...) andere vervorming

62 63 68 52

0% 1 - 10% 11 - 20% 21 - 40% 41 - 60% 61 - 80% 81 - 99% 100%

evt. omvang geen omvang

12

04

geen omvang

geen symptomen (op geen enkel deel)

00

geen omvang

Tijdens het veldwerk wordt de oorzaak van een symptoom genoteerd. De mogelijke oorzaken van symptomen worden ingedeeld in een aantal hoofdgroepen (tabel 10), die verder opgesplitst worden in subgroepen. Ook de subgroepen hebben een specifieke code. Indien een

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.34283136

0 1 2 3 4 5 6 7

geen omvang

dode boom

www.vlaanderen.be/inbo

0 1 2 3 4 5 6 7

Pagina 27 van 109

0-7


schadeorganisme op naam gebracht kan worden, wordt de naam eveneens genoteerd. Bij een onbekende oorzaak wordt de code ‘999’ gebruikt.

Tabel 10

Hoofdgroepen van schadeorganismen en schadefactoren schadegroep

code

wild en begrazing

100

insecten

200

schimmels

300

abiotische factoren

400

verstoring door de mens

500

vuur

600

luchtverontreiniging

700

andere factoren

800

(onderzocht maar) niet geïdentificeerd

999

De omvang van een symptoom wordt geschat en in acht klassen gerapporteerd (tabel 11). Elke omvangklasse geeft een indicatie van de hoeveelheid van het aangetaste boomdeel dat het symptoom vertoont, te wijten aan een organisme of een andere schadefactor. De omvang van een symptoom dat zich in bladverlies vertaalt (bv. bladvraat door rupsen), geeft het percentage van het bladoppervlak weer dat verloren is door de beïnvloedende oorzaak of factor. Dit wil zeggen dat de omvang niet alleen rekening houdt met het percentage bladeren dat aangetast is, maar ook met de intensiteit van de aantasting op bladniveau.

Tabel 11

Schadeklassen en respectievelijke code

klasse

code

0%

0

1 - 10%

1

11 - 20%

2

21 - 40%

3

41 - 60%

4

61 - 80%

5

81 - 99%

6

100%

7

De verkleuring van bladeren of naalden wordt vanaf klasse 2 (> 10%) als abnormaal beschouwd. Bij insectenaantasting is er eveneens sprake van matige tot ernstige aantasting vanaf klasse 2 (> 10%). Ook bij het afsterven van twijgen en takken wordt vanaf een omvang van meer dan 10% over matige tot ernstige kroonsterfte gesproken. Tekenen van de aanwezigheid van insecten en schimmels worden niet gekwantificeerd, net zoals ontwortelde bomen en afgekraakte stammen (tabel 9). Als twee of meer gelijkaardige symptomen op hetzelfde boomdeel voorkomen en veroorzaakt worden door verschillende organismen of factoren, kan het zeer moeilijk zijn om hun

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 28 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


respectievelijke bijdrage in de schadeomvang te schatten. In dat geval wordt enkel de gezamenlijke omvang van de schade gerapporteerd. Een symptoom is nieuw of vers wanneer het tijdens de voorgaande inventaris nog niet opgemerkt werd. Wanneer de schade het jaar voordien ook al aanwezig was (bv. oude wonden op de stam), wordt die als oud beschouwd. Een combinatie van verse en oude schade wordt met een afzonderlijke code genoteerd (tabel 12).

Tabel 12

Leeftijd van een symptoom

leeftijd symptoom

code

nieuw/vers

1

oud

2

nieuw + oud

3

3.1.3

Zaadzetting en waterscheutvorming

Van elke boom wordt de zaadproductie met behulp van een verrekijker beoordeeld. Naargelang de graad van zaadzetting worden de bomen in vier klassen ingedeeld (tabel 13). Bij naaldbomen wordt, wegens de beperkte zichtbaarheid van de pas gevormde kegels, de bezetting met jonge en oudere kegels samen geschat. Ook voor het beoordelen van waterscheutvorming worden vier klassen gehanteerd. De omvang van de waterscheutvorming wordt niet genoteerd. Er gebeurt wel een indeling volgens de plaats van voorkomen (tabel 14).

Tabel 13

Klassenindeling voor zaadzetting

klasse

zaadzetting

graad

0

geen zaad waarneembaar

geen

1

zaad of kegels met verrekijker zichtbaar

licht

2

zaad of kegels met blote oog zichtbaar

matig

3

volledige kroon met zaad of kegels bezet

sterk

Tabel 14

Klassenindeling voor waterscheutvorming

klasse

waterscheuten

0

geen waterscheuten

1

enkel op de stam

2

enkel in de kroon

3

op de stam en in de kroon

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 29 van 109


3.2 3.2.1

VERWERKING VAN DE GEGEVENS Algemeen

Na het afsluiten van het terreinwerk worden alle steekproefbomen in bladverliesklassen ondergebracht. De verschillende bladverliesklassen krijgen een nummer van 0 tot 4 (tabel 7). Bomen worden als gezond beschouwd wanneer het bladverlies maximum 10% bedraagt. Bomen met 11% tot en met 25% bladverlies zijn nog niet beschadigd maar verkeren evenmin in een optimale gezondheidstoestand. Deze bomen bevinden zich in een zogenaamde risico- of waarschuwingsklasse. Bomen met meer dan 25% blad-/naaldverlies worden als beschadigd beschouwd, met een opsplitsing naargelang de mate van het bladverlies. Tot en met een bladverlies van 60% worden beschadigde bomen in een klasse met ‘matig bladverlies’ ondergebracht. Ernstig beschadigde bomen vertonen meer dan 60% blad- of naaldverlies. Afgestorven bomen komen in een afzonderlijke klasse terecht (100% bladverlies). De afgestorven bomen worden nog één jaar in de inventaris opgenomen. Bij de volgende inventarisatie verdwijnen ze uit de steekproef. Gekapte bomen, verdrongen bomen en bomen met zware mechanische schade worden onmiddellijk uit de steekproef gehaald. Bomen worden als abnormaal verkleurd beschouwd wanneer meer dan 10% van de kroon bladverkleuring vertoont. De verwerking van de gegevens gebeurt afzonderlijk voor de volgende (sub)steekproeven: 

alle bomen: het totaal van alle soorten

alle loofbomen

alle naaldbomen

enkele algemene boomsoorten: grove den, zomereik, Corsicaanse den, beuk, Amerikaanse eik en de ‘overige loofboomsoorten’ (er zijn te weinig bomen van de ‘overige naaldboomsoorten’ om afzonderlijk behandeld te worden)

de verschillende proefvlakken

De volgende resultaten worden vermeld: 

gemiddeld blad-/naaldverlies

verdeling over de verschillende blad-/naaldverliesklassen

percentage beschadigde bomen

percentage bomen met symptomen (verkleuring, insectenaantasting, schimmelinfectie…)

evolutie van het bladverlies en het aandeel beschadigde bomen in 2019-2020, 20182020, 1995-2020

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 30 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


De waargenomen symptomen worden tijdens het veldwerk met een cijfercode genoteerd (zie tabel 9). Ook het boomdeel waarop het symptoom voorkomt, wordt met een code genoteerd. Bij de dataverwerking worden gegevens vaak gegroepeerd. Zo wordt de stam voor de symptoombeschrijving in verschillende stamdelen opgesplitst maar voor de verwerking worden deze delen vaak samen behandeld (codes 30, 31, 32, 33 en 34). Schade aan de wortelaanlopen wordt dus ook bij de stamschade gerekend. Er wordt ook een onderscheid in verschillende naaldjaargangen gemaakt maar voor de verwerking wordt geen rekening gehouden met de leeftijd van de naalden (groepering codes 11, 12 en 13). Ook takken en scheuten worden soms gegroepeerd tot één categorie (codes 21, 22, 23 en 24).

3.2.2

Statistische verwerking

Het percentage bladverlies volgt geen normale verdeling. Daarom worden niet-parametrische toetsen gebruikt. Deze toetsen zijn gebaseerd op de mediaanwaarde, de waarde waar de helft van de waarnemingen boven ligt en de andere helft onder. Bij normale verdelingen worden toetsen gebruikt die op de gemiddelde waarde gebaseerd zijn. De volgende toetsen worden gebruikt (berekeningen met het statistische pakket R): 

Foto 3

Wilcoxon signed rank toets voor gepaarde waarnemingen: deze toets wordt gebruikt voor waarnemingen die twee aan twee vergelijkbaar zijn (bv. het bladverlies van de gemeenschappelijke bomen in 2019 vergelijken met het bladverlies van dezelfde bomen in 2020). Mann-Kendall test (tau) en Sen’s helling: voor het testen van de trend van het bladverlies in de periode 1995-2020.

Oude zomereiken naast jonge esdoorns en essen in het Walenbos (Tielt-Winge, proefvlak 415, augustus 2020)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 31 van 109


4 RESULTATEN 4.1

KROONTOESTAND 2020

4.1.1

Blad-/naaldverlies

4.1.1.1

Totale steekproef

25,3% van de steekproefbomen wordt als beschadigd aanzien (tabel 15). Dat wil zeggen dat de schatting van het blad- of naaldverlies bij ongeveer een kwart van de bomen 30% of meer bedraagt. Het gemiddeld bladverlies van de bomen bedraagt 24,1% (mediaan 25, tabel 16). De bomen worden in 5 bladverliesklassen ondergebracht. Klasse 0 en klasse 1 bevatten bomen die niet beschadigd zijn. 7,2% van de steekproefbomen wordt als gezond beschouwd (klasse 0). Het bladverlies van deze bomen bedraagt maximum 10%. Ongeveer twee derden van de bomen situeert zich in bladverliesklasse 1 (67,5%). Deze klasse is een soort overgangsklasse of waarschuwingsklasse. Ze bevat bomen die niet als gezond maar ook niet als beschadigd aanzien worden. De beschadigde bomen komen in drie bladverliesklassen voor. 23,7% vertoont matig bladverlies, dat betekent meer dan 25% bladverlies en maximum 60% bladverlies. Ernstig bladverlies komt bij 0,9% van de bomen voor. Deze bomen zijn niet afgestorven maar vertonen meer dan 60% bladverlies. Tot slot is 0,7% van de bomen sinds de vorige inventaris afgestorven. Deze dode bomen werden eerder al besproken. Eerder afgestorven bomen komen niet meer in de inventaris voor. Tabel 17 geeft de verdeling in gelijke 10%-bladverliesklassen weer. Daaruit blijkt duidelijk een scheve verdeling van de gegevens. Vooral de bladverliesklassen 11-20% en 21-30% tellen een groot aandeel bomen, respectievelijk 40,6% en 40,4%. Bij 3,9% van de steekproefbomen is het toegekende bladverlies groter dan 40%. Het aandeel bomen met meer dan de helft van de kroon zonder bladeren beperkt zich tot 2,1%. In de verdere bespreking van de resultaten worden enkel de 5 standaardklassen gebruikt.

4.1.1.2

Loofbomen

Voor het totaal van alle loofbomen ligt de score hoger dan voor het algemeen totaal. Het aandeel beschadigde loofbomen bedraagt 29,6% (tabel 15). Ook het gemiddeld bladverlies is hoger, namelijk 24,9% (tabel 16). De mediaan van het bladverlies is 25%, net als bij het totaal van alle bomen. 8,1% van de loofbomen is gezond. Opnieuw zit het grootste aandeel bomen in de waarschuwingsklasse, met een bladverlies van 11% à 25% (62,3%). Meer dan een kwart van de bomen vertoont matig bladverlies (27,5%). Het aandeel bomen met sterk bladverlies bedraagt 1,5%. Tot slot is 0,6% van de loofbomen afgestorven. Wat het totaal van alle loofbomen betreft, is de toestand ongunstig in vergelijking met de naaldbomen. Zowel het aandeel beschadigde bomen als het gemiddelde en de mediaan zijn ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 32 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


het hoogst bij de loofbomen. Er is één uitzondering, namelijk het aandeel afgestorven bomen. Dat is in 2020 iets hoger bij de naaldbomen. Het hoogste aandeel beschadigde bomen wordt bij beuk vastgesteld (33,7%). Bijna alle beschadigde bomen vertonen matig bladverlies (32,8%). Er zijn geen beuken afgestorven en sterk bladverlies wordt zelden vastgesteld (0,9%). Het gemiddelde is hoog en vergelijkbaar met zomereik (24,8%). De mediaan van het bladverlies bedraagt 25%. De toestand is slechter in vergelijking met 2019 (zie verder). Tijdens jaren met sterke zaadzetting vertoont beuk een ijlere bladbezetting in de kroon. In 2020 werd verhoogde zaadproductie vastgesteld en dit heeft een impact op de cijfers. De laatste jaren hebben de beuken wel te lijden onder droogtestress. Dat vertaalt zich momenteel niet overal in sterk bladverlies of sterfte. Ook in proefvlakken van het Level II meetnet bleek de bladbezetting van de beuken vrij goed, bijvoorbeeld in het Zoniënwoud, het Wijnendalebos en het Aelmoeseneiebos. De grootste schade doet zich buiten de bosproefvlakken voor. Er werden in 2020 beuken gekapt en uit de steekproef genomen. Dit gebeurde na stormschade of bij dunningen. In enkele proefvlakken betrof het reeds beschadigde bomen (Schilde, proefvlak 512 en Herselt, proefvlak 612). Ook bij zomereik worden hoge cijfers genoteerd. Het aandeel beschadigde bomen bedraagt 30,1% en het gemiddeld bladverlies 24,9% (mediaan 25). Er zijn opnieuw weinig bomen met meer dan 60% bladverlies (0,3%). In tegenstelling tot bij beuk is er wel sterfte (0,8%). Al jarenlang wordt er eikensterfte opgemerkt. De oorzaken zijn velerlei en spelen vaak op elkaar in. Dit complex van biotische en abiotische factoren kan eiken jarenlang laten aftakelen tot ze uiteindelijk sterven (zie eerder). Insectenvraat speelt een belangrijke rol in de jaarlijkse schommelingen van het bladverlies. Door de droge jaren is de kans op aantasting door insecten toegenomen. Soorten als eikenprocessievlinder en eikenprachtkever profiteren van zon, warmte en droogte. Droge voorjaren zijn anderzijds nadelig voor meeldauwinfectie (zie verder). 2020 was een zaadjaar voor zomereik maar de zaadzetting was niet overal even uitgesproken. Het verband tussen een hoge zaadproductie en een ijlere bladbezetting is ook minder duidelijk in vergelijking met beuk. De mediaan van het bladverlies is bij beuk en zomereik hoger dan bij Amerikaanse eik en de groep ‘overige loofboomsoorten’. De kroontoestand van de Amerikaanse eiken is vrij goed, zeker in vergelijking met de voorgaande inventaris. Het aandeel beschadigde bomen bedraagt 16,1%. Ook het gemiddeld bladverlies is laag in vergelijking met andere boomsoorten (20,6%, mediaan 20). De kroontoestand van de groep ‘overige loofboomsoorten’ blijft zorgwekkend. Bijna één boom op drie is beschadigd (32,2%) en het gemiddeld bladverlies bedraagt 26,6%. Daarmee is het gemiddelde het hoogst in deze substeekproef. Het hoge gemiddelde wordt veroorzaakt door een groot aandeel afgestorven bomen (0,9%) en vooral een groot aandeel bomen met sterk bladverlies (4,4%). Dit heeft een effect op de cijfers van het totaal van alle loofbomen. De sterfte is afgenomen in vergelijking met voorgaande jaren. Dat komt vooral door de afgenomen sterfte in het zwarte elzenproefvlak in Bocholt (proefvlak 714). Het aantal steekproefbomen daalde er door sterfte en stormschade van 132 in 2012 naar 15 in 2020. Twee steekproefbomen zijn het laatste jaar afgestorven en nog 7 andere vertonen meer dan 60% bladverlies. Ook de gezondheidstoestand van een aantal andere ‘overige loofboomsoorten’ is niet goed. Door de droogte was er het afgelopen jaar opnieuw vroeg bladverlies, ondermeer bij ruwe berk en tamme kastanje. Matig tot sterk bladverlies van es was er onder andere in de ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 33 van 109


proefvlakken Gontrode (proefvlak 205), Zoutleeuw (proefvlak 416) en Zuurbemde (proefvlak 324071), van tamme kastanje in Wijtschate (proefvlak 101) en Ravels (proefvlak 613) en van ruwe berk in Maldegem (proefvlak 213) en Brecht (proefvlak 85069). De gezondheidstoestand van de essen gaat nog steeds achteruit door de essenziekte of essentaksterfte (zie verder).

4.1.1.3

Naaldbomen

Ongeveer één naaldboom op vijf is beschadigd (19,8%). Het gemiddeld naaldverlies van alle naaldbomen in de steekproef bedraagt 23,1% (mediaan 20). De toestand is beter in vergelijking met de loofbomen, hoewel het aandeel gezonde bomen lager ligt (6,0%). Bijna drie kwart van de bomen vertoont licht naaldverlies (naaldverliesklasse 1; 74,2%). Opnieuw situeert het grootste deel van de beschadigde bomen zich in de klasse met matig naaldverlies, dat betekent een naaldverlies van 26% à 60% (18,8%). Eén procent van de naaldbomen vertoont meer dan 60% naaldverlies: 0,2% van de bomen vertoont sterk naaldverlies en 0,8% is afgestorven. Van de vijf dode naaldbomen is er één na storm afgestorven. Er werden ook enkele naaldbomen uit de steekproef verwijderd ten gevolge van storm. Dat was het geval in Moerbeke (proefvlak 206) en Lommel (Pijnven, proefvlak 904). Er was stormschade bij grove den, Corsicaanse den en Japanse lork. Ondanks vier afgestorven exemplaren (0,8%), blijft het aandeel beschadigde bomen bij grove den beperkt (16,2%). Er zijn geen bomen met sterk naaldverlies. Het gemiddeld naaldverlies bedraagt 22,6%. De mediaan van het naaldverlies is 20%. De afgestorven grove dennen komen uit verschillende proefvlakken: Sint-Laureins (proefvlak 202), Oosteeklo (proefvlak 203), Moerbeke (proefvlak 206) en Averbode (proefvlak 403). Zowel het gemiddeld naaldverlies als de mediaan van het naaldverlies zijn hoger bij Corsicaanse den, respectievelijk 24,4% en 25%. Er zijn geen afgestorven Corsicaanse dennen en er is slechts één exemplaar met sterk naaldverlies (0,6%). Toch is het aandeel beschadigde bomen veel hoger in vergelijking met grove den (30,3%). Voor het tweede opeenvolgende jaar is er stormschade in het Pijnven (proefvlak 904). In 2019 waren de omgewaaide bomen blijven liggen. In 2020 werd alle stormschade in dit proefvlak opgeruimd. De overige naaldboomsoorten worden niet in detail besproken wegens te weinig steekproefbomen. In 2019 en 2020 werden Japanse lorken door storm getroffen. In 2020 brak een kroon van een lork in Gontrode (proefvlak 205). Deze werd als afgestorven boom in de inventaris opgenomen

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 34 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Tabel 15

Procentuele verdeling van de steekproefbomen per blad-/naaldverliesklasse klasse 0 (0-10%)

klasse 1 (11-25%)

klasse 2 (26-60%)

klasse 3 (61-99%)

klasse 4 (100%)

klasse 2-4 (beschadigd)

totaal

7,2

67,5

23,7

0,9

0,7

25,3

loofbomen

8,1

62,3

27,5

1,5

0,6

29,6

naaldbomen

6,0

74,2

18,8

0,2

0,8

19,8

zomereik

5,4

64,5

29,0

0,3

0,8

30,1

beuk

10,3

56,0

32,8

0,9

0,0

33,7

Amerikaanse eik

15,1

68,8

16,1

0,0

0,0

16,1

overige loofbomen

8,8

59,0

26,9

4,4

0,9

32,2

grove den

5,1

78,7

15,4

0,0

0,8

16,2

Corsicaanse den

8,4

61,3

29,7

0,6

0,0

30,3

overige naaldbomen

14,3

57,1

14,3

0,0

14,3

28,6

Tabel 16

Gemiddeld blad-/naaldverlies (%), standaardafwijking (s.a.) en mediaan, uitgesplitst naar type en soort gemiddeld bladverlies (%)

mediaan

s.a.

totaal

24,1

25

11,9

loofbomen

24,9

25

13,1

naaldbomen

23,1

20

10,1

zomereik

24,9

25

10,9

beuk

24,8

25

11,6

Amerikaanse eik

20,6

20

7,8

overige loofbomen

26,6

20

17,8

grove den

22,6

20

9,5

Corsicaanse den

24,4

25

9,9

overige naaldbomen

28,6

15

32,1

Tabel 17

Procentuele verdeling van de steekproefbomen in 10%-klassen (volgens blad-/naaldverlies)

blad-naaldverliesklasse

totaal

loofbomen

naaldbomen

zomereik

beuk

Am. eik

overige lbs.

grove den

Cors. den

overige nbs.

0-10%

7,2

8,1

6,0

5,4

10,3

15,1

8,8

5,1

8,4

14,3

11-20%

40,6

37,3

44,8

35,6

30,2

43,0

41,5

48,5

32,9

57,1

21-30%

40,4

39,6

41,5

44,1

44,0

35,4

30,8

40,9

44,6

14,3

31-40%

7,9

9,9

5,2

11,0

10,3

5,4

9,7

3,9

9,7

0,0

41-50%

1,8

2,3

1,2

2,3

3,4

1,1

2,2

0,6

3,2

0,0

51-60%

0,6

0,8

0,3

0,5

0,9

0,0

1,8

0,2

0,6

0,0

61-70%

0,1

0,1

0,2

0,0

0,0

0,0

0,4

0,0

0,6

0,0

71-80%

0,1

0,2

0,0

0,3

0,0

0,0

0,4

0,0

0,0

0,0

81-90%

0,3

0,5

0,0

0,0

0,0

0,0

1,8

0,0

0,0

0,0

91-100%

1,0

1,2

0,8

0,8

0,9

0,0

2,6

0,8

0,0

14,3

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 35 van 109


4.1.1.4

Gegevens per proefvlak

Het gemiddeld blad- of naaldverlies kan per proefvlak berekend worden, zonder rekening te houden met de boomsoort. In figuur 2 wordt het gemiddeld bladverlies in klassen weergegeven. Er zijn geen proefvlakken waar het gemiddelde beperkt blijft tot maximum 10% blad- of naaldverlies. In 48 van de 73 proefvlakken bedraagt het gemiddeld bladverlies van de steekproefbomen meer dan 10% en maximum en maximum 25% (gele kleur op de figuur). In ongeveer een derde van de proefvlakken ligt het gemiddelde boven de 25%-grens. Deze 25 beschadigde proefvlakken worden in tabel 18 opgesomd. De 23 proefvlakken met een gemiddeld bladverlies tussen 25% en 40% worden op de figuur in het rood aangegeven.

Er zijn twee proefvlakken met een gemiddeld bladverlies boven de 40% (zwarte kleur). Het gemiddelde is het hoogst in Bocholt (proefvlak 714). De zwarte elzen werden op een voormalig weiland aangeplant. Door een moerasherstelproject wijzigde de waterhuishouding. De meeste elzen zijn afgestorven door de verhoogde waterstand en infectie door elzenphytophthora (Phytophthora alni). Het proefvlak telt nog 15 steekproefbomen, waarvan twee afgestorven exemplaren. Er zijn ook 7 bomen met sterk bladverlies (> 60%). Er blijft slechts één niet-beschadigde boom over. Het gemiddeld bladverlies van de beoordeelde bomen bedraagt 68,9%. Ook in Merksplas bedraagt het gemiddelde meer dan 40% (proefvlak 601; 40,8%). Er werden 12 zomereiken en één Amerikaanse eik beoordeeld. Tien bomen zijn beschadigd, waaronder één afgestorven zomereik. Verder zijn er nog drie zomereiken met minstens 50% bladverlies. De gezondheidstoestand is in dit proefvlak al jaren slecht. Sinds 1992 stierven er in dit proefvlak in totaal al 7 zomereiken. Zowel abiotische als biotische factoren kunnen de gezondheidstoestand van de eiken beïnvloeden. Een exacte oorzaak van de sterfte is niet bekend.

Er zijn drie proefvlakken waar het gemiddeld bladverlies 30% à 40% bedraagt. Het proefvlak in Ravels (proefvlak 95001) werd in 2019 aan het meetnet toegevoegd. Het situeert zich in domeinbos en bestaat bijna uitsluitend uit beuk. De beuken vertonen vrij veel kroonsterfte. Het gemiddeld bladverlies in dit proefvlak bedraagt 33,7%. Twee derde van de bomen is beschadigd. De oorzaken zijn wellicht abiotisch, zoals ongunstige standplaatseigenschappen. In Schilde (proefvlak 512) zijn de steekproefbomen oudere beuken. Veel beuken zijn aangetast door tonderzwam (vooral echte tonderzwam, Fomes fomentarius). Al jaren worden af en toe zware beuken gekapt en afgevoerd, vaak na stormschade. Standplaats en beheer spelen een rol want hier was in het verleden wateroverlast in het perceel. De resterende bomen lijden onder zonnebrand en bodemverdichting. Er blijven nog 6 steekproefbomen over en vier daarvan worden als beschadigd beschouwd. Het gemiddeld bladverlies is 32,5%. Het proefvlak in Houthalen-Helchteren (proefvlak 711) situeert zich in een jong eikenbos. Er zitten 25 zomereiken in de steekproef en 13 daarvan zijn beschadigd. Het maximumbladverlies ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 36 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


bedraagt 50%. Veel eiken vertonen opvallende bladvraat. De bomen vormden nieuwe scheuten na vraat in het voorjaar maar de schade blijft merkbaar. Het gemiddeld bladverlies van de bomen bedraagt 30,2%.

