Vlaanderen
is onderwijs & vorming
STEM-monitor
mei 2017
DEPARTEMENT ONDERWIJS & VORMING
www.onderwijs.vlaanderen.be 1
Inleiding Het STEM-actieplan 2012-2020 van de Vlaamse regering voorziet dat de doelstellingen tweejaarlijks worden opgevolgd aan de hand van een aantal indicatoren. Hiervoor werd de STEM-monitor ontwikkeld. Deze geeft inzicht in evoluties van relevante STEM–indicatoren zoals instroom, doorstroom en uitstroom van leerlingen in het secundair onderwijs, cursisten volwassenenonderwijs en studenten hoger onderwijs. Door de grote vraag naar STEM-data werd beslist om de STEM-monitor vanaf 2016 jaarlijks aan te vullen. In de versie van 2017 zijn niet alleen instroom-, doorstroom- en uitstroomgegevens opgenomen, maar ook bijkomende prestatiemetingen uit PISA-onderzoek voor het secundair onderwijs.
Uitgangspunten De cijfers van het schooljaar 2010-2011 vormen de “nulmeting” waarmee van jaar tot jaar wordt vergeleken. Gegevens van eerdere jaren worden ter info eveneens opgenomen, maar doelstellingen en vaststellingen worden verbonden aan de evolutie sinds 2010-2011. De Monitor 2017 baseert zich op de gegevens van het school- en academiejaar 2015-2016. Voor de indeling van studierichtingen gelinkt aan STEM baseren we ons op de definitie en classificatie uit de VRWI studie1 (STEM / zorg-STEM / lichte STEM / Niet-STEM), met bijzondere aandacht voor de categorie (zuivere) STEM. Waar in de tabellen “STEM” staat zonder verdere bepaling, wordt de zuivere STEM bedoeld, dus zonder zorg-STEM en lichte STEM. We ordenen en labelen de indicatoren als volgt: I. STEM-instroom (studiekeuze)
a. secundair (S): gewoon secundair onderwijs (2de en 3de graad) b. hoger (H) onderwijs
II. STEM- onderwijsprestaties (doorstroom)
a. secundair (S) b. hoger (H) onderwijs
III. Gekwalificeerde STEM-uitstroom (studiebewijzen) a. secundair (S) b. hoger (H) onderwijs
Voor het hoger onderwijs wordt HBO5 afzonderlijk vermeld, net zoals Volwassenenonderwijs
1 Van den Berghe, W & D. De Martelaere (2012). Kiezen voor Stem. De keuze van jongeren voor technische en wetenschappelijke studies. VRWI studiereeks 25. Voor de definitie en classificatie van STEM-studierichtingen: zie pagina 36-37.
2
Situering Het STEM-actieplan 2012-2020 van de Vlaamse regering voorziet dat de STEM-stuurgroep de algemene monitoring van het actieplan uitvoert op basis van een aantal indicatoren. Hiervoor werd de STEM-monitor ontwikkeld. Hij geeft inzicht in evoluties van relevante STEM–indicatoren rond instroom-, doorstroom- en uitstroom van leerlingen, cursisten en studenten. De evoluties worden bekeken tegenover een overeengekomen ‘nuljaar’ (nulmeting). We gebruiken hiervoor de gegevens van het referentiejaar 2010-2011. Initieel werden de gegevens om de twee jaar geactualiseerd. Door de grote vraag naar STEM-informatie werd in 2016 beslist om de STEM-monitor voortaan jaarlijks aan te vullen. In voorliggende editie 2017 werden ook de prestatiegegevens uit het PISA-onderzoek voor het secundair onderwijs opgenomen, die eind 2016 werden gepubliceerd. Tot slot werden ook de laatste EUROSTAT-gegevens opgenomen m.b.t. het aantal STEM-afgestudeerden in het hoger onderwijs (2013 en 2014).
Doelstellingen Op lange termijn is de kernboodschap van het STEM-actieplan: meer jongeren positief motiveren voor wetenschappelijke en technische studierichtingen en beroepen. Alleen zo komen we tegemoet aan de behoeften van de kenniseconomie en van de arbeidsmarkt. De STEM-monitor geeft inzicht in evoluties die plaatsvinden in STEM-studierichtingen in het voltijds secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs, HBO5-opleidingen, bachelor- en masteropleidingen en dit aan de hand van een aantal indicatoren rond instroom, doorstroom en uitstroom van leerlingen, cursisten en studenten. Op basis van de indicatoren kunnen cijfermatige doelstellingen geformuleerd worden op korte en (middel)lange termijn. Doelstellingen op korte termijn zijn zinvol voor indicatoren die voldoende ‘beleidsgevoelig’ zijn. Hieronder verstaan we indicatoren waarvan hypothetisch kan verondersteld worden dat ze snel kunnen wijzigen als gevolg van acties of beleid. We denken hierbij aan de instroom in STEM-richtingen. Hierover adviseerde het STEM-Platform de volgende meetbare doelen tegen 2020 (STEM-advies, 2013): 1.
Een vooruitgang met 4 procentpunten voor de STEM-instroom in de periode 2012-2020.
2. De stijging moet voor een aanzienlijk deel komen van een hogere vrouwelijke participatie. Het heeft echter weinig zin om kortetermijndoelstellingen te formuleren op loggere (maar daarom niet minder relevante) indicatoren die veel minder snel te beïnvloeden zijn zoals de STEM- uitstroomgegevens of anders gezegd het aantal STEM studiebewijzen. We gebruiken de uitstroomgegevens dus voor (middel)lange termijndoelstellingen. We moeten de uitstroomgegevens m.a.w. over een veel langere termijn bekijken vooraleer er conclusies uit te trekken. De STEM-voortgang wordt ondertussen 5 jaar systematisch opgevolgd, sinds het STEM-actieplan in werking is gegaan. Dat is nog niet voldoende lang om de mogelijke effecten van het STEM-actieplan op de uitstroom in te schatten. Daarvoor is een langer volgehouden STEM-beleid nodig. Ondertussen is de mid-term cesuur inzake metingen van het STEM-actieplan bereikt. Nulmeting: 2010-2011 – finaal jaar van de metingen: 2020-2021. Als de tendensen die zich jaar na jaar aftekenen, aanhouden, dan is het wel degelijk denkbaar en mogelijk dat de gestelde doelen gehaald worden.
3
Vaststellingen We presenteren in de editie 2017 de belangrijkste vaststellingen voor de instroom- doorstroom- en uitstroomindicatoren op basis van de gegevens van het school- en academiejaar 2015-2016. Zoals hiervoor al gezegd, worden de vaststellingen vergeleken met het referentiejaar 2010-2011, ook als er gegevens beschikbaar zijn van de jaren daarvoor. We vergelijken de nieuwe resultaten ook met de doelstellingen van het STEM-actieplan en met de adviezen van het STEM-Platform.
Doelstellingen STEM-actieplan – Instroom secundair en hoger onderwijs De doelstellingen van het STEM-actieplan rond instroom in STEM-richtingen in het secundair en hoger onderwijs komen globaal genomen stap voor stap in zicht. Het aandeel meisjes dat in een STEM-richting start neemt toe en dit zowel in het secundair onderwijs als in de professionele en academische bachelor.
INSTROOM STEM
2010-2011 (ref. jaar)
2014-2015
2015-2016
Einddoel 2020
1
Aandeel meisjes in secundair onderwijs (instroom 3de graad)
27,40 %
29,66%
30,10%
33,33%
2
Aandeel studenten STEM-richtingen in Professionele Bachelors
23,82%
25,57%
26,25%
27,82%
3
Aandeel vrouwen in Professionele STEM-Bachelors
21,13%
22,54%
23,634%
25,20%
4
Aandeel STEM–richtingen in Academische bachelors
29,02%
30,46%
31,13%
33,02%
5
Aandeel vrouwen in Academische STEM-bachelors
33,50%
33,56%
34,14%
33,50%2
·
De instroom van het aantal meisjes in STEM-richtingen in het secundair onderwijs is toegenomen ten opzichte van het referentiejaar 2010-2011. Na een fikse stijging in 2013-2014, wordt in het schooljaar 2015-2016 de 30%-cesuur doorbroken (30,10% meisjes).
·
Het aandeel STEM-studenten in de professionele bachelor blijft stijgen en bedraagt nu 26,25 %. Dat is een stijging met 2,43 % punten t.o.v. het referentiejaar 2010-2011.
·
Het aandeel vrouwen in de professionele bachelor stijgt eveneens met 1 % t.o.v. 2014-2015. Tegenover 2010-2011 is er een stijging met 2,5 % punten.
2 Dit aandeel moet dus in principe niet stijgen maar er moet idealiter wel een verschuiving komen naar studierichtingen als informatica, ingenieur…
4
·
De instroom in STEM-richtingen in de academische bachelor is ook toegenomen tot 31,13 %, of 2,11 % stijging t.o.v. het referentiejaar.
