Skip to main content

Monitoring_broedvogels_Zeebrugge_resultaten_2019_2020.pdf

Page 1

Monitoring van broedvogels, vegetatie en hydrologie binnen de ingerichte percelen ter compensatie van natuurwaarden in de Achterhaven van Zeebrugge Resultaten 2019 en 2020 Verstraete Hilbran, Van de walle Marc, Courtens Wouter, Vanermen Nicolas, De Bie Jan en Verbelen Dominique


Auteurs: Verstraete Hilbran, Van de walle Marc, Courtens Wouter, Vanermen Nicolas (Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek), De Bie Jan (VLM), Verbelen Dominique (Natuurpunt) Reviewers: Verbelen Dominique Het INBO is het onafhankelijk onderzoeksinstituut van de Vlaamse overheid dat via toegepast wetenschappelijk onderzoek, data- en kennisontsluiting het biodiversiteitsbeleid en -beheer onderbouwt en evalueert. Vestiging: Herman Teirlinckgebouw INBO Brussel Havenlaan 88 bus 73, 1000 Brussel www.inbo.be e-mail: Hilbran.Verstraete@inbo.be Wijze van citeren: Verstraete H., Van de walle M., Courtens W., Vanermen N., De Bie J., Verbelen D.(2021). Monitoring van broedvogels, vegetatie en hydrologie binnen de ingerichte percelen ter compensatie van natuurwaarden in de Achterhaven van Zeebrugge. Resultaten 2019 en 2020. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2021 (17). Instituut voor Natuuren Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.34217966 D/2021/3241/150 Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2021 (17) ISSN: 1782-9054 Verantwoordelijke uitgever: Maurice Hoffmann Foto cover: Tureluur

© 2021, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek


MONITORING VAN BROEDVOGELS, VEGETATIE EN HYDROLOGIE BINNEN DE INGERICHTE PERCELEN TER COMPENSATIE VAN NATUURWAARDEN IN DE ACHTERHAVEN VAN ZEEBRUGGE RESULTATEN 2019 EN 2020

Verstraete H., Van de walle M., Courtens W., Vanermen N., De Bie J. & Verbelen D.

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Samenvatting Dit rapport bespreekt de monitoringsresultaten van de onderzoeksjaren 2019 en 2020 voor vogels, vegetatie en hydrologie. Met deze monitoring toetsen we de kwaliteit af van de natuurcompensaties voor de Achterhaven van Zeebrugge. 1. In een eerste luik worden de monitoringsresultaten van vegetatie en broedvogels besproken op percelen die werden ingericht als zilt grasland (hpr* + da). Soorten- en reliëfrijk grasland (hpr*) is intussen geëvolueerd van 22% vóór aanvang van de inrichting (T0) naar 67% na een tweede vegetatieopname (T2). Het percentage bedekking aan zilte vegetatie (da) is tussen een eerste (T1) en een tweede vegetatieopname (T2) afgenomen met 17%. Na de eerste vegetatieopname bedroeg de nettowinst aan bedekking met zilte plantensoorten 7%, na een tweede vegetatieopname ging het op diezelfde percelen om 5,7%. Als ook de oppervlakte aan zilte vegetatie op een aantal recent ingerichte percelen mee in rekening wordt gebracht, kom je aan een huidige nettowinst van 6,3% en wordt de doelstelling van 7% nu niet gehaald. Van de 11 indicatieve vogelsoorten voor doelhabitat hpr* + da:  kennen 8 soorten sinds 2006 een toename op de ingerichte percelen: Visdief (+71%/jr), Steltkluut (+55%/jr), Zomertaling (+20%/jr), Kuifeend (+20%/jr), Kluut (+13%/jr), Slobeend (+8%/jr), Bergeend (+6%/jr) en Tureluur (+2%/jr)  kent Scholekster (-3%/jr) een afname  zijn voor Kievit en Grutto geen significante trend zichtbaar Behalve voor Visdief en Steltkluut liggen de densiteiten van deze indicatieve soorten hoger op percelen in uitvoering van art. 36ter dan op percelen in uitvoering van art. 14. De densiteiten op de als hpr* + da opgewaardeerde oppervlakte zijn heel laag en verwaarloosbaar. 2. In een tweede luik komen de monitoringsresultaten van vegetatie en broedvogels aan bod op percelen die werden ingericht als soortenrijk- en reliëfrijk grasland (hpr* + da). De inrichting is recent, waardoor voor de meeste percelen nog maar één vegetatie-monitoringsronde werd uitgevoerd. Soorten- en reliëfrijk grasland kwam vóór aanvang van de inrichting (T0) niet voor op de ingerichte percelen, en heeft na een eerste vegetatieopname (T1) een bedekking van 12%. Er werden 11 indicatieve vogelsoorten voor doelhabitat hpr* geselecteerd. Het aantal vastgestelde territoria van deze soorten is erg laag en voor de meeste soorten was er geen significante trend. Voor twee soorten kon wel een trend worden bepaald: Veldleeuwerik (+22%/jr) kent een toename, Kievit (-21%/jr) kent een afname. 3. In een derde luik worden de monitoringsresultaten besproken van vegetatie en broedvogels op percelen die als rietland (mr) werden ingericht. Inrichtingswerken in functie van het ontwikkelen van rietland werden uitgevoerd in de Eendenkooi van Wenduine en in het Pompje. Vóór aanvang van de inrichting was er op beide plaatsen zo goed als geen riet. Intussen heeft het riet zich in het Pompje weten uitbreiden over 82% van de ingerichte oppervlakte. Het riet in de Eendenkooi van Wenduine beslaat

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 2 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


momenteel een oppervlakte van 7%. We kozen 12 indicatieve vogelsoorten voor dit doelhabitat:  Zeven namen significant toe: Snor (+140%/jr), Sprinkhaanzanger (+35%/jr), Waterral (+22%/jr), Cetti’s zanger (+15%/jr), Rietzanger (+14%/jr), Rietgors (+13%/jr) en Kleine karekiet (+7%/jr).  Voor de overige soorten was er geen significante trend. Onder hen een aantal absolute topsoorten voor rietland: Roerdomp, Bruine kiekendief en Baardmannetje. - Een Roerdomp was territorium-houdend tussen 2012 en 2019, voornamelijk binnen de opgewaardeerde oppervlakte. - Bruine kiekendief had al vóór de inrichting een territorium in een opgewaardeerd stukje rietland, en heeft sinds 2015 een tweede territorium in het Pompje op de ingerichte percelen. - Baardmannetje kon zich recent in het Pompje vestigen met territoria in 2019 (1) en 2020 (3). - Ook Snor wist zich te vestigen in recente jaren met territoria in 2019 (4 in het Pompje en 1 in Eendenkooi van Wenduine) en 2020 (2 in het Pompje). Door het grote verschil in ontwikkeling van riet tussen de twee gebieden is het niet verwonderlijk dat de bijdrage van het Pompje voor rietvogels veel hoger is dan die van de Eendenkooi van Wenduine. 4. In een vierde luik komen broedvogels op de als brakke plas (ah) ingerichte oppervlakte aan bod. Hier deden we geen vegetatiestudie, wel een broedvogelstudie. Van de 8 indicatieve vogelsoorten voor doelhabitat ah kwamen intussen 7 soorten tot broeden (alleen Bruine kiekendief werd nog niet vastgesteld). Drie soorten zijn toegenomen: Kuifeend (+16%/jr), Kleine karekiet (+16%/jr) en Rietzanger (+11%/jr). Voor de overige soorten kon geen significante terend worden bepaald. 5. In een vijfde luik schetsen we de evolutie en de huidige vogelstand van een selectie aan kenmerkende poldersoorten binnen het volledige studiegebied, waarvan het Vogelrichtlijngebied Poldercomplex integraal deel uitmaakt.  Soorten die sinds 2006 zijn toegenomen zijn Kokmeeuw (+23%/jr), Steltkluut (+18%/jr), Snor (+17%/jr), Waterral (+11%/jr), Roodborsttapuit (+10%/jr), Visdief (+7%/jr), Blauwborst (+5%/jr), Rietzanger (+4%/jr), Kleine karekiet (+3%/jr), Rietgors (+2%/jr) en Graspieper (+1%/jr).  Andere soorten kennen sinds 2006 een afname: Graszanger (-31%/jr), Baardmannetje (-20%/jr), Kievit (-9%/jr/jr), Grutto (-4%/jr), Bergeend (-2%/jr), Slobeend (-2%/jr), Patrijs (-2%/jr) en Kluut (-1%/jr).  Voor de overige soorten kon geen significante trend worden berekend. Een niet-significante toename werd bekomen voor Roerdomp, Kleine zilverreiger, Lepelaar, Zwartkopmeeuw, Stormmeeuw, Velduil (een eerste territorium in 2020), IJsvogel, Cetti’s zanger (die een recente steile opmars kent), Sprinkhaanzanger en Bosrietzanger. Een niet-significante afname werd opgetekend voor Woudaap, Kwak, Bruine kiekendief, Kwartel, Porseleinhoen en Buidelmees.

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 3 van 144


6. In een zesde luik wordt de evolutie van een aantal broedvogels per Zoekzone bekeken waarvoor Instandhoudingsdoelstellingen (IHD’s) werden geformuleerd: Roerdomp, Lepelaar, Bruine kiekendief, Porseleinhoen, Steltkluut, Kluut, Zwartkopmeeuw, Visdief, Velduil, IJsvogel en Blauwborst. Zoekzone Z10bis (waar de Uitkerkse Polder integraal deel van uitmaakt) is de belangrijkste Zoekzone en het belang van de Achterhaven van Zeebrugge wordt steeds minder. Zoekzones Z1 Klemskerke – Vlissegem, Z4 Pompje en Z8 Dudzeelse Polder herbergen het grootste deel aan gecompenseerde oppervlakte. Binnen deze Zoekzones is een duidelijk positieve trend merkbaar voor de meeste soorten, met de meest uitgesproken toename voor de Kluut en Steltkluut. Ook de evolutie van het seizoensgemiddelden van wintervogels per Zoekzone wordt bekeken, van vogelsoorten waarvoor specifieke Instandhoudingsdoelstellingen (IHD’s) voor het Vogelrichtlijngebied Poldercomplex werden geformuleerd. Ook voor de overwinterende vogels geldt Z10bis als de belangrijkste Zoekzone en neemt het belang van de Achterhaven van Zeebrugge steeds verder af. Binnen de Zoekzone Z1 Klemskerke – Vlissegem en Z4 Pompje nemen de meeste soorten gevoelig toe. Over het ganse studiegebied is er sinds 2006 een toename voor Grote zilverreiger, Slobeend en Kolgans. Een afname is er voor Goudplevier, Kemphaan, Pijlstaart, Smient en Kleine rietgans, terwijl Wulp ongeveer gelijk blijft. 7. In het laatste luik van dit rapport tenslotte bespreken we de hydrologische monitoring in de ingerichte percelen in de verschillende Zoekzones. Na een korte beschrijving van de hydrologische inrichting van het gebied volgt een beschrijving van het monitoringsnetwerk (oppervlakte- en grondwater) voor de Zoekzone. Vervolgens worden de meetresultaten voor de beschikbare meetperiode besproken en waar mogelijk worden de resultaten van de inrichting op de hydrologische parameters geëvalueerd. Per Zoekzone wordt tenslotte geëvalueerd of de hydrologische randvoorwaarden van de na te streven habitats worden gehaald.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 4 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


English abstract This report shows the monitoring results of the research years 2019 and 2020 for birds, vegetation and hydrology. This monitoring is carried out to test the quality of the nature compensations for the Harbour of Zeebrugge. In a first part, the monitoring results of vegetation and breeding birds are given for areas that were furnished as salt grassland (hpr* + da). Species-rich and relief-rich grassland (hpr*) has evolved from 22% coverage before the furnishing works (T0) to 67% at a second vegetation survey (T2). The percentage of salt vegetation coverage (da) decreased by 17% between the first (T1) and a second vegetation survey (T2). After the first vegetation survey, the netto profit on covering with salty plant species was 7%, at a second vegetation survey it was 5,7% on the same plots. If a few recently furnished plots are taken into account, a current netto profit of 6,3% is reached. This means that the target of 7% is currently not achieved. Of the eleven indicative bird species, selected for target habitat hpr * + da, eight species have been increasing since 2006: Common tern (+71%/yr), Black-winged Stilt (+55%/yr), Garganey (+20%/yr), Tufted Duck (+20%/yr), Avocet (+13%/yr), Shoveler (+8%/yr), Shelduck (+6%/yr) and Redshank (+2%/yr). Oystercatcher (-3%/yr) shows a decrease, for Lapwing and Black-tailed godwit no significant trend was obtained. Except for Common Tern and Black-winged Stilt, the densities of these indicative species are higher on plots in execution of art. 36ter than on parcels in implementation of art. 14. Densities of these indicative bird species on an upgraded zone as hpr * + da are very low and negligible. In a second part, the monitoring results of vegetation and breeding birds are discussed on plots that were furnished as species-rich and relief-rich grassland (hpr*). These areas were established in more recent years, so only one vegetation survey was carried out for most plots. At first, hpr* did not occur, but by now hpr* covers the aera for 12% at a first vegetation survey (T1). 11 indicative bird species for target habitat hpr* were selected. Their numbers are very low and no significant trend has been observed except for two species: Skylark (+22%/yr) increased, Lapwing (-21%/yr) decreased. In a third part, the monitoring results of vegetation and breeding birds on plots that were set up as reed land (mr) are discussed. Construction works for the development of reed land were carried out in Eendenkooi van Wenduine and in Pompje. Before the start of the establishment, reed was virtually absent at both locations. In the meantime, reed in Pompje has expanded to over 82% of the area. Reed in Wenduine Eendenkooi currently covers an area of 7%. 12 indicative bird species for target habitat mr were selected. Seven of them increased significantly: Savi's warbler (+140%/yr), Grasshopper warbler (+35%/yr), Water rail (+22%/yr), Cetti's warbler (+15%/yr), Sedge warbler (+14%/yr), Reed Bunting (+13%/yr) and Reed Warbler (+7%/yr). No significant trend was obtained for the other species. Among them a number of absolute top species for reed land: Great Bittern, Marsh Harrier and Bearded reedling. A Bittern was territorial between 2012 and 2019, mainly within the mr upgraded area at Pompje. Marsh harrier already had a territory in the area that had been upgraded before the establishment of mr in Pompje and, since 2015, has a second territory in Pompje on the furnished area. Bearded reedling was recently able to settle in Pompje with territories in 2019 (1) and 2020 (3). Savi’s warbler also managed to establish itself in recent years with territories in 2019 (4 in Pompje and 1 in Eendenkooi Wenduine) and 2020 (2 in Pompje). Due to the large difference in reed development between the two areas, it is not surprising that the contribution of Pompje for reed birds is much higher than that of Eendenkooi Wenduine.

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 5 van 144


In a fourth section, breeding birds on area’s furnished as brackish puddle (ah) are discussed. Of the 8 indicative bird species for target habitat ah, 7 species have meanwhile been located on the furnished area (only Marsh harrier has not yet been located there). Three species have increased: Tufted Duck (+16%/yr), Reed warbler (+16%/yr) and Sedge warbler (+11%/yr). No significant tendency could be determined for the other species. A fifth part of this report sketches a general picture of the number of territories of breeding birds since 2006 in the entire study area, of which the Bird Directive Area ‘Poldercomplex’ is an integral part. Species that have increased since 2006 are Black-headed Gull (+23%/yr), Blackwinged Stilt (+18%/yr), Savi’s warbler (+ 17%/yr), Water rail (+11%/yr), Stonechat (+10%/yr) ), Common Tern (+7%/yr), Bluethroat (+5%/yr), Sedge warbler (+4%/yr), Reed Warbler (+3%/yr), Reed Bunting (+2%/yr) and Meadow pipit (+1%/yr). Other species have decreased since 2006: Zitting cisticola (-1%/yr), Bearded reedling (-20%/yr), Lapwing (-9%/yr), Black-tailed godwit (4%/yr), Shelduck (-2%/yr), Shoveler (-2%/yr), Grey Partridge (-2%/yr) and Avocet (-1%/yr). No significant trend could be calculated for the other species. An insignificant increase was obtained for Bittern, Little Egret, Spoonbill, Mediterranean Gull, Common Gull, Short-eared Owl (first breeding in 2020), Common kingfisher, Cetti’s warbler (which has been on the rise recently), Grasshopper warbler and Marsh Warbler. An insignificant decrease was recorded for Little Bittern, Black-crowned night heron, Marsh Harrier, Quail, Spotted crake and Penduline Tit. In a sixth part the number of territories of breeding birds and the seasonal averages for winter birds per Search Zone are examined. The selected species are a number of species for which specific targets have been formulated for Birds Directive Area’s: Great Bittern, Spoonbill, Marsh Harrier, Spotted crake, Black-winged Stilt, Avocet, Mediterranean Gull, Common Tern, Short-eared Owl, Common kingfisher and Bluethroat. Search zone Z10bis (of which the Uitkerkse Polder forms an integral part) is the most important search zone, while the importance of the Port of Zeebrugge is diminishing. Search zones Z1 Klemskerke - Vlissegem, Z4 Pompje and Z8 Dudzeelse Polder contain the largest part of the compensated area. Within these Search Zones a clear positive trend is noticeable for most selected species, with the most pronounced increase for Avocet and Black-winged Stilt. The evolution of the seasonal averages of winter birds per Search zone is also examined. For bird species for which specific targets have been formulated for Birds Directive Area SPA-V "Polder Complex. Z10bis is also the most important search zone for wintering birds, while the importance of the Port of Zeebrugge is decreasing. Within the Search zone Z1 Klemskerke - Vlissegem and Z4 Pompje, most species are increasing significantly. Since 2006 there has been an increase in the entire study area for Great Egret, Northern Shoveler and White-fronted Goose. There is a decrease for Golden Plover, Ruff, Pintail, Wigeon and Pink-footed Goose, while Curlew remains approximately the same. Finally, in the last part of this report, the hydrological monitoring in the arranged plots in the various Search Zones is discussed. This starts with a brief description of the hydrological layout of the area for each Search Zone. This is followed by a description of the monitoring network (surface and groundwater) for the Search zone. In addition, the measurement results for the available measurement period are discussed and, where possible, the results are evaluated on the hydrological parameters. Finally, for each Search zone, an evaluation is made of whether the hydrological preconditions of the habitats to be pursued are being achieved.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 6 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Inhoudstafel Samenvatting ................................................................................................................................ 2 English abstract ............................................................................................................................. 5 Lijst van figuren ............................................................................................................................. 9 Lijst van foto’s ............................................................................................................................. 13 Lijst van tabellen ......................................................................................................................... 13 1

Inleiding ............................................................................................................................... 17

2

Het studiegebied ................................................................................................................. 18

3

Materiaal en methode ........................................................................................................ 23 3.1

3.1.1

Monitoring broedvogels ......................................................................................... 23

3.1.2

Monitoring doortrekkende/overwinterende vogels .............................................. 23

3.2

5

Vegetatieopnames ...................................................................................................... 24

3.2.1

Bepaling van de soortenrijkdom van het grasland op percelen met doelhabitat hpr* + da en hpr* ................................................................................................... 24

3.2.2

Bepaling van de oppervlakte aan zilte vegetatie op percelen met doelhabitat hpr* + da ......................................................................................................................... 25

3.2.3

Bepaling van de oppervlakte aan rietmoeras op percelen met doelhabitat mr .... 25

3.3

4

Vogelmonitoring.......................................................................................................... 23

Hydrologie: hydrologische randvoorwaarden voor de na te streven habitats ........... 26

3.3.1

Rietmoeras (mr) ...................................................................................................... 27

3.3.2

Zilt grasland (hpr* + da) .......................................................................................... 28

Compensatiedoelen ............................................................................................................ 31 4.1

Oppervlaktes te compenseren doelhabitat ................................................................ 31

4.2

Kwaliteit van doelhabitat hpr* + da ............................................................................ 31

Monitoringsplan .................................................................................................................. 33 5.1

Broedvogels ................................................................................................................. 33

5.2

Vegetatie ..................................................................................................................... 34

5.3

Hydrologie ................................................................................................................... 34

6

Niet onderzochte parameters ............................................................................................. 35

7

Resultaten ........................................................................................................................... 36 7.1

Monitoring van de als hpr* + da ingerichte percelen van de compansatiematrix ..... 36

7.1.1

Vegetatie................................................................................................................. 36

7.1.2

Broedvogels ............................................................................................................ 52

7.2

Monitoring van de als hpr* ingerichte percelen van de compansatiematrix ............. 55

7.2.1

Vegetatie................................................................................................................. 55

7.2.2

Broedvogels ............................................................................................................ 58

7.3

Monitoring van de als mr ingerichte percelen van de compansatiematrix ................ 61

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 7 van 144


7.3.1

Vegetatie................................................................................................................. 61

7.3.2

Broedvogels ............................................................................................................ 65

7.4

Broedvogel monitoring van de als ah ingerichte percelen van de compansatiematrix . ..................................................................................................................................... 68

7.5

Overzicht van het aantalsverloop van broedvogels over de verschillende onderzoeksjaren binnen het ganse studiegebied ....................................................... 70

7.6

Broedvogels en overwinterende vogels in de verschillende Zoekzones van het studiegebied ................................................................................................................ 76

7.6.1

Broedvogels ............................................................................................................ 76

7.6.2

Overwinterende vogels........................................................................................... 84

7.7

Monitoring van hydrologie in ingerichte percelen ter compensatie van de Achterhaven van Zeebrugge ....................................................................................... 92

7.7.1

Inleiding .................................................................................................................. 92

7.7.2

Bespreking per Zoekzone........................................................................................ 94

7.7.2.1

Z4 Pompje................................................................................................... 94

7.7.2.1.1 Beschrijving hydrologische inrichting ....................................................... 94 7.7.2.1.2 Netwerk monitoring hydrologie ................................................................ 95 7.7.2.1.3 Meetresultaten na inrichting (2010 t.e.m. 2019) ..................................... 96 7.7.2.2

Z8 Dudzeelse polder ................................................................................. 103

7.7.2.2.1 Beschrijving hydrologische inrichting ..................................................... 103 7.7.2.2.2 Netwerk hydrologie................................................................................. 104 7.7.2.2.3 Meetresultaten na inrichting (2011 t.e.m. 2019) ................................... 106 7.7.2.3

Z9 Eendenkooi Lissewege......................................................................... 113

7.7.2.3.1 Beschrijving hydrologische inrichting ..................................................... 113 7.7.2.3.2 Netwerk hydrologie................................................................................. 113 7.7.2.3.3 Meetresultaten na inrichting (2010 t.e.m. 2019) ................................... 114 7.7.2.4

Z7 Kwetshage ........................................................................................... 117

7.7.2.4.1 Beschrijving hydrologische inrichting ..................................................... 117 7.7.2.5

Netwerk hydrologie .................................................................................. 117

7.7.2.5.1 Meetresultaten voor inrichting (2014 t.e.m. 2018) ................................ 118 7.7.2.6

Z1 Klemskerke-Vlissegem ......................................................................... 121

7.7.2.6.1 Beschrijving hydrologische inrichting ..................................................... 121 7.7.2.6.2 Netwerk hydrologie................................................................................. 121 7.7.2.6.3 Meetresultaten na inrichting (2016 t.e.m. 2019) ................................... 121 7.7.2.7

Z10bis Eendenkooi van Wenduine ........................................................... 124

7.7.2.7.1 Beschrijving hydrologische inrichting ..................................................... 124

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 8 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


7.7.2.7.2 Netwerk hydrologie................................................................................. 124 7.7.2.7.3 Meetresultaten na inrichting (2016 t.e.m. 2019) ................................... 125 Referenties ................................................................................................................................ 127 Bijlage ........................................................................................................................................ 129

Lijst van figuren Figuur 1.

Figuur 2.

Figuur 3.

Figuur 4.

Figuur 5.

Figuur 6.

Het volledige studiegebied (binnen de donkergroene omranding) omvat verschillende subeenheden: de te compenseren percelen van de Achterhaven van Zeebrugge, de gecompenseerde percelen, de opgewaardeerde percelen en de verschillende Zoekzones. Z1 = Zoekzone 1 Klemskerke – Vlissegem, Z2 = Zoekzone 2 Palingpot, Z3 = Zoekzone 3 Vijfwege, Z4 = Zoekzone 4 Pompje, Z5 = Zoekzone 5 Paddegat, Z6 = Zoekzone 6 Ettelgem, Z7 = Zoekzone 7 Kwetshage, Z8 = Zoekzone 8 Dudzeelse Polder, Z9 = Zoekzone 9 Put van Vlissegem en Eendenkooi Lissewege, Z10bis = Zoekzone 10bis (met als belangrijkste gebieden de Uitkerkse Polder, Damme, Lage Moeren en Ter Doest). Ingerichte percelen in Zoekzone 1 Klemskerke - Vlissegem en Zoekzone 9 Put Vlissegem (linksboven), Zoekzone 3 Vijfwege (rechtsboven), Zoekzone 4 Pompje (linksonder) en Zoekzone 7 Kwetshaeghe (rechtsonder) met aanduiding van de perceelsnummers en het te compenseren habitat-type. Rood = hpr* + da in uitvoering van art. 36ter, oranje = hpr* + da in uitvoering van art. 14, donkergroen = hpr* in uitvoering van art. 36ter, lichtgroen = hpr* in uitvoering van art. 14, blauw = mr in uitvoering van art. 36ter, gearceerd blauw = opwaardering mr in uitvoering van art. 36ter, grijsgroen = ah in uitvoering van art. 14. Ingerichte percelen in Zoekzone 8 Dudzeelse Polder en Zoekzone 9 Eendekooi Lissewege en Zoekzone Z10bis Lissewege (linkboven), Zoekzone Z10bis Damme (rechtboven), Zoekzone Z10bis Lage Moeren (linksonder) en Zoekzone Z10bis Uitkerke (rechtsonder) met aanduiding van de perceelsnummers en het te compenseren habitat type. Oranje = hpr* + da in uitvoering van art. 14, gearceerd oranje = opwaardering hpr* + da in uitvoering van art. 14, donkergroen = hpr* in uitvoering van art. 36ter, lichtgroen = hpr* in uitvoering van art. 14, blauw = mr in uitvoering van art. 36ter, grijsgroen = ah in uitvoering van art. 14. Vochttoestand voor de verschillende plantengemeenschappen van het doelhabitat ‘rietmoeras’. De donkerroos ingekleurde vakken geven de optimale omstandigheden weer, de lichtroos ingekleurde vakken de suboptimale omstandigheden. Grondwaterstandskarakteristieken voor de verschillende plantengemeenschappen van het doelhabitat ‘rietmoeras’ (links op de figuur) en de resulterende grondwaterstandskarakteristieken voor het doelhabitat ‘rietmoeras’. Standplaatskarakteristieken wat betreft zoutgehalte voor de verschillende plantengemeenschappen van het doelhabitat ‘rietmoeras’. De donkerroos ingekleurde vakken geven optimale omstandigheden weer, de lichtroos ingekleurde vakken suboptimale omstandigheden.

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

20

21

22

27

28

28

Pagina 9 van 144


Figuur 7.

Vochttoestand voor de verschillende plantengemeenschappen van het doelhabitat ‘zilt grasland’. De donkerroos ingekleurde vakken geven de optimale omstandigheden weer, de lichtroos ingekleurde vakken de suboptimale omstandigheden. Figuur 8. Grondwaterstandskarakteristieken voor de verschillende plantengemeenschappen van het doelhabitat ‘zilt grasland’ (links op de figuur) en de resulterende grondwaterstandskarakteristieken voor het doelhabitat ‘zilt grasland’. Figuur 9. Grondwaterstandskarakteristieken voor ‘binnendijkse zeekraalvegetaties’. Figuur 10. Standplaatskarakteristieken wat betreft zoutgehalte voor de verschillende plantengemeenschappen van het doelhabitat ‘zilt grasland’. De donkerroos ingekleurde vakken geven optimale omstandigheden weer, de lichtroos ingekleurde vakken suboptimale omstandigheden. Figuur 11. Standplaatskarakteristieken wat betreft zoutgehalte voor ‘binnendijkse zeekraal-vegetaties’. De donkerroos ingekleurde vakken geven optimale omstandigheden weer, de lichtroos ingekleurde vakken suboptimale omstandigheden. Figuur 12. Telinspanning broedvogelinventarisatie t.e.m. 2020. De donkergroene telgebieden worden jaarlijks geteld. De overige telgebieden werden tussen 2015 en 2020 in slechts 1 jaar geteld. Figuur 13. Oppervlakteverhouding van BWK-typeringen voor de als soortenrijk grasland (hpr*) ingerichte percelen met doelhabitat hpr* + da, voor de situatie voorafgaand aan de inrichting (grasland T0), na de eerste vegetatieopname (grasland T1) en na de tweede vegetatieopname (grasland T2). Enkel de percelen in Zoekzones Z1, Z4 en Z8 werden in rekening gebracht omdat deze percelen 2 maal werden belopen. De legende gaat van meest soortenrijk (hpr*) naar minst soortenrijk (akker). Hpr* = soortenrijk en reliëfrijk grasland, hp* = soortenrijk grasland, hpr = soortenarm reliëfrijk grasland, hp = soortenarm permanent cultuurgrasland, hx = zeer soortenarm ingezaaid grasland (vaak tijdelijk) en bu = akker. Voor deze berekening werden de percelen die in recente jaren werden ingericht en waarvan nog geen 2 vegetatieopnames konden worden gemaakt, niet in rekening gebracht. Figuur 14. Verschil in soortenrijkdom tussen een eerste en een tweede gebiedsdekkende vegetatieopname (Tansley opname) op de als hpr* + da ingerichte percelen in Z1 Klemskerke – Vlissegem, Z4 Pompje en Z8 Dudzeelse Polder. Getoonde waarden zijn het verschil in de Shannon index, berekend op basis van twee Tansley opnames. Figuur 15. Verschil in soortenrijkdom tussen een eerste en een tweede steekproef opname (pq opname) op de als hpr* ingerichte percelen met doelhabitat hpr* + da Z1 Klemskerke – Vlissegem, Z4 Pompje en Z8 Dudzeelse Polder. Figuur 16. Verschil in soortenrijkdom voor de zilte sleutelsoorten op basis van Tansleyopnames tussen een eerste en een tweede vegetatieopname in Z1 Klemskerke – Vlissegem, Z4 Pompje en Z8 Dudzeelse Polder. Figuur 17. Verschil in de distance-to-target voor de lsvi-doelen voor habitat type 1330_hpr (binnendijkse zilte graslanden) voor een eerste en een tweede ronde vegetatie opname voor de verschillende ingerichte percelen van Zoekzones Z1 Klemskerke-Vlissegem, Z4 Pompje en Z8 Dudzeelse Polder.

29

29 30

30

30

33

38

39

39

48

48

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 10 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 18.

Figuur 19. Figuur 20. Figuur 21.

Figuur 22.

Figuur 23.

Figuur 24. Figuur 25.

Figuur 26.

Figuur 27.

Figuur 28.

Figuur 29. Figuur 30. Figuur 31.

Vegetatiekaart van de tot 2020 als hpr*+da ingerichte percelen (de ingekleurde vlakken) in Zoekzone Z1 Klemskerke – Vlissegem (boven) en Zoekzone Z10bis in de Uitkerkse Polder (onder). Vegetatiekaart van de tot 2020 als hpr*+da ingerichte percelen (de ingekleurde vlakken) in Zoekzone Z4 Pompje. Vegetatiekaart van de tot 2020 als hpr*+da ingerichte percelen (de ingekleurde vlakken) in Zoekzone Z8 Dudzeelse Polder. Dichtheden (dunne lijn) en trendlijn (dikke lijn) van indicatieve soorten voor doelhabitat hpr* + da op de als hpr* + da ingerichte en opgewaardeerde percelen. Groen = waarden voor percelen in uitvoering van art. 14. Rood = waarden voor percelen in uitvoering van art. 36ter. Grijs = waarden voor opgewaardeerde percelen in uitvoering van art. 14. In stippellijn worden referentiewaarden getoond (indien beschikbaar) van een vergelijkbaar habitattype in Nederland (Sierdsema 1995). Oppervlakte-verhouding van BWK-typeringen voor de als hpr* ingerichte percelen voor de situatie voorafgaand aan de inrichting (grasland T0) en na de eerste vegetatieopname (grasland T1). De legende gaat van meest soortenrijk (hpr*) naar minst soortenrijk (akker). Hpr* = soortenrijk en reliëfrijk grasland, hp* = soortenrijk grasland, hpr = soortenarm reliëfrijk grasland, hp = soortenarm permanent cultuurgrasland, hx = zeer soortenarm ingezaaid grasland (vaak tijdelijk). Dichtheden (dunne lijn) en trendlijn (dikke lijn) van indicatieve soorten voor doelhabitat hpr* op de als hpr* ingerichte percelen. In stippellijn worden referentiewaarden getoond (indien beschikbaar) van een vergelijkbaar habitattype in Nederland (Sierdsema 1995). Vegetatiekaarten voor percelen met doelhabitat mr in Z4 Pompje (boven) en Z10bis Eendenkooi Wenduine (onder). Dichtheden (dunne lijn) en trendlijn (dikke lijn) van indicatieve soorten voor doelhabitat mr op de als mr ingerichte en opgewaardeerde percelen. Rood = waarden voor percelen in uitvoering van art. 36ter. Grijs = waarden voor opgewaardeerde percelen in uitvoering van art. 36ter. In stippellijn worden referentiewaarden getoond (indien beschikbaar) van een vergelijkbaar habitattype in Nederland (Sierdsema 1995). Dichtheden (dunne lijn) en trendlijn (dikke lijn) van indicatieve soorten voor doelhabitat ah op de als ah ingerichte percelen. In stippellijn worden referentiewaarden getoond (indien beschikbaar) van een vergelijkbaar habitattype in Nederland (Sierdsema 1995). Aantalsverloop van het aantal territoria van een selectie van broedvogels binnen het ganse studiegebied tussen 2006 en 2020. De zwarte lijn geeft de trendlijn weer over diezelfde periode. Dichtheden van een aantal vogelsoorten waarvoor IHD’s werden opgesteld in de Achterhaven van Zeebrugge, in 3 Zoekzones met het grootste aandeel aan compensatie-oppervlakte en in de overige oppervlate van het studiegebied tussen 2006 en 2020. Het verloop van het totaal van de seizoensgemiddelden voor alle Zoekzones per winter. 2006 = winter 2006/07, 2007 = winter 2006/07 etc. Oppervlaktewaterpeilen in de Zoekzone Z4 Pompje in de periode 2010 t.e.m. 2019. Gemiddelde duurlijnen voor de peilbuizen PJEP001X, PJEP005X, PJEP006X, PJEP007X en SWEP001A voor de periode 2010 t.e.m. 2019 en duurlijn voor PJEP008X o.b.v. het jaar 2019.

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

49 50 51

54

56

60 63

67

69

75

83 91 97

98

Pagina 11 van 144


Figuur 32. Figuur 33. Figuur 34. Figuur 35.

Figuur 36. Figuur 37. Figuur 38. Figuur 39. Figuur 40. Figuur 41. Figuur 42.

Figuur 43. Figuur 44. Figuur 45. Figuur 46. Figuur 47.

Grondwaterstanden van de peilbuizen PJEP001X, PJEP005X, PJEP006X, PJEP007X en SWEP001A gedurende de jaren 2010 t.e.m. 2019. Maandgemiddelde grondwaterstanden in ’t Pompje en de Schorreweide voor (2004-2009) en na (2009-2015) inrichting. Saliniteit (uitgedrukt als geleidbaarheid in µS/cm) van het oppervlaktewater in en rond ’t Pompje en omgeving voor de periode 2013 t.e.m. 2019. Geleidbaarheden (µS/cm) van het ondiep grondwater (op 1,5 m diepte) en het oppervlaktewater in ’t Pompje en de Schorreweide voor de periode 2016 t.e.m. 2019. Oppervlaktewaterpeilen in de Dudzeelse Polder voor de jaren 2015 t.e.m. 2019. Duurlijnen voor de peilbuizen ZEEP003X, ZEEP005X, ZEEP012X, ZEEP019X, ZEEP022X en ZEEP025X. Jaargemiddelde geleidbaarheid (µS/cm) van de peilbuizen in de Dudzeelse Polder gedurende de periode 2013 t.e.m. 2019. Saliniteit/geleidbaarheid van het oppervlaktewater in de Bardelenhuisbeek t.h.v. het meetpunt ZEES007 (uitgedrukt in µS/cm). Grondwater- (ZEEP008X en ZEEP009X) en oppervlaktewaterpeil (ZEES004X) in de Eendenkooi Lissewege tijdens de jaren 2015 t.e.m. 2019. Geleidbaarheid van het grond- en oppervlaktewater van de Eendenkooi Lissewege (uitgedrukt in µS/cm). Oppervlaktewaterpeilen (cm TAW) in het Kwetshagezwin (KWES007X) en de plas van de vroegere spookbrug (KWES006X) tijdens de jaren 2014 t.e.m. 2019. Duurlijnen voor de peilbuizen KWEP001X, KWEP002A, KWEP004X en KWEP005X. Saliniteit/geleidbaarheid van het grond- en oppervlaktewater in Kwetshage (uitgedrukt in µS/cm). Saliniteit/geleidbaarheid van het grondwater in Klemskerke (uitgedrukt in µS/cm). Oppervlaktewaterstand in de Eendenkooi van Wenduine (uitgedrukt in m TAW). Saliniteit/geleidbaarheid van het oppervlaktewater in de Eendenkooi van Wenduine (meetpunt UPS006X) en de Blankenbergse Vaart (VMM-877000) (uitgedrukt in µS/cm).

99 100 101

102 106 108 111 112 115 116

118 119 120 123 125

126

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 12 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Lijst van foto’s Foto 1. Foto 2. Foto 3. Foto 4. Foto 5. Foto 6. Foto 7. Foto 8. Foto 9. Foto 10. Foto 11. Foto 12. Foto 13. Foto 14. Foto 15. Foto 16.

Luchtbeeld van de te compenseren oppervlakte in de Achterhaven van Zeebrugge in de jaren ’90 (foto INBO). Perceel 126 in Zoekzone Z1 Klemskerke-Vlissegem (september 2018). Perceel 116 in Z8 Dudzeelse Polder (augustus 2018). Kortarige Zeekraal op perceel 008 in Z8 Dudzeelse Polder (september 2018) Pq-proefvlak voor vegetatie opname op perceel 025 in Z8 Dudzeelse Polder (september 2018). Perceel 034 in Z8 Dudzeelse Polder (augustus 2018). Perceel 109 in Z8 Dudzeelse Polder (september 2018) Steltkluut op 18 juni 2019 in het Pompje. Grutto op 10 mei 2019 in het Pompje. Perceel 3 in de Eendenkooi van Wenduine. Perceel 2 in de Eendenkooi van Wenduine Perceel 72 in het Pompje. Rietgors. Kluut. Wijfje Blauwborst met voedsel voor jongen in de Dudzeelse Polder. Een groep overwinterende watervogels.

19 37 45 46 46 47 47 53 59 64 64 64 66 79 82 90

Lijst van tabellen Tabel 1. Tabel 2. Tabel 3. Tabel 4. Tabel 5.

Tabel 6.

Tabel 7.

Tabel 8.

