Skip to main content

M&L_33_2.pdf

Page 1

MOtlüMztlïzti,

UUJÜiCrlA^EW

Itl

AaCHsOLOCIE^

i^^**!!*^*

J^^^fc,-.

^'ffrK >:

'-

mé-^ l&r

I.

•V.

v

m-


Natuurlijke hydraulische kalk isolerend - dampopen - duurzaam - kalleien UNILIT CORICAL sanerend - injecties moulures - voegen - pleister metselen - tadelakt - natuurlijke bindmiddelen vette kalk

Arte Constructo

+32 (0)3 880 73 73 info@arteconstructo. be


33/2

1VI L

EN, L A N D S C H A P P E N EN A R C H E O L O G I E

Tweemaandelijks M ON U M Etijdschrift NT

van de Vlaamse overheid, Onroerend

Erfgoed

ISSN 0770-4948 Jaargang 33 nr. 2 MAART-APRIL 2014

Inhoud

De opgraving van een rij paardengraven uit de Eerste Wereldoorlog in Popermge • Sappenleen (foto K. Vandevorst)

Voorzitter Sonja Vanblaere Eindredactie Marjan Buyle en Peter Van den Hove Kern redactie Marjan Buyle Rudy DeGraef Herman Van den Bossche Peter Van den Hove Redactie Anna Bergmans Jo Braeken Marc De Borgher Anton Ervynck Jos Gyselinck Catheline Metdepenninghen Dieter Nuytten Paul Van den Bremt Maarten Van Dijck Thomas Van Driessche Inge Verdurmen Tom Verhofstadt Linda Wylleman E rel eden Edgard Goedleven Marcel M. Cells Jo De Schepper Suzanne Van Aerschot HedwigVan den Bossche Christine Vanthillo Het tJ)dschrift: M&L is opgenomen in het Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand voor de Sociale en Humane Wetenschappen en gevalideerd als tijdschrift met peer review. De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

Redactiesecretariaat Diane Torbeyns diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be Tel. 02 553 16 13 AbonnementenBelgië: 40 € {losse nummers: 7 € ) Buitenland: 65 € CJP- of studentenkaart: 28 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. I B A N B E 4 8 3751 1109 8627 BIC-codeBBRUBEBB van Monumenten & Landschappen Koning Albert ll-laan 19 bus 5 1210 Brussel * Zonder schrifteli)ke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

22

32

They shoot horses, don 't they? Skeletten van paarden en muildieren als erfgoed uit de Groote Oorlog

Van slagveld tot lieu de mémoire: de voorpost Drie Grachten in het inundatiegebied van het leperleekanaal

Rome in Meerhout. Vondst en conservatie van igde-eeuwse muurschilderingen

Anton Ervynck & An Lentacker

Thomas Van Driessche

Marjan Buyle

Website www.menl.be Advertentiewerving info@onroerenderfgoed.be Vormgeving Bart Delva Druk die Keure- Brugge Fotografie Oswald Pauwels Verantwoordelijk uitgever Sonja Vanblaere Koning Albert ll-laan 19 bus 5 i 2 i o Brussel

52 Een herwaarderingsplan voor Zurenborg, wijk van de theatrale exuberantie Eline Daelman en lohan Veeckman

M&LI

1


A. M. C O N S U L T AM Consult bvba Anthonis de Jonghestraat 6A B-9100SINT-NIKLAAS t: 03 780 61 53 f: 03 766 18 52 a.nn.consult@skynet.be www.amconsult.be

Uw partner voor het opsporen van de oorzaken van: Vochtvlekken Schade aan pleisterwerk Waterinfiltraties Betonrot Schimmels Houtaantasting door zwam Condensvorming Houtaantasting door insecten Opstijgend vocht Regendoorslag Door: Gravimetrische vochtanalyse Kwantitatieve zoutanalyse RH en T datalogging Endoscopic Microscopisch onderzoek in situ en/of in het labo ifv de onderzoeksmethoden

W i j leveren: gefundeerd en praktisch behandelingsadvies voor een efficiënte a a n p a k van het probleem

B o u w o n d e r n e m i n g

STEENEN HUIS Restoratie & Renovatie

Sonck Frédéric • Siermetselwerk • Ruwbouw • Gewelfbouw • Belasten en storten van betonnen trappen in bestaande gebouwen • Gevelreiniging • Steenkapperij: monelen, maaswerk, hogels, pinakel, kapitelen • Natuursteenherstelling met minerale mortel • Gips-, kalk-, leem- en cementpleisterwerk: 1 of 2 lagensysteem • • • •

Lijsten - Stuc - Fixeren van verpoederd pleisterwerk Eigen productie van gebluste kalkdeeg Vloer- en wandbetegeling Schilderwerken met silicaatverf (KEIM)

Tel.: 0472/77.65.04 - Fax: 09/282.93.26

Restauratie en Monumentenzorg


Archeologie, Monumenten- en Landschapsonderzoek in Vlaanderen 10 Het nieuwste nummer van het wetenschappelijk tijdschrift Relicta brengt bijdragen over Romeinse sporen ontdekt bij een verkaveling in Stene (Oostende), munten in de laat-Romeinse nederzetting van Neerharen-Rekem, de middeleeuwse muurschilderingen uit de toren van de Sint-Janskerk in Mechelen, het onderzoek van de dakkappen en het bouwhistorisch onderzoek van diezelfde St. Janskerk, een Nederlandstalig liedfragment op een 17de-eeuws fa^on-deveniseglas uit Parijs en een artikel over tuinarcheologie in Vlaanderen.

Archeologie, Monumenten-& Landschapsonderzoek in Vlaanderen Onroerend Erfgoed

Formaat 344 pagina s, A4 Afwerking vierkleurendruk, paperback Publlcatiejaar 2013

Vlaamse overheid-agentschap Onroerend Erfgoed Koning Albert II-laan bus 5 1210 Brussel Tel. 02 553 16 13 -Fax 02 553 16 55 E-mail: diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be Prijs: 40 euro + verzendingskosten

ISSN 1783 6425 Uitgever Onroerend Erfgoed

Online te raadplegen via OAR, het Open Archief van OE-publicaties https://oar.onroerenderfgoed.be Ook via het bestelloket van de Vlaamse Overheid http://www.vlaanderen.be/nl/publicaties/detail/relicta-10


/

ff

WOT

R

M0\

m *

w*

Bunker G.

33ste jaargang van M&L in het teken van erfgoed uit WO I O p 4 augustus van dit jaar zal het 100 jaar geleden zijn dat het Duitse leger België binnen viel. Wat in het oosten van ons land begon als een bewegingsoorlog, waarbij het Belgische leger gevecht na gevecht werd teruggeslagen, m o n d d e enkele weken later in het westen van het land uit in een jarenlange stellingenoorlog.

Littekens die men aanvankelijk uit steden, dorpen en landschappen wilde wissen, onder andere tijdens de grote wederopbouw, werden langzaam relicten die men wou gaan behouden en beschermen; oorlog werd erfgoed, en dit erfgoed werd plots meer dan ooit geprofileerd als dé allerlaatste getuige van de Eerste Wereldoorlog.

Overal in het Vlaamse landschap heeft die Croote Oorlog sporen nagelaten, weliswaar met erg grote contrasten. Voor heel wat van die overblijfselen is de laatste decennia een bijzondere aandacht ontstaan.

In wat een bijzonder herdenkingsjaar belooft te worden wil de redactie van het tijdschrift MelL dan ook de nodige aandacht schenken aan de actuele Vlaamse erfgoedzorg rond Wereldoorlog I.

In iedere uitgave van dit jaar zullen bijdragen opgenomen worden over m o n u m e n t e n , landschappen en archeologie in relatie tot de Eerste Wereldoorlog. Verhalen die beginnen bij het in kaart brengen en inventariseren van oorlogserfgoed, verhalen die gaan over onderzoek, verhalen over de vele diverse pogingen o m te beschermen en te behouden, verhalen over hoe een oorlog na 100 jaar ons erfgoed werd, verhalen over hoe dit erfgoed als unieke getuige de herinnering aan de Croote Oorlog voor toekomstige generaties levend kan houden.

t*'


j*#-

"Nu is de beurt aan de afgereden

knollen"

De inzet van paarden en muildieren tijdens WO I is historisch bekend, maar tot nu toe was er weinig aandacht voor archeologische opgravingen van de skeletten ervan. Anton Ervynck en An Lentacker documenteren zorgvuldig deze recente vondsten en reconstrueren de weinig te benijden taken van 's mensen beste vriend en zijn lotgenoot. Het onderzoek van deze archeologische botresten levert niet enkel informatie over het lot van dieren in oorlogstijd, maar eveneens over wat het betekende een mens te zijn in deze gruwelijke periode.

"Hier werd de overweldiger

tot staan

gebracht"

Deze triomfalistische vermelding sierde demarcatiepaal nr. 5, die als herdenkingsmonument aanduidt hoe ver de bezetter op ons grondgebied was doorgedrongen. Drie Grachten, een gehucht op de samenvloeiing van drie waterlopen, was in WO 1 een belangrijke fel bevochten voorpost en nu een verstilde plaats met de heropgebouwde gelijknamige herberg. Thomas Van Driessche reconstrueert de oorlogsgeschiedenis van deze strategisch belangrijke plaats, waar zelfs de tot de verbeelding sprekende zoeaven een rol speelden.

Rome in Meerhout Gezichten van de bekendste Romeinse piazza's op de muren van een achterkamer: niet direct wat je in een Kempense pastorie zou verwachten! Deze muurschilderingen in Meerhout bleken nauwgezet geïnspireerd te zijn door 18de eeuwse gravures van Giuseppe Vasi. Overdekt met een schier onoplosbaar vochtweringsproduct leek het blootleggen ervan even op een mission impossible maar het eindresultaat overtrof alle verwachtingen dankzij het hardnekkige volhoudingsvermogen van de ploeg. De typische schilderstijl riep bij Marjan Buyle herinneringen op aan de eerste restauratieopdracht van de toenmalige conserveringsploeg in de pastorie van Eppegem.

Een fantasierijke wijk geherwaardeerd De Zurenborgwijk in Berchem en Antwerpen, bij architectuurliefhebbers ook bekend als de Cogels-Osylei, verloor geleidelijk aan een deel van haar troeven door degradatie van het straatbeeld, toename van verkeershinder, verdwijnen van beeldbepalende elementen en onoordeelkundige aanpassingen aan gebouwen. Eline Daelman en Johan Veeckman stellen hiertegenover een krachtig herwaarderingsplan van de stad, die deze negatieve evolutie zou moeten ombuigen tot een positief herstel van de erfgoedwaarden van deze merkwaardige belle époque-wijk.


They shoot horses, don't they? Skefetten van paarden en muildieren als erfgoed uit de Croote Oorlog Anton Ervynck e^An Lentacker

Terwijl de graven van gesneuvelde soldaten

Dieren in de Croote Oorlog

verdiende aandacht krijgen binnen de zorg voor het erfgoed van de Eerste Wereldoorlog, is dat voor de resten van dieren minder het geval. H u n rol in de oorlogsmachinerie is een gekend deel van het historisch verhaal maar werd tot nu toe nauwelijks gedocumenteerd aan de hand van archeologische vondsten. Die kunnen nochtans helpen o m de bestaande beeld- en tekstdocumentatie aan te vullen. Enkele recente opgravingen aan het West-Vlaamse front tonen dat aan en bewijzen tegelijk dat het o m meer gaat dan louter documentatie. De relatie tussen mens en dier heeft steeds een hoge gevoelswaarde, en dat is nog meer zo in oorlogstijd (i).

6

I M&L

In de oorlogsverrichtingen die tussen 1914 en 1918 grote delen van de wereld teisterden, speelden dieren een belangrijke rol (2). Honden trokken karren, duiven zorgden voor communicatie maar paarden en aanverwanten vervulden nog belangrijker functies. Ze dienden als rijdier maar vooral als last- en trekkracht (3). Bij het aanbreken van de Eerste Wereldoorlog waren de legers nog niet sterk gemotoriseerd en vele terreinen die de jaren daarna het oorlogstafereel zouden vormen, konden niet met de toenmalige voertuigen doorkruist worden. Bovendien schiep de oorlog in Noordwest-Europa een situatie waarin charges van de cavalerie geen zinnige tactiek meer vormden, terwijl de continue aanvoer van goederen naar een geïmmobiliseerde frontlinie een hoofdbekommernis werd. De slag van Halen, een ruiterij gevecht waarbij de Duitse invallers 'met zilveren helmen' op 12 augustus 1914 tegen het Belgische leger het onderspit delfden, vormt zowat de laatste veldslag in onze militaire geschiedenis waarin ruiters te paard massaal ten aanval trokken (4). Daarna stak het militaire belang van rijdieren vooral in het uitvoeren van verkenningstochten terwijl last- en trekdieren instonden voor het voeden van de oorlogsmachine, met proviand en vooral heel veel munitie. Bij de slag van Halen sneuvelden honderden paarden. Het was het voorspel van nog veel meer dierenleed in de komende jaren. Vooral de trek- en lastdieren, die nabij het front of in het achterland het transport verzorgden, liepen grote risico's. Voortdurende beschietingen waren daarvoor verantwoordelijk want het uitschakelen van de aanvoerlijnen betekende het lamleggen van het vijandelijk front. Daarnaast speelden ziekte, ondervoeding, koude en andere ontberingen een


nefaste rol. De dieren kregen verzorging in de kampen achter de linies, maar vele stierven of moesten worden afgemaakt. Over het belang van de rij-, trek- en lastdieren spreken de statistieken boekdelen. Cijfers zijn daarbij het makkelijkst te vinden voor het Britse leger. Aan de vooravond van de oorlog beschikte dat over zo'n 25.000 paarden maar twaalf dagen na de mobilisatie waren er reeds 165.000 dieren ingelijfd. Tegen het midden van 1917 werden dat er bijna 600.000, naast nog meer dan een kwart miljoen andere lastdieren (5). Dit stelde enorme logistieke problemen inzake stalling, voeding, en verzorging. De mankracht die daarvoor moest instaan, het Remount Department, groeide dan ook van 121 officieren en 230 andere manschappen vóór de oorlog, naar 423 officieren en 20.560 manschappen in het midden van 1917 (6). Op een bepaald ogenblik had het Army Veterinary Corps, dat voor de medische zorg verantwoordelijk was, in het wereldwijde oorlogsgebied 90.000 zieke en genezende dieren onder zijn hoede (7). Ook aan Duitse zijde was het duidelijk dat de rol van paarden zeer hoog werd ingeschat. In het leger dat in 1870 tegen Frankrijk ten strijde trok was er een numerieke verhouding tussen paarden en mensen van één op vier; in 1914 was dit één op drie (8). De Duitse mobilisatie in 1914 hield de opeising van 615.000 paarden in (9).

Alhoewel in het Britse leger het verlies aan rij- en trekdieren doorheen de oorlog percentueel niet zo hoog lag (naar schatting 15% per jaar) hebben de Franse en Britse legers alleen al aan het Westers Front 797.918 paarden verloren (10). Een andere schatting vermeldt dat van de 1.880.000 trekdieren, wereldwijd gemobiliseerd door het Franse leger, er

uiteindelijk 1.140.000 in de oorlog het leven lieten (11). Dat is zo'n 60%, wat inderdaad overeenkomt met vier keer het eerder geschatte jaarlijkse aandeel van 15%. De dierenslachting blijkt dus een historisch vaststaand gegeven te zijn. Maar toch worden de niet-menselijke deelnemers aan de Groote Oorlog vaak vergeten. Af en toe steken de paarden gesneuveld in de Eerste Wereldoorlog echter weer de kop op. De begraven kadavers, ondertussen skeletten, worden immers met regelmaat bij grondverzet in het vroegere oorlogsgebied teruggevonden.

Na de Slag van Halen werden honderden gesneuvelde paarden begraven ( © Library of Congress]

De archeologie van de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen Het heeft bijna honderd jaar geduurd voordat in ons land het bodemarchief van de Eerste Wereldoorlog een waardevol thema van archeologisch onderzoek werd. Ooit werd de Belgische archeologie beperkt tot de tijd vóór de inval van de Vikingen, want dan brak de zogenaamd 'historische' periode aan (12). Later dacht de archeologische gemeenschap zich te moeten beperken tot het Ancien Régime (tot en vóór 1800). De onderzoekstraditie zat voor wereldoorlogrelicten dus niet goed. Enkele dringende dossiers deden in het begin van het nieuwe millennium echter het tij keren, zoals het doortrekken van de A19 ten noordoosten van leper, waarbij een deel van de oude frontlinie, inclusief de begraven menselijke resten (lees: gesneuvelde soldaten), voor de aanleg van een snelweg zou 'weggeruimd' worden (13). Tegelijk begon men langzamerhand ook te beseffen dat er een herdenking zat aan te komen, die onvermijdelijk een grote publieke respons zou kennen. En dus werd de archeologie van een zeer recent conflict toch een aandachtspunt en - plots ook een deel van het officieel erfgoedbeheer en

M&LI


onderzoek. Vergeten we ondertussen natuurlijk niet dat er overal in het vroegere West-Vlaamse oorlogsgebied reeds verzamelaars aan het werk waren, die via de pers en andere kanalen het thema van de resten van WO I levend hielden.

begravingen maar om delen van krengen die samen met ander afvalmateriaal begraven zijn. Het botmateriaal leek sterk op dat van paarden, een identificatie die ondersteund werd door de vondst van hoefijzers en onderdelen van paardentuig.

Bij dit alles waren dierenresten uiteraard niet de eerste prioriteit, dat was in de klassieke Vlaamse archeologie al nooit zo. Begraven kadavers zijn in ruraal gebied bovendien zowat overal te vinden en het is archeologisch vaak niet makkelijk uit te maken uit welke periode ze stammen. Wellicht zijn er zo al veel dierengraven uit de Groote Oorlog ongedocumenteerd weggegraven. De werkzaamheden van enkele jonge archeologen met een brede kijk op wat erfgoed kan zijn, zorgden er recent echter voor dat dieren deel werden van het verhaal van een archeologische WO I-opgraving.

De studie van het botmateriaal toont aan dat delen van de skeletten van minstens 27 dieren ingezameld werden. De analyse bracht bovendien aan het licht dat op de vindplaats niet enkel paarden maar ook muildieren begraven zijn (15). Een muildier is het resultaat van de kruising tussen een mannelijke ezel en een vrouwelijk paard, terwijl het jong van een vrouwelijke ezel en een mannelijk paard een muilezel wordt genoemd. Beide vormen van kruisingen zijn steriel en kunnen dus geen nakomelingen voortbrengen. Ze moeten dus steeds opnieuw uit paarden- en ezelpopulaties worden gekweekt. Muildieren worden al millennia lang als last- of trekkracht gebruikt vanwege hun grote kracht en uithoudingsvermogen. Ze hebben een vastere tred dan ezels of paarden en zijn vaak groter dan het moederdier (16). Ze zijn van paarden te onderscheiden aan hun korte, brede kop, lange oren, dunne poten en smalle hoeven.

Reningelst

Schedel van een muildier uit Reningelst (foto H. Denis)

8

I M&L

In 2009 werd in de weilanden aan de Kriekstraat in Reningelst, een deelgemeente van Poperinge, een opgraving uitgevoerd, voorafgaand aan de aanleg van enkele voetbalvelden (14). Tijdens het archeologisch vooronderzoek waren sporen uit de ijzertijd en de Eerste Wereldoorlog aangetroffen. Bij de opgravingen kwamen opnieuw resten uit die perioden tevoorschijn, maar ook middeleeuwse sporen. Materiaal uit de Eerste Wereldoorlog werd geborgen uit kleine bornputten, grotere bominslagen waarvan de krater achteraf als afvalkuil is gebruikt, rechthoekige afvalkuilen, en kleinere kuilen en sporen. De vondsten bestonden voornamelijk uit (gebruikte) munitie, flessen, medicinale recipiënten, rumkruiken en ander aardewerk. Daarnaast zijn ook een twintigtal geladen bommen en granaten bovengehaald, waaronder tien gasbommen van zestig pond. Bovendien bevatte een groot aantal kuilen resten van dieren. Het ging niet om afzonderlijke, individuele

Schedel van een paard uit Reningelst, met een kogelgat in het voorhoofd (foto H. Denis)


Ze stellen lagere eisen aan hun voeding dan paarden, en zijn beter bestand tegen ziekte. Maar soms zijn ze zo koppig als een ezel. De opgegraven paarden hadden schofthoogtes variërend tussen 150 en 173 cm (17). Volgens de huidige maatstaven wordt de grens tussen pony's en paarden op 147 cm gelegd. Rijpaarden hebben doorgaans schofthoogtes tot 180 cm. Belgische trekpaarden variëren in hoogte tussen 168 en 183 centimeter. Het botmateriaal laat ook toe te zien of het om graciele of robuuste dieren gaat (18). Bijna steeds blijkt het laatste het geval te zijn, alhoewel er toch een tweetal minder forse paarden met grote schofthoogte bij zaten. Die laatste zijn waarschijnlijk de enige rijdieren tussen de grote groep van trek- en lastpaarden. In het algemeen vormen de paarden van Reningelst een bonte groep, zonder twijfel het resultaat van hun diverse herkomst. Dat contrasteert sterk met de resten van de muildieren die veel uniformere afmetingen tonen. Ze hebben schofthoogtes tussen 150 en 161 cm en een duidelijk minder robuuste lichaamsvorm dan de groep van trek- en lastpaarden. Op één jong dier na, wellicht een paard, dat slechts 3,5 jaar oud werd, bereikten alle paarden en muildieren begraven op de vindplaats een volwassen leeftijd

(ouder dan 3,5 jaar) (19). De slijtage van de snijtanden suggereert voor bepaalde dieren leeftijden van 8,10,12 en 16 a 18 jaar (20). Zowel hengsten als merries zijn aanwezig (21). De botten uit Reningelst zijn wat rest van de kadavers van dieren die het einde van de oorlog niet hebben gehaald. Waar op de schedel nog het voorhoofd aanwezig was, werd steeds een kogelgat aangetroffen. De dieren kregen een genadeschot om ze uit hun lijden te verlossen. Op de skeletten van de paarden en muildieren valt verder af te lezen dat ze een hard bestaan hebben gekend. Bepaalde ziekteverschijnselen op de beenderen (zoals botwoekeringen of het vergroeien van skeletdelen) zijn het resultaat van overbelasting, wellicht reeds het gevolg van het gebruik van de dieren vóór de oorlog. Het leven aan het front heeft daar zeker geen verandering in gebracht. In één bot uit de vindplaats in Reningelst zit iets wat op een stuk metaal lijkt, misschien een geheelde schotwond?

Vondsten uit de opgravingen te Reningelst: (a) pathologische vergroeiing aan een kanonbeen veroorzaakt door overbelasting, (b) een kanonbeen met mogelijk

De opdeling van de kadavers en de snij- en haksporen op de beenderen suggereren dat het vlees van de knoken is gehaald, wellicht om de soldaten van voedsel te voorzien. Mogelijk hebben ook burgers uit de buurt de kadavers benut maar omdat

een ijzerfragment In de schacht, (c) een scheenbeen met een zaagspoor, (d) hoefijzers opgegraven bij de paarden- en muildierenskeletten (foto's H. Denis]

M&L


Militaire infrastructuur ten noorden van Reningelst. Het opgravingsgebied ligt binnen de blauwe ellips {The National Archives British Trench Map Atlas. Poperinge, 11.07.18)

in de kuilen toch vooral militair afval werd teruggevonden, lijkt de eerste mogelijkheid meer waarschijnlijk. Het gebied van Reningelst lag gedurende de oorlog achter het front maar kreeg het toch zwaar te verduren (22). Het huisvestte Britse en Canadese kampen en vormde een verkeersknooppunt waarlangs voedsel, munitie en andere goederen per trein, paard en muildier werden aangevoerd en naar het front versluisd. Deze transportlijnen werden voortdurend gebombardeerd. Het opgravingsgebied zelf stond op de Engelse kaarten bekend als Fuzeville Fork. Het is geweten dat, na de slag van de Somme in november 1916, in dit deel van Reningelst legereenheden huisden van de 24ste, 25ste, 41ste en 47ste Britse Divisies (23). Over het dagelijks leven in dit gebied achter het front is echter nog maar weinig bekend. De zogenaamde war diaries, de officiersrapporten van de verschillende eenheden, zijn vaak wel beschikbaar maar slechts heel beperkt ontsloten en als informatiebron historisch nog onverwerkt (24). Een voor dit deel van het front makkelijker toegankelijke - en onschatbare - bron van informatie zijn de oorlogsdagboeken van Achiel Van Walleghem, die tijdens de oorlog eerst pastoor van Dikkebus was, en later van Reningelst. Hij beschrijft in detail het leven achter het front, zoals een bombardement in mei 1917 waarbij paarden langs de transportlinies van Reningelst omkwamen: "31 Mei, Donderdag, Weerom wordt de transport schrikkelijk gebombardeerd. (...) 's Namiddags nog lagen er van "den Zorgfried" tot "den Groenen Jager" {} minuten verre) 13 dode peerden,

10

ML

en vandaar tot den Café Frangais 30. Dezen avond zal de uur van den transport veranderd worden, om den duitschen te bedriegen. Ook zal men de munitie vervoeren zonder wagens. Ieder paard zal 8 obussen dragen. Zoo zal men niet meer moeten stilhouden om doode ofgekwetste peerden ofte leggen, en in geval van bombardement zal men door mindere wegen of door de velden kunnen voortgaan." (25) De massale aanwezigheid van last- en trekdieren leeft trouwens nog altijd in de herinnering van de bewoners van Reningelst. Ze geven aan dat de Kriekstraat in de oorlog, om makkelijk te raden redenen, het Peirdenstroentstroatje werd genoemd (26).

De aanvoer van paarden en muildieren De vondsten uit Reningelst vestigen de aandacht op de noodzaak van de continue aanvoer van dieren naar het front. Het geallieerde leger breidde immers in mankracht uit eenmaal de stellingenoorlog was begonnen, en er was een dagelijks verlies aan dieren. Het Britse leger kon echter niet voldoende rij- en trekdieren uit het Verenigd Koninkrijk invoeren zonder de economie van het thuisland te zeer te ontwrichten. Daarom werd al snel besloten om een aanvoerlijn aan te spreken die tijdens de Zuid-Afrikaanse Boerenoorlog aan het eind van de 19de eeuw was uitgebouwd, en dieren aan te kopen in de Nieuwe Wereld, voornamelijk de Verenigde Staten. Daar werden in de landbouw naast paarden ook muildieren veel gebruikt en beide hadden hun nut bewezen in de ZuidAfrikaanse gevechten. Zo ontstond een continue en grootschalige aanvoer naar het Westers Front.


Het Sappenleen-gebied nabij Poperinge aan het eind van de oorlog {The National Archives British Trench Map Atlas, Poperinge. 11.07.18}

Bij de wapenstilstand in 1918 was de import uit Noord-Amerika tot 428.608 paarden en 275.097 muildieren opgelopen (27). Vermits de lokale veestapel er uit enorme hoeveelheden dieren bestond, men schat het toenmalige aantal paarden alleen al op zo'n 21 miljoen (28), betekende de grootschalige verkoop geenszins een probleem voor de landbouweconomie. Enkele farms in de Verenigde Staten hebben in die periode gouden zaken gedaan. De firma Guyton & Harrington in Lathrop (Clinton County, Missouri) leverde naar schatting 350.000 paarden en muildieren, zowat de helft van de dieren die uiteindelijk uit het NoordAmerikaanse continent werden aangevoerd (29). Vanuit het Noord-Amerikaanse binnenland, voornamelijk Missouri, werden de paarden en muildieren op de trein gezet richting oostkust. Daar startte een lange bootreis, die de muildieren beter bleken te verdragen dan de meereizende

paarden. In het eerste oorlogsjaar verloor men door ziekte of ongeluk tijdens het transport 1,78% van de paarden maar slechts 0,03% van de muildieren. Daarna werden deze verhoudingen vertekend omdat het Duitse leger meer en meer trachtte de transportschepen tot zinken te brengen of hun levende lading door beschieting te doden (30). In het zuiden van Engeland, nabij de havens van Bristol, Liverpool en Southampton bleven de dieren drie weken in quarantaine, uit voorzorg, om epidemieën op te sporen, maar ook om de dieren te laten acclimatiseren en op krachten te laten komen. Daarna ging het richting Western Front. Tussen 1914 en 1918 vertrok vanuit de States ongeveer om de anderhalve dag een cargo van 500 tot 1000 dieren (31). De kans is dus reëel dat de muildieren uit Reningelst ooit in Noord-Amerika geboren zijn. Zeker is dat natuurlijk niet maar de vrij uniforme afmetingen van het botmateriaal van de dieren doen toch vermoeden dat ze uit een zelfde kweekpopulatie kwamen, in tegenstelling tot de paarden die her en der waren opgeëist. Een soldaat en zijn muildier aan het Westers Front.

Poperinge - Sappenleen

Op het origineel staat geschreven: "She is very stupid but I am very

Door de uitbreiding van het industriegebied buiten Poperinge, waar de vindplaats Sappenleen zich bevindt, werden terreinen verstoord die na het oorlogsgeweld van 'i4-'i8 met relatieve rust waren gelaten. Het leven achter de linies blijkt er, net onder het maaiveld, nog opvallend goed bewaard. Verspreid over het terrein werden bij archeologisch vooronderzoek in 2011 sporen van allerlei oorlogsinfrastructuur aangetroffen (32). Het gaat om

fond of her*'. {National Library of Scotland, First World War •Official Photographs', © Creative Commons License]

M&L I n


De rij paardengraven in Poperinge • Sappenleen (foto K. Vandevorst)


De rij paardengraven

te Popennge - Sappenleen (tekening F, WyfTels}

resten van loopgraven en bunkers, het restant van een mogelijke werkplek waar munitie voor gebruik werd klaargemaakt, een aantal bomkraters, munitiedumps en de overblijfselen van een netwerk van smalsporen, speciaal aangelegde rails voor kleinere wagons die munitie, voedsel en andere noodzakelijke goederen naar de frontlinie brachten. Deze smalsporen sloten aan op het reguliere spoornetwerk, meer bepaald op de spoorlijn ten noorden van het onderzoeksterrein. Historisch onderzoek (33) toont aan dat het terrein initieel werd gebruikt voor de tijdelijke opslag en distributie van oorlogsmaterieel. Kaartmateriaal illustreert dat een aantal opslagfaciliteiten zoals barakken, schuren en tenten op het terrein werden opgericht. Dit logistieke aspect werd uitgebouwd in de loop van de periode 1914-1917. In de periode tussen september 1917 en het voorjaar van 1918 werd een nieuwe, defensieve functie aan het terrein toegevoegd. Tussen het spoorwegencomplex zijn dan twee gevechtsloopgraven aangelegd met verbindingstracés. Het is, voor zover bekend, nog niet onderzocht welke legereenheden op deze locatie gestationeerd waren.

De paarden begraven in Poperinge - Sappenleen zijn met een schot in het voorhoofd afgemaakt (foto K. Vandevorst}

Bij de paarden begraven in Poperinge - Sappenleen zijn de ledematen duidelijk losgehakt en naast de romp van het dier

gelegd (foto K. Vandevorst)

Bij het archeologisch vooronderzoek kwamen zeven paardengraven tevoorschijn. Het gaat om zware trekpaarden met schofthoogtes uiteenlopend van 154 tot 172 cm. Deze dieren zullen, in aanvulling op het trein- en het smalspoor, ingezet geweest zijn voor het oorlogstransport. Zowel hengsten als merries waren aanwezig en op één dier na waren alle paarden van volwassen leeftijd. De vastgestelde sterfteleeftijden zijn 8, 8, 9,10, ±12 en 15-17 jaar. Op de Poperingse vindplaats viel de regelmatige aanleg van de paardengraven op. De kuilen bevinden zich op een rij aan de rand van het kamp

M&L I 13


en de skeletten liggen netjes evenwijdig aan elkaar. Twee maal steken er twee skeletten in één graf. Een derde kuil verdiept zich in drie delen, waarin telkens één dier lag. Op één gefragmenteerde schedel na kon bij alle schedels op het voorhoofd een schotwond vastgesteld worden. De ledematen zijn van de kadavers verwijderd, om ze makkelijker te laten passen in de kuilen, en net zoals in Reningelst zijn de hoefijzers niet verwijderd vóór de dieren begraven werden. Er zijn op het Sappenleen bovendien geen aanwijzingen dat het vlees van de botten is gehaald. Of de begravingen één gebeurtenis voorstellen, is niet uit te maken. Wel is duidelijk dat de rij van graven zich buiten de opgravingsput verder zette.

Bij een opgraving in 2012 is een kuil aangetroffen met resten van paarden of muildieren (de beenderen zijn nog niet bestudeerd) (35). Het gaat om de skeletten van twee volwassen dieren, in anatomisch verband. Bij één ervan is het rechterschouderblad doorboord en is een kogel op 15 cm van de wonde teruggevonden. Vreemd genoeg is de kogel van Franse makelij (36) zodat het er op lijkt dat het dier door jnendly fire om het leven kwam. Misschien gebeurde dit per ongeluk, maar het is ook mogelijk dat men het dier moest neerleggen omdat het onhandelbaar was geworden. Het kreeg in elk geval niet het gebruikelijke genadeschot door het voorhoofd.

