Skip to main content

Jaarverslag_VLM_2002.pdf

Page 1

inhoud 1

V E R S L A G R A A D VA N B E S T U U R

HOOFDSTUK 1

Wettelijk kader

HOOFDSTUK 2

Landelijke inrichting

P 10

HOOFDSTUK 3

Mestbank

P 44

HOOFDSTUK 4

oc gis-Vlaanderen

P 80

HOOFDSTUK 5

Financiele resultaten

P 92

HOOFDSTUK 6

Ondersteunende afdelingen

P 96

D E E L 1 VERSLAG RAAD D E E Wettelijk L 2 kader BIJLAGEN

P4

VA N B E S T U U R

HOOFDSTUK 1

P4

HOOFDSTUK 2

Jaarverslag Landelijke inrchting

P 110 P 10

HOOFDSTUK 3

MestbanP 44 Waarderingsregels

P 113

HOOFDSTUK 4

oc gis-Vlaanere 80 Balans na winstverdeling boekjaar 2002

P 115

Resultatenrekening 2002

P 117

Toelichting

P 119

Sociale balans

P 122

Verslag van de bedrijfsrevisor

P 124

Info

P 127

Jaarverslag

P 110

Waarderingsregels

P 113

Balans na winstverdeling boekjaar 2002

P 115

Resultatenrekening 2002

P 117

Toelichting

P 119

Sociale balans

P 122

Verslag van de bedrijfsrevisor

P 124

Info

P 127

D E Z O R G V O O R O P E N R U I M T E … NDIEE TZ O ZO RG N DV EORO D R EOZPO EN R GR U VO I MOTRE … M ENNI ES T E NZ O N D E R D E Z O R G V O O R M E N S E N

D E E L


V L A A M S E L A N D M A AT S C H A P P I J

|

Guldenvlieslaan 72

|

B-1060 Brussel

V L M

J A A R V E R S L A G

2 0 0 2

de zorg voor open ruimte... niet zonder de zorg voor mensen

J A A R V E R S L A G

2 0 0 2


de zorg voor open ruimte... niet zonder de zorg voor mensen

J A A R V E R S L A G

2 0 0 2


inhoud

1

V E R S L A G R A A D VA N B E S T U U R

HOOFDSTUK 1

Wettelijk kader

HOOFDSTUK 2

Landelijke inrichting

P 10

HOOFDSTUK 3

Mestbank

P 44

HOOFDSTUK 4

oc gis-Vlaanderen

P 80

HOOFDSTUK 5

Financiele resultaten

P 92

HOOFDSTUK 6

Ondersteunende afdelingen

P 96

D E E L

2

P4

BIJLAGEN

Jaarverslag

P 110

Waarderingsregels

P 113

Balans na winstverdeling boekjaar 2002

P 115

Resultatenrekening 2002

P 117

Toelichting

P 119

Sociale balans

P 122

Verslag van de bedrijfsrevisor

P 124

Info

P 127

DE ZORG VOOR OPEN RUIMTE… NIET ZONDER DE ZORG VOOR MENSEN

D E E L


deel 1

hoofdstuk 1 In 2002 werd het wettelijk kader waarbinnen de Vlaamse Landmaatschappij haar activiteiten ontwikkelt, verder aangepast en verďŹ jnd.

Dit jaar werd een aanvang genomen met de voorbereidende werkzaamheden met betrekking tot de optimalisering van de organisatie en de werking van de Vlaamse administratie, waaronder de Vlaamse Landmaatschappij. De Vlaamse regering hechtte haar goedkeuring aan een aantal basisbeginselen voor het nieuwe organisatiemodel van de Vlaamse administratie die opgenomen werden in een voorontwerp van kaderdecreet.


wettelijk kader

De landinrichting vindt haar juridische grondslag in het oprichtingsdecreet van de Vlaamse Landmaatschappij. Deze regelgeving werd aangevuld door het decreet van 22 november 1995 inzake aanpassing van de begroting 1995. Deze decretale bepalingen werden verder uitgewerkt in het uitvoeringsbesluit van 6 juni 1996 met nadere bepalingen over de landinrichting en in het besluit van 17 maart 1998 houdende subsidiëring van de landinrichtingswerken. Tenslotte wordt door het decreet van 18 mei 1999 op de ruimtelijke ordening de landinrichting ingezet voor de coördinatie van de inrichting en de projectsgewijze integrale inrichting van gebieden in uitvoering van de ruimtelijke ordening. Door het decreet van 8 december 2000 houdende diverse bepalingen werd het oprichtingsdecreet van de maatschappij opnieuw gewijzigd. Het decreet van 19 juli 2002 wijzigt naast de bepalingen van de landinrichting opgenomen in het oprichtingsdecreet van de maatschappij, ook het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu alsook het bosdecreet, het decreet betreffende de landschapszorg, de ruilverkavelings-

DE ZORG VOOR OPEN RUIMTE… NIET ZONDER DE ZORG VOOR MENSEN

LANDINRICHTING


JAARVERSLAG 2002 wet van 22 juli 1970, de wet betreffende de politie op het wegverkeer, het meststoffendecreet. De wijziging in het oprichtingsdecreet concretiseert naar de landinrichting toe de verplichtingen die voortvloeien uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor de zones van een landinrichtingsplan en de bijhorende uitvoeringsprogramma’s die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn binnen een speciale beschermingszone, moeten de maatregelen in het richtplan en het inrichtingsplan beantwoorden aan de noodzakelijke maatregelen bedoeld in artikel 36ter, §§ 1 en 2 van het decreet natuurbehoud. Zo neemt voortaan elke administratieve overheid, waaronder de VLM, in de speciale beschermingszones ongeacht wat de bestemming is van het betrokken gebied, maatregelen die nodig zijn voor de instandhouding van de habitats en van de soorten opgenomen in het decreet natuurbehoud. Elke verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu hierbij is te vermijden en, voor wat de soorten betreft, zelfs elke betekenisvolle verstoring.

RUILVERKAVELING De ruilverkaveling wordt geregeld door de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet. Een aanvulling daarop was de wet van 11 augustus 1978 met bijzondere bepalingen eigen aan het Vlaams Gewest. Artikel 2, § 1 van de statuten van de Vlaamse Landmaatschappij bepaalt dat de VLM tot doel heeft “haar medewerking en diensten te verlenen bij de voorbereiding en de uitvoering van de ruilverkaveling van landeigendommen met inachtneming van de wettelijke bepalingen terzake”. Ingevolge de invoering van de euro werden tijdens dit werkingsjaar voor de ruilverkaveling twee besluiten van de Vlaamse regering gepubliceerd waarin voornamelijk transparantieafrondingen werden opgenomen voor de vroegere bedragen in Belgische frank. Het gaat om de besluiten van de Vlaamse regering tot uitvoering van: • de artikelen 44, vierde lid en 48 van de gewone ruilverkavelingswet; • de artikelen 21, vierde lid, 42 en 55 van de wet van 10 januari 1978 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling in der minne. Zoals al vermeld onder punt 1.1. wijzigt het decreet van 19 juli 2002 de ruilverkavelingswet van 22 juli

6

1970. De wijziging aan de ruilverkavelingswet door dit decreet heeft dezelfde doelstellingen als wat hierboven gezegd is voor de landinrichting met betrekking tot de speciale beschermingszones. Een ruilverkavelingsproject waarin gebieden uit de speciale beschermingszones zijn opgenomen, moet ook gericht zijn op het realiseren van de instandhoudingsmaatregelen. Het plan van de wegen en afwateringen en het landschapsplan nemen de activiteiten op die noodzakelijk zijn voor het realiseren van deze maatregelen.

MESTBANK De bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen wordt geregeld door het decreet van 23 januari 1991 dat in 2002 éénmaal werd gewijzigd door het hoger genoemde decreet van 19 juli 2002. De wijziging heeft betrekking op de artikelen 15ter en 15sexies van het meststoffendecreet. In artikel 15ter blijft de mogelijkheid behouden om in een natuurrichtplan een gemoduleerde ontheffing van het bemestingsverbod te verlenen of een gemoduleerde verstrenging op te nemen. De gebieden waar deze ontheffing mogelijk is, worden nu expliciet vermeld. Artikel 15sexies bepaalt nog steeds dat beheerovereenkomsten in kwetsbare zones worden gesloten volgens de bepalingen van de artikelen 45 en 46 van het decreet natuurbehoud. Evenwel worden nu ook expliciet de gebieden vermeld waarbinnen beheerovereenkomsten kunnen worden gesloten overeenkomstig het decreet natuurbehoud. De Vlaamse regering werkte tijdens dit jaar het mestdecreet verder uit in verschillende besluiten: • Besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001 tot wijziging van enkele besluiten van de Vlaamse regering houdende uitvoering van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, wat betreft de invoering van de euro. (B.S., 08.06.2002) • Ministerieel besluit van 14 maart 2002. Wijziging Stuurgroep Vlaamse Mestproblematiek bedoeld in art. 31 van het mestdecreet – vervanging van een lid. (B.S., 30.04.2002) • Besluit van de Vlaamse regering van 15 maart 2002 tot uitvoering van de artikelen 14, § 6 en 17, § 8 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen. (B.S., 26.04.2002)


WETTELIJK KADER

• Besluit van de Vlaamse regering van 14 juni 2002 tot het bezien, herzien en aanvullen van de kwetsbare zones water zoals bedoeld in artikel 15, §§ 3, 4 en 5, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (B.S., 17.07.2002) • Ministerieel besluit van 10 juli 2002 houdende aanvulling van het artikel 1 van het ministerieel besluit van 10 juli 1996 houdende aanstelling van ambtenaren van de afdeling Milieu-inspectie van de Administratie Milieu-, Natuur-, Land-, en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van de artikelen 16 en 17 van het meststoffendecreet alsmede van de regels vastgesteld in toepassing van artikel 18 van hetzelfde decreet (B.S., 06.08.2002) • Ministerieel besluit van 25 september 2002 houdende vaststelling van de tabel in uitvoering van het besluit van de Vlaamse regering van 15 maart 2002 tot uitvoering van de artikelen 14, § 6 en 17, § 8 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (B.S., 5 oktober 2002).

6.12.1995), geeft een nadere omschrijving van beide taken. Op 31 juli 1992 nam de Vlaamse regering het besluit tot de oprichting en organisatie van een Milieudatabank. Dat gebeurde met het oog op een koppeling van de databanken van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse pararegionale instellingen voor milieu. De Vlaamse Landmaatschappij is een van de instellingen die informatie levert aan die gemeenschappelijke Milieudatabank.

Het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van één of meerdere diersoorten, werd verder uitgewerkt in twee besluiten. Het ministerieel besluit van 24 mei 2002 (B.S., 31.05.2002) regelt de inschrijfperiode tot indiening van een aanvraag voor het verkrijgen van een vergoeding voor het vrijwillig, volledig en definitief stoppen van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van varkens. Het tweede besluit van de Vlaamse regering van dezelfde datum wijzigt het eerste uitvoeringsbesluit van 20 april 2001 dat de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van varkens, regelt (B.S., 31.05.2002).

ONDERSTEUNEND CENTRUM GIS-VLAANDEREN GRONDDATABANK EN GIS Volgens haar oprichtingsdecreet is de Vlaamse Landmaatschappij belast met de verdere ontwikkeling en het beheer van een gronddatabank en met de invoering van een geografisch informatiesysteem (GIS) in het kader van GIS-Vlaanderen. Het besluit van de Vlaamse regering van 4 oktober 1995, dat de wijzigingen van de statuten van de Vlaamse Landmaatschappij goedkeurde (B.S.,

Het decreet van 17 juli 2000 regelt de oprichting van het samenwerkingsverband Geografisch Informatie Systeem Vlaanderen (GIS-Vlaanderen). GIS-Vlaanderen heeft als algemene doelstelling het optimaliseren van de aanmaak, het gebruik, de uitwisseling en het beheer van geografische informatie binnen de overheid in Vlaanderen. Het samenwerkingsverband wordt gevormd door de deelnemers aan GIS-Vlaanderen met name het

7


JAARVERSLAG 2002

8

Vlaamse Gewest, de Vlaamse Gemeenschap, alle Vlaamse openbare instellingen, de provincies en de gemeenten. Ook anderen, de zogenaamde derden, kunnen deelnemen aan GIS-Vlaanderen door middel van het sluiten van overeenkomsten. Om deze algemene doelstelling te realiseren zal GISVlaanderen werken met verschillende planningsinstrumenten. Zo werd het GIS-Vlaanderen-plan 20012005 goedgekeurd bij besluit van 15 juni 2001 en het GIS-Vlaanderen-uitvoeringsplan 2002-2003 bij ministerieel besluit van 25 september 2002. Op het vlak van de organisatie beschikt GIS-Vlaanderen over de Stuurgroep GIS-Vlaanderen als beleidsvoorbereidend orgaan, twee adviesorganen met name het Wetenschappelijk Comité en de Geografische Informatie Raad, en over een uitvoerend orgaan het Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen. De Vlaamse regering legde bij besluit van 2 februari 2001 de samenstelling en de werking vast van de

decreet, gaat verder in op de opdrachten van GISVlaanderen, de samenstelling en organisatie van GIS-Vlaanderen, de planningsinstrumenten, de concrete samenwerking rond geografische informatie en de beschikbaarheid en distributie van deze informatie. De bestaande regelgeving wordt opgeheven door dit decreet.

Stuurgroep GIS-Vlaanderen, het Wetenschappelijk Comité en de Geografische Informatie Raad. De leden en de voorzitter van de Stuurgroep GIS-Vlaanderen werden reeds benoemd bij ministerieel besluit van 18 juni 2001. Dit besluit onderging twee wijzigingen. Dit jaar werden bij ministerieel besluit van 27 maart 2002 de voorzitter en de leden van het Wetenschappelijk Comité GIS-Vlaanderen en de Geografische Informatie Raad benoemd. Het decreet van 17 juli 2000 dat is opgevat als een kader-

Deze twee opdrachten kaderen in het gebiedsgericht beleid waarin de algemene maatregelen voor de bescherming van het natuurlijk milieu zijn opgenomen en verder werden uitgewerkt in het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998:

NATUURBEHOUD EN HET NATUURLIJK MILIEU Het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu dat de bescherming, de ontwikkeling, het beheer en het herstel van de natuur en het natuurlijk milieu tot doel heeft, belast de VLM met twee specifieke opdrachten.

• Uitoefening van het recht van voorkoop. • De VLM wordt gemachtigd om in naam en voor rekening van de Vlaamse regering het voorkooprecht van het Vlaamse Gewest uit te oefenen bij


WETTELIJK KADER

verkoop van onroerende goederen in de door het decreet bepaalde gebieden. • Natuurinrichting • De Vlaamse regering start natuurinrichtingsprojecten op met het oog op het behoud, het herstel, het beheer en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu in bepaalde gebieden. De VLM wordt betrokken bij de opmaak van het projectrapport, diverse plannen en is belast met de uitvoering van natuurinrichtingsmaatregelen. De Meetkerkse Moeren, de West-Vlaamse Scheldemeersen en de Noordduinen werden als nieuwe natuurinrichtingsprojecten ingesteld. Het hoger genoemde decreet van 19 juli 2002 wijzigt in hoofdzaak het decreet natuurbehoud. De gebieden waarbinnen het Vlaamse Gewest een recht van voorkoop heeft worden licht uitgebreid. Het Vlaamse Gewest had reeds een recht van voorkoop in natuurreservaten en de uitbreidingszone gelegen binnen de groen-, bos- en bosuitbreidingsgebieden. Door de wijziging geldt het recht van voorkoop nu ook in de uitbreidingszone gelegen binnen de gebieden die vergelijkbaar zijn met de bestemmingsgebieden groen-, bos-, en bosuitbreidingsgebieden. Verder kon de Vlaamse regering reeds in de groen-, en bosgebieden gelegen binnen het IVON een perimeter afbakenen waar het recht van voorkoop zou gelden. Door de wijziging kunnen ook bosuitbreidingsgebieden en gebieden die vergelijkbaar zijn met de bestemmingsgebieden groen-, bos- en bosuitbreidingsgebieden opgenomen worden in de perimeter. Het recht van voorkoop gaat in na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de betreffende afbakeningen of perimeters.

Wat natuurinrichting betreft, wordt afgestapt van de vereiste dat een natuurinrichtingsproject voor minstens 90% moet gelegen zijn in VEN of in groen-, park-, buffer- en bosgebieden. Door de wijziging kan een dergelijk project worden ingesteld in de gebieden die aangeduid kunnen worden als VEN en in andere gebieden, voorzover dit door de Vlaamse regering of de minister bevoegd voor het natuurbehoud, wordt gemotiveerd. Voor wat de natuurinrichtingsmaatregelen betreft, kunnen door de wijziging deze maatregelen in principe plaatsvinden in het hele projectgebied. Wel is er een beperking opgenomen voor de speciale beschermingszones. Binnen een gebied dat behoort tot zo een zone maar niet is aangeduid als VEN kunnen enkel die maatregelen genomen worden die gericht zijn op de instandhouding van de habitats en de habitats van soorten waarvoor deze zone werd vastgesteld. Daarnaast kan de VLM met landbouwers vrijwillige beheerovereenkomsten sluiten. Deze bevoegdheid wordt geregeld in twee besluiten genomen ter uitvoering van artikel 45 van het hoger genoemde decreet van 21 oktober 1997. Overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 13 april 1999 staat de Vlaamse Landmaatschappij in voor de actieve bevordering, het sluiten en de voortgangsbewaking van de beheerovereenkomsten. Een verdere regeling werd uitgewerkt in het ministerieel besluit van 4 juni 1999 betreffende het sluiten van beheerovereenkomsten ter uitvoering van de Verordening (EEG) nr. 2078/92.

9


deel 1

hoofdstuk 2 Afdeling Landelijke Inrichting is een nieuwe afdeling binnen de VLM sinds 1 januari 2002. De afdeling bestaat uit de drie voormalige afdelingen landinrichting, natuurinrichting en ruilverkaveling. Door het vormen van één afdeling is een meer coherente aanpak en een betere inhoudelijke en technische omkadering van de inrichtingsprojecten mogelijk. Bovendien konden binnen de nieuwe afdeling mensen worden ingezet voor de uitbouw van de grondenbank, het plattelandsbeleid en de beheerovereenkomsten.

In 2002 slaagde de VLM erin om de interne dynamiek van de instrumenten natuurinrichting, ruilverkaveling en landinrichting continu te evalueren en aan te passen aan de externe noden en nieuwe uitdagingen. Zo werd in de loop van het jaar 2002 op vraag van de bevoegde minister het inrichtingsinstrumentarium geëvalueerd. De evaluatie vond plaats ter voorbereiding van een bespreking in het Vlaams Parlement over de inrichtingsinstrumenten en zal op termijn o.a. leiden tot een verbeterde regelgeving. Bij landinrichting inspireert de werking met partners tot een nieuwe benadering: denken vanuit de concrete vraagstelling en van daaruit het definiëren van strategische inrichtingsprojecten, veeleer dan vanuit het denk - en toepassingskader van het instrument zelf. De actualisering van de werkprincipes is toegepast bij de voorbereiding van de richtplannen voor de nieuwe projecten Brabants Plateau en Brugse Veldzone. De aanpassing van het natuurdecreet in 2002 maakt het mogelijk dat natuurinrichtingsprojecten ook ruimer dan alleen in groene bestemmingen kunnen worden opgestart zodat landbouwgronden kunnen worden geruild van het spreekwoordelijke groen naar geel. Wat ruilverkaveling betreft wordt de intrinsieke kracht van het instrument ook benut als ondersteunende maatregel voor landbouw en grondmobiliteit in overheidsprojecten, zoals havenontwikkeling en bosuitbreiding.


landelijke inrichting

specifiek instrument naar het oplossen van een prioritair probleem. Voor elk probleem wordt dan nagegaan welk instrument best wordt ingezet. Het instrument zelf wordt ook meer op maat van de specifieke vraag ingezet. In deze zin droeg de VLM in 2002 bij tot de aanpak van een aantal prioritaire Vlaamse projecten: natuurontwikkeling en remediëring voor landbouw bij havenontwikkeling in Linkerscheldeoever (Doel), natuurontwikkeling en remediëring voor landbouw bij aanpak van wateroverlastprobleem in Kruibeke, creëren van stadsbos nabij Gent, natuurontwikkeling en remediëring voor landbouw in de IJzervallei bij Blankaert, plattelandsontwikkeling in de Denderstreek,… De VLM werkt hierbij steeds nauw samen met de initiatiefnemers en tal van andere partners. In 2002 werd binnen de VLM een project opgestart rond procesbegeleiding. Een uitgebreide bevraging binnen VLM gaf een overzicht van knel-

DE ZORG VOOR OPEN RUIMTE… NIET ZONDER DE ZORG VOOR MENSEN

De aandacht verschuift van het inzetten van een


JAARVERSLAG 2002 punten en verbetermogelijkheden rond participa-

De VLM participeerde in tal van werkgroepen om

tie en interactie binnen de inrichtingsprojecten.

het integraal waterbeheer concreet gestalte te

Dit leidde al tot een eerste vorming van project-

geven, waaronder het strategisch project inte-

leiders op basis waarvan in 2003 vervolgopleidin-

graal waterbeleid te voorbereiding van het decreet

gen zullen worden opgezet. Inmiddels worden in

integraal waterbeleid. Principes van integraal

een aantal projecten experimenten rond partici-

waterbeheer werden in 2002 reeds in verschillen-

patie en interactie opgezet en begeleid.

de inrichtingsprojecten in de praktijk gebracht. Voorbeelden hiervan zijn onder andere de verde-

In 2002 werd voor grondenbank en plattelands-

re omvorming van het voormalig recreatieoord de

beleid met alle betrokkenen overlegd over hoe de

Luysen in het valleisysteem van de Abeek tot wa-

grondenbank en het plattelandsbeleid verder

terrijk natuurgebied (Landinrichting Noordoost-

vorm kunnen krijgen. De tekstvoorstellen voor

Limburg); de aanleg van kleinschalige waterzui-

een decreet op de grondenbank en een beleids-

veringsvoorzieningen in de dorpskernen Booits-

nota plattelandsbeleid liggen ondertussen al ter

hoeke en 't Zwaantje (Landinrichting De West-

tafel. Inmiddels werd de grondenbank in een aan-

hoek) en in de ruilverkaveling Elingen; de aanleg

tal prioritaire Vlaamse projecten ingezet op basis

van een bufferstrook langsheen de Coupure-

van overeenkomsten. In het kader van het platte-

Moerbeek en de Boeversbeek (Landinrichtings-

landsbeleid kregen specifieke projecten gericht

project Leie en Schelde); vernatting van het na-

op de ontwikkeling van plattelandsgebieden een

tuurgebied Bospolder - Ekers moeras door de uit-

Europese steun. Voor beheerovereenkomsten

breiding van het areaal plas-drassituaties en plas-

werd een aantal bijkomende beheerspakketten

sen (Natuurinrichting Bospolder - Ekers moeras).

mogelijk en werden in een intensief overleg met

Tegelijkertijd werden reeds gronden aangekocht

provincies en gemeenten afspraken gemaakt voor

en technische plannen opgemaakt voor realisa-

samenwerking op het vlak van beheerovereen-

ties in de nabije toekomst.

komsten. De projectleiding van het strategisch project

12

De afdeling Landelijke Inrichting participeert

VERAF was ook in 2002 in handen van VLM.

tevens in een aantal overkoepelende processen

Mede door de inzet van alle partners in de stuur-

binnen het milieubeleid. Zo droeg de afdeling

groep kon de eerste fase van de afbakening wor-

Landelijke Inrichting ook in 2002 bij tot het

den opgestart door de Vlaamse regering (afbake-

Vlaams milieubeleidsplan, specifiek inzake ver-

ning eerste fase VEN-gebieden en de spreek-

snippering en gebiedsgericht beleid. De afdeling

woordelijke gele / groene RUP’s) en gaf de rege-

werkte de acties uit voor het ontwerp - Milieube-

ring ook haar akkoord aan de werkwijze voor de

leidsplan 2002-2007, begeleidde mee het open-

tweede fase van de afbakening. Om de tweede

baar onderzoek en de verwerking ervan in een

fase tot een goed einde te kunnen brengen,

definitief voorstel van plan. De VLM stelde tevens

maakte de regering de aanwerving van 15 bijko-

auteurs en lectoren ter beschikking voor de reali-

mende personeelsleden bij AROHM, AMINAL

satie van het Mira-T rapport van 2002.

en VLM mogelijk.


LANDELIJKE INRICHTING

Landinrichting PROJECTWERKING •

Landinrichtingsproject Noordoost-Limburg

| tabel1

In 2002 werden drie inrichtingsplannen door de Commissie voor Landinrichting gunstig geadviseerd: • het inrichtingsplan Langeren-De Tösh betreft een kleinschalig cultuurlandschap gelegen te Neeroeteren. De maatregelen van het inrichtingsplan beogen het behoud en herstel van het kleinschalige houtkantenlandschap, vernatting van het natuurgebied, recreatieve inpassing, kleinschalige waterzuivering,… Het project wordt uitgevoerd in samenwerking met de Stichting Limburgs Landschap, de stad Maaseik en particulieren; • het Groenstructuurplan Opitter omvat de inrichting van de groenstructuren van de landelijke woonkern Opitter met klemtoon op (verkeers)leefbaarheid, natuurgerichte inrichting van parken en pleintjes, versterking van de beekecologie van de Itterbeek, landschapsinrichting, recreatief medegebruik, … Het project is een samenwerking tussen de stad Bree, het provinciebestuur van Limburg, het Regionaal Landschap Kempen en Maasland, de Vlaamse Landmaatschappij en particulieren; • het inrichtingsplan Functioneel fietspadennetwerk, fase 3: in overleg met de betrokken gemeenten werden projecten uitgewerkt die voor de realisatie in het kader van module 13 van de mobiliteitsconvenant worden voorgelegd. Het betreft de N76 tussen Bocholt en Lozen, de N721 tussen Bree en Opitter en de N57 tussen Neeroeteren en Rotem.

•

•

•

•

•

De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw keurde in 2002 twee inrichtingsplannen goed: Abeek 3 fase 1 en Langeren-De Tösh. In 2002 was een 10-tal projecten in uitvoering: • het inrichtingsplan Abeek 1: voor de verwerving van een bufferstrook langsheen de Abeek werd een onteigeningsbesluit genomen. De afdeling Water is opdrachtgevend bestuur voor deze grondverwerving. In opdracht van de Vlaamse Landmaatschappij werd een inrichtings- en uitvoeringsplan voor de bufferstrook opgemaakt; • het inrichtingsplan de Luisen, fase 2: het inrichtingsplan voorziet in de inrichting van de gronden gelegen tussen de Abeek en het voormalige recreatiedomein de Luisen. Het bevat maatregelen gericht op een uitbreiding van het vijver- en moe-

•

rascomplex, de verbetering van de waterkwaliteit in het gebied en de inpassing van het recreatieve medegebruik. In 2002 startte de uitvoering van de natuurtechnische werken; het inrichtingsplan Voorste Luysmolen: op 29 maart 2002 werden de werken aan de gebouwen en omgeving opgeleverd. De officiële afsluiting van dit project gebeurde met een academische zitting en een molenfeest. Dit evenement kon rekenen op een massale publieke belangstelling; het inrichtingsplan Abeek 3, fase 1: de uitvoeringseenheden ‘natuurinrichting de Zig en de Goort’ en het wandelpadennetwerk werden eind 2002 aanbesteed. In samenwerking met de provincie Limburg werd een erfbeplantingsactie voorbereid in Kinrooi. Voor 28 bedrijven werd een beplantingsplan uitgetekend en werden de werken aanbesteed; het inrichtingsplan Functioneel fietspadennetwerk, fase 1: langs de N747 tussen Kaulille en de Stop van Lozen werd een vrijliggend fietspad aangelegd. Voor een resterend tracé langs de ZuidWillemsvaart werden de werken aanbesteed; het inrichtingsplan Functioneel fietspadennetwerk, fase 2: het project voorziet in de aanleg van een fietspad langs de verbindingsweg tussen Neeroeteren en Opoeteren. In 2002 werd het fietspad door de stad Maaseik aangelegd; het Groenstructuurplan Wurfeld: in samenwerking met de provincie Limburg werd een erfbeplantingsactie uitgevoerd. De werken werden in maart opgeleverd. Voor de Wurfeldmolen werd een inrichtingsplan opgemaakt dat rekening houdt met de toegankelijkheid van het publiek en de privacy van de bewoners; het Groenstructuurplan Bocholt: de erfbeplantingsactie en de uitvoering van de beplantingswerken gebeurde in dezelfde aanbesteding als voor het Groenstructuurplan Wurfeld. De officiële afsluiting van de erfbeplanting in beide projectgebieden ging gepaard met een persbezoek op een deelnemend landbouwbedrijf in aanwezigheid van de gedeputeerde bevoegd inzake landbouw in de provincie Limburg en de gemeentebesturen van Bocholt en Maaseik. Een eerste schijf van werken m.b.t. de aanleg van een wandelroutenetwerk werd aanbesteed. De aanleg van groen op het openbare domein in Bocholt werd met Europese steun uit het Plattelandsontwikkelingsprogramma voor Vlaanderen (PDPO) uitgevoerd; het inrichtingsplan Natuurontwikkeling Zuid-Willemsvaart: de werken voor de aanleg van hengelplateaus en parkeerplaatsen werden eind 2002 opgeleverd;

13


JAARVERSLAG 2002 • het inrichtingsplan Langeren-De Tösh: de uitvoeringsplannen voor de natuurtechnische werken (poelen, natte laagten) in De Tösh werden opgemaakt en aanbesteed. Met het landschapsteam van het Regionaal Landschap Kempen en Maasland werd een samenwerking opgezet rond het beheer van verwaarloosde houtkanten in Langeren. De VLM participeerde aan het overleg rond het grensoverschrijdend project ‘Kempenbroek’ dat gecoördineerd wordt door het Regionaal Landschap Kempen en Maasland in opdracht van de provincie Limburg. In dit kader werd een aantal projectonderdelen van het landinrichtingsproject NoordoostLimburg ingediend voor Europese steunverlening in het kader van het Interreg IIIA programma. Op 28 oktober 2002 keurde de stuurgroep van de Euregio Benelux Middengebied de subsidieaanvraag goed.

Landinrichtingsproject de Westhoek

| tabel 2

In 2002 werden drie inrichtingsplannen van het projectgebied De Westhoek door de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw goedgekeurd en reeds in uitvoering gebracht, IJzerbroeken (Vallei De IJzer), Komgronden van Lampernisse en De Moeren: • het inrichtingsplan IJzerbroeken (Vallei De IJzer): in het kader van dit plan werd de Dode IJzer reeds uitgebaggerd door de Zuidijzerpolder, zodat zij haar

functie als paaiplaats opnieuw kan opnemen. Het ontwerp voor de aanleg van zones voor natuurontwikkeling en de valleirand werd voorbereid. In samenwerking met de landbouwers werd een erfbeplantingsplan uitgewerkt en werd de vereiste financiering aangevraagd. De administratie Waterwegen en Zeewezen heeft het ontwerp voor de duikers onder de IJzerstraat opgemaakt en aanbesteed. Als partner heeft deze administratie tevens de werken aan het jaagpad richting Diksmuide voorbereid. Het fietspad op het jaagpad tussen Fintele en Elzendamme is aanbesteed. De Vlaamse Landmaatschappij stond in voor de grondverwerving. De afdeling Wegen West-Vlaanderen heeft het ontwerp voor het fietspad en de paaiplaats te Elzendamme opgemaakt en aanbesteed; • het inrichtingsplan Komgronden van Lampernisse: het Ruilverkavelingscomité Fortem heeft reeds een gedeelte van het inrichtingsplan uitgevoerd (aanleg van wegen en recreatieve paden, inrichting van de oeverstroken langs Molenvaart en Grote IJzerbeek). De ontwerpen van de stuwen en gronddammen en van de bruggen langs de Zaadgracht zijn aanbesteed en de financiering is goedgekeurd. Het voorontwerp voor de zones voor natuurontwikkeling is in opmaak en de noodzakelijke grondverwerving is gebeurd. Het monitoringprogramma in functie van het in kaart brengen van

Brugse Veldzone Zuiderkempen

Noordoost-Limburg

Leie en Schelde

De Westhoek

Brabants Plateau

in onderzoek

14

in uitvoering

Grote-Netegebied


LANDELIJKE INRICHTING tabel 1 |

Inrichtingsplannen in het landinrichtingsproject Noordoost-Limburg

Inrichtingsplannen in het landinrichtingsproject Noordoost-Limburg

M.B. water- maatreg. maatreg. maatreg. kleinsch. landelelijke infrastructuur l andschapsinrichting goedkeuring systemen v. natuur v. bos v. landb. milieu- function. recreat. zachte erfgoed groenerfbeverbeter. mobiliteit lansch.- struct. plantverkeers- behoud buffers, ingen veiligheid landsch.bouw

UITGEVOERDE PLANNEN

ip Herstel watering Lozerheide ip de Luisen ip Veldhoven - Kreiel ip Voorste Luysmolen ip Natuurontwikkeling Zuid-Willemsvaart ip Functioneel fietspadennetwerk, fase 1 ip Weidevogelbescherming Sint-Maartensheide ip Functioneel fietspadennetwerk, fase 2

22-09-98 18-12-98 29-09-98 18-12-98 18-12-98

x

x x

x x

x

x

x

x x

x x

x

6-12-99 03-05-00

x x

x

20-11-01

x

x

PLANNEN IN UITVOERING

ip Abeek 1, Abeekloop vak p’ 160 kanaal ip Groenstructuurplan Wurfeld, fase 1 ip Groenstructuurplan Bocholt ip de Luisen, deel 2 ip Abeek 3, fase 1 ip Langeren- De Tösh

22-09-98

x

x

x

x

04-05-99 14-12-99 17-12-01 27-06-02 28-11-02

x x x

x x x

x x x

x x

x

x

x

x

x

x

x x x x

x

x

x x

x x

x

x

x

PLANNEN IN VOORBEREIDING

ip Functioneel fietspadennetwerk, fase 3 ip Itterbeek, deel Opitter

tabel 2 |

x x

x

x

x

x x

x

Inrichtingsplannen in het landinrichtingsproject De Westhoek

Inrichtingsplannen in het landinrichtingsproject De Westhoek

M.B. water- maatreg. maatreg. maatreg. kleinsch. landelelijke infrastructuur l andschapsinrichting goedkeuring systemen v. natuur v. bos v. landb. milieu- function. recreat. zachte erfgoed groenerfbeverbeter. mobiliteit lansch.- struct. plantverkeers- behoud buffers, ingen veiligheid landsch.bouw

UITGEVOERDE PLANNEN

ip Nieuwkapelle ip voetgangers- en fietsbruggen De IJzer ip Oude Spoorwegbedding Nieuwpoort - Diksmuide ip Lovaart, deel beplantingen

22-09-98 02-10-98

x x

09-02-99

x

x

16-12-99

x

x

x

x

x

x

x

x

PLANNEN IN UITVOERING

ip Diksmuide (Oudekapelle, St-Jacobs-Kapelle, Oostkerke) ip Lovaart, deel knooppunten en weginfrastructuur, fase 1 ip Lovaart, deel knooppunten en weginfrastructuur, fase 2 ip Veurne (Booitshoeke en 't Zwaantje) ip Duinenabdij ip Vallei De IJzer ip Komgronden van Lampernisse ip De Moeren

26-04-99

x

16-12-99 19-12-00 03-12-01 03-12-01 06-05-02 25-10-02 13-11-02

x

x x

x x x x

x

x

x

x x

x x x

x x x x

x

x

x

x

x

x

x x

x x x x

x x x x x

x x x

x x x

x

x

x

x

PLANNEN IN VOORBEREIDING

ip Polderwaterlopen, deel 2, Beverdijkvaart en omgeving ip Dorpskern Nieuwkapelle-Oostkerke ip Groot-Nieuwlandpolder ip Recreatieve structuren Adinkerke ip Duinenabdij, fase 2 ip Dorpskern Avekapelle

x

x x

x

x x x x x

x

x x

x x

x x

15


JAARVERSLAG 2002 tabel 3 |

Inrichtingsplannen in het landinrichtingsproject Leie en Schelde

Inrichtingsplannen in het landinrichtingsproject Leie en Schelde

M.B. water- maatreg. maatreg. maatreg. kleinsch. landelelijke infrastructuur l andschapsinrichting goedkeuring systemen v. natuur v. bos v. landb. milieu- function. recreat. zachte erfgoed groenerfbeverbeter. mobiliteit lansch.- struct. plantverkeers- behoud buffers, ingen veiligheid landsch.bouw

UITGEVOERDE PLANNEN

ip Erfbeplanting kouter/bulkengeb. ip Erfbeplanting Scheldeveld ip Durmen

09-06-99 09-06-99 05-10-00

x

x

x x x x

x x

x

x

x

x x x

x x x x

x

x x x x x x x

x

PLANNEN IN UITVOERING

ip Meilegem - Zingem ip Lozerbos ip Vosselareput ip Heurne ip Schermgroen E17 ip Groene Velden ip Landschapsintegratie Noordhout

09-07-99 14-12-99 09-05-00 07-08-00 15-09-00 14-06-01 30-05-02

x

28-01-02 22-04-02 30-05-02

x x

x x

x

x

x x x

x

x

PLANNEN IN VOORBEREIDING

ip Oude Kale ip Gaverse Scheldemeersen ip Landschapsintegratie Slindonk ip Recreatieas Deinze-Gent ip Malem ip De Assels ip Ename ip Neerwelden ip Ontginningsputten 'Kapel ter Durmen' en 'Lembeekstraatje'

tabel 4 |

x x x x

x x x

x x

x

x x

x

x x

x x x

x x x x x

x x x x

x x x x x x

x x

x x x x x x x x x

x x

Inrichtingsplannen in het landinrichtingsproject Grote-Netegebied

Inrichtingsplannen in het landinrichtingsproject Grote-Netegebied

M.B. water- maatreg. maatreg. maatreg. kleinsch. landelelijke infrastructuur l andschapsinrichting goedkeuring systemen v. natuur v. bos v. landb. milieu- function. recreat. zachte erfgoed groenerfbeverbeter. mobiliteit lansch.- struct. plantverkeers- behoud buffers, ingen veiligheid landsch.bouw

UITGEVOERDE PLANNEN

ip Landschapsontwikkelingsplan Gestel, fase 1

04-08-00

x

x

PLANNEN IN UITVOERING

ip Gerheserheide ip Scherpenbergen - De Hutten ip Landschapsontwikkelingsplan Gestel, fase 2 ip Keiheuvel- De Most ip Recreatief ďŹ etsroutenetwerk

03-05-00 09-05-00 10-07-01

x

14-03-02 29-05-02

x

x

x

x x

x

x

x x

x

x x x x x x

x x

x

x

x x

x x

x

x x x x x

x

x

x x x

x

x

PLANNEN IN VOORBEREIDING

ip Kempisch Plateau ip Dekshoevevijver ip Geel-Bel, fase 1 ip Geel-Bel, fase 2 ip Beekdal Grote Nete ip Soortenbeschermingsplan veldparelmoervlinder

tabel 5 |

x

x

x x x

x x x

x x x

Aantal inrichtingsplannen waarvoor subsidie via landinrichting is toegekend 7 4 4 4

x x x

Overzicht van de subsidies vastgelegd op basis van het subsidiebesluit voor landinrichtingswerken

Noordoost-Limburg De Westhoek Leie en Schelde Grote-Netegebied Totaal

16

06-05-02

Bedrag vastgelegd in EUR 735.773 750.756 650.920 719.467 2.856.916


LANDELIJKE INRICHTING

de effecten van de peilaanpassing heeft de uitgangssituatie vastgelegd; • het inrichtingsplan De Moeren: voor dit project werden in 2002 uitvoeringseenheden ontworpen en aanbesteed. De dossiers beplanting te Veurne en luchtleidingen Kosterstraat zijn vastgelegd. De erfbeplantingsplannen zijn afgewerkt en de uitvoeringseenheden voor de kleinschalige waterzuivering (KWZI’s en IBA’s) zijn in voorbereiding. Voor de projecten Lovaart, deel beplantingen (infoluifel provincie), Lovaart, deel knooppunten en weginfrastructuur, fase 2, De Moeren (beplantingen en luchtleidingen) en Komgronden van Lampernisse (bruggen Zaadgracht) werden in 2002 subsidies vastgelegd. De inrichtingsprojecten Oude Spoorwegbedding Nieuwpoort - Diksmuide, Nieuwkapelle, Lovaart, deel beplantingen en IJzerbroeken, deel voetgangers- en fietsbruggen werden in 2002 afgewerkt. Diverse goedgekeurde projecten zijn nog in uitvoering: de kleinschalige waterzuivering en herinrichting van de dorpskernen Booitshoeke en ‘t Zwaantje (inrichtingsplan Veurne), het inrichtingsplan Diksmuide (Oudekapelle, St-Jacobs-Kapelle, Oostkerke), Lovaart, deel knooppunten en weginfrastructuur, fase 1 en 2, de Komgronden van Lampernisse, De Moeren, Vallei De IJzer, De Duinenabdij en het natuurinrichtingsproject Oosthoekduinen. De herinrichting van de dorpskernen Booitshoeke en ’t Zwaantje werd gefinancierd met Europese steun uit het 5b phasing out programma voor de Westhoek. Het inrichtingsplan Polderwaterlopen, deel 2, Beverdijkvaart en omgeving heeft de adviesprocedure doorlopen en vijf inrichtingsplannen werden voorbereid (Dorpskern Nieuwkapelle-Oostkerke, GrootNieuwlandpolder, Recreatieve structuren Adinkerke, Duinenabdij, fase 2 en dorpskern Avekapelle).

Landinrichtingsproject Leie en Schelde |

tabel 3

In 2002 keurde de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw vier bijkomende inrichtingsplannen goed binnen het landinrichtingsproject Leie en Schelde: • het inrichtingsplan Oude Kale: het project voorziet in de inrichting van de vallei van de Oude Kale volgens de principes van integraal waterbeheer; • de inrichtingsplannen Slindonk en Noordhout zijn projecten in de sfeer van landschapszorg, de maatregelen beogen de omgevingskwaliteiten van beide gehuchten;

• het inrichtingsplan Gaverse Scheldemeersen voorziet in de inrichting van een deel van de Scheldevallei, zoals dit ook reeds het geval is voor de eerder goedgekeurde projectgebieden Heurne en Meilegem-Zingem. In 2002 maakte de Vlaamse Landmaatschappij voor 3 inrichtingsprojecten het eindvoorstel van inrichtingsplan op (Ename, Neerwelden, Ontginningsputten). Deze eindvoorstellen werden ter advies voorgelegd aan de Commissie voor Landinrichting in oktober 2002 en met een gunstig advies aan de Vlaamse minister ter goedkeuring voorgelegd: • het inrichtingsplan Ename heeft betrekking op de inrichting van een deel van de Scheldevallei met o.a. de archeologische site van Ename; • het inrichtingsplan Neerwelden: dit project beoogt de inrichting van de mondingzone van de Zwalm; • het inrichtingsplan Ontginningsputten heeft de inrichting van de voormalige zandwinningsputten Kapel ter Durmen en Lembeekstraatje als voorwerp. Er werden vastleggingen van kredieten gerealiseerd in 2002 voor de inrichtingsplannen Meilegem-Zingem, Heurne, Noordhout en Groene Velden. Grondverwervingen werden gerealiseerd in functie van de projecten Meilegem-Zingem, Heurne en Groene Velden. In het project Meilegem-Zingem verwierf de gemeente Zingem o.m. het natuurgebied Grootmeers. In Groene Velden werden gronden aangekocht voor de realisatie van het voorziene landschapspark. Op het terrein werden in 2002 werken uitgevoerd in de projecten Meilegem-Zingem, Schermgroen E17 en Durmen. In het inrichtingsplan Meilegem-Zingem voerde het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen o.a. de inrichtingswerken uit voor de Kaaimeersen, een gebied aansluitend bij het Provinciaal Natuureducatief Centrum de Kaaihoeve. De aanleg van het fietspad te Zwalm werd met steun van de Europese Commissie in het kader van het Plattelandsontwikkelingsprogramma uitgevoerd. In het project Schermgroen E17 werden verdere landschapsintegrerende beplantingen uitgevoerd langs en in de omgeving van de E17 door het Ruilverkavelingscomité Nazareth.

Landinrichtingsproject Grote-Netegebied

| tabel 4

In 2002 werden drie voor het gebied belangrijke inrichtingsplannen goedgekeurd door de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw: Kempisch Plateau, Keiheuvel-De Most en Recreatief fietsroutenetwerk. Deze inrichtingsplannen omvatten een

17


JAARVERSLAG 2002 breed gamma aan thema’s en maatregelen en geven invulling aan beleidsprioriteiten voor het jaar 2002 zoals bosuitbreiding, verkeersveiligheid en recreatief medegebruik. In 2002 werd het inrichtingsplan Dekshoevevijver gunstig geadviseerd door de Commissie voor Landinrichting en werd een instemming verkregen van de betrokken partners. Het inrichtingsplan heeft als doel een recreatieve visvijver in Geel natuurvriende-

lijker in te richten door het uitwerken van maatregelen gericht op een verbetering van de ontsluiting, de oevers, de recreatieve en educatieve infrastructuur en de aanwezige landschaps- en natuurwaarden. In 2002 werd de planvorming voor het inrichtingsplan Geel-Bel, fase 1 afgerond en werd verder gewerkt aan de opmaak van de inrichtingsplannen Beekdal Grote Nete, stroomopwaarts kanaal van Beverlo, Geel-Bel, fase 2 en aan het soortenbeschermingsplan voor de veldparelmoervlinder. Naast de opmaak van inrichtingsplannen werd in 2002 veel aandacht besteed aan de detailuitwerking van verschillende goedgekeurde inrichtingsplannen: • het inrichtingsplan Kempisch Plateau: de gemeente Hechtel-Eksel maakte technische ontwerpen op voor een hele reeks fietspaden op haar grondgebied. De Vlaamse Landmaatschappij startte de

18

opmaak van een technisch ontwerp voor de aanleg van een pad voor minder validen doorheen het bosgebied Kattenbos; • het Landschapsontwikkelingsplan Gestel, fase 2: in samenspraak met de betrokken landbouwers uit Meerhout-Gestel werden ontwerpen opgemaakt voor erfbeplanting en kleinschalige waterzuivering. In Meerhout en Balen werden de beplantingswerken op het terrein uitgevoerd; • het inrichtingsplan Gerheserheide: in het bosge-

bied rond Gerheserheide werden ontwerpen opgemaakt voor aanvullende recreatieve infrastructuur (infoborden, fito-meter, parking, ruiterpad, …) en werd met de verschillende partners een akkoord bereikt rond de inrichtingsprincipes voor de Schans van Gerhees. Tevens werd in 2002 de aanzet gegeven om de Schans van Gerhees te selecteren als Vlaams Erfgoed. De beplantingswerken en de werken rond de speeltuin werden afgewerkt en voorlopig opgeleverd. De speeltuin werd gefinancierd met steun van Europese middelen in het kader van het Plattelandsontwikkelingsprogramma. Deze nieuwe avonturenspeeltuin, het speelbos en de Schans Van Gerhees werden in een succesvol evenement aan de inwoners van Leopoldsburg en Ham voorgesteld; • het inrichtingsplan Keiheuvel-De Most: in de gemeente Balen werd een ontwerp opgemaakt voor de herinrichting van de 17de Esc. Lichtvlieg-


LANDELIJKE INRICHTING

wezenlaan. Aandachtspunten zijn de verkeersveiligheid en de verbeterde ontsluiting van het Recreatie- en Natuurpark Keiheuvel. De eerste natuurmaatregelen in De Most werden in detail uitgewerkt en er werd gestart met de opmaak van een ontwerp voor de restruimte; • het inrichtingsplan Recreatief fietsroutenetwerk: er werd gestart met een gefaseerde detailuitwerking van het recreatief fietsroutenetwerk. In een eerste fase wordt de regio Mol-Balen aangepakt en vervolgens de regio Geel-Meerhout. In 2002 werd het eerste deel voor Balen ontworpen. Bijzondere aandacht verdient tevens de toezegging van de Europese EFRO-steun voor het Recreatief fietsroutenetwerk in het raam van het Doelstelling 2-programma. Het ontwerp van inrichtingsplan voor de bescherming van de veldparelmoervlinder werd in een terreinbezoek aan de plaatselijke wijken in Lommel en Balen toegelicht.

Landinrichtingsproject Brugse Veldzone De studies voor de voorbereiding van het richtplan voor het project Brugse Veldzone inzake mobiliteit, landschap, recreatie en landelijke economie zijn afgerond. Het onderzoek rond grondwater, ecologie, bosbouw en de verbreding van de landbouw is nog lopende. De studies met betrekking tot oppervlaktewater, milieu en landbouw zijn grotendeels afgewerkt. Er is verder een nieuwsbrief verschenen en er zijn diverse contacten gelegd met gemeenten en provincie.

Landinrichtingsproject Brabants Plateau In het raam van de opstart van een landinrichtingsproject Brabants Plateau, gelegen tussen de Dijlevallei en de Brusselse rand, werden een aantal studies opgestart en afgewerkt. Zoveel mogelijk werd hierbij gebruik gemaakt van bestaand materiaal (studies, lokaal overleg,...). Een gedeelte van de studies werd intern uitgevoerd, met name inzake landbouw (incl. stadslandbouw), hydrologie (incl. erosie) en recreatie. De onderzoeken inzake ecologie, bosbouw, leefbaarheid en mobiliteit en de serreproblematiek (druivenstreek Overijse-Hoeilaart) werden door externe bureaus uitgevoerd. Op basis van deze kennis wordt in 2003 een richtplan opgesteld waarin op gebiedsniveau een aantal strategische projecten worden voorgesteld om oplossingen te bieden aan belangrijke knelpunten.