De schaal van Tansley. De schaal van Londo. Indeling naar vochttoestand. Indeling in zoutklassen. Overzicht van alle als hpr*+da ingerichte percelen tot 2020 per Zoekzone. Per perceel wordt de T0 habitattypering weergegeven (De Saeger et al. 2010 en Desaeger et al. 2018), dit is de situatie vóór aanvang van de inrichting. Vervolgens wordt de habitattypering op basis van een eerste (T1) en een tweede (T2) gebiedsdekkende vegetatieopname getoond. De oppervlakte aan zilte vegetatie (da) wordt weergegeven voor de T0 situatie (afgeleid uit De Saeger et al. 2010 en Desaeger et al. 2018) en voor de situatie na een eerste (T1) en een tweede (T2) vegetatie opname. Oppervlaktes zilte vegetatie op de percelen in Zoekzones Z1, Z4 en Z8 die als zilt grasland werden ingericht voor T0, T1 en T2. Ook de netto winst aan zilte bedekking voor de twee periodes van vegetatieopnames wordt getoond en het % verschil voor beide periodes. Voor deze berekening werden de percelen die in recente jaren werden ingericht en waarvan nog geen 2 vegetatieopnames konden worden gemaakt, niet in rekening gebracht. T0 = situatie vóór inrichting, T1 = situatie na eerste vegetatieopname, T2= situatie na tweede vegetatieopname. Aantal territoria van 2006 tot 2020 op de als hpr* + da ingerichte en opgewaardeerde percelen. Ook de groeifactor (als procentuele jaarlijkse toename) wordt getoond: donkergroen = toename >5%, lichtgroen = toename <5%, oranje = afname < 5% en NS = niet significante toe- of afname. Overzicht van alle als hpr* ingerichte percelen tot 2020 per Zoekzone. Per perceel wordt de T0 habitattypering weergegeven (De Saeger et al. 2010 en

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

24 25 26 27

40

45

53

Pagina 13 van 144


Tabel 9.

Tabel 10.

Tabel 11.

Tabel 12.

Tabel 13.

Tabel 14.

Tabel 15.

Tabel 16.

Desaeger et al. 2018), dit is de situatie vóór aanvang van de inrichting. Vervolgens wordt de habitattypering op basis van een eerste en (voor enkele percelen) een tweede gebiedsdekkende vegetatieopname getoond. Aantal territoria van 2015 tot 2018 op de als hpr* ingerichte percelen. Ook de groeifactor (als procentuele jaarlijkse toename) wordt getoond: donkergroen = toename >5%, rood = afname > 5% en NS = niet significante toe- of afname. Oppervlakte en percentage riet (mr) op de als mr ingerichte percelen van Zoekzones Z4 Pompje en Z10bis Eendenkooi Wenduine voor 2013, 2016 en 2019. Overzicht van alle als mr ingerichte percelen per Zoekzone. Per perceel wordt de T0 habitattypering weergegeven (De Saeger et al. 2010 en Desaeger et al. 2018), dit is de situatie vóór aanvang van de inrichting. Vervolgens wordt de habitattypering op basis van een eerste en (Z4 Pompje) een tweede gebiedsdekkende vegetatieopname getoond. De oppervlakte aan riet (mr) in Z4 Pompje wordt weergegeven voor 2013, 2016 en 2019, deze voor Z10bis Eendekooi Wenduine voor 2016 en 2019. Aantal territoria van 2006 tot 2020 op de als mr ingerichte en opgewaardeerde percelen. Ook de groeifactor (als procentuele jaarlijkse toename) wordt getoond: donkergroen = toename >5% en NS = niet significante toe- of afname. Aantal territoria van 2006 tot 2018 op de als ah ingerichte percelen in uitvoering van art. 14. Ook de groeifactor (als procentuele jaarlijkse toename) wordt getoond: donkergroen = toename >5% en NS = niet significante toe- of afname. Overzicht van het aantal territoria van een selectie aan broedvogels binnen het studiegebied tussen 2006 en 2020. Onder ‘categorie’ wordt de selectie aan behandelde soorten toegelicht met 1 = de Bijlage I soorten van de Vogelrichtlijn, 2 = soorten die op de Vlaamse Rode Lijst staan, 3 = soorten waarvan het aantal territoria binnen het studiegebied minstens 5% van de Vlaamse populatie bedraagt, 4 = relevante soort als indicator voor een te compenseren habitattype. Met ‘RL’ wordt de categorie van de Vlaamse Rode Lijst (Devos et al. 2016) aangegeven: CR= ernstig bedreigd, EN = bedreigd, VU = kwetsbaar, NT = bijna in gevaar, LC = momenteel niet in gevaar, NE = niet geëvalueerd. Vervolgens wordt de langetermijn trend voor Vlaanderen (‘LT-trend Vlaanderen’) en de trend in Europa getoond (Vermeersch et al. 2020). Ook de groeifactor (als procentuele jaarlijkse toename) wordt getoond: donkergroen = toename >5%, lichtgroen = toename <5%, oranje = afname < 5%, rood = afname > 5%, NS = niet significante toe- of afname en ‘-‘ = trend niet te bepalen. Aantallen van Roerdomp tussen 2006 en 2020 in de Achterhaven van Zeebrugge, in de verschillende Zoekzones van het studiegebied en in de overige oppervlakte van het studiegebied buiten de Zoekzones. Aantallen van Bruine kiekendief tussen 2006 en 2020 in de Achterhaven van Zeebrugge, in de verschillende Zoekzones van het studiegebied en in de overige oppervlakte van het studiegebied buiten de Zoekzones.

57

58

61

62

65

68

73

76

77

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 14 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Tabel 17.

Tabel 18.

Tabel 19.

Tabel 20.

Tabel 21.

Tabel 22.

Tabel 23.

Tabel 24.

Tabel 25.

Tabel 26.

Tabel 27.

Tabel 28.

Tabel 29.

Tabel 30. Tabel 31.

Tabel 32.

Tabel 33. Tabel 34. Tabel 35.

Aantallen van Steltkluut tussen 2006 en 2020 in de Achterhaven van Zeebrugge, in de verschillende Zoekzones van het studiegebied en in de overige oppervlakte van het studiegebied buiten de Zoekzones. Aantallen van Kluut tussen 2006 en 2020 in de Achterhaven van Zeebrugge, in de verschillende Zoekzones van het studiegebied en in de overige oppervlakte van het studiegebied buiten de Zoekzones. Aantallen van Visdief tussen 2006 en 2020 in de Achterhaven van Zeebrugge, in de verschillende Zoekzones van het studiegebied en in de overige oppervlakte van het studiegebied buiten de Zoekzones. Aantallen van Blauwborst tussen 2006 en 2020 in de Achterhaven van Zeebrugge, in de verschillende Zoekzones van het studiegebied en in de overige oppervlakte van het studiegebied buiten de Zoekzones. Seizoensgemiddelden van Goudplevier voor de verschillende Zoekzones voor de winters 2006 – 2019. Winter 2006 = winter 2005/06, winter 2007 = winter 2006/07 etc. Seizoensgemiddelden van Grote zilverreiger voor de verschillende Zoekzones voor de winters 2006 – 2019. Winter 2006 = winter 2005/06, winter 2007 = winter 2006/07 etc. Seizoensgemiddelden van Kemphaan voor de verschillende Zoekzones voor de winters 2006 – 2019. Winter 2006 = winter 2005/06, winter 2007 = winter 2006/07 etc. Seizoensgemiddelden van Kleine rietgans voor de verschillende Zoekzones voor de winters 2006 – 2019. Winter 2006 = winter 2005/06, winter 2007 = winter 2006/07 etc. Seizoensgemiddelden van Kolgans voor de verschillende Zoekzones voor de winters 2006 – 2019. Winter 2006 = winter 2005/06, winter 2007 = winter 2006/07 etc. Seizoensgemiddelden van Pijlstaart voor de verschillende Zoekzones voor de winters 2006 – 2019. Winter 2006 = winter 2005/06, winter 2007 = winter 2006/07 etc. Seizoensgemiddelden van Slobeend voor de verschillende Zoekzones voor de winters 2006 – 2019. Winter 2006 = winter 2005/06, winter 2007 = winter 2006/07 etc. Seizoensgemiddelden van Smient voor de verschillende Zoekzones voor de winters 2006 – 2019. Winter 2006 = winter 2005/06, winter 2007 = winter 2006/07 etc. Seizoensgemiddelden van Wulp voor de verschillende Zoekzones voor de winters 2006 – 2019. Winter 2006 = winter 2005/06, winter 2007 = winter 2006/07 etc. Lokalisatie van de peilbuizen in ’t Pompje – Schorreweide. Grondwaterstandskarakteristieken van de peilbuizen in ’t Pompje – Schorreweide o.b.v. statistiek jaren 2010 t.e.m. 2019 (PJEP008X enkel o.b.v. het jaar 2019). Wijziging in grondwaterstandskarakteristieken tussen de periodes 20042009 en de periode 2010 t.e.m. 2019. Een positieve waarde is een stijging van de grondwaterstand, een negatieve waarde is een daling. Peilbeheer in de Dudzeelse Polder voor en na inrichting. Lokalisatie van de peilbuizen in de Dudzeelse Polder. Grondwaterkarakteristieken van de peilbuizen in de Dudzeelse Polder. Ondiepe peilbuizen zijn in het zwart aangeduid, diepe peilbuizen in het

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

78

79

80

81

84

85

86

86

87

87

88

89

90 95

98

100 104 104

Pagina 15 van 144


Tabel 36.

Tabel 37.

Tabel 38. Tabel 39. Tabel 40. Tabel 41. Tabel 42. Tabel 43. Tabel 44. Tabel 45. Tabel 46.

Tabel 47.

bruin. Onder de ondiepe peilbuis wordt in voorkomend geval steeds de bijhorende diepe peilbuis weergegeven. Veranderingen in grondwaterkarakteristieken van de Dudzeelse Polder voor en na inrichting o.b.v. grondwaterkarakteristieken voor (2005 t.e.m. 2009) en na (2011 t.e.m. 2018) inrichting. Jaargemiddelde gemeten conductiviteit (µS/cm) van het grondwater in de Dudzeelse Polder op basis van maandelijkse geleidbaarheidsmetingen gedurende de periode 2013 t.e.m. 2019. Diepe peilbuizen (ca. 4,5 m onder maaiveld) zijn aangeduid in bruin, ondiepe peilbuizen (ca. 1,5 m onder maaiveld) in het zwart en maaiveldmetingen (0 tot 0,5 m onder maaiveld) in het blauw. Peilbuizen zijn per meetlocatie gegroepeerd. Gemeten conductiviteit (µS/cm) ter hoogte van de oppervlaktemeetpunten van de Dudzeelse Polder. Lokalisatie van de peilbuizen in de Eendenkooi Lissewege. Grondwaterkarakteristieken van de peilbuizen in de Eendenkooi Lissewege. Grondwaterkarakteristieken van de peilbuis ZEEP027X. Lokalisatie van de peilbuizen in Kwetshage. Grondwaterkarakteristieken van de peilbuizen in Kwetshage o.b.v. 5 jaar metingen (2014 t.e.m. 2019). Lokalisatie van de peilbuizen in Klemskerke-Vlissegem. Grondwaterkarakteristieken van de peilbuizen in Klemskerke-Vlissegem o.b.v. 3 jaar metingen (2016 t.e.m. 2019). Klimaatonafhankelijke grondwaterkarakteristieken van de peilbuizen in Klemskerke-Vlissegem o.b.v. tijdreeksanalyse in Menyanthes (EVP = verklaarde variantie). Lokalisatie van de peilbuizen in de Eendenkooi van Wenduine.

107

108

110 110 113 114 114 117 119 121 122

122 124

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 16 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


1 INLEIDING Van oudsher wordt het poldergebied rond Zeebrugge gekenmerkt door uitzonderlijke hoge natuurwaarden. Door de uitbreiding van de Achterhaven van Zeebrugge werd meer dan 500 ha ingenomen voor havenactiviteit: 282 ha van deze 500 ha lag in het Vogelrichtlijngebied SBZV BE2500932 ‘Poldercomplex’. De natuurwaarden in dit geschrapte deel van het Poldercomplex dienen - samen met verloren natuurwaarden elders in de havenuitbreidingszone – te worden gecompenseerd. Het geschrapte deel van het Poldercomplex wordt gecompenseerd zoals vastgelegd in de Vlaamse wetgeving in art. 36ter van het Decreet van Natuurbehoud. Zoals voorgesteld in de Adviesnota Courtens & Kuijken (2004), dient hiervoor 130 ha aan nieuwe habitats gecreëerd te worden in een poging om - na inname van de 282 ha Vogelrichtlijngebied in de Achterhaven van Zeebrugge - de betrokken vogelsoorten in een gunstige staat van instandhouding te houden. Het gedeelte van de Achterhaven van Zeebrugge dat buiten het oorspronkelijke Poldercomplex is gelegen, wordt gecompenseerd volgens art. 14 (het Vegetatiebesluit) in het Decreet van Natuurbehoud. Het gaat over 232 ha aan natuurwaarden. De totaal te realiseren compensatieoppervlakte voor de Achterhaven van Zeebrugge bedraagt dus 130 ha in navolging van art. 36ter en 232 ha in navolging van art. 14. Door het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 2000 werd het Poldercomplex met 532 ha polderland uitgebreid. De uitvoering van beide compensaties werd verweven in een taakverdelingsmatrix en dient uitgevoerd te worden in de daartoe speciaal aangewezen zones: de zogenaamde Zoekzones. In 2008 werd gestart met de uitwerking van de eerste inrichtingswerken. De Afdeling Maritieme Toegang van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken (Vlaamse Gemeenschap) gaf aan het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) de opdracht om de maatregelen van de compensatiematrix te evalueren. Om de kwaliteit van de ingerichte gebieden te bepalen, werd in 2006 een broedvogelmonitoring opgestart. Vanaf 2014 worden ook de vegetatie en hydrologie gemonitord. Monitoring moet bevestigen of door de inrichtingswerken in deze Zoekzones de doelstelling van de compensatiematrix wordt gerealiseerd en of de voorziene oppervlakten van de te realiseren habitats kunnen worden geborgen. De broedvogelgegevens evenals de gegevens van de overwinterende vogels worden hoofdzakelijk verzameld door vrijwilligers van de Vogelwerkgroep NW-Vlaanderen (vogelwerkgroep Mergus), de Werkgroep Uitkerkse Polders en de Vogelwerkgroep Middenkust. Deze gegevens worden aangevuld met gegevens van het INBO en Natuurpunt. De data van Kolgans en Kleine rietgans werden verzameld en aangeleverd door E. Kuijken & C. Verscheure. Natuurpunt staat in voor de coördinatie van de vrijwilligers, de VLM verzorgt het hydrologische luik, het INBO is verantwoordelijk voor de wetenschappelijke opvolging en de rapportage.

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 17 van 144


2 HET STUDIEGEBIED Het studiegebied bestaat uit verschillende subeenheden: de te compenseren oppervlakte in de Achterhaven van Zeebrugge, de gecompenseerde- en opgewaardeerde percelen, de verschillende Zoekzones en het volledige studiegebied (Figuur 1). De compensatie-inrichtingen voor de Achterhaven van Zeebrugge werden vooralsnog niet gefinaliseerd. In Figuur 1 worden de gerealiseerde natuurcompensaties op het einde van 2019 in rood weergegeven, zoals vermeld in het Jaarrapport van de Beheercommissie Achterhaven Zeebrugge (VLM 2020). De compensatie-inrichtingen die t.e.m. 2019 werden gerealiseerd, bevinden zich in Zoekzone Z1 Klemskerke - Vlissegem, Zoekzone Z3 Vijfwege, Zoekzone Z4 Pompje, Zoekzone Z7 Kwetshaege, Zoekzone Z8 Dudzeelse Polder, Zoekzone Z9 Put van Vlissegem/Eendekooi Lissewege en Zoekzone Z10bis. Een detailweergave van de ingerichte percelen binnen deze Zoekzones wordt weergegeven in Figuur 2 en Figuur 3. Er zijn twee wettelijke kaders waarbinnen de compensaties moeten worden uitgevoerd: art. 36ter en art. 14. Met ‘Compensaties art. 36ter’ worden die inrichtingen aangeduid die worden uitgevoerd ter compensatie van het geschrapte gedeelte van het oorspronkelijke Poldercomplex in de Achterhaven van Zeebrugge (deze laatste oppervlakte wordt in Figuur 1 aangeduid als ‘AHZB art. 36ter’). Met ‘Compensaties art. 14’ worden die inrichtingen aangeduid die worden uitgevoerd ter compensatie van de percelen die buiten het geschrapte gedeelte van het oorspronkelijke Poldercomplex gelegen waren (deze laatste oppervlakte wordt in Figuur 1 aangeduid als ‘AHZB art. 14’). In Zoekzone 4 en Zoekzone 8 werden bepaalde oppervlaktes opgewaardeerd als gevolg van ingrepen die werden doorgevoerd op aangrenzende percelen die tot de compensatie-matrix behoren. Deze oppervlaktes (in oranje aangeduid in Figuur 1) worden aangeduid als ‘opgewaardeerd’ en worden afzonderlijk behandeld om onderscheid te kunnen maken met de percelen die effectief in de compensatiematrix werden ingebracht.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 18 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Foto 1.

Luchtbeeld van de te compenseren oppervlakte in de Achterhaven van Zeebrugge in de jaren ’90 (foto INBO).

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 19 van 144


Figuur 1.

Het volledige studiegebied (binnen de donkergroene omranding) omvat verschillende subeenheden: de te compenseren percelen van de Achterhaven van Zeebrugge, de gecompenseerde percelen, de opgewaardeerde percelen en de verschillende Zoekzones. Z1 = Zoekzone 1 Klemskerke – Vlissegem, Z2 = Zoekzone 2 Palingpot, Z3 = Zoekzone 3 Vijfwege, Z4 = Zoekzone 4 Pompje, Z5 = Zoekzone 5 Paddegat, Z6 = Zoekzone 6 Ettelgem, Z7 = Zoekzone 7 Kwetshage, Z8 = Zoekzone 8 Dudzeelse Polder, Z9 = Zoekzone 9 Put van Vlissegem en Eendenkooi Lissewege, Z10bis = Zoekzone 10bis (met als belangrijkste gebieden de Uitkerkse Polder, Damme, Lage Moeren en Ter Doest).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 20 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 2.

Ingerichte percelen in Zoekzone 1 Klemskerke - Vlissegem en Zoekzone 9 Put Vlissegem (linksboven), Zoekzone 3 Vijfwege (rechtsboven), Zoekzone 4 Pompje (linksonder) en Zoekzone 7 Kwetshaeghe (rechtsonder) met aanduiding van de perceelsnummers en het te compenseren habitat-type. Rood = hpr* + da in uitvoering van art. 36ter, oranje = hpr* + da in uitvoering van art. 14, donkergroen = hpr* in uitvoering van art. 36ter, lichtgroen = hpr* in uitvoering van art. 14, blauw = mr in uitvoering van art. 36ter, gearceerd blauw = opwaardering mr in uitvoering van art. 36ter, grijsgroen = ah in uitvoering van art. 14.

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 21 van 144


Figuur 3.

Ingerichte percelen in Zoekzone 8 Dudzeelse Polder en Zoekzone 9 Eendekooi Lissewege en Zoekzone Z10bis Lissewege (linkboven), Zoekzone Z10bis Damme (rechtboven), Zoekzone Z10bis Lage Moeren (linksonder) en Zoekzone Z10bis Uitkerke (rechtsonder) met aanduiding van de perceelsnummers en het te compenseren habitat type. Oranje = hpr* + da in uitvoering van art. 14, gearceerd oranje = opwaardering hpr* + da in uitvoering van art. 14, donkergroen = hpr* in uitvoering van art. 36ter, lichtgroen = hpr* in uitvoering van art. 14, blauw = mr in uitvoering van art. 36ter, grijsgroen = ah in uitvoering van art. 14.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 22 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


3 MATERIAAL EN METHODE 3.1 VOGELMONITORING In dit rapport worden vogelsoorten met hun Nederlandse soortnaam vermeld. Voor de wetenschappelijke naamgeving van de soorten die in dit rapport aan bod komen, verwijzen we naar Bijlage 1.

3.1.1 Monitoring broedvogels

Broedvogels worden gemonitord aan de hand van een uitgebreide territoriumkarteringsmethode (UTK-methode) zoals beschreven in Hustings et al. (1985) en aangepast naar Vergeer et al. (2016). Dit is een gestandaardiseerde methode die op soortspecifieke wijze het aantal territoria van broedvogels bepaalt. Het resultaat van deze territoriumkartering is een kaart met puntsgewijze notering van het centrum van elk territorium van elke onderzochte soort. Dit laat toe om naast het exacte aantal territoria, per soort ook een zicht te krijgen op de precieze verspreiding en de geprefereerde habitat van die soort. Sinds 2011 worden de meeste gegevens ingevoerd in het programma Avimap. Dit programma werd specifiek ontwikkeld voor de verwerking van broedvogelgegevens en bepaalt - op basis van de ingevoerde waarnemingen - automatisch het aantal en de ligging van de territoria. De uitgebreide territoriumkarteringen worden voornamelijk uitgevoerd door vrijwilligers van de Vogelwerkgroep NW-Vlaanderen (vogelwerkgroep Mergus), de Werkgroep Uitkerkse Polders en de Vogelwerkgroep Middenkust, aangevuld met territoriumkarteringen die werden uitgevoerd door professionele medewerkers van Natuurpunt en het INBO. In dit rapport komen volgende vogelsoortensoorten aan bod: de soorten van de Bijlage I van de Vogelrichtlijn, de relevante soorten vermeld op de Rode Lijst in Vlaanderen (Devos et al. 2016), de relevante soorten waarvan minimaal 5% van het aantal territoria in Vlaanderen zich binnen het studiegebied bevindt en indicatieve soorten voor de verschillende te compenseren doelhabitats.

3.1.2 Monitoring doortrekkende/overwinterende vogels De gegevens van watervogels komen uit de Watervogels Databank van het INBO. Deze watervogeltellingen worden gecoördineerd door het INBO. De watervogeltelling wordt 6 maal per winterhalfjaar georganiseerd, midmaandelijks tussen oktober – maart. De tellingen worden grotendeels uitgevoerd door vrijwilligers. De methodiek staat beschreven in Devos en Onkelinx (2013). Resultaten worden weergegeven als seizoensgemiddelden. Deze werden berekend op basis van het werkelijk gemiddelde per telgebied. In dit rapport worden die soorten behandeld die aangemeld werden voor het SBZ-V ‘Poldercomplex’.

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 23 van 144


3.2 VEGETATIEOPNAMES 3.2.1 Bepaling van de soortenrijkdom van het grasland op percelen met doelhabitat hpr* + da en hpr* Tansley-opnames: een gebiedsdekkende opname Bij de Tansley-methode worden alle plantensoorten over het ganse perceel geïnventariseerd en wordt voor elke soort de bedekkingsgraad ingeschat volgens de schaal van Tansley (zie Tabel 1). Deze schaal is geschikt om de frequentie van voorkomen van verschillende plantensoorten in een grotere oppervlakte in te schatten. De percelen werden willekeurig doorlopen om een zo volledig mogelijke inventarisatie te kunnen garanderen. Voor het typeren van de vegetatie werd gebruik gemaakt van de codes van de Biologische Waarderingskaart (Vriens et al. 2011). De typologie is meestal een combinatie van meerdere codes/eenheden, aangezien verschillende vegetatietypes in mozaïekpatroon voorkomen. Tabel 1.

De schaal van Tansley.

Code Tansley Naam Densiteit (per ha) Indicatieve bedekking

S

R

O

F

A

CD

Da

Db

Sporadisch

Zeldzaam

Occasioneel

Frequent

Abundant

Co-dominant

Dominant

Dominant

1-3 ind

4-9 ind

10-50 ind

> 50 ind

Niet van belang

Niet van belang

Niet van belang

Niet van belang

<1%

<1%

<1%

<5%

5-25%

25-50%

50-75%

>75%

Pq opnames: een steekproefsgewijze detailopname Voor de opnames van pq’s werd een oppervlakte van drie op drie meter afgebakend. Alle plantensoorten in het pq werden genoteerd en voor elke soort werd de bedekkingsgraad ingeschat volgens de gedetailleerde bedekkingsschaal van Londo (zieTabel 2). De hoekpunten van de pq’s werden op het terrein gemerkt met een fenopaal waarvan de locatie werd ingemeten met een GPS met afwijking van maximaal enkele decimeters. Elk pq werd tevens gefotografeerd. Via de pq-opnames wordt gepoogd om binnen die proefvlakken de ontwikkeling van het habitattype op te volgen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 24 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Tabel 2.

De schaal van Londo.

symbool

definitie

omschrijving

r1

sporadisch

1-3 exemplaren, < 1 %

r2

sporadisch

1-3 exemplaren, 1-3 %

r4

sporadisch

1-3 exemplaren, 3-5 %

p1

weinig talrijk

4-20 exemplaren, < 1 %

p2

weinig talrijk

4-20 exemplaren, 1-3 %

p4

weinig talrijk

4-20 exemplaren, 3-5 %

a1

talrijk

21-100 exemplaren, < 1 %

a2

talrijk

21-100 exemplaren, 1-3 %

a4

talrijk

21-100 exemplaren, 3-5 %

m1

zeer talrijk

>100 exemplaren, < 1 %

m2

zeer talrijk

>100 exemplaren, 1-3 %

m4

zeer talrijk

>100 exemplaren, 3-5 %

1

Willekeurig

5-15%

2

Willekeurig

15-25%

3

Willekeurig

25-35%

4

Willekeurig

35-45%

5

Willekeurig

45-55%

6

Willekeurig

55-65%

7

Willekeurig

65-75%

8

Willekeurig

75-85%

9

Willekeurig

85-95%

3.2.2 Bepaling van de oppervlakte aan zilte vegetatie op percelen met doelhabitat hpr* + da Om het aandeel aan zilte vegetatie in de ingerichte percelen met doelhabitat hpr* + da in te schatten, werden de zones met zilte soorten tijdens het terreinbezoek ingetekend op luchtfoto (anno 2012, AGIV 2013; anno 2015, AGIV 2016; anno 2019, AGIV 2020) en achteraf gedigitaliseerd. Volgende soorten worden tot da gerekend (T’Jollyn et al. 2009): Blauw kweldergras, Stomp kweldergras, Gewoon kweldergras, Dunstaart, Gerande schijnspurrie, Zilte schijnspurrie, Klein schorrenkruid, Kortarige zeekraal, Langarige zeekraal, Melkkruid, Zilte rus, Zilte zegge en Zulte.

3.2.3 Bepaling van de oppervlakte aan rietmoeras op percelen met doelhabitat mr Om het aandeel aan rietmoeras in de ingerichte percelen met doelhabitat mr in te schatten, werden de zones met moerasvegetatie tijdens het terreinbezoek ingetekend op een luchtfoto (anno 2012, AGIV 2013; anno 2015, AGIV 2016; anno 2019, AGIV 2020) en achteraf gedigitaliseerd.

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 25 van 144


3.3 HYDROLOGIE: HYDROLOGISCHE RANDVOORWAARDEN VOOR DE NA TE STREVEN HABITATS Op basis van de compensatiematrix dienen volgende habitats gecreëerd te worden binnen de Zoekzones van de natuurcompensaties: -

rietmoeras (mr) zilt grasland (hpr* + da) brakke plas (ah) soortenrijk reliëfrijk poldergrasland (hpr*)

Voor de twee eerste habitats worden hieronder de hydrologische randvoorwaarden besproken, zoals deze terug te vinden zijn in de applicatie “hydrologische randvoorwaarden natuur - versie 3” (Runhaar, H. & Hennekens S., 2014). Met deze applicatie kunnen de hydrologische vereisten van de doeltypen worden afgeleid uit de vereisten van de vegetatietypen die deel uitmaken van deze doeltypen. In de bespreking wordt de focus gelegd op grondwaterstanden (vochttoestand) en zoutgehalte, omdat dit de parameters zijn die binnen deze monitoringsopdracht ook effectief opgevolgd worden. In deze applicatie wordt de syntaxonomische indeling gebruikt volgens Schaminée et al. (1995 – 1999). De verdere bespreking volgt dan ook deze indeling, met vermelding van de bijhorende nummering van de associaties. Voor wat betreft vochttoestand en zoutgehalte wordt hierbij volgende onderverdeling aangehouden: Tabel 3.

Indeling naar vochttoestand.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 26 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Tabel 4.

Indeling in zoutklassen.

3.3.1 Rietmoeras (mr)

Binnen het project ‘Natuurcompensaties Achterhaven Zeebrugge’ wordt voor het doelhabitat ‘rietmoeras’ een complex van volgende plantengemeenschappen nagestreefd: 1. 2. 3. 4.

Associatie van Ruwe bies (8BB02) Riet-associatie (8BB04) Oeverzegge-associatie (8BC01) Associatie van Scherpe zegge (8BC02)

Zoals uit onderstaande Figuur 4 en Figuur 5 blijkt, vragen de associatie van ruwe bies en de riet-associatie (diep water tot ‘s winter inunderend water) standplaatsfactoren die een stuk natter zijn dan de oeverzegge-associatie en de associatie van scherpe zegge (ondiep tijdens zomer droogvallend water tot zeer natte vochttoestand). Indien men de beschikbare kwantitatieve grondwaterstandskarakteristieken voor bovenstaande 4 plantengemeenschappen (Figuur 5) gaat uitmiddelen, krijgt men voor het doel-habitat ‘rietmoeras’ volgende kwantitatieve standplaatsfactoren (rechts op Figuur 5): -

Figuur 4.

GVG: diep water tot water boven maaiveld tijdens het voorjaar GLG: tijdens de zomer niet dieper uitzakkend dan 20 à 40 cm

Vochttoestand voor de verschillende plantengemeenschappen van het doelhabitat ‘rietmoeras’. De donkerroos ingekleurde vakken geven de optimale omstandigheden weer, de lichtroos ingekleurde vakken de suboptimale omstandigheden.

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 27 van 144


Figuur 5.

Grondwaterstandskarakteristieken voor de verschillende plantengemeenschappen van het doelhabitat ‘rietmoeras’ (links op de figuur) en de resulterende grondwaterstandskarakteristieken voor het doelhabitat ‘rietmoeras’.

Wat betreft het zoutgehalte komt ‘rietmoeras’ optimaal voor in zeer zoete (<150 mg/l Cl), zoete (150-300 mg/l Cl) tot zwak brakke (300-1.000 mg/l Cl) omstandigheden en suboptimaal in licht brakke omstandigheden (1.000 mg – 3.000 mg/l). Enkel de associatie van Ruwe bies heeft haar optimum bij hogere zoutgehalten, namelijk bij zwak brakke (300 – 1.000 mg/l Cl) tot licht brakke (1.000 – 3.000 mg/l Cl) omstandigheden.

Figuur 6.

Standplaatskarakteristieken wat betreft zoutgehalte voor de verschillende plantengemeenschappen van het doelhabitat ‘rietmoeras’. De donkerroos ingekleurde vakken geven optimale omstandigheden weer, de lichtroos ingekleurde vakken suboptimale omstandigheden.

3.3.2 Zilt grasland (hpr* + da)

Binnen het project ‘Natuurcompensaties Achterhaven Zeebrugge’ wordt voor het doelhabitat ‘zilt grasland’ een complex van volgende plantengemeenschappen nagestreefd: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Associatie van Gewoon kweldergras (26AA01) Associatie van Stomp kweldergras (26AB01A) Associatie van Blauw kweldergras (26AB02) Associatie van Bleek kweldergras (26AB03) Associatie van Zilte rus (26AC01 Associatie van Zeerus en Weidetorkruid (26AC07) Associatie van Kortarige zeekraal (25AA02)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 28 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Hierbij maken we onderscheid tussen de eerste zes plantengemeenschappen (= ‘zilt grasland’ of habitatsubtype 1330_hpr) en de zevende gemeenschap (‘binnendijkse zeekraalvegetatie’ of habitatsubtype 1310_pol). Figuur 7 geeft weer dat de meeste plantengemeenschappen in het ‘zilt grasland’ zeer natte tot natte omstandigheden vragen. De associaties van Zilte rus en Stomp kweldergras kunnen ook in iets drogere omstandigheden (de klasse zeer vochtig) voorkomen. Figuur 8 geeft opnieuw de uitgemiddelde kwantitatieve waarden voor ‘zilt grasland’ weer: - GVG: plasdras tot 25 à 40 cm onder maaiveld - GLG: niet dieper wegzakkend dan 60 à 80 cm onder maaiveld Voor de ‘binnendijkse zeekraalvegetaties’ (zie Figuur 9) krijgen we volgende nattere grondwaterkarakteristieken: -

GVG: 20 cm boven maaiveld tot plasdras GLG: niet dieper wegzakkend dan 50 à 60 cm onder maaiveld

Figuur 7.

Vochttoestand voor de verschillende plantengemeenschappen van het doelhabitat ‘zilt grasland’. De donkerroos ingekleurde vakken geven de optimale omstandigheden weer, de lichtroos ingekleurde vakken de suboptimale omstandigheden.

Figuur 8.

Grondwaterstandskarakteristieken voor de verschillende plantengemeenschappen van het doelhabitat ‘zilt grasland’ (links op de figuur) en de resulterende grondwaterstandskarakteristieken voor het doelhabitat ‘zilt grasland’.

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 29 van 144


Figuur 9.

Grondwaterstandskarakteristieken voor ‘binnendijkse zeekraalvegetaties’.

Voor wat betreft het zoutgehalte vraagt ‘zilt grasland’ licht brakke (1000 – 3000 mg/l Cl), matig brakke (3.000 – 10.000 mg/l Cl) tot zoute (> 10.000 mg/l Cl) omstandigheden. ‘Binnendijkse zeekraalvegetaties’ vragen matig brakke tot zoute omstandigheden.

Figuur 10.

Standplaatskarakteristieken wat betreft zoutgehalte voor de verschillende plantengemeenschappen van het doelhabitat ‘zilt grasland’. De donkerroos ingekleurde vakken geven optimale omstandigheden weer, de lichtroos ingekleurde vakken suboptimale omstandigheden.

Figuur 11.

Standplaatskarakteristieken wat betreft zoutgehalte voor ‘binnendijkse zeekraalvegetaties’. De donkerroos ingekleurde vakken geven optimale omstandigheden weer, de lichtroos ingekleurde vakken suboptimale omstandigheden.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 30 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


4 COMPENSATIEDOELEN 4.1 OPPERVLAKTES TE COMPENSEREN DOELHABITAT Een welbepaalde oppervlakte van 4 verschillende habitattypes moet worden gerealiseerd in de daarvoor voorziene Zoekzones om aan de compensatiedoelstelling te voldoen. De verschillende te compenseren habitattypes zijn hpr* + da, hpr*, mr en ah. De adviesnota van Courtens & Kuijken (2004) vormt de basis voor de oppervlaktebepaling van de te compenseren habitattypes van het geschrapte gedeelte van het Vogelrichtlijngebied en werd vastgelegd in de Vlaamse wetgeving in art. 36ter van het Decreet van Natuurbehoud. Het aantal te compenseren vogelsoorten werd vertaald naar de vereiste oppervlakte aan habitat. Op die manier werd initieel 100 ha hpr*, 10 ha mr en 20 ha hpr* + da als compensatiedoelstelling vastgelegd. In een later stadium werd beslist (beslissing van de Vlaamse Regering van 23 juli 2010) om de 100 ha hpr* te schrappen en om 48 i.p.v. 20 ha hpr* + da in te richten. In 2010 werd beslist (beslissing van de Vlaamse Regering van 23 juli 2010) om met het creëren van 15 ha extra mr in de compensatie van Rietveld Pelikaan te voorzien, waardoor de totaal te compenseren oppervlakte mr voor art. 36ter op 25 ha komt. De compensatie in uitvoering van art. 14 bestaat uit de compensatie van de integrale oppervlakte van de verschillende types waardevol habitat zoals die aanwezig waren in de Achterhaven van Zeebrugge: 124 ha hpr* + da, 44 ha hpr*, 40 ha mr en 9 ha ah. De oppervlaktes van de te compenseren habitattypes in uitvoering van art. 14 en art. 36ter werden vastgelegd in een compensatiematrix. Voor een stand van zaken van de uitwerking van deze matrix wordt verwezen naar de jaarverslagen van de beheercommissie (VLM 2020).

4.2 KWALITEIT VAN DOELHABITAT HPR* + DA In de beslissing van de Vlaamse Regering van 23 juli 2010 werd de toepassing van habitatconversie als methodiek goedgekeurd voor het realiseren van de compensatiematrix van de natuurcompensaties van de Achterhaven van Zeebrugge. Deze methodiek is specifiek ontwikkeld voor de inbreng van habitatkwaliteit bij de invulling van de compensatiematrix, meer specifiek voor de realisatie van de doelstelling zilt grasland voor artikel 36ter. Binnen deze conversiemethodiek wordt een perceel zilt grasland met een bedekking van 7% zilt habitat als referentie beschouwd. Bij de opmaak van de inrichtingsplannen voor zilt grasland is steeds rekening gehouden met deze referentie en de bijhorende conversiecurve en werd steeds een inschatting gemaakt van de verwachte procentuele bedekking zilt habitat bij uitvoering van de inrichtingsplannen voor de compensaties van artikel 36ter. Op basis van deze realistische inschatting werd de invulling van de compensatiematrix bij ieder inrichtingsplan geactualiseerd. Bij de vegetatiemonitoring van de gerealiseerde zilte graslanden wordt steeds de actuele, procentuele bedekking met zilte vegetatie bepaald. Dit geeft de mogelijkheid om na te gaan in hoeverre de verwachte procentuele bedekking overeenkomt met de gerealiseerde procentuele bedekking. In voorliggend monitoringrapport wordt enkel de gerealiseerde procentuele bedekking voor elk perceel gegeven en wordt een inschatting gemaakt van de procentuele en absolute toename van de oppervlakte zilt habitat voor en na de inrichting. Hoewel deze vergelijking op zich geen waardeoordeel is voor de invulling van de compensatiematrix zijn deze gegevens wel belangrijk voor een evaluatie van de uitgevoerde

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 31 van 144


inrichtingsmaatregelen. Voor de zilte graslanden die voor artikel 14 zijn gecompenseerd, wordt de procentuele bedekking van zilte vegetatie eveneens geschat en voorgesteld in voorliggend monitoringrapport. Hoewel de procentuele bedekking voor deze compensaties niet in de matrix is ingebracht, is kennis hiervan wel waardevol als vergelijking.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 32 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


5 MONITORINGSPLAN 5.1 BROEDVOGELS In het studiegebied zoals voorgesteld in Figuur 1, werd de broedvogelmonitoring aanvankelijk jaarlijks integraal uitgevoerd. Sinds 2015 werd de telintensiteit teruggeschroefd omdat de beschikbaarheid van vrijwillige tellers na jaren van intense telinspanning begon af te nemen. Figuur 12 geeft een overzicht van de telinspanning tussen 2015 en 2020. De donkergroene telgebieden worden jaarlijks vijf maal volgens de UTK-methode gemonitord. Dit zijn de gebieden met de hoogste densiteit aan relevante broedvogelsoorten en de gebieden waarbinnen de meeste compensatie-inrichtingen worden gerealiseerd. De overige gebieden worden tussen 2015 en 2020 slechts in één jaar gemonitord volgens de UTK-methode (3 telrondes in dat ene jaar). Aldus werd elk van deze gebieden intussen geteld. De aantallen voor lichtgroene gebieden werden geëxtrapoleerd op basis van gegevens van het voorgaande jaar.

Figuur 12.

Telinspanning broedvogelinventarisatie t.e.m. 2020. De donkergroene telgebieden worden jaarlijks geteld. De overige telgebieden werden tussen 2015 en 2020 in slechts 1 jaar geteld.

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 33 van 144


5.2 VEGETATIE Deze monitoring vond plaats op alle t.e.m. 2019 ingerichte percelen, zoals weergegeven in Figuur 1. Een eerste vegetatie-monitoring werd uitgevoerd tussen 2013 en 2015 op de tot dan toe ingerichte percelen in Zoekzones Z1 Klemskerke – Vlissegem, Z4 Pompje en Z 8 Dudzeelse Polder. Deze monitoring werd herhaald tussen 2017 en 2019, aangevuld met een eerste monitoring op percelen die in tussentijd bijkomend werden ingericht. Op een aantal zeer recent ingerichte percelen bleek de vegetatie nog niet of onvoldoende ontwikkeld en was een opname nog niet mogelijk. Vegetatieopnames op percelen met doelhabitat hpr* + da omvatten zowel Tansley-opnames ald pq-opnames. Op de verschillende percelen werden in totaal 37 pq’s uitgezet. Deze werden zo goed mogelijk gespreid, rekening houdend met het aantal gerealiseerde percelen met doelhabitat hpr* + da in de verschillende Zoekzones. Vegetatieopnames op percelen met doelhabitat hpr* bestaan uit Tansley-opnames. Veel percelen met doelhabitat hpr* werden in recentere jaren ingericht en konden een eerste keer gemonitord worden tussen 2017 – 2019. Op de percelen met doelhabitat mr werd voor verschillende periodes riet uitgedigitaliseerd om zo de oppervlakte mr en de evolutie ervan te kunnen bepalen. Tijdens de tweede vegetatieopname werd ook een habitat-typering voor alle als mr ingerichte percelen gemaakt. Voor doelhabitat ah zijn geen vegetatieopnames gepland.