Bij de Menenpoort Oostvleteren Oostvleteren bevond zich tijdens WO I bij het noordelijke eind van het leperfront. Het dorp maakte deel uit van de derde geallieerde verdedigingslinie waarvan het front zich uitstrekte langs het kanaal van leper naar de IJzer. Er werden verschillende smalspoorlijnen aangelegd voor de aan- en afvoer van militairen en materieel, naast bovengrondse defensieve infrastructuur zoals prikkeldraadversperringen en mitrailleurposten, en (gedeeltelijk) ingegraven elementen, zoals loopgraven en schuilbunkers. Bij Oostvleteren hielden zich vooral Franse eenheden op en vanaf begin 1915 werden er ook Belgische troepen gelegerd. Britse troepen verbleven er tussen juni en november 1917 (34).

Nabij de leperse Menenpoort, op het kruispunt van de Maarschalk Frenchlaan, de Rudyard Kiplinglaan en het Hoornwerk, brachten opgravingen in 2012 twee paarden- of muildierenskeletten aan het licht, die zich in een WO I-context bevonden. De skeletten zouden in anatomisch verband hebben gelegen maar zijn niet gefotografeerd of op een andere wijze geregistreerd, zodat deze waarneming met voorbehoud moet behandeld worden. Wel zijn acht hoefijzers gevonden, net zoals de resten van een bit en halster. Het lijkt er dus op dat de dieren, na hun dood, haastig in een put of depressie langs de toenmalige invalsweg zijn gedumpt (37). Mogelijk zijn ze bij beschietingen of bombardementen om het leven gekomen. Het botmateriaal zou bewaard zijn maar is niet bestudeerd.

De derde geallieerde verdedigingslinie te Oostvleteren, Het opgravingsgebied is gemarkeerd in rood (The Notional Archives British Trench Map Atlas. Oostvleteren. 27.04.18)

Bron: Trench Map Atlas OostVleteren_191 8 0 4 2 7 _ 2 0 S W 3 J T O 2 9 7 _ 0 6 0 9

H

I M&L


Mort pour la France Voor zover bekend zijn er in het buitenland twee archeologische vindplaatsen uit WO I waarvan de resten van paarden of muildieren bestudeerd en gepubliceerd zijn (38). In Braine (Aisne, Frankrijk) werden drie paarden opgegraven, waarvan twee als volledige skeletten in anatomisch verband, en één waarbij duidelijk de poten waren afgehakt, om in de grafkuil te passen. De afmetingen van de botten suggereren dat het om rijpaarden ging. De hoefijzers waren niet aanwezig, wat te verklaren valt aan de hand van de datering van de vondst. Die zou uit het begin van de oorlog stammen (september 1914), een periode waarin de aanvoer van nieuwe hoefijzers nog niet goed georganiseerd was, en er dus aan recyclage moest worden gedaan (39). In Bezannes (Marne, Frankrijk) werden vier kuilen met dierenresten aangetroffen, waarvan drie niet in detail konden onderzocht worden. In één geval ging het om een skelet van een paardachtige, dat gehalveerd leek in het midden van de wervelkolom, en waarvan de ledematen waren afgehakt. Een andere kuil was verstoord maar leek een skelet van een paardachtige te bevatten, in dezelfde toestand als de vorige structuur. Van een derde vondst, bestaande uit verstoorde beenderen, kon zelfs niet zeker uitgemaakt worden of het wel om een paardachtige ging. Een vierde skelet lag echter netjes in anatomisch verband en was van een zwaar trekpaard afkomstig. De doodsoorzaak kon niet worden achterhaald maar het vlees van het dier was niet benut en de hoefijzers waren niet van het kadaver verwijderd (40). Deze Franse voorbeelden tonen dus eens te meer aan dat de behandeling van de dode dieren sterk kon verschillen, zonder twijfel in functie van de krijgsomstandigheden.

Paarden in bezet België De goed georganiseerde aanvoer van trek- en lastdieren langs de geallieerde zijde van het front, met de Verenigde Staten als grootschalige leverancier, staat in contrast met de moeilijkheden die het Duitse leger ondervond om dieren naar hun zijde van het front aan te voeren. Het Duitse leger moest ofwel paarden van de lokale bevolking in de bezette gebieden in beslag nemen ofwel paarden aanvoeren uit verafgelegen gebieden zoals Oekraïne (41). Door de grote verliezen aan dierenlevens in de oorlogszone diende die aanvoer steeds weer herhaald te worden, waardoor vanuit bezet gebied al gauw ook paarden in mindere conditie of van ongeschikte leeftijd naar het front moesten. Historisch onderzoek toont aan hoe in een stad als Aalst steeds weer opeisingen werden aangekondigd, tot er geen paarden meer over waren om op het omringende

platteland de akkers te ploegen (42), Generaal von Falkenhausen, sinds het voorjaar van 1917 bevelhebber van de Duitse bezettingsmacht, berekende dat in België 160.000 paarden waren opgeëist (43). Ter vergelijking: bij de landbouwtelling van 1910 werd het aantal paarden in België geschat op 219.032 stuks ouder dan 3 jaar, en 119.237 stuks jonger dan 3 jaar (44). In haar oorlogsdagboek roept de Gentse schrijfster Virginie Loveling een beeld op van het erbarmelijke lot van de laatste, resterende dieren, die uiteindelijk toch op transport moesten (45): "Zondag 23 sept. '17. Om de veertien dagen of drie weken is er voortdurend gedwongen paardenmonstering. De besten zijn lang gepakt, de eerstafgekeurden vervolgens aangenomen en nu is de beurt aan de afgereden knollen. In menigte naar 't front gestuurd, krachtig en gezond, of voor andere diensten gebruikt, moet te oordeelen naar het steeds vernieuwen van den voorraad, hun leven kort wezen. Het is een deemiswaardig schouwspel de overblijfsels van de laatste uitgeputten te zien: in lamlendige groepen worden ze, langs de minst begane straten, ter herstelling naar de weiden buiten de stad gedreven, aan geraamten met een schurftige huid overdekt gelijk, hinkend, verwond, wankelend op hun knieën echte emhlemas van het algemeen oorlogswee. Dagelijks sterven er tien, twaalf of meer. Op een zekeren datum lagen er dertig dood. De rompen worden naar... ja, waarnaar? op wagens vervoerd. Is het naar 't Slachthuis om er worst van te maken? Is het naar den brandoven van de Muidepoort, waar ze tot een soort van bruin zwart, stinkend meel gemalen worden, dat met een geldigheidshewijs te verkrijgen is tot voeding voor kippen en stalvee?

En dan de zwaarbeladen wagens met de stervenden en doode paarden reeds] Komen die van het slagveld?... Koppen met nog open oogen, rompen, buiken omhoog, pooten met de hoeven in de lucht, met nog lillend vleesch, geklonterd bloed, dat uit de reten van het hout neerzijpelt... Het geheel omgeven door een lucht, die den zakdoek voor neus en mond houden doet!...".

Schorre met begraasde vegetatie in het IJzerestuarium, augustus 1900. Rechts zijn duidelijk muildieren te zien (foto J. Massart. © VLIZ)

M & L I 15


vrijkwam. Tienduizenden werden opnieuw naar Groot-Brittannië overgebracht maar de meeste werden op het continent verkocht. In Frankrijk en Vlaanderen zijn zo 197.181 dieren als werkkracht verkocht. Maar er was ook honger en vele paarden en muildieren bleken in te slechte conditie om zware arbeid te leveren. 40.638 dieren werden dus gedood voor hun vlees (47). Alhoewel dit nog niet historisch onderzocht werd, is het mogelijk dat de achtergebleven muildieren een innovatie betekenden op het platteland. Boeren in het binnenland leerden misschien voor het eerst met deze dieren werken en raakten geïnteresseerd om de kweek verder te zetten (vóór de motorisatie van de landbouw volledig werd doorgevoerd). In West-Vlaanderen moeten muildieren echter al vóór de oorlog populair geweest zijn. Massart fotografeerde ze in 1900 in het IJzerestuarium (48) en in Poperinge was er in de vooroorlogse jaren een veehandelaar actief die muildieren verkocht (49). Opvallend is ook dat op vooroorlogse afbeeldingen van de 'paarden'-vissers aan onze kust veel muildieren staan. De dieren waren beter geschikt voor het trekwerk in zee dan de beschikbare paarden (50).

Voeding en verzorging

5.548 Rmfin Guar|

Coxyde.

- Pêche de la Crevette. Pêcheurs a cheoal.

Veekoopman Théophile

Deze paardenvissers lijken

Chillebaert met een muildier

op muildieren te zitten.

(Collectie W. Tillie, Poperinge)

De postkaart draagt op de ommezijde een poststempel uit 1907 {Editions Gauquié, druk D.V.D., collectie NAVIGO - Nationaal Visserijmuseum)

Na de oorlog Het grootschalig gebruik van paarden en muildieren, en de verliezen die daarbij hoorden, zorgden er voor dat er aan beide zijden van het front, tijdens en na de oorlog een groot tekort was aan trekkracht in de industrie en vooral de landbouw. Dat gold trouwens ook voor het Verenigd Koninkrijk, waaruit het Britse leger tegen eind maart 1920, terugtellend vanaf het begin van de oorlog, een totaal van 468.323 rij- en lastdieren had onttrokken (46). Voor wie het aankon, betekende het een extra impuls voor de doorvoer van de motorisatie. Tegelijk zorgde de wapenstilstand er voor dat er in één klap een grote hoeveelheid dieren 16

I M&L

Zeker is dat er in de oorlogssituatie een zeer nauw sociaal contact was tussen mensen en paarden of muildieren (51). De verliezen waren uiteindelijk zeer groot, maar de dieren werden goed behandeld. Van de 2,5 miljoen dieren die aan het Westers Front medisch verzorgd werden, kon er 80% terug naar het front worden gestuurd (52). Grote zorg werd logischerwijze ook besteed aan voldoende voeding, al was dit toch meer een bekommernis van de Britten dan van de andere geallieerden. In het Britse leger kregen de trekdieren 10 pond haver per dag maar in het Franse leger werd maar 7 pond bedeeld, terwijl de Italiaanse paarden het met 3 pond moesten stellen (53). Mogelijk verklaart dit waarom er in het Franse leger tussen dieren die door uitputting stierven versus door geweld gedode dieren een verhouding was van 1 op 1,7, terwijl dat bij de Britten slechts 1 op 7 bedroeg (54). Aan de Duitse zijde van het front stelde de voeding van de paarden echte problemen omdat de bevoorrading, vanuit het bezette gebied, vaak niet voldoende was. Men greep naar allerlei vervangmiddelen voor haver, zoals bladeren en twijgjes van bomen, onkruiden, aardappelloof, eikels, kastanjes of beukennoten, maar ook etensresten en zelfs vleesmeel gewonnen uit de kadavers van gesneuvelde dieren. De maagen darminhoud van geslachte runderen werd gedroogd en gemengd met bloed en melasse, en tot voederkoeken gebakken (55).


HELP THE HORSE SAVE THE SOLDIER 9

Poster ter promotie van het Men kan natuurlijk argumenteren dat het American Red Star Animal Relief, verstrekken van voldoende voeding en goede Albany (N.Y.), gebaseerd medische zorgen enkel ingegeven werd door op Good-bye, Old Man, militaire, strategische en economische overeen schilderij van Fortunino Matania (1881-1963) wegingen maar er speelt zonder twijfel ook een (© Rare Book Collection. element van verbondenheid tussen mens en dier. Wi/son Library. The University of North Carolina at Chapel Hill) Vele soldaten zorgden maanden aan een stuk voor hetzelfde dier. Ze doorstonden samen dezelfde beproevingen, waardoor een zeer hechte band groeide: "the soldier came to regard his horse almost as an extension of his being' (56).

* iSb "• -

• ^

iSP

PLEASE THE A M E R I C A N R E D

JOIN

STARANIMAL

National Headquarters

RELIE:F

Albany,NY

Het lot van de dieren aan het Westers Front kreeg eveneens de aandacht van het Britse thuispubliek. Het zorgde voor een toenemende maatschappelijke rol voor organisaties zoals de Royal Society for the Prevention of Cruelty to Animals (RSPCA) en het Blue Cross. Ze zamelden geld in op het thuisfront en subsidieerden dierenverzorgingscentra aan het oorlogsfront. Ook in de Verenigde Staten werden vergelijkbare organisaties opgericht. Hun acties leidden tot een mentaliteitswijziging bij het Angelsaksische publiek, dat trouwens ten zeerste

Het Animals in War Memorial aan de rand van het Londense Hyde Park: muildieren op stap (foto K. Vandevorst)


1

0011-

hrfPKMÜfNMV 1 ^ [|/|U

$0,0^

TH 'V

Het Animals in War Memorial: "They had no choice" (foto K. Vandevorst)

18 I M L

verontwaardigd was toen bekend raakte dat na de wapenstilstand veel van de dieren niet naar 'huis' werden gebracht maar hun leven eindigden in slachthuizen op het continent of in Noord-Afrika. Uiteindelijk kregen de dieren die dienden en sneuvelden in oorlogen een eerbetoon in publicaties en monumentale gedenkplaatsen (57). Een van de bekendste is het Animals in War Memorial dat op 24 november 2004 werd onthuld aan de rand van het Londense Hyde Park (58). Muildieren nemen er een prominente plaats in.

Dierenresten als menselijk erfgoed De dierenskeletten uit de Groote Oorlog illustreren het gebruik en het nut van paarden en muildieren binnen het oorlogsapparaat van 'i4-'i8. Dierenresten moeten echter niet enkel bekeken worden als informatiedragers binnen een (vroeger) economisch of technologisch kader; er is ook een minder functioneel aspect. Er is de reeds genoemde sociale band tussen mens en dier. En zoals altijd gaat het ook over normen en waarden (59).


r

gedumpt. Als paarden echt metgezellen waren in de strijd, dan is het afscheid te Reningelst toch anders verlopen dan te Poperinge. Een confronterende vraag daarbij is hoe de Angelsaksische soldaten op de eerste vindplaats omgingen met het consumeren van paardenvlees, iets wat toch tot de voedseltaboes uit hun thuisland hoorde? In leper gaat het wellicht om dieren gedood tijdens de gevechten terwijl één van de kadavers, begraven in Oostvleteren, misschien is neergeschoten omdat het aan de controle van de soldaten ontsnapte.

w

r/OTWtfW

Archeologische botresten leveren dus niet enkel informatie over het lot van dieren in oorlogstijd; ze helpen mee om een beeld te schetsen van wat het betekende een mens te zijn in deze gruwelijke periode. Het is natuurlijk geenszins de bedoeling van bovenstaand verhaal dat dierengraven, of dierlijke resten uit afvalcontexten, een speciale status binnen het archeologische erfgoed uit de Groote Oorlog zouden krijgen. Maar ze moeten wel met dezelfde egards behandeld worden als andere vondstcategorieën. Het argument dat de knoken geen wetenschappelijke, aanvullende informatie leveren op wat historisch reeds over de relatie tussen mens en dier in oorlogstijd bekend is, houdt daarbij geen steek. Archeologische vondsten leveren altijd nieuwe inzichten en helpen een beeld te schetsen dat de bronnen van de militaire administratie noch de persoonlijke notities van de betrokkenen afzonderlijk ooit kunnen bieden. Toekomstige vondsten zullen dat zonder twijfel bevestigen. Het onderzoek is trouwens nog maar net begonnen. Vergeten we niet dat al het hier gepresenteerde materiaal pas in de laatste vijfjaar uit de Vlaamse bodem kwam.

Anton Ervynck en An Lentacker zijn biologen en werken als erfgoedonderzoeker natuurwetenschappen bij Onroerend Erfgoed. De evolutie van de relatie tussen mens en dier is hun onderzoeksthema.

Veelbetekenend is dat de verschillen in begravingswij ze, vastgesteld op de vier Vlaamse vindplaatsen, verschillende oorlogssituaties weerspiegelen. De strakke ordening van de graven en het niet consumeren van de dieren suggereren voor de Poperingse vindplaats een andere 'oorlogssfeer' dan voor het kamp te Reningelst. Waar het in het eerste geval gaat om dieren die zijn afgemaakt maar daarna een 'fatsoenlijke' begraving kregen, zijn de kadavers in het tweede site in stukken gehakt, van hun vlees ontdaan en in afvalkuilen

1VI&L I 19


Van 21 april tot 3 mei 2012 werd in de Militaire Kapel te Brugge door de vereniging Mens en Dier op Papier de tentoonstelling They shoot horses, don't they? ingericht. Ze startte naar aanleiding van de Erfgoeddag rond het thema Helden (foto Mendop vzw)

Eindnoten (1) Hans Denis, Peter Van den Hove, Kris Vandevorst, Hilde Verboven en Franky Wyffels (allen agentschap Onroerend Erfgoed), Siegfried Depoorter (NAVIGO - Nationaal Visserijmuseum), Willy Tilly (Poperinge) en Mendop vzw zorg(4) den voor illustraties. De Wilson Library van The University of North Carolina at Chapel Hill gaf toestemming om een illustratie af te drukken. Maarten Bracke (indertijd Archae- (5) (6) ological Solutions) zamelde de skeletten te Reningelst in en bracht historische gegevens over de vindplaats bij elkaar. (7) (8) De dierengraven uit Poperinge werden gemeld door Dieter Demey (indertijd Antea Group) en van een historische omkadering voorzien door Frederik Demeyere (Provincie West-Vlaanderen). Dieter Demey (nu Ruben Willaert) (9) bracht informatie over de vondsten te Oostvleteren aan. Bea De Cupere (Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen) leverde een second opinion bij de studie van de muildierbeenderen. Aan allen hartelijk dank, niet in het minst ook aan Mare Dewilde (Onroerend Erfgoed) en Jan Decorte (CO7) voor hun interesse in dit onderwerp. (12) (2) Rond dit thema verscheen na WO I veel literatuur, zoals BAYNES E.H. en WISTER O., Animal heroes of the great war. New York, 1925, of BAKER P.S., Animal War Heroes, Londen, 1933. Zie voor een populaire introductie tot het thema 'dieren in oorlog': COOPER J., Animals in war (new ed.), Londen, 2000; GARDINER J., The Animals' War: Animals (13) in Wartimefromthe First World War to the Present Day, Londen, 2006; LE CHÉNE E., Silent Heroes: The Bravery and Devotion of Animals in War, Londen, 2009; BARATAY E., Bêtes des tranchées. Des vécus oubliés, Parijs, 2013. (3) Een contemporain verslag van de rol van rij-, trek- en lastdieren in het Britse leger tijdens WO I is te vinden in CLARKE B., The Story of the British War-HorsefromPrairie to Battlefield, in WILSON H.W. en HAMMERTON (.A. (eds.). The Great War - The Standard History of the All Europe Conflict. Vol. 9, Londen, 1917; GALTREY S., The Horse and the War, Londen, 1918. Een uitstekend recent overzicht is van de hand van SINGLETON J., Britain's mili- ('4) tary use of horses igi^-igiS, in Past ej Present, nr. 139, 1993, p. 178-203. Waar het om cijfermateriaal gaat, wordt in wat volgt steeds gebruik gemaakt van deze laatste publicatie, of van de originele cijfers in: THE WAR OFFICE, Statistics of

20 I M&L

the Military Effort of the British Empire during the Great War, 19:4-20, Londen, 1922, https://archive.org/details/statistics ofmilioogrea. Een fotoboek over het lot van paarden in WO I is BUTLER S., The War Horses: The Tragic Fate of a Million Horses Sacrificed in the First World War, Wellington, 2011.

DONVIL R., De Grote Oorlog op kleine schaal: de gevechten aan de Getdinie in Oost-Brabant 1914, Leuven, 2012. THE WAR OFFICE, op.rit.,p, 396. Ibidem. SINGLETON )., op. rit., p. 198. VAN CREVELD M., Supplying War: LogisticsfromWallenstein to Patton, Cambridge, 1977, p. Ill, geciteerd in SINGLETON J., op.rit.,p. 183. BUCHOLZ A., Moltke, Schlieffen and Prussian War Planning, New York, p. 162, geciteerd in SINGLETON J., op. rit., p. 184. THE WAR OFFICE, op. cit., p. 397. BRUNEAU R., Les équidés dans la Grande Guerre, in Bulletin de la socétéfranfaised'histoire el de médecine vétérinaire, jg. 4, nr. 1, 2005, p. 20-33. Zie bijvoorbeeld BAUWENS-LESENNE M., BiWiogro/isdi repertorium der oudheidkundige vondsten in Oostvlaanderen (vanaf de vroegste tijden tot aan de Noormannen), Oudheidkundige Repertoria, Reeks A: Bibliografische Repertoria II, Brussel, 1962. Zie voor de ontwikkeling van de archeologie van WO I in België: SAUNDERS N.j., Excavating memories: archaeology and the Great War, 1914-2001, in Antiquity, jg. 76, nr. 291, 2002, p. 101-108; DEWILDE M., PYPE P., DE MEYER M., DEMEYERE F., LAMMENS W., DEGRYSE J„ WYFFELS F. en SAUNDERS N.J., Belgium's new department of First World War archaeology, in Antiquity, jg. 78, nr. 301, 2004, http:// antiquity.ac.uk/ProjGall/saunders/; DEWILDE M., DE MEYER M. en SAUNDERS N.J., Archeologie van de "Groote Oorlog". De Vlaamse situatie, in MöJL, jg. 26, nr. 1, 2007, p. 37-54; DEWILDE M., Inleiding, in BRACKE M. e.a. (eds.). Conflict in Contact, leper, 2013, p. 5-8. BOUCKAERT K., BRACKE M., MEDINILLA A. en VERWERFT D., Archeologisch onderzoek Reningelst - Kriekstraat. 2000 jaar bewoning aan de Kriekstraat in Reningelst. Definitieve rapportage van de bekomen resultaten (AS-Rapportage 200c, - 2$), Mechelen, 2009; BRACKE M., VERWERFT D.,


MEDINILLA A. en BOUCKAERT K., Afvalkuikn, krmgenbeperinge - W.-Vl.), in BRACKE M. e.a. (eds.), Conflict in Congravingen en munitiedumps uit WOI in Reningdst-Kriekstraat tact, leper, 2013, p. 24-29. (W.-Vl.j, in BRACKE M. e.a. (eds.), Conflict in Contact, (33) DEMEYERE F., Sappenleen (Poperinge). Rapport historisch leper, 2013, p. 50-53. vooronderzoek. Onuitgegeven rapport Alfa Erfgoedprojecten, Diksmuide, 2010. (15) Het skeletmateriaal van paarden, ezels, muilezels en muildieren is niet eenvoudig uit elkaar te halen, maar toch mo- (34) DEMEY D., Archeologisch onderzoek Oostvleteren, Kasteelweggelijk aan de hand van de criteria beschreven of besproken Nieuwe Begraafplaats. Sijsele, Ruben Willaert Rapport 62, in: EISENMANN V., Comparative osteology of modern and Sijsele/Damme, 2013. fossil horses, half-asses and asses, in MEADOW R.H. en(35) Ibidem. UERPMANN H.-P. (eds.), Equids in the Ancient World (Bei- (36) Persoonlijke mededeling Dieter Demey. hefte zum Tiibinger Atlas des Vorderen Orients, Reihe A), (37) VERDEGEM S., VERVOORT R., TOMBEUR L en DE Wiesbaden, 1986, p. 67-116; PETERS J.. Römische TierhalSMAELE B.. Resten van vesten te leper (Maarschalk Frenchtung und Tierzucht: cine Synthese aus archaozoologischer Un- laan, Rudyard Kiplinglaan, Gildenstraat), ADEDE Archeolotersuchung und schriftlich-hildlicher Überlieferung (Passauer gisch Rapport 32, Gent, 2013, p. 27-28 en 58. Universitatsschriflen zu Archaologie Band j j , Rahden/West-(38) Een in 2011 op de Rencontres archéozoologiques de Laltes (Fr.) falen, 1998; JOHNSTONE C.J., A hiometric study of equids in voorgesteld ensemble is voor zover bekend nog niet geputhe Roman world, PhD Thesis University of York, Department bliceerd: ADAM F. en BRAGUIER S., Chevauxallemands de ofArchaeology. York, 2004. la première guerre mondiale a Chaillon (Meuse), zie http:// (16) CLUTTON-BROCK J., A natural history of domesticated www.archeo-lattes.cnrs.fr/spip.php?rubrique272. mammals, Cambridge (UK), 1999. Dit fenomeen wordt (39) DESFOSSÉS Y., JACQUES A. en PRILAUXG., L'archéologie heterosis of hybride groeikracht genoemd. de la Grande Guerre, Rennes - Parijs, 2008, p. 78-79, ook (17) Schofthoogtes worden gereconstrueerd op basis van de besproken in BÜNDGEN S., LAUDRIN F. en POUPON F., lengtematen van de lange beenderen, volgens VON DEN "Mort powr la Frame": une tombe d'équidé de la Grande GuerDRIESCH A., A guide to the measurement of animal bones re (Bezannes. "La Bergerie"), in Bulletin de la société archéolofrom archaeological sites. Peaboby Museum Bulletin 1, Cam- gique Champenoise, jg. 104, nr. 2, 2011, p. 109-119. bridge Mass., 1976; VON DEN DRIESCH A. en BOES- (40) BUNDGEN S. e.a., op. rit. SNECK )., Kritische Anmerkungen zur Widerristhöhenberech-(41) SINGLETON J., op. rit., p. 189. nung aus Langenmassen vor- und friihgeschichtlicher (42) MEERT D., Aokt 1914-1918. Het leven in een stad onder Duitse Tierknochen, in Saugetierkundliche Mitteilungen, jg. 22,1974, bezetting, Aalst, 2012. p. 325-348. (43) VANDEWEYER L, De Eerste Wereldoorlog. Ook rampzalig (18) Dit gebeurt aan de hand van indices berekend op metingen voor de huisdieren in België, in Leidschrift. jg. 20, nr. 3, 2005, op de radius en de metacarpus, zie LEPETZ S., L'animal dans p. ioi-iig, 110. la société gallo-romaine de la France du nord (Revue Archéolo(44) Agriculture. Recensement general de 1910, Brussel, 1913-1920. gique de Picardie N° spécial 12), Amiens, 1996, p. 58-59. (45) VAN RAEMDONCK B. (ed.), Virginie Lovelings oorlogsdag(19) SILVER I.A., Tfie ageing of domestic animals, in BROTHboek [1914-1918], Gent, 2005, p. 366. WELL B. en HIGGS E. (eds.). Science in archaeology, 1963, http://lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/000/924/065/ p. 250-268. BIB-G-025872_2005_0001_AC.pdf. (20) WILLEMS A.E.R. en VAN DE SOMPELE D., Ouderdomsbc(46) THE WAR OFFICE, op. rit., p. 396. palingvan het paard. Oud Heverlee, 1992. (47) Ibidem. (21) BOKONYI S., History of Domestic mammals in Central and (48) MASSART J., Liste géographique des Ptéridophytes et des PhaEastern Europe, Budapest, 1974. nérogames qui habitent les districts littoraux et alluviaux de la (22) Historische context uit BOUCKAERT K. e.a.. op. rit. Alle Belgique, in Recueil de l'Institut Botanique Léo Errera VII (Angetoonde trench maps komen uit THE NAVAL AND MILInexe), Bruxelles, 1908. TARY PRESS IN ASSOCIATION WITH THE NATIONAL ARCHIVES, The National Archives British Trench Map Atlas.(49) TILLIE W., Théophile Ghillebaert (i860 -1920J. Paardenkoopman in Rusland, in Aan de Schreve. Kring voor Heemkunde. The Western Front 1914-18. 1:10,000 regular series with an index of over 20,000 trench and topographical names and a com- Poperinge el omstreken, jg. 41, nr. 1, 2011, p. 3-11, foto op p. 9. (50) BEUN A.-S., LANSZWEERT W. en STEEVENS I., Strandmentary for each map, s.d. [CD-rom]. visserij, in STEEVENS I. en VAN MOERBEKE K. (red.). Zee(23) Mondelinge mededeling Piet Chielens, coördinator van het visserij aan de Vlaamse kust, Oostkamp, 2013, p. 92-113. Zie In Elanders Eields Museum in leper, en inwoner van vooral de afbeeldingen op p. 106-107. Vele van deze postReningelst, geciteerd in BOUCKAERT K. e.a., op.rit.,p. 8. kaarten moeten van vóór WO I zijn. Dat bewijzen althans (24) BOUCKAERT K. e.a. (op. rit., p. 8) wijzen er op dat grote dede poststempels op de achterzijden. len van de War Diaries van eenheden die in West Vlaanderen gelegerd zijn geweest, digitaal beschikbaar zijn in het docu- (51) Zie hiervoor de stukken uit soldatendagboeken in VAN EMDEN R., Tommy's Ark: Soldiers and Their Animals in the mentatiecentrum van de Stedelijke Musea van leper (In Great War, Londen, 2010. Flanders Fields Museum). Een onderzoek van deze bronnen (52) The Royal Army Veterinary Corps History. 200 years of history. lag echter buiten de mogelijkheden van deze studie. (25) GELDHOF J. (ed.). Van Walleghem Achiel, De Oorlog te Dic- http://www.army.mod.uk/documents/general/RAVC_ History.pdf. kehusch en Omstreken (deel II), Brugge, 1964, p. 209-210. (53) Archief van het War Cabinet geciteerd in SINGLETON J., (26) BOUCKAERT K. e.a., op.rit.,p. 8. op. rit., p. 198, noot 79. (27) THE WAR OFFICE, op. rit, p. 396. (28) HIBBARD B.H., Effects of the Great War upon Agriculture in(54) Aantallen voor 1 oktober 1917: THE WAR OFFICE, op. cit., P- 397the United States and Great Britain, New York. 1919, geci(55) LAU K., Die Heeresverpflegung. in SCHWARTE M. (red.). teerd in SINGLETON J., op. rit., p. 187. Der Weltkampfum Ehre und Recht. Die Erforschung des Krie(29) IRWIN L.N., History of jacks and Mules in Missouri. The ges in seiner wahren Begebenheit. aufamtlichen Urkunden und 1880's and Beyond, Agricultural History Series, Missouri Akten beruhend. Bd. 7; Die Organisationen der Kriegfuhrung, State University, http://www.lyndonirwin.com/mule8. Zweiter Teil: Die Organisationen fiir die Versorgung des Heere, htm. Leipzig en Berlijn, 1923; BERNEMANN U., Krippenfutter(30) THE WAR OFFICE, op. rit, p. 399. mittelfur Pferde, Entwicklungen vom Begjnn des 19. bis Mitte (31) LYDDON W.G., British War Missions to the United States, des 20. Jahrhunderts (Mitteleuropa und Nordamerika). Inau1914-18, Londen, 1938, geciteerd in SINGLETON J., op. cit., gural-Dissertation Tierarztlichen Hochschule Hannover. Hanp. 187. nover, 2005. (32) VAN COUWENBERGHE B., RYSSAERT C. en DEMEY D., (56) BRERETON J.M., The Horse in War, Newton Abbot, 1976, Archeologisch vooronderzoek Poperinge Bedrijventerrein Sappenleen. Archeologisch proefsleuvenonderzoek. Definitief rap- geciteerd in COOPER J., op. cit., p. 47. port. Ongepubliceerd rapport Antea Group, Antwerpen, 2011.(57) BARATAY E., op. cit., p. 2rr-2r6. Uiteindelijk kwam er op het terrein ook een archeologische (58) http://www.animalsinwar.org.uk. opgraving, waarbij nog meer resten uit WO I werden aange- (59) ERVYNCK A., Archeologie laat de dieren spreken, in Tijdschrift troffen: BEKE F., Archeologische opgraving te Sappenleen (Po- voor Geschiedenis, jg. r25, nr. 4, 2012, p. 476-487.


Van slagveld tot lieu de mémoire: de voorpost Drie Grachten in het inundatiegebied van het leperleekanaa Thomas Van Driessche

Het gehucht Drie Grachten, op de grens van Merkem

Drie Grachten in 1914

(Houthulst) en Noordschote (Lo-Reninge), dankt zijn naam aan de drie waterlopen die er samenkomen: de leperlee, het kanaal leper-IJzer en de Martjevaart. Tijdens de Eerste Wereldoorlog lag Drie Grachten te midden van het inundatiegebied van het leperleekanaal, halverwege tussen de Duitse en de geallieerde stellingen. O m het bezit van deze voorpost werd zwaar gevochten, meer bepaald in november 1914, april 1915 en augustus 1917. Na de oorlog werden verschillende gedenktekens in Drie Grachten opgericht en tot in de jaren 1970 hield de Union des Zouaves du Nord er elk jaar een herdenkingsplechtigheid. Reden genoeg dus o m deze minder bekende lieu de mémoire van de Grote O o r l o g opnieuw onder de aandacht te brengen (1).

