Uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/280
Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2020/280
DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Op 14 oktober 2020 diende xxx (hierna: verzoeker), een verzoek in bij de stad Mortsel, tot het verkrijgen van een afschrift van de volgende documenten die verband houden met een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een gebouw voor overnachting van 85 kinderen in Mortsel: -
de opdracht vanwege de stad aan de advocaat om de bezwaren te onderzoeken; het antwoord van de advocaat met zijn adviezen bij de bezwaren.
Op 23 oktober 2020 werd dit verzoek door de stad Mortsel geweigerd. Op 25 oktober 2020 werd door verzoeker beroep aangetekend tegen voormelde weigeringsbeslissing. Op 26 oktober 2020 werd dit beroep geregistreerd door de beroepsinstantie openbaarheid van bestuur. Ontvankelijkheid van het beroep Het oorspronkelijk verzoek dateert van 14 oktober 2020. De weigeringsbeslissing van de stad Mortsel dateert van 23 oktober 2020. Deze beslissing maakt melding van de beroepsmogelijkheden en -modaliteiten, zoals voorgeschreven in artikel II.43, §1, derde lid van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 (verder ‘Bestuursdecreet’).
www.vlaanderen.be
Op 25 oktober 2020 diende verzoeker beroep in tegen voormelde weigeringsbeslissing. Het ingediende beroep is bijgevolg tijdig ingediend en is ontvankelijk. Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.
1.
Aangevochten beslissing
Het beroepschrift van 25 oktober 2020 is gericht tegen de weigeringsbeslissing van 23 oktober 2020 van de stad Mortsel, luidende als volgt: “Wij ontvingen uw vraag tot het verkrijgen van het advies van onze
raadsman in verband met de bezwaren die werden ingediend in het dossier kinderboerderij. Gelet op artikel II. 35 5° van het bestuursdecreet menen wij dat we dit document niet openbaar dienen te maken gezien het vertrouwelijke karakter ervan tussen cliënt (stad Mortsel) en raadsman ter voorbereiding van politieke besluitvorming.”
Eerder, op 19 oktober 2020, had verzoeker van de stad Mortsel een antwoord ontvangen, bevattende het collegebesluit van 22 juni 2020 over de aanstelling van de raadsman in het dossier xxx. Daarbij heeft de stad tevens vermeld dat er geen andere stukken beschikbaar zijn die vallen onder openbaarheid van bestuur. Dit wordt thans betwist door verzoeker.
2.
Inhoud van het beroepschrift
Via het indienen van het beroepschrift wenst verzoeker alsnog de gevraagde documenten te verkrijgen.
3.
Standpunt van de beroepsinstantie
De beroepsinstantie heeft op 26 oktober 2020 contact opgenomen met de stad Mortsel om meer informatie te verkrijgen betreffende dit beroepsdossier. De stad heeft op 5 november 2020 geantwoord aan de beroepsinstantie, aan wie het thans toekomt te oordelen over het ingestelde beroep. De stad Mortsel bevestigde in haar antwoord van 5 november 2020 dat zij het advies van haar advocaat niet openbaar wenst te maken, “vermits dit een administratief advies betreft en dit advies vertrouwelijk is tussen cliënt en raadsman.” Tevens beroept de stad zich op artikel II. 35 5° van het Bestuursdecreet omwille van “het vertrouwelijke karakter ervan tussen cliënt (stad Mortsel) en raadsman ter voorbereiding van politieke besluitvorming.” De beroepsinstantie is na onderzoek van de beide opgevraagde documenten van oordeel dat deze niet openbaar kunnen gemaakt worden aangezien ze gekwalificeerd dienen te worden als vertrouwelijke correspondentie tussen een advocaat en diens cliënt, zijnde de stad Mortsel.