5.3 HYDROLOGIE Deze monitoring vindt jaarlijks plaats.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 34 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


6 NIET ONDERZOCHTE PARAMETERS De vraag kan worden gesteld of de ontwikkeling van planten en broedvogels in de daartoe ingerichte gebieden wordt gestuurd door de inrichting zelf dan wel of er andere factoren meespelen die dit proces beïnvloeden. Er zijn vele factoren te bedenken die van invloed zouden kunnen zijn op het aantal territoria van bepaalde broedvogels of op de ontwikkeling van de gewenste plantengemeenschap. Echter, het optimaal toepassen van de gekende randvoorwaarden voor het bekomen van een bepaald habitattype is de meest aangewezen strategie om het beste resultaat te bekomen. Door de resultaten over een lange tijdsreeks te beschouwen, zullen bepaalde parameters in meer of mindere mate uitgesloten worden, maar mogelijk niet alle. Zo wordt de invloed van predatie op het aantal territoria weidevogels niet onderzocht. Het kan best zijn dat vossen, katten, ratten, roofvogels ed. uiteindelijk een invloed hebben op het behaalde aantal territoria van bepaalde vogelsoorten, maar deze invloed is niet gekend. Ook klimatologische omstandigheden worden bij de verwerking niet in rekening gebracht. Het kan best dat het wijzigende klimaat een invloed heft op de resultaten, maar ook deze invloed is niet gekend.

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 35 van 144


7 RESULTATEN 7.1 MONITORING VAN DE ALS HPR* + DA INGERICHTE PERCELEN VAN DE COMPANSATIEMATRIX 7.1.1 Vegetatie In volgende Zoekzones werden percelen als zilt grasland (hpr* + da) ingericht (zie Figuur 2 en Figuur 3): Zoekzone Z1 Klemskerke – Vlissegem (12 percelen met een totale oppervlakte van 37 ha), Zoekzone Z3 Vijfwege (1 perceel met een oppervlakte van 7 ha), Zoekzone Z4 Pompje (24 percelen met een totale oppervlakte van 55 ha), Zoekzone Z8 Dudzeelse Polder (41 percelen met een totale oppervlakte van 61 ha en een opgewaardeerde zone van 115 ha) en Zoekzone Z10bis (4 percelen in de Uitkerkse Polder met een totale oppervlakte van 7 ha Het doelhabitat van deze percelen is een soortenrijk en reliëfrijk grasland (hpr*) met 7% aan zilte elementen (da). Een zilt grasland is dus een mozaïek van soortenrijk en reliëfrijk grasland (hpr*) en depressies met zilte vegetatie (da). Hierna wordt eerst het soortenrijk grasland (hpr*) en daarna de zilte vegetatie (da) besproken. Telkens wordt de kwaliteit van de ingerichte percelen onderzocht en wordt nagegaan in hoeverre aan de doelstelling wordt voldaan. Daartoe werd tussen 2013 en 2018 op elk perceel tweemaal een vegetatiestudie uitgevoerd om de kwaliteit van de zilte graslandvegetatie en de evolutie ervan te bepalen. Voor elk perceel werd een gebiedsdekkende Tansley-opname gemaakt, het habitattype bepaald en werd een vegetatiekaart aangemaakt. Op welbepaalde percelen werden voor diezelfde periode tweemaal pq-opnames gemaakt.

Soortenrijk grasland (hpr*) Habitattypering De ontwikkeling van de vegetatie wordt per perceel voor de verschillende Zoekzones aan de hand van een BWK typering getoond in Tabel 5 voor volgende 3 periodes: vóór aanvang van de inrichting (T0), na de eerste vegetatieopname (T1) en na de tweede vegetatieopname (T2). Aldus is het mogelijk om op perceelsniveau na te gaan hoe het grasland (van soortenrijk naar soortenarm: hpr*, hp*, hpr, hp, hx) zich ontwikkelt op de als hpr* + da ingerichte percelen. Voor aanvang van de inrichting (T0) variëerde het habitat op de verschillende percelen van akkerland tot soortenrijk grasland. Intussen zijn de meeste percelen geëvolueerd naar een soortenrijk grasland, maar ze zijn niet allemaal reliëfrijk (Figuur 13). In Z1 Klemskerke – Vlissegem bestonden alle percelen voor aanvang van de inrichting uit grasland. Daarvan was reeds meer dan 60% soortenrijk, de rest was soortenarm tot zeer soortenarm. Deze soortenarme graslandpercelen zijn intussen allemaal geëvolueerd naar een soortenrijk grasland, waarvan 94% bestaat uit de het beoogde habitattype soortenrijk en reliëfrijk grasland (hpr*). De percelen in Z4 Pompje bestonden voor aanvang van de inrichting voornamelijk uit grasland (meer dan 80%, waarvan 75% soortenarm), de resterende oppervlakte bestond uit akkerland. Intussen werd het akkerland naar grasland omgezet en is 80% van de ingerichte oppervlakte geëvolueerd naar het beoogde habitattype soortenrijk en ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 36 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


reliëfrijk grasland (hpr*). De in te richten percelen in Z8 Dudzeelse Polder bestonden voor meer dan 60% uit akkerland, de overige 40% bestond uit grasland, waarvan de helft soortenrijk. Intussen is ongeveer 80% van de ingerichte oppervlakte soortenrijk. Het beoogde habitattype soortenrijk en reliëfrijk grasland (hpr*) beslaat 46% van de oppervlakte van de ingerichte percelen. Zonder op te splitsen in Zoekzones betekent dit dat het grasland op de totale ingerichte oppervlakte is geëvolueerd van 22% hpr* (T0) naar 67% hpr* (T2). Dit betekent een winst van 45% aan het beoogde habitattype soortenrijk en reliëfrijk grasland (hpr*). Als we het reliëf buiten beschouwing nemen en enkel soortenrijk grasland beschouwing, is er een evolutie van 25% soortenrijk (T0) naar 87% soortenrijk (T2). Diversiteit Hoe de plantendiversiteit op de verschillende percelen binnen de verschillende Zoekzones evolueert, wordt getoond in Figuur 14 en Figuur 15. Deze figuren geven het verschil weer van de Shannon index (een diversiteits index) die werd berekend op basis van twee gebiedsdekkende (Tansley) vegetatieopnames (Figuur 14) en op basis van twee steekproef (pq) opnames (Figuur 15) voor de verschillende ingerichte percelen in Zoekzones Z1, Z4 en Z8. Figuur 14 toont dat de diversiteit aan plantensoorten op perceelsniveau op de meeste percelen in elke Zoekzone is toegenomen tussen de twee periodes van vegetatie opnames. De soortenrijkdom ligt het hoogste in Zoekzone Z4 Pompje en het laagste in Zoekzone Z1 Klemskerke Vlissegem. Figuur 15 toont dat de soortenrijkdom in nagenoeg elke steekproefvlak (pq) is afgenomen in elk van de Zoekzones. De pq’s werden allen gelocaliseerd centraal in het perceel. De toename in soortenrijkdom op perceelsniveau wordt wellicht verklaart door locale toenames op bepaalde zones zoals depressies, laantjes en in de randen.

Foto 2.

Perceel 126 in Zoekzone Z1 Klemskerke-Vlissegem (september 2018).

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 37 van 144


Z1 Klemskerke - Vlissegem

100%

80% hx

60%

hp

40%

hpr

20%

hp* hpr*

0% grasland T0

grasland T1

grasland T2

Z4 Pompje

100% 80%

akker

60%

hx hp

40%

hpr 20%

hp*

0%

hpr* grasland T0

grasland T1

grasland T2

Z8 Dudzeelse Polder

100% 80%

akker

60%

hx hp

40%

hpr 20%

hp* hpr*

0% grasland T0

Figuur 13.

grasland T1

grasland T2

Oppervlakteverhouding van BWK-typeringen voor de als soortenrijk grasland (hpr*) ingerichte percelen met doelhabitat hpr* + da, voor de situatie voorafgaand aan de inrichting (grasland T0), na de eerste vegetatieopname (grasland T1) en na de tweede vegetatieopname (grasland T2). Enkel de percelen in Zoekzones Z1, Z4 en Z8 werden in rekening gebracht omdat deze percelen 2 maal werden belopen. De legende gaat van meest soortenrijk (hpr*) naar minst soortenrijk (akker). Hpr* = soortenrijk en reliëfrijk grasland, hp* = soortenrijk grasland, hpr = soortenarm reliëfrijk grasland, hp = soortenarm permanent cultuurgrasland, hx = zeer soortenarm ingezaaid grasland (vaak tijdelijk) en bu =

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 38 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


akker. Voor deze berekening werden de percelen die in recente jaren werden ingericht en waarvan nog geen 2 vegetatieopnames konden worden gemaakt, niet in rekening gebracht.

Figuur 14.

Verschil in soortenrijkdom tussen een eerste en een tweede gebiedsdekkende vegetatieopname (Tansley opname) op de als hpr* + da ingerichte percelen in Z1 Klemskerke – Vlissegem, Z4 Pompje en Z8 Dudzeelse Polder. Getoonde waarden zijn het verschil in de Shannon index, berekend op basis van twee Tansley opnames.

Figuur 15.

Verschil in soortenrijkdom tussen een eerste en een tweede steekproef opname (pq opname) op de als hpr* ingerichte percelen met doelhabitat hpr* + da Z1 Klemskerke – Vlissegem, Z4 Pompje en Z8 Dudzeelse Polder.

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 39 van 144


T1

T2

opp perceel (ha)

in uitvoering van

0,25

0,20

3,8

art. 36ter

2018

0,04

0,26

0,08

4,0

art. 36ter

2018

0,04

0,24

0,00

3,6

art. 36ter

2013

hpr* + ah + k(da ) 2018 + k(mr)

0,00

0,05

0,02

2,7

art. 36ter

2013

hpr* + ah + k(mr) + k(da)

2018

0,00

0,22

0,01

2,5

art. 14

2013 hpr* + ah + k(mr)

2018

0,00

0,02

0,00

1,2

art. 36ter

2018

0,00

0,00

0,00

1,7

art. 36ter

2018

0,00

0,13

0,11

0,9

art. 36ter

2018

0,04

0,42

0,67

3,8

art. 36ter

2018

0,00

0,00

0,00

6,0

art. 36ter

91

hpr* + da + k(mr)

92

hpr* + kf + km + da° + k(mr)

hpr* + da + ah + k(mr) + kf + km

2013

Jaar T2

0,00

hpr + hpr* + ah + da hpr* + ah + da + 2013 +k(mr) k(mr) hpr* + ah + da + hpr* + ah + da + 2013 k(mr) k(mr) hpr* + ah + k(mr) + kf + km + da0 0

93

hpr* + kf° + km + k(mr°)

101

hx/hpr

102

hp + k(hp*) + k(mr) + kn

hpr + ah + da + k(mr) hpr* + ah + kn + k(da) + k(mr)

124

hp + k(mr)

hp* + ah + k(mr)

2013 hp* + ah + k(mr)

hpr* + ah + da + k(mr) hpr* + ah + da + k(mr)

hpr* + ah + da + 2013 k(mr) hpr* + ah + da + 2013 k(mr)

hpr* + k(mr)

2016 hpr* + k(mr)

125

hpr + k(mr) + kn

126

hpr*+ hpr + da°

XX XXXX

hpr*+ hpr + k(da°) hpr* + hp + ah + da- + k(mr) hpr* + da- + k(mr) hpr* + kn + k(mr)

hpr* + ah + da + k(mr)

-

-

-

-

-

-

-

5,0

art. 14

-

-

-

-

-

-

-

2,1

art. 14

-

-

-

-

-

-

-

7,6

art. 14

2018

0,09

0,63

0,16

3,1

art. 36ter

2017

0,00

0,00

0,01

0,3

art. 36ter

2017

0,16

0,16

0,15

3,3

art. 36ter

2017

0,02

0,08

0,02

1,7

art. 36ter

2017

0,03

0,13

0,11

1,3

art. 36ter

2018

0,00

0,00

0,08

5,9

art. 14

2017

0,00

0,33

0,03

2,5

art. 36ter

2017

0,28

0,63

0,50

5,5

art. 36ter

19

hpr* + da

hpr* + da + ah

32

hx + k(mr)

hp* + ae + k(mr)

0

35

0

hpr + da + k(mr)

hpr* + da0 + k(mr)

0

36 37 38

hpr + k(mz ) + k(hp*) + k(da) hp + k(mr0) + k(da) bu

hpr* + ah + da + k(mr) hp* + ae + mr + 2013 k(da) hpr* + ah + da0 + 2013 k(mr) 2013

hpr* + da + kn + k(mr0)

hpr* + kn + ah + k(da0) hpr* + ah + da + 2016 k(mr0)

hpr

2013 hpr hpr* + mr + ah + 2013 k(da) hpr* + da + ah + 2013 k(mr)

hpr* + kn + da

41

hpr + k(mr )

hpr* + da + ah + k(mr)

42

hpr + da + k(mr°) + kn

hpr* + da + ah + kn

0

opp. zilte vegetatie (ha)

2018

T2 habitat typering

hx

X

Z4 Pompje

T1 habitat typering

43

129

Z3

T0 habitat typering

Jaar T1

perceelnummer

Overzicht van alle als hpr*+da ingerichte percelen tot 2020 per Zoekzone. Per perceel wordt de T0 habitattypering weergegeven (De Saeger et al. 2010 en Desaeger et al. 2018), dit is de situatie vóór aanvang van de inrichting. Vervolgens wordt de habitattypering op basis van een eerste (T1) en een tweede (T2) gebiedsdekkende vegetatieopname getoond. De oppervlakte aan zilte vegetatie (da) wordt weergegeven voor de T0 situatie (afgeleid uit De Saeger et al. 2010 en Desaeger et al. 2018) en voor de situatie na een eerste (T1) en een tweede (T2) vegetatie opname.

T0

Z1 Klemskerke - Vlissegem

Zoekzone

Tabel 5.

2013

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 40 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


48

hpr

hpr* + da

2013 hpr* + k(da0)

2017

0,03

0,09

0,00

0,9

art. 14

49

hp

hpr* + k(da) + k(mr)

2013 hpr* + da + k(mr)

2017

0,00

0,01

0,22

1,9

art. 36ter

50

hpr + k(da)

hpr* + ah + da + mr + k(mr)

2013

2017

0,02

0,28

0,01

1,8

art. 14

hpr* + da0 + k(mz)

2013 hpr* + da + k(mr)

2017

0,03

0,18

0,06

0,9

art. 14

hpr* + da0 + k(mz)

2013

2017

0,01

0,23

0,03

1,2

art. 14

2017

0,01

0,15

0,01

0,7

art. 14

0

54 55 56

hpr* + da0 + k(mz)

hpr* + k(da) + k(ah) + k(mr) hpr* + k(da) + 2013 k(mr)

0

58

hp + k(hp*) + k(da)+ k(mr0)

hpr* + ah + k(mr ) + k(mz0) + k(da)

2013

2017

0,02

0,02

0,19

1,9

art. 14

59

hpr + k(ph*)

hpr* + ah + da

2013 hpr* + ah + k(da0) 2017

0,00

0,13

0,02

2,5

art. 36ter

64

hp

hp + ah

2016

2017

0,00

0,00

0,40

1,7

art. 36ter

81

hp*

hpr* + k(ah)

2017

0,00

0,00

0,01

0,6

art. 36ter

83

hpr + k(mr) + k(da)

hpr* + k(ah) + k(da) + k(mr0)

2013

2017

0,01

0,01

0,10

1,0

art. 14

hp + k(hp*) + k(mr) hpr* + hp + k(da-) + k(mr)

hpr + ah + hpr*+ da°

2019 -

-

-

0,21

-

3,3

art. 14

2019 -

-

-

0,06

-

3,7

art. 14

89 90

hpr* + ah + da + k(mr°) + k(mz°)

hp* + ah + da + k(mr) hpr* + k(ah) + 2013 k(da0)

ah + hpr*+ k(da°)

hpr* + da + k(ah) + k(mr°)

92

hpr + da + k(mr)

hpr + hpr* + da + k(mr)

2013

hpr* + k(ah) + k(da0) + k(mr)

2017

0,05

0,12

0,02

2,4

art. 14

94

hx + k(mr0)

ah + ku

2013

ah + da + mr + k(mr)

2017

0,00

0,00

0,36

1,7

art. 14

XXX

hpr* + hp + k(mr)

-

-

-

-

-

5,3

art. 14

hx + bu

hp + ah + da + k(mr) 2013

2018

0,00

0,22

0,24

2,3

art. 14

8

hp + k(da)

hp(r) + da +ah + k(mr)

hp* + da + ah + mr + hpr* hp* + da + ah + 2013 mr + hpr*

2017

0,02

0,09

0,16

2,1

art. 14

007 + 117

Z8 Dudzeelse Polder

hpr + k(mz ) + k(da0) hpr + k(mz0) + k(da0) hpr + hpr* + k(da)

hpr* + k(da) + k(ah) + k(mr)

-

-

9

bu

hp

2015 hp* + k(mr)

2017

0,00

0,00

0,00

0,6

art. 14

10

bu

hp + hp* + k(mr)

2013 hp* + k(mr)

2017

0,00

0,00

0,00

3,3

art. 14

11

hx

hp + k(da)

2013 hp*

2017

0,00

0,01

0,00

0,3

art. 14

12

bu

bu

2015 hpr* + k(mr)

2017

0,00

0,00

0,00

1,7

art. 14

13

hx

hp + da + ah

hp* + da + ah + 2013 k(mr0)

2017

0,00

0,08

0,07

1,2

art. 14

14

bu

hx + k(mr) + k(da)

2013 hp + k(mr) + k(da) 2017

0,00

0,03

0,00

1,4

art. 14

15

hx

hp* + da

2013 hpr* + da + k(ah)

2017

0,00

0,10

0,06

0,8

art. 14

0,00

0,18

0,20

2,8

art. 14

2017

0,00

0,07

0,01

1,5

art. 14

2017

0,00

0,23

0,17

2,0

art. 14

2017

0,01

0,07

0,09

0,5

art. 14

2018

0,00

0,00

0,00

3,6

art. 14

2017

0,00

0,00

0,02

2,8

art. 14

2017

0,00

0,24

0,06

1,0

art. 14

2017

0,00

0,03

0,01

0,3

art. 14

2017

0,00

0,51

0,40

1,5

art. 14

2017

0,00

0,74

0,63

1,5

art. 14

16

bu

hp + da + k(mr)

hp* + da + k(ah) + 2013 2017 k(mr)

17

bu

hp + da + k(mr)

2013 hpr* + k(mr) hpr* + da0 + ah + k(mr) hpr* + da + k(ah) + k(mr) hp + k(mr) +k(mc0) hpr* + k(da0) + k(mr)

18

hpr*

19

hp + k(mr°) + k(da)

hpr* + da + k(ah) + k(mr) hpr* + da + k(ah) + k(mr)

20

bu

hp

2015

21

bu

hpr* + hpr

2013

23

bu

hpr + da + k(mr)

2013 hpr* + da + k(mr)

2013 2013

0

24

bu

hp* + k(mr) + k(da)

25

bu

da + hp + ah + hpr + k(hp*) + kn + k(mr)

27

bu

da + hpr* + ah

www.vlaanderen.be/inbo

hpr* + k(da ) + k(mr) hpr* + da + ah + 2013 k(mr) hpr* + da + ah + 2013 k(mr) 2013

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 41 van 144


Z10bis

hp* + k(mr) + k(mc)

28

bu

hp

2013

2018

0,00

0,00

0,00

1,1

art. 14

29

bu

hp

2015 hp*

2018

0,00

0,00

0,00

2,2

art. 14

31

bu

hx

2015 hp + k(da) + k(mr) 2017

0,00

0,00

0,01

2,2

art. 14

hpr* + da + k(ah) + k(mr) hp + da + ah +k(da) + k(mr)

hpr* + da + k(ah) 2013 + k(mr) hp* + da + ah + 2013 k(mr)

2017

0,01

0,04

0,04

0,4

art. 14

2017

0,00

0,21

0,23

2,3

art. 14

32

hpr + k(da)

33

bu

34

hp* + da + k(mr) hpr* + da + k(mr) + k(mr°)

2013 hpr* + da + ah

2017

0,08

0,66

0,89

2,7

art. 14

107

bu

2013 hpr + da + k(mr)

2017

0,00

0,18

0,06

0,6

art. 14

2017

0,04

0,56

0,41

1,3

art. 14

hpr + da + k(mr)

108

hpr* + da

hpr + da

hpr* + da + ah + 2013 k(mr)

109

bu

da + ah + k(mr)

2013 da + ah + k(mr)

2017

0,00

0,19

0,13

0,3

art. 14

2017

0,00

0,13

0,03

0,7

art. 14

2017

0,00

0,40

0,21

0,5

art. 14

2017

0,00

0,05

0,10

0,4

art. 14

2017

0,01

0,09

0,17

0,7

art. 14

2017

0,00

0,05

0,09

0,5

art. 14

2017

0,02

0,12

0,08

1,7

art. 14

2017

0,00

0,00

0,01

2,6

art. 14

2017

0,13

0,38

0,56

2,6

art. 14

0

110

bu

hpr* + da°

hpr* + k(ah) + 2013 k(da) + k(mr)

111

bu

da + k(ah) +k(mr)

2013 da + mr + ah

112

bu

113

hpr + k(da°)

114

hpr + k(da)

115

hpr* + kn + k(da)

hpr* + mc° + da + k(mr) hpr + hpr* + da + ah + k(mr) hpr + da + ah + k(mr) hpr* + da + ah + k(mr)

116

bu

hp* + k(mr)

2013

118

hpr*+ da + kn

hpr*+ da + k(mr) + kn

2013

119

bu

hp

2015 hp* + k(mr)

2017 0,00

0,00

0,00

2,4

art. 14

120

bu

hp

2015 hp + k(mr)

2018

0,00

0,00

0,00

1,3

art. 14

121

bu

hx

2015 hp*

2018

0,00

0,00

0,00

1,5

art. 14

122

bu

hp

2015 hp* + hpr*

2017

0,00

0,00

0,00

2,3

art. 14

9

hpr + k(mr)

hpr* + k(mr) + k(da0)

2019 -

-

0,00

0,10

-

1,7

art. 14

10

hpr* + k(mr) + aer

hpr* + aer + k(da0)

2019 -

-

0,00

0,02

-

1,3

art. 14

0

2013 2013 2013 2013

hpr* + da + k(mr) + k(ah) hpr* + da + ah + k(mr) hpr* + da + ah + k(mr) hpr* + da + ah + k(mr) hpr* + k(da) + k(mr) hpr* + da + ah + k(mr)

11

bu + k(mr)

hpr* + k(da )

2019 -

-

0,00

0,19

-

2,0

art. 14

12

bu

hp + hp* + k(mr)

2019 -

-

0,00

0,22

-

2,3

art. 14

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 42 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Zilte vegetatie (da) In Tabel 5 wordt de habitattypering en de oppervlakte aan zilte vegetatie voor alle als hpr* + da ingerichte percelen voor volgende 3 periodes getoond: vóór aanvang van de inrichting (T0), na de eerste vegetatieopname (T1) en na de tweede vegetatieopname (T2). Op basis hiervan kan worden nagegaan op welke percelen de zilte vegetatie zich heeft weten uitbreiden en op welke percelen de zilte vegetatie werd teruggedrongen. De huidige oppervlaktebedekking met zilte vegetatie wordt getoond op de vegetatiekaarten (zie Figuur 18, Figuur 19 en Figuur 20). Daarin worden zones met zilte vegetatie in rood aangeduid. Dit is een digitale weergave van de situatie zoals die in het veld werd ingetekend op veldkaarten. Op basis van deze kaarten was het mogelijk om per perceel de oppervlakte aan zilte vegetatie te bepalen. In recente jaren werden een aantal nieuwe percelen als hpr*+da ingericht. Deze percelen bevinden zich in Z1 Klemskerke – Vlissegem (perceel X en perceel XX), Z3 Vijfwege (perceel XXXX), Z4 Pompje (percelen 89, 90 en XXX) en in Z10bis in de Uitkerkse Polder (percelen 9, 10, 11 en 12). Enkel op de percelen 89 en 90 in Z4 Pompje en op de percelen 9, 10, 11 en 12 in Z10bis in de Uitkerkse Polder was de vegetatie voldoende ontwikkeld om een eerste vegetatieopname uit te voeren en om de bedekking aan zilte vegetatie te bepalen. Indien ook deze oppervlaktes in rekening worden gebracht, bedraagt de totale oppervlakte aan percelen die als zilt grasland werden ingericht 152 ha met een bedekking aan zilte vegetatie van 9,6 ha, ofwel een bedekkingspercentage van 6,3%. Hoe de zilte vegetatie zich heeft ontwikkeld in de tijd, wordt weergegeven in Tabel 6. Hiertoe werden enkel de percelen die tweemaal werden onderzocht in rekening gebracht, dus de zes percelen (waarvan in vorige paragraaf sprake) die recent werden ingericht en die al werden onderzocht, worden hier buiten beschouwing gelaten. In Z8 Dudzeelse Polder wordt de grootste oppervlakte winst aan zilte vegetatie geboekt, in Z1 Klemskerke – Vlissegem ligt die winst het laagste (Tabel 6). De totale bedekking aan zilte vegetatie na de tweede vegetatieopname bedraagt 8,8 hectare. Na de eerste vegetatieopname werd op diezelfde percelen een bedekking aan zilte vegetatie van 10,6 ha gemeten. Dit is een afname van 17%. Die afname is er in elk van de Zoekzones: een afname van -31% in Z1 Klemskerke – Vlissegem, een afname van -22% in Z4 Pompje en een afname van -11% in Z8 Dudzeelse Polder. Met een netto winst aan zilte vegetatie (dit is het percentage zilte vegetatie dat er na de inrichtingswerken is bijgekomen) van 7,9% in Z8 Dudzeelse Polder, wordt de doelstelling van 7% in Z8 nog steeds gehaald (was 9% na de eerste vegetatieopname). Deze doelstelling werd voor Z1 Klemskerke –Vlissegem en Z4 Pompje nooit gehaald en ligt met respectievelijk 3,2% en 4,1% ver onder de doelstelling van 7%. De doelstelling van 7% bedekking met zilte planten werd na de eerste vegetatieopname voor alle percelen samen nog gehaald (net 7%), maar wordt na de tweede vegetatieopname niet meer gehaald (5,7%). Dit heeft voornamelijk te maken met het verdwijnen van zilte pioniersvegetatie als een gevolg van vergrassing en verrieting in bepaalde depressies. Hoe de diversiteit van de zilte plantensoorten evolueert op de verschillende percelen binnen de verschillende Zoekzones, wordt getoond in Figuur 16, aan de hand van het verschil van de Shannon index die werd berekend op basis van twee gebiedsdekkende (Tansley) vegetatieopnames. De diversiteit aan zilte plantensoorten is in elk van de Zoekzones toegenomen. De grootste diversiteitswinst werd geboekt in Z4 Pompje, de laagste diversiteitswinst werd in Z1 Klemskerke – Vlissegem geboekt.

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 43 van 144


Enerzijds ziet men dus een afname van de bedekking aan zilte plantensoorten en anderzijds neemt de diversiteit aan zilte plantensoorten toe. Dit is een gevolg van een gunstige situatie die wordt gecreëerd voor zilte pioniersvegetatie net na de inrichting. Op dat moment is er weinig concurrentie op de kale bodem van recente afgegraven laantjes, plassen en depressies en kunnen pionierssoorten op korte tijd grote oppervlaktes innemen. In de daarop volgende jaren neemt de diversiteit aan plantesoorten toe. Dit leidt tot een toenemende concurrentie tussen de verschillende plantensoorten, tot een evenwichtsituatie wordt bereikt. Zilte plantensoorten worden dan teruggedrongen tot de meest zilte plekken waar de abiotische omstandigheden voor niet-zilte plantensoorten ongustig zijn. Globaal gezien zijn de zones met zilte vegetatie op de ingerichte percelen dus in omvang afgenomen, maar is de diversiteit ervan (en dus de kwaliteit) toegenomen. In Oosterlynck et al. (2020) worden een aantal biotische vereisten geformuleerd waaraan de Europees beschermde habitattypen van de Habitatrichtlijn in Vlaanderen moet voldoen om te kunnen spreken van een gunstige lokale staat van instandhouding (LSVI). Hierin worden ook Biotische vereisten of indicatoren geformuleerd voor habitattype 1330_hpr (zilte binnendijkse graslanden). Figuur 17 geeft het verschil weer van de distance-to-target voor de LSVI tussen de twee vegetatie opnames op de als hpr* da ingerichte percelen voor de verschillende Zoekzones. Een gunstige staat van instandhouding werd voor twee percelen in Z8 gehaald na een eerste vegetatieopname en werd voor één perceel in Z8 gehaald na een tweede vegetatie opname. Habitat type 1330_hpr is een zeer waardevol en zeldzaam habitat. Het halen van de lsvi–doelstelling voor doelhabitat 1330_hpr is en zeer ambitieuze doelstelling en het behalen ervan is in geen geval een doelstelling van de Beheercommissie Achterhaven. Het is echter wel interessant om te zien hoe de distance-to-target van de LSVI zich verhoudt tussen de twee momenten van vegetatie opnames. De ingerichte percelen van Z1 en Z4 evolueren minder gunstig, wat niet verwonderlijk is gezien de minder gunstige abiotische omstandigheden aldaar (zie hoofdstuk Hydrologie). In Z8, waar veel gunstiger abiotische omstandigheden aanwezig zijn, zijn er ook een aantal percelen die ongunstig evolueren, maar dat wordt gecompenseerd door andere percelen die positief evolueren. Bijlage 2 toont het verloop van 5 indicatoren waarop de lsvi voor 1330_hpr werd berekend. Deze vijf indicatoren kunnen in drie groepen worden verdeeld: Structuur (bedekking van één soort), vegetatie (bedekking van sleutelsoorten en het aantal sleutelsoorten) en verstoring (verstoorde overgang naar rbbzil en verstoring door rietontwikkeling). Hieruit blijkt dat de bedekking aan zilte sleutelsoorten de grootste oorzaak is dat veel percelen de lsvi-norm niet halen. Wat de structuur/verhouding van de zilte planten betreft, worden enkel positieve waarden opgetekend. Verstoring door rietontwikkeling is voor bijna alle percelen geen belemmering, al is de negatieve tendens voor Z8 opvallend en het lijkt dat indien het riet zich in de toekomst kan blijven uitbreiden het een sterk belemmerde factor kan worden voor de ontwikkeling/handhaving van de kwaliteit van de zilte vegetatie. Voor ongeveer de helft van de percelen werd een verstoord evenwicht tussen zilte vegetatie en zilverschoongrasland opgetekend, met een tendens in Z8 van meer negatieve waarden. Wat het aantal sleutelsoorten betreft, werden meer positieve waarden opgetekend en is er een duidelijke positieve tendens voor veel percelen in Z8.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 44 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Tabel 6.

Oppervlaktes zilte vegetatie op de percelen in Zoekzones Z1, Z4 en Z8 die als zilt grasland werden ingericht voor T0, T1 en T2. Ook de netto winst aan zilte bedekking voor de twee periodes van vegetatieopnames wordt getoond en het % verschil voor beide periodes. Voor deze berekening werden de percelen die in recente jaren werden ingericht en waarvan nog geen 2 vegetatieopnames konden worden gemaakt, niet in rekening gebracht. T0 = situatie vóór inrichting, T1 = situatie na eerste vegetatieopname, T2= situatie na tweede vegetatieopname.

opp (ha) opp zilt T0 (ha) opp zilt T1 (ha) opp zilt T2 (ha) % netto winst aan opp zilt T1 % netto winst aan opp zilt T2 % afname opp tussen T1 en T2

Foto 3.

Zoekzone 1 Klemskerke Vlissegem 30,3 0,1 1,6 1,1 4,9 3,2 -31

Zoekzone 4 Pompje 42,7 0,7 3,2 2,5 5,7 4,1 -22

Zoekzone 8 Dudzeelse Polder 61,4 0,3 5,8 5,2 9,0 7,9 -11

Totaal 134,4 1,2 10,6 8,8 7,0 5,7 -17

Perceel 116 in Z8 Dudzeelse Polder (augustus 2018).

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 45 van 144


Foto 4.

Kortarige Zeekraal op perceel 008 in Z8 Dudzeelse Polder (september 2018)

Foto 5.

Pq-proefvlak voor vegetatie opname op perceel 025 in Z8 Dudzeelse Polder (september 2018).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 46 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Foto 6.

Perceel 034 in Z8 Dudzeelse Polder (augustus 2018).

Foto 7.

Perceel 109 in Z8 Dudzeelse Polder (september 2018)

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 47 van 144


Figuur 16.

Verschil in soortenrijkdom voor de zilte sleutelsoorten op basis van Tansley-opnames tussen een eerste en een tweede vegetatieopname in Z1 Klemskerke – Vlissegem, Z4 Pompje en Z8 Dudzeelse Polder.

Figuur 17. Verschil in de distance-to-target voor de lsvi-doelen voor habitat type 1330_hpr (binnendijkse zilte graslanden) voor een eerste en een tweede ronde vegetatie opname voor de verschillende ingerichte percelen van Zoekzones Z1 Klemskerke-Vlissegem, Z4 Pompje en Z8 Dudzeelse Polder.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 48 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 18.

Vegetatiekaart van de tot 2020 als hpr*+da ingerichte percelen (de ingekleurde vlakken) in Zoekzone Z1 Klemskerke – Vlissegem (boven) en Zoekzone Z10bis in de Uitkerkse Polder (onder).

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 49 van 144


Figuur 19.

Vegetatiekaart van de tot 2020 als hpr*+da ingerichte percelen (de ingekleurde vlakken) in Zoekzone Z4 Pompje.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 50 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 20.

Vegetatiekaart van de tot 2020 als hpr*+da ingerichte percelen (de ingekleurde vlakken) in Zoekzone Z8 Dudzeelse Polder.

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 51 van 144


7.1.2 Broedvogels

Als indicatoren voor de kwaliteit van de ingerichte zilte graslanden werden volgende soorten geselecteerd: Bergeend, Zomertaling, Slobeend, Kuifeend, Scholekster, Steltkluut, Kluut, Kievit, Grutto, Tureluur en Visdief. De aantallen voor de verschillende onderzoeksjaren op de als hpr* + da ingerichte percelen wordt getoond in Tabel 7. Het verloop van de densiteiten op de als hpr* + da ingerichte percelen van deze soorten over de verschillende onderzoeksjaren wordt getoond in Figuur 21. In Tabel 7 wordt ook de groeifactor voor deze soorten getoond, uitgedrukt als een procentuele, jaarlijkse toe- of afname. Er werden tussen 2006 en 2020 significante toenames opgetekend voor Bergeend, Zomertaling, Slobeend, Kuifeend, Steltkluut, Kluut, Tureluur en Visdief. Visdief (+71%) en Steltkluut (+55%) kenden de grootste jaarlijkse toename. Ook voor Zomertaling (+20%), Kuifeed (+20%) en Kluut (+13%) ligt de jaarlijkse procentuele toename hoog. Deze toename is voor al deze soorten merkbaar op zowel de percelen in uitvoering van art. 14 als op de percelen in uitvoering van art. 36ter (Figuur 21). Op de opgewaardeerde percelen in uitvoering van art. 14 is er een duidelijke toename voor Kuifeend en een duidelijke afname voor Turleluur, voor de overige soorten liggen de densiteiten dermate laag dat er nauwelijk sprake is van een toe- of afname. De densiteiten op de percelen in uitvoering van art. 36ter liggen beduidend hoger dan deze in uitvoering van art. 14, behalve voor Steltkluut en Visdief. Op de opgewaardeerde percelen in uitvoering van art. 14 worden voor de meeste soorten de laagste densiteiten behaald. In Figuur 21 worden in stippellijn referentiewaarden van een vergelijkbaar habitattype uit Nederland getoond (Sierdsema 1995). Deze waarden worden voor de jaren na inrichting voor de meeste soorten gehaald of overschreden op de percelen in uitvoering van art. 36ter, behalve voor Visdief. Ook op de percelen in uitvoering van art. 14 worden de referentiewaarden voor de jaren na inrichting voor de meeste soorten (in de meeste jaren) gehaald, behalve voor Kuifeend, Tureluur en Visdief. Op de opgewaardeerde percelen in uitvoering van art. 14 worden de referentiewaarden voor opeenvolgende jaren na inrichting enkel voor Bergeend gehaald. Er werd tussen 2006 en 2020 een significante jaarlijkse afname opgetekend voor Scholekster met -3% op de als hpr* + da ingerichte percelen. Op de percelen in uitvoering van art. 36ter is er een toename, maar op de percelen in uitvoering van art. 14 is er een sterkere afname (Figuur 21). Op de opgewaardeerde percelen in uitvoering van art. 14 is geen duidelijke trend merkbaar. Voor Kievit en Grutto is de groeifactor niet significant. Kievit kent een jaarlijkse nietsignificante afname van -2%, met een duidelijke afname op percelen in uitvoering van art. 36ter en een toename op percelen in uitvoering van art. 14 (Figuur 21). De referentiewaarden uit Nerderland werden in recente jaren niet meer gehaald. Grutto kent een jaarlijkse nietsignificante toename van +2% als gevolg van een duidelijke toename op percelen in uitvoering van art. 36ter. De referentiewaarden uit Nederland werden de afgelopen 10 jaar op percelen in uitvoering van art. 36ter 3 maal gehaald. Op percelen in uitvoering van art. 14 liggen de waarden ver onder de referentiewaarden. Op de opgewaardeerde percelen in uitvoering van art. 14 komen beide soorten slechts sporadisch voor.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 52 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Foto 8.

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

groeifactor (% per jaar)

Bergeend Zomertaling Slobeend Kuifeend Scholekster Steltkluut Kluut Kievit Grutto Tureluur Visdief

2007

Aantal territoria van 2006 tot 2020 op de als hpr* + da ingerichte en opgewaardeerde percelen. Ook de groeifactor (als procentuele jaarlijkse toename) wordt getoond: donkergroen = toename >5%, lichtgroen = toename <5%, oranje = afname < 5% en NS = niet significante toe- of afname.

2006

Tabel 7.

20 0 3 1 14 0 5 19 28 0

18 0 2 1 16 0 3 17 21 0

23 0 9 0 12 0 10 21 29 0

31 0 12 0 14 0 20 14 25 0

32 0 16 0 19 0 22 18 28 0

36 0 16 0 11 0 51 36 27 43 0

32 5 20 5 12 0 58 30 27 51 0

39 2 18 7 13 0 40 36 26 47 0

55 2 20 11 14 0 45 45 30 47 1

48 1 26 9 17 2 51 45 29 47 1

47 2 19 10 10 1 70 29 26 36 1

42 1 19 9 12 1 49 42 25 36 0

46 5 26 10 10 5 61 30 23 32 4

51 3 22 12 9 7 52 35 21 35 12

43 3 11 8 8 3 75 26 20 33 6

6% 20% 8% 20% -3% 55% 13% NS NS 2% 71%

Steltkluut op 18 juni 2019 in het Pompje.

