HANDICAP EN ARBEID Deel I Definities en Statistieken over de arbeidsdeelname van mensen met een handicap (update december 2010)
Erik Samoy Departement Werk en Sociale Economie
Inhoud Definities en Statistieken over de arbeidsdeelname van mensen met een handicap .................... 5 1.1
Definitie van het begrip arbeidshandicap .......................................................................................... 5
1.2. Gehandicapten in de bevolking op werkzame leeftijd ...................................................................... 8 1.3
De werkzaamheidsgraad van mensen met een handicap ............................................................... 11
1.4. Focus op de arbeidsgehandicapten .................................................................................................. 22 1.5
Kwaliteit van de arbeid ..................................................................................................................... 30
1.6
Evaluatie van het groeiscenario ........................................................................................................ 31
2
Lijst van gebruikte afkortingen
APS APS survey BuSO BVR CAO 26 CLB EAK ESS FB ICF LKC MMPP NIS NNG NWWZ PSBH RVA SEE2001 SERV STV UVW VAPH VDAB VIP VL W2 W3 WGO/WHO ZIV
Administratie Planning Statistiek (nu SVR: Studiedienst Vlaamse Regering) Nu "Sociaal-culturele verschuivingen in Vlaanderen" Buitengewoon secundair onderwijs Besluit van de Vlaamse Regering Collectieve arbeidsovereenkomst 26 Centrum voor leerlingenbegeleiding EnquĂŞte naar de arbeidskrachten European Social Survey Functiebeperkingen International Classification of Functioning, Disability and Health Lokaal klantencentrum van de VDAB Medische, mentale, psychische, psychiatrische Nationaal Instituut voor de statistiek (nu Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie) Niet-normaal geschikten Niet werkende werkzoekenden Panel Studie Belgische Huishoudens Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening Socio-economische enquĂŞte 2001 Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen Stichting Technologie Vlaanderen Uitkeringsgerechtigde volledig werkloze Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding Vlaamse inschakelingspremie Vlaanderen Bijstandsveld W2 van het VAPH (ondersteuning op de reguliere arbeidsmarkt of beschutte tewerkstelling) Bijstandsveld W3 van het VAPH (ondersteuning op de reguliere arbeidsmarkt) Wereldgezondheidsorganisatie Ziekte- en invaliditeitsverzekering
3
Inleiding De voorliggende tekst is een bijgewerkte versie van het eerste deel van de nota “Handicap en Arbeid” die eerst gepubliceerd werd op de website van het Vlaams Agentschap voor personen met een handicap (VAPH) en later op die van het Departement Werk en Sociale Economie. In het tweede deel, dat apart is gepubliceerd, worden de beleidsontwikkeligen beschreven en geanalyseerd. Dit eerste deel biedt een overzicht van statistische gegevens over mensen met een handicap in de bevolking en hun arbeidsdeelname. Ze zijn gebaseerd op de resultaten van groots opgezette landelijke of internationale surveys waarin ook vragen over handicaps en langdurige gezondheidsproblemen zijn opgenomen. Dit maakt het mogelijk de arbeidsmarktpositie van mensen met een handicap en de samenhang ervan met andere kenmerken zoals sekse, leeftijd en opleidingsniveau te onderzoeken. Een systematische monitoring van de arbeidsdeelname van mensen met een handicap was lange tijd niet mogelijk omdat de gegevens onderling te moeilijk vergelijkbaar waren en de analysemogelijkheden te beperkt. De beschikbare data leverden wel overtuigend bewijs dat een handicap of een langdurige gezondheidsaandoening de arbeidsdeelname sterk negatief beïnvloedt. Sinds enkele jaren worden er vragen over handicap opgenomen in de jaarlijkse "Enquête naar de arbeidskrachten" (EAK), waardoor de mogelijkheden voor monitoring van de arbeidsdeelname van arbeidsgehandicapten veel verbeterd zijn. De meeste niet-werkende mensen met een handicap zijn “inactieven” over wie enkel via de uitkeringstelsels (beperkte) informatie kan worden verkregen. De niet-werkende werkzoekenden vormen een veel kleinere groep die echter via de statistieken van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) goed kan worden opgevolgd. Dat blijft wel lastig omdat zowel ontwikkelingen op de arbeidsmarkt als institutionele factoren en wijzigingen van de definities de omvang van deze groep beïnvloeden. Op het gebied van handicap en arbeidshandicap is de definitieproblematiek trouwens nooit ver weg. Over de werkende arbeidsgehandicapten is het minst bekend, maar recente enquêtes over de Werkbaarheid van werk brengt nieuwe gegevens aan het licht. Ter afronding wordt aan de hand van een vergelijking tussen de resultaten van de EAK van 2002, 2007, 2009 en 2010 nagegaan of het groeiscenario van 2003 verwezenlijkt werd.
4
Definities en Statistieken over de arbeidsdeelname van mensen met een handicap De jongste jaren is er veel informatie over de arbeidsdeelname van mensen met een handicap beschikbaar gekomen. De gegevens zijn evenwel soms moeilijk te interpreteren en te vergelijken omdat de begrippen handicap en arbeidshandicap op uiteenlopende wijze worden gedefinieerd en geoperationaliseerd.
1.1 Definitie van het begrip arbeidshandicap Op grond van het model (figuur 1) dat aan de basis ligt van de in 2002 door de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) opgestelde “International Classification of Functioning, Disability and Health� (ICF) wordt een handicap gezien als een participatieprobleem dat resulteert uit het samenspel tussen aandoeningen, ziekten, letsels en daaruit voortvloeiende anatomische eigenschappen en functiestoornissen (bv. in de mobiliteit van de gewrichten), beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten (bv. een staande houding aanhouden), persoonlijke factoren (bv. de aanvaarding van de aandoening, compenserende persoonlijke vaardigheden) en externe factoren (de fysieke en sociale omgeving). De aanwezigheid van een (mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke) aandoening, ziekte of letsel is dus een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van een handicap, maar de handicap is het resultaat van het samenspel van meerdere factoren.
In het decreet tot oprichting van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) wordt een handicap op dezelfde manier gedefinieerd, maar er wordt als bijkomende voorwaarde gesteld dat het participatieprobleem langdurig en belangrijk moet zijn. Op die manier wordt een doelgroep voor 'specifiek' beleid afgebakend.
5
“elk langdurig en belangrijk participatieprobleem van een persoon dat te wijten is aan het samenspel tussen functiestoornissen van mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke aard, beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten en persoonlijke en externe factoren”. 1 De handicap is dus niet de medische aandoening of de functiestoornis, maar het participatieprobleem dat mede door die aandoening of die stoornis ontstaat. Omdat de term “handicap” in het dagelijkse taalgebruik vaak gelijkgesteld wordt met de stoornis spreekt men ook van een “handicapsituatie” wat beter weergeeft dat er verschillende soorten factoren in het spel zijn. Een arbeidshandicap is dan : "elk langdurig en belangrijk probleem van deelname aan het arbeidsleven dat te wijten is aan het samenspel tussen functiestoornissen van mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke aard, beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten en persoonlijke en externe factoren." In 2008 is deze laatste definitie ingeschreven in het decreet tot oprichting van de VDAB. 2 Deelname aan het arbeidsleven omvat het verkrijgen en behouden van een baan en er vooruitgang in maken. Dit betekent dat de groep arbeidsgehandicapten enkel het vak A uit het onderstaande schema omvat, namelijk de mensen die zowel functiestoornissen en/of activiteitsbeperkingen hebben als een langdurig en belangrijk participatieprobleem op het gebied van arbeid. Dat participatieprobleem wordt vaak omschreven in termen van afstand tot de arbeidsmarkt. Schema 1 Relatie gezondheidsproblemen – functiestoornissen en afstand tot de arbeidsmarkt Langdurig en belangrijk participatieprobleem op het gebied van arbeid = grote afstand tot de arbeidsmarkt
Geen langdurig en belangrijk participatieprobleem op het gebied van arbeid = geringe afstand tot de arbeidsmarkt
Functiestoornissen
A
C
Geen functiestoornissen
B
D
Met grote afstand A= arbeidsgehandicapten B = mensen die een grote afstand hebben tot de arbeidsmarkt om andere redenen dan een gezondheidsprobleem (aandoeningen ziektes of letsels en hun gevolgen) Geen grote afstand C = mensen met een functiestoornis die geen langdurige en belangrijke belemmering vormt voor hun arbeidsdeelname D = de "gewone" werkzoekende of werkende. Om te kunnen vaststellen wie arbeidsgehandicapt is, moet de theoretische definitie in concrete, meetbare termen worden vertaald of “geoperationaliseerd”. Dat gebeurt op verschillende manieren.
1 2
Decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid “Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap”, art. 2, 2°. Decreet van 21 november 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2008, art.77.
6
Volgend het BVR van 18 juli 2008 betreffende de professionele integratie van personen met een arbeidshandicap (art. 3) zijn personen met een indicatie van arbeidshandicap : 1° personen met een handicap, erkend door het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap; 2° personen die gewezen leerling zijn van het buitengewoon onderwijs en die hoogstens een getuigschrift of diploma behaald hebben in het buitengewoon onderwijs; 3° personen die op basis van hun handicap in aanmerking komen voor een inkomensvervangende tegemoetkoming of integratietegemoetkoming, verstrekt aan personen met een handicap op basis van de wet van 27 februari 1987 houdende tegemoetkomingen aan personen met een handicap; 4° personen die in het bezit zijn van een afschrift van een definitief geworden gerechtelijke beslissing of van een attest van een bevoegde federale instelling waaruit een blijvende graad van arbeidsongeschiktheid blijkt; 5° personen die recht geven op bijkomende kinderbijslag of personen die recht hebben op een verhoogde kinderbijslag voor hun kind of kinderen ten laste als ouder met een handicap; 6° personen die een invaliditeitsuitkering ontvangen op basis van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 7° personen met een attest van een door de VDAB aangewezen dienst of arts. Het is dus enkel voor personen die niet onder een van de eerste zes categorieën vallen dat er een aparte vaststelling is van een arbeidshandicap, zoals omschreven in de definitie. In de andere gevallen worden de criteria en procedures die andere instanties hanteren beschouwd als een valabele operationalisering. De groep personen met een indicatie van een arbeidshandicap wordt ook de kansengroep arbeidsgehandicapten genoemd. Een deel daarvan komen in aanmerking voor bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen, en dan spreekt de VDAB van personen met een arbeidshandicap (zie BVR van 18-07-2008, art 1, 8°). Daarnaast kunnen mensen zichzelf als gehandicapt bestempelen (zelfdefinities). Dit is bijvoorbeeld het geval in de Gezondheidsenquête, de Socio-economische enquête (2001) en de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) waarin de ondervraagden kunnen vermelden dat zij gezondheidsproblemen hebben en daardoor moeilijkheden ervaren in hun dagelijks leven en/of in verband met werk. De theoretische definitie van arbeidshandicap kan dus op verschillende manieren worden geoperationaliseerd. Naargelang de context waarin ze gehanteerd worden en het beoogde doel, zijn al deze operationaliseringen legitiem. Zo kunnen de vragen die in de enquêtes worden gesteld een geldige operationalisering vormen voor het toetsen of evenredige participatie wordt bereikt. Wil men specifieke maatregelen voor arbeidsgehandicapten nemen, dan moet deze groep eerst worden geïdentificeerd en in kaart gebracht. We beschrijven dit proces in twee stappen. Eerst proberen we te achterhalen hoeveel mensen op werkzame leeftijd belemmeringen (niet noodzakelijk op het gebied van arbeid) ervaren als gevolg van gezondheidsproblemen en wat hun arbeidsmarktpositie is (punt 1.2 en 1.3). We doen dit op basis van zelfdefinities in enquêtes. Binnen de groep “gehandicapten” gaan we daarna op zoek naar deelgroepen werkzoekenden en werkenden die duidelijk tot de groep “arbeidsgehandicapten” behoren (punt 1.4). 7
1.2. Gehandicapten in de bevolking op werkzame leeftijd De schijnbaar eenvoudige vraag “Hoeveel mensen met een handicap zijn er”, is niet gemakkelijk te beantwoorden omdat er geen register van “gehandicapten” bestaat. Er zijn wel meerdere administratieve bronnen, maar die zijn zeker niet volledig 'dekkend' (zie verder). Voor algemene cijfers moeten we een beroep doen op enquêtes die vragen over handicap bevatten. We presenteren de resultaten van een aantal enquêtes bij de gehele bevolking (alle leeftijden) maar gezien de thematiek van deze nota, namelijk arbeid, beperken we ons tot de resultaten voor de bevolking op werkzame leeftijd. Van het begin van de jaren negentig tot in 2002 is jaarlijks een panel van huishoudens bevraagd in de “Panel Studie Belgische Huishoudens” (PSBH) waarin ook handicaps en chronische ziektes aan bod komen. We vermelden de gegevens voor 1998 en 2000. Er zijn ook al vier Gezondheidsenquêtes gehouden (in 1997, 2001, 2004, 2008) waarin die problemen ter sprake komen. In de jaarlijkse survey in opdracht van de Vlaamse Regering (APS-survey) wordt sinds 2002 gevraagd naar handicaps en chronische ziektes en ook in de jaarlijkse Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) van 2002, 2007, 2009 en 2010 is hierover een vraag gesteld (zie Samoy 2001, 2003a, 2003b en 2004 en Devisch & Samoy 2003). Sedert 2002 wordt een tweejaarlijkse Europese enquête gehouden, de European Social Survey (ESS), die eveneens een vraag over handicaps bevat en ook de SILC (Survey on Income and Living Conditions) bevat dergelijke vragen (Vanbroucke, 2010). De omvangrijkste enquête is de Socio-economische enquête uit 2001 (SEE2001, zie Samoy 2005). Omdat de vraagformulering erg belangrijk is om enquêteresultaten juist te kunnen interpreteren, zetten we alle relevante vragen uit de genoemde enquêtes op een rij. Schema 2 Handicapgerelateerde vragen in enquêtes
PSBH-1998 en PSBH-2000 Hebt U een chronisch gezondheidsprobleem (fysisch of psychisch), een ziekte of een handicap? Ja - Neen. Wordt U erdoor gehinderd in uw dagelijkse activiteiten? Ja, ernstig - Ja, enigermate - Neen. Gezondheidsenquête 1997, 2001, 2004, 2008 Heeft U last van één of meerdere langdurige ziekten, langdurige aandoeningen of handicaps? Ja - Neen. Is U vanwege deze ziekte(n), aandoening(en) of handicap(s) belemmerd in uw dagelijkse bezigheden? Voortdurend / Af en toe / Niet of zelden Is U als gevolg van deze ziekte(n), aandoening(en) of handicap(s) bedlegerig? Voortdurend / Af en toe / Niet of zelden. SEE2001 Hebt u last van één of meerdere langdurige ziekten, langdurige aandoeningen of handicaps? Ja - Nee. Indien JA, bent u door deze ziekten, aandoeningen of handicaps belemmerd in uw dagelijkse bezigheden? Voortdurend / Af en toe / Niet of zelden. Indien JA, bent u bedlegerig vanwege deze ziekten, aandoeningen of handicaps? Voortdurend / Af en toe / Niet of zelden. APS-survey 2002 en volgende Heeft U last van één of meerdere langdurige ziekte(n), langdurige aandoening(en) of handicap(s)? Ja - Neen. 8
Is U vanwege deze ziekte(n), aandoening(en) of handicap(s) voortdurend, af en toe of zelden of niet belemmerd in uw dagelijkse bezigheden? Voortdurend - Af en Toe -Zelden of Niet. EAK 2002 Hebt u een handicap of lijdt u aan een langdurig gezondheidsprobleem? Ja - Neen. EAK 2007 – 2009 - 2010 Ervaart U in uw dagelijkse bezigheden (op het werk of daarbuiten) hinder door een handicap, een langdurige aandoening of een langdurige ziekte (al dan niet werkgerelateerd). Ja, in erge mate, Ja, in zekere mate, Neen. ESS 2006/2007 Wordt u op de een of andere manier gehinderd in het uitvoeren van dagelijkse activiteiten door een langdurige ziekte of door een handicap, of door een lichamelijke of geestelijke aandoening ? Ja, erg - Ja, in zekere mate - Nee. SILC 2004- …. Lijdt u aan een handicap, langdurige ziekte of aandoening (gezondheidsprobleem) Bent u, vanwege een gezondheidsprobleem, gedurende de laatste zes maanden of langer beperkt geweest in activiteiten die mensen gewoonlijk doen ? Ja, erg beperkt, Ja, beperkt, Neen, niet beperkt. De vragen in de verschillende enquêtes zijn weliswaar niet identiek maar toch voldoende gelijklopend om de resultaten te kunnen vergelijken. In alle enquêtes wordt gepeild naar de aanwezigheid van zowel handicaps als van langdurige gezondheidsaandoeningen maar omdat ze in één adem worden genoemd en niet in afzonderlijke vragen worden behandeld, kan geen onderscheid tussen beide worden gemaakt. Het aspect “langdurigheid” zit in het begrip handicap zelf vervat. Voor ziektes wordt steeds gevraagd naar langdurige of chronische ziektes (of aandoeningen of gezondheidsproblemen). Kortstondige ziektes of ziektes waarvan de respondent verwacht dat ze niet lang zullen duren, zouden dus niet vermeld mogen zijn. Door de vraagformulering wordt een breed net uitgeworpen, maar daarna wordt de “vangst” gereduceerd door te vragen naar de invloed van de ziektes en handicaps op het dagelijkse leven. In de PSBH, de Gezondheidsenquête, de APS-survey en de SILC wordt aan respondenten die een gezondheidsprobleem, ziekte, aandoening of handicap vermelden, vervolgens gevraagd of zij er hinder of belemmeringen van ondervinden in hun dagelijkse bezigheden. In de gezondheidsenquêtes en de SEE2001 kan ook bedlegerigheid als gevolg worden vermeld. In de EAK 2002 wordt alleen gevraagd naar belemmeringen in de deelname aan het arbeidsleven (daarover later meer). Deze enquêtes maken het dus mogelijk om binnen de groep die verklaart een handicap of een langdurige ziekte te hebben, een deelgroep te onderscheiden die daar in het dagelijkse leven of in het arbeidsleven last van heeft. Op basis van de ESS en de EAK-2007-2009-2010 is dit niet mogelijk omdat de aspecten “aanwezigheid van een handicap, ziekte of aandoening” en “resulterende belemmeringen” samen in één vraag zitten en bovendien wordt er enkel aan 'dagelijkse bezigheden' gerefereerd. Om te kunnen spreken van een arbeidshandicap, is vereist dat de gezondheidsbeperkingen gepaard gaan met belemmeringen in het arbeidsleven. Enkel in de EAK 2002 is dit rechtstreeks gemeten. Op basis van alle andere enquêtes kan wel worden achterhaald of 9
handicaps en langdurige gezondheidsproblemen voorkomen en of zij belemmeringen in het dagelijks functioneren tot gevolg hebben, waartoe de respondent het werk kan rekenen. Tabel 1 laat zien hoeveel mensen verklaren een handicap of langdurige ziekte te hebben en voor hoeveel mensen dat resulteert in belemmeringen in het dagelijkse leven of (enkel EAK 2002) op het gebied van arbeid. In de EAK-2007 en 2009 legt de eerste vraag een relatie met hinder in de dagelijkse bezigheden en daarna volgen enkele vragen naar de ondersteuning bij het werk die men krijgt of nodig denkt te hebben. In het volgende overzicht beperken we ons tot de resultaten op basis van de eerste vraag. Tabel 1 : Handicapgerelateerde enquêteresultaten. Vlaams Gewest Enquête
leeftijd
% met handicap of langdurige ziekte
% met belemmeringen
PSBH-1998
16-64
17.8
14.0
PSBH-2000
16-64
14.0
10.3
Gezondheidsenquête 1997
16-64
22.6
14.7
Gezondheidsenquête 2001
15-64
21.0
13.0
Gezondheidsenquête 2004
15-64
19.0
12.2
SEE2001
15-64
16.0
12.3
APS-survey 2002
18-64
16.6
12.3
EAK - 2002
15-64
16.2
12.7
EAK-2007 (2 kwartaal)
15-64
-
12.5
EAK-2009 (heel jaar)
15-64
-
10.7
EAK-2010 (2 kwartaal)
15-64
-
11.1
ESS -2006/2007
15-64
-
17.5
SILC- 2007
16-64
17.0
15.7
e
e
Omdat het type enquête, de enquêtepopulatie en het enquêtejaar verschillen, is het niet verwonderlijk dat de vastgestelde percentages uiteenlopen. De omvangrijkste enquête, de SEE2001 met 3 475 000 respondenten tussen 15 en 64 jaar, levert de betrouwbaarste cijfers op (16% - 12.3%).
10
1.3 De werkzaamheidsgraad 3 van mensen met een handicap De PSBH, de Gezondheidsenquête, de APS-survey, de SEE2001, de ESS-2006/2007 en de EAK-2007-2009-2010 laten toe na te gaan hoe het gesteld is met de arbeidsdeelname van mensen die ten gevolge van een handicap of een langdurig gezondheidsprobleem belemmeringen in hun dagelijks leven ervaren. Bovendien kan, zij het op basis van uiteenlopend materiaal, rekening worden gehouden met de ernst daarvan. Tabel 2 vat de bevindingen samen. Ter vergelijking zijn ook de resultaten van de EAK-2002 vermeld, hoewel hiervoor het onderscheid naar ernst van de belemmeringen in het dagelijkse leven niet kan worden gemaakt. Tabel 2 : Werkzaamheidsgraad van mensen met belemmeringen (Vlaams Gewest)
survey
totale populatie
mensen met belemmeringen
lichte belemmeringen
ernstige belemmeringen
EAK-2002
63.5
45.7 (37.4)
EAK-2007 (2e kwartaal)
65.8
42.2
56.5
24.9
EAK-2009 (heel jaar)
65.8
36.7
53.9
22.0
EAK-2010 (2e kwartaal)
66.0
33.5
52.4
16.8
PSBH-1998
63.8
44.8
50.8
25.5
PSBH-2000
64.7
46.2
54.3
27.5
SEE2001
64.1
39.6
48.0
24.8
Gezondheidsenquête 1997
70.9
40.8
49.5
29.9
Gezondheidsenquête 2001
71.8
49.5
62.7
34.7
Gezondheidsenquête 2004
73.2
48.8
59.7
36.4
APS-2002
68.1
49.7
59.3
37.5
ESS – 2006/2007
64.0
45.9
52.8
16.7
SILC-2007
63.7
39.5
46.8
22.7
Niet alleen het begrip “handicap” is in de enquêtes verschillend geoperationaliseerd, ook de werkzaamheid, d.w.z. wie als “werkend” wordt beschouwd, is niet op dezelfde manier omschreven. Als we daarvan abstractie maken, en een soort gemiddelde maken voor het decennium dan ligt de werkzaamheidsgraad van mensen die belemmeringen ondervinden in de vermelde surveys gemiddeld 22% lager dan in de totale bevolking op werkzame leeftijd. Voor lichte belemmeringen is het verschil gemiddeld slechts 12%, voor ernstige belemmeringen loopt het op tot 39%.
3 De “werkzaamheidsgraad” is het aandeel werkende personen in de bevolking op arbeidsleeftijd (werkzame leeftijd). De term is synoniem met netto-arbeidsparticipatie of netto-arbeidsdeelname. De brutoarbeidsparticipatie of – deelname komt overeen met de activiteitsgraad (het aandeel van de bevolking op arbeidsleeftijd dat actief is op de arbeidsmarkt hetzij als werkende, hetzij als werkzoekende).
11
Resultaten uit de EAK Bij de redactie van deze update (december 2010) beschikken we over drie vrij recente EAKmetingen : die van 2007 (enkel de enquêtes in het 2e kwartaal), die van 2009 (alle enquêtes over het hele jaar) en die van 2010 (op dit moment enkel nog maar de enquêtes in het 2e kwartaal). Dit laat ons toe om de ontwikkelingen over drie jaar te schetsen op basis van de enquêtes uit het 2e kwartaal en voor diepgaander analyses gebruik te maken van de gegevens uit heel 2009. Tot dusver zijn de metingen beperkt gebleven tot het Vlaamse Gewest, cijfers voor de andere gewesten en heel het land zullen op basis van de enquêtes uit 2011 beschikbaar komen. De enquêtes in Vlaanderen bevatten gedurende heel 2010 de vragen naar hinder door een handicap en dat zal ook het geval zijn in 2011. In 2011 wordt die bevraging uitgebreid naar de andere Gewesten en in het tweede kwartaal 2011 wordt er een speciale Europese module toegevoegd die meer detailvragen over handicaps bevat. De vragen die i.v.m. handicaps werden gesteld zijn dezelfde in de drie jaren waarvoor we nu al over data beschikken. De context in 2007 was wel wat anders want toen was er ook een speciale module met vragen over werkgerelateerde gezondheidsproblemen en arbeidsongevallen en dit kan een effect gehad hebben op de respons op de handicapvraag, in de zin van een grotere geneigdheid om hinder te rapporteren (Samoy, 2009b, VDAB,2010) De EAK is een enquête waar men verplicht moet aan meewerken, maar de vragen over handicap zijn facultatief zodat er op die vragen non-respons is, die gelukkig vrij klein blijft. De steekproef omvat over een heel jaar ongeveer 36 000 respondenten (Vlaams Gewest). Ze worden in de rapportering ge-extrapoleerd naar de gehele bevolking (15-64 jaar). De volgende twee vragen worden helemaal op het einde van de enquête gesteld : M. TWEE EXTRA VRAGEN OVER LANGDURIGE GEZONDHEIDSPROBLEMEN OF HANDICAPS In te vullen voor alle personen van 15 tot en met 64 jaar met woonplaats in het Vlaams Gewest. Het antwoord op de 2 onderstaande vragen is facultatief. Ga naar vraag : 94.
Ervaart M_ in zijn / haar dagelijkse bezigheden (op het werk of daarbuiten) hinder door een handicap, een langdurige aandoening of langdurige ziekte (al dan niet werkgerelateerd) ?
- Ja :
- in erge mate ....................................................... 1 - in zekere mate .................................................... 2
95
- Neen ................................................................................. 3 - Geen antwoord .................................................................. 4
X
95.
95 X
Welke van de volgende vormen van ondersteuning zou M_ nodig hebben om te kunnen werken of welke van de volgende vormen van ondersteuning krijgt hij / zij bij het werk dat hij / zij nu doet ? (Overloop alle mogelijkheden.)
- Aanpassing van het soort taken ........................................ 1 - Aanpassing van de hoeveelheid werk ............................... 2
- Hulp bij verplaatsing naar en van het werk ........................ 3 - Hulp bij verplaatsing op het werk ....................................... 4
- Aangepaste uitrusting ........................................................ 5 - Hulp van collega's ............................................................. 6
- M_ kan helemaal geen betaalde arbeid (meer) verrichten
X
7
12
1.3.1. Voorkomen van handicaps en arbeidsdeelname De resultaten op vraag 94, het voorkomen van hinder, zijn als volgt : Tabel 3 : Het voorkomen van hinder in dagelijkse bezigheden (15-64)
Hinder Ja, in erge mate Ja, in zekere mate Totaal met hinder Zonder hinder Totaal Geen antwoord (GA) Totaal (inclusief GA)* Met hinder (basis = totaal inclusief GA*)
2007 5.7 6.8 12.5 87.5 100% 4.7 4 048 000 506 000
Enkel 2e kwartaal 2009 2010 5.9 5.9 4.6 5.2 10.5 11.1 89.5 88.9 100% 100% 2.5 2.3 4 097 000 4 114 000 430 000
457 000
4 kwartalen 2009 5.8 4.9 10.7 89.3 100% 2.6 4 100 000 439 000
Bron : FOD Economie –Algemene Directie Statistiek –EAK 2007-2009-2010 (Vlaams Gewest). Bewerking : Departement WSE *Afgeronde cijfers van de extrapolatie van de steekproefgegevens naar de hele bevolking
Het aandeel personen die erge hinder rapporteren ligt heel stabiel op bijna 6% (5.7% - 5.9%). Op basis van het hele jaar 2009 zijn dit ongeveer 240 000 personen. Het aandeel dat in zekere mate hinder rapporteert varieert tussen 4.6% en 6.8%. Het percentage voor heel 2009 (4.9%) komt overeen met ongeveer 200 000 personen. Het totaal met hinder varieert over de drie kwartaalmetingen tussen 10.5% en 12.5% hetgeen dus bijna uitsluitend te wijten is aan de variatie bij wie in zekere mate hinder rapporteert. Op basis van de jaarmeting 2009 gaat het om ongeveer 440 000 personen. Tabel 4 : Werkzaamheidsgraden van mensen met hinder in dagelijkse bezigheden (15-64)
Hinder Ja, in erge mate Ja, in zekere mate Totaal met hinder Zonder hinder Verschil zonder - met Totaal (berekend op inclusief GA)
2007 24.9 56.5 42.2 71.2 29.0 65.8
Enkel 2e kwartaal 2009 20.5 55.7 36.0 69.1 33.0 66.0
2010 16.8 52.4 33.5 70.1 36.6
4 kwartalen 2009 22.0 53.9 36.7 69.4 32.7
66.0
65.8
Bron : FOD Economie –Algemene Directie Statistiek –EAK 2007-2009-2010 (Vlaams Gewest). Bewerking : Departement WSE
Op basis van de drie metingen in het tweede kwartaal wordt een sterke daling vastgesteld in de werkzaamheidsgraad van het totaal van de mensen met hinder, 8.7 ppt minder tussen 2007 en 2010 terwijl de daling bij de mensen zonder hinder slechts 1.1 ppt bedraagt. We gaan dieper in op deze evolutie in het laatste punt van deze nota waar we het groeiscenario evalueren. De hiernavolgende gegevens betreffen het jaar 2009, het eerste jaar waarvoor er gedurende het hele jaar een meting was van de handicap, waardoor deze steekproef in totaal 36 510 respondenten omvat, vier keer meer dan een kwartaalmeting. 13
Analyse van de EAK-gegevens over het hele jaar 2009 Afgerond zegt één persoon op de tien (10.7%) een handicap of een langdurige gezondheidstoornis te hebben die hinder veroorzaakt in het dagelijkse leven. Het betreft bijna een half miljoen personen (15-64 jaar). Er is een grote kloof (32.7%) in werkzaamheid tussen personen zonder of met hinder (69.4% - 36.7% werkenden). T.o.v. personen die in erge mate hinder ondervinden is die kloof nog veel groter (47.4%). In deze laatste groep zijn er echter zeer veel inactieven (74.5%) waaronder veel die volledig arbeidsongeschikt zijn en wellicht nooit aan werken toe zullen komen. Tabel 5 : Arbeidsdeelname (%) in het Vlaamse Gewest (15-64 jaar) Hinder IAB-statuut Erge mate (1) Zekere mate (2) (1) + (2) Geen hinder Werkloos 3.5 6.1 4.7 3.3 Inactief 74.5 39.9 58.6 27.3 Werkend 22.0 53.9 36.7 69.4 Totaal (N)* 240 000 200 000 440 000 3 660 000 % in de populatie 5.8 4.9 10.7 89.3
Totaal 3.4 30.8 65.8 4 100 000 100
Bron : FOD Economie –Algemene Directie Statistiek- EAK 2009 (Vlaams Gewest). Bewerking : Departement WSE *Afgeronde cijfers van de extrapolatie van de steekproefgegevens naar de hele bevolking
Tabel 6 en Grafiek 1 tonen hoe de werkzaamheid varieert naargelang de leeftijd en de handicap of de langdurige gezondheidsaandoening.
Tabel 6 : Aandeel in de bevolking van werkenden en niet-werkenden naar handicap per leeftijdscategorie (horizontale %)
Werkend Zonder Met handicap handicap 20-24 25-29 30-34 35-39 40-44 45-49 50-54 55-59 60-64 20-64
48,1 83,8 85,1 84,1 82,2 78,8 69,4 46,6 16,3 67.3
1,6 2,5 3,3 3,7 5,5 5,9 7,2 5,5 1,9 4.3
14
Niet-Werkend Met handicap Zonder handicap 2,7 2,6 3 3,8 4,4 6,1 9,4 15,9 17,4 7.2
47,6 11,1 8,6 8,4 7,9 9,2 14 32 64,4 21.2
In grafiek 1 worden de aandelen van de vier onderscheiden groepen binnen elke leeftijdscategorie op elkaar gestapeld tot 100%. Vanaf de horizontale as wordt eerst het aandeel uitgezet van de categorie werkend-niet gehandicapt (oranje vlak). Daarbovenop komt de categorie werkend-gehandicapt (donkergroen vlak) en nog eens daarbovenop de categorie niet-werkend gehandicapt (lichtgroen). De lijn tussen de werkende en de nietwerkende gehandicapten (tussen donker- en lichtgroen) markeert dus de overgang tussen werkenden en niet-werkenden. De bovenste ruimte (paars) bevat de niet-werkende nietgehandicapten. Het verloop van de lijn die werkenden en niet-werkenden scheidt toont het bekend gegeven dat de werkzaamheid onder jongeren snel stijgt en op een hoog niveau blijft tot ongeveer vijftig jaar waarna een snelle daling intreedt. De hele groep gehandicapten bevindt zich in de donker en lichtgroene ruimte. Die ruimte wordt breder op hogere leeftijden. In de leeftijdscategorie 20-24 omvat de categorie gehandicapten nog maar 4.3%, in de leeftijdscategrie 55-59 jaar bereikt ze een maximum van 21.4%. De handicap-ruimte wordt op jongere leeftijden vrijwel gelijk verdeeld in donker en lichtgroen, wat betekent dat het aandeel werkende en niet-werkende gehandicapten in evenwicht is maar vanaf 50 jaar buigt de scheidingslijn tussen werkenden en niet-werkenden heel snel naar beneden, wat aantoont dat de grotere groep gehandicapten op hogere leeftijden relatief steeds minder werkenden omvat. Grafiek 1 : Werkzaamheid naar handicap en leeftijd
Bron : FOD Economie –Algemene Directie Statistiek -EAK 2009 (Vlaams Gewest). Bewerking : Departement WSE
Het is duidelijk dat leeftijd en handicap een effect hebben op de werkzaamheid, maar er zijn nog andere factoren zoals sekse en opleidingsniveau die ook een rol spelen.
15
Over de relatie tussen al deze kenmerken en de werkzaamheid kunnen de volgende vaststellingen worden gemaakt op basis van de EAK-2009 voor de 20-64 jarigen. De werkzaamheidgraad is hoger bij mannen (77.2%) dan bij vrouwen (65.7%). Bij 20-49 jarigen is de werkzaamheid veel hoger (81.5%) dan bij 50+ ers (50.9%). Bij hooggeschoolden is de werkzaamheid veel hoger (78.1%) dan bij laaggeschoolden (52.6%). Maar diezelfde factoren staan ook in relatie tot het ervaren van hinder door handicaps of langdurige gezondheidsaandoeningen. Hinder komt iets meer voor bij vrouwen (12.9%) dan bij mannen (12.0%). Onder de 50-64 jarigen ervaart 19% hinder, onder de 20-49 jarigen slechts 7.8%. Onder de laaggeschoolden ervaart 21.6% hinder, onder de hooggeschoolden slechts 7.9%. Als we vaststellen dat de werkzaamheid van mensen die hinder ondervinden door een handicap veel lager is dan die van niet-gehandicapten, hoe kunnen we dan in het kluwen van determinerende kenmerken de aparte invloed van handicaps onderscheiden ? Om die vraag te beantwoorden werd een (binaire) logistische regressie uitgevoerd op de kans om te werken versus niet te werken, met sekse (M/V), leeftijd (20-49/50-64), opleidingsniveau (laag, hoog) en handicap (neen/ja) als voorspellende variabelen. In dit model zijn de Exp(B) coëfficiënten respectievelijk 0.52 of 1.9 / 0.29 of 3.4 / 0.46 of 2.7 / 0.25 of 3.9. Die coëfficienten geven aan hoe sterk de invloed is van één van deze variabelen wanneer de andere constant worden gehouden, en dus geen invloed kunnen hebben. De handicap heeft de sterkste invloed, maar wordt heel nabij gevolgd door leeftijd. Wanneer we in het model niet alle handicaps opnemen, maar enkel de zware handicaps die erge hinder veroorzaken, dan wordt dit de sterkste voorspellende variabele (Exp(B)=7.9). Eenvoudig geformuleerd betekent dit dat de kans dat iemand zonder handicap aan het werk is bijna acht keer zo groot is als dat iemand met een zware handicap aan het werk is. Eenzelfde analyse op andere enquêtes in Vlaanderen heeft eveneens een grote onafhankelijke invloed van de handicaps op de werkzaamheid aangetoond (zie o.a. Samoy, 2005). Onder alle mensen (15-64) die hinder ondervinden, afgerond 440 000, zijn er 280 000 nietwerkenden. Dit zijn in hoofdzaak inactieven (260 000) naast een 20 000 werklozen (IABdefinitie) 4. Daarnaast zijn er 160 000 werkenden. We gaan wat dieper in op de onderscheiden groepen.
4
In 2009 lag het jaargemiddelde van bij de VDAB ingeschreven werkzoekende arbeidsgehandicapten op 30 788. Met wat voorbehoud bij een vergelijking van cijfers uit twee erg uiteenlopende bronnen die andere definities van werkzoekenden hanteren, zijn er dus een aantal die zichzelf in een enquête zoals de EAK niet meer als werkzoekende identificeren, maar wellicht als inactieve.
16
1.3.2. Niet-beroepsactieven met hinder De niet-beroepsactieven omvatten zowel inactieven als werklozen. De inactieven met hinder vertegenwoordigen 20% van alle inactieven in de beroepsbevolking, de werklozen met hinder vertegenwoordigen 15% van alle werklozen in de beroepsbevolking. De impact van een handicap of langdurige gezondheidsaandoening kan zo groot zijn dat men zichzelf geen enkele kans meer geeft op de arbeidsmarkt. Zo zegt 45% van zij die hinder ondervinden dat ze helemaal geen betaalde arbeid meer kunnen verrichten (66% onder wie in erge mate hinder ondervindt maar ook 20% onder wie in zekere mate hinder ondervindt). Bij respondenten die vermelden dat ze hinder ondervinden, maar zichzelf niet als volledig werkonbekwaam beschouwen, is gevraagd welke vormen van ondersteuning ze nodig denken te hebben om te kunnen werken. Eenzelfde persoon kan meerdere vormen van ondersteuning vragen. Tabel 7 : Ondersteuning niet-beroepsactieven met hinder (exclusief de volledig werkonbekwamen) (15-64). Ondersteuning gevraagd bij … % Aantal (benaderend) Aanpassing van het soort taken 80 75 000 Aanpassing van de hoeveelheid werk 55 52 000 Hulp bij verplaatsing van en naar het werk 8 8 000 Hulp bij verplaatsing op het werk 3 3 000 Aangepaste uitrusting 13 13 000 Hulp van collega’s 13 12 000 Totaal (minstens één vorm van steun gevraagd) 100 94 000 Bron : FOD Economie –Algemene Directie Statistiek- EAK 2009 (Vlaams Gewest). Bewerking : Departement WSE
Aanpassing van de taken en de hoeveelheid werk komen op de eerste plaats, maar ook de hulp van collega's en aangepaste uitrusting is van belang. Een kleine groep niet-actieven verwacht dat ze zonder hulp niet op het werk zullen geraken of er zich niet kunnen verplaatsen. 1.3.3. Beroepsactieven met hinder Onder alle werkenden (15-64 jaar) zijn er 6% (ongeveer 160 000) met hinder door een handicap of een langdurige gezondheidsaandoening, maar het loopt op tot 10% onder de 50+ ers. De 6% met hinder is de som van 2% met erge hinder en 4% met hinder in zekere mate. Onder de werkende mannen zijn er 5.5% met hinder, onder de vrouwen 6.5%. Eén op de drie werkenden met hinder ervaart in erge mate hinder, twee op de drie in zekere mate. In de primaire en in de quartaire sector ondervinden 7% van de werkenden hinder, in de secundaire en de tertiare is dit 5%. Het aandeel werkenden met hinder varieert naargelang het statuut van de (hoofd)activiteit (tabel 8). Het hoogste percentage treffen we aan bij arbeiders uit de private sector, het laagste bij bedienden in de private sector.
17
Tabel 8 : Beroepsactieven naar beroepsstatuut van de hoofdactiviteit en handicap (15-64) Beroepsstatuut van de Hoofdactiviteit Handicap / langdurige Totaal gezondheidsaandoening Ja Neen Private sector / Arbeider 8.5 91.5 100% Private sector / Bediende 4.2 95.8 100% Openbare sector / statutaire ambtenaar 6.4 93.6 100% Openbare sector / contractueel 6.9 93.1 100% Zelfstandige zonder personeel 4.7 95.3 100% Zelfstandige met personeel 4.5 95.5 100% Helper (medewerkend gezinslid zonder vergoeding) 5.4 94.6 100% Totaal % 6.0 94.0 100% Totaal Aantal 160 000 2 470 000 2 630 000 Bron : FOD Economie –Algemene Directie Statistiek- EAK 2009 (Vlaams Gewest). Bewerking : Departement WSE
Ervaren van hinder is ook gebonden aan de beroepsgroep waartoe iemand behoort (tabel 9) Onder de ongeschoolde arbeiders en bedienden zijn er veruit het meest personen die hinder ondervinden. Het aandeel ligt meer dan dubbel zo hoog als in sommige hoger geschoolde beroepsgroepen. Tabel 9 : Beroepsactieven naar beroep (ISCO-classificatie) en handicap (15-64) Beroepen Handicap / langdurige gezondheidsaandoening Ja Neen Strijdkrachten 5.2 94.8 Bedrijfsleiders, hoger kader 3.2 96.8 Intellectuele en wetenschappelijke beroepen 4.8 95.2 Beroepen van het tussenkader 5.2 94.8 Bedienden in administratieve functies 4.8 95.2 Dienstverlenend en verkoopspersoneel 7.0 93.0 Landbouwers, vissers 8.3 91.7 Ambachtslieden en vakarbeiders 5.9 94.1 Bedienaars machines, bestuurders voertuigen 7.6 92.4 Ongeschoolde arbeiders en bedienden 11.7 88.3 Totaal % 6.0 94.0 Totaal Aantal 160 000 2 470 000
Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 2 630 000
Bron : FOD Economie –Algemene Directie Statistiek- EAK 2009 (Vlaams Gewest). Bewerking : Departement WSE
Aan de niet-werkenden werd gevraagd welke ondersteuning men nodig denkt te hebben, aan de werkenden werd, in dezelfde termen, gevraagd naar de steun die men effectief geniet. Tabel 10 : Vormen van ondersteuning bij beroepsactieven met hinder (15-64) Krijgt ondersteuning bij … % Aantal (benaderend) Aanpassing van het soort taken 53 83 000 Aanpassing van de hoeveelheid werk 41 65 000 Hulp bij verplaatsing van en naar het werk 4 7 000 Hulp bij verplaatsing op het werk 1 2 000 Aangepaste uitrusting 14 22 000 Hulp van collega’s 18 28 000 Totaal (minstens één vorm van ondersteuning) 90 140 000 Geen ondersteuning 10 16 000
Bron : FOD Economie –Algemene Directie Statistiek EAK 2009 (Vlaams Gewest). Bewerking : Departement WSE
18
Aanpassingen van het soort werk en de hoeveelheid werk zijn de meest voorkomende vormen van ondersteuning om mensen met hinder te laten participeren. Hulp van collega's, en aangepaste uitrusting zijn voor velen ook een belangrijke steun. Het is opmerkelijk dat zeer weinig werkenden met hinder geen enkele vorm van ondersteuning beweren te krijgen. 1.3.4. De huishoudsituatie van mensen met hinder De EAK is een van de weinige bronnen die een zicht geven op de huishoudsituatie waarin mensen met hinder leven en vooral daarom nemen we deze gegevens hier op. Bij de vergelijking met mensen zonder hinder moet men in het achterhoofd houden dat hinder veel meer voorkomt op hogere leeftijden en dat de huishoudsituatie ook wijzigt met de leeftijd. Dit verklaart wellicht waarom er onder de mensen zonder hinder veel meer bij de ouders inwonen (veel meer jongeren dan in de groep met hinder). Opvallend is het hoog aandeel alleenstaanden onder de mensen met hinder. In principe zouden we de relatie tussen de werkzaamheid en de huishoudsituatie kunnen onderzoeken, maar dan moet men zeker een aantal andere variabelen zoals leeftijd en geslacht onder controle houden. Tabel 12 : Huishoudsituatie van mensen met hinder (20-64 jaar)
positie Alleenstaande Samenwonend met partner zonder kinderen Samenwonend met partner en 1 kind Samenwonend met partner en 2 kinderen Samenwonend met partner en 3 of meer kinderen Allen samenwonend met partner Hoofd eenoudergezin Inwonend bij ouders Overige Totaal
Erge mate
Zekere mate
Hinder Allen met hinder
Geen
Totaal
22.8 27.9
17.7 27.8
20.4 27.9
9.5 19.9
10.7 20.7
10.8
13.5
12.0
12.7
12.6
7.2
11.1
9.0
16.7
15.8
4.8
5.0
4.9
7.1
6.9
50.7 6.7 9.6 10.1 100
57.4 7.4 8.2 9.4 100
53.8 7.1 8.9 9.7 100
56.4 5.2 20.2 8.7 100
56.0 5.4 19.0 8.8 100
Bron : FOD Economie –Algemene Directie Statistiek EAK 2009 (Vlaams Gewest). Bewerking : Departement WSE
19
1.3.5. Vergelijking met andere landen Ter afronding geven we de resultaten van de European Social Survey (ESS2006-2007). We bekijken het voorkomen van handicaps (tabel 13) en de arbeidsdeelname (tabel 14) Tabel 13 : Aandeel mensen dat in de dagelijkse activiteiten beperkt wordt door een langdurige ziekte, een handicap of een lichamelijke of geestelijke aandoening, in diverse landen (ESS– 20062007 / 15-64jaar)) Beperkingen Ukraine Russian Federation Slovenia Finland Sweden Hungary Netherlands Poland Denmark Norway Germany United Kingdom Estonia France Belgium Austria Slovakia Portugal Switzerland Bulgaria Ireland Spain Cyprus
Erg (1) 6.4 3.2 7.6 5.2 5.6 5.8 4.9 4.4 4.3 3.3 3.9 7.2 4.2 4.1 3.4 2.2 2.4 3.6 1.9 3.0 2.8 2.4 2.3
In zekere mate (2) 28.4 25.7 17.8 19.1 17.8 17.3 16.9 17.3 17.4 17.6 16.3 12.1 14.1 14.0 14.2 15.0 14.3 11.8 13.0 11.8 10.7 7.5 3.2
(1) + (2) 34.8 28.9 25.4 24.4 23.3 23.1 21.8 21.7 21.7 20.9 20.2 19.3 18.2 18.1 17.6 17.2 16.7 15.4 15.0 14.7 13.6 9.9 5.5
Geen 65.2 71.1 74.6 75.6 76.7 76.9 78.2 78.3 78.3 79.1 79.8 80.7 81.8 81.9 82.4 82.8 83.3 84.6 85.0 85.3 86.4 90.1 94.5
Tabel 14 : Aandeel mensen dat in de dagelijkse activiteiten beperkt wordt door een langdurige ziekte, een handicap of een lichamelijke of geestelijke aandoening, in diverse landen en de werkzaamheidsgraad (ESS– 2006-2007/ 15-64jaar) % met Werkzaamheidsgraad beperkingen (% gewerkt in de laatste 7 dagen) Alle 15-64met verschil (1)-(2) 15-64 jarigen jarigen (1) beperkingen (2) Ukraine 34.8 53.4 46.0 7.4 Russian Federation 28.9 63.8 56.5 7.3 Slovenia 25.4 55.3 38.5 16.8 Finland 24.4 68.0 56.8 11.2 Sweden 23.3 74.6 65.8 8.8 Hungary 23.1 58.0 38.2 19.8
20
Netherlands Poland Denmark Norway Germany United Kingdom Estonia France Belgium Austria Slovakia Portugal Switzerland Bulgaria Ireland Spain Cyprus
21.8 21.7 21.7 20.9 20.2 19.3 18.2 18.1 17.6 17.2 16.7 15.4 15.0 14.7 13.6 9.9 5.5
71.5 56.0 73.0 77.7 63.0 69.8 71.4 64.6 61.2 70.2 55.3 61.9 71.1 55.1 65.4 67.9 59.7
50.3 43.7 55.2 61.8 51.8 45.4 52.9 51.5 43.8 63.8 40.1 46.9 58.4 36.2 50.0 40.5 33.3
21.2 12.3 17.8 15.9 11.2 24.4 18.5 13.1 17.4 6.4 15.2 15.0 12.7 18.9 15.4 27.4 26.4
De cijfers voor België als geheel wijken wat af van die voor Vlaanderen uit de EAK-2007 (er zijn geen gegevens over heel België uit de EAK-2007) omdat de situatie niet dezelfde is in de verschillende gewesten, zoals ook al bleek uit analyses van de EAK-2002 en de Gezondheidsenquêtes. De percentages mensen met beperkingen in de verschillende landen lopen zo sterk uiteen (5% tot 34.8%) dat men zich moet afvragen of het wel over dezelfde "soort" mensen gaat. Ook in de Europese EAK-2002 stelde men dezelfde variatie vast (Samoy, Tielens, 2004). De werkzaamheidsgraad van alle mensen en die van mensen met beperkingen variëren ook heel sterk. Van belang is vooral de achterstand in werkzaamheid die varieert van 6.4% tot 27.4%. In vrijwel alle opzichten neemt België een middenpositie in. In de EAK-2011 (tweede kwartaal) wordt opnieuw een module opgenomen over handicap die in alle EU-landen zal worden afgenomen, zodat er vanaf 2012 nieuwe europese vergelijkbare gegevens zullen zijn.
21
1.4. Focus op de arbeidsgehandicapten We stelden vast (zie tabel 1) dat het aandeel personen (15-64) die in het dagelijks leven last ondervinden van een handicap of langdurige gezondheidsaandoeningen in de EAK-metingen van de laatste jaren schommelt rond de 11 Ă 12%. Het laatste percentage vonden we ook in de meest uitgebreide bevraging die er in Vlaanderen ooit was, namelijk de socioeconomische enquĂŞte uit 2001. Last ondervinden in het dagelijkse leven wil niet noodzakelijk zeggen dat dit ook het geval is in een werksituatie, maar het een en het ander gaat wel vaak samen. Zo stelden we bij de niet beroepsactieven met hinder vast dat bijna de helft zegt geen betaalde arbeid meer te kunnen verrichten en bij de anderen zou de meerderheid hulp nodig hebben om aan de slag te kunnen gaan. Bij de beroepsactieven met hinder stelden we vast dat de grote meerderheid een of andere vorm van ondersteuning krijgt. We mogen dus wel stellen dat de overgrote meerderheid van diegenen die we op het spoor komen met te vragen naar last in het dagelijks leven, ook beperkingen ervaren in het vinden van werk of in het werk dat ze uitvoeren, en dus arbeidsgehandicapten mogen worden genoemd. Op basis van de EAK-2009 zou het gaan om zowat 440 000 personen waaronder 280 000 niet-werkenden en 160 000 werkenden. Het is interessant om na te gaan of we die zelfverklaarde arbeidsgehandicapten ook via administratieve bronnen over de uitkeringsstelsels en voorzieningen in het Vlaamse Gewest kunnen terugvinden. Een aantal niet-werkende arbeidsgehandicapten zijn te vinden in de arbeidsongeschiktheidsstelsels. Het gaat om ongeveer 146 000 mensen met een invaliditeitsuitkering (ZIV : 135 000 loontrekkenden + 11 500 zelfstandigen op 30-06-2010), ongeveer 60 000 met een tegemoetkoming voor gehandicapten en naar schatting 50 000 mensen met een uitkering op grond van een arbeidsongeval of een beroepsziekte (het precieze aantal is niet bekend, zie ook Samoy, 2009b). Aangezien de uitkering in al deze stelsels gecombineerd kan worden met gedeeltelijk werken, zijn deze ramingen wellicht te hoog. Daarom nemen we aan dat er in deze regelingen samen ongeveer 200 000 niet werkende arbeidsgehandicapten zitten. Voegen we daar de 30 000 niet-werkende werkzoekende arbeidsgehandicapten van de VDAB bij (zie verder), dan komen we uit op 230 000. Van de 280 000 mensen die in de EAK verklaard hebben dat ze hinder ondervinden en niet werken, zijn er dus nog een aantal die we niet in de arbeidsongeschiktheidsstelsels of in de werkloosheid terugvinden. Een deel is op invaliditeit bij de overheid of in het onderwijs, een ander deel ontvangt wellicht leefgeld maar een deel kan ook huisvrouw of man zonder uitkering zijn. Binnenkort zullen analyses op basis van het datawarehouse arbeidsmarkt en sociale bescherming toelaten om al deze cijfers veel precieser te bepalen. Van de 160 000 werkende arbeidsgehandicapten die er op basis van de EAK zouden zijn, kennen we maar een kleine fractie, namelijk de werknemers van de beschutte of sociale werkplaatsen, de werknemers op de reguliere arbeidsmarkt met een loonkostensubsidie en/of een arbeidspostaanpassing en een aantal deeltijds werkenden (zie verder). Samen zijn dat ongeveer 40 000 mensen. De overige 120 000 blijven buiten het blikveld. We gaan we nu nader in op de samenstelling en de kenmerken van de groep werkzoekende en de groep werkende arbeidsgehandicapten. 22
1.4.1 Werkzoekende arbeidsgehandicapten Werkzoekende arbeidsgehandicapten kunnen al dan niet als werkzoekend ingeschreven zijn bij de VDAB. Omdat over de niet ingeschrevenen (1.4.1.2.) weinig bekend is, behandelen we eerst de ingeschrevenen. 1.4.1.1. Bij de VDAB ingeschreven werkzoekende arbeidsgehandicapten Situatie tot 31-12-2008 Onder werkzoekende arbeidsgehandicapten verstond de VDAB werkzoekenden die behoren tot een van de volgende vier categorieën :
ingeschreven
1. Werkzoekenden die bij de VDAB geregistreerd zijn met een VAPH- inschrijving, wat inhoudt dat hun verzoek om bijstand is goedgekeurd en zij toegang hebben gekregen tot een vorm van bijstand op het gebied van arbeid (een zogeheten W2- of W3-bijstandsveld). 2. Werkzoekenden die door de RVA en/of de VDAB aangemerkt zijn als “gedeeltelijk” of “zeer beperkt” geschikt. Tot voor kort werden hiertoe de volgende definities gehanteerd die nog steeds van toepassing zijn voor wie dit label heeft gekregen : “De werkzoekenden met normale geschiktheid zijn de voor de arbeidsmarkt beschikbare werkzoekenden die geschikt zijn om het beroep uit te oefenen waarin zij ingeschreven zijn; zij moeten bijgevolg over de beroepsvaardigheid en het rendement beschikken, die normaal van een werknemer van hun leeftijd in hetzelfde beroep geëist wordt. Beschikken over een gedeeltelijke geschiktheid, de werkzoekenden voor wie de lichamelijke geschiktheid iets onder de geschiktheid ligt die in het beroep gewoonlijk verlangd wordt of voor wie karakteriele of morele factoren een ernstige handicap vormen voor hun wederinschakeling in het normale productieproces (ongeacht of het in het oorspronkelijk beroep is of in welke andere betrekking dan ook) en ook lichamelijk gehandicapten wier wedertewerkstelling afhankelijk is van een beroepsherscholing of een revalidatie. Werkzoekenden met een zeer beperkte geschiktheid zijn de lichamelijk of geestelijk gehandicapten die voor een beroepsherscholing en/of revalidatie niet in aanmerking komen, zodat zij slechts zeer moeilijk opnieuw in het normale productieproces kunnen ingeschakeld worden.” Sedert een paar jaar worden voor de categorieën “gedeeltelijke en zeer beperkte geschiktheid” de volgende nieuwe definities gehanteerd :
23
Gedeeltelijke geschiktheid : -
Het niet kunnen uitvoeren van bepaalde functies of functietaken omwille van medische en/of psychische beperkingen (attestering van arbeidsongeschiktheid minder dan 33%), of
-
Werkzoekenden met een VAPH inschrijving, bijstandsveld W3 (normaal economisch circuit) Zeer beperkte geschiktheid :
-
Werkzoekenden die om medische en/of psychische redenen niet tewerkgesteld kunnen worden in het normale economisch circuit en toegeleid moeten worden naar een beschermde tewerkstelling (attestering van arbeidsongeschiktheid vanaf 33% tot 66%) - de gegevens van de RVA komen automatisch op de dossiers van de werkzoekenden, of
-
Werkzoekenden tewerkstelling)
met
een
VAPH
inschrijving,
bijstandsveld
W2
(beschutte
3. Werkzoekenden met als hoogste onderwijsniveau BuSO, een onderwijsvorm voor mensen met diverse types handicap. In de praktijk gaat het vooral om mensen die opleidingsvorm 3 (beroepsonderwijs) van type 1 voor jongeren met een licht mentale handicap hebben gevolgd. 4. (Sedert oktober 2006) Normaal geschikte werkzoekenden zonder VAPH-erkenning, die geen BLO- of BuSO-afgestudeerden zijn, maar een BuSO-studie afgebroken hebben en als hoogste onderwijsniveau lager onderwijs, eerste graad secundair onderwijs, deeltijds beroepssecundair of tweede graad beroepsonderwijs hebben. Dat iemand door een CLB naar het BuSO werd verwezen, ook al wordt deze studie later afgebroken, is een voldoende aanwijzing voor de aanwezigheid van een handicap. Tabel 15 en grafiek 2 tonen de ontwikkeling van het aantal arbeidsgehandicapten in Vlaanderen tot midden 2008
24
Tabel 15 : Arbeidsgehandicapten (NWWZ) in Vlaanderen (VDAB) Juni 2001 Juni 2002 Juni 2003 Juni 2004 Juni 2005 Juni 2006 Juni 2007 Juni 2008
VAPH-inschrijving
3 083
3 555
4 008
4 487
5 110
6 048
5 441
5930
BuSO- afgestudeerden
4 783
5 530
6 605
7 079
7 313
7 351
6 973
6648
Gedeeltelijk geschikten
9 714
10 518
13 127
15 014
18 968
20 303
18 397
17554
Zeer beperkt geschikten
3 210
3 216
3 354
3 328
4 054
3 791
5 067
7293
Gedeelt. + zeer beperkt geschikten
12 924
13 734
16 481
18 342
23 022
24 094
23 464
24 847
Totaal arbeidsgehandicapt*
17 140
18 549
21 400
23 612
28 256
28 995
27 815
29 211
Andere werkzoekenden.*
144 861
159 028
182 914
194 206
206 336
197 183
154 074
142 309
Totaal werkzoekenden*
162 001
177 577
204 314
217 818
234 592
226 178
181 889
171 520
10.4
10.5
10.8
12.0
12.8
15.3
17.0
% arbeidsgehand.
10.6 * Inclusief personen in beroepsopleiding
Grafiek 2 : Evolutie van het aantal werkzoekende arbeidsgehandicapten (VDAB) Werkzoekende arbeidsgehandicapten 2001-2008 (30 juni) 35.000
30.000
25.000
20.000
15.000
10.000
5.000
0 2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
VAPH
BuSO
Gedeeltelijk gesch.
Zeer beperkt gesch.
Gedeelt. + zeer beperkt gesch.
Totaal arbeidsgehandicapten
25
Van 2001 tot 2006 ging het aantal werkzoekende arbeidsgehandicapten in sterk stijgende lijn. De opvallende toename tussen juni 2004 en juni 2005 is vooral te wijten aan het feit dat oudere werkzoekenden, ingevolge de gewijzigde reglementering, opnieuw beschikbaar moesten zijn voor de arbeidsmarkt. Tussen juni 2006 en juni 2007 is er een daling (-4 %), die evenwel veel geringer is dan de daling bij de andere werkzoekenden (-22%), zodat het aandeel van de arbeidsgehandicapten onder de werkzoekenden toch toeneemt. Medio 2007 bedroeg dit al 15%. Tussen juni 2007 en juni 2008 stijgt het aantal werkzoekende arbeidsgehandicapten opnieuw, terwijl het aantal andere werkzoekenden verder daalt, zodat het aandeel van de arbeidsgehandicapten oploopt tot 17%. Zoals blijkt uit de indexen in tabel 16, is de langetermijn ontwikkeling en die in het laatste jaar, niet gelijk voor alle deelgroepen. Tabel 16 : Aantal NWWZ arbeidsgehandicapten naar deelgroep (Indexen) (VDAB) 2001-2008 (2001=100)
2007-2008 (2007=100)
VAPH
193
109
BuSO
139
95
Gedeeltelijk geschikt
181
95
Zeer beperkt geschikt
227
144
Totaal
170
105
De stijging over de hele periode is het grootst voor de Zeer beperkt geschikten en het kleinst in de BuSO-groep. Ook in het recentste jaar is er een sterke toename van de Zeer beperkt geschikten. Vergelijkingen tussen de deelgroepen arbeidsgehandicapten (ingeschrevenen in het VAPH, BuSO-afgestudeerden en niet-normaal geschikten) zijn onzuiver, omdat de deelgroepen elkaar overlappen. Zoals blijkt uit tabel 17 behoort maar 6,3% (1830/29211) tot alle drie de deelgroepen, terwijl de grootste groep bestaat uit niet-normaal geschikten die geen BuSO hebben gedaan en niet in het VAPH zijn ingeschreven (22164/29211 = 76%). Tabel 17 : Arbeidsgehandicapten in Vlaanderen (NWWZ) (30-06-2008) (VDAB)
Normaal geschikt
Niet normaal geschikt*
Totaal
BuSO
Niet-BuSO
BuSO
Niet-BuSO
VAPH
279
399
1830
3422
5930
Niet-VAPH
3183
503
853
18742
23281
Totaal
3462
902
2683
22164
29211
*Gedeeltelijk geschikt + Zeer beperkt geschikt De 503 arbeidsgehandicapten die normaal geschikt zijn, niet in het VAPH zijn ingeschreven en niet afgestudeerd zijn aan het BuSO, zijn laaggeschoolden met een afgebroken BuSOopleiding.
26
De vergelijking van de gehele groep van 29 211 arbeidsgehandicapten met alle werkzoekenden (171 520, inclusief die in opleiding) brengt enkele opvallende verschillen aan het licht (situatie 30-06-2008). Onder de arbeidsgehandicapten zijn er meer uitkeringsgerechtigde volledig werklozen (UVW's, 92% t.o.v. 80%) en derhalve minder van de andere categorieën. Naar leeftijd zijn er bij de arbeidsgehandicapten meer boven de 50 jaar (33% t.o.v. 27%). Arbeidsgehandicapten zijn ook vaker langdurig werkloos (meer dan 2 jaar, 51% t.o.v. 29%). Naar studieniveau behoort 77% van de arbeidsgehandicapten tot de groep die hoogstens een diploma lager secundair onderwijs heeft (inclusief BuSO), terwijl dit voor alle werkzoekenden samen “slechts” 52% is. De deelgroepen arbeidsgehandicapten verschillen ook onderling, maar men mag bij het vergelijken niet uit het oog verliezen dat iemand tot meerdere groepen kan behoren. Opvallend is dat 37.5 % van de niet-normaal geschikten 50 jaar of ouder is en dat 47% meer dan drie jaar werkloos is. Hoewel de VAPH-groep in het algemeen jonger is, is ook daarvan een derde meer dan drie jaar werkloos. Meestal gaat het om mensen die als niet-normaal geschikt aangemerkt zijn. Zoals verwacht, heeft de BuSO-groep het “jongste” leeftijdsprofiel. Vanaf 01-01-2009 De wijze van registreren van de kansengroep arbeidsgehandicapten is sinds aanvang 2009 gewijzigd, in overeenstemming met de bepaling van de personen met een indicatie van arbeidshandicap in het BVR van 18-07-2008 (art. 3). Het gaat nu om de volgende deelgroepen (die elkaar kunnen overlappen) : 1° personen met een handicap, erkend door het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap; 2° personen die gewezen leerling zijn van het buitengewoon onderwijs en die hoogstens een getuigschrift of diploma behaald hebben in het buitengewoon onderwijs; 3° personen die op basis van hun handicap in aanmerking komen voor een inkomensvervangende tegemoetkoming of integratietegemoetkoming, verstrekt aan personen met een handicap op basis van de wet van 27 februari 1987 houdende tegemoetkomingen aan personen met een handicap; 4° personen die in het bezit zijn van een afschrift van een definitief geworden gerechtelijke beslissing of van een attest van een bevoegde federale instelling waaruit een blijvende graad van arbeidsongeschiktheid blijkt; 5° personen die recht geven op bijkomende kinderbijslag of personen die recht hebben op een verhoogde kinderbijslag voor hun kind of kinderen ten laste als ouder met een handicap; 6° personen die een invaliditeitsuitkering ontvangen op basis van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 7° personen met een attest van een door de VDAB aangewezen dienst of arts. In de loop van 2009 en 2010 hebben nog twee ingrepen plaatsgevonden die de cijfers konden beïnvloeden. De eerste betreft een verbeterde registratie van de opleidingsvorm voor BuSO afgestudeerden wat de cijfers wellicht niet veel veranderde. De tweede betreft die personen waarvoor alleen bekend is dat ze als beperkt geschikt aangemerkt staan en die wanneer er geen (medisch) attest kon worden voorgelegd niet langer tot de groep arbeidsgehandicapten worden gerekend. Het betrof een groep van enkele duizenden die herbeoordeeld moest worden, maar het is niet bekend hoeveel er daarvan niet langer meegerekend worden. Deze operatie bemoeilijkt wel de vergelijkbaarheid met eerdere cijfers. 27
Grafiek 3 : Evolutie van de arbeidsgehandicapte NWWZ*
* Deze grafiek wordt elke maand bijgewerkt op www.werk.be (Bron : VDAB-Arvastat)
In de grafiek zijn werkzoekenden in beroepsopleiding niet inbegrepen (bijna 2000 in sept 2010). Ook niet inbegrepen zijn de iets meer dan 2000 gerechtigden op een invaliditeitsuitkering die als werkzoekende zijn ingeschreven. Van februari 2008 tot februari 2010 lag het cijfer elke maand hoger dan het cijfer in de vergelijkbare maand een jaar eerder. De trend was dus stijgend. In absolute cijfers waren er op het einde van deze periode bijna 3000 arbeidsgehandicapte werkzoekenden meer dan in het begin (30 749-27 802). Deze stijging is wellicht nog een onderschatting want het is in deze periode dat de herbeoordeling van de beperkt geschikten plaatsvond (zie hoger). Aangezien juist dan de economische crisis toesloeg, is de stijging geen verrassing. Ze is met 11% wel veel kleiner dan de stijging van alle nwwz in dezelfde periode (+29%). Vanaf het voorjaar 2010 begon het beter te gaan. De trend is elke maand dalend en eind 2010 is het aantal werkzoekende arbeidsgehandicapten gedaald tot 29 363 (-6.1% ten opzicht van een jaar eerder). Dit is nog iets hoger dan in december 2008 (28 984), maar het is vooral heel veel hoger (65%) dan in het begin van het decennium. De lange termijn evolutie is tot dusver stijgend, dat maakt de trendlijn duidelijk. Van de 132 maanden die in de grafiek zijn opgenomen waren er maar 30 (23%) waarin het cijfer lager lag dan in de vergelijkbare maand een jaar eerder (dit zijn maanden in 2001, 2007 en 2010). Op de VDAB-website kan men met de tool “Arvastat” (onder “Cijfers”) van maand tot maand het aantal arbeidsgehandicapten (nwwz) vinden, ook naar verschillende soorten regio’s en met een aantal kenmerken, die men bovendien met elkaar kan kruisen. In juli 2010 publiceerde de VDAB een brochure met heel veel informatie over de kenmerken van die groep (situatie maart 2010). Daaruit blijkt dat de werkzoekende arbeidsgehandicapten op vele punten afwijken van de globale populatie werkzoekenden, maar ook intern een heel diverse groep vormen naar leeftijd, geslacht, opleidingsniveau, enz. Jammer genoeg ontbreekt er informatie over de aard van de handicap of de gezondheidsaandoening. Het spreekt vanzelf dat de VDAB-begeleiding verschilt naargelang iemand fysiek gehandicapt is, zintuiglijk, mentaal of psychisch of een chronische ziekte heeft maar het zou ongetwijfeld interessant zijn om de omvang van die diverse groepen te kennen, tevens omdat ook de uitstroomkansen naar werk wellicht sterk verschillen.
28
Als gevolg van de gewijzigde definities kunnen de deelgroepen arbeidsgehandicapten vanaf 2009 niet meer op dezelfde manier worden onderscheiden als tevoren, met uitzondering van de BuSO-afgestudeerden. In juni 2008 maakten die laatste 23% uit van de totale groep (inclusief personen in beroepsopleiding), in juni 2010 is niet alleen het absoluut aantal gestegen (van 6 648 naar 8 570) maar ook het aandeel (27.5%). De groep met een VAPHinschrijving is niet meer goed vergelijkbaar. In juni 2008 omvatte die groep 5 930 personen of 20.3% (inclusief personen in beroepsopleiding), in juni 2010 is dit gestegen tot 7 373 of 23.6%. Deze groei is wat onverwacht aangezien een inschrijving in het VAPH sinds januari 2009 niet meer vereist is voor ondersteuning bij werk, maar er is wellicht nog een effect van lopende inschrijvingen, gekoppeld aan de effecten van de economische crisis en misschien ook van een betere registratie van de inschrijvingen in het VAPH . Hoe dan ook, nog bijna een vierde van alle nwwz arbeidsgehandicapten hebben een VAPH-indicatie en een groot deel daarvan (43%) zijn ex-BuSO leerlingen. De groep is ook divers naar categorie werkzoekende : 90% zijn uitkeringsgerechtigde volledig werkloze, 3% zijn vrij ingeschreven, 2% zijn schoolverlaters en 5% zijn andere (situatie eind september 2010, inclusief personen in beroepsopleiding). 1.4.1.2. Niet alle werkzoekende arbeidsgehandicapten zijn ingeschreven bij de VDAB. Sommige mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals een invaliditeitsuitkering of een tegemoetkoming aan gehandicapten, zijn ook op zoek naar werk, maar als ze zich niet in de VDAB hebben ingeschreven, weten we niet om hoeveel mensen het gaat en welke kenmerken zij hebben. Daarnaast zijn er ook nog mensen met een handicap die niet actief zijn, geen arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben en ook niet in de VDAB zijn ingeschreven maar die toch werkzoekend zijn. Ook van hen weten we niets. 1.4.2 Werkende arbeidsgehandicapten Volgens de EAK-2009 zijn er ongeveer 160 000 werkende arbeidsgehandicapten, wat overeenkomt met 6% van alle Vlaamse werkenden. Slechts een klein deel zijn in administratieve gegevensbestanden terug te vinden. Het gaat om de volgende groepen : • • • • •
Personen met een handicap die werken met een loonkostensubsidie voor gehandicapten. Midden 2010 waren er ongeveer 7 500 personen voor wie de werkgever een Vlaamse Ondersteuningspremie ontving. werknemers van de beschutte werkplaatsen. Eind 2009 ging het om bijna 16 000 personen met een handicap. gehandicapte werknemers (volgens definitie kansengroep) in sociale werkplaatsen, invoegbedrijven, lokale dienstenconomie en gesco's (veralgemeend stelse). Op 31-12 2009 waren dat er respectievelijk 878, 259, 226 en 231 (samen 1594) invaliden (ZIV) die naast hun uitkering ook een beroepsinkomen hebben in het stelsel van toegelaten arbeid. In juni 2006 waren er 10 451. mensen met een inkomensvervangende en/of een integratietegemoetkoming die tevens een inkomen uit arbeid hebben. Tijdens het vierde kwartaal van 2004 waren er 9 378, tijdens het vierde kwartaal 2005 waren er 9 870.
In totaal kunnen we dus maar ongeveer een vierde van de 160 000 werkende arbeidsgehandicapten terugvinden. De meerderheid maakt duidelijk geen gebruik van categoriale voorzieningen. 29
1.5 Kwaliteit van de arbeid In 2004, 2007 en 2010 is onderzoek verricht naar de kwaliteit van de arbeid bij loontrekkenden (Werkbaar Werk, SERV/STV-Innovatie en Arbeid). Het betreft een schriftelijke enqûete bij 20 000 loontrekkenden in het Vlaams Gewest, die met een respons van 53,3% in 2007 en 48.6% in 2010, een representatief beeld geeft van de “werkbaarheid van werk” in Vlaanderen. De kwaliteit van de arbeid, of de werkbaarheid van het werk wordt gemeten op basis van 4 indicatoren : • • • •
psychische vermoeidheid (werkstress) welbevinden in het werk (motivatie) leermogelijkheden werk-privé-balans
In 2007 is voor het eerst een vraag ingelast die toelaat de respondenten met een “handicap” te onderscheiden. Die vraagt luidt als volgt : "Ervaart u in uw dagelijkse bezigheden hinder door een handicap, een langdurige lichamelijke aandoening of een langdurige lichamelijke ziekte”. Ja, erg ; Ja, in zekere mate ; Nee. Dit is een operationalisering van het begrip handicap die refereert aan beperkingen in het dagelijkse leven, maar mensen met psychische gezondheidstoornissen niet meeneemt. Dit laatste is bedoeld om contaminatie te vermijden tussen psychische aandoeningen op het niveau van de eerste indicator van werkbaarheid en psychische aandoeningen die hun oorsprong niet in het werk zelf vinden. Het aantal mensen dat in 2007 “ja” heeft geantwoord op de "handicapvraag" bedraagt 15.8% (1 509 van de 9 555 respondenten), samengesteld uit 14% (1 334) die in zekere mate hinder ondervinden en 1.8% (175) die in erge mate hinder ondervinden. Het percentage van 15.8% is zeer hoog in vergelijking met het percentage arbeidsgehandicapten onder de werkenden dat in de EAK-enquetes wordt vastgesteld, temeer dat psychische aandoeningen niet meegenomen zijn. De werkbaarheid van werk wordt opgedeeld in 5 categoriën : werkbaar (geen knelpunten), 1-2-3- of 4 knelpunten. Knelpunten zijn problemen op het domein van elk van de bovenvermelde indicatoren. Tabel 18 : De werkbaarheid van werk (2007) (%) Niveau van hinder door handicap Werkbaar
Erg
In zekere mate
Geen
0 knelpunten
19.2
36.2
57.8
1 knelpunt
27.6
27.8
23.2
2 knelpunten
23.1
20.2
12.7
3 knelpunten
20.5
11.7
4.9
4 knelpunten
9.6
4.1
1.8
Bron : SERV/STV, 2007
30
Het patroon is duidelijk. Onder de werknemers met hinder door een handicap zijn er veel met problemen inzake de kwaliteit van de arbeid, en hoe ernstiger de hinder door de handicap, hoe groter het aandeel werknemers die op meerdere domeinen van de kwaliteit van de arbeid knelpunten signaleren. Onder de ongeveer 45 000 werknemers (extrapolatie) die in erge mate hinder ondervinden zijn er in vergelijking met zij die geen hinder ondervinden, meer oudere werknemers en meer arbeiders. De resultaten van 2010 gaan in dezelfde richting. Ook nu is het aandeel respondenten die hinder ondervinden hoog. Het aantal mensen dat “ja” heeft geantwoord op de handicapvraag bedraagt 16.8% (1 333 van de 7 919 respondenten), samengesteld uit 15,1% (1 199) die in zekere mate hinder ondervinden en 1.7% (134) die in erge mate hinder ondervinden. Het patroon dat in 2007 werd vastgesteld vinden we grotendeels terug. Tabel 19 : De werkbaarheid van werk (2010) (%) Niveau van hinder door handicap Werkbaar
Erg
In zekere mate
Geen
0 knelpunten
23.9
38.1
57.9
1 knelpunt
26.1
29.1
23.9
2 knelpunten
20.1
18.9
12.3
3 knelpunten
13.4
10.5
4.7
4 knelpunten
16.4
3.3
1.2
Bron : SERV/STV, 2010
Voor meer gegevens verwijzen we naar de publikaties van de SERV/STV op www.serv.be/werkbaarwerk. 1.6 Evaluatie van het groeiscenario Op 2 december 2003 hebben de Vlaamse Regering (vertegenwoordigd door de minister van Werkgelegenheid en Toerisme en de minister van Binnenlandse aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken), de Vlaamse sociale partners, gebruikersorganisaties en intermediaire organisaties voor personen met een handicap een gemeenschappelijke platformtekst aangenomen, met als titel “Evenredige arbeidsdeelname en diversiteit 2010”. De doelstelling om uiterlijk in 2010 tot een evenredige arbeidsdeelname van mensen met een arbeidshandicap te komen, werd vertaald in drie concrete doelstellingen : 1. een substantiële vermindering van de kloof in de werkzaamheidgraad; 2. het wegwerken van de oververtegenwoordiging in de werkloosheid (lees, ook in de inactiviteit); 3. het creëren van mogelijkheden en stimulansen voor de groep personen met een arbeidshandicap om ongeacht hun statuut gelijke rechten te waarborgen om de stap naar de arbeidsmarkt te kunnen maken en een evenredige kans te hebben om aangeworven te worden bij de invulling van vacatures. Om de grote achterstand in arbeidsdeelname in te lopen, werd vooropgesteld dat het aantal banen voor arbeidsgehandicapten jaarlijks met minstens 4 500 tot 9 000 moest toenemen. 31
Of deze doelstelling is verwezenlijkt, kan worden getoetst aan de hand van de EAK-enquête in het tweede kwartaal van 2002 en 2007 waarin de werkzaamheidsgraad op een uniforme manier is gemeten en vragen zijn gesteld over de aanwezigheid van handicaps en langdurige gezondheidsaandoeningen. In 2002 werd gevraagd “Hebt U een handicap of lijdt U aan een langdurig gezondheidsprobleem? (Ja, Neen)”. Deze vraag werd positief beantwoord door 16,2% van de ondervraagden die dus als “gehandicapt of langdurig ziek” kunnen worden aangemerkt. Daarvan werkten er 45,7%. Na de algemene vraag over handicap of ziekte peilden specifieke vervolgvragen voor werkenden en niet-werkenden naar de gevolgen ervan voor de arbeid of het zoeken naar werk. Op basis van de antwoorden daarop is een categorie 'arbeidsgehandicapten' geconstrueerd die bestaat uit de niet-werkenden die verklaren dat hun handicap of gezondheidsprobleem iedere beroepsactiviteit onmogelijk maakt, of die melding maken van beperkingen in het soort of de hoeveelheid werk die ze zouden kunnen doen of in de verplaatsingen naar een eventuele arbeidsplaats, alsmede de werkenden die verklaren dat hun handicap of gezondheidsprobleem beperkingen met zich brengt op de genoemde gebieden (aard en hoeveelheid werk en verplaatsing naar de arbeidsplaats). Op basis van deze criteria waren er in de EAK-Vlaamse geweest 12.7% arbeidsgehandicapten waarvan er 37.4% werkten, terwijl de totale werkzaamheidsgraad in Vlaanderen 63.5% bedroeg. In 2007 luidde de vraag “Ervaart U in uw dagelijkse bezigheden hinder door een handicap, een langdurige aandoening of een langdurige ziekte? Ja, in erge mate, Ja, in zekere mate, Neen.” Op basis van deze vraag zijn er in het Vlaamse Gewest 12.5% (arbeids)gehandicapten, met een werkzaamheidgraad van 42.2%, tegenover een globale werkzaamheidsgraad in Vlaanderen van 65.6%. De vraagformulering is duidelijk niet identiek. In 2002 werd door middel van de vervolgvragen specifiek gepeild naar hinder op het gebied van arbeid terwijl in de vraag van 2007 naar de dagelijkse bezigheden in het algemeen wordt verwezen. Toch ligt het percentage arbeidsgehandicapten in de EAK-2002 (12,7%) dicht bij het percentage mensen die hinder ondervinden in 2007 (12.5%). De situaties in 2002 en 2007 kunnen op twee manieren vergelijken worden. Er kan een vergelijking worden gemaakt tussen het verschil in de arbeidsdeelname van de gehandicapten en die van de algemene bevolking (de zogenaamde “kloof in de werkzaamheidgraad”) en tussen de absolute aantallen werkenden op beide tijdstippen. Als we de “kloven” vergelijken, stellen we vast dat het verschil in arbeidsdeelname tussen de arbeidsgehandicapten en de totale populatie in 2002 26.1 ppt bedraagt (63.5% – 37.4%) en in 2007 23.6 ppt (65.8% - 42.2%). In 2007 ligt de arbeidsdeelname van de totale bevolking 2,3 ppt hoger dan in 2002, maar de arbeidsdeelname van de arbeidsgehandicapten is sterker toegenomen (+4.8 ppt) waardoor de kloof met 2.5 ppt verminderd is (26.1% - 23.6%). Bij het berekenen en vergelijken van absolute aantallen werkende mensen met een handicap op basis van de enquêtegegevens uit 2002 en 2007, dient er rekening mee te worden gehouden dat niet iedereen de vraag naar de handicap of langdurige ziekte heeft beantwoord. In 2002 bedroeg de non-respons 2.5% en in 2007, 4.7%. Om een vergelijking in absolute aantallen te kunnen maken, gaan we ervan uit dat mensen die niet geantwoord 32
hebben op dezelfde manier gespreid zijn over de catagorieën al dan niet gehandicapt en al dan niet werkend dan mensen die wel geantwoord hebben. Er zouden dan onder de nonrespons relatief evenveel “werkende gehandicapten zijn” dan onder de respons. Op basis van die veronderstelling zou het aantal "werkende "gehandicapten" tussen 2002 en 2007 gestegen zijn van 187 000 naar 207 000, d.w.z. met 20 000. De arbeidsdeelname van mensen met een handicap of langdurige gezondheidsproblemen is dus gestegen tussen 2002 en 2007. Voor een deel volgen ze daardoor de algemene stijging van de werkzaamheid, maar er is een extra stijging van 2.5 ppt. In absolute aantallen zijn er in de beschouwde periode ongeveer 20 000 mensen of gemiddeld 4000 per jaar méér aan het werk. Deze ontwikkeling is positief, maar ze blijft wel aan de onderkant van het groeiscenario. In 2009 en 2010 werd dezelfde 'handicapvraag' als in 2007 gedurende het hele jaar toegevoegd aan de EAK-enquête in Vlaanderen. We beschikken over de resultaten voor heel 2009, maar we verkiezen hier enkel gebruik te maken van die voor het tweede kwartaal, aangezien 2002 en 2007 ook enkel dat kwartaal betreffen en we voor 2010 ook reeds die kwartaalgegevens hebben. Grafiek 4 : Werkzaamheidsgraden van arbeidsgehandicapten en van de totale bevolking (15-64)
e
Bron : FOD Economie –Algemene Directie Statistiek EAK – 2 kwartaal 2002, 2007, 2009 en 2010 (Vlaams Gewest). Bewerking : Departement WSE
De positieve evolutie tussen 2002 en 2007 is teniet gedaan. De werkzaamheidsgraad van arbeidsgehandicapten (AH) is daarna sterk gedaald en aangezien de totale werkzaamheidsgraad stabiel bleef is het verschil groter geworden. Tussen 2002 en 2007 nam het verschil af met 2.5 ppt, tussen 2007 en 2009 nam het toe met 6.4 ppt en tussen 2009 en 2010 is er opnieuw een toename met 2.5 ppt, waardoor er over de hele periode een toename is met 6.4 ppt. De economische crisis is wellicht de belangrijkste factor die een positieve ontwikkeling heeft omgebogen. We zagen dit trouwens ook in de werkloosheidscijfers. Maar juist in die cijfers is er recent verbetering. Hopelijk weerspiegelt dit zich ook in de werkzaamheidscijfers voor heel 2010, waarop het nog even wachten is.
33
Bibliografie Devisch, F., E. Samoy (2003) Mensen met functioneringsproblemen in de APS-survey 2002. Webpublicatie op www.vaph.be Samoy, E. (2001) Arbeid en niet-arbeid bij personen met functiebeperkingen in de PSBH, Webpublicatie op www.vaph.be Samoy, E (2003a) De arbeidsdeelname van mensen met functioneringsproblemen. Webpublikatie op www.vaph.be Samoy, E (2003b) 'Met één been op de arbeidsmarkt.', pp. 171-180, in : Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming VIONA Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek, De arbeidsmarkt in Vlaanderen Jaarboek 2003. Tevens op www.vaph.be Samoy, E. (2004) 'Mensen met functioneringsproblemen in de PSBH en hun arbeidsdeelname', pp.533-549, in : Mortelmans, D., M-T. Casman, R. Doutrelepont (Eds.) Elf jaar uit het leven in België. Socio-economische analyses op het Gezinsdemografisch Panel PSBH. Gent : Academia Press. Samoy, E. (2005) 'De arbeidsdeelname van mensen met functiebeperkingen in de SocioEconomische Enquête 2001', pp. 17-27 in : Verbelen, J., E. Samoy, H.Van Geel, Vlamingen met een handicap of langdurig gezondheidsprobleem. Stativaria nr. 34. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Administratie Planning en Statistiek. Samoy, E., M. Tielens (2004) 'Vlaanderen op het middenveld van gehandicapt Europa', pp. 181-191, in : Steunpunt WAV en VIONA Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek, De Arbeidsmarkt in Vlaanderen. Jaarboek. Editie 2004. Antwerpen : Garant. Samoy, E. (2008) 'Hinder door een handicap of langdurige gezondheidsproblemen. Een beeld vanuit de EAK. Over-Werk, (2), 78-82. Samoy, E. (2009a) Globaal kader van het werkgelegenheidsbeleid ten aanzien van mensen met een arbeidshandicap. Webpublikatie op www.werk.be Samoy, E. (2009b) Werkgerelateerde gezondheidsproblemen en arbeidsongevallen. Webpublikatie op www.werk.be SERV/STV (2008) Focus op werkbaar werk. Juli 2008. Op www.serv.be/werkbaarwerk. SERV/STV Innovatie & Arbeid (2008) Technische nota. Werkbaar werk bij werknemers die tijdens hun dagdagelijkse bezigheden hinder ervaren door een handicap, een langdurige lichamelijke aandoening of een langdurige lichamelijke ziekte. Op www.serv.be/werkbaarwerk. Vandenbroucke, P. (2010) Niet elke handicap geeft gelijke kansen : over werk, armoede en handicap, pp. 339-357 in : Vranken, J. et. al, Armoede en Sociale Uitsluiting. Jaarboek 2010, Leuven-Den Haag : ACCO. VDAB (2010) Kansengroepen op de Arbeidsmarkt. Arbeidsgehandicapten op de Vlaamse Arbeidsmarkt. Op www.vdab.be
34
Colofon Samenstelling Vlaamse overheid Beleidsdomein Werk en Sociale Economie Departement Werk en Sociale Economie Koning Albert II-laan 35 bus 20 1030 Brussel 02 553 42 56 monitoring@vlaanderen.be www.werk.be Verantwoordelijke uitgever Dirk Vanderpoorten Secretaris-generaal Depotnummer : D/2010/3241/473 Auteur : Erik Samoy Uitgave December 2010
35