De Drie Grachtenbrug vóór de Eerste Wereldoorlog (DEBAEKE S, en LERMYTTE )., Merkem m de kijker. Het dorp anno 1900, tijdens de Grote Oorlog en de heropbouw. Veume. 1995) MERCKEM-XOORPSCHOTE

22

I M L

Pril

dtalklitl

Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog telde Drie Grachten verschillende woonhuizen en bedrijfsgebouwen. De weg van Merkem naar Noordschote kruiste er het kanaal en er was ook een halte van de buurtspoorweg Diksmuide-Ieper. Op de plaats waar de Martjevaart in het kanaal uitmondde, stond een windmolen, Cayennemolen genaamd. Op de hoek van de Driegrachtensteenweg en de leperleedijk stonden een maalderij en een zagerij, aangedreven door een stoommachine. Er waren ook twee herbergen, In de Drie Grachten en De Casino genaamd (2). Reeds op 10 oktober 1914, de dag dat Antwerpen viel, begonnen Belgische genietroepen met het aanleggen van een verdedigingslinie aan de Drie Grachtenbrug achter het kanaal. De Cayennemolen werd afgebroken (3). Toen de Duitsers op 21 oktober 1914 Merkem bezetten, blies het Belgisch leger de Drie Grachtenbrug op (4). Kort daarop namen Franse eenheden de stelling langs het kanaal over. De verdediging van Drie Grachten werd toevertrouwd aan het Eerste Regiment Zoeaven (5). Eind oktober 1914 begon het Belgisch leger met het inunderen van de IJzervlakte. De inundatie reikte al gauw tot aan het kanaal. De broeken ten noorden van het kanaal liepen in november geleidelijk aan onder water. Alleen de weg Noordschote-Merkem, die over een verhoogde berm liep, bleef begaanbaar. Tijdens de Eerste Slag bij leper hadden er in Drie Grachten zware gevechten plaats. In de nacht van 9 op 10 november 1914 voerden de zoeaven een aanval uit op de Duitse stellingen in Luigem, een gehucht van Merkem. De aanval mislukte en verschillende zoeaven sneuvelden of werden gevangen genomen. De Duitsers probeerden vervolgens Drie Grachten te veroveren maar werden


Plan van Drie Grachten in april 1915 (BOUHA1932)

door de zoeaven teruggeslagen. De Duitsers slaagden er wel in het kanaal over te steken ten zuiden van Drie Grachten, volgens sommige bronnen ter hoogte van het Withuis of Maison du Passeur, volgens andere bronnen ter hoogte van het Brouwerijtje of la Nacelle) (6). Ze richtten er een bruggenhoofd in, om van daaruit Drie Grachten te veroveren en vervolgens verder op te rukken naar Noordschote. De Franse legerleiding besefte het gevaar en voerde in allerijl versterkingen aan. In de nacht van 12 op 13 november heroverden de Fransen hun verloren posities en dwongen ze de Duitsers zich terug te trekken op de rechteroever van het kanaal (7). Het gebied ten noorden van het kanaal en de Martjevaart was ondertussen volledig geïnundeerd. Begin 1915 werden ook de broeken ten zuiden van het kanaal onder water gezet, waardoor Drie Grachten alle kanten omgeven was door water (8).

De strijd om Drie Grachten (29 maart - 8 april 1915) In januari 1915 nam het Belgisch leger Drie Grachten en het verder zuidwaarts gelegen Withuis over van de Fransen. Op n maart 1915 droegen de Fransen ook Steenstrate over. De Belgische sector reikte nu van fort De Knocke tot aan Steenstrate (9). De eerste verdedigingslinie van het Belgisch leger bevond zich in Noordschote, ca. 850 m ten westen van Drie Grachten. De eerste Duitse verdedigingslinie bevond zich in Luigem, ca. 850 m ten oosten van Drie Grachten. Op de linkeroever van het kanaal, ter hoogte van de opgeblazen brug, hadden de Belgen een barricade opgetrokken, die aan weerszijden verlengd was met loopgraven. De voorpost was slechts bereikbaar via de weg naar Noordschote, die boven het overstroomde broek uitstak (10). De voorpost werd verdedigd door een tachtigtal

soldaten van het eerste regiment karabiniers, die elke 24 uur afgelost werden. Omdat de Duitse artillerie in Luigem de weg naar Noordschote gemakkelijk onder vuur kon nemen, kon de aflossing alleen 's nachts geschieden. De barricade werd voortdurend beschoten maar werd telkens weer hersteld. Bij de aflossing van de wacht bracht elke soldaat een zandzakje met zich mee. Die zandzakjes waren al gevuld in Noordschote omdat er in Drie Grachten alleen maar modder was (11). In de aanloop naar de Tweede Slag bij leper besloot de Duitse legerleiding Drie Grachten te veroveren. De strijd om Drie Grachten begon op 29 maart met een aanval op de Belgische luisterpost la Nacelle, ongeveer 1 km ten zuiden van de voorpost (12). Nadat de Duitsers zich van la Nacelle meester hadden gemaakt, voerden ze in de nacht van 3 op 4 april 1915 een verrassingsaanval op Drie Grachten uit. Ze werden echter teruggeslagen en op 5 april slaagden de karabiniers erin La Nacelle te heroveren (13). De Duitsers waren echter vastbesloten om Drie Grachten te veroveren. Op 8 april 1915 zetten ze de grote middelen in: een langdurig artilleriebombardement, gevolgd door een massale infanterieaanval. Na een korte maar hevige strijd moesten de karabiniers zich overgeven (14).

Das Betonfort (april 1915-juli 1917) Toen de Duitsers Drie Grachten veroverd hadden, begonnen ze meteen met de aanleg van nieuwe versterkingen (15). Op de rechteroever van het kanaal bouwden ze een reeks bunkers, verbonden met loopgraven. Langs de kasseiweg die Drie Grachten verbond met Luigem legden ze een overdekte loopgraaf aan met een smalspoorlijn die via Merkem naar het bos van Houthulst liep. Langs het kanaal stonden verschillende mitrailleurs en schijn-

M&L I 23


Archeologisch onderzoek bij Drie Grachten Simon Verdegem en Sam De Decker Opgravingsvlak met aanduiding van de sporen van een dubbelde gevechtslinie (foto Ruben Willaert bvba)

De ondergrond rond Drie Grachten herbergt nog vele sporen uit de Eerste Wereldoorlog. In januari 2014 voerde Ruben Willaert bvba, in opdracht van Aquafin nv, een archeologische opgraving uit ter hoogte van het Noordschoteplein, de verbindingsweg tussen Noordschote en Drie Grachten. Aanleiding was de geplande bouw van een waterzuiveringsinstallatie. Nadat de Duitse opmars in november 1914 tot stilstand gekomen was, richtten de Fransen Drie Grachten in als een voorpost. Hun belangrijkste verdedigingslinie liep door de dorpskern van Noordschote. Het is deze linie die het onderwerp vormde van de opgraving. De Fransen legden hun linie aan achter een bestaande berm en maakten zo gebruik van de enige mogelijkheid die het vlakke landschap bood om zich te verschuilen. Ze bouwden een dubbele gevechtslinie met een schiet- en ondersteuningsloopgraaf en een halfronde traverse. Daarachter lagen een achteruitgeschoven positie, een latrine en ingegraven schuilplaatsen, telkens

24 I M

L

bereikbaar via een afzonderlijke verbindingsloopgraaf. Opmerkelijk is de primitieve uitbouw van de loopgraven. Bouwmaterialen werden nog niet systematisch aangevoerd, dus werd gebruikt wat voorhanden was in de verlaten hoeves en dorpsgebouwen. Alles wat goed was om de modder enigszins te weren werd gebruikt: deuren, poorten, luiken, bakstenen, kasseien en zelfs een kar en een eg. Na enkele maanden, toen bleek dat het front onherroepelijk vast zat en ook duidelijk werd dat dit gebied te drassig was, werd een vijftigtal meter verderop (en vooral hogerop) een nieuwe linie uitgebouwd en door Belgische troepen bemand. Deze linie bleef tot eind 1917 in gebruik. De verlaten Franse linie kwam in het niemandsland te liggen en bleef ongemoeid tot nu, 100 jaar later. Meer weten over dit onderzoek? Ruben Willaert bvba, Afdeling Archeologie, Bloemisterijstraat 6, 8340 Sijsele, simon@rubenwillaert.be


M & L I 25


Belgische luchtfoto van de Duitse stelling in Drie Grachten, 17 maart 1917 (© Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis)

Belgische luchtfoto van de Duitse stelling in Drie Grachten, niet-gedateerd f© Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis)

Belgische luchtfoto van de Duitse stelling in Drie Grachten aan de vooravond van de Derde Slag bij leper, 29 juli 1917 ( © Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis)

KS IBK^


werpers opgesteld. Een generator in de gemeenteschool van Merkem leverde de nodige elektriciteit (16). De Duitsers bouwden ook een loopbrug in het overstroomde gebied om de voorpost te verbinden met hun eerste verdedigingslinie in Luigem. Voorts legden ze een drijvende brug {Tonnenbrücke) over het kanaal en op de linkeroever bouwden ze een bunker of Blockhaus (17). Tussen de zomer van 1915 en de lente van 1917 vonden er in Drie Grachten geen zware gevechten meer plaats. De sector Merkem gold toen als een rustige sector. In Merkem zelf lagen oudere soldaten van de Landwehr (18). De Duitsers noemden hun stelling in Drie Grachten das Betonfort (19). Het waterpeil in het inundatiegebied varieerde naar gelang van het seizoen. In de winter en het voorjaar stond het water er vrij hoog, zodat Drie Grachten op een eilandje in een uitgestrekte watervlakte leek. Maar in de zomer was het waterpeil lager, waardoor de hoger gelegen delen van het broek droog vielen en er zich een weelderige vegetatie kon ontwikkelen, zoals blijkt uit luchtfoto's van de voorpost die door het Belgisch leger gemaakt werden.

Drie Grachten tijdens de Derde Slag bij leper Luchtfoto van Drie Grachten

Op 11 juli 1917 namen de Fransen de Belgische stellingen in Noordschote over, ter voorbereiding van een groot geallieerd offensief, dat op 31 juli 1917 begon en bekend staat als de Derde Slag bij leper. De Fransen wilden Merkem veroveren om vervolgens door te stoten naar de hoogte van Klerken en het bos van Houthulst. Van half juni tot half augustus schoot de Franse artillerie ruim 1,8 miljoen granaten af op de Duitse stellingen in Merkem en het bos van Houthulst (20). Op 16 augustus 1917 veroverden de Fransen Drie Grachten, waarna het geweld luwde. Begin oktober werd het offensief hervat en op 26 oktober 1917 veroverden de Fransen Merkem, dat door de aanhoudende beschietingen herschapen was in een maanlandschap. De Belgen trokken intussen vanuit de loopgraven bij fort De Knocke over het kanaal naar de Blankaart. De Britten rukten vanuit Poelkapelle en Langemark op tot aan de zuidrand van het bos van Houthulst (21). Tussen 12 en 14 november 1917 nam de Belgische vierde divisie de sector Merkem over van de Fransen. In 1918 vonden er in Drie Grachten geen gevechten meer plaats. De frontlijn liep nu ongeveer 3 km ten oosten van de voorpost. Het Belgisch leger had ondertussen een dubbele brug in Drie Grachten gebouwd voor de bevoorrading van de troepen in

na de Derde Slag bij leper

de sector Merkem. De Duitse artillerie in het bos van Houthulst nam deze brug herhaaldelijk onder vuur, maar slaagde er niet in ze te vernietigen.

(CHIELENS, DENDOOVEN en DECOODT, 2006. p. 18;)

Epiloog Na de oorlog werden de resterende bunkers in Drie Grachten opgeruimd en werden de loopgraven en bomtrechters gedempt, met de steun van de dienst der Verwoeste Gewesten. De voorlopige brug die het Belgisch leger in 1917 had gebouwd, bleef nog tot 1923 in gebruik (22). In 1938 werd het kanaal verbreed en rechtgetrokken. Bij deze werkzaamheden kwamen ter hoogte van de Drie Grachtenbrug een 35-tal skeletten van Duitse en Franse soldaten aan het licht. De Franse gesneuvelden werden overgebracht naar de militaire begraafplaats Saint-Charles de Potyze in leper, de Duitse naar de militaire begraafplaats Ten Brielen in Komen (23).

Demarcatiepaal nr. 5, een stille getuige van de Grote Oorlog Langs de weg van Merkem naar Noordschote, ongeveer 180 meter ten zuidwesten van de Drie Grachtenbrug, staat een zogenaamde demarcatie-

M&L I 27


Gezicht op het kanaal vanaf de Drie Crachtenbrug (richting Ijzer) (foto O. Pauwels)

Demarcatiepaal nr. 5 met op de achtergrond Noordschote (foto O. Pauwels)

Gezicht op Noordschote, met op de voorgrond de leperlee (foto O. Pauwels)

28 I M

L

paal. Kort na de Eerste Wereldoorlog werd in Frankrijk het idee gelanceerd om langs de oude frontlijn van de Vogezen tot Nieuwpoort een weg aan te leggen om de herinnering aan de Grote Oorlog levend te houden. Omdat dit idee niet uitvoerbaar bleek, stelde de Franse Touring Club in 1921 voor om op de punten waar de frontlijn de grote wegen kruist, demarcatiepalen te plaatsen, naar een ontwerp van de Franse beeldhouwer en oud-strijder Paul Moreau-Vauthier. Dit voorstel werd ondersteund door de Koninklijke Touring Club van België. Eind 1921 werd een geldinzamelingsactie gehouden voor de 'demarcatie-

palen' die de plaatsen zouden markeren waar de vijand het verst op Belgisch grondgebied was doorgedrongen. De palen droegen het opschrift: "HIER WERD DE OVERWELDIGER TOT STAAN GEBRACHT-ICI EUTARRETE L'ENVAHISSEUR - HERE THE INVADER WAS BROUGHT TO A STANDSTILL". De demarcatiepaal in Drie Grachten markeert de plaats van het voormalige Duitse Blockhaus op de linkeroever van het kanaal, langs de weg naar Noordschote. In West-Vlaanderen werden in totaal 22 demarcatiepalen geplaatst, in drie varianten al naargelang de sector waar zij geplaatst werden: 10 van het Belgische type van Nieuwpoort tot Lizerne (Zuidschote), 6 van het Britse model in de leperboog (van 't Wieltje tot Voormezele) en 6 Franse modellen in Boezinge en rond de Kemmelberg. De locaties werden uitgekozen door maarschalk Pétain en zijn staf, de Belgische legerleiding en de Ypres League, een vereniging van Britse oud-strijders en sympathisanten. Bij de keuze van de standplaats hield men ook rekening met de zichtbaarheid van het gedenkteken of de symboliek die een bepaalde plaats voor een bepaalde eenheid had. Van de 22 oorspronkelijk geplaatste demarcatiepalen zijn er drie verdwenen, vermoedelijk tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bij 17 van de 19 resterende palen heeft de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog de meertalige opschriften weggekapt. Ook met de demarcatiepaal in Drie Grachten was dit het geval. In 2010 werd de demarcatiepaal beschermd als monument (24).


Gezicht op café De Drie Grachten, met op de achtergrond de kerktoren van Noordschote (foto O. Pauwels}

De gedenkplaat voor de onbekende zoeaaf Op de voorgevel van de heropgebouwde herberg De Drie Grachten werd in 1951 een gedenkplaat aangebracht door de Union des Zouaves du Nord (25). Het verhaal van de onbekende zoeaaf waarnaar de gedenkplaat verwijst, is in nevelen gehuld. Volgens sommigen is het een oorlogslegende, volgens anderen is het echt gebeurd. Het verhaal luidt dat de Duitsers op 12 november 1914 om 5 uur 's ochtends een aanval uitvoerden op de Drie Grachtenbrug. Hierbij dreven ze gevangen genomen zoeaven als menselijk schild voor zich

uit, terwijl ze riepen "f bataillon, cessez Ie feu!". Toen de verdedigers van Drie Grachten dit hoorden, staakten ze het vuren. Plots riep één van de gevangenen: "Tirez done, au nam de Dieu!", of, volgens een andere versie, "Tirez done, nom de Dieu, ce sont les Boches!". Onmiddellijk daarop openden de verdedigers van Drie Grachten het vuur en werden zowel de Duitsers als hun gevangenen neergemaaid. Op 19 november 1914 kreeg de onbekende zoeaaf die zijn kameraden gewaarschuwd had, een eervolle vermelding {citation a l'ordre de l'armée) van generaal d'Urbal (26). Verschillende Franse kranten en tijdschriften namen de tekst van deze Café 'De Drie Grachten' (foto O. Pauwels)

M

i I 29


De gedenkplaat voor de onbekende zoeaaf

HOMMAGE AU ZOUAVE INCONNU

(foto O. Pauwels)

•

DU 1E_R_R_ÉGIMENT

'

TIREZ DONC MOED.!!! NOVEMBRE1914

HULDE AAN DE ONBEKENDE ZOUAAF VAN HET 1° REGIMENT • MAAR SCHIET UNION DES ZOUAVES-DU HORD

DAN TOCH ! ! ! • NOVEMBER 1914 il NOVEMBRE 1951

citation integraal over. Het verhaal van de onbekende zoeaaf was geboren. Na de oorlog begonnen sommigen het verhaal van de onbekende zoeaaf echter in twijfel te trekken. Een van de felste critici was René Clozier, een oudstrijder die in het Eerste Regiment Zoeaven had gediend (27). Tot op heden is niemand erin geslaagd de ware toedracht te achterhalen. Sommige Franse historici beschouwen het verhaal als een oorlogslegende, anderen aanvaarden het zonder meer (28). Tot nog toe zijn er geen archiefbronnen bekend die een nieuw licht zouden kunnen werpen op de gebeurtenissen (29).

voor zover bekend geen herdenkingen meer plaatsgevonden en lijkt Drie Grachten enigszins in de vergetelheid geraakt te zijn. In Drie Grachten zijn geen fysieke relicten uit 1914-1918 bewaard gebleven, afgezien van enkele gedempte granaattrechters die slechts vanuit de lucht herkenbaar zijn. Het oorlogslandschap werd er reeds kort na de oorlog grondig opgeruimd vanwege de economische betekenis van het kanaal en de brug. Dit neemt echter niet weg dat Drie Grachten vandaag nog steeds een bijzondere plek is in het herinneringslandschap van de Grote Oorlog. Drie Grachten is dan ook opgenomen in het Masterplan 2014-18, dat in opdracht van de Vlaamse Overheid werd opgesteld door de tijdelijke vereniging Park 14-18 (30).

Thomas Van Driessche is erfgoedonderzoeker bij het agentschap Onroerend Erfgoed

Eindnoten (1)

Drie Grachten als lieu de mémoire van de Grote Oorlog Drie Grachten genoot in het interbellum een zekere bekendheid, mede dankzij het verhaal van de onbekende zoeaaf. Tot in de jaren 1970 hield de Union des Zouaves du Nord er elk jaar een herdenkingsplechtigheid. Sindsdien hebben er

30 I M

L

(2)

Dit artikel is voortgekomen uit het onderzoek dat het agentschap Onroerend Erfgoed in 2010-2012 heeft uitgevoerd naar de landschappelijke en archeologische relicten van de Grote Oorlog in de Westhoek. Dit onderzoek vormde de basis voor de bescherming respectievelijk de planologische verankering van het oorlogserfgoed. De bouwkundige relicten van de Grote Oorlog zoals bunkers, begraafplaatsen en gedenktekens werden reeds in de periode 2002-2006 geïnventariseerd in het kader van het project Inventarisatie van de relicten uit WO l in de Westhoek, een samenwerking tussen de Provincie West-Vlaanderen en het voormalige Monumenten & Landschappen. DEBAEKE S. en LERMYTTE J., Merkem in de kijker. Het dorp anno igoo, tijdens de Grote Oorlog en de heropbouw, Veurne, 1995, p. 12.


(3)

http://www.molenechos.org/verciwenen/molen.php.^Adv gen beheer af te breken en de bouwmaterialen ter beschikSearch=2287. geraadpleegd op 22 oktober 2013. king te stellen van de Service provincial de Recuperation. Algemeen Rijksarchief, Verwoeste Gewesten, 2966. (4| Deze datum wordt vermeld in verschillende brieven in verband met de wederopbouw van de brug na de oorlog, onder {23) De Halle, 27 november 1938, geraadpleegd via de website www.geheugenvanieper.be. op 20 januari 2014. meer in een brief van de burgemeester van Noordschote aan de Hoge Koninklijke Commissaris voor de Verwoeste (24) http://inventaris.vioe.be/dibe/relict/70157, geraadpleegd op Gewesten van 19 december 1922. Algemeen Rijksarchief, 22 oktober 2013. Verwoeste Gewesten, 2966. (25) http://inventaris.vioe.be/dibe/relict/70156 en http://inven taris.vioe.be/woi/relict/1216, geraadpleegd op 22 oktober (5) Het korps van de zoeaven werd opgericht na de bezetting 2013. van Algerije door Frankrijk in de jaren 1830. De naam zoeaven is afgeleid van de Zouaouas, een Kabylische stam uit {26) 'Le 12 novembre, a cinq heures. une colonne allemande se portalt d l'attaque du pont de Drie Gratchen [sic], défendu par le de bergen ten oosten van Algiers, die de eerste rekruten ier zouaves, en poussant devant elle des zouaves prisonniers et voor het korps leverde. Oorspronkelijk bestond het korps en criant: "if bataillon, cessez lefeu!". Un instant nos soldats et uit soldaten van Algerijnse en Franse origine. Na de oprichleurs mitrailleuses interrompent leur tir. lorsque des rangs alleting van het korps van de tirailleurs indigenes (1840-1841) mands part ce cri poussé par un des zouaves prisonniers "Tirez gingen de soldaten van Algerijnse oorsprong over naar dit done, au nom de Dieu!". Une décharge générale part alors de nieuwe korps en waren alle zoeaven voortaan van Franse nos rangs. couche d terre les assaillants et l 'héroïque soldat dont origine. Voor meer informatie over de zoeaven, zie: CHIELENS P., Franse koloniale troepen aan hetfrontin Vlaanderen, le dévouement avait permis aux ndtres de déjouer une ruse. Si le nom de ce brave reste inconnu. du moins le ier zouaves garderain DENDOOVEN D. en CHIELENS P., Wereldoorlog l. Vijf t il le souvenir de son sacrifice qui honore le regiment a l'égal du continenten in Vlaanderen, Tielt, 2008, p. 50-81. plus beau fait d'armes de sa glorieuse histoire. Honneur a sa (6) BARANGER, Un épisode de la bataille de l'Yser (Novembre 1914). Transport rapide d'une réserve suivi d'un engagement de mémoire! Signé: D'URBAL." http://vinny03.pers0.neuf.fr/ gg/fichreg/rmzi.htm, http://mascara.p-rubira.com/les_ nuit sans preparation, in La Revue d'Infanterie. vol. 33, regiments_de_zouaves_1914_19.htm , geraadpleegd op 22 nr. 377, p. 149-183. oktober 2013. (7) MARSHALL G., Infantry in Battle. The Infantry JournalIncorporated, Washington D.C., 1939, p. 382-389 en {27) CLOZIER R., Zouaves, épopée d'un regiment d'élite, z.p., 1931. René Clozier bouwde na de oorlog een succesvolle carrière BARANGER, op. at., p. 149-183. uit als architect. Hij ontwierp onder meer het monument (8) DEGUENT R. Les inondations du front beige (tgi^igiS), voor de zoeaven in Koksijde, https://inventaris.onroerenParijs, 1929. derfgoed.be/dibe/relict/16498 , geraadpleegd op 22 okto(9) TASNIER M. en VAN OVERSTRAETEN R., La Belgique et la ber 2013. guerre. Ill: les operations militaires, Brussel. 1923, p. 275. (10) VAN OVERSTRAETEN R., L'activité de l'armée beige, in (28) Tot deze laatste groep behoort BOURLET Michael, Le Zouave inconnu duier Regiment: "Tirez done! Au nom de Dieu! Ce TASNIER M. en VAN OVERSTRAETEN R., La Belgique et la sont des Boches!", in 14-18 Le magazine de la Grande Guerre, Guerre. III. Les operations militaires. Brussel, 1926. p. 234. (n) BOUHA B., Poges d'histoire de l'Armée Beige au cours de la nr. 20, 2004, p. 28-33. (29) Van het eerste regiment zoeaven zijn weliswaar enkele guerre 1914-1918 - Un épisode de l'historique du f' Carabiniers. Drie Grachten (avril 1915/, in Bulletin Beige des Sciences Mili- "joumaux des marches et operations" bewaard gebleven, maar deze hebben betrekking op latere periodes of op bataljons taires, jg. 13,1.1, nr. 1,1932, p. 45. die niet in Vlaanderen vochten. Deze bronnen zijn online te (12) CORVILLAIN M, Les 210' et 211' R.I.R. allemands aux combats de Drie-Grachten et de Steenstraat f1915,). in Bulletin Beige consulteren op de website 'mémoire des hommes' van het Franse ministerie van Defensie: http://www.memoiredes Sciences Militaires, jg. 18, t. I, nr. 2, 1937, p. 113-136 en deshommes. sga.defense.gouv.fr/jmo/ead.html ?id= 117-118. Een luisterpost of poste d'écoute is een vooruitgeSHDGR_GR_26_N_II. schoven post in het niemandsland voor het observeren van (30) De tijdelijke vereniging bestond uit Geurst & Schulze archide vijandelijke stellingen. tecten uit Den Haag en Lodewijk Baljon landschapsarchitec(13) BOUHA B., op. at., p. 52. ten uit Amsterdam. Zij werden bijgestaan door scenografe (14) BOUCIQUÉ G., Oorlogsgeschiedenis Merkem 1914-1918, Terenja van Dijk uit Antwerpen, stedenbouwkundige lan de Brussel, 1964, p. 36; CORVILLAIN M., op. at., p.120-123; Graaf uit Den Haag, antropoloog Johan Meire uit Halle en BOUHA B., op. at., p. 51-55; VAN OVERSTRAETEN R., op. hoogleraar stedenbouw Pieter Uyttenhove van de Universicit., p. 235. teit Gent. Het Herinneringspark 2014-18 wil het WO I-land(15) FUHRMANN H., PFOERTNER O. en FRIES N., Königlich Preuszisches Reserve-Infanterie-Regiment Nr. 211. Berlijn, schap als determinerende en verbindende factor opnieuw 1933, p. 72-75 [Darstellungen der Kampfe deutscher Trappen aan de oppervlakte brengen om het te laten (her)ontdekken door bezoekers en bewoners. Belangrijke landschappelijke 18). sites worden versterkt en opgenomen in een netwerk. Op (16) BOUCIQUÉ G., op. cit., p. 40. deze sites wordt, door beperkte ingrepen in het landschap (17) DEBAEKE S. en LERMYTTE J., op. cit., p. 70-71. zoals het openen van zichtlijnen, de aanleg van paden of de (18) BOUCIQUÉ G., op. cit., p. 46. (19) "Temer lag als Sehenswürdigkeit das romantische Drie Grach- bouw van informatieboxen, een landschappelijke scenograten im Ahschnitt. Jeder Sachverstandige - teilweise kamen sie fie gegenereerd die een beter inzicht en een betere beleving von weither. urn das "Betonfort" zu sehen -war erstaunt. Al- van de oorlogshandelingen in relatie tot het landschap creëert. Het Masterplan Herinneringspark 2014-18 (Brussel, lerdingsjemehrdestomehrKriegsetfahrungerhatte." BERGER 2012) kan gedownload worden op http://iv.vlaanderen.be/ E., Die 204. Infanterie-Division im Weltkrieg 1914-1918, z.p., herinneringspark. 1922, p. 18. (20) DEBAEKE S. en LERMYTTE ]., op. cit., p. 73; BOUCIQUÉ G., op. cit., p. 47. (21) Verschillende foto's van het verwoeste dorp zijn gepubliceerd door DEBAEKE S. en LERMYTTE ]., op. at., p. 100101 en 106.

(22) Na de oorlog vroegen de gemeenten Noordschote en Merkem aan het Bestuur van Bruggen en Wegen om een nieuwe brug over het kanaal te bouwen. Bruggen en Wegen was daartoe bereid, op voorwaarde dat de gemeenten zouden afzien van de vergoeding van oorlogsschade die hun toekwam vanwege het opblazen van de oude brug in 1914. Daarenboven moesten ze de onderhoudskosten van de nieuwe brug op zich nemen. De gemeenten gingen hiermee akkoord. De plannen liepen echter vertraging op omdat de Service provincial de Recuperation, die de door het leger gebouwde brug beheerde, een vergoeding eiste voor de materialen van deze brug. Omdat de gemeenten dit weigerden, besloot Bruggen en Wegen uiteindelijk de brug in ei-


Rome in Meerhout. Vondst en conservatie van igde-eeuwse muurschilderingen Marjan Buyle

Muurschilderingen met gezichten van Rome:

De pastorie van Meerhout

niet onmiddellijk wat je in een Kempense pastorie zou verwachten! Tijdens aanpassingswerken aan de beschermde voormalige pastorie van Meerhout, werden onder de dikke lagen behangpapier restanten teruggevonden van oude muurschilderingen (i). Er kwamen prachtige voorstellingen van bekende Romeinse pleinen tevoorschijn. De conservatiebehandeling door de ploeg van het agentschap Onroerend Erfgoed bood meteen de gelegenheid voor verder onderzoek. De Italiaanse pleinen bleken geschilderd naar i8de-eeuwse gravures van Giuseppe en Mariano Vasi. Alhoewel nog steeds anoniem, zou de schilder van dit ensemble wel eens dezelfde kunnen zijn als deze die in de voormalige pastorie van Eppegem een kamer beschilderde, die behandeld werd door de conserveringsploeg in 1976.

De beschilderde kamer bevindt zich aan de tuinzijde van de voormalige pastorie (2). Dit pand kende een lange voorgeschiedenis. Het huis met hof en bijgebouwen werd in 1675 aangekocht door drossaard Melchior Moens, die toen wellicht enkele verbouwingen liet uitvoeren (3). Door erfenis kwam het in het bezit van Andreas Mallants-Moens, rentmeester van de prins van Oranje. In 1746 werd het huis, dat toen de naam Sint-Joris droeg, gekocht door Jacobus Van der Schriek, rentmeester van de abdij van Maagdendaal. Hij liet het inrichten voor de Sint-Trudoparochie, waarvan de pastorie tijdens de dorpsbrand van 1679 vernield was. Gerardus Van Pelt, die er pastoor was van 1820 tot 1861, liet het achterhuis optrekken tot dezelfde hoogte als het voorhuis en wellicht werd ook toen het bijgebouw toegevoegd. Verder zal blijken uit de datering van de schilderingen dat hij dan ook de vermoedelijke opdrachtgever was voor de beschilderde kamer in dit achterhuis. Ook de interieuraankleding verraadt dat de voorbouw ouder is dan de rest, vermits hier stucwerk van de i7do of begin i8 dc eeuw bewaard is.

De voormalige pastorie van Meerhout (foto E. |acobs}

32 I M

1.


Binnenkrant Nr. 183 Bijlage bij M&.L33/2 maart-april 2014


ö

bieden meer informatie over bepaalde onderwerpen zoals de

Literatuur

Mithrascultus, de heiligenlegende van Cecilia, het rondzeulen met obelisken enz. En wie zou het oneens durven zijn met Procopius uit de 6de

CD

Ö

Marjan Buyle

eeuw: "Men is het erover eens dat Rome, van alle steden die er onder de zon zijn, de grootste en prachtigste is."

•i-H

PQ

ROME, EEUWIG JACHTVELD VAN DE ARCHEOLOOG

CUYT Cuido, Rome, eeuwigjachtveld van de archeoloog, uitg. door AVRA, Schoten, 2013.

Dit boek van Cuido Cuyt is het eerste in een nieuwe reeks

120 p. met talrijke illustraties

Monografieën, die de Antwerpse Vereniging voor Romeinse

Bestellen door storting van € 23 euro

Archeologie (AVRA) opgestart heeft naar aanleiding van haar

(€ 19 voor AVRA-leden) + € 3,50 verzendingskosten

50-jarig jubileum. Alhoewel het boek de hele geschiedenis van

op rek.nr. BE57 6470 2335 2135 (BIC-code BNACBEBB)

Rome wil behandelen en hierbij aandacht besteed aan de

op naam van AVRA, met vermelding van uw naam en

belangrijkste historische gebeurtenissen, ligt de klemtoon wel

volledig adres. Meer info over de vereniging en haar activiteiten:

op de archeologie.

www.avra.be

Marjan Buyle

IMPOSANT BOEK OVER HET ARCHITECTENVAK Zopas verscheen de tweede druk van een bijzonder interessant boek over het architectenvak. In de late middeleeuwen maakte de bouwwereld in de Nederlanden een uitzonderlijke ontwikkeling mee. Grote openbare bouwwerken zoals kerken en stad-

Centrale Montemartini: dialoog tussen oude Romeinse beelden en industrieel erfgoed (foto M. Buyle)

huizen kwamen, in tegenstelling tot elders in Noord-Europa, niet in eigen beheer tot stand, maar werden steeds vaker openbaar aanbesteed. Deze nieuwe manier van werken vergde een

Het gedeelte over de geschiedenis van de stad Rome behan-

andere rol van de architect dan voorheen. De architect was niet

delt de lotgevallen van de stad in het algemeen en de antieke

meer de voorman op de werf, maar een adviseur in dienst van

resten in het bijzonder, vanaf de Oudheid tot nu. Dit alles

de opdrachtgever. Hij specialiseerde zich in het ontwerp en de

geïllustreerd met handige kaarten, reconstructies en maquettes.

coördinatie van het bouwproces. De auteur. Merlijn Hurx van

Het is ook boeiend om te lezen wat er gebeurde met de antieke

de Faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft,

gebouwen nè de Romeinse periode.

toont aan hoe in de 15de eeuw al de basis gelegd werd voor

Verder bevat het boek nog wat praktische tips in verband met

onze huidige architectenpraktijk en bouweconomie.

openbaar vervoer, Roma-pass, allerhande kleinere bezienswaardigheden enz. Achteraan vindt

^fAVRA

Het boek begint met een verwijzing

u een becommentarieerde lijst van

naar het bekende monument aan

aanbevolen literatuur.

de voet van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Antwerpen, dat een

Het fraai uitgegeven boek is eerder

romantisch beeld geeft van hoe het

bedoeld om te lezen als voorberei-

er op een middeleeuwse bouwwerf

ding (of om na te genieten) van een

aan toeging: met passer en teke-

reis naar Rome, omdat het A4 for-

ning in de hand geeft de bouw-

maat niet meteen heel praktisch is

meester aanwijzingen aan de steen-

om mee te nemen. Het is vlot en

houwers. Naast een hommage aan

boeiend geschreven voor een breed

de bouwmeester Pieter Appelmans

geïnteresseerd publiek en uitvoerig

("j" 1434) is het eveneens een eerbe-

geïllustreerd. Korte kaderteksten

toon aan de ambachtslieden.