Vooraf is een terugkoppeling naar het Vlaams beleid en de Vlaamse administraties voorzien. Een eerste nieuwsbrief verscheen in het najaar.

Landinrichtingsproject Zuiderkempen In 2002 werd de voorstudie voor het landinrichtingsproject Zuiderkempen afgewerkt en gunstig geadviseerd door de Commissie voor Landinrichting. Naar het einde van het jaar toe werden de eerste aanzetten gegeven tot de opmaak van het richtplan.

SPECIFIEKE AANDACHTSPUNTEN IN DE PROJECTWERKING In november 2002 werd het Interreg IIIB project ‘Sustainable Open Space, Celebrate Open Space’ onder bepaalde voorwaarden door de bevoegde stuurgroep van de Europese Commissie goedgekeurd. Het project is een vervolgtraject van het begin 2001 met succes afgeronde project ‘Sustainable Open Space for the North Western Metropolitan Area’ van het Interreg IIC programma 1997 – 1999. Met het vervolgproject willen de projectpartners uit 7 regio’s (Vlaams-Brabant, Groene Hart, Maastricht-Hasselt-Aachen-Liège (MHAL-regio), South Pennines, Ile-de-France, Frankfurt-Rhein-Main en Oberrhein (Baden-Württemberg en Elzas)) de bevindingen uit het rapport in de praktijk omzetten in concrete projecten en in nieuwe uitwisselingstrajecten. De Vlaamse Landmaatschappij is samen met het provinciebestuur van Vlaams-Brabant partner voor de Vlaamse regio. De Vlaamse Landmaatschappij is actief in de werking van een aantal Regionale Landschappen waar landinrichtingsprojecten worden gerealiseerd. Verder is de Vlaamse Landmaatschappij vertegenwoordigd in het Grindcomité en het Grindherstructureringscomité.

Ruilverkaveling PROJECTEN IN ONDERZOEK IN 2002 Vooraleer een ruilverkaveling wordt opgestart, wordt een onderzoek naar het nut van de ruilverkaveling uitgevoerd. Als eerste stap in de procedure wordt bij ministerieel besluit het “onderzoek naar het nut van de ruilverkaveling” opgedragen voor een voorlopig omschreven gebied. Hierna wordt een Coördinatie-

19


JAARVERSLAG 2002 commissie opgericht die als opdracht heeft de minister advies te verstrekken over de vaststelling van het ruilverkavelingsblok. In de praktijk fungeert de Coördinatiecommissie als een discussieforum waarbij vanuit de vertegenwoordigde sectoren gestreefd wordt naar een advies betreffende een duidelijke begrenzing en de algemene inhoudsbepaling van het project. Bij brief van 08/01/2001 heeft de minister bepaald dat een vertegenwoordiging van de afdeling Bos en Groen en van de afdeling Water (AMINAL) aan de Coördinatiecommissie moet toegevoegd worden. De inhoud van het project wordt bepaald door het ontwerpen en evalueren van een ruilverkavelingsplan. Het ruilverkavelingsplan houdt rekening met het juridisch en beleidskader zoals ondermeer de zorgplicht van het decreet betreffende het natuurbe-

tabel 6 |

houd en het natuurlijk milieu. Het ruilverkavelingsplan wordt onderworpen aan een milieueffectrapportering. Vóór de beslissing wordt genomen of een ruilverkaveling al dan niet nuttig is, is er dus aan de hand van het ruilverkavelingsplan duidelijkheid over de inhoud en de effecten van het ruilverkavelingsproject. Op 31 december 2002 zijn er 17 ruilverkavelingen in onderzoek met een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 50.000 ha (zie tabel 6). Dit wil zeggen dat voor deze projecten een ministerieel besluit werd genomen om een onderzoek naar het nut van de ruilverkaveling te voeren. Dit wil echter niet zeggen dat het onderzoek voor al deze projecten momenteel ook actief wordt gevoerd. Ook kunnen onderzoeksgebieden opgedeeld worden in meerdere entiteiten waarvoor het onderzoek gefaseerd ver-

Ruilverkaveling in onderzoek - stand per 31-12-2002

Provincie

Ruilverkavelingsblok

Antwerpen

HULSEN - OLMEN - MALOU Balen, Ham, Leopoldsburg, Lommel, Meerhout, Mol RIJKEVORSEL-WORTEL Rijkevorsel, Hoogstraten

4.500

LILLE-VORSELAAR Lille, Vorselaar, Malle, Zoersel, Beerse, Zandhoven en Rijkevorsel * HERENTHOUT-BOUWEL Herenthout, Nijlen, Grobbendonk, Herentals WILLEBRINGEN Boutersem, Tienen, Hoegaarden, Bierbeek LONDERZEEL Meise, Merchtem JESSEREN Borgloon, Kortessem, Tongeren

5.475

Vlaams-Brabant (PA Diest) Vlaams-Brabant PA Gent) Limburg

Oost-Vlaanderen

West-Vlaanderen

WELLEN Borgloon VELDHOVEN-KREIEL Bocholt, Bree SINAAI Sint-Niklaas, Lokeren

SCHELDEKANT Nazareth, De Pinte, Gent SINT-LIEVENS-HOUTEM Oosterzele, Herzele, Erpe-Mere STEKENE BEVEREN-WAAS Beveren, Sint-Gillis-Waas KRUIBEKE Kruibeke ADINKERKE en OOSTDUINKERKE De Panne, Veurne, Koksijde, Nieuwpoort ZANDLEEMPLATEAU van IZENBERGE Lo-Reninge, Alveringem, Veurne *

Oppervlakte in ha (raming)

1.960

Datum MB / instelling onderzoek nut + uitbreidingen 3-06-99 29-05-00 3-01-69 1-02-88 1-04-96 18-03-97 9-11-00 14-09-98

3.000

30-05-96

2.600

1.700

9-11-85 11-06-87 2-09-87 10-11-89 16-06-99 30-05-96

2.200

14-09-98

1.800

3.000

24-08-84 8-09-87 23-06-88 22-07-96 23-09-81 7-05-96 30-09-96

2.200 3.204

30-05-96 7-08-75

2.599

13-12-02

3.700

30-05-96 9-09-96 4-10-96

3.500

1.900

1.800

6.000

* het onderzoek naar het nut kan gefaseerd gebeuren en betreft niet noodzakelijk op elk moment de gehele oppervlakte van de projecten.

20


LANDELIJKE INRICHTING

loopt. Programmatie, keuze en omschrijving van de gebieden waar het onderzoek naar het nut van de ruilverkaveling wordt gevoerd, worden niet door de wet geregeld maar maken het voorwerp uit van de beleidsvoering van de bevoegde minister. Een voorbeeld van opdeling van het onderzoeksgebied is de ruilverkaveling Lille-Vorselaar dat opgesplitst is in een aantal deelprojecten, waarvan MalleBeerse op 2 juli 2002 het eindadvies van de Coördinatiecommissie gekregen heeft. Voor de ruilverkaveling Sint-Lievens-Houtem is het MER conform verklaard op 21 januari 2002. Op 1 juli 2002 heeft de minister een toelating gegeven om over te gaan tot het openbaar onderzoek artikel 5. Een nieuw onderzoek naar het nut van de ruilverkaveling Kruibeke is ingesteld door de Minister op 13

tabel 7 |

PROJECTEN IN UITVOERING IN 2002 De ruilverkavelingen worden uitgevoerd door de ruilverkavelingscomités, die rechtspersoonlijkheid bezitten. Schematisch bestaat de uitvoering van de ruilverkaveling uit: de bepaling van de inbreng, de uitvoering van de werken, de bepaling van de toedeling, het verlijden van de ruilverkavelingsakte en de aanvullende ruilverkavelingsakte. Na het verlijden van de ruilverkavelingsakte wordt een project als

Ondertekening van de ruilverkavelingsakten

Provincie West-Vlaanderen

Ruilverkavelingsblok FORTEM Veurne, Alveringem, Diksmuide BOLLEBEEK Asse, Merchtem

Vlaams-Brabant

tabel 8 |

december 2002. Een uitbreiding van de perimeter voor het onderzoek naar het nut van de ruilverkaveling Beveren-Waas is goedgekeurd door ministerieel besluit op 26 april 2002. Deze ruilverkavelingen kaderen in de strategische projecten Kruibeke en Linkerscheldeoever (Doel).

Oppervlakte in ha 1.240

Datum van de akte 13-dec-2002

1.617

6-jun-2002

Ruilverkaveling in uitvoering - stand per 31-12-2002

Provincie

Antwerpen

Vl. Brabant (PA Diest) Vl.-Brabant (PA Gent)

Limburg

Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen

Ruilverkavelingsblok

WEELDE Ravels MERKSPLAS Turnhout ZONDEREIGEN Merksplas, Turnhout, Baarle-Hertog, Hoogstraten VISSENAKEN Tienen, Glabbeek - Zuurbemde, Boutersem BOLLEBEEK Asse, Merchtem ELINGEN Pepingen, Halle, Sint-Pieters-Leeuw, Lennik, Gooik VLIERMAALROOT Kortessem, Diepenbeek, Hoeselt, Bilzen METTEKOVEN Borgloon, Heers GROOTLOON Borgloon, Heers SINT-GILLIS-WAAS Beveren, Stekene, Sint-Niklaas FORTEM Veurne, Alveringem, Diksmuide STUIVEKENSKERKE Diksmuide RENINGE Lo-Reninge, Vleteren, Ieper WOESTEN Lo-Reninge, Vleteren, Poperinge, Ieper

Opp. ha 1.000

Datum MB oprichting rvk-comité 23-05-91

Uitvoeringsfasen inbreng toedeling rvk-akte

1.697

28-05-98

x

1.500

26-04-99

x

1.617

27-03-97

x

1.868

8-11-00

x

1.888

7-02-91

x

749

13-12-97

x

877

26-03-01

x

1.703

17-02-98

x

1.240

20-07-88

2.073

Aanv. rvk_akte

x

1.530

x

x

x

x

x

x

x

12-12-90

x

x

x

1.944

9-06-99

x

1.610

9-06-99

x

x = uitvoeringsfase is beëindigd

21


JAARVERSLAG 2002 beëindigd beschouwd en niet meer meegerekend bij de projecten in uitvoering. Doch na de ruilverkavelingsakte kunnen nog werken uitgevoerd worden door het ruilverkavelingscomité. De ruilverkaveling Zondereigen is nuttig verklaard op 19 juni 2002. De oprichting van het ruilverkavelingscomité en de commissie van advies werd in 2002 voorbereid door de Afdeling Land. De instelling ervan wordt verwacht begin 2003. De bepaling van de inbreng steunt op de classificatie van de landbouwkundige waarde van de

tabel 9 |

De uitvoering van de werken is gericht op de uitvoering van het ruilverkavelingsplan. Het ontwerp van werken wordt opgesteld door een ontwerper na een offerteaanvraag. De uitvoering van de werken gebeurt door aannemers na aanbesteding. Een overzicht van de werken in de projecten wordt gegeven in de tabellen 9 en 10.

Voltooide werken en werken in uitvoering in 2002

Provincie Naam van het dossier Antwerpen Vlaams- Brabant (PA Diest)

Vlaams Brabant (PA Gent)

Limburg

Oost-Vlaanderen

West-Vlaanderen

22

gronden en de ingebrachte oppervlakte in elke waardeklasse. Door de vermenigvuldiging van kwaliteit en oppervlakte wordt de inbreng uitgedrukt in punten. De definitieve inbreng voor de ruilverkaveling Grootloon is vastgelegd op 25 maart 2002.

Ruilverkavelingsblok exclusief BTW WEELDE Kavel-, water-, wegen en natuurinrichtingswerken HOEGAARDEN Afwerkingswerken - infrastructuur Educatief Geopark BOLLEBEEK Wegen lot 3 Kavelinrichtingswerken ELINGEN Aanleg rietvelden Topografische opmetingen VLIERMAALROOT Erfbeplanting RIJKHOVEN Afwerkingswerken 2 METTEKOVEN Afwerkingswerken Uitzetten en afpalen nieuwe kavels JEUK Kleinschalige waterzuivering KOLMONT Fietspad SINT-GILLIS-WAAS Aanleg wachtbekken Deel Vrasenebeek Werken van landschapszorg Deel Loeverbeek Werken van landschapszorg Deel Vrasenebeek Fietspad Heerbaan Fietspad Hoogstraat FORTEM Ontsluitingswerken 1 Ontsluitingswerken 2 Werken van landschapszorg Inrichtingswerken STUIVEKENSKERKE Inrichtingswerken 1 Inrichtingswerken 2 Werken van landschapszorg RENINGE Wegen en recreatie Landschapskunstproject WOESTEN Wegen en recreatie Bruggen

Aanbestedingsbedrag

Aanvangsbevel

Voorlopige oplevering

2.475.481,47

17-04-02

1.573.851,42 358.754,81

15-09-00 30-04-01

1-02-02 18-12-02

1.928.471,59 334.792,60

1-10-00 8-05-02

9-01-02

520.736,79 76.248,01

8-05-02 15-06-02

82.528,29

1-04-01

10-04-02

635.841,07

1-10-00

15-01-02

1.232.665,15 12.268,25

2-09-02 27-08-01

17-01-02

700.364,58

2-04-01

26-04-02

317.098,65

24-06-02

696.043,89

3-08-99

89.882,25

5-03-01

5-09-02

275.068,93 1.489.704,19 1.170.142,00

19-02-01 1-08-01 8-04-02

5-08-02

642.561,71 1.220.120,40 88.909,34 1.135.303,13

6-03-00 17-04-00 5-11-01 12-08-02

28-08-02 28-08-02

1.069.759,07 1.332.230,50 214.424,28

6-03-00 17-04-00 9-02-01

1.065.973,69 265.783,58

19-0902 n.v.t.

1.190.360,76 204.091,78

21-10-02 1-10-02


LANDELIJKE INRICHTING

De lokalisatie van de toedeling is voor de eigendom en het gebruik van primordiaal belang en is het voorwerp van een sterk onderbouwde en doorgedreven herverkavelingsstudie. Eigenaars, gebruikers en houders van zakelijke rechten verkrijgen hun nieuwe titels door het verlijden van de ruilverkavelingsakte. In 2002 liep een officieus onderzoek van de herverkaveling voor de ruilverkavelingsprojecten Merksplas, Vissenaken en Elingen. De verlanding en de ondertekening van de ruilverkavelingsakte is gebeurd voor de ruilverkavelingen Bollebeek en Fortem. | z i e t a b e l 6 De aanvullende ruilverkavelingsakte sluit de ruilverkavelingsverrichtingen af. Ze beschrijft het geheel van de financiële regelingen en geldt als titel voor de rechten en verplichtingen. In 2002 zijn geen aanvullende ruilverkavelingsakten ondertekend. Op 31.12.2002 zijn er 10 ruilverkavelingen in uitvoering. Dit zijn projecten waarvan de ruilverkavelingsakte nog niet is verleden. Daarbij gaat het om 15 .617 ha. | z i e t a b e l 8

SPECIFIEKE AANDACHTSPUNTEN IN DE PROJECTWERKING Ondersteuning van landbouw met verbrede doelstellingen In het voorbije decennium werd het multifunctionele karakter van het ruilverkavelingsinstrument vergroot en benadrukt door waar mogelijk ruimte en mogelijkheden te geven aan niet-agrarische functies

tabel 10 |

als erfgoedwaarden, landschap, natuur, zachte recreatie, watersystemen, …in evenwicht met een optimalisatie van de externe productieomstandigheden voor de landbouw. Nu wordt ook het accent gelegd op de verbreding van de doelstellingen van de landbouw zelf. Ook de landbouw is immers voortdurend in evolutie. Zo brengt de ontwikkeling van verschillende vormen van landbouw met verbrede doelstellingen een reeks nieuwe behoeftes aan productie-omstandigheden teweeg. Met haar inrichtingsinstrumenten wil de VLM inspelen op deze nieuwe tendensen en nagaan in welke mate zij met behulp van haar inrichtingsinstrumenten de omschakeling naar vormen van verbrede landbouw kan stimuleren of sturen. Op 20 december 2002 is de studieopdracht ‘Externe productie-omstandigheden voor landbouw met verbrede doelstellingen’ beëindigd door het studiebureau Resource. De studie werd begeleid door de VLM, bijgestaan door een stuurgroep (o.m. ir. J. Relaes (ALT), prof. D. Reheul (RUG), prof. E. Mathijs (KUL), ir. J. Van Roy (Aminal, afdeling Land)). De studie vangt aan met een inventarisatie en analyse van verschillende vormen van landbouw met verbrede doelstellingen. Voor deze bedrijfsvormen worden de productie-omstandigheden geanalyseerd en wordt nagegaan in hoeverre deze bedrijfsvormen als duurzaam te omschrijven zijn (economische, ecologische en sociale dimensie). Aan de hand van

Werken aanbesteed in 2002

Provincie Antwerpen Vlaams- Brabant (PA Diest) Vlaams Brabant (PA Gent)

Limburg Oost-Vlaanderen

West-Vlaanderen

Ruilverkavelingsblok Naam van het dossier HOEGAARDEN Afwerkingswerken bijkomend ELINGEN Fietspaden lot 2 Wegen en waterlopen EKSAARDE Brug Zuidlede SINT-GILLIS-WAAS Fietspad Hoogstraat HUISE Uitwijkstroken FORTEM Kunstwerken A en B STUIVEKENSKERKE Dorpskern Stuivekenskerke bijk. Inrichtingswerken perc. 1 bijk Inrichtingswerken perc. 2 bijk RENINGE Topografische opmetingen bijk.

Aanbestedingsbedrag exclusief BTW

Datum aanbesteding

Datum van goedkeuring

343.627,00

n.v.t.

28-11-02

1.960.072,00 4.265.115,00

13-05-02 27-04-02

4-07-02 12-12-02

95.662,90

23-09-02

5-12-02

1.170.780,00

15-02-02

n.v.t.

115.760,97

10-09-02

13-11-02

1.309.780,00

20-09-02

26-11-02

19.168,00 177.833,32 461.216,85

n.v.t. n.v.t. n.v.t.

27-03-02 6-05-02 6-05-02

8.717,00

n.v.t.

5-03-02

23


JAARVERSLAG 2002 een SWOT-analyse wordt onderzocht welke van de productie-omstandigheden een belemmering / stimulans betekenen voor de ontwikkeling van verbrede landbouw en het duurzaam karakter ervan. Op basis hiervan wordt bepaald wat de externe productie – omstandigheden zijn en hoe deze kunnen worden vertaald in inrichtingsnormen. Hier wordt m.a.w. nagegaan op welke manier de inrichtingsinstrumenten van de VLM kunnen bijdragen aan het creëren van de geschikte randvoorwaarden en uitgangssituaties voor de ontwikkeling van bepaalde vormen van verbrede landbouw. De bevindingen zijn getoetst in een onderzoeksgebied binnen het landinrichtingsproject Brugse Veldzone. Het grootste deel van het gebied op het gewestplan is agrarisch gebied. In 2003 wordt binnen de VLM de implementatie van de onderzoeksresultaten in de projectvoering voorbereid.

Onroerend erfgoed In 2002 werd in ruilverkaveling Fortem de verdwenen 18de eeuwse dakpannenfabriek als maatregel van landinrichting toebedeeld aan de Provincie West-Vlaanderen. Op het terrein wordt een landschapskunstproject ingericht. Eveneens werd in deze ruilverkaveling de middeleeuwse bewoningssite Leenhof ter Wissche toebedeeld aan afdeling Natuur, die door middel van extensieve begrazing zal worden beheerd. In ruilverkaveling Stuivekenskerke werd de castrale motte van Oud Stuivekens-

Grafiek 1 |

Evolutie per ecotoop

kerke toebedeeld aan het stadsbestuur van Diksmuide als maatregel tot landinrichting. Hierbij werd de archeologische vindplaats beter in het landschap geïntegreerd. Tijdens de creatie van een kleinschalige waterzuiveringsinstallatie werd in ruilverkaveling Elingen archeologisch materiaal aangetroffen in een colluviumpakket. Er kwamen vondsten uit het Neolithicum, de IJzertijd, Romeinse tijd en de 14de eeuw aan het licht. Op 15 maart 2001 werd de studie ‘Opmaken en evalueren van de archeologische inventaris in het kader van het opstellen van het ruilverkavelingsplan voor de ruilverkaveling in onderzoek Herenthout-Bouwel’ afgesloten. Deze studie werd uitgevoerd door het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium, voor een totale kostprijs van 30.937,11 EUR. Van 15 maart tot 15 oktober 2002 liep de studie ‘Opmaken en evalueren van de archeologische inventaris in het kader van het opstellen van het ruilverkavelingsplan voor de ruilverkaveling in onderzoek Zoersel’. Deze studie werd eveneens uitgevoerd door het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium ten bedrage van 25.0731,35 EUR.

Ecologische inbreng Zoals reeds aangekondigd in de jaarverslagen van 2000 en 2001 wordt in 2002 de implementatie van de ministeriële richtlijn van 14 maart 2000 betreffende de ecologische inbreng in de ruilverkaveling, verder toegepast en verdiept. De richtlijn bepaalt hoe de ecologische inbreng in de ruilverkaveling geoptimaliseerd en meetbaar gemaakt moet worden

Grafiek 2 |

Bossen

1200

Historisch permanent grasland

1000

Evolutie historisch permanent grasland

800

Heiden en vennen 600

Moerassen

400

Ruigten

200 0

Waterrijke gebieden

Grasland met verspreide biologische waarde

0

300 Plansituatie

24

600

900

1200

Uitgangssituatie

1500

Soortenrijk permanent grasland Halfnatuurlijk grasland


LANDELIJKE INRICHTING

en schrijft de implementatie van vier modules voor: • aanpassing van de landschapsecologische studie in het kader van de thematische studies ten behoeve van de planvorming; • rapportering over de zorgplicht; • monitoringplan; • beheersplan. Voor de nieuwe ruilverkavelingsprojecten moeten alle modules volledig toegepast worden. Voor de lopende projecten worden de modules gefaseerd ingepast naargelang de stand van het ruilverkavelingsproject. In 2002 werden geen nieuwe landschapecologische studies opgestart. Er werd wel voor het eerst werd de zorgplicht conform het natuurdecreet getoetst in een MER (standstill principe, voorkomingsprincipe en ecologisch compensatieprincipe). Dit gebeurde voor de ruilverkaveling Sint-Lievens-Houtem op basis van de bij het advies van de coördinatiecommissie horende nota over de zorgplicht. Het MER stelt dat ‘het voorliggend ruilverkavelingsplan na uitvoering zal voldoen aan het standstill principe’. De grafieken 1 t.e.m. 3 zijn opgemaakt met behulp van de kwantitatieve gegevens uit de ecotopenbalansen voor 10 ruilverkavelingsprojecten: Grootloon, Fortem, Weelde en Zondereigen (ruilverkavelingen die werden nuttig verklaard) en Sint-LievensHoutem, Jesseren, Willebringen, Rijkevorsel-Wortel, Malle-Beerse en Londerzel-Wolvertem (ruilverkavelingen in onderzoek). Grafiek 1 toont aan dat ruil-

Grafiek 3 |

Evolutie specifiek natuurbeheer

4000 3500 3000 2500 2000

verkavelingsplannen voor de ecotoopgroepen Bossen, Heiden en vennen, Moerassen en Waterrijke gebieden een positieve bijdrage voorzien. Voor historisch permanent grasland en ruigten is eerder een daling te verwachten. Grafiek 2 splitst de twee balken voor historisch permanent grasland uit naar de verschillende types historisch permanent grasland. De grafiek toont een voorziene verdrievoudiging van halfnatuurlijk grasland (Hc,Hu,Hj) en een achteruitgang van soortenrijk permanent grasland (Hp*, Hpr*) en grasland met verspreide biologische waarde (Hpr). Deze benadering gaat uit van een worst-case scenario: ecotopen die op het ruilverkavelingsplan niet expliciet zijn aangeduid als te behouden, worden in de zorgplichtrapporten beschouwd als ‘te verdwijnen’. Dit is niet noodzakelijk zo, omdat niet op alle percelen cultuurtechnische werken worden uitgevoerd en bepaalde percelen ook niet zullen uitgeruild worden. Daarnaast worden op bepaalde ruilverkavelingsplannen (b.v. Sint-Lievens-Houtem en Malle-Beerse) zones voorzien, waarvoor bij het dossier voor de nuttig verklaring aan de minister zal gevraagd worden bijkomende beheergebieden voor beheerovereenkomsten af te bakenen. De hierdoor realiseerbare natuurwinst is moeilijk te voorspellen en daarom niet meegenomen in de grafiek. Grafiek 3 ten slotte laat zien dat in de plansituatie meer natuur voorzien is met een specifiek natuurbeheer (door openbaar bestuur of natuurvereniging) voor de in grafiek 1 vermelde ecotoopgroepen. Vooraleer monitoring conform de ministeriële richtlijn kan worden uitgevoerd worden, dient het monitoringprogramma door de minister te worden goedgekeurd. In 2002 werden er in totaal 5 nieuwe monitoringprogramma’s goedgekeurd. De uitvoering van de monitoringprogramma’s werd in 2001 gestart. Dit gebeurt door externen of door personeelsleden van de VLM. Voor de projecten Elingen, Fortem, Grootloon, Reninge, Weelde en Woesten werd voor de betreffende modules van het monitoringprogramma de uitgangssituatie vastgelegd.

1500 1000 500 0

met specifiek natuurbeheer Plansituatie

zonder specifiek natuurbeheer Uitgangssituatie

De ministeriële richtlijn voorziet niet de ecologische monitoring van de effecten van de ruilverkaveling in hun geheel, maar wel de monitoring van de effectiviteit van de maatregelen voor natuur die in de ruilverkaveling worden uitgevoerd. Voor de projecten Bollebeek en Fortem werden er beheersplannen opgemaakt.

25


JAARVERSLAG 2002 Speciale beschermingszones Voor elk ruilverkavelingproject in uitvoering in of nabij een speciale beschermingszone wordt in nauw overleg met de administratie bevoegd voor het natuurbehoud en in het kader van de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning een passende beoordeling gemaakt. Dit gebeurde reeds voor de ruilverkavelingprojecten Weelde, Reninge en Elingen. Voor de projecten waarvoor het MER reeds werd opgemaakt maar die nog niet nuttig werden verklaard en voor de projecten die reeds nuttig wer-

tabel 11 |

den verklaard, maar waar nog een stedenbouwkundige vergunning vereist is, zal de passende beoordeling optimaal ingepast worden in de procedure. Aangezien een ruilverkavelingsplan onderworpen is aan de verplichting tot milieueffectrapportage, zal voor de nieuwe projecten de passende beoordeling conform het decreet van 19 juli 2002 geïntegreerd worden in het milieueffectrapport (MER). Op korte termijn zal dit het geval zijn voor Rijkevorsel-Wortel (MER reeds opgestart), Malle-Beerse en Willebringen.

Overzicht van de modules van de monitoringsprogramma’s waarvoor de uitgangssituatie werd vastgelegd

Elingen Bossen Akkervogels Fortem Historisch permanente graslanden en vegetatie van slootrrandbegroeiingen en sloten Avifauna Grootloon Kamsalamander Vroedmeesterpad Das Reninge Vochtig halfnatuurlijk grasland Avifauna Herpetofauna Weelde Avifauna Schrale graslanden in vochtige en droge sfeer Herpetofauna Woesten Mesofiel hooiland Halfnatuurlijk, vochtig grasland Herpetofauna

tabel 12 |

26

Natuurpunt Econnection Nationale plantentuin Econnection VLM VLM VLM Natuurpunt Econnection Econnection VLM Natuurpunt en VLM VLM Natuurpunt Natuurpunt Econnection

Overzicht van de ruilverkavelingen die overlappen met een speciale beschermingszone

Ruilverkaveling

Fase

Adinkerke-Oostduinkerke Beveren Elingen Grootloon Hulsen-Olmen-Malou Jesseren Lille Malle-Beerse Merksplas Mettekoven Reninge Rijkevorsel-Wortel Sinaai Sint-Lievens-Houtem Stekene Veldhoven-Kreiel Vliermaalroot Weelde Willebringen Zandplateau van Izenberge Zoersel Zondereigen Totalen

in onderzoek in onderzoek in uitvoering in uitvoering in onderzoek in onderzoek in onderzoek in onderzoek in uitvoering in uitvoering in uitvoering in onderzoek in onderzoek in onderzoek in onderzoek in onderzoek in uitvoering in uitvoering in onderzoek in onderzoek in onderzoek in uitvoering in onderzoek in uitvoering

Oppervlakte overlapping met Vogelrichtlijngebied (ha) 168,9 39,1 32,1 577,7 1.849,0 670,3 4,3 2.061,3 1.280,1 3.341,4

Oppervlakte overlapping met Habitatrichtlijn (ha) 298,4 125,0 123,8 359,5 211,7 297,5 63,5 47,5 20,0 115,1 15,7 11,4 21,5 283,3 7,8 44,0 230,9 145,9 1.952,5 470,0 2.422,5


LANDELIJKE INRICHTING

Natuurinrichting REGELGEVING EN FASERING Regelgeving Natuurinrichtingsprojecten kunnen worden ingesteld op grond van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Zij hebben tot doel gebieden optimaal in te richten met het oog op het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu. Het decreet van 19 juli 2002 heeft de inzetbaarheid van natuurinrichting gewijzigd. De ruimtelijk beperking waarbij een natuurinrichtingsproject voor minstens 90% gelegen is in Vlaams Ecologisch Netwerk

of in groen-, park-, buffer- en bosgebieden is niet langer vereist. De wijziging geeft de Vlaamse regering of haar gemachtigde de mogelijkheid een natuurinrichtingsproject in te stellen in de gebieden die aangeduid kunnen worden als VEN en in andere gebieden voorzover dit wordt gemotiveerd. In concreto gaat het over volgende gebieden: 1. de groen-, park-, buffer-, bosgebieden, gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen met als overdruk overstromingsgebied of wachtbekken, militaire domeinen en de met één van deze gebieden vergelijkbare

bestemmingsgebieden, de beschermde duingebieden; 2. de ontginningsgebieden en ermee vergelijkbare bestemmingsgebieden, voor zover zij één van de in eerstgenoemde bestemmingen als nabestemming hebben; 3. de valleigebieden, de brongebieden, de agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde, de agrarische gebieden met bijzondere waarde, de bosuitbreidingsgebieden en de natuurontwikkelingsgebieden, en de met één van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden; 4. andere bestemmingsgebieden voorzover de opname van deze gebieden bijkomend wordt gemotiveerd.

Het wijzigingsdecreet bevat een bijzondere bepaling m.b.t. de speciale beschermingszones: als ze niet gelegen zijn in de onder 1 tot 3 vermelde gebieden, dan zal de opname van deze gebieden in het projectgebied gemotiveerd moeten worden. De memorie van toelichting geeft echter expliciet aan dat natuurinrichting zich o.a. richt op de inrichting van deze gebieden. Het is duidelijk dat door deze aanpassing het toepassingsgebied van natuurinrichting sterk verruimd wordt. Het wijzigingsdecreet legt echter nog steeds

27


JAARVERSLAG 2002 de nadruk op realisatie van het VEN, de speciale beschermingszones en de groengebieden uit het gewestplan. Er kunnen evenwel inrichtingsmaatregelen genomen worden buiten de ‘VEN-waardige’ gebieden om natuur in deze gebieden veilig te stellen. In die zin kan de toepassing van kavelruil sterk verruimd worden: het is nu mogelijk om agrarisch gebied in het projectgebied op te nemen om een grondreserve te kunnen uitbouwen. Zo kan dan landbouwgebruik in de ‘VEN-waardige’ gebieden uitgeruild worden naar het agrarische gebied. Een ander voorbeeld is het opnemen van recreatiegebied in het projectgebied. De doelstelling hiervan kan dan zijn het verleggen van de recreatiedruk in het natuurgebied naar het opgenomen recreatiegebied. Uit deze voorbeelden blijkt dat de ruimtelijke ordening nog steeds het kader vormt voor de inrichting.

Projecten voor natuur Natuurinrichting begint met een onderzoek naar de haalbaarheid, dat door AMINAL-Afdeling Natuur en de Vlaamse Landmaatschappij uitgevoerd wordt.

aantal projecten

Grafiek 4 |

Fase en aantal natuurinrichtingsprojecten

30

8000 ha

25

7000 6000

20

5000 15 4000 10

3000

5 0

2000

1999

2000

2001

2002

uitgevoerd in uitvoering Projectuitvoeringsplan goedgekeurd Maatregelen en modaliteiten vastgesteld project ingesteld onderzoek naar de haalbaarheid lopende totale oppervlakte ingesteld project

28

1000

Dit onderzoek geeft aan of natuurinrichting in een bepaald gebied al dan niet mogelijk is. Voor vier projecten werd in 2002 het onderzoek naar de haalbaarheid afgerond, nl. Osbroek-Gerstjens, Hofstade, Malesbroek en Oostends Krekengebied (zie tabel 13). De instelling van deze projecten wordt voorzien in 2003. Als natuurinrichting haalbaar blijkt, leidt het onderzoek ook tot een voorstel voor de afbakening van het projectgebied en duidt het de overheden aan om verder bij het project te betrekken. Het is de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu, die op grond van een onderbouwd dossier beslist over de instelling van een project. Op basis van het onderzoek naar de haalbaarheid werd in 2002 een nieuw natuurinrichtingsproject Noordduinen ingesteld in de provincie West-Vlaanderen. Op deze manier zijn er eind 2002 in totaal al 19 projecten ingesteld (zie tabel 13). Voor elk natuurinrichtingsproject dat is ingesteld, richt de bevoegde minister een projectcomité en een projectcommissie op. Het projectcomité adviseert de minister over de maatregelen die getroffen moeten worden. Daarnaast is het comité ook belast met de uitvoering van het project. Een projectcommissie wordt niet samengesteld voor natuurinrichtingsprojecten met een verkorte procedure. Zes maanden na instelling van het project, maken Afdeling Natuur en de Vlaamse Landmaatschappij, in overleg met projectcomité en projectcommissie, een projectrapport op. Hierin komen de nodig geachte maatregelen voor de natuurinrichting aan bod. Voor de projecten Zwarte Beek (provincie Limburg), Stropers (provincie Oost-Vlaanderen) en Meetkerkse Moeren (provincie West-Vlaanderen) werd in de loop van 2002 een projectrapport opgesteld, waarover een openbaar onderzoek is gehouden. Na openbaar onderzoek worden de maatregelen en modaliteiten door de minister vastgesteld en volgt de uitdieping ervan in een projectuitvoeringsplan. Voor de projecten Dijlevallei (provincie Vlaams Brabant), West- Vlaamse Scheldemeersen, Molse Nete (provincie Antwerpen) en de Merelbeekse Scheldemeersen (provincie Oost- Vlaanderen) wordt de vaststelling van de maatregelen en modaliteiten in de loop van 2003 verwacht. Voor de Uitkerkse Polder (provincie West Vlaanderen) en Buitengoor-Meergoor (provincie Antwerpen) zijn de maatregelen en modaliteiten door de minister vastgesteld en werd een projectuitvoeringsplan opgesteld. In de loop van 2003 wordt hier-


LANDELIJKE INRICHTING

over een openbaar onderzoek verwacht. Ook voor Bergerven (provincie Limburg) heeft de minister de maatregelen en modaliteiten vastgesteld, het projectuitvoeringsplan wordt hier nog verder uitgewerkt. Na een openbaar onderzoek stelt het comité het projectuitvoeringsplan vast en voert ze het project uit. Voor Bourgoyen-Ossemeersen (provincie OostVlaanderen) en Het Vinne (provincie Vlaams-Brabant) werd het projectuitvoeringsplan afgerond en hierover werd een openbaar onderzoek gehouden. Voor het Turnhouts Vennengebied (provincie Ant-

tabel 13 |

werpen), de Latemse Meersen (provincie OostVlaanderen), Kanaal Ieper-IJzer (provincie WestVlaanderen) en Het Smeetshof (provincie Limburg), werd het projectuitvoeringsplan of een deel-projectuitvoeringsplan afgerond, hierover werd een openbaar onderzoek gehouden waarna het projectuitvoeringsplan door het comité werd vastgesteld. De uitvoering van deze vier projecten (of delen ervan) wordt verwacht in de loop van 2003. In 2002 werd het eerste project van de in 1998 ingestelde natuurinrichtingsprojecten, nl. Bospolder – Ekers Moeras (provincie Antwerpen) volledig uitgevoerd. Ter gelegenheid van deze gebeurtenis vond er

Overzicht van de lopende natuurinrichtingsprojecten

PROJECT

Provincie

Stad Gemeente

Datum instelling

Oosthoekduinen Smeetshof Bospolder-Ekers Moeras Vinne Bourgoyen-Ossemeersen Turnhouts-Vennengebied

West-Vl. Limburg Antwerpen Vl.-Brabant Oost-Vl. Antwerpen

29-06-99 29-06-99 29-06-99 29-06-99 29-06-99 29-06-99

Latemse Meersen

Oost-Vl.

Dijlevallei ten Z. van Leuven

Vl.-Brabant

W.-Vlaamse Scheldemeersen

West-Vl.

Molse Nete

Antwerpen

De Panne Bocholt Antwerpen Zoutleeuw Gent Turnhout, Merksplas Gent, Deinze, St-Martens-Latem Leuven, Bertem, Huldenberg, Oud-Heverlee Avelgem, Spiere-Helkijn Mol, Balen, Geel Merelbeke Blankenberge, De Haan, Zuienkerke Mol Maaseik, Dilsen-Stokkem Lo-Reninge, LangemarkPoelkappelle, Ieper Beringen Sint-Gillis-Waas Brugge, Jabbeke, Zuienkerke Koksijde Aalst Zemst Geel Overijse, Oud-Heverlee Oostende, Oudenburg Zandhoven, Ranst, Zoersel Oudenaarde

Merelbeekse Scheldemeersen Oost-Vl. Uitkerkse Polder West-Vl.

Buitengoor-Meergoor Bergerven

Antwerpen Limburg

Kanaal Ieper-Ijzer

West-Vl.

Zwarte Beek Stropers Meetkerkse Moeren

Limburg Oost-Vl. West-Vl.

Noordduinen Osbroek-Gerstjens Hofstade Malesbroek Laanvallei

West-Vl. Oost-Vl. Vl.-Brabant Antwerpen Vl.-Brabant

Oostends Krekengebied

West-Vl.

Zoerselbos

Antwerpen

Bos t’ Ename

Oost-Vl.

Project- openbaar Vaststelling Openbaar Vaststelling rapport onderzoek van maatr. onderzoek projectporjecten moda- project- uitvoeringsrapport liteiten uitvoeringsplan X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X

29-06-99

X

X

X

1-03-00

X

X

1-03-00

X

X

31-05-00

X

X

14-09-00 21-11-00

X X

X X

X

20-11-00 2-05-01

X X

X X

X X

12-06-01

X

X

X

17-11-01 17-11-01 3-12-01

X X X

X X X

X

X

X

X

Project Project in uit- uitgevoering voerd

X X

X

2-12-02

29


JAARVERSLAG 2002 op 24 september 2002 een persevenement plaats. Het project werd aan de lokale bevolking, de betrokkenen en de pers voorgesteld. Dit persevenement was duidelijk een schot in de roos en kwam tot stand gekomen door een goede samenwerking tussen Afdeling Natuur, Natuurpunt Antwerpen Noord, de VLM en het stads- en districtsbestuur van Antwerpen. Ook voor het project Oosthoekduinen (provincie West-Vlaanderen) werden werken op het terrein uitgevoerd.

SPECIFIEKE AANDACHTSPUNTEN IN DE PROJECTWERKING Speciale beschermingszones Zoals het wettelijk kader reeds aangeeft is de inrichting van speciale beschermingszones (SBZ’s) van de Vogel- en Habitatrichtlijn een belangrijke beleidsdoelstelling voor natuurinrichting. Om ervoor te zorgen dat van bij de aanvang van het project deze Europese wetgeving gestalte krijgt in het project, wordt volgende werkwijze gevolgd. Voor elk project dat geheel of gedeeltelijk in Europees vogel- en/of habitatrichtlijngebied ligt, wordt

systematisch een fiche ingevuld met alle gegevens die verband houden met de aangeduide habitats en soorten zodat van bij het begin van de planvorming rekening wordt gehouden met doelstellingen van de SBZ’s. Deze gegevens worden voor zover reeds beschikbaar ingevuld en meegestuurd telkens een rapport of ontwerp-ministerieel besluit naar de minister wordt verstuurd. Zo is zij steeds op de hoogte van de gevolgen van het natuurinrichtingsproject op de speciale beschermingszones. Het natuurinrichtingsproject De Stropers is gedeeltelijk gelegen in het habitatrichtlijngebied “Bossen en heiden van zandig Vlaanderen: oostelijk deel”. Dit richtlijngebied is o.a. aangeduid omwille van de aanwezigheid van de kamsalamander. Deze soort komt mogelijk nog voor in of in de omgeving van de Stropers. Om de kans op voorkomen van de kamsalamander te verhogen worden er in een gebied een aantal poelen gegraven. Het is niet duidelijk of de andere habitatrichtlijnsoort, drijvende waterweegbree, in het gebied aanwezig is. Deze soort zou eveneens met deze maatregel gebaat moeten zijn.

Situering natuurinrichtingsprojecten en hun respectievelijke fase

Turnhouts Vennengebied Bospolder-Ekers Moeras

Uitkerkse Polder Meetkerkse Moeren Oostends Krekengebied Noordduinen Oosthoekduinen

Molse Nete Stropers

Buitengoor-Meergoor

Bourgoyen-Ossemeersen

Malesbroek

Latemse Meersen

Kanaal Ieper-IJzer

Merelbeekse Scheldemeersen

Zwarte Beek OsbroekGerstjens

Hofstade De Dijlevallei

West-Vlaamse Scheldemeersen

projecten in onderzoek ingestelde projecten

30

projecten in uitvoering

Vogelrichtlijngebied

uitgevoerde projecten

Habitatrichtlijngebied

Smeetshof

Het Vinne

Bergerven


LANDELIJKE INRICHTING

Ruimtelijke kenmerken van de ingestelde projecten Grafiek 5 geeft het gebiedsgerichte beschermingsstatuut en de gewestplanbestemming van de ingestelde natuurinrichtingsprojecten weer. 12 van de 18 ingestelde projecten liggen geheel of gedeeltelijk in Europees vogel- en/of habitatrichtlijngebied, wat goed is voor 3727 ha of 57 % van de totale projectoppervlakte. Slechts 10 % (641 ha) van de oppervlakte heeft op dit moment reeds een statuut als reservaat. Wel zijn alle natuurinrichtingsprojecten voor het overgrote deel volgens het gewestplan bestemd als groengebied, natuurgebied of reservaatgebied overeenkomstig de bepaling uit het Natuurdecreet die tot voor kort stelde dat minimaal 90 % (de zogenaamd 90/10-regel) van het projectgebied in deze bestemmingen dient te liggen.

Oppervlakte speciale beschermingszones en gewestplanbestemming bij ingestelde natuurinrichtingsprojecten

Grafiek 5 |

0

5

aantal projecten 20 15

10

Ramsargebied enkel habitatrichtlijngebied enkel vogelrichtlijngebied zowel vogel- als habitatrichtlijngebied vogel- en/of habitatrichtlijngebied Vlaams natuurreservaat erkend natuurreservaat

Begroting en financiering Voor de uitvoering van de natuurinrichtingsprojecten is uiteraard geld nodig. Tot medio 2002 werd het geld voor natuurinrichting geput uit het MINAfonds. Door de begrotingscontrole van 2002 zijn twee begrotingsposten gecreëerd, specifiek voor natuurinrichting. Op de algemene uitgavenbegroting van het Vlaams Gewest, op het programma 61.20, worden nu zowel de lopende als kapitaaluitgaven begroot. Voor 2002 was 982.000 EUR beschikbaar voor studies inzake natuurinrichting; voor de uitvoering van werken was een budget van 2.454.000 EUR beschikbaar. Met dit geld zullen (delen van) de projecten Latemse Meersen, Turnhouts Vennengebied-West, Kanaal Ieper-IJzer, Oosthoekduinen en Smeetshof gerealiseerd worden (zie tabel 14 - 15).

bosreservaat gewestplanbestemming: groen- en bosgebied park- en buffergebied agrarisch gebied met ecologisch belang of valleigebied overige bestemmingen 0

1000

2000

3000

4000

5000

6000

totale opp (ha) totale opp (ha)

aantal projecten

Vanuit de Vlaamse Landmaatschappij wordt in diverse situaties gepleit voor een duurzaam behoud door op gepaste wijze in te grijpen in de autonome evolutie, i.c. “behouden door te ontwikkelen”.

Onroerend erfgoed De idee om de cultuurhistorische identiteit van een locatie / landschap als inspiratiebron bij de totale inrichting van een gebied te betrekken, bleef ook dit jaar een grote bekommernis. Het vermijden van een breuk met de organische groei van de open ruimte en het levend houden van het ‘geschiedenisboek’, dat het landschap in wezen is, staan hier centraal.

tabel 14 |

In 2002 werd in de provincie West-Vlaanderen hiertoe aandacht besteed aan diverse aspecten. Voor het project Oostends Krekengebied werd door Belconsulting in samenwerking met het Nederlands studiebureau RAAP een uitstekende archeologische en cultuurhistorische studie opgeleverd. Opmerkelijk bij deze studie, is de keuze voor een dynamisch

Voltooide werken en werken in uitvoering in 2002

Provincie Antwerpen West-Vlaanderen

Natuurinrichtingsproject exclusief BTW Bospolder - Ekers Moeras Oosthoekduinen Inrichtingswerken Duinpolderovergang Inrichtingswerken voormalig Argo-terrein Groenwerken in Oosthoekduinen

Aanbestedingsbedrag

Aanvangsbevel

476.388,90

17-12-01

Voorlopige oplevering 20-09-02

177.967,72 22.344,75 70.950,02

20-08-02 27-08-02 2-09-02

18-11-02 13-01-03

31


JAARVERSLAG 2002 landschapsbehoud. Inventarisatiegegevens vormen hier niet langer een ‘kapstok’ om alle initiatieven op het terrein te bevriezen. Integendeel, via diverse inrichtingsmaatregelen wordt gestreefd naar een cultuurhistorische opwaardering van het huidige landschap. Door de archeologische opvolging van de werken in het natuurinrichtingsproject Oosthoekduinen (creatie van poelen, bodemverschraling en andere natuurinrichtingsmaatregelen) kwamen diverse archeologische sporen aan het licht. Bij het uitgraven van een poel kwamen hier verrassende archeologische sporen tevoorschijn. Sporen uit de Late IJzertijd, de Romeinse en de Middeleeuwse periode trokken de aandacht. Uit de Romeinse periode dateren vier brandrestengraven waarbij in kuilen de restanten gedeponeerd zijn van de brandstapel, waarop de dode met bepaalde bijgaven verbrand is. Opvallend in deze context is de quasi-exclusiviteit van Arrasaardewerk, dat in de late 2de, maar vooral in de 3de eeuw na Chr. geplaatst wordt. In de provincie Oost-Vlaanderen werd in het natuurinrichtingsproject Stropers een terreinonderzoek uitgevoerd om meer duidelijkheid te scheppen over de oorspronkelijke bedding van de Linie, die ook wel Bedmarlinie wordt genoemd. Er is enerzijds geen zekerheid of de Linie-gracht al dan niet verbonden was met de walgracht van het Fort Sint-Jan en anderzijds bevindt zich ter hoogte van de derde courtine een knik in de loop van de Linie. De kaarten van Frickx (1706), Ferraris (1771-1774) en Van der Maelen (ca. 1845) geven hierover immers onvoldoende zekerheid. In Melsen werd de voormalige stenen olie- en korenmolen, die in het kader van het project Merelbeekse Scheldemeersen dient te worden gerestaureerd, mede onder impuls van de VLM op 1/10/2002 als monument beschermd. In het project Bourgoyen – Ossemeersen werden er in overleg met de stedelijke archeologen werden de noodzakelijke en begeleidende archeologische maatregelen

tabel 15 |

In het kader van de geplande inrichtingswerken in het Turnhouts Vennengebied wordt archeologisch onderzoek uitgevoerd door het Nederlands studie-

Beker in Arrasaardewerk (late 2de tot begin 3de eeuw na Chr.) (foto: Instituut voor het Archeologisch Patrimonium)

bureau RAAP. In een eerste fase (augustus – september 2002) beperkte dit onderzoek zich tot de zone Klein Kuylen –Weversgoor, waar reeds een aantal concrete natuurinrichtingsmaatregelen voorzien waren. Aan de hand van systematische boringen werd het landschap volledig geanalyseerd en afgebakend in zones met gave bodems, deels verstoorde bodems en volledig verstoorde zones. Op basis hiervan konden beleidsadviezen en aanbevelingen worden geformuleerd en konden de werken deels worden bijgestuurd. In een tweede fase werd gans het gebied onder de loep genomen. Deze studie wordt momenteel door het studiebureau gefinaliseerd.

Werken aanbesteed in 2002

Provincie Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen

32

omschreven, die nodig zullen zijn bij het uitvoeren van de grondwerken in 2003.