Tabel 18

‘Beschadigde’ proefvlakken met gemiddeld bladverlies > 25%

proefvlak

plaats

bladverlies (gem. %)

714

Bocholt

68,9

601

Merksplas

40,8

95001

Ravels

33,7

512

Schilde

32,5

711

Houthalen-Helchteren

30,2

515

Zoersel

29,7

85069

Brecht

29,3

613

Ravels

29,2

514

Zandhoven

28,8

202

Sint-Laureins

28,1

513

Wuustwezel

27,5

324071

Zuurbemde

27,4

101

Wijtschate

27,1

811

Genk

26,9

213

Maldegem

26,9

312

Hoeilaart

26,7

111

Ieper

26,7

702

Kinrooi

26,2

906

Eksel

26,1

403

Averbode

25,9

910

Overpelt

25,8

604

Mol-Rauw

25,6

212

Kluisbergen

25,5

112

Torhout

25,5

303

Tervuren

25,4

In 20 proefvlakken ligt het bladverlies boven de 25%-grens maar blijft dit lager dan 30%. In deze categorie zitten drie naaldboomproefvlakken, namelijk Sint-Laureins (proefvlak 202), Averbode (proefvlak 403) en Overpelt (proefvlak 910). In Sint-Laureins en Averbode zijn de steekproefbomen grove dennen, in Overpelt bestaat de steekproef uit Corsicaanse dennen. In Averbode is er stormschade en sterfte. Het perceel kent geen normaal bosbeheer. Dat is in Sint-Laureins eveneens het geval. De grove dennen vertonen er opvallende naaldverkleuring en scheutsterfe, mogelijk door de schimmel Sphaeropsis sapinea. Er zijn ook droogtesymptomen in dit bestand, met ondermeer massale bladval van esdoorn. Ook in het Pijnven (proefvlak 910) worden droogtesymptomen waargenomen. De Corsicaanse dennen vertonen opvallende verkleuring van de oudste naalden, wellicht ten gevolge van droogte. Er is ook scheutsterfte door Sphaeropsis.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 37 van 109


De andere proefvlakken zijn loofboomproefvlakken. Enkele daarvan zijn gemengd. In die proefvlakken kunnen verschillende boomsoorten een hoog gemiddeld bladverlies veroorzaken. Een voorbeeld daarvan is Wijtschate (proefvlak 101), waar er naast twee beschadigde tamme kastanjes ook een beschadigde gewone esdoorn en een beschadigde populier in de inventaris zitten. Negen van de 20 proefvlakken met een bladverlies tussen 25% en 30% worden als eikenproefvlakken beschouwd. Daar zitten vier proefvlakken bij waar telkens verschillende steekproefbomen van andere boomsoorten beschadigd zijn. In Brecht (proefvlak 85069) zijn 7 zomereiken en 5 ruwe berken beschadigd, op een totaal van 22 bomen. In Maldegem (proefvlak 213) zijn dat 7 zomereiken en 4 ruwe berken, op een totaal van 24 bomen. In Zuurbemde en Ieper zijn nog andere soorten mee verantwoordelijk voor het hoge bladverlies. In Zuurbemde (proefvlak 324071) zijn 7 zomereiken en 2 essen beschadigd op een totaal van 19 bomen. In Ieper (proefvlak 111) gaat het over 4 zomereiken, 1 gewone esdoorn, 1 populier en 1 es. In het geval van zomereik is de schade niet het gevolg van de droogte. Dat geldt wel voor berk, populier en esdoorn. Het bladverlies wordt bij eik vaak door insectenaantasting bepaald (bladvraat), al dan niet in combinatie met meeldauwinfectie (Microsphaera alphitoides). Vaak spelen abiotische factoren een rol, zoals weersomstandigheden, standplaatseigenschappen, verandering van de grondwatertafel, beheer en exploitatie, luchtverontreiniging (depositie van polluenten)… Verschillende eikenproefvlakken vertonen al jaren een verminderde gezondheidstoestand (zie hoger, proefvlak Merksplas). Zandhoven (proefvlak 514) en Zoersel (proefvlak 515) zijn eikenproefvlakken met regelmatig terugkerende insectenvraat en meeldauwinfectie. De oorzaak van enkele kwijnende bomen in Zoersel is niet eenduidig vast te stellen. In Zoersel is er opvallende zaadzetting, dat is ook in Torhout (proefvlak 112) en Genk (proefvlak 811) het geval. In Zandhoven wordt dan weer geen zaadzetting waargenomen. In Kinrooi (proefvlak 702) is er al jarenlang vraat door eikenprocessievlinder (Thaumetopoea processionea). In 2020 was er voor het eerst sinds lang opvallend minder vraat. Geen enkele zomereik vertoonde kaalvraat. Toch werden in alle boomkronen spinselnesten waargenomen. De soort is er nog steeds aanwezig maar de vraatschade was minder erg in vergelijking met voorgaande jaren. Behalve Ravels en Schilde, worden er nog verschillende beukenproefvlakken als beschadigd aanzien: Kluisbergen (proefvlak 212), Tervuren (proefvlak 303), Hoeilaart (proefvlak 312) en Wuustwezel (proefvlak 513). In Wuustwezel wordt het gemiddelde opgetrokken door een sterk kwijnende beuk. Deze boom is nog net niet afgestorven (95% bladverlies). In deze proefvlakken gaat een ijlere bladbezetting gepaard met een verhoogde zaadzetting. In Kluisbergen is er in vergelijking met de andere proefvlakken meer aantasting door beukenspringkever (Rhynchaenus fagi). Tot slot zijn er nog enkele proefvlakken waar andere boomsoorten voor een hoog gemiddelde zorgen. Dat is in de eerste plaats in Ravels (proefvlak 613) het geval. Van de 32 beoordeelde tamme kastanjes zijn er 22 beschadigd. De bomen lijden onder de jaarlijkse droogte (2018, 2019, 2020). Er is bladvervorming, bladverkleuring, vroegtijdig bladverlies en vroegtijdige val van kastanjes. Bovendien neemt de aantasting door tamme-kastanjegalwesp (Dryocosmus kuriphilus) toe. De galwesp veroorzaakt bladvervorming, bladverkleuring en scheutsterfte. De slechte gezondheidstoestand wordt in de eerste plaats door de droogte veroorzaakt. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 38 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


In Mol-Rauw (proefvlak 604) zorgde een insectenaantasting voor een opvallende achteruitgang van de gezondheidstoestand. Alle elzen in dit proefvlak vertonen opvallende bladvraat en bruine bladverkleuring door elzenhaantje (Agelastica alni). De vraat komt zowel op zwarte els als op witte els voor (resp. Alnus glutinosa en Alnus incana). De aangetaste bladeren vertonen vaak vervorming. Het laatste proefvlak met een hoog gemiddelde is het proefvlak met Amerikaanse eik in het Pijnven (Eksel, proefvlak 906). Enkele eiken vertonen opvallende kroonsterfte. De oorzaak is onbekend.

Foto 4

Zwarte els met bladverkleuring en -vervorming in Mol-Rauw (proefvlak 604, juli 2020)

4.1.1.5

Bespreking per proefvlak voor de hoofdboomsoorten (min. 5 ex. per soort)

In 4.1.1.4. worden de gemiddelden per proefvlak weergegeven, zonder rekening te houden met de boomsoort. Per proefvlak kan per boomsoort ook het gemiddeld bladverlies berekend worden. Wanneer er in een proefvlak minstens 5 bomen van dezelfde boomsoort als steekproefboom aangeduid zijn, wordt het proefvlak voor deze boomsoort afzonderlijk beschouwd. Bij een minimumaantal van vijf exemplaren zijn er 31 proefvlakken met zomereik, 18 proefvlakken met grove den, 8 proefvlakken met beuk, 7 proefvlakken met Amerikaanse eik en 5 proefvlakken met Corsicaanse den. Wanneer het gemiddelde van de hoofdboomsoorten in die proefvlakken berekend wordt, worden opnieuw een aantal proefvlakken als beschadigd beschouwd. Dit gebeurt wanneer het gemiddeld blad- of naaldverlies in die proefvlakken en voor die soort meer dan 25% bedraagt (figuur 3). Er is geen enkel proefvlak met een gemiddeld bladverlies dat maximum 10% bedraagt (blauwe kleur). In de meeste proefvlakken bedraagt het gemiddelde meer dan 10% en maximum 25% (groene kleur) of tussen 25% en 40% (gele kleur).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 39 van 109


Er is slechts één proefvlak waar het gemiddeld bladverlies van een hoofdboomsoort meer dan 40% bedraagt. Dat is bij zomereik in Merksplas het geval (proefvlak 601). Van de 31 proefvlakken met zomereik zijn er 16 proefvlakken met een gemiddelde boven de 25% (51%). In 15 proefvlakken (48%) bedraagt het gemiddelde tussen 25% en 40%. Deze zijn met een oranje kleur op figuur 3 aangeduid. Het proefvlak met het hoogste gemiddelde staat in een rode kleur (3%). Bijna alle proefvlakken werden eerder al besproken bij de beschadigde proefvlakken. In de volgende proefvlakken bedraagt het algemeen gemiddeld bladverlies minder dan 25%, maar ligt het cijfer voor de eiken in het proefvlak daarboven: Halle (proefvlak 302, 2 afgestorven ex.), Perk (proefvlak 402), Tielt-Winge (proefvlak 415), Kapellen (proefvlak 501) en Pulle (proefvlak 508). Ook wat beuk betreft, zijn er veel proefvlakken met een hoog gemiddelde. Deze beschadigde proefvlakken werden eerder besproken. Van de 8 proefvlakken met beuk zijn er slechts 2 niet beschadigd: Ronse (proefvlak 215) en Putte (proefvlak 511). 75% van de proefvlakken haalt een gemiddelde tussen 25% en 40%. Er zijn niet veel proefvlakken met Corsicaanse den. De gezondheidstoestand is in het merendeel van de proefvlakken bevredigend, met een gemiddeld naaldverlies tussen 10% en 25% (60%). In twee proefvlakken bedraagt het gemiddeld naaldverlies meer dan 25% en minder dan 40%. Eén proefvlak ligt in het Pijnven (Overpelt, proefvlak 910). Het andere proefvlak situeert zich in de Hoge Vijvers in Arendonk (proefvlak 903). In Arendonk is de kroontoestand beter dan enkele jaren geleden. Verschillende Corsicaanse dennen vertonen schimmelinfectie, namelijk Sphaeropsis-scheutsterfte (Sphaeropsis sapinea) en/of rodebandjesziekte (Dothistroma septospora, syn. Scirhia pini). De kroontoestand van Amerikaanse eik is vrij goed. Dat blijkt ook uit de cijfers per proefvlak. In 6 van de 7 proefvlakken met Amerikaanse eik ligt het gemiddeld bladverlies tussen 10% en 25%. Enkel in het Pijnven (Eksel, proefvlak 906) ligt het gemiddelde daarboven (14%). Ook het gemiddeld naaldverlies van grove den is in de meeste proefvlakken laag. Er zijn slechts 2 proefvlakken op een totaal van 18 met een gemiddelde dat boven de 25% uitkomt (11%). Dat zijn de proefvlakken in Sint-Laureins en in Averbode (proefvlakken 202 en 403).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 40 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 2

Bosvitaliteitsinventaris 2020 - gemiddeld blad-/naaldverlies per proefvlak (INBO)


Figuur 3

Overzicht van het aandeel proefvlakken met een gemiddeld blad-/naaldverlies van de hoofdboomsoort in de categorieën 0-10%, >10-25%, >25-40% en >40% (minimumaantal bomen van de soort per proefvlak = 5)

Foto 5

Beschadigde zomereik in Beerse (Luisterborg, proefvlak 611, juli 2020)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 42 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


4.1.2 4.1.2.1

Symptomen en oorzaken Algemeen

Op alle delen van een boom kunnen symptomen van ziekte, aantasting of schade waargenomen worden (tabel 9). Hier wordt een overzicht gemaakt van de symptomen die het meest voorkomen. De omvang van een symptoom of de mate waarin een of andere vorm van schade voorkomt, komt later aan bod. Tijdens de waarnemingen wordt gezocht naar oorzaken van de aangetroffen symptomen. De diagnose is vaak moeilijk. Wanneer er bijvoorbeeld taksterfte optreedt of harsuitvloei aangetroffen wordt, is het niet evident om de juiste oorzaak te vinden. In tabel 19 worden de waargenomen symptomen weergegeven, samen met het aandeel bomen waarop de symptomen voorkomen. Een aantal symptomen komt regelmatig terug, zoals verkleuring, vraat, kroonsterfte en wonden. Vraat aan bladeren of naalden komt op 41,2% van de bomen voor. De omvang van de insectenvraat kan variëren, van beperkt en nauwelijks zichtbaar tot volledige kaalvraat. Na vraat volgt verkleuring als tweede belangrijkste symptoom. Het gaat daarbij om gele of bruine blad- of naaldverkleuring (30,3%). Op 3,0% van de bomen wordt bladvervorming waargenomen. Andere symptomen komen op de bladeren of naalden weinig of niet voor. Op scheuten, twijgen en takken komen nog verschillende andere symptomen voor. Bijna twee op de drie bomen vertoont sterfte van scheuten, twijgen of takken (65,5%). Kroonsterfte is daarmee het meest genoteerde symptoom. Daarnaast wordt bij 8,9% van de bomen takbreuk genoteerd. Dode en gebroken scheuten, twijgen of takken worden het meest opgemerkt. Daarna volgen takvervorming en wonden, met respectievelijk 2,5% en 1,9%. Van elke steekproefboom wordt ook de stam, de stamvoet en de wortelaanlopen gecontroleerd. Op meer dan een kwart van de bomen worden kleine of grotere wonden aangetroffen (26,0%). Daarnaast wordt regelmatig hars of slijm op de stammen waargenomen (14,9%). Meer dan 5% van de steekproefbomen vertoont vervorming of de aanwezigheid van insecten, respectievelijk 9,5% en 7,3%. Andere symptomen zijn zeldzamer, zoals bijvoorbeeld houtrot (3,0%), necrose (2,1%) of een dode kroontop (2,0%).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 43 van 109


Tabel 19

Percentage bomen met symptomen (totaal: 1474 bomen)

aangetast deel bladeren/naalden

takken/scheuten

stam

symptoom aangevreten verkleuring (geel, bruin) bladvervorming teken van aanwezigheid schimmels dood/afstervend gebroken vervorming wonden (ontschorsing, scheuren…) teken van aanwezigheid insecten teken van aanwezigheid schimmels ander teken harsuitvloei wonden (ontschorsing, scheuren…) harsuitvloei of slijmuitvloei vervorming (kanker, tumor, ribbels…) teken van aanwezigheid insecten kwijnend/rottend necrose (necrotische plekken) dode kroontop gekanteld (scheef) ander teken teken van aanwezigheid schimmels

aantal bomen 608 446 44 1 966 131 37 28 11 3 2 1 383 219 140 108 44 31 29 24 21 11

% 41,2 30,3 3,0 0,05 65,5 8,9 2,5 1,9 0,7 0,2 0,1 0,05 26,0 14,9 9,5 7,3 3,0 2,1 2,0 1,6 1,4 0,7

Zoals eerder vermeld, is er in veel gevallen onzekerheid over de oorzaak van de symptomen. Bij een waargenomen symptoom wordt vaak een ‘onbekende oorzaak’ opgegeven (76,5%, tabel 20). Symptomen die door insecten zijn veroorzaakt, worden wel meestal herkend. 46,5% van de steekproefbomen vertoont symptomen afkomstig van insecten. Symptomen van schimmelinfecties worden minder genoteerd (23,0%). Op minder dan een vijfde van de bomen is er abiotische schade (18,9%). Er zijn ook heel wat symptomen die door menselijke activiteit veroorzaakt worden (11,5%). Bomen worden beschadigd door vandalisme of tijdens beheerwerken, door voertuigen, exploitatiemachines of andere middelen. Bomen die gemerkt zijn om gekapt te worden, worden ook meegeteld (‘gehamerde’ of ‘geschalmde’ bomen). De invloed van luchtverontreiniging is moeilijk in te schatten omdat die in onze bossen zelden zichtbaar is aan bladeren, scheuten of andere boomdelen. Depositie van verzurende en vermestende polluenten hebben vooral een negatieve invloed via de bodem en de wortels. Ze verzwakken de bomen onrechtstreeks. Er is zelfs interactie mogelijk tussen luchtverontreiniging en andere schadefactoren. Bomen kunnen bijvoorbeeld onder invloed van stikstof sneller groeien, maar tijdens droge perioden meer droogtestress ondervinden. Abiotische factoren kunnen bomen ook gevoeliger maken voor ziekten en aantastingen. De invloed van luchtverontreiniging wordt in het Level 2 meetnet onderzocht. Dit meetnet voor intensieve opvolging van het bosecosysteem telt in Vlaanderen 5 meetlocaties.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 44 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Tabel 20

Belangrijkste groepen van oorzaken (totaal: 1474 bomen)

oorzaak (groep) onbekend insecten schimmels abiotische factoren schade door de mens vraat (wild, vee) andere factoren

aantal bomen 1128 685 339 278 170 23 13

% 76,5 46,5 23,0 18,9 11,5 1,6 0,9

Sterfte van scheuten, twijgen of takken is een symptoom dat bij elke boomsoort terugkomt (tabel 21). Ook andere symptomen, zoals wonden en verkleuring komen in (bijna) alle substeekproeven terug. Insectenvraat is eerder typisch voor de loofbomen. Kroonsterfte is het meest voorkomende symptoom bij beuk. 80,2% van de bomen heeft afgestorven scheuten, twijgen of takken. De omvang van de schade blijft meestal beperkt. De helft van de bomen vertoont bladvraat, maar ook vooral in lichte mate (50,9%). Op bijna de helft van de beukenstammen worden wonden aangetroffen, variërend van inkervingen tot scheuren of ontschorsing. Tot slot is er bij ongeveer een derde van de bomen bruine bladverkleuring (31,9%) en bijna een vijfde van de bomen vertoont vervorming van bladeren, stam of takken (19,8%). Bij zomereik is bladvraat het belangrijkste symptoom (87,7%). Het aandeel bomen met kroonsterfte is eveneens hoog (67,7%). Andere symptomen worden veel minder genoteerd. Een kwart van de eiken vertoont bruine bladverkleuring (24,4%). Vervorming en wonden vervolledigen de top vijf met de meest voorkomende symptomen (respectievelijk 17,7% en 17,4%). Ook bij Amerikaanse eik zijn kroonsterfte (78,5%) en bladvraat (66,7%) de belangrijkste symptomen. Bijna een kwart van de bomen vertoont ontschorsing of andere wonden (23,7%). Andere symptomen worden minder waargenomen, zoals vervorming (14,0%) of houtrot (8,6%). De groep ‘overige loofboomsoorten’ telt een breed gamma aan soorten maar ook hier komen dezelfde symptomen terug. Kroonsterfte wordt het vaakst genoteerd (67,8%), gevolgd door bladvraat (59,9%). Ongeveer een derde van de bomen vertoont wonden (33,9%). Dat geldt ook voor vervorming van bladeren, takken of de stam (33,5%). Bruine bladverkleuring vervolledigt de top vijf met de vaakst genoteerde symptomen (21,6%). Bij de naaldboomsoorten komen andere symptomen naar voor. Wat grove den betreft, komt kroonsterfte op de eerste plaats. Net als bij de loofbomen vertoont een aanzienlijk deel van de bomen wonden (36,8%). Het aandeel bomen met harsuitvloei is bij grove den opvallend groot (31,3%) en takbreuk komt ook regelmatig voor (13,2%). Bruine naaldverkleuring vervolledigt het lijstje met de meest voorkomende symptomen (11,7%).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 45 van 109


Corsicaanse den vertoont amper takbreuk en er zijn veel minder bomen met wonden of harsuitvloei, respectievelijk 2,6% en 3,9%. Op meer dan de helft van de steekproefbomen wordt gele naaldverkleuring of kroonsterfte waargenomen (respectievelijk 51,6% en 51,0%). Bruine naaldverkleuring wordt veel minder genoteerd (5,8%). De verschillende symptomen worden hierna meer in detail per boomsoort besproken. Daarbij wordt ook gekeken naar de omvang en de mogelijke oorzaken van de symptomen.

Tabel 21

Belangrijkste symptomen per boomsoort (totaal aantal bomen per soort tussen haakjes) boomsoort (n)

beuk (116)

zomereik (390)

Amerikaanse eik (93)

aantal bomen

%

dood/afstervend (takken, scheuten)

symptoom

93

80,2

bladvraat

59

50,9

wonden (ontschorsing, scheuren,…)

53

45,7

bladverkleuring (bruin)

37

31,9

vervorming (bladeren, stam, takken)

23

19,8

bladvraat

342

87,7

dood/afstervend (takken, scheuten)

264

67,7

bladverkleuring (bruin)

95

24,4

vervorming (bladeren, stam, takken)

69

17,7

wonden (ontschorsing, scheuren,…)

68

17,4

dood/afstervend (takken, scheuten)

73

78,5

bladvraat

62

66,7

wonden (ontschorsing, scheuren,…)

22

23,7

vervorming (bladeren, stam, takken)

13

14,0

houtrot overige loofboomsoorten (227)

Corsicaanse den (155)

grove den (486)

8

8,6

dood/afstervend (takken, scheuten)

154

67,8

bladvraat

136

59,9

wonden (ontschorsing, scheuren,…)

77

33,9

vervorming (bladeren, stam, takken)

76

33,5

bladverkleuring (bruin)

49

21,6

naaldverkleuring (geel)

80

51,6

dood/afstervend (takken, scheuten)

79

51,0

naaldverkleuring (bruin)

9

5,8

harsuitvloei

6

3,9

wonden (ontschorsing, scheuren,…)

4

2,6

dood/afstervend (takken, scheuten)

304

62,6

wonden (ontschorsing, scheuren,…)

179

36,8

harsuitvloei

152

31,3

gebroken (takbreuk)

64

13,2

naaldverkleuring (bruin)

57

11,7

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 46 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


4.1.2.2

Verkleuring

Tal van factoren zorgen er voor dat bladeren of naalden verkleuren. Door langdurige droogte kan er vroeger dan normaal herfstverkleuring optreden. Bladeren verkleuren dan geel of bruin en vallen vroegtijdig. De bladeren kunnen ook vervormd worden en opkrullen of verwelken. Ook schimmels, insecten of andere biotische factoren kunnen verkleuring van naalden of bladeren veroorzaken. Meeldauw (Microsphaera alphitoides) is een bladschimmel die zowel geel- als bruinverkleuring veroorzaakt (zie 4.1.2.4 ‘schimmels’). Rodebandjesziekte (Dothistroma septosporum, syn. Scirrhia pini) veroorzaakt bruine naaldverkleuring. De larven van beukenspringkever (Rhynchaenus fagi) vreten gangen binnenin het blad waardoor er bruine bladverkleuring optreedt. Ook luchtverontreiniging en een onevenwichtige voedingstoestand in bladeren of naalden kunnen oorzaken van verkleuring zijn. 30,3% van de bomen vertoont blad- of naaldverkleuring (tabel 19). Verkleuring wordt als ernstig aanzien wanneer meer dan 10% van de kroon verkleuring vertoont. Dat is in 2020 bij 7,1% van de steekproefbomen het geval (tabel 22). Er is ongeveer evenveel ernstige gele verkleuring als bruine blad- of naaldverkleuring (respectievelijk 3,7% en 3,4%). Ernstige bladverkleuring komt bij loofbomen vaker voor dan ernstige naaldverkleuring bij naaldbomen, respectievelijk bij 7,6% en 6,5%. Het grootste aandeel bomen met abnormale bladverkleuring komt in de groep ‘overige loofboomsoorten’ voor (12,8%). Ook bij beuk (9,5%) en zomereik (5,9%) vertoont meer dan 5% van de steekproefbomen opvallende bladverkleuring. Bij de naaldboomsoorten is het vooral Corsicaanse den die naaldverkleuring vertoont. 18,7% van de Corsicaanse dennen vertoont abnormale verkleuring in de kroon. Bij grove den is dat slechts 2,7%. Bij de loofboomsoorten wordt bruine bladverkleuring het meest genoteerd. Zowel bij beuk, zomereik als de groep ‘overige loofboomsoorten’ is bladverkleuring één van de meest genoteerde symptomen. Bij grove den is dat bruine naaldverkleuring en bij Corsicaanse den gele naaldverkleuring (tabel 21). Voor het totaal van alle naaldbomen is het aandeel bomen met gele naaldverkleuring het grootst. In de groep ‘overige loofbomen’ zijn meer dan de helft van de bomen met ernstige verkleuring elzen of tamme kastanjes. In Mol-Rauw (proefvlak 604) werd ernstige vraat door elzenhaantjes vastgesteld (Agelastica alni). De larven skeletteren het blad door enkel het bladmoes op te eten, waarna het blad met de resterende bladnerven bruin verkleurt en vervormt. In het proefvlak groeien zowel zwarte als witte elzen (Alnus glutinosa en A. incana) en beide soorten worden door de elzenhaantjes aangetast. In Ravels (proefvlak 613) wordt voor het derde opeenvolgende jaar ernstige bladverkleuring van tamme kastanje vastgesteld. De verkleuring is het gevolg van langdurige droogte en gaat gepaard met bladvervorming en vervroegde bladval. Bij andere ‘overige loofboomsoorten’ zijn er een beperkt aantal exemplaren met verkleuring, zoals wintereik en populier. Bladverkleuring is bij beuk vaak het gevolg van abiotische factoren. Droogte, al dan niet in combinatie met ongunstige standplaatsfactoren veroorzaken bladverkleuring in verzwakte beukenpercelen. In Kluisbergen (proefvlak 212) werd in 2020 ook opvallende verkleuring door beukenspringkever vastgesteld. Bij zomereik valt het aandeel bomen met ernstige verkleuring mee omdat er op het tijdstip van de beoordelingen weinig meeldauwinfectie was (zie verder). Bij Amerikaanse eik werd geen abnormale bladverkleuring vastgesteld.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 47 van 109


Ernstige naaldverkleuring komt bij grove den bijna uitsluitend in één proefvlak voor. In SintLaureins (proefvlak 202) is er opvallende bruinverkleuring. Er zijn in dit proefvlak al lang opvallende droogtesymptomen zichtbaar, vooral aan de kruid- en struiklaag. De laatste jaren is er opvallend vroege bladval van esdoorn. Er is ook sterfte van vlier. Het proefvlak kent geen normaal bosbeheer. De droogtestress kan in combinatie met andere factoren voor een slechtere gezondheidstoestand van de dennen gezorgd hebben. In het Pijnven wordt er ernstige geelverkleuring van de oudste naalden van Corsicaanse den vastgesteld, vaak tot hoog in de kroon (proefvlakken 904 en 910). Ook hier is droogte een aannemelijke oorzaak. De oudste naaldjaargang verkleurt normaal gezien pas in de herfst maar tijdens langdurige droogte kan de verkleuring vroeger ingezet worden. Bij infectie door rodebandjesziekte verkleuren de naalden bruin en is er vooral in het onderste deel van de kroon verkleuring. Ernstige bruinverkleuring werd in 2020 niet waargenomen. Er is minder verkleuring in vergelijking met de voorgaande inventaris. In 2019 werd op 45,9% van de bomen bladverkleuring opgemerkt. Bij 10,7% van de bomen was de verkleuring opvallend. Toen was er meer ernstige bladverkleuring bij zomereik (25,4%), Amerikaanse eik (3,3%) en grove den (5,9%). Omgekeerd is de verkleuring toegenomen bij beuk, de ‘overige loofboomsoorten’ en Corsicaanse den. In 2019 was het aandeel bomen met ernstige verkleuring in deze groepen respectievelijk 7,3% , 9,4% en 1,2%. Voor het totaal van alle loofbomen is het aandeel bomen met ernstige bladverkleuring met 8 procentpunten gedaald. Bij het totaal van alle naaldbomen is er echter een lichte toename met 1,8 procentpunten. Deze toename wordt veroorzaakt door het gestegen aandeel Corsicaanse dennen met verkleuring. Vaak is het moeilijk om droogtesymptomen te onderscheiden van andere factoren die de bladkleur beïnvloeden. Mogelijks wordt als reden ‘onbekend’ opgegeven en speelt droogte toch een rol. Het aandeel bomen waarbij enkel droogte als oorzaak wordt genoteerd, is in de bosvitaliteitsinventaris toegenomen in vergelijking met 2019. Er wordt zelfs meer ernstige verkleuring aan droogte toegewezen in vergelijking met 2018. 2018 was nog droger dan 2019 en 2020 maar uit de beoordeling van blad- of naaldverkleuring van de volwassen steekproefbomen kan dit niet geconcludeerd worden. De ergste droogtesymptomen werden in 2018 vooral aan de kruidlaag en de struiklaag opgemerkt.