Het onderzoek van Merlijn Hurx werd gevoerd op basis van

woordigen recent grootschalig onderzoek. We bezoeken de

bouwrekeningen, bestekken, tekeningen, contracten, ordon-

High Tech Romeinen in Technopolis en een parkeergarage in

nanties van overheden, tolrekeningen, gildebepalingen, proces-

Aalst, waar archeologie een originele plaats kreeg. Buiten-

stukken en kronieken: een zeer brede basis dus. De gebouwen

landse avonturen zijn er met Belgische onderzoekers in het

zelf zijn eveneens een belangrijke drager van informatie.

Titicacameer, op zoek naar Incaschatten; maar ook in Egypte,

Het onderzoek is geografisch afgebakend door de verspreiding

waar ze unieke rotskunst ontdekken. En dan vergeten we onder

van natuursteen uit de omgeving van Brussel, omdat dit bouw-

andere nog een zilverschat in Asse en een interview met Jacky

materiaal een sleutelpositie innam bij het ontstaan van de

Semey, de grondlegger van de archeologische luchtfotografie.

bouwmarkt. Het afzetgebied waren de verstedelijkte gebieden

Kortom, te veel om op te sommen.

van Vlaanderen, Holland en Brabant. De studie is opgedeeld in vijf hoofdstukken waarin de organi-

Ex situ 5 is een uitgave van het Forum Vlaamse Archeolo-

satiestructuren onderzocht worden. De ontwikkeling van de

gie en bevat 96 rijk geïllustreerde pagina's voor de prijs

bouwmarkt en het architectenvak worden behandeld in een

van 12,5 euro (+ 3,3 euro verzendingskosten).

breed kader van urbanisatie en economische veranderingen.

Een abonnement op Ex situ kost slechts 22,5 euro

Dit geeft een genuanceerd beeld van de ontwikkeling van het

voor 2 exemplaren (+ 5 euro verzendingskosten).

architectenvak.

Geïnteresseerd? Dan kan u contact opnemen via verkoop@exsitu.be, of surf naar www.exsitu.be en

Het boek is, ondanks zijn bijna 500 pagina's, zeer leesbaar,

ontdek er alle aankoopmogelijkheden.

ook voor een breed publiek. De lay out is aangenaam, de schrijftaal en de inhoud bijzonder boeiend, de illustraties overvloedig en goed gekozen. Een must dus voor elke erfgoedonderzoeker en (toekomstige) architect!

HURX Merlijn, Architect en aannemer. De opkomst van de bouwmarkt in de Nederlanden (1350-1530), 2de druk,

Anne Gorlé

KBC-TOREN IN ANTWERPEN: GEVELRESTAURATIE

Nijmegen, 2013, 492 p. Op 10 maart 2014 startten omvangrijke gevelrestauratiewerken aan de KBC-toren, de zogenaamde Boerentoren in Antwerpen. De restauratie bestaat hoofdzakelijk uit twee grote onderdelen.

Persbericht

Het eerste is het aanbrengen van actieve kathodische bescherming om de corrosie van de achterliggende staalstructuur een halt toe te roepen. Het tweede is de restauratie van de gevel-

EX SITU 5

bekleding in witte natuursteen die - plaatselijk zwaar - beschadigd is door de corrosie van de staalstructuur.

In april verschijnt het nieuwste nummer van Ex situ, het tijdschrift voor Vlaamse archeologie. Opnieuw bundelt het

De Boerentoren werd gebouwd tussen 1929 en 1931 op het

magazine een selectie van archeologisch onderzoek op een

in de oorlog grotendeels verwoeste bouwblok Schoenmarkt

toegankelijke manier, met sprekende illustraties in een mooie

- Eiermarkt - Beddenstraat, op het einde van de Meir.

verpakking.

Het gebouw, dat bestaat uit een toren met zijvleugels, werd

Met alle herdenkingen rond 100 jaar Croote Oorlog vond de

ontworpen door de architecten Jan Vanhoenacker, Jos Smolde-

redactie het een uitgelezen moment om een aantal reportages

ren en Emiel Van Averbeke voor de Algemeene Bankvereeniging.

en interviews rond dat centrale thema te maken.

Het torengebouw getuigt van een heldere vormgeving en een

Mare Dewilde, grondlegger van WOl-archeologie in Vlaanderen,

uitgesproken monumentaliteit. De architecten hanteerden een

vertelt in een interview over het prille begin van één van de

sobere art-deco-architectuur. De constructie wordt gedragen

jongste archeologische disciplines. Bewaarde bovengrondse

door een volledig ingebouwd staalskelet, bekleed met pare-

relicten worden vanuit de lucht en op de grond onderzocht, en

ment in witte natuursteen. In het buitenland kende het staal-

ook enkele opgravingen en vondsten komen aan bod. We bekij-

skelet al verschillende toepassingen, maar voor Antwerpen was

ken eveneens de Franse kant van dit conflict zonder grenzen

het de allereerste keer dat men er zich aan waagde.

en zoomen in op een verrassende vondst van een schaalmodel

Het stalen skelet werd horizontaal dicht gelegd met betonnen

van het Vlaamse front in Engeland.

vloerplaten. De bekleding van de buitenkolommen gebeurde

Ex situ heeft als vanouds ook aandacht voor andere archeologi-

met beton aan de binnenzijde en met metselwerk in Boomse

sche verhalen. Een kasteel in Aalter en een Romeins grafveld

baksteen aan de buitenzijde. De bekleding aan de binnenzijde

en middeleeuwse nederzetting op The Loop in Cent vertegen-

bestond uit Mölersteen. De volledige buitenzijde van het


u Ö

gebouw werd bekleed met witte natuursteen Jaune de la Forge.

vertikale scheuren (ter hoogte van de stalen kolommen) en

Toen de toren in 1931 klaar was, was hij met zijn lengte van

horizontale scheuren aan lateien, erkers en balkons. Bovendien

87,5 meter de hoogste van Europa. Het was een revolutionair

bleek de schade ten opzichte van 2002 duidelijk toegenomen

project; de eerste wolkenkrabber in Europa, naar het voorbeeld

en de tijdelijke herstellingen van 2003 weinig zinvol.

van grote voorgangers in de Verenigde Staten. In 2010 startten Steenmeijer Architecten i.s.m. Triconsult met

•i-H

PQ

Tussen 1967-1976 werd de Boerentoren uitgebreid en gereno-

een diepgaand en gespecialiseerd onderzoek naar de gevelop-

veerd door de architecten Leon Stynen en Paul De Meyer.

bouw, de structurele opbouw, de verankering van de gevelpa-

Er werden twee nieuwe vleugels gerealiseerd, aansluitend op

nelen, de eigenschappen van de natuursteen, enz. Om het

de bestaande laagbouw, waardoor het driehoekige bouwblok

gevaar op vallende brokstukken te voorkomen, werd beslist om

volledig bebouwd werd. Daarnaast werden de toren en de

de bovenste drie verdiepingen van de zijvleugels van de toren

zijvleugels uit 1931 verbouwd. De kop van de toren werd afge-

af te schermen met veiligheidsnetten.

broken en vervangen door een volledige nieuwe structuur

Op basis van de resultaten van de onderzoeken kon besloten

boven de bestaande waterbak waarin onder andere een nieuwe

worden dat de opgetreden schade inderdaad het gevolg is van

panoramazaal werd ondergebracht. Met de kubus boven de

corrosie van de achterliggende staalstructuur. De herstellingen

panoramazaal, waarop eertijds het KB-logo en nu het KBC-logo

die men in het verleden heeft uitgevoerd, worden telkens

prijkt, kreeg de toren een nieuwe top.

opnieuw beschadigd door het voortschrijdend corrosieproces.

In diezelfde periode werd ook een grondige herstelling van de

Zolang men er niet in slaagt het corrosieproces te stoppen, is

opgetreden schade aan (het roestende) staalskelet en natuur-

een duurzame herstelling niet mogelijk. Om die reden werd de

steen uitgevoerd. Gebarsten natuursteen werd verwijderd, de

mogelijkheid onderzocht om een systeem van kathodische

stalen profielen tegen roest beschermd en de natuursteen

bescherming aan te brengen. Met de toepassing van kathodi-

vernieuwd.

sche bescherming wordt beoogd de corrosie van de staalstruc-

Beschadigde natuursteen zou opnieuw hersteld worden bij

tuur duurzaam te stoppen en op die manier het onderhoud op

gevel(reinigings)werken in de periode 1992-1994, voornamelijk

lange termijn tot een minimum te beperken.

door het injecteren van scheuren. Bij recente inspecties van Monumentenwacht aan het gebouw in de jaren 2009 en 2010

Corrosie treedt op wanneer de beschermingslaag van het

werd echter opnieuw ernstige scheurvorming en omvangrijke

staal doorbroken wordt (door carbonatatie met een pH lager

natuursteenschade vastgesteld. Het betreft voornamelijk lange

dan circa 9) en het staal in contact komt met zuurstof en

Boerentoren, 1929 - 1931 (© KBC Historisch Archief; Architectuurarchief Provincie Antwerpen)


Aansluiting op staalstructuur (© Steenmeijer Architecten)

vocht. Hierbij treden een aantal elektrochemische reacties op die uiteindelijk resulteren in de vorming van roest Ter plaatse van de zogenaamde anodes treedt oxidatie op, waarbij elektronen worden afgestaan. Ter plaatse van de zogenaamde kathodes treedt een reductiereactie op, waarbij elektronen worden verbruikt. De chemische reacties gaan gepaard met stroomdoorgang. Uit het begrip elektrochemie volgt omgekeerd ook dat chemische reacties kunnen gestuurd wor-

Inboren anodes (© Steenmeijer Architecten)

den door elektrische stroom op te leggen. Wanneer op alle plaatsen aan het staal de elektrische stroom vanuit de omliggende steenachtige matrix naar het staal gaat, en dus het

iedere constructie haar eigen randvoorwaarden en bijzonder-

gehele staaloppervlak een kathode is, is de corrosie (die aan de

heden kent, was het wenselijk om voor dit omvangrijke project

anode plaats heeft) gestopt. Dit dwingen van het staal in een

de haalbaarheid van KB specifiek aan te tonen.

kathodefunctie wordt kathodische bescherming genoemd.

Om die reden werd in 2011 een proefinstallatie uitgevoerd met

Kathodische bescherming (KB) is een onderhoudsmethodiek

vooraf geselecteerde, mogelijk geschikte KB- en anodesystemen.

waarbij de corrosie van staal wordt gestopt door middel van

Tegelijkertijd werden ook projectspecifieke kosten- en uitvoe-

een op of in de constructie aan te brengen beschermingssys-

ringsdetails en esthetische voor- en nadelen van de diverse

teem primair bestaande uit een anode. De op of in de con-

systemen geanalyseerd.

structie aangebrachte anode wordt aangesloten op het staal in

Voor de uitvoering van de proefinstallatie werden 2 zones uit-

de te beschermen delen. Het staal zal zich vanaf het moment

gekozen. Eén zone met ernstige schade en één zone met

van activering van het systeem als een kathode gaan gedragen.

matige schade. In totaal werden 4 soorten anodes geplaatst en

Als kathode is het staal beschermd tegen de corrosiereactie die

getest. Deze vier soorten waren: cilindervormige zinkanodes

niet meer voorkomt.

(galvanische bescherming), stripvormige anodes, pinnen van

Bij 'actieve kathodische bescherming' is de anode zelf inert,

geactiveerd titanium en cilindervormige anodes o.b.v. kera-

dit wil zeggen een edel materiaal dat niet door corrosie wordt

misch titaniumoxide (actieve kathodische bescherming).

aangetast en wordt de anode met een stroombron aangesloten

De proefinstallatie heeft de haalbaarheid van kathodische

op het staal. De stroombron levert dan de elektronen voor de

bescherming als oplossing voor de gevelproblematiek duidelijk

elektrochemische reactie. Door het elektrotechnische deel van de

bevestigd. Aangezien alle 4 anodetypes voldeden aan de tech-

installatie wordt door de constructie heen een stroom tussen

nische vereisten, zijnde de gerealiseerde beschermingsgraad

anode en kathode in stand gehouden. Zolang de stroom loopt,

van het staal in het metselwerk op basis van de behaalde depo-

kan het staal niet corroderen. Dit systeem moet regelmatig wor-

larisatiewaarden, kon de uiteindelijke selectie gemaakt worden

den bij- en afgesteld om de juiste hoeveelheid stroom te leveren

op basis van kosten, esthetica, duurzaamheid en uitvoerings-

en wordt ook wel 'kathodische bescherming met opgedrukte

parameters.

stroom' genoemd. De technisch gebruikelijke afkorting in het

Op die manier werd een specifiek, definitief ontwerp opgesteld

Engels is ICCP {Impressed Current Cathodic Protection).

voor de KBC-toren. Er werd uiteindelijk gekozen voor toepassing van kathodische bescherming op basis van inbooranodes

Kathodische bescherming heeft bij diverse constructies met stalen onderdelen in een steenachtige matrix al duidelijk bewezen dat corrosie duurzaam kan worden gestopt. Aangezien

en opgedrukte stroom. Rekening houdend met het esthetisch aspect, namelijk het plaatsen van de anodes in een zo klein mogelijk boorgat in de voeg, en met een maximale levensduur,


is uiteindelijk gekozen voor Ebonex-anodes van ymm diameter. In totaal zullen zo'n 7.000 anodes in de gevel aangebracht

Beschermingen

worden, verbonden door evenveel lopende meter bekabeling, die weggewerkt wordt in de voegen.

o; ö PQ

Kathodische bescherming (met galvanisch systeem of met opgedrukte stroom) wordt op grote schaal toegepast bij zeeschepen, pijpleidingen, kademuren en offshore platforms.

Nele Vanmaele

Inmiddels zijn er ook talrijke voorbeelden in de bouwkundige sector. De techniek wordt nu voor het eerste op grote schaal toegepast in België bij de restauratie van een gebouw met een staalstructuur en bekleed met natuursteen. De andere grote pijler van de gevelrestauratie bestaat uit de herstelling en noodzakelijke vervanging van natuursteen en het voegwerk. De schade aan de gevelbekleding manifesteert zich in

THEMATISCHE BESCHERMING ALS MONUMENT VAN HET BELANGRIJKSTE LEVEND HOUTIG ERFGOED IN VLAANDEREN, TYPEREND VOOR DE IDENTITEIT VAN DE VLAAMSE LANDSCHAPPEN

verschillende vormen waaronder grote verticale en horizontale scheurvorming, natuurstenen platen met afgesprongen stukken,

De mens gebruikt al duizenden jaren houtige begroeiingen op

weggedrukte natuursteen, zwaar beschadigde platen

allerlei manieren. Het natuurlijke proces van het verspreiden

Elk van deze schadefenomenen zal op een gepaste wijze wor-

van soorten wordt antropogeen beïnvloed, bijvoorbeeld door

den behandeld.

nieuwe soorten in een gebied te introduceren omwille van

Bij de bouw van de toren in 1929-1931 werd deze aan de

sier- of nutstoepassing. Als gevolg van transport van zaad of

buitenzijde bekleed met platen witte natuursteenjou/ie de la

plantsoen over grote afstanden is genetisch materiaal over

Forge. Bij de uitbreiding en restauratie van de toren tussen

nieuwe regio's verspreid geraakt. De nieuwe plantensoorten

1967-1976 bleek deze groeve ondertussen gesloten te zijn.

krijgen in die gebieden een nieuwe toepassing. Daarnaast zijn

Als vervangsteen en als steen voor de nieuwe torentop werd

er de soorten die wel op natuurlijke wijze tot een regio beho-

toen Pierre de Cow/m/er gebruikt. Beide steensoorten werden

ren. Een soort kan wel streekeigen zijn, het genetisch materiaal

onderzocht door het KIK en het WTCB. Op basis van het petro-

is niet altijd autochtoon. Ook zijn er als gevolg van praktijken

grafisch onderzoek en de analyse van de poriënopbouw door

en technieken als telen, kruisen, veredelen, enten nieuwe cuiti-

het KIK wordt een gelijkenis vastgesteld tussen beide steen-

vars ontstaan.

soorten. Dejaune de la Forge en de Pierre de Coulmier zijn

Bovendien werd omwille van allerlei redenen (meestal econo-

beide oölitische kalkstenen en hebben een gelijkaardige toe-

mische of esthetische) door de mens ingegrepen op de vorm

gankelijke porositeit en poriënverdeling. Beide stenen zijn

van beplantingen. Door specifiek beheer ontstonden kunstma-

kenmerkend voor formaties van de Jura-periode (Bathoniaan).

tige vormen, bijvoorbeeld knotbomen, gekandelaberde bomen-

Deze dikke formaties dagzomen in de Chatillonais, tussen de

rijen, geschoren heesters,...

vallei van de Seine en de vallei van de Armangon (departemen-

Door een combinatie van natuurlijke en antropogene proces-

ten van Cote d'Or en Yonne, Frankrijk). Deze formaties werden

sen hebben vele bomen en heesters, zowel individueel als in

en worden nog steeds intensief ontgonnen voor bouwsteen.

groepsverband (in rijen, dreven, bossen, parken etc.) een

Er bestaat een grote verscheidenheid aan facies die in verschil-

belangrijke erfgoedwaarde verkregen.

lende groeven teruggevonden wordt. De groeve van de Pierre de Coulmier, in Coulmier-le- Sec, is één van deze groeven. Omwille van het feit dat de Pierre de Coulmier grote gelijkenissen vertoont met de oorspronkelijkejaune de la Forge, dat hij zich - ook na verloop van tijd - goed integreert in de gevel en goede technische eigenschappen heeft, zullen noodzakelijke steenvervangingen bij voorkeur opnieuw worden uitgevoerd met Pierre de Coulmier. Dit op voorwaarde dat de stenen die op het ogenblik van de restauratie ontgonnen worden, nog steeds voldoen aan de nodige technische vereisten. De gevelrestauratie zal worden uitgevoerd door aannemer Verstraete &. Vanhecke NV uit Wilrijk. Voor de uitvoering van de kathodische bescherming doen zij beroep op een gespecialiseerde aannemer. Vogel KB uit Zwijndrecht, Nederland. De totale uitvoeringstermijn bedraagt 10 maanden. Het restauratiedossier werd opgemaakt door Steenmeijer Architecten in samenwerking met Triconsult. Zij zullen ook instaan voorde controle op de uitvoering van de werken.

Heel wat houtige beplantingen met erfgoedwaarde zijn in toenemende mate en om allerlei redenen bedreigd, o.a. omdat de economische waarde, zoals bij voorbeeld bij hakhout en knotbomen, sterk is verminderd. Een bescherming als monument brengt niet enkel de instandhoudingsplicht met zich mee, maar biedt eveneens de nodige financiële stimuli om het behoud op het terrein te ondersteunen. Er zijn verschillende inventarissen van houtige beplantingen beschikbaar, vanuit diverse inhoudelijke invalshoeken. De gekende gegevens van de deontologische, genetische en erfgoedinventarissen werden gecombineerd. Op grond daarvan werd een meer systematisch voorstel van selectie gemaakt van het allerbelangrijkste, gekende en nog niet als monument of als landschap beschermde houtig erfgoed. Deze lijst bevat 250 locaties, die worden voorgesteld voor bescherming als monument. Hierbij is er op toegezien dat de selectie zowel thematisch-typologisch als thematisch-geografisch zo evenwichtig mogelijk is samengesteld.


Sinds 2010 worden deze sites (in kleinere deelpakketen) binnen de thematisch-typologische en thematisch-geografische beschermingscampagne voorgedragen voor bescherming. Op 5 november 2013 ondertekende minister Bourgeois het MB houdende bescherming als monument van bomenrijen van platanen en linden en watergebonden bouwkundig erfgoed langs Coupure en Leie in Cent, het MB houdende bescherming als monument van de plataan op het Prudens Van Duyseplein in Cent en het MB houdende bescherming als monument van een buikenlandschap met hakhout en knotbomen in Cent (Drongen). Watergebonden houtig en bouwkundig erfgoed langs de Leie en de Coupure De Coupure wordt afgeboord door een beeldbepalende bomenrij van gekandelaberde platanen en linden. De SintAgnetabrug en de sluiskom vormen het zuidelijke uiteinde van de Coupure waar het kanaal aansluit bij de Leie. Het brugwach-

De Coupure (foto Onroerend Erfgoed)

tershuisje, ingeplant ten oosten van de brug sluit aan bij het parkje aan de Lindenlei.

maar werd niet gebruikt. De 18de eeuwse sluiskom uit Doornikse

De bomenrijen bevinden zich zowel aan de rechterzijde als aan

kalksteen met natuursteen dekplaten bleef bewaard. Kenmerkend

de linkerzijde van de Coupure, een kunstmatige waterloop in

zijn de 19de eeuwse ijzeren borstweringen met leeuwenkopjes.

het centrum van de stad Gent. Deze beplanting gaat terug op

Tijdens de tweede wereldoorlog werden veel bruggen in Gent

eind i8de-eeuwse aanplantingen (ca. 1785), niet zo lang na het

vernietigd. In de jaren 1950 werd de huidige ijzeren ophaalbrug

graven van het kanaal. Men is begonnen met het planten van

geplaatst. Het aanpalende brugwachtershuisje werd in 1908

bomen langs pleinen en waterlopen om 'promenades' te creë-

gebouwd en is het enige bewaarde brugwachtershuisje aan de

ren. De bomen boden beschutting aan de burgerij die hier

Coupure. Langs beide zijden van de Coupure staan nog ver-

kwam wandelen.

schillende 19de eeuwse meerpalen.

Linde- en platanenrijen vormen een eenheid met het Coupurekanaal en de natuurlijke waterloop de Leie. De bomen werden

Coupure Links en Coupure Rechts, Krommen Elleboog, de

aangeplant in een dubbele rij. Omwille van plaatsgebrek zou

Lieve de Winnestraat, de Twaalfkameren en de Bijlokevest

na het midden van de 19de eeuw de buitenste bomenrij op

werden op 30 juli 1981 beschermd als stadsgezicht.

beide oever van de Coupure volledig worden gekapt, de bin-

De bescherming van het watergebonden houtig en bouwkun-

nenste rij is tot op vandaag bewaard. De sluiskom en de Cou-

dig erfgoed langs Leie en Coupure als monument is een verfij-

pure worden afgeboord dooreen rij platanen en lindebomen.

ning hiervan. Een bescherming als monument brengt niet

Aansluitend worden de gekasseide Maurice de Weertstraat en

enkel de instandhoudingsplicht met zich mee, maar biedt

verderop de Leie ter hoogte van de Albert Baertsoenkaai en de

eveneens de nodige financiële stimuli om het behoud op het

Bijlokekaai begeleid dooreen rij indrukwekkende gekandela-

terrein te ondersteunen.

berde platanen. De bomen zijn beeldbepalend voor de omgeving van de Coupure, mede door hun homogeen voorkomen,

Plataan op het Van Duyseplein

met een mooie representatieve groeivorm die als kunstsnoei

De solitaire plataan op het Van Duyseplein heeft een omtrek

vorm kan worden omschreven. Ze behoren bovendien tot de

van ongeveer 450 cm en een hoogte van meer dan 30 meter.

dikste en oudste bomenrijen van Cent. De bomen worden

De boom bevindt zich centraal op een rondpunt waar vijf stra-

periodiek gekandelaberd. Dit is een historische beheersvorm

ten op uit komen en is vanuit die straten een zeer markante

waarbij van een boom alle gesteltakken op een bepaalde lengte

blikvanger. De ruimte waarin hij zich bevindt wordt gedomi-

worden afgezet en nieuwe takken die hierop opnieuw uitlopen

neerd door zijn omvang en uitstraling, want zijn groeivorm is

periodiek worden afgezet of geknot.

zeer opmerkelijk. De boom is een mooi voorbeeld van een

Aan de Coupure Rechts zijn de oudste generatie platanen te

solitair uitgegroeide plataan.

vinden, met een omtrek van ongeveer 350 cm. De plataan op

In 1883 wordt het Prudens Van Duyseplein aangelegd in een

de Lindenlei heeft een omtrek van meer dan 4 meter.

interessant stedebouwkundig geheel op een radiaalstructuur:

De Coupure werd midden de 18de eeuw gegraven tussen de

de talrijke gelijktijdig getrokken straten convergeren naar het

Brugse vaart en de Leie. De Sint-Agnetabrug aan het einde van de

licht glooiende pleintje, ingeplant op een helling, met in het

Coupure vormde oorspronkelijk de afsluiting van de Sint-Agneta-

midden een rond grasperk de een plataan. Rond het plein

sluiskom of bassin die de aansluiting vormde van de Coupure

staan er 19de eeuwse huizen in een cirkelvormige inplanting.

met de Leie. De sluis was bedoeld om het waterpeil te regelen

Het Van Duyseplein werd op 5 april 1978 beschermd als stads-


len en zijn beeldbepalend. De houtige beplantingen werden geïnventariseerd als een zuivere vertegenwoordiger van hun soort en vormen als zodanig een belangrijk genenreservoir voor de regio. De percelen zijn relicten van het historische bulkenlandschap. De grachten en de houtkanten erlangs ont-

CD

wateren de natte percelen. De knotbomen zijn een belangrijke getuigenis van een historische beheersvorm. Het hakhout en

Ö

de knotbomen werden voor allerlei doeleinden gebruikt, onder

•I-H

andere als brand-, ambachts-, bouw-, geriefhout of voor loof-

PQ

voedering.

Prijzen

Barbara Dubaere en Tinne Jacobs

Plataan op het Van Duyseplein (foto Onroerend Erfgoed)

EUROPESE LANDSCHAPSPRIJS 2012-2013 GAAT NAAR POOLS PROJECT

gezicht (plein en aanpalende huizen). De bescherming van de

Iets meer dan een jaar geleden berichtte M&L over de Belgi-

plataan als monument is een verfijning hiervan. Een bescher-

sche laureaat voor de Europese Landschapsprijs editie 2012-

ming als monument brengt niet enkel de instandhoudings-

2013. Uit de zes Vlaamse projecten die zich voor de nationale

plicht met zich mee, maar biedt eveneens de nodige financiële

preselectie kandidaat stelden bij het agentschap Onroerend

stimuli om het behoud op het terrein te ondersteunen.

Erfgoed, werd het Nationaal Park Hoge Kempen verkozen om

Deze knuffelboom heeft ook een facebookpagina;

België te vertegenwoordigen, Dit project wist de jury te overtui-

https://www.facebook.com/media/set/?set=a.10150996522050

gen door haar succesvolle focus op de beleving en de dagdage-

208.401719.i03828440207&.type=3

lijkse meerwaarde van het landschap. Daarnaast gaat het park op een vernieuwende manier om met storende elementen

Cent (Drongen), Treinstraat, buikenlandschap met hakhout en

door er rekening mee te houden in haar verdere evolutie en ze

knotbomen

op een passende manier te integreren in het landschap.

De graslandpercelen in de Treinstraat net ten noorden van de spoorlijn Cent- Oostende worden gekenmerkt door een zeer

Ondersteund door het agentschap Onroerend Erfgoed diende

dichte begroeiing op de perceelgrenzen. Dit houtig erfgoed

het Nationaal Park Hoge Kempen in januari 2013 haar defini-

bestaat uit voornamelijk houtkanten en ook knotbomen schiet-

tieve kandidatuur in bij de Raad van Europa. Niet minder dan

wilg, kraakwilg, zwarte els en gewone es.

zeventien initiatieven uit andere lidstaten deden hetzelfde.

De houtkanten zijn een waardevol landschapselement voor de

Dat maakte dat er vier kandidaten meer zouden meedingen

omgeving. Ze accentueren de structuur van de landbouwperce-

naar de Europese Landschapsprijs in vergelijking met de editie 2011-2012. Hoewel elk project een voorbeeldfunctie vervult en

Bulkenlandschap Drongen (foto Onroerend Erfgoed)

focust op duurzame territoriale ontwikkeling, sensibilisering en publieksparticipatie, is de aard van de ingediende projecten erg divers. De basisdoelstellingen variëren per project. Zo lag de focus op milieueducatie in een Tsjechische stad en recupereerden de Italianen een landschap dat geconfisqueerd was door de maffia. Op het Ierse Bere Island werkte men een landschapsbehoudplan uit en de Slovenen pakten uit met landschaps- en waterbeheer in het natuurreservaat S/toc/ans/c/zoto/t. De specifieke fiches van alle nationale laureaten zijn terug te vinden op de website van de Raad van Europa: http://www.coe.int/t/dg4/cultureheritage/heritage/landscape/ Prix/Session20i3_en.asp.


Na de jurering op Europees niveau maakte de Raad van Europa in december 2013 bekend dat de derde Europese Land-

Varia

schapsprijs naar het Poolse project gaat, getiteld 'Preserving ecological value in the landscape of the Szprotawa river valley'. Dit project focust op de duurzame ontwikkeling van de vallei van de Szprotawa rivier, gelegen in het Nationaal Park van

Saskia Van Mieghem

CD

Przemkow in het westen van Polen. Verschillende actoren

Ö

slaan voor dit initiatief de handen in elkaar: zowel een instantie voor het behoud van natuur en de lokale overheden van Przemkow en Caworzyce als individuele landbouwers, landeigenaars en bewoners. Het partnerschap streeft naar het

SCHILDERIJENWISSEL IN DE SINT-CAROLUS BORROMEUSKERK IN ANTWERPEN: EEN VOORBEELD VAN LEVEND ERFGOED

actieve behoud van de natuurlijke troeven die dit gebied kenmerken zoals bepaalde plantensoorten, broedplaatsen voor

In het centrum van Antwerpen vindt drie keer per jaar een

water- en moerasvogels, turfrijke veenlagen, etc. Tegelijkertijd

bijzonder schouwspel plaats. Op Aswoensdag, Paasmaandag

wil het project er duurzame ontwikkeling mogelijk maken.

en rond Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaart wordt het schilderij in

Zo zet het bijvoorbeeld in op de herbestemming van een voor-

het hoofdaltaar van de Sint-Carolus Borromeuskerk gewisseld.

malige sovjetluchtbasis in een waterrijk natuurgebied en de

Bijna 400 jaar geleden bedachten de jezuïeten dit wisselsys-

implementatie van een ecologisch-agricultureel programma. Het winnende Poolse project heeft effect op verschillende vlakken. Ecologisch gezien vermindert het de risico's en bedreigingen voor de biodiversiteit. Het project scoort bovendien sterk op vlak van participatie aangezien zowel de lokale bevolking als de landbouwers, zigeuners, imkers en schoolkinderen nauw betrokken worden door tal van educatieve (opleidingen en infomomenten) en sociale activiteiten. Daarnaast zorgt het initiatief voor een duurzaam gebruik en actieve bescherming van het landschap mede dankzij de aankoop van specifieke werktuigen, het aanleren van duurzame landbewerkingsmethodes en de overschakeling van koolstof op biobrandstof. De Raad van Europa erkende toch ook de meerwaarde van het Vlaamse project Nationaal Park Hoge Kempen. In 2014 worden alle kandidaten van deze derde editie van de Europese Landschapsprijs uitgenodigd voor een bijeenkomst. Tijdens deze meeting kunnen ze hun projecten nogmaals voorstellen en aantonen dat ze allemaal voorbeeldprojecten zijn van een succesvolle implementatie van de Europese Landschapsconventie en inspiratiebronnen op internationaal niveau. In 2014 gaat het Brussels Hoofdstedelijk gewest op zoek naar een voorbeeldproject op vlak van landschapszorg zodat we voor de vierde editie van de Europese Landschapsprijs opnieuw een sterke Belgische laureaat kunnen voordragen. In 2015 zal de winnaar gekend zijn.