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 53 van 144


70

9

Bergeend - hpr* + da

40

Zomertaling - hpr* + da

8

60

40 30 20

Dichtheid (aantal/100 ha)

Dichtheid (aantal/100 ha)

Dichtheid (aantal/100 ha)

7 50

6 5 4 3 2

10

2008

2010

2012

2014

2016

2018

16

Kuifeend - hpr* + da Dichtheid (aantal/100 ha)

Dichtheid (aantal/100 ha)

6

4

2

90

15 10

2008

2010

2012

2014

2016

2018

0 2006

2020

art. 14

art. 14_opwaardering

art. 36ter

referentie

7

Scholekster - hpr* + da

14

8

100

20

5

0 2006

2020

10

0 2006

25

1

art. 14 art. 14_opwaardering art. 36ter

12

30

12 10 8 6 4

2010

2012

2014

2016

2018

0 2006

2020

art. 14

art. 14_opwaardering

art. 36ter

referentie

70

Kluut - hpr* + da

2010

2012

2014

2016

2018

2020

art. 14

art. 14_opwaardering

art. 36ter

referentie

Steltkluut - hpr* + da

5 4 3 2 1

2

2008

2008

6 Dichtheid (aantal/100 ha)

0 2006

Slobeend - hpr* + da

35

2008

2010

2012

2014

2016

2018

0 2006

2020

art. 14

art. 14_opwaardering

art. 36ter

referentie

70

Kievit - hpr* + da

60

2008

2010

2012

2014

2016

2018

2020

art. 14

art. 14_opwaardering

art. 36ter

referentie

Grutto - hpr* + da

60

70 60 50 40 30

Dichtheid (aantal/100 ha)

Dichtheid (aantal/100 ha)

Dichtheid (aantal/100 ha)

80 50 40 30 20

50 40 30 20

20 10

10 0 2006

40

2008

2010

2012

2014

2016

2018

0 2006

2020

2010

2012

2014

2016

2018

2020

0 2006

2008

2010

2012

2014

2016

2018

2020

art. 14_opwaardering

art. 14

art. 14_opwaardering

art. 14

art. 14_opwaardering

art. 36ter

referentie

art. 36ter

referentie

art. 36ter

referentie

18

Tureluur - hpr* + da

Visdief - hpr* + da

16 14

30

Dichtheid (aantal/100 ha)

Dichtheid (aantal/100 ha)

2008

art. 14

35

25 20 15 10

12 10 8 6 4

5 0 2006

10

2

2008

2010

2012

2014

2016

2018

2020

0 2006

2008

2010

2012

2014

2016

2018

2020

art. 14

art. 14_opwaardering

art. 14

art. 14_opwaardering

art. 36ter

referentie

art. 36ter

referentie

Figuur 21.

Dichtheden (dunne lijn) en trendlijn (dikke lijn) van indicatieve soorten voor doelhabitat hpr* + da op de als hpr* + da ingerichte en opgewaardeerde percelen. Groen = waarden voor percelen in uitvoering van art. 14. Rood = waarden voor percelen in uitvoering van art. 36ter. Grijs = waarden voor opgewaardeerde percelen in uitvoering van art. 14. In stippellijn worden referentiewaarden getoond (indien beschikbaar) van een vergelijkbaar habitattype in Nederland (Sierdsema 1995).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 54 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


7.2 MONITORING VAN DE ALS HPR* INGERICHTE PERCELEN VAN DE COMPANSATIEMATRIX 7.2.1 Vegetatie In de volgende Zoekzones werden percelen als hpr* ingericht (zie Figuur 2 en Figuur 3): Zoekzone Z1 Klemskerke – Vlissegem (3 percelen met een totale oppervlakte van 6 ha.), Zoekzone Z3 Vijfwege (2 percelen met een totale oppervlakte van 2 ha), Zoekzone Z4 Pompje (2 percelen met een totale oppervlakte van 4 ha), Zoekzone Z7 Kwetshaeghe (8 percelen met een totale oppervlakte van 12 ha) en Zoekzone Z10bis (31 percelen met een totale oppervlakte van 76 ha, verdeeld over de gebieden Damme, Lage Moeren, Sint-Donaas, Ter Doest en Uitkerke). De meeste percelen werden in recentere jaren ingericht en werden éénmaal onderzocht. Enkele percelen in Z1 Klemskerke – Vlissegem en Z4 Pompje werden reeds langere tijd geleden ingericht en konden tweemaal worden onderzocht. In Tabel 7 wordt de habitattypering voor alle als hpr* ingerichte percelen getoond vóór aanvang van de inrichting (T0), na de eerste vegetatieopname en (voor enkele percelen) na de tweede vegetatieopname. Aldus is het mogelijk om op perceelsniveau na te gaan hoe het grasland (van soortenrijk naar soortenarm: hpr*, hp*, hpr, hp, hx) zich ontwikkelt over de verschillende periodes van onderzoek. De T0 situatie voor de verschillende percelen bestond voor 70% uit akkerland en voor 30% uit soortenarm grasland (Figuur 22). Intussen bestaan de percelen uit 20% soortenrijk grasland (waarvan 12% uit doelhabitat hpr*) en uit 75% soortenarm grasland (waarvan 26% reliëfrijk). De overige 5% moest op het moment van de vegetatieopname nog worden omgezet van akkerland naar grasland.

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 55 van 144


Z1/Z3/Z4/Z7/Z10bis

100% 80%

akker 60%

hx hp

40%

hpr

hp* 20%

hpr*

0% grasland T0 Figuur 22.

grasland T1

Oppervlakte-verhouding van BWK-typeringen voor de als hpr* ingerichte percelen voor de situatie voorafgaand aan de inrichting (grasland T0) en na de eerste vegetatieopname (grasland T1). De legende gaat van meest soortenrijk (hpr*) naar minst soortenrijk (akker). Hpr* = soortenrijk en reliëfrijk grasland, hp* = soortenrijk grasland, hpr = soortenarm reliëfrijk grasland, hp = soortenarm permanent cultuurgrasland, hx = zeer soortenarm ingezaaid grasland (vaak tijdelijk).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 56 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Vijfwege

Z4

Pompje

Z7

Kwetshaege

Damme

Lage Moeren

Z10bis Sint-Donaas

Ter Doest

Uitkerkse Polder

www.vlaanderen.be/inbo

hpr + k(mr) hp + k(mr) + kn

hp + hr + kjbu bu + k(mr) hx + hr + k(mr0) hp + k(mr) bl bl

hp* + mru hp bl + bu hp hp + k(mr) hx hx

bl bu

hp + k(mr0) hx

hcbu hpr + hpr* hx bu hp hp hp hx bu bu hp bs + hx bs + hx bu + hx bu bu bu hx bu + hx + k(mr) hp + k(hp*) bu hx + k(mr-)

hpr* hp + k(mr) hp hpr* hpr* hpr* hp* hx bu hp* hpr hpr* hp hp hp hp hx hpr hp* bu hp + k(mr0)

2 3

hx + k(mr-) hx + k(mr-)

hp + k(mr0) hp + k(mr0)

4 5 1 2 3 4 5 6 7 8

hp + k(mr) hx + mr + k(mr-) bu bu bu bu bu bu + hpr hpr + kn bu

hp + k(mr0) hp + mr + k(mr0) hpr/hx hpr/hx bu bu hp* + k(mr) hpr* hpr* hpr/hx

hp + k(mr)

Jaar opname 1

perceelnummer

bu hx bu

2013 2013 2016 2019 2019 2013 2013 2018 2018 2018 2018 2018 2019 2019 2019 2019 2019 2019 2019 2019 2019 2019 2018 2019 2019 2018 2018 2018 2018 2018 2019 2019 2018

Habitattypering o.b.v. opname 2

hpr + k(mr) hp* + k(mr) + kn hp(r)* + mc + k(mr)

bl + bu hp -

2018 2019 2018 2018 2018 2018 2018 2018 2018 2018 2018 2018 -

doi.org/10.21436/inbor.34217966

in uitvoering van

Z3

38 127 128 1 2 47 66 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 3 4 5 6 7 XXXXX 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 1 1

Habitattypering o.b.v. opname 1

opp (ha)

Klemskerke Vlissegem

T0 habitat typering

Jaar opname 2

Z1

Overzicht van alle als hpr* ingerichte percelen tot 2020 per Zoekzone. Per perceel wordt de T0 habitattypering weergegeven (De Saeger et al. 2010 en Desaeger et al. 2018), dit is de situatie vóór aanvang van de inrichting. Vervolgens wordt de habitattypering op basis van een eerste en (voor enkele percelen) een tweede gebiedsdekkende vegetatieopname getoond.

gebied

Zoekzone

Tabel 8.

2018 2018 2018 2018 2018 -

3,3 1,0 2,0 0,4 1,5 0,8 3,5 0,5 5,0 1,7 1,5 1,2 0,7 0,9 0,5 1,3 0,7 0,7 0,6 2,9 2,8 1,2 1,7 0,7 6,8 4,0 1,9 6,2 2,8 3,0 4,5 1,9 1,6 0,3 1,0

art. 36ter art. 14 art. 36ter art. 14 art. 14 art. 36ter art. 36ter art. 14 art. 14 art. 14 art. 14 art. 14 art. 14 art. 14 art. 14 art. 14 art. 36ter art. 36ter art. 36ter art. 36ter art. 14 art. 14 art. 14 art. 14 art. 14 art. 14 art. 14 art. 14 art. 14 art. 14 art. 14 art. 14 art. 14 art. 36ter art. 14

-

1,1 2,9

art. 14 art. 14

-

0,4 art. 14 1,5 art. 14 3,4 art. 14 7,2 art. 14 1,4 art. 14 1,2 art. 14 2,0 art. 14 4,3 art. 36ter 1,9 art. 36ter 3,9 art. 14

Pagina 57 van 144


7.2.2 Broedvogels

Als indicatoren voor soortenrijk grasland werden volgende soorten geselecteerd: Bergeend, Zomertaling, Slobeend, Kuifeend, Patrijs, Kwartel, Scholekster, Steltkluut, Kluut, Kievit, Grutto, Tureluur, Visdief, Veldleeuwerik, Graspieper, Blauwborst en Roodborsttapuit. Territoria van een aantal van deze soorten werden intussen vastgesteld op de als hpr* ingerichte percelen. Door het ontbreken van puntgegevens vóór 2015 op een aanzienlijk deel van de compensatiepercelen (voornamelijk in Uitkerke), worden enkel data vanaf 2015 in rekening gebracht. Bovendien werden in recentere jaren percelen als hpr* ingericht buiten de jaarlijkse monitoringsgebieden. Dat is het geval voor de ingerichte percelen in Weiden Damse Vaart West (3 percelen), Hoekevaartweiden Oost (11 percelen) en Lage Moeren Meetkerke (10 percelen). Territoriumstippen op ingerichte percelen binnen deze telgebieden worden in onderstaande tabel en figuur niet in rekening gebracht, dus enkel de territoria op als hpr* ingerichte percelen binnen jaarlijks geteldelde telgebieden worden getoond zodat een vergelijking van het aantalsverloop tussen opeenvolgende jaren mogelijk is. In Tabel 9 wordt een overzicht gegeven van de aantallen sinds 2015 op de jaarlijks getelde als hpr* ingerichte percelen en wordt ook de groeifactor voor deze soorten getoond, uitgedrukt als een procentuele jaarlijkse toe- of afname. Alle indicatorsoorten komen in dermate lage aantallen voor, dat de groeifactor voor de meeste soorten niet-significant is.

2017

2018

2019

2020

groeifactor (% per jaar)

Bergeend Patrijs Kwartel Scholekster Kievit Grutto Tureluur Veldleeuwerik Graspieper Blauwborst Roodborsttapuit

2016

Aantal territoria van 2015 tot 2018 op de als hpr* ingerichte percelen. Ook de groeifactor (als procentuele jaarlijkse toename) wordt getoond: donkergroen = toename >5%, rood = afname > 5% en NS = niet significante toe- of afname.

2015

Tabel 9.

4 1 0 4 12 2 0 4 0 8 5

0 1 0 0 6 2 0 7 2 3 3

0 3 1 0 6 2 0 9 1 4 1

2 3 0 4 10 10 3 9 3 6 0

1 0 0 1 4 2 1 12 3 1 1

0 2 1 0 2 1 0 13 3 5 2

NS NS NS NS -21% NS NS 22% NS NS NS

Veldleeuwerik kent een significante jaarlijkse toename van +22% (Tabel 9) en haalt sinds 2016 de referentiewaarden uit Nederland (Figuur 23). Kievit kent een significante afname van -21% en heeft sinds 2015 de referentiewaarden van Nederalnd nooit gehaald.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 58 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Voor de overige soorten gelden niet-significante waarden voor de groeifactor. Een positieve niet-significante groei werd opgetekend voor Patrijs, Kwartel, Grutto, Tureluur en Graspieper. Patrijs, Kwartel en Graspieper haalden sinds 2015 de referentiewaarden uit Nederland minstens één keer, Grutto en Tureluur niet (Figuur 23). Een negatieve niet-significante groei werd opgetekend voor Bergeend, Scholekster, Blauwborst en Roodborsttapuit. Bergeend, Blauwborst en Scholekster haalden de referentiewaarden uit Nerdeland sinds 2015 minstens één keer (Figuur 23). Van de indicatieve soorten voor hpr* werden er 6 soorten nog niet vastgesteld: Zomertaling, Slobeend, Kuifeend, Steltkluut, Kluut en Visdief.

Foto 9.

Grutto op 10 mei 2019 in het Pompje.

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 59 van 144


7

6

Bergeend

Kwartel

5 4 3 2

Dichtheid (aantal/100ha)

5 Dichtheid (aantal/100ha)

Dichtheid (aantal/100ha)

6

2

Patrijs

4

3

2

1,5

1

0,5 1

1 0 2015

2016

2017

2018

art 36ter + art 14 9

2019

0 2015

2020

referentie

2016

2017

2018

art 36ter + art 14 70

Scholekster

8

2019

0 2015

2020

referentie

2016

2017

2018

art 36ter + art 14 70

Kievit

60

60

50

50

2019

2020

referentie

Grutto

6 5 4 3

Dichtheid (aantal/100ha)

Dichtheid (aantal/100ha)

Dichtheid (aantal/100ha)

7

40 30 20

40 30 20

2 10

1 0 2015

2016

2017

2018

art 36ter + art 14 18

2019

0 2015

2020

referentie

10

2016

2017

2018

art 36ter + art 14 25

Tureluur

2019

0 2015

2020

referentie 9

Veldleeuwerik

20

2019

2020

referentie

Graspieper

10 8 6

7 Dichtheid (aantal/100ha)

Dichtheid (aantal/100ha)

Dichtheid (aantal/100ha)

12

15

10

4

6 5 4 3 2

5

2

1

2016

2017

2018

art 36ter + art 14 14

2019

0 2015

2020

referentie

2016

2017

2018

art 36ter + art 14 8

Blauwborst

2019

2020

referentie

0 2015

2016

2017

art 36ter + art 14

2018

2019

2020

referentie

Roodborsttapuit

7

12 10

Dichtheid (aantal/100ha)

Dichtheid (aantal/100ha)

2018

8

14

8 6 4

6 5 4 3 2

2 0 2015

2017

art 36ter + art 14

16

0 2015

2016

1

2016

2017

art 36ter + art 14

Figuur 23.

2018

2019 referentie

2020

0 2015

2016

2017

2018

2019

2020

art 36ter + art 14

Dichtheden (dunne lijn) en trendlijn (dikke lijn) van indicatieve soorten voor doelhabitat hpr* op de als hpr* ingerichte percelen. In stippellijn worden referentiewaarden getoond (indien beschikbaar) van een vergelijkbaar habitattype in Nederland (Sierdsema 1995).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 60 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


7.3 MONITORING VAN DE ALS MR INGERICHTE PERCELEN VAN DE COMPANSATIEMATRIX 7.3.1 Vegetatie In volgende Zoekzones werden percelen als rietland (mr) ingericht (zie Figuur 2 en Figuur 3): Zoekzone Z10bis Eendenkooi van Wenduine (3 percelen met een totale oppervlakte van 11 ha) en Z4 Pompje (9 percelen met een totale oppervlakte van 9 ha). In Z4 Pompje werd een oppervlakte van 2,4 ha bestaand rietland d.m.v. een waterpeilverhoging opgewaardeerd. In Tabel 11 wordt de habitattypering voor alle als mr ingerichte percelen getoond vóór aanvang van de inrichting (T0), na de eerste vegetatieopname en na de tweede vegetatieopname. Ook wordt de oppervlakte aan mr weergegeven voor 2013, 2016 en 2019. Aldus is het mogelijk om op perceelsniveau na te gaan hoe het rietland zich ontwikkelt over de verschillende periodes van onderzoek. De oppervlaktes en percentages aan riet voor elke Zoekzone, wordt samengevat in Tabel 10. Voor de percelen in Zoekzone 4 Pompje zien we de oppervlakte aan mr tussen 2013 (1,3 ha) en 2016 (2,9 ha) meer dan verdubbelen, drie jaar later (in 2019) is deze oppervlakte verzesvoudigd (7,6 ha). De oppervlakte bedekking aan mr binnen de ingerichte percelen nam toe van 14% in 2013, naar 32% in 2016 en naar 82% in 2019. De ontwikkeling van mr in Zoekzone Z10bis Eendenkooi Wenduine verloopt veel moeizamer. Tijdens een eerste vegetatieopname in 2016 werd een inschatting van de oppervlakte mr gemaakt op basis van luchtfoto’s en werd een oppervlakte van 2,3 ha mr bekomen. In 2019 werd toegang verleend om het gebied te betreden en kon meer in detail een opname van het aanwezige mr op kaart ingetekend worden en werd een oppervlakte van 0,8 ha mr bekomen. Op perceel 1 heeft het riet zich tussen 2016 en 2019 weten uit te breiden, maar op perceel 3 werd in 2019 opmerkelijk minder oppervlakte aan riet ingetekend. Mogelijk werd op basis van luchtbeelden in 2016 een te groot oppervlak als riet aanzien. Dat geldt in het bijzonder voor twee eilandjes die toen als mr werden ingekleurd. In 2019 waren deze eilandjes gemaaid en was van mr in ieder geval geen sprake. Ook de rietkragen rond de plassen werden in 2016 iets breder ingeschat. De oppervlakte aan mr voor de drie percelen samen bedroeg in 2016 21% van de totale oppervlakte, in 2019 ging het om 7%.

Tabel 10.

Oppervlakte en percentage riet (mr) op de als mr ingerichte percelen van Zoekzones Z4 Pompje en Z10bis Eendenkooi Wenduine voor 2013, 2016 en 2019.

opp ingerichte percelen opp mr 2013 (ha) opp mr 2016 (ha) opp mr 2019 (ha) % mr 2013 % mr 2016 % mr 2019

www.vlaanderen.be/inbo

Z4 9,3 1,3 2,9 7,6 14 32 82

Z10bis 11,2 2,3 0,8 21 7

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 61 van 144


EKWD

2019

2016

2013

opp

T2 habitat typering

Jaar T2

T1 habitat typering

Jaar T1

T0 habitat typering

70 hpr + da

hpr* + da + k(mr)

2013 mr + mz + hr + ah

72 hpr + da

hpr* + da + k(mr)

2013

73 hpr

hpr + hr + k(mr)

2013 Ah + mr + hr

2019 0,06 0,09 0,26 art. 36ter 0,6

77 hpr + da

hpr* + da

2013 mr + mz + hr

2019 0,04 0,29 0,30 art. 36ter 0,35

78 hpr + k(da)

mz

2013 Mr + mz

2019 0,00 0,17 0,33 art. 36ter 0,33

79 hpr + hpr*

hpr* + da + mr

2013 + k(mz) + da°

85 hpr + hpr* + k(da0)

hpr* + da + k(mr)

2013

80a hpr* + hpr + k(da)

hpr* + da + mr

2013 mz + da°

80b hpr + k(da)

hpr* + da + mr

2013 da°

ae + ku* + khgml + mr ae + ku* + khgml + 2 mr ae + ku* + khgml + 3 mr 1

Z10bis

opp. Rietland (mr)

type compensatie

Overzicht van alle als mr ingerichte percelen per Zoekzone. Per perceel wordt de T0 habitattypering weergegeven (De Saeger et al. 2010 en Desaeger et al. 2018), dit is de situatie vóór aanvang van de inrichting. Vervolgens wordt de habitattypering op basis van een eerste en (Z4 Pompje) een tweede gebiedsdekkende vegetatieopname getoond. De oppervlakte aan riet (mr) in Z4 Pompje wordt weergegeven voor 2013, 2016 en 2019, deze voor Z10bis Eendekooi Wenduine voor 2016 en 2019.

perceelnummer

gebied Pompje

Z4

Zoekzone

Tabel 11.

mr + ah + da + hr + hpr*

hr/hpr* + mr + k(ah) Hpr* + mr + ah + k(mz) + da hr/hpr* + mr + ah + Mr + hpr* + mz +

2019 0,04 0,11 0,54 art. 36ter 0,32 2019 0,20 0,62 1,11 art. 36ter 2,07

2019 0,15 0,26 0,40 art. 36ter 1,46 2019 0,11 0,34 2,08 art. 36ter 1,96 2019 0,15 0,20 0,39 art. 36ter 1,06 2019 0,56 0,87 2,22 art. 36ter 1,17

ku* + n + gml + mr + 2019 ae

-

-

0,32 0,43 art. 36ter 2,76

ae + ku* + k(mr) + khgml

2019 -

-

-

0,19 0,13 art. 36ter 1,46

ae + ku* + k(mr) + khgml

2019 -

-

-

1,82 0,33 art. 36ter 7,02

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 62 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 24.

Vegetatiekaarten voor percelen met doelhabitat mr in Z4 Pompje (boven) en Z10bis Eendenkooi Wenduine (onder).

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 63 van 144


Foto 10.

Perceel 3 in de Eendenkooi van Wenduine.

Foto 11.

Perceel 2 in de Eendenkooi van Wenduine

Foto 12.

Perceel 72 in het Pompje.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 64 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


7.3.2 Broedvogels

Om de kwaliteit van het mr te evalueren werden volgende relevante vogelsoorten weerhouden: Roerdomp, Bruine kiekendief, Waterral, Blauwborst, Cetti’s zanger, Snor, Sprinkhaanzanger, Rietzanger, Bosrietzanger, Kleine karekiet en Rietgors. Tabel 12 geeft een overzicht van de aantallen sinds 2006 op de als mr ingerichte percelen. Ook de groeifactor voor deze soorten wordt getoond, uitgedrukt als een procentuele, jaarlijkse toeof afname. Figuur 25 geeft het verloop weer van de densiteiten met aanduiding van een trendlijn en referentiewaarden uit Nederland (Siedsema 2005). Er werd een positieve significante toename opgetekend voor: Waterral, Cetti’s zanger, Sprinkhaanzanger, Snor, Rietzanger, Kleine karekiet en Rietgors. Voornamelijk de aanwezigheid van Snor springt in het oog. De soort werd voor het eerst in 2019 en 2020 vastgesteld met respectievelijk 2 territoria en 5 territoria. Zij haalden in recente jaren ook minimaal éénmaal de referentiewaarden uit Nederland. Niet-significante positieve toenames zijn er voor de overige indicatieve soorten: Roerdomp, Bruine kiekendief, Blauwborst, Bosrietzanger en Baardmannetje. Bruine kiekendief, Blauwborst en Baardmannetje overschreden in recente jaren de referentiewaarde uit Nederland.

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

groeifactor (% per jaar)

Aantal territoria van 2006 tot 2020 op de als mr ingerichte en opgewaardeerde percelen. Ook de groeifactor (als procentuele jaarlijkse toename) wordt getoond: donkergroen = toename >5% en NS = niet significante toe- of afname.

2006

Tabel 12.

Roerdomp

0

0

0

0

0

0

1

1

1

1

1

1

1

1

0

NS

Bruine kiekendief

1

0

1

1

1

1

1

2

1

1

1

2

2

2

2

NS

Waterral

0

0

0

0

0

0

3

3

3

3

3

2

5

5

3

22%

Blauwborst

1

1

2

2

2

2

3

1

3

2

3

3

1

1

4

NS

Cetti's zanger

0

0

1

3

2

3

1

1

0

0

0

0

0

3

10

15%

Sprinkhaanzanger

0

0

0

0

0

1

0

0

0

0

0

1

1

2

1

35%

Snor

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

5

2

140%

Rietzanger

3

4

5

4

3

10

8

5

15 18 11 17 16 14 26

14%

Bosrietzanger

-

-

-

-

-

1

1

1

1

0

0

1

2

0

2

NS

Kleine karekiet

-

-

-

-

-

4

6

9

10

9

9

12

6

8

15

7%

Baardmannetje

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

1

3

NS

Rietgors

-

-

-

-

-

3

3

5

6

4

4

6

6

7

11

13%

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 65 van 144


De meest opmerkelijke broedvogels in de als mr ingerichte percelen zijn Roerdomp, Bruine kiekendief en Snor. Behalve een territorium Snor in de Eendenkooi van Wenduine in 2019, werden alle territoria van deze 3 soorten in het Pompje opgetekend. De als mr ingerichte percelen in het Pompje liggen rond een historisch stuk rietland. Door de inrichtingswerken werd een peilverhoging in het gebied doorgevoerd om het waterpeil in de ingerichte percelen te verhogen. Hierdoor werd ook het waterpeil in het historisch stukje rietmoeras verhoogd en dus opgewaardeerd. Deze opgewaardeerde oppervlakte wordt in Figuur 25 aangeduid als ‘art. 36ter_opgewaardeerd’. Het lijkt waarschijnlijk dat deze ingreep van invloed was voor de vestiging van Roerdomp in het gebied in 2012. Het territorium bevond zich in de meeste jaren in het opgewaardeerde stukje, behalve in 2015 toen het territorium zich had verplaatst in een als mr ingericht perceel. Het gebied was 8 opeenvolgende jaren territorium houdend voor Roerdomp, maar in 2020 werd het territorium niet meer vastgesteld. Bruine kiekendief was reeds vóór de inrichting in het opgewaardeerde rietmoerasje aanwezig en kwam voor een eerste keer tot broeden op een ingericht perceel. Vanaf 2015 kwam de soort met telkens één broedpaar onafgebroken op een ingericht perceel tot broeden, behalve in 2017 toen het om twee broedparen ging. De territoria Snor die in 2019 (4) en 2020 (2) in het Pompje werden vastgesteld, bevonden zich allemaal op de ingerichte percelen.

Foto 13.

Rietgors.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 66 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


50

50

Roerdomp

45

35 30 25 20 15

30 25 20 15 10

5

5

2008

art. 36ter

2010

2012

2014

2016

art. 36ter_opwaardering

100

2018

0 2006

2020

referentie

2008

2010

art. 36ter

2012

2014

2016

art. 36ter_opwaardering

60

Blauwborst

90

2018

0 2006

2020

Dichtheid (aantal/100ha)

60 50 40 30

18

Cetti's zanger

40

30

20

2012

2014

2016

2018

2020

referentie

Sprinkhaanzanger

12 10 8 6 4

10 2

10

2010

2012

2014

2016

art. 36ter_opwaardering

30

2018

0 2006

2020

referentie

2008

art. 36ter

350

Snor Dichtheid (aantal/100ha)

25

20

15

10

2010

2012

2014

2016

2018

0 2006

2020

art. 36ter_opwaardering

70

Rietzanger

300

60

250

50

200 150 100

5

50

art. 36ter 250

2010

2012

2014

2016

art. 36ter_opwaardering

2018

0 2006

2020

referentie

50

Dichtheid (aantal/100ha)

100

50

Figuur 25.

2012

2014

2016

art. 36ter_opwaardering

2018

referentie

2014

2017

art. 36ter_opwaardering

2020 referentie

2014

2016

2018

2020

referentie

Bostietzanger

30 20

art. 36ter 100 90

2014

2017

art. 36ter_opwaardering

2020 referentie

Rietgors

80

35 30 25 20 15

70 60 50 40 30

10

20

5

10

0 2006

2012

art. 36ter_opwaardering

40

0 2011

2020

40

150

art. 36ter

2010

Baardmannetje

45

200

0 2011

2008

art. 36ter

Kleine karekiet

2010

10

Dichtheid (aantal/100ha)

2008

2008

art. 36ter

Dichtheid (aantal/100ha)

2008

art. 36ter

Dichtheid (aantal/100ha)

2010

art. 36ter

14

20

Dichtheid (aantal/100ha)

2008

referentie

50

70

0 2006

10

16

80

0 2006

15

5

Dichtheid (aantal/100ha)

0 2006

Dichtheid (aantal/100ha)

35

10

Waterral

20 Dichtheid (aantal/100ha)

40 Dichtheid (aantal/100ha)

Dichtheid (aantal/100ha)

40

25

Bruine kiekendief

45

2008

art. 36ter

2010

2012

2014

2016

art. 36ter_opwaardering

2018

2020

referentie

0 2011 art. 36ter

2014

2017

art. 36ter_opwaardering

2020 referentie

Dichtheden (dunne lijn) en trendlijn (dikke lijn) van indicatieve soorten voor doelhabitat mr op de als mr ingerichte en opgewaardeerde percelen. Rood = waarden voor percelen in uitvoering van art. 36ter. Grijs = waarden voor opgewaardeerde percelen in uitvoering van art. 36ter. In stippellijn worden referentiewaarden getoond (indien beschikbaar) van een vergelijkbaar habitattype in Nederland (Sierdsema 1995).

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 67 van 144


7.4 BROEDVOGEL MONITORING VAN DE ALS AH INGERICHTE PERCELEN VAN DE COMPANSATIEMATRIX Om aan de compensatie van ah te voldoen, werden twee bestaande plassen afgebakend: Put van Vlissegem (11 ha) en Eendenkooi Lissewege (5 ha). In deze gebieden worden geen vegetatieopnames verricht. Wel wordt hier een broedvogelmonitoring uitgevoerd. Relevante vogelsoorten die werden weerhouden om de kwaliteit van ah (en de geassocieerde moerasvegetatie) te evalueren zijn: Kuifeend, Bruine kiekendief, Blauwborst, Sprinkhaanzanger, Rietzanger, Bosrietzanger, Kleine karekiet en Rietgors. Van 7 van de 8 weerhouden vogelsoorten werden intussen territoria vastgesteld. Bruine kiekendief werd nog niet aangetroffen. Tabel 13 geeft de aantallen voor de weerhouden vogelsoorten weer. Figuur 26 geeft het verloop weer van de densiteiten, een trendlijn en een aanduiding van referentiewaarden uit Nederland. Een positieve significante toena me is er voor Kuifeend, Rietzanger en Kleine karekiet (Tabel 13). Kuifeend en Rietzanger overschreiden de referentiewaarden uit Nederland, Kleine karekiet haalt de referentiewaarden alsnog net niet. De overige soorten kennen eveneens een positieve toename, maar deze is niet significant. Daarvan haalden Blauwborst, Sprinkhaanzanger en Bosrietzanger in recente jaren wel eens de referentiewaarden uit Nederland, Rietgors haalde de referentiewaarde nog niet.

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2018

2019

2020

groeifactor (% per jaar)

0

0

0

0

4

7

12

6

7

18 14 19 15

6

10

16%

Blauwborst

0

1

0

1

0

1

2

2

2

2

2

2

1

0

2

NS

Sprinkhaanzanger

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

1

0

0

0

NS

Rietzanger

10

7

6

4

1

4

1

2

7

9

13 19 13 14 17

Bosrietzanger

-

-

-

-

-

1

3

2

1

5

6

Kleine Karekiet

-

-

-

-

-

7

4

4

10 11 11 15 16 19 18

Rietgors

-

-

-

-

-

2

1

1

3

3

2

2017

2008

Kuifeend

2016

2007

Aantal territoria van 2006 tot 2018 op de als ah ingerichte percelen in uitvoering van art. 14. Ook de groeifactor (als procentuele jaarlijkse toename) wordt getoond: donkergroen = toename >5% en NS = niet significante toe- of afname.

2006

Tabel 13.

5

2

3

2

2

2

1

3

11% NS 16% NS

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 68 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


18

Kuifeend

100

Dichtheid (aantal/100 ha)

Dichtheid (aantal/100 ha)

120

80 60 40 20 0 2006

2008

2010

2012

2014

2016

ah_art. 14 140

2018

8

14

7

12 10 8 6

4 3 2 1

referentie

2010

2012

2014

2016

ah_art. 14 45

Rietzanger

5

2

2008

2018

0 2006

2020

Sprinkhaanzanger

6

4

0 2006

2020

9

Blauwborst

16

Dichtheid (aantal/100 ha)

140

referentie

2008

2010

2012

ah_art. 14 300

Bosrietzanger

2014

2016

2018

2020

referentie

Kleine karekiet

40

120

250

80 60 40

Dichtheid (aantal/100 ha)

Dichtheid (aantal/100 ha)

Dichtheid (aantal/100 ha)

35 100

30 25 20 15

200

150

100

10 50

20 0 2006

5

2008

2010

2012

2014

ah_art. 14 140

2016

2018

referentie

2020

0 2011

2013

ah_art. 14

2015

2017

2019

referentie

0 2011

2013

ah_art. 14

2015

2017

2019

referentie

Rietgors

Dichtheid (aantal/100 ha)

120 100 80 60 40 20 0 2011

2013

2015

ah_art. 14

Figuur 26.

2017

2019

referentie

Dichtheden (dunne lijn) en trendlijn (dikke lijn) van indicatieve soorten voor doelhabitat ah op de als ah ingerichte percelen. In stippellijn worden referentiewaarden getoond (indien beschikbaar) van een vergelijkbaar habitattype in Nederland (Sierdsema 1995).

www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 69 van 144


7.5 OVERZICHT VAN HET AANTALSVERLOOP VAN BROEDVOGELS OVER DE VERSCHILLENDE ONDERZOEKSJAREN BINNEN HET GANSE STUDIEGEBIED In Tabel 14 staat het aantal territoria van relevante soorten die binnen het volledige studiegebied werden aangetroffen tussen 2006 en 2020. Deze vogelsoorten kunnen worden ingedeeld in 4 categorieën: de Bijlage I-soorten van de Europese Vogelrichtlijn die werden opgenomen in de Bijlage IV van het Natuurdecreet, de soorten die vermeld staan op de Vlaamse Rode Lijst, de soorten waarvan 5% van de Vlaamse populatie binnen het studiegebied voorkomt en tenslotte enkele vogelsoorten die als indicator gelden voor een te compenseren habitattype. De meest opmerkelijke trends worden hierna toegelicht en worden weergegeven in Tabel 14 en Figuur 27. Tot de sterkste stijgers behoren Kokmeeuw (+23%/jaar), Steltkluut (+18%/jaar), Snor (+17%/jaar), Waterral (+11%/jaar), Roodborsttapuit (+10%/jaar), Visdief (+7%/jaar), Kuifeend (+6%/jaar) en Blauwborst (+5%/jaar). Lichtere stijgingen (<+5%/jaar) werden opgetekend voor Rietzanger, Kleine karekiet, Rietgors en Graspieper. Kokmeeuw was bij aanvang van de monitoring in 2006 nagenoeg afwezig in het studiegebied. Daar kwam verandering in met de vestiging van kolonies in de Uitkerkse Polder en iets later met de vestigingen van kolonies bij het vrijkomen van geschikt broedhabitat na de inrichtingswerken in de Eendenkooi van Lissewege en de Eendenkooi van Wenduine en bij het vrijkomen van tijdelijk geschikt habitat binnen de werfzone van de Achterhaven van Zeebrugge. In 2010 en 2014 piekte het aantal Kokmeeuwen met respectievelijk 312 en 254 nesten. In 2017 volgde een dieptepunt met slechts 14 nesten. Vanaf 2018 zit het aantal nesten elk jaar opnieuw ruim boven de 100, met als belangrijkste gebieden de Eendenkooi van Wenduine en recent vrijgekomen geschikt broedhabitat in de vorm van eilandjes in een pas als zilt grasland ingericht perceel in Zoekzone Z4 Pompje. Steltkluut was aanvankelijk een onregelmatige broedvogel, maar komt sinds 2012 onafgebroken tot broeden, met een maximum van 11 broedpaar in 2017. Snor was van 2006 tot 2010 in het studiegebied aanwezig en was daarna voor meerdere jaren voornamelijk afwezig. Vanaf 2018 werd de soort opnieuw jaarlijks vastgesteld met een recente sterke groei tot een maximum van 11 territoria in 2020. Waterral heeft sinds 2010 een gestage opmars ingezet met een maximum van 26 territoria in 2020. Ook Roodborsttapuit (die vanaf 2011 wordt opgevolgd) bereikte in 2020 een maximum met 259 territoria. Visdief kende een opleving in het studiegebied ergens halfweg de monitoringsperiode als gevolg van tijdelijk beschikbaar gunstig habitat bij de aanleg van rietland in de Eendenkooi van Wenduine, bij de aanleg van brakke plas in de Eendenkooi van Lissewege en door tijdelijk geschikt habitat binnen de werfzone van de Achterhaven van Zeebrugge. De aantallen piekten tot 67 nesten in 2014, maar vielen sindsdien sterk terug. De eilandjes van een pas ingericht zilt grasland in Zoekzone Z4 Pompje vormen sinds 2018 een (tijdelijke) gunstige broedplek. Er kwamen toen 13 paar tot broeden, maar dat aantal neemt inmiddels af. Kuifeend kent over nagenoeg de ganse periode een gestage groei met een maximum van 191 territoria in 2018. De afgelopen twee jaren werd een terugval opgetekend met in 2020 nog 133 territoria. Blauwborst kende een nagenoeg onafgebroken groei tot een maximum van 341 territoria in 2013. Daarna liepen de aantallen terug tot 357 territoria in 2019, maar met 426 territoria in 2020 lijkt de groei opnieuw ingezet. Rietzanger kende een steile groei vanaf 2006 tot een absolute piek van 1517 territoria in 2011. In 2012 werd dat aantal plots teruggebracht tot minder dan 1000 territoria. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 70 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Sindsdien groeide de populatie met wat pieken en dalen aan tot een nieuw record van 1657 territoria in 2020. Kleine karekiet en Rietgors worden beiden vanaf 2011 opgevolgd en kenden in 2020 eveneens een recordjaar met respectievelijk 1945 en 417 territoria. Tot de sterkste dalers behoren Graszanger (-31%/jaar), Baardmannetje (-20%/jaar) en Kievit (9%/jaar). Lichtere dalingen (<-5%/jaar) werden opgetekend voor Scholekster, Grutto, Bergeend, Slobeend, Patrijs en Kluut. Graszanger was tot 2010 in het studiegebied aanwezig met een verspreiding nagenoeg uitsluitend in de Achterhaven van Zeebrugge en in beperkte mate in de Uitkerkse Polder. De aantallen piekten in 2007 met 47 territoria, maar na enkele stengere winters was het in 2011 plots gedaan met Graszanger in het studiegebied. Pas in 2019 werd de soort opnieuw in het studiegebied aangetroffen met een territorium in de Uitkerkse Polder. In 2020 was het aantal aldaar toegenomen tot 7 territoria. Het lijkt er sterk op dat de soort opnieuw gelanceerd is in onze contreien. Baardmannetje was tot 2012 aanwezig in de Achterhavan van Zeebrugge. Na inname van Rietveld Pelikaan voor de ontwikkeling van de haven van Zeebrugge, verdween de soort voor langere tijd uit het studiegebied. Inmiddels wist de soort zich opnieuw te vestigen in het studiegebied, met 1 territorium in 2019 en drie territiria in 2020 telkens in het ingerichte rietveld in Zoekzone 4 Pompje. Kievit wordt sinds 2011 opgevolgd en lijkt in vrije val, temeer omdat de cijfers in gans Vlaanderen en ver daarbuiten eveneens een sterk negetieve trend tonen. Het hoogste aantal bedroeg 945 paar in 2011, het laagste aantal werd met 404 paar in 2020 vastgesteld. Het hoogste aantal Scholeksters werd met 248 territoria in 2010 bereikt. Sindsdien nam de populatie stelselmatig af tot 120 territoria in 2020. Grutto piekte in 2013 met 406 territoria en kent sindsdien eveneens een terugval, met nog 210 territoria in 2020. Het hoogste aantal territoria van Bergeend werd met 276 territoria in 2006 opgetekend en kent sindsdien een wat grillig verloop, maar de trend is duidelijk negatief met nog 180 territoria in 2020. Slobeend kende tot 2016 een lichte groei met vaak aantallen boven 110 territoria. Vanaf 2017 echter is een sterke daling ingezet. In drie van de vier afgelopen jaren bleef het aantal territoria onder de 80, in 2020 werd met 47 territoria een dieptepunt bereikt. In 2009 werd met 105 territoria het hoogste aantal Patrijzen vastgesteld. Daarna ging de soort sterk achteruit tot 30 territoria in 2013, waarna de populatie herleefde tot 95 territoria in 2020. Ook Kluut kent een daling tussen 2006 en 2020. De soort kent een wat grillig verloop, een weerspiegeling van het aanbod aan geschikt broedbiotoop dat de inrichtingen binnen het studiegebied in de loop der jaren heeft gecreëerd. In 2007 werd het hoogste aantal territoria vastgesteld, 211. Toen was Uitkerke het belangrijkste gebied voor de soort met veel geschikt broedbiotoop in een pionierssituatie van recent aangelegde natuurontwikkelingsgebieden. In 2010 kende de soort een dieptepunt met nog 133 territoria, niet toevallig wanneer de vegetatieontwikkeling op veel van de ingerichte gebieden in de Uitkerkse Polder minder nestgelegenheid bood. Met de compensatie-inrichtingen voor de Achterhaven van Zeebrugge kwam in de jaren daarna opnieuw geschikt broedbiotoop bij, wat zich meteen vertaalde in hogere aantallen. In 2016 werd met 203 territoria de kaap van 200 opnieuw gerond. Daarna liepen de aantallen sterk terug tot 110 territoria in 2019. In 2020 zagen we de populatie opnieuw stijgen tot 141, met de hoogste aantallen op een recent als zilt grasland ingericht perceel in Zoekzone Z4 Pompje. Voor alle andere soorten uit Tabel 14 is de jaarlijkse procentuele toe- of afname niet significant, vaak als gevolg van erg lage aantallen. Een niet-significante toename werd bekomen voor Roerdomp, Kleine zilverreiger, Lepelaar, Zwartkopmeeuw, Stormmeeuw, Velduil, IJsvogel, Cetti’s zanger, Sprinkhaanzanger en Bosrietzanger. Roerdomp werd territoriaal vastgesteld in 2008 in de Fonteintjes, van 2009 tot 2011 in Rietveld de Pelikaan in de Achterhaven van Zeebrugge en van 2012 tot 2019 in de compensatiezone voor rietland in Zoekzone Z4 Pompje. Bovendien werd er in 2019 een tweede territorium vastgesteld in Jagersput Stalhille, maar in 2020 werden voor het eerste sinds 2008 geen territoria van Roerdomp meer vastgesteld in het volledige studiegebied. Kleine Zilverreiger werd zowel in www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 71 van 144


2013 (2 paar) als in 2014 (1 paar) vastgesteld in de Lage Moeren van Meetkerke. Ook Lepelaar werd aangetroffen in de Lage Moeren van Meetkerke in 2014 (1 paar), 2015 (1 paar), 2018 (2 paar) en 2019 (1 paar). Telkens 1 territorium werd vastgeteld in de Steenbakkerij van Hoeke (2015) en in de als rietmoeras ingerichte Eendenkooi van Wenduine (2019). Van Zwartkopmeeuw werden sporadisch territoria vastgesteld tussen broedende Kokmeeuwen, van Stormmeeuw werd telkens één territorium vastgesteld in de Uitkerkse Polder (2012) en in de Achterhaven van Zeebrugge (2015 – 2017). In 2020 werd een territorium Velduil vastgesteld in de Uitkerkse Polder, een eerste territorium voor het studiegebied sinds het begin van de monitoring in 2006. Cetti’s zanger nam in de eerste 3 jaren van monitoring in aantal toe, tot 68 territoria in 2018. Het vaste bolwerk bij uitstek was de Achterhaven van Zeebrugge. Door een aantal koude winters werd de populatie sterk teruggedrongen met nog 8 territoria in 2013. Intussen heeft de soort een opvallende opmars ingezet over het ganse studiegebied en nam voornamelijk in de afgelopen 4 jaren fors in aantal toe tot een record van 79 territoria in 2020. Een niet-significante afname werd opgetekend voor Woudaap, Kwak, Bruine kiekendief, Kwartel, Porseleinhoen en Buidelmees. Territoria van Woudapen werden vastgesteld tussen 2007 en 2009: in de Uitkerkse Polder (telkens 1 territorium in 2007 en 2008), in de Kleiputten van Sint-Donaas (1 territorium in 2008) en in Rietveld Pelikaan in de Achterhaven van Zeebrugge (1 in 2008 en 5 in 2009). Territoria van Kwak werden vastgesteld in de Steenbakkerij van Hoeke (telkens 1 territorium in 2006 en 2010) en in Damme (1 territorium in 2009). In 2011 werd met 11 territoria het hoogste aantal Bruine kiekendieven vastgesteld, waarna de populatie een sterke terugval kende met 4 territoria in 2012 en 2015. Sindsdien stijgt dat aantal, met in 2020 9 territoria. De enige territoria van Porseleinhoen (telkens één territorium van 2007 tot 2009) en Buidelmees (telkens één territorium in 2006 en 2007) bevonden zich in Rietveld de Pelikaan in de Achterhaven van Zeebrugge.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 72 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


RL

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

groeifactor (% per jaar)

Overzicht van het aantal territoria van een selectie aan broedvogels binnen het studiegebied tussen 2006 en 2020. Onder ‘categorie’ wordt de selectie aan behandelde soorten toegelicht met 1 = de Bijlage I soorten van de Vogelrichtlijn, 2 = soorten die op de Vlaamse Rode Lijst staan, 3 = soorten waarvan het aantal territoria binnen het studiegebied minstens 5% van de Vlaamse populatie bedraagt, 4 = relevante soort als indicator voor een te compenseren habitattype. Met ‘RL’ wordt de categorie van de Vlaamse Rode Lijst (Devos et al. 2016) aangegeven: CR= ernstig bedreigd, EN = bedreigd, VU = kwetsbaar, NT = bijna in gevaar, LC = momenteel niet in gevaar, NE = niet geëvalueerd. Vervolgens wordt de langetermijn trend voor Vlaanderen (‘LT-trend Vlaanderen’) en de trend in Europa getoond (Vermeersch et al. 2020). Ook de groeifactor (als procentuele jaarlijkse toename) wordt getoond: donkergroen = toename >5%, lichtgroen = toename <5%, oranje = afname < 5%, rood = afname > 5%, NS = niet significante toe- of afname en ‘-‘ = trend niet te bepalen.

categorie

Tabel 14.