Tabel 22

Percentage bomen met meer dan 10% van de kroon verkleurd (ernstige verkleuring) abnormale verkleuring (%) totaal

7,1

loofbomen

7,6

naaldbomen

6,5

zomereik

5,9

beuk

9,5

Amerikaanse eik

0,0

overige loofboomsoorten

12,8

grove den

2,7

Corsicaanse den

18,7

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 48 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


4.1.2.3

Insecten

Insecten kunnen op verschillende manieren de gezondheidstoestand van bomen beïnvloeden. Dat kan enerzijds via bladvraat of bladverkleuring maar anderzijds ook minder opvallend, bijvoorbeeld via boorgangen in het hout. Hier wordt een onderscheid gemaakt tussen bladvraat enerzijds en ‘andere tekenen van insecten’ anderzijds. Bladvraat heeft een rechtstreeks effect op de inschatting van het bladverlies. Bij de aanwezigheid van boorgaten, boormeel, spinselnesten, aangetroffen larven… is er een minder sterke correlatie met het geschatte bladverlies. Kevers, bladwespen en vlinders zijn insecten waarvan de larven of de volwassen insecten aan de bladeren vreten. Voorbeelden van bladvretende keversoorten zijn haantjes (Chrysomelidae) of snuitkevers, zoals beukenspringkever (Rhynchaenus fagi). Bij de vlinders zijn het vooral nachtvlinders die bomen als waardplant hebben. Het meest bekend zijn de vele nachtvlindersoorten die op eik leven, zoals eikenprocessievlinder (Thaumetopoea processionea), kleine en grote wintervlinder (Operophtera brumata, Erannis defoliaria), plakker (Lymantria dispar), groene eikenbladroller (Tortrix viridana)… Wintervlinder en eikenbladroller vreten aan het blad van zodra dit uit de bladknoppen komt. Massale vraat door eikenprocessievlinder komt wat later tijdens het voorjaar voor. Kaalvraat komt niet alleen bij eik voor. Soorten als wintervlinder hebben een lange lijst van waardplanten. Zomereik is in het meetnet wel de soort waarop het meest insectenvraat wordt vastgesteld. Bladvraat wordt jaarlijks vastgesteld maar er zijn duidelijke verschillen tussen de jaren. Vraat is dan ook een belangrijke bron van variatie wat de kroontoestand van de bomen betreft. In het geval van zomereik is de mate van infectie door eikenmeeldauw ook van belang (zie verder). Insecten hebben altijd een rol in het bosecosysteem gespeeld. Ze zijn er een essentieel onderdeel van. Veel rupsen vreten aan de bladeren bij het ontluiken in de lente. Net op dat moment zijn de rupsen een belangrijke voedingsbron voor insectenetende vogels, zoals mezen. In principe profiteren insectensoorten die op bomen leven van goede weersomstandigheden. De levenscycli worden sneller doorlopen en de soorten verspreiden zich gemakkelijker. Dat is zeker zo als de weersomstandigheden goed zijn tijdens de vliegperiode van de volwassen insecten. Omdat het blad vooral in de lente aangevreten wordt, kunnen bomen tijdens de zomer herstellen van de vraat. Eiken vormen een tweede groeischeut, het zogenaamde Sint-Janslot. Deze scheuten ontwikkelen zich nadat de rupsen verdwenen zijn. Deze nieuw gevormde bladeren zijn wel gevoelig voor eikenmeeldauw. De bladvraat van het voorjaar blijft herkenbaar in de zomermaanden. Bomen herstellen moeilijk van latere vraat, zoals in het geval van aantasting door eikenprocessierupsen.

41,2% van de bomen vertoont symptomen van vraat aan bladeren of naalden (tabel 19). Het gaat vooral om bladvraat, naaldvraat komt weinig voor. Het aandeel bomen dat ernstige vraat vertoont, is veel kleiner (6,6%, tabel 23). Ernstige bladvraat wordt op 11,7% van de loofbomen waargenomen en lichte bladvraat op 60,8%. Bij naaldbomen is er enkel lichte naaldvraat (1,4%).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 49 van 109


Op 46,5% van de bomen worden symptomen waargenomen die veroorzaakt worden door insecten (tabel 20). Het gaat vooral om bladvraat en in mindere mate over andere ‘tekenen van aanwezigheid van insecten’, zoals boormeel, boorgangen of spinselnesten. Het aandeel zomereiken en Amerikaanse eiken met bladvraat is zeer hoog, respectievelijk 87,7% en 66,7% (tabel 21). Bij zomereik is dit het meest genoteerde symptoom. Na de eiken volgen de ‘overige loofboomsoorten’ en beuk, met respectievelijk 59,9% en 50,9% bomen met bladvraat. Lichte bladvraat door beukenspringkever (Rhynchaenus fagi) werd in 2020 regelmatig opgemerkt. Ernstige bladvraat betekent dat meer dan 10% van de bladoppervlakte in de kroon verdwenen is door vraat. 22,8% van de zomereiken vertoont opvallende insectenvraat. Bij de andere boomsoorten blijft het aandeel bomen met ernstige vraat beperkt, zoals bij beuk (0,9%) of de groep ‘overige loofboomsoorten’ (3,1%). Ernstige bladvraat was er voor beuk enkel in Kluisbergen (proefvlak 212). Er waren in 2020 geen Amerikaanse eiken met opvallende bladvraat. Ongeveer één zomereik op vijf vertoont ernstige bladvraat. Vaak is dat in proefvlakken met een hoog gemiddeld bladverlies (tabel 18). De zomereikenproefvlakken met een hoge score voor het bladverlies en ernstige insectenvraat zijn Ieper (proefvlak 111), Maldegem (proefvlak 213), Zandhoven (proefvlak 514), Zoersel (proefvlak 515), Merksplas (proefvlak 601) en Houthalen-Helchteren (proefvlak 711).

Het aandeel bomen met bladvraat is licht afgenomen in vergelijking met 2019. Toen was er lichte bladvraat op 38,4% van de bomen en 6,9% vertoonde ernstige vraat. Het aandeel bomen met opvallende bladvraat is licht toegenomen voor beuk en de ‘overige loofboomsoorten’. Het aandeel zomereiken met ernstige vraat is afgenomen maar blijft hoog. In 2019 vertoonde een kwart van de zomereiken ernstige vraat (25,7%), in 2020 iets minder (22,8%). Dat blijft een hoger cijfer dan in de periode 2016-2018. In 2016 en 2018 bleef het aandeel eiken met sterke vraat onder de 10%, respectievelijk 9,0% en 8,9%. In 2017 was dat 14,6%. Het zomereikenproefvlak in Kinrooi (proefvlak 702) kent een aparte situatie. De eiken in dit proefvlak werden jarenlang ernstige aangevreten door eikenprocessierupsen. In 2020 was er voor het eerst sinds jaren enkel lichte vraat op de steekproefbomen. In alle bomen werden nog steeds spinselnesten van eikenprocessievlinder aangetroffen, maar de bladvraat bleef voor het eerst sinds lang beperkt.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 50 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Tabel 23

Procentuele verdeling van de steekproefbomen volgens insectenaantasting % bomen met bladvraat beperkte vraat

ernstige vraat ( >10%)

totaal

34,7

6,6

loofbomen

60,8

11,7

naaldbomen

1,4

0,0

zomereik

64,9

22,8

beuk

50,0

0,9

Amerikaanse eik

66,7

0,0

overige loofboomsoorten

56,8

3,1

grove den

1,9

0,0

Corsicaanse den

0,0

0,0

‘Tekenen van de aanwezigheid van insecten’ komen vooral op de stam voor (7,3%, tabel 24). Slechts 0,7% van de bomen vertoont dit symptoom op takken of scheuten. Er zijn, in vergelijking met bladvraat, minder andere waarnemingen van de aanwezigheid van insecten op de steekproefbomen. De bekendste sporen van insecten zijn uitvlieggaten of boormeel van schorskevers of andere houtborende insecten. Ook eipakketjes, larven, imago’s of spinselnesten kunnen op de stam aangetroffen worden. Opnieuw wordt de aanwezigheid van insecten meer op loofbomen dan op naaldbomen vastgesteld, respectievelijk op 10,7% en 3,1% (tabel 24). Op Corsicaanse den worden geen tekenen van de aanwezigheid van insecten waargenomen. Op grove den is dat op 4,1% van de steekproefbomen. Het gaat bijna uitsluitend over boorgaten of boormeel. Verschillende keversoorten maken boorgangen in het dennenhout: dennenscheerder (Tomicus piniperda), blauwe dennenprachtkever (Phaenops cyanea), zestand-dennenschorskever (Ips sexdentatus), gewone dennenboktor (Rhagium inquisitor)… Wat de loofboomsoorten betreft, wordt dit symptoom opnieuw het meest bij zomereik genoteerd (13,8%). Op verschillende eiken worden uitvlieggaten van eikenprachtkever genoteerd (Agrilus biguttatus, syn. Agrilus pannonicus). Maar meer dan sporen van houtborende insecten, worden er sporen van eikenprocessievlinder waargenomen. Ongeveer drie kwart van de tekenen van insecten op eiken betreft spinselnesten van eikenprocessievlinder. Deze bolvormige of langwerpige nesten bevatten rupsen, vervellingshuiden en uitwerpselen van rupsen. De vlinders verpoppen ook in deze nesten. Het aantal proefvlakken met nesten van eikenprocessierupsen neemt al 5 jaar na elkaar toe. Vooral na de warme en droge zomer van 2018 werden opvallend meer bomen met spinselnesten aangetroffen. In 2016 was er slechts één eikenproefvlak met spinselnesten, met name in Kinrooi (proefvlak 702, 3,3% van de eikenproefvlakken). Dit aandeel steeg geleidelijk, van 6,7% in 2017 naar 9,7% in 2018 (eikenproefvlak = min. 3 zomereiken per proefvlak). In 2019 werd in 10 proefvlakken de aanwezigheid van eikenprocessievlinder vastgesteld (32,3%) en in 2020 nam dit nog verder toe tot 14 eikenproefvlakken (42,4%). Ook het aantal bomen ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 51 van 109


met spinselnesten nam toe. In 2020 waren er 49 eiken met nesten op de stam of aan de takken (12,6%). In de proefvlakken in Oost- en West-Vlaanderen worden nog geen eikenprocessierupsen aangetroffen, hoewel de soort in Oost-Vlaanderen al een tijdje aanwezig is. Op Amerikaanse eik worden veel minder tekenen van de aanwezigheid van insecten aangetroffen (4,3%). Er zijn iets meer beuken en ‘overige loofboomsoorten’ met sporen van insecten, respectievelijk 9,5% en 8,4%. In het geval van beuk betreft het in verschillende proefvlakken de aanwezigheid van wollige beukenstamluis (Cryptococcus fagisuga). Naast boorgaten van insecten, wordt in de inventaris ook de aanwezigheid van plakker (Lymantria dispar) vastgesteld. Het vrouwtje van deze nachtvlindersoort zet eipakketjes op de stam af en bedekt die met lichaamsharen. Dat gebeurt op verschillende loofboomsoorten. In tegenstelling tot 2019, werden in het Pijnven amper verse eipakketjes van plakker op Amerikaanse eik aangetroffen. In vergelijking met 2019 neemt het aandeel bomen met tekenen van de aanwezigheid van insecten af, van 8,5% naar 7,3%. Dat is enkel bij loofbomen het geval (13,6% in 2019). Bij naaldbomen stijgt het aandeel van 2,1% naar 3,1%. Dat komt door het toegenomen aandeel grove dennen met boorgaatjes van insecten (van 2,9% naar 4,1%). De toename was opvallend in Hertsberge (proefvlak 103) en Gellik (proefvlak 803). Bij zomereik is er een zeer lichte toename, van 13,1% naar 13,8%. Dat is te wijten aan het toegenomen aantal bomen met spinselnesten van eikenprocessievlinder. Het aandeel neemt af bij de andere loofboomsoorten. Het aandeel bomen met tekenen van de aanwezigheid van insecten bedroeg in 2019 voor beuk 10,6%, voor Amerikaanse eik 21,7% en voor de ‘overige loofboomsoorten’ 12,8%. De laatste zomers waren gunstig voor warmteminnende insecten, zeker voor schorskevers, prachtkevers en eikenprocessievlinder. De inventaris van 2021 zal uitwijzen hoe het aandeel bomen met insectenaantasting verder verloopt.

Tabel 24

Percentage bomen met (sporen van) insecten op de stam aanwezigheid insecten op de stam (%) totaal

7,3

loofbomen

10,7

naaldbomen

3,1

zomereik

13,8

beuk

9,5

Amerikaanse eik

4,3

overige loofboomsoorten

8,4

grove den

4,1

Corsicaanse den

0,0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 52 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


4.1.2.4

Schimmels

De meest opvallende schimmels zijn de soorten die paddenstoelen vormen, meestal op de stam of op de stamvoet. De vruchtlichamen kunnen ook op de takken of de wortels aangetroffen worden. Veel soorten leven enkel op dood hout, andere zijn parasitair. Sommige endofyten leven in de boom maar worden pas schadelijk als de boom stress ondervindt, bijvoorbeeld door droogte. Er zijn ook soorten die de gezondheidstoestand van een boom positief beïnvloeden en in symbiose met de boomwortels leven. Dat zijn de zogenaamde mycorrhiza-schimmels. Zij helpen de boom om via de wortels voldoende water op te nemen, inclusief de nodige voedingsstoffen. Ziekteverwekkende schimmels zijn vaak onopvallend. Ze veroorzaken blad- of naaldverkleuring, vervorming of verwelking en verdorring. Dat kan resulteren in vroege bladval, scheutsterfte of taksterfte. Schimmelinfecties kunnen dus alle delen van een boom aantasten, van de wortels tot de bladeren. Sommige schimmels tasten zowel het blad als de scheuten en de takken aan, zoals essenziekte (Hymenoscyphus fraxineus) en elzenphytophthora (Phytophthora alni). Er zijn schimmels die kankers veroorzaken, bijvoorbeeld takkanker op beuk (Nectria ditissima). De kankers kunnen op zich weer aanleiding tot taksterfte geven. Zelfs hars- of slijmuitvloei kan het gevolg van een schimmelinfectie zijn. Bladschimmels veroorzaken enkel bladverkleuring en vroege bladval. Ze lijken onschuldig maar kunnen bomen verzwakken zodat ze gemakkelijker door andere organismen aangetast worden. Schimmels die vroege bladval veroorzaken, hebben samen met schimmels die kroonsterfte veroorzaken, een directe invloed op de kroonbeoordeling, met name op de schatting van het blad- of naaldverlies. Er zijn ook schimmels waarvan de relatie met het bladverlies niet eenduidig vast te leggen is. Wanneer aan de stamvoet rhizomorfen (gebundelde zwamdraden) van honingzwam (Armillaria spp.) aangetroffen worden, bestaat de kans dat de boom door deze schimmel geïnfecteerd wordt en na verloop van tijd kroonsterfte zal vertonen. Het kan ook dat een schimmelinfectie vooral de wortels aantast, en dat een boom omwaait terwijl de kroonsterfte nog beperkt is. De aanwezigheid van houtrottende schimmels wordt enkel genoteerd als ‘teken van aanwezigheid van schimmels’. Wanner meeldauwinfectie op eik enkel als witte bepoedering van het blad wordt waargenomen (mycelium), wordt dit ook als ‘teken van aanwezigheid van schimmels’ genoteerd. Wanneer eikenmeeldauw ook gele of bruine bladverkleuring veroorzaakt, wordt enkel deze verkleuring genoteerd. Eikenmeeldauw kan ook bladvervorming en in extreme gevallen scheutsterfte veroorzaken. Omdat verkleuring en kroonsterfte door nog andere organismen veroorzaakt worden, is het vaak moeilijk om de juiste oorzaak exact vast te stellen. Op het terrein wordt daarom dikwijls ‘onbekend’ als schadefactor genoteerd. Toch vertoont 23,0% van de bomen symptomen die toegewezen worden aan schimmels (tabel 20). Dat is minder dan insecten maar meer dan abiotische of andere factoren. 10,9% van de bomen vertoont verkleuring die te wijten is aan schimmels (tabel 25). Op 9,3% van de bomen is er slechts lichte blad- of naaldverkleuring. Bij 1,6% van de boomkronen is meer dan 10% van de kroon verkleurd door schimmelinfectie.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 53 van 109


Er is bij loofbomen het meest verkleuring door schimmelinfecties. Bij 15,5% van de loofbomen is de verkleuring beperkt en bij 2,8% is er abnormale bladverkleuring door schimmels. Bij naaldbomen is er enkel lichte verkleuring door schimmels (1,4%). Bladverkleuring door schimmelinfectie wordt het meest bij zomereik en beuk waargenomen. Ongeveer 30% van de zomereiken vertoont bladverkleuring die aan schimmels toegeschreven wordt. De verkleuring blijft meestal beperkt (24,9%). Ernstige verkleuring komt veel minder voor (5,4%). Gele of bruine bladverkleuring is meestal het gevolg van infectie door eikenmeeldauw (Microsphaera alphitoides), hoewel ook andere schimmels verkleuring kunnen veroorzaken (bv. Discula umbrinella). De mate van infectie houdt meestal verband met andere factoren. Voldoende vochtige weersomstandigheden verergeren de infectie. Wanneer er veel voorjaarsvraat is, neemt de kans op ernstige meeldauwinfectie ook toe. Dat komt omdat jonge scheuten die zich na de vraat ontwikkelen, gevoelig zijn voor meeldauw. In 2020 was er weinig infectiedruk. Droge weersomstandigheden beperken ook de infectiedruk van andere schimmels, zoals populierenroest (Melampsora larici-populina) en essenziekte. 19,8% van de beuken vertoont lichte bladverkleuring door schimmels maar er is geen enkele boom met ernstige verkleuring. De bladvlekkenziekte Apiognomonia errabunda (synoniem Discula umbrinella) veroorzaakt bruine bladverkleuring en vervroegde bladval. De infectie bleef in 2020 beperkt. Het aandeel ‘overige loofboomsoorten’ met bladverkleuring door schimmels blijft beperkt tot 3,5% met lichte verkleuring en 0,9% met ernstige verkleuring. Op Amerikaanse eik werd geen verkleuring door schimmels aangetroffen. Sphaeropsis-infectie veroorzaakt bruine naaldverkleuring die overgaat in scheutsterfte. Enkel de scheutsterfte wordt genoteerd (zie verder). Infectie door de rodebandjesziekte (Dothistroma septosporum, syn. Scirrhia pini) wordt wel als verkleuring genoteerd. Er ontstaat eerst een bandvormige verkleuring op de naalden, die later volledig bruin verkleuren en afsterven. Naaldverkleuring wordt bij grove den wel waargenomen, maar schimmels worden niet als mogelijke oorzaak opgegeven. Dat gebeurt wel bij Corsicaanse den. 5,8% van de Corsicaanse dennen vertoont naaldverkleuring te wijten aan schimmels. Ernstige naaldverkleuring komt niet voor. Bomen die geïnfecteerd zijn door rodebandjesziekte, verliezen de aangetaste naalden in het voorjaar. Tijdens de kroonbeoordelingen vertaalt deze infectie zich vooral in naaldverlies, minder in naaldverkleuring. Het zijn de oudste naalden die geïnfecteerd worden, vaak onderaan in de boomkroon.

Foto 6

Ruwe berken en zomereiken in Maldegem (Krayeloo, proefvlak 213, augustus 2020)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 54 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Het aandeel bomen met verkleuring door schimmelinfectie neemt af in vergelijking met de voorgaande inventaris. In 2019 was er lichte blad- of naaldverkleuring bij 12,3% van de bomen en 6,1% vertoonde ernstige verkleuring. De afname valt vooral bij zomereik op. Er was in 2019 lichte verkleuring op 42,9% en opvallende verkleuring op 24,3% van de eiken. Zowel in 2018 als in 2020 was het aandeel bomen met ernstige verkleuring door schimmels veel kleiner, respectievelijk 3,1% en 5,4%. Alles wijst op meer meeldauwinfectie in 2019 ten opzichte van het jaar ervoor en erna. Het aandeel bomen met lichte verkleuring neemt bij beuk toe. Bij de ‘overige loofboomsoorten’ is er eveneens een toename van verkleuring. Bij Corsicaanse den is er anderzijds een afname van het aandeel bomen met naaldverkleuring door schimmels.