Hoge Kempen (foto Onroerend Erfgoed)

^Ji£SR#"'

-

..</

Ojl. I r ! \ Uf 1 'yd ^jj

lJ

1

ll-I

r|

7

• 1- ! • IS;

pi4f«| "^^

•HAI

Ui tl !

is

teem. Het kadert in de besluiten van het Concilie van Trente om via de beeldcultuur de Contrareformatie uit te dragen. Oorspronkelijk beschikten de jezuïeten over vier schilderijen, waarvan twee van Rubens, De wonderen van de heilige Ignatius en De wonderen van Sint-Franciscus Xaverius. Beide werken werden naar aanleiding van de opheffing van de jezuïetenorde in 1773 door Maria-Theresia van Oostenrijk aangekocht en bevinden zich nu in het Kunsthistorisches Museum in Wenen. De twee andere schilderijen. De oprichting van het Kruis van Gerard Seghers, en De kroning van Maria van Cornells Schut, zijn nog ter plaatse. In 1840 kwam er een derde schilderij bij, Onze-Lieve-Vrouw van de Karmel, door Custaaf Wappers.

Schilderij enwissel in de Sint-Carolus Borromeuskerk in Antwerpen (foto S. Van Mieghem)

•rH

PQ


u

a •i—i

PQ IO

Op 5 maart jongstleden werd De Kroning van Maria vervangen

mogelijkheid om het verder te gebruiken, puur als getuige van

door De oprichting van het Kruis, een werk van Seghers uit 1624.

de (eigen) geschiedenis of met een andere functie. Het gege-

Na een korte uitleg door een gids van de kerk werd voor een

ven dat bijvoorbeeld gebouwen gedurende hun bestaan ver-

volle kerk het schilderij van Schut met een katrolsysteem naar

schillende functies herbergden of vormen aannamen en daar-

beneden gelaten in een bak onder het altaar. Vervolgens

door steeds opnieuw konden gebruikt worden, is wellicht de

plaatste men de katrolhaak op het doek van Seghers dat zich

reden dat ze tot ons zijn gekomen. Veranderingen aan de toe-

op dat moment nog in een andere kast onder het altaar

gankelijkheid van een gebouw kunnen dus vaak bijdragen tot

bevond. Het schilderij werd door één man naar boven gehesen

het verdere gebruik ervan. In toepassing op het onroerend

terwijl drie anderen ervoor zorgden dat het 'op koers bleef'.

erfgoed kan men stellen dat de normen die gebruikt worden

De vlotte wissel werd op warm applaus onthaald. De prachtige

voor de toegankelijkheid van openbare gebouwen en het open-

barokarchitectuur kreeg er meteen een immateriële waarde bij.

bare domein ook toepasbaar zijn voor dat erfgoed, al vallen ze

Na de wissel gaf E.H. Rudi Mannaerts van Toerismepastoraal

dan soms minder gemakkelijk uit te voeren.

Antwerpen, nog een boeiende uitleg over het nieuw geplaatste

Een integraal toegankelijk toilet, dat betekent een toilet dat

schilderij en over de betekenis van Aswoensdag.

door iedereen bruikbaar is, in een monument is dus in principe even groot als in eender welk gebouw. De vraag stelt zich eer-

Momenteel vertoont het interieur nog veel rookschade van de

der of de 'strikte' toegankelijkheidsnormen realiseerbaar zijn in

brand die op 30 augustus 2009 in de kerk woedde. De houten

de relatief moeilijke omstandigheden die een bestaand gebouw

vloeren van de beide tribunes vatten toen vuur; de structurele

of site oplevert. Indien men nieuwe constructies gaat toevoe-

schade werd al hersteld en recent werd de restauratiepremie door minister Bourgeois toegekend voor het verdere herstel en voor herschilderen van het hele kerkinterieur. Ondertussen wordt het monumentale orgel van de befaamde Mechelse orgelbouwer Carolus Dillens, met aanpassingen in 1808 van )ean-Joseph Delhaye en een orgelkast gebeeldhouwd door Pieter Van Bauerscheit, teruggeplaatst. Tegen komende zomer zal het orgel opnieuw klinken in de kerk en zal er een

gen, dient men uit te gaan van een maximale en integrale toegankelijkheid, wanneer het gaat over aanpassingen aan een bestaande toestand, zal men wellicht afwijkingen op deze normen moeten aanvaarden. Belangrijk is deze afwijkingen weloverwogen te bepalen in overleg met toegankelijkheidsdeskundigen, zij kunnen nagaan welke afwijkingen acceptabel zijn. Onroerend erfgoed integraal toegankelijk maken is onmogelijk, streven naar een zo groot mogelijke toegankelijkheid is dat niet.

ander schilderij te zien zijn in het hoofdaltaar. Op maandag 21 april 2014 om 14 uur en op woensdag 13

Problematiek

augustus om 11 uur worden de eerstkomende schilderijenwis-

Er zijn drie onderliggende redenen die maken dat de toeganke-

sels gepland!

lijkheid ook voor onroerend erfgoed, zowel gebouwen als landschappen als archeologische sites, in toenemende mate van belang is. In eerste instantie heeft onze maatschappij stilaan

Rudy De Graef

veel meer aandacht voor de noden van minder mobiele personen. In tweede instantie blijkt dit gezelschap van minder mobiele personen te groeien, onder de vorm van een steeds

ONROEREND ERFGOED EN TOEGANKELIJKHEID VERZOENEN

groter wordende groep ouderen, waarvan sommigen minder mobiel zijn. Deze actieve senioren hebben meer vrije tijd te besteden, tijd die vaak gebruikt wordt voor recreatieve doelein-

Op 28 maart 2014 ging in het gerestaureerde Postgebouw

den. In derde instantie is er het verhaal van de universal design.

Oostende te studiedag Onroerend Erfgoed en Toegankelijkheid

Men streeft naar een maatschappij waarin alle functies ontwor-

door. Ondergetekende gaf een voordracht over de toegankelijk-

pen zijn met het oog op het gebruik door iedereen: niet enkel

heid van al dan niet beschermd onroerend erfgoed. Het ging

minder mobielen of ouderen, maar ook ouders met kinderwa-

daarbij niet over de toegankelijkheid zoals die in erfgoedmid-

gens, kinderen etc...

dens voorkomt, namelijk de toegankelijkheid van daken, goten,

Hierdoor wordt de groep potentiële belanghebbenden steeds

zolders en dergelijke door middel van ladderhaken, zolderbrug-

groter en is er logischerwijze ook meer aandacht voor, zowel

gen en dergelijke in functie van onderhoud en instandhouding,

vanuit de politieke wereld maar ook bijvoorbeeld bij de ontwer-

maar wel het zoveel als mogelijk toegankelijk maken van

pers. Toegankelijkheid had vroeger vaak een eerder negatieve

monumentale gebouwen, parken en landschappen en archeo-

bijklank, en in het architectuuronderwijs bijvoorbeeld was er

logische sites voor alle mogelijke bezoekers met inbegrip van

nooit veel aandacht voor, terwijl dat de laatste jaren wel veran-

minder mobiele personen.

derde, net zoals een groeiende aandacht voor universal design.

Onroerend erfgoed vertegenwoordigt een stuk van onze cultu-

De drie hoger genoemde redenen speelden in vroegere tijden

rele identiteit en dient daarom vaak beschermd of bewaard te

uiteraard veel minder, bij de conceptie of de ontwikkeling van

worden. Men kan dat erfgoed als 'onvervangbaar' beschouwen

onroerend erfgoed, werd meestal een lager comfortniveau dan

maar af en toe dient het aangepast te worden om te kunnen

het hedendaagse nagestreefd en was er meestal geen uitdruk-

overleven. Het voortbestaan ervan hangt vaak samen met de

kelijke aandacht voor de problematiek van de toegankelijkheid.


Daarenboven stellen we vandaag vast dat onroerend erfgoed

kers. Het is duidelijk dat dit de meeste problemen zal opleve-

vaak een meer publieke functie krijgt. Oude kastelen worden

ren bij het eventuele aanpassen van het erfgoed, maar dat wil

hotels, oranjerieën worden restaurants en als een lokaal

niet zeggen dat andere toegankelijkheidskwesties niet kunnen

bestuur vraagt of een oude pastorie of een oud gemeentehuis

aangepakt worden.

- met talloze niveauverschillen - geen uitstekende bibliotheek zou kunnen worden, gaat er bij de erfgoedconsulenten een

Internationale beschouwingen: enkele relevante voorbeelden

alarm af. In feite is dat deels ook een 'toegankelijkheidsalarm'.

In de Conventie van Granada, dit is de Overeenkomst betref-

Het is immers zo dat voor veel erfgoed alleen nog een toe-

fende het behoud van het architectonische erfgoed van

komst weggelegd is wanneer men de functie wijzigt en het

Europa, daterend van 3 oktober 1985 en door België op

openbare karakter ervan vergroot. Maar dat wil niet zeggen dat

28 oktober 2004 geratificeerd, wordt onder andere vermeld in

alle wijzigingen mogelijk zijn. Het is bijvoorbeeld niet evident

artikel 11: "Rekening houdend met de architectonische en histori-

om een voormalige kunstenaarswoning tot een museum ter

sche aard van het erfgoed, verplicht iedere Partij zich tot het bevor-

ere van die kunstenaar om te bouwen: wat ooit als woning

deren van het gebruik van de beschermde goederen, rekening hou-

werd gecreëerd, en dus een beperkte 'draagkracht' heeft, laat

dend met de behoeften van het hedendaagse leven en het zodanig

niet zomaar bussen toeristen toe, terwijl dat misschien net de

aanpassen van oude gebouwen dat die voor nieuwe doeleinden

enige overlevingskans van dat gebouw is. Een goed voorbeeld

kunnen worden gebruikt". In artikel 12 stelt men dat "Erkennend

hiervan is de voormalige woning en atelier van architect Renaat

dat het van belang is dat het publiek in staat wordt gesteld

Braem in Deurne: bezoekers worden er slechts met mondjes-

beschermde goederen te bezoeken, verplicht iedere Partij zich ertoe

maat in toegelaten, het beheer ervan is niet eenvoudig.

alle maatregelen te nemen opdat de gevolgen van dit openstellen

Wanneer men onroerend erfgoed een meer openbaar karakter

voor het publiek, in het bijzonder de nodige voorzieningen voor het

wil geven, zal toegankelijkheid vandaag een belangrijk aspect

toegankelijk maken, geen aantasting betekenen voor de architecto-

zijn, net omdat er aan die 'openbaarheid' allerlei toegankelijk-

nische en historische aard van deze goederen en omgeving."

heidseisen verbonden zijn. Wanneer een gemeente een

Deze artikelen verplichten de ondertekenaars tot het aanpas-

bepaalde (her)bestemming voor een monument in gedachten

sen van beschermde goederen aan de behoeften van het

heeft, dan heeft die gemeente of haar architect meestal (en

hedendaagse leven zonder echter de architecturale en histori-

hopelijk) al nagedacht over verschillende zaken zoals brand-

sche aard van deze goederen en hun omgeving aan te tasten.

beveiliging, warmte-isolatie, restauratieopties, enz... Veel van

Alle aanpassingen aan historische gebouwen, dus niet enkel

die 'bouwaspecten' zijn onderworpen aan allerlei verplichte

op gebied van de toegankelijkheid, dienen echter steeds zeer

adviezen en toelatingen, vaak blijft het aspect toegankelijkheid

nauwgezet overwogen te worden in functie van het voortbe-

daarbij onderbelicht. Naast het feit dat toegankelijkheid slechts

staan van wat het erfgoed in eerste instantie wellicht is, name-

één aspect is in de omgang met bestaande gebouwen, is het

lijk een drager van historisch waardevolle informatie en een

zeker één van de meest ondergewaardeerde elementen in de

drager van (verschillende) waarden. Dit betekent dat wellicht

zorg voor historisch waardevolle gebouwen, landschappen en

niet het volledige erfgoed voor iedereen kan toegankelijk

sites en is het automatisme om hierover na te denken eerder

gemaakt worden. Deze kennis en deze waarden kunnen trou-

beperkt, terwijl het waarschijnlijk juist één van de prioritaire

wens in verscheidene zaken schuilen, gaande van de steden-

elementen is.

bouwkundige opmaak, de omgevingsaanleg en de algemene lay-out van het architectuurplan naast de ondergrond die archeologische informatie kan bevatten tot kenmerkende bou-

Aanpak Beleidsmakers, ontwerpers en erfgoedconsulenten dienen in de omgang met onroerend erfgoed met veel zaken rekening te houden en moeten dus vaak moeilijke keuzes te maken en het is belangrijk dat zij daartoe over de nodige knowhow beschikken. Voorkomen is immers beter dan genezen, bij vele restau-

welementen, bouwwijze, materiaalgebruik maar ook in minder tastbare zaken zoals de historische en esthetische waarde die er in besloten is. Het aspect 'intellectuele toegang' of anders gezegd de problematiek rond de interpretatie van de verschillende betekenissen die onroerend erfgoed draagt, verdient ook nader onderzocht te worden.

raties wordt pas achteraf vastgesteld dat men toch niet voldoet aan al die hoge eisen, maar dan is het nog veel moeilijker om, met respect voor het erfgoed, de zaken recht te zetten.

De Conventie van Valletta (Verdrag van Malta) van 16 januari

We bieden hier geen oplossingen aan, maar wel een 'referen-

1992, de Europese Overeenkomst inzake het behoud van het

tiekader' dat misschien kan helpen om de vereisten van onroe-

archeologisch erfgoed, door België in 2002 ondertekend, ver-

rend erfgoed en de noden van de gebruikers qua toegankelij-

wijst ook expliciet naar publieke toegankelijkheid. Artikel 5,

heid op een systematische wijze te benaderen. Het spreekt

punt 5 vermeldt "te waarborgen dat de openstelling van archeolo-

voor zich dat ook voor niet beschermde gebouwen, landschap-

gische vindplaatsen voor het publiek, met name de nodige voorzie-

pen en sites dezelfde strategie kan aangehouden worden.

ningen voor het opvangen van grote aantallen bezoekers, het

Op het eerste gezicht lijkt, zoals dat wel vaker gaat in de toe-

archeologische en wetenschappelijke karakter van die plaatsen en

gankelijkheid, de aandacht enkel uit te gaan naar de fysieke

hun omgeving niet aantast". Dit is een eerste verwijzing naar de

toegang, en dan meer bepaald de toegang voor rolstoelgebrui-

toegankelijkheid voor minder mobiele personen.


Artikel 9 dat handelt over de bewustmaking van het publiek,

Ook in het artikel 14, dat over meerjarige subsidiëringsover-

stelt onder punt 2 " de toegang van het publiek tot belangrijke

eeenkomsten handelt, zien we aandacht voor de toegankelijk-

bestanddelen van het archeologisch erfgoed, met name vindplaat-

heid. Zo stelt artikel 14/2 dat een project om in aanmerking te

sen, te bevorderen en het tentoonstellen aan het publiek van gese-

komen, de publieke toegankelijkheid van het monument of

lecteerde archeologische voorwerpen te stimuleren".

minstens een representatief deel ervan voorziet of verbetert.

CD

• l—l

12

De minister kan, zo stelt artikel 14/4 punt 5, de geplande toeIn de Europese Landschapsconventie, beter gekend als de

gankelijkheid voor mindervaliden en andere doelgroepen in

Conventie van Firenze, van 20 oktober 2000 en door België op

aanmerking nemen bij de beoordeling van het project. Daaren-

28 oktober 2004 geratificeerd, wordt enkel gesproken over

boven kan de minister volgens artikel 14 punt 5 voor de meer-

"de wil tegemoet te komen aan de wens van de bevolking om te

jarige subsidiëringsovereenkomst onder andere voorwaarden

kunnen genieten van kwaliteitsvolle landschappen en een actieve

opleggen met betrekking tot publieke toegankelijkheid tijdens

rol te spelen in de verandering ervan".

en na de uitvoering van de restauratiewerkzaamheden.

Hier vinden we dus weinig aanknopingspunten wat toeganke-

Publiek permanente toegankelijkheid wordt in het premie-

lijkheid betreft, als wordt er wel verwezen naar de Conventies

besluit (art. 1, punt 10) gedefinieerd als "gedurende tien jaar

van Valetta en Granada en dus impliciet ook naar de toeganke-

minimaal vijftig dagen of driehonderd uur perjaar toegankelijk zijn

lijkheid ervan.

waarvan minimaal tien weekeinddagen, voor individuele bezoekers, met inbegrip van personen met een handicap, inzonderheid

Lokale beschouwingen

rolstoelgebruikers en blinden". Hier wordt ook de link met de

Er bestaat zeer veel wetgeving rond al dan niet beschermde

Open Monumentenverenigingen (art 19 paragraaf 1) en

historisch waardevolle gebouwen, landschappen en archeologi-

molens gemaakt.

sche sites. Het spreekt voor zich dat deze wetgeving een hele-

Ook het premiebesluit archeologie (Besluit van de Vlaamse

boel voorwaarden oplegt aan al wie iets wil uitvoeren binnen

Regering van 26 april 1995 tot vaststelling van een premie voor

een beschermd goed.

werken aan beschermde archeologische goederen en latere wijzigingen) voorziet in artikel 4 paragraaf 3 dat onder andere

Daarnaast bestaan er eveneens verschillende vormen van pre-

"de werken aan de omgeving van de beschermde archeologische

mies en subsidies (meer informatie op onroerenderfgoed.be).

goederen die worden uitgevoerd met het oog op de valorisatie en

Het nieuwe decreet gaat in 2015 van kracht, daarbij blijkt ook

de toegankelijkheid van de site voor educatieve en toeristische

aandacht voor ontsluitingswerkzaamheden die gericht zijn op

doeleinden" als subsidieerbare beheerswerken worden gezien.

de verbeterde inhoudelijke of fysieke ontsluiting van open erfgoed. Belangrijk is te weten dat in de huidige teksten er ook

Wat landschappen betreft worden in het Besluit van de

aandacht is voor de toegankelijkheid van onroerend erfgoed.

Vlaamse Regering van 4 april 2003 tot instelling van een pre-

Hierbij verwijzen we onder andere naar één bepaald onderdeel

gen), in het kader van de landschapspremie in artikel 13 para-

van het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001

graaf 1 punt 4 ook ontsluitingswerken betoelaagd.

miestelsel voor beschermde landschappen (en latere wijzigin-

houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten, waar in afde-

Wat het varend erfgoed betreft wordt in Besluit van de

ling II de verschillende werkzaamheden worden opgesomd die

Vlaamse Regering van 4 juni 2004 tot uitvoering van het

in aanmerking komen voor toekenning van de restauratiepre-

decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erf-

mie. In artikel 5, paragraaf 2 worden onder bepaalde voorwaar-

goed (en latere wijzigingen), gesteld in hoofdstuk V Afd. I art. 6

den onder meer "de restauratiewerkzaamheden die noodzakelijk

punt 2 dat er een beheerspremie kan toegekend worden voor

zijn om het monument te ontsluiten, voor personen met een han-

het uitvoeren van ontsluitingswerkzaamheden die vermeld zijn

dicap, zoals rolstoelgebruikers en blinden" betoelaagd. Het betreft

in het goedgekeurde beheersprogramma ten behoeve van de

hier echter enkel restauratiepremies toegekend aan lokale en

openstelling voor het publiek van het beschermd varend erf-

regionale besturen, voor zover het geen sociaal woonproject

goed, inzonderheid onder andere betreffende het op een edu-

betreft, en bijzondere premies vooropen monumentenvereni-

catief, wetenschappelijk verantwoorde wijze informeren van

gingen. Daarenboven zullen enkel bouwkundige ingrepen op

andersvaliden, in het bijzonder slechtzienden en gehoorge-

het historische materiaal die nodig zijn om een lift of een hel-

stoorden, over de bijzondere erfgoedelementen van het varend

ling te kunnen plaatsen voor premie in aanmerking komen.

erfgoed naast het infrastructureel aanpassen van het varend

Verder kunnen we nog melden dat hetzelfde besluit ook onder-

erfgoed om de toegankelijkheid ervan te verhogen zonder

zoek, dat de kwaliteit van de restauratiewerkzaamheden bevor-

afbreuk te doen aan de erfgoedwaarden van het varend erfgoed.

dert, betoelaagt. Onder dat onderzoek vermeldt het besluit als laatste, onder artikel 29 paragraaf 3 punt 5 een bestemming- of

Een mogelijke methode om hier mee om te gaan

herbestemmingonderzoek. Uit het vervolg van deze tekst zal

Enerzijds is er een algemene 'toegankelijkheidsstrategie': een

blijken dat een toegankelijkheidsrapport daar eventueel deel

soort stramien dat men telkens opnieuw kan gebruiken, voor-

van kan uitmaken.

gesteld aan de hand van een restauratiedossier voor een


monument. Anderzijds zijn er enkele mogelijke benaderingen

In feite is de hier gepresenteerde 'formule' geen 'ei van Colum-

weergegeven die men zou kunnen toepassen bij het bedenken

bus' maar gewoon een logische gang van zaken, wil men onre-

van specifieke oplossingen voor toegankelijkheidsproblemen,

alistische verwachtingen tijdig de kop in drukken. Dit betekent

bij wijze van voorbeeld uitgewerkt aan de hand van het 'ont-

ook dat men redelijk dient te zijn. Het gaat hier niet om nieuwe

werpen van een toegang', gebaseerd op de voorbeelden van

projecten maar om oude gebouwen en landschappen en

English Heritage.

andere historische sites. Men kan dus niet het 'onderste uit de kan' halen, maar men moet op zoek gaan naar goede compro-

Stramien voor een toegankelijheidsstrategie

missen. Een degelijke toegankelijkheidsstrategie ontwikkelen

Een toegankelijkheidsstrategie ontwikkelen in functie van

zou de opdracht moeten zijn van iedereen die onroerend erf-

onroerend erfgoed kan men niet in het ijle bedenken, maar

goed beheert, een daaraan gekoppeld managementplan, te

dient gekaderd te worden in de gangbare methodes. Nemen

gebruiken na restauratie is dan ook onontbeerlijk. De link met

we als voorbeeld de (ideale) restauratie van een monument,

het beheersplan bij beschermde landschappen is dan ook

dan treft men volgende min of meer chronologische stappen

evident.

aan: ten eerste wordt er een bouwhistorische nota opgesteld. Men doet onderzoek naar de historische betekenis van het

Toegankelijkheid en monumentale elementen

gebouw waaruit twee belangrijke conclusies rijzen: Wat is waar-

Een theoretisch voorbeeld over een specifieke ontwerpop-

devol als betekenisdrager en wat dient gespaard te worden

dracht, namelijk het ontwerpen van een toegang, geeft aan op

opdat de historische betekenis van het monument optimaal

welke manier we dit probleem kunnen benaderen. Het hoofd-

behouden kan worden. Ten tweede stelt men een diagnosenota

doel is een permanente toegang ontwerpen die voor iedereen

op. Dit is in feite een onderzoek naar de bouwfysische en tech-

bruikbaar is en waarvan de kostprijs in verhouding staat tot de

nische toestand van het gebouw en resulteert onder andere in

voordelen en waarvan de noodzaak de toekomst van het

twee belangrijke vragen: 'wat dient gerestaureerd te worden?'

gebouw niet schaadt. Bij het ontwerp wordt men geconfron-

en 'wat dient aangepast of vervangen te worden?'. Dit docu-

teerd met een bestaande toestand, daarbij dient men vanuit

ment vormt samen met de inventaris en de opmetingsplannen

het oogpunt van de toegankelijkheid rekening te houden met

de volledige opname van de bestaande toestand. Ten derde

de aanwezige onderdelen, dat zijn omgevingselementen zoals

worden een bestemmingsnota en -plan opgesteld, die de hui-

de aanleg van toegangswegen, het parkeerterrein en in- en

dige en/of toekomstige (her)bestemming van het monument

uitgangen; architecturale onderdelen voortkomende uit het

omschrijven. Ze streven een zo groot mogelijk respect voor de

ontwerp en de constructie van het monument, meubilering en

culturele en de typologische waarden van het monument na en

afwerkingen, detailleringen en uitrustingen. Bij het beschou-

maken een eindbalans op van de min- en meerwaarden die een

wen van zulke fysieke elementen kunnen we vier opties in afne-

mogelijk nieuwe bestemming of een aanpassing meebrengen

mende volgorde van belangrijkheid onderlijnen:

voor het monument. Dit plan wordt gebaseerd op het onderzoek naar de draagkracht van het gebouw. Onder de draagkracht van het gebouw dient men zowel de financiële mogelijkheden als de bestaande of de eventuele nieuwe functie te verstaan. Deze bestaande maar eventueel aan hedendaagse normen aangepaste functie of de nieuwe functie kan immers vereisen dat bepaalde aanpassingen gebeuren, bijvoorbeeld op het gebied van de informatica, de brandveiligheid, HVAC en ook de toegankelijkheid. Bij de opmaak van het bestemmingsplan kan de restauratiearchitect wellicht het best een zicht op de toegankelijkheid van het monument verkrijgen door het opmaken van een 'toegankelijkheidsrapport' in samenwerking met een deskundige. In dit rapport kunnen onder andere geplande circulatiepatronen van aan de straat tot in en rond het gebouw of de site; evacuatiepatronen; locatie van bepaalde diensten (sanitair, ontvangst, specifieke functies) en het uitrustingsniveau van het gebouw onderzocht worden. Zo krijgt men een zicht op de haalbaarheid van de al dan niet nieuwe bestemming van het monument. Op basis van deze drie delen van het restauratiedossier kan men alle mogelijkheden tegenover elkaar afwegen en bepalen wat de restauratieopties zijn. Hieruit kan een globale aanpak resulteren die uiteindelijk zal

Ten eerste is er de verwijdering van het fysieke element. Dit kan enkel een oplossing zijn wanneer met volgende criteria rekening wordt gehouden: de historische betekenis van het gebouw komt niet in het gedrang, het betreft geen beeldbepalende elementen, die onaangeroerd dienen te blijven en de constructieve impact. Eén van de elementen waarmee men rekening zal moeten houden is de bestaande architecturale toestand: een historisch gebouw kan bepaalde stijlkenmerken en stijlcombinaties vertonen, onderdelen of de totaliteit van de gevel en de achterliggende constructie kunnen een bepaalde betekenis hebben. Als we iets verwijderen of wijzigen dan dienen we er op te letten dat de gebruikte regels of de aanwezige samenhang niet of slechts in beperkte mate gebroken worden. Het spreekt voor zich dat het verwijderen van bijvoorbeeld een beeldbepalende art-nouveaupoort in een beschermd gebouw om er een andere, meer toegankelijke poort in te plaatsen, uitgesloten is. Het verwijderen van een drempeltje in een toegangspad daarentegen kan misschien veel problemen oplossen, zonder dat daardoor één van de eerder genoemde kwaliteiten van het erfgoed in het gedrang komt.

leiden tot de opmaak van een ontwerp met een aantal geplande ingrepen.

Ten tweede is er de aanpassing van het fysieke element. Ook hier kan dit enkel wanneer met een aantal van de eerder ver-


ö o; •i-H

noemde criteria rekening wordt gehouden: de historische bete-

Zo kan men bijvoorbeeld een absoluut ontoegankelijke site

kenis van het gebouw komt niet in het gedrang en de construc-

door middel van virtuele realiteit toegankelijk maken in een

tieve impact. Men dient er echter een ander criterium bij te

nabijgelegen bezoekerscentrum.

nemen: de aanpassing is omkeerbaar, indien het element op

Het spreekt vanzelf dat al deze opties in overleg met deskundi-

zich waardevol is. Zonder de historische waarde van het

gen dienen te gebeuren. Men kan ze hiërarchisch beschouwen

gebouw naar beneden te halen is het soms mogelijk om kleine

vanuit het standpunt van de toegankelijkheidsproblematiek,

aanpassingen te doen. Om bij het voorbeeld van de poort te

maar men dient vanuit het oogpunt van de monumentenzorg

blijven, indien ze te zwaar is om opengeduwd te worden kan

geval per geval af te wegen om tot de beste oplossing te

men ze eventueel automatiseren.

komen. Kort gezegd zijn de te overwegen opties voor verschillende ontwerpvraagstukken steeds dezelfde, namelijk: verwij-

'4

Ten derde kan men opteren om een waardig alternatief aan te

deren, aanpassen, vermijden via een omweg of substitutie en

bieden, hierbij dient dan gelet te worden op twee zaken. Zo is

dit telkens op basis van overwegingen met betrekking tot de

er de 'geest' van het gebouw, het is bijvoorbeeld niet altijd even

erfgoedzorg.

logisch om langs een dienstingang binnen te gaan. Zo mis je iets wezenlijks aan het ervaren van de monumentale werking

Landschappen en archeologische sites

van het betreden van een barokke 'voortuin', de zogenaamde

Voor alle duidelijkheid vermelden we hier dat de voorgaande

cour d'hormeur, een open voorplein dat oorspronkelijk ontwor-

tekst zowel geldt voor de gebouwd erfgoed als voor de land-

pen werd als ontvangstruimte en avant-scène voor de residen-

schappen en archeologische sites. Dezelfde overwegingen zijn

tie, waar men door middel van een weg die in de as van voor-

hier van tel, dezelfde vragen dienen gesteld te worden.

tuin, gebouw en achtertuin ligt, het hele parcours kan afleggen.

Daarnaast zijn er nog enkele bijkomende te onderzoeken kwes-

Een groot deel van de belevingswaarde gaat verloren indien je

ties zoals de bereikbaarheid van en toegang tot het domein,

deze tuin ergens halverwege aan de zijkant binnengaat! Daar-

kan men via de 'normale' route doorheen het domein of die-

naast dient men ook aandacht te besteden aan één van de

nen de bestaande paden hiertoe te worden aangepast, kan

adagio's van de toegankelijkheid, namelijk dat vanuit het oog-

men via een alternatieve route de belangrijkste plaatsen van

punt van 'gelijke behandeling' iedereen langs dezelfde deur

het domein betreden, de belangrijkste uitzichten aanschou-

naar binnen gaat. Wanneer enkel rolstoelgebruikers langs de

wen, dient men door middel van alternatieve media intellec-

dienstingang het monument dienen te betreden, dan kunnen

tuele toegang te verlenen tot bepaalde ontoegankelijke zones,

zij het gevoel krijgen tweederangsburgers te zijn.

is er voldoende signalisatie, is er voldoende personeel en zijn er voldoende rustplaatsen? Dit is geen limitatieve lijst.

Ten vierde kan men de dienst op een andere manier verlenen, onder deze optie kunnen we een tweetal mogelijkheden uitlich-

Conclusie

ten. Men kan opteren voor een nieuwe locatie van publieke

Zowel internationaal als bij ons blijkt uit de teksten dat er de

diensten: bijvoorbeeld de ontvangstbalie van een hoger niveau

komende jaren een groeiende aandacht is voor de toegankelijk-

naar een gelijkvloers, toegankelijk niveau verplaatsen. Hierdoor

heid van onroerend erfgoed. Onroerend erfgoed heeft baat bij

worden obstakels vermeden, waardoor deze niet dienen verwij-

de realisatie van een zo ruim mogelijk geïnterpreteerde toegan-

derd of aangepast te worden en waardoor men geen alterna-

kelijkheid, zowel fysiek als intelectueel. Deze toegankelijkheid

tieve route dient te creëren. Een andere mogelijkheid is door

kan op verschillende manieren gerealiseerd worden, zowel

middel van speciale technieken een evocatie van het te bezoe-

fysiek als virtueel, maar moet steeds in functie staan van de

ken monument creëren. Bruikbare technieken hiervoor zijn

erfgoedwaarden. Er bestaat niet zoiets als een handleiding die

onder andere prints, computertechnologie en schaalmodellen.

op alle toegankelijkheidsproblemen in de erfgoedzorg een antwoord kan geven, maar er zijn voldoende voorbeelden van good practice. Het belangrijkste is dat men vroeg in het restau-

De piramide virtueel toegankelijk gemaakt (tekening R. De Graef)

ratieproces toegankelijkheid moet meenemen als één van de belangrijke elementen, dat men de problematiek op een systematische wijze dient te benaderen en dat overleg met de betrokken erfgoedconsulenten essentieel is.

Bibliografie: - English Heritage, Eosy access to historic buildings, 2012 - English Heritage, Eosy access to historical landscapes, 2013

- VAN DEN BOSSCHE H., Onroerend erfgoed en toegankelijkheid, VIOE-Handleiding, nr. 3, Brussel, 2010


ken noodzakelijk waren om het water hoog genoeg te stuwen.

Congres

De meeste watermolensites gaan zeer ver terug. Eeuwenlang

nj

hebben zij de waterhuishouding in en bijgevolg ook de natuurlijke ontwikkeling van de beekdalen bepaald. Het wegnemen van een stuw kan verregaande gevolgen hebben. Een treffend

Leni Thiers

voorbeeld hiervan is het Jekerdal. Door het verdwijnen van drie watermolens op de Jeker in de loop van de 20ste eeuw is het waterniveau met meer dan 1 meter verlaagd en zijn verschil-

DR. HANS DE MARS OVER WATERMOLENLANDSCHAPPEN

de beekdalen een belangrijke bufferfunctie bij hoge waterstan-

Ecoloog en hydroloog Hans de Mars heeft in opdracht van een

van het water met risico op wateroverlast stroomafwaarts.

lende kwelzones droog komen te staan. Bijkomend vervullen den. Het wegnemen van de stuwen leidt tot een snellere afvoer

Nederlandse molenvereniging, de Limburgse molens, een studie uitgevoerd naar de watermolenlandschappen.

