Skip to main content

Ruilverkavelingsproject_Fortem.pdf

Page 1

Ruilverkavelingsproject Fortem Uitvoering monitoringprogramma Avifauna jaar 0 Deelrapport wintergasten


Opdrachtgever: VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ Guldenvlieslaan 72 1060 BRUSSEL

Opgemaakt door: ECONNECTION Studie- en adviesbureau voor landinrichting en terreinbeheer

Tentoonstellingslaan 137 9000

Econnection, maart 2002

GENT


Inhoud Inhoud...................................................................................................................................................... 1 1. Inleiding .............................................................................................................................................. 3 2. Methode ............................................................................................................................................... 4 2.1. Lijntransecttelling (Hustings et al. 1989) ..................................................................................... 4 2.2. Interpretatie en verwerking .......................................................................................................... 5 3. Resultaten: bespreking van de soorten ................................................................................................ 8 3.1. Overwinteraars ............................................................................................................................. 8 3.1.1. Eenden en zwanen ................................................................................................................ 8 3.1.1.1. Bergeend (Tadorna tadorna)......................................................................................... 8 3.1.1.2. Slobeend (Spatula clypeata) .......................................................................................... 8 3.1.1.3. Wilde eend (Anas platyrhynchos) ................................................................................. 8 3.1.1.4. Wintertaling (Anas crecca) ........................................................................................... 8 3.1.1.5. Kleine zwaan (Cygnus bewickii) ................................................................................... 8 3.1.2. Steltlopers ............................................................................................................................. 9 3.1.2.1. Bonte strandloper (Calidris alpina)............................................................................... 9 3.1.2.2. Goudplevier (Pluvialis apricarius)................................................................................ 9 3.1.2.3. Kemphaan (Philomachus pugnax) ................................................................................ 9 3.1.2.4. Kievit (Vanellus vanellus) ............................................................................................. 9 3.1.2.5. Tureluur (Tringa totanus) .............................................................................................. 9 3.1.2.6. Watersnip (Gallinago gallinago) .................................................................................. 9 3.1.2.7. Wulp (Numenius arquata) ........................................................................................... 10 3.1.3. Roofvogels .......................................................................................................................... 10 3.1.3.1. Blauwe kiekendief (Circus cyaneus) ........................................................................... 10 3.1.3.2. Buizerd (Buteo buteo) ................................................................................................. 10 3.1.3.3. Slechtvalk (Falco peregrinus) ..................................................................................... 10 3.1.4. Spreeuwen en lijsters .......................................................................................................... 10 3.1.4.1. Koperwiek (Turdus iliacus)......................................................................................... 10 3.1.4.2. Kramsvogel (Turdus pilaris) ....................................................................................... 10 3.1.4.3. Spreeuw (Sturnus vulgaris) ......................................................................................... 11 3.2. Standvogels en pleisteraars ........................................................................................................ 11 3.2.1. Rallen en bleshoenders ....................................................................................................... 11 3.2.1.1. Meerkoet (Fulica atra) ................................................................................................ 11 3.2.1.2. Waterhoen (Gallinula chloropus)................................................................................ 11 3.2.2. Reigers ................................................................................................................................ 11 3.2.2.1. Blauwe reiger (Ardea cinerea) .................................................................................... 11 3.2.3. Roofvogels en uilen ............................................................................................................ 11 3.2.3.1. Steenuil (Athene noctua) ............................................................................................. 11 3.2.3.2. Torenvalk (Falco tinnunculus) .................................................................................... 11 3.2.4. Meeuwen ............................................................................................................................ 12 3.2.4.1. Meeuwen: Kokmeeuw, Zilvermeeuw, Kleine mantelmeeuw (Larus ridibundus, Larus argentatus, Larus fuscus) ......................................................................................................... 12 3.2.5. Patrijzen .............................................................................................................................. 12 3.2.5.1. Patrijs (Perdix perdix) ................................................................................................. 12 4. Weersomstandigheden....................................................................................................................... 13 5. Referentielijst .................................................................................................................................... 14 6. Bijlagen ............................................................................................................................................. 15