·
Het aantal meisjes dat instroomt in academische STEM-opleidingen stijgt nog steeds –ondanks het feit dat deze cijfers reeds hoog waren én dat de doelstelling voor 2020 reeds gehaald was-: de monitor staat momenteel op 34,14 %, of een overschrijding met 0,5 % van het doel. Dit aandeel moet dus in principe niet stijgen maar idealiter doet zich in de toekomst wel een interne verschuiving voor naar studierichtingen als informatica, ingenieur…
·
Met nog 5 jaarmetingen te gaan (2016-2017/2017-2018/2018-2019/2019-2020 en 2020-2021) lijken de doelstellingen van het STEM-actieplan 2012-2020 haalbaar. Voor het secundair onderwijs zal ook de te verwachten impact van de modernisering secundair onderwijs wellicht nog een rol spelen.
Conclusie: van de 5 doelstellingen met als laatste meetmoment de inschrijvingen voor het school- en academiejaar 2020-2021, is er in 2015-2016 reeds één behaald en zelfs overschreden (aandeel vrouwen in academische bachelors). Voor de overige 4 doelstellingen evolueert het cijfer voor 2015-2016 absoluut en met regelmaat in de gewenste richting. Als het tempo van de huidige keuze pro STEM aanhoudt, dan komen de finale doelstellingen niet alleen in zicht, maar dan is de kans reëel dat ze ook gehaald worden.
Ook Agoria, de Sectorfederatie voor de technologische industrie in België, is positief en beschrijft de evolutie in AGORIA ONLINE (april 2017) als volgt: “Meer dan 9000 studenten kiezen voor technologische studierichting in Nederlandstalig hoger onderwijs” Agoria: “Instroom in masterrichting industrieel ingenieur via schakelprogramma’s zit in de lift” Dit academiejaar hebben 9047 studenten gekozen voor een technologierichting aan een hogeschool of universiteit en dat is zes procent meer dan vorig jaar. Het is de vijfde opeenvolgende stijging, zegt Agoria. Het gaat om de richtingen ICT (master en bachelor), professionele bachelor technologie, master industriële wetenschappen & technologie en ingenieurswetenschappen. De stijging is vooral het resultaat van de populariteit van technologierichtingen in de hogescholen: liefst dertien procent meer inschrijvingen voor professionele bachelors ICT en plus tien procent voor professionele bachelors technologie. De academische industrieel ingenieur tekent daarentegen een daling (min 6 procent) op. “We stellen vast dat steeds meer jongeren eerst een bachelor doen en via een schakelprogramma later instromen, met name in de academische richting industrieel ingenieur,” zegt Wilson De Pril, directeur-generaal van Agoria Vlaanderen. De burgerlijk ingenieurs worden ook populairder (+4 procent) en zeker bij de vrouwen (aandeel van 19%). Agoria volgt met de technologiebarometer elk jaar de evolutie van de inschrijvingen van generatiestudenten voor technologierichtingen aan het Nederlandstalig hoger onderwijs. Vorig jaar klokte het totaal aantal technologiestudenten af op 8545, toen ook goed voor een stijging met vijf procent. Agoria schat dat er minstens 9000 studenten op jaarbasis aan technologiestudierichtingen moeten starten om aan de vraag van de arbeidsmarkt grotendeels te voldoen, een aantal dat dit jaar voor het eerst sinds decennia weer effectief wordt overschreden. In de jaren negentig halveerde het aantal technologiestudenten, met name in de richting industriële wetenschappen en technologie. “Dat we nu in totaal de kaap van 9000 halen, is zeer bemoedigend. We zouden nu moeten werken aan het overschrijden van de kaap van 10.000.” De cijfers op een rijtje De burgerlijk ingenieurs tekenen het beste resultaat van de laatste 4 jaar op: 924 studenten. Het aandeel van de meisjes stijgt tot quasi 1 op 5. De academische bachelor industrieel ingenieur zakt met 6% tot 2105 studenten. De academische bachelor ICT gaat met 7% achteruit tot 299 studenten. De winsten, in dubbele cijfers, worden vooral opgetekend bij de professionele bachelor ICT die 13 procent groeit tot 3462 studenten. En waar de academische industriële ingenieursopleiding 131 eerstejaars minder telt, wint de 5
professionele bachelor technologie er 209 nieuwe eerstejaars bij tot 2257 studenten. Zalmbeweging in het hoger onderwijs? Wilson De Pril: “Er kan dus sprake zijn van communicerende vaten tussen industrieel ingenieurs met bachelors technologie en master informatica met bachelors ICT. In totaal is er een sterke vooruitgang te noteren, maar er lijkt vooral sprake te zijn van een zalmbeweging. Dat is als het ware het tegenovergestelde van het watervaleffect. Heel wat jongeren kiezen eerst voor een professionele bachelor en stromen dan via een schakelprogramma door naar een master. Dit fenomeen stellen we met name vast voor de industrieel ingenieurs, gezien de onderwijsinstellingen hier zeker hebben geïnvesteerd in schakelprogramma’s. 2105 generatiestudenten startten dit academiejaar het traject naar een masterdiploma industrieel ingenieur. Daarenboven willen nog eens 911 jongeren dit diploma via een schakelprogramma behalen.“ Industrieel ingenieurs veel gevraagd op arbeidsmarkt De Pril wijst er op dat de absolute stijging een positief fenomeen is, maar waarschuwt ook voor een mogelijke vervaging van het profiel industrieel ingenieur: “De bedrijven zijn erg enthousiast rond de drie verschillende opleidingen: zowel professionele bachelors technologie (3J), industrieel ingenieurs (4j) als burgerlijk ingenieurs (5j) worden omwille van hun specifieke opleidingen en complementariteit veel gevraagd.” “Mogelijk is door de universitaire inkanteling van de studierichting het profiel van een industrieel ingenieur minder duidelijk en dus minder attractief geworden. Ook wil de jeugd misschien een keuzemogelijkheid qua finaliteit. Bij een professionele bachelor geeft de benaming van de opleiding meteen wel duidelijk aan wat de finaliteit is, denk maar aan autotechnologie, energiemanagement, elektromechanica, multimedia en communicatietechnologie.” “Wij hopen dat de richting industrieel ingenieur belangrijk blijft en groei zal kennen, ook bij de meisjes gezien wij in die studierichting een daling vaststellen van 20%. Het behoud van vier jaar studieduur, een verschil van één jaar met de burgerlijk ingenieurs, is daarbij belangrijk.” Agoria vraagt dan ook aan de Vlaamse onderwijsminister Crevits om de evoluties van deze technologische studierichtingen verder goed op te volgen en de oorzaken daarvan. Samen met de onderwijs- en bedrijfswereld moet de Vlaamse overheid blijven communiceren over het belang van de STEM-richtingen in het algemeen en deze van ingenieur en ICT in het bijzonder.
Alle betrokken onderwijsinstellingen leveren ons de inschrijvingsgegevens voor de technologiebarometer: Universiteiten: KULeuven, UAntwerpen, UGent, UHasselt en VUB Hogescholen: Artesis-Plantijn, Arteveldehogeschool, Erasmushogeschool Brussel, Hogeschool Gent, HoWest, Karel de Grote-Hogeschool, Odisee, PXL, Thomas More, UCLL en VIVES.
6
Hoger onderwijs In het hoger onderwijs noteren we een lichte stijging van het aantal studenten dat instroomt in STEM-studierichtingen in de professionele en academisch gerichte bachelor, en een heel lichte stijging in de eerste master. Het genderverschil blijft bestaan. Het aandeel vrouwen in STEM neemt zowel toe in de professionele en de academische bachelor als in de masteropleidingen. Het % vrouwen blijft het grootst in de academische opleidingen. In HBO5 blijft het totaal aantal studenten dat instroomt nagenoeg constant (ongeveer 17.500 studenten). De instroom van het aantal STEM-cursisten blijft over de jaren heen ook nagenoeg constant. In het academiejaar 2015—2016 bedraagt het aandeel STEM-studenten in HBO5 23,52%. Dat is vergelijkbaar met het aandeel STEM-studenten in het referentiejaar. Het % vrouwen in STEM binnen HBO5 is in 2015-2016 11,6%, zijnde een stabilisatie na 2014-2015, een jaar waar een scherpe daling werd vastgesteld. STEM-richtingen blijven binnen HBO5 samen goed voor ongeveer 1/4 van het totaal aantal studenten maar meisjes blijven er nog altijd een minderheid (1/6). In de professionele bachelor neemt het totaal aantal studenten verder toe tot 26,25%. Dat is een stijging met 2,43%-punt t.o.v. het referentiejaar. Het % vrouwen stijgt opnieuw met goed 1 % tot 23,63% t.o.v. 2014-2015 (doelstelling 2020: 25,20%). In de academische bachelor zien we na 4 jaar daling eindelijk opnieuw een stijging in de instroom met 300 eenheden. Procentueel neemt het aantal STEM-studenten in de academische bachelor toe en bedraagt nu 31,13%. Het aandeel vrouwen stijgt naar 34,14% en blijft hiermee meer dan voldoen aan het gevraagde % vrouwen door het STEM Platform. In de masteropleidingen neemt het totaal aantal studenten ten opzichte van 2014-2015 demografisch met 750 eenheden af, maar het % STEM blijft nog altijd 1,23 % hoger dan in het referentiejaar. De instroom van STEM studenten daalt eveneens demografisch t.o.v 2014-2015 maar ook hier blijft het % aandeel groter dan in 2010-2011. Procentueel blijft het aandeel STEM-studenten dus toenemen: + 1,23% -punt t.o.v. het referentiejaar. Het aandeel vrouwen in STEM-opleidingen in het eerste masterjaar blijft eveneens stijgen. Met 33,72 % zijn de meisjes 2 %-punten gestegen t.o.v. het referentiejaar. Het studierendement (doorstroom) van STEM-studenten hoger onderwijs blijft lager dan in 2010-2011. Het studierendement tussen STEM-studenten en niet STEM-studenten is -globaal genomen en voor het tweede jaar op rijvergelijkbaar. Het aandeel STEM-studenten dat met succes doorstroomt in het hoger onderwijs blijft in 2015-2016 lager dan in het referentiejaar. Een grotere instroom is -zoals de monitors van 2015 en 2016 ook reeds duidelijk maakten- dus geen garantie dat er effectief ook meer studenten uitstromen en beschikbaar zullen zijn voor de arbeidsmarkt. Voor STEM-studenten blijft het studierendement in de professionele bachelor bij de laagste van alle studenten. In de academische opleidingen is het studierendement van STEM-studenten hoger dan dat van de andere studenten. In de professionele bachelor blijft dit dus andersom. Het aantal studiebewijzen (uitstroom) HO blijft stijgen. Het aantal STEM-studiebewijzen volgt deze evolutie. Het aandeel vrouwen blijft quasi identiek. Het marktaandeel van STEM in de uitstroom hoger onderwijs blijft stabiel. Het absolute aantal STEM-studiebewijzen stijgt. Algemeen kunnen we stellen dat de (absolute) toename in STEM studiebewijzen het gevolg is van de expansie van het hoger onderwijs. Het aantal vrouwen dat uitstroomt met een STEM-studiebewijs stijgt lichtjes en ligt rond 30%. Het % STEM diploma’s op de populatie met een diploma HO heeft de kaap van de 26 % overschreden (dus nu net iets meer dan 1/4). Per 1000 inwoners van de populatie 20-29 – jarigen is er een stijgend aantal jongeren met een STEM-diploma t.o.v. het referentiejaar: van 16,55 naar 18,58.