Deze studie toont zeer duidelijk het belang van watermolens

Einddoel van de studie is de ontwikkeling van een beoorde-

voor behoud van historische beekdalen aan en kan de basis

lingsinstrument om de actuele waarden en mogelijkheden van

vormen voor verder overleg met de waterbeheerders. In het

watermolens in kaart te brengen. Tevens wordt een systeem

verleden zijn watermolens en andere historische stuwconstruc-

uitgewerkt om de begrenzing van een watermolenlandschap te

ties op waterlopen door ecologen en waterbeheerders immers

bepalen. Een goed watermolenlandschap kenmerkt zich door-

vaak aanzien als obstakels voor de vismigratie en de natuur-

dat het water tot voldoende hoogte opgestuwd kan worden en

lijke ontwikkeling van de beekda-

doordat het terrein achter het rad voldoende sterk naar bene-

len. Uit het onderzoek van Hans

den afhelt, zodat het water snel wegstroomt.

de Mars blijkt dat het verwijderen

Een slecht watermolenlandschap heeft onvoldoende aanvoer

van historische stuwconstructies

van water, sluiswerken kunnen ontbreken, waardoor opstuwen

verregaande gevolgen kan heb-

niet kan. Het achterwater bij het rad is te hoog, waardoor het

ben voor de hydrologie in het

rad tot stilstand komt. Het rechttrekken van meanderende

volledige beekdal en bijgevolg

beken en de aanleg van vistrappen om de sluiswerken heen,

ook nadelige gevolgen heeft voor

heeft vaak een negatieve invloed op de waterstand bij de molen.

de natuurwaarden in het gebied. Hans de Mars is overtuigd dat Uitheemse molen in Wezemaal. Rotselaar (roto L. Thiers)

In de studie wordt een onderscheid gemaakt tussen de molen-

het erfgoedverhaal van de

biotoop en de hydrologische Invloedssfeer van de molen.

molens en de ecologie elkaar

De som van beide vormt het watermolenlandschap. De molen-

kunnen versterken. Hij lanceert een oproep voor een betere

biotoop is het geheel aan menselijke kunstwerken en ingrepen

samenwerking tussen erfgoed en ecologie.

in de directe omgeving van de molen, zoals stuwen en sluizen, bruggen, beemden, molenkolken, visvijvers en parkvijvers,

De impact van de watermolens op hun omgeving is al lang

vloeiweiden, enz. De hydrologische invloedssfeer of stuwscha-

gekend, maar tot nog toe amper bestudeerd. Deze studie is

duw is het gedeelte van het beekdal beïnvloed door de molen.

een belangrijke stap voorwaarts om het watermolenlandschap

Aan de hand van een scoresysteem kan voor elke watermolen-

in al haar aspecten te onderzoeken en zal zeker aanleiding

site een watermolenpaspoort worden opgesteld, waarin het

geven tot een verdere studie van individuele molensites en

watermolenlandschap op objectieve wijze wordt geëvalueerd.

eveneens andere overzichtsstudies. Tevens toont het aan dat

Dankzij deze berekening is het ook mogelijk om het potentieel

het verdwijnen van historische stuwconstructies niet zonder

van een molenlandschap te berekenen, waar momenteel niet

gevolgen voor de waterhuishouding van de beekdalen is. Het

langer gestuwd wordt.

onderschrijft mee het belang van behoud van dit erfgoed en

Vele beekdalen in Vlaanderen en Nederland worden gevormd

kan een belangrijke bijdrage betekenen om de toekomst van de

door een aaneenschakeling van watermolenlandschappen.

watermolens en hun omgeving te verzekeren. Dit zou kunnen

De hydrologische invloedssfeer van de ene molen stopt waar

leiden tot de inpassing van het watermolenlandschap in de

deze van de volgende molen start. Het maximale stuwpeil van

ruimtelijke planvorming (bestemmingsplannen, beekherstel).

deze molens is ook onderling op elkaar afgestemd. Opvallend hierbij is dat de oudste molens (meestal onderslagmolens) doorgaans de grootste watermolenlandschappen bezaten en bijgevolg ook het grootste rendement. Tweede opvallend resultaat is dat de hydrologische invloedssfeer van bovenslagmolens veel kleiner is dan deze van onderslagmolens. Hier staat dan weer tegenover dat de molenbiotoop van bovenslagmolens groter is, aangezien er meer waterbouwkundige kunstwer-

Op 17 maart 2014 gaf dr. Hans de Mars een lezing over zijn studie op de Avond van de Limburgse Molens. De studie Is online raadpleegbaar: http://www.hklimburg.nl/download/9y2923_roo2_ eindrapport_watermolenlandschappen.pdf

• 1—1


De installatie In Flanders' Fields bestaat uit vijf levensgrote afgietsels van paarden, volledig overtrokken met paardenvacht en voorzien van manen. Ze liggen op de grond of balanceren op kramakkelige schragen. Hun houdingen, liggend en uitgestrekt, versterken de dramatische kracht van het beeld. De paarden, slachtoffers van de oorlog, hebben al hun natuurlijke kracht en perfectie verloren. Wat overblijft is hulpeloosheid en tragiek. (...) Vijf dode paarden die met hun verwrongen, verminkte lijven de gruwel en wanhoop van de oorlog tonen. (...) In Flanders' Fields is een hedendaags memento mori, een beeld van de existentiële ervaringen van lijden en dood. MuHKA-conservator Yonah Foncé over het werk In Flanders' Fields dat kunstenares Berlinde De Bruyckere in 2000 oorspronkelijk voor het oorlogsmuseum In Flanders Fields in leper maakte, www.muhka.be, zie ook tentoonstellingscatalogus 'Berlinde de Bruyckere - en alles is aanéén-genaaid', Antwerpen-Tilburg, 2001


Geschiedenis Veel muurschilderingen werden na verloop van tijd aan het gezicht onttrokken. Dit heeft doorgaans te maken met een verslechterde bewaringstoestand, evolutie van schilderstijlen, modes, verandering van eigenaar of bewoner of functiewijzigingen van de kamer. Ook deze schilderingen werden na een bepaalde periode verborgen onder opeenvolgende lagen behangpapier. Als ondergrond voor de tweede laag (?) behangpapier werd krantenpapier gebruikt (4). Een stukje krant vermeldt een trekking van juli 1902. We kunnen dus geredelijk veronderstellen dat de muurschilderingen aan het gezicht onttrokken werden op het einde van de 19de eeuw.

De schilderingen werden in 2009 toevallig teruggevonden onder een dik pakket afwerkingslagen, tijdens aanpassingswerken door de vzw Tarmac die de pastorie tijdelijk mocht gebruiken voor haar werking. Aan het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK) werd toen een beperkt vooronderzoek gevraagd, dat op 13 november van dat jaar werd uitgevoerd door Linda Van Dijck, Marie-Hélène Ghisdal en Estelle De Groote (5).

Detail van de muurschildering met voorstelling van het Quirinaal in Rome (foto K. Vandevorst)

De muurschilderingen bij de aanvang van de werkzaamheden (foto E. Jacobs)

Kort daarna begonnen blijkbaar de vochtproblemen, want op deze lagen gedeeltelijk verwijderd krantenpapier en behangpapier werd een dikke laag van een bruin product aangebracht om hieraan te verhelpen. Daarbovenop is een dunne laag gekleefd van aluminiumfolie met teer. Het is mogelijk dat deze beide 'vochtbestrijders' gelijktijdig aangebracht werden. Vervolgens werd deze kamer nog enkele keren opnieuw behangen. Deze bruine laag werd op de noordwand (tuinmuur) en de oostwand over de hele hoogte gezet; op de beide andere muren gelukkig maar tot op ooghoogte.

M & L I 33


De behandeling van de muurschilderingen

Opgekleefde krant met jaartal 1902 (foto K. Vandevorst)

CJ0B8BS DS ft|>n.~\r;i li il juiiV Nor pro^n Pr v de Jalha\ : Kent • heiï et iUvrmo. Pnxtlo Chente: Ov^ion clmon

f cm • - m a l ) , " •

. x m tMi

11 DES mSULUTlQIIS MARITlVtS n r tr.i

öOSl n0 18, renib i

il wv

mip inlpnsJté

[emcnt« rie

Proeven tot het verwijderen

Zij noteerden het schadebeeld en de laagopbouw en stelden een noodinterventie van 6 dagen en een proefrestauratie van io dagen voor. De voorgestelde proefrestauratie werd niet uitgevoerd. Als 'voorlopige' afscherming werden er toen gipskartonnen wanden vóór de schilderingen geplaatst. Drie jaar later, op 9 januari 2012, werd een overeenkomst ondertekend tussen het gemeentebestuur Meerhout en het agentschap Onroerend Erfgoed voor het onderzoek en de conservatie van de muurschilderingen, als onderdeel van het onderzoeksproject Beheer van igde- en loste-eeuwse muurschilderingen in beschermde monumenten (6) en in samenwerking met de afdeling Beheer van het agentschap die het initiatief nam voor dit project en de werken opvolgde.

Het moeizame blootleggen van de muurschilderingen Bij de aanvang van onze werkzaamheden was het grootste deel van het pakket behangpapier al verwijderd, maar er waren nog overal restanten achtergebleven, alsook krantenpapier, dunne aluminiumfolie op een onderlaagje van teer (?) en een dikke laag van een ongeïdentificeerd bruin product tegen vochtschade. Het verwijderen van de laatste restanten papier stelde niet veel technische problemen, maar de aluminiumfolie en de bruine laag, die de voorstellingen quasi onleesbaar en ongenietbaar maakten, bleken moeilijker te verwijderen. Het uiterst dunne laagje folie kon uiteindelijk nog het best verwijderd worden met kleefband van verschillende sterkte (7). De bruine substantie was een ander verhaal. Een lange lijst van solventen en solventenmengsels werd uitgeprobeerd om deze laag te verwijderen, maar zonder bevredigend resultaat (8). Er werd een staal voor analyse opgestuurd naar het labo van het KIK (9). De analyse identificeerde een organische verbinding die chloor bevat (polychloropreen), met daarbij nog een substantie die een esterfunctie bevat. Uit verschillende oplosbaarheidstesten bleek dat dit mengsel niet kan opgelost worden, maar dat bepaalde solventen deze substantie kunnen doen zwellen. Verdere navraag bij dr. Anne Padias van het Department of Chemistry van de Universiteit van Arizona leerde ons dat het hier wellicht om neopreen ging, dat door crosslinking onoplosbaar was geworden en dat men inderdaad alleen kan doen zwellen met een solventenmengsel, maar niet kan oplossen. Op haar aanraden werden enkele proeven uitgevoerd met natriumcarbonaat in diverse samenstellingen, maar ook deze boden geen soelaas.

van de bruine laag (foto K. Vandevorst)

Het verwijderen van de aluminiumfolie met kleefband [foto E. Jacobs)

34 I M

L


Het verwijderen van de bruine laag (foto P. Schurmans)

Het plein met het Quirinaal vóór restauratie (foto K. Vandevorst)

Een onoplosbaar product? Dit 'mirakelproduct' polychloropreen, beter bekend als neopreen, is een synthetisch rubber, waarvan de uitvinding en de productie in 1931 geclaimd worden door Wallace Carothers en zijn team van de Amerikaanse firma DuPont (10). De basis voor deze uitvinding werd echter al in 1920 gelegd door een Belg, namelijk Julius Nieuwland, geboren in Hansbeke, maar op tweejarige leeftijd met zijn ouders naar Amerika geëmigreerd. Daar werd hij priester en volgde een opleiding van scheikundige. Hij ontwikkelde een synthetisch rubber, waarop het latere neopreen gebaseerd was. Dit neopreen kende toepassingsmogelijkheden op vele domeinen, waaronder isolatie tegen vocht. In deze hoedanigheid werd het hier in de pastorie van Meerhout gebruikt.

verwijderen met minimale beschadiging van de originele schildering. Helemaal ongevaarlijk was deze werkwijze niet, noch voor de schilderingen en noch voor de uitvoerders. Er moest constant gewerkt worden met veiligheidsmaskers. De beste resultaten werden verkregen door het aanbrengen van het afbijtmiddel in een laag van ongeveer 1 m m op zones van 15 x 15 cm. Als het product begon te drogen en een witte kleur kreeg, kon dit met een wattenstaafje, gedrenkt in white spirit, afgerold worden. De gemiddelde inwerkingstijd was tussen 8 en 10 minuten. Achtergebleven restjes werden verwijderd met aceton of mechanisch met de scalpel. De verdere behandeling Al bij al overtrof het resultaat de stoutste verwachtingen (11), al werden na deze reiniging ook de talrijke kleine lacunes en slijtage zichtbaar. Enig verfverlies was wellicht ook veroorzaakt door het verwijderen van het behangpapier. Op de oostwand, links van de schouw, was het neopreen te dik aangebracht om te kunnen wegnemen zonder grote schade. Het tafereel rechts van de schouw kon blootgelegd worden, maar niet zonder verfverlies. De schilderingen op de noordwand aan de tuinzijde konden daarentegen niet meer gered worden.

De achterkamer van de pastorie tijdens de werkzaamheden (foto E. Jacobs)

Na talrijke testen en voornoemde weinig hoopgevende analyseresultaten werd bijna beslist om dit te catalogiseren als een mission impossible. Na nog enkele testen met onwaarschijnlijke en hoogst ongezonde solventenmengsels werd een laatste proef gewaagd met commerciële afbijtproducten in een ultieme poging om deze schilderingen alsnog te redden. Dit is een product dat normaal niet gebruikt wordt in een restauratiecontext, maar de uiterste resistentie van dit synthetisch rubber liet geen andere keuze open. Met dit afbijtproduct werd geprobeerd om de bruine substantie te doen zwellen, om die dan op het juiste ogenblik te kunnen

IVI&L I 35


dispersie. Oude opvullingen, meestal in gips, werden slechts verwijderd als dit voor het goede behoud noodzakelijk was. De meeste oude vullingen werden op niveau van de muur gebracht en behouden. De fragiel geworden verflaag werd gefixeerd met een oplossing van i% tylose MH 300 in een mengsel van water en ethylalcohol in een verhouding 60/40. Op zwaar beschadigde plaatsen werd deze lijm doorheen Japans papier aangebracht.

Retouchering van de lacunes met (ratteggio-streepjes in aquarel (foto K. Vandevorst)

De zichtbare restanten van de schilderingen werden uitvoerig gedocumenteerd en vervolgens werden ze onzichtbaar bewaard onder een laag reversibele verf, gemaakt van tylose met water, krijt en pigment.

Er werd geopteerd voor een, op sommige plaatsen vrij doorgedreven retouchering met aquarel in de tratteggio-techniek. Dit betekent dat de kleine lacunes worden ingevuld met dunne streepjes in de kleur van de naastliggende kleurzones, zodat de optische eenheid hersteld wordt. De grote lacunes werden niet geretoucheerd. De verdwenen plintschildering werd in een tint van gebroken wit herschilderd. De groene omlijstingen met hoekzuilen met palmettenkapitelen, die de stadsgezichten omkaderen, werden zo nodig vervolledigd of gedeeltelijk gereconstrueerd.

Romeinse stadspleinen in Meerhout

Westmuur met piazza Cotonna links en het plein van het Quirinaal rechts (foto K. Vandevorst)

36 I M & L

Oude electriciteitsleidingen, stopcontacten, nagels en andere storende elementen werden voorzichtig verwijderd. Om geen spanningen te creëren werden de lacunes gevuld met een gebruiksklaar lichtgewicht vulmiddel op basis van polymeer-

De iconografie van de muurschilderingen is vrij verrassend: op alle muren prijken Romeinse stadspleinen en gebouwen. Het was duidelijk de bedoeling van de opdrachtgever om één kamer van


muur met ramen aan de tuinzijde en hierop is weinig leesbaar of herkenbaar bewaard gebleven. De zuidwand ten slotte wordt bijna volledig ingenomen door een dubbele vleugeldeur, met links daarvan de voorstelling van een landhuis met een tuinmuur en een boom, en rechts een korte straatwand met huizen.

Kapiteel met palmettenmotief ffoto K. Vandevorst)

Giuseppe en Mariano Vasi

de pastorie volledig te laten beschilderen met gezichten op de meest bekende Romeinse piazza's. De muren werden eerst in vakken gedeeld met een groen en zwarte boord, links en rechts telkens afgewerkt met witte pilasters, waarvan het onderste derde gecanneleerd is en met een profiellijstje afgewerkt. De rest van de pilasters is gemarmerd. De zuilen steunen op eenvoudige geelgouden geprofileerde sokkels. Bovenaan zijn ze afgewerkt met gestileerde palmetten. De schilderingen beginnen onderaan op circa een halve meter boven het vloerniveau en ook bovenaan is er een smallere boord onbeschilderd gebleven. De houten deuren en de deuromlijstingen zijn oorspronkelijk (12). Rond en boven de deur naar de gang lopen de schilderingen door. De brede dubbele vleugeldeur naar het salon aan de straatzijde liet nog net plaats voor twee smalle voorstellingen aan weerszijden. Er zijn geen gegevens over de oorspronkelijke versiering van de schouw. Het was waarschijnlijk geen muurschildering, maar wellicht een houten of met stucwerk versierde schouwboezem met een spiegel of een schilderij? De huidige schildering met een vrouwelijke figuur op een wolk met een kelk en een banderol met Fides is de personificatie van het Geloof en is duidelijk van een andere hand en jonger dan de rest van de beschildering.

De muurschilderingen op de muurvlakken tonen de meest bekende pleinen van Rome. Op de westwand verschijnt links de piazza Colonna en rechts het plein van het Quirinaal met het pauselijk paleis, het palazzo Pontificio sul Quirinak. Op de tegenoverliggende oostwand is rechts van de schouw het Capitool geschilderd, de palazzi di Campidoglio, en links van de schouw het bijna onleesbare piazza di Spagna. De noordwand is de

Vier Romeinse pleinen zijn bijna letterlijk gekopieerd op laat-i8de-eeuwse gravures van Giuseppe Vasi: piazza Colonna, palazzo pontificio sul Quirinale, palazzi di Campidoglio (13), en piazza di Spagna. Giuseppe Vasi, architect en graveur, leefde van 1710 tot 1782 (14). Geboren in Sicilië laat hij zijn prenten eerst uitgeven in Palermo en verhuist dan, in het kielzog van de koninklijke familie, naar Rome waar hij zijn eigen atelier opende. Hij was de leermeester van de later heel succesrijke graveur en etser Giovanni Battista Piranesi. In 1747 begint Vasi aan de realisatie van zijn magnum opus: een uitgebreide verzameling van becommentarieerde gravures: Delle Magnificenze di Roma, een uitgave in tien opeenvolgende boeken, gerangschikt volgens typologie. Hij werkte er alles bij elkaar 14 jaar aan. Deze boeken kaderden in de idee van de Grand Tour en waren vooral bedoeld voor Engelsen en Italianen, zowel pelgrims als toeristen. Mariano Vasi (1744-1820) geeft na de dood van zijn vader een nieuwe bundeling uit van diens gravures (15) en voegt en enkele nieuwe en enkele bijgewerkte prenten bij. Mariano had een winkel van prenten vlakbij de piazza di Spagna. Hij realiseerde zich al snel dat de meeste buitenlandse reizigers eerder geïnteresseerd waren in 'recente' gezichten en daarom herwerkte hij een aantal bestaande gravures, door toevoeging van nieuwe gebouwen of beelden (16). Hierover meer bij de bespreking van het Quirinaal. De piazza Colonna De muurschildering links op de westwand toont de piazza Colonna en werd, althans wat de architectuur betreft, nauwkeurig gekopieerd van de gravure van Giuseppe Vasi (17). De piazza Colonna was toen het belangrijkste plein van Rome en is vernoemd naar de kolom van keizer Marcus Aurelius. Deze kolom werd door paus Sixtus V in 1589 gerestaureerd en 'verchristelijkt' door het plaatsen van een SintPaulusbeeld bovenaan, zoals hier te zien is. Rechts van het plein het palazzo Chigi, gebouwd door Carlo Maderno en nu nog altijd de ambtswoning van de Italiaanse minister-president. De mooie fontein van 1570, ontworpen door Giacomo della Porta tijdens paus Gregorius XIII (1572-1585), heeft de schilder in Meerhout niet 'weerhouden' en is niet afgebeeld.

M & L I 37


v.*y*t<&k'

Gravure van de piazza Colonna door Giuseppe Vasi (uit VASI G. Delle Magnificenze. Libro I I , 1752, pi. 22)

De piazza Colonna met de kolom van Marcus Aurelius in het midden, na behandeling (foto K. Vandevorst)

Het plein in Rome ziet er nu nog altijd ongeveer hetzelfde uit als op de muurschildering, met uitzondering van het gebouw in de as van het plein, het paleis van de viceregent, dat in 1838 vrij ingrijpend verbouwd werd. Vermits de Meerhoutse schilder nog de 'oude' versie afbeeldt, was die verbouwing toen nog niet uitgevoerd of - wat meer waarschijnlijk is - kende hij die nieuwe situatie niet omdat hij wellicht zelf nooit in Rome was?

De schilder heeft de zuil vereenvoudigd door de reliëfs weg te laten (foto K. Vandevorst)

De schilder in Meerhout heeft, zoals ook op de andere taferelen, alleen de architecturale elementen van de gravures van Vasi overgenomen. De koetsen en voetgangers, die hierop te zien zijn, werden op de muurschilderingen van Meerhout weggelaten en vervangen door 'eigentijdse' figuren in contemporaine kledij. We zien twee groepen van twee personen: een dame en heer met hoge hoed in conversatie vlak naast de kolom, en meer op de voorgrond twee elegante heren, eveneens met hoge hoeden, die op het eerste gezicht slaags geraken, maar het is ook mogelijk dat ze elkaar gewoon begroeten, al is dit dan door de schilder vrij onhandig uitgewerkt. Vlak vóór de kolom passeert

Historische foto van de piazza Colonna: het gebouw op de

Personages van diverse rang en

achtergrond was toen al

stand op het plein

verbouwd

(foto K. Vandevorst)


een werkman met een pet. Hij draag een zak op een stok over zijn schouder en in zijn hand heeft hij een in stof gewikkeld pakket. Links vooraan loopt een werkman snel 'uit het beeld' met enkele planken op de schouder. Achter hem een jonge verkoper met een tas op zijn buik. Helemaal achteraan links een ezeldrijver met zijn dier. De luchtpartij bestaat uit langgerekte wolken van verschillende kleuren. Het palazzo pontificio sul Quirinale

Rechts en enigszins over de kleine binnendeur op dezelfde muur is het oplopend plein met het

pauselijk paleis van het Quirinaal afgebeeld. Centraal staat het paleis van het Quirinaal, toen beter bekend als palazzo pontificio sul Quirinale, het pauselijk paleis, vermits de pausen hier hun woonplaats hadden vanaf het einde van de i7de eeuw tot 1870. Daarna werd het paleis eigendom van de Italiaanse koning. Thans is het de residentie van de president. De heuvel was ook gekend als Monte cavallo, naar de antieke beelden die er opgesteld stonden van Castor en Pollux die hun paarden bedwingen. Tussen deze beelden prijkt een grote obelisk met Het plein met het voormalig een kruis op de top. pauselijk paleis op het Quirinaal (foto K. Vandevorst)

3t0t* •-

*r

(llplHUiiill,,! IfellflIIIH!-

U sf1 » i %

mi*1«1111

ii

i M LI 39


Toevallige voorbijgangers, met

:

op de achtergrond de beelden

Kif|iiiim|iji i

van Castor en Pollux met hun paarden (foto K. Vandevorst) Huidig uitzicht van het plein van het Quirinaal

Jli

Gravure van Giuseppe Vasi (uit VASI G, Delk Magnificenze. Libro IV. :754. pi. 61) en bijgewerkte gravure door Mariano Vasi uit 1786: ondertussen werd de obelisk aan het plein toegevoegd (De Agostini Picture Library © Gettyimages)

40 I M<&L

RtJ&iyi? Pon&fikto sul

Duirtnak


Vanaf het paleis vertrekken de lagere dienstgebouwen, waarvan de ronde wachttoren van de Zwitserse wacht door de obelisk aan het oog onttrokken is. Links is de aanzet te zien van het gebouw van de pauselijke paardenstallen (scuderie), dat gedeeltelijk boven de deur doorloopt. Rechts staat het palazzo della Consulta. Ook op dit plein zijn enkele schaarse voetgangers te zien. Een man met buishoed op de rug gezien en twee andere, eveneens elegant geklede heren. Verder nog twee personages in eenvoudiger kledij: een verkoper van prenten of tekeningen (?), die hij aan de overigens niet aanwezige voorbijgangers toont. Eén document zit opgerold onder zijn arm. Een klein jongetje met stelten kijkt naar hem. In het midden van het plein loopt een fraai geschilderde straathond. Opvallend aan deze voorstelling is de aanwezigheid van de obelisk, die op de oorspronkelijke gravure van Giuseppe Vasi afwezig is. Dat is ook logisch, vermits Vasi overleed in 1782 en de obelisk pas vier jaar later geplaatst werd op initiatief van paus Pius VI (1775-1799). Bij deze nieuwe opstelling werden

de twee bestaande beelden van Castor en Pollux iets uit elkaar geschoven, om de obelisk er tussen te plaatsen. Onderzoekers van de universiteit van Oregon (18) kwamen tot de vaststelling dat de zoon van Giuseppe, Mariano Vasi (1744-1820), die de prenten van zijn vader verkocht, bepaalde gravures heeft 'gemoderniseerd'. De prent van Mariano uit de verzameling De Agostini Picture Library, toont het plein van het Quirinaal, ditmaal met de obelisk. Het is duidelijk dat de schilder in Meerhout deze versie voor ogen had. De palazzi del Campidoglio Heel zwaar beschadigd was de muurschildering rechts van de schouw, omdat het isolatieproduct hier in heel dikke lagen aangebracht was. Het verwijderen ervan was bijzonder moeizaam en heeft de schildering ook enigszins beschadigd. Het hier voorgestelde plein is dat van het Capitool, dat bij Vasi gecatalogeerd staat onder het boek Palazzi (19). Ondanks de degradatie was de schildering nog goed leesbaar: centraal de brede trap die naar het plein leidt, met de drie paleizen van het Capitool.

De paleizen op het Capitool, links de trappen naar de Sonta Maria in Aracoeli kerk (foto K. Vandevorst)

M & L I 41


melde wasvrouwen is er slechts één burgervrouw te zien in gesprek met een man, nogal schematisch en op de achtergrond geschilderd. Een elegant geklede man daalt de trappen af. Bovenaan zijn twee monniken in druk gesprek gewikkeld. Achteraan rechts in de hoek van het plein zijn ook twee mannen en uiterst rechts nog een persoon. De prent van Vasi is vrij nauwkeurig gevolgd, zelfs wat de vorm van de uitgerekte wolken betreft. Het standpunt van de schilder van Meerhout is echter iets hoger dan op de gravure. Ook hier heeft de schilder van Meerhout de Romeinse drukte met talrijke personen en het verkeer van paardenkoetsen van de gravure niet overgenomen, maar heeft hij het plein bevolkt met personages uit zijn eigen tijd en omgeving. De gravure van Giuseppe Vasi van het Capitool (uit VASI G. Delit

Magntjicenze.

Libro IV. 1754. pi. 80)

In het midden van het plein prijkt het bronzen standbeeld van Marcus Aurelius (20). Uiterst links is de aanzet van de trappenpartij naar de Santa Maria di Aracoeli nog net zichtbaar. De tussenruimte tussen deze beide trappen wordt dankbaar benut door de volksvrouwen om hun was te laten drogen aan een lange waslijn. Rechts van de trap zijn op de prent van Vasi verharde lange trappen afgebeeld, maar in Meerhout is dit een onverharde weg met gras ernaast geworden. Er zijn een aantal personages te zien: naast de voor-

Piazza di Spagna Deze schildering bevond zich links van de schouw en verkeerde in zo een slechte bewaringstoestand dat besloten werd om deze restanten onzichtbaar te bewaren onder een reversibele en neutrale verflaag. De schildering is namelijk onherroepelijk beschadigd door de dikke laag vloeibare rubber en door vochtschade. Alleen aan de linkerzijde waren nog enkele huizen te herkennen en in het midden de bovenkant van twee kerktorens. Deze restanten identificeerden de voorstelling als de piazza di Spagna met de torens van de Santa Trinitd dei Monti (21).

Schildering links van de brede vleugeldeur, met de schilder {?) en zijn hond (foto K. Vandevorst)

Restanten van de muurschildering links van de schouw, met nog enkele gebouwen, wellicht naar de gravure van Giuseppe Vasi van de ptazza di Spagna (uit VASI C. Ddle Magntfictnze.

42 I M&L

Libro II, 1752, pi. 40A)


[%

p

i

Detail van de schilder met zijn schildersgerief op de rug en zijn schildersezel onder de arm, met gelijkaardige voorstellingen op een foto met Paul Cézanne en een detail van het schilderij La rencontre van Custave Courbet (Musée Fabre Montpellier)

PI p r^ •

^

1

Twee kleine voorstellingen naast de brede binnendeur

Voor het opvullen van de twee kleine muurdelen links en rechts van de brede dubbele vleugeldeur, heeft de schilder geput uit zijn eigen inspiratie of uit details van prenten. Links zien we een straat uit een buitenwijk met een ommuurde tuin, een boom, een palmboompje en een groene struik in de tuin, en achteraan rechts een woonhuis met dakterras en opengewerkt torentje. Op deze voorstelling is maar een persoon gezien, die op de rug is afgebeeld en vergezeld is van zijn hond. De figuur draagt een vrij vierkante 'rugzak' en twee stokken. Vermoed mag worden dat hier een schilder

•

- *

is uitgebeeld die in de vrije natuur zijn schildersezel gaat opzetten en zijn houten schilderkist op de rug vervoert. Vergelijkbare voorstellingen zijn een oude zwart-witfoto van Paul Cézanne met zijn schildergerief op de rug en een schilderij van Gustave Courbet uit 1854 met als titel Bonjour Monsieur Courbet. Wellicht beeldde de schilder van de pastorie zichzelf hier af? Rechts van de deur is er een huizenrij met deels gepleisterde en deels natuurstenen straatgevels. Ook hier maar een persoon: op de hoek van de straat staat namelijk een bedelaar, die zijn hand uitsteekt naar niet aanwezige voorbijgangers en zijn andere arm in een draagdoek heeft.

Straatwand met bedelaar (foto K. Vandevorst)

M&LI 43


Schildering op de schouw met voorstelling van Fides, het Geloof, met kelk en banderol (foto K. Vandevorst)

Kostuumdetails van de mode rond 1820-1840 (foto K. Vandevorst)

De schildering op de schouw Op de schouw is binnen een geschilderde groene en wit gemarmerde brede boord met zwarte omlijning, een schildering van latere tijd en een andere hand aanwezig. Op een grijze wolk zit een vrouwenfiguur met blauw kleed en witte mantel die als een sluier om haar hoofd hangt. Ze draagt een kelk met hostie en stralenkrans in de ene hand en in de ander hand een banderol die haar identificeert als de personificatie van het geloof: Fides.

Datering en opdrachtgever Dateringen post quem worden geleverd door de prenten van Giuseppe en Mariano Vasi en uiteraard door het gebouw zelf. Vermits het woonhuis uitgebreid werd en de achterbouw, waarin deze beschilderde kamer zich bevindt, toegevoegd werd in het tweede kwart/midden ic)dc eeuw, en de schilderingen zich op de onderste laag bevinden, moeten ze uit die periode dateren. De vermoedelijke opdrachtgever voor deze decoratieve reeks is Gerardus Van Pelt, die pastoor was van 1820 tot 1861 en deze verbouwingen en verfraaiingen liet uitvoeren. De kostuumgeschiedenis kon de datering nog verder verfijnen, vermits de afgebeelde personages duidelijk eigentijdse kledij dragen.

44 I M L

Kostuumspecialiste Mireille Madou dateert de kledij tussen 1820 en 1840 (22). Typisch voor die periode is de perfecte snit van het mannenkostuum, dat de voorloper is van het huidige mannenpak met pantalon en vest. De ideale lichaamsvormen waren toen brede schouders en een smalle taille: de schouders werden dus opgevuld. De mannenj assen hebben brede revers en een smalle taille. Knopen en knoopsgaten, soms in dubbele rij, zijn een decoratief element. Ter hoogte van de buik gaan de voorpanden uiteen en eindigen in lange afgeronde panden op de rug.


Pantalons zijn er in allerlei modellen te zien: heel wijd of heel nauwsluitend. De dandy was in de mode tijdens deze periode rond het ontstaan van België! De meeste mannen dragen een cilinderhoed. Op het Quirinaal loopt een kapelaan (?) met een 'steekhoed' rond, met zijn boek onder de arm geklemd.