Tabel 25

Percentage bomen met verkleuring door schimmelinfectie verkleuring door schimmels (%) licht

ernstig (> 10%)

totaal

9,3

1,6

loofbomen

15,5

2,8

naaldbomen

1,4

0,0

zomereik

24,9

5,4

beuk

19,8

0,0

Amerikaanse eik

0,0

0,0

overige loofboomsoorten

3,5

0,9

grove den

0,0

0,0

Corsicaanse den

5,8

0,0

Op 1,0% van de bomen zijn er ‘tekenen van de aanwezigheid van schimmels’. 0,7% van de bomen vertoont rhizomorfen van honingzwam of vruchtlichamen van houtrotters op de stam of de wortelaanlopen. Op de takken worden vruchtlichamen nog minder waargenomen (0,2%). Ook witte bepoedering van bladeren door eikenmeeldauw wordt zelden genoteerd (0,3% van de zomereiken). Rhizomorfen van honingzwam worden op enkele essen en een zomereik waargenomen. Op een drietal zomereiken komen vruchtlichamen van echte tonderzwam (Ungulina fomentaris) voor. Er zijn ook waarnemingen van berkenzwam (Piptoporus betulinus) en waaiertje (Schizophyllum commune), respectievelijk op ruwe berk en zomereik. Het aandeel bomen met tekenen van de aanwezigheid van schimmels blijft gelijk met de vorige inventaris.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 55 van 109


4.1.2.5

Kroonsterfte

Sterfte van scheuten, twijgen of takken wordt veroorzaakt door abiotische en/of biotische factoren. In het geval van extreme weersomstandigheden en ongunstige standplaatseigenschappen is er sprake van primaire factoren die de gezondheidstoestand beïnvloeden. Daarna komen vaak secundaire factoren (vb. schorskevers) die de bomen verder aantasten en scheut-, twijg- of taksterfte doen toenemen. Bekende schimmelinfecties die kroonsterfte veroorzaken zijn essenziekte of essentaksterfte (Hymenoscyphus fraxineus), elzenphytophthora (Phytophthora alni), beukentakkanker (Nectria ditissima) of dennenscheutsterfte (Sphaeropsis sapinea). Droogte en vorst kunnen scheuten en takken doen afsterven. Hetzelfde geldt voor een aantal aantastingen door insecten, zoals tamme kastanjegalwesp (Dryocosmus kuriphilus). Tijdens en na de droge zomer van 2018 veroorzaakten schorskevers heel wat sterfte, zoals in het geval van letterzetter op fijnspar (Ips typographus). De combinatie van één of meerdere ongunstige factoren zoals ongunstige weersomstandigheden, ziekten, aantastingen en depositie van verzurende en vermestende stoffen, kan bomen geleidelijk of snel doen aftakelen. De kroonsterfte neemt systematisch toe en leidt vaak tot het volledig afsterven van een boom. Eiken kunnen nog jarenlang met dode takken in de kroon blijven overleven. Bomen kunnen ook herstellen van kroonsterfte, door het ontwikkelen van nieuwe scheuten en takken. Dit kan bijvoorbeeld na jaren van droogteschade gebeuren. Er wordt een opsplitsing gemaakt tussen scheutsterfte, twijgsterfte en taksterfte. Wanneer enkel de lopende jaarscheut sterft, is er sprake van scheutsterfte. Bij twijgsterfte beperkt de dikte van de afgestorven takjes zich tot 2 cm diameter. Vanaf 2 cm diameter is er sprake van taksterfte. Sterfte van zware takken houdt in dat de afgestorven takken een diameter van minstens 10 cm hebben. Er wordt rekening gehouden met de omvang van de sterfte. Wanneer maximum 10% van de scheuten, twijgen of takken afgestorven is, wordt dit als lichte schade beschouwd. Ernstige schade treedt op wanneer de 10%-grens overschreden wordt. De exacte oorzaak van kroonsterfte is vaak moeilijk te onderscheiden. Daarom wordt in veel gevallen aangegeven dat de oorzaak onbekend is. Ongeveer twee derden van de steekproefbomen vertoont kroonsterfte (65,5%, tabel 19). Het aandeel bomen met ernstige kroonsterfte is beperkt. Bij beuk, Amerikaanse eik, de ‘overige loofboomsoorten’ en grove den is kroonsterfte het meest genoteerde symptoom (tabel 21). Sterfte van scheuten, twijgen of takken wordt bij 80,2% van de beuken, 78,5% van de Amerikaanse eiken, 67,8% van de ‘overige loofbomen’ en 62,6% van de grove dennen opgemerkt. In het geval van zomereik en Corsicaanse den wordt er respectievelijk nog vaker bladvraat en naaldverkleuring vastgesteld. Het percentage steekproefbomen met kroonsterfte bedraagt 67,7% bij zomereik en 51,0% bij Corsicaanse den. 8,4% van de steekproefbomen vertoont lichte scheutsterfte en op minder dan 1% van de steekproefbomen komt ernstige sterfte van de jongste scheuten voor (0,7%, tabel 26). Scheutsterfte wordt in 2020 enkel bij naaldboomsoorten opgemerkt. Ongeveer één naaldboom op vijf vertoont scheutsterfte (19,1% licht, 1,5% ernstig). Ernstige scheutsterfte komt iets meer bij grove den dan bij Corsicaanse den voor, respectievelijk op 1,6% en 1,3% van de bomen. Hoewel er verschillende oorzaken kunnen zijn, wordt in veel gevallen Sphaeropsisscheutsterfte als oorzaak aangeduid. Deze schimmel kan zowel scheutsterfte als twijgsterfte en taksterfte veroorzaken. 18,7% van de grove dennen vertoont lichte kroonsterfte te wijten aan Sphaeropsis sapinea. Daarenboven zijn er 1,7% bomen met ernstige kroonsterfte. De

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 56 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


cijfers zijn hoger bij Corsicaanse den: 20,7% van de bomen vertoont lichte kroonsterfte door Sphaeropsis sapinea en bij 4,5% van de bomen wordt ernstige schade vastgesteld. Twijgsterfte wordt bij alle boomsoorten opgemerkt. Ongeveer de helft van de bomen vertoont in lichte mate sterfte van twijgen (50,5%). Ernstige sterfte wordt bij 5,3% van de steekproefbomen vastgesteld. Ernstige sterfte van de twijgen, met een diameter kleiner dan 2 centimeter, wordt het vaakst bij beuk opgemerkt (19,8%). Bij Corsicaanse den en de groep ‘overige loofboomsoorten’ ligt dat aandeel tussen 5% en 10% (respectievelijk 7,7% en 5,7%). Opvallende twijgsterfte komt het minst bij grove den (4,1%), zomereik (2,1%) en Amerikaanse eik (1,1%) voor. Taksterfte komt in vergelijking met twijgsterfte minder voor. In totaal vertoont 15,8% van de bomen lichte taksterfte en bij 2,7% van de steekproefbomen is de taksterfte ernstig. Sterfte van takken met een diameter van 2 tot 10 centimeter wordt meer bij loofbomen dan bij naaldbomen vastgesteld. Meer dan een kwart van de loofbomen vertoont taksterfte. De taksterfte beperkt zich bij 24,6% van de bomen tot maximum 10% van de kroon. Ernstige kroonsterfte is er bij 4,4% van de loofbomen. Bij naaldbomen is dat respectievelijk 4,6% en 0,6%. Op alle loofboomsoorten wordt taksterfte opgemerkt. Lichte taksterfte wordt het vaakst bij eik waargenomen, gevolgd door beuk en de overige loofboomsoorten. Wat ernstige taksterfte betreft, is het eerder omgekeerd. Bij 6,9% van de beuken en 7,0% van de ‘overige loofbomen’ is meer dan 10% van de takken in de kroon afgestorven. Bij zomereik en Amerikaanse eik is dat respectievelijk 2,6% en 2,2%. De groep ‘overige loofboomsoorten’ telt verschillende zwarte elzen met taksterfte in Bocholt (proefvlak 714). Door verdere aftakeling, sterfte en stormschade daalt het aantal steekproefbomen in dit proefvlak jaar na jaar. Als oorzaak wordt elzenphytophthora aangeduid. Sterfte van zware takken, met een diameter van minstens 10 centimeter, komt weinig voor. Vaak komen dergelijke zware takken niet eens in de kroon voor. Er is enkel lichte kroonsterfte bij dit type takken (0,1%). Enkel bij Amerikaanse eik wordt sterfte van zware takken opgemerkt (1,1%). De kroonsterfte is niet toegenomen in vergelijking met de voorgaande inventaris. In 2019 vertoonde 70% van de bomen afgestorven scheuten, twijgen of takken. Er is minder lichte sterfte van jonge scheuten maar het aandeel bomen met ernstige scheutsterfte is iets toegenomen. Opvallende scheutsterfte komt bij Corsicaanse den in 2020 minder voor maar er wordt wel een lichte toename bij grove den vastgesteld. Wat twijgsterfte betreft, blijft de toestand stabiel. Er is meer ernstige twijgsterfte bij beuk en grove den, maar minder bij Amerikaanse eik en Corsicaanse den. Het aandeel zomereiken en ‘overige loofboomsoorten’ met ernstige twijgsterfte blijft min of meer gelijk. Er is een lichte afname van taksterfte in vergelijking met 2019, zowel wat lichte als zware takken betreft. Het aandeel bomen met lichte taksterfte daalt van 16,4% naar 15,8% en het percentage bomen met ernstige taksterfte van 3,9% naar 2,7%. Bij zomereik en Amerikaanse eik is de afname beperkt. Er is een duidelijke afname bij Corsicaanse den en de groep ‘overige loofboomsoorten’. Anderzijds is er een toename bij beuk. In het geval van de ‘overige loofboomsoorten’ is de uitval van zwaar beschadigde en afgestorven zwarte elzen een mogelijke verklaring van het lagere percentage bomen met kroonsterfte. Beuk is de enige boomsoort die meer ernstige twijgsterfte en meer ernstige taksterfte vertoont.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 57 van 109


Tabel 26

Percentage bomen met kroonsterfte (licht = omvang sterfte 1-10%, ernstig = omvang sterfte > 10%) lopende jaarscheuten

twijgen (diam. <2 cm)

licht

ernstig

licht

ernstig

licht

ernstig

licht

ernstig

totaal

8,4

0,7

50,5

5,3

15,8

2,7

0,1

0,0

loofbomen

0,0

0,0

55,8

5,4

24,6

4,4

0,1

0,0

naaldbomen

19,1

1,5

43,7

5,1

4,6

0,6

0,0

0,0

zomereik

0,0

0,0

54,1

2,1

29,7

2,6

0,0

0,0

beuk

0,0

0,0

57,8

19,8

19,8

6,9

0,0

0,0

Am. eik

0,0

0,0

67,7

1,1

33,3

2,2

1,1

0,0

overige lbs.

0,0

0,0

52,9

5,7

14,5

7,0

0,0

0,0

grove den

19,1

1,6

47,1

4,1

4,3

0,6

0,0

0,0

Cors. den

20,0

1,3

34,2

7,7

5,2

0,6

0,0

0,0

4.1.2.6

takken (2-10 cm)

zware takken (≥ 10 cm)

Stamwonden

Er worden drie soorten wonden onderscheiden: ontschorsing, scheuren en ‘overige wonden’. Op de takken worden zelden verwondingen aangetroffen. Slechts 1,9% van de bomen vertoont een of andere soort wonde op de takken (tabel 19). Meer dan een kwart van de steekproefbomen vertoont echter wonden op de stam of aan de stamvoet (26,0%). De stamwonden kunnen tot in het kroongedeelte voorkomen. Er zijn verschillende soorten oorzaken van wonden. Het bekendst zijn wonden die door menselijke activiteit veroorzaakt worden. Bij dunningen worden bomen geveld en uit het bos gehaald terwijl de omringende bomen moeten blijven staan. Het vellen en uitslepen kan schade aan andere bomen veroorzaken. Bovendien wordt met machines door het bos gereden, met gevaar voor schade aan stam en wortels. Ook voor andere werken wordt soms door bospercelen gereden en kan schade aan de stambasis of aan oppervlakkige wortels ontstaan. Een andere bron van verwondingen is vandalisme (inkervingen…) en vallende takken of bomen. Tijdens storm of warm zomerweer kunnen bomen takken verliezen. Die kunnen bij hun val ook ontschorsing veroorzaken. Ook bepaalde infecties kunnen scheurtjes in de schors veroorzaken. Zelfs door extreme zon kunnen scheuren ontstaan, zoals zonnebrand bij beuk. Af en toe worden bomen ook bewust ontschorst. Bomen die gekapt moeten worden, kan men met verf aanduiden maar het kan ook door ‘hameren’. Bij het hameren wordt een stuk schors weggekapt om een merkteken te plaatsen. De schors beschermt de boom tegen aantastingen en infecties. Als de beschermende schors ontbreekt, kunnen bomen gemakkelijker aangetast worden door schimmels, insecten of bacteriën. Ontschorste plekken, scheuren en andere wonden kunnen overgroeien maar dit gaat zeer traag of gebeurt niet. De wonden blijven in elk geval nog lang zichtbaar. Zowel loofbomen als naaldbomen vertonen wonden. Het is één van de vaakst vastgesteld symptomen, bij alle hoofdboomsoorten (tabel 21). Wonden worden het meest bij beuk opgemerkt (45,7%), gevolgd door grove den (36,8%), de ‘overige loofboomsoorten’ (33,9%), Amerikaanse eik (23,7%), zomereik (17,4%) en Corsicaanse den (2,6%). Ontschorsing komt het meest voor (17,6%). De schade komt in verhouding veel vaker bij naaldbomen voor (tabel 27). 12,5% van de loofbomen en 24,2% van de naaldbomen vertoont ontschorsing. Het hoog cijfer bij de naaldbomen wordt door grove den veroorzaakt. 31,5% van de grove dennen vertoont ontschorsing op de stam, soms tot hoog in de kroon. Veel ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 58 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


dennenpercelen worden regelmatig gedund. De schade die aan stammen wordt toegebracht, groeit slecht of helemaal niet meer dicht. Ook aan de stamvoet kan door machines schade aangericht worden. Corsicaanse den vormt een veel dikkere schors en dat is mogelijk een reden voor het lagere cijfer (2,6%). Ook het beheer en de leeftijd van de bomen kan een rol spelen. Bij de loofboomsoorten komt ontschorsing bij 25,0% van de beuken en 15,4% van de ‘overige loofboomsoorten’ voor. Op eik wordt minder ontschorsing vastgesteld: 7,4% bij zomereik en 10,8% bij Amerikaanse eik. Beukenschors is dun en kwetsbaar. De boomstammen en wortelaanlopen raken daardoor gemakkelijk ontschorst en de wonden groeien moeilijk dicht. Ook scheuren kunnen door verschillende factoren ontstaan. Scheuren ontstaan op natuurlijke wijze door extreme temperaturen tijdens de winter (vorstscheuren) of zomer (hittescheuren). Daarnaast kunnen scheuren ook ontstaan door verwonding of infecties. 5,8% van de steekproefbomen vertoont scheurvorming. Het symptoom komt het meest bij loofbomen voor (10,0%). Slechts 0,5% van de naaldbomen vertoont stamscheuren. Scheuren of scheurtjes worden het vaakst op beuk en de ‘overige loofboomsoorten’ waargenomen, respectievelijk op 14,7% en 13,7%. Op eik worden minder scheuren aangetroffen. Bij Amerikaanse eik betreft het 9,7% van de bomen, bij zomereik 6,7%. 5,3% van de bomen vertoont ‘overige wonden’. Dit zijn wonden die niet als ontschorsing of scheuren omschreven worden. Bij loofbomen is dat 6,9% en bij naaldbomen 3,2%. Het symptoom wordt het vaakst bij loofbomen genoteerd en opnieuw zijn het vooral beuken die de wonden vertonen (10,3%). Net als bij scheuren en ontschorsing volgt de groep ‘overige loofboomsoorten’ (9,3%). Opnieuw zijn er minder eiken met dit soort wonden (5,4% bij Amerikaanse eik, 4,9% bij zomereik). Net als bij scheurvorming komt dit soort wonden enkel op grove den voor en niet op Corsicaanse den. In vergelijking met 2019 is er weinig verschil. Toen werd het symptoom op 26,7% van de steekproefbomen waargenomen. Er waren 18,1% bomen met ontschorsing, 5,6% bomen met scheuren en 5,4% bomen met andere wonden. Kleine verschillen kunnen veroorzaakt worden door toegevoegde of verdwenen steekproefbomen. Het overgroeien van wonden kan er voor zorgen dat het aandeel bomen met dit symptoom daalt. Tabel 27

Percentage bomen met stamwonden % bomen met verwonding aan de stam ontschorsing

scheuren

andere

totaal

17,6

5,8

5,3

loofbomen

12,5

10,0

6,9

naaldbomen

24,2

0,5

3,2

zomereik

7,4

6,7

4,9

beuk

25,0

14,7

10,3

Amerikaanse eik

10,8

9,7

5,4

overige loofboomsoorten

15,4

13,7

9,3

grove den

31,5

0,6

4,3

Corsicaanse den

2,6

0,0

0,0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 59 van 109


4.1.2.7

Hars- of slijmuitvloei

Bij het beoordelen van een boom wordt gezocht naar sporen van hars of slijm op de stam. Slechts zelden is er waarneembare hars- of slijmuitvloei op de takken. Naaldbomen produceren hars. Dit hars is in verse toestand kleurloos en erg kleverig. Opgedroogd hars is hard en meestal nog herkenbaar door de witte kleur. Bij loofbomen is slijm in verse toestand ook kleverig maar opgedroogd vormt het zwarte vlekken op de stam. Bij het beoordelen van de stam van een steekproefboom wordt genoteerd of de hars- of slijmuitvloei vers of oud is, of de combinatie van beide. Wanneer er hars of slijm uit een wonde stroomt, wordt enkel de wonde genoteerd (zie 4.1.2.6). De oorzaken van hars- of slijmuitvloei zijn verscheiden. De belangrijkste zijn verwondingen en aantastingen of infecties. Bomen produceren hars of slijm als reactie op houtborende insecten, wanneer die tot onder de schors proberen binnen te dringen. Het kan ook als reactie op een schimmelinfectie zoals in het geval van Sphaeropsis-infectie op den. Ook bacteriële infecties kunnen slijmuitvloei veroorzaken, zoals bacteriekanker (Pseudomonas syringae). Op 14,9% van de bomen wordt slijm of hars aangetroffen (tabel 28). Ongeveer een kwart van de naaldbomen vertoont harsuitvloei (24,4%). Bij loofbomen is er bij 7,5% slijmuitvloei. Harsdruppels of -vlekken worden het meest op grove den waargenomen. Bijna een derde van de dennen vertoont verse of oude harsuitvloei (31,3%). Bij Corsicaanse den is dat veel minder het geval (3,9%). Slijmuitvloei wordt regelmatig op zomereik aangetroffen (11,0%). Er zijn weinig beuken of Amerikaanse eiken met slijm, respectievelijk 1,7% en 1,1%. Verschillende ‘overige loofboomsoorten’ vertonen slijmuitvloei (7,0%). Dat valt op in Bocholt (proefvlak 714), waar zwarte elzen aangetast zijn door elzenphytophthora (Phytophthora alni). De schimmelinfectie veroorzaakt onder andere slijmuitvloei. De zwarte vlekken blijven herkenbaar op de aangetaste bomen. Andere ‘overige loofbomen’ met slijm zijn wintereik, ruwe berk, esdoorn, es en boskers. Omdat oud hars en slijm nog lang herkenbaar blijven, is het belangrijk het aandeel bomen met vers hars of slijm te onderscheiden. Vers hars of slijm kan wijzen op een recente aantasting of infectie. 7,9% van de steekproefbomen vertoont recent slijm of hars. Opnieuw wordt dit meer bij naaldbomen dan bij loofbomen opgemerkt, respectievelijk 12,3% en 4,5%. Op 16% van de grove dennen wordt vers hars waargenomen, al dan niet in combinatie met oud hars. Op Corsicaanse den is dat slechts 1,3%. Bij de loofbomen is dit opnieuw het vaakst bij zomereik het geval (6,7%), gevolgd door de groep ‘overige loofbomen’ (3,5%). Alle waargenomen slijm is bij beuk en Amerikaanse eik vers (respectievelijk 1,7% en 1,1%). Het aandeel bomen met hars of slijm daalt licht in vergelijking met 2019. Toen werd op 16,6% van de bomen hars of slijm waargenomen. Op 8,5% van de bomen kwam vers slijm of hars voor. De grootste afname van vers slijm of hars wordt bij zomereik en Corsicaanse den opgemerkt. In 2019 was er slijm op 10,9% van de eikenstammen, met 8,2% bomen met vers slijm. 6,1% van de Corsicaanse dennen vertoonde toen harsuitvloei, waarvan 4,3% met vers

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 60 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


hars. Het aandeel grove dennen met vers hars verandert amper maar blijft hoog: 16,2% in 2019 en 16,0% in 2020.

Tabel 28

Percentage bomen met hars of slijm slijm-/harsuitvloei (%) totaal

14,9

loofbomen

7,5

naaldbomen

24,4

zomereik

11,0

beuk

1,7

Amerikaanse eik

1,1

overige loofboomsoorten

7,0

grove den

31,3

Corsicaanse den

3,9

4.1.2.8

Blad- en knopvervorming

3,0% van de bomen vertoont bladvervorming. Bladeren of naalden kunnen vervormen door droogte en hitte maar ook door insecten, schimmels of andere infecties. Veel insecten veroorzaken gallen, dat zijn vervormingen die de plant ontwikkelt als reactie op de aantasting. Een bekend voorbeeld daarvan is de beukengalmug (Mikiola fagi). Op esdoorns komen soms viltmijten voor (Aceria pseudoplatani). De gallen die de mijten op de onderzijde van de esdoornbladeren doen ontstaan, worden ook als bladvervorming genoteerd. De laatste jaren was er regelmatig bladvervorming door droogte. Bladranden of volledige bladeren kunnen door droogte en hitte opkrullen. Vaak gebeurt dit in combinatie met bladverkleuring en vervroegde bladval. Sinds 2018 is dit jaarlijks het geval in het tamme kastanjeproefvlak in Ravels (proefvlak 613). In dit proefvlak is er bladvervorming door droogte en door aantasting van tamme kastanjegalwesp. De invasieve exotische tamme-kastanjegalwesp Dryocosmus kuriphilus veroorzaakt niet alleen bladvervorming maar ook bladverkleuring, vervorming van de knoppen en dode twijgen. De gallen kunnen op knoppen en bladnerven ontstaan. De soort komt oorspronkelijk uit ZuidChina en is sinds 2015 in ons land aanwezig. De gallen werden in het bosvitaliteitsmeetnet het eerst in Ravels opgemerkt (proefvlak 613). In 2020 werden de gallen in verschillende proefvlakken waargenomen. Buiten het meetnet is er de laatste jaren een sterke uitbreiding van de galwesp. In het meetnet wordt aantasting door deze soort als knopvervorming genoteerd. 3,0% van de steekproefbomen vertoont bladvervorming en in 2,3% van de gevallen is de vervorming ernstig. Bladvervorming komt enkel op loofbomen voor (5,3%). Het symptoom wordt bij 18,9% van de ‘overige loofboomsoorten’ genoteerd. In de andere substeekproeven is dat minder dan 5%.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 61 van 109


Ernstige bladvervorming komt in 2020 vooral op tamme kastanje voor, maar ook op es en beuk. In totaal zijn er 5 proefvlakken met ernstige bladvervorming. In Ravels (proefvlak 613) is er het meest bladvervorming. Het proefvlak telt 32 tamme kastanjes en 28 daarvan vertonen ernstige bladvervorming door droogte. Bovendien zijn 27 bomen door tamme kastanjegalwesp aangetast. De bomen in het proefvlak vertoonden in 2018 en 2019 dezelfde droogtesymptomen. Het proefvlak wordt als een beschadigd proefvlak beschouwd. In vergelijking met 2019 zijn er in totaal iets minder bomen met bladvervorming (toen 3,4%). Er zijn wel meer bomen met ernstige bladvervorming (toen 1,7%).

4.1.2.9

Vervorming van de stam

Vervorming van scheuten of takken komt minder voor dan bladvervorming (2,5%). Op de stam worden wel frequent vervormingen vastgesteld. 9,5% van de steekproefbomen vertoont kankers, tumoren of ribbels op de stam of aan de stamvoet (tabel 19). Het is een symptoom dat hoofdzakelijk bij loofbomen vastgesteld wordt. Hier worden enkel de vervormingen op de stam verder besproken. Ribbelvorming wordt het vaakst genoteerd (tabel 29). Bij ribbelvorming ontstaan er langwerpige, verticale uitstulpingen op de stam. Ribbels zijn overgroeide wonden, bijvoorbeeld oude vorstscheuren. Scheuren kunnen overgroeien maar op dezelfde plaats opnieuw openscheuren. Door het herhaaldelijk scheuren en overgroeien ontstaan zogenaamde ‘lijsten’. 4,1% van de steekproefbomen vertoont één of meerdere ribbels (tabel 29). Ribbelvorming komt bij naaldbomen amper voor (0,5%). 7,0% van de loofbomen vertoont ribbelvorming. Deze overgroeide wonden worden het meest bij eik genoteerd, namelijk bij 10,0% van de zomereiken en 4,3% van de Amerikaanse eiken. Bij de overige loofboomsoorten is dat 5,7%. Beuken vormen zelden ribbels (1,7%). Kankers en tumoren worden door aantastingen of ziektes veroorzaakt. Ze ontstaan door woekering van cellen en zijn meestal bolvormig. Tumoren zijn dicht en egaal van vorm. Kankers zijn eerder grillig en vaak open. De schors is ter hoogte van kankers meestal gescheurd waardoor deze vervorming ook als wonde aanzien kan worden. Kankers of tumoren worden het minst van alle vervormingen waargenomen (1,8%). Op naaldbomen zijn ze zeldzaam (0,2%). Op 3,1% van de loofbomen wordt minstens één kanker of tumor opgemerkt, bijna uitsluitend op eik en beuk. Het symptoom komt voor op 5,2% van de beuken, 4,3% van de Amerikaanse eiken en 3,8% van de zomereiken. Alle vervormingen die niet als ribbel, kanker of tumor aanzien worden, komen in een categorie ‘andere vervormingen’ terecht. 3,7% van de steekproefbomen vertoont één of andere ‘overige vervorming’ op de stam. Bij loofbomen en naaldbomen is dat respectievelijk 6,2% en 0,6%. Beuk is de boomsoort met het grootste aandeel ‘overige vervormingen’ op de stam (8,6%). Bij zomereik is dat 4,6% en bij Amerikaanse eik 6,5%. Dit symptoom wordt ook bij meer dan 5% van de overige loofboomsoorten genoteerd (7,5%). Vervorming van bladeren, knoppen, stam of takken komt bij de loofboomsoorten in de top vijf van de meest voorkomende symptomen (tabel 21). Als alle mogelijke vervormingen samen beschouwd worden, komen deze symptomen het meest in de groep ‘overige

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 62 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


loofboomsoorten’ voor (33,5%). Daarna volgen beuk (19,8%), zomereik (17,7%) en Amerikaanse eik (14,0%). Het aandeel bomen met stamvervorming blijft jaarlijks ongeveer gelijk (9,6% in 2019).

Tabel 29

Aandeel bomen met vervorming van stam, stamvoet of geëxposeerde wortels % bomen met vervorming van de stam kanker/tumor

ribbel (vb. vorstlijst)

andere vervorming

totaal

1,8

4,1

3,7

loofbomen

3,1

7,0

6,2

naaldbomen

0,2

0,5

0,6

zomereik

3,8

10,0

4,6

beuk

5,2

1,7

8,6

Amerikaanse eik

4,3

4,3

6,5

overige loofboomsoorten

0,4

5,7

7,5

grove den

0,2

0,6

0,4

Corsicaanse den

0,0

0,0

1,3

4.1.2.10

Takbreuk

Net als de voorgaande jaren verdwenen er steekproefbomen uit de inventaris door stormschade. De hevigste stormen kwamen tijdens de maand februari voor (zie 4.1.5. Weersomstandigheden). Bomen moesten vervangen worden na windval, stambreuk of ernstige beschadiging van de boomkroon. Dit was zowel voor naaldbomen (grove den, Corsicaanse den, Japanse lork) als voor loofbomen (zwarte els, beuk, es, valse acacia, ruwe berk, populier) het geval. De schade is opmerkelijk, vooral omdat er twee jaar na elkaar meer dan tien bomen uit de inventaris verdwijnen. 2019 was eveneens een jaar met verschillende stormen. De schade was toen nog groter dan in 2020. Dit blijkt uit de analyse van de uitval, dat is het aantal bomen dat uit de steekproef verdwijnt. Maar het blijkt ook uit de waarnemingen van takbreuk. Het aandeel bomen met verse takbreuk was in 2019 groter dan in 2020. In 2018 werden 6 bomen uit de steekproef gehaald wegens stormschade, in een totaal van 6 proefvlakken. In 2019 verdwenen 25 bomen in 12 proefvlakken door storm. In 2020 betreft het in totaal 20 bomen in 9 proefvlakken. Wat takbreuk betreft, is de schade in 2020 minder erg dan de voorgaande jaren. Er is minder verse takbreuk en de omvang van de takbreuk is beperkter. Takbreuk kan het gevolg zijn van storm wanneer takken door windstoten afkraken. De schade kan ook onrechtstreeks ontstaan, wanneer naburige bomen omwaaien en tijdens hun val schade aan andere bomen toebrengen. De schade kan ook ontstaan bij het vellen van bomen. Takbreuk door bosexploitatie ontstaat wanneer bomen gekapt worden en takken van omringende bomen afkraken. Ook sneeuw kan ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 63 van 109


takbreuk veroorzaken. Scheuten en twijgen kunnen zelfs door hevige regen- en hagelbuien beschadigd worden. 8,9% van de bomen in de inventaris vertoont afgebroken scheuten, twijgen of takken (tabel 19). Alleen bij grove den is het één van de vaakst voorkomende symptomen (tabel 21). 13,2% van de grove dennen vertoont gebroken scheuten of takken. Vaak gaat het om oude schade. Dennentakken breken gemakkelijk door sneeuw of storm en kunnen nog jarenlang dood in de boomkroon blijven hangen. Ook bij andere boomsoorten blijven afgebroken dode takken soms lang zichtbaar in de kroon. Bij oude takbreuk wordt geen omvang van de schade genoteerd. Dat gebeurt wel wanneer er recente schade vastgesteld wordt. Als er minder dan 10% van de takken afgebroken is, is er enkel sprake van lichte beschadiging. Ernstige schade treedt op wanneer meer dan 10% van de kroon getroffen is. De omvang van de schade is meestal beperkt. In 2020 is er zelfs geen ernstige recente takbreuk (tabel 30). 6% van de steekproefbomen vertoont wel lichte takbreuk. Lichte takbreuk komt vaker bij loofbomen dan bij naaldbomen voor, respectievelijk bij 7,0% en 4,6% van de steekproefbomen. Enkel in het geval van zomereik vertoont meer dan 5% van de steekproefbomen recente lichte takbreuk (10,8%). Bij grove den is dat net geen 5% van de steekproef (4,9%). De impact van de stormen is vooral merkbaar aan het aandeel bomen dat uit de steekproef gehaald werd. In 2019 en 2020 verdwenen veel meer bomen uit de steekproef dan de voorgaande jaren. De schade werd ook in een groot aantal proefvlakken vastgesteld. In 2019 werd veel meer takbreuk vastgesteld. Het aandeel bomen met lichte takbreuk bedroeg toen 17,0%. Ernstige takbreuk werd bij 0,1% van de bomen vastgesteld. Bij zomereik, Amerikaanse eik, grove den en Corsicaanse den was takbreuk één van de meest waargenomen symptomen. In vergelijking met 2018 is er in 2020 minder ernstige takbreuk. Toen vertoonde 5,2% van de steekproefbomen lichte takbreuk en 1,3% ernstige takbreuk.

Tabel 30

Aandeel bomen met takbreuk (scheuten/twijgen/takken) % bomen met takbreuk licht (≤ 10%)

ernstig (> 10%)

totaal

6,0

0,0

loofbomen

7,0

0,0

naaldbomen

4,6

0,0

zomereik

10,8

0,0

beuk

4,3

0,0

Amerikaanse eik

4,3

0,0

overige loofboomsoorten

3,1

0,0

grove den

4,9

0,0

Corsicaanse den

1,9

0,0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 64 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


4.1.3

Zaadzetting

De zaadproductie wordt in vier klassen ingedeeld. Bij lichte zaadzetting is er met moeite zaad in de boomkroon te zien, enkel met behulp van een verrekijker. Matige zaadzetting betekent dat er met het blote oog zaad waarneembaar is. Bij sterke zaadzetting is de zaadproductie sterk opvallend, de volledige boomkroon is dan met kegels of zaden bezet. Normaal gezien wordt bij loofbomen de zaadproductie van het lopende jaar genoteerd. Bij Amerikaanse eik blijven de eikels twee jaar op de boom. In dat geval gebeurt de beoordeling aan de hand van de tweejarige eikels, die het opvallendst aanwezig zijn. Op naaldbomen kunnen de kegels verschillende jaren blijven zitten. De jongste kegels zijn nog groen en vaak moeilijk zichtbaar. Daarom gebeurt de schatting van de zaadproductie aan de hand van het totaal van alle kegels. Ongeveer 4 bomen op 5 dragen zaad of kegels (81,3%, tabel 31). Dat wil zeggen dat er op 18,7% van de bomen zelfs met de verrekijker geen zaad waargenomen wordt. De zaadzetting is bij een derde van de bomen licht (32,8%), dus enkel met de verrekijker waarneembaar. Bijna de helft van de bomen vertoont matige zaadzetting (47,9%). Sterke zaadzetting komt slechts zelden voor (0,6%). Er is een duidelijk verschil tussen loofbomen en naaldbomen. Bij naaldbomen worden heel vaak met het blote oog kegels waargenomen. Het aandeel bomen met lichte kegelproductie is klein (9,1%). Het grootste aandeel bomen vertoont matige kegelproductie (88,4%). Sterke zaadproductie werd in 2020 niet opgemerkt. Er zijn meer loofbomen zonder zaadzetting (31,4%). Lichte zaadzetting wordt bij de helft van de loofbomen opgemerkt (51,4%). Matige en sterke zaadzetting is er bij respectievelijk 16,1% en 1,1% van de bomen. Grove den en Corsicaanse den vertonen het hoogste aandeel bomen met matige tot sterke zaadzetting. Bij grove den vertoont 87,4% van de bomen matige tot sterke zaadzetting, bij Corsicaanse den is dat 92,9%. Van alle loofboomsoorten wordt in 2020 het meeste zaad op zomereik waargenomen. Meer dan drie kwart van de bomen vertoont zaadproductie (76,9%). De eikels zijn vaak enkel met de verrekijker waarneembaar (56,4%). Matige eikelproductie wordt bij 19,0% van de bomen waargenomen en sterke productie bij 1,5%. Met 20,5% matige tot sterke zaadproductie is 2020 duidelijk een goed zaadjaar voor zomereik. De zaden waren vroeg rijp en de zaadval begon op sommige locaties al in augustus. Toch was er niet in alle eikenproefvlakken zaadzetting. Dit jaar was er ook opvallende zaadzetting bij wintereik in het Hallerbos (proefvlak 302). Het vorige zaadjaar voor zomereik was 2018, met matige tot sterke zaadzetting op 22,0% van de bomen (78,3% bomen met lichte tot sterke zaadzetting).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 65 van 109


Foto 7

Bladeren en vruchten van wintereik op afgebroken twijg (Hallerbos, september 2020)

Er is ook zaadzetting bij beuk, maar minder dan bij eik en ook minder in vergelijking met voorgaande zaadjaren. Ongeveer twee derden van de beuken vertoont zaadzetting (65,5%). Er is overwegend een lichte productie van beukennoten (50,8%). 13,8% van de beuken vertoont matige zaadproductie en een opvallend sterke zaadzetting komt bij 0,9% van de bomen voor. Dat betekent dat 14,7% van de beuken matige tot sterke zaadzetting vertoont. Dat is meer dan in 2019, toen op amper 2,4% van de bomen met het blote oog zaad waargenomen werd. Het is wel minder dan de voorgaande zaadjaren 2016 en 2018. In 2018 was er matige tot sterke zaadproductie bij 39,1% van de beuken. In 2016 was dat aandeel zelfs 52,1%. In vergelijking met de voorgaande inventaris is er een opmerkelijke terugval van zaadzetting bij Amerikaanse eik. Meer dan de helft van de bomen draagt eikels, maar het betreft vooral lichte zaadzetting (53,7%). Matige zaadzetting is er bij 1,1% van de bomen en er zijn geen bomen met sterke zaadzetting. In 2019 was er matige tot sterke zaadzetting bij 16,3% van de bomen. In de groep ‘overige loofboomsoorten’ zitten verschillende soorten die jaarlijks zaadzetting vertonen, zoals esdoorn, berk, els en kastanje. De hoeveelheid zaad kan wel van jaar tot jaar variëren. In 2020 vertoont 61,7% van de bomen zaadzetting. Dat is vooral lichte zaadzetting (42,3%). Matige zaadproductie komt bij 18,5% van de bomen voor en sterke zaadproductie bij 0,9%. De zaadzetting is toegenomen in vergelijking met de voorgaande inventaris. In 2019 was er op 17,0% matige tot sterke zaadzetting. Er kan geconcludeerd worden dat 2020 een goed zaadjaar was, met name voor de inheemse eiken. Ook de beuken vertoonden heel wat zaadproductie. De zaadproductie is bij beuk wel minder in vergelijking met vorige zaadjaren. De zaadproductie is bij zomereik goed vergelijkbaar met het vorige zaadjaar 2018.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 66 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Tabel 31

Procentuele verdeling van de steekproefbomen volgens zaadzetting % bomen met zaadproductie 0 - geen

1 - licht

2 - matig

3 - sterk

totaal (1-3)

matig tot sterk (2-3)

totaal

18,7

32,8

47,9

0,6

81,3

48,5

loofbomen

31,4

51,4

16,1

1,1

68,6

17,2

naaldbomen

2,5

9,1

88,4

0,0

97,5

88,4

zomereik

23,1

56,4

19,0

1,5

76,9

20,5

beuk

34,5

50,8

13,8

0,9

65,5

14,7

Amerikaanse eik

45,2

53,7

1,1

0,0

54,8

1,1

overige loofboomsoorten

38,3

42,3

18,5

0,9

61,7

19,4

grove den

2,5

10,1

87,4

0,0

97,5

87,4

Corsicaanse den

1,9

5,2

92,9

0,0

98,1

92,9

4.1.4

Waterscheutvorming

Waterscheuten zijn scheuten die uit slapende knoppen op de takken of de stam ontstaan. De ontwikkeling van jonge scheuten op de stam of in de kroon komt regelmatig voor, zeker bij eik. Bij naaldbomen is deze scheutvorming zeldzaam. De scheuten kunnen na snoei of plotse vrijstelling ontstaan. Ze kunnen ook het gevolg zijn van een infectieziekte. Een bekend voorbeeld zijn de door essenziekte aangetaste essen. Waterscheutvorming kan ook genetisch bepaald zijn. Het is niet altijd een teken van verminderde vitaliteit. Er zijn bijvoorbeeld eiken die waterscheuten ontwikkelen en toch een gezonde boomkroon vertonen. In het bosvitaliteitsmeetnet wordt enkel de locatie van de waterscheuten genoteerd. Er wordt geen schatting van de hoeveelheid waterscheuten gemaakt. Wanneer de lengte van de scheuten meer dan een meter bedraagt, worden deze niet langer als waterscheuten aanzien. Dode waterscheuten worden niet genoteerd. In het totaal vertoont 29,6% van de steekproefbomen waterscheutvorming (tabel 32). Er zijn weinig bomen die enkel en alleen op de stam waterscheuten vormen (1,1%). Waterscheutvorming in de kroon komt vaker voor (13,2%). De meeste bomen met waterscheuten vertonen die zowel op de stam als in de kroon (15,3%). Slechts 0,3% van de naaldbomen vertoont waterscheuten. Op grove den en Corsicaanse den worden geen waterscheuten waargenomen, enkel op een paar Japanse lorken. Op meer dan de helft van de loofbomen worden waterscheuten aangetroffen (52,7%). Opnieuw zijn er het meest bomen met scheutvorming op de stam en in de kroon (27,4%). Iets minder bomen vertonen enkel in de kroon waterscheuten (23,4%). De scheuten ontwikkelen zich zelden enkel op de stam (1,9%). Op soortniveau blijkt duidelijk dat zomereik en Amerikaanse eik het vaakst waterscheuten vormen. De waterscheuten worden het meest bij Amerikaanse eik aangetroffen (82,8%), minder op zomereik (64,0%). Opnieuw zijn er amper eiken waarbij enkel op de stam waterscheuten waargenomen worden (zomereik 1,5%; Amerikaanse eik 0%). Het aandeel bomen met waterscheuten op de stam en in de kroon is bij beide soorten ongeveer gelijk

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 67 van 109


(zomereik 35,6%; Amerikaanse eik 36,6%). Bij Amerikaanse eik zijn er meer bomen waarbij enkel op de zware takken in de kroon waterscheuten voorkomen (26,9% zomereik; 46,2% Amerikaanse eik). Bij beuk worden amper waterscheuten op de stam gezien. Er is een zeer klein aandeel bomen met waterscheuten op de stam en in de kroon (0,9%). Het aandeel bomen met enkel waterscheuten in de kroon bedraagt 12,9%. Minder dan de helft van de ‘overige loofboomsoorten’ vertoont waterscheutvorming (40,5%). Het gaat vaak over boomsoorten als es, els, populier, berk, tamme kastanje of wintereik. Ongeveer een vijfde van de bomen vertoont waterscheuten op de stam en in de kroon (22,9%). Er zijn minder bomen die alleen op de takken in de kroon waterscheuten vormen (13,2%) en opnieuw zijn er het minst bomen met enkel op de stam waterscheutvorming (4,4%). In verschillende proefvlakken wordt essenziekte op es waargenomen en in één proefvlak is er infectie door elzenphytophthora op zwarte els. In beide gevallen komt waterscheutvorming vaker voor.

Tabel 32

Aandeel bomen met waterscheuten % bomen met waterscheuten 1 - stam

2 - kroon

3 - stam & kroon

totaal (1-3)

totaal

1,1

13,2

15,3

29,6

loofbomen

1,9

23,4

27,4

52,7

naaldbomen

0,0

0,3

0,0

0,3

zomereik

1,5

26,9

35,6

64,0

beuk

0,0

12,9

0,9

13,8

Amerikaanse eik

0,0

46,2

36,6

82,8

overige loofboomsoorten

4,4

13,2

22,9

40,5

grove den

0,0

0,0

0,0

0,0

Corsicaanse den

0,0

0,0

0,0

0,0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 68 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


4.1.5

Weersomstandigheden (bron: website KMI)

Extreme weersomstandigheden beïnvloeden de gezondheidstoestand van bomen en bossen. In het kader van klimaatverandering wordt meer een meer aandacht geschonken aan de gevolgen van weersextremen. De afgelopen jaren was er in elk geval een opvallend negatieve invloed van droogte en storm. Zowel in 2018, 2019 en 2020 werd opvallende stormschade vastgesteld. Sinds 2017 is er jaarlijks een neerslagtekort tijdens het groeiseizoen van de bomen geweest. Stormschade valt het sterkst op wanneer er bomen omwaaien of de stam breekt. Er was in 2020 vooral stormschade tijdens enkele winterstormen in februari. In de zomer was er dan weer opvallende droogteschade. Droogte kan zowel rechtstreeks als onrechtstreeks de bosgezondheid beïnvloeden. Een rechtstreeks gevolg is dat bladeren verkleuren, verwelken en vroegtijdig vallen. Dat laatste kan ook met zaden gebeuren. Tegelijkertijd valt de groei van de bomen stil. Weersomstandigheden beïnvloeden de ontwikkeling van schorskeverpopulaties, bladvretende insecten en andere houtborende insecten. De levenscyclus van insecten (larvepop-imago) kan sneller doorlopen worden bij gunstige weersomstandigheden. Droogte bevordert de aantasting door schorskevers omdat de bomen verzwakken en minder hars produceren. Zo kunnen schorskevers gemakkelijker de boom binnendringen. Ook schimmelinfecties kunnen door weersomstandigheden beïnvloed worden. De bespreking van de weersomstandigheden tussen het najaar van 2019 en het najaar van 2020 gebeurt aan de hand van de gegevens van het KMI (Maandberichten KMI). De gemiddelde maandtemperatuur en de maandelijkse neerslaghoeveelheden worden vergeleken met het lange termijngemiddelde. Dat gemiddelde werd over een periode van 30 jaar berekend, tussen 1981 en 2010. De laatste maanden van de herfst waren in 2019 afwisselend warm en nat (oktober) of eerder fris en droog (november). De eerste wintermaand (december) was warmer dan normaal. Het neerslagtotaal lag in Ukkel iets onder het langdurig gemiddelde. De eerste wintermaand kende slechts 6 vorstdagen (min. T. < 0°C). Normaal zijn er 10,4 dagen met vorst in december. Ook januari 2020 was warmer dan normaal. De gemiddelde temperatuur in Ukkel bedroeg 5,9°C (normaal 3,3°C) en er waren 6 vorstdagen (normaal 11,6 d.). Winterse dagen (max. T. < 0°C) waren er niet (normaal 2,9 d.). De warme maand ging gepaard met minder neerslag dan normaal. Er viel in Ukkel 51,3 mm ten opzichte van 76,1 mm tijdens een normale januarimaand. Na warme en droge zomers is het belangrijk dat de grondwatervoorraden ’s winters voldoende aangevuld worden. In februari viel er gelukkig meer neerslag dan normaal (107,7 mm, vierde hoogste hoeveelheid ooit) en het aantal onweersdagen was een nieuw record (13 dagen). Het weer was onstuimig, met 5 dagen met windstoten van meer dan 100 km/u. Tijdens deze stormen (Ciara, Dennis) waaiden heel wat bomen om. De schade werd tijdens de zomermaanden ook in de bosvitaliteitsproefvlakken opgemerkt. De laatste wintermaand werd veel warmer dan normaal, met een gemiddelde temperatuur van 7°C in Ukkel (normaal 3,7°C). Er waren slechts 2 vorstdagen (normaal 10,6 d.) en geen winterse dagen (normaal 1,9 d.). De eerste lentemaand was normaal qua temperatuur. De neerslaghoeveelheid lag in maart boven het gemiddelde. Er was een opvallend verschil tussen het begin en het einde van de

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 69 van 109


maand. Maart startte warm en nat maar eindigde droog en fris. Vanaf 14 maart werd heel weinig neerslag gemeten en dat neerslagtekort bleef lange tijd duren, ook de volgende maanden. De lentemaanden april en mei waren droog, zonnig en warm. In april viel in Ukkel slechts 19,0 mm neerslag (normaal 51,3 mm). De gemiddelde temperatuur lag met 12,6°C een stuk boven het gemiddelde (9,8°C). Er waren 14 lentedagen (max. T. ≥ 20°C) terwijl dat normaal gezien maar 3,7 dagen is. Mei werd nog droger, met slechts 5,4 mm neerslag (normaal 66,5 mm) op 6 dagen tijd (normaal 16,2 dagen met neerslag). Sinds het begin van de waarnemingen was er slechts één meimaand met nog minder neerslag (in 1833). Dit neerslagtekort ging gepaard met een hoge gemiddelde temperatuur (14,2°C t.o.v. 13,6°C normaal) en, net als in april, een zeer hoge zonneschijnduur. De uiterst droge lente werd maar in lichte mate gecompenseerd tijdens de eerste zomermaand. Juni was iets warmer dan gemiddeld (17,5°C t.o.v. normaal 16,2°C). In Ukkel viel 69,4 mm neerslag, normaal is dat 71,8 mm. De gemiddelde regionale neerslaghoeveelheden lagen rond de normalen. Er viel onvoldoende neerslag om de tekorten van vorige maanden aan te vullen. De droogte bleef ook de rest van de zomer aanhouden. Aan het eind van juli en de eerste helft van augustus volgde zelfs nog een langdurige hittegolf. In juli viel in Ukkel 47,4 mm neerslag (normaal 73,5 mm). De gemiddelde regionale neerslaghoeveelheden lagen overal onder de normalen. Juli was iets kouder dan normaal (17,9°C i.v.m. 18,4°C). Aan het eind van de maand startte een warme periode die uitmondde in een hittegolf. Vanaf 23 juli werden temperaturen boven de 25°C gemeten. De warmste dag was 31 juli, met 36,5°C in Ukkel. Dat was meteen de derde hoogst gemeten temperatuur in juli in Ukkel. Op 25 juli 2019 werd de hoogste temperatuur ooit gemeten, 39,7°C. Augustus kende een uitzonderlijk lange hittegolf. Van 5 tot en met 16 augustus daalde de maximumtemperatuur niet onder de 25°C en gedurende 8 dagen kwam de maximumtemperatuur boven 30°C. De hoogste temperatuur in Ukkel bedroeg 35,9°C. De gemiddelde temperatuur bedroeg 20,9°C (normaal 18,0°C°). Er waren in augustus in totaal 25 lentedagen en 16 zomerdagen (max. T. ≥ 30°C). De laatste waarde is een absoluut record. Het vorige record bedroeg slechts 7 dagen (1911, 1990). Er viel in augustus opnieuw minder neerslag dan normaal (51,4 mm i.p.v. 79,3 mm). Na de warme maand augustus volgde nog maar eens een zeer warme maand. Alleen eind september viel er veel neerslag. De tweede decade van de maand viel er geen millimeter regen en werden er nog temperatuurrecords gevestigd. Globaal gezien was september warmer dan normaal (gemiddelde temperatuur 16,4°C t.o.v. 14,9°C). Uiteindelijk viel er in Ukkel meer regen dan normaal (101,8 mm t.o.v. 68,9 mm) maar de eerste 23 dagen van de maand viel er slechts 6,4 mm neerslag. De uitzonderlijk droge perioden hadden hun invloed op de bossen. Jonge bomen werden het zwaarste getroffen en net als de voorgaande jaren was er sterfte van jonge aanplantingen. Op oudere bomen waren ook droogtesymptomen zichtbaar, zoals bladvervorming en verkleuring. Op veel plaatsen in Vlaanderen werd een verminderde vitaliteit van bomen gemeld. Veel tuin-, straat-, dreef- of parkbomen leden onder de droogte. Ook in de bossen was er schade, ondanks de mildere temperaturen onder het kronendak. Er kwamen in 2020 verschillende meldingen van problemen bij beuk. Deze vitaliteitsproblematiek startte in de zomer van 2018. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 70 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Gedurende de afgelopen vier jaar, van 2017 tot en met 2020, waren er te lange perioden met een neerslagtekort. Van december 2016 tot en met augustus 2017 was er een maandelijks tekort en in 2018 was dat van mei tot en met november opnieuw het geval. Tijdens het vegetatieseizoen van 2019 volgden er van april tot en met augustus weer maandelijkse tekorten met uitzondering van de maand juni. En in 2020 viel er vanaf april tot en met augustus in Ukkel steeds minder neerslag in vergelijking met het 30-jarig gemiddelde. Alleen in juni kwam de neerslaghoeveelheid in de buurt van dat gemiddelde.

Foto 8

Spork met bladverkleuring door droogte (Pijnven, proefvlak 910, augustus 2020)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 71 van 109


4.2 4.2.1

EVOLUTIE VAN HET BLADVERLIES IN VERGELIJKING MET 2019 Algemeen

Voor de vergelijking van het bladverlies met de voorgaande inventaris wordt een afzonderlijke dataset gemaakt. Er zijn in totaal 1422 bomen die twee jaar na elkaar beoordeeld werden. De afgestorven steekproefbomen uit 2019 worden niet in deze substeekproef opgenomen, de afgestorven bomen uit 2020 wel. Er werden in 2020 twee nieuwe proefvlakken aan het meetnet toegevoegd, namelijk Brecht (proefvlak 85069) en Zuurbemde (proefvlak 324071). De steekproefbomen uit deze nieuwe proefvlakken worden hier niet meegerekend. Wat de gemeenschappelijke steekproefbomen betreft, is er een duidelijke achteruitgang van de kroontoestand in vergelijking met 2019. Er is een significante toename van het blad/naaldverlies (tabel 33). Het gemiddeld bladverlies stijgt van 23,0% naar 24,0% en de mediaan stijgt eveneens, van 20% naar 25%. Het aandeel beschadigde bomen neemt met 3,3 procentpunten toe (tabel 34). De kroonconditie verslechtert zowel voor loofbomen als voor naaldbomen. De achteruitgang is het grootst bij het totaal van alle loofbomen. De evolutie van het aandeel beschadigde bomen wordt weergegeven in figuur 4, zowel voor het totaal van alle bomen als voor de verschillende substeekproeven.

Tabel 33

Evolutie van het percentage blad-/naaldverlies in de periode 2019-2020 (gemeenschappelijke bomen, Wilcoxon rang test, α=0.05, *=p<0.05, **=p<0.01, ***=p<0.001) 2019 (%)

2020 (%)

verschil (%)

gem. (s.a.)

mediaan

gem. (s.a.)

mediaan

totaal

23,0 (10,4)

20

24,0 (12,0)

25

1,0 ***

loofbomen

23,6 (12,2)

20

24,7 (13,3)

25

1,1 **

zomereik

24,0 (9,0)

25

24,6 (11,1)

25

0,6 n.s.

beuk

20,2 (11,8)

20

24,8 (11,7)

25

4,6 ***

Am. eik

24,3 (7,7)

25

20,7 (7,9)

20

-3,6 ***

overige lbs.

24,4 (17,4)

20

26,4 (18,3)

20

2,0 ***

naaldbomen

22,3 (7,7)

20

23,1 (10,1)

20

0,8 *

grove den

21,8 (6,1)

20

22,7 (9,5)

20

0,9 n.s.

Cors. den

23,9 (11,3)

20

24,4 (9,9)

25

0,5 n.s.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 72 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Tabel 34

Evolutie van het aandeel beschadigde bomen in de periode 2019-2020 (gemeenschappelijke bomen) aandeel beschadigde bomen (%) 2019

2020

verschil

totaal

21,2

24,5

3,3

loofbomen

24,7

28,3

3,6

zomereik

25,9

28,4

2,5

beuk

21,2

33,6

12,4

Am. eik

28,3

16,3

-12,0

overige lbs.

23,0

30,6

7,6

naaldbomen

17,1

19,8

2,7

grove den

14,1

16,4

2,3

Cors. den

26,5

30,3

3,8

4.2.2

Loofbomen

Het gemiddeld bladverlies van de gemeenschappelijke loofbomen stijgt naar 24,7% en het aandeel beschadigde loofbomen neemt toe tot 28,3% (respectievelijk +1,1 en + 3,6 procentpunten). Met uitzondering van Amerikaanse eik is er een algemene achteruitgang van de gezondheidstoestand. De toename van het bladverlies is significant. De mediaan van het bladverlies gaat van 20% naar 25%. Op soortniveau zijn er duidelijke verschillen. Amerikaanse eik is de enige boomsoort met een afname van het bladverlies. Het aandeel beschadigde Amerikaanse eiken zakt naar 16,3% (-12,0 procentpunten) en het gemiddeld bladverlies daalt met 3,6 procentpunten tot 20,7%. Ook de mediaan is gedaald, van 25% naar 20%. Alle overige substeekproeven vertonen een negatieve evolutie. Die evolutie is het meest negatief voor beuk. Het gemiddeld bladverlies stijgt met 4,6 procentpunten, dat is de grootste toename van alle bomen. Het percentage beschadigde bomen maakt een grote sprong, van 21,2% naar 33,6% (+12,4 procentpunten). Het gemiddeld bladverlies is alleen bij de groep ‘overige loofboomsoorten’ nog groter. Beuk is de enige loofboomsoort met een toename van de mediaan van het bladverlies. Tijdens zogenaamde zaadjaren vertonen de beukenkronen een ijlere bladbezetting. Omdat er in 2019 amper zaadzetting was en in 2020 duidelijke zaadzetting, is de toename van het bladverlies daar zeker gedeeltelijk aan te wijten. De ijlere boomkronen kunnen ook het gevolg zijn van de opeenvolgende droge zomers. Verwacht wordt dat de zaadproductie in 2021 weer lager zal zijn en het is de vraag of de bladbezetting dan weer verbetert. Er zijn in elk geval in verschillende proefvlakken beuken met een ijle bladbezetting (Schilde, proefvlak 512; Wuustwezel, proefvlak 513; Ravels, proefvlak 95001; Herent, proefvlak 41; Pulle, proefvlak 508). In enkele proefvlakken werd een dunning

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 73 van 109


uitgevoerd. Het valt ook af te wachten wat het effect van deze dunningen op de resterende bomen zal zijn. In het kader van droogte en klimaatverandering wordt de gezondheidstoestand van de beuken in elk geval nauwlettend opgevolgd. De gezondheidstoestand van zomereik gaat in 2020 slechts licht achteruit. Het aandeel beschadigde bomen is hoog en stijgt nog van 25,9% naar 28,4% (+2,5 procentpunten) en het gemiddelde van 24,0% naar 24,6%. De toename van het bladverlies is niet significant en de mediaan blijft dezelfde (25%). In vergelijking met beuk sterven er echter meer zomereiken. Sinds 2010 wordt er jaarlijks sterfte genoteerd. In 2020 werden er in twee proefvlakken in totaal drie afgestorven eiken waargenomen. Het aantal afgestorven eiken schommelt de laatste tien jaar tussen één (2011) en zes (2013). De laatste vijf jaar stierven er telkens drie steekproefbomen. Meerdere factoren liggen aan de oorzaak van de sterfte. Het bladverlies van de groep ‘overige loofboomsoorten’ vertoont een significante toename, hoewel de mediaan dezelfde blijft (20%). Het gemiddelde stijgt van 24,4% naar 26,4% (+2,0 procentpunten). Ook het aandeel beschadigde bomen neemt toe, van 23,0% naar 30,6% (+7,6 procentpunten). Er zijn proefvlakken met een zeer hoog bladverlies, zoals het zwarte elzenproefvlak in Bocholt. Er is ook jaarlijks sterfte in dit proefvlak, hoewel er jaar na jaar minder steekproefbomen overblijven (2 afgestorven exemplaren in 2020). De laatste jaren kwamen er vitaliteitsproblemen bij voor wat es, berk en tamme kastanje betreft. In het geval van es ligt dat aan de essenziekte. In het geval van tamme kastanje en berk ligt dat eerder aan de droogte. In een tamme kastanjeproefvlak in Ravels is er sinds de zomer van 2018 jaarlijks een probleem van bladvervorming, verkleuring en vroegtijdige bladval. De problemen met berken zijn minder opvallend maar ook deze boomsoort vertoont in enkele proefvlakken een ijle bladbezetting. Wat de boomsoorten betreft is de conclusie dat enkel Amerikaanse eik een betere kroontoestand vertoont. Voor het overige is er sprake van een achteruitgang. De slechtere kroontoestand is opvallend voor beuk, maar ook de groep ‘overige loofboomsoorten’ vertoont een toename van het bladverlies. Wat zomereik betreft, is er min of meer sprake van een stabiele gezondheidstoestand in vergelijking met 2019. Bij zomereik moet er wel bij vermeld worden dat het gemiddeld bladverlies en het aandeel beschadigde bomen niet veel lager dan bij beuk en de ‘overige loofboomsoorten’ ligt. Er is ook sterfte van zomereiken in de proefvlakken, al 10 jaar aan een stuk. Er is geen enkele substeekproef waarbij het gemiddeld bladverlies met meer dan 5 procentpunten verschilt van het voorgaande jaar. Beuk komt het dichtst in de buurt. Het aandeel beschadigde bomen stijgt met meer dan 5 procentpunten bij beuk en de groep ‘overige loofboomsoorten’. Bij Amerikaanse eik daalt het aandeel beschadigde bomen met meer dan 5 procentpunten.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 74 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 4

Percentage beschadigde gemeenschappelijke bomen in de periode 2019-2020

4.2.3

Naaldbomen

Er is in vergelijking met de voorgaande inventaris een toename van het naaldverlies. De toename is beperkt in vergelijking met de loofbomen. Het gemiddeld naaldverlies stijgt van 22,3% naar 23,1%. De mediaan blijft dezelfde (20%). Het aandeel beschadigde bomen neemt ook toe, van 17,1% naar 19,8% (+2,7 procentpunten). Voor het totaal van alle naaldbomen is er een licht significante toename van het naaldverlies maar voor de afzonderlijke boomsoorten is dat niet het geval. Het gemiddeld naaldverlies stijgt voor grove den van 21,8% naar 22,7% (+0,9 procentpunten). De mediaan bedraagt in beide jaren 20%. Het aandeel beschadigde bomen stijgt met 2,3 procentpunten, van 14,1% naar 16,4%. Bij Corsicaanse den stijgt het gemiddeld naaldverlies beperkt van 23,9% naar 24,4% (+0,5 procentpunten). Er is wel een toename van de mediaan, van 20% naar 25%. Er zijn meer beschadigde bomen in vergelijking met grove den en de toename is ook iets groter. In 2019 is 26,5% van de Corsicaanse dennen beschadigd en in 2020 is dat 30,3% (+3,8 procentpunten).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 75 van 109


Voor beide soorten is er een niet beduidende toename van het naaldverlies. Het gemiddeld naaldverlies verschilt minder dan 5 procentpunten tussen beide inventarisatiejaren. Ook het verschil in aandeel beschadigde bomen blijft kleiner dan 5 procentpunten.

Samengevat kan gesteld worden dat de kroontoestand in vergelijking met 2019 een achteruitgang kent. De grootste negatieve evolutie wordt bij beuk waargenomen. De achteruitgang blijft beperkt bij zomereik, grove den en Corsicaanse den. De groep ‘overige loofboomsoorten’ situeert zich daartussen. Alleen Amerikaanse eik kent een verbetering van de kroontoestand.

4.2.4

Verandering van blad- of naaldverliesklasse bij individuele bomen

De 1422 gemeenschappelijke bomen worden zowel in 2019 als in 2020 in een blad- of naaldverliesklasse ondergebracht. De kans is groot dat bomen in beide jaren in dezelfde bladverliesklasse ingedeeld worden. Maar evengoed bestaat de kans dat ze in een hogere of lagere bladverliesklasse terechtkomen. Dit noemen we een klassensprong. De sprong kan één of meerdere klassen bedragen, zowel in positieve als in negatieve zin. In positieve zin betekent dat de toestand verbeterd is, en de boom naar een lagere bladverliesklasse is opgeschoven. Een sprong in negatieve zin betekent een achteruitgang van de gezondheidstoestand. De boom is dan in een hogere bladverliesklasse terechtgekomen. De klassensprongen verschaffen aanvullende informatie bovenop het verloop van het gemiddeld bladverlies en het percentage beschadigde bomen. 72,6% van de bomen wordt in 2019 en 2020 in dezelfde bladverliesklasse ingedeeld (tabel 35). Er zijn meer bomen die naar een hogere bladverliesklasse opschuiven dan omgekeerd. Dit stemt overeen met de evolutie van het aandeel beschadigde bomen en het gemiddeld bladverlies. 15,0% van de bomen maakt een sprong van één klasse in negatieve zin tegenover 11,4% die in een lagere bladverliesklasse terechtkomt. Er zijn ook meer bomen die een negatieve sprong van twee bladverliesklassen maken dan omgekeerd, respectievelijk 0,8% en 0,1%. Een positieve sprong van drie bladverliesklassen komt niet voor. Een negatieve sprong van drie klassen wordt door 0,1% van de steekproefbomen gemaakt. Ook bij de loofbomen zijn er meer bomen die in negatieve zin evolueren dan omgekeerd. Twee derden van de bomen blijft in dezelfde bladverliesklasse (66,8%). Sprongen van drie bladverliesklassen komen niet voor. Er zijn meer bomen met een afnemende vitaliteit dan omgekeerd. Het aandeel bomen dat een negatieve sprong van één of twee bladverliesklassen maakt, bedraagt respectievelijk 17,9% en 1,2%. Een positieve sprong van één of twee bladverliesklassen wordt bij 14,0% en 0,1% van de bomen opgemerkt. Opnieuw is Amerikaanse eik de enige soort met een positieve balans. Slechts 4,3% van de bomen komt in een hogere bladverliesklasse terecht. Omgekeerd maakt 26,1% een gunstige klassensprong. Sprongen van twee of meer bladverliesklassen komen niet voor. Bij zomereik, beuk en de groep ‘overige loofboomsoorten’ zijn er telkens meer bomen die in een hogere klasse komen dan omgekeerd.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 76 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Beuk vertoont de meest ongunstige evolutie. Iets meer dan de helft van de bomen blijft in dezelfde bladverliesklasse maar er zijn veel meer bomen die in een hogere bladverliesklasse ingedeeld worden dan omgekeerd. Ongeveer een derde van de beuken maakt een sprong van één bladverliesklasse in negatieve zin (32,7%). Daarenboven zijn er bomen die een sprong van twee klassen in negatieve zin maken (1,8%). Omgekeerd gaat slechts 12,4% naar een lagere bladverliesklasse. De negatieve evolutie is minder groot bij zomereik. 17,6% van de bomen maakt een negatieve sprong van één of twee bladverliesklassen. Omgekeerd doet 15,2% van de eiken het beter en komt in een lagere bladverliesklasse terecht. In de groep ‘overige loofboomsoorten’ zijn er weinig bomen die positief evolueren. Slechts 8,1% maakt een sprong naar een lagere bladverliesklasse. Omgekeerd maakt 18,2% een negatieve sprong van één bladverliesklasse. De evolutie is nog negatiever voor 1,4% van de bomen die twee bladverliesklassen hoger eindigen. Opnieuw worden de cijfers van het bladverlies en het aandeel beschadigde bomen bevestigd. De verschuivingen zijn in de groep ‘overige loofboomsoorten’ negatiever dan bij zomereik. Ook voor het totaal van alle naaldbomen zijn de verschuivingen overwegend negatief. Er zijn naaldbomen waarvan de vitaliteit licht tot zeer sterk gedaald is. Deze bomen maken een sprong van één, twee of zelfs drie naaldverliesklassen. Omgekeerd zijn er enkel bomen die een sprong van één klasse in gunstige zin maken. Een hoog percentage bomen blijft in dezelfde naaldverliesklasse (79,5%). 11,5% maakt een negatieve sprong van één bladverliesklasse. Omgekeerd komt 8,2% in een lagere klasse terecht. 0,5% maakt een negatieve sprong van twee klassen en 0,3% zelfs een sprong van drie klassen. In het laatste geval betreft het een grove den en een Japanse lork die op een jaar tijd van naaldverliesklasse 1 naar klasse 4 (afgestorven) evolueren. De negatieve evolutie is er zowel voor grove den als voor Corsicaanse den. Bij Corsicaanse den komen enkel sprongen van één bladverliesklasse voor, zowel in positieve als in negatieve zin. 16,1% van de Corsicaanse dennen evolueert naar een hogere naaldverliesklasse. Bij 11,6% verbetert de kroontoestand. Bij grove den komen er ook grotere sprongen voor. Het grootste aandeel bomen blijft in dezelfde naaldverliesklasse (81,9%). De positieve sprongen zijn nooit groter dan één klasse (7,2%). De negatieve sprongen zijn vooral één naaldverliesklasse groot (10,1%). Een sprong van twee of drie naaldverliesklassen komt zelden voor, repectievelijk bij 0,6% en 0,2% van de dennen. In het proefvlak in Averbode sterven er geregeld grove dennen. Steekproefboom 120 maakte op een jaar tijd de sprong van niet-beschadigd (25% naaldverlies) naar afgestorven (100 %). De klassensprongen bevestigen de negatieve evolutie van de kroontoestand in de bosvitaliteitsinventaris. De toestand evolueert enkel positief voor Amerikaanse eik. De meest negatieve evolutie is er bij beuk, gevolgd door de groep ‘overige loofboomsoorten’. Zomereik en de naaldboomsoorten evolueren ook niet goed, maar het verschil is minder groot. Deze soorten kennen een toename van het aandeel beschadigde bomen maar de toename van het bladverlies is niet significant.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 77 van 109


Tabel 35

Procentuele verdeling van de klassensprongen tussen 2019 en 2020 vitaliteit zeer sterk gedaald

(2 klassen lager)

(1 klasse lager)

vitaliteit stabiel zelfde blad- of naaldverliesklasse

(1 klasse hoger)

(2 klassen hoger)

(3 klassen hoger)

totaal

0,1

11,4

72,6

15,0

0,8

0,1

loofbomen

0,1

14,0

66,8

17,9

1,2

0,0

zomereik

0,3

14,9

67,2

16,5

1,1

0,0

beuk

0,0

12,4

53,1

32,7

1,8

0,0

Am. eik

0,0

26,1

69,6

4,3

0,0

0,0

overige lbs.

0,0

8,1

72,3

18,2

1,4

0,0

naaldbomen

0,0

8,2

79,5

11,5

0,5

0,3

grove den

0,0

7,2

81,9

10,1

0,6

0,2

Cors. den

0,0

11,6

72,3

16,1

0,0

0,0

vitaliteit sterk gestegen vitaliteit licht gestegen

Foto 9

vitaliteit licht gedaald vitaliteit sterk gedaald

Grove dennen in Oelegem (Ranst, proefvlak 507, juli 2020)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 78 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


4.2.5

Evolutie per proefvlak

De evolutie van het gemiddeld bladverlies en het aandeel beschadigde bomen per proefvlak wordt in bijlage weergegeven. De vergelijking wordt gemaakt aan de hand van de gemeenschappelijke steekproef 2019-2020. Alle bomen werden twee jaar na elkaar beoordeeld. Bij een verbetering van de gezondheidstoestand wordt een negatief cijfer weergegeven. Een negatief cijfer voor ‘verschil aandeel beschadigde bomen’ of ‘verschil gemiddeld bladverlies’ betekent een afname of een daling van het gemiddelde of aandeel beschadigde bomen. Dat is dan positief wat de gezondheidstoestand van de boom betreft. Omgekeerd houden positieve cijfers een toename van het bladverlies in (of een toename van het aandeel beschadigde bomen). Een positief cijfer staat dan voor een achteruitgang van de gezondheidstoestand. Het aantal bomen per proefvlak varieert. In een aantal proefvlakken zijn er minder dan 10 steekproefbomen. Het aandeel beschadigde bomen kan daardoor van jaar tot jaar sterk variëren. Daarom wordt meer aandacht aan de evolutie van het gemiddelde blad- of naaldverlies geschonken. Het gemiddelde maakt minder grote sprongen. Zo zijn er tussen 2019 en 2020 slechts twee proefvlakken waar het gemiddelde meer dan 10 procentpunten verschilt. Bij het aandeel beschadigde proefvlakken is dat in 23 proefvlakken het geval. Ook de evolutie van het gemiddeld bladverlies en het aandeel beschadigde bomen per proefvlak wijst op een overwegend negatieve evolutie van de gezondheidstoestand tussen 2019 en 2020. Het gemiddeld bladverlies neemt in 43 proefvlakken toe (60,6%). Omgekeerd is er een afname van het bladverlies in 25 proefvlakken (35,2%). Het gemiddelde blijft in drie proefvlakken constant (4,2%). Er zijn meer proefvlakken met een verminderde kroonconditie dan omgekeerd. In 6 proefvlakken neemt het gemiddelde met meer dan 5 procentpunten toe: Wijtschate (proefvlak 101; 8,6 procentpunten), Kluisbergen (proefvlak 212; 14,5 procentpunten), Halle (proefvlak 302; 7,3 procentpunten), Tervuren (proefvlak 303; 9,5 procentpunten), Merksplas (proefvlak 601; 8,1 procentpunten) en Mol-Rauw (proefvlak 604; 10 procentpunten). In Kluisbergen bedraagt de toename zelfs meer dan 10 procentpunten. De toename is overal in deze proefvlakken statistisch significant, met uitzondering van Wijtschate (Wilcoxon test). Er zijn 3 proefvlakken met een afname die meer dan 5 procentpunten bedraagt: Meise (proefvlak 311; -9,2 procentpunten), Beerse (proefvlak 611; -7,9 procentpunten) en Kinrooi (proefvlak 702; -14,4 procentpunten). Alleen in het laatste proefvlak bedraagt de afname meer dan 10 procentpunten. De afname van het bladverlies is overal significant. Van de 6 proefvlakken met een grote toename van het bladverlies, komen er 5 in de lijst met beschadigde proefvlakken in 2020 voor. Dat zijn proefvlakken waar het gemiddeld bladverlies meer dan 25% bedraagt. Deze werden eerder al besproken. Alleen in Halle (proefvlak 302) blijft het gemiddeld bladverlies lager dan 25%. De ijlere bladbezetting gaat in dit proefvlak in 2020 gepaard met een sterke zaadzetting, zowel bij zomereik als bij wintereik. De proefvlakken met een opvallende verbetering van de kroontoestand zijn allen eikenproefvlakken. In deze proefvlakken is er minder insectenvraat in vergelijking met de voorgaande jaren. In Kinrooi is er voor het eerst sinds jaren geen kaalvraat door

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 79 van 109


eikenprocessierupsen. Er worden nog steeds op elke boom spinselnesten waargenomen, maar de vraatschade is beperkt. Het proefvlak wordt wel nog als een ‘beschadigd proefvlak’ beschouwd.

Het aandeel beschadigde bomen stijgt in bijna de helft van de proefvlakken (34 proefvlakken, 47,9%). In 20 proefvlakken daalt het aandeel beschadigde proefvlakken en in 17 proefvlakken is er een status quo (respectievelijk 28,2% en 23,9%). Er zijn ook meer proefvlakken met een opvallende toename van het percentage beschadigde bomen dan omgekeerd. Het aandeel beschadigde bomen neemt in 28 proefvlakken met meer dan 5 procentpunten toe, waarvan 16 proefvlakken met een toename van meer dan 10 procentpunten. In 5 proefvlakken neemt het aandeel beschadigde bomen met meer dan 25 procentpunten toe: Tervuren (proefvlak 303; +45,5 procentpunten), Mol-Rauw (proefvlak 604, +42,9 procentpunten), Ieper (proefvlak 111; +33,3 procentpunten), Merksplas (proefvlak 601; +30,8 procentpunten) en Genk (proefvlak 811; +27,8 procentpunten). Het aandeel beschadigde bomen daalt in 15 proefvlakken met meer dan 5 procentpunten. In 7 van die proefvlakken is de afname groter dan 10 procentpunten. Een afname met meer dan 25 procentpunten wordt vastgesteld in Meise (proefvlak 311; -33,3 procentpunten), Herselt en Kinrooi (proefvlakken 612 en 702; beiden -50 procentpunten).

Foto 10

In Kluisbergen nam het gemiddeld bladverlies van de beuken toe in vergelijking met 2019 (Feelbos, proefvlak 212, juli 2020)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 80 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


4.3

EVOLUTIE VAN HET BLADVERLIES SINDS 2018

De substeekproef met de gemeenschappelijke bomen voor de periode 2018-2020 telt 1371 bomen. De dode bomen uit de inventarissen van 2018 en 2019 zitten niet in deze steekproef, enkel de afgestorven bomen uit de laatste inventaris. De bomen die om andere redenen in 2019 of 2020 uit de steekproef gehaald werden, komen evenmin in deze substeekproef voor. De bomen die pas in 2019 of 2020 aan de steekproef toegevoegd werden, worden ook uit de analyse geweerd. Enkel de bomen die drie jaar na elkaar beoordeeld werden, maken er deel van uit. Per boomsoort wordt de evolutie van het gemiddeld bladverlies weergegeven (tabel 36). In een eerste kolom wordt het verschil tussen 2018 en 2019 weergegeven. Een positief cijfer staat voor een toename van het gemiddeld bladverlies, met andere woorden een negatieve evolutie van de kroontoestand. Een negatief cijfer staat voor een verminderd blad- of naaldverlies. Ook het significantie-niveau wordt weergegeven (Wilcoxon rang test). De vergelijking van het gemiddelde gebeurt eveneens voor de overgang tussen 2019 en 2020 en tot slot volgt een vergelijking tussen 2018 en 2020. De evolutie van de bladverliesklassen wordt in de figuren 5 tot en met 7 weergegeven. Per bladverliesklasse wordt het aandeel bomen in de jaren 2018, 2019 en 2020 weergegeven. De klasse 0 (0-10% bladverlies) bevat de gezonde bomen. In bladverliesklasse 1 zitten de bomen met een bladverlies van 15% à 25%. Bladverliesklasse 2 bevat de bomen met een bladverlies van 30% tot en met 60%. In bladverliesklasse 3 zitten bomen met minstens 65% bladverlies en de laatste bladverliesklasse bevat de afgestorven bomen. In die laatste klasse zitten enkel bomen in het laatste jaar (100% bladverlies in 2020). De som van het aandeel bomen in de klassen 2 tot en met 4 vormt het aandeel beschadigde bomen. Voor het totaal van alle bomen stijgt het gemiddeld bladverlies twee jaar na elkaar. Tussen 2018 en 2019 is er slechts een lichte toename (+0,1 procentpunt). In 2020 stijgt het gemiddelde nog eens met 1,1 procentpunten (tabel 36). De toename is in 2020 significant, zowel ten opzichte van 2018 als ten opzichte van 2019. Het aandeel beschadigde bomen blijft bijna stabiel tussen 2018 en 2019 (respectievelijk 20,8% en 20,9%). In 2020 stijgt het percentage beschadigde bomen tot 24,5%. Bij de loofbomen is er een jaarlijkse toename van het bladverlies. De toename bedraagt 0,5% procentpunten in 2019. In 2020 volgt een bijkomende toename met 1,2 procentpunten. In 2020 is het bladverlies significant toegenomen ten opzichte van 2019 en 2020. Ook het percentage beschadigde bomen stijgt twee jaar na elkaar. Het aandeel bomen in de bladverliesklassen 2 tot en met 4 stijgt van 22,8% in 2018 over 24,3% in 2019 naar 28,6% in 2020. De toename van het bladverlies is vooral het gevolg van de jaarlijkse achteruitgang bij zomereik. Twee jaar na elkaar wordt een hoger bladverlies vastgesteld. Zowel het gemiddelde als het aandeel beschadigde bomen stijgen jaarlijks. Bij de andere loofboomsoorten is dat niet het geval. Het gemiddeld bladverlies neemt in 2019 met 1,1 procentpunten toe en in 2020 nog eens met 0,8 procentpunten. De toename is in 2020 niet significant ten opzichte van 2019, maar zowel in 2019 als in 2020 ligt het bladverlies significant hoger dan in 2018. Het aandeel

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 81 van 109


beschadigde bomen stijgt ook het meest in 2019, van 22,6% naar 26,2%. In 2020 is er een verdere toename tot 29,7%. Bij beuk en Amerikaanse eik wordt een toename van het bladverlies een jaar later gecompenseerd door een afname, of omgekeerd. Zo heffen de verschillen elkaar op en is er geen significant verschil tussen het bladverlies in 2018 en 2020. De schommelingen zijn gerelateerd aan zaadzetting en/of bladvraat, die ook van jaar tot jaar kunnen schommelen. De bladbezetting van de beuk verbetert aanzienlijk in 2019 (-4,3 procentpunten) maar het gemiddeld bladverlies neemt in 2020 opnieuw toe met 4,9 procentpunten. Tussen 2018 en 2020 blijft een niet significante toename van het bladverlies over (0,6 procentpunten). Het aandeel beschadigde bomen maakt gelijkaardige sprongen. Na een hoog aandeel beschadigde bomen in 2018 (25,5%) volgt een opvallende verbetering in 2019 (14,3%). In 2020 stijgt het aandeel beschadigde bomen opnieuw tot 28,6%. In 2019 werd er amper zaadproductie waargenomen. Hoewel de zaadproductie in 2020 minder is dan in 2018, is het gemiddeld bladverlies en het aandeel beschadigde bomen toch iets hoger. In enkele proefvlakken werden de afgelopen jaren droogtesymptomen waargenomen. De volgende jaren zal duidelijk worden of er sprake is van een herstel of een verdere aftakeling van de beuken. De resultaten vertonen bij Amerikaanse eik eveneens een jojo-effect. Het gemiddeld bladverlies neemt in 2019 significant toe (4,9 procentpunten) maar daalt in 2020 opnieuw beduidend (-3,6 procentpunten). Tussen 2018 en 2020 blijft een niet-beduidend verschil van 1,3 procentpunten over. Het aandeel beschadigde bomen stijgt van 11,1% in 2018 naar 28,9% in 2019. Daarna volgt een afname tot 16,7%. In 2019 was er meer bladvraat en er waren ook meer bomen met matige tot sterke zaadzetting. Bij Amerikaanse eik zijn er geen bomen met sterk bladverlies en geen afgestorven bomen. De groep ‘overige loofboomsoorten’ kent in 2019 een lichte verbetering van de kroontoestand maar die wordt in 2020 tenietgedaan. Het gemiddeld bladverlies blijft in 2019 min of meer stabiel (-0,1 procentpunt). In 2020 volgt een toename met 2,1 procentpunten. De toename is in 2020 significant, zowel ten opzichte van 2019 als ten opzichte van 2018 (+2,0 procentpunten). Het percentage beschadigde bomen daalt in 2019, van 27,0% naar 24,0%. In 2020 volgt echter een sterke toename. Aan het eind van de beschouwde periode is 32,0% van de overige loofbomen beschadigd. Dat is het hoogste cijfer van alle substeekproeven. De kroonconditie van de zwarte elzen in proefvlak 714 is al lang problematisch. De laatste jaren zijn daar ook meer beschadigde essen bijgekomen. Sedert 2018 worden bovendien de gevolgen van droogte vastgesteld, bijvoorbeeld bij tamme kastanje, populier, esdoorn en ruwe berk (verwelking, verkleuring, vroegtijdige bladval). In vergelijking met de loofbomen zijn de verschillen bij de naaldbomen minder groot, vooral wat het totaal van de naaldbomen betreft. De verschillen qua naaldverlies zijn minder vaak significant. De kroontoestand van het totaal van alle naaldbomen verbetert licht in 2019, waarna in 2020 een achteruitgang van de kroonconditie volgt. In 2019 daalt het gemiddeld naaldverlies met 0,3 procentpunten. In 2020 volgt een toename met 0,9 procentpunten. In 2020 is er een licht significante toename van het naaldverlies ten opzichte van 2019 maar niet ten opzichte van 2018 (+0,6 procentpunten). Het percentage beschadigde naaldbomen daalt van 18,5% in 2018 naar 17,1% in 2019. In 2020 stijgt het aandeel beschadigde bomen opnieuw tot 19,9%.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 82 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Corsicaanse den vertoont een opvallende verbetering van de naaldbezetting in 2019. Het gemiddeld naaldverlies daalt significant (-2,1 procentpunten). In 2020 volgt een kleinere, niet significante toename van het naaldverlies (+0,6 procentpunten). Ten opzichte van 2018 is er in 2020 nog steeds een licht significante afname van het naaldverlies (-1,5 procentpunten). Ook de evolutie van het aandeel beschadigde bomen is eerst zeer positief. Het aandeel beschadigde bomen zakt van 32,5% in 2018 naar 26,6% in 2019. In 2020 volgt echter opnieuw een toename, tot 30,5%. Bij grove den is er geen verbetering van de gezondheidstoestand, niet in 2019 en niet in 2020. Het gemiddeld naaldverlies en het aandeel beschadigde bomen is wel lager dan bij Corsicaanse den. In 2019 blijft de toestand van de grove dennen vrij stabiel. Het gemiddeld naaldverlies stijgt niet significant (+0,3 procentpunten) en het aandeel beschadigde bomen blijft status quo (14,1%). In 2020 volgt een toename van het naaldverlies. Het gemiddelde stijgt met 0,9 procentpunten en het aandeel beschadigde bomen evolueert naar 16,4%. Net als tussen 2018 en 2019 is er in 2020 geen beduidende toename van het naaldverlies ten opzichte van het voorgaande jaar. Over een periode van twee jaar is er wel een significante toename. Tussen 2018 en 2020 stijgt het gemiddelde met 1,2 procentpunten en die toename is significant. Voor het totaal van alle bomen is er in 2020 een achteruitgang van de gezondheidstoestand, zowel ten opzichte van 2018 als ten opzichte van 2019. Zomereik vertoont twee jaar na elkaar een slechtere kroontoestand. Bij grove den is dat ook zo, maar minder opvallend. Bij beuk en de ‘overige loofboomsoorten’ wordt een verbetering van de kroonconditie in 2019 gevolgd door een sterkere achteruitgang in 2020. Corsicaanse den behoudt in 2020 een betere kroontoestand dan in 2018. De toestand van de Amerikaanse eiken is beter dan in 2019 maar slechter in vergelijking met 2018.

Tabel 36

Evolutie van het gemiddeld bladverlies in de periode 2018-2020 (gemeenschappelijke bomen, Wilcoxon rang test, α=0.05, *=p<0.05, **=p<0.01, ***=p<0.001) 2019-2018

2020-2019

2020-2018

totaal

0,1

1,1***

1,2***

loofbomen

0,5

1,2**

1,7***

zomereik

1,1*

0,8

1,9***

beuk

-4,3***

4,9***

0,6

Amerikaanse eik

4,9***

-3,6***

1,3

overige lbs.

-0,1

2,1***

2,0**

naaldbomen

-0,3

0,9*

0,6

grove den

0,3

0,9

1,2**

-2,1***

0,6

-1,5*

Corsicaanse den

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 83 van 109


Figuur 5

Percentage bomen in de verschillende bladverliesklassen in de periode 2018-2020 (beschadigd vanaf schadeklasse 26-60% bladverlies) - totaal van alle bomen

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 84 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 6

Percentage bomen in de verschillende bladverliesklassen in de periode 2018-2020 (beschadigd vanaf schadeklasse 26-60% bladverlies) - loofbomen, naaldbomen, beuk, zomereik

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 85 van 109


Figuur 7

Percentage bomen in de verschillende bladverliesklassen in de periode 2018-2020 (beschadigd vanaf schadeklasse 26-60% bladverlies) - Amerikaanse eik, overige loofboomsoorten, grove den, Corsicaanse den

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 86 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


4.4 4.4.1

EVOLUTIE VAN HET BLADVERLIES SINDS 1995 Evolutie van het gemiddeld bladverlies

Er zijn te weinig steekproefbomen die sinds 1995 onafgebroken deel uitmaken van de steekproef om enkel met deze bomen de evolutie van het gemiddeld bladverlies te bekijken. Daarom wordt met het totaal aantal bomen per jaar gewerkt. Daar horen ook dode bomen bij, maar enkel het eerste jaar na afsterven. Voor de beginperiode (1995-2001) wordt beroep gedaan op de dataset die gebruikt werd voor een trendanalyse in 2005 (Sioen, Quataert & Roskams, 2005). Deze set werd vanaf 2002 aangevuld met de gegevens van de jaarlijkse kroonbeoordelingen. Enkele proefvlakken verdwenen in de loop der jaren uit het meetnet, na stormschade of kappingen (proefvlakken 301, 404, 801, 813 en 814). Anderzijds werden in 2019 en 2020 nieuwe proefvlakken toegevoegd. Daarvoor werd een beroep gedaan op de Vlaamse bosinventaris. Er werden nieuwe proefvlakken ingericht in Wachtebeke (2019), Ravels (2019), Brecht (2020) en Zuurbemde (2020). In 2020 bestond het meetnet uit 73 proefvlakken en 1474 steekproefbomen. In 1995 waren er 72 proefvlakken met 1728 bomen. Bomen verdwenen uit de inventaris door kapping, storm, sterfte of onderlinge concurrentie. Tot en met 2011 werden steeds vervangers aangeduid, waardoor het aantal steekproefbomen per proefvlak stabiel bleef. Er werd een vast aantal steekproefbomen van 24 exemplaren per proefvlak gehanteerd (4 x 6). Vanaf 2012 werd met steekproefcirkels met een vaste oppervlakte en een variabel aantal steekproefbomen gewerkt. Omdat alle steekproefbomen per jaar in deze analyse gebruikt worden, kunnen de resultaten afwijken van de gemiddelden die bij de gemeenschappelijke bomen vermeld werden (zie 4.2 en 4.3, gemeenschappelijke bomen 2019-2020 en 2018-2020). De waarden van het gemiddeld bladverlies in de figuren 8 tot en met 15 komen niet exact overeen met de gemiddelden in de tekst. Om de figuren op te maken werden eerst de gemiddelden per proefvlak berekend, waarna het gemiddelde van alle proefvlakken berekend werd. Hiervoor wordt gekozen omdat de trend ook op deze data wordt berekend. De evolutie van het bladverlies wordt getest met behulp van een Mann-Kendall Tau test en de Sen-helling wordt bepaald. Een positieve helling wijst op een toename van het bladverlies, een negatieve helling op een afname (en dus een verbetering van de kroontoestand). De Tau test geeft aan of de wijziging al dan niet statistisch significant is. De Sen-helling is een robuuste trendschatting. Voor ieder jaar wordt een trend berekend met alle andere jaren. Dit gebeurt door het verschil tussen elk mogelijk jaarpaar te delen door de afstand tussen de jaren. De mediaan van al deze verschillen vormt de Sen-helling. In dit rapport wordt het gemiddeld bladverlies per proefvlak gebruikt als datapunt voor de berekening en wordt het proefvlak als blokeffect meegegeven aan de functie rkt uit het R pakket rkt (Marchetto, 2017). Om deze helling dan te gebruiken analoog aan een regressie wordt ook een Sen intercept berekend, wat gebeurt door het gemiddelde te nemen van het gemiddelde bladverlies per plot met daarvan jaar * Sen-helling afgetrokken.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 87 van 109


De betrouwbaarheidsintervallen rond deze helling worden berekend via een bootstrap procedure. Hierbij wordt de huidige steekproef als het ware de populatie beschouwd, en wordt hieruit dan 200 keer een nieuwe steekproef van plotnummers getrokken, even groot als de originele steekproef, met sampling replacement. De 2,5% en 97,5% kwantiel van de berekening van de Sen-helling in deze 200 steekproeven is dan een benadering voor het betrouwbaarheidsinterval. De Mann-Kendall Tau test is een niet-parametrische correlatietest tussen het bladverlies en het jaartal, sterk gerelateerd aan de Sen-helling. De basis van de test is tellen hoeveel keer een waarde van jaar tot jaar stijgt, gelijk blijft of daalt in vergelijking met voorgaande jaren, dus in jaar 4, vergelijk je met jaar 1,2 en 3 en daarbij tel je nog de vergelijking van jaar 3 met de jaren 1 en 2 op en de vergelijking van jaar 2 met jaar 1. De p-waarde die in dit deel gebruikt wordt is de p-waarde op de Mann-Kendall tau test (dus niet rechtstreeks op de Sen-helling), in de grafieken worden daarentegen wel de betrouwbaarheidsintervallen op de Sen-helling gebruikt.

Foto 11

Beschadigde grove den (r.) in Zerkegem (proefvlak 102, augustus 2020)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 88 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 8

Gemiddeld blad-/naaldverlies in de bosvitaliteitsinventaris van 1995 tot en met 2020

Voor wat het totaal van alle steekproefbomen betreft, is er een licht toenemende trend van het bladverlies tussen 1995 en 2020 (figuur 8). De Sen-helling is positief (0,039) en de Mann Kendall toets geeft aan dat de trend significant is (p < 0,01). Het gemiddeld bladverlies daalt snel in de periode 1995-1997 en in de periode 2006-2008. Na 2008 is er echter een toename van het bladverlies tot en met 2012. Vanaf dat jaar blijft het gemiddelde vrij hoog. De laagste waarde van het gemiddeld bladverlies wordt in 2008 bereikt (19,3%), de hoogste waarde in 2012 (26,0%). Van de laatste 13 meetjaren zijn er 7 met een gemiddelde dat boven de 24% uitreikt. Tijdens de eerste 13 meetjaren was dat slechts één keer het geval (in 1995). Het gemiddelde van alle steekproefbomen, inclusief de afgestorven exemplaren, bedraagt 24,6% in 2018, 24,4% in 2019 en 24,1% in 2020.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 89 van 109


Figuur 9

Gemiddeld bladverlies van alle loofbomen in de periode 1995-2020

Voor het totaal van alle loofbomen vertoont het gemiddeld bladverlies op 25 jaar tijd eveneens een lichte toename (figuur 9). Tot en met 2008 worden perioden van toenemend bladverlies afgewisseld met perioden met een dalend gemiddelde. Het bladverlies neemt duidelijk af in 1995-1997, 2000-2003 en 2006-2008. Tussen 2008 en 2012 is er een jaarlijkse toename van het gemiddeld bladverlies. In 2008 wordt het laagste gemiddelde behaald en in 2012 volgt de hoogste score (respectievelijk 19,0% en 28,6%). De Sen-helling is positief (0,089) en de trend is significant (p < 0,001). Het gemiddeld bladverlies, inclusief de afgestorven bomen, ligt het laatste jaar wel lager dan de voorgaande jaren (2018 en 2019: 25,7%, 2020: 24,9%). Het is van 2011 geleden dat het gemiddeld bladverlies van alle steekproefbomen minder dan 25% bedroeg.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 90 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 10

Gemiddeld naaldverlies van alle naaldbomen in de periode 1995-2020

De trend van het naaldverlies is voor het totaal van alle naaldbomen niet significant (Senhelling -0,008; p > 0,05). Tussen 2005 en 2010 is er een duidelijke afname van het gemiddeld naaldverlies, maar dat gemiddelde neemt daarna weer toe (figuur 10). Het gemiddelde situeert zich de meeste jaren tussen 20% en 25%. De laagste waarde van het gemiddelde wordt in 2010 bereikt en de hoogste score in 1996, respectievelijk 18,4% en 24,9%. Sinds 2009 is het gemiddelde lager in vergelijking met het cijfer bij de loofbomen en het algemeen totaal. Het gemiddeld naaldverlies, inclusief afgestorven bomen, bedraagt 23,2% in 2018, 22,7% in 2019 en 23,1% in 2020.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 91 van 109


Figuur 11

Gemiddeld bladverlies van beuk in de periode 1995-2020

In vergelijking met andere boomsoorten vertoont het gemiddeld bladverlies bij beuk sterke schommelingen (figuur 11). Hoge waarden worden in 1995, 2000, 2004, 2011, 2016, 2018 en 2020 bereikt. De jaren met een hoog gemiddelde gaan steeds gepaard met een hogere zaadproductie. Na een zaad- of mastjaar volgt normaal gezien een jaar met weinig zaadproductie en een dichtere bladbezetting. In 2019 werd een beukenproefvlak in het domeinbos Ravels aan het meetnet toegevoegd. De gemiddelde kroontoestand van de beuken is zwak en dit heeft een invloed op het globale gemiddelde. Zonder dit proefvlak zou het gemiddelde bladverlies in 2019 18,7% bedragen en in 2020 23,5%. Nu is dat respectievelijk 20,2% en 24,8%. In de loop van 25 jaar kroonbeoordelingen vertonen de beuken significant meer bladverlies (Sen-helling 0,106; p < 0,001). De hoogste cijfers worden in 1995 (26,6%), 2004 (23,8%) en 2016 (26,2%) bereikt. Het laagste gemiddelde wordt in 1998 en 2008 genoteerd (respectievelijk 13,9% en 14,0%). Het valt op dat er op vijf jaar tijd drie zaadjaren zijn: 2016, 2018 en 2020. 2020 was misschien niet een jaar met de meeste zaadproductie maar toch is het gemiddeld bladverlies hoog.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 92 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 12

Gemiddeld bladverlies van zomereik in de periode 1995-2020

Het bladverlies van zomereik vertoont geen significante trend (Sen-helling 0,008; p > 0,05). Het gemiddeld bladverlies situeert zich bijna jaarlijks tussen 20% en 25%, met uitschieters in 1995 (25,8%), 2012 (26,4%), 2013 (25,2%) en 2014 (24,9%, figuur 12). De hoogste score wordt in 2012 bereikt (26,4%) en de laagste in 2008 (20,6%). Na een opvallende toename in de periode 2008-2012 en een daling in de periode 2012-2016, wordt er bij de laatste inventarissen weer een toename waargenomen. De laatste jaren evolueert het gemiddelde van 23,6% in 2018 over 24,6% in 2019 naar 24,9% in 2020.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 93 van 109


Figuur 13

Gemiddeld bladverlies van Amerikaanse eik in de periode 1995-2020

Het gemiddeld bladverlies van Amerikaanse eik vertoont geen trend (Sen-helling: 0). De waarden schommelen rond de 20% (figuur 13). Er is op 25 jaar tijd geen toename of afname van het bladverlies. Het gemiddelde van alle steekproefbomen bereikt de hoogste waarde in 1995 (26,7%). In de jaren daarna bedraagt het gemiddelde vaak minder dan 20%. Dat is het geval in de perioden 1997-2000, 2003-2004, 2008-2011 en in de jaren 2013, 2016 en 2018. De laatste drie jaar bedraagt het gemiddeld bladverlies 19,5% in 2018, 24,3% in 2019 en 20,6% in 2020. Het laagst genoteerde gemiddelde is dat van 2011 (16,3%).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 94 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 14

Gemiddeld naaldverlies van grove den in de periode 1995-2020

Ook de trend van het naaldverlies van grove den is niet significant (Sen-helling -0,014, p > 0,05). Tussen 2007 en 2010 is er een opvallende afname van het gemiddeld naaldverlies maar na 2010 volgt opnieuw een toename (figuur 14). Het gemiddelde ligt de meeste jaren tussen 20% en 23%. De enige periode met een gemiddelde onder de 20% is 2008-2010. Het laagste gemiddelde wordt in 2009 en 2010 genoteerd (17,4%), het hoogste gemiddelde in 1996 (23,8%). De laatste drie inventarisatiejaren blijft het gemiddeld naaldverlies van alle grove dennen boven de 22%-grens: 22,2% in 2018, 22,4% in 2019 en 22,6% in 2020. De waarde van 2020 wordt enkel overschreden in 1996 en 2000 (22,9%). Na 2016 volgt een geleidelijke toename van het gemiddeld naaldverlies.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 95 van 109


Figuur 15

Gemiddeld naaldverlies van Corsicaanse den in de periode 1995-2020

Corsicaanse den is de enige boomsoort met een significante afname van het naaldverlies (Senhelling -0,078, p < 0,05). Het gemiddelde is steeds hoger dan dat van grove den en de schommelingen tussen de jaren zijn ook groter. Het gemiddelde is zeer hoog in 1995-1996, 2000, 2002-2003 en 2012 (figuur 15). De laagste waarde wordt in 2011 genoteerd (21,7%). De hoogste waarde wordt in het begin bereikt, namelijk in 1996 (29,5%). De toestand verbetert voor Corsicaanse den vooral tussen 2003 en 2011. Daarna neemt het naaldverlies weer toe. Het gemiddeld naaldverlies van alle steekproefbomen bedraagt de laatste jaren 26,0% (2018), 23,8% (2019) en 24,4% (2020).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 96 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


4.4.2

Evolutie van het percentage beschadigde bomen

De bomen die meer dan 25% bladverlies vertonen, bepalen het aandeel beschadigde bomen. Dat aandeel varieert van jaar tot jaar en maakt in de loop der jaren grotere schommelingen dan het gemiddeld blad- of naaldverlies. Daarom wordt voor trendberekeningen vaker rekening gehouden met het gemiddelde dan met het percentage beschadigde bomen. Het aandeel beschadigde bomen heeft wel een belangrijke betekenis als indicator. Het is een maatstaaf voor de boskwaliteit. Daarom wordt het aandeel beschadigde bomen opgenomen in indicatorenlijsten, zoals de natuurindicatoren en de indicatoren van de Vlaamse Statistische autoriteit (Statistiek Vlaanderen/Bosvitaliteitsindex). Het meest recente Natuurrapport 2020 bespreekt de evolutie van het aandeel beschadigde bomen in het hoofdstuk ‘Trends per ecosysteem - bos’ (Stevens & Alaerts, 2020). Het aandeel beschadigde bomen volgt niet altijd hetzelfde verloop als het gemiddeld bladverlies. Het is mogelijk dat het aandeel beschadigde bomen gelijk blijft terwijl het gemiddeld bladverlies toeneemt, bijvoorbeeld wanneer reeds beschadigde bomen nog verslechteren qua kroonconditie. Omgekeerd kan het gemiddeld bladverlies dalen terwijl het percentage beschadigde bomen gelijk blijft. Het aandeel beschadigde bomen maakt tijdens de eerste helft van de periode 1995-2020 een neerwaartse beweging. Voor het totaal van alle bomen is er vooral tussen 2000 en 2008 een afname van het percentage beschadigde bomen (figuur 16). Daarna stijgt dit aandeel opnieuw. De toename is opvallend tussen 2008 en 2012. Na 2012 volgt een gedeeltelijk herstel maar de laatste vijf jaar gaat het aandeel beschadigde bomen weer in stijgende lijn: 20,3% in 2016, 21,1% in 2017, 22,8% in 2018, 22,7% in 2019 en 25,3% in 2020. De hoogste score van het aandeel beschadigde bomen wordt in 1995 genoteerd (33,2%), de laagste score in 2008 (14,3%). Er zijn weinig jaren met meer dan een kwart beschadigde bomen. Naast 2020 is dit enkel het geval in 1995 (33,2%), 1996 (26,4%) en 2000 (25,2%).