1


1. Inleiding Conform de ministeriële richtlijn van 14 maart 2000 betreffende de implementatie van de methodiek voor het optimaliseren en meetbaar maken van de ecologische inbreng in de ruilverkaveling, in toepassing van de studie van het Instituut voor Natuurbehoudd en van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, werd ter vervollediging van de dossiers die werden voorgelegd teneinde een goedkeuring van het structuurplan te bekomen, een gericht monitoringprogramma opgemaakt. Het definitief structuurplan, met inbegrip van het monitoringprogramma, werd goedgekeurd op 19 december 2000. Het door de minister goedgekeurde monitoringprogramma hield oorspronkelijk een monitoring in van het gehele ruilverkavelingsgebied, dit door middel van twee wintertellingen in december en januari. Later werd in overleg met het Instituut voor Natuurbehoud door de opdrachtgever beslist enkel het op te stuwen gebied te bekijken d.m.v. veertiendaagse tellingen over de periode van oktober-februari, dit om een betere evaluatie op termijn te kunnen bekomen. Het monitoringprogramma is gericht op het nagaan van de effectiviteit van de maatregelen voor de natuur en of de vooropgestelde natuurdoelstellingen bij een ruilverkaveling ook effectief worden gehaald. Aan de hand hiervan kan tevens onderzocht worden of bijstelling van het gevoerde beheer noodzakelijk is. Ook voor de ruilverkaveling Fortem, gelegen in de West-Vlaamse Polders (Lampernisse-Zoutenaaie) wordt thans een monitoringprogramma opgestart. Deze monitoring bestaat uit het opvolgen van enerzijds abiotische factoren (hydrologie) en anderzijds biotische elementen (flora en avifauna). De natuurdoelstellingen in de ruilverkaveling Fortem zijn hoofdzakelijk gericht op de ontwikkeling van graslanden en sloten, gecombineerd met een peilverhoging. De bedoeling van de huidige inventarisatie is de uitgangssituatie weer te geven voor het partim avifauna. Daarvoor wordt een wintergastentelling uitgevoerd die zich beperkt tot het 'opgestuwd gebied' (Lampernisse - Oudekapelle). Dit gebied bestaat voornamelijk uit weiland en hooiland afgewisseld met enkele akkers (situering zie kaart 1).

Kaart 1: Situering plangebied binnen een ruimere omgeving.

3


2. Methode 2.1. Lijntransecttelling (Hustings et al. 1989) Het afgebakende gebied (350 ha) werd op wintervogels geïnventariseerd volgens de lijntransecttelling van Hustings et al. (1989) waarbij op gestandaardiseerde wijze tellingen worden verricht vanaf een vaste route die een goede kijk geeft op het gebied. Oorspronkelijk was het de bedoeling een punt-transecttelling uit te voeren. Dit bleek echter teveel onrust in het gebied teweeg te brengen waardoor hiervan werd afgestapt. De route die bij de lijntransecttelling werd gevolgd situeert zich op de wegen en veldwegen die zich in het gebied bevinden. Op geregelde afstanden wordt vanaf deze route geteld. Deze stopplaatsen werden zodanig gekozen dat het gehele gebied goed kan overzien worden, ook de reliëfrijke weilanden (zie kaart 2). Gezien de openheid van het landschap stelde dit geen problemen. Er werd doelbewust niet gekozen voor inventarisatiepunten in het veld (doorkruisen van het gebied), dit om onnodige verstoring van pleisterende vogels te voorkomen. Dit heeft wel het nadeel dat bijvoorbeeld voornamelijk solitair foeragerende, niet echt actief mobiele soorten zoals Watersnip, moeilijk waar te nemen zijn en bij de telling onderschat zijn. Het ganse gebied werd 9 maal bezocht, 2 keer in elke maand vanaf oktober tot en met februari. In oktober werd slechts één terreinbezoek uitgevoerd. De teldata benaderden zoveel mogelijk de 1ste en de 15de van de maand. Voor een aantal vroeg doortrekkende soorten zoals steltlopers, is oktober reeds te laat voor de tellingen. Zo trokken enkele duizenden Goudplevieren in het gebied door in augustus-september. Daar het echter om een telling van wintergasten gaat, dient hiermee in principe geen rekening te worden gehouden, maar het geeft wel een belangrijke indicatie over de waarde van het gebied als doortrek-stepstone. Inventarisatieronde 1 2 3 4 5 6 7 8 9

Datum 24 oktober 2 november 16 november 3 december 18 december 7 januari 17 januari 1 februari 15 februari

Periode voor- en namiddag voormiddag namiddag namiddag voormiddag voor- en namiddag voor- en namiddag voormiddag voormiddag

Tabel 1: Waarnemingsdata wintergasten 2001-2002 Eén inventarisatieronde werd met de wagen (meestal een terreinwagen omwille van de soms slechte bereidbaarheid van de wegen en het beter overzicht) in 3-4 uren afgereden en op de punten gestopt. Tellen vanuit een wagen biedt tevens het voordeel dat de vogels niet worden opgeschrikt en dat het tevens voor de teller comfortabeler is (koude). Er werd zowel ’s morgens als ’s middags geteld met een verrekijker (Swarowski 10x40) en telescoop (Kowa 50x). De tellingen werden uitgevoerd door Paul Durinck. ’s Morgens zijn de vogels meestal actiever. ’s Nachts werd niet geteld waardoor het belang van het gebied voor een aantal soorten, zoals Smient (die niet overdag werd waargenomen), kan onderschat worden. Vooral eendensoorten zijn nachtactief en foerageren vanuit het spaarbekken van de Blankaart en de Blankaartvijver op het weilandengebied. Verder is de waarnemingskans van de meeste soorten vaak sterk weersafhankelijk. Daarom werden vooral teldagen gekozen met een goede zichtbaarheid en weinig wind gezien deze factoren de meeste invloed op de waarneembaarheid hebben. Bovendien spelen ook andere factoren zoals verstoring een grote rol bij de waarnemingskans van heel wat soorten. Een persoon die in het veld loopt of een jagende roofvogel doen de 4


waarnemingskans voor heel wat soorten sterk toenemen. Algemeen moet gesteld worden dat het gebied vrij intensief wordt verstoord, vaak door helicopters die op de basis van Koksijde opstijgen. Er werd bij het tellen steeds gestart vanaf de splitsing Oude Zeedijk – Zannekinstraat, richting centrum Lampernisse, daarna Visserstraat, Eendenkotstraat, Alveringemsestraat, Grote Beverdijkstraat en Oude Zeedijk.

2.2. Interpretatie en verwerking Van alle vogels werd de soort en het aantal waargenomen individuen op kaart genoteerd. Dit gebeurde aan de hand van codes die op de veldkaarten (schaal 1/5.000) genoteerd werden. Voor elke inventarisatieronde werd met een blanco veldkaart gestart.Voor grote groepen vogels werd het aantal zo nauwkeurig mogelijk geschat. Vogels in de vlucht werden op kaart aangeven met aanduiding van de vliegrichting en zo mogelijk de invalplaats. Zij werden meestal nauwlettend gevolgd om waar te nemen waar ze uiteindelijk gingen pleisteren. Dit was noodzakelijk om dubbeltellingen zoveel mogelijk te vermijden. Voor pleisterende groepen werd de zone afgebakend waar de groep zich bevond. Waarnemingen net buiten het plangebied werden eveneens genoteerd omdat deze mogelijk ook het plangebied benutten als foerageergebied. Alle waarnemingen werden, na elke inventarisatieronde, op een soortkaart aangebracht waarbij voor elke teldatum een aparte kleur werd gebruikt. De waarnemingen worden daarna in de computer ingevoerd. In de tabel wordt bij elke waarneming de soortcode, de inventarisatieronde en de soort waarneming vermeld. Tevens wordt aangegeven hoeveel individuen zich per deelgebied bevinden (kaart 3: deelgebieden). De gegevens werden daarna verder geïnterpreteerd om zo tot een kaart te komen. Hierbij werden de volgende aanduidingen gebruikt: •

Pleisterend exemplaar of kleine geconcentreerde groep vogels Groep vogels die zich van locatie verplaatst met aanduiding van verplaatsingsrichting Overtrekkende groep of individuele exemplaren, zonder dat deze in het gebied invallen, met aanduiding van vliegrichting Opvliegende groep of individuele exemplaren met aanduiding van opvliegplaats en vliegrichting

•

Opvliegende groep of individuele exemplaren met aanduiding van opvliegplaats, vliegrichting en invalplaats

De getelde soorten zijn zowel doortrekkers, overwinteraars, pleisterende vogels, foeragerende exemplaren, als een aantal standvogels. Vaak is het moeilijk om bijvoorbeeld een onderscheid te maken tussen echte overwinteraars en doortrekkers, of standvogels en lokaal trekkende exemplaren. Door de meeste waargenomen soorten te noteren kan een beter inzicht verkregen worden over de waarde en het belang van het gebied voor de diverse soortgroepen.

5


Kaart 2: Rijrichting en observatiepunten.

6


Kaart 3: Afbakening studiegebied en deelgebieden.

1

3

2

4

5 6

7


3. Resultaten: bespreking van de soorten De kaarten per soort in bijlage van dit rapport zijn geordend op alfabetische volgorde volgens de Nederlandse soortnaam. In de tekst werd een onderscheid gemaakt tussen overwinteraars en standvogels. Hierin werd een ordening gedaan per soortgroep.

3.1. Overwinteraars 3.1.1. Eenden en zwanen 3.1.1.1. Bergeend (Tadorna tadorna) voorkomen: Slechts sporadisch, verspreid over het telgebied in sloten voorkomend, telkens met enkele exemplaren. min.-max. aantal: 0-8 opmerkingen: code: BE 3.1.1.2. Slobeend (Spatula clypeata) voorkomen: Slechts één maal waargenomen, overvliegend. min.-max. aantal: 0-3 opmerkingen: code: SE 3.1.1.3. Wilde eend (Anas platyrhynchos) voorkomen: Vrij algemene tot talrijk voorkomende overwinteraar. Pleistert overdag voornamelijk in de natste terreindelen bij poelen. Deelgebied 1 is veruit het uitverkoren gebied. Ook de laagste centrale delen van deelgebied 3 worden gefrequenteerd. min.-max. aantal: 15-143 opmerkingen: Tijdens de februaritellingen waren reeds koppels gevormd en kwamen de dieren meer verspreid over het gebied voor. code: WE 3.1.1.4. Wintertaling (Anas crecca) voorkomen: Vrij schaarse overwinteraar, meestal slechts enkele exemplaren samen met groepen wilde eend. Vrij verspreid voorkomend over het telgebied bij poelen en in sloten. min.-max. aantal: 0-31 opmerkingen: code: WT 3.1.1.5. Kleine zwaan (Cygnus bewickii) voorkomen: Tijdens twee teldagen werd deze soort waargenomen, een eerste maal een vrij grote groep pleisterend in deelgebied 6, de tweede maal een kleinere groep overvliegend. min.-max. aantal: 0-54 opmerkingen: code: KlZ

8


3.1.2. Steltlopers 3.1.2.1. Bonte strandloper (Calidris alpina) voorkomen: Slechts één waarneming van opvliegend groepje (van deelgebied 1 naar deelgebied 3). min.-max. aantal: 0-12 opmerkingen: onzekere waarneming code: BSt 3.1.2.2. Goudplevier (Pluvialis apricarius) voorkomen: Waarnemingen tijdens het begin en het einde van de telperiode (heen- en terugtrek). Deelgebieden 1, 2 en 6 (noorden) worden zijn de voorkeursgebieden. min.-max. aantal: 0-80 opmerkingen: De piek van de najaarstrek valt reeds in augustus-september. Enkele duizenden exemplaren gebruiken dan het plangebied als foerageer- en pleisterplaats. code: GoPl 3.1.2.3. Kemphaan (Philomachus pugnax) voorkomen: Slechts één waarneming van twee kleine groepjes tijdens de laatste teldag (centraal nat deel van deelgebied 3). min.-max. aantal: 0-6 opmerkingen: code: KH 3.1.2.4. Kievit (Vanellus vanellus) voorkomen: Talrijk en vaak in grote groepen voorkomende wintergast. Voorkeurgebieden zijn het centrum van deelgebied 3, deelgebied 1 en 2 en het noorden van deelgebied 6. min.-max. aantal: 1-500 opmerkingen: code: Ki 3.1.2.5. Tureluur (Tringa totanus) voorkomen: Slechts één waarneming van twee kleine groepjes tijdens de laatste teldag (centraal nat deel van deelgebied 3). min.-max. aantal: 0-18 opmerkingen: code: Tu 3.1.2.6. Watersnip (Gallinago gallinago) voorkomen: Individueel en soms in kleine groepjes voorkomende steltloper die zeer natte graslanden en slikjes langs poelen en sloten prefereert, voornamelijk in deelgebied 1 en 3. min.-max. aantal: 0-9 opmerkingen: Gezien het vrij verborgen en weinig mobiel leven van deze soort, waarbij waarnemingen vooral kunnen gedaan worden door het opjagen van de dieren op het terrein, wat niet is gebeurd, zullen de waargenomen aantallen zeker sterk onderschat zijn.

9


code:

WS

3.1.2.7. Wulp (Numenius arquata) voorkomen: Verspreid individueel of in kleine groepjes voorkomend over het telgebied. Deelgebied 6 (en randzone) geniet voorkeur voor foerageren. min.-max. aantal: 0-51 opmerkingen: code: Wu 3.1.3. Roofvogels 3.1.3.1. Blauwe kiekendief (Circus cyaneus) voorkomen: Regelmatig jagend over het gehele gebied. min.-max. aantal: 0-1 opmerkingen: code: BlK 3.1.3.2. Buizerd (Buteo buteo) voorkomen: Geregeld één of enkele exemplaren foeragerend binnen het telgebied waarbij de voorkeur gaat naar deelgebieden 3 (zuidelijk deel) en 6 waar (rust)bomen voorkomen. min.-max. aantal: 0-3 opmerkingen: code: Bu 3.1.3.3. Slechtvalk (Falco peregrinus) voorkomen: Slechts één maal jagend in het telgebied waargenomen. min.-max. aantal: 0-1 opmerkingen: code: SlVa 3.1.4. Spreeuwen en lijsters 3.1.4.1. Koperwiek (Turdus iliacus) voorkomen: Samen met kramsvogel en spreeuw in relatief kleine aantallen foeragerend op de hogere weilanden. min.-max. aantal: 0-50 opmerkingen: code: KW 3.1.4.2. Kramsvogel (Turdus pilaris) voorkomen: Algemeen in kleine groepen foeragerend op voornamelijk de hogere weilanden, vaak samen met spreeuw en koperwiek. min.-max. aantal: 0-60 opmerkingen: code: KV

10


3.1.4.3. Spreeuw (Sturnus vulgaris) voorkomen: Komt vaak in grote groepen in het telgebied voor waarbij voornamelijk de hogere weilanden worden gefrequenteerd. min.-max. aantal: 0-730 opmerkingen: In de foeragerende groep komen vaak kramsvogels en koperwieken voor. code: S

3.2. Standvogels en pleisteraars 3.2.1. Rallen en bleshoenders 3.2.1.1. Meerkoet (Fulica atra) voorkomen: In kleine groepjes, meestal samen met waterhoen, voorkomend langs sloten en op natte weilanden bij bewoning in de rand van het gebied. min.-max. aantal: 7-15 opmerkingen: De eerste teldagen werd de soort niet genoteerd. code: MK 3.2.1.2. Waterhoen (Gallinula chloropus) voorkomen: In kleine groepjes voorkomend langs sloten en op natte weilanden bij bewoning in de rand van het gebied. min.-max. aantal: 13-80 opmerkingen: De eerste teldagen werd de soort niet genoteerd. code: WH 3.2.2. Reigers 3.2.2.1. Blauwe reiger (Ardea cinerea) voorkomen: Individueel voorkomend over het gehele telgebied. min.-max. aantal: 1-10 opmerkingen: De individuele dieren hebben een vrij vaste foerageerplaats. code: BlR 3.2.3. Roofvogels en uilen 3.2.3.1. Steenuil (Athene noctua) voorkomen: Enkele exemplaren verblijven solitair verspreid in de rand van het gebied, steeds bij bewoning. min.-max. aantal: 0-1 opmerkingen: Er werd bij de inventarisatie niet gericht naar de soort gezocht. Vermoedelijk was deze wel steeds aanwezig op de gekende broedplaatsen. code: SU 3.2.3.2. Torenvalk (Falco tinnunculus) voorkomen: Verschillende exemplaren verblijven solitair verspreid in de rand van het gebied, voornamelijk bij bewoning. min.-max. aantal: 1-4