7
Secundair onderwijs In het secundair onderwijs (2de en 3de graad) is er t.o.v. de nulmeting weinig evolutie in het aantal leerlingen dat instroomt in STEM-richtingen. Deze eerder bescheiden stijgingen dienen echter geplaatst tegenover de demografische dalingen, die een heel aantal keer groter zijn. De kleine stijging in absolute STEM-cijfers, is dus eerder een status quo of zelfs stijging van de keuze pro STEM. Desalniettemin worden de ernstige STEM-verschillen tussen de onderwijsvormen van de voorbije jaren bevestigd. Vooral het aandeel meisjes in TSO en vooral BSO noopt tot grote aandacht. Algemeen zien we dat in de tweede graad het aandeel STEM-leerlingen identiek is gebleven (36,50%), in de derde graad is het aandeel licht gestegen (tot 44,17%). Het % meisjes zit in de tweede graad rond de 25,5 % en in de derde graad werd de kaap van 30 % gehaald. Hiermee blijven we het beter doen dan in 2010-2011 maar hebben we de vooropgestelde 33,33 % voor 2020 nog niet bereikt. Er is ook weinig evolutie merkbaar, zeker als we de verschillen in de onderwijsvormen van het secundair onderwijs nader bekijken. In ASO zijn er voldoende leerlingen die in STEM richtingen instromen en blijft het aandeel lichtjes stijgen t.o.v. het referentiejaar: 32,69% in de tweede graad en 54,14% in de derde graad. Het aandeel STEM leerlingen in tweede graad en derde graad stijgt in het ASO. Het aandeel meisjes in STEM-richtingen bedraagt er in de tweede graad 46,22% en in de derde graad 50,08%. Hiermee blijven we veel hoger uitkomen dan de gevraagde 33,33% door het Platform. In TSO en BSO is de procentuele instroom leerlingen in STEM-richtingen in de tweede graad lichtjes gestegen (BSO) of status quo (TSO). In de derde graad is het % STEM dalend (BSO) of constant (TSO). Het aandeel meisjes in STEM binnen TSO (10,5 % tweede graad en 15% derde graad) en BSO (5,5 % tweede graad en 3,55% derde graad) blijft laag tot niets minder dan extreem laag. Er is totaal geen evolutie merkbaar in het aandeel meisjes. Hier blijven we dus nog steeds zeer ver verwijderd van de gevraagde 33,33% van het Platform. Steeds meer leerlingen met een STEM-diploma secundair onderwijs stromen door naar een STEM-richting in het hoger onderwijs. Zeker bij de meisjes wordt een grote vooruitgang geboekt. Het percentage jongeren met een STEM diploma secundair onderwijs dat doorstroomt naar STEM HO is gestegen t.o.v. het referentiejaar: + 3,3% (43,41 % in 2015-2016 versus 40,11% in 2010-2011). Dat wil zeggen dat we er beter in slagen om leerlingen die in het secundair onderwijs voor een STEM-richting kiezen ook in het hoger onderwijs binnen STEM te houden. Ook steeds meer meisjes met een STEM–diploma SO kiezen voor een STEM-opleiding in het hoger onderwijs, 33,22% in 2015-2016 tegenover 27,90% in 2010-2011. Het absolute aantal leerlingen dat het secundair onderwijs verlaat (uitstroom) met een STEM-studiebewijs daalt lichtjes tegenover het referentiejaar. Procentueel is het aantal leerlingen met een STEM-studiebewijs echter lichtjes gestegen t.o.v. de nulmeting: 43,41% (2015-2016) versus 40,11% (2010-2011). Als we de verschillende richtingen in het secundair onderwijs vergelijken, is er echter weinig evolutie merkbaar qua STEM-keuzes: de groeier groeit (ASO), TSO en BSO stagneren of dalen. Het totale % uitstromende leerlingen met een STEM-studiebewijs is nagenoeg constant en schommelt rond de 44%. In ASO loopt dit op tot 54,14% in 2015-2016. In BSO daalt het % STEM-studiebewijzen met 2% tussen 2010-2011 en 2015-2016 tot 36,57%. In TSO is er weinig evolutie in het absolute aantal uitgereikte studiebewijzen (20,73% in 2015-2016). Het globale % STEM studiebewijzen zit daarmee op 44,55 %, wat echter in grote mate gerealiseerd wordt door het hoge % STEM in ASO. Het % meisjes dat met een STEM studiebewijs uit het secundair onderwijs uitstroomt, schommelt rond de 30%.
8
Algemene conclusies 1. De 5 doelen van het STEM-actieplan 2012-2020 lijken halverwege de uitvoeringtermijn zeker haalbaar, indien het huidige tempo zich voortzet. Er is inderdaad een blijvende evolutie merkbaar in de richting van de vooropgestelde kwantitatieve doelstellingen voor wat betreft een hogere instroom in STEM-richtingen. 2. De evoluties verschillen echter sterk tussen de verschillende onderwijsvormen. 3. In het hoger onderwijs neemt het aantal STEM-studenten toe. Vooral in de bacheloropleidingen (zowel professioneel als academisch) is een duidelijke toename merkbaar. 4. Ook het aandeel meisjes dat instroomt in de professionele bachelor stijgt verder. Idem het % meisjes in de academische master: daar wàs de einddoelstelling al langer gehaald, maar het % blijft nog verder stijgen. 5. In het secundair onderwijs stijgt het aantal leerlingen dat voor STEM kiest vooral in ASO. In TSO en BSO is de keuze voor STEM in de 2de graad (licht) stijgend (BSO) en status quo (TSO). In de derde graad is het voor TSO dan weer status quo en dalend in BSO. STEM in TSO en BSO verdient de nodige aandacht, want dit is geen gewenste evolutie. Er blijft duidelijk ruimte voor een meer positieve keuze pro STEM in TSO en BSO. 6. Het aandeel meisjes in STEM-richtingen neemt toe maar blijft over het algemeen lager dan het aandeel van de jongens. In TSO en BSO blijft het aandeel meisjes in STEM zeer laag (TSO) tot extreem laag (BSO). 7. Ook de tendens qua uitstroom van leerlingen met een STEM-diploma van de afgelopen jaren zet zich door. Meer dan de helft van de leerlingen in ASO behaalt een STEM-diploma. De daling van het % STEM studiebewijzen binnen BSO vraagt bijzondere aandacht (- 2% in 2015-2016 t.a.v. 2014-2015). 8. Meer leerlingen met een STEM-studiebewijs secundair onderwijs kiezen voor een STEM-richting in het hoger onderwijs. 9. De prestaties voor STEM in het hoger onderwijs (studierendement) verschillen nauwelijks van de prestaties van niet-STEM studenten.
9
PISA-resultaten 2015 voor wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid
10
11
EUROSTAT-update 2013 en 2014 Afgestudeerden tertiair onderwijs in wetenschappen, wiskunde, ICT, engineering, fabricage, bouw, op basis van geslacht – per 1000 inwoners tussen 20 en 29 jaar oud. Hieronder de info voor België. De cijfers voor Vlaanderen zijn: 2013: 16,5 2014: 15,0 2013
2014
European Union (28 countries)
18.2(d)
18.7
Malta
15,0
15,3
Belgium
13
13,9
Netherlands
9,5
9,9
Bulgaria
14,1
13,7
Austria
21,8
22,5
Czech Republic
16,9
16,6
Poland
Denmark
19,9
20,7
Portugal
21,0
20,4
18,7
Romania
16,8
16,0
Slovenia
19,1
19,3
19,1
Germany (until 1990 former territory of the FRG)
17,2
Estonia
14,2
13,5
Slovakia
17,6
16,8
Ireland
21,6
24,7
Finland
21,6
21,9
Greece
15,7
16,2
Sweden
14,7
14,6
Spain
19,0
20,7
United Kingdom
23,0
22,8
France
22,9
23,4
Liechtenstein
12,7
10,3
Croatia
15,5
15,7
Norway
13,3
13,6
Italy
13,5
13,6
Switzerland
17,5
18,4
Cyprus
8,2
9,2
7,5
8,3
Latvia
13,2
12,5
Former Yugoslav Republic of Macedonia, the
Lithuania
21,3
18,2
Serbia
Luxembourg
3,6
3,5
Hungary
10,3
11,3
http://appsso.eurostat.ec.europa.eu/nui/show.do?dataset=educ_uoe_grad04&lang=en
12
14,9
Secundair Onderwijs Indicatoren
I. STEM Instroom (studiekeuze)
a. secundair onderwijs Leerlingen eerste leerjaar tweede graad Totaal
24.551 24.579 23.772
aantal zorgSTEM 164 168 168
aantal aantal nietlichte STEM STEM 1.169 49.324 1.246 48.230 1.232 46.369
24.001 23.758 23.876 23.944 23.685 24.567 24.436
-
1.906 2.018 2.113 2.062 2.057 1.935 2.012
schooljaar
aantal leerlingen
aantal STEM
2006-2007 2007-2008 2008-2009
75.208 74.223 71.541
2009-2010 2010-2011 2011-2012 2012-2013 2013-2014 2014-2015 2015-2016
70.550 70.912 71.142 70.456 69.197 69.201 68.646
44.643 45.136 45.153 44.450 43.455 42.699 42.198
% STEM
% STEM vrouw
32,64% 33,12% 33,23%
19,61% 20,91% 20,73%
34,02% 33,50% 33,56% 33,98% 34,23% 35,50% 35,60%
22,54% 23,21% 24,15% 23,86% 24,15% 24,68% 25,05%
Vaststellingen: 1.
Het % leerlingen dat in 2015-2016 in de tweede graad instroomt in een STEM-studierichting blijft quasi identiek t.o.v. vorig schooljaar (35,60% in 2015-2016 t.o.v. 35,50% in 2014-2015). We zien een constante positieve evolutie t.o.v. het referentiejaar 2010-2011.
2. Het aandeel meisjes dat in 2015-2016 instroomt in STEM-richtingen in de tweede graad stijgt van 24,68% naar 25,05%. 3. T.o.v. de nulmeting zien we een stijging met 1,84% - met een demografische daling met 2266 eenheden.
13
Per onderwijsvorm •
ASO
schooljaar
aantal leerlingen
aantal STEM
2006-2007 2007-2008 2008-2009 2009-2010 2010-2011 2011-2012 2012-2013 2013-2014 2014-2015 2015-2016
34.264 33.570 32.322 32.568 32.684 33.129 32.887 32.648 32.845 33.084
9.086 9.453 9.174 9.616 9.733 10.122 10.169 10.135 10.718 10.816
aantal zorgSTEM -
aantal lichte STEM
aantal niet-STEM
% STEM
% STEM vrouw
650 726 773 753 780 756 867
25.178 24.117 23.148 22.302 22.225 22.234 21.965 21.733 21.371 21.401
26,52% 28,16% 28,38% 29,53% 29,78% 30,55% 30,92% 31,04% 32,63% 32,69%
42,89% 44,81% 44,06% 44,09% 44,85% 44,80% 45,08% 45,40% 46,20% 46,22%
Vaststellingen: 1.
Het % STEM-leerlingen ASO-instroom 2de graad 2015-2016 is identiek t.o.v. 2014-2015: 32,69%.
2. Idem het % STEM-meisjes: tegenover 2014-2015 identiek (46,2%), maar 2% punten meer dan in 2010-2011. 3. Tegenover de nulmeting is er een sterke stijging te noteren in de instroom ASO 2de graad: t.o.v. 2010-2011 bijna 3 volle %-punten.
•
BSO
schooljaar
aantal leerlingen
aantal STEM
2006-2007 2007-2008 2008-2009 2009-2010 2010-2011 2011-2012 2012-2013 2013-2014 2014-2015 2015-2016
16.562 16.400 16.284 15.718 16.221 16.104 15.517 14.877 15.009 14.779
6.774 6.748 6.580 6.510 6.565 6.312 6.191 6.004 6.228 6.270
aantal zorgSTEM -
14
aantal lichte STEM
aantal % STEM niet-STEM
% STEM vrouw
325 323 350 361 405 416 400 348 363 324
9.463 9.329 9.354 8.847 9.251 9.376 8.926 8.525 8.418 8.185
3,19% 3,28% 3,54% 6,04% 5,73% 5,69% 5,14% 5,31% 5,14% 5,53%
40,90% 41,15% 40,41% 41,42% 40,47% 39,20% 39,90% 40,36% 41,50% 42,43%
Vaststellingen: 1.
Het % STEM-leerlingen instroom BSO 2de graad 2015-2016 stijgt met bijna 1 % (van 41,50 % in 2014-2015 naar 42,43 % in 2015-2016).
2. Het % STEM-meisjes stijgt heel licht, maar blijft globaal zorgwekkend laag (van 5,14 % in 2014-2015 naar 5,53 % in 2015-2016). T.o.v. 2010-2011 is het lage % meisjes in de 2de graad BSO quasi de hele tijd van de meting ook volkomen identiek gebleven. 3. T.o.v. de nulmeting noteren we in 2015-2016 wel een globale stijging van het STEM-aandeel met 1,96 %.
•
KSO
schooljaar
aantal leerlingen
2006-2007 2007-2008 2008-2009 2009-2010 2010-2011 2011-2012 2012-2013 2013-2014 2014-2015 2015-2016
1.214 1.377 1.350 1.359 1.362 1.424 1.435 1.376 1.288 1.262
aantal STEM -
aantal zorgSTEM -
aantal aantal % STEM lichte STEM niet-STEM 844 923 882 895 887 924 909 929 816 821
370 454 468 464 475 500 526 447 472 441
0,00% 0,00% 0,00% 0,00% 0,00% 0,00% 0,00% 0,00% 0,00% 0,00%
% STEM vrouw 0,00% 0,00% 0,00% 0,00% 0,00% 0,00% 0,00% 0,00% 0,00% 0,00%
Vaststellingen: -
•
TSO
schooljaar 2006-2007 2007-2008 2008-2009 2009-2010 2010-2011 2011-2012 2012-2013 2013-2014 2014-2015 2015-2016
aantal leerlin- a a n t a l aantal li- aantal z o r g % STEM STEM chte STEM niet-STEM STEM 23.168 8.691 164 14.313 37,51% 22.876 8.378 168 14.330 36,62% 21.585 8.018 168 13.399 37,15% 20.905 7.875 13.030 37,67% 20.645 7.460 13.185 36,13% 20.485 7.442 13.043 36,33% 20.617 7.584 13.033 36,79% 20.296 7.546 12.750 37,18% 20.059 7.621 12.438 37,99% 19.521 7.350 12.171 37,65%
aantal gen
15
% STEM vrouw 8,08% 8,14% 8,13% 9,88% 10,38% 11,70% 10,71% 10,59% 10,37% 10,56%
Vaststellingen: 1.
Het % STEM-leerlingen 2015-2016 in de instroom TSO 2de graad (37,65%) blijft quasi identiek t.o.v. 2014-2015 (37,99%).
2. Het % STEM-meisjes is zeer laag (10,56 %) en blijft sinds de nulmeting nagenoeg constant (was toen: 10,38%). 3. T.o.v. de nulmeting noteren we in 2015-2016 wel een globale stijging pro STEM met 1,52 %.
Leerlingen eerste leerjaar derde graad
Totaal
schooljaar
aantal leerlingen
2006-2007 2007-2008 2008-2009 2009-2010 2010-2011 2011-2012 2012-2013 2013-2014 2014-2015 2015-2016
70.312 71.682 72.074 71.209 68.805 68.043 68.021 68.560 68.583 68.270
aantal STEM 31.751 32.141 32.097 30.845 29.994 29.929 29.697 29.812 30.102 30.158
aantal zorgSTEM 199 173 209 194 191 59 78 63 81 86
aantal lichte STEM 950 983 974 1.464 1.521 1.524 1.570 1.607 1.516 1.466
aantal % STEM niet-STEM 37.412 38.385 38.794 38.706 37.099 36.531 36.676 37.078 36.884 36.560
45,16% 44,84% 44,53% 43,32% 43,59% 43,99% 43,66% 43,48% 43,89% 44,17%
% STEM vrouw 27,59% 27,32% 27,65% 27,51% 27,40% 28,43% 29,38% 29,68% 29,66% 30,10%
Vaststellingen: 1.
Het percentage leerlingen dat instroomt in een STEM-studierichting in de derde graad stijgt licht to.v. 2014-2015
2. Idem het percentage meisjes dat een STEM-studierichting start in de derde graad SO. 3. T.o.v. de nulmeting een eerder lichte STEM-stijging met 0,58 %.
16
Per onderwijsvorm
•
ASO
schooljaar 2006-2007 2007-2008 2008-2009 2009-2010 2010-2011 2011-2012 2012-2013 2013-2014 2014-2015 2015-2016
aantal leerlingen 27.493 28.156 28.007 27.470 26.709 26.660 26.746 26.570 26.559 26.604
aantal STEM
aantal aantal aantal % STEM zorg-STEM lichte STEM niet-STEM
14.486 14.664 14.835 13.958 13.839 13.840 14.050 14.105 14.165 14.404
-
562 564 550 587 584 590 588
13.007 13.492 13.172 12.950 12.306 12.270 12.109 11.881 11.804 11.612
52,69% 52,08% 52,97% 50,81% 51,81% 51,91% 52,53% 53,09% 53,33% 54,14%
% STEM vrouw 48,35% 47,57% 47,64% 48,04% 47,01% 47,73% 48,73% 48,75% 49,50% 50,08%
Vaststellingen: 1.
Het percentage leerlingen dat instroomt in een STEM-studierichting in de derde graad ASO stijgt van 53,33 % (2014-2015) naar 54,14 % (2015-2016) dus met bijna 1%-punt.
2. Het % STEM-meisjes in de derde graad ASO stijgt met 0,5 %-punt tot 50,08% in 2015-2016. 3. T.o.v. de nulmeting is er in de 3de graad ASO een globale stijging pro STEM met 2,33 %. •
BSO
aantal aantal schooljaar leerlingen STEM 2006-2007 2007-2008 2008-2009 2009-2010 2010-2011 2011-2012 2012-2013 2013-2014 2014-2015 2015-2016
16.697 16.832 16.983 16.860 16.426 15.892 16.101 16.448 16.365 16.115
6.480 6.580 6.489 6.399 6.225 6.017 5.938 5.850 5.931 5.893
aantal zorgSTEM -
aantal aantal lichte STEM niet-STEM 437 463 464 448 495 447 502 507 467 435
17
9.780 9.789 10.030 10.013 9.706 9.428 9.661 10.091 9.967 9.787
% STEM 38,81% 39,09% 38,21% 37,95% 37,90% 37,86% 36,88% 35,57% 36,24% 36,57%
% STEM vrouw 3,32% 3,43% 3,22% 3,56% 3,68% 3,84% 3,84% 4,17% 3,66% 3,55%
Vaststellingen: 1.
Het percentage leerlingen dat in 2015-2016 instroomt in een STEM-studierichting in de derde graad BSO (36,57%) is heel licht gestegen t.o.v. 2014-2015 (36,24%).
2. Het percentage meisjes stagneert helemaal (zowel t.o.v. vorig gemeten schooljaar als tegenover de nulmeting) en blijft dus extreem laag: 3,55%. 3. T.o.v. de nulmeting is er in STEM-BSO 3de graad 2015-2016 een negatieve evolutie van – 1,33 % t.o.v. de nulmeting.
•
KSO
schooljaar
aantal leerlingen
2006-2007 2007-2008 2008-2009 2009-2010 2010-2011 2011-2012 2012-2013 2013-2014 2014-2015 2015-2016
1.727 1.731 1.662 1.738 1.677 1.796 1.677 1.750 1.708 1.674
aantal STEM 373 373 339 396 349 396 328 370 339 347
aantal aantal aantal lichte nietzorg-STEM STEM STEM 513 841 520 838 510 813 454 888 462 866 527 873 481 868 516 864 459 910 443 884
% STEM
% STEM vrouw
21,60% 21,55% 20,40% 22,78% 20,81% 22,05% 19,56% 21,14% 19,85% 20,73%
62,73% 56,30% 65,19% 53,54% 52,72% 60,35% 56,10% 61,08% 61,36% 59,08%
Vaststellingen: 1.
Het percentage leerlingen dat in 2015-2016 instroomt in een STEM-studierichting in de derde graad KSO stijgt (20,73%) t.o.v. 2014-2015 (19,85%) met bijna 1 %-punt.
2. Meisjes vormen de meerderheid bij de KSO-STEM leerlingen. Hun aandeel fluctueert jaarlijks vrij sterk, t.o.v. de nulmeting is er een stijging met 6 %. 3. T.o.v. de nulmeting is er in het globale KSO % 3de graad (2015-2016) quasi geen wijziging t.o.v. de nulmeting.
18
•
TSO
aantal schooljaar leerlingen 2006-2007 2007-2008 2008-2009 2009-2010 2010-2011 2011-2012 2012-2013 2013-2014 2014-2015 2015-2016
24.395 24.963 25.422 25.141 23.993 23.695 23.497 23.792 23.951 23.877
aantal STEM 10.412 10.524 10.434 10.092 9.581 9.676 9.381 9.487 9.667 9.514
aantal zorg-STEM 199 173 209 194 191 59 78 63 81 86
aantal aantal lichte niet-STEM STEM 13.784 14.266 14.779 14.855 14.221 13.960 14.038 14.242 14.203 14.277
% STEM 42,68% 42,16% 41,04% 40,14% 39,93% 40,84% 39,92% 39,87% 40,36% 39,85%
% STEM vrouw 12,56% 13,02% 13,20% 13,27% 13,55% 14,82% 15,62% 15,83% 15,43% 15,23%
Vaststellingen: 1.
Het percentage leerlingen dat in 2015-2016 instroomt in een STEM-studierichting in de derde graad TSO is licht gedaald (39,85%) t.a.v. 2014-2015 (40,36%).
2. Slechts 1 op 7 van de leerlingen die instromen in een TSO STEM studierichting van de derde graad is een STEM-meisje, maar hun percentage is sinds de nulmeting toch met goed 2%-punt gestegen (van 13,55 % in 2010-2011 naar 15,23% in 2015-2016). 3. T.o.v. de nulmeting is er in het TSO 3de graad in 2015-2016 (39,85%) quasi geen wijziging t.o.v. het totaalpercentage in het referentiejaar 2010-2011 (39,93%).
19
Hoger Onderwijs Cursisten HBO5 Verpleegkunde3 (zorg–STEM) schooljaar
aantal cursisten
aantal STEM
aantal zorg-STEM
aantal aantal lichte STEM niet-STEM
% zorgSTEM
% zorgSTEM vrouw
2009-2010
1.983
-
1.983
-
-
100,00%
85,78%
2010-2011
2.176
-
2.176
-
-
100,00%
86,17%
2011-2012
2.242
-
2.242
-
-
100,00%
88,09%
2012-2013
2.439
-
2.439
-
-
100,00%
87,29%
2013-2014
2.785
-
2.785
-
-
100,00%
86,14%
2014-2015
2.507
-
2.507
-
-
100,00%
86,92%
2015-2016
2705
100,00%
84,88%
2705
Cursisten HBO54 in het volwassenonderwijs A
B
B/A*100
B/B*100
aantal cursisten
aantal STEM
aantal zorg-STEM
aanta lichte STEM
aantal niet-STEM
% STEM
%STEM vrouw
2008-09
17093
4246
178
0
12669
24,84%
11,28%
2009-10
17930
4363
119
0
13448
24,33%
11,37%
2010-11
17757
4149
111
0
13497
23,36%
11,64%
2011-12 2012-13
18235
4210
110
0
13914
23,09%
12,76%
17913
4355
93
0
13465
24,31%
11,37%
2013-14
17989
4597
86
0
13306
25,55%
16,58%
2014-15
17862
4095
111
0
13656
22,93%
11,62%
2015-16
17.442
4.103
124
0
13.215
23,52%
11,60%
schooljaar
3 In de tabel zijn enkel de cursisten HBO5 verpleegkunde opgenomen die op 1 oktober ingeschreven zijn in de eerste module: initiatie verpleegkunde (20 weken). De opleiding verpleegkunde die vroeger behoorde tot de vierde graad van het BSO ging vanaf 2009-2010 over naar het hoger beroepsonderwijs (HBO5). HBO5 behoort tot het niveau hoger onderwijs. De opleidingen HBO5 kunnen worden ingericht door centra voor volwassenenonderwijs of door hogescholen. HBO5 verpleegkunde wordt als enige uitzondering ingericht door instellingen van het voltijds secundair onderwijs. 4 Voor deze tabel werd gebruik gemaakt van het aantal unieke inschrijvingen van een cursist in een bepaalde opleiding per referteperiode en niet het aantal generatiestudenten per academiejaar. Het is immers op dit ogenblik niet mogelijk om de eerste module die een bepaalde cursist in een HBO5-opleiding heeft afgelegd eenduidig vast te stellen. Deze wijze van berekenen heeft als gevolg dat bepaalde unieke cursisten in een bepaalde opleiding mogelijk in twee verschillende referteperioden kunnen worden meegeteld. Dit zal de cijfers van het totaal aantal HBO5-cursisten bij een CVO licht vertekenen (t.o.v. de gegevens voor HO en SO) in die zin dat het effectief aantal generatiestudenten/cursisten lager zal liggen dan de aangeleverde cijfers.
20
Onder een unieke inschrijving in een opleiding wordt het volgende begrepen: iemand die zich gedurende een referteperiode twee of meer keer inschrijft in dezelfde opleiding en binnen hetzelfde stelsel, wordt slechts éénmaal geteld. Wanneer hij/zij zich twee (of meer) keer inschrijft in dezelfde opleiding, maar in een verschillend stelsel (de ene keer lineair, de andere keer modulair), dan wordt hij tweemaal geteld. Wanneer hij/zij zich in twee verschillende opleidingen -al dan niet binnen hetzelfde studiegebied- inschrijft, wordt hij tweemaal geteld.
Indicator I.H: Studiekeuze voor STEM in hoger onderwijs. Percentage studenten die STEM studiekeuze maken en percentage meisjes in de STEM categorie
Generatiestudenten in een Professioneel gerichte bachelor Academie- Aantal Aantal Aantal Aantal jaar inschrijvingen STEM Zorg STEM Lichte HO HO STEM HO 2008-2009 22.960 5.568 2.711 11 2009-2010 23.894 5.791 3.019 11 2010-2011 24.535 5.844 3.263 13 2011-2012 24.991 5.938 3.368 18 2012-2013 24.990 6.071 3.267 11 2013-2014 25.388 6.343 3.185 8 2014-2015 26.031 6.656 3.530 25 2015-2016 26.614 6.986 3.630 37
Aantal % STEM % vrouwen Niet- STEM HO STEM HO HO 14.670 24,25% 21,10% 15.073 24,24% 20,07% 15.415 23,82% 21,13% 15.667 23,76% 22,63% 15.641 24,29% 20,77% 15.852 24,98% 21,88% 15.820 25,57% 22,54% 15.961 26,25% 23,63%
Generatiestudenten in een Academisch gerichte bachelor Academie- Aantal Aantal Aantal Aantal Aantal % STEM % vrouwen jaar inschrijvingen STEM Zorg STEM Lichte Niet- STEM HO STEM HO HO HO STEM HO HO 2008-2009 20.329 5.926 2.730 1275 10.398 29,15% 33,82% 2009-2010 20.891 6.025 3.040 1236 10.590 28,84% 31,57% 2010-2011 21.224 6.159 3.215 1225 10.625 29,02% 33,50% 2011-2012 21.050 6.429 3.000 1273 10.348 30,54% 34,47% 2012-2013 20.740 6.524 3.199 1258 9.759 31,46% 32,48% 2013-2014 20.747 6.283 3.481 1170 9.813 30,28% 33,14% 2014-2015 20.519 6.251 3.437 1123 9.708 30,46% 33,56% 2015-2016 20.843 6.488 3.494 1190 9.671 31,13% 34,14%
21
Studenten in hun eerste masterjaar. Eerste Aantal Aantal Aantal academie- inschrijvingen STEM Zorg jaar master HO STEM HO 2008-2009 18.034 4.911 2.207 2009-2010 18.513 5.070 2.212 2010-2011 18.890 5.417 2.203 2011-2012 19.815 5.591 2.595 2012 - 2013 20.485 5.823 2.751 2013-2014 20.417 5.954 2.788 2014-2015 20.071 5.883 2.627 2015-2016 19.323 5.779 2.734
22
Aantal Aantal % STEM Lichte STEM Niet- STEM HO HO HO 754 10.162 27,23% 845 10.386 27,39% 780 10.490 28,68% 812 10.817 28,22% 881 11.030 28,43% 770 10.905 29,16% 842 10.719 29,31% 716 10.094 29,91%
% vrouwen STEM HO 30,48% 29,66% 31,83% 31,87% 32,22% 33,41% 34,71% 33,73%
II. STEM onderwijsprestaties en doorstroom
Indicator II. S-H Doorstroom van jongeren met een STEM diploma secundair onderwijs naar een STEM studierichting hoger onderwijs5 (met opdeling naar geslacht)
Aantal lln dat Academiejaar STEM diploma generatiestuin SO behaaldent de in jaar x-1 2007-08 24.055 2008-09 24.581 2009-10 25.082 2010-11 25.453 2011-12 24.619 2012-13 24.112 2013-14 24.360 2014-15 24.362 2015-16 24.880
Aantal lln met STEM-diploma SO doorstromen naar HO STEM richting 9.450 9.853 10.191 10.208 10.288 10.365 10.529 10.555 10.800
% van lln met SO STEM diploma dat instroom in HO STEM 39,28% 40,08% 40,63% 40,11% 41,79% 42,99% 43,22% 43,33% 43,41%
% berekend enkel op de populatie meisjes 27,56% 29,25% 27,68% 27,90% 31,61% 31,29% 31,44% 31,96% 33,22%
Opgelet! Deze tabel verschilt van de tabel in de STEM-monitor van 2013 omdat we ervoor gekozen hebben dezelfde werkwijze te hanteren die gebruikt wordt om de doorstroom te berekenen voor de website onderwijskiezer. Dat betekent dat we hier kijken naar: •
studenten die rechtstreeks doorstromen van het SO naar het HO.
•
leerlingen die niet in het modulaire stelsel of verpleegkunde gezeten hebben in het SO
•
die geen HBO5 hebben gedaan
•
die niet in een studierichting zaten waarmee geen onderwijsvorm geassocieerd is.
5 Voorlopig is dit het cijfermateriaal zonder HBO5 omdat dat nog niet geïntegreerd werd in het datawarehouse.
23
Indicator II. H doorstroom in hoger onderwijs: studierendement van generatiestudenten Studierendement is een doorstroomindicator en geeft de verhouding weer van het aantal verworven studiepunten ten opzichte van het aantal opgenomen studiepunten. De meeste variatie in deze indicator vinden we bij generatiestudenten (1ste inschrijvingen). Om de indicator voldoende gevoelig te maken, maken we de berekeningen voor de bacheloropleidingen op de generatiestudenten. Voor de masteropleidingen kijken we naar de 1ste inschrijvingen (proxy generatiestudenten).
Soort opleiding
Aantal STEM HO
Totaal opgenomen studiepunten STEM
Totaal verworven studiepunten STEM
Studierendement STEM
Studierendement Rest
2008 - 2009
Academisch gerichte bachelor
5.926
348.948
236.673
67,82%
65,40%
2008 - 2009
Professioneel gerichte bachelor
5.568
326.488
222.704
68,21%
70,00%
2008 - 2009
Master*
4.911
261.798
241.729
92,33%
90,27%
Totaal
16.405
937.234
701.106
74,81%
74,05%
2009 - 2010
Academisch gerichte bachelor
6.025
354.749
237.173
66,86%
65,78%
2009 - 2010
Professioneel gerichte bachelor
5.791
336.666
229.529
68,18%
69,66%
Master*
5.070
267.079
248.333
92,98%
90,38%
Totaal
16.886
958.494
715.035
74,60%
73,93%
2010 - 2011
Academisch gerichte bachelor
6.159
361.215
246.665
68,29%
64,25%
2010 - 2011
Professioneel gerichte bachelor
5.844
336.655
226.499
67,28%
69,37%
Master*
5.417
280.898
262.099
93,31%
90,73%
Totaal
17.420
978.768
735.263
75,12%
73,26%
2011 - 2012
Academisch gerichte bachelor
6.429
374.884
254.856
67,98%
65,51%
2011 - 2012
Professioneel gerichte bachelor
5.938
340.542
226.347
66,47%
68,66%
2011 - 2012
Master*
5.591
286.959
266.057
92,72%
90,93%
Totaal
17.958
1.002.385
747.260
74,55%
73,75%
Academiejaar
2009 - 2010
2010 - 2011
24
2012 - 2013
Academisch gerichte bachelor
6.524
378.400
248.426
65,65%
63,64%
2012 - 2013
Professioneel gerichte bachelor
6.071
345.581
224.295
64,90%
67,42%
2012 - 2013
Master*
5.823
296.763
274.352
92,45%
90,85%
Totaal
18.418
1.020.744
747.073
73,19%
72,87%
2013 - 2014
Academisch gerichte bachelor
6.283
363.357
242.429
66,72%
64,28%
2013 - 2014
Professioneel gerichte bachelor
6.343
359.153
237.275
66,07%
67,23%
Master*
5.954
302.981
280.540
92,59%
91,11%
Totaal
18.580
1.025.491
760.244
74,13%
72,84%
2014-2015
Academisch gerichte bachelor
6.251
362.311
245.224
67,68%
65,95%
2014-2015
Professioneel gerichte bachelor
6.656
376.653
241.503
64,12%
68,33%
2014-2015
Master*
5.883
300.659
279.515
92,97%
91,89%
Totaal
18.790
1.039.623
766.242
73,70%
73,95%
2015-2016
Academisch gerichte bachelor
6.488
375.582
255.428
68,01%
64,81%
2015-2016
Professioneel gerichte bachelor
6.986
394.890
259.636
65,75%
68,55%
2015-2016
Master*
5.779
290.406
270.075
93,00%
92,63%
Totaal
19.253
1.060.878
785.139
74,01%
73,56%
2013 - 2014
* Hiertoe behoort eveneens de master na professioneel gerichte bachelor
25
III. Gekwalificeerde STEM uitstroom (studiebewijzen) a. Secundair onderwijs
Indicator III.S (a) STEM Studiebewijzen secundair onderwijs
Studiebewijzen: diploma SO (ASO, KSO, TSO) of studiegetuigschrift 2e leerjaar 3e graad (BSO) voltijds gewoon secundair onderwijs Totaal
schooljaar 2006-2007 2007-2008 2008-2009 2009-2010 2010-2011 2011-2012 2012-2013 2013-2014 2014-2015 2015-2016
aantal studiebewijzen 57.235 58.764 60.033 60.735 60.230 58.529 58.084 58.154 59.049 58.928
aantal STEM en % vrouw 26.254 26.810 27.133 27.400 26.422 25.865 25.914 25.784 25.970 26.253
29,88% 30,06 29,52% 29,98% 29,52% 29,25% 30,15% 30,96% 31,35% 31,60%
aantal zorg- aantal lichte STEM STEM
aantal nietSTEM
en % vrouw
en % vrouw
96 162 150 165 169 156 382 33 39 47
en % vrouw
56,25% 570 70,37% 684 67,33% 690 72,12% 684 71,60% 1.109 70,51% 1.197 50,00% 1.177 45,45% 1.259 48,72% 1280 48,94% 1189
62,28% 63,74% 63,77% 61,99% 51,58% 53,38% 53,53% 50,20% 51,09% 50,46%
30.315 31.108 32.060 32.486 32.530 31.311 30.955 31.078 31.760 31.439
69,69% 69,33% 68,96% 69,13% 68,65% 68,24% 67,95% 67,79% 67,93% 67,08%
% STEM studiebewijzen 45,87% 45,62% 45,20% 45,11% 43,87% 44,19% 44,61% 44,34% 43,98% 44,55%
Vaststellingen: 1.
Het absolute aantal studiebewijzen SO daalt in het algemeen.
2. Het absolute aantal STEM studiebewijzen SO daalt eveneens en het % meisjes hierin met een STEM studiebewijs zit momenteel (2015-2016) op 31,6 %. 3. Het % STEM studiebewijzen in het secundair onderwijs 2015-2016 stijgt licht in vergelijking tot de nulmeting: 44,55 % in 2015-2016 versus 43,87 % in 2010-2011. Maar het ligt lager dan voor de nulmeting.
26
Per onderwijsvorm
•
ASO
schooljaar
aantal aantal STEM studiebewijzen en % vrouw
aantal zorgSTEM en % vrouw
aantal lichte STEM en % vrouw
aantal niet-STEM en % vrouw
% STEM studiebewijzen
2006-2007
24.542
12.953
49,84%
-
-
-
-
11.589
66,28%
52,78%
2007-2008
25.056
13.307
50,03%
-
-
-
-
11.749
65,61%
53,11%
2008-2009
25.601
13.426
48,98%
-
-
-
-
12.175
65,35%
52,44%
2009-2010
25.612
13.609
49,28%
-
-
-
-
12.003
65,09%
53,14%
2010-2011
25.176
12.870
49,21%
-
-
460
35,65%
11.846
66,02%
51,12%
2011-2012
24.479
12.765
48,12%
-
-
506
34,78%
11.208
66,47%
52,15%
2012-2013
24.548
12.802
48,90%
-
-
467
34,48%
11.279
66,08%
52,15%
2013-2014
24.569
12.991
49,69%
-
-
515
34,37%
11.063
66,08%
52,88%
2014-2015
24.459
13.068
49,77%
-
-
507
34,52%
10.884
66,29%
53,43%
2015-2016
24.486
13.166
50,80%
-
-
504
34,33%
10.816
65,97%
53,77%
Vaststellingen: 1.
Het absolute aantal studiebewijzen in ASO daalt in het algemeen.
2. Het absolute aantal STEM studiebewijzen ASO blijft nagenoeg constant en het % meisjes hierin met een STEM studiebewijs heeft de 50 %-cesuur overschreden (50,8 %). 3. Het % STEM studiebewijzen in het ASO stijgt in 2015-2016 tot 53,77%, wat een stijging is met 2,65 % tov het nuljaar 2010-2011.
27
•
BSO
Schooljaar
aantal aantal STEM studiebeen % vrouw wijzen
aantal zorgSTEM en % vrouw
aantal lichte STEM
aantal niet-STEM
en % vrouw
en % vrouw
% STEM studiebewijzen
2006-2007
12.718
5.027
3,86%
-
-
266
65,04%
7.425
75,70%
39,53%
2007-2008
12.974
5.000
3,02%
-
-
331
67,67%
7.643
75,77%
38,54%
2008-2009
13.134
5.099
3,37%
-
-
326
65,03%
7.709
75,52%
38,82%
2009-2010
13.438
5.217
3,03%
-
-
322
65,84%
7.899
76,44%
38,82%
2010-2011
13.310
5.082
3,27%
-
-
304
62,50%
7.924
74,79%
38,18%
2011-2012
13.071
5.031
3,72%
-
-
339
67,26%
7.701
74,28%
38,49%
2012-2013
12.741
4.874
3,53%
-
-
307
69,38%
7.560
73,61%
38,25%
2013-2014
13.006
4.870
3,53%
-
-
366
59,02%
7.770
72,95%
37,44%
2014-2015
13.423
4.835
4,05%
-
-
356
62,08%
8.232
73,63% 36,02%
2015-2016
13.238
4.845
3,61%
-
-
325
60,62%
8.068
71,65%
36,60%
Vaststellingen: 1.
Het % studiebewijzen in BSO 2015-2016 bedraagt 36,60%.
2. Het % meisjes hierin blijft extreem laag (3,61 %, wat zelfs een lichte daling inhoudt t.o.v. 2014-2015). 3. Het % STEM studiebewijzen 2015-2016 in het BSO is negatief geëvolueerd t.o.v. het nuljaar: - 1,58 %.
•
KSO
schooljaar
2006-2007 2007-2008 2008-2009 2009-2010 2010-2011 2011-2012 2012-2013 2013-2014 2014-2015 2015-2016
aantal aantal STEM studiebeen % vrouw wijzen 1.207 1.329 1.328 1.298 1.373 1.331 1.418 1.354 1.436 1.363
269 293 289 270 310 270 313 263 301 280
60,22% 63,48% 60,21% 71,85% 56,13% 56,30% 64,22% 58,56% 63,12% 63,21%
aantal zorgSTEM en % vrouw -
28
aantal lichte STEM
aantal nietSTEM
en % vrouw
en % vrouw
% STEM studiebewijzen
304 353 364 362 345 352 403 378 417 360
634 683 675 666 718 709 702 713 718 723
22,29% 22,05% 21,76% 20,80% 22,58% 20,29% 22,07% 19,42% 20,96% 20,54%
59,87% 60,06% 62,64% 58,56% 63,19% 66,76% 63,52% 63,23% 61,87% 63,89%
72,24% 70,57% 73,04% 70,57% 74,09% 72,36% 70,66% 71,39% 71,59% 70,68%
Vaststellingen: 1.
Het absolute aantal studiebewijzen in KSO daalt in 2015-2016 licht tot 20,54% (in 2014-2015: 20,96%).
2. het % meisjes hierin met een STEM studiebewijs bedraagt 63,21 % (het gaat hier echter om kleine aantallen leerlingen). 3. Tegenover de nulmeting is er in 2015-2016 een stijging met 2 %.
•
TSO
schooljaar
2006-2007 2007-2008 2008-2009 2009-2010 2010-2011 2011-2012 2012-2013 2013-2014 2014-2015 2015-2016
aantal studiebewijzen
18.768 19.405 19.970 20.387 20.371 19.648 19.377 19.225 19.731 19.841
aantal STEM en % vrouw
8.005 8.210 8.319 8.304 8.160 7.799 7.925 7.660 7.766 7.962
12,92% 12,96% 13,08% 13,93% 13,82% 13,90% 14,88% 15,69% 16,12% 15,79%
aantal zorgSTEM en % vrouw
96 162 150 165 169 156 38 33 39 47
56,25% 70,37% 67,33% 72,12% 71,60% 70,51% 50,00% 45,45% 48,72% 48,94%
aantal lichte STEM en % vrouw
-
-
aantal niet-STEM en % vrouw
10.667 11.033 11.501 11.918 11.693 11.414 11.532 11.926 11.832
69,07% 68,75% 68,13% 68,27% 66,88% 65,71% 65,89% 65,74% 65,28% 64,75%
% STEM studiebewijzen
42,65% 42,31% 41,66% 40,73% 40,06% 39,69% 40,90% 39,84% 39,36% 40,13%
Vaststellingen: 1.
Het absolute aantal studiebewijzen in TSO stijgt licht in 2015-2016 (40,13%) tegenover 2014-2015 (39,36%).
2. Het % meisjes neemt licht af tot 15,79% (2015-2016) versus 16,12% in 2014-2015). 3.
Het % STEM studiebewijzen in het TSO zit in 2015-2016 opnieuw op het niveau 2010-2011
29
b. Hoger onderwijs Indicator III.H (b)STEM studiebewijzen hoger onderwijs Deze indicator is analoog met indicator III.S (a) voor secundair onderwijs mits één aanvulling. Vanwege de mogelijke verderzetting van de expansie van het hoger onderwijs, is het mogelijk dat het aandeel STEM afgestudeerden toeneemt zonder dat dit zichtbaar wordt in de indicator ‘% STEM diploma’s’. Het percentage STEM wordt in deze indicator berekend op de populatie met een diploma hoger onderwijs. We monitoren eveneens de evolutie in verhouding tot de totale jongerenpopulatie - analoog zoals in de UOE6 rapportering- door het aantal studiebewijzen per 1000 inwoners 20-29 jarigen als bijkomende indicator mee te nemen. We splitsen het aantal STEM studiebewijzen ook nog eens op per soort opleiding: Professionele bachelor (PBA), Academische bachelor (ABA) en Master. Totaal HO Academiejaar
Totaal studiebewijzen
2008 – 2009
46.372
2009 – 2010
47.645
2010 – 2011
51.007
2011 – 2012
53.348
2012 - 2013
54.884
2013 - 2014
54.964
2014 - 2015
56.153
2015 - 2016
57.602
Aantal studiebewijzen STEM HO en % vrouw
11.852 28,99% 12.261 29,08% 12.979 29,43% 13.672 29,25% 13.854 29,37% 14.184 30,68% 14.398 31,29% 14.995 30,88%
Aantal studiebewijzen Zorg- STEM HO en % vrouw
Aantal studiebewijzen Lichte STEM HO en % vrouw
5.137 76,13% 5.659 75,49% 6.739 75,78% 7.661 75,26% 7.959 74,95% 8.015 74,82% 8.367 74,41% 8.775 74,02%
1.323 43,46% 1.342 47,32% 1.458 43,21% 1.364 -45,01% 1.479 44,35% 1.498 42,12% 1.420 43,24% 1.498 42,12%
Aantal studiebewijzen Niet STEM HO en % vrouw
28.060 66,49% 28.383 66,19% 29.831 66,47% 30.651 66,99% 31.592 66,57% 31.267 67,30% 31.968 66,75% 32.334 66,88%
% STEM Diploma’s Populatie diploSTEM per 20-29 jaar ma’s 1000 inwoners 20-29 jaar
25,56%
15,26
776.646
25,73%
15,68
782.165
25,45%
16,55
784.177
25,63%
17,27
791.803
25,24%
17,37
797.564
25,81%
17,68
802.145
25,64%
17,89
805.003
26,03%
18,58
807.087
Opgelet! Deze tabel verschil licht van de tabel in de STEM-monitor 2013 om 2 redenen: 1) Een student kan voor 1 inschrijving meerdere diploma’s ontvangen indien er meer afstudeerrichtingen gekoppeld zijn aan een inschrijving. Het kan soms zijn dat een student niet voor alle afstudeerrichtingen een diploma behaalt. Deze studenten werden in de vroegere tabel niet meegenomen. 2) De populatie 20-29 jarigen verschilt met de populatie in de tabel van 2013. De populatie 2015 bestaat uit de 20-29 jarigen van het Vlaams gewest aangevuld met 20% van de 20-29 jarigen van het Brussels gewest. De databron is dezelfde als die wordt gebruikt voor de UOE rapportering.
6 Jaarlijkse rapportage voor Unesco, OESO en Eurostat.
30
Professionele bachelor
Academiejaar
4.079 24,22% 4.110 23,82% 4.463 25,32% 4.680 24,36% 4.547 23,62% 4.705 25,46%
2.159 88,88% 2.349 87,82% 2.536 87,78% 2.930 89,59% 3.060 88,56% 3.092 88,13%
DiploAantal ma’s Aantal studieSTEM studiebewijzen % STEM per bewijzen Lichte diplo1000 Niet STEM STEM ma’s inwoHO en % HO en % ners vrouw vrouw 20-29 jaar 19 12.033 22,30% 5,25 31,58% 71,35% 8 11.999 22,26% 5,25 25,00% 70,93% 12 12.613 22,74% 5,69 25,00% 70,97% 13 13.165 22,51% 5,91 15,38% 71,46% 10 13.865 21,17% 5,70 20,00% 70,91% 16 13.649 21,92% 5,87 31,25% 71,18%
4.927 26,39% 5.356 26,10%
3.222 87,55% 3.230 87,12%
9 44,44% 7 42,86%
Aantal studieTotaal bewijzen studieSTEM bewijzen HO en % vrouw
2008 - 2009 18.290 2009 - 2010
18.466
2010 - 2011
19.624
2011 - 2012
20.788
2012 - 2013
21.482
2013 - 2014
21.462
2014 - 2015
22.277
2015 - 2016
23.045
Aantal studiebewijzen ZorgSTEM HO en % vrouw
31
14.119 71,81% 14.452 71,68%
Populatie 2029 jaar
776.646 782.165 784.177 791.803 797.564 802.145
22,12%
6,12
805.003
23,24%
6,64
807.087
Academische bachelor
Academiejaar
Aantal studieTotaal bewijzen studiebeSTEM wijzen HO en % vrouw
2008 - 2009 13.341 2009 - 2010 13.515 2010 - 2011
14.099
2011 - 2012
14.570
2012 - 2013
14.729
2013 - 2014
14.594
2014 - 2015
14.317
2015 - 2016
14.864
3.417 31,31% 3.669 32,95% 3.778 32,48% 3.882 30,89% 4.004 33,49% 4.088 35,42% 3.927 34,05% 4.143 33,36%
Aantal studiebewijzen ZorgSTEM HO en % vrouw
Aantal studiebewijzen Lichte STEM HO en % vrouw
Aantal studiebewijzen Niet STEM HO en % vrouw
1.970 66,45% 2.023 66,49% 2.292 68,19% 2.546 65,87% 2.529 65,20% 2.582 63,94% 2.543 65,12% 2.803 65,50%
659 39,45% 647 44,51% 720 40,00% 683 40,56% 676 41,57% 713 38,85% 682 40,62% 693 38,67%
7.295 63,07% 7.176 62,76% 7.309 63,78% 7.459 63,27% 7.520 62,65% 7.211 64,37% 7.165 61,87% 7.225 62,51%
Diploma’s STEM % STEM per diplo1000 ma’s inwoners 20-29 jaar 25,61% 4,40
Populatie 2029 jaar
776.646
27,15%
4,69
782.165
26,80%
4,82
784.177
26,64%
4,90
791.803
27,18%
5,02
797.564
28,01%
5,10
802.145
27,43%
4,88
805.003
27,87%
5,13
807.087
(1) De absolute cijfers voor het aantal studiebewijzen Zorg–ééSTEM werden aangepast omdat in de STEM-monitor 2015 enkel de vrouwen die een Zorg–STEM diploma hebben gehaald werden weergegeven. Nu zijn de mannen met een Zorg–STEM diploma ook meegerekend.
32
Master
Academiejaar
Aantal Aantal studieTotaal studiebewijzen studie- bewijzen Zorgbewij- STEM STEM zen HO en % HO en % vrouw vrouw
2008 - 2009
14.741
2009 - 2010
15.664
2010 - 2011
17.284
2011 - 2012
17.990
2012 - 2013
18.673
2013 - 2014
18.908
2014 - 2015
19.559
2015 - 2016
19.693
4.356 31,63% 4.482 30,75% 4.738 30,88% 5.110 32,49% 5.303 31,19% 5.391 31,63% 5.544 33,69% 5.544 33,68%
1.008 67,76% 1.287 67,13% 1.911 68,97% 2.185 67,00% 2.370 67,76% 2.341 69,24% 2.602 67,22% 2.742 67,29%
Aantal studiebewijzen Lichte STEM HO en % vrouw 645 47,91% 687 50,22% 726 46,69% 668 50,15% 793 47,04% 769 45,38% 729 45,68% 798 45,11%
33
DiploAantal ma’s studieSTEM % STEM Popubewijzen per diplolatie 20Niet STEM 1000 inma’s 29 jaar HO en % woners vrouw 20-29 jaar 8.732 29,55% 5,61 776.646 62,67% 9.208 28,61% 5,73 782.165 62,68% 9.909 27,41% 6,04 784.177 62,72% 10.027 28,40% 6,45 791.803 63,88% 10.207 28,40% 6,65 797.564 63,57% 10.407 28,51% 6,72 802.145 64,25% 10.684 28,35% 6,89 805.003 63,35% 10.657 27,91% 6,87 807.087 63,34%
V.U.: Koen Pelleriaux, Algemeen Directeur Departement Onderwijs en Vorming, Koning Albert II-laan 15, 1210 Brussel • Eindredactie: Christel Op de beeck • Werkten mee: Anton Derks, Pieter Vos, Hilde Goeman, Paul Cornelis, Maddy Bollen, Goele Bossaert, Bart Colpaert Vormgeving: Kim Baele • Met dank aan de beeldbank van TechniekTalentNU • Depotnummer:
D/2017/3241/177 34
DEPARTEMENT ONDERWIJS EN VORMING Koning Albert II-Laan 15 1210 Brussel www.onderwijs.vlaanderen.be 35