Natuurinrichtingsproject exclusief BTW Turnhouts Vennengebied-West PUP 1 Smeetshof Latemse Meersen PUP 1 Oosthoekduinen Groenwerken in de Krakeelduinen

Aanbestedingsbedrag

Datum aanbesteding

Datum van goedkeuring

106.805,73 726.661,84

11-10-02 5-10-02

17-12-02 18-12-02

117.044,31

18-10-02

27-12-02

91.620,60

15-10-02

Inrichtingswerken in het Calmeynbos Kanaal Ieper-IJzer

175.433,95 89.037,10

15-10-02 24-10-02

27-11-02 18-12-02 27-11-02 27-11-02


LANDELIJKE INRICHTING

Evalueren: monitoring van natuurinrichtingsprojecten Het ‘Vademecum monitoring in natuurinrichting’ is afgewerkt in oktober 2001 en wordt sindsdien gebruikt in alle projecten voor de uitwerking van het monitoringsplan. Eerst bekijkt men welke ecologische doelstellingen worden nagestreefd, en dit zowel op beleidsniveau als op projectniveau. Alle voorziene maatregelen worden vervolgens gerangschikt per doelstelling of thema. Daarna wordt bepaald met welke parameters het effect van elk van de maatregelen kan worden opgevolgd. Omdat het zelden (financieel) haalbaar is alle parameters effectief op te volgen, wordt vervolgens een eerste keuze gemaakt van werkelijk op te volgen parameters. Parameters die zeker worden opgevolgd zijn deze die nodig zijn voor het toetsen van doelen in het kader van Europese regelgeving, maatregelen met een hoge kostprijs of een onzeker resultaat en maatschappelijk ‘gevoelige’ maatregelen. Parameters die een ingesteld beheer evalueren in bossen en natuurreservaten zijn minder prioritair dan deze die een inrichtingsmaatregel evalueren. De monitoring hiervan gebeurt bij voorkeur door de beheerder. De resultaten van de beheersmonitoring moeten wel mee verwerkt worden in de gebiedsevaluatie. Voor de weerhouden parameters wordt vervolgens concreet vastgelegd hoe, waar, wanneer … de opvolging moet uitgevoerd worden (meetnetontwerp) en wordt een schatting van de kostprijs gemaakt. Voor zeven projecten (toestand november 2002) bestaat reeds een door het projectcomité goedge-

tabel 16 |

keurd monitoringsplan, nl. Bospolder-Ekers Moeras, Oosthoekduinen, Turnhouts Vennengebied, deelgebied Klein Kuylen – Weversgoor, Smeetshof, Vinne, Bourgoyen-Ossemeersen en kanaal Ieper –IJzer. Voor Latemse Meersen bestaat een uitgewerkt plan, dat nog moet goedgekeurd worden. Voor zes andere projecten (Westvlaamse Scheldemeersen, Merelbeekse Scheldemeersen, Uitkerkse polder, Meetkerkse Moeren, Buitengoor-Meergoor en Bergerven) is het plan nog in opmaak. De eerste stap in de uitvoering van het monitoringsplan is het vastleggen van de uitgangssituatie in het jaar vóór de uitvoering van de werken. Tijdens of direct na de werken worden de parameters vastgelegd die de op te volgen maatregelen als het ware ‘sturen’ (vb. stuurparameter: afgegraven oppervlakte, ingestelde stuwhoogte…). De eerste stap is reeds achter de rug voor Bospolder (2001), Oosthoekduinen (2002) en grotendeels ook voor het Vinne en Smeetshof. De maatregelen die in de zeven reeds goedgekeurde monitoringsplannen worden opgevolgd betreffen de maatregelen ivm vernatting, natuurlijke inrichting van waterlopen en stilstaand water, bosomvorming en verwijdering van exoten, soortbeschermingsmaatregelen en, met uitzondering van BourgoyenOssemeersen, de waaier van maatregelen die op landschapsniveau ingrijpen (aanleg KLE, beheer,…). Dit alles uiteraard voor zover ze uitgevoerd worden in de betreffende projecten. De werking van de ecotunnel in Smeetshof en de verbindingsfunctie van struweel in Ieper-IJzer zullen eveneens geëvalueerd worden, net als de bosomvorming in het Smeetshof en de maatregelen die in het Vinne en in Ieper-IJzer

Monitoring en natuurinrichtingsprojecten

Projecten

In opmaak1

PA Brugge

In PR/ PUP2

Afgewerkt3

Reeds gemonitord5

2 (OD, IE)

Goedgekeurd in comité4 2 (OD, IE)

PR: 3 (UP, WS, MM) PR: 1 (MS)

2 (BO, (LM))

1 (BO)

2 (BO, LM(1))

PUP: 2 (BP,TV1) PUP: 2 (SH, VI) PR: 4 / PUP: 7

2 (BP,TV1) 2 (SH,VI) 8

2 (BP,TV1) 2 (SH,VI) 7

1 (BP) 2 (SH, VI) 6

1 (OD)

PUP: 2 (OD, IE) PA Gent PA Herentals PA Diest Totaal

PUP:1(BO) 1 (BM) 1 (BV) 2

1 2 3 4

gestart met uitwerken monitoringsplan onderdeel monitoringsplan opgenomen in projectrapport en/of projectuitvoeringsplan het monitoringsplan is volledig uitgeschreven het monitoringsplan is samen met het projectuitvoeringsplan vastgesteld door het projectcomité, ev. na toelichting van het (volledige) monitoringsplan 5 effectief gemonitorde onderdelen en uitvoerders Gebruikte gebiedscodes: UP= Uitkerkse Polder; WS= Westvlaamse Scheldemeersen; MM= Meetkerkse Moeren; OD= Oosthoekduinen; IE= kanaal Ieper-IJzer, MS= Merelbeekse Scheldemeersen; BO= Bourgoyen-Ossemeersen; LM= Latemse Meersen; LM(1)= Latemse Meersen, deelprojectuitvoeringsplan 1; BM=Buitengoor-Meergoor; BP= Bospolder-Ekers Moeras; TV= Turnhouts Vennengebied West; BV= Bergerven; SH= Smeetshof; VI= Het Vinne.

33


JAARVERSLAG 2002 verschraling beogen. Hetzelfde geldt voor het pakket aan maatregelen dat de verbetering van de waterkwaliteit in het toekomstige meer van het Vinne nastreeft. In Bourgoyen-Ossemeersen zullen verder de geluidsreducerende maatregelen opgevolgd worden.

Voor het Vinne werd tijdens de zomer van 2002 al de uitgangssituatie vastgelegd van o.a. vlinders. De soortenrijkdom van dagvlinders is een teken van een goed beheer, van een grote structuurvariatie en/of van goed ontwikkelde bosranden. Het doel van het opvolgen van dagvlinders is daarom het beoordelen of de maatregelen die zullen uitgevoerd worden om de landschapsstructuur (aanleg hoogstamboomgaard, aanplant hagen en houtkanten) en het graslandbeheer te verbeteren (extensieve begrazing, maaien) inderdaad positieve effecten heeft op de dagvlinderfauna. De meeste van de dertien waargenomen vlindersoorten werden aangetroffen langs de kruidenrijke en zonnige paden en weilanden. Het gaat om algemene soorten. Deze inventarisatie zal herhaald worden 2, 5 en 10 jaar na de uitvoering van de maatregelen en vergeleken worden met de huidige gegevens.

Grafiek 6 |

Aantal waargenomen vlinders

atalanta

12-09-02

bont zandoogje bruin zandoogje

26-08-02

dagpauwoog

17-07-02

distelvlinder

Participatie Tevens is gebleken dat participatieve processen die natuurinrichting begeleiden nog verder verfijnd moeten worden. Communicatie en overleg in de projecten moeten meer op maat van doelgroepen en betrokkenen gebeuren. De processen dienen reeds in een vroege projectfase opgestart te worden waarbij voldoende ruimte geboden wordt voor 'informeel' overleg. De resultaten van een VLINA-onderzoek uitgevoerd door Dirk Bogaert en An Cliquet (2002) zijn in dit verband erg interessant. Deze auteurs verfijnen met name het concept 'draagvlak' naar actoren. 'Draagvlak' omvat daarbij een maatschappelijk draagvlak en een bestuurlijk draagvlak. Het maatschappelijk draagvlak is samengesteld uit het middenveld draagvlak (klassieke sociale bewegingen, nieuwe sociale bewegingen en actiegroepen) en het sociaal draagvlak (individuele niet-georganiseerde burgers). Het bestuurlijk draagvlak is samengesteld uit het ambtelijk (betrokken administraties: gewestelijk, provinciaal en gemeentelijk) en het politiek draagvlak (betrokken beleidsvoerders). Het werken met thematische werkgroepen om deze participatie te stimuleren, werd voor het eerst uitgetest in het natuurinrichtingsproject Uitkerkse Polder bij de opmaak van het onderzoek naar de haalbaarheid en het projectrapport (2001). Voor het natuurinrichtingsproject Malesbroek is deze werkwijze eveneens toegepast en werd in 2002 een draagvlakanalyse uitgevoerd. Vijf relevante thema’s werden geselecteerd, met name natuur, landbouw, water, recreatie en visserij. Rond die thema’s werden werkgroepen samengesteld met vertegenwoordigers vanuit verschillende maatschappelijke geledingen (ambtelijk, politiek, sociaal, middenveld). Het participatief overleg dat met de verschillende werkgroepen gevoerd werd, leverde niet alleen een verfijnde knelpuntenanalyse op, maar liet eveneens toe visies en streefbeelden te verfijnen of toetsen. Het leverde op die manier uitermate relevante informatie op die mede als basis kan dienen voor de verdere projectuitwerking.

gehakkelde aurelia

17-06-02

groot geaderd witje groot koolwitje klein geaderd witje klein koolwitje koevinkje landkaartje oranje zandoogje

0

34

5

10

15

20

25

30

Hiermee wordt de stelling ondersteund dat participatie de kwaliteit van de planvorming (proces) én van de plankwaliteit (eindresultaat) kan ten goede komen. In juni 2002 zijn rond draagvlak voor natuur in de provinciale afdelingen van de VLM workshops gegeven. Eén van de belangrijke conclusies hierbij, was de ruim onderschreven stelling dat participatie de kwaliteit van de planvorming ten goede komt.


LANDELIJKE INRICHTING

Ook bij de uitvoering van de projecten op het terrein moet de nodige zorg aan de dag gelegd worden voor de betrokkenheid van lokale actoren. Het krantje voor het natuurinrichtingsproject Oosthoekduinen is hiervan een voorbeeld. De werken aan het natuurinrichtingsproject zijn in 2002 gestart. In dit krantje komen de (lokale) betrokkenen uitvoerig aan bod: de gemeente, een plaatselijke natuurgids, de lokale jeugdvereniging. De realisatie van het project in samenspraak met en gedragen door betrokkenen is de rode draad van dit krantje.

Betrokkenheid bij strategische projecten. In 2002 was de Vlaamse Landmaatschappij nauw betrokken bij voor de Vlaamse overheid strategische projecten. De bijdrage van de VLM in een aantal projecten wordt hieronder uitgewerkt. Hiernaast droeg de VLM ook bij aan tal van andere projecten: Blankaert, stadsbos Kortrijk, ROM-Dender, Gentse Kanaalzone, serregebied St-Katelijne-Waver, Heverleebos-Meerdaalwoud. Binnen de perimeter van het landinrichtingsproject Leie en Schelde is het projectgebied gelegen van het ‘Parkbos Gent’, een project dat geleid wordt door de afdeling Bos en Groen met diverse partners waaronder de stad Gent, de provincie Oost-Vlaanderen, de administratie voor Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen, Bossanova en de Vlaamse Landmaatschappij. De VLM werkte in 2002 samen met de afdeling Bos en Groen van AMINAL aan onder meer een eerste werkkaart van dit stadsbos. Tevens voerde de Vlaamse Landmaatschappij een enquêtering uit onder de betrokken land- en tuinbouwers.

De gebruiksruil en het onderzoek naar het nut van de ruilverkaveling kaderen in het herstructuratieaanbod voor de landbouw in Kruibeke, dat op 22 november 2002 door de Vlaamse regering is goedgekeurd. Hiervoor werd op 18 december 2002 een overeenkomst betreffende het realiseren en het financieren van het herstructuratieaanbod voor de landbouw in Kruibeke gesloten tussen het Vlaamse Gewest en de Vlaamse landmaatschappij. Via een grondenbank zal de VLM landbouwgoederen ter beschikking stellen in gebruik of in eigendom aan landbouwers en eigenaars die na uitwinning of onteigening op een andere plaats actief willen blijven. De landbouwers die als gevolg van de realisatie van het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke uitgewonnen of onteigend worden, zullen de keuze krijgen tussen een vergoeding in geld of grond in natura. Met het instrument "gebruiksruil" kan het landbouwgebruik worden geruild om de landbouwstructuur te optimaliseren. Nadien kan de eigendom worden geruild via ruilverkaveling. De gebruiksruil en het onderzoek naar het nut van de ruilverkaveling Beveren-Waas kaderen in het herstructuratieaanbod voor de landbouw in het Linkerscheldeoevergebied (ook grondenbank LSO genoemd), zoals overeengekomen in de overeenkomst van 19 september 2002 tussen het Vlaamse Gewest, de Maatschappij voor het Grond- en Industrialisatiebeleid van het Linkerscheldeoevergebied, het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen en de Vlaamse Landmaatschappij. De grondenbank LSO vindt zijn oorsprong in het sociaal begeleidingsplan dat door de Vlaamse regering werd goedgekeurd op 24 juli 1998. In het Linkerscheldoevergebied te Beveren worden landbouwgoederen onteigend ten behoeve van de havenuitbreiding en van te realiseren natuurcompensaties voor het verlies van gronden met een Europese natuurbeschermingsstatus. De VLM kan via de grondenbank LSO landbouwgoederen ter beschikking stellen in gebruik of in eigendom aan landbouwers en eigenaars die na uitwinning of onteigening op een andere plaats actief willen blijven. Op 19 september 2002 werd hiervoor een overeenkomst ondertekend. Op 5 december 2002 is het aanvangsfonds van de grondenbank Linkerscheldeoever gestort. Hierdoor kan de grondenbank van start gaan. Met het instrument "gebruiksruil" kan het landbouwgebruik op deze en andere gronden worden geruild om de landbouwstructuur te optimaliseren.

35


JAARVERSLAG 2002 Nadien kan de eigendom worden geruild via ruilverkaveling. Daarnaast is de VLM in dit gebied ook betrokken bij de inrichting van een aantal natuurcompensaties en het sluiten van gebruiksovereenkomsten voor het beheer van deze natuurcompensaties. Dit is geregeld in het protocol ter uitvoering van het compensatieplan van grote infrastructuurwerken in de Westerschelde en Zeeschelde dat mede ondertekend werd door de VLM op 18 maart 2002. In het kader van de strategische planning in de Vlaamse zeehavengebieden wordt gewerkt aan een “definitieve ruimtelijke afbakening van het havengebied” voor de Haven van Antwerpen Rechteroever. In

een eerste fase worden daartoe, op vraag van minister Stevaert, een aantal deelonderzoeken uitgevoerd onder de coördinatie van de Gouverneur van de provincie Antwerpen. Voor de uitvoering van deze deelonderzoeken in het kader van het Strategisch planningsproces van de Haven van Antwerpen (rechteroever) is geen spe-

36

cifieke financiering voorzien. De gouverneur heeft de diverse Vlaamse administraties uitgenodigd om deze deelonderzoeken op zich te nemen, ten laste van hun eigen begroting, als bijdrage aan het proces van de Strategische Planning. In het kader van haar betrokkenheid bij het strategisch planningsproces van de haven van Antwerpen (deel Rechteroever) heeft de ALT een voorlopige visie ontwikkeld over het belang van de landbouw en de landbouwgronden in het studiegebied, op basis van de Landbouwtyperingskaart en de Gewenste Agrarische Structuur. In deze visie wordt er door de ALT voor gepleit om de landbouwpercelen op de rechteroever te behouden zoals aangegeven en uitgewerkt in de Gewenste Agrarische Structuur.

Indien men ervoor opteert om de gebruikerstoestand te wijzigen, pleit de ALT ervoor om hierbij rekening te houden met de socio-economische impact op de landbouwbedrijven en de landbouwers de keuzemogelijkheid te garanderen om volledig uitgewonnen te worden wanneer een bepaald percentage aan bedrijfsareaal verloren gaat.


LANDELIJKE INRICHTING

Voor de uitvoering van een dergelijke landbouwstudie werd door de ALT verwezen naar de afdeling Land en de VLM omdat zij beschikken over de expertise m.b.t. de Landbouwtyperingskaart en de Gewenste Agrarische structuur, zowel als over de meest recente landbouwbedrijfsgegevens en de methodologie om een landbouwstudie tot op bedrijfsniveau uit te voeren. Op 5 en 20 december 2002 werden overeenkomsten gesloten tussen de afdeling Land en de VLM voor de uitvoering van een landbouweconomische studie en de opmaak van een landbouwkwetsbaarheidskaart. Het door de Vlaamse regering goedgekeurde tracé van de geplande dubbelsporige goederenlijn tussen Antwerpen-Noord en de lijn 16 doorsnijdt in het baanvak kruising E 313 – ring van Lier een landbouwgebied. In het kader van de Milieu-Effect-Rapportage voor de aanleg van deze goederenlijn worden remediërende maatregelen tegen de barrièrewerking en de doorsnijding van het landbouwgebied voorgesteld. De deskundigen dringen hierbij aan op een nader onderzoek naar de mogelijkheden om de effecten en de hinder van de aanleg van de spoorlijn voor de landbouw zoveel mogelijk te milderen. Op 20 november 2002 werd een bijzondere overeenkomst betreffende het uitvoeren van een landbouweconomische studie gesloten tussen de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) en de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS).

Beheerovereenkomsten REGELGEVING EN VERTALING NAAR DE PRAKTIJK Regelgeving Sinds 2000 kunnen landbouwers in Vlaanderen beheerovereenkomsten sluiten die kaderen in het Europese landbouw- en milieubeleid. Een beheerovereenkomst is een contract voor 5 jaar waarbij de landbouwer in ruil voor het uitvoeren van een aantal maatregelen en het naleven van enkele voorwaarden jaarlijks een vergoeding krijgt. De beheermaatregelen staan opgesomd in een beheerpakket. Zij kunnen kiezen voor een aantal pakketten voor: • het zorgen voor kleine landschapselementen door heggen, houtkanten en poelen aan te leggen of te onderhouden (6 pakketten KLE’s); • het verbeteren van de milieu- en natuurkwaliteit van waterlopen, wegbermen, KLE’s en holle wegen door het aanleggen van perceelsranden (6 pakketten perceelsrandenbeheer); • het beschermen van weidevogels door uitstel van maai- of weidedatum of door het plaatsen van nestbeschermers (3 pakketten weidevogelbeheer); • het behouden van de natuurwaarde op graslandpercelen (1 pakket natuur); • het verbeteren van de waterkwaliteit door het verminderen van de bemesting (2 pakketten water).

Vertaling naar de praktijk De landbouweconomische studie zal de mogelijke maatregelen en initiatieven nader onderzoeken en zal suggesties formuleren met betrekking tot mogelijke inrichtingsinstrumenten die hiertoe kunnen aangewend worden. Indien uit de conclusies van het eindrapport blijkt dat het realiseren en concretiseren van bepaalde maatregelen best zou plaatsvinden, zullen nieuwe nadere afspraken op dit vlak gemaakt worden. Eventuele verdere afspraken kunnen dan deel uitmaken van een afzonderlijke overeenkomst met de NMBS.

Niet elke aanvraag leidt tot een definitief contract. Immers, de VLM trekt bijvoorbeeld steeds na of de percelen van de landbouwer wel in de juiste bestemming liggen, voor de beheerovereenkomsten water, natuur en weidevogelbeheer of ze wel in het juiste beheergebied liggen. Voor de beheerovereenkomsten weidevogelbeheer, perceelsrandenbeheer en zorg voor kleine landschapselementen trekt AMINAL steeds na of het wel zin heeft om die beheerovereenkomst te sluiten. Bijvoorbeeld, het aanplanten van een houtkant in een open kouter krijgt een ongunstig advies. In tabel 17 wordt weergegeven wat de verhouding tussen de aangevraagde overeenkomsten en het definitief aantal gesloten overeenkomsten is. Niet elk beheerpakket is even populair. Sommige worden meer gesloten dan andere. In tabel 18 worden de cumulatieve oppervlaktes weergegeven waarvoor een definitieve overeenkomst werd gesloten.

37


JAARVERSLAG 2002 De evolutie van het aantal gesloten contracten, oppervlaktes en lengten ziet eruit zoals weergegeven in grafiek 7. Uit deze figuur valt af te leiden dat vooral de beheerpakketten voor (het onderhoud van) poelen, (het onderhoud van) heggen, de aanleg van perceelsranden langs waterlopen op akkers en de plaatsing van nestbeschermers een toenemend succes kennen. Veel landbouwers die nestbeschermers plaatsen sluiten eveneens contracten weidevogelbeheer met beperking van de veebezetting (WV beweiden). De controle op de beheerovereenkomsten bestaat uit administratieve controles en terreincontroles. Administratieve controles zijn al die controles waarbij de VLM natrekt of de landbouwer het perceel wel gebruikt voor zijn landbouwuitbating, waarbij nagegaan wordt of landbouwer niet tweemaal vergoed wordt voor een gelijkaardige handeling of tegenstrijdige handelingen uitvoert, enzovoort. Alle beheerovereenkomsten worden op deze manier gecontroleerd. Daarnaast moeten van Europa ook terreincontroles uitgevoerd worden. Europa legt op dat tenminste 5 % van alle landbouwers die een beheerovereenkomst sloten op terrein moet gecontroleerd worden. De controleurs van de Mestbank gaan hiervoor op pad. Meestal worden de beheerpakketten

Ta b e l 1 7 |

Voor de administratieve verwerking van de beheerovereenkomsten werd het informaticasysteem in samenwerking met de afdeling Informatica – Gronddatabank en GIS-VLM verder geoptimaliseerd. Zo werd een module voor de verwerking van de terreincontroles en de invoer van de supplementen ontwikkeld. Om de rapportering van gegevens uit de databank ook mogelijk te maken in de provinciale afdelingen werd het datawarehouse in 2002 in de provinciale afdelingen ter beschikking gesteld.

VERDERE ONTWIKKELINGEN Programma voor plattelandsontwikkeling in Vlaanderen In het Programma voor Plattelandsontwikkeling schrijft het Vlaams Gewest alles wat ze doet in Vlaanderen voor plattelandsontwikkeling neer. Op

Verhouding tussen aantal aangevraagde en aantal goedgekeurde beheerpakketten

Jaar

Aantal aangevraagde overeenkomsten 17.978 13.014 4.491

2000 2001 2002

Ta b e l 1 8 |

behoorlijk nageleefd. Is dit niet het geval dan schrijven de controleurs van de Vlaamse Landmaatschappij een aanmaning, een sanctie of een proces verbaal uit, afhankelijk van de zwaarte van een overtreding.

Gesloten contracten

Percentage

13.675 9.041 3.181

76 69 71

Cumulatieve oppervlaktes, lengten of aantallen voor de verschillende beheerpakketten

ZORG VOOR KLEINE LANDSCHAPSELEMENTEN

KLE (her)aanleg poel KLE onderhoud poel KLE aanplant heg KLE onderhoud heg KLE aanplant houtkant/-wal KLE onderhoud houtkant/-wal

385 1.827 4.546 9.681 194 1.299

1.580 10.591 14.343 34.799 596 2.683

3.132 23.581 23.834 74.784 876 3.991

m2 m2 m2 m2 are are

25.395 48.400 115.246 52.808 87.380 42.070

76.975 112.173 297.941 119.399 153.796 84.005

115.875 195.543 764.201 223.569 217.041 135.481

m2 m2 m2 m2 m2 m2

84 52 82

124 83 162

249 102 571

ha ha nesten

1.360

1.586

1.716

ha

17.968

29.596

31.887

ha

PERCEELSRANDENBEHEER

PR holle weg PR langs houtige landschapselementen of wegbermen PR waterloop - akker (gras) PR waterloop - akker (spontane evolutie.) PR waterloop - graasweide PR waterloop - hooiweide/-land Weidevogelbeheer WV beweiden WV maaien WV nesten Natuur Natuur Water Water (beide pakketten)

38


LANDELIJKE INRICHTING

die manier weet de Europese Commissie wat we doen en kan ze controleren of alles klopt met de Europese regelgeving. In 2002 bereidde de VLM twee nieuwe besluiten voor beheerovereenkomsten voor die de bestaande regelgeving voor de beheerovereenkomsten weidevogelbeheer, perceelsrandenbeheer en zorg voor kleine landschapselementen, verbeteren. Er komen ook nog zes nieuwe pakketten botanisch beheer en twee nieuwe pakketten weidevogelbeheer bij. Samen met de 15 reeds bestaande pakketten zullen de landbouwers in de loop van 2003 de keuze hebben uit 25 beheerpakketten. Afdeling Land vroeg aan Europa de toestemming om zes beheerpakketten rond erosiebestrijding te mogen uitwerken. De Cel beheerovereenkomsten van de VLM bereidt samen met Afdeling Land de Vlaamse wetgeving voor.

GraďŹ ek 7 |

Cumulatieve relatieve evolutie oppervlakte in beheer per pakket perceelsranden (PR) water, natuur, weidevogelbeheer (WVB) en kleine landschapselementen (KLE), met uitzondering voor het pakket aanleg en onderhoud van heggen waar de relatieve evolutie lengten in beheer aangegeven staat en het pakket plaatsen van nestbeschermers waar de relatieve evolutie aantal nestbeschermers aangegeven staat (referentie 100 = jaar 2000, s.e. = spontane evolutie).

KLE poelen

Afspraken met betrokken administraties en provincies en gemeenten Ook in 2002 overlegden de Vlaamse Landmaatschappij, Afdeling Natuur, Afdeling Land en de provincies en gemeenten om ervoor te zorgen dat de beheerovereenkomsten van de verschillende overheden wat meer kunnen gestandaardiseerd worden en dat een gezamenlijke communicatie kan gevoerd worden. De uitbouw van een e-loket voor beheerovereenkomsten vormt daarbij een belangrijke schakel. De haalbaarheidsstudie voor dit loket werd in 2002 opgestart. Het overleg blijft een duurzaam overleg om tot meer samenwerking te komen. Als eerste resultaat werd in 2002 met 14 gemeentes een protocol voor het toekennen van supplementen gesloten. Die gemeentes kennen een supplement toe boven op de vergoeding toegekend door het Vlaams gewest. Het supplement bedraagt maximaal 30 % van de toegekende beheervergoeding. Hierdoor krijgen landbouwers een hogere vergoeding in gebieden die de gemeente of provincie belangrijk vindt.

KLE heggen KLE houtkanten PR langs holle wegen PR langs wegbermen en KLE's PR langs waterloop akker (gras) PR langs waterloop akker (s.e.) PR langs waterloop graasweide PR langs waterloop hooiweide/-land WVB beweiden WVB maaien 2000

WVB nestbeschermers

2001

Natuur

Op het overleg werd afgesproken dat in de provincie West-Vlaanderen een proefproject van start zou gaan om een gemeenschappelijke communicatie te voeren. Dit leidde tot de infokrant Horizon die gezamenlijk door de VLM, de provincie en PROCLAM werd opgesteld en bij alle West-Vlaamse landbouwers in de bus belandde.

2002 Water 0

300

600

900

1200

1500

39


JAARVERSLAG 2002

Geïntegreerd Plattelandsbeleid KADER Plattelandsontwikkeling in het kader van het Europees beleid In uitvoering van het Programmadocument voor Plattelandsontwikkeling in Vlaanderen 2000 – 2006 (kortweg PDPO), dat in toepassing van de Europese Verordening 1257/99 inzake plattelandsontwikkeling in 2000 werd goedgekeurd, maakte de Vlaamse Landmaatschappij als beheerdienst voor een aantal milieumaatregelen in de landbouw (paragrafen 9.3.5 en 9.3.6 van het PDPO) en het geïntegreerde platte-

landsbeleid (paragraaf 9.3.9), deel uit van het Managementcomité en het Comité van Toezicht. Samen met de andere beheerdiensten heeft zij in 2002 de noodzakelijke wijzigingen in het PDPO helpen voorbereiden en uitwerken. De in september aan de Europese Commissie voorgelegde wijziging met betrekking tot het geïntegreerde plattelandsbeleid impliceerde een belangrijke nieuwe rol voor de Vlaamse provincies in het plattelandsbeleid. Als voorbereiding op de grote wijziging hebben de vijf Vlaamse provincies een provinciaal plattelandsontwikkelingsplan opgemaakt waarin een aantal strategische keuzes voor het toekomstig provinciaal plattelandsbeleid wer-

40

den gemaakt, rekening houdend met de grote krachtlijnen van de voorstellen voor een Vlaams plattelandsbeleid. Dit plattelandsbeleid gaat uit van een gebiedsgerichte, geïntegreerde en gedifferentieerde aanpak. In de wijziging van het Programmadocument, die werd voorbereid door de Vlaamse Landmaatschappij in samenwerking met de provincies en de partners van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, wordt dan ook niet alleen aandacht besteed aan de klassieke rol van het platteland, maar ook aan de nieuwe uitdagingen op het vlak van wonen en werken, beleving, identiteit, leefbaarheid en gebiedskwaliteiten. Vooruitlopend op de goedkeuring van de wijziging van het PDPO konden in 2002 via de provincies

reeds projecten in het kader van de maatregelen uit paragraaf 9.3.9 worden ingediend. Op die manier werden meer dan 50 projecten goedgekeurd en uitgevoerd, naast de eerder goedgekeurde projecten die in het kader van de ruilverkaveling en landinrichting worden gerealiseerd en waarvoor de Europese steun in 2001 reeds was toegezegd. In 2002 kon dan ook het voorziene Europese budget voor deze maatregelen uit het PDPO voor 95 % worden benut. De taken van de Vlaamse Landmaatschappij als beheerdienst van paragraaf 9.3.9. ‘Bevordering van de aanpassing en de ontwikkeling van het platteland: op weg naar een geïntegreerd plattelandsbeleid in Vlaanderen’ werden dan ook versneld geope-


LANDELIJKE INRICHTING

rationaliseerd. De VLM stond in voor de aanvraag van de betalingen van de cofinanciering vanuit het Europees Landbouwfonds (EOGFL) bij het Vlaams Betaalorgaan en controleerde de financiële status van alle projecten. Per provincie werden volgens de Europese richtlijnen een aantal projecten op het terrein bij wijze van steekproef gecontroleerd. Om de samenwerking tussen de provincies en de Vlaamse Landmaatschappij inzake het PDPO te bevorderen, werd een overleg gestart met de vijf Vlaamse provincies en de Vereniging van Vlaamse Provincies vzw. De provincies hebben in het kader van hun provinciaal plattelandsbeleid aanspreekpunten voor het platteland aangeduid. Deze provinciale plattelandscoördinatoren hebben de taak de samenwerking met het Vlaams Gewest te bevorderen en in de provincie het plattelandsbeleid voor te bereiden en aan te jagen en anderzijds projecten te stimuleren, begeleiden en evalueren. Zij zijn onmisbare schakels geworden in de uitbouw van een Vlaams plattelandsbeleid. Om dit verder te bestendigen werden projecten voor cofinanciering ingediend om volwaardige plattelandsloketten te realiseren. In het najaar werden de projectvoorstellen voor het programmajaar 2003, ingediend door de Bestendige Deputaties, geëvalueerd en voor goedkeuring overgemaakt aan de Vlaamse minister. Een tweede oproep voor projecten voor dit programmajaar startte eind 2002 en wordt begin 2003 voorgelegd. Eind 2002 startten ook de voorbereidingen met de beheerdiensten voor de uitwerking van nieuwe procedures die vereist zijn in functie van de integratie van het Vlaams Betaalorgaan met het Betaalorgaan van het voormalige federale Ministerie van Landbouw. Om de samenwerking tussen het Vlaams Gewest en de Vlaamse provincies verder vorm te geven, werd gestart met de opmaak van een ontwerp van samenwerkingsovereenkomst.

Naar een Vlaams geïntegreerd plattelandsbeleid Het Strategisch Project ‘Geïntegreerd Plattelandsbeleid’ dat in 2000 door de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw werd opgestart, kreeg in 2002 verdere uitwerking en resulteerde in een aantal beleidsvoorbereidende documenten. Het luik ‘Beleidsnota Geïntegreerd Plattelandsbeleid’ van het ‘Strategisch project Geïntegreerd Platte-

landsbeleid’ waarvoor in 2001 een aanzet werd gegeven, werd in 2002 verder uitgewerkt en aangepast op basis van besprekingen op het kabinet van de Vlaamse minister. Aanvang 2003 zal de beleidsnota worden gefinaliseerd en aan de Vlaamse minister ter goedkeuring kunnen voorgelegd worden. Het ontwerp van beleidsnota beschrijft zowel de inhoud van het plattelandsbeleid, met inbegrip van de meervoudige rol van het platteland, het werkingsveld, de bestuurlijke organisatie en geeft in een actieplan weer welke de meest prioritaire verder uit te werken onderdelen zijn, zoals de financiering, de overlegorganen, het beleidsonderbouwend onderzoek, … Een bespreking van de voortgang van de andere luiken van het ‘Strategisch Project Geïntegreerd Plattelandsbeleid’ wordt in andere hoofdstukken van dit jaarverslag besproken: • de evaluatie en optimalisatie van het inrichtingsinstrumentarium; • de uitbouw van een grondenbank; • de uitwerking van een eenvormige en duurzame Vlaamse regeling voor beheer-, gebruiks- en onderhoudsovereenkomsten.

DE INHOUDELIJKE SECRETARIATEN VAN VERENIGINGEN MET HET PLATTELANDSBELEID ALS OOGMERK De Vlaamse Landmaatschappij verzorgt het inhoudelijk secretariaat van de Stichting Plattelandsbeleid vzw. De bijdrage van de Vlaamse Landmaatschappij in de werking van de Stichting Plattelandsbeleid vzw bevordert de synergie tussen beiden. Dit blijkt uit een aantal activiteiten van het voorbije jaar. In 2002 werden drie belangrijke studiedagen georganiseerd ‘Provincies en plattelandsbeleid’, het ‘Leader+ programma’ en de ‘Mid-Term evaluatie van het PDPO’. Alle studiedagen kenden een goede opkomst en kregen een positieve evaluatie. In 2002 startte de Stichting Plattelandsbeleid met de aanmaak van een databank. Deze databank is een verzameling van alle organisaties, personen, publicaties en projecten betrokken bij of verband houdend met het Vlaams en Europees Plattelandsbeleid. Daarnaast dacht de Stichting Plattelandsbeleid grondig na over haar toekomst en werden een aantal belangrijke doelstellingen in het licht gesteld. De

41


JAARVERSLAG 2002 Stichting ging hiervoor in overleg met de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw.

170 ha 17 a 73 ca voor de prijs van 2.750.966,83 EUR (aankoopprijs + aktekosten).

De Vlaamse Landmaatschappij is verder lid van de AEIAR, een Europese vereniging van instellingen voor de inrichting van het Platteland. Zij heeft ook de rol van secretariaat en staat in voor de voorbereiding van de jaarlijkse activiteiten en vergaderingen.

Voor de uitvoering van landinrichtingsprojecten is verwerving (aankoop of onteigenen) van onroerende goederen vaak noodzakelijk om de doelstellingen te kunnen verwezenlijken. De Vlaamse Landmaatschappij kan onroerende goederen ofwel verwerven ter uitvoering van een goedgekeurd inrichtingsplan ofwel op basis van haar statuten. In 2002 werkte de cel Grondbeleid 24 aankoopdossiers af, goed voor een gekochte oppervlakte van 17 ha 55 a en 89 ca voor de prijs van 341.819,26 EUR (aankoopprijs + aktekosten).

Grondzaken GRONDBEHEER: VERWERVINGEN, VERVREEMDINGEN EN BEHEER

De domeingoederen werden bij de federalisering van de Nationale Landmaatschappij (vroegere Nationale Maatschappij voor Kleine Landeigendommen, NMKL) in 1988 aan de Vlaamse Landmaatschappij toegewezen. Deze goederen werden destijds verworven ter realisatie van de doelstellingen van de NMKL. Gezien het feit dat de doelstelling van de NMKL bereikt is, heeft het behoud van het eigendomsrecht over de domeingoederen zijn functie verloren. De goederen welke vrij van pacht zijn of komen, worden thans onmiddellijk te koop aangeboden. In 2002 werden 18 verkoopdossiers afgewerkt, goed voor een verkochte oppervlakte van 53 ha 89 a 42 ca voor de prijs van 2.645.428,74 EUR.

Het recht van voorkoop natuur is wettelijk geregeld in de artikels 37 tot en met 40 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (B.S., 10.01.1998). Bijkomende bepalingen staan in het uitvoeringsbesluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 (B.S., 10.9.1998). De begunstigde van dit recht van voorkoop is het Vlaamse Gewest. De Vlaamse regering heeft de Vlaamse Landmaatschappij gemachtigd om in haar naam en voor haar rekening binnen de daartoe beschikbare budgettaire perken, het recht van voorkoop uit te oefenen. In 2002 werden 127 dossiers, uitoefening recht van voorkoop, afgewerkt. Dit was goed voor een gekochte oppervlakte van 145 ha 49 a 03 ca, voor de prijs van 2.520.228,60 EUR (aankoopprijs + aktekosten).

De Vlaamse Landmaatschappij kan landeigendommen aankopen in zones die door de minister aangewezen zijn als vatbaar voor ruilverkaveling. Zij kan hiervoor gebruik maken van haar recht van voorkoop, maar kan uiteraard ook rechtstreeks aangeboden landeigendommen kopen. In 159 dossiers maakte de Vlaamse Landmaatschappij gebruik van de haar verleende rechten ingevolge de artikelen 74 (rechtsreeks aanbod) en 56§2 (uitoefening van het recht van de voorkoop) van de ruilverkavelingswet. Dit was goed voor in totaal gekochte oppervlakte van

Artikel 3 van de statuten van de Vlaamse Landmaatschappij bepaalt dat de Vlaamse Landmaatschappij voor de realisatie van haar maatschappelijk doel onroerende goederen kan verwerven met eigen middelen. Omdat de eigen middelen niet onbeperkt zijn, moet een immobilisatie gedurende lange tijd vermeden worden. In 2002 werden 7 dossiers “aankopen met eigen middelen Natuur” afgewerkt. Dit was goed voor een gekochte oppervlakte van in totaal 4 ha 84 a 73 ca voor de prijs van 160.714,76 EUR (aankoopprijs + aktekosten).

Verwervingen en vervreemdingen

tabel 19 |

Overzicht van het grondbeheer Aantal pachters

Domein Ruilverkaveling Landinrichting Natuur Verwerving met eigen middelen TOTALEN

42

84 608 9 11 712

Oppervlakte verpacht ha a ca 662 71 47 658 45 85 1 16 50 6 69 29 1.329

3

11

Oppervlakte niet verpacht ha a ca 51 21 1 387 39 22 139 90 81 167 58 69 64 19 2 810 28 75

Oppervlakte jachtpacht ha a ca 1.126 55 4 431 52 39 30 29 62 21 97 32 1.610 34 37

Jachtpacht 2002

Pachtprijs

12.023,79 4.968,69 378,69 694,30 18.065,47

76.128,45 65.802,28 192,91 787,37 142.911,01


LANDELIJKE INRICHTING

Voor de PA Brugge werd in een openbare verkoop, gehouden op 23 december 2002, een kantoorgebouw te Brugge (Sint-Andries), Velodroomstraat 28, aangekocht voor de prijs van 4.650.000,00 EUR (excl. kosten). Voor de nieuwe PA Leuven werd bij onderhandse verkoopsovereenkomst dd. 27 december een kantoorgebouw te Leuven, Diestsevest 25/29, aangekocht voor de prijs van 2.975.000,00 EUR (excl. kosten).

Beheer van onroerende goederen Een van de aspecten van het beheer van onroerende goederen is het gebruik van deze goederen. In 2002 verpachtte de Vlaamse Landmaatschappij in totaal een oppervlakte van 1.329 ha 03 a 11 ca aan 712 verschillende pachters. Dit was goed voor een bedrag van 142.911,01 EUR. Het jachtrecht werd verhuurd op een oppervlakte van 1.610 ha 34 a 37 ca voor een bedrag van 18.065,47 EUR. Bij het uitoefenen van het recht van voorkoop natuur wordt het gebruik vaak door Afdeling Natuur (AMINAL) opgenomen. Derhalve is de verpachte oppervlakte verhoudingsgewijs lager.

GRONDBELEID De VLM werkt mee aan een aantal projecten waarin grondverwerving, ruil van gronden en toekennen van eigendom en/of gebruik centraal staan. Voorbeelden zijn Wortel Kolonie, Merksplas Kolonie, De Blankaert, Parkbos Gent, Linkerscheldeoever en Kruibeke. Hiernaast werd gewerkt aan tekstvoorstellen voor een decreet tot oprichting van de Vlaamse Grondenbank die de verwerving voor de overheid efďŹ ciĂŤnter kan organiseren.

43


deel 1

hoofdstuk 3 Voor de mestproblematiek en de Mestbank was 2002 alweer een bewogen jaar. Verschillende Waalse parketten startten een onderzoek naar mestimport uit Vlaanderen. Bij de Mestbank werden op 8 februari 2002 mestafzetdocumenten van erkende mestvoerders m.b.t. mesttransporten naar WalloniĂŤ in 2001 in beslag genomen. Er werden nieuwe kwetsbare zones water afgebakend: 46,6 % van het landbouwareaal in Vlaanderen werd als kwetsbaar afgebakend. In deze zones gelden strenge bemestingsnormen. Tal van nieuwe initiatieven voor mestverwerking werden opgestart; operationele capaciteit, vooral voor de verwerking van varkensmest, was er in 2002 onvoldoende. De mestexport naar niet-Europese landen trok zich in 2002 op gang. Op de valreep werd in de Commissie leefmilieu van het Vlaamse parlement een nieuw voorstel aangenomen om knelpuntendossiers m.b.t. nutriĂŤntenhalte te kunnen oplossen.


mestbank

Sinds haar ontstaan registreert de Mestbank elk jaar een aantal kerngegevens over de Vlaamse landbouwbedrijven. De belangrijkste gegevens zijn de gemiddelde veebezetting, het bedrijfsareaal cultuurgronden met hun ligging en hun teeltplan, het gebruik van chemische en andere meststoffen en de opslag van dierlijke mest op het einde van het jaar. De mestbank vraagt ook een aantal kerngegevens op van gewestgrensoverschrijdende bedrijven, producenten van andere meststoffen, verzamelpunten en be- en verwerkingseenheden. Al deze bedrijven dienen hiervoor jaarlijks een aangifte te doen van hun bedrijfssituatie van het voorgaande jaar.

AANGIFTES PRODUCTIEJAAR 2001 Voor de berekening van de productie en de overschotten is gewerkt met de productiecijfers en bemestingsnormen geldig in 2001.

Aangifteplichtige bedrijven | t a b e l

1

In 2002 deden nog 35.103 natuurlijke personen of rechtspersonen een aangifte betreffende het teeltjaar 2000, zij behoorden tot 34.512 bedrijven. Het aantal exploitaties waarop aan landbouwactiviteiten gedaan werd daalde tot 36.913. Omdat ze een fosfaatproductie uit dierlijke mest hadden lager dan de drempelwaarde en bovendien minder dan 2 ha cul-

DE ZORG VOOR OPEN RUIMTE‌ NIET ZONDER DE ZORG VOOR MENSEN

Aangifte en registratie


JAARVERSLAG 2002 tabel 1 |

Overzicht inventarisatiegegevens van producenten en gebruikers - bedrijfssituatie 2001

Aantal geregistreerden Aantal koepels Aantal relaties Aantal entiteiten Aantal exploitaties Aantal verminderde exploitaties Aantal verminderde relaties Aantal relaties zonder grond Aantal relaties zonder dieren Aantal relaties met grond en dieren Aantal vrijgestelden aangifteplicht

Antwerpen 5.475 5.609 6.168 5.997 53 58 147 955 4.507 2.418

Vl-Brabant 4.181 4.213 4.409 4.322 50 50 56 1.356 2.801 626

W-Vlaand. 11.529 11.802 12.981 12.474 116 135 302 2.107 9.393 2.258

O-Vlaand. 8.840 8.916 9.499 9.318 148 171 114 1.436 7.366 2.254

Limburg 4.487 4.563 4.968 4.802 6 8 106 1.329 3.128 807

TOTAAL Vlaanderen 34.512 35.103 38.025 36.913 373 422 725 7.183 27.195 8.363

15.246.926 899.943 1.122.095 4.694 13,29

4.273.055 143.702 179.599 0 7,57

35.239.262 1.981.217 4.149.452 14.111 17,44

18.041.127 794.555 1.603.970 53.360 13,59

7.904.000 542.721 443.102 2.159 12,50

80.704.370 4.362.138 7.498.218 74.324 14,79

13.220.194 34.998.039 853.115 6.544 2,46

3.949.754 11.237.585 117.939 0 1,05

29.094.482 77.102.089 3.271.679 54.624 4,31

15.589.242 43.010.096 1.343.053 16.593 3,16

6.916.018 18.500.805 284.893 5.398 1,57

68.769.690 184.848.614 5.870.679 83.159 3,22

34.138.380 29.017.623

11.119.646 9.451.699

73.775.786 62.709.418

41.650.450 35.402.883

18.210.514 15.478.937

178.894.776 152.060.560

11.200.130 25.373.459

6.804.542 14.044.703

23.217.693 51.920.650

15.399.217 34.574.927

7.525.091 16.210.972

64.146.673 142.124.710

557.482 4.627.738

1.400.974 6.844.825

706.491 12.970.819

1.503.990 10.342.088

885.982 4.795.046

5.054.919 39.580.516

93.248 143.619

367.982 452.074

320.827 269.866

176.084 219.271

183.624 210.069

1.141.765 1.294.899

11.850.860 30.144.816

8.573.498 21.341.602

24.245.011 65.161.335

17.079.291 45.136.286

8.594.697 21.216.087

70.343.357 183.000.125

55.892 35.513 9.484 1.972 102.862

27.439 18.235 37.411 9.386 92.472

84.853 47.782 73.511 11.202 217.348

70.940 50.929 33.866 5.763 161.498

36.409 21.951 23.990 13.644 95.995

275.533 174.410 178.262 41.967 670.175

128,52 331,89

42,71 120,25

133,86 339,44

96,53 257,90

72,05 189,70

102,61 266,94

108,89 246,67

73,58 151,88

106,82 238,88

95,35 214,09

78,39 168,87

95,72 212,07

5,42 44,99

15,15 74,02

3,25 59,68

9,31 64,04

9,23 49,95

7,54 59,06

0,91 1,40

3,98 4,89

1,48 1,24

1,09 1,36

1,91 2,19

1,70 1,93

115,21 293,06

92,71 230,79

111,55 299,80

105,76 279,49

89,53 221,01

104,96 273,06

6.316.673 15.071.199 2.382 2.015 6.289.203 14.849.539 2.207 1.853

716.076 2.065.714 748 682 666.052 1.803.218 513 458

13.085.144 34.254.153 6.086 5.268 13.007.330 33.573.843 5.670 4.868

5.316.939 14.638.930 3.247 2.918 5.188.852 14.159.859 2.832 2.524

2.599.681 6.437.250 1.427 1.187 2.556.333 6.282.416 1.262 1.029

28.034.513 72.467.246 13.890 12.070 27.707.770 70.668.875 12.484 10.732

DIERLIJKE PRODUCTIE

Bruto fosfaat productie (kg P2O5) verminderde productie convenant (kg P2O5) verminderde productie regressierechte (kg P2O5) vermind. prod.andere voedertechniek (kg P2O5) totaal productie vermindering aanpak aan de bron % P2O5 netto fosfaat productie (kg P2O5) Bruto stikstof productie (kg N) verminderde productie regressierechte (kg N) vermind. prod. andere voedertechniek (kg N) totaal productie vermindering aanpak aan de bron % N netto stikstof productie (kg N) netto stikstof productie (kg N) met 15 % N emissie GEBRUIK VAN DIERLIJKE MESTSTOFFEN

fosfaat (kg P2O5) stikstof (kg N) GEBRUIK VAN CHEMISCHE MESTSTOFFEN

fosfaat (kg P2O5) stikstof (kg N) GEBRUIK VAN ANDERE MESTSTOFFEN

fosfaat (kg P2O5) stikstof (kg N) TOTAAL GEBRUIK VAN MESTSTOFFEN

fosfaat (kg P2O5) stikstof (kg N) AREAAL CULTUURGROND

grasland (ha) maïs (ha) andere teelten (ha) lage N behoeftige gewassen (ha) totaal (ha) DIERLIJKE PRODUCTIE PER HA

fosfaat (kg P2O5) stikstof (kg N) GEBRUIK VAN DIERLIJKE MEST PER HA

fosfaat (kg P2O5) stikstof (kg N) GEBRUIK VAN CHEMISCHE MESTSTOFFEN PER HA

fosfaat (kg P2O5) stikstof (kg N) GEBRUIK VAN ANDERE MESTSTOFFEN PER HA

fosfaat (kg P2O5) stikstof (kg N) TOTAAL GEBRUIK VAN MESTSTOFFEN PER HA

fosfaat (kg P2O5) stikstof (kg N) BEDRIJFSMATIG OVERSCHOT

met kunstmest fosfaat (kg P2O5) met kunstmest stikstof (kg N) met kunstmest aantal entiteiten met kunstmest aantal bedrijven (koepels) zonder kunstmest fosfaat (kg P2O5) zonder kunstmest stikstof (kg N) zonder kunstmest aantal entiteiten zonder kunstmest aantal bedrijven (koepels)

46


MESTBANK GEMEENTELIJK OVERSCHOT

met kunstmest fosfaat (kg P2O5) met kunstmest stikstof (kg N) met kunstmest aantal gemeenten zonder kunstmest fosfaat (kg P2O5) zonder kunstmest stikstof (kg N) zonder kunstmest aantal gemeenten

3.137.511 8.971.859 19 3.003.584 8.928.056 19

3.033 12.064 2 1.972 12.064 2

6.388.540 20.550.154 42 6.057.681 20.414.043 41

1.443.955 6.511.013 24 1.085.292 6.339.972 23

302.216 1.443.156 13 220.791 1.408.957 13

11.275.255 37.488.246 100 10.369.320 37.103.092 98

607.650 4.025.189 50.168 4.025.189

0 0 0 0

3.609.398 16.426.617 2.902.907 16.426.617

0 0 0 0

0 0 0 0

4.217.048 20.451.806 2.953.075 20.451.806

O-Vlaand.

Limburg

TOTAAL Vlaanderen

PROVINCIAAL OVERSCHOT

met kunstmest fosfaat (kg P2O5) met kunstmest stikstof (kg N) zonder kunstmest fosfaat (kg P2O5) zonder kunstmest stikstof (kg N)

Ta b e l 2 |

Aantal dieren per diercategorie en per provincie aangifte 2002, productiejaar 2001

Provincie RUNDEREN

Melkvee en zoogkoeien Vervangingsvee jonder dan 1 jaar Vervangingsvee van 1 tot 2 jaar Melkkoeien en zoogkoeien Mestvee Mestkalveren Runderen jonder dan 1 jaar Runderen van 1 tot 2 jaar Andere runderen VARKENS

Antwerpen

Vl-Brabant

W-Vlaand.

339.258

133.124

463.576

370.048

158.778

1.464.784

177.223 38.860 40.023 98.340 145.065 114.391 15.694 14.980 16.970

80.269 17.918 18.084 44.267 40.874 15.283 13.331 12.260 11.981

272.050 55.869 58.586 157.595 132.154 11.333 60.082 60.739 59.372

249.238 57.953 58.607 132.678 85.160 5.342 39.351 40.467 35.650

104.269 22.849 23.281 58.139 45.074 22.020 12.070 10.984 9.435

883.049 193.449 198.581 491.019 448.327 168.369 140.528 139.430 133.408

997.945

177.529

3.305.702

1.294.850

526.819

6.302.845

269.024 2.352 83.297 627.928 15.344

42.214 356 15.592 117.073 2.294

784.031 4.937 282.217 2.193.036 41.481

355.847 2.434 126.804 788.064 21.701

145.860 1.062 51.111 319.858 8.928

1.596.976 11.141 559.021 4.045.959 89.748

PLUIMVEE

9.464.560

1.109.493

12.136.094

5.300.006

3.952.787

31.962.940

Legrassen Legkippen incl. (groot)ouderdieren) Opfokpoeljen van legkippen Vleesrassen Slachtkuikens Slachtkuikenouderdieren Opfokpoeljen van slachtkuikenouderdieren Struisvogels Struisvogels fokdieren Struisvogels slachtdieren Struisvogels van 0 tot 3 maanden Kalkoenen Kalkoenen slachtdieren Kalkoenen ouderdieren Andere pluimvee

3.423.316 2.619.610 803.706 5.989.910 5.329.038 527.328 133.544 1.059 367 459 233 44.489 44.474 15 5.786

248.205 219.881 28.324 858.976 854.018 4.952 6 42 39 3 0 186 186 0 2.084

4.892.644 3.432.276 1.460.368 7.012.530 6.142.832 532.486 337.212 2.288 540 1.093 655 163.850 163.823 27 64.782

1.710.800 1.370.769 340.031 3.484.866 3.136.893 230.575 117.398 453 111 278 64 22.575 22.369 206 81.312

1.365.209 1.171.418 193.791 2.527.110 2.389.170 85.398 52.542 609 257 12 340 9.927 9.925 2 49.932

11.640.174 8.813.954 2.826.220 19.873.392 17.851.951 1.380.739 640.702 4.451 1.314 1.845 1.292 241.027 240.777 250 203.896

38.105

20.457

53.100

41.416

19.959

173.037

9.540 1.841 6.211 1.488 28.565 4.885 7.801 11.156 4.723

6.566 1.686 4.038 842 13.891 3.945 6.069 968 2.909

7.025 1.346 4.684 995 46.075 8.807 14.308 13.158 9.802

8.056 2.055 4.847 1.154 33.360 5.341 9.097 2.519 16.403

5.206 1.235 3.233 738 14.753 3.354 6.422 4.199 778

36.393 8.163 23.013 5.217 136.644 26.332 43.697 32.000 34.615

Biggen, gewicht van 7 tot 20 kg Beren Zeugen, incl. biggen met gewicht < 7 kg Andere varkens, gewicht van 20 tot 110 kg Andere varkens, gewicht > 110 kg

OVERIGE DIEREN

Paarden Paarden, meer dan 600 kg Paarden en pony's van 200 tot 600 kg Paarden en pony's minder dan 200 kg Andere Geiten en schapen jonger dan 1 jaar Geiten en schapen ouder dan 1 jaar Konijnen (voedsters) Nertsen (moederdieren)

tuurgronden in uitbating hadden, genoten 8.363 bedrijven van de vrijstelling van aangifteplicht. In totaal zijn er 725 landbouwbedrijven grondloos en 7.183 landbouwers houden geen dieren; 77,5 % van alle aangifteplichtigen hebben zowel gronden als dieren.

Dieren

|tabel 2

Omdat de aangifte gebeurde volgens andere subcategorieĂŤn, zijn de aantallen dieren enkel vergelijkbaar met de cijfers van 2001. Er werden 1,46 miljoen runderen, 6,30 miljoen varkens (exclusief biggen < 7 kg) en 32,00 miljoen stuks pluimvee gehouden in Vlaanderen. Meer dan 9.487 entiteiten produ-

47


JAARVERSLAG 2002 ceerden mestvarkens en 6.734 entiteiten fokten met zeugen. Zo’n 1.088 entiteiten kweekten slachtkippen en 999 hielden kippen voor de eiproductie.

Productie |

tabel 1 en 3

De productie van nutriënten in dierlijke mest, is eveneens enkel vergelijkbaar met het jaar 2001, omdat met de invoering van MAP IIbis, de uitscheidingscijfers gewijzigd zijn. De netto nutriëntenproductie bedroeg in 2002 68,8 miljoen kg fosfaat en 178,9 kg stikstof. Ten opzichte van de forfaitaire uitscheidingscijfers slaagde de landbouwsector erin de fosfaatproductie met 11,9 miljoen kg fosfaat of 14,8 % te laten dalen; voor stikstof was de daling beperkt tot 6,0 miljoen kg of 3,2 %. De daling werd vooral gerealiseerd bij de varkens. De houders van mestvarkens (de categorie “andere varkens 20 - 110 kg”) maakte algemeen (97,2 % van de dieren) gebruik van de mogelijkheden van het nutriëntenbalansstelsel: 1/3 via convenantvoerder (laagfosforvoeder) en 2/3 via de uitscheidingsbalans op basis van de regressierechte. In de zeugenhouderij was het aantal zeugen dat gevoederd werd op basis van de forfaitaire uitscheidingscijfers beperkt tot 8 %. Voor 64 % van de zeugen werd gebruik gemaakt van het nutriëntenbalansstelsel op basis van convenantvoerder; 28% van de zeugen werden gehouden op basis van het nutriëntenbalanssysteem van de regressierechte. In de leghennensector werd nog 2/3 van de dieren gevoederd op forfaitbasis. In de slachtkuikensector bedroeg dit percentage 16 %. Van de slachtkuikens werd 36 % gevoederd met convenantvoeder en voor 48 % van de slachtkuikens werd het uitscheidingscijfer berekend op basis van de regressierechte. Voor alle sectoren was er een duidelijk verband tussen de bedrijfsgrootte en de keuze voor het nutriëntenbalansstelsel: de gemiddelde grootte van de bedrijven die opteerden voor het forfaitaire stelsel was het kleinst, gevolgd door deze die opteerden voor het stelsel van de fosforconvenant. De bedrijven die opteerden voor het systeem van de regressierechte waren gemiddeld nog groter. Het gering aantal bedrijven dat opteerde voor het systeem van de speciale voerdertechniek had gemiddeld meer dan dubbel zoveel dieren dan de bedrijven die kozen voor het systeem van de regressierechte. De rundveesector was verantwoordelijk voor de helft van de stikstofproductie doch slechts minder dan 45 % van de fosfaatproductie. Het aandeel van de

48

varkenssector bedroeg voor stikstof en fosfaat respectievelijk 38 % en 43 % van de totale productie. De pluimveesector droeg voor stikstof 11 % en voor fosfor 13 % bij in de totale nutriëntenproductie. In Vlaanderen bedroeg de gemiddelde productiedruk 103 kg fosfaat per ha en 267 kg stikstof per ha (brutoproductie). Indien de ammoniakemissie ingeschat wordt op 15 % van de brutoproductie voor stikstof, kwam er langs deze weg 26,8 miljoen kg stikstof in het milieu terecht.

Gebruik van meststoffen |

tabel 1

Met inbegrip van de uitscheiding door de dieren op de weide, werd er over Vlaanderen gemiddeld ongeveer 96 kg P2O5/ha en 212 kg N/ha uit dierlijke mest toegediend. In West-Vlaanderen en Antwerpen werden in de eigen provincie slechts 80 % en 85 % gebruikt van het fosfaat in dierlijke mest dat er geproduceerd werd; in Oost-Vlaanderen was de productie aan dierlijk fosfaat gemiddeld gelijk aan het gebruik. In Limburg lag het gebruik 10 – 15 % hoger dan de productie; in Vlaams-Brabant wordt er bijna 72 % meer fosfaat uit dierlijke mest gebruikt dan er geproduceerd werd. Zowel voor stikstof als voor fosfaat bleef het gemiddeld gebruik van “andere meststoffen” lager dan 2 kg /ha, behalve voor Vlaams-Brabant waar respectievelijk 4 kg fosfaat en 5 kg stikstof per ha uit andere meststoffen werd aangewend. In alle Vlaamse provincies daalde het totaal gebruik aan stikstof onder de drempel van 300 kg per ha. In West-Vlaanderen was het totaal gebruik aan stikstof het hoogst: 299,8 kg /ha. In Oost-Vlaanderen en Antwerpen was het stikstofgebruik uit alle soorten meststoffen samen slechts 10 - 20 kg per ha lager. In Vlaams-Brabant en Limburg lag de totale stikstofbemesting iets meer dan 25 % lager. De totale fosfaatbemesting bleef enkel in de provincies Vlaams-Brabant en Limburg lager dan 100 kg/ha. Vlaams-Brabant was de enige provincie waar nog een belangrijk gebruik van fosfaat uit chemische meststoffen aangegeven werd.

Overschotten Op 13.890 entiteiten was er een overschot aan nutriënten; bij meer dan 1.406 entiteiten was dit te wijten aan het gebruik van chemische meststoffen. De overschotten op bedrijfsniveau, rekening houdend met het gebruik van de nutriëntenbalans en bere-


MESTBANK

Ta b e l 3 |

Dierlijke mestproductie (productiejaar 2001), per diersoort en type nutriĂŤntenbalans

Naam Biggen 7-20 kg Biggen 7-20 kg Biggen 7-20 kg Biggen 7-20 kg Beren Beren Beren Beren Zeugen incl big < 7 kg Zeugen incl big < 7 kg Zeugen incl big < 7 kg Zeugen incl big < 7 kg And varkens 20-110 kg And varkens 20-110 kg And varkens 20-110 kg And varkens 20-110 kg And varkens > 110 kg And varkens > 110 kg And varkens > 110 kg And varkens > 110 kg Legkip incl(gr)oudrd Legkip incl(gr)oudrd Legkip incl(gr)oudrd Opfokpoeljen legkip Opfokpoeljen legkip Slachtkuikens Slachtkuikens Slachtkuikens Slachtkuikens Slachtkuikenouderdieren Slachtkuikenouderdieren Opfkpljn slk.ouderdieren Opfkpljn slk.ouderdieren Kalkoenen - slachtd. Kalkoenen - slachtd.

balanstype aantal entiteiten aantal dieren forfait 1.199 83.533 convenant 3.967 1.019.129 regressie 1.385 490.592 voedertechniek 4 3.722 forfait 1.446 2.570 convenant 3.190 6.079 regressie 955 2.485 voedertechniek 3 7 forfait 1.597 44.627 convenant 3.812 358.775 regressie 1.322 154.641 voedertechniek 3 978 forfait 1.667 112.423 convenant 3.891 1.373.216 regressie 3.923 2.541.729 voedertechniek 6 18.591 forfait 1.294 9.347 convenant 2.600 50.774 regressie 1.184 29.308 voedertechniek 4 319 forfait 790 5.940.510 convenant 184 2.335.608 regressie 25 537.836 forfait 234 2.758.220 regressie 3 68.000 forfait 309 2.856.201 convenant 401 6.425.450 regressie 376 8.494.735 voedertechniek 2 75.565 forfait 124 1.083.408 regressie 37 297.331 forfait 74 504.883 regressie 13 135.819 forfait 62 75.825 voedertechniek 24 164.952

N productie 205.491 2.507.057 1.241.640 9.776 61.680 145.896 49.412 141 1.071.048 8.610.600 3.056.320 19.160 1.461.499 17.851.808 28.700.187 229.564 224.328 1.218.576 560.972 5.813 4.098.952 1.611.570 337.745 992.959 24.755 1.770.845 3.983.779 4.585.817 49.271 1.300.090 325.190 237.295 53.986 166.815 294.997

P2O5 prod. 168.737 1.416.589 582.763 4.275 37.265 71.671 27.346 64 647.092 4.229.957 1.730.790 8.790 730.750 7.319.241 11.219.449 82.271 135.532 598.625 306.900 2.759 2.910.850 864.175 186.260 579.226 10.498 828.298 1.156.581 1.432.656 14.207 769.220 182.677 136.318 27.039 59.902 112.804

norm N 2,46 2,46 2,53 2,63 24,00 24,00 19,88 20,07 24,00 24,00 19,76 19,59 13,00 13,00 11,29 12,35 24,00 24,00 19,14 18,22 0,69 0,69 0,63 0,36 0,36 0,62 0,62 0,54 0,65 1,20 1,09 0,47 0,40 2,20 1,79

norm P2O5 2,02 1,39 1,19 1,15 14,50 11,79 11,00 9,12 14,50 11,79 11,19 8,99 6,50 5,33 4,41 4,43 14,50 11,79 10,47 8,65 0,49 0,37 0,35 0,21 0,15 0,29 0,18 0,17 0,19 0,71 0,61 0,27 0,20 0,79 0,68

kend op basis van de maximale invulling van de normen ongeacht het reĂŤle mestgebruik op de verschillende percelen, bedroeg voor fosfaat 40,3 % en voor stikstof 46,5 % van de nettoproductie. Het werkelijke bedrijfsoverschot was nog groter, aangezien in de praktijk een deel van de toegelaten normen voor stikstof of fosfaat niet kan ingevuld worden. Worden ook de gebruikte hoeveelheden chemische meststoffen in rekening gebracht dan moest bijna 28,0 miljoen kg fosfaat (40,8 %) en 72,5 miljoen kg stikstof (47,7 %) afgevoerd worden van de bedrijven.

98 gemeenten. Wanneer de overschotten op dezelfde wijze worden berekend op provinciaal niveau, kampten de provincies West-Vlaanderen en Antwerpen met een overschot. Meer dan de helft (55 %) van de bedrijfsmatige overschotten was gekoppeld aan de gespecialiseerde varkensteelt; zij omvatten ongeveer 3/4 van de totale fosfaatproductie op deze gespecialiseerde bedrijven. Voor de pluimveehouderij bedroegen deze cijfers respectievelijk: 18 % van de totale bedrijfsmatige overschotten en meer dan 93 % van de totale productie op deze gespecialiseerde bedrijven.

Bij de berekening van de gemeentelijke overschotten op basis van de productie van de inrichtingen gelegen in een bepaalde gemeente en waarbij de gronden, waar ook gelegen, worden gekoppeld aan de inrichtingen van die gemeente waarbij ze behoren, bedroegen de overschotten tot 16,4 % van de fosfaatproductie (het gebruik van kunstmest inbegrepen). Naargelang het gebruik van chemische meststoffen al dan niet in rekening wordt gebracht, waren er mestoverschotten in respectievelijk 100 en

De melkveebedrijven bewerkten gemiddeld de grootste oppervlakte (29 ha). Daarna volgden de bedrijven die akkerbouw combineren met rundvee (24 ha) of met veredelingslandbouw (25 ha). De pluimveebedrijven baatten nagenoeg geen gronden uit (2 ha).

49


JAARVERSLAG 2002

REGISTRATIE CULTUURGRONDEN 2002 Algemeen In 2002 registreerde de Mestbank gebiedsdekkend voor Vlaanderen de cultuurgronden van de aangifteplichtige landbouwers en van sommige bedrijven met vrijstelling van aangifteplicht in een geografische informatielaag. Deze laag resulteerde in 489.383 percelen, hetgeen een totale oppervlakte van 671.907 ha vertegenwoordigde. De gemiddelde oppervlakte van een landbouwperceel (rekening houdend met de opdelingsprincipes tengevolge van de verplichtingen van het meststoffendecreet) was in Vlaanderen 1,56 ha. | t a b e l 4 Na indeling in functie van de gewasgroepen, zoals toegepast voor het bepalen van de bemestingsnormen, bekomt men volgende verdeling: grasland 271.904 ha (40,5 %), maïs 166.367 ha (24,8 %), andere gewassen 200.738 ha (29,9 %) en gewassen met een lage N-behoefte 32.898 ha (4,8%). Hieruit blijkt dat het maïsareaal nog steeds toeneemt, vooral ten koste van het areaal gewassen met een lage N behoefte.

Gebiedsgerichte verscherping |

tabel 5

Het meststoffendecreet maakt een onderscheid tussen vier types van gebiedsgerichte verscherping: kwetsbare zones water, kwetsbare zones ecologiTa b e l 4 |

tabel 6

Van de geregistreerde oppervlakte cultuurgronden behoren 25.815 ha tot de kwetsbare zone natuur (bestemmingen natuurgebied, bosgebied, natuurreservaat of natuurontwikkelingsgebied op de gewestplannen). Hiervan zijn 4.425 ha in bosgebied gelegen. Er werd ontheffing verleend op 10.922 ha gelegen in natuurgebieden, natuurreservaten of natuurontwikkelingsgebied omdat het geen waardevolle graslanden betreffen. Er werd op 1004 ha ontheffing verleend op basis van de huiskavelregeling, 641 ha hiervan betreffen waardevolle graslanden. Op 3.726 ha intensieve graslanden of akkers gelegen in bosgebied werd geen verstrenging van de bemestingsnormen toegepast.

Provincie ANTW 45.265 35.203 1.037 10.594 2.957 1.108 2.027 383 166 4.600 103.340

LIMB 27.144 22.196 8.785 8.932 2.096 6.545 1.092 8.215 2.629 9.042 96.676

OVL 58.700 48.020 11.665 10.871 9.808 6.107 1.561 1.386 1.455 11.575 161.148

VLBRA 24.463 17.569 17.238 2.738 4.695 8.279 818 4.107 4.906 8.380 93.193

WVL 65.994 43.378 26.860 16.904 20.401 14.701 13.677 337 802 14.500 217.554

Totaal* 221.566 166.367 65.584 50.039 39.957 36.740 19.175 14.427 9.958 48.094 671.907

Limburg 1 0 175 34 16.066 15.311

Totaal 31 312 177 2.500 61.940 25.257

0

40.190

Gebiedsgerichte verscherping: bemestingsbeperkingen in kwetsbare gebieden (ha)

Totaal verbod op bemesting Fosfaatverzadigd + Water normen Fosfaatverzadigd + Water uitrijregeling Fosfaatverzadigd Water normen Water uitrijregeling geen verhoogde bemesting toegelaten Water uitrijregeling verhoogde bemesting toegelaten

50

Kwetsbare zone natuur |

Voornaamste gewassen productiejaar 2002

opp (ha) gewas gras (permanent) maïs wintertarwe gras (tijdelijk) aardappelen suikerbieten groenten (industrie) fruit (bomen) wintergerst overige gewassen totaal

Ta b e l 5 |

sche waardevolle agrarische gebieden, kwetsbare zones natuur en fosfaatverzadigde gebieden. Wanneer een perceel in meer dan één kwetsbaar gebied gelegen is, gelden op dat perceel de beperkingen van alle types samen, zodat de strengste regeling steeds van toepassing is. Voor al deze gebieden geldt de verstrengde uitrijregeling. Voor de kwetsbare zones ecologische waardevolle agrarische gebieden gelden de algemene bemestingsnormen, aangezien binnen deze zones nog geen waardevolle graslanden zijn afgebakend. Deze groep is dan ook niet verder als groep in de statistieken opgenomen en wordt bij de groep “normaal gebied“ gerekend.

Antwerpen 27 0 0 342 471 0 0

Vl.- Brabant Oost-Vlaand. West-Vlaand. 2 1 0 0 165 147 0 0 2 0 1.355 769 14.223 21.112 10.068 9.947 0 0 0

0

40.190


MESTBANK

In totaal gold het bemestingsverbod (met uitzondering van begrazing door 2 GVE) op 11.167 ha (43,3 %) van door landbouwers gebruikte cultuurgronden gelegen in de kwetsbare zone “natuur”; 10 % hiervan is in bosgebied gelegen. Hiervan dragen 7.281 ha een biologische waardering “ waardevol grasland”. Omdat 2.129 ha hiervan als “potentieel belangrijke graslanden” zijn gewaardeerd, komen zij in aanmerking voor de beheerovereenkomst waarbij naast de begraving met 2GVE nog 100 kg stikstof uit chemische meststoffen mag worden toegediend. De Mestbank sloot deze beheerovereenkomst in samenspraak met AMINAL - afdeling Natuur met 556 landbouwers voor 1.202 ha op 825 percelen.

oppervlakten van toepassing op 65.447 ha. Op 25.257 ha hiervan, gelegen in nitraatgevoelig gebied, is het bovendien niet mogelijk de verhoogde bemesting voor een dubbele teelt aan te vragen.

Op 3.886 ha intensieve graslanden was geen ontheffing mogelijk; het betroffen graslanden van bedrijven die in het referentiejaar het statuut van gezinsveeteeltbedrijf niet hadden of percelen die na de referentiedata werden overgenomen.

AANVRAGEN VERHOOGDE BEMESTING BIJ BEPAALDE TEELTCOMBINATIES

Kwetsbare zone water |

tabel 5

Op 31 ha cultuurgrond gelegen in de beschermingszone I van grondwaterwinningen gold een absoluut bemestingsverbod. Daarnaast waren 62.253 ha gelegen in de kwetsbare zones water met verstrengde normering. De verstrengde bemestingsnormen water zijn van toepassing op 61.474 ha; de overige 1.043 ha zijn ook gelegen in kwetsbare zone “natuur” waarop het bemestingsverbod met uitzondering van begrazing door 2GVE van toepassing is. De verlengde verbodsperiode voor het spreiden van meststoffen was bovenop de hierboven vermelde

Ta b e l 6 |

Fosfaatverzadigde gebieden De beperking tot het gebruik van maximaal 40 kg fosfaat per ha was in 2001 van toepassing op 2.989 ha. 33 landbouwers lieten voor 129 percelen een tegenexpertise uitvoeren met betrekking tot de fosfaatverzadigingstoestand. In totaal bleken 26,7 ha na tegenexpertise niet fosfaatverzadigd te zijn. De VLM betaalde voor 37 percelen in totaal 2.762,70 EUR terug aan 17 landbouwers.

Teeltjaar 2002 Van de totale oppervlakte waarvoor een aanvraag tot verhoogde bemesting werd ingediend werd 8,1 % uiteindelijk niet doorgevoerd. De mogelijkheid tot verhoogde bemesting voor de teeltcombinatie bladgroenten werd benut op 1.813 ha; dit is een stijging met 64 % tegenover het voorgaande jaar. Voor de teeltcombinatie bladgroenten bedroeg het aantal aanvragen 564, op 1.215 percelen. De verhoogde bemesting voor de teeltcombinatie voorjaarssnede gras/maïs werd door 4.008 landbouwers op 19.493 ha (11.795 percelen) toegepast. Dit betekent een stijging met 43 % ten opzichte van het jaar 2001.

Oppervlakten in kwetsbaar natuurgebied (ha) Natuurgebieden

2002 nulbemesting (2GVE) (+100 Chem N) huiskavel ontheffing huiskavel en ontheffing Totaal deelgebied

Halfnatuurlijk grasland + waardevol grasland* 4706

Bosgebieden

Potentieel Intensief belangrijk grasland of grasland akker 3886

340

1876 301

5046

2177

Halfnatuurlijk grasland + waardevol grasland* 446

Potentieel belangrijk grasland

Intensief grasland of akker

Totaal kwetsbare zone "natuur"

3726

9.038 2.129 1.004 9.165 753 25.815

253 363 9165 753 14167

446

253

*(Art. 2 52°-54° meststoffendecreet)

Ta b e l 7 |

Nitraatresidubepalingen in functie van de grenswaarde van 90 kg NO3 --N/ha

Nitraatresidu (kg /ha) Aantal stalen Oppervlakte (ha)

0-30 5.315 7.461

30-45 4.140 6.092

45-75 6.720 9.710

75-85 1.601 2.301

85-90 775 1.121

>90 5.137 7.353

51


JAARVERSLAG 2002

Productie vanvan fosfaat uit uit dierlijke mest in Vlaanderen Productie fosfaat dierlijke mest in Vlaanderen P2O5-productie per fusiegemeente

Kg P2O5 per hectare cultuurgrond > = 0 - < 75 > = 75 - < 100 > = 100 - < 125 > = 125 - < 150 > = 150 - < 200 > = 200

Bron: mestbankgegevens Berekeningsbasis: - Transport van dierlijke mest per dierlijke mestproductie per inrichting in 2001, inrichtingen per fusiegemeente - Productie per oppervlakte cultuurgrond

Totaal van fosfaat uit uit dierlijke mest in Vlaanderen Totaalgebruik gebruik van fosfaat dierlijke mest in Vlaanderen Totale P2O5-bemestingsdruk per fusiegemeente

Kg P2O5 per hectare cultuurgrond > = 0 - < 75 > = 75 - < 100 > = 100 - < 125 > = 125 - < 150 > = 150 - < 200 > = 200

52

Bron: mestbankgegevens Berekeningsbasis: - Dierlijke mestproductie + kunstmest + andere meststoffen per inrichting in 2001, inrichtingen per fusiegemeente - Transport van dierlijke mest van producenten en naar


MESTBANK

Gebruik van fosfaat uit uit dierlijke mest op cultuurgronden in Vlaanderen Gebruik van fosfaat dierlijke mest op cultuurgronden in Vlaanderen P2O5-bemestingsdruk per fusiegemeente

Kg P2O5 per hectare cultuurgrond > = 0 - < 75 > = 75 - < 100 > = 100 - < 125 > = 125 - < 150 > = 150 - < 200 > = 200

Bron: mestbankgegevens Berekeningsbasis: - Dierlijke mestproductie + kunstmest + andere meststoffen per inrichting in 2001, inrichtingen per fusiegemeente - Transport van dierlijke mest van producenten en naar gebruikers per inrichting in 2001

Gebruik vanvan stikstof uit uit dierlijke mest op cultuurgronden in Vlaanderen Gebruik stikstof dierlijke mest op cultuurgronden in Vlaanderen N-bemestingsdruk per fusiegemeente

Kg N per hectare cultuurgrond > = 0 - < 170 > = 170 - < 250 > = 250 - < 300 > = 300 - < 350 > = 350 - < 450 > = 450

Bron: mestbankgegevens Berekeningsbasis: - Dierlijke mestproductie + kunstmest + andere meststoffen per inrichting in 2001, inrichtingen per fusiegemeente - Transport van dierlijke mest van producenten en naar gebruikers per inrichting in 2001

53


JAARVERSLAG 2002

Netto-transport van fosfaat uit uit dierlijke mest in Vlaanderen Netto-transport van fosfaat dierlijke mest in Vlaanderen Netto aan- en afvoer van P2O5 per fusiegemeente

Kg P2O5 per hectare cultuurgrond Afvoer Aanvoer > = -20 - < 0 > = 50 > = -30 - < -20 > = 40 - < 50 > = -40 - < -30 > = 30 - < 40 > = -50 - < -40 > = 20 - < 30 > = -60 - < -50 > = 0 - < 20 > = -60

Bron: mestbankgegevens Berekeningsbasis: - Transport van dierlijke mest per inrichting in 2001, inrichtingen per fusiegemeente - Transportdocumenten vervoerjaar 2001

Opmerking: In een aantal gemeenten is de netto aanvoer extreem hoog wegens het aanwezig zijn van verwerkingsinstallaties gelegen in deze gemeenten

Netto-transport van stikstof uit uit dierlijke mest in Vlaanderen Netto-transport van stikstof dierlijke mest in Vlaanderen Netto aan- en afvoer van N per fusiegemeente

Kg N per hectare cultuurgrond Afvoer Aanvoer > = -20 - < 0 > = 50 > = -30 - < -20 > = 40 - < 50 > = -40 - < -30 > = 30 - < 40 > = -50 - < -40 > = 20 - < 30 > = -60 - < -50 > = 0 - < 20 > = -60

54

Bron: mestbankgegevens Berekeningsbasis: - Transport van dierlijke mest per inrichting in 2001, inrichtingen per fusiegemeente - Transportdocumenten vervoerjaar 2001

Opmerking: In een aantal gemeenten is de netto aanvoer extreem hoog wegens het aanwezig zijn van verwerkingsinstallaties gelegen in deze gemeenten


MESTBANK

Productie stikstof uituit dierlijke mest in Vlaanderen Productievan van stikstof dierlijke mest in Vlaanderen N-productie per fusiegemeente

Kg N per hectare cultuurgrond > = 0 - < 170 > = 170 - < 250 > = 250 - < 300 > = 300 - < 350 > = 350 - < 450 > = 450

Bron: mestbankgegevens Berekeningsbasis: - Dierlijke mestproductie per inrichting in 2001, inrichtingen per fusiegemeente - Productie stikstof per oppervlakte cultuurgrond

Totaal gebruik vanvan stikstof op op cultuurgrond in Vlaanderen Totaal gebruik stikstof cultuurgrond in Vlaanderen Totale N-bemestingsdruk per fusiegemeente

Kg N per hectare cultuurgrond > = 0 - < 170 > = 170 - < 250 > = 250 - < 300 > = 300 - < 350 > = 350 - < 450 > = 450

Bron: mestbankgegevens Berekeningsbasis: - Dierlijke mestproductie + kunstmest + andere meststoffen per inrichting in 2001, inrichtingen per fusiegemeente - Transport van dierlijke mest van producenten en naar gebruikers per inrichting in 2001 - Opslagverschil begin en eind 2001

55


JAARVERSLAG 2002 De verhoogde bemesting voor de combinatie gras/andere gewassen werd toegepast op 3.006 ha (1.835 percelen) door 1.041 bedrijven. De oppervlakte waarop deze maatregel van toepassing was steeg met 20 % tegenover het voorgaande jaar. Drie bedrijven verkregen de toelating om de verhoogde bemesting toe te passen op graszoden voor een totale oppervlakte van 27 ha. Deze regeling verhoogde de afzetmogelijkheden in Vlaanderen voor stikstof met 1.583.210 kg en voor fosfaat met 706.199 kg.

Aanvragen teeltjaar 2003 E zijn twee aspecten die ervoor gezorgd hebben dat de extra afzetmogelijkheden in het kader van een verhoogde bemesting sterk zijn gedaald: • De afbakening van de nieuwe verscherpte gebieden water en natuur zorgde ervoor dat de oppervlakte waarop men verhoogde bemesting kan toepassen, sterk afnam; • Voor 2003 gelden strengere bemestingsnormen, waardoor ook de maximum normen bij een teeltcombinatie zijn gedaald.

fonds; de rest was afkomstig van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw. Met betrekking tot de nitraatresiduresultaten in het najaar 2002 in het kader van de beheerovereenkomsten ‘water’ werden volgende vaststellingen gedaan. Het aandeel nitraatresidubepalingen (tabel 7) met een resultaat lager dan de grenswaarde van 90kg NO3--N/ha bedroeg voor 2002 77,8 % (26.685 ha). Dit is een duidelijke verbetering ten opzicht van de voorgaande jaren. Het gemiddelde van alle gunstige metingen bedroeg 45,8. De mediaan van alle metingen bedroeg 54,5. | t a b e l 7 In het najaar werden 789 aanvragen voor een beheerovereenkomst water (1.072,67 ha) goedgekeurd; het aantal goedgekeurde aanvragen voor een beheerovereenkomst natuur bedroeg 113 (165,76 ha). Het aantal geweigerde aanvragen bedroeg 164. Tien landbouwers dienden bezwaar bij de geschillencommissie tegen deze weigering van aanvraag. Zes dossiers werden aanvaard door de geschillencommissie.

In totaal deden 4.469 landbouwers een aanvraag voor verhoogde bemesting op de teeltcombinatie voorjaarssnede gras/maïs of voorjaarssnede gras/ andere gewassen voor een gezamenlijke oppervlakte van 10.480 ha op 6.815 percelen. Deze cijfers wijzen op een toename van ± 57 %.

VERGOEDINGEN EN BEHEEROVEREENKOMSTEN IN HET KADER VAN HET MESTDECREET Gedurende 2002 waren in het kader van het mestdecreet 24.575 beheerovereenkomsten water (33.795 ha) en 1.349 beheerovereenkomsten natuur (1.799 ha) in uitvoering. Dit komt overeen met respectievelijk 55,0 % van de oppervlakte kwetsbare zone Water en 24,7 % van de graslanden in kwetsbare zone natuur met een voldoende hoge biologische waarde. Het algemeen gemiddelde nitraatresidu van overgemaakte resultaten stalen bedroeg 66 kg NO3 -- N/ha; voor de stalen met een gunstig resultaat was dit 45 kg NO3 -- N/ha. Er werd in totaal 8,535 EUR miljoen uitbetaald. Het aandeel van de beheerovereenkomsten ‘natuur’ hierin bedroeg 6,34% (0,541 miljoen EUR). Hiervan werd 4,446 miljoen EUR gedragen door het MINA-

56

De geschillencommissie behandelde in 2002 28 bezwaren met betrekking tot de aanvraag (start 2002) van een beheerovereenkomst natuur en 387 bezwaren met betrekking tot ingebrekestellingen tengevolge van administratieve controles (gebruik, nitraatresidu, datum staalname) of terreincontroles (code goede landbouwpraktijk, ontbreken bemestingsregister of bemestingsplan,…); het betrof 98 % beheerovereenkomsten water. Na behandeling door de geschillencommissie werden 10 bezwaren met betrekking op een aanvraag goedgekeurd en 52 bezwaren tegen beslissingen van de VLM tot niet uitbetaling of terugvordering werden ingewilligd.


MESTBANK

Mestverhandelingen TRANSPORTEN De tabellen 8 en 9 geven een overzicht van de 2002 geregistreerde mestverhandelingen. De transporten zijn uitgedrukt in kg vervoerde nutriënten. De cijfers slaan alleen op de verhandelde nutriënten. De transporten naar bedrijfseigen gronden van de producent zijn niet meegeteld. Voor verhandelingen waarvoor zowel een burenregeling als een mestafzetdocument werd opgemaakt, werd alleen de burenregeling in rekening gebracht. Internationale mestverhandelingen vallen, tenzij de mest zodanig verwerkt is dat ze in het land van bestemming wordt beschouwd als een product, onder het toepassingsgebied van de zogenaamde “EVOA”. De EVOA documenten werden op volkomen analoge wijze geregistreerd als de mestafzetdocumenten.

Algemene trends De Mestbank registreerde 13.500 aantal burenregelingen, 165.000 aantal mestafzetdocumenten en 16.500 aantal overbrengingen in het kader van de EVOA-reglementering. Volgende tendenzen werden in het jaar 2002 waargenomen. Het aantal burenregelingen bleef constant t.o.v. 2001. Het aantal mestafzetdocumenten is eveneens licht gedaald t.o.v. 2001. Het aantal EVOA-documenten daarentegen is toegenomen. Het aantal mestverhandelingen is eveneens licht afgenomen. Dit is te verklaren doordat de normen in 2002 praktisch niet wijzigden t.o.v. 2001 enerzijds en anderzijds omdat de nutriëntenproductie in Vlaanderen daalde.

Vervoer binnen Vlaanderen 57 % van de nutriëntenproductie in Vlaanderen wordt naar derden afgezet. Het vervoer binnen Vlaanderen maakt van deze afzet ongeveer 85 % uit. Van deze hoeveelheid mest afgezet binnen Vlaanderen werd ongeveer 18 % via de burenregeling afgezet. De meeste gemelde transporten gaan rechtstreeks van de producent naar de gebruiker. Het betreft hier 78 % van de binnen Vlaanderen vervoerde fosfaten en 81 % van de binnen Vlaanderen vervoerde stikstof.

Grensoverschrijdende mesttransporten mestexport De Mestbank noteerde een landsgrensoverschrij-

dende en gewestgrensoverschrijdende export van 4,5 miljoen kg P2O5. De invoer bedroeg ongeveer 2 miljoen kg P2O5. Er was dus een grensoverschrijdende uitvoer van netto 2.5 miljoen kg P2O5. Gelet op de kleiner wordende afzetmogelijkheden in Vlaanderen en gelet op de verwerkingsplicht die bepaalde bedrijven verplicht om hun mest te verwerken, worden de grensoverschrijdende transporten steeds belangrijker. Deze geven namelijk de mate weer waarin door de sector inspanningen worden geleverd om de dierlijke mest effectief af te zetten buiten het Vlaamse Gewest. De normen zijn t.o.v. 2001 niet drastisch gewijzigd, dus de effectieve plaatsingsruimte in Vlaanderen is niet wezenlijk gedaald. De nutriëntenproductie daarentegen is wel licht gedaald. Dus naast de verplichting voor bepaalde bedrijven werd er voor 2002 geen enorme stijging verwacht. Daarnaast is ook de export naar Wallonië volledig weggevallen omwille van het verbod van de Waalse overheid om nog mest in te voeren vanuit Vlaanderen. Terwijl in 2001 nog ongeveer 6 miljoen kg P2O5 naar Wallonië werd getransporteerd, is dit in 2002 gekrompen tot slechts 436.000 kg P2O5. Een alternatief vinden voor dergelijke hoeveelheden op 1 jaar tijd is praktisch niet haalbaar en dat is ook gebleken uit de cijfers. De export van bewerkte en onbewerkte varkensmest is in 2002 praktisch onbestaande door het verbod van het Waalse Gewest enerzijds en door het gebrek aan operatieve mestverwerkingsinstallaties voor varkensmest. De export naar Frankrijk bestaat enerzijds uit zuivere dierlijke mest en anderzijds uit bewerkte dierlijke mest met een producterkenning afgeleverd door de Franse autoriteiten. De export van zuivere pluimveemest naar Frankrijk is ondanks de zware procedure met 40 % gestegen t.o.v. 2001. Er werd 1,2 miljoen kg P2O5 naar hoofdzakelijk de departementen Nord en Pas de Calais vervoerd. Het transport van verwerkte kippenmest steeg aanzienlijk met 60 %. Er werd 1,62 miljoen kg P2O5 via verwerkte kippenmest vervoerd. De uitvoer naar Nederland van zuivere kippenmest steeg terug tot 947.000 kg P2O5 en 1.115.000 kg N. Hierdoor bleef de netto import vanuit Nederland beperkt tot 96.515 kg P2O5 en 386.143 kg N. Hierbij moet wel vermeld worden dat de import vanuit Nederland voor 95 % naar inrichtingen voor de aanmaak van substraat voor de champignoncompost gaat. De invoer van champost vanuit Nederland daalde verder tot 26.163 kg P2O5.

57


JAARVERSLAG 2002 Ta b e l 8

|

Transport van dierlijke mest met mestafzet-en EVOA-documenten in 2002 (uitgedrukt in kg - boekjaar 2002)

Som van N MAD + EVOA

oorsprong ANTW LIMB OVL VLBRA WVL verzpnt beverw BRUSSEL NEDERLAND WALLONIE DUITSLAND FRANKRIJK Eindtotaal

bestemming ANTW 5.068.318 73.176 293.825 110.499 599.349 263.576 94.092 0 10.904 51.736 0 0 6.565.475

LIMB 992.207 3.277.430 152.118 82.411 216.927 437.864 19.790 0 160.974 0 55.484 0 5.395.205

OVL 72.280 7.873 5.725.684 118.291 3.123.367 342.400 4.898 0 421 1.511 0 0 9.396.725

VLBRA 1.086.693 306.560 828.990 1.174.877 2.683.184 1.360.351 23.807 0 3.534 1.085 0 0 7.469.081

WVL 20.093 3.963 373.370 13.374 10.365.719 215.038 34.380 0 10.072 0 0 0 11.036.009

verzpnt 853.961 60.677 393.564 50.290 1.488.310 34.045 15.151 170 4.398 853 0 0 2.901.419

LIMB 579.837 1.946.009 87.072 46.628 123.083 271.352 11.815 0 104.912 0 33.290 0 3.203.998

OVL 42.503 4.724 3.072.647 69.072 1.690.958 179.092 3.726 0 234 822 0 0 5.063.778

VLBRA 664.995 196.137 473.603 654.960 1.544.161 784.849 16.683 0 2.149 203 0 0 4.337.740

WVL 11.017 1.650 212.592 8.081 5.661.779 121.199 21.449 0 8.033 0 0 0 6.045.800

verzpnt 505.901 39.575 227.478 27.246 875.325 21.294 8.627 102 2.715 288 0 0 1.708.551

OVL 82.958 7.873 8.565.233 125.173 3.209.584 346.718 5.214 0 421 1.511 0 0 12.344.685

VLBRA 1.095.344 322.619 841.765 1.442.193 2.683.184 1.360.351 23.807 0 3.534 1.085 0 0 7.773.882

WVL 20.093 3.963 506.016 13.374 15.498.638 219.215 35.931 0 10.072 0 0 0 16.307.302

verzpnt 860.411 62.453 402.039 50.290 1.501.552 34.045 15.151 170 4.398 853 0 0 2.931.362

OVL 47.099 4.724 4.569.432 72.770 1.733.530 181.549 3.926 0 234 822 0 0 6.614.086

VLBRA 669.532 205.378 480.415 804.599 1.544.161 784.849 16.683 0 2.149 203 0 0 4.507.969

WVL 11.017 1.650 285.004 8.081 8.366.433 122.765 22.433 0 8.033 0 0 0 8.825.416

verzpnt 508.851 40.093 230.453 27.246 882.936 21.294 8.627 102 2.715 288 0 0 1.722.605

Som van P2O5 MAD + EVOA

oorsprong ANTW LIMB OVL VLBRA WVL verzpnt beverw BRUSSEL NEDERLAND WALLONIE DUITSLAND FRANKRIJK Eindtotaal

Ta b e l 9

|

bestemming ANTW 2.810.507 42.283 162.875 66.645 334.312 142.916 68.155 0 9.711 38.745 0 0 3.676.149

Transport van dierlijke mest in 2001 - totalen (uitgedrukt in kg)

Som van N met burenregelingen, MAD en EVOA

oorsprong ANTW LIMB OVL VLBRA WVL verzpnt beverw BRUSSEL NEDERLAND WALLONIE DUITSLAND FRANKRIJK Eindtotaal

bestemming ANTW 7.061.216 77.998 352.712 112.694 599.349 275.630 94.092 0 10.904 51.736 0 0 8.636.331

LIMB 1.000.209 4.562.677 152.118 105.774 216.927 439.879 19.790 0 160.974 0 55.484 0 6.713.832

Som van P 2 O5 met burenregelingen, MAD en EVOA

oorsprong ANTW LIMB OVL VLBRA WVL verzpnt beverw BRUSSEL NEDERLAND WALLONIE DUITSLAND FRANKRIJK Eindtotaal

58

bestemming ANTW 3.876.314 45.275 194.832 67.908 334.312 148.461 68.155 0 9.711 38.745 0 0 4.783.713

LIMB 583.815 2.652.056 87.072 58.520 123.083 271.940 11.815 0 104.912 0 33.290 0 3.926.503


MESTBANK

beverw 1.206.480 338.223 1.064.658 65.726 2.457.711 121.481 18.805 19.766 1.818.967 187.307 0 26.266 7.325.390

BRU 4.118 0 20.339 2.080 28.336 4.053 1.682 0 0 0 0 0 60.608

NED 427.968 62.648 256.216 5.150 203.895 8.168 201.981 0 0 1.040 0 0 1.167.066

WAL 106.884 25.266 81.342 3.261 195.937 14.712 122.047 0 346.016 125 0 0 895.590

DE 86.366 78.082 0 0 0 0 600 0 0 0 0 0 165.048

FRA 132.551 44.162 86.503 8.022 1.603.071 11.783 1.841.233 0 0 0 0 0 3.727.325

Eindtotaal 10.057.919 4.278.060 9.276.609 1.633.981 22.965.806 2.813.471 2.378.466 19.936 2.355.286 243.657 55.484 26.266 56.104.941

beverw 873.156 224.634 777.596 40.006 1.888.521 107.835 18.756 11.860 1.191.283 116.589 0 15.759 5.265.995

BRU 2.402 0 10.721 1.062 16.394 3.320 1.100 0 0 0 0 0 34.999

NED 334.922 52.418 209.798 3.090 167.102 5.808 174.083 0 0 808 0 0 948.029

WAL 85.250 19.769 59.536 2.021 156.978 11.005 101.951 0 318.602 75 0 0 755.187

DE 66.393 62.743 0 0 0 0 365 0 0 0 0 0 129.501

FRA 107.133 35.250 67.082 4.124 1.166.074 12.411 1.466.670 0 0 0 0 0 2.858.744

Eindtotaal 6.084.016 2.625.192 5.361.000 922.935 13.624.687 1.661.081 1.893.380 11.962 1.637.639 157.530 33.290 15.759 34.028.471

beverw 1.206.480 346.188 1.064.658 65.726 2.458.473 121.481 18.805 19.766 1.818.967 187.307 0 26.266 7.334.117

BRU 4.118 0 20.339 2.080 28.336 4.053 1.682 0 0 0 0 0 60.608

NED 427.968 62.648 256.216 5.150 203.895 8.168 201.981 0 0 1.040 0 0 1.167.066

WAL 106.884 25.266 81.342 3.261 195.937 14.712 122.047 0 346.016 125 0 0 895.590

DE 86.366 78.082 0 0 0 0 600 0 0 0 0 0 165.048

FRA 132.551 44.162 86.503 8.022 1.603.071 11.783 1.841.233 0 0 0 0 0 3.727.325

Eindtotaal 12.084.598 5.593.929 12.328.941 1.933.737 28.198.946 2.836.035 2.380.333 19.936 2.355.286 243.657 55.484 26.266 68.057.148

beverw 873.156 229.575 777.596 40.006 1.889.625 107.835 18.756 11.860 1.191.283 116.589 0 15.759 5.272.040

BRU 2.402 0 10.721 1.062 16.394 3.320 1.100 0 0 0 0 0 34.999

NED 334.922 52.418 209.798 3.090 167.102 5.808 174.083 0 0 808 0 0 948.029

WAL 85.250 19.769 59.536 2.021 156.978 11.005 101.951 0 318.602 75 0 0 755.187

DE 66.393 62.743 0 0 0 0 365 0 0 0 0 0 129.501

FRA 107.133 35.250 67.082 4.124 1.166.074 12.411 1.466.670 0 0 0 0 0 2.858.744

Eindtotaal 7.165.884 3.348.931 6.971.941 1.089.427 16.380.628 1.671.237 1.894.564 11.962 1.637.639 157.530 33.290 15.759 40.378.792

59


JAARVERSLAG 2002 Daarnaast is het opvallend dat ook nieuwe afzetmarkten voorlopig slechts in beperkte mate worden verkend voor de afzet. Er was afzet van zuivere pluimveemest naar Duitsland en Luxemburg, goed voor 75.000 kg P2O5. Daarnaast werd verwerkte mest geëxporteerd naar Togo, Taiwan, Portugal, Spanje en Cyprus, zijnde ongeveer 35.000 kg P2O5. Van de “grensboerenregeling” met Nederland die veehouders toelaat hun bedrijfseigen gronden gelegen in het andere land te bemesten met bedrijfseigen mest, maakten 365 Vlaamse veehouders en 179 Nederlandse veehouders gebruik. De Vlaamse veehouders brachten daarbij 355.452 kg P2O5 op 4610 ha Nederlandse gronden. De Nederlandse veehouders brachten daarbij 601.245 kg P2O5 op 4671 ha Vlaamse gronden.

Verhandelingen van andere meststoffen In totaal werd het transport van 1.820.352 kg fosfaat afkomstig en 2.002.134 kg stikstof afkomstig van andere meststoffen gemeld bij de Mestbank. In deze cijfers is de schuimaarde niet opgenomen. Het vervoer van schuimaarde betreft ongeveer 800.000 kg fosfaat en 400.000 kg stikstof. Er is voor de andere meststoffen een netto export van 230.00 kg fosfaat en een netto import van 11.230 kg stikstof.

AUTOMATISCHE TOEPASSINGEN VIA INTERNET MestTransportinternetloket (MTil) Het gebruik van MTil werd in 2002 bestendigd. Het aantal gebruikers is opgelopen tot 456 erkende mestvoerders. Meer en meer werd vastgesteld dat de voerders voor het melden van de transporten volledig overschakelden op het internetsysteem en de klassieke methode (papieren faxen) niet meer gebruikten. Het programma blijkt gedurende het ganse jaar zeer stabiel en doorstond de piekbelasting in het voorjaar 2002 zonder probleem. Er was een verdere toename in het gebruik: 75 % van alle meldingen gebeurde via het internetloket. Het betreft hier ongeveer 115.000 meldingen. Het continu aanpassen en verfijnen van het programma werd in 2002 verder gezet.

Mestinternetloket (Mil) De interactieve toepassing ‘mestinternetloket’ (Mil) werd afgewerkt. Hierdoor kan de landbouwer, de bewerker van mest, de mestverwerker en de exploitant van een verzamelpunt zijn gegevens zoals ze bij

60

de Mestbank gekend zijn opvragen via het internet. In de loop van 2002 werd eerst aan een testpanel van 35 landbouwers een paswoord toegekend. Na een testperiode werd deze groep uitgebreid tot een 70-tal landbouwers en werden eveneens paswoorden toegekend aan de be/verwerkers. Voorlopig kunnen een 300 gebruikers de applicatie gebruiken. Zij helpen de Mestbank om de applicatie verder te verfijnen en gebruiksvriendelijker te maken. De vervoersgegevens van of naar de eigen exploitatie zijn tot in detail uitgewerkt in de applicatie. De productiegegevens en de afzet op eigen gronden worden summier weergegeven.

ERKENNING MESTVOERDERS 2002 Op 31.12.2002 waren 1.417 mestvoerders door de Mestbank erkend. Het mestdecreet laat de Mestbank toe mestvoerders in vier verschillende klassen te erkennen. In de klasse A waren 604 mestvoerders erkend, in de klasse B 535 en in de klasse C 278. Daarvan hadden 48 mestvoerders uit de klasse A hun woonplaats of maatschappelijke zetel buiten het Vlaamse Gewest, 7 uit de klasse B en 49 uit de klasse C. In de klasse D (vervoer via waterwegen) waren geen mestvoerders erkend.

Financiele handelingen Het innen en invorderen van de heffingen kunnen we onderverdelen in twaalf categorieën, naargelang van het aanslagjaar waarop ze betrekking hebben (aanslagjaren 1991 t.e.m. 2002). | t a b e l 1 0

BASISHEFFING Vanaf 2001 bestaat de basisheffing uit drie onderdelen: een basisheffing op de dierlijke productie, een basisheffing op het gebruik van chemische meststoffen en een basisheffing op het gebruik van andere meststoffen. De dierlijke productie wordt belast tegen 0,0111 EUR per kg fosfaat en per kg stikstof; het gebruik van chemische en andere meststoffen wordt belast tegen 0,0223 EUR per kg fosfaat en per kg stikstof. De basisheffing op de dierlijke productie wordt opgelegd aan alle bedrijven met een productie van meer dan 300 kg fosfaat. De overige twee basisheffingen worden opgelegd aan alle gebruikers van chemische of andere meststoffen, ongeacht de


MESTBANK

dierlijke productie. Ook de gewestgrensoverschrijdende bedrijven (bedrijven met bedrijfszetel buiten het Vlaams Gewest, maar met gronden in Vlaanderen, ggob's) zijn aan laatstgenoemde twee basisheffingen onderworpen (art. 21, §§ 1 t.e.m. 3 van het mestdecreet).

mest wordt verminderd met een percentage gelijk aan het aandeel van de ingevoerde paardenmest dat, verwerkt tot champignonsubstraat, weer wordt uitgevoerd buiten Vlaanderen (art. 21, § 5 van het mestdecreet).

Het aantal heffingplichtigen daalde van 26.983 in 2001 tot 22.816 (waarvan 127 ggob's) in 2002. Deze daling is gedeeltelijk toe te schrijven aan het feit dat de basisheffingen in 2002 pas werden opgelegd vanaf een totaalbedrag van 25 EUR, terwijl de vorige jaren deze drempelwaarde 500 BEF bedroeg. Het totaalbedrag van de gevorderde basisheffing bedroeg 3.690.794,42 EUR (waarvan 8.561,74 EUR lastens de ggob's), tegenover 4.013.979,68 EUR in 2001. De basisheffing bestond uit de volgende deelbedragen: heffing op de dierlijke productie 2.689.955,46 EUR, heffing op de chemische meststoffen 948.897,36 EUR en heffing op andere meststoffen 51.925,11 EUR. De basisheffing aanslagjaar 2002 werd verzonden op 25 oktober 2002 (producenten/gebruikers) en 17 december 2002 (ggob's). De uiterste datum van betaling was 24 december 2002 (producenten/gebruikers) en 15 februari 2003 (ggob's). Per 31/12/02 stond van de gevorderde basisheffing aanslagjaar 2002 nog 474.778,15 EUR open.

Aangezien tegen deze heffing klacht werd ingediend bij de Europese Commissie wegens vermeende onverenigbaarheid met de Europese regelgeving inzake het vrije verkeer van goederen, werd de invoerheffing aanslagjaar 2002 (voorlopig) niet geïnd.

AFZETHEFFING Het mestdecreet (art. 21, § 4) legt een afzetheffing op aan de producenten die het voorafgaande jaar overschotten hadden aangeboden aan de Mestbank in het kader van haar algemene ontvangstplicht. Deze heffing omvat de kosten voor het afhalen, vervoeren, opslaan en eventueel verwerken, verhoogd met administratiekosten (1,25 EUR/ton) en prefinancieringskosten. In 2001 liet geen enkel bedrijf via de Mestbank zijn mestoverschotten weghalen, zodat in 2002 geen afzetheffing werd opgelegd.

BASISHEFFING OP MESTOVERSCHOTTEN DOOR INVOER (INVOERHEFFING) Iedere transporteur die mestoverschotten, afkomstig van zowel dierlijke als andere meststoffen, invoert binnen het Vlaams Gewest dient een invoerheffing te betalen ten bedrage van 2,4789 EUR per ton. De invoerheffing van de invoerders van paarden-

SUPERHEFFING MESTVERWERKINGSPLICHT Deze heffing wordt opgelegd aan de bedrijven die hun verplichting, krachtens het mestdecreet, om mest te verwerken (of te exporteren buiten het Vlaams Gewest) niet hebben nageleefd. Ze wordt berekend op het verschil van de te verwerken en de daadwerkelijk verwerkte hoeveelheid mest, uitgedrukt in kg stikstof en kg fosfaat. Dit verschil wordt voor aanslagjaar 2001 (verwerking in het jaar 2000) vermenigvuldigd met 0,24 EUR per kg stikstof en 0,24 EUR per kg fosfaat. Voor de aanslagjaren 2002 en 2003 zal deze heffingvoet 0,49 EUR per kg stikstof en kg fosfaat bedragen; vanaf het aanslagjaar 2004 0,99 EUR per kg stikstof en kg fosfaat (art. 21, § 6, 2° van het mestdecreet). Deze superheffing werd voor het eerst opgelegd op 16/01/2002. Het betrof aanslagjaar 2001 (verwerking 2000). In totaal werd aan 324 bedrijven

61


JAARVERSLAG 2002 Ta b e l 1 0 |

Belangrijkste gegevens over de heffingen voor het boekjaar 2002. BOEKJAAR 2002 (EUR) Openstaand op Vorderingen 31/12/2001 Creaties (+)/Annulaties (-)

Aanslagjaar

Ontvangsten (-)

Openstaand op 31/12/2002

1991

basisheffing

8.315,26 17.882,82 234,54 33,47

-1.514,69 -314,90 0,00 0,00

0,00 0,00 0,00 0,00

6.800,57 17.567,92 234,54 33,47

21.545,95 48.617,76 2.424,36 540,41 1.080,82 10,81

-276,68 -2.535,84 -94,45 0,00 0,00 0,00

81,62 123,94 0,00 0,00 0,00 0,00

21.187,65 45.957,98 2.329,91 540,41 1.080,82 10,81

45.224,88 97.390,19 1.542,69 585,03 1.170,06 5,85

0,00 -1.161,34 -5,92 0,00 0,00 0,00

74,37 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

45.150,51 96.228,85 1.536,77 585,03 1.170,06 5,85

boete

13.453,23 31.769,18 628,34 2.082,31 4.164,61

0,00 -495,79 0,00 0,00 0,00

75,45 289,11 0,00 0,00 0,00

13.377,78 30.984,28 628,34 2.082,31 4.164,61

boete intrest

15.517,28 46.642,13 605,08

0,00 -495,79 0,00

224,38 -37,01 18,37

15.292,90 46.183,35 586,71

14.559,78 22.039,60 1.066,76 9.989,99 247,89

-237,98 -495,79 10,03 -495,78 0,00

111,50 788,61 131,40 434,22 0,00

14.210,30 20.755,20 945,39 9.059,99 247,89

24.848,96 57.001,61 694,69 1.457,61 2.915,23 14,58 19.982,06

-752,18 -971,30 0,00 0,00 0,00 0,00 -4.957,80

2.239,36 7.620,58 11,62 0,00 0,00 0,00 1.277,74

21.857,42 48.409,73 683,07 1.457,61 2.915,23 14,58 13.746,52

27.601,96 50.327,51 2.728,87 23.425,59 1.239,45 4.957,88 29.319,99

108.858,85 74.249,30 406,65 -4.709,91 0,00 0,00 0,00

21.865,38 21.046,58 944,75 1.313,82 0,00 0,00 0,00

114.595,43 103.530,23 2.190,77 17.401,86 1.239,45 4.957,88 29.319,99

35.257,05 49.151,85 2.236,02 26.111,70 1.983,12 150.800,80

-267,03 3.168,72 149,93 -3.668,77 -247,89 0,00

1.381,01 5.673,20 109,23 2.159,14 0,00 30.542,56

33.609,01 46.647,37 2.276,72 20.283,79 1.735,23 120.258,24

44.070,83 52.409,88 320,41 17.272,52 991,56 221.500,39

-552,74 4.493,42 255,42 -1.115,51 0,00 -3.910,99

13.396,76 10.922,91 775,92 370,26 0,00 24.939,57

30.121,33 45.980,39

boete intrest invoerheffing 1992

basisheffing boete intrest invoerheffing boete intrest 1993

basisheffing boete intrest invoerheffing boete intrest 1994

basisheffing boete intrest invoerheffing 1995

basisheffing 1996

basisheffing boete intrest adm. geldboete producent/gebruiker adm. geldboete ggob/invoerder 1997

basisheffing boete intrest invoerheffing boete intrest adm. geldboete producent/gebruiker 1998

basisheffing boete intrest adm. geldboete producent/gebruiker adm. geldboete ggob/invoerder boete gezinsveeteeltbedrijf boete niet bewezen mestafzet 1999

basisheffing boete intrest adm. geldboete producent/gebruiker adm. geldboete ggob/invoerder boete niet bewezen mestafzet 2000

basisheffing boete intrest 710,93 adm. geldboete producent/gebruiker adm. geldboete ggob/invoerder boete niet bewezen mestafzet

62

15.786,75 991,56 192.649,83


MESTBANK 2001

basisheffing (inclusief basisheffing ggob) boete afzetheffing 15.932,81 superheffing mestverwerking adm. geldboete producent/gebruiker adm. geldboete ggob/invoerder adm. geldboete be-/verwerkers boete niet bewezen mestafzet boete teveel nutriënten

473.647,82 0,00 0,00 0,00 44.862,44 0,00 0,00 271.517,52 12.681,39

8.670,42 11.308,60 0,00 663.501,39 -5.474,46 1.750,00 1.250,00 -68.143,61 -1.330,47

464.419,08 6.945,54 15.932,81 588.680,87 16.800,99 500,00 1.000,00 36.175,17 1.723,16

17.899,16 4.363,06 74.820,52 22.586,99 1.250,00 250,00 167.198,74 9.627,76

0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 2.077.025,70

3.682.257,01 8.561,74 81.325,00 5.000,00 411.188,57 71.126,67 5.033.369,10

3.214.232,68 1.807,92 24.275,00 1.746,97 54.275,57 13.301,67 4.574.270,47

468.024,33 6.753,82 57.050,00 3.253,03 356.913,00 57.825,00 2.536.124,33

2002

basisheffing basisheffing ggob adm. geldboete producent/gebruiker adm. geldboete ggob/invoerder boete niet bewezen mestafzet boete teveel nutriënten TOTAAL

adm. geldboete = administratieve geldboete wegens niet of laattijdig indienen van de betrokken aangifte ggob = gewestgrensoverschrijdend bedrijf N.B.: de kolom "Ontvangsten" bevat de totale ontvangsten in 2002, verminderd met het totaal van de de terugbetalingen van 2002, vermeerderd met de onverschuldigde ontvangsten van vorige jaren die per 31/12/2001 nog niet waren terugbetaald en verminderd met de onverschuldigde ontvangsten die per 31/12/2002 nog niet zijn terugbetaald.

een heffing opgelegd voor een totaalbedrag van 707.032 EUR. Van dit bedrag stond per 31/12/2002 nog 74.820,52 EUR open. Begin 2003 wordt deze superheffing voor aanslagjaar 2002 opgelegd.

SUPERHEFFING NUTRIËNTENHALTE Naast voornoemde superheffing wordt aan elk bedrijf dat meer produceert dan zijn nutriëntenhalte ("mestquotum") een andere superheffing opgelegd. Deze wordt berekend op het verschil van de geproduceerde mest en de nutriëntenhalte, uitgedrukt in kg stikstof en kg fosfaat. Dit verschil wordt vermenigvuldigd met 0,99 EUR per kg stikstof en 0,99 EUR per kg fosfaat (art. 21, § 6, 1° van het mestdecreet). Onder voorbehoud van goedkeuring door het Vlaams parlement van de desbetreffende bepalingen van het Mestdecreet gaat deze superheffing in per 01/01/2002, zodanig dat overschrijdingen van de nutriëntenhalte vanaf productiejaar 2002 met de superheffing zullen worden gesanctioneerd.

ADMINISTRATIEVE BOETES Artikel 25 van het mestdecreet voorziet in administratieve geldboetes wegens laattijdige betaling van de heffingen (o.a. de superheffingen) (§ 1), lozing van mest (§ 2), wanneer een aangifte niet of laattijdig werd ingediend (§ 3), wanneer de afzet van mestoverschotten niet werd bewezen (§§ 4, 7 en 8)

of wanneer te veel nutriënten op cultuurgrond werden opgebracht (§ 5). Voor het aanslagjaar 2002 werd de boete wegens het niet of laattijdig indienen van de aangifte producent/gebruikers opgelegd voor een totaalbedrag van 81.325,00 EUR en van de aangifte ggob/invoerders voor een totaalbedrag van 5.000,00 EUR. De boete wegens niet bewezen mestafzet bedroeg 411.188,57 EUR en deze wegens te veel nutriënten 71.126,67 EUR. Deze bedragen houden rekening met de kwijtscheldingen en verminderingen die de Mestbank ingevolge gegronde bezwaarschriften heeft toegekend. Van deze boetes stond per 31/12/2002 nog respectievelijk 57.050,00 EUR, 3.253,03 EUR, 356.913,00 EUR en 57.825,00 EUR open.

Co n t r o l e e n t o e z i c h t CONTROLEACTIEPLAN 2002 Naast de basiscontroles van mestbalansen, behandelen van klachten en uitvoering van parketopdrachten (kantschriften) lag in 2002 het accent op een grondige doorlichting van een aantal erkende mestvoerders. Het betrof hierbij een administratieve doorlichting aangevuld met controle op het effectieve transport aan de hand van tachograafschijven. De gewestoverschrijdende mesttransporten (export/ import) werden in samenwerking met zowel de fede-

63


JAARVERSLAG 2002

RESULTATEN

rale als Nederlandse politie en parketten specifiek gecontroleerd.

In 2002 werden 1.725 controleacties uitgevoerd. Naar aanleiding van de controleacties werden er 1.046 PV’s en 679 IV’s opgesteld. In vergelijking met 2001 zijn er 259 minder controleacties uitgevoerd. Het arbeidsintensieve karakter van de doorlichting van erkende mestvoerders heeft aanleiding gegeven tot een daling van het aantal opgelegd PV’s en IV’s. Er werden 198 PV’s en 81 IV’s minder opgesteld.

Ook de cultuurgronden werden onder de loep genomen. Op basis van de registratie werden er een aantal verdachte percelen op het terrein gecontroleerd. In het najaar werd toegezien op het naleven van de beheersvoorwaarden door landbouwers die beheerovereenkomsten water en natuur hebben gesloten met de VLM. Gezien het belang van correcte aanwending dierlijke mest naar de vermindering van ammoniakverliezen toe bleef toezicht op de emissiearme opbrenging van mest ook in 2002 belangrijk.

figuur 1 |

Van de 679 opgestelde PV’s waren er 330 waarbij een overtreding op het mestdecreet werd vastgesteld. De resterende processen verbaal zijn de PV’s van staalname en de navolgende PV’s met aanvullende informatie in verband met de reeds vastgestelde overtredingen. Het gemiddeld aantal voltijds controleurs is afgenomen tot 27 t.o.v. 30 in 2001 op een voorzien aantal van 33.

relatieve verdeling van de vastgestelde overtredingen 8%

2%

andere

In figuur 1 wordt de relatieve verdeling van de vastgestelde overtredingen gegeven. Inbreuk op de aangifteplicht is de belangrijkste vastgestelde overtreding. Dit aangevuld met de inbreuken tegen de vervoersreglementeringen, de overbemestingen en de niet-bewezen mestafzet vormen samen 70 % van de overtredingen. Tegenover 2001 stellen we een toename van 3 % vast van overtredingen op niet bewezen mestafzet en een stijging van 6 % van overbemesting. De verplichtingen ivm de verschillende registers werden beter nageleefd (daling met 5 %).

inbreuk op vervoersreglementen

20%

overbemesting 18%

registerplicht niet bewezen mestafzet emissiearme aanwending

1% 7%

lozing 6%

uitrijregeling

18% aangifteplicht 14% heffingsontduiking

6%

tabel 11 |

Controles 2002 aantal inspecties

CD-Brussel (W-BRA) Diest (LIMB/O-BRA) Herentals (Antw) Gent (O-VL) Brugge (W-VL) Totaal

tabel 12 |

130 317 286 365 627 1.725

totaal IV's

totaal PV’s

mest on-

interne vraag

82 206 127 277 354 1.046

48 111 159 88 273 679

balans 6 35 34 23 140 189

2 30 28 30 152 210

aanleiding controle kantsamenklacht schrift werking specifieke parket andere acties 9 45 23 32 75 158

12 67 11 16 89 152

diensten 0 0 3 1 29 26

57 56 201 131 174 579

ad hoc

44 53 65 84 241 417

Administraties boetes 2002

oorsprong administratieve geldboete Mestafzet Overbemesting Lozingen Totaal

64

| tabel 11

aantal

46 20 28 94

aanvankelijk uitgeschreven geldboete 512.469 73.598 70.000 656.067

bezwaar procedure lopende 225.399 0 0 225.399

bezwaar behandeld

reeds betaald

openstaande bedragen

101.162 58.051 31.707 190.920

61.974 18.561 19.228 99.763

389.954 52.300 12.478 454.732


MESTBANK

Tabel 12 biedt een overzicht van het totaal aantal opgelegde administratieve geldboetes. Het aantal behandelde dossiers administratieve geldboetes is meer dan verdubbeld (38 in 2001). De na de bezwaarprocedure effectief te innen bedragen zijn met een factor 1.5 gestegen.

Toezicht op staalname nitraatresidu

SPECIFIEKE OPDRACHTEN 2002

Opleiding inspecteurs

Erkende mestvoerders Een 21-tal erkende mestvoerders werden in de loop van 2002 doorgelicht. In totaal werden 2.191 mestafzetdocumenten grondig gecontroleerd. Bij 7 grotere erkende mestvoerders werd door middel van een tachograafschijf analyse het effectief transport nagezien. Bij deze transporten werd op deze wijze nagegaan of de gemelde transporten daadwerkelijk hadden plaatsgevonden. De Mestbank heeft meegewerkt aan een door de Vlaamse en Nederlandse parketten gecoördineerde actie gericht naar de grensoverschrijdende afvaltransporten (GRASS). In samenwerking met OVAM en de Federale politie werden er 17 controles uitgevoerd.

Beheerovereenkomsten In het najaar van 2002 werd bij 82 bedrijven, op 2002 hoofdovereenkomsten en 1.415 percelen, toezicht uitgeoefend op het naleven van de beheervoorwaarden zoals opgenomen in de gesloten beheerovereenkomsten De controle gebeurde in het kader van de beheerovereenkomsten natuur op perceelsniveau. Voor de beheerovereenkomsten water werden de bemestingsregisters en -plannen gecontroleerd.

Cultuurgronden Voor 266 percelen is nagegaan of de door de landbouwers geregistreerde percelen effectief als cultuurgrond uitgebaat werden. Bijzondere aandacht ging naar luchthavens, industrieterreinen, dijken, bermen van autosnelwegen, beboste percelen.

Emissiearme aanwending Gezien het belang van de emissiearme aanwending in de beperking van de ammoniakemissie door de landbouw ging in 2002 bijzondere aandacht naar het naleven van bepalingen i.v.m. de emissiearme aanwending van meststoffen (injectie op grasland, tijdig onderwerken). Deze actie die zowel tijdens weekends als ’s avonds doorging verklaart voor een deel de stijging van 4 % vastgestelde overtredingen op deze bepaling.

Om een representatief bodemstaal en correcte analyseresultaten te bekomen is het essentieel dat het compendium van staalname correct wordt nageleefd. Er werden onaangekondigde controles van 50 staalnemers uitgevoerd. Er werd één staalnemer geschorst.

Ook in 2002 werden er opleidingen gegeven aan de inspecteurs. Naar aanleiding van de controle op beheersovereenkomsten kregen de controleurs eerst een interne opleiding. Ter ondersteuning van de inspecteurs werd een praktische opleiding omgaan met agressie gegeven.

PV/IV-databank Op vraag van de cel controle heeft de informatica cel van de VLM een PV/IV databank ontwikkeld. Controles kunnen op deze wijze effectiever ingepland en het inspectieresultaat digitaal bijgehouden worden.

Beleidsondersteuning In het kader van Beter Bestuurlijk Beleid wordt gewerkt aan een decreet ivm handhaving en een besluit ivm erkenningen van laboratoria en staalnemers. De Mestbank heeft in 2002 op constructieve wijze meegewerkt aan de opbouw van het Handhavingsdecreet (8 vergaderingen) en aan de opstelling van een uniforme erkenningswetgeving en aflijning van de parameterpakketten (12 vergaderingen).

Ve r g u n n i n g e n en nutriëntenhalte ADVISERING MILIEUVERGUNNINGEN In 2002 waren er geen wijzigingen in het vergunningenbeleid ten opzichte van het jaar 2002. Het principe van algemene stop op de uitbreiding van veeteeltbedrijven was nog steeds onverminderd van toepassing. Bij elke adviesvraag wordt nagegaan of de inrichting beschouwd kan worden als bestaande veeteeltinrichting, wat de vergunde productie is, of de aanvraag een stijging van de vergunde mestproductie inhoudt en of de mestwetgeving werd gerespecteerd door de aanvrager.

65


JAARVERSLAG 2002 Nieuw voor de praktische uitvoering van de adviseringstaak van de VLM was het feit dat op 9 januari 2002 het besluit ter uitvoering van het vergunningenbeleid van MAP-II bis in voege kwam. Dit “vergunningenbesluit” hield geen inhoudelijke wijzigingen van het vergunningenbeleid in, maar gaf wel een betere juridische onderbouwing en een verfijning van de beoordelingscriteria.

Adviesvragen in 1ste aanleg en in beroep Tabel 13 geeft een overzicht van het totaal aantal adviesvragen in 2002, opgesplitst in klasse 1 en 2 vergunningenaanvragen, mededeling van kleine veranderingen en meldingen van overnames, evenals de adviesvragen in beroepsdossiers. Ten opzichte van het jaar 2001 was er een daling met 10 % van het aantal verleende adviezen. In 2001 was er een stijging met 21 % ten opzichte van 2000. Deze daling is voor het grootste gedeelte toe te schrijven aan een merkelijke daling van het aantal klasse-II aanvragen. Het aantal klasse-I aanvragen en het aantal meldingen van verandering steeg daarentegen nog lichtjes. Op te merken valt dat de hernieuwingsaanvragen van de varkenshouderijen waarvoor de vergunning vervalt in december 2003 veelal tot eind december 2002 werden ingehouden daar vele exploitanten hoopten op een aanpassing van de VLAREM-II-

tabel 13 |

afstandsregels. Daar de advisering van deze dossiers gebeurt in 2003 komen deze dossiers nog niet in het overzicht van 2002 voor. Naast deze adviezen in het kader van de normale VLAREM-procedure werden er nog een 15-tal adviezen verleend in het kader van het heropenen van milieuvergunningsdossiers na vernietiging door de Raad van State. Er werden ook nog voor 19 hangende ARAB- beroependossiers adviezen verleend.

Beroepen VLM Tabel 14 bevat een overzicht van het aantal beroepen dat door de VLM in 2002 werd aangetekend. In 2002 is er een daling met 20 % van het aantal beslissingen waartegen door de VLM beroep werd ingesteld ten opzichte van 2001 (103 beroepen tegenover 127 beroepen in 2001). Ook verhoudingsgewijs ten opzichte van het aantal te adviseren dossiers in eerste aanleg is er een lichte daling van het aantal beroependossiers (7 % van de dossiers tegenover 8 % van de dossiers in 2001). Dit wijst erop dat het vergunningenbeleid in 2002 nog steeds behoorlijk werd opgevolgd door de bevoegde overheden. Er diende hoofdzakelijk beroep ingesteld te worden tegen beslissingen van het College van Burgemeester en Schepenen (14 % van de dossiers). De

Adviesaanvragen 2002 Antwerpen

Vl. Brabant (PAD)

Vl. Brabant (CDB)

West-Vl.

Oost-Vl.

Limburg

Totaal

65 26

35 6

12

231 17

201 33

61 12

605 94

67 16

15 1

220 19

77 16

29 6

408 58

43

14

23

267

110

20

477

132 349

29 100

15 50

286 1.040

174 611

92 220

728 2.370

Antwerpen

Vl. Brabant (PAD)

Vl. Brabant (CDB)

West-Vl.

Oost-Vl.

Limburg

Totaal

1 1

2 2

11 31 42

2 27 29

6

20 83 103

19

5 6

2

23 42

18 29

4 6

Klasse II aanvraag

adviezen eerste aanleg adviezen in beroep Klasse I aanvraag

adviezen eerste aanleg adviezen in beroep Melding verandering

verleende adviezen Melding overname

verleende adviezen Totaal verleende adviezen

tabel 14 |

Aantal beroepen

Klasse-indeling

Klasse I Klasse II Totaal

7 16 23

Soort aanvraag

hernieuwing nieuwe inrichting (*) overname verandering Totaal

66

6 0 0 17 23

1 1

2 2

32 6 0 65 103


MESTBANK

besluiten in eerste aanleg van de Bestendige Deputaties (klasse I) zijn meestal conform de mestwetgeving (in slechts 5 % van de dossiers wordt in beroep gegaan). Deze tendens, die zich ook in 2001 voordeed, is waarschijnlijk ook deels te verklaren door het feit dat Klasse-I dossiers ook besproken worden met de andere adviesverlenende instanties in de Provinciale Milieuvergunningscommissies.

Opvolging gemeentelijke productiedruk De evolutie van de vergunde productiedruk werd zoals in de voorgaande jaren nauwkeurig opgevolgd door de Mestbank. In 2002 werden de gegevens verwerkt van de evolutie van de vergunde productie in het kalenderjaar 2001. De resultaten hiervan werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 20 december 2002. De tendens van de voorbije jaren heeft zich opnieuw verder gezet. Er is nog ongeveer 168.000 kg P2O5 geregistreerd als bijkomend vergund. Het betreft hier uitsluitend regularisaties van niet-vergunde of onvoldoende vergunde inrichtingen. Er was echter ook een vermindering van de vergunde productie van bijna 360.000 kg P2O5. Netto is de vergunde productie met bijna 192.000 kg P2O5 gedaald. De “geactualiseerde vergunde productie” bedroeg eind 2001 79.859.446 kg P2O5. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat gelet op de berekeningswijze van de “geactualiseerde vergunde productie” die gedefinieerd is in artikel 33 van het mestdecreet deze niet de werkelijke vergunde productie weergeeft.

NUTRIËNTENHALTE Behandelde dossiers in 2002 Tengevolge de decreetswijziging van 8 december 2000 en de aanpassing van het bijbehorende uitvoeringsbesluit, kon de bezwaarprocedure voorzien bij de toekenning van de nutriëntenhalte niet volledig afgerond worden in 2001. De resterende dossiers werden afgerond in de loop van 2002. In 2002 werden in totaal 6.788 dossiers afgehandeld en verstuurd door de Mestbank. In het kader van de bezwaarprocedure van de toekenning van de nutriëntenhalte werden nog 47 initiële bekendmakingen (op vraag van de producent), 212 verzoekschriften en bezwaren die door de Mestbank behandeld konden worden, 2.075 beslissingen van de minister, 79 herverdelingen van de nutriëntenhalte en 31 kennisgevingen (bij meerdere producenten op één inrichting), behandeld en verstuurd.

Daarnaast werden nog 319 ambtshalve herzieningen verstuurd door de Mestbank. Het betreft inrichtingen waarvan Mestbank vaststelde dat de oorspronkelijk toegekende nutriëntenhalte hoger was dan waarvoor er een milieuvergunning was (233) en inrichtingen waarbij de nutriëntenhalte om een of andere reden foutief was toegekend (86). Er werden 41 dossiers behandeld waarbij de producent op basis van de wetgeving een nutriëntenhalte van 85 % van de milieuvergunning aangevraagd had. Het betreft hier vooral aanvragen van maneges en paardenhouders. In de loop van 2002 werd aan 3.984 producentgebruikers een correctie aan de hun toegekende nutriëntenhalte overgemaakt. Deze correctie was het gevolg van de aanpassing van de uitscheidingscijfers voor zeugen excl. biggen en voor opfokpoeljen.

Globaal resultaat van de verzoekschriften behandeld door de mestbank In totaal hadden eind 2002 (inclusief de verzoekschriften ingediend in 2000 en 2001) 7.472 verschillende producent-gebruikers een verzoekschrift ingediend (= 19 % van het aantal die een initiële berekening hebben gekregen). Hiervan zijn er door de Mestbank 3.469 (46 %) gegrond, 3.805 (51 %) ongegrond en 222 (3 %) onontvankelijk verklaard. Hiervan hebben er 839 een tweede maal een dossier kunnen indienen bij de Mestbank (hetzij tengevolge van de decreetswijziging van 8 december 2000, hetzij omdat in eerste instantie geen nutriëntenhalte toegekend was). Eind 2002 waren alle dossiers in het kader van de bezwaarprocedure afgehandeld door de Mestbank. Ingevolge de bij de Mestbank behandelde verzoekschriften werd, een extra nutriëntenhalte toegekend van ruim 5,5 miljoen kg P2O5 en 13 miljoen kg N bovenop de initieel toegekende nutriëntenhalte van 84,3 miljoen kg P2O5 en 206 miljoen kg N.

Resultaat van de bezwaren afgehandeld door de minister (tot 31 december 2002) In totaal werden in 2002 2.559 bezwaren ingediend bij de minister. Dit betekent dat ongeveer 34 % van het aantal producent-gebruikers die bij de Mestbank een verzoekschrift hadden ingediend, verder in beroep gegaan zijn bij de minister.

67


JAARVERSLAG 2002 Ten opzichte van het totaal aantal producent-gebruikers waaraan een bekendmaking van de nutriëntenhalte werd overgemaakt, is ongeveer 6,5 % van de producent-gebruikers in beroep gegaan bij de minister tegen de aan hen door de Mestbank toegekende nutriëntenhalte. Eind 2002 waren tevens 2.491 (97,5 %) bezwaren bij de minister afgehandeld op een totaal van 2.559 ingediende bezwaren. Hiervan werden er 508 (20 %) gegrond bevonden door de minister, 1968 (79,5 %) ongegrond en 15 (< 1 %) onontvankelijk bevonden. Door de minister werd nog een extra nutriëntenhalte toegekend van bijna 360.000 kg P2O5 en 865.000 kg N.

Effect van overige dossiers op de toegekende nutriëntenhalte. De 3.984 dossiers die in 2002 opgestuurd werden om de nutriëntenhalte te corrigeren ingevolge de wijziging van de uitscheidingsnormen, vertegenwoordigden een extra nutriëntenhalte van 304.000 kg P2O5 en 493.000 kg N. Hierbij moet opgemerkt worden, dat ook via de normale bezwaarprocedure een aantal correcties van de uitscheidingsnormen doorgevoerd werden. Er werd een gunstig gevolg gegeven aan 38 van de 41 ingediende dossiers met betrekking tot het verkrijgen van een hogere nutriëntenhalte op basis van 85 % van de milieuvergunning. Dit verhoogde de nutriëntenhalte met een kleine 30.000 kg P2O5 en bijna 68.000 kg P2O5.

68

Eind 2002 (2001 inbegrepen) was reeds bij 407 producenten een ambtshalve herziening doorgevoerd. In het merendeel van de gevallen (72 %) werd vastgesteld dat de toegekende nutriëntenhalte hoger was dan de milieuvergunning. In totaal werd ingevolge ambtshalve herzieningen 731.000 kg P2O5 en 1.639.000 kg N aan initieel toegekende nutriëntenhalte opnieuw ingetrokken.

Situatie toegekende nutriëntenhalte op 31 december 2002 | t a b e l 1 5 Op 31 december 2002 bedroeg de totale toegekende nutriëntenhalte 89,8 miljoen kg P2O5 en 218,8 miljoen kg N. Tabel 15 bevat een overzicht van de toegekende nutriëntenhalte per provincie. In deze getallen zijn alle tot 31/12/2002 besliste dossiers verwerkt. In dit getal zijn nog geen gegevens verwerkt met betrekking tot de intrekking van de nutriëntenhalte in het kader van het stopzettingsdecreet (zie verder).

ADVISERING STOPZETTINGSDOSSIERS In 2002 werd de tweede opkoopperiode in het kader van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest afkomstig van varkens doorgevoerd. De afdeling Land- en tuinbouwondersteuningsbeleid van de administratie Land- en Tuinbouw (ALT) van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap staat in voor de behandeling van de aanvragen.


MESTBANK

De berekening van de stopzettingsvergoeding gebeurt op basis van de meest recente mestbankaangifte, de toegekende nutriëntenhalte en de milieuvergunning. De ALT vraagt deze gegevens op bij de Mestbank ter controle van de door de landbouwer ingediende aanvraag tot stopzetting. In 2002 werden door de Mestbank 273 dossiers geadviseerd in het kader van de tweede opkoopperiode inzake varkensafbouw. In 2002 werden nog geen ambtshalve herzieningen in het kader van de stopzetting doorgevoerd.

• Strategisch project nr. 4 : wetgevingsproject bronnencontrole • Milieu Overleg Lokale overheden (MILO) In 2002 werden naar aanleiding van parlementaire vragen door de Mestbank verschillende toelichtingen gegeven in de Commissie Leefmilieu van het Vlaams Parlement met betrekking tot de problematiek van de nutriëntenhalte.

Beleidsmatige aspecten MESTVERWERKING

BELEIDSONDERSTEUNING EN SAMENWERKING MET ANDERE OVERHEDEN In 2002 werd vanuit de cel Vergunningen aan volgende beleidsondersteunende fora deelgenomen: • ‘Technisch Overleg Milieuregelgeving (TOM) . Dit is een permanent overlegorgaan van de diverse betrokken overheidsdiensten. Het heeft tot doel het oplossen van lacunes, overlappingen en tegenstrijdigheden in de uitvoering, handhaving en beleid inzake milieuregelgeving. • De werkzaamheden van de TOM-werkgroep ‘Inrichting en MTE (I7) werden in 2002 afgerond en omgezet in een TOM-advies. Daarnaast werd nog deelgenomen aan een TOM-werkgroep over het van rechtswege vervallen van de milieuvergunning. • Voorbereiding van de herziening van de VLAREMreglementering (VLAREM – grote trein)

Wettelijk vastgelegde mestverwerkingsplicht Mestverwerking is de derde pijler van het mestdecreet welke als doelstelling heeft 50 % van de bedrijfsmatige overschotten in Vlaanderen weg te werken. Om deze doelstelling te realiseren is er in het mestdecreet een mestverwerkingsplicht ingebouwd, waarbij de hoeveelheid mest die moet worden verwerkt, gradueel wordt opgebouwd tot een maximum in 2003. De verplicht te verwerken mest wordt uitgedrukt in een percentage overschot dat moet worden verwerkt. Het percentage verschilt per jaar en per productieklasse van een bedrijf. Een overzicht wordt gegeven in tabel 16. Tabel 17 geeft een overzicht van de te verwerken mest in Vlaanderen en per provincie in 2003, uitgedrukt in ton mest op basis van een vooropgestelde mestproductie van 80 miljoen kg P2O5. Tabel 18

69


JAARVERSLAG 2002 geeft een overzicht van de verwerkingsplicht in de periode van 2000-2003, uitgedrukt in kg P2O5 eveneens op basis van een vooropgestelde productie van 80 miljoen kg P2O5. Dit getal van 80 miljoen kg P2O5 is een geschatte productie in 2003 dat geen rekening houdt met de mestuitscheidingsbalansen. Indien hiermee wel rekening wordt gehouden kan men stellen dat voor wat betreft fosfaat de te verwerken hoeveelheid ongeveer 13,5 miljoen kg

tabel 15 |

Toegekende nutriĂŤntenhalte per provincie (situatie op 31 december 2002)

Provincie Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant West-Vlaanderen Totaal Vlaanderen

tabel 16 |

kg P2O5 16.643.901 9.124.956 20.366.978 4.967.389 38.714.950 89.818.175

2002 15 30 45 60

2003* 30* 45* 60* 75*

Varkens (ton) 500.000 70.000 1.300.000 400.000 120.000 2.390.000

2002 1.913.478 0 3.545.953 1.115.081 446.614 7.021.126

2003 4.823.337 495.216 8.401.543 3.167.764 2.519.914 19.407.774

Pluimvee (ton) 120.000 10.000 140.000 50.000 45.000 365.000

2000 502.438 0 974.519 234.532 75.987 1.787.476

2001 723.996 0 1.437.239 326.982 112.752 2.600.969

Verwachte verwerkingsplicht in 2003 in kg P2O5 rekeninghoudend met de mestuitscheidingsbalansen (aanpak aan de bron)

Provincie Antwerpen Vlaams-Brabant West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen Limburg Totaal

70

2001 15 30 45

Verwerkingsplicht per jaar in kg P2O5 op basis van gegevens van 1999

Provincie/jaar Antwerpen Vlaams-Brabant West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen Limburg Vlaanderen

tabel 19 |

2000 15 15 30

Verwerkingsplicht in 2003 per mestsoort

Provincie Antwerpen Vlaams-Brabant West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen Limburg Vlaanderen

tabel 18 |

kg N 40.134.595 22.221.195 51.137.791 13.469.425 91.891.250 218.854.256

Percentage van het bedrijfsmatige mestoverschot dat verwerkt moet worden

Mestproductie (kg P2O5) 7.500-10.000 10.000-12.500 12.500-15.000 meer dan 15.000

tabel 17 |

bedraagt i.p.v. de in tabel 18 vermelde 19,4 miljoen kg fosfaat. In tabel 19 vindt u de verwachte verwerkingsplicht in 2003 in kg P2O5 rekeninghoudend met de mestuitscheidingsbalansen. Hierbij werd er geen rekening gehouden met mogelijke bedrijfsmutaties die kunnen optreden waardoor de verwerkingsplicht nog hoger kan liggen. Uit tabel 19 blijkt dat rekeninghoudend met de uitscheidingsbalansen de verplicht te verwerken hoeveelheid fosfaat een

Varkens 1.550.000 150.000 3.750.000 1.400.000 500.000 7.350.000

Pluimvee 1.750.000 100.000 2.150.000 850.000 600.000 5.450.000

Rundvee 150.000 300.000 100.000 550.000

Totaal 3.450.000 250.000 6.200.000 2.350.000 1.100.000 13.350.000


MESTBANK Milieuvergunningsdossiers met mestverwerkingsinstallaties

tabel 20 |

Limburg 6 3 1 2

aantal vergunningdossiers vergunning verleend vergunning geweigerd vergunning in behandeling

Vl-Brabant 2 1 1 0

West-Vl 142 100 1 41

Oost-Vl 39 34 2 3

Antwerpen 30 20 4 6

TOTAAL 219 158 9 52

Vergunde productie (in ton) op basis van verleende milieuvergunningen

tabel 21 |

Vergund (in ton/jr) W-Vl O-Vl Lim Vl-Br Antwerpen TOTAAL

Hoeveelheid (ton/jr) 1.826.215 450.927 135.400 11.000 509.350 2.932.892

varkens 1.162.418 133.281 14.900 0 277.050 1.587.649

varkens (dik) 192.240 52.000 70.000 0 35.000 349.240

pluimvee 360.850 246.195 50.500 0 35.000 692.545

Rundvee 0 0 0 0 0 0

kalvergier 0 1.745 0 11.000 130.300 143.045

Gemengd* 110.707 17.706 0 32.000 160.413

*verwerking verschillende mestsoorten zonder vermelding capaciteit per mestsoort

tabel 22 |

Capaciteit van dossiers in aanvraag Hoeveelheid (ton/jr) 975.800 18.500 1.900 0 20.640 1.016.840

W-Vl O-Vl Lim Vl-Br Antwerpen TOTAAL

tabel 23 |

pluimvee 7.000 0 0 0 2.400 9.400

Rundvee 0 0 0 0 6.000 6.000

Geweigerd/geschorst 1 2 1 1 4 9

Totaal 142 39 6 2 30 219

kalvergier 0 0 0 0 0 0

gemengd 120.500 0 0 0 0 120.500

Aantal vergunningsdossiers

Aantal dossiers W-Vl O-Vl Lim Vl-Br Antwerpen TOTAAL

tabel 24 |

varkens varkens (dik) 848.300 0 18.500 0 950 950 0 0 12.240 0 879.990 950

Aanvraag 41 3 2 0 6 52

Vergund 100 34 3 1 20 158

Aantal vergunningsdossiers

Mestsoort Varkensmest

Verwerking van dunne ĂŠn dikke fractie

Operationele mestverwerkingscapaciteit (ton/jaar) 1 september 2002 31 december 2002 2.800 57.700

Gedeeltelijke verwerking van de dunne fractie

26.843

Verwerking van de dikke fractie

119.400*

Pluimveemest

Kalvergier

283.460*

40.150

Minimum 37.587, rest is afhankelijk van het aantal operationele projecten Minimum 166.900, rest is afhankelijk van bekomen bouwvergunning van een aantal projecten 420.760 afhankelijk van bekomen bouwvergunning 40.150

Medio 2003 Onbekend, is afhankelijk van het aantal operationele projecten Onbekend, is afhankelijk van het aantal operationele projecten Onbekend, is afhankelijk van het aantal operationele projecten 433.260 ton op jaarbasis afhankelijk van bekomen bouwvergunning 80.300 ton op jaarbasis

* Stuk invulling door niet-Vlaamse mest is mogelijk. (Bron: VCM)

71


JAARVERSLAG 2002 stuk lager ligt dan wanneer hier geen rekening mee wordt gehouden. Het is van belang te vermelden dat deze cijfers enkele berekend zijn op basis van de hoeveelheid mest die verplicht moet worden verwerkt conform de bepalingen van het decreet. In realiteit zal dit cijfer wellicht hoger liggen daar de afzetruimte in Vlaanderen beperkt is en door de uitbreiding van de kwetsbare gebieden in 2003 verder wordt beperkt, waardoor wordt verwacht dat een gedeelte ‘niet verwerkingsplichtige mest’ ook zal moeten worden verwerkt, aangezien geen afzet kan worden gevonden. Het is moeilijk om nu reeds deze hoeveelheid in te schatten. Verwerkingsplichtige bedrijven in 2002

Mestverwerkingsinitiatieven

- 99 % voor pluimveemest - 100 % voor kalvergier • van de aangevraagde doch niet vergunde capaciteit: - 50 % voor de verwerking van varkensmest - 100 % voor de verwerking van dikke fractie van varkensmest - 100 % voor de verwerking pluimveemest - 0 % voor de verwerking kalvergier Uit de enquête blijkt dat voor wat betreft pluimveemest de doelstelling (tabel24) zal worden bereikt en dit in tegenstelling tot de capaciteit voor varkensmest, welke naar schatting medio 2003 naar verwachting ver onder de capaciteit zal liggen welke nodig is om de doelstelling van het mestdecreet te halen.

Vergunde situatie (milieuvergunningen)

Knelpunten In 2002 was er een verdere toename in het aantal vergunningsaanvragen voor mestverwerkingsinitiatieven. Tabel 20 geeft een overzicht van het totaal aantal milieuvergunningdossiers m.b.t. mestverwerkingsinstallaties gekend bij de Mestbank in december 2002. In totaal werden reeds 219 dossiers ingediend waarvan 158 een vergunning hebben bekomen, 9 milieuvergunningen werden geweigerd of geschorst en 52 zijn in behandeling. Op basis van de verleende milieuvergunningen was er eind 2002 een vergunde capaciteit van in totaal een kleine 3 miljoen ton mest, waarvan ruim 1,5 miljoen ton ruwe varkensmest, 350.000 ton dikke fractie varkensmest, 690.000 ton pluimveemest en ruim 140.000 ton kalvergier. De exacte gegevens zijn weergegeven in tabel 24.

Operationele capaciteit (op basis van enquête VCM) Het Vlaams Coördinatiecentrum Mestverwerking (VCM), waarvan de Mestbank het voorzitterschap waarneemt, heeft in de zomer van 2002 een enquête gehouden onder de vergunninghouders van mestverwerkingsinstallties met als doel te peilen naar de operationaliteit van deze installaties. Van de 136 aangeschreven bedrijven hebben er 88 gereageerd (64 %). Uitgedrukt in verwerkingscapaciteit vertegenwoordigen deze 88 bedrijven: • van de vergunde capaciteit: - 85 % voor de verwerking van varkensmest - 100 % voor de verwerking van dikke fractie varkensmest

72

De voornaamste knelpunten situeren zicht bij de milieuvergunningen, de beschikbare technologie, financieringsmogelijkheden en de eindproducten. Vergunningsmatig is het vaak moeilijk om een bouwvergunning te bekomen, zijn de aanvraagtermijnen voor het bekomen van een milieu- en bouwvergunning vaak lang en de te halen milieunormen worden als te streng beschouwd. De technologie is nieuw en kampt met vele kinderziekten, waardoor vele veelbelovende technieken nog niet volledig praktijkrijp zijn. Er wordt verwacht dat in de loop van 2003 wat dit betreft grote vooruitgang wordt geboekt. Het zuiveren tot loosbaar effluent is technisch zeer moeilijk en duur. Banken en kredietverstrekkers staan sceptisch tegenover het financieren van mestverwerking. De technologie heeft zich nog niet echt bewezen en de rendabiliteit van mestverwerking wordt in vraag gesteld. De bevoegdheden voor wat betreft de bekomen eindproducten zijn versnipperd over verschillende administraties (Mestbank, Ovam, Federaal Agentschap voor de Voedselveiligheid en de federale overheidsdiensten in het beleidsdomein Volksgezondheid), waardoor de te doorlopen procedures bij deze verschillende administraties vooraleer een eindproduct kan worden geëxporteerd vaak ingewikkeld en omslachtig zijn. De geblokkeerde afzet van mest naar Wallonië vormt een groot probleem voor wat betreft de potentiële afzet van dikke fractie van mest.


MESTBANK

Als gevolg van de toenemende afzet van dunne fractie van varkensmest afkomstig van de mestscheiding, moet worden vermeden dat dit op termijn leidt tot verzilting met als gevolg hiervan landbouwkundige beperkingen bij de gewasteelt.

Wat doet de Mestbank inzake mestverwerking? De taken van de Mestbank liggen zowel op beleidsmatig en administratief vlak als op het terrein. In 2002 werden volgende accenten gelegd: Beleidsmatig

De Mestbank heeft initiatieven genomen om de procedure voor kleinschalige verwerking op inrichtingsniveau sterk te vereenvoudigen (o.a. mestscheiders), wat in samenspraak met andere administraties leidde tot een voorstel tot wijziging van Vlarem dat eind 2002 klaarlag om voor te leggen aan de Vlaamse regering. In samenwerking met het kabinet en vertegenwoordigers van de veevoedersector werden eerste gesprekken gevoerd om het Cu en Zn gehalte in de veevoeders te verlagen, zodat het gehalte aan Cu en Zn in het eindproduct van de mestverwerking eveneens daalt en een erkenning als secundaire grondstof, waarvoor strenge voorwaarden gelden voor wat betreft Cu en Zn gehalte, mogelijk wordt. De Mestbank overlegt met het Ministerie van Landbouw en OVAM om tot een eenduidige procedure te komen m.b.t de export van eindproducten. Onder impuls van de Mestbank werd een voorstel uitgewerkt om de BTW m.b.t. mestverwerking te verlagen van 21 % naar 6 %. Het voorstel was eind

2002 klaar om voorgelegd te worden aan de bevoegde minister. Er werd een voorstel uitgewerkt om VLIF-steun voor kleinschalige mestverwerkingsinstallaties mogelijk te maken. Het dossier zit nu op kabinetsniveau. De Mestbank werkt momenteel in overleg met het kabinet aan een regeling om substitutie mogelijk te maken en de LAT-plicht m.b.t bedrijven met een productie > 10 ton te vereenvoudigen. De Mestbank ijvert ook om de berekening van de verwerkingsplicht te vereenvoudigen. Momenteel

moet rekening gehouden worden met 5 activiteitenjaren voor de berekening van de verwerkingsplicht voor 1 jaar. De Mestbank heeft een voorstel voor vereenvoudiging uitgewerkt. De Mestbank is eveneens vertegenwoordigd in de Task Force Mestverwerking. Dit is een werkgroep onder het voorzitterschap van het kabinet van landbouw en leefmilieu, waarin alle betrokken overheidsadministraties op federaal en Vlaams niveau zijn vertegenwoordigd en waar aan de hand van concrete dossiers oplossingen worden gezocht voor knelpunten inzake mestverwerking. Terrein De Mestbank tracht zoveel mogelijk de voelsprieten uit te steken op het terrein om via die weg de wetgeving toe te lichten, knelpunten te detecteren en oplossingen voor te stellen. Dit gebeurt o.m. door volgende activiteiten: â&#x20AC;˘ Het communiceren met de sector via voorlich-

73


JAARVERSLAG 2002

74

tingsvergaderingen, studiedagen, door MestbankInfo’s en persberichten naast de dagdagelijkse telefonische ad hoc contacten en het ontvangen van bezoekers. • De Mestbank volgt alle technologische ontwikkelingen op de voet op en bezoekt regelmatig verwerkingsinstallaties. • De Mestbank heeft een onderzoeksproject opgestart m.b.t de valorisatie van effluenten in de landbouw (problematiek hoog zoutgehalte). Dit onder-

lichtingsdagen en avonden waarbij de mestverwerking binnen het mestbeleid wordt gekaderd en toelichting wordt gegeven over specifieke bepalingen in de wetgeving. • Voor wat betreft eindproducten heeft de Mestbank reeds heel wat inspanningen geleverd in concrete dossiers. Dit gaat van het evalueren van analyseresultaten tot het nemen van contact met ambassades en consulaten van potentiële landen van bestemming om tot een akkoord te komen voor

zoek moet leiden tot een code goede landbouwpraktijk voor het gebruik van deze resteffluenten. • De Mestbank neemt het voorzitterschap van het VCM waar, welke een bemiddelende rol speelt tussen de sector en de overheid en op die wijze reeds heel wat resultaten kon boeken in concrete dossiers. • De Mestbank participeert in alle overlegvergaderingen en verschillende werkgroepen m.b.t. specifieke problemen samen met initiatiefnemers. Deze vergaderingen hebben meestal plaats op het VCM, welke hierbij een bemiddelende rol vervult. • De Mestbank gaat regelmatig spreken op voor-

wat betreft de voorwaarden aan dewelke het eindproduct moet voldoen. • De Mestbank werkt nauw samen met het BBTkenniscentrum van het VITO m.b.t. BBT-technieken inzake mestverwerking. Administratief • Berekening verwerkingsplicht • Berekening verwerkingsaandeel installaties • Berekening superheffingen • Advisering milieuvergunningsaanvraag • Verwerken aangiftes bewerking en verwerking • Registreren van transporten van mest naar installaties en afvoer eindproducten


MESTBANK

TOEGEPAST WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK IN 2002

een nitraatresiduwaarde vastgelegd op 90 kg N/ha, te bepalen in de periode van 1 oktober tot 15 november in de bodem tussen 0 en 90 cm diepte.

Aanpak aan de bron In 2002 werd het project ‘Emissiepreventie in de landbouw door middel van nutriëntenbalansen’ (Universiteit Gent in samenwerking met het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek) afgerond. Het doel was een methode uit te werken waarbij een nutriëntenbalans kan worden opgesteld op bedrijfsniveau die wetenschappelijk betrouwbaar en praktisch uitvoerbaar is en dit voor zowel de varkens-, pluimveeen rundveesector. Deze bedrijfsbalans werd hierbij eveneens in de praktijk opgesteld in samenwerking met 40 landbouwbedrijven uit de verschillende sectoren. In 2002 werd de mineralenbalans als adviessysteem om landbouwers te begeleiden in het optimaliseren van hun nutriëntenbeheer gefinaliseerd en werd een handboek afgewerkt als begeleiding bij de werking rond mineralenbeheer en bij het sensibiliseren van de doelgroep. Daarnaast werden de mogelijkheden van mineralenbeheer bij een breder publiek gecommuniceerd. Het onderzoek toonde aan dat voor de verschillende sectoren belangrijke verbeteringen in efficiëntie gerealiseerd konden worden door middel van mineralenbalansen op bedrijfsniveau. Naast het gebruik van laagfosforvoeder en fasevoedering (varkens en pluimvee) konden ook op melkveebedrijven en rundveebedrijven de mineralenoverschotten op het landbouwbedrijf verminderd en de mineralenefficiënties verbeterd worden door middel van managementsaanpassingen zoals de reductie van de extra aanvoer van dierlijke mest, de verminderde aankoop van kunstmest en een betere uitbalancering van de energie-eiwitverhouding in de rantsoenen van de dieren. In 2002 werd ook een kortlopend project uitgevoerd ter opmaak van een nutriëntenbalans voor een slachtkuikenstal van de Provinciale Dienst voor Land- en Tuinbouw (PDLT) in Geel. In dit onderzoek werden alle onderdelen van de balans opgemeten (voeder, mest, mestopslag, NH3-emissies, …). Dit onderzoek beoogde een eerste indicatie te geven van de mogelijke factoren die de oorzaak zijn van het overschot op de nutriëntenbalansen (mestuitscheidingscijfers, mestsamenstellingscijfers, NH3vervluchtiging).

Oordeelkundige bemesting De nitraatresiduwaarde heeft als doelstelling de uitspoeling van nitraten naar grond- en oppervlaktewater te beperken tot minder dan 50 mg nitraat per liter in grond- en oppervlaktewater. Momenteel is

Ter evaluatie van deze nitraatresidunorm werd in 2002 de onderzoeksopdracht ‘Bepaling van de hoeveelheid minerale stikstof in de bodem als beleidsinstrument’ afgerond. Deze opdracht werd uitgevoerd door de Bodemkundige Dienst van België, de Katholieke Universiteit Leuven en de Universiteit Gent. De doelstelling van dit onderzoeksproject was een technische vertaling te bepalen van enerzijds de grenswaarde van de Europese Nitraatrichtlijn van 50 mg nitraat/l en anderzijds van de richtwaarde van 25 mg nitraat/l in grond- en oppervlaktewater, in een perceelsgewijze controleerbare nitraatstikstofresidunorm voor cultuurgronden. Verder diende men na te gaan in hoeverre een differentiatie van deze nitraatstikstofresidunorm in functie van bodemtextuur en gewas noodzakelijk is. Tevens diende nagegaan te worden met welk perceelsmanagement deze nitraatstikstofresidunormen kunnen gerespecteerd worden. De studie toonde aan dat een differentiatie van de nitraatresidunorm naar zandige bodems en niet zandige bodems en naar de teeltsoort vanuit wetenschappelijk oogpunt aan te bevelen is. Verder kan enkel een oordeelkundige bemesting garanderen dat de voorgestelde nitraatstikstofresidunormen gerespecteerd worden. Het eindrapport van deze studie werd in november 2002 bezorgd aan de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Landbouw. In het kader van de afbakening kwetsbare zones conform de Europese nitraatrichtlijn (91/676/EEG) wenst de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Landbouw voor Vlaanderen voor bepaalde zones een derogatieverzoek in te dienen. Dit derogatieverzoek behelst voornamelijk dat andere dan de in de richtlijn bepaalde bemestingshoeveelheid van 170 kg N/ha uit dierlijke mest, kan worden toegepast op voorwaarde dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de richtlijn. De wetenschappelijke onderbouwing van het derogatieverzoek werd in maart 2002 opgemaakt door het Projectconsortium (Bodemkundige Dienst van België – Katholieke Universiteit Leuven – Universiteit Gent) van de onderzoeksopdracht: ‘Bepaling van de hoeveelheid minerale stikstof in de bodem als beleidsinstrument’. Deze studie bepaalde welke gewassen onder welke voorwaarden vanuit wetenschappelijk oogpunt voor derogatie in aanmerking kunnen komen. Het eindrapport van deze studie werd in maart 2002 aan de Vlaamse Minister van Leefmilieu en

75


JAARVERSLAG 2002 Landbouw bezorgd en werd als basis gebruikt voor de uitwerking van het derogatieverzoek voor Vlaanderen.

Klimaatbeleidsplan 2002-2005 De Mestbank werkte mee aan de verdere uitwerking en opvolging van de projecten en maatregelen in het kader van het Klimaatbeleidsplan.

Mestverwerking Ter ondersteuning van de afzetmogelijkheden van de effluenten na mestbewerking (mestscheiding) werd eind 2002 een onderzoeksopdracht opgestart met betrekking tot de ‘Valorisatie van resteffluenten

Daarnaast werkte de Mestbank mee in overleggroepen met verschillende administraties teneinde een afstemming te vinden tussen administraties over het gebruik, de uitwisseling en de interpretatie van

afkomstig van mestverwerking’. Deze onderzoeksopdracht zal lopen tot eind 2004. De doelstelling van dit project is de landbouwkundige, milieukundige en bodemkundige effecten in de land- en tuinbouw na te gaan als gevolg van het gebruik van resteffluenten afkomstig van mestbewerking aan de hand van literatuurgegevens en vergelijkende veldproeven. Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt een code goede landbouwpraktijk m.b.t. het gebruik van deze resteffluenten opgemaakt.

gegevens en over de evaluatie van gebruikte modellen (Sentwa VMM, NH3-emmissiemodel VMM, MIRA-modellen).

Beleidsondersteuning en samenwerking met andere overheden

In 2002 werden de actieprogramma’s die deel uitmaken van het ammoniakreductieplan verder uitgevoerd. Emissiearme aanwending van mest, dat reeds een belangrijke bijdrage geleverd heeft tot het reduceren van de ammoniakemissie op Vlaams niveau (-19 kton NH3) blijft een belangrijk aandachtspunt. Binnen het mestdecreet werd een wijziging voorbereid die het gebruik van meer efficiënte spreidingstechnieken vooropstelt. Op initiatief van de Mestbank werd eveneens een onderzoeksproject opgestart voor de ontwikkeling van meetapparatuur om spreidingsmachines op hun goede werking (typereglement) en emissiereducties te testen. Het opmeten van specifieke werkingsparameters (transversale verdeling, longitudinale verdeling, controle ingestelde dosis, controle afsluitsysteem) en het toetsen van deze waarden aan evaluatiecriteria, laat

Milieurapportering Het MIRA-T geeft de stand van zaken van het Vlaamse milieu weer. De Mestbank werkte mee aan de totstandkoming van de themadelen ‘vermesting’ en ‘verzuring’ en aan het sectordeel ‘landbouw’.

EU-rapporten Milieubeleidsplan 2003-2007 In 2002 ging het ontwerp milieubeleidsplan 20032007 in openbaar onderzoek. De Mestbank verwerkte de opmerkingen voor de thema’s ‘vermesting’ en een deel van ‘verzuring’ in het overwegingsdocument bij het Milieubeleidsplan.

76

De Mestbank werkte ook mee bij het aanleveren van de Beleidsindicatoren en indicatoren VRIND.

HET AMMONIAKREDUCTIEPLAN 2002


MESTBANK

toe de prestatie van individuele machines te testen. Dit is van belang voor een goede verdeling van de mest tijdens het spreiden, wat zowel een oordeelkundige bemesting als een reductie van de ammoniakemissie ten goede komt. De ammoniakemissie van verschillende spreidingsmachines (sleepslang, sleufkouter en zodebemester) werd gemeten op grasland onder verschillende omstandigheden. Hiervoor werd gebruikt gemaakt van de micrometeorologische massabalansmethode. De resultaten uit deze studie (en uit toekomstig onderzoek) zullen verder gebruikt worden om een certificeringprocedure uit te werken voor mestspreidingsmachines, de wetgeving verder te verfijnen en de berekening van de ammoniakemissie uit het aanwenden van mest te optimaliseren.

mestverwerking worden dan ook op hun emissies van ammoniak (en andere N-verbindingen) geëvalueerd. Hierbij wordt een belangrijke inspanning gevraagd van de mestverwerkers die via emissiemetingen dienen aan te tonen dat de N verliezen tijdens het verwerkingsproces binnen aanvaardbare grenzen blijven.

Wat betreft het actieprogramma voor stallen werd een lijst van duurzame, emissiearme staltechnieken opgemaakt door een commissie van deskundigen. Naast het ammoniakreductiepotentieel werd bij het opstellen van deze lijst ook rekening gehouden met andere aspecten zoals welzijn, veiligheid, energie en geur. Op kabinetsniveau wordt een Vlarem-wijziging voorbereid die zal bijdragen tot de introductie van deze nieuwe staltechnieken. De commissie van deskundigen zal in de toekomst eveneens bestaande en nieuwe emissiearme staltechnieken keuren en evalueren. Om te kunnen inschatten of een bepaalde staltechniek emissiearm is, vraagt dit een langdurige, intensieve (en dus dure) ammoniakemissiemeting. Om de ontwikkeling van nieuwe staltechnieken toch zoveel mogelijk te stimuleren, werd op een onderzoeksproject opgestart om een verkorte meetprocedure voor het doormeten van stalsystemen (zowel nieuwe als referentiesystemen) te ontwikkelen en te valideren.

Gemeenschappelijke verzending van aangiften

Op het deelterrein veevoeding werd het vervolgproject “emissiepreventie in de landbouw door middel van nutriëntenbalansen” (zie wetenschappelijk onderzoek) verder opgevolgd. Gezien de beperkt mogelijkheden binnen de rundveesector om de ammoniakemissies via emissiearme staltechnieken te verminderen, zal eerder gewerkt moeten worden aan voedermaatregelen teneinde de verliezen naar het milieu te verminderen. Hiervoor is de nutriëntenbalans een geschikt instrument. Mestverwerking kan een belangrijke rol spelen in het realiseren van de vereiste ammoniakreductie, op voorwaarde dat de ammoniakverliezen bij mestverwerking niet hoger zijn dan die bij emissiearm aanwenden van de mest. Nieuwe initiatieven m.b.t.

ADMINISTRATIEVE VEREENVOUDIGING IN DE LANDBOUW De Vlaamse Overheid streeft continu naar een verdere vereenvoudiging van de administratieve verplichtingen van de landbouwers. De Mestbank heeft terzake een belangrijke inbreng.

De VLM heeft als trekker van het project “administratieve vereenvoudiging in de landbouw” in 2002 een protocol gesloten met de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) om een samenwerking tot stand te brengen in het kader van de jaarlijkse aangifte door de landbouwers. Concreet werden de Mestbankaangifte (aangifte van mestproductie en mestproductie) en de VMM-aangifte (aangifte betreffende de heffing op de waterverontreiniging en de heffing op de winning van grondwater) aan elkaar gekoppeld. De aangifteformulieren werden samen verstuurd naar de landbouwer. Beide ingevulde aangiften worden door de landbouwers ingediend bij de Mestbank. De veebezetting die als basis dient voor de heffing op de mestproductie en de berekening van het waterverbruik dient enkel nog ingevuld te worden op de Mestbankaangifte. De uitwisseling van de diergegevens 2002 van de Mestbank aan de VMM is met succes verlopen. Ook voor 2003 werden de nodige afspraken met de VMM gemaakt en is een samenwerkingsprotocol ondertekend. Deze administratieve vereenvoudiging heeft een impact op ongeveer 16.000 landbouwers. Het geïnformatiseerd identificatie- en registratiesysteem Sanitel is een dienst waaraan landbouwers hun dieren doorgeven. In de loop van 2002 heeft de Mestbank alle voorbereidingen getroffen om een uitwisseling van diergegevens met Sanitel mogelijk te maken. Via een overeenkomst met CDV (de Centrale Dierengezondheidsvereniging) wordt het mogelijk om

77


JAARVERSLAG 2002 de Sanitelgegevens van de runderen ook bruikbaar te maken voor de Mestbank. De rundveehouder die aanvaardt dat de Mestbank de gegevens over de runderen bij Sanitel opvraagt, moet zijn runderen in 2003 niet langer aangeven bij de Mestbank. In dat geval wordt hij ook vrijgesteld van het bijhouden van een register van de runderen in het kader van de Mestbank. Voor het aanslagjaar 2003 kunnen reeds 18.500 rundveehouders die slechts op één adres runderen houden van deze mogelijkheid gebruik maken.

bedrijf werd overgemaakt aan de firma Rendac te Denderleeuw. Deze firma is verantwoordelijk voor het ophalen en verwerken van de krengen in Vlaanderen en de inning van de financiële bijdrage. Voortgangsrapport Vlaamse mestproblematiek In 2002 werd door de Mestbank een eerste voortgangsrapport met betrekking tot evolutie van de mestproblematiek opgemaakt. Dit rapport geeft een overzicht van de evolutie van de mestproductie, het mestgebruik en de mestoverschotten voor de voorbije jaren. Daarnaast bevatte het rapport nog een omvangrijke analyse van de procedure van toekenning van de nutriëntenhalte en een stand van zaken van de mestverwerking. De Mestbank neemt ook deel aan projecten in samenwerking met andere administraties en stuurt een vertegenwoordiger naar de werkgroepen of de stuurgroepen. Projecten waaraan de Mestbank meewerkt, zijn o.a. het Centraal Bedrijven Bestand (CBB), strategische projecten MRI en handhaving, uitwerking van de Verbrandingsrichtlijn, werkvergaderingen van het Vlaams Coördinatiecentrum Mestverwerking en de Task Force Mestverwerking.

COMMUNICATIE Persberichten Met het persbericht probeert de Mestbank de aandacht van de landbouwers te vestigen op een nieuwe maatregel in uitvoering van de mestwetgeving of op een belangrijke mailing die door de Mestbank wordt georganiseerd.

Uitwisseling van gegevens met Rendac Er werd een gewijzigd systeem ingevoerd betreffende de financiële bijdrage die de landbouwers moeten betalen voor het ophalen en verwerken van hun krengen. Tot en met 2001 gebeurde de bepaling van de hoogte van deze financiële bijdrage op basis van het aantal dieren volgens de milieuvergunning. Tot dan was de mestbank niet betrokken bij dit dossier. Vanaf 2002 werd, om de hoogte van deze financiële bijdrage te bepalen, het aantal dieren gebruikt die de veehouders aangegeven hadden bij de mestbank. De gegevens van deze mestbankaangifte waren de ideale cijfers om te gebruiken bij dit gewijzigd systeem. De hoofdreden was immers om de financiële bijdrage beter te laten aansluiten bij het reëel aantal gehouden dieren. Daarvoor werd elke veehouder aangeschreven vanuit de mestbank om het nieuwe systeem toe te lichten. Het aantal dieren per

78

De Mestbank verstuurde 7 persberichten in 2002, voornamelijk naar de vakpers landbouw: 1 Verzending van de superheffing niet voldaan aan mestverwerkingsplicht in 2000 – 18/01/2002 2 Onderzoek i.v.m. mesttransporten naar Wallonië – 08/02/2002 3 Gemeenschappelijke verzending van de Mestbankaangifte en de VMM-wateraangifte 2002 – 05/03/2002 4 Aanvraag voor verhoogde bemesting – 16/04/2002 5 Controle op beheersovereenkomsten Water – 14/05/2002 6 Staalname voor beheersovereenkomst Water – 12/08/2002 7 Opbrenging van meststoffen in een meerjarig perspectief – 09/10/2002


MESTBANK

Voorlichtingsvergaderingen De Mestbank verzorgt gedurende het ganse jaar met enkele experten de voorlichting naar specifieke doelgroepen in de provincies. In 2002 was er vooral voorlichting m.b.t. mestverwerking en mestscheidingstechnieken, vergunningen en nutriëntenhalte, infodagen voor erkende mestvoerders over de mestverhandelingen, de nutriëntenbalans. In samenwerking met de VMM werd voor de eigen medewerkers een voorlichting over het MAP-meetnet en het depositiemeetnet verzuring georganiseerd. De Mestbank ontving in 2002 ook delegaties uit het buitenland. De collega’ s van Bureau Heffingen uit Nederland brachten op 27 mei een werkbezoek aan de Mestbank. De Mestbank ontving op 29 mei een delegatie van de West Virginia University uit de Verenigde Staten.

MestbankInfo’s De Mestbank maakt gebruik van een voorlichtingskrant, de MestbankInfo, om specifieke doelgroepen in de landbouw- en milieusector in te lichten over belangrijke wijzigingen in de mestwetgeving of om in te spelen op actuele thema’ s.

In de loop van 2002 werden 5 edities van de MestbankInfo door de Mestbank uitgegeven. MestbankInfo nr. 12 van februari 2002 werd uitgegeven naar aanleiding van een studiedag op de internationale landbouwbeurs Agribex en behandelt de nutriëntenbalans op bedrijfsniveau. De MestbankInfo nr. 13 werd samen met de jaarlijkse Mestbankaangifte meegestuurd naar alle aangifteplichtige landbouwers. MestbankInfo nr. 14 van mei 2002 had de mestverwerking tot thema: wie moet mest verwerken, hoeveel mest moet verwerkt worden, welke mestverwerkingstechnieken zijn er, wat met de eindproducten en de export. In samenwerking met OVAM en Rendac werd MestbankInfo nr. 15 uitgegeven over het nieuwe abonnementensysteem voor de ophaling van krengen. Alle heffingsplichtigen kregen in oktober samen met hun heffingsformulier een MestbankInfo nr. 16 met toelichting over de berekening van de heffingen in de bus. MestbankInfo nr. 17 van november 2002 tot slot behandelde de afbakening van de nieuwe kwetsbare zones water.

79


deel 1

hoofdstuk 4 De rol van geografische informatie in onze informatiemaatschappij komt langzaam maar zeker in een stroomversnelling terecht. Met toenemende snelheid komen steeds meer digitale geografische datasets ter beschikking. Parallel hiermee verschijnen nieuwe generaties GIS-software op de markt met relatief lage instapdrempel. Bovendien behoren ook eenvoudige publicatiemogelijkheden op het internet niet langer tot het complexe instrumentarium van een handvol “happy few”. Het effect hiervan laat zich raden: websites met ergens een of andere vorm van kaartvoorstellingen rijzen als paddestoelen uit de grond. Men kan er nog moeilijk omheen: geografische informatie wordt een cruciale informatiebron in de informatiemaatschappij. De Vlaamse overheid loopt met het samenwerkingsverband GIS-Vlaanderen mee in de kopgroep van adequaat gebruik van, en nieuwe ontwikkelingen met geografische informatie voor zeer diverse beleidsdomeinen. 2002 is ook het jaar waarin op Europees niveau een beleidsinitiatief opgestart werd om te komen tot een coherente Europese geografische infrastructuur. Gelet op de kostprijs van aanmaak, beheer en bijhouding van geografische referentiegegevens, ligt het voor de hand dat het Europees beleidsniveau een belangrijke rol weggelegd ziet voor de nationale en regionale initiatieven terzake. Redenen genoeg om met vereende krachten verder te werken aan de stapsgewijze realisatie van het strategisch GIS-Vlaanderenplan 2001-05:


ondersteunend centrum gis-vlaanderen

De productie en verspreiding van digitale

geografische datasets is qua organisatie een goed gestructureerd productieproces geworden dat met de regelmaat van de klok nieuwe datasets toevoegt in het uitstalraam van wat men in de wandelgangen inmiddels "het OC winkeltje" is gaan noemen. Geheel in de logica van het evolutiepad van de rastervormige KADSCAN naar het vectorieel en geometrisch correcte thema KAD in het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) werd gestart met de aanmaak van KADVEC, een vectorieel bestand met kadastrale informatie, geënt op de middenschalige geometrie van KADSCAN. Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB), de structurele oplossing voor grootschalige topografische informatie, kon in 2002 de tweede gemeente, nl. Brasschaat gebiedsdekkend afwerken. Het derde projectgebied, Gent-Zuid I was bijna gefinaliseerd. De werking rond bijhouding is in 2002 pas goed van start gegaan. Er werd een conceptueel kader uitgewerkt en prototypes voor melding en bijhoudingsmetingen werden reeds uitgetest. Tenslotte

DE ZORG VOOR OPEN RUIMTE… NIET ZONDER DE ZORG VOOR MENSEN

1.


JAARVERSLAG 2002 werden ook op vlak van midden- en kleinschalige

op 28 juni 2002 opgenomen als de portaalsite

datasets een reeks titels aan het productengam-

voor geografische informatie binnen het E-

ma toegevoegd.

government project van de Vlaamse regering.

2.

4.

Soms overroepen en toch zelden overschat,

Aardobservatie speelt een belangrijke rol bij

blijft het belang van de menselijke factor in het

het afleiden van actuele ruimtelijke data. De term

GIS-gebeuren. Niet enkel is permanente waak-

“Aardobservatie vanuit de Ruimte” slaat hierbij

zaamheid geboden in het coördinatieproces tus-

op alle technieken die ontwikkeld zijn om op

sen de partners van het samenwerkingsverband,

basis van digitale satellietbeelden geografische

maar nog belangrijker is de begeleiding van de

gegevens af te leiden. Binnen het OC GIS-Vlaan-

introductie van de GIS-technologie in traditione-

deren wordt ruime aandacht aan deze technie-

le bestuurlijke processen. Het vergt een combi-

ken besteed, nu de eerste generatie Zeer Hoge

natie van rijpe GIS-expertise, geduldige luister-

Resolutie (ZHR) satellietbeelden ter beschikking

bereidheid en de juiste dosis analyserende en

komen.

synthetiserende vaardigheden om een op maat van de klant geschreven GIS-implementatie piste succesvol te doorlopen. Het OC GIS-Vlaanderen

De doelstellingen die binnen het OC GIS-Vlaan-

sleutelt voorzichtig aan dit proces, maar het is

deren gesteld zijn met betrekking tot de lijn

duidelijk een thema dat de komende jaren een

aardobservatie vanuit de ruimte zijn o.a. de vol-

hoger gewicht moet toebedeeld krijgen in het pri-

gende:

oriteitenlijstje van actiepunten. Ondertussen wordt intensief verder gewerkt aan de uitbouw

1.

van technische aanbevelingen, een noodzakelijk

gegevens die op basis van aardobservatie tech-

harmoniserend kader om de gegevensuitwisse-

nieken zijn gegenereerd;

het leveren en promoten van geografische

ling tussen de partners in goede banen te leiden. Europese en internationale normen en stan-

2.

daarden zijn hierbij richtinggevend.

den tussen onderzoeksinstellingen, overheidsin-

het bevorderen van samenwerkingsverban-

stellingen en andere eindgebruikers met betrek-

3. Het verstrekken van informatie en het verbe-

king tot aardobservatie vanuit de ruimte;

teren van de dienstverlening maken deel uit van basisvisies van de Vlaamse overheden. Dat dit

3.

reeds mogelijk is, bewijst het OC GIS-Vlaanderen

nieken inzake aardobservatie en het evalueren

met zijn geo-loketten “Geo-Vlaanderen”, waarin

op hun toepasbaarheid en dit aan de hand van

overheidsinformatie met een geografische com-

concrete projecten;

het opvolgen van nieuwe bevindingen/tech-

ponent kan geconsulteerd worden. Zo realiseert

82

Geo-Vlaanderen een niet-onbelangrijke meer-

4.

waarde in de verschillende overheidsloketten die

kingsverbanden om de uitwisseling van kennis

binnen het kader van E-government zullen ont-

aangaande aardobservatie vanuit de ruimte te

wikkeld worden. Geo-Vlaanderen werd dan ook

bevorderen.

het aangaan van internationale samenwer-


OC GIS-VLAANDEREN

Co ö r d i n a t i e BELEIDSVOORBEREIDING Op basis van het decreet houdende het Geografisch Informatiesysteem Vlaanderen (17 juli 2000) werd in 2002 in belangrijke mate het accent gelegd op de responsabilisering van de partners in het samenwerkingsverband via hun vertegenwoordiger(s) in de stuurgroep GIS-Vlaanderen. Het GIS-Vlaanderen uitvoeringsplan 2002-03 bevat voor het eerst ook een reeks projecten waar niet het OC, maar wel een van de partners als projectleider optreden. Niet zelden wordt vastgesteld dat nieuwe samenwerkingsopportuniteiten meteen aanleiding vormden om technische specificaties te harmoniseren, wat uiteraard een gunstig effect heeft op de gegevens-

uitwisseling in het algemeen, en de inpassing in het kader van referentie- en themabestanden in het bijzonder. Sterker nog: dergelijke geharmoniseerde bestanden kunnen uiteindelijk opgewaardeerd worden tot referentiebestanden voor het samenwerkingsverband. In 2002 werd een bijkomende inspanning geleverd om het kersverse Europese GIS-beleid actief op te volgen. De INfrastructure for SPatial InfoRmation in

Europe, kortweg INSPIRE, is het initiatief waaruit de komende jaren enerzijds een Europese richtlijn zal gedistilleerd worden inzake GIS-beleid, en anderzijds een referentiekader zal opgebouwd worden waarmee daadwerkelijk een Europese geografische infrastructuur zal opgebouwd worden. Conform het standpunt van de Vlaamse regering ten aanzien van de EU in het algemeen, heeft GIS-Vlaanderen er alle belang bij pro-actief op deze beleidsvorming in te spelen.

STANDAARDISERING EN NORMERING Het OC GIS-Vlaanderen volgt sinds zijn oprichting in 1995 intensief het normerend kader dat inzake geografische informatie uitgebouwd wordt op Europees niveau (CEN) en op internationaal niveau (ISO). Bij de opmaak van standaarden voor de Vlaamse GIS gebruikers worden de richtlijnen van deze internationale normen zo veel als mogelijk gerespecteerd. Deze basisattitude garandeert immers een minimum aan compatibiliteitsproblemen op het ogenblik dat voor internationale beleidsfora specifieke informatievragen of –uitwisselingen dienen gerealiseerd te worden. Het ligt in de logica van de Europese en mondiale ontwikkelingen dat dit type informatietransacties in de diverse ruimtelijke beleidsdomeinen versneld zal toenemen. GIS-Vlaanderen werkt tevens aan eigen standaarden teneinde specifieke projectontwikkelingen in de Vlaamse context optimaal te stroomlijnen Daartoe werden in 2002 aanbevelingen voorbereid rond de uitwisseling van vlakke, vectoriële GIS bestanden, raster bestanden en 3D bestanden. Deze aanbevelingen leggen een aantal minimum specificaties vast waaraan dergelijke bestanden die binnen GIS-Vlaanderen worden uitgewisseld moeten voldoen. De aanbevelingen zullen in de loop van 2003 publiek gemaakt worden. In 2002 werd tevens een nieuwe versie van de aanbeveling voor de uitwisseling van adresgegevens gepubliceerd. Een adres is wellicht het meest gebruikte lokalisatiesysteem dat er bestaat. Tal van toepassingen steunen op adressen en ze worden steeds meer in databanken opgeslagen. Via het adres kunnen gegevens ruimtelijk worden gelokaliseerd, maar ook gekoppeld worden aan andere gegevens. Probleem in beide gevallen vormt de ondubbelzinnige identificatie van het adres. Bestaande coderingssystemen vertonen tekortkomingen of zijn niet universeel, definities verschillen al naar gelang de toepassing enz..

83


JAARVERSLAG 2002 De door het OC GIS-Vlaanderen uitgewerkte aanbeveling moet elke dubbelzinnigheid uitsluiten. De nieuwe versie van de aanbeveling steunt op een verbeterd conceptueel datamodel, voorziet in een uitgebreidere beschrijving van het model, geeft extra informatie over de manier waarop het model geïmplementeerd kan worden en zorgt voor de afstemming van/op het BEST adres model (Belgian Streets, het voorstel tot nationaal adresmodel). Binnen GIS-Vlaanderen zijn meerdere datasets met geografische gegevens over de gemeentegrenzen in gebruik. Er bestaat nochtans grote behoefte om expliciet één bepaalde dataset als referentiebestand gemeentegrenzen voor GIS-Vlaanderen te kiezen. Op basis van vergelijking van de geometrische kwaliteit van verschillende digitale geografische datasets met gemeentegrenzen is gebleken dat het, tot op gemeenteniveau geaggregeerd bestand van de contouren van kadasterbladen, dat aangemaakt wordt in het kader van het KADSCAN-project, het best als uitgangsbestand voor een referentiebestand gemeentegrenzen kan gehanteerd worden. Dit werd als uitgangspunt genomen voor een testdatabank waaruit vervolgens een product werd afgeleid dat voor evaluatie werd voorgelegd (Beta-versie) aan de deelnemers van GIS-Vlaanderen. Aanvullingen, correcties en meer nauwkeurige informatie wordt door het OC GIS-Vlaanderen gecentraliseerd en doorgevoerd in de databank, waarna in de loop van 2003 een nieuwe productversie zal aangemaakt worden die dan als “Voorlopig Referentiebestand Gemeenten” zal gedistribueerd worden. Dit bestand is “voorlopig”, in afwachting van het ter beschikking komen van een definitief referentiebestand dat in samenwerking met nationale instellingen (NGI, Kadaster,…) zou opgesteld worden.

werd hieruit het bodembedekkingsbestand afgeleid dat door overlegging met bijkomende geografische bestanden verfijnd werd tot een bodemgebruiksbestand. Dit bestand, samen met de gemozaiekeerde satellietbeelden werd zowel op cd-rom als via een geoloket ter beschikking gesteld van de gebruiker. Tevens werd een poster op schaal 1/200.000 onder de partners van GIS-Vlaanderen verspreid.

MIDDENSCHALIG Rasterversie nieuwe topografische kaart 1/10.000 Dit middenschalig product bevat de verrasterde topografische kaarten in pseudo-kleur van het NGI, aangemaakt tussen 1991 en 2002 en bruikbaar op schaal 1/10.000. Momenteel is de dataset nog niet gebiedsdekkend voor Vlaanderen en Brussel. Deze is pas voorzien in 2005. De reeds beschikbare kaartbladen werden in een tweede fase ook omgezet naar een zwart/wit versie en ter beschikking gesteld van de partners. In 2002 werden 23 kaartbladen toegevoegd aan de reeks. De topografische kaart in rastervorm kan gebruikt worden bij het voorstellen van eigen gegevens ter oriëntatie. Ze kan ook dienen als referentiekader voor het digitaliseren van middenschalige ruimtelijke gegevens of voor het inventariseren van het bodemgebruik. Op basis van kleurinformatie kunnen 230 gekarteerde gegevens onderscheiden worden. De verschillende objecten worden in een afzonderlijk beeld per hoofdklasse (bodembedekking, wegen, hydrografie, gebouwen, spoorwegen, …) geordend weergegeven.

Landschapskenmerkenkaart

Geodata KLEINSCHALIG Bodembedekkings- en bodemgebruiksbestand, opname 2001 Als opvolger van het bodemgebruiksbestand gebaseerd op satellietbeelden van 1995, werd thans in het kader van monitoringactiviteiten, een geactualiseerde versie van het bodemgebruiksbestand opgesteld. Het basissatellietbeeldmateriaal werd opgenomen met de ETM+-sensor op de LANDSAT-7 satelliet. Door een semi-automatisch algoritme

84

Dankzij een samenwerking met het Departement Leefmilieu en Infrastructuur van het Ministerie van de Vlaamse gemeenschap, meer bepaald: AROHM, afdeling Monumenten & Landschappen, kon in 2002 de landschapskenmerkenkaart op cd-rom ter beschikking gesteld worden van de partners van GIS-Vlaanderen. Deze cd-rom bevat het tweede deel van de landschapsinventarisatie, nl. de landschapskenmerkenkaart. De landschapskenmerkenkaart geeft aan welke landschapskenmerken ruimtelijk structurerend zijn op bovenlokaal en Vlaams niveau. Dit product is een krachtig werkinstrument dat zowel nuttig is voor de professionele gebruiker als voor elkeen die inzicht wenst in de landschapskenmerken van het Vlaams gewest. Daarom werden verschillende aangepaste toegangen tot de informa-


OC GIS-VLAANDEREN

tie aangeboden: een project voor gebruik in GISsoftware ArcView 3.x en een databank in MS accessen html-formaat.

Andere middenschalige bestanden • In samenwerking met, en op basis van cofinanciering, wordt met de provincies een reeks projecten opgestart om de aanmaak van een uniforme kwalitatieve hoogwaardige middenschalige orthofotobedekking voor Vlaanderen te realiseren in de periode 2002-2005. Als eersten komen de provincies Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant aan bod (2002-2003). Het productieproces verloopt in 3 stappen met name de fotografische DGPS-luchtopname, de scanning van de originele filmrollen en tenslotte de eigenlijke orthofotoproductie. Voor Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant zal de orthofotobedekking voltooid zijn rond half 2003. • Een klassieker onder de middenschalige bestanden is het Streetnet bestand van Tele-Atlas, waarvoor ook in 2002 zowel een vectoriële als rastervormige actualisatie werd ter beschikking gesteld van de partners. • Van nature overstroomde gebieden (NOG) • AMINAL, afdeling Water (MVG), heeft in 2000 de natuurlijke en actuele overstromingsgebieden in Vlaanderen in kaart gebracht, ter uitvoering van Actie 66 van het Vlaams Milieubeleidsplan 19972001. De afbakening van de NOG is gelijk gesteld aan het geheel van alluviale gronden, veengebieden en poldergronden zoals deze gekarteerd zijn op de bodemkaart van België.

teitscontrole. De data van KADSCAN-2 (kadastrale toestand 1 januari 2001) kwamen op cd-rom beschikbaar medio 2002. Tegen eind 2002 was de verdeling van de cd-roms naar alle partners van de GIS-Vlaanderen onder de vorm van een gemeentelijke of provinciale dataset een feit. De gebruiker ontving naast de KADSCAN-data ook een verbeterde versie van de KADSCAN-viewer. Nog tijdens de fase van productaanmaak van KADSCAN-2 werd al gestart met de aanmaak van KADSCAN-3 (kadastrale toestand 1 januari 2002). Hiertoe werden van juli tot november 2002 opnieuw alle kadastrale plans gescand. Eind september werd gestart met de georeferentie van de kadastrale plans.

Centraal referentie adressen bestand (CRAB)

GROOTSCHALIG Kadscan-2 en -3 Het in 2000 gelanceerde KADSCAN product, een gescande en gegeorefereerde versie van de kadastrale perceelplans, inclusief een vectorieel ankerpunt per perceel met daaraan gekoppelde perceelsidentificatie, kent een enorm succes bij de gebruikers. Mede door het groot aantal wijzigingen op jaarbasis (+/-150.000), was het derhalve een evidentie dat actualisatie van de oorspronkelijk nog heterogene kadastrale informatie (toestand 1/1/1998 en 1/1/1999) zou bijgewerkt worden tot een homogeen bestand met kadastrale toestand 1/1/2001. Daartoe werden de door de Administratie van het Kadaster, Registratie en Domeinen (AKRED) bijgewerkte plans in het najaar van 2001 opnieuw in de kantoren van AKRED ingescand. De georeferentie en de perceelsidentificatie van de gewijzigde percelen werden in 2002 uitgevoerd evenals de kwali-

In 2002 werd de opbouw van een referentiebestand met adrespunten voor Vlaanderen verder gezet. Software voor de integratie van de gebruikte bronbestanden en voor het beheer van het CRAB werd ontwikkeld volgens specificaties opgesteld in 2001. De ontwikkeling werd mede gefinancierd door de Milieu Info Stuurgroep. De bronbestanden afkomstig van het Rijksregister, TeleAtlas, AKRED en het OC, zelf werden voorbereid door een team van operatoren, zodat thans met eigenlijke opbouw en exploitatie van de databank kan begonnen worden. Een zeer belangrijk punt m.b.t. het referentiekarakter van het CRAB moest bij de ontwikkeling van de integratie- en beheersoftware worden opgelost, met name het bijhouden van historiek. Dat is essentieel, niet alleen om gebruikers later actualiseringen te kunnen verstrekken, maar ook om de mate waarin succesvol externe adressenbestanden d.m.v. het CRAB gegeorefereerd kunnen worden, te vergroten. De oplossing die werd uitgewerkt is uniek binnen

85


JAARVERSLAG 2002 GIS-Vlaanderen (bi-temporele opslag van wijzigingen, aparte opslag vorige versies, volledige temporele integriteit). Reeds een eerste product kon in 2002 uit het CRAB worden afgeleid, met name een stratenlijst met de 140.000 in gebruik zijnde straatnamen in België. De straatnamen benaderen dichter de officiële schrijfwijze dan in het Rijksregister, het gebruikte bronbestand, het geval was. Bovendien wordt afgerekend met een belangrijk integriteitsprobleem nl. de opsplitsing van straten, alsook met het probleem van de dubbele straatnamen (bv. de 8 Molenstraten in Aalst). Intussen werd verder gewerkt aan de verdere acceptatie van het fundament van het CRAB, nl. het conceptueel model dat ook de basis vormt voor de uitwisselingsstandaard. Het CRAB werd in 2002 door de Vlaamse regering aanvaard als referentie voor adresgegevens binnen het Vlaamse E-government project. Een nationaal adresmodel in ontwikkeling (BeSt of Belgian Streets, ontwikkeld op initiatief van het NGI) werd er op afgestemd, terwijl verschillende instanties hun adresdatabank baseren op het CRAB (Centraal Bedrijven Bestand, Bouwbeleid, Sociale Kaart enz.). Voor de bijhouding werden prototypes ontwikkeld voor automatische bijhouding via nieuwe versies van de bronbestanden. Die herkennen automatisch nieuwe, af te schaffen of gewijzigde objecten, zonder echter te raken aan intussen toegevoegde gegevens die bevestigd zijn door de referentieorganisatie van het object (bv. de gemeente). Ook het spoor naar bijhouding via de gemeenten (de officiële bron voor adresgegevens) werd in 2002 verder uitgewerkt via de pilootprojecten met Kortrijk en Brasschaat. Kortrijk beschikt nu over een volledig geactualiseerd adressenbestand dat CRAB-conform is. Tevens beschikt men over een basisversie van een applicatie om het bestand te laten bijhouden door sleutelpersonen in het administratieve proces van toekenning van straatnamen en huisnummers. Met Brasschaat wordt verder samengewerkt binnen de context van het bijhoudingsproject van het GRB.

Conform de beslissing van de Vlaamse regering dd. 24 juli 2001, startte Vlaams minister van Grembergen het overleg met vertegenwoordigers van de nutsector over de samenwerking en de cofinanciering in het kader van het GRB. Dit overleg leidde tot een voorstel dat op 19 juli 2002 werd bekrachtigd door de Vlaamse regering. Deze beslissing stelt dat de cofinanciering voor de aanmaak en de netto bijhouding van het GRB via een decretaal initiatief wordt georganiseerd, terwijl aan een aantal verwachtingen en bezorgdheden van de nutsector wordt tegemoetgekomen. Verder overleg leidde in 2002 reeds tot een sneuveltekst op weg naar een ontwerpdecreet. De concrete realisaties in 2002 betreffen het opstarten van de projecten Meulebeke, Opwijk, Bornem, Geetbets en Harelbeke en het projectbeheer, de begeleiding van de aannemers en de kwaliteitscontrole van de opgeleverde data in de opgestarte en in uitvoering zijnde (piloot)projecten Gent-1, Rumst, Londerzeel, en Gent-2. Er werden nog twee nieuwe projecten gegund in 2002, die pas zullen opgestart worden in 2003: Heusden-Zolder en Kruibeke. Daarnaast is ook gestart met de voorbereidingsfase van de eerste projectenreeks voor 2003. De integratie oefening van kadastrale perceelsinformatie met de GRB data is voortgezet. Vermeldenswaardig is tevens de integratie van bestaand grootschalig materiaal in een aantal GRB projecten: CARDIB (GRB Londerzeel), HAVI (GRB Opwijk) en skeletmetingen (GRB Meulebeke).

De GRB bijhouding De methodologie werd in functie van de vier hoofdcomponenten van een bijhoudingsproces vastgelegd: melding van afwijkingen, data-acquisitie, gegevensverwerking en distributie. In overleg met een gemeentewerkgroep werd een handleiding opgesteld voor het melden van afwijkingen. Tevens werden administratieve en technische bepalingen vastgelegd voor de aanmaak van GRB-conforme “asbuilt” plannen, die een efficiënte actualisatie van de databank moeten mogelijk maken.

Skeletbestek Grootschalig referentie bestand (GRB) Het Grootschalig Referentie Bestand voor Vlaanderen biedt een structurele oplossing voor grootschalige topografische gegevens (schaalbereik 1/500 tot 1/2.500). Een centrale databank wordt projectmatig gerealiseerd en zal eind 2013 gebiedsdekkend beschikbaar zijn. Volgens de GRB filosofie bevat zij goed gedefinieerde en universeel aanvaarde referentiegegevens waarop de diverse partijen hun eigen thematische databanken kunnen enten.

86

In 2002 namen de activiteiten rond het skeletbestek verdere uitbreiding: inhoudelijk werd het kernbestek skeletmeting versie 3.1 inclusief randdocumentatie in de zomer van 2002 gepubliceerd en verder aangevuld met een operationele en gedocumenteerde aanvulling “synthese” versie 1.1, bedoeld voor het gebruik bij leidingregistratie. Er werd doorgedreven systematisch technisch overleg gepleegd op basis van werkgroepen met weg-, domein- en waterbeheerders waaronder gemeenten, Aquafin, MVG LIN


OC GIS-VLAANDEREN

(AWV, ATO, AWZ, Aminal) en de Vlaamse provincies. Hierbij staat de ontwikkeling van de aanvulling “detail” en “as-built”, bedoeld voor een zeer gedetailleerde opname van een gebied voor én na uitvoering van een ontwerpplan, centraal. Verder werd een eerste ontwerpversie van de bepalingen van de skeletvariant bijhouding ontwikkeld die in enkele GRB-gemeenten zal getest worden. Ondertussen worden meer en meer gebieden con-

laserscanning in landelijk gebied (90 %) en fotogrammetrie in stedelijk gebied (10 %). De realisatie van deze omvangrijke en complexe dataset wordt aangepakt in reeksen. Elke reeks wordt opgedeeld in een aantal projecten en een project komt overeen met een stroombekken. Er zijn vier reeksen te onderscheiden. De eerste reeks “DHM-1”, opgestart in 2001, werd afgerond half 2002. De hoogtegegevens van het Demerbekken, het Netebekken, het Rupelbekken en de Beneden-Schelde staan ter beschikking van de partners van het GIS-Vlaanderen. Met de uitvoering van “DHM-2” en “DHM-3” werd in 2002 een aanvang genomen. De hoogtegegevens van het Dijlebekken, Bovenscheldebekken, Denderbekken, Leiebekken en Maasbekken zijn volop in productie. De basismetingen voor het IJzerbekken, Brugse polders en Gentse Kanalen worden ingewonnen.

Vectoriële kadastrale informatie: KADVEC

form het GRB-skeletbestek in kaart gebracht. Electrabel besliste in 2002 om het gros (2.500km) van hun terrestrische meetopdrachten, verspreid in Vlaanderen, conform het GRB skeletbestek te laten uitvoeren. Elia voegt hier nog zo’n 400 km wegenis aan toe in de provincies Oost- en West-Vlaanderen. Het OC GIS-Vlaanderen staat in voor de kwaliteitscontrole van de ruim 500-tal vereiste meetopdrachten. Dit betekent dat een steeds groter wordend deel van de Vlaamse topografische gemeenschap vertrouwd geraakt met de filosofie en bepalingen van het GRB skeletbestek.

KADVEC behelst de plangetrouwe vectorisering van de KADSCAN-bestanden. Dit project werd in 2001 voorbereid, in samenwerking met de AKRED. In 2002 startte de eigenlijke vectorisering, en dit met cofinanciering door de Milieu Info Stuurgroep. Het OC coördineert en controleert hierbij de geleverde data. Na goedkeuring, converteert het OC de gevectoriseerde plannen naar het formaat voorgeschreven door de AKRED. Bij AKRED worden een aantal foutmeldingen nagekeken en bijgewerkt. Deze bijgewerkte versie komt vervolgens ter beschikking van het OC GIS-Vlaanderen. Het project KADVEC is opgedeeld in 3 fasen. KADVEC-1, KADVEC-2 en KADVEC-3 leveren op een termijn van 3 jaar een volledige bedekking van Vlaanderen, door de verwerking van respectievelijk 118, 119, 71 van de 308 gemeenten. KADVEC-1 kwam, na enige correcties door de AKRED, pas echt op dreef midden 2002. Eind 2002 waren 60 gemeenten bij het OC GIS-Vlaanderen binnen, 40 gemeenten waren doorgegeven aan de AKRED, waarvan er 15 verbeterd terugbezorgd zijn.

DATADISTRIBUTIE Grootschalig digitaal hoogtemodel (DHM) voor Vlaanderen Op basis van een samenwerking tussen het OC GISVlaanderen, AWZ (afdeling WBL) en AMINAL (afdeling Water), werd de aanmaak van een “grootschalig DHM voor Vlaanderen“ opgestart. Dit DHM zal bestaan uit een zeer nauwkeurig en dicht net van punten gepositioneerd op maaiveldhoogte. Twee technieken voor data-inwinning komen aan bod, nl.

Momenteel beschikt het OC GIS-Vlaanderen over een 45-tal veel gevraagde GIS-bestanden, gebiedsdekkend voor Vlaanderen. Het betreft zowel basisbestanden als themabestanden en dit op klein- en middenschalig schaalniveau. Bepaalde bestanden werden nieuw aangemaakt, andere bestonden reeds doch werden voor ruime verspreiding (cd-rom, diverse GIS-formaten) klaar gemaakt.

87


JAARVERSLAG 2002 Een belangrijk aspect van distributie is de bekendmaking van de beschikbaarheid. Die gebeurt via de web-site (http://www.gisvlaanderen.be), via de metadatabank SPIDI, via de nieuwsbrief GIS-Vlaanderen en/of via briefwisseling. Alvorens de data binnen GIS-Vlaanderen verdeeld worden, wordt eerst een kwaliteitscontrole uitgevoerd, meer bepaald controle op volledigheid, op consistentie en op nauwkeurigheid. De modaliteiten voor dataverstrekking behelzen kostprijs, gebruiksvoorwaarden en de algemeen geldende principes binnen GIS-Vlaanderen. Voor de kostprijs wordt gewerkt met een kostenverrekeningsmodel dat rekening houdt met de data (pro-

Elektronische dienstverlening METADATA SPIDI Met de in 2001 grondig vernieuwde metadatabank voor geografische informatie die via het internet consulteerbaar is, SPIDI (Spatial Information DIrectory), werd voor het tweede jaar op rij een verhoogd gebruik van dit instrument vastgesteld. Metadata blijft echter een moeilijk terrein om de partners van het samenwerkingsverband voor te engageren. Toch blijkt het in de praktijk van de werking van GIS-Vlaanderen een belangrijke kostenbesparende factor te zijn (hergebruik, dubbel werk vermijden, …). Daarom wordt stelselmatig vooruit gedacht naar nieuwe ontwikkelingen die het gebruik verder kunnen vereenvoudigen maar kwantitatief kunnen intensifiëren. Een samengaan met de eigenlijke elektronische datadistributie (zie 4.2, GIRAF), is in die context een belangrijke stap. Na de voorstudie in 2001, kon in 2002, opnieuw dankzij financiering door de Milieu Info Stuurgroep een volwaardige analyse uitgevoerd worden en werd een ontwerp opgesteld voor een nieuw ISO-conform metadatasysteem, inclusief de nodige instrumenten om het databeleid te ondersteunen op het deelgebied van metadata.

ELEKTRONISCHE DATADISTRIBUTIE (GIRAF)

ducent, aard en kostprijs) en de klant (type organisatie). De gebruiksvoorwaarden worden vastgelegd in een registratieformulier. Een derde belangrijk aspect van datadistributie betreft de uitwisselbaarheid van de data. Bij het uitbrengen van een OC-informatieproduct wordt rekening gehouden met de meest courante uitwisselingsformaten en de uniformiteit. Dit laatste geldt voor de drager: cd-rom, diskette, uitwisselingsformaten, begeleidende documenten, begeleidende applicaties en structuur. Volgens deze modaliteiten werden in 2002 meer dan 2000 dataverstrekkingen gerealiseerd.

88

Het in 2000 ontwikkelde on-line distributie instrument voor geografische datasets, GIRAF (Geographical Information Retrieval Application for Flanders) werd in 2002 ten volle in gebruik genomen. Met GIRAF krijgen één of meerdere gebruikers binnen een organisatie op basis van een jaarlijks abonnement toegang (FTP-GIRAF) tot de bestelde digitale geografische gegevens, alsook tot de eventuele digitale bijwerkingen en toevoegingen (symboliek, metadata, …) of ontvangt de organisatie zelf de gegevens op cd-rom(s). Om de gegevens op de GIRAF-server ter beschikking te stellen voor FTP-transfer, moeten de GISVlaanderen producten aan bepaalde technische voorwaarden voldoen: de product data werden per uitwisselingsformaat en versnijdingsvorm (gewest Vlaanderen of kaartbladen) gecomprimeerd. Netwerkperformantie tussen distributeur en klant leidde tot de keuze om de grootte van elk pakket te beperken tot maximaal 5 Mb. Boven deze grens


OC GIS-VLAANDEREN

wordt vooralsnog teruggegrepen naar distributie via cd-rom. In 2002 werden geleidelijk aan alle bestaande en nieuwe GIS-Vlaanderen-producten, die aan deze voorwaarden voldoen, in de goede vorm geplaatst. Er zijn reeds een 30-tal organisaties van MVG, provincies en gemeenten die met de GIRAF-FTP dienst diverse geodataproducten afladen.

FLEMISH POSITIONING SERVICE (FLEPOS) FLEmish POsitioning Service is de dienst die op basis van het Global Positioning System (GPS) een goedkope, nauwkeurige en uniforme plaatsbepaling aanbiedt. Dit instrument verbindt alle grootschalige activiteiten onderling door de diverse topografische metingen direct binnen hetzelfde referentiekader te plaatsen. Er wordt kostendelend gebruik gemaakt van gemeenschappelijke basisstations. Nauwkeurige, betrouwbare, uniforme en betaalbare plaatsbepaling is een realiteit. De uitbouw van het GPS-netwerk en de bijhorende dienstverlening in Vlaanderen vergt de installatie van 38 basisstations en van alle communicatie, controle en ondersteuning die ermee verband houden. Met het NGI werd een samenwerkingsovereenkomst afgesloten om de integriteitsmonitoring en geodetische verankering in het Belgische en Europese referentiesysteem te verzekeren. Eind september 2002 was FLEPOS operationeel en werd het voorgesteld aan de gebruikersgemeenschap op de cadcam-beurs te Kortrijk. Sindsdien wordt FLEPOS zowel intern als extern gebruikt door tal van landmeters en studiebureaus. Het gebruik van FLEPOS stijgt gestaag: eind 2002 werd er ongeveer 100 uur per week gebruik gemaakt van deze gratis dienstverlening. De beoogde doelstellingen werden bereikt, een gebiedsdekkend, nauwkeurig en betrouwbaar plaatsbepalingssysteem voor Vlaanderen is een feit. De helpdesk biedt ondersteuning aan alle gebruikers op weekdagen van 8 tot 17 uur. FLEPOS raakt ingeburgerd als standaard instrument voor nauwkeurige plaatsbepaling in Vlaanderen.

INTERNETLOKETTEN IN DE KRUISPUNTSITE GEO-VLAANDEREN On-line geografische informatie consulteren is dankzij het initiatief Geo-Vlaanderen inmiddels een vertrouwd instrument geworden, zowel voor over-

heidspersoneel als voor een groeiende groep particuliere gebruikers. Nieuw is de mogelijkheid om rechtstreeks te linken met de portaalsite van Geo-Vlaanderen vanuit een gemeentelijke of provinciale website. Via de opname van een aantal parameters wordt onmiddellijk ingezoomd op een adres, gemeente of provincie van een thematisch geoloket naar keuze. Op deze manier kan men bijvoorbeeld op de website van een gemeente eenvoudig verwijzen naar het gewestplan, bodemkaart of een straat van de betrokken gemeente. Een folder die meer uitleg geeft over het automatisch toevoegen van hyperlinks aan je website werd daartoe verspreid..” In de loop van 2002 werden volgende nieuwe loketten opengesteld in het kruispuntsite Geo-Vlaanderen: • intercommunales (i.s.m. de Administratie Binnenlandse Aangelegenheden, MVG); • natura 2000 (i.s.m. afdeling Natuur, AMINAL, LIN); • bodemkaart (i.s.m. afdeling Bos en Groen, AMINAL, LIN); • geïntegreerd geoloket van de rechten van voorkoop Ruilverkaveling, Natuur en Ruilverkaveling (i.s.m. afdeling Landelijke Inrichting, VLM - afdeling Natuur, AMINAL, LIN en VHM); • FLEPOS, het RTK-GPS netwerk Vlaanderen; • bodemgebruikskaart waarbij tevens het bodembedekkingbestand alsook het satellietbeeldmateriaal visualiseer- en bevraagbaar is. Waterkwaliteitsindicatoren werden uitgebreid met de waterbodems (i.s.m. AMINAL, Instituut voor Bos- en Wildbeheer, Instituut voor Natuurbehoud, Vlaamse Milieu Maatschappij)

Projecten voor partners PROJECT BODEMGEBRUIKSKAART In 1996 werd in het kader van het federale onderzoeksprogramma TELSAT III, op basis van satellietbeeldmateriaal, een eerste digitale bodemgebruikskaart van het Vlaamse en Brusselse Hoofdstedelijke Gewest gerealiseerd. Dit bestand geeft de toestand van het bodemgebruik in 1995 weer volgens 27 bodemgebruiksklassen. Er werd eveneens een analoge kaart op schaal 1/200.000 uitgebracht.

89


JAARVERSLAG 2002 Het veelvuldig gebruik ervan binnen de wetenschappelijke wereld, de beleidsvoorbereiding en beleidsuitvoering heeft het OC GIS-Vlaanderen ertoe aangezet om in 2002 een geactualiseerde versie aan te maken. De bodemgebruikskaart Vlaanderen is specifiek ontwikkeld voor de Vlaamse context en kan op basis van nieuwe satellietbeelden snel geactualiseerd worden. Door het ruimtelijk detail kan bv. de evolutie van de bebouwde oppervlakte in Vlaanderen gevolgd worden.

deelnemers aan GIS-Vlaanderen de weg naar het Ondersteunend Centrum vinden als het er op aan komt technisch advies in te winnen. Het is wellicht een moeilijk traceerbaar gegeven daar de vraagstellingen zeer divers zijn en bijgevolg binnen het OC GIS-Vlaanderen over talrijke medewerkers verspreid, beantwoord worden. Deze trend uit zich voornamelijk in het aantal vragen om technische hoofdstukken uit GIS-gerelateerde lastenboeken te adviseren, alsook het aantal vragen naar specifieke ondersteuning bij implementatietrajecten van GIS in operationele omgevingen.

BOSINFORMATIESYSTEEM ROEMENIË In het kader van een samenwerkingsovereenkomst tussen de regering van Roemenië en het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, werd door het OC GIS-Vlaanderen en AMINAL, afdeling Bos en Groen (MVG) een project opgezet om het Roemeense instituut voor bosonderzoek en –beheer (ICAS) te ondersteunen bij het uitwerken van een bosinformatiesysteem. Het Roemeense bosbestand heeft immers een meervoudige functie. Naast hun, voor Europa, unieke biodiversiteit en schermfunctie, hebben deze bossen een belangrijke economische functie. Een goed beheer is dan ook noodzakelijk om deze verschillende functies op een duurzame manier met elkaar te verweven. Geografische informatiesystemen (GIS) en aardobservatie-technologie kunnen een belangrijk hulpmiddel zijn in het realiseren van een duurzaam bosbeheer.

DIVERSE PROJECTEN In kader van de werkzaamheden van de Interdepartementale Werkgroep Gemotoriseerde Sporten Vlaanderen werd technische assistentie geleverd voor de opmaak van een basiskaart “toelaatbaarheid gemotoriseerde sporten”. Tevens werd de kartografische voorstelling van de inplantingsmogelijkheden van windmolens, kortweg het Windplan Vlaanderen in opdracht van de Afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie (ANRE) geactualiseerd.

ADVIESVERLENING Noch in het GIS-Vlaanderen uitvoeringsplan, noch in het OC jaarplan is de adviesverlening opgenomen als een expliciet te realiseren project of taak. Toch toont de praktijk dat in snel toenemende mate de

90

Co m m u n i c a t i e DOCUMENTATIECENTRUM Om een permanent overzicht van de technologische en marktontwikkelingen te kunnen hebben en om gebruikersvragen te kunnen beantwoorden, is een documentatiecentrum met betrekking tot GIS van groot belang. In het documentatiecentrum, dat publiek toegankelijk is, wordt informatie m.b.t. alle aspecten van GIS bijeen gebracht. De werken worden geklasseerd volgens het VUBIS-systeem wat de toegankelijkheid (ook via Internet) gemakkelijker maakt. Vanuit de Internet site van het OC GIS-Vlaanderen is een toegang voorzien naar de VUBIS website zodat men via Internet steeds kan nagaan welke


OC GIS-VLAANDEREN

boeken in het documentatiecentrum aanwezig zijn. In 2002 werden enkele tientallen boeken en/of cdroms aangeschaft.

NIEUWSBRIEF Via de nieuwsbrief GIS-Vlaanderen informeert het OC GIS-Vlaanderen alle huidige en potentiële GISgebruikers in Vlaanderen over GIS-Vlaanderen. De GIS-projecten van het OC GIS-Vlaanderen worden er uitvoerig in toegelicht. In 2002 verscheen uitzonderlijk slechts één nummer met relevante GIS-informatie. Het centrale thema was: GIRAF, Geographical Information Retrieval Application for Flanders. Dit is een distributiesysteem om het systeem van dataverstrekking te optimaliseren en te automatiseren.

INFORMATIESESSIES, BEURZEN EN PERSCONFERENTIES Het promoten van het GIS-gebruik binnen de overheid is buitengewoon belangrijk. De bedoeling van de informatiesessies, deelname aan beurzen en persconferenties is om door communicatie en informatiedoorstroming de missie van GIS-Vlaanderen uit te dragen en zo een draagvlak te creëren voor het samenwerkingsverband GIS-Vlaanderen. Het OC GIS-Vlaanderen speelde hier ook in 2002 een stuwende en stimulerende rol. Zo werd actief deelgenomen aan volgende studiedagen en congressen: • Geo-Informatiedag Nederland 2002 (GIN2002), 15 Februari 2002, De Reehorst, Ede, Nederland. “Inventorying (un)built parcels based on Very High Resolution Satellite Imagery” • Aardobservatie als beleidsinstrument, 3 Mei 2002, Von Karmann Instituut, Sint-Genisius Rode. “De lijn teledetectie vanuit de ruimte” • Internationale workshop omtrent “GIS and Earth Observation Applications for Forest and Land Management”, 21-22 November, Brasov, Romania. “Orthorectification of Very High Resolution Satellite Imagery, Methods and Reflections”. Een aantal informatiesessies werd georganiseerd zowel voor de partners van GIS-Vlaanderen (MVG, VOI’s, provincies, gemeenten), als voor derden zoals hogescholen (BME), intercommunales, Flagis, nutsbedrijven, landmeters. Het betrof informatiesessies over de algemene werking en structuur van GIS-Vlaanderen en het OC GIS-Vlaanderen in

het bijzonder, informatievergaderingen voor (potentiële) partners voor Geo-Vlaanderen. Tenslotte stond opnieuw een GRB partnersymposium op het programma. In 2002 hadden ook een tweetal persconferenties plaats waarvan één bij de oplevering van de eerste GRB-gemeente Laakdal en een tweede bij de voorstelling van het geoloket “intercommunales”. Het OC GIS-Vlaanderen was één van de opvallende aanwezigen op de CAD-CAM beurs op 25 en 26 september 2002 in Kortrijk Expo. Hier brachten we de lancering van FLEPOS in de kijker. Het aantal bezoekers op de stand en de vele vragen die gesteld werden na de uiteenzettingen door OCmedewerkers duidde onmiskenbaar op het succes van dit initiatief. Om de didactische meerwaarde van de geoloketten in het onderwijs te illustreren waren we aanwezig op de vakbeurs voor leraren aardrijkskunde en ook daar bleek de interesse in de activiteiten, producten en werking van het OC GIS-Vlaanderen hoog te zijn.

DOCUMENTATIEMAP In 2002 werd in functie van de grote vraag naar algemene info over de werking van het OC GISVlaanderen, de documentatiemap verder uitgebreid zodat we tegen eind 2002 over een gamma van 40 steekkaarten beschikten. Deze reeks informatiefiches die thematisch zijn ingedeeld in de groepen: activiteitenlijnen, informatieproducten, elektronische diensten en projecten beogen we in de toekomst stelselmatig uit te breiden met algemene omschrijvende info over nieuwe initiatieven.

INTERNETSITE Na invulling van de site volgens de nieuwe structuur werd de nieuwe site begin 2002 on-line gebracht worden. Sowieso ging het gebruik van de OC GISVlaanderen webstek verder in stijgende lijn, met een gemiddelde van om en bij de 700 bezoekers/dag.

91


deel 1

hoofdstuk 5


financiële resultaten

Definitieve begroting 2002 De definitieve begroting 2002 ziet er als volgt uit: Definitieve begroting 2002 (bedragen in duizend EUR) I. UITGAVEN 1. Overgedragen tekort 2. Uitgaven voor werking 3. Investeringsuitgaven 4. Projectdotatie Totaal uitgaven II. INKOMSTEN

VLM-ZMB en ZOC

VLM-MB

24.975 3.401

12.611 730

OC-GIS-VL (GRB) 307 1.834 342

28.376

13.341

2.483

VLM-ZMB

VLM-MB

en ZOC 1. Overdracht vorige begroting 1.016 2. Overige interne verrichtingen 2.500 3. Eigen inkomsten 1.100 4. Dotatie vanuit de Vlaamse begroting Programma 61.1 B.A. 41.48 werking B.A. 61.45 investeringen Programma 61.4 B.A. 41.41 werking 22.859 B.A. 61.41 investeringen 901 Programma 99.1 B.A. 41.44 werking B.A. 61.44 investeringen B.A. 41.45 dotatie GRB B.A. 41.46 dotatie KADSCAN B.A. 41.47 dotatie RTK-GPS netwerk Te ontvangen vorig jaar Totaal inkomsten 28.376

OC-GIS-VL (KADSCAN) 1.500

OC-GIS-VL (RTK-GPS) 32

OC-GIS-VL

TOTAAL

740

2.553 4.053

1.152 1.184

868 1.608

2.579 39.420 4.473 4.573 51.045

OC-GIS-VL

OC-GIS-VL

OC-GIS-VL

OC-GIS-VL

TOTAAL

(GRB)

(KADSCAN)

(RTK-GPS)

727

1.743 2.532 1.573

32 88

385

11.796 730

11.796 730 22.859 901 1.419 342

13.341

337 2.483

2.553

1.152

868

1.419 342 4.573

1.500 4.053

1.184

740 1.608

2.577 51.045


JAARVERSLAG 2002

Te r b e s c h i k k i n g s t e l l i n g van de middelen uit de begroting. Vlaamse Landmaatschappij zonder de Mestbank en zonder OC-GIS Vlaanderen (VLM – ZMB – ZOC) De VLM (zonder de afdeling Mestbank en zonder de afdeling OC-GIS-Vlaanderen) heeft in 2002 een bedrag van 2.251.864,78 EUR van de middelen die nog betrekking hadden op het boekjaar 2001 nog niet ontvangen. Van de dotatie voor de werking 2002 heeft ze 11.312.400 EUR ontvangen. Een bedrag van 11.546.600 EUR is nog niet ontvangen. De investeringstoelage 2001 werd volledig ontvangen. De investeringstoelage 2002 ten bedrage van 901.000 EUR werd volledig verantwoord maar nog niet ontvangen.

Vlaamse Landmaatschappij , afdeling Mestbank (VLM-MB) De Vlaamse Landmaatschappij, afdeling Mestbank, heeft in 2002 van de werkingsdotatie 2001 een bedrag van 22.310,42 EUR nog niet ontvangen. Van de werkingsdotatie 2002 werd 5.761.800 EUR ontvangen. Een bedrag van 6.034.200 EUR is nog niet ontvangen. De investeringstoelagen 2001 ten bedrage van 726.232,56 EUR en 2002 ten bedrage van 729.982,78 EUR werden per 31/12/2002 nog niet ontvangen. In 2002 heeft de VLM voor 4.772.327 EUR geïnd aan heffingen in het kader aan het mestactieplan. Er werd in 2002 voor 5.440.787 EUR doorgestort naar het Minafonds.

Vlaamse Landmaatschappij, afdeling ondersteunend centrum – GIS – Vlaanderen (OC-GIS-VL) Van de dotatie voor de werking 2002 werd reeds 1.104.500 EUR ontvangen. Een bedrag van 314.500 EUR werd nog niet ontvangen. De investeringstoelage 2002 ten bedrage van 341.707,49 EUR is per 31/12/2002 nog niet ontvangen.

94

Voor het project GRB werden de nog te ontvangen saldo’s van de projectdotaties 2000 en 2001 ten bedrage van 1.499.755,82 EUR volledig ontvangen. De projectdotatie GRB 2002 ( 2.553.000 EUR ) werd volledig verantwoord en voor de helft ontvangen in 2002. Voor de projectdotaties KADSCAN en RTK-GPS werden de resterende saldi van 2001 ontvangen. De dotaties voor 2002 werden volledig aangewend en voor de helft ontvangen.

Financiële resultaten. De Vlaamse Landmaatschappij sloot het boekjaar 2002 af met een te bestemmen verlies van 410.892,56 EUR. Zoals bepaald in art. 36 van de statuten en volgens het voorstel van de raad van bestuur aan de algemene vergadering wordt dit bedrag onttrokken aan de onbeschikbare reserve. Op 1 oktober 1993 trad de Vlaamse Landmaatschappij toe tot het Centraal Financieringsorgaan (CFO). Sindsdien worden de middelen ter beschikking gesteld van de Vlaamse Landmaatschappij naargelang van haar financiële toestand; naargelang de vooruitzichten voor iedere entiteit afzonderlijk en voor alle entiteiten samen en naargelang de financiële opportuniteiten van het hele CFO. Met het oog op de werking van het CFO zijn de financiële activiteiten van de Vlaamse Landmaatschappij ingedeeld in vier entiteiten: • Entiteit 1: de Ruilverkaveling; • Entiteit 2: de Mestbank; • Entiteit 3: het Ondersteundend Centrum GisVlaanderen; • Entiteit 4: overige. De Vlaamse Landmaatschappij treedt op als rekenplichtige voor de ruilverkavelingcomités die elk een eigen rechtspersoonlijkheid bezitten (entiteit 1). Omwille van de transparantie wordt de financiering van de werking van de Mestbank afzonderlijk opgevolgd (entiteit 2). Het OC-GIS-Vlaanderen, inclusief de projecten, waarvan de financiering behoort tot de bevoegdheid van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken,


F I N A N C I Ë L E R E S U LTAT E N

grafiek 1 |

Investeringstoelage 2002 (volgens begroting)

1000

in duizend euro

800

600

400

200

0

grafiek 2 |

VLM-ZMB

VLM-MB

OC-GIS-VL

moet eveneens financieel afzonderlijk gehouden worden (entiteit 3). Onder entiteit 4 zijn de werkingsrekeningen (exclusief de afdelingen Mestbank en OC-GIS-Vlaanderen) en de investeringen van de Vlaamse Landmaatschappij (eveneens exclusief de afdelingen Mestbank en OC-GIS-Vlaanderen) terug te vinden. De financiering van de afdeling Mestbank (entiteit 2) en van de VLM zonder het OC-GIS-Vlaanderen behoort tot de bevoegdheid van de Vlaamse minister van leefmilieu en landbouw. Ook de patrimoniumrekeningen behoren tot deze entiteit. Ten einde de verrichtingen van de entiteit natuur en van de afdeling landelijke inrichting financieel beter te kunnen opvolgen werden afzonderlijke rekeningen binnen deze entiteit geopend.

Werkingstoelage 2002 (volgens begroting)

25.000

in duizend euro

20.000

15.000

10.000

5.000

0

grafiek 3 |

VLM-ZMB

VLM-MB

OC-GIS-VL

Projectdotatie 2002 (volgens begroting)

3.000

in duizend euro

2.500 2.000 1.500 1.000 500 0

OC GIS-VL (GRB)

OC GIS-VL (KADSCAN)

OC GIS-VL (RTK-GPS)

95


deel 1

hoofdstuk 6


ondersteunende afdelingen

CEL OPERATIES De activiteiten van deze cel stonden in het teken van meerdere projecten, waarvan volgende het meest in het oog springen: • de vervanging van het UNIX-systeem; • de ingebruikneming van WIN2000 policies; • realisaties op het gebied van IT-security.

Vervanging van het UNIX-platform Het bestaande IBM SP2 systeem werd na een offerteaanvraag vervangen door een nieuw IBM UNIXsysteem met AIX als besturingssysteem en DB2 als database. Dit platform is bedrijfskritisch voor de VLM en fungeert als database server voor opslag van bedrijfskritische data.

Ingebruikneming van WIN2000 policies Op dit vlak werden twee belangrijke resultaten neergezet. Enerzijds werd een paswoord policy ingevoerd, anderzijds was er een eerste opzet voor distributie van software via policies.

Realisaties IT-Security Op het gebied van IT-security werden een aantal belangrijke zaken gerealiseerd:

DE ZORG VOOR OPEN RUIMTE… NIET ZONDER DE ZORG VOOR MENSEN

Informatica, gronddatabank en GIS-VLM


JAARVERSLAG 2002 • de firewall configuratie, na offerteaanvraag gegund aan de firma ABSI n.v., werd volledig vernieuwd; • voor het Ondersteunend Centrum werd een aparte firewall configuratie opgezet; • de anti-virus software McAfee werd op alle servers geüpdatet, inclusief automatische upgrade en notificatie voor de Exchange servers; • op alle PC’s werd eveneens automatische update van McAfee verwezenlijkt.

zijds de noden van een loketfunctie ondersteunen en bijgevolg een kruispuntendatabank zijn, en anderzijds een datawarehouse waaruit de nodige beleidsinformatie kan opgevraagd worden. Nadat in 2001 de analysefase werd voltooid, werd in de eerste jaarhelft van 2002 in co-sourcing met de firma Dolmen CA n.v. een prototype van L.M.I.S. geïmplementeerd. Het is een browsertoepassing, ontwikkeld volgens de J2EE-standaard op basis van het Adequat framework van ASQ n.v. en met Sybase Enterprise Application Server als applicatieserver. Ontwikkeling van de PV/IV databank Dit was een belangrijke client/server-toepassing voor de Mestbank ontwikkeld met PowerBuilder om een centrale databank op te bouwen, waarin alle processen-verbaal en inspectieverslagen van de controleploegen van de Mestbank worden beheerd, zodat een betere handhaving van de mestregelgeving kon ondersteund worden.

INTRANET / INTERNET Intranet Voor het intranet SPIN, inclusief voor het systeem Tijdsregistratie, werd overgeschakeld op relationele database technologie SQL-server.

Internet In het oog springt hier de lancering op 29 november 2002 van de nieuwe VLM-website. Deze site werd gerealiseerd in samenwerking met de firma Dolmen CA n.v. Ook hier werd SQL-server database-technologie geïntroduceerd. De site werd geconstrueerd met behulp van Content Management Server 2001 en ASP voor portaalfuncties.

DE CEL ONTWIKKELING EN ONDERHOUD Ontwikkeling van nieuwe systemen Ingebruikneming van nieuwe een pilootsysteem L.M.I.S. Om de toekomstige grondbank toe te laten om haar taak efficiënt en klantgericht uit te voeren is een ondersteunend informatiesysteem nodig waarmee beleidsinformatie over kadastrale percelen in eigendom van de overheid (bv. oppervlakte, gewestplanbestemming, …) kan beheerd worden. Dit L.M.I.S. (land Management Informatie Systeem) moet ener-

98

MTIL / MIL (Mest Transport Internet Loket / Mest Internet Loket) Deze applicatie was één van de eerste transactionele e-government toepassingen in België. In 2002 werden door Ardatis n.v., aan wie de ontwikkeling en exploitatie reeds vroeger werd uitbesteed, belangrijke functies toegevoegd, zoals het blokkeren van mesttransporten naar Wallonië en in geval van calamiteiten. Het MIL, dat een e-government bevragingssysteem is voor alle landbouwbedrijven die hun transportbalansen willen raadplegen, werd intensief uitgetest door een doelgroep van een 50-tal gebruikers. Voor de cel Ontwikkeling was hier een belangrijk luik voorzien, namelijk de uitbreiding van de module “voorlopige” transportbalansen teneinde nachtelijke uitwisseling van gegevens te realiseren. Administratieve Vereenvoudiging in de landbouw Teneinde in de toekomst voor Vlaanderen éénmalige jaarlijkse registratie van het gebruik van landbouwpercelen mogelijk te maken, werd voor het nieuwe systeem “Registratie en beheer van gebruikspercelen” een conceptueel datamodel opgesteld en gevalideerd, dat moet toelaten elke gebruiker van landbouwperceelsinformatie van de nodige gegevens te voorzien. Daarbij worden zowel attribuutinformatie als geodata met behulp van de ArcGIS8 technologie in één centrale database opgeslagen. Technologische vernieuwingen Een nieuwe ontwikkelingsmethode, gebaseerd op UML (Unified Modelling Language), die einde 2001


ONDERSTEUNENDE AFDELINGEN

werd geïntroduceerd, werd in 2002 toegepast door met behulp van Rational Analyst Studio de analysefase van nieuwe projecten aan te pakken.

• het systeem BO-GIS: dit is een GIS-applicatie voor het digitaal registreren van beheerobjecten bij beheerovereenkomsten.

Voor CRM (Change Request Management) werd een prototype applicatie ontwikkeld op basis van een ClearQuest customisatie.

De migratie naar de nieuwe GIS-technologie (ArcGIS 8) werd afgewerkt. Voor het project “Registratie en beheer van Gebruikspercelen” werd een database opgezet met DB2, Spatial Extender en SDE. De GIS infrastructuur van de VLM werd gevoelig uitgebreid door investering in bijkomende ArcGIS8 licenties bij ESRI Belux n.v. Op gebied van topografie / GPS werden volgende zaken gerealiseerd: • alle topografische ploegen van de PA’s coderen volgens een nieuwe methode afgestemd op het skeletbestek van het OC; • de softwares dgDialog en Move3 werden voor de VLM op maat aangepast en in gebruik genomen; • in de ruilverkaveling Weelde werd een proefproject opgestart i.v.m. RTK-GPS-opmetingen met gebruik van het OC-skeletbestek en het FLEPOS; • een voorlopige lijst van typische VLM-objecten werd opgesteld.

Tevens werd de bouw aangevat van J2EE business componenten. Het Informatie- en Geo Loket Beheerovereenkomsten (IGLBO) In het najaar van 2002 werd in het kader van de ecluster Milieu aan de firma GIM n.v. een haalbaarheidsstudie gegund voor het uitbouwen van een egovernment toepassing m.b.t. beheerovereenkomsten. Deze studie zal voltooid worden in april 2003.

Preventief, evolutief en correctief onderhoud van bestaande systemen De werkbelasting van de afdeling Informatica & GISVLM bleef enorm, niet in het minst omdat een groot aantal complexe maatapplicaties dienden onderhouden te worden zoals: • het C/S systeem Administratie van de werken (AWBM); • het C/S systeem VVBOG (verwerving, vervreemding en beheer van onroerende goederen; • het C/S systeem Hypothecaire debiteuren; • de C/S subsystemen voor de mestbank: - aangiftes-heffingen, nutriëntenhalte; - erkende mestvoerders; - mestverhandelingen en balansen; - vergunningen m.b.t. dierlijke productie; - economische vergoedingen; • het C/S systeem Beheerovereenkomsten (BOAM); • het datawarehouse IVO van de Mestbank.

CEL GEO- INFORMATICA Onderhoud van bestaande gis/cad applicaties Volgende toepassingen werden preventief, correctief en evolutief onderhouden: • het systeem ADMIN (administratieve afhandeling van ruilverkavelingsprojecten); • het systeem ADNA (administratieve afhandeling van natuurinrichtingsprojecten); • het systeem HG (herverkavelingsgrafica); • het systeem RV-GIS: die is een GIS-applicatie voor het digitaal opzoeken en registreren van kadastrale percelen, aan- geboden in het kader van het Recht van Voorkoop Natuur;

Fotogrammetrie In 2002 waren er binnen de afdeling Informatica & GIS-VLM geen activiteiten meer verricht i.v.m. fotogrammetrie. Deze werden overgeheveld naar de cel Aëroteledetectie van de afdeling Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen.

Andere gis-operaties Drie medewerkers van de afdeling werden ingezet ten behoeve van taken van het Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen: • Vectorisatieproject Kruibeke; • Editeren van de VEN 1ste fase-data; • Digitaliseren van de basisscholen; • Editeren van hoogtelijnen; • Editeren van de Groene RUP’s; • Verbeteren KADSCAN-contourencover; • KADVEC1 (119 gemeenten)- controles en lichte aanpassingen; • In samenspraak met het celhoofd GO van het OC een digitaal overzicht houden op stand van zaken: - geleverde/ontbrekende/inconsistente gemeenten/plannen; - Taakverdeling tussen de operatoren (wie doet welke gemeente, …); - Rapportering; -… • Aanmaken van plot-bestanden voor VEN 1ste fase –kaarten en plotten; • Vectorisatieproject “Schelde & Zenne”;

99


JAARVERSLAG 2002

Algemene administratie

• Voorbereidingen om data te leveren: in structuur gieten, topologisch controleren en evt. aanpassen, … • Schrijven en controleren van de master CDROM’s van KADSCAN.

PERSONEEL In 2002 bleef het aantal tewerkgestelde personeelsleden nagenoeg status-quo. Eind 2001 waren er 782 personeelsleden in dienst, een jaar later was dit aantal lichtjes gedaald, met name tot 775 (zie tabellen 1 en 2).

INFORMATICA-TECHNISCHE ONDERSTEUNING VAN MANAGEMENTRAPPORTERING

Hoewel de structurele personeelsbehoeften van de instelling, die in principe door statutair personeel moeten worden ingevuld, al enige tijd substantieel hoger zijn dan het aantal tewerkgestelde ambtenaren, kon in 2002 geen uitbreiding van het aantal in dienst zijnde statutaire personeelsleden worden gerealiseerd. Niettegenstaande er in 2002 opnieuw enkele vergelijkende wervingsexamens werden georganiseerd, kon er immers slechts een beperkt aantal statutaire wervingen worden doorgevoerd omwille van de beperkte ruimte in de huidige personeelsformatie van de VLM. Een aanpassing van de personeelsformatie wordt reeds geruime tijd voorzien, maar zal wellicht pas kunnen worden geconcretiseerd na de implementatie van de geplande reorganisatie van de Vlaamse administratie (via het project Beter Bestuurlijk Beleid).

Het systeem Tijdsregistratie, waarbij alle personeelsleden van de VLM, die voor inrichtingsprojecten werkzaam waren, hun tijdsbesteding per halve dag registreerden in een centrale databank op het intranet, kende een groot succes en werd verfijnd. Op technologisch vlak werden de gegevens gemigreerd van een Access database naar een SQL-server database.

tabel 1 |

Personeelsbezetting op 31/12/2001

Niveau

IN DIENST

Kader

A B C D E Onderhoudspersoneel Totaal

tabel 2 |

211 177 98 128 14

628 628

Statutairen H.B. 85 42 22 20 1

B.D. 99 102 75 45 7

170

328

Contractueel personeel H.B. B.D. 48 41 23 74 25 23 8 11 0 1

104

498

150

Startbaners H.B.

Totaal

B.D. 273 241 145 88 9

4

4 4

254

22 22

4

0

26

4

Onderhoudspersoneel H.B. B.D.

Startbaners

26 782 782

Personeelsbezetting op 31/12/2002

Niveau

IN DIENST

Kader

A B C D E Onderhoudspersoneel Totaal

100

Onderhoudspersoneel H.B. B.D.

211 177 98 128 14

628 628

Statutairen H.B. 86 41 22 20 0

B.D. 106 106 65 50 0

169

327 496

Contractueel personeel H.B. B.D. 49 38 27 66 27 24 3 11 0 0

106

139 245

4 4

20 20 24

H.B.

Totaal

B.D.

8

2

8

2 10

279 240 138 94 0 24 775 775


ONDERSTEUNENDE AFDELINGEN

Door het feit dat er geen substantiële verschuiving kon worden doorgevoerd van contractueel naar statutair personeel bleef het aantal tewerkgestelde contractanten evenzeer stabiel. De geringe evolutie in het aantal contractanten is daarnaast mede te wijten aan het feit dat er in 2002 slechts een heel miniem aantal bijkomende contractuele wervingen voor uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoeften werd goedgekeurd door de raad van bestuur. Ook de stabilisatie in het gebruik van deeltijdse en voltijdse verlofstelsels (verlof voor deeltijdse prestaties, algemene en specifieke stelsels van loopbaanonderbreking, …) leidde ertoe dat het aantal contractuele personeelsleden dat in vervanging van afwezige ambtenaren werd aangeworven, niet significant toenam of daalde.

Grafiek 1 |

Verhouding personeelscategorieën 31.12.2001/2002 3% 1%

Op te merken valt ook dat de VLM eind 2002 10 startbaners tewerkstelde. Startbanen zijn een bijzondere tewerkstellingsvorm gecreëerd door de federale overheid. Bedoeling ervan is om de integratie van jongeren op de arbeidsmarkt te versoepelen door hen sneller een eerste werkervaring te laten opdoen. Door de bijna status-quo van het statutair personeel en de geringe evolutie in het aantal tewerkgestelde contractanten is het relatieve aandeel van beide groepen uiteraard ook weinig veranderd (zie grafiek 1). Zo maken de contractuele personeelsleden (onderhoudspersoneel en startbaners niet inbegrepen) op 31 december 2002 nog steeds ongeveer een derde van het personeelseffectief uit.

Leeftijdsstructuur contractueel personeel 2001-2002

Grafiek 2 |

1,8 0,4

< 20

31.12.02 44,7 36,9

20-25 32%

26-30 11,6 11,5

31-35 4,6 6,5

36-40 64%

Grafiek 3 |

Startbanen

Contractuele personeelsleden

Onderhoudspersoneel

Statutaire personeelsleden

Verdeling statutair personeel over de verschillende niveau’s

31.12.01

25,0 31,9

41-45

4,6 3,6

46-50

3,5 3,9 1,4 2,5

51-55

2,5 2,1

56-60

0,4 0,7

61-65 0

20

40

60

80

100

0

20

40

60

80

100

Grafiek 4 |

Verdeling contractueel personeel over de verschillende niveau’s

250

100

31.12.02

97 93

31.12.01

89 87

200

192

31.12.02

184

31.12.01

80

144 147

150

60 51 48

48 97

100

40

87 70 65

27 23

50

20 8 0

0

A

B

C

D

E

0

0 A

B

C

D

E

101


JAARVERSLAG 2002

Grafiek 5 |

Verhouding statutair personeel mannen/vrouwen 31.12.2001

Verhouding contractueel personeel mannen/vrouwen 31.12.2001

Grafiek 6 |

100

100

100

100

80

80

72,3 64,6

63,9

75

63,1

60

60

56,5

55,7 51,7 48,3 44,3

40

36,1

35,4

36,9

43,5

40

27,7 25

20

20 0

0

A

B

C

D

Vrouwen

Grafiek 7 |

0

0

E

A

B

C

D

Vrouwen

Mannen

Verhouding statutair personeel mannen/vrouwen 31.12.2002

Grafiek 8 |

E

Mannen

Verhouding contractueel personeel mannen/vrouwen 31.12.2002

100

80 71,4

85,4

70

63,3 58,6

60 50

60

41,4

55,9 54

39,1

40 30

78,4

80

60,9

36,7

46

44,1

40

28,6

20

21,6

20

14,6

10 0

A

B

C

Vrouwen

Grafiek 9 |

0

D

A

B

Mannen

C

Vrouwen

D Mannen

Leeftijdstrucuur statutair personeel Grafiek 10 |

Prestatie regimes 31.12.02

100 88,8

87,1

87,0

85,0

31.12.02

25 22,3 21,8

31.12.01

80

69,5

20 17,1 15,9

60

17,3 15,5

15

40

10

20

9,0 8,0 7,9

5

27,1

11,5 11,9

11,7 10,2 8,5

3,2 3,4

0

3,2

12,9

12,3

11,2 8,6

3,4

2,5

1,7

0,7

Niveau A

Niveau B

Nveau C

Niveau D

2,1

Totaal

1,6

0

102

20-25 26-30

31-35 36-40 41-45 46-50

51-55

56-60 61-65

Voltijdse prestaties

Deeltijdse prestaties

Voltijds langdurig verlof


ONDERSTEUNENDE AFDELINGEN

Indien de evolutie van het contractueel personeelsbestand verder wordt geanalyseerd, kan worden vastgesteld dat - hoewel het totale aantal contractanten dus weinig is veranderd - er een aanzienlijke verschuiving is te merken tussen de niveaus D en E (grafiek 4). Dit is een gevolg van een aanpassing van het stambesluit VOI (d.i. het personeelsstatuut dat van toepassing is op de VLM) door de Vlaamse regering waardoor een upgrading werd voorzien van het personeel van niveau E naar niveau D. Bij de contractanten ging het vooral om de personeelsleden die tewerkgesteld zijn in de catering en het onderhoud. Aan hen werd vanaf 1 januari 2002 een nieuwe arbeidsovereenkomst aangeboden in niveau D, waardoor het aantal contractanten in dit niveau meer dan verdubbelde en er geen personeelsleden meer in het niveau E overbleven. In de groep van de statutaire personeelsleden (grafiek 3) zijn de verschuivingen, omwille van het feit dat tegenover de natuurlijke afvloei een gering aantal wervingen stond, vanwege de hiervoor geciteerde redenen, uiteraard ook beperkt. Maar ook in deze groep werd een upgrading voorzien voor de ambtenaren van niveau E waardoor een toename in niveau D valt op te merken en het niveau E is “uitgedoofd”. Bij een analyse van de man-vrouwverhouding in de groep van de statutaire personeelsleden (grafieken 5 en 7) kan opnieuw in nagenoeg alle niveaus een, zij het weliswaar bescheiden, evolutie worden vastgesteld in de richting van een meer evenwichtige verhouding tussen beide geslachten. Bij de contractuele personeelsleden geeft de verhouding mannen-vrouwen een totaal ander beeld (grafieken 6 en 8) en blijven de vrouwen in de meerderheid in alle niveaus. Door de overheveling van het onderhoudspersoneel (dat exclusief vrouwelijk is) naar niveau D werd wel een aanzienlijke toename vastgesteld van het relatieve aandeel van de vrouwen in dat niveau. tabel 3 |

De leeftijdsverdeling van de contractuele personeelsleden geeft een ander beeld (grafiek 2). Het aandeel van de jongeren bij het contractueel personeel is duidelijk het grootst. Dit blijft een constante, hoewel dit op 31 december 2002 iets minder uitgesproken het geval was dan eind 2001. Iets minder dan 70 % van het contractuele personeel is 30 of jonger. Het feit dat het aandeel van de jongere werknemers in de groep van het niet-statutaire personeel zo groot is, heeft uiteraard te maken met het feit dat contractuele betrekkingen vaak een tijdelijk karakter hebben, waardoor vooral jongeren die hun eerste ervaringen opdoen op de arbeidsmarkt, in afwachting van een job die meer werkzekerheid biedt, voor deze functies kandideren. Ook de startbanen dragen bij tot de “verjonging” van het contractuele personeelsbestand. Om personeelsleden toe te laten hun gezinsleven beter te combineren met hun functie bij de VLM of zich tijdens hun carrière op bepaalde momenten te herbronnen, staat de instelling positief t.o.v. vragen van personeelsleden om deeltijds te werken of tijdelijk hun loopbaan te onderbreken. Het stambesluit VOI voorziet diverse verlofsoorten om aan dergelijke vragen tegemoet te komen en in het personeelsbeheer gaat dan ook de nodige aandacht uit naar flexibele werkvormen en de begeleidende maatregelen die moeten worden getroffen om de effecten

Prestatieregimes 31/12/2002 Voltijdse prestaties

Niveau A Niveau B Nveau C Niveau D Totaal - aantal -%

Uit de evolutie van de leeftijdsstructuur van het statutair personeel (grafiek 9) kan worden afgeleid dat er door het relatief geringe aantal statutaire wervingen, die normaal gezien voor een verjongingseffect zorgen, er slechts minieme verschuivingen optreden in het relatieve aandeel van de verschillende leeftijdsgroepen. Ruim vijftig procent van het statutair personeel is tussen de 26 en 40 jaar oud. De andere personeelsleden zijn relatief evenwichtig gespreid over de andere leeftijdsgroepen, alleen de jongste en de oudste leeftijdscategorieën zijn iets minder vertegenwoordigd.

Aantal 248 209 120 82 659

% 88,9 87,1 87,0 69,5 85,0

Deeltijdse prestaties1 Aantal 24 27 17 32 100

% 8,6 11,2 12,3 27,1 12,9

Voltijds langdurig verlof2

Totaal

Aantal 7 4 1 4 16

Aantal 279 240 138 118 775

% 2,5 1,7 0,7 3,4 2,1

775 100,0

1 deeltijdse prestaties zijn de verloven voor verminderde prestaties, halftijdse loopbaanonderbreking en deeltijdse contracten 2 voltijdse langdurige verloven zijn het gecontingenteerd verlof voor stage of proeftijd, voltijdse loopbaanonderbreking en het verlof voor opdracht

103


JAARVERSLAG 2002 daarvan op de organisatie zo goed als mogelijk op te vangen. De voorbije jaren werden bovendien nog verdere stappen gezet op dit terrein (meer algemene invoering van thuiswerk na een gunstig verlopen proefproject in 2000, sterke versoepeling van de werktijdregeling, …). Op een totaal van 775 personeelsleden werkten er eind 2002 in totaal 100 deeltijds (12,9 %). Daarnaast waren er 16 personeelsleden (2,1 %) die van een of andere vorm van een langdurig voltijds verlof (voltijdse loopbaanonderbreking, verlof voor opdracht, …) gebruik maakten (zie tabel 3 en grafiek 10). Ook de mogelijkheden die de nieuwe regeling inzake thuiswerk en de aangepaste flexibele werktijden bieden, werden in 2002 door het personeel benut en lijken hun steentje bij te dragen tot de jobsatisfactie van het personeel, wat uiteindelijk ook de organisatie in haar geheel ten goede komt.

VORMING EN ORGANISATIEONTWIKKELING Een belangrijke schakel in de realisatie van het vormingsbeleid van de VLM wordt gevormd door de competentie- en themanetwerken. De VLM heeft sinds 2000 ervaring opgedaan met twee types netwerken die elk een duidelijke doelstelling hebben. Enerzijds zijn er de competentienetwerken die specialisten in een bepaald vakgebied bijeenbrengen teneinde hen te helpen bij het uitwisselen van kennis en het up-to-date houden van de competentie. Anderzijds volgen de themabeheerders de maatschappelijke en beleidsmatige evoluties in de externe omgeving op en rapporteren daarover in de VLM. Als toetsingskader kan een intern themanetwerk uitgebouwd worden. Alhoewel de werking van deze netwerken nog kan verbeterd worden, is er al een behoorlijke weg afgelegd. Het feit dat de VLM deze netwerken operationeel heeft gemaakt, is nagenoeg uniek in de Vlaamse administratie. De netwerken spelen duidelijk in op een groeiende nood aan geselecteerde, bruikbare en relevante informatie. Via de netwerken kunnen collega’s elkaar daarbij ondersteunen en kan gericht informatie worden doorgespeeld. Deze trend staat wat haaks op het principe “kennis is macht”: daarom is het belangrijk dat leidinggevenden kennisdeling expliciet belonen. In de complexe context waarin de VLM zich nu bevindt, is het cruciaal dat snel en efficiënt kennis wordt uitgewisseld om te kunnen inspelen op wisse-

104

lende omstandigheden. Het is duidelijk dat de netwerken voor de VLM een troef zijn, die moet behouden blijven. Een evaluatie van de netwerking eind 2002 leverde een aandachtspunt op voor de komende jaren. De netwerken moeten niet enkel gezien worden als een denktank, maar moeten ook oog hebben voor de toepassing van de kennis op het terrein. Geen kennis om de kennis dus, maar steeds in functie van de praktijk. Op die manier zal de bijdrage van de netwerking aan de realisatie van de organisatiedoelstellingen concreter en zichtbaarder kunnen gemaakt worden. Het vormingsplan 2002, zoals goedgekeurd door de directieraad, werd grotendeels gerealiseerd. Belangrijke vormingsinitiatieven in 2002 waren o.m. de migratieopleiding ArcView, de opleidingen ter voorbereiding van bevorderingsexamens, specifieke opleidingen georganiseerd t.b.v. competentienetwerken, Officetrainingen, de voorbereiding van de workshop procesbegeleiding, etc. Om op de hoogte te blijven van de laatste evoluties op vaktechnisch gebied namen heel wat personeelsleden deel aan studiedagen en congressen. Een permanent aandachtspunt is de verspreiding van de informatie die werd verkregen tijdens al deze vormingsactiviteiten. De vormingscel en de competentiecoördinatoren werken aan een voorstel om de informatiedoorstroming vlotter te laten verlopen.