Detail van het hoekgebouw op de piazza Colonna met 'balkon', op de schildering en in het echt (foto K. Vandevorst en M. Buyle)

Typisch voor die tijd is ook de zogenaamde vadermoorder, dat zijn de strak gesteven hoog uitstekende punten van de halsboorden van de heren, waarrond ze hun das knoopten. De benaming verwijst duidelijk naar het oncomfortabele karakter van dit kledingdetail. Vrouwen zijn opvallend schaars aanwezig op deze reeks schilderingen. Buiten de wasvrouwen in volkse kledij naast de trappen van het Capitool, zijn er maar twee elegant geklede vrouwen te zien, altijd in het gezelschap van een heer. Op de piazza Colonna draagt de afgebeelde dame een luifelhoed met een lang geel lint en een lange mousselinejurk met brede mouwen. Achteraan op het plein van het Capitool lijkt de vrouw gelijkaardig te zijn uitgedost.

Stijl De schilder van de pastorie van Meerhout is een gedegen vakman. Hij neemt de gravures van Vasi nauwgezet over, althans wat de gebouwen en de beelden betreft, en heeft de belangrijkste lijnen eerst in potlood op de muur gezet. De gebouwen worden wel vereenvoudigd en de gevels worden vervlakt. Uitstekende onderdelen zoals profielen, rustico-stenen, versierde vensteromlijstingen, uitstekende dakgoten worden meestal weggelaten of in het vlak opgenomen. De antieke zuil op de piazza Colonna, die helemaal versierd is met reliëfvoorstellingen, is in Meerhout afgebeeld als een vlakke zuil met een rondlopend zwart spiraalvormig lijntje. Het smeedijzeren balkon op de hoek van het gebouw, dat nu nog altijd aanwezig is, heeft hij vereenvoudigd tot een vrij zinloos rasterwerk zonder enige functie. De gevels geeft hij ongeveer allemaal dezelfde tint van natuursteenkleurig pleister. Alleen op sommige taferelen probeert hij door het aangeven van uitstekende stenen de illusie van een rustieke afwerking op te roepen.

staan op zichzelf en interacties zijn schaars: de bedelaar bedelt in een lege straat; de prentenverkoper heeft geen klanten. In enkele gevallen zijn de figuren met twee, zoals het elegante koppel op de piazza Colonna en de twee mannen uit de burgerij die elkaar begroeten, al lijkt het op het eerste gezicht alsof ze mekaar slaan, maar dit is wellicht te wijten aan de onhandige schilderstijl. De gezichten en de handen van de personages zijn heel summier uitgewerkt. De figuren staan ver van elkaar en omwille van hun geringe aantal lijken de pleinen vrij leeg. De gebouwen werpen rechthoekige schaduwen op de pleinen en de schilder gebruikt hiervoor de natuurlijke lichtinval van de vensters van het gebouw waarin hij zich bevindt, in dit geval dus de pastorie met haar vensters in de tuingevel. Ook de personages hebben typische slagschaduwen. Door deze bijna abstracte schaduwtekening en de relatieve leegte van de pleinen hebben deze schilderingen een hoog De Chirico-gehalte, weliswaar avant la lettre.

De schilder neemt van de gravures uitsluitend het architecturale decor over, en niet de afgebeelde drukte van personen en rijtuigen. Hij schildert heel secuur alle gebouwen en vult daarna deze 'lege' pleinen met enkele personages in eigentijdse kledij. Hij kiest hiervoor mensen van alle standen: de clerus, de burgerij, de prenten verkoper, de schrijnwerker, de ezeldrijver, de wasvrouwen, de schilder, kinderen en zelfs een bedelaar. Tweemaal is een hond afgebeeld. Zoals reeds vermeld is het aantal vrouwelijke figuren zeer klein. De personages

De natuur is bijzonder schaars aanwezig: een grasveldje naast de trappen van het Capitool en wat groen op het kleine tafereel naast de binnendeur: een boom op de straat, een driehoekig gesnoeide boom en een vrij zielig palmboompje in de ommuurde tuin. De bladeren en het graspartijen zijn uitgewerkt door het herhaalde doppen met groene verf. De verfis uiterst dun aangebracht op een pleister die op de meeste plaatsen nog in goede bewarings-

M&L

45


toestand is, met uitzondering van de door vocht aangetaste gedeeltes in de buurt van de tuinmuur, de schade door werken en installaties in de kamer en de natuurlijke slijtageverschijnselen.

De schilder van Meerhout In verschillende publicaties worden de muurschilderingen toegeschreven aan de plaatselijke schilder Jan Antoon Ambroos (1757-1845), nadat in het tijdschrift van de Heemkundige Kring Meerhouts Patrimonium in 1995 een bijdrage over deze kunstenaar verscheen (23). Uit archiefonderzoek bleek dat er van deze schilder veel werken gedocumenteerd zijn, maar dat er weinig bewaard bleven. Uitzonderingen zouden zijn de schilderijen van Christus aan het kruis dat de schouwmantel van de pastorie sierde, en een portret van zuster Mathildis de Roye de Wichen, nu voorlopig opgeborgen in de lokalen van de Heemkundige kring. Beide werken zijn niet gesigneerd en zelfs bij een eerste oppervlakkig onderzoek is het al moeilijk om deze aan eenzelfde schilder toe te schrijven. De schilderkunstige kwaliteit van de Christus aan het kruis is beduidend groter dan die van het portret. Deze )an Antoon Ambroos zou ook verschillende muurschilderingen gemaakt hebben, onder andere in het gemeentehuis, maar daar werden ze bij de restauratie onder leiding van Stan Leurs in 1934 niet bewaard wegens te zwaar beschadigd. Een schilderij van priester Bols in datzelfde gemeentehuis zou op de lijst het opschrift Ambroos dragen.

De toeschrijving van de muurschilderingen van de oude pastorie aan deze Jan Ambroos mist voorlopig elke grond.

De muurschilderingen in de voormalige pastorie van Eppegem In de voormalige pastorie van Eppegem in VlaamsBrabant bevinden zich muurschilderingen die wellicht van dezelfde hand zijn. Het huidig uitzicht van de voormalige pastorie van Eppegem in Zemst is hoofdzakelijk igde-eeuws, al is er een oude zandstenen kern van begin 17de eeuw (24). Het gebouw werd beschermd als monument in 1976 en de pastorietuin als landschap. De muurschilderingen werden ontdekt in datzelfde jaar en werden gerestaureerd door de toen pas opgerichte conserveringsploeg van de toenmalige Rijksdienst voor de Monumenten- en de Landschapszorg, nu Onroerend Erfgoed (25). De werken werden begeleid door Michel Savko, hoofd van het atelier muurschilderingen van het KIK. De vier wanden van een kamer op de eerste verdieping zijn volledig beschilderd. De voorstellingen rusten op een

geschilderde sokkel met diamantmotieven in bruine tinten en zijn omrand met bruine boorden met zwarte binnenlijnen. Net zoals in Meerhout is ook hier 'afwijkende' voorstelling op de schouw te zien: van een latere periode en van een andere hand (?). Hier is een Christus met de doornenkroon afgebeeld. Stadsgezichten met antieke en oosterse gebouwen De grootste en best bewaarde schildering bevindt zich rechts van de schouw en biedt een gezicht op het oude Constantinopel, gezien vanop de Bosporus. We herkennen, met enige verbeelding, de Sultan Ahmet moskee, de Hagia Sophia en de Yeni moskee. Alle koepels en minaretten zijn bovenaan met een halve maan afgewerkt. Op de voorgrond de stroom met een man die zijn boot aanmeert, een klein bootje met een zeil en een gondelachtig uitziend bootje met drie roeiers en een rechtstaande passagier. Er zijn enkele stadswallen zichtbaar en een reeks huizen op de rand van de stroom; ze hebben een enkele rij vensters en daken met rode pannen. Links van het venster is een smalle schildering, met een grote ronde toren die aansluit op een aan één zijde opengewerkte muur van twee verdiepingen, waarvan de onderste in rustica is uitgewerkt en de bovenste galerij met rondbogen opvalt door de oculi tussen deze bogen. De constructie lijkt het meest op een antiek aquaduct of een gedeelte van een versterkte stadsomwalling. Rechts van het venster staat een duidelijk islamitisch gebouw, dat vrij gedetailleerd is afgebeeld en overeenkomsten vertoont met de typologie van islamitische monumenten zoals bijvoorbeeld het grafmonument van Akbar in Sikandra (Utar Pradesh/Indië). De schildering toont een drieledig polychroom afgewerkt gebouw met twee verdiepingen ojiefvormige blindnissen. Het geheel is bekroond met vier minaretten aan de uiteinden. De schildering op de lange binnenmuur, die alleen doorbroken is met een tussendeur links, is daarentegen met weinig concrete gebouwen of landschappen te vergelijken. Het betreft een heuvelachtig landschap met enkele paarden en links en rechts vrij eenvoudige ommuurde hoevecomplexen. In het midden van dit tafereel loopt bovendien een brede lacune over de hele hoogte. Deze schildering valt op door de afwezigheid van menselijke figuren. Wellicht stonden er enkele personages in het verdwenen middengedeelte? Een kleiner tafereel bevindt zich links van de deur, die op de traphal uitgeeft. Binnen een ommuurde ruimte, toegankelijk via een rondboogpoort en met een klein torentje met vensters zien we een belangrijk vierkant torengebouw, dat enigszins herinnert


Voorstelling van Constantinopel gezien vanop de Bosporus in de

aan de grootste minaret van Marrakech: deze van de Koutoubia moskee van de iide eeuw, een hoogtepunt van de Spaans-Moorse architectuur. Aan de andere zijde van deze binnendeur is slechts de onderste helft van het tafereel bewaard: ook hier weer een ommuurd ensemble met daarin een torenachtig gebouw. Vóór de muur worden twee zittende figuren, waarvan één met een lange pijp, aangesproken door een rechtstaande man.

voormalige pastorie van Eppegem (foto K. Vandevcrst)

Huidig uitzicht van de stad met moskeeën en restanten van de stadsomwalling

M&L I 47


Links groot hoevegebouw met landerijen en rechts stadsgezicht met rechthoekige minaret (foto K. Vandevorst) Aquaduct of stadsomwalling met ronde toren in de pastorie van Eppegem {foto K. Vandevorst)

Schildering met islamitisch gebouw in de pastorie van Eppegem (foto K. Vandevorst) Gebouw met gelijkaardige typologie in Sikandra (Utar Pradesh) in Indië: het grafmonument van Akbar

48 I M L


S d J 49


De stijl van de schilderingen in Eppegem vergeleken met Meerhout De taferelen zijn, net zoals in Meerhout, van een bijna metafysische leegte. Enkel op de Bosporus zijn enkele figuurtjes in en naast bootjes afgebeeld. Het is heel duidelijk dat ook hier eerst overal de architecturale setting uitgewerkt is, en daarna worden hier en daar figuurtjes 'gedumpt'. Van de inspiratiebronnen voor de taferelen in Eppegem is voorlopig niets teruggevonden. De meeste personages in Eppegem zijn 'oosterlingen', herkenbaar aan hun opvallende tulbanden, ruime mantels, pofbroeken en laarzen. Slechts enkele schaarse westerlingen zijn afgebeeld: vóór de schildering met de stadswallen/ aquaduct en op de voorgrond van de schildering met de grote minaret, waar een oosterling en een westerling met hoge hoed, lange jas en wandelstok blijkbaar in gesprek zijn. De 'westerse' personages lijken zo weggelopen uit de muurschilderingen van Meerhout: exact dezelfde kledij en manier van voorstellen. Ook hier zijn de typische lange schaduwen aanwezig en ook hier heeft de schilder de natuurlijke lichtinval van het venster als uitgangspunt genomen voor de richting van zijn schaduwen.

Eveneens heel vergelijkbaar is de schildering van de natuur. Er zijn twee soorten bomen aanwezig: dun geschilderde vrij schrale cipressen en loofbomen, die bekomen zijn door herhaald doppen met groene verf. Hier en daar zijn ook palmbomen aanwezig: vrij simpel uitgewerkt, met schriele lineaire takken. Het aantal vrouwen was in Meerhout al minimaal, maar in de pastorie van Eppegem lijken ze zelfs totaal afwezig. In deze oosterse stadsgezichten is bijzonder weinig leven en drukte te zien, hetgeen er wellicht op kan wijzen dat deze schilder noch Rome noch de oosterse wereld ooit bezocht heeft.

Detail van twee personages op de muurschilderingen van de pastorie van Eppegem: links een westerse man met buishoed en rechts een oosterling met tulband (foto K. Vandevorst)

50 I M & L

Besluit Het is merkwaardig dat de 'conserveringsploeg' van de Vlaamse Overheid voor haar eerste en voor haar laatste restauratiewerf (26) toevallig terechtkwam in geschilderde kamers, die bij nader inzien en met grote waarschijnlijkheid aan dezelfde 19deeeuwse schilder kunnen toegeschreven worden. De werf van Eppegem in 1976 en de werf van Meerhout in 2012 maken de cirkel rond. Ondertussen is enorm veel werk verricht, zijn er ontelbare ensembles geconserveerd en gerestaureerd, zijn de restauratiemethodes grondig gewijzigd, de deontologie verfijnd en is de professionalisering van de restauratiewereld een feit. De oprichting van academische opleidingen in de conservatie-restauratie heeft in deze laatste evolutie een doorslaggevende rol gespeeld. De overheid kan en mag nu vertrouwen op goed opgeleide restaurateurs, al blijft het wachten op de officiële erkenning erkenning van het beroep. De schilder van beide ensembles blijft voorlopig naamloos. De toeschrijving van de muurschilderingen in Meerhout aan de lokale schilder Jan Ambroos, was wellicht te snel en te weinig onderbouwd. Uit deze beide ensembles uit de periode van het ontstaan van België blijkt evenwel de brede interesse van de toenmalige parochieherders, die hun belangstelling voor de grote wereld wilden demonstreren. Voor de voormalige pastorie van Meerhout is het nu wachten op een restauratieproject en een passende herbestemming. De erfgoedconsulenten pleiten voor een aanpak met herwaardering van de oorspronkelijke interieurelementen zoals schouwen, stucwerk en deuren en voor het herstel van de originele en voor pastorieën heel typische indeling met een doorlopende gang van de voordeur naar de tuindeur. De beschermde tuin vraagt eveneens om een aangepaste aanpak, zeker na het beëindigen van de bouw van het nieuwe stadhuis dat zich gedeeltelijk in deze tuin bevindt.

Marjan Buyle is erfgoedonderzoeker bij het agentschap Onroerend Erfgoed


Eindnoten (i)

De eerste vondsten werden gedaan door leden van het kunstenaarscollectief Tarmac. Toen werd ook al snel de link gelegd met de gravures van Giuseppe Vasi. Els Jacobs vond de link van de heel beschadigde schildering (links van de schouw en bij de huidige restauratiewerkzaamheden niet zichtbaar bewaard) met de gravure van de piazza di Spagna. (2) De pastorie van Meerhout, Pastoor van Haechtplein 9, is eigendom van de gemeente en werd beschermd als monument op n april 2011, samen met de aansluitende bijgebouwen en de tuin. (3) Alle gegevens over het pand: STEYAERT R., Voormalige pastorie Pastoor van Haechtplein g als monument en de aansluitende bijgebouwen met inbegrip van de tuin als dorpsgezicht (onuitg. beschermingsdossier), nr. DA002509. Gegevens over het pand werden in juni 2003 verzameld door Jos Sterckx voor de Heemkundige Kring Meerhouts Patrimonium. Zie ook: KENNES H. en STEYAERT R., Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Antwerpen, Arrondissement Turnhout, Kanton Mol [Bouwen door de eeuwen heen, i6N5),Turnhout, 2002, p. 208-209; GR1ETENS L, De pastorij van Meerhout, in De Zuiderkempen, 1947, p. 4-10. Een drossaard, ook schout of baljuw genoemd, was de lokale bestuurder in gerechtelijke en bestuurlijke zaken.

De hond op het plein van het Quirinaal, na reiniging en vóór retouchering

Ith century traveller, http:/romeartlover.it/, geraadpleegd (foto K. (4) JACOBS E., Meerhout, voormalige pastorie Pastoor Van op 7 januari 2013 (niet altijd even wetenschappelijk van Haechtplein 9. Verslag restauratiewerken 2012 (onuitg. rapaanpak, maar biedt wel veel nuttige informatie). port Onroerend Erfgoed). De gravure van Giuseppe Vasi, zonder obelisk: VASI G., Delle Magnificenze di Roma, Libro IV, / palazzi e le vie piü (5) Onuitg. KIK rapport, dossiernummer 2L/44 2009.10442 celehri, Rome, 1754, pi. 61. De herwerkte gravure, met (6) Het onderzoek en de behandeling werden in 2011-2012 obelisk: VASI M., Raccolta delle piü helle vedute antiche e uitgevoerd door Els Jacobs, Philippe Schurmans en moderne di Roma, Rome, 1786. Marjan Buyle van het agentschap Onroerend Erfgoed. Erfgoedconsulenten van de afdeling Beheer, die het initi- (19) VASI G., Delle Magnificenze di Roma, Libro IV, Ipalazzi e atief namen voor dit project en de werkzaamheden ople vie piü celebri, Rome, 1754, pi. 80. volgden, waren Madeleine Manderyck, Rudy De Graef en (20) Thans, na eeuwenlang verblijf op het plein, vervangen Nathalie Van Roy. Kris Vandevorst van het agentschap door een kopie. Het origineel is opgesteld in de Capitozorgde voor de fotografische documentatie van de werlijnse musea. ken. (21) VASI G., Delle magnificenze di Roma antica e modema, Libro II, Ie piazze principali con ohelische, colonne ed altri (7) Met dank aan de inventiviteit van collega Philippe omamenti, Rome, 1752, pi. 40A. Schurmans (22) Zie ook: VAN THIENEN F., Acht Eeuwen Westeuropees (8) Voor de lijst van solventen zie: JACOBS E., op. cit. Costuum, Zeist-Antwerpen-Brussel, 1950; Galerie der (9) De analyse werd uitgevoerd door Marina Van Bos, DeparModen 1800-1930, Berlijn, 1967; COPPENS M., Mode in tement Laboratoria, Cel Monumenten van het KIK. België in de 19^ eeuw, Brussel, 1996, p. 92 (herenkos(10) http://nl.wikipedia.org/wiki/Wallace_Carothers, geraadtuum) en 153 (vrouwenkostuum van rond 19830) (met pleegd op 24 juni 2013. dank aan collega Evelien Oomen voor het uitlenen van dit (11) Met bewondering voor het doorzettingsvermogen van boek). mijn collega's Els Jacobs en Philippe Schurmans. (12) In tegenstelling tot wat het KI K-rapport vermeldt, is de (23) VOLDERS J., jan Antoon Ambroos. Schilder, kunstenaar, organist 1757-1845, in Heemkundige Kring Meerhouts Patrigrote deuropening tussen de twee salons eveneens oormonium, jg. 12, nr. 49,1995, p. 8-14. spronkelijk. (13) VASI G., Delle Magnificenze di Roma antica e modema, (24) DE MAEGD C. en VAN AERSCHOT S., Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Vlaams-Brabant, 10 dln., Rome, 1747-1761 (heruitg. in 1786 en 1803). Halle-Vilvoorde {Bouwen door de eeuwen heen in Vlaande(14) THIEME U. en BECKER F., Allgemeines Lexikon der Bilren, 2N), Gent, 1975, p. 139. denden Künstler von der Antike bis zur Gegenwart, bd. XXIV, Leipzig, 1923-1950, p. 130; SCALABRONI L, Gi- (25) Met dank aan Chris De Maegd en aan Edgard Goedleven, die deze eerste werf van deze ploeg mogelijk maakten. useppe Vasi (1710-1782), Rome, 1981; CEEN A., Giuseppe De conserveringsploeg, waarvoor deze werf de eerste opVasi, in Art in Rome in the eighteenth century, Philadeldracht was, bestond toen uit Marjan Buyle en Jacques phia, 2000, p. 152-153. Merckx, begeleid door Michel Savko van het KIK. (15) VASI M. (ed.), Raccolta delle piü belle vedute antiche e (26) Het agentschap Onroerend Erfgoed voert nu zelf geen moderne di Roma, Rome, 1786. restauraties meer uit, maar begeleidt, adviseert en voert (16) COEN P., Arte, cultura e mercato in una bottega romana dal onderzoeken uit in functie van beheer. XVIII secolo. L'impresa calcograjica di Giuseppe e Mariano

Vandevorst)

Vasi fra continuita e rinnovamento, in Bollettino d'Arte, dl. 115, 2001, p. 23-74. (17) VASI G., Delle Magnificenze di Roma antica e modema, Libro II, Lepiazzeprincipali di Roma con ohelische, colonne ed altri omamenti, Rome, 1752, pi. 22. (18) Jim Tice, Erik Steiner, Alan Ceen en Dennis Beyer van het Department of Architecture and Infographics Lab en Department of Geography van de Universiteit van Oregon, publiceerden hun bevindingen uitvoerig op de website Imago Urbis: Giuseppe Vasi's Grand Tour of Rome, http:// vasi.oregon.edu/, geraadpleegd op 7 januari 2013; website van Roberto Piperno Rome in the footsteps of an XVII-

1V1&L I 51


Een herwaarderingsplan voor Zurenborg, wijk van de theatrale exuberantie Eline Daelman enjohan Veeckman

De wijk Zurenborg in Antwerpen en Berchem is een

Historische achtergrond

architecturaal unicum met internationale uitstraling. Deze uitzonderlijke stedenbouwkundige realisatie, die deel uitmaakt van de igde-eeuwse gordel rond de Antwerpse kernstad, is door de strak geregisseerde architecturale ontwikkeling en de consequent doorgevoerde stedenbouwkundige visie een hoogtepunt in de belle époque architectuur van ons land. Omwille van zijn artistieke en architectuurhistorische waarde werd het gebied op i o januari 1980 beschermd als stadsgezicht. Deze bescherming omvat ongeveer 540 panden. Daarvan werden er 170 op n april 1984 individueel beschermd als monument. Op 23 juli 2013 ondertekende de bevoegde minister het herwaarderingsplan voor de Zurenborgwijk te Berchem. Dit plan is een op de toekomstige ontwikkelingen gericht beleidsinstrument dat handelingen in het beschermd stads- of dorpsgezicht begeleidt. Het voorziet tevens in de mogelijkheid om werken die in het plan opgenomen zijn te betoelagen. Het werd opgemaakt door de afdeling onroerend erfgoed van de stad Antwerpen met medewerking van de afdeling openbaar domein, beide onderdeel van het stedelijk bedrijf stadsontwikkeling, en in nauwe samenwerking met het agentschap Onroerend Erfgoed (1).

52 I M

I

De Zurenborgwijk bevindt zich in het zuidoosten van de igde-eeuwse gordel rond de historische stadskern van Antwerpen, deels op het grondgebied van de stad en deels op dat van Berchem, gescheiden door de spoorlijn Antwerpen-Roosendaal. De huidige Draakplaats en het Tramplein vormen het scharnierpunt tussen beide delen. De wijk ontstond op het einde van de 19de eeuw op de plaats van de 16deeeuwse Zurenborghoeve. De gronden waren toen eigendom van de families Cogels en Osy. In 1881 richtten zij de Société Anonyme pour la Construction du Quartier de l'Est d'Anvers op. Deze maatschappij wilde op de landbouwgronden een industriepark uitbouwen dat zou worden ontsloten via het nabijgelegen goederenstation van Borgerhout. Al in 1882 veranderde stilaan het opzet van de bestuurders en opteerde men voor de bouw van een woonwijk. Daarvoor werden in 1886 een deel van de Zurenborggronden afgestaan aan de nieuw opgerichte Société pour la Construction de Maisons Bourgeoises. In 1894 smolten de twee maatschappijen samen (2). Tijdens een eerste fase ging de aandacht vooral uit naar het Antwerpse deel van Zurenborg. Centrum daarvan is de Dageraadplaats. Lange rechte straten komen uit op het plein en sluiten aan op het bestaande wegennet. De bebouwing bestaat voornamelijk uit classicistische en later ook eclectische burgerhuizen. Vervolgens kwam ten zuiden van de ringspoorweg het Berchemse (beschermde) deel van Zurenborg tot stand. Initieel was het opzet niet anders dan in het Antwerps stuk, maar toen in 1888 beslist werd de spoorwegen van Antwerpen te verhogen veranderde het concept volledig. Ter hoogte van de Draakplaats kwam er een brug, waardoor de Zurenborggronden volledig werden ontsloten. Men zou een residentiële


wijk met voornamelijk villa's en rijke burgerhuizen oprichten met de Cogels-Osylei als centrale as. Aan de al in 1888 goedgekeurde, maar nog niet aangelegde straat werd een centrale rotonde toegevoegd en de naam werd gewijzigd van Cogelsstraat naar Cogels-Osylei (3). Het Berchemse deel van de wijk Zurenborg bekleedt een unieke plaats in het architecturaal erfgoed van de stad Antwerpen. De ontwikkeling van het gebied werd gerealiseerd in de korte tijdspanne van 30 jaar. De geïsoleerde locatie, de korte bouwperiode en het uitgekiende en consequent doorgevoerde concept van de initiatief nemende bouwmaatschappij zorgden ervoor dat de wijk een uniform geheel en een op zichzelf staande entiteit vormt. De maatschappij zag er nauwgezet op toe dat de architectuurontwerpen beantwoordden aan de kwaliteitseisen van de maatschappij en controleerde de uitvoering van de werken. De bebouwing is een bizarre mengeling van allerlei neostijlen, neoclassicisme, eclecticisme en art nouveau, ontworpen door de belangrijkste Antwerpse architecten van die tijd. Onder meer Joseph Bascourt (1863-1927), Ernest Dieltiens (1848-1920), Jules Hofman (1859-1919), Frans Van Dijk (1853-1939) en Ernest Stordiau (1855-1937) waren hier actief. Het monumentale effect dat de groep uitstraalde in relatie tot zijn omgeving primeerde op de

individuele woning. Het openbaar domein en de voortuinen vormden in de stedenbouwkundige visie van de bouwmaatschappij een essentieel element en moesten de uitstraling van het geheel nog verhogen (4).

Situering van de Zurenborgwijk met aanduiding van het beschermd stadsgezicht ( © Stad Antwerpen, Steve Michiels)

^ . . .

% /

^

1

^ Grotehondstraat

ff

l

""" -»».„

0

^ H

<tr

O

^ • ^

^

to

Wé

V

W&******

O

/

/

0

100 200

400

M&L I 53


yoor het bouwen vsn Burgerst'uizen

rm n Construction * Jlaisans bomi 'eïlsEs

rrri't'i'i'i'i't Kaart van Zurenborg uit 1885. Ten noorden van de spoorweg is al heel wat bebouwing opgetrokken. Ten zuiden begint

Het herwaarderingsplan

de verkaveling ( © Stadsarchief Antwerpen)

De aanleg en de bijzondere architecturale kwaliteiten van de wijk bleven tot nu toe bewaard. Het globale architecturale beeld van de wijk is nog steeds herkenbaar en het stedenbouwkundig geheel vormt een uitzonderlijk ensemble en een uniek staaltje laat 19de- en vroeg 20ste-eeuwse bouwkunst, waarvan de meeste panden overleefden. De geleidelijke degradatie van het straatbeeld, de omgevingshinder, de verkeersonveiligheid en het verdwijnen van een aantal beeldbepalende elementen en kenmerkende structuren enerzijds en onoordeelkundige aanpassingen aan gebouwen anderzijds hebben een negatieve invloed op zowel de fysieke toestand van de monumenten als op de beleving van de omgeving. Daarom werd in 2009 door het Antwerps stadsbestuur beslist om een herwaarderingsplan voor de wijk op te maken. Zurenborg is het eerste stadsgezicht in Antwerpen waarvoor een herwaarderingsplan werd opgemaakt. Deze keuze werd in de eerste plaats bepaald door het belang van de wijk en de gevoeligheid hiervoor bij het districtsbestuur. Gezien de homogeniteit van

54 I M & L

het geheel, ondanks de differentiatie in architecturale uitwerking, was het tevens een goed voorbeeld voor het ontwikkelen van een methodiek. In dit stadsgezicht staan al dan niet als monument beschermde panden naast elkaar. Daar waar monumenten in aanmerking komen voor een onderhoudspremie is dat voor de andere panden niet het geval. Met de goedkeuring van het herwaarderingsplan komt daar voor 260 niet beschermde waardevolle panden verandering in. Tot slot wil dit herwaarderingsplan een kader scheppen en een aantal krijtlijnen vastleggen voor de heraanleg van het openbaar domein. Erfgoedkenmerken en erfgoedelementen zijn twee essentiële begrippen in het kader van herwaarderingsplannen. Erfgoedkenmerken hebben betrekking op de historische structuur. Zij vormen de structurele componenten van het stads- en dorpsgezicht die de eigenheid ervan bepalen en die de waarden vormen die aan de basis liggen van het beschermingsbesluit. In de Zurenborgwijk kunnen drie grote structurele entiteiten worden onderscheiden: het openbaar domein, de voortuinstrook en de bebouwing. Voor elk van deze drie structurerende onderdelen werd een analyse uitgevoerd, bestaande


uit een historisch luik en een analyse van de actuele problemen en knelpunten. Hieruit komen de erfgoedelementen naar voor waaruit elk van deze grote structuren is opgebouwd. De erfgoedelementen zijn de samenstellende componenten met cultuurhistorische waarde van het beschermde stads- of dorpsgezicht en moeten als dusdanig visueel herkenbaar zijn. Ze vormen samen het beeld van het stadsof dorpsgezicht en bestaan onder meer uit gebouwen, beplantingen, omheiningen, bruggen, straatnaamborden en bestrating. De historische analyse en de knelpuntanalyse geven samen input voor het ontwikkelen van een visie op de herwaarderingsdoelstellingen voor de Zurenborgwijk. Het herwaarderen van deze plek houdt immers niet enkel de conservatie van de site in, maar ook de revitalisatie als hoogwaardige woonomgeving en attractieve toeristische trekpleister met respect voor het aanwezige erfgoed.