11


opmerkingen: code:

TV

3.2.4. Meeuwen 3.2.4.1. Meeuwen: Kokmeeuw, Zilvermeeuw, Kleine mantelmeeuw (Larus ridibundus, Larus argentatus, Larus fuscus) voorkomen: Meeuwen komen vaak in grote groepen in het telgebied voor, waarbij voornamelijk op de hogere gronden wordt gefoerageerd. Het merendeel van de voorkomende meeuwen zijn zilvermeeuwen. min.-max. aantal: 0-570 opmerkingen: Er werden geen tellingen per soort uitgevoerd vermits vrijwel steeds gemengde groepen voorkwamen. code: Meeuwen 3.2.5. Patrijzen 3.2.5.1. Patrijs (Perdix perdix) voorkomen: Diverse kluchten foerageerden op de hogere gronden van de deelgebieden 1, 3 en 4. min.-max. aantal: 0-18 opmerkingen: Vermoedelijk ten gevolge van bejaging werden tijdens de tellingen van 2002 slechts nog sporadisch patrijzen waargenomen. code: Pa

12


4. Weersomstandigheden De weersomstandigheden tijdens het inventariseren waren over het algemeen vrij goed tot zeer goed. De teldatum werd in functie van de zichtbaarheid soms één of meerdere dagen verschoven. Vooral in de winterperiode komen in de polders nogal wat mistige dagen voor die een duidelijke telling van het gebied fel kunnen bemoeilijken. Daarom werd telkens gekozen voor dagen waarop het zicht vrij goed tot zeer goed was. De wind speelt ook een grote rol tijdens het inventariseren, de kans om een vogel waar te nemen neemt af met de sterkte van de wind. Op geen van de teldagen was er een zeer strakke wind aanwezig. Overwegend was het weer kalm en zacht. Teldatum 24 oktober 2001 02 november 2001 16 november 2001 03 december 2001 18 december 2001 07 januari 2002 17 januari 2002 01 februari 2002 15 februari 2002

Weer Voormiddag licht bewolkt, namiddag bewolkt en regen Zonnig, licht bewolkt Zacht, mistig, soms motregen Vrij mistig, soms motregen Bewolkt met opklaringen Licht mistig Bewolkt met opklaringen Bewolkt Zonnig, onbewolkt

Tabel 2: Teldata en weersomstandigheden.

13

Wind Zwakke wind Windstil Windstil Zwakke wind Zwakke wind Windstil Zwakke wind Relatief veel wind Koude noordenwind


5. Referentielijst Beintema, A. Moedt, O. & Ellinger D. (1995). Ecologische Atlas van de Nederlandse Weidevogels. Schuyt & Co, Haarlem. 352 pp. Hustings, M.F.H., Kwak, R.G.M., Opdam, P.F.M. & Reijnen, M.J.S.M. (1989). Vogelinventarisatie. Achtergronden, richtlijnen en verslaglegging. Natuurbeheer in Nederland. Deel 3. Pudoc, Wageningen. 492 pp. Jonsson, L. (1993). Vogels van Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Thieme. 560 pp. Mullarney K., Svensson, L., Zetterström D. & Grant P.J. (2000). Vogelgids van Europa. ANWB, Den Haag. 400 pp.

14


6. Bijlagen Tabel 3: Gebruikte veldcodes. (Hustings et al., 1989, SOVON, 1993). Soort

Gebruikte code BE BlK BlR BSt Bu GoPl KH Ki KlZ KW KV MK Meeuwen Pa SlVa SE S SU TV Tu WH WS WE WT Wu

Bergeend Blauwe kiekendief Blauwe reiger Bonte strandloper Buizerd Goudplevier Kemphaan Kievit Kleine zwaan Koperwiek Kramsvogel Meerkoet Meeuwen Patrijs Slechtvalk Slobeend Spreeuw Steenuil Torenvalk Tureluur Waterhoen Watersnip Wilde eend Wintertaling Wulp

15


Tabel 4: Overzicht soorten en waargenomen aantal per teldatum en deelgebied. Soort