JURIDISCHE ZAKEN Juridische dienstverlening en juridische ondersteuning van de beleidsvoorbereiding en –uitvoering zijn sleutelopdrachten van de Cel Juridische Zaken. Concreet betekent dit: • Het verlenen van casuïstiek (gevallenstudie) en algemeen juridisch advies inzake: - De kernactiviteiten van de maatschappij nl.: de ruilverkaveling, de mestreglementering, de landinrichting, het natuurbehoud, het Geografisch Informatie Systeem Vlaanderen; - De regelgevingen die raakvlakken hebben met of een impact hebben op de kernactiviteiten. Deze adviezen betreffen vooral het milieurecht, het publiek recht, het agrarisch recht, het zakenrecht, het strafrecht, het fiscaal recht en de ruimtelijke ordening; - Het beheer van de maatschappij als vennootschap, als openbare instelling en als werkgever. Deze adviezen zijn terug te brengen tot het ven-


ONDERSTEUNENDE AFDELINGEN

nootschapsrecht, het administratief recht, het arbeidsrecht en het personeelsstatuut; - De gunningprocedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten. Het betreft het onderzoek op juridisch en administratief vlak van de problemen inzake het gunnen en het uitvoeren van de overheidsopdrachten. • De juridische ondersteuning bij de opmaak van voorontwerpen van de decreten en uitvoeringsbesluiten en het legistiek nazicht ervan. • Het beheer van de betwiste zaken van: - Geschillen voortvloeiend uit de toepassing van de wetgeving op de ruilverkaveling en de mestreglementering; - Geschillen ‘van gemeenrecht’ voortvloeiend uit het maatschappelijk doel van de maatschappij; - Geschillen inzake de gunningprocedure en de uitvoering van werken, leveringen en diensten in toepassing van de overheidsopdrachtenreglementering. • Het verstrekken van documentatie, de informatie in verband met rechtskundige aangelegenheden, de coördinatie van de wetgeving, de repertoriëring van de rechtspraak m.b.t. de kernactiviteiten en het geven van voorlichting over nieuwe wetgevingen. De gecoördineerde tekst van de kernwetgevingen wordt ter beschikking gesteld van belangstellenden. • Daarnaast stond de cel Juridische Zaken in voor: 1. Het verlenen van eerstelijns rechtsbijstand aan de personeelsleden in het raam van het reglement van de sociale dienst. Deze bijstand betreft vooral de privaat- en familiaalrechtelijke sfeer van de personeelsleden; 2. De medewerking aan de adviescommissie inzake mestheffingen waarvan een jurist het secretariaat waarneemt; 3. De medewerking aan verschillende werkgroepen: grondzaken, overheidsopdrachten en openbaarheid van bestuur; 4. De medewerking aan de activiteiten van de Belgische Vereniging voor Agrarisch Recht en het Europees Comité voor Agrarisch recht; 5. De voorbereiding van de omschakeling van de maatschappij ingevolge het kaderdecreet Beter Bestuurlijk Beleid.

en het beheer van de open ruimte gaat. De communicatie met de verschillende doelgroepen mag niet vrijblijvend zijn. Meer dan op het informeren, moet zij gericht zijn op het laten participeren. Doelgroepen moeten betrokken worden bij de beleidsvoorbereiding. Via interactieve beleidsprocessen kunnen zij mee gestalte geven aan een project.

In 2002 is de VLM gestart met een project rond procesbegeleiding. Procesbegeleiding in het kader van de inrichting van de open ruimte betekent dat de doelgroepen van nabij worden betrokken bij de planopbouw, dat zij mee visie ontwikkelen over een bepaald projectgebied en die visie helpen gestalte geven. Technieken worden ontwikkeld, onderzoek uitgevoerd, richtlijnen opgesteld en projectleiders opgeleid, om de doelgroepen mee te laten participeren in de projectontwikkeling.

COMMUNICATIE

Twee pilootprojecten worden uitgevoerd: De ervaring die uit deze projecten naar voor komt, moet aanleiding geven tot een handboek dat richtlijnen en technieken bevat om de burgers actief te betrekken bij de projectopbouw.

Doelgroepen betrekken: procesbegeleiding

MestbankInfo: een blijver

Burgers, doelgroepen, lokale overheden, moeten kunnen meedenken wanneer het over de inrichting

Landbouwers correct informeren over en sensibiliseren rond de mestwetgeving, blijft één van de

105


JAARVERSLAG 2002 belangrijkste opdrachten van de Mestbank. Een ruime waaier aan communicatiekanalen wordt daarbij gebruikt: infovergaderingen, studiedagen, brochures, folders, landbouwbeurzen. De MestbankInfo, een infokrant die naar alle Vlaamse landbouwers wordt gestuurd, is een betrouwbare bondgenoot geworden in de opvolging van de mestwetgeving.

VLM. Eind 2002 lanceerde de VLM zijn vernieuwde site met een informatieaanbod dat veel meer op maat van onze verschillende doelgroepen is opgebouwd. Drie invalshoeken ontsluiten de beschikbare informatie: de invalshoek ‘doelgroepen’, de geografische invalshoek en de thematische invalshoek.

Beheerovereenkomsten: Horizon

Een aantal toepassingen zoals MTIL, het Mesttransport Infoloket, werd verbeterd.

Ook in het kader van de beheerovereenkomsten voor natuur zijn de landbouwers de belangrijkste doelgroep in de communicatie. Een nieuw initiatief werd gestart met de uitgave van een infokrant over Agrarisch Natuurbeheer per provincie. De krant werd Horizon gedoopt en verscheen voor het eerst in de provincie West-Vlaanderen. In de loop van 2003 komen ook de andere provincies aan de beurt.

De VLM op het web De beheerovereenkomsten voor natuur zijn ook een belangrijke rubriek op de nieuwe website van de

106

EMANCIPATIE Voorheen werd in het kader van emancipatie voornamelijk gewerkt aan gelijke kansen voor mannen en vrouwen. In 2002 werd het thema ‘diversiteit’ in de kijker geplaatst (n.a.v. het decreet Chokri omtrent evenredige participatie op de arbeidsmarkt). De Vlaamse overheid zal in de toekomst een voorbeeldfunctie moeten vervullen wat betreft integratie


ONDERSTEUNENDE AFDELINGEN

van doelgroepen zoals o.a. allochtonen, personen met een handicap, laaggeschoolden. Alle leidend ambtenaren kregen hieromtrent een generieke doelstelling. Deze doelstelling werd bij de VLM opgenomen in het Positief Actieplan 2002-2003. Hieronder vindt men een omschrijving van de acties die de VLM in 2002 in het kader van gelijke kansen.

Acties in het kader van gelijke kansen voor mannen en vrouwen Nieuwe functie - en rolbeschrijvingen werden genderneutraal opgesteld. De cel Juridische Zaken waakte verder over de evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in adviesorganen. In het jaarlijks personeels - en vormingsrapport werden relevante cijfers i.v.m. gender opgenomen (verhouding mannen en vrouwen per niveau, in voltijdse of deeltijdse jobs, statutair of contractueel, …). De regeling die in 2001 uitgewerkt werd i.v.m. kinderopvang, werd geëvalueerd en bijgestuurd (aanpassing bijdragen). Door deze regeling kunnen personeelsleden die beroep doen op kinderopvang en/of speelpleinwerking in hun eigen gemeente of stad, een bijdrage bekomen van de sociale dienst. Deze regeling kent een groot succes. Door o.a. kinderopvang te ondersteunen wordt de combinatie arbeid – gezin vergemakkelijkt. De emancipatieambtenaar volgde een opleiding ‘vertrouwenspersoon inzake OSGW & pesten op het werk’. Zij fungeert als interne vertrouwenspersoon voor deze problemen. Het contract met vzw Limits, de externe vertrouwenspersoon voor OSGW (en nu ook pesten) werd verlengd.

Acties in het kader van gelijke kansen voor personeelsleden uit verschillende niveaus en statuten Er was specifieke aandacht voor de vorming van personeelsleden van de niveaus B,C, D en E. In 2002 was een toename merkbaar m.b.t. deelname aan vorming van personeelsleden die niet tot niveau A behoren. Met de upgrading van niveau E naar niveau D werden communicatietrainingen aangeboden, alsook een infosessie over het statuut. Er werden competentienetwerken opgestart voor personeelsleden uit niveau B en C met dezelfde specialisatie.

Het onthaal van nieuwe personeelsleden werd gelijkvormig gemaakt. Vroeger was er voor de nieuwe statutaire personeelsleden een meer uitgebreid onthaal voorzien. Dit onderscheid wordt nu niet meer gemaakt. Een werkgroep boog zich over de reorganisatie van de onthaaldagen.

Acties in het kader van diversiteit Bij nieuwe wervingen van startbaners, eind 2002, werden doelgroepenorganisaties gecontacteerd. Hieruit kwamen enkele sollicitanten. Er kon één startbaner geworven worden uit de doelgroepen. De actoren uit het welzijnsbeleid van de VLM hebben specifieke aandacht voor de integratie van personen uit deze doelgroepen. Zij volgen de nodige vormingen om deskundigheid hierin te verwerven.

OPENBAARHEID VAN BESTUUR, KLACHTENDECREET EN VLAAMSE OMBUDSDIENST Decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur (B.S., 15.06.1999) Dit decreet heft het vroegere decreet van 23 oktober 1991 inzake openbaarheid van bestuur op. De instrumenten van actieve en passieve openbaarheid werden behouden om het beginsel van openbaarheid te realiseren op het niveau van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest. De actieve openbaarheid wordt op het vlak van de Vlaamse gemeenschap en het Vlaamse gewest gerealiseerd door het voeren van een actief voorlichtingsbeleid naar het publiek toe.

Klachtendecreet Op 1 januari 2002 trad het decreet van 1 juni 2001 houdende toekenning van een klachtrecht ten aanzien van de bestuursinstellingen in werking. Door dit decreet krijgt de burger het recht zich kosteloos te beklagen over de werking en handelingen van een bestuursinstelling. De bestuursinstelling is verplicht een zorgvuldige klachtenbehandeling uit te werken door het opzetten van een klachtenvoorziening. Het decreet beperkt zich tot een informele procedure, een klachtenprocedure die de instelling zelf uitwerkt. Na het afsluiten van het onderzoek binnen de 45 dagen is de bestuursinstelling verplicht de klager schriftelijk de bevindingen van het onderzoek mee te delen. De instelling moet hierbij vermelden of de klager een klacht kan indienen bij de Vlaamse

107


JAARVERSLAG 2002 ombudsman of dat hij op een andere manier nog een klacht kan indienen.

dinator, het aanspreekpunt en de klachtenbehandelaar kunnen dezelfde persoon zijn.

De bestuursinstellingen worden verplicht jaarlijks verslag uit te brengen bij de Vlaamse ombudsman. Zo kan de ombudsman nagaan in welke mate de instellingen een behoorlijke klachtenbehandeling naleven. Dit verslag wordt ook opgenomen in het jaarverslag van de instelling.

Er moet per instelling een eenvoudige procedure (draaiboek) voor klachtenbehandeling worden uitgewerkt die zoveel mogelijk gestroomlijnd is met de procedure van de andere bestuursinstellingen.

In een overleg dat plaats had tussen de verschillende bestuursinstellingen en de Vlaamse ombudsdienst over het klachtendecreet, werd gevraagd één klachtencoördinator per bestuursinstelling aan te duiden die ook het aanspreekpunt voor de ombudsdienst wordt. Er dient per instelling een vast aanspreekpunt (helpdesk) te worden vastgelegd voor de klachtindienende burger. De klachtenbehandelaar mag niet samenvallen met de oorspronkelijk behandelende ambtenaar of de ambtenaar die de briefwisseling heeft ondertekend. De klachtencoör-

108

Relatie eerstelijnszorg (klachtendecreet) – Tweedelijnszorg (vlaamse ombudsdienst) Als eerstelijnsopdracht heeft elke bestuursinstelling de plicht om zelf de klachtenbehandeling te organiseren. Via de website van de maatschappij krijgt de burger informatie over de verschillende stappen in de klachtenprocedure. De klachtenbehandeling door de ombudsdienst bevindt zich in de tweede lijn. De klager kan zich pas tot de ombudsdienst wenden als er na tussenkomst van de klachtendienst van de bestuursinstelling


ONDERSTEUNENDE AFDELINGEN

geen voldoende oplossing is gevonden voor de klacht. Dit was reeds gestipuleerd in het decreet van 7 juli 1998 houdende de instelling van de Vlaamse ombudsdienst (art. 12 en 13). Omgekeerd verwijst het klachtendecreet op drie plaatsen naar het Vlaamse ombudsdecreet: • het mogelijk beroep op de Vlaamse ombudsdienst wanneer een klacht niet of laattijdig door de instelling wordt behandeld (artikel 5); • de vermelding van de Vlaamse ombudsdienst wanneer er na de klachtbehandeling door de instelling nog een beroep mogelijk is (artikel 11); • de instellingen zijn verplicht jaarlijks te rapporteren aan de Vlaamse ombudsdienst (artikel 12) over de ingekomen klachten en de bevindingen van de behandeling van deze klachten.

wordt bij het Vlaams Parlement voor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest een Vlaamse ombudsdienst ingevoerd. Om de onafhankelijkheid van de ombudsman te garanderen is er voor geopteerd de ombudsdienst te laten ressorteren onder de wetgevende macht. In het eerste volledige werkingsjaar van de ombudsman verscheen het huishoudelijk reglement van de Vlaamse ombudsdienst. Dit reglement regelt vooral de externe relaties van de ombudsdienst met de verzoekers, de Vlaamse overheidsdiensten en het Vlaams Parlement en bevat ook enkele interne werkingsregels. In uitvoering van dit reglement sloot de maatschappij met de ombudsdienst een samenwerkingsprotocol.

Vlaamse ombudsdienst Door het decreet van 7 juli 1998 houdende instelling van de Vlaamse ombudsdienst (B.S., 25.08.1998)

109


deel 2

bijlagen Jaarverslag van de raad van bestuur aan de algemene vergadering gehouden op 12 maart 2003


jaarverslag

Het boekjaar werd afgesloten met een balanstotaal van 134.668.267 euro en met een verlies van 410.892,56 euro. De vaste activa evolueerden van 16.672.598 euro naar 27.166.846 euro. Deze toename is voornamelijk te verklaren door de toename in de post terreinen en gebouwen als gevolg van de aankoop van een kantoorgebouw te Brugge voor 4.761.136 euro, de aankoop van een kantoorgebouw te Leuven voor 2.975.000 euro en van de renovatie - en uitbreidingswerken van het gebouw te Herentals voor 2.426.123 euro. De vlottende activa evolueerden van 94.409.633 euro naar 107.501.421 euro. Deze toename is voornamelijk te verklaren door de toename van de nog te ontvangen werkings - en investeringsdotaties vanwege het Vlaams Gewest en in mindere mate door een toename van de voorraden. Het eigen vermogen evolueerde van 30.310.855 euro naar 32.271.974 euro door een toename van de kapitaalsubsidies. De schulden zijn toegenomen van 75.545.050 euro naar 96.799.489 euro. De belangrijkste redenen hiervoor zijn enerzijds de toename van de overige schulden op meer dan één jaar als gevolg van de

DE ZORG VOOR OPEN RUIMTE… NIET ZONDER DE ZORG VOOR MENSEN

Commentaar op de jaarrekening.


JAARVERSLAG 2002 ontvangst van het aanvangsfonds Doel linkerscheldeoever van 3.718.402,87 euro, de ontvangst van een voorschot vanwege het Vlaams Gewest in het kader van de ruilverkaveling van 2.545.000 euro en anderzijds de toename van de overige schulden op ten hoogste één jaar voornamelijk als gevolg van de stijging met 13.332.133 euro van de negatieve rekeningstanden bij het centraal financieringsorgaan. De belangrijkste opbrengsten van de onderneming bestaan uit de ontvangen werkings- en investeringsdotaties vanwege het Vlaams Gewest voor 39.865.859 euro. De belangrijkste kosten van de onderneming situeren zich op het vlak van de loonkosten ten bedrage van 32.324.628 euro. Het verlies van het boekjaar is voornamelijk te verklaren door enerzijds het verschil tussen de afschrijvingen aan de kostenzijde en de in resultaat genomen kapitaalsubsidies aan de inkomstenzijde en anderzijds de toename van de voorzieningen voor risico’s en kosten. De Raad van Bestuur stelt voor om het te verwerken verliessaldo te onttrekken aan de onbeschikbare reserves.

Belangrijke gebeurtenissen na balansdatum. Er hebben zich geen gebeurtenissen voorgedaan die op de toestand van de onderneming een belangrijke invloed hebben.

Omstandigheden die de ontwikkeling van de vennootschap opmerkelijk kunnen beïnvloeden. Nihil

Informatie omtrent de werkzaamheden op het gebied van onderzoek en ontwikkeling.

te Hasselt. Tevens zal het in 2002 aangekochte gebouw voor de provincie Vlaams Brabant te Leuven in dienst genomen worden.

Waardering in continuïteit. De vennootschap heeft geen verlies geleden gedurende twee opeenvolgende boekjaren. De balans vertoont geen overgedragen verlies.

Andere op te nemen gegevens. Op 31/12/2002 werden volgende dotaties nog niet ontvangen: Saldo werkingsdotatie 2001 VLM: 2.251.864,78 euro Saldo werkingsdotatie 2001 afdeling Mestbank: 22.310,42 euro Kapitaalsdotatie 2001 afdeling Mestbank: 726.232,56 euro Saldo werkingsdotatie 2002 VLM: 11.546.600,00 euro Saldo werkingsdotatie 2002 afdeling Mestbank: 6.034.200,00 euro Saldo werkingsdotatie 2002 afdeling OC-GIS-Vl.: 314.500,00 euro Kapitaalsdotatie 2002 VLM: 900.807,42 euro Kapitaalsdotatie 2002 afdeling Mestbank: 729.982,78 euro Kapitaalsdotatie 2002 afdeling OC-GIS-Vlaanderen: 341.707,49 euro Saldo projectdotatie 2002 GRB: 1.276.500,00 euro Saldo projectdotatie 2002 KADSCAN: 576.000,00 euro Saldo projectdotatie 2002 RTK-GPS: 434.000,00 euro TOTAAL: 25.154.705,45 euro Na 31/12/2002 en voor de Algemene Vergadering werden hiervan de volgende bedragen ontvangen: Deel saldo werkingsdotatie 2001 afdeling Mestbank: 310,42 euro Deel kapitaalsdotatie 2002 VLM: 741.713,00 euro

Nihil.

Gegevens betreffende het bestaan van bijkantoren. Het gebouw voor de provincies Limburg en Vlaams Brabant te Diest zal in 2003 verkocht worden en vervangen worden door een te huren gebouw gelegen

112

In overeenstemming met de wettelijke bepalingen vragen wij aan de Algemene Vergadering de voorgelegde jaarrekening te willen goedkeuren en kwijting te willen verlenen aan de bestuurders van de vennootschap voor het uitoefenen van hun opdracht tijdens het afgelopen boekjaar.


BIJLAGEN

WAARDERINGSREGELS Activa

• de meerwaarde op de gebouwen wordt afgeschreven volgens de resterende afschrijvingstermijn per gebouw. B. Installaties, machines en uitrusting.

De waarderingsregels werden gewijzigd tijdens het boekjaar 1998 door het besluit van de Vlaamse regering van 21 mei 1997, (B.S.11/10/97) betreffende een geïntegreerde economische boekhouding en budgettaire rapportering voor de Vlaamse openbare instellingen. De afschrijvingen vanaf boekjaar 1998 zijn lineair en pro-rata-temporis berekend.

De aankopen worden voor aankoopwaarde geboekt. De afschrijvingen worden als volgt berekend: • materieel ruilverkaveling: 10% per jaar. • materieel fotogrammetrie: 10% per jaar. • beveiligingsinstallatie: 10% per jaar. - installaties gebouwen: 10% per jaar.

II. Immateriële vaste activa.

C. Meubilair en rollend materieel.

Computer-software wordt afgeschreven aan 33%.

De aankopen worden voor de aankoopwaarde geboekt. De afschrijvingen worden als volgt berekend:

III. Materiële vaste activa. A. Terreinen en gebouwen. De aankopen werden voor hun aankoopwaarde of bouwwaarde geboekt, BTW inbegrepen. De gebouwen worden afgeschreven aan 3% per jaar. De meerwaarde op tereinen en gebouwen wordt afgeschreven, rekening houdend met de volgende criteria: • de pro rata meerwaarde op de bebouwde terreinen, berekend volgens de verhouding boekwaarde terreinen en de boekwaarde van de gebouwen, wordt niet afgeschreven.

• rollend materieel: 20% per jaar. - informatica: 33% per jaar. - meubilair: 10% per jaar. - kunstvoorwerp: voor 1 bef symbolische waarde. - mestopslag materieel: 20% per jaar. - kantoormaterieel: 20% per jaar. - afdrukmaterieel: 20% per jaar. Voor de investeringen, gefinancierd met kapitaalsubsidies, worden de afschrijvingen ten laste genomen van het resultaat, evenredig aangerekend op de post 75 als in resultaat genomen kapitaalsubsidies.

113


JAARVERSLAG 2002 E. Overige materiële vaste activa.

X. Overlopende rekeningen.

De terreinen en gebouwen worden voor hun aankoopwaarde geboekt. De afschrijving van de gebouwen wordt aan 3% per jaar berekend.

De overgedragen kosten en de verworven inkomsten worden geboekt voor het bedrag berekend volgens het pro rata, respectievelijk ten laste of ten bate van het boekjaar voor hun nominale waarde.

IV. Financiële vaste activa. C. Andere financiële vaste activa. C.2. Vorderingen en borgtochten in contanten.

Passiva

De gestorte waarborgen worden voor hun nominale waarde geboekt.

VI.A. Voorzieningen voor risico's en kosten.

V. Vorderingen op meer dan één jaar.

VII.A.3. Grote herstelling- en onderhoudswerken.

V.B. Overige vorderingen.

Deze voorziening wordt samengesteld op basis van een kostenraming betreffende een groot onderhoud en grote herstellingen aan de gebouwen van de Vlaamse Landmaatschappij.

De vorderingen worden voor hun nominale waarde geboekt en betreffen: • vorderingen op ruilverkavelingscomité's • vorderingen op hypothecaire debiteuren • sociale leningen • projecten landinrichting • préfinanciering gronden natuurinrichting.

V.I. Voorraden en bestellingen in uitvoering. VI.A. Voorraden. VI.A.5. Onroerende goederen bestemd voor de verkoop. De gronden worden geboekt voor hun aankoopwaarde vermeerderd met de aankoopkosten.

VII.A.4. Overige risico's en kosten. Deze voorziening omvat volgende rubrieken: • voorziening voor hangende geschillen. • voorziening terreinen ruilverkaveling en landinrichting. • voorziening voor initiatieven van de Mestbank, samengesteld uit overgedragen saldi van vorige boekjaren.

VIII. Schulden op langer dan één jaar. VIII.A. Financiële schulden. VIII.A.5. Overige leningen.

VII. Vorderingen op ten hoogste één jaar.

De schuld wordt voor haar nominale waarde geboekt.

VII.A. Handelsvorderingen. VIII.D. Overige schulden. De handelsvorderingen worden geboekt voor hun nominale waarde.

Deze schulden worden voor hun nominale waarde geboekt.

VII.B. Overige vorderingen.

IX. Schulden op ten hoogste één jaar. De overige vorderingen worden geboekt voor hun nominale waarde.

IX.A. Schulden op meer dan één jaar die binnen het jaar vervallen.

IX. Liquide middelen. De liquide middelen worden voor hun nominale waarde geboekt.

114

Deze schulden worden voor hun nominale waarde geboekt.


BIJLAGEN

IX.C. Handelsschulden.

IX.F. Overige schulden.

Deze schulden worden voor hun nominale waarde geboekt.

Deze schulden worden voor hun nominale waarde geboekt.

IX.E. Schulden met betrekking tot belastingen, bezoldigingen en sociale lasten.

X. Overlopende rekeningen.

Deze schulden worden voor hun nominale waarde geboekt. De voorziening voor het vakantiegeld wordt overeenkomstig de wettelijke bepalingen voorzien.

De toe te rekenen kosten en over te dragen opbrengsten worden respectievelijk ten laste of ten bate genomen van het boekjaar voor hun nominale waarde.

Balans na winstverdeling ACTIVA Vaste activa

II Immateriële vaste activa III Materiële vaste activa

codes 20/28

(bedragen in duizend euro) Boekjaar 2002 Vorig boekjaar 27.167 16.673

21

1.292

22/7 22 23 24 26

16.366 881 4.268 4.342

C Andere financiële vaste activa 1 Aandelen 2 Vorderingen en borgtochten in contanten

28 284/8 284 285/8

18 5 13

Vlottende activa

29/58

A E C E

Terreinen en gebouwen Terreinen en gebouwen Terreinen en gebouwen Terreinen en gebouwen

IV Financiële vaste activa

V Vorderingen op meer dan één jaar

1.224

25.857

15.430 7.037 800 4.562 3.031

18

19 19 5 14

107.501

94.409

29 291

18.807

3 30/36 35

15.414 15.414

A Handelsvorderingen E Overige vorderingen

40/41 40 41

461 72.577

IX Liquide middelen

54/58

12

5

X Overlopende rekeningen

400/1

230

2.389

Totaal der activa

20/58

134.668

111.082

E Overige vorderingen

VI Voorraden en bestellingen in uitvoering A Voorraden 5 Onroer. goederen bestemd voor verkoop

VII Vorderingen op ten hoogste één jaar

18.807

17.352 17.352

15.414

13.077 13.077 13.077

73.038

61.586 256 61.330

115


JAARVERSLAG 2002

Balans na winstverdeling (bedragen in duizend euro) PASSIVA

Eigen vermogen I Kapitaal IA Geplaatst kapitaal

116

codes 10/15 10 100

III Herwaarderingsmeerwaarden

12

IV Reserves A Wettelijke reserve B Andere onbeschikbare reserves C Belastingvrije reserves D Beschikbare reserves

13 130 1311 132 133

Boekjaar 2002 32.272

Vorig boekjaar 30.311

72 72

72 72

12.883

12.883

10.228 7 1.420 3.467 5.334

10.638 7 1.830 3.467 5.334

VI Kapitaalsubsidies

15

9.089

6.718

Voorzieningen en uitgestelde belastingen

16

5.597

5.226

VIIA Voorzieningen voor risico's en kosten A3 Grote herstellings- en onderhoudswerken A4 Overige risico's en kosten

160/5 162 163/5

Schulden

17/49

VIII Schulden op meer dan één jaar A Financiële schulden A5 Overige leningen D Overige schulden

17 170/4 174 178/9

0 0 33.776

IX Schulden op ten hoogste één jaar A Schulden op meer dan één jaar die binnen het jaar vervallen C Handelsschulden C1 Leveranciers E Schulden m.b.t. belastingen, bezoldigingen en sociale lasten E1 Belastingen E2 Bezoldigingen en sociale lasten F Overige schulden

42/48 42

0

18

44 440/4 45

2.433 2.433 3.865

2.998 2.998 3.854

450/3 454/9 47/48

476 3.389 53.782

638 3.216 37.298

5.597 1.586 4.011

5.226 1.695 3.531

96.799

75.545

33.776

27.903 0 0 27.903

60.080

44.168

X Overlopende rekeningen

492/3

2.943

3.474

Totaal der passiva

10/49

134.668

111.082


BIJLAGEN

Resultatenrekening (bedragen in duizend euro) KOSTEN

codes

Boekjaar 2002

Vorig boekjaar

II Bedrijfskosten

60/64

A Handelsgoederen,grond- en hulpstoffen 1 Inkopen 2 Wijziging in de voorraad (toename -, afname +) B Diensten en diverse goederen C Bezoldigingen,sociale lasten en pensioenen D Afschrijvingen en waardeverminderingen op oprichtingskosten, op immateriële en materiële vaste activa E Waardeverminderingen op voorraden, bestellingen in uitvoering en handelsvorderingen F Voorziening voor risico's en kosten G Andere bedrijfskosten

60 600/8 609 61 62 630

2.664 5.001 -2.337 8.569 32.325 3.857

973 2.153 -1.180 8.764 31.362 3.427

631/4

0

0

635/7 640/8

371 1.493

-217 669

V Financiële kosten

49.279

65

44.978

3

A Kosten van schulden C Andere financiële kosten

650 652/9

VIII Uitzonderlijke kosten

66

A Uitzonderlijke afschrijvingen op materiële vaste activa E Andere uitzonderlijke kosten

660

7

0

664/8

51

85

IX Winst van het boekjaar voor belastingen Verlies van het boekjaar voor belastingen

70/66 66/70

-445

X Belastingen op het resultaat

67/77

34

B Regularisering van belastingen en terugneming voorzieningen voor belastingen

XI Winst van het boekjaar Verlies van het boekjaar

77

0 3

3

58

XIII Te bestemmen winst van het boekjaar Te verwerken verlies van het boekjaar

85

1.124

34

70/67 67/70

0 0

1.124 -411

TOTAAL DER KOSTEN

XII Overboeking naar de belastingvrije reserves

0 3

689 70/68 68/70

48.929

46.190

0

786 338

-411

RESULTAATVERWERKING A Te bestemmen winstsaldo Te verwerken verliessaldo Te bestemmen winst van het boekjaar Te verwerken verlies van het boekjaar B Onttrekking aan het eigen vermogen Aan de reserves C Toevoeging aan het eigen vermogen aan de wettelijke reserve aan de overige reserves

70/69 69/70 70/68 68/70 791/2 792 691/2 6920 6921

338 -411 338 -411 411 411 0 0 0

-338 0 338

117


JAARVERSLAG 2002

Resultatenrekening (bedragen in duizend euro) OPBRENGSTEN

I Bedrijfsopbrengsten A Omzet D Andere bedrijfsopbrengsten

70 74

IV Financiële opbrengsten

75

B Opbrengsten uit vlottende activa C Andere financiële opbrengsten

751 752/9

VII Uitzonderlijke opbrengsten

76

A Terugneming van afschrijvinen en van waardeverminderingen op immteriële en materiële vaste activa D Meerwaarde bijde realisatie van vaste activa E Andere uitzonderlijke opbrengsten

760

X Regularisering van belastingen en terugneming van voorzieningen voor belastingen TOTAAL DER OPBRENGSTEN

118

codes

Boekjaar 2002

70/74

763 764/9

77

Vorig boekjaar

45.181 4.628 40.553

42.547 2.722 39.825

3.349 247 3.102

3.546 2.722 2.549

365

97

7

0

14 344

17 80

34

0

48.929

46.190


BIJLAGEN

To e l i c h t i n g II STAAT VAN DE IMMATERIELE VASTE ACTIVA (post 21 van de activa) (bedragen in duizend euro) codes A Aanschaffingswaarde Per einde van het vorige boekjaar Mutaties tijdens het boekjaar: - Aanschaffingen,met inbegrip van de geproduceerde vaste activa - overdrachten en buitengebruikstellingen Per einde van het boekjaar C Afschrijvingen en waardeverminderingen Per einde van het vorige boekjaar Mutaties tijdens het boekjaar: - Geboekt - Afgeboekt - Overgeboekt van een post naar een andere Per einde van het boekjaar D Netto-boekw. per einde van het boekjaar

concessies, octrooien, licenties, enz.

8012

1.999

8022

715

8032 8052

2.714

8062

775

8072 8092 8102 8122

647

1.422

8132

1.292

III STAAT VAN DE MATERIELE VASTE ACTIVA (posten 22 tot 27 van de activa) (bedragen in duizend euro) codes

A Aanschaffingswaarde Per einde van het vorige boekjaar Mutaties tijdens het boekjaar: - Aanschaffingen,met inbegrip van de geproduceerde vaste activa - overdrachten en buitengebruikstellingen - overboeking van een post naar een andere Per einde van het boekjaar

codes

Installaties, machines en uitrust. (post 23)

codes

Meubilair en rollend materieel (post 24)

codes

Overige materiële vaste act. (post 26)

8151

12.757

8152

1.413

8153

16.969

8155

3.031

8161

10.162

8162

192

8163

1.981

8165

1.476

8173 8183

-9

8175 8185

-165

8193

18.941

8195

4.342

8171 8181 8191

B Meerwaarden Per einde van het vorige boekjaar 8201 Mutaties tijdens het boekjaar: - Geboekt 8211 - Afgeboekt 8231 - Overgeboekt van een post naar een andere 8241 Per einde van het boekjaar 8251 C Afschrijvingen en waardeverminderingen Per einde van het vorige boekjaar 8261 Mutaties tijdens het boekjaar: - Geboekt 8271 - Afgeboekt 8281 - Overgeboekt na buitengebruikstelling 8301 - Overgeboekt van een post naar een andere 8311 Per einde van het boekjaar 8321 D Netto-boekw. per einde van het boekjaar

Terreinen en gebouwen (post 22)

8331

8172 8182 22.919

8192

1.605

12.882

8202

8203

8205

12.882

8212 8232 8242 8252

8213 8233 8243 8253

8215 8235 8245 8255

18.602

8262

613

8263

12.407

8265

833

111

724

8273 8283 8303 8313 8323

2.273 -7

19.435

8272 8282 8302 8312 8322

14.673

8275 8285 8305 8315 8325

16.366

8332

881

8333

4.268

8335

4.342

119


JAARVERSLAG 2002 IV STAAT VAN DE FINANCIËLE VASTE ACTIVA (post 28 van de activa) (bedragen in duizend euro) 1. Deelnemingen en aandelen (post 284) A Aanschaffingswaarde per einde van het vorige boekjaar Mutaties tijdens het boekjaar: Aanschaffingen per einde van het boekjaar Netto-boekwaarde per einde van het boekjaar 2 Vorderingen (post 285/8) Netto-boekw. per einde van het vorige boekjaar . Toevoegingen . Terugbetalingen Netto-boekwaarde per einde van het boekjaar

8353

codes 5

8363 8393 8563

5 5

codes 8573 8583 8593 8643

Andere ondernemingen

Andere ondernemingen 14 -1 13

VIII STAAT VAN HET KAPITAAL (bedragen in duizend euro) A Maatschappelijk kapitaal 1. Geplaatst kapitaal (post 100 v/d passiva) - Per einde van het vorige boekjaar - Wijzigingen tijdens het boekjaar Kapitaalsverhoging - Per einde van het boekjaar 2 Samenstelling van het kapitaal 2.1 Soorten aandelen 2.900 aandelen met een gelijke nominale waarde van 24,79 euro elk 2.2 Aandelen op naam of aan toonder Op naam

codes

Bedragen

8700

72

8701

72

Aantal aandelen

72

8702

2.900

2.900

IX VOORZIENINGEN VOOR OVERIGE RISICO'S EN KOSTEN (bedragen in duizend euro) boekjaar Uitsplitsing van de post 163/5 van de passiva indien daaronder een belangrijk bedrag voorkomt. voorzieningen hangende geschillen voorzieningen terreinen ruilverkaveling voorzieningen initiatieven mestbank

1.376 987 1.647

X STAAT VAN DE SCHULDEN (bedragen in duizend euro) A Uitsplitsing van de schulden met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar, naar gelang hun resterende looptijd Financiële schulden 5 Overige leningen Overige schulden TOTAAL

hoogstens één jaar (post 42) codes 8801 8851 8901 8911

Schulden met een resterende looptijd van meer dan één jaar, meer dan doch hoogstens 5 jaar 5 jaar (post 17) codes codes 8802 8803 8852 8853 8902 18.902 8903 14.874 8912 18.902 8913 14.874

C Schulden met betrekking tot belastingen, bezoldigingen en sociale lasten codes Boekjaar 1 Belastingen (post 450/3 van de passiva) b Niet vervallen belastingschulden 9073 476 2 Bezoldigingen en sociale lasten (post 454/9 van de passiva) b Andere schulden met betrekking tot 9077 3.389 bezoldigingen en sociale lasten

XI OVERLOPENDE REKENINGEN (bedragen in duizend euro) boekjaar Uitsplitsing van de post 492/3 van de passiva Te betalen projecten GRB

120

2.466


BIJLAGEN

XII BEDRIJFSRESULTATEN (bedragen in duizend euro) B Andere bedrijfsopbrengsten (post 74) Waarvan: exploitatiesubsidies en vanwege de overheid ontvangen compenserende bedragen C1 Werknemers ingeschreven in het personeelsregister a Totaal aantal op de afsluitingsdatum b Gemiddeld personeelsbestand berekend in voltijdse equivalenten c Aantal daadwerkelijk gepresteerde uren

codes

Boekjaar

740

39.866

38.363

9086 9087

775 716,0

782 729,3

9088

C2 Personeelskosten (post 62) a Bezoldigingen en rechtstreekse sociale voordelen b Werkgeversbijdragen voor sociale verzekeringen c andere personeelskosten d pensioenen

620 621 623 624

D Waardeverminderingen (post 631/4) 2 op handelsvorderingen . geboekt . Teruggenomen

9112 9113

E Voorzieningen voor risico's en kosten (post 635/7) Toevoegingen Bestedingen en terugnemingen F Andere bedrijfskosten (post 640/8) Belastingen en taksen op de bedrijfsuitoefening Andere

vorig boekjaar

1.046.839 1.068.087

23.539 3.436 1.815 3.535

23.058 3.371 1.596 3.336

9115 9116

1.376 -1.005

988 -1.205

640 641/8

260 1.233

212 457

G Uitzendkrachten en ter beschikking van de onderneming gestelde personen 2 Gemiddeld aantal berekend in voltijdse equivalenten 9097 0,2 Aantal daadwerkelijk gepresteerde uren 9098 396 Kosten voor de onderneming 617 6

0,6 1.096 24

XIII FINANCIËLE RESULTATEN (bedragen in duizend euro) A Andere financiële opbrengsten (post 752/9) Door de overheid toegekende subsidies, aangerekend op het resultaat: - kapitaalsubsidies

codes

Boekjaar

9125

3.092

vorig boekjaar

2.530

XVI BELASTING OP DE TOEGEVOEGDE WAARDE EN BELASTING TEN LASTE VAN DERDEN (bedragen in duizend euro) codes

Boekjaar

A De belasting op de toegevoegde waarde in rekening gebracht: 2 door de onderneming

vorig boekjaar

9146

20

34

B De ingehouden bedragen ten laste van derden bij wijze van: 1 bedrijfsvoorheffing

9147

7.122

6.843

XIX FINANCIËLE BETREKKINGEN,MET A Bestuurders en zaakvoerders 4 Rechtstreekse en onrechtstreekse bezoldigingen en ten laste van de resultatenrekening toegekende pensioenen, voor zover deze vermelding niet uitsluitend of hoofdzakelijk betrekking heeft op de toestand van een enkel identificeerbaar persoon: (bedragen in duizend euro) codes Boekjaar aan bestuurders en zaakvoerders 9503 22

121


JAARVERSLAG 2002

Sociale balans I STAAT VAN DE TEWERKGESTELDE PERSONEN A Werknemers ingeschreven in het personeelsregister codes

(boekjaar)

3 totaal (T) of tot. in voltijdse equival.(VTE) (boekjaar)

totaal (T) of tot.in voltijdse equival.(VTE) (vorig boekjaar)

639,2 935.689 28.666 XXXXXXXX

138,2 111.150 3.295 XXXXXXXX

716,0 (VTE) 1.046.839 (T) 31.961 (T) 364 (T)

729,3 (VTE) 1.068.087 (T) 30.980 (T) 380 (T)

codes

1 voltijds

2 deeltijds

105

659

116

3 totaal (T) of tot. in voltijdse equival.(VTE) voltijdse 724,9

110 111 113

576 70 13

107 2 7

637,1 71,3 16,5

120 121

387 272

24 92

399,6 325,3

130 134 132

10 636 13

97 19

10,0 692,9 22,0

codes

1 Uitzendkrachten

150 151 152

0,2 396 6

codes

Voltijds

Deeltijds

205

75

8

79,9

b Volgens de aard van de arbeidsovereenkomst Overeenkomst voor een onbepaalde tijd Overeenkomst voor een bepaalde tijd Vervangingsovereenkomst

210 211 213

20 51 4

1 4 3

20,5 53,9 5,5

c Volgens het geslacht en het studieniveau Mannen: lager onderwijs secundair onderwijs hoger niet-universitair onderwijs universitair onderwijs Vrouwen: lager onderwijs secundair onderwijs hoger niet-universitair onderwijs universitair onderwijs

220 221 222 223 230 231 232 233

8 12 12 3 15 11 14

1 Tijdens het boekjaar en het vorig boekjaar Gemiddeld aantal werknemers Aantal daadwerkelijk gepresteerde uren Personeelskosten, in 1000 euro Voordelen bovenop het loon, in 1000 euro

2 Op de afsluitingsdatum van het boekjaar a Aantal werknemers ingeschreven in het personeelsregister b Volgens de aard van de arbeidsovereenkomst Overeenkomst voor een onbepaalde tijd Overeenkomst voor een bepaalde tijd Vervangingsovereenkomst c Volgens het geslacht Mannen Vrouwen d Volgens de beroepscategorie Directiepersoneel Bedienden Arbeiders B Uitzendkrachten en ter beschikking van de onderneming gestelde personen Tijdens het boekjaar Gemiddeld aantal tewerkgestelde personen Aantal daadwerkelijk gepresteerde uren Kosten voor de onderneming, in duizend euro

1 voltijds

2 deeltijds

(boekjaar) 100 101 102 103

2 Ter beschikking van de onderneming gestelde personen

II Tabel van het personeelsverloop tijdens het boekjaar Totaal in voltijdse equivalenten

A Ingetreden a Aantal werknemers die tijdens het boekjaar in het personeelsregister werden ingeschreven

122

2 1 1 3 1

8,0 13,3 12,0 3,5 15,5 13,1 14,5


BIJLAGEN

codes

Voltijds

Deeltijds

305

73

17

81,4

b Volgens de aard van de arbeidsovereenkomst Overeenkomst voor een onbepaalde tijd Overeenkomst voor een bepaalde tijd Vervangingsovereenkomst

310 311 313

30 43

8 8 1

32,1 48,8 0,5

c Volgens het geslacht en het studieniveau Mannen: lager onderwijs secundair onderwijs hoger niet-universitair onderwijs universitair onderwijs Vrouwen: lager onderwijs secundair onderwijs hoger niet-universitair onderwijs universitair onderwijs

320 321 322 323 330 331 332 333

4 16 14 11 2 7 10 9

4 2 4 1

4,0 17,3 15,3 11,0 4,4 8,1 12,2 9,1

d Volgens de reden van beëindiging van de overeenkomst Pensioen 340 Afdanking 342 Andere reden 343

13 1 59

2 1 14

14,0 1,5 65,9

B Uitgetreden a Aantal werknemers met een in het personeelsregister opgetekende datum waaro hun overeenkomst tijdens het boekjaar een einde nam

Totaal in voltijdse equivalenten

2 4

III Staat over het gebruik van de maatregelen ten gunste van de werkgelegenheid tijdens het boekjaar codes

Aantal betrokken werknemers 1 aantal 2 in voltijdse equivalenten

3 Financieel voordeel in duizen euro

Maatregelen ten gunste van de werkgelegenheid 1 Maatregelen met een financieel voordeel voor de werkgever m.b.t. de titularis of diens plaatsvervanger Volledige loopbaanonderbreking 412 4 4,0 Vermindering van de arbeidsprestaties 413 4 2,3 (deeltijdse loopbaanonderbreking)

22 12

Aantal werknemers betrokken bij één of meerdere maatregelen ten gunste van de werkgelegenheid: - totaal voor het boekjaar 550 74 33,4 - totaal voor het vorige boekjaar 560 72 44,8

IV Inlichtingen over de opleidingen voor de werknemers tijdens het boekjaar

Totaal van de opleidingsinitiatieven ten laste van de werkgever mannen vrouwen

codes

1. Aantal betrokken werknemers

580 581

173 137

2. Aantal gevolgde opleidingsuren 7.053 4.856

3. Kosten voor de onderneming in 1000 euro 443 262

123


JAARVERSLAG 2002

Ve r s l a g v a n d e r e v i s o r aan de algemene vergadering der aandeelhouders JAARREKENING PER 31 DECEMBER 2002 In het kader van onze opdracht als revisor aangesteld bij ministerieel besluit van 9 januari 1990 in uitvoering van de wet van 16 maart 1954, en in overeenstemming met de bepalingen van het artikel 29 van de statuten, brengen wij hierbij verslag uit aangaande onze controlewerkzaamheden in verband

met de jaarrekening per 31 december 2002 van de Vlaamse Landmaatschappij, die werd opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de raad van bestuur, met een balanstotaal van 134.668(000) EUR en waarvan de resultatenrekening afsluit met een te verwerken verlies van het boekjaar 411(000) EUR. Wij hebben eveneens de bijkomende speciďŹ eke controles verricht die door de wet zijn vereist.

Verklaring over de jaarrekening zonder voorbehoud, met een toelichtende paragraaf Onze controles werden uitgevoerd overeenkomstig de normen van het Instituut der Bedrijfsrevisoren.

124

Deze beroepsnormen eisen dat onze controle zo wordt georganiseerd en uitgevoerd dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de jaarrekening geen onjuistheden van materieel belang bevat, rekening houdend met de Belgische wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften met betrekking tot de jaarrekening. Overeenkomstig deze normen hebben wij rekening gehouden met de administratieve en boekhoudkundige organisatie van de vennootschap, alsook met de procedures van interne controle. De verantwoordelijken van de vennootschap hebben onze vragen naar ophelderingen of inlichtingen duidelijk beantwoord.

Wij hebben op basis van steekproeven de verantwoording onderzocht van de bedragen opgenomen in de jaarrekening. Wij hebben de waarderingsregels, de betekenisvolle boekhoudkundige ramingen die de onderneming maakte en de voorstelling van de jaarrekening in haar geheel beoordeeld. Wij zijn van mening dat deze werkzaamheden een redelijke basis vormen voor het uitbrengen van ons oordeel. Naar ons oordeel, rekening houdend met de toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke voor-


BIJLAGEN

schriften, geeft de jaarrekening afgesloten op 31 december 2002 een getrouw beeld van het vermogen, van de financiële toestand en van de resultaten van de vennootschap en een passende verantwoording wordt gegeven in de toelichting. Zonder afbreuk te doen aan de hierboven vermelde verklaring zonder voorbehoud, vestigen wij de aandacht op het jaarverslag, waarin de raad van bestuur toelicht dat de rubriek overige vorderingen belangrijke bedragen bevat inzake dotaties die tot op heden nog niet geïnd zijn. Hoewel deze bedragen werden geboekt op grond van geldige verantwoordingsstukken, kunnen wij, gelet op de voorwaardelijke wijze van uitkering van deze toelagen, geen oordeel geven over het vaststaande karakter van deze vorderingen en over de overeenstemmende opbrengsten. Bijkomende verklaringen en inlichtingen Wij vullen ons verslag aan met volgende inlichtingen die niet van aard zijn om de draagwijdte van onze verklaring te wijzigen : • Het jaarverslag bevat de door de wet vereiste inlichtingen en stemt overeen met de jaarrekening.

• Onverminderd formele aspecten van ondergeschikt belang, wordt de boekhouding gevoerd en de jaarrekening opgesteld overeenkomstig de in België toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften. • Wij dienen U geen enkele verrichting of beslissing mede te delen die in overtreding met de statuten of de vennootschappenwet zou zijn gedaan of genomen. De bestemming van het resultaat, die aan de algemene vergadering wordt voorgesteld, stemt overeen met de wettelijke en statutaire bepalingen.

Opgemaakt op 11 maart 2003 Patrick Waltniel Bedrijfsrevisor Vertegenwoordiger van de burgerlijke coöperatieve vennootschap “Dumont-Bossaert, Waltniel & Co”

125


info Maatschappelijke zetel Vlaamse Landmaatschappij Gulden-Vlieslaan 72, 1060 Brussel 6 Algemeen nummer Tel. 02 543 72 00 Algemene directie Fax 02 543 73 99 Administratie 02 543 73 96 Mestbank 02 543 73 98 Ruilverkaveling, Landinrichting en Natuur 02 543 73 97 Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen 02 543 73 95

Provinciale afdelingen VLM-Provinciale afdeling Brugge

VLM-Provinciale afdeling Diest Leuvensestraat 86a, 3290 Diest Tel. 013 35 87 00 Fax 013 35 87 99 013 35 87 98

Algemeen nummer Administratie Mestbank

VLM-Provinciale afdeling Gent Ganzendries 149, 9000 Gent Tel. 09 244 85 00 Fax 09 244 85 99 09 244 85 98

Algemeen nummer Administratie Mestbank

VLM-Provinciale afdeling Herentals Cardijnlaan 1, 2200 Herentals Tel. 014 25 83 00 Fax 014 25 83 99 014 25 83 98

Algemeen nummer Administratie Mestbank

VERANTWOORDELIJK UITGEVER

i r. R o l a n d d e P a e p e , G u l d e n - V l i e s l a a n 7 2 , 1 0 6 0 B r u s s e l 6 C O N C E P T, R E A L I S A T I E E N G R A F I S C H E P R O D U C T I E

Arte-Print, 1090 Brussel DEZE BROCHURE WERD GEDRUKT OP MILIEUVRIENDELIJK PAPIER D/2003/6375/01

DE ZORG VOOR OPEN RUIMTEâ&#x20AC;¦ NIET ZONDER DE ZORG VOOR MENSEN

Emmanuel de Neckerestraat 5, 8000 Brugge Algemeen nummer Tel. 050 45 81 00 Administratie Fax 050 45 81 99 Mestbank 050 45 81 98


V L A A M S E L A N D M A AT S C H A P P I J

|

Guldenvlieslaan 72

|

B-1060 Brussel

V L M

J A A R V E R S L A G

2 0 0 2

de zorg voor open ruimte... niet zonder de zorg voor mensen

J A A R V E R S L A G

2 0 0 2


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Jaarverslag_VLM_2002.pdf by Vlaanderen-be - Issuu