Roerdomp Woudaap

1 1

CR EN

Toename Toename

NS NS

0 0

0 1

1 7

1 1

1 0

1 0

1 0

1 0

1 0

1 0

1 0

1 0

1 0

2 0

0 0

NS

Kwak Kleine zilverreiger

1 1

NE EN

Stabiel Afname

NS Stabiel

1 0

0 0

0 0

1 0

1 0

0 0

0 0

0 2

0 1

0 0

0 0

0 0

0 0

0 0

0 0

NS

Lepelaar Bergeend

1 3

CR LC

Toename Toename

NS Stabiel

0 276

0 212

0 232

0 240

0 253

0 216

0 255

0 234

1 223

2 221

0 220

0 180

1 214

2 227

0 180

NS -2%

Zomertaling

2

EN

Afname

NS

17

4

6

10

5

6

15

8

6

6

13

7

11

14

6

NS

Slobeend Kuifeend

2 3

NT LC

Afname Fluctuerend

NS NS

103 61

70 67

105 71

125 104

110 99

100 77

122 109

114 123

124 137

111 134

112 150

63 152

119 191

77 138

47 133

-2%

Bruine kiekendief Patrijs

1 2

EN VU

Stabiel Afname

Stabiel Afname

10 -

7 82

8 82

7 105

11 94

6 79

4 68

5 30

6 54

4 65

5 62

7 50

6 60

8 64

9 95

NS

Kwartel

4

LC

Fluctuerend

NS

15

18

19

17

10

43

14

4

11

20

11

23

13

16

6

NS

Waterral Porseleinhoen

4 1

LC CR

Toename Fluctuerend

NS NS

7 0

4 1

10 1

8 1

5 0

8 0

8 0

10 0

12 0

13 0

13 0

13 0

20 0

19 0

26 0

11%

Scholekster Steltkluut

3 1

LC EN

Afname Toename

Afname NS

207 1

181 1

199 4

210 0

248 0

207 0

201 5

188 1

178 1

165 3

137 4

120 11

143 8

120 7

120 5

-4%

www.vlaanderen.be/inbo

LT - trend Vlaanderen

Trend Europa

doi.org/10.21436/inbor.34217966

NS

6% -2%

NS 18%

Pagina 73 van 144


Kluut Bontbekplevier

1 2

VU CR

Toename Stabiel

NS Afname

153 0

211 0

183 0

157 0

133 0

179 0

183 0

155 1

197 1

182 1

203 0

157 0

141 0

110 0

141 0

-1%

Kievit Grutto

2 2

EN VU

Afname Afname

Afname Afname

365

382

392

392

382

945 392

751 373

836 406

810 367

600 308

569 296

496 248

519 256

450 246

404 210

-9%

Tureluur

2

VU

Stabiel

Afname

182

159

199

202

198

192

204

230

205

198

187

175

193

171

166

NS

Zwartkopmeeuw Kokmeeuw

1 2

VU VU

Toename Afname

NS Onzeker

0 21

0 40

0 173

0 103

0 312

0 222

0 189

3 251

1 281

0 254

0 206

0 14

0 177

2 182

2 136

-

Stormmeeuw Visdief

2 1

CR VU

Stabiel Afname

NS NS

0 1

0 1

0 1

0 4

0 6

0 7

1 19

0 58

0 67

1 19

1 10

1 3

0 22

0 13

0 8

Velduil IJsvogel

1 1

VU

Fluctuerend Fluctuerend

NS Toename

0 0

0 3

0 0

0 0

0 1

0 2

0 1

0 1

0 1

0 1

0 3

0 1

0 2

0 3

1 3

NS

Veldleeuwerik

2

VU

Afname

Afname

-

195

197

210

147

203

190

162

170

158

178

166

212

212

216

NS

Graspieper

2

EN

Afname

Afname

-

276

263

259

222

281

313

186

257

249

284

290

277

319

318

1%

Blauwborst

1

LC

Toename

NS

143

227

207

228

310

365

364

341

413

401

408

395

373

357

426

5%

Roodborsttapuit

3

LC

Toename

Stabiel

-

-

-

-

-

90

130

87

120

180

224

181

179

182

259

10%

Tapuit

2

CR

Afname

Afname

2

1

1

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

-

Cetti's zanger

2

NT

Toename

Toename

28

52

68

51

42

28

28

8

12

17

23

42

37

50

79

NS

Graszanger

2

CR

Toename

Toename

24

49

42

15

3

0

0

0

0

0

0

0

0

1

7

-31%

Sprinkhaanzanger

4

LC

Afname

Afname

8

19

24

16

19

20

33

6

10

12

12

18

16

33

21

NS

Snor

2

CR

Toename

NS

2

1

2

1

4

0

0

0

0

2

0

0

2

7

11

17%

Rietzanger

3

LC

Toename

Afname

728

778

880

985

962

1245 1154 1260 1510 1203 1372 1657

4%

Bosrietzanger

4

LC

Onzeker

Stabiel

-

-

-

-

-

200

184

231

188

259

NS

Kleine Karekiet

3

LC

Afname

Stabiel

-

-

-

-

-

1567 1517 1113 1561 1549 1393 1589 1495 1719 1945

3%

Baardmannetje

2

VU

Toename

NS

5

10

9

9

8

3

4

0

0

0

0

0

0

1

3

-20%

Buidelmees

2

CR

Fluctuerend

NS

1

1

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

NS

Rietgors

2

NT

Afname

Afname

-

-

-

-

-

337

355

293

380

375

360

388

401

353

417

2%

Pagina 74 van 144

1126 1293 1525

doi.org/10.21436/inbor.34217966

223

190

144

211

194

NS -4%

23% NS 7% NS

www.vlaanderen.be/inbo


Zomertaling

Slobeend

Kuifeend

140 120

60

100

6

12

100

40

25

250

10

20

200

8

15

150

6

10

100

4

60 20

40

Kluut

Kievit

Grutto

2006

2020

2018

2016

2014

2012

2010

2008

2006

2020

2018

2016

2014

2012

2010

2008

2006

2020

2018

2016

2014

2012

2010

2008

2006

0

2020

0

2018

0

2016

0 2014

2

0 2012

50

2010

5

2008

10

2006

20

Tureluur

2018

2016

2020 2020

300

2018

30

30

2014

Steltkluut

50

80

2012

2020

2018

2016

2014

Scholekster

120

2016

Waterral

2012

0

2020

2018

2016

2014

2012

2010

2008

2006

2020

2018

2016

2014

2012

Kwartel

2

0

2014

Patrijs

2010

2008

0 2006

2020

2018

2016

2014

2012

2010

0

50

2010

20

2008

50 2008

4

40

5

2006

8

2010

100

150

2012

10

0

10

80

2006

150

200

100

200

2008

15

12

2010

250

Bruine kiekendief

250

2006

20

2008

Bergeend 300

Kokmeeuw

250

1000

500

250

350

200

800

400

200

150

600

300

150

200

100

400

200

100

150

50

200

100

50

0

0

0

0

300 250

Visdief

IJsvogel

200

35

12

80

50

30

10

25

2020

2018

2016

2012

2014

2020

2018

2014

2016

2020 2020

10

400

8

1500

2018

2006

2020

2018

2016

2000

300

6

2014

2012

2010

2020

2018

2016

2014

2012

2010

2008

2006

2020

2018

2016

2014

2012

2010

2008

2006

2020

2018

0

2016

0

2014

0 2012

100

0 2010

2

2008

500

2008

200

4

50

2006

1000

2006

2020

2018

2016

2014

2012

2014

250

100

2010

2012

500

500

2008

2010

12

150

2006

Rietgors

2500

200

Figuur 27.

2008

Baardmannetje

300

1500

0

2006

2020

2018

2016

2014

2012

2010

Kleine Karekiet

2018

Bosrietzanger

2008

2006

2020

2018

2016

2014

2012

2010

2008

2006

2020

0

2018

0

2016

0

2014

0 2012

2

0 2010

5

2008

10

2006

20

Rietzanger

2012

4

10

2016

20

50

1000

2010

6

15

2016

40

8

20

30

2014

40

60

2010

Snor

60

150

2008

2006

2020

2018

2016

2014

2012

2010

Sprinkhaanzanger

100

2012

Graszanger

2008

2020

2018

2016

2014

2012

2010

0

2010

Cetti's zanger

2008

0 2006

2020

2018

2016

2014

2012

2010

2008

100

50

2008

Roodborsttapuit

2000

2008

2006

2020

2018

2016

2014

2012

150

0 2006

2020

2018

2016

2014

2012

2010

2008

2006

0

100

2010

300

100 50

10

200

2008

200 100

1

250

400

150 2

300

500

300 250

30

0

Blauwborst

350

200

3

20

2006

2020

2016

2014

2012

2010

2018

Graspieper

250

50 40

0

Veldleeuwerik

4

70 60

50

2006

80

2008

2006

2020

2018

2016

2014

2012

2010

2008

2006

2020

2018

2016

2014

2012

2010

2008

2006

100

Aantalsverloop van het aantal territoria van een selectie van broedvogels binnen het ganse studiegebied tussen 2006 en 2020. De zwarte lijn geeft de trendlijn weer over diezelfde periode.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 75 van 144


7.6 BROEDVOGELS EN OVERWINTERENDE VOGELS IN DE VERSCHILLENDE ZOEKZONES VAN HET STUDIEGEBIED 7.6.1 Broedvogels

Voor Blauwborst, Bruine kiekendief, IJsvogel, Kluut, Porseleinhoen en Steltkluut werden specifieke doelen geformuleerd voor het Vogelrichtlijngebied SBZ-V ‘Poldercomplex’ (Bijlage 3), dat integraal deel uitmaakt van het studiegebied. Het aantalsverloop van elk van deze 6 soorten wordt hierna voor de verschillende Zoekzones besproken. 7 soorten die vermeld staan op de Bijlage I van de Europese Vogelrichtlijn, waarvoor geen specifieke doelen voor het SBZ-V ‘Poldercomplex’ werden vooropgesteld maar waarvoor wel doelen op Vlaams niveau werden vastgelegd, werden sinds 2006 (onregelmatig) als broedvogel vastgesteld binnen het studiegebied. Het gaat om Roerdomp, Woudaap, Kwak, Kleine zilverreiger, Lepelaar, Zwartkopmeeuw, Visdief en Velduil. In 2019 en 2020 werden hiervan enkel territoria van Roerdomp, Lepelaar, Zwartkopmeeuw, Visdief en Velduil vastgesteld. Ook het aantalsverloop van deze vijf soorten wordt hierna besproken.

Roerdomp Van 2012 tot 2019 was de soort territoriumhoudend in Zoekzone Z4 Pompje en in 2019 werd een territorium vastgesteld in Zoekzone Z5 Paddengat in Jagersput Stalhille. In de overige Zoekzones werd nooit een territorium vastgesteld. In de Achterhaven van Zeebrugge was de soort territoriumhoudend van 2009 tot 2011.

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Roerdomp Achterhaven Zeebrugge Z1 - Klemskerke - Vlissegem Z2 - Palingpot Z3 - Vijfwege Z4 - Pompje Z5 - Paddegat Z6 - Ettelgem Z7 - Kwetshage Z8 - Dudzeelse Polder Z9 - Put van Vlissegem / Eendenkooi Lissewege Z10 - bis overige oppervlakte van het studiegebied Totaal

2007

Aantallen van Roerdomp tussen 2006 en 2020 in de Achterhaven van Zeebrugge, in de verschillende Zoekzones van het studiegebied en in de overige oppervlakte van het studiegebied buiten de Zoekzones. 2006

Tabel 15.

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1 1

1 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1

1 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1

1 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1

0 0 0 0 1 0 0 0 0 0 0 0 1

0 0 0 0 1 0 0 0 0 0 0 0 1

0 0 0 0 1 0 0 0 0 0 0 0 1

0 0 0 0 1 0 0 0 0 0 0 0 1

0 0 0 0 1 0 0 0 0 0 0 0 1

0 0 0 1 1 0 0 0 0 0 0 0 2

0 0 0 0 1 0 0 0 0 0 0 0 1

0 0 0 0 1 1 0 0 0 0 0 0 2

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 76 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Lepelaar Van Lepelaar werd sinds 2014 sporadisch een nest vastgesteld in Zoekzone Z10bis in Blauwe reigerkolonies. Dat was het geval in de Lage Moere te Meetkerke waar in 2014, 2015 en 2019 telkens 1 nest en in 2018 2 nesten werden vastgesteld. In 2019 werd ook een nest vastgesteld in de Eendenkooi van Wenduine in de Uitkerkse Polder.

Bruine kiekendief Sinds 2006 werd in de meeste Zoekzones minstens éénmaal een territorium van Bruine kiekendief vastgesteld. Enkel in Zoekzone Z2 Palingpot, Zoekzone Z8 Dudzeelse Polder en Zoekzone Z9 Put van Vlissegem/Eendenkooi Wenduine is dat niet het geval. De twee voornaamste Zoekzones zijn Z10bis (met de Uitkerkse Polder als belangrijkste gebied, al werd hier in 2020 geen territorium vastgesteld) en Z4 Pompje. In Zoekzones Z1 Klemskerke – Vlissegem en Zoekzone Z3 Vijfwege, werd in 2020 voor het eerst een territorium vastgesteld. De aantalsontwikkelingen van Bruine kiekendief in de Zoekzones met de belangrijkste compenstie-inrichtingen (Z1, Z4 en Z8) wordt getoond in Figuur 28. Hieruit blijkt een positieve toename van Bruine kiekendief in Zoekzone Z4 Pompje. In de Achterhaven van Zeebrugge had Bruine kiekendief 2 territoria in 2006 en telkens 1 in 2007 en 2010. Sindsdien werd daar geen territorium meer gevestigd.

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Bruine kiekendief Achterhaven Zeebrugge Z1 - Klemskerke - Vlissegem Z2 - Palingpot Z3 - Vijfwege Z4 - Pompje Z5 - Paddegat Z6 - Ettelgem Z7 - Kwetshage Z8 - Dudzeelse Polder Z9 - Put van Vlissegem / Eendenkooi Lissewege Z10 - bis overige oppervlakte van het studiegebied Totaal

2007

Aantallen van Bruine kiekendief tussen 2006 en 2020 in de Achterhaven van Zeebrugge, in de verschillende Zoekzones van het studiegebied en in de overige oppervlakte van het studiegebied buiten de Zoekzones. 2006

Tabel 16.

2 0 0 0 1 0 0 0 0 0 5 2 10

1 0 0 0 1 0 0 1 0 0 2 2 7

0 0 0 0 1 1 0 1 0 0 1 4 8

0 0 0 0 1 1 0 1 0 0 2 2 7

1 0 0 0 1 1 0 0 0 0 3 5 11

0 0 0 0 1 1 0 0 0 0 2 2 6

0 0 0 0 1 1 0 0 0 0 1 1 4

0 0 0 0 2 0 0 0 0 0 2 1 5

0 0 0 0 1 1 1 0 0 0 2 1 6

0 0 0 0 1 0 0 1 0 0 0 2 4

0 0 0 0 1 0 0 0 0 0 1 3 5

0 0 0 0 2 2 0 0 0 0 2 1 7

0 0 0 0 2 1 1 0 0 0 1 1 6

0 0 0 0 3 1 0 0 0 0 2 2 8

0 1 0 1 2 1 1 0 0 0 0 3 9

Porseleinhoen Er werden tussen 2006 en 2020 geen territoria vastgesteld in de Zoekzones. In de Achterhaven van Zeebrugge werd van 2007 tot 2009 telkens één territorium vastgesteld in Rietveld Pelikaan.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 77 van 144


Steltkluut Aanvankelijk was de Uitkerkse Polder in Zoekzone Z10bis het belangrijkste (en enige) gebied voor Steltkluut, maar sinds 2015 is het belang van Zoekzone Z4 Pompje voor de soort sterk toegenomen (Tabel 17). De soort komt er sinds 2015 onafgebroken tot broeden met in 2019 en 2020 respectievelijk 7 en 5 nesten. In de overige Zoekzones werd nooit een territorium vastgesteld. De aantalsontwikkelingen van Steltkluut in de Zoekzones met de belangrijkste compenstie-inrichtingen (Z1, Z4 en Z8) worden getoond in Figuur 28. Hieruit blijkt een positieve toename van Steltkluut in Zoekzone Z4 Pompje.

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Steltkluut Achterhaven Zeebrugge Z1 - Klemskerke - Vlissegem Z2 - Palingpot Z3 - Vijfwege Z4 - Pompje Z5 - Paddegat Z6 - Ettelgem Z7 - Kwetshage Z8 - Dudzeelse Polder Z9 - Put van Vlissegem / Eendenkooi Lissewege Z10 - bis overige oppervlakte van het studiegebied Totaal

2007

Aantallen van Steltkluut tussen 2006 en 2020 in de Achterhaven van Zeebrugge, in de verschillende Zoekzones van het studiegebied en in de overige oppervlakte van het studiegebied buiten de Zoekzones. 2006

Tabel 17.

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 1

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 1

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 4 0 4

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 5 0 5

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 1

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 1

0 0 0 0 3 0 0 0 0 0 0 0 3

0 0 0 0 1 0 0 0 0 0 3 0 4

0 0 0 0 1 0 0 0 0 0 10 0 11

0 0 0 0 5 0 0 0 0 0 3 0 8

0 0 0 0 7 0 0 0 0 0 0 0 7

0 0 0 0 5 0 0 0 0 0 0 0 5

Kluut Belangrijke Zoekzones voor Kluut zijn Zoekzone Z1 Klemskerke – Vlissegem, Zoekzone Z4 Pompje, Zoekzone Z8 Dudzeelse Polder en de Uitkerkse Polder (Zoekzone Z10bis). Het belangrijkste gebied is zonder meer de Uitkerkse Polder in Zoekzone Z10bis met een hoogste aantal van 184 territoria in 2007. Opvallend is de sterke afname sindsdien, met nog 52 territoria in 2020. Deze afname is een gevolg van het verdwijnen van de pionierssituatie net na inrichting van vele percelen voor natuurdoeleinden. Daartegenover staat een duidelijke toename in Zoekzones Z1 Klemskerke – Vlissegem, Z4 Pompje en Z8 Dudzeelse Polder. Dit heeft te maken met het vrijkomen van geschikt broedhabitat net na inrichting van percelen ter compensatie van de Achterhaven van Zeebrugge. De toename in Zoekzones Z1 en Z4 zet zich nog steeds verder, de aantallen in Z8 zijn intussen volledig teruggevallen als gevolg van het verdwijnen van de pionierssituatie. In Zoekzone Z9 kende de soort een opstoot in 2011 en 2012 nadat broedeilandjes werden aangelegd in de Eendenkooi Lissewege. Deze eilandjes zijn intussen sterk begroeid en broedongeschikt geworden voor de soort. De aantalsontwikkelingen van Kluut in de Zoekzones met de belangrijkste compenstie-inrichtingen (Z1, Z4 en Z8) wordt getoond in Figuur 28. In de Achterhaven van Zeebrugge kende de soort een opleving in 2014, als gevolg van de tijdelijke aanwezigheid van geschikt habitat binnen de werfzones.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 78 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Foto 14.

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Kluut Achterhaven Zeebrugge 6 2 0 Z1 - Klemskerke - Vlissegem 2 2 4 Z2 - Palingpot 0 1 1 Z3 - Vijfwege 0 1 4 Z4 - Pompje 8 11 10 Z5 - Paddegat 0 0 0 Z6 - Ettelgem 0 0 0 Z7 - Kwetshage 0 0 0 Z8 - Dudzeelse Polder 1 1 3 Z9 - Put van Vlissegem / Eendenkooi Lissewege 0 0 0 Z10 - bis 128 184 153 overige oppervlakte van het studiegebied 8 9 8 Totaal 153 211 183

2009

2008

2007

Aantallen van Kluut tussen 2006 en 2020 in de Achterhaven van Zeebrugge, in de verschillende Zoekzones van het studiegebied en in de overige oppervlakte van het studiegebied buiten de Zoekzones. 2006

Tabel 18.

0 4 1 3 20 0 0 0 0 0 120 9 157

0 5 1 2 19 0 0 0 1 0 97 8 133

7 19 0 0 22 0 0 0 13 5 103 10 179

7 20 0 1 27 0 0 0 16 12 96 4 183

3 7 0 1 19 0 0 1 15 3 101 5 155

29 13 0 1 27 0 0 0 10 7 107 3 197

8 20 0 1 29 0 1 3 27 3 83 7 182

14 23 0 0 38 0 4 2 24 4 89 5 203

9 33 0 0 39 0 4 0 5 0 65 2 157

3 13 1 0 53 0 1 1 1 0 64 4 141

1 10 0 0 37 0 2 2 3 0 55 1 110

3 32 0 0 45 0 1 1 1 1 52 6 141

Kluut.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 79 van 144


Zwartkopmeeuw In Z9 Eendekooi Lissewege werden sporadisch territoria van Zwartkopmeeuw vastgesteld tussen broedende Kokmeeuwen. Dat was het geval in 2013, 2014, 2019 en 2020 met respectievelijk 3, 1, 2, 1 territoria. In Z4 Pompje werd in 2020 voor het eerst een territorium vastgesteld tussen de broedende Kokmeeuwen in een recent als hpr* + da ingericht perceel.

Visdief Twee Zoekzones waren tussen 2006 en 2020 belangrijk voor de vestiging van Visdieven: Zoekzone Z4 Pompje en de Eendekooi van Wenduine in Zoekzone Z10bis. In Zoekzone Z9 Eendenkooi van Lissewege werden sporadisch heel lage aantallen aangetroffen. In de Eendenkooi van Wenduine lokaliseerde de kolonie zich op de net aangelegde eilandjes voor de inrichting als rietland. In 2014 werden hier maximaal 45 nesten geteld (Tabel 19), maar de soort is daar inmiddels verdwenen. In Zoekzone Z4 Pompje vestigde zich een kleine kolonie Visdieven in 2018 van 13 broedparen op een als zilt grasland ingericht perceel. Intussen lopen ook daar de aantallen terug. In een aantal andere Zoekzones werd her en der sporadisch een broedgeval vastgesteld. In de Achterhaven van Zeebrugge werd een kleine kolonie gevestigd binnen een werfzone met tijdelijk geschikt habitat tussen 2011 en 2017 met een een maximum van 30 nesten in 2013.

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 4 0 4

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 6 0 6

4 0 0 0 0 0 0 0 0 1 2 0 7

11 30 21 18 6 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 1 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 0 0 0 1 0 0 0 1 0 4 2 0 0 0 4 26 45 0 1 0 0 0 0 0 19 58 67 19 10

3 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 3

0 0 0 0 0 0 0 0 13 12 0 0 1 0 0 0 0 0 1 1 7 0 0 0 22 13

2020

0 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 0 1

2019

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 1

2018

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 1

2017

2012

2016

2011

2015

2010

2014

2009

2013

2008

Visdief Achterhaven Zeebrugge Z1 - Klemskerke - Vlissegem Z2 - Palingpot Z3 - Vijfwege Z4 - Pompje Z5 - Paddegat Z6 - Ettelgem Z7 - Kwetshage Z8 - Dudzeelse Polder Z9 - Put van Vlissegem / Eendenkooi Lissewege Z10 - bis overige oppervlakte van het studiegebied Totaal

2007

Aantallen van Visdief tussen 2006 en 2020 in de Achterhaven van Zeebrugge, in de verschillende Zoekzones van het studiegebied en in de overige oppervlakte van het studiegebied buiten de Zoekzones. 2006

Tabel 19.

0 0 0 0 6 0 0 1 0 1 0 0 8

Velduil Een eerste territorium Velduil voor het studiegebied sinds de start van de monitoring in 2006, werd in 2020 vastgesteld in de Uitkerkese Polder, Zoekzone Z10bis.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 80 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


IJsvogel IJsvogel komt niet jaarlijks in erg lage aantallen voor in het studiegebied. Sinds 2006 werd sporadisch een territorium vastgesteld in een aantal Zoekzones. Zoekzone Z5 paddegat blijkt daarbij de belangrijkste Zoekzone met territoria in 7 van de 15 onderzoeksjaren. Zoekzone Z4 Pompje telt sinds 2016 een territorium. Blauwborst Blauwborst kent een sterke stijging in het volledige studiegebied, een trend die nagenoeg in elke Zoekzone merkbaar is (Tabel 20). In de Zoekzones met de belangrijkste compensatieinrichtingen (Zoekzones Z1, Z4 en Z8) liggend de densiteiten in Zoekzone Z8 Dudzeelse Polder het hoogst (Figuur 28). Ook in de Achterhaven van Zeebrugge nam de soort lange tijd toe. Sinds 2015 liggend de aantallen er een stuk lager.

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Blauwborst Achterhaven Zeebrugge 18 Z1 - Klemskerke - Vlissegem 8 Z2 - Palingpot 1 Z3 - Vijfwege 2 Z4 - Pompje 3 Z5 - Paddegat 3 Z6 - Ettelgem 0 Z7 - Kwetshage 1 Z8 - Dudzeelse Polder 11 Z9 - Put van Vlissegem / Eendenkooi Lissewege 0 Z10 - bis 58 overige oppervlakte van het studiegebied 39 Totaal 143

2007

Aantallen van Blauwborst tussen 2006 en 2020 in de Achterhaven van Zeebrugge, in de verschillende Zoekzones van het studiegebied en in de overige oppervlakte van het studiegebied buiten de Zoekzones. 2006

Tabel 20.

29 12 1 1 8 3 0 2 12 1 83 75 227

17 12 0 2 12 2 2 1 15 0 75 69 207

18 11 1 3 13 1 0 1 18 1 85 76 228

23 17 2 3 11 5 0 0 21 1 119 107 310

26 23 1 1 14 7 0 5 25 1 136 126 365

33 14 3 2 13 6 3 12 26 2 134 117 364

33 26 3 5 11 9 1 8 19 1 117 108 341

30 19 2 3 16 7 3 4 22 2 165 140 413

32 20 2 3 21 5 2 6 25 2 156 127 401

39 20 4 5 17 4 2 5 21 2 149 141 408

26 20 2 1 16 9 1 9 18 2 152 139 395

27 26 2 1 14 7 1 7 19 1 143 125 373

24 21 1 1 14 8 1 8 22 0 143 114 357

16 19 2 4 19 12 5 6 24 2 180 136 426

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 81 van 144


Foto 15.

Wijfje Blauwborst met voedsel voor jongen in de Dudzeelse Polder.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 82 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Roerdomp Achterhaven Zeebrugge Z1 - Klemskerke Vlissegem

0,2

Z4 - Pompje Z8 - Dudzeelse Polder

0,1

overige oppervlakte van het Studiegebied

Z1 - Klemskerke Vlissegem

0,6

Z4 - Pompje

0,4

Z8 - Dudzeelse Polder

0,2

overige oppervlakte van het Studiegebied

Z1 - Klemskerke Vlissegem

1,2

Z4 - Pompje

0,8

Z8 - Dudzeelse Polder

0,4

overige oppervlakte van het Studiegebied

Densiteit (aantal/100 hectare)

1,6

2020

2018

Achterhaven Zeebrugge

16

Z1 - Klemskerke Vlissegem

12

Z4 - Pompje

8

Z8 - Dudzeelse Polder

4

overige oppervlakte van het Studiegebied

Visdief

5

Achterhaven Zeebrugge

4

Z1 - Klemskerke Vlissegem Z4 - Pompje

3 2

Z8 - Dudzeelse Polder

1

overige oppervlakte van het Studiegebied

2020

2018

2016

Achterhaven Zeebrugge

16

Z1 - Klemskerke Vlissegem

12

Z4 - Pompje

8

Z8 - Dudzeelse Polder

4

overige oppervlakte van het Studiegebied

Figuur 28.

2020

2018

2016

2014

2012

2010

2008

2006

2020

2018

2016

2014

2012

2010

2008

0

2006

0

2014

2012

2010

Blauwborst

20 Densiteit (aantal/100 hectare)

6

2008

2006

2020

2018

2016

2014

2012

2010

2008

0

2006

0

2016

Kluut

20 Achterhaven Zeebrugge

2014

2012

2010

2008

2006

2020

2018

2016

2014

2012

2010

2008

Steltkluut

2 Densiteit (aantal/100 hectare)

Achterhaven Zeebrugge

0,8

0

2006

0

Densiteit (aantal/100 hectare)

Bruine kiekendief

1 Densiteit (aantal/100 hectare)

Densiteit (aantal/100 hectare)

0,3

Dichtheden van een aantal vogelsoorten waarvoor IHD’s werden opgesteld in de Achterhaven van Zeebrugge, in 3 Zoekzones met het grootste aandeel aan compensatieoppervlakte en in de overige oppervlate van het studiegebied tussen 2006 en 2020.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 83 van 144


7.6.2

Overwinterende vogels

De geselecteerde soorten zijn soorten waarvoor specifieke doelen werden geformuleerd voor het Vogelrichtlijngebied SBZ-V ‘Poldercomplex’ (zie Bijlage 4), dat integraal deel uitmaakt van het studiegebied.

Blauwe kiekendief De telling van deze soort vergt een specifieke telmethode die sterk afwijkt van de maandelijkse watervogeltellingen. Exacte, gestandaardiseerde aantallen zijn niet beschikbaar. Via www.waarnemingen.be en best professional judgment van gebiedsexperten kan worden gesteld dat er elke winter meerdere exemplaren aanwezig zijn in het studiegebied.

Goudplevier De algemene tendens van de seizoensgemiddelden van Goudplevier over de verschillende onderzoeksjaren voor alle Zoekzones samen is negatief (Figuur 29). Het hoogste seizoensgemiddelde bedraagt 1193 en werd tijdens de winter 2008 behaald (Tabel 21). Tijdens de winter 2012 werd met 71 het laagste seizoensgemiddelde opgetekend. Het seizoensgemiddelde tijdens de winter 2020 bedraagt 174 en is het op één na laagste sinds 2006. Sinds de winter 2006 zijn Zoekzones Z3 Vijfwege, Z4 Pompje, Z8 Dudzeelse Polder + Achterhaven en Z10bis de belangrijkste Zoekzones voor de Goudplevier (Tabel 21). De hoogste seizoensgemiddelden werden behaald in de grootste Zoekzone, Zoekzone Z10bis, waar de Uitkerkse Polder integraal deel van uitmaakt. De waarden voor Z8 zijn inmiddels sterk teruggedrongen (0 in de winter en 2019 en 2020).

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Goudplevier Z1 - Klemskerke - Vlissegem Z2 - Palingpot Z3 - Vijfwege Z4 - Pompje Z5 - Paddegat Z6 - Ettelgem Z7 - Kwetshage Z8 - Dudzeelse Polder + Achterhaven Zeebrugge Z9 - Put van Vlissegem / Eendenkooi Ter Doest Z10 - bis Totaal

2007

Seizoensgemiddelden van Goudplevier voor de verschillende Zoekzones voor de winters 2006 – 2019. Winter 2006 = winter 2005/06, winter 2007 = winter 2006/07 etc. 2006

Tabel 21.

85 0 1 231 0 0 0

9 0 0 7 8 1 0

0 0 8 26 0 0 0

0 0 0 102 0 0 0

0 0 0 115 0 0 0

0 0 55 15 0 0 0

6 0 0 4 0 0 0

0 0 5 9 0 0 0

0 0 3 3 0 0 0

0 0 3 75 0 0 0

0 0 24 13 0 0 0

0 0 3 19 1 0 0

10 20 60 23 0 0 2

3 0 5 108 0 0 1

8

299

657

375

97

109

32

26

0

233

145

112

59

5

0

1 25 28 0 0 0 0

0

67

0

0

0

0

0

0

0

0

17

0

0

0

0

462 1078

396 1145

784 1193

799 998

247 471

514 616

35 71

610 624

307 546

183 406

142 308

238 320

268 388

82 199

112 174

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 84 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Grote zilverreiger Tot de winter 2010 bedroeg het seizoengemiddelde voor Grote zilverreiger voor alle Zoekzones samen maximum 1. Daarna trad een opvallende stijging op met een maximaal seizoensgemiddelde in de winter 2020 van 34. De algemene tendens over de verschillende onderzoeksjaren is duidelijk positief (Figuur 29). In de winter 2020 bedroeg het seizoensgemiddelde voor de meeste Zoekzones minimaal 1, behalve in Z2 Palingpot en Z8 Dudzeelse Polder + Achterhaven. De hoogste seizoensgemiddelde werden steevast behaald in Zoekzone Z10bis, dat was in de winter 2020 niet anders (Tabel 22).

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Grote Zilverreiger Z1 - Klemskerke - Vlissegem Z2 - Palingpot Z3 - Vijfwege Z4 - Pompje Z5 - Paddegat Z6 - Ettelgem Z7 - Kwetshage Z8 - Dudzeelse Polder + Achterhaven Zeebrugge Z9 - Put van Vlissegem / Eendenkooi Ter Doest Z10 - bis Totaal

2007

Seizoensgemiddelden van Grote zilverreiger voor de verschillende Zoekzones voor de winters 2006 – 2019. Winter 2006 = winter 2005/06, winter 2007 = winter 2006/07 etc. 2006

Tabel 22.

0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 1 0 1

0 0 0 0 0 1 1

0 0 0 2 1 0 1

0 0 0 5 0 0 1

2 1 0 3 0 0 1

1 1 1 1 1 1 1

4 0 1 4 1 3 1

0

0

0

0

0

0

0

1

1

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

1

1 1

0 0

0 0

1 1

1 1

4 4

3 3

4 5

5 8

6 8

6 10

7 13

11 18

8 15

34

19

Kemphaan De algemene tendens van de seizoensgemiddelden van Kemphaan over de verschillende onderzoeksjaren voor alle Zoekzones samen is negatief (Figuur 29). De hoogste aantallen werden behaald tijdens de winter 2009 (seizoensgemiddelde 244), de laagste aantallen werden in de winter 2013 opgetekend (seizoensgemiddelde 8). Het seizoensgemiddelde voor de winter 2020 lag met 56 laag. Sinds de winter 2006 zijn Zoekzones Z4 Pompje, Z8 Dudzeelse Polder + Achterhaven en Z10bis de belangrijkste voor de Kemphaan (Tabel 21). De hoogste seizoensgemiddelden werden tot de winter 2014 steevast behaald in Zoekzone Z10bis, maar sindsdien worden de hoogste seizoensgemiddelden in Z4 gehaald. De waarden voor Z8 zijn inmiddels sterk teruggedrongen (4 in 2020).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 85 van 144


2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Kemphaan Z1 - Klemskerke - Vlissegem Z2 - Palingpot Z3 - Vijfwege Z4 - Pompje Z5 - Paddegat Z6 - Ettelgem Z7 - Kwetshage Z8 - Dudzeelse Polder + Achterhaven Zeebrugge Z9 - Put van Vlissegem / Eendenkooi Ter Doest Z10 - bis Totaal

2007

Seizoensgemiddelden van Kemphaan voor de verschillende Zoekzones voor de winters 2006 – 2019. Winter 2006 = winter 2005/06, winter 2007 = winter 2006/07 etc. 2006

Tabel 23.