Bergeend

Gebruikte code BE

24.10.01

02.11.01

16.11.01

0

0

2

03.12.01 Overwinteraars 0

Teldata 18.12.01

07.01.02

17.01.02

0

2

3

2 Slobeend

SE

0

0

0

2 0

0

3

01.02.02 0

15.02.02 8 2 1 3 2

3 0

0

0

3

Wilde eend

WE

110

85

50

50

104

20

87 15 2

143

78 30 35

15

15

48

48

34

30 2 2

64

51 13

30

26

4 5 Wintertaling

WT

5

5

5

31

20

20

3

3

6

1 30

2

2 4

2

2

0

0

11

0

3 Kleine zwaan

KlZ

0

0

0

0

0

54

0

54

16


Soort Bonte strandloper

Goudplevier

Gebruikte code BSt

GoPl

24.10.01 0

02.11.01 0

16.11.01 0

03.12.01 0

Teldata 18.12.01 0

07.01.02 0

17.01.02 12 12

16

2

80

0

0

0

0

16

01.02.02 0

0

15.02.02 0

15

10

15

2 Kemphaan

KH

0

Kievit

Ki

330

0

260

13

0

13

0

500

0

130

50 30

200

0

9

5 5

0

0

6

40

1

390

5

200 130 60

25 1 45

50 4

Tureluur

Tu

0

0

0

0

0

0

0

0

18 12 6

Watersnip

WS

9

0

7

7

0

5

7

17

5

0

0

0

0


Soort

Gebruikte code

24.10.01

02.11.01

16.11.01

03.12.01

Teldata 18.12.01

07.01.02

17.01.02

3

51

0

0

8

0

1

1

01.02.02

15.02.02

2 Wulp

Wu

42

0

0

0

1

2 1 1 31 Blauwe kiekendief

BlK

0

8 0

1

1

1

1

1

1 1 1

Buizerd

Bu

0

1

0

1

2

3

3

1

2 1

1

0

1

0

1

1 1 Slechtvalk

SlVa

0

0

Koperwiek

KW

0

50

0

1

2 0

1

0

0

0

0

0

20

1 50

20

20

50

45 25

25

18

15 10 20

20

10 10


Soort Kramsvogel

Gebruikte code KV

24.10.01 0

02.11.01 3

16.11.01 42 2

03.12.01 50 25

3

Teldata 18.12.01 15 10 5

07.01.02 20 10

17.01.02 50

01.02.02 10 10

15.02.02 60 30 30

50 40 Spreeuw

S

105

80

100

100

210

20

25 730

10 10

0

60

350 30

25

50

50

120 50 70

60 10

Meerkoet

MK

NG

110 350 80 Standvogels en pleisteraars NG NG NG

NG

15

15

11

9 2

10

5

7

2 3

5 2 Waterhoen

WH

NG

NG

NG

NG

NG

80

20 50

43

14 14 5

13

10

25

10

10 5 1 7

10 Blauwe reiger

Steenuil

BlR

SU

8

0

1 2 1 1 1 2

3

7 2

1 0

1 2 3

10

2 1 2 1 4

1 0

8

1

7

2 2

2

1

1

1 1

1 1 1

1 2 0

19

1 2 2

1 1 0

1 0

0


Soort

Torenvalk

Gebruikte code

TV

24.10.01

02.11.01

16.11.01

03.12.01

Teldata 18.12.01

07.01.02

17.01.02

4

2

3

2

4

3

4

1 1

1

1

1 1

1 1

1

1 1

1 1

Meeuwen

165

80

1

1

15.02.02

3 1

1 0

85

350

100

100

490

570

1 110

1 1 12

12

75

120 40

10 50 15

250 25

45

250

100

60 Patrijs

Pa

0

3

1

13

100 18

5

9 4

3

2

5

105 105 3

6 3 2 7

Legende NG : niet geteld 18 5 5 exemplaren in deelgebied 1 0 exemplaren in deelgebied 2 6 6 exemplaren in deelgebied 3 0 exemplaren in deelgebied 4 0 exemplaren in deelgebied 5 7 7 exemplaren in deelgebied 6 Totaal aantal exemplaren in ganse telgebied

20

1

1 1

Meeuwen

2

01.02.02

2

0

0


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Ruilverkavelingsproject_Fortem.pdf by Vlaanderen-be - Issuu