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/280
pagina 2 van 4
Conform artikel 6 §2 2° van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur kan een federale of niet-federale administratieve overheid de vraag om inzage, uitleg of mededeling in afschrift van een bestuursdocument afwijzen wanneer de openbaarmaking van het bestuursdocument afbreuk doet aan een bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting. Artikel 458 van het Strafwetboek stipuleert dat alle “personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in recht of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken” strafrechtelijk zullen worden gesanctioneerd. Voormeld artikel uit het Strafwetboek is zonder enige discussie wel degelijk van toepassing ten aanzien van advocaten en het gaat hier bijgevolg om de wettelijke verankering van het beroepsgeheim van advocaten. De beroepsinstantie kan in dit verband onmogelijk voorbijgaan aan de vaststelling dat het belang van voornoemd beroepsgeheim van advocaten t.a.v. het principe van de openbaarheid van bestuur eveneens uitdrukkelijk werd bevestigd in het arrest nr. 202.966 van de Raad van State d.d. 15 april 2010. Vooreerst stelt de Raad van State dat artikel 1 van de wet van 11 april 1994 bepaalt dat deze van toepassing is "op de administratieve overheden andere dan de federale administratieve overheden doch slechts in de mate dat deze wet op gronden die tot de federale bevoegdheid behoren, de openbaarheid van bestuursdocumenten verbiedt of beperkt". Daaruit volgt dat deze uitzondering op de openbaarheid van bestuur niet beperkt is tot aanvragen met toepassing van de wet van 11 april 1994 zelf, maar dat zij van toepassing is op alle regelingen inzake de openbaarheid van bestuur. De Raad van State heeft de toepassing van artikel 6 §2 2° van de wet van 11 april 1994 heel expliciet bijgetreden. Zij heeft in het aangehaalde arrest uitdrukkelijk gesteld dat de geheimhoudingsplicht erop gericht is om het iedereen mogelijk te maken op de best mogelijke manier bijstand te krijgen van een advocaat, door de waarborg dat alles wat wordt besproken, vertrouwelijk blijft, en niet ter kennis kan komen van derden. Het beroepsgeheim is er om de vertrouwelijkheid te beschermen en niet omgekeerd. De beroepsinstantie kan en mag zich dan ook niet kan afvragen of een overheidsinstantie afbreuk zou doen aan het beroepsgeheim van haar raadsman, en of zij de vertrouwensrelatie met deze zou schenden. De beroepsinstantie dient daarentegen na te gaan of de vertrouwelijkheid, waar een bestuursinstantie kan van genieten in haar overleg met een advocaat, moet wijken voor het beginsel van de openbaarheid van bestuur. De Raad van State heeft daar in vermeld arrest ontkennend op geantwoord. De Raad van State heeft in voormeld arrest voorts ter ondersteuning aangehaald dat het Hof van Justitie van de Europese Unie ook voorrang geeft aan de vertrouwelijkheid van de briefwisseling tussen advocaat en cliënt op het recht van de Commissie om de overlegging te eisen van alle documenten die zij noodzakelijk acht om overtredingen op de verdragsbepalingen betreffende mededinging op te sporen (HvJ 155/79, AM&S Europe Ltd., Jur. 1982, 1575). Ook daaruit leidt de beroepsinstantie af dat de vertrouwelijke aard van dergelijke briefwisseling zwaarder weegt dan het beginsel van openbaarheid van bestuur. Ook het Grondwettelijk Hof heeft overigens in dezelfde zin geoordeeld, waar het oordeelde dat de regel van het beroepsgeheim van een advocaat niet moet wijken voor de noodzaak van toezicht op misbruiken van het stelsel van collectieve schuldregeling (GwH 3 mei 2000, nr. 46/2000, R.W. 2000-01, 506, noot E. DIRIX; GwH 14 juni 2006, nr. 100/2006), voor de handhaving van de absolute onpartijdigheid van de curator (GwH 24 maart 2004, nr. 50/2004, R.W. 2004-05, 218) of voor de bestrijding van het "witwassen" (GwH 23 januari 2008, nr. 10/2008, R.W. 2008-09, 109, noot J. STEVENS).
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/280
pagina 3 van 4
Toegepast op het voorliggende beroep, is de beroepsinstantie van oordeel dat zowel de opdracht vanwege de stad Mortsel aan de advocaat om de bezwaren te onderzoeken, als het antwoord van de advocaat, bevattende zijn adviezen bij de bezwaren, werden opgesteld vanuit de wettelijk beschermde vertrouwensrelatie tussen de stad en haar advocaat. Deze documenten, voorwerp van het voorliggende beroep, mogen om die reden niet aan derden worden vrijgegeven. De beroepsinstantie is bijgevolg van oordeel dat, in toepassing van artikel II.39 tweede lid van het Bestuursdecreet, beide vermelde documenten vallen onder de uitzonderingsgrond zoals bepaald in artikel 6 §2 2° van de federale wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. Het gaat om vertrouwelijke briefwisseling tussen cliënt en advocaat. Het vrijgeven van de opgevraagde documenten zou die vertrouwelijkheid ondergraven. Deze vaststelling volstaat om het beroepschrift als ongegrond af te wijzen. Na beraadslaging,
BESLUIT: Het beroepschrift d.d. 25 oktober 2020 van xxx tegen de weigeringsbeslissing d.d. 23 oktober 2020 van de stad Mortsel wordt als ontvankelijk doch ongegrond beschouwd. Brussel, 19 november 2020 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur, Bruno ASSCHERICKX Voorzitter
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/280
pagina 4 van 4