Het openbaar domein Vanaf de ontstaansperiode van de wijk werd veel aandacht besteed aan de inrichting van het openbaar domein. Het was, ook vanuit een commercieel perspectief, essentieel om de bebouwing te ondersteunen en op een kwalitatieve manier te beleven. Het openbaar domein bestaat uit een rechtlijnig, doordacht stratenpatroon uitgevend op pleintjes en geaccentueerd door uitgewerkte hoeksituaties. De vele scherpe hoeken laten zien dat het patroon, dat zich uitstekend leent voor perspectiefwerking, primeert op de regelmatigheid van de kavels en de bebouwingsmogelijkheden (5). Zurenborg was één van de weinige wijken in de stad waar alle straten gekasseid waren en voorzien van riolering. De kwaliteit van de bestratingsmaterialen moest het openbaar domein een hoogwaardige aanblik bieden. Naast het voetpad werd in de Cogels-Osylei

zelfs een 'rijweg voor trapwielers' aangelegd. De straat was vanaf 1913 verlicht met 14 lantaarns. Door de straat liepen twee openbare vervoerslijnen; één van de Omnibussenmaatschappij en één van de Société des tramways-omnibus, beide opgericht in 1890. De twee lijnen hadden oorspronkelijk hun terminus aan de Draakplaats maar na de afwerking van de spoorwegbrug werden ze verlengd tot in de Cogels-Osylei. In 1899 werden ze overgenomen door de Compagnie Générale des Tramways, voorloper van de MIVA (later De Lijn), die alle Antwerpse tramlijnen onder één bestuur bracht en elektrificeerde. De hiervoor noodzakelijke draden werden bevestigd aan elegante gietijzeren palen (6). Het openbaar domein in Zurenborg evolueerde doorheen de jaren van een aangename verblijfsruimte naar een gebied waar het verkeer dominant is. In de eerste plaats heeft de mobiliteitsdruk de dimensies van het straatprofiel volledig gewijzigd door de aanleg van een parkeerstrook. De bestaande straten zijn door het drukke en zware verkeer verzakt en op sommige plaatsen voorzien van een ondertussen versleten asfaltlaag. Hierdoor ging de beleefwaarde van het openbaar domein gedeeltelijk verloren en is ook de fysieke kwaliteit ervan gedevalueerd. Het aantal lijnen en de frequentie van de trams en bussen in de CogelsOsylei is de laatste jaren sterk toegenomen. In combinatie met de slechte toestand van het wegdek gaf dit aanleiding tot klachten over lawaai- en trillinghinder, nadelig voor de woon- en verblijfskwaliteit van het gebied. De brede straten vormen nog steeds een belangrijk structurerend onderdeel en een intrinsieke kwaliteit van de wijk. De taak en uitstraling van het openbaar domein op Zurenborg dienen in eerste instantie ondersteunend te zijn aan de historische context. Daarom moet het

Generaal van Merlenstraat richting Cogels-Osylei, circa 1920. Beeld van de oorspronkelijke aanleg ( © Stadsarchief Antwerpen)

M&LI 55


grondig gerestyled worden met aandacht voor de leefbaarheid, voor de voertuigsnelheid en voor de beperking van de lawaaihinder. De omgeving moet worden gerevitaliseerd tot een aangenaam verblijfsgebied waar enerzijds een hoogwaardige woonomgeving en anderzijds recreatieve, educatieve en toeristische kwaliteiten centraal staan (7). Terwijl het voor de bebouwing en de voortuinstroken een meerwaarde biedt om zoveel mogelijk een reconstructie van de oorspronkelijke toestand voorop te stellen, is dit voor het openbaar domein minder vanzelfsprekend. Niet alleen omdat de oorspronkelijke materialen en profielen niet exact gekend zijn, maar vooral omdat de rol van het openbaar domein in de loop der jaren sterk gewijzigd is. Een reconstructie van de oorspronkelijke toestand zou het open straatbeeld van weleer niet herstellen, maar eerder de verkeersfunctie nog meer benadrukken. Het is daarom vooral van belang dat het historisch karakter wordt gerespecteerd, waarbij gezocht wordt naar samenhang in het straatbeeld en materiaalgebruik, maar dat er daarnaast ook een leesbaar profiel tot stand komt dat voldoet aan de actuele gebruikseisen. Moderne technieken en materialen kunnen worden aangewend om de huidige verkeersfunctie en de (historische) flaneerfunctie met elkaar te verzoenen, rekening houdend met de historische karakteristieken. Het wordt een evenwichtsoefening tussen bewaren en vernieuwen. De heraanleg van het openbaar domein impliceert in de eerste plaats een herinrichting van de straten. In het herwaarderingsplan worden suggesties

gegeven over de aanpak van het publiek domein en worden de krijtlijnen van het toekomstig ontwerp vastgelegd. Daarnaast wordt, vertrekkende vanuit een evaluatie van het historische materiaalgebruik, een leidraad opgesteld voor materialen die bij een heraanleg in aanmerking komen. Het bestaande straatprofiel is strikt genomen te smal voor het huidige verkeer. Omwille van het straatbeeld en het niet verder benadelen van de verblijfskwaliteit is het echter wenselijk de huidige maatvoering te behouden. Een verbreding van de voetpaden is niet mogelijk. Wel kan er mogelijk plaatselijk meer verblijfsruimte gecreëerd worden aan de kruispunten. Ook een betere afbakening van de parkeerzone kan de verkeersfunctie minder benadrukken in het straatbeeld. Dit zal onderdeel uitmaken van het ontwerp van de heraanleg. Ter hoogte van het kruispunt van de Cogels-Osylei met de Generaal Capiaumontstraat en de Generaal Van Merlenstraat bevindt zich vandaag een rond punt voor het autoverkeer. Dit rond punt heeft geen historische betekenis. De oorspronkelijke aanleg reconstrueren is geen optie, omdat de voetpadbreedte zeer beperkt was en de rijweg een grote oppervlakte innam. Met de huidige verkeersintensiteit zou deze inrichting nefast zijn. Bij heraanleg wordt geopteerd voor een klassiek kruispunt, waarbij op de hoeken van de straten de voetpadzone verbreed wordt zodat er meer verblijfsruimte ontstaat. Het herwaarderingsplan schetst enkel schematisch de uitgangspunten, de detailuitwerking moet onderdeel zijn van een concreet ontwerp. Het is vooral van belang dat de openheid van de plek gevrijwaard blijft en het ruimtegebruik


De Cogets-Osylei omstreeks 1890. Oorspronkelijk straatbeeld ( © Stadsarchief Antwerpen)

voor de verkeersfunctie tot een minimum wordt herleid. Historisch bestaat het wegdek in de Cogels-Osylei uit kasseien voor de rijbaan en betontegels voor het voetpad. Twee aspecten zijn hierbij belangrijk. Enerzijds wilde de maatschappij de prestigieuze straat een hoogwaardige aanblik geven. Anderzijds is er het visuele aspect van de materiaalkeuze. Zoals uit oude foto's blijkt, gaven de kasseien de straat een homogeen beeld. Beide aspecten zijn belangrijk in de discussie waarbij gezocht wordt naar een manier om historisch verantwoord materiaalgebruik te combineren met de huidige, zwaar toegenomen verkeersbelasting en de kwaliteit van de woonomgeving (8). Voor de voetpaden werden in de oorspronkelijke toestand vermoedelijk tegels van 30 bij 30 cm gebruikt, met een onderscheid tussen tegels in beton en meer hoogwaardige zerken in scoriae. Scoria is een oud gebakken steen, blauw/grijs (genuanceerd) van kleur met een eerder rustiek uitzicht (9). Het vermelde formaat van 30 bij 30 cm is echter ongebruikelijk, waardoor het moeilijk in te schatten is wat het werkelijke uitzicht was en of het inderdaad exact hetzelfde materiaal betreft. In welke straten (Cogels-Osylei versus zijstraten) uiteindelijk welke tegels werden gebruikt is evenmin bekend. In het onderscheid speelde wellicht de kostprijs een rol eerder dan esthetische overwegingen. Bij een heraanleg wordt bij voorkeur gekozen voor één uniform en hoogwaardig materiaal. Bij de heraanleg van de Draakplaats, werd geopteerd voor grijze grès-platines, die ook

elders in de buurt gebruikt zijn. Deze zijn qua kleurnuance niet helemaal identiek aan de oorspronkelijke bestrating, maar hebben wel een gelijkaardige hoogwaardige uitstraling die in harmonie met de omgeving is. Het geniet daarom de voorkeur om het gebruik van dit materiaal ook elders in de wijk door te trekken. Oorspronkelijk bestond de rijweg uit kasseien in Quenast, de klassieke Belgische porfierkasseien (10). Dit materiaal weerspiegelt sterk het historische karakter. De ruwe kasseien bieden echter nadelen ten aanzien van fietscomfort en geluidsoverlast, zeker bij druk busverkeer, en houden in combinatie met de tramsporen in de Cogels-Osylei en de Guldenvliesstraat een ernstig risico in op verzakkingen en loswrikken. Om de technische vereisten en de beeldkwaliteit te verzoenen, is een mogelijke oplossing bij een heraanleg het gebruik van gezaagde kasseien in straten zonder tramverkeer en het gebruik van gezaagde kasseien ingestort in prefab betonplaten in straten met tramverkeer (11). Daar waar voor de rijweg een gezaagde kassei de voorkeur geniet, wordt voor de parkeerstroken een klassieke ongezaagde kassei voorgesteld, zoals deze ook elders in Antwerpse straten wordt toegepast. Bij de oorspronkelijke aanleg van de Cogels-Osylei werd een 'rijweg voor trapwielers' in ijzerschuimkasseien voorzien (12). In de huidige toestand is er een fietscomfortstrook in rode betonklinkers langs de even straatzijde die momenteel in slechte staat verkeert. Bij een heraanleg is het vooral van belang dat het fietscomfort kan worden gegarandeerd, eerder dan er een aparte voorziening voor te treffen. Daarom is het aangewezen om dit af te stemmen op het materiaal van de rijweg. De keuze

1VI&L

57


van het straatmeubilair gebeurt bij voorkeur uit het gamma van de standaard Antwerpse straatmeubilaris (13). De huidige verlichtingstoestellen op palen passen bij de sfeer van de wijk, zonder opringerig te zijn. Het is een type dat ook elders in de stad gebruikt wordt. Er wordt vooropgesteld dit type armaturen te behouden bij een heraanleg.

De voortuinstrook Typisch voor de Cogels-Osylei en enkele panden elders in de wijk is de aanwezigheid van een voortuinstrook, belangrijk voor de ondersteuning van het globale uitzicht (14). De zone tussen de gevels werd ingericht volgens een uitgekiend ruimtelijk concept. Het groen speelt daarbij een belangrijke rol. Het is subtiel aanwezig via doorkijken tussen de huizen en nadrukkelijk in de voortuinen. Vooral in de Cogels-Osylei is ze bepalend voor het uitzicht. In de voortuinstrook mocht men van de maatschappij geen hoogstammige bomen planten. Het groen bestond uit kleine struiken, vaak snoeivormen in groepen of strak aangelegde perken, en geknotte acacia's, die het vergezicht niet belemmerden, regelmaat brachten in het straatbeeld en het straatperspectief ondersteunden. Een pad zorgde voor de toegang tot de woning.

In 1898 werd de voortuinstrook in de CogelsOsylei voorzien van een hekwerk, voor de directie van de bouwmaatschappij een essentieel sfeerelement (15). In de loop der jaren deden zich echter een aantal vanuit erfgoedcontext onwenselijke ontwikkelingen voor. De voortuinen worden oneigenlijk gebruikt en de huidige aanleg verstoort veelal het open en verzorgd straatbeeld van weleer. Overmatige verharding in heterogene verhardingsmaterialen, beplanting die de bebouwing afschermt van de straat en de belendende percelen en het verdwijnen van het typerende hekwerk tasten de uitstraling van het geheel aan. Ook de diversiteit en het gebrek aan kwaliteit van het meubilair doen vaak afbreuk aan het stadsgezicht. Het herwaarderen van de voortuinstrook tot een open en een groene ruimte en het onderhouden, herstellen, terugbrengen van hekwerk en bolacacia's zijn essentieel voor het behoud en de versterking van de beeldwaarde van het beschermd stadsgezicht. Alle herstellingswerken aan de oorspronkelijke tuinaanleg, met uitzondering van de beplanting, en het terugplaatsen van het hekwerk komen dankzij het herwaarderingsplan in aanmerking voor betoelaging.

De voortuinstrook met lage beplanting en typerend hekwerk

58 I M & L

vormt een essentieel

Het gebruik van de

sfeerelement in de wijk

voortuinstrook vandaag

( © Stadsarchief Antwerpen)

(foto O, Pauwels)


Het straatbeeld van de Waterloostraat met beschermde

De bebouwing De aanleg van de Zurenborgwijk en de gebruikte architectuur is op zich niet uitzonderlijk. De decoratie, grootte en gevelindeling van de woningen komt overeen met andere panden in igde-eeuwse stadsuitbreidingen. Ook de planopbouw is zeer traditioneel. Het buitengewone ligt echter in de samenhang tussen de panden die de uitstraling van de individuele woning overstijgt en de zorgvuldige inpassing van de architectuur in een doordacht stedenbouwkundig concept (16). De bebouwing wordt gekenmerkt door een uitbundig eclecticisme. Rijk versierde woningen in zeer uiteenlopende stijlrichtingen werden opgetrokken in een afwisselend gesloten en halfopen bebouwing met hier en daar doorzichten naar het groen in de achterliggende tuinen. De ensemblewaarde van de architecturale gehelen is daarbij even belangrijk als de architecturale kwaliteiten van de individuele panden op zich. De eerste panden in het Berchemse deel van Zurenborg werden opgetrokken vanaf 1885. Na de Eerste Wereldoorlog kwam er snel een eind aan de igde-eeuwse burgerlijke ideologie

die aan de basis lag van het ontstaan van deze wijk. De burgerij wilde niet meer in de stad wonen. Zowel het onderhoud van de grote herenhuizen als het nodige dienstpersoneel waren te duur. De eclectische architectuur werd door moderne architecten zwaar bekritiseerd. Sloopplannen werden op het einde van de jaren zestig op het nippertje verijdeld door een nieuwe generatie verlichte architecten met Renaat Braem aan het hoofd (17). De individuele aanpak van eigenaars en/ of bewoners, andere regelgevingen (bijvoorbeeld inzake energetische maatregelen) of onvoldoende inzicht in de kwaliteit en originaliteit van de architectuur tasten gaandeweg in min- of meerdere mate de uniciteit van de wijk Zurenborg aan. Aanpassingen aan de oorspronkelijke afwerking van de gebouwen, zoals ander kleurgebruik, teloorgang van schrijnwerk of het verdwijnen van decoratieve elementen allerhande, zorgen voor een verschraling van de kwaliteit van de gebouwde omgeving.

woningen naast niet beschermde waardevolle panden (foto O. Pauwels)

Op basis van een volledige fotografische inventarisatie en historisch onderzoek van de bouwaanvragen in het stadsarchief en het archief

M&L

59


van Berchem werden binnen de bebouwing vier categorieën onderscheiden: beschermde monumenten, niet als monument beschermde waardevolle panden, beeldondersteunende en beeldverstorende panden. De 170 beschermde panden die reeds in aanmerking komen voor onderhouds- of restauratiepremies worden in het herwaarderingsplan buiten beschouwing gelaten. Een aantal panden hebben geen actieve rol in het beschermd stadsgezicht. Ze zijn niet in overeenstemming met de artistieke en architectuurhistorische waarden die aan de basis liggen van het beschermingsbesluit. Ze zijn ofwel beeldondersteunend door zich neutraal in het straatbeeld in te passen, ofwel beeldverstorend. Ze zijn opgetrokken in atypische materialen, hebben een afwijkende gevelindeling, dateren uit een latere periode of hebben door zware verbouwingen hun kwaliteiten verloren. Deze panden komen niet in aanmerking voor een premie. Ze blijven wel onverminderd deel uitmaken van het beschermd stadsgezicht en zijn daarom per definitie gebonden aan de rechtsgevolgen van de opname in het stadsgezicht. Het herwaarderingsplan verandert niets aan het beschermingsbesluit.

Beeldondersteunende en beeldverstorende panden aan de Guldenvliesstraat (foto O. Pauwels)

60 I M L

Blijven over de niet als monument beschermde waardevolle panden die zijn opgetrokken in dezelfde periode en in dezelfde geest als de vele monumenten in de wijk Zurenborg. Ze bepalen mee de historische en artistieke waarde van het stadsgezicht. Een aantal waardevolle panden dateert echter van na 1920. Het zijn veelal representatieve vertegenwoordigers van een bepaalde stijlrichting als art deco of nieuwe zakelijkheid en ze zijn omwille van hun esthetische en architecturale kwaliteiten eveneens opgenomen in deze categorie. Deze categorie van niet beschermde waardevolle panden kan in aanmerking komen voor een onderhoudspremie volgens de voorwaarden, voorzien in het herwaarderingsplan. Bij een premieaanvraag

wordt nagegaan of de uit te voeren werken in overeenstemming zijn met de algemene doelstelling van het herwaarderingsplan. Die veronderstelt het oordeelkundig onderhoud, het herstel of het herwaarderen van de gevels en bedaking van de opgenomen waardevolle panden, voor zover zichtbaar vanaf de openbare weg. Bij de beoordeling van de premieaanvraag is de oorspronkelijke toestand het uitgangspunt en wordt nagegaan in hoeverre de aanvraag bijdraagt tot de versterking van het authentieke karakter. Per pand werd een inventarisatiefiche opgemaakt waarin de historische en de huidige toestand worden geïnventariseerd. Deze fiches kunnen stelselmatig aangevuld worden naargelang men over bijkomende informatie beschikt. In de fiches worden de erfgoedelementen die in aanmerking komen voor betoelaging opgesomd. De betoelaagbare werken hebben betrekking op het schrijnwerk, schilderwerk, de gevels, daken en ornamentiek.

Besluit De Zurenborgwijk bekleedt een unieke plaats in de stedenbouwkundige en architecturale ontwikkeling van het igde-eeuwse en vroeg aoste-eeuwse Antwerpen. Gerealiseerd in een relatief kort tijdsbestek, werd de wijk een exponent van de architecturale theatraliteit van het moment, spiegel van de toenmalige denkbeelden en idealen. De perceptie van de kwaliteiten van Zurenborg raakte echter snel in een neerwaartse spiraal maar de oorspronkelijke architecturale en stedenbouwkundige kwaliteiten bleven in belangrijke mate bewaard. Gelukkig sprongen in de jaren 60 van de vorige eeuw een aantal mensen, onder wie Renaat Braem, op de barricades, waardoor de teloorgang vermeden werd. Sindsdien is de stelselmatige herwaardering van de wijk gestart en is Zurenborg niet alleen een exclusieve woonbuurt geworden, maar ook een belangrijke bestemming voor het cultuurtoerisme. De mogelijkheid om voor beschermde stads- en dorpsgezichten een herwaarderingsplan op te maken geeft aan eigenaars en/of bewoners de mogelijkheid om een aantal onderhoudswerken te laten betoelagen. Maar het herwaarderingsplan wil in de eerste plaats een impuls zijn om op een doordachte en kwalitatieve manier voor de instandhouding en herwaardering van de omgeving te ijveren. Gerichte beheersmaatregelen kunnen de uitstraling van de wijk behouden of herstellen. Door deze beheersvisie uit te schrijven in een document ontstaat enerzijds een geobjectiveerd kader waarbinnen de doelstellingen expliciet verwoord worden. Anderzijds zorgt het herwaarderingsplan voor meer en betere sensibilisering van eigenaars en bewoners. Door ook het openbaar domein expliciet op te nemen zorgt het herwaarderingsplan


voor een totaalvisie op de wijk. Het uiteindelijk doel is de site te conserveren, maar ook te revitaliseren tot een hoogwaardige verblijfs- en woonomgeving en een attractieve toeristische trekpleister.

Eline Daelman is consulent wetenschappelijk werk bij de afdeling onroerend erfgoed - monumentenzorg van de stad Antwerpen. Johan Veeckman is afdelingshoofd onroerend erfgoed bij de stad Antwerpen.

Eindnoten (i)

(2)

Het herwaarderingsplan is digitaal beschikbaar via volgende link; http://www.antwerpen.be/eCache/ABE/80/38/ 405. Y29udGV4dD04MDM0MjI3.html POSSEMIERS J., De voorstad groeit. De Antwerpse Oostwijk van 1881 tot 1914. Een schaakbord voor katholieke houwspeculanten (onuitg. lic. verh), Leuven, 1984, p. 40-43, 49; POSSEMIERS J., De voorstad groeit: Antwerpen Zurenborg, 1900; een bouwmaatschappij creëert haar wereld. Verhandeling van de Koninklijke Academie voor Wetenschap, Letteren en Schone Kunsten van België. Klasse der Letteren, jg. 53, nr. 138, Brussel, 1991, 35; KENNES H., PLOMTEUX G. en STEYAERT R., Inventaris van het cultuurbezit in Bekgië, Architectuur, Stad Antwerpen, Fusiegemeenten [Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, 3ND), Brussel-Turnhout, 1989, p, 145.

(3)

POSSEMIERS, op. cit, 1991, p. 144-146; KENNES H., PLOMTEUX G. en STEYAERT R., op.cit., p. 145. (4) BEKAERT G., Cogels-Osylei, Antwerpen: architectuurparade, Architecturae liber XI, Luik-Brussel, 1984, p. 17-19; POSSEMIERS, op. cit., 1991, p. 146-150; KENNES H., PLOMTEUX G. en STEYAERT R., op.cit., p. 145-146. (5) SAA, MA#i284. (6) ELAUT A. en POSSEMIERS )., Op wandel door de belle époque: Antwerpen-Berchem-Cogels-Osylei, Groot Bijgaarden, 1988, p. 24, 30, 90; POSSEMIERS, op. cit., 1984, p. 90; KENNES H., PLOMTEUX G. en STEYAERT R., op. cit., p. 145; POSSEMIERS, op. cit., 1991, p. 96,178-igo, 208. (7) Analyse op basis van oud fotomateriaal: SAA, GP#4544; SAA, EOTO-OF#727i; SAA, GP#727i. (8) ELAUT A. en POSSEMIERS J., op. cit.. p. 30; POSSEMIERS, op. cit, 1884, p. 89; POSSEMIERS, op. cit., 1991, p. 9 6 .

(9) POSSEMIERS, op. cit., 1884, p. 90; POSSEMIERS, op. cit., I99i,p.2i5. (10) POSSEMIERS, op. cit., 1884, 89; POSSEMIERS, op. cit.. 1991, p. 96. (11) Dergelijke 18 m lange platen werden o.a. gebruikt aan het Sint-Veerleplein te Gent. De Lijn Oost-Vlaanderen heeft dit procédé inmiddels ook op andere plaatsen toegepast en dit blijkt in technisch opzicht een duurzame en haalbare oplossing. Er zijn weliswaar enkele kritische punten bij dit systeem die verder moeten onderzocht worden, zoals de afstemming van de voegverdeling ter hoogte van overgangen, de nodige ruimte in de straat om deze platen te kunnen monteren en de iets langere onderbreking van het tramverkeer die nodig is dan bij een klassieke plaatsing. Ook betekent dit dat de spoor- en wegeniswerken in één gecombineerde uitvoering dienen te gebeuren. (12J IJzerschuimkasseien is een materiaal dat in het bestek en lastenkohier wordt vermeld. Het is niet duidelijk om welk materiaal het gaat. Zie POSSEMIERS, op. cit., 1884, p. 90; POSSEMIERS, op. cit., 1991, p. 9 6 . (13J De straatmeubilaris is een catalogus van straatmeubilair bij inrichting van de Antwerpse publieke ruimte. (14) Analyse op basis van oud fotomateriaal: SAA, GP#4543; SAA, GP#6825; SAA, FOTO-OE#5434. (15) ELAUT A. en POSSEMIERS ]., op. cit., p. 33; POSSEMIERS, op. cit., 1884, r40, POSSEMIERS, op. cit., 1991, p. 136-137. (16) BEKAERT, op. cit.,1984, p. 9. (17) ELAUT A. en POSSEMIERS ]., op. cit.. p. 39-46 ; KENNES H., PLOMTEUX G. en STEYAERT R., op.cit., p. 147.

I •III I III

.•!'

.1 IMI l l | ll'l'lll

1||- l||:.-1||-i:||l i | | f

Sta&arcnMf AntwMpen dqiUto kopw

Bij de beoordeling van de premJeaanvraag is de oorspronkelijke toestand het uitgangspunt en wordt nagegaan in hoeverre de aanvraag bijdraagt tot de versterking van het authentieke karakter. De bouwaanvraag van Transvaalstraat 37-39 en de bouwsporen dienen als basis voor de beoordeling van de huidige situatie. De ensemblewaarde van de panden wordt meegenomen in de afweging (foto O. Pauwels. plan © Stadsarchief Antwerpen)

M & L I 61


THEY SHOOT HORSES, DON'T THEY? SKELETONS OF HORSES AND MULES AS HERITAGE FROM THE GREAT WAR Historically, the important role animals played in the first World War is well known. Armies were not yet fully motorised and could not cope with the often inaccessible terrains, without the aid of transport animals. This was perhaps most clear for the muddy, drowned landscapes of the Western Front, unsurpassable for the vehicles of that time. A large number of pack and draught animals thus served in the German and Allied armies, and many of them ended their lives as victims of shooting, bombing or other acts of violence. Killing the animals meant blocking the supply lines and was thus a vital strategy for both sides of the front. It is estimated that around one million pack and draught animals never returned from the war. Nowadays, the contribution of these war animals is regarded with respect. An abundant literature is available, movies on this theme have been made and even memorial monuments have been erected in their honour. Yet, the archaeological remains of animals that died at or near the front have long received little attention. Only the last years, during a number of preventive archaeological excavations, animal skeletons or bones have been recovered shedding light on the fate of pack and draught animals during the Great War. Four different sites tell four different stories.

62 I M&L

At Reningelst (community of Poperinge), in 2009, a terrain was explored that was riddled with smaller and larger bomb craters, refuse pits and smaller structures from the first World War. From the written sources it is known that British divisions camped near the location. Most of the structures contained animal bones, sometimes recognisable as parts of the skeletons of large mammals. The presence of horseshoes provided a obvious clue for their identification. A minimum number of 27 individuals was counted and a detailed inspection of the bones revealed that not only horses but also mules (the cross between a female horse and a male donkey) were buried at the site. The reconstructed withers heights and the robust build of the bones show that these animals were used for heavy duty. Where the frontal bones were preserved, all skulls showed a bullet hole, documenting how the horses and mules were put out of their suffering. The fragmentation of the skeletons, their dispersal over several pits, and the presence of sawing and cutting marks, prove that the meat of the animals has been removed, without doubt for human consumption. At 'Sappenleen', an industrial development site on the territory of Poperinge, in 2011 the remnants of war infrastructure of the Allied army were excavated. A row of seven graves was also discovered, containing the skeletons of heavy draught horses and their horseshoes. The limbs have been dismembered, in order to fit the carcasses into the grave pits more easily, but apart of this the bones were found in anatomical connection. All skulls showed a bullet hole in the frontal part. There are no indications that the meat has been removed from the bones. Evidently, this neatly ordered 'graveyard' stands in stark contrast to the more chaotic way in which the animal remains were treated at Reningelst. At Oostvleteren, in 2012, two skeletons of horses or mules (the bones have not yet been studied) were found on a site occupied by French troops. Of one of the animals the shoulder blade was perforated by a bullet of French production type, suggesting that possibly an animal that was gone astray had to be put down. Finally, at leper, near the Menen Gate, in 2012 two horse or mule skeletons were found in a depression near a road entering town, possibly representing animals killed during transport. The archaeological animal remains clearly not only illustrate the fate of horses and mules during the war, they also shed light upon aspects of human behaviour that are not often documented by written or iconographic sources. As such, they are a valuable part of the heritage of the Great War.


Merkem. After the war the landscape was thoroughly cleared up on account of the economic importance of the canal. No physical relicts of 1914-1918 were preserved in Drie Grachten, except for some filled bomb craters, only visible from up in the air. The memory of the Great War is mainly supported by memorials. Until the 1970's a yearly commemoration was held by the Union des Zouaves du Nord, in remembrance of the First Regiment of Zouaves Drie Grachten (three ditches) is a hamlet on the border of which had successfully defended the Drie Grachten Merkem (a borough of Houthulst) and Noordschote (a against the Germans in November 1914. borough of Lo-Reninge). The hamlet's name is derived

FROM BATTLEFIELD TO LIEU DE MEMOIRE: THE DRIE GRACHTEN OUTPOST IN THE IEPERLEE CANAL FLOODING AREA

from the confluence of three watercourses: the leperlee, the leper-Yzer canal and the Martjevaart (vaart = canal). During World War I the Drie Grachten were in de the middle of the flooding area of the leperlee canal, halfway between the German and allied positions. Fierce battles of conquest have been fought over this outpost. During the First Battle of Ypres, the Germans have tried to conquer Drie Grachten but were beaten off by the French (10-13 November 1914). In January 1915 the French handed over Drie Grachten to the Belgians. In the buildup to the Second Battle of Ypres the Drie Grachten were conquered by the Germans (April 8,1915). The Germans turned Drie Grachten into a strongly fortified position, consisting ofa number ofbunkers connected by trenches. Between April 1915 and July 1917 no major battles were fought in Drie Grachten. The Merkem sector was then known as a relatively quiet sector. During the Third Battle of Ypres, Drie Grachten was recovered by the French (August 16, 1917). In November 1917 the French handed over Drie Grachten to the Belgians. The Belgian army built a double bridge for the provisioning of troops in

ROME IN MEERHOUT DISCOVERY AND CONSERVATION OF 19TH CENTURY WALL PAINTINGS One would not exactly expect to find wall paintings with views of Rome in a Campines presbytery. During renovation works in the protected former presbytery in Meerhout, remains of ancient wall paintings were discovered under thick layers of wallpaper. Magnificent views of famous Roman squares appeared. The conservation treatment by the team of Immoveable Heritage agency was a perfect occasion for further research. The Italian squares seemed to have been painted after 18th century engravings by Giuseppe and Mariano Vasi. The decorated room is situated at the garden side of the former presbytery. Gerardus Van Pelt, parish priest from 1820 till 1861, had the back part of the house built up to the same height as the front and it was most probably also he who commissioned the painted room. This ensemble was hidden from view around the end of the 19th century. It seems that shortly thereafter moisture problems occurred as on top of the first layers of newsprint and wallpaper, a brown substance was applied, with a thin layer of tarred aluminium foil. The paintings were discovered by chance in 2009 and a limited preliminary research was carried out. The treatment and research by the conservation team of the Flanders Heritage Agency started in 2012 within the framework of the research project "Management of 19th and 20th century wall paintings in protected monuments". Removing the brown layer, which proved to be neoprene (synthetic rubber), was extremely laborious. Through cross-linking it had become insoluble and we were forced to resort to a powerful stripper, not commonly used in

M&L I 63


restoration. The layer of paint had become fragile and was fixated with a solution of i % tylose MH 300 in a mixture of water and ethyl alcohol (6/4). Once cleaned, the wear of the paint became apparent, necessitating substantial retouching in some places. This was done with aquarelle in tratteggio technique. The larger lacunas were not retouched. The wall paintings' iconography is quite surprising: Roman city squares and buildings figure on all walls: the piazza Colonna, the Quirinal square with the papal palace, the palaces of the Capitol and finally, almost obliterated, the piazza di Spagna. Furthermore there are two smaller paintings of a country estate with walled gardens and a street wall with a beggar. The squares are almost exact copies of prints by Giuseppe Vasi (17101782) from his ten-part work Delle Magnificenze di Roma. His son Mariano continued the business and later adapted some of the engravings, like the one of the Quirinal where he added the recently erected obelisk. Particularly the costume history allowed us to date this ensemble between 1820 and 1840, around the creation of the kingdom of Belgium. The painter only copied the architectural part of the engravings, not the commotion of people and carriages. He painted very meticulously al buildings, and then filled these empty squares with characters from his own time. The people are very much stand-alone and rarely Interact. The almost abstract shading and relative desolation are very much like De Chlrico's work. There are wall paintings in the former presbytery of Eppegem presumably by the same artist. Here we find oriental views. Best preserved is ancient Constantinople, seen from the Bosporus, furthermore Islamic buildings, minarets and an aqueduct and numerous oriental figures with turbans, sometimes in conversation with a Western gentleman. This ensemble was also treated by the restorers of the agency. It was actually their first restoration assignment in 1976! The painter of both ensembles remains anonymous till today. The somewhat hasty attribution of the Meerhout wall paintings to the local painter Jan Ambroos, was not very well-founded. Both ensembles dating from around the creation of Belgium are proof of the large interest of the parish priests, willing to show their lively interest in the wide world.

REVALUATION OF ZURENBORG, BOROUGH OF THEATRICAL EXUBERANCE The Zurenborg district is situated in the southeast of the nineteenth century belt around Antwerp's historical city centre. The part listed for protection is on the Berchem territory and was constructed during a period of some 30 years. The architecture is a most bizarre concoction of all kinds of neo-styles, classicism, eclecticism and art nouveau, all done by Antwerp's main architects of the time. The overall monumental effect of the ensemble on its surroundings was more important than the individual building. The public domain and the front garden were essential elements in the vision of the building company on urban development. The basic pattern and specific quality of the district have been preserved. The global architectural view is still recognizable and the whole is an exceptional sample of art heritage. There is however the undesirable evolution of the street scene, environmental damage, traffic situation, as well as the loss of a number of determinant elements and typical structures on the one hand, and the injudicious modifications of buildings on the other hand; all ofthis has had a negative Influence on the monuments' physical condition as well as on the perception of the neighbourhood. Therefore the decision was taken in 2009 to draft a revaluation plan for the area. Based on an inventory and an analysis of history and obstacles, a view was developed on revaluation goals for the strip of front gardens, the public domain and the building. Furthermore the works eligible for subsidy were specified. A revaluation project consists of a management tool for future development aiming to support any intervention in a protected city or village view. On July 23, 2013 the Minister signed the revaluation plan for the Zurenborg quarter in Berchem, listed for protection since January 10, 1980 for tis artistic and architectural-historic value. This protection comprises some 540 buildings, 170 of which have been protected individually as a monument since April 11,1984.


Het archeologisch onderzoek in Raversijde (Oostende) in de periode 1992-2005 Raversijde gaat terug tot een laatmiddeleeuwse vissersnederzetting met de naam 'Walraversijde'. Dit 8ste deel van de Relicta Monografieën behandelt chronologisch de resten en sporen uit de prehistorie, de Romeinse periode, de late middeleeuwen en de vroeg-moderne tijden. Deze publicatie is in de eerste plaats een opgravingsverslag: ze beschrijft, analyseert en interpreteert de belangrijkste sporen samen met een selectie van de aangetroffen mobiele resten en de resultaten van natuurwetenschappelijk onderzoek.

TECHNISCHE

GEGEVENS

BESTELADRES

AUTEURS

FORMAAT

MARNIX PIETERS.

A4

CECILE BAETEMAN, JAN BASTIAENS, A N BOLLEN,

PAGINA'S

Vlaamse overheid - agentschap Onroerend Erfgoed Koning Albert ll-laan bus 5 1210 Brussel

637

Tel. 02 553 16 13 - Fax 02 553 16 55

PHILIP CLOGG, BRIGITTE COOREMANS, MARC DE BIE, FRANS DE BUYSER, GUIDODECORTE, KOEN DEFORCE. ANNELIESDEGROOTE, INEDEMERRE. HENDRIK DEMIDDELE, A N T O N ERVYNCK. GLENN GEVAERT. TITO GODDEERIS. A N LENTACKER. LIESBET SCHIETECATTE. MARIT VANDENBRUAENE. W I M VAN NEER. MARC VAN STRYDONCK. FRANS VERHAEGHE. A L A N VINCE (t), SARA WATZEELS & INGEZEEBROEK

ILLUSTRATIES 485

E-mail: diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be Prijs: 50 euro + verzendingskosten

AFWERKING VIERKLEURENDRUK, HARDE KAFT uur uBi euu

PUBLICATIEJAAR 2014

mm ei erf-i

^ 7 ggoed < VLAAMSE OVERHEID


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
M&L_33_2.pdf by Vlaanderen-be - Issuu