6 0 2 3 1 1 0

14 0 0 2 0 0 0

1 0 2 7 0 1 0

2 0 0 11 0 0 0

0 0 0 1 0 0 0

1 0 0 12 0 0 0

1 0 3 2 2 8 1

0 0 0 1 0 0 0

2 0 0 21 2 8 0

1 0 0 18 0 0 0

1 0 0 25 0 0 0

3 0 1 28 0 7 0

10 0 4 84 0 0 0

5 1 0 88 0 0 0

0 0 0 48 0 0 3

139

31

58

41

17

7

7

3

27

10

10

11

8

4

4

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

91 243

38 85

53 122

190 244

8 26

52 72

3 27

4 8

53 113

15 44

24 60

16 66

67 173

21 119

56

1

Kleine rietgans We wensen in de eerste plaats Eckhart Kuijcken en Christine Verscheure te bedanken voor het aanleveren van gegevens tot de winter 2019. Zonder hun bijdrage was het niet mogelijk geweest op Zoekzone-niveau over Kleine rietgans te rapporteren. Kleine rietgans kent over de verschillende onderzoeksjaren voor alle Zoekzones samen een negatieve tendens (Figuur 29). Het hoogste seizoensgemiddelde bedraagt 7319 en werd behaald tijdens de winter 2010, het laagste seizoensgemiddelde bedraagt 2808 en dateert van de winter 2012. Met een seizoensgemiddelde van 3379 in de winter 2019 zit men onder het gemiddelde. Over alle onderzoeksjaren is de cluster van Zoekzones 1, 2, 3 en 4 en voornamelijk Zoekzone Z10bis de belangrijkste voor Kleine rietgans (Tabel 24).

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Kleine Rietgans Z1-Z2-Z3-Z4 Z5-Z6-Z7 Z8 Z9 Z10bis Totaal voor Zoekzones

2007

Seizoensgemiddelden van Kleine rietgans voor de verschillende Zoekzones voor de winters 2006 – 2019. Winter 2006 = winter 2005/06, winter 2007 = winter 2006/07 etc. 2006

Tabel 24.

790 967 0 368 2706 4831

1642 0 0 98 2565 4305

2712 330 0 0 3242 6284

2205 0 8 0 2792 5005

2865 1028 1 40 3385 7319

1371 125 0 16 2073 3585

1023 0 0 14 1771 2808

864 116 11 0 1881 2872

1732 712 1 0 1402 3847

1440 144 8 111 2071 3774

744 101 13 22 1354 2234

987 364 1 10 2012 3374

1076 147 9 106 2883 4221

1455 37 3 280 1604 3379

Kolgans Ook hier wensen we in de eerste plaats Eckhart Kuijcken en Christine Verscheure te bedanken voor het aanleveren van hun gegevens tot en met de winter 2019. Kolgans kent over de verschillende onderzoeksjaren binnen het ganse studiegebied een positieve tendens (Figuur 29). Het hoogste seizoensgemiddelde bedraagt 11133 en werd

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 86 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


behaald tijdens de winter 2016, het laagste seizoensgemiddelde bedraagt 5687 en dateert van de winter 2009. Met een seizoensgemiddelde van 8862 in de winter 2019 zit men net boven het gemiddelde. Over alle onderzoeksjaren is de cluster van Zoekzones 1, 2, 3 en 4 en voornamelijk Zoekzone Z10bis de belangrijkste voor Kolgans (Tabel 25).

2013

2014

806 3 217 0 4661 5687

1180 186 328 95 5197 6986

1450 656 392 28 6913 9439

1776 38 1185 8 5195 8202

1653 108 64 0 6371 8196

2296 8 14 0 6215 8533

1501 2183 1750 3 34 117 472 349 14 2 0 0 6749 8567 7797 8727 11133 9678

2019

2012

1190 16 186 0 7168 8560

2018

2011

988 0 24 1 5955 6968

2017

2010

1535 72 142 0 7537 9286

2016

2009

2015

2008

Kolgans Z1-Z2-Z3-Z4 Z5-Z6-Z7 Z8 Z9 Z10bis Totaal voor Zoekzones

2007

Seizoensgemiddelden van Kolgans voor de verschillende Zoekzones voor de winters 2006 – 2019. Winter 2006 = winter 2005/06, winter 2007 = winter 2006/07 etc. 2006

Tabel 25.

1175 10 5 0 7056 8246

1481 117 27 0 7237 8862

Pijlstaart De algemene tendens van de seizoensgemiddelden van Pijlstaart over de verschillende onderzoeksjaren binnen het ganse studiegebied is negatief (Figuur 29). De hoogste aantallen werden in de winter 2006 opgetekend met een seizoensgemiddelde van 95 voor alle Zoekzones samen. Het laagste aantal werd opgetekend in de winter 2015 met een seizoensgemiddelde van 44. Het seizoensgemiddelde voor de winter 2020 bedraagt 62 (Tabel 26). Veruit de belangrijkste Zoekzone over de verschillende onderzoeksjaren was Z8 Dudzeelse Polder + Achterhaven, waar de aantallen sinds 2011 sterk zijn teruggedrongen (Tabel 26). In Zoekzone Z10bis zijn de aantallen sinds de winter 2011 dermate toegenomen dat het inmiddels de belangrijkste Zoekzone is voor Pijlstaart. Andere Zoekzones zijn veel minder van belang voor de soort.

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Pijlstaart Z1 - Klemskerke - Vlissegem Z2 - Palingpot Z3 - Vijfwege Z4 - Pompje Z5 - Paddegat Z6 - Ettelgem Z7 - Kwetshage Z8 - Dudzeelse Polder + Achterhaven Zeebrugge Z9 - Put van Vlissegem / Eendenkooi Ter Doest Z10 - bis Totaal

2007

Seizoensgemiddelden van Pijlstaart voor de verschillende Zoekzones voor de winters 2006 – 2019. Winter 2006 = winter 2005/06, winter 2007 = winter 2006/07 etc. 2006

Tabel 26.

1 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0

1 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0

1 0 0 1 0 0 0

1 0 0 1 1 0 0

0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 2 0 0 0

0 0 0 3 0 0 0

0 0 0 4 0 0 0

0 0 0 2 0 0 0

3 0 0 7 0 0 0

0 0 0 5 0 0 0

2 0 0 2 0 0 0

76

69

48

72

61

26

35

29

20

28

20

10

21

13

23

1

0

0

1

0

1

0

1

0

0

0

1

2

0

0

17 95

16 85

8 57

10 83

9 70

41 70

17 55

27 57

32 54

13 44

41 65

35 48

43 76

36 54

62

35

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 87 van 144


Slobeend De algemene tendens van de seizoensgemiddelden van Slobeend over de verschillende onderzoeksjaren voor alle Zoekzones samen is positief (Figuur 29). Tussen 2006 en 2012 kende de soort een duidelijke afname, maar sindsdien worden beduidend hogere aantallen opgetekend. In de winter 2020 werd een seizoensgemiddelde van 380 behaald. Aanvankelijk was Zoekzone Z8 Dudzeelse Polder + Achterhaven de belangrijkste Zoekzone (Tabel 27). De aantallen in deze Zoekzone zijn intussen sterk afgenomen. Tegenwoordig is Zoekzone Z10bis de belangrijkste Zoekzone. In deze Zoekzone is een stijgende tendens merkbaar. In de Zoekzones Z1 Klemskerke – Vlissegem, Z4 Pompje en Z7 Kwetshage worden sinds enige jaren duidelijk positieve trends opgemeten.

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Slobeend Z1 - Klemskerke - Vlissegem Z2 - Palingpot Z3 - Vijfwege Z4 - Pompje Z5 - Paddegat Z6 - Ettelgem Z7 - Kwetshage Z8 - Dudzeelse Polder + Achterhaven Zeebrugge Z9 - Put van Vlissegem / Eendenkooi Ter Doest Z10 - bis Totaal

2007

Seizoensgemiddelden van Slobeend voor de verschillende Zoekzones voor de winters 2006 – 2019. Winter 2006 = winter 2005/06, winter 2007 = winter 2006/07 etc. 2006

Tabel 27.

2 0 6 2 0 1 0

6 0 0 6 2 0 0

3 0 2 1 1 0 1

5 0 2 1 0 0 0

2 0 3 8 1 0 0

3 0 1 14 1 0 0

3 0 1 10 1 0 2

9 0 1 17 0 0 1

16 0 1 47 3 1 8

12 0 2 34 3 1 8

37 0 1 32 8 1 7

10 0 0 26 3 3 8

24 0 2 76 3 0 11

13 0 1 33 1 3 27

32 0 0 58 0 3 23

164

199

126

75

57

38

33

23

71

56

38

15

9

9

14

11

6

20

14

5

13

6

9

13

18

18

22

33

16

12

125 311

173 392

166 320

196 293

108 184

206 276

105 161

159 219

213 373

161 295

259 401

193 280

287 445

195 298

380

238

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 88 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Smient De algemene tendens van de seizoensgemiddelden van Smient over de verschillende onderzoeksjaren voor alle Zoekzones samen, is negatief (Figuur 29). Tijdens de winter 2010 werd met 13967 het hoogste seizoensgemiddelde opgetekend. Het laagste seizoensgemiddelde bedraagt 6952 en werd in de winter 2015 behaald. Zoekzone Z10bis is over alle onderzoekjaren veruit de belangrijkste Zoekzone voor Smient (Tabel 28). Het belang van Zoekzone Z8 Dudzeelse Polder + Achterhaven wordt over de ganse tijdsreeks steeds minder, maar kent in de laatste twee winters telkens een toename.

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Smient Z1 - Klemskerke - Vlissegem Z2 - Palingpot Z3 - Vijfwege Z4 - Pompje Z5 - Paddegat Z6 - Ettelgem Z7 - Kwetshage Z8 - Dudzeelse Polder + Achterhaven Zeebrugge Z9 - Put van Vlissegem / Eendenkooi Ter Doest Z10 - bis Totaal

2007

Seizoensgemiddelden van Smient voor de verschillende Zoekzones voor de winters 2006 – 2019. Winter 2006 = winter 2005/06, winter 2007 = winter 2006/07 etc. 2006

Tabel 28.

187 0 138 20 116 5 82

356 0 16 59 151 26 79

266 0 7 56 64 32 163

209 0 39 75 32 14 93

139 0 152 195 66 35 135

400 0 34 526 116 7 388

180 0 40 308 90 71 164

394 0 47 259 109 39 215

341 0 31 373 138 94 345

560 0 20 586 124 73 118

502 0 27 349 126 85 95

275 0 16 402 94 56 98

380 20 7 365 51 87 122

253 3 36 356 38 36 212

265 4 27 337 32 84 369

3118

2285

2132

1313

2403

1945

1890

1330

1339

1032

909

828

716

884

915

275

98

260

815

1751

350

67

6552 5346 8053 6286 9091 7737 4435 10493 8416 11033 8876 13967 11503 7245

94

143

67

52

96

283

36

84

5217 7704

6086 8890

4372 6952

6750 8895

5333 7198

6659 8690

4335 6189

4185

6302

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 89 van 144


Wulp De trend van de seizoensgemiddelden voor alle Zoekzones samen is sinds 2006 licht positief. In de winter 2011 werd het hoogste seizoensgemiddelde van 2179 behaald, het laagste seizoengemiddelde bedraagt 817 en werd in de winter 2017 vastgesteld. Het seizoensgemiddelde voor de winter 2020 bedraagt 1775 (Tabel 29). Zoekzone Z10bis is veruit de belangrijkste Zoekzone voor de Wulp. De seizoensgemiddelden in Zoekzone Z4 – Pompje zijn de laatste jaren duidelijk gestegen (Tabel 29).

Foto 16.

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Wulp Z1 - Klemskerke - Vlissegem Z2 - Palingpot Z3 - Vijfwege Z4 - Pompje Z5 - Paddegat Z6 - Ettelgem Z7 - Kwetshage Z8 - Dudzeelse Polder + Achterhaven Zeebrugge Z9 - Put van Vlissegem / Eendenkooi Ter Doest Z10 - bis Totaal

2007

Seizoensgemiddelden van Wulp voor de verschillende Zoekzones voor de winters 2006 – 2019. Winter 2006 = winter 2005/06, winter 2007 = winter 2006/07 etc. 2006

Tabel 29.

81 0 8 51 5 25 1

23 0 10 61 5 19 4

81 0 1 73 0 2 0

21 0 2 98 1 3 1

27 0 4 80 1 10 1

85 0 25 263 1 2 17

84 0 2 170 4 3 20

82 35 5 86 0 2 5

55 0 13 99 3 4 8

112 0 9 82 0 3 5

28 0 7 213 8 0 2

105 0 5 84 3 3 7

112 0 1 174 21 1 21

74 0 8 103 5 4 27

88 1 1 194 0 0 23

105

127

80

100

197

282

236

110

81

107

160

59

175

69

97

0

0

0

0

8

10

3

0

5

0

0

0

0

0

0

827 1103

1203 1452

1139 1376

805 1031

736 1064

1494 2179

688 1210

1176 1501

1223 1491

754 1072

1211 1629

551 817

1333 1838

773 1063

1775

1371

Een groep overwinterende watervogels.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 90 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Goudplevier

Grote zilverreiger

1400

R² = 0,90

20

1200 15 1000 800

10 R² = 0,69

600

5

400 200

0 2006

0 2006

2008

2010

2012

2014

2016

2018

2020

2008

2010

2012

2014

2016

2018

2020

-5

Kemphaan

Kleine rietgans

300

8000 7000

250

6000 200

R² = 0,10

150

R² = 0,30

5000 4000 3000

100

2000 50

1000

0 2006

2008

2010

2012

2014

2016

Kolgans

2018

2020

R² = 0,19

12000 10000 8000 6000 4000 2000 0 2006

2008

2010

2012

2014

2016

Slobeend 500 450 400 350 300 250 200 150 100 50 0 2006

2018

2020

R² = 0,08

0 2006

2008

2010

2012

2014

2016

2018

2020

Pijlstaart 100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0 2006

R² = 0,33

2008

2010

2012

2014

2016

2018

2020

Smient 16000 14000 R² = 0,39

12000 10000 8000 6000 4000 2000 2008

2010

2012

2014

2016

2018

2020

0 2006

2008

2010

2012

2014

2016

2018

2020

Wulp 2500

R² = 0,02

2000 1500 1000 500 0 2006

Figuur 29.

2008

2010

2012

2014

2016

2018

2020

Het verloop van het totaal van de seizoensgemiddelden voor alle Zoekzones per winter. 2006 = winter 2006/07, 2007 = winter 2006/07 etc.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 91 van 144


7.7 MONITORING VAN HYDROLOGIE IN INGERICHTE PERCELEN TER COMPENSATIE VAN DE ACHTERHAVEN VAN ZEEBRUGGE Jan De Bie

7.7.1 Inleiding

In de volgende Zoekzones dient een hydrologische monitoring te worden uitgevoerd, teneinde de uitgevoerde natuurcompensaties te kunnen evalueren naar hun effectiviteit. a) Z4 Pompje: een eerste fase van de natuurcompensaties werd opgeleverd op 11/09/2009, een tweede fase op 18/10/2011, een derde fase (geen natuurcompensaties s.s.) op 30/10/2014 en een vierde fase werd uitgevoerd in het najaar van 2017. b) Z8 Dudzeelse Polders: natuurcompensaties werden opgeleverd op 21/09/2011 c) Z9 Eendenkooi Lissewege: natuurcompensaties opgeleverd op 15/12/2009. d) Z7 Kwetshage: op heden werden binnen dit zoekgebied nog geen natuurcompensatiewerken voor de Achterhaven van Zeebrugge uitgevoerd, wel werden er natuurcompensatiewerken voor de A11 uitgevoerd, namelijk de afbraak van de spookbrug en de aanleg van een waterplas op deze locatie, deze werken werden opgeleverd in het voorjaar van 2013. e) Z1 Klemskerke-Vlissegem (incl. Put van Vlissegem): Een eerste fase van de natuurcompensatiewerken werd opgeleverd op 29/10/2009, een tweede fase eind 2019. f) Z10bis Eendenkooi Wenduine: de natuurcompensaties in de Eendenkooi van Wenduine werden opgeleverd op 13/03/2013. Monitoring moet bevestigen of door de inrichtingswerken in deze Zoekzones de doelstelling van de compensatiematrix wordt gerealiseerd en of de voorziene oppervlakten van de te realiseren habitats kunnen werden gehaald. Een belangrijk onderdeel van de monitoring is de opvolging van de hydrologische condities na de inrichtingswerken, of deze evolutie binnen de verwachtingen ligt en hoe deze hydrologische condities een invloed hebben op de ontwikkeling van de vegetatie of het voorkomen van avifauna. Voor de hydrologische monitoring wordt een onderscheid gemaakt tussen de monitoring van oppervlaktewaterpeilen en van grondwaterpeilen. Het oppervlaktewaterpeil wordt gestuurd door de inrichtingsmaatregel van opstuwing. De monitoring van het oppervlaktewaterpeil geeft in deze zin de mogelijkheid om na te gaan in hoeverre de gehanteerde stuwpeilen de verwachte oppervlaktewaterpeilen geven. Anderzijds heeft de opstuwing van het oppervlaktewaterpeil tot doel om het grondwaterpeil te verhogen. Door metingen van zowel oppervlaktewaterpeil als grondwaterpeil kan worden nagegaan in hoeverre het grondwaterpeil op het gewijzigde oppervlaktewaterpeil reageert. Zowel oppervlaktewaterpeil als grondwaterpeil hebben een determinerende invloed op de vegetatie-

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 92 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


ontwikkeling. Het oppervlaktewaterpeil is hierbij vooral rechtstreeks determinerend door de periode gedurende welke inundatie optreedt. Onrechtstreeks is er invloed op het grondwaterpeil. Het grondwaterpeil is vooral een determinerende parameter bij de vegetatieontwikkeling door grondwatertoestand in voorjaar en zomer. Binnen de huidige monitoringsopdracht wordt, verdeeld over de verschillende Zoekzones, een netwerk van ca. 37 peilbuizen voorzien van divers (die een continue meetreeks genereren van de stijghoogte in de peilbuis) en onderhouden. Tevens worden binnen de zoekzones sporadisch geleidbaarheidsmetingen uitgevoerd die een beeld gegeven van de saliniteit van het grond- en of oppervlaktewater. Het huidig jaarverslag (2019-2020) is als volgt opgedeeld. In een eerste hoofdstuk worden voor de binnen de natuurcompensaties na te streven habitats de hydrologische randvoorwaarden, zoals deze terug te vinden zijn in de literatuur, opgelijst. In een tweede hoofdstuk worden per Zoekzone de reeds beschikbare monitoringsresultaten besproken. Hierbij wordt (per Zoekzone) gestart met een korte beschrijving van de hydrologische inrichting van het gebied. Daarna volgt een beschrijving van het monitoringsnetwerk (oppervlakte- en grondwater) voor de Zoekzone. Vervolgens worden de meetresultaten voor de beschikbare meetperiode besproken (zijnde de volledige periode na inrichting en het jaar 2019 afzonderlijk) en worden waar mogelijk de resultaten van de inrichting op de hydrologische parameters geëvalueerd. Per Zoekzone wordt tenslotte geëvalueerd of de hydrologische randvoorwaarden van de na te streven habitats worden gehaald.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 93 van 144


7.7.2 Bespreking per Zoekzone

7.7.2.1

Z4 Pompje

7.7.2.1.1

Beschrijving hydrologische inrichting

(Bijlage 6) ’t Pompje bestaat uit laaggelegen, uitgebrikte gronden met een maaiveldpeil dat grosso modo gelegen is tussen 1,7 en 2,1 m TAW. De naastgelegen Schorreweide bestaat uit uitgeveende gronden die nog iets lager gelegen zijn (met maaiveldpeilen tussen 1,55 m TAW en 2,1 m TAW). Beide gebieden maken deel uit van de Zoekzone Z4 Pompje en werden ingericht in de periode 2008 – 2011 met als doelstellingen rietmoeras en zilt grasland. De Zoekzone ’t Pompje ligt binnen het bemalingsgebied De Steger van de Nieuwe Polder van Blankenberge. De waterlopen in de omgeving van ‘t Pompje, die in open verbinding staan met dit pompgemaal, zijn de waterlopen WO.3A.9.1, WO.3A.11 en het Noordgeleed (WO.3A). Deze waterlopen hebben een oppervlaktewaterpeil dat schommelt rond 1,3 m TAW. Het Pompje zelf werd in de jaren ‘80 geïsoleerd van het bemalingsgebied De Steger in het kader van de ruilverkaveling Paddegat en opgestuwd. De centrale waterloop in ’t Pompje is de waterloop WO.3A.10. Deze watert af via een stuw op het Noordgeleed. In het kader van de natuurcompensaties werd het stuwpeil van ’t Pompje WO.3A.11 in 2009 verhoogd van 1,65 m TAW naar 1,9 m TAW jaarrond. Daarnaast werd een pompgemaal voorzien dat (in de zomerperiode) water vanuit het Noordgeleed ‘t Pompje inpompt van zodra het oppervlaktewaterpeil in ’t Pompje onder de 1,7 m TAW zakt. Deze peilaanpassing (gecombineerd met de grootschalig uitgevoerde graafwerken) zorgen ervoor dat belangrijke delen van ’t Pompje tijdens winter en voorjaar geïnundeerd zijn en in de loop van voorjaar/zomer droogvallen. De Schorreweide behield bij de natuurcompensaties zijn vroegere oppervlaktewaterpeilbeheer met een stuwpeil van 1,65 m TAW en bevloeiing vanuit de Noordede (via WO.3A.11.2A.1), dit omwille van zijn lagere ligging en zijn reeds interessante zilte vegetaties. Hiervoor werd het peilvak van Pompje en Schorreweide van elkaar gescheiden en kreeg de Schorreweide een nieuwe afwatering via de waterloop WO.3A.11.2A richting noorden, waar ze via een nieuwe klepstuw afwatert op de waterloop WO.3A.11. Zowel in ’t Pompje als de Schorreweide zijn in het kader van de natuurcompensaties aanzienlijke oppervlakten afgegraven. Concluderend kan gesteld worden dat de inrichting centraal in ’t Pompje bestond uit grote vlakvormige afgravingen gecombineerd met volgende waterpeilwijziging i.f.v. de uitbreiding van rietmoeras (mr) en zilt grasland (hpr* + da): -

winter: +25 cm (met grote geïnundeerde delen) zomer: +15 cm (met droogval)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 94 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


In de Schorreweide en de noordelijk gelegen percelen van ’t Pompje bestond de inrichting enkel uit afgravingen en werd geen waterpeilaanpassing doorgevoerd. De inrichting van deze zones was gericht op de uitbreiding van zilt grasland (hpr* + da). In de periode 2014-2015 werden in ’t Pompje bijkomende werken uitgevoerd in het kader van het project RESTORE: in 2014 werden rond het centrale rietveld van ’t Pompje ondiepe waterpartijen uitgegraven i.f.v. bijkomende ontwikkelingsmogelijkheden voor rietmoeras. In 2015 werd ter hoogte van de waterinlaat van ’t Pompje (net achter de bevloeiingspomp) een inlaatzuivering (in de vorm van een percolatierietveld) aangelegd. In het najaar van 2017 tenslotte kreeg het opstuwingsgebied van ‘t Pompje een uitbreiding van ca. 5,5 ha in zuidoostelijke richting. Hierbij werd de waterloop WO.3.A.9, die voorheen in open verbinding met het Noordgeleed stond, afgedamd en aangesloten op de waterloop WO.3.A.10. In deze zone werd bijkomend een grootschalige afgraving uitgevoerd. Tevens werd de stuw van het opstuwingsgebied ’t Pompje rond deze periode verder met 10 cm verhoogd tot 2,0 m TAW.

7.7.2.1.2

Netwerk monitoring hydrologie

(Bijlage 6) In onderstaande tabel 3 worden de weerhouden en nieuw geplaatste peilbuizen en meetpunten voor oppervlaktewater vermeld die in de monitoring na inrichting opgevolgd worden. Al deze locaties met uitzondering van PJES201X werden van een diver voorzien. Het meetpunt PJES201X is het meetpunt waarmee de bevloeiingspomp wordt aangestuurd. In onderstaande tabel 3 wordt tevens vermeld binnen welk doelhabitat de peilbuizen staan. Tabel 30.

Lokalisatie van de peilbuizen in ’t Pompje – Schorreweide.

Watina peilbuis nr.

Type

Hoogte Coörd TAW MV Lambert (m) Oost

Coörd Lambert Noord

Start metingen

Filter top Filter TAW (m) basis TAW (m)

Doelhabitat

PJEP001X

Piëzometer

1,87

56533,375

211842,41

29/04/2004

1,22

0,22

mr

PJEP005X

Piëzometer

1,99

56707,75

211938,63

1/10/2009

1,27

0,27

mr

PJEP006X

Piëzometer

1,78

56289,11

212141,56

1/10/2009

1,08

0,08

hpr* + da

PJEP007X

Piëzometer

1,44

56358,3

212281,36

1/10/2009

1,04

0,04

hpr* + da

PJEP008X

Piëzometer

2,15

56693,41

211609,22

19/12/2017

0,95

-0,05

hpr* + da

PJES201X

oppervlakte

-

56471,58

211413,95

29/04/2004

-

-

-

PJES204X

oppervlakte

-

56510,32

211832

1/10/2009

-

-

mr / hpr* + da

SWEP001X

Piëzometer

1,99

57390,965

212634,12

29/04/2004

1,08

0,08

hpr* + da

SWES201X

oppervlakte

-

57101,745

212378,98

29/04/2004

-

-

hpr* + da

PJES204X en SWES201X zijn oppervlaktewatermeetpunten. PJES204X werd door de VMM opgenomen in haar waterkwaliteitsmeetnet (als meetpunt VMM-869140). De VMM heeft

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 95 van 144


daarnaast tevens 2 oppervlaktewaterkwaliteitsmeetpunten net buiten ’t Pompje (VMM869120 en VMM-869160). PJEP001X, PJEP005X, PJEP006X en PJEP008X zijn grondwatermeetpunten binnen het peilvak van ’t Pompje (zone met peilverhoging). PJEP008X werd pas in het najaar van 2017 geplaatst binnen de meest recentste uitbreiding van deze opstuwingszone. SWEP001X is een grondwatermeetpunt binnen het peilvak van de Schorreweide (zone zonder peilverhoging) en PJEP007X is een grondwatermeetpunt in een zone met zware afgravingen en zonder opstuwing. PJEP001X en SWEP001X zijn beide grondwatermeetpunten die weerhouden zijn uit het oude netwerk en dus dienstig zijn om de periode voor en na inrichting met elkaar te vergelijken. De overige zijn grondwatermeetpunten geplaatst na inrichting, waarbij de toestand voor inrichting niet gekend is. 7.7.2.1.3

Meetresultaten na inrichting (2010 t.e.m. 2019)

a) Oppervlaktewaterpeilen In het peilvak ’t Pompje (doelstelling mr en hpr* + da) halen de oppervlaktewaterstanden gemiddeld ieder jaar gedurende 4 à 5 maanden waarden boven het stuwpeil van 1,9 m TAW, dit tijdens de periode eind november tot begin april. Vanaf begin april zakken de oppervlaktewaterstanden uit. Vanaf halfweg mei à begin juni is de oppervlaktewaterstand van 1,7 m TAW bereikt en wordt water het Pompje ingepompt vanuit het Noordgeleed. In 2014-2015 werden de werken voor het project Restore uitgevoerd zodat in die jaren niet gepompt kon worden en de oppervlaktewaterstanden in ’t Pompje dieper uitzakten dan 1,7 m TAW. Vanaf het jaar 2016 werd omwille van de verminderde bevloeiingsdebieten - de inlaatzuivering beperkt het bevloeiingsdebiet - een nieuwe vorm van bevloeiing ingesteld, waarbij reeds vroeger (vanaf een peil van 1,85 m TAW) wordt bevloeid, evenwel met kleinere debieten. Vanaf de winter van 2017-2018 werd het stuwpeil van het peilvak ’t Pompje nogmaals met 10 cm verhoogd tot ca. 2,0 m TAW. Hierdoor worden tot midden juni waterpeilen boven 1,9 m TAW gehaald. Het jaar 2019 werd voor wat betreft neerslag gekenmerkt door een normale winter, een (matig) droge lente en zomer en een normale herfst (beoordeling gebaseerd op de SPI – index voor het neerslagstation Klemskerke). Het verhogen van het stuwpeil tot 2,0 m TAW had een sterk merkbaar effect op de oppervlaktewaterpeilen in ’t Pompje: tot begin mei werd een oppervlaktewaterpeil opgemeten van 2,0 m TAW. Einde juni bedroeg het oppervlaktewaterpeil nog 1,9 m TAW om vanaf begin juli weg te zakken tot een minimumpeil van ca. 1,6 m TAW eind september. In het peilvak van de Schorreweide (doelstelling hpr* + da) zien we oppervlaktewaterpeilen die gemiddeld schommelen rond 1,65 à 1,7 m TAW. In momenten van bevloeiing vanuit de Noordede (droge perioden) blijven de peilen mooi boven het stuwpeil. Tijdens neerslagperioden wordt het peil van de Noordede tijdelijk lager getrokken en zien we ter hoogte van de Schorreweide sterke schommelingen met tijdelijk lagere peilen tot minimaal 1,3 m TAW. Dit wordt veroorzaakt door wegstromen van water richting Noordede (omgekeerd wegvloeien via het bevloeiingskanaal WO.3A.11.2A.1). De extreme minimum-peilen (lager dan 1,5 m TAW) komen sinds 2015 echter niet meer voor.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 96 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Voor het jaar 2019 schommelden de oppervlaktewaterpeilen in de Schorreweide tijdens de winter tussen 1,6 m TAW (droog weer) en 1,8 m TAW (piekpeilen bij regenweer). Tijdens de lente en zomer bleef het oppervlaktewaterpeil stabiel boven de 1,7 m TAW.

Figuur 30.

Oppervlaktewaterpeilen in de Zoekzone Z4 Pompje in de periode 2010 t.e.m. 2019.

b) Grondwaterpeilen Tabel 31 geeft de grondwaterparameters weer van de peilbuizen voor de jaren 2010 t.e.m. 2019 (= periode van 10 jaar). GLG, GG, GVG en GHG zijn respectievelijk de gemiddelde laagste grondwaterstand, gemiddelde grondwaterstand, de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (begin april) en de gemiddelde hoogste grondwaterstand. Figuur 31 geeft de duurlijnen weer voor deze peilbuizen en Figuur 32 het grondwaterstandsverloop gedurende deze 9 jaar. Voor de zone van het rietmoeras (doelstelling mr) (PJEP001X en PJEP005X) zien we wintergrondwaterstanden iets boven 1,95 m TAW, voorjaarsgrondwaterstanden van ca. 1,90 m TAW en zomergrondwaterstanden van 1,10 à 1,25 m TAW. Voor de noordelijke zone van ’t Pompje (doelstelling hpr* + da) met zware afgravingen valt het min of meer evenwijdige duurlijnverloop op tussen de peilbuis in de opstuwingszone (PJEP006X met winterpeilen van ca. 2,0 m TAW) en deze erbuiten (PJEP007X met winterpeilen van 1,7 m TAW). Beide peilbuizen zijn geplaatst op een locatie met een maaiveldniveau van ca. 20 à 25 cm onder het lokale afwateringsniveau. Dit afwaterings- of opstuwingsniveau ligt enkel ca. 25 cm hoger in ’t Pompje dan in het perceel met peilbuis PJEP007X.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 97 van 144


De Schorreweide (doelstelling hpr* + da) heeft een gelijkaardig opstuwingsniveau als het perceel van peilbuis PJEP007X (dat ca. 25 cm lager ligt dan dat van ’t Pompje), maar is wat hoger gelegen. Hier worden veruit de laagste zomergrondwaterstanden gemeten. Tabel 31.

Grondwaterstandskarakteristieken van de peilbuizen in ’t Pompje – Schorreweide o.b.v. statistiek jaren 2010 t.e.m. 2019 (PJEP008X enkel o.b.v. het jaar 2019).

grondwaterpeilen pompje en schorreweide o.b.v. statistiek jaren 2010 t.e.m. 2019 MV GLG m TAW 1,87 1,99 1,78 1,44 2,15 2

PJEP001X PJEP005X PJEP006X PJEP007X PJEP008X SWEP001A

Figuur 31.

GG 1,09 1,25 1,49 1,33 1,44 0,82

GVG m TAW 1,73 1,74 1,83 1,58 1,82 1,45

GHG 1,92 1,90 1,98 1,65 1,95 1,63

GLG 1,98 1,97 2,03 1,71 2,04 1,77

GG -0,78 -0,74 -0,29 -0,11 -0,71 -1,18

GVG GHG m-mv -0,14 0,05 0,11 -0,25 -0,09 -0,02 0,05 0,20 0,25 0,14 0,21 0,27 -0,33 -0,20 -0,11 -0,55 -0,37 -0,23

Gemiddelde duurlijnen voor de peilbuizen PJEP001X, PJEP005X, PJEP006X, PJEP007X en SWEP001A voor de periode 2010 t.e.m. 2019 en duurlijn voor PJEP008X o.b.v. het jaar 2019.

Zoals hierboven reeds gesteld, werd het stuwpeil van het peilvak ’t Pompje de laatste 2 jaar (2018 en 2019) verhoogd tot 2,0 m TAW. Na het droge jaar 2018, kenmerkte het jaar 2019 zich vervolgens door een normale winter, een (matig) droge lente en zomer en een normale herfst. Bijgevolg zien we in Figuur 31 dat de winter-grondwaterpeilen van de peilbuizen binnen het peilvak ’t Pompje ook dit jaar ca. 10 cm hoger liggen dan in de jaren voorafgaand aan 2018. De hogere grondwaterstanden hielden opnieuw relatief lang aan om daarna iets minder lage grondwaterstanden te bereiken dan in de jaren 2017-2018.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 98 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 32.

Grondwaterstanden van de peilbuizen PJEP001X, PJEP005X, PJEP006X, PJEP007X en SWEP001A gedurende de jaren 2010 t.e.m. 2019.

c) Evaluatie effect inrichting op waterpeilen Zoals hierboven gesteld zijn zowel in ’t Pompje (doelstelling mr en hpr* + da te verwezenlijken via vernatting en afgravingen) als de Schorreweide (doelstelling hpr* + da enkel via afgravingen te verwezenlijken) telkens 1 peilbuis van het oorspronkelijke net weerhouden (PJEP001X en SWEP001A) ter evaluatie van de inrichting. Ter evaluatie van de inrichting worden in onderstaande Figuur 33 voor beide peilbuizen de maandgemiddelde grondwaterstanden weergegeven voor en na inrichting. De figuur geeft duidelijk de vernatting weer die in het grondwater is bereikt door de verhoogde oppervlaktewaterpeilen in ‘t Pompje. In de Schorreweide is de situatie voor en na nagenoeg dezelfde gebleven. Een zelfde beeld wordt verkregen als naar de wijziging van grondwaterstandskarakteristieken voor (2004 t.e.m. 2009) en na (2010 t.e.m. 2019) inrichting wordt gekeken (zie tabel 5). In de Schorreweide zien we een lichte daling van de gemiddelde grondwaterstanden (- 3 cm) en een lichte stijging van de voorjaarsgrondwaterstand (+ 4 cm). In ’t Pompje zien we een duidelijke stijging van zowel de gemiddelde grondwaterstanden (+ 20 cm) als van de voorjaarsgrondwaterstanden (+ 28 cm).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 99 van 144


Waar in de Schorreweide voor de GLG een daling van ca. 8 cm te zien is (omwille van klimatologische redenen), zien we voor het ’t Pompje een stijging van 2 cm ondanks de drogere zomers van de laatste jaren.

maandgemiddelde grondwaterstanden in 't Pompje en Schorreweide 200 190 180

cm TAW

170 160 150 140 130 120 110 100 1

3

5

7

9

11

Maand PJEP001X (2009-2015)

SWEP001A (2009-2015)

PJEP001X (2004-2009)

SWEP001A (2004-2009)

Figuur 33.

Maandgemiddelde grondwaterstanden in ’t Pompje en de Schorreweide voor (2004-2009) en na (2009-2015) inrichting.

Tabel 32.

Wijziging in grondwaterstandskarakteristieken tussen de periodes 2004-2009 en de periode 2010 t.e.m. 2019. Een positieve waarde is een stijging van de grondwaterstand, een negatieve waarde is een daling.

Verschil voor en na opstuwing mv PJEP001X SWEP001A

Δ GLG Δ GG Δ GVG Δ GHG m 1,87 0,02 0,20 0,28 0,15 2 -0,08 -0,03 0,04 0,07

d) Saliniteit In en rondom ’t Pompje wordt de saliniteit van het oppervlaktewater op 3 VMM-meetpunten maandelijks gemeten (zie kaart 1). Meetpunt 869140 ligt binnen ’t Pompje (op een quasi identieke locatie als het VLM-meetpunt PJES204X), meetpunten 869120 en 869160 liggen ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 100 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


buiten ’t Pompje. In Figuur 34 worden zowel de geleidbaarheidsmetingen voor het oppervlaktewater van ’t Pompje weergegeven van zowel de VMM als van de VLM (meetpunten PJES204X en SWES201A). Het effect van het isoleren van ’t Pompje en het verhogen van de oppervlaktewaterstanden door ophouden van regenwater in de winter is duidelijk zichtbaar in de geleidbaarheden en chloridewaarden van het oppervlaktewater. In het oppervlaktewater van ’t Pompje liggen de Chloridewaarden tijdens winter en voorjaar tussen 300 mg/l en 500 mg/l (of geleidbaarheden tussen ca. 1.200 en 2.000 µS/cm = klasse ‘zwak brak’) en pieken deze tijdens de zomer naar waarden tot 1.000 mg/l Cl à 1.500 mg/l (of geleidbaarheden tot ca. 4.000 µS/cm à 6.000 µS/cm = ‘licht brak’). Voor de omgeving rond het ’t Pompje (incl. Schorreweide) schommelen de Chloridewaarden tussen de 500 mg/l en 2.500 mg/l (of geleidbaarheden tussen ca. 2.000 en 10.000 µS/cm zijnde de klassen ‘zwak brak’ en ‘licht brak’ tijdens zomer).

Figuur 34.

Saliniteit (uitgedrukt als geleidbaarheid in µS/cm) van het oppervlaktewater in en rond ’t Pompje en omgeving voor de periode 2013 t.e.m. 2019.

De saliniteit van het ondiep grondwater (ca. 1,5 m onder maaiveld) in ’t Pompje en de Schorreweide wordt sinds de zomer van 2016 opgemeten (zie Figuur 35). Voor de metingen tijdens zomer en najaar worden gelijkaardige waarden opgemeten. De hoogste geleidbaarheid wordt opgemeten in de Schorreweide (25.000 à 30.000 µS/cm of klasse ‘matig brak’). Daarna volgen de twee peilbuizen in het centrale rietveld (PJEP001X en PJEP005X) met waarden tussen 10.000 en 15.000 µS/cm (eveneens klasse ‘matig brak’). De peilbuis PJEP007X heeft een saliniteit die schommelt rond de 5.000 µS/cm (klassen ‘licht brak’) en de peilbuis PJEPX006X een saliniteit (2.000 à 3.000 µS/cm of klasse ‘zwak brak’) die gelijkaardig is als deze van het oppervlaktewater in ’t Pompje. De laagten waarin deze peilbuizen zich bevinden, vallen dan ook niet zo vaak droog. Bij droogval krijgt men in beide peilbuizen geleidbaarheden gelijkaardig aan deze van PJEP001X. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 101 van 144


Tijdens de winter zien we dat de saliniteit van al deze peilbuizen verlaagt tot waarden onder de 5.000 mg/l ten gevolge van het indringen van regen- en oppervlaktewater in het bodemprofiel.

Figuur 35.

Geleidbaarheden (µS/cm) van het ondiep grondwater (op 1,5 m diepte) en het oppervlaktewater in ’t Pompje en de Schorreweide voor de periode 2016 t.e.m. 2019.

e) Conclusies betreffende standplaatsvereisten van de doelhabitats mr: Binnen de zone met als doelvegetatie rietmoeras voldoen de locaties met een maaiveldhoogte lager dan 1,80 m TAW aan de standplaatsvereisten voor rietland. De locaties met een maaiveldhoogte tussen 1,80 en 1,7 m TAW zijn tijdens de winter en voorjaar geïnundeerd en vallen droog tegen het begin van de zomer, de locaties tussen 1,7 en 1,5 m TAW zijn geschikt voor permanent in water staand riet. De locaties met een maaiveldpeil hoger dan 1,80 m TAW zijn te droog voor rietmoeras. Verder blijken de grondwaterstanden bij het uitblijven van bevloeiing of op die locaties wat verder weg van de watergangen in de zomer vrij ver weg te zakken. Het oppervlaktewater in het rietveld is zwak brak en stijgt tijdelijk wat tijdens drogere zomermaanden. Het grondwater onder het rietveld is matig brak, maar wordt onderdrukt door het oppervlaktewater. De saliniteit ligt gedurende het hele jaar binnen de marges voor rietmoeras. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 102 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


hpr* + da: In de Schorreweide en de noordelijke (niet opgestuwde) zone van ’t Pompje hebben die locaties met een maaiveldhoogte gelegen tussen 1,65 en 1,85 TAW geschikte standplaatskenmerken voor zilt grasland, al lijken de zomergrondwaterstanden op die locaties wat verder weg van de bevloeiingsgrachten wat te diep uit te zakken. De saliniteiten van grondwater (matig brak) en oppervlaktewater (net licht brak) blijken te voldoen voor zilt grasland. In het opgestuwde deel van ’t Pompje wordt de band met geschikte standplaatsvereisten heel smal (nl. een smalle band rond een hoogteligging van ca. 1,85 m TAW) en zijn de chloridegehaltes van het oppervlaktewater te laag (slechts zwak brak water) voor zilt grasland. De saliniteit van het grondwater lijkt wel overeen te komen met het optimum van de meeste associaties (matig brak) van zilt grasland.

7.7.2.2

Z8 Dudzeelse polder

7.7.2.2.1

Beschrijving hydrologische inrichting

(Bijlage 7) De Dudzeelse Polder vormt met een maaiveldpeil van 2,5 m (laagste uitgeveende gronden) tot 3,5 m TAW (kreekruggronden) een laag gelegen poldergebied omgeven door hoger gelegen havengebieden: de opgespoten haventerreinen liggen op een maaiveldpeil van 6 m TAW, het Boudewijnkanaal en de havendokken hebben een waterpeil van 3,5 m TAW (en bevatten zout water). Ten gevolge hiervan is de Dudzeelse Polder één van de meest zilte gebieden van de Vlaamse kustpolders. De Dudzeelse Polder werd ingericht in de periode 2010-2011 met als doelstelling de creatie van 80 ha (extra) zilt grasland (doelstelling hpr* + da). De Dudzeelse Polder ligt in het stroomgebied van de Ronselaerebeek in de Oostkustpolder. De Dudzeelse Polder watert af via de Bardelenhuisbeek (WH.6.3.6) en de waterloop (WH.6.3.6.1) onder de havenrandweg richting Eivoordebeek. Bij de inrichting in 2010-2011 is de Dudzeelse Polder opgedeeld in twee peilvakken. Het peilvak Bardelenhuisbeek (WH.6.3.6) wordt jaarrond opgestuwd op een (stuw)peil van 2,4 m TAW door een nieuwe klepstuw. Het peilvak Vaneweg (waterloop WH.6.3.6.1) wordt jaarrond opgestuwd op een stuwpeil van 2,6 m TAW door een nieuwe schotbalkstuw. Gedurende het voorjaar en de zomer wordt de Dudzeelse Polder bevloeid met zoet water (afkomstig uit het kanaal Gent-Brugge-Oostende) vanuit de Zijdelingse Vaart (WH.6.3.6). De inrichting van het gebied is zo gebeurd dat ieder begrazingsblok minimaal aan één waterloop grenst, die doorspoeld wordt met zoet(er) water. Afwaarts de Dudzeelse Polder is op de Bardelenhuisbeek een meetpunt (ZEES007X) opgericht om het zoutgehalte en het peil van de bevloeide waterlopen te kunnen opvolgen. Op dit punt is het water dat de Dudzeelse Polder instroomt al heel sterk beladen met zouten (omwille van de zilte kwel in de Dudzeelse Polder) en is er sprake van (matig) brak water. Grosso modo kan er gesteld worden dat het oppervlaktewaterpeilregime in de Dudzeelse Polder als volgt is aangepast bij de inrichting in 2010: ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 103 van 144


Tabel 33.

Peilbeheer in de Dudzeelse Polder voor en na inrichting.

Stuwpeil voor peilaanpassing

Bardelenhuisbeek noord 2,4 m TAW 2,2 m TAW * Bardelenhuisbeek (noord + zuid) 2,4 m TAW 2,4 m TAW

Zomer (april – oktober) Winter (november-maart) Stuwpeil na Peilaanpassing Zomer (april-oktober) Winter (november-maart)

Bardelenhuisbeek zuid

Vaneweg

2,2 m TAW * 2,2 m TAW *

2,6 m TAW 2,6 m TAW Vaneweg 2,6 m TAW 2,6 m TAW

Opmerking (*): vrije afwatering: stuwpeil bepaald via slootbodems en duikers. 7.7.2.2.2

Netwerk hydrologie

(Bijlage 7) In Tabel 34 worden de grondwaterpeilbuizen en oppervlaktewatermeetpunten vermeld die in de monitoring na inrichting opgevolgd worden. De eerste 4 peilbuizen zijn geplaatst in 2005 en kunnen gebruikt worden om de toestand na inrichting te vergelijken met de toestand voor inrichting. De overige peilbuizen zijn kort voor inrichting geplaatst en kunnen enkel gebruikt worden voor het monitoren van de toestand na inrichting. Wat betreft de grondwatermeetpunten dient onderscheid gemaakt te worden tussen de ondiepe piëzometers (geplaatst in bovenste klei-veen-zand pakket op een diepte van ongeveer 1,5 m onder maaiveld) en de diepere peilbuizen (geplaatst in de top van de onderliggende zandlaag op ongeveer 4,5 m onder maaiveld). Deze diepere peilbuizen zijn telkens in de onmiddellijke omgeving van een ondiepe peilbuis geplaatst om opwaartse grondwaterstroming te kunnen opvolgen. Bij ieder peilbuisdoublet is telkens bijkomend een heel ondiepe filter geplaatst (0 tot 50 cm onder maaiveld), waar (indien er grondwater wordt aangetroffen) het zoutgehalte wordt gemeten.

Tabel 34.

Lokalisatie van de peilbuizen in de Dudzeelse Polder.

Watina peilbuis nr.

Type

Hoogte Coörd TAW MV Lambert (m) Oost

Coörd Lambert Noord

Start metingen

Filter TAW

2,88

68884,32

222381,96

13/05/2005

2,18

1,88

2,67

69183,11

221033,67

13/05/2005

1,52

1,22

3,29

69672,86

220817,02

13/05/2005

1,50

1,00

2,64

69921,3

220751,52

13/05/2005

0,94

0,64

Top Filter Basis TAW

Piëzometer ZEEP001X Ondiep Piëzometer ZEEP003X Ondiep Piëzometer ZEEP004X Ondiep Piëzometer ZEEP005X Ondiep

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 104 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Piëzometer ZEEP011X

Diep

2,58

69544,98

221379,88

29/10/2009

-0,38

-1,38

2,60

69544,68

221380,99

29/10/2009

2,1

1,1

2,70

69182,58

221031,39

29/10/2009

-2,3

-1,3

2,62

69921,93

220749,48

29/10/2009

-1,97

-0,97

2,61

69726,14

220668,69

29/10/2009

-2,13

-1,13

2,63

69725,98

220669,23

29/10/2009

1,63

2,63

Piëzometer ZEEP012X

ondiep Piëzometer

ZEEP014X

Diep Piëzometer

ZEEP016X

Diep Piëzometer

ZEEP018X

Diep Piëzometer

ZEEP019X

Ondiep Piëzometer

ZEEP021X

Diep

2,69

69246,51

220120,84

29/10/2009

-1,75

-0,75

ZEEP022X

Piëzometer ondiep

2,69

69246,31

220121,57

29/10/2009

0,89

1,89

Piëzometer ZEEP024X

Diep

2,51

69823,71

220299,58

29/10/2009

-2,13

-1,13

ZEEP025X

Piëzometer ondiep

2,51

69823,68

220300,10

29/10/2009

1,51

2,51

ZEES001X

Oppervlakte water

-

69972

220735

2005

-

-

ZEES005X

Oppervlakte water

-

69408

220975

2010

-

-

ZEES006X

Oppervlakte water

-

69715

219658

2010

-

-

ZEES007X

Oppervlakte water

-

70170

219945

2010

-

-

ZEES001X, ZEES005X, ZEES006X en ZEES007X zijn oppervlaktewatermeetpunten, waarbij op het laatste meetpunt ook de saliniteit continu wordt opgemeten.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 105 van 144


7.7.2.2.3

Meetresultaten na inrichting (2011 t.e.m. 2019)

a) Oppervlaktewaterpeilen In het peilvak Bardelenhuisbeek heeft het stuwpeil van 2,4 m TAW geleid tot een gemiddeld oppervlaktewaterpeil van ca. 2,49 m TAW (over de jaren 2012 t.e.m. 2019) centraal in de Dudzeelse Polder. Gedurende de winterperiodes worden geregeld hogere peilen opgemeten en wordt in uitzonderlijk geval de stuw tijdelijk naar beneden gehaald. In het najaar van 2019 werden een tweetal piekwaarden boven 2,65 m TAW gehaald. Het hoogste peil betrof een waarde van 2,75 m TAW op 29/11. In het najaar van 2019 werd de stuw op de Bardelenhuisbeek tussen 27/11 en de jaarwisseling zo goed als permanent verlaagd. In het peilvak Vaneweg halen we op 500 m opwaarts de schotbalkstuw een gemiddeld oppervlaktewaterpeil van 2,75 m TAW. Sinds 2016 is een verhoging van de oppervlaktewaterpeilen in dit peilvak zichtbaar. Het jaar 2019 werd voor wat betreft neerslag gekenmerkt door een normale winter, een matig droge lente, een matig tot zeer droge zomer en een normale herfst (beoordeling gebaseerd op de SPI – index voor het neerslagstation Dudzele). Voor dit jaar liggen de oppervlaktewaterpeilen in het peilvak Bardelenhuisbeek in lijn met de vorige jaren. In het najaar van 2019 werd de stuw op de Bardelenhuisbeek vanaf 27/11 wel quasi permanent verlaagd. Men lijkt hierbij richting 3 standen voor de stuw te evolueren (2,4 m, 2,3 m en 2,2 m TAW). Voor het peilvak Vaneweg lijken de peilen van het laatste jaar eveneens in lijn te liggen met de vorige jaren.

Figuur 36.

Oppervlaktewaterpeilen in de Dudzeelse Polder voor de jaren 2015 t.e.m. 2019.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 106 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


b) Grondwaterpeilen Onderstaande Tabel 35 geeft de grondwaterparameters weer van de peilbuizen opgevolgd in de periode 2011 tot en met 2019. GLG, GG, GVG en GHG zijn respectievelijk de gemiddelde laagste grondwaterstand, gemiddelde grondwaterstand, gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (begin april) en de gemiddelde hoogste grondwaterstand. Onderscheid is gemaakt tussen de ondiepe peilbuizen (ca. 1,5 m onder maaiveld in het kleiveen-zandpakket), waarvan de parameters in het zwart en het vet zijn aangeduid en de diepe peilbuizen (ca. 4,5 m onder maaiveld in de top van de zandige watervoerende laag onder het klei-veen-zandpakket), waarvan de parameters in het bruin zijn aangeduid. De diepe peilbuizen zijn in de tabel onmiddellijk onder de ondiepe peilbuizen, waarmee ze in doublet staan, geplaatst. Alle peilbuisdoubletten zijn in relatief laag gelegen zilte vegetaties geplaatst (doelstelling hpr + da). Figuur 36 geeft de duurlijnen voor de ondiepe peilbuizen in de Dudzeelse Polder. Op basis van de diepe peilbuizen kan afgeleid worden dat de grondwaterstroming in de watervoerende zandlaag onder het klei-veen-zandpakket voornamelijk oostwaarts en deels zuidwaarts gaat. In de westelijke gelegen diepe peilbuizen relatief dicht tegen het Boudewijnkanaal worden namelijk grondwaterdrukken gemeten van ca. 3 m TAW, in de noordoostelijke diepe peilbuis een grondwaterdruk van ca. 2,85 m TAW en in de centraal oostelijke diepe peilbuizen grondwaterdruk van ca. 2,7 m TAW à 2,6 m TAW. Alle locaties hebben te maken met een duidelijke opwaarts grondwaterstroming of zilte kwel. De jaargemiddelde grondwaterdrukken in de watervoerende zandlaag (onder het kleiveenpakket) liggen op alle locaties namelijk duidelijk hoger dan deze in de ondiepe peilbuizen en daarenboven ook hoger dan het maaiveld. De zilte kwel is duidelijk meetbaar en is ook zichtbaar in de opgemeten grondwaterstanden van de ondiepe peilbuizen. Hoogste grondwaterstanden liggen hier overal boven of aan het maaiveld, de voorjaarsgrondwaterstanden enkele tot 20 cm onder maaiveld en de gemiddelde laagste grondwaterstanden zakken niet verder weg dan 25 tot 60 cm onder maaiveld. Dit wordt ook duidelijk weergegeven door de duurlijnen in Figuur 36.

Tabel 35.

Grondwaterkarakteristieken van de peilbuizen in de Dudzeelse Polder. Ondiepe peilbuizen zijn in het zwart aangeduid, diepe peilbuizen in het bruin. Onder de ondiepe peilbuis wordt in voorkomend geval steeds de bijhorende diepe peilbuis weergegeven. grondwaterparameters 2011 t.e.m. 2019

ZEEP001X ZEEP003X ZEEP014X ZEEP005X ZEEP016X ZEEP012X ZEEP011X ZEEP019X ZEEP018X ZEEP022X ZEEP021X ZEEP025X ZEEP024X

GLG maaiveld (m TAW) 2,88 2,67 2,70 2,64 2,62 2,60 2,58 2,63 2,61 2,69 2,69 2,51 2,51

GG

GVG

GHG

GLG

GG

GVG

m TAW 2,42 2,07 2,79 2,27 2,50 2,32 2,61 2,22 2,45 2,61 2,75 2,26 2,37

GHG m-mv

2,72 2,52 2,99 2,58 2,77 2,57 2,85 2,49 2,71 2,82 3,03 2,49 2,61

2,76 2,53 2,95 2,59 2,80 2,57 2,88 2,45 2,71 2,85 3,12 2,49 2,65

2,84 2,71 3,15 2,75 2,97 2,71 3,00 2,69 2,88 2,90 3,22 2,64 2,82

-0,46 -0,60 0,09 -0,37 -0,12 -0,28 0,03 -0,41 -0,16 -0,08 0,06 -0,25 -0,14

-0,16 -0,15 0,29 -0,06 0,15 -0,03 0,27 -0,14 0,10 0,13 0,34 -0,02 0,10

-0,12 -0,14 0,25 -0,05 0,18 -0,03 0,30 -0,18 0,10 0,16 0,43 -0,02 0,14

-0,04 0,04 0,45 0,11 0,35 0,11 0,42 0,06 0,27 0,21 0,53 0,13 0,31

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 107 van 144


Figuur 37.

Duurlijnen voor de peilbuizen ZEEP003X, ZEEP005X, ZEEP012X, ZEEP019X, ZEEP022X en ZEEP025X.

c) Evaluatie effect inrichting op waterpeilen Gezien de grote veranderingen en werkzaamheden in het havengebied onmiddellijk ten (noord-)oosten van de Dudzeelse Polder, kunnen veranderingen in grondwaterkarakteristieken niet of moeilijk toegewezen worden aan de beperkte aanpassingen aan het peilbeheer in de Dudzeelse Polder. De peilbuizen ZEEP003X en ZEEP005X liggen beide in die zone van de Dudzeelse Polder waar het oppervlaktewaterpeil in de winter met 20 cm is gestegen, in de zomer is het oppervlaktewaterpeil in deze zone gelijk gebleven. De oorzaak voor de relatief grote stijging van de zomergrondwaterstanden voor deze twee peilbuizen kon niet exact achterhaald worden, maar heeft waarschijnlijk te maken met grondwaterbemaling in de periode voor 2010. In ieder geval lijkt zich een wijziging in de goede zin (voor de doelvegetatie hpr + da) voorgedaan te hebben: namelijk een stijging van de zomergrondwaterstand, waarbij deze in een geschikte grootteorde ligt voor zilte vegetaties.

Tabel 36.

Veranderingen in grondwaterkarakteristieken van de Dudzeelse Polder voor en na inrichting o.b.v. grondwaterkarakteristieken voor (2005 t.e.m. 2009) en na (2011 t.e.m. 2018) inrichting.

GLG

GG

mv (m TAW) 2,88 2,67 2,64

ZEEP001X ZEEP003X ZEEP005X

gemiddelde

-0,03 0,13 0,16 0,09

GVG GHG verschil (m) -0,01 -0,01 -0,02 0,06 -0,02 0,05 0,07 0,00 0,05 0,04 -0,01 0,03

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 108 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


d) Saliniteit In het grondwater van de Dudzeelse Polder worden ten gevolge van de sterke kweldruk heel hoge zoutgehaltes gemeten tot heel ondiep onder het maaiveld. In de ondiepe peilbuizen (ca. 1,5 m onder maaiveld en zwart aangeduid in Tabel 37 ligt de conductiviteit tussen ca. 34.000 en 44.000 µS/cm. Noordzeewater heeft ter vergelijking een conductiviteit van 47.000 µS/cm. We hebben hier dus te maken met sterk brak tot zout ondiep grondwater. Net onder het maaiveld (0 tot 50 cm onder maaiveld, blauw aangeduid in Tabel 37 zijn de gemiddelde waarden gelijk of zelfs nog iets hoger dan in de ondiepe peilbuis. De meeste meetlocaties hebben alle vrij gelijkaardige en relatief stabiele meetresultaten gelegen tussen ca. 34.000 en 44.000 µS/cm. In de ondiepere peilbuizen (op ca. 1,5 m onder maaiveld en zeker ondieper dan 0,5 m onder maaiveld) zie je tijdens droge periodes de geleidbaarheid stijgen ten gevolge van verdamping en capillaire opstijging. Omgekeerd zie je tijdens de winter weinig verdunning ten gevolge van neerslag (en dus lagere geleidbaarheden), dit omwille van de sterke kweldruk. Wat wel opvalt is dat deze meest ondiepe peilbuizen na de droge zomers van 2017, 2018 en 2019 geleidelijk aan frequenter droogvielen en daardoor in het najaar wat verzoeten (door meer indringend regenwater). In de Dudzeelse Polder is er echter één peilbuisdoublet waar tussen 2013 en 2019 opvallende wijzigingen zichtbaar zijn, zijnde het peilbuisdoublet ZEEP011X – ZEEP012X. Sinds 2014 was hier een daling ingezet, waarbij in de jaren 2016-2017 een minimum werd opgetekend van ca. 12.500 µS/cm voor de ondiepe peilbuis ZEEP012X en ca. 30.000 µS/cm voor de diepere peilbuis ZEEP011X. In 2017 stijgen de waarden van peilbuis ZEEP012X echter weer tot ca. 34.000 µS/cm in 2019. De diepere peilbuis ZEEP011X zakt lichtjes aan tot ca. 30.000 µS/cm in 2019.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 109 van 144


Tabel 37.

Jaargemiddelde gemeten conductiviteit (µS/cm) van het grondwater in de Dudzeelse Polder op basis van maandelijkse geleidbaarheidsmetingen gedurende de periode 2013 t.e.m. 2019. Diepe peilbuizen (ca. 4,5 m onder maaiveld) zijn aangeduid in bruin, ondiepe peilbuizen (ca. 1,5 m onder maaiveld) in het zwart en maaiveldmetingen (0 tot 0,5 m onder maaiveld) in het blauw. Peilbuizen zijn per meetlocatie gegroepeerd.

peilbuisnr.

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

ZEEP014

40.715

38.867

39.002

40.338

42.193

39.183

37.650

ZEEP003

43.703

40.605

41.268

37.754

43.428

33.502

33.909

ZEEP015

42.659

44.176

52.292

42.169

41.721

36.167

-

ZEEP021

40.411

39.666

39.653

40.817

41.024

39.321

40.117

ZEEP022

41.258

39.381

39.933

41.667

41.083

39.704

44.857

ZEEP023

42.131

40.285

45.315

48.395

52.931

36.631

-

ZEEP011

41.055

38.124

33.084

31.568

31.374

36.255

29.457

ZEEP012

41.932

37.280

23.553

11.204

13.160

22.813

34.174

ZEEP013

55.039

49.045

52.275

49.298

52.571

31.322

-

ZEEP016

42.249

40.498

40.237

41.342

41.450

33.649

38.427

ZEEP005

42.078

40.398

40.600

44.096

41.567

37.544

36.043

ZEEP017

44.367

39.935

42.463

39.657

43.874

31.376

-

ZEEP018

38.882

38.152

38.271

39.739

38.532

38.414

35.414

ZEEP019

38.761

37.363

38.223

39.197

39.153

36.689

39.048

ZEEP020

42.456

38.281

49.578

38.014

44.153

33.795

ZEEP024

39.062

38.352

37.382

40.250

39.815

39.540

38.918

ZEEP025 ZEEP026

40.873 42.421

39.548 39.074

43.272 46.683

42.263 42.241

42.491 49.950

33.244 28.044

36.704 -

Tabel 38.

Gemeten conductiviteit (µS/cm) ter hoogte van de oppervlaktemeetpunten van de Dudzeelse Polder.

peilbuisnr.

28/07/16

12/10/16

9/01/17

11/04/17

28/07/17

10/01/18

3/10/18

21/02/19

6/01/20

ZEES001X

13.330

9.832

16.610

10.030

10.720

9.469

22.800

18.840

16.470

ZEES005X

7.221

3.721

15.140

6.131

6.934

12.580

8.947

17.490

15.810

1.459

10.650

2.339

2.370

9.469

35.300

34.370

38.730

ZEES006X

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 110 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 38.

Jaargemiddelde geleidbaarheid (µS/cm) van de peilbuizen in de Dudzeelse Polder gedurende de periode 2013 t.e.m. 2019.

De saliniteit van het oppervlaktewater van de Dudzeelse Polder werd continu opgevolgd in het meetpunt ZEES007X (zie Figuur 38) door de Oostkustpolder. Sinds begin 2013 lijkt dit meetpunt echter foutieve waarden te geven. Tevens worden sinds midden 2016 sporadisch ook saliniteiten gemeten ter hoogte van de meetpunten ZEES001X, ZEES005X en ZEES006X (zie Tabel 38). De hier opgemeten waarden liggen in lijn met de meetresultaten van ZEES007X voor januari 2017. Voor de winter 2018-2019 en 2019-2020 worden heel hoge waarden opgemeten t.h.v. de meetlocaties. In het kader van de verziltingsbestrijding (het voorzien van drinkbaar oppervlaktewater voor het vee) worden een aantal waterlopen van de Dudzeelse Polder doorspoeld met zoet water vanuit het kanaal Brugge-Oostende. Op het moment dat dit water de Dudzeelse Polder binnenkomt, heeft water een geleidbaarheid van ongeveer 1.000 à 2.000 µS/cm (zwak tot licht brak). Ter hoogte van het meetpunt ZEES001X op de Bardelenhuisbeek is de geleidbaarheid omwille van de zilte kwel reeds opgelopen tot ca. 10.000 µS/cm (of een chloridegehalte van 3.000 mg/l = matig brak). In (winter-)perioden waarin niet bevloeid wordt en er weinig neerslag valt, piekt de geleidbaarheid op dit meetpunt zelfs tot 20.000 µS/cm.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 111 van 144


Figuur 39.

Saliniteit/geleidbaarheid van het oppervlaktewater in de Bardelenhuisbeek t.h.v. het meetpunt ZEES007 (uitgedrukt in µS/cm).

e) Conclusies betreffende standplaatsvereisten van de doelhabitats hpr* + da: Zowel wat betreft de waterpeilen als wat betreft de chloridegehaltes van oppervlaktewater (matig brak) en grondwater (sterk brak tot zout) hebben de uitgebreide lager gelegen delen van de Dudzeelse Polder (alles lager dan ca. 2,8 à 2,9 m TAW) zeer geschikte standplaatsfactoren voor (zeer) zilte graslanden. In de laagst gelegen in de zomer nog net droogvallende zones (met maaiveldpeilen ca. tussen 2,45 m TAW en 2,6 m TAW) kan de associatie kortarige zeekraal verwacht worden. In de noordoostelijke hoek van de Dudzeelse Polder heeft zich tussen 2013 en eind 2015 in de ondiepe filter een verzoeting doorgezet die zich sinds 2016 lijkt te hebben gestabiliseerd en nadien weer iets lijkt afgenomen. De diepere peilbuis kent hier een licht verzoetende trend.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 112 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


7.7.2.3 7.7.2.3.1

Z9 Eendenkooi Lissewege Beschrijving hydrologische inrichting

( zie Bijlage 8 ) De Eendenkooi Lissewege is een brakke waterplas gelegen aan de linkeroever van het Boudewijnkanaal in het stroomgebied van de Lisseweegse Vaart. Het gebied bestaat uit een gegraven plas van 2,5 ha groot en een aangrenzend perceel rietland van 1,5 ha. Bij de inrichting in 2009 werden plas en rietland (die voordien in open verbinding stonden met een nabijgelegen waterloop WZ1.1.3.1) geïsoleerd van de omliggende waterlopen d.m.v. een nieuwe stuw. Het rietland werd afgegraven en de grond verwerkt in de oevers van de waterplas. 7.7.2.3.2

Netwerk hydrologie

( zie Bijlage 8 ) In Tabel 39 worden de peilbuizen en het oppervlaktewatermeetpunt vermeld die in de monitoring worden opgevolgd. De peilbuizen ZEEP008X en ZEEP009X vormen een peilbuisdoublet, waarbij ZEEP008X de diepe peilbuis vormt en geplaatst is in de watervoerende zandlaag onder het klei-veenpakket. ZEEP009X is de ondiepe peilbuis (ca. 1,5 à 2 m onder maaiveld). ZEES004X is het oppervlaktewatermeetpunt in de plas. In de nabijheid van de Eendenput is in deze Zoekzone eind 2017 de peilbuis ZEEP027X geplaatst in een mogelijks nog in te richten perceel. Tabel 39.

Lokalisatie van de peilbuizen in de Eendenkooi Lissewege.

Watina peilbuis nr

Type

Hoogte MV (m)

ZEEP008X

Piëzometer

3,07

TAW Coörd. Lambert oost

Coörd. Lambert noord

Start metingen

Filter top TAW Filter (m) basis TAW (m)

69112,26

219114,76

2/02/2007

-1,68

-2,68

3,02

69111,72

219114,65

2/02/2007

1,60

0,60

diep ZEEP009X

Piëzometer ondiep

ZEES004X

oppervlakte

-

69008,51

219062,58

2/02/2007

-

-

ZEEP027X

Piëzometer ondiep

3,14

68603,92

219170,82

19/12/2017

1,54

0,54

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 113 van 144


7.7.2.3.3

Meetresultaten na inrichting (2010 t.e.m. 2019)

a) Oppervlaktewaterpeil Het oppervlaktewaterpeil op de plas heeft bij droog weer waarden van ca. 2,75 à 2,85 m TAW. Tijdens hevige regenperiodes kunnen piekpeilen tot boven de 3,2 m TAW voorkomen (zie Figuur 39). Tijdens het jaareinde van 2017 traden de hoogste oppervlaktewaterpeilen op.

b) Grondwaterpeilen Onderstaande Tabel 40 geeft de grondwaterparameters weer van de peilbuizen opgevolgd in de periode 2010 t.e.m. 2019. GLG, GG, GVG en GHG zijn respectievelijk de gemiddelde laagste grondwaterstand, de gemiddelde grondwaterstand, de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (begin april) en de gemiddelde hoogste grondwaterstand. Figuur 39 geeft het verloop van het grondwaterpeil voor deze peilbuizen en van het oppervlaktewaterpeil in de plas in de jaren 2015 t.e.m. 2019. Voor peilbuis ZEEP027X zijn de karakteristieken bepaald op basis van de 2 droge jaren 2018 en 2019.

Tabel 40.

Grondwaterkarakteristieken van de peilbuizen in de Eendenkooi Lissewege. GLG

maaiveld (mTAW) ZEEP008X 3,07 ZEEP009X 3,02 ZEEP027X 3,14

GG 3,02 2,78 2,47

GVG GHG GLG GG GVG GHG m TAW m-mv 3,18 3,16 3,35 -0,05 0,11 0,09 0,28 2,95 2,95 3,09 -0,24 -0,07 -0,07 0,07 2,92 3,07 3,18 -0,67 -0,22 -0,07 0,04

De Eendenkooi Lissewege heeft te maken met een duidelijke zilte kweldruk ten gevolge van de nabijheid van het Boudewijnkanaal (< 100 m). De grondwaterdrukken van de diepe peilbuis zijn systematisch een twintigtal cm hoger dan deze van de ondiepe peilbuis en liggen gedurende winter en voorjaar hoger of gelijk aan het maaiveld. Sinds eind 2017 wordt ook de peilbuis ZEEP027X bemeten in een nog in te richten perceel. O.b.v tijdreeksanalyse zijn ‘klimaatonafhankelijke’ grondwaterkarakteristieken voor deze locatie bepaald. Deze zijn weergegeven in tabel 14. Gezien het feit dat de grondwaterstatistieken voor deze peilbuis uit tabel 13 zijn gebaseerd op de jaren 2018 en 2019 (met droge zomers), is de ‘klimaatonafhankelijke’ GLG in Tabel 41 ondieper (= natter).

Tabel 41.

Grondwaterkarakteristieken van de peilbuis ZEEP027X. GLG

ZEEP027X

maaiveld (mTAW) 3,14

GG 2,66

GVG GHG GLG GG GVG GHG m TAW m-mv 3 3,02 3,25 -0,48 -0,14 -0,12 0,11

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 114 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 40.

Grondwater- (ZEEP008X en ZEEP009X) en oppervlaktewaterpeil (ZEES004X) in de Eendenkooi Lissewege tijdens de jaren 2015 t.e.m. 2019.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 115 van 144


c) Saliniteit Sinds medio 2016 worden ook in de Eendenkooi Lissewege saliniteitsmetingen genomen (zie Figuur 40). In de ondiepe peilbuis worden geleidbaarheden gemeten die schommelen van ca. 20.000 µS/cm (= matig brak) tijdens droge zomermaanden, afnemend naar ca. 5.000 µS/cm (= licht brak) tijdens natte winterperiodes. Ook het oppervlaktewater is matig brak met een geleidbaarheid schommelend tussen 15.000 en 5.000 µS/cm. De peilbuis ZEEP027X kent ook vrij hoge geleidbaarheden gelegen tussen 13.000 µS/cm tot 25.000 µS/cm.

Figuur 41.

Geleidbaarheid van het grond- en oppervlaktewater van de Eendenkooi Lissewege (uitgedrukt in µS/cm).

d) Conclusies betreffende standplaatsvereisten voor de doelvegetaties De als rietland ingerichte zone heeft de geschikte kwantitatieve standplaatsvereisten voor nat rietland. De zoutgehaltes zijn aan de brakke kant voor rietland. Het perceel waarop peilbuis ZEEP027X staat, kan mits afgraven ontwikkeld worden tot zilt grasland.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 116 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


7.7.2.4 7.7.2.4.1

Z7 Kwetshage Beschrijving hydrologische inrichting

(zie Bijlage 9 ) De Zoekzone Kwetshage is gelegen in de Oudlandpolders nabij de overgang naar de Zandstreek. Het gebied wordt aan de noordzijde begrensd door het kanaal Brugge-Oostende en aan de zuidzijde door de spoorweg Brugge-Oostende (en ten zuiden hiervan door de overgang naar de hoger gelegen gronden van de Zandstreek). Het projectgebied bestaat grotendeels uit laag gelegen (deels uitgeveende) gronden (<2,5 m TAW) en vormt daardoor een laag gelegen kom omgeven door hoger gebied. Kwetshage ligt binnen het oostelijk bemalingsgebied van het poldergemaal KwetshagePaddegat te Jabbeke, dat uitwatert in het kanaal Brugge-Oostende. De voornaamste waterloop is het Kwetshagezwin (2e cat.), dat dwars door het projectgebied (van oost naar west) stroomt. Op heden is de Zoekzone Kwetshage nog niet ingericht (met uitzondering van de afbraak van de spookbrug i.k.v de natuurcompensaties A11). Op termijn dienen binnen Kwetshage 50 ha hoogwaardig, nat rietmoeras gerealiseerd te worden i.k.v. de natuurcompensaties Achterhaven Zeebrugge en 14 ha dotterbloemgrasland/kleine zeggenvegetaties geoptimaliseerd te worden i.k.v. de natuurcompensaties A11. Onderstaande analyse geeft dus de toestand voor de inrichtingswerken weer. 7.7.2.5

Netwerk hydrologie

( zie Bijlage 9 ) In onderstaande Tabel 42 worden de peilbuizen en oppervlaktewatermeetpunten in Kwetshage weergegeven. KWEP001, KWEP002 en KWEP004 zijn ondiepe peilbuizen, KWEP005 is een diepe peilbuis die in doublet staat met peilbuis KWEP002. KWES006 en KWES007 zijn oppervlaktewatermeetpunten. In het westen van het projectgebied bevindt zich ook nog het VMM-waterkwaliteitsmeetpunt 869600. Tabel 42.

Lokalisatie van de peilbuizen in Kwetshage. hoogte Coörd TAW MV Lambert (m) Oost

Coörd Lambert Noord

Start

Filter Top TAW (m)

Filter basis TAW (m)

KWEP001X Piëzometer

2,13

63107,57

211568,1

13/05/2005 0,62

-0,38

KWEP002A Piëzometer

1,84

61996,89

211270,4

13/05/2005 0,42

-0,58

KWEP004X Piëzometer

1,86

62533,35

211458

19/12/2013 0,92

-0,08

KWEP005X Piëzometer

1,87

61997,08

211271,1

19/12/2013 -1,75

-2,75

KWEP008X Piëzometer

1,99

62491,12

211568,89 24/09/2018

KWES006X oppervlaktewater

-

62876,74

211380,6

19/12/2013 -

-

KWES007X oppervlaktewater

-

62825,21

211204,9

19/12/2013 -

-

Watina peilbuis nr.

Type

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 117 van 144


7.7.2.5.1

Meetresultaten voor inrichting (2014 t.e.m. 2018)

a) Oppervlaktewater Onderstaande Figuur 41 geeft de gemeten oppervlaktewaterpeilen in Kwetshage weer. Het Kwetshagezwin kent een omgekeerd peilregime met bij droog winterweer peilen van 1,4 à 1,6 m TAW en in de zomer 1,75 à 1,85 m TAW. Bij hevige neerslag treden piekpeilen tot 2,30 m TAW op in het Kwetshagezwin. De reeds ingerichte plas van de vroegere spookbrug is geïsoleerd van het Kwetshagezwin, maar staat in verbinding met het Kwetshagezwin bij een peil boven 1,8 m TAW, wat resulteert in een oppervlaktewaterpeil dat rond 1,8 m TAW schommelt en tijdens droge periodes verder kan uitzakken.

Figuur 42.

Oppervlaktewaterpeilen (cm TAW) in het Kwetshagezwin (KWES007X) en de plas van de vroegere spookbrug (KWES006X) tijdens de jaren 2014 t.e.m. 2019.

b) Grondwater Eind 2013 werden de grondwaterpeilmetingen in Kwetshage opgestart. Op heden zijn dus 6 volle jaren metingen voorhanden. Onderstaande Tabel 43 geeft de grondwaterkarakteristieken van de peilbuizen op basis van deze 6 jaar. Figuur 42 geeft de gemiddelde duurlijnen op basis van deze 6 jaren.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 118 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


De grondwaterpeilen in de winter zijn sterk gecorreleerd aan het maaiveld (overal plas-dras situaties) en zakten in de zomer uit tot gemiddeld ca. 1,45 m TAW. Tijdens de droge zomers van 2018 en 2019 zakten de grondwaterstanden een stukje verder uit tot ca. 1,3 m TAW. Op basis van de duurlijnen wordt voor de peilbuizen 2 en 4 duidelijk kwel verwacht. Op basis van het peilbuisdoublet (KWEP002A en KWEP005X) kan vastgesteld worden dat er tijdens winter en voorjaar een heel lichte neerwaartse stroming optreedt en tijdens de zomer in Kwetshage een lichte opwaartse grondwaterstroming. Tijdens de winter wordt het Kwetshagezwin dan ook een stukje lager gehouden en vangt deze waterloop een deel van de optredende kwel af.

Tabel 43.

KWEP001X KWEP002A KWEP004X KWEP005X

Figuur 43.

Grondwaterkarakteristieken van de peilbuizen in Kwetshage o.b.v. 5 jaar metingen (2014 t.e.m. 2019). GLG GG maaiveld (mTAW) 2,13 1,4 1,84 1,44 1,86 1,46 1,87 1,51

GVG m TAW 1,81 1,77 1,77 1,75

GHG 1,77 1,84 1,83 1,8

GLG 2,13 1,95 2 1,91

GG -0,73 -0,40 -0,40 -0,36

GVG GHG m-mv -0,32 -0,36 0,33 0,07 -0,09 -0,03 -0,12 -0,07

0,00 0,11 0,14 0,04

Duurlijnen voor de peilbuizen KWEP001X, KWEP002A, KWEP004X en KWEP005X.

c) Saliniteit Voor Kwetshage zijn voor de jaren 2014 t.e.m. 2019 geleidbaarheidsmetingen voorhanden, deze worden weergegeven in Figuur 43. Voor het oppervlaktewater worden geleidbaarheden tussen ca. 600 µS/cm en 3.000 µS/cm opgemeten. We hebben dus te maken met zoet tot heel zwak brak oppervlaktewater. Wat hierbij opvalt is dat de plas iets zoeter is dan het Kwetshagezwin.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 119 van 144


In het grondwater varieert de geleidbaarheid van het ondiep grondwater van ca. 2.000 µS/cm (KWEP001X – zoet tot zwak brak grondwater) tot ca. 16.000 µS/cm (KWEP004X – licht brak grondwater). Het dieper grondwater heeft nog iets hogere saliniteiten dan de peilbuis KWEP004X.

Figuur 44.

Saliniteit/geleidbaarheid van het grond- en oppervlaktewater in Kwetshage (uitgedrukt in µS/cm).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 120 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


7.7.2.6

Z1 Klemskerke-Vlissegem

7.7.2.6.1

Beschrijving hydrologische inrichting

(Bijlage 10) De Zoekzones Z1 ‘Klemskerke-Vlissegem’ en Z9 ‘Put van Vlissegem’ zijn gelegen in het deelstroomgebied van de Noordede (deelbekken Oudlandpolder, Nieuwe Polder Van Blankenberge). De ingerichte percelen liggen verspreid in deze Zoekzone. Het gaat om enkele weilandpercelen en voormalige akkers en een oude zandwinningsput (de Put van Vlissegem) in het gebied ten noorden van de Noordede. De Zoekzone wordt afgewaterd in zuidelijke richting naar de Noordede (O.3.) door het Bromzwin (O.3.5), het Bredewegzwin (O.3.7), het Vijfwegezwin (O.3.9) en het Schamelwekezwin (O.3.11). In deze Zoekzone beperkten de maatregelen zich tot grondwerken in enkele percelen en aan de oevers van de Put van Vlissegem. Doelhabitats zijn zilt grasland en brakke plas. 7.7.2.6.2

Netwerk hydrologie

(Bijlage 10) In Tabel 44 worden de peilbuizen in Klemskerke weergegeven. KLEP001X en KLEP002X zijn beide ondiepe peilbuizen die worden opgemeten sinds midden oktober 2015. Tabel 44.