Foto 12

Tamme kastanje met bladvervorming, bladverkleuring en bladverlies door droogte (Ravels, proefvlak 613, augustus 2020)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 97 van 109


Figuur 16

Percentage beschadigde bomen in de periode 1995-2020 (totaal, loofbomen, naaldbomen)

Ook voor het totaal van alle loofbomen gaat het aandeel beschadigde bomen de laatste jaren in stijgende lijn (figuur 16). Opnieuw is er sprake van een eerder dalende trend in de eerste helft van de periode. Het aandeel beschadigde bomen is het hoogst in 1995 (37,6%). Daarna volgt een verbetering van de kroontoestand. Het aandeel beschadigde bomen daalt vooral tussen 2000 en 2008. In dat jaar wordt het laagste percentage beschadigde bomen bereikt (15,2%). De kroonconditie van de loofbomen verslechtert tussen 2008 en 2012. Na 2012 volgt een verbetering, weliswaar met sprongen. De laatste drie jaar stijgt het percentage beschadigde loofbomen jaarlijks. De cijfers voor de laatste vijf jaar zijn: 25,1% in 2016, 23,1% in 2017, 25,6% in 2018, 26,8% in 2019 en 29,6% in 2020. Het aandeel beschadigde bomen is hoog in 2020 en wordt enkel in het beginjaar 1995 overtroffen. Sinds 2004 is het aandeel beschadigde loofbomen jaarlijks hoger dan het cijfer voor het totaal van alle naaldbomen en het algemeen totaal. Het aandeel beschadigde naaldbomen maakt grotere sprongen in vergelijking met de loofbomen en het totaal van alle bomen (figuur 16).Voor het totaal van alle naaldbomen daalt en stijgt het aandeel beschadigde bomen sterk tussen 1995 en 2000. Tussen 2000 en 2010 volgt vooral een afname van het aandeel beschadigde bomen. Het hoogste percentage beschadigde naaldbomen wordt in 1996 genoteerd (29,1%) en het laagste aandeel in 2009 en 2010 (9,7%). Vanaf 2011 stijgt het naaldverlies opnieuw. Perioden van toename worden afgewisseld met betere perioden maar globaal gezien neemt het aandeel beschadigde naaldbomen tussen 2010 en 2020 toe. Het aandeel beschadigde bomen bedraagt de laatste vijf jaar 14,3% in 2016, 18,6% in 2017, 19,5% in 2018, 17,6% in 2019 en 19,8% in 2020. Het cijfer is tijdens acht inventarisatiejaren nog hoger vergeleken met 2020: 1995 (24,1%), 1996 (29,1%), 1999 (20,2%), 2000 (27,9%), 2001 (21,4%), 2002 (25,4%), 2003 (22,3%) en 2012 (20,0%). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 98 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 17

Percentage beschadigde beuken in de periode 1995-2020

Bij beuk komen er regelmatig zaadjaren met ijlere boomkronen voor. Tijdens die jaren zijn er veel beschadigde bomen. Een jaar na een mastjaar is er altijd minder zaadzetting en daalt het aandeel beschadigde bomen opnieuw. De opvallende zaadjaren zijn 1995, 2004, 2016, 2018 en 2020 (figuur 17). 2011 wordt ook als zaadjaar beschouwd maar toen bleef het aandeel beschadigde bomen laag. Het hoogste percentage beschadigde bomen wordt in 1995 waargenomen (44,4%) en het laagste aandeel in 1998 (4,5%). Na 2015 is het aandeel beschadigde bomen steeds hoger dan 10%: 41,9% in 2016, 10,4% in 2017, 25,4% in 2018, 21,1% in 2019 en 33,7% in 2020. De score in 2020 is hoog en wordt enkel overschreden tijdens de mastjaren 1995 en 2016. Opvallend is wel dat het aandeel beschadigde bomen na het zaadjaar 2018 niet opvallend daalt. Dat is vergelijkbaar met 2005, vlak na het extreme zaadjaar 2004. Op vijf jaar tijd kwamen er drie zaadjaren (2016-2018-2020) en dat heeft zeker zijn invloed op de kroontoestand. Bovendien waren de laatste inventarisatiejaren zeer droog. In verschillende proefvlakken werden droogtesymptomen vastgesteld, vooral in 2018 maar op een aantal locaties ook tijdens de daaropvolgende jaren.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 99 van 109


Figuur 18

Percentage beschadigde zomereiken in de periode 1995-2020

Tijdens de eerste helft van de periode 1995-2020 is er bij zomereik vooral een dalende trend van het aandeel beschadigde bomen (figuur 18). Het hoogste cijfer wordt in 1995 opgetekend (42,5%) en het laagste cijfer in 2008 (17,5%). Vanaf 2009 stijgt het aandeel beschadigde bomen jaarlijks tot in 2012 (34,7%). Tussen 2012 en 2016 volgt weer een betere periode maar na 2016 neemt het aandeel beschadigde bomen weer toe. In de beginperiode (1995-2000) is het aandeel beschadigde bomen steeds groter dan 25%. Verder is meer dan een kwart van de bomen beschadigd in de periode 2011-2014 en opnieuw in 2019-2020. In 2020 stijgt het percentage beschadigde bomen voor het eerst sinds 2014 weer boven de 30%. De laatste vijf jaar bedraagt het percentage beschadigde zomereiken 18,8% in 2016, 24,8% in 2017, 22,8% in 2018, 26,4% in 2019 en 30,1% in 2020. Het cijfer in 2020 is hoog en wordt enkel in 1995 (42,5%), 1998 (34,6%), 2012 (34,7%), 2013 (30,2%) en 2014 (32,4%) overschreden.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 100 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 19

Percentage beschadigde Amerikaanse eiken in de periode 1995-2020

Het percentage beschadigde bomen verloopt bij Amerikaanse eik grillig, met veel sprongen (figuur 19). Het hoogste cijfer wordt in 1995 bereikt (40,6%) en het laagste cijfer in 2013 (4,3%). Tussen 2013 en 2020 neemt het aandeel beschadigde bomen globaal gezien toe, opnieuw met afwisselende jaren van toename en afname. De laatste vijf jaar bedraagt het aandeel beschadigde bomen 8,7% (2016), 17,6% (2017), 11,0% (2018), 28,3% (2019) en 16,1% (2020).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 101 van 109


Figuur 20

Percentage beschadigde grove dennen in de periode 1995-2020

Net als bij verschillende andere boomsoorten, is er bij grove den de laatste jaren een toename van het aandeel beschadigde bomen (figuur 20). Het percentage beschadigde bomen is in 2020 hoog, maar is tussen 1995 en 2005 gedurende verschillende jaren nog hoger. Het aandeel beschadigde bomen komt zelden boven de 20% uit. Dat was enkel in 1995 (21,0%), 1996 (27,6%) en 2000 (24,5%) het geval. De hoogste waarde wordt in 1996 waargenomen en de laagste waarde in 2009 (6,4%). Het cijfer bedraagt in 2016 8,8%. Daarna gaat het in stijgende lijn: 13,1% in 2017, 15,1% in 2018, 14,7% in 2019 en 16,2% in 2020. Het is van 2002 geleden dat het aandeel beschadigde grove dennen groter was dan tijdens het laatste inventarisatiejaar. Toen was 19,6% van de dennen beschadigd. Ook hier kan de periode van 25 jaar in twee grote blokken ingedeeld worden. Een dalende trend van het aandeel beschadigde grove dennen, zeker tussen 2000 en 2010, wordt gevolgd door een (minder sterk) stijgende lijn.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 102 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 21

Percentage beschadigde Corsicaanse dennen in de periode 1995-2020

Bij Corsicaanse den zijn er grote sprongen in het verloop van het aandeel beschadigde bomen (figuur 21). Tussen 2003 en 2011 is er een periode met een dalend aandeel beschadigde bomen. Daarna neemt het percentage weer toe, met grote schommelingen. De hoogste waarde wordt in 2002 en 2003 vastgesteld (47,5%), het laagste cijfer in 2011 (16,0%). De laatste vijf jaar bedraagt het cijfer 31,0% (2016), 35,1% (2017), 32,4% (2018), 26,4% (2019) en 30,3% (2020). De score is hoger dan 35% in 1995, 1996, 2000, 2002, 2003, 2012, 2015 en 2017. De cijfers zijn hoog in vergelijking met grove den. Het aandeel beschadigde bomen blijft bij grove den altijd onder de 30%.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 103 van 109


5 INVENTARISATIE GEZONDHEIDSTOESTAND ES De es wordt in Europa bedreigd door het vals essenvlieskelkje, Hymenoscyphus fraxineus, beter bekend als de essenziekte of essentaksterfte. Om de gezondheidstoestand van de essen beter op te volgen, werd in 2014 een extra meetnet gestart. Ondertussen verscheen een rapport met een evaluatie van de waarnemingen in de periode 2014-2019 (Sioen et al., 2020). Ook de symptomen van de ziekte worden in dat rapport beschreven. Van de 29 proefvlakken die sinds 2014 continu opgevolgd worden, maken er 9 deel uit van het bosvitaliteitsmeetnet (tabel 37). In deze proefvlakken werden in totaal 78 steekproefbomen geselecteerd. Een groot deel van de bomen staat buiten de proefvlakcirkel en behoort niet tot de steekproef van de jaarlijkse bosvitaliteitsinventaris. Het aantal beoordeelde essen is met 20 exemplaren het grootst in Zoutleeuw (proefvlak 416). In Tielt-Winge (proefvlak 415) en Ieper (proefvlak 111) worden er slechts 4 bomen beoordeeld. In tegenstelling tot de bosvitaliteitsinventaris, waar afgestorven bomen na een jaar uit de inventaris verdwijnen, blijven afgestorven essen in deze steekproef zitten. Ondertussen zijn 10 essen afgestorven (12,8%). In de totale essensteekproef, met 29 proefvlakken en 252 bomen, ligt het aandeel dode bomen hoger. Het gemiddeld bladverlies van de essen in de proefvlakken bedraagt 38,2%. Meer dan de helft van de bomen is beschadigd (53,8%). Het aandeel bomen met meer dan 60% bladverlies bedraagt 17,9%. Het gemiddeld bladverlies is het hoogst in Pulle (proefvlak 508; 55,3%). In slechts drie proefvlakken bedraagt het gemiddeld bladverlies maximum 25%: Ieper (proefvlak 111; 25,0%), Gontrode (proefvlak 205; 23,3%) en Maarkedal (proefvlak 214; 16,9%). De kroontoestand verslechtert ten opzichte van 2019. Het gemiddeld bladverlies neemt met 2,2 procentpunten toe en het aandeel beschadigde essen stijgt met 14,7 procentpunten. Het aandeel bomen met sterk bladverlies stijgt met 2,5 procentpunten. Er is op een jaar tijd één extra boom afgestorven (+ 1,3 procentpunten). Het gemiddeld bladverlies neemt toe in Halle (proefvlak 302), Perk (proefvlak 402), Tielt-Winge (proefvlak 415), Zoutleeuw (proefvlak 416) en Pulle (proefvlak 508). In Ieper is er een status quo (proefvlak 111) en er is een afname van het gemiddelde in Wijtschate (proefvlak 101), Gontrode (proefvlak 205) en Maarkedal (proefvlak 2014). De verschillen blijven in de meeste gevallen beperkt tot minder dan 5 procentpunten. Alleen in Zoutleeuw is er een opvallende toename van het gemiddelde (+ 8 procentpunten). De totale essensteekproef telt 252 bomen in 29 proefvlakken. In 2020 is 60,3% van de bomen beschadigd (+ 4,7 procentpunten). Het gemiddeld bladverlies bedraagt ondertussen bijna 50% (49,6%; +1,7 procentpunten). Ongeveer een derde van de bomen vertoont meer dan 60% bladverlies (34,5%; +2,4 procentpunten). Een vijfde van de bomen is afgestorven (20,6%; +4,3 procentpunten). Net als in de bosvitaliteitsproefvlakken, is de toestand in de volledige inventaris verder achteruitgegaan.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 104 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


De laatste vier jaar stijgt het aantal afgestorven bomen sterk: van 17 exemplaren in 2017 (6,7%) over 27 exemplaren in 2018 (10,7%) naar 41 exemplaren in 2019 (16,3%) en 52 exemplaren in 2020 (20,6%). Ten opzichte van het startjaar 2014 is het aandeel beschadigde bomen bijna verdubbeld: van 32,1% naar 60,3%. Ook het gemiddeld bladverlies stijgt zeer sterk op 6 jaar tijd: van 28,8% naar 49,6%. Het percentage bomen met meer dan 60% bladverlies gaat van 6,7% naar 34,5%. Een deel van de bomen is nog steeds niet beschadigd en de vitaliteit blijft op sommige plaatsen, zoals in het Koppenbergbos, vrij goed. Hopelijk blijven deze bomen hun tolerantie voor de essenziekte behouden. Tabel 37

Proefvlakken van het bosvitaliteitsmeetnet met geselecteerde essen voor het essenonderzoek in 2020

Nummer

Naam

Plaats

Aantal essen

Aantal beschadigd

101

Diependaal

Wijtschate

5

3

111

Galgebossen

Ieper

4

1

205

Aelmoeseneiebos

Gontrode

6

2

214

Koppenbergbos

Maarkedal

8

0

302

Hallerbos

Halle

6

4

402

Hellebos

Perk

10

5

415

Walenbos

Tielt-Winge

4

2

416

Tienbunders

Zoutleeuw

20

13

508

Krabbels

Pulle

15

12

Foto 13

De gezondheidstoestand van es lijdt onder de essenziekte (Pulle, proefvlak 508, september 2020)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 105 van 109


6 BESLUIT Het aandeel beschadigde bomen in de inventaris bedraagt 25,3% en het gemiddeld bladverlies 24,1%. 0,7% van de steekproefbomen is afgestorven. Er is in vergelijking met 2019 een toename van het gemiddeld bladverlies (+1 procentpunt) en een toename van het aandeel beschadigde bomen (+3,3 procentpunten). Enkel bij Amerikaanse eik neemt het bladverlies af. De trend tussen 1995 en 2020 is significant voor beuk (toename), Corsicaanse den (afname), het totaal van alle loofbomen (toename) en het algemeen totaal (toename). Er wordt vaak aan droogte gedacht als verklaring voor de achteruitgang van de kroontoestand. Droogte speelt een rol, maar de invloed is boomsoortafhankelijk. Het kan zijn dat droogte zich (nog) niet in bladverkleuring, bladverlies of kroonsterfte vertaalt, maar misschien eerder onrechtstreeks via wortelsterfte een negatieve invloed heeft. Bomen kunnen herstellen van droogte maar het kan ook de start van een verdere aftakeling worden. Dat is zeker het geval wanneer bomen zich onvoldoende verdedigen tegen insecten of schimmels die de vitaliteit verder aantasten. Luchtverontreiniging heeft in onze bossen nog vaker een onrechtstreeks effect op bomen. Verzuring en vermesting door stikstof werken in op de bodemchemie, de opname via de wortels en de mycorrhizerende schimmels. In het Level 2-meetnet worden chemische analyses uitgevoerd waarbij een beter beeld verkregen wordt van de stikstofinhoud in bladeren, strooisel en bodem. Fijnspar en lork werden de laatste jaren het meest door droogte getroffen. Beide soorten komen in de Vlaamse inventaris niet of amper voor. De bosvitaliteitsinventaris bevat wel grove dennen en Corsicaanse dennen. Voorlopig houden beide soorten stand. De eiken hebben op het eerste zicht weinig last van het extreme weer. Bij zomereik wordt al lang gesteld dat de gezondheidstoestand door een waaier van factoren bepaald wordt, zowel abiotisch (standplaats, luchtverontreiniging, weer, beheer) als biotisch (insecten en schimmels). De droogte bevordert aantasting door bladvretende of houtborende insecten, zoals eikenprocessievlinder en andere nachtvlindersoorten, eikenprachtkever… Er zijn nog steeds veel eikenproefvlakken met een hoog gemiddeld bladverlies, vaak met insectenvraat. Er wordt ook jaarlijks sterfte van zomereiken vastgesteld. Er was in 2020 veel zaadproductie bij beuk, zomer- en wintereik. Dat kan een rol gespeeld hebben bij de inschatting van het bladverlies of de bladbezetting. Zogenaamde mastjaren gaan zeker bij beuk gepaard met ijlere boomkronen. De snelle opeenvolging van zaadjaren is opvallend (2016, 2018, 2020). Momenteel valt het aandeel sterk kwijnende en stervende beuken in de inventaris mee. Er is schade door droogte, maar vooral buiten de proefvlakken. In percelen met een ondiepe bodem en/of een wisselende grondwaterstand is er het meest schade (soms te nat, vaak te droog). In sommige beukenproefvlakken is er al langer sprake van een zwakke gezondheidstoestand. In de groep ‘overige loofboomsoorten’ duiken droogtesymptomen op bij tamme kastanje, esdoorn, berk, populier… In deze groep zitten ook steekproefbomen die al jaren achteruit gaan door ziekten als essentaksterfte (es, verschillende proefvlakken) en elzenphytophthora (zwarte els, één proefvlak). Daardoor is het aandeel beschadigde bomen in deze groep hoog.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 106 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Referenties Bomennieuws. Oktober 1977, nr. 3. Bomenstichting, Zeist (Nl.) Bosvitaliteitsindex Statistiek Vlaanderen https://www.statistiekvlaanderen.be/bosvitaliteitsindex De Keersmaeker L., Vandekerkhove K., 2020. Schrijven we de beuk te snel af? Bosrevue 88. https://bosrevue.bosplus.be/bosrevue/editie/2020/11/05/Schrijven-we-de-beuk-te-snel-af Marchetto A., 2017. rkt: Mann-Kendall Test, Seasonal and Regional Kendall Tests. R package version 1.5. https://CRAN.R-project.org/package=rkt Michel A., Prescher A-K., Schwärzel K., editors, 2019. Forest Condition in Europe: 2019 Technical Report of ICP Forests. Report under the UNECE Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (Air Convention). BFW-Dokumentation 27/2019. Vienna: BFW Austrian Research Centre for Forests. 104 p. https://www.icp-forests.org/pdf/TR2019.pdf Michel A., Prescher A.-K., Schwärzel K., editors, 2020. Forest Condition in Europe: The 2020 Assessment. ICP Forests Technical Report under the UNECE Convention on Long-Range Transboundary Air Pollution (Air Convention). Eberswalde: Thünen Institute. https://doi.org/10.3220/ICPTR1606916913000 Natuurindicatoren https://www.vlaanderen.be/inbo/indicatoren/aandeel-beschadigdebosbomen Potočid N., Timmermann V., Ognjenovid M., Kirchner T. 2020. Indicator 2.3: Defoliation. In Forest Europe 2020: State of Europe’s Forests 2020. Criterion 2: Maintenance of Forest Ecosystem Health and Vitality (Ferretti et al.). 394 p. https://foresteurope.org/wpcontent/uploads/2016/08/SoEF_2020.pdf Quataert P., Vandekerkhove K., De Vos B., Simoens I., Verheyen K., Ceulemans R., Muys B., Van Acker J., 2018. Het bosonderzoek in Vlaanderen. Stand van zaken en toekomstverkenning. Conclusies en aanbevelingen naar aanleiding van het Bossymposium “Kennis voor het bos van de toekomst” op 12 mei 2017 in Brussel. Mededeling van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2018 (2). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. https://pureportal.inbo.be/portal/files/15714690/Quataert_etal_2018_BosonderzoekInVlaand erenStandVanZakenEnToekomstverkenning.pdf R Core Team, 2018. R: A language and environment for statistical computing. R Foundation for Statistical Computing, Vienna, Austria. URL https://www.R-project.org/ Sioen G., 2020. Bosvitaliteit lijdt onder droogte van voorbije jaren. Nieuwsbrief INBO, mei 2020. https://purews.inbo.be/ws/portalfiles/portal/34099429/Mei_2020.pdf Sioen G., Leyman A., De Geest L., Van de Kerckhove P., Esprit M., Christiaens B., Roskams P., 2012. Inventarisatie van de proefvlakken in het bosvitaliteitsmeetnet. Dendrometrische gegevens uit de steekproefcirkels. INBO.R.2012.42. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek,

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 107 van 109


Brussel. https://pureportal.inbo.be/nl/publications/inventarisatie-van-de-proefvlakken-in-hetbosvitaliteitsmeetnet-d Sioen G., Quataert P., Roskams P., 2005. Beschrijvende trendanalyse van de kroontoestand in het bosvitaliteitsmeetnet (Level I) in de periode 1987-2001. IBW Bb R 2005.002. Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer. https://www.vlaanderen.be/publicaties/beschrijvende-trendanalysevan-de-kroontoestand-in-het-bosvitaliteitsmeetnet-level-i-in-de-periode-1987-2001 Sioen G., Roskams P., 2007. Basiskenmerken van het bosvitaliteitsmeetnet in het Vlaamse Gewest; periode 1987-2005 (Level I). INBO.R.2007.5. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. https://purews.inbo.be/ws/portalfiles/portal/5369105/Sioen_Roskams_2007_Basiskenmerken BosvitaliteitsmeetnetVlaamseGewest.pdf Sioen G., Verschelde P., De Haeck A., Roskams P., Steenackers M. & De Cuyper B., 2020. De gezondheidstoestand van es in Vlaamse bossen: Resultaten uit de permanente steekproef 2014-2019. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (51). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel https://doi.org/10.21436/inbor.19362850 Sioen G., Verschelde P., Roskams P., 2020. Bosvitaliteitsinventaris 2019. Resultaten uit het bosvitaliteitsmeetnet (Level 1). Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (20). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. https://pureportal.inbo.be/portal/files/18188072/Sioen_Verschelde_Roskams_2020_Bosvitaliteitsinventaris2019.pdf Stevens M., Alaerts K., 2020. Bos. In: Schneiders A. et al. (red.). Natuurrapport 2020: feiten en cijfers voor een nieuw biodiversiteitsbeleid. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (2). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. https://pureportal.inbo.be/en/publications/natuurrapport-2020-feiten-en-cijfers-voor-eennieuw-biodiversiteitsbeleid Strategy of ICP Forests 2016-2023. http://www.icp-forests.org/pdf/strategy2016-2023.pdf UNECE ICP Forests Programme Co-ordinating Centre (ed.) 2016. Manual on methods and criteria for harmonised sampling, assessment, monitoring and analysis of the effects of air pollution on forests. Thünen Institute of Forest Ecosystems, Eberswalde. Part I, Part II, Part IV http://www.icp-forests.org/Manual.htm Vandekerkhove K., Verstraeten A., Sioen G., Cools N., De Keersmaeker L., De Vos B., Lettens S., Neirynck J., Steenackers M., Thomaes A., Vanden Broeck A., Vander Mijnsbrugge K., 2020. Klimaatslim bosbeheer: van wetenschappelijke achtergrond naar aanbevelingen voor de praktijk. Adviezen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.A.4000 https://pureportal.inbo.be/portal/files/19235120/INBO.A.4000.pdf Website Koninklijk Meteorologisch Instituut, Ukkel http://www.kmi.be/meteo/view/nl/1124386-Voorbije+maanden.html Wickham H., 2016. ggplot2: Elegant Graphics for Data Analysis. Springer-Verlag New York

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 108 van 109

doi.org/10.21436/inbor.34283136

www.vlaanderen.be/inbo


Bijlage: bladverlies gemeenschappelijke bomen 2019-2020 proefvlak

aandeel beschadigd 2020

aandeel beschadigd 2019

verschil aandeel beschadigd

gem. bladverlies 2020

gem. bladverlies 2019

verschil gem. bladverlies

101

28,5

7,1

21,4

27,2

18,6

8,6

102

25

25

0

23,1

22,2

0,9

103

25

25

0

22,1

23

-0,9

104

9,1

9,1

0

17,3

18,2

-0,9

111

58,3

25

33,3

26,7

25

1,7

112

20

30

-10

25,5

24,5

1

201

0

0

0

16,7

16,7

0

202

37,5

35

2,5

28,1

25

3,1

203

13,2

15,8

-2,6

22,1

22,6

-0,5

205

18,8

6,2

12,6

24,7

20,3

4,4

206

15,2

10,9

4,3

22,1

21,6

0,5

207

14,8

7,4

7,4

21,3

19,8

1,5

211

13,3

13,3

0

23,3

22

1,3

212

20

0

20

25

10,5

14,5

213

45,9

29,2

16,7

26,9

25

1,9

214

0

0

0

17,7

18,6

-0,9

215

6,7

0

6,7

15,7

15

0,7

147067

4,5

18,1

-13,6

18,6

22,7

-4,1

302

13,5

8,1

5,4

24,5

17,2

7,3

303

45,5

0

45,5

25,9

16,4

9,5

311

8,3

41,6

-33,3

18,8

28

-9,2

312

44,4

22,2

22,2

26,7

22,8

3,9

402

23,1

30,8

-7,7

24,2

25

-0,8

403

27,1

12,5

14,6

26,2

21,8

4,4

406

6,6

3,3

3,3

22

19,5

2,5

411

5,6

11,2

-5,6

15,3

20

-4,7

412

16,7

25

-8,3

22,1

22,1

0

413

5,3

10,6

-5,3

18,7

20,5

-1,8 0,7

414

0

0

0

19,3

18,6

415

15

25

-10

22,5

24,5

-2

416

28,6

14,3

14,3

22,5

21,4

1,1

501

19

28,5

-9,5

18,8

23,6

-4,8

502

15,8

10,5

5,3

23,1

21,8

1,3

504

17,6

29,4

-11,8

23,2

27,3

-4,1

505

9,1

9,1

0

20,9

20,9

0

506

25

15

10

22

21,5

0,5

507

4,3

4,3

0

22

21,3

0,7

508

26,7

20

6,7

23

22,7

0,3

511

18,8

0

18,8

20

15

5

512

66,7

66,7

0

32,5

30

2,5

513

30

25

5

27,6

22,8

4,8

514

46,2

46,2

0

28,8

27,3

1,5

515

52,9

29,4

23,5

29,7

26,2

3,5

516

15

20

-5

21,2

22

-0,8

601

77

46,2

30,8

40,8

32,7

8,1

602

16,6

8,3

8,3

22

21,2

0,8

603

23,1

38,5

-15,4

23,1

25,8

-2,7

604

42,9

0

42,9

25,7

15,7

10

611

33,3

33,3

0

20,8

28,7

-7,9

612

25

75

-50

25

30

-5

613

55

37,5

17,5

29,3

25,9

3,4

95001

66,7

66,7

0

33,6

31,3

2,3

701

23,1

15,4

7,7

20,4

21,9

-1,5

702

50

100

-50

26,2

40,6

-14,4

703

7,7

11,5

-3,8

21,4

20,8

0,6

711

52

48

4

30,2

26,6

3,6

712

12,5

12,5

0

19,7

18,4

1,3

713

25

15

10

22,3

17,8

4,5

714

100

92,3

7,7

74,9

72,8

2,1

802

8,7

13

-4,3

21,3

22,4

-1,1

803

0

0

0

20,9

19,6

1,3

804

4,8

0

4,8

19

19,2

-0,2

805

7,1

0

7,1

18,9

19,6

-0,7

811

50

22,2

27,8

26,9

23,3

3,6

812

7,1

7,1

0

20,4

18,6

1,8

901

29,7

29,7

0

24,6

25,3

-0,7

902

16,7

26,2

-9,5

22

23,4

-1,4

903

5,9

0

5,9

17,1

15,3

1,8

904

30

35

-5

24,5

26,4

-1,9

906

38,7

61,3

-22,6

26,3

30,8

-4,5

910

37,1

20,4

16,7

25,8

22,4

3,4

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34283136

Pagina 109 van 109


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook