BVR JEUGDDELINQUENTIERECHT: GESLOTEN ORIËNTATIE EN (LANGDURIGE) GESLOTEN BEGELEIDING
Advies van de Vlaamse Raad voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Wetstraat 34-36, 1040 Brussel W www.vlaamseraadwvg.be – T +32 2 209 01 11 – E info@vlaamseraadwvg.be
Adviesvraag
Voorontwerp van besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, wat betreft de organisatie, samenstelling en de werking van de afdelingen gesloten oriëntatie, gesloten begeleiding en gesloten begeleiding van maximaal twee, vijf of zeven jaar in de gemeenschapsinstellingen
Adviesvrager
Wouter Beke - Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding
Ontvangst adviesvraag
12 mei 2022
Decretale opdracht
adviesfunctie
Goedkeuring
Sectorale kamer Gezin en Jongerenwelzijn op 10 juni 2022
Contactpersoon
Annick De Donder
addonder@serv.be
Inhoud Advies 1.
4 De uitbreiding en inhoudelijke transitie van de gemeenschapsinstellingen zijn op een goede manier geregeld
2.
Aanbevelingen voor de verdere uitvoering van de transitie van de gemeenschapsinstellingen
5
2.1
Ondersteun het personeel in deze transitie
5
2.2
Zorg voor volwaardig onderwijs
5
2.3
Pas de herstelgedachte consequent toe
6
2.4
Bewaak de samenstelling van het multidisciplinair team
6
2.5
Voorzie een goede basis voor gegevensdeling
6
2.6
Behandel de mogelijkheid van een advies voor geslotenheid bij een lage risico inschatting als zeer uitzonderlijk
3.
4
De impact op het private jeugdhulpverleningsaanbod
7 7
Advies De zesde staatshervorming maakte Vlaanderen bevoegd voor het bepalen van de maatregelen en reacties op delinquent gedrag van jongeren. Het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht vormt de Vlaamse invulling van deze bevoegdheid. De uitrol van het decreet gebeurt gefaseerd: een inwerkingtreding in fase 1 en een verdere uitrol in fase 2. Met een voorontwerp van besluit van de Vlaamse Regering wordt fase 2 nu aangekondigd. Het besluit geeft uitvoering en wettelijke verankering van de nieuwe werking van de gemeenschapsinstellingen die vanaf 1 september 2022 bij een plaatsing jeugddelict een aanbod voorzien van gesloten oriëntatie, gesloten begeleiding of langdurige gesloten begeleiding van maximaal twee, vijf of zeven jaar. Over dit voorontwerp van besluit ontving de Vlaamse Raad WVG op 12 mei 2022 een adviesvraag van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding, Wouter Beke. De adviesvraag is binnen de raad behandeld door de kamer Gezin en Jongerenwelzijn, die het advies bij consensus goedkeurde op 10 juni 2022.
1. De uitbreiding en inhoudelijke transitie van de gemeenschapsinstellingen zijn op een goede manier geregeld Het decreet betreffende het jeugddelinquentierecht omschrijft de opdracht van de gemeenschapsinstelling als “het aanbieden van een beveiligend en structurerend programma, dat herstelgericht en pedagogisch werkt, en dat erop gericht is de kansen op re-integratie te maximaliseren.” (art.40) De raad steunt de aanpassingen aan de inhoudelijke werking van de gemeenschapsinstellingen die nodig waren om deze decretale opdracht te volbrengen en de manier waarop ze in het voorontwerp van besluit zijn uitgewerkt. Zo is de grote inzet op multidisciplinariteit en deskundigheidsbevordering in de werking zeer positief. Ook het herstelgerichte werken en de focus op reintegratie op alle levensdomeinen van de jongere zijn belangrijke werkingsprincipes in het jeugddelinquentierecht. Ze houden rekening met de verantwoordelijkheid van een delictpleger voor zijn normovertredend gedrag maar ook met zijn rechten en context. De raad verwacht dat voorgenoemde werkingsprincipes meegenomen worden in alle aspecten van het werk binnen de gemeenschapsinstellingen. Ook bij het bepalen van de “vooropgestelde objectieven van de minderjarige verdachte of delictpleger en de ouders/ opvoedingsverantwoordelijken” in het oriëntatieverslag (art.2§3 4°) gaat de raad er dus vanuit dat deze brede re-integratie op alle levensdomeinen wordt beoogd. 4
Verder is het goed dat er via uitbreiding een duurzame oplossing komt voor het capaciteitstekort in de gemeenschapsinstellingen. Dit was absoluut noodzakelijk, gezien de historisch gegroeide tekorten maar ook omdat de capaciteit van de instellingen niet aangepast was voor de uitvoering van de maatregelen uit het decreet. Tot slot leest de raad in de bisnota aan de Vlaamse Regering verschillende verwijzingen naar de aanbevelingen uit het onderzoek van het Steunpunt WVG over de rechtspositie van jongeren in gesloten opvang. De raad waardeert dat er in het beleid gevolg wordt gegeven aan conclusies van dergelijke onderzoeken.
2. Aanbevelingen voor de verdere uitvoering van de transitie van de gemeenschapsinstellingen De raad formuleert zes aanbevelingen aan de Vlaamse Regering om mee te nemen in de omslag naar het nieuwe werken binnen de gemeenschapsinstellingen.
2.1 Ondersteun het personeel in deze transitie De vernieuwde werking van de gemeenschapsinstellingen gaat samen met een aangepast personeelsplan. De capaciteitsuitbreiding en de opname van de nieuwe begeleidingsopdrachten worden gedragen door bijkomend personeel en een inhoudelijke heroriëntatie van het personeel. Zij werken voortaan in multidisciplinaire teams, programmateams, werken nog meer samen met actoren buiten de gemeenschapsinstellingen, gaan actief aan de slag met de familiale context, passen de begeleiding aan aan langdurige trajecten, en dergelijke meer. Deze veranderingen in de gesloten begeleiding van jonge delictplegers hebben ontegensprekelijk een invloed op de werkdruk en de complexiteit van de situaties waarin wordt gewerkt. Het is dan ook essentieel dat het personeel hierin goed ondersteund wordt. De raad vraagt aan de Vlaamse overheid om hen onder meer voldoende opleiding(stijd) te geven zodat ze op een goede manier onderbouwd, herstelgericht en forensisch kunnen werken met de jongeren in de gemeenschapsinstelling.
2.2 Zorg voor volwaardig onderwijs Het aanbod aan onderwijsvormen in de gemeenschapsinstellingen is zeer beperkt en de geleverde onderwijsinspanningen leiden nauwelijks tot certificaten of diploma’s. Een lange periode zonder degelijk onderwijs hypothekeert echter de toekomst van jonge mensen. Zeker wie in een langdurige gesloten begeleiding verblijft, die bij zeer ernstige feiten tot zeven jaar kan duren, wordt hierdoor zwaar getroffen. 5
De raad klaagt dit gebrek aan volwaardig onderwijs aan, gezien het een schending is van de basisrechten van jongeren die verblijven in de gemeenschapsinstellingen en het een zware rem zet op hun re-integratie in de samenleving. De raad verwacht onmiddellijke inspanningen van het beleidsdomein Onderwijs om – in samenspraak met het beleidsdomein WVG - onderwijs te organiseren voor deze jongeren. Het feit dat een definitieve beslissing hieromtrent pas genomen zou worden wanneer binnen het beleidsdomein Onderwijs de evaluatie van de maatregelen voor het onderwijs aan zieke kinderen is afgerond (eind 2022), is zeer verontrustend.
2.3 Pas de herstelgedachte consequent toe Eén van de belangrijke sporen uit het jeugddelinquentierecht is het herstelrechtelijk werken. Ook na plaatsing in een gemeenschapsinstelling moet dit spoor alle kansen krijgen. De raad vindt het herstelgerichte werken terug binnen een gesloten begeleiding maar minder bij de gesloten oriëntatie. Ook bij gesloten oriëntatie zou het goed zijn om de herstelgedachte in de bisnota aan de Vlaamse Regering meer te benadrukken. Het consequent toepassen van de herstelgedachte betekent bijvoorbeeld dat een oriëntatievoorstel geen afbreuk mag doen aan een eventuele opstart van een herstelrechtelijk aanbod of een andere herstelgerichte maatregel die het jeugddeliquentierecht mogelijk maakt. Bij herstelgericht werken moet er uiteraard oog zijn voor het slachtoffer en diens vragen en rechten. De continuïteit van een herstelproces is erg belangrijk voor een slachtoffer. Het programma dat de jongere in de geslotenheid volgt mag daaraan geen afbreuk doen. Wanneer er een herstelproces lopende is vanuit een HCA-dienst, moet dit kunnen worden verdergezet: een gesprek met het slachtoffer onder begeleiding van een bemiddelaar moet mogelijk blijven en niet worden tegengehouden door de fase waarin de jongere zit in zijn programma (bv. gesloten begeleiding).
2.4 Bewaak de samenstelling van het multidisciplinair team Het multidisciplinair team speelt een rol in verschillende soorten van begeleiding in gemeenschapsinstellingen: bij de opmaak van de risicotaxatie en het oriëntatieverslag bij gesloten oriëntatie, het gedeeld handelingsplan bij gesloten begeleiding en het individuele programma bij langdurige gesloten begeleiding. De raad vraagt om erover te waken dat deze onderzoeken en begeleidingsvormen effectief door een multidisciplinair samengesteld team gebeuren, waar indien nodig ook beroep wordt gedaan op externe expertise (bv. handicapspecifieke expertise). Voor de beleving en begeleiding van de jongere zou het ook goed zijn dat er gedurende zijn of haar traject zoveel mogelijk met een stabiel samengesteld multidisciplinair team gewerkt wordt.
2.5 Voorzie een goede basis voor gegevensdeling De jeugdhulpverlener heeft beroepsgeheim ten aanzien van de gemeenschapsinstelling. Wanneer in functie van de oriëntatie verslaggeving wordt opgevraagd in de jeugdhulp wordt daarom een beroep gedaan op de informed consent van de jongere. Voor de raad is het erg belangrijk om erover te waken dat er daarbij geen druk of dwang uitgeoefend wordt op de jongere. De 6
informed consent vormt trouwens een zwakke rechtsbasis om het beroepsgeheim te doorbreken. Dit is immers gebaseerd op rechtspraak en rechtsleer en niet op een wettelijke basis. Uiteraard is het voor de jongere wel belangrijk dat men in de gemeenschapsinstelling een zo volledig mogelijk beeld heeft van de situatie waarin hij of zij zich bevindt, zodat in de oriëntatie een gefundeerd advies kan worden gegeven over de noodzaak tot verdere gesloten begeleiding. Het zou daarom goed zijn om de mogelijkheden tot gegevensdeling met het private jeugdhulpverleningsaanbod beter juridisch te onderbouwen. Dit geeft meer rechtszekerheid. Daarbij moet het belang van vertrouwen van de jongere en zijn gezin in de jeugdhulp als basis van een goede begeleidingsrelatie meegenomen worden.
2.6 Behandel de mogelijkheid van een advies voor geslotenheid bij een lage risico inschatting als zeer uitzonderlijk Voor minderjarige verdachten of delictplegers met een laag recidiverisico die vanuit de gesloten oriëntatie een negatief advies krijgen voor verdere gesloten begeleiding binnen een gemeenschapsinstelling, kan ondanks de lage risico inschatting toch geslotenheid bepleit worden. De raad meent dat deze mogelijkheid slechts zeer uitzonderlijk zou mogen worden toegepast en steeds duidelijk beargumenteerd moet worden. Dit mag sterker benadrukt worden in de bisnota aan de Vlaamse Regering.
3. De impact op het private jeugdhulpverleningsaanbod De uitvoering van het jeugddelinquentierecht en van het voorontwerp van besluit heeft ook gevolgen voor het private jeugdhulpverleningsaanbod. Door inhoudelijk en infrastructureel de werking te scheiden voor delictplegers en voor jongeren die zich in een ernstig verontrustende opvoedings- of leefsituatie bevinden, zullen bepaalde doelgroepen doorschuiven naar de private jeugdhulpverlening. Ten eerste merkt de raad op dat bepaalde doelgroepen ondersteund zullen moeten worden in de jeugdhulpverlening, waarover weinig expertise bestaat (bv. seksueel grensoverschrijdend gedrag). De raad vraagt hoe de Vlaamse overheid deze beweging mee zal dragen en het jeugdhulpverleningsaanbod hierin zal ondersteunen. Ten tweede is het goed dat er in het private aanbod van de jeugdhulp bijkomende capaciteit ‘veilig verblijf’ voor jongeren in ernstig verontrustende opvoedings- of leefsituaties wordt voorzien. Deze bijkomende plaatsen zijn nodig gezien het private aanbod nu reeds kampt met historische capaciteitstekorten. De voorziene capaciteit ‘veilig verblijf’ zal tegen de deadline van 1 september 2022 echter niet volledig gerealiseerd zijn (o.a. door vertraging in de bouw van de infrastructuur).
7
Om dit te ondervangen, verwacht de raad dat de Vlaamse overheid zo snel mogelijk voorziet in overgangsbepalingen. Tot slot meent de raad dat het zinvol is om de hiervoor genoemde bewegingen te monitoren, zodat duidelijk is wat de impact is van fase 2 van het decreet betreffende het jeugddelinquentierecht op de private organisaties jeugdhulp en hiervoor een gepast beleid kan worden voorzien.
8