Lokalisatie van de peilbuizen in Klemskerke-Vlissegem. Filter Top TAW (m)

Filter basis TAW (m)

Watina Type peilbuis nr.

hoogte Coörd TAW MV Lambert (m) Oost

Coörd Lambert Noord

Start

KLEP002X Piëzometer

2,1

56440

216175

16/10/2015 1,0

0,0

KLEP003X Piëzometer

1,98

58186

216228

16/10/2015 0,76

-0,24

In het studiegebied bevinden zich tevens enkele waterkwaliteitsmeetpunten van de VMM.

7.7.2.6.3

Meetresultaten na inrichting (2016 t.e.m. 2019)

a) Waterpeilen Beide peilbuizen in Klemskerke worden opgemeten sinds oktober 2015. Op heden zijn dus grondwaterpeilgegevens voorhanden voor 4 volledig jaren. De grondwaterkarakteristieken op basis van deze 4 jaren worden weergegeven in Tabel 45. Door middel van tijdreeksanalyse met ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 121 van 144


behulp van het softwarepakket Menyanthes is deze peilbuisreeks verlengd tot een periode van 7 jaar. De aldus bekomen ‘klimaatonafhankelijke’ grondwaterkarakteristieken staan weergegeven in Tabel 46. Gezien het feit dat 2017 en 2018 (en in mindere mate 2019) zeer droge zomers kenden, zijn de via tijdreeksanalyse bekomen GLG’s natter dan deze bekomen via statistiek. Tabel 45.

Grondwaterkarakteristieken van de peilbuizen in Klemskerke-Vlissegem o.b.v. 3 jaar metingen (2016 t.e.m. 2019). GLG

KLEMP002X KLEMP003X

Tabel 46.

maaiveld (mTAW) 2,10 1,98

GG 1,14 0,72

Klimaatonafhankelijke grondwaterkarakteristieken van de peilbuizen in KlemskerkeVlissegem o.b.v. tijdreeksanalyse in Menyanthes (EVP = verklaarde variantie). GLG

KLEMP002X KLEMP003X

GVG GHG GLG GG GVG GHG m TAW m-mv 1,86 2,09 2,28 -0,96 -0,24 -0,01 0,18 1,63 2,01 2,17 -1,26 -0,35 0,03 0,19

maaiveld (mTAW) 2,10 1,98

GG 1,34 1,08

GVG GHG GLG GG GVG GHG m TAW m-mv EVP 1,91 2,05 2,36 -0,76 -0,19 -0,05 0,26 1,75 1,93 2,22 -0,90 -0,23 -0,05 0,24

73 87

b) Saliniteit Sinds medio 2016 worden in de 2 peilbuizen van Klemskerke-Vlissegem saliniteitsmetingen gedaan. De resultaten staan weergegeven in onderstaande Tabel 46. Het ondiep grondwater ter hoogte van de peilbuizen in Klemskerke-Vlissegem is matig brak tot sterk brak. De geleidbaarheid van peilbuis KLEP002X valt terug tot licht brakke waarden in december 2016, de geleidbaarheid van peilbuis KLEP003X valt terug tot zwak brakke waarden begin januari 2018.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 122 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 45.

Saliniteit/geleidbaarheid van het grondwater in Klemskerke (uitgedrukt in µS/cm).

De VMM-meetpunten in de omgeving van de ingerichte percelen geven geleidbaarheden weer die schommelen tussen ca. 1.500 µS/cm en 7.000 µS/cm. Hiermee zitten we in de saliniteitsklassen zwak brak tot licht brak.

c) Conclusies betreffende standplaatsvereisten voor de doelvegetaties De doelvegetatie voor de ingerichte percelen betreft voornamelijk zilt grasland. Hiervoor lijken de grondwaterstanden tijdens de zomer iets te sterk uit te zakken. De saliniteit van het grondwater en in iets mindere mate van het oppervlaktewater valt wel mooi binnen de klassen voor zilt grasland.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 123 van 144


7.7.2.7

Z10bis Eendenkooi van Wenduine

7.7.2.7.1

Beschrijving hydrologische inrichting

(Bijlage 11) De Eendenkooi van Wenduine is een kleiwinningsite uit de 20e eeuw, nadien gebruikt als visputten en populierenbos, die in 2011-2012 ingericht werd i.f.v. het ontwikkelen van rietmoeras. De site werd oppervlakkig afgegraven en de vrijkomende grond werd gebruikt om de oevers van bestaande visputten te verflauwen. De site ligt hydrologisch geïsoleerd van zijn omgeving. Doelhabitat voor de Eendenkooi van Wenduine is rietmoeras. 7.7.2.7.2

Netwerk hydrologie

(Bijlage 11) Onderstaande Tabel 47 geeft de ligging van de peilbuis UPS006X weer. Deze meet het oppervlaktewaterpeil van de kleiputten. Tabel 47.

Lokalisatie van de peilbuizen in de Eendenkooi van Wenduine. Filter Top TAW (m)

Watina Type peilbuis nr.

hoogte Coörd TAW MV Lambert (m) Oost

Coörd Lambert Noord

UPS006X

-

221494,46 16/10/2015 -

oppervlaktewater

61098,59

Start

Filter basis TAW (m) -

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 124 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


7.7.2.7.3

Meetresultaten na inrichting (2016 t.e.m. 2019)

a) Waterpeilen Het meetpunt in de Eendenkooi van Wenduine is actief sinds midden oktober 2015 (zie Tabel 47). Tijdens de winter wordt in de kleiputten een oppervlaktewaterstand van 2,6 à 2,7 m TAW gemeten. Tijdens de zomer daalt het waterpeil tot ca. 2,25 à 2,3 m TAW, wat nog een heel stuk hoger is dan het zomerstreefpeil van de omliggende poldergrachten (dat ca. 1,7 à 1,8 m TAW bedraagt). Ten gevolge van de droge zomer 2018 en winter 2018-2019 zijn de oppervlaktewaterstanden in de Eendenkooi van Wenduine medio 2019 een stukje dieper uitgezakt t.o.v. de voorgaande zomers.

Figuur 46.

Oppervlaktewaterstand in de Eendenkooi van Wenduine (uitgedrukt in m TAW).

b) Saliniteit Sinds medio 2016 wordt tevens de geleidbaarheid van de Eendenkooi van Wenduine opgemeten. De geleidbaarheid schommelt tussen ca. 1.150 en 1.750 µS/cm. Dit zijn zwak brakke waarden en dit is een heel stuk lager dan de geleidbaarheid van de omliggende poldergrachten (omwille van het ophouden van zoet regenwater in de Eendenkooi van Wenduine). Zo schommelt de geleidbaarheid van de Blankenbergse Vaart in dezelfde periode tussen 2.000 en 16.000 µS/cm.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 125 van 144


Figuur 47.

Saliniteit/geleidbaarheid van het oppervlaktewater in de Eendenkooi van Wenduine (meetpunt UPS006X) en de Blankenbergse Vaart (VMM-877000) (uitgedrukt in µS/cm).

c) Conclusies betreffende standplaatsvereisten voor de doelvegetaties Gezien het feit dat in een groot deel van de afgravingen in de Eendenkooi van Wenduine het nieuwe maaiveld zich bevindt tussen 2 en 2,5 m, heeft een aanzienlijke oppervlakte van de site goede kwantitatieve standplaatsvereisten voor nat rietland. Tevens zit ook de saliniteit met de klasse ‘zwak brak’ binnen de marges voor rietmoeras.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 126 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Referenties AGIV, Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen 2013. Orthofoto's, middenschalig, kleur, provincie West-Vlaanderen - Noord, opname 2012. AGIV, Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen 2016. Orthofoto's, middenschalig, kleur, provincie West-Vlaanderen - Noord, opname 2015. AGIV, Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen 2020. Orthofoto's, middenschalig, kleur, provincie West-Vlaanderen - Noord, opname 2019. Courtens W., Kuijken E. 2004. De instandhoudingsdoelstellingen voor het Vogelrichtlijngebied "3.2 SBZ-V Poldercomplex". Adviesnota Instituut voor Natuurbehoud, A.2004.64. Instituut voor Natuurbehoud: Brussel. De Saeger S., Ameeuw G., Berten B., Bosch H., Brichau I., De Knijf G., Demolder H., Erens G., Guelinckx R., Oosterlynck P., Rombouts K., Scheldeman K., T’jollyn F., Van Hove M., Van Ormelingen J., Vriens L., Zwaenepoel A., Van Dam G., Verheirstraeten M., Wils C. & Paelinckx D. (2010). Biologische Waarderingskaart versie 2.2. Rapporten van het Instituut voor Natuuren Bosonderzoek 2010 (36). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. De Saeger S., Guelinckx R., Oosterlynck P., De Bruyn A., Debusschere K., Dhaluin P., Erens R., Hendrickx P., Hendrix R., Hennebel D., Jacobs I., Kumpen M., Opdebeeck J., Ruymen J., Spanhove T., Tamsyn W., Van Oost F., Van Dam G., Van Hove M., Wils C. & Paelinckx D. (red.) (2018). Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart, uitgave 2018. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2018 (71). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.15138099 Devos K. & Onkelinx. 2013. Overwinterende watervogels in Vlaanderen - Populatieschattingen en trends (1992 tot 2013). Natuur.oriolus 79 (4), p. 113-130. Devos K., A. Anselin, G. Driessens, M. Herremans, T. Onkelinx, G. Spanoghe, E. Stienen, F. T’Jollyn, G. Vermeersch & D. Maes, 2016. De IUCN Rode Lijst van de broedvogels in Vlaanderen (2016). Rapport Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. Hustings F., R. Kwak, P. Opdam & M. Reijnen (1985). Natuurbeheer in Nederland, deel 3: Vogelinventarisatie: achtergronden, richtlijnen en verslaglegging. Pudoc, Wageningen. Oosterlynck P., De Saeger S., Leyssen A., Provoost S., Thomaes A., Vandevoorde B., Wouters J., & Paelinckx D. (2020). Criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de Natura2000 habitattypen in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (27). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.14061248 Runhaar, J. & Hennekens S.M., 2014. Hydrologische randvoorwaarden natuur – versie 3. Applicatie en gebruikershandleiding. Schaminée, J.H.J., Stortelder, A.H.F., Westhoff, V. 1995-1999. De vegetatie van Nederland. Delen 1-5. Opulus press.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 127 van 144


Sierdsema H. 1995. Broedvogels en beheer. Het gebruik van broedvogelgegevens in het beheer van bos- en natuurterreinen. SBB-rapport 1995-1, SOVON-onderzoeksrapport 1995/04. SBB/SOVON, Driebergen/Beek-Ubbergen. T’Jollyn, F., Bosch, H., Demolder, H., De Saeger, S., Leyssen, A., Thomaes, A., Wouters, J., Paelinckx, D. & Hoffmann, M. (2009). Criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de NATURA 2000‐habitattypen, versie 2.0. Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek, INBO.R.2009.46, Brussel. Vergeer J.W., van Dijk A.J., Boele A., van Bruggen J. & Hustings F. 2016. Handleiding Sovon broedvogelonderzoek: Broedvogel Monitoring Project en Kolonievogels. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen Vermeersch, G., Devos, K., Driessens G., Everaert J., Feys, S., Herremans M., Onkelinx T., Sti enen E.W.M. & T’Jollyn F. (2020). Broedvogels in Vlaanderen 2013-2018. Recente status en trends van in Vlaanderen broedende vogelsoorten. Mededelingen van het Insti tuut voor Natuur en Bosonderzoek 2020 (1), Brussel, 228 p. DOI: doi.org/10.21436/inbor.18794135 VLM 2020. Beheercommissie Natuurcompensaties Achterhaven Zeebrugge. Jaarrapport 2019 werkjaar 14. Vlaamse Landmaatschappij. Brugge.

Vriens L., Bosch H., De Knijf G., De Saeger S., Oosterlynck P., Guelinckx R., T’jollyn F., Van Hove M. & Paelinckx D. 2011. De Biologische Waarderingskaart. Biotopen en hun verspreiding in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.M.2011.1. Brussel.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 128 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Bijlage Bijlagen Bijlage 1.

Lijst van vogelsoorten met hun Nederlandse- en Wetenschappelijke naam die in deze rapportage aan bod komen.

Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Baardmannetje Bergeend Blauwborst Bontbekplevier Bruine kiekendief Buidelmees Cetti's Zanger Graspieper Graszanger Grutto IJsvogel Kievit Kleine karekiet Kleine zilverreiger Kluut Kokmeeuw Kuifeend Kwak Lepelaar Patrijs Porseleinhoen Rietgors Rietzanger Roerdomp Roodborsttapuit Scholekster Slobeend Snor Steltkluut Stormmeeuw Tapuit Tureluur Veldleeuwerik Visdief Woudaap Zomertaling Zwartkopmeeuw

Panurus biarmicus Tadorna tadorna Luscinia svecica Charadrius hiaticula Circus aeruginosus Remiz pendulinus Cettia cetti Anthus pratensis Cisticola juncidis Limosa limosa Alcedo atthis Vanellus vanellus Acrocephalus scirpaceus Egretta garzetta Recurvirostra avosetta Larus ridibundus Aythya fuligula Nycticorax nycticorax Platalea leucorodia Perdix perdix Porzana porzana Emberiza schoeniclus Acrocephalus schoenobaenus Botaurus stellaris Saxicola rubicola Haematopus ostralegus Anas clypeata Locustella luscinioides Himantopus himantopus Larus canus Oenanthe oenanthe Tringa totanus Alauda arvensis Sterna hirundo Ixobrychus minutus Anas querquedula Larus melanocephalus

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 129 van 144


Bijlage 2.

Ontwikkeling van de lsvi-indicatoren voor habitat 1330_hpr (binnendijks zilt grasland) tussen een eerste en een tweede vegetatie opname voor de verschillende percelen van Zoekzones Z1 Klemskerke-Vlissegem, Z4 Pompje en Z8 Dudzeelse Polder.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 130 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Bijlage 3.

Instandhoudingsdoelstellingen (IHD’s) en prioriteiten voor broedvogels van Bijlage 1 van de Vogelrichtlijn zoals vastgelegd in het BVR van 23 april 20141

Broedvogels bijlage IV Blauwborst Luscinia svecica

Populatiedoelstellingen

Kwaliteitsdoelstellingen

Doel Toelichting (bp. = broedpaar)

Doel Toelichting

- =

Actueel: in het SBZ-V SBZ-V = Poldercomplex de laatste jaren gemiddeld 200 bp., met als maximum 290 bp. in 2010. In het SBZ-V Krekengebied gemiddeld 85 à 130 bp. de laatste jaren. In het SBZ-V Het Zwin 40 bp.

Doel: Behoud van rietvelden, rietsloten en gevarieerde moerassen (o.a. habitattype 6430).

Doel: behoud van de actuele populaties: - SBZ-V SBZ-V Poldercomplex: gemiddeld 200 bp. - SBZ-V Krekengebied: gemiddeld 85 à 130 bp. - SBZ-V Het Zwin: gemiddeld 40 bp. Bruine kiekendief - =(↑) Circus aeruginosus

Actueel: 7 tot 10 bp. in SBZ-V ↑ Poldercomplex en 10 tot 15 bp. in Krekengebied. In het SBZ-V Het Zwin broedt de soort de laatste jaren niet meer.

Doel: Voorzien goede kwaliteit broedgebieden: - Uitgestrekte, ononderbroken rietvelden en moerassen met dichte bedden van vegetatie en weinig bomen; - Instandhouding van voldoende kwalitatieve open ruimte rond de broedgebieden; - Actieve nestbescherming van in cultuurland broedende paren.

Doel: behoud actuele populatie.

Deze doelstelling is deels compatibel met en lift mee op de kwaliteitsdoelstelling voor habitattypes 6430 en 7140. Voorzien goede kwaliteit foerageergebied. De soort verkiest vochtige weilanden, maar ook cultuurland – bij voorkeur korenvelden – komen in aanmerking indien deze veel vogels en kleine zoogdieren herbergen. Volgende kerngebieden zijn essentieel met het oog op de instandhouding van de populatie Bruine kiekendief in het gebied: IJsvogel - Alcedo atthis

= (↑)

Actueel: 0 tot 5 bp. in SBZ-V Poldercomplex en 1 tot 3 bp. in het Krekengebied Doel: behoud van de actuele populatie

↑

Krekencomplex Assenede Krekengebied omgeving Noorddijk Krekengebied St. Margriete – St. Jan Polders te Hoek & Lapscheure Uitkerkse Polder ’t Pompje en Kwetshage

Doel: Behoud van potentiële nestlocaties. De soort lift mee op de algemene verbeterde waterkwaliteit (o.a. i.f.v. habitats 6430 en 91E0).

1

De instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten van de speciale beschermingszones met de code BE2500002, genaamd ‘Polders’, met de code BE2500932, genaamd ‘Poldercomplex’, met de code BE2301134, genaamd ‘Krekengebied’ en met de code BE2501033, genaamd ‘Het Zwin’.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 131 van 144


Broedvogels bijlage IV Kluut Recurvirostra avosetta

Populatiedoelstellingen

Kwaliteitsdoelstellingen

Doel Toelichting (bp. = broedpaar)

Doel Toelichting

= (↑)

Actueel: 150-170 bp. in SBZ-V SBZ-V Poldercomplex, ca. 5 bp. in SBZ-V Krekengebied en geen bp. meer in SBZ-V Het Zwin.

↑

Doel: behoud van de actuele populaties in de SBZ-V’s.

Doel: In stand houden van de kwaliteit van het leefgebied van de actuele populaties, ook op langere termijn: in stand houden van open, slikkige oevers in combinatie met zandige, schaars begroeide terreinen. Stabiel waterpeil: fluctuaties < 2 cm tijdens het broedseizoen. De soort lift mee op de doelstellingen voor de zilte graslanden 1310 en 1330.

Steltkluut Himantopus himantopus

= (↑)

Actueel: Vanaf 2005 0-9 bp. in de Uitkerkse Polder. Aantallen jaarlijks sterk variërend, soms geen broedgevallen.

↑

De soort lift net als de kluut mee op de doelstellingen voor de zilte graslanden 1310 en 1330.

Doel: behoud van de actuele populatie van 0-9 bp. in het SBZ-V SBZ-V Poldercomplex.

Porseleinhoen Porzana porzana

= (↑)

Actueel: onregelmatige broedvogel over de volledige SBZ. Doel: behoud van de Porseleinhoen als broedvogel in SBZ-V SBZ-V Poldercomplex en SBZ-V Krekengebied, met 1 à 2 bp. als satellietpopulatie. Dit vereist een extra leefgebied van 5-10 ha.

Doel: zie kluut.

↑

Doel: in stand houden van zeggenvegetaties en rietmoerassen.

grote

De soort lift deels mee op de doelen voor habitattype 6430 en soorten zeggekorfslak en bruine kiekendief.

↑= Het doel is een stijging van oppervlakte of populatiegrootte of een verbetering van de kwaliteit. = Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte of het behoud van de kwaliteit.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 132 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Bijlage 4.

Doortrekker / overwinteraar Kleine rietgans Anser brachyrhynchus

Instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten voor doortrekkende en overwinterende vogels van Bijlage 1 van de Vogelrichtlijn zoals vastgelegd in het BVR van 23 april 20142

Populatiedoelstellingen

Kwaliteitsdoelstellingen

Doel Toelichting (ex. = exemplaren)

Doel Toelichting

=

Actueel: De laatste jaren wintermaxima van 30.000-40.000 ex. en seizoensgemiddelde van ca. 12.000 ex. in de volledige Oostkustpolders. Ca. 75% daarvan bevond zich binnen het SBZ-V SBZ-V Poldercomplex.

↑

Doel: Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied:  

Doel: behoud van een seizoensgemiddelde3 van 12.000 ex.

Dit impliceert minimaal het behoud van een graslandareaal van 11.600 ha waarvan 8.00010.000 ha permanent grasland of weilandcomplex met veel sloten en/of microreliëf in de Oostkustpolders.

 Kolgans - Anser albifrons

=

Actueel: De laatste jaren wintermaxima van 30.000-40.000 ex. en seizoensgemiddelde van 10.000-11.000 ex. in de volledige Oostkustpolders. Ca. 80-85% daarvan bevond zich binnen het SBZ-V SBZ-V Poldercomplex.

Behoud van microreliëf in de poldergraslanden Het tegengaan van versnippering van graslandcomplexen Opwaardering van voor (water)vogels minderwaardige graslanden door aangepast beheer en/of inrichting Behoud van grootschalig open polderlandschap (geen toename van bebouwing, bossen, houtkanten, enz. in belangrijkste overwinteringsgebieden) Beperken van menselijke verstoring.

↑

Doel: De soort lift mee op de doelen voor de kleine rietgans.

↑

Doel: De soort lift mee op de doelen voor de kleine rietgans.

=(↑)

Doel: Behoud van de kwaliteit van het leefgebied:

Doel: behoud van een seizoensgemiddelde van min. 8.000-9.000 ex. in het SBZ-V SBZ-V Poldercomplex, een seizoensgemiddelde van 2.000 ex. in het SBZ-V Het Zwin en een seizoensgemiddelde van 2.000 ex. in het SBZ-V Krekengebied.

Smient - Anas penelope

=

Actueel: De laatste jaren wintermaxima van 15.000-40.000 ex. en seizoensgemiddelde van ca. 11.000 à 12.000 ex. in de volledige Oostkustpolders. 80-85% daarvan bevond zich binnen het SBZ-V SBZ-V Poldercomplex. Doel: behoud van een seizoensgemiddelde van min. 9.000 à 10.000 ex. in het SBZ-V SBZ-V Poldercomplex.

Rietgans - Anser fabalis

=

Actueel: Jaarlijkse maxima van 1.000 à 2.000 ex. in het Meetjeslandse Krekengebied. Seizoensgemiddelde de laatste jaren ca. 400 ex. Ca. 25% van de waarnemingen binnen het SBZV Krekengebied.

 

Beperken van verstoring Behoud van de openheid van het landschap

Doel: behoud van het seizoensgemiddelde van

2

De instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten van de speciale beschermingszones met de code BE2500002, genaamd ‘Polders’, met de code BE2500932, genaamd ‘Poldercomplex’, met de code BE2301134, genaamd ‘Krekengebied’ en met de code BE2501033, genaamd ‘Het Zwin’.

3

Dit is een gemiddeld aantal over de maanden oktober tot en met maart.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 133 van 144


Doortrekker / overwinteraar

Populatiedoelstellingen

Kwaliteitsdoelstellingen

Doel Toelichting (ex. = exemplaren)

Doel Toelichting

400 ex.

Blauwe kiekendief – Circus cyaneus

=

Actueel: Jaarlijks enkele tot 10 ex. in SBZ-V SBZV Poldercomplex, ca. 5 ex. in SBZ-V Het Zwin en ca. 10 ex. in SBZ-V Krekengebied

↑

Doel: Verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving: 

Doel: behoud van de populatiegemiddelden in de SBZ-V’s

Goudplevier Pluvialis apricaria

↑

Actueel: Laatste jaren seizoensgemiddelde in de oostkustpolder van 500 tot 1.000 exemplaren. Gemiddeld bevindt zich hiervan 85 à 90% binnen het SBZ-V SBZ-V Poldercomplex.

↑

Het garanderen van de nodige rust op slaapplaatsen Het bevorderen van voedselaanbod in agrarische gebieden (bv. door aanleg onbewerkte randstroken langs akkers, hier en daar verruigd grasland, braaklegging akkers, …) Behoud van de openheid van het landschap in belangrijke overwinteringsgebieden

Doel: Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied: 

Doel: Toename van de winterpopulatie (seizoensgemiddelde) in het SBZ-V SBZ-V Poldercomplex tot gemiddeld 1.500 à 2.000 ex. 

Het toelaten van gedeeltelijke en ondiepe overstromingen van graslanden binnen overstromingsgebieden, in winter en vroege voorjaar (hebben gunstig effect) Opwaardering van voor (water)vogels minderwaardige graslanden door aangepast maai of graasbeheer en/of inrichting. Zo moeten bijvoorbeeld de graslanden met een korte grasmat de winter ingaan (tegengaan van verruiging) Het beperken van verstoring in belangrijke overwinteringsgebieden

De soort lift ook deels mee op de doelen voor de kleine rietgans, kolgans en smient. De soort foerageert ook op stoppelvelden en kale akkers. Grote zilverreiger Casmerodius albus

=

Actueel: De soort foerageert regelmatig in het SBZ-V SBZ-V Poldercomplex, Het Zwin en Krekengebied, maar het gaat om slechts enkele exemplaren.

=

 

Doel: behoud van de populatiegemiddelden in de SBZ-V’s

Kemphaan Philomachus pugnax

=

Actueel: In de SBZ-V’s SBZ-V Poldercomplex, Het Zwin en Krekengebied bedragen de maxima de laatste jaren enkele tientallen tot enkele honderd exemplaren. De laatste jaren bedraagt het seizoensgemiddelde in het SBZ-V SBZ-V Poldercomplex ca. 100 ex.

Doel:

↑

Instandhouden van ondiepe plassen met goede waterkwaliteit en goed ontwikkeld visbestand Het garanderen van de nodige rust op slaapplaatsen en in foerageergebieden

Doel: Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied:  

Het garanderen van de nodige rust op slaapplaatsen Verhoging van waterpeilen in graslandengebieden

Doel: behoud van een seizoensgemiddelde van 50-150 ex. in SBZ-V SBZ-V Poldercomplex, 50100 ex. in het SBZ-V Het Zwin en 50-100 in het SBZ-V Krekengebied

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 134 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Doortrekker / overwinteraar Kleine zwaan Cygnus columbianus

Populatiedoelstellingen

Kwaliteitsdoelstellingen

Doel Toelichting (ex. = exemplaren)

Doel Toelichting

=

Actueel: In het Meetjeslandse Krekengebied worden de laatste jaren maxima waargenomen van 350 tot 600 ex.

=

In het SBZ-V SBZ-V Poldercomplex en Het Zwin is de soort veel zeldzamer, met onregelmatig voorkomen tot maximum een tiental exemplaren.

Doel: behoud van het seizoensgemiddelde in de SBZ-V Krekengebied

Slobeend - Anas clypeata

=

Actueel: de laatste jaren seizoensgemiddelde van 300 à 350 ex. in de volledige Oostkustpolders. Daarvan bevindt zich gemiddeld 70% (ca. 200 ex.) binnen het SBZ-V SBZ-V Poldercomplex

Doel: instandhouden overwinteringsgebieden:

↑

 

Pijlstaart - Anas acuta

=

Actueel: In de Oostkustpolders bedraagt het seizoensgemiddelde de laatste jaren 50-60 ex., met maxima van rond de 150-200 ex. Beperkt aandeel daarvan in SBZ-V SBZ-V Poldercomplex, nl. ca. 1/3.

↑

Wulp - Numenius arquata

=

Actueel: De laatste jaren bedraagt het seizoensgemiddelde in de Oostkustpolders 1.300 tot 2.400 exemplaren. De wintermaxima lopen op tot 3.000 ex., in de winter 2010-2011 zelfs 4.500 ex. Gemiddeld komt van de waargenomen aantallen in de Oostkustpolders 85-90% voor in het SBZ-V SBZ-V Poldercomplex.

↑

Plassen met een goede waterkwaliteit en veel waterplanten (en ongewervelden) Het beperken van (menselijke) verstoring in belangrijke overwinteringsgebieden Stagnerend oppervlaktewater in reliëfrijke graslanden

Doel: Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied: 

Doel: behoud van de seizoensgemiddelden in het SBZ-V SBZ-V Poldercomplex

Lokaal oogstresten op akkers laten liggen in de winter Voldoende goede waterkwaliteit in ondiepe wateren zodat zich weelderige onderwatervegetaties kunnen ontwikkelen Beperken van menselijke verstoring op foerageer- en slaapplaatsen

Doel: Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied: 

Doel: behoud van de seizoensgemiddelden in het SBZ-V SBZ-V Poldercomplex

van

Het beperken van (menselijke) verstoring in belangrijke overwinteringsgebieden Stagnerend oppervlaktewater in reliëfrijke graslanden

Doel: Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied:  

Het garanderen van de nodige rust op slaapplaatsen Stagnerend oppervlaktewater in reliëfrijke graslanden

Doel: behoud van de seizoensgemiddelden in het SBZ-V SBZ-V Poldercomplex

↑= Het doel is een stijging van oppervlakte of populatiegrootte of een verbetering van de kwaliteit. = Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte of het behoud van de kwaliteit. 1

De instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten van de speciale beschermingszones met de code BE2500002, genaamd ‘Polders’, met de code BE2500932, genaamd ‘SBZ-V Poldercomplex’, met de code BE2301134, genaamd ‘Krekengebied’ en met de code BE2501033, genaamd ‘Het Zwin’.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 135 van 144


43

Zoekzone 1 Klemskerke -Vlissegem

91 92

93 101 102 124 125 126

Zoekzone 4 Pompje

129

hpr + hpr* + ah + da +k(mr) hpr* + da + hpr* + ah + da + 3,98 k(mr) k(mr) hpr* + kf + hpr* + da + ah + 3,64 km + da° + k(mr) + kf + km k(mr) hpr* + kf° + hpr* + ah + da + 2,74 km + k(mr) k(mr°) 3,77 hx

2,54 hx/hpr hp + k(hp*) 1,24 + k(mr) + kn 1,72 hp + k(mr) hpr + k(mr) 0,90 + kn hpr*+ hpr* 3,79 + da° hpr*+ hpr 5,97 + k(da°)

hpr + ah + da + k(mr)

hpr* + ah + k(mr) + kf 0,04 0,24 0,00 + km

1

hpr* + ah + k(da) + k(mr)

0,00 0,05 0,02

1

hpr* + ah + k(mr) + k(da)

0,00 0,22 0,01

2

0,00 0,02 0,00

1

0,00 0,13 0,11

1

0,04 0,42 0,67

1

hpr* + k(mr)

hpr*

0,00 0,00 0,00

1

0,09 0,63 0,16

1

0,00 0,00 0,01

1

0,16 0,16 0,15

2

hpr* + kn + ah + k(da) 0,02 0,08 0,02

1

hpr* + ah + da

0,03 0,13 0,11

2

hpr hpr* + mr + ah + k(da) hpr* + da + ah +

0,00 0,00 0,08

2

0,00 0,33 0,03

1

0,28 0,63 0,50

1

hp* + ae +k(mr)

42

1

1

0,34 hx + k(mr) 0 0 hpr + da 3,27 + k(mr) hpr + 0 k(mz ) + 1,68 k(hp*) + k(da) 0 hp + k(mr ) 1,28 + k(da) 5,89 bu hpr + 2,54 0 k(mr ) 5,54 hpr* + da +

41

0,04 0,26 0,08

0,00 0,00 0,00

32

38

1

hp* + ah hpr* + ah + da + k(mr) hpr* + ah + da + k(mr)

hpr* + da + ah

37

0,00 0,25 0,20

hp* + ah + k(mr) hpr* + ah + da + k(mr) hpr* + ah + da + k(mr)

3,13 hpr* + da

36

hpr* + ah + da + k(mr) hpr* + ah + da + k(mr)

hpr* + ah + kn + k(da) hpr* + ah + kn + k(mr)

19

35

Habitattypering na tweede vegetatie opname (2017 - 2018)

type compensatie

Habitattypering na eerste vegetatie opname (2013 - 2015)

opp zilt na eerste vegetatie opname (ha) opp zilt na tweede vegetatie opname (ha)

Habitat 2002 (T0)

opp zilt in 2002 als T0 (ha)

opp

De habitattypering en de opervlakte aan zilte vegetatie voor alle als hpr* + da ingerichte percelen van de compensatiematrix voor 3 periodes: 2002 als T0 (BWK2002), na de eerste vegetatie opname (2013 – 2015) en na de tweede vegetatie opname (2017 – 2018). Ook het type compensatie (1 = art. 36ter, 2 = art. 14) wordt weergegeven.

perceelnummer

Zoekzone

Bijlage 5.

0

hpr* + da + k(mr)

hpr* + kn + da hpr* + da + kn + 0 k(mr ) hpr hpr* + da + ah + k(mr) hpr* + da + ah + kn

hpr* + ah + da + k(mr) hp* + ae + mr + k(da) hpr* + ah + da + k(mr)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 136 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


k(mr°) + kn 48

0,88 hpr

49

1,91 hp

50

1,75 hpr + k(da)

0,03 0,09 0,00

2

0,00 0,01 0,22

1

0,02 0,28 0,01

2

hpr* + da + k(ah) + k(mr)

0,03 0,18 0,06

2

hpr* + k(da) + k(ah) + k(mr)

0,01 0,23 0,03

2

hpr* + k(da) + k(ah) + k(mr)

0,01 0,15 0,01

2

hpr* + ah + k(mr ) + 0 k(mz ) + k(da)

hpr* + ah + da + k(mr°) + k(mz°)

0,02 0,02 0,19

2

hpr* + ah + da

hpr* + ah + k(da)

0,00 0,13 0,02

1

hp + ah

hp* + ah + da + k(mr)

0,00 0,00 0,40

1

hpr* + k(ah) hpr* + k(ah) + k(da) + 0 k(mr ) hpr + hpr* + da + k(mr)

hpr* + k(ah) + k(da) hpr* + da + k(ah) + k(mr°)

0,00 0,00 0,01

1

0,01 0,01 0,10

2

hpr* + k(ah) + k(da)

0,05 0,12 0,02

2

1,67 hx + k(mr ) ah + ku

0,00 0,00 0,36

2

2,39 2,13 0,63 3,27 0,28 1,74

0,00 0,02 0,00 0,00 0,00 0,00

0,24 0,16 0,00 0,00 0,00 0,00

2 2 2 2 2 2

0,00 0,08 0,07 0,00 0,03 0,00 0,00 0,10 0,06

2 2 2

0,00 0,18 0,20

2

0,00 0,07 0,00

2

0,00 0,23 0,17

2

0,01 0,07 0,09

2

20 21 23

hp + da + k(mr) hpr* + da + k(ah) + 2,04 hpr* k(mr) hp + k(mr°) hpr* + da + k(ah) + 0,53 + k(da) k(mr) 3,59 bu hp 2,83 bu hpr* + hpr 0,98 bu hpr* + da + k(mr)

hp* + da + ah + k(mr) hp + da + k(mr) hpr* + da + k(ah) hp* + da + k(ah) + k(mr) hpr* + k(mr) hpr* + da + ah + k(mr) hpr* + da + k(ah) + k(mr) hp hpr* + k(da) + k(mr) hpr* + da + k(mr)

0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,02 0,00 0,24 0,06

2 2 2

24

0,29 bu

hp* + k(mr) + k(da)

hpr* + k(da) + k(mr)

0,00 0,03 0,01

2

25

1,49 bu

da + hp + ah + hpr + k(hp*) + kn + k(mr)

hpr* + da + ah + k(mr)

0,00 0,51 0,40

2

27

1,47 bu

da + hpr* + ah

hpr* + da + ah +

0,00 0,74 0,63

2

54

55 56 58 59 64 81 83 92 94 007 + 117 8 9 10 11 12 Zoekzone 8 Dudzeelse Polder

k(mr) hpr* + da

hpr + 0 0,88 k(mz ) + 0 k(da ) hpr + 0 1,17 k(mz ) + 0 k(da ) hpr + hpr* 0,75 + k(da) hp + k(hp*) 1,86 + k(da)+ 0 k(mr ) hpr + 2,50 k(ph*) 1,66 hp +

0,57 hp hpr + k(mr) 1,03 + k(da) hpr* + da + 2,39 k(mr) 0

hx + bu hp + k(da) bu bu hx bu

hpr* + k(ah) + k(da) hpr* + ah + da + hpr* + k(da) + k(mr) k(mr) hpr* + ah + da + mr + hpr* + k(da) + k(ah) + k(mr) k(mr) 0

hpr* + da + k(mz) 0

hpr* + da + k(mz) 0

hpr* + da + k(mz) 0

ah + da + k(mr) + k(hp) hp + ah + da + k(mr) hp* + ah + da + mr hp(r) + da +ah + k(mr) hp* + da + ah + k(mr) hp hp* + k(mr) hp + hp* + k(mr) hp* hp + k(da) hp* bu hpr* + k(mr)

13 14 15

1,17 hx 1,43 bu 0,89 hx

hp + da + ah hx + k(mr) + k(da) hp* + da

16

2,79 bu

hp + da + k(mr)

17

1,47 bu

18 19

0,22 0,09 0,00 0,00 0,01 0,00

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 137 van 144


k(mr) 28 29

31

1,13 bu 2,24 bu hp + k(mr°) 2,03 + k(da°) 2,16 bu

32

0,40 hpr + k(da)

33

2,25 bu

30

34 107

hp* + da + 2,65 k(mr) + k(mr°) 0,61 bu

hp hp

hp* hp* hpr* + da + k(ah) + k(mr) hp + k(da) hpr* + da + k(ah) + k(mr)

0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

2 2

0,02 0,18 0,09

2

0,00 0,00 0,01

2

0,01 0,04 0,04

2

hp* + da + ah + k(mr)

0,00 0,21 0,23

2

hpr* + da + k(mr)

hpr* + da + ah

0,08 0,66 0,89

2

hpr* + da + k(mr)

hpr* + da + k(mr) hpr* + da + ah + k(mr) da + ah + k(mr) hpr* + ah+ k(da) + k(mr) da + mr + ah hpr* + da + k(mr) + k(ah) hpr* + da + ah + k(mr) hpr* + da + ah + k(mr) hpr* + da + ah + k(mr) hpr* + k(da) + k(mr) hpr* + da + ah + k(mr) hp* + k(mr)

0,00 0,18 0,06

2

0,04 0,56 0,41

2

0,00 0,19 0,13

2

0,00 0,13 0,03

2

0,00 0,40 0,21

2

0,00 0,05 0,10

2

0,01 0,09 0,17

2

0,00 0,05 0,09

2

0,02 0,12 0,08

2

0,00 0,00 0,01

2

0,13 0,38 0,56

2

0,00 0,00 0,00

2

hp + k(mr) hp* hp*

0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

2 2 2

hpr* + da + k(mr) hx hpr* + da + k(ah) + k(mr) hp + da + ah +k(da) + k(mr)

0

108

1,28 hpr* + da

hpr* + da

109

0,32 bu

da + ah + k(mr)

110

0,67 bu

hpr* + da°

111

0,48 bu

112

0,43

113

0,67

114

0,48

115

1,70

116

2,60

118

2,58

119

2,41

120 121 122

1,29 bu 1,51 bu 2,28 bu

da + k(ah) +k(mr) hpr* + mc° + da + bu k(mr) hpr + hpr + hpr* + da + ah k(da°) + k(mr) hpr* + da + ah + hpr + k(da) k(mr) hpr* + kn + hpr* + da + ah + k(da) k(mr) bu hp* + k(mr) hpr* + da + hpr* + da + k(mr) + kn kn bu hp hp hx hp

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 138 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Bijlage 6.

Hydrografie en peilbuizen in Zoekzone 4 Pompje.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 139 van 144


Bijlage 7.

Hydrografie en peilbuizen in Zoekzone 8 Dudzeelse Polder.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 140 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Bijlage 8.

Hydrologie en peilbuizen in Zoekzone 9 Eendenkooi van Lissewege.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 141 van 144


Bijlage 9.

Hydrologie en peilbuizen in Zoekzone 7 Kwetshage.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 142 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Bijlage 10. Hydrologie en peilbuizen in Zoekzone 1 Klemskerke – Vlissegem incl. Zoekzone 9 Put van Vlissegem.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34217966

Pagina 143 van 144


Bijlage 11. Hydrologie en peilbuizen in Zoekzone 10bis Eendenkooi van Wenduine.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 144 van 144

doi.org/10.21436/inbor.34217966

www.vlaanderen.be